summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--13596-0.txt5417
-rw-r--r--13596-8.txt5806
-rw-r--r--13596-8.zipbin0 -> 104327 bytes
-rw-r--r--13596-h.zipbin0 -> 1403518 bytes
-rw-r--r--13596-h/13596-h.htm4342
-rw-r--r--13596-h/Bavo/images/002.pngbin0 -> 13518 bytes
-rw-r--r--13596-h/Bavo/images/003.pngbin0 -> 111387 bytes
-rw-r--r--13596-h/Bavo/images/035.pngbin0 -> 113506 bytes
-rw-r--r--13596-h/Bavo/images/059.pngbin0 -> 103779 bytes
-rw-r--r--13596-h/Bavo/images/093.pngbin0 -> 65880 bytes
-rw-r--r--13596-h/Bavo/images/115.pngbin0 -> 58820 bytes
-rw-r--r--13596-h/Bavo/images/145.pngbin0 -> 88333 bytes
-rw-r--r--13596-h/Bavo/images/175.pngbin0 -> 91684 bytes
-rw-r--r--13596-h/images/002.pngbin0 -> 13518 bytes
-rw-r--r--13596-h/images/003.pngbin0 -> 111387 bytes
-rw-r--r--13596-h/images/035.pngbin0 -> 113506 bytes
-rw-r--r--13596-h/images/059.pngbin0 -> 103779 bytes
-rw-r--r--13596-h/images/093.pngbin0 -> 65880 bytes
-rw-r--r--13596-h/images/115.pngbin0 -> 58820 bytes
-rw-r--r--13596-h/images/145.pngbin0 -> 88333 bytes
-rw-r--r--13596-h/images/175.pngbin0 -> 91684 bytes
-rw-r--r--13596.txt5806
-rw-r--r--13596.zipbin0 -> 104215 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/13596-8.txt5806
-rw-r--r--old/13596-8.zipbin0 -> 104327 bytes
-rw-r--r--old/13596-h.zipbin0 -> 1403518 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/13596-h.htm4342
-rw-r--r--old/13596-h/Bavo/images/002.pngbin0 -> 13518 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/Bavo/images/003.pngbin0 -> 111387 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/Bavo/images/035.pngbin0 -> 113506 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/Bavo/images/059.pngbin0 -> 103779 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/Bavo/images/093.pngbin0 -> 65880 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/Bavo/images/115.pngbin0 -> 58820 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/Bavo/images/145.pngbin0 -> 88333 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/Bavo/images/175.pngbin0 -> 91684 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/images/002.pngbin0 -> 13518 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/images/003.pngbin0 -> 111387 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/images/035.pngbin0 -> 113506 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/images/059.pngbin0 -> 103779 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/images/093.pngbin0 -> 65880 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/images/115.pngbin0 -> 58820 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/images/145.pngbin0 -> 88333 bytes
-rw-r--r--old/13596-h/images/175.pngbin0 -> 91684 bytes
-rw-r--r--old/13596.txt5806
-rw-r--r--old/13596.zipbin0 -> 104215 bytes
48 files changed, 37341 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/13596-0.txt b/13596-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..3a64611
--- /dev/null
+++ b/13596-0.txt
@@ -0,0 +1,5417 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 13596 ***
+
+HENDRIK CONSCIENCE
+
+
+BAVO EN LIEVEKEN
+
+
+(BRUSSEL, [1885])
+
+
+
+
+
+[Illustratie: «Goeden avond» juichte de jongen.]
+
+
+
+
+
+BAVO EN LIEVEKEN
+
+
+
+
+I
+
+
+Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de
+Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck.
+
+Alhoewel het daglicht reeds vermindert, is er alles nog in de volle,
+drukke werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten
+onder de zwoeging der mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste
+doet leven.
+
+Het is vooreerst de _Duivel_, dat machtig tuig, waarin het katoen
+wordt geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft
+verloren; dan de koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende
+potten, die altezamen de boomwol in vlokkig sneeuw veranderen, ze
+mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de spintuigen tot
+haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en
+eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne
+ontelbare spillen en bobijnen.
+
+Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige
+snelheid; het is eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende
+wielen, van knarsende radertanden, van vluchtende riemen, van
+wandelende spinmolens, van draaiende spillen.
+
+Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden
+andere geruchten vermengt tot een donderend gebruis, tot een
+zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en zoo vol, dat het de
+denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem duizelig
+maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee.
+
+Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne
+stem vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig
+wezen tusschen de reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft
+geschapen.
+
+Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang
+der raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen
+katoen of bobijnen aan, en geven onophoudend voedsel aan het
+duizendledig monster, dat de stof met onverzaadbaren honger schijnt te
+verslinden.
+
+Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de
+raderwerken heen- en wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens
+doorkruipen! En nochtans, dat een riem, een tand, één van al die
+draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed of slechts hunne mouw
+aangrijpe ... en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden afrukken of
+hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, vóórdat het, ginder verre,
+als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoevele
+onvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden
+door de barsche, zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent
+tusschen katoen en menschenvleesch!
+
+Maar daar galmt een klokslag! De vuurmaker stopt het stoomtuig; hij
+ontneemt aan de mekanieken hunnen adem en hun leven ... en op het
+ontzaglijk gerucht, op het zinverdoovend geraas volgt de stilte der
+eenzaamheid en der rust....
+
+Het was op eenen zomeravond van het jaar 1832, dat de werklieden der
+fabriek van mijnheer Raemdonck dus, op het sein der klok, hunnen
+arbeid staakten en te gelijk op het binnenplein zakten, om daar voor
+een venster van het bureel op de uitbetaling van het loon der
+afgeloopene week te wachten.
+
+Alhoewel schijnbaar dooreengemengd, toonden zij echter eenige
+schikking. Men kon zien, dat de vrouwen, de kinderen en de mannen
+neiging hadden om afzonderlijke groepen te vormen; zelfs de wevers en
+de spinners stonden aan eene verschillige zijde van het plein.
+
+Allereerst werden de vrouwen betaald; want onder hen waren vele
+moeders, wier zuigelingen sedert uren misschien naar lafenis en
+voedsel snakten. Arme wichtjes, gansche dagen aan vreemde handen
+toevertrouwd, levend van hunne geboorte af in derving en in nood!
+Slachtoffers van een maatschappelijk gebrek, dat, tegen de natuur en
+tegen den wil Gods, de vrouw onttrekt aan de vervulling van den
+moederplicht, opperste wet van haar wezen op aarde!
+
+De werklieden toonden nu eenige levendigheid; zij schenen vroolijk,
+omdat de lange week was afgeloopen en de rust van morgen hen
+toelachte.
+
+Een sterkgebouwde kerel, die tusschen de spinners stond, onderscheide
+zich door zijne luidruchtigheid. Kluchtige woorden en grove
+zinspelingen rolden hem uit den mond, en hij had zijne gezellen meer
+dan eens in eenen schaterlach doen losbarsten.
+
+Nu bemerkte hij eenen werkman, die uit de fabriek kwam en tot het
+uiterst einde van de groep der spinners naderde. Hij ging naar hem
+toe, deed hem teeken, dat hij hem over iets wilde spreken, trok hem
+een paar stappen van zijne kameraden weg en zeide:
+
+"Ha sa, Adriaan, gij zijt er bij dezen avond, niet waar? Wat zullen
+wij lachen en vermaak hebben!"
+
+"Waarbij, Jan? Ik weet van niets," was het antwoord.
+
+"Hoe? gij weet niet, dat rosse Leo van avond zijn _jubilé_ viert?"
+
+"Welk _jubilé_?"
+
+"Van vijfentwintig jaar spinner."
+
+"Werkt Leo reeds zoolang? Onmogelijk: de man is nog niet oud genoeg."
+
+"Niet oud genoeg, Adriaan? Hij was draadjesmaker in de spinnerij van
+Lieven Bauwens, in de allereerste fabriek, die er te Gent was
+opgericht. Dit was in 1800, en Leo was alsdan zestien jaar. Hij weet
+het nog zoo juist op zijn duimken, als hadde hij eenen almanak in den
+kop. Hij is spinner geworden, in 1807, bij mijnheer De Vos. Tel maar
+op de vingeren: zeven van tweeêndertig, blijft vijfentwintig."
+
+"Inderdaad; men zou het niet zeggen: de rosse Leo schijnt geen veertig
+jaar oud."
+
+"Het is, dat hij het leven verstaat en Gods water over Gods dijk laat
+loopen. Ware hij een kniezer geweest, dan zou hij al lang op het
+kerkhof liggen. Eene goede pint bier, eene schel hesp en van tijd tot
+tijd een scheut jenever, dat zet bloed, jongen.... Welnu, doet gij
+mede? Eenen halven frank tot inzet.
+
+Wij zingen, lachen en drinken tot half den nacht. Het is morgen toch
+Zondag. Er zullen daarenboven vier vette konijnen te verdubbelen zijn:
+een buitengewoon _Smeerken_, in de Blauwe Geit, bij onzen kameraad
+Pier de Knul?"
+
+De andere bepeinsde zich eene wijl, schudde het hoofd en antwoordde:
+
+"Ik heb geene goesting, Jan."
+
+"Wat is dit nu?" kreet zijn gezel verwonderd. Zult gij vijfentwintig
+cents weigeren om het _jubilé_ van eenen ouden vriend te vieren?"
+
+"Het is niet voor de vijfentwintig cents, Jan. Ik ken den rossen Leo
+bijna niet, en, ik zeg het rechtuit, dit drinken halve nachten lang
+bevalt mij niet meer; ik kan er niet tegen, het maakt mij ziek."
+
+Deze woorden, op eenen zekeren vreesachtigen toon gesproken, deden Jan
+in eenen spotlach uitbarsten: hij greep de twee handen zijns vriends
+en zeide hem:
+
+"Damhout, Damhout, jongen lief, ik heb medelijden met u. Gij waart
+vroeger altijd het haantje vooruit, en het was u nooit te laat om naar
+huis te gaan; maar sedert gij getrouwd zijt, ik heb het gezien van het
+eerste jaar af,--sedert gij getrouwd zijt, geraakt gij allengskens
+meer en meer achter den bezem; gij durft u niet meer verroeren, gij
+wordt een suffer, een gierigaard, een kwezelaar. Foei, gij vergeet,
+dat gij een man zijt, en gij ligt als een kind onder den duim uwer
+vrouw. Gij zoudt wel mededoen, ik weet het: gij hebt nog een tandje,
+dat er naar lotert; maar gij moet eerst permissie van moeder Damhout
+hebben, en God weet, of gij die permissie nog durft vragen!"
+
+"Wildenslag, ik wil mij niet boos maken," mompelde Damhout. "Ik weet,
+dat gij het niet kwaad meent, alhoewel gij onrechtvaardig zijt jegens
+mij."
+
+"Welnu, loochen dan, dat gij weigert uit opzicht voor uwe vrouw!"
+
+"Integendeel, ik beken het; maar indien het eens was uit achting voor
+haar en uit genegenheid voor mijne kinderen?"
+
+"Ja, Damhout, uwe kinderen; gij zult er een schoon kot van kweeken van
+uwe kinderen. Kleed ze maar als rentenierkens; laat ze maar naar de
+school gaan. Zoolang ze jong zijn, zullen ze meer kosten dan gij kunt
+winnen. Zij zullen schoon weer spelen en luierikken, terwijl gij, och
+arme, na eene gansche week te hebben geslaafd, nog geene pint bier met
+de vrienden zult mogen drinken. Geef hun uw zweet en uw bloed, verderf
+uwe gezondheid en verkort uw leven, en als ze groot geworden zijn,
+zullen ze hunnen vader, den armen versleten fabriekwerker, niet meer
+willen bezien of herkennen."
+
+Deze woorden waren niet zonder indruk op het gemoed van Adriaan
+Damhout. Hij scheen treurig en bleef eene wijl met gebogen hoofde
+overwegen. Dan zeide hij twijfelende:
+
+"Nochtans, Wildenslag, de geleerdheid is een schat, eene macht, die
+den mensch tot alles bekwaam maakt; en vermits wij onzen kinderen geen
+ander erfdeel kunnen nalaten...."
+
+"Vertelsels, droomen van uwe vrouw," herhaalde de andere. "Wat wilt
+gij, om 's hemels wil, dat een spinner of een wever met de geleerdheid
+doe? Of wij nu konden lezen en schrijven, wat zou het ons helpen?
+Hebt gij er minder om gewonnen, dat gij zoo min als ik, eene A uit
+eene B kent? Kom, kom, zotte hoovaardigheid en onnoozele praat
+allemaal. Onze ouders hebben gewerkt van kindsbeen af, wij hebben
+evenzoo gewerkt, en onze kinderen kunnen ook maar werken, dan valt er
+niets op te zeggen. Meent gij, dat ik mijn klein vee zal vetten met
+mijn zweet, totdat ze aan de luiheid gewend zijn? Hola een beetje! Er
+is er reeds één op de fabriek en de anderen zullen volgen. Zoo komt er
+van alle kanten boter in den pot, mijn vriend; en kan er voor ons nog
+een pintje bier, en van tijd tot tijd een plezierig smeerken op
+af.... Welnu, wat zegt gij? Viert gij mede het _jubilé_ van rossen
+Leo? Kom, gij moogt niet zoo vervaard zijn van uwe vrouw. Laat ze wat
+knorren. En maakt ze het te bont, toon haar, dat gij man zijt en een
+hart in het lijf hebt."
+
+Adriaan Damhout stak de hand in den zak, haalde er een stuk van
+vijfentwintig cents uit en gaf het aan zijnen gezel.
+
+"Alzoo, dezen avond, te negen uren stipt, in de _Blauwe Geit_, bij
+Pier de Knul?" juichte Wildenslag. "Het zal er gaan, het zal er een
+leventje zijn, dat gij er in uwen ouden dag nog zult van spreken!"
+
+"Ik zal pogen te komen; maar ik ben er niet zeker van," mompelde nog
+de andere.
+
+"Ja? gij zult toch niet dom genoeg zijn om uw geld door anderen te
+laten opdrinken? Dan zou ik zeker zeggen, dat gij met uwe vrouw van
+kleederen hebt verwisseld. Onmogeljk, Adriaan, zoover zijt gij nog
+niet."
+
+Op dit oogenblik riep men van uit het bureel zekere nummers, en de
+beide vrienden begrepen daardoor, dat hunne beurt om het weekloon te
+ontvangen was gekomen.
+
+Jan Wildenslag kreeg eerst zijn geld, doch bleef nog wachten om met
+zijnen gezel huiswaarts te keeren. Toen echter Adriaan Damhout aan het
+venstertje kwam, zeide men hem, dat hij met eenige anderen moest
+blijven, om eene hand uit te steken aan eene as, die moest worden
+opgelicht.
+
+Wildenslag drukte hem nog de hand en zeide in het heengaan:
+
+"Tot dezen avond dan. Komt gij niet, dan maak ik een kruis op uwen
+rug. Pas op, pas op, vriend: ieder moet op de wereld zijn deel van het
+leven hebben. Offert gij u op voor vrouw en kinderen, zij zullen
+zonder medelijden u afhalen en uitzuigen, totdat uwe gezondheid geheel
+zij gekrenkt. Hang de vlag in den wind, achter ons vergaat de wereld!
+Hoera, vivat de _leute_!"
+
+En lachende en eenen dwazen flikker makende, sprong hij de straat in,
+gevolgd door zijnen draadjesmaker, welken hij onder de eerste de beste
+gaslantaarn van zijn loon zou betalen.
+
+
+
+
+II
+
+
+Op het einde eener enge stege, in de wijk over de Nieuwbrugge, stonden
+een dertigtal kleine huisjes van gelijken vorm, en zichtbaar in eens
+gebouwd, om aan fabriekwerkers of andere geringe lieden te worden
+verhuurd.
+
+In een dezer huisjes was eene vrouw bezig met lijnwaad en kindergoed
+in eene kuip te wasschen.
+
+Zij scheen nog in de volle kracht des levens. Ongetwijfeld was zij
+schoon geweest; misschien was zij het nog; maar de slordigheid harer
+kleederen, de zorgeloosheid en de verzuimenis, waarvan alles op haar
+en rondom haar getuigenis gaf, konden geen ander gevoel opwekken dan
+treurnis en afkeer. Zij arbeidde met veel haast, plonsde hare bloote
+armen in de kuip en schudde en wrong het lijnwaad zoo wild en zoo
+onbezonnen, dat het water in golven ten gronde stortte en als een
+slijmige plas zich rondom haar uitbreidde.
+
+De kamer was gansch vervuld met den walglijken zeepsopdamp; en de lamp
+die tegen de schouw was opgehangen, verspreidde slechts een flauw en
+als ziekelijk licht.
+
+Nevens haar op de kachel stond het avondeten in eenen steenen pot te
+koken. Van tijd tot tijd trok zij hare handen uit de kuip, greep een
+houten lepel, en stompte en roerde in den pot om de spijs niet te
+laten aanbranden.
+
+Vier kinderen, jongskens en meisjes, van verschillenden ouderdom,
+onzindelijk, beslijkt en met gescheurde kleederen, zaten of lagen op
+den vloer in eenen hoek. Zij vermaakten zich met spelen. Niet zelden
+trokken zij elkander bij het haar of vochten of schreeuwden, of
+spraken grove woorden, die men uit den mond van kinderen niet zou
+verwachten.
+
+De vrouw had er tot dan weinig acht op geslagen; evenwel kwam er een
+oogenblik dat het onverdraaglijk gedruis der kinderen en de
+noodkreten: "moeder, help! help!" haar het geduld deden verliezen. Zij
+sprong naar hen toe, gaf den eerste den beste eenen stamp, den tweede
+eenen vuistslag en den overigen eenige weergalmende oorvegen.
+
+Dan keerde zij naar de kachel terug, roerde de aardappelen nog eens om
+en voer vergramd uit tegen de kinderen, in zulke ruwe, onkiesche taal,
+dat de arme kleinen daaruit niets dan eene les van onbeschoftheid
+konden putten.
+
+"Daar hebt gij 't nu, leelijke deugnieten!" riep zij. "De patatten
+zijn aangebrand. Vader zal weer den duivel jagen en mij eenen hoop
+zure woorden naar den kop werpen. Hij en gij, gij meent, dat ik uwe
+slavin ben en maar alleenlijk leef om te werken en uitgescholden en
+geplaagd te worden, van den morgen tot den avond? Wel ja! Is hij niet
+tevreden, dan kan hij er maar bij gaan liggen, totdat het betert. Waar
+blijft uw lekkere vader? In de _Blauwe Geit_, bij Pier de Knul, zeker?
+Hij heeft zijn weekloon getrokken, en de dronkaard is reeds bezig met
+het geld door zijn keelgat te jagen. Wacht een beetje; ik zal hem eens
+naar binnen gaan sleuren. Blijft van den pot, terwijl ik weg ben, of
+ik breek u altezamen den hals, oudersverdriet dat ge zijt!"
+
+Nauwelijks had de moeder het huis verlaten, of de kinderen begonnen
+met de bloote voeten in het gestorte zeepsop te dansen, zoodat de
+muren en het huisraad geheel met slijkige vlekken werden bespat.
+
+Zij stoven verschrikt uiteen, toen hun vader zich onverwachts op den
+dorpel vertoonde. De reuk van het verbrande eten ontrukte den man een
+gegrom van ontevredenheid; de zeepsopdamp en het slijkig water op den
+vloer deden hem huiveren, en zijn gelaat verkrampte tot eene
+uitdrukking van walg en verdriet:
+
+"Waar is moeder?" vroeg hij.
+
+"Naar de _Blauwe Geit_, bij Pier de Knul," antwoordden de kinderen.
+
+"Bij Pier de Knul?"
+
+"Om u te halen, vader."
+
+"Ha, daar zijt gij, morsige prij!" kreet hij, toen hij zijne vrouw zag
+binnenkomen. "Wat is dit hier voor een stal? Waarom wascht gij die
+smerige doeken des avonds, als ik te huis zal komen? Gij hebt zeker
+weer den ganschen dag rondgeloopen en gaan babbelen bij de geburen?"
+
+"Tistje, ga, roep uwe zuster Godelieve," zeide de vrouw tot een der
+kinderen, zonder schijnbaar acht te geven op de harde berispingen
+haars echtgenoots.
+
+"Ik krijg de koorts, zoohaast ik eenen voet in uw varkenskot zet,"
+hernam deze. "Ik heb goesting om er uit weg te vluchten en er nooit
+meer weder te keeren. Werk dan al eene gansche week, en beul u af en
+zweet om geld in het huishouden te brengen; dan vindt gij des
+Zaterdags zwartgebrande patatten en eenen smerigen boel, die u van
+walg het hart in het lijf doet keeren.
+
+--Gaat gij spreken?"
+
+"Ba, spreken," hernam de vrouw spottend, "ik lach met al wat gij zegt.
+Meent gij, dat gij mij gehuurd hebt en dat ik uwe meid ben? Bevalt u
+het eten niet, laat het staan; is het huis niet zuiver genoeg naar
+uwen zin, kuisch het zelf, indien gij lust hebt, domme praatmaker!"
+
+De man hief de hand op en scheen zijne vrouw te bedreigen.
+
+"Zoo, zoo?" riep zij, "de vuisten jeuken u vandaag? Kom, Wildenslag
+lief, houd u niet in. Zoudt ge gaarne weder met een aangezicht vol
+krabben naar de fabriek gaan? Gij moet het maar zeggen; ik ben gereed,
+indien een borstelingsken u plezier kan doen. Zwijg liever en eet in
+vrede: de patatten zijn maar een beetje verbrand; daarenboven,
+schreeuwen, schelden en slaan zullen ze niet beter maken."
+
+Eensklaps trad er een zevenjarig meisje stil en langzaam in de kamer.
+Zij was mager en scheen ziekelijk; maar hare blauwe oogen glinsterden
+als parelen, en op haar fijn mondje speelde eene wonderzoete
+uitdrukking: iets lijdends, iets smeekends, als ware het kind een
+levend gebed. Ofschoon van nederigen vorm en gemeene stof, waren hare
+kleederen zeer zuiver, en hier, in dit onzindelijk huis, omringde haar
+als het ware een wasem van innerlijke onnoozelheid en van lichamelijke
+reinheid.
+
+Zij ging tot den man, legde streelend hare hand in de zijne, zag hem
+met eenen stillen, doch diepen glimlach aan en murmelde:
+
+"Dag, vader lief!"
+
+De zilverachtige toon van dit stemmeken, de kwijnende liefde-blik van
+zijn ziek kind raakten den werkman.
+
+"Dag, mijn goed Lieveken," antwoordde hij, het meisje tegen zijn hart
+drukkende. "Is het wat beter? Zijt ge nog ziek?"
+
+"Nog een beetje, vader," was het antwoord. "Bazin Damhout heeft mij
+kruiden doen drinken en het heeft mij verkwikt."
+
+"Is baas Damhout al te huis van de fabriek?" vroeg Wildenslag.
+
+"Neen, vader, nog niet."
+
+"Kom, zit neer, Lieveken, en eet, kind; want die wilde slokoppen zijn
+al aan den gang. Zij zouden wel niets voor u overlaten."
+
+Het meisje zette zich aan tafel, maakte het teeken des kruises en bad
+in stilte, waarna zij met opmerkelijke geschiktheid en ingetogene
+manieren begon te eten.
+
+"Wildenslag vond de aardappelen uiterst bitter en slecht; hij at met
+lange tanden, grommelde in zich zelven en trok verstoorde gezichten,
+maar hij bedwong zijne spijt en viel niet meer in scheldwoorden uit,
+even alsof de tegenwoordigheid van zijn ziek kind eenig besef der
+betamelijkheid in hem had opgewekt. Eindelijk zeide hij met eenen
+zucht:
+
+"Maar, Lina toch, zonder twist, zoudt gij uw huis niet wat zuiverder
+kunnen houden en uwen kinderen betere voorbeelden geven? Zie eens, hoe
+bazin Damhout het weet te schikken. Haar man is een fabriekwerker als
+ik; hij heeft anders niet dan zijn dagloon; en nochtans in zijn huis
+zoudt ge van vloersteenen willen eten, zoo zuiver is er alles."
+
+"Wat komt gij mij spreken van bazin Damhout!" was het bitsig antwoord.
+"Zij is eene goede, brave vrouw, dit zal ik niet loochenen; maar de
+Damhouts zijn geene menschen gelijk wij. Wees zeker, Wildenslag, zij
+hebben eigendommen of uitgezet geld, alhoewel ze het verbergen."
+
+"Neen, dit hebben ze niet. Er komt geen cent in huis, dien Adriaan
+Damhout niet op de fabriek heeft gewonnen. Zij hebben integendeel
+minder dan wij, vermits onze jongen reeds vier franken in de week
+verdient."
+
+"Lekkere jongen! hij zit zeker in de eene of andere kroeg. Hij heeft
+een aardje naar zijn vaartje: er zal veel goeds van komen, ik beloof
+het u!"
+
+"Neen, neen, hij is achter de taptoe geloopen. Wees zeker, Lina, bazin
+Damhout doet haar huishouden met min dan gij. Zooals zij het schikt,
+kunt gij het ook schikken."
+
+"Kom, kom, Wildenslag, ieder zingt zooals hij gebekt is, en het is
+moeilijk, eenen ouden aap nieuwe grimassen te leeren. Laat dit
+liedeken achter, het is nutteloos. Weet ge wat de huisbaas zegt over
+bazin Damhout? Dat ze zorgend en zindelijk is, omdat ze kan lezen."
+
+"De huisbaas zegt dit om te lachen. Vrouw Damhout kan anders niet
+lezen dan in den almanak en in haar kerkboek. Daar zal ze toch het
+huishouden niet in leeren."
+
+"Dan zal het zijn, omdat Damhout minder geld verteerd, en te huis
+blijft, terwijl gij halve nachten in de kroeg zit te drinken en te
+dobbelen!"
+
+"Dit is wel mogelijk," antwoordde Wildenslag, het hoofd met ongeduld
+schuddende. "Wie zegt u, dat ik niet te huis zou blijven, ten minste
+in de week, indien hier alles niet walgelijk was als in eenen stal, en
+ik er slechts een vriendelijk gezicht mocht vinden; maar gij, met uwe
+barschheid en met uwe zorgeloosheid, zoudt een engel de deur
+uitjagen."
+
+De gekwetste vrouw zette de vuisten op de heupen en meende eenen
+woedenden uitval te doen; maar de deur vloog open en een
+veertienjarige jongen, wiens kleederen vol katoenvlokken hingen,
+sprong binnen; hij eindigde het refrein van een onbetamelijk lied,
+ofschoon hij eene rookende pijp in den mond hield.
+
+Aan tafel vallende, meende hij van de verbrande aardappelen te eten:
+maar na den eersten mondvol te hebben gesmaakt, wierp hij bulderend de
+vork op den schotel en viel uit in onbeschofte berispingen tegen zijne
+moeder.
+
+In stede van hem te bestraffen, gaf de vader hem gelijk.
+
+"Daar is mijn weekloon," zeide de jongen, drie franken ter tafel
+werpende. "De patatten zijn verbrand en smaken naar het zeepsop. Ik
+trek er van door en zal ergens gaan eten, waar men het gevaar niet
+loopt vergiftigd te worden."
+
+Er werd hevig getwist, omdat de jongen eenen frank van zijn loon had
+achtergehouden; dit tooneel vernieuwde zich, toen de vader insgelijks
+zijn weekgeld afgaf. Evenwel, na vele harde, grove woorden verkalmde
+het tempeest.
+
+"Goeden avond," juichte de jongen, "ik ga naar de _Blauwe Geit_, eene
+schel hesp eten."
+
+"Kom, Sander, ik ga mede," zeide de vader. "Het deugt hier niet. Na
+eene gansche week zuren arbeid mogen wij wel een beetje ons
+verzetten."
+
+"Ha, ze meenen, dat ik hier den ganschen avond alleen zal blijven
+koekeloeren, terwijl zij ginder in de _Blauwe Geit_ hun hart ophalen
+en tot over de ooren in de leute zitten?" morde de vrouw, toen haar
+man en haar zoon waren heengegaan. "Ik moet er mijn deel van hebben:
+ik lust ook hesp. Lieveken, ga gij maar voor een uurtje naar bazin
+Damhout. Ik zal u laten roepen."
+
+Zij krabde geweldig met den haak in de kachel, om het vuur uit de
+dooven; doch daar dit niet spoedig genoeg naar haren zin ging, stortte
+zij eene kom zeepsop op de brandende kolen, zoodat de kamer met een
+stinkenden rook werd vervuld.
+
+"En gij daar, bengels," riep zij tot de kinderen, "zorgt dat gij van
+de lamp blijft en met geen vuur speelt, of ik sla den bezem op uwe
+knoken aan stukken!"
+
+Op dit oogenblik zag zij, dat het oudste jongetje een zijner zusters
+bij de haren trok, en zij hoorde een gesnor, alsof er eene stof werd
+gescheurd.
+
+"Beul, schei uit!" bulderde zij. "Wacht maar, booze vadsigaard, gij
+zult niet lang hier den boer spelen. Te naaste week gaat gij naar de
+fabriek. Als ik terugkom, zal ik u geene kleine rammeling geven, omdat
+gij alweder het kleed uwer zuster hebt gescheurd."
+
+"Het is niet waar!" kreet de knaap.
+
+"Ik heb het gezien!" schreeuwde de moeder.
+
+"Gij liegt er aan," snauwde het kind.
+
+En alsof er in dit monsterachtig gebrek aan ontzag en aan zedelijkheid
+niets ongewoons ware, de vrouw scheen er geene acht op te geven, of
+het niet te gevoelen; want zij liep het huis uit en wierp de deur toe.
+
+Arme kinderen, wat kon er onder de leiding van zulke moeder uit hen
+groeien? Niets anders voorwaar dan woeste, onbeschaafde wezens,
+beroofd van alle gevoel der menschelijke waardigheid. Het was hunne
+schuld niet; maar was het wel de schuld hunner moeder?
+
+Die vrouw, toen zij zelve kind was, had hare eerste jaren doorgebracht
+onder de waakzaamheid eener onwetende en grove oude vrouw, te midden
+van verlatene kinderen, wier moeders, evenals de hare, den ganschen
+dag op de fabriek hadden te arbeiden. Daar had zij niets geleerd dan
+eene barsche, onkiesche taal; zij was opgegroeid zonder het minste
+denkbeeld der plichten, welke de mensch in dit leven te vervullen
+heeft jegens God, jegens de maatschappij en bovenal jegens zich
+zelven. Dewijl zij alsdan slechts den ouderdem van negen jaar had
+bereikt, was er nog hoop, dat zij eenige vonken van het licht der
+beschaving zou ontvangen; dat, vooraleer zij vrouw wierd, toch eenig
+gevoel van persoonlijke waardigheid en van maagdelijke zedigheid in
+haar zou ontkiemen. Maar vóórdat de tiende Lente voor haar aanbrak,
+was zij reeds op de fabriek, vastgeklonken aan een eeuwigdraaiend
+tuig, overgeleverd aan het gezelschap van mannen en vrouwen, ruwer nog
+en onwetender dan zij. Later is zij getrouwd; slechts sedert de
+geboorte van haar derde kind blijft zij te huis, en geeft daar aan
+haar kroost het eenig onderwijs, dat zij heeft ontvangen:
+onwetendheid, barschheid, verlaging, verbastering der menschelijke
+natuur.
+
+En wij, die spreken van de zedelijke verbetering des werkmans, wij
+geven zijnen kinderen zulke moeder! En wij, die schelden op den
+werkman, omdat hij zijne woning ontvlucht, omdat hij drinkt en zwiert,
+wij geven hem zulke gezellin!
+
+Ja, de reusachtige uitzetting der nijverheid is een wonderbaar en
+weldadig verschijnsel onzer eeuw; maar de denker, de menschenvriend
+zal haren onweerstaanbaren voortgang niet zonder geheimen schrik
+aanschouwen, zoolang zij de vrouw, de moeder uit den schoot des
+huisgezins wegrukt en het kind tot slaaf der stof maakt in eenen
+ouderdom, die bestemd is tot zijne vorming als mensch en als Christen.
+
+Wil men de beschaving der werkende klasse, dan moet men met de vrouw
+beginnen. Deze wet is onverbiddelijk. Heerscht de man over de
+stoffelijke wereld, van de moeder alleen hangt de zedelijke vorming
+af, en zij heerscht over den geest en het hart der wordende geslachten
+met al de macht des engels of des duivels, naarmate der verhevenheid
+of der laagheid harer ziel.
+
+De menschheid begint het te begrijpen. Uit de diepte van het algemeen
+geweten rijst een noodkreet op, eene waarschuwende stem, die roept:
+"Redt de wereld uit de zedelijke verzinking door de vrouw! Onderwijs
+voor de vrouw! Opvoeding voor de vrouw! Licht, waardigheid en
+plichtbesef in het hart der moeders van het volk! Zoo niet,
+duisternis, verbastering, onrecht en bloedige wederwraak over de
+komende wereld!"
+
+
+
+
+III
+
+
+Veel verder in de rij der gelijkvormige werkmanswoningen was er een
+huisje, dat zich onderscheidde door zijne netheid.
+
+Tot op de straat was er wit zand voor de deur gestrooid. Drie of vier
+bloempotten geurden op de vensters, achter sneeuwblanke gordijntjes.
+Op de schouwplaat prijkte een Lieve-Vrouwebeeld, tusschen twee
+pleisteren papegaaien, wier rood, geel en groen vederkleed de oogen
+aangenaam verraste. Het kleinste keukengerief, de schotels en
+koffietasschen stonden op eene kas te pronken, en glinsterden en
+schitterden, als waren zij hoogmoedig over hunne netheid. De grove
+biezenstoelen waren zonder vlekken, de withouten tafel gewasschen, de
+kachel met potlood geglimd.
+
+Even arm als de andere was deze werkmanswoning; de meest schitterende
+voorwerpen hadden slechts eenige centen gekost ... en nochtans er
+heerschte zulke bekoorlijke toon van vrede, van levenslust en van
+gemak; de lucht was er zoo zuiver en zoo aanlachend, dat men bij het
+gezicht van dit nederig huisje gereedelijk moest begrijpen, hoe een
+werkman ook zijne woning kan liefhebben evenals een rijkaard, die
+zich op zijn paleis verhoovaardigt.
+
+In de benedenkamer van het huisje zat eene vrouw bij eene lamp te
+arbeiden. Zij naaide aan een blauwen kiel; en vermits er op eenen
+stoel nog vele zulke kielen geplooid lagen, was het te vermoeden, dat
+zij voor eenen winkel werkte. Zij kon den ouderdom van achtentwintig
+of dertig jaar bereikt hebben; hare kleederen, van gemeen katoen en
+door wasschen verbleekt, waren zeer zuiver en zelfs met zekeren
+eenvoudigen zwier geschikt.
+
+Nevens haar bij de tafel, zat een achtjarig jongsken met bruin haar en
+groote, levendige oogen. Hij had een brief voor zich liggen en
+verroerde de lippen, terwijl hij met een stokje de lettergrepen
+aanwees, welke hij poogde te lezen.
+
+In eenen hoek, op een paar houten bankjes zaten twee kleine meisjes
+van drie of vier jaar. Zij speelden met poppen en vermaakten zich in
+stilte, nu en dan eens de stem verheffende om de poppen te bekijven,
+of zoet lachende onder elkaar.
+
+Sedert eene wijl scheen de jongen in verlegenheid; zijn stokje
+verroerde niet meer, hij schudde het hoofd met ongeduld.
+
+"Wat is het, Bavo?" vroeg de vrouw. "Gaat het niet goed, kind?"
+
+"Ach, moeder," zeide hij, "de meester heeft mij eene les te leeren
+gegeven, en daar is een woord in, zoo moeilijk, zoo moeilijk! Ik zweet
+er van; maar ik kan er toch niet uit. Lees gij het eens, moeder lief!"
+
+Hij naderde dichter, legde haar het boek onder de oogen en wees het
+onleesbare woord. Maar de vrouw, na eene lange poging, mompelde met
+moedeloosheid:
+
+"Zelf.... Zelfver.... Zelfverloo.... Het overige kan ik niet lezen,
+Bavo. Zijn dit ook woorden voor een kind als gij? Kom, sla dit maar
+over en vraag het morgen uwen meester."
+
+Het jongsken hield zwijgend den blik op het boek gevestigd; zijne
+leden spanden zich, zijne oogen werden starend en hij verzamelde
+zichtbaar de kracht zijns geestes.
+
+"Neen, laat af, kind," zeide de vrouw, "breek u de hersens niet
+nutteloos: het woord is te moeilijk."
+
+"Te moeilijk?" morde de kleine. "Ik moet het lezen, ik wil.... Ach,
+moeder, stil, stil; gij hebt mij geholpen, het zal gaan....
+Zelfverloo.... Zelfverlooch.... Zelfverloochening! Zie, zie, moeder
+lief, het woord is zelfverloochening!"
+
+Een kreet van bewondering ontsnapte de vrouw; zij greep haar zoontje
+in de armen en legde eenen langen kus op zijn voorhoofd. Wat haar dus
+ontroerde, was de vroegtijdige gemoedskracht en de schier mannelijke
+wil, dien zij in haren zoon meende te ontdekken. Wat droomde zij bij
+den liefderijken kus? Zij wist het niet, en evenwel dankte zij God uit
+den grond des harten.
+
+Het kind, door de teedere goedkeuring aangemoedigd, had weder zijn
+boek gegrepen; maar de vrouw, nog ontroerd, zeide hem:
+
+"Bavo lief, gij moet maar goed leeren, kind; later in het leven zult
+gij eerst begrijpen, hoe schoon en hoe nuttig het is, te kunnen lezen
+en schrijven. Iemand, die niet lezen kan, is maar een half mensch, en
+hij is veroordeeld, al ware hij zelfs met verstand geboren, om altijd
+onwetend te blijven. Gij zult meer en beter leeren dan ik, Bavo, en
+daarom zult gij gelukkiger zijn in de wereld. Ach, dat mijn Peter zoo
+vroeg is gestorven! Anders zou ik goed kunnen lezen en schrijven; maar
+er was niemand meer om mij te beschermen; ik moest naar de fabriek.
+Nog wel een beetje heb ik mij zelve geleerd; maar wanneer men moede
+gewerkt is, gaat dit niet goed. Ja, Bavo, indien iedereen kon lezen,
+zouden er zoovele slechte lieden niet zijn; want wie lezen kan,
+gevoelt, dat hij mensch is, en hij eerbiedigt zich zelven. Ongelukkig
+hebben zoo weinige werkmanskinderen de gelegenheid of de middelen om
+te leeren; de ouders, die zelven onwetend zijn, begrijpen niet, hoe
+nuttig en hoe schoon het is geleerd te zijn. Gij, mijn kind, indien
+God uwen vader de gezondheid blijft gunnen, zult veel kunnen leeren.
+Bavo, vergeet nooit, dat gij dit geluk zult verschuldigd zijn aan uwen
+vader, die van den morgen tot den avond slaaft en zweet om zijne
+kinderen in eere op te brengen, en die zelfs uit de herberg blijft en,
+om zoo te zeggen, het brood uit zijnen mond spaart, om u naar de
+school te laten gaan. Niet waar, Bavo, gij zult het nooit vergeten?
+Wat er ook in uw leven gebeure, gij zult uwen goeden vader altijd
+eerbiedigen en beminnen?"
+
+"Altijd, altijd, en u ook, moeder lief!" zei het jongsken, haar de
+wangen streelende.
+
+Op dit oogenblik werd de deur geopend, en een man trad binnen. Zijne
+kleederen, door katoen en stof bevlekt, waren versleten en schenen
+vuil in zulke zindelijke plaats. Er was iets spijtigs in zijne
+uitdrukking en hij scheen van slechte luim.
+
+Maar daar klonk het woord "vader! vader!" hem op alle tonen tegen, en
+vooraleer hij twee stappen in de kamer had gedaan, waren zijne handen
+streelend aangegrepen en fijne kinderstemmen verwelkomden hem met
+eenen vloed van zoete liefdewoorden. Bavo liep naar hem toe, een
+stukje papier boven zijn hoofd zwaaiende:
+
+"Vader, vader lief!" riep hij, "twintig goede noten! Twee kussen voor
+mij en vier centen voor mijnen spaarpot!"
+
+En onder het uitspreken dezer woorden had de jongen eenen machtigen
+sprong genomen, en hing nu aan zijns vaders hals, om de belooning
+zijner leerzaamheid te ontvangen.
+
+Intusschen was de vrouw bezig met een ammelaken op de tafel te
+spreiden en het avondeten op te zetten. Zij lachte haren man
+vriendelijk aan en sprak insgelijks menig blij woord tot welkom.
+
+"Zit neer, zit neer, Damhout," zeide zij, "gij moet eetlust hebben, en
+de aardappelen zouden welhaast koud geworden zijn. Ik heb een lekker
+pladijsje voor u gekocht, goedkoop, voor vijf centen, springende
+levend. Komt, kinderen, aan tafel, aan tafel!"
+
+Adriaan Damhout was gevoelig aan de liefdesbetuigingen zijner
+kinderen; de rimpels verdwenen van zijn voorhoofd en een stille
+glimlach verlichtte zijn gelaat. Hij gaf zijn zoontje de vier
+verschuldige centen en reikte zijn weekloon aan zijne vrouw, die,
+zonder het te bezien, het geld in haren zak liet glijden.
+
+Dan namen allen plaats aan de tafel, zoo ordelijk, zoo zuiver en zoo
+netjes geschikt, alsof die arme menschen gekozene spijzen uit
+porseleinen borden en met zilveren lepels zouden gaan eten. Het waren
+evenwel slechts gestoofde patatten, grove telloren en ijzeren vorken
+die er te zien waren, tenzij misschien het gebakken pladijsje voor
+vader, dat wel lekker geurde en te midden der tafel als een pronkstuk
+of eerder nog als een liefdesgeschenk prijkte.
+
+Allen te gelijk maakten het teeken des kruises en dankten God in
+stilte, waarna zij met waren lust begonnen te eten. Slechts toen de
+visch zou worden aangevat, werd de vrede eenigszins gestoord. Damhout
+kon het niet over zijn gemoed krijgen, de pladijs, hoe klein zij ook
+ware, geheel alleen op te eten; hij wilde het lekker gebak met zijne
+vrouw deelen; maar de vrouw bevestigde, dat het voor hem en slechts
+voor hem was gekocht. Hij zou haar door langer aandringen bedroeven.
+Alhoewel de kleinen, door de moeder geleerd, haar hielpen, eindigde
+toch de vriendelijke twist op zulke wijze, dat elk kind, een stukje
+van den visch op zijn bord kreeg en de werkman het overige met
+onbeneveld vermaak genoot.
+
+Onmiddellijk na het avondmaal werd het ammelaken geplooid, en alles
+verdween in een oogslag van de tafel.
+
+De vrouw zette zich nevens haren man en begon met hem over het werk en
+over de fabriek te spreken; de twee meisjes kropen op vaders knieën.
+Bavo stond aan zijne andere zijde met zijn boek in de hand te wachten,
+totdat zijne ouders ophielden samen te kouten.
+
+Het was een eenvoudig, doch roerend tooneel, dien werkman in zijne
+slechte en besmette kleederen, te zien zitten met die nette, lachende
+engeltjes op de knieën, tusschen eene liefderijke vrouw en eenen
+leerzamen zoon, wiens oogen met ontzag en biddend tot hem waren
+gericht.
+
+"Vader lief, mag ik eens lezen?" vroeg het jongetje eindelijk. "Wij
+hebben vandaag zulke schoone les gekregen! Ik weet niet of ik ze al
+goed ken, maar ik zal mijn best doen."
+
+"Ja, Bavo, lees uwe les eens voor vader," zeide de vrouw.
+
+De jongen opende zijn boek en las met zekere moeite en eenige
+onderbrekingen, evenwel met genoegzame duidelijkheid om verstaan te
+worden:
+
+"Kinderen, wilt gij door God gezegend zijn op aarde, eert uwen vader
+en uwe moeder. Zij hebben u lief als het licht hunner oogen; zij
+zorgen en werken voor u van den morgen tot den avond; het eenige doel
+van al hun streven, van hunnen kommer en van hunne gebeden, is uw
+geluk alleen. Bemint hen teederlijk; zijt hun onderdanig en blijft hun
+dankbaar; wordt de steun en de blijdschap hunner oude dagen, en
+beloont aldus de ouderlijke liefde, die zuivere en schier goddelijke
+zelfverloochening."
+
+Deze lezing scheen eenen ongunstigen indruk op het gemoed van Damhout
+te doen; zij herinnerde hem wat Wildenslag hem had gezegd, en gaf
+nieuwe kracht aan de vrees, welke zijn vriend nu weder voor de
+twintigste maal in hem had opgewekt. Zijn gelaat werd zeer ernstig en
+hij schudde nadenkend het hoofd.
+
+"Bavo, begrijpt gij wat gij daar hebt gelezen?" vroeg hij na eenige
+overweging.
+
+"Ja, vader lief," antwoordde het kind, "er staat, dat gij voor mij
+werkt, en ik u en moeder altijd gaarne moet zien."
+
+"Tot in onzen ouden dag, Bavo."
+
+"Ja, vader, tot in uwen ouden dag, zoolang ik leef."
+
+"En zult gij dit doen, kind?"
+
+De jongen zag zijnen vader verbaasd aan, doch zonder spreken, als
+begreep hij zijnen twijfel niet.
+
+"Het is wel," zeide Damhout, "gij zijt wijs, Bavo. Blijf zoo, en
+vergeet nimmer wat daar in uw boek geschreven staat, anders zal God u
+straffen."
+
+Er volgde eene wijl stilte; de vrouw bespiedde het gelaat van haren
+man, die nu klaarblijkend in treurige gepeinzen was verzonken.
+
+"Adriaan," murmelde zij, "wat is er toch, man lief? Gij schijnt zoo
+denkend? Ik heb het gezien toen gij binnenkwaamt: er hangt u iets in
+het hoofd. Hebt gij verdriet?"
+
+"Ik heb wel geen verdriet, Christina," antwoordde hij, "maar er is
+toch iets dat mij kwelt. De andere kameraden gaan al eens een pintje
+te zamen drinken; zij lachen en kouten en vermaken zich een beetje na
+den weeklangen arbeid. Ik zit hier altijd te huis, alsof ik buiten de
+wereld was; en de vrienden drijven den spot met mij. Misschien is het
+onverstandig, zoo zijn leven geheel op te offeren, zonder te weten,
+wat er in het einde nog zal van komen."
+
+Alhoewel deze woorden haar verrasten, haalde de vrouw een zilveren
+geldstuk uit haren zak en reikte het met eenen minzamen glimlach haren
+man toe.
+
+"Damhout lief," sprak zij, "gij moet het voor mij niet laten; daar is
+geld; hebt gij lust om een uur of eenige uren met de kameraden te
+zijn, voldoe uwe goesting. Ga, ik zal zelve plezier in mijn hart
+hebben, als ik weet, dat gij u vermaakt."
+
+Maar de man, als beschaamd over zijn gemor, dreef zachtjes hare hand
+terug.
+
+"Neen, houd het geld," zeide hij,--mijn lust is over.... Nochtans,
+Christina, dezen avond vieren de vrienden in de _Blauwe Geit_ het
+_jubilé_ van rossen Leo, omdat hij nu vijfentwintig jaren spinner is.
+Wildenslag heeft mij aangemaand om er bij tegenwoordig te zijn; ik heb
+hem beloofd, dat ik zou komen, indien het mogelijk was."
+
+"Welnu, Damhout, het is mogelijk: gij moet uwe belofte houden."
+
+"Ja, maar ik weet niet, mij dunkt, dat ik nog liever te huis zou
+blijven met de kinderen."
+
+"Neen, neen, Damhout; morgen is het Zondag; dan zijn wij van den
+morgen tot den avond te zamen. Doe mij plezier en neem dit geldstuk;
+ga naar de _Blauwe Geit_ en wees vroolijk met de vrienden. Ik zal
+tevreden en welgemoed naar u wachten; maar blijf zoolang, zoolang gij
+wilt. Ga, ga, ik bid u."
+
+Zij moest hem nog gedurende eene wijl met vriendelijk geweld aanmanen
+om op te staan. Dan vergezelde zij hem tot de deur en wenschte hem
+eenen genoeglijken avond. Zij keerde tot de tafel terug en hernam haar
+naaiwerk.
+
+Eenige oogenblikken later werd de deur zeer zachtjes geopend, en een
+klein meisje trad binnen.
+
+"Bavo, daar is Godelieve," zeide de moeder.
+
+De jongen sprong recht, liep naar het meisje, greep haar de hand en
+bracht haar bij de tafel, met groote blijdschap zeggende:
+
+"Ha, Lieveken, dat is goed, dat gij nog terugkomt. Ik ben moede
+geleerd; laat ons nog wat spelen. Willen wij winkel houden gelijk
+gisteren? Het is zoo vermakelijk."
+
+"O, neen, Bavo, laat ons school spelen!" smeekte het meisje.
+
+"Ja, ja, school spelen!" herhaalden de twee zusterkens, lachend in de
+handen kletsende.
+
+Bavo haalde eenige boekjes voor den dag, welke hij van zijne eerste
+leermaanden had gespaard; hij zette Lieveken op het eene bankje en
+zijne zusterkens op het andere, greep zijns vaders zondagsrietje en
+begon, met opgeheven hoofd en koddigen ernst, over en weder te
+wandelen, ondertusschen op verzwaarden toon roepende:
+
+"Stil, in de school, of ik zet u in den hoek! Wie zijne les niet kent,
+zal noen-overal blijven. Godelieve Wildenslag, let op! Welke letter is
+dit?--Goed. En deze? En deze?--Gij kent uwe les; gij zult eene klasse
+verhoogen. Keer het blad van uw boek om. Wat staat daar op den tweeden
+regel?"
+
+"Da, de, di, do, du, dij!" riep Lieveken.
+
+"Ja, gij kent dit van buiten, ik weet het wel; maar daar, op het
+andere blad, daar?"
+
+Het meisje deed een oneindig geweld om de aangewezene lettergreep te
+spellen, doch zij geraakte er niet uit.
+
+"Heb moed, let wel op," zei Bavo. "Die dubbele O is lang; en voeg daar
+achter nu den klank _ge_ bij, wat hebt ge dan?"
+
+"Oog, oog!" riep Lieveken met zegevierende blijdschap.
+
+"Wel zoo, mijn kind, gij zijt er," juichte de jonge schoolmeester.
+"Godelieve Wildenslag krijgt tien goede noten!"
+
+De moeder had dit tooneel glimlachende en met welgevallen afgezien.
+Zij scheen eindelijk ontroerd en zeide: "Kinderen lief, gij speelt
+daar een schoon en ernstig spel. Zoudt gij gelooven, dat Lieveken
+eindelijk nog zou leeren zonder naar de school te gaan?"
+
+De jongen en het meisje bezagen haar met verwondering.
+
+"Het is, zooals ik u zeg," bevestigde zij. "Waarom verwondert het u?
+Ziet eens, Lieveken, zonder het te weten, kent al hare letters en zij
+begint reeds te spellen. Indien Bavo zich wat moeite wilde geven, wees
+zeker, Lieveken, gij zoudt wel spoedig kunnen lezen."
+
+"Gij zegt het om te lachen, niet waar, bazin Damhout?" murmelde het
+meisje twijfelend.
+
+"Zou dit inderdaad mogelijk zijn, moeder lief?" vroeg Bavo, in wiens
+oog eene vonk van besluit glinsterde.
+
+"Mogelijk? Wel, kind, het is bijna gedaan? gij ziet het immers wel?"
+
+"Ha, ha, Lieveken, wij zullen altijd school spelen! Gij zult leeren
+lezen!"
+
+"Ik zal leeren lezen!" herhaalde Lieveken met bedwongen geestdrift.
+
+"Gij zult het leeren!" kreet Bavo. "Och, hemeltje, dat zal vermakelijk
+zijn, als wij te zamen in hetzelfde boek zullen kunnen lezen. Nu ga
+maar weder op de bank zitten, en geef acht ... of ik doe u twee groote
+lessen uit den Catechismus van buiten leeren!"
+
+Bavo speelde zijne rol van schoolmeester met verdubbelde vlijt voort.
+Alhoewel hij insgelijks nu en dan zijnen kleinen zusterkens de letters
+toonde en met geveinsd ongeduld hen terechtwees, hield hij zich toch
+meest met Lieveken bezig Hij sprak zulke diepgevoelde woorden van
+aanmoediging tot haar, en poogde met zulke ware inspanning haar te
+onderwijzen, dat het eenvoudig kinderspel in een ernstig werk, in
+eene edele liefdedaad veranderde.
+
+Het duurde zoolang, dat eindelijk de twee kleine zusterkens, hoofdje
+tegen hoofdje, op hunne bank waren in slaap gesukkeld.
+
+Dan was de school uit. De moeder ontkleedde de ingesluimerde wichtjes
+en droeg ze naar hun bed. Bavo en Lieveken keerden terug bij de tafel
+en keken daar in een klein boek met beeldekens.
+
+Terwijl bazin Damhout haar naaiwerk voortzette, spraken de twee
+kinderen in stilte met elkaar over de gelukkige hoop, dat Lieveken zou
+leeren lezen, alhoewel zij niet naar de school mocht gaan, dan weder
+over andere schoone, vroolijke dingen. Meest altijd zweefde er een
+zoete glimlach op hunne lippen; hunne oogen glinsterden van
+vriendschap en zielsgenoegen, en soms drukten zij elkander de handen.
+
+Eindelijk hoorde men eene kinderstem van buiten den naam van Godelieve
+roepen, en het meisje, na Bavo en zijne moeder eenen goeden nacht te
+hebben gewenscht, meende zich naar huis te spoeden; maar bazin Damhout
+greep eenen emmer en zeide:
+
+"Kom, Lieveken, ik moet om water naar de pomp; ik zal met u gaan."
+
+Toen zij in de kamer terugkeerde, bevond zij, dat Bavo met het hoofd
+op zijne boekjes was ingesluimerd.
+
+Zij zette zich neder, zag haar slapend zoontje eene wijl met zaligen
+blik aan, droomde van onbestemde dingen en legde eindelijk eenen
+langen, vurigen kus op het gladde voorhoofd, als geloofde de goede,
+dat een moederzoen de kiemen des verstands in de hersens van haar kind
+kan verwarmen en bevruchten. Nauwelijks had zij weder haar naaiwerk
+hernomen, of haar man trad in de kamer.
+
+"Reeds terug? Zoo spoedig?" vroeg zij verwonderd. "Gij doet het toch
+niet om mijnentwil, Adriaan? Het zou mij bedroeven."
+
+"Neen, Christina," antwoordde hij, terwijl hij zich bij de tafel
+nederzette. "Ik weet niet, ik kan in dat woeste leven geen vermaak
+meer vinden. De vrienden zijn brave jongens, dit wil ik niet
+ontkennen; maar die baldadige manieren en grove woorden stuiten mij
+tegen de borst. Het is hier in huis tusschen u en mijne kinderen toch
+beter. Denk eens, daar zijn ze nu in _de Blauwe Geit_ volop aan het
+ruziemaken. Zeker, de rosse Leo zal dezen avond nog vechten tegen Kobe
+den zandboer. Zij verwijten malkanderen zulke leelijke dingen, dat er
+de haren van te berge zouden rijzen op uw hoofd. Ik heb groote spijt,
+dat ik vandaag naar de _Blauwe Geit_ gegaan ben."
+
+"Ik geloof het, Adriaan; maar gij kondt niet weten, dat men er zou
+schelden en twisten."
+
+"Daarom is het niet: ik ben droef in mijn hart."
+
+"Hoe zoo? Is u iets geschied?"
+
+"Wildenslag heeft mij vervaard gemaakt! hij maakt mij altijd
+vervaard.... En misschien heeft hij gelijk; misschien doen wij niet
+wel met onzen Bavo boven zijne ouders te willen verheffen."
+
+"Alweder dit kwaad gepeins!"
+
+"Kwaad gepeins, Christina? Wie kan het weten? Laat onze Bavo nu jaren
+lang naar de gemeenteschool gaan en geleerd worden. Hij zal ons veel
+meer geld kosten dan een ander kind, en daarenboven nooit eenen cent in
+het huishouden brengen; en als hij groot is en geld wint, zal hij het
+in schoone kleederen steken en zich schamen over den armen
+fabriekwerker, die zijn zweet heeft gegeven, om eenen mijnheer van hem
+te maken."
+
+"Ach, hoe kunt ge toch zoo spreken, met uwe oogen op uw onnoozel
+kind?" zuchtte de moeder. "Bavo zou ondankbaar worden en zijne ouders
+miskennen? Nooit, nooit, zijn hart is enkel liefde en dankbaarheid."
+
+"Het is een goed kind, ik weet het," morde Damhout "Ze zijn altemaal
+goed, Christina, zoolang ze klein zijn; maar zoohaast ze man worden,
+gaan ze hunne eigene gangen en ze bekreunen zich om hunne ouders niet
+meer. Ja, wanneer ze een beetje verhoogd zijn in de wereld, zien ze
+wel dikwijls met kleinachting neder op degenen, die zich onvoorzichtig
+voor hen hebben opgeofferd."
+
+"Dit zal met onzen Bavo niet gebeuren, Damhout," antwoordde de vrouw,
+haar verdriet bedwingende. "Zijn hart is zuiver, ik zal hem bewaken.
+Gij vreest, dat ons kind later in de wereld een beter lot hebbe dan
+wij? Maar geschiedde het aldus, zou uw vaderhart niet van vreugde
+kloppen? Zoudt gij niet met hoogmoed zeggen, hij is mijn zoon, voor
+hem heb ik met liefde geslaafd; zijn geluk is mijn werk?"
+
+"Schoone dingen Christina; maar indien mijn zoon werkman bleef, gelijk
+ik ben, dan zou ik niet vreezen, dat hij zich later over mij zou
+kunnen schamen."
+
+"Wie zegt u toch, dat hij geen werkman worden zal? Zijn er dan geene
+werklieden, goede, uitmuntende werklieden, die kunnen lezen?"
+
+"Spinners toch niet veel."
+
+"Maar er zijn andere stielen, Adriaan. Mekaniekmakers, timmerlieden,
+schrijnwerkers en honderd andere, waarin men met geleerdheid en goed
+gedrag het tamelijk verre kan brengen."
+
+"Ziet gij wel, Christina, dat gij besloten hebt, onzen Bavo niet naar
+de fabriek te laten gaan?"
+
+"Hij zal gaan waar hij wil of waar hij kan," zeide de vrouw met
+klimmende kracht. "Wij mogen daarover niet op voorhand beslissen. Van
+zijne leerzaamheid, van onze liefde en van Gods wil hangt het af. Uwe
+vrienden verschrikken u, met u te zeggen, dat ik van Bavo eenen
+_mijnheer_ wil maken. Wat ik wil, is, dat mijn kind een mensch worde
+en niet door onwetendheid tot onmacht en eeuwige slavernij veroordeeld
+blijve. Wordt hij _mijnheer_, zooveel te beter!"
+
+"Christina, Christina," zuchtte de werkman, "indien gij wist, hoe uwe
+woorden mij bedroeven! De hoogmoed is een slecht raadsman."
+
+"Hoogmoed?" kreet de vrouw verontwaardigd. "Gelooft gij dan, dat het
+geluk mijner kinderen mij verschrikt? Ik zou geen moederhart moeten
+hebben. Ha, gij zult mij misschien niet begrijpen; maar ik zeg u,
+Damhout, dat, indien onze kinderen later van omhoog op mij konden
+nederzien, ik God zou danken, omdat Hij hen in de wereld heeft
+verheven. Schud het hoofd niet. Kon ik onzen Bavo ten prijze van mijn
+leven koning of keizer maken, ik stierve van blijdschap voor den troon
+van mijn kind!"
+
+Zij was zeer ontroerd en scheen te beven; er was iets ontzaglijks in
+hare houding en in haren blik; het moederlijk gevoel had deze nederige
+vrouw indrukwekkend en schoon gemaakt.
+
+Adriaan Damhout onderging den invloed harer geestdriftige woorden: hij
+boog het hoofd als overwonnen en bleef eene wijl zwijgend. Dan zeide
+hij:
+
+"Misschien hebt gij in den grond gelijk, Christina; maar overweeg toch
+eens met bedaardheid. Nu gaat het nog zoo erg niet; er is veel en goed
+werk. Onze andere kinderen zijn nog klein. Later zult gij misschien
+willen, dat de meisjes insgelijks naar de school gaan?"
+
+De vrouw deed een bevestigend teeken met het hoofd.
+
+"Zullen wij, zonder eenige hulp van onze kinderen, dien last wel
+kunnen blijven dragen? Het schijnt mij onmogelijk."
+
+"Ik zal een beetje meer werken, Adriaan."
+
+"Altijd werken als slaven, zich geheel opofferen gedurende gansch zijn
+leven!"
+
+"Ha, dan gevoel ik eerst, dat ik moeder ben, wanneer ik weet, dat ik
+mij opoffer voor het geluk mijner kinderen."
+
+"Goed; maar indien het werk nu eens voor lang wierd gestaakt? Indien
+een onzer ernstig ziek wierd, wat dan?"
+
+"Dan, Adriaan, dan zouden wij het schikken volgens Gods beslissing.
+Het onmogelijke kan men niet doen."
+
+"En indien het noodig was, Bavo eenig geld te doen verdienen, zoudt
+gij hem naar de fabriek laten gaan?"
+
+"Waarom niet, indien de nood het eischte?"
+
+"En wat zou dan de geleerdheid hem helpen?"
+
+
+[Illustratie: Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne
+vrouw.]
+
+
+"Wat zij hem zou helpen? Hoe kunt gij dit vragen, Adriaan? Hij zou ten
+minste mensch zijn, een uitmuntend werkman worden, bekwaam tot alles
+en, met een beetje geluk, zou hij wel zeker eens tot meesterknecht
+worden aangesteld."
+
+"Zie, Christina," zeide de man met zekere tevredenheid, "zoohaast gij
+zegt, dat gij er niet tegen zijt, dat Bavo werkman worde, ben ik
+gerust."
+
+"Nooit, Adriaan, heb ik een ander inzicht gehad; maar is het zijn lot,
+in de wereld vooruit te gaan, ik zal niet uit baatzucht zijn geluk
+beletten."
+
+Na een oogenblik stilte zeide zij met zoete minzaamheid:
+
+"Nu, lieve man, laat ons over dit alles niet bekommerd zijn. Waarom
+zouden wij door eene voorbarige vrees ons zelven verdriet aandoen,
+zoolang het ons wel gaat en wij niets te kort hebben? Komt er
+tegenspoed, dan zullen wij ons schikken volgens den nood. In alle
+geval, wat er ook gebeure, indien onze kinderen kunnen lezen en
+schrijven, zullen wij, alhoewel arme werklieden, hun toch een
+kostelijk erfdeel nalaten. Zij, die u berispen, kunnen dit niet
+zeggen. Leg de hand op uw hart, Adriaan, en gevoel, of het u niet
+hoogmoedig en gelukkig maakt, te weten, dat gij voor God en voor de
+menschen uwe vaderlijke plichten met liefde vervult. Wees vergenoegd,
+en luister niet meer naar kwaden raad van onwetende lieden. Kom,
+vriend, ik zal Bavo in mijne armen nemen. Wij gaan slapen."
+
+En Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw, die
+achter hem met haar zoontje de trap beklom.
+
+
+
+
+IV
+
+
+Sedert Bavo de overtuiging had bekomen, dat hij Lieveken zou kunnen
+leeren lezen, had hij geenen enkelen dag laten voorbijgaan, zonder
+uren lang haar in het spellen te oefenen. Er was iets wonderlijks in
+de aanhoudendheid en in de vlijt van den kleinen jongen; ja, dikwijls
+vermoeide hij Lieveken zoodanig, dat haar hoofd er duizelig van werd
+en zij om verpoozing smeekte.
+
+Buiten de goedheid des harten, die Bavo aandreef om het arme Lieveken
+deelachtig te maken aan het onderwijs, dat zijne moeder hem had leeren
+aanzien als de hoogste weldaad voor een werkmanskind, bestond er eene
+bijzondere reden van zijne drift en haast om zijne speelgenoote te
+leeren lezen. Hij wist, dat zij, zoohaast het mogelijk zou worden,
+naar de fabriek zou moeten gaan, en dan, vreesde hij, zou zij niet
+meer kunnen leeren; misschien zelfs zou hij niet meer of zeer zelden
+met haar kunnen spelen.
+
+Inderdaad, vader Wildenslag was een vijand van het onderwijs. Volgens
+zijne meening,--die, eilaas, gedeeld wordt door vele onwetende
+werklieden--zijn de kinderen slechts op de wereld om hunnen ouders
+geldelijk voordeel aan te brengen, en is alle opoffering voor hen eene
+domheid, zoohaast er middel bestaat om ze te ontwijken. Alhoewel hij
+zijne kleine Godelieve meer dan zijne andere kinderen beminde,
+verschrikte het hem, dat zij te huis met een boek op de knieën zat, en
+door hare netheid en kiesche manieren tot eene juffrouw scheen op te
+groeien. Het was, volgens zijne gedachte, een slecht voorbeeld in een
+huisgezin, waar iedereen bestemd was om, van kindsbeen af tot aan het
+graf, te werken zonder rust en zonder hoop op verbetering.
+
+Godelieve was te jong en te zwak om nu reeds naar de fabriek te gaan;
+maar er bestond in de buurt een huis, waar men den kleinen meisjes
+leerde handwerken. Daar zou zij eerlang elken dag eenige centen
+verdienen, en dit was toch alweder zooveel in het huishouden gewonnen.
+Daarenboven, zij zou gevoelen, dat zij geboren was om te werken
+evenals de anderen, en de luiheid, de _juffrouwerij_, zooals hij het
+noemde, zou den tijd niet hebben om in haar te groeien.
+
+Meer dan eens reeds had hij met zijne vrouw over zijn inzicht
+gesproken; maar moeder Wildenslag had hem telkens tot een uitstel
+overgehaald, door hem te doen begrijpen, dat Lieveken nog altijd zwak
+en kwijnend was.
+
+Deze reden ontsnapte haar evenwel na eenige maanden; want Lieveken
+scheen gezond te worden, en hare leden hadden in korten tijd zeer in
+sterkte toegenomen.
+
+Dan werd op zekeren middag het vonnis over haar geveld, en haar werd
+bekend gemaakt, dat zij des anderen daags 's morgens, te zes uren,
+naar het speldenwerkhuis zou gaan.
+
+Het meisje zou zich zonder het minste verdriet onderworpen hebben,
+want zij wist niet, wat haar in dezen nieuwen toestand wachtte; maar
+de vader deed haar de ergste zijde van haar lot begrijpen, toen hij
+haar zeide:
+
+"En dan, Godelieve, is het voor altijd gedaan met leeren lezen. Gij
+kent daarvan al veel te veel voor een arm werkmanskind. Poog het
+liever te vergeten, want anders zou het u gedachten kunnen geven, die
+u later op den doolweg zouden brengen. Geene boeken meer in huis; denk
+aan werken alleen."
+
+Godelieve ging zwijgend het huis uit en bleef bij de deur met gebogen
+hoofd staan. Lang overwoog zij. Zij zou niet meer mogen leeren! Dit
+gepeins rukte tranen uit hare oogen, en zij ging langzaam en als
+dwalend naar de woning van bazin Damhout.
+
+Zij verscheen in de kamer met het voorschoot voor de oogen. Adriaan
+Damhout was reeds terug naar zijne fabriek; maar dewijl het Donderdag
+en schoolverlof was, zat Bavo nog nevens zijne moeder bij de tafel.
+
+De jongen sprong met eenen gil van zijnen stoel op, greep het meisje
+de hand en vroeg:
+
+"Lieveken, gij krijscht? Wie heeft er u kwaad gedaan?"
+
+Maar Lieveken begon luide te snikken en scheen ontroostbaar.
+
+"Nu, Godelieve, spreek, wat is u geschied? Het zal niet erg zijn,"
+zeide moeder Damhout.
+
+"Ach, ik mag niet meer leeren lezen!" zuchtte het kind.
+
+"Hoe? Waarom? Het kan niet zijn!" morde Bavo met eene uitdrukking van
+ongeloof en tevens van opstand.
+
+"Neen, ik mag niet meer leeren lezen, nooit meer. O, Bavo, ik kan
+reeds bijna lezen, en nu moet ik geweld doen om het weder te
+vergeten!"
+
+"Wie, wie zegt dit?" kreet de jongen.
+
+"Mijn vader heeft het gezegd, en er is niets aan te doen," antwoordde
+het droeve Lieveken.
+
+"Uw vader!" herhaalde Bavo met schrik.
+
+"Ja, en morgen van te zes uren moet ik naar het kantwerkhuis, en ik
+mag nooit een boek meer in de hand nemen, dat vader het zie. Och God,
+wat ben ik ongelukkig!"
+
+Luider nog begon zij te krijschen; de tranen biggelden van tusschen
+hare vingeren.--Bavo, door medelijden ontroerd, liet het hoofd op de
+tafel vallen en begon insgelijks te weenen.
+
+Gedurende eenigen tijd deed vrouw Damhout pogingen om de kinderen te
+troosten; maar zij gelukte er niet in. Om hun eenigen moed te geven,
+beloofde zij eindelijk, dat zij moeder Wildenslag zou gaan spreken, en
+zij drukte de hoop uit, dat zij misschien het pijnlijk vonnis zou
+kunnen verbidden.
+
+Haastig schikte zij alles in de kamer, en zeide dan tot het meisje:
+
+"Zijt gij wel zeker, Lieveken, dat uwe ouders beslist hebben u naar
+het kantwerkhuis te doen?"
+
+"Zeker, bazin Damhout, reeds van morgen vroeg."
+
+"Zij weten dus niet wat een kantwerkhuis is?"
+
+"Ik geloof, dat zij het wel weten. Dit is niets, bazin Damhout; ik wil
+wel naar het kantwerkhuis gaan, ik zal er mijn best doen zooveel ik
+kan; maar dat ik niet mag leeren lezen, daarom heb ik zooveel
+verdriet."
+
+"Welnu, blijf hier; ik ga naar uwe moeder. Krijsch niet meer.
+Misschien kom ik terug met goed nieuws."
+
+Eenige oogenbliken daarna trad vrouw Damhout in de woning van
+Wildenslag.
+
+"Wel goeden dag, Christina, wat geluk u hier te zien!" riep de moeder
+van Godelieve. "Zijt gij op den wandel? Het gebeurt u niet veel. Ik
+heb daar juist koffie opgeschonken, omdat het vuur toch aan was. Wij
+gaan een lekker kopje te zamen drinken....
+
+En gij daar, vuile bengels, de deur uit, totdat ik u roepe, of anders
+zal het troef op uwen rug zijn!... Nu, zit neer, Christina, wij zijn
+alleen en kunnen op ons gemak een beetje kouten."
+
+"Het is om een beetje te kouten, dat ik gekomen ben, Lina," antwoordde
+vrouw Damhout, zich nederzettende. "Is het inderdaad waar, dat gij
+besloten hebt uwe Godelieve op het kantwerkhuis te doen?"
+
+"Het is waar, Christina. Ik hadde haar nog wel eenigen tijd te huis
+gelaten. Het kind is nog niet van de sterksten; maar mijn man houdt
+niet af, en hij heeft misschien gelijk. Hoe vroeger men de kinderen
+aan het werk gewent, hoe beter. Dan brengen zij al gauw iets of wat in
+het huishouden. Gij trekt zulk aardig gezicht, Christina? Verwondert
+het u, dat wij onze Godelieve naar het kantwerkhuis doen gaan?"
+
+"Het bedroeft mij."
+
+"Waarom toch?"
+
+"Ik ga het u zeggen, Lina; en vermits gij moeder zijt en een goed hart
+hebt, zult gij mij begrijpen, ik hoop het ten minste. Gij weet
+misschien niet wat een kantwerkhuis is? Ik weet het, ik heb er een
+paar jaren op eenen stoel genageld gezeten, en ik zou misschien daar
+eenen vroegen dood mij op den hals gehaald hebben, hadde mijn goede
+peter zaliger, God zegene hem, mij niet van daar weggenomen om mij
+naar de school te laten gaan. Ziet gij, Lina, in zulk kantwerkhuis
+zitten de arme kleine meiskens van den vroegen morgen tot den laten
+avond over een kantkussen gebogen. Men laat toe, dat de kinderen een
+oogenblik ademhalen. Nooit opzien, nooit verroeren; altijd werken met
+gekromde leden en verpletterde borst. Dit eeuwig zitten maakt de
+kinderen bleek en ziekelijk; velen groeien er krom van, eenigen
+krijgen een bult, en het ergste van al is, dat, met hun zoo langzaam
+de borst in te drukken, men dien ongelukkigen kinderen de tering in
+het lijf steekt. Och, wist gij, Lina, hoevele jonge vrouwen er
+begraven worden, die in het kantwerkhuis den doodelijken knak gekregen
+hebben!"
+
+"Hemel, gij verschrikt mij!" zuchtte bazin Wildenslag. "Maar het is
+zeker niet waar, wat gij daar altemaal zegt!"
+
+"Het is ten minste grootendeels waar, Lina. Ik weet het, er zijn
+sterke kinderen, die wel niet ziek worden, omdat zij op het
+kantwerkhuis zijn geweest; maar had ik een kind, dat zoolang ziek was
+als Godelieve, ik zou het niet durven wagen hare gezondheid te krenken
+en misschien de schuld te worden des doods van mijn kind. Ik ben
+moeder...."
+
+"Maar ik ook, ik ben moeder!" kreet bazin Wildenslag.
+
+"Ik weet het, Lina," was het stille antwoord. "Had ik kunnen twijfelen
+aan uwe liefde voor uwe kinderen, gij zoudt mij vandaag hier niet
+gezien hebben. Godelieve is mij komen zeggen, dat gij besloten hebt
+ze morgen naar het kantwerkhuis te doen gaan. Mij raakt de zaak wel
+niet persoonlijk; maar gij zult het mij vergeven, dat ik uw kind
+gaarne zie. Zij is toch zoo minzaam en zoo verstandig, en zij heeft
+zulk goed en zuiver hart. Het doet mij pijn, te moeten denken, dat het
+arme lam misschien de borst zal worden ingedrukt, om vroegtijdig te
+sterven."
+
+"Maar, Christina, zij gaat niet naar het kantwerkhuis!" riep vrouw
+Wildenslag met eene soort van verontwaardiging. "Ik ben arm, ik ben
+eene onwetende sloor, dit beken ik; maar ik heb ook een moederhart in
+het lijf; ik zal mijn kind de borst niet laten indrukken, al gave men
+mij eenen hoop goud!"
+
+"Dit vereert u in mijne oogen, Lina," zeide bazin Damhout, "dat gij uw
+arm Godelieveken zoo oprecht bemint ... maar uw man?"
+
+"Mijn man? Wat heeft hij zich daarmede te bemoeien? Godelieve is een
+meisje, en over de meisjes is de moeder alleen meesteres. Dat hij met
+zijne bengels van jongens doe wat hij wil; ik kom daar ook niet
+tusschen. Wees niet bevreesd, Christina; al verroerde hij hemel en
+aarde, onze Lieveken zou toch niet naar het kantwerkhuis gaan. Het is
+beslist; ik kan niet weten, of gij geheel gelijk hebt, maar met den
+schrik, dien gij mij hebt aangejaagd, zou ik nog niet plooien, al
+stond ik voor den koning zelven."
+
+De beide moeders drukten elkander de handen; bazin Wildenslag scheen
+zeer gevleid door den lof en de vriendschap harer buurvrouw, en het
+was met onverborgene blijdschap, dat zij haar aandreef om nog een
+kopje koffie te drinken. Eindelijk zeide zij in gedachten:
+
+"Zeker, Godelieve gaat niet naar het kantwerkhuis; maar zij kan toch
+niet langs de straat blijven loopen? Haar vader knort dagelijks
+daartegen, en hij heeft geen ongelijk. Zij is nog te jong om naar de
+fabriek te gaan. Wat zou ik met het kind doen, Christina?"
+
+"Indien ik u eenen goeden raad mocht geven...."
+
+"Wel, het is naar goeden raad, dat ik u vraag."
+
+"In uwe plaats liet ik Godelieve voor een paar jaren naar de school
+gaan."
+
+"Naar de school gaan? Ons Lieveken naar de school? Waar zijn toch uwe
+zinnen, Christina?" riep vrouw Wildenslag als verbaasd. "Hebben wij,
+arme fabriekwerkers, de middelen, om van ons kind eene juffrouw te
+maken, die niet meer zou willen en kunnen werken?"
+
+"Gij verstaat mij niet, Lina," bemerkte vrouw Damhout. "Lieveken kan,
+om zoo te zeggen, reeds lezen. Indien ze nu nog twee jaren naar de
+school gaat, zou ze geleerd zijn en goed kunnen schrijven en rekenen.
+Dan deed ik ze bij eene kleermaakster of op een modewinkel. Zij zou
+dienvolgens ook leeren werken, maar zij zou niet onwederroepelijk
+veroordeeld blijven, om tot het einde van haar leven eenvoudige
+werkster en dienstmeid van anderen te blijven. Met hare geleerdheid
+zou zij zeker winkeldochter worden, en later zou ze zonder twijfel
+zelve eenen winkel oprichten en meesteresse worden. Het verwondert u?
+De geleerdheid, Lina, maakt den mensch tot alles bekwaam. Voor ons,
+onwetende werklieden, is er geene verbetering mogelijk; wat wij zijn,
+moeten wij blijven tot onzen dood; maar geven wij onzen kinderen de
+geleerdheid, dan zetten wij de wereld geheel open voor hen, en wij
+nemen van hun hoofd de vermaledijding weg, de onwetendheid, die hen
+veroordeelde tot een leven zonder hoop."
+
+Bazin Wildenslag luisterde met wijdgeopende oogen; zij scheen niet wel
+te begrijpen, wat hare buurvrouw zeide.
+
+"Vooronderstel nu eens, Lina," hernam deze, "dat uwe Godelieve
+winkeldochter worde, en later zelve meesteresse; dat zij veel geld
+winne en als eene ware juffrouw gekleed ga. Zou u dit bedroeven? Is
+het geluk van haar kind de hoogste vreugde eener moeder niet?"
+
+"Inderdaad, Christina."
+
+"En indien gij, met de hand op het hart, u zelve mocht zeggen, dat
+gij, gij alleen de oorzaak zijt van hare welvaart in de wereld, zou
+het u niet hoogmoedig maken?"
+
+"Ja, maar zou zij dan hare arme ouders wel blijven beminnen?"
+
+"Waarom niet? Is de dankbaarheid dan vijandin van de liefde?
+Integendeel, ik ben wel zeker, dat Godelieve nooit uwe weldaad zou
+vergeten en tot op haren ouden dag nog in zich zelve zou zeggen: mijn
+geluk, mijne welvaart ben ik verschuldigd aan mijne moeder. Uwen naam
+zou zij zegenen, haar leven lang, en zij zou God bidden, dat Hij u in
+Zijnen schoonen hemel beloone voor uwe goedheid."
+
+Vrouw Wildenslag was getroffen; hare oogen schenen vochtig van
+ontroering.
+
+"En dan, ziet gij, Lina, de verstandige lieden zouden u achten en
+prijzen. Zij zouden zeggen: die juffrouw, de meesteresse van dien
+schoonen modewinkel, is de dochter van bazin Wildenslag. De arme
+werkmansvrouw heeft moed getoond; zij heeft hare dochter laten leeren
+en dus haar geluk in de wereld verzekerd."
+
+"Het is wel schoon wat gij daar zegt," zuchtte de moeder van
+Godelieve, "maar zoo valt het niet altijd uit."
+
+"En ware de zaak onzeker, zoudt gij daarom Lieveken tot eeuwige
+armoede veroordeelen, als gij het middel kent om haar een beter lot te
+bezorgen? Zijt gij niet moeder, en zou de overtuiging, dat gij uwen
+plicht hebt gedaan, u niet hoogmoedig en blijde maken voor gansch uw
+leven?"
+
+"Naar de school gaan, het is gemakkelijk te zeggen," mompelde vrouw
+Wildenslag, het hoofd schuddende, "maar het geld, de kosten?"
+
+"Daar loopen geene kosten op, Lina. Bij de Zusters-ten-Nonnenbosch,
+achter St.-Anna-Kerke, zal men uw kind met vreugde ontvangen en het
+kosteloos leeren, zoolang gij wilt. Wat zijn die twee jaren? Lieveken
+kan toch niets winnen, en, eens geleerd, zal zij zooveel te spoediger
+bekwaam zijn om een schoon dagloon te verdienen. Wees zeker, indien
+gij mijnen raad volgt, zult gij er mij later om bedanken."
+
+Moeder Wildenslag boog het hoofd en zag zwijgend ten gronde.
+
+"Welnu, wat denkt gij van mijnen raad?" vroeg hare buurvrouw.
+
+"Laat mij overwegen; het is eene gewichtige zaak. Ja, ik ben moeder,
+en het geluk van mijn kind...."
+
+Eensklaps sprong zij recht, liep tot eene kas, drukte zich eene
+zuivere muts op het hoofd en wierp zich eenen katoenen mantel over de
+schouders.
+
+"Kom, Christina," riep zij, "ga mede met mij!"
+
+"Maar wat wilt gij doen?" vroeg bazin Damhout verwonderd.
+
+"Wat ik wil doen? Ik heb nu een goed gepeins, en ik ben vervaard, dat
+het zou kunnen veranderen. Zóó ben ik. Het moet maar seffens gedaan
+worden, anders komt het er niet van. Wij gaan naar de Zusters, om te
+zien, of zij mijne Godelieve op hunne school willen toelaten."
+
+"Moet gij niet eerst uwen man daarover raadplegen?"
+
+"Denk daar niet aan. Van een beetje lawijd en eenen avond gegrom zal
+ik niet ziek worden. Lieveken is mijn kind, en als de zaak eens
+afgedaan en geklonken is, zal haar vader zooveel te gemakkelijker te
+overwinnen zijn. Kom, kom, geen tijd verloren. Gij kunt schoon en
+beleefd spreken, Christina, doe gij het woord bij de Zusters, dan
+geraken wij seffens klaar, indien het mogelijk is."
+
+De beide vrouwen verlieten het huis en verdwenen onmiddellijk achter
+den hoek der stege.
+
+Intusschen wachtten Bavo en Lieveken met koortsig ongeduld op de
+terugkomst van vrouw Damhout. In het eerst hadden zij elkander
+getroost met de hoop op goed nieuws; maar dewijl Bavo's moeder zoolang
+weg bleef, ontzonk hun eindelijk de moed geheel.
+
+Nu zaten zij sedert een half uur zwijgend te treuren, toen eensklaps
+de deur werd geopend en zij hunne moeders zagen verschijnen. Bevend
+sprongen gij recht; hoop en vrees glinsterden in hunne wijdgeopende
+oogen.
+
+"Godelieve," zeide bazin Wildenslag met groote blijdschap, "gij moet
+niet naar het kantwerkhuis! Morgen gaat gij naar de school, bij de
+Zusters-ten-Nonnenbosch, en gij zult mogen leeren gelijk Bavo!"
+
+Een blijde kreet ontsnapte het gelukkige Lieveken; zij omhelsde hare
+moeder en vrouw Damhout; zij greep Bavo bij de handen en danste
+juichend met hem de kamer rond.
+
+"Ik mag naar de school gaan, ik mag leeren, gelijk gij, Bavo!" riep
+zij, in de handen kletsend. "Hoe goed, hoe schoon!"
+
+En zij stortte zich vermoeid tegen de borst harer moeder, streelde
+haar de wangen met de beide handen en stamelde op den toon eener
+diepgevoelde dankbaarheid:
+
+"Ach, moeder lief, ach, moeder lief, wat zijt gij goed voor uw arm
+Lieveken. O, wat zie ik u gaarne! Wat zal ik u altijd gaarne zien,
+mijn geheel leven lang!"
+
+Bazin Wildenslag veegde zich eenen traan uit de oogen. Zulke
+moederlijke fierheid, zulke zuivere, innige blijdschap had ze nog
+nooit gevoeld. Het scheen haar, dat er iets in hare natuur was
+veredeld geworden: zij had ten minste dit besef van eigene
+waardigheid, dat als eerste belooning van eenen grooten vervulden
+plicht in den mensch ontstaat.
+
+"Kom, Lieveken," zeide zij, "laat ons naar huis gaan. Ik moet eens
+goed al uwe kleederen nazien en u een nieuw paar schoenen koopen. De
+kinderen op de school zijn altemaal zoo netjes, en ik wil niet, dat
+daar iets op mijne kap te zeggen valle."
+
+In het uitgaan drukte zij met bijzondere kracht de hand van vrouw
+Damhout, en zeide tot allen groet:
+
+"Dank, dank!"
+
+
+
+
+V
+
+
+Lieveken was ter schole bij de Zusters. Hoe fier en hoe gelukkig
+gevoelde zich het arme kind, wanneer zij, met hare leerboekjes en hare
+schalie in de hand, door de stege stapte! Nu zou zij het onderwijs
+genieten evenals Bavo. Zij was dus een bevoorrecht wezen tusschen al
+deze arme werkmanskinderen, die niet mochten ter schole gaan. De
+overtuiging, dat zij het voorwerp was van eene onverwachte en
+bijzondere gunst, dreef haar aan tot eene ongewone vlijt. Elken avond
+herhaalde zij hare lessen met Bavo. Dewijl zij eenen helderen geest en
+een sterk geheugen had, deed zij met dit dubbel onderwijs in min dan
+een jaar zulke groote vorderingen, dat hare leermeesteressen zelven er
+over verwonderden. Daarenboven, zij was zoo gehoorzaam, zoo dankbaar,
+zoo streelend, dat de Zusters haar met eene bijzondere voorliefde
+behandelden, en allengs trotsch werden over de verrassende vruchten
+van hun onderwijs in dit arme werkmanskind.
+
+Vader Wildenslag had nooit rechtzinnig toegestemd om zijn meisje ter
+schole te laten gaan. Hij gromde nog immer tegen deze gevaarlijke
+gekheid, zooals hij het noemde; en wanneer hij met zijne vrouw er
+over sprak, vielen er vele grammoedige en bittere woorden. Het was
+zijne ingewortelde gedachte, dat het onderwijs een werkmanskind
+onfeilbaar moet verloren leiden; want volgens hem sproten uit de
+geleerdheid de zucht naar schoone kleederen, hoovaardij en vele ergere
+dingen. Het minste kwaad was nog, dat de kinderen, welke dus boven
+hunnen staat verheven worden, eindelijk van hoogmoed op hunne ouders
+nederzien. Daarenboven, terwijl ze leeren, winnen ze niets, en dit is
+zooveel ontstolen aan de ouders, die recht hebben op het werkloon
+hunner kinderen. Hij was niet alleen van dit gevoelen; zijne vrouw
+mocht het vragen aan al hare geburen; buiten bazin Damhout zou geen
+enkele anders spreken. In het eerst had hij, door zijne herhaalde
+aanvechtingen en bovenal door zijne droeve voorspellingen, zijne vrouw
+in twijfel gebracht; maar nu waren allengs zijne woorden onmachtig op
+haar geworden.
+
+Lieveken woonde dikwijls de samenspraken bij, waarin er over haar lot
+werd getwist: zij hoorde en zag bevend, hoe hare moeder haar
+verdedigde en hoe zij te lijden had om haar op de school te houden.
+Het kind wist zulke zoete woorden, zulke teedere streelingen te vinden
+om hare moeder te troosten; zij drukte hare dankbaarheid met zooveel
+gevoel en kracht uit, dat bazin Wildenslag soms haar beminlijk
+Lieveken tegen de borst drukte en diep ontroerd haar omhelsde.
+
+Uit erkentenis voor hare moeder, poogde Lieveken zich op alle wijze
+nuttig te maken. Zij stond op met het krieken van den dag, schikte,
+kuischte en schuurde, en deed zooveel, dat het huisje van Jan
+Wildenslag allengs een min onzindelijk aanzien kreeg. Zij sprak
+tevens met hare moeder over hetgeen zij op de schole leerde en over de
+schoone lessen van zedelijkheid en van wellevendheid, welke de Zusters
+haar gaven. Zoo begon het kind, zonder het te weten, de opvoeding
+harer moeder, en het wierp in haar hoofd de eerste lichtstralen, welke
+er ooit waren in doorgedrongen.
+
+Bazin Wildenslag, hoe woest en onwetend ook, had een goed hart en veel
+gezonde rede. Wanneer zij alleen was met Lieveken en zij het kind zoo
+eenvoudig en toch zoo schoon hoorde spreken van haar onbekende dingen,
+van godsvrucht, van zedelijkheid en van de menschelijke plichten,
+gevoelde zij zich in eene andere lucht, en het scheen haar, dat hare
+eigene natuur door de aanraking van haar kind zich verhief en zich
+louterde.
+
+Ook zeide zij soms tot hare buurvrouw: "Zie, bazin Damhout, wij, arme
+lieden, wij denken, dat wij dom en slecht zijn. Het is niet waar. Het
+goede steekt er in, maar niemand heeft het er doen uitkomen. Hadden
+mijne ouders mij beter opgebracht en mij laten leeren, ik zou een
+ander mensch geworden zijn; want nu gevoel ik het wel, ik ben zoo bot
+niet als ik zelve het meende. Ware het nog te herdoen! Maar het is te
+laat, gebuurvrouw. Ik heb nu toch het geluk, te weten, dat mijne
+Godelieve goed zal geleerd worden. Zij is een engeltje in mijn huis;
+en mijn man mag mij vervaard maken zooveel hij wil, ik ben zeker dat
+ik plezier in mijn kind zal hebben zoolang ik leef. Wat hare broeders
+en zusters betreft, kleinen en grooten, daar is niets goeds van te
+verwachten. Zij staan tegen mij op, alsof ik geboren ware om hunne
+slavin en hunne dienstmeid te zijn. Ik heb al moeite gedaan om de
+kleinste naar de school te krijgen; maar Wildenslag springt vijf voet
+hoog van gramschap, zoohaast ik daarvan spreek."
+
+Misschien had de tevredenheid van vrouw Wildenslag nog eene andere
+reden. Zij was naar de school van Lieveken gegaan. De Zusters hadden
+haar met eene bijzondere beleefdheid en met eene zichtbare blijdschap
+ontvangen; haar de wonderlijke vorderingen van haar kind geroemd; haar
+hoog geprezen, omdat zij, nederige werkmansvrouw, haar kind liet
+leeren, en haar eindelijk, tot overmaat van vriendelijkheid, op eene
+lekkere koffie onthaald.
+
+Natuurlijk, zulk eerbewijs en de uitbundige lof over haar zelve en
+over haar kind hadden haar het hoofd duizelig gemaakt, en zij was uit
+de school teruggekeerd met het vaste opvat, Godelieve zoolang mogelijk
+te laten leeren.
+
+Daaruit volgde, dat, als de twee jaren verloopen waren, zij allerlei
+listen uitvond en zelfs openlijk tegen haren man in opstand kwam, om
+haar meisje nog eenige maanden langer op de school te laten.
+
+Alles was echter geene vreugde in het leven van Lieveken. Hare
+broeders en zusters, waarvan er reeds drie op de fabriek werkten,
+hadden voor haar eene soort van haat opgevat. Het scheen hun eene
+schreeuwende onrechtvaardigheid, dat Godelieve, zonder geld in huis te
+brengen, in luiheid mocht leven.--Onrechtvaardigheid vanwege de ouders
+was het zeker, dat zij al hunne kinderen niet hadden laten leeren;
+maar zoo verstonden de woestaards het niet. Op Lieveken alleen meenden
+zij zich te moeten wreken. Zij noemden haar spottenderwijze de
+_Mammezel_, scholden haar uit voor eene leegloopster, eene
+opvreetster, mishandelden haar, bevuilden of scheurden hare boeken en
+schenen eene samenspanning te hebben aangegaan om het arme meisje te
+bedroeven en te plagen.
+
+Godelieve verdroeg alles met een engelachtig geduld; slechts wanneer
+men hare schrijfboeken bemorste of beschadigde, weende zij in stilte,
+omdat zij vreesde in de school door de Zusters te worden bekeven.
+
+Elken dag, zoohaast het avondmaal was geëindigd, ging zij met hare
+boeken naar het huis van bazin Damhout. Daar las en schreef zij aan de
+zijde van Bavo, ontving zijne terechtwijzingen en zijne lessen met een
+liefderijk gemoed, en speelde dan nog wat, en koutte misschien met
+haren jongen vriend van hetgeen zij beiden meenden of hoopten later in
+de wereld te zullen worden.
+
+Bazin Damhout arbeidde zonder ophouden aan het naaien van kielen of
+van ander lijnwaden kleedergoed. Dewijl haar oudste meisje nu
+insgelijks naar de school ging, moest zij pogen wat meer geld te
+winnen, om haren man niet te laten gevoelen, dat het onderwijs der
+kinderen, ofschoon kosteloos, toch wel eenige opoffering vergde.
+
+Niet zelden wanneer Adriaan Damhout in gezelschap van Jan Wildenslag
+was geweest, keerde hij naar huis met een versomberd gelaat, en dan
+ontsnapten hem treurige bemerkingen, die genoeg lieten blijken, dat
+hij nog altijd ongerust was aangaande de gevolgen der al te hooge
+opvoeding, welke zijne vrouw aan hare kinderen gaf.
+
+Misschien dat de arme moeder niet geheel zonder vrees of twijfel was;
+want zij hield niet op van Bavo en Lieveken, onder alle vormen en bij
+elke gelegenheid, de dankbaarheid en de liefde tot hunne ouders als
+eenen heiligen plicht aan te prijzen. Alsof zij, door eene geheime
+inspraak harer ziel, gevoelde, dat geleerdheid niet voldoende is om
+alleen den mensch te vormen, legde zij met eene teedere oplettendheid
+in het hart van haren zoon en in het hart van Lieveken de kiemen van
+het diepste plichtgevoel en van de zuiverste deugden neder.
+
+Zij was sedert jaren gewend aan de tegenwoordigheid der kleine
+Godelieve; nu vond zij haar geluk in de zoete vriendschap der kinderen
+voor elkander en in hunne ijverige leerzaamheid. Zij aanschouwde
+eenigszins het goede meisje als haar eigen kind. Was zij de oorzaak
+niet, dat zij naar de schole ging? En gaf deze weldaad haar het recht
+niet om Godelieve uitzonderlijk te beminnen?
+
+Het meisje erkende hare liefde niet alleen door eene groote
+dankbaarheid, maar tevens door een gevoel van diepen eerbied en van
+ontzag, dat zij zelfs op Bavo overdroeg; want alhoewel zij aan zijne
+zijde leefde als zijne zuster en zijne gelijke, bleef hij in hare
+oogen altijd een waardiger wezen, wiens vriendschap en wiens
+edelmoedige bescherming zij onverdiend genoot.
+
+Eindelijk toen Godelieve bijna gedurende drie jaar had ter schole
+gegaan, kon hare moeder het niet langer tegen haren man volhouden, en
+er werd beslist, dat het meisje met het begin der volgende week het
+gesticht der Zusters zou verlaten.
+
+Wildenslag meende, dat men haar onmiddellijk op de fabriek moest doen;
+zij zou er seffens eenige stuivers elken dag winnen, terwijl zij, om
+een handwerk te leeren, misschien nog wel gedurende twee jaar met
+eenen of twee stuivers per week zou naar huis komen. Al die
+geldverkwisting, beweerde hij, had geen ander gevolg dan eene pint
+bier en een brok vleesch uit zijnen mond en uit den mond harer
+broeders en zusters te rooven. Het kwetste hem daarenboven, dat zijne
+dochter op eenen juffrouwenstiel ging en niet fabriekwerkster bleef
+gelijk hare ouders.
+
+Daarover echter behaalde hij geen gelijk. In den geest van vrouw
+Wildenslag was de toekomst van Godelieve afgebakend zooals Bavo's
+moeder ze haar had voorspeld. Zij zou kleermaakster worden,
+winkeldochter en eindelijk meesteresse; daar was niets aan te doen,
+haar man mocht er tegen grollen en grimmen zooveel hij wilde.
+
+Toen Lieveken met het onverwachte nieuws bij Bavo kwam en zeide, dat
+zij hare school ging verlaten, was er eerst verrassing en dan stille
+treurnis. De kinderen wisten niets daartegen in te brengen en
+onderwierpen zich; maar hunne oogen, wanneer zij elkanders blikken
+ontmoetten, waren klagend, en uit Lievekens boezem ontsnapte nu en dan
+een zucht. Het was zoo goed voor haar bij de Zusters; zij was er zoo
+bemind geweest en zij droeg haren leermeesteressen zooveel dankbare
+genegenheid toe. Hare goede weldoensters voor altijd vaarwel te
+zeggen, viel haar hart bitter en wreed. Maar het kon niet anders: zij
+was arm in de wereld en moest een ambacht leeren, dit wist zij wel.
+
+Bazin Damhout zeide aan hare buurvrouw, dat zij niet mocht nalaten de
+Zusters van hare beslissing te verwittigen, en bij deze gelegenheid
+hen duizendmaal en uit den grond des harten moest bedanken voor hunne
+goedheid.
+
+Daar Lina reeds eens in het gesticht met bijzondere vriendelijkheid
+was onthaald geworden, volgde zij den raad harer buurvrouw.
+
+Wie het meest verrast en bedroefd schenen bij de onverwachte
+aankondiging, waren de Zusters. Godelieve was eene leerlinge, op welke
+zij niet alleenlijk trotsch waren, maar zij hadden allen het meisje
+bijzonder lief om hare voorbeeldige zedigheid en ijver, en meer nog
+misschien om hare aandoenlijke dankbaarheid. Daarenboven, Godelieve
+was hun reeds sedert eenige maanden behulpzaam geweest om de kleinste
+meisjes te leeren spellen.
+
+Nadat de Zusters de redenen van bazin Wildenslag hadden gehoord,
+staken zij de hoofden bijeen en spraken eenigen tijd in stilte met
+elkander.
+
+Dan zeide de oudste:
+
+"Vrouw, het zou ons pijn doen, onze beste leerlinge nu reeds te moeten
+verliezen. Wij waren fier op haar, en hadden ze wel gaarne nog een
+jaar behouden, om te doen zien waartoe wij bekwaam zijn, als onze
+lessen in eenen goeden grond vallen. Zoudt gij ze niet nog een beetje
+op onze school kunnen laten?"
+
+
+[Illustratie: Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad
+papier uit.]
+
+
+"Onmogelijk, Zuster," antwoordde bazin Wildenslag met eenen zucht. "Ik
+wenschte het ook wel. Vermits ik slechts één kind heb, dat heeft mogen
+naar de school gaan, zou ik ze willen laten leeren zoolang ze kan;
+maar mijn man is niet meer te stillen. Wij kunnen zóó niet leven. De
+kinderen kosten geld. Ik heb er niet minder dan zes; en, gelooft mij
+of niet, ze eten ons waarlijk het haar van het hoofd. Als de
+kinderen hunnen eigen kost niet verdienden, zoohaast ze groot genoeg
+zijn, dan moeten al de menschen van onze soort naar de armen."
+
+"En wanneer denkt gij, dat Godelieve, met den kleermakersstiel te
+leeren, haren kost zou beginnen te verdienen?"
+
+"Niet spoedig, Zusters, ik weet het wel: binnen twee jaar misschien,
+zoo allengskens."
+
+"Welnu, wij willen u een goed voorstel doen. Laat Godelieveken nog
+naar de school komen. Zij zal hier het noenmaal en het avondmaal
+genieten, en zelfs het ontbijt, indien gij wilt. Wij zullen eene
+bijzondere zorg aanwenden om haar goed te leeren naaien. En zoohaast
+zij dertien of veertien jaar bereikt en wel onderwezen is, zullen wij
+zelven haar op eenen winkel doen, bij eene meesteresse, die haar zal
+beschermen en bevorderen. Zij zal dus den verloren tijd ruimschoots
+inwinnen. Bevalt u dit voorstel?"
+
+"Ach, menschen lief, wat zijt gij toch goed voor mijn arm kind!" riep
+moeder Wildenslag met de tranen in de oogen. "Dat God u beloone voor
+uwe liefdadigheid. Ja, ja, zeker, ik neem uw edelmoedig voorstel aan
+uit gansch mijn hart."
+
+Zoo bleef Godelieve, ondanks de tegenwerpingen haars vaders, op de
+school der Zusters.
+
+Wat Bavo betreft, het is onnoodig te bevestigen, dat hij op de
+gemeenteschool insgelijks zich onder al zijne medeleerlingen
+onderscheidde. Hij was in geleerdheid oneindig verder dan Lieveken;
+hij had een schoon geschrift, was zeer geoefend in het rekenen en had
+reeds eenige vorderingen in de Fransche taal gedaan. Zijne meesters
+hadden hun genoegen in zijn helder begrijp en in zijne leerzaamheid,
+en roemden op zijnen spoedigen voortgang.
+
+Daar zijne ouders hem voor den stiel van mekaniekmaker of van
+timmerman bestemden, woonde hij sedert anderhalfjaar de lessen der
+teeken-academie bij, en alles liet vermoeden, dat hij ook in dit
+nieuwe vak behendig worden zou.
+
+Met al deze bezigheden, en alhoewel hij nu slechts te acht uren des
+avonds naar huis kwam, vond hij nog tijds genoeg om spelenderwijze
+Lieveken voort te helpen in hare eerste studie der Fransche taal,
+welke zij op hare school nu insgelijks had begonnen te leeren.
+
+Een gansch jaar verliep er dus, zonder dat eenige tegenspoed het
+stille geluk van bazin Damhout en van beide kinderen kwam storen. Een
+enkel voorval--indien men het voorval mag heeten--was van aard om
+aangeteekent te worden in hunne herinnering.
+
+Bavo had sedert eenigen tijd eene zonderlinge strekking tot
+eenzaamheid getoond. Reeds tweemaal, wanneer zijne ouders des Zondags
+volgens gewoonte hem mede wilden nemen op de wandeling, was hij alleen
+te huis gebleven, onder voorwendsel dat hij veel schoolwerk had af te
+maken. Zijne moeder had hem eens verrast, terwijl hij met angstige
+haast iets voor haar verborg.
+
+Wat mocht hem dus bezighouden? Hij wilde het niet zeggen; hij ontweek
+alle uitleggingen daarover, en bazin Damhout was niet zonder kommer,
+alhoewel zij niet juist wist wat zij vreesde.
+
+Op zekeren avond kwam Bavo te huis van de school; hij scheen uitermate
+blijde, liep van den eenen kant der kamer naar den anderen met
+zichtbaar ongeduld en deed niets dan in zich zelven zeggen:
+
+"Is Lieveken nog niet gekomen? Waar blijft toch Lieveken? Indien zij
+eens dezen avond niet kwame!"
+
+En als bazin Damhout hem vroeg, wat hem zoo aanjaagde, antwoordde hij
+lachende:
+
+"Gij zult het straks zien, moeder lief, en dan zult gij weten, wat ik
+voor u hield verborgen."
+
+"Ha, ha, daar is Lieveken!" riep hij uit.
+
+Het meisje aanschouwde hem verbaasd en keek rond om te raden, wat hem
+zoo vroolijk maakte.
+
+"Welken dag van het jaar zijn wij?" vroeg hij haar.
+
+"Ik weet het niet," stamelde zij. "In de maand Juli...."
+
+"Welnu, zie eens in dezen almanak, daar op den zesden der maand, welke
+heilige staat daar?"
+
+"Sinte-Godelieve!" zeide het meisje met verwondering.
+
+"Ja, Godelieve, het is uw dag," juichte hij. "Ik ga u besteken; ik heb
+een geschenk voor u. Eene maand lang heb ik in het geheim er aan
+gewerkt. Gij moogt er niet mede lachen en moeder ook niet. Ik heb
+gedaan wat ik kon."
+
+Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit, legde
+dit op de tafel en riep:
+
+"Zie, Lieveken, zie, moeder, daar is mijn geschenk!"
+
+Op het blad papier stonden de beelden van twee kinderen, met waterverf
+gekleurd, een jongen en een meisje, hand aan hand, en houdende elk in
+de hand, die hun vrij bleef, een open boek. Er was een breede,
+driekleurige band rondgeschilderd, en deze bonte verven gaven het
+eenen grooten glans. Ongetwijfeld had Bavo geweld gedaan om zijne
+eigene beeltenis en die van Lieveken na te bootsen; de kleederen
+geleken klaarblijkend; maar het geheel was een zoo gebrekkig en grof
+kinderwerk, dat men moeilijk het inzicht des makers hadde kunnen
+raden, indien hij niet onder de beelden in groote letteren hadde
+geschreven: BAVO EN LIEVEKEN.
+
+Verrast en schier droef, omdat het kleine meisje beweegloos bleef en
+niet juichte, zeide hij beschaamd:
+
+"Ja, Godelieve, het is niet goed, ik weet het wel. Ik heb het gemaakt
+om te lachen; het is eene gedenkenis van dat wij te zamen hebben
+leeren lezen."
+
+Godelieve boog het hoofd en begon in stilte te weenen; de tranen
+rolden als parelen uit hare oogen.
+
+"Wat is dit?" murmelde de verbaasde jongen. "Waarom weent gij nu?"
+
+"Ik weet het niet," was het antwoord, "omdat gij zoo goed voor mij
+zijt."
+
+"Kom, kom, het is maar spel," riep Bavo. "Hadde ik geweten, dat het
+beeldeken u moest bedroeven, ik hadde het aan stukken gescheurd."
+
+"Ho, aan stukken scheuren!" gilde Lieveken met schrik. "Doe dit niet!
+Geef het mij, als 't u belieft!"
+
+"Wel, het is voor u, Lieveken, dat ik het heb gemaakt."
+
+"Wees gedankt, Bavo; ik zal de gedenkenis uwer vriendschap zoo
+zorgvuldig bewaren!"
+
+Zij greep het blad papier van de tafel en, als verschrikte haar de
+gedachte, dat het schoon geschilderd beeld haar nog kon worden
+ontnomen, liep zij er mede de deur uit, roepende dat zij het hare
+moeder wilde toonen.
+
+
+
+
+VI
+
+
+Eindelijk was de tijd gekomen, dat Bavo de gemeenteschool zou
+verlaten, om als leerjongen op een werkhuis van mekaniekmakers te
+gaan. Hij was meer dan veertien jaar, en zijne opvoeding was
+voltrokken.
+
+Toen de onderwijzer van dit besluit kennis gegeven was, kwam hij zelf
+in de woning van Damhout, om den ouders van zijnen leerling te
+verzoeken en aan te raden, hunnen zoon nog op de school te laten, ten
+minste tot de aanstaande prijsuitdeeling. Hij twijfelde niet, of Bavo
+zou al de eerste prijzen der hoogste afdeeling behalen. Dus zijne
+opvoeding sluiten als _primus_ der school, zou hem een groote eer
+zijn, en het kon hem een gewichtige titel op latere bescherming
+worden. De hoofdonderwijzer had Bavo lief om zijn goed hart en zijnen
+wakkeren geest, en hij verborg den ouders niet, dat hij er aan hield,
+zijnen beminden leerling de eer en blijdschap van de zegepraal te zien
+genieten.
+
+Er werd dienvolgens beslist, dat Bavo nog ter schole zou blijven tot
+de prijsuitdeeling.
+
+Sedert eene maand was Lieveken door hare leermeesteressen bij eene
+goede kleermaakster geplaatst geworden. Als beschermelinge der
+Zusters won zij van den beginne af een frank per week.
+
+Dit klein loon was oorzaak, dat Wildenslag nog dikwijls zijne vrouw
+van dwaasheid beschuldigde, en haar poogde over te halen om Lieveken
+naar de fabriek te doen gaan. Daar moeten de kinderen geene lange
+leerjaren onderstaan, en zij winnen er onmiddellijk veel meer geld dan
+met welk ander ambacht. Evenwel, hoe onophoudend hij ook daarover
+zijne ingewortelde meening uitdrukte, zijne vrouw wilde van zulk iets
+niet hooren.
+
+Des avonds, na de arbeidsuren, kwam Lieveken bij bazin Damhout. Zij
+had toch te veel van hare woeste broeders en zusters te lijden; en
+hare moeder zelve spoorde haar aan om bij hare brave buren den vrede
+en het stil vermaak te zoeken, welke zij in haar huis niet vinden kon.
+
+Uit gewoonte en uit neiging nam zij nog deel in de lessen van Bavo, of
+juichte op voorhand met hem over de eer en het geluk, die hem zouden
+te beurt vallen bij de aanstaande prijsuitdeeling der gemeenteschool.
+
+Onverwachts ontstonden er gebeurtenissen, die de Gentsche nijverheid,
+en dus ook de werklieden, aan harde beproevingen gingen onderwerpen.
+Vele vraagpunten, door de omwentelingen van Frankrijk en van België in
+1830 geweldiglijk opgeworpen, waren nog onbeslist gebleven. De
+onderhandelingen, tusschen de mogendheden machteloos zijnde om tot
+vereffening te leiden, dreigden eenige der belanghebbende landen, door
+de wapenen hun recht te doen gelden. Alle volkeren, door de vrees van
+eenen Europeeschen oorlog aangedaan, riepen hunne krijgsmachten met
+grooten spoed te zamen. Dit verwekte eenen algemeenen schrik, waarvan,
+volgens gewoonte, handel en nijverheid de eerste slachtoffers werden.
+De overmatige voorraad van stoffen in de magazijnen, eenige groote
+bankroeten te Londen en te Parijs, de opslag van de ruwe katoen,
+spruitende uit het vooruitzicht eener belemmering in de scheepvaart,
+dit alles bracht voort, dat de fabrikanten niet dan met verlies konden
+laten werken en de meesten inderdaad hunne fabrieken sloten.
+
+Twintigduizend menschen geraakten in Gent alleen zonder werk. Dewijl
+de arbeider, zelfs wanneer hij veel geld wint en geene kinderen heeft,
+gewoonlijk aan den dag van morgen niet denkt, vielen al deze lieden
+van een betrekkelijk welzijn eensklaps in de diepste armoede. In het
+eerst vonden zij nog iets of wat bij de winkeliers en bakkers te
+borgen; maar na vijftien dagen was deze hulpbron geheel opgedroogd, en
+dan kwamen de honger en de ware ellende deze duizenden menschen met
+vrouw en kinderen wreedelijk aangrijpen. Men zag ze in talrijke
+groepen op de markten staan of door straten dwalen, met verbleekt
+gelaat en ontvlamden blik, morrend en dreigend en in schijn gereed om
+door gewelddadigheid zich uit den bitteren nood te redden.
+
+Door medelijden aangedreven en hopende, dat deze erge toestand niet
+zou voortduren, boden eenige fabrikanten hunnen werklieden aan met
+zekere vermindering van loon te werken; en op dien grond werden er
+inderdaad meer dan de helft der nijverheidsgestichten geopend.
+
+Maar een groot getal spinners en wevers verstieten de aangebodene
+voorwaarden met gramschap, en beschuldigden de fabrikanten, dat zij
+uit zelfzucht van de omstandigheden gebruik maakten, om het werkloon
+neder te drukken. Na elkander gedurende eene halve week te hebben
+opgehitst, verdoold door onwetendheid en honger, liepen zij in
+stormige scharen naar de geopende fabrieken en wilden met geweld alle
+werkzaamheid doen staken. Zij mishandelden hunne makkers, die, om toch
+brood voor vrouw en kinderen te hebben, de tijdelijke
+loonsvermindering hadden aanvaard; zij beschadigden de gebouwen en
+werktuigen, en leverden zich over aan gewelddaden, die de
+tusschenkomst der gewapende macht noodzakelijk maakten.
+
+Deze tooneelen van woest geweld boezemden den fabrikanten eenen
+grooten schrik of eene diepe spijt in. Dan werden de fabrieken voor
+goed gesloten en de duizenden werkmanshuisgezinnen in eene eindelooze
+ellende gedompeld.
+
+Het was bovenal in de woning van Wildenslag, dat er nood en derving
+heerschte; want daar waren de kinderen talrijk, en men was er gewoon
+zonder vooruitzicht en zonder zorg op voorhand alles te verteren, wat
+er werd gewonnen. Moeder Wildenslag had een wreed en bitter leven; al
+het verdriet en al de onwil van man en kinderen vielen op haar, en zij
+hoorde den ganschen dag niets dan scheldwoorden en verwijtingen, als
+ware zij inderdaad de slavin, die in het huishouden het natuurlijke
+doel moest zijn van de ontevredenheid der anderen. Lieveken, die ook
+deel had in de kwade bejegeningen harer broeders en zusters, was de
+eenige troost, die bazin Wildenslag overbleef; want dit kind ten
+minste beminde en eerbiedigde haar, en het weende tranen van liefde
+en van medelijden op hare borst, wanneer de overigen haar hadden
+mishandeld of gehoond.
+
+In de woning der Damhouts deed de ellende zich zoo spoedig niet
+gevoelen. De winkeliers hadden in hen meer vertrouwen, omdat zij
+bekend stonden als spaarzame lieden, en gaven hun ook langer op borg.
+Daarenboven arbeidde moeder Damhout, wie geen naaiwerk ontbrak, nu van
+het krieken van den dag tot elf uren des avonds zonder ophouden.
+Misschien wel had de zorgende vrouw eenen kleinen spaarpot? Hare
+vlijt, hare zucht om te beletten, dat haar man zich ooit over het
+onderwijs zijner kinderen beklaagde, laat toe te vooronderstellen, dat
+zij iets had bewaard tegen eenen onvoorzienen nood.
+
+In het eerst ten minste ontbrak er niets in haar huishouden. Zij
+verzocht zelfs dikwijls de arme Godelieve, die honger leed
+ongetwijfeld, met hen het avondmaal te nemen; maar het meisje werd
+telkens rood bij zulke aanbieding en weigerde, zichtbaar sidderend,
+alsof het gepeins van in dit huis eene aalmoes te ontvangen haar met
+schrik en schaamte sloeg.
+
+Nog altijd dwaalden de werklieden in de straten van Gent verhongerd en
+lijdend rond. Van kindsbeen af aan eene enkele soort van arbeid, aan
+eene eenvormige en beperkte beweging gewend, waren zij onbekwaam om
+tot eenig ander werk hunne toevlucht te nemen. De gedachte daarvan
+kwam zelfs niet in hen op, en zij zouden veeleer zich met gansch hun
+huisgezin van honger hebben laten sterven, dan in eenige andere
+bezigheid ten minste eenen tijdelijken onderstand te zoeken.
+
+Door den langen duur der werkstaking werd de nood insgelijks voelbaar
+voor het huisgezin der Damhouts. Inderdaad, wat de vrouw door haren
+drukken arbeid met naaien kon verdienen was niet toereikend, om de
+huishuur te betalen en de voeding van vijf personen te bekostigen. In
+de winkels begon men insgelijks moeilijkheden tot langer borgen op te
+werpen.
+
+Aangespoord door den ijver zijner vrouw, die, zooals hij zelf zeide,
+zich de vingeren van de handen werkte, poogde Damhout in de stad werk
+te vinden om iets te winnen. Het gelukte hem in de eerste week niet;
+want schrik voor den oorlog had meer dan eene nijverheid verlamd, en
+er liepen honderden menschen rond om werk en om brood.
+
+Eindelijk toch, en hoezeer het hem, als spinner van ambacht,
+tegenstak, nam hij aan met eenige anderen eene slijkige gracht en
+eenen vijver uit te delven en te verdiepen.
+
+Het bedroefde bazin Damhout uitermate, dat hij zulken arbeid had
+aanvaard, en zij poogde hem te overtuigen, dat hij hem moest verlaten;
+er zou wel een middel zijn om voort te sukkelen, totdat hij wat beters
+hadde gevonden, maar de man, die wanhopig was over de werkeloosheid en
+niet langer al den last van het huishouden op zijne vrouw wilde laten
+drukken, weerstond haar en begon des anderen daags den voor hem zoo
+ongewonen arbeid.
+
+Gedurende de eerste week hield hij het vol; hij was wel treurig in
+zijn hart en tot bezwijkens toe vermoeid in al zijne leden, maar hij
+toonde er niets van en veinsde voor zijne vrouw en kinderen eene
+stille welgemoedheid.
+
+Op eenen namiddag evenwel kwam hij naar huis, liet zich zwak en
+ontzenuwd op eenen stoel vallen, en zeide, dat de koude koorts hem had
+bevangen. Hij was inderdaad zeer bleek, en van tijd tot tijd doorliep
+eene zonderlinge siddering zijne leden. Eene uitdrukking van geheime
+verschriktheid, eene kwaadvoorspellende ontsteltenis zijns gelaats
+deden vrouw Damhout vreezen, dat haar man eene ernstige ziekte kon
+hebben betrapt. Zij bedwong hare tranen om hem niet te verontrusten,
+deed hem te bed gaan en kookte hem eenigen warmen drank, hem onderwijl
+troostende en hem de hoop op eene spoedige herstelling insprekende.
+
+Maar de toestand van Adriaan Damhout verergerde alle oogenblikken; hij
+had groote pijn in het hoofd, hoestte met dor keelgeluid en klaagde
+over eene hevige steekte in de zijde.
+
+De bekommerde vrouw wist niet wat te doen; zij dorst haren zieken man
+niet alleen laten, en evenwel moest er iemand in allerhaast naar den
+dokter loopen. In het over en wedergaan zeide zij in stilte aan haar
+kleinste meisje, dat zij bazin Wildenslag moest gaan verzoeken
+onmiddellijk te komen. Toen zij kort daarop de deur hoorde openen,
+daalde zij de trappen af, vertelde aan hare buurvrouw hoe Damhout met
+eene dreigende ziekte was naar huis gekomen, en verzocht haar bij zijn
+bed te waken, totdat zij den dokter zou hebben kunnen gaan
+verwittigen.
+
+Bij geluk vond vrouw Damhout den dokter te huis en gereed om uit te
+gaan. Hare gebeden waren er niet noodig om hem tot een spoedig bezoek
+aan te sporen. Uit hare verklarigen oordeelde hij, dat hij hier
+waarschijnlijk met eene geweldige _pleuris_ zou te doen hebben, en
+zulke kwaal is dikwijls doodelijk, indien men ze niet onmiddellijk
+bestrijdt.
+
+Zijn voorgevoel was gegrond; bij het bed van den zieke erkende hij
+eene borstvliesontsteking, en gevolglijk was het eerste wat hij deed,
+den zieke de ader te openen en hem zoolang bloed af te trekken, totdat
+hij in bezwijming viel.
+
+Bij het gezicht van het bloed haars echtgenoots kon vrouw Damhout hare
+smart niet meer bedwingen; zij borst in eenen tranenvloed los en bleef
+met de handen voor de oogen weenen, terwijl bazin Wildenslag den
+dokter in zijn werk behulpzaam was.
+
+Toen de geneesheer bemerkte dat de zieke tot zich zelven kwam, schreef
+hij een briefje voor een fleschje en zeide:
+
+"Men hale dit bij den apotheker, en geve er den lijder elk uur eenen
+koffielepel van. Gij moogt zoo niet wanhopen, vrouw; de kwaal is wel
+erg, wanneer men er niet intijds bij is, maar gij hebt wel gedaan mij
+seffens te komen roepen. Nu ben ik schier zeker, dat ik uwen man
+geheel zal genezen; maar het kan nog weken duren, vooraleer hij geheel
+hersteld zij. Hij zal nu waarschijnlijk lust hebben om te slapen;
+stoor hem niet en spreek hem niet aan; hij heeft rust noodig. Gaat
+beiden beneden; gij zult wel hooren wanneer hij iets verlangt.
+Bovenal, dat men hem geen het minste voedsel geve of late nemen. Het
+zou hem doodelijk kunnen worden."
+
+En met de vrouwen beneden gekomen, zeide hij nog, terwijl hij het huis
+uitstapte:
+
+"Hebt goeden moed; dezen avond zal ik wederkeeren om te zien, hoe het
+met onzen zieke gaat."
+
+Bazin Damhout liet zich op eenen stoel vallen en begon nog
+overvloediger te weenen. Uit hare verschrikte snikken kon men slechts
+nu en dan de woorden: "mijn ongelukkige man! mijne arme kinderen!"
+verstaan.
+
+Hare buurvrouw poogde haar te troosten en moed te geven. Of zij daarin
+gelukte en of de bewustheid van haren plicht als echtgenoote en moeder
+de arme bazin Damhout eenige kracht terugschonk, althans de tranen
+dezer laatste hielden op van vlieten.
+
+"Ja, Lina," zeide zij, "gij hebt gelijk: ik moet het hoofd recht
+houden, alhoewel ik verga van droefheid en van angst. Ik ben alleen
+voor alles. Ach, mijn arme Bavo! hoe zal ik hem zeggen, dat men zijnen
+vader al zijn bloed heeft afgetapt? Maar ik mag zoo niet spreken. Ik
+zal pogen het hem te verbergen. Daar is het briefje, Lina; ik kan
+mijnen zieken man niet verlaten. Zoudt gij de goedheid hebben, eens om
+het fleschje te gaan?"
+
+"Welke vraag?" antwoordde vrouw Wildenslag. "Zeker, men gromt en
+scheldt reeds ten mijnent, omdat ik weg ben; maar om u dienst te
+bewijzen, zou ik al wel ergere dingen willen uitstaan. Zoo alleen kunt
+gij niet blijven; ik zal u iemand zenden, die u misschien eene betere
+hulp zal zijn dan eene betaalde dienstmeid."
+
+Bazin Damhout, nu alleen zijnde, stilde haar klein meisje door
+troostende woorden, luisterde met kloppend hart aan de trap en klom
+zelfs eens naar boven om haren angst bevrediging te geven. Zij hoorde
+haren man ademhalen, zij maakte met inzicht eenig gerucht; maar de
+zieke verroerde niet en scheen te slapen.
+
+Dit gaf haar eenigen moed; zij daalde weder in de benedenkamer, zette
+zich op eenen stoel, vouwde de handen te zamen en begon met de oogen
+ten hemel te bidden.
+
+Daar trad Godelieve met het fleschje van den apotheker in de kamer.
+Zij zette het op de tafel, naderde tot vrouw Damhout, omhelsde haar
+teederlijk en begon in stilte op hare borst te weenen.
+
+Het liefderijk medelijden van het meisje ontrukte vrouw Damhout nieuwe
+tranen; maar nadat zij met Godelieve het ongeval van haren man
+gedurende eenigen tijd had beklaagd, werd zij zich zelve meester en
+vroeg op treurigen toon:
+
+"Lieveken, waart gij dan niet op uwen winkel, dat gij om het fleschken
+zijt gegaan?"
+
+"Mijne moeder is om het fleschken geweest," was het antwoord. "Zij is
+op onzen winkel gekomen en heeft met de juffrouw gesproken. Ik mag te
+huis blijven zoolang ik wil, al ware het gedurende vele dagen."
+
+"Waarom te huis blijven?" murmelde vrouw Damhout, die de waarheid
+begon te vermoeden.
+
+"Gij zijt zoo alleen! Om u te helpen baas Damhout op te passen en om
+uwe boodschappen te doen."
+
+"Neen, neen, kind, dit is te veel goedheid van uwe moeder en van u. Ik
+zal Bavo van de school doen blijven. Gij moogt uwen leertijd zoo niet
+onderbreken, het zou u groote schade kunnen zijn."
+
+Het meisje voegde de beide handen smeekend te zamen en zeide:
+
+"Gij waart altijd zoo goed en zoo vriendelijk voor mij; gij zijt de
+oorzaak, dat ik heb mogen leeren. O, ik bid u, weiger mijnen kleinen
+dienst niet! Ik heb verlof van mijne moeder en van mijne meesteresse,
+om met u te blijven zoolang ik u nuttig kan zijn. Laat Bavo op zijne
+school; anders zou hij geene prijzen kunnen behalen. Het ware voor
+hem, voor u en voor zijnen zieken vader een nieuw en groot verdriet."
+
+En zonder een antwoord af te wachten, schikte zij de stoelen, die in
+wanorde geraakt waren, en greep eenen bezem om de kamer te keeren.
+
+Vrouw Damhout aanschouwde haar eene wijl met kloppend hart, ging tot
+haar, omhelsde haar en murmelde:
+
+"Welnu, mijn goed Lieveken, ik aanvaard uwe hulp voor een paar dagen,
+totdat mijn man een beetje zij bekomen. Daarvoor zal God u zegenen,
+dat gij zoo dienstwillig zijt!"
+
+Des avonds, als Bavo en zijne zuster Amelia te huis kwamen, zeide men
+hun, dat vader de koorts had, en men zijne rust niet mocht storen. De
+jongen zag wel aan de treurigheid zijner moeder en aan het droeve
+zwijgen van Lieveken, dat de ziekte zijns vaders ernstig was. Hij
+vergoot stille tranen, totdat de dokter, die nu was gekomen om den
+kranke nog eens te bezoeken, van de trap daalde en op blijden toon
+zeide:
+
+"Wees gerust, vrouw, de ziekte zal geene erge gevolgen hebben; maar
+voor alsnu nog geen het minste voedsel en de volledigste rust. Ween
+niet, mijn brave jongen, uw vader zal genezen, twijfel daar niet aan."
+
+Deze stellige verzekering gaf hun allen moed en hoop; en van dan af
+waren hun verdriet en angst veel verminderd.
+
+Bavo en zijne kleine zuster gingen naar de school, als te voren.
+Lieveken werkte als eene ware dienstmeid; van den vroegen morgen
+verscheen zij ten huize van bazin Damhout, keerde en schikte de kamer,
+ging om water, kookte de koffie en deed alle boodschappen op zulke
+wijze, dat moeder Damhout de uren, welke zij niet bij het bed van
+haren man doorbracht, kon toewijden aan haar naaiwerk, het eenige
+middel om wat geld te winnen voor het huishouden.
+
+In dien zin bovenal was de tegenwoordigheid van Lieveken eene weldaad
+voor de Damhouts; want ondanks het naailoon, was er veel te kort, en
+worstelde de arme Christina tegen eenen klimmenden nood. De ziekte van
+haren man dwong haar tot vele buitengewone uitgaven; zij had zelfs in
+'t geheim reeds hare oorringen en andere kleine juweelen verpand. Wat
+ware het dan niet geweest, indien de tijd tot werken haar volstrekt
+hadde ontbroken?
+
+Godelieve gevoelde wel, hoe zij zich het nuttigst maken kon. Zij
+ijverde met eene wonderbare aanhoudendheid om vrouw Damhout allen
+huisarbeid te sparen, en wanneer zij zelve niets meer te doen wist,
+greep zij naald en garen en naaide mede aan het grofste lijnwaad.
+
+Op eenige dagen tijds was Adriaan Damhout zichtbaar aan het beteren;
+maar zijne herstelling vorderde zeer langzaam. Inderdaad, de dokter
+had hem na den eersten dag nog tweemaal bloed afgetrokken. Daarbij had
+hij hem het gebruik van alle voedsel verboden. Geen wonder dus, dat de
+arme man welhaast zoo mager was als een geraamte, en ofschoon gezond
+van harte misschien, zoo zwak, dat hij nauwelijks kon spreken.
+Mogelijk ook dat zijne ziekte voortduurde en zich slechts langzaam
+liet overwinnen.
+
+Zoohaast zijne beternis toeliet, dat men hem gezelschap hield, gingen
+vrouw Damhout en Lieveken bij zijn bed zitten naaien, en dan gaven zij
+hem moed en troostten hem door allerlei zoete woorden. Het was
+insgelijks bij het bed zijns vaders dat Bavo een gedeelte van den
+avond doorbracht.
+
+Er geschiedde iets zonderlings in den jongen. Hij was somber en
+zwaarmoedig; de anderen, bij de zekerheid dat de zieke zou genezen,
+toonden vreugde en lachten betere tijden tegen, maar Bavo's lippen
+bewogen nooit meer tot den minsten glimlach. Het was, als drukte er
+iets op zijn hart.
+
+Deze duistere gemoedsstemming werd inniger en vermeerderde tot eene
+soort van geheime spijtigheid, wanneer zijne moeder, in stede van te
+gaan slapen, alleen bleef zitten werken tot half in den nacht.
+
+Zij zeide hem somwijlen, dat het niet anders kon zijn; dat, dewijl
+vader niet arbeiden kon, zij moest pogen iets te verdienen om den
+bitteren tijd door te worstelen.
+
+De jongen antwoordde daar niet op, maar ging ontevreden en morrend
+naar zijn bed.
+
+Eenige dagen later had Bavo eensklaps zijne blijmoedigheid
+teruggevonden. Hij was het nu die den anderen moed gaf en zich
+opgeruimd toonde. Vermits hij sedert eenige dagen veel vroeger dan
+gewoonlijk zich naar de school begaf om er werkzaam te zijn,
+vooronderstelde men, dat hij in de prijskampen op zijne school was
+gelukt, en hij ontkende zulks niet. Ieder juichte dus met hem over
+zijne waarschijnlijke zegepraal.
+
+Nu Adriaan Damhout geheel buiten gevaar was geraakt, oordeelde de
+dokter, dat het tijd was om zijne neergedrukte krachten allengs een
+beetje te herstellen. Hij zeide dus op zekeren Maandag tot de vrouw,
+dat zij eene sterke soep van ossenvleesch moest koken, en hem daarvan
+nu en dan een kopje moest te drinken geven.
+
+Groot was de verlegenheid en het verdriet van bazin Damhout. Zij was
+reeds twee weken huishuur ten achter; haar laatste weekloon had zij
+den bakker geheel gegeven, om nog wat brood op borg te bekomen. Niets
+was er in huis, dat waarde genoeg had om tot pand tegen geld te worden
+aanvaard. Nu moest er vleesch zijn: goed ossenvleesch om haren zieken
+man een beetje te versterken. Hoe zou zij dit vleesch bekomen zonder
+geld? Zij dacht aan het bureel van weldadigheid, zij droomde van de
+menschlievendheid van den eenen of anderen rijke in te roepen; maar
+deze middelen boezemden haar schrik in; het gepeins alleen van eene
+aalmoes te gaan vragen, deed haar beven.
+
+Onder hare angstige bewegingen opende zij werktuigelijk de kleine lade
+der kas, waar zij haar geld in legde, wanneer zij geld had. Een
+schreeuw van verrassing ontsnapte haar. De lade was ledig sedert meer
+dan vijftien dagen ... en daar blonk haar nu eensklaps een glinsterend
+vijffrankstuk in de oogen!
+
+Hoe kwam dat muntstuk daar? Was het God zelf, die medelijden had gehad
+met haren nood? Maar neen, hier kon geen wonderwerk in het spel
+zijn.--Lieveken? Maar Lieveken had geen geld, en hare ouders vergingen
+schier van gebrek. Men kon het zien op hunne bleeke aangezichten en
+holle wangen, dat de honger hun ingewand verteerde. Daarenboven, Lina
+Wildenslag verborg het niet, dat zij soms geheele dagen zonder eten
+waren; en bazin Damhout, hoe arm ook, had haar met eenige stuivers te
+gelijk het weekloon van Lieveken doen aanvaarden. Zeker, Lina hadde in
+elk ander geval deze teruggaaf geweigerd; maar nu zeide zij zelve, met
+de tranen in de oogen, dat de ellende haar dwong te vergeten, dat zij
+een hart had.
+
+Van waar kon toch dit vijffrankstuk komen?
+
+Die onoplosbare vraag maakte het hoofd der verbaasde vrouw duizelig,
+en zij bleef de onverwachte hulp lang bestaren. Dan eindelijk zeide
+zij in zich zelve:
+
+"Wie ook onze onbekende beschermer zij, dat God hem zegene! Ho, welke
+sterke, goede soep zal ik gaan maken! En kan iets mijnen armen man
+genezen, dan zal het zeker de weldaad zijn, die ons zoo geheimzinnig
+en zoo edelmoedig wordt bewezen!"
+
+Eenigen tijd daarna stond de soep op de kachel te koken; het gansche
+huis was vervuld met eenen verkwikkenden geur, en de verhongerde zieke
+lag in zijn bed te juichen over het beloofde voedsel, dat hem zoo
+bekorend werd aangekondigd.
+
+Vrouw Damhout verborg noch voor haren man noch voor Lieveken, dat zij,
+als ware het uit den hemel gedaald, in hare kas een vijffrankstuk had
+gevonden, hetwelk er wel zeker nooit in gelegen had. Zij was immer
+vervolgd door het tergend raadsel, van waar dit geld mocht komen, en
+sprak er den ganschen avond van; niemand wist haar iets te zeggen, dat
+haar tot de ontdekking van den geheimen beschermer kon helpen. Bavo
+folterde insgelijks zich de hersens; maar zijne inspanning bleef even
+vruchteloos.
+
+In den loop dezer week waren er geruststellende tijdingen aangaande de
+Europeesche staatsaangelegenheden gekomen; men zeide, dat de vrede
+niet zou gestoord worden, en men kondigde aan, dat sommige fabrieken
+ten minste gedeeltelijk zouden beginnen te werken.
+
+Den volgenden Zondag, zeer vroeg, terwijl Bavo naar de eerste mis was
+gegaan, meende Bazin Damhout eenige centen uit de kas te nemen om
+koffie te halen. Daar zag zij, nevens een geplaatst en als ten toon
+gespreid, vier enkele franken in een hoekje liggen.
+
+Nu was hare verbazing zonder palen; zij bleef eene wijl verblijd het
+geld bezien, sloot de kas en stapte langzaam en het hoofd schuddend,
+ter deur uit.
+
+In den winkel, terwijl men haar de koffie geriefde, zeide haar de
+vrouw:
+
+"Erge tijden, niet waar, bazin Damhout? Hopen wij, mensch lief, dat
+het haast zal beteren. Men zegt, dat er goed nieuws is van Parijs en
+dat het geen oorlog zal worden. Uw man is toch aan de betere hand; God
+zij geloofd, hij zal genezen zijn tegen dat er weder werk is. Ik
+beklaag u echter voor één ding; het is, dat de nood u verplicht heeft
+uwen Bavo van de school te trekken vóór de prijsuitdeeling. Het is
+spijt: de jongen hadde groote eer behaald."
+
+"Gij bedriegt u, onze Bavo gaat nog altijd naar de school," was het
+antwoord.
+
+"In het geheel niet: hij heeft sedert meer dan twee weken de school
+verlaten."
+
+"Maar gij dwaalt; het is niet mogelijk!" kreet bazin Damhout met
+groote verwondering.
+
+"Hoe? Blijft hij van de school zonder uwe kennis!" zeide de
+winkelierster. "Ik weet het van eenen ondermeester, die gisteren bij
+mijnen broeder, den kleermaker, op den winkel was. Sedert vijftien
+dagen heeft men uwen Bavo op zijne school met geene oogen meer gezien.
+Die jongens, die jongens, al deed men ze eenen toom aan, ze zouden nog
+uit het goede spoor loopen!"
+
+Vrouw Damhout verliet den winkel; haar hart was verbrijzeld, en zij
+moest geweld doen om de tranen te bedwingen, die opweiden uit haren
+verkropten boezem. Bavo had sedert zoolang zijne school verlaten,
+zonder dat zijne ouders het wisten! Was de arme jongen in slecht
+gezelschap geraakt? Bewandelde hij eenen doolweg, die hem tot kwaad en
+ondeugd zou leiden? Maar het scheen haar onmogelijk. Welk geheim lag
+er dan onder het onuitlegbaar gedrag van haar kind verborgen? Zou een
+tweede ongeluk haar treffen? Zou het onderwijs in hem zulke slechte
+vruchten hebben voortgebracht? Welke onttoovering! Welke zware
+verantwoordelijkheid voor haar jegens haren man!
+
+Terwijl zij dus onder den pijnlijken twijfel morde en zuchtte, kwam
+Lieveken binnen.
+
+De moeder gevoelde, dat zij haren zoon niet in tegenwoordigheid van
+dit meisje mocht beschuldigen; zij wilde insgelijks haren man niet
+verontrusten, vooraleer door Bavo zelf de verklaring van zijn gedrag
+te hebben bekomen.
+
+Lieveken bemerkte wel, dat bazin Damhout ontsteld en treurig was; toen
+zij echter vernam, dat het met den zieke nog altijd wel ging, wist
+zij niet meer wat te denken, en dorst niet verder aandringen.
+
+Hetzelfde gebeurde met Bavo, die, uit de kerk te huis komende, iets
+vreemds in den blik zijner moeder vond en van haar wilde weten, wat
+haar bedroefde of ontroerde.
+
+De bekommerde en angstvolle vrouw gaf niets dan ontwijkende
+antwoorden, totdat Lieveken het huis had verlaten om op hare beurt ter
+kerke te gaan. Dan greep zij met plechtigen en strengen oogopslag de
+hand haars zoons, leidde hem tot in eenen hoek der kamer, verre van de
+trap, en vroeg hem met bevende stem:
+
+"Bavo, is het waar, dat gij sedert veertien dagen niet meer naar
+school zijt geweest?"
+
+De jongen werd rood tot achter de ooren en boog het hoofd.
+
+"Spreek, Bavo, laat mij niet in den pijnlijken twijfel. Is het waar?"
+
+"Het is waar, moeder lief," was het antwoord.
+
+"Ongelukkige jongen!" kreet de vrouw. "gij hebt sedert twee weken uwe
+school verlaten? Ik beef, ik durf u niet vragen in welk gezelschap gij
+dien tijd hebt doorgebracht. Ach, Bavo, ik, die geloofde, dat gij uwe
+arme moeder bemindet! Mijn God, ik moet het toch weten, hoe
+schrikkelijk het zij. Zeg, zeg, mijn zoon, wat hebt gij gedaan
+gedurende al dien tijd?"
+
+Bavo zag haar diep in de oogen en antwoordde met eene soort van stille
+fierheid:
+
+"Moeder, ik werk op eene fabriek."
+
+"Gij werkt op eene fabriek!"
+
+"Op eene fabriek van _bougies_, sedert vijftien dagen."
+
+Dan schoot er eene plotselijke klaarheid in den geest van bazin
+Damhout: hare oogen begonnen van bedwongen geestdrift te fonkelen. Met
+den bevenden vinger op de kas gericht, vroeg zij:
+
+"Dat geld, dat vijffrankstuk, die vier franken?"
+
+"Het is mijn weekloon, moeder lief," stamelde hij.
+
+Met eenen schreeuw van koortsige blijdschap sloeg Christina de armen
+om den hals haars zoons, sloot hem op haar hart en bevochtigde zijn
+hoofd met hare tranen.
+
+De jongen poogde haar te doen begrijpen, dat hij dien hoogen lof niet
+verdiende en niets gedaan had dan zijnen plicht. Wat hij betreurde,
+was alleenlijk, dat hij geen middel had weten te vinden om meer te
+winnen en zijne arme moeder het nachtelijk werken te sparen.
+
+Toen de ontsteltenis der vrouw een weinig was bedaard, trok zij haren
+zoon op eenen stoel nevens zich en vroeg hem de nadere uitlegging van
+zijn gedrag.
+
+"Ik zag u en Godelieve altijd, altijd arbeiden," antwoordde hij.
+"Wanneer ik, na tot middernacht met u gewaakt te hebben, slapen ging,
+bleeft gij nog zitten met het naaiwerk op den schoot. Mijn vader was
+ziek; er was nood in huis. Ik alleen deed niets om u te helpen. Mijn
+geweten knaagde, mijn hart verweet mij mijne laffe werkeloosheid. Na
+eenige dagen van schaamte en wanhoop ging ik tot den hoofdonderwijzer,
+mijnen meester, en zeide hem, zonder iets te verzwijgen, wat er in ons
+huis geschiedde, en hoe ik besloten had de school te verlaten om eenig
+werk te zoeken en zóó ten minste mijnen zieken vader en mijne goede
+moeder in hunne ellende bij te staan. Ik zeide hem insgelijks, dat ik
+mijn besluit gedurende eenigen tijd voor u zou verborgen houden,
+dewijl ik overtuigd was, dat gij mij anders zoudt beletten het uit te
+voeren. Ik meende, dat hij mijn voornemen zou afkeuren; maar neen, hij
+drukte mij de handen, en prees zeer hoog wat hij mijnen moed en mijn
+plichtgevoel noemde. Toen hij verstond, dat ik niet wist waar het
+gewenschte werk te vinden, beloofde hij mij, zelf eenigen zijner
+bekenden daarover te spreken; en reeds des namiddags had hij mij eene
+plaats gevonden op eene fabriek van waskaarsen, die men _bougies_
+noemt. Daar had ik niets anders te doen dan de kaarsen in pakjes te
+binden en in houten kassen te schikken; en eindelijk eenige letters en
+nummers op de kassen te schilderen. Ik won zestig centiemen daags en
+kreeg op 't einde der week nog eenig drinkgeld, omdat men tevreden was
+over mijn werk. O, moeder, het vijffrankstuk, eerste vrucht van mijnen
+arbeid, heeft mij zoo gelukkig gemaakt! Het moest u helpen en u
+troosten in uwen nood. Ha, gij hebt het niet bemerkt, maar toen ik
+mijnen armen vader de sterke soep lachend zag genieten en hem hoorde
+zeggen, dat hij daardoor onfeilbaar zou genezen, dan ben ik beneden
+gegaan, en ik ben mij op 't einde der steeg achter den blinden muur
+gaan verbergen, om daar door eenen tranenvloed mijn hart van de
+overmatige blijdschap te ontlasten. Het eerste geld, dat ik met werken
+had gewonnen, zou mijnen vader de gezondheid helpen teruggeven! Ik
+bezweek schier van geluk bij die gedachte.... Prijs mij dus niet,
+moeder lief, ik ben genoeg beloond geworden...."
+
+Met eenen gil van bewondering sprong de ontstelde vrouw recht en liep
+naar boven, zonder acht te geven op de smeeking van haren zoon, die de
+handen ophief om haar te wederhouden.
+
+Niet lang daarna klonk de stem van den zieken Damhout met groote
+kracht tot beneden de trap:
+
+"Bavo, Bavo!" kreet hij. "Kom, kom!"
+
+De jongen kon den roep zijns vaders niet wederstaan; hij klom
+aarzelend naar boven, en dewijl hij daar twee bevende armen tot zich
+uitgestrekt zag, omhelsde hij zijnen zieken vader met blijde
+uitstortingen des harten.
+
+Damhout dankte en loofde zijnen zoon voor zijne schoone en moedige
+daad; uit zijne woorden bleek, dat zijne grootste vreugde daarin
+bestond, dat Bavo uit eigene beweging werkman was geworden. Hij drukte
+eindelijk toch eenige spijt uit, omdat zijn zoon op eene fabriek van
+bougies arbeidde; hem scheen het, dat dit niet juist het beste vak
+was.
+
+Op deze bemerking antwoordde de jongen, dat hij door tusschenkomst van
+den hoofdonderwijzer werk had gekregen op de katoenspinnerij van M.
+Verbeeck. Hij zou daar gedurende eenigen tijd katoen uitpluizen en in
+soorten schikken, dan aan den eersten _duivel_ staan, en zoo voorts in
+het vak zich oefenen en allengs vervorderen. De fabriek van M.
+Verbeeck ging binnen vijf dagen geopend worden.
+
+Dit vervulde vader Damhout met nieuwe en groote blijdschap; want dit
+was inderdaad de baan, langs waar men met verstand en vlijt het verste
+op eene katoenfabriek kon geraken. Bavo zou eens meesterknecht worden,
+daaraan twijfelde de gelukkige vader niet meer.
+
+Toen men genoeg bedaard was geworden om over min ontroerende dingen
+te spreken, besliste men, dat van morgen af Godelieve terug naar haren
+winkel zou gaan. Inderdaad, Damhout behoefde geene onophoudende
+bewaking meer; hij zou dien dag zelven reeds gedurende eenigen tijd
+uit zijn bed komen. Met de vier of vijf franken per week, welke Bavo
+nu won, werd het mogelijk betere tijden af te wachten.
+
+In den namiddag, toen Bavo beneden bezig was met Lieveken in een boek
+iets te wijzen of te leeren, ging vrouw Damhout naar boven, zette zich
+nevens het bed van haren man en vroeg hem op zegevierenden toon:
+
+"Welnu, Damhout, gelooft gij nog, dat het onderwijs een werkmanskind
+tot hoogmoed en luiaardij verleidt? Welke kinderen, in geheel onze
+stege, zijn zoo beminnend, zoo verstandig en zoo deugdzaam als Bavo en
+Lieveken? Het is alleenlijk, omdat zij geleerd zijn en weten wat goed
+en wat kwaad is."
+
+Onder den slag eener bijzondere ontroering bevochtigden zich de oogen
+des werkmans; hij greep de hand zijner vrouw en zeide:
+
+"Neen, neen, Christina, dit alleen is de oorzaak hunner schoone
+inborst niet. Het is uw hart, uw goed en edel hart, dat klopt in
+hunnen boezem. Eene moeder als gij is de zegen Gods in een
+huishouden!..."
+
+
+
+
+VII
+
+
+Met het begin der volgende week werden er inderdaad een zeker getal
+fabrieken geopend; maar, in afwachting van stellige tijdingen
+aangaande den Europeeschen vrede, lieten zij slechts een beperkt getal
+werklieden toe.
+
+Bavo arbeidde op de spinnerij van M. Verbeeck. Hij droeg nu zijne
+slechte kleederen, en, dewijl hij door den aard van zijn werk altijd
+met vlokken katoen als met een spinneweb was overdekt, zag hij er op
+verre na zoo zindelijk niet meer uit als te voren. Dit gaf Godelieve,
+als zij des avonds van haren winkel kwam, dikwijls stof tot lachen, en
+zij noemde den jongen schertsend _de katoenvogel_; maar hij, in stede
+van daarover spijtig te worden, was altijd ten uiterste blijmoedig en
+scheen trotsch door de overtuiging, dat hij nu tot iets nuttig
+geworden was en zijne ouders mocht behulpzaam zijn.
+
+Ondanks den nood en de trage herstelling van vader Damhout, was elkeen
+in dit huishouden gelukkig. Bovenal was het hart der moeder met een
+gevoel van hoogmoed en van zaligheid vervuld. Soms kon zij des avonds
+uren lang in stilte haren zoon bestaren, terwijl hij, ofschoon
+vermoeid van den arbeid, nog met inspanning het hoofd over zijne
+boeken hield gebogen. Dan klopte haar hart, dan glinsterden hare
+oogen, en de blik, dien zij dan bij wijlen ten hemel wierp, was wel
+zeker een innig gebed van dankbaarheid.
+
+Vader Wildenslag en zijne zonen, alhoewel zij, door den honger
+aangejaagd, van de eene fabriek naar de andere liepen om arbeid te
+vinden, waren tot dan in hunne pogingen niet gelukt. Zij hadden zich
+bij de laatste volksonlusten door hunne hevigheid en hunne woestheid
+doen opmerken; en dewijl de fabrikanten nu slechts de beste werklieden
+uitkozen, wilde geen hunner de gekende belhamels van den oploop tegen
+de fabrieken in zijn gesticht toelaten.
+
+Het schijnt, dat in Frankrijk de nijverheid spoediger en met meer
+kracht had hernomen; want er kwamen alsdan te Gent eenige afgezondene
+personen, om goede fabriekwerkers aan te werven voor de steden in het
+Noorderdepartement.
+
+Wildenslag en zijne zonen aanvaardden met blijdschap deze gunstige
+gelegenheid om zich uit den onverdraaglijken nood te redden, en namen
+gereedelijk de voorwaarden der wervers aan. Men zou hunne reiskosten
+betalen en zij zouden in Frankrijk een veel hooger dagloon dan in
+België winnen.
+
+Zeker, in andere omstandigheden zou de gedachte van hare geboortestad
+te verlaten, vrouw Wildenslag verschrikt en bedroefd hebben; maar nu
+verblijdde haar deze reis als een onverwacht geluk. Inderdaad, het was
+de verlossing uit den afgrond der bitterste ellende. Daarenboven,
+zoohaast er weder overvloed van werk te Gent zou zijn, zouden zij
+terugkeeren. Hunne afwezigheid zou dienvolgens ten hoogste eenige
+maanden duren.
+
+Vrouw Wildenslag ging juichend en met groote blijdschap haar vertrek
+naar Frankrijk in de gansche buurt aankondigen.
+
+Toen zij in de woning der Damhouts kwam, was zij vergezeld door haren
+man, die nu zijne luidruchtige welgemoedheid geheel had teruggevonden
+en roemde op het hooge dagloon, dat men in Frankrijk genoot. Dáár,
+zeide hij, eet een werkman tweemaal vleesch elken dag en drinkt er
+bier en somtijds wijn, evenals een rijk mensch. Dat zou een pleizierig
+leven en een eeuwig _smeerken_ zijn!
+
+Bazin Damhout ontving deze tijding met treurnis. Het gepeins, dat
+Lieveken, hare ouders zou volgen en zij het goede kind dus in langen
+tijd niet meer zou zien, bedroefde haar; maar dewijl zij het vertrek
+der Wildenslags niet anders kon beschouwen dan als eene zeer
+natuurlijke zaak en als een gelukkig middel voor hen, om uit de lange
+ellende te worden verlost, deed zij geene de minste tegenwerping.
+Alleenlijk beklaagde zij het, dat Godelieve nu den winkel zou moeten
+verlaten, waar zij zoo wel was en op spoedige vervordering mocht
+hopen.
+
+Moeder Wildenslag betreurde dit insgelijks; maar zij meende, dat het
+niet onmogelijk zou zijn, in Frankrijk eenen anderen goeden winkel
+voor Lieveken te vinden.
+
+Hierop antwoordde Wildenslag:
+
+"Ba, ba! met uwen winkel! Godelieve is nu sterk genoeg geworden. Als
+zij zal zien, hoe hare broeders en zusters geld in overhoop winnen,
+zal zij van zelve op eene fabriek willen werken."
+
+Nadat hare buren waren weggegaan, overpeinsde vrouw Damhout zeer lang
+de woorden van Wildenslag. Zij wist niet waarom de vrees, dat Lieveken
+op eene fabriek kon gaan, haar ontstelde. Waarlijk, zij had voor het
+goede kind eene andere toekomst gedroomd; maar werkte haar eigen zoon
+niet op eene fabriek? Het was toch hetzelfde niet: Bavo kon
+meesterknecht worden.
+
+Hare treurnis overwinnende, zeide zij zich zelve, dat moeder
+Wildenslag waarschijnlijk wel zou zorgen, dat hare Godelieve in
+Frankrijk het ambacht van kleermaakster voortleerde; de afwezigheid
+hunner buren zou niet langdurig zijn; dewijl alles voorspelde, dat het
+werk in Gent ook spoedig zou hernemen. Daarenboven, er was niets aan
+te doen. De Wildenslags hadden gelijk, het redmiddel, dat hun
+aangeboden werd, met blijdschap te aanvaarden.
+
+Toen Bavo des avonds te huis kwam, zeide zijne moeder hem, dat de
+Wildenslags besloten hadden overmorgen, met het krieken van den dag,
+naar Frankrijk te vertrekken. Zij zouden dus onmiddellijk uit hunne
+bittere armoede gered zijn; want men had hun een buitengewoon hoog
+dagloon verzekerd. Lieveken zou natuurlijk hare ouders volgen; maar
+zoohaast er weder veel werk in Gent was, zouden zij terugkomen.
+
+Deze tijding trof Bavo op eene zonderlinge wijze; hij boog het hoofd,
+zag sprakeloos ten gronde en antwoordde zelfs niet, toen zijne moeder
+hem vroeg waarom iets, dat zeker een geluk was voor de ouders van
+Lieveken, hem scheen te bedroeven. Eindelijk, als ware er nu eerst een
+duidelijk besef der zaak in zijnen geest ontstaan, zeide hij op den
+toon van onderwerping:
+
+"Inderdaad, moeder, zij zullen dan toch uit den pijnlijken nood
+verlost zijn. Ik was zoo gewend, Lieveken des avonds hier te vinden.
+Nu zal ik alleen, altijd alleen met u zijn; maar ik ben geen kind
+meer.... Als Lieveken slechts welvaart en gelukkig is in Frankrijk,
+zal ik mij over hare afwezigheid niet te veel bedroeven. Gij hebt
+gelijk, moeder, de mensch moet zich sterk houden tegen het lot.
+Daarenboven, wie weet of onze geburen niet reeds binnen eenige maanden
+wederkeeren?"
+
+De moed en de verduldigheid, waarmede haar zoon deze tijding had
+ontvangen, verwonderden en verblijdden vrouw Damhout. Zij begreep
+niet, dat hare moeite om hem de tijding onder een gunstig daglicht te
+doen aanschouwen, voor een oogenblik zijn gevoel en zijne rede had in
+twijfel gebracht.
+
+Maar zij moest weldra erkennen, dat zij zich had bedrogen; want Bavo
+liet zich bij de tafel op eenen stoel zakken, bleef lang met starende
+oogen in diepe overweging verzonken, en slaakte van tijd tot tijd
+eenen hollen zucht, als beklemde een zwaar gewicht zijne borst.
+
+Het was reeds laat, toen Lieveken met het voorschoot voor de oogen in
+de kamer verscheen, en onder luide snikken over haar vertrek naar
+Frankrijk begon te kermen.
+
+Bavo, alhoewel hij zelf geweld deed om niet onder zijn verdriet te
+bezwijken, poogde het bedrukte meisje te troosten. Vrouw Damhout en
+haar man voegden hunne woorden bij de zijne; maar Godelieve scheen
+ontroostbaar in hare diepe smart.
+
+Toen eindelijk het meisje tusschen hare snikken eenige duidelijke
+klachten kon voortbrengen, zeide zij, waarom dit vertrek als een wreed
+ongeluk haar verschrikte en haar zoo diep bedroefde. Zij herinnerde
+zich de eindelooze goedheid van vrouw Damhout voor haar, de
+onverdiende vriendschap, die Bavo gedurende geheel haar leven haar had
+gegund, en zij sprak van weldaden, van edelmoedigheid en medelijden
+voor een arm verstooten kind; zij noemde bazin Damhout hare goede
+moeder en Bavo haren leermeester en haren broeder. Dit alles ging zij
+verliezen. De wereld zou eene woestijn voor haar worden, al wat zij
+meest had bemind, ging zij verlaten, misschien voor altijd.
+
+Het meisje had zulke gevoelige, zulke zoete, teedere woorden; de
+liefde haars harten voor hare weldoeners stortte zich zoo onbewimpeld
+en zoo vurig uit, dat zij iedereen tot in de ziel ontroerde.
+
+Vrouw Damhout sloot het dankbare kind tegen hare borst, en deed geweld
+om door bewijzen van innige dankbaarheid haar te troosten.
+
+Bavo lag met het hoofd op de tafel en weende; zijne droefheid was
+stom; geene klacht ontsnapte zijnen boezem; want hij wist wel, dat
+hier niet tegen de wreede uitspraak van het lot kon geworsteld worden.
+
+Zoo bleven dien avond in de woning van Damhout bittere, hopelooze
+tranen vlieten, totdat moeder Wildenslag hare Godelieve kwam roepen en
+ze mede naar huis nam.
+
+
+[Illustratie: Grepen elkander de handen.]
+
+
+Den volgenden dag ging het wat beter. Uitgeput van weenen, getroost en
+versterkt door de vriendelijke woorden van vrouw Damhout en van Bavo,
+had Lieveken de zaak allengs met meer verduldigheid beginnen in te
+zien. De vaste hoop, dat zij welhaast met hare ouders naar Gent zou
+wederkeeren, had een weldadig licht in hare droefheid geschoten, en
+zij insgelijks scheen het vertrek, als zijnde toch een geluk voor hare
+ouders, met onderwerping te aanvaarden....
+
+Toen de Wildenslags, ouders en kinderen, elk met een pak aan de hand,
+vóór den dageraad de stege verlieten, om de reis naar Frankrijk te
+beginnen, waren zij door Bavo vergezeld.
+
+De jongen stapte nevens Lieveken en droeg haar pak. Zij weenden niet
+en spraken weinig. Hunne harten waren beklemd. Wat zij zeiden, waren
+woorden van wederzijdsche vertroosting; want zij hadden beiden het
+gevoel, dat deze scheiding, hoe kort ook, hun pijnlijk zou zijn; en
+zij maanden in hunne eenvoudigheid elkander aan, om niet te veel te
+denken aan al het zoet vermaak en aan het stil geluk, dat zij
+gedurende hunne schoone kindsheid te zamen hadden genoten.
+
+Zoo kwam men buiten de poort, en dewijl het tijd was voor Bavo om naar
+zijne fabriek te gaan, kon hij onmogelijk de Wildenslags langer
+vergezellen.
+
+Bavo en Lieveken, als door eene zelfde beweging gedreven, grepen
+elkander de handen, wisselden eenen diepen blik, waarvan zij zelven de
+beteekenis niet begrepen en murmelden met versmachte stemme:
+
+"Vaarwel, Bavo! Vaarwel, Lieveken. Tot wederziens!"
+
+Tranen ontsprongen hunnen oogen; maar het meisje, zich voelende
+bezwijken, slaakte eenen grievenden kreet en liep tot hare ouders, die
+reeds in de baan vooruit waren.
+
+De jongen bleef roerloos; hij zag hoe het arme Lieveken met hangend
+hoofd en wankelende stappen achter moeder voortsukkelde. Hij wenschte
+en hoopte, dat zij nog eens het gezicht tot hem zou keeren; maar daar
+bereikten zij den draai der baan, en allen verdwenen zij voor de oogen
+van Bavo.
+
+Dan werd het hem, als hadde men met geweld iets uit zijn hart gerukt.
+Hem verbaasde de akelige ledigheid, die eensklaps in hem en rondom hem
+was ontstaan, en hij schudde twijfelend het hoofd, als vroege hij zich
+zelven het raadselwoord der duizeligheid zijner zinnen.
+
+Dubbend, morrend en diep bedrukt, keerde hij stedewaarts en begaf zich
+naar zijne fabriek. Het beeld van Lieveken vervolgde hem overal; in
+het katoen, dat hij uitpluizen en schikken moest, vormde zich de
+gedaante der betreurde speelgenoote, nu met den onbegrijpelijken blik
+in de oogen, dan met hangend hoofd de droeve rust beginnende. Het
+woord "vaarwel!" klonk hem van alle kanten uit de geruchten der
+fabriek in de ooren. Maar de arbeid is een machtige trooster des
+harten, en hij leent den mensch eene wonderbare sterkte tegen de
+denkbeelden, die hem overheerschen. Vóór het einde van den eersten dag
+was de smart van Bavo reeds veel verminderd, en alhoewel hij nog
+altijd aan Lieveken en aan haar vertrek bleef mijmeren, kwam er meer
+verduldigheid en rust in zijn hart.
+
+Des avonds, als hij te huis kwam van zijne fabriek, nam hij als te
+voren zijne boeken, maar dan geviel het dikwijls, dat hij, zonder het
+te weten, eensklaps het hoofd verhief en rondkeek, als zocht hij
+iemand met de oogen; somtijds stond hij op en ging naar de deur bij
+het minste gerucht. Er ontbrak hem iets; en alhoewel hij lachte met
+zijne eigene verstrooidheid, was zijne moeder bekommerd over deze
+zonderlinge ontroeringen haars zoons.
+
+Ook sprak zij weinig met hem over Godelieve; en wanneer hij haar dwong
+over de afwezige vriendin te kouten, brak zij de samenspraak zoo kort
+mogelijk af. Hare moederlijke liefde zeide haar, dat de diepe treurnis
+haars zoons geen voedsel mocht geven, alhoewel zij even veel aan
+Lieveken dacht als hij zelf.
+
+Er verliepen op deze wijze een paar weken. Bavo scheen zich in de
+afwezigheid van Godelieve te hebben getroost, en, sprak hij nu nog van
+haar, het was met bedaardheid en met rede.
+
+Vader Damhout was schier geheel genezen. Hij had zich reeds naar de
+fabriek van zijnen ouden meester, M. Raemdonck, begeven, om er te
+worden aangenomen. Nog eene week en hij zou zijnen arbeid als spinner
+hernemen.
+
+Op eenen middag kwam een onderwijzer der gemeenteschool in hun huis,
+om hen allen in naam van den bestierder uit te noodigen tot de
+prijsuitdeeling, die op den komenden Maandag was vastgesteld. Wel was
+het waar, dat Bavo, omdat hij de school voor het einde der wedstrijden
+had verlaten, geen recht kon hebben op de gewone prijzen, maar de
+onderwijzers hadden besloten, dat zijne vlijt, zijne vorderingen en
+bovenal zijn schoon gedrag eene openbare belooning verdienden. Bavo
+zou dienvolgens eenen buitengewonen prijs krijgen. Hij zelf en zijne
+ouders mochten niet nalaten de plechtigheid der prijsuitdeeling bij te
+wonen. Zij zouden ongetwijfeld altezamen verheugd en fier naar huis
+keeren.
+
+
+
+
+VIII
+
+
+De zaal, waar de prijsuitdeeling der gemeenteschool ging geschieden,
+was opgevuld met volk, meest vaders en moeders van leerlingen, en dus
+zeer geringe burgers of werklieden. Evenwel, vooraan bemerkte men ook
+wel eenige deftige dames en heeren, die, door een edel gevoel
+ingesproken, de prijsuitdeeling der kostelooze gemeenteschool door
+hunne tegenwoordigheid kwamen verheffen en opluisteren.
+
+Adriaan Damhout met zijne vrouw Christina zat op de vijfde of zesde
+bank, te midden van het publiek; hun zoon Bavo bevond zich tusschen de
+schoolkinderen op de plaats, hem door de onderwijzers aangeduid.
+
+Alles was gereed en de klokken der kerken hadden reeds sedert eene
+wijl het bepaalde uur verkondigd, toen eensklaps de deur der zaal met
+eenig gerucht werd geopend. De burgemeester van Gent, vergezeld door
+eenige schepenen en gemeenteraadsheeren, trad binnen en stapte tot bij
+het tooneel, waar groote leunstoelen voor de overheden waren geschikt.
+
+Met blijde verrassing in de stem murmelde Adriaan Damhout aan het oor
+zijner vrouw:
+
+"Hebt gij niet gezien, Christina, dat mijnheer Raemdonck met den
+burgemeester is binnengekomen?"
+
+"M. Raemdonck, de meester van uwe fabriek?"
+
+"Ja, kijk, daar voor ons, op den tweeden zetel, naast den
+burgemeester, aan zijne linkerzijde. Het is M. Raemdonck zelf."
+
+"Het is te begrijpen, Adriaan, vermits mijnheer Raemdonck sedert een
+jaar in den raad van de stad zit."
+
+"Ja, en hij moet daar nog al veel bezigheden hebben; want nu bemoeit
+hij zich zooveel niet meer met de fabriek; het is de oude
+meester-klerk, die schier alles bestiert. Ha, ik weet niet, Christina,
+maar het verblijdt mij grootelijks, dat M. Raemdonck hier tegenwoordig
+is."
+
+"En mij verheugt het insgelijks, Adriaan. Nu zal uw meester kunnen
+zien, dat gij een goed vader zijt en uwe kinderen hebt laten
+leeren...."
+
+Hunne stille samenspraak werd onderbroken door den klank der bel, die
+het begin der plechtigheid aankondigde.
+
+Een der raadsheeren had de trede der verhevenheid beklommen en hield
+eene openingsrede. Hij sprak over de noodzakelijkheid van het
+onderwijs voor alle standen der samenleving, en spoorde bovenal de
+werklieden aan om hunne kinderen niet in de onmacht en de slavernij
+der onwetendheid te laten. Zijne bondige rede eindigende, zeide hij:
+
+"Luistert, mijne vrienden, hoe een werkman als gij, een werkman van
+Brussel [Voetnoot: M. Dauby.], tot zijne medegezellen spreekt.--Het
+onderwijs, zegt hij, is heden voor iedereen eene dringende
+noodzakelijkheid, tot welke loopbaan of ambacht men ook zij bestemd.
+Niet geleerd zijn, wanneer de anderen geleerdheid bezitten, stelt den
+mensch in eenen toestand van eeuwige minderheid. De voordeelen van het
+onderwijs bestaan niet alleenlijk in te kunnen lezen, schrijven en
+rekenen, maar het opent den geest, ontwikkelt het verstand en vormt de
+rede; het leert opmerken en vergelijken; het geeft den mensch licht en
+sterkte om zijne plichten te vervullen en zijne rechten te verdedigen.
+Gij weet het, gezellen, de nijverheid vervormt zich onophoudend: alle
+dagen komen nieuwe verbeteringen tot stand. Alles gaat vooruit; de
+werkman moet mede vooruitgaan en den stap der anderen volgen, wil hij
+niet achterblijven en verpletterd worden. Indien de mekanieken hem
+zijnen lichamelijken en enkel stoffelijken arbeid ontnemen, om hem
+niets te laten dan het verstandelijk werk, dit is ook een vooruitgang;
+maar slechts op voorwaarde dat de werkman zich tot de hoogte zijner
+nieuwe taak wete te verheffen. Wie zal hem daartoe helpen? Het
+onderwijs, de geleerdheid, die den geest ontwikkelt en den mensch
+nieuwe krachten geeft, krachten, wel anders machtig dan die zijner
+armen, omdat zij noch de vermoeidheid noch de jaren vreezen;--de
+geleerdheid, die hem nieuwe wegen opent, die hem een beter dagloon met
+minder lichamelijke vermoeidheid bezorgt;--de geleerdheid, die de
+eeuwenlange ongelijkheid tusschen de menschen vermindert en veel meer
+kan toebrengen om ze geheel te doen verdwijnen dan de dwaze droom
+dergenen, die de rijkdommen onder allen zouden willen verdeeld zien,
+en waarvan de zekerste uitslag niets zou zijn dan de gelijkheid der
+armoede. Zegenen wij dus als werklieden den vooruitgang der scholen,
+de verspreiding van het onderwijs, als de schoonste glorie onzer eeuw.
+Wat ons betreft, wij beschouwen elke school als een tempel, opgericht
+aan de waardigheid en de welvaart van het arbeidende volk!--Ziedaar,
+vrienden, de edele woorden, u door eenen uwer gezellen toegestuurd.
+Drukt ze in uw hart en volgt den wijzen raad, die er in ligt besloten;
+want zij toonen u het middel om uwe krachten te verdubbelen, uwe
+welvaart te vermeerderen en in de toekomst het werk en den werkman te
+verheffen en te veredelen."
+
+Deze redevoering, met kracht en overtuiging uitgesproken, had eenen
+diepen indruk op het gemoed der aanhoorders gedaan. Eerst na een
+oogenblik der volledigste stilte braken de toejuichingen los. Onder
+degenen, die met koortsige geestdrift in de handen klapten en bravo
+riepen, kon men bovenal vrouw Damhout onderscheiden. De opgetogene
+Christina had hare eigene denkwijze zoo welsprekend hooren bevestigen;
+en zij gevoelde, dat de woorden van den raadsheer eene lange lofrede
+van haar gedrag als moeder waren geweest.
+
+"Welnu, Adriaan," vroeg zij zegevierend, "had ik gelijk of niet? Die
+heer weet er meer van dan Jan Wildenslag, niet waar? En gij hoort wel,
+dat er verstandige werklieden zijn, die denken als ik over het
+onderwijs der kinderen?"
+
+Damhout knikte met het hoofd ten teeken van toestemming; maar hij had
+den tijd niet om haar te antwoorden, want de oefeningen der
+schoolkinderen begonnen onmiddellijk en werden zonder verpoozing
+voortgezet.
+
+Men droeg eenige verzenstukjes en fabelen voor, en men vertoonde zelfs
+een geestig blijspel, het alles onder het twintigmaal herhaalde
+handgeklap der aanschouwers, die verbaasd waren en zich trotsch
+gevoelden over de kunde en de geleerdheid hunner kinderen.
+
+Eindelijk ging men over tot de prijsuitreiking. Een groot getal
+jongens van allen ouderdom, de kleinste eerst, werden beurtelings
+opgeroepen en kregen één of meer boeken.
+
+Velen moeders ontvielen tranen van geluk en hoogmoed; eenigen drukten
+in vol publiek hunne kinderen op hun hart en deden door deze
+eenvoudige uitstorting van liefde en blijdschap de toejuichingen der
+ontroerde aanschouwers verdubbelen.
+
+Toen men aan de leerlingen der hoogste klasse was gekomen, en Bavo de
+schoone, groote boeken één voor één van de tafel zag verdwijnen, werd
+het hem eenigszins bang om het hart. Ware hij op de school gebleven,
+dan hadde hij wel zeker het grootste getal dier prijzen behaald. Al de
+eer, welke zijnen ouden gezellen nu werd aangedaan, ware hem te beurt
+gevallen. Hoe hadde die openbare zegepraal, in tegenwoordigheid des
+burgemeesters en der andere heeren, zijne moeder en zijnen ziekelijken
+vader gelukkig gemaakt! Nu zou hij slechts eenen prijs krijgen, eenen
+kleinen prijs, want er lagen geene groote boeken meer op de tafel.
+
+Nog treuriger werd Bavo, toen hij ook den laatsten prijs zag weggaan;
+maar hij werd uit zijne droeve overweging opgewekt door de
+verschijning van den hoofdonderwijzer, die op het tooneel vooruitkwam
+om tot het publiek te spreken.
+
+De redenaar was een man met grijze haren; er lag in zijn schoon en
+indrukwekkend gelaat een toon van ernst en goedheid, van overtuiging
+en liefde, die liet vermoeden, dat deze grijsaard het onderwijs der
+kinderen beschouwde als eene soort van priesterschap.
+
+Op stillen, doch diepgevoelden toon begon hij zijne aanspraak. Van
+zijne eerste woorden af verwonderde hij elkeen, en boeide de aandacht
+gansch bijzonderlijk; want hij verhaalde een vertelsel van werklieden,
+eenen vader en eene moeder, die ten koste van vele opofferingen hunnen
+zoon hadden laten leeren, en die zelfs te midden van nood, van ziekte
+en ellende, liever honger hadden geleden dan hun kind van de school te
+trekken. Hij prees deze ouders zeer hoog, noemde ze edele, waardige
+menschen, en stelde ze ten voorbeeld van allen, die hem aanhoorden.
+
+Dewijl hij geene namen noemde, meende men, dat hij een uitgevonden
+verhaal voordroeg; maar de moed en de opoffering dezer ingebeelde
+ouders rukten evenwel tranen van bewondering uit de oogen van alle
+lieden.
+
+Christina Damhout hield het hoofd gebogen en verborg hare ontroering.
+Haar hart klopte fel, en zij was als beschaamd.
+
+"God heeft die goede ouders beloond," ging de grijze redenaar voort,
+"en in het feit dat ik u verhalen ga, zult gij het bewijs vinden, dat
+het onderwijs, gepaard met de zedelijke opvoeding, het hart van den
+mensch veredelt en hem, met het besef zijner plichten, ook den moed en
+de kracht geeft om ze te vervullen. De zoon dier ouders was leerling
+op deze school. Hij was de sterkste en meest geleerde in de hoogste
+klasse, en wel zeker zou hij al de eerste prijzen hebben weggedragen.
+Niemand twijfelde er aan, noch wij, zijne leermeesters, noch zijne
+medeleerlingen, noch hij zelf. Hij snakte naar den dag der
+prijsuitreiking, niet voor zich zelven, maar voor zijnen vader en
+zijne moeder, die gelukkig zouden zijn door zijne schoone zegepraal.
+Dan kwam de werkstaking der fabrieken; zijn vader werd doodelijk ziek;
+nood en lijden overvielen zijne arme ouders. Wat deed de jongen? Hij
+verzaakte aan al zijne prijzen, aan de lang gedroomde eer, om eenen
+dwingenden plicht te vervullen. Hij verliet de school, zonder het
+zijnen ouders te durven zeggen, zocht en vond werk in eene fabriek,
+legde in 't geheim zijn dagloon in de kas zijner moeder neder en redde
+dus, als een onzichtbare weldoener, zijne ouders uit de bittere
+ellende.... Door ontijdig van de school weg te blijven, heeft de goede
+zoon zijn recht op het behalen der prijzen verloren; maar wij, zijne
+leermeesters, met toestemming van den heer burgemeester en met behulp
+van eenen milden beschermer der volksscholen, hebben besloten zijne
+vlijt, zijne kunde en bovenal zijn edel gedrag door eene bijzondere
+belooning te erkennen."
+
+Hij haalde van achter een gordijn een groot kwartoboek en een
+lauwerkroon te voorschijn. Het boek was in rood leder gebonden en
+verguld op snede. De onderwijzer opende het en toonde, dat het vol was
+van schoone, ontplooibare platen. Op den titel stond te lezen:
+_Werktuigkunde, toegepast op de Nijverheid_. Al de aanschouwers waren
+rechtgesprongen en keken zich de oogen uit het hoofd, om te raden,
+wien dit prachtig boek mocht bestemd zijn.
+
+De hoofdonderwijzer keerde zich naar den kant der schoolkinderen, en
+zeide met diepe aandoening:
+
+"Kom, Bavo Damhout, kom, mijn vriend, ontvang dit bewijs van de
+achting uwer leermeesters; het blijve u een kostbaar aandenken en een
+spoorslag om op den weg der deugd en der plichtsbetrachting voort te
+gaan. Gij zijt werkman; maar in die nuttige loopbaan staat de toekomst
+voor u open. Wees uwen gezellen een voorbeeld en toon hun gedurende uw
+leven, in uw gedrag en in uw welgelukken, de onschatbare vruchten van
+het volksonderwijs!"
+
+Bavo was bleek en beefde; hij scheen de macht niet te hebben om de
+trede te beklimmen, zoodanig ontstelde hem deze onverwachte
+eerbewijzing in tegenwoordigheid zijner ouders. Een der onderwijzers
+vatte hem bij den arm en leidde hem op het tooneel. Zijn grijze
+meester omhelsde hem, zette hem de lauwerkroon op het hoofd en legde
+hem het groote boek op de handen.
+
+De gansche zaal daverde onder een donderend bravo; velen der
+aanschouwers leekten tranen van ontroering op de wangen; de vrouwen
+brachten zich den neusdoek aan de oogen.
+
+Voor de trede stonden de burgemeester en de andere heeren recht,
+gereed om den bekroonden jongen geluk te wenschen; maar Bavo, zonder
+daar acht op te geven, zoohaast hij zich in bezit van zijnen prijs
+zag, keerde zich om, hief het boek en kroon met beide handen in de
+hoogte en riep in verrukking uit:
+
+"Moeder, moeder, moeder!"
+
+En hij sprong als een zinnelooze of een blinde tusschen de overheden
+en het publiek door, wierp kroon en boek op den schoot zijner moeder
+en vloog haar aan den hals en zoende haar onder het uitspreken van
+allerlei dankzeggingen. Ook zijnen vader omhelsde hij lang en vurig.
+Tusschen zijne liefdesbetuiging riep hij luid:
+
+"Gij hebt gewerkt en geleden om mij te laten leeren. Vader, vader, ik
+zal voor u werken. O, dat God mij bescherme! Gij zult het zien, gij
+zult het zien!"
+
+Deze eenvoudige lieden, in hun geluk, in hunne ontsteltenis, hadden de
+geheele wereld vergeten en schenen niet te weten, dat eene menigte
+menschen, met tranen in de oogen en woorden van bewondering op de
+lippen, hen omringden en op de uitstorting hunner blijdschap staarden.
+
+Damhout richtte zich eerst op en zeide tot zijne vrouw:
+
+"Kom, Christina, kom; men bekijkt ons zoo vreemd. Het is gedaan; de
+burgemeester is al weg; laat ons naar huis gaan."
+
+Men hadde op de schijnbare koelheid zijner woorden kunnen
+vooronderstellen, dat vader Damhout min gevoelig was aan de zegepraal
+zijns zoons; maar men hadde zich daarover geheel misgrepen. Zijn hart
+was vervuld met hoogmoed; want toen hij van tusschen de banken was
+geraakt, spande hij zichtbaar alle pogingen in om nevens Bavo te
+blijven, opdat elkeen mochte zien, dat hij de vader van dien jongen
+was.
+
+Bavo scheen sedert eenige oogenblikken door een gevoel van
+beschaamdheid aangegrepen; hij hield het hoofd gebogen en stapte
+wankelend tusschen zijne ouders.
+
+Toen zij de deur der zaal gingen bereiken, zeide Christina tot haren
+zoon:
+
+"Bavo lief, gij moogt niet beschaamd zijn: integendeel, hef het hoofd
+op; de menschen zouden zoo gaarne u in het aangezicht zien; het is uit
+vriendschap...."
+
+De jongen, als uit eenen slaap opschietende, slaakte eenen zucht en
+murmelde met zonderlinge ontroering aan het oor zijner moeder:
+
+"Ach, hadde Lieveken dit eens kunnen zien!"
+
+Zij werden door den vloed des volks ter deur uitgestuwd, en bevonden
+zich op de straat.
+
+"Christina," zeide vader Damhout, "ginder staat M. Raemdonck; hij
+beziet ons en schijnt mij te willen spreken."
+
+"Inderdaad, Adriaan, het is natuurlijk, hij zal u gelukwenschen. Welke
+eer, niet waar? Uw eigen meester. Wie hadde zich toch aan zooveel
+geluk verwacht. Die goede, lieve Bavo!"
+
+M. Raemdonck wenkte Damhout met den vinger tot zich.
+
+Terwijl Bavo en zijne moeder te midden der straat tusschen een hoop
+nieuwsgierige lieden bleven staan, ging Adriaan met ontdekten hoofde
+tot zijnen meester. Deze drukte hem minzaam de hand en zeide hem:
+
+"Ik wensch u geluk, Damhout. Zet uwe klak weder op, ik bid u. Dat gij
+een goed en vlijtig werkman zijt, dit wist ik sedert vele jaren; maar
+dat gij, als een verlicht en verstandig vader, uwen zoon hebt laten
+leeren, totdat hij al de klassen van het lager onderwijs had
+doorloopen, dit is iets, dat u in mijne oogen grootelijks vereert."
+
+"Ach, het is mijne vrouw, mijnheer," antwoordde de ontroerde werkman.
+
+"Uwe vrouw?"
+
+"Ja, mijnheer, daarvoor moet ik God dankbaar zijn, dat Hij mij de
+braafste en verstandigste vrouw heeft gegeven, die er op de wereld te
+vinden is."
+
+"Het zij zoo, mijn vriend, gij hebt er evenwel voor moeten werken. Ik
+heb aan den burgemeester beloofd, dat ik, indien het mogelijk is, iets
+zal doen om u te beloonen. Zeg mij eens, wat stelt gij u voor van uwen
+zoon te maken?"
+
+"Hij is op de fabriek van M. Verbeeck."
+
+"Wat doet hij daar?"
+
+"Hij zal de naaste week aan den eersten _duivel_ staan, mijnheer."
+
+"Ja, dit is niet slecht: hij zal mettertijd meesterknecht kunnen
+worden. Wilt gij mij een vermaak doen, Damhout? Zend mij uwen zoon; ik
+wil hem ook eenen prijs, een geschenk geven. Ga naar huis met uwen
+zoon, en zoohaast hij zijn boek en zijne kroon heeft nedergelegd en
+wat heeft uitgerust, doe hem dan ten mijnent komen; ik zal hem
+verwachten."
+
+Damhout keerde terug tot zijne vrouw en vertelde haar met blijde
+verbaasdheid, wat zijn meester hem had gezegd. Hij had hem de hand zoo
+vriendelijk gedrukt en zulke minzame woorden tot hem gesproken!
+
+Door iedereen nagekeken, geroemd en geprezen, kwamen de Damhouts
+eindelijk in hunne kleine stege. Voor het huisje, waar de Wildenslags
+hadden gewoond, scheen Bavo te willen blijven staan, en hij hief
+zelfs door eene onvrijwillige beweging zijn boek en zijne kroon op,
+als toonde hij deze voorwerpen aan een onzichtbaar wezen; maar een
+zucht ontsnapte hem, en hij volgde zijne ouders tot binnen hunne
+woning.
+
+Hier herhaalden zij nog eens de blijde omhelzing, en dan haastte Bavo
+zich ter stege uit, om naar M. Raemdonck te gaan en daar een nieuw
+geschenk te ontvangen. Wat zou het zijn, dat zijns vaders meester hem
+wilde geven? Misschien insgelijks een schoon boek, misschien iets
+anders?
+
+
+
+
+IX
+
+
+Bavo belde ten huize van M. Raemdonck; de meid leidde hem in het
+bureel. Hier kwam een reeds bejaarde man, de meester-klerk
+ongetwijfeld, hem te gemoet met eenen vriendelijken glimlach op het
+aangezicht, greep hem de hand en zeide:
+
+"Ik wensch u geluk, mijn jongen; men heeft u eene welverdiende eer
+bewezen; ik was er tegenwoordig en heb mij diep ontroerd gevoeld. Het
+zal u geluk bijbrengen dat gij uwe ouders zoo bemint en dankbaar
+zijt."
+
+Bavo murmelde den naam van M. Raemdonck.
+
+"Ja, ik weet het," zeide de meester-klerk, "mijnheer heeft u doen
+komen, maar hij is met eenen koopman in de fabriek gegaan en heeft
+gezegd, dat gij hier een beetje zoudt wachten. Zit neder, mijn vriend.
+M. Raemdonck zou u goed willen doen, indien het mogelijk is. Hij zou
+gaarne weten wat gij kent en tot hoeverre gij geleerd zijt, en hij
+heeft mij gelast u op de proef te stellen, indien gij hierin
+toestemt."
+
+"Ik ben hem wel dankbaar en zal alles doen wat u belieft, mijnheer,"
+antwoordde de jongen.
+
+"Welnu, zet u daar voor den lessenaar; ziehier de kopie van eenen
+brief. Schrijf dien eens in het net, op uw best en zonder feilen.
+Wees niet bevreesd. Daar hebt gij een model voor den vorm des briefs.
+Begin maar; ik zal intusschen mijn eigen werk voortzetten."
+
+Er heerschte eene volledige stilte in het bureel, totdat Bavo, door
+het hoofd op te heffen en zich om te keeren, teeken gaf, dat de brief
+was afgeschreven.
+
+De meester-klerk naderde, hield de oogen eene wijl op het papier
+gevestigd en zeide dan met verwondering:
+
+"Ho, jongen, wat schoon geschrift, wat vaste hand ... en geene feilen!
+Bravo, dit had ik niet verwacht; het zal M. Raemdonck verblijden, want
+hij draagt u eene ware genegenheid toe, omdat gij de zoon zijt van
+eenen onzer oudste en beste werklieden. Kunt gij ook goed rekenen?"
+
+"Daarin was ik de sterkste van de geheele school, mijnheer, ten minste
+volgens mijne meesters."
+
+"Welnu, ziehier eene kolom cijfers; tel ze eerst op; vermenigvuldig
+dan de uitkomst met 365 en deel het geheel met 514."
+
+In eenige minuten had Bavo de rekening gemaakt, en de meester-klerk
+bevond met innige tevredenheid, dat hij niet had gemist.
+
+"Blijf nu een oogenblikje hier wachten, mijn vriend," zeide hij; "ik
+ga M. Raemdonck van uwe komst verwittigen."
+
+Hij liet Bavo alleen in het bureel, opende eene deur en trad ten einde
+van eenen gang in eene zaal, waar de eigenaar der fabriek voor eene
+tafel zat en bezig was met eenige papieren te doorbladeren.
+
+"Welnu, Pasmans, hoe staat het met de geleerdheid van den jongen?"
+vroeg hij. "Zoudt gij hem kunnen benuttigen?"
+
+"Het is een wonder, mijnheer," antwoordde de meester-klerk; "de jongen
+is nauwelijks vijftien jaar, en hij heeft een geschrift zoo vast en
+zoo fraai als van eenen ouden klerk; hij kan goed rekenen, heeft een
+fijn begrip en is bekwaam tot alles, ten minste voor hetgeen onder
+mijn toezicht op het bureel kan te doen zijn."
+
+"Gij wilt toch niet zeggen, dat hij den klerk, dien gij eergisteren
+wegzondt, zou kunnen vervangen?"
+
+"Neen, mijnheer, ik durf het niet zeggen, alhoewel ik overtuigd ben,
+dat ik uit dezen leerling der gemeenteschool meer nut zal trekken;
+maar hij is te jong, en men mag hem in den beginne niet door eene al
+te hooge jaarwedde bederven."
+
+"Inderdaad, de andere klerk had duizend franken. Wat zou men den zoon
+van Damhout kunnen geven? Gij weet dat ik zijne ouders wil beloonen?"
+
+"Het derde gedeelte, mijnheer; driehonderd franken, bij voorbeeld. Het
+ware genoeg om te beginnen. Ik zal den jongen helpen en leeren. Indien
+hij vlijtig en getrouw blijft, kunnen wij zijn loon opvolgend
+verhoogen."
+
+"Het is wel, Pasmans, ik bedank u om uwe goedwilligheid. Zend mij den
+jongen, maar zeg hem niets."
+
+Eenige oogenblikken daarna trad Bavo in de zaal en bleef met de klak
+in de hand voor M. Raemdonck staan.
+
+Deze beschouwde hem eene wijl, met het hoofd knikkende, als schepte
+hij behagen in de regelmatige wezenstrekken en in de nederige, doch
+tevens moedige houding van den jongen.
+
+"Het is een schoone dag voor u geweest, mijn vriend," zeide hij. "Gij
+hebt vele beschermers aangewonnen, en indien gij vlijtig en verstandig
+blijft, zult gij waarschijnlijk uwen weg in de wereld maken; maar wat
+u ook gebeure, vergeet nooit, dat uwe ouders, arme fabriekwerkers,
+zich hebben opgeofferd om u te laten leeren."
+
+"Ik zal het niet vergeten, mijnheer," antwoordde Bavo zeer stil, maar
+op eenen ontroerden toon en met eenen glim van wilskracht, waarvan de
+innigheid den eigenaar der fabriek met verrassing sloeg.
+
+"Ha, dit is wel," zeide hij, "dat gij goed doordrongen zijt van alles,
+wat uwe arme ouders voor u hebben gedaan; uw vader bovenal, niet
+waar?"
+
+"Ja, mijnheer, mijn vader heeft voor mij gewerkt, mijn vader is voor
+mij doodelijk ziek geworden; mijne moeder heeft nachten zonder slapen
+doorgebracht om mij naar de school te laten gaan."
+
+"En gij zult ze liefhebben en, is het u mogelijk, ze beloonen in
+hunnen ouden dag?"
+
+"Ja, mijnheer, zoolang ik leef."
+
+"Gij zijt nu op de fabriek van M. Verbeeck, en gij zult de naaste week
+eerst aan den _duivel_ staan als helper. Het is een goed middel om tot
+iets te geraken; maar dit gaat wel langzaam, mijn jongen. Met uwe
+geleerdheid kan men misschien eenen korteren weg vinden."
+
+"Ik zal meesterknecht worden, mijnheer!" antwoordde Bavo met
+bedwongene kracht.
+
+"En dan?" morde M. Raemdonck.
+
+"Dan, mijnheer, dan zal mijn vader niet meer werken, en mijne moeder
+ook niet."
+
+"Gij zijt een brave jongen," sprak M. Raemdonck getroffen. "Wat wint
+gij nu? Vier of vijf franken in de week, niet waar? Dit is niet
+genoeg. Ik wil u helpen het edele doel bereiken, dat gij uw dankbaar
+hart aanwijst, door u eene loopbaan te openen, waarin men, met uwe
+geleerdheid en uwen goeden wil, veel spoediger kan vooruitgaan. Ik was
+voornemens u een boek te geven; maar al de boeken mijner bibliotheek
+zullen tot uwe beschikking staan. Een ander geschenk ga ik u doen.
+Wilt gij klerk worden op mijn bureel?--Blijft gij bij uwe goede
+gedachten en vlijtig, dan zal ik u voorthelpen met liefde, als waart
+gij mijn eigen zoon."
+
+"O, mijnheer, zooveel goedheid!" kreet Bavo, de handen dankend
+opheffende. "Hoe blijde zal mijne moeder zijn!"
+
+"Gij aanvaardt dus de plaats?"
+
+"Ik kan schier niet spreken, mijnheer. Ach ja, ja, ik zal zoo mijn
+best doen!"
+
+"Maar gij vraagt niet wat gij zult winnen. Indien gij u nuttig maakt
+en u vlijtig toont, zal ik uwe jaarwedde al spoedig verhoogen; het
+hangt van u af.
+
+Voor alsnu en om te beginnen, zult gij ... zult gij vierhonderd
+franken trekken; het is ten minste tweemaal zooveel als uw
+tegenwoordig loon."
+
+Bavo borst in tranen los en scheen in zijne ontroering te stikken; hij
+stamelde verwarde woorden, zegende zijnen weldoener en sprak van zijne
+moeder en van zijnen vader, doch was te zeer ontsteld om een
+verstaanbaar woord te uiten.
+
+
+[Illustratie: Eenen Godspenning wil ik u geven.]
+
+
+M. Raemdonck opende eene lade van zijnen schrijflessenaar, nam er
+iets uit, naderde tot den duizeligen jongen en zeide hem:
+
+"Kom morgen op het groot bureel; de oude meester-klerk is een braaf
+man en een edelmoedig hart; hij zal u vriendelijk zijn en u
+voorthelpen. Eenen Godspenning wil ik u geven; het zal mijn geschenk
+zijn. Daar, neem dit, draag het uwen vader met de goede tijding, en
+poog mijner bescherming waardig te blijven; dan zult gij uw eigen
+geluk en het geluk uwer goede ouders verzekeren. Vaarwel, mijn jongen,
+tot morgen dus."
+
+Het hoofd van Bavo draaide, het was hem duister voor de oogen; hij
+bevond zich in de straat zonder het te weten. Vierhonderd franken ging
+hij winnen! Welke rijkdom, en hoe zou zijne moeder verbaasd staan en
+gelukkig zijn bij dit wonderschoon nieuws! Hij kon het niet gelooven;
+hij droomde misschien? Neen, neen, het was waar. Klerk zou hij worden
+en vierhonderd franken winnen!
+
+Dan eerst voelde hij iets in zijne hand en opende ze. Daar blonken hem
+twee goudstukken van twintig franken in de oogen!
+
+Een luide schreeuw ontvloog hem, en, zonder op de voorbijgangers te
+letten, die hem verwonderd nakeken, sprong hij, met de hand in de
+hoogte, juichend vooruit en liep uit al zijne kracht, totdat hij zijne
+woning bereikte.
+
+"Moeder, vader!" riep hij, "ik word klerk in het groot bureel van M.
+Raemdonck; ik win vierhonderd franken; ik zal spoedig meer winnen:
+daar, daar is mijn Godspenning! Vader, vader, wij zullen rijk zijn;
+gij zult leven zonder werken, gij hebt genoeg gedaan voor mij. Moeder
+zal des nachts niet meer moeten naaien; zij zal eene meid hebben. Nu
+nog niet, maar het zal komen, ja, ja, mettertijd, of ik zal er onder
+bezwijken."
+
+En van ontsteltenis afgemat, liet de opgewonden jongen zich lachend en
+juichend op eenen stoel vallen.
+
+De ouders bestaarden met verwondering de twee goudstukken, welke hun
+zoon op de tafel had geworpen; zij insgelijks schenen buiten zich
+zelven van verbaasdheid.
+
+Damhout sloeg eensklaps de armen om den hals zijner vrouw, drukte haar
+op zijn hart en stamelde met tranen in de oogen:
+
+"O, Christina lief, dat God u zegene! Aan u, aan u alleen zijn wij al
+dit geluk verschuldigd. Gij zijt meer dan eene moeder voor uwe
+kinderen, meer dan eene vrouw voor mij; gij zijt onze goede
+engelbewaarder op aarde!"
+
+Bavo stond eensklaps recht en kreet, terwijl hij naar de deur liep:
+
+"O, Lieveken! Lieveken!"
+
+Met eenen angstigen gil sprong zijne moeder hem achterna.
+
+"Hemel, mijn arme zoon, wat geschiedt u?" gilde zij.
+
+Maar Bavo wierp zich in hare armen en zeide met het schaamrood op de
+wangen:
+
+"Het is niets moeder lief; ik droom, de blijdschap maakt mij
+zinneloos!"
+
+
+
+
+X
+
+
+Des anderen daags begaf Bavo zich naar zijn bureel; hij was zoo blijde
+en zoo vol geestdrift, dat hij geheel door zijnen nieuwen arbeid was
+verslonden en aan niets anders meer scheen te denken. Hij bracht des
+avonds schrijfwerk mede, bleef met de pen in de hand zitten, totdat
+zijne ouders hem herinnerden, dat het tijd was om slapen te gaan, en
+sprak zelfs niet meer van Lieveken, noch van zijne treurnis, omdat zij
+zijne schoone zegepraal niet had kunnen zien.
+
+Evenwel na eenige dagen van groote overspanning, kwam er een beetje
+rust in zijn gemoed. Dan keerde de herinnering aan de afwezige
+vriendin even krachtig als te voren in hem weder, en hij spoorde zijne
+moeder aan om eenen brief aan Lieveken te schrijven. Het arme meisje
+zou zich in hun geluk verblijden, en het zou haar zeker een troost
+zijn in haar verdriet.
+
+Een gansche avond werd aan het opstellen en afschrijven van den brief
+besteed; want alhoewel Bavo de pen voor zijne moeder hield, stortte
+hij er al de vreugde van zijn eigen hart in uit en schilderde breed en
+wijd de prijsuitreiking en het bezoek bij M. Raemdonck. Lieveken moest
+alles, alles weten, even alsof zij zelve er bij tegenwoordig ware
+geweest. Hij vergat insgelijks niet te juichen over de toekomst, die
+hem aanlachte, en beroemde zich, dat, indien Gods bescherming hem
+bijbleef, hij zijne ouders mettertijd rijk en gelukkig zou maken. Zij
+moest seffens antwoorden en laten weten, wanneer haar vader terug naar
+Gent zou keeren; de fabrieken waren hier nu weder alle geopend en er
+was veel werk; want zij kon wel denken, dat, niettegenstaande hunne
+blijdschap, zijne ouders en hij zelf toch veel verdriet hadden, omdat
+zij Lieveken niet meer zagen.
+
+De brief werd in de post gestoken, en van dan af wachtte Bavo met
+koortsig verlangen op het antwoord.
+
+Er verliepen ééne week, twee weken, eene gansche maand. Elken middag
+en elken avond, als Bavo zijn bureel verliet, liep hij met groote
+haast naar huis, en zijn eerste woord was telkens:
+
+"Welnu, welnu, moeder, is er niets gekomen?"
+
+"Niets, nog niets, mijn zoon," antwoordde vrouw Damhout met eenen
+zucht.
+
+Bavo werd allengs zeer treurig en moedeloos, en soms bleef hij des
+avonds uren lang met het hoofd in de hand zitten, of koutte met zijne
+moeder over de waarschijnlijke redenen dezer stilzwijgendheid van
+Lieveken. Was zij ziek misschien? Was haar een ongeluk overkomen? Had
+men zich in het opschrift van den brief misgrepen? Maar dit laatste
+was niet mogelijk, vermits Lieveken zelve vóór haar vertrek hun dit
+opschrift had gegeven.
+
+Gelukkig dat Bavo in den arbeid eene afleiding voor zijne droeve
+gepeinzen vond. Het plichtgevoel was inderdaad zeer machtig in hem.
+Zoolang hij op zijn bureel was, overspande hij zijne wilskracht en
+worstelde zegevierend tegen het verdriet, dat zijnen geest benevelde,
+en men kon niet aan zijn werk raden, dat smartelijke stoornissen hem
+onophoudend bestormden.
+
+Zekeren avond toch zeide hem de oude meester-klerk met eene schier
+vaderlijke minzaamheid:
+
+"Bavo, mijn jongen, gij moogt met zooveel inspanning niet werken. Gij
+zult u zelven ziek maken door uw overdreven ijver. Ik zie sedert
+eenige dagen, dat gij zwaarmoedig en treurig zijt. Vrees niet, gij
+doet meer en beter dan men van u kan verwachten. M. Raemdonck is zeer
+tevreden over u, gij weet het wel. Kom, kom, een mensch, die zijne
+plichten gevoelvol vervult, moet licht en vroolijk van harte zijn;
+anders wordt hem de arbeid zwaar en geestverdoovend."
+
+De arme jongen ging zeer bedrukt naar huis; hij beschouwde deze
+vriendelijke opwekking als een zijdelingsch verwijt; want zij bewees,
+dat de meester-klerk zijne duistere gemoedsstemming had opgemerkt, en
+misschien had er iets aan zijn schrijfwerk ontbroken. Daarenboven,
+Lieveken antwoordde niet; reeds zes lange weken waren er verloopen.
+Zou hij ooit nog wel iets van haar vernemen? Was zij gevaarlijk ziek?
+Was zij dood misschien?--want aan hare dankbaarheid, aan hare trouwe
+herinnering dorst hij na zulke korte afwezigheid niet twijfelen.
+
+Toen hij dus, dubbend en zuchtend, in de stege kwam, ontvloog hem
+eensklaps een schreeuw van verrassing en blijdschap. Hij zag van verre
+zijne moeder voor de deur van haar huisje staan met een papier in de
+hand, dat zij hem scheen te toonen.
+
+De jongen sprong vooruit, trok zijne moeder in huis en riep:
+
+"Een brief van Lieveken?"
+
+"Ja, van Lieveken of van hare ouders; hij komt uit Frankrijk."
+
+"En wat staat er in, moeder?"
+
+"Gij weet, Bavo, dat ik geen geschrift kan lezen."
+
+"Geef, geef, ik zal hem u voorlezen.... Hij is van Lieveken zelve.
+Luister, moeder. Ach, ik beef van ongeduld:
+
+ "Goede madam Damhout."
+
+"Zie, waarom noemt zij mij nu _madam_?" kreet de verwonderde
+Christina.
+
+"Wel, het is uit eerbied, moeder; daarenboven, in Frankijk noemt men
+iedere vrouw _madam_; maar laat mij lezen, onderbreek mij niet, ik bid
+u:
+
+ "Goede madam Damhout,
+
+ "Vergeef het mij, dat ik niet eerder op uwen brief heb kunnen
+ antwoorden. Vader had hem op de fabriek ontvangen en hem in
+ zijnen zak gestoken en vergeten. Toen moeder zijn vest wilde
+ vermaken, heeft zij hem gevonden. Ik bedank u en Bavo en M.
+ Damhout uit het diepste mijns harten voor de vriendschap, die
+ gij de arme Godelieve blijft toedragen. Uw brief heeft ons
+ zoo gelukkig gemaakt, dat mijne moeder en ik van blijdschap
+ hebben geweend en God om zijne goedheid jegens u hebben
+ gezegend. Wat mij betreft, ik heb veel verdriet; want ik denk
+ zonder ophouden aan u allen: ik treur, omdat ik u niet meer
+ zie en zelfs niet weet, of ik nog ooit van mijn leven u zal
+ wederzien. Mijn vader zegt dikwijls, dat hij nooit meer naar
+ het land zal wederkeeren; want hier is overvloedig werk en
+ een hoog dagloon. Mijne moeder heeft nog geenen winkel voor
+ mij kunnen vinden. Ik werk op eene fabriek en win zes franken
+ in de week. Mocht mijne moeder toch spoedig eenen winkel voor
+ mij vinden! De menschen op de fabriek zijn zoo grof en zoo
+ baldadig; zij schelden en vloeken altijd, en omdat ik eenen
+ afkeer van die woestheid heb, lachen ze mij uit en plagen
+ mij. Ik ben er bijna ziek van geworden; maar nu is het wat
+ beter. Mijn broeder Tist is zijn linker oog kwijtgeraakt in
+ een gevecht tusschen Vlaamsche en Fransche werklieden; hier
+ vecht men schier alle dagen. Dat Bavo in de wereld zal
+ verhoogen, en dat gij altezamen rijk zult worden, daarvan was
+ ik reeds overtuigd, toen ik nog een klein kind was; maar gij
+ zult in uw geluk toch somtijds nog eens denken aan het arme
+ Lieveken, niet waar? Wat ik ook worde, fabriekwerkster of
+ kleermaakster, ik zal slechts met eerbied en dankbaarheid mij
+ uwer eindelooze goedheid mogen herinneren, dit weet ik wel;
+ maar zijt zeker, al leefde Godelieve honderd jaar, dat zij
+ nog op haar doodbed de namen zal noemen van hem, die het arme
+ zieke kind leerde lezen, en van haar, die het als eene tweede
+ moeder naar de school heeft geleid.
+
+ "Uwe ootmoedige dienstmeid,
+
+ "GODELIEVE WILDENSLAG."
+
+Bavo liet den brief ter tafel vallen en begon te weenen: vrouw Damhout
+had insgelijks de tranen in de oogen. Zij poogde echter haren zoon te
+doen begrijpen, dat hij ten onrechte zich zoo diep bedroefde. Wat was
+er dan zoo ongelukkig in het lot van Lieveken? Zij treurde, omdat zij
+verre van hare geboortestad en hare vrienden moest leven. Dit was
+immers natuurlijk? Bavo moest daarenboven wel zeker zijn, dat
+Wildenslag naar Gent zou terugkeeren.
+
+Maar dit was de reden der smart van den jongen niet. Wat hem
+verschrikte, was de tijding, dat Godelieve op eene fabriek werkte, te
+midden van ruwe, woeste menschen, en daarom was hij ontroostbaar. Hij
+drukte het angstig voorgevoel uit, dat Lieveken door de gedurige
+aanraking met de grove, onwetende lieden hare zedigheid en de
+zuiverheid haars harten zou kunnen verliezen. Dit ware volgens hem het
+grootste ongeluk, dat haar kon overkomen. Er lag misschien een gevoel
+van zelfzucht in zijne ontsteltenis; maar hij verborg het onder het
+medelijden voor de gezellinne zijner kindsheid en zuchtte herhaalde
+malen met diepen weemoed:
+
+"Arm Lieveken! Arm Lieveken!"
+
+Adriaan Damhout kwam te huis. Dan bedwong Bavo zijn verdriet; want in
+zijns vaders tegenwoordigheid dorst hij de ontroeringen zijns harten
+niet zoo vrij uitstorten.
+
+Nadat men gedurende eenigen tijd over den treurigen brief van
+Godelieve had gekout, besloot men haar nog denzelfden avond te
+schrijven, om haar te troosten en haar moed te geven. Men zou
+daarenboven in den brief aan haar eenen anderen brief voor hare moeder
+steken, om deze tot het spoedig zoeken van eenen anderen winkel aan te
+manen.
+
+Eens dat deze beide brieven waren geschreven, werd Bavo een beetje
+beter te moede. Hij had nu een middel gevonden om met Godelieve te
+spreken; het was eenigszins, alsof zij nog tegenwoordig ware; de
+betuiging harer dankbaarheid, de zekerheid dat zij nog aan hunne zoete
+vriendschap dacht, deed hem zoo goed aan het hart. Met deze troostende
+overweging ging de jongen te bed, en alhoewel hij droomend Lieveken op
+de fabriek zag en ruwe, onbeschofte woorden rondom haar hoorde galmen,
+werd zijn slaap niet merkelijk gestoord.
+
+Maanden lang wachtte hij op een tweede antwoord van Godelieve; er kwam
+geene tijding. Men schreef eenen anderen brief en zelfs eenen derden,
+maar even vruchteloos.
+
+Bavo meende te moeten denken, dat vader Wildenslag de brieven
+vernietigde. Dewijl men ze naar de fabriek stuurde, aangezien men de
+bijzondere woonst der Wildenslags niet wist, ontving hij ze altijd op
+zijn werk. De brief, waarin Damhout aandrong om Godelieve het
+fabriekwerk te doen verlaten, zou hem waarschijnlijk hebben doen
+besluiten alle betrekking tusschen zijn huisgezin en de Damhouts af te
+breken. Misschien had het woeste gezelschap, waarin Godelieve
+veroordeeld was te leven, reeds eenen verderfelijken invloed op haar
+uitgeoefend? Misschien was haar geheugen verduisterd en had zij hare
+vorige vrienden vergeten? Maar dit kon niet zijn, zoo spoedig toch
+niet!
+
+Op zekeren avond dat Bavo met zijne moeder koutte, ontvielen hem
+eenige droeve woorden, die vrouw Damhout schenen te verrassen en te
+verwonderen. Wat zij daarop antwoordde om hem te troosten, deed het
+schaamrood op Bavo's voorhoofd klimmen. Hij stamelde eenige
+verontschuldigingen en bleef dan zwijgend in zich zelven dubben en
+overwegen, of nam een boek en ontvluchtte zóó eene samenspraak,
+zoohaast hij bemerkte, dat zijne moeder hem met aandacht beschouwde.
+
+Liefde? Zijn medelijden zou liefde zijn? Hij zou Godelieve beminnen
+... beminnen, anders dan eene speelgenoote, dan eene zuster? Zijne
+moeder had het niet gezegd; maar waarom dan had zij gesproken van eene
+geheime neiging des harten, van een gevoel, dat hij moest pogen te
+beheerschen en te overwinnen?
+
+Van dan af werd Bavo aangaande Godelieve achterhoudend met zijne
+moeder. Telkens dat zij zelve, en het gebeurde niet dikwijls meer, den
+naam van Lieveken noemde, keerde hij de samenspraak af.--Dit belette
+echter niet, dat zijne ziel treurde en nog snakte naar de afwezige
+vriendinne. Elke maal dat hij te huis kwam, hoopte hij, dat zijne
+moeder hem eenen brief zou toonen; maar de maanden verliepen zeer
+snel, en van Lieveken hoorde men niets meer.
+
+Wel had vader Damhout eens eenen werkman ontmoet, die uit Frankrijk
+kwam en hem nieuws van de Wildenslags had gegeven; maar zijne woorden
+waren niet van aard om Bavo of zijne moeder te verblijden. Volgens
+zijn zeggen wonnen de Wildenslags veel geld, ja veel te veel; want zij
+waren gekend als de grootste drinkers en zwierders van geheel de stad.
+Zij lagen ook altijd in twist met iedereen en schenen in ruzie en in
+vechten hun vermaak te vinden. Naar Gent terugkomen, dit zouden zij
+zeker niet doen; want zij hadden daarvoor een al te goed leven in
+Frankrijk. Godelieve kende hij niet; maar hij wist, dat al de
+Wildenslags, ouders en kinderen, op fabrieken werkten.
+
+Ondanks de durende beneveling van zijn gemoed kweet Bavo zijne
+plichten zoo wel op zijn bureel, dat hij meer en meer de gunst won van
+M. Raemdonck en van den meester-klerk. Men had zijne jaarwedde reeds
+tot zeshonderd franken verhoogd, en dewijl zijn vader bleef werken en
+zijne moeder nog immer voor haren winkel kielen naaide, kwam er
+zooveel welstand in huis, dat men besloot de stege te verlaten en in
+eene betere en min donkere straat te gaan wonen.
+
+Veel eerder ware men verhuisd, hadde Bavo zelf niet altijd gepoogd
+deze beslissing te doen uitstellen. Hij verborg het niet, dat hij met
+smart zich zou verwijderen van deze plaats, waar zijne wieg had
+gestaan en waar hij zijne gelukkige kindsheid had gesleten. Zeide en
+herhaalde zij hem niet dagelijks, hoe zijne moeder hem had bemind en
+hem had aangemoedigd in zijne pogingen om te leeren? Waren niet al de
+herinneringen van zijn leven aan deze nederige kamer gehecht?
+
+Eindelijk toch kon hij zijne moeder niet meer wederstaan. Er werd, een
+weinig verder aan de straat, een klein doch net huisje gehuurd, en men
+had reeds begonnen de meubelen over te dragen.
+
+Men nam voor den laatsten keer het middagmaal in de oude woning. Bavo
+zat tusschen zijne twee zusterkens aan tafel over zijne ouders. De
+jongen sprak niet en was zeer zwaarmoedig; zijne oogen dwaalden soms
+rond de kamer, als zeide hij vaarwel aan deze wanden, die zoo dikwijls
+de vroolijke stem van arme, ongelukkige kinderen hadden gehoord.
+
+Daar trad onverwachts een man in de kamer, naar buiten roepende:
+
+"Ja, ja, ik kom! Eenige oogenblikken slechts! ga naar de _Blauwe
+Geit_, bij Pier de Knul; ik zal u daar wel vinden!"
+
+En tot de tafel naderende, greep hij de hand van Damhout en zeide:
+
+"Goeden dag, Adriaan, ik wilde toch niet in Gent geweest zijn, zonder
+u te hebben gezien. Gij hebt geluk, ik weet het en het verblijdt mij,
+want gij zijt een brave vent."
+
+"Zie, het is Steven Geerts!" riep Damhout. "Wel vier jaar is het
+geleden, dat ik u voor de laatste maal heb gezien. Waar zijt gij
+gebleven?"
+
+"Ik kom uit Frankrijk; daar is altijd veel werk."
+
+"Uit Frankrijk?"
+
+"Ja, van Wazemmes, bij Rijssel."
+
+"Van Wazemmes!" riepen de ouders en Bavo met blijde verrassing.
+
+"Waarom verwondert u dit?" murmelde Steven.
+
+"En hoe gaat het met de Wildenslags? Die wonen ook te Wazemmes, niet
+waar?" vroeg vrouw Damhout.
+
+"Dit is te zeggen," was het antwoord, "zij hebben er eenigen tijd
+gewoond, volgens dat ik van de vrienden heb vernomen; maar ze zijn van
+daar naar Douai vertrokken. Ik heb ze gedurende acht of tien dagen
+gezien; want ik heb wel een half jaar te Douai gewerkt; maar de week
+na mijne aankomst zijn de Wildenslags eensklaps van daar vertrokken.
+De vrienden zeggen, dat zij werk hebben aangenomen voor eene stad in
+het midden van Frankrijk, voor Rouaan misschien; maar ik weet het niet
+juist."
+
+"En de Wildenslags varen altijd wel?"
+
+"Wel? Ja, veel te wel; het ware beter, dat zij wat armoede leden. Er
+zijn geene grootere rabauwen op de wereld dan de Wildenslags; gij
+moest ze nu zien, Adriaan! Ze doen niets dan zwieren en slempen, halve
+weken; en ze worden zelfs door de vrienden gevlucht; want ze zijn
+daarenboven zeer brutaal en groote ruziemakers."
+
+Adriaan en zijne vrouw schudden treurig en zwijgend het hoofd. Ziende
+dat Steven de hand van haren man greep om hem vaarwel te wenschen,
+vroeg moeder Damhout:
+
+"Zoudt ge ons niet kunnen zeggen, Geerts, hoe het met Godelieve
+Wildenslag gaat? Gij kent ze misschien niet?
+
+"Is het geene teere, magere? Met blond haar en levendige blauwe
+oogen?"
+
+"Ja."
+
+"Ha, die ken ik goed; ik heb ze ten minste eens en maar al te wel
+gezien. Die is nog veel erger dan de anderen, vrouw Damhout. Al de
+Wildenslags zijn grove menschen."
+
+"Wat wilt gij zeggen, o hemel!"
+
+"Denk eens, ik kom in de stege, waar de Wildenslags wonen. Niet voor
+hen, maar voor eenen anderen vriend; want ik wilde met die brutale
+kerels geen uitstaans hebben. Weet gij, wat ik daar zie? Eenen
+ganschen hoop vrouwen met moeder Wildenslag in het midden, die als
+razenden aan het kijven zijn. Daar komt eensklaps Godelieve met den
+kloef in de hand het huis uitgeschoten en begint te slaan en te
+vechten, dat men ze wel met vieren moest vasthouden en bedwingen. De
+leelijke woorden, die zij sprak, maakten mij zuiver beschaamd,
+alhoewel ik van geen klein gerucht vervaard ben. Dat zulk zwak en
+mager meisje, die anders een fraai wezen heeft, zulke baldadige taal
+spreekt, dit stak mij fel tegen de borst, en ik had, mij dunkt, lust
+om de onbeschaamde wat kletsen om hare ooren te geven...."
+
+"Godelieve? Maar het is niet mogelijk!" zuchtte vrouw Damhout. "Hebt
+gij het waarlijk gezien?"
+
+"Met mijne eigene oogen. Misschien was het meisje buiten zich zelve
+geraakt, omdat men hare moeder aanviel.... Nu, Adriaan, houd u wel, en
+gij insgelijks, bazin Damhout, totdat ik nog eens naar Gent kome."
+
+De werkman verliet de kamer. Er heerschte eene wijl de volledigste
+stilte; de ouders bezagen elkander en hunnen zoon met treurige
+verbaasdheid. Bavo scheen vergramd; er fonkelde een somber vuur in
+zijne oogen, en zijne lippen schenen te beven.
+
+Toen zijne moeder eindelijk eenige woorden meende te spreken, om hem
+te troosten en Godelieve te verontschuldigen, stond de jongen op en
+zeide met kracht:
+
+"Moeder, vader, spreekt mij nooit meer van Godelieve! Ik wil haar
+vergeten, mijne kindsheid geheel vergeten, om nimmer nog aan haar te
+denken. Dat een onwetend mensch zoo laag dale en den eerbied voor zich
+zelven verlieze, dit is te begrijpen; maar zij kan lezen, zij is
+geleerd, zij heeft van u, moeder, niets gekregen dan lessen van deugd
+en zedelijkheid. Uwe goedheid, uwe weldaden, onze vriendschap, dit
+alles heeft zij vergeten. Zij is dubbel schuldig. O, ik zal haar
+aandenken in mijn hart versmachten met geweld. Moeder, doe de
+werklieden komen, seffens: alles moet weg naar onze nieuwe woning. Ik
+wil hier niet meer slapen, ik wil geenen voet meer in de stege zetten.
+Ik bid u, dat ik alles gereed vinde tegen dat ik naar huis kom; gij
+zult mij gelukkig maken. Vaarwel, ik ga naar mijn bureel; hier kan ik
+niet meer blijven; dezen avond zal ik bellen aan het huis in de
+straat...."
+
+Hij meende te vertrekken; maar daar hij bemerkte, dat zijne moeder
+bekommerd was en hem wilde wederhouden, zeide hij met min ontsteltenis
+in de stem:
+
+"Wees gerust, moeder; het is voor een oogenblik slechts. Morgen zal ik
+aan niets meer denken; het is gedaan; ik had verdriet, maar nu ben ik
+genezen, genezen voor altijd!"
+
+En na onder het spreken dezer woorden de handen zijner moeder
+teederlijk te hebben gedrukt, ging hij het huis uit.
+
+
+
+
+XI
+
+
+De ongunstige tijding over Godelieve scheen Bavo van eene geheime
+overheersching te hebben verlost, en onder dit opzicht had zij hem
+inderdaad goed gedaan. Alsof dit voorval eensklaps hem al wat er nog
+kinderlijks in hem was, had ontnomen, werd zijn geest ernstiger en hij
+kreeg meer dan te voren het voorkomen van een bezadigd mensch, die
+zich slechts bezighoudt met nuttige dingen.
+
+Van dan af werkte hij met nog meer vlijt op zijn bureel, en al zijne
+pogingen strekten om zich den handel en de inrichting der fabriek
+geheel eigen te maken.
+
+M. Raemdonck en de oude meester-klerk schepten vermaak in den
+leerzamen en dankbaren jongeling voort te helpen. De laatste bovenal
+had hem zeer lief en ontlastte zich op hem van een groot gedeelte
+zijns arbeids, teneinde hem van alles ondervinding te geven. Hij
+verborg hem zelfs niet, dat hij het deed met een bijzonder inzicht.
+
+"Ik kan ziek worden," zeide de meester-klerk, "ik kan eene andere
+plaats bekomen; mijn oom, de huidvetter, kan sterven. Dan erf ik een
+fortuin en ga op mijn geboortedorp leven. Ik wil u bekwaam maken om
+mij desnoods in mijne bezigheid te vervangen en, indien het gebeurt,
+als gij oud genoeg zijt, om mijne plaats bij M. Raemdonck te krijgen."
+
+Dit vooruitzicht was een nieuwe spoorslag voor Bavo. Met de
+toestemming van zijnen meester nam hij boeken uit de bibliotheek naar
+huis, studeerde de mekaniek, volgde nieuwe uitvindingen, teekende en
+overwoog, en had reeds bijgedragen om op de fabriek eene winstgevende
+verbetering aan de werktuigen te doen toebrengen.
+
+Zoo klom eindelijk zijne jaarwedde tot de som van duizend franken,
+toen hij zijn negentiende jaar bereikte.
+
+Van Godelieve en zijne kindsheid sprak hij niet meer of scheen geen
+gewicht meer aan deze herinneringen te hechten. Evenwel kwamen er nog
+oogenblikken, dat het beeld van Lieveken voor zijne oogen opstond, en
+hij dacht zelfs met vermaak en welgevallen aan de vriendin zijner
+eerste jaren. Niet aan Godelieve, het fabriekmeisje, die zich door de
+slechte voorbeelden tot ruwheid en zedelijke verlaging had laten
+medeslepen; neen, aan het kleine, beminnelijke Lieveken, het zuiver en
+eenvoudig kind, dat met hem was opgegroeid en al zijne vermaken en al
+zijne hoop had gedeeld. Onder zijnen drukken arbeid, onder zijne
+onophoudende studiën hoorde hij soms een zilveren stemmeken zijnen
+naam murmelen, en hem verscheen nog van tijd tot tijd het zoete wezen
+met de glinsterende blauwe oogen, zooals zij hem had aanschouwd, toen
+hij haar buiten de stadspoort voor de laatste maal had gezien. Dit
+waren echter slechts droomen, die met de wezenlijkheid in geene
+betrekking meer stonden, en hij wist het zeer wel.
+
+Vader Damhout had zijnen zoon reeds aangespoord, om door M. Raemdonck
+of den meester-klerk toch eens naar de Wildenslags te doen vernemen;
+maar Bavo had deze pogingen met eene soort van verschriktheid
+afgewezen, en zijne moeder had hem gelijk gegeven.
+
+Inderdaad, welke gemeenschap was er voortaan mogelijk tusschen
+Godelieve en hem? Hij gevoelde zich geroepen om in de wereld tot den
+burgerstand op te klimmen en onder deftige lieden te leven. Indien de
+Wildenslags naar Gent terugkwamen, zou hij dan niet beschaamd zijn,
+als vriend en broeder te hebben geleefd met menschen, die veeleer het
+misprijzen dan de achting der wereld verdienden? Neen, neen, van de
+Wildenslags mocht men hem niet meer spreken; zij hadden hem gewond in
+zijn gevoel, en hij was verbitterd tegen hen.
+
+Het waren bijna dezelfde overwegingen, die zijne moeder aanspoorden om
+hare eigene herinneringen te onderdrukken. Vijf of zes jaar vroeger
+had zij soms wel gedacht, dat Bavo en Lieveken misschien door God
+bestemd waren om eens door het huwelijk te worden vereenigd. Die droom
+had haar zelfs als eene mogelijkheid toegelachen; maar nu was er
+zooveel afstand tusschen Bavo en Godelieve gekomen, dat men aan de
+vroegere gemeenschap met de Wildenslags niet zonder een geheim gevoel
+van schaamte kon denken.
+
+Men sprak dus eindelijk in het geheel niet meer van Lieveken, alhoewel
+in het hart van vrouw Damhout en in het hart van haren zoon een immer
+herlevend gevoel van treurnis en van medelijden voor het ongelukkige
+kind opwelde.
+
+Bavo, die nu allengs tot de mannenjaren naderde, maakte zich met
+onophoudende vlijt alles eigen, wat den handel en de bewerking van het
+katoen betreft. Met de toestemming van den meester-klerk bracht hij
+een gedeelte van den dag in de fabriek zelve door, niet alleenlijk om
+de praktijk van den arbeid aan te winnen, maar tevens om de werklieden
+op te passen en de belangen van M. Raemdonck te behartigen. Hij
+volbracht dezen laatsten plicht met zooveel ijver en verstand, dat de
+meester-klerk, die hoogmoedig was over zijnen leerling, soms tot M.
+Raemdonck zeide:
+
+"Wees zeker, Bavo Damhout brengt u voor duizenden franken profijt aan,
+elk jaar. De werklieden beminnen en achten hem, en zij zorgen, dat er
+niets verkwist of gebroken worde, alleenlijk om hem vermaak te doen."
+
+Inderdaad, Bavo was zeer minzaam en zacht met iedereen, en zijne
+wonderlijke wetenschap en ervarenheid waren wel van aard om hem het
+ontzag der werklieden te verschaffen; maar dit was de voornaamste
+reden hunner genegenheid voor hem niet.
+
+Zijn eigen vader, hun oude, brave gezel, stond aan eenen spinmolen, en
+de jongeling moest dikwijls aan hem, evenals aan hen zelven, bevelen
+of terechtwijzingen geven. Dit hadde iets pijnlijks kunnen zijn, een
+oude spinner, die zich door zijnen zoon moest zien gebieden. Maar Bavo
+naderde nooit zijnen vader dan met de klak of den hoed in de hand,
+stuurde hem het woord toe met den grootsten eerbied en lachte hem aan
+en drukte hem zoo teederlijk de hand, dat al de werklieden zich
+ontroerd gevoelden van bewondering en hoogmoed. Het kostte hun dan
+geene moeite, te gehoorzamen aan een werkmanskind, die zich door zijne
+geleerdheid het recht tot bevelen had aangewonnen, en door zijne
+zachtheid en door zijne liefde tot zijnen ouden vader de eerbiedige
+genegenheid van elkeen afdwong.
+
+Bavo vergenoegde zich niet met hetgeen er voor hem op de fabriek van
+M. Raemdonck te leeren was; hij had zijnen meester overgehaald om in
+te schrijven op de nieuwste schriften over werktuigkunde en
+nijverheid; hij volgde openbare avondlessen, welke er alsdan over dit
+vak door geleerde professors werden gegeven; hij bezocht telkens dat
+hij er gelegenheid toe had, de beste fabrieken van Gent.
+
+Zoo verkreeg hij mettertijd eene groote wetenschap van alles, wat de
+katoennijverheid en hare mogelijke verbeteringen betreft.
+
+Hij was gelukkig, want iedereen rondom hem loofde en beminde hem....
+Evenwel was zijn hemel niet geheel zonder wolken. Zijn vader werkte
+nog altijd op de fabriek! De droom des jongelings was dus nog niet
+verwezenlijkt, het doel zijns levens nog verre van bereikt te zijn.
+Hij hadde wel gewild, dat zijn vader ophield van werken; maar zijne
+ouders en hij zelf waren nu in hunne nieuwe woning aan zekeren
+welstand gewend. Men kon dien toestand niet verlaten om een meer
+bekrompen leven te hernemen, en zijne jaarwedde alleen was niet
+toereikend om in de onkosten van het huishouden te voorzien. Deze
+overweging was hem soms nog eene oorzaak van voorbijgaand verdriet ...
+en daarbij, wanneer hij alleen was en droomde, tooverden zijne
+gepeinzen hem nog dikwijls terug in zijne schoone zoete kindsheid. Dan
+voelde hij in zijn hart eene ledigheid, eene onoverwinnelijke
+treurnis, eenen geheimzinnigen worm, die wel zachtjes knaagde, doch
+niet wilde sterven....
+
+Op zekeren morgen dat Bavo op zijn bureel trad en, in de afwezigheid
+van den meester-klerk, zich aan het schrijven had gezet, kwam eene
+meid hem zeggen, dat M. Raemdonck hem verlangde te spreken en in de
+zaal op hem wachtte.
+
+Toen hij zich voor den eigenaar der fabriek aanbood, deed deze hem
+nederzitten en zeide:
+
+"Mijnheer Damhout, toen ik door eigene beweging en door aanbeveling
+van den heer burgemeester u op mijn bureel toeliet, hoopte ik, dat gij
+mijne bescherming door leerzaamheid en vlijt zoudt erkennen. Ik heb
+mij niet bedrogen; integendeel, ik heb mijn genoegen in u gevonden, en
+gij hebt mij veel voordeel aangebracht in mijne zaken. Uwe durende
+liefde voor uwe ouders heeft mij daarenboven een waar gevoel van
+vriendschap en achting voor u ingeboezemd. In één woord, gij zijt een
+braaf jongeling en ik ben uiterst tevreden over u. Ik weet, dat uw
+schoonste droom, het voorname doel uwer werkzaamheid, daarin bestaat,
+uwen vader van allen arbeid te ontslaan en uwe moeder door levensgemak
+en zekere weelde voor hare vroegere opofferingen te beloonen. Het
+middel om u dat doel te laten bereiken, is mij nu aangeboden; en
+alhoewel gij nog jong zijt, wil ik nochtans u toonen, dat ik
+vertrouwen heb in uwe ervarenheid en in uwe trouw. De oom van den
+meester-klerk is gisteren overleden; M. Pasmans geeft zijn ontslag en
+gaat zijn geboortedorp bewonen. Gevoelt gij u bekwaam mijn
+meester-klerk te zijn?"
+
+"O, mijnheer!" zuchtte Bavo, "ware ik niet bekwaam, ik wierd het uit
+dankbaarheid voor uwe uiterste goedheid!"
+
+"Het is, mijn vriend, dat daar eene jaarwedde van drieduizend
+vijfhonderd franken aan vast is; ja, vier duizend franken, met zekere
+bijzaken. Dit is tamelijk veel voor een jongeling van tweeëntwintig
+jaar. Zal deze aanzienlijke vermeerdering u niet schadelijk zijn? Gij
+zijt in de gevaarlijkste jaren...."
+
+"Beproef mij, ik bid u, mijnheer, al ware het gedurende een gansch
+jaar!" zeide Bavo smeekend "Wat gij mij aanbiedt, is het geluk, dat ik
+voor mijne ouders heb gedroomd. Oh, indien ik mij uwer grootmoedigheid
+ooit onwaardig toon, jaag mij weg, veracht mij; maar neen, neen, ik
+zal mijnen wil en mijne pogingen overspannen, en, is het mogelijk, u
+bewijzen, dat uwe weldaad mijne krachten heeft verdubbeld."
+
+"Ik geloof u, mijn vriend; de liefde tot uwe ouders zal uw
+engelbewaarder zijn. Wees dus meester-klerk, en dat het schoone doel
+uws levens zij bereikt. Gij kunt iemand van het klein bureel nemen om
+de brieven af te schrijven, totdat wij eenen anderen klerk vinden om
+uwe plaats in te nemen."
+
+M. Raemdonck stond op, naderde tot den jongeling en drukte hem de
+hand.
+
+"Proficiat, meester-klerk," zeide hij. "Ga nu in de fabriek; want gij
+brandt ongetwijfeld van ongeduld om uwen vader het goede nieuws te
+dragen?"
+
+Bavo ging niet heen; hij bleef in gedachten voor zijnen meester staan.
+
+"Welnu, hebt gij mij nog iets te zeggen?" vroeg deze.
+
+"Mijnheer, ik wilde u een verzoek doen."
+
+"Spreek, mijn vriend."
+
+"Het is zonderling genoeg, mijnheer, maar gij zijt zoo goed voor mij.
+Ik zou wenschen, dat gedurende eenige maanden niemand iets van mijne
+nieuwe benoeming wist; mijne ouders insgelijks niet. Dat men ten
+minste vooronderstelde, dat mijne jaarwedde voorloopig nog niet is
+verhoogd."
+
+"Welke vreemde gedachte is dit!" kreet M. Raemdonck verwonderd.
+"Waarom toch die geheimhouding?"
+
+"Het is, mijnheer, dat ik mijnen ouders eene blijde verrassing wil
+aandoen, en daartoe zou ik eenigen tijd moeten kunnen sparen, zonder
+dat zij het weten."
+
+"Welke verrassing?"
+
+"Ik weet het nog niet, mijnheer; een geschenk, iets dat hen in eens
+gelukkig zou maken. Ik zal het u zeggen en uwen goeden raad vragen,
+zoohaast ik daarover een besluit heb genomen.... En indien ik
+gedwongen was u een voorschot op mijne jaarwedde af te smeeken?"
+
+"Ho, voor zulk liefderijk doel moogt gij mij niet sparen. Mijne kas
+staat voor u open, ten minste zoolang gij binnen de palen der
+redelijkheid blijft."
+
+Bavo, onder het uiten eener vurige dankzegging, verliet de zaal en
+begaf zich naar zijn bureel. Hij deed eenen helper van het klein
+bureel komen en zette hem onmiddellijk aan het werk. Intusschen dacht
+hij aan hetgeen hij M. Raemdonck had gezegd en aan het geschenk,
+waarmede hij voornemens was zijne ouders te verrassen en gelukkig te
+maken. Zijn ontwerp was sedert jaren reeds in zijn hoofd vastgesteld;
+maar hij had het niet aan zijnen meester durven zeggen, uit vrees dat
+hij zelf nog van gedachte kon veranderen. Na lange overweging toch
+bleef hij bij zijn eerste besluit.
+
+Toen hij met zijne ouders en zusters aan het middagmaal zat vertelde
+hij hun, dat de oude meester-klerk zijn ontslag had gegeven, omdat
+zijn oom, die nu gestorven was, hem een rijk erfdeel had nagelaten. M.
+Raemdonck had wel lust om Bavo tot meester-klerk aan te stellen; maar
+hij wilde het eerst eenige maanden beproeven, aangezien de jonkheid
+van Bavo.
+
+Zoo deed hij voor de oogen zijner ouders de hoop glinsteren, dat hij
+welhaast aanmerkelijk zou worden verhoogd, en hij verborg niet, dat,
+indien dit geluk hem ten deel viel, hij niet meer zou lijden, dat zijn
+vader een oogenblik langer werkte. Hij zou dan in zijne hooge
+jaarwedde de middelen vinden, om zijne moeder alle gemak te bezorgen
+en haar te laten leven als eene ware rentenierster. Hij was zoo
+vroolijk, zoo blijgeestig, dat hij iedereen deed juichen en in de
+handen klappen van hoop en vreugde.
+
+Eindelijk vertelde hij, dat de neef van M. Raemdonck, die lang te
+Parijs had verbleven en daar zelfs onlangs was getrouwd, naar Gent
+ging komen wonen. M. Raemdonck was op zoek naar een huis voor zijnen
+neef. Groot moest het niet zijn, maar fraai en zindelijk. Hij zou het
+voorzien met schoone meubelen en alles in gereedheid brengen tegen de
+overkomst van zijnen neef met zijne jonge vrouw. Bavo sprak er van,
+omdat zijn meester hem had verzocht eens rond te zien, welke huizen
+van dien aard zoo al te huur hingen; en de jongeling, die niet veel
+tijd had, spoorde zijne moeder aan om eens uit wandelen te gaan in de
+beste straten, niet verre van de fabriek, en te zien of er zulke
+huizen niet te huur hingen, opdat hij het alsdan aan zijnen meester
+zou kunnen zeggen.
+
+Reeds des avonds, bij zijnen terugkeer van de fabriek, vernam Bavo van
+zijne moeder, dat er nette burgerhuizen te huren hingen in de
+Mageleinstraat, in de Lange Meere en in de Kruisstraat, niet verre van
+Sint-Baafskerk. Dit laatste was misschien wat klein; maar het was
+nieuwerwetsch en het opschrift meldde, dat het eenen hof had.
+
+Bavo bracht twee dagen later aan zijne moeder de dankzegging van M.
+Raemdonck, die het huis in de Kruisstraat, bij Sint-Baafskerk, naar
+zijnen zin had gevonden en het onmiddellijk had gehuurd.
+
+Sedert dien sprak Bavo nog dikwijls van dit huis en roemde de pracht
+der meubelen, welke zijn meester er in deed zetten, en de smaakvolle
+inrichting van alles. M. Raemdonck had hem reeds tweemaal er naartoe
+geleid, en deed hem de eer aan, hem te raadplegen over de schikking
+van het huis en het aanleggen van den kleinen tuin.
+
+De jongeling verwekte door zijne herhaalde beschrijvingen de
+nieuwsgierigheid zijner moeder zoodanig, dat zij den wensch uitdrukte
+om het schoone huis eens van binnen te mogen zien. Bavo beloofde de
+toelating zijns meesters te vragen; maar men moest nog eenige weken
+wachten, totdat de woning der nieuwgetrouwden geheel in orde zou zijn.
+
+Eindelijk, op eenen zaterdagavond, toonde hij juichend eenen grooten
+sleutel en zeide, dat M. Raemdonck hun allen toeliet het huis van
+onder tot boven te bezichtigen en zelfs eenen ganschen namiddag in den
+hof door te brengen. Hij zou er eene goede flesch wijn gereed zetten,
+en hij verzocht Bavo deze met zijne ouders op zijne gezondheid te
+ledigen. Het was morgen Zondag. Even na het middagmaal te hebben
+genomen, zou men naar het huis in de Kruisstraat gaan en er een uurtje
+of twee blijven. Dit zou een waar feestje zijn!
+
+Inderdaad, nauwelijks gunde men zich des anderen daags tijd om te
+eten, zoo ongeduldig waren Bavo's zusters. Men trok, vroolijk en
+koutende van hetgeen men ging zien, in de richting van Sint-Baafskerk.
+
+In de Kruisstraat gekomen, bleef men voor het huis staan, om den gevel
+te beschouwen; er was een klein balcon, waarvan veelkleurige bloemen
+in kransen nederdaalden; er stonden insgelijks bloemen achter de
+vensters, meestal roode fuchsia's, en dit deed moeder Damhout
+opmerken, dat zij altijd eene soort van voorliefde voor die
+koraalroode bellekens had gehad.
+
+Toen de deur geopend was, zeide Bavo tot zijne zusters, die maar
+seffens al de deuren der kamers wilden openen:
+
+"Neen, neen, zóó niet; het schoonste voor het laatste. Anders zouden
+wij niet veel vermaak van ons bezoek hebben. Laat ons eerst in den hof
+gaan; moeder ziet zoo gaarne bloemen."
+
+"En ik dan?" bemerkte Adriaan Damhout. "Toen ik jonger was, woonden
+mijne ouders op Ledeberg. Wij hadden een hoveken. Ik liet er eten en
+drinken voor; den geheelen Zondag nanoen was ik aan het werk, en ik
+had de schoonste aurikels en de schoonste violieren van geheel het
+voorgeborcht."
+
+Zij kwamen in den tuin; hij was niet zeer uitgestrekt; maar de paden
+slingerden liefelijk, de zon scheen mild op een gedeelte des gronds,
+en er was zulk een overvloed van bloemen, dat de meisjes de handen
+boven het hoofd hieven en vooruitspringende riepen:
+
+"Ho, wat is dit hier schoon en frisch! en welke zoete geuren!"
+
+Meer rustig, in schijn ten minste, wandelde Bavo met zijne ouders door
+de paden, toonde hun al de bloemen, plukte hun takjes van geurig kruid
+en bracht hen zoo onder een looverhuisje, waar zij zich lachend
+nederzetten, om het gezicht des tuins een oogenblik op hun gemak te
+genieten.
+
+Hier stond op de tafel een porseleinen pot met tabak, die er bij
+nederhing, en daarnevens lagen vier of vijf lange Hollandsche pijpen.
+
+"Zie," murmelde Adriaan verwonderd, "ik wist, dat M. Raemdonck soms
+eene sigaar rookt; maar het is waar, zooals men zegt, vele heeren
+rooken te huis op hun gemak eene pijp."
+
+"Gij begrijpt niet, vader," bemerkte Bavo. "Mijnheer heeft de tabak en
+de pijpen daar doen zetten, opdat gij volgens uwen lust hier zoudt
+kunnen rooken."
+
+"Onmogelijk, Bavo."
+
+"Hij heeft het mij zelf gezegd, vader. Gij moet rooken om hem plezier
+te doen."
+
+"Welke goedheid toch! Dan zal ik het maar wagen; want de tabak ziet er
+bijzonder goed uit. Een trek of drie: het is slechts om onzen
+edelmoedigen meester te voldoen."
+
+Hij ontstak zijne pijp, deed den rook in wolkjes tot onder het loover
+van het prieel klimmen, en zeide dan glimlachend en blijde:
+
+"Lekkere tabak! Wat zijn die rijke menschen toch gelukkig. Ziezoo, op
+deze bank met het gezicht op dien schoonen hof en met mijne pijp in
+den mond, zou ik mijn leven willen slijten."
+
+"Gij bedriegt u, vader," wedersprak hem Bavo. "Er is nog iets, dat gij
+zoudt doen."
+
+"Ja, uit visschen gaan, niet waar? Dit doe ik uitnemend gaarne; het
+zou mij dienen om mijn vermaak een beetje af te wisselen."
+
+Onderwijl waren de beide meisjes nog altijd bij de bloemen; ze moesten
+ze een voor een zien, ze vergelijken en over hunnen geur en over hunne
+schoonheid oordeelen.
+
+Vader Damhout legde zijne pijp neder; hij zou ze straks voortrooken;
+maar nu moest men het ongeduld der moeder voldoen en het huis
+bezichtigen.
+
+Bavo bracht hen eerst in een paar kamers, die wel fraai geschikt
+waren, doch niet veel bijzonders aanboden. In de keuken bewonderde
+vrouw Damhout de schoone, versierde kookstoof en de glinsterende
+ketels, pannen en potten, die langs de wanden prijkten.
+
+In den kelder lag eene ton bier op hare stelling; een gemetste bak
+bevatte een zeker getal flesschen wijn, en er stond zelfs een groote
+oplegpot, die ongetwijfeld eenen voorraad boter bevatte.
+
+Dit deed de Damhouts zeggen, dat M. Raemdonck niets had vergeten, en
+zijn neef alles in gereedheid zou vinden, als hadde hij zelf het huis
+sedert lang bewoond.
+
+
+[Illustratie: Ziehier eene amandelbeschuit.]
+
+
+Op den zolder hingen, op de gespannen droogkoorden, eenige vischnetten
+van verschillenden vorm uitgespreid, alle nieuw en met veel zorg
+gemaakt. Vader Damhout was daar kenner van. Ook nam hij ze in de
+hand, beproefde de sterkte van het garen en mompelde in zich zelven:
+
+"Gelukkige lieden, ze hebben alles wat hun hart kan wenschen!"
+
+"Nu naar de zaal, naar de schoonste kamer!" riep Bavo. "Dáár zult gij
+wat anders prachtige dingen zien; en wij gaan er op de gezondheid van
+M. Raemdonck de flesch lekkeren wijn drinken, die hij ons heeft
+geschonken."
+
+Toen Bavo de zoogezegde zaal opende, ontvloog hun allen een kreet van
+bewondering. Dat waren alle prachtige meubelen van glimmend
+mahoniehout! Printen in gouden lijsten aan den wand, een zacht tapijt
+met roode bloemen op den grond, een verguld uurwerk en getakte
+kandelaars op de schouwplaat, stoelen met kussens, en twee zetels met
+ruggen, die hunne armen uitstaken en schenen te zeggen: "Ik ben zoo
+zacht, kom, rust wat op mij!"
+
+Het was ook wel wat de meisjes eerst en daarna de ouders deden; maar
+Bavo wenkte zijne moeder en toonde haar een klein tafeltje, waarvan
+het deksel kon worden opgeheven. Daaronder, als in een koffertje, lag
+allerlei glinsterend naai en borduurgerief, zoo rijk en schoon, dat
+het de oogen der verbaasde vrouw en der verwonderde meisjes deed
+schemeren.
+
+"Nu het glas wijn op de gezondheid van ... van ... dit gaan wij zien!
+Aan tafel, aan tafel!"
+
+En hij opende eene kas, nam er eene flesch en roemers uit en schonk
+den wijn. Ieder wilde zijn glas aangrijpen om ter eere van M.
+Raemdonck te drinken; maar Bavo weerhield hen.
+
+"Wacht een oogenblik," zeide hij, "er is ook iets om te eten! Ziehier
+eene amandelbeschuit, die mijnheer Raemdonck niet heeft gegeven; en
+het is ook op zijne gezondheid niet, dat wij allereerst gaan
+drinken...."
+
+"Wat is dit?" kreet Amelia, het oudste meisje. "Die suikerletters op
+de taart? Weet gij, moeder, wat er op te lezen staat?"
+
+"Ha, ha, lang leve Christina, onze goede moeder! Dit staat er op!"
+kreet Bavo, zijn glas in de hoogte heffende. "Het is heden haar
+naamdag. Lang, lang moge zij leven!"
+
+"Lang, lang moge zij leven!" herhaalden de anderen, hun glas in de
+hoogte heffende.
+
+"Wat zonderlinge gedachte van Bavo, u in dit huis te besteken!"
+juichte Amelia. "Ha, dit is aardig!"
+
+"En nu, moeder," zeide de jongeling op plechtigen toon en met eenen
+traan van geestdrift in de oogen, "nu gaat degene, die u alles
+verschuldigd is op de wereld, zijne geleerdheid, zijn geluk, zijne
+toekomst, u een geschenk doen, een geschenk, waarvan hij sedert zijne
+kindsheid heeft gedroomd, aan u en aan den armen fabriekwerker, die
+voor zijnen zoon heeft geslaafd en geleden. Gij hebt dit huis gezien,
+den hof, de bloemen, de netten? Dit alles hoort u toe. Ik heb het huis
+gehuurd, ik heb de meubelen gekocht. Hier zult gij wonen. Vader mag
+niet meer werken; hij zal zijn pijpje rooken, bloemen kweeken, gaan
+visschen. Wij zijn rijk, ik ben meester-klerk, ik win vierduizend
+franken! God zij gezegend, dat Hij mij toelaat uwe liefde te beloonen.
+Moeder, vader, zet u op uw gemak: gij zijt ten uwent!"
+
+Vrouw Damhout was zoo diep getroffen, dat zij eenen steun op de tafel
+zocht, als ging zij bezwijmen; maar zij richtte zich weder op, vloog
+haren zoon om den hals en drukte hem met koortsige teederheid aan haar
+kloppend moederhart. Damhout, stom van verbaasdheid, stortte blijde
+tranen, de meisjes klapten in de handen en dansten met
+uitgelatenheid....
+
+Toen Bavo dien avond weder nevens zijne moeder in het andere huis zat,
+was hij sedert eene wijl zeer stil en als treurig. Hij zeide haar, dat
+hij zeer vermoeid was; maar vrouw Damhout zag wel, dat iets anders
+zijnen geest benevelde.
+
+Zij murmelde eindelijk met teruggehoudene stemme:
+
+"Bavo, gij denkt aan iemand. Ik insgelijks, mijn zoon. Wanneer men zoo
+gelukkig is, niet waar, dan zou men al degenen, die men ooit heeft
+bemind, willen gelukkig zien?"
+
+"Ja, moeder," antwoordde hij, "de mensch is zijne gedachten niet
+altijd meester; maar het beteekent niets. Het is eene herinnering
+mijner kindsheid, die tegen mijnen dank opwelt in mijn hart."
+
+
+
+
+XII
+
+
+Op eenen Zondag, bij het vallen van den avond, verlieten eene reeds
+bejaarde vrouw en een jong meisje de enge stege, waar de Damhouts
+vroeger hadden gewoond. Hunne slechte kleederen, hun onzekere stap en
+hunne zichtbare schuchterheid, alles in hen getuigde niet alleen van
+groote ellende, maar tevens van eene diepe moedeloosheid. Zij gingen
+traag, zwijgend en met gebogen hoofde nevens de huizen, als
+nedergedrukt onder een gevoel van schaamte of van geheime
+verschriktheid.
+
+Er was echter tusschen beider opzicht een merkelijk verschil. Terwijl
+de vrouw als iemand, die sedert lang aan de armoede is gewend, om zoo
+te zeggen met lompen was behangen, had het meisje wel klaarblijkend
+alle moeite ingespannen om de uiterlijke teekens der ellende zooveel
+mogelijk te verbergen. Hare kleederen, alhoewel zeer versleten, waren
+van eene uiterste reinheid; en hare muts, ofschoon geschift en
+genaaid, was sneeuwwit.
+
+Wanneer zij bij geval het hoofd ophief om eenen voorbijganger te
+mijden, bezag men haar met verrassing, als ware men verwonderd, zulke
+wezenstrekken onder dat ellendig kleedsel te vinden.
+
+Inderdaad, het arme meisje was zeer schoon; in hare blauwe oogen,
+alhoewel nu door de smart verduisterd, glom eene vonk van gevoel en
+verstand; hare wangen waren zuiver en haar voorhoofd lelieblank.
+Daarenboven, er was in de snede harer kleederen, in de rijzigheid
+harer leden, in de ingetogenheid van haren gang iets onderscheidens,
+dat niet twijfelen liet of de jonge maagd moest eene goede opvoeding
+hebben genoten.
+
+Welk pijnlijk voorval had toch deze ongelukkige van eenen hoogeren
+stand in zulke diepe ellende nedergerukt, dat men ze nu met hare oude
+gezellin moest aanzien als schamele menschen, die waarschijnlijk op
+weg waren om hier of daar eene aalmoes te gaan afbedelen?
+
+Zonder een woord met elkander te wisselen, hadden zij de Nederschelde
+bereikt, en naderden nu tot de Wijngaardbrug. Daar zeide de vrouw met
+bedwongene stem:
+
+"Heb moed, mijn kind. Gij gaat zoo langzaam. Zijt gij vervaard?"
+
+"Ja, moeder, ik weet niet, mijn hart klopt zoo angstig!" zuchtte het
+meisje.
+
+"O, hemel! vreest gij nu, dat de Damhouts ons gebed zouden kunnen
+verstooten? Doe mij niet beven. Eilaas, wat zou er dan van ons
+geworden?"
+
+"Vrouw Damhout zal ons helpen, moeder, daaraan twijfel ik niet," was
+het stille antwoord. "Een hart als het hare kan niet ongevoelig
+blijven voor ons ongeluk; en wanneer ik met tranende oogen hare vorige
+genegenheid voor het arme Lieveken zal inroepen...."
+
+"Zeker, en vermits zij nog rijker zijn dan men ons te Rijssel had
+gezegd? Ach, Godelieve, wat wij nu gaan beproeven, is eene pijnlijke
+poging, voor u bovenal, ik weet het; maar de nood is een onmeedoogende
+dwingeland."
+
+"De Damhouts zijn rijk, zeer rijk!" morde het meisje op eenen hollen
+toon, waarvan de zonderlinge siddering de vrouw verraste.
+
+"Maar des te beter, Godelieve," zeide zij. "God zij gezegend, dat Hij
+hun de middelen schonk om ons te helpen."
+
+"Eene aalmoes gaan vragen, moeder! Aan ... aan de Damhouts! Ik, het
+kleine Lieveken, die zij zoo teeder hebben bemind, die met hen dorst
+droomen van toekomst en van geluk! O, mijne schoone kindsheid, hoe
+tergend ontstaat gij voor mijne oogen! Bedelaresse? Lieveken eene
+bedelaresse!"
+
+"Neen, kind, wees niet zoo wreed voor u zelve. Wij komen hulp vragen,
+ja, maar bedelaressen zijn wij toch niet."
+
+Zij stapten voorbij de kerk van Sint-Baafs; het meisje scheen door
+eenen geheimen invloed naar de zijdeur des tempels gedreven en had,
+zonder het te weten misschien, zich half omgekeerd.
+
+De vrouw weerhield haar en zeide:
+
+"Maar, Godelieve, wat doet gij nu? Rechtdoor moeten wij gaan; ginder
+is de Kruisstraat."
+
+"De schaamte, de schrik, moeder; mijne ziel wil bidden, sterkte
+vragen; want nu wij de plaats naderen, waar ik de smeekende hand tot
+... tot vrouw Damhout zal uitsteken, ontsnapt mij alle moed."
+
+"De avond valt, Godelieve; wij mogen niet wachten totdat het gansch
+donker is. Kom, mijn kind, het is een smartelijk oogenblik, inderdaad;
+maar het zal haast doorgestreden zijn. Wij zullen hier, bij het
+Heilig Graf, God voor zijne barmhartigheid komen danken of ... of
+tranen van wanhoop storten op diezelfde knielbank, waar wij zoo
+dikwijls hebben gebeden. Kom nu, het zal niet lang duren."
+
+Beiden vervorderden hunnen weg tot in de Kruisstraat, waar zij
+begonnen rond te kijken, om het huis te herkennen, dat men hun in de
+stege had aangeduid en beschreven. Dewijl het reeds half duister was,
+hadden zij eenige moeite om in hunne opzoeking te gelukken. Eensklaps
+zeide de vrouw:
+
+"Dáár is het, Godelieve. Die schoone ronde deur, dat balkon. Welk
+prachtig huis! Wat moeten de Damhouts gelukkig zijn! Zij verdienen het
+ook wel, niet waar? Ach, mochten zij onze bede verhooren! Er is reeds
+licht in de benedenkamer. Godelieve, schep moed, mijn kind. Werp u aan
+de voeten van vrouw Damhout, bezweer haar bij hare vorige goedheid
+voor u. Zij zal ons redden, wees er zeker van."
+
+"Ja, moeder, de strijd is ten einde; ik gevoel mij weder eenige
+sterkte," murmelde de bange maagd.
+
+Toen zij het huis gingen naderen, bemerkte Godelieve door de
+vensterruiten, dat een man, een heer, in de verlichte kamer stond.
+Alhoewel hij den rug naar de straat hield gekeerd, sloeg dit gezicht
+haar met eenen onzeglijken schrik; maar op hetzelfde oogenblik deed de
+heer eene beweging en wendde zich naar het venster, op zulke wijze,
+dat het meisje zijn gelaat kon herkennen.
+
+Een versmachte angstschreeuw ontsnapte haar; zij begon op hare beenen
+te wankelen en leunde tegen den muur om niet neder te storten.
+
+Daar zag zij, dat hare moeder de hand naar de bel uitstak om te
+klinken. Zij sprong vooruit, trok de verbaasde vrouw van de deur weg,
+leidde haar met eene soort van koortsig geweld naar den donkeren kant
+der straat en verborg weenend haar hoofd op den boezem der vrouw,
+terwijl zij uitriep:
+
+"Moeder, moeder, hij is daar!"
+
+"Wie?"
+
+"Bavo!"
+
+"Welnu, God zij er om gedankt; hij zal zijne moeder tot barmhartigheid
+voor ons aansporen. Kom, overwin uwe schaamte...."
+
+"Onmogelijk, moeder!" snikte het meisje "O! spaar mij dat lijden, die
+vernedering, die wanhoop! Eene aalmoes vragen in zijne
+tegenwoordigheid ... aan hem? Eilaas, mijn hart breekt, ik zou
+bezwijmen voor zijne voeten, misschien zou ik sterven...."
+
+"Wilt gij dan, dat ik alleen ga?"
+
+"Ik zal u zegenen, u dankbaar blijven mijn gansche leven, moeder lief!
+Mijne ziel is verschrikt; het denkbeeld alleen van de hand tot hem uit
+te steken, vervult mij met eenen doodelijken angst."
+
+"Maar zij beminnen u meer dan mij; en indien zij mijn gebed verwerpen,
+omdat gij niet met mij zijt?"
+
+"Dan," kreet de maagd met overmatige ontsteltenis, "dan zal ik alle
+schaamte, alle gevoel in mijn hart versmachten. Ik zal tot hem, tot
+hem gaan, mij nederstorten voor zijne voeten, zijne knieën omhelzen,
+kruipen door mijne tranen. Ho, hij zal ons meer geven, dan wij noodig
+hebben ... maar er zal iets dood zijn in mij! Het is gelijk, ik zal
+mij onderwerpen, mijn wezen verloochenen en allen levensmoed verzaken,
+om de schande af te koopen en onze eer te redden."
+
+"Welnu, ik ben harder tegen de schaamte dan gij; ik zal het
+beproeven."
+
+Godelieve voegde de handen te zamen en zeide smeekend:
+
+"O, moeder, heb medelijden met mij! Noem mijnen naam niet in zijne
+tegenwoordigheid; verberg hem, dat ik met u ben gekomen; spreek hem
+niet, in 't geheel niet, van mij. Ik ga knielen voor het Heilig Graf
+in Sint-Baafskerk. Hoe vurig zal ik bidden! God zal u beschermen! In
+zijne eindelooze genade zal Hij mij misschien de noodlottige
+opoffering mijner menschelijke waardigheid sparen, dat eenige goed,
+waarvan het behoud mij sterkte gaf en mij worstelen liet tegen de
+akelige bitterheid mijns levens! Ga, moeder; ik zal wachten, angstig
+wachten voor het Heilig Graf. Noem mij niet, noem mij niet!"
+
+En deze laatste woorden stamelende, verwijderde zij zich met haast in
+de richting der Sint-Baafskerk.
+
+De vrouw zag haar een oogenblik achterna, schudde het hoofd en
+mompelde in zich zelve terwijl zij de straat overstapte:
+
+"Ik heb het gevreesd. Arme Godelieve. Zij is dubbel ongelukkig. Ik
+begrijp, dat haar het hart wreedelijk bloedt ... anders zou zij mij
+toch niet alleen laten gaan, zij, die uit liefde, uit goedheid haar
+leven zou opofferen om de smart eener vernedering van mij af te
+keeren. Welaan, ik zal moed hebben voor ons beiden. Oneer, schande,
+redding, blijdschap, wat wacht mij daarbinnen, o hemel!"
+
+Zij trok aan de bel en zeide tot de meid, die kwam openen, dat zij
+verlangde M. Damhout te spreken.
+
+De meid, die waarschijnlijk in de halve duisternis hare slechte
+kleederen niet bemerkte, opende de deur der kamer aan de straat, en
+bracht haar in de tegenwoordigheid van eenen jongen heer, die voor
+eene tafel was gezeten en in een boek scheen te lezen.
+
+Hij hief het hoofd op en beschouwde met zekere onaangename verrassing
+deze slechtgekleede vrouw. Zonder op te staan, zeide hij:
+
+"Komt gij om werk op de fabriek, vrouw? Bied u morgen op het bureel
+aan; ik zal zien of er plaats is voor u. Nu kan ik u dit niet
+verzekeren."
+
+"Ik wenschte M. Damhout te spreken," stamelde de vrouw.
+
+"M. Damhout? Die ben ikzelf."
+
+"Neen, uwen vader of uwe moeder, mijnheer."
+
+"Zij zijn den avond gaan doorbrengen bij vrienden, aan het ander einde
+der stad; heden zult gij ze niet kunnen zien. Keer morgen in den
+voormiddag weder."
+
+"Eilaas," zuchtte de vrouw, "ik, die uit Frankrijk kom en morgen vroeg
+moet vertrekken!"
+
+"Uit Frankrijk? Gij komt uit Frankrijk?" mompelde Bavo, terwijl hij
+met eene klimmende ontsteltenis de vrouw in het aangezicht schouwde.
+
+"Gij herkent mij niet, mijnheer? Inderdaad, gij waart nog jong, en de
+lange tegenspoed veroudert den mensch vóór zijnen tijd."
+
+"Bazin Wildenslag? Gij zoudt de moeder zijn van ... de vrouw van Jan
+... Line Wildenslag? Onmogelijk!... Gij zijt dus ziek geweest?"
+
+"Ziek en ongelukkig, mijnheer."
+
+De jongeling had moeite om zich te bedwingen, hij was rechtgesprongen
+en had eene beweging gedaan als om haar de hand te grijpen; maar een
+nieuwe blik op hare ellendige kleeding, de herinnering aan het woest
+en onbetamelijk leven der Wildenslags misschien, weerhielden hem en
+hij liet zich weder op zijnen stoel zakken.
+
+"Gij zult tot morgen moeten wachten.... tenzij gij mij wildet
+toevertrouwen wat gij hun te zeggen hebt," sprak hij.
+
+"Ik kwam hen te voet vallen en hunne hulp afsmeeken, mijnheer. Wij
+verkeeren in een schrikkelijken nood; geene andere toevlucht blijft
+ons over dan de edelmoedigheid uwer ouders. Zeker, in onze ellende
+hebben wij het recht niet om de vorige vriendschap te herinneren, die
+zij ons onverdiend hebben gegund, maar zij zullen het aan diep
+ongelukkige menschen vergeven, dat zij nog in de liefdadigheid uwer
+goede moeder durven hopen."
+
+"Eene almoes!" mompelde Bavo als verschrikt.
+
+"Meer dan eene aalmoes, mijnheer; redding uit de schande, verlossing
+uit de eeuwige oneer!"
+
+"Ik begrijp u niet," zeide hij met mistrouwen. "Waar zijn dan uwe
+zonen, uwe dochter, uw man? Zij wonnen veel geld?"
+
+"Mijn man is dood, mijnheer; van mijne zonen is er één soldaat in
+Afrika, één woont te Rouaan, één andere te Mulhausen. Zij hebben
+kinderen en denken niet meer aan hunne arme moeder. Een eenige, de
+jongste, is met ons ... met mij te Rijssel. Het is voor hem, mijnheer,
+dat ik de hulp uwer ouders kom afsmeeken. Hij had werk bekomen in het
+magazijn eener fabriek. Gisteren deed men hem een pak naar den ijzeren
+weg dragen. De ongelukkige trad onderweg in eene herberg, vergat zich
+daar met eenige kameraden en verloor het hem toevertrouwde pak.
+
+De meester der fabriek beweert, dat mijn zoon het pak heeft gestolen
+en verkocht. Hij wil hem door de gendarmes uit het huis doen halen en
+hem als dief doen veroordeelen tot vijf jaar galei, zegt hij. O,
+mijnheer, wij hebben misschien onze ellende verdiend door een
+zorgeloos en verkwistend leven. Het ongeluk zegt het mij nu; maar toch
+leven wij eerlijk, en mijn arme zoon is aan niets anders plichtig dan
+aan eene laakbare nalatigheid. Hij is in den grond een goede jongen;
+hij heeft een gevoelig hart; hij eerbiedigt zijne moeder. Dat de
+armoede ons lot blijve, ik zal het verduldig verdragen als eene
+rechtvaardige straf; maar de oneer eener veroordeeling! Mijn zoon op
+de galei! Ik ben moeder en zou dien slag niet overleven, en mijne....
+O, mijnheer, gij kunt ons redden, met zoo weinig, weinig ten minste
+voor u, die rijk zijt! De meester van de fabriek wil alles vergeven en
+vergeten en onze verontschuldiging aanvaarden, indien wij hem vóór
+morgenmiddag den prijs van het pak teruggeven. Honderd franken. Voor u
+is het schier niets, voor ons is het meer dan het leven. Laten mijne
+tranen u verbidden, heb deernis met menschen, die, ondanks
+verwijdering en tegenspoed, geenen enkelen dag opgehouden hebben met
+dankbaarheid aan u en aan uwe ouders te denken!"
+
+Zij viel geknield te midden der kamer neder en stak de handen bevend
+tot den jongeling op.
+
+Deze kon zijne ontroering niet meer meester blijven, wat geweld hij
+ook deed; hij ging tot haar, hief haar van den grond en sprak:
+
+"Bedaar, vrouw; ik begrijp uwen angst en uw ongeluk. Honderd franken
+kunnen u redden, zegt gij? Troost u, ik zal ze u geven. Zet u neder op
+den stoel. Ik heb u iets te vragen. Gij spraakt van uwe zonen ...
+maar uwe dochters?"
+
+"Mijne dochters?" stamelde bazin Wildenslag in verlegenheid.
+
+"Ja, uwe dochters, wat is er van hen geworden?"
+
+"Mijnheer, zij ... zij wonen diep in Frankrijk, zij zijn getrouwd...."
+
+"Getrouwd!" gromde Bavo met eene grijns op de lippen en eenen diepen
+angst in de oogen.
+
+Hij beschouwde eene wijl met zichtbare gramschap de verschrikte vrouw,
+die het hoofd op de borst hield gebogen en sprakeloos bleef.
+
+"Ja, ik zal u helpen, vrees niet," kreet hij met onderdrukte kracht,
+"maar hadde mijn medelijden met uwe moedersmart mij niet overwonnen,
+ik ware gevoelloos voor uwe smeekingen gebleven. Veel meer, ik hadde
+mij op u gewroken en u onmeedoogend ter deur gewezen; want gij, vrouw,
+gij hebt, zonder het te weten, mijn leven vergiftigd en mij in het
+geluk ongelukkig gemaakt."
+
+"Ik, mijnheer? O, hemel, gij bedriegt u voorzeker!"
+
+"Neen, ik bedrieg mij niet. Mijne moeder had in het hart uwer
+Godelieve de kiemen van deugd en plichtbesef nedergelegd; ik, onnoozel
+kind nog, ik had haren geest de eerste begrippen der geleerdheid
+medegedeeld, de geleerdheid, welke haar moest behoeden voor zedelijke
+verlaging en bederf des harten. Gij, hare moeder, wat hebt gij met uw
+goed en zuiver Lieveken gedaan? Gij hebt haar naar eene fabriek
+gezonden, om geld uit haar te trekken; gij hebt die teedere bloem
+prijs gegeven aan de woeste aanraking van grove menschen...."
+
+"Mijnheer, mijnheer, het is niet waar!" kreet bazin Wildenslag
+sidderende.
+
+Maar Bavo, als buiten zich zelven van ontsteltenis, onderbrak haar en
+hernam:
+
+"Laat mij spreken tot het einde; het is de laatste maal dat haar naam
+mijnen mond ontvalt. Ik herhaal het met verontwaardiging: wat hebt gij
+gedaan met het arme Lieveken? Ha, onnoodig mij te antwoorden, vermits
+men na twee jaar haar in eene stege te Douai verrast met den klomp in
+de hand, vechtende, scheldende en woorden sprekende, die zelfs eenen
+ruwen fabriekwerker van walg deden terugdeinzen. Ziedaar wat gij
+gemaakt hebt van uwe Godelieve. Nu is zij zelfzuchtig, ongevoelig, en
+er blijft in haar niets meer over van de fijnheid des gemoeds? Nu haat
+zij waarschijnlijk de moeder, die de zuivere ziel van haar kind
+verkocht voor wat geld?"
+
+"O, neen, neen, mijnheer, heb medelijden met mij! Godelieve is het
+eenige mijner kinderen, dat mij nog oprecht bemint, mijn eenige steun
+in het ongeluk!"
+
+"Het zij zoo, vrouw; misschien is er nog een goed gevoel in haar
+overgebleven, misschien heeft zij u het kwaad vergeven, dat gij haar
+hebt gedaan; maar ik toch vergeef het u niet, ik kan het u niet
+vergeven.... Ziehier de honderd franken, welke gij vraagt. Ga nu, en
+moge God u niet langer straffen voor uwe noodlottige dwaling ten
+opzichte van uw kind."
+
+Onder het uitspreken dezer woorden had hij de hand in eene lade van
+den schrijflessenaar gebracht, en legde nu vijf goudstukken voor de
+vrouw op de tafel. Deze beschouwde het geld met starende oogen en
+bevende lippen, deinsde terug en riep:
+
+"O, God, kon ik die hulp weigeren!... Maar neen, de eer mijns zoons,
+de eer mijner arme Godelieve! Ik moet bedaren, bukken als eene slavin
+onder zulke schreeuwende onrechtvaardigheid; mijn engelachtig kind
+hooren beschuldigen van laagheid, van bederf des harten! Ik bezwijk er
+onder; mijn moed breekt...."
+
+Zij liet zich op een stoel vallen en begon bitter te weenen.
+
+"Eene schreeuwende onrechtvaardigheid?" vroeg Bavo over hare
+uitroeping verwonderd. "Zijn mijne verwijten, hoe wreed ook, niet
+gegrond?"
+
+"Valsch, geheel valsch, mijnheer," kreet bazin Wildenslag onder hare
+tranen. "Wie was er laf genoeg, om u te komen zeggen, dat hij
+Godelieve heeft zien vechten en haar onbetamelijk heeft hooren
+schelden?"
+
+"Het is Steven Geerts, die haar in eene stege te Douai met den klomp
+in de hand heeft zien slaan."
+
+"Ach, ik herinner mij de droeve zaak; het was Godelieve niet, het was
+hare zuster Theresia, die inderdaad, voor het aangezicht ten minste,
+op haar gelijkt. Godelieve, mijnheer? Er is nooit een hard woord van
+hare lippen gevallen; zij is schoolmeesteresse geweest; zij heeft
+verstand, zij is goed als een engel, en haar hart is nog even zuiver
+als toen gij haar leerdet lezen."
+
+"Hemel, wat zegt gij daar altemaal?" stamelde Bavo, door den twijfel
+aangegrepen. "En zij is getrouwd?"
+
+"En zij heeft nooit toegelaten, mijnheer, dat een man haar zonder
+eerbied bezage, en zij is niet getrouwd."
+
+"Maar verklaar u, gij doet mij vergaan van ongeduld. Zeg mij, ik smeek
+u, welk was dan het lot van het arme Lieveken gedurende die acht lange
+jaren?"
+
+"Welaan, ik zal mijn verdriet bedwingen," zeide bazin Wildenslag, het
+hoofd oprichtende. "Om mijn edel kind, mijne goede Godelieve, te
+verdedigen, zal ik moed en sterkte vinden. Luister, mijnheer, gij zult
+vernemen wat ons en haar lot was sedert gij ons buiten de stadspoort
+een treurig vaarwel zeidet. Wij gingen naar Wazemmes, bij Rijssel, en
+vonden er veel en goed werk. Dewijl ik in mijne pogingen om Godelieve
+op eenen winkel van kleedermaaksters aanvaard te zien, niet kon
+gelukken, deed haar vader haar naar de fabriek gaan. Het arme kind kon
+het daar niet gewend worden en viel ziek van verdriet. Het duurde lang
+eer zij weder eenige krachten terugvond; dan, om toch iets te winnen,
+begon zij in ons huis eene kleine school te houden, om den kinderen
+onzer Vlaamsche geburen te leeren lezen."
+
+"En onze brieven, waarom liet gij die zonder antwoord?"
+
+"Uwe brieven? Wij hebben er slechts eenen ontvangen, en Godelieve
+heeft er op geantwoord."
+
+"Wij schreven er nog drie andere."
+
+"Daarvan weet ik niets, mijnheer."
+
+"Uw man ontving ze op de fabriek. Heeft hij ze misschien
+achtergehouden of vernietigd?"
+
+"Het is wel mogelijk, mijnheer; hij meende, dat het voor Godelieve
+beter was geene betrekking meer te hebben met menschen, die te verre
+boven onzen stand waren; want wij wisten door eenen kameraad van
+Gent, dat gij klerk geworden waart bij M. Raemdonck, en Godelieve
+zeide altijd, dat gij onfeilbaar rijk zoudt worden."
+
+"En waarom schreef Godelieve dan niet eens om tijding van ons te
+hebben?"
+
+De vrouw wachtte een oogenblik en zuchtte dan:
+
+"Wij arme, gemeene fabriekwerkers? En toch, ik heb dikwijls Godelieve
+aangeraden u te schrijven; maar het verschrikte haar; er was te veel
+verschil tusschen uwe ouders en ons; zij dorst niet schrijven."
+
+"Ga voort, vrouw, ik zal u niet meer onderbreken," zeide de jongeling.
+
+"Ach, onze geschiedenis is kort, mijnheer," hernam bazin Wildenslag.
+"Mijn man en mijne zonen leidden een zorgeloos leven. Zij bleven
+dikwijls halve weken zonder te willen werken, zoodat zij zich den
+toegang tot vele fabrieken zagen weigeren. Wij vertrokken altezamen
+naar Rouaan. Daar hield Godelieve weder school in ons huis, en leerde
+er de kinderen der Fransche werklieden; want door altijd Fransch te
+hooren spreken, had zij in die taal spoedige vorderingen gemaakt. Zij
+had veel te lijden van hare woeste broeders en afgunstige zusters,
+omdat zij altijd zindelijk was gekleed en door iedereen, als een
+voorbeeld van zedigheid en beleefdheid, werd geprezen en geacht. Eene
+dame der stad bezorgde haar eindelijk eene goede plaats als
+leermeesteresse in eene groote kostschool van jonge juffrouwen. Daar
+bleef zij twee volle jaren, niets van hare jaarwedde behoudende dan
+wat haar noodig was om zich de kleederen aan te koopen, welke zij
+natuurlijk in hare kostschool hoefde te dragen, ten einde niet te veel
+tegen de andere meesteressen af te steken. Al het overige bracht zij
+naar huis om ons te helpen; want haar vader was ziek geworden, en van
+mijne andere kinderen waren de meeste getrouwd of ongetrouwd in het
+rond alleen gaan wonen; en de twee jongens, welke met ons bleven,
+gaven minder van hun dagloon af dan hun kost en hun onderhoud
+bedroegen. De kwaal van mijnen man verergerde langzaam; het was eene
+kwijnziekte, die hem allengskens scheen uit te putten en ons deed
+vreezen, dat hij niet meer zou genezen. Dan gebeurde er iets, dat ons
+in de bitterste ellende moest storten. Een mijner zonen, die sedert
+als soldaat naar Afrika is vertrokken, een woestaard, een gevoellooze
+verkwister, was reeds meer dan eens, tot schande der arme Godelieve,
+aan hare kostschool gaan bellen om haar geld te vragen. Dit mishaagde
+de meesteresse van het gesticht zeer; maar uit genegenheid voor
+Godelieve had men geduld gehad, zoolang totdat eens mijn baldadige
+zoon, door den drank verblind, binnen de kostschool drong en daar,
+door scheldwoorden en gewelddaden, zijne zuster eene groote somme
+gelds wilde afdwingen. Hij joeg den lieden zulken schrik aan en
+ontstichtte de leerlingen op zulke onbehoorlijke wijze, dat Godelieve
+hare plaats verloor en, schier half dood van schaamte en wanhoop, naar
+huis kwam. Haar broeder, die wel gevoelde, dat hij ons allen
+ongelukkig had gemaakt, vertrok des anderen daags om dienst te nemen
+in het vreemdenlegioen voor Afrika. Godelieve, wier moed en opoffering
+onuitputtelijk zijn, begon onmiddellijk rond te zien om weder eenige
+leerkinderen te zamen te krijgen, en wat naaiwerk te vinden; maar het
+gelukte haar niet spoedig genoeg. De armoede stond voor onze deur, en
+wij schrikten van de droeve toekomst, die ons bedreigde. Misschien
+had mijn arme man een geheim voorgevoel, dat hij niet lang meer zou
+leven. In hem ontstond eensklaps eene onverwinnelijke begeerte om
+terug naar Vlaanderen te gaan. Wij wilden hem dit besluit uit het
+hoofd stellen; Godelieve bovenal, waarom, ik weet het niet, beefde bij
+het gepeins alleen, dat wij de stad Gent nog zouden wederzien. Er was
+niets aan te doen; want hij smeekte ons met overvloedige tranen, hem
+toch niet op vreemden grond te laten sterven. De lucht van Vlaanderen
+zou hem genezen, hij was er van overtuigd. Wij verkochten onze
+meubelen en ons huisraad, om op den ijzeren weg of met de diligence te
+reizen, en vertrokken op eenen zekeren morgen naar het geboorteland.
+Van al mijne kinderen wilde niemand ons volgen dan Godelieve alleen.
+Mijn man had te veel van zijne krachten verhoopt. Alhoewel hij
+onderweg dreigde te bezwijken, wilde hij toch de reis niet staken;
+maar toen wij het voorgeborcht der stad Rijssel bereikten, kon hij
+niet verder en viel buiten kennis in de herberg, voor welke wij ons
+hadden doen afzetten. Hij bekwam echter een beetje, nadat hij eenige
+uren had gerust. Wij bleven twee dagen in de herberg; maar onze
+weinige geldmiddelen waren schier ten einde. Wij vonden niet verre van
+daar een klein werkmanshuisje, dat ledig stond, huurde het en brachten
+er onzen armen zieke naartoe. Een slecht bed, een paar stoelen, eene
+oude kachel en twee of drie stukken keukengerief, ontnamen ons, tot
+den laatsten frank, al wat wij bezaten.... Luister nu, ik bid u,
+mijnheer, en moget gij den moed en de zielegoedheid van mijn kind
+bewonderen, zooals zij het verdient! Dan kwam eene wreede ellende ons
+bezoeken; ik werd van schrik en wanhoop bijna zinneloos. Geen voedsel,
+geen hulp voor mijnen stervenden man, geen uitzicht dan de honger voor
+ons en een akelige dood voor hem. Hoe zal ik het engelachtig gedrag
+van Godelieve beschrijven? Zij bracht geld in huis, zij deed den
+dokter komen en betaalde de medicijnen. Waar zij de middelen haalde,
+dorst ik haar niet vragen; maar ik bemerkte wel, dat eerst hare
+oorringen, dan haar gouden kruis, en dan allengs hare schoone
+kleederen verdwenen, zoolang tot haar niets meer overbleef dan
+voorwerpen zonder waarde. Eindelijk moesten ook mijne zondagskleederen
+worden opgeofferd. Ik sprak van mijnen man in het hospitaal te zien te
+krijgen; maar hij smeekte weenend om genade, en Godelieve wilde er
+niet van hooren. Dan hebben wij naar Rouaan geschreven, om hulp van
+onze kinderen te hebben. Mijn jongste zoon alleen heeft geantwoord,
+dat hij zou komen om voor ons te werken; doch hij had zich in zijne
+fabriek sterk aan den arm gewond en liet ons wachten totdat het te
+laat was. Dit heeft zoo bijna eene gansche maand geduurd, mijnheer,
+eene gansche maand, dat Godelieve elken nacht op eenen stoel bij het
+bed haars vaders bleef gezeten, hem troostende, hem sprekende van
+genezing, van Gods barmhartigheid en van een beter leven in den hemel.
+Geene klacht in haren mond; zij lachte, zij was vroolijk, de goede, om
+moed te geven. O, mijnheer, de woorden ontbreken mij om u te zeggen,
+wat Godelieve in die schrikkelijke dagen voor ons gedaan heeft.
+Oordeel er over: gedurende de laatste week zijns levens heeft mijn
+arme man, door de teedere zorgen, door de liefderijke vertroostingen
+van zijn kind verleid, haar aangezien voor eenen engel, en niet
+anders meer tot haar gesproken dan tot een wezen, door God gezonden om
+zijnen doodsstrijd zacht te maken, en hem den hemel te wijzen. En,
+mijnheer, het was niet omdat haars vaders geest door de ziekte was
+verzwakt, o neen, ik, hare moeder, ik verkeerde in dezelfde dwaling.
+Er kwam een oogenblik dat hare onbegrijpelijke opoffering mij
+nederwierp voor hare voeten en dat ik, van dankbaarheid en bewondering
+zinneloos, voor mijn kind knielde als voor het zuiverste beeld van
+Gods goedheid zelve. Ach, haddet gij mijnen armen man zien sterven,
+met eenen zaligen lach zijne dochter aanschouwende, en nog, tot
+vaarwel, de hand van zijnen troostengel kussende."
+
+Zij smolt in tranen weg en liet het hoofd op de borst vallen.
+
+De jongeling had dit verhaal met eene klimmende ontroering aangehoord;
+de uitdrukking zijns gelaats was een zonderling mengsel van medelijden
+en geheime fierheid, van smart en van blijdschap. Op het einde echter
+had de deernis met het bitter lot der Wildenslags hem overwonnen;
+sedert eene wijl leekten er stille tranen op zijne wangen.
+
+Hij stond op, ging tot de vrouw, greep haar de hand en zeide:
+
+"Arme bazin Wildenslag, wat hebt gij geleden! Ik beschuldigde u zoo
+wreedelijk. O, vergeef het mij! Wees gedankt; want ik begrijp aan uwe
+woorden, aan uwe moederlijke ontroering, dat gij hebt medegeholpen om
+uwe Godelieve de loopbaan te laten betreden, die hare deugd en hare
+geleerdheid haar voorschreven. Kom, troost u; ik zal mijne ouders
+over u spreken; wij zullen u helpen; de ellende ten minste zal u niet
+meer bezoeken."
+
+"Wees gezegend, mijnheer," murmelde de vrouw nog snikkend, "uwe
+eindelooze goedheid ontrukt mij nieuwe tranen. Ha, gij hebt het hart
+uwer moeder ... een hart, mild en edel als het hart mijner Godelieve!"
+
+Bavo deed eenen stap naar zijnen schrijflessenaar en nam er eenig geld
+uit.
+
+"Met de honderd franken, die dáár liggen," zeide hij, "kunt gij den
+prijs van het verloren pak betalen. Deze droeve zaak mag u dus niet
+meer bekommeren. Hier hebt gij nog honderd franken meer, om in uwe
+eerste behoefte te voorzien, ik zal met mijne moeder de middelen
+overwegen om u een min bitter lot te verzekeren. Indien wij uwe
+Godelieve eene plaats van leermeesteresse te Gent konden bezorgen?
+Voor uwen zoon heb ik voordeelig werk. Vermits hij een gevoelig gemoed
+heeft, zal ik hem in den goeden weg terugbrengen.--Daar, neem het
+geld, vrouw; gij hebt mij heden verlost van eene lange treurnis, van
+eene diepe smart, die mij sedert jaren aan het harte knaagt. Ja,
+vrouw, het is zoo. De gedachte, dat het goede, zoete Lieveken, de
+vriendin mijner kindsheid, de gedienstige engel, die bij het ziekbed
+mijns vaders heeft gewaakt, in de wereld was verloren geloopen, deze
+gedachte was mij pijnlijk, en mijn medelijden werd allengs eene
+onverwinlijke smart. Nu ben ik daarover gerust, nu ben ik gelukkig te
+weten, dat zij ten minste hare zedelijke natuur, hare schoone inborst
+en de edelheid harer beminnende ziel ongeschonden heeft behouden."
+
+Bazin Wildenslag had het geld van de tafel genomen. Zij vouwde de
+handen te zamen voor den jongeling en zuchtte met de oogen vol tranen:
+
+"O, mijnheer, uwe barmhartigheid, uwe goedheid maakt mij stom; ik weet
+niet, hoe u mijne erkentenis uit te drukken. Morgen vroeg, vóór ons
+vertrek, zullen wij hier terugkomen. Godelieve zal op de knieën u
+zegenen voor uwe milde weldaad...."
+
+"Godelieve? Morgen?" kreet de jongeling verbaasd. "Waar is dan
+Godelieve?"
+
+"Ik durf u niet langer bedriegen, mijnheer; zij is in de
+Sint-Baafskerk en bidt er voor het Heilige Graf...."
+
+"En waarom kwam zij niet met u?"
+
+"Het arme meisje is vervaard, mijnheer."
+
+"Vervaard? Van mij?"
+
+"Beschaamd, mijnheer; om onze reis naar Gent te kunnen betalen, hebben
+wij de eenige kleederen, die nog waarde konden hebben, moeten
+verkoopen. Godelieve schrikte van zich voor u te vertoonen...."
+
+"En nochtans, ik zou haar willen zien!" riep Bavo met ontsteltenis.
+"Na acht jaar afwezigheid! Wat doen de kleederen? Zij getuigen immers
+van hare opoffering, van hare liefde voor hare ouders? Ach, mocht ik
+eene belooning eischen, het ware, dat het mij toegelaten wierd haar te
+troosten en haar moed te geven!"
+
+"Ik zal ze halen, mijnheer. Mij ook beschaamde de poging, welke ik bij
+u moest beproeven; maar de weldaad van edelmoedige menschen als gij
+zijt, vernedert niet, integendeel! Ik zal het Godelieve doen
+begrijpen, mijnheer. Zij zal komen om u te danken."
+
+Bazin Wildenslag ging ter deur uit.
+
+Als bezwijkend onder eene geweldige ontsteltenis, liet Bavo zich op
+een stoel zakken en legde het hoofd in de handen. De afwisseling
+zijner uitdrukking getuigde dat hij worstelde tegen gepeinzen, die
+tegen zijnen wil hem bestormden. Evenwel na eenige oogenblikken scheen
+hij over deze geheime opwellingen van een vorig gevoel te hebben
+gezegepraald; want hij hief het hoofd op en zeide met eenen lichten
+spotlach tot zich zelven:
+
+"Het zijn droomen, die vergaan voor de wezenlijkheid. Geene
+onmogelijke gepeinzen! Ja, het is ons plicht, te erkennen en te
+beloonen wat het goede Lieveken eertijds voor mijnen zieken vader
+heeft gedaan. Lieten wij haar ongelukkig zijn, het ware eene wreede
+ondankbaarheid, misschien eene zedelijke misdaad. Onze plicht is zeer
+eenvoudig te vervullen. Wij zullen hen bijstaan en beschermen, totdat
+Godelieve eene voordeelige plaats in een onderwijsgesticht heeft
+gevonden; totdat zij weder de middelen hebben bekomen om stil en
+tevreden te leven. Wij zullen over hen waken, om voortaan het ongeluk
+van hen af te keeren. Anders kunnen wij toch niets...."
+
+Weder boog hij het hoofd en staarde ten gronde; na eene wijl
+beweegloos te zijn gebleven, murmelde hij met eenen diepen zucht:
+
+"Het is zonderling! De mensch schijnt een dubbel wezen in zich te
+besluiten ... maar neen, zijn wil en zijn hart stemmen niet altijd
+overeen. En nochtans, ik moet die gepeinzen verjagen. Vermits er
+tusschen haar en mij eene maatschappelijke onmogelijkheid is ontstaan,
+moet ik mijne kindsheid vergeten. Haar ongeluk legt mij den eerbied
+op; kwetsen wij hare gevoelige ziel niet. Ha, men belt! Daar is zij!
+Hoe klopt mijn hart! Ik moet mij bedwingen.... Arm Lieveken! was het
+zóó, dat ik haar moest wederzien?"
+
+Vrouw Wildenslag trad in de kamer, gevolgd door hare dochter.
+
+Het benauwde meisje hield het hoofd gebogen als eene veroordeelde, en
+dorst den blik niet opheffen; zij beefde zichtbaar, en slechts toen
+hare moeder haar bij den arm greep, kwam zij vooruit tot in het midden
+der kamer.
+
+Een versmachte kreet was Bavos boezem ontsnapt, en hij had eenen stap
+gedaan om tot het meisje te naderen en haar de hand te grijpen; maar
+hij wederhield zich zelven en zeide:
+
+"Godelieve, vergeef het mij: ik wenschte zoo vurig u te zien. Wees
+niet beschaamd; ik weet, dat gij hebt geleden en wat gij voor uwe
+ouders hebt gedaan. Die slechte kleederen verheffen u in mijne oogen,
+en de eenige indruk, dien zij op mij uitoefenen, is mij een gevoel van
+eindeloozen eerbied in te boezemen voor het edel hart, dat zij
+bedekken."
+
+Het meisje hief het hoofd op en sprak zeer bedaard, doch met eenen
+plechtigen nadruk:
+
+"Mijnheer, ik dank u uit den grond mijner ontroerde ziel, meer nog
+voor uwe goede woorden, dan voor uwe milde weldaad. Niet alleen
+verlost gij ons van de akelige vrees; maar gij redt ons uit de
+ellende. Wees gezegend; in al mijne gebeden zal ik uwen naam en den
+naam uwer ouders mengen, opdat God u gelukkig late zijn in de maat
+uwer grootmoedigheid."
+
+Bavo scheen verstomd; er lichtte een vreemde glans in zijnen blik;
+hij rustte met de bevende hand op de tafel, als hadde hij eenen steun
+noodig gehad. Die groote blauwe oogen, zoo kwijnend en zoo vol
+dankbaarheid op hem gevestigd; dat fijn gelaat, dat zuiver voorhoofd,
+waarop nu de rozeverf der kuischheid en der schaamte wolkte! O! zij
+was schooner nog dan het engelachtig Lieveken zijner droomen. Wat
+geweldigen strijd voerde hij tegen zijn hart! Maar hij moest zijne
+dwalende zinnen bedwingen: de eerbied voor de ongelukkige Godelieve
+gebood het hem.
+
+Een holle zucht welde op uit zijnen beklemden boezem; hij liet zich op
+eenen stoel zakken en zeide met schijnbare kalmte:
+
+"U weder te zien na acht jaar afwezigheid, Godelieve, is mij eene
+groote blijdschap. Het ontstelt mij. Natuurlijk, niet waar? Die
+herinneringen der kindsheid, hoe blijven zij, immer met nieuwe kracht
+opgewekt, in het menschelijk harte leven!... Ach, ik laat u daar
+staan, te midden der kamer. Verontschuldig mij; zet u neder."
+
+Godelieve hief de handen smeekend op.
+
+"Mijnheer," stamelde zij, "heb medelijden met een ongelukkig meisje!
+Uwe goedheid is zoo eindeloos. Ik ben ontsteld, ik gevoel mij ziek,
+mijne krachten begeven mij. Vergun mij als eene genade, voor heden dit
+huis te verlaten. Morgen vroeg zal ik bedaard zijn, ik zal, beter dan
+nu, madam uwe moeder mijne grenzenlooze dankbaarheid kunnen
+uitdrukken...."
+
+"Gij wilt vertrekken, Godelieve?" kreet de jongeling met verdriet. "O,
+neen, ik bid u, nog een oogenblik!"
+
+Door hare moeder aangedreven om aan dien wensch te voldoen, zette het
+meisje zich neder en boog weder het hoofd. Men zou gezegd hebben, dat
+de oogslag van Bavo haar schrik inboezemde; en inderdaad, zij had bij
+elken zijner blikken gesidderd.
+
+"Zeg mij, Godelieve, hebt gij in uw smartelijk leven nog dikwijls aan
+onze gelukkige kindsheid gedacht?" vroeg Bavo.
+
+"Mijn eenige troost op de wereld," zuchtte het meisje, "was de
+dankbare herinnering uwer goedheid voor het arme zieke kind."
+
+"En voor mij, Godelieve, was het de eenige, maar bittere smart mijns
+levens, te moeten denken, dat de zoete gezellinne mijner kinderjaren,
+ongelukkig en verloren, in de wereld dwaalde."
+
+Er heerschte eene korte stilte.
+
+"Godelieve," vroeg de jongeling eensklaps, als gedreven door eene
+geweldige ontroering, "Godelieve, ik gaf u een aandenken, eene
+gedachtenis. Hebt gij ze bewaard?"
+
+Hij bekwam geen antwoord.
+
+"Het beeld van Bavo en Lieveken met hun boek in de hand," zeide hij,
+"onnoozel en gebrekkig werk, dat aan den kleinen Bavo schier eene
+maand arbeid kostte. Gij hebt mij beloofd, dat gij het zoudt bewaren."
+
+"Maar, Godelieve toch, hoe kunt gij M. Damhout dus zonder antwoord
+laten?" kreet moeder Wildenslag. "Ja, ja, mijnheer, zij heeft het
+bewaard.--Wederhoud mij niet, Godelieve.--Zoo goed bewaard, mijnheer,
+dat het sedert jaren onder het kleine crucifix hangt, waarvoor
+Godelieve gewoon is te bidden."
+
+"Ach, dank, dank om uwe trouwe herinnering!" riep Bavo.
+
+"Waarom verwondert u dit, mijnheer?" zeide het meisje met eene vonk
+van waardigheid in de oogen. "Indien ik mijn gansche leven wilde
+bidden voor het geluk van hem, die mij leerde lezen, kon ik iets beter
+doen dan zijn beeld te hangen op de plaats, waar ik elken avond
+nederknielde om mijne ziel tot God te verheffen?"
+
+Bavo liep tot haar, greep haar de beide handen en zeide diep ontroerd:
+
+"Altijd dezelfde engel! Kom, Godelieve, troost u en schep moed; gij
+zult niet ongelukkig meer zijn. Wij zullen u beschermen. Wij zullen
+eene goede, zeer goede plaats van leermeesteresse te Gent zoeken;
+mijne moeder zal u weder liefhebben en u helpen. Ik zal uw vriend
+zijn, evenals toen wij nog onnoozele kinderen waren.... Het is te
+zeggen ... ik weet niet, de ontsteltenis maakt mij duizelig, mijne
+zinnen zijn verward...."
+
+Het verschrikte meisje ontwrong hem hare handen met zulk koortsig
+geweld, dat hij zich in zijn hart over deze beweging gekwetst gevoelde
+en met spijtige verbaasdheid eenen stap terugdeinsde.
+
+Godelieve hief langzaam het hoofd op; alhoewel er tranen in hare oogen
+glinsterden, was er zooveel maagdelijke fierheid in haren blik,
+zooveel edelheid in de uitdrukking van haar schoon gelaat, dat Bavo
+haar met ontzag aanschouwde.
+
+
+[Illustratie: Aan mij de vriendin mijner kindsheid!]
+
+
+"Ik smeek u, mijnheer, heb toch medelijden met mij!" zeide zij.
+"Vergeten wat gij voor mij als kind hebt gedaan, vergeten wie ons nu
+uit den afgrond der smart zoo grootmoedig opheft,--de dood zelf kan
+mij daartoe niet bekwaam maken; want in Gods schoot zelven zal
+mijne ziel zich nog uwer goedheid herinneren. Maar zoek geene plaats
+voor mij te Gent. Na den dag van morgen zal ik den grond mijner
+geboortestad niet meer betreden. Ik ken de edelheid uws harten; gij
+begrijpt mij, ik ben er zeker van."
+
+"Maar neen, ik begrijp u niet!" morde Bavo.
+
+"Gij begrijpt den onverbiddelijken plicht niet, mijnheer, die mij
+dwingt in Frankrijk een bestaan te zoeken?" hervatte Godelieve. "Ach,
+bestonden er tusschen u en mij geene diepe, geene onverdelgbare
+herinneringen, ik zou uit erkentenis de dienstmeid uwer moeder, en,
+ware het mogelijk, uwe slavin willen worden. Nu mag geen andere band
+tusschen ons bestaan dan de weldaad van den eenen kant en de eeuwige
+dankbaarheid van den anderen. Ik heb veel geleden, zonder dat mijn
+moed er onder is gebroken. Moest ik een oogenblik uwe achting derven,
+mijnheer, ik stierve eenen pijnlijken dood. Ja, ja, Bavo, de ziel der
+arme Godelieve heeft honger naar uwen eerbied, en zij zal dien
+behouden met hare dankbaarheid tot aan het graf. Vaarwel, mijnheer,
+tot morgen!"
+
+En opstaande greep zij den arm harer moeder en trok haar naar de deur.
+
+De jongeling stak de handen uit, als om haar te wederhouden; maar de
+plechtige woorden der maagd hadden hem zoo geweldig tot het gevoel der
+wezenlijkheid en tot het besef des plichts teruggeroepen, dat hij als
+aan den vloer bleef genageld, totdat hij de voordeur hoorde sluiten.
+
+Dan hief hij, stom en met verbaasden blik, de armen in de hoogte,
+allerlei onduidelijke woorden in zich zelven murmelende. Zijne zinnen
+waren ontsteld en zijne gedachten verward.
+
+Eindelijk, na een oogenblik rust, zeide hij in zich zelven:
+
+"Wat is zij schoon, wat is zij schoon! Onder die slechte kleederen
+scheen zij mij fier en indrukwekkend als eene koningin. Hoe heeft zij
+de zuiverheid, de fijnheid des harten kunnen behouden in zulke wereld,
+tusschen grove, onwetende menschen, dwars door nood, honger en
+ellende? Ha! het onderwijs! Ik ben het, die deze ziel het licht en de
+sterkte heb gegeven om aan de verleiding, aan de zedelijke verlaging
+te wederstaan; mijne moeder is het, die haar de liefde tot deugd en
+plichtsbetrachting heeft ingeboezemd. Roos onder de doornen, lelie
+bloeiend op een mesthoop! En de lelie is zuiver gebleven, en de roos
+heeft hare geuren uitgewasemd als eenen balsem over het lijden
+dergenen, die haar omringden! Edel moet zij zijn boven de edelsten, om
+onder zulke beproeving niet te zijn bezweken. Dank, dank, o, mijn God,
+dat Gij de kiemen, door een ander kind in haren geest en in haar hart
+gestort, niet onvruchtbaar liet zijn!"
+
+Hij wreef zich het voorhoofd en stapte in de kamer rond, als wilde hij
+zijne stormende gepeinzen ontvluchten. Eensklaps staan blijvende, riep
+hij uit:
+
+"Onmogelijk, onmogelijk! De wereld, mijne ouders ... hare broeders,
+hare zusters ... het eenige geluk, dat mij op aarde moet geweigerd
+blijven!... Maar heeft zij daar schuld aan? Zij zal verre van hare
+geboortestad gaan dwalen, verdriet hebben, gaan kwijnen misschien? Ja,
+ja, ik bedrieg mij niet: hare schuchterheid, hare schaamte, hare
+verschrikte kuischheid, hare laatste woorden.... Zij ook heeft
+getreurd, zij ook heeft eenen wreeden knagenden worm in het hart
+gedragen!"
+
+Hij stortte neder op eenen stoel, sloeg zich de handen voor de oogen
+en morde met wanhoop:
+
+"Eilaas, eilaas, het kan niet zijn! Zij heeft gelijk; ik mag haar niet
+meer zien na den dag van morgen. Ik insgelijks wil het aandenken
+mijner kindsheid eerbiedigen en het zuiver bewaren tot aan het graf.
+Zij heeft het gezegd; er is voortaan geen andere band tusschen ons
+mogelijk dan de herinnering aan het verledene, de weldaad en de
+dankbaarheid!"
+
+Na een oogenblik stilte sprong hij weder recht.
+
+"Ik zou haar verliezen voor altijd?" kreet hij. "Die edele ziel, dat
+beminnend harte zou gaan verkwijnen in vreemde streken?... Er is een
+andere band, een heilige band, een eeuwige band; er is een
+geneesmiddel voor haar verdriet en voor mijne treurnis.... Ho, ik kan
+het niet meer uitstaan; ik moet mijne moeder, mijnen vader, mijnen
+meester spreken! Veroordeele mij de gansche wereld, het geluk mijns
+levens staat op dien prijs! Aan mij, aan mij de vriendin mijner
+kindsheid! aan mij het zuivere, zoete Lieveken!"
+
+En onder het uitspreken dezer woorden liep hij als een dwaze ter deur
+uit.
+
+
+
+
+SLOT
+
+
+Een paar jaren geleden ontstond in mij de gedachte om een verhaal uit
+het leven der Gentsche werklieden te schrijven. Met het doel om eenige
+eerste inlichtingen daarover in te zamelen, belde ik op zekeren
+namiddag aan het hek eener groote fabriek te Gent.
+
+Ik had eenen aanbevelingsbrief en stelde dien ter hand aan den
+bestierder van het gesticht, een man van ongeveer vijfendertig jaar,
+en wiens kleederen, ofschoon van welstand getuigende, met vlokken
+katoen en met stof waren overdekt.
+
+Nauwelijks had hij mijnen naam in den brief gelezen, of hij toonde
+zich zeer verblijd over mijn bezoek, zeide, dat hij een warm
+liefhebber der Vlaamsche letterkunde was, en stelde zich geheel tot
+mijnen dienst.
+
+Uren lang leidde hij mij door talrijke zalen en werkhuizen der
+fabriek, toonde en verklaarde mij alles, en antwoordde op mijne vragen
+met zulke minzame dienstwilligheid, dat ik niet wist hoe hem voor zijn
+gulhartig onthaal te bedanken.
+
+Hij was zeker geen gewoon mensch. Van de nijverheid, van haren
+voortgang en van de doelmatige inrichting des arbeids sprak hij niet
+alleen met uitgebreide kennis, maar tevens met eene dichterlijke
+geestdrift, die mij verwonderde.
+
+Ik had reeds vroeger, zonder andere beweegreden echter dan de
+nieuwsgierigheid, eenige andere dergelijke gestichten bezocht. Nergens
+had ik zooveel orde en zindelijkheid aangetroffen. De werkhuizen en
+zalen waren breed en verheven; sterke luchttochten om het stof te
+verwijderen, had men in toereikend getal gemaakt; waar de raderwerken
+of riemen den onvoorzichtigen arbeider konden aangrijpen en verminken,
+waren deze werktuigen door zinken platen geblind; overal was ruimte en
+lucht in overvloed, en men kon bemerken, dat hier met vaderlijke
+bezorgdheid voor de gezondheid en het welzijn der werklieden werd
+gewaakt. De vrouwen, mannen en kinderen, welke ik in groot getal aan
+den arbeid zag, waren geheel anders dan ik ze mij had voorgesteld.
+Geene vuile en gescheurde kleederen; ernst en ingetogenheid, iets
+waardigs in den blik; en waar een hunner werd aangesproken,
+beleefdheid en betamelijkheid.
+
+Ik wenschte rechtzinniglijk den bestierder geluk en zeide, dat hij
+hoogmoedig mocht zijn over het schoone gesticht, dat onder zijne
+leiding bloeide.
+
+"Inderdaad," antwoordde hij, "ik ben er reeds een beetje trotsch over;
+maar ik hoop mettertijd nog meer verbeteringen tot stand te brengen,
+bovenal wat het lot der werklieden betreft. Er is iets, waarover ik
+meer hoogmoed gevoel...."
+
+Hij bezag zijn uurwerk en zeide:
+
+"Nog eenige minuten en ik zal het u toonen. Ziet gij, mijnheer, men
+kan van den werkman al maken wat men wil. Daartoe behoeft natuurlijk
+eenig geduld; want men moet allereerst de onwetendheid overwinnen,
+die, zoolang zij bestaat, een volstrekte hinderpaal is tot alle
+zedelijke verbetering der arbeidende klassen."
+
+Een oogenblik daarna begon er eene klok te luiden. Hier en daar
+verlieten kinderen en jongens de spinmolens, waaromtrent ik mij
+bevond, en zij gingen het werkhuis uit.
+
+"Is het rustuur voor hen gekomen?" vroeg ik.
+
+"Neen, zij gaan ter school," was het antwoord des bestierders. "Van de
+twee draadjesmakers verlaat er één den arbeid voor een uur; de andere
+zal intusschen alleen den molen bedienen, iets wat hem niet moeilijk
+valt, aangezien zijn gezel, vooraleer te vertrekken, alles zooveel
+mogelijk in gereedheid heeft gebracht. Zoo is het insgelijks met de
+kinderen, die in andere vakken werkzaam zijn. Elk heeft zijne beurt,
+en wie zijnen arbeid gedurende de week niet kan verlaten, ontvangt het
+onderwijs des Zondags en des Maandags, gedurende de uren der
+werkstaking. Het is slechts sedert acht jaar dat ik, met oorlof mijns
+meesters, deze school heb ingericht; en nu reeds mag ik mij beroemen,
+dat meer dan de helft onzer werklieden, zoowel vrouwen als mannen,
+kunnen lezen en schrijven. Men bemerkt het wel, niet waar, dat het
+onderwijs hun een gevoel van persoonlijke waardigheid in den boezem
+heeft gestort? Het is mijn droom, te mogen zien voordat ik sterf, dat
+er op de gansche fabriek geen enkel ongeleerd werkman meer te vinden
+zij. Gij zoudt kunnen denken, mijnheer, dat deze werkmanskinderen geen
+vlug verstand hebben, of dat een enkel uur onderwijs geene merkelijke
+vruchten in hen kan voortbrengen; gelief mij te volgen; ik ben wel
+zeker, dat hetgeen gij gaat zien u zal verwonderen en verblijden."
+
+Onder het uitspreken dezer laatste woorden richtte hij zich naar eene
+deur, die uitgaf op een binnenplein, en bracht mij wat verder in eene
+ruime zaal, vervuld met rijen lessenaars, waarachter ik een zestigtal
+jongens, van acht tot vijftien jaar, zag zitten.
+
+De bestierder zeide eenige woorden tot den onderwijzer; en deze
+verzocht mij, dewijl de leerlingen juist hadden begonnen te schrijven,
+eenen blik op hun geschrift te willen werpen.
+
+Er waren er inderdaad velen, die een ongemeen schoone hand hadden.
+
+Ik hoorde er eenigen lezen met eene zuiverheid van uitspraak, welke ik
+zelden in andere scholen had ontmoet.
+
+Dan volgden velerlei oefeningen, ditmaal grootendeels door den
+bestierder zelven geleid, om mij over de vroege ontwikkeling van het
+verstand dezer arme werkmanskinderen te laten oordeelen.
+
+Er werden vragen voorgesteld aangaande de nijverheid en de verdeeling
+van het werk, aangaande de geweefsels in het algemeen en het katoen in
+het bijzonder, aangaande de beginselen der mekaniek en den aard der
+stoffelijke krachten, die de mensch aanwendt tot het vergemakkelijken
+van zijnen arbeid, aangaande de spaarkassen en de genootschappen van
+onderlingen bijstand, en eindelijk aangaande de plichten van den
+mensch jegens God, jegens zich zelven en jegens zijnen evennaaste; in
+één woord aangaande alles, waarvan de kennis deze kinderen tot
+behendige werklieden, tot goede huisvaders en tot verlichte burgers
+van een vrij vaderland kon maken.
+
+Mijne verwondering was groot, toen ik deze vragen door vele kinderen,
+zonder aarzeling en met opmerkelijke klaarte, hoorde beantwoorden;
+maar het verraste mij nog meer, hen gedurende een half uur, op het
+zwarte bord of enkel uit het hoofd, de meest ingewikkelde vraagpunten
+der rekenkunde te hooren oplossen.
+
+Nauwelijks kon ik gelooven, dat ik deze zelfde jongens als
+draadjesmakers achter de spinmolens had gezien. De bestierder en de
+onderwijzer waren trotsch over mijne verbaasdheid en over den lof,
+dien ik hun en hunnen leerlingen toezwaaide.
+
+Nadat ik den bekwamen onderwijzer gulhartig en dankbaar de hand had
+gedrukt, volgde ik den bestierder, die mij verzocht haast te maken,
+dewijl hem anders de tijd mocht ontbreken om mij nog eene andere
+school te toonen.
+
+Hij leidde mij over het plein en opende een poortje. Wij traden door
+eenen bloemrijken tuin, die met muren was omsloten. In de verte, bij
+een looverhuisje, zag ik drie of vier kinderen, waarvan de twee
+kleinsten in een wagentje zaten. Voor het lieve rijtuig waren twee
+schapen gespannen. De voerman was een jongetje van ongeveer tien jaar.
+Aan elke zijde van het wagentje liep eene oude dame, om de kinderen
+voor ongeluk te behoeden.
+
+In het looverhuis zat een grijsaard, die niet min dan zestig jaar oud
+kon zijn. Hij rookte een pijpje en was bezig met een vischnet te
+breien.
+
+Al deze personen juichten en lachten om der kinderen luidruchtige
+vroolijkheid.
+
+De bestierder richtte met eenen glimlach van geluk den blik op dit
+tafereel, doch onderbrak zijnen stap niet.
+
+Maar zoohaast men hem van ginder bemerkte, staken de kinderen in het
+wagentje de hand uit, terwijl het woord "vader! vader!" door den tuin
+klonk. Het jongsken liet de schapen staan, kwam in een vaart geloopen
+en sprong den bestierder aan den hals. Hij zoende het kind en zond het
+terug, met de belofte dat hij straks in den tuin zou komen, maar dat
+hij nu den vreemden heer moest rondleiden.
+
+"Zie, mijnheer," zeide de bestierder mij met zekere ontroering, "al
+wat ik meest bemin op aarde, is daar. Die grijsaard is mijn vader; van
+die beide dames is de eene mijne moeder en de andere de moeder mijner
+vrouw. Die engeltjes zijn mijne kinderen. God heeft mij beladen met
+geluk. Hier ontbreekt slechts mijne vrouw; maar ik weet waar zij is:
+gij gaat ze zien."
+
+En dit zeggende, richtte hij zich tot een ander poortje en opende
+welhaast de deur eener zaal, waar een vijftigtal kleine meisjes,
+evenals in de andere school, voor lessenaren zaten.
+
+Buiten de leermeesteresse, die tusschen de lessenaren zich hield,
+stond er aan het oppereinde der school eene deftig gekleede dame, die
+bezig scheen met vier of vijf der grootste meisjes eene bijzondere les
+te geven.
+
+De bestierder bracht mij bij haar en stelde mij haar voor als zijne
+vrouw.
+
+"Lieve," zeide hij, "deze heer is een oude en goede bekende van u en
+van ons allen; honderdmaal heeft hij, in de lange winteravonden, ons
+den tijd kort en genoeglijk gemaakt. Nog geene acht dagen geleden,
+dat hij u tranen van medelijden met het lot van den armen _Loteling_
+ontrukte."
+
+De dame noemde mijnen naam met verrassing; hare groote blauwe oogen
+glinsterden van blijdschap. Zij overlaadde mij met betuigingen van
+vriendschap, en trof mij diep door de uiterste zoetheid harer stem en
+de minnelijkheid harer woorden.
+
+Op aanzoek haars echtgenoots deed zij de kleine meisjes eenige
+oefeningen doen, om mij het bewijs te geven, dat ook hier het
+onderwijs doelmatig was ingericht en schoone vruchten droeg, waarna
+ik, onder het uitdrukken mijner bewondering, den bestierder volgde,
+waarschijnlijk om nog belangwekkendere dingen te zien.
+
+Al gaande zeide ik hem:
+
+"O, mijnheer, aan welk edel en menschlievend doel hebt gij en uwe
+bekoorlijke echtgenoote uwe pogingen toegewijd! Konden alle personen,
+die overheid op den werkman hebben, hunne zending evenals gij
+begrijpen!"
+
+"Zeker," antwoordde hij, "het onderwijs is het eenige middel om de
+arbeidende klassen uit de zedelijke verlaging op te heffen. Het
+welbegrepen belang der meesters, het welbegrepen belang van gansch het
+menschdom eischt, dat men het nuttigste en het talrijkste gedeelte der
+maatschappij niet langer tot duisternis en onwetendheid veroordeeld
+late. Maar het zijn deze beweegredenen niet alleen, die mij en mijne
+vrouw aandrijven om, binnen het bereik onzer macht, de geleerdheid,
+het plichtbesef en het gevoel van eigen waardigheid onder de
+werklieden te verspreiden. Neen, mijnheer, wij betalen eene schuld,
+eene heilige schuld aan het volksonderwijs! Wij zijn kinderen van
+arme fabriekwerkers. Het onderwijs, dat wij mochten genieten, was de
+eerste band tusschen onze harten; en terwijl ik, als kind, uit
+medelijden of uit vriendschap degene leerde lezen, die nu de moeder
+mijner kinderen is, ontstond in mij de kiem eener zuivere en duurzame
+neiging. Mijne goede ouders hebben mij laten leeren ten koste van vele
+en bittere opofferingen; het was mijn schoonste droom, eens hunne
+liefde te kunnen beloonen door hunne oude dagen zoet en gelukkig te
+maken. Dank zij het onderwijs, dat ik mocht genieten, heb ik daartoe
+ruimschoots de middelen gevonden. Mijne vrouw is in hare jonkheid door
+ongeluk en tegenspoed beproefd geworden. Ware zij onwetend geweest,
+dan hadde zij zeker in de nederige, in de woeste wereld, waarin zij
+gedwongen was te leven, de verhevenheid des harten en de klaarheid des
+geestes verloren; maar het onderwijs heeft ze voor verlaging behoed en
+ze mij wedergeschonken, zuiver, edel en verkleefd als een engel van
+goedheid en van liefde. Het onderwijs, het volksonderwijs heeft ons
+dienvolgens gemaakt wat wij zijn: en indien wij God uit den grond des
+gemoeds zegenen en danken voor al het geluk, waarmede Hij ons heeft
+beladen, dan moeten wij erkennen, dat de Heer in ons het onderwijs tot
+middel zijner weldaden heeft gebezigd. Het verwondere u dus niet
+langer, dat wij ons toewijden aan het onderwijs der arme
+fabriekskinderen. Zooals ik u zeide, wij betalen eene schuld, eene
+heilige schuld."
+
+Ik had met eene soort van verstrooidheid op deze lange uitlegging
+geluisterd. Mij vlotte de gedachte in het hoofd, dat het leven van
+den bestierder dezer fabriek misschien de stof bevatte tot het
+schrijven van een schoon verhaal; en ik was reeds in mijne verbeelding
+bezig met het te schikken en te ontwerpen. Maar vooraleer mijn
+leidsman ophield van spreken, had hij mij in eene zaal zijner woning
+gebracht, en zeide nu, terwijl hij mij eenen zetel aanbood:
+
+"Gelief u neder te zetten; ik wil een glas wijn met u drinken....
+Weiger mij niet, ik bid u ... ik zal u voorstellen wat ik het beste in
+mijnen kelder heb."
+
+Hij trok aan een belkoord en zeide tot de meid, die aan de deur
+verscheen:
+
+"Breng een paar glazen en eenige beschuiten.... Ik ga zelf naar den
+kelder, want zij zou den wijn, dien ik u wil doen proeven, niet
+vinden."
+
+Sedert ik in deze zaal was getreden, had een zeker voorwerp mijne
+oogen tot zich getrokken. Tusschen eenige schilderijen hing eene
+gekleurde print, die mij van verre gebrekkig en grof voorkwam als een
+beeldeken, waarmede de kinderen gewoonlijk spelen. Evenwel, de
+meesters dezer woning moesten er veel prijs aan hechten, want de
+gouden lijst, die het omringde, was uiterst rijk en veel kostelijker
+ongetwijfeld dan de lijsten, waarin de schilderijen waren vervat.
+
+Een gevoel van nieuwsgierigheid deed mij opstaan. Ik naderde tot de
+print en zag nu, beter dan te voren, dat zij niets anders kon zijn dan
+het werk van een kind, dat met groote inspanning en moeite gepoogd had
+de beelden van een jongetje en van een meisje te schetsen, die elkaar
+bij de hand hielden en elk een open boek toonden. Onder de beelden
+stonden deze twee namen in versierde letters te lezen:
+
+ BAVO EN LIEVEKEN.
+
+"Dit beeld doet u glimlachen, niet waar?" zeide de bestierder, die nu
+met de flesch wijn in de zaal trad.
+
+"Glimlachen?" antwoordde ik zeer ernstig. "O, neen, mij schijnt het,
+dat onder dit gebrekkig kinderwerk de geheimenissen van een gansch
+leven liggen verborgen."
+
+"Zóó is het inderdaad. Toen ik nog een kleine jongen was, heb ik
+gepoogd de beeltenissen te schetsen van twee kinderen, tusschen wier
+eenvoudige harten het onderwijs eene diepe en duurzame neiging had
+doen ontstaan. Nu zijn ze verbonden door het huwelijk, en hunne
+schoonste, hunne dierbaarste herinnering is nog dit gebrekkig
+beeldeken."
+
+"Welk schoon verhaal zou daarvan kunnen gemaakt worden!" riep ik,
+terwijl ik een glas wijn aanvaardde. "De titel ware gevonden: _Bavo en
+Lieveken_! Och, ik bid u, mijnheer, vertel mij uwe geschiedenis."
+
+"Maar ik verlang niet, dat mijn leven worde openbaar gemaakt."
+
+"Men kan het beschrijven met veranderingen, met vooronderstelde namen,
+op zulke wijze, dat men de personen niet duidelijk herkenne."
+
+Mijne gedachte scheen den bestierder te verschrikken; hij weerstond
+zeer lang mijn aandringen; doch ten laatste meende ik de overwinning
+nabij te zijn.
+
+Ik deed eene laatste poging, door hem voor oogen te stellen, dat de
+geschiedenis zijns levens, indien ik mij in mijn vooruitzicht niet
+misgreep, een machtig voorbeeld zou kunnen zijn, een spoorslag om den
+werklieden al het nut van het onderwijs voor hunne kinderen te doen
+beseffen, en misschien om andere edelmoedige menschen, eigenaars van
+fabrieken, over te halen tot het oprichten van scholen in hunne
+gestichten. Door zulk verhaal te schrijven, kon ik eenigszins
+medewerken tot het bereiken van het edel doel, dat hij en zijne vrouw
+zich voorstelden. Daarenboven, ik zou het derwijze schikken, dat men
+niet zou kunnen ontdekken, of ik ware of ingebeelde personen in mijn
+boek had beschreven en doen handelen.
+
+"Het is eene ernstige zaak," zeide de bestierder. "Ik wil er eerst met
+mijne vrouw over spreken. Er is slechts één middel, en dit is, dat gij
+het avondmaal met ons neemt. Weiger mij niet: anders zult gij zeker
+onze geschiedenis niet kennen."
+
+Ik liet mij gezeggen. Dien avond bracht ik door tusschen Bavo en
+Lieveken. Over mij zaten de oude Damhout, Christina, zijne vrouw, en
+moeder Wildenslag; aan de andere zijden der tafel hielden zich vier
+allerschoonste kinderen, twee meisjes en twee jongskens.
+
+Ik verliet het huis met het hoofd vol zoete droomen, het hart vol
+woorden van vriendschap, van geluk en van liefde, en het geheugen vol
+van de eenvoudige, doch roerende geschiedenis, die ik in dit boek u
+heb verteld.
+
+EINDE
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 13596 ***
diff --git a/13596-8.txt b/13596-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..9a4c3cf
--- /dev/null
+++ b/13596-8.txt
@@ -0,0 +1,5806 @@
+The Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Bavo en Lieveken
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: October 4, 2004 [EBook #13596]
+[Last updated: August 19, 2011]
+
+Language: Dutch and Flemish
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
+
+
+
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team
+
+
+
+
+
+HENDRIK CONSCIENCE
+
+
+BAVO EN LIEVEKEN
+
+
+(BRUSSEL, [1885])
+
+
+
+
+
+[Illustratie: «Goeden avond» juichte de jongen.]
+
+
+
+
+
+BAVO EN LIEVEKEN
+
+
+
+
+I
+
+
+Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de
+Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck.
+
+Alhoewel het daglicht reeds vermindert, is er alles nog in de volle,
+drukke werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten
+onder de zwoeging der mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste
+doet leven.
+
+Het is vooreerst de _Duivel_, dat machtig tuig, waarin het katoen
+wordt geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft
+verloren; dan de koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende
+potten, die altezamen de boomwol in vlokkig sneeuw veranderen, ze
+mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de spintuigen tot
+haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en
+eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne
+ontelbare spillen en bobijnen.
+
+Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige
+snelheid; het is eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende
+wielen, van knarsende radertanden, van vluchtende riemen, van
+wandelende spinmolens, van draaiende spillen.
+
+Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden
+andere geruchten vermengt tot een donderend gebruis, tot een
+zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en zoo vol, dat het de
+denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem duizelig
+maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee.
+
+Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne
+stem vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig
+wezen tusschen de reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft
+geschapen.
+
+Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang
+der raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen
+katoen of bobijnen aan, en geven onophoudend voedsel aan het
+duizendledig monster, dat de stof met onverzaadbaren honger schijnt te
+verslinden.
+
+Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de
+raderwerken heen- en wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens
+doorkruipen! En nochtans, dat een riem, een tand, één van al die
+draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed of slechts hunne mouw
+aangrijpe ... en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden afrukken of
+hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, vóórdat het, ginder verre,
+als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoevele
+onvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden
+door de barsche, zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent
+tusschen katoen en menschenvleesch!
+
+Maar daar galmt een klokslag! De vuurmaker stopt het stoomtuig; hij
+ontneemt aan de mekanieken hunnen adem en hun leven ... en op het
+ontzaglijk gerucht, op het zinverdoovend geraas volgt de stilte der
+eenzaamheid en der rust....
+
+Het was op eenen zomeravond van het jaar 1832, dat de werklieden der
+fabriek van mijnheer Raemdonck dus, op het sein der klok, hunnen
+arbeid staakten en te gelijk op het binnenplein zakten, om daar voor
+een venster van het bureel op de uitbetaling van het loon der
+afgeloopene week te wachten.
+
+Alhoewel schijnbaar dooreengemengd, toonden zij echter eenige
+schikking. Men kon zien, dat de vrouwen, de kinderen en de mannen
+neiging hadden om afzonderlijke groepen te vormen; zelfs de wevers en
+de spinners stonden aan eene verschillige zijde van het plein.
+
+Allereerst werden de vrouwen betaald; want onder hen waren vele
+moeders, wier zuigelingen sedert uren misschien naar lafenis en
+voedsel snakten. Arme wichtjes, gansche dagen aan vreemde handen
+toevertrouwd, levend van hunne geboorte af in derving en in nood!
+Slachtoffers van een maatschappelijk gebrek, dat, tegen de natuur en
+tegen den wil Gods, de vrouw onttrekt aan de vervulling van den
+moederplicht, opperste wet van haar wezen op aarde!
+
+De werklieden toonden nu eenige levendigheid; zij schenen vroolijk,
+omdat de lange week was afgeloopen en de rust van morgen hen
+toelachte.
+
+Een sterkgebouwde kerel, die tusschen de spinners stond, onderscheide
+zich door zijne luidruchtigheid. Kluchtige woorden en grove
+zinspelingen rolden hem uit den mond, en hij had zijne gezellen meer
+dan eens in eenen schaterlach doen losbarsten.
+
+Nu bemerkte hij eenen werkman, die uit de fabriek kwam en tot het
+uiterst einde van de groep der spinners naderde. Hij ging naar hem
+toe, deed hem teeken, dat hij hem over iets wilde spreken, trok hem
+een paar stappen van zijne kameraden weg en zeide:
+
+"Ha sa, Adriaan, gij zijt er bij dezen avond, niet waar? Wat zullen
+wij lachen en vermaak hebben!"
+
+"Waarbij, Jan? Ik weet van niets," was het antwoord.
+
+"Hoe? gij weet niet, dat rosse Leo van avond zijn _jubilé_ viert?"
+
+"Welk _jubilé_?"
+
+"Van vijfentwintig jaar spinner."
+
+"Werkt Leo reeds zoolang? Onmogelijk: de man is nog niet oud genoeg."
+
+"Niet oud genoeg, Adriaan? Hij was draadjesmaker in de spinnerij van
+Lieven Bauwens, in de allereerste fabriek, die er te Gent was
+opgericht. Dit was in 1800, en Leo was alsdan zestien jaar. Hij weet
+het nog zoo juist op zijn duimken, als hadde hij eenen almanak in den
+kop. Hij is spinner geworden, in 1807, bij mijnheer De Vos. Tel maar
+op de vingeren: zeven van tweeêndertig, blijft vijfentwintig."
+
+"Inderdaad; men zou het niet zeggen: de rosse Leo schijnt geen veertig
+jaar oud."
+
+"Het is, dat hij het leven verstaat en Gods water over Gods dijk laat
+loopen. Ware hij een kniezer geweest, dan zou hij al lang op het
+kerkhof liggen. Eene goede pint bier, eene schel hesp en van tijd tot
+tijd een scheut jenever, dat zet bloed, jongen.... Welnu, doet gij
+mede? Eenen halven frank tot inzet.
+
+Wij zingen, lachen en drinken tot half den nacht. Het is morgen toch
+Zondag. Er zullen daarenboven vier vette konijnen te verdubbelen zijn:
+een buitengewoon _Smeerken_, in de Blauwe Geit, bij onzen kameraad
+Pier de Knul?"
+
+De andere bepeinsde zich eene wijl, schudde het hoofd en antwoordde:
+
+"Ik heb geene goesting, Jan."
+
+"Wat is dit nu?" kreet zijn gezel verwonderd. Zult gij vijfentwintig
+cents weigeren om het _jubilé_ van eenen ouden vriend te vieren?"
+
+"Het is niet voor de vijfentwintig cents, Jan. Ik ken den rossen Leo
+bijna niet, en, ik zeg het rechtuit, dit drinken halve nachten lang
+bevalt mij niet meer; ik kan er niet tegen, het maakt mij ziek."
+
+Deze woorden, op eenen zekeren vreesachtigen toon gesproken, deden Jan
+in eenen spotlach uitbarsten: hij greep de twee handen zijns vriends
+en zeide hem:
+
+"Damhout, Damhout, jongen lief, ik heb medelijden met u. Gij waart
+vroeger altijd het haantje vooruit, en het was u nooit te laat om naar
+huis te gaan; maar sedert gij getrouwd zijt, ik heb het gezien van het
+eerste jaar af,--sedert gij getrouwd zijt, geraakt gij allengskens
+meer en meer achter den bezem; gij durft u niet meer verroeren, gij
+wordt een suffer, een gierigaard, een kwezelaar. Foei, gij vergeet,
+dat gij een man zijt, en gij ligt als een kind onder den duim uwer
+vrouw. Gij zoudt wel mededoen, ik weet het: gij hebt nog een tandje,
+dat er naar lotert; maar gij moet eerst permissie van moeder Damhout
+hebben, en God weet, of gij die permissie nog durft vragen!"
+
+"Wildenslag, ik wil mij niet boos maken," mompelde Damhout. "Ik weet,
+dat gij het niet kwaad meent, alhoewel gij onrechtvaardig zijt jegens
+mij."
+
+"Welnu, loochen dan, dat gij weigert uit opzicht voor uwe vrouw!"
+
+"Integendeel, ik beken het; maar indien het eens was uit achting voor
+haar en uit genegenheid voor mijne kinderen?"
+
+"Ja, Damhout, uwe kinderen; gij zult er een schoon kot van kweeken van
+uwe kinderen. Kleed ze maar als rentenierkens; laat ze maar naar de
+school gaan. Zoolang ze jong zijn, zullen ze meer kosten dan gij kunt
+winnen. Zij zullen schoon weer spelen en luierikken, terwijl gij, och
+arme, na eene gansche week te hebben geslaafd, nog geene pint bier met
+de vrienden zult mogen drinken. Geef hun uw zweet en uw bloed, verderf
+uwe gezondheid en verkort uw leven, en als ze groot geworden zijn,
+zullen ze hunnen vader, den armen versleten fabriekwerker, niet meer
+willen bezien of herkennen."
+
+Deze woorden waren niet zonder indruk op het gemoed van Adriaan
+Damhout. Hij scheen treurig en bleef eene wijl met gebogen hoofde
+overwegen. Dan zeide hij twijfelende:
+
+"Nochtans, Wildenslag, de geleerdheid is een schat, eene macht, die
+den mensch tot alles bekwaam maakt; en vermits wij onzen kinderen geen
+ander erfdeel kunnen nalaten...."
+
+"Vertelsels, droomen van uwe vrouw," herhaalde de andere. "Wat wilt
+gij, om 's hemels wil, dat een spinner of een wever met de geleerdheid
+doe? Of wij nu konden lezen en schrijven, wat zou het ons helpen?
+Hebt gij er minder om gewonnen, dat gij zoo min als ik, eene A uit
+eene B kent? Kom, kom, zotte hoovaardigheid en onnoozele praat
+allemaal. Onze ouders hebben gewerkt van kindsbeen af, wij hebben
+evenzoo gewerkt, en onze kinderen kunnen ook maar werken, dan valt er
+niets op te zeggen. Meent gij, dat ik mijn klein vee zal vetten met
+mijn zweet, totdat ze aan de luiheid gewend zijn? Hola een beetje! Er
+is er reeds één op de fabriek en de anderen zullen volgen. Zoo komt er
+van alle kanten boter in den pot, mijn vriend; en kan er voor ons nog
+een pintje bier, en van tijd tot tijd een plezierig smeerken op
+af.... Welnu, wat zegt gij? Viert gij mede het _jubilé_ van rossen
+Leo? Kom, gij moogt niet zoo vervaard zijn van uwe vrouw. Laat ze wat
+knorren. En maakt ze het te bont, toon haar, dat gij man zijt en een
+hart in het lijf hebt."
+
+Adriaan Damhout stak de hand in den zak, haalde er een stuk van
+vijfentwintig cents uit en gaf het aan zijnen gezel.
+
+"Alzoo, dezen avond, te negen uren stipt, in de _Blauwe Geit_, bij
+Pier de Knul?" juichte Wildenslag. "Het zal er gaan, het zal er een
+leventje zijn, dat gij er in uwen ouden dag nog zult van spreken!"
+
+"Ik zal pogen te komen; maar ik ben er niet zeker van," mompelde nog
+de andere.
+
+"Ja? gij zult toch niet dom genoeg zijn om uw geld door anderen te
+laten opdrinken? Dan zou ik zeker zeggen, dat gij met uwe vrouw van
+kleederen hebt verwisseld. Onmogeljk, Adriaan, zoover zijt gij nog
+niet."
+
+Op dit oogenblik riep men van uit het bureel zekere nummers, en de
+beide vrienden begrepen daardoor, dat hunne beurt om het weekloon te
+ontvangen was gekomen.
+
+Jan Wildenslag kreeg eerst zijn geld, doch bleef nog wachten om met
+zijnen gezel huiswaarts te keeren. Toen echter Adriaan Damhout aan het
+venstertje kwam, zeide men hem, dat hij met eenige anderen moest
+blijven, om eene hand uit te steken aan eene as, die moest worden
+opgelicht.
+
+Wildenslag drukte hem nog de hand en zeide in het heengaan:
+
+"Tot dezen avond dan. Komt gij niet, dan maak ik een kruis op uwen
+rug. Pas op, pas op, vriend: ieder moet op de wereld zijn deel van het
+leven hebben. Offert gij u op voor vrouw en kinderen, zij zullen
+zonder medelijden u afhalen en uitzuigen, totdat uwe gezondheid geheel
+zij gekrenkt. Hang de vlag in den wind, achter ons vergaat de wereld!
+Hoera, vivat de _leute_!"
+
+En lachende en eenen dwazen flikker makende, sprong hij de straat in,
+gevolgd door zijnen draadjesmaker, welken hij onder de eerste de beste
+gaslantaarn van zijn loon zou betalen.
+
+
+
+
+II
+
+
+Op het einde eener enge stege, in de wijk over de Nieuwbrugge, stonden
+een dertigtal kleine huisjes van gelijken vorm, en zichtbaar in eens
+gebouwd, om aan fabriekwerkers of andere geringe lieden te worden
+verhuurd.
+
+In een dezer huisjes was eene vrouw bezig met lijnwaad en kindergoed
+in eene kuip te wasschen.
+
+Zij scheen nog in de volle kracht des levens. Ongetwijfeld was zij
+schoon geweest; misschien was zij het nog; maar de slordigheid harer
+kleederen, de zorgeloosheid en de verzuimenis, waarvan alles op haar
+en rondom haar getuigenis gaf, konden geen ander gevoel opwekken dan
+treurnis en afkeer. Zij arbeidde met veel haast, plonsde hare bloote
+armen in de kuip en schudde en wrong het lijnwaad zoo wild en zoo
+onbezonnen, dat het water in golven ten gronde stortte en als een
+slijmige plas zich rondom haar uitbreidde.
+
+De kamer was gansch vervuld met den walglijken zeepsopdamp; en de lamp
+die tegen de schouw was opgehangen, verspreidde slechts een flauw en
+als ziekelijk licht.
+
+Nevens haar op de kachel stond het avondeten in eenen steenen pot te
+koken. Van tijd tot tijd trok zij hare handen uit de kuip, greep een
+houten lepel, en stompte en roerde in den pot om de spijs niet te
+laten aanbranden.
+
+Vier kinderen, jongskens en meisjes, van verschillenden ouderdom,
+onzindelijk, beslijkt en met gescheurde kleederen, zaten of lagen op
+den vloer in eenen hoek. Zij vermaakten zich met spelen. Niet zelden
+trokken zij elkander bij het haar of vochten of schreeuwden, of
+spraken grove woorden, die men uit den mond van kinderen niet zou
+verwachten.
+
+De vrouw had er tot dan weinig acht op geslagen; evenwel kwam er een
+oogenblik dat het onverdraaglijk gedruis der kinderen en de
+noodkreten: "moeder, help! help!" haar het geduld deden verliezen. Zij
+sprong naar hen toe, gaf den eerste den beste eenen stamp, den tweede
+eenen vuistslag en den overigen eenige weergalmende oorvegen.
+
+Dan keerde zij naar de kachel terug, roerde de aardappelen nog eens om
+en voer vergramd uit tegen de kinderen, in zulke ruwe, onkiesche taal,
+dat de arme kleinen daaruit niets dan eene les van onbeschoftheid
+konden putten.
+
+"Daar hebt gij 't nu, leelijke deugnieten!" riep zij. "De patatten
+zijn aangebrand. Vader zal weer den duivel jagen en mij eenen hoop
+zure woorden naar den kop werpen. Hij en gij, gij meent, dat ik uwe
+slavin ben en maar alleenlijk leef om te werken en uitgescholden en
+geplaagd te worden, van den morgen tot den avond? Wel ja! Is hij niet
+tevreden, dan kan hij er maar bij gaan liggen, totdat het betert. Waar
+blijft uw lekkere vader? In de _Blauwe Geit_, bij Pier de Knul, zeker?
+Hij heeft zijn weekloon getrokken, en de dronkaard is reeds bezig met
+het geld door zijn keelgat te jagen. Wacht een beetje; ik zal hem eens
+naar binnen gaan sleuren. Blijft van den pot, terwijl ik weg ben, of
+ik breek u altezamen den hals, oudersverdriet dat ge zijt!"
+
+Nauwelijks had de moeder het huis verlaten, of de kinderen begonnen
+met de bloote voeten in het gestorte zeepsop te dansen, zoodat de
+muren en het huisraad geheel met slijkige vlekken werden bespat.
+
+Zij stoven verschrikt uiteen, toen hun vader zich onverwachts op den
+dorpel vertoonde. De reuk van het verbrande eten ontrukte den man een
+gegrom van ontevredenheid; de zeepsopdamp en het slijkig water op den
+vloer deden hem huiveren, en zijn gelaat verkrampte tot eene
+uitdrukking van walg en verdriet:
+
+"Waar is moeder?" vroeg hij.
+
+"Naar de _Blauwe Geit_, bij Pier de Knul," antwoordden de kinderen.
+
+"Bij Pier de Knul?"
+
+"Om u te halen, vader."
+
+"Ha, daar zijt gij, morsige prij!" kreet hij, toen hij zijne vrouw zag
+binnenkomen. "Wat is dit hier voor een stal? Waarom wascht gij die
+smerige doeken des avonds, als ik te huis zal komen? Gij hebt zeker
+weer den ganschen dag rondgeloopen en gaan babbelen bij de geburen?"
+
+"Tistje, ga, roep uwe zuster Godelieve," zeide de vrouw tot een der
+kinderen, zonder schijnbaar acht te geven op de harde berispingen
+haars echtgenoots.
+
+"Ik krijg de koorts, zoohaast ik eenen voet in uw varkenskot zet,"
+hernam deze. "Ik heb goesting om er uit weg te vluchten en er nooit
+meer weder te keeren. Werk dan al eene gansche week, en beul u af en
+zweet om geld in het huishouden te brengen; dan vindt gij des
+Zaterdags zwartgebrande patatten en eenen smerigen boel, die u van
+walg het hart in het lijf doet keeren.
+
+--Gaat gij spreken?"
+
+"Ba, spreken," hernam de vrouw spottend, "ik lach met al wat gij zegt.
+Meent gij, dat gij mij gehuurd hebt en dat ik uwe meid ben? Bevalt u
+het eten niet, laat het staan; is het huis niet zuiver genoeg naar
+uwen zin, kuisch het zelf, indien gij lust hebt, domme praatmaker!"
+
+De man hief de hand op en scheen zijne vrouw te bedreigen.
+
+"Zoo, zoo?" riep zij, "de vuisten jeuken u vandaag? Kom, Wildenslag
+lief, houd u niet in. Zoudt ge gaarne weder met een aangezicht vol
+krabben naar de fabriek gaan? Gij moet het maar zeggen; ik ben gereed,
+indien een borstelingsken u plezier kan doen. Zwijg liever en eet in
+vrede: de patatten zijn maar een beetje verbrand; daarenboven,
+schreeuwen, schelden en slaan zullen ze niet beter maken."
+
+Eensklaps trad er een zevenjarig meisje stil en langzaam in de kamer.
+Zij was mager en scheen ziekelijk; maar hare blauwe oogen glinsterden
+als parelen, en op haar fijn mondje speelde eene wonderzoete
+uitdrukking: iets lijdends, iets smeekends, als ware het kind een
+levend gebed. Ofschoon van nederigen vorm en gemeene stof, waren hare
+kleederen zeer zuiver, en hier, in dit onzindelijk huis, omringde haar
+als het ware een wasem van innerlijke onnoozelheid en van lichamelijke
+reinheid.
+
+Zij ging tot den man, legde streelend hare hand in de zijne, zag hem
+met eenen stillen, doch diepen glimlach aan en murmelde:
+
+"Dag, vader lief!"
+
+De zilverachtige toon van dit stemmeken, de kwijnende liefde-blik van
+zijn ziek kind raakten den werkman.
+
+"Dag, mijn goed Lieveken," antwoordde hij, het meisje tegen zijn hart
+drukkende. "Is het wat beter? Zijt ge nog ziek?"
+
+"Nog een beetje, vader," was het antwoord. "Bazin Damhout heeft mij
+kruiden doen drinken en het heeft mij verkwikt."
+
+"Is baas Damhout al te huis van de fabriek?" vroeg Wildenslag.
+
+"Neen, vader, nog niet."
+
+"Kom, zit neer, Lieveken, en eet, kind; want die wilde slokoppen zijn
+al aan den gang. Zij zouden wel niets voor u overlaten."
+
+Het meisje zette zich aan tafel, maakte het teeken des kruises en bad
+in stilte, waarna zij met opmerkelijke geschiktheid en ingetogene
+manieren begon te eten.
+
+"Wildenslag vond de aardappelen uiterst bitter en slecht; hij at met
+lange tanden, grommelde in zich zelven en trok verstoorde gezichten,
+maar hij bedwong zijne spijt en viel niet meer in scheldwoorden uit,
+even alsof de tegenwoordigheid van zijn ziek kind eenig besef der
+betamelijkheid in hem had opgewekt. Eindelijk zeide hij met eenen
+zucht:
+
+"Maar, Lina toch, zonder twist, zoudt gij uw huis niet wat zuiverder
+kunnen houden en uwen kinderen betere voorbeelden geven? Zie eens, hoe
+bazin Damhout het weet te schikken. Haar man is een fabriekwerker als
+ik; hij heeft anders niet dan zijn dagloon; en nochtans in zijn huis
+zoudt ge van vloersteenen willen eten, zoo zuiver is er alles."
+
+"Wat komt gij mij spreken van bazin Damhout!" was het bitsig antwoord.
+"Zij is eene goede, brave vrouw, dit zal ik niet loochenen; maar de
+Damhouts zijn geene menschen gelijk wij. Wees zeker, Wildenslag, zij
+hebben eigendommen of uitgezet geld, alhoewel ze het verbergen."
+
+"Neen, dit hebben ze niet. Er komt geen cent in huis, dien Adriaan
+Damhout niet op de fabriek heeft gewonnen. Zij hebben integendeel
+minder dan wij, vermits onze jongen reeds vier franken in de week
+verdient."
+
+"Lekkere jongen! hij zit zeker in de eene of andere kroeg. Hij heeft
+een aardje naar zijn vaartje: er zal veel goeds van komen, ik beloof
+het u!"
+
+"Neen, neen, hij is achter de taptoe geloopen. Wees zeker, Lina, bazin
+Damhout doet haar huishouden met min dan gij. Zooals zij het schikt,
+kunt gij het ook schikken."
+
+"Kom, kom, Wildenslag, ieder zingt zooals hij gebekt is, en het is
+moeilijk, eenen ouden aap nieuwe grimassen te leeren. Laat dit
+liedeken achter, het is nutteloos. Weet ge wat de huisbaas zegt over
+bazin Damhout? Dat ze zorgend en zindelijk is, omdat ze kan lezen."
+
+"De huisbaas zegt dit om te lachen. Vrouw Damhout kan anders niet
+lezen dan in den almanak en in haar kerkboek. Daar zal ze toch het
+huishouden niet in leeren."
+
+"Dan zal het zijn, omdat Damhout minder geld verteerd, en te huis
+blijft, terwijl gij halve nachten in de kroeg zit te drinken en te
+dobbelen!"
+
+"Dit is wel mogelijk," antwoordde Wildenslag, het hoofd met ongeduld
+schuddende. "Wie zegt u, dat ik niet te huis zou blijven, ten minste
+in de week, indien hier alles niet walgelijk was als in eenen stal, en
+ik er slechts een vriendelijk gezicht mocht vinden; maar gij, met uwe
+barschheid en met uwe zorgeloosheid, zoudt een engel de deur
+uitjagen."
+
+De gekwetste vrouw zette de vuisten op de heupen en meende eenen
+woedenden uitval te doen; maar de deur vloog open en een
+veertienjarige jongen, wiens kleederen vol katoenvlokken hingen,
+sprong binnen; hij eindigde het refrein van een onbetamelijk lied,
+ofschoon hij eene rookende pijp in den mond hield.
+
+Aan tafel vallende, meende hij van de verbrande aardappelen te eten:
+maar na den eersten mondvol te hebben gesmaakt, wierp hij bulderend de
+vork op den schotel en viel uit in onbeschofte berispingen tegen zijne
+moeder.
+
+In stede van hem te bestraffen, gaf de vader hem gelijk.
+
+"Daar is mijn weekloon," zeide de jongen, drie franken ter tafel
+werpende. "De patatten zijn verbrand en smaken naar het zeepsop. Ik
+trek er van door en zal ergens gaan eten, waar men het gevaar niet
+loopt vergiftigd te worden."
+
+Er werd hevig getwist, omdat de jongen eenen frank van zijn loon had
+achtergehouden; dit tooneel vernieuwde zich, toen de vader insgelijks
+zijn weekgeld afgaf. Evenwel, na vele harde, grove woorden verkalmde
+het tempeest.
+
+"Goeden avond," juichte de jongen, "ik ga naar de _Blauwe Geit_, eene
+schel hesp eten."
+
+"Kom, Sander, ik ga mede," zeide de vader. "Het deugt hier niet. Na
+eene gansche week zuren arbeid mogen wij wel een beetje ons
+verzetten."
+
+"Ha, ze meenen, dat ik hier den ganschen avond alleen zal blijven
+koekeloeren, terwijl zij ginder in de _Blauwe Geit_ hun hart ophalen
+en tot over de ooren in de leute zitten?" morde de vrouw, toen haar
+man en haar zoon waren heengegaan. "Ik moet er mijn deel van hebben:
+ik lust ook hesp. Lieveken, ga gij maar voor een uurtje naar bazin
+Damhout. Ik zal u laten roepen."
+
+Zij krabde geweldig met den haak in de kachel, om het vuur uit de
+dooven; doch daar dit niet spoedig genoeg naar haren zin ging, stortte
+zij eene kom zeepsop op de brandende kolen, zoodat de kamer met een
+stinkenden rook werd vervuld.
+
+"En gij daar, bengels," riep zij tot de kinderen, "zorgt dat gij van
+de lamp blijft en met geen vuur speelt, of ik sla den bezem op uwe
+knoken aan stukken!"
+
+Op dit oogenblik zag zij, dat het oudste jongetje een zijner zusters
+bij de haren trok, en zij hoorde een gesnor, alsof er eene stof werd
+gescheurd.
+
+"Beul, schei uit!" bulderde zij. "Wacht maar, booze vadsigaard, gij
+zult niet lang hier den boer spelen. Te naaste week gaat gij naar de
+fabriek. Als ik terugkom, zal ik u geene kleine rammeling geven, omdat
+gij alweder het kleed uwer zuster hebt gescheurd."
+
+"Het is niet waar!" kreet de knaap.
+
+"Ik heb het gezien!" schreeuwde de moeder.
+
+"Gij liegt er aan," snauwde het kind.
+
+En alsof er in dit monsterachtig gebrek aan ontzag en aan zedelijkheid
+niets ongewoons ware, de vrouw scheen er geene acht op te geven, of
+het niet te gevoelen; want zij liep het huis uit en wierp de deur toe.
+
+Arme kinderen, wat kon er onder de leiding van zulke moeder uit hen
+groeien? Niets anders voorwaar dan woeste, onbeschaafde wezens,
+beroofd van alle gevoel der menschelijke waardigheid. Het was hunne
+schuld niet; maar was het wel de schuld hunner moeder?
+
+Die vrouw, toen zij zelve kind was, had hare eerste jaren doorgebracht
+onder de waakzaamheid eener onwetende en grove oude vrouw, te midden
+van verlatene kinderen, wier moeders, evenals de hare, den ganschen
+dag op de fabriek hadden te arbeiden. Daar had zij niets geleerd dan
+eene barsche, onkiesche taal; zij was opgegroeid zonder het minste
+denkbeeld der plichten, welke de mensch in dit leven te vervullen
+heeft jegens God, jegens de maatschappij en bovenal jegens zich
+zelven. Dewijl zij alsdan slechts den ouderdem van negen jaar had
+bereikt, was er nog hoop, dat zij eenige vonken van het licht der
+beschaving zou ontvangen; dat, vooraleer zij vrouw wierd, toch eenig
+gevoel van persoonlijke waardigheid en van maagdelijke zedigheid in
+haar zou ontkiemen. Maar vóórdat de tiende Lente voor haar aanbrak,
+was zij reeds op de fabriek, vastgeklonken aan een eeuwigdraaiend
+tuig, overgeleverd aan het gezelschap van mannen en vrouwen, ruwer nog
+en onwetender dan zij. Later is zij getrouwd; slechts sedert de
+geboorte van haar derde kind blijft zij te huis, en geeft daar aan
+haar kroost het eenig onderwijs, dat zij heeft ontvangen:
+onwetendheid, barschheid, verlaging, verbastering der menschelijke
+natuur.
+
+En wij, die spreken van de zedelijke verbetering des werkmans, wij
+geven zijnen kinderen zulke moeder! En wij, die schelden op den
+werkman, omdat hij zijne woning ontvlucht, omdat hij drinkt en zwiert,
+wij geven hem zulke gezellin!
+
+Ja, de reusachtige uitzetting der nijverheid is een wonderbaar en
+weldadig verschijnsel onzer eeuw; maar de denker, de menschenvriend
+zal haren onweerstaanbaren voortgang niet zonder geheimen schrik
+aanschouwen, zoolang zij de vrouw, de moeder uit den schoot des
+huisgezins wegrukt en het kind tot slaaf der stof maakt in eenen
+ouderdom, die bestemd is tot zijne vorming als mensch en als Christen.
+
+Wil men de beschaving der werkende klasse, dan moet men met de vrouw
+beginnen. Deze wet is onverbiddelijk. Heerscht de man over de
+stoffelijke wereld, van de moeder alleen hangt de zedelijke vorming
+af, en zij heerscht over den geest en het hart der wordende geslachten
+met al de macht des engels of des duivels, naarmate der verhevenheid
+of der laagheid harer ziel.
+
+De menschheid begint het te begrijpen. Uit de diepte van het algemeen
+geweten rijst een noodkreet op, eene waarschuwende stem, die roept:
+"Redt de wereld uit de zedelijke verzinking door de vrouw! Onderwijs
+voor de vrouw! Opvoeding voor de vrouw! Licht, waardigheid en
+plichtbesef in het hart der moeders van het volk! Zoo niet,
+duisternis, verbastering, onrecht en bloedige wederwraak over de
+komende wereld!"
+
+
+
+
+III
+
+
+Veel verder in de rij der gelijkvormige werkmanswoningen was er een
+huisje, dat zich onderscheidde door zijne netheid.
+
+Tot op de straat was er wit zand voor de deur gestrooid. Drie of vier
+bloempotten geurden op de vensters, achter sneeuwblanke gordijntjes.
+Op de schouwplaat prijkte een Lieve-Vrouwebeeld, tusschen twee
+pleisteren papegaaien, wier rood, geel en groen vederkleed de oogen
+aangenaam verraste. Het kleinste keukengerief, de schotels en
+koffietasschen stonden op eene kas te pronken, en glinsterden en
+schitterden, als waren zij hoogmoedig over hunne netheid. De grove
+biezenstoelen waren zonder vlekken, de withouten tafel gewasschen, de
+kachel met potlood geglimd.
+
+Even arm als de andere was deze werkmanswoning; de meest schitterende
+voorwerpen hadden slechts eenige centen gekost ... en nochtans er
+heerschte zulke bekoorlijke toon van vrede, van levenslust en van
+gemak; de lucht was er zoo zuiver en zoo aanlachend, dat men bij het
+gezicht van dit nederig huisje gereedelijk moest begrijpen, hoe een
+werkman ook zijne woning kan liefhebben evenals een rijkaard, die
+zich op zijn paleis verhoovaardigt.
+
+In de benedenkamer van het huisje zat eene vrouw bij eene lamp te
+arbeiden. Zij naaide aan een blauwen kiel; en vermits er op eenen
+stoel nog vele zulke kielen geplooid lagen, was het te vermoeden, dat
+zij voor eenen winkel werkte. Zij kon den ouderdom van achtentwintig
+of dertig jaar bereikt hebben; hare kleederen, van gemeen katoen en
+door wasschen verbleekt, waren zeer zuiver en zelfs met zekeren
+eenvoudigen zwier geschikt.
+
+Nevens haar bij de tafel, zat een achtjarig jongsken met bruin haar en
+groote, levendige oogen. Hij had een brief voor zich liggen en
+verroerde de lippen, terwijl hij met een stokje de lettergrepen
+aanwees, welke hij poogde te lezen.
+
+In eenen hoek, op een paar houten bankjes zaten twee kleine meisjes
+van drie of vier jaar. Zij speelden met poppen en vermaakten zich in
+stilte, nu en dan eens de stem verheffende om de poppen te bekijven,
+of zoet lachende onder elkaar.
+
+Sedert eene wijl scheen de jongen in verlegenheid; zijn stokje
+verroerde niet meer, hij schudde het hoofd met ongeduld.
+
+"Wat is het, Bavo?" vroeg de vrouw. "Gaat het niet goed, kind?"
+
+"Ach, moeder," zeide hij, "de meester heeft mij eene les te leeren
+gegeven, en daar is een woord in, zoo moeilijk, zoo moeilijk! Ik zweet
+er van; maar ik kan er toch niet uit. Lees gij het eens, moeder lief!"
+
+Hij naderde dichter, legde haar het boek onder de oogen en wees het
+onleesbare woord. Maar de vrouw, na eene lange poging, mompelde met
+moedeloosheid:
+
+"Zelf.... Zelfver.... Zelfverloo.... Het overige kan ik niet lezen,
+Bavo. Zijn dit ook woorden voor een kind als gij? Kom, sla dit maar
+over en vraag het morgen uwen meester."
+
+Het jongsken hield zwijgend den blik op het boek gevestigd; zijne
+leden spanden zich, zijne oogen werden starend en hij verzamelde
+zichtbaar de kracht zijns geestes.
+
+"Neen, laat af, kind," zeide de vrouw, "breek u de hersens niet
+nutteloos: het woord is te moeilijk."
+
+"Te moeilijk?" morde de kleine. "Ik moet het lezen, ik wil.... Ach,
+moeder, stil, stil; gij hebt mij geholpen, het zal gaan....
+Zelfverloo.... Zelfverlooch.... Zelfverloochening! Zie, zie, moeder
+lief, het woord is zelfverloochening!"
+
+Een kreet van bewondering ontsnapte de vrouw; zij greep haar zoontje
+in de armen en legde eenen langen kus op zijn voorhoofd. Wat haar dus
+ontroerde, was de vroegtijdige gemoedskracht en de schier mannelijke
+wil, dien zij in haren zoon meende te ontdekken. Wat droomde zij bij
+den liefderijken kus? Zij wist het niet, en evenwel dankte zij God uit
+den grond des harten.
+
+Het kind, door de teedere goedkeuring aangemoedigd, had weder zijn
+boek gegrepen; maar de vrouw, nog ontroerd, zeide hem:
+
+"Bavo lief, gij moet maar goed leeren, kind; later in het leven zult
+gij eerst begrijpen, hoe schoon en hoe nuttig het is, te kunnen lezen
+en schrijven. Iemand, die niet lezen kan, is maar een half mensch, en
+hij is veroordeeld, al ware hij zelfs met verstand geboren, om altijd
+onwetend te blijven. Gij zult meer en beter leeren dan ik, Bavo, en
+daarom zult gij gelukkiger zijn in de wereld. Ach, dat mijn Peter zoo
+vroeg is gestorven! Anders zou ik goed kunnen lezen en schrijven; maar
+er was niemand meer om mij te beschermen; ik moest naar de fabriek.
+Nog wel een beetje heb ik mij zelve geleerd; maar wanneer men moede
+gewerkt is, gaat dit niet goed. Ja, Bavo, indien iedereen kon lezen,
+zouden er zoovele slechte lieden niet zijn; want wie lezen kan,
+gevoelt, dat hij mensch is, en hij eerbiedigt zich zelven. Ongelukkig
+hebben zoo weinige werkmanskinderen de gelegenheid of de middelen om
+te leeren; de ouders, die zelven onwetend zijn, begrijpen niet, hoe
+nuttig en hoe schoon het is geleerd te zijn. Gij, mijn kind, indien
+God uwen vader de gezondheid blijft gunnen, zult veel kunnen leeren.
+Bavo, vergeet nooit, dat gij dit geluk zult verschuldigd zijn aan uwen
+vader, die van den morgen tot den avond slaaft en zweet om zijne
+kinderen in eere op te brengen, en die zelfs uit de herberg blijft en,
+om zoo te zeggen, het brood uit zijnen mond spaart, om u naar de
+school te laten gaan. Niet waar, Bavo, gij zult het nooit vergeten?
+Wat er ook in uw leven gebeure, gij zult uwen goeden vader altijd
+eerbiedigen en beminnen?"
+
+"Altijd, altijd, en u ook, moeder lief!" zei het jongsken, haar de
+wangen streelende.
+
+Op dit oogenblik werd de deur geopend, en een man trad binnen. Zijne
+kleederen, door katoen en stof bevlekt, waren versleten en schenen
+vuil in zulke zindelijke plaats. Er was iets spijtigs in zijne
+uitdrukking en hij scheen van slechte luim.
+
+Maar daar klonk het woord "vader! vader!" hem op alle tonen tegen, en
+vooraleer hij twee stappen in de kamer had gedaan, waren zijne handen
+streelend aangegrepen en fijne kinderstemmen verwelkomden hem met
+eenen vloed van zoete liefdewoorden. Bavo liep naar hem toe, een
+stukje papier boven zijn hoofd zwaaiende:
+
+"Vader, vader lief!" riep hij, "twintig goede noten! Twee kussen voor
+mij en vier centen voor mijnen spaarpot!"
+
+En onder het uitspreken dezer woorden had de jongen eenen machtigen
+sprong genomen, en hing nu aan zijns vaders hals, om de belooning
+zijner leerzaamheid te ontvangen.
+
+Intusschen was de vrouw bezig met een ammelaken op de tafel te
+spreiden en het avondeten op te zetten. Zij lachte haren man
+vriendelijk aan en sprak insgelijks menig blij woord tot welkom.
+
+"Zit neer, zit neer, Damhout," zeide zij, "gij moet eetlust hebben, en
+de aardappelen zouden welhaast koud geworden zijn. Ik heb een lekker
+pladijsje voor u gekocht, goedkoop, voor vijf centen, springende
+levend. Komt, kinderen, aan tafel, aan tafel!"
+
+Adriaan Damhout was gevoelig aan de liefdesbetuigingen zijner
+kinderen; de rimpels verdwenen van zijn voorhoofd en een stille
+glimlach verlichtte zijn gelaat. Hij gaf zijn zoontje de vier
+verschuldige centen en reikte zijn weekloon aan zijne vrouw, die,
+zonder het te bezien, het geld in haren zak liet glijden.
+
+Dan namen allen plaats aan de tafel, zoo ordelijk, zoo zuiver en zoo
+netjes geschikt, alsof die arme menschen gekozene spijzen uit
+porseleinen borden en met zilveren lepels zouden gaan eten. Het waren
+evenwel slechts gestoofde patatten, grove telloren en ijzeren vorken
+die er te zien waren, tenzij misschien het gebakken pladijsje voor
+vader, dat wel lekker geurde en te midden der tafel als een pronkstuk
+of eerder nog als een liefdesgeschenk prijkte.
+
+Allen te gelijk maakten het teeken des kruises en dankten God in
+stilte, waarna zij met waren lust begonnen te eten. Slechts toen de
+visch zou worden aangevat, werd de vrede eenigszins gestoord. Damhout
+kon het niet over zijn gemoed krijgen, de pladijs, hoe klein zij ook
+ware, geheel alleen op te eten; hij wilde het lekker gebak met zijne
+vrouw deelen; maar de vrouw bevestigde, dat het voor hem en slechts
+voor hem was gekocht. Hij zou haar door langer aandringen bedroeven.
+Alhoewel de kleinen, door de moeder geleerd, haar hielpen, eindigde
+toch de vriendelijke twist op zulke wijze, dat elk kind, een stukje
+van den visch op zijn bord kreeg en de werkman het overige met
+onbeneveld vermaak genoot.
+
+Onmiddellijk na het avondmaal werd het ammelaken geplooid, en alles
+verdween in een oogslag van de tafel.
+
+De vrouw zette zich nevens haren man en begon met hem over het werk en
+over de fabriek te spreken; de twee meisjes kropen op vaders knieën.
+Bavo stond aan zijne andere zijde met zijn boek in de hand te wachten,
+totdat zijne ouders ophielden samen te kouten.
+
+Het was een eenvoudig, doch roerend tooneel, dien werkman in zijne
+slechte en besmette kleederen, te zien zitten met die nette, lachende
+engeltjes op de knieën, tusschen eene liefderijke vrouw en eenen
+leerzamen zoon, wiens oogen met ontzag en biddend tot hem waren
+gericht.
+
+"Vader lief, mag ik eens lezen?" vroeg het jongetje eindelijk. "Wij
+hebben vandaag zulke schoone les gekregen! Ik weet niet of ik ze al
+goed ken, maar ik zal mijn best doen."
+
+"Ja, Bavo, lees uwe les eens voor vader," zeide de vrouw.
+
+De jongen opende zijn boek en las met zekere moeite en eenige
+onderbrekingen, evenwel met genoegzame duidelijkheid om verstaan te
+worden:
+
+"Kinderen, wilt gij door God gezegend zijn op aarde, eert uwen vader
+en uwe moeder. Zij hebben u lief als het licht hunner oogen; zij
+zorgen en werken voor u van den morgen tot den avond; het eenige doel
+van al hun streven, van hunnen kommer en van hunne gebeden, is uw
+geluk alleen. Bemint hen teederlijk; zijt hun onderdanig en blijft hun
+dankbaar; wordt de steun en de blijdschap hunner oude dagen, en
+beloont aldus de ouderlijke liefde, die zuivere en schier goddelijke
+zelfverloochening."
+
+Deze lezing scheen eenen ongunstigen indruk op het gemoed van Damhout
+te doen; zij herinnerde hem wat Wildenslag hem had gezegd, en gaf
+nieuwe kracht aan de vrees, welke zijn vriend nu weder voor de
+twintigste maal in hem had opgewekt. Zijn gelaat werd zeer ernstig en
+hij schudde nadenkend het hoofd.
+
+"Bavo, begrijpt gij wat gij daar hebt gelezen?" vroeg hij na eenige
+overweging.
+
+"Ja, vader lief," antwoordde het kind, "er staat, dat gij voor mij
+werkt, en ik u en moeder altijd gaarne moet zien."
+
+"Tot in onzen ouden dag, Bavo."
+
+"Ja, vader, tot in uwen ouden dag, zoolang ik leef."
+
+"En zult gij dit doen, kind?"
+
+De jongen zag zijnen vader verbaasd aan, doch zonder spreken, als
+begreep hij zijnen twijfel niet.
+
+"Het is wel," zeide Damhout, "gij zijt wijs, Bavo. Blijf zoo, en
+vergeet nimmer wat daar in uw boek geschreven staat, anders zal God u
+straffen."
+
+Er volgde eene wijl stilte; de vrouw bespiedde het gelaat van haren
+man, die nu klaarblijkend in treurige gepeinzen was verzonken.
+
+"Adriaan," murmelde zij, "wat is er toch, man lief? Gij schijnt zoo
+denkend? Ik heb het gezien toen gij binnenkwaamt: er hangt u iets in
+het hoofd. Hebt gij verdriet?"
+
+"Ik heb wel geen verdriet, Christina," antwoordde hij, "maar er is
+toch iets dat mij kwelt. De andere kameraden gaan al eens een pintje
+te zamen drinken; zij lachen en kouten en vermaken zich een beetje na
+den weeklangen arbeid. Ik zit hier altijd te huis, alsof ik buiten de
+wereld was; en de vrienden drijven den spot met mij. Misschien is het
+onverstandig, zoo zijn leven geheel op te offeren, zonder te weten,
+wat er in het einde nog zal van komen."
+
+Alhoewel deze woorden haar verrasten, haalde de vrouw een zilveren
+geldstuk uit haren zak en reikte het met eenen minzamen glimlach haren
+man toe.
+
+"Damhout lief," sprak zij, "gij moet het voor mij niet laten; daar is
+geld; hebt gij lust om een uur of eenige uren met de kameraden te
+zijn, voldoe uwe goesting. Ga, ik zal zelve plezier in mijn hart
+hebben, als ik weet, dat gij u vermaakt."
+
+Maar de man, als beschaamd over zijn gemor, dreef zachtjes hare hand
+terug.
+
+"Neen, houd het geld," zeide hij,--mijn lust is over.... Nochtans,
+Christina, dezen avond vieren de vrienden in de _Blauwe Geit_ het
+_jubilé_ van rossen Leo, omdat hij nu vijfentwintig jaren spinner is.
+Wildenslag heeft mij aangemaand om er bij tegenwoordig te zijn; ik heb
+hem beloofd, dat ik zou komen, indien het mogelijk was."
+
+"Welnu, Damhout, het is mogelijk: gij moet uwe belofte houden."
+
+"Ja, maar ik weet niet, mij dunkt, dat ik nog liever te huis zou
+blijven met de kinderen."
+
+"Neen, neen, Damhout; morgen is het Zondag; dan zijn wij van den
+morgen tot den avond te zamen. Doe mij plezier en neem dit geldstuk;
+ga naar de _Blauwe Geit_ en wees vroolijk met de vrienden. Ik zal
+tevreden en welgemoed naar u wachten; maar blijf zoolang, zoolang gij
+wilt. Ga, ga, ik bid u."
+
+Zij moest hem nog gedurende eene wijl met vriendelijk geweld aanmanen
+om op te staan. Dan vergezelde zij hem tot de deur en wenschte hem
+eenen genoeglijken avond. Zij keerde tot de tafel terug en hernam haar
+naaiwerk.
+
+Eenige oogenblikken later werd de deur zeer zachtjes geopend, en een
+klein meisje trad binnen.
+
+"Bavo, daar is Godelieve," zeide de moeder.
+
+De jongen sprong recht, liep naar het meisje, greep haar de hand en
+bracht haar bij de tafel, met groote blijdschap zeggende:
+
+"Ha, Lieveken, dat is goed, dat gij nog terugkomt. Ik ben moede
+geleerd; laat ons nog wat spelen. Willen wij winkel houden gelijk
+gisteren? Het is zoo vermakelijk."
+
+"O, neen, Bavo, laat ons school spelen!" smeekte het meisje.
+
+"Ja, ja, school spelen!" herhaalden de twee zusterkens, lachend in de
+handen kletsende.
+
+Bavo haalde eenige boekjes voor den dag, welke hij van zijne eerste
+leermaanden had gespaard; hij zette Lieveken op het eene bankje en
+zijne zusterkens op het andere, greep zijns vaders zondagsrietje en
+begon, met opgeheven hoofd en koddigen ernst, over en weder te
+wandelen, ondertusschen op verzwaarden toon roepende:
+
+"Stil, in de school, of ik zet u in den hoek! Wie zijne les niet kent,
+zal noen-overal blijven. Godelieve Wildenslag, let op! Welke letter is
+dit?--Goed. En deze? En deze?--Gij kent uwe les; gij zult eene klasse
+verhoogen. Keer het blad van uw boek om. Wat staat daar op den tweeden
+regel?"
+
+"Da, de, di, do, du, dij!" riep Lieveken.
+
+"Ja, gij kent dit van buiten, ik weet het wel; maar daar, op het
+andere blad, daar?"
+
+Het meisje deed een oneindig geweld om de aangewezene lettergreep te
+spellen, doch zij geraakte er niet uit.
+
+"Heb moed, let wel op," zei Bavo. "Die dubbele O is lang; en voeg daar
+achter nu den klank _ge_ bij, wat hebt ge dan?"
+
+"Oog, oog!" riep Lieveken met zegevierende blijdschap.
+
+"Wel zoo, mijn kind, gij zijt er," juichte de jonge schoolmeester.
+"Godelieve Wildenslag krijgt tien goede noten!"
+
+De moeder had dit tooneel glimlachende en met welgevallen afgezien.
+Zij scheen eindelijk ontroerd en zeide: "Kinderen lief, gij speelt
+daar een schoon en ernstig spel. Zoudt gij gelooven, dat Lieveken
+eindelijk nog zou leeren zonder naar de school te gaan?"
+
+De jongen en het meisje bezagen haar met verwondering.
+
+"Het is, zooals ik u zeg," bevestigde zij. "Waarom verwondert het u?
+Ziet eens, Lieveken, zonder het te weten, kent al hare letters en zij
+begint reeds te spellen. Indien Bavo zich wat moeite wilde geven, wees
+zeker, Lieveken, gij zoudt wel spoedig kunnen lezen."
+
+"Gij zegt het om te lachen, niet waar, bazin Damhout?" murmelde het
+meisje twijfelend.
+
+"Zou dit inderdaad mogelijk zijn, moeder lief?" vroeg Bavo, in wiens
+oog eene vonk van besluit glinsterde.
+
+"Mogelijk? Wel, kind, het is bijna gedaan? gij ziet het immers wel?"
+
+"Ha, ha, Lieveken, wij zullen altijd school spelen! Gij zult leeren
+lezen!"
+
+"Ik zal leeren lezen!" herhaalde Lieveken met bedwongen geestdrift.
+
+"Gij zult het leeren!" kreet Bavo. "Och, hemeltje, dat zal vermakelijk
+zijn, als wij te zamen in hetzelfde boek zullen kunnen lezen. Nu ga
+maar weder op de bank zitten, en geef acht ... of ik doe u twee groote
+lessen uit den Catechismus van buiten leeren!"
+
+Bavo speelde zijne rol van schoolmeester met verdubbelde vlijt voort.
+Alhoewel hij insgelijks nu en dan zijnen kleinen zusterkens de letters
+toonde en met geveinsd ongeduld hen terechtwees, hield hij zich toch
+meest met Lieveken bezig Hij sprak zulke diepgevoelde woorden van
+aanmoediging tot haar, en poogde met zulke ware inspanning haar te
+onderwijzen, dat het eenvoudig kinderspel in een ernstig werk, in
+eene edele liefdedaad veranderde.
+
+Het duurde zoolang, dat eindelijk de twee kleine zusterkens, hoofdje
+tegen hoofdje, op hunne bank waren in slaap gesukkeld.
+
+Dan was de school uit. De moeder ontkleedde de ingesluimerde wichtjes
+en droeg ze naar hun bed. Bavo en Lieveken keerden terug bij de tafel
+en keken daar in een klein boek met beeldekens.
+
+Terwijl bazin Damhout haar naaiwerk voortzette, spraken de twee
+kinderen in stilte met elkaar over de gelukkige hoop, dat Lieveken zou
+leeren lezen, alhoewel zij niet naar de school mocht gaan, dan weder
+over andere schoone, vroolijke dingen. Meest altijd zweefde er een
+zoete glimlach op hunne lippen; hunne oogen glinsterden van
+vriendschap en zielsgenoegen, en soms drukten zij elkander de handen.
+
+Eindelijk hoorde men eene kinderstem van buiten den naam van Godelieve
+roepen, en het meisje, na Bavo en zijne moeder eenen goeden nacht te
+hebben gewenscht, meende zich naar huis te spoeden; maar bazin Damhout
+greep eenen emmer en zeide:
+
+"Kom, Lieveken, ik moet om water naar de pomp; ik zal met u gaan."
+
+Toen zij in de kamer terugkeerde, bevond zij, dat Bavo met het hoofd
+op zijne boekjes was ingesluimerd.
+
+Zij zette zich neder, zag haar slapend zoontje eene wijl met zaligen
+blik aan, droomde van onbestemde dingen en legde eindelijk eenen
+langen, vurigen kus op het gladde voorhoofd, als geloofde de goede,
+dat een moederzoen de kiemen des verstands in de hersens van haar kind
+kan verwarmen en bevruchten. Nauwelijks had zij weder haar naaiwerk
+hernomen, of haar man trad in de kamer.
+
+"Reeds terug? Zoo spoedig?" vroeg zij verwonderd. "Gij doet het toch
+niet om mijnentwil, Adriaan? Het zou mij bedroeven."
+
+"Neen, Christina," antwoordde hij, terwijl hij zich bij de tafel
+nederzette. "Ik weet niet, ik kan in dat woeste leven geen vermaak
+meer vinden. De vrienden zijn brave jongens, dit wil ik niet
+ontkennen; maar die baldadige manieren en grove woorden stuiten mij
+tegen de borst. Het is hier in huis tusschen u en mijne kinderen toch
+beter. Denk eens, daar zijn ze nu in _de Blauwe Geit_ volop aan het
+ruziemaken. Zeker, de rosse Leo zal dezen avond nog vechten tegen Kobe
+den zandboer. Zij verwijten malkanderen zulke leelijke dingen, dat er
+de haren van te berge zouden rijzen op uw hoofd. Ik heb groote spijt,
+dat ik vandaag naar de _Blauwe Geit_ gegaan ben."
+
+"Ik geloof het, Adriaan; maar gij kondt niet weten, dat men er zou
+schelden en twisten."
+
+"Daarom is het niet: ik ben droef in mijn hart."
+
+"Hoe zoo? Is u iets geschied?"
+
+"Wildenslag heeft mij vervaard gemaakt! hij maakt mij altijd
+vervaard.... En misschien heeft hij gelijk; misschien doen wij niet
+wel met onzen Bavo boven zijne ouders te willen verheffen."
+
+"Alweder dit kwaad gepeins!"
+
+"Kwaad gepeins, Christina? Wie kan het weten? Laat onze Bavo nu jaren
+lang naar de gemeenteschool gaan en geleerd worden. Hij zal ons veel
+meer geld kosten dan een ander kind, en daarenboven nooit eenen cent in
+het huishouden brengen; en als hij groot is en geld wint, zal hij het
+in schoone kleederen steken en zich schamen over den armen
+fabriekwerker, die zijn zweet heeft gegeven, om eenen mijnheer van hem
+te maken."
+
+"Ach, hoe kunt ge toch zoo spreken, met uwe oogen op uw onnoozel
+kind?" zuchtte de moeder. "Bavo zou ondankbaar worden en zijne ouders
+miskennen? Nooit, nooit, zijn hart is enkel liefde en dankbaarheid."
+
+"Het is een goed kind, ik weet het," morde Damhout "Ze zijn altemaal
+goed, Christina, zoolang ze klein zijn; maar zoohaast ze man worden,
+gaan ze hunne eigene gangen en ze bekreunen zich om hunne ouders niet
+meer. Ja, wanneer ze een beetje verhoogd zijn in de wereld, zien ze
+wel dikwijls met kleinachting neder op degenen, die zich onvoorzichtig
+voor hen hebben opgeofferd."
+
+"Dit zal met onzen Bavo niet gebeuren, Damhout," antwoordde de vrouw,
+haar verdriet bedwingende. "Zijn hart is zuiver, ik zal hem bewaken.
+Gij vreest, dat ons kind later in de wereld een beter lot hebbe dan
+wij? Maar geschiedde het aldus, zou uw vaderhart niet van vreugde
+kloppen? Zoudt gij niet met hoogmoed zeggen, hij is mijn zoon, voor
+hem heb ik met liefde geslaafd; zijn geluk is mijn werk?"
+
+"Schoone dingen Christina; maar indien mijn zoon werkman bleef, gelijk
+ik ben, dan zou ik niet vreezen, dat hij zich later over mij zou
+kunnen schamen."
+
+"Wie zegt u toch, dat hij geen werkman worden zal? Zijn er dan geene
+werklieden, goede, uitmuntende werklieden, die kunnen lezen?"
+
+"Spinners toch niet veel."
+
+"Maar er zijn andere stielen, Adriaan. Mekaniekmakers, timmerlieden,
+schrijnwerkers en honderd andere, waarin men met geleerdheid en goed
+gedrag het tamelijk verre kan brengen."
+
+"Ziet gij wel, Christina, dat gij besloten hebt, onzen Bavo niet naar
+de fabriek te laten gaan?"
+
+"Hij zal gaan waar hij wil of waar hij kan," zeide de vrouw met
+klimmende kracht. "Wij mogen daarover niet op voorhand beslissen. Van
+zijne leerzaamheid, van onze liefde en van Gods wil hangt het af. Uwe
+vrienden verschrikken u, met u te zeggen, dat ik van Bavo eenen
+_mijnheer_ wil maken. Wat ik wil, is, dat mijn kind een mensch worde
+en niet door onwetendheid tot onmacht en eeuwige slavernij veroordeeld
+blijve. Wordt hij _mijnheer_, zooveel te beter!"
+
+"Christina, Christina," zuchtte de werkman, "indien gij wist, hoe uwe
+woorden mij bedroeven! De hoogmoed is een slecht raadsman."
+
+"Hoogmoed?" kreet de vrouw verontwaardigd. "Gelooft gij dan, dat het
+geluk mijner kinderen mij verschrikt? Ik zou geen moederhart moeten
+hebben. Ha, gij zult mij misschien niet begrijpen; maar ik zeg u,
+Damhout, dat, indien onze kinderen later van omhoog op mij konden
+nederzien, ik God zou danken, omdat Hij hen in de wereld heeft
+verheven. Schud het hoofd niet. Kon ik onzen Bavo ten prijze van mijn
+leven koning of keizer maken, ik stierve van blijdschap voor den troon
+van mijn kind!"
+
+Zij was zeer ontroerd en scheen te beven; er was iets ontzaglijks in
+hare houding en in haren blik; het moederlijk gevoel had deze nederige
+vrouw indrukwekkend en schoon gemaakt.
+
+Adriaan Damhout onderging den invloed harer geestdriftige woorden: hij
+boog het hoofd als overwonnen en bleef eene wijl zwijgend. Dan zeide
+hij:
+
+"Misschien hebt gij in den grond gelijk, Christina; maar overweeg toch
+eens met bedaardheid. Nu gaat het nog zoo erg niet; er is veel en goed
+werk. Onze andere kinderen zijn nog klein. Later zult gij misschien
+willen, dat de meisjes insgelijks naar de school gaan?"
+
+De vrouw deed een bevestigend teeken met het hoofd.
+
+"Zullen wij, zonder eenige hulp van onze kinderen, dien last wel
+kunnen blijven dragen? Het schijnt mij onmogelijk."
+
+"Ik zal een beetje meer werken, Adriaan."
+
+"Altijd werken als slaven, zich geheel opofferen gedurende gansch zijn
+leven!"
+
+"Ha, dan gevoel ik eerst, dat ik moeder ben, wanneer ik weet, dat ik
+mij opoffer voor het geluk mijner kinderen."
+
+"Goed; maar indien het werk nu eens voor lang wierd gestaakt? Indien
+een onzer ernstig ziek wierd, wat dan?"
+
+"Dan, Adriaan, dan zouden wij het schikken volgens Gods beslissing.
+Het onmogelijke kan men niet doen."
+
+"En indien het noodig was, Bavo eenig geld te doen verdienen, zoudt
+gij hem naar de fabriek laten gaan?"
+
+"Waarom niet, indien de nood het eischte?"
+
+"En wat zou dan de geleerdheid hem helpen?"
+
+
+[Illustratie: Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne
+vrouw.]
+
+
+"Wat zij hem zou helpen? Hoe kunt gij dit vragen, Adriaan? Hij zou ten
+minste mensch zijn, een uitmuntend werkman worden, bekwaam tot alles
+en, met een beetje geluk, zou hij wel zeker eens tot meesterknecht
+worden aangesteld."
+
+"Zie, Christina," zeide de man met zekere tevredenheid, "zoohaast gij
+zegt, dat gij er niet tegen zijt, dat Bavo werkman worde, ben ik
+gerust."
+
+"Nooit, Adriaan, heb ik een ander inzicht gehad; maar is het zijn lot,
+in de wereld vooruit te gaan, ik zal niet uit baatzucht zijn geluk
+beletten."
+
+Na een oogenblik stilte zeide zij met zoete minzaamheid:
+
+"Nu, lieve man, laat ons over dit alles niet bekommerd zijn. Waarom
+zouden wij door eene voorbarige vrees ons zelven verdriet aandoen,
+zoolang het ons wel gaat en wij niets te kort hebben? Komt er
+tegenspoed, dan zullen wij ons schikken volgens den nood. In alle
+geval, wat er ook gebeure, indien onze kinderen kunnen lezen en
+schrijven, zullen wij, alhoewel arme werklieden, hun toch een
+kostelijk erfdeel nalaten. Zij, die u berispen, kunnen dit niet
+zeggen. Leg de hand op uw hart, Adriaan, en gevoel, of het u niet
+hoogmoedig en gelukkig maakt, te weten, dat gij voor God en voor de
+menschen uwe vaderlijke plichten met liefde vervult. Wees vergenoegd,
+en luister niet meer naar kwaden raad van onwetende lieden. Kom,
+vriend, ik zal Bavo in mijne armen nemen. Wij gaan slapen."
+
+En Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw, die
+achter hem met haar zoontje de trap beklom.
+
+
+
+
+IV
+
+
+Sedert Bavo de overtuiging had bekomen, dat hij Lieveken zou kunnen
+leeren lezen, had hij geenen enkelen dag laten voorbijgaan, zonder
+uren lang haar in het spellen te oefenen. Er was iets wonderlijks in
+de aanhoudendheid en in de vlijt van den kleinen jongen; ja, dikwijls
+vermoeide hij Lieveken zoodanig, dat haar hoofd er duizelig van werd
+en zij om verpoozing smeekte.
+
+Buiten de goedheid des harten, die Bavo aandreef om het arme Lieveken
+deelachtig te maken aan het onderwijs, dat zijne moeder hem had leeren
+aanzien als de hoogste weldaad voor een werkmanskind, bestond er eene
+bijzondere reden van zijne drift en haast om zijne speelgenoote te
+leeren lezen. Hij wist, dat zij, zoohaast het mogelijk zou worden,
+naar de fabriek zou moeten gaan, en dan, vreesde hij, zou zij niet
+meer kunnen leeren; misschien zelfs zou hij niet meer of zeer zelden
+met haar kunnen spelen.
+
+Inderdaad, vader Wildenslag was een vijand van het onderwijs. Volgens
+zijne meening,--die, eilaas, gedeeld wordt door vele onwetende
+werklieden--zijn de kinderen slechts op de wereld om hunnen ouders
+geldelijk voordeel aan te brengen, en is alle opoffering voor hen eene
+domheid, zoohaast er middel bestaat om ze te ontwijken. Alhoewel hij
+zijne kleine Godelieve meer dan zijne andere kinderen beminde,
+verschrikte het hem, dat zij te huis met een boek op de knieën zat, en
+door hare netheid en kiesche manieren tot eene juffrouw scheen op te
+groeien. Het was, volgens zijne gedachte, een slecht voorbeeld in een
+huisgezin, waar iedereen bestemd was om, van kindsbeen af tot aan het
+graf, te werken zonder rust en zonder hoop op verbetering.
+
+Godelieve was te jong en te zwak om nu reeds naar de fabriek te gaan;
+maar er bestond in de buurt een huis, waar men den kleinen meisjes
+leerde handwerken. Daar zou zij eerlang elken dag eenige centen
+verdienen, en dit was toch alweder zooveel in het huishouden gewonnen.
+Daarenboven, zij zou gevoelen, dat zij geboren was om te werken
+evenals de anderen, en de luiheid, de _juffrouwerij_, zooals hij het
+noemde, zou den tijd niet hebben om in haar te groeien.
+
+Meer dan eens reeds had hij met zijne vrouw over zijn inzicht
+gesproken; maar moeder Wildenslag had hem telkens tot een uitstel
+overgehaald, door hem te doen begrijpen, dat Lieveken nog altijd zwak
+en kwijnend was.
+
+Deze reden ontsnapte haar evenwel na eenige maanden; want Lieveken
+scheen gezond te worden, en hare leden hadden in korten tijd zeer in
+sterkte toegenomen.
+
+Dan werd op zekeren middag het vonnis over haar geveld, en haar werd
+bekend gemaakt, dat zij des anderen daags 's morgens, te zes uren,
+naar het speldenwerkhuis zou gaan.
+
+Het meisje zou zich zonder het minste verdriet onderworpen hebben,
+want zij wist niet, wat haar in dezen nieuwen toestand wachtte; maar
+de vader deed haar de ergste zijde van haar lot begrijpen, toen hij
+haar zeide:
+
+"En dan, Godelieve, is het voor altijd gedaan met leeren lezen. Gij
+kent daarvan al veel te veel voor een arm werkmanskind. Poog het
+liever te vergeten, want anders zou het u gedachten kunnen geven, die
+u later op den doolweg zouden brengen. Geene boeken meer in huis; denk
+aan werken alleen."
+
+Godelieve ging zwijgend het huis uit en bleef bij de deur met gebogen
+hoofd staan. Lang overwoog zij. Zij zou niet meer mogen leeren! Dit
+gepeins rukte tranen uit hare oogen, en zij ging langzaam en als
+dwalend naar de woning van bazin Damhout.
+
+Zij verscheen in de kamer met het voorschoot voor de oogen. Adriaan
+Damhout was reeds terug naar zijne fabriek; maar dewijl het Donderdag
+en schoolverlof was, zat Bavo nog nevens zijne moeder bij de tafel.
+
+De jongen sprong met eenen gil van zijnen stoel op, greep het meisje
+de hand en vroeg:
+
+"Lieveken, gij krijscht? Wie heeft er u kwaad gedaan?"
+
+Maar Lieveken begon luide te snikken en scheen ontroostbaar.
+
+"Nu, Godelieve, spreek, wat is u geschied? Het zal niet erg zijn,"
+zeide moeder Damhout.
+
+"Ach, ik mag niet meer leeren lezen!" zuchtte het kind.
+
+"Hoe? Waarom? Het kan niet zijn!" morde Bavo met eene uitdrukking van
+ongeloof en tevens van opstand.
+
+"Neen, ik mag niet meer leeren lezen, nooit meer. O, Bavo, ik kan
+reeds bijna lezen, en nu moet ik geweld doen om het weder te
+vergeten!"
+
+"Wie, wie zegt dit?" kreet de jongen.
+
+"Mijn vader heeft het gezegd, en er is niets aan te doen," antwoordde
+het droeve Lieveken.
+
+"Uw vader!" herhaalde Bavo met schrik.
+
+"Ja, en morgen van te zes uren moet ik naar het kantwerkhuis, en ik
+mag nooit een boek meer in de hand nemen, dat vader het zie. Och God,
+wat ben ik ongelukkig!"
+
+Luider nog begon zij te krijschen; de tranen biggelden van tusschen
+hare vingeren.--Bavo, door medelijden ontroerd, liet het hoofd op de
+tafel vallen en begon insgelijks te weenen.
+
+Gedurende eenigen tijd deed vrouw Damhout pogingen om de kinderen te
+troosten; maar zij gelukte er niet in. Om hun eenigen moed te geven,
+beloofde zij eindelijk, dat zij moeder Wildenslag zou gaan spreken, en
+zij drukte de hoop uit, dat zij misschien het pijnlijk vonnis zou
+kunnen verbidden.
+
+Haastig schikte zij alles in de kamer, en zeide dan tot het meisje:
+
+"Zijt gij wel zeker, Lieveken, dat uwe ouders beslist hebben u naar
+het kantwerkhuis te doen?"
+
+"Zeker, bazin Damhout, reeds van morgen vroeg."
+
+"Zij weten dus niet wat een kantwerkhuis is?"
+
+"Ik geloof, dat zij het wel weten. Dit is niets, bazin Damhout; ik wil
+wel naar het kantwerkhuis gaan, ik zal er mijn best doen zooveel ik
+kan; maar dat ik niet mag leeren lezen, daarom heb ik zooveel
+verdriet."
+
+"Welnu, blijf hier; ik ga naar uwe moeder. Krijsch niet meer.
+Misschien kom ik terug met goed nieuws."
+
+Eenige oogenbliken daarna trad vrouw Damhout in de woning van
+Wildenslag.
+
+"Wel goeden dag, Christina, wat geluk u hier te zien!" riep de moeder
+van Godelieve. "Zijt gij op den wandel? Het gebeurt u niet veel. Ik
+heb daar juist koffie opgeschonken, omdat het vuur toch aan was. Wij
+gaan een lekker kopje te zamen drinken....
+
+En gij daar, vuile bengels, de deur uit, totdat ik u roepe, of anders
+zal het troef op uwen rug zijn!... Nu, zit neer, Christina, wij zijn
+alleen en kunnen op ons gemak een beetje kouten."
+
+"Het is om een beetje te kouten, dat ik gekomen ben, Lina," antwoordde
+vrouw Damhout, zich nederzettende. "Is het inderdaad waar, dat gij
+besloten hebt uwe Godelieve op het kantwerkhuis te doen?"
+
+"Het is waar, Christina. Ik hadde haar nog wel eenigen tijd te huis
+gelaten. Het kind is nog niet van de sterksten; maar mijn man houdt
+niet af, en hij heeft misschien gelijk. Hoe vroeger men de kinderen
+aan het werk gewent, hoe beter. Dan brengen zij al gauw iets of wat in
+het huishouden. Gij trekt zulk aardig gezicht, Christina? Verwondert
+het u, dat wij onze Godelieve naar het kantwerkhuis doen gaan?"
+
+"Het bedroeft mij."
+
+"Waarom toch?"
+
+"Ik ga het u zeggen, Lina; en vermits gij moeder zijt en een goed hart
+hebt, zult gij mij begrijpen, ik hoop het ten minste. Gij weet
+misschien niet wat een kantwerkhuis is? Ik weet het, ik heb er een
+paar jaren op eenen stoel genageld gezeten, en ik zou misschien daar
+eenen vroegen dood mij op den hals gehaald hebben, hadde mijn goede
+peter zaliger, God zegene hem, mij niet van daar weggenomen om mij
+naar de school te laten gaan. Ziet gij, Lina, in zulk kantwerkhuis
+zitten de arme kleine meiskens van den vroegen morgen tot den laten
+avond over een kantkussen gebogen. Men laat toe, dat de kinderen een
+oogenblik ademhalen. Nooit opzien, nooit verroeren; altijd werken met
+gekromde leden en verpletterde borst. Dit eeuwig zitten maakt de
+kinderen bleek en ziekelijk; velen groeien er krom van, eenigen
+krijgen een bult, en het ergste van al is, dat, met hun zoo langzaam
+de borst in te drukken, men dien ongelukkigen kinderen de tering in
+het lijf steekt. Och, wist gij, Lina, hoevele jonge vrouwen er
+begraven worden, die in het kantwerkhuis den doodelijken knak gekregen
+hebben!"
+
+"Hemel, gij verschrikt mij!" zuchtte bazin Wildenslag. "Maar het is
+zeker niet waar, wat gij daar altemaal zegt!"
+
+"Het is ten minste grootendeels waar, Lina. Ik weet het, er zijn
+sterke kinderen, die wel niet ziek worden, omdat zij op het
+kantwerkhuis zijn geweest; maar had ik een kind, dat zoolang ziek was
+als Godelieve, ik zou het niet durven wagen hare gezondheid te krenken
+en misschien de schuld te worden des doods van mijn kind. Ik ben
+moeder...."
+
+"Maar ik ook, ik ben moeder!" kreet bazin Wildenslag.
+
+"Ik weet het, Lina," was het stille antwoord. "Had ik kunnen twijfelen
+aan uwe liefde voor uwe kinderen, gij zoudt mij vandaag hier niet
+gezien hebben. Godelieve is mij komen zeggen, dat gij besloten hebt
+ze morgen naar het kantwerkhuis te doen gaan. Mij raakt de zaak wel
+niet persoonlijk; maar gij zult het mij vergeven, dat ik uw kind
+gaarne zie. Zij is toch zoo minzaam en zoo verstandig, en zij heeft
+zulk goed en zuiver hart. Het doet mij pijn, te moeten denken, dat het
+arme lam misschien de borst zal worden ingedrukt, om vroegtijdig te
+sterven."
+
+"Maar, Christina, zij gaat niet naar het kantwerkhuis!" riep vrouw
+Wildenslag met eene soort van verontwaardiging. "Ik ben arm, ik ben
+eene onwetende sloor, dit beken ik; maar ik heb ook een moederhart in
+het lijf; ik zal mijn kind de borst niet laten indrukken, al gave men
+mij eenen hoop goud!"
+
+"Dit vereert u in mijne oogen, Lina," zeide bazin Damhout, "dat gij uw
+arm Godelieveken zoo oprecht bemint ... maar uw man?"
+
+"Mijn man? Wat heeft hij zich daarmede te bemoeien? Godelieve is een
+meisje, en over de meisjes is de moeder alleen meesteres. Dat hij met
+zijne bengels van jongens doe wat hij wil; ik kom daar ook niet
+tusschen. Wees niet bevreesd, Christina; al verroerde hij hemel en
+aarde, onze Lieveken zou toch niet naar het kantwerkhuis gaan. Het is
+beslist; ik kan niet weten, of gij geheel gelijk hebt, maar met den
+schrik, dien gij mij hebt aangejaagd, zou ik nog niet plooien, al
+stond ik voor den koning zelven."
+
+De beide moeders drukten elkander de handen; bazin Wildenslag scheen
+zeer gevleid door den lof en de vriendschap harer buurvrouw, en het
+was met onverborgene blijdschap, dat zij haar aandreef om nog een
+kopje koffie te drinken. Eindelijk zeide zij in gedachten:
+
+"Zeker, Godelieve gaat niet naar het kantwerkhuis; maar zij kan toch
+niet langs de straat blijven loopen? Haar vader knort dagelijks
+daartegen, en hij heeft geen ongelijk. Zij is nog te jong om naar de
+fabriek te gaan. Wat zou ik met het kind doen, Christina?"
+
+"Indien ik u eenen goeden raad mocht geven...."
+
+"Wel, het is naar goeden raad, dat ik u vraag."
+
+"In uwe plaats liet ik Godelieve voor een paar jaren naar de school
+gaan."
+
+"Naar de school gaan? Ons Lieveken naar de school? Waar zijn toch uwe
+zinnen, Christina?" riep vrouw Wildenslag als verbaasd. "Hebben wij,
+arme fabriekwerkers, de middelen, om van ons kind eene juffrouw te
+maken, die niet meer zou willen en kunnen werken?"
+
+"Gij verstaat mij niet, Lina," bemerkte vrouw Damhout. "Lieveken kan,
+om zoo te zeggen, reeds lezen. Indien ze nu nog twee jaren naar de
+school gaat, zou ze geleerd zijn en goed kunnen schrijven en rekenen.
+Dan deed ik ze bij eene kleermaakster of op een modewinkel. Zij zou
+dienvolgens ook leeren werken, maar zij zou niet onwederroepelijk
+veroordeeld blijven, om tot het einde van haar leven eenvoudige
+werkster en dienstmeid van anderen te blijven. Met hare geleerdheid
+zou zij zeker winkeldochter worden, en later zou ze zonder twijfel
+zelve eenen winkel oprichten en meesteresse worden. Het verwondert u?
+De geleerdheid, Lina, maakt den mensch tot alles bekwaam. Voor ons,
+onwetende werklieden, is er geene verbetering mogelijk; wat wij zijn,
+moeten wij blijven tot onzen dood; maar geven wij onzen kinderen de
+geleerdheid, dan zetten wij de wereld geheel open voor hen, en wij
+nemen van hun hoofd de vermaledijding weg, de onwetendheid, die hen
+veroordeelde tot een leven zonder hoop."
+
+Bazin Wildenslag luisterde met wijdgeopende oogen; zij scheen niet wel
+te begrijpen, wat hare buurvrouw zeide.
+
+"Vooronderstel nu eens, Lina," hernam deze, "dat uwe Godelieve
+winkeldochter worde, en later zelve meesteresse; dat zij veel geld
+winne en als eene ware juffrouw gekleed ga. Zou u dit bedroeven? Is
+het geluk van haar kind de hoogste vreugde eener moeder niet?"
+
+"Inderdaad, Christina."
+
+"En indien gij, met de hand op het hart, u zelve mocht zeggen, dat
+gij, gij alleen de oorzaak zijt van hare welvaart in de wereld, zou
+het u niet hoogmoedig maken?"
+
+"Ja, maar zou zij dan hare arme ouders wel blijven beminnen?"
+
+"Waarom niet? Is de dankbaarheid dan vijandin van de liefde?
+Integendeel, ik ben wel zeker, dat Godelieve nooit uwe weldaad zou
+vergeten en tot op haren ouden dag nog in zich zelve zou zeggen: mijn
+geluk, mijne welvaart ben ik verschuldigd aan mijne moeder. Uwen naam
+zou zij zegenen, haar leven lang, en zij zou God bidden, dat Hij u in
+Zijnen schoonen hemel beloone voor uwe goedheid."
+
+Vrouw Wildenslag was getroffen; hare oogen schenen vochtig van
+ontroering.
+
+"En dan, ziet gij, Lina, de verstandige lieden zouden u achten en
+prijzen. Zij zouden zeggen: die juffrouw, de meesteresse van dien
+schoonen modewinkel, is de dochter van bazin Wildenslag. De arme
+werkmansvrouw heeft moed getoond; zij heeft hare dochter laten leeren
+en dus haar geluk in de wereld verzekerd."
+
+"Het is wel schoon wat gij daar zegt," zuchtte de moeder van
+Godelieve, "maar zoo valt het niet altijd uit."
+
+"En ware de zaak onzeker, zoudt gij daarom Lieveken tot eeuwige
+armoede veroordeelen, als gij het middel kent om haar een beter lot te
+bezorgen? Zijt gij niet moeder, en zou de overtuiging, dat gij uwen
+plicht hebt gedaan, u niet hoogmoedig en blijde maken voor gansch uw
+leven?"
+
+"Naar de school gaan, het is gemakkelijk te zeggen," mompelde vrouw
+Wildenslag, het hoofd schuddende, "maar het geld, de kosten?"
+
+"Daar loopen geene kosten op, Lina. Bij de Zusters-ten-Nonnenbosch,
+achter St.-Anna-Kerke, zal men uw kind met vreugde ontvangen en het
+kosteloos leeren, zoolang gij wilt. Wat zijn die twee jaren? Lieveken
+kan toch niets winnen, en, eens geleerd, zal zij zooveel te spoediger
+bekwaam zijn om een schoon dagloon te verdienen. Wees zeker, indien
+gij mijnen raad volgt, zult gij er mij later om bedanken."
+
+Moeder Wildenslag boog het hoofd en zag zwijgend ten gronde.
+
+"Welnu, wat denkt gij van mijnen raad?" vroeg hare buurvrouw.
+
+"Laat mij overwegen; het is eene gewichtige zaak. Ja, ik ben moeder,
+en het geluk van mijn kind...."
+
+Eensklaps sprong zij recht, liep tot eene kas, drukte zich eene
+zuivere muts op het hoofd en wierp zich eenen katoenen mantel over de
+schouders.
+
+"Kom, Christina," riep zij, "ga mede met mij!"
+
+"Maar wat wilt gij doen?" vroeg bazin Damhout verwonderd.
+
+"Wat ik wil doen? Ik heb nu een goed gepeins, en ik ben vervaard, dat
+het zou kunnen veranderen. Zóó ben ik. Het moet maar seffens gedaan
+worden, anders komt het er niet van. Wij gaan naar de Zusters, om te
+zien, of zij mijne Godelieve op hunne school willen toelaten."
+
+"Moet gij niet eerst uwen man daarover raadplegen?"
+
+"Denk daar niet aan. Van een beetje lawijd en eenen avond gegrom zal
+ik niet ziek worden. Lieveken is mijn kind, en als de zaak eens
+afgedaan en geklonken is, zal haar vader zooveel te gemakkelijker te
+overwinnen zijn. Kom, kom, geen tijd verloren. Gij kunt schoon en
+beleefd spreken, Christina, doe gij het woord bij de Zusters, dan
+geraken wij seffens klaar, indien het mogelijk is."
+
+De beide vrouwen verlieten het huis en verdwenen onmiddellijk achter
+den hoek der stege.
+
+Intusschen wachtten Bavo en Lieveken met koortsig ongeduld op de
+terugkomst van vrouw Damhout. In het eerst hadden zij elkander
+getroost met de hoop op goed nieuws; maar dewijl Bavo's moeder zoolang
+weg bleef, ontzonk hun eindelijk de moed geheel.
+
+Nu zaten zij sedert een half uur zwijgend te treuren, toen eensklaps
+de deur werd geopend en zij hunne moeders zagen verschijnen. Bevend
+sprongen gij recht; hoop en vrees glinsterden in hunne wijdgeopende
+oogen.
+
+"Godelieve," zeide bazin Wildenslag met groote blijdschap, "gij moet
+niet naar het kantwerkhuis! Morgen gaat gij naar de school, bij de
+Zusters-ten-Nonnenbosch, en gij zult mogen leeren gelijk Bavo!"
+
+Een blijde kreet ontsnapte het gelukkige Lieveken; zij omhelsde hare
+moeder en vrouw Damhout; zij greep Bavo bij de handen en danste
+juichend met hem de kamer rond.
+
+"Ik mag naar de school gaan, ik mag leeren, gelijk gij, Bavo!" riep
+zij, in de handen kletsend. "Hoe goed, hoe schoon!"
+
+En zij stortte zich vermoeid tegen de borst harer moeder, streelde
+haar de wangen met de beide handen en stamelde op den toon eener
+diepgevoelde dankbaarheid:
+
+"Ach, moeder lief, ach, moeder lief, wat zijt gij goed voor uw arm
+Lieveken. O, wat zie ik u gaarne! Wat zal ik u altijd gaarne zien,
+mijn geheel leven lang!"
+
+Bazin Wildenslag veegde zich eenen traan uit de oogen. Zulke
+moederlijke fierheid, zulke zuivere, innige blijdschap had ze nog
+nooit gevoeld. Het scheen haar, dat er iets in hare natuur was
+veredeld geworden: zij had ten minste dit besef van eigene
+waardigheid, dat als eerste belooning van eenen grooten vervulden
+plicht in den mensch ontstaat.
+
+"Kom, Lieveken," zeide zij, "laat ons naar huis gaan. Ik moet eens
+goed al uwe kleederen nazien en u een nieuw paar schoenen koopen. De
+kinderen op de school zijn altemaal zoo netjes, en ik wil niet, dat
+daar iets op mijne kap te zeggen valle."
+
+In het uitgaan drukte zij met bijzondere kracht de hand van vrouw
+Damhout, en zeide tot allen groet:
+
+"Dank, dank!"
+
+
+
+
+V
+
+
+Lieveken was ter schole bij de Zusters. Hoe fier en hoe gelukkig
+gevoelde zich het arme kind, wanneer zij, met hare leerboekjes en hare
+schalie in de hand, door de stege stapte! Nu zou zij het onderwijs
+genieten evenals Bavo. Zij was dus een bevoorrecht wezen tusschen al
+deze arme werkmanskinderen, die niet mochten ter schole gaan. De
+overtuiging, dat zij het voorwerp was van eene onverwachte en
+bijzondere gunst, dreef haar aan tot eene ongewone vlijt. Elken avond
+herhaalde zij hare lessen met Bavo. Dewijl zij eenen helderen geest en
+een sterk geheugen had, deed zij met dit dubbel onderwijs in min dan
+een jaar zulke groote vorderingen, dat hare leermeesteressen zelven er
+over verwonderden. Daarenboven, zij was zoo gehoorzaam, zoo dankbaar,
+zoo streelend, dat de Zusters haar met eene bijzondere voorliefde
+behandelden, en allengs trotsch werden over de verrassende vruchten
+van hun onderwijs in dit arme werkmanskind.
+
+Vader Wildenslag had nooit rechtzinnig toegestemd om zijn meisje ter
+schole te laten gaan. Hij gromde nog immer tegen deze gevaarlijke
+gekheid, zooals hij het noemde; en wanneer hij met zijne vrouw er
+over sprak, vielen er vele grammoedige en bittere woorden. Het was
+zijne ingewortelde gedachte, dat het onderwijs een werkmanskind
+onfeilbaar moet verloren leiden; want volgens hem sproten uit de
+geleerdheid de zucht naar schoone kleederen, hoovaardij en vele ergere
+dingen. Het minste kwaad was nog, dat de kinderen, welke dus boven
+hunnen staat verheven worden, eindelijk van hoogmoed op hunne ouders
+nederzien. Daarenboven, terwijl ze leeren, winnen ze niets, en dit is
+zooveel ontstolen aan de ouders, die recht hebben op het werkloon
+hunner kinderen. Hij was niet alleen van dit gevoelen; zijne vrouw
+mocht het vragen aan al hare geburen; buiten bazin Damhout zou geen
+enkele anders spreken. In het eerst had hij, door zijne herhaalde
+aanvechtingen en bovenal door zijne droeve voorspellingen, zijne vrouw
+in twijfel gebracht; maar nu waren allengs zijne woorden onmachtig op
+haar geworden.
+
+Lieveken woonde dikwijls de samenspraken bij, waarin er over haar lot
+werd getwist: zij hoorde en zag bevend, hoe hare moeder haar
+verdedigde en hoe zij te lijden had om haar op de school te houden.
+Het kind wist zulke zoete woorden, zulke teedere streelingen te vinden
+om hare moeder te troosten; zij drukte hare dankbaarheid met zooveel
+gevoel en kracht uit, dat bazin Wildenslag soms haar beminlijk
+Lieveken tegen de borst drukte en diep ontroerd haar omhelsde.
+
+Uit erkentenis voor hare moeder, poogde Lieveken zich op alle wijze
+nuttig te maken. Zij stond op met het krieken van den dag, schikte,
+kuischte en schuurde, en deed zooveel, dat het huisje van Jan
+Wildenslag allengs een min onzindelijk aanzien kreeg. Zij sprak
+tevens met hare moeder over hetgeen zij op de schole leerde en over de
+schoone lessen van zedelijkheid en van wellevendheid, welke de Zusters
+haar gaven. Zoo begon het kind, zonder het te weten, de opvoeding
+harer moeder, en het wierp in haar hoofd de eerste lichtstralen, welke
+er ooit waren in doorgedrongen.
+
+Bazin Wildenslag, hoe woest en onwetend ook, had een goed hart en veel
+gezonde rede. Wanneer zij alleen was met Lieveken en zij het kind zoo
+eenvoudig en toch zoo schoon hoorde spreken van haar onbekende dingen,
+van godsvrucht, van zedelijkheid en van de menschelijke plichten,
+gevoelde zij zich in eene andere lucht, en het scheen haar, dat hare
+eigene natuur door de aanraking van haar kind zich verhief en zich
+louterde.
+
+Ook zeide zij soms tot hare buurvrouw: "Zie, bazin Damhout, wij, arme
+lieden, wij denken, dat wij dom en slecht zijn. Het is niet waar. Het
+goede steekt er in, maar niemand heeft het er doen uitkomen. Hadden
+mijne ouders mij beter opgebracht en mij laten leeren, ik zou een
+ander mensch geworden zijn; want nu gevoel ik het wel, ik ben zoo bot
+niet als ik zelve het meende. Ware het nog te herdoen! Maar het is te
+laat, gebuurvrouw. Ik heb nu toch het geluk, te weten, dat mijne
+Godelieve goed zal geleerd worden. Zij is een engeltje in mijn huis;
+en mijn man mag mij vervaard maken zooveel hij wil, ik ben zeker dat
+ik plezier in mijn kind zal hebben zoolang ik leef. Wat hare broeders
+en zusters betreft, kleinen en grooten, daar is niets goeds van te
+verwachten. Zij staan tegen mij op, alsof ik geboren ware om hunne
+slavin en hunne dienstmeid te zijn. Ik heb al moeite gedaan om de
+kleinste naar de school te krijgen; maar Wildenslag springt vijf voet
+hoog van gramschap, zoohaast ik daarvan spreek."
+
+Misschien had de tevredenheid van vrouw Wildenslag nog eene andere
+reden. Zij was naar de school van Lieveken gegaan. De Zusters hadden
+haar met eene bijzondere beleefdheid en met eene zichtbare blijdschap
+ontvangen; haar de wonderlijke vorderingen van haar kind geroemd; haar
+hoog geprezen, omdat zij, nederige werkmansvrouw, haar kind liet
+leeren, en haar eindelijk, tot overmaat van vriendelijkheid, op eene
+lekkere koffie onthaald.
+
+Natuurlijk, zulk eerbewijs en de uitbundige lof over haar zelve en
+over haar kind hadden haar het hoofd duizelig gemaakt, en zij was uit
+de school teruggekeerd met het vaste opvat, Godelieve zoolang mogelijk
+te laten leeren.
+
+Daaruit volgde, dat, als de twee jaren verloopen waren, zij allerlei
+listen uitvond en zelfs openlijk tegen haren man in opstand kwam, om
+haar meisje nog eenige maanden langer op de school te laten.
+
+Alles was echter geene vreugde in het leven van Lieveken. Hare
+broeders en zusters, waarvan er reeds drie op de fabriek werkten,
+hadden voor haar eene soort van haat opgevat. Het scheen hun eene
+schreeuwende onrechtvaardigheid, dat Godelieve, zonder geld in huis te
+brengen, in luiheid mocht leven.--Onrechtvaardigheid vanwege de ouders
+was het zeker, dat zij al hunne kinderen niet hadden laten leeren;
+maar zoo verstonden de woestaards het niet. Op Lieveken alleen meenden
+zij zich te moeten wreken. Zij noemden haar spottenderwijze de
+_Mammezel_, scholden haar uit voor eene leegloopster, eene
+opvreetster, mishandelden haar, bevuilden of scheurden hare boeken en
+schenen eene samenspanning te hebben aangegaan om het arme meisje te
+bedroeven en te plagen.
+
+Godelieve verdroeg alles met een engelachtig geduld; slechts wanneer
+men hare schrijfboeken bemorste of beschadigde, weende zij in stilte,
+omdat zij vreesde in de school door de Zusters te worden bekeven.
+
+Elken dag, zoohaast het avondmaal was geëindigd, ging zij met hare
+boeken naar het huis van bazin Damhout. Daar las en schreef zij aan de
+zijde van Bavo, ontving zijne terechtwijzingen en zijne lessen met een
+liefderijk gemoed, en speelde dan nog wat, en koutte misschien met
+haren jongen vriend van hetgeen zij beiden meenden of hoopten later in
+de wereld te zullen worden.
+
+Bazin Damhout arbeidde zonder ophouden aan het naaien van kielen of
+van ander lijnwaden kleedergoed. Dewijl haar oudste meisje nu
+insgelijks naar de school ging, moest zij pogen wat meer geld te
+winnen, om haren man niet te laten gevoelen, dat het onderwijs der
+kinderen, ofschoon kosteloos, toch wel eenige opoffering vergde.
+
+Niet zelden wanneer Adriaan Damhout in gezelschap van Jan Wildenslag
+was geweest, keerde hij naar huis met een versomberd gelaat, en dan
+ontsnapten hem treurige bemerkingen, die genoeg lieten blijken, dat
+hij nog altijd ongerust was aangaande de gevolgen der al te hooge
+opvoeding, welke zijne vrouw aan hare kinderen gaf.
+
+Misschien dat de arme moeder niet geheel zonder vrees of twijfel was;
+want zij hield niet op van Bavo en Lieveken, onder alle vormen en bij
+elke gelegenheid, de dankbaarheid en de liefde tot hunne ouders als
+eenen heiligen plicht aan te prijzen. Alsof zij, door eene geheime
+inspraak harer ziel, gevoelde, dat geleerdheid niet voldoende is om
+alleen den mensch te vormen, legde zij met eene teedere oplettendheid
+in het hart van haren zoon en in het hart van Lieveken de kiemen van
+het diepste plichtgevoel en van de zuiverste deugden neder.
+
+Zij was sedert jaren gewend aan de tegenwoordigheid der kleine
+Godelieve; nu vond zij haar geluk in de zoete vriendschap der kinderen
+voor elkander en in hunne ijverige leerzaamheid. Zij aanschouwde
+eenigszins het goede meisje als haar eigen kind. Was zij de oorzaak
+niet, dat zij naar de schole ging? En gaf deze weldaad haar het recht
+niet om Godelieve uitzonderlijk te beminnen?
+
+Het meisje erkende hare liefde niet alleen door eene groote
+dankbaarheid, maar tevens door een gevoel van diepen eerbied en van
+ontzag, dat zij zelfs op Bavo overdroeg; want alhoewel zij aan zijne
+zijde leefde als zijne zuster en zijne gelijke, bleef hij in hare
+oogen altijd een waardiger wezen, wiens vriendschap en wiens
+edelmoedige bescherming zij onverdiend genoot.
+
+Eindelijk toen Godelieve bijna gedurende drie jaar had ter schole
+gegaan, kon hare moeder het niet langer tegen haren man volhouden, en
+er werd beslist, dat het meisje met het begin der volgende week het
+gesticht der Zusters zou verlaten.
+
+Wildenslag meende, dat men haar onmiddellijk op de fabriek moest doen;
+zij zou er seffens eenige stuivers elken dag winnen, terwijl zij, om
+een handwerk te leeren, misschien nog wel gedurende twee jaar met
+eenen of twee stuivers per week zou naar huis komen. Al die
+geldverkwisting, beweerde hij, had geen ander gevolg dan eene pint
+bier en een brok vleesch uit zijnen mond en uit den mond harer
+broeders en zusters te rooven. Het kwetste hem daarenboven, dat zijne
+dochter op eenen juffrouwenstiel ging en niet fabriekwerkster bleef
+gelijk hare ouders.
+
+Daarover echter behaalde hij geen gelijk. In den geest van vrouw
+Wildenslag was de toekomst van Godelieve afgebakend zooals Bavo's
+moeder ze haar had voorspeld. Zij zou kleermaakster worden,
+winkeldochter en eindelijk meesteresse; daar was niets aan te doen,
+haar man mocht er tegen grollen en grimmen zooveel hij wilde.
+
+Toen Lieveken met het onverwachte nieuws bij Bavo kwam en zeide, dat
+zij hare school ging verlaten, was er eerst verrassing en dan stille
+treurnis. De kinderen wisten niets daartegen in te brengen en
+onderwierpen zich; maar hunne oogen, wanneer zij elkanders blikken
+ontmoetten, waren klagend, en uit Lievekens boezem ontsnapte nu en dan
+een zucht. Het was zoo goed voor haar bij de Zusters; zij was er zoo
+bemind geweest en zij droeg haren leermeesteressen zooveel dankbare
+genegenheid toe. Hare goede weldoensters voor altijd vaarwel te
+zeggen, viel haar hart bitter en wreed. Maar het kon niet anders: zij
+was arm in de wereld en moest een ambacht leeren, dit wist zij wel.
+
+Bazin Damhout zeide aan hare buurvrouw, dat zij niet mocht nalaten de
+Zusters van hare beslissing te verwittigen, en bij deze gelegenheid
+hen duizendmaal en uit den grond des harten moest bedanken voor hunne
+goedheid.
+
+Daar Lina reeds eens in het gesticht met bijzondere vriendelijkheid
+was onthaald geworden, volgde zij den raad harer buurvrouw.
+
+Wie het meest verrast en bedroefd schenen bij de onverwachte
+aankondiging, waren de Zusters. Godelieve was eene leerlinge, op welke
+zij niet alleenlijk trotsch waren, maar zij hadden allen het meisje
+bijzonder lief om hare voorbeeldige zedigheid en ijver, en meer nog
+misschien om hare aandoenlijke dankbaarheid. Daarenboven, Godelieve
+was hun reeds sedert eenige maanden behulpzaam geweest om de kleinste
+meisjes te leeren spellen.
+
+Nadat de Zusters de redenen van bazin Wildenslag hadden gehoord,
+staken zij de hoofden bijeen en spraken eenigen tijd in stilte met
+elkander.
+
+Dan zeide de oudste:
+
+"Vrouw, het zou ons pijn doen, onze beste leerlinge nu reeds te moeten
+verliezen. Wij waren fier op haar, en hadden ze wel gaarne nog een
+jaar behouden, om te doen zien waartoe wij bekwaam zijn, als onze
+lessen in eenen goeden grond vallen. Zoudt gij ze niet nog een beetje
+op onze school kunnen laten?"
+
+
+[Illustratie: Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad
+papier uit.]
+
+
+"Onmogelijk, Zuster," antwoordde bazin Wildenslag met eenen zucht. "Ik
+wenschte het ook wel. Vermits ik slechts één kind heb, dat heeft mogen
+naar de school gaan, zou ik ze willen laten leeren zoolang ze kan;
+maar mijn man is niet meer te stillen. Wij kunnen zóó niet leven. De
+kinderen kosten geld. Ik heb er niet minder dan zes; en, gelooft mij
+of niet, ze eten ons waarlijk het haar van het hoofd. Als de
+kinderen hunnen eigen kost niet verdienden, zoohaast ze groot genoeg
+zijn, dan moeten al de menschen van onze soort naar de armen."
+
+"En wanneer denkt gij, dat Godelieve, met den kleermakersstiel te
+leeren, haren kost zou beginnen te verdienen?"
+
+"Niet spoedig, Zusters, ik weet het wel: binnen twee jaar misschien,
+zoo allengskens."
+
+"Welnu, wij willen u een goed voorstel doen. Laat Godelieveken nog
+naar de school komen. Zij zal hier het noenmaal en het avondmaal
+genieten, en zelfs het ontbijt, indien gij wilt. Wij zullen eene
+bijzondere zorg aanwenden om haar goed te leeren naaien. En zoohaast
+zij dertien of veertien jaar bereikt en wel onderwezen is, zullen wij
+zelven haar op eenen winkel doen, bij eene meesteresse, die haar zal
+beschermen en bevorderen. Zij zal dus den verloren tijd ruimschoots
+inwinnen. Bevalt u dit voorstel?"
+
+"Ach, menschen lief, wat zijt gij toch goed voor mijn arm kind!" riep
+moeder Wildenslag met de tranen in de oogen. "Dat God u beloone voor
+uwe liefdadigheid. Ja, ja, zeker, ik neem uw edelmoedig voorstel aan
+uit gansch mijn hart."
+
+Zoo bleef Godelieve, ondanks de tegenwerpingen haars vaders, op de
+school der Zusters.
+
+Wat Bavo betreft, het is onnoodig te bevestigen, dat hij op de
+gemeenteschool insgelijks zich onder al zijne medeleerlingen
+onderscheidde. Hij was in geleerdheid oneindig verder dan Lieveken;
+hij had een schoon geschrift, was zeer geoefend in het rekenen en had
+reeds eenige vorderingen in de Fransche taal gedaan. Zijne meesters
+hadden hun genoegen in zijn helder begrijp en in zijne leerzaamheid,
+en roemden op zijnen spoedigen voortgang.
+
+Daar zijne ouders hem voor den stiel van mekaniekmaker of van
+timmerman bestemden, woonde hij sedert anderhalfjaar de lessen der
+teeken-academie bij, en alles liet vermoeden, dat hij ook in dit
+nieuwe vak behendig worden zou.
+
+Met al deze bezigheden, en alhoewel hij nu slechts te acht uren des
+avonds naar huis kwam, vond hij nog tijds genoeg om spelenderwijze
+Lieveken voort te helpen in hare eerste studie der Fransche taal,
+welke zij op hare school nu insgelijks had begonnen te leeren.
+
+Een gansch jaar verliep er dus, zonder dat eenige tegenspoed het
+stille geluk van bazin Damhout en van beide kinderen kwam storen. Een
+enkel voorval--indien men het voorval mag heeten--was van aard om
+aangeteekent te worden in hunne herinnering.
+
+Bavo had sedert eenigen tijd eene zonderlinge strekking tot
+eenzaamheid getoond. Reeds tweemaal, wanneer zijne ouders des Zondags
+volgens gewoonte hem mede wilden nemen op de wandeling, was hij alleen
+te huis gebleven, onder voorwendsel dat hij veel schoolwerk had af te
+maken. Zijne moeder had hem eens verrast, terwijl hij met angstige
+haast iets voor haar verborg.
+
+Wat mocht hem dus bezighouden? Hij wilde het niet zeggen; hij ontweek
+alle uitleggingen daarover, en bazin Damhout was niet zonder kommer,
+alhoewel zij niet juist wist wat zij vreesde.
+
+Op zekeren avond kwam Bavo te huis van de school; hij scheen uitermate
+blijde, liep van den eenen kant der kamer naar den anderen met
+zichtbaar ongeduld en deed niets dan in zich zelven zeggen:
+
+"Is Lieveken nog niet gekomen? Waar blijft toch Lieveken? Indien zij
+eens dezen avond niet kwame!"
+
+En als bazin Damhout hem vroeg, wat hem zoo aanjaagde, antwoordde hij
+lachende:
+
+"Gij zult het straks zien, moeder lief, en dan zult gij weten, wat ik
+voor u hield verborgen."
+
+"Ha, ha, daar is Lieveken!" riep hij uit.
+
+Het meisje aanschouwde hem verbaasd en keek rond om te raden, wat hem
+zoo vroolijk maakte.
+
+"Welken dag van het jaar zijn wij?" vroeg hij haar.
+
+"Ik weet het niet," stamelde zij. "In de maand Juli...."
+
+"Welnu, zie eens in dezen almanak, daar op den zesden der maand, welke
+heilige staat daar?"
+
+"Sinte-Godelieve!" zeide het meisje met verwondering.
+
+"Ja, Godelieve, het is uw dag," juichte hij. "Ik ga u besteken; ik heb
+een geschenk voor u. Eene maand lang heb ik in het geheim er aan
+gewerkt. Gij moogt er niet mede lachen en moeder ook niet. Ik heb
+gedaan wat ik kon."
+
+Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit, legde
+dit op de tafel en riep:
+
+"Zie, Lieveken, zie, moeder, daar is mijn geschenk!"
+
+Op het blad papier stonden de beelden van twee kinderen, met waterverf
+gekleurd, een jongen en een meisje, hand aan hand, en houdende elk in
+de hand, die hun vrij bleef, een open boek. Er was een breede,
+driekleurige band rondgeschilderd, en deze bonte verven gaven het
+eenen grooten glans. Ongetwijfeld had Bavo geweld gedaan om zijne
+eigene beeltenis en die van Lieveken na te bootsen; de kleederen
+geleken klaarblijkend; maar het geheel was een zoo gebrekkig en grof
+kinderwerk, dat men moeilijk het inzicht des makers hadde kunnen
+raden, indien hij niet onder de beelden in groote letteren hadde
+geschreven: BAVO EN LIEVEKEN.
+
+Verrast en schier droef, omdat het kleine meisje beweegloos bleef en
+niet juichte, zeide hij beschaamd:
+
+"Ja, Godelieve, het is niet goed, ik weet het wel. Ik heb het gemaakt
+om te lachen; het is eene gedenkenis van dat wij te zamen hebben
+leeren lezen."
+
+Godelieve boog het hoofd en begon in stilte te weenen; de tranen
+rolden als parelen uit hare oogen.
+
+"Wat is dit?" murmelde de verbaasde jongen. "Waarom weent gij nu?"
+
+"Ik weet het niet," was het antwoord, "omdat gij zoo goed voor mij
+zijt."
+
+"Kom, kom, het is maar spel," riep Bavo. "Hadde ik geweten, dat het
+beeldeken u moest bedroeven, ik hadde het aan stukken gescheurd."
+
+"Ho, aan stukken scheuren!" gilde Lieveken met schrik. "Doe dit niet!
+Geef het mij, als 't u belieft!"
+
+"Wel, het is voor u, Lieveken, dat ik het heb gemaakt."
+
+"Wees gedankt, Bavo; ik zal de gedenkenis uwer vriendschap zoo
+zorgvuldig bewaren!"
+
+Zij greep het blad papier van de tafel en, als verschrikte haar de
+gedachte, dat het schoon geschilderd beeld haar nog kon worden
+ontnomen, liep zij er mede de deur uit, roepende dat zij het hare
+moeder wilde toonen.
+
+
+
+
+VI
+
+
+Eindelijk was de tijd gekomen, dat Bavo de gemeenteschool zou
+verlaten, om als leerjongen op een werkhuis van mekaniekmakers te
+gaan. Hij was meer dan veertien jaar, en zijne opvoeding was
+voltrokken.
+
+Toen de onderwijzer van dit besluit kennis gegeven was, kwam hij zelf
+in de woning van Damhout, om den ouders van zijnen leerling te
+verzoeken en aan te raden, hunnen zoon nog op de school te laten, ten
+minste tot de aanstaande prijsuitdeeling. Hij twijfelde niet, of Bavo
+zou al de eerste prijzen der hoogste afdeeling behalen. Dus zijne
+opvoeding sluiten als _primus_ der school, zou hem een groote eer
+zijn, en het kon hem een gewichtige titel op latere bescherming
+worden. De hoofdonderwijzer had Bavo lief om zijn goed hart en zijnen
+wakkeren geest, en hij verborg den ouders niet, dat hij er aan hield,
+zijnen beminden leerling de eer en blijdschap van de zegepraal te zien
+genieten.
+
+Er werd dienvolgens beslist, dat Bavo nog ter schole zou blijven tot
+de prijsuitdeeling.
+
+Sedert eene maand was Lieveken door hare leermeesteressen bij eene
+goede kleermaakster geplaatst geworden. Als beschermelinge der
+Zusters won zij van den beginne af een frank per week.
+
+Dit klein loon was oorzaak, dat Wildenslag nog dikwijls zijne vrouw
+van dwaasheid beschuldigde, en haar poogde over te halen om Lieveken
+naar de fabriek te doen gaan. Daar moeten de kinderen geene lange
+leerjaren onderstaan, en zij winnen er onmiddellijk veel meer geld dan
+met welk ander ambacht. Evenwel, hoe onophoudend hij ook daarover
+zijne ingewortelde meening uitdrukte, zijne vrouw wilde van zulk iets
+niet hooren.
+
+Des avonds, na de arbeidsuren, kwam Lieveken bij bazin Damhout. Zij
+had toch te veel van hare woeste broeders en zusters te lijden; en
+hare moeder zelve spoorde haar aan om bij hare brave buren den vrede
+en het stil vermaak te zoeken, welke zij in haar huis niet vinden kon.
+
+Uit gewoonte en uit neiging nam zij nog deel in de lessen van Bavo, of
+juichte op voorhand met hem over de eer en het geluk, die hem zouden
+te beurt vallen bij de aanstaande prijsuitdeeling der gemeenteschool.
+
+Onverwachts ontstonden er gebeurtenissen, die de Gentsche nijverheid,
+en dus ook de werklieden, aan harde beproevingen gingen onderwerpen.
+Vele vraagpunten, door de omwentelingen van Frankrijk en van België in
+1830 geweldiglijk opgeworpen, waren nog onbeslist gebleven. De
+onderhandelingen, tusschen de mogendheden machteloos zijnde om tot
+vereffening te leiden, dreigden eenige der belanghebbende landen, door
+de wapenen hun recht te doen gelden. Alle volkeren, door de vrees van
+eenen Europeeschen oorlog aangedaan, riepen hunne krijgsmachten met
+grooten spoed te zamen. Dit verwekte eenen algemeenen schrik, waarvan,
+volgens gewoonte, handel en nijverheid de eerste slachtoffers werden.
+De overmatige voorraad van stoffen in de magazijnen, eenige groote
+bankroeten te Londen en te Parijs, de opslag van de ruwe katoen,
+spruitende uit het vooruitzicht eener belemmering in de scheepvaart,
+dit alles bracht voort, dat de fabrikanten niet dan met verlies konden
+laten werken en de meesten inderdaad hunne fabrieken sloten.
+
+Twintigduizend menschen geraakten in Gent alleen zonder werk. Dewijl
+de arbeider, zelfs wanneer hij veel geld wint en geene kinderen heeft,
+gewoonlijk aan den dag van morgen niet denkt, vielen al deze lieden
+van een betrekkelijk welzijn eensklaps in de diepste armoede. In het
+eerst vonden zij nog iets of wat bij de winkeliers en bakkers te
+borgen; maar na vijftien dagen was deze hulpbron geheel opgedroogd, en
+dan kwamen de honger en de ware ellende deze duizenden menschen met
+vrouw en kinderen wreedelijk aangrijpen. Men zag ze in talrijke
+groepen op de markten staan of door straten dwalen, met verbleekt
+gelaat en ontvlamden blik, morrend en dreigend en in schijn gereed om
+door gewelddadigheid zich uit den bitteren nood te redden.
+
+Door medelijden aangedreven en hopende, dat deze erge toestand niet
+zou voortduren, boden eenige fabrikanten hunnen werklieden aan met
+zekere vermindering van loon te werken; en op dien grond werden er
+inderdaad meer dan de helft der nijverheidsgestichten geopend.
+
+Maar een groot getal spinners en wevers verstieten de aangebodene
+voorwaarden met gramschap, en beschuldigden de fabrikanten, dat zij
+uit zelfzucht van de omstandigheden gebruik maakten, om het werkloon
+neder te drukken. Na elkander gedurende eene halve week te hebben
+opgehitst, verdoold door onwetendheid en honger, liepen zij in
+stormige scharen naar de geopende fabrieken en wilden met geweld alle
+werkzaamheid doen staken. Zij mishandelden hunne makkers, die, om toch
+brood voor vrouw en kinderen te hebben, de tijdelijke
+loonsvermindering hadden aanvaard; zij beschadigden de gebouwen en
+werktuigen, en leverden zich over aan gewelddaden, die de
+tusschenkomst der gewapende macht noodzakelijk maakten.
+
+Deze tooneelen van woest geweld boezemden den fabrikanten eenen
+grooten schrik of eene diepe spijt in. Dan werden de fabrieken voor
+goed gesloten en de duizenden werkmanshuisgezinnen in eene eindelooze
+ellende gedompeld.
+
+Het was bovenal in de woning van Wildenslag, dat er nood en derving
+heerschte; want daar waren de kinderen talrijk, en men was er gewoon
+zonder vooruitzicht en zonder zorg op voorhand alles te verteren, wat
+er werd gewonnen. Moeder Wildenslag had een wreed en bitter leven; al
+het verdriet en al de onwil van man en kinderen vielen op haar, en zij
+hoorde den ganschen dag niets dan scheldwoorden en verwijtingen, als
+ware zij inderdaad de slavin, die in het huishouden het natuurlijke
+doel moest zijn van de ontevredenheid der anderen. Lieveken, die ook
+deel had in de kwade bejegeningen harer broeders en zusters, was de
+eenige troost, die bazin Wildenslag overbleef; want dit kind ten
+minste beminde en eerbiedigde haar, en het weende tranen van liefde
+en van medelijden op hare borst, wanneer de overigen haar hadden
+mishandeld of gehoond.
+
+In de woning der Damhouts deed de ellende zich zoo spoedig niet
+gevoelen. De winkeliers hadden in hen meer vertrouwen, omdat zij
+bekend stonden als spaarzame lieden, en gaven hun ook langer op borg.
+Daarenboven arbeidde moeder Damhout, wie geen naaiwerk ontbrak, nu van
+het krieken van den dag tot elf uren des avonds zonder ophouden.
+Misschien wel had de zorgende vrouw eenen kleinen spaarpot? Hare
+vlijt, hare zucht om te beletten, dat haar man zich ooit over het
+onderwijs zijner kinderen beklaagde, laat toe te vooronderstellen, dat
+zij iets had bewaard tegen eenen onvoorzienen nood.
+
+In het eerst ten minste ontbrak er niets in haar huishouden. Zij
+verzocht zelfs dikwijls de arme Godelieve, die honger leed
+ongetwijfeld, met hen het avondmaal te nemen; maar het meisje werd
+telkens rood bij zulke aanbieding en weigerde, zichtbaar sidderend,
+alsof het gepeins van in dit huis eene aalmoes te ontvangen haar met
+schrik en schaamte sloeg.
+
+Nog altijd dwaalden de werklieden in de straten van Gent verhongerd en
+lijdend rond. Van kindsbeen af aan eene enkele soort van arbeid, aan
+eene eenvormige en beperkte beweging gewend, waren zij onbekwaam om
+tot eenig ander werk hunne toevlucht te nemen. De gedachte daarvan
+kwam zelfs niet in hen op, en zij zouden veeleer zich met gansch hun
+huisgezin van honger hebben laten sterven, dan in eenige andere
+bezigheid ten minste eenen tijdelijken onderstand te zoeken.
+
+Door den langen duur der werkstaking werd de nood insgelijks voelbaar
+voor het huisgezin der Damhouts. Inderdaad, wat de vrouw door haren
+drukken arbeid met naaien kon verdienen was niet toereikend, om de
+huishuur te betalen en de voeding van vijf personen te bekostigen. In
+de winkels begon men insgelijks moeilijkheden tot langer borgen op te
+werpen.
+
+Aangespoord door den ijver zijner vrouw, die, zooals hij zelf zeide,
+zich de vingeren van de handen werkte, poogde Damhout in de stad werk
+te vinden om iets te winnen. Het gelukte hem in de eerste week niet;
+want schrik voor den oorlog had meer dan eene nijverheid verlamd, en
+er liepen honderden menschen rond om werk en om brood.
+
+Eindelijk toch, en hoezeer het hem, als spinner van ambacht,
+tegenstak, nam hij aan met eenige anderen eene slijkige gracht en
+eenen vijver uit te delven en te verdiepen.
+
+Het bedroefde bazin Damhout uitermate, dat hij zulken arbeid had
+aanvaard, en zij poogde hem te overtuigen, dat hij hem moest verlaten;
+er zou wel een middel zijn om voort te sukkelen, totdat hij wat beters
+hadde gevonden, maar de man, die wanhopig was over de werkeloosheid en
+niet langer al den last van het huishouden op zijne vrouw wilde laten
+drukken, weerstond haar en begon des anderen daags den voor hem zoo
+ongewonen arbeid.
+
+Gedurende de eerste week hield hij het vol; hij was wel treurig in
+zijn hart en tot bezwijkens toe vermoeid in al zijne leden, maar hij
+toonde er niets van en veinsde voor zijne vrouw en kinderen eene
+stille welgemoedheid.
+
+Op eenen namiddag evenwel kwam hij naar huis, liet zich zwak en
+ontzenuwd op eenen stoel vallen, en zeide, dat de koude koorts hem had
+bevangen. Hij was inderdaad zeer bleek, en van tijd tot tijd doorliep
+eene zonderlinge siddering zijne leden. Eene uitdrukking van geheime
+verschriktheid, eene kwaadvoorspellende ontsteltenis zijns gelaats
+deden vrouw Damhout vreezen, dat haar man eene ernstige ziekte kon
+hebben betrapt. Zij bedwong hare tranen om hem niet te verontrusten,
+deed hem te bed gaan en kookte hem eenigen warmen drank, hem onderwijl
+troostende en hem de hoop op eene spoedige herstelling insprekende.
+
+Maar de toestand van Adriaan Damhout verergerde alle oogenblikken; hij
+had groote pijn in het hoofd, hoestte met dor keelgeluid en klaagde
+over eene hevige steekte in de zijde.
+
+De bekommerde vrouw wist niet wat te doen; zij dorst haren zieken man
+niet alleen laten, en evenwel moest er iemand in allerhaast naar den
+dokter loopen. In het over en wedergaan zeide zij in stilte aan haar
+kleinste meisje, dat zij bazin Wildenslag moest gaan verzoeken
+onmiddellijk te komen. Toen zij kort daarop de deur hoorde openen,
+daalde zij de trappen af, vertelde aan hare buurvrouw hoe Damhout met
+eene dreigende ziekte was naar huis gekomen, en verzocht haar bij zijn
+bed te waken, totdat zij den dokter zou hebben kunnen gaan
+verwittigen.
+
+Bij geluk vond vrouw Damhout den dokter te huis en gereed om uit te
+gaan. Hare gebeden waren er niet noodig om hem tot een spoedig bezoek
+aan te sporen. Uit hare verklarigen oordeelde hij, dat hij hier
+waarschijnlijk met eene geweldige _pleuris_ zou te doen hebben, en
+zulke kwaal is dikwijls doodelijk, indien men ze niet onmiddellijk
+bestrijdt.
+
+Zijn voorgevoel was gegrond; bij het bed van den zieke erkende hij
+eene borstvliesontsteking, en gevolglijk was het eerste wat hij deed,
+den zieke de ader te openen en hem zoolang bloed af te trekken, totdat
+hij in bezwijming viel.
+
+Bij het gezicht van het bloed haars echtgenoots kon vrouw Damhout hare
+smart niet meer bedwingen; zij borst in eenen tranenvloed los en bleef
+met de handen voor de oogen weenen, terwijl bazin Wildenslag den
+dokter in zijn werk behulpzaam was.
+
+Toen de geneesheer bemerkte dat de zieke tot zich zelven kwam, schreef
+hij een briefje voor een fleschje en zeide:
+
+"Men hale dit bij den apotheker, en geve er den lijder elk uur eenen
+koffielepel van. Gij moogt zoo niet wanhopen, vrouw; de kwaal is wel
+erg, wanneer men er niet intijds bij is, maar gij hebt wel gedaan mij
+seffens te komen roepen. Nu ben ik schier zeker, dat ik uwen man
+geheel zal genezen; maar het kan nog weken duren, vooraleer hij geheel
+hersteld zij. Hij zal nu waarschijnlijk lust hebben om te slapen;
+stoor hem niet en spreek hem niet aan; hij heeft rust noodig. Gaat
+beiden beneden; gij zult wel hooren wanneer hij iets verlangt.
+Bovenal, dat men hem geen het minste voedsel geve of late nemen. Het
+zou hem doodelijk kunnen worden."
+
+En met de vrouwen beneden gekomen, zeide hij nog, terwijl hij het huis
+uitstapte:
+
+"Hebt goeden moed; dezen avond zal ik wederkeeren om te zien, hoe het
+met onzen zieke gaat."
+
+Bazin Damhout liet zich op eenen stoel vallen en begon nog
+overvloediger te weenen. Uit hare verschrikte snikken kon men slechts
+nu en dan de woorden: "mijn ongelukkige man! mijne arme kinderen!"
+verstaan.
+
+Hare buurvrouw poogde haar te troosten en moed te geven. Of zij daarin
+gelukte en of de bewustheid van haren plicht als echtgenoote en moeder
+de arme bazin Damhout eenige kracht terugschonk, althans de tranen
+dezer laatste hielden op van vlieten.
+
+"Ja, Lina," zeide zij, "gij hebt gelijk: ik moet het hoofd recht
+houden, alhoewel ik verga van droefheid en van angst. Ik ben alleen
+voor alles. Ach, mijn arme Bavo! hoe zal ik hem zeggen, dat men zijnen
+vader al zijn bloed heeft afgetapt? Maar ik mag zoo niet spreken. Ik
+zal pogen het hem te verbergen. Daar is het briefje, Lina; ik kan
+mijnen zieken man niet verlaten. Zoudt gij de goedheid hebben, eens om
+het fleschje te gaan?"
+
+"Welke vraag?" antwoordde vrouw Wildenslag. "Zeker, men gromt en
+scheldt reeds ten mijnent, omdat ik weg ben; maar om u dienst te
+bewijzen, zou ik al wel ergere dingen willen uitstaan. Zoo alleen kunt
+gij niet blijven; ik zal u iemand zenden, die u misschien eene betere
+hulp zal zijn dan eene betaalde dienstmeid."
+
+Bazin Damhout, nu alleen zijnde, stilde haar klein meisje door
+troostende woorden, luisterde met kloppend hart aan de trap en klom
+zelfs eens naar boven om haren angst bevrediging te geven. Zij hoorde
+haren man ademhalen, zij maakte met inzicht eenig gerucht; maar de
+zieke verroerde niet en scheen te slapen.
+
+Dit gaf haar eenigen moed; zij daalde weder in de benedenkamer, zette
+zich op eenen stoel, vouwde de handen te zamen en begon met de oogen
+ten hemel te bidden.
+
+Daar trad Godelieve met het fleschje van den apotheker in de kamer.
+Zij zette het op de tafel, naderde tot vrouw Damhout, omhelsde haar
+teederlijk en begon in stilte op hare borst te weenen.
+
+Het liefderijk medelijden van het meisje ontrukte vrouw Damhout nieuwe
+tranen; maar nadat zij met Godelieve het ongeval van haren man
+gedurende eenigen tijd had beklaagd, werd zij zich zelve meester en
+vroeg op treurigen toon:
+
+"Lieveken, waart gij dan niet op uwen winkel, dat gij om het fleschken
+zijt gegaan?"
+
+"Mijne moeder is om het fleschken geweest," was het antwoord. "Zij is
+op onzen winkel gekomen en heeft met de juffrouw gesproken. Ik mag te
+huis blijven zoolang ik wil, al ware het gedurende vele dagen."
+
+"Waarom te huis blijven?" murmelde vrouw Damhout, die de waarheid
+begon te vermoeden.
+
+"Gij zijt zoo alleen! Om u te helpen baas Damhout op te passen en om
+uwe boodschappen te doen."
+
+"Neen, neen, kind, dit is te veel goedheid van uwe moeder en van u. Ik
+zal Bavo van de school doen blijven. Gij moogt uwen leertijd zoo niet
+onderbreken, het zou u groote schade kunnen zijn."
+
+Het meisje voegde de beide handen smeekend te zamen en zeide:
+
+"Gij waart altijd zoo goed en zoo vriendelijk voor mij; gij zijt de
+oorzaak, dat ik heb mogen leeren. O, ik bid u, weiger mijnen kleinen
+dienst niet! Ik heb verlof van mijne moeder en van mijne meesteresse,
+om met u te blijven zoolang ik u nuttig kan zijn. Laat Bavo op zijne
+school; anders zou hij geene prijzen kunnen behalen. Het ware voor
+hem, voor u en voor zijnen zieken vader een nieuw en groot verdriet."
+
+En zonder een antwoord af te wachten, schikte zij de stoelen, die in
+wanorde geraakt waren, en greep eenen bezem om de kamer te keeren.
+
+Vrouw Damhout aanschouwde haar eene wijl met kloppend hart, ging tot
+haar, omhelsde haar en murmelde:
+
+"Welnu, mijn goed Lieveken, ik aanvaard uwe hulp voor een paar dagen,
+totdat mijn man een beetje zij bekomen. Daarvoor zal God u zegenen,
+dat gij zoo dienstwillig zijt!"
+
+Des avonds, als Bavo en zijne zuster Amelia te huis kwamen, zeide men
+hun, dat vader de koorts had, en men zijne rust niet mocht storen. De
+jongen zag wel aan de treurigheid zijner moeder en aan het droeve
+zwijgen van Lieveken, dat de ziekte zijns vaders ernstig was. Hij
+vergoot stille tranen, totdat de dokter, die nu was gekomen om den
+kranke nog eens te bezoeken, van de trap daalde en op blijden toon
+zeide:
+
+"Wees gerust, vrouw, de ziekte zal geene erge gevolgen hebben; maar
+voor alsnu nog geen het minste voedsel en de volledigste rust. Ween
+niet, mijn brave jongen, uw vader zal genezen, twijfel daar niet aan."
+
+Deze stellige verzekering gaf hun allen moed en hoop; en van dan af
+waren hun verdriet en angst veel verminderd.
+
+Bavo en zijne kleine zuster gingen naar de school, als te voren.
+Lieveken werkte als eene ware dienstmeid; van den vroegen morgen
+verscheen zij ten huize van bazin Damhout, keerde en schikte de kamer,
+ging om water, kookte de koffie en deed alle boodschappen op zulke
+wijze, dat moeder Damhout de uren, welke zij niet bij het bed van
+haren man doorbracht, kon toewijden aan haar naaiwerk, het eenige
+middel om wat geld te winnen voor het huishouden.
+
+In dien zin bovenal was de tegenwoordigheid van Lieveken eene weldaad
+voor de Damhouts; want ondanks het naailoon, was er veel te kort, en
+worstelde de arme Christina tegen eenen klimmenden nood. De ziekte van
+haren man dwong haar tot vele buitengewone uitgaven; zij had zelfs in
+'t geheim reeds hare oorringen en andere kleine juweelen verpand. Wat
+ware het dan niet geweest, indien de tijd tot werken haar volstrekt
+hadde ontbroken?
+
+Godelieve gevoelde wel, hoe zij zich het nuttigst maken kon. Zij
+ijverde met eene wonderbare aanhoudendheid om vrouw Damhout allen
+huisarbeid te sparen, en wanneer zij zelve niets meer te doen wist,
+greep zij naald en garen en naaide mede aan het grofste lijnwaad.
+
+Op eenige dagen tijds was Adriaan Damhout zichtbaar aan het beteren;
+maar zijne herstelling vorderde zeer langzaam. Inderdaad, de dokter
+had hem na den eersten dag nog tweemaal bloed afgetrokken. Daarbij had
+hij hem het gebruik van alle voedsel verboden. Geen wonder dus, dat de
+arme man welhaast zoo mager was als een geraamte, en ofschoon gezond
+van harte misschien, zoo zwak, dat hij nauwelijks kon spreken.
+Mogelijk ook dat zijne ziekte voortduurde en zich slechts langzaam
+liet overwinnen.
+
+Zoohaast zijne beternis toeliet, dat men hem gezelschap hield, gingen
+vrouw Damhout en Lieveken bij zijn bed zitten naaien, en dan gaven zij
+hem moed en troostten hem door allerlei zoete woorden. Het was
+insgelijks bij het bed zijns vaders dat Bavo een gedeelte van den
+avond doorbracht.
+
+Er geschiedde iets zonderlings in den jongen. Hij was somber en
+zwaarmoedig; de anderen, bij de zekerheid dat de zieke zou genezen,
+toonden vreugde en lachten betere tijden tegen, maar Bavo's lippen
+bewogen nooit meer tot den minsten glimlach. Het was, als drukte er
+iets op zijn hart.
+
+Deze duistere gemoedsstemming werd inniger en vermeerderde tot eene
+soort van geheime spijtigheid, wanneer zijne moeder, in stede van te
+gaan slapen, alleen bleef zitten werken tot half in den nacht.
+
+Zij zeide hem somwijlen, dat het niet anders kon zijn; dat, dewijl
+vader niet arbeiden kon, zij moest pogen iets te verdienen om den
+bitteren tijd door te worstelen.
+
+De jongen antwoordde daar niet op, maar ging ontevreden en morrend
+naar zijn bed.
+
+Eenige dagen later had Bavo eensklaps zijne blijmoedigheid
+teruggevonden. Hij was het nu die den anderen moed gaf en zich
+opgeruimd toonde. Vermits hij sedert eenige dagen veel vroeger dan
+gewoonlijk zich naar de school begaf om er werkzaam te zijn,
+vooronderstelde men, dat hij in de prijskampen op zijne school was
+gelukt, en hij ontkende zulks niet. Ieder juichte dus met hem over
+zijne waarschijnlijke zegepraal.
+
+Nu Adriaan Damhout geheel buiten gevaar was geraakt, oordeelde de
+dokter, dat het tijd was om zijne neergedrukte krachten allengs een
+beetje te herstellen. Hij zeide dus op zekeren Maandag tot de vrouw,
+dat zij eene sterke soep van ossenvleesch moest koken, en hem daarvan
+nu en dan een kopje moest te drinken geven.
+
+Groot was de verlegenheid en het verdriet van bazin Damhout. Zij was
+reeds twee weken huishuur ten achter; haar laatste weekloon had zij
+den bakker geheel gegeven, om nog wat brood op borg te bekomen. Niets
+was er in huis, dat waarde genoeg had om tot pand tegen geld te worden
+aanvaard. Nu moest er vleesch zijn: goed ossenvleesch om haren zieken
+man een beetje te versterken. Hoe zou zij dit vleesch bekomen zonder
+geld? Zij dacht aan het bureel van weldadigheid, zij droomde van de
+menschlievendheid van den eenen of anderen rijke in te roepen; maar
+deze middelen boezemden haar schrik in; het gepeins alleen van eene
+aalmoes te gaan vragen, deed haar beven.
+
+Onder hare angstige bewegingen opende zij werktuigelijk de kleine lade
+der kas, waar zij haar geld in legde, wanneer zij geld had. Een
+schreeuw van verrassing ontsnapte haar. De lade was ledig sedert meer
+dan vijftien dagen ... en daar blonk haar nu eensklaps een glinsterend
+vijffrankstuk in de oogen!
+
+Hoe kwam dat muntstuk daar? Was het God zelf, die medelijden had gehad
+met haren nood? Maar neen, hier kon geen wonderwerk in het spel
+zijn.--Lieveken? Maar Lieveken had geen geld, en hare ouders vergingen
+schier van gebrek. Men kon het zien op hunne bleeke aangezichten en
+holle wangen, dat de honger hun ingewand verteerde. Daarenboven, Lina
+Wildenslag verborg het niet, dat zij soms geheele dagen zonder eten
+waren; en bazin Damhout, hoe arm ook, had haar met eenige stuivers te
+gelijk het weekloon van Lieveken doen aanvaarden. Zeker, Lina hadde in
+elk ander geval deze teruggaaf geweigerd; maar nu zeide zij zelve, met
+de tranen in de oogen, dat de ellende haar dwong te vergeten, dat zij
+een hart had.
+
+Van waar kon toch dit vijffrankstuk komen?
+
+Die onoplosbare vraag maakte het hoofd der verbaasde vrouw duizelig,
+en zij bleef de onverwachte hulp lang bestaren. Dan eindelijk zeide
+zij in zich zelve:
+
+"Wie ook onze onbekende beschermer zij, dat God hem zegene! Ho, welke
+sterke, goede soep zal ik gaan maken! En kan iets mijnen armen man
+genezen, dan zal het zeker de weldaad zijn, die ons zoo geheimzinnig
+en zoo edelmoedig wordt bewezen!"
+
+Eenigen tijd daarna stond de soep op de kachel te koken; het gansche
+huis was vervuld met eenen verkwikkenden geur, en de verhongerde zieke
+lag in zijn bed te juichen over het beloofde voedsel, dat hem zoo
+bekorend werd aangekondigd.
+
+Vrouw Damhout verborg noch voor haren man noch voor Lieveken, dat zij,
+als ware het uit den hemel gedaald, in hare kas een vijffrankstuk had
+gevonden, hetwelk er wel zeker nooit in gelegen had. Zij was immer
+vervolgd door het tergend raadsel, van waar dit geld mocht komen, en
+sprak er den ganschen avond van; niemand wist haar iets te zeggen, dat
+haar tot de ontdekking van den geheimen beschermer kon helpen. Bavo
+folterde insgelijks zich de hersens; maar zijne inspanning bleef even
+vruchteloos.
+
+In den loop dezer week waren er geruststellende tijdingen aangaande de
+Europeesche staatsaangelegenheden gekomen; men zeide, dat de vrede
+niet zou gestoord worden, en men kondigde aan, dat sommige fabrieken
+ten minste gedeeltelijk zouden beginnen te werken.
+
+Den volgenden Zondag, zeer vroeg, terwijl Bavo naar de eerste mis was
+gegaan, meende Bazin Damhout eenige centen uit de kas te nemen om
+koffie te halen. Daar zag zij, nevens een geplaatst en als ten toon
+gespreid, vier enkele franken in een hoekje liggen.
+
+Nu was hare verbazing zonder palen; zij bleef eene wijl verblijd het
+geld bezien, sloot de kas en stapte langzaam en het hoofd schuddend,
+ter deur uit.
+
+In den winkel, terwijl men haar de koffie geriefde, zeide haar de
+vrouw:
+
+"Erge tijden, niet waar, bazin Damhout? Hopen wij, mensch lief, dat
+het haast zal beteren. Men zegt, dat er goed nieuws is van Parijs en
+dat het geen oorlog zal worden. Uw man is toch aan de betere hand; God
+zij geloofd, hij zal genezen zijn tegen dat er weder werk is. Ik
+beklaag u echter voor één ding; het is, dat de nood u verplicht heeft
+uwen Bavo van de school te trekken vóór de prijsuitdeeling. Het is
+spijt: de jongen hadde groote eer behaald."
+
+"Gij bedriegt u, onze Bavo gaat nog altijd naar de school," was het
+antwoord.
+
+"In het geheel niet: hij heeft sedert meer dan twee weken de school
+verlaten."
+
+"Maar gij dwaalt; het is niet mogelijk!" kreet bazin Damhout met
+groote verwondering.
+
+"Hoe? Blijft hij van de school zonder uwe kennis!" zeide de
+winkelierster. "Ik weet het van eenen ondermeester, die gisteren bij
+mijnen broeder, den kleermaker, op den winkel was. Sedert vijftien
+dagen heeft men uwen Bavo op zijne school met geene oogen meer gezien.
+Die jongens, die jongens, al deed men ze eenen toom aan, ze zouden nog
+uit het goede spoor loopen!"
+
+Vrouw Damhout verliet den winkel; haar hart was verbrijzeld, en zij
+moest geweld doen om de tranen te bedwingen, die opweiden uit haren
+verkropten boezem. Bavo had sedert zoolang zijne school verlaten,
+zonder dat zijne ouders het wisten! Was de arme jongen in slecht
+gezelschap geraakt? Bewandelde hij eenen doolweg, die hem tot kwaad en
+ondeugd zou leiden? Maar het scheen haar onmogelijk. Welk geheim lag
+er dan onder het onuitlegbaar gedrag van haar kind verborgen? Zou een
+tweede ongeluk haar treffen? Zou het onderwijs in hem zulke slechte
+vruchten hebben voortgebracht? Welke onttoovering! Welke zware
+verantwoordelijkheid voor haar jegens haren man!
+
+Terwijl zij dus onder den pijnlijken twijfel morde en zuchtte, kwam
+Lieveken binnen.
+
+De moeder gevoelde, dat zij haren zoon niet in tegenwoordigheid van
+dit meisje mocht beschuldigen; zij wilde insgelijks haren man niet
+verontrusten, vooraleer door Bavo zelf de verklaring van zijn gedrag
+te hebben bekomen.
+
+Lieveken bemerkte wel, dat bazin Damhout ontsteld en treurig was; toen
+zij echter vernam, dat het met den zieke nog altijd wel ging, wist
+zij niet meer wat te denken, en dorst niet verder aandringen.
+
+Hetzelfde gebeurde met Bavo, die, uit de kerk te huis komende, iets
+vreemds in den blik zijner moeder vond en van haar wilde weten, wat
+haar bedroefde of ontroerde.
+
+De bekommerde en angstvolle vrouw gaf niets dan ontwijkende
+antwoorden, totdat Lieveken het huis had verlaten om op hare beurt ter
+kerke te gaan. Dan greep zij met plechtigen en strengen oogopslag de
+hand haars zoons, leidde hem tot in eenen hoek der kamer, verre van de
+trap, en vroeg hem met bevende stem:
+
+"Bavo, is het waar, dat gij sedert veertien dagen niet meer naar
+school zijt geweest?"
+
+De jongen werd rood tot achter de ooren en boog het hoofd.
+
+"Spreek, Bavo, laat mij niet in den pijnlijken twijfel. Is het waar?"
+
+"Het is waar, moeder lief," was het antwoord.
+
+"Ongelukkige jongen!" kreet de vrouw. "gij hebt sedert twee weken uwe
+school verlaten? Ik beef, ik durf u niet vragen in welk gezelschap gij
+dien tijd hebt doorgebracht. Ach, Bavo, ik, die geloofde, dat gij uwe
+arme moeder bemindet! Mijn God, ik moet het toch weten, hoe
+schrikkelijk het zij. Zeg, zeg, mijn zoon, wat hebt gij gedaan
+gedurende al dien tijd?"
+
+Bavo zag haar diep in de oogen en antwoordde met eene soort van stille
+fierheid:
+
+"Moeder, ik werk op eene fabriek."
+
+"Gij werkt op eene fabriek!"
+
+"Op eene fabriek van _bougies_, sedert vijftien dagen."
+
+Dan schoot er eene plotselijke klaarheid in den geest van bazin
+Damhout: hare oogen begonnen van bedwongen geestdrift te fonkelen. Met
+den bevenden vinger op de kas gericht, vroeg zij:
+
+"Dat geld, dat vijffrankstuk, die vier franken?"
+
+"Het is mijn weekloon, moeder lief," stamelde hij.
+
+Met eenen schreeuw van koortsige blijdschap sloeg Christina de armen
+om den hals haars zoons, sloot hem op haar hart en bevochtigde zijn
+hoofd met hare tranen.
+
+De jongen poogde haar te doen begrijpen, dat hij dien hoogen lof niet
+verdiende en niets gedaan had dan zijnen plicht. Wat hij betreurde,
+was alleenlijk, dat hij geen middel had weten te vinden om meer te
+winnen en zijne arme moeder het nachtelijk werken te sparen.
+
+Toen de ontsteltenis der vrouw een weinig was bedaard, trok zij haren
+zoon op eenen stoel nevens zich en vroeg hem de nadere uitlegging van
+zijn gedrag.
+
+"Ik zag u en Godelieve altijd, altijd arbeiden," antwoordde hij.
+"Wanneer ik, na tot middernacht met u gewaakt te hebben, slapen ging,
+bleeft gij nog zitten met het naaiwerk op den schoot. Mijn vader was
+ziek; er was nood in huis. Ik alleen deed niets om u te helpen. Mijn
+geweten knaagde, mijn hart verweet mij mijne laffe werkeloosheid. Na
+eenige dagen van schaamte en wanhoop ging ik tot den hoofdonderwijzer,
+mijnen meester, en zeide hem, zonder iets te verzwijgen, wat er in ons
+huis geschiedde, en hoe ik besloten had de school te verlaten om eenig
+werk te zoeken en zóó ten minste mijnen zieken vader en mijne goede
+moeder in hunne ellende bij te staan. Ik zeide hem insgelijks, dat ik
+mijn besluit gedurende eenigen tijd voor u zou verborgen houden,
+dewijl ik overtuigd was, dat gij mij anders zoudt beletten het uit te
+voeren. Ik meende, dat hij mijn voornemen zou afkeuren; maar neen, hij
+drukte mij de handen, en prees zeer hoog wat hij mijnen moed en mijn
+plichtgevoel noemde. Toen hij verstond, dat ik niet wist waar het
+gewenschte werk te vinden, beloofde hij mij, zelf eenigen zijner
+bekenden daarover te spreken; en reeds des namiddags had hij mij eene
+plaats gevonden op eene fabriek van waskaarsen, die men _bougies_
+noemt. Daar had ik niets anders te doen dan de kaarsen in pakjes te
+binden en in houten kassen te schikken; en eindelijk eenige letters en
+nummers op de kassen te schilderen. Ik won zestig centiemen daags en
+kreeg op 't einde der week nog eenig drinkgeld, omdat men tevreden was
+over mijn werk. O, moeder, het vijffrankstuk, eerste vrucht van mijnen
+arbeid, heeft mij zoo gelukkig gemaakt! Het moest u helpen en u
+troosten in uwen nood. Ha, gij hebt het niet bemerkt, maar toen ik
+mijnen armen vader de sterke soep lachend zag genieten en hem hoorde
+zeggen, dat hij daardoor onfeilbaar zou genezen, dan ben ik beneden
+gegaan, en ik ben mij op 't einde der steeg achter den blinden muur
+gaan verbergen, om daar door eenen tranenvloed mijn hart van de
+overmatige blijdschap te ontlasten. Het eerste geld, dat ik met werken
+had gewonnen, zou mijnen vader de gezondheid helpen teruggeven! Ik
+bezweek schier van geluk bij die gedachte.... Prijs mij dus niet,
+moeder lief, ik ben genoeg beloond geworden...."
+
+Met eenen gil van bewondering sprong de ontstelde vrouw recht en liep
+naar boven, zonder acht te geven op de smeeking van haren zoon, die de
+handen ophief om haar te wederhouden.
+
+Niet lang daarna klonk de stem van den zieken Damhout met groote
+kracht tot beneden de trap:
+
+"Bavo, Bavo!" kreet hij. "Kom, kom!"
+
+De jongen kon den roep zijns vaders niet wederstaan; hij klom
+aarzelend naar boven, en dewijl hij daar twee bevende armen tot zich
+uitgestrekt zag, omhelsde hij zijnen zieken vader met blijde
+uitstortingen des harten.
+
+Damhout dankte en loofde zijnen zoon voor zijne schoone en moedige
+daad; uit zijne woorden bleek, dat zijne grootste vreugde daarin
+bestond, dat Bavo uit eigene beweging werkman was geworden. Hij drukte
+eindelijk toch eenige spijt uit, omdat zijn zoon op eene fabriek van
+bougies arbeidde; hem scheen het, dat dit niet juist het beste vak
+was.
+
+Op deze bemerking antwoordde de jongen, dat hij door tusschenkomst van
+den hoofdonderwijzer werk had gekregen op de katoenspinnerij van M.
+Verbeeck. Hij zou daar gedurende eenigen tijd katoen uitpluizen en in
+soorten schikken, dan aan den eersten _duivel_ staan, en zoo voorts in
+het vak zich oefenen en allengs vervorderen. De fabriek van M.
+Verbeeck ging binnen vijf dagen geopend worden.
+
+Dit vervulde vader Damhout met nieuwe en groote blijdschap; want dit
+was inderdaad de baan, langs waar men met verstand en vlijt het verste
+op eene katoenfabriek kon geraken. Bavo zou eens meesterknecht worden,
+daaraan twijfelde de gelukkige vader niet meer.
+
+Toen men genoeg bedaard was geworden om over min ontroerende dingen
+te spreken, besliste men, dat van morgen af Godelieve terug naar haren
+winkel zou gaan. Inderdaad, Damhout behoefde geene onophoudende
+bewaking meer; hij zou dien dag zelven reeds gedurende eenigen tijd
+uit zijn bed komen. Met de vier of vijf franken per week, welke Bavo
+nu won, werd het mogelijk betere tijden af te wachten.
+
+In den namiddag, toen Bavo beneden bezig was met Lieveken in een boek
+iets te wijzen of te leeren, ging vrouw Damhout naar boven, zette zich
+nevens het bed van haren man en vroeg hem op zegevierenden toon:
+
+"Welnu, Damhout, gelooft gij nog, dat het onderwijs een werkmanskind
+tot hoogmoed en luiaardij verleidt? Welke kinderen, in geheel onze
+stege, zijn zoo beminnend, zoo verstandig en zoo deugdzaam als Bavo en
+Lieveken? Het is alleenlijk, omdat zij geleerd zijn en weten wat goed
+en wat kwaad is."
+
+Onder den slag eener bijzondere ontroering bevochtigden zich de oogen
+des werkmans; hij greep de hand zijner vrouw en zeide:
+
+"Neen, neen, Christina, dit alleen is de oorzaak hunner schoone
+inborst niet. Het is uw hart, uw goed en edel hart, dat klopt in
+hunnen boezem. Eene moeder als gij is de zegen Gods in een
+huishouden!..."
+
+
+
+
+VII
+
+
+Met het begin der volgende week werden er inderdaad een zeker getal
+fabrieken geopend; maar, in afwachting van stellige tijdingen
+aangaande den Europeeschen vrede, lieten zij slechts een beperkt getal
+werklieden toe.
+
+Bavo arbeidde op de spinnerij van M. Verbeeck. Hij droeg nu zijne
+slechte kleederen, en, dewijl hij door den aard van zijn werk altijd
+met vlokken katoen als met een spinneweb was overdekt, zag hij er op
+verre na zoo zindelijk niet meer uit als te voren. Dit gaf Godelieve,
+als zij des avonds van haren winkel kwam, dikwijls stof tot lachen, en
+zij noemde den jongen schertsend _de katoenvogel_; maar hij, in stede
+van daarover spijtig te worden, was altijd ten uiterste blijmoedig en
+scheen trotsch door de overtuiging, dat hij nu tot iets nuttig
+geworden was en zijne ouders mocht behulpzaam zijn.
+
+Ondanks den nood en de trage herstelling van vader Damhout, was elkeen
+in dit huishouden gelukkig. Bovenal was het hart der moeder met een
+gevoel van hoogmoed en van zaligheid vervuld. Soms kon zij des avonds
+uren lang in stilte haren zoon bestaren, terwijl hij, ofschoon
+vermoeid van den arbeid, nog met inspanning het hoofd over zijne
+boeken hield gebogen. Dan klopte haar hart, dan glinsterden hare
+oogen, en de blik, dien zij dan bij wijlen ten hemel wierp, was wel
+zeker een innig gebed van dankbaarheid.
+
+Vader Wildenslag en zijne zonen, alhoewel zij, door den honger
+aangejaagd, van de eene fabriek naar de andere liepen om arbeid te
+vinden, waren tot dan in hunne pogingen niet gelukt. Zij hadden zich
+bij de laatste volksonlusten door hunne hevigheid en hunne woestheid
+doen opmerken; en dewijl de fabrikanten nu slechts de beste werklieden
+uitkozen, wilde geen hunner de gekende belhamels van den oploop tegen
+de fabrieken in zijn gesticht toelaten.
+
+Het schijnt, dat in Frankrijk de nijverheid spoediger en met meer
+kracht had hernomen; want er kwamen alsdan te Gent eenige afgezondene
+personen, om goede fabriekwerkers aan te werven voor de steden in het
+Noorderdepartement.
+
+Wildenslag en zijne zonen aanvaardden met blijdschap deze gunstige
+gelegenheid om zich uit den onverdraaglijken nood te redden, en namen
+gereedelijk de voorwaarden der wervers aan. Men zou hunne reiskosten
+betalen en zij zouden in Frankrijk een veel hooger dagloon dan in
+België winnen.
+
+Zeker, in andere omstandigheden zou de gedachte van hare geboortestad
+te verlaten, vrouw Wildenslag verschrikt en bedroefd hebben; maar nu
+verblijdde haar deze reis als een onverwacht geluk. Inderdaad, het was
+de verlossing uit den afgrond der bitterste ellende. Daarenboven,
+zoohaast er weder overvloed van werk te Gent zou zijn, zouden zij
+terugkeeren. Hunne afwezigheid zou dienvolgens ten hoogste eenige
+maanden duren.
+
+Vrouw Wildenslag ging juichend en met groote blijdschap haar vertrek
+naar Frankrijk in de gansche buurt aankondigen.
+
+Toen zij in de woning der Damhouts kwam, was zij vergezeld door haren
+man, die nu zijne luidruchtige welgemoedheid geheel had teruggevonden
+en roemde op het hooge dagloon, dat men in Frankrijk genoot. Dáár,
+zeide hij, eet een werkman tweemaal vleesch elken dag en drinkt er
+bier en somtijds wijn, evenals een rijk mensch. Dat zou een pleizierig
+leven en een eeuwig _smeerken_ zijn!
+
+Bazin Damhout ontving deze tijding met treurnis. Het gepeins, dat
+Lieveken, hare ouders zou volgen en zij het goede kind dus in langen
+tijd niet meer zou zien, bedroefde haar; maar dewijl zij het vertrek
+der Wildenslags niet anders kon beschouwen dan als eene zeer
+natuurlijke zaak en als een gelukkig middel voor hen, om uit de lange
+ellende te worden verlost, deed zij geene de minste tegenwerping.
+Alleenlijk beklaagde zij het, dat Godelieve nu den winkel zou moeten
+verlaten, waar zij zoo wel was en op spoedige vervordering mocht
+hopen.
+
+Moeder Wildenslag betreurde dit insgelijks; maar zij meende, dat het
+niet onmogelijk zou zijn, in Frankrijk eenen anderen goeden winkel
+voor Lieveken te vinden.
+
+Hierop antwoordde Wildenslag:
+
+"Ba, ba! met uwen winkel! Godelieve is nu sterk genoeg geworden. Als
+zij zal zien, hoe hare broeders en zusters geld in overhoop winnen,
+zal zij van zelve op eene fabriek willen werken."
+
+Nadat hare buren waren weggegaan, overpeinsde vrouw Damhout zeer lang
+de woorden van Wildenslag. Zij wist niet waarom de vrees, dat Lieveken
+op eene fabriek kon gaan, haar ontstelde. Waarlijk, zij had voor het
+goede kind eene andere toekomst gedroomd; maar werkte haar eigen zoon
+niet op eene fabriek? Het was toch hetzelfde niet: Bavo kon
+meesterknecht worden.
+
+Hare treurnis overwinnende, zeide zij zich zelve, dat moeder
+Wildenslag waarschijnlijk wel zou zorgen, dat hare Godelieve in
+Frankrijk het ambacht van kleermaakster voortleerde; de afwezigheid
+hunner buren zou niet langdurig zijn; dewijl alles voorspelde, dat het
+werk in Gent ook spoedig zou hernemen. Daarenboven, er was niets aan
+te doen. De Wildenslags hadden gelijk, het redmiddel, dat hun
+aangeboden werd, met blijdschap te aanvaarden.
+
+Toen Bavo des avonds te huis kwam, zeide zijne moeder hem, dat de
+Wildenslags besloten hadden overmorgen, met het krieken van den dag,
+naar Frankrijk te vertrekken. Zij zouden dus onmiddellijk uit hunne
+bittere armoede gered zijn; want men had hun een buitengewoon hoog
+dagloon verzekerd. Lieveken zou natuurlijk hare ouders volgen; maar
+zoohaast er weder veel werk in Gent was, zouden zij terugkomen.
+
+Deze tijding trof Bavo op eene zonderlinge wijze; hij boog het hoofd,
+zag sprakeloos ten gronde en antwoordde zelfs niet, toen zijne moeder
+hem vroeg waarom iets, dat zeker een geluk was voor de ouders van
+Lieveken, hem scheen te bedroeven. Eindelijk, als ware er nu eerst een
+duidelijk besef der zaak in zijnen geest ontstaan, zeide hij op den
+toon van onderwerping:
+
+"Inderdaad, moeder, zij zullen dan toch uit den pijnlijken nood
+verlost zijn. Ik was zoo gewend, Lieveken des avonds hier te vinden.
+Nu zal ik alleen, altijd alleen met u zijn; maar ik ben geen kind
+meer.... Als Lieveken slechts welvaart en gelukkig is in Frankrijk,
+zal ik mij over hare afwezigheid niet te veel bedroeven. Gij hebt
+gelijk, moeder, de mensch moet zich sterk houden tegen het lot.
+Daarenboven, wie weet of onze geburen niet reeds binnen eenige maanden
+wederkeeren?"
+
+De moed en de verduldigheid, waarmede haar zoon deze tijding had
+ontvangen, verwonderden en verblijdden vrouw Damhout. Zij begreep
+niet, dat hare moeite om hem de tijding onder een gunstig daglicht te
+doen aanschouwen, voor een oogenblik zijn gevoel en zijne rede had in
+twijfel gebracht.
+
+Maar zij moest weldra erkennen, dat zij zich had bedrogen; want Bavo
+liet zich bij de tafel op eenen stoel zakken, bleef lang met starende
+oogen in diepe overweging verzonken, en slaakte van tijd tot tijd
+eenen hollen zucht, als beklemde een zwaar gewicht zijne borst.
+
+Het was reeds laat, toen Lieveken met het voorschoot voor de oogen in
+de kamer verscheen, en onder luide snikken over haar vertrek naar
+Frankrijk begon te kermen.
+
+Bavo, alhoewel hij zelf geweld deed om niet onder zijn verdriet te
+bezwijken, poogde het bedrukte meisje te troosten. Vrouw Damhout en
+haar man voegden hunne woorden bij de zijne; maar Godelieve scheen
+ontroostbaar in hare diepe smart.
+
+Toen eindelijk het meisje tusschen hare snikken eenige duidelijke
+klachten kon voortbrengen, zeide zij, waarom dit vertrek als een wreed
+ongeluk haar verschrikte en haar zoo diep bedroefde. Zij herinnerde
+zich de eindelooze goedheid van vrouw Damhout voor haar, de
+onverdiende vriendschap, die Bavo gedurende geheel haar leven haar had
+gegund, en zij sprak van weldaden, van edelmoedigheid en medelijden
+voor een arm verstooten kind; zij noemde bazin Damhout hare goede
+moeder en Bavo haren leermeester en haren broeder. Dit alles ging zij
+verliezen. De wereld zou eene woestijn voor haar worden, al wat zij
+meest had bemind, ging zij verlaten, misschien voor altijd.
+
+Het meisje had zulke gevoelige, zulke zoete, teedere woorden; de
+liefde haars harten voor hare weldoeners stortte zich zoo onbewimpeld
+en zoo vurig uit, dat zij iedereen tot in de ziel ontroerde.
+
+Vrouw Damhout sloot het dankbare kind tegen hare borst, en deed geweld
+om door bewijzen van innige dankbaarheid haar te troosten.
+
+Bavo lag met het hoofd op de tafel en weende; zijne droefheid was
+stom; geene klacht ontsnapte zijnen boezem; want hij wist wel, dat
+hier niet tegen de wreede uitspraak van het lot kon geworsteld worden.
+
+Zoo bleven dien avond in de woning van Damhout bittere, hopelooze
+tranen vlieten, totdat moeder Wildenslag hare Godelieve kwam roepen en
+ze mede naar huis nam.
+
+
+[Illustratie: Grepen elkander de handen.]
+
+
+Den volgenden dag ging het wat beter. Uitgeput van weenen, getroost en
+versterkt door de vriendelijke woorden van vrouw Damhout en van Bavo,
+had Lieveken de zaak allengs met meer verduldigheid beginnen in te
+zien. De vaste hoop, dat zij welhaast met hare ouders naar Gent zou
+wederkeeren, had een weldadig licht in hare droefheid geschoten, en
+zij insgelijks scheen het vertrek, als zijnde toch een geluk voor hare
+ouders, met onderwerping te aanvaarden....
+
+Toen de Wildenslags, ouders en kinderen, elk met een pak aan de hand,
+vóór den dageraad de stege verlieten, om de reis naar Frankrijk te
+beginnen, waren zij door Bavo vergezeld.
+
+De jongen stapte nevens Lieveken en droeg haar pak. Zij weenden niet
+en spraken weinig. Hunne harten waren beklemd. Wat zij zeiden, waren
+woorden van wederzijdsche vertroosting; want zij hadden beiden het
+gevoel, dat deze scheiding, hoe kort ook, hun pijnlijk zou zijn; en
+zij maanden in hunne eenvoudigheid elkander aan, om niet te veel te
+denken aan al het zoet vermaak en aan het stil geluk, dat zij
+gedurende hunne schoone kindsheid te zamen hadden genoten.
+
+Zoo kwam men buiten de poort, en dewijl het tijd was voor Bavo om naar
+zijne fabriek te gaan, kon hij onmogelijk de Wildenslags langer
+vergezellen.
+
+Bavo en Lieveken, als door eene zelfde beweging gedreven, grepen
+elkander de handen, wisselden eenen diepen blik, waarvan zij zelven de
+beteekenis niet begrepen en murmelden met versmachte stemme:
+
+"Vaarwel, Bavo! Vaarwel, Lieveken. Tot wederziens!"
+
+Tranen ontsprongen hunnen oogen; maar het meisje, zich voelende
+bezwijken, slaakte eenen grievenden kreet en liep tot hare ouders, die
+reeds in de baan vooruit waren.
+
+De jongen bleef roerloos; hij zag hoe het arme Lieveken met hangend
+hoofd en wankelende stappen achter moeder voortsukkelde. Hij wenschte
+en hoopte, dat zij nog eens het gezicht tot hem zou keeren; maar daar
+bereikten zij den draai der baan, en allen verdwenen zij voor de oogen
+van Bavo.
+
+Dan werd het hem, als hadde men met geweld iets uit zijn hart gerukt.
+Hem verbaasde de akelige ledigheid, die eensklaps in hem en rondom hem
+was ontstaan, en hij schudde twijfelend het hoofd, als vroege hij zich
+zelven het raadselwoord der duizeligheid zijner zinnen.
+
+Dubbend, morrend en diep bedrukt, keerde hij stedewaarts en begaf zich
+naar zijne fabriek. Het beeld van Lieveken vervolgde hem overal; in
+het katoen, dat hij uitpluizen en schikken moest, vormde zich de
+gedaante der betreurde speelgenoote, nu met den onbegrijpelijken blik
+in de oogen, dan met hangend hoofd de droeve rust beginnende. Het
+woord "vaarwel!" klonk hem van alle kanten uit de geruchten der
+fabriek in de ooren. Maar de arbeid is een machtige trooster des
+harten, en hij leent den mensch eene wonderbare sterkte tegen de
+denkbeelden, die hem overheerschen. Vóór het einde van den eersten dag
+was de smart van Bavo reeds veel verminderd, en alhoewel hij nog
+altijd aan Lieveken en aan haar vertrek bleef mijmeren, kwam er meer
+verduldigheid en rust in zijn hart.
+
+Des avonds, als hij te huis kwam van zijne fabriek, nam hij als te
+voren zijne boeken, maar dan geviel het dikwijls, dat hij, zonder het
+te weten, eensklaps het hoofd verhief en rondkeek, als zocht hij
+iemand met de oogen; somtijds stond hij op en ging naar de deur bij
+het minste gerucht. Er ontbrak hem iets; en alhoewel hij lachte met
+zijne eigene verstrooidheid, was zijne moeder bekommerd over deze
+zonderlinge ontroeringen haars zoons.
+
+Ook sprak zij weinig met hem over Godelieve; en wanneer hij haar dwong
+over de afwezige vriendin te kouten, brak zij de samenspraak zoo kort
+mogelijk af. Hare moederlijke liefde zeide haar, dat de diepe treurnis
+haars zoons geen voedsel mocht geven, alhoewel zij even veel aan
+Lieveken dacht als hij zelf.
+
+Er verliepen op deze wijze een paar weken. Bavo scheen zich in de
+afwezigheid van Godelieve te hebben getroost, en, sprak hij nu nog van
+haar, het was met bedaardheid en met rede.
+
+Vader Damhout was schier geheel genezen. Hij had zich reeds naar de
+fabriek van zijnen ouden meester, M. Raemdonck, begeven, om er te
+worden aangenomen. Nog eene week en hij zou zijnen arbeid als spinner
+hernemen.
+
+Op eenen middag kwam een onderwijzer der gemeenteschool in hun huis,
+om hen allen in naam van den bestierder uit te noodigen tot de
+prijsuitdeeling, die op den komenden Maandag was vastgesteld. Wel was
+het waar, dat Bavo, omdat hij de school voor het einde der wedstrijden
+had verlaten, geen recht kon hebben op de gewone prijzen, maar de
+onderwijzers hadden besloten, dat zijne vlijt, zijne vorderingen en
+bovenal zijn schoon gedrag eene openbare belooning verdienden. Bavo
+zou dienvolgens eenen buitengewonen prijs krijgen. Hij zelf en zijne
+ouders mochten niet nalaten de plechtigheid der prijsuitdeeling bij te
+wonen. Zij zouden ongetwijfeld altezamen verheugd en fier naar huis
+keeren.
+
+
+
+
+VIII
+
+
+De zaal, waar de prijsuitdeeling der gemeenteschool ging geschieden,
+was opgevuld met volk, meest vaders en moeders van leerlingen, en dus
+zeer geringe burgers of werklieden. Evenwel, vooraan bemerkte men ook
+wel eenige deftige dames en heeren, die, door een edel gevoel
+ingesproken, de prijsuitdeeling der kostelooze gemeenteschool door
+hunne tegenwoordigheid kwamen verheffen en opluisteren.
+
+Adriaan Damhout met zijne vrouw Christina zat op de vijfde of zesde
+bank, te midden van het publiek; hun zoon Bavo bevond zich tusschen de
+schoolkinderen op de plaats, hem door de onderwijzers aangeduid.
+
+Alles was gereed en de klokken der kerken hadden reeds sedert eene
+wijl het bepaalde uur verkondigd, toen eensklaps de deur der zaal met
+eenig gerucht werd geopend. De burgemeester van Gent, vergezeld door
+eenige schepenen en gemeenteraadsheeren, trad binnen en stapte tot bij
+het tooneel, waar groote leunstoelen voor de overheden waren geschikt.
+
+Met blijde verrassing in de stem murmelde Adriaan Damhout aan het oor
+zijner vrouw:
+
+"Hebt gij niet gezien, Christina, dat mijnheer Raemdonck met den
+burgemeester is binnengekomen?"
+
+"M. Raemdonck, de meester van uwe fabriek?"
+
+"Ja, kijk, daar voor ons, op den tweeden zetel, naast den
+burgemeester, aan zijne linkerzijde. Het is M. Raemdonck zelf."
+
+"Het is te begrijpen, Adriaan, vermits mijnheer Raemdonck sedert een
+jaar in den raad van de stad zit."
+
+"Ja, en hij moet daar nog al veel bezigheden hebben; want nu bemoeit
+hij zich zooveel niet meer met de fabriek; het is de oude
+meester-klerk, die schier alles bestiert. Ha, ik weet niet, Christina,
+maar het verblijdt mij grootelijks, dat M. Raemdonck hier tegenwoordig
+is."
+
+"En mij verheugt het insgelijks, Adriaan. Nu zal uw meester kunnen
+zien, dat gij een goed vader zijt en uwe kinderen hebt laten
+leeren...."
+
+Hunne stille samenspraak werd onderbroken door den klank der bel, die
+het begin der plechtigheid aankondigde.
+
+Een der raadsheeren had de trede der verhevenheid beklommen en hield
+eene openingsrede. Hij sprak over de noodzakelijkheid van het
+onderwijs voor alle standen der samenleving, en spoorde bovenal de
+werklieden aan om hunne kinderen niet in de onmacht en de slavernij
+der onwetendheid te laten. Zijne bondige rede eindigende, zeide hij:
+
+"Luistert, mijne vrienden, hoe een werkman als gij, een werkman van
+Brussel [Voetnoot: M. Dauby.], tot zijne medegezellen spreekt.--Het
+onderwijs, zegt hij, is heden voor iedereen eene dringende
+noodzakelijkheid, tot welke loopbaan of ambacht men ook zij bestemd.
+Niet geleerd zijn, wanneer de anderen geleerdheid bezitten, stelt den
+mensch in eenen toestand van eeuwige minderheid. De voordeelen van het
+onderwijs bestaan niet alleenlijk in te kunnen lezen, schrijven en
+rekenen, maar het opent den geest, ontwikkelt het verstand en vormt de
+rede; het leert opmerken en vergelijken; het geeft den mensch licht en
+sterkte om zijne plichten te vervullen en zijne rechten te verdedigen.
+Gij weet het, gezellen, de nijverheid vervormt zich onophoudend: alle
+dagen komen nieuwe verbeteringen tot stand. Alles gaat vooruit; de
+werkman moet mede vooruitgaan en den stap der anderen volgen, wil hij
+niet achterblijven en verpletterd worden. Indien de mekanieken hem
+zijnen lichamelijken en enkel stoffelijken arbeid ontnemen, om hem
+niets te laten dan het verstandelijk werk, dit is ook een vooruitgang;
+maar slechts op voorwaarde dat de werkman zich tot de hoogte zijner
+nieuwe taak wete te verheffen. Wie zal hem daartoe helpen? Het
+onderwijs, de geleerdheid, die den geest ontwikkelt en den mensch
+nieuwe krachten geeft, krachten, wel anders machtig dan die zijner
+armen, omdat zij noch de vermoeidheid noch de jaren vreezen;--de
+geleerdheid, die hem nieuwe wegen opent, die hem een beter dagloon met
+minder lichamelijke vermoeidheid bezorgt;--de geleerdheid, die de
+eeuwenlange ongelijkheid tusschen de menschen vermindert en veel meer
+kan toebrengen om ze geheel te doen verdwijnen dan de dwaze droom
+dergenen, die de rijkdommen onder allen zouden willen verdeeld zien,
+en waarvan de zekerste uitslag niets zou zijn dan de gelijkheid der
+armoede. Zegenen wij dus als werklieden den vooruitgang der scholen,
+de verspreiding van het onderwijs, als de schoonste glorie onzer eeuw.
+Wat ons betreft, wij beschouwen elke school als een tempel, opgericht
+aan de waardigheid en de welvaart van het arbeidende volk!--Ziedaar,
+vrienden, de edele woorden, u door eenen uwer gezellen toegestuurd.
+Drukt ze in uw hart en volgt den wijzen raad, die er in ligt besloten;
+want zij toonen u het middel om uwe krachten te verdubbelen, uwe
+welvaart te vermeerderen en in de toekomst het werk en den werkman te
+verheffen en te veredelen."
+
+Deze redevoering, met kracht en overtuiging uitgesproken, had eenen
+diepen indruk op het gemoed der aanhoorders gedaan. Eerst na een
+oogenblik der volledigste stilte braken de toejuichingen los. Onder
+degenen, die met koortsige geestdrift in de handen klapten en bravo
+riepen, kon men bovenal vrouw Damhout onderscheiden. De opgetogene
+Christina had hare eigene denkwijze zoo welsprekend hooren bevestigen;
+en zij gevoelde, dat de woorden van den raadsheer eene lange lofrede
+van haar gedrag als moeder waren geweest.
+
+"Welnu, Adriaan," vroeg zij zegevierend, "had ik gelijk of niet? Die
+heer weet er meer van dan Jan Wildenslag, niet waar? En gij hoort wel,
+dat er verstandige werklieden zijn, die denken als ik over het
+onderwijs der kinderen?"
+
+Damhout knikte met het hoofd ten teeken van toestemming; maar hij had
+den tijd niet om haar te antwoorden, want de oefeningen der
+schoolkinderen begonnen onmiddellijk en werden zonder verpoozing
+voortgezet.
+
+Men droeg eenige verzenstukjes en fabelen voor, en men vertoonde zelfs
+een geestig blijspel, het alles onder het twintigmaal herhaalde
+handgeklap der aanschouwers, die verbaasd waren en zich trotsch
+gevoelden over de kunde en de geleerdheid hunner kinderen.
+
+Eindelijk ging men over tot de prijsuitreiking. Een groot getal
+jongens van allen ouderdom, de kleinste eerst, werden beurtelings
+opgeroepen en kregen één of meer boeken.
+
+Velen moeders ontvielen tranen van geluk en hoogmoed; eenigen drukten
+in vol publiek hunne kinderen op hun hart en deden door deze
+eenvoudige uitstorting van liefde en blijdschap de toejuichingen der
+ontroerde aanschouwers verdubbelen.
+
+Toen men aan de leerlingen der hoogste klasse was gekomen, en Bavo de
+schoone, groote boeken één voor één van de tafel zag verdwijnen, werd
+het hem eenigszins bang om het hart. Ware hij op de school gebleven,
+dan hadde hij wel zeker het grootste getal dier prijzen behaald. Al de
+eer, welke zijnen ouden gezellen nu werd aangedaan, ware hem te beurt
+gevallen. Hoe hadde die openbare zegepraal, in tegenwoordigheid des
+burgemeesters en der andere heeren, zijne moeder en zijnen ziekelijken
+vader gelukkig gemaakt! Nu zou hij slechts eenen prijs krijgen, eenen
+kleinen prijs, want er lagen geene groote boeken meer op de tafel.
+
+Nog treuriger werd Bavo, toen hij ook den laatsten prijs zag weggaan;
+maar hij werd uit zijne droeve overweging opgewekt door de
+verschijning van den hoofdonderwijzer, die op het tooneel vooruitkwam
+om tot het publiek te spreken.
+
+De redenaar was een man met grijze haren; er lag in zijn schoon en
+indrukwekkend gelaat een toon van ernst en goedheid, van overtuiging
+en liefde, die liet vermoeden, dat deze grijsaard het onderwijs der
+kinderen beschouwde als eene soort van priesterschap.
+
+Op stillen, doch diepgevoelden toon begon hij zijne aanspraak. Van
+zijne eerste woorden af verwonderde hij elkeen, en boeide de aandacht
+gansch bijzonderlijk; want hij verhaalde een vertelsel van werklieden,
+eenen vader en eene moeder, die ten koste van vele opofferingen hunnen
+zoon hadden laten leeren, en die zelfs te midden van nood, van ziekte
+en ellende, liever honger hadden geleden dan hun kind van de school te
+trekken. Hij prees deze ouders zeer hoog, noemde ze edele, waardige
+menschen, en stelde ze ten voorbeeld van allen, die hem aanhoorden.
+
+Dewijl hij geene namen noemde, meende men, dat hij een uitgevonden
+verhaal voordroeg; maar de moed en de opoffering dezer ingebeelde
+ouders rukten evenwel tranen van bewondering uit de oogen van alle
+lieden.
+
+Christina Damhout hield het hoofd gebogen en verborg hare ontroering.
+Haar hart klopte fel, en zij was als beschaamd.
+
+"God heeft die goede ouders beloond," ging de grijze redenaar voort,
+"en in het feit dat ik u verhalen ga, zult gij het bewijs vinden, dat
+het onderwijs, gepaard met de zedelijke opvoeding, het hart van den
+mensch veredelt en hem, met het besef zijner plichten, ook den moed en
+de kracht geeft om ze te vervullen. De zoon dier ouders was leerling
+op deze school. Hij was de sterkste en meest geleerde in de hoogste
+klasse, en wel zeker zou hij al de eerste prijzen hebben weggedragen.
+Niemand twijfelde er aan, noch wij, zijne leermeesters, noch zijne
+medeleerlingen, noch hij zelf. Hij snakte naar den dag der
+prijsuitreiking, niet voor zich zelven, maar voor zijnen vader en
+zijne moeder, die gelukkig zouden zijn door zijne schoone zegepraal.
+Dan kwam de werkstaking der fabrieken; zijn vader werd doodelijk ziek;
+nood en lijden overvielen zijne arme ouders. Wat deed de jongen? Hij
+verzaakte aan al zijne prijzen, aan de lang gedroomde eer, om eenen
+dwingenden plicht te vervullen. Hij verliet de school, zonder het
+zijnen ouders te durven zeggen, zocht en vond werk in eene fabriek,
+legde in 't geheim zijn dagloon in de kas zijner moeder neder en redde
+dus, als een onzichtbare weldoener, zijne ouders uit de bittere
+ellende.... Door ontijdig van de school weg te blijven, heeft de goede
+zoon zijn recht op het behalen der prijzen verloren; maar wij, zijne
+leermeesters, met toestemming van den heer burgemeester en met behulp
+van eenen milden beschermer der volksscholen, hebben besloten zijne
+vlijt, zijne kunde en bovenal zijn edel gedrag door eene bijzondere
+belooning te erkennen."
+
+Hij haalde van achter een gordijn een groot kwartoboek en een
+lauwerkroon te voorschijn. Het boek was in rood leder gebonden en
+verguld op snede. De onderwijzer opende het en toonde, dat het vol was
+van schoone, ontplooibare platen. Op den titel stond te lezen:
+_Werktuigkunde, toegepast op de Nijverheid_. Al de aanschouwers waren
+rechtgesprongen en keken zich de oogen uit het hoofd, om te raden,
+wien dit prachtig boek mocht bestemd zijn.
+
+De hoofdonderwijzer keerde zich naar den kant der schoolkinderen, en
+zeide met diepe aandoening:
+
+"Kom, Bavo Damhout, kom, mijn vriend, ontvang dit bewijs van de
+achting uwer leermeesters; het blijve u een kostbaar aandenken en een
+spoorslag om op den weg der deugd en der plichtsbetrachting voort te
+gaan. Gij zijt werkman; maar in die nuttige loopbaan staat de toekomst
+voor u open. Wees uwen gezellen een voorbeeld en toon hun gedurende uw
+leven, in uw gedrag en in uw welgelukken, de onschatbare vruchten van
+het volksonderwijs!"
+
+Bavo was bleek en beefde; hij scheen de macht niet te hebben om de
+trede te beklimmen, zoodanig ontstelde hem deze onverwachte
+eerbewijzing in tegenwoordigheid zijner ouders. Een der onderwijzers
+vatte hem bij den arm en leidde hem op het tooneel. Zijn grijze
+meester omhelsde hem, zette hem de lauwerkroon op het hoofd en legde
+hem het groote boek op de handen.
+
+De gansche zaal daverde onder een donderend bravo; velen der
+aanschouwers leekten tranen van ontroering op de wangen; de vrouwen
+brachten zich den neusdoek aan de oogen.
+
+Voor de trede stonden de burgemeester en de andere heeren recht,
+gereed om den bekroonden jongen geluk te wenschen; maar Bavo, zonder
+daar acht op te geven, zoohaast hij zich in bezit van zijnen prijs
+zag, keerde zich om, hief het boek en kroon met beide handen in de
+hoogte en riep in verrukking uit:
+
+"Moeder, moeder, moeder!"
+
+En hij sprong als een zinnelooze of een blinde tusschen de overheden
+en het publiek door, wierp kroon en boek op den schoot zijner moeder
+en vloog haar aan den hals en zoende haar onder het uitspreken van
+allerlei dankzeggingen. Ook zijnen vader omhelsde hij lang en vurig.
+Tusschen zijne liefdesbetuiging riep hij luid:
+
+"Gij hebt gewerkt en geleden om mij te laten leeren. Vader, vader, ik
+zal voor u werken. O, dat God mij bescherme! Gij zult het zien, gij
+zult het zien!"
+
+Deze eenvoudige lieden, in hun geluk, in hunne ontsteltenis, hadden de
+geheele wereld vergeten en schenen niet te weten, dat eene menigte
+menschen, met tranen in de oogen en woorden van bewondering op de
+lippen, hen omringden en op de uitstorting hunner blijdschap staarden.
+
+Damhout richtte zich eerst op en zeide tot zijne vrouw:
+
+"Kom, Christina, kom; men bekijkt ons zoo vreemd. Het is gedaan; de
+burgemeester is al weg; laat ons naar huis gaan."
+
+Men hadde op de schijnbare koelheid zijner woorden kunnen
+vooronderstellen, dat vader Damhout min gevoelig was aan de zegepraal
+zijns zoons; maar men hadde zich daarover geheel misgrepen. Zijn hart
+was vervuld met hoogmoed; want toen hij van tusschen de banken was
+geraakt, spande hij zichtbaar alle pogingen in om nevens Bavo te
+blijven, opdat elkeen mochte zien, dat hij de vader van dien jongen
+was.
+
+Bavo scheen sedert eenige oogenblikken door een gevoel van
+beschaamdheid aangegrepen; hij hield het hoofd gebogen en stapte
+wankelend tusschen zijne ouders.
+
+Toen zij de deur der zaal gingen bereiken, zeide Christina tot haren
+zoon:
+
+"Bavo lief, gij moogt niet beschaamd zijn: integendeel, hef het hoofd
+op; de menschen zouden zoo gaarne u in het aangezicht zien; het is uit
+vriendschap...."
+
+De jongen, als uit eenen slaap opschietende, slaakte eenen zucht en
+murmelde met zonderlinge ontroering aan het oor zijner moeder:
+
+"Ach, hadde Lieveken dit eens kunnen zien!"
+
+Zij werden door den vloed des volks ter deur uitgestuwd, en bevonden
+zich op de straat.
+
+"Christina," zeide vader Damhout, "ginder staat M. Raemdonck; hij
+beziet ons en schijnt mij te willen spreken."
+
+"Inderdaad, Adriaan, het is natuurlijk, hij zal u gelukwenschen. Welke
+eer, niet waar? Uw eigen meester. Wie hadde zich toch aan zooveel
+geluk verwacht. Die goede, lieve Bavo!"
+
+M. Raemdonck wenkte Damhout met den vinger tot zich.
+
+Terwijl Bavo en zijne moeder te midden der straat tusschen een hoop
+nieuwsgierige lieden bleven staan, ging Adriaan met ontdekten hoofde
+tot zijnen meester. Deze drukte hem minzaam de hand en zeide hem:
+
+"Ik wensch u geluk, Damhout. Zet uwe klak weder op, ik bid u. Dat gij
+een goed en vlijtig werkman zijt, dit wist ik sedert vele jaren; maar
+dat gij, als een verlicht en verstandig vader, uwen zoon hebt laten
+leeren, totdat hij al de klassen van het lager onderwijs had
+doorloopen, dit is iets, dat u in mijne oogen grootelijks vereert."
+
+"Ach, het is mijne vrouw, mijnheer," antwoordde de ontroerde werkman.
+
+"Uwe vrouw?"
+
+"Ja, mijnheer, daarvoor moet ik God dankbaar zijn, dat Hij mij de
+braafste en verstandigste vrouw heeft gegeven, die er op de wereld te
+vinden is."
+
+"Het zij zoo, mijn vriend, gij hebt er evenwel voor moeten werken. Ik
+heb aan den burgemeester beloofd, dat ik, indien het mogelijk is, iets
+zal doen om u te beloonen. Zeg mij eens, wat stelt gij u voor van uwen
+zoon te maken?"
+
+"Hij is op de fabriek van M. Verbeeck."
+
+"Wat doet hij daar?"
+
+"Hij zal de naaste week aan den eersten _duivel_ staan, mijnheer."
+
+"Ja, dit is niet slecht: hij zal mettertijd meesterknecht kunnen
+worden. Wilt gij mij een vermaak doen, Damhout? Zend mij uwen zoon; ik
+wil hem ook eenen prijs, een geschenk geven. Ga naar huis met uwen
+zoon, en zoohaast hij zijn boek en zijne kroon heeft nedergelegd en
+wat heeft uitgerust, doe hem dan ten mijnent komen; ik zal hem
+verwachten."
+
+Damhout keerde terug tot zijne vrouw en vertelde haar met blijde
+verbaasdheid, wat zijn meester hem had gezegd. Hij had hem de hand zoo
+vriendelijk gedrukt en zulke minzame woorden tot hem gesproken!
+
+Door iedereen nagekeken, geroemd en geprezen, kwamen de Damhouts
+eindelijk in hunne kleine stege. Voor het huisje, waar de Wildenslags
+hadden gewoond, scheen Bavo te willen blijven staan, en hij hief
+zelfs door eene onvrijwillige beweging zijn boek en zijne kroon op,
+als toonde hij deze voorwerpen aan een onzichtbaar wezen; maar een
+zucht ontsnapte hem, en hij volgde zijne ouders tot binnen hunne
+woning.
+
+Hier herhaalden zij nog eens de blijde omhelzing, en dan haastte Bavo
+zich ter stege uit, om naar M. Raemdonck te gaan en daar een nieuw
+geschenk te ontvangen. Wat zou het zijn, dat zijns vaders meester hem
+wilde geven? Misschien insgelijks een schoon boek, misschien iets
+anders?
+
+
+
+
+IX
+
+
+Bavo belde ten huize van M. Raemdonck; de meid leidde hem in het
+bureel. Hier kwam een reeds bejaarde man, de meester-klerk
+ongetwijfeld, hem te gemoet met eenen vriendelijken glimlach op het
+aangezicht, greep hem de hand en zeide:
+
+"Ik wensch u geluk, mijn jongen; men heeft u eene welverdiende eer
+bewezen; ik was er tegenwoordig en heb mij diep ontroerd gevoeld. Het
+zal u geluk bijbrengen dat gij uwe ouders zoo bemint en dankbaar
+zijt."
+
+Bavo murmelde den naam van M. Raemdonck.
+
+"Ja, ik weet het," zeide de meester-klerk, "mijnheer heeft u doen
+komen, maar hij is met eenen koopman in de fabriek gegaan en heeft
+gezegd, dat gij hier een beetje zoudt wachten. Zit neder, mijn vriend.
+M. Raemdonck zou u goed willen doen, indien het mogelijk is. Hij zou
+gaarne weten wat gij kent en tot hoeverre gij geleerd zijt, en hij
+heeft mij gelast u op de proef te stellen, indien gij hierin
+toestemt."
+
+"Ik ben hem wel dankbaar en zal alles doen wat u belieft, mijnheer,"
+antwoordde de jongen.
+
+"Welnu, zet u daar voor den lessenaar; ziehier de kopie van eenen
+brief. Schrijf dien eens in het net, op uw best en zonder feilen.
+Wees niet bevreesd. Daar hebt gij een model voor den vorm des briefs.
+Begin maar; ik zal intusschen mijn eigen werk voortzetten."
+
+Er heerschte eene volledige stilte in het bureel, totdat Bavo, door
+het hoofd op te heffen en zich om te keeren, teeken gaf, dat de brief
+was afgeschreven.
+
+De meester-klerk naderde, hield de oogen eene wijl op het papier
+gevestigd en zeide dan met verwondering:
+
+"Ho, jongen, wat schoon geschrift, wat vaste hand ... en geene feilen!
+Bravo, dit had ik niet verwacht; het zal M. Raemdonck verblijden, want
+hij draagt u eene ware genegenheid toe, omdat gij de zoon zijt van
+eenen onzer oudste en beste werklieden. Kunt gij ook goed rekenen?"
+
+"Daarin was ik de sterkste van de geheele school, mijnheer, ten minste
+volgens mijne meesters."
+
+"Welnu, ziehier eene kolom cijfers; tel ze eerst op; vermenigvuldig
+dan de uitkomst met 365 en deel het geheel met 514."
+
+In eenige minuten had Bavo de rekening gemaakt, en de meester-klerk
+bevond met innige tevredenheid, dat hij niet had gemist.
+
+"Blijf nu een oogenblikje hier wachten, mijn vriend," zeide hij; "ik
+ga M. Raemdonck van uwe komst verwittigen."
+
+Hij liet Bavo alleen in het bureel, opende eene deur en trad ten einde
+van eenen gang in eene zaal, waar de eigenaar der fabriek voor eene
+tafel zat en bezig was met eenige papieren te doorbladeren.
+
+"Welnu, Pasmans, hoe staat het met de geleerdheid van den jongen?"
+vroeg hij. "Zoudt gij hem kunnen benuttigen?"
+
+"Het is een wonder, mijnheer," antwoordde de meester-klerk; "de jongen
+is nauwelijks vijftien jaar, en hij heeft een geschrift zoo vast en
+zoo fraai als van eenen ouden klerk; hij kan goed rekenen, heeft een
+fijn begrip en is bekwaam tot alles, ten minste voor hetgeen onder
+mijn toezicht op het bureel kan te doen zijn."
+
+"Gij wilt toch niet zeggen, dat hij den klerk, dien gij eergisteren
+wegzondt, zou kunnen vervangen?"
+
+"Neen, mijnheer, ik durf het niet zeggen, alhoewel ik overtuigd ben,
+dat ik uit dezen leerling der gemeenteschool meer nut zal trekken;
+maar hij is te jong, en men mag hem in den beginne niet door eene al
+te hooge jaarwedde bederven."
+
+"Inderdaad, de andere klerk had duizend franken. Wat zou men den zoon
+van Damhout kunnen geven? Gij weet dat ik zijne ouders wil beloonen?"
+
+"Het derde gedeelte, mijnheer; driehonderd franken, bij voorbeeld. Het
+ware genoeg om te beginnen. Ik zal den jongen helpen en leeren. Indien
+hij vlijtig en getrouw blijft, kunnen wij zijn loon opvolgend
+verhoogen."
+
+"Het is wel, Pasmans, ik bedank u om uwe goedwilligheid. Zend mij den
+jongen, maar zeg hem niets."
+
+Eenige oogenblikken daarna trad Bavo in de zaal en bleef met de klak
+in de hand voor M. Raemdonck staan.
+
+Deze beschouwde hem eene wijl, met het hoofd knikkende, als schepte
+hij behagen in de regelmatige wezenstrekken en in de nederige, doch
+tevens moedige houding van den jongen.
+
+"Het is een schoone dag voor u geweest, mijn vriend," zeide hij. "Gij
+hebt vele beschermers aangewonnen, en indien gij vlijtig en verstandig
+blijft, zult gij waarschijnlijk uwen weg in de wereld maken; maar wat
+u ook gebeure, vergeet nooit, dat uwe ouders, arme fabriekwerkers,
+zich hebben opgeofferd om u te laten leeren."
+
+"Ik zal het niet vergeten, mijnheer," antwoordde Bavo zeer stil, maar
+op eenen ontroerden toon en met eenen glim van wilskracht, waarvan de
+innigheid den eigenaar der fabriek met verrassing sloeg.
+
+"Ha, dit is wel," zeide hij, "dat gij goed doordrongen zijt van alles,
+wat uwe arme ouders voor u hebben gedaan; uw vader bovenal, niet
+waar?"
+
+"Ja, mijnheer, mijn vader heeft voor mij gewerkt, mijn vader is voor
+mij doodelijk ziek geworden; mijne moeder heeft nachten zonder slapen
+doorgebracht om mij naar de school te laten gaan."
+
+"En gij zult ze liefhebben en, is het u mogelijk, ze beloonen in
+hunnen ouden dag?"
+
+"Ja, mijnheer, zoolang ik leef."
+
+"Gij zijt nu op de fabriek van M. Verbeeck, en gij zult de naaste week
+eerst aan den _duivel_ staan als helper. Het is een goed middel om tot
+iets te geraken; maar dit gaat wel langzaam, mijn jongen. Met uwe
+geleerdheid kan men misschien eenen korteren weg vinden."
+
+"Ik zal meesterknecht worden, mijnheer!" antwoordde Bavo met
+bedwongene kracht.
+
+"En dan?" morde M. Raemdonck.
+
+"Dan, mijnheer, dan zal mijn vader niet meer werken, en mijne moeder
+ook niet."
+
+"Gij zijt een brave jongen," sprak M. Raemdonck getroffen. "Wat wint
+gij nu? Vier of vijf franken in de week, niet waar? Dit is niet
+genoeg. Ik wil u helpen het edele doel bereiken, dat gij uw dankbaar
+hart aanwijst, door u eene loopbaan te openen, waarin men, met uwe
+geleerdheid en uwen goeden wil, veel spoediger kan vooruitgaan. Ik was
+voornemens u een boek te geven; maar al de boeken mijner bibliotheek
+zullen tot uwe beschikking staan. Een ander geschenk ga ik u doen.
+Wilt gij klerk worden op mijn bureel?--Blijft gij bij uwe goede
+gedachten en vlijtig, dan zal ik u voorthelpen met liefde, als waart
+gij mijn eigen zoon."
+
+"O, mijnheer, zooveel goedheid!" kreet Bavo, de handen dankend
+opheffende. "Hoe blijde zal mijne moeder zijn!"
+
+"Gij aanvaardt dus de plaats?"
+
+"Ik kan schier niet spreken, mijnheer. Ach ja, ja, ik zal zoo mijn
+best doen!"
+
+"Maar gij vraagt niet wat gij zult winnen. Indien gij u nuttig maakt
+en u vlijtig toont, zal ik uwe jaarwedde al spoedig verhoogen; het
+hangt van u af.
+
+Voor alsnu en om te beginnen, zult gij ... zult gij vierhonderd
+franken trekken; het is ten minste tweemaal zooveel als uw
+tegenwoordig loon."
+
+Bavo borst in tranen los en scheen in zijne ontroering te stikken; hij
+stamelde verwarde woorden, zegende zijnen weldoener en sprak van zijne
+moeder en van zijnen vader, doch was te zeer ontsteld om een
+verstaanbaar woord te uiten.
+
+
+[Illustratie: Eenen Godspenning wil ik u geven.]
+
+
+M. Raemdonck opende eene lade van zijnen schrijflessenaar, nam er
+iets uit, naderde tot den duizeligen jongen en zeide hem:
+
+"Kom morgen op het groot bureel; de oude meester-klerk is een braaf
+man en een edelmoedig hart; hij zal u vriendelijk zijn en u
+voorthelpen. Eenen Godspenning wil ik u geven; het zal mijn geschenk
+zijn. Daar, neem dit, draag het uwen vader met de goede tijding, en
+poog mijner bescherming waardig te blijven; dan zult gij uw eigen
+geluk en het geluk uwer goede ouders verzekeren. Vaarwel, mijn jongen,
+tot morgen dus."
+
+Het hoofd van Bavo draaide, het was hem duister voor de oogen; hij
+bevond zich in de straat zonder het te weten. Vierhonderd franken ging
+hij winnen! Welke rijkdom, en hoe zou zijne moeder verbaasd staan en
+gelukkig zijn bij dit wonderschoon nieuws! Hij kon het niet gelooven;
+hij droomde misschien? Neen, neen, het was waar. Klerk zou hij worden
+en vierhonderd franken winnen!
+
+Dan eerst voelde hij iets in zijne hand en opende ze. Daar blonken hem
+twee goudstukken van twintig franken in de oogen!
+
+Een luide schreeuw ontvloog hem, en, zonder op de voorbijgangers te
+letten, die hem verwonderd nakeken, sprong hij, met de hand in de
+hoogte, juichend vooruit en liep uit al zijne kracht, totdat hij zijne
+woning bereikte.
+
+"Moeder, vader!" riep hij, "ik word klerk in het groot bureel van M.
+Raemdonck; ik win vierhonderd franken; ik zal spoedig meer winnen:
+daar, daar is mijn Godspenning! Vader, vader, wij zullen rijk zijn;
+gij zult leven zonder werken, gij hebt genoeg gedaan voor mij. Moeder
+zal des nachts niet meer moeten naaien; zij zal eene meid hebben. Nu
+nog niet, maar het zal komen, ja, ja, mettertijd, of ik zal er onder
+bezwijken."
+
+En van ontsteltenis afgemat, liet de opgewonden jongen zich lachend en
+juichend op eenen stoel vallen.
+
+De ouders bestaarden met verwondering de twee goudstukken, welke hun
+zoon op de tafel had geworpen; zij insgelijks schenen buiten zich
+zelven van verbaasdheid.
+
+Damhout sloeg eensklaps de armen om den hals zijner vrouw, drukte haar
+op zijn hart en stamelde met tranen in de oogen:
+
+"O, Christina lief, dat God u zegene! Aan u, aan u alleen zijn wij al
+dit geluk verschuldigd. Gij zijt meer dan eene moeder voor uwe
+kinderen, meer dan eene vrouw voor mij; gij zijt onze goede
+engelbewaarder op aarde!"
+
+Bavo stond eensklaps recht en kreet, terwijl hij naar de deur liep:
+
+"O, Lieveken! Lieveken!"
+
+Met eenen angstigen gil sprong zijne moeder hem achterna.
+
+"Hemel, mijn arme zoon, wat geschiedt u?" gilde zij.
+
+Maar Bavo wierp zich in hare armen en zeide met het schaamrood op de
+wangen:
+
+"Het is niets moeder lief; ik droom, de blijdschap maakt mij
+zinneloos!"
+
+
+
+
+X
+
+
+Des anderen daags begaf Bavo zich naar zijn bureel; hij was zoo blijde
+en zoo vol geestdrift, dat hij geheel door zijnen nieuwen arbeid was
+verslonden en aan niets anders meer scheen te denken. Hij bracht des
+avonds schrijfwerk mede, bleef met de pen in de hand zitten, totdat
+zijne ouders hem herinnerden, dat het tijd was om slapen te gaan, en
+sprak zelfs niet meer van Lieveken, noch van zijne treurnis, omdat zij
+zijne schoone zegepraal niet had kunnen zien.
+
+Evenwel na eenige dagen van groote overspanning, kwam er een beetje
+rust in zijn gemoed. Dan keerde de herinnering aan de afwezige
+vriendin even krachtig als te voren in hem weder, en hij spoorde zijne
+moeder aan om eenen brief aan Lieveken te schrijven. Het arme meisje
+zou zich in hun geluk verblijden, en het zou haar zeker een troost
+zijn in haar verdriet.
+
+Een gansche avond werd aan het opstellen en afschrijven van den brief
+besteed; want alhoewel Bavo de pen voor zijne moeder hield, stortte
+hij er al de vreugde van zijn eigen hart in uit en schilderde breed en
+wijd de prijsuitreiking en het bezoek bij M. Raemdonck. Lieveken moest
+alles, alles weten, even alsof zij zelve er bij tegenwoordig ware
+geweest. Hij vergat insgelijks niet te juichen over de toekomst, die
+hem aanlachte, en beroemde zich, dat, indien Gods bescherming hem
+bijbleef, hij zijne ouders mettertijd rijk en gelukkig zou maken. Zij
+moest seffens antwoorden en laten weten, wanneer haar vader terug naar
+Gent zou keeren; de fabrieken waren hier nu weder alle geopend en er
+was veel werk; want zij kon wel denken, dat, niettegenstaande hunne
+blijdschap, zijne ouders en hij zelf toch veel verdriet hadden, omdat
+zij Lieveken niet meer zagen.
+
+De brief werd in de post gestoken, en van dan af wachtte Bavo met
+koortsig verlangen op het antwoord.
+
+Er verliepen ééne week, twee weken, eene gansche maand. Elken middag
+en elken avond, als Bavo zijn bureel verliet, liep hij met groote
+haast naar huis, en zijn eerste woord was telkens:
+
+"Welnu, welnu, moeder, is er niets gekomen?"
+
+"Niets, nog niets, mijn zoon," antwoordde vrouw Damhout met eenen
+zucht.
+
+Bavo werd allengs zeer treurig en moedeloos, en soms bleef hij des
+avonds uren lang met het hoofd in de hand zitten, of koutte met zijne
+moeder over de waarschijnlijke redenen dezer stilzwijgendheid van
+Lieveken. Was zij ziek misschien? Was haar een ongeluk overkomen? Had
+men zich in het opschrift van den brief misgrepen? Maar dit laatste
+was niet mogelijk, vermits Lieveken zelve vóór haar vertrek hun dit
+opschrift had gegeven.
+
+Gelukkig dat Bavo in den arbeid eene afleiding voor zijne droeve
+gepeinzen vond. Het plichtgevoel was inderdaad zeer machtig in hem.
+Zoolang hij op zijn bureel was, overspande hij zijne wilskracht en
+worstelde zegevierend tegen het verdriet, dat zijnen geest benevelde,
+en men kon niet aan zijn werk raden, dat smartelijke stoornissen hem
+onophoudend bestormden.
+
+Zekeren avond toch zeide hem de oude meester-klerk met eene schier
+vaderlijke minzaamheid:
+
+"Bavo, mijn jongen, gij moogt met zooveel inspanning niet werken. Gij
+zult u zelven ziek maken door uw overdreven ijver. Ik zie sedert
+eenige dagen, dat gij zwaarmoedig en treurig zijt. Vrees niet, gij
+doet meer en beter dan men van u kan verwachten. M. Raemdonck is zeer
+tevreden over u, gij weet het wel. Kom, kom, een mensch, die zijne
+plichten gevoelvol vervult, moet licht en vroolijk van harte zijn;
+anders wordt hem de arbeid zwaar en geestverdoovend."
+
+De arme jongen ging zeer bedrukt naar huis; hij beschouwde deze
+vriendelijke opwekking als een zijdelingsch verwijt; want zij bewees,
+dat de meester-klerk zijne duistere gemoedsstemming had opgemerkt, en
+misschien had er iets aan zijn schrijfwerk ontbroken. Daarenboven,
+Lieveken antwoordde niet; reeds zes lange weken waren er verloopen.
+Zou hij ooit nog wel iets van haar vernemen? Was zij gevaarlijk ziek?
+Was zij dood misschien?--want aan hare dankbaarheid, aan hare trouwe
+herinnering dorst hij na zulke korte afwezigheid niet twijfelen.
+
+Toen hij dus, dubbend en zuchtend, in de stege kwam, ontvloog hem
+eensklaps een schreeuw van verrassing en blijdschap. Hij zag van verre
+zijne moeder voor de deur van haar huisje staan met een papier in de
+hand, dat zij hem scheen te toonen.
+
+De jongen sprong vooruit, trok zijne moeder in huis en riep:
+
+"Een brief van Lieveken?"
+
+"Ja, van Lieveken of van hare ouders; hij komt uit Frankrijk."
+
+"En wat staat er in, moeder?"
+
+"Gij weet, Bavo, dat ik geen geschrift kan lezen."
+
+"Geef, geef, ik zal hem u voorlezen.... Hij is van Lieveken zelve.
+Luister, moeder. Ach, ik beef van ongeduld:
+
+ "Goede madam Damhout."
+
+"Zie, waarom noemt zij mij nu _madam_?" kreet de verwonderde
+Christina.
+
+"Wel, het is uit eerbied, moeder; daarenboven, in Frankijk noemt men
+iedere vrouw _madam_; maar laat mij lezen, onderbreek mij niet, ik bid
+u:
+
+ "Goede madam Damhout,
+
+ "Vergeef het mij, dat ik niet eerder op uwen brief heb kunnen
+ antwoorden. Vader had hem op de fabriek ontvangen en hem in
+ zijnen zak gestoken en vergeten. Toen moeder zijn vest wilde
+ vermaken, heeft zij hem gevonden. Ik bedank u en Bavo en M.
+ Damhout uit het diepste mijns harten voor de vriendschap, die
+ gij de arme Godelieve blijft toedragen. Uw brief heeft ons
+ zoo gelukkig gemaakt, dat mijne moeder en ik van blijdschap
+ hebben geweend en God om zijne goedheid jegens u hebben
+ gezegend. Wat mij betreft, ik heb veel verdriet; want ik denk
+ zonder ophouden aan u allen: ik treur, omdat ik u niet meer
+ zie en zelfs niet weet, of ik nog ooit van mijn leven u zal
+ wederzien. Mijn vader zegt dikwijls, dat hij nooit meer naar
+ het land zal wederkeeren; want hier is overvloedig werk en
+ een hoog dagloon. Mijne moeder heeft nog geenen winkel voor
+ mij kunnen vinden. Ik werk op eene fabriek en win zes franken
+ in de week. Mocht mijne moeder toch spoedig eenen winkel voor
+ mij vinden! De menschen op de fabriek zijn zoo grof en zoo
+ baldadig; zij schelden en vloeken altijd, en omdat ik eenen
+ afkeer van die woestheid heb, lachen ze mij uit en plagen
+ mij. Ik ben er bijna ziek van geworden; maar nu is het wat
+ beter. Mijn broeder Tist is zijn linker oog kwijtgeraakt in
+ een gevecht tusschen Vlaamsche en Fransche werklieden; hier
+ vecht men schier alle dagen. Dat Bavo in de wereld zal
+ verhoogen, en dat gij altezamen rijk zult worden, daarvan was
+ ik reeds overtuigd, toen ik nog een klein kind was; maar gij
+ zult in uw geluk toch somtijds nog eens denken aan het arme
+ Lieveken, niet waar? Wat ik ook worde, fabriekwerkster of
+ kleermaakster, ik zal slechts met eerbied en dankbaarheid mij
+ uwer eindelooze goedheid mogen herinneren, dit weet ik wel;
+ maar zijt zeker, al leefde Godelieve honderd jaar, dat zij
+ nog op haar doodbed de namen zal noemen van hem, die het arme
+ zieke kind leerde lezen, en van haar, die het als eene tweede
+ moeder naar de school heeft geleid.
+
+ "Uwe ootmoedige dienstmeid,
+
+ "GODELIEVE WILDENSLAG."
+
+Bavo liet den brief ter tafel vallen en begon te weenen: vrouw Damhout
+had insgelijks de tranen in de oogen. Zij poogde echter haren zoon te
+doen begrijpen, dat hij ten onrechte zich zoo diep bedroefde. Wat was
+er dan zoo ongelukkig in het lot van Lieveken? Zij treurde, omdat zij
+verre van hare geboortestad en hare vrienden moest leven. Dit was
+immers natuurlijk? Bavo moest daarenboven wel zeker zijn, dat
+Wildenslag naar Gent zou terugkeeren.
+
+Maar dit was de reden der smart van den jongen niet. Wat hem
+verschrikte, was de tijding, dat Godelieve op eene fabriek werkte, te
+midden van ruwe, woeste menschen, en daarom was hij ontroostbaar. Hij
+drukte het angstig voorgevoel uit, dat Lieveken door de gedurige
+aanraking met de grove, onwetende lieden hare zedigheid en de
+zuiverheid haars harten zou kunnen verliezen. Dit ware volgens hem het
+grootste ongeluk, dat haar kon overkomen. Er lag misschien een gevoel
+van zelfzucht in zijne ontsteltenis; maar hij verborg het onder het
+medelijden voor de gezellinne zijner kindsheid en zuchtte herhaalde
+malen met diepen weemoed:
+
+"Arm Lieveken! Arm Lieveken!"
+
+Adriaan Damhout kwam te huis. Dan bedwong Bavo zijn verdriet; want in
+zijns vaders tegenwoordigheid dorst hij de ontroeringen zijns harten
+niet zoo vrij uitstorten.
+
+Nadat men gedurende eenigen tijd over den treurigen brief van
+Godelieve had gekout, besloot men haar nog denzelfden avond te
+schrijven, om haar te troosten en haar moed te geven. Men zou
+daarenboven in den brief aan haar eenen anderen brief voor hare moeder
+steken, om deze tot het spoedig zoeken van eenen anderen winkel aan te
+manen.
+
+Eens dat deze beide brieven waren geschreven, werd Bavo een beetje
+beter te moede. Hij had nu een middel gevonden om met Godelieve te
+spreken; het was eenigszins, alsof zij nog tegenwoordig ware; de
+betuiging harer dankbaarheid, de zekerheid dat zij nog aan hunne zoete
+vriendschap dacht, deed hem zoo goed aan het hart. Met deze troostende
+overweging ging de jongen te bed, en alhoewel hij droomend Lieveken op
+de fabriek zag en ruwe, onbeschofte woorden rondom haar hoorde galmen,
+werd zijn slaap niet merkelijk gestoord.
+
+Maanden lang wachtte hij op een tweede antwoord van Godelieve; er kwam
+geene tijding. Men schreef eenen anderen brief en zelfs eenen derden,
+maar even vruchteloos.
+
+Bavo meende te moeten denken, dat vader Wildenslag de brieven
+vernietigde. Dewijl men ze naar de fabriek stuurde, aangezien men de
+bijzondere woonst der Wildenslags niet wist, ontving hij ze altijd op
+zijn werk. De brief, waarin Damhout aandrong om Godelieve het
+fabriekwerk te doen verlaten, zou hem waarschijnlijk hebben doen
+besluiten alle betrekking tusschen zijn huisgezin en de Damhouts af te
+breken. Misschien had het woeste gezelschap, waarin Godelieve
+veroordeeld was te leven, reeds eenen verderfelijken invloed op haar
+uitgeoefend? Misschien was haar geheugen verduisterd en had zij hare
+vorige vrienden vergeten? Maar dit kon niet zijn, zoo spoedig toch
+niet!
+
+Op zekeren avond dat Bavo met zijne moeder koutte, ontvielen hem
+eenige droeve woorden, die vrouw Damhout schenen te verrassen en te
+verwonderen. Wat zij daarop antwoordde om hem te troosten, deed het
+schaamrood op Bavo's voorhoofd klimmen. Hij stamelde eenige
+verontschuldigingen en bleef dan zwijgend in zich zelven dubben en
+overwegen, of nam een boek en ontvluchtte zóó eene samenspraak,
+zoohaast hij bemerkte, dat zijne moeder hem met aandacht beschouwde.
+
+Liefde? Zijn medelijden zou liefde zijn? Hij zou Godelieve beminnen
+... beminnen, anders dan eene speelgenoote, dan eene zuster? Zijne
+moeder had het niet gezegd; maar waarom dan had zij gesproken van eene
+geheime neiging des harten, van een gevoel, dat hij moest pogen te
+beheerschen en te overwinnen?
+
+Van dan af werd Bavo aangaande Godelieve achterhoudend met zijne
+moeder. Telkens dat zij zelve, en het gebeurde niet dikwijls meer, den
+naam van Lieveken noemde, keerde hij de samenspraak af.--Dit belette
+echter niet, dat zijne ziel treurde en nog snakte naar de afwezige
+vriendinne. Elke maal dat hij te huis kwam, hoopte hij, dat zijne
+moeder hem eenen brief zou toonen; maar de maanden verliepen zeer
+snel, en van Lieveken hoorde men niets meer.
+
+Wel had vader Damhout eens eenen werkman ontmoet, die uit Frankrijk
+kwam en hem nieuws van de Wildenslags had gegeven; maar zijne woorden
+waren niet van aard om Bavo of zijne moeder te verblijden. Volgens
+zijn zeggen wonnen de Wildenslags veel geld, ja veel te veel; want zij
+waren gekend als de grootste drinkers en zwierders van geheel de stad.
+Zij lagen ook altijd in twist met iedereen en schenen in ruzie en in
+vechten hun vermaak te vinden. Naar Gent terugkomen, dit zouden zij
+zeker niet doen; want zij hadden daarvoor een al te goed leven in
+Frankrijk. Godelieve kende hij niet; maar hij wist, dat al de
+Wildenslags, ouders en kinderen, op fabrieken werkten.
+
+Ondanks de durende beneveling van zijn gemoed kweet Bavo zijne
+plichten zoo wel op zijn bureel, dat hij meer en meer de gunst won van
+M. Raemdonck en van den meester-klerk. Men had zijne jaarwedde reeds
+tot zeshonderd franken verhoogd, en dewijl zijn vader bleef werken en
+zijne moeder nog immer voor haren winkel kielen naaide, kwam er
+zooveel welstand in huis, dat men besloot de stege te verlaten en in
+eene betere en min donkere straat te gaan wonen.
+
+Veel eerder ware men verhuisd, hadde Bavo zelf niet altijd gepoogd
+deze beslissing te doen uitstellen. Hij verborg het niet, dat hij met
+smart zich zou verwijderen van deze plaats, waar zijne wieg had
+gestaan en waar hij zijne gelukkige kindsheid had gesleten. Zeide en
+herhaalde zij hem niet dagelijks, hoe zijne moeder hem had bemind en
+hem had aangemoedigd in zijne pogingen om te leeren? Waren niet al de
+herinneringen van zijn leven aan deze nederige kamer gehecht?
+
+Eindelijk toch kon hij zijne moeder niet meer wederstaan. Er werd, een
+weinig verder aan de straat, een klein doch net huisje gehuurd, en men
+had reeds begonnen de meubelen over te dragen.
+
+Men nam voor den laatsten keer het middagmaal in de oude woning. Bavo
+zat tusschen zijne twee zusterkens aan tafel over zijne ouders. De
+jongen sprak niet en was zeer zwaarmoedig; zijne oogen dwaalden soms
+rond de kamer, als zeide hij vaarwel aan deze wanden, die zoo dikwijls
+de vroolijke stem van arme, ongelukkige kinderen hadden gehoord.
+
+Daar trad onverwachts een man in de kamer, naar buiten roepende:
+
+"Ja, ja, ik kom! Eenige oogenblikken slechts! ga naar de _Blauwe
+Geit_, bij Pier de Knul; ik zal u daar wel vinden!"
+
+En tot de tafel naderende, greep hij de hand van Damhout en zeide:
+
+"Goeden dag, Adriaan, ik wilde toch niet in Gent geweest zijn, zonder
+u te hebben gezien. Gij hebt geluk, ik weet het en het verblijdt mij,
+want gij zijt een brave vent."
+
+"Zie, het is Steven Geerts!" riep Damhout. "Wel vier jaar is het
+geleden, dat ik u voor de laatste maal heb gezien. Waar zijt gij
+gebleven?"
+
+"Ik kom uit Frankrijk; daar is altijd veel werk."
+
+"Uit Frankrijk?"
+
+"Ja, van Wazemmes, bij Rijssel."
+
+"Van Wazemmes!" riepen de ouders en Bavo met blijde verrassing.
+
+"Waarom verwondert u dit?" murmelde Steven.
+
+"En hoe gaat het met de Wildenslags? Die wonen ook te Wazemmes, niet
+waar?" vroeg vrouw Damhout.
+
+"Dit is te zeggen," was het antwoord, "zij hebben er eenigen tijd
+gewoond, volgens dat ik van de vrienden heb vernomen; maar ze zijn van
+daar naar Douai vertrokken. Ik heb ze gedurende acht of tien dagen
+gezien; want ik heb wel een half jaar te Douai gewerkt; maar de week
+na mijne aankomst zijn de Wildenslags eensklaps van daar vertrokken.
+De vrienden zeggen, dat zij werk hebben aangenomen voor eene stad in
+het midden van Frankrijk, voor Rouaan misschien; maar ik weet het niet
+juist."
+
+"En de Wildenslags varen altijd wel?"
+
+"Wel? Ja, veel te wel; het ware beter, dat zij wat armoede leden. Er
+zijn geene grootere rabauwen op de wereld dan de Wildenslags; gij
+moest ze nu zien, Adriaan! Ze doen niets dan zwieren en slempen, halve
+weken; en ze worden zelfs door de vrienden gevlucht; want ze zijn
+daarenboven zeer brutaal en groote ruziemakers."
+
+Adriaan en zijne vrouw schudden treurig en zwijgend het hoofd. Ziende
+dat Steven de hand van haren man greep om hem vaarwel te wenschen,
+vroeg moeder Damhout:
+
+"Zoudt ge ons niet kunnen zeggen, Geerts, hoe het met Godelieve
+Wildenslag gaat? Gij kent ze misschien niet?
+
+"Is het geene teere, magere? Met blond haar en levendige blauwe
+oogen?"
+
+"Ja."
+
+"Ha, die ken ik goed; ik heb ze ten minste eens en maar al te wel
+gezien. Die is nog veel erger dan de anderen, vrouw Damhout. Al de
+Wildenslags zijn grove menschen."
+
+"Wat wilt gij zeggen, o hemel!"
+
+"Denk eens, ik kom in de stege, waar de Wildenslags wonen. Niet voor
+hen, maar voor eenen anderen vriend; want ik wilde met die brutale
+kerels geen uitstaans hebben. Weet gij, wat ik daar zie? Eenen
+ganschen hoop vrouwen met moeder Wildenslag in het midden, die als
+razenden aan het kijven zijn. Daar komt eensklaps Godelieve met den
+kloef in de hand het huis uitgeschoten en begint te slaan en te
+vechten, dat men ze wel met vieren moest vasthouden en bedwingen. De
+leelijke woorden, die zij sprak, maakten mij zuiver beschaamd,
+alhoewel ik van geen klein gerucht vervaard ben. Dat zulk zwak en
+mager meisje, die anders een fraai wezen heeft, zulke baldadige taal
+spreekt, dit stak mij fel tegen de borst, en ik had, mij dunkt, lust
+om de onbeschaamde wat kletsen om hare ooren te geven...."
+
+"Godelieve? Maar het is niet mogelijk!" zuchtte vrouw Damhout. "Hebt
+gij het waarlijk gezien?"
+
+"Met mijne eigene oogen. Misschien was het meisje buiten zich zelve
+geraakt, omdat men hare moeder aanviel.... Nu, Adriaan, houd u wel, en
+gij insgelijks, bazin Damhout, totdat ik nog eens naar Gent kome."
+
+De werkman verliet de kamer. Er heerschte eene wijl de volledigste
+stilte; de ouders bezagen elkander en hunnen zoon met treurige
+verbaasdheid. Bavo scheen vergramd; er fonkelde een somber vuur in
+zijne oogen, en zijne lippen schenen te beven.
+
+Toen zijne moeder eindelijk eenige woorden meende te spreken, om hem
+te troosten en Godelieve te verontschuldigen, stond de jongen op en
+zeide met kracht:
+
+"Moeder, vader, spreekt mij nooit meer van Godelieve! Ik wil haar
+vergeten, mijne kindsheid geheel vergeten, om nimmer nog aan haar te
+denken. Dat een onwetend mensch zoo laag dale en den eerbied voor zich
+zelven verlieze, dit is te begrijpen; maar zij kan lezen, zij is
+geleerd, zij heeft van u, moeder, niets gekregen dan lessen van deugd
+en zedelijkheid. Uwe goedheid, uwe weldaden, onze vriendschap, dit
+alles heeft zij vergeten. Zij is dubbel schuldig. O, ik zal haar
+aandenken in mijn hart versmachten met geweld. Moeder, doe de
+werklieden komen, seffens: alles moet weg naar onze nieuwe woning. Ik
+wil hier niet meer slapen, ik wil geenen voet meer in de stege zetten.
+Ik bid u, dat ik alles gereed vinde tegen dat ik naar huis kom; gij
+zult mij gelukkig maken. Vaarwel, ik ga naar mijn bureel; hier kan ik
+niet meer blijven; dezen avond zal ik bellen aan het huis in de
+straat...."
+
+Hij meende te vertrekken; maar daar hij bemerkte, dat zijne moeder
+bekommerd was en hem wilde wederhouden, zeide hij met min ontsteltenis
+in de stem:
+
+"Wees gerust, moeder; het is voor een oogenblik slechts. Morgen zal ik
+aan niets meer denken; het is gedaan; ik had verdriet, maar nu ben ik
+genezen, genezen voor altijd!"
+
+En na onder het spreken dezer woorden de handen zijner moeder
+teederlijk te hebben gedrukt, ging hij het huis uit.
+
+
+
+
+XI
+
+
+De ongunstige tijding over Godelieve scheen Bavo van eene geheime
+overheersching te hebben verlost, en onder dit opzicht had zij hem
+inderdaad goed gedaan. Alsof dit voorval eensklaps hem al wat er nog
+kinderlijks in hem was, had ontnomen, werd zijn geest ernstiger en hij
+kreeg meer dan te voren het voorkomen van een bezadigd mensch, die
+zich slechts bezighoudt met nuttige dingen.
+
+Van dan af werkte hij met nog meer vlijt op zijn bureel, en al zijne
+pogingen strekten om zich den handel en de inrichting der fabriek
+geheel eigen te maken.
+
+M. Raemdonck en de oude meester-klerk schepten vermaak in den
+leerzamen en dankbaren jongeling voort te helpen. De laatste bovenal
+had hem zeer lief en ontlastte zich op hem van een groot gedeelte
+zijns arbeids, teneinde hem van alles ondervinding te geven. Hij
+verborg hem zelfs niet, dat hij het deed met een bijzonder inzicht.
+
+"Ik kan ziek worden," zeide de meester-klerk, "ik kan eene andere
+plaats bekomen; mijn oom, de huidvetter, kan sterven. Dan erf ik een
+fortuin en ga op mijn geboortedorp leven. Ik wil u bekwaam maken om
+mij desnoods in mijne bezigheid te vervangen en, indien het gebeurt,
+als gij oud genoeg zijt, om mijne plaats bij M. Raemdonck te krijgen."
+
+Dit vooruitzicht was een nieuwe spoorslag voor Bavo. Met de
+toestemming van zijnen meester nam hij boeken uit de bibliotheek naar
+huis, studeerde de mekaniek, volgde nieuwe uitvindingen, teekende en
+overwoog, en had reeds bijgedragen om op de fabriek eene winstgevende
+verbetering aan de werktuigen te doen toebrengen.
+
+Zoo klom eindelijk zijne jaarwedde tot de som van duizend franken,
+toen hij zijn negentiende jaar bereikte.
+
+Van Godelieve en zijne kindsheid sprak hij niet meer of scheen geen
+gewicht meer aan deze herinneringen te hechten. Evenwel kwamen er nog
+oogenblikken, dat het beeld van Lieveken voor zijne oogen opstond, en
+hij dacht zelfs met vermaak en welgevallen aan de vriendin zijner
+eerste jaren. Niet aan Godelieve, het fabriekmeisje, die zich door de
+slechte voorbeelden tot ruwheid en zedelijke verlaging had laten
+medeslepen; neen, aan het kleine, beminnelijke Lieveken, het zuiver en
+eenvoudig kind, dat met hem was opgegroeid en al zijne vermaken en al
+zijne hoop had gedeeld. Onder zijnen drukken arbeid, onder zijne
+onophoudende studiën hoorde hij soms een zilveren stemmeken zijnen
+naam murmelen, en hem verscheen nog van tijd tot tijd het zoete wezen
+met de glinsterende blauwe oogen, zooals zij hem had aanschouwd, toen
+hij haar buiten de stadspoort voor de laatste maal had gezien. Dit
+waren echter slechts droomen, die met de wezenlijkheid in geene
+betrekking meer stonden, en hij wist het zeer wel.
+
+Vader Damhout had zijnen zoon reeds aangespoord, om door M. Raemdonck
+of den meester-klerk toch eens naar de Wildenslags te doen vernemen;
+maar Bavo had deze pogingen met eene soort van verschriktheid
+afgewezen, en zijne moeder had hem gelijk gegeven.
+
+Inderdaad, welke gemeenschap was er voortaan mogelijk tusschen
+Godelieve en hem? Hij gevoelde zich geroepen om in de wereld tot den
+burgerstand op te klimmen en onder deftige lieden te leven. Indien de
+Wildenslags naar Gent terugkwamen, zou hij dan niet beschaamd zijn,
+als vriend en broeder te hebben geleefd met menschen, die veeleer het
+misprijzen dan de achting der wereld verdienden? Neen, neen, van de
+Wildenslags mocht men hem niet meer spreken; zij hadden hem gewond in
+zijn gevoel, en hij was verbitterd tegen hen.
+
+Het waren bijna dezelfde overwegingen, die zijne moeder aanspoorden om
+hare eigene herinneringen te onderdrukken. Vijf of zes jaar vroeger
+had zij soms wel gedacht, dat Bavo en Lieveken misschien door God
+bestemd waren om eens door het huwelijk te worden vereenigd. Die droom
+had haar zelfs als eene mogelijkheid toegelachen; maar nu was er
+zooveel afstand tusschen Bavo en Godelieve gekomen, dat men aan de
+vroegere gemeenschap met de Wildenslags niet zonder een geheim gevoel
+van schaamte kon denken.
+
+Men sprak dus eindelijk in het geheel niet meer van Lieveken, alhoewel
+in het hart van vrouw Damhout en in het hart van haren zoon een immer
+herlevend gevoel van treurnis en van medelijden voor het ongelukkige
+kind opwelde.
+
+Bavo, die nu allengs tot de mannenjaren naderde, maakte zich met
+onophoudende vlijt alles eigen, wat den handel en de bewerking van het
+katoen betreft. Met de toestemming van den meester-klerk bracht hij
+een gedeelte van den dag in de fabriek zelve door, niet alleenlijk om
+de praktijk van den arbeid aan te winnen, maar tevens om de werklieden
+op te passen en de belangen van M. Raemdonck te behartigen. Hij
+volbracht dezen laatsten plicht met zooveel ijver en verstand, dat de
+meester-klerk, die hoogmoedig was over zijnen leerling, soms tot M.
+Raemdonck zeide:
+
+"Wees zeker, Bavo Damhout brengt u voor duizenden franken profijt aan,
+elk jaar. De werklieden beminnen en achten hem, en zij zorgen, dat er
+niets verkwist of gebroken worde, alleenlijk om hem vermaak te doen."
+
+Inderdaad, Bavo was zeer minzaam en zacht met iedereen, en zijne
+wonderlijke wetenschap en ervarenheid waren wel van aard om hem het
+ontzag der werklieden te verschaffen; maar dit was de voornaamste
+reden hunner genegenheid voor hem niet.
+
+Zijn eigen vader, hun oude, brave gezel, stond aan eenen spinmolen, en
+de jongeling moest dikwijls aan hem, evenals aan hen zelven, bevelen
+of terechtwijzingen geven. Dit hadde iets pijnlijks kunnen zijn, een
+oude spinner, die zich door zijnen zoon moest zien gebieden. Maar Bavo
+naderde nooit zijnen vader dan met de klak of den hoed in de hand,
+stuurde hem het woord toe met den grootsten eerbied en lachte hem aan
+en drukte hem zoo teederlijk de hand, dat al de werklieden zich
+ontroerd gevoelden van bewondering en hoogmoed. Het kostte hun dan
+geene moeite, te gehoorzamen aan een werkmanskind, die zich door zijne
+geleerdheid het recht tot bevelen had aangewonnen, en door zijne
+zachtheid en door zijne liefde tot zijnen ouden vader de eerbiedige
+genegenheid van elkeen afdwong.
+
+Bavo vergenoegde zich niet met hetgeen er voor hem op de fabriek van
+M. Raemdonck te leeren was; hij had zijnen meester overgehaald om in
+te schrijven op de nieuwste schriften over werktuigkunde en
+nijverheid; hij volgde openbare avondlessen, welke er alsdan over dit
+vak door geleerde professors werden gegeven; hij bezocht telkens dat
+hij er gelegenheid toe had, de beste fabrieken van Gent.
+
+Zoo verkreeg hij mettertijd eene groote wetenschap van alles, wat de
+katoennijverheid en hare mogelijke verbeteringen betreft.
+
+Hij was gelukkig, want iedereen rondom hem loofde en beminde hem....
+Evenwel was zijn hemel niet geheel zonder wolken. Zijn vader werkte
+nog altijd op de fabriek! De droom des jongelings was dus nog niet
+verwezenlijkt, het doel zijns levens nog verre van bereikt te zijn.
+Hij hadde wel gewild, dat zijn vader ophield van werken; maar zijne
+ouders en hij zelf waren nu in hunne nieuwe woning aan zekeren
+welstand gewend. Men kon dien toestand niet verlaten om een meer
+bekrompen leven te hernemen, en zijne jaarwedde alleen was niet
+toereikend om in de onkosten van het huishouden te voorzien. Deze
+overweging was hem soms nog eene oorzaak van voorbijgaand verdriet ...
+en daarbij, wanneer hij alleen was en droomde, tooverden zijne
+gepeinzen hem nog dikwijls terug in zijne schoone zoete kindsheid. Dan
+voelde hij in zijn hart eene ledigheid, eene onoverwinnelijke
+treurnis, eenen geheimzinnigen worm, die wel zachtjes knaagde, doch
+niet wilde sterven....
+
+Op zekeren morgen dat Bavo op zijn bureel trad en, in de afwezigheid
+van den meester-klerk, zich aan het schrijven had gezet, kwam eene
+meid hem zeggen, dat M. Raemdonck hem verlangde te spreken en in de
+zaal op hem wachtte.
+
+Toen hij zich voor den eigenaar der fabriek aanbood, deed deze hem
+nederzitten en zeide:
+
+"Mijnheer Damhout, toen ik door eigene beweging en door aanbeveling
+van den heer burgemeester u op mijn bureel toeliet, hoopte ik, dat gij
+mijne bescherming door leerzaamheid en vlijt zoudt erkennen. Ik heb
+mij niet bedrogen; integendeel, ik heb mijn genoegen in u gevonden, en
+gij hebt mij veel voordeel aangebracht in mijne zaken. Uwe durende
+liefde voor uwe ouders heeft mij daarenboven een waar gevoel van
+vriendschap en achting voor u ingeboezemd. In één woord, gij zijt een
+braaf jongeling en ik ben uiterst tevreden over u. Ik weet, dat uw
+schoonste droom, het voorname doel uwer werkzaamheid, daarin bestaat,
+uwen vader van allen arbeid te ontslaan en uwe moeder door levensgemak
+en zekere weelde voor hare vroegere opofferingen te beloonen. Het
+middel om u dat doel te laten bereiken, is mij nu aangeboden; en
+alhoewel gij nog jong zijt, wil ik nochtans u toonen, dat ik
+vertrouwen heb in uwe ervarenheid en in uwe trouw. De oom van den
+meester-klerk is gisteren overleden; M. Pasmans geeft zijn ontslag en
+gaat zijn geboortedorp bewonen. Gevoelt gij u bekwaam mijn
+meester-klerk te zijn?"
+
+"O, mijnheer!" zuchtte Bavo, "ware ik niet bekwaam, ik wierd het uit
+dankbaarheid voor uwe uiterste goedheid!"
+
+"Het is, mijn vriend, dat daar eene jaarwedde van drieduizend
+vijfhonderd franken aan vast is; ja, vier duizend franken, met zekere
+bijzaken. Dit is tamelijk veel voor een jongeling van tweeëntwintig
+jaar. Zal deze aanzienlijke vermeerdering u niet schadelijk zijn? Gij
+zijt in de gevaarlijkste jaren...."
+
+"Beproef mij, ik bid u, mijnheer, al ware het gedurende een gansch
+jaar!" zeide Bavo smeekend "Wat gij mij aanbiedt, is het geluk, dat ik
+voor mijne ouders heb gedroomd. Oh, indien ik mij uwer grootmoedigheid
+ooit onwaardig toon, jaag mij weg, veracht mij; maar neen, neen, ik
+zal mijnen wil en mijne pogingen overspannen, en, is het mogelijk, u
+bewijzen, dat uwe weldaad mijne krachten heeft verdubbeld."
+
+"Ik geloof u, mijn vriend; de liefde tot uwe ouders zal uw
+engelbewaarder zijn. Wees dus meester-klerk, en dat het schoone doel
+uws levens zij bereikt. Gij kunt iemand van het klein bureel nemen om
+de brieven af te schrijven, totdat wij eenen anderen klerk vinden om
+uwe plaats in te nemen."
+
+M. Raemdonck stond op, naderde tot den jongeling en drukte hem de
+hand.
+
+"Proficiat, meester-klerk," zeide hij. "Ga nu in de fabriek; want gij
+brandt ongetwijfeld van ongeduld om uwen vader het goede nieuws te
+dragen?"
+
+Bavo ging niet heen; hij bleef in gedachten voor zijnen meester staan.
+
+"Welnu, hebt gij mij nog iets te zeggen?" vroeg deze.
+
+"Mijnheer, ik wilde u een verzoek doen."
+
+"Spreek, mijn vriend."
+
+"Het is zonderling genoeg, mijnheer, maar gij zijt zoo goed voor mij.
+Ik zou wenschen, dat gedurende eenige maanden niemand iets van mijne
+nieuwe benoeming wist; mijne ouders insgelijks niet. Dat men ten
+minste vooronderstelde, dat mijne jaarwedde voorloopig nog niet is
+verhoogd."
+
+"Welke vreemde gedachte is dit!" kreet M. Raemdonck verwonderd.
+"Waarom toch die geheimhouding?"
+
+"Het is, mijnheer, dat ik mijnen ouders eene blijde verrassing wil
+aandoen, en daartoe zou ik eenigen tijd moeten kunnen sparen, zonder
+dat zij het weten."
+
+"Welke verrassing?"
+
+"Ik weet het nog niet, mijnheer; een geschenk, iets dat hen in eens
+gelukkig zou maken. Ik zal het u zeggen en uwen goeden raad vragen,
+zoohaast ik daarover een besluit heb genomen.... En indien ik
+gedwongen was u een voorschot op mijne jaarwedde af te smeeken?"
+
+"Ho, voor zulk liefderijk doel moogt gij mij niet sparen. Mijne kas
+staat voor u open, ten minste zoolang gij binnen de palen der
+redelijkheid blijft."
+
+Bavo, onder het uiten eener vurige dankzegging, verliet de zaal en
+begaf zich naar zijn bureel. Hij deed eenen helper van het klein
+bureel komen en zette hem onmiddellijk aan het werk. Intusschen dacht
+hij aan hetgeen hij M. Raemdonck had gezegd en aan het geschenk,
+waarmede hij voornemens was zijne ouders te verrassen en gelukkig te
+maken. Zijn ontwerp was sedert jaren reeds in zijn hoofd vastgesteld;
+maar hij had het niet aan zijnen meester durven zeggen, uit vrees dat
+hij zelf nog van gedachte kon veranderen. Na lange overweging toch
+bleef hij bij zijn eerste besluit.
+
+Toen hij met zijne ouders en zusters aan het middagmaal zat vertelde
+hij hun, dat de oude meester-klerk zijn ontslag had gegeven, omdat
+zijn oom, die nu gestorven was, hem een rijk erfdeel had nagelaten. M.
+Raemdonck had wel lust om Bavo tot meester-klerk aan te stellen; maar
+hij wilde het eerst eenige maanden beproeven, aangezien de jonkheid
+van Bavo.
+
+Zoo deed hij voor de oogen zijner ouders de hoop glinsteren, dat hij
+welhaast aanmerkelijk zou worden verhoogd, en hij verborg niet, dat,
+indien dit geluk hem ten deel viel, hij niet meer zou lijden, dat zijn
+vader een oogenblik langer werkte. Hij zou dan in zijne hooge
+jaarwedde de middelen vinden, om zijne moeder alle gemak te bezorgen
+en haar te laten leven als eene ware rentenierster. Hij was zoo
+vroolijk, zoo blijgeestig, dat hij iedereen deed juichen en in de
+handen klappen van hoop en vreugde.
+
+Eindelijk vertelde hij, dat de neef van M. Raemdonck, die lang te
+Parijs had verbleven en daar zelfs onlangs was getrouwd, naar Gent
+ging komen wonen. M. Raemdonck was op zoek naar een huis voor zijnen
+neef. Groot moest het niet zijn, maar fraai en zindelijk. Hij zou het
+voorzien met schoone meubelen en alles in gereedheid brengen tegen de
+overkomst van zijnen neef met zijne jonge vrouw. Bavo sprak er van,
+omdat zijn meester hem had verzocht eens rond te zien, welke huizen
+van dien aard zoo al te huur hingen; en de jongeling, die niet veel
+tijd had, spoorde zijne moeder aan om eens uit wandelen te gaan in de
+beste straten, niet verre van de fabriek, en te zien of er zulke
+huizen niet te huur hingen, opdat hij het alsdan aan zijnen meester
+zou kunnen zeggen.
+
+Reeds des avonds, bij zijnen terugkeer van de fabriek, vernam Bavo van
+zijne moeder, dat er nette burgerhuizen te huren hingen in de
+Mageleinstraat, in de Lange Meere en in de Kruisstraat, niet verre van
+Sint-Baafskerk. Dit laatste was misschien wat klein; maar het was
+nieuwerwetsch en het opschrift meldde, dat het eenen hof had.
+
+Bavo bracht twee dagen later aan zijne moeder de dankzegging van M.
+Raemdonck, die het huis in de Kruisstraat, bij Sint-Baafskerk, naar
+zijnen zin had gevonden en het onmiddellijk had gehuurd.
+
+Sedert dien sprak Bavo nog dikwijls van dit huis en roemde de pracht
+der meubelen, welke zijn meester er in deed zetten, en de smaakvolle
+inrichting van alles. M. Raemdonck had hem reeds tweemaal er naartoe
+geleid, en deed hem de eer aan, hem te raadplegen over de schikking
+van het huis en het aanleggen van den kleinen tuin.
+
+De jongeling verwekte door zijne herhaalde beschrijvingen de
+nieuwsgierigheid zijner moeder zoodanig, dat zij den wensch uitdrukte
+om het schoone huis eens van binnen te mogen zien. Bavo beloofde de
+toelating zijns meesters te vragen; maar men moest nog eenige weken
+wachten, totdat de woning der nieuwgetrouwden geheel in orde zou zijn.
+
+Eindelijk, op eenen zaterdagavond, toonde hij juichend eenen grooten
+sleutel en zeide, dat M. Raemdonck hun allen toeliet het huis van
+onder tot boven te bezichtigen en zelfs eenen ganschen namiddag in den
+hof door te brengen. Hij zou er eene goede flesch wijn gereed zetten,
+en hij verzocht Bavo deze met zijne ouders op zijne gezondheid te
+ledigen. Het was morgen Zondag. Even na het middagmaal te hebben
+genomen, zou men naar het huis in de Kruisstraat gaan en er een uurtje
+of twee blijven. Dit zou een waar feestje zijn!
+
+Inderdaad, nauwelijks gunde men zich des anderen daags tijd om te
+eten, zoo ongeduldig waren Bavo's zusters. Men trok, vroolijk en
+koutende van hetgeen men ging zien, in de richting van Sint-Baafskerk.
+
+In de Kruisstraat gekomen, bleef men voor het huis staan, om den gevel
+te beschouwen; er was een klein balcon, waarvan veelkleurige bloemen
+in kransen nederdaalden; er stonden insgelijks bloemen achter de
+vensters, meestal roode fuchsia's, en dit deed moeder Damhout
+opmerken, dat zij altijd eene soort van voorliefde voor die
+koraalroode bellekens had gehad.
+
+Toen de deur geopend was, zeide Bavo tot zijne zusters, die maar
+seffens al de deuren der kamers wilden openen:
+
+"Neen, neen, zóó niet; het schoonste voor het laatste. Anders zouden
+wij niet veel vermaak van ons bezoek hebben. Laat ons eerst in den hof
+gaan; moeder ziet zoo gaarne bloemen."
+
+"En ik dan?" bemerkte Adriaan Damhout. "Toen ik jonger was, woonden
+mijne ouders op Ledeberg. Wij hadden een hoveken. Ik liet er eten en
+drinken voor; den geheelen Zondag nanoen was ik aan het werk, en ik
+had de schoonste aurikels en de schoonste violieren van geheel het
+voorgeborcht."
+
+Zij kwamen in den tuin; hij was niet zeer uitgestrekt; maar de paden
+slingerden liefelijk, de zon scheen mild op een gedeelte des gronds,
+en er was zulk een overvloed van bloemen, dat de meisjes de handen
+boven het hoofd hieven en vooruitspringende riepen:
+
+"Ho, wat is dit hier schoon en frisch! en welke zoete geuren!"
+
+Meer rustig, in schijn ten minste, wandelde Bavo met zijne ouders door
+de paden, toonde hun al de bloemen, plukte hun takjes van geurig kruid
+en bracht hen zoo onder een looverhuisje, waar zij zich lachend
+nederzetten, om het gezicht des tuins een oogenblik op hun gemak te
+genieten.
+
+Hier stond op de tafel een porseleinen pot met tabak, die er bij
+nederhing, en daarnevens lagen vier of vijf lange Hollandsche pijpen.
+
+"Zie," murmelde Adriaan verwonderd, "ik wist, dat M. Raemdonck soms
+eene sigaar rookt; maar het is waar, zooals men zegt, vele heeren
+rooken te huis op hun gemak eene pijp."
+
+"Gij begrijpt niet, vader," bemerkte Bavo. "Mijnheer heeft de tabak en
+de pijpen daar doen zetten, opdat gij volgens uwen lust hier zoudt
+kunnen rooken."
+
+"Onmogelijk, Bavo."
+
+"Hij heeft het mij zelf gezegd, vader. Gij moet rooken om hem plezier
+te doen."
+
+"Welke goedheid toch! Dan zal ik het maar wagen; want de tabak ziet er
+bijzonder goed uit. Een trek of drie: het is slechts om onzen
+edelmoedigen meester te voldoen."
+
+Hij ontstak zijne pijp, deed den rook in wolkjes tot onder het loover
+van het prieel klimmen, en zeide dan glimlachend en blijde:
+
+"Lekkere tabak! Wat zijn die rijke menschen toch gelukkig. Ziezoo, op
+deze bank met het gezicht op dien schoonen hof en met mijne pijp in
+den mond, zou ik mijn leven willen slijten."
+
+"Gij bedriegt u, vader," wedersprak hem Bavo. "Er is nog iets, dat gij
+zoudt doen."
+
+"Ja, uit visschen gaan, niet waar? Dit doe ik uitnemend gaarne; het
+zou mij dienen om mijn vermaak een beetje af te wisselen."
+
+Onderwijl waren de beide meisjes nog altijd bij de bloemen; ze moesten
+ze een voor een zien, ze vergelijken en over hunnen geur en over hunne
+schoonheid oordeelen.
+
+Vader Damhout legde zijne pijp neder; hij zou ze straks voortrooken;
+maar nu moest men het ongeduld der moeder voldoen en het huis
+bezichtigen.
+
+Bavo bracht hen eerst in een paar kamers, die wel fraai geschikt
+waren, doch niet veel bijzonders aanboden. In de keuken bewonderde
+vrouw Damhout de schoone, versierde kookstoof en de glinsterende
+ketels, pannen en potten, die langs de wanden prijkten.
+
+In den kelder lag eene ton bier op hare stelling; een gemetste bak
+bevatte een zeker getal flesschen wijn, en er stond zelfs een groote
+oplegpot, die ongetwijfeld eenen voorraad boter bevatte.
+
+Dit deed de Damhouts zeggen, dat M. Raemdonck niets had vergeten, en
+zijn neef alles in gereedheid zou vinden, als hadde hij zelf het huis
+sedert lang bewoond.
+
+
+[Illustratie: Ziehier eene amandelbeschuit.]
+
+
+Op den zolder hingen, op de gespannen droogkoorden, eenige vischnetten
+van verschillenden vorm uitgespreid, alle nieuw en met veel zorg
+gemaakt. Vader Damhout was daar kenner van. Ook nam hij ze in de
+hand, beproefde de sterkte van het garen en mompelde in zich zelven:
+
+"Gelukkige lieden, ze hebben alles wat hun hart kan wenschen!"
+
+"Nu naar de zaal, naar de schoonste kamer!" riep Bavo. "Dáár zult gij
+wat anders prachtige dingen zien; en wij gaan er op de gezondheid van
+M. Raemdonck de flesch lekkeren wijn drinken, die hij ons heeft
+geschonken."
+
+Toen Bavo de zoogezegde zaal opende, ontvloog hun allen een kreet van
+bewondering. Dat waren alle prachtige meubelen van glimmend
+mahoniehout! Printen in gouden lijsten aan den wand, een zacht tapijt
+met roode bloemen op den grond, een verguld uurwerk en getakte
+kandelaars op de schouwplaat, stoelen met kussens, en twee zetels met
+ruggen, die hunne armen uitstaken en schenen te zeggen: "Ik ben zoo
+zacht, kom, rust wat op mij!"
+
+Het was ook wel wat de meisjes eerst en daarna de ouders deden; maar
+Bavo wenkte zijne moeder en toonde haar een klein tafeltje, waarvan
+het deksel kon worden opgeheven. Daaronder, als in een koffertje, lag
+allerlei glinsterend naai en borduurgerief, zoo rijk en schoon, dat
+het de oogen der verbaasde vrouw en der verwonderde meisjes deed
+schemeren.
+
+"Nu het glas wijn op de gezondheid van ... van ... dit gaan wij zien!
+Aan tafel, aan tafel!"
+
+En hij opende eene kas, nam er eene flesch en roemers uit en schonk
+den wijn. Ieder wilde zijn glas aangrijpen om ter eere van M.
+Raemdonck te drinken; maar Bavo weerhield hen.
+
+"Wacht een oogenblik," zeide hij, "er is ook iets om te eten! Ziehier
+eene amandelbeschuit, die mijnheer Raemdonck niet heeft gegeven; en
+het is ook op zijne gezondheid niet, dat wij allereerst gaan
+drinken...."
+
+"Wat is dit?" kreet Amelia, het oudste meisje. "Die suikerletters op
+de taart? Weet gij, moeder, wat er op te lezen staat?"
+
+"Ha, ha, lang leve Christina, onze goede moeder! Dit staat er op!"
+kreet Bavo, zijn glas in de hoogte heffende. "Het is heden haar
+naamdag. Lang, lang moge zij leven!"
+
+"Lang, lang moge zij leven!" herhaalden de anderen, hun glas in de
+hoogte heffende.
+
+"Wat zonderlinge gedachte van Bavo, u in dit huis te besteken!"
+juichte Amelia. "Ha, dit is aardig!"
+
+"En nu, moeder," zeide de jongeling op plechtigen toon en met eenen
+traan van geestdrift in de oogen, "nu gaat degene, die u alles
+verschuldigd is op de wereld, zijne geleerdheid, zijn geluk, zijne
+toekomst, u een geschenk doen, een geschenk, waarvan hij sedert zijne
+kindsheid heeft gedroomd, aan u en aan den armen fabriekwerker, die
+voor zijnen zoon heeft geslaafd en geleden. Gij hebt dit huis gezien,
+den hof, de bloemen, de netten? Dit alles hoort u toe. Ik heb het huis
+gehuurd, ik heb de meubelen gekocht. Hier zult gij wonen. Vader mag
+niet meer werken; hij zal zijn pijpje rooken, bloemen kweeken, gaan
+visschen. Wij zijn rijk, ik ben meester-klerk, ik win vierduizend
+franken! God zij gezegend, dat Hij mij toelaat uwe liefde te beloonen.
+Moeder, vader, zet u op uw gemak: gij zijt ten uwent!"
+
+Vrouw Damhout was zoo diep getroffen, dat zij eenen steun op de tafel
+zocht, als ging zij bezwijmen; maar zij richtte zich weder op, vloog
+haren zoon om den hals en drukte hem met koortsige teederheid aan haar
+kloppend moederhart. Damhout, stom van verbaasdheid, stortte blijde
+tranen, de meisjes klapten in de handen en dansten met
+uitgelatenheid....
+
+Toen Bavo dien avond weder nevens zijne moeder in het andere huis zat,
+was hij sedert eene wijl zeer stil en als treurig. Hij zeide haar, dat
+hij zeer vermoeid was; maar vrouw Damhout zag wel, dat iets anders
+zijnen geest benevelde.
+
+Zij murmelde eindelijk met teruggehoudene stemme:
+
+"Bavo, gij denkt aan iemand. Ik insgelijks, mijn zoon. Wanneer men zoo
+gelukkig is, niet waar, dan zou men al degenen, die men ooit heeft
+bemind, willen gelukkig zien?"
+
+"Ja, moeder," antwoordde hij, "de mensch is zijne gedachten niet
+altijd meester; maar het beteekent niets. Het is eene herinnering
+mijner kindsheid, die tegen mijnen dank opwelt in mijn hart."
+
+
+
+
+XII
+
+
+Op eenen Zondag, bij het vallen van den avond, verlieten eene reeds
+bejaarde vrouw en een jong meisje de enge stege, waar de Damhouts
+vroeger hadden gewoond. Hunne slechte kleederen, hun onzekere stap en
+hunne zichtbare schuchterheid, alles in hen getuigde niet alleen van
+groote ellende, maar tevens van eene diepe moedeloosheid. Zij gingen
+traag, zwijgend en met gebogen hoofde nevens de huizen, als
+nedergedrukt onder een gevoel van schaamte of van geheime
+verschriktheid.
+
+Er was echter tusschen beider opzicht een merkelijk verschil. Terwijl
+de vrouw als iemand, die sedert lang aan de armoede is gewend, om zoo
+te zeggen met lompen was behangen, had het meisje wel klaarblijkend
+alle moeite ingespannen om de uiterlijke teekens der ellende zooveel
+mogelijk te verbergen. Hare kleederen, alhoewel zeer versleten, waren
+van eene uiterste reinheid; en hare muts, ofschoon geschift en
+genaaid, was sneeuwwit.
+
+Wanneer zij bij geval het hoofd ophief om eenen voorbijganger te
+mijden, bezag men haar met verrassing, als ware men verwonderd, zulke
+wezenstrekken onder dat ellendig kleedsel te vinden.
+
+Inderdaad, het arme meisje was zeer schoon; in hare blauwe oogen,
+alhoewel nu door de smart verduisterd, glom eene vonk van gevoel en
+verstand; hare wangen waren zuiver en haar voorhoofd lelieblank.
+Daarenboven, er was in de snede harer kleederen, in de rijzigheid
+harer leden, in de ingetogenheid van haren gang iets onderscheidens,
+dat niet twijfelen liet of de jonge maagd moest eene goede opvoeding
+hebben genoten.
+
+Welk pijnlijk voorval had toch deze ongelukkige van eenen hoogeren
+stand in zulke diepe ellende nedergerukt, dat men ze nu met hare oude
+gezellin moest aanzien als schamele menschen, die waarschijnlijk op
+weg waren om hier of daar eene aalmoes te gaan afbedelen?
+
+Zonder een woord met elkander te wisselen, hadden zij de Nederschelde
+bereikt, en naderden nu tot de Wijngaardbrug. Daar zeide de vrouw met
+bedwongene stem:
+
+"Heb moed, mijn kind. Gij gaat zoo langzaam. Zijt gij vervaard?"
+
+"Ja, moeder, ik weet niet, mijn hart klopt zoo angstig!" zuchtte het
+meisje.
+
+"O, hemel! vreest gij nu, dat de Damhouts ons gebed zouden kunnen
+verstooten? Doe mij niet beven. Eilaas, wat zou er dan van ons
+geworden?"
+
+"Vrouw Damhout zal ons helpen, moeder, daaraan twijfel ik niet," was
+het stille antwoord. "Een hart als het hare kan niet ongevoelig
+blijven voor ons ongeluk; en wanneer ik met tranende oogen hare vorige
+genegenheid voor het arme Lieveken zal inroepen...."
+
+"Zeker, en vermits zij nog rijker zijn dan men ons te Rijssel had
+gezegd? Ach, Godelieve, wat wij nu gaan beproeven, is eene pijnlijke
+poging, voor u bovenal, ik weet het; maar de nood is een onmeedoogende
+dwingeland."
+
+"De Damhouts zijn rijk, zeer rijk!" morde het meisje op eenen hollen
+toon, waarvan de zonderlinge siddering de vrouw verraste.
+
+"Maar des te beter, Godelieve," zeide zij. "God zij gezegend, dat Hij
+hun de middelen schonk om ons te helpen."
+
+"Eene aalmoes gaan vragen, moeder! Aan ... aan de Damhouts! Ik, het
+kleine Lieveken, die zij zoo teeder hebben bemind, die met hen dorst
+droomen van toekomst en van geluk! O, mijne schoone kindsheid, hoe
+tergend ontstaat gij voor mijne oogen! Bedelaresse? Lieveken eene
+bedelaresse!"
+
+"Neen, kind, wees niet zoo wreed voor u zelve. Wij komen hulp vragen,
+ja, maar bedelaressen zijn wij toch niet."
+
+Zij stapten voorbij de kerk van Sint-Baafs; het meisje scheen door
+eenen geheimen invloed naar de zijdeur des tempels gedreven en had,
+zonder het te weten misschien, zich half omgekeerd.
+
+De vrouw weerhield haar en zeide:
+
+"Maar, Godelieve, wat doet gij nu? Rechtdoor moeten wij gaan; ginder
+is de Kruisstraat."
+
+"De schaamte, de schrik, moeder; mijne ziel wil bidden, sterkte
+vragen; want nu wij de plaats naderen, waar ik de smeekende hand tot
+... tot vrouw Damhout zal uitsteken, ontsnapt mij alle moed."
+
+"De avond valt, Godelieve; wij mogen niet wachten totdat het gansch
+donker is. Kom, mijn kind, het is een smartelijk oogenblik, inderdaad;
+maar het zal haast doorgestreden zijn. Wij zullen hier, bij het
+Heilig Graf, God voor zijne barmhartigheid komen danken of ... of
+tranen van wanhoop storten op diezelfde knielbank, waar wij zoo
+dikwijls hebben gebeden. Kom nu, het zal niet lang duren."
+
+Beiden vervorderden hunnen weg tot in de Kruisstraat, waar zij
+begonnen rond te kijken, om het huis te herkennen, dat men hun in de
+stege had aangeduid en beschreven. Dewijl het reeds half duister was,
+hadden zij eenige moeite om in hunne opzoeking te gelukken. Eensklaps
+zeide de vrouw:
+
+"Dáár is het, Godelieve. Die schoone ronde deur, dat balkon. Welk
+prachtig huis! Wat moeten de Damhouts gelukkig zijn! Zij verdienen het
+ook wel, niet waar? Ach, mochten zij onze bede verhooren! Er is reeds
+licht in de benedenkamer. Godelieve, schep moed, mijn kind. Werp u aan
+de voeten van vrouw Damhout, bezweer haar bij hare vorige goedheid
+voor u. Zij zal ons redden, wees er zeker van."
+
+"Ja, moeder, de strijd is ten einde; ik gevoel mij weder eenige
+sterkte," murmelde de bange maagd.
+
+Toen zij het huis gingen naderen, bemerkte Godelieve door de
+vensterruiten, dat een man, een heer, in de verlichte kamer stond.
+Alhoewel hij den rug naar de straat hield gekeerd, sloeg dit gezicht
+haar met eenen onzeglijken schrik; maar op hetzelfde oogenblik deed de
+heer eene beweging en wendde zich naar het venster, op zulke wijze,
+dat het meisje zijn gelaat kon herkennen.
+
+Een versmachte angstschreeuw ontsnapte haar; zij begon op hare beenen
+te wankelen en leunde tegen den muur om niet neder te storten.
+
+Daar zag zij, dat hare moeder de hand naar de bel uitstak om te
+klinken. Zij sprong vooruit, trok de verbaasde vrouw van de deur weg,
+leidde haar met eene soort van koortsig geweld naar den donkeren kant
+der straat en verborg weenend haar hoofd op den boezem der vrouw,
+terwijl zij uitriep:
+
+"Moeder, moeder, hij is daar!"
+
+"Wie?"
+
+"Bavo!"
+
+"Welnu, God zij er om gedankt; hij zal zijne moeder tot barmhartigheid
+voor ons aansporen. Kom, overwin uwe schaamte...."
+
+"Onmogelijk, moeder!" snikte het meisje "O! spaar mij dat lijden, die
+vernedering, die wanhoop! Eene aalmoes vragen in zijne
+tegenwoordigheid ... aan hem? Eilaas, mijn hart breekt, ik zou
+bezwijmen voor zijne voeten, misschien zou ik sterven...."
+
+"Wilt gij dan, dat ik alleen ga?"
+
+"Ik zal u zegenen, u dankbaar blijven mijn gansche leven, moeder lief!
+Mijne ziel is verschrikt; het denkbeeld alleen van de hand tot hem uit
+te steken, vervult mij met eenen doodelijken angst."
+
+"Maar zij beminnen u meer dan mij; en indien zij mijn gebed verwerpen,
+omdat gij niet met mij zijt?"
+
+"Dan," kreet de maagd met overmatige ontsteltenis, "dan zal ik alle
+schaamte, alle gevoel in mijn hart versmachten. Ik zal tot hem, tot
+hem gaan, mij nederstorten voor zijne voeten, zijne knieën omhelzen,
+kruipen door mijne tranen. Ho, hij zal ons meer geven, dan wij noodig
+hebben ... maar er zal iets dood zijn in mij! Het is gelijk, ik zal
+mij onderwerpen, mijn wezen verloochenen en allen levensmoed verzaken,
+om de schande af te koopen en onze eer te redden."
+
+"Welnu, ik ben harder tegen de schaamte dan gij; ik zal het
+beproeven."
+
+Godelieve voegde de handen te zamen en zeide smeekend:
+
+"O, moeder, heb medelijden met mij! Noem mijnen naam niet in zijne
+tegenwoordigheid; verberg hem, dat ik met u ben gekomen; spreek hem
+niet, in 't geheel niet, van mij. Ik ga knielen voor het Heilig Graf
+in Sint-Baafskerk. Hoe vurig zal ik bidden! God zal u beschermen! In
+zijne eindelooze genade zal Hij mij misschien de noodlottige
+opoffering mijner menschelijke waardigheid sparen, dat eenige goed,
+waarvan het behoud mij sterkte gaf en mij worstelen liet tegen de
+akelige bitterheid mijns levens! Ga, moeder; ik zal wachten, angstig
+wachten voor het Heilig Graf. Noem mij niet, noem mij niet!"
+
+En deze laatste woorden stamelende, verwijderde zij zich met haast in
+de richting der Sint-Baafskerk.
+
+De vrouw zag haar een oogenblik achterna, schudde het hoofd en
+mompelde in zich zelve terwijl zij de straat overstapte:
+
+"Ik heb het gevreesd. Arme Godelieve. Zij is dubbel ongelukkig. Ik
+begrijp, dat haar het hart wreedelijk bloedt ... anders zou zij mij
+toch niet alleen laten gaan, zij, die uit liefde, uit goedheid haar
+leven zou opofferen om de smart eener vernedering van mij af te
+keeren. Welaan, ik zal moed hebben voor ons beiden. Oneer, schande,
+redding, blijdschap, wat wacht mij daarbinnen, o hemel!"
+
+Zij trok aan de bel en zeide tot de meid, die kwam openen, dat zij
+verlangde M. Damhout te spreken.
+
+De meid, die waarschijnlijk in de halve duisternis hare slechte
+kleederen niet bemerkte, opende de deur der kamer aan de straat, en
+bracht haar in de tegenwoordigheid van eenen jongen heer, die voor
+eene tafel was gezeten en in een boek scheen te lezen.
+
+Hij hief het hoofd op en beschouwde met zekere onaangename verrassing
+deze slechtgekleede vrouw. Zonder op te staan, zeide hij:
+
+"Komt gij om werk op de fabriek, vrouw? Bied u morgen op het bureel
+aan; ik zal zien of er plaats is voor u. Nu kan ik u dit niet
+verzekeren."
+
+"Ik wenschte M. Damhout te spreken," stamelde de vrouw.
+
+"M. Damhout? Die ben ikzelf."
+
+"Neen, uwen vader of uwe moeder, mijnheer."
+
+"Zij zijn den avond gaan doorbrengen bij vrienden, aan het ander einde
+der stad; heden zult gij ze niet kunnen zien. Keer morgen in den
+voormiddag weder."
+
+"Eilaas," zuchtte de vrouw, "ik, die uit Frankrijk kom en morgen vroeg
+moet vertrekken!"
+
+"Uit Frankrijk? Gij komt uit Frankrijk?" mompelde Bavo, terwijl hij
+met eene klimmende ontsteltenis de vrouw in het aangezicht schouwde.
+
+"Gij herkent mij niet, mijnheer? Inderdaad, gij waart nog jong, en de
+lange tegenspoed veroudert den mensch vóór zijnen tijd."
+
+"Bazin Wildenslag? Gij zoudt de moeder zijn van ... de vrouw van Jan
+... Line Wildenslag? Onmogelijk!... Gij zijt dus ziek geweest?"
+
+"Ziek en ongelukkig, mijnheer."
+
+De jongeling had moeite om zich te bedwingen, hij was rechtgesprongen
+en had eene beweging gedaan als om haar de hand te grijpen; maar een
+nieuwe blik op hare ellendige kleeding, de herinnering aan het woest
+en onbetamelijk leven der Wildenslags misschien, weerhielden hem en
+hij liet zich weder op zijnen stoel zakken.
+
+"Gij zult tot morgen moeten wachten.... tenzij gij mij wildet
+toevertrouwen wat gij hun te zeggen hebt," sprak hij.
+
+"Ik kwam hen te voet vallen en hunne hulp afsmeeken, mijnheer. Wij
+verkeeren in een schrikkelijken nood; geene andere toevlucht blijft
+ons over dan de edelmoedigheid uwer ouders. Zeker, in onze ellende
+hebben wij het recht niet om de vorige vriendschap te herinneren, die
+zij ons onverdiend hebben gegund, maar zij zullen het aan diep
+ongelukkige menschen vergeven, dat zij nog in de liefdadigheid uwer
+goede moeder durven hopen."
+
+"Eene almoes!" mompelde Bavo als verschrikt.
+
+"Meer dan eene aalmoes, mijnheer; redding uit de schande, verlossing
+uit de eeuwige oneer!"
+
+"Ik begrijp u niet," zeide hij met mistrouwen. "Waar zijn dan uwe
+zonen, uwe dochter, uw man? Zij wonnen veel geld?"
+
+"Mijn man is dood, mijnheer; van mijne zonen is er één soldaat in
+Afrika, één woont te Rouaan, één andere te Mulhausen. Zij hebben
+kinderen en denken niet meer aan hunne arme moeder. Een eenige, de
+jongste, is met ons ... met mij te Rijssel. Het is voor hem, mijnheer,
+dat ik de hulp uwer ouders kom afsmeeken. Hij had werk bekomen in het
+magazijn eener fabriek. Gisteren deed men hem een pak naar den ijzeren
+weg dragen. De ongelukkige trad onderweg in eene herberg, vergat zich
+daar met eenige kameraden en verloor het hem toevertrouwde pak.
+
+De meester der fabriek beweert, dat mijn zoon het pak heeft gestolen
+en verkocht. Hij wil hem door de gendarmes uit het huis doen halen en
+hem als dief doen veroordeelen tot vijf jaar galei, zegt hij. O,
+mijnheer, wij hebben misschien onze ellende verdiend door een
+zorgeloos en verkwistend leven. Het ongeluk zegt het mij nu; maar toch
+leven wij eerlijk, en mijn arme zoon is aan niets anders plichtig dan
+aan eene laakbare nalatigheid. Hij is in den grond een goede jongen;
+hij heeft een gevoelig hart; hij eerbiedigt zijne moeder. Dat de
+armoede ons lot blijve, ik zal het verduldig verdragen als eene
+rechtvaardige straf; maar de oneer eener veroordeeling! Mijn zoon op
+de galei! Ik ben moeder en zou dien slag niet overleven, en mijne....
+O, mijnheer, gij kunt ons redden, met zoo weinig, weinig ten minste
+voor u, die rijk zijt! De meester van de fabriek wil alles vergeven en
+vergeten en onze verontschuldiging aanvaarden, indien wij hem vóór
+morgenmiddag den prijs van het pak teruggeven. Honderd franken. Voor u
+is het schier niets, voor ons is het meer dan het leven. Laten mijne
+tranen u verbidden, heb deernis met menschen, die, ondanks
+verwijdering en tegenspoed, geenen enkelen dag opgehouden hebben met
+dankbaarheid aan u en aan uwe ouders te denken!"
+
+Zij viel geknield te midden der kamer neder en stak de handen bevend
+tot den jongeling op.
+
+Deze kon zijne ontroering niet meer meester blijven, wat geweld hij
+ook deed; hij ging tot haar, hief haar van den grond en sprak:
+
+"Bedaar, vrouw; ik begrijp uwen angst en uw ongeluk. Honderd franken
+kunnen u redden, zegt gij? Troost u, ik zal ze u geven. Zet u neder op
+den stoel. Ik heb u iets te vragen. Gij spraakt van uwe zonen ...
+maar uwe dochters?"
+
+"Mijne dochters?" stamelde bazin Wildenslag in verlegenheid.
+
+"Ja, uwe dochters, wat is er van hen geworden?"
+
+"Mijnheer, zij ... zij wonen diep in Frankrijk, zij zijn getrouwd...."
+
+"Getrouwd!" gromde Bavo met eene grijns op de lippen en eenen diepen
+angst in de oogen.
+
+Hij beschouwde eene wijl met zichtbare gramschap de verschrikte vrouw,
+die het hoofd op de borst hield gebogen en sprakeloos bleef.
+
+"Ja, ik zal u helpen, vrees niet," kreet hij met onderdrukte kracht,
+"maar hadde mijn medelijden met uwe moedersmart mij niet overwonnen,
+ik ware gevoelloos voor uwe smeekingen gebleven. Veel meer, ik hadde
+mij op u gewroken en u onmeedoogend ter deur gewezen; want gij, vrouw,
+gij hebt, zonder het te weten, mijn leven vergiftigd en mij in het
+geluk ongelukkig gemaakt."
+
+"Ik, mijnheer? O, hemel, gij bedriegt u voorzeker!"
+
+"Neen, ik bedrieg mij niet. Mijne moeder had in het hart uwer
+Godelieve de kiemen van deugd en plichtbesef nedergelegd; ik, onnoozel
+kind nog, ik had haren geest de eerste begrippen der geleerdheid
+medegedeeld, de geleerdheid, welke haar moest behoeden voor zedelijke
+verlaging en bederf des harten. Gij, hare moeder, wat hebt gij met uw
+goed en zuiver Lieveken gedaan? Gij hebt haar naar eene fabriek
+gezonden, om geld uit haar te trekken; gij hebt die teedere bloem
+prijs gegeven aan de woeste aanraking van grove menschen...."
+
+"Mijnheer, mijnheer, het is niet waar!" kreet bazin Wildenslag
+sidderende.
+
+Maar Bavo, als buiten zich zelven van ontsteltenis, onderbrak haar en
+hernam:
+
+"Laat mij spreken tot het einde; het is de laatste maal dat haar naam
+mijnen mond ontvalt. Ik herhaal het met verontwaardiging: wat hebt gij
+gedaan met het arme Lieveken? Ha, onnoodig mij te antwoorden, vermits
+men na twee jaar haar in eene stege te Douai verrast met den klomp in
+de hand, vechtende, scheldende en woorden sprekende, die zelfs eenen
+ruwen fabriekwerker van walg deden terugdeinzen. Ziedaar wat gij
+gemaakt hebt van uwe Godelieve. Nu is zij zelfzuchtig, ongevoelig, en
+er blijft in haar niets meer over van de fijnheid des gemoeds? Nu haat
+zij waarschijnlijk de moeder, die de zuivere ziel van haar kind
+verkocht voor wat geld?"
+
+"O, neen, neen, mijnheer, heb medelijden met mij! Godelieve is het
+eenige mijner kinderen, dat mij nog oprecht bemint, mijn eenige steun
+in het ongeluk!"
+
+"Het zij zoo, vrouw; misschien is er nog een goed gevoel in haar
+overgebleven, misschien heeft zij u het kwaad vergeven, dat gij haar
+hebt gedaan; maar ik toch vergeef het u niet, ik kan het u niet
+vergeven.... Ziehier de honderd franken, welke gij vraagt. Ga nu, en
+moge God u niet langer straffen voor uwe noodlottige dwaling ten
+opzichte van uw kind."
+
+Onder het uitspreken dezer woorden had hij de hand in eene lade van
+den schrijflessenaar gebracht, en legde nu vijf goudstukken voor de
+vrouw op de tafel. Deze beschouwde het geld met starende oogen en
+bevende lippen, deinsde terug en riep:
+
+"O, God, kon ik die hulp weigeren!... Maar neen, de eer mijns zoons,
+de eer mijner arme Godelieve! Ik moet bedaren, bukken als eene slavin
+onder zulke schreeuwende onrechtvaardigheid; mijn engelachtig kind
+hooren beschuldigen van laagheid, van bederf des harten! Ik bezwijk er
+onder; mijn moed breekt...."
+
+Zij liet zich op een stoel vallen en begon bitter te weenen.
+
+"Eene schreeuwende onrechtvaardigheid?" vroeg Bavo over hare
+uitroeping verwonderd. "Zijn mijne verwijten, hoe wreed ook, niet
+gegrond?"
+
+"Valsch, geheel valsch, mijnheer," kreet bazin Wildenslag onder hare
+tranen. "Wie was er laf genoeg, om u te komen zeggen, dat hij
+Godelieve heeft zien vechten en haar onbetamelijk heeft hooren
+schelden?"
+
+"Het is Steven Geerts, die haar in eene stege te Douai met den klomp
+in de hand heeft zien slaan."
+
+"Ach, ik herinner mij de droeve zaak; het was Godelieve niet, het was
+hare zuster Theresia, die inderdaad, voor het aangezicht ten minste,
+op haar gelijkt. Godelieve, mijnheer? Er is nooit een hard woord van
+hare lippen gevallen; zij is schoolmeesteresse geweest; zij heeft
+verstand, zij is goed als een engel, en haar hart is nog even zuiver
+als toen gij haar leerdet lezen."
+
+"Hemel, wat zegt gij daar altemaal?" stamelde Bavo, door den twijfel
+aangegrepen. "En zij is getrouwd?"
+
+"En zij heeft nooit toegelaten, mijnheer, dat een man haar zonder
+eerbied bezage, en zij is niet getrouwd."
+
+"Maar verklaar u, gij doet mij vergaan van ongeduld. Zeg mij, ik smeek
+u, welk was dan het lot van het arme Lieveken gedurende die acht lange
+jaren?"
+
+"Welaan, ik zal mijn verdriet bedwingen," zeide bazin Wildenslag, het
+hoofd oprichtende. "Om mijn edel kind, mijne goede Godelieve, te
+verdedigen, zal ik moed en sterkte vinden. Luister, mijnheer, gij zult
+vernemen wat ons en haar lot was sedert gij ons buiten de stadspoort
+een treurig vaarwel zeidet. Wij gingen naar Wazemmes, bij Rijssel, en
+vonden er veel en goed werk. Dewijl ik in mijne pogingen om Godelieve
+op eenen winkel van kleedermaaksters aanvaard te zien, niet kon
+gelukken, deed haar vader haar naar de fabriek gaan. Het arme kind kon
+het daar niet gewend worden en viel ziek van verdriet. Het duurde lang
+eer zij weder eenige krachten terugvond; dan, om toch iets te winnen,
+begon zij in ons huis eene kleine school te houden, om den kinderen
+onzer Vlaamsche geburen te leeren lezen."
+
+"En onze brieven, waarom liet gij die zonder antwoord?"
+
+"Uwe brieven? Wij hebben er slechts eenen ontvangen, en Godelieve
+heeft er op geantwoord."
+
+"Wij schreven er nog drie andere."
+
+"Daarvan weet ik niets, mijnheer."
+
+"Uw man ontving ze op de fabriek. Heeft hij ze misschien
+achtergehouden of vernietigd?"
+
+"Het is wel mogelijk, mijnheer; hij meende, dat het voor Godelieve
+beter was geene betrekking meer te hebben met menschen, die te verre
+boven onzen stand waren; want wij wisten door eenen kameraad van
+Gent, dat gij klerk geworden waart bij M. Raemdonck, en Godelieve
+zeide altijd, dat gij onfeilbaar rijk zoudt worden."
+
+"En waarom schreef Godelieve dan niet eens om tijding van ons te
+hebben?"
+
+De vrouw wachtte een oogenblik en zuchtte dan:
+
+"Wij arme, gemeene fabriekwerkers? En toch, ik heb dikwijls Godelieve
+aangeraden u te schrijven; maar het verschrikte haar; er was te veel
+verschil tusschen uwe ouders en ons; zij dorst niet schrijven."
+
+"Ga voort, vrouw, ik zal u niet meer onderbreken," zeide de jongeling.
+
+"Ach, onze geschiedenis is kort, mijnheer," hernam bazin Wildenslag.
+"Mijn man en mijne zonen leidden een zorgeloos leven. Zij bleven
+dikwijls halve weken zonder te willen werken, zoodat zij zich den
+toegang tot vele fabrieken zagen weigeren. Wij vertrokken altezamen
+naar Rouaan. Daar hield Godelieve weder school in ons huis, en leerde
+er de kinderen der Fransche werklieden; want door altijd Fransch te
+hooren spreken, had zij in die taal spoedige vorderingen gemaakt. Zij
+had veel te lijden van hare woeste broeders en afgunstige zusters,
+omdat zij altijd zindelijk was gekleed en door iedereen, als een
+voorbeeld van zedigheid en beleefdheid, werd geprezen en geacht. Eene
+dame der stad bezorgde haar eindelijk eene goede plaats als
+leermeesteresse in eene groote kostschool van jonge juffrouwen. Daar
+bleef zij twee volle jaren, niets van hare jaarwedde behoudende dan
+wat haar noodig was om zich de kleederen aan te koopen, welke zij
+natuurlijk in hare kostschool hoefde te dragen, ten einde niet te veel
+tegen de andere meesteressen af te steken. Al het overige bracht zij
+naar huis om ons te helpen; want haar vader was ziek geworden, en van
+mijne andere kinderen waren de meeste getrouwd of ongetrouwd in het
+rond alleen gaan wonen; en de twee jongens, welke met ons bleven,
+gaven minder van hun dagloon af dan hun kost en hun onderhoud
+bedroegen. De kwaal van mijnen man verergerde langzaam; het was eene
+kwijnziekte, die hem allengskens scheen uit te putten en ons deed
+vreezen, dat hij niet meer zou genezen. Dan gebeurde er iets, dat ons
+in de bitterste ellende moest storten. Een mijner zonen, die sedert
+als soldaat naar Afrika is vertrokken, een woestaard, een gevoellooze
+verkwister, was reeds meer dan eens, tot schande der arme Godelieve,
+aan hare kostschool gaan bellen om haar geld te vragen. Dit mishaagde
+de meesteresse van het gesticht zeer; maar uit genegenheid voor
+Godelieve had men geduld gehad, zoolang totdat eens mijn baldadige
+zoon, door den drank verblind, binnen de kostschool drong en daar,
+door scheldwoorden en gewelddaden, zijne zuster eene groote somme
+gelds wilde afdwingen. Hij joeg den lieden zulken schrik aan en
+ontstichtte de leerlingen op zulke onbehoorlijke wijze, dat Godelieve
+hare plaats verloor en, schier half dood van schaamte en wanhoop, naar
+huis kwam. Haar broeder, die wel gevoelde, dat hij ons allen
+ongelukkig had gemaakt, vertrok des anderen daags om dienst te nemen
+in het vreemdenlegioen voor Afrika. Godelieve, wier moed en opoffering
+onuitputtelijk zijn, begon onmiddellijk rond te zien om weder eenige
+leerkinderen te zamen te krijgen, en wat naaiwerk te vinden; maar het
+gelukte haar niet spoedig genoeg. De armoede stond voor onze deur, en
+wij schrikten van de droeve toekomst, die ons bedreigde. Misschien
+had mijn arme man een geheim voorgevoel, dat hij niet lang meer zou
+leven. In hem ontstond eensklaps eene onverwinnelijke begeerte om
+terug naar Vlaanderen te gaan. Wij wilden hem dit besluit uit het
+hoofd stellen; Godelieve bovenal, waarom, ik weet het niet, beefde bij
+het gepeins alleen, dat wij de stad Gent nog zouden wederzien. Er was
+niets aan te doen; want hij smeekte ons met overvloedige tranen, hem
+toch niet op vreemden grond te laten sterven. De lucht van Vlaanderen
+zou hem genezen, hij was er van overtuigd. Wij verkochten onze
+meubelen en ons huisraad, om op den ijzeren weg of met de diligence te
+reizen, en vertrokken op eenen zekeren morgen naar het geboorteland.
+Van al mijne kinderen wilde niemand ons volgen dan Godelieve alleen.
+Mijn man had te veel van zijne krachten verhoopt. Alhoewel hij
+onderweg dreigde te bezwijken, wilde hij toch de reis niet staken;
+maar toen wij het voorgeborcht der stad Rijssel bereikten, kon hij
+niet verder en viel buiten kennis in de herberg, voor welke wij ons
+hadden doen afzetten. Hij bekwam echter een beetje, nadat hij eenige
+uren had gerust. Wij bleven twee dagen in de herberg; maar onze
+weinige geldmiddelen waren schier ten einde. Wij vonden niet verre van
+daar een klein werkmanshuisje, dat ledig stond, huurde het en brachten
+er onzen armen zieke naartoe. Een slecht bed, een paar stoelen, eene
+oude kachel en twee of drie stukken keukengerief, ontnamen ons, tot
+den laatsten frank, al wat wij bezaten.... Luister nu, ik bid u,
+mijnheer, en moget gij den moed en de zielegoedheid van mijn kind
+bewonderen, zooals zij het verdient! Dan kwam eene wreede ellende ons
+bezoeken; ik werd van schrik en wanhoop bijna zinneloos. Geen voedsel,
+geen hulp voor mijnen stervenden man, geen uitzicht dan de honger voor
+ons en een akelige dood voor hem. Hoe zal ik het engelachtig gedrag
+van Godelieve beschrijven? Zij bracht geld in huis, zij deed den
+dokter komen en betaalde de medicijnen. Waar zij de middelen haalde,
+dorst ik haar niet vragen; maar ik bemerkte wel, dat eerst hare
+oorringen, dan haar gouden kruis, en dan allengs hare schoone
+kleederen verdwenen, zoolang tot haar niets meer overbleef dan
+voorwerpen zonder waarde. Eindelijk moesten ook mijne zondagskleederen
+worden opgeofferd. Ik sprak van mijnen man in het hospitaal te zien te
+krijgen; maar hij smeekte weenend om genade, en Godelieve wilde er
+niet van hooren. Dan hebben wij naar Rouaan geschreven, om hulp van
+onze kinderen te hebben. Mijn jongste zoon alleen heeft geantwoord,
+dat hij zou komen om voor ons te werken; doch hij had zich in zijne
+fabriek sterk aan den arm gewond en liet ons wachten totdat het te
+laat was. Dit heeft zoo bijna eene gansche maand geduurd, mijnheer,
+eene gansche maand, dat Godelieve elken nacht op eenen stoel bij het
+bed haars vaders bleef gezeten, hem troostende, hem sprekende van
+genezing, van Gods barmhartigheid en van een beter leven in den hemel.
+Geene klacht in haren mond; zij lachte, zij was vroolijk, de goede, om
+moed te geven. O, mijnheer, de woorden ontbreken mij om u te zeggen,
+wat Godelieve in die schrikkelijke dagen voor ons gedaan heeft.
+Oordeel er over: gedurende de laatste week zijns levens heeft mijn
+arme man, door de teedere zorgen, door de liefderijke vertroostingen
+van zijn kind verleid, haar aangezien voor eenen engel, en niet
+anders meer tot haar gesproken dan tot een wezen, door God gezonden om
+zijnen doodsstrijd zacht te maken, en hem den hemel te wijzen. En,
+mijnheer, het was niet omdat haars vaders geest door de ziekte was
+verzwakt, o neen, ik, hare moeder, ik verkeerde in dezelfde dwaling.
+Er kwam een oogenblik dat hare onbegrijpelijke opoffering mij
+nederwierp voor hare voeten en dat ik, van dankbaarheid en bewondering
+zinneloos, voor mijn kind knielde als voor het zuiverste beeld van
+Gods goedheid zelve. Ach, haddet gij mijnen armen man zien sterven,
+met eenen zaligen lach zijne dochter aanschouwende, en nog, tot
+vaarwel, de hand van zijnen troostengel kussende."
+
+Zij smolt in tranen weg en liet het hoofd op de borst vallen.
+
+De jongeling had dit verhaal met eene klimmende ontroering aangehoord;
+de uitdrukking zijns gelaats was een zonderling mengsel van medelijden
+en geheime fierheid, van smart en van blijdschap. Op het einde echter
+had de deernis met het bitter lot der Wildenslags hem overwonnen;
+sedert eene wijl leekten er stille tranen op zijne wangen.
+
+Hij stond op, ging tot de vrouw, greep haar de hand en zeide:
+
+"Arme bazin Wildenslag, wat hebt gij geleden! Ik beschuldigde u zoo
+wreedelijk. O, vergeef het mij! Wees gedankt; want ik begrijp aan uwe
+woorden, aan uwe moederlijke ontroering, dat gij hebt medegeholpen om
+uwe Godelieve de loopbaan te laten betreden, die hare deugd en hare
+geleerdheid haar voorschreven. Kom, troost u; ik zal mijne ouders
+over u spreken; wij zullen u helpen; de ellende ten minste zal u niet
+meer bezoeken."
+
+"Wees gezegend, mijnheer," murmelde de vrouw nog snikkend, "uwe
+eindelooze goedheid ontrukt mij nieuwe tranen. Ha, gij hebt het hart
+uwer moeder ... een hart, mild en edel als het hart mijner Godelieve!"
+
+Bavo deed eenen stap naar zijnen schrijflessenaar en nam er eenig geld
+uit.
+
+"Met de honderd franken, die dáár liggen," zeide hij, "kunt gij den
+prijs van het verloren pak betalen. Deze droeve zaak mag u dus niet
+meer bekommeren. Hier hebt gij nog honderd franken meer, om in uwe
+eerste behoefte te voorzien, ik zal met mijne moeder de middelen
+overwegen om u een min bitter lot te verzekeren. Indien wij uwe
+Godelieve eene plaats van leermeesteresse te Gent konden bezorgen?
+Voor uwen zoon heb ik voordeelig werk. Vermits hij een gevoelig gemoed
+heeft, zal ik hem in den goeden weg terugbrengen.--Daar, neem het
+geld, vrouw; gij hebt mij heden verlost van eene lange treurnis, van
+eene diepe smart, die mij sedert jaren aan het harte knaagt. Ja,
+vrouw, het is zoo. De gedachte, dat het goede, zoete Lieveken, de
+vriendin mijner kindsheid, de gedienstige engel, die bij het ziekbed
+mijns vaders heeft gewaakt, in de wereld was verloren geloopen, deze
+gedachte was mij pijnlijk, en mijn medelijden werd allengs eene
+onverwinlijke smart. Nu ben ik daarover gerust, nu ben ik gelukkig te
+weten, dat zij ten minste hare zedelijke natuur, hare schoone inborst
+en de edelheid harer beminnende ziel ongeschonden heeft behouden."
+
+Bazin Wildenslag had het geld van de tafel genomen. Zij vouwde de
+handen te zamen voor den jongeling en zuchtte met de oogen vol tranen:
+
+"O, mijnheer, uwe barmhartigheid, uwe goedheid maakt mij stom; ik weet
+niet, hoe u mijne erkentenis uit te drukken. Morgen vroeg, vóór ons
+vertrek, zullen wij hier terugkomen. Godelieve zal op de knieën u
+zegenen voor uwe milde weldaad...."
+
+"Godelieve? Morgen?" kreet de jongeling verbaasd. "Waar is dan
+Godelieve?"
+
+"Ik durf u niet langer bedriegen, mijnheer; zij is in de
+Sint-Baafskerk en bidt er voor het Heilige Graf...."
+
+"En waarom kwam zij niet met u?"
+
+"Het arme meisje is vervaard, mijnheer."
+
+"Vervaard? Van mij?"
+
+"Beschaamd, mijnheer; om onze reis naar Gent te kunnen betalen, hebben
+wij de eenige kleederen, die nog waarde konden hebben, moeten
+verkoopen. Godelieve schrikte van zich voor u te vertoonen...."
+
+"En nochtans, ik zou haar willen zien!" riep Bavo met ontsteltenis.
+"Na acht jaar afwezigheid! Wat doen de kleederen? Zij getuigen immers
+van hare opoffering, van hare liefde voor hare ouders? Ach, mocht ik
+eene belooning eischen, het ware, dat het mij toegelaten wierd haar te
+troosten en haar moed te geven!"
+
+"Ik zal ze halen, mijnheer. Mij ook beschaamde de poging, welke ik bij
+u moest beproeven; maar de weldaad van edelmoedige menschen als gij
+zijt, vernedert niet, integendeel! Ik zal het Godelieve doen
+begrijpen, mijnheer. Zij zal komen om u te danken."
+
+Bazin Wildenslag ging ter deur uit.
+
+Als bezwijkend onder eene geweldige ontsteltenis, liet Bavo zich op
+een stoel zakken en legde het hoofd in de handen. De afwisseling
+zijner uitdrukking getuigde dat hij worstelde tegen gepeinzen, die
+tegen zijnen wil hem bestormden. Evenwel na eenige oogenblikken scheen
+hij over deze geheime opwellingen van een vorig gevoel te hebben
+gezegepraald; want hij hief het hoofd op en zeide met eenen lichten
+spotlach tot zich zelven:
+
+"Het zijn droomen, die vergaan voor de wezenlijkheid. Geene
+onmogelijke gepeinzen! Ja, het is ons plicht, te erkennen en te
+beloonen wat het goede Lieveken eertijds voor mijnen zieken vader
+heeft gedaan. Lieten wij haar ongelukkig zijn, het ware eene wreede
+ondankbaarheid, misschien eene zedelijke misdaad. Onze plicht is zeer
+eenvoudig te vervullen. Wij zullen hen bijstaan en beschermen, totdat
+Godelieve eene voordeelige plaats in een onderwijsgesticht heeft
+gevonden; totdat zij weder de middelen hebben bekomen om stil en
+tevreden te leven. Wij zullen over hen waken, om voortaan het ongeluk
+van hen af te keeren. Anders kunnen wij toch niets...."
+
+Weder boog hij het hoofd en staarde ten gronde; na eene wijl
+beweegloos te zijn gebleven, murmelde hij met eenen diepen zucht:
+
+"Het is zonderling! De mensch schijnt een dubbel wezen in zich te
+besluiten ... maar neen, zijn wil en zijn hart stemmen niet altijd
+overeen. En nochtans, ik moet die gepeinzen verjagen. Vermits er
+tusschen haar en mij eene maatschappelijke onmogelijkheid is ontstaan,
+moet ik mijne kindsheid vergeten. Haar ongeluk legt mij den eerbied
+op; kwetsen wij hare gevoelige ziel niet. Ha, men belt! Daar is zij!
+Hoe klopt mijn hart! Ik moet mij bedwingen.... Arm Lieveken! was het
+zóó, dat ik haar moest wederzien?"
+
+Vrouw Wildenslag trad in de kamer, gevolgd door hare dochter.
+
+Het benauwde meisje hield het hoofd gebogen als eene veroordeelde, en
+dorst den blik niet opheffen; zij beefde zichtbaar, en slechts toen
+hare moeder haar bij den arm greep, kwam zij vooruit tot in het midden
+der kamer.
+
+Een versmachte kreet was Bavos boezem ontsnapt, en hij had eenen stap
+gedaan om tot het meisje te naderen en haar de hand te grijpen; maar
+hij wederhield zich zelven en zeide:
+
+"Godelieve, vergeef het mij: ik wenschte zoo vurig u te zien. Wees
+niet beschaamd; ik weet, dat gij hebt geleden en wat gij voor uwe
+ouders hebt gedaan. Die slechte kleederen verheffen u in mijne oogen,
+en de eenige indruk, dien zij op mij uitoefenen, is mij een gevoel van
+eindeloozen eerbied in te boezemen voor het edel hart, dat zij
+bedekken."
+
+Het meisje hief het hoofd op en sprak zeer bedaard, doch met eenen
+plechtigen nadruk:
+
+"Mijnheer, ik dank u uit den grond mijner ontroerde ziel, meer nog
+voor uwe goede woorden, dan voor uwe milde weldaad. Niet alleen
+verlost gij ons van de akelige vrees; maar gij redt ons uit de
+ellende. Wees gezegend; in al mijne gebeden zal ik uwen naam en den
+naam uwer ouders mengen, opdat God u gelukkig late zijn in de maat
+uwer grootmoedigheid."
+
+Bavo scheen verstomd; er lichtte een vreemde glans in zijnen blik;
+hij rustte met de bevende hand op de tafel, als hadde hij eenen steun
+noodig gehad. Die groote blauwe oogen, zoo kwijnend en zoo vol
+dankbaarheid op hem gevestigd; dat fijn gelaat, dat zuiver voorhoofd,
+waarop nu de rozeverf der kuischheid en der schaamte wolkte! O! zij
+was schooner nog dan het engelachtig Lieveken zijner droomen. Wat
+geweldigen strijd voerde hij tegen zijn hart! Maar hij moest zijne
+dwalende zinnen bedwingen: de eerbied voor de ongelukkige Godelieve
+gebood het hem.
+
+Een holle zucht welde op uit zijnen beklemden boezem; hij liet zich op
+eenen stoel zakken en zeide met schijnbare kalmte:
+
+"U weder te zien na acht jaar afwezigheid, Godelieve, is mij eene
+groote blijdschap. Het ontstelt mij. Natuurlijk, niet waar? Die
+herinneringen der kindsheid, hoe blijven zij, immer met nieuwe kracht
+opgewekt, in het menschelijk harte leven!... Ach, ik laat u daar
+staan, te midden der kamer. Verontschuldig mij; zet u neder."
+
+Godelieve hief de handen smeekend op.
+
+"Mijnheer," stamelde zij, "heb medelijden met een ongelukkig meisje!
+Uwe goedheid is zoo eindeloos. Ik ben ontsteld, ik gevoel mij ziek,
+mijne krachten begeven mij. Vergun mij als eene genade, voor heden dit
+huis te verlaten. Morgen vroeg zal ik bedaard zijn, ik zal, beter dan
+nu, madam uwe moeder mijne grenzenlooze dankbaarheid kunnen
+uitdrukken...."
+
+"Gij wilt vertrekken, Godelieve?" kreet de jongeling met verdriet. "O,
+neen, ik bid u, nog een oogenblik!"
+
+Door hare moeder aangedreven om aan dien wensch te voldoen, zette het
+meisje zich neder en boog weder het hoofd. Men zou gezegd hebben, dat
+de oogslag van Bavo haar schrik inboezemde; en inderdaad, zij had bij
+elken zijner blikken gesidderd.
+
+"Zeg mij, Godelieve, hebt gij in uw smartelijk leven nog dikwijls aan
+onze gelukkige kindsheid gedacht?" vroeg Bavo.
+
+"Mijn eenige troost op de wereld," zuchtte het meisje, "was de
+dankbare herinnering uwer goedheid voor het arme zieke kind."
+
+"En voor mij, Godelieve, was het de eenige, maar bittere smart mijns
+levens, te moeten denken, dat de zoete gezellinne mijner kinderjaren,
+ongelukkig en verloren, in de wereld dwaalde."
+
+Er heerschte eene korte stilte.
+
+"Godelieve," vroeg de jongeling eensklaps, als gedreven door eene
+geweldige ontroering, "Godelieve, ik gaf u een aandenken, eene
+gedachtenis. Hebt gij ze bewaard?"
+
+Hij bekwam geen antwoord.
+
+"Het beeld van Bavo en Lieveken met hun boek in de hand," zeide hij,
+"onnoozel en gebrekkig werk, dat aan den kleinen Bavo schier eene
+maand arbeid kostte. Gij hebt mij beloofd, dat gij het zoudt bewaren."
+
+"Maar, Godelieve toch, hoe kunt gij M. Damhout dus zonder antwoord
+laten?" kreet moeder Wildenslag. "Ja, ja, mijnheer, zij heeft het
+bewaard.--Wederhoud mij niet, Godelieve.--Zoo goed bewaard, mijnheer,
+dat het sedert jaren onder het kleine crucifix hangt, waarvoor
+Godelieve gewoon is te bidden."
+
+"Ach, dank, dank om uwe trouwe herinnering!" riep Bavo.
+
+"Waarom verwondert u dit, mijnheer?" zeide het meisje met eene vonk
+van waardigheid in de oogen. "Indien ik mijn gansche leven wilde
+bidden voor het geluk van hem, die mij leerde lezen, kon ik iets beter
+doen dan zijn beeld te hangen op de plaats, waar ik elken avond
+nederknielde om mijne ziel tot God te verheffen?"
+
+Bavo liep tot haar, greep haar de beide handen en zeide diep ontroerd:
+
+"Altijd dezelfde engel! Kom, Godelieve, troost u en schep moed; gij
+zult niet ongelukkig meer zijn. Wij zullen u beschermen. Wij zullen
+eene goede, zeer goede plaats van leermeesteresse te Gent zoeken;
+mijne moeder zal u weder liefhebben en u helpen. Ik zal uw vriend
+zijn, evenals toen wij nog onnoozele kinderen waren.... Het is te
+zeggen ... ik weet niet, de ontsteltenis maakt mij duizelig, mijne
+zinnen zijn verward...."
+
+Het verschrikte meisje ontwrong hem hare handen met zulk koortsig
+geweld, dat hij zich in zijn hart over deze beweging gekwetst gevoelde
+en met spijtige verbaasdheid eenen stap terugdeinsde.
+
+Godelieve hief langzaam het hoofd op; alhoewel er tranen in hare oogen
+glinsterden, was er zooveel maagdelijke fierheid in haren blik,
+zooveel edelheid in de uitdrukking van haar schoon gelaat, dat Bavo
+haar met ontzag aanschouwde.
+
+
+[Illustratie: Aan mij de vriendin mijner kindsheid!]
+
+
+"Ik smeek u, mijnheer, heb toch medelijden met mij!" zeide zij.
+"Vergeten wat gij voor mij als kind hebt gedaan, vergeten wie ons nu
+uit den afgrond der smart zoo grootmoedig opheft,--de dood zelf kan
+mij daartoe niet bekwaam maken; want in Gods schoot zelven zal
+mijne ziel zich nog uwer goedheid herinneren. Maar zoek geene plaats
+voor mij te Gent. Na den dag van morgen zal ik den grond mijner
+geboortestad niet meer betreden. Ik ken de edelheid uws harten; gij
+begrijpt mij, ik ben er zeker van."
+
+"Maar neen, ik begrijp u niet!" morde Bavo.
+
+"Gij begrijpt den onverbiddelijken plicht niet, mijnheer, die mij
+dwingt in Frankrijk een bestaan te zoeken?" hervatte Godelieve. "Ach,
+bestonden er tusschen u en mij geene diepe, geene onverdelgbare
+herinneringen, ik zou uit erkentenis de dienstmeid uwer moeder, en,
+ware het mogelijk, uwe slavin willen worden. Nu mag geen andere band
+tusschen ons bestaan dan de weldaad van den eenen kant en de eeuwige
+dankbaarheid van den anderen. Ik heb veel geleden, zonder dat mijn
+moed er onder is gebroken. Moest ik een oogenblik uwe achting derven,
+mijnheer, ik stierve eenen pijnlijken dood. Ja, ja, Bavo, de ziel der
+arme Godelieve heeft honger naar uwen eerbied, en zij zal dien
+behouden met hare dankbaarheid tot aan het graf. Vaarwel, mijnheer,
+tot morgen!"
+
+En opstaande greep zij den arm harer moeder en trok haar naar de deur.
+
+De jongeling stak de handen uit, als om haar te wederhouden; maar de
+plechtige woorden der maagd hadden hem zoo geweldig tot het gevoel der
+wezenlijkheid en tot het besef des plichts teruggeroepen, dat hij als
+aan den vloer bleef genageld, totdat hij de voordeur hoorde sluiten.
+
+Dan hief hij, stom en met verbaasden blik, de armen in de hoogte,
+allerlei onduidelijke woorden in zich zelven murmelende. Zijne zinnen
+waren ontsteld en zijne gedachten verward.
+
+Eindelijk, na een oogenblik rust, zeide hij in zich zelven:
+
+"Wat is zij schoon, wat is zij schoon! Onder die slechte kleederen
+scheen zij mij fier en indrukwekkend als eene koningin. Hoe heeft zij
+de zuiverheid, de fijnheid des harten kunnen behouden in zulke wereld,
+tusschen grove, onwetende menschen, dwars door nood, honger en
+ellende? Ha! het onderwijs! Ik ben het, die deze ziel het licht en de
+sterkte heb gegeven om aan de verleiding, aan de zedelijke verlaging
+te wederstaan; mijne moeder is het, die haar de liefde tot deugd en
+plichtsbetrachting heeft ingeboezemd. Roos onder de doornen, lelie
+bloeiend op een mesthoop! En de lelie is zuiver gebleven, en de roos
+heeft hare geuren uitgewasemd als eenen balsem over het lijden
+dergenen, die haar omringden! Edel moet zij zijn boven de edelsten, om
+onder zulke beproeving niet te zijn bezweken. Dank, dank, o, mijn God,
+dat Gij de kiemen, door een ander kind in haren geest en in haar hart
+gestort, niet onvruchtbaar liet zijn!"
+
+Hij wreef zich het voorhoofd en stapte in de kamer rond, als wilde hij
+zijne stormende gepeinzen ontvluchten. Eensklaps staan blijvende, riep
+hij uit:
+
+"Onmogelijk, onmogelijk! De wereld, mijne ouders ... hare broeders,
+hare zusters ... het eenige geluk, dat mij op aarde moet geweigerd
+blijven!... Maar heeft zij daar schuld aan? Zij zal verre van hare
+geboortestad gaan dwalen, verdriet hebben, gaan kwijnen misschien? Ja,
+ja, ik bedrieg mij niet: hare schuchterheid, hare schaamte, hare
+verschrikte kuischheid, hare laatste woorden.... Zij ook heeft
+getreurd, zij ook heeft eenen wreeden knagenden worm in het hart
+gedragen!"
+
+Hij stortte neder op eenen stoel, sloeg zich de handen voor de oogen
+en morde met wanhoop:
+
+"Eilaas, eilaas, het kan niet zijn! Zij heeft gelijk; ik mag haar niet
+meer zien na den dag van morgen. Ik insgelijks wil het aandenken
+mijner kindsheid eerbiedigen en het zuiver bewaren tot aan het graf.
+Zij heeft het gezegd; er is voortaan geen andere band tusschen ons
+mogelijk dan de herinnering aan het verledene, de weldaad en de
+dankbaarheid!"
+
+Na een oogenblik stilte sprong hij weder recht.
+
+"Ik zou haar verliezen voor altijd?" kreet hij. "Die edele ziel, dat
+beminnend harte zou gaan verkwijnen in vreemde streken?... Er is een
+andere band, een heilige band, een eeuwige band; er is een
+geneesmiddel voor haar verdriet en voor mijne treurnis.... Ho, ik kan
+het niet meer uitstaan; ik moet mijne moeder, mijnen vader, mijnen
+meester spreken! Veroordeele mij de gansche wereld, het geluk mijns
+levens staat op dien prijs! Aan mij, aan mij de vriendin mijner
+kindsheid! aan mij het zuivere, zoete Lieveken!"
+
+En onder het uitspreken dezer woorden liep hij als een dwaze ter deur
+uit.
+
+
+
+
+SLOT
+
+
+Een paar jaren geleden ontstond in mij de gedachte om een verhaal uit
+het leven der Gentsche werklieden te schrijven. Met het doel om eenige
+eerste inlichtingen daarover in te zamelen, belde ik op zekeren
+namiddag aan het hek eener groote fabriek te Gent.
+
+Ik had eenen aanbevelingsbrief en stelde dien ter hand aan den
+bestierder van het gesticht, een man van ongeveer vijfendertig jaar,
+en wiens kleederen, ofschoon van welstand getuigende, met vlokken
+katoen en met stof waren overdekt.
+
+Nauwelijks had hij mijnen naam in den brief gelezen, of hij toonde
+zich zeer verblijd over mijn bezoek, zeide, dat hij een warm
+liefhebber der Vlaamsche letterkunde was, en stelde zich geheel tot
+mijnen dienst.
+
+Uren lang leidde hij mij door talrijke zalen en werkhuizen der
+fabriek, toonde en verklaarde mij alles, en antwoordde op mijne vragen
+met zulke minzame dienstwilligheid, dat ik niet wist hoe hem voor zijn
+gulhartig onthaal te bedanken.
+
+Hij was zeker geen gewoon mensch. Van de nijverheid, van haren
+voortgang en van de doelmatige inrichting des arbeids sprak hij niet
+alleen met uitgebreide kennis, maar tevens met eene dichterlijke
+geestdrift, die mij verwonderde.
+
+Ik had reeds vroeger, zonder andere beweegreden echter dan de
+nieuwsgierigheid, eenige andere dergelijke gestichten bezocht. Nergens
+had ik zooveel orde en zindelijkheid aangetroffen. De werkhuizen en
+zalen waren breed en verheven; sterke luchttochten om het stof te
+verwijderen, had men in toereikend getal gemaakt; waar de raderwerken
+of riemen den onvoorzichtigen arbeider konden aangrijpen en verminken,
+waren deze werktuigen door zinken platen geblind; overal was ruimte en
+lucht in overvloed, en men kon bemerken, dat hier met vaderlijke
+bezorgdheid voor de gezondheid en het welzijn der werklieden werd
+gewaakt. De vrouwen, mannen en kinderen, welke ik in groot getal aan
+den arbeid zag, waren geheel anders dan ik ze mij had voorgesteld.
+Geene vuile en gescheurde kleederen; ernst en ingetogenheid, iets
+waardigs in den blik; en waar een hunner werd aangesproken,
+beleefdheid en betamelijkheid.
+
+Ik wenschte rechtzinniglijk den bestierder geluk en zeide, dat hij
+hoogmoedig mocht zijn over het schoone gesticht, dat onder zijne
+leiding bloeide.
+
+"Inderdaad," antwoordde hij, "ik ben er reeds een beetje trotsch over;
+maar ik hoop mettertijd nog meer verbeteringen tot stand te brengen,
+bovenal wat het lot der werklieden betreft. Er is iets, waarover ik
+meer hoogmoed gevoel...."
+
+Hij bezag zijn uurwerk en zeide:
+
+"Nog eenige minuten en ik zal het u toonen. Ziet gij, mijnheer, men
+kan van den werkman al maken wat men wil. Daartoe behoeft natuurlijk
+eenig geduld; want men moet allereerst de onwetendheid overwinnen,
+die, zoolang zij bestaat, een volstrekte hinderpaal is tot alle
+zedelijke verbetering der arbeidende klassen."
+
+Een oogenblik daarna begon er eene klok te luiden. Hier en daar
+verlieten kinderen en jongens de spinmolens, waaromtrent ik mij
+bevond, en zij gingen het werkhuis uit.
+
+"Is het rustuur voor hen gekomen?" vroeg ik.
+
+"Neen, zij gaan ter school," was het antwoord des bestierders. "Van de
+twee draadjesmakers verlaat er één den arbeid voor een uur; de andere
+zal intusschen alleen den molen bedienen, iets wat hem niet moeilijk
+valt, aangezien zijn gezel, vooraleer te vertrekken, alles zooveel
+mogelijk in gereedheid heeft gebracht. Zoo is het insgelijks met de
+kinderen, die in andere vakken werkzaam zijn. Elk heeft zijne beurt,
+en wie zijnen arbeid gedurende de week niet kan verlaten, ontvangt het
+onderwijs des Zondags en des Maandags, gedurende de uren der
+werkstaking. Het is slechts sedert acht jaar dat ik, met oorlof mijns
+meesters, deze school heb ingericht; en nu reeds mag ik mij beroemen,
+dat meer dan de helft onzer werklieden, zoowel vrouwen als mannen,
+kunnen lezen en schrijven. Men bemerkt het wel, niet waar, dat het
+onderwijs hun een gevoel van persoonlijke waardigheid in den boezem
+heeft gestort? Het is mijn droom, te mogen zien voordat ik sterf, dat
+er op de gansche fabriek geen enkel ongeleerd werkman meer te vinden
+zij. Gij zoudt kunnen denken, mijnheer, dat deze werkmanskinderen geen
+vlug verstand hebben, of dat een enkel uur onderwijs geene merkelijke
+vruchten in hen kan voortbrengen; gelief mij te volgen; ik ben wel
+zeker, dat hetgeen gij gaat zien u zal verwonderen en verblijden."
+
+Onder het uitspreken dezer laatste woorden richtte hij zich naar eene
+deur, die uitgaf op een binnenplein, en bracht mij wat verder in eene
+ruime zaal, vervuld met rijen lessenaars, waarachter ik een zestigtal
+jongens, van acht tot vijftien jaar, zag zitten.
+
+De bestierder zeide eenige woorden tot den onderwijzer; en deze
+verzocht mij, dewijl de leerlingen juist hadden begonnen te schrijven,
+eenen blik op hun geschrift te willen werpen.
+
+Er waren er inderdaad velen, die een ongemeen schoone hand hadden.
+
+Ik hoorde er eenigen lezen met eene zuiverheid van uitspraak, welke ik
+zelden in andere scholen had ontmoet.
+
+Dan volgden velerlei oefeningen, ditmaal grootendeels door den
+bestierder zelven geleid, om mij over de vroege ontwikkeling van het
+verstand dezer arme werkmanskinderen te laten oordeelen.
+
+Er werden vragen voorgesteld aangaande de nijverheid en de verdeeling
+van het werk, aangaande de geweefsels in het algemeen en het katoen in
+het bijzonder, aangaande de beginselen der mekaniek en den aard der
+stoffelijke krachten, die de mensch aanwendt tot het vergemakkelijken
+van zijnen arbeid, aangaande de spaarkassen en de genootschappen van
+onderlingen bijstand, en eindelijk aangaande de plichten van den
+mensch jegens God, jegens zich zelven en jegens zijnen evennaaste; in
+één woord aangaande alles, waarvan de kennis deze kinderen tot
+behendige werklieden, tot goede huisvaders en tot verlichte burgers
+van een vrij vaderland kon maken.
+
+Mijne verwondering was groot, toen ik deze vragen door vele kinderen,
+zonder aarzeling en met opmerkelijke klaarte, hoorde beantwoorden;
+maar het verraste mij nog meer, hen gedurende een half uur, op het
+zwarte bord of enkel uit het hoofd, de meest ingewikkelde vraagpunten
+der rekenkunde te hooren oplossen.
+
+Nauwelijks kon ik gelooven, dat ik deze zelfde jongens als
+draadjesmakers achter de spinmolens had gezien. De bestierder en de
+onderwijzer waren trotsch over mijne verbaasdheid en over den lof,
+dien ik hun en hunnen leerlingen toezwaaide.
+
+Nadat ik den bekwamen onderwijzer gulhartig en dankbaar de hand had
+gedrukt, volgde ik den bestierder, die mij verzocht haast te maken,
+dewijl hem anders de tijd mocht ontbreken om mij nog eene andere
+school te toonen.
+
+Hij leidde mij over het plein en opende een poortje. Wij traden door
+eenen bloemrijken tuin, die met muren was omsloten. In de verte, bij
+een looverhuisje, zag ik drie of vier kinderen, waarvan de twee
+kleinsten in een wagentje zaten. Voor het lieve rijtuig waren twee
+schapen gespannen. De voerman was een jongetje van ongeveer tien jaar.
+Aan elke zijde van het wagentje liep eene oude dame, om de kinderen
+voor ongeluk te behoeden.
+
+In het looverhuis zat een grijsaard, die niet min dan zestig jaar oud
+kon zijn. Hij rookte een pijpje en was bezig met een vischnet te
+breien.
+
+Al deze personen juichten en lachten om der kinderen luidruchtige
+vroolijkheid.
+
+De bestierder richtte met eenen glimlach van geluk den blik op dit
+tafereel, doch onderbrak zijnen stap niet.
+
+Maar zoohaast men hem van ginder bemerkte, staken de kinderen in het
+wagentje de hand uit, terwijl het woord "vader! vader!" door den tuin
+klonk. Het jongsken liet de schapen staan, kwam in een vaart geloopen
+en sprong den bestierder aan den hals. Hij zoende het kind en zond het
+terug, met de belofte dat hij straks in den tuin zou komen, maar dat
+hij nu den vreemden heer moest rondleiden.
+
+"Zie, mijnheer," zeide de bestierder mij met zekere ontroering, "al
+wat ik meest bemin op aarde, is daar. Die grijsaard is mijn vader; van
+die beide dames is de eene mijne moeder en de andere de moeder mijner
+vrouw. Die engeltjes zijn mijne kinderen. God heeft mij beladen met
+geluk. Hier ontbreekt slechts mijne vrouw; maar ik weet waar zij is:
+gij gaat ze zien."
+
+En dit zeggende, richtte hij zich tot een ander poortje en opende
+welhaast de deur eener zaal, waar een vijftigtal kleine meisjes,
+evenals in de andere school, voor lessenaren zaten.
+
+Buiten de leermeesteresse, die tusschen de lessenaren zich hield,
+stond er aan het oppereinde der school eene deftig gekleede dame, die
+bezig scheen met vier of vijf der grootste meisjes eene bijzondere les
+te geven.
+
+De bestierder bracht mij bij haar en stelde mij haar voor als zijne
+vrouw.
+
+"Lieve," zeide hij, "deze heer is een oude en goede bekende van u en
+van ons allen; honderdmaal heeft hij, in de lange winteravonden, ons
+den tijd kort en genoeglijk gemaakt. Nog geene acht dagen geleden,
+dat hij u tranen van medelijden met het lot van den armen _Loteling_
+ontrukte."
+
+De dame noemde mijnen naam met verrassing; hare groote blauwe oogen
+glinsterden van blijdschap. Zij overlaadde mij met betuigingen van
+vriendschap, en trof mij diep door de uiterste zoetheid harer stem en
+de minnelijkheid harer woorden.
+
+Op aanzoek haars echtgenoots deed zij de kleine meisjes eenige
+oefeningen doen, om mij het bewijs te geven, dat ook hier het
+onderwijs doelmatig was ingericht en schoone vruchten droeg, waarna
+ik, onder het uitdrukken mijner bewondering, den bestierder volgde,
+waarschijnlijk om nog belangwekkendere dingen te zien.
+
+Al gaande zeide ik hem:
+
+"O, mijnheer, aan welk edel en menschlievend doel hebt gij en uwe
+bekoorlijke echtgenoote uwe pogingen toegewijd! Konden alle personen,
+die overheid op den werkman hebben, hunne zending evenals gij
+begrijpen!"
+
+"Zeker," antwoordde hij, "het onderwijs is het eenige middel om de
+arbeidende klassen uit de zedelijke verlaging op te heffen. Het
+welbegrepen belang der meesters, het welbegrepen belang van gansch het
+menschdom eischt, dat men het nuttigste en het talrijkste gedeelte der
+maatschappij niet langer tot duisternis en onwetendheid veroordeeld
+late. Maar het zijn deze beweegredenen niet alleen, die mij en mijne
+vrouw aandrijven om, binnen het bereik onzer macht, de geleerdheid,
+het plichtbesef en het gevoel van eigen waardigheid onder de
+werklieden te verspreiden. Neen, mijnheer, wij betalen eene schuld,
+eene heilige schuld aan het volksonderwijs! Wij zijn kinderen van
+arme fabriekwerkers. Het onderwijs, dat wij mochten genieten, was de
+eerste band tusschen onze harten; en terwijl ik, als kind, uit
+medelijden of uit vriendschap degene leerde lezen, die nu de moeder
+mijner kinderen is, ontstond in mij de kiem eener zuivere en duurzame
+neiging. Mijne goede ouders hebben mij laten leeren ten koste van vele
+en bittere opofferingen; het was mijn schoonste droom, eens hunne
+liefde te kunnen beloonen door hunne oude dagen zoet en gelukkig te
+maken. Dank zij het onderwijs, dat ik mocht genieten, heb ik daartoe
+ruimschoots de middelen gevonden. Mijne vrouw is in hare jonkheid door
+ongeluk en tegenspoed beproefd geworden. Ware zij onwetend geweest,
+dan hadde zij zeker in de nederige, in de woeste wereld, waarin zij
+gedwongen was te leven, de verhevenheid des harten en de klaarheid des
+geestes verloren; maar het onderwijs heeft ze voor verlaging behoed en
+ze mij wedergeschonken, zuiver, edel en verkleefd als een engel van
+goedheid en van liefde. Het onderwijs, het volksonderwijs heeft ons
+dienvolgens gemaakt wat wij zijn: en indien wij God uit den grond des
+gemoeds zegenen en danken voor al het geluk, waarmede Hij ons heeft
+beladen, dan moeten wij erkennen, dat de Heer in ons het onderwijs tot
+middel zijner weldaden heeft gebezigd. Het verwondere u dus niet
+langer, dat wij ons toewijden aan het onderwijs der arme
+fabriekskinderen. Zooals ik u zeide, wij betalen eene schuld, eene
+heilige schuld."
+
+Ik had met eene soort van verstrooidheid op deze lange uitlegging
+geluisterd. Mij vlotte de gedachte in het hoofd, dat het leven van
+den bestierder dezer fabriek misschien de stof bevatte tot het
+schrijven van een schoon verhaal; en ik was reeds in mijne verbeelding
+bezig met het te schikken en te ontwerpen. Maar vooraleer mijn
+leidsman ophield van spreken, had hij mij in eene zaal zijner woning
+gebracht, en zeide nu, terwijl hij mij eenen zetel aanbood:
+
+"Gelief u neder te zetten; ik wil een glas wijn met u drinken....
+Weiger mij niet, ik bid u ... ik zal u voorstellen wat ik het beste in
+mijnen kelder heb."
+
+Hij trok aan een belkoord en zeide tot de meid, die aan de deur
+verscheen:
+
+"Breng een paar glazen en eenige beschuiten.... Ik ga zelf naar den
+kelder, want zij zou den wijn, dien ik u wil doen proeven, niet
+vinden."
+
+Sedert ik in deze zaal was getreden, had een zeker voorwerp mijne
+oogen tot zich getrokken. Tusschen eenige schilderijen hing eene
+gekleurde print, die mij van verre gebrekkig en grof voorkwam als een
+beeldeken, waarmede de kinderen gewoonlijk spelen. Evenwel, de
+meesters dezer woning moesten er veel prijs aan hechten, want de
+gouden lijst, die het omringde, was uiterst rijk en veel kostelijker
+ongetwijfeld dan de lijsten, waarin de schilderijen waren vervat.
+
+Een gevoel van nieuwsgierigheid deed mij opstaan. Ik naderde tot de
+print en zag nu, beter dan te voren, dat zij niets anders kon zijn dan
+het werk van een kind, dat met groote inspanning en moeite gepoogd had
+de beelden van een jongetje en van een meisje te schetsen, die elkaar
+bij de hand hielden en elk een open boek toonden. Onder de beelden
+stonden deze twee namen in versierde letters te lezen:
+
+ BAVO EN LIEVEKEN.
+
+"Dit beeld doet u glimlachen, niet waar?" zeide de bestierder, die nu
+met de flesch wijn in de zaal trad.
+
+"Glimlachen?" antwoordde ik zeer ernstig. "O, neen, mij schijnt het,
+dat onder dit gebrekkig kinderwerk de geheimenissen van een gansch
+leven liggen verborgen."
+
+"Zóó is het inderdaad. Toen ik nog een kleine jongen was, heb ik
+gepoogd de beeltenissen te schetsen van twee kinderen, tusschen wier
+eenvoudige harten het onderwijs eene diepe en duurzame neiging had
+doen ontstaan. Nu zijn ze verbonden door het huwelijk, en hunne
+schoonste, hunne dierbaarste herinnering is nog dit gebrekkig
+beeldeken."
+
+"Welk schoon verhaal zou daarvan kunnen gemaakt worden!" riep ik,
+terwijl ik een glas wijn aanvaardde. "De titel ware gevonden: _Bavo en
+Lieveken_! Och, ik bid u, mijnheer, vertel mij uwe geschiedenis."
+
+"Maar ik verlang niet, dat mijn leven worde openbaar gemaakt."
+
+"Men kan het beschrijven met veranderingen, met vooronderstelde namen,
+op zulke wijze, dat men de personen niet duidelijk herkenne."
+
+Mijne gedachte scheen den bestierder te verschrikken; hij weerstond
+zeer lang mijn aandringen; doch ten laatste meende ik de overwinning
+nabij te zijn.
+
+Ik deed eene laatste poging, door hem voor oogen te stellen, dat de
+geschiedenis zijns levens, indien ik mij in mijn vooruitzicht niet
+misgreep, een machtig voorbeeld zou kunnen zijn, een spoorslag om den
+werklieden al het nut van het onderwijs voor hunne kinderen te doen
+beseffen, en misschien om andere edelmoedige menschen, eigenaars van
+fabrieken, over te halen tot het oprichten van scholen in hunne
+gestichten. Door zulk verhaal te schrijven, kon ik eenigszins
+medewerken tot het bereiken van het edel doel, dat hij en zijne vrouw
+zich voorstelden. Daarenboven, ik zou het derwijze schikken, dat men
+niet zou kunnen ontdekken, of ik ware of ingebeelde personen in mijn
+boek had beschreven en doen handelen.
+
+"Het is eene ernstige zaak," zeide de bestierder. "Ik wil er eerst met
+mijne vrouw over spreken. Er is slechts één middel, en dit is, dat gij
+het avondmaal met ons neemt. Weiger mij niet: anders zult gij zeker
+onze geschiedenis niet kennen."
+
+Ik liet mij gezeggen. Dien avond bracht ik door tusschen Bavo en
+Lieveken. Over mij zaten de oude Damhout, Christina, zijne vrouw, en
+moeder Wildenslag; aan de andere zijden der tafel hielden zich vier
+allerschoonste kinderen, twee meisjes en twee jongskens.
+
+Ik verliet het huis met het hoofd vol zoete droomen, het hart vol
+woorden van vriendschap, van geluk en van liefde, en het geheugen vol
+van de eenvoudige, doch roerende geschiedenis, die ik in dit boek u
+heb verteld.
+
+EINDE
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
+
+***** This file should be named 13596-8.txt or 13596-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13596/
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/13596-8.zip b/13596-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..58343f9
--- /dev/null
+++ b/13596-8.zip
Binary files differ
diff --git a/13596-h.zip b/13596-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..500e85d
--- /dev/null
+++ b/13596-h.zip
Binary files differ
diff --git a/13596-h/13596-h.htm b/13596-h/13596-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..859a7d2
--- /dev/null
+++ b/13596-h/13596-h.htm
@@ -0,0 +1,4342 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN">
+<html>
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content=
+ "text/html; charset=iso-8859-1">
+ <meta http-equiv="Content-Language"
+ content="nl">
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ P { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ H1,H2,H3,H4,H5,H6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ }
+ HR { width: 33%;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;
+ }
+ BODY{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ }
+ div.center {text-align: center;}
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* footnote */
+ .blkquot {margin-left: 4em; margin-right: 4em;} /* block indent */
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */
+ .sidenote {width: 20%; margin-bottom: 1em; margin-top: 1em; padding-left: 1em; font-size: smaller; float: right; clear: right;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span {display: block; margin: 0; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;}
+ .poem .caesura {vertical-align: -200%;}
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Bavo en Lieveken
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: October 4, 2004 [EBook #13596]
+[Last updated: August 19, 2011]
+
+Language: Dutch and Flemish
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
+
+
+
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+ <!-- Page 1 -->
+ <!-- Page 2 -->
+ <h1>HENDRIK CONSCIENCE</h1>
+ <h1><i>BAVO EN LIEVEKEN</i></h1>
+ <center>
+ <img src='images/002.png' width='300' alt='Titelpagina' title='Titelpagina' />
+ </center>
+ <br />
+
+ <h3>SAMENWERKENDE MAATSCHAPPIJ</h3>
+ <h3>36, NIEUWSTRAAT, BRUSSEL</h3>
+ <br />
+ <!-- Page 4 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <h2>INHOUDSOPGAVE</h2>
+ <div class="center">
+ <a href='#I'><b>I</b></a><br />
+ <a href='#II'><b>II</b></a><br />
+ <a href='#III'><b>III</b></a><br />
+ <a href='#IV'><b>IV</b></a><br />
+ <a href='#V'><b>V</b></a><br />
+ <a href='#VI'><b>VI</b></a><br />
+ <a href='#VII'><b>VII</b></a><br />
+ <a href='#VIII'><b>VIII</b></a><br />
+ <a href='#IX'><b>IX</b></a><br />
+ <a href='#X'><b>X</b></a><br />
+ <a href='#XI'><b>XI</b></a><br />
+ <a href='#XII'><b>XII</b></a><br />
+ <a href='#SLOT'><b>SLOT</b></a><br />
+ </div>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <!-- Page 3 -->
+ <div class="center">
+ <img src='images/003.png' width='600'
+ alt='&laquo;Goeden avond&raquo; juichte de jongen'
+ title='&laquo;Goeden avond&raquo; juichte de jongen' /><br />
+ <br />
+ <i>&laquo;Goeden avond&raquo; juichte de jongen</i>
+ </div>
+ <!-- Page 5 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <h1>BAVO EN LIEVEKEN</h1>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="I" name='I'></a>
+ <h2>I</h2>
+ <br />
+
+ <p>Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de
+ Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck.</p>
+ <p>Alhoewel het daglicht reeds vermindert, is er alles nog in de volle, drukke
+ werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten onder de zwoeging der
+ mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste doet leven.</p>
+ <p>Het is vooreerst de <i>Duivel</i>, dat machtig tuig, waarin het katoen wordt
+ geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft verloren; dan de
+ koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende potten, die altezamen de boomwol
+ in vlokkig sneeuw veranderen, ze mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de
+ spintuigen tot haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en
+ eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne ontelbare
+ spillen en bobijnen.</p>
+ <!-- Page 6 -->
+ <p>Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige snelheid; het is
+ eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende wielen, van knarsende
+ radertanden, van vluchtende riemen, van wandelende spinmolens, van draaiende
+ spillen.</p>
+ <p>Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden andere geruchten
+ vermengt tot een donderend gebruis, tot een zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en
+ zoo vol, dat het de denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem
+ duizelig maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee.</p>
+ <p>Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne stem
+ vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig wezen tusschen de
+ reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft geschapen.</p>
+ <p>Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang der
+ raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen katoen of bobijnen
+ aan, en geven onophoudend voedsel aan het duizendledig monster, dat de stof met
+ onverzaadbaren honger schijnt te verslinden.</p>
+ <p>Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de raderwerken heen- en
+ wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens doorkruipen! En nochtans, dat een
+ riem, een tand, &eacute;&eacute;n van al die draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed
+ of slechts hunne mouw aangrijpe ... en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden
+ afrukken of hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, v&oacute;&oacute;rdat het,
+ ginder verre, als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoevele
+ <!-- Page 7 -->
+ onvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden door de barsche,
+ zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent tusschen katoen en menschenvleesch!</p>
+ <p>Maar daar galmt een klokslag! De vuurmaker stopt het stoomtuig; hij ontneemt aan
+ de mekanieken hunnen adem en hun leven ... en op het ontzaglijk gerucht, op het
+ zinverdoovend geraas volgt de stilte der eenzaamheid en der rust....</p>
+ <p>Het was op eenen zomeravond van het jaar 1832, dat de werklieden der fabriek van
+ mijnheer Raemdonck dus, op het sein der klok, hunnen arbeid staakten en te gelijk op
+ het binnenplein zakten, om daar voor een venster van het bureel op de uitbetaling van
+ het loon der afgeloopene week te wachten.</p>
+ <p>Alhoewel schijnbaar dooreengemengd, toonden zij echter eenige schikking. Men kon
+ zien, dat de vrouwen, de kinderen en de mannen neiging hadden om afzonderlijke
+ groepen te vormen; zelfs de wevers en de spinners stonden aan eene verschillige zijde
+ van het plein.</p>
+ <p>Allereerst werden de vrouwen betaald; want onder hen waren vele moeders, wier
+ zuigelingen sedert uren misschien naar lafenis en voedsel snakten. Arme wichtjes,
+ gansche dagen aan vreemde handen toevertrouwd, levend van hunne geboorte af in
+ derving en in nood! Slachtoffers van een maatschappelijk gebrek, dat, tegen de natuur
+ en tegen den wil Gods, de vrouw onttrekt aan de vervulling van den moederplicht,
+ opperste wet van haar wezen op aarde!</p>
+ <p>De werklieden toonden nu eenige levendigheid; zij schenen vroolijk, omdat de lange
+ week was afgeloopen en de rust van morgen hen toelachte.</p>
+ <p>Een sterkgebouwde kerel, die tusschen de spinners stond, onderscheide zich door
+ zijne luidruchtigheid. Kluchtige woorden en grove zinspelingen rolden hem uit den
+ mond, en hij had zijne gezellen meer dan eens in eenen schaterlach doen
+ losbarsten.</p>
+ <p>Nu bemerkte hij eenen werkman, die uit de fabriek kwam en tot het uiterst einde
+ van de groep der spinners naderde. Hij ging naar hem toe, deed hem teeken, dat hij
+ hem over iets wilde spreken, trok hem een paar stappen van zijne kameraden weg en
+ zeide:</p>
+ <p>"Ha sa, Adriaan, gij zijt er bij dezen avond, niet waar? Wat zullen wij lachen en
+ vermaak hebben!"</p>
+ <p>"Waarbij, Jan? Ik weet van niets," was het antwoord.</p>
+ <p>"Hoe? gij weet niet, dat rosse Leo van avond zijn <i>jubil&eacute;</i> viert?"</p>
+ <p>"Welk <i>jubil&eacute;</i>?"</p>
+ <p>"Van vijfentwintig jaar spinner."</p>
+ <p>"Werkt Leo reeds zoolang? Onmogelijk: de man is nog niet oud genoeg."</p>
+ <p>"Niet oud genoeg, Adriaan? Hij was draadjesmaker in de spinnerij van Lieven
+ Bauwens, in de allereerste fabriek, die er te Gent was opgericht. Dit was in 1800, en
+ Leo was alsdan zestien jaar. Hij weet het nog zoo juist op zijn duimken, als hadde
+ hij eenen almanak in den kop. Hij is spinner geworden, in 1807, bij mijnheer De Vos.
+ Tel maar op de vingeren: zeven van twee&ecirc;ndertig, blijft vijfentwintig."</p>
+ <p>"Inderdaad; men zou het niet zeggen: de rosse Leo schijnt geen veertig jaar
+ oud."</p>
+ <p>"Het is, dat hij het leven verstaat en Gods water over Gods dijk laat loopen. Ware
+ hij een kniezer geweest, dan zou hij al lang op het kerkhof liggen. Eene goede pint
+ bier, eene schel hesp en van tijd tot tijd een scheut jenever, dat zet bloed,
+ jongen.... Welnu, doet gij mede? Eenen halven frank tot inzet.</p>
+ <p>Wij zingen, lachen en drinken tot half den nacht. Het is morgen toch Zondag. Er
+ zullen daarenboven vier vette konijnen te verdubbelen zijn: een buitengewoon
+ <i>Smeerken</i>, in de Blauwe Geit, bij onzen kameraad Pier de Knul?"</p>
+ <p>De andere bepeinsde zich eene wijl, schudde het hoofd en antwoordde:</p>
+ <p>"Ik heb geene goesting, Jan."</p>
+ <p>"Wat is dit nu?" kreet zijn gezel verwonderd. Zult gij vijfentwintig cents
+ weigeren om het <i>jubil&eacute;</i> van eenen ouden vriend te vieren?"</p>
+ <p>"Het is niet voor de vijfentwintig cents, Jan. Ik ken den rossen Leo bijna niet,
+ en, ik zeg het rechtuit, dit drinken halve nachten lang bevalt mij niet meer; ik kan
+ er niet tegen, het maakt mij ziek."</p>
+ <p>Deze woorden, op eenen zekeren vreesachtigen toon gesproken, deden Jan in eenen
+ spotlach uitbarsten: hij greep de twee handen zijns vriends en zeide hem:</p>
+ <p>"Damhout, Damhout, jongen lief, ik heb medelijden met u. Gij waart vroeger altijd
+ het haantje vooruit, en het was u nooit te laat om naar huis te gaan; maar sedert gij
+ getrouwd zijt, ik heb het gezien van het eerste jaar af,&mdash;sedert gij getrouwd
+ zijt, geraakt gij allengskens meer en meer achter den bezem; gij durft u niet meer
+ verroeren, gij wordt een suffer, een gierigaard, een kwezelaar. Foei, gij vergeet,
+ dat gij een man zijt, en gij ligt als een kind onder den duim<!-- Page 8 --> uwer
+ vrouw. Gij zoudt wel mededoen, ik weet het: gij hebt nog een tandje, dat er naar
+ lotert; maar gij moet eerst permissie van moeder Damhout hebben, en God weet, of gij
+ die permissie nog durft vragen!"</p>
+ <p>"Wildenslag, ik wil mij niet boos maken," mompelde Damhout. "Ik weet, dat gij het
+ niet kwaad meent, alhoewel gij onrechtvaardig zijt jegens mij."</p>
+ <p>"Welnu, loochen dan, dat gij weigert uit opzicht voor uwe vrouw!"</p>
+ <p>"Integendeel, ik beken het; maar indien het eens was uit achting voor haar en uit
+ genegenheid voor mijne kinderen?"</p>
+ <p>"Ja, Damhout, uwe kinderen; gij zult er een schoon kot van kweeken van uwe
+ kinderen. Kleed ze maar als rentenierkens; laat ze maar naar de school gaan. Zoolang
+ ze jong zijn, zullen ze meer kosten dan gij kunt winnen. Zij zullen schoon weer
+ spelen en luierikken, terwijl gij, och arme, na eene gansche week te hebben geslaafd,
+ nog geene pint bier met de vrienden zult mogen drinken. Geef hun uw zweet en uw
+ bloed, verderf uwe gezondheid en verkort uw leven, en als ze groot geworden zijn,
+ zullen ze hunnen vader, den armen versleten fabriekwerker, niet meer willen bezien of
+ herkennen."</p>
+ <p>Deze woorden waren niet zonder indruk op het gemoed van Adriaan Damhout. Hij
+ scheen treurig en bleef eene wijl met gebogen hoofde overwegen. Dan zeide hij
+ twijfelende:</p>
+ <p>"Nochtans, Wildenslag, de geleerdheid is een schat, eene macht, die den mensch tot
+ alles bekwaam maakt; en vermits wij onzen kinderen geen ander erfdeel kunnen
+ nalaten...."</p>
+ <p>"Vertelsels,<!-- Page 9 --> droomen van uwe vrouw," herhaalde de andere. "Wat wilt
+ gij, om 's hemels wil, dat een spinner of een wever met de geleerdheid doe? Of wij nu
+ konden lezen en schrijven, wat zou het ons helpen? Hebt gij er minder om gewonnen,
+ dat gij zoo min als ik, eene A uit eene B kent? Kom, kom, zotte hoovaardigheid en
+ onnoozele praat allemaal. Onze ouders hebben gewerkt van kindsbeen af, wij hebben
+ evenzoo gewerkt, en onze kinderen kunnen ook maar werken, dan valt er niets op te
+ zeggen. Meent gij, dat ik mijn klein vee zal vetten met mijn zweet, totdat ze aan de
+ luiheid gewend zijn? Hola een beetje! Er is er reeds &eacute;&eacute;n op de fabriek
+ en de anderen zullen volgen. Zoo komt er van alle kanten boter in den pot, mijn
+ vriend; en kan er voor ons nog een pintje bier, en van tijd tot tijd een plezierig
+ smeerken op af.... Welnu, wat zegt gij? Viert gij mede het <i>jubil&eacute;</i> van
+ rossen Leo? Kom, gij moogt niet zoo vervaard zijn van uwe vrouw. Laat ze wat knorren.
+ En maakt ze het te bont, toon haar, dat gij man zijt en een hart in het lijf
+ hebt."</p>
+ <p>Adriaan Damhout stak de hand in den zak, haalde er een stuk van vijfentwintig
+ cents uit en gaf het aan zijnen gezel.</p>
+ <p>"Alzoo, dezen avond, te negen uren stipt, in de <i>Blauwe Geit</i>, bij Pier de
+ Knul?" juichte Wildenslag. "Het zal er gaan, het zal er een leventje zijn, dat gij er
+ in uwen ouden dag nog zult van spreken!"</p>
+ <p>"Ik zal pogen te komen; maar ik ben er niet zeker van," mompelde nog de
+ andere.</p>
+ <p>"Ja? gij zult toch niet dom genoeg zijn om uw geld door anderen te laten
+ opdrinken? Dan zou ik zeker zeggen, dat gij met uwe vrouw van kleederen hebt
+ verwisseld. Onmogeljk, Adriaan, zoover zijt gij nog niet."</p>
+ <!-- Page 10 -->
+ <p>Op dit oogenblik riep men van uit het bureel zekere nummers, en de beide vrienden
+ begrepen daardoor, dat hunne beurt om het weekloon te ontvangen was gekomen.</p>
+ <p>Jan Wildenslag kreeg eerst zijn geld, doch bleef nog wachten om met zijnen gezel
+ huiswaarts te keeren. Toen echter Adriaan Damhout aan het venstertje kwam, zeide men
+ hem, dat hij met eenige anderen moest blijven, om eene hand uit te steken aan eene
+ as, die moest worden opgelicht.</p>
+ <p>Wildenslag drukte hem nog de hand en zeide in het heengaan:</p>
+ <p>"Tot dezen avond dan. Komt gij niet, dan maak ik een kruis op uwen rug. Pas op,
+ pas op, vriend: ieder moet op de wereld zijn deel van het leven hebben. Offert gij u
+ op voor vrouw en kinderen, zij zullen zonder medelijden u afhalen en uitzuigen,
+ totdat uwe gezondheid geheel zij gekrenkt. Hang de vlag in den wind, achter ons
+ vergaat de wereld! Hoera, vivat de <i>leute</i>!"</p>
+ <p>En lachende en eenen dwazen flikker makende, sprong hij de straat in, gevolgd door
+ zijnen draadjesmaker, welken hij onder de eerste de beste gaslantaarn van zijn loon
+ zou betalen.</p>
+ <!-- Page 11 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="II" name='II'></a>
+ <h2>II</h2>
+ <br />
+
+ <p>Op het einde eener enge stege, in de wijk over de Nieuwbrugge, stonden een
+ dertigtal kleine huisjes van gelijken vorm, en zichtbaar in eens gebouwd, om aan
+ fabriekwerkers of andere geringe lieden te worden verhuurd.</p>
+ <p>In een dezer huisjes was eene vrouw bezig met lijnwaad en kindergoed in eene kuip
+ te wasschen.</p>
+ <p>Zij scheen nog in de volle kracht des levens. Ongetwijfeld was zij schoon geweest;
+ misschien was zij het nog; maar de slordigheid harer kleederen, de zorgeloosheid en
+ de verzuimenis, waarvan alles op haar en rondom haar getuigenis gaf, konden geen
+ ander gevoel opwekken dan treurnis en afkeer. Zij arbeidde met veel haast, plonsde
+ hare bloote armen in de kuip en schudde en wrong het lijnwaad zoo wild en zoo
+ onbezonnen, dat het water in golven ten gronde stortte en als een slijmige plas zich
+ rondom haar uitbreidde.</p>
+ <p>De kamer was gansch vervuld met den walglijken zeepsopdamp; en de lamp die tegen
+ de schouw was opgehangen, verspreidde slechts een flauw en als ziekelijk licht.</p>
+ <!-- Page 12 -->
+ <p>Nevens haar op de kachel stond het avondeten in eenen steenen pot te koken. Van
+ tijd tot tijd trok zij hare handen uit de kuip, greep een houten lepel, en stompte en
+ roerde in den pot om de spijs niet te laten aanbranden.</p>
+ <p>Vier kinderen, jongskens en meisjes, van verschillenden ouderdom, onzindelijk,
+ beslijkt en met gescheurde kleederen, zaten of lagen op den vloer in eenen hoek. Zij
+ vermaakten zich met spelen. Niet zelden trokken zij elkander bij het haar of vochten
+ of schreeuwden, of spraken grove woorden, die men uit den mond van kinderen niet zou
+ verwachten.</p>
+ <p>De vrouw had er tot dan weinig acht op geslagen; evenwel kwam er een oogenblik dat
+ het onverdraaglijk gedruis der kinderen en de noodkreten: "moeder, help! help!" haar
+ het geduld deden verliezen. Zij sprong naar hen toe, gaf den eerste den beste eenen
+ stamp, den tweede eenen vuistslag en den overigen eenige weergalmende oorvegen.</p>
+ <p>Dan keerde zij naar de kachel terug, roerde de aardappelen nog eens om en voer
+ vergramd uit tegen de kinderen, in zulke ruwe, onkiesche taal, dat de arme kleinen
+ daaruit niets dan eene les van onbeschoftheid konden putten.</p>
+ <p>"Daar hebt gij 't nu, leelijke deugnieten!" riep zij. "De patatten zijn
+ aangebrand. Vader zal weer den duivel jagen en mij eenen hoop zure woorden naar den
+ kop werpen. Hij en gij, gij meent, dat ik uwe slavin ben en maar alleenlijk leef om
+ te werken en uitgescholden en geplaagd te worden, van den morgen tot den avond? Wel
+ ja! Is hij niet tevreden, dan k<!-- Page 13 -->an hij er maar bij gaan liggen, totdat
+ het betert. Waar blijft uw lekkere vader? In de <i>Blauwe Geit</i>, bij Pier de Knul,
+ zeker? Hij heeft zijn weekloon getrokken, en de dronkaard is reeds bezig met het geld
+ door zijn keelgat te jagen. Wacht een beetje; ik zal hem eens naar binnen gaan
+ sleuren. Blijft van den pot, terwijl ik weg ben, of ik breek u altezamen den hals,
+ oudersverdriet dat ge zijt!"</p>
+ <p>Nauwelijks had de moeder het huis verlaten, of de kinderen begonnen met de bloote
+ voeten in het gestorte zeepsop te dansen, zoodat de muren en het huisraad geheel met
+ slijkige vlekken werden bespat.</p>
+ <p>Zij stoven verschrikt uiteen, toen hun vader zich onverwachts op den dorpel
+ vertoonde. De reuk van het verbrande eten ontrukte den man een gegrom van
+ ontevredenheid; de zeepsopdamp en het slijkig water op den vloer deden hem huiveren,
+ en zijn gelaat verkrampte tot eene uitdrukking van walg en verdriet:</p>
+ <p>"Waar is moeder?" vroeg hij.</p>
+ <p>"Naar de <i>Blauwe Geit</i>, bij Pier de Knul," antwoordden de kinderen.</p>
+ <p>"Bij Pier de Knul?"</p>
+ <p>"Om u te halen, vader."</p>
+ <p>"Ha, daar zijt gij, morsige prij!" kreet hij, toen hij zijne vrouw zag
+ binnenkomen. "Wat is dit hier voor een stal? Waarom wascht gij die smerige doeken des
+ avonds, als ik te huis zal komen? Gij hebt zeker weer den ganschen dag rondgeloopen
+ en gaan babbelen bij de geburen?"</p>
+ <p>"Tistje, ga, roep uwe zuster Godelieve," zeide de vrouw tot een der kinderen,
+ zonder schijnbaar acht te geven op de harde berispingen haars echtgenoots.</p>
+ <p>"Ik krijg de koorts, zoohaast ik eenen voet in uw varkenskot zet," hernam deze.
+ "Ik heb goesting om er uit weg te vluchten en er nooit meer weder te keeren. Werk dan
+ al eene gansche week, en beul u af en zweet om geld in het huishouden te brengen; dan
+ vindt gij des Zaterdags zwartgebrande patatten en eenen smerigen boel, die u van walg
+ het hart in het lijf doet keeren.</p>
+ <p>&mdash;Gaat gij spreken?"</p>
+ <p>"Ba, spreken," hernam de vrouw spottend, "ik lach met al wat gij zegt. Meent gij,
+ dat gij mij gehuurd hebt en dat ik uwe meid ben? Bevalt u het eten niet, laat het
+ staan; is het huis niet zuiver genoeg naar uwen zin, kuisch het zelf, indien gij lust
+ hebt, domme praatmaker!"</p>
+ <p>De man hief de hand op en scheen zijne vrouw te bedreigen.</p>
+ <p>"Zoo, zoo?" riep zij, "de vuisten jeuken u vandaag? Kom, Wildenslag lief, houd u
+ niet in. Zoudt ge gaarne weder met een aangezicht vol krabben naar de fabriek gaan?
+ Gij moet het maar zeggen; ik ben gereed, indien een borstelingsken u plezier kan
+ doen. Zwijg liever en eet in vrede: de patatten zijn maar een beetje verbrand;
+ daarenboven, schreeuwen, schelden en slaan zullen ze niet beter maken."</p>
+ <p>Eensklaps trad er een zevenjarig meisje stil en langzaam in de kamer. Zij was
+ mager en scheen ziekelijk; maar hare blauwe oogen glinsterden als parelen, en op haar
+ fijn mondje speelde eene wonderzoete uitdrukking: iets lijdends, iets smeekends, als
+ ware het kind een levend gebed. Ofschoon van nederigen vorm en gemeene stof, waren
+ hare kleederen zeer zuiver, en hier, in dit onzindelijk huis, omringde haar als het
+ ware een wasem van innerlijke onnoozelheid en van lichamelijke reinheid.</p>
+ <p>Zij ging tot den man, legde streelend hare hand in de zijne, zag hem met eenen
+ stillen, doch diepen glimlach aan en murmelde:</p>
+ <p>"Dag, vader lief!"</p>
+ <p>De zilverachtige toon van dit stemmeken, de kwijnende liefde-blik van zijn ziek
+ kind raakten den werkman.</p>
+ <p>"Dag, mijn goed Lieveken," antwoordde hij, het meisje tegen zijn hart drukkende.
+ "Is het wat beter? Zijt ge nog ziek?"</p>
+ <p>"Nog een beetje, vader," was het antwoord. "Bazin Damhout heeft mij kruiden doen
+ drinken en het heeft mij verkwikt."</p>
+ <p>"Is baas Damhout al te huis van de fabriek?" vroeg Wildenslag.</p>
+ <p>"Neen, vader, nog niet."</p>
+ <p>"Kom, zit neer, Lieveken, en eet, kind; want die wilde slokoppen zijn al aan den
+ gang. Zij zouden wel niets voor u overlaten."</p>
+ <p>Het meisje zette zich aan tafel, maakte het teeken des kruises en bad in stilte,
+ waarna zij met opmerkelijke geschiktheid en ingetogene manieren begon te eten.</p>
+ <p>"Wildenslag vond de aardappelen uiterst bitter en slecht; hij at met lange tanden,
+ grommelde in zich zelven en trok verstoorde gezichten, maar hij bedwong zijne spijt
+ en viel niet meer in scheldwoorden uit, even alsof de tegenwoordigheid van zijn ziek
+ kind eenig besef der betamelijkheid in hem had opgewekt. Eindelijk zeide hij met
+ eenen zucht:</p>
+ <p>"Maar, Lina toch, zonder twist, zou<!-- Page 14 -->dt gij uw huis niet wat
+ zuiverder kunnen houden en uwen kinderen betere voorbeelden geven? Zie eens, hoe
+ bazin Damhout het weet te schikken. Haar man is een fabriekwerker als ik; hij heeft
+ anders niet dan zijn dagloon; en nochtans in zijn huis zoudt ge van vloersteenen
+ willen eten, zoo zuiver is er alles."</p>
+ <p>"Wat komt gij mij spreken van bazin Damhout!" was het bitsig antwoord. "Zij is
+ eene goede, brave vrouw, dit zal ik niet loochenen; maar de Damhouts zijn geene
+ menschen gelijk wij. Wees zeker, Wildenslag, zij hebben eigendommen of uitgezet geld,
+ alhoewel ze het verbergen."</p>
+ <p>"Neen, dit hebben ze niet. Er komt geen cent in huis, dien Adriaan Damhout niet op
+ de fabriek heeft gewonnen. Zij hebben integendeel minder dan wij, vermits onze jongen
+ reeds vier franken in de week verdient."</p>
+ <p>"Lekkere jongen! hij zit zeker in de eene of andere kroeg. Hij heeft een aardje
+ naar zijn vaartje: er zal veel goeds van komen, ik beloof het u!"</p>
+ <p>"Neen, neen, hij is achter de taptoe geloopen. Wees zeker, Lina, bazin Damhout
+ doet haar huishouden met min dan gij. Zooals zij het schikt, kunt gij het ook
+ schikken."</p>
+ <p>"Kom, kom, Wildenslag, ieder zingt zooals hij gebekt is, en het is moeilijk, eenen
+ ouden aap nieuwe grimassen te leeren. Laat dit liedeken achter, het is nutteloos.
+ Weet ge wat de huisbaas zegt over bazin Damhout? Dat ze zorgend en zindelijk is,
+ omdat ze kan lezen."</p>
+ <p>"De huisbaas zegt dit om te lachen. Vrouw Damhout kan anders niet lezen dan in den
+ almanak en in haar kerkboek. Daar zal ze toch het huishouden niet in leeren."</p>
+ <!-- Page 15 -->
+ <p>"Dan zal het zijn, omdat Damhout minder geld verteerd, en te huis blijft, terwijl
+ gij halve nachten in de kroeg zit te drinken en te dobbelen!"</p>
+ <p>"Dit is wel mogelijk," antwoordde Wildenslag, het hoofd met ongeduld schuddende.
+ "Wie zegt u, dat ik niet te huis zou blijven, ten minste in de week, indien hier
+ alles niet walgelijk was als in eenen stal, en ik er slechts een vriendelijk gezicht
+ mocht vinden; maar gij, met uwe barschheid en met uwe zorgeloosheid, zoudt een engel
+ de deur uitjagen."</p>
+ <p>De gekwetste vrouw zette de vuisten op de heupen en meende eenen woedenden uitval
+ te doen; maar de deur vloog open en een veertienjarige jongen, wiens kleederen vol
+ katoenvlokken hingen, sprong binnen; hij eindigde het refrein van een onbetamelijk
+ lied, ofschoon hij eene rookende pijp in den mond hield.</p>
+ <p>Aan tafel vallende, meende hij van de verbrande aardappelen te eten: maar na den
+ eersten mondvol te hebben gesmaakt, wierp hij bulderend de vork op den schotel en
+ viel uit in onbeschofte berispingen tegen zijne moeder.</p>
+ <p>In stede van hem te bestraffen, gaf de vader hem gelijk.</p>
+ <p>"Daar is mijn weekloon," zeide de jongen, drie franken ter tafel werpende. "De
+ patatten zijn verbrand en smaken naar het zeepsop. Ik trek er van door en zal ergens
+ gaan eten, waar men het gevaar niet loopt vergiftigd te worden."</p>
+ <p>Er werd hevig getwist, omdat de jongen eenen frank van zijn loon had
+ achtergehouden; dit tooneel vernieuwde zich, toen de vader insgelijks zijn weekgeld
+ afgaf. Evenwel, na vele harde, grove woorden verkalmde <!-- Page 16 -->het
+ tempeest.</p>
+ <p>"Goeden avond," juichte de jongen, "ik ga naar de <i>Blauwe Geit</i>, eene schel
+ hesp eten."</p>
+ <p>"Kom, Sander, ik ga mede," zeide de vader. "Het deugt hier niet. Na eene gansche
+ week zuren arbeid mogen wij wel een beetje ons verzetten."</p>
+ <p>"Ha, ze meenen, dat ik hier den ganschen avond alleen zal blijven koekeloeren,
+ terwijl zij ginder in de <i>Blauwe Geit</i> hun hart ophalen en tot over de ooren in
+ de leute zitten?" morde de vrouw, toen haar man en haar zoon waren heengegaan. "Ik
+ moet er mijn deel van hebben: ik lust ook hesp. Lieveken, ga gij maar voor een uurtje
+ naar bazin Damhout. Ik zal u laten roepen."</p>
+ <p>Zij krabde geweldig met den haak in de kachel, om het vuur uit de dooven; doch
+ daar dit niet spoedig genoeg naar haren zin ging, stortte zij eene kom zeepsop op de
+ brandende kolen, zoodat de kamer met een stinkenden rook werd vervuld.</p>
+ <p>"En gij daar, bengels," riep zij tot de kinderen, "zorgt dat gij van de lamp
+ blijft en met geen vuur speelt, of ik sla den bezem op uwe knoken aan stukken!"</p>
+ <p>Op dit oogenblik zag zij, dat het oudste jongetje een zijner zusters bij de haren
+ trok, en zij hoorde een gesnor, alsof er eene stof werd gescheurd.</p>
+ <p>"Beul, schei uit!" bulderde zij. "Wacht maar, booze vadsigaard, gij zult niet lang
+ hier den boer spelen. Te naaste week gaat gij naar de fabriek. Als ik terugkom, zal
+ ik u geene kleine rammeling geven, omdat gij alweder het kleed uwer zuster hebt
+ gescheurd."</p>
+ <p>"Het is niet waar!" kreet de knaap.</p>
+ <p>"<!-- Page 17 -->Ik heb het gezien!" schreeuwde de moeder.</p>
+ <p>"Gij liegt er aan," snauwde het kind.</p>
+ <p>En alsof er in dit monsterachtig gebrek aan ontzag en aan zedelijkheid niets
+ ongewoons ware, de vrouw scheen er geene acht op te geven, of het niet te gevoelen;
+ want zij liep het huis uit en wierp de deur toe.</p>
+ <p>Arme kinderen, wat kon er onder de leiding van zulke moeder uit hen groeien? Niets
+ anders voorwaar dan woeste, onbeschaafde wezens, beroofd van alle gevoel der
+ menschelijke waardigheid. Het was hunne schuld niet; maar was het wel de schuld
+ hunner moeder?</p>
+ <p>Die vrouw, toen zij zelve kind was, had hare eerste jaren doorgebracht onder de
+ waakzaamheid eener onwetende en grove oude vrouw, te midden van verlatene kinderen,
+ wier moeders, evenals de hare, den ganschen dag op de fabriek hadden te arbeiden.
+ Daar had zij niets geleerd dan eene barsche, onkiesche taal; zij was opgegroeid
+ zonder het minste denkbeeld der plichten, welke de mensch in dit leven te vervullen
+ heeft jegens God, jegens de maatschappij en bovenal jegens zich zelven. Dewijl zij
+ alsdan slechts den ouderdem van negen jaar had bereikt, was er nog hoop, dat zij
+ eenige vonken van het licht der beschaving zou ontvangen; dat, vooraleer zij vrouw
+ wierd, toch eenig gevoel van persoonlijke waardigheid en van maagdelijke zedigheid in
+ haar zou ontkiemen. Maar v&oacute;&oacute;rdat de tiende Lente voor haar aanbrak, was
+ zij reeds op de fabriek, vastgeklonken aan een eeuwigdraaiend tuig, overgeleverd aan
+ het gezelschap va<!-- Page 18 -->n mannen en vrouwen, ruwer nog en onwetender dan
+ zij. Later is zij getrouwd; slechts sedert de geboorte van haar derde kind blijft zij
+ te huis, en geeft daar aan haar kroost het eenig onderwijs, dat zij heeft ontvangen:
+ onwetendheid, barschheid, verlaging, verbastering der menschelijke natuur.</p>
+ <p>En wij, die spreken van de zedelijke verbetering des werkmans, wij geven zijnen
+ kinderen zulke moeder! En wij, die schelden op den werkman, omdat hij zijne woning
+ ontvlucht, omdat hij drinkt en zwiert, wij geven hem zulke gezellin!</p>
+ <p>Ja, de reusachtige uitzetting der nijverheid is een wonderbaar en weldadig
+ verschijnsel onzer eeuw; maar de denker, de menschenvriend zal haren onweerstaanbaren
+ voortgang niet zonder geheimen schrik aanschouwen, zoolang zij de vrouw, de moeder
+ uit den schoot des huisgezins wegrukt en het kind tot slaaf der stof maakt in eenen
+ ouderdom, die bestemd is tot zijne vorming als mensch en als Christen.</p>
+ <p>Wil men de beschaving der werkende klasse, dan moet men met de vrouw beginnen.
+ Deze wet is onverbiddelijk. Heerscht de man over de stoffelijke wereld, van de moeder
+ alleen hangt de zedelijke vorming af, en zij heerscht over den geest en het hart der
+ wordende geslachten met al de macht des engels of des duivels, naarmate der
+ verhevenheid of der laagheid harer ziel.</p>
+ <p>De menschheid begint het te begrijpen. Uit de diepte van het algemeen geweten
+ rijst een noodkreet op, eene waarschuwende stem, die roept: "Redt de wereld uit de
+ zedelijke verzinking door de vrouw! Onderwijs voor de vrouw! Opvoeding voor de vrouw!
+ Licht, waardigheid en plichtbesef in het hart der moeders van het volk! Zoo niet,
+ duisternis, verbastering, onrecht en bloedige wederwraak over de komende wereld!"</p>
+ <!-- Page 19 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="III" name='III'></a>
+ <h2>III</h2>
+ <br />
+
+ <p>Veel verder in de rij der gelijkvormige werkmanswoningen was er een huisje, dat
+ zich onderscheidde door zijne netheid.</p>
+ <p>Tot op de straat was er wit zand voor de deur gestrooid. Drie of vier bloempotten
+ geurden op de vensters, achter sneeuwblanke gordijntjes. Op de schouwplaat prijkte
+ een Lieve-Vrouwebeeld, tusschen twee pleisteren papegaaien, wier rood, geel en groen
+ vederkleed de oogen aangenaam verraste. Het kleinste keukengerief, de schotels en
+ koffietasschen stonden op eene kas te pronken, en glinsterden en schitterden, als
+ waren zij hoogmoedig over hunne netheid. De grove biezenstoelen waren zonder vlekken,
+ de withouten tafel gewasschen, de kachel met potlood geglimd.</p>
+ <p>Even arm als de andere was deze werkmanswoning; de meest schitterende voorwerpen
+ hadden slechts eenige centen gekost ... en nochtans er heerschte zulke bekoorlijke
+ toon van vrede, van levenslust en van gemak; de lucht was er zoo zuiver en zoo
+ <!-- Page 20 --> aanlachend, dat men bij het gezicht van dit nederig huisje
+ gereedelijk moest begrijpen, hoe een werkman ook zijne woning kan liefhebben evenals
+ een rijkaard, die zich op zijn paleis verhoovaardigt.</p>
+ <p>In de benedenkamer van het huisje zat eene vrouw bij eene lamp te arbeiden. Zij
+ naaide aan een blauwen kiel; en vermits er op eenen stoel nog vele zulke kielen
+ geplooid lagen, was het te vermoeden, dat zij voor eenen winkel werkte. Zij kon den
+ ouderdom van achtentwintig of dertig jaar bereikt hebben; hare kleederen, van gemeen
+ katoen en door wasschen verbleekt, waren zeer zuiver en zelfs met zekeren eenvoudigen
+ zwier geschikt.</p>
+ <p>Nevens haar bij de tafel, zat een achtjarig jongsken met bruin haar en groote,
+ levendige oogen. Hij had een brief voor zich liggen en verroerde de lippen, terwijl
+ hij met een stokje de lettergrepen aanwees, welke hij poogde te lezen.</p>
+ <p>In eenen hoek, op een paar houten bankjes zaten twee kleine meisjes van drie of
+ vier jaar. Zij speelden met poppen en vermaakten zich in stilte, nu en dan eens de
+ stem verheffende om de poppen te bekijven, of zoet lachende onder elkaar.</p>
+ <p>Sedert eene wijl scheen de jongen in verlegenheid; zijn stokje verroerde niet
+ meer, hij schudde het hoofd met ongeduld.</p>
+ <p>"Wat is het, Bavo?" vroeg de vrouw. "Gaat het niet goed, kind?"</p>
+ <p>"Ach, moeder," zeide hij, "de meester heeft mij eene les te leeren gegeven, en
+ daar is een woord in, zoo moeilijk, zoo moeilijk! Ik zweet er van; maar ik kan er
+ toch niet uit. Lees gij het eens, moeder lief!"</p>
+ <!-- Page 21 -->
+ <p>Hij naderde dichter, legde haar het boek onder de oogen en wees het onleesbare
+ woord. Maar de vrouw, na eene lange poging, mompelde met moedeloosheid:</p>
+ <p>"Zelf.... Zelfver.... Zelfverloo.... Het overige kan ik niet lezen, Bavo. Zijn dit
+ ook woorden voor een kind als gij? Kom, sla dit maar over en vraag het morgen uwen
+ meester."</p>
+ <p>Het jongsken hield zwijgend den blik op het boek gevestigd; zijne leden spanden
+ zich, zijne oogen werden starend en hij verzamelde zichtbaar de kracht zijns
+ geestes.</p>
+ <p>"Neen, laat af, kind," zeide de vrouw, "breek u de hersens niet nutteloos: het
+ woord is te moeilijk."</p>
+ <p>"Te moeilijk?" morde de kleine. "Ik moet het lezen, ik wil.... Ach, moeder, stil,
+ stil; gij hebt mij geholpen, het zal gaan.... Zelfverloo.... Zelfverlooch....
+ Zelfverloochening! Zie, zie, moeder lief, het woord is zelfverloochening!"</p>
+ <p>Een kreet van bewondering ontsnapte de vrouw; zij greep haar zoontje in de armen
+ en legde eenen langen kus op zijn voorhoofd. Wat haar dus ontroerde, was de
+ vroegtijdige gemoedskracht en de schier mannelijke wil, dien zij in haren zoon meende
+ te ontdekken. Wat droomde zij bij den liefderijken kus? Zij wist het niet, en evenwel
+ dankte zij God uit den grond des harten.</p>
+ <p>Het kind, door de teedere goedkeuring aangemoedigd, had weder zijn boek gegrepen;
+ maar de vrouw, nog ontroerd, zeide hem:</p>
+ <p>"Bavo lief, gij moet maar goed leeren, kind; later in het leven zult gij eerst
+ begrijpen, hoe schoon en hoe nuttig het i<!-- Page 22 -->s, te kunnen lezen en
+ schrijven. Iemand, die niet lezen kan, is maar een half mensch, en hij is
+ veroordeeld, al ware hij zelfs met verstand geboren, om altijd onwetend te blijven.
+ Gij zult meer en beter leeren dan ik, Bavo, en daarom zult gij gelukkiger zijn in de
+ wereld. Ach, dat mijn Peter zoo vroeg is gestorven! Anders zou ik goed kunnen lezen
+ en schrijven; maar er was niemand meer om mij te beschermen; ik moest naar de
+ fabriek. Nog wel een beetje heb ik mij zelve geleerd; maar wanneer men moede gewerkt
+ is, gaat dit niet goed. Ja, Bavo, indien iedereen kon lezen, zouden er zoovele
+ slechte lieden niet zijn; want wie lezen kan, gevoelt, dat hij mensch is, en hij
+ eerbiedigt zich zelven. Ongelukkig hebben zoo weinige werkmanskinderen de gelegenheid
+ of de middelen om te leeren; de ouders, die zelven onwetend zijn, begrijpen niet, hoe
+ nuttig en hoe schoon het is geleerd te zijn. Gij, mijn kind, indien God uwen vader de
+ gezondheid blijft gunnen, zult veel kunnen leeren. Bavo, vergeet nooit, dat gij dit
+ geluk zult verschuldigd zijn aan uwen vader, die van den morgen tot den avond slaaft
+ en zweet om zijne kinderen in eere op te brengen, en die zelfs uit de herberg blijft
+ en, om zoo te zeggen, het brood uit zijnen mond spaart, om u naar de school te laten
+ gaan. Niet waar, Bavo, gij zult het nooit vergeten? Wat er ook in uw leven gebeure,
+ gij zult uwen goeden vader altijd eerbiedigen en beminnen?"</p>
+ <p>"Altijd, altijd, en u ook, moeder lief!" zei het jongsken, haar de wangen
+ streelende.</p>
+ <p>Op dit oogenblik werd de deur geopend, en een man trad binnen. Zijne kleederen,
+ door katoen en stof bevlekt, waren versleten en schenen vuil in zulke zindelijke
+ plaats. Er was iets spijtigs in zijne uitdrukking en hij scheen van slechte luim.</p>
+ <!-- Page 23 -->
+ <p>Maar daar klonk het woord "vader! vader!" hem op alle tonen tegen, en vooraleer
+ hij twee stappen in de kamer had gedaan, waren zijne handen streelend aangegrepen en
+ fijne kinderstemmen verwelkomden hem met eenen vloed van zoete liefdewoorden. Bavo
+ liep naar hem toe, een stukje papier boven zijn hoofd zwaaiende:</p>
+ <p>"Vader, vader lief!" riep hij, "twintig goede noten! Twee kussen voor mij en vier
+ centen voor mijnen spaarpot!"</p>
+ <p>En onder het uitspreken dezer woorden had de jongen eenen machtigen sprong
+ genomen, en hing nu aan zijns vaders hals, om de belooning zijner leerzaamheid te
+ ontvangen.</p>
+ <p>Intusschen was de vrouw bezig met een ammelaken op de tafel te spreiden en het
+ avondeten op te zetten. Zij lachte haren man vriendelijk aan en sprak insgelijks
+ menig blij woord tot welkom.</p>
+ <p>"Zit neer, zit neer, Damhout," zeide zij, "gij moet eetlust hebben, en de
+ aardappelen zouden welhaast koud geworden zijn. Ik heb een lekker pladijsje voor u
+ gekocht, goedkoop, voor vijf centen, springende levend. Komt, kinderen, aan tafel,
+ aan tafel!"</p>
+ <p>Adriaan Damhout was gevoelig aan de liefdesbetuigingen zijner kinderen; de rimpels
+ verdwenen van zijn voorhoofd en een stille glimlach verlichtte zijn gelaat. Hij gaf
+ zijn zoontje de vier verschuldige centen en reikte zijn weekloon aan zijne vrouw,
+ die, zonder het te bezien, het geld in haren zak liet glijden.</p>
+ <p>Dan namen allen plaats aan de tafel, zoo ordelijk, zoo zuiver en zoo netjes
+ geschikt, alsof die arme menschen gekozene s<!-- Page 24 -->pijzen uit porseleinen
+ borden en met zilveren lepels zouden gaan eten. Het waren evenwel slechts gestoofde
+ patatten, grove telloren en ijzeren vorken die er te zien waren, tenzij misschien het
+ gebakken pladijsje voor vader, dat wel lekker geurde en te midden der tafel als een
+ pronkstuk of eerder nog als een liefdesgeschenk prijkte.</p>
+ <p>Allen te gelijk maakten het teeken des kruises en dankten God in stilte, waarna
+ zij met waren lust begonnen te eten. Slechts toen de visch zou worden aangevat, werd
+ de vrede eenigszins gestoord. Damhout kon het niet over zijn gemoed krijgen, de
+ pladijs, hoe klein zij ook ware, geheel alleen op te eten; hij wilde het lekker gebak
+ met zijne vrouw deelen; maar de vrouw bevestigde, dat het voor hem en slechts voor
+ hem was gekocht. Hij zou haar door langer aandringen bedroeven. Alhoewel de kleinen,
+ door de moeder geleerd, haar hielpen, eindigde toch de vriendelijke twist op zulke
+ wijze, dat elk kind, een stukje van den visch op zijn bord kreeg en de werkman het
+ overige met onbeneveld vermaak genoot.</p>
+ <p>Onmiddellijk na het avondmaal werd het ammelaken geplooid, en alles verdween in
+ een oogslag van de tafel.</p>
+ <p>De vrouw zette zich nevens haren man en begon met hem over het werk en over de
+ fabriek te spreken; de twee meisjes kropen op vaders knie&euml;n. Bavo stond aan
+ zijne andere zijde met zijn boek in de hand te wachten, totdat zijne ouders ophielden
+ samen te kouten.</p>
+ <p>Het was een eenvoudig, doch roerend tooneel, dien werkman in zijne slechte en
+ besmette kleederen, te zien zitten met die nette, lachende engeltjes op de
+ knie&euml;n, tusschen eene liefderijke vrouw en eenen leerzamen zoon, wiens oogen met
+ ontzag en biddend tot hem waren <!-- Page 25 -->gericht.</p>
+ <p>"Vader lief, mag ik eens lezen?" vroeg het jongetje eindelijk. "Wij hebben vandaag
+ zulke schoone les gekregen! Ik weet niet of ik ze al goed ken, maar ik zal mijn best
+ doen."</p>
+ <p>"Ja, Bavo, lees uwe les eens voor vader," zeide de vrouw.</p>
+ <p>De jongen opende zijn boek en las met zekere moeite en eenige onderbrekingen,
+ evenwel met genoegzame duidelijkheid om verstaan te worden:</p>
+ <p>"Kinderen, wilt gij door God gezegend zijn op aarde, eert uwen vader en uwe
+ moeder. Zij hebben u lief als het licht hunner oogen; zij zorgen en werken voor u van
+ den morgen tot den avond; het eenige doel van al hun streven, van hunnen kommer en
+ van hunne gebeden, is uw geluk alleen. Bemint hen teederlijk; zijt hun onderdanig en
+ blijft hun dankbaar; wordt de steun en de blijdschap hunner oude dagen, en beloont
+ aldus de ouderlijke liefde, die zuivere en schier goddelijke zelfverloochening."</p>
+ <p>Deze lezing scheen eenen ongunstigen indruk op het gemoed van Damhout te doen; zij
+ herinnerde hem wat Wildenslag hem had gezegd, en gaf nieuwe kracht aan de vrees,
+ welke zijn vriend nu weder voor de twintigste maal in hem had opgewekt. Zijn gelaat
+ werd zeer ernstig en hij schudde nadenkend het hoofd.</p>
+ <p>"Bavo, begrijpt gij wat gij daar hebt gelezen?" vroeg hij na eenige
+ overweging.</p>
+ <p>"Ja, vader lief," antwoordde het kind, "er staat, dat gij voor mij werkt, en ik u
+ en moeder altijd gaarne moet zien."</p>
+ <p>"Tot in onzen ouden dag, Bavo."</p>
+ <p>"Ja, vader, tot in uwen ouden dag, zoolang ik leef."</p>
+ <p>"<!-- Page 26 -->En zult gij dit doen, kind?"</p>
+ <p>De jongen zag zijnen vader verbaasd aan, doch zonder spreken, als begreep hij
+ zijnen twijfel niet.</p>
+ <p>"Het is wel," zeide Damhout, "gij zijt wijs, Bavo. Blijf zoo, en vergeet nimmer
+ wat daar in uw boek geschreven staat, anders zal God u straffen."</p>
+ <p>Er volgde eene wijl stilte; de vrouw bespiedde het gelaat van haren man, die nu
+ klaarblijkend in treurige gepeinzen was verzonken.</p>
+ <p>"Adriaan," murmelde zij, "wat is er toch, man lief? Gij schijnt zoo denkend? Ik
+ heb het gezien toen gij binnenkwaamt: er hangt u iets in het hoofd. Hebt gij
+ verdriet?"</p>
+ <p>"Ik heb wel geen verdriet, Christina," antwoordde hij, "maar er is toch iets dat
+ mij kwelt. De andere kameraden gaan al eens een pintje te zamen drinken; zij lachen
+ en kouten en vermaken zich een beetje na den weeklangen arbeid. Ik zit hier altijd te
+ huis, alsof ik buiten de wereld was; en de vrienden drijven den spot met mij.
+ Misschien is het onverstandig, zoo zijn leven geheel op te offeren, zonder te weten,
+ wat er in het einde nog zal van komen."</p>
+ <p>Alhoewel deze woorden haar verrasten, haalde de vrouw een zilveren geldstuk uit
+ haren zak en reikte het met eenen minzamen glimlach haren man toe.</p>
+ <p>"Damhout lief," sprak zij, "gij moet het voor mij niet laten; daar is geld; hebt
+ gij lust om een uur of eenige uren met de kameraden te zijn, voldoe uwe goesting. Ga,
+ ik zal zelve plezier in mijn hart hebben, als ik weet, dat gij u vermaakt."</p>
+ <p>Maar de man, als beschaamd over zijn gemor, dreef zachtjes hare hand terug.</p>
+ <!-- Page 27 -->
+ <p>"Neen, houd het geld," zeide hij,&mdash;mijn lust is over.... Nochtans, Christina,
+ dezen avond vieren de vrienden in de <i>Blauwe Geit</i> het <i>jubil&eacute;</i> van
+ rossen Leo, omdat hij nu vijfentwintig jaren spinner is. Wildenslag heeft mij
+ aangemaand om er bij tegenwoordig te zijn; ik heb hem beloofd, dat ik zou komen,
+ indien het mogelijk was."</p>
+ <p>"Welnu, Damhout, het is mogelijk: gij moet uwe belofte houden."</p>
+ <p>"Ja, maar ik weet niet, mij dunkt, dat ik nog liever te huis zou blijven met de
+ kinderen."</p>
+ <p>"Neen, neen, Damhout; morgen is het Zondag; dan zijn wij van den morgen tot den
+ avond te zamen. Doe mij plezier en neem dit geldstuk; ga naar de <i>Blauwe Geit</i>
+ en wees vroolijk met de vrienden. Ik zal tevreden en welgemoed naar u wachten; maar
+ blijf zoolang, zoolang gij wilt. Ga, ga, ik bid u."</p>
+ <p>Zij moest hem nog gedurende eene wijl met vriendelijk geweld aanmanen om op te
+ staan. Dan vergezelde zij hem tot de deur en wenschte hem eenen genoeglijken avond.
+ Zij keerde tot de tafel terug en hernam haar naaiwerk.</p>
+ <p>Eenige oogenblikken later werd de deur zeer zachtjes geopend, en een klein meisje
+ trad binnen.</p>
+ <p>"Bavo, daar is Godelieve," zeide de moeder.</p>
+ <p>De jongen sprong recht, liep naar het meisje, greep haar de hand en bracht haar
+ bij de tafel, met groote blijdschap zeggende:</p>
+ <p>"Ha, Lieveken, dat is goed, dat gij nog terugkomt. Ik ben moede geleerd; laat ons
+ nog wat spelen. Willen wij winkel houden gelijk gisteren? Het is zoo
+ vermakelijk."</p>
+ <p>"<!-- Page 28 -->O, neen, Bavo, laat ons school spelen!" smeekte het meisje.</p>
+ <p>"Ja, ja, school spelen!" herhaalden de twee zusterkens, lachend in de handen
+ kletsende.</p>
+ <p>Bavo haalde eenige boekjes voor den dag, welke hij van zijne eerste leermaanden
+ had gespaard; hij zette Lieveken op het eene bankje en zijne zusterkens op het
+ andere, greep zijns vaders zondagsrietje en begon, met opgeheven hoofd en koddigen
+ ernst, over en weder te wandelen, ondertusschen op verzwaarden toon roepende:</p>
+ <p>"Stil, in de school, of ik zet u in den hoek! Wie zijne les niet kent, zal
+ noen-overal blijven. Godelieve Wildenslag, let op! Welke letter is dit?&mdash;Goed.
+ En deze? En deze?&mdash;Gij kent uwe les; gij zult eene klasse verhoogen. Keer het
+ blad van uw boek om. Wat staat daar op den tweeden regel?"</p>
+ <p>"Da, de, di, do, du, dij!" riep Lieveken.</p>
+ <p>"Ja, gij kent dit van buiten, ik weet het wel; maar daar, op het andere blad,
+ daar?"</p>
+ <p>Het meisje deed een oneindig geweld om de aangewezene lettergreep te spellen, doch
+ zij geraakte er niet uit.</p>
+ <p>"Heb moed, let wel op," zei Bavo. "Die dubbele O is lang; en voeg daar achter nu
+ den klank <i>ge</i> bij, wat hebt ge dan?"</p>
+ <p>"Oog, oog!" riep Lieveken met zegevierende blijdschap.</p>
+ <p>"Wel zoo, mijn kind, gij zijt er," juichte de jonge schoolmeester. "Godelieve
+ Wildenslag krijgt tien goede noten!"</p>
+ <p>De moeder had dit tooneel glimlachende en met welgevallen afgezien.
+ <!-- Page 29 -->Zij scheen eindelijk ontroerd en zeide: "Kinderen lief, gij speelt
+ daar een schoon en ernstig spel. Zoudt gij gelooven, dat Lieveken eindelijk nog zou
+ leeren zonder naar de school te gaan?"</p>
+ <p>De jongen en het meisje bezagen haar met verwondering.</p>
+ <p>"Het is, zooals ik u zeg," bevestigde zij. "Waarom verwondert het u? Ziet eens,
+ Lieveken, zonder het te weten, kent al hare letters en zij begint reeds te spellen.
+ Indien Bavo zich wat moeite wilde geven, wees zeker, Lieveken, gij zoudt wel spoedig
+ kunnen lezen."</p>
+ <p>"Gij zegt het om te lachen, niet waar, bazin Damhout?" murmelde het meisje
+ twijfelend.</p>
+ <p>"Zou dit inderdaad mogelijk zijn, moeder lief?" vroeg Bavo, in wiens oog eene vonk
+ van besluit glinsterde.</p>
+ <p>"Mogelijk? Wel, kind, het is bijna gedaan? gij ziet het immers wel?"</p>
+ <p>"Ha, ha, Lieveken, wij zullen altijd school spelen! Gij zult leeren lezen!"</p>
+ <p>"Ik zal leeren lezen!" herhaalde Lieveken met bedwongen geestdrift.</p>
+ <p>"Gij zult het leeren!" kreet Bavo. "Och, hemeltje, dat zal vermakelijk zijn, als
+ wij te zamen in hetzelfde boek zullen kunnen lezen. Nu ga maar weder op de bank
+ zitten, en geef acht ... of ik doe u twee groote lessen uit den Catechismus van
+ buiten leeren!"</p>
+ <p>Bavo speelde zijne rol van schoolmeester met verdubbelde vlijt voort. Alhoewel hij
+ insgelijks nu en dan zijnen kleinen zusterkens de letters toonde en met geveinsd
+ ongeduld hen terechtwees, hield hij zich toch meest<!-- Page 30 --> met Lieveken
+ bezig Hij sprak zulke diepgevoelde woorden van aanmoediging tot haar, en poogde met
+ zulke ware inspanning haar te onderwijzen, dat het eenvoudig kinderspel in een
+ ernstig werk, in eene edele liefdedaad veranderde.</p>
+ <p>Het duurde zoolang, dat eindelijk de twee kleine zusterkens, hoofdje tegen
+ hoofdje, op hunne bank waren in slaap gesukkeld.</p>
+ <p>Dan was de school uit. De moeder ontkleedde de ingesluimerde wichtjes en droeg ze
+ naar hun bed. Bavo en Lieveken keerden terug bij de tafel en keken daar in een klein
+ boek met beeldekens.</p>
+ <p>Terwijl bazin Damhout haar naaiwerk voortzette, spraken de twee kinderen in stilte
+ met elkaar over de gelukkige hoop, dat Lieveken zou leeren lezen, alhoewel zij niet
+ naar de school mocht gaan, dan weder over andere schoone, vroolijke dingen. Meest
+ altijd zweefde er een zoete glimlach op hunne lippen; hunne oogen glinsterden van
+ vriendschap en zielsgenoegen, en soms drukten zij elkander de handen.</p>
+ <p>Eindelijk hoorde men eene kinderstem van buiten den naam van Godelieve roepen, en
+ het meisje, na Bavo en zijne moeder eenen goeden nacht te hebben gewenscht, meende
+ zich naar huis te spoeden; maar bazin Damhout greep eenen emmer en zeide:</p>
+ <p>"Kom, Lieveken, ik moet om water naar de pomp; ik zal met u gaan."</p>
+ <p>Toen zij in de kamer terugkeerde, bevond zij, dat Bavo met het hoofd op zijne
+ boekjes was ingesluimerd.</p>
+ <p>Zij zette zich neder, zag haar slapend zoontje eene wijl met zaligen blik aan,
+ droomde van onbestemde dingen en legde eindelijk eenen langen, vurigen kus op het
+ <!-- Page 31 -->gladde voorhoofd, als geloofde de goede, dat een moederzoen de kiemen
+ des verstands in de hersens van haar kind kan verwarmen en bevruchten. Nauwelijks had
+ zij weder haar naaiwerk hernomen, of haar man trad in de kamer.</p>
+ <p>"Reeds terug? Zoo spoedig?" vroeg zij verwonderd. "Gij doet het toch niet om
+ mijnentwil, Adriaan? Het zou mij bedroeven."</p>
+ <p>"Neen, Christina," antwoordde hij, terwijl hij zich bij de tafel nederzette. "Ik
+ weet niet, ik kan in dat woeste leven geen vermaak meer vinden. De vrienden zijn
+ brave jongens, dit wil ik niet ontkennen; maar die baldadige manieren en grove
+ woorden stuiten mij tegen de borst. Het is hier in huis tusschen u en mijne kinderen
+ toch beter. Denk eens, daar zijn ze nu in <i>de Blauwe Geit</i> volop aan het
+ ruziemaken. Zeker, de rosse Leo zal dezen avond nog vechten tegen Kobe den zandboer.
+ Zij verwijten malkanderen zulke leelijke dingen, dat er de haren van te berge zouden
+ rijzen op uw hoofd. Ik heb groote spijt, dat ik vandaag naar de <i>Blauwe Geit</i>
+ gegaan ben."</p>
+ <p>"Ik geloof het, Adriaan; maar gij kondt niet weten, dat men er zou schelden en
+ twisten."</p>
+ <p>"Daarom is het niet: ik ben droef in mijn hart."</p>
+ <p>"Hoe zoo? Is u iets geschied?"</p>
+ <p>"Wildenslag heeft mij vervaard gemaakt! hij maakt mij altijd vervaard.... En
+ misschien heeft hij gelijk; misschien doen wij niet wel met onzen Bavo boven zijne
+ ouders te willen verheffen."</p>
+ <p>"Alweder dit kwaad gepeins!"</p>
+ <p>"Kwaad gepeins, Christina? Wie kan het weten? Laat onze Bavo nu jaren lang naar de
+ gemeenteschool gaan en geleerd worden. Hij zal ons veel meer geld kosten dan
+ <!-- Page 32 -->een ander kind, en daarenboven nooit eenen cent in het huishouden
+ brengen; en als hij groot is en geld wint, zal hij het in schoone kleederen steken en
+ zich schamen over den armen fabriekwerker, die zijn zweet heeft gegeven, om eenen
+ mijnheer van hem te maken."</p>
+ <p>"Ach, hoe kunt ge toch zoo spreken, met uwe oogen op uw onnoozel kind?" zuchtte de
+ moeder. "Bavo zou ondankbaar worden en zijne ouders miskennen? Nooit, nooit, zijn
+ hart is enkel liefde en dankbaarheid."</p>
+ <p>"Het is een goed kind, ik weet het," morde Damhout "Ze zijn altemaal goed,
+ Christina, zoolang ze klein zijn; maar zoohaast ze man worden, gaan ze hunne eigene
+ gangen en ze bekreunen zich om hunne ouders niet meer. Ja, wanneer ze een beetje
+ verhoogd zijn in de wereld, zien ze wel dikwijls met kleinachting neder op degenen,
+ die zich onvoorzichtig voor hen hebben opgeofferd."</p>
+ <p>"Dit zal met onzen Bavo niet gebeuren, Damhout," antwoordde de vrouw, haar
+ verdriet bedwingende. "Zijn hart is zuiver, ik zal hem bewaken. Gij vreest, dat ons
+ kind later in de wereld een beter lot hebbe dan wij? Maar geschiedde het aldus, zou
+ uw vaderhart niet van vreugde kloppen? Zoudt gij niet met hoogmoed zeggen, hij is
+ mijn zoon, voor hem heb ik met liefde geslaafd; zijn geluk is mijn werk?"</p>
+ <p>"Schoone dingen Christina; maar indien mijn zoon werkman bleef, gelijk ik ben, dan
+ zou ik niet vreezen, dat hij zich later over mij zou kunnen schamen."</p>
+ <p>"Wie zegt u toch, dat hij geen werkman worden zal? Zijn er dan geene werklieden,
+ goede, uitmuntende werklieden, die kunnen lezen?"</p>
+ <p>"Spinners toch niet veel."</p>
+ <!-- Page 33 -->
+ <p>"Maar er zijn andere stielen, Adriaan. Mekaniekmakers, timmerlieden,
+ schrijnwerkers en honderd andere, waarin men met geleerdheid en goed gedrag het
+ tamelijk verre kan brengen."</p>
+ <p>"Ziet gij wel, Christina, dat gij besloten hebt, onzen Bavo niet naar de fabriek
+ te laten gaan?"</p>
+ <p>"Hij zal gaan waar hij wil of waar hij kan," zeide de vrouw met klimmende kracht.
+ "Wij mogen daarover niet op voorhand beslissen. Van zijne leerzaamheid, van onze
+ liefde en van Gods wil hangt het af. Uwe vrienden verschrikken u, met u te zeggen,
+ dat ik van Bavo eenen <i>mijnheer</i> wil maken. Wat ik wil, is, dat mijn kind een
+ mensch worde en niet door onwetendheid tot onmacht en eeuwige slavernij veroordeeld
+ blijve. Wordt hij <i>mijnheer</i>, zooveel te beter!"</p>
+ <p>"Christina, Christina," zuchtte de werkman, "indien gij wist, hoe uwe woorden mij
+ bedroeven! De hoogmoed is een slecht raadsman."</p>
+ <p>"Hoogmoed?" kreet de vrouw verontwaardigd. "Gelooft gij dan, dat het geluk mijner
+ kinderen mij verschrikt? Ik zou geen moederhart moeten hebben. Ha, gij zult mij
+ misschien niet begrijpen; maar ik zeg u, Damhout, dat, indien onze kinderen later van
+ omhoog op mij konden nederzien, ik God zou danken, omdat Hij hen in de wereld heeft
+ verheven. Schud het hoofd niet. Kon ik onzen Bavo ten prijze van mijn leven koning of
+ keizer maken, ik stierve van blijdschap voor den troon van mijn kind!"</p>
+ <p>Zij was zeer ontroerd en scheen te beven; er was iets ontzaglijks in hare houding
+ en in haren blik; het moederlijk gevoel had deze nederige vrouw indrukwekkend en
+ schoon gemaakt.</p>
+ <!-- Page 34 -->
+ <p>Adriaan Damhout onderging den invloed harer geestdriftige woorden: hij boog het
+ hoofd als overwonnen en bleef eene wijl zwijgend. Dan zeide hij:</p>
+ <p>"Misschien hebt gij in den grond gelijk, Christina; maar overweeg toch eens met
+ bedaardheid. Nu gaat het nog zoo erg niet; er is veel en goed werk. Onze andere
+ kinderen zijn nog klein. Later zult gij misschien willen, dat de meisjes insgelijks
+ naar de school gaan?"</p>
+ <p>De vrouw deed een bevestigend teeken met het hoofd.</p>
+ <p>"Zullen wij, zonder eenige hulp van onze kinderen, dien last wel kunnen blijven
+ dragen? Het schijnt mij onmogelijk."</p>
+ <p>"Ik zal een beetje meer werken, Adriaan."</p>
+ <p>"Altijd werken als slaven, zich geheel opofferen gedurende gansch zijn leven!"</p>
+ <p>"Ha, dan gevoel ik eerst, dat ik moeder ben, wanneer ik weet, dat ik mij opoffer
+ voor het geluk mijner kinderen."</p>
+ <p>"Goed; maar indien het werk nu eens voor lang wierd gestaakt? Indien een onzer
+ ernstig ziek wierd, wat dan?"</p>
+ <p>"Dan, Adriaan, dan zouden wij het schikken volgens Gods beslissing. Het
+ onmogelijke kan men niet doen."</p>
+ <p>"En indien het noodig was, Bavo eenig geld te doen verdienen, zoudt gij hem naar
+ de fabriek laten gaan?"</p>
+ <p>"Waarom niet, indien de nood het eischte?"</p>
+ <p>"En wat zou dan de geleerdheid hem helpen?"</p>
+ <div class="center">
+ <img src='images/035.png' width='600'
+ alt=' Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw.'
+ title=' Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw.' /><br />
+ <br />
+ <i>Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw.</i>
+ </div>
+ <p>"Wat zij hem zou helpen? Hoe kunt gij dit vragen, Adriaan? Hij zou ten minste
+ mensch zijn, een uitmuntend werkman worden, bekwaam tot alles<!-- Page 35 -->
+ <!-- Page 36 -->
+ <!-- Page 37 -->en, met een beetje geluk, zou hij wel zeker eens tot meesterknecht
+ worden aangesteld."</p>
+ <p>"Zie, Christina," zeide de man met zekere tevredenheid, "zoohaast gij zegt, dat
+ gij er niet tegen zijt, dat Bavo werkman worde, ben ik gerust."</p>
+ <p>"Nooit, Adriaan, heb ik een ander inzicht gehad; maar is het zijn lot, in de
+ wereld vooruit te gaan, ik zal niet uit baatzucht zijn geluk beletten."</p>
+ <p>Na een oogenblik stilte zeide zij met zoete minzaamheid:</p>
+ <p>"Nu, lieve man, laat ons over dit alles niet bekommerd zijn. Waarom zouden wij
+ door eene voorbarige vrees ons zelven verdriet aandoen, zoolang het ons wel gaat en
+ wij niets te kort hebben? Komt er tegenspoed, dan zullen wij ons schikken volgens den
+ nood. In alle geval, wat er ook gebeure, indien onze kinderen kunnen lezen en
+ schrijven, zullen wij, alhoewel arme werklieden, hun toch een kostelijk erfdeel
+ nalaten. Zij, die u berispen, kunnen dit niet zeggen. Leg de hand op uw hart,
+ Adriaan, en gevoel, of het u niet hoogmoedig en gelukkig maakt, te weten, dat gij
+ voor God en voor de menschen uwe vaderlijke plichten met liefde vervult. Wees
+ vergenoegd, en luister niet meer naar kwaden raad van onwetende lieden. Kom, vriend,
+ ik zal Bavo in mijne armen nemen. Wij gaan slapen."</p>
+ <p>En Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw, die achter hem
+ met haar zoontje de trap beklom.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="IV" name='IV'></a>
+ <h2><!-- Page 38 -->IV</h2>
+ <br />
+
+ <p>Sedert Bavo de overtuiging had bekomen, dat hij Lieveken zou kunnen leeren lezen,
+ had hij geenen enkelen dag laten voorbijgaan, zonder uren lang haar in het spellen te
+ oefenen. Er was iets wonderlijks in de aanhoudendheid en in de vlijt van den kleinen
+ jongen; ja, dikwijls vermoeide hij Lieveken zoodanig, dat haar hoofd er duizelig van
+ werd en zij om verpoozing smeekte.</p>
+ <p>Buiten de goedheid des harten, die Bavo aandreef om het arme Lieveken deelachtig
+ te maken aan het onderwijs, dat zijne moeder hem had leeren aanzien als de hoogste
+ weldaad voor een werkmanskind, bestond er eene bijzondere reden van zijne drift en
+ haast om zijne speelgenoote te leeren lezen. Hij wist, dat zij, zoohaast het mogelijk
+ zou worden, naar de fabriek zou moeten gaan, en dan, vreesde hij, zou zij niet meer
+ kunnen leeren; misschien zelfs zou hij niet meer of zeer zelden met haar kunnen
+ spelen.</p>
+ <p>Inderdaad, vader Wildenslag was een vijand van het onderwijs. Volgens zijne
+ meening,&mdash;die, eilaas, gedeeld wordt door vele onwetende werklieden&mdash;zijn
+ de kinderen slechts op de wereld om hunnen ouders geldelijk voordeel aan te brengen,
+ en is alle opoffering voor hen eene domheid, zoohaast er <!-- Page 39 -->middel
+ bestaat om ze te ontwijken. Alhoewel hij zijne kleine Godelieve meer dan zijne andere
+ kinderen beminde, verschrikte het hem, dat zij te huis met een boek op de knie&euml;n
+ zat, en door hare netheid en kiesche manieren tot eene juffrouw scheen op te groeien.
+ Het was, volgens zijne gedachte, een slecht voorbeeld in een huisgezin, waar iedereen
+ bestemd was om, van kindsbeen af tot aan het graf, te werken zonder rust en zonder
+ hoop op verbetering.</p>
+ <p>Godelieve was te jong en te zwak om nu reeds naar de fabriek te gaan; maar er
+ bestond in de buurt een huis, waar men den kleinen meisjes leerde handwerken. Daar
+ zou zij eerlang elken dag eenige centen verdienen, en dit was toch alweder zooveel in
+ het huishouden gewonnen. Daarenboven, zij zou gevoelen, dat zij geboren was om te
+ werken evenals de anderen, en de luiheid, de <i>juffrouwerij</i>, zooals hij het
+ noemde, zou den tijd niet hebben om in haar te groeien.</p>
+ <p>Meer dan eens reeds had hij met zijne vrouw over zijn inzicht gesproken; maar
+ moeder Wildenslag had hem telkens tot een uitstel overgehaald, door hem te doen
+ begrijpen, dat Lieveken nog altijd zwak en kwijnend was.</p>
+ <p>Deze reden ontsnapte haar evenwel na eenige maanden; want Lieveken scheen gezond
+ te worden, en hare leden hadden in korten tijd zeer in sterkte toegenomen.</p>
+ <p>Dan werd op zekeren middag het vonnis over haar geveld, en haar werd bekend
+ gemaakt, dat zij des anderen daags 's morgens, te zes uren, naar het speldenwerkhuis
+ zou gaan.</p>
+ <p>Het meisje zou zich zonder het minste verdriet <!-- Page 40 -->onderworpen hebben,
+ want zij wist niet, wat haar in dezen nieuwen toestand wachtte; maar de vader deed
+ haar de ergste zijde van haar lot begrijpen, toen hij haar zeide:</p>
+ <p>"En dan, Godelieve, is het voor altijd gedaan met leeren lezen. Gij kent daarvan
+ al veel te veel voor een arm werkmanskind. Poog het liever te vergeten, want anders
+ zou het u gedachten kunnen geven, die u later op den doolweg zouden brengen. Geene
+ boeken meer in huis; denk aan werken alleen."</p>
+ <p>Godelieve ging zwijgend het huis uit en bleef bij de deur met gebogen hoofd staan.
+ Lang overwoog zij. Zij zou niet meer mogen leeren! Dit gepeins rukte tranen uit hare
+ oogen, en zij ging langzaam en als dwalend naar de woning van bazin Damhout.</p>
+ <p>Zij verscheen in de kamer met het voorschoot voor de oogen. Adriaan Damhout was
+ reeds terug naar zijne fabriek; maar dewijl het Donderdag en schoolverlof was, zat
+ Bavo nog nevens zijne moeder bij de tafel.</p>
+ <p>De jongen sprong met eenen gil van zijnen stoel op, greep het meisje de hand en
+ vroeg:</p>
+ <p>"Lieveken, gij krijscht? Wie heeft er u kwaad gedaan?"</p>
+ <p>Maar Lieveken begon luide te snikken en scheen ontroostbaar.</p>
+ <p>"Nu, Godelieve, spreek, wat is u geschied? Het zal niet erg zijn," zeide moeder
+ Damhout.</p>
+ <p>"Ach, ik mag niet meer leeren lezen!" zuchtte het kind.</p>
+ <p>"Hoe? Waarom? Het kan niet zijn!" morde Bavo met eene uitdrukking van ongeloof en
+ tevens van opstand.</p>
+ <p>"<!-- Page 41 -->Neen, ik mag niet meer leeren lezen, nooit meer. O, Bavo, ik kan
+ reeds bijna lezen, en nu moet ik geweld doen om het weder te vergeten!"</p>
+ <p>"Wie, wie zegt dit?" kreet de jongen.</p>
+ <p>"Mijn vader heeft het gezegd, en er is niets aan te doen," antwoordde het droeve
+ Lieveken.</p>
+ <p>"Uw vader!" herhaalde Bavo met schrik.</p>
+ <p>"Ja, en morgen van te zes uren moet ik naar het kantwerkhuis, en ik mag nooit een
+ boek meer in de hand nemen, dat vader het zie. Och God, wat ben ik ongelukkig!"</p>
+ <p>Luider nog begon zij te krijschen; de tranen biggelden van tusschen hare
+ vingeren.&mdash;Bavo, door medelijden ontroerd, liet het hoofd op de tafel vallen en
+ begon insgelijks te weenen.</p>
+ <p>Gedurende eenigen tijd deed vrouw Damhout pogingen om de kinderen te troosten;
+ maar zij gelukte er niet in. Om hun eenigen moed te geven, beloofde zij eindelijk,
+ dat zij moeder Wildenslag zou gaan spreken, en zij drukte de hoop uit, dat zij
+ misschien het pijnlijk vonnis zou kunnen verbidden.</p>
+ <p>Haastig schikte zij alles in de kamer, en zeide dan tot het meisje:</p>
+ <p>"Zijt gij wel zeker, Lieveken, dat uwe ouders beslist hebben u naar het
+ kantwerkhuis te doen?"</p>
+ <p>"Zeker, bazin Damhout, reeds van morgen vroeg."</p>
+ <p>"Zij weten dus niet wat een kantwerkhuis is?"</p>
+ <p>"Ik geloof, dat zij het wel weten. Dit is niets, bazin Damhout; ik wil wel naar
+ het kantwerkhuis gaan, ik zal er mijn best doen zooveel ik kan; maar dat ik niet mag
+ leeren lezen, daarom heb ik zooveel verdriet."</p>
+ <p>"Welnu, blijf hier; ik ga naar uwe moeder. <!-- Page 42 -->Krijsch niet meer.
+ Misschien kom ik terug met goed nieuws."</p>
+ <p>Eenige oogenbliken daarna trad vrouw Damhout in de woning van Wildenslag.</p>
+ <p>"Wel goeden dag, Christina, wat geluk u hier te zien!" riep de moeder van
+ Godelieve. "Zijt gij op den wandel? Het gebeurt u niet veel. Ik heb daar juist koffie
+ opgeschonken, omdat het vuur toch aan was. Wij gaan een lekker kopje te zamen
+ drinken....</p>
+ <p>En gij daar, vuile bengels, de deur uit, totdat ik u roepe, of anders zal het
+ troef op uwen rug zijn!... Nu, zit neer, Christina, wij zijn alleen en kunnen op ons
+ gemak een beetje kouten."</p>
+ <p>"Het is om een beetje te kouten, dat ik gekomen ben, Lina," antwoordde vrouw
+ Damhout, zich nederzettende. "Is het inderdaad waar, dat gij besloten hebt uwe
+ Godelieve op het kantwerkhuis te doen?"</p>
+ <p>"Het is waar, Christina. Ik hadde haar nog wel eenigen tijd te huis gelaten. Het
+ kind is nog niet van de sterksten; maar mijn man houdt niet af, en hij heeft
+ misschien gelijk. Hoe vroeger men de kinderen aan het werk gewent, hoe beter. Dan
+ brengen zij al gauw iets of wat in het huishouden. Gij trekt zulk aardig gezicht,
+ Christina? Verwondert het u, dat wij onze Godelieve naar het kantwerkhuis doen
+ gaan?"</p>
+ <p>"Het bedroeft mij."</p>
+ <p>"Waarom toch?"</p>
+ <p>"Ik ga het u zeggen, Lina; en vermits gij moeder zijt en een goed hart hebt, zult
+ gij mij begrijpen, ik hoop het ten minste. Gij weet misschien niet wat een
+ kantwerkhuis is? Ik weet het, ik heb er een paar jaren op eenen stoel genageld
+ gezeten, en ik zou <!-- Page 43 -->misschien daar eenen vroegen dood mij op den hals
+ gehaald hebben, hadde mijn goede peter zaliger, God zegene hem, mij niet van daar
+ weggenomen om mij naar de school te laten gaan. Ziet gij, Lina, in zulk kantwerkhuis
+ zitten de arme kleine meiskens van den vroegen morgen tot den laten avond over een
+ kantkussen gebogen. Men laat toe, dat de kinderen een oogenblik ademhalen. Nooit
+ opzien, nooit verroeren; altijd werken met gekromde leden en verpletterde borst. Dit
+ eeuwig zitten maakt de kinderen bleek en ziekelijk; velen groeien er krom van,
+ eenigen krijgen een bult, en het ergste van al is, dat, met hun zoo langzaam de borst
+ in te drukken, men dien ongelukkigen kinderen de tering in het lijf steekt. Och, wist
+ gij, Lina, hoevele jonge vrouwen er begraven worden, die in het kantwerkhuis den
+ doodelijken knak gekregen hebben!"</p>
+ <p>"Hemel, gij verschrikt mij!" zuchtte bazin Wildenslag. "Maar het is zeker niet
+ waar, wat gij daar altemaal zegt!"</p>
+ <p>"Het is ten minste grootendeels waar, Lina. Ik weet het, er zijn sterke kinderen,
+ die wel niet ziek worden, omdat zij op het kantwerkhuis zijn geweest; maar had ik een
+ kind, dat zoolang ziek was als Godelieve, ik zou het niet durven wagen hare
+ gezondheid te krenken en misschien de schuld te worden des doods van mijn kind. Ik
+ ben moeder...."</p>
+ <p>"Maar ik ook, ik ben moeder!" kreet bazin Wildenslag.</p>
+ <p>"Ik weet het, Lina," was het stille antwoord. "Had ik kunnen twijfelen aan uwe
+ liefde voor uwe kinderen, gij zoudt mij vandaag hier niet gezien hebben. Godelieve is
+ mij komen zeggen, dat gij <!-- Page 44 -->besloten hebt ze morgen naar het
+ kantwerkhuis te doen gaan. Mij raakt de zaak wel niet persoonlijk; maar gij zult het
+ mij vergeven, dat ik uw kind gaarne zie. Zij is toch zoo minzaam en zoo verstandig,
+ en zij heeft zulk goed en zuiver hart. Het doet mij pijn, te moeten denken, dat het
+ arme lam misschien de borst zal worden ingedrukt, om vroegtijdig te sterven."</p>
+ <p>"Maar, Christina, zij gaat niet naar het kantwerkhuis!" riep vrouw Wildenslag met
+ eene soort van verontwaardiging. "Ik ben arm, ik ben eene onwetende sloor, dit beken
+ ik; maar ik heb ook een moederhart in het lijf; ik zal mijn kind de borst niet laten
+ indrukken, al gave men mij eenen hoop goud!"</p>
+ <p>"Dit vereert u in mijne oogen, Lina," zeide bazin Damhout, "dat gij uw arm
+ Godelieveken zoo oprecht bemint ... maar uw man?"</p>
+ <p>"Mijn man? Wat heeft hij zich daarmede te bemoeien? Godelieve is een meisje, en
+ over de meisjes is de moeder alleen meesteres. Dat hij met zijne bengels van jongens
+ doe wat hij wil; ik kom daar ook niet tusschen. Wees niet bevreesd, Christina; al
+ verroerde hij hemel en aarde, onze Lieveken zou toch niet naar het kantwerkhuis gaan.
+ Het is beslist; ik kan niet weten, of gij geheel gelijk hebt, maar met den schrik,
+ dien gij mij hebt aangejaagd, zou ik nog niet plooien, al stond ik voor den koning
+ zelven."</p>
+ <p>De beide moeders drukten elkander de handen; bazin Wildenslag scheen zeer gevleid
+ door den lof en de vriendschap harer buurvrouw, en het was met onverborgene
+ blijdschap, dat zij haar aandreef om nog een kopje koffie te drinken.
+ <!-- Page 45 -->Eindelijk zeide zij in gedachten:</p>
+ <p>"Zeker, Godelieve gaat niet naar het kantwerkhuis; maar zij kan toch niet langs de
+ straat blijven loopen? Haar vader knort dagelijks daartegen, en hij heeft geen
+ ongelijk. Zij is nog te jong om naar de fabriek te gaan. Wat zou ik met het kind
+ doen, Christina?"</p>
+ <p>"Indien ik u eenen goeden raad mocht geven...."</p>
+ <p>"Wel, het is naar goeden raad, dat ik u vraag."</p>
+ <p>"In uwe plaats liet ik Godelieve voor een paar jaren naar de school gaan."</p>
+ <p>"Naar de school gaan? Ons Lieveken naar de school? Waar zijn toch uwe zinnen,
+ Christina?" riep vrouw Wildenslag als verbaasd. "Hebben wij, arme fabriekwerkers, de
+ middelen, om van ons kind eene juffrouw te maken, die niet meer zou willen en kunnen
+ werken?"</p>
+ <p>"Gij verstaat mij niet, Lina," bemerkte vrouw Damhout. "Lieveken kan, om zoo te
+ zeggen, reeds lezen. Indien ze nu nog twee jaren naar de school gaat, zou ze geleerd
+ zijn en goed kunnen schrijven en rekenen. Dan deed ik ze bij eene kleermaakster of op
+ een modewinkel. Zij zou dienvolgens ook leeren werken, maar zij zou niet
+ onwederroepelijk veroordeeld blijven, om tot het einde van haar leven eenvoudige
+ werkster en dienstmeid van anderen te blijven. Met hare geleerdheid zou zij zeker
+ winkeldochter worden, en later zou ze zonder twijfel zelve eenen winkel oprichten en
+ meesteresse worden. Het verwondert u? De geleerdheid, Lina, maakt den mensch tot
+ alles bekwaam. Voor ons, onwetende werklieden, is er geene verbetering mogelijk; wat
+ wij zijn, moeten wij blijven tot onzen dood; maar geven <!-- Page 46 -->wij onzen
+ kinderen de geleerdheid, dan zetten wij de wereld geheel open voor hen, en wij nemen
+ van hun hoofd de vermaledijding weg, de onwetendheid, die hen veroordeelde tot een
+ leven zonder hoop."</p>
+ <p>Bazin Wildenslag luisterde met wijdgeopende oogen; zij scheen niet wel te
+ begrijpen, wat hare buurvrouw zeide.</p>
+ <p>"Vooronderstel nu eens, Lina," hernam deze, "dat uwe Godelieve winkeldochter
+ worde, en later zelve meesteresse; dat zij veel geld winne en als eene ware juffrouw
+ gekleed ga. Zou u dit bedroeven? Is het geluk van haar kind de hoogste vreugde eener
+ moeder niet?"</p>
+ <p>"Inderdaad, Christina."</p>
+ <p>"En indien gij, met de hand op het hart, u zelve mocht zeggen, dat gij, gij alleen
+ de oorzaak zijt van hare welvaart in de wereld, zou het u niet hoogmoedig maken?"</p>
+ <p>"Ja, maar zou zij dan hare arme ouders wel blijven beminnen?"</p>
+ <p>"Waarom niet? Is de dankbaarheid dan vijandin van de liefde? Integendeel, ik ben
+ wel zeker, dat Godelieve nooit uwe weldaad zou vergeten en tot op haren ouden dag nog
+ in zich zelve zou zeggen: mijn geluk, mijne welvaart ben ik verschuldigd aan mijne
+ moeder. Uwen naam zou zij zegenen, haar leven lang, en zij zou God bidden, dat Hij u
+ in Zijnen schoonen hemel beloone voor uwe goedheid."</p>
+ <p>Vrouw Wildenslag was getroffen; hare oogen schenen vochtig van ontroering.</p>
+ <p>"En dan, ziet gij, Lina, de verstandige lieden zouden u achten en prijzen. Zij
+ zouden zeggen: die juffrouw, de meesteresse van dien schoonen modewinkel,
+ <!-- Page 47 -->is de dochter van bazin Wildenslag. De arme werkmansvrouw
+ heeft moed getoond; zij heeft hare dochter laten leeren en dus haar geluk in de
+ wereld verzekerd."</p>
+ <p>"Het is wel schoon wat gij daar zegt," zuchtte de moeder van Godelieve, "maar zoo
+ valt het niet altijd uit."</p>
+ <p>"En ware de zaak onzeker, zoudt gij daarom Lieveken tot eeuwige armoede
+ veroordeelen, als gij het middel kent om haar een beter lot te bezorgen? Zijt gij
+ niet moeder, en zou de overtuiging, dat gij uwen plicht hebt gedaan, u niet
+ hoogmoedig en blijde maken voor gansch uw leven?"</p>
+ <p>"Naar de school gaan, het is gemakkelijk te zeggen," mompelde vrouw Wildenslag,
+ het hoofd schuddende, "maar het geld, de kosten?"</p>
+ <p>"Daar loopen geene kosten op, Lina. Bij de Zusters-ten-Nonnenbosch, achter
+ St.-Anna-Kerke, zal men uw kind met vreugde ontvangen en het kosteloos leeren,
+ zoolang gij wilt. Wat zijn die twee jaren? Lieveken kan toch niets winnen, en, eens
+ geleerd, zal zij zooveel te spoediger bekwaam zijn om een schoon dagloon te
+ verdienen. Wees zeker, indien gij mijnen raad volgt, zult gij er mij later om
+ bedanken."</p>
+ <p>Moeder Wildenslag boog het hoofd en zag zwijgend ten gronde.</p>
+ <p>"Welnu, wat denkt gij van mijnen raad?" vroeg hare buurvrouw.</p>
+ <p>"Laat mij overwegen; het is eene gewichtige zaak. Ja, ik ben moeder, en het geluk
+ van mijn kind...."</p>
+ <p>Eensklaps sprong zij recht, liep tot eene kas, <!-- Page 48 -->drukte zich eene
+ zuivere muts op het hoofd en wierp zich eenen katoenen mantel over de schouders.</p>
+ <p>"Kom, Christina," riep zij, "ga mede met mij!"</p>
+ <p>"Maar wat wilt gij doen?" vroeg bazin Damhout verwonderd.</p>
+ <p>"Wat ik wil doen? Ik heb nu een goed gepeins, en ik ben vervaard, dat het zou
+ kunnen veranderen. Z&oacute;&oacute; ben ik. Het moet maar seffens gedaan worden,
+ anders komt het er niet van. Wij gaan naar de Zusters, om te zien, of zij mijne
+ Godelieve op hunne school willen toelaten."</p>
+ <p>"Moet gij niet eerst uwen man daarover raadplegen?"</p>
+ <p>"Denk daar niet aan. Van een beetje lawijd en eenen avond gegrom zal ik niet ziek
+ worden. Lieveken is mijn kind, en als de zaak eens afgedaan en geklonken is, zal haar
+ vader zooveel te gemakkelijker te overwinnen zijn. Kom, kom, geen tijd verloren. Gij
+ kunt schoon en beleefd spreken, Christina, doe gij het woord bij de Zusters, dan
+ geraken wij seffens klaar, indien het mogelijk is."</p>
+ <p>De beide vrouwen verlieten het huis en verdwenen onmiddellijk achter den hoek der
+ stege.</p>
+ <p>Intusschen wachtten Bavo en Lieveken met koortsig ongeduld op de terugkomst van
+ vrouw Damhout. In het eerst hadden zij elkander getroost met de hoop op goed nieuws;
+ maar dewijl Bavo's moeder zoolang weg bleef, ontzonk hun eindelijk de moed
+ geheel.</p>
+ <p>Nu zaten zij sedert een half uur zwijgend te treuren, toen eensklaps de deur werd
+ geopend en zij hunne moeders zagen verschijnen. Bevend sprongen <!-- Page 49 -->gij
+ recht; hoop en vrees glinsterden in hunne wijdgeopende oogen.</p>
+ <p>"Godelieve," zeide bazin Wildenslag met groote blijdschap, "gij moet niet naar het
+ kantwerkhuis! Morgen gaat gij naar de school, bij de Zusters-ten-Nonnenbosch, en gij
+ zult mogen leeren gelijk Bavo!"</p>
+ <p>Een blijde kreet ontsnapte het gelukkige Lieveken; zij omhelsde hare moeder en
+ vrouw Damhout; zij greep Bavo bij de handen en danste juichend met hem de kamer
+ rond.</p>
+ <p>"Ik mag naar de school gaan, ik mag leeren, gelijk gij, Bavo!" riep zij, in de
+ handen kletsend. "Hoe goed, hoe schoon!"</p>
+ <p>En zij stortte zich vermoeid tegen de borst harer moeder, streelde haar de wangen
+ met de beide handen en stamelde op den toon eener diepgevoelde dankbaarheid:</p>
+ <p>"Ach, moeder lief, ach, moeder lief, wat zijt gij goed voor uw arm Lieveken. O,
+ wat zie ik u gaarne! Wat zal ik u altijd gaarne zien, mijn geheel leven lang!"</p>
+ <p>Bazin Wildenslag veegde zich eenen traan uit de oogen. Zulke moederlijke fierheid,
+ zulke zuivere, innige blijdschap had ze nog nooit gevoeld. Het scheen haar, dat er
+ iets in hare natuur was veredeld geworden: zij had ten minste dit besef van eigene
+ waardigheid, dat als eerste belooning van eenen grooten vervulden plicht in den
+ mensch ontstaat.</p>
+ <p>"Kom, Lieveken," zeide zij, "laat ons naar huis gaan. Ik moet eens goed al uwe
+ kleederen nazien en u een nieuw paar schoenen koopen. De kinderen op de
+ <!-- Page 50 -->school zijn altemaal zoo netjes, en ik wil niet, dat daar iets op
+ mijne kap te zeggen valle."</p>
+ <p>In het uitgaan drukte zij met bijzondere kracht de hand van vrouw Damhout, en
+ zeide tot allen groet:</p>
+ <p>"Dank, dank!"</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="V" name='V'></a>
+ <h2><!-- Page 51 -->V</h2>
+ <br />
+
+ <p>Lieveken was ter schole bij de Zusters. Hoe fier en hoe gelukkig gevoelde zich het
+ arme kind, wanneer zij, met hare leerboekjes en hare schalie in de hand, door de
+ stege stapte! Nu zou zij het onderwijs genieten evenals Bavo. Zij was dus een
+ bevoorrecht wezen tusschen al deze arme werkmanskinderen, die niet mochten ter schole
+ gaan. De overtuiging, dat zij het voorwerp was van eene onverwachte en bijzondere
+ gunst, dreef haar aan tot eene ongewone vlijt. Elken avond herhaalde zij hare lessen
+ met Bavo. Dewijl zij eenen helderen geest en een sterk geheugen had, deed zij met dit
+ dubbel onderwijs in min dan een jaar zulke groote vorderingen, dat hare
+ leermeesteressen zelven er over verwonderden. Daarenboven, zij was zoo gehoorzaam,
+ zoo dankbaar, zoo streelend, dat de Zusters haar met eene bijzondere voorliefde
+ behandelden, en allengs trotsch werden over de verrassende vruchten van hun onderwijs
+ in dit arme werkmanskind.</p>
+ <p>Vader Wildenslag had nooit rechtzinnig toegestemd om zijn meisje ter schole te
+ laten gaan. Hij gromde nog immer tegen deze gevaarlijke gekheid, zooals hij het
+ noemde; en wanneer hij met zijne <!-- Page 52 -->vrouw er over sprak, vielen er vele
+ grammoedige en bittere woorden. Het was zijne ingewortelde gedachte, dat het
+ onderwijs een werkmanskind onfeilbaar moet verloren leiden; want volgens hem sproten
+ uit de geleerdheid de zucht naar schoone kleederen, hoovaardij en vele ergere dingen.
+ Het minste kwaad was nog, dat de kinderen, welke dus boven hunnen staat verheven
+ worden, eindelijk van hoogmoed op hunne ouders nederzien. Daarenboven, terwijl ze
+ leeren, winnen ze niets, en dit is zooveel ontstolen aan de ouders, die recht hebben
+ op het werkloon hunner kinderen. Hij was niet alleen van dit gevoelen; zijne vrouw
+ mocht het vragen aan al hare geburen; buiten bazin Damhout zou geen enkele anders
+ spreken. In het eerst had hij, door zijne herhaalde aanvechtingen en bovenal door
+ zijne droeve voorspellingen, zijne vrouw in twijfel gebracht; maar nu waren allengs
+ zijne woorden onmachtig op haar geworden.</p>
+ <p>Lieveken woonde dikwijls de samenspraken bij, waarin er over haar lot werd
+ getwist: zij hoorde en zag bevend, hoe hare moeder haar verdedigde en hoe zij te
+ lijden had om haar op de school te houden. Het kind wist zulke zoete woorden, zulke
+ teedere streelingen te vinden om hare moeder te troosten; zij drukte hare
+ dankbaarheid met zooveel gevoel en kracht uit, dat bazin Wildenslag soms haar
+ beminlijk Lieveken tegen de borst drukte en diep ontroerd haar omhelsde.</p>
+ <p>Uit erkentenis voor hare moeder, poogde Lieveken zich op alle wijze nuttig te
+ maken. Zij stond op met het krieken van den dag, schikte, kuischte en schuurde, en
+ deed zooveel, dat het huisje van Jan Wildenslag allengs een min onzindelijk aanzien
+ <!-- Page 53 -->kreeg. Zij sprak tevens met hare moeder over hetgeen zij op de schole
+ leerde en over de schoone lessen van zedelijkheid en van wellevendheid, welke de
+ Zusters haar gaven. Zoo begon het kind, zonder het te weten, de opvoeding harer
+ moeder, en het wierp in haar hoofd de eerste lichtstralen, welke er ooit waren in
+ doorgedrongen.</p>
+ <p>Bazin Wildenslag, hoe woest en onwetend ook, had een goed hart en veel gezonde
+ rede. Wanneer zij alleen was met Lieveken en zij het kind zoo eenvoudig en toch zoo
+ schoon hoorde spreken van haar onbekende dingen, van godsvrucht, van zedelijkheid en
+ van de menschelijke plichten, gevoelde zij zich in eene andere lucht, en het scheen
+ haar, dat hare eigene natuur door de aanraking van haar kind zich verhief en zich
+ louterde.</p>
+ <p>Ook zeide zij soms tot hare buurvrouw: "Zie, bazin Damhout, wij, arme lieden, wij
+ denken, dat wij dom en slecht zijn. Het is niet waar. Het goede steekt er in, maar
+ niemand heeft het er doen uitkomen. Hadden mijne ouders mij beter opgebracht en mij
+ laten leeren, ik zou een ander mensch geworden zijn; want nu gevoel ik het wel, ik
+ ben zoo bot niet als ik zelve het meende. Ware het nog te herdoen! Maar het is te
+ laat, gebuurvrouw. Ik heb nu toch het geluk, te weten, dat mijne Godelieve goed zal
+ geleerd worden. Zij is een engeltje in mijn huis; en mijn man mag mij vervaard maken
+ zooveel hij wil, ik ben zeker dat ik plezier in mijn kind zal hebben zoolang ik leef.
+ Wat hare broeders en zusters betreft, kleinen en grooten, daar is niets goeds van te
+ verwachten. Zij staan tegen mij op, alsof ik geboren ware om hunne slavin en hunne
+ dienstmeid te zijn. <!-- Page 54 -->Ik heb al moeite gedaan om de kleinste naar de
+ school te krijgen; maar Wildenslag springt vijf voet hoog van gramschap, zoohaast ik
+ daarvan spreek."</p>
+ <p>Misschien had de tevredenheid van vrouw Wildenslag nog eene andere reden. Zij was
+ naar de school van Lieveken gegaan. De Zusters hadden haar met eene bijzondere
+ beleefdheid en met eene zichtbare blijdschap ontvangen; haar de wonderlijke
+ vorderingen van haar kind geroemd; haar hoog geprezen, omdat zij, nederige
+ werkmansvrouw, haar kind liet leeren, en haar eindelijk, tot overmaat van
+ vriendelijkheid, op eene lekkere koffie onthaald.</p>
+ <p>Natuurlijk, zulk eerbewijs en de uitbundige lof over haar zelve en over haar kind
+ hadden haar het hoofd duizelig gemaakt, en zij was uit de school teruggekeerd met het
+ vaste opvat, Godelieve zoolang mogelijk te laten leeren.</p>
+ <p>Daaruit volgde, dat, als de twee jaren verloopen waren, zij allerlei listen
+ uitvond en zelfs openlijk tegen haren man in opstand kwam, om haar meisje nog eenige
+ maanden langer op de school te laten.</p>
+ <p>Alles was echter geene vreugde in het leven van Lieveken. Hare broeders en
+ zusters, waarvan er reeds drie op de fabriek werkten, hadden voor haar eene soort van
+ haat opgevat. Het scheen hun eene schreeuwende onrechtvaardigheid, dat Godelieve,
+ zonder geld in huis te brengen, in luiheid mocht leven.&mdash;Onrechtvaardigheid
+ vanwege de ouders was het zeker, dat zij al hunne kinderen niet hadden laten leeren;
+ maar zoo verstonden de woestaards het niet. Op Lieveken alleen meenden zij zich te
+ moeten wreken. Zij noemden haar spottenderwijze de <i>Mammezel</i>, scholden haar uit
+ voor eene leegloopster, eene <!-- Page 55 -->opvreetster, mishandelden haar,
+ bevuilden of scheurden hare boeken en schenen eene samenspanning te hebben aangegaan
+ om het arme meisje te bedroeven en te plagen.</p>
+ <p>Godelieve verdroeg alles met een engelachtig geduld; slechts wanneer men hare
+ schrijfboeken bemorste of beschadigde, weende zij in stilte, omdat zij vreesde in de
+ school door de Zusters te worden bekeven.</p>
+ <p>Elken dag, zoohaast het avondmaal was ge&euml;indigd, ging zij met hare boeken
+ naar het huis van bazin Damhout. Daar las en schreef zij aan de zijde van Bavo,
+ ontving zijne terechtwijzingen en zijne lessen met een liefderijk gemoed, en speelde
+ dan nog wat, en koutte misschien met haren jongen vriend van hetgeen zij beiden
+ meenden of hoopten later in de wereld te zullen worden.</p>
+ <p>Bazin Damhout arbeidde zonder ophouden aan het naaien van kielen of van ander
+ lijnwaden kleedergoed. Dewijl haar oudste meisje nu insgelijks naar de school ging,
+ moest zij pogen wat meer geld te winnen, om haren man niet te laten gevoelen, dat het
+ onderwijs der kinderen, ofschoon kosteloos, toch wel eenige opoffering vergde.</p>
+ <p>Niet zelden wanneer Adriaan Damhout in gezelschap van Jan Wildenslag was geweest,
+ keerde hij naar huis met een versomberd gelaat, en dan ontsnapten hem treurige
+ bemerkingen, die genoeg lieten blijken, dat hij nog altijd ongerust was aangaande de
+ gevolgen der al te hooge opvoeding, welke zijne vrouw aan hare kinderen gaf.</p>
+ <p>Misschien dat de arme moeder niet geheel zonder vrees of twijfel was; want zij
+ hield niet op van Bavo <!-- Page 56 -->en Lieveken, onder alle vormen en bij elke
+ gelegenheid, de dankbaarheid en de liefde tot hunne ouders als eenen heiligen plicht
+ aan te prijzen. Alsof zij, door eene geheime inspraak harer ziel, gevoelde, dat
+ geleerdheid niet voldoende is om alleen den mensch te vormen, legde zij met eene
+ teedere oplettendheid in het hart van haren zoon en in het hart van Lieveken de
+ kiemen van het diepste plichtgevoel en van de zuiverste deugden neder.</p>
+ <p>Zij was sedert jaren gewend aan de tegenwoordigheid der kleine Godelieve; nu vond
+ zij haar geluk in de zoete vriendschap der kinderen voor elkander en in hunne
+ ijverige leerzaamheid. Zij aanschouwde eenigszins het goede meisje als haar eigen
+ kind. Was zij de oorzaak niet, dat zij naar de schole ging? En gaf deze weldaad haar
+ het recht niet om Godelieve uitzonderlijk te beminnen?</p>
+ <p>Het meisje erkende hare liefde niet alleen door eene groote dankbaarheid, maar
+ tevens door een gevoel van diepen eerbied en van ontzag, dat zij zelfs op Bavo
+ overdroeg; want alhoewel zij aan zijne zijde leefde als zijne zuster en zijne
+ gelijke, bleef hij in hare oogen altijd een waardiger wezen, wiens vriendschap en
+ wiens edelmoedige bescherming zij onverdiend genoot.</p>
+ <p>Eindelijk toen Godelieve bijna gedurende drie jaar had ter schole gegaan, kon hare
+ moeder het niet langer tegen haren man volhouden, en er werd beslist, dat het meisje
+ met het begin der volgende week het gesticht der Zusters zou verlaten.</p>
+ <p>Wildenslag meende, dat men haar onmiddellijk op de fabriek moest doen; zij zou er
+ seffens eenige stuivers elken dag winnen, terwijl zij, om een handwerk
+ <!-- Page 57 -->te leeren, misschien nog wel gedurende twee jaar met eenen of twee
+ stuivers per week zou naar huis komen. Al die geldverkwisting, beweerde hij, had geen
+ ander gevolg dan eene pint bier en een brok vleesch uit zijnen mond en uit den mond
+ harer broeders en zusters te rooven. Het kwetste hem daarenboven, dat zijne dochter
+ op eenen juffrouwenstiel ging en niet fabriekwerkster bleef gelijk hare ouders.</p>
+ <p>Daarover echter behaalde hij geen gelijk. In den geest van vrouw Wildenslag was de
+ toekomst van Godelieve afgebakend zooals Bavo's moeder ze haar had voorspeld. Zij zou
+ kleermaakster worden, winkeldochter en eindelijk meesteresse; daar was niets aan te
+ doen, haar man mocht er tegen grollen en grimmen zooveel hij wilde.</p>
+ <p>Toen Lieveken met het onverwachte nieuws bij Bavo kwam en zeide, dat zij hare
+ school ging verlaten, was er eerst verrassing en dan stille treurnis. De kinderen
+ wisten niets daartegen in te brengen en onderwierpen zich; maar hunne oogen, wanneer
+ zij elkanders blikken ontmoetten, waren klagend, en uit Lievekens boezem ontsnapte nu
+ en dan een zucht. Het was zoo goed voor haar bij de Zusters; zij was er zoo bemind
+ geweest en zij droeg haren leermeesteressen zooveel dankbare genegenheid toe. Hare
+ goede weldoensters voor altijd vaarwel te zeggen, viel haar hart bitter en wreed.
+ Maar het kon niet anders: zij was arm in de wereld en moest een ambacht leeren, dit
+ wist zij wel.</p>
+ <p>Bazin Damhout zeide aan hare buurvrouw, dat zij niet mocht nalaten de Zusters van
+ hare beslissing te verwittigen, en bij deze gelegenheid hen duizendmaal
+ <!-- Page 58 -->en uit den grond des harten moest bedanken voor hunne goedheid.</p>
+ <p>Daar Lina reeds eens in het gesticht met bijzondere vriendelijkheid was onthaald
+ geworden, volgde zij den raad harer buurvrouw.</p>
+ <p>Wie het meest verrast en bedroefd schenen bij de onverwachte aankondiging, waren
+ de Zusters. Godelieve was eene leerlinge, op welke zij niet alleenlijk trotsch waren,
+ maar zij hadden allen het meisje bijzonder lief om hare voorbeeldige zedigheid en
+ ijver, en meer nog misschien om hare aandoenlijke dankbaarheid. Daarenboven,
+ Godelieve was hun reeds sedert eenige maanden behulpzaam geweest om de kleinste
+ meisjes te leeren spellen.</p>
+ <p>Nadat de Zusters de redenen van bazin Wildenslag hadden gehoord, staken zij de
+ hoofden bijeen en spraken eenigen tijd in stilte met elkander.</p>
+ <p>Dan zeide de oudste:</p>
+ <p>"Vrouw, het zou ons pijn doen, onze beste leerlinge nu reeds te moeten verliezen.
+ Wij waren fier op haar, en hadden ze wel gaarne nog een jaar behouden, om te doen
+ zien waartoe wij bekwaam zijn, als onze lessen in eenen goeden grond vallen. Zoudt
+ gij ze niet nog een beetje op onze school kunnen laten?"</p>
+ <br />
+
+ <div class="center">
+ <img src='images/059.png' width='600'
+ alt='Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit.'
+ title='Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit.' /><br />
+ <br />
+ <i>Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit.</i>
+ </div>
+ <p>"Onmogelijk, Zuster," antwoordde bazin Wildenslag met eenen zucht. "Ik wenschte
+ het ook wel. Vermits ik slechts &eacute;&eacute;n kind heb, dat heeft mogen naar de
+ school gaan, zou ik ze willen laten leeren zoolang ze kan; maar mijn man is niet meer
+ te stillen. Wij kunnen z&oacute;&oacute; niet leven. De kinderen kosten geld. Ik heb
+ er niet minder dan zes; en, gelooft mij of niet, ze eten ons waarlijk het haar van
+ het hoofd. Als <!-- Page 61 --><!-- Page 59 --><!-- Page 60 -->de kinderen hunnen
+ eigen kost niet verdienden, zoohaast ze groot genoeg zijn, dan moeten al de menschen
+ van onze soort naar de armen."</p>
+ <p>"En wanneer denkt gij, dat Godelieve, met den kleermakersstiel te leeren, haren
+ kost zou beginnen te verdienen?"</p>
+ <p>"Niet spoedig, Zusters, ik weet het wel: binnen twee jaar misschien, zoo
+ allengskens."</p>
+ <p>"Welnu, wij willen u een goed voorstel doen. Laat Godelieveken nog naar de school
+ komen. Zij zal hier het noenmaal en het avondmaal genieten, en zelfs het ontbijt,
+ indien gij wilt. Wij zullen eene bijzondere zorg aanwenden om haar goed te leeren
+ naaien. En zoohaast zij dertien of veertien jaar bereikt en wel onderwezen is, zullen
+ wij zelven haar op eenen winkel doen, bij eene meesteresse, die haar zal beschermen
+ en bevorderen. Zij zal dus den verloren tijd ruimschoots inwinnen. Bevalt u dit
+ voorstel?"</p>
+ <p>"Ach, menschen lief, wat zijt gij toch goed voor mijn arm kind!" riep moeder
+ Wildenslag met de tranen in de oogen. "Dat God u beloone voor uwe liefdadigheid. Ja,
+ ja, zeker, ik neem uw edelmoedig voorstel aan uit gansch mijn hart."</p>
+ <p>Zoo bleef Godelieve, ondanks de tegenwerpingen haars vaders, op de school der
+ Zusters.</p>
+ <p>Wat Bavo betreft, het is onnoodig te bevestigen, dat hij op de gemeenteschool
+ insgelijks zich onder al zijne medeleerlingen onderscheidde. Hij was in geleerdheid
+ oneindig verder dan Lieveken; hij had een schoon geschrift, was zeer geoefend in het
+ rekenen en had reeds eenige vorderingen in de Fransche taal gedaan. Zijne meesters
+ hadden hun genoegen in zijn <!-- Page 62 -->helder begrijp en in zijne leerzaamheid,
+ en roemden op zijnen spoedigen voortgang.</p>
+ <p>Daar zijne ouders hem voor den stiel van mekaniekmaker of van timmerman bestemden,
+ woonde hij sedert anderhalfjaar de lessen der teeken-academie bij, en alles liet
+ vermoeden, dat hij ook in dit nieuwe vak behendig worden zou.</p>
+ <p>Met al deze bezigheden, en alhoewel hij nu slechts te acht uren des avonds naar
+ huis kwam, vond hij nog tijds genoeg om spelenderwijze Lieveken voort te helpen in
+ hare eerste studie der Fransche taal, welke zij op hare school nu insgelijks had
+ begonnen te leeren.</p>
+ <p>Een gansch jaar verliep er dus, zonder dat eenige tegenspoed het stille geluk van
+ bazin Damhout en van beide kinderen kwam storen. Een enkel voorval&mdash;indien men
+ het voorval mag heeten&mdash;was van aard om aangeteekent te worden in hunne
+ herinnering.</p>
+ <p>Bavo had sedert eenigen tijd eene zonderlinge strekking tot eenzaamheid getoond.
+ Reeds tweemaal, wanneer zijne ouders des Zondags volgens gewoonte hem mede wilden
+ nemen op de wandeling, was hij alleen te huis gebleven, onder voorwendsel dat hij
+ veel schoolwerk had af te maken. Zijne moeder had hem eens verrast, terwijl hij met
+ angstige haast iets voor haar verborg.</p>
+ <p>Wat mocht hem dus bezighouden? Hij wilde het niet zeggen; hij ontweek alle
+ uitleggingen daarover, en bazin Damhout was niet zonder kommer, alhoewel zij niet
+ juist wist wat zij vreesde.</p>
+ <p>Op zekeren avond kwam Bavo te huis van de school; hij scheen uitermate blijde,
+ liep van den <!-- Page 63 -->eenen kant der kamer naar den anderen met zichtbaar
+ ongeduld en deed niets dan in zich zelven zeggen:</p>
+ <p>"Is Lieveken nog niet gekomen? Waar blijft toch Lieveken? Indien zij eens dezen
+ avond niet kwame!"</p>
+ <p>En als bazin Damhout hem vroeg, wat hem zoo aanjaagde, antwoordde hij
+ lachende:</p>
+ <p>"Gij zult het straks zien, moeder lief, en dan zult gij weten, wat ik voor u hield
+ verborgen."</p>
+ <p>"Ha, ha, daar is Lieveken!" riep hij uit.</p>
+ <p>Het meisje aanschouwde hem verbaasd en keek rond om te raden, wat hem zoo vroolijk
+ maakte.</p>
+ <p>"Welken dag van het jaar zijn wij?" vroeg hij haar.</p>
+ <p>"Ik weet het niet," stamelde zij. "In de maand Juli...."</p>
+ <p>"Welnu, zie eens in dezen almanak, daar op den zesden der maand, welke heilige
+ staat daar?"</p>
+ <p>"Sinte-Godelieve!" zeide het meisje met verwondering.</p>
+ <p>"Ja, Godelieve, het is uw dag," juichte hij. "Ik ga u besteken; ik heb een
+ geschenk voor u. Eene maand lang heb ik in het geheim er aan gewerkt. Gij moogt er
+ niet mede lachen en moeder ook niet. Ik heb gedaan wat ik kon."</p>
+ <p>Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit, legde dit op de
+ tafel en riep:</p>
+ <p>"Zie, Lieveken, zie, moeder, daar is mijn geschenk!"</p>
+ <p>Op het blad papier stonden de beelden van twee kinderen, met waterverf gekleurd,
+ een jongen en een meisje, hand aan hand, en houdende elk in de hand, die hun vrij
+ bleef, een open boek. Er was een breede, driekleurige band rondgeschilderd, en deze
+ bonte <!-- Page 64 -->verven gaven het eenen grooten glans. Ongetwijfeld had Bavo
+ geweld gedaan om zijne eigene beeltenis en die van Lieveken na te bootsen; de
+ kleederen geleken klaarblijkend; maar het geheel was een zoo gebrekkig en grof
+ kinderwerk, dat men moeilijk het inzicht des makers hadde kunnen raden, indien hij
+ niet onder de beelden in groote letteren hadde geschreven: BAVO EN LIEVEKEN.</p>
+ <p>Verrast en schier droef, omdat het kleine meisje beweegloos bleef en niet juichte,
+ zeide hij beschaamd:</p>
+ <p>"Ja, Godelieve, het is niet goed, ik weet het wel. Ik heb het gemaakt om te
+ lachen; het is eene gedenkenis van dat wij te zamen hebben leeren lezen."</p>
+ <p>Godelieve boog het hoofd en begon in stilte te weenen; de tranen rolden als
+ parelen uit hare oogen.</p>
+ <p>"Wat is dit?" murmelde de verbaasde jongen. "Waarom weent gij nu?"</p>
+ <p>"Ik weet het niet," was het antwoord, "omdat gij zoo goed voor mij zijt."</p>
+ <p>"Kom, kom, het is maar spel," riep Bavo. "Hadde ik geweten, dat het beeldeken u
+ moest bedroeven, ik hadde het aan stukken gescheurd."</p>
+ <p>"Ho, aan stukken scheuren!" gilde Lieveken met schrik. "Doe dit niet! Geef het
+ mij, als 't u belieft!"</p>
+ <p>"Wel, het is voor u, Lieveken, dat ik het heb gemaakt."</p>
+ <p>"Wees gedankt, Bavo; ik zal de gedenkenis uwer vriendschap zoo zorgvuldig
+ bewaren!"</p>
+ <p>Zij greep het blad papier van de tafel en, als verschrikte haar de gedachte, dat
+ het schoon geschilderd beeld haar nog kon worden ontnomen, liep zij er mede de deur
+ uit, roepende dat zij het hare moeder wilde toonen.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="VI" name='VI'></a>
+ <h2><!-- Page 65 -->VI</h2>
+ <br />
+
+ <p>Eindelijk was de tijd gekomen, dat Bavo de gemeenteschool zou verlaten, om als
+ leerjongen op een werkhuis van mekaniekmakers te gaan. Hij was meer dan veertien
+ jaar, en zijne opvoeding was voltrokken.</p>
+ <p>Toen de onderwijzer van dit besluit kennis gegeven was, kwam hij zelf in de woning
+ van Damhout, om den ouders van zijnen leerling te verzoeken en aan te raden, hunnen
+ zoon nog op de school te laten, ten minste tot de aanstaande prijsuitdeeling. Hij
+ twijfelde niet, of Bavo zou al de eerste prijzen der hoogste afdeeling behalen. Dus
+ zijne opvoeding sluiten als <i>primus</i> der school, zou hem een groote eer zijn, en
+ het kon hem een gewichtige titel op latere bescherming worden. De hoofdonderwijzer
+ had Bavo lief om zijn goed hart en zijnen wakkeren geest, en hij verborg den ouders
+ niet, dat hij er aan hield, zijnen beminden leerling de eer en blijdschap van de
+ zegepraal te zien genieten.</p>
+ <p>Er werd dienvolgens beslist, dat Bavo nog ter schole zou blijven tot de
+ prijsuitdeeling.</p>
+ <p>Sedert eene maand was Lieveken door hare leermeesteressen bij eene goede
+ kleermaakster geplaatst <!-- Page 66 -->geworden. Als beschermelinge der Zusters won
+ zij van den beginne af een frank per week.</p>
+ <p>Dit klein loon was oorzaak, dat Wildenslag nog dikwijls zijne vrouw van dwaasheid
+ beschuldigde, en haar poogde over te halen om Lieveken naar de fabriek te doen gaan.
+ Daar moeten de kinderen geene lange leerjaren onderstaan, en zij winnen er
+ onmiddellijk veel meer geld dan met welk ander ambacht. Evenwel, hoe onophoudend hij
+ ook daarover zijne ingewortelde meening uitdrukte, zijne vrouw wilde van zulk iets
+ niet hooren.</p>
+ <p>Des avonds, na de arbeidsuren, kwam Lieveken bij bazin Damhout. Zij had toch te
+ veel van hare woeste broeders en zusters te lijden; en hare moeder zelve spoorde haar
+ aan om bij hare brave buren den vrede en het stil vermaak te zoeken, welke zij in
+ haar huis niet vinden kon.</p>
+ <p>Uit gewoonte en uit neiging nam zij nog deel in de lessen van Bavo, of juichte op
+ voorhand met hem over de eer en het geluk, die hem zouden te beurt vallen bij de
+ aanstaande prijsuitdeeling der gemeenteschool.</p>
+ <p>Onverwachts ontstonden er gebeurtenissen, die de Gentsche nijverheid, en dus ook
+ de werklieden, aan harde beproevingen gingen onderwerpen. Vele vraagpunten, door de
+ omwentelingen van Frankrijk en van Belgi&euml; in 1830 geweldiglijk opgeworpen, waren
+ nog onbeslist gebleven. De onderhandelingen, tusschen de mogendheden machteloos
+ zijnde om tot vereffening te leiden, dreigden eenige der belanghebbende landen, door
+ de wapenen hun recht te doen gelden. Alle volkeren, door de vrees van eenen
+ Europeeschen oorlog aangedaan, riepen hunne krijgs<!-- Page 67 -->machten met grooten
+ spoed te zamen. Dit verwekte eenen algemeenen schrik, waarvan, volgens gewoonte,
+ handel en nijverheid de eerste slachtoffers werden. De overmatige voorraad van
+ stoffen in de magazijnen, eenige groote bankroeten te Londen en te Parijs, de opslag
+ van de ruwe katoen, spruitende uit het vooruitzicht eener belemmering in de
+ scheepvaart, dit alles bracht voort, dat de fabrikanten niet dan met verlies konden
+ laten werken en de meesten inderdaad hunne fabrieken sloten.</p>
+ <p>Twintigduizend menschen geraakten in Gent alleen zonder werk. Dewijl de arbeider,
+ zelfs wanneer hij veel geld wint en geene kinderen heeft, gewoonlijk aan den dag van
+ morgen niet denkt, vielen al deze lieden van een betrekkelijk welzijn eensklaps in de
+ diepste armoede. In het eerst vonden zij nog iets of wat bij de winkeliers en bakkers
+ te borgen; maar na vijftien dagen was deze hulpbron geheel opgedroogd, en dan kwamen
+ de honger en de ware ellende deze duizenden menschen met vrouw en kinderen wreedelijk
+ aangrijpen. Men zag ze in talrijke groepen op de markten staan of door straten
+ dwalen, met verbleekt gelaat en ontvlamden blik, morrend en dreigend en in schijn
+ gereed om door gewelddadigheid zich uit den bitteren nood te redden.</p>
+ <p>Door medelijden aangedreven en hopende, dat deze erge toestand niet zou
+ voortduren, boden eenige fabrikanten hunnen werklieden aan met zekere vermindering
+ van loon te werken; en op dien grond werden er inderdaad meer dan de helft der
+ nijverheidsgestichten geopend.</p>
+ <p>Maar een groot getal spinners en wevers verstieten de aangebodene voorwaarden met
+ gramschap, en <!-- Page 68 -->beschuldigden de fabrikanten, dat zij uit zelfzucht van
+ de omstandigheden gebruik maakten, om het werkloon neder te drukken. Na elkander
+ gedurende eene halve week te hebben opgehitst, verdoold door onwetendheid en honger,
+ liepen zij in stormige scharen naar de geopende fabrieken en wilden met geweld alle
+ werkzaamheid doen staken. Zij mishandelden hunne makkers, die, om toch brood voor
+ vrouw en kinderen te hebben, de tijdelijke loonsvermindering hadden aanvaard; zij
+ beschadigden de gebouwen en werktuigen, en leverden zich over aan gewelddaden, die de
+ tusschenkomst der gewapende macht noodzakelijk maakten.</p>
+ <p>Deze tooneelen van woest geweld boezemden den fabrikanten eenen grooten schrik of
+ eene diepe spijt in. Dan werden de fabrieken voor goed gesloten en de duizenden
+ werkmanshuisgezinnen in eene eindelooze ellende gedompeld.</p>
+ <p>Het was bovenal in de woning van Wildenslag, dat er nood en derving heerschte;
+ want daar waren de kinderen talrijk, en men was er gewoon zonder vooruitzicht en
+ zonder zorg op voorhand alles te verteren, wat er werd gewonnen. Moeder Wildenslag
+ had een wreed en bitter leven; al het verdriet en al de onwil van man en kinderen
+ vielen op haar, en zij hoorde den ganschen dag niets dan scheldwoorden en
+ verwijtingen, als ware zij inderdaad de slavin, die in het huishouden het natuurlijke
+ doel moest zijn van de ontevredenheid der anderen. Lieveken, die ook deel had in de
+ kwade bejegeningen harer broeders en zusters, was de eenige troost, die bazin
+ Wildenslag overbleef; want dit kind ten minste beminde en eerbiedigde haar, en het
+ weende tranen van liefde <!-- Page 69 -->en van medelijden op hare borst, wanneer de
+ overigen haar hadden mishandeld of gehoond.</p>
+ <p>In de woning der Damhouts deed de ellende zich zoo spoedig niet gevoelen. De
+ winkeliers hadden in hen meer vertrouwen, omdat zij bekend stonden als spaarzame
+ lieden, en gaven hun ook langer op borg. Daarenboven arbeidde moeder Damhout, wie
+ geen naaiwerk ontbrak, nu van het krieken van den dag tot elf uren des avonds zonder
+ ophouden. Misschien wel had de zorgende vrouw eenen kleinen spaarpot? Hare vlijt,
+ hare zucht om te beletten, dat haar man zich ooit over het onderwijs zijner kinderen
+ beklaagde, laat toe te vooronderstellen, dat zij iets had bewaard tegen eenen
+ onvoorzienen nood.</p>
+ <p>In het eerst ten minste ontbrak er niets in haar huishouden. Zij verzocht zelfs
+ dikwijls de arme Godelieve, die honger leed ongetwijfeld, met hen het avondmaal te
+ nemen; maar het meisje werd telkens rood bij zulke aanbieding en weigerde, zichtbaar
+ sidderend, alsof het gepeins van in dit huis eene aalmoes te ontvangen haar met
+ schrik en schaamte sloeg.</p>
+ <p>Nog altijd dwaalden de werklieden in de straten van Gent verhongerd en lijdend
+ rond. Van kindsbeen af aan eene enkele soort van arbeid, aan eene eenvormige en
+ beperkte beweging gewend, waren zij onbekwaam om tot eenig ander werk hunne toevlucht
+ te nemen. De gedachte daarvan kwam zelfs niet in hen op, en zij zouden veeleer zich
+ met gansch hun huisgezin van honger hebben laten sterven, dan in eenige andere
+ bezigheid ten minste eenen tijdelijken onderstand te zoeken.</p>
+ <p>Door den langen duur der werkstaking werd de <!-- Page 70 -->nood insgelijks
+ voelbaar voor het huisgezin der Damhouts. Inderdaad, wat de vrouw door haren drukken
+ arbeid met naaien kon verdienen was niet toereikend, om de huishuur te betalen en de
+ voeding van vijf personen te bekostigen. In de winkels begon men insgelijks
+ moeilijkheden tot langer borgen op te werpen.</p>
+ <p>Aangespoord door den ijver zijner vrouw, die, zooals hij zelf zeide, zich de
+ vingeren van de handen werkte, poogde Damhout in de stad werk te vinden om iets te
+ winnen. Het gelukte hem in de eerste week niet; want schrik voor den oorlog had meer
+ dan eene nijverheid verlamd, en er liepen honderden menschen rond om werk en om
+ brood.</p>
+ <p>Eindelijk toch, en hoezeer het hem, als spinner van ambacht, tegenstak, nam hij
+ aan met eenige anderen eene slijkige gracht en eenen vijver uit te delven en te
+ verdiepen.</p>
+ <p>Het bedroefde bazin Damhout uitermate, dat hij zulken arbeid had aanvaard, en zij
+ poogde hem te overtuigen, dat hij hem moest verlaten; er zou wel een middel zijn om
+ voort te sukkelen, totdat hij wat beters hadde gevonden, maar de man, die wanhopig
+ was over de werkeloosheid en niet langer al den last van het huishouden op zijne
+ vrouw wilde laten drukken, weerstond haar en begon des anderen daags den voor hem zoo
+ ongewonen arbeid.</p>
+ <p>Gedurende de eerste week hield hij het vol; hij was wel treurig in zijn hart en
+ tot bezwijkens toe vermoeid in al zijne leden, maar hij toonde er niets van en
+ veinsde voor zijne vrouw en kinderen eene stille welgemoedheid.</p>
+ <p>Op eenen namiddag evenwel kwam hij naar huis, <!-- Page 71 -->liet zich zwak en
+ ontzenuwd op eenen stoel vallen, en zeide, dat de koude koorts hem had bevangen. Hij
+ was inderdaad zeer bleek, en van tijd tot tijd doorliep eene zonderlinge siddering
+ zijne leden. Eene uitdrukking van geheime verschriktheid, eene kwaadvoorspellende
+ ontsteltenis zijns gelaats deden vrouw Damhout vreezen, dat haar man eene ernstige
+ ziekte kon hebben betrapt. Zij bedwong hare tranen om hem niet te verontrusten, deed
+ hem te bed gaan en kookte hem eenigen warmen drank, hem onderwijl troostende en hem
+ de hoop op eene spoedige herstelling insprekende.</p>
+ <p>Maar de toestand van Adriaan Damhout verergerde alle oogenblikken; hij had groote
+ pijn in het hoofd, hoestte met dor keelgeluid en klaagde over eene hevige steekte in
+ de zijde.</p>
+ <p>De bekommerde vrouw wist niet wat te doen; zij dorst haren zieken man niet alleen
+ laten, en evenwel moest er iemand in allerhaast naar den dokter loopen. In het over
+ en wedergaan zeide zij in stilte aan haar kleinste meisje, dat zij bazin Wildenslag
+ moest gaan verzoeken onmiddellijk te komen. Toen zij kort daarop de deur hoorde
+ openen, daalde zij de trappen af, vertelde aan hare buurvrouw hoe Damhout met eene
+ dreigende ziekte was naar huis gekomen, en verzocht haar bij zijn bed te waken,
+ totdat zij den dokter zou hebben kunnen gaan verwittigen.</p>
+ <p>Bij geluk vond vrouw Damhout den dokter te huis en gereed om uit te gaan. Hare
+ gebeden waren er niet noodig om hem tot een spoedig bezoek aan te sporen. Uit hare
+ verklarigen oordeelde hij, dat hij hier waarschijnlijk met eene geweldige
+ <i>pleuris</i> zo<!-- Page 72 -->u te doen hebben, en zulke kwaal is dikwijls
+ doodelijk, indien men ze niet onmiddellijk bestrijdt.</p>
+ <p>Zijn voorgevoel was gegrond; bij het bed van den zieke erkende hij eene
+ borstvliesontsteking, en gevolglijk was het eerste wat hij deed, den zieke de ader te
+ openen en hem zoolang bloed af te trekken, totdat hij in bezwijming viel.</p>
+ <p>Bij het gezicht van het bloed haars echtgenoots kon vrouw Damhout hare smart niet
+ meer bedwingen; zij borst in eenen tranenvloed los en bleef met de handen voor de
+ oogen weenen, terwijl bazin Wildenslag den dokter in zijn werk behulpzaam was.</p>
+ <p>Toen de geneesheer bemerkte dat de zieke tot zich zelven kwam, schreef hij een
+ briefje voor een fleschje en zeide:</p>
+ <p>"Men hale dit bij den apotheker, en geve er den lijder elk uur eenen koffielepel
+ van. Gij moogt zoo niet wanhopen, vrouw; de kwaal is wel erg, wanneer men er niet
+ intijds bij is, maar gij hebt wel gedaan mij seffens te komen roepen. Nu ben ik
+ schier zeker, dat ik uwen man geheel zal genezen; maar het kan nog weken duren,
+ vooraleer hij geheel hersteld zij. Hij zal nu waarschijnlijk lust hebben om te
+ slapen; stoor hem niet en spreek hem niet aan; hij heeft rust noodig. Gaat beiden
+ beneden; gij zult wel hooren wanneer hij iets verlangt. Bovenal, dat men hem geen het
+ minste voedsel geve of late nemen. Het zou hem doodelijk kunnen worden."</p>
+ <p>En met de vrouwen beneden gekomen, zeide hij nog, terwijl hij het huis
+ uitstapte:</p>
+ <p>"Hebt goeden moed; dezen avond zal ik wederkeeren om te zien, hoe het met onzen
+ zieke gaat."</p>
+ <p>Bazin Damhout liet zich op eenen stoel vallen en <!-- Page 73 -->begon nog
+ overvloediger te weenen. Uit hare verschrikte snikken kon men slechts nu en dan de
+ woorden: "mijn ongelukkige man! mijne arme kinderen!" verstaan.</p>
+ <p>Hare buurvrouw poogde haar te troosten en moed te geven. Of zij daarin gelukte en
+ of de bewustheid van haren plicht als echtgenoote en moeder de arme bazin Damhout
+ eenige kracht terugschonk, althans de tranen dezer laatste hielden op van
+ vlieten.</p>
+ <p>"Ja, Lina," zeide zij, "gij hebt gelijk: ik moet het hoofd recht houden, alhoewel
+ ik verga van droefheid en van angst. Ik ben alleen voor alles. Ach, mijn arme Bavo!
+ hoe zal ik hem zeggen, dat men zijnen vader al zijn bloed heeft afgetapt? Maar ik mag
+ zoo niet spreken. Ik zal pogen het hem te verbergen. Daar is het briefje, Lina; ik
+ kan mijnen zieken man niet verlaten. Zoudt gij de goedheid hebben, eens om het
+ fleschje te gaan?"</p>
+ <p>"Welke vraag?" antwoordde vrouw Wildenslag. "Zeker, men gromt en scheldt reeds ten
+ mijnent, omdat ik weg ben; maar om u dienst te bewijzen, zou ik al wel ergere dingen
+ willen uitstaan. Zoo alleen kunt gij niet blijven; ik zal u iemand zenden, die u
+ misschien eene betere hulp zal zijn dan eene betaalde dienstmeid."</p>
+ <p>Bazin Damhout, nu alleen zijnde, stilde haar klein meisje door troostende woorden,
+ luisterde met kloppend hart aan de trap en klom zelfs eens naar boven om haren angst
+ bevrediging te geven. Zij hoorde haren man ademhalen, zij maakte met inzicht eenig
+ gerucht; maar de zieke verroerde niet en scheen te slapen.</p>
+ <p>Dit gaf haar eenigen moed; zij daalde weder in de <!-- Page 74 -->benedenkamer,
+ zette zich op eenen stoel, vouwde de handen te zamen en begon met de oogen ten hemel
+ te bidden.</p>
+ <p>Daar trad Godelieve met het fleschje van den apotheker in de kamer. Zij zette het
+ op de tafel, naderde tot vrouw Damhout, omhelsde haar teederlijk en begon in stilte
+ op hare borst te weenen.</p>
+ <p>Het liefderijk medelijden van het meisje ontrukte vrouw Damhout nieuwe tranen;
+ maar nadat zij met Godelieve het ongeval van haren man gedurende eenigen tijd had
+ beklaagd, werd zij zich zelve meester en vroeg op treurigen toon:</p>
+ <p>"Lieveken, waart gij dan niet op uwen winkel, dat gij om het fleschken zijt
+ gegaan?"</p>
+ <p>"Mijne moeder is om het fleschken geweest," was het antwoord. "Zij is op onzen
+ winkel gekomen en heeft met de juffrouw gesproken. Ik mag te huis blijven zoolang ik
+ wil, al ware het gedurende vele dagen."</p>
+ <p>"Waarom te huis blijven?" murmelde vrouw Damhout, die de waarheid begon te
+ vermoeden.</p>
+ <p>"Gij zijt zoo alleen! Om u te helpen baas Damhout op te passen en om uwe
+ boodschappen te doen."</p>
+ <p>"Neen, neen, kind, dit is te veel goedheid van uwe moeder en van u. Ik zal Bavo
+ van de school doen blijven. Gij moogt uwen leertijd zoo niet onderbreken, het zou u
+ groote schade kunnen zijn."</p>
+ <p>Het meisje voegde de beide handen smeekend te zamen en zeide:</p>
+ <p>"Gij waart altijd zoo goed en zoo vriendelijk voor mij; gij zijt de oorzaak, dat
+ ik heb mogen leeren. O, ik bid u, weiger mijnen kleinen dienst niet! Ik heb
+ <!-- Page 75 -->verlof van mijne moeder en van mijne meesteresse, om met u te blijven
+ zoolang ik u nuttig kan zijn. Laat Bavo op zijne school; anders zou hij geene prijzen
+ kunnen behalen. Het ware voor hem, voor u en voor zijnen zieken vader een nieuw en
+ groot verdriet."</p>
+ <p>En zonder een antwoord af te wachten, schikte zij de stoelen, die in wanorde
+ geraakt waren, en greep eenen bezem om de kamer te keeren.</p>
+ <p>Vrouw Damhout aanschouwde haar eene wijl met kloppend hart, ging tot haar,
+ omhelsde haar en murmelde:</p>
+ <p>"Welnu, mijn goed Lieveken, ik aanvaard uwe hulp voor een paar dagen, totdat mijn
+ man een beetje zij bekomen. Daarvoor zal God u zegenen, dat gij zoo dienstwillig
+ zijt!"</p>
+ <p>Des avonds, als Bavo en zijne zuster Amelia te huis kwamen, zeide men hun, dat
+ vader de koorts had, en men zijne rust niet mocht storen. De jongen zag wel aan de
+ treurigheid zijner moeder en aan het droeve zwijgen van Lieveken, dat de ziekte zijns
+ vaders ernstig was. Hij vergoot stille tranen, totdat de dokter, die nu was gekomen
+ om den kranke nog eens te bezoeken, van de trap daalde en op blijden toon zeide:</p>
+ <p>"Wees gerust, vrouw, de ziekte zal geene erge gevolgen hebben; maar voor alsnu nog
+ geen het minste voedsel en de volledigste rust. Ween niet, mijn brave jongen, uw
+ vader zal genezen, twijfel daar niet aan."</p>
+ <p>Deze stellige verzekering gaf hun allen moed en hoop; en van dan af waren hun
+ verdriet en angst veel verminderd.</p>
+ <p>Bavo en zijne kleine zuster gingen naar de school, <!-- Page 76 -->als te voren.
+ Lieveken werkte als eene ware dienstmeid; van den vroegen morgen verscheen zij ten
+ huize van bazin Damhout, keerde en schikte de kamer, ging om water, kookte de koffie
+ en deed alle boodschappen op zulke wijze, dat moeder Damhout de uren, welke zij niet
+ bij het bed van haren man doorbracht, kon toewijden aan haar naaiwerk, het eenige
+ middel om wat geld te winnen voor het huishouden.</p>
+ <p>In dien zin bovenal was de tegenwoordigheid van Lieveken eene weldaad voor de
+ Damhouts; want ondanks het naailoon, was er veel te kort, en worstelde de arme
+ Christina tegen eenen klimmenden nood. De ziekte van haren man dwong haar tot vele
+ buitengewone uitgaven; zij had zelfs in 't geheim reeds hare oorringen en andere
+ kleine juweelen verpand. Wat ware het dan niet geweest, indien de tijd tot werken
+ haar volstrekt hadde ontbroken?</p>
+ <p>Godelieve gevoelde wel, hoe zij zich het nuttigst maken kon. Zij ijverde met eene
+ wonderbare aanhoudendheid om vrouw Damhout allen huisarbeid te sparen, en wanneer zij
+ zelve niets meer te doen wist, greep zij naald en garen en naaide mede aan het
+ grofste lijnwaad.</p>
+ <p>Op eenige dagen tijds was Adriaan Damhout zichtbaar aan het beteren; maar zijne
+ herstelling vorderde zeer langzaam. Inderdaad, de dokter had hem na den eersten dag
+ nog tweemaal bloed afgetrokken. Daarbij had hij hem het gebruik van alle voedsel
+ verboden. Geen wonder dus, dat de arme man welhaast zoo mager was als een geraamte,
+ en ofschoon gezond van harte misschien, zoo zwak, dat hij nauwelijks kon spreken.
+ Mogelijk ook dat zijne <!-- Page 77 -->ziekte voortduurde en zich slechts langzaam
+ liet overwinnen.</p>
+ <p>Zoohaast zijne beternis toeliet, dat men hem gezelschap hield, gingen vrouw
+ Damhout en Lieveken bij zijn bed zitten naaien, en dan gaven zij hem moed en
+ troostten hem door allerlei zoete woorden. Het was insgelijks bij het bed zijns
+ vaders dat Bavo een gedeelte van den avond doorbracht.</p>
+ <p>Er geschiedde iets zonderlings in den jongen. Hij was somber en zwaarmoedig; de
+ anderen, bij de zekerheid dat de zieke zou genezen, toonden vreugde en lachten betere
+ tijden tegen, maar Bavo's lippen bewogen nooit meer tot den minsten glimlach. Het
+ was, als drukte er iets op zijn hart.</p>
+ <p>Deze duistere gemoedsstemming werd inniger en vermeerderde tot eene soort van
+ geheime spijtigheid, wanneer zijne moeder, in stede van te gaan slapen, alleen bleef
+ zitten werken tot half in den nacht.</p>
+ <p>Zij zeide hem somwijlen, dat het niet anders kon zijn; dat, dewijl vader niet
+ arbeiden kon, zij moest pogen iets te verdienen om den bitteren tijd door te
+ worstelen.</p>
+ <p>De jongen antwoordde daar niet op, maar ging ontevreden en morrend naar zijn
+ bed.</p>
+ <p>Eenige dagen later had Bavo eensklaps zijne blijmoedigheid teruggevonden. Hij was
+ het nu die den anderen moed gaf en zich opgeruimd toonde. Vermits hij sedert eenige
+ dagen veel vroeger dan gewoonlijk zich naar de school begaf om er werkzaam te zijn,
+ vooronderstelde men, dat hij in de prijskampen op zijne school was gelukt, en hij
+ ontkende zulks niet. Ieder juichte dus met hem over zijne waarschijnlijke
+ zegepraal.</p>
+ <p><!-- Page 78 -->Nu Adriaan Damhout geheel buiten gevaar was geraakt, oordeelde de
+ dokter, dat het tijd was om zijne neergedrukte krachten allengs een beetje te
+ herstellen. Hij zeide dus op zekeren Maandag tot de vrouw, dat zij eene sterke soep
+ van ossenvleesch moest koken, en hem daarvan nu en dan een kopje moest te drinken
+ geven.</p>
+ <p>Groot was de verlegenheid en het verdriet van bazin Damhout. Zij was reeds twee
+ weken huishuur ten achter; haar laatste weekloon had zij den bakker geheel gegeven,
+ om nog wat brood op borg te bekomen. Niets was er in huis, dat waarde genoeg had om
+ tot pand tegen geld te worden aanvaard. Nu moest er vleesch zijn: goed ossenvleesch
+ om haren zieken man een beetje te versterken. Hoe zou zij dit vleesch bekomen zonder
+ geld? Zij dacht aan het bureel van weldadigheid, zij droomde van de menschlievendheid
+ van den eenen of anderen rijke in te roepen; maar deze middelen boezemden haar schrik
+ in; het gepeins alleen van eene aalmoes te gaan vragen, deed haar beven.</p>
+ <p>Onder hare angstige bewegingen opende zij werktuigelijk de kleine lade der kas,
+ waar zij haar geld in legde, wanneer zij geld had. Een schreeuw van verrassing
+ ontsnapte haar. De lade was ledig sedert meer dan vijftien dagen ... en daar blonk
+ haar nu eensklaps een glinsterend vijffrankstuk in de oogen!</p>
+ <p>Hoe kwam dat muntstuk daar? Was het God zelf, die medelijden had gehad met haren
+ nood? Maar neen, hier kon geen wonderwerk in het spel zijn.&mdash;Lieveken? Maar
+ Lieveken had geen geld, en hare ouders vergingen schier van gebrek. Men kon het
+ <!-- Page 79 -->zien op hunne bleeke aangezichten en holle wangen, dat de honger hun
+ ingewand verteerde. Daarenboven, Lina Wildenslag verborg het niet, dat zij soms
+ geheele dagen zonder eten waren; en bazin Damhout, hoe arm ook, had haar met eenige
+ stuivers te gelijk het weekloon van Lieveken doen aanvaarden. Zeker, Lina hadde in
+ elk ander geval deze teruggaaf geweigerd; maar nu zeide zij zelve, met de tranen in
+ de oogen, dat de ellende haar dwong te vergeten, dat zij een hart had.</p>
+ <p>Van waar kon toch dit vijffrankstuk komen?</p>
+ <p>Die onoplosbare vraag maakte het hoofd der verbaasde vrouw duizelig, en zij bleef
+ de onverwachte hulp lang bestaren. Dan eindelijk zeide zij in zich zelve:</p>
+ <p>"Wie ook onze onbekende beschermer zij, dat God hem zegene! Ho, welke sterke,
+ goede soep zal ik gaan maken! En kan iets mijnen armen man genezen, dan zal het zeker
+ de weldaad zijn, die ons zoo geheimzinnig en zoo edelmoedig wordt bewezen!"</p>
+ <p>Eenigen tijd daarna stond de soep op de kachel te koken; het gansche huis was
+ vervuld met eenen verkwikkenden geur, en de verhongerde zieke lag in zijn bed te
+ juichen over het beloofde voedsel, dat hem zoo bekorend werd aangekondigd.</p>
+ <p>Vrouw Damhout verborg noch voor haren man noch voor Lieveken, dat zij, als ware
+ het uit den hemel gedaald, in hare kas een vijffrankstuk had gevonden, hetwelk er wel
+ zeker nooit in gelegen had. Zij was immer vervolgd door het tergend raadsel, van waar
+ dit geld mocht komen, en sprak er den ganschen avond van; niemand wist haar iets te
+ zeggen, dat haar tot de ontdekking van den geheimen beschermer <!-- Page 80 -->kon
+ helpen. Bavo folterde insgelijks zich de hersens; maar zijne inspanning bleef even
+ vruchteloos.</p>
+ <p>In den loop dezer week waren er geruststellende tijdingen aangaande de Europeesche
+ staatsaangelegenheden gekomen; men zeide, dat de vrede niet zou gestoord worden, en
+ men kondigde aan, dat sommige fabrieken ten minste gedeeltelijk zouden beginnen te
+ werken.</p>
+ <p>Den volgenden Zondag, zeer vroeg, terwijl Bavo naar de eerste mis was gegaan,
+ meende Bazin Damhout eenige centen uit de kas te nemen om koffie te halen. Daar zag
+ zij, nevens een geplaatst en als ten toon gespreid, vier enkele franken in een hoekje
+ liggen.</p>
+ <p>Nu was hare verbazing zonder palen; zij bleef eene wijl verblijd het geld bezien,
+ sloot de kas en stapte langzaam en het hoofd schuddend, ter deur uit.</p>
+ <p>In den winkel, terwijl men haar de koffie geriefde, zeide haar de vrouw:</p>
+ <p>"Erge tijden, niet waar, bazin Damhout? Hopen wij, mensch lief, dat het haast zal
+ beteren. Men zegt, dat er goed nieuws is van Parijs en dat het geen oorlog zal
+ worden. Uw man is toch aan de betere hand; God zij geloofd, hij zal genezen zijn
+ tegen dat er weder werk is. Ik beklaag u echter voor &eacute;&eacute;n ding; het is,
+ dat de nood u verplicht heeft uwen Bavo van de school te trekken v&oacute;&oacute;r
+ de prijsuitdeeling. Het is spijt: de jongen hadde groote eer behaald."</p>
+ <p>"Gij bedriegt u, onze Bavo gaat nog altijd naar de school," was het antwoord.</p>
+ <p>"In het geheel niet: hij heeft sedert meer dan twee weken de school verlaten."</p>
+ <p>"<!-- Page 81 -->Maar gij dwaalt; het is niet mogelijk!" kreet bazin Damhout met
+ groote verwondering.</p>
+ <p>"Hoe? Blijft hij van de school zonder uwe kennis!" zeide de winkelierster. "Ik
+ weet het van eenen ondermeester, die gisteren bij mijnen broeder, den kleermaker, op
+ den winkel was. Sedert vijftien dagen heeft men uwen Bavo op zijne school met geene
+ oogen meer gezien. Die jongens, die jongens, al deed men ze eenen toom aan, ze zouden
+ nog uit het goede spoor loopen!"</p>
+ <p>Vrouw Damhout verliet den winkel; haar hart was verbrijzeld, en zij moest geweld
+ doen om de tranen te bedwingen, die opweiden uit haren verkropten boezem. Bavo had
+ sedert zoolang zijne school verlaten, zonder dat zijne ouders het wisten! Was de arme
+ jongen in slecht gezelschap geraakt? Bewandelde hij eenen doolweg, die hem tot kwaad
+ en ondeugd zou leiden? Maar het scheen haar onmogelijk. Welk geheim lag er dan onder
+ het onuitlegbaar gedrag van haar kind verborgen? Zou een tweede ongeluk haar treffen?
+ Zou het onderwijs in hem zulke slechte vruchten hebben voortgebracht? Welke
+ onttoovering! Welke zware verantwoordelijkheid voor haar jegens haren man!</p>
+ <p>Terwijl zij dus onder den pijnlijken twijfel morde en zuchtte, kwam Lieveken
+ binnen.</p>
+ <p>De moeder gevoelde, dat zij haren zoon niet in tegenwoordigheid van dit meisje
+ mocht beschuldigen; zij wilde insgelijks haren man niet verontrusten, vooraleer door
+ Bavo zelf de verklaring van zijn gedrag te hebben bekomen.</p>
+ <p>Lieveken bemerkte wel, dat bazin Damhout ontsteld en treurig was; toen zij echter
+ vernam, dat het <!-- Page 82 -->met den zieke nog altijd wel ging, wist zij niet meer
+ wat te denken, en dorst niet verder aandringen.</p>
+ <p>Hetzelfde gebeurde met Bavo, die, uit de kerk te huis komende, iets vreemds in den
+ blik zijner moeder vond en van haar wilde weten, wat haar bedroefde of ontroerde.</p>
+ <p>De bekommerde en angstvolle vrouw gaf niets dan ontwijkende antwoorden, totdat
+ Lieveken het huis had verlaten om op hare beurt ter kerke te gaan. Dan greep zij met
+ plechtigen en strengen oogopslag de hand haars zoons, leidde hem tot in eenen hoek
+ der kamer, verre van de trap, en vroeg hem met bevende stem:</p>
+ <p>"Bavo, is het waar, dat gij sedert veertien dagen niet meer naar school zijt
+ geweest?"</p>
+ <p>De jongen werd rood tot achter de ooren en boog het hoofd.</p>
+ <p>"Spreek, Bavo, laat mij niet in den pijnlijken twijfel. Is het waar?"</p>
+ <p>"Het is waar, moeder lief," was het antwoord.</p>
+ <p>"Ongelukkige jongen!" kreet de vrouw. "gij hebt sedert twee weken uwe school
+ verlaten? Ik beef, ik durf u niet vragen in welk gezelschap gij dien tijd hebt
+ doorgebracht. Ach, Bavo, ik, die geloofde, dat gij uwe arme moeder bemindet! Mijn
+ God, ik moet het toch weten, hoe schrikkelijk het zij. Zeg, zeg, mijn zoon, wat hebt
+ gij gedaan gedurende al dien tijd?"</p>
+ <p>Bavo zag haar diep in de oogen en antwoordde met eene soort van stille
+ fierheid:</p>
+ <p>"Moeder, ik werk op eene fabriek."</p>
+ <p>"Gij werkt op eene fabriek!"</p>
+ <p>"Op eene fabriek van <i>bougies</i>, sedert vijftien dagen."</p>
+ <p><!-- Page 83 -->Dan schoot er eene plotselijke klaarheid in den geest van bazin
+ Damhout: hare oogen begonnen van bedwongen geestdrift te fonkelen. Met den bevenden
+ vinger op de kas gericht, vroeg zij:</p>
+ <p>"Dat geld, dat vijffrankstuk, die vier franken?"</p>
+ <p>"Het is mijn weekloon, moeder lief," stamelde hij.</p>
+ <p>Met eenen schreeuw van koortsige blijdschap sloeg Christina de armen om den hals
+ haars zoons, sloot hem op haar hart en bevochtigde zijn hoofd met hare tranen.</p>
+ <p>De jongen poogde haar te doen begrijpen, dat hij dien hoogen lof niet verdiende en
+ niets gedaan had dan zijnen plicht. Wat hij betreurde, was alleenlijk, dat hij geen
+ middel had weten te vinden om meer te winnen en zijne arme moeder het nachtelijk
+ werken te sparen.</p>
+ <p>Toen de ontsteltenis der vrouw een weinig was bedaard, trok zij haren zoon op
+ eenen stoel nevens zich en vroeg hem de nadere uitlegging van zijn gedrag.</p>
+ <p>"Ik zag u en Godelieve altijd, altijd arbeiden," antwoordde hij. "Wanneer ik, na
+ tot middernacht met u gewaakt te hebben, slapen ging, bleeft gij nog zitten met het
+ naaiwerk op den schoot. Mijn vader was ziek; er was nood in huis. Ik alleen deed
+ niets om u te helpen. Mijn geweten knaagde, mijn hart verweet mij mijne laffe
+ werkeloosheid. Na eenige dagen van schaamte en wanhoop ging ik tot den
+ hoofdonderwijzer, mijnen meester, en zeide hem, zonder iets te verzwijgen, wat er in
+ ons huis geschiedde, en hoe ik besloten had de school te verlaten om eenig werk te
+ zoeken en z&oacute;&oacute; ten minste mijnen zieken vader en mijne goede moeder in
+ hunne ellende bij te <!-- Page 84 -->staan. Ik zeide hem insgelijks, dat ik mijn
+ besluit gedurende eenigen tijd voor u zou verborgen houden, dewijl ik overtuigd was,
+ dat gij mij anders zoudt beletten het uit te voeren. Ik meende, dat hij mijn
+ voornemen zou afkeuren; maar neen, hij drukte mij de handen, en prees zeer hoog wat
+ hij mijnen moed en mijn plichtgevoel noemde. Toen hij verstond, dat ik niet wist waar
+ het gewenschte werk te vinden, beloofde hij mij, zelf eenigen zijner bekenden
+ daarover te spreken; en reeds des namiddags had hij mij eene plaats gevonden op eene
+ fabriek van waskaarsen, die men <i>bougies</i> noemt. Daar had ik niets anders te
+ doen dan de kaarsen in pakjes te binden en in houten kassen te schikken; en eindelijk
+ eenige letters en nummers op de kassen te schilderen. Ik won zestig centiemen daags
+ en kreeg op 't einde der week nog eenig drinkgeld, omdat men tevreden was over mijn
+ werk. O, moeder, het vijffrankstuk, eerste vrucht van mijnen arbeid, heeft mij zoo
+ gelukkig gemaakt! Het moest u helpen en u troosten in uwen nood. Ha, gij hebt het
+ niet bemerkt, maar toen ik mijnen armen vader de sterke soep lachend zag genieten en
+ hem hoorde zeggen, dat hij daardoor onfeilbaar zou genezen, dan ben ik beneden
+ gegaan, en ik ben mij op 't einde der steeg achter den blinden muur gaan verbergen,
+ om daar door eenen tranenvloed mijn hart van de overmatige blijdschap te ontlasten.
+ Het eerste geld, dat ik met werken had gewonnen, zou mijnen vader de gezondheid
+ helpen teruggeven! Ik bezweek schier van geluk bij die gedachte.... Prijs mij dus
+ niet, moeder lief, ik ben genoeg beloond geworden...."</p>
+ <p>Met eenen gil van bewondering sprong de ontstelde <!-- Page 85 -->vrouw recht en
+ liep naar boven, zonder acht te geven op de smeeking van haren zoon, die de handen
+ ophief om haar te wederhouden.</p>
+ <p>Niet lang daarna klonk de stem van den zieken Damhout met groote kracht tot
+ beneden de trap:</p>
+ <p>"Bavo, Bavo!" kreet hij. "Kom, kom!"</p>
+ <p>De jongen kon den roep zijns vaders niet wederstaan; hij klom aarzelend naar
+ boven, en dewijl hij daar twee bevende armen tot zich uitgestrekt zag, omhelsde hij
+ zijnen zieken vader met blijde uitstortingen des harten.</p>
+ <p>Damhout dankte en loofde zijnen zoon voor zijne schoone en moedige daad; uit zijne
+ woorden bleek, dat zijne grootste vreugde daarin bestond, dat Bavo uit eigene
+ beweging werkman was geworden. Hij drukte eindelijk toch eenige spijt uit, omdat zijn
+ zoon op eene fabriek van bougies arbeidde; hem scheen het, dat dit niet juist het
+ beste vak was.</p>
+ <p>Op deze bemerking antwoordde de jongen, dat hij door tusschenkomst van den
+ hoofdonderwijzer werk had gekregen op de katoenspinnerij van M. Verbeeck. Hij zou
+ daar gedurende eenigen tijd katoen uitpluizen en in soorten schikken, dan aan den
+ eersten <i>duivel</i> staan, en zoo voorts in het vak zich oefenen en allengs
+ vervorderen. De fabriek van M. Verbeeck ging binnen vijf dagen geopend worden.</p>
+ <p>Dit vervulde vader Damhout met nieuwe en groote blijdschap; want dit was inderdaad
+ de baan, langs waar men met verstand en vlijt het verste op eene katoenfabriek kon
+ geraken. Bavo zou eens meesterknecht worden, daaraan twijfelde de gelukkige vader
+ niet meer.</p>
+ <p>Toen men genoeg bedaard was geworden om over <!-- Page 86 -->min ontroerende
+ dingen te spreken, besliste men, dat van morgen af Godelieve terug naar haren winkel
+ zou gaan. Inderdaad, Damhout behoefde geene onophoudende bewaking meer; hij zou dien
+ dag zelven reeds gedurende eenigen tijd uit zijn bed komen. Met de vier of vijf
+ franken per week, welke Bavo nu won, werd het mogelijk betere tijden af te
+ wachten.</p>
+ <p>In den namiddag, toen Bavo beneden bezig was met Lieveken in een boek iets te
+ wijzen of te leeren, ging vrouw Damhout naar boven, zette zich nevens het bed van
+ haren man en vroeg hem op zegevierenden toon:</p>
+ <p>"Welnu, Damhout, gelooft gij nog, dat het onderwijs een werkmanskind tot hoogmoed
+ en luiaardij verleidt? Welke kinderen, in geheel onze stege, zijn zoo beminnend, zoo
+ verstandig en zoo deugdzaam als Bavo en Lieveken? Het is alleenlijk, omdat zij
+ geleerd zijn en weten wat goed en wat kwaad is."</p>
+ <p>Onder den slag eener bijzondere ontroering bevochtigden zich de oogen des
+ werkmans; hij greep de hand zijner vrouw en zeide:</p>
+ <p>"Neen, neen, Christina, dit alleen is de oorzaak hunner schoone inborst niet. Het
+ is uw hart, uw goed en edel hart, dat klopt in hunnen boezem. Eene moeder als gij is
+ de zegen Gods in een huishouden!..."</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="VII" name='VII'></a>
+ <h2><!-- Page 87 -->VII</h2>
+ <br />
+
+ <p>Met het begin der volgende week werden er inderdaad een zeker getal fabrieken
+ geopend; maar, in afwachting van stellige tijdingen aangaande den Europeeschen vrede,
+ lieten zij slechts een beperkt getal werklieden toe.</p>
+ <p>Bavo arbeidde op de spinnerij van M. Verbeeck. Hij droeg nu zijne slechte
+ kleederen, en, dewijl hij door den aard van zijn werk altijd met vlokken katoen als
+ met een spinneweb was overdekt, zag hij er op verre na zoo zindelijk niet meer uit
+ als te voren. Dit gaf Godelieve, als zij des avonds van haren winkel kwam, dikwijls
+ stof tot lachen, en zij noemde den jongen schertsend <i>de katoenvogel</i>; maar hij,
+ in stede van daarover spijtig te worden, was altijd ten uiterste blijmoedig en scheen
+ trotsch door de overtuiging, dat hij nu tot iets nuttig geworden was en zijne ouders
+ mocht behulpzaam zijn.</p>
+ <p>Ondanks den nood en de trage herstelling van vader Damhout, was elkeen in dit
+ huishouden gelukkig. Bovenal was het hart der moeder met een gevoel van hoogmoed en
+ van zaligheid vervuld. Soms kon zij des avonds uren lang in stilte haren zoon
+ bestaren, <!-- Page 88 -->terwijl hij, ofschoon vermoeid van den arbeid, nog met
+ inspanning het hoofd over zijne boeken hield gebogen. Dan klopte haar hart, dan
+ glinsterden hare oogen, en de blik, dien zij dan bij wijlen ten hemel wierp, was wel
+ zeker een innig gebed van dankbaarheid.</p>
+ <p>Vader Wildenslag en zijne zonen, alhoewel zij, door den honger aangejaagd, van de
+ eene fabriek naar de andere liepen om arbeid te vinden, waren tot dan in hunne
+ pogingen niet gelukt. Zij hadden zich bij de laatste volksonlusten door hunne
+ hevigheid en hunne woestheid doen opmerken; en dewijl de fabrikanten nu slechts de
+ beste werklieden uitkozen, wilde geen hunner de gekende belhamels van den oploop
+ tegen de fabrieken in zijn gesticht toelaten.</p>
+ <p>Het schijnt, dat in Frankrijk de nijverheid spoediger en met meer kracht had
+ hernomen; want er kwamen alsdan te Gent eenige afgezondene personen, om goede
+ fabriekwerkers aan te werven voor de steden in het Noorderdepartement.</p>
+ <p>Wildenslag en zijne zonen aanvaardden met blijdschap deze gunstige gelegenheid om
+ zich uit den onverdraaglijken nood te redden, en namen gereedelijk de voorwaarden der
+ wervers aan. Men zou hunne reiskosten betalen en zij zouden in Frankrijk een veel
+ hooger dagloon dan in Belgi&euml; winnen.</p>
+ <p>Zeker, in andere omstandigheden zou de gedachte van hare geboortestad te verlaten,
+ vrouw Wildenslag verschrikt en bedroefd hebben; maar nu verblijdde haar deze reis als
+ een onverwacht geluk. Inderdaad, het was de verlossing uit den afgrond der bitterste
+ ellende. Daarenboven, zoohaast er weder overvloed van werk te Gent zou zijn, zouden
+ zij <!-- Page 89 -->terugkeeren. Hunne afwezigheid zou dienvolgens ten hoogste eenige
+ maanden duren.</p>
+ <p>Vrouw Wildenslag ging juichend en met groote blijdschap haar vertrek naar
+ Frankrijk in de gansche buurt aankondigen.</p>
+ <p>Toen zij in de woning der Damhouts kwam, was zij vergezeld door haren man, die nu
+ zijne luidruchtige welgemoedheid geheel had teruggevonden en roemde op het hooge
+ dagloon, dat men in Frankrijk genoot. D&aacute;&aacute;r, zeide hij, eet een werkman
+ tweemaal vleesch elken dag en drinkt er bier en somtijds wijn, evenals een rijk
+ mensch. Dat zou een pleizierig leven en een eeuwig <i>smeerken</i> zijn!</p>
+ <p>Bazin Damhout ontving deze tijding met treurnis. Het gepeins, dat Lieveken, hare
+ ouders zou volgen en zij het goede kind dus in langen tijd niet meer zou zien,
+ bedroefde haar; maar dewijl zij het vertrek der Wildenslags niet anders kon
+ beschouwen dan als eene zeer natuurlijke zaak en als een gelukkig middel voor hen, om
+ uit de lange ellende te worden verlost, deed zij geene de minste tegenwerping.
+ Alleenlijk beklaagde zij het, dat Godelieve nu den winkel zou moeten verlaten, waar
+ zij zoo wel was en op spoedige vervordering mocht hopen.</p>
+ <p>Moeder Wildenslag betreurde dit insgelijks; maar zij meende, dat het niet
+ onmogelijk zou zijn, in Frankrijk eenen anderen goeden winkel voor Lieveken te
+ vinden.</p>
+ <p>Hierop antwoordde Wildenslag:</p>
+ <p>"Ba, ba! met uwen winkel! Godelieve is nu sterk genoeg geworden. Als zij zal zien,
+ hoe hare broeders en zusters geld in overhoop winnen, zal zij van zelve op eene
+ fabriek willen werken."</p>
+ <p><!-- Page 90 -->Nadat hare buren waren weggegaan, overpeinsde vrouw Damhout zeer
+ lang de woorden van Wildenslag. Zij wist niet waarom de vrees, dat Lieveken op eene
+ fabriek kon gaan, haar ontstelde. Waarlijk, zij had voor het goede kind eene andere
+ toekomst gedroomd; maar werkte haar eigen zoon niet op eene fabriek? Het was toch
+ hetzelfde niet: Bavo kon meesterknecht worden.</p>
+ <p>Hare treurnis overwinnende, zeide zij zich zelve, dat moeder Wildenslag
+ waarschijnlijk wel zou zorgen, dat hare Godelieve in Frankrijk het ambacht van
+ kleermaakster voortleerde; de afwezigheid hunner buren zou niet langdurig zijn;
+ dewijl alles voorspelde, dat het werk in Gent ook spoedig zou hernemen. Daarenboven,
+ er was niets aan te doen. De Wildenslags hadden gelijk, het redmiddel, dat hun
+ aangeboden werd, met blijdschap te aanvaarden.</p>
+ <p>Toen Bavo des avonds te huis kwam, zeide zijne moeder hem, dat de Wildenslags
+ besloten hadden overmorgen, met het krieken van den dag, naar Frankrijk te
+ vertrekken. Zij zouden dus onmiddellijk uit hunne bittere armoede gered zijn; want
+ men had hun een buitengewoon hoog dagloon verzekerd. Lieveken zou natuurlijk hare
+ ouders volgen; maar zoohaast er weder veel werk in Gent was, zouden zij
+ terugkomen.</p>
+ <p>Deze tijding trof Bavo op eene zonderlinge wijze; hij boog het hoofd, zag
+ sprakeloos ten gronde en antwoordde zelfs niet, toen zijne moeder hem vroeg waarom
+ iets, dat zeker een geluk was voor de ouders van Lieveken, hem scheen te bedroeven.
+ Eindelijk, als ware er nu eerst een duidelijk besef der zaak in
+ <!-- Page 91 -->zijnen geest ontstaan, zeide hij op den toon van onderwerping:</p>
+ <p>"Inderdaad, moeder, zij zullen dan toch uit den pijnlijken nood verlost zijn. Ik
+ was zoo gewend, Lieveken des avonds hier te vinden. Nu zal ik alleen, altijd alleen
+ met u zijn; maar ik ben geen kind meer.... Als Lieveken slechts welvaart en gelukkig
+ is in Frankrijk, zal ik mij over hare afwezigheid niet te veel bedroeven. Gij hebt
+ gelijk, moeder, de mensch moet zich sterk houden tegen het lot. Daarenboven, wie weet
+ of onze geburen niet reeds binnen eenige maanden wederkeeren?"</p>
+ <p>De moed en de verduldigheid, waarmede haar zoon deze tijding had ontvangen,
+ verwonderden en verblijdden vrouw Damhout. Zij begreep niet, dat hare moeite om hem
+ de tijding onder een gunstig daglicht te doen aanschouwen, voor een oogenblik zijn
+ gevoel en zijne rede had in twijfel gebracht.</p>
+ <p>Maar zij moest weldra erkennen, dat zij zich had bedrogen; want Bavo liet zich bij
+ de tafel op eenen stoel zakken, bleef lang met starende oogen in diepe overweging
+ verzonken, en slaakte van tijd tot tijd eenen hollen zucht, als beklemde een zwaar
+ gewicht zijne borst.</p>
+ <p>Het was reeds laat, toen Lieveken met het voorschoot voor de oogen in de kamer
+ verscheen, en onder luide snikken over haar vertrek naar Frankrijk begon te
+ kermen.</p>
+ <p>Bavo, alhoewel hij zelf geweld deed om niet onder zijn verdriet te bezwijken,
+ poogde het bedrukte meisje te troosten. Vrouw Damhout en haar man voegden hunne
+ woorden bij de zijne; maar Godelieve scheen ontroostbaar in hare diepe smart.</p>
+ <p><!-- Page 92 -->Toen eindelijk het meisje tusschen hare snikken eenige duidelijke
+ klachten kon voortbrengen, zeide zij, waarom dit vertrek als een wreed ongeluk haar
+ verschrikte en haar zoo diep bedroefde. Zij herinnerde zich de eindelooze goedheid
+ van vrouw Damhout voor haar, de onverdiende vriendschap, die Bavo gedurende geheel
+ haar leven haar had gegund, en zij sprak van weldaden, van edelmoedigheid en
+ medelijden voor een arm verstooten kind; zij noemde bazin Damhout hare goede moeder
+ en Bavo haren leermeester en haren broeder. Dit alles ging zij verliezen. De wereld
+ zou eene woestijn voor haar worden, al wat zij meest had bemind, ging zij verlaten,
+ misschien voor altijd.</p>
+ <p>Het meisje had zulke gevoelige, zulke zoete, teedere woorden; de liefde haars
+ harten voor hare weldoeners stortte zich zoo onbewimpeld en zoo vurig uit, dat zij
+ iedereen tot in de ziel ontroerde.</p>
+ <p>Vrouw Damhout sloot het dankbare kind tegen hare borst, en deed geweld om door
+ bewijzen van innige dankbaarheid haar te troosten.</p>
+ <p>Bavo lag met het hoofd op de tafel en weende; zijne droefheid was stom; geene
+ klacht ontsnapte zijnen boezem; want hij wist wel, dat hier niet tegen de wreede
+ uitspraak van het lot kon geworsteld worden.</p>
+ <p>Zoo bleven dien avond in de woning van Damhout bittere, hopelooze tranen vlieten,
+ totdat moeder Wildenslag hare Godelieve kwam roepen en ze mede naar huis nam.</p>
+ <br />
+
+ <div class="center">
+ <img src='images/093.png' width='600' alt='Grepen elkander de handen.'
+ title='Grepen elkander de handen.' /><br />
+ <br />
+ <i>Grepen elkander de handen.</i>
+ </div>
+ <p>Den volgenden dag ging het wat beter. Uitgeput van weenen, getroost en versterkt
+ door de vriendelijke woorden van vrouw Damhout en van Bavo, had <!-- Page 94 -->
+ <!-- Page 93 --><!-- Page 95 -->Lieveken de zaak allengs met meer verduldigheid
+ beginnen in te zien. De vaste hoop, dat zij welhaast met hare ouders naar Gent zou
+ wederkeeren, had een weldadig licht in hare droefheid geschoten, en zij insgelijks
+ scheen het vertrek, als zijnde toch een geluk voor hare ouders, met onderwerping te
+ aanvaarden....</p>
+ <p>Toen de Wildenslags, ouders en kinderen, elk met een pak aan de hand,
+ v&oacute;&oacute;r den dageraad de stege verlieten, om de reis naar Frankrijk te
+ beginnen, waren zij door Bavo vergezeld.</p>
+ <p>De jongen stapte nevens Lieveken en droeg haar pak. Zij weenden niet en spraken
+ weinig. Hunne harten waren beklemd. Wat zij zeiden, waren woorden van wederzijdsche
+ vertroosting; want zij hadden beiden het gevoel, dat deze scheiding, hoe kort ook,
+ hun pijnlijk zou zijn; en zij maanden in hunne eenvoudigheid elkander aan, om niet te
+ veel te denken aan al het zoet vermaak en aan het stil geluk, dat zij gedurende hunne
+ schoone kindsheid te zamen hadden genoten.</p>
+ <p>Zoo kwam men buiten de poort, en dewijl het tijd was voor Bavo om naar zijne
+ fabriek te gaan, kon hij onmogelijk de Wildenslags langer vergezellen.</p>
+ <p>Bavo en Lieveken, als door eene zelfde beweging gedreven, grepen elkander de
+ handen, wisselden eenen diepen blik, waarvan zij zelven de beteekenis niet begrepen
+ en murmelden met versmachte stemme:</p>
+ <p>"Vaarwel, Bavo! Vaarwel, Lieveken. Tot wederziens!"</p>
+ <p>Tranen ontsprongen hunnen oogen; maar het meisje, zich voelende bezwijken, slaakte
+ eenen grievenden kreet en liep tot hare ouders, die reeds in de baan vooruit
+ waren.</p>
+ <p><!-- Page 96 -->De jongen bleef roerloos; hij zag hoe het arme Lieveken met
+ hangend hoofd en wankelende stappen achter moeder voortsukkelde. Hij wenschte en
+ hoopte, dat zij nog eens het gezicht tot hem zou keeren; maar daar bereikten zij den
+ draai der baan, en allen verdwenen zij voor de oogen van Bavo.</p>
+ <p>Dan werd het hem, als hadde men met geweld iets uit zijn hart gerukt. Hem
+ verbaasde de akelige ledigheid, die eensklaps in hem en rondom hem was ontstaan, en
+ hij schudde twijfelend het hoofd, als vroege hij zich zelven het raadselwoord der
+ duizeligheid zijner zinnen.</p>
+ <p>Dubbend, morrend en diep bedrukt, keerde hij stedewaarts en begaf zich naar zijne
+ fabriek. Het beeld van Lieveken vervolgde hem overal; in het katoen, dat hij
+ uitpluizen en schikken moest, vormde zich de gedaante der betreurde speelgenoote, nu
+ met den onbegrijpelijken blik in de oogen, dan met hangend hoofd de droeve rust
+ beginnende. Het woord "vaarwel!" klonk hem van alle kanten uit de geruchten der
+ fabriek in de ooren. Maar de arbeid is een machtige trooster des harten, en hij leent
+ den mensch eene wonderbare sterkte tegen de denkbeelden, die hem overheerschen.
+ V&oacute;&oacute;r het einde van den eersten dag was de smart van Bavo reeds veel
+ verminderd, en alhoewel hij nog altijd aan Lieveken en aan haar vertrek bleef
+ mijmeren, kwam er meer verduldigheid en rust in zijn hart.</p>
+ <p>Des avonds, als hij te huis kwam van zijne fabriek, nam hij als te voren zijne
+ boeken, maar dan geviel het dikwijls, dat hij, zonder het te weten, eensklaps het
+ hoofd verhief en rondkeek, als zocht hij iemand met de oogen; somtijds stond hij op
+ en ging naar de <!-- Page 97 -->deur bij het minste gerucht. Er ontbrak hem iets; en
+ alhoewel hij lachte met zijne eigene verstrooidheid, was zijne moeder bekommerd over
+ deze zonderlinge ontroeringen haars zoons.</p>
+ <p>Ook sprak zij weinig met hem over Godelieve; en wanneer hij haar dwong over de
+ afwezige vriendin te kouten, brak zij de samenspraak zoo kort mogelijk af. Hare
+ moederlijke liefde zeide haar, dat de diepe treurnis haars zoons geen voedsel mocht
+ geven, alhoewel zij even veel aan Lieveken dacht als hij zelf.</p>
+ <p>Er verliepen op deze wijze een paar weken. Bavo scheen zich in de afwezigheid van
+ Godelieve te hebben getroost, en, sprak hij nu nog van haar, het was met bedaardheid
+ en met rede.</p>
+ <p>Vader Damhout was schier geheel genezen. Hij had zich reeds naar de fabriek van
+ zijnen ouden meester, M. Raemdonck, begeven, om er te worden aangenomen. Nog eene
+ week en hij zou zijnen arbeid als spinner hernemen.</p>
+ <p>Op eenen middag kwam een onderwijzer der gemeenteschool in hun huis, om hen allen
+ in naam van den bestierder uit te noodigen tot de prijsuitdeeling, die op den
+ komenden Maandag was vastgesteld. Wel was het waar, dat Bavo, omdat hij de school
+ voor het einde der wedstrijden had verlaten, geen recht kon hebben op de gewone
+ prijzen, maar de onderwijzers hadden besloten, dat zijne vlijt, zijne vorderingen en
+ bovenal zijn schoon gedrag eene openbare belooning verdienden. Bavo zou dienvolgens
+ eenen buitengewonen prijs krijgen. Hij zelf en zijne ouders mochten niet nalaten de
+ plechtigheid der prijsuitdeeling bij te wonen. Zij zouden ongetwijfeld altezamen
+ verheugd en fier naar huis keeren.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="VIII" name='VIII'></a>
+ <h2><!-- Page 98 -->VIII</h2>
+ <br />
+
+ <p>De zaal, waar de prijsuitdeeling der gemeenteschool ging geschieden, was opgevuld
+ met volk, meest vaders en moeders van leerlingen, en dus zeer geringe burgers of
+ werklieden. Evenwel, vooraan bemerkte men ook wel eenige deftige dames en heeren,
+ die, door een edel gevoel ingesproken, de prijsuitdeeling der kostelooze
+ gemeenteschool door hunne tegenwoordigheid kwamen verheffen en opluisteren.</p>
+ <p>Adriaan Damhout met zijne vrouw Christina zat op de vijfde of zesde bank, te
+ midden van het publiek; hun zoon Bavo bevond zich tusschen de schoolkinderen op de
+ plaats, hem door de onderwijzers aangeduid.</p>
+ <p>Alles was gereed en de klokken der kerken hadden reeds sedert eene wijl het
+ bepaalde uur verkondigd, toen eensklaps de deur der zaal met eenig gerucht werd
+ geopend. De burgemeester van Gent, vergezeld door eenige schepenen en
+ gemeenteraadsheeren, trad binnen en stapte tot bij het tooneel, waar groote
+ leunstoelen voor de overheden waren geschikt.</p>
+ <p>Met blijde verrassing in de stem murmelde Adriaan Damhout aan het oor zijner
+ vrouw:</p>
+ <p>"Hebt gij niet gezien, Christina, dat mijnheer <!-- Page 99 -->Raemdonck met den
+ burgemeester is binnengekomen?"</p>
+ <p>"M. Raemdonck, de meester van uwe fabriek?"</p>
+ <p>"Ja, kijk, daar voor ons, op den tweeden zetel, naast den burgemeester, aan zijne
+ linkerzijde. Het is M. Raemdonck zelf."</p>
+ <p>"Het is te begrijpen, Adriaan, vermits mijnheer Raemdonck sedert een jaar in den
+ raad van de stad zit."</p>
+ <p>"Ja, en hij moet daar nog al veel bezigheden hebben; want nu bemoeit hij zich
+ zooveel niet meer met de fabriek; het is de oude meester-klerk, die schier alles
+ bestiert. Ha, ik weet niet, Christina, maar het verblijdt mij grootelijks, dat M.
+ Raemdonck hier tegenwoordig is."</p>
+ <p>"En mij verheugt het insgelijks, Adriaan. Nu zal uw meester kunnen zien, dat gij
+ een goed vader zijt en uwe kinderen hebt laten leeren...."</p>
+ <p>Hunne stille samenspraak werd onderbroken door den klank der bel, die het begin
+ der plechtigheid aankondigde.</p>
+ <p>Een der raadsheeren had de trede der verhevenheid beklommen en hield eene
+ openingsrede. Hij sprak over de noodzakelijkheid van het onderwijs voor alle standen
+ der samenleving, en spoorde bovenal de werklieden aan om hunne kinderen niet in de
+ onmacht en de slavernij der onwetendheid te laten. Zijne bondige rede eindigende,
+ zeide hij:</p>
+ <p>"Luistert, mijne vrienden, hoe een werkman als gij, een werkman van Brussel<a
+ href='#footnote1'>[1]</a>, tot zijne medegezellen spreekt.&mdash;Het onderwijs, zegt hij, is
+ heden <!-- Page 100 -->voor iedereen eene dringende noodzakelijkheid, tot welke
+ loopbaan of ambacht men ook zij bestemd. Niet geleerd zijn, wanneer de anderen
+ geleerdheid bezitten, stelt den mensch in eenen toestand van eeuwige minderheid. De
+ voordeelen van het onderwijs bestaan niet alleenlijk in te kunnen lezen, schrijven en
+ rekenen, maar het opent den geest, ontwikkelt het verstand en vormt de rede; het
+ leert opmerken en vergelijken; het geeft den mensch licht en sterkte om zijne
+ plichten te vervullen en zijne rechten te verdedigen. Gij weet het, gezellen, de
+ nijverheid vervormt zich onophoudend: alle dagen komen nieuwe verbeteringen tot
+ stand. Alles gaat vooruit; de werkman moet mede vooruitgaan en den stap der anderen
+ volgen, wil hij niet achterblijven en verpletterd worden. Indien de mekanieken hem
+ zijnen lichamelijken en enkel stoffelijken arbeid ontnemen, om hem niets te laten dan
+ het verstandelijk werk, dit is ook een vooruitgang; maar slechts op voorwaarde dat de
+ werkman zich tot de hoogte zijner nieuwe taak wete te verheffen. Wie zal hem daartoe
+ helpen? Het onderwijs, de geleerdheid, die den geest ontwikkelt en den mensch nieuwe
+ krachten geeft, krachten, wel anders machtig dan die zijner armen, omdat zij noch de
+ vermoeidheid noch de jaren vreezen;&mdash;de geleerdheid, die hem nieuwe wegen opent,
+ die hem een beter dagloon met minder lichamelijke vermoeidheid bezorgt;&mdash;de
+ geleerdheid, die de eeuwenlange ongelijkheid tusschen de menschen vermindert en veel
+ meer kan toebrengen om ze geheel te doen verdwijnen dan de dwaze droom dergenen, die
+ de rijkdommen onder allen zouden willen verdeeld zien, en waarvan de
+ <!-- Page 101 -->zekerste uitslag niets zou zijn dan de gelijkheid der armoede.
+ Zegenen wij dus als werklieden den vooruitgang der scholen, de verspreiding van het
+ onderwijs, als de schoonste glorie onzer eeuw. Wat ons betreft, wij beschouwen elke
+ school als een tempel, opgericht aan de waardigheid en de welvaart van het arbeidende
+ volk!&mdash;Ziedaar, vrienden, de edele woorden, u door eenen uwer gezellen
+ toegestuurd. Drukt ze in uw hart en volgt den wijzen raad, die er in ligt besloten;
+ want zij toonen u het middel om uwe krachten te verdubbelen, uwe welvaart te
+ vermeerderen en in de toekomst het werk en den werkman te verheffen en te
+ veredelen."</p>
+ <p><a id="footnote1" name='footnote1'></a>[1] M. Dauby.</p>
+ <p>Deze redevoering, met kracht en overtuiging uitgesproken, had eenen diepen indruk
+ op het gemoed der aanhoorders gedaan. Eerst na een oogenblik der volledigste stilte
+ braken de toejuichingen los. Onder degenen, die met koortsige geestdrift in de handen
+ klapten en bravo riepen, kon men bovenal vrouw Damhout onderscheiden. De opgetogene
+ Christina had hare eigene denkwijze zoo welsprekend hooren bevestigen; en zij
+ gevoelde, dat de woorden van den raadsheer eene lange lofrede van haar gedrag als
+ moeder waren geweest.</p>
+ <p>"Welnu, Adriaan," vroeg zij zegevierend, "had ik gelijk of niet? Die heer weet er
+ meer van dan Jan Wildenslag, niet waar? En gij hoort wel, dat er verstandige
+ werklieden zijn, die denken als ik over het onderwijs der kinderen?"</p>
+ <p>Damhout knikte met het hoofd ten teeken van toestemming; maar hij had den tijd
+ niet om haar te antwoorden, want de oefeningen der schoolkinderen
+ <!-- Page 102 -->begonnen onmiddellijk en werden zonder verpoozing voortgezet.</p>
+ <p>Men droeg eenige verzenstukjes en fabelen voor, en men vertoonde zelfs een geestig
+ blijspel, het alles onder het twintigmaal herhaalde handgeklap der aanschouwers, die
+ verbaasd waren en zich trotsch gevoelden over de kunde en de geleerdheid hunner
+ kinderen.</p>
+ <p>Eindelijk ging men over tot de prijsuitreiking. Een groot getal jongens van allen
+ ouderdom, de kleinste eerst, werden beurtelings opgeroepen en kregen
+ &eacute;&eacute;n of meer boeken.</p>
+ <p>Velen moeders ontvielen tranen van geluk en hoogmoed; eenigen drukten in vol
+ publiek hunne kinderen op hun hart en deden door deze eenvoudige uitstorting van
+ liefde en blijdschap de toejuichingen der ontroerde aanschouwers verdubbelen.</p>
+ <p>Toen men aan de leerlingen der hoogste klasse was gekomen, en Bavo de schoone,
+ groote boeken &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n van de tafel zag verdwijnen,
+ werd het hem eenigszins bang om het hart. Ware hij op de school gebleven, dan hadde
+ hij wel zeker het grootste getal dier prijzen behaald. Al de eer, welke zijnen ouden
+ gezellen nu werd aangedaan, ware hem te beurt gevallen. Hoe hadde die openbare
+ zegepraal, in tegenwoordigheid des burgemeesters en der andere heeren, zijne moeder
+ en zijnen ziekelijken vader gelukkig gemaakt! Nu zou hij slechts eenen prijs krijgen,
+ eenen kleinen prijs, want er lagen geene groote boeken meer op de tafel.</p>
+ <p>Nog treuriger werd Bavo, toen hij ook den laatsten prijs zag weggaan; maar hij
+ werd uit zijne droeve overweging opgewekt door de verschijning van den
+ <!-- Page 103 -->hoofdonderwijzer, die op het tooneel vooruitkwam om tot het publiek
+ te spreken.</p>
+ <p>De redenaar was een man met grijze haren; er lag in zijn schoon en indrukwekkend
+ gelaat een toon van ernst en goedheid, van overtuiging en liefde, die liet vermoeden,
+ dat deze grijsaard het onderwijs der kinderen beschouwde als eene soort van
+ priesterschap.</p>
+ <p>Op stillen, doch diepgevoelden toon begon hij zijne aanspraak. Van zijne eerste
+ woorden af verwonderde hij elkeen, en boeide de aandacht gansch bijzonderlijk; want
+ hij verhaalde een vertelsel van werklieden, eenen vader en eene moeder, die ten koste
+ van vele opofferingen hunnen zoon hadden laten leeren, en die zelfs te midden van
+ nood, van ziekte en ellende, liever honger hadden geleden dan hun kind van de school
+ te trekken. Hij prees deze ouders zeer hoog, noemde ze edele, waardige menschen, en
+ stelde ze ten voorbeeld van allen, die hem aanhoorden.</p>
+ <p>Dewijl hij geene namen noemde, meende men, dat hij een uitgevonden verhaal
+ voordroeg; maar de moed en de opoffering dezer ingebeelde ouders rukten evenwel
+ tranen van bewondering uit de oogen van alle lieden.</p>
+ <p>Christina Damhout hield het hoofd gebogen en verborg hare ontroering. Haar hart
+ klopte fel, en zij was als beschaamd.</p>
+ <p>"God heeft die goede ouders beloond," ging de grijze redenaar voort, "en in het
+ feit dat ik u verhalen ga, zult gij het bewijs vinden, dat het onderwijs, gepaard met
+ de zedelijke opvoeding, het hart van den mensch veredelt en hem, met het besef zijner
+ plichten, ook den moed en de kracht geeft om ze te <!-- Page 104 -->vervullen. De
+ zoon dier ouders was leerling op deze school. Hij was de sterkste en meest geleerde
+ in de hoogste klasse, en wel zeker zou hij al de eerste prijzen hebben weggedragen.
+ Niemand twijfelde er aan, noch wij, zijne leermeesters, noch zijne medeleerlingen,
+ noch hij zelf. Hij snakte naar den dag der prijsuitreiking, niet voor zich zelven,
+ maar voor zijnen vader en zijne moeder, die gelukkig zouden zijn door zijne schoone
+ zegepraal. Dan kwam de werkstaking der fabrieken; zijn vader werd doodelijk ziek;
+ nood en lijden overvielen zijne arme ouders. Wat deed de jongen? Hij verzaakte aan al
+ zijne prijzen, aan de lang gedroomde eer, om eenen dwingenden plicht te vervullen.
+ Hij verliet de school, zonder het zijnen ouders te durven zeggen, zocht en vond werk
+ in eene fabriek, legde in 't geheim zijn dagloon in de kas zijner moeder neder en
+ redde dus, als een onzichtbare weldoener, zijne ouders uit de bittere ellende....
+ Door ontijdig van de school weg te blijven, heeft de goede zoon zijn recht op het
+ behalen der prijzen verloren; maar wij, zijne leermeesters, met toestemming van den
+ heer burgemeester en met behulp van eenen milden beschermer der volksscholen, hebben
+ besloten zijne vlijt, zijne kunde en bovenal zijn edel gedrag door eene bijzondere
+ belooning te erkennen."</p>
+ <p>Hij haalde van achter een gordijn een groot kwartoboek en een lauwerkroon te
+ voorschijn. Het boek was in rood leder gebonden en verguld op snede. De onderwijzer
+ opende het en toonde, dat het vol was van schoone, ontplooibare platen. Op den titel
+ stond te lezen: <i>Werktuigkunde, toegepast op de Nijverheid<!-- Page 105 --></i>. Al
+ de aanschouwers waren rechtgesprongen en keken zich de oogen uit het hoofd, om te
+ raden, wien dit prachtig boek mocht bestemd zijn.</p>
+ <p>De hoofdonderwijzer keerde zich naar den kant der schoolkinderen, en zeide met
+ diepe aandoening:</p>
+ <p>"Kom, Bavo Damhout, kom, mijn vriend, ontvang dit bewijs van de achting uwer
+ leermeesters; het blijve u een kostbaar aandenken en een spoorslag om op den weg der
+ deugd en der plichtsbetrachting voort te gaan. Gij zijt werkman; maar in die nuttige
+ loopbaan staat de toekomst voor u open. Wees uwen gezellen een voorbeeld en toon hun
+ gedurende uw leven, in uw gedrag en in uw welgelukken, de onschatbare vruchten van
+ het volksonderwijs!"</p>
+ <p>Bavo was bleek en beefde; hij scheen de macht niet te hebben om de trede te
+ beklimmen, zoodanig ontstelde hem deze onverwachte eerbewijzing in tegenwoordigheid
+ zijner ouders. Een der onderwijzers vatte hem bij den arm en leidde hem op het
+ tooneel. Zijn grijze meester omhelsde hem, zette hem de lauwerkroon op het hoofd en
+ legde hem het groote boek op de handen.</p>
+ <p>De gansche zaal daverde onder een donderend bravo; velen der aanschouwers leekten
+ tranen van ontroering op de wangen; de vrouwen brachten zich den neusdoek aan de
+ oogen.</p>
+ <p>Voor de trede stonden de burgemeester en de andere heeren recht, gereed om den
+ bekroonden jongen geluk te wenschen; maar Bavo, zonder daar acht op te geven,
+ zoohaast hij zich in bezit van zijnen prijs zag, keerde zich om, hief het boek en
+ kroon met beide handen in de hoogte en riep in verrukking uit:</p>
+ <p>"Moeder, moeder, moeder!"</p>
+ <p><!-- Page 106 -->En hij sprong als een zinnelooze of een blinde tusschen de
+ overheden en het publiek door, wierp kroon en boek op den schoot zijner moeder en
+ vloog haar aan den hals en zoende haar onder het uitspreken van allerlei
+ dankzeggingen. Ook zijnen vader omhelsde hij lang en vurig. Tusschen zijne
+ liefdesbetuiging riep hij luid:</p>
+ <p>"Gij hebt gewerkt en geleden om mij te laten leeren. Vader, vader, ik zal voor u
+ werken. O, dat God mij bescherme! Gij zult het zien, gij zult het zien!"</p>
+ <p>Deze eenvoudige lieden, in hun geluk, in hunne ontsteltenis, hadden de geheele
+ wereld vergeten en schenen niet te weten, dat eene menigte menschen, met tranen in de
+ oogen en woorden van bewondering op de lippen, hen omringden en op de uitstorting
+ hunner blijdschap staarden.</p>
+ <p>Damhout richtte zich eerst op en zeide tot zijne vrouw:</p>
+ <p>"Kom, Christina, kom; men bekijkt ons zoo vreemd. Het is gedaan; de burgemeester
+ is al weg; laat ons naar huis gaan."</p>
+ <p>Men hadde op de schijnbare koelheid zijner woorden kunnen vooronderstellen, dat
+ vader Damhout min gevoelig was aan de zegepraal zijns zoons; maar men hadde zich
+ daarover geheel misgrepen. Zijn hart was vervuld met hoogmoed; want toen hij van
+ tusschen de banken was geraakt, spande hij zichtbaar alle pogingen in om nevens Bavo
+ te blijven, opdat elkeen mochte zien, dat hij de vader van dien jongen was.</p>
+ <p>Bavo scheen sedert eenige oogenblikken door een gevoel van beschaamdheid
+ aangegrepen; hij hield <!-- Page 107 -->het hoofd gebogen en stapte wankelend
+ tusschen zijne ouders.</p>
+ <p>Toen zij de deur der zaal gingen bereiken, zeide Christina tot haren zoon:</p>
+ <p>"Bavo lief, gij moogt niet beschaamd zijn: integendeel, hef het hoofd op; de
+ menschen zouden zoo gaarne u in het aangezicht zien; het is uit vriendschap...."</p>
+ <p>De jongen, als uit eenen slaap opschietende, slaakte eenen zucht en murmelde met
+ zonderlinge ontroering aan het oor zijner moeder:</p>
+ <p>"Ach, hadde Lieveken dit eens kunnen zien!"</p>
+ <p>Zij werden door den vloed des volks ter deur uitgestuwd, en bevonden zich op de
+ straat.</p>
+ <p>"Christina," zeide vader Damhout, "ginder staat M. Raemdonck; hij beziet ons en
+ schijnt mij te willen spreken."</p>
+ <p>"Inderdaad, Adriaan, het is natuurlijk, hij zal u gelukwenschen. Welke eer, niet
+ waar? Uw eigen meester. Wie hadde zich toch aan zooveel geluk verwacht. Die goede,
+ lieve Bavo!"</p>
+ <p>M. Raemdonck wenkte Damhout met den vinger tot zich.</p>
+ <p>Terwijl Bavo en zijne moeder te midden der straat tusschen een hoop nieuwsgierige
+ lieden bleven staan, ging Adriaan met ontdekten hoofde tot zijnen meester. Deze
+ drukte hem minzaam de hand en zeide hem:</p>
+ <p>"Ik wensch u geluk, Damhout. Zet uwe klak weder op, ik bid u. Dat gij een goed en
+ vlijtig werkman zijt, dit wist ik sedert vele jaren; maar dat gij, als een verlicht
+ en verstandig vader, uwen zoon hebt laten leeren, totdat hij al de klassen van het
+ lager <!-- Page 108 -->onderwijs had doorloopen, dit is iets, dat u in mijne oogen
+ grootelijks vereert."</p>
+ <p>"Ach, het is mijne vrouw, mijnheer," antwoordde de ontroerde werkman.</p>
+ <p>"Uwe vrouw?"</p>
+ <p>"Ja, mijnheer, daarvoor moet ik God dankbaar zijn, dat Hij mij de braafste en
+ verstandigste vrouw heeft gegeven, die er op de wereld te vinden is."</p>
+ <p>"Het zij zoo, mijn vriend, gij hebt er evenwel voor moeten werken. Ik heb aan den
+ burgemeester beloofd, dat ik, indien het mogelijk is, iets zal doen om u te beloonen.
+ Zeg mij eens, wat stelt gij u voor van uwen zoon te maken?"</p>
+ <p>"Hij is op de fabriek van M. Verbeeck."</p>
+ <p>"Wat doet hij daar?"</p>
+ <p>"Hij zal de naaste week aan den eersten <i>duivel</i> staan, mijnheer."</p>
+ <p>"Ja, dit is niet slecht: hij zal mettertijd meesterknecht kunnen worden. Wilt gij
+ mij een vermaak doen, Damhout? Zend mij uwen zoon; ik wil hem ook eenen prijs, een
+ geschenk geven. Ga naar huis met uwen zoon, en zoohaast hij zijn boek en zijne kroon
+ heeft nedergelegd en wat heeft uitgerust, doe hem dan ten mijnent komen; ik zal hem
+ verwachten."</p>
+ <p>Damhout keerde terug tot zijne vrouw en vertelde haar met blijde verbaasdheid, wat
+ zijn meester hem had gezegd. Hij had hem de hand zoo vriendelijk gedrukt en zulke
+ minzame woorden tot hem gesproken!</p>
+ <p>Door iedereen nagekeken, geroemd en geprezen, kwamen de Damhouts eindelijk in
+ hunne kleine stege. Voor het huisje, waar de Wildenslags hadden gewoond, scheen Bavo
+ te willen blijven staan, en hij <!-- Page 109 -->hief zelfs door eene onvrijwillige
+ beweging zijn boek en zijne kroon op, als toonde hij deze voorwerpen aan een
+ onzichtbaar wezen; maar een zucht ontsnapte hem, en hij volgde zijne ouders tot
+ binnen hunne woning.</p>
+ <p>Hier herhaalden zij nog eens de blijde omhelzing, en dan haastte Bavo zich ter
+ stege uit, om naar M. Raemdonck te gaan en daar een nieuw geschenk te ontvangen. Wat
+ zou het zijn, dat zijns vaders meester hem wilde geven? Misschien insgelijks een
+ schoon boek, misschien iets anders?</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="IX" name='IX'></a>
+ <h2><!-- Page 110 -->IX</h2>
+ <br />
+
+ <p>Bavo belde ten huize van M. Raemdonck; de meid leidde hem in het bureel. Hier kwam
+ een reeds bejaarde man, de meester-klerk ongetwijfeld, hem te gemoet met eenen
+ vriendelijken glimlach op het aangezicht, greep hem de hand en zeide:</p>
+ <p>"Ik wensch u geluk, mijn jongen; men heeft u eene welverdiende eer bewezen; ik was
+ er tegenwoordig en heb mij diep ontroerd gevoeld. Het zal u geluk bijbrengen dat gij
+ uwe ouders zoo bemint en dankbaar zijt."</p>
+ <p>Bavo murmelde den naam van M. Raemdonck.</p>
+ <p>"Ja, ik weet het," zeide de meester-klerk, "mijnheer heeft u doen komen, maar hij
+ is met eenen koopman in de fabriek gegaan en heeft gezegd, dat gij hier een beetje
+ zoudt wachten. Zit neder, mijn vriend. M. Raemdonck zou u goed willen doen, indien
+ het mogelijk is. Hij zou gaarne weten wat gij kent en tot hoeverre gij geleerd zijt,
+ en hij heeft mij gelast u op de proef te stellen, indien gij hierin toestemt."</p>
+ <p>"Ik ben hem wel dankbaar en zal alles doen wat u belieft, mijnheer," antwoordde de
+ jongen.</p>
+ <p>"Welnu, zet u daar voor den lessenaar; ziehier de kopie van eenen brief. Schrijf
+ dien eens in het net, <!-- Page 111 -->op uw best en zonder feilen. Wees niet
+ bevreesd. Daar hebt gij een model voor den vorm des briefs. Begin maar; ik zal
+ intusschen mijn eigen werk voortzetten."</p>
+ <p>Er heerschte eene volledige stilte in het bureel, totdat Bavo, door het hoofd op
+ te heffen en zich om te keeren, teeken gaf, dat de brief was afgeschreven.</p>
+ <p>De meester-klerk naderde, hield de oogen eene wijl op het papier gevestigd en
+ zeide dan met verwondering:</p>
+ <p>"Ho, jongen, wat schoon geschrift, wat vaste hand ... en geene feilen! Bravo, dit
+ had ik niet verwacht; het zal M. Raemdonck verblijden, want hij draagt u eene ware
+ genegenheid toe, omdat gij de zoon zijt van eenen onzer oudste en beste werklieden.
+ Kunt gij ook goed rekenen?"</p>
+ <p>"Daarin was ik de sterkste van de geheele school, mijnheer, ten minste volgens
+ mijne meesters."</p>
+ <p>"Welnu, ziehier eene kolom cijfers; tel ze eerst op; vermenigvuldig dan de
+ uitkomst met 365 en deel het geheel met 514."</p>
+ <p>In eenige minuten had Bavo de rekening gemaakt, en de meester-klerk bevond met
+ innige tevredenheid, dat hij niet had gemist.</p>
+ <p>"Blijf nu een oogenblikje hier wachten, mijn vriend," zeide hij; "ik ga M.
+ Raemdonck van uwe komst verwittigen."</p>
+ <p>Hij liet Bavo alleen in het bureel, opende eene deur en trad ten einde van eenen
+ gang in eene zaal, waar de eigenaar der fabriek voor eene tafel zat en bezig was met
+ eenige papieren te doorbladeren.</p>
+ <p>"Welnu, Pasmans, hoe staat het met de geleerd<!-- Page 112 -->heid van den
+ jongen?" vroeg hij. "Zoudt gij hem kunnen benuttigen?"</p>
+ <p>"Het is een wonder, mijnheer," antwoordde de meester-klerk; "de jongen is
+ nauwelijks vijftien jaar, en hij heeft een geschrift zoo vast en zoo fraai als van
+ eenen ouden klerk; hij kan goed rekenen, heeft een fijn begrip en is bekwaam tot
+ alles, ten minste voor hetgeen onder mijn toezicht op het bureel kan te doen
+ zijn."</p>
+ <p>"Gij wilt toch niet zeggen, dat hij den klerk, dien gij eergisteren wegzondt, zou
+ kunnen vervangen?"</p>
+ <p>"Neen, mijnheer, ik durf het niet zeggen, alhoewel ik overtuigd ben, dat ik uit
+ dezen leerling der gemeenteschool meer nut zal trekken; maar hij is te jong, en men
+ mag hem in den beginne niet door eene al te hooge jaarwedde bederven."</p>
+ <p>"Inderdaad, de andere klerk had duizend franken. Wat zou men den zoon van Damhout
+ kunnen geven? Gij weet dat ik zijne ouders wil beloonen?"</p>
+ <p>"Het derde gedeelte, mijnheer; driehonderd franken, bij voorbeeld. Het ware genoeg
+ om te beginnen. Ik zal den jongen helpen en leeren. Indien hij vlijtig en getrouw
+ blijft, kunnen wij zijn loon opvolgend verhoogen."</p>
+ <p>"Het is wel, Pasmans, ik bedank u om uwe goedwilligheid. Zend mij den jongen, maar
+ zeg hem niets."</p>
+ <p>Eenige oogenblikken daarna trad Bavo in de zaal en bleef met de klak in de hand
+ voor M. Raemdonck staan.</p>
+ <p>Deze beschouwde hem eene wijl, met het hoofd knikkende, als schepte hij behagen in
+ de regelmatige <!-- Page 113 -->wezenstrekken en in de nederige, doch tevens moedige
+ houding van den jongen.</p>
+ <p>"Het is een schoone dag voor u geweest, mijn vriend," zeide hij. "Gij hebt vele
+ beschermers aangewonnen, en indien gij vlijtig en verstandig blijft, zult gij
+ waarschijnlijk uwen weg in de wereld maken; maar wat u ook gebeure, vergeet nooit,
+ dat uwe ouders, arme fabriekwerkers, zich hebben opgeofferd om u te laten
+ leeren."</p>
+ <p>"Ik zal het niet vergeten, mijnheer," antwoordde Bavo zeer stil, maar op eenen
+ ontroerden toon en met eenen glim van wilskracht, waarvan de innigheid den eigenaar
+ der fabriek met verrassing sloeg.</p>
+ <p>"Ha, dit is wel," zeide hij, "dat gij goed doordrongen zijt van alles, wat uwe
+ arme ouders voor u hebben gedaan; uw vader bovenal, niet waar?"</p>
+ <p>"Ja, mijnheer, mijn vader heeft voor mij gewerkt, mijn vader is voor mij doodelijk
+ ziek geworden; mijne moeder heeft nachten zonder slapen doorgebracht om mij naar de
+ school te laten gaan."</p>
+ <p>"En gij zult ze liefhebben en, is het u mogelijk, ze beloonen in hunnen ouden
+ dag?"</p>
+ <p>"Ja, mijnheer, zoolang ik leef."</p>
+ <p>"Gij zijt nu op de fabriek van M. Verbeeck, en gij zult de naaste week eerst aan
+ den <i>duivel</i> staan als helper. Het is een goed middel om tot iets te geraken;
+ maar dit gaat wel langzaam, mijn jongen. Met uwe geleerdheid kan men misschien eenen
+ korteren weg vinden."</p>
+ <p>"Ik zal meesterknecht worden, mijnheer!" antwoordde Bavo met bedwongene
+ kracht.</p>
+ <p>"En dan?" morde M. Raemdonck.</p>
+ <p>"<!-- Page 114 -->Dan, mijnheer, dan zal mijn vader niet meer werken, en mijne
+ moeder ook niet."</p>
+ <p>"Gij zijt een brave jongen," sprak M. Raemdonck getroffen. "Wat wint gij nu? Vier
+ of vijf franken in de week, niet waar? Dit is niet genoeg. Ik wil u helpen het edele
+ doel bereiken, dat gij uw dankbaar hart aanwijst, door u eene loopbaan te openen,
+ waarin men, met uwe geleerdheid en uwen goeden wil, veel spoediger kan vooruitgaan.
+ Ik was voornemens u een boek te geven; maar al de boeken mijner bibliotheek zullen
+ tot uwe beschikking staan. Een ander geschenk ga ik u doen. Wilt gij klerk worden op
+ mijn bureel?&mdash;Blijft gij bij uwe goede gedachten en vlijtig, dan zal ik u
+ voorthelpen met liefde, als waart gij mijn eigen zoon."</p>
+ <p>"O, mijnheer, zooveel goedheid!" kreet Bavo, de handen dankend opheffende. "Hoe
+ blijde zal mijne moeder zijn!"</p>
+ <p>"Gij aanvaardt dus de plaats?"</p>
+ <p>"Ik kan schier niet spreken, mijnheer. Ach ja, ja, ik zal zoo mijn best doen!"</p>
+ <p>"Maar gij vraagt niet wat gij zult winnen. Indien gij u nuttig maakt en u vlijtig
+ toont, zal ik uwe jaarwedde al spoedig verhoogen; het hangt van u af.</p>
+ <p>Voor alsnu en om te beginnen, zult gij ... zult gij vierhonderd franken trekken;
+ het is ten minste tweemaal zooveel als uw tegenwoordig loon."</p>
+ <p>Bavo borst in tranen los en scheen in zijne ontroering te stikken; hij stamelde
+ verwarde woorden, zegende zijnen weldoener en sprak van zijne moeder en van zijnen
+ vader, doch was te zeer ontsteld om een verstaanbaar woord te uiten.</p>
+ <br />
+
+ <div class="center">
+ <img src='images/115.png' width='600' alt='Eenen Godspenning wil ik u geven.'
+ title='Eenen Godspenning wil ik u geven.' /><br />
+ <br />
+ <i>Eenen Godspenning wil ik u geven.</i>
+ </div>
+ <p>M. Raemdonck opende eene lade van zijnen <!-- Page 115 --><!-- Page 116 -->
+ <!-- Page 117 -->schrijflessenaar, nam er iets uit, naderde tot den duizeligen jongen
+ en zeide hem:</p>
+ <p>"Kom morgen op het groot bureel; de oude meester-klerk is een braaf man en een
+ edelmoedig hart; hij zal u vriendelijk zijn en u voorthelpen. Eenen Godspenning wil
+ ik u geven; het zal mijn geschenk zijn. Daar, neem dit, draag het uwen vader met de
+ goede tijding, en poog mijner bescherming waardig te blijven; dan zult gij uw eigen
+ geluk en het geluk uwer goede ouders verzekeren. Vaarwel, mijn jongen, tot morgen
+ dus."</p>
+ <p>Het hoofd van Bavo draaide, het was hem duister voor de oogen; hij bevond zich in
+ de straat zonder het te weten. Vierhonderd franken ging hij winnen! Welke rijkdom, en
+ hoe zou zijne moeder verbaasd staan en gelukkig zijn bij dit wonderschoon nieuws! Hij
+ kon het niet gelooven; hij droomde misschien? Neen, neen, het was waar. Klerk zou hij
+ worden en vierhonderd franken winnen!</p>
+ <p>Dan eerst voelde hij iets in zijne hand en opende ze. Daar blonken hem twee
+ goudstukken van twintig franken in de oogen!</p>
+ <p>Een luide schreeuw ontvloog hem, en, zonder op de voorbijgangers te letten, die
+ hem verwonderd nakeken, sprong hij, met de hand in de hoogte, juichend vooruit en
+ liep uit al zijne kracht, totdat hij zijne woning bereikte.</p>
+ <p>"Moeder, vader!" riep hij, "ik word klerk in het groot bureel van M. Raemdonck; ik
+ win vierhonderd franken; ik zal spoedig meer winnen: daar, daar is mijn Godspenning!
+ Vader, vader, wij zullen rijk zijn; gij zult leven zonder werken, gij hebt genoeg
+ gedaan voor mij. Moeder zal des nachts niet <!-- Page 118 -->meer moeten naaien; zij
+ zal eene meid hebben. Nu nog niet, maar het zal komen, ja, ja, mettertijd, of ik zal
+ er onder bezwijken."</p>
+ <p>En van ontsteltenis afgemat, liet de opgewonden jongen zich lachend en juichend op
+ eenen stoel vallen.</p>
+ <p>De ouders bestaarden met verwondering de twee goudstukken, welke hun zoon op de
+ tafel had geworpen; zij insgelijks schenen buiten zich zelven van verbaasdheid.</p>
+ <p>Damhout sloeg eensklaps de armen om den hals zijner vrouw, drukte haar op zijn
+ hart en stamelde met tranen in de oogen:</p>
+ <p>"O, Christina lief, dat God u zegene! Aan u, aan u alleen zijn wij al dit geluk
+ verschuldigd. Gij zijt meer dan eene moeder voor uwe kinderen, meer dan eene vrouw
+ voor mij; gij zijt onze goede engelbewaarder op aarde!"</p>
+ <p>Bavo stond eensklaps recht en kreet, terwijl hij naar de deur liep:</p>
+ <p>"O, Lieveken! Lieveken!"</p>
+ <p>Met eenen angstigen gil sprong zijne moeder hem achterna.</p>
+ <p>"Hemel, mijn arme zoon, wat geschiedt u?" gilde zij.</p>
+ <p>Maar Bavo wierp zich in hare armen en zeide met het schaamrood op de wangen:</p>
+ <p>"Het is niets moeder lief; ik droom, de blijdschap maakt mij zinneloos!"</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="X" name='X'></a>
+ <h2><!-- Page 119 -->X</h2>
+ <br />
+
+ <p>Des anderen daags begaf Bavo zich naar zijn bureel; hij was zoo blijde en zoo vol
+ geestdrift, dat hij geheel door zijnen nieuwen arbeid was verslonden en aan niets
+ anders meer scheen te denken. Hij bracht des avonds schrijfwerk mede, bleef met de
+ pen in de hand zitten, totdat zijne ouders hem herinnerden, dat het tijd was om
+ slapen te gaan, en sprak zelfs niet meer van Lieveken, noch van zijne treurnis, omdat
+ zij zijne schoone zegepraal niet had kunnen zien.</p>
+ <p>Evenwel na eenige dagen van groote overspanning, kwam er een beetje rust in zijn
+ gemoed. Dan keerde de herinnering aan de afwezige vriendin even krachtig als te voren
+ in hem weder, en hij spoorde zijne moeder aan om eenen brief aan Lieveken te
+ schrijven. Het arme meisje zou zich in hun geluk verblijden, en het zou haar zeker
+ een troost zijn in haar verdriet.</p>
+ <p>Een gansche avond werd aan het opstellen en afschrijven van den brief besteed;
+ want alhoewel Bavo de pen voor zijne moeder hield, stortte hij er al de vreugde van
+ zijn eigen hart in uit en schilderde breed en wijd de prijsuitreiking en het bezoek
+ bij M. Raemdonck. Lieveken moest alles, alles weten, <!-- Page 120 -->even alsof zij
+ zelve er bij tegenwoordig ware geweest. Hij vergat insgelijks niet te juichen over de
+ toekomst, die hem aanlachte, en beroemde zich, dat, indien Gods bescherming hem
+ bijbleef, hij zijne ouders mettertijd rijk en gelukkig zou maken. Zij moest seffens
+ antwoorden en laten weten, wanneer haar vader terug naar Gent zou keeren; de
+ fabrieken waren hier nu weder alle geopend en er was veel werk; want zij kon wel
+ denken, dat, niettegenstaande hunne blijdschap, zijne ouders en hij zelf toch veel
+ verdriet hadden, omdat zij Lieveken niet meer zagen.</p>
+ <p>De brief werd in de post gestoken, en van dan af wachtte Bavo met koortsig
+ verlangen op het antwoord.</p>
+ <p>Er verliepen &eacute;&eacute;ne week, twee weken, eene gansche maand. Elken middag
+ en elken avond, als Bavo zijn bureel verliet, liep hij met groote haast naar huis, en
+ zijn eerste woord was telkens:</p>
+ <p>"Welnu, welnu, moeder, is er niets gekomen?"</p>
+ <p>"Niets, nog niets, mijn zoon," antwoordde vrouw Damhout met eenen zucht.</p>
+ <p>Bavo werd allengs zeer treurig en moedeloos, en soms bleef hij des avonds uren
+ lang met het hoofd in de hand zitten, of koutte met zijne moeder over de
+ waarschijnlijke redenen dezer stilzwijgendheid van Lieveken. Was zij ziek misschien?
+ Was haar een ongeluk overkomen? Had men zich in het opschrift van den brief
+ misgrepen? Maar dit laatste was niet mogelijk, vermits Lieveken zelve
+ v&oacute;&oacute;r haar vertrek hun dit opschrift had gegeven.</p>
+ <p>Gelukkig dat Bavo in den arbeid eene afleiding voor zijne droeve gepeinzen vond.
+ Het plichtgevoel was inderdaad zeer machtig in hem. Zoolang hij op
+ <!-- Page 121 -->zijn bureel was, overspande hij zijne wilskracht en worstelde
+ zegevierend tegen het verdriet, dat zijnen geest benevelde, en men kon niet aan zijn
+ werk raden, dat smartelijke stoornissen hem onophoudend bestormden.</p>
+ <p>Zekeren avond toch zeide hem de oude meester-klerk met eene schier vaderlijke
+ minzaamheid:</p>
+ <p>"Bavo, mijn jongen, gij moogt met zooveel inspanning niet werken. Gij zult u
+ zelven ziek maken door uw overdreven ijver. Ik zie sedert eenige dagen, dat gij
+ zwaarmoedig en treurig zijt. Vrees niet, gij doet meer en beter dan men van u kan
+ verwachten. M. Raemdonck is zeer tevreden over u, gij weet het wel. Kom, kom, een
+ mensch, die zijne plichten gevoelvol vervult, moet licht en vroolijk van harte zijn;
+ anders wordt hem de arbeid zwaar en geestverdoovend."</p>
+ <p>De arme jongen ging zeer bedrukt naar huis; hij beschouwde deze vriendelijke
+ opwekking als een zijdelingsch verwijt; want zij bewees, dat de meester-klerk zijne
+ duistere gemoedsstemming had opgemerkt, en misschien had er iets aan zijn schrijfwerk
+ ontbroken. Daarenboven, Lieveken antwoordde niet; reeds zes lange weken waren er
+ verloopen. Zou hij ooit nog wel iets van haar vernemen? Was zij gevaarlijk ziek? Was
+ zij dood misschien?&mdash;want aan hare dankbaarheid, aan hare trouwe herinnering
+ dorst hij na zulke korte afwezigheid niet twijfelen.</p>
+ <p>Toen hij dus, dubbend en zuchtend, in de stege kwam, ontvloog hem eensklaps een
+ schreeuw van verrassing en blijdschap. Hij zag van verre zijne moeder voor de deur
+ van haar huisje staan met een papier in de hand, dat zij hem scheen te toonen.</p>
+ <p><!-- Page 122 -->De jongen sprong vooruit, trok zijne moeder in huis en riep:</p>
+ <p>"Een brief van Lieveken?"</p>
+ <p>"Ja, van Lieveken of van hare ouders; hij komt uit Frankrijk."</p>
+ <p>"En wat staat er in, moeder?"</p>
+ <p>"Gij weet, Bavo, dat ik geen geschrift kan lezen."</p>
+ <p>"Geef, geef, ik zal hem u voorlezen.... Hij is van Lieveken zelve. Luister,
+ moeder. Ach, ik beef van ongeduld:</p>
+ <div class='blkquot'>
+ <p>"Goede madam Damhout."</p>
+ </div>
+ <p>"Zie, waarom noemt zij mij nu <i>madam</i>?" kreet de verwonderde Christina.</p>
+ <p>"Wel, het is uit eerbied, moeder; daarenboven, in Frankijk noemt men iedere vrouw
+ <i>madam</i>; maar laat mij lezen, onderbreek mij niet, ik bid u:</p>
+ <div class='blkquot'>
+ <p>"Goede madam Damhout,</p>
+ <p>"Vergeef het mij, dat ik niet eerder op uwen brief heb kunnen antwoorden. Vader
+ had hem op de fabriek ontvangen en hem in zijnen zak gestoken en vergeten. Toen
+ moeder zijn vest wilde vermaken, heeft zij hem gevonden. Ik bedank u en Bavo en M.
+ Damhout uit het diepste mijns harten voor de vriendschap, die gij de arme Godelieve
+ blijft toedragen. Uw brief heeft ons zoo gelukkig gemaakt, dat mijne moeder
+ <!-- Page 123 -->en ik van blijdschap hebben geweend en God om zijne goedheid
+ jegens u hebben gezegend. Wat mij betreft, ik heb veel verdriet; want ik denk
+ zonder ophouden aan u allen: ik treur, omdat ik u niet meer zie en zelfs niet weet,
+ of ik nog ooit van mijn leven u zal wederzien. Mijn vader zegt dikwijls, dat hij
+ nooit meer naar het land zal wederkeeren; want hier is overvloedig werk en een hoog
+ dagloon. Mijne moeder heeft nog geenen winkel voor mij kunnen vinden. Ik werk op
+ eene fabriek en win zes franken in de week. Mocht mijne moeder toch spoedig eenen
+ winkel voor mij vinden! De menschen op de fabriek zijn zoo grof en zoo baldadig;
+ zij schelden en vloeken altijd, en omdat ik eenen afkeer van die woestheid heb,
+ lachen ze mij uit en plagen mij. Ik ben er bijna ziek van geworden; maar nu is het
+ wat beter. Mijn broeder Tist is zijn linker oog kwijtgeraakt in een gevecht
+ tusschen Vlaamsche en Fransche werklieden; hier vecht men schier alle dagen. Dat
+ Bavo in de wereld zal verhoogen, en dat gij altezamen rijk zult worden, daarvan was
+ ik reeds overtuigd, toen ik nog een klein kind was; maar gij zult in uw geluk toch
+ somtijds nog eens denken aan het arme Lieveken, niet waar? Wat ik ook worde,
+ fabriekwerkster of kleermaakster, ik zal slechts met eerbied en dankbaarheid mij
+ uwer eindelooze goedheid mogen herinneren, dit weet ik wel; maar zijt zeker, al
+ leefde Godelieve honderd jaar, dat zij nog op haar doodbed de namen zal noemen van
+ hem, die het arme zieke kind leerde lezen, en van haar, die het als eene tweede
+ moeder naar de school heeft geleid.</p>
+ <p>"Uwe ootmoedige dienstmeid,</p>
+ <p>"GODELIEVE WILDENSLAG."</p>
+ </div>
+ <!-- Page 124 -->
+ <p>Bavo liet den brief ter tafel vallen en begon te weenen: vrouw Damhout had
+ insgelijks de tranen in de oogen. Zij poogde echter haren zoon te doen begrijpen, dat
+ hij ten onrechte zich zoo diep bedroefde. Wat was er dan zoo ongelukkig in het lot
+ van Lieveken? Zij treurde, omdat zij verre van hare geboortestad en hare vrienden
+ moest leven. Dit was immers natuurlijk? Bavo moest daarenboven wel zeker zijn, dat
+ Wildenslag naar Gent zou terugkeeren.</p>
+ <p>Maar dit was de reden der smart van den jongen niet. Wat hem verschrikte, was de
+ tijding, dat Godelieve op eene fabriek werkte, te midden van ruwe, woeste menschen,
+ en daarom was hij ontroostbaar. Hij drukte het angstig voorgevoel uit, dat Lieveken
+ door de gedurige aanraking met de grove, onwetende lieden hare zedigheid en de
+ zuiverheid haars harten zou kunnen verliezen. Dit ware volgens hem het grootste
+ ongeluk, dat haar kon overkomen. Er lag misschien een gevoel van zelfzucht in zijne
+ ontsteltenis; maar hij verborg het onder het medelijden voor de gezellinne zijner
+ kindsheid en zuchtte herhaalde malen met diepen weemoed:</p>
+ <p>"Arm Lieveken! Arm Lieveken!"</p>
+ <p>Adriaan Damhout kwam te huis. Dan bedwong Bavo zijn verdriet; want in zijns vaders
+ tegenwoordigheid dorst hij de ontroeringen zijns harten niet zoo vrij uitstorten.</p>
+ <p>Nadat men gedurende eenigen tijd over den treurigen brief van Godelieve had
+ gekout, besloot men haar nog denzelfden avond te schrijven, om haar te troosten en
+ haar moed te geven. Men zou <!-- Page 125 -->daarenboven in den brief aan haar eenen
+ anderen brief voor hare moeder steken, om deze tot het spoedig zoeken van eenen
+ anderen winkel aan te manen.</p>
+ <p>Eens dat deze beide brieven waren geschreven, werd Bavo een beetje beter te moede.
+ Hij had nu een middel gevonden om met Godelieve te spreken; het was eenigszins, alsof
+ zij nog tegenwoordig ware; de betuiging harer dankbaarheid, de zekerheid dat zij nog
+ aan hunne zoete vriendschap dacht, deed hem zoo goed aan het hart. Met deze
+ troostende overweging ging de jongen te bed, en alhoewel hij droomend Lieveken op de
+ fabriek zag en ruwe, onbeschofte woorden rondom haar hoorde galmen, werd zijn slaap
+ niet merkelijk gestoord.</p>
+ <p>Maanden lang wachtte hij op een tweede antwoord van Godelieve; er kwam geene
+ tijding. Men schreef eenen anderen brief en zelfs eenen derden, maar even
+ vruchteloos.</p>
+ <p>Bavo meende te moeten denken, dat vader Wildenslag de brieven vernietigde. Dewijl
+ men ze naar de fabriek stuurde, aangezien men de bijzondere woonst der Wildenslags
+ niet wist, ontving hij ze altijd op zijn werk. De brief, waarin Damhout aandrong om
+ Godelieve het fabriekwerk te doen verlaten, zou hem waarschijnlijk hebben doen
+ besluiten alle betrekking tusschen zijn huisgezin en de Damhouts af te breken.
+ Misschien had het woeste gezelschap, waarin Godelieve veroordeeld was te leven, reeds
+ eenen verderfelijken invloed op haar uitgeoefend? Misschien was haar geheugen
+ verduisterd en had zij hare vorige vrienden vergeten? Maar dit kon niet zijn, zoo
+ spoedig toch niet!</p>
+ <!-- Page 126 -->
+ <p>Op zekeren avond dat Bavo met zijne moeder koutte, ontvielen hem eenige droeve
+ woorden, die vrouw Damhout schenen te verrassen en te verwonderen. Wat zij daarop
+ antwoordde om hem te troosten, deed het schaamrood op Bavo's voorhoofd klimmen. Hij
+ stamelde eenige verontschuldigingen en bleef dan zwijgend in zich zelven dubben en
+ overwegen, of nam een boek en ontvluchtte z&oacute;&oacute; eene samenspraak,
+ zoohaast hij bemerkte, dat zijne moeder hem met aandacht beschouwde.</p>
+ <p>Liefde? Zijn medelijden zou liefde zijn? Hij zou Godelieve beminnen ... beminnen,
+ anders dan eene speelgenoote, dan eene zuster? Zijne moeder had het niet gezegd; maar
+ waarom dan had zij gesproken van eene geheime neiging des harten, van een gevoel, dat
+ hij moest pogen te beheerschen en te overwinnen?</p>
+ <p>Van dan af werd Bavo aangaande Godelieve achterhoudend met zijne moeder. Telkens
+ dat zij zelve, en het gebeurde niet dikwijls meer, den naam van Lieveken noemde,
+ keerde hij de samenspraak af.&mdash;Dit belette echter niet, dat zijne ziel treurde
+ en nog snakte naar de afwezige vriendinne. Elke maal dat hij te huis kwam, hoopte
+ hij, dat zijne moeder hem eenen brief zou toonen; maar de maanden verliepen zeer
+ snel, en van Lieveken hoorde men niets meer.</p>
+ <p>Wel had vader Damhout eens eenen werkman ontmoet, die uit Frankrijk kwam en hem
+ nieuws van de Wildenslags had gegeven; maar zijne woorden waren niet van aard om Bavo
+ of zijne moeder te verblijden. Volgens zijn zeggen wonnen de Wildenslags veel geld,
+ ja veel te v<!-- Page 127 -->eel; want zij waren gekend als de grootste drinkers en
+ zwierders van geheel de stad. Zij lagen ook altijd in twist met iedereen en schenen
+ in ruzie en in vechten hun vermaak te vinden. Naar Gent terugkomen, dit zouden zij
+ zeker niet doen; want zij hadden daarvoor een al te goed leven in Frankrijk.
+ Godelieve kende hij niet; maar hij wist, dat al de Wildenslags, ouders en kinderen,
+ op fabrieken werkten.</p>
+ <p>Ondanks de durende beneveling van zijn gemoed kweet Bavo zijne plichten zoo wel op
+ zijn bureel, dat hij meer en meer de gunst won van M. Raemdonck en van den
+ meester-klerk. Men had zijne jaarwedde reeds tot zeshonderd franken verhoogd, en
+ dewijl zijn vader bleef werken en zijne moeder nog immer voor haren winkel kielen
+ naaide, kwam er zooveel welstand in huis, dat men besloot de stege te verlaten en in
+ eene betere en min donkere straat te gaan wonen.</p>
+ <p>Veel eerder ware men verhuisd, hadde Bavo zelf niet altijd gepoogd deze beslissing
+ te doen uitstellen. Hij verborg het niet, dat hij met smart zich zou verwijderen van
+ deze plaats, waar zijne wieg had gestaan en waar hij zijne gelukkige kindsheid had
+ gesleten. Zeide en herhaalde zij hem niet dagelijks, hoe zijne moeder hem had bemind
+ en hem had aangemoedigd in zijne pogingen om te leeren? Waren niet al de
+ herinneringen van zijn leven aan deze nederige kamer gehecht?</p>
+ <p>Eindelijk toch kon hij zijne moeder niet meer wederstaan. Er werd, een weinig
+ verder aan de straat, een klein doch net huisje gehuurd, en men had reeds begonnen de
+ meubelen over te dragen.</p>
+ <p>Men nam<!-- Page 128 --> voor den laatsten keer het middagmaal in de oude woning.
+ Bavo zat tusschen zijne twee zusterkens aan tafel over zijne ouders. De jongen sprak
+ niet en was zeer zwaarmoedig; zijne oogen dwaalden soms rond de kamer, als zeide hij
+ vaarwel aan deze wanden, die zoo dikwijls de vroolijke stem van arme, ongelukkige
+ kinderen hadden gehoord.</p>
+ <p>Daar trad onverwachts een man in de kamer, naar buiten roepende:</p>
+ <p>"Ja, ja, ik kom! Eenige oogenblikken slechts! ga naar de <i>Blauwe Geit</i>, bij
+ Pier de Knul; ik zal u daar wel vinden!"</p>
+ <p>En tot de tafel naderende, greep hij de hand van Damhout en zeide:</p>
+ <p>"Goeden dag, Adriaan, ik wilde toch niet in Gent geweest zijn, zonder u te hebben
+ gezien. Gij hebt geluk, ik weet het en het verblijdt mij, want gij zijt een brave
+ vent."</p>
+ <p>"Zie, het is Steven Geerts!" riep Damhout. "Wel vier jaar is het geleden, dat ik u
+ voor de laatste maal heb gezien. Waar zijt gij gebleven?"</p>
+ <p>"Ik kom uit Frankrijk; daar is altijd veel werk."</p>
+ <p>"Uit Frankrijk?"</p>
+ <p>"Ja, van Wazemmes, bij Rijssel."</p>
+ <p>"Van Wazemmes!" riepen de ouders en Bavo met blijde verrassing.</p>
+ <p>"Waarom verwondert u dit?" murmelde Steven.</p>
+ <p>"En hoe gaat het met de Wildenslags? Die wonen ook te Wazemmes, niet waar?" vroeg
+ vrouw Damhout.</p>
+ <p>"Dit is te zeggen," was het antwoord, "zij hebben er eenigen tijd gewoond, volgens
+ dat ik van de vrienden heb vernomen; ma<!-- Page 129 -->ar ze zijn van daar naar
+ Douai vertrokken. Ik heb ze gedurende acht of tien dagen gezien; want ik heb wel een
+ half jaar te Douai gewerkt; maar de week na mijne aankomst zijn de Wildenslags
+ eensklaps van daar vertrokken. De vrienden zeggen, dat zij werk hebben aangenomen
+ voor eene stad in het midden van Frankrijk, voor Rouaan misschien; maar ik weet het
+ niet juist."</p>
+ <p>"En de Wildenslags varen altijd wel?"</p>
+ <p>"Wel? Ja, veel te wel; het ware beter, dat zij wat armoede leden. Er zijn geene
+ grootere rabauwen op de wereld dan de Wildenslags; gij moest ze nu zien, Adriaan! Ze
+ doen niets dan zwieren en slempen, halve weken; en ze worden zelfs door de vrienden
+ gevlucht; want ze zijn daarenboven zeer brutaal en groote ruziemakers."</p>
+ <p>Adriaan en zijne vrouw schudden treurig en zwijgend het hoofd. Ziende dat Steven
+ de hand van haren man greep om hem vaarwel te wenschen, vroeg moeder Damhout:</p>
+ <p>"Zoudt ge ons niet kunnen zeggen, Geerts, hoe het met Godelieve Wildenslag gaat?
+ Gij kent ze misschien niet?</p>
+ <p>"Is het geene teere, magere? Met blond haar en levendige blauwe oogen?"</p>
+ <p>"Ja."</p>
+ <p>"Ha, die ken ik goed; ik heb ze ten minste eens en maar al te wel gezien. Die is
+ nog veel erger dan de anderen, vrouw Damhout. Al de Wildenslags zijn grove
+ menschen."</p>
+ <p>"Wat wilt gij zeggen, o hemel!"</p>
+ <p>"Denk eens, ik kom in de stege, waar de Wildenslags wonen. Niet voor hen, maar
+ voor eenen anderen vriend; want ik wilde met die<!-- Page 130 --> brutale kerels geen
+ uitstaans hebben. Weet gij, wat ik daar zie? Eenen ganschen hoop vrouwen met moeder
+ Wildenslag in het midden, die als razenden aan het kijven zijn. Daar komt eensklaps
+ Godelieve met den kloef in de hand het huis uitgeschoten en begint te slaan en te
+ vechten, dat men ze wel met vieren moest vasthouden en bedwingen. De leelijke
+ woorden, die zij sprak, maakten mij zuiver beschaamd, alhoewel ik van geen klein
+ gerucht vervaard ben. Dat zulk zwak en mager meisje, die anders een fraai wezen
+ heeft, zulke baldadige taal spreekt, dit stak mij fel tegen de borst, en ik had, mij
+ dunkt, lust om de onbeschaamde wat kletsen om hare ooren te geven...."</p>
+ <p>"Godelieve? Maar het is niet mogelijk!" zuchtte vrouw Damhout. "Hebt gij het
+ waarlijk gezien?"</p>
+ <p>"Met mijne eigene oogen. Misschien was het meisje buiten zich zelve geraakt, omdat
+ men hare moeder aanviel.... Nu, Adriaan, houd u wel, en gij insgelijks, bazin
+ Damhout, totdat ik nog eens naar Gent kome."</p>
+ <p>De werkman verliet de kamer. Er heerschte eene wijl de volledigste stilte; de
+ ouders bezagen elkander en hunnen zoon met treurige verbaasdheid. Bavo scheen
+ vergramd; er fonkelde een somber vuur in zijne oogen, en zijne lippen schenen te
+ beven.</p>
+ <p>Toen zijne moeder eindelijk eenige woorden meende te spreken, om hem te troosten
+ en Godelieve te verontschuldigen, stond de jongen op en zeide met kracht:</p>
+ <p>"Moeder, vader, spreekt mij nooit meer van Godelieve! Ik wil haar vergeten, mijne
+ kindsheid geheel vergeten, om nimmer nog aan haar te denken. Dat een onwetend mensch
+ zoo laag dale en den eer<!-- Page 131 -->bied voor zich zelven verlieze, dit is te
+ begrijpen; maar zij kan lezen, zij is geleerd, zij heeft van u, moeder, niets
+ gekregen dan lessen van deugd en zedelijkheid. Uwe goedheid, uwe weldaden, onze
+ vriendschap, dit alles heeft zij vergeten. Zij is dubbel schuldig. O, ik zal haar
+ aandenken in mijn hart versmachten met geweld. Moeder, doe de werklieden komen,
+ seffens: alles moet weg naar onze nieuwe woning. Ik wil hier niet meer slapen, ik wil
+ geenen voet meer in de stege zetten. Ik bid u, dat ik alles gereed vinde tegen dat ik
+ naar huis kom; gij zult mij gelukkig maken. Vaarwel, ik ga naar mijn bureel; hier kan
+ ik niet meer blijven; dezen avond zal ik bellen aan het huis in de straat...."</p>
+ <p>Hij meende te vertrekken; maar daar hij bemerkte, dat zijne moeder bekommerd was
+ en hem wilde wederhouden, zeide hij met min ontsteltenis in de stem:</p>
+ <p>"Wees gerust, moeder; het is voor een oogenblik slechts. Morgen zal ik aan niets
+ meer denken; het is gedaan; ik had verdriet, maar nu ben ik genezen, genezen voor
+ altijd!"</p>
+ <p>En na onder het spreken dezer woorden de handen zijner moeder teederlijk te hebben
+ gedrukt, ging hij het huis uit.</p>
+ <!-- Page 132 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="XI" name='XI'></a>
+ <h2>XI</h2>
+ <br />
+
+ <p>De ongunstige tijding over Godelieve scheen Bavo van eene geheime overheersching
+ te hebben verlost, en onder dit opzicht had zij hem inderdaad goed gedaan. Alsof dit
+ voorval eensklaps hem al wat er nog kinderlijks in hem was, had ontnomen, werd zijn
+ geest ernstiger en hij kreeg meer dan te voren het voorkomen van een bezadigd mensch,
+ die zich slechts bezighoudt met nuttige dingen.</p>
+ <p>Van dan af werkte hij met nog meer vlijt op zijn bureel, en al zijne pogingen
+ strekten om zich den handel en de inrichting der fabriek geheel eigen te maken.</p>
+ <p>M. Raemdonck en de oude meester-klerk schepten vermaak in den leerzamen en
+ dankbaren jongeling voort te helpen. De laatste bovenal had hem zeer lief en
+ ontlastte zich op hem van een groot gedeelte zijns arbeids, teneinde hem van alles
+ ondervinding te geven. Hij verborg hem zelfs niet, dat hij het deed met een bijzonder
+ inzich<!-- Page 133 -->t.</p>
+ <p>"Ik kan ziek worden," zeide de meester-klerk, "ik kan eene andere plaats bekomen;
+ mijn oom, de huidvetter, kan sterven. Dan erf ik een fortuin en ga op mijn
+ geboortedorp leven. Ik wil u bekwaam maken om mij desnoods in mijne bezigheid te
+ vervangen en, indien het gebeurt, als gij oud genoeg zijt, om mijne plaats bij M.
+ Raemdonck te krijgen."</p>
+ <p>Dit vooruitzicht was een nieuwe spoorslag voor Bavo. Met de toestemming van zijnen
+ meester nam hij boeken uit de bibliotheek naar huis, studeerde de mekaniek, volgde
+ nieuwe uitvindingen, teekende en overwoog, en had reeds bijgedragen om op de fabriek
+ eene winstgevende verbetering aan de werktuigen te doen toebrengen.</p>
+ <p>Zoo klom eindelijk zijne jaarwedde tot de som van duizend franken, toen hij zijn
+ negentiende jaar bereikte.</p>
+ <p>Van Godelieve en zijne kindsheid sprak hij niet meer of scheen geen gewicht meer
+ aan deze herinneringen te hechten. Evenwel kwamen er nog oogenblikken, dat het beeld
+ van Lieveken voor zijne oogen opstond, en hij dacht zelfs met vermaak en welgevallen
+ aan de vriendin zijner eerste jaren. Niet aan Godelieve, het fabriekmeisje, die zich
+ door de slechte voorbeelden tot ruwheid en zedelijke verlaging had laten medeslepen;
+ neen, aan het kleine, beminnelijke Lieveken, het zuiver en eenvoudig kind, dat met
+ hem was opgegroeid en al zijne vermaken en al zijne hoop had gedeeld. Onder zijnen
+ drukken arbeid, onder zijne onophoudende studi&euml;n hoorde hij soms een zilveren
+ stemmeken zijnen naam murmelen, en hem verscheen nog van tijd tot tijd het zoete
+ wezen met de glinsterende blauwe oogen, zooals zij hem had aanschouwd, toen
+ <!-- Page 134 -->hij haar buiten de stadspoort voor de laatste maal had gezien. Dit
+ waren echter slechts droomen, die met de wezenlijkheid in geene betrekking meer
+ stonden, en hij wist het zeer wel.</p>
+ <p>Vader Damhout had zijnen zoon reeds aangespoord, om door M. Raemdonck of den
+ meester-klerk toch eens naar de Wildenslags te doen vernemen; maar Bavo had deze
+ pogingen met eene soort van verschriktheid afgewezen, en zijne moeder had hem gelijk
+ gegeven.</p>
+ <p>Inderdaad, welke gemeenschap was er voortaan mogelijk tusschen Godelieve en hem?
+ Hij gevoelde zich geroepen om in de wereld tot den burgerstand op te klimmen en onder
+ deftige lieden te leven. Indien de Wildenslags naar Gent terugkwamen, zou hij dan
+ niet beschaamd zijn, als vriend en broeder te hebben geleefd met menschen, die
+ veeleer het misprijzen dan de achting der wereld verdienden? Neen, neen, van de
+ Wildenslags mocht men hem niet meer spreken; zij hadden hem gewond in zijn gevoel, en
+ hij was verbitterd tegen hen.</p>
+ <p>Het waren bijna dezelfde overwegingen, die zijne moeder aanspoorden om hare eigene
+ herinneringen te onderdrukken. Vijf of zes jaar vroeger had zij soms wel gedacht, dat
+ Bavo en Lieveken misschien door God bestemd waren om eens door het huwelijk te worden
+ vereenigd. Die droom had haar zelfs als eene mogelijkheid toegelachen; maar nu was er
+ zooveel afstand tusschen Bavo en Godelieve gekomen, dat men aan de vroegere
+ gemeenschap met de Wildenslags niet zonder een geheim gevoel van schaamte kon
+ denken.</p>
+ <p>Men sprak dus eindelijk in het geheel niet meer van Lieveken, alhoewel
+ <!-- Page 135 -->in het hart van vrouw Damhout en in het hart van haren zoon een
+ immer herlevend gevoel van treurnis en van medelijden voor het ongelukkige kind
+ opwelde.</p>
+ <p>Bavo, die nu allengs tot de mannenjaren naderde, maakte zich met onophoudende
+ vlijt alles eigen, wat den handel en de bewerking van het katoen betreft. Met de
+ toestemming van den meester-klerk bracht hij een gedeelte van den dag in de fabriek
+ zelve door, niet alleenlijk om de praktijk van den arbeid aan te winnen, maar tevens
+ om de werklieden op te passen en de belangen van M. Raemdonck te behartigen. Hij
+ volbracht dezen laatsten plicht met zooveel ijver en verstand, dat de meester-klerk,
+ die hoogmoedig was over zijnen leerling, soms tot M. Raemdonck zeide:</p>
+ <p>"Wees zeker, Bavo Damhout brengt u voor duizenden franken profijt aan, elk jaar.
+ De werklieden beminnen en achten hem, en zij zorgen, dat er niets verkwist of
+ gebroken worde, alleenlijk om hem vermaak te doen."</p>
+ <p>Inderdaad, Bavo was zeer minzaam en zacht met iedereen, en zijne wonderlijke
+ wetenschap en ervarenheid waren wel van aard om hem het ontzag der werklieden te
+ verschaffen; maar dit was de voornaamste reden hunner genegenheid voor hem niet.</p>
+ <p>Zijn eigen vader, hun oude, brave gezel, stond aan eenen spinmolen, en de
+ jongeling moest dikwijls aan hem, evenals aan hen zelven, bevelen of terechtwijzingen
+ geven. Dit hadde iets pijnlijks kunnen zijn, een oude spinner, die zich door zijnen
+ zoon moest zien gebieden. Ma<!-- Page 136 -->ar Bavo naderde nooit zijnen vader dan
+ met de klak of den hoed in de hand, stuurde hem het woord toe met den grootsten
+ eerbied en lachte hem aan en drukte hem zoo teederlijk de hand, dat al de werklieden
+ zich ontroerd gevoelden van bewondering en hoogmoed. Het kostte hun dan geene moeite,
+ te gehoorzamen aan een werkmanskind, die zich door zijne geleerdheid het recht tot
+ bevelen had aangewonnen, en door zijne zachtheid en door zijne liefde tot zijnen
+ ouden vader de eerbiedige genegenheid van elkeen afdwong.</p>
+ <p>Bavo vergenoegde zich niet met hetgeen er voor hem op de fabriek van M. Raemdonck
+ te leeren was; hij had zijnen meester overgehaald om in te schrijven op de nieuwste
+ schriften over werktuigkunde en nijverheid; hij volgde openbare avondlessen, welke er
+ alsdan over dit vak door geleerde professors werden gegeven; hij bezocht telkens dat
+ hij er gelegenheid toe had, de beste fabrieken van Gent.</p>
+ <p>Zoo verkreeg hij mettertijd eene groote wetenschap van alles, wat de
+ katoennijverheid en hare mogelijke verbeteringen betreft.</p>
+ <p>Hij was gelukkig, want iedereen rondom hem loofde en beminde hem.... Evenwel was
+ zijn hemel niet geheel zonder wolken. Zijn vader werkte nog altijd op de fabriek! De
+ droom des jongelings was dus nog niet verwezenlijkt, het doel zijns levens nog verre
+ van bereikt te zijn. Hij hadde wel gewild, dat zijn vader ophield van werken; maar
+ zijne ouders en hij zelf waren nu in hunne nieuwe woning aan zekeren welstand gewend.
+ Men kon dien toestand niet verlaten om een meer bekrompen leven te hernemen, en zijne
+ jaarwedde alleen was niet toereikend om in de onkosten van het huishouden
+ <!-- Page 137 -->te voorzien. Deze overweging was hem soms nog eene oorzaak van
+ voorbijgaand verdriet ... en daarbij, wanneer hij alleen was en droomde, tooverden
+ zijne gepeinzen hem nog dikwijls terug in zijne schoone zoete kindsheid. Dan voelde
+ hij in zijn hart eene ledigheid, eene onoverwinnelijke treurnis, eenen geheimzinnigen
+ worm, die wel zachtjes knaagde, doch niet wilde sterven....</p>
+ <p>Op zekeren morgen dat Bavo op zijn bureel trad en, in de afwezigheid van den
+ meester-klerk, zich aan het schrijven had gezet, kwam eene meid hem zeggen, dat M.
+ Raemdonck hem verlangde te spreken en in de zaal op hem wachtte.</p>
+ <p>Toen hij zich voor den eigenaar der fabriek aanbood, deed deze hem nederzitten en
+ zeide:</p>
+ <p>"Mijnheer Damhout, toen ik door eigene beweging en door aanbeveling van den heer
+ burgemeester u op mijn bureel toeliet, hoopte ik, dat gij mijne bescherming door
+ leerzaamheid en vlijt zoudt erkennen. Ik heb mij niet bedrogen; integendeel, ik heb
+ mijn genoegen in u gevonden, en gij hebt mij veel voordeel aangebracht in mijne
+ zaken. Uwe durende liefde voor uwe ouders heeft mij daarenboven een waar gevoel van
+ vriendschap en achting voor u ingeboezemd. In &eacute;&eacute;n woord, gij zijt een
+ braaf jongeling en ik ben uiterst tevreden over u. Ik weet, dat uw schoonste droom,
+ het voorname doel uwer werkzaamheid, daarin bestaat, uwen vader van allen arbeid te
+ ontslaan en uwe moeder door levensgemak en zekere weelde voor hare vroegere
+ opofferingen te beloonen. Het middel om u dat doel te laten bereiken, is mij nu
+ aangeboden; en alhoewel gij nog jong zijt, wil ik nochtans u toonen, dat ik
+ vertrouwen heb in uwe ervarenheid en in uwe trouw. De oom van den meester-klerk is
+ gisteren overleden; M. Pas<!-- Page 138 -->mans geeft zijn ontslag en gaat zijn
+ geboortedorp bewonen. Gevoelt gij u bekwaam mijn meester-klerk te zijn?"</p>
+ <p>"O, mijnheer!" zuchtte Bavo, "ware ik niet bekwaam, ik wierd het uit dankbaarheid
+ voor uwe uiterste goedheid!"</p>
+ <p>"Het is, mijn vriend, dat daar eene jaarwedde van drieduizend vijfhonderd franken
+ aan vast is; ja, vier duizend franken, met zekere bijzaken. Dit is tamelijk veel voor
+ een jongeling van twee&euml;ntwintig jaar. Zal deze aanzienlijke vermeerdering u niet
+ schadelijk zijn? Gij zijt in de gevaarlijkste jaren...."</p>
+ <p>"Beproef mij, ik bid u, mijnheer, al ware het gedurende een gansch jaar!" zeide
+ Bavo smeekend "Wat gij mij aanbiedt, is het geluk, dat ik voor mijne ouders heb
+ gedroomd. Oh, indien ik mij uwer grootmoedigheid ooit onwaardig toon, jaag mij weg,
+ veracht mij; maar neen, neen, ik zal mijnen wil en mijne pogingen overspannen, en, is
+ het mogelijk, u bewijzen, dat uwe weldaad mijne krachten heeft verdubbeld."</p>
+ <p>"Ik geloof u, mijn vriend; de liefde tot uwe ouders zal uw engelbewaarder zijn.
+ Wees dus meester-klerk, en dat het schoone doel uws levens zij bereikt. Gij kunt
+ iemand van het klein bureel nemen om de brieven af te schrijven, totdat wij eenen
+ anderen klerk vinden om uwe plaats in te nemen."</p>
+ <p>M. Raemdonck stond op, naderde tot den jongeling en drukte hem de hand.</p>
+ <p>"Proficiat, meester-klerk," zeide hij. "Ga nu in de fabriek; want gij brandt
+ ongetwijfeld van ongeduld om uwen vader het goede nieuws te dragen?"</p>
+ <p>Bavo ging niet heen; hij bleef in gedachten voor zijnen meester staan.</p>
+ <p>"<!-- Page 139 -->Welnu, hebt gij mij nog iets te zeggen?" vroeg deze.</p>
+ <p>"Mijnheer, ik wilde u een verzoek doen."</p>
+ <p>"Spreek, mijn vriend."</p>
+ <p>"Het is zonderling genoeg, mijnheer, maar gij zijt zoo goed voor mij. Ik zou
+ wenschen, dat gedurende eenige maanden niemand iets van mijne nieuwe benoeming wist;
+ mijne ouders insgelijks niet. Dat men ten minste vooronderstelde, dat mijne jaarwedde
+ voorloopig nog niet is verhoogd."</p>
+ <p>"Welke vreemde gedachte is dit!" kreet M. Raemdonck verwonderd. "Waarom toch die
+ geheimhouding?"</p>
+ <p>"Het is, mijnheer, dat ik mijnen ouders eene blijde verrassing wil aandoen, en
+ daartoe zou ik eenigen tijd moeten kunnen sparen, zonder dat zij het weten."</p>
+ <p>"Welke verrassing?"</p>
+ <p>"Ik weet het nog niet, mijnheer; een geschenk, iets dat hen in eens gelukkig zou
+ maken. Ik zal het u zeggen en uwen goeden raad vragen, zoohaast ik daarover een
+ besluit heb genomen.... En indien ik gedwongen was u een voorschot op mijne jaarwedde
+ af te smeeken?"</p>
+ <p>"Ho, voor zulk liefderijk doel moogt gij mij niet sparen. Mijne kas staat voor u
+ open, ten minste zoolang gij binnen de palen der redelijkheid blijft."</p>
+ <p>Bavo, onder het uiten eener vurige dankzegging, verliet de zaal en begaf zich naar
+ zijn bureel. Hij deed eenen helper van het klein bureel komen en zette hem
+ onmiddellijk aan het werk. Intusschen dacht hij aan hetgeen hij M. Raemdonck
+ <!-- Page 140 -->had gezegd en aan het geschenk, waarmede hij voornemens was zijne
+ ouders te verrassen en gelukkig te maken. Zijn ontwerp was sedert jaren reeds in zijn
+ hoofd vastgesteld; maar hij had het niet aan zijnen meester durven zeggen, uit vrees
+ dat hij zelf nog van gedachte kon veranderen. Na lange overweging toch bleef hij bij
+ zijn eerste besluit.</p>
+ <p>Toen hij met zijne ouders en zusters aan het middagmaal zat vertelde hij hun, dat
+ de oude meester-klerk zijn ontslag had gegeven, omdat zijn oom, die nu gestorven was,
+ hem een rijk erfdeel had nagelaten. M. Raemdonck had wel lust om Bavo tot
+ meester-klerk aan te stellen; maar hij wilde het eerst eenige maanden beproeven,
+ aangezien de jonkheid van Bavo.</p>
+ <p>Zoo deed hij voor de oogen zijner ouders de hoop glinsteren, dat hij welhaast
+ aanmerkelijk zou worden verhoogd, en hij verborg niet, dat, indien dit geluk hem ten
+ deel viel, hij niet meer zou lijden, dat zijn vader een oogenblik langer werkte. Hij
+ zou dan in zijne hooge jaarwedde de middelen vinden, om zijne moeder alle gemak te
+ bezorgen en haar te laten leven als eene ware rentenierster. Hij was zoo vroolijk,
+ zoo blijgeestig, dat hij iedereen deed juichen en in de handen klappen van hoop en
+ vreugde.</p>
+ <p>Eindelijk vertelde hij, dat de neef van M. Raemdonck, die lang te Parijs had
+ verbleven en daar zelfs onlangs was getrouwd, naar Gent ging komen wonen. M.
+ Raemdonck was op zoek naar een huis voor zijnen neef. Groot moest het niet zijn, maar
+ fraai en zindelijk. Hij zou het voorzien met schoone meubelen en alles in gereedheid
+ brengen tegen de overkomst van zijnen neef met zijne jonge <!-- Page 141 -->vrouw.
+ Bavo sprak er van, omdat zijn meester hem had verzocht eens rond te zien, welke
+ huizen van dien aard zoo al te huur hingen; en de jongeling, die niet veel tijd had,
+ spoorde zijne moeder aan om eens uit wandelen te gaan in de beste straten, niet verre
+ van de fabriek, en te zien of er zulke huizen niet te huur hingen, opdat hij het
+ alsdan aan zijnen meester zou kunnen zeggen.</p>
+ <p>Reeds des avonds, bij zijnen terugkeer van de fabriek, vernam Bavo van zijne
+ moeder, dat er nette burgerhuizen te huren hingen in de Mageleinstraat, in de Lange
+ Meere en in de Kruisstraat, niet verre van Sint-Baafskerk. Dit laatste was misschien
+ wat klein; maar het was nieuwerwetsch en het opschrift meldde, dat het eenen hof
+ had.</p>
+ <p>Bavo bracht twee dagen later aan zijne moeder de dankzegging van M. Raemdonck, die
+ het huis in de Kruisstraat, bij Sint-Baafskerk, naar zijnen zin had gevonden en het
+ onmiddellijk had gehuurd.</p>
+ <p>Sedert dien sprak Bavo nog dikwijls van dit huis en roemde de pracht der meubelen,
+ welke zijn meester er in deed zetten, en de smaakvolle inrichting van alles. M.
+ Raemdonck had hem reeds tweemaal er naartoe geleid, en deed hem de eer aan, hem te
+ raadplegen over de schikking van het huis en het aanleggen van den kleinen tuin.</p>
+ <p>De jongeling verwekte door zijne herhaalde beschrijvingen de nieuwsgierigheid
+ zijner moeder zoodanig, dat zij den wensch uitdrukte om het schoone huis eens van
+ binnen te mogen zien. Bavo beloofde de toelating zijns meesters te vragen; maar men
+ moest nog eenige weken wachten, totdat de woning der nieuwgetrouwden geheel in orde
+ zou zijn.</p>
+ <!-- Page 142 -->
+ <p>Eindelijk, op eenen zaterdagavond, toonde hij juichend eenen grooten sleutel en
+ zeide, dat M. Raemdonck hun allen toeliet het huis van onder tot boven te bezichtigen
+ en zelfs eenen ganschen namiddag in den hof door te brengen. Hij zou er eene goede
+ flesch wijn gereed zetten, en hij verzocht Bavo deze met zijne ouders op zijne
+ gezondheid te ledigen. Het was morgen Zondag. Even na het middagmaal te hebben
+ genomen, zou men naar het huis in de Kruisstraat gaan en er een uurtje of twee
+ blijven. Dit zou een waar feestje zijn!</p>
+ <p>Inderdaad, nauwelijks gunde men zich des anderen daags tijd om te eten, zoo
+ ongeduldig waren Bavo's zusters. Men trok, vroolijk en koutende van hetgeen men ging
+ zien, in de richting van Sint-Baafskerk.</p>
+ <p>In de Kruisstraat gekomen, bleef men voor het huis staan, om den gevel te
+ beschouwen; er was een klein balcon, waarvan veelkleurige bloemen in kransen
+ nederdaalden; er stonden insgelijks bloemen achter de vensters, meestal roode
+ fuchsia's, en dit deed moeder Damhout opmerken, dat zij altijd eene soort van
+ voorliefde voor die koraalroode bellekens had gehad.</p>
+ <p>Toen de deur geopend was, zeide Bavo tot zijne zusters, die maar seffens al de
+ deuren der kamers wilden openen:</p>
+ <p>"Neen, neen, z&oacute;&oacute; niet; het schoonste voor het laatste. Anders zouden
+ wij niet veel vermaak van ons bezoek hebben. Laat ons eerst in den hof gaan; moeder
+ ziet zoo gaarne bloemen."</p>
+ <p>"En ik dan?" bemerkte Adriaan Damhout. "Toen ik jonger was, woonden mijne ouders
+ op Ledeberg. Wij hadden een hoveken. Ik liet er eten en drinken voor; den geheelen
+ Zondag nanoen was ik aan het werk, en ik had de schoonste aurikels en
+ <!-- Page 143 -->de schoonste violieren van geheel het voorgeborcht."</p>
+ <p>Zij kwamen in den tuin; hij was niet zeer uitgestrekt; maar de paden slingerden
+ liefelijk, de zon scheen mild op een gedeelte des gronds, en er was zulk een
+ overvloed van bloemen, dat de meisjes de handen boven het hoofd hieven en
+ vooruitspringende riepen:</p>
+ <p>"Ho, wat is dit hier schoon en frisch! en welke zoete geuren!"</p>
+ <p>Meer rustig, in schijn ten minste, wandelde Bavo met zijne ouders door de paden,
+ toonde hun al de bloemen, plukte hun takjes van geurig kruid en bracht hen zoo onder
+ een looverhuisje, waar zij zich lachend nederzetten, om het gezicht des tuins een
+ oogenblik op hun gemak te genieten.</p>
+ <p>Hier stond op de tafel een porseleinen pot met tabak, die er bij nederhing, en
+ daarnevens lagen vier of vijf lange Hollandsche pijpen.</p>
+ <p>"Zie," murmelde Adriaan verwonderd, "ik wist, dat M. Raemdonck soms eene sigaar
+ rookt; maar het is waar, zooals men zegt, vele heeren rooken te huis op hun gemak
+ eene pijp."</p>
+ <p>"Gij begrijpt niet, vader," bemerkte Bavo. "Mijnheer heeft de tabak en de pijpen
+ daar doen zetten, opdat gij volgens uwen lust hier zoudt kunnen rooken."</p>
+ <p>"Onmogelijk, Bavo."</p>
+ <p>"Hij heeft het mij zelf gezegd, vader. Gij moet rooken om hem plezier te
+ doen."</p>
+ <p>"Welke goedheid toch! Dan zal ik het maar wagen; want de tabak ziet er bijzonder
+ goed uit. Een trek of drie: het is slechts om onzen edelmoedigen meester te
+ voldoen."</p>
+ <!-- Page 144 -->
+ <p>Hij ontstak zijne pijp, deed den rook in wolkjes tot onder het loover van het
+ prieel klimmen, en zeide dan glimlachend en blijde:</p>
+ <p>"Lekkere tabak! Wat zijn die rijke menschen toch gelukkig. Ziezoo, op deze bank
+ met het gezicht op dien schoonen hof en met mijne pijp in den mond, zou ik mijn leven
+ willen slijten."</p>
+ <p>"Gij bedriegt u, vader," wedersprak hem Bavo. "Er is nog iets, dat gij zoudt
+ doen."</p>
+ <p>"Ja, uit visschen gaan, niet waar? Dit doe ik uitnemend gaarne; het zou mij dienen
+ om mijn vermaak een beetje af te wisselen."</p>
+ <p>Onderwijl waren de beide meisjes nog altijd bij de bloemen; ze moesten ze een voor
+ een zien, ze vergelijken en over hunnen geur en over hunne schoonheid oordeelen.</p>
+ <p>Vader Damhout legde zijne pijp neder; hij zou ze straks voortrooken; maar nu moest
+ men het ongeduld der moeder voldoen en het huis bezichtigen.</p>
+ <p>Bavo bracht hen eerst in een paar kamers, die wel fraai geschikt waren, doch niet
+ veel bijzonders aanboden. In de keuken bewonderde vrouw Damhout de schoone, versierde
+ kookstoof en de glinsterende ketels, pannen en potten, die langs de wanden
+ prijkten.</p>
+ <p>In den kelder lag eene ton bier op hare stelling; een gemetste bak bevatte een
+ zeker getal flesschen wijn, en er stond zelfs een groote oplegpot, die ongetwijfeld
+ eenen voorraad boter bevatte.</p>
+ <p>Dit deed de Damhouts zeggen, dat M. Raemdonck niets had vergeten, en zijn neef
+ alles in gereedheid zou vinden, als hadde hij zelf het huis sedert lang bewoond.</p>
+ <br />
+
+ <div class="center">
+ <img src='images/145.png' width='600' alt='Ziehier eene amandelbeschuit.'
+ title='Ziehier eene amandelbeschuit.' /><br />
+ <br />
+ <i>Ziehier eene amandelbeschuit.</i>
+ </div>
+ <!-- Page 146 --><!-- Page 145 --><!-- Page 147 -->
+ <p>Op den zolder hingen, op de gespannen droogkoorden, eenige vischnetten van
+ verschillenden vorm uitgespreid, alle nieuw en met veel zorg gemaakt. Vader Damhout
+ was daar kenner van. Ook nam hij ze in de hand, beproefde de sterkte van het garen en
+ mompelde in zich zelven:</p>
+ <p>"Gelukkige lieden, ze hebben alles wat hun hart kan wenschen!"</p>
+ <p>"Nu naar de zaal, naar de schoonste kamer!" riep Bavo. "D&aacute;&aacute;r zult
+ gij wat anders prachtige dingen zien; en wij gaan er op de gezondheid van M.
+ Raemdonck de flesch lekkeren wijn drinken, die hij ons heeft geschonken."</p>
+ <p>Toen Bavo de zoogezegde zaal opende, ontvloog hun allen een kreet van bewondering.
+ Dat waren alle prachtige meubelen van glimmend mahoniehout! Printen in gouden lijsten
+ aan den wand, een zacht tapijt met roode bloemen op den grond, een verguld uurwerk en
+ getakte kandelaars op de schouwplaat, stoelen met kussens, en twee zetels met ruggen,
+ die hunne armen uitstaken en schenen te zeggen: "Ik ben zoo zacht, kom, rust wat op
+ mij!"</p>
+ <p>Het was ook wel wat de meisjes eerst en daarna de ouders deden; maar Bavo wenkte
+ zijne moeder en toonde haar een klein tafeltje, waarvan het deksel kon worden
+ opgeheven. Daaronder, als in een koffertje, lag allerlei glinsterend naai en
+ borduurgerief, zoo rijk en schoon, dat het de oogen der verbaasde vrouw en der
+ verwonderde meisjes deed schemeren.</p>
+ <p>"Nu het glas wijn op de gezondheid van ... van ... dit gaan wij zien! Aan tafel,
+ aan tafel!"</p>
+ <p>En hij opende eene kas, nam er eene flesch en roem<!-- Page 148 -->ers uit en
+ schonk den wijn. Ieder wilde zijn glas aangrijpen om ter eere van M. Raemdonck te
+ drinken; maar Bavo weerhield hen.</p>
+ <p>"Wacht een oogenblik," zeide hij, "er is ook iets om te eten! Ziehier eene
+ amandelbeschuit, die mijnheer Raemdonck niet heeft gegeven; en het is ook op zijne
+ gezondheid niet, dat wij allereerst gaan drinken...."</p>
+ <p>"Wat is dit?" kreet Amelia, het oudste meisje. "Die suikerletters op de taart?
+ Weet gij, moeder, wat er op te lezen staat?"</p>
+ <p>"Ha, ha, lang leve Christina, onze goede moeder! Dit staat er op!" kreet Bavo,
+ zijn glas in de hoogte heffende. "Het is heden haar naamdag. Lang, lang moge zij
+ leven!"</p>
+ <p>"Lang, lang moge zij leven!" herhaalden de anderen, hun glas in de hoogte
+ heffende.</p>
+ <p>"Wat zonderlinge gedachte van Bavo, u in dit huis te besteken!" juichte Amelia.
+ "Ha, dit is aardig!"</p>
+ <p>"En nu, moeder," zeide de jongeling op plechtigen toon en met eenen traan van
+ geestdrift in de oogen, "nu gaat degene, die u alles verschuldigd is op de wereld,
+ zijne geleerdheid, zijn geluk, zijne toekomst, u een geschenk doen, een geschenk,
+ waarvan hij sedert zijne kindsheid heeft gedroomd, aan u en aan den armen
+ fabriekwerker, die voor zijnen zoon heeft geslaafd en geleden. Gij hebt dit huis
+ gezien, den hof, de bloemen, de netten? Dit alles hoort u toe. Ik heb het huis
+ gehuurd, ik heb de meubelen gekocht. Hier zult gij wonen. Vader mag niet meer werken;
+ hij zal zijn pijpje rooken, bloemen kweeken, gaan visschen. Wij zijn rijk, ik ben
+ meester-klerk, ik win vierduizend franken! God zij gezegend, dat <!-- Page 149 -->Hij
+ mij toelaat uwe liefde te beloonen. Moeder, vader, zet u op uw gemak: gij zijt ten
+ uwent!"</p>
+ <p>Vrouw Damhout was zoo diep getroffen, dat zij eenen steun op de tafel zocht, als
+ ging zij bezwijmen; maar zij richtte zich weder op, vloog haren zoon om den hals en
+ drukte hem met koortsige teederheid aan haar kloppend moederhart. Damhout, stom van
+ verbaasdheid, stortte blijde tranen, de meisjes klapten in de handen en dansten met
+ uitgelatenheid....</p>
+ <p>Toen Bavo dien avond weder nevens zijne moeder in het andere huis zat, was hij
+ sedert eene wijl zeer stil en als treurig. Hij zeide haar, dat hij zeer vermoeid was;
+ maar vrouw Damhout zag wel, dat iets anders zijnen geest benevelde.</p>
+ <p>Zij murmelde eindelijk met teruggehoudene stemme:</p>
+ <p>"Bavo, gij denkt aan iemand. Ik insgelijks, mijn zoon. Wanneer men zoo gelukkig
+ is, niet waar, dan zou men al degenen, die men ooit heeft bemind, willen gelukkig
+ zien?"</p>
+ <p>"Ja, moeder," antwoordde hij, "de mensch is zijne gedachten niet altijd meester;
+ maar het beteekent niets. Het is eene herinnering mijner kindsheid, die tegen mijnen
+ dank opwelt in mijn hart."</p>
+ <!-- Page 150 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="XII" name='XII'></a>
+ <h2>XII</h2>
+ <br />
+
+ <p>Op eenen Zondag, bij het vallen van den avond, verlieten eene reeds bejaarde vrouw
+ en een jong meisje de enge stege, waar de Damhouts vroeger hadden gewoond. Hunne
+ slechte kleederen, hun onzekere stap en hunne zichtbare schuchterheid, alles in hen
+ getuigde niet alleen van groote ellende, maar tevens van eene diepe moedeloosheid.
+ Zij gingen traag, zwijgend en met gebogen hoofde nevens de huizen, als nedergedrukt
+ onder een gevoel van schaamte of van geheime verschriktheid.</p>
+ <p>Er was echter tusschen beider opzicht een merkelijk verschil. Terwijl de vrouw als
+ iemand, die sedert lang aan de armoede is gewend, om zoo te zeggen met lompen was
+ behangen, had het meisje wel klaarblijkend alle moeite ingespannen om de uiterlijke
+ teekens der ellende zooveel mogelijk te verbergen. Hare kleederen, alhoewel zeer
+ versleten, waren van eene uiterste reinheid; en hare muts, ofschoon geschift en
+ genaaid, was sneeuwwit.</p>
+ <p><!-- Page 151 -->Wanneer zij bij geval het hoofd ophief om eenen voorbijganger te
+ mijden, bezag men haar met verrassing, als ware men verwonderd, zulke wezenstrekken
+ onder dat ellendig kleedsel te vinden.</p>
+ <p>Inderdaad, het arme meisje was zeer schoon; in hare blauwe oogen, alhoewel nu door
+ de smart verduisterd, glom eene vonk van gevoel en verstand; hare wangen waren zuiver
+ en haar voorhoofd lelieblank. Daarenboven, er was in de snede harer kleederen, in de
+ rijzigheid harer leden, in de ingetogenheid van haren gang iets onderscheidens, dat
+ niet twijfelen liet of de jonge maagd moest eene goede opvoeding hebben genoten.</p>
+ <p>Welk pijnlijk voorval had toch deze ongelukkige van eenen hoogeren stand in zulke
+ diepe ellende nedergerukt, dat men ze nu met hare oude gezellin moest aanzien als
+ schamele menschen, die waarschijnlijk op weg waren om hier of daar eene aalmoes te
+ gaan afbedelen?</p>
+ <p>Zonder een woord met elkander te wisselen, hadden zij de Nederschelde bereikt, en
+ naderden nu tot de Wijngaardbrug. Daar zeide de vrouw met bedwongene stem:</p>
+ <p>"Heb moed, mijn kind. Gij gaat zoo langzaam. Zijt gij vervaard?"</p>
+ <p>"Ja, moeder, ik weet niet, mijn hart klopt zoo angstig!" zuchtte het meisje.</p>
+ <p>"O, hemel! vreest gij nu, dat de Damhouts ons gebed zouden kunnen verstooten? Doe
+ mij niet beven. Eilaas, wat zou er dan van ons geworden?"</p>
+ <p>"Vrouw Damhout zal ons helpen, moeder, daaraan twijfel ik niet," was het stille
+ antwoord. "Een hart als het hare kan nie<!-- Page 152 -->t ongevoelig blijven voor
+ ons ongeluk; en wanneer ik met tranende oogen hare vorige genegenheid voor het arme
+ Lieveken zal inroepen...."</p>
+ <p>"Zeker, en vermits zij nog rijker zijn dan men ons te Rijssel had gezegd? Ach,
+ Godelieve, wat wij nu gaan beproeven, is eene pijnlijke poging, voor u bovenal, ik
+ weet het; maar de nood is een onmeedoogende dwingeland."</p>
+ <p>"De Damhouts zijn rijk, zeer rijk!" morde het meisje op eenen hollen toon, waarvan
+ de zonderlinge siddering de vrouw verraste.</p>
+ <p>"Maar des te beter, Godelieve," zeide zij. "God zij gezegend, dat Hij hun de
+ middelen schonk om ons te helpen."</p>
+ <p>"Eene aalmoes gaan vragen, moeder! Aan ... aan de Damhouts! Ik, het kleine
+ Lieveken, die zij zoo teeder hebben bemind, die met hen dorst droomen van toekomst en
+ van geluk! O, mijne schoone kindsheid, hoe tergend ontstaat gij voor mijne oogen!
+ Bedelaresse? Lieveken eene bedelaresse!"</p>
+ <p>"Neen, kind, wees niet zoo wreed voor u zelve. Wij komen hulp vragen, ja, maar
+ bedelaressen zijn wij toch niet."</p>
+ <p>Zij stapten voorbij de kerk van Sint-Baafs; het meisje scheen door eenen geheimen
+ invloed naar de zijdeur des tempels gedreven en had, zonder het te weten misschien,
+ zich half omgekeerd.</p>
+ <p>De vrouw weerhield haar en zeide:</p>
+ <p>"Maar, Godelieve, wat doet gij nu? Rechtdoor moeten wij gaan; ginder is de
+ Kruisstraat."</p>
+ <p>"De schaamte, de schrik, moeder; mijne ziel wil bidden, sterkte vragen; want nu
+ wij de plaats naderen, waar ik de smeekende hand tot <!-- Page 153 -->... tot vrouw
+ Damhout zal uitsteken, ontsnapt mij alle moed."</p>
+ <p>"De avond valt, Godelieve; wij mogen niet wachten totdat het gansch donker is.
+ Kom, mijn kind, het is een smartelijk oogenblik, inderdaad; maar het zal haast
+ doorgestreden zijn. Wij zullen hier, bij het Heilig Graf, God voor zijne
+ barmhartigheid komen danken of ... of tranen van wanhoop storten op diezelfde
+ knielbank, waar wij zoo dikwijls hebben gebeden. Kom nu, het zal niet lang
+ duren."</p>
+ <p>Beiden vervorderden hunnen weg tot in de Kruisstraat, waar zij begonnen rond te
+ kijken, om het huis te herkennen, dat men hun in de stege had aangeduid en
+ beschreven. Dewijl het reeds half duister was, hadden zij eenige moeite om in hunne
+ opzoeking te gelukken. Eensklaps zeide de vrouw:</p>
+ <p>"D&aacute;&aacute;r is het, Godelieve. Die schoone ronde deur, dat balkon. Welk
+ prachtig huis! Wat moeten de Damhouts gelukkig zijn! Zij verdienen het ook wel, niet
+ waar? Ach, mochten zij onze bede verhooren! Er is reeds licht in de benedenkamer.
+ Godelieve, schep moed, mijn kind. Werp u aan de voeten van vrouw Damhout, bezweer
+ haar bij hare vorige goedheid voor u. Zij zal ons redden, wees er zeker van."</p>
+ <p>"Ja, moeder, de strijd is ten einde; ik gevoel mij weder eenige sterkte," murmelde
+ de bange maagd.</p>
+ <p>Toen zij het huis gingen naderen, bemerkte Godelieve door de vensterruiten, dat
+ een man, een heer, in de verlichte kamer stond. Alhoewel hij den rug naar de straat
+ hield gekeerd, sloeg dit gezicht haar met eenen onzeglijken schrik; maar op hetzelfde
+ oogenblik deed de heer eene beweging en wendde zich naar het venster, op zulke wijze,
+ dat het meisje zijn gelaat kon herkennen.</p>
+ <!-- Page 154 -->
+ <p>Een versmachte angstschreeuw ontsnapte haar; zij begon op hare beenen te wankelen
+ en leunde tegen den muur om niet neder te storten.</p>
+ <p>Daar zag zij, dat hare moeder de hand naar de bel uitstak om te klinken. Zij
+ sprong vooruit, trok de verbaasde vrouw van de deur weg, leidde haar met eene soort
+ van koortsig geweld naar den donkeren kant der straat en verborg weenend haar hoofd
+ op den boezem der vrouw, terwijl zij uitriep:</p>
+ <p>"Moeder, moeder, hij is daar!"</p>
+ <p>"Wie?"</p>
+ <p>"Bavo!"</p>
+ <p>"Welnu, God zij er om gedankt; hij zal zijne moeder tot barmhartigheid voor ons
+ aansporen. Kom, overwin uwe schaamte...."</p>
+ <p>"Onmogelijk, moeder!" snikte het meisje "O! spaar mij dat lijden, die vernedering,
+ die wanhoop! Eene aalmoes vragen in zijne tegenwoordigheid ... aan hem? Eilaas, mijn
+ hart breekt, ik zou bezwijmen voor zijne voeten, misschien zou ik sterven...."</p>
+ <p>"Wilt gij dan, dat ik alleen ga?"</p>
+ <p>"Ik zal u zegenen, u dankbaar blijven mijn gansche leven, moeder lief! Mijne ziel
+ is verschrikt; het denkbeeld alleen van de hand tot hem uit te steken, vervult mij
+ met eenen doodelijken angst."</p>
+ <p>"Maar zij beminnen u meer dan mij; en indien zij mijn gebed verwerpen, omdat gij
+ niet met mij zijt?"</p>
+ <p>"Dan," kreet de maagd met overmatige ontsteltenis, "dan zal ik alle schaamte, alle
+ gevoel in mijn hart versmachten. Ik zal tot hem, tot hem gaan, mij nederstorten voor
+ zijne voeten, zijne knie&euml;n omhelzen, kruipen door mijne tranen. Ho, hij zal ons
+ meer geven, dan wij noodig <!-- Page 155 -->hebben ... maar er zal iets dood zijn in
+ mij! Het is gelijk, ik zal mij onderwerpen, mijn wezen verloochenen en allen
+ levensmoed verzaken, om de schande af te koopen en onze eer te redden."</p>
+ <p>"Welnu, ik ben harder tegen de schaamte dan gij; ik zal het beproeven."</p>
+ <p>Godelieve voegde de handen te zamen en zeide smeekend:</p>
+ <p>"O, moeder, heb medelijden met mij! Noem mijnen naam niet in zijne
+ tegenwoordigheid; verberg hem, dat ik met u ben gekomen; spreek hem niet, in 't
+ geheel niet, van mij. Ik ga knielen voor het Heilig Graf in Sint-Baafskerk. Hoe vurig
+ zal ik bidden! God zal u beschermen! In zijne eindelooze genade zal Hij mij misschien
+ de noodlottige opoffering mijner menschelijke waardigheid sparen, dat eenige goed,
+ waarvan het behoud mij sterkte gaf en mij worstelen liet tegen de akelige bitterheid
+ mijns levens! Ga, moeder; ik zal wachten, angstig wachten voor het Heilig Graf. Noem
+ mij niet, noem mij niet!"</p>
+ <p>En deze laatste woorden stamelende, verwijderde zij zich met haast in de richting
+ der Sint-Baafskerk.</p>
+ <p>De vrouw zag haar een oogenblik achterna, schudde het hoofd en mompelde in zich
+ zelve terwijl zij de straat overstapte:</p>
+ <p>"Ik heb het gevreesd. Arme Godelieve. Zij is dubbel ongelukkig. Ik begrijp, dat
+ haar het hart wreedelijk bloedt ... anders zou zij mij toch niet alleen laten gaan,
+ zij, die uit liefde, uit goedheid haar leven zou opofferen om de smart eener
+ vernedering van mij af te keeren. Welaan, ik zal moed hebben voor ons beiden. Oneer,
+ schande, redding, blijdschap, wat wacht mij daarbinnen, o hemel!"</p>
+ <p>Zij trok aan de bel en zeide tot de meid<!-- Page 156 -->, die kwam openen, dat
+ zij verlangde M. Damhout te spreken.</p>
+ <p>De meid, die waarschijnlijk in de halve duisternis hare slechte kleederen niet
+ bemerkte, opende de deur der kamer aan de straat, en bracht haar in de
+ tegenwoordigheid van eenen jongen heer, die voor eene tafel was gezeten en in een
+ boek scheen te lezen.</p>
+ <p>Hij hief het hoofd op en beschouwde met zekere onaangename verrassing deze
+ slechtgekleede vrouw. Zonder op te staan, zeide hij:</p>
+ <p>"Komt gij om werk op de fabriek, vrouw? Bied u morgen op het bureel aan; ik zal
+ zien of er plaats is voor u. Nu kan ik u dit niet verzekeren."</p>
+ <p>"Ik wenschte M. Damhout te spreken," stamelde de vrouw.</p>
+ <p>"M. Damhout? Die ben ikzelf."</p>
+ <p>"Neen, uwen vader of uwe moeder, mijnheer."</p>
+ <p>"Zij zijn den avond gaan doorbrengen bij vrienden, aan het ander einde der stad;
+ heden zult gij ze niet kunnen zien. Keer morgen in den voormiddag weder."</p>
+ <p>"Eilaas," zuchtte de vrouw, "ik, die uit Frankrijk kom en morgen vroeg moet
+ vertrekken!"</p>
+ <p>"Uit Frankrijk? Gij komt uit Frankrijk?" mompelde Bavo, terwijl hij met eene
+ klimmende ontsteltenis de vrouw in het aangezicht schouwde.</p>
+ <p>"Gij herkent mij niet, mijnheer? Inderdaad, gij waart nog jong, en de lange
+ tegenspoed veroudert den mensch v&oacute;&oacute;r zijnen tijd."</p>
+ <p>"Bazin Wildenslag? Gij zoudt de moeder zijn van ... de vrouw van Jan ... Line
+ Wildenslag? Onmogelijk!... Gij zijt dus ziek geweest?"</p>
+ <p>"Ziek en ong<!-- Page 157 -->elukkig, mijnheer."</p>
+ <p>De jongeling had moeite om zich te bedwingen, hij was rechtgesprongen en had eene
+ beweging gedaan als om haar de hand te grijpen; maar een nieuwe blik op hare
+ ellendige kleeding, de herinnering aan het woest en onbetamelijk leven der
+ Wildenslags misschien, weerhielden hem en hij liet zich weder op zijnen stoel
+ zakken.</p>
+ <p>"Gij zult tot morgen moeten wachten.... tenzij gij mij wildet toevertrouwen wat
+ gij hun te zeggen hebt," sprak hij.</p>
+ <p>"Ik kwam hen te voet vallen en hunne hulp afsmeeken, mijnheer. Wij verkeeren in
+ een schrikkelijken nood; geene andere toevlucht blijft ons over dan de edelmoedigheid
+ uwer ouders. Zeker, in onze ellende hebben wij het recht niet om de vorige
+ vriendschap te herinneren, die zij ons onverdiend hebben gegund, maar zij zullen het
+ aan diep ongelukkige menschen vergeven, dat zij nog in de liefdadigheid uwer goede
+ moeder durven hopen."</p>
+ <p>"Eene almoes!" mompelde Bavo als verschrikt.</p>
+ <p>"Meer dan eene aalmoes, mijnheer; redding uit de schande, verlossing uit de
+ eeuwige oneer!"</p>
+ <p>"Ik begrijp u niet," zeide hij met mistrouwen. "Waar zijn dan uwe zonen, uwe
+ dochter, uw man? Zij wonnen veel geld?"</p>
+ <p>"Mijn man is dood, mijnheer; van mijne zonen is er &eacute;&eacute;n soldaat in
+ Afrika, &eacute;&eacute;n woont te Rouaan, &eacute;&eacute;n andere te Mulhausen. Zij
+ hebben kinderen en denken niet meer aan hunne arme moeder. Een eenige, de jongste, is
+ met ons ... met mij te Rijssel. Het is voor hem, mijnheer, dat ik de hulp uwer ouders
+ kom afsmeeken. Hij had werk bekomen in het <!-- Page 158 -->magazijn eener fabriek.
+ Gisteren deed men hem een pak naar den ijzeren weg dragen. De ongelukkige trad
+ onderweg in eene herberg, vergat zich daar met eenige kameraden en verloor het hem
+ toevertrouwde pak.</p>
+ <p>De meester der fabriek beweert, dat mijn zoon het pak heeft gestolen en verkocht.
+ Hij wil hem door de gendarmes uit het huis doen halen en hem als dief doen
+ veroordeelen tot vijf jaar galei, zegt hij. O, mijnheer, wij hebben misschien onze
+ ellende verdiend door een zorgeloos en verkwistend leven. Het ongeluk zegt het mij
+ nu; maar toch leven wij eerlijk, en mijn arme zoon is aan niets anders plichtig dan
+ aan eene laakbare nalatigheid. Hij is in den grond een goede jongen; hij heeft een
+ gevoelig hart; hij eerbiedigt zijne moeder. Dat de armoede ons lot blijve, ik zal het
+ verduldig verdragen als eene rechtvaardige straf; maar de oneer eener veroordeeling!
+ Mijn zoon op de galei! Ik ben moeder en zou dien slag niet overleven, en mijne.... O,
+ mijnheer, gij kunt ons redden, met zoo weinig, weinig ten minste voor u, die rijk
+ zijt! De meester van de fabriek wil alles vergeven en vergeten en onze
+ verontschuldiging aanvaarden, indien wij hem v&oacute;&oacute;r morgenmiddag den
+ prijs van het pak teruggeven. Honderd franken. Voor u is het schier niets, voor ons
+ is het meer dan het leven. Laten mijne tranen u verbidden, heb deernis met menschen,
+ die, ondanks verwijdering en tegenspoed, geenen enkelen dag opgehouden hebben met
+ dankbaarheid aan u en aan uwe ouders te denken!"</p>
+ <p>Zij viel geknield te midden der kamer neder en stak de handen bevend tot den
+ jongeling op.</p>
+ <p>Deze kon zijne ontroering niet meer meester blijven, wat geweld hij ook deed;
+ <!-- Page 159 -->hij ging tot haar, hief haar van den grond en sprak:</p>
+ <p>"Bedaar, vrouw; ik begrijp uwen angst en uw ongeluk. Honderd franken kunnen u
+ redden, zegt gij? Troost u, ik zal ze u geven. Zet u neder op den stoel. Ik heb u
+ iets te vragen. Gij spraakt van uwe zonen ... maar uwe dochters?"</p>
+ <p>"Mijne dochters?" stamelde bazin Wildenslag in verlegenheid.</p>
+ <p>"Ja, uwe dochters, wat is er van hen geworden?"</p>
+ <p>"Mijnheer, zij ... zij wonen diep in Frankrijk, zij zijn getrouwd...."</p>
+ <p>"Getrouwd!" gromde Bavo met eene grijns op de lippen en eenen diepen angst in de
+ oogen.</p>
+ <p>Hij beschouwde eene wijl met zichtbare gramschap de verschrikte vrouw, die het
+ hoofd op de borst hield gebogen en sprakeloos bleef.</p>
+ <p>"Ja, ik zal u helpen, vrees niet," kreet hij met onderdrukte kracht, "maar hadde
+ mijn medelijden met uwe moedersmart mij niet overwonnen, ik ware gevoelloos voor uwe
+ smeekingen gebleven. Veel meer, ik hadde mij op u gewroken en u onmeedoogend ter deur
+ gewezen; want gij, vrouw, gij hebt, zonder het te weten, mijn leven vergiftigd en mij
+ in het geluk ongelukkig gemaakt."</p>
+ <p>"Ik, mijnheer? O, hemel, gij bedriegt u voorzeker!"</p>
+ <p>"Neen, ik bedrieg mij niet. Mijne moeder had in het hart uwer Godelieve de kiemen
+ van deugd en plichtbesef nedergelegd; ik, onnoozel kind nog, ik had haren geest de
+ eerste begrippen der geleerdheid medegedeeld, de geleerdheid, welke haar moest
+ behoeden voor zedelijke verlaging en bederf des harten. Gij, hare moeder, wat hebt
+ gij met uw <!-- Page 160 -->goed en zuiver Lieveken gedaan? Gij hebt haar naar eene
+ fabriek gezonden, om geld uit haar te trekken; gij hebt die teedere bloem prijs
+ gegeven aan de woeste aanraking van grove menschen...."</p>
+ <p>"Mijnheer, mijnheer, het is niet waar!" kreet bazin Wildenslag sidderende.</p>
+ <p>Maar Bavo, als buiten zich zelven van ontsteltenis, onderbrak haar en hernam:</p>
+ <p>"Laat mij spreken tot het einde; het is de laatste maal dat haar naam mijnen mond
+ ontvalt. Ik herhaal het met verontwaardiging: wat hebt gij gedaan met het arme
+ Lieveken? Ha, onnoodig mij te antwoorden, vermits men na twee jaar haar in eene stege
+ te Douai verrast met den klomp in de hand, vechtende, scheldende en woorden
+ sprekende, die zelfs eenen ruwen fabriekwerker van walg deden terugdeinzen. Ziedaar
+ wat gij gemaakt hebt van uwe Godelieve. Nu is zij zelfzuchtig, ongevoelig, en er
+ blijft in haar niets meer over van de fijnheid des gemoeds? Nu haat zij
+ waarschijnlijk de moeder, die de zuivere ziel van haar kind verkocht voor wat
+ geld?"</p>
+ <p>"O, neen, neen, mijnheer, heb medelijden met mij! Godelieve is het eenige mijner
+ kinderen, dat mij nog oprecht bemint, mijn eenige steun in het ongeluk!"</p>
+ <p>"Het zij zoo, vrouw; misschien is er nog een goed gevoel in haar overgebleven,
+ misschien heeft zij u het kwaad vergeven, dat gij haar hebt gedaan; maar ik toch
+ vergeef het u niet, ik kan het u niet vergeven.... Ziehier de honderd franken, welke
+ gij vraagt. Ga nu, en moge God u niet langer straffen voor uwe noodlottige dwaling
+ ten opzichte van uw kin<!-- Page 161 -->d."</p>
+ <p>Onder het uitspreken dezer woorden had hij de hand in eene lade van den
+ schrijflessenaar gebracht, en legde nu vijf goudstukken voor de vrouw op de tafel.
+ Deze beschouwde het geld met starende oogen en bevende lippen, deinsde terug en
+ riep:</p>
+ <p>"O, God, kon ik die hulp weigeren!... Maar neen, de eer mijns zoons, de eer
+ mijner arme Godelieve! Ik moet bedaren, bukken als eene slavin onder zulke
+ schreeuwende onrechtvaardigheid; mijn engelachtig kind hooren beschuldigen van
+ laagheid, van bederf des harten! Ik bezwijk er onder; mijn moed breekt...."</p>
+ <p>Zij liet zich op een stoel vallen en begon bitter te weenen.</p>
+ <p>"Eene schreeuwende onrechtvaardigheid?" vroeg Bavo over hare uitroeping
+ verwonderd. "Zijn mijne verwijten, hoe wreed ook, niet gegrond?"</p>
+ <p>"Valsch, geheel valsch, mijnheer," kreet bazin Wildenslag onder hare tranen. "Wie
+ was er laf genoeg, om u te komen zeggen, dat hij Godelieve heeft zien vechten en haar
+ onbetamelijk heeft hooren schelden?"</p>
+ <p>"Het is Steven Geerts, die haar in eene stege te Douai met den klomp in de hand
+ heeft zien slaan."</p>
+ <p>"Ach, ik herinner mij de droeve zaak; het was Godelieve niet, het was hare zuster
+ Theresia, die inderdaad, voor het aangezicht ten minste, op haar gelijkt. Godelieve,
+ mijnheer? Er is nooit een hard woord van hare lippen gevallen; zij is
+ schoolmeesteresse geweest; zij heeft verstand, zij is goed als een engel, en haar
+ hart is nog even zuiver als toen gij haar leerdet lezen."</p>
+ <!-- Page 162 -->
+ <p>"Hemel, wat zegt gij daar altemaal?" stamelde Bavo, door den twijfel aangegrepen.
+ "En zij is getrouwd?"</p>
+ <p>"En zij heeft nooit toegelaten, mijnheer, dat een man haar zonder eerbied bezage,
+ en zij is niet getrouwd."</p>
+ <p>"Maar verklaar u, gij doet mij vergaan van ongeduld. Zeg mij, ik smeek u, welk was
+ dan het lot van het arme Lieveken gedurende die acht lange jaren?"</p>
+ <p>"Welaan, ik zal mijn verdriet bedwingen," zeide bazin Wildenslag, het hoofd
+ oprichtende. "Om mijn edel kind, mijne goede Godelieve, te verdedigen, zal ik moed en
+ sterkte vinden. Luister, mijnheer, gij zult vernemen wat ons en haar lot was sedert
+ gij ons buiten de stadspoort een treurig vaarwel zeidet. Wij gingen naar Wazemmes,
+ bij Rijssel, en vonden er veel en goed werk. Dewijl ik in mijne pogingen om Godelieve
+ op eenen winkel van kleedermaaksters aanvaard te zien, niet kon gelukken, deed haar
+ vader haar naar de fabriek gaan. Het arme kind kon het daar niet gewend worden en
+ viel ziek van verdriet. Het duurde lang eer zij weder eenige krachten terugvond; dan,
+ om toch iets te winnen, begon zij in ons huis eene kleine school te houden, om den
+ kinderen onzer Vlaamsche geburen te leeren lezen."</p>
+ <p>"En onze brieven, waarom liet gij die zonder antwoord?"</p>
+ <p>"Uwe brieven? Wij hebben er slechts eenen ontvangen, en Godelieve heeft er op
+ geantwoord."</p>
+ <p>"Wij schreven er nog drie andere."</p>
+ <p>"Daarvan weet ik niets, mijnheer."</p>
+ <p>"Uw man ontving ze op de fabriek. Heeft hij ze misschien achtergehouden of
+ vernietigd?"</p>
+ <!-- Page 163 -->
+ <p>"Het is wel mogelijk, mijnheer; hij meende, dat het voor Godelieve beter was geene
+ betrekking meer te hebben met menschen, die te verre boven onzen stand waren; want
+ wij wisten door eenen kameraad van Gent, dat gij klerk geworden waart bij M.
+ Raemdonck, en Godelieve zeide altijd, dat gij onfeilbaar rijk zoudt worden."</p>
+ <p>"En waarom schreef Godelieve dan niet eens om tijding van ons te hebben?"</p>
+ <p>De vrouw wachtte een oogenblik en zuchtte dan:</p>
+ <p>"Wij arme, gemeene fabriekwerkers? En toch, ik heb dikwijls Godelieve aangeraden u
+ te schrijven; maar het verschrikte haar; er was te veel verschil tusschen uwe ouders
+ en ons; zij dorst niet schrijven."</p>
+ <p>"Ga voort, vrouw, ik zal u niet meer onderbreken," zeide de jongeling.</p>
+ <p>"Ach, onze geschiedenis is kort, mijnheer," hernam bazin Wildenslag. "Mijn man en
+ mijne zonen leidden een zorgeloos leven. Zij bleven dikwijls halve weken zonder te
+ willen werken, zoodat zij zich den toegang tot vele fabrieken zagen weigeren. Wij
+ vertrokken altezamen naar Rouaan. Daar hield Godelieve weder school in ons huis, en
+ leerde er de kinderen der Fransche werklieden; want door altijd Fransch te hooren
+ spreken, had zij in die taal spoedige vorderingen gemaakt. Zij had veel te lijden van
+ hare woeste broeders en afgunstige zusters, omdat zij altijd zindelijk was gekleed en
+ door iedereen, als een voorbeeld van zedigheid en beleefdheid, werd geprezen en
+ geacht. Eene dame der stad bezorgde haar eindelijk eene goede plaats als
+ leermeesteresse in eene groote kostschool van jong<!-- Page 164 -->e juffrouwen. Daar
+ bleef zij twee volle jaren, niets van hare jaarwedde behoudende dan wat haar noodig
+ was om zich de kleederen aan te koopen, welke zij natuurlijk in hare kostschool
+ hoefde te dragen, ten einde niet te veel tegen de andere meesteressen af te steken.
+ Al het overige bracht zij naar huis om ons te helpen; want haar vader was ziek
+ geworden, en van mijne andere kinderen waren de meeste getrouwd of ongetrouwd in het
+ rond alleen gaan wonen; en de twee jongens, welke met ons bleven, gaven minder van
+ hun dagloon af dan hun kost en hun onderhoud bedroegen. De kwaal van mijnen man
+ verergerde langzaam; het was eene kwijnziekte, die hem allengskens scheen uit te
+ putten en ons deed vreezen, dat hij niet meer zou genezen. Dan gebeurde er iets, dat
+ ons in de bitterste ellende moest storten. Een mijner zonen, die sedert als soldaat
+ naar Afrika is vertrokken, een woestaard, een gevoellooze verkwister, was reeds meer
+ dan eens, tot schande der arme Godelieve, aan hare kostschool gaan bellen om haar
+ geld te vragen. Dit mishaagde de meesteresse van het gesticht zeer; maar uit
+ genegenheid voor Godelieve had men geduld gehad, zoolang totdat eens mijn baldadige
+ zoon, door den drank verblind, binnen de kostschool drong en daar, door scheldwoorden
+ en gewelddaden, zijne zuster eene groote somme gelds wilde afdwingen. Hij joeg den
+ lieden zulken schrik aan en ontstichtte de leerlingen op zulke onbehoorlijke wijze,
+ dat Godelieve hare plaats verloor en, schier half dood van schaamte en wanhoop, naar
+ huis kwam. Haar broeder, die wel gevoelde, dat hij ons allen ongelukkig had gemaakt,
+ vertrok des anderen daags om dienst te nemen in het vreemdenlegioen voor
+ <!-- Page 165 -->Afrika. Godelieve, wier moed en opoffering onuitputtelijk zijn,
+ begon onmiddellijk rond te zien om weder eenige leerkinderen te zamen te krijgen, en
+ wat naaiwerk te vinden; maar het gelukte haar niet spoedig genoeg. De armoede stond
+ voor onze deur, en wij schrikten van de droeve toekomst, die ons bedreigde. Misschien
+ had mijn arme man een geheim voorgevoel, dat hij niet lang meer zou leven. In hem
+ ontstond eensklaps eene onverwinnelijke begeerte om terug naar Vlaanderen te gaan.
+ Wij wilden hem dit besluit uit het hoofd stellen; Godelieve bovenal, waarom, ik weet
+ het niet, beefde bij het gepeins alleen, dat wij de stad Gent nog zouden wederzien.
+ Er was niets aan te doen; want hij smeekte ons met overvloedige tranen, hem toch niet
+ op vreemden grond te laten sterven. De lucht van Vlaanderen zou hem genezen, hij was
+ er van overtuigd. Wij verkochten onze meubelen en ons huisraad, om op den ijzeren weg
+ of met de diligence te reizen, en vertrokken op eenen zekeren morgen naar het
+ geboorteland. Van al mijne kinderen wilde niemand ons volgen dan Godelieve alleen.
+ Mijn man had te veel van zijne krachten verhoopt. Alhoewel hij onderweg dreigde te
+ bezwijken, wilde hij toch de reis niet staken; maar toen wij het voorgeborcht der
+ stad Rijssel bereikten, kon hij niet verder en viel buiten kennis in de herberg, voor
+ welke wij ons hadden doen afzetten. Hij bekwam echter een beetje, nadat hij eenige
+ uren had gerust. Wij bleven twee dagen in de herberg; maar onze weinige geldmiddelen
+ waren schier ten einde. Wij vonden niet verre van daar een klein werkmanshuisje, dat
+ ledig stond, huurde het en brachten er onzen armen zieke naartoe. Een slecht bed, een
+ p<!-- Page 166 -->aar stoelen, eene oude kachel en twee of drie stukken keukengerief,
+ ontnamen ons, tot den laatsten frank, al wat wij bezaten.... Luister nu, ik bid u,
+ mijnheer, en moget gij den moed en de zielegoedheid van mijn kind bewonderen, zooals
+ zij het verdient! Dan kwam eene wreede ellende ons bezoeken; ik werd van schrik en
+ wanhoop bijna zinneloos. Geen voedsel, geen hulp voor mijnen stervenden man, geen
+ uitzicht dan de honger voor ons en een akelige dood voor hem. Hoe zal ik het
+ engelachtig gedrag van Godelieve beschrijven? Zij bracht geld in huis, zij deed den
+ dokter komen en betaalde de medicijnen. Waar zij de middelen haalde, dorst ik haar
+ niet vragen; maar ik bemerkte wel, dat eerst hare oorringen, dan haar gouden kruis,
+ en dan allengs hare schoone kleederen verdwenen, zoolang tot haar niets meer
+ overbleef dan voorwerpen zonder waarde. Eindelijk moesten ook mijne zondagskleederen
+ worden opgeofferd. Ik sprak van mijnen man in het hospitaal te zien te krijgen; maar
+ hij smeekte weenend om genade, en Godelieve wilde er niet van hooren. Dan hebben wij
+ naar Rouaan geschreven, om hulp van onze kinderen te hebben. Mijn jongste zoon alleen
+ heeft geantwoord, dat hij zou komen om voor ons te werken; doch hij had zich in zijne
+ fabriek sterk aan den arm gewond en liet ons wachten totdat het te laat was. Dit
+ heeft zoo bijna eene gansche maand geduurd, mijnheer, eene gansche maand, dat
+ Godelieve elken nacht op eenen stoel bij het bed haars vaders bleef gezeten, hem
+ troostende, hem sprekende van genezing, van Gods barmhartigheid en van een beter
+ leven in den hemel. Geene klacht in haren mond; zij lachte, zij was vroolijk, de
+ goede, om moed te g<!-- Page 167 -->even. O, mijnheer, de woorden ontbreken mij om u
+ te zeggen, wat Godelieve in die schrikkelijke dagen voor ons gedaan heeft. Oordeel er
+ over: gedurende de laatste week zijns levens heeft mijn arme man, door de teedere
+ zorgen, door de liefderijke vertroostingen van zijn kind verleid, haar aangezien voor
+ eenen engel, en niet anders meer tot haar gesproken dan tot een wezen, door God
+ gezonden om zijnen doodsstrijd zacht te maken, en hem den hemel te wijzen. En,
+ mijnheer, het was niet omdat haars vaders geest door de ziekte was verzwakt, o neen,
+ ik, hare moeder, ik verkeerde in dezelfde dwaling. Er kwam een oogenblik dat hare
+ onbegrijpelijke opoffering mij nederwierp voor hare voeten en dat ik, van
+ dankbaarheid en bewondering zinneloos, voor mijn kind knielde als voor het zuiverste
+ beeld van Gods goedheid zelve. Ach, haddet gij mijnen armen man zien sterven, met
+ eenen zaligen lach zijne dochter aanschouwende, en nog, tot vaarwel, de hand van
+ zijnen troostengel kussende."</p>
+ <p>Zij smolt in tranen weg en liet het hoofd op de borst vallen.</p>
+ <p>De jongeling had dit verhaal met eene klimmende ontroering aangehoord; de
+ uitdrukking zijns gelaats was een zonderling mengsel van medelijden en geheime
+ fierheid, van smart en van blijdschap. Op het einde echter had de deernis met het
+ bitter lot der Wildenslags hem overwonnen; sedert eene wijl leekten er stille tranen
+ op zijne wangen.</p>
+ <p>Hij stond op, ging tot de vrouw, greep haar de hand en zeide:</p>
+ <p>"Arme bazin Wildenslag, wat hebt gij geleden! Ik beschuldigde u zoo
+ <!-- Page 168 -->wreedelijk. O, vergeef het mij! Wees gedankt; want ik begrijp aan
+ uwe woorden, aan uwe moederlijke ontroering, dat gij hebt medegeholpen om uwe
+ Godelieve de loopbaan te laten betreden, die hare deugd en hare geleerdheid haar
+ voorschreven. Kom, troost u; ik zal mijne ouders over u spreken; wij zullen u helpen;
+ de ellende ten minste zal u niet meer bezoeken."</p>
+ <p>"Wees gezegend, mijnheer," murmelde de vrouw nog snikkend, "uwe eindelooze
+ goedheid ontrukt mij nieuwe tranen. Ha, gij hebt het hart uwer moeder ... een hart,
+ mild en edel als het hart mijner Godelieve!"</p>
+ <p>Bavo deed eenen stap naar zijnen schrijflessenaar en nam er eenig geld uit.</p>
+ <p>"Met de honderd franken, die d&aacute;&aacute;r liggen," zeide hij, "kunt gij den
+ prijs van het verloren pak betalen. Deze droeve zaak mag u dus niet meer bekommeren.
+ Hier hebt gij nog honderd franken meer, om in uwe eerste behoefte te voorzien, ik zal
+ met mijne moeder de middelen overwegen om u een min bitter lot te verzekeren. Indien
+ wij uwe Godelieve eene plaats van leermeesteresse te Gent konden bezorgen? Voor uwen
+ zoon heb ik voordeelig werk. Vermits hij een gevoelig gemoed heeft, zal ik hem in den
+ goeden weg terugbrengen.&mdash;Daar, neem het geld, vrouw; gij hebt mij heden verlost
+ van eene lange treurnis, van eene diepe smart, die mij sedert jaren aan het harte
+ knaagt. Ja, vrouw, het is zoo. De gedachte, dat het goede, zoete Lieveken, de
+ vriendin mijner kindsheid, de gedienstige engel, die bij het ziekbed mijns vaders
+ heeft gewaakt, in de wereld was verloren geloopen, deze gedachte was mij pijnlijk, en
+ mijn medelijden werd allengs eene onverwinlijke smart. Nu ben ik daarover gerust,
+ <!-- Page 169 --> nu ben ik gelukkig te weten, dat zij ten minste hare zedelijke
+ natuur, hare schoone inborst en de edelheid harer beminnende ziel ongeschonden heeft
+ behouden."</p>
+ <p>Bazin Wildenslag had het geld van de tafel genomen. Zij vouwde de handen te zamen
+ voor den jongeling en zuchtte met de oogen vol tranen:</p>
+ <p>"O, mijnheer, uwe barmhartigheid, uwe goedheid maakt mij stom; ik weet niet, hoe u
+ mijne erkentenis uit te drukken. Morgen vroeg, v&oacute;&oacute;r ons vertrek, zullen
+ wij hier terugkomen. Godelieve zal op de knie&euml;n u zegenen voor uwe milde
+ weldaad...."</p>
+ <p>"Godelieve? Morgen?" kreet de jongeling verbaasd. "Waar is dan Godelieve?"</p>
+ <p>"Ik durf u niet langer bedriegen, mijnheer; zij is in de Sint-Baafskerk en bidt er
+ voor het Heilige Graf...."</p>
+ <p>"En waarom kwam zij niet met u?"</p>
+ <p>"Het arme meisje is vervaard, mijnheer."</p>
+ <p>"Vervaard? Van mij?"</p>
+ <p>"Beschaamd, mijnheer; om onze reis naar Gent te kunnen betalen, hebben wij de
+ eenige kleederen, die nog waarde konden hebben, moeten verkoopen. Godelieve schrikte
+ van zich voor u te vertoonen...."</p>
+ <p>"En nochtans, ik zou haar willen zien!" riep Bavo met ontsteltenis. "Na acht jaar
+ afwezigheid! Wat doen de kleederen? Zij getuigen immers van hare opoffering, van hare
+ liefde voor hare ouders? Ach, mocht ik eene belooning eischen, het ware, dat het mij
+ toegelaten wierd haar te troosten en haar moed te geven!"</p>
+ <p>"Ik zal ze halen, mijnheer. Mij ook beschaamde de poging, welke ik bij u moest
+ beproeven; maar de weldaad van edelmoedige menschen als gij zijt, vernedert niet,
+ integendeel! Ik zal het Godelieve doen <!-- Page 170 -->begrijpen, mijnheer. Zij zal
+ komen om u te danken."</p>
+ <p>Bazin Wildenslag ging ter deur uit.</p>
+ <p>Als bezwijkend onder eene geweldige ontsteltenis, liet Bavo zich op een stoel
+ zakken en legde het hoofd in de handen. De afwisseling zijner uitdrukking getuigde
+ dat hij worstelde tegen gepeinzen, die tegen zijnen wil hem bestormden. Evenwel na
+ eenige oogenblikken scheen hij over deze geheime opwellingen van een vorig gevoel te
+ hebben gezegepraald; want hij hief het hoofd op en zeide met eenen lichten spotlach
+ tot zich zelven:</p>
+ <p>"Het zijn droomen, die vergaan voor de wezenlijkheid. Geene onmogelijke gepeinzen!
+ Ja, het is ons plicht, te erkennen en te beloonen wat het goede Lieveken eertijds
+ voor mijnen zieken vader heeft gedaan. Lieten wij haar ongelukkig zijn, het ware eene
+ wreede ondankbaarheid, misschien eene zedelijke misdaad. Onze plicht is zeer
+ eenvoudig te vervullen. Wij zullen hen bijstaan en beschermen, totdat Godelieve eene
+ voordeelige plaats in een onderwijsgesticht heeft gevonden; totdat zij weder de
+ middelen hebben bekomen om stil en tevreden te leven. Wij zullen over hen waken, om
+ voortaan het ongeluk van hen af te keeren. Anders kunnen wij toch niets...."</p>
+ <p>Weder boog hij het hoofd en staarde ten gronde; na eene wijl beweegloos te zijn
+ gebleven, murmelde hij met eenen diepen zucht:</p>
+ <p>"Het is zonderling! De mensch schijnt een dubbel wezen in zich te besluiten ...
+ maar ne<!-- Page 171 -->en, zijn wil en zijn hart stemmen niet altijd overeen. En
+ nochtans, ik moet die gepeinzen verjagen. Vermits er tusschen haar en mij eene
+ maatschappelijke onmogelijkheid is ontstaan, moet ik mijne kindsheid vergeten. Haar
+ ongeluk legt mij den eerbied op; kwetsen wij hare gevoelige ziel niet. Ha, men belt!
+ Daar is zij! Hoe klopt mijn hart! Ik moet mij bedwingen.... Arm Lieveken! was het
+ z&oacute;&oacute;, dat ik haar moest wederzien?"</p>
+ <p>Vrouw Wildenslag trad in de kamer, gevolgd door hare dochter.</p>
+ <p>Het benauwde meisje hield het hoofd gebogen als eene veroordeelde, en dorst den
+ blik niet opheffen; zij beefde zichtbaar, en slechts toen hare moeder haar bij den
+ arm greep, kwam zij vooruit tot in het midden der kamer.</p>
+ <p>Een versmachte kreet was Bavos boezem ontsnapt, en hij had eenen stap gedaan om
+ tot het meisje te naderen en haar de hand te grijpen; maar hij wederhield zich zelven
+ en zeide:</p>
+ <p>"Godelieve, vergeef het mij: ik wenschte zoo vurig u te zien. Wees niet beschaamd;
+ ik weet, dat gij hebt geleden en wat gij voor uwe ouders hebt gedaan. Die slechte
+ kleederen verheffen u in mijne oogen, en de eenige indruk, dien zij op mij
+ uitoefenen, is mij een gevoel van eindeloozen eerbied in te boezemen voor het edel
+ hart, dat zij bedekken."</p>
+ <p>Het meisje hief het hoofd op en sprak zeer bedaard, doch met eenen plechtigen
+ nadruk:</p>
+ <p>"Mijnheer, ik dank u uit den grond mijner ontroerde ziel, meer nog voor uwe goede
+ woorden, dan voor uwe milde weldaad. Niet alleen verlost gij ons van de akelige
+ vrees; maar gij redt ons uit de ellende. Wees gezegend; in al mijne gebeden zal
+ <!-- Page 172 -->ik uwen naam en den naam uwer ouders mengen, opdat God u gelukkig
+ late zijn in de maat uwer grootmoedigheid."</p>
+ <p>Bavo scheen verstomd; er lichtte een vreemde glans in zijnen blik; hij rustte met
+ de bevende hand op de tafel, als hadde hij eenen steun noodig gehad. Die groote
+ blauwe oogen, zoo kwijnend en zoo vol dankbaarheid op hem gevestigd; dat fijn gelaat,
+ dat zuiver voorhoofd, waarop nu de rozeverf der kuischheid en der schaamte wolkte! O!
+ zij was schooner nog dan het engelachtig Lieveken zijner droomen. Wat geweldigen
+ strijd voerde hij tegen zijn hart! Maar hij moest zijne dwalende zinnen bedwingen: de
+ eerbied voor de ongelukkige Godelieve gebood het hem.</p>
+ <p>Een holle zucht welde op uit zijnen beklemden boezem; hij liet zich op eenen stoel
+ zakken en zeide met schijnbare kalmte:</p>
+ <p>"U weder te zien na acht jaar afwezigheid, Godelieve, is mij eene groote
+ blijdschap. Het ontstelt mij. Natuurlijk, niet waar? Die herinneringen der kindsheid,
+ hoe blijven zij, immer met nieuwe kracht opgewekt, in het menschelijk harte leven!...
+ Ach, ik laat u daar staan, te midden der kamer. Verontschuldig mij; zet u neder."</p>
+ <p>Godelieve hief de handen smeekend op.</p>
+ <p>"Mijnheer," stamelde zij, "heb medelijden met een ongelukkig meisje! Uwe goedheid
+ is zoo eindeloos. Ik ben ontsteld, ik gevoel mij ziek, mijne krachten begeven mij.
+ Vergun mij als eene genade, voor heden dit huis te verlaten. Morgen vroeg zal ik
+ bedaard zijn, ik zal, beter dan nu, madam uwe moeder mijne grenzenlooze dankbaarheid
+ kunnen uitdrukken...."</p>
+ <!-- Page 173 -->
+ <p>"Gij wilt vertrekken, Godelieve?" kreet de jongeling met verdriet. "O, neen, ik
+ bid u, nog een oogenblik!"</p>
+ <p>Door hare moeder aangedreven om aan dien wensch te voldoen, zette het meisje zich
+ neder en boog weder het hoofd. Men zou gezegd hebben, dat de oogslag van Bavo haar
+ schrik inboezemde; en inderdaad, zij had bij elken zijner blikken gesidderd.</p>
+ <p>"Zeg mij, Godelieve, hebt gij in uw smartelijk leven nog dikwijls aan onze
+ gelukkige kindsheid gedacht?" vroeg Bavo.</p>
+ <p>"Mijn eenige troost op de wereld," zuchtte het meisje, "was de dankbare
+ herinnering uwer goedheid voor het arme zieke kind."</p>
+ <p>"En voor mij, Godelieve, was het de eenige, maar bittere smart mijns levens, te
+ moeten denken, dat de zoete gezellinne mijner kinderjaren, ongelukkig en verloren, in
+ de wereld dwaalde."</p>
+ <p>Er heerschte eene korte stilte.</p>
+ <p>"Godelieve," vroeg de jongeling eensklaps, als gedreven door eene geweldige
+ ontroering, "Godelieve, ik gaf u een aandenken, eene gedachtenis. Hebt gij ze
+ bewaard?"</p>
+ <p>Hij bekwam geen antwoord.</p>
+ <p>"Het beeld van Bavo en Lieveken met hun boek in de hand," zeide hij, "onnoozel en
+ gebrekkig werk, dat aan den kleinen Bavo schier eene maand arbeid kostte. Gij hebt
+ mij beloofd, dat gij het zoudt bewaren."</p>
+ <p>"Maar, Godelieve toch, hoe kunt gij M. Damhout dus zonder antwoord laten?" kreet
+ moeder Wildenslag. "Ja, ja, mijnheer, zij heeft het
+ <!-- Page 174 -->bewaard.&mdash;Wederhoud mij niet, Godelieve.&mdash;Zoo goed
+ bewaard, mijnheer, dat het sedert jaren onder het kleine crucifix hangt, waarvoor
+ Godelieve gewoon is te bidden."</p>
+ <p>"Ach, dank, dank om uwe trouwe herinnering!" riep Bavo.</p>
+ <p>"Waarom verwondert u dit, mijnheer?" zeide het meisje met eene vonk van
+ waardigheid in de oogen. "Indien ik mijn gansche leven wilde bidden voor het geluk
+ van hem, die mij leerde lezen, kon ik iets beter doen dan zijn beeld te hangen op de
+ plaats, waar ik elken avond nederknielde om mijne ziel tot God te verheffen?"</p>
+ <p>Bavo liep tot haar, greep haar de beide handen en zeide diep ontroerd:</p>
+ <p>"Altijd dezelfde engel! Kom, Godelieve, troost u en schep moed; gij zult niet
+ ongelukkig meer zijn. Wij zullen u beschermen. Wij zullen eene goede, zeer goede
+ plaats van leermeesteresse te Gent zoeken; mijne moeder zal u weder liefhebben en u
+ helpen. Ik zal uw vriend zijn, evenals toen wij nog onnoozele kinderen waren.... Het
+ is te zeggen ... ik weet niet, de ontsteltenis maakt mij duizelig, mijne zinnen zijn
+ verward...."</p>
+ <p>Het verschrikte meisje ontwrong hem hare handen met zulk koortsig geweld, dat hij
+ zich in zijn hart over deze beweging gekwetst gevoelde en met spijtige verbaasdheid
+ eenen stap terugdeinsde.</p>
+ <p>Godelieve hief langzaam het hoofd op; alhoewel er tranen in hare oogen
+ glinsterden, was er zooveel maagdelijke fierheid in haren blik, zooveel edelheid in
+ de uitdrukking van haar schoon gelaat, dat Bavo haar met ontzag aanschouwde.</p>
+ <br />
+
+ <div class="center">
+ <img src='images/175.png' width='600' alt='Aan mij de vriendin mijner kindsheid!'
+ title='Aan mij de vriendin mijner kindsheid!' /><br />
+ <br />
+ <i>Aan mij de vriendin mijner kindsheid!</i>
+ </div>
+ <!-- Page 177 --><!-- Page 176 --><!-- Page 175 -->
+ <p>"Ik smeek u, mijnheer, heb toch medelijden met mij!" zeide zij. "Vergeten wat gij
+ voor mij als kind hebt gedaan, vergeten wie ons nu uit den afgrond der smart zoo
+ grootmoedig opheft,&mdash;de dood zelf kan mij daartoe niet bekwaam maken; want in
+ Gods schoot zelven zal mijne ziel zich nog uwer goedheid herinneren. Maar zoek geene
+ plaats voor mij te Gent. Na den dag van morgen zal ik den grond mijner geboortestad
+ niet meer betreden. Ik ken de edelheid uws harten; gij begrijpt mij, ik ben er zeker
+ van."</p>
+ <p>"Maar neen, ik begrijp u niet!" morde Bavo.</p>
+ <p>"Gij begrijpt den onverbiddelijken plicht niet, mijnheer, die mij dwingt in
+ Frankrijk een bestaan te zoeken?" hervatte Godelieve. "Ach, bestonden er tusschen u
+ en mij geene diepe, geene onverdelgbare herinneringen, ik zou uit erkentenis de
+ dienstmeid uwer moeder, en, ware het mogelijk, uwe slavin willen worden. Nu mag geen
+ andere band tusschen ons bestaan dan de weldaad van den eenen kant en de eeuwige
+ dankbaarheid van den anderen. Ik heb veel geleden, zonder dat mijn moed er onder is
+ gebroken. Moest ik een oogenblik uwe achting derven, mijnheer, ik stierve eenen
+ pijnlijken dood. Ja, ja, Bavo, de ziel der arme Godelieve heeft honger naar uwen
+ eerbied, en zij zal dien behouden met hare dankbaarheid tot aan het graf. Vaarwel,
+ mijnheer, tot morgen!"</p>
+ <p>En opstaande greep zij den arm harer moeder en trok haar naar de deur.</p>
+ <p>De jongeling stak de handen uit, als om haar te wederhouden; maar de plechtige
+ woorden der maagd hadden hem zoo gew<!-- Page 178 -->eldig tot het gevoel der
+ wezenlijkheid en tot het besef des plichts teruggeroepen, dat hij als aan den vloer
+ bleef genageld, totdat hij de voordeur hoorde sluiten.</p>
+ <p>Dan hief hij, stom en met verbaasden blik, de armen in de hoogte, allerlei
+ onduidelijke woorden in zich zelven murmelende. Zijne zinnen waren ontsteld en zijne
+ gedachten verward.</p>
+ <p>Eindelijk, na een oogenblik rust, zeide hij in zich zelven:</p>
+ <p>"Wat is zij schoon, wat is zij schoon! Onder die slechte kleederen scheen zij mij
+ fier en indrukwekkend als eene koningin. Hoe heeft zij de zuiverheid, de fijnheid des
+ harten kunnen behouden in zulke wereld, tusschen grove, onwetende menschen, dwars
+ door nood, honger en ellende? Ha! het onderwijs! Ik ben het, die deze ziel het licht
+ en de sterkte heb gegeven om aan de verleiding, aan de zedelijke verlaging te
+ wederstaan; mijne moeder is het, die haar de liefde tot deugd en plichtsbetrachting
+ heeft ingeboezemd. Roos onder de doornen, lelie bloeiend op een mesthoop! En de lelie
+ is zuiver gebleven, en de roos heeft hare geuren uitgewasemd als eenen balsem over
+ het lijden dergenen, die haar omringden! Edel moet zij zijn boven de edelsten, om
+ onder zulke beproeving niet te zijn bezweken. Dank, dank, o, mijn God, dat Gij de
+ kiemen, door een ander kind in haren geest en in haar hart gestort, niet onvruchtbaar
+ liet zijn!"</p>
+ <p>Hij wreef zich het voorhoofd en stapte in de kamer rond, als wilde hij zijne
+ stormende gepeinzen ontvluchten. Eensklaps staan blijvende, riep hij uit:</p>
+ <p>"Onmogelijk, onmogelijk! De we<!-- Page 179 -->reld, mijne ouders ... hare
+ broeders, hare zusters ... het eenige geluk, dat mij op aarde moet geweigerd
+ blijven!... Maar heeft zij daar schuld aan? Zij zal verre van hare geboortestad gaan
+ dwalen, verdriet hebben, gaan kwijnen misschien? Ja, ja, ik bedrieg mij niet: hare
+ schuchterheid, hare schaamte, hare verschrikte kuischheid, hare laatste woorden....
+ Zij ook heeft getreurd, zij ook heeft eenen wreeden knagenden worm in het hart
+ gedragen!"</p>
+ <p>Hij stortte neder op eenen stoel, sloeg zich de handen voor de oogen en morde met
+ wanhoop:</p>
+ <p>"Eilaas, eilaas, het kan niet zijn! Zij heeft gelijk; ik mag haar niet meer zien
+ na den dag van morgen. Ik insgelijks wil het aandenken mijner kindsheid eerbiedigen
+ en het zuiver bewaren tot aan het graf. Zij heeft het gezegd; er is voortaan geen
+ andere band tusschen ons mogelijk dan de herinnering aan het verledene, de weldaad en
+ de dankbaarheid!"</p>
+ <p>Na een oogenblik stilte sprong hij weder recht.</p>
+ <p>"Ik zou haar verliezen voor altijd?" kreet hij. "Die edele ziel, dat beminnend
+ harte zou gaan verkwijnen in vreemde streken?... Er is een andere band, een heilige
+ band, een eeuwige band; er is een geneesmiddel voor haar verdriet en voor mijne
+ treurnis.... Ho, ik kan het niet meer uitstaan; ik moet mijne moeder, mijnen vader,
+ mijnen meester spreken! Veroordeele mij de gansche wereld, het geluk mijns levens
+ staat op dien prijs! Aan mij, aan mij de vriendin mijner kindsheid! aan mij het
+ zuivere, zoete Lieveken!"</p>
+ <p>En onder het uitspreken dezer woorden liep hij als een dwaze ter deur uit.</p>
+ <!-- Page 180 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="SLOT" name='SLOT'></a>
+ <h2>SLOT</h2>
+ <br />
+
+ <p>Een paar jaren geleden ontstond in mij de gedachte om een verhaal uit het leven
+ der Gentsche werklieden te schrijven. Met het doel om eenige eerste inlichtingen
+ daarover in te zamelen, belde ik op zekeren namiddag aan het hek eener groote fabriek
+ te Gent.</p>
+ <p>Ik had eenen aanbevelingsbrief en stelde dien ter hand aan den bestierder van het
+ gesticht, een man van ongeveer vijfendertig jaar, en wiens kleederen, ofschoon van
+ welstand getuigende, met vlokken katoen en met stof waren overdekt.</p>
+ <p>Nauwelijks had hij mijnen naam in den brief gelezen, of hij toonde zich zeer
+ verblijd over mijn bezoek, zeide, dat hij een warm liefhebber der Vlaamsche
+ letterkunde was, en stelde zich geheel tot mijnen dienst.</p>
+ <p>Uren lang leidde hij mij door talrijke zalen en werkhuizen der fabriek, toonde en
+ verklaarde mij alles, en antwoordde op mijne vragen met zulke minzame dienstwilligheid,
+ <!-- Page 181 -->dat ik niet wist hoe hem voor zijn gulhartig onthaal te
+ bedanken.</p>
+ <p>Hij was zeker geen gewoon mensch. Van de nijverheid, van haren voortgang en van de
+ doelmatige inrichting des arbeids sprak hij niet alleen met uitgebreide kennis, maar
+ tevens met eene dichterlijke geestdrift, die mij verwonderde.</p>
+ <p>Ik had reeds vroeger, zonder andere beweegreden echter dan de nieuwsgierigheid,
+ eenige andere dergelijke gestichten bezocht. Nergens had ik zooveel orde en
+ zindelijkheid aangetroffen. De werkhuizen en zalen waren breed en verheven; sterke
+ luchttochten om het stof te verwijderen, had men in toereikend getal gemaakt; waar de
+ raderwerken of riemen den onvoorzichtigen arbeider konden aangrijpen en verminken,
+ waren deze werktuigen door zinken platen geblind; overal was ruimte en lucht in
+ overvloed, en men kon bemerken, dat hier met vaderlijke bezorgdheid voor de
+ gezondheid en het welzijn der werklieden werd gewaakt. De vrouwen, mannen en
+ kinderen, welke ik in groot getal aan den arbeid zag, waren geheel anders dan ik ze
+ mij had voorgesteld. Geene vuile en gescheurde kleederen; ernst en ingetogenheid,
+ iets waardigs in den blik; en waar een hunner werd aangesproken, beleefdheid en
+ betamelijkheid.</p>
+ <p>Ik wenschte rechtzinniglijk den bestierder geluk en zeide, dat hij hoogmoedig
+ mocht zijn over het schoone gesticht, dat onder zijne leiding bloeide.</p>
+ <p>"Inderdaad," antwoordde hij, "ik ben er reeds een beetje trotsch over; maar ik
+ hoop mettertijd nog meer verbeteringen tot stand te brengen, bovenal wat het lot der
+ werklieden betreft. Er is iets, waarover ik meer hoogmoed gevoel...."</p>
+ <p>Hij bezag zijn<!-- Page 182 --> uurwerk en zeide:</p>
+ <p>"Nog eenige minuten en ik zal het u toonen. Ziet gij, mijnheer, men kan van den
+ werkman al maken wat men wil. Daartoe behoeft natuurlijk eenig geduld; want men moet
+ allereerst de onwetendheid overwinnen, die, zoolang zij bestaat, een volstrekte
+ hinderpaal is tot alle zedelijke verbetering der arbeidende klassen."</p>
+ <p>Een oogenblik daarna begon er eene klok te luiden. Hier en daar verlieten kinderen
+ en jongens de spinmolens, waaromtrent ik mij bevond, en zij gingen het werkhuis
+ uit.</p>
+ <p>"Is het rustuur voor hen gekomen?" vroeg ik.</p>
+ <p>"Neen, zij gaan ter school," was het antwoord des bestierders. "Van de twee
+ draadjesmakers verlaat er &eacute;&eacute;n den arbeid voor een uur; de andere zal
+ intusschen alleen den molen bedienen, iets wat hem niet moeilijk valt, aangezien zijn
+ gezel, vooraleer te vertrekken, alles zooveel mogelijk in gereedheid heeft gebracht.
+ Zoo is het insgelijks met de kinderen, die in andere vakken werkzaam zijn. Elk heeft
+ zijne beurt, en wie zijnen arbeid gedurende de week niet kan verlaten, ontvangt het
+ onderwijs des Zondags en des Maandags, gedurende de uren der werkstaking. Het is
+ slechts sedert acht jaar dat ik, met oorlof mijns meesters, deze school heb
+ ingericht; en nu reeds mag ik mij beroemen, dat meer dan de helft onzer werklieden,
+ zoowel vrouwen als mannen, kunnen lezen en schrijven. Men bemerkt het wel, niet waar,
+ dat het onderwijs hun een gevoel van persoonlijke waardigheid in den boezem heeft
+ gestort? Het is mijn droom, <!-- Page 183 -->te mogen zien voordat ik sterf, dat er
+ op de gansche fabriek geen enkel ongeleerd werkman meer te vinden zij. Gij zoudt
+ kunnen denken, mijnheer, dat deze werkmanskinderen geen vlug verstand hebben, of dat
+ een enkel uur onderwijs geene merkelijke vruchten in hen kan voortbrengen; gelief mij
+ te volgen; ik ben wel zeker, dat hetgeen gij gaat zien u zal verwonderen en
+ verblijden."</p>
+ <p>Onder het uitspreken dezer laatste woorden richtte hij zich naar eene deur, die
+ uitgaf op een binnenplein, en bracht mij wat verder in eene ruime zaal, vervuld met
+ rijen lessenaars, waarachter ik een zestigtal jongens, van acht tot vijftien jaar,
+ zag zitten.</p>
+ <p>De bestierder zeide eenige woorden tot den onderwijzer; en deze verzocht mij,
+ dewijl de leerlingen juist hadden begonnen te schrijven, eenen blik op hun geschrift
+ te willen werpen.</p>
+ <p>Er waren er inderdaad velen, die een ongemeen schoone hand hadden.</p>
+ <p>Ik hoorde er eenigen lezen met eene zuiverheid van uitspraak, welke ik zelden in
+ andere scholen had ontmoet.</p>
+ <p>Dan volgden velerlei oefeningen, ditmaal grootendeels door den bestierder zelven
+ geleid, om mij over de vroege ontwikkeling van het verstand dezer arme
+ werkmanskinderen te laten oordeelen.</p>
+ <p>Er werden vragen voorgesteld aangaande de nijverheid en de verdeeling van het
+ werk, aangaande de geweefsels in het algemeen en het katoen in het bijzonder,
+ aangaande de beginselen der mekaniek en den aard der stoffelijke krachten, die de
+ mensch aanwendt tot het vergemakkelijken van zijnen arbeid, aangaande de spaarkassen
+ en<!-- Page 184 --> de genootschappen van onderlingen bijstand, en eindelijk
+ aangaande de plichten van den mensch jegens God, jegens zich zelven en jegens zijnen
+ evennaaste; in &eacute;&eacute;n woord aangaande alles, waarvan de kennis deze
+ kinderen tot behendige werklieden, tot goede huisvaders en tot verlichte burgers van
+ een vrij vaderland kon maken.</p>
+ <p>Mijne verwondering was groot, toen ik deze vragen door vele kinderen, zonder
+ aarzeling en met opmerkelijke klaarte, hoorde beantwoorden; maar het verraste mij nog
+ meer, hen gedurende een half uur, op het zwarte bord of enkel uit het hoofd, de meest
+ ingewikkelde vraagpunten der rekenkunde te hooren oplossen.</p>
+ <p>Nauwelijks kon ik gelooven, dat ik deze zelfde jongens als draadjesmakers achter
+ de spinmolens had gezien. De bestierder en de onderwijzer waren trotsch over mijne
+ verbaasdheid en over den lof, dien ik hun en hunnen leerlingen toezwaaide.</p>
+ <p>Nadat ik den bekwamen onderwijzer gulhartig en dankbaar de hand had gedrukt,
+ volgde ik den bestierder, die mij verzocht haast te maken, dewijl hem anders de tijd
+ mocht ontbreken om mij nog eene andere school te toonen.</p>
+ <p>Hij leidde mij over het plein en opende een poortje. Wij traden door eenen
+ bloemrijken tuin, die met muren was omsloten. In de verte, bij een looverhuisje, zag
+ ik drie of vier kinderen, waarvan de twee kleinsten in een wagentje zaten. Voor het
+ lieve rijtuig waren twee schapen gespannen. De voerman was een jongetje van ongeveer
+ tien jaar. Aan elke zijde van het wagentje liep eene oude dame, om de kinderen voor
+ ongeluk te behoeden.</p>
+ <p>In het looverhuis zat een grijsaard, die niet min dan zestig jaar oud kon zijn.
+ Hij rookte een pijpje en was bezig met een vischnet te breien.</p>
+ <!-- Page 185 -->
+ <p>Al deze personen juichten en lachten om der kinderen luidruchtige
+ vroolijkheid.</p>
+ <p>De bestierder richtte met eenen glimlach van geluk den blik op dit tafereel, doch
+ onderbrak zijnen stap niet.</p>
+ <p>Maar zoohaast men hem van ginder bemerkte, staken de kinderen in het wagentje de
+ hand uit, terwijl het woord "vader! vader!" door den tuin klonk. Het jongsken liet de
+ schapen staan, kwam in een vaart geloopen en sprong den bestierder aan den hals. Hij
+ zoende het kind en zond het terug, met de belofte dat hij straks in den tuin zou
+ komen, maar dat hij nu den vreemden heer moest rondleiden.</p>
+ <p>"Zie, mijnheer," zeide de bestierder mij met zekere ontroering, "al wat ik meest
+ bemin op aarde, is daar. Die grijsaard is mijn vader; van die beide dames is de eene
+ mijne moeder en de andere de moeder mijner vrouw. Die engeltjes zijn mijne kinderen.
+ God heeft mij beladen met geluk. Hier ontbreekt slechts mijne vrouw; maar ik weet
+ waar zij is: gij gaat ze zien."</p>
+ <p>En dit zeggende, richtte hij zich tot een ander poortje en opende welhaast de deur
+ eener zaal, waar een vijftigtal kleine meisjes, evenals in de andere school, voor
+ lessenaren zaten.</p>
+ <p>Buiten de leermeesteresse, die tusschen de lessenaren zich hield, stond er aan het
+ oppereinde der school eene deftig gekleede dame, die bezig scheen met vier of vijf
+ der grootste meisjes eene bijzondere les te geven.</p>
+ <p>De bestierder bracht mij bij haar en stelde mij haar voor als zijne vrouw.</p>
+ <!-- Page 186 -->
+ <p>"Lieve," zeide hij, "deze heer is een oude en goede bekende van u en van ons
+ allen; honderdmaal heeft hij, in de lange winteravonden, ons den tijd kort en
+ genoeglijk gemaakt. Nog geene acht dagen geleden, dat hij u tranen van medelijden met
+ het lot van den armen <i>Loteling</i> ontrukte."</p>
+ <p>De dame noemde mijnen naam met verrassing; hare groote blauwe oogen glinsterden
+ van blijdschap. Zij overlaadde mij met betuigingen van vriendschap, en trof mij diep
+ door de uiterste zoetheid harer stem en de minnelijkheid harer woorden.</p>
+ <p>Op aanzoek haars echtgenoots deed zij de kleine meisjes eenige oefeningen doen, om
+ mij het bewijs te geven, dat ook hier het onderwijs doelmatig was ingericht en
+ schoone vruchten droeg, waarna ik, onder het uitdrukken mijner bewondering, den
+ bestierder volgde, waarschijnlijk om nog belangwekkendere dingen te zien.</p>
+ <p>Al gaande zeide ik hem:</p>
+ <p>"O, mijnheer, aan welk edel en menschlievend doel hebt gij en uwe bekoorlijke
+ echtgenoote uwe pogingen toegewijd! Konden alle personen, die overheid op den werkman
+ hebben, hunne zending evenals gij begrijpen!"</p>
+ <p>"Zeker," antwoordde hij, "het onderwijs is het eenige middel om de arbeidende
+ klassen uit de zedelijke verlaging op te heffen. Het welbegrepen belang der meesters,
+ het welbegrepen belang van gansch het menschdom eischt, dat men het nuttigste en het
+ talrijkste gedeelte der maatschappij niet langer tot duisternis en onwetendheid
+ veroordeeld <!-- Page 187 -->late. Maar het zijn deze beweegredenen niet alleen, die
+ mij en mijne vrouw aandrijven om, binnen het bereik onzer macht, de geleerdheid, het
+ plichtbesef en het gevoel van eigen waardigheid onder de werklieden te verspreiden.
+ Neen, mijnheer, wij betalen eene schuld, eene heilige schuld aan het volksonderwijs!
+ Wij zijn kinderen van arme fabriekwerkers. Het onderwijs, dat wij mochten genieten,
+ was de eerste band tusschen onze harten; en terwijl ik, als kind, uit medelijden of
+ uit vriendschap degene leerde lezen, die nu de moeder mijner kinderen is, ontstond in
+ mij de kiem eener zuivere en duurzame neiging. Mijne goede ouders hebben mij laten
+ leeren ten koste van vele en bittere opofferingen; het was mijn schoonste droom, eens
+ hunne liefde te kunnen beloonen door hunne oude dagen zoet en gelukkig te maken. Dank
+ zij het onderwijs, dat ik mocht genieten, heb ik daartoe ruimschoots de middelen
+ gevonden. Mijne vrouw is in hare jonkheid door ongeluk en tegenspoed beproefd
+ geworden. Ware zij onwetend geweest, dan hadde zij zeker in de nederige, in de woeste
+ wereld, waarin zij gedwongen was te leven, de verhevenheid des harten en de klaarheid
+ des geestes verloren; maar het onderwijs heeft ze voor verlaging behoed en ze mij
+ wedergeschonken, zuiver, edel en verkleefd als een engel van goedheid en van liefde.
+ Het onderwijs, het volksonderwijs heeft ons dienvolgens gemaakt wat wij zijn: en
+ indien wij God uit den grond des gemoeds zegenen en danken voor al het geluk,
+ waarmede Hij ons heeft beladen, dan moeten wij erkennen, dat de Heer in ons het
+ onderwijs tot middel zijner weldaden heeft gebezigd. Het verwondere u dus niet
+ langer, dat wij ons toewijden aan het onderwijs der arme fabriekskinderen. Zooals ik
+ u zeide, w<!-- Page 188 -->ij betalen eene schuld, eene heilige schuld."</p>
+ <p>Ik had met eene soort van verstrooidheid op deze lange uitlegging geluisterd. Mij
+ vlotte de gedachte in het hoofd, dat het leven van den bestierder dezer fabriek
+ misschien de stof bevatte tot het schrijven van een schoon verhaal; en ik was reeds
+ in mijne verbeelding bezig met het te schikken en te ontwerpen. Maar vooraleer mijn
+ leidsman ophield van spreken, had hij mij in eene zaal zijner woning gebracht, en
+ zeide nu, terwijl hij mij eenen zetel aanbood:</p>
+ <p>"Gelief u neder te zetten; ik wil een glas wijn met u drinken.... Weiger mij niet,
+ ik bid u ... ik zal u voorstellen wat ik het beste in mijnen kelder heb."</p>
+ <p>Hij trok aan een belkoord en zeide tot de meid, die aan de deur verscheen:</p>
+ <p>"Breng een paar glazen en eenige beschuiten.... Ik ga zelf naar den kelder, want
+ zij zou den wijn, dien ik u wil doen proeven, niet vinden."</p>
+ <p>Sedert ik in deze zaal was getreden, had een zeker voorwerp mijne oogen tot zich
+ getrokken. Tusschen eenige schilderijen hing eene gekleurde print, die mij van verre
+ gebrekkig en grof voorkwam als een beeldeken, waarmede de kinderen gewoonlijk spelen.
+ Evenwel, de meesters dezer woning moesten er veel prijs aan hechten, want de gouden
+ lijst, die het omringde, was uiterst rijk en veel kostelijker ongetwijfeld dan de
+ lijsten, waarin de schilderijen waren vervat.</p>
+ <p>Een gevoel van nieuwsgierigheid deed mij opstaan. Ik naderde tot de
+ <!-- Page 189 -->print en zag nu, beter dan te voren, dat zij niets anders kon zijn
+ dan het werk van een kind, dat met groote inspanning en moeite gepoogd had de beelden
+ van een jongetje en van een meisje te schetsen, die elkaar bij de hand hielden en elk
+ een open boek toonden. Onder de beelden stonden deze twee namen in versierde letters
+ te lezen:</p>
+ <div class='blkquot'>
+ <p>BAVO EN LIEVEKEN.</p>
+ </div>
+ <p>"Dit beeld doet u glimlachen, niet waar?" zeide de bestierder, die nu met de
+ flesch wijn in de zaal trad.</p>
+ <p>"Glimlachen?" antwoordde ik zeer ernstig. "O, neen, mij schijnt het, dat onder dit
+ gebrekkig kinderwerk de geheimenissen van een gansch leven liggen verborgen."</p>
+ <p>"Z&oacute;&oacute; is het inderdaad. Toen ik nog een kleine jongen was, heb ik
+ gepoogd de beeltenissen te schetsen van twee kinderen, tusschen wier eenvoudige
+ harten het onderwijs eene diepe en duurzame neiging had doen ontstaan. Nu zijn ze
+ verbonden door het huwelijk, en hunne schoonste, hunne dierbaarste herinnering is nog
+ dit gebrekkig beeldeken."</p>
+ <p>"Welk schoon verhaal zou daarvan kunnen gemaakt worden!" riep ik, terwijl ik een
+ glas wijn aanvaardde. "De titel ware gevonden: <i>Bavo en Lieveken</i>! Och, ik bid
+ u, mijnheer, vertel mij uwe geschiedenis."</p>
+ <p>"Maar ik verlang niet, dat mijn leven worde openbaar gemaakt."</p>
+ <p>"Men kan het beschrijven met veranderingen, met vooronderstelde namen, op zulke
+ wijze, dat men de personen niet duidelij<!-- Page 190 -->k herkenne."</p>
+ <p>Mijne gedachte scheen den bestierder te verschrikken; hij weerstond zeer lang mijn
+ aandringen; doch ten laatste meende ik de overwinning nabij te zijn.</p>
+ <p>Ik deed eene laatste poging, door hem voor oogen te stellen, dat de geschiedenis
+ zijns levens, indien ik mij in mijn vooruitzicht niet misgreep, een machtig voorbeeld
+ zou kunnen zijn, een spoorslag om den werklieden al het nut van het onderwijs voor
+ hunne kinderen te doen beseffen, en misschien om andere edelmoedige menschen,
+ eigenaars van fabrieken, over te halen tot het oprichten van scholen in hunne
+ gestichten. Door zulk verhaal te schrijven, kon ik eenigszins medewerken tot het
+ bereiken van het edel doel, dat hij en zijne vrouw zich voorstelden. Daarenboven, ik
+ zou het derwijze schikken, dat men niet zou kunnen ontdekken, of ik ware of
+ ingebeelde personen in mijn boek had beschreven en doen handelen.</p>
+ <p>"Het is eene ernstige zaak," zeide de bestierder. "Ik wil er eerst met mijne vrouw
+ over spreken. Er is slechts &eacute;&eacute;n middel, en dit is, dat gij het
+ avondmaal met ons neemt. Weiger mij niet: anders zult gij zeker onze geschiedenis
+ niet kennen."</p>
+ <p>Ik liet mij gezeggen. Dien avond bracht ik door tusschen Bavo en Lieveken. Over
+ mij zaten de oude Damhout, Christina, zijne vrouw, en moeder Wildenslag; aan de
+ andere zijden der tafel hielden zich vier allerschoonste kinderen, twee meisjes en
+ twee jongskens.</p>
+ <p>Ik verliet het huis met het hoofd vol zoete droomen, het hart vol woorden van
+ vriendschap, van geluk en van liefde, en het geheugen vol van de eenvoudige, doch
+ roerende geschiedenis, die ik in dit boek u heb verteld.</p>
+ <br />
+ <br />
+
+ <h2>EINDE</h2>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
+
+***** This file should be named 13596-h.htm or 13596-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13596/
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+ </body>
+</html>
+
+
diff --git a/13596-h/Bavo/images/002.png b/13596-h/Bavo/images/002.png
new file mode 100644
index 0000000..ae7794b
--- /dev/null
+++ b/13596-h/Bavo/images/002.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/Bavo/images/003.png b/13596-h/Bavo/images/003.png
new file mode 100644
index 0000000..4dbd8ae
--- /dev/null
+++ b/13596-h/Bavo/images/003.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/Bavo/images/035.png b/13596-h/Bavo/images/035.png
new file mode 100644
index 0000000..db486e6
--- /dev/null
+++ b/13596-h/Bavo/images/035.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/Bavo/images/059.png b/13596-h/Bavo/images/059.png
new file mode 100644
index 0000000..e7954f0
--- /dev/null
+++ b/13596-h/Bavo/images/059.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/Bavo/images/093.png b/13596-h/Bavo/images/093.png
new file mode 100644
index 0000000..c4ca613
--- /dev/null
+++ b/13596-h/Bavo/images/093.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/Bavo/images/115.png b/13596-h/Bavo/images/115.png
new file mode 100644
index 0000000..5148c07
--- /dev/null
+++ b/13596-h/Bavo/images/115.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/Bavo/images/145.png b/13596-h/Bavo/images/145.png
new file mode 100644
index 0000000..c472242
--- /dev/null
+++ b/13596-h/Bavo/images/145.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/Bavo/images/175.png b/13596-h/Bavo/images/175.png
new file mode 100644
index 0000000..03c3350
--- /dev/null
+++ b/13596-h/Bavo/images/175.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/images/002.png b/13596-h/images/002.png
new file mode 100644
index 0000000..ae7794b
--- /dev/null
+++ b/13596-h/images/002.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/images/003.png b/13596-h/images/003.png
new file mode 100644
index 0000000..4dbd8ae
--- /dev/null
+++ b/13596-h/images/003.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/images/035.png b/13596-h/images/035.png
new file mode 100644
index 0000000..db486e6
--- /dev/null
+++ b/13596-h/images/035.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/images/059.png b/13596-h/images/059.png
new file mode 100644
index 0000000..e7954f0
--- /dev/null
+++ b/13596-h/images/059.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/images/093.png b/13596-h/images/093.png
new file mode 100644
index 0000000..c4ca613
--- /dev/null
+++ b/13596-h/images/093.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/images/115.png b/13596-h/images/115.png
new file mode 100644
index 0000000..5148c07
--- /dev/null
+++ b/13596-h/images/115.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/images/145.png b/13596-h/images/145.png
new file mode 100644
index 0000000..c472242
--- /dev/null
+++ b/13596-h/images/145.png
Binary files differ
diff --git a/13596-h/images/175.png b/13596-h/images/175.png
new file mode 100644
index 0000000..03c3350
--- /dev/null
+++ b/13596-h/images/175.png
Binary files differ
diff --git a/13596.txt b/13596.txt
new file mode 100644
index 0000000..d8c7665
--- /dev/null
+++ b/13596.txt
@@ -0,0 +1,5806 @@
+The Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Bavo en Lieveken
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: October 4, 2004 [EBook #13596]
+[Last updated: August 19, 2011]
+
+Language: Dutch and Flemish
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
+
+
+
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team
+
+
+
+
+
+HENDRIK CONSCIENCE
+
+
+BAVO EN LIEVEKEN
+
+
+(BRUSSEL, [1885])
+
+
+
+
+
+[Illustratie: "Goeden avond" juichte de jongen.]
+
+
+
+
+
+BAVO EN LIEVEKEN
+
+
+
+
+I
+
+
+Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de
+Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck.
+
+Alhoewel het daglicht reeds vermindert, is er alles nog in de volle,
+drukke werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten
+onder de zwoeging der mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste
+doet leven.
+
+Het is vooreerst de _Duivel_, dat machtig tuig, waarin het katoen
+wordt geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft
+verloren; dan de koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende
+potten, die altezamen de boomwol in vlokkig sneeuw veranderen, ze
+mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de spintuigen tot
+haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en
+eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne
+ontelbare spillen en bobijnen.
+
+Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige
+snelheid; het is eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende
+wielen, van knarsende radertanden, van vluchtende riemen, van
+wandelende spinmolens, van draaiende spillen.
+
+Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden
+andere geruchten vermengt tot een donderend gebruis, tot een
+zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en zoo vol, dat het de
+denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem duizelig
+maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee.
+
+Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne
+stem vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig
+wezen tusschen de reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft
+geschapen.
+
+Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang
+der raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen
+katoen of bobijnen aan, en geven onophoudend voedsel aan het
+duizendledig monster, dat de stof met onverzaadbaren honger schijnt te
+verslinden.
+
+Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de
+raderwerken heen- en wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens
+doorkruipen! En nochtans, dat een riem, een tand, een van al die
+draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed of slechts hunne mouw
+aangrijpe ... en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden afrukken of
+hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, voordat het, ginder verre,
+als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoevele
+onvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden
+door de barsche, zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent
+tusschen katoen en menschenvleesch!
+
+Maar daar galmt een klokslag! De vuurmaker stopt het stoomtuig; hij
+ontneemt aan de mekanieken hunnen adem en hun leven ... en op het
+ontzaglijk gerucht, op het zinverdoovend geraas volgt de stilte der
+eenzaamheid en der rust....
+
+Het was op eenen zomeravond van het jaar 1832, dat de werklieden der
+fabriek van mijnheer Raemdonck dus, op het sein der klok, hunnen
+arbeid staakten en te gelijk op het binnenplein zakten, om daar voor
+een venster van het bureel op de uitbetaling van het loon der
+afgeloopene week te wachten.
+
+Alhoewel schijnbaar dooreengemengd, toonden zij echter eenige
+schikking. Men kon zien, dat de vrouwen, de kinderen en de mannen
+neiging hadden om afzonderlijke groepen te vormen; zelfs de wevers en
+de spinners stonden aan eene verschillige zijde van het plein.
+
+Allereerst werden de vrouwen betaald; want onder hen waren vele
+moeders, wier zuigelingen sedert uren misschien naar lafenis en
+voedsel snakten. Arme wichtjes, gansche dagen aan vreemde handen
+toevertrouwd, levend van hunne geboorte af in derving en in nood!
+Slachtoffers van een maatschappelijk gebrek, dat, tegen de natuur en
+tegen den wil Gods, de vrouw onttrekt aan de vervulling van den
+moederplicht, opperste wet van haar wezen op aarde!
+
+De werklieden toonden nu eenige levendigheid; zij schenen vroolijk,
+omdat de lange week was afgeloopen en de rust van morgen hen
+toelachte.
+
+Een sterkgebouwde kerel, die tusschen de spinners stond, onderscheide
+zich door zijne luidruchtigheid. Kluchtige woorden en grove
+zinspelingen rolden hem uit den mond, en hij had zijne gezellen meer
+dan eens in eenen schaterlach doen losbarsten.
+
+Nu bemerkte hij eenen werkman, die uit de fabriek kwam en tot het
+uiterst einde van de groep der spinners naderde. Hij ging naar hem
+toe, deed hem teeken, dat hij hem over iets wilde spreken, trok hem
+een paar stappen van zijne kameraden weg en zeide:
+
+"Ha sa, Adriaan, gij zijt er bij dezen avond, niet waar? Wat zullen
+wij lachen en vermaak hebben!"
+
+"Waarbij, Jan? Ik weet van niets," was het antwoord.
+
+"Hoe? gij weet niet, dat rosse Leo van avond zijn _jubile_ viert?"
+
+"Welk _jubile_?"
+
+"Van vijfentwintig jaar spinner."
+
+"Werkt Leo reeds zoolang? Onmogelijk: de man is nog niet oud genoeg."
+
+"Niet oud genoeg, Adriaan? Hij was draadjesmaker in de spinnerij van
+Lieven Bauwens, in de allereerste fabriek, die er te Gent was
+opgericht. Dit was in 1800, en Leo was alsdan zestien jaar. Hij weet
+het nog zoo juist op zijn duimken, als hadde hij eenen almanak in den
+kop. Hij is spinner geworden, in 1807, bij mijnheer De Vos. Tel maar
+op de vingeren: zeven van tweeendertig, blijft vijfentwintig."
+
+"Inderdaad; men zou het niet zeggen: de rosse Leo schijnt geen veertig
+jaar oud."
+
+"Het is, dat hij het leven verstaat en Gods water over Gods dijk laat
+loopen. Ware hij een kniezer geweest, dan zou hij al lang op het
+kerkhof liggen. Eene goede pint bier, eene schel hesp en van tijd tot
+tijd een scheut jenever, dat zet bloed, jongen.... Welnu, doet gij
+mede? Eenen halven frank tot inzet.
+
+Wij zingen, lachen en drinken tot half den nacht. Het is morgen toch
+Zondag. Er zullen daarenboven vier vette konijnen te verdubbelen zijn:
+een buitengewoon _Smeerken_, in de Blauwe Geit, bij onzen kameraad
+Pier de Knul?"
+
+De andere bepeinsde zich eene wijl, schudde het hoofd en antwoordde:
+
+"Ik heb geene goesting, Jan."
+
+"Wat is dit nu?" kreet zijn gezel verwonderd. Zult gij vijfentwintig
+cents weigeren om het _jubile_ van eenen ouden vriend te vieren?"
+
+"Het is niet voor de vijfentwintig cents, Jan. Ik ken den rossen Leo
+bijna niet, en, ik zeg het rechtuit, dit drinken halve nachten lang
+bevalt mij niet meer; ik kan er niet tegen, het maakt mij ziek."
+
+Deze woorden, op eenen zekeren vreesachtigen toon gesproken, deden Jan
+in eenen spotlach uitbarsten: hij greep de twee handen zijns vriends
+en zeide hem:
+
+"Damhout, Damhout, jongen lief, ik heb medelijden met u. Gij waart
+vroeger altijd het haantje vooruit, en het was u nooit te laat om naar
+huis te gaan; maar sedert gij getrouwd zijt, ik heb het gezien van het
+eerste jaar af,--sedert gij getrouwd zijt, geraakt gij allengskens
+meer en meer achter den bezem; gij durft u niet meer verroeren, gij
+wordt een suffer, een gierigaard, een kwezelaar. Foei, gij vergeet,
+dat gij een man zijt, en gij ligt als een kind onder den duim uwer
+vrouw. Gij zoudt wel mededoen, ik weet het: gij hebt nog een tandje,
+dat er naar lotert; maar gij moet eerst permissie van moeder Damhout
+hebben, en God weet, of gij die permissie nog durft vragen!"
+
+"Wildenslag, ik wil mij niet boos maken," mompelde Damhout. "Ik weet,
+dat gij het niet kwaad meent, alhoewel gij onrechtvaardig zijt jegens
+mij."
+
+"Welnu, loochen dan, dat gij weigert uit opzicht voor uwe vrouw!"
+
+"Integendeel, ik beken het; maar indien het eens was uit achting voor
+haar en uit genegenheid voor mijne kinderen?"
+
+"Ja, Damhout, uwe kinderen; gij zult er een schoon kot van kweeken van
+uwe kinderen. Kleed ze maar als rentenierkens; laat ze maar naar de
+school gaan. Zoolang ze jong zijn, zullen ze meer kosten dan gij kunt
+winnen. Zij zullen schoon weer spelen en luierikken, terwijl gij, och
+arme, na eene gansche week te hebben geslaafd, nog geene pint bier met
+de vrienden zult mogen drinken. Geef hun uw zweet en uw bloed, verderf
+uwe gezondheid en verkort uw leven, en als ze groot geworden zijn,
+zullen ze hunnen vader, den armen versleten fabriekwerker, niet meer
+willen bezien of herkennen."
+
+Deze woorden waren niet zonder indruk op het gemoed van Adriaan
+Damhout. Hij scheen treurig en bleef eene wijl met gebogen hoofde
+overwegen. Dan zeide hij twijfelende:
+
+"Nochtans, Wildenslag, de geleerdheid is een schat, eene macht, die
+den mensch tot alles bekwaam maakt; en vermits wij onzen kinderen geen
+ander erfdeel kunnen nalaten...."
+
+"Vertelsels, droomen van uwe vrouw," herhaalde de andere. "Wat wilt
+gij, om 's hemels wil, dat een spinner of een wever met de geleerdheid
+doe? Of wij nu konden lezen en schrijven, wat zou het ons helpen?
+Hebt gij er minder om gewonnen, dat gij zoo min als ik, eene A uit
+eene B kent? Kom, kom, zotte hoovaardigheid en onnoozele praat
+allemaal. Onze ouders hebben gewerkt van kindsbeen af, wij hebben
+evenzoo gewerkt, en onze kinderen kunnen ook maar werken, dan valt er
+niets op te zeggen. Meent gij, dat ik mijn klein vee zal vetten met
+mijn zweet, totdat ze aan de luiheid gewend zijn? Hola een beetje! Er
+is er reeds een op de fabriek en de anderen zullen volgen. Zoo komt er
+van alle kanten boter in den pot, mijn vriend; en kan er voor ons nog
+een pintje bier, en van tijd tot tijd een plezierig smeerken op
+af.... Welnu, wat zegt gij? Viert gij mede het _jubile_ van rossen
+Leo? Kom, gij moogt niet zoo vervaard zijn van uwe vrouw. Laat ze wat
+knorren. En maakt ze het te bont, toon haar, dat gij man zijt en een
+hart in het lijf hebt."
+
+Adriaan Damhout stak de hand in den zak, haalde er een stuk van
+vijfentwintig cents uit en gaf het aan zijnen gezel.
+
+"Alzoo, dezen avond, te negen uren stipt, in de _Blauwe Geit_, bij
+Pier de Knul?" juichte Wildenslag. "Het zal er gaan, het zal er een
+leventje zijn, dat gij er in uwen ouden dag nog zult van spreken!"
+
+"Ik zal pogen te komen; maar ik ben er niet zeker van," mompelde nog
+de andere.
+
+"Ja? gij zult toch niet dom genoeg zijn om uw geld door anderen te
+laten opdrinken? Dan zou ik zeker zeggen, dat gij met uwe vrouw van
+kleederen hebt verwisseld. Onmogeljk, Adriaan, zoover zijt gij nog
+niet."
+
+Op dit oogenblik riep men van uit het bureel zekere nummers, en de
+beide vrienden begrepen daardoor, dat hunne beurt om het weekloon te
+ontvangen was gekomen.
+
+Jan Wildenslag kreeg eerst zijn geld, doch bleef nog wachten om met
+zijnen gezel huiswaarts te keeren. Toen echter Adriaan Damhout aan het
+venstertje kwam, zeide men hem, dat hij met eenige anderen moest
+blijven, om eene hand uit te steken aan eene as, die moest worden
+opgelicht.
+
+Wildenslag drukte hem nog de hand en zeide in het heengaan:
+
+"Tot dezen avond dan. Komt gij niet, dan maak ik een kruis op uwen
+rug. Pas op, pas op, vriend: ieder moet op de wereld zijn deel van het
+leven hebben. Offert gij u op voor vrouw en kinderen, zij zullen
+zonder medelijden u afhalen en uitzuigen, totdat uwe gezondheid geheel
+zij gekrenkt. Hang de vlag in den wind, achter ons vergaat de wereld!
+Hoera, vivat de _leute_!"
+
+En lachende en eenen dwazen flikker makende, sprong hij de straat in,
+gevolgd door zijnen draadjesmaker, welken hij onder de eerste de beste
+gaslantaarn van zijn loon zou betalen.
+
+
+
+
+II
+
+
+Op het einde eener enge stege, in de wijk over de Nieuwbrugge, stonden
+een dertigtal kleine huisjes van gelijken vorm, en zichtbaar in eens
+gebouwd, om aan fabriekwerkers of andere geringe lieden te worden
+verhuurd.
+
+In een dezer huisjes was eene vrouw bezig met lijnwaad en kindergoed
+in eene kuip te wasschen.
+
+Zij scheen nog in de volle kracht des levens. Ongetwijfeld was zij
+schoon geweest; misschien was zij het nog; maar de slordigheid harer
+kleederen, de zorgeloosheid en de verzuimenis, waarvan alles op haar
+en rondom haar getuigenis gaf, konden geen ander gevoel opwekken dan
+treurnis en afkeer. Zij arbeidde met veel haast, plonsde hare bloote
+armen in de kuip en schudde en wrong het lijnwaad zoo wild en zoo
+onbezonnen, dat het water in golven ten gronde stortte en als een
+slijmige plas zich rondom haar uitbreidde.
+
+De kamer was gansch vervuld met den walglijken zeepsopdamp; en de lamp
+die tegen de schouw was opgehangen, verspreidde slechts een flauw en
+als ziekelijk licht.
+
+Nevens haar op de kachel stond het avondeten in eenen steenen pot te
+koken. Van tijd tot tijd trok zij hare handen uit de kuip, greep een
+houten lepel, en stompte en roerde in den pot om de spijs niet te
+laten aanbranden.
+
+Vier kinderen, jongskens en meisjes, van verschillenden ouderdom,
+onzindelijk, beslijkt en met gescheurde kleederen, zaten of lagen op
+den vloer in eenen hoek. Zij vermaakten zich met spelen. Niet zelden
+trokken zij elkander bij het haar of vochten of schreeuwden, of
+spraken grove woorden, die men uit den mond van kinderen niet zou
+verwachten.
+
+De vrouw had er tot dan weinig acht op geslagen; evenwel kwam er een
+oogenblik dat het onverdraaglijk gedruis der kinderen en de
+noodkreten: "moeder, help! help!" haar het geduld deden verliezen. Zij
+sprong naar hen toe, gaf den eerste den beste eenen stamp, den tweede
+eenen vuistslag en den overigen eenige weergalmende oorvegen.
+
+Dan keerde zij naar de kachel terug, roerde de aardappelen nog eens om
+en voer vergramd uit tegen de kinderen, in zulke ruwe, onkiesche taal,
+dat de arme kleinen daaruit niets dan eene les van onbeschoftheid
+konden putten.
+
+"Daar hebt gij 't nu, leelijke deugnieten!" riep zij. "De patatten
+zijn aangebrand. Vader zal weer den duivel jagen en mij eenen hoop
+zure woorden naar den kop werpen. Hij en gij, gij meent, dat ik uwe
+slavin ben en maar alleenlijk leef om te werken en uitgescholden en
+geplaagd te worden, van den morgen tot den avond? Wel ja! Is hij niet
+tevreden, dan kan hij er maar bij gaan liggen, totdat het betert. Waar
+blijft uw lekkere vader? In de _Blauwe Geit_, bij Pier de Knul, zeker?
+Hij heeft zijn weekloon getrokken, en de dronkaard is reeds bezig met
+het geld door zijn keelgat te jagen. Wacht een beetje; ik zal hem eens
+naar binnen gaan sleuren. Blijft van den pot, terwijl ik weg ben, of
+ik breek u altezamen den hals, oudersverdriet dat ge zijt!"
+
+Nauwelijks had de moeder het huis verlaten, of de kinderen begonnen
+met de bloote voeten in het gestorte zeepsop te dansen, zoodat de
+muren en het huisraad geheel met slijkige vlekken werden bespat.
+
+Zij stoven verschrikt uiteen, toen hun vader zich onverwachts op den
+dorpel vertoonde. De reuk van het verbrande eten ontrukte den man een
+gegrom van ontevredenheid; de zeepsopdamp en het slijkig water op den
+vloer deden hem huiveren, en zijn gelaat verkrampte tot eene
+uitdrukking van walg en verdriet:
+
+"Waar is moeder?" vroeg hij.
+
+"Naar de _Blauwe Geit_, bij Pier de Knul," antwoordden de kinderen.
+
+"Bij Pier de Knul?"
+
+"Om u te halen, vader."
+
+"Ha, daar zijt gij, morsige prij!" kreet hij, toen hij zijne vrouw zag
+binnenkomen. "Wat is dit hier voor een stal? Waarom wascht gij die
+smerige doeken des avonds, als ik te huis zal komen? Gij hebt zeker
+weer den ganschen dag rondgeloopen en gaan babbelen bij de geburen?"
+
+"Tistje, ga, roep uwe zuster Godelieve," zeide de vrouw tot een der
+kinderen, zonder schijnbaar acht te geven op de harde berispingen
+haars echtgenoots.
+
+"Ik krijg de koorts, zoohaast ik eenen voet in uw varkenskot zet,"
+hernam deze. "Ik heb goesting om er uit weg te vluchten en er nooit
+meer weder te keeren. Werk dan al eene gansche week, en beul u af en
+zweet om geld in het huishouden te brengen; dan vindt gij des
+Zaterdags zwartgebrande patatten en eenen smerigen boel, die u van
+walg het hart in het lijf doet keeren.
+
+--Gaat gij spreken?"
+
+"Ba, spreken," hernam de vrouw spottend, "ik lach met al wat gij zegt.
+Meent gij, dat gij mij gehuurd hebt en dat ik uwe meid ben? Bevalt u
+het eten niet, laat het staan; is het huis niet zuiver genoeg naar
+uwen zin, kuisch het zelf, indien gij lust hebt, domme praatmaker!"
+
+De man hief de hand op en scheen zijne vrouw te bedreigen.
+
+"Zoo, zoo?" riep zij, "de vuisten jeuken u vandaag? Kom, Wildenslag
+lief, houd u niet in. Zoudt ge gaarne weder met een aangezicht vol
+krabben naar de fabriek gaan? Gij moet het maar zeggen; ik ben gereed,
+indien een borstelingsken u plezier kan doen. Zwijg liever en eet in
+vrede: de patatten zijn maar een beetje verbrand; daarenboven,
+schreeuwen, schelden en slaan zullen ze niet beter maken."
+
+Eensklaps trad er een zevenjarig meisje stil en langzaam in de kamer.
+Zij was mager en scheen ziekelijk; maar hare blauwe oogen glinsterden
+als parelen, en op haar fijn mondje speelde eene wonderzoete
+uitdrukking: iets lijdends, iets smeekends, als ware het kind een
+levend gebed. Ofschoon van nederigen vorm en gemeene stof, waren hare
+kleederen zeer zuiver, en hier, in dit onzindelijk huis, omringde haar
+als het ware een wasem van innerlijke onnoozelheid en van lichamelijke
+reinheid.
+
+Zij ging tot den man, legde streelend hare hand in de zijne, zag hem
+met eenen stillen, doch diepen glimlach aan en murmelde:
+
+"Dag, vader lief!"
+
+De zilverachtige toon van dit stemmeken, de kwijnende liefde-blik van
+zijn ziek kind raakten den werkman.
+
+"Dag, mijn goed Lieveken," antwoordde hij, het meisje tegen zijn hart
+drukkende. "Is het wat beter? Zijt ge nog ziek?"
+
+"Nog een beetje, vader," was het antwoord. "Bazin Damhout heeft mij
+kruiden doen drinken en het heeft mij verkwikt."
+
+"Is baas Damhout al te huis van de fabriek?" vroeg Wildenslag.
+
+"Neen, vader, nog niet."
+
+"Kom, zit neer, Lieveken, en eet, kind; want die wilde slokoppen zijn
+al aan den gang. Zij zouden wel niets voor u overlaten."
+
+Het meisje zette zich aan tafel, maakte het teeken des kruises en bad
+in stilte, waarna zij met opmerkelijke geschiktheid en ingetogene
+manieren begon te eten.
+
+"Wildenslag vond de aardappelen uiterst bitter en slecht; hij at met
+lange tanden, grommelde in zich zelven en trok verstoorde gezichten,
+maar hij bedwong zijne spijt en viel niet meer in scheldwoorden uit,
+even alsof de tegenwoordigheid van zijn ziek kind eenig besef der
+betamelijkheid in hem had opgewekt. Eindelijk zeide hij met eenen
+zucht:
+
+"Maar, Lina toch, zonder twist, zoudt gij uw huis niet wat zuiverder
+kunnen houden en uwen kinderen betere voorbeelden geven? Zie eens, hoe
+bazin Damhout het weet te schikken. Haar man is een fabriekwerker als
+ik; hij heeft anders niet dan zijn dagloon; en nochtans in zijn huis
+zoudt ge van vloersteenen willen eten, zoo zuiver is er alles."
+
+"Wat komt gij mij spreken van bazin Damhout!" was het bitsig antwoord.
+"Zij is eene goede, brave vrouw, dit zal ik niet loochenen; maar de
+Damhouts zijn geene menschen gelijk wij. Wees zeker, Wildenslag, zij
+hebben eigendommen of uitgezet geld, alhoewel ze het verbergen."
+
+"Neen, dit hebben ze niet. Er komt geen cent in huis, dien Adriaan
+Damhout niet op de fabriek heeft gewonnen. Zij hebben integendeel
+minder dan wij, vermits onze jongen reeds vier franken in de week
+verdient."
+
+"Lekkere jongen! hij zit zeker in de eene of andere kroeg. Hij heeft
+een aardje naar zijn vaartje: er zal veel goeds van komen, ik beloof
+het u!"
+
+"Neen, neen, hij is achter de taptoe geloopen. Wees zeker, Lina, bazin
+Damhout doet haar huishouden met min dan gij. Zooals zij het schikt,
+kunt gij het ook schikken."
+
+"Kom, kom, Wildenslag, ieder zingt zooals hij gebekt is, en het is
+moeilijk, eenen ouden aap nieuwe grimassen te leeren. Laat dit
+liedeken achter, het is nutteloos. Weet ge wat de huisbaas zegt over
+bazin Damhout? Dat ze zorgend en zindelijk is, omdat ze kan lezen."
+
+"De huisbaas zegt dit om te lachen. Vrouw Damhout kan anders niet
+lezen dan in den almanak en in haar kerkboek. Daar zal ze toch het
+huishouden niet in leeren."
+
+"Dan zal het zijn, omdat Damhout minder geld verteerd, en te huis
+blijft, terwijl gij halve nachten in de kroeg zit te drinken en te
+dobbelen!"
+
+"Dit is wel mogelijk," antwoordde Wildenslag, het hoofd met ongeduld
+schuddende. "Wie zegt u, dat ik niet te huis zou blijven, ten minste
+in de week, indien hier alles niet walgelijk was als in eenen stal, en
+ik er slechts een vriendelijk gezicht mocht vinden; maar gij, met uwe
+barschheid en met uwe zorgeloosheid, zoudt een engel de deur
+uitjagen."
+
+De gekwetste vrouw zette de vuisten op de heupen en meende eenen
+woedenden uitval te doen; maar de deur vloog open en een
+veertienjarige jongen, wiens kleederen vol katoenvlokken hingen,
+sprong binnen; hij eindigde het refrein van een onbetamelijk lied,
+ofschoon hij eene rookende pijp in den mond hield.
+
+Aan tafel vallende, meende hij van de verbrande aardappelen te eten:
+maar na den eersten mondvol te hebben gesmaakt, wierp hij bulderend de
+vork op den schotel en viel uit in onbeschofte berispingen tegen zijne
+moeder.
+
+In stede van hem te bestraffen, gaf de vader hem gelijk.
+
+"Daar is mijn weekloon," zeide de jongen, drie franken ter tafel
+werpende. "De patatten zijn verbrand en smaken naar het zeepsop. Ik
+trek er van door en zal ergens gaan eten, waar men het gevaar niet
+loopt vergiftigd te worden."
+
+Er werd hevig getwist, omdat de jongen eenen frank van zijn loon had
+achtergehouden; dit tooneel vernieuwde zich, toen de vader insgelijks
+zijn weekgeld afgaf. Evenwel, na vele harde, grove woorden verkalmde
+het tempeest.
+
+"Goeden avond," juichte de jongen, "ik ga naar de _Blauwe Geit_, eene
+schel hesp eten."
+
+"Kom, Sander, ik ga mede," zeide de vader. "Het deugt hier niet. Na
+eene gansche week zuren arbeid mogen wij wel een beetje ons
+verzetten."
+
+"Ha, ze meenen, dat ik hier den ganschen avond alleen zal blijven
+koekeloeren, terwijl zij ginder in de _Blauwe Geit_ hun hart ophalen
+en tot over de ooren in de leute zitten?" morde de vrouw, toen haar
+man en haar zoon waren heengegaan. "Ik moet er mijn deel van hebben:
+ik lust ook hesp. Lieveken, ga gij maar voor een uurtje naar bazin
+Damhout. Ik zal u laten roepen."
+
+Zij krabde geweldig met den haak in de kachel, om het vuur uit de
+dooven; doch daar dit niet spoedig genoeg naar haren zin ging, stortte
+zij eene kom zeepsop op de brandende kolen, zoodat de kamer met een
+stinkenden rook werd vervuld.
+
+"En gij daar, bengels," riep zij tot de kinderen, "zorgt dat gij van
+de lamp blijft en met geen vuur speelt, of ik sla den bezem op uwe
+knoken aan stukken!"
+
+Op dit oogenblik zag zij, dat het oudste jongetje een zijner zusters
+bij de haren trok, en zij hoorde een gesnor, alsof er eene stof werd
+gescheurd.
+
+"Beul, schei uit!" bulderde zij. "Wacht maar, booze vadsigaard, gij
+zult niet lang hier den boer spelen. Te naaste week gaat gij naar de
+fabriek. Als ik terugkom, zal ik u geene kleine rammeling geven, omdat
+gij alweder het kleed uwer zuster hebt gescheurd."
+
+"Het is niet waar!" kreet de knaap.
+
+"Ik heb het gezien!" schreeuwde de moeder.
+
+"Gij liegt er aan," snauwde het kind.
+
+En alsof er in dit monsterachtig gebrek aan ontzag en aan zedelijkheid
+niets ongewoons ware, de vrouw scheen er geene acht op te geven, of
+het niet te gevoelen; want zij liep het huis uit en wierp de deur toe.
+
+Arme kinderen, wat kon er onder de leiding van zulke moeder uit hen
+groeien? Niets anders voorwaar dan woeste, onbeschaafde wezens,
+beroofd van alle gevoel der menschelijke waardigheid. Het was hunne
+schuld niet; maar was het wel de schuld hunner moeder?
+
+Die vrouw, toen zij zelve kind was, had hare eerste jaren doorgebracht
+onder de waakzaamheid eener onwetende en grove oude vrouw, te midden
+van verlatene kinderen, wier moeders, evenals de hare, den ganschen
+dag op de fabriek hadden te arbeiden. Daar had zij niets geleerd dan
+eene barsche, onkiesche taal; zij was opgegroeid zonder het minste
+denkbeeld der plichten, welke de mensch in dit leven te vervullen
+heeft jegens God, jegens de maatschappij en bovenal jegens zich
+zelven. Dewijl zij alsdan slechts den ouderdem van negen jaar had
+bereikt, was er nog hoop, dat zij eenige vonken van het licht der
+beschaving zou ontvangen; dat, vooraleer zij vrouw wierd, toch eenig
+gevoel van persoonlijke waardigheid en van maagdelijke zedigheid in
+haar zou ontkiemen. Maar voordat de tiende Lente voor haar aanbrak,
+was zij reeds op de fabriek, vastgeklonken aan een eeuwigdraaiend
+tuig, overgeleverd aan het gezelschap van mannen en vrouwen, ruwer nog
+en onwetender dan zij. Later is zij getrouwd; slechts sedert de
+geboorte van haar derde kind blijft zij te huis, en geeft daar aan
+haar kroost het eenig onderwijs, dat zij heeft ontvangen:
+onwetendheid, barschheid, verlaging, verbastering der menschelijke
+natuur.
+
+En wij, die spreken van de zedelijke verbetering des werkmans, wij
+geven zijnen kinderen zulke moeder! En wij, die schelden op den
+werkman, omdat hij zijne woning ontvlucht, omdat hij drinkt en zwiert,
+wij geven hem zulke gezellin!
+
+Ja, de reusachtige uitzetting der nijverheid is een wonderbaar en
+weldadig verschijnsel onzer eeuw; maar de denker, de menschenvriend
+zal haren onweerstaanbaren voortgang niet zonder geheimen schrik
+aanschouwen, zoolang zij de vrouw, de moeder uit den schoot des
+huisgezins wegrukt en het kind tot slaaf der stof maakt in eenen
+ouderdom, die bestemd is tot zijne vorming als mensch en als Christen.
+
+Wil men de beschaving der werkende klasse, dan moet men met de vrouw
+beginnen. Deze wet is onverbiddelijk. Heerscht de man over de
+stoffelijke wereld, van de moeder alleen hangt de zedelijke vorming
+af, en zij heerscht over den geest en het hart der wordende geslachten
+met al de macht des engels of des duivels, naarmate der verhevenheid
+of der laagheid harer ziel.
+
+De menschheid begint het te begrijpen. Uit de diepte van het algemeen
+geweten rijst een noodkreet op, eene waarschuwende stem, die roept:
+"Redt de wereld uit de zedelijke verzinking door de vrouw! Onderwijs
+voor de vrouw! Opvoeding voor de vrouw! Licht, waardigheid en
+plichtbesef in het hart der moeders van het volk! Zoo niet,
+duisternis, verbastering, onrecht en bloedige wederwraak over de
+komende wereld!"
+
+
+
+
+III
+
+
+Veel verder in de rij der gelijkvormige werkmanswoningen was er een
+huisje, dat zich onderscheidde door zijne netheid.
+
+Tot op de straat was er wit zand voor de deur gestrooid. Drie of vier
+bloempotten geurden op de vensters, achter sneeuwblanke gordijntjes.
+Op de schouwplaat prijkte een Lieve-Vrouwebeeld, tusschen twee
+pleisteren papegaaien, wier rood, geel en groen vederkleed de oogen
+aangenaam verraste. Het kleinste keukengerief, de schotels en
+koffietasschen stonden op eene kas te pronken, en glinsterden en
+schitterden, als waren zij hoogmoedig over hunne netheid. De grove
+biezenstoelen waren zonder vlekken, de withouten tafel gewasschen, de
+kachel met potlood geglimd.
+
+Even arm als de andere was deze werkmanswoning; de meest schitterende
+voorwerpen hadden slechts eenige centen gekost ... en nochtans er
+heerschte zulke bekoorlijke toon van vrede, van levenslust en van
+gemak; de lucht was er zoo zuiver en zoo aanlachend, dat men bij het
+gezicht van dit nederig huisje gereedelijk moest begrijpen, hoe een
+werkman ook zijne woning kan liefhebben evenals een rijkaard, die
+zich op zijn paleis verhoovaardigt.
+
+In de benedenkamer van het huisje zat eene vrouw bij eene lamp te
+arbeiden. Zij naaide aan een blauwen kiel; en vermits er op eenen
+stoel nog vele zulke kielen geplooid lagen, was het te vermoeden, dat
+zij voor eenen winkel werkte. Zij kon den ouderdom van achtentwintig
+of dertig jaar bereikt hebben; hare kleederen, van gemeen katoen en
+door wasschen verbleekt, waren zeer zuiver en zelfs met zekeren
+eenvoudigen zwier geschikt.
+
+Nevens haar bij de tafel, zat een achtjarig jongsken met bruin haar en
+groote, levendige oogen. Hij had een brief voor zich liggen en
+verroerde de lippen, terwijl hij met een stokje de lettergrepen
+aanwees, welke hij poogde te lezen.
+
+In eenen hoek, op een paar houten bankjes zaten twee kleine meisjes
+van drie of vier jaar. Zij speelden met poppen en vermaakten zich in
+stilte, nu en dan eens de stem verheffende om de poppen te bekijven,
+of zoet lachende onder elkaar.
+
+Sedert eene wijl scheen de jongen in verlegenheid; zijn stokje
+verroerde niet meer, hij schudde het hoofd met ongeduld.
+
+"Wat is het, Bavo?" vroeg de vrouw. "Gaat het niet goed, kind?"
+
+"Ach, moeder," zeide hij, "de meester heeft mij eene les te leeren
+gegeven, en daar is een woord in, zoo moeilijk, zoo moeilijk! Ik zweet
+er van; maar ik kan er toch niet uit. Lees gij het eens, moeder lief!"
+
+Hij naderde dichter, legde haar het boek onder de oogen en wees het
+onleesbare woord. Maar de vrouw, na eene lange poging, mompelde met
+moedeloosheid:
+
+"Zelf.... Zelfver.... Zelfverloo.... Het overige kan ik niet lezen,
+Bavo. Zijn dit ook woorden voor een kind als gij? Kom, sla dit maar
+over en vraag het morgen uwen meester."
+
+Het jongsken hield zwijgend den blik op het boek gevestigd; zijne
+leden spanden zich, zijne oogen werden starend en hij verzamelde
+zichtbaar de kracht zijns geestes.
+
+"Neen, laat af, kind," zeide de vrouw, "breek u de hersens niet
+nutteloos: het woord is te moeilijk."
+
+"Te moeilijk?" morde de kleine. "Ik moet het lezen, ik wil.... Ach,
+moeder, stil, stil; gij hebt mij geholpen, het zal gaan....
+Zelfverloo.... Zelfverlooch.... Zelfverloochening! Zie, zie, moeder
+lief, het woord is zelfverloochening!"
+
+Een kreet van bewondering ontsnapte de vrouw; zij greep haar zoontje
+in de armen en legde eenen langen kus op zijn voorhoofd. Wat haar dus
+ontroerde, was de vroegtijdige gemoedskracht en de schier mannelijke
+wil, dien zij in haren zoon meende te ontdekken. Wat droomde zij bij
+den liefderijken kus? Zij wist het niet, en evenwel dankte zij God uit
+den grond des harten.
+
+Het kind, door de teedere goedkeuring aangemoedigd, had weder zijn
+boek gegrepen; maar de vrouw, nog ontroerd, zeide hem:
+
+"Bavo lief, gij moet maar goed leeren, kind; later in het leven zult
+gij eerst begrijpen, hoe schoon en hoe nuttig het is, te kunnen lezen
+en schrijven. Iemand, die niet lezen kan, is maar een half mensch, en
+hij is veroordeeld, al ware hij zelfs met verstand geboren, om altijd
+onwetend te blijven. Gij zult meer en beter leeren dan ik, Bavo, en
+daarom zult gij gelukkiger zijn in de wereld. Ach, dat mijn Peter zoo
+vroeg is gestorven! Anders zou ik goed kunnen lezen en schrijven; maar
+er was niemand meer om mij te beschermen; ik moest naar de fabriek.
+Nog wel een beetje heb ik mij zelve geleerd; maar wanneer men moede
+gewerkt is, gaat dit niet goed. Ja, Bavo, indien iedereen kon lezen,
+zouden er zoovele slechte lieden niet zijn; want wie lezen kan,
+gevoelt, dat hij mensch is, en hij eerbiedigt zich zelven. Ongelukkig
+hebben zoo weinige werkmanskinderen de gelegenheid of de middelen om
+te leeren; de ouders, die zelven onwetend zijn, begrijpen niet, hoe
+nuttig en hoe schoon het is geleerd te zijn. Gij, mijn kind, indien
+God uwen vader de gezondheid blijft gunnen, zult veel kunnen leeren.
+Bavo, vergeet nooit, dat gij dit geluk zult verschuldigd zijn aan uwen
+vader, die van den morgen tot den avond slaaft en zweet om zijne
+kinderen in eere op te brengen, en die zelfs uit de herberg blijft en,
+om zoo te zeggen, het brood uit zijnen mond spaart, om u naar de
+school te laten gaan. Niet waar, Bavo, gij zult het nooit vergeten?
+Wat er ook in uw leven gebeure, gij zult uwen goeden vader altijd
+eerbiedigen en beminnen?"
+
+"Altijd, altijd, en u ook, moeder lief!" zei het jongsken, haar de
+wangen streelende.
+
+Op dit oogenblik werd de deur geopend, en een man trad binnen. Zijne
+kleederen, door katoen en stof bevlekt, waren versleten en schenen
+vuil in zulke zindelijke plaats. Er was iets spijtigs in zijne
+uitdrukking en hij scheen van slechte luim.
+
+Maar daar klonk het woord "vader! vader!" hem op alle tonen tegen, en
+vooraleer hij twee stappen in de kamer had gedaan, waren zijne handen
+streelend aangegrepen en fijne kinderstemmen verwelkomden hem met
+eenen vloed van zoete liefdewoorden. Bavo liep naar hem toe, een
+stukje papier boven zijn hoofd zwaaiende:
+
+"Vader, vader lief!" riep hij, "twintig goede noten! Twee kussen voor
+mij en vier centen voor mijnen spaarpot!"
+
+En onder het uitspreken dezer woorden had de jongen eenen machtigen
+sprong genomen, en hing nu aan zijns vaders hals, om de belooning
+zijner leerzaamheid te ontvangen.
+
+Intusschen was de vrouw bezig met een ammelaken op de tafel te
+spreiden en het avondeten op te zetten. Zij lachte haren man
+vriendelijk aan en sprak insgelijks menig blij woord tot welkom.
+
+"Zit neer, zit neer, Damhout," zeide zij, "gij moet eetlust hebben, en
+de aardappelen zouden welhaast koud geworden zijn. Ik heb een lekker
+pladijsje voor u gekocht, goedkoop, voor vijf centen, springende
+levend. Komt, kinderen, aan tafel, aan tafel!"
+
+Adriaan Damhout was gevoelig aan de liefdesbetuigingen zijner
+kinderen; de rimpels verdwenen van zijn voorhoofd en een stille
+glimlach verlichtte zijn gelaat. Hij gaf zijn zoontje de vier
+verschuldige centen en reikte zijn weekloon aan zijne vrouw, die,
+zonder het te bezien, het geld in haren zak liet glijden.
+
+Dan namen allen plaats aan de tafel, zoo ordelijk, zoo zuiver en zoo
+netjes geschikt, alsof die arme menschen gekozene spijzen uit
+porseleinen borden en met zilveren lepels zouden gaan eten. Het waren
+evenwel slechts gestoofde patatten, grove telloren en ijzeren vorken
+die er te zien waren, tenzij misschien het gebakken pladijsje voor
+vader, dat wel lekker geurde en te midden der tafel als een pronkstuk
+of eerder nog als een liefdesgeschenk prijkte.
+
+Allen te gelijk maakten het teeken des kruises en dankten God in
+stilte, waarna zij met waren lust begonnen te eten. Slechts toen de
+visch zou worden aangevat, werd de vrede eenigszins gestoord. Damhout
+kon het niet over zijn gemoed krijgen, de pladijs, hoe klein zij ook
+ware, geheel alleen op te eten; hij wilde het lekker gebak met zijne
+vrouw deelen; maar de vrouw bevestigde, dat het voor hem en slechts
+voor hem was gekocht. Hij zou haar door langer aandringen bedroeven.
+Alhoewel de kleinen, door de moeder geleerd, haar hielpen, eindigde
+toch de vriendelijke twist op zulke wijze, dat elk kind, een stukje
+van den visch op zijn bord kreeg en de werkman het overige met
+onbeneveld vermaak genoot.
+
+Onmiddellijk na het avondmaal werd het ammelaken geplooid, en alles
+verdween in een oogslag van de tafel.
+
+De vrouw zette zich nevens haren man en begon met hem over het werk en
+over de fabriek te spreken; de twee meisjes kropen op vaders knieen.
+Bavo stond aan zijne andere zijde met zijn boek in de hand te wachten,
+totdat zijne ouders ophielden samen te kouten.
+
+Het was een eenvoudig, doch roerend tooneel, dien werkman in zijne
+slechte en besmette kleederen, te zien zitten met die nette, lachende
+engeltjes op de knieen, tusschen eene liefderijke vrouw en eenen
+leerzamen zoon, wiens oogen met ontzag en biddend tot hem waren
+gericht.
+
+"Vader lief, mag ik eens lezen?" vroeg het jongetje eindelijk. "Wij
+hebben vandaag zulke schoone les gekregen! Ik weet niet of ik ze al
+goed ken, maar ik zal mijn best doen."
+
+"Ja, Bavo, lees uwe les eens voor vader," zeide de vrouw.
+
+De jongen opende zijn boek en las met zekere moeite en eenige
+onderbrekingen, evenwel met genoegzame duidelijkheid om verstaan te
+worden:
+
+"Kinderen, wilt gij door God gezegend zijn op aarde, eert uwen vader
+en uwe moeder. Zij hebben u lief als het licht hunner oogen; zij
+zorgen en werken voor u van den morgen tot den avond; het eenige doel
+van al hun streven, van hunnen kommer en van hunne gebeden, is uw
+geluk alleen. Bemint hen teederlijk; zijt hun onderdanig en blijft hun
+dankbaar; wordt de steun en de blijdschap hunner oude dagen, en
+beloont aldus de ouderlijke liefde, die zuivere en schier goddelijke
+zelfverloochening."
+
+Deze lezing scheen eenen ongunstigen indruk op het gemoed van Damhout
+te doen; zij herinnerde hem wat Wildenslag hem had gezegd, en gaf
+nieuwe kracht aan de vrees, welke zijn vriend nu weder voor de
+twintigste maal in hem had opgewekt. Zijn gelaat werd zeer ernstig en
+hij schudde nadenkend het hoofd.
+
+"Bavo, begrijpt gij wat gij daar hebt gelezen?" vroeg hij na eenige
+overweging.
+
+"Ja, vader lief," antwoordde het kind, "er staat, dat gij voor mij
+werkt, en ik u en moeder altijd gaarne moet zien."
+
+"Tot in onzen ouden dag, Bavo."
+
+"Ja, vader, tot in uwen ouden dag, zoolang ik leef."
+
+"En zult gij dit doen, kind?"
+
+De jongen zag zijnen vader verbaasd aan, doch zonder spreken, als
+begreep hij zijnen twijfel niet.
+
+"Het is wel," zeide Damhout, "gij zijt wijs, Bavo. Blijf zoo, en
+vergeet nimmer wat daar in uw boek geschreven staat, anders zal God u
+straffen."
+
+Er volgde eene wijl stilte; de vrouw bespiedde het gelaat van haren
+man, die nu klaarblijkend in treurige gepeinzen was verzonken.
+
+"Adriaan," murmelde zij, "wat is er toch, man lief? Gij schijnt zoo
+denkend? Ik heb het gezien toen gij binnenkwaamt: er hangt u iets in
+het hoofd. Hebt gij verdriet?"
+
+"Ik heb wel geen verdriet, Christina," antwoordde hij, "maar er is
+toch iets dat mij kwelt. De andere kameraden gaan al eens een pintje
+te zamen drinken; zij lachen en kouten en vermaken zich een beetje na
+den weeklangen arbeid. Ik zit hier altijd te huis, alsof ik buiten de
+wereld was; en de vrienden drijven den spot met mij. Misschien is het
+onverstandig, zoo zijn leven geheel op te offeren, zonder te weten,
+wat er in het einde nog zal van komen."
+
+Alhoewel deze woorden haar verrasten, haalde de vrouw een zilveren
+geldstuk uit haren zak en reikte het met eenen minzamen glimlach haren
+man toe.
+
+"Damhout lief," sprak zij, "gij moet het voor mij niet laten; daar is
+geld; hebt gij lust om een uur of eenige uren met de kameraden te
+zijn, voldoe uwe goesting. Ga, ik zal zelve plezier in mijn hart
+hebben, als ik weet, dat gij u vermaakt."
+
+Maar de man, als beschaamd over zijn gemor, dreef zachtjes hare hand
+terug.
+
+"Neen, houd het geld," zeide hij,--mijn lust is over.... Nochtans,
+Christina, dezen avond vieren de vrienden in de _Blauwe Geit_ het
+_jubile_ van rossen Leo, omdat hij nu vijfentwintig jaren spinner is.
+Wildenslag heeft mij aangemaand om er bij tegenwoordig te zijn; ik heb
+hem beloofd, dat ik zou komen, indien het mogelijk was."
+
+"Welnu, Damhout, het is mogelijk: gij moet uwe belofte houden."
+
+"Ja, maar ik weet niet, mij dunkt, dat ik nog liever te huis zou
+blijven met de kinderen."
+
+"Neen, neen, Damhout; morgen is het Zondag; dan zijn wij van den
+morgen tot den avond te zamen. Doe mij plezier en neem dit geldstuk;
+ga naar de _Blauwe Geit_ en wees vroolijk met de vrienden. Ik zal
+tevreden en welgemoed naar u wachten; maar blijf zoolang, zoolang gij
+wilt. Ga, ga, ik bid u."
+
+Zij moest hem nog gedurende eene wijl met vriendelijk geweld aanmanen
+om op te staan. Dan vergezelde zij hem tot de deur en wenschte hem
+eenen genoeglijken avond. Zij keerde tot de tafel terug en hernam haar
+naaiwerk.
+
+Eenige oogenblikken later werd de deur zeer zachtjes geopend, en een
+klein meisje trad binnen.
+
+"Bavo, daar is Godelieve," zeide de moeder.
+
+De jongen sprong recht, liep naar het meisje, greep haar de hand en
+bracht haar bij de tafel, met groote blijdschap zeggende:
+
+"Ha, Lieveken, dat is goed, dat gij nog terugkomt. Ik ben moede
+geleerd; laat ons nog wat spelen. Willen wij winkel houden gelijk
+gisteren? Het is zoo vermakelijk."
+
+"O, neen, Bavo, laat ons school spelen!" smeekte het meisje.
+
+"Ja, ja, school spelen!" herhaalden de twee zusterkens, lachend in de
+handen kletsende.
+
+Bavo haalde eenige boekjes voor den dag, welke hij van zijne eerste
+leermaanden had gespaard; hij zette Lieveken op het eene bankje en
+zijne zusterkens op het andere, greep zijns vaders zondagsrietje en
+begon, met opgeheven hoofd en koddigen ernst, over en weder te
+wandelen, ondertusschen op verzwaarden toon roepende:
+
+"Stil, in de school, of ik zet u in den hoek! Wie zijne les niet kent,
+zal noen-overal blijven. Godelieve Wildenslag, let op! Welke letter is
+dit?--Goed. En deze? En deze?--Gij kent uwe les; gij zult eene klasse
+verhoogen. Keer het blad van uw boek om. Wat staat daar op den tweeden
+regel?"
+
+"Da, de, di, do, du, dij!" riep Lieveken.
+
+"Ja, gij kent dit van buiten, ik weet het wel; maar daar, op het
+andere blad, daar?"
+
+Het meisje deed een oneindig geweld om de aangewezene lettergreep te
+spellen, doch zij geraakte er niet uit.
+
+"Heb moed, let wel op," zei Bavo. "Die dubbele O is lang; en voeg daar
+achter nu den klank _ge_ bij, wat hebt ge dan?"
+
+"Oog, oog!" riep Lieveken met zegevierende blijdschap.
+
+"Wel zoo, mijn kind, gij zijt er," juichte de jonge schoolmeester.
+"Godelieve Wildenslag krijgt tien goede noten!"
+
+De moeder had dit tooneel glimlachende en met welgevallen afgezien.
+Zij scheen eindelijk ontroerd en zeide: "Kinderen lief, gij speelt
+daar een schoon en ernstig spel. Zoudt gij gelooven, dat Lieveken
+eindelijk nog zou leeren zonder naar de school te gaan?"
+
+De jongen en het meisje bezagen haar met verwondering.
+
+"Het is, zooals ik u zeg," bevestigde zij. "Waarom verwondert het u?
+Ziet eens, Lieveken, zonder het te weten, kent al hare letters en zij
+begint reeds te spellen. Indien Bavo zich wat moeite wilde geven, wees
+zeker, Lieveken, gij zoudt wel spoedig kunnen lezen."
+
+"Gij zegt het om te lachen, niet waar, bazin Damhout?" murmelde het
+meisje twijfelend.
+
+"Zou dit inderdaad mogelijk zijn, moeder lief?" vroeg Bavo, in wiens
+oog eene vonk van besluit glinsterde.
+
+"Mogelijk? Wel, kind, het is bijna gedaan? gij ziet het immers wel?"
+
+"Ha, ha, Lieveken, wij zullen altijd school spelen! Gij zult leeren
+lezen!"
+
+"Ik zal leeren lezen!" herhaalde Lieveken met bedwongen geestdrift.
+
+"Gij zult het leeren!" kreet Bavo. "Och, hemeltje, dat zal vermakelijk
+zijn, als wij te zamen in hetzelfde boek zullen kunnen lezen. Nu ga
+maar weder op de bank zitten, en geef acht ... of ik doe u twee groote
+lessen uit den Catechismus van buiten leeren!"
+
+Bavo speelde zijne rol van schoolmeester met verdubbelde vlijt voort.
+Alhoewel hij insgelijks nu en dan zijnen kleinen zusterkens de letters
+toonde en met geveinsd ongeduld hen terechtwees, hield hij zich toch
+meest met Lieveken bezig Hij sprak zulke diepgevoelde woorden van
+aanmoediging tot haar, en poogde met zulke ware inspanning haar te
+onderwijzen, dat het eenvoudig kinderspel in een ernstig werk, in
+eene edele liefdedaad veranderde.
+
+Het duurde zoolang, dat eindelijk de twee kleine zusterkens, hoofdje
+tegen hoofdje, op hunne bank waren in slaap gesukkeld.
+
+Dan was de school uit. De moeder ontkleedde de ingesluimerde wichtjes
+en droeg ze naar hun bed. Bavo en Lieveken keerden terug bij de tafel
+en keken daar in een klein boek met beeldekens.
+
+Terwijl bazin Damhout haar naaiwerk voortzette, spraken de twee
+kinderen in stilte met elkaar over de gelukkige hoop, dat Lieveken zou
+leeren lezen, alhoewel zij niet naar de school mocht gaan, dan weder
+over andere schoone, vroolijke dingen. Meest altijd zweefde er een
+zoete glimlach op hunne lippen; hunne oogen glinsterden van
+vriendschap en zielsgenoegen, en soms drukten zij elkander de handen.
+
+Eindelijk hoorde men eene kinderstem van buiten den naam van Godelieve
+roepen, en het meisje, na Bavo en zijne moeder eenen goeden nacht te
+hebben gewenscht, meende zich naar huis te spoeden; maar bazin Damhout
+greep eenen emmer en zeide:
+
+"Kom, Lieveken, ik moet om water naar de pomp; ik zal met u gaan."
+
+Toen zij in de kamer terugkeerde, bevond zij, dat Bavo met het hoofd
+op zijne boekjes was ingesluimerd.
+
+Zij zette zich neder, zag haar slapend zoontje eene wijl met zaligen
+blik aan, droomde van onbestemde dingen en legde eindelijk eenen
+langen, vurigen kus op het gladde voorhoofd, als geloofde de goede,
+dat een moederzoen de kiemen des verstands in de hersens van haar kind
+kan verwarmen en bevruchten. Nauwelijks had zij weder haar naaiwerk
+hernomen, of haar man trad in de kamer.
+
+"Reeds terug? Zoo spoedig?" vroeg zij verwonderd. "Gij doet het toch
+niet om mijnentwil, Adriaan? Het zou mij bedroeven."
+
+"Neen, Christina," antwoordde hij, terwijl hij zich bij de tafel
+nederzette. "Ik weet niet, ik kan in dat woeste leven geen vermaak
+meer vinden. De vrienden zijn brave jongens, dit wil ik niet
+ontkennen; maar die baldadige manieren en grove woorden stuiten mij
+tegen de borst. Het is hier in huis tusschen u en mijne kinderen toch
+beter. Denk eens, daar zijn ze nu in _de Blauwe Geit_ volop aan het
+ruziemaken. Zeker, de rosse Leo zal dezen avond nog vechten tegen Kobe
+den zandboer. Zij verwijten malkanderen zulke leelijke dingen, dat er
+de haren van te berge zouden rijzen op uw hoofd. Ik heb groote spijt,
+dat ik vandaag naar de _Blauwe Geit_ gegaan ben."
+
+"Ik geloof het, Adriaan; maar gij kondt niet weten, dat men er zou
+schelden en twisten."
+
+"Daarom is het niet: ik ben droef in mijn hart."
+
+"Hoe zoo? Is u iets geschied?"
+
+"Wildenslag heeft mij vervaard gemaakt! hij maakt mij altijd
+vervaard.... En misschien heeft hij gelijk; misschien doen wij niet
+wel met onzen Bavo boven zijne ouders te willen verheffen."
+
+"Alweder dit kwaad gepeins!"
+
+"Kwaad gepeins, Christina? Wie kan het weten? Laat onze Bavo nu jaren
+lang naar de gemeenteschool gaan en geleerd worden. Hij zal ons veel
+meer geld kosten dan een ander kind, en daarenboven nooit eenen cent in
+het huishouden brengen; en als hij groot is en geld wint, zal hij het
+in schoone kleederen steken en zich schamen over den armen
+fabriekwerker, die zijn zweet heeft gegeven, om eenen mijnheer van hem
+te maken."
+
+"Ach, hoe kunt ge toch zoo spreken, met uwe oogen op uw onnoozel
+kind?" zuchtte de moeder. "Bavo zou ondankbaar worden en zijne ouders
+miskennen? Nooit, nooit, zijn hart is enkel liefde en dankbaarheid."
+
+"Het is een goed kind, ik weet het," morde Damhout "Ze zijn altemaal
+goed, Christina, zoolang ze klein zijn; maar zoohaast ze man worden,
+gaan ze hunne eigene gangen en ze bekreunen zich om hunne ouders niet
+meer. Ja, wanneer ze een beetje verhoogd zijn in de wereld, zien ze
+wel dikwijls met kleinachting neder op degenen, die zich onvoorzichtig
+voor hen hebben opgeofferd."
+
+"Dit zal met onzen Bavo niet gebeuren, Damhout," antwoordde de vrouw,
+haar verdriet bedwingende. "Zijn hart is zuiver, ik zal hem bewaken.
+Gij vreest, dat ons kind later in de wereld een beter lot hebbe dan
+wij? Maar geschiedde het aldus, zou uw vaderhart niet van vreugde
+kloppen? Zoudt gij niet met hoogmoed zeggen, hij is mijn zoon, voor
+hem heb ik met liefde geslaafd; zijn geluk is mijn werk?"
+
+"Schoone dingen Christina; maar indien mijn zoon werkman bleef, gelijk
+ik ben, dan zou ik niet vreezen, dat hij zich later over mij zou
+kunnen schamen."
+
+"Wie zegt u toch, dat hij geen werkman worden zal? Zijn er dan geene
+werklieden, goede, uitmuntende werklieden, die kunnen lezen?"
+
+"Spinners toch niet veel."
+
+"Maar er zijn andere stielen, Adriaan. Mekaniekmakers, timmerlieden,
+schrijnwerkers en honderd andere, waarin men met geleerdheid en goed
+gedrag het tamelijk verre kan brengen."
+
+"Ziet gij wel, Christina, dat gij besloten hebt, onzen Bavo niet naar
+de fabriek te laten gaan?"
+
+"Hij zal gaan waar hij wil of waar hij kan," zeide de vrouw met
+klimmende kracht. "Wij mogen daarover niet op voorhand beslissen. Van
+zijne leerzaamheid, van onze liefde en van Gods wil hangt het af. Uwe
+vrienden verschrikken u, met u te zeggen, dat ik van Bavo eenen
+_mijnheer_ wil maken. Wat ik wil, is, dat mijn kind een mensch worde
+en niet door onwetendheid tot onmacht en eeuwige slavernij veroordeeld
+blijve. Wordt hij _mijnheer_, zooveel te beter!"
+
+"Christina, Christina," zuchtte de werkman, "indien gij wist, hoe uwe
+woorden mij bedroeven! De hoogmoed is een slecht raadsman."
+
+"Hoogmoed?" kreet de vrouw verontwaardigd. "Gelooft gij dan, dat het
+geluk mijner kinderen mij verschrikt? Ik zou geen moederhart moeten
+hebben. Ha, gij zult mij misschien niet begrijpen; maar ik zeg u,
+Damhout, dat, indien onze kinderen later van omhoog op mij konden
+nederzien, ik God zou danken, omdat Hij hen in de wereld heeft
+verheven. Schud het hoofd niet. Kon ik onzen Bavo ten prijze van mijn
+leven koning of keizer maken, ik stierve van blijdschap voor den troon
+van mijn kind!"
+
+Zij was zeer ontroerd en scheen te beven; er was iets ontzaglijks in
+hare houding en in haren blik; het moederlijk gevoel had deze nederige
+vrouw indrukwekkend en schoon gemaakt.
+
+Adriaan Damhout onderging den invloed harer geestdriftige woorden: hij
+boog het hoofd als overwonnen en bleef eene wijl zwijgend. Dan zeide
+hij:
+
+"Misschien hebt gij in den grond gelijk, Christina; maar overweeg toch
+eens met bedaardheid. Nu gaat het nog zoo erg niet; er is veel en goed
+werk. Onze andere kinderen zijn nog klein. Later zult gij misschien
+willen, dat de meisjes insgelijks naar de school gaan?"
+
+De vrouw deed een bevestigend teeken met het hoofd.
+
+"Zullen wij, zonder eenige hulp van onze kinderen, dien last wel
+kunnen blijven dragen? Het schijnt mij onmogelijk."
+
+"Ik zal een beetje meer werken, Adriaan."
+
+"Altijd werken als slaven, zich geheel opofferen gedurende gansch zijn
+leven!"
+
+"Ha, dan gevoel ik eerst, dat ik moeder ben, wanneer ik weet, dat ik
+mij opoffer voor het geluk mijner kinderen."
+
+"Goed; maar indien het werk nu eens voor lang wierd gestaakt? Indien
+een onzer ernstig ziek wierd, wat dan?"
+
+"Dan, Adriaan, dan zouden wij het schikken volgens Gods beslissing.
+Het onmogelijke kan men niet doen."
+
+"En indien het noodig was, Bavo eenig geld te doen verdienen, zoudt
+gij hem naar de fabriek laten gaan?"
+
+"Waarom niet, indien de nood het eischte?"
+
+"En wat zou dan de geleerdheid hem helpen?"
+
+
+[Illustratie: Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne
+vrouw.]
+
+
+"Wat zij hem zou helpen? Hoe kunt gij dit vragen, Adriaan? Hij zou ten
+minste mensch zijn, een uitmuntend werkman worden, bekwaam tot alles
+en, met een beetje geluk, zou hij wel zeker eens tot meesterknecht
+worden aangesteld."
+
+"Zie, Christina," zeide de man met zekere tevredenheid, "zoohaast gij
+zegt, dat gij er niet tegen zijt, dat Bavo werkman worde, ben ik
+gerust."
+
+"Nooit, Adriaan, heb ik een ander inzicht gehad; maar is het zijn lot,
+in de wereld vooruit te gaan, ik zal niet uit baatzucht zijn geluk
+beletten."
+
+Na een oogenblik stilte zeide zij met zoete minzaamheid:
+
+"Nu, lieve man, laat ons over dit alles niet bekommerd zijn. Waarom
+zouden wij door eene voorbarige vrees ons zelven verdriet aandoen,
+zoolang het ons wel gaat en wij niets te kort hebben? Komt er
+tegenspoed, dan zullen wij ons schikken volgens den nood. In alle
+geval, wat er ook gebeure, indien onze kinderen kunnen lezen en
+schrijven, zullen wij, alhoewel arme werklieden, hun toch een
+kostelijk erfdeel nalaten. Zij, die u berispen, kunnen dit niet
+zeggen. Leg de hand op uw hart, Adriaan, en gevoel, of het u niet
+hoogmoedig en gelukkig maakt, te weten, dat gij voor God en voor de
+menschen uwe vaderlijke plichten met liefde vervult. Wees vergenoegd,
+en luister niet meer naar kwaden raad van onwetende lieden. Kom,
+vriend, ik zal Bavo in mijne armen nemen. Wij gaan slapen."
+
+En Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw, die
+achter hem met haar zoontje de trap beklom.
+
+
+
+
+IV
+
+
+Sedert Bavo de overtuiging had bekomen, dat hij Lieveken zou kunnen
+leeren lezen, had hij geenen enkelen dag laten voorbijgaan, zonder
+uren lang haar in het spellen te oefenen. Er was iets wonderlijks in
+de aanhoudendheid en in de vlijt van den kleinen jongen; ja, dikwijls
+vermoeide hij Lieveken zoodanig, dat haar hoofd er duizelig van werd
+en zij om verpoozing smeekte.
+
+Buiten de goedheid des harten, die Bavo aandreef om het arme Lieveken
+deelachtig te maken aan het onderwijs, dat zijne moeder hem had leeren
+aanzien als de hoogste weldaad voor een werkmanskind, bestond er eene
+bijzondere reden van zijne drift en haast om zijne speelgenoote te
+leeren lezen. Hij wist, dat zij, zoohaast het mogelijk zou worden,
+naar de fabriek zou moeten gaan, en dan, vreesde hij, zou zij niet
+meer kunnen leeren; misschien zelfs zou hij niet meer of zeer zelden
+met haar kunnen spelen.
+
+Inderdaad, vader Wildenslag was een vijand van het onderwijs. Volgens
+zijne meening,--die, eilaas, gedeeld wordt door vele onwetende
+werklieden--zijn de kinderen slechts op de wereld om hunnen ouders
+geldelijk voordeel aan te brengen, en is alle opoffering voor hen eene
+domheid, zoohaast er middel bestaat om ze te ontwijken. Alhoewel hij
+zijne kleine Godelieve meer dan zijne andere kinderen beminde,
+verschrikte het hem, dat zij te huis met een boek op de knieen zat, en
+door hare netheid en kiesche manieren tot eene juffrouw scheen op te
+groeien. Het was, volgens zijne gedachte, een slecht voorbeeld in een
+huisgezin, waar iedereen bestemd was om, van kindsbeen af tot aan het
+graf, te werken zonder rust en zonder hoop op verbetering.
+
+Godelieve was te jong en te zwak om nu reeds naar de fabriek te gaan;
+maar er bestond in de buurt een huis, waar men den kleinen meisjes
+leerde handwerken. Daar zou zij eerlang elken dag eenige centen
+verdienen, en dit was toch alweder zooveel in het huishouden gewonnen.
+Daarenboven, zij zou gevoelen, dat zij geboren was om te werken
+evenals de anderen, en de luiheid, de _juffrouwerij_, zooals hij het
+noemde, zou den tijd niet hebben om in haar te groeien.
+
+Meer dan eens reeds had hij met zijne vrouw over zijn inzicht
+gesproken; maar moeder Wildenslag had hem telkens tot een uitstel
+overgehaald, door hem te doen begrijpen, dat Lieveken nog altijd zwak
+en kwijnend was.
+
+Deze reden ontsnapte haar evenwel na eenige maanden; want Lieveken
+scheen gezond te worden, en hare leden hadden in korten tijd zeer in
+sterkte toegenomen.
+
+Dan werd op zekeren middag het vonnis over haar geveld, en haar werd
+bekend gemaakt, dat zij des anderen daags 's morgens, te zes uren,
+naar het speldenwerkhuis zou gaan.
+
+Het meisje zou zich zonder het minste verdriet onderworpen hebben,
+want zij wist niet, wat haar in dezen nieuwen toestand wachtte; maar
+de vader deed haar de ergste zijde van haar lot begrijpen, toen hij
+haar zeide:
+
+"En dan, Godelieve, is het voor altijd gedaan met leeren lezen. Gij
+kent daarvan al veel te veel voor een arm werkmanskind. Poog het
+liever te vergeten, want anders zou het u gedachten kunnen geven, die
+u later op den doolweg zouden brengen. Geene boeken meer in huis; denk
+aan werken alleen."
+
+Godelieve ging zwijgend het huis uit en bleef bij de deur met gebogen
+hoofd staan. Lang overwoog zij. Zij zou niet meer mogen leeren! Dit
+gepeins rukte tranen uit hare oogen, en zij ging langzaam en als
+dwalend naar de woning van bazin Damhout.
+
+Zij verscheen in de kamer met het voorschoot voor de oogen. Adriaan
+Damhout was reeds terug naar zijne fabriek; maar dewijl het Donderdag
+en schoolverlof was, zat Bavo nog nevens zijne moeder bij de tafel.
+
+De jongen sprong met eenen gil van zijnen stoel op, greep het meisje
+de hand en vroeg:
+
+"Lieveken, gij krijscht? Wie heeft er u kwaad gedaan?"
+
+Maar Lieveken begon luide te snikken en scheen ontroostbaar.
+
+"Nu, Godelieve, spreek, wat is u geschied? Het zal niet erg zijn,"
+zeide moeder Damhout.
+
+"Ach, ik mag niet meer leeren lezen!" zuchtte het kind.
+
+"Hoe? Waarom? Het kan niet zijn!" morde Bavo met eene uitdrukking van
+ongeloof en tevens van opstand.
+
+"Neen, ik mag niet meer leeren lezen, nooit meer. O, Bavo, ik kan
+reeds bijna lezen, en nu moet ik geweld doen om het weder te
+vergeten!"
+
+"Wie, wie zegt dit?" kreet de jongen.
+
+"Mijn vader heeft het gezegd, en er is niets aan te doen," antwoordde
+het droeve Lieveken.
+
+"Uw vader!" herhaalde Bavo met schrik.
+
+"Ja, en morgen van te zes uren moet ik naar het kantwerkhuis, en ik
+mag nooit een boek meer in de hand nemen, dat vader het zie. Och God,
+wat ben ik ongelukkig!"
+
+Luider nog begon zij te krijschen; de tranen biggelden van tusschen
+hare vingeren.--Bavo, door medelijden ontroerd, liet het hoofd op de
+tafel vallen en begon insgelijks te weenen.
+
+Gedurende eenigen tijd deed vrouw Damhout pogingen om de kinderen te
+troosten; maar zij gelukte er niet in. Om hun eenigen moed te geven,
+beloofde zij eindelijk, dat zij moeder Wildenslag zou gaan spreken, en
+zij drukte de hoop uit, dat zij misschien het pijnlijk vonnis zou
+kunnen verbidden.
+
+Haastig schikte zij alles in de kamer, en zeide dan tot het meisje:
+
+"Zijt gij wel zeker, Lieveken, dat uwe ouders beslist hebben u naar
+het kantwerkhuis te doen?"
+
+"Zeker, bazin Damhout, reeds van morgen vroeg."
+
+"Zij weten dus niet wat een kantwerkhuis is?"
+
+"Ik geloof, dat zij het wel weten. Dit is niets, bazin Damhout; ik wil
+wel naar het kantwerkhuis gaan, ik zal er mijn best doen zooveel ik
+kan; maar dat ik niet mag leeren lezen, daarom heb ik zooveel
+verdriet."
+
+"Welnu, blijf hier; ik ga naar uwe moeder. Krijsch niet meer.
+Misschien kom ik terug met goed nieuws."
+
+Eenige oogenbliken daarna trad vrouw Damhout in de woning van
+Wildenslag.
+
+"Wel goeden dag, Christina, wat geluk u hier te zien!" riep de moeder
+van Godelieve. "Zijt gij op den wandel? Het gebeurt u niet veel. Ik
+heb daar juist koffie opgeschonken, omdat het vuur toch aan was. Wij
+gaan een lekker kopje te zamen drinken....
+
+En gij daar, vuile bengels, de deur uit, totdat ik u roepe, of anders
+zal het troef op uwen rug zijn!... Nu, zit neer, Christina, wij zijn
+alleen en kunnen op ons gemak een beetje kouten."
+
+"Het is om een beetje te kouten, dat ik gekomen ben, Lina," antwoordde
+vrouw Damhout, zich nederzettende. "Is het inderdaad waar, dat gij
+besloten hebt uwe Godelieve op het kantwerkhuis te doen?"
+
+"Het is waar, Christina. Ik hadde haar nog wel eenigen tijd te huis
+gelaten. Het kind is nog niet van de sterksten; maar mijn man houdt
+niet af, en hij heeft misschien gelijk. Hoe vroeger men de kinderen
+aan het werk gewent, hoe beter. Dan brengen zij al gauw iets of wat in
+het huishouden. Gij trekt zulk aardig gezicht, Christina? Verwondert
+het u, dat wij onze Godelieve naar het kantwerkhuis doen gaan?"
+
+"Het bedroeft mij."
+
+"Waarom toch?"
+
+"Ik ga het u zeggen, Lina; en vermits gij moeder zijt en een goed hart
+hebt, zult gij mij begrijpen, ik hoop het ten minste. Gij weet
+misschien niet wat een kantwerkhuis is? Ik weet het, ik heb er een
+paar jaren op eenen stoel genageld gezeten, en ik zou misschien daar
+eenen vroegen dood mij op den hals gehaald hebben, hadde mijn goede
+peter zaliger, God zegene hem, mij niet van daar weggenomen om mij
+naar de school te laten gaan. Ziet gij, Lina, in zulk kantwerkhuis
+zitten de arme kleine meiskens van den vroegen morgen tot den laten
+avond over een kantkussen gebogen. Men laat toe, dat de kinderen een
+oogenblik ademhalen. Nooit opzien, nooit verroeren; altijd werken met
+gekromde leden en verpletterde borst. Dit eeuwig zitten maakt de
+kinderen bleek en ziekelijk; velen groeien er krom van, eenigen
+krijgen een bult, en het ergste van al is, dat, met hun zoo langzaam
+de borst in te drukken, men dien ongelukkigen kinderen de tering in
+het lijf steekt. Och, wist gij, Lina, hoevele jonge vrouwen er
+begraven worden, die in het kantwerkhuis den doodelijken knak gekregen
+hebben!"
+
+"Hemel, gij verschrikt mij!" zuchtte bazin Wildenslag. "Maar het is
+zeker niet waar, wat gij daar altemaal zegt!"
+
+"Het is ten minste grootendeels waar, Lina. Ik weet het, er zijn
+sterke kinderen, die wel niet ziek worden, omdat zij op het
+kantwerkhuis zijn geweest; maar had ik een kind, dat zoolang ziek was
+als Godelieve, ik zou het niet durven wagen hare gezondheid te krenken
+en misschien de schuld te worden des doods van mijn kind. Ik ben
+moeder...."
+
+"Maar ik ook, ik ben moeder!" kreet bazin Wildenslag.
+
+"Ik weet het, Lina," was het stille antwoord. "Had ik kunnen twijfelen
+aan uwe liefde voor uwe kinderen, gij zoudt mij vandaag hier niet
+gezien hebben. Godelieve is mij komen zeggen, dat gij besloten hebt
+ze morgen naar het kantwerkhuis te doen gaan. Mij raakt de zaak wel
+niet persoonlijk; maar gij zult het mij vergeven, dat ik uw kind
+gaarne zie. Zij is toch zoo minzaam en zoo verstandig, en zij heeft
+zulk goed en zuiver hart. Het doet mij pijn, te moeten denken, dat het
+arme lam misschien de borst zal worden ingedrukt, om vroegtijdig te
+sterven."
+
+"Maar, Christina, zij gaat niet naar het kantwerkhuis!" riep vrouw
+Wildenslag met eene soort van verontwaardiging. "Ik ben arm, ik ben
+eene onwetende sloor, dit beken ik; maar ik heb ook een moederhart in
+het lijf; ik zal mijn kind de borst niet laten indrukken, al gave men
+mij eenen hoop goud!"
+
+"Dit vereert u in mijne oogen, Lina," zeide bazin Damhout, "dat gij uw
+arm Godelieveken zoo oprecht bemint ... maar uw man?"
+
+"Mijn man? Wat heeft hij zich daarmede te bemoeien? Godelieve is een
+meisje, en over de meisjes is de moeder alleen meesteres. Dat hij met
+zijne bengels van jongens doe wat hij wil; ik kom daar ook niet
+tusschen. Wees niet bevreesd, Christina; al verroerde hij hemel en
+aarde, onze Lieveken zou toch niet naar het kantwerkhuis gaan. Het is
+beslist; ik kan niet weten, of gij geheel gelijk hebt, maar met den
+schrik, dien gij mij hebt aangejaagd, zou ik nog niet plooien, al
+stond ik voor den koning zelven."
+
+De beide moeders drukten elkander de handen; bazin Wildenslag scheen
+zeer gevleid door den lof en de vriendschap harer buurvrouw, en het
+was met onverborgene blijdschap, dat zij haar aandreef om nog een
+kopje koffie te drinken. Eindelijk zeide zij in gedachten:
+
+"Zeker, Godelieve gaat niet naar het kantwerkhuis; maar zij kan toch
+niet langs de straat blijven loopen? Haar vader knort dagelijks
+daartegen, en hij heeft geen ongelijk. Zij is nog te jong om naar de
+fabriek te gaan. Wat zou ik met het kind doen, Christina?"
+
+"Indien ik u eenen goeden raad mocht geven...."
+
+"Wel, het is naar goeden raad, dat ik u vraag."
+
+"In uwe plaats liet ik Godelieve voor een paar jaren naar de school
+gaan."
+
+"Naar de school gaan? Ons Lieveken naar de school? Waar zijn toch uwe
+zinnen, Christina?" riep vrouw Wildenslag als verbaasd. "Hebben wij,
+arme fabriekwerkers, de middelen, om van ons kind eene juffrouw te
+maken, die niet meer zou willen en kunnen werken?"
+
+"Gij verstaat mij niet, Lina," bemerkte vrouw Damhout. "Lieveken kan,
+om zoo te zeggen, reeds lezen. Indien ze nu nog twee jaren naar de
+school gaat, zou ze geleerd zijn en goed kunnen schrijven en rekenen.
+Dan deed ik ze bij eene kleermaakster of op een modewinkel. Zij zou
+dienvolgens ook leeren werken, maar zij zou niet onwederroepelijk
+veroordeeld blijven, om tot het einde van haar leven eenvoudige
+werkster en dienstmeid van anderen te blijven. Met hare geleerdheid
+zou zij zeker winkeldochter worden, en later zou ze zonder twijfel
+zelve eenen winkel oprichten en meesteresse worden. Het verwondert u?
+De geleerdheid, Lina, maakt den mensch tot alles bekwaam. Voor ons,
+onwetende werklieden, is er geene verbetering mogelijk; wat wij zijn,
+moeten wij blijven tot onzen dood; maar geven wij onzen kinderen de
+geleerdheid, dan zetten wij de wereld geheel open voor hen, en wij
+nemen van hun hoofd de vermaledijding weg, de onwetendheid, die hen
+veroordeelde tot een leven zonder hoop."
+
+Bazin Wildenslag luisterde met wijdgeopende oogen; zij scheen niet wel
+te begrijpen, wat hare buurvrouw zeide.
+
+"Vooronderstel nu eens, Lina," hernam deze, "dat uwe Godelieve
+winkeldochter worde, en later zelve meesteresse; dat zij veel geld
+winne en als eene ware juffrouw gekleed ga. Zou u dit bedroeven? Is
+het geluk van haar kind de hoogste vreugde eener moeder niet?"
+
+"Inderdaad, Christina."
+
+"En indien gij, met de hand op het hart, u zelve mocht zeggen, dat
+gij, gij alleen de oorzaak zijt van hare welvaart in de wereld, zou
+het u niet hoogmoedig maken?"
+
+"Ja, maar zou zij dan hare arme ouders wel blijven beminnen?"
+
+"Waarom niet? Is de dankbaarheid dan vijandin van de liefde?
+Integendeel, ik ben wel zeker, dat Godelieve nooit uwe weldaad zou
+vergeten en tot op haren ouden dag nog in zich zelve zou zeggen: mijn
+geluk, mijne welvaart ben ik verschuldigd aan mijne moeder. Uwen naam
+zou zij zegenen, haar leven lang, en zij zou God bidden, dat Hij u in
+Zijnen schoonen hemel beloone voor uwe goedheid."
+
+Vrouw Wildenslag was getroffen; hare oogen schenen vochtig van
+ontroering.
+
+"En dan, ziet gij, Lina, de verstandige lieden zouden u achten en
+prijzen. Zij zouden zeggen: die juffrouw, de meesteresse van dien
+schoonen modewinkel, is de dochter van bazin Wildenslag. De arme
+werkmansvrouw heeft moed getoond; zij heeft hare dochter laten leeren
+en dus haar geluk in de wereld verzekerd."
+
+"Het is wel schoon wat gij daar zegt," zuchtte de moeder van
+Godelieve, "maar zoo valt het niet altijd uit."
+
+"En ware de zaak onzeker, zoudt gij daarom Lieveken tot eeuwige
+armoede veroordeelen, als gij het middel kent om haar een beter lot te
+bezorgen? Zijt gij niet moeder, en zou de overtuiging, dat gij uwen
+plicht hebt gedaan, u niet hoogmoedig en blijde maken voor gansch uw
+leven?"
+
+"Naar de school gaan, het is gemakkelijk te zeggen," mompelde vrouw
+Wildenslag, het hoofd schuddende, "maar het geld, de kosten?"
+
+"Daar loopen geene kosten op, Lina. Bij de Zusters-ten-Nonnenbosch,
+achter St.-Anna-Kerke, zal men uw kind met vreugde ontvangen en het
+kosteloos leeren, zoolang gij wilt. Wat zijn die twee jaren? Lieveken
+kan toch niets winnen, en, eens geleerd, zal zij zooveel te spoediger
+bekwaam zijn om een schoon dagloon te verdienen. Wees zeker, indien
+gij mijnen raad volgt, zult gij er mij later om bedanken."
+
+Moeder Wildenslag boog het hoofd en zag zwijgend ten gronde.
+
+"Welnu, wat denkt gij van mijnen raad?" vroeg hare buurvrouw.
+
+"Laat mij overwegen; het is eene gewichtige zaak. Ja, ik ben moeder,
+en het geluk van mijn kind...."
+
+Eensklaps sprong zij recht, liep tot eene kas, drukte zich eene
+zuivere muts op het hoofd en wierp zich eenen katoenen mantel over de
+schouders.
+
+"Kom, Christina," riep zij, "ga mede met mij!"
+
+"Maar wat wilt gij doen?" vroeg bazin Damhout verwonderd.
+
+"Wat ik wil doen? Ik heb nu een goed gepeins, en ik ben vervaard, dat
+het zou kunnen veranderen. Zoo ben ik. Het moet maar seffens gedaan
+worden, anders komt het er niet van. Wij gaan naar de Zusters, om te
+zien, of zij mijne Godelieve op hunne school willen toelaten."
+
+"Moet gij niet eerst uwen man daarover raadplegen?"
+
+"Denk daar niet aan. Van een beetje lawijd en eenen avond gegrom zal
+ik niet ziek worden. Lieveken is mijn kind, en als de zaak eens
+afgedaan en geklonken is, zal haar vader zooveel te gemakkelijker te
+overwinnen zijn. Kom, kom, geen tijd verloren. Gij kunt schoon en
+beleefd spreken, Christina, doe gij het woord bij de Zusters, dan
+geraken wij seffens klaar, indien het mogelijk is."
+
+De beide vrouwen verlieten het huis en verdwenen onmiddellijk achter
+den hoek der stege.
+
+Intusschen wachtten Bavo en Lieveken met koortsig ongeduld op de
+terugkomst van vrouw Damhout. In het eerst hadden zij elkander
+getroost met de hoop op goed nieuws; maar dewijl Bavo's moeder zoolang
+weg bleef, ontzonk hun eindelijk de moed geheel.
+
+Nu zaten zij sedert een half uur zwijgend te treuren, toen eensklaps
+de deur werd geopend en zij hunne moeders zagen verschijnen. Bevend
+sprongen gij recht; hoop en vrees glinsterden in hunne wijdgeopende
+oogen.
+
+"Godelieve," zeide bazin Wildenslag met groote blijdschap, "gij moet
+niet naar het kantwerkhuis! Morgen gaat gij naar de school, bij de
+Zusters-ten-Nonnenbosch, en gij zult mogen leeren gelijk Bavo!"
+
+Een blijde kreet ontsnapte het gelukkige Lieveken; zij omhelsde hare
+moeder en vrouw Damhout; zij greep Bavo bij de handen en danste
+juichend met hem de kamer rond.
+
+"Ik mag naar de school gaan, ik mag leeren, gelijk gij, Bavo!" riep
+zij, in de handen kletsend. "Hoe goed, hoe schoon!"
+
+En zij stortte zich vermoeid tegen de borst harer moeder, streelde
+haar de wangen met de beide handen en stamelde op den toon eener
+diepgevoelde dankbaarheid:
+
+"Ach, moeder lief, ach, moeder lief, wat zijt gij goed voor uw arm
+Lieveken. O, wat zie ik u gaarne! Wat zal ik u altijd gaarne zien,
+mijn geheel leven lang!"
+
+Bazin Wildenslag veegde zich eenen traan uit de oogen. Zulke
+moederlijke fierheid, zulke zuivere, innige blijdschap had ze nog
+nooit gevoeld. Het scheen haar, dat er iets in hare natuur was
+veredeld geworden: zij had ten minste dit besef van eigene
+waardigheid, dat als eerste belooning van eenen grooten vervulden
+plicht in den mensch ontstaat.
+
+"Kom, Lieveken," zeide zij, "laat ons naar huis gaan. Ik moet eens
+goed al uwe kleederen nazien en u een nieuw paar schoenen koopen. De
+kinderen op de school zijn altemaal zoo netjes, en ik wil niet, dat
+daar iets op mijne kap te zeggen valle."
+
+In het uitgaan drukte zij met bijzondere kracht de hand van vrouw
+Damhout, en zeide tot allen groet:
+
+"Dank, dank!"
+
+
+
+
+V
+
+
+Lieveken was ter schole bij de Zusters. Hoe fier en hoe gelukkig
+gevoelde zich het arme kind, wanneer zij, met hare leerboekjes en hare
+schalie in de hand, door de stege stapte! Nu zou zij het onderwijs
+genieten evenals Bavo. Zij was dus een bevoorrecht wezen tusschen al
+deze arme werkmanskinderen, die niet mochten ter schole gaan. De
+overtuiging, dat zij het voorwerp was van eene onverwachte en
+bijzondere gunst, dreef haar aan tot eene ongewone vlijt. Elken avond
+herhaalde zij hare lessen met Bavo. Dewijl zij eenen helderen geest en
+een sterk geheugen had, deed zij met dit dubbel onderwijs in min dan
+een jaar zulke groote vorderingen, dat hare leermeesteressen zelven er
+over verwonderden. Daarenboven, zij was zoo gehoorzaam, zoo dankbaar,
+zoo streelend, dat de Zusters haar met eene bijzondere voorliefde
+behandelden, en allengs trotsch werden over de verrassende vruchten
+van hun onderwijs in dit arme werkmanskind.
+
+Vader Wildenslag had nooit rechtzinnig toegestemd om zijn meisje ter
+schole te laten gaan. Hij gromde nog immer tegen deze gevaarlijke
+gekheid, zooals hij het noemde; en wanneer hij met zijne vrouw er
+over sprak, vielen er vele grammoedige en bittere woorden. Het was
+zijne ingewortelde gedachte, dat het onderwijs een werkmanskind
+onfeilbaar moet verloren leiden; want volgens hem sproten uit de
+geleerdheid de zucht naar schoone kleederen, hoovaardij en vele ergere
+dingen. Het minste kwaad was nog, dat de kinderen, welke dus boven
+hunnen staat verheven worden, eindelijk van hoogmoed op hunne ouders
+nederzien. Daarenboven, terwijl ze leeren, winnen ze niets, en dit is
+zooveel ontstolen aan de ouders, die recht hebben op het werkloon
+hunner kinderen. Hij was niet alleen van dit gevoelen; zijne vrouw
+mocht het vragen aan al hare geburen; buiten bazin Damhout zou geen
+enkele anders spreken. In het eerst had hij, door zijne herhaalde
+aanvechtingen en bovenal door zijne droeve voorspellingen, zijne vrouw
+in twijfel gebracht; maar nu waren allengs zijne woorden onmachtig op
+haar geworden.
+
+Lieveken woonde dikwijls de samenspraken bij, waarin er over haar lot
+werd getwist: zij hoorde en zag bevend, hoe hare moeder haar
+verdedigde en hoe zij te lijden had om haar op de school te houden.
+Het kind wist zulke zoete woorden, zulke teedere streelingen te vinden
+om hare moeder te troosten; zij drukte hare dankbaarheid met zooveel
+gevoel en kracht uit, dat bazin Wildenslag soms haar beminlijk
+Lieveken tegen de borst drukte en diep ontroerd haar omhelsde.
+
+Uit erkentenis voor hare moeder, poogde Lieveken zich op alle wijze
+nuttig te maken. Zij stond op met het krieken van den dag, schikte,
+kuischte en schuurde, en deed zooveel, dat het huisje van Jan
+Wildenslag allengs een min onzindelijk aanzien kreeg. Zij sprak
+tevens met hare moeder over hetgeen zij op de schole leerde en over de
+schoone lessen van zedelijkheid en van wellevendheid, welke de Zusters
+haar gaven. Zoo begon het kind, zonder het te weten, de opvoeding
+harer moeder, en het wierp in haar hoofd de eerste lichtstralen, welke
+er ooit waren in doorgedrongen.
+
+Bazin Wildenslag, hoe woest en onwetend ook, had een goed hart en veel
+gezonde rede. Wanneer zij alleen was met Lieveken en zij het kind zoo
+eenvoudig en toch zoo schoon hoorde spreken van haar onbekende dingen,
+van godsvrucht, van zedelijkheid en van de menschelijke plichten,
+gevoelde zij zich in eene andere lucht, en het scheen haar, dat hare
+eigene natuur door de aanraking van haar kind zich verhief en zich
+louterde.
+
+Ook zeide zij soms tot hare buurvrouw: "Zie, bazin Damhout, wij, arme
+lieden, wij denken, dat wij dom en slecht zijn. Het is niet waar. Het
+goede steekt er in, maar niemand heeft het er doen uitkomen. Hadden
+mijne ouders mij beter opgebracht en mij laten leeren, ik zou een
+ander mensch geworden zijn; want nu gevoel ik het wel, ik ben zoo bot
+niet als ik zelve het meende. Ware het nog te herdoen! Maar het is te
+laat, gebuurvrouw. Ik heb nu toch het geluk, te weten, dat mijne
+Godelieve goed zal geleerd worden. Zij is een engeltje in mijn huis;
+en mijn man mag mij vervaard maken zooveel hij wil, ik ben zeker dat
+ik plezier in mijn kind zal hebben zoolang ik leef. Wat hare broeders
+en zusters betreft, kleinen en grooten, daar is niets goeds van te
+verwachten. Zij staan tegen mij op, alsof ik geboren ware om hunne
+slavin en hunne dienstmeid te zijn. Ik heb al moeite gedaan om de
+kleinste naar de school te krijgen; maar Wildenslag springt vijf voet
+hoog van gramschap, zoohaast ik daarvan spreek."
+
+Misschien had de tevredenheid van vrouw Wildenslag nog eene andere
+reden. Zij was naar de school van Lieveken gegaan. De Zusters hadden
+haar met eene bijzondere beleefdheid en met eene zichtbare blijdschap
+ontvangen; haar de wonderlijke vorderingen van haar kind geroemd; haar
+hoog geprezen, omdat zij, nederige werkmansvrouw, haar kind liet
+leeren, en haar eindelijk, tot overmaat van vriendelijkheid, op eene
+lekkere koffie onthaald.
+
+Natuurlijk, zulk eerbewijs en de uitbundige lof over haar zelve en
+over haar kind hadden haar het hoofd duizelig gemaakt, en zij was uit
+de school teruggekeerd met het vaste opvat, Godelieve zoolang mogelijk
+te laten leeren.
+
+Daaruit volgde, dat, als de twee jaren verloopen waren, zij allerlei
+listen uitvond en zelfs openlijk tegen haren man in opstand kwam, om
+haar meisje nog eenige maanden langer op de school te laten.
+
+Alles was echter geene vreugde in het leven van Lieveken. Hare
+broeders en zusters, waarvan er reeds drie op de fabriek werkten,
+hadden voor haar eene soort van haat opgevat. Het scheen hun eene
+schreeuwende onrechtvaardigheid, dat Godelieve, zonder geld in huis te
+brengen, in luiheid mocht leven.--Onrechtvaardigheid vanwege de ouders
+was het zeker, dat zij al hunne kinderen niet hadden laten leeren;
+maar zoo verstonden de woestaards het niet. Op Lieveken alleen meenden
+zij zich te moeten wreken. Zij noemden haar spottenderwijze de
+_Mammezel_, scholden haar uit voor eene leegloopster, eene
+opvreetster, mishandelden haar, bevuilden of scheurden hare boeken en
+schenen eene samenspanning te hebben aangegaan om het arme meisje te
+bedroeven en te plagen.
+
+Godelieve verdroeg alles met een engelachtig geduld; slechts wanneer
+men hare schrijfboeken bemorste of beschadigde, weende zij in stilte,
+omdat zij vreesde in de school door de Zusters te worden bekeven.
+
+Elken dag, zoohaast het avondmaal was geeindigd, ging zij met hare
+boeken naar het huis van bazin Damhout. Daar las en schreef zij aan de
+zijde van Bavo, ontving zijne terechtwijzingen en zijne lessen met een
+liefderijk gemoed, en speelde dan nog wat, en koutte misschien met
+haren jongen vriend van hetgeen zij beiden meenden of hoopten later in
+de wereld te zullen worden.
+
+Bazin Damhout arbeidde zonder ophouden aan het naaien van kielen of
+van ander lijnwaden kleedergoed. Dewijl haar oudste meisje nu
+insgelijks naar de school ging, moest zij pogen wat meer geld te
+winnen, om haren man niet te laten gevoelen, dat het onderwijs der
+kinderen, ofschoon kosteloos, toch wel eenige opoffering vergde.
+
+Niet zelden wanneer Adriaan Damhout in gezelschap van Jan Wildenslag
+was geweest, keerde hij naar huis met een versomberd gelaat, en dan
+ontsnapten hem treurige bemerkingen, die genoeg lieten blijken, dat
+hij nog altijd ongerust was aangaande de gevolgen der al te hooge
+opvoeding, welke zijne vrouw aan hare kinderen gaf.
+
+Misschien dat de arme moeder niet geheel zonder vrees of twijfel was;
+want zij hield niet op van Bavo en Lieveken, onder alle vormen en bij
+elke gelegenheid, de dankbaarheid en de liefde tot hunne ouders als
+eenen heiligen plicht aan te prijzen. Alsof zij, door eene geheime
+inspraak harer ziel, gevoelde, dat geleerdheid niet voldoende is om
+alleen den mensch te vormen, legde zij met eene teedere oplettendheid
+in het hart van haren zoon en in het hart van Lieveken de kiemen van
+het diepste plichtgevoel en van de zuiverste deugden neder.
+
+Zij was sedert jaren gewend aan de tegenwoordigheid der kleine
+Godelieve; nu vond zij haar geluk in de zoete vriendschap der kinderen
+voor elkander en in hunne ijverige leerzaamheid. Zij aanschouwde
+eenigszins het goede meisje als haar eigen kind. Was zij de oorzaak
+niet, dat zij naar de schole ging? En gaf deze weldaad haar het recht
+niet om Godelieve uitzonderlijk te beminnen?
+
+Het meisje erkende hare liefde niet alleen door eene groote
+dankbaarheid, maar tevens door een gevoel van diepen eerbied en van
+ontzag, dat zij zelfs op Bavo overdroeg; want alhoewel zij aan zijne
+zijde leefde als zijne zuster en zijne gelijke, bleef hij in hare
+oogen altijd een waardiger wezen, wiens vriendschap en wiens
+edelmoedige bescherming zij onverdiend genoot.
+
+Eindelijk toen Godelieve bijna gedurende drie jaar had ter schole
+gegaan, kon hare moeder het niet langer tegen haren man volhouden, en
+er werd beslist, dat het meisje met het begin der volgende week het
+gesticht der Zusters zou verlaten.
+
+Wildenslag meende, dat men haar onmiddellijk op de fabriek moest doen;
+zij zou er seffens eenige stuivers elken dag winnen, terwijl zij, om
+een handwerk te leeren, misschien nog wel gedurende twee jaar met
+eenen of twee stuivers per week zou naar huis komen. Al die
+geldverkwisting, beweerde hij, had geen ander gevolg dan eene pint
+bier en een brok vleesch uit zijnen mond en uit den mond harer
+broeders en zusters te rooven. Het kwetste hem daarenboven, dat zijne
+dochter op eenen juffrouwenstiel ging en niet fabriekwerkster bleef
+gelijk hare ouders.
+
+Daarover echter behaalde hij geen gelijk. In den geest van vrouw
+Wildenslag was de toekomst van Godelieve afgebakend zooals Bavo's
+moeder ze haar had voorspeld. Zij zou kleermaakster worden,
+winkeldochter en eindelijk meesteresse; daar was niets aan te doen,
+haar man mocht er tegen grollen en grimmen zooveel hij wilde.
+
+Toen Lieveken met het onverwachte nieuws bij Bavo kwam en zeide, dat
+zij hare school ging verlaten, was er eerst verrassing en dan stille
+treurnis. De kinderen wisten niets daartegen in te brengen en
+onderwierpen zich; maar hunne oogen, wanneer zij elkanders blikken
+ontmoetten, waren klagend, en uit Lievekens boezem ontsnapte nu en dan
+een zucht. Het was zoo goed voor haar bij de Zusters; zij was er zoo
+bemind geweest en zij droeg haren leermeesteressen zooveel dankbare
+genegenheid toe. Hare goede weldoensters voor altijd vaarwel te
+zeggen, viel haar hart bitter en wreed. Maar het kon niet anders: zij
+was arm in de wereld en moest een ambacht leeren, dit wist zij wel.
+
+Bazin Damhout zeide aan hare buurvrouw, dat zij niet mocht nalaten de
+Zusters van hare beslissing te verwittigen, en bij deze gelegenheid
+hen duizendmaal en uit den grond des harten moest bedanken voor hunne
+goedheid.
+
+Daar Lina reeds eens in het gesticht met bijzondere vriendelijkheid
+was onthaald geworden, volgde zij den raad harer buurvrouw.
+
+Wie het meest verrast en bedroefd schenen bij de onverwachte
+aankondiging, waren de Zusters. Godelieve was eene leerlinge, op welke
+zij niet alleenlijk trotsch waren, maar zij hadden allen het meisje
+bijzonder lief om hare voorbeeldige zedigheid en ijver, en meer nog
+misschien om hare aandoenlijke dankbaarheid. Daarenboven, Godelieve
+was hun reeds sedert eenige maanden behulpzaam geweest om de kleinste
+meisjes te leeren spellen.
+
+Nadat de Zusters de redenen van bazin Wildenslag hadden gehoord,
+staken zij de hoofden bijeen en spraken eenigen tijd in stilte met
+elkander.
+
+Dan zeide de oudste:
+
+"Vrouw, het zou ons pijn doen, onze beste leerlinge nu reeds te moeten
+verliezen. Wij waren fier op haar, en hadden ze wel gaarne nog een
+jaar behouden, om te doen zien waartoe wij bekwaam zijn, als onze
+lessen in eenen goeden grond vallen. Zoudt gij ze niet nog een beetje
+op onze school kunnen laten?"
+
+
+[Illustratie: Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad
+papier uit.]
+
+
+"Onmogelijk, Zuster," antwoordde bazin Wildenslag met eenen zucht. "Ik
+wenschte het ook wel. Vermits ik slechts een kind heb, dat heeft mogen
+naar de school gaan, zou ik ze willen laten leeren zoolang ze kan;
+maar mijn man is niet meer te stillen. Wij kunnen zoo niet leven. De
+kinderen kosten geld. Ik heb er niet minder dan zes; en, gelooft mij
+of niet, ze eten ons waarlijk het haar van het hoofd. Als de
+kinderen hunnen eigen kost niet verdienden, zoohaast ze groot genoeg
+zijn, dan moeten al de menschen van onze soort naar de armen."
+
+"En wanneer denkt gij, dat Godelieve, met den kleermakersstiel te
+leeren, haren kost zou beginnen te verdienen?"
+
+"Niet spoedig, Zusters, ik weet het wel: binnen twee jaar misschien,
+zoo allengskens."
+
+"Welnu, wij willen u een goed voorstel doen. Laat Godelieveken nog
+naar de school komen. Zij zal hier het noenmaal en het avondmaal
+genieten, en zelfs het ontbijt, indien gij wilt. Wij zullen eene
+bijzondere zorg aanwenden om haar goed te leeren naaien. En zoohaast
+zij dertien of veertien jaar bereikt en wel onderwezen is, zullen wij
+zelven haar op eenen winkel doen, bij eene meesteresse, die haar zal
+beschermen en bevorderen. Zij zal dus den verloren tijd ruimschoots
+inwinnen. Bevalt u dit voorstel?"
+
+"Ach, menschen lief, wat zijt gij toch goed voor mijn arm kind!" riep
+moeder Wildenslag met de tranen in de oogen. "Dat God u beloone voor
+uwe liefdadigheid. Ja, ja, zeker, ik neem uw edelmoedig voorstel aan
+uit gansch mijn hart."
+
+Zoo bleef Godelieve, ondanks de tegenwerpingen haars vaders, op de
+school der Zusters.
+
+Wat Bavo betreft, het is onnoodig te bevestigen, dat hij op de
+gemeenteschool insgelijks zich onder al zijne medeleerlingen
+onderscheidde. Hij was in geleerdheid oneindig verder dan Lieveken;
+hij had een schoon geschrift, was zeer geoefend in het rekenen en had
+reeds eenige vorderingen in de Fransche taal gedaan. Zijne meesters
+hadden hun genoegen in zijn helder begrijp en in zijne leerzaamheid,
+en roemden op zijnen spoedigen voortgang.
+
+Daar zijne ouders hem voor den stiel van mekaniekmaker of van
+timmerman bestemden, woonde hij sedert anderhalfjaar de lessen der
+teeken-academie bij, en alles liet vermoeden, dat hij ook in dit
+nieuwe vak behendig worden zou.
+
+Met al deze bezigheden, en alhoewel hij nu slechts te acht uren des
+avonds naar huis kwam, vond hij nog tijds genoeg om spelenderwijze
+Lieveken voort te helpen in hare eerste studie der Fransche taal,
+welke zij op hare school nu insgelijks had begonnen te leeren.
+
+Een gansch jaar verliep er dus, zonder dat eenige tegenspoed het
+stille geluk van bazin Damhout en van beide kinderen kwam storen. Een
+enkel voorval--indien men het voorval mag heeten--was van aard om
+aangeteekent te worden in hunne herinnering.
+
+Bavo had sedert eenigen tijd eene zonderlinge strekking tot
+eenzaamheid getoond. Reeds tweemaal, wanneer zijne ouders des Zondags
+volgens gewoonte hem mede wilden nemen op de wandeling, was hij alleen
+te huis gebleven, onder voorwendsel dat hij veel schoolwerk had af te
+maken. Zijne moeder had hem eens verrast, terwijl hij met angstige
+haast iets voor haar verborg.
+
+Wat mocht hem dus bezighouden? Hij wilde het niet zeggen; hij ontweek
+alle uitleggingen daarover, en bazin Damhout was niet zonder kommer,
+alhoewel zij niet juist wist wat zij vreesde.
+
+Op zekeren avond kwam Bavo te huis van de school; hij scheen uitermate
+blijde, liep van den eenen kant der kamer naar den anderen met
+zichtbaar ongeduld en deed niets dan in zich zelven zeggen:
+
+"Is Lieveken nog niet gekomen? Waar blijft toch Lieveken? Indien zij
+eens dezen avond niet kwame!"
+
+En als bazin Damhout hem vroeg, wat hem zoo aanjaagde, antwoordde hij
+lachende:
+
+"Gij zult het straks zien, moeder lief, en dan zult gij weten, wat ik
+voor u hield verborgen."
+
+"Ha, ha, daar is Lieveken!" riep hij uit.
+
+Het meisje aanschouwde hem verbaasd en keek rond om te raden, wat hem
+zoo vroolijk maakte.
+
+"Welken dag van het jaar zijn wij?" vroeg hij haar.
+
+"Ik weet het niet," stamelde zij. "In de maand Juli...."
+
+"Welnu, zie eens in dezen almanak, daar op den zesden der maand, welke
+heilige staat daar?"
+
+"Sinte-Godelieve!" zeide het meisje met verwondering.
+
+"Ja, Godelieve, het is uw dag," juichte hij. "Ik ga u besteken; ik heb
+een geschenk voor u. Eene maand lang heb ik in het geheim er aan
+gewerkt. Gij moogt er niet mede lachen en moeder ook niet. Ik heb
+gedaan wat ik kon."
+
+Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit, legde
+dit op de tafel en riep:
+
+"Zie, Lieveken, zie, moeder, daar is mijn geschenk!"
+
+Op het blad papier stonden de beelden van twee kinderen, met waterverf
+gekleurd, een jongen en een meisje, hand aan hand, en houdende elk in
+de hand, die hun vrij bleef, een open boek. Er was een breede,
+driekleurige band rondgeschilderd, en deze bonte verven gaven het
+eenen grooten glans. Ongetwijfeld had Bavo geweld gedaan om zijne
+eigene beeltenis en die van Lieveken na te bootsen; de kleederen
+geleken klaarblijkend; maar het geheel was een zoo gebrekkig en grof
+kinderwerk, dat men moeilijk het inzicht des makers hadde kunnen
+raden, indien hij niet onder de beelden in groote letteren hadde
+geschreven: BAVO EN LIEVEKEN.
+
+Verrast en schier droef, omdat het kleine meisje beweegloos bleef en
+niet juichte, zeide hij beschaamd:
+
+"Ja, Godelieve, het is niet goed, ik weet het wel. Ik heb het gemaakt
+om te lachen; het is eene gedenkenis van dat wij te zamen hebben
+leeren lezen."
+
+Godelieve boog het hoofd en begon in stilte te weenen; de tranen
+rolden als parelen uit hare oogen.
+
+"Wat is dit?" murmelde de verbaasde jongen. "Waarom weent gij nu?"
+
+"Ik weet het niet," was het antwoord, "omdat gij zoo goed voor mij
+zijt."
+
+"Kom, kom, het is maar spel," riep Bavo. "Hadde ik geweten, dat het
+beeldeken u moest bedroeven, ik hadde het aan stukken gescheurd."
+
+"Ho, aan stukken scheuren!" gilde Lieveken met schrik. "Doe dit niet!
+Geef het mij, als 't u belieft!"
+
+"Wel, het is voor u, Lieveken, dat ik het heb gemaakt."
+
+"Wees gedankt, Bavo; ik zal de gedenkenis uwer vriendschap zoo
+zorgvuldig bewaren!"
+
+Zij greep het blad papier van de tafel en, als verschrikte haar de
+gedachte, dat het schoon geschilderd beeld haar nog kon worden
+ontnomen, liep zij er mede de deur uit, roepende dat zij het hare
+moeder wilde toonen.
+
+
+
+
+VI
+
+
+Eindelijk was de tijd gekomen, dat Bavo de gemeenteschool zou
+verlaten, om als leerjongen op een werkhuis van mekaniekmakers te
+gaan. Hij was meer dan veertien jaar, en zijne opvoeding was
+voltrokken.
+
+Toen de onderwijzer van dit besluit kennis gegeven was, kwam hij zelf
+in de woning van Damhout, om den ouders van zijnen leerling te
+verzoeken en aan te raden, hunnen zoon nog op de school te laten, ten
+minste tot de aanstaande prijsuitdeeling. Hij twijfelde niet, of Bavo
+zou al de eerste prijzen der hoogste afdeeling behalen. Dus zijne
+opvoeding sluiten als _primus_ der school, zou hem een groote eer
+zijn, en het kon hem een gewichtige titel op latere bescherming
+worden. De hoofdonderwijzer had Bavo lief om zijn goed hart en zijnen
+wakkeren geest, en hij verborg den ouders niet, dat hij er aan hield,
+zijnen beminden leerling de eer en blijdschap van de zegepraal te zien
+genieten.
+
+Er werd dienvolgens beslist, dat Bavo nog ter schole zou blijven tot
+de prijsuitdeeling.
+
+Sedert eene maand was Lieveken door hare leermeesteressen bij eene
+goede kleermaakster geplaatst geworden. Als beschermelinge der
+Zusters won zij van den beginne af een frank per week.
+
+Dit klein loon was oorzaak, dat Wildenslag nog dikwijls zijne vrouw
+van dwaasheid beschuldigde, en haar poogde over te halen om Lieveken
+naar de fabriek te doen gaan. Daar moeten de kinderen geene lange
+leerjaren onderstaan, en zij winnen er onmiddellijk veel meer geld dan
+met welk ander ambacht. Evenwel, hoe onophoudend hij ook daarover
+zijne ingewortelde meening uitdrukte, zijne vrouw wilde van zulk iets
+niet hooren.
+
+Des avonds, na de arbeidsuren, kwam Lieveken bij bazin Damhout. Zij
+had toch te veel van hare woeste broeders en zusters te lijden; en
+hare moeder zelve spoorde haar aan om bij hare brave buren den vrede
+en het stil vermaak te zoeken, welke zij in haar huis niet vinden kon.
+
+Uit gewoonte en uit neiging nam zij nog deel in de lessen van Bavo, of
+juichte op voorhand met hem over de eer en het geluk, die hem zouden
+te beurt vallen bij de aanstaande prijsuitdeeling der gemeenteschool.
+
+Onverwachts ontstonden er gebeurtenissen, die de Gentsche nijverheid,
+en dus ook de werklieden, aan harde beproevingen gingen onderwerpen.
+Vele vraagpunten, door de omwentelingen van Frankrijk en van Belgie in
+1830 geweldiglijk opgeworpen, waren nog onbeslist gebleven. De
+onderhandelingen, tusschen de mogendheden machteloos zijnde om tot
+vereffening te leiden, dreigden eenige der belanghebbende landen, door
+de wapenen hun recht te doen gelden. Alle volkeren, door de vrees van
+eenen Europeeschen oorlog aangedaan, riepen hunne krijgsmachten met
+grooten spoed te zamen. Dit verwekte eenen algemeenen schrik, waarvan,
+volgens gewoonte, handel en nijverheid de eerste slachtoffers werden.
+De overmatige voorraad van stoffen in de magazijnen, eenige groote
+bankroeten te Londen en te Parijs, de opslag van de ruwe katoen,
+spruitende uit het vooruitzicht eener belemmering in de scheepvaart,
+dit alles bracht voort, dat de fabrikanten niet dan met verlies konden
+laten werken en de meesten inderdaad hunne fabrieken sloten.
+
+Twintigduizend menschen geraakten in Gent alleen zonder werk. Dewijl
+de arbeider, zelfs wanneer hij veel geld wint en geene kinderen heeft,
+gewoonlijk aan den dag van morgen niet denkt, vielen al deze lieden
+van een betrekkelijk welzijn eensklaps in de diepste armoede. In het
+eerst vonden zij nog iets of wat bij de winkeliers en bakkers te
+borgen; maar na vijftien dagen was deze hulpbron geheel opgedroogd, en
+dan kwamen de honger en de ware ellende deze duizenden menschen met
+vrouw en kinderen wreedelijk aangrijpen. Men zag ze in talrijke
+groepen op de markten staan of door straten dwalen, met verbleekt
+gelaat en ontvlamden blik, morrend en dreigend en in schijn gereed om
+door gewelddadigheid zich uit den bitteren nood te redden.
+
+Door medelijden aangedreven en hopende, dat deze erge toestand niet
+zou voortduren, boden eenige fabrikanten hunnen werklieden aan met
+zekere vermindering van loon te werken; en op dien grond werden er
+inderdaad meer dan de helft der nijverheidsgestichten geopend.
+
+Maar een groot getal spinners en wevers verstieten de aangebodene
+voorwaarden met gramschap, en beschuldigden de fabrikanten, dat zij
+uit zelfzucht van de omstandigheden gebruik maakten, om het werkloon
+neder te drukken. Na elkander gedurende eene halve week te hebben
+opgehitst, verdoold door onwetendheid en honger, liepen zij in
+stormige scharen naar de geopende fabrieken en wilden met geweld alle
+werkzaamheid doen staken. Zij mishandelden hunne makkers, die, om toch
+brood voor vrouw en kinderen te hebben, de tijdelijke
+loonsvermindering hadden aanvaard; zij beschadigden de gebouwen en
+werktuigen, en leverden zich over aan gewelddaden, die de
+tusschenkomst der gewapende macht noodzakelijk maakten.
+
+Deze tooneelen van woest geweld boezemden den fabrikanten eenen
+grooten schrik of eene diepe spijt in. Dan werden de fabrieken voor
+goed gesloten en de duizenden werkmanshuisgezinnen in eene eindelooze
+ellende gedompeld.
+
+Het was bovenal in de woning van Wildenslag, dat er nood en derving
+heerschte; want daar waren de kinderen talrijk, en men was er gewoon
+zonder vooruitzicht en zonder zorg op voorhand alles te verteren, wat
+er werd gewonnen. Moeder Wildenslag had een wreed en bitter leven; al
+het verdriet en al de onwil van man en kinderen vielen op haar, en zij
+hoorde den ganschen dag niets dan scheldwoorden en verwijtingen, als
+ware zij inderdaad de slavin, die in het huishouden het natuurlijke
+doel moest zijn van de ontevredenheid der anderen. Lieveken, die ook
+deel had in de kwade bejegeningen harer broeders en zusters, was de
+eenige troost, die bazin Wildenslag overbleef; want dit kind ten
+minste beminde en eerbiedigde haar, en het weende tranen van liefde
+en van medelijden op hare borst, wanneer de overigen haar hadden
+mishandeld of gehoond.
+
+In de woning der Damhouts deed de ellende zich zoo spoedig niet
+gevoelen. De winkeliers hadden in hen meer vertrouwen, omdat zij
+bekend stonden als spaarzame lieden, en gaven hun ook langer op borg.
+Daarenboven arbeidde moeder Damhout, wie geen naaiwerk ontbrak, nu van
+het krieken van den dag tot elf uren des avonds zonder ophouden.
+Misschien wel had de zorgende vrouw eenen kleinen spaarpot? Hare
+vlijt, hare zucht om te beletten, dat haar man zich ooit over het
+onderwijs zijner kinderen beklaagde, laat toe te vooronderstellen, dat
+zij iets had bewaard tegen eenen onvoorzienen nood.
+
+In het eerst ten minste ontbrak er niets in haar huishouden. Zij
+verzocht zelfs dikwijls de arme Godelieve, die honger leed
+ongetwijfeld, met hen het avondmaal te nemen; maar het meisje werd
+telkens rood bij zulke aanbieding en weigerde, zichtbaar sidderend,
+alsof het gepeins van in dit huis eene aalmoes te ontvangen haar met
+schrik en schaamte sloeg.
+
+Nog altijd dwaalden de werklieden in de straten van Gent verhongerd en
+lijdend rond. Van kindsbeen af aan eene enkele soort van arbeid, aan
+eene eenvormige en beperkte beweging gewend, waren zij onbekwaam om
+tot eenig ander werk hunne toevlucht te nemen. De gedachte daarvan
+kwam zelfs niet in hen op, en zij zouden veeleer zich met gansch hun
+huisgezin van honger hebben laten sterven, dan in eenige andere
+bezigheid ten minste eenen tijdelijken onderstand te zoeken.
+
+Door den langen duur der werkstaking werd de nood insgelijks voelbaar
+voor het huisgezin der Damhouts. Inderdaad, wat de vrouw door haren
+drukken arbeid met naaien kon verdienen was niet toereikend, om de
+huishuur te betalen en de voeding van vijf personen te bekostigen. In
+de winkels begon men insgelijks moeilijkheden tot langer borgen op te
+werpen.
+
+Aangespoord door den ijver zijner vrouw, die, zooals hij zelf zeide,
+zich de vingeren van de handen werkte, poogde Damhout in de stad werk
+te vinden om iets te winnen. Het gelukte hem in de eerste week niet;
+want schrik voor den oorlog had meer dan eene nijverheid verlamd, en
+er liepen honderden menschen rond om werk en om brood.
+
+Eindelijk toch, en hoezeer het hem, als spinner van ambacht,
+tegenstak, nam hij aan met eenige anderen eene slijkige gracht en
+eenen vijver uit te delven en te verdiepen.
+
+Het bedroefde bazin Damhout uitermate, dat hij zulken arbeid had
+aanvaard, en zij poogde hem te overtuigen, dat hij hem moest verlaten;
+er zou wel een middel zijn om voort te sukkelen, totdat hij wat beters
+hadde gevonden, maar de man, die wanhopig was over de werkeloosheid en
+niet langer al den last van het huishouden op zijne vrouw wilde laten
+drukken, weerstond haar en begon des anderen daags den voor hem zoo
+ongewonen arbeid.
+
+Gedurende de eerste week hield hij het vol; hij was wel treurig in
+zijn hart en tot bezwijkens toe vermoeid in al zijne leden, maar hij
+toonde er niets van en veinsde voor zijne vrouw en kinderen eene
+stille welgemoedheid.
+
+Op eenen namiddag evenwel kwam hij naar huis, liet zich zwak en
+ontzenuwd op eenen stoel vallen, en zeide, dat de koude koorts hem had
+bevangen. Hij was inderdaad zeer bleek, en van tijd tot tijd doorliep
+eene zonderlinge siddering zijne leden. Eene uitdrukking van geheime
+verschriktheid, eene kwaadvoorspellende ontsteltenis zijns gelaats
+deden vrouw Damhout vreezen, dat haar man eene ernstige ziekte kon
+hebben betrapt. Zij bedwong hare tranen om hem niet te verontrusten,
+deed hem te bed gaan en kookte hem eenigen warmen drank, hem onderwijl
+troostende en hem de hoop op eene spoedige herstelling insprekende.
+
+Maar de toestand van Adriaan Damhout verergerde alle oogenblikken; hij
+had groote pijn in het hoofd, hoestte met dor keelgeluid en klaagde
+over eene hevige steekte in de zijde.
+
+De bekommerde vrouw wist niet wat te doen; zij dorst haren zieken man
+niet alleen laten, en evenwel moest er iemand in allerhaast naar den
+dokter loopen. In het over en wedergaan zeide zij in stilte aan haar
+kleinste meisje, dat zij bazin Wildenslag moest gaan verzoeken
+onmiddellijk te komen. Toen zij kort daarop de deur hoorde openen,
+daalde zij de trappen af, vertelde aan hare buurvrouw hoe Damhout met
+eene dreigende ziekte was naar huis gekomen, en verzocht haar bij zijn
+bed te waken, totdat zij den dokter zou hebben kunnen gaan
+verwittigen.
+
+Bij geluk vond vrouw Damhout den dokter te huis en gereed om uit te
+gaan. Hare gebeden waren er niet noodig om hem tot een spoedig bezoek
+aan te sporen. Uit hare verklarigen oordeelde hij, dat hij hier
+waarschijnlijk met eene geweldige _pleuris_ zou te doen hebben, en
+zulke kwaal is dikwijls doodelijk, indien men ze niet onmiddellijk
+bestrijdt.
+
+Zijn voorgevoel was gegrond; bij het bed van den zieke erkende hij
+eene borstvliesontsteking, en gevolglijk was het eerste wat hij deed,
+den zieke de ader te openen en hem zoolang bloed af te trekken, totdat
+hij in bezwijming viel.
+
+Bij het gezicht van het bloed haars echtgenoots kon vrouw Damhout hare
+smart niet meer bedwingen; zij borst in eenen tranenvloed los en bleef
+met de handen voor de oogen weenen, terwijl bazin Wildenslag den
+dokter in zijn werk behulpzaam was.
+
+Toen de geneesheer bemerkte dat de zieke tot zich zelven kwam, schreef
+hij een briefje voor een fleschje en zeide:
+
+"Men hale dit bij den apotheker, en geve er den lijder elk uur eenen
+koffielepel van. Gij moogt zoo niet wanhopen, vrouw; de kwaal is wel
+erg, wanneer men er niet intijds bij is, maar gij hebt wel gedaan mij
+seffens te komen roepen. Nu ben ik schier zeker, dat ik uwen man
+geheel zal genezen; maar het kan nog weken duren, vooraleer hij geheel
+hersteld zij. Hij zal nu waarschijnlijk lust hebben om te slapen;
+stoor hem niet en spreek hem niet aan; hij heeft rust noodig. Gaat
+beiden beneden; gij zult wel hooren wanneer hij iets verlangt.
+Bovenal, dat men hem geen het minste voedsel geve of late nemen. Het
+zou hem doodelijk kunnen worden."
+
+En met de vrouwen beneden gekomen, zeide hij nog, terwijl hij het huis
+uitstapte:
+
+"Hebt goeden moed; dezen avond zal ik wederkeeren om te zien, hoe het
+met onzen zieke gaat."
+
+Bazin Damhout liet zich op eenen stoel vallen en begon nog
+overvloediger te weenen. Uit hare verschrikte snikken kon men slechts
+nu en dan de woorden: "mijn ongelukkige man! mijne arme kinderen!"
+verstaan.
+
+Hare buurvrouw poogde haar te troosten en moed te geven. Of zij daarin
+gelukte en of de bewustheid van haren plicht als echtgenoote en moeder
+de arme bazin Damhout eenige kracht terugschonk, althans de tranen
+dezer laatste hielden op van vlieten.
+
+"Ja, Lina," zeide zij, "gij hebt gelijk: ik moet het hoofd recht
+houden, alhoewel ik verga van droefheid en van angst. Ik ben alleen
+voor alles. Ach, mijn arme Bavo! hoe zal ik hem zeggen, dat men zijnen
+vader al zijn bloed heeft afgetapt? Maar ik mag zoo niet spreken. Ik
+zal pogen het hem te verbergen. Daar is het briefje, Lina; ik kan
+mijnen zieken man niet verlaten. Zoudt gij de goedheid hebben, eens om
+het fleschje te gaan?"
+
+"Welke vraag?" antwoordde vrouw Wildenslag. "Zeker, men gromt en
+scheldt reeds ten mijnent, omdat ik weg ben; maar om u dienst te
+bewijzen, zou ik al wel ergere dingen willen uitstaan. Zoo alleen kunt
+gij niet blijven; ik zal u iemand zenden, die u misschien eene betere
+hulp zal zijn dan eene betaalde dienstmeid."
+
+Bazin Damhout, nu alleen zijnde, stilde haar klein meisje door
+troostende woorden, luisterde met kloppend hart aan de trap en klom
+zelfs eens naar boven om haren angst bevrediging te geven. Zij hoorde
+haren man ademhalen, zij maakte met inzicht eenig gerucht; maar de
+zieke verroerde niet en scheen te slapen.
+
+Dit gaf haar eenigen moed; zij daalde weder in de benedenkamer, zette
+zich op eenen stoel, vouwde de handen te zamen en begon met de oogen
+ten hemel te bidden.
+
+Daar trad Godelieve met het fleschje van den apotheker in de kamer.
+Zij zette het op de tafel, naderde tot vrouw Damhout, omhelsde haar
+teederlijk en begon in stilte op hare borst te weenen.
+
+Het liefderijk medelijden van het meisje ontrukte vrouw Damhout nieuwe
+tranen; maar nadat zij met Godelieve het ongeval van haren man
+gedurende eenigen tijd had beklaagd, werd zij zich zelve meester en
+vroeg op treurigen toon:
+
+"Lieveken, waart gij dan niet op uwen winkel, dat gij om het fleschken
+zijt gegaan?"
+
+"Mijne moeder is om het fleschken geweest," was het antwoord. "Zij is
+op onzen winkel gekomen en heeft met de juffrouw gesproken. Ik mag te
+huis blijven zoolang ik wil, al ware het gedurende vele dagen."
+
+"Waarom te huis blijven?" murmelde vrouw Damhout, die de waarheid
+begon te vermoeden.
+
+"Gij zijt zoo alleen! Om u te helpen baas Damhout op te passen en om
+uwe boodschappen te doen."
+
+"Neen, neen, kind, dit is te veel goedheid van uwe moeder en van u. Ik
+zal Bavo van de school doen blijven. Gij moogt uwen leertijd zoo niet
+onderbreken, het zou u groote schade kunnen zijn."
+
+Het meisje voegde de beide handen smeekend te zamen en zeide:
+
+"Gij waart altijd zoo goed en zoo vriendelijk voor mij; gij zijt de
+oorzaak, dat ik heb mogen leeren. O, ik bid u, weiger mijnen kleinen
+dienst niet! Ik heb verlof van mijne moeder en van mijne meesteresse,
+om met u te blijven zoolang ik u nuttig kan zijn. Laat Bavo op zijne
+school; anders zou hij geene prijzen kunnen behalen. Het ware voor
+hem, voor u en voor zijnen zieken vader een nieuw en groot verdriet."
+
+En zonder een antwoord af te wachten, schikte zij de stoelen, die in
+wanorde geraakt waren, en greep eenen bezem om de kamer te keeren.
+
+Vrouw Damhout aanschouwde haar eene wijl met kloppend hart, ging tot
+haar, omhelsde haar en murmelde:
+
+"Welnu, mijn goed Lieveken, ik aanvaard uwe hulp voor een paar dagen,
+totdat mijn man een beetje zij bekomen. Daarvoor zal God u zegenen,
+dat gij zoo dienstwillig zijt!"
+
+Des avonds, als Bavo en zijne zuster Amelia te huis kwamen, zeide men
+hun, dat vader de koorts had, en men zijne rust niet mocht storen. De
+jongen zag wel aan de treurigheid zijner moeder en aan het droeve
+zwijgen van Lieveken, dat de ziekte zijns vaders ernstig was. Hij
+vergoot stille tranen, totdat de dokter, die nu was gekomen om den
+kranke nog eens te bezoeken, van de trap daalde en op blijden toon
+zeide:
+
+"Wees gerust, vrouw, de ziekte zal geene erge gevolgen hebben; maar
+voor alsnu nog geen het minste voedsel en de volledigste rust. Ween
+niet, mijn brave jongen, uw vader zal genezen, twijfel daar niet aan."
+
+Deze stellige verzekering gaf hun allen moed en hoop; en van dan af
+waren hun verdriet en angst veel verminderd.
+
+Bavo en zijne kleine zuster gingen naar de school, als te voren.
+Lieveken werkte als eene ware dienstmeid; van den vroegen morgen
+verscheen zij ten huize van bazin Damhout, keerde en schikte de kamer,
+ging om water, kookte de koffie en deed alle boodschappen op zulke
+wijze, dat moeder Damhout de uren, welke zij niet bij het bed van
+haren man doorbracht, kon toewijden aan haar naaiwerk, het eenige
+middel om wat geld te winnen voor het huishouden.
+
+In dien zin bovenal was de tegenwoordigheid van Lieveken eene weldaad
+voor de Damhouts; want ondanks het naailoon, was er veel te kort, en
+worstelde de arme Christina tegen eenen klimmenden nood. De ziekte van
+haren man dwong haar tot vele buitengewone uitgaven; zij had zelfs in
+'t geheim reeds hare oorringen en andere kleine juweelen verpand. Wat
+ware het dan niet geweest, indien de tijd tot werken haar volstrekt
+hadde ontbroken?
+
+Godelieve gevoelde wel, hoe zij zich het nuttigst maken kon. Zij
+ijverde met eene wonderbare aanhoudendheid om vrouw Damhout allen
+huisarbeid te sparen, en wanneer zij zelve niets meer te doen wist,
+greep zij naald en garen en naaide mede aan het grofste lijnwaad.
+
+Op eenige dagen tijds was Adriaan Damhout zichtbaar aan het beteren;
+maar zijne herstelling vorderde zeer langzaam. Inderdaad, de dokter
+had hem na den eersten dag nog tweemaal bloed afgetrokken. Daarbij had
+hij hem het gebruik van alle voedsel verboden. Geen wonder dus, dat de
+arme man welhaast zoo mager was als een geraamte, en ofschoon gezond
+van harte misschien, zoo zwak, dat hij nauwelijks kon spreken.
+Mogelijk ook dat zijne ziekte voortduurde en zich slechts langzaam
+liet overwinnen.
+
+Zoohaast zijne beternis toeliet, dat men hem gezelschap hield, gingen
+vrouw Damhout en Lieveken bij zijn bed zitten naaien, en dan gaven zij
+hem moed en troostten hem door allerlei zoete woorden. Het was
+insgelijks bij het bed zijns vaders dat Bavo een gedeelte van den
+avond doorbracht.
+
+Er geschiedde iets zonderlings in den jongen. Hij was somber en
+zwaarmoedig; de anderen, bij de zekerheid dat de zieke zou genezen,
+toonden vreugde en lachten betere tijden tegen, maar Bavo's lippen
+bewogen nooit meer tot den minsten glimlach. Het was, als drukte er
+iets op zijn hart.
+
+Deze duistere gemoedsstemming werd inniger en vermeerderde tot eene
+soort van geheime spijtigheid, wanneer zijne moeder, in stede van te
+gaan slapen, alleen bleef zitten werken tot half in den nacht.
+
+Zij zeide hem somwijlen, dat het niet anders kon zijn; dat, dewijl
+vader niet arbeiden kon, zij moest pogen iets te verdienen om den
+bitteren tijd door te worstelen.
+
+De jongen antwoordde daar niet op, maar ging ontevreden en morrend
+naar zijn bed.
+
+Eenige dagen later had Bavo eensklaps zijne blijmoedigheid
+teruggevonden. Hij was het nu die den anderen moed gaf en zich
+opgeruimd toonde. Vermits hij sedert eenige dagen veel vroeger dan
+gewoonlijk zich naar de school begaf om er werkzaam te zijn,
+vooronderstelde men, dat hij in de prijskampen op zijne school was
+gelukt, en hij ontkende zulks niet. Ieder juichte dus met hem over
+zijne waarschijnlijke zegepraal.
+
+Nu Adriaan Damhout geheel buiten gevaar was geraakt, oordeelde de
+dokter, dat het tijd was om zijne neergedrukte krachten allengs een
+beetje te herstellen. Hij zeide dus op zekeren Maandag tot de vrouw,
+dat zij eene sterke soep van ossenvleesch moest koken, en hem daarvan
+nu en dan een kopje moest te drinken geven.
+
+Groot was de verlegenheid en het verdriet van bazin Damhout. Zij was
+reeds twee weken huishuur ten achter; haar laatste weekloon had zij
+den bakker geheel gegeven, om nog wat brood op borg te bekomen. Niets
+was er in huis, dat waarde genoeg had om tot pand tegen geld te worden
+aanvaard. Nu moest er vleesch zijn: goed ossenvleesch om haren zieken
+man een beetje te versterken. Hoe zou zij dit vleesch bekomen zonder
+geld? Zij dacht aan het bureel van weldadigheid, zij droomde van de
+menschlievendheid van den eenen of anderen rijke in te roepen; maar
+deze middelen boezemden haar schrik in; het gepeins alleen van eene
+aalmoes te gaan vragen, deed haar beven.
+
+Onder hare angstige bewegingen opende zij werktuigelijk de kleine lade
+der kas, waar zij haar geld in legde, wanneer zij geld had. Een
+schreeuw van verrassing ontsnapte haar. De lade was ledig sedert meer
+dan vijftien dagen ... en daar blonk haar nu eensklaps een glinsterend
+vijffrankstuk in de oogen!
+
+Hoe kwam dat muntstuk daar? Was het God zelf, die medelijden had gehad
+met haren nood? Maar neen, hier kon geen wonderwerk in het spel
+zijn.--Lieveken? Maar Lieveken had geen geld, en hare ouders vergingen
+schier van gebrek. Men kon het zien op hunne bleeke aangezichten en
+holle wangen, dat de honger hun ingewand verteerde. Daarenboven, Lina
+Wildenslag verborg het niet, dat zij soms geheele dagen zonder eten
+waren; en bazin Damhout, hoe arm ook, had haar met eenige stuivers te
+gelijk het weekloon van Lieveken doen aanvaarden. Zeker, Lina hadde in
+elk ander geval deze teruggaaf geweigerd; maar nu zeide zij zelve, met
+de tranen in de oogen, dat de ellende haar dwong te vergeten, dat zij
+een hart had.
+
+Van waar kon toch dit vijffrankstuk komen?
+
+Die onoplosbare vraag maakte het hoofd der verbaasde vrouw duizelig,
+en zij bleef de onverwachte hulp lang bestaren. Dan eindelijk zeide
+zij in zich zelve:
+
+"Wie ook onze onbekende beschermer zij, dat God hem zegene! Ho, welke
+sterke, goede soep zal ik gaan maken! En kan iets mijnen armen man
+genezen, dan zal het zeker de weldaad zijn, die ons zoo geheimzinnig
+en zoo edelmoedig wordt bewezen!"
+
+Eenigen tijd daarna stond de soep op de kachel te koken; het gansche
+huis was vervuld met eenen verkwikkenden geur, en de verhongerde zieke
+lag in zijn bed te juichen over het beloofde voedsel, dat hem zoo
+bekorend werd aangekondigd.
+
+Vrouw Damhout verborg noch voor haren man noch voor Lieveken, dat zij,
+als ware het uit den hemel gedaald, in hare kas een vijffrankstuk had
+gevonden, hetwelk er wel zeker nooit in gelegen had. Zij was immer
+vervolgd door het tergend raadsel, van waar dit geld mocht komen, en
+sprak er den ganschen avond van; niemand wist haar iets te zeggen, dat
+haar tot de ontdekking van den geheimen beschermer kon helpen. Bavo
+folterde insgelijks zich de hersens; maar zijne inspanning bleef even
+vruchteloos.
+
+In den loop dezer week waren er geruststellende tijdingen aangaande de
+Europeesche staatsaangelegenheden gekomen; men zeide, dat de vrede
+niet zou gestoord worden, en men kondigde aan, dat sommige fabrieken
+ten minste gedeeltelijk zouden beginnen te werken.
+
+Den volgenden Zondag, zeer vroeg, terwijl Bavo naar de eerste mis was
+gegaan, meende Bazin Damhout eenige centen uit de kas te nemen om
+koffie te halen. Daar zag zij, nevens een geplaatst en als ten toon
+gespreid, vier enkele franken in een hoekje liggen.
+
+Nu was hare verbazing zonder palen; zij bleef eene wijl verblijd het
+geld bezien, sloot de kas en stapte langzaam en het hoofd schuddend,
+ter deur uit.
+
+In den winkel, terwijl men haar de koffie geriefde, zeide haar de
+vrouw:
+
+"Erge tijden, niet waar, bazin Damhout? Hopen wij, mensch lief, dat
+het haast zal beteren. Men zegt, dat er goed nieuws is van Parijs en
+dat het geen oorlog zal worden. Uw man is toch aan de betere hand; God
+zij geloofd, hij zal genezen zijn tegen dat er weder werk is. Ik
+beklaag u echter voor een ding; het is, dat de nood u verplicht heeft
+uwen Bavo van de school te trekken voor de prijsuitdeeling. Het is
+spijt: de jongen hadde groote eer behaald."
+
+"Gij bedriegt u, onze Bavo gaat nog altijd naar de school," was het
+antwoord.
+
+"In het geheel niet: hij heeft sedert meer dan twee weken de school
+verlaten."
+
+"Maar gij dwaalt; het is niet mogelijk!" kreet bazin Damhout met
+groote verwondering.
+
+"Hoe? Blijft hij van de school zonder uwe kennis!" zeide de
+winkelierster. "Ik weet het van eenen ondermeester, die gisteren bij
+mijnen broeder, den kleermaker, op den winkel was. Sedert vijftien
+dagen heeft men uwen Bavo op zijne school met geene oogen meer gezien.
+Die jongens, die jongens, al deed men ze eenen toom aan, ze zouden nog
+uit het goede spoor loopen!"
+
+Vrouw Damhout verliet den winkel; haar hart was verbrijzeld, en zij
+moest geweld doen om de tranen te bedwingen, die opweiden uit haren
+verkropten boezem. Bavo had sedert zoolang zijne school verlaten,
+zonder dat zijne ouders het wisten! Was de arme jongen in slecht
+gezelschap geraakt? Bewandelde hij eenen doolweg, die hem tot kwaad en
+ondeugd zou leiden? Maar het scheen haar onmogelijk. Welk geheim lag
+er dan onder het onuitlegbaar gedrag van haar kind verborgen? Zou een
+tweede ongeluk haar treffen? Zou het onderwijs in hem zulke slechte
+vruchten hebben voortgebracht? Welke onttoovering! Welke zware
+verantwoordelijkheid voor haar jegens haren man!
+
+Terwijl zij dus onder den pijnlijken twijfel morde en zuchtte, kwam
+Lieveken binnen.
+
+De moeder gevoelde, dat zij haren zoon niet in tegenwoordigheid van
+dit meisje mocht beschuldigen; zij wilde insgelijks haren man niet
+verontrusten, vooraleer door Bavo zelf de verklaring van zijn gedrag
+te hebben bekomen.
+
+Lieveken bemerkte wel, dat bazin Damhout ontsteld en treurig was; toen
+zij echter vernam, dat het met den zieke nog altijd wel ging, wist
+zij niet meer wat te denken, en dorst niet verder aandringen.
+
+Hetzelfde gebeurde met Bavo, die, uit de kerk te huis komende, iets
+vreemds in den blik zijner moeder vond en van haar wilde weten, wat
+haar bedroefde of ontroerde.
+
+De bekommerde en angstvolle vrouw gaf niets dan ontwijkende
+antwoorden, totdat Lieveken het huis had verlaten om op hare beurt ter
+kerke te gaan. Dan greep zij met plechtigen en strengen oogopslag de
+hand haars zoons, leidde hem tot in eenen hoek der kamer, verre van de
+trap, en vroeg hem met bevende stem:
+
+"Bavo, is het waar, dat gij sedert veertien dagen niet meer naar
+school zijt geweest?"
+
+De jongen werd rood tot achter de ooren en boog het hoofd.
+
+"Spreek, Bavo, laat mij niet in den pijnlijken twijfel. Is het waar?"
+
+"Het is waar, moeder lief," was het antwoord.
+
+"Ongelukkige jongen!" kreet de vrouw. "gij hebt sedert twee weken uwe
+school verlaten? Ik beef, ik durf u niet vragen in welk gezelschap gij
+dien tijd hebt doorgebracht. Ach, Bavo, ik, die geloofde, dat gij uwe
+arme moeder bemindet! Mijn God, ik moet het toch weten, hoe
+schrikkelijk het zij. Zeg, zeg, mijn zoon, wat hebt gij gedaan
+gedurende al dien tijd?"
+
+Bavo zag haar diep in de oogen en antwoordde met eene soort van stille
+fierheid:
+
+"Moeder, ik werk op eene fabriek."
+
+"Gij werkt op eene fabriek!"
+
+"Op eene fabriek van _bougies_, sedert vijftien dagen."
+
+Dan schoot er eene plotselijke klaarheid in den geest van bazin
+Damhout: hare oogen begonnen van bedwongen geestdrift te fonkelen. Met
+den bevenden vinger op de kas gericht, vroeg zij:
+
+"Dat geld, dat vijffrankstuk, die vier franken?"
+
+"Het is mijn weekloon, moeder lief," stamelde hij.
+
+Met eenen schreeuw van koortsige blijdschap sloeg Christina de armen
+om den hals haars zoons, sloot hem op haar hart en bevochtigde zijn
+hoofd met hare tranen.
+
+De jongen poogde haar te doen begrijpen, dat hij dien hoogen lof niet
+verdiende en niets gedaan had dan zijnen plicht. Wat hij betreurde,
+was alleenlijk, dat hij geen middel had weten te vinden om meer te
+winnen en zijne arme moeder het nachtelijk werken te sparen.
+
+Toen de ontsteltenis der vrouw een weinig was bedaard, trok zij haren
+zoon op eenen stoel nevens zich en vroeg hem de nadere uitlegging van
+zijn gedrag.
+
+"Ik zag u en Godelieve altijd, altijd arbeiden," antwoordde hij.
+"Wanneer ik, na tot middernacht met u gewaakt te hebben, slapen ging,
+bleeft gij nog zitten met het naaiwerk op den schoot. Mijn vader was
+ziek; er was nood in huis. Ik alleen deed niets om u te helpen. Mijn
+geweten knaagde, mijn hart verweet mij mijne laffe werkeloosheid. Na
+eenige dagen van schaamte en wanhoop ging ik tot den hoofdonderwijzer,
+mijnen meester, en zeide hem, zonder iets te verzwijgen, wat er in ons
+huis geschiedde, en hoe ik besloten had de school te verlaten om eenig
+werk te zoeken en zoo ten minste mijnen zieken vader en mijne goede
+moeder in hunne ellende bij te staan. Ik zeide hem insgelijks, dat ik
+mijn besluit gedurende eenigen tijd voor u zou verborgen houden,
+dewijl ik overtuigd was, dat gij mij anders zoudt beletten het uit te
+voeren. Ik meende, dat hij mijn voornemen zou afkeuren; maar neen, hij
+drukte mij de handen, en prees zeer hoog wat hij mijnen moed en mijn
+plichtgevoel noemde. Toen hij verstond, dat ik niet wist waar het
+gewenschte werk te vinden, beloofde hij mij, zelf eenigen zijner
+bekenden daarover te spreken; en reeds des namiddags had hij mij eene
+plaats gevonden op eene fabriek van waskaarsen, die men _bougies_
+noemt. Daar had ik niets anders te doen dan de kaarsen in pakjes te
+binden en in houten kassen te schikken; en eindelijk eenige letters en
+nummers op de kassen te schilderen. Ik won zestig centiemen daags en
+kreeg op 't einde der week nog eenig drinkgeld, omdat men tevreden was
+over mijn werk. O, moeder, het vijffrankstuk, eerste vrucht van mijnen
+arbeid, heeft mij zoo gelukkig gemaakt! Het moest u helpen en u
+troosten in uwen nood. Ha, gij hebt het niet bemerkt, maar toen ik
+mijnen armen vader de sterke soep lachend zag genieten en hem hoorde
+zeggen, dat hij daardoor onfeilbaar zou genezen, dan ben ik beneden
+gegaan, en ik ben mij op 't einde der steeg achter den blinden muur
+gaan verbergen, om daar door eenen tranenvloed mijn hart van de
+overmatige blijdschap te ontlasten. Het eerste geld, dat ik met werken
+had gewonnen, zou mijnen vader de gezondheid helpen teruggeven! Ik
+bezweek schier van geluk bij die gedachte.... Prijs mij dus niet,
+moeder lief, ik ben genoeg beloond geworden...."
+
+Met eenen gil van bewondering sprong de ontstelde vrouw recht en liep
+naar boven, zonder acht te geven op de smeeking van haren zoon, die de
+handen ophief om haar te wederhouden.
+
+Niet lang daarna klonk de stem van den zieken Damhout met groote
+kracht tot beneden de trap:
+
+"Bavo, Bavo!" kreet hij. "Kom, kom!"
+
+De jongen kon den roep zijns vaders niet wederstaan; hij klom
+aarzelend naar boven, en dewijl hij daar twee bevende armen tot zich
+uitgestrekt zag, omhelsde hij zijnen zieken vader met blijde
+uitstortingen des harten.
+
+Damhout dankte en loofde zijnen zoon voor zijne schoone en moedige
+daad; uit zijne woorden bleek, dat zijne grootste vreugde daarin
+bestond, dat Bavo uit eigene beweging werkman was geworden. Hij drukte
+eindelijk toch eenige spijt uit, omdat zijn zoon op eene fabriek van
+bougies arbeidde; hem scheen het, dat dit niet juist het beste vak
+was.
+
+Op deze bemerking antwoordde de jongen, dat hij door tusschenkomst van
+den hoofdonderwijzer werk had gekregen op de katoenspinnerij van M.
+Verbeeck. Hij zou daar gedurende eenigen tijd katoen uitpluizen en in
+soorten schikken, dan aan den eersten _duivel_ staan, en zoo voorts in
+het vak zich oefenen en allengs vervorderen. De fabriek van M.
+Verbeeck ging binnen vijf dagen geopend worden.
+
+Dit vervulde vader Damhout met nieuwe en groote blijdschap; want dit
+was inderdaad de baan, langs waar men met verstand en vlijt het verste
+op eene katoenfabriek kon geraken. Bavo zou eens meesterknecht worden,
+daaraan twijfelde de gelukkige vader niet meer.
+
+Toen men genoeg bedaard was geworden om over min ontroerende dingen
+te spreken, besliste men, dat van morgen af Godelieve terug naar haren
+winkel zou gaan. Inderdaad, Damhout behoefde geene onophoudende
+bewaking meer; hij zou dien dag zelven reeds gedurende eenigen tijd
+uit zijn bed komen. Met de vier of vijf franken per week, welke Bavo
+nu won, werd het mogelijk betere tijden af te wachten.
+
+In den namiddag, toen Bavo beneden bezig was met Lieveken in een boek
+iets te wijzen of te leeren, ging vrouw Damhout naar boven, zette zich
+nevens het bed van haren man en vroeg hem op zegevierenden toon:
+
+"Welnu, Damhout, gelooft gij nog, dat het onderwijs een werkmanskind
+tot hoogmoed en luiaardij verleidt? Welke kinderen, in geheel onze
+stege, zijn zoo beminnend, zoo verstandig en zoo deugdzaam als Bavo en
+Lieveken? Het is alleenlijk, omdat zij geleerd zijn en weten wat goed
+en wat kwaad is."
+
+Onder den slag eener bijzondere ontroering bevochtigden zich de oogen
+des werkmans; hij greep de hand zijner vrouw en zeide:
+
+"Neen, neen, Christina, dit alleen is de oorzaak hunner schoone
+inborst niet. Het is uw hart, uw goed en edel hart, dat klopt in
+hunnen boezem. Eene moeder als gij is de zegen Gods in een
+huishouden!..."
+
+
+
+
+VII
+
+
+Met het begin der volgende week werden er inderdaad een zeker getal
+fabrieken geopend; maar, in afwachting van stellige tijdingen
+aangaande den Europeeschen vrede, lieten zij slechts een beperkt getal
+werklieden toe.
+
+Bavo arbeidde op de spinnerij van M. Verbeeck. Hij droeg nu zijne
+slechte kleederen, en, dewijl hij door den aard van zijn werk altijd
+met vlokken katoen als met een spinneweb was overdekt, zag hij er op
+verre na zoo zindelijk niet meer uit als te voren. Dit gaf Godelieve,
+als zij des avonds van haren winkel kwam, dikwijls stof tot lachen, en
+zij noemde den jongen schertsend _de katoenvogel_; maar hij, in stede
+van daarover spijtig te worden, was altijd ten uiterste blijmoedig en
+scheen trotsch door de overtuiging, dat hij nu tot iets nuttig
+geworden was en zijne ouders mocht behulpzaam zijn.
+
+Ondanks den nood en de trage herstelling van vader Damhout, was elkeen
+in dit huishouden gelukkig. Bovenal was het hart der moeder met een
+gevoel van hoogmoed en van zaligheid vervuld. Soms kon zij des avonds
+uren lang in stilte haren zoon bestaren, terwijl hij, ofschoon
+vermoeid van den arbeid, nog met inspanning het hoofd over zijne
+boeken hield gebogen. Dan klopte haar hart, dan glinsterden hare
+oogen, en de blik, dien zij dan bij wijlen ten hemel wierp, was wel
+zeker een innig gebed van dankbaarheid.
+
+Vader Wildenslag en zijne zonen, alhoewel zij, door den honger
+aangejaagd, van de eene fabriek naar de andere liepen om arbeid te
+vinden, waren tot dan in hunne pogingen niet gelukt. Zij hadden zich
+bij de laatste volksonlusten door hunne hevigheid en hunne woestheid
+doen opmerken; en dewijl de fabrikanten nu slechts de beste werklieden
+uitkozen, wilde geen hunner de gekende belhamels van den oploop tegen
+de fabrieken in zijn gesticht toelaten.
+
+Het schijnt, dat in Frankrijk de nijverheid spoediger en met meer
+kracht had hernomen; want er kwamen alsdan te Gent eenige afgezondene
+personen, om goede fabriekwerkers aan te werven voor de steden in het
+Noorderdepartement.
+
+Wildenslag en zijne zonen aanvaardden met blijdschap deze gunstige
+gelegenheid om zich uit den onverdraaglijken nood te redden, en namen
+gereedelijk de voorwaarden der wervers aan. Men zou hunne reiskosten
+betalen en zij zouden in Frankrijk een veel hooger dagloon dan in
+Belgie winnen.
+
+Zeker, in andere omstandigheden zou de gedachte van hare geboortestad
+te verlaten, vrouw Wildenslag verschrikt en bedroefd hebben; maar nu
+verblijdde haar deze reis als een onverwacht geluk. Inderdaad, het was
+de verlossing uit den afgrond der bitterste ellende. Daarenboven,
+zoohaast er weder overvloed van werk te Gent zou zijn, zouden zij
+terugkeeren. Hunne afwezigheid zou dienvolgens ten hoogste eenige
+maanden duren.
+
+Vrouw Wildenslag ging juichend en met groote blijdschap haar vertrek
+naar Frankrijk in de gansche buurt aankondigen.
+
+Toen zij in de woning der Damhouts kwam, was zij vergezeld door haren
+man, die nu zijne luidruchtige welgemoedheid geheel had teruggevonden
+en roemde op het hooge dagloon, dat men in Frankrijk genoot. Daar,
+zeide hij, eet een werkman tweemaal vleesch elken dag en drinkt er
+bier en somtijds wijn, evenals een rijk mensch. Dat zou een pleizierig
+leven en een eeuwig _smeerken_ zijn!
+
+Bazin Damhout ontving deze tijding met treurnis. Het gepeins, dat
+Lieveken, hare ouders zou volgen en zij het goede kind dus in langen
+tijd niet meer zou zien, bedroefde haar; maar dewijl zij het vertrek
+der Wildenslags niet anders kon beschouwen dan als eene zeer
+natuurlijke zaak en als een gelukkig middel voor hen, om uit de lange
+ellende te worden verlost, deed zij geene de minste tegenwerping.
+Alleenlijk beklaagde zij het, dat Godelieve nu den winkel zou moeten
+verlaten, waar zij zoo wel was en op spoedige vervordering mocht
+hopen.
+
+Moeder Wildenslag betreurde dit insgelijks; maar zij meende, dat het
+niet onmogelijk zou zijn, in Frankrijk eenen anderen goeden winkel
+voor Lieveken te vinden.
+
+Hierop antwoordde Wildenslag:
+
+"Ba, ba! met uwen winkel! Godelieve is nu sterk genoeg geworden. Als
+zij zal zien, hoe hare broeders en zusters geld in overhoop winnen,
+zal zij van zelve op eene fabriek willen werken."
+
+Nadat hare buren waren weggegaan, overpeinsde vrouw Damhout zeer lang
+de woorden van Wildenslag. Zij wist niet waarom de vrees, dat Lieveken
+op eene fabriek kon gaan, haar ontstelde. Waarlijk, zij had voor het
+goede kind eene andere toekomst gedroomd; maar werkte haar eigen zoon
+niet op eene fabriek? Het was toch hetzelfde niet: Bavo kon
+meesterknecht worden.
+
+Hare treurnis overwinnende, zeide zij zich zelve, dat moeder
+Wildenslag waarschijnlijk wel zou zorgen, dat hare Godelieve in
+Frankrijk het ambacht van kleermaakster voortleerde; de afwezigheid
+hunner buren zou niet langdurig zijn; dewijl alles voorspelde, dat het
+werk in Gent ook spoedig zou hernemen. Daarenboven, er was niets aan
+te doen. De Wildenslags hadden gelijk, het redmiddel, dat hun
+aangeboden werd, met blijdschap te aanvaarden.
+
+Toen Bavo des avonds te huis kwam, zeide zijne moeder hem, dat de
+Wildenslags besloten hadden overmorgen, met het krieken van den dag,
+naar Frankrijk te vertrekken. Zij zouden dus onmiddellijk uit hunne
+bittere armoede gered zijn; want men had hun een buitengewoon hoog
+dagloon verzekerd. Lieveken zou natuurlijk hare ouders volgen; maar
+zoohaast er weder veel werk in Gent was, zouden zij terugkomen.
+
+Deze tijding trof Bavo op eene zonderlinge wijze; hij boog het hoofd,
+zag sprakeloos ten gronde en antwoordde zelfs niet, toen zijne moeder
+hem vroeg waarom iets, dat zeker een geluk was voor de ouders van
+Lieveken, hem scheen te bedroeven. Eindelijk, als ware er nu eerst een
+duidelijk besef der zaak in zijnen geest ontstaan, zeide hij op den
+toon van onderwerping:
+
+"Inderdaad, moeder, zij zullen dan toch uit den pijnlijken nood
+verlost zijn. Ik was zoo gewend, Lieveken des avonds hier te vinden.
+Nu zal ik alleen, altijd alleen met u zijn; maar ik ben geen kind
+meer.... Als Lieveken slechts welvaart en gelukkig is in Frankrijk,
+zal ik mij over hare afwezigheid niet te veel bedroeven. Gij hebt
+gelijk, moeder, de mensch moet zich sterk houden tegen het lot.
+Daarenboven, wie weet of onze geburen niet reeds binnen eenige maanden
+wederkeeren?"
+
+De moed en de verduldigheid, waarmede haar zoon deze tijding had
+ontvangen, verwonderden en verblijdden vrouw Damhout. Zij begreep
+niet, dat hare moeite om hem de tijding onder een gunstig daglicht te
+doen aanschouwen, voor een oogenblik zijn gevoel en zijne rede had in
+twijfel gebracht.
+
+Maar zij moest weldra erkennen, dat zij zich had bedrogen; want Bavo
+liet zich bij de tafel op eenen stoel zakken, bleef lang met starende
+oogen in diepe overweging verzonken, en slaakte van tijd tot tijd
+eenen hollen zucht, als beklemde een zwaar gewicht zijne borst.
+
+Het was reeds laat, toen Lieveken met het voorschoot voor de oogen in
+de kamer verscheen, en onder luide snikken over haar vertrek naar
+Frankrijk begon te kermen.
+
+Bavo, alhoewel hij zelf geweld deed om niet onder zijn verdriet te
+bezwijken, poogde het bedrukte meisje te troosten. Vrouw Damhout en
+haar man voegden hunne woorden bij de zijne; maar Godelieve scheen
+ontroostbaar in hare diepe smart.
+
+Toen eindelijk het meisje tusschen hare snikken eenige duidelijke
+klachten kon voortbrengen, zeide zij, waarom dit vertrek als een wreed
+ongeluk haar verschrikte en haar zoo diep bedroefde. Zij herinnerde
+zich de eindelooze goedheid van vrouw Damhout voor haar, de
+onverdiende vriendschap, die Bavo gedurende geheel haar leven haar had
+gegund, en zij sprak van weldaden, van edelmoedigheid en medelijden
+voor een arm verstooten kind; zij noemde bazin Damhout hare goede
+moeder en Bavo haren leermeester en haren broeder. Dit alles ging zij
+verliezen. De wereld zou eene woestijn voor haar worden, al wat zij
+meest had bemind, ging zij verlaten, misschien voor altijd.
+
+Het meisje had zulke gevoelige, zulke zoete, teedere woorden; de
+liefde haars harten voor hare weldoeners stortte zich zoo onbewimpeld
+en zoo vurig uit, dat zij iedereen tot in de ziel ontroerde.
+
+Vrouw Damhout sloot het dankbare kind tegen hare borst, en deed geweld
+om door bewijzen van innige dankbaarheid haar te troosten.
+
+Bavo lag met het hoofd op de tafel en weende; zijne droefheid was
+stom; geene klacht ontsnapte zijnen boezem; want hij wist wel, dat
+hier niet tegen de wreede uitspraak van het lot kon geworsteld worden.
+
+Zoo bleven dien avond in de woning van Damhout bittere, hopelooze
+tranen vlieten, totdat moeder Wildenslag hare Godelieve kwam roepen en
+ze mede naar huis nam.
+
+
+[Illustratie: Grepen elkander de handen.]
+
+
+Den volgenden dag ging het wat beter. Uitgeput van weenen, getroost en
+versterkt door de vriendelijke woorden van vrouw Damhout en van Bavo,
+had Lieveken de zaak allengs met meer verduldigheid beginnen in te
+zien. De vaste hoop, dat zij welhaast met hare ouders naar Gent zou
+wederkeeren, had een weldadig licht in hare droefheid geschoten, en
+zij insgelijks scheen het vertrek, als zijnde toch een geluk voor hare
+ouders, met onderwerping te aanvaarden....
+
+Toen de Wildenslags, ouders en kinderen, elk met een pak aan de hand,
+voor den dageraad de stege verlieten, om de reis naar Frankrijk te
+beginnen, waren zij door Bavo vergezeld.
+
+De jongen stapte nevens Lieveken en droeg haar pak. Zij weenden niet
+en spraken weinig. Hunne harten waren beklemd. Wat zij zeiden, waren
+woorden van wederzijdsche vertroosting; want zij hadden beiden het
+gevoel, dat deze scheiding, hoe kort ook, hun pijnlijk zou zijn; en
+zij maanden in hunne eenvoudigheid elkander aan, om niet te veel te
+denken aan al het zoet vermaak en aan het stil geluk, dat zij
+gedurende hunne schoone kindsheid te zamen hadden genoten.
+
+Zoo kwam men buiten de poort, en dewijl het tijd was voor Bavo om naar
+zijne fabriek te gaan, kon hij onmogelijk de Wildenslags langer
+vergezellen.
+
+Bavo en Lieveken, als door eene zelfde beweging gedreven, grepen
+elkander de handen, wisselden eenen diepen blik, waarvan zij zelven de
+beteekenis niet begrepen en murmelden met versmachte stemme:
+
+"Vaarwel, Bavo! Vaarwel, Lieveken. Tot wederziens!"
+
+Tranen ontsprongen hunnen oogen; maar het meisje, zich voelende
+bezwijken, slaakte eenen grievenden kreet en liep tot hare ouders, die
+reeds in de baan vooruit waren.
+
+De jongen bleef roerloos; hij zag hoe het arme Lieveken met hangend
+hoofd en wankelende stappen achter moeder voortsukkelde. Hij wenschte
+en hoopte, dat zij nog eens het gezicht tot hem zou keeren; maar daar
+bereikten zij den draai der baan, en allen verdwenen zij voor de oogen
+van Bavo.
+
+Dan werd het hem, als hadde men met geweld iets uit zijn hart gerukt.
+Hem verbaasde de akelige ledigheid, die eensklaps in hem en rondom hem
+was ontstaan, en hij schudde twijfelend het hoofd, als vroege hij zich
+zelven het raadselwoord der duizeligheid zijner zinnen.
+
+Dubbend, morrend en diep bedrukt, keerde hij stedewaarts en begaf zich
+naar zijne fabriek. Het beeld van Lieveken vervolgde hem overal; in
+het katoen, dat hij uitpluizen en schikken moest, vormde zich de
+gedaante der betreurde speelgenoote, nu met den onbegrijpelijken blik
+in de oogen, dan met hangend hoofd de droeve rust beginnende. Het
+woord "vaarwel!" klonk hem van alle kanten uit de geruchten der
+fabriek in de ooren. Maar de arbeid is een machtige trooster des
+harten, en hij leent den mensch eene wonderbare sterkte tegen de
+denkbeelden, die hem overheerschen. Voor het einde van den eersten dag
+was de smart van Bavo reeds veel verminderd, en alhoewel hij nog
+altijd aan Lieveken en aan haar vertrek bleef mijmeren, kwam er meer
+verduldigheid en rust in zijn hart.
+
+Des avonds, als hij te huis kwam van zijne fabriek, nam hij als te
+voren zijne boeken, maar dan geviel het dikwijls, dat hij, zonder het
+te weten, eensklaps het hoofd verhief en rondkeek, als zocht hij
+iemand met de oogen; somtijds stond hij op en ging naar de deur bij
+het minste gerucht. Er ontbrak hem iets; en alhoewel hij lachte met
+zijne eigene verstrooidheid, was zijne moeder bekommerd over deze
+zonderlinge ontroeringen haars zoons.
+
+Ook sprak zij weinig met hem over Godelieve; en wanneer hij haar dwong
+over de afwezige vriendin te kouten, brak zij de samenspraak zoo kort
+mogelijk af. Hare moederlijke liefde zeide haar, dat de diepe treurnis
+haars zoons geen voedsel mocht geven, alhoewel zij even veel aan
+Lieveken dacht als hij zelf.
+
+Er verliepen op deze wijze een paar weken. Bavo scheen zich in de
+afwezigheid van Godelieve te hebben getroost, en, sprak hij nu nog van
+haar, het was met bedaardheid en met rede.
+
+Vader Damhout was schier geheel genezen. Hij had zich reeds naar de
+fabriek van zijnen ouden meester, M. Raemdonck, begeven, om er te
+worden aangenomen. Nog eene week en hij zou zijnen arbeid als spinner
+hernemen.
+
+Op eenen middag kwam een onderwijzer der gemeenteschool in hun huis,
+om hen allen in naam van den bestierder uit te noodigen tot de
+prijsuitdeeling, die op den komenden Maandag was vastgesteld. Wel was
+het waar, dat Bavo, omdat hij de school voor het einde der wedstrijden
+had verlaten, geen recht kon hebben op de gewone prijzen, maar de
+onderwijzers hadden besloten, dat zijne vlijt, zijne vorderingen en
+bovenal zijn schoon gedrag eene openbare belooning verdienden. Bavo
+zou dienvolgens eenen buitengewonen prijs krijgen. Hij zelf en zijne
+ouders mochten niet nalaten de plechtigheid der prijsuitdeeling bij te
+wonen. Zij zouden ongetwijfeld altezamen verheugd en fier naar huis
+keeren.
+
+
+
+
+VIII
+
+
+De zaal, waar de prijsuitdeeling der gemeenteschool ging geschieden,
+was opgevuld met volk, meest vaders en moeders van leerlingen, en dus
+zeer geringe burgers of werklieden. Evenwel, vooraan bemerkte men ook
+wel eenige deftige dames en heeren, die, door een edel gevoel
+ingesproken, de prijsuitdeeling der kostelooze gemeenteschool door
+hunne tegenwoordigheid kwamen verheffen en opluisteren.
+
+Adriaan Damhout met zijne vrouw Christina zat op de vijfde of zesde
+bank, te midden van het publiek; hun zoon Bavo bevond zich tusschen de
+schoolkinderen op de plaats, hem door de onderwijzers aangeduid.
+
+Alles was gereed en de klokken der kerken hadden reeds sedert eene
+wijl het bepaalde uur verkondigd, toen eensklaps de deur der zaal met
+eenig gerucht werd geopend. De burgemeester van Gent, vergezeld door
+eenige schepenen en gemeenteraadsheeren, trad binnen en stapte tot bij
+het tooneel, waar groote leunstoelen voor de overheden waren geschikt.
+
+Met blijde verrassing in de stem murmelde Adriaan Damhout aan het oor
+zijner vrouw:
+
+"Hebt gij niet gezien, Christina, dat mijnheer Raemdonck met den
+burgemeester is binnengekomen?"
+
+"M. Raemdonck, de meester van uwe fabriek?"
+
+"Ja, kijk, daar voor ons, op den tweeden zetel, naast den
+burgemeester, aan zijne linkerzijde. Het is M. Raemdonck zelf."
+
+"Het is te begrijpen, Adriaan, vermits mijnheer Raemdonck sedert een
+jaar in den raad van de stad zit."
+
+"Ja, en hij moet daar nog al veel bezigheden hebben; want nu bemoeit
+hij zich zooveel niet meer met de fabriek; het is de oude
+meester-klerk, die schier alles bestiert. Ha, ik weet niet, Christina,
+maar het verblijdt mij grootelijks, dat M. Raemdonck hier tegenwoordig
+is."
+
+"En mij verheugt het insgelijks, Adriaan. Nu zal uw meester kunnen
+zien, dat gij een goed vader zijt en uwe kinderen hebt laten
+leeren...."
+
+Hunne stille samenspraak werd onderbroken door den klank der bel, die
+het begin der plechtigheid aankondigde.
+
+Een der raadsheeren had de trede der verhevenheid beklommen en hield
+eene openingsrede. Hij sprak over de noodzakelijkheid van het
+onderwijs voor alle standen der samenleving, en spoorde bovenal de
+werklieden aan om hunne kinderen niet in de onmacht en de slavernij
+der onwetendheid te laten. Zijne bondige rede eindigende, zeide hij:
+
+"Luistert, mijne vrienden, hoe een werkman als gij, een werkman van
+Brussel [Voetnoot: M. Dauby.], tot zijne medegezellen spreekt.--Het
+onderwijs, zegt hij, is heden voor iedereen eene dringende
+noodzakelijkheid, tot welke loopbaan of ambacht men ook zij bestemd.
+Niet geleerd zijn, wanneer de anderen geleerdheid bezitten, stelt den
+mensch in eenen toestand van eeuwige minderheid. De voordeelen van het
+onderwijs bestaan niet alleenlijk in te kunnen lezen, schrijven en
+rekenen, maar het opent den geest, ontwikkelt het verstand en vormt de
+rede; het leert opmerken en vergelijken; het geeft den mensch licht en
+sterkte om zijne plichten te vervullen en zijne rechten te verdedigen.
+Gij weet het, gezellen, de nijverheid vervormt zich onophoudend: alle
+dagen komen nieuwe verbeteringen tot stand. Alles gaat vooruit; de
+werkman moet mede vooruitgaan en den stap der anderen volgen, wil hij
+niet achterblijven en verpletterd worden. Indien de mekanieken hem
+zijnen lichamelijken en enkel stoffelijken arbeid ontnemen, om hem
+niets te laten dan het verstandelijk werk, dit is ook een vooruitgang;
+maar slechts op voorwaarde dat de werkman zich tot de hoogte zijner
+nieuwe taak wete te verheffen. Wie zal hem daartoe helpen? Het
+onderwijs, de geleerdheid, die den geest ontwikkelt en den mensch
+nieuwe krachten geeft, krachten, wel anders machtig dan die zijner
+armen, omdat zij noch de vermoeidheid noch de jaren vreezen;--de
+geleerdheid, die hem nieuwe wegen opent, die hem een beter dagloon met
+minder lichamelijke vermoeidheid bezorgt;--de geleerdheid, die de
+eeuwenlange ongelijkheid tusschen de menschen vermindert en veel meer
+kan toebrengen om ze geheel te doen verdwijnen dan de dwaze droom
+dergenen, die de rijkdommen onder allen zouden willen verdeeld zien,
+en waarvan de zekerste uitslag niets zou zijn dan de gelijkheid der
+armoede. Zegenen wij dus als werklieden den vooruitgang der scholen,
+de verspreiding van het onderwijs, als de schoonste glorie onzer eeuw.
+Wat ons betreft, wij beschouwen elke school als een tempel, opgericht
+aan de waardigheid en de welvaart van het arbeidende volk!--Ziedaar,
+vrienden, de edele woorden, u door eenen uwer gezellen toegestuurd.
+Drukt ze in uw hart en volgt den wijzen raad, die er in ligt besloten;
+want zij toonen u het middel om uwe krachten te verdubbelen, uwe
+welvaart te vermeerderen en in de toekomst het werk en den werkman te
+verheffen en te veredelen."
+
+Deze redevoering, met kracht en overtuiging uitgesproken, had eenen
+diepen indruk op het gemoed der aanhoorders gedaan. Eerst na een
+oogenblik der volledigste stilte braken de toejuichingen los. Onder
+degenen, die met koortsige geestdrift in de handen klapten en bravo
+riepen, kon men bovenal vrouw Damhout onderscheiden. De opgetogene
+Christina had hare eigene denkwijze zoo welsprekend hooren bevestigen;
+en zij gevoelde, dat de woorden van den raadsheer eene lange lofrede
+van haar gedrag als moeder waren geweest.
+
+"Welnu, Adriaan," vroeg zij zegevierend, "had ik gelijk of niet? Die
+heer weet er meer van dan Jan Wildenslag, niet waar? En gij hoort wel,
+dat er verstandige werklieden zijn, die denken als ik over het
+onderwijs der kinderen?"
+
+Damhout knikte met het hoofd ten teeken van toestemming; maar hij had
+den tijd niet om haar te antwoorden, want de oefeningen der
+schoolkinderen begonnen onmiddellijk en werden zonder verpoozing
+voortgezet.
+
+Men droeg eenige verzenstukjes en fabelen voor, en men vertoonde zelfs
+een geestig blijspel, het alles onder het twintigmaal herhaalde
+handgeklap der aanschouwers, die verbaasd waren en zich trotsch
+gevoelden over de kunde en de geleerdheid hunner kinderen.
+
+Eindelijk ging men over tot de prijsuitreiking. Een groot getal
+jongens van allen ouderdom, de kleinste eerst, werden beurtelings
+opgeroepen en kregen een of meer boeken.
+
+Velen moeders ontvielen tranen van geluk en hoogmoed; eenigen drukten
+in vol publiek hunne kinderen op hun hart en deden door deze
+eenvoudige uitstorting van liefde en blijdschap de toejuichingen der
+ontroerde aanschouwers verdubbelen.
+
+Toen men aan de leerlingen der hoogste klasse was gekomen, en Bavo de
+schoone, groote boeken een voor een van de tafel zag verdwijnen, werd
+het hem eenigszins bang om het hart. Ware hij op de school gebleven,
+dan hadde hij wel zeker het grootste getal dier prijzen behaald. Al de
+eer, welke zijnen ouden gezellen nu werd aangedaan, ware hem te beurt
+gevallen. Hoe hadde die openbare zegepraal, in tegenwoordigheid des
+burgemeesters en der andere heeren, zijne moeder en zijnen ziekelijken
+vader gelukkig gemaakt! Nu zou hij slechts eenen prijs krijgen, eenen
+kleinen prijs, want er lagen geene groote boeken meer op de tafel.
+
+Nog treuriger werd Bavo, toen hij ook den laatsten prijs zag weggaan;
+maar hij werd uit zijne droeve overweging opgewekt door de
+verschijning van den hoofdonderwijzer, die op het tooneel vooruitkwam
+om tot het publiek te spreken.
+
+De redenaar was een man met grijze haren; er lag in zijn schoon en
+indrukwekkend gelaat een toon van ernst en goedheid, van overtuiging
+en liefde, die liet vermoeden, dat deze grijsaard het onderwijs der
+kinderen beschouwde als eene soort van priesterschap.
+
+Op stillen, doch diepgevoelden toon begon hij zijne aanspraak. Van
+zijne eerste woorden af verwonderde hij elkeen, en boeide de aandacht
+gansch bijzonderlijk; want hij verhaalde een vertelsel van werklieden,
+eenen vader en eene moeder, die ten koste van vele opofferingen hunnen
+zoon hadden laten leeren, en die zelfs te midden van nood, van ziekte
+en ellende, liever honger hadden geleden dan hun kind van de school te
+trekken. Hij prees deze ouders zeer hoog, noemde ze edele, waardige
+menschen, en stelde ze ten voorbeeld van allen, die hem aanhoorden.
+
+Dewijl hij geene namen noemde, meende men, dat hij een uitgevonden
+verhaal voordroeg; maar de moed en de opoffering dezer ingebeelde
+ouders rukten evenwel tranen van bewondering uit de oogen van alle
+lieden.
+
+Christina Damhout hield het hoofd gebogen en verborg hare ontroering.
+Haar hart klopte fel, en zij was als beschaamd.
+
+"God heeft die goede ouders beloond," ging de grijze redenaar voort,
+"en in het feit dat ik u verhalen ga, zult gij het bewijs vinden, dat
+het onderwijs, gepaard met de zedelijke opvoeding, het hart van den
+mensch veredelt en hem, met het besef zijner plichten, ook den moed en
+de kracht geeft om ze te vervullen. De zoon dier ouders was leerling
+op deze school. Hij was de sterkste en meest geleerde in de hoogste
+klasse, en wel zeker zou hij al de eerste prijzen hebben weggedragen.
+Niemand twijfelde er aan, noch wij, zijne leermeesters, noch zijne
+medeleerlingen, noch hij zelf. Hij snakte naar den dag der
+prijsuitreiking, niet voor zich zelven, maar voor zijnen vader en
+zijne moeder, die gelukkig zouden zijn door zijne schoone zegepraal.
+Dan kwam de werkstaking der fabrieken; zijn vader werd doodelijk ziek;
+nood en lijden overvielen zijne arme ouders. Wat deed de jongen? Hij
+verzaakte aan al zijne prijzen, aan de lang gedroomde eer, om eenen
+dwingenden plicht te vervullen. Hij verliet de school, zonder het
+zijnen ouders te durven zeggen, zocht en vond werk in eene fabriek,
+legde in 't geheim zijn dagloon in de kas zijner moeder neder en redde
+dus, als een onzichtbare weldoener, zijne ouders uit de bittere
+ellende.... Door ontijdig van de school weg te blijven, heeft de goede
+zoon zijn recht op het behalen der prijzen verloren; maar wij, zijne
+leermeesters, met toestemming van den heer burgemeester en met behulp
+van eenen milden beschermer der volksscholen, hebben besloten zijne
+vlijt, zijne kunde en bovenal zijn edel gedrag door eene bijzondere
+belooning te erkennen."
+
+Hij haalde van achter een gordijn een groot kwartoboek en een
+lauwerkroon te voorschijn. Het boek was in rood leder gebonden en
+verguld op snede. De onderwijzer opende het en toonde, dat het vol was
+van schoone, ontplooibare platen. Op den titel stond te lezen:
+_Werktuigkunde, toegepast op de Nijverheid_. Al de aanschouwers waren
+rechtgesprongen en keken zich de oogen uit het hoofd, om te raden,
+wien dit prachtig boek mocht bestemd zijn.
+
+De hoofdonderwijzer keerde zich naar den kant der schoolkinderen, en
+zeide met diepe aandoening:
+
+"Kom, Bavo Damhout, kom, mijn vriend, ontvang dit bewijs van de
+achting uwer leermeesters; het blijve u een kostbaar aandenken en een
+spoorslag om op den weg der deugd en der plichtsbetrachting voort te
+gaan. Gij zijt werkman; maar in die nuttige loopbaan staat de toekomst
+voor u open. Wees uwen gezellen een voorbeeld en toon hun gedurende uw
+leven, in uw gedrag en in uw welgelukken, de onschatbare vruchten van
+het volksonderwijs!"
+
+Bavo was bleek en beefde; hij scheen de macht niet te hebben om de
+trede te beklimmen, zoodanig ontstelde hem deze onverwachte
+eerbewijzing in tegenwoordigheid zijner ouders. Een der onderwijzers
+vatte hem bij den arm en leidde hem op het tooneel. Zijn grijze
+meester omhelsde hem, zette hem de lauwerkroon op het hoofd en legde
+hem het groote boek op de handen.
+
+De gansche zaal daverde onder een donderend bravo; velen der
+aanschouwers leekten tranen van ontroering op de wangen; de vrouwen
+brachten zich den neusdoek aan de oogen.
+
+Voor de trede stonden de burgemeester en de andere heeren recht,
+gereed om den bekroonden jongen geluk te wenschen; maar Bavo, zonder
+daar acht op te geven, zoohaast hij zich in bezit van zijnen prijs
+zag, keerde zich om, hief het boek en kroon met beide handen in de
+hoogte en riep in verrukking uit:
+
+"Moeder, moeder, moeder!"
+
+En hij sprong als een zinnelooze of een blinde tusschen de overheden
+en het publiek door, wierp kroon en boek op den schoot zijner moeder
+en vloog haar aan den hals en zoende haar onder het uitspreken van
+allerlei dankzeggingen. Ook zijnen vader omhelsde hij lang en vurig.
+Tusschen zijne liefdesbetuiging riep hij luid:
+
+"Gij hebt gewerkt en geleden om mij te laten leeren. Vader, vader, ik
+zal voor u werken. O, dat God mij bescherme! Gij zult het zien, gij
+zult het zien!"
+
+Deze eenvoudige lieden, in hun geluk, in hunne ontsteltenis, hadden de
+geheele wereld vergeten en schenen niet te weten, dat eene menigte
+menschen, met tranen in de oogen en woorden van bewondering op de
+lippen, hen omringden en op de uitstorting hunner blijdschap staarden.
+
+Damhout richtte zich eerst op en zeide tot zijne vrouw:
+
+"Kom, Christina, kom; men bekijkt ons zoo vreemd. Het is gedaan; de
+burgemeester is al weg; laat ons naar huis gaan."
+
+Men hadde op de schijnbare koelheid zijner woorden kunnen
+vooronderstellen, dat vader Damhout min gevoelig was aan de zegepraal
+zijns zoons; maar men hadde zich daarover geheel misgrepen. Zijn hart
+was vervuld met hoogmoed; want toen hij van tusschen de banken was
+geraakt, spande hij zichtbaar alle pogingen in om nevens Bavo te
+blijven, opdat elkeen mochte zien, dat hij de vader van dien jongen
+was.
+
+Bavo scheen sedert eenige oogenblikken door een gevoel van
+beschaamdheid aangegrepen; hij hield het hoofd gebogen en stapte
+wankelend tusschen zijne ouders.
+
+Toen zij de deur der zaal gingen bereiken, zeide Christina tot haren
+zoon:
+
+"Bavo lief, gij moogt niet beschaamd zijn: integendeel, hef het hoofd
+op; de menschen zouden zoo gaarne u in het aangezicht zien; het is uit
+vriendschap...."
+
+De jongen, als uit eenen slaap opschietende, slaakte eenen zucht en
+murmelde met zonderlinge ontroering aan het oor zijner moeder:
+
+"Ach, hadde Lieveken dit eens kunnen zien!"
+
+Zij werden door den vloed des volks ter deur uitgestuwd, en bevonden
+zich op de straat.
+
+"Christina," zeide vader Damhout, "ginder staat M. Raemdonck; hij
+beziet ons en schijnt mij te willen spreken."
+
+"Inderdaad, Adriaan, het is natuurlijk, hij zal u gelukwenschen. Welke
+eer, niet waar? Uw eigen meester. Wie hadde zich toch aan zooveel
+geluk verwacht. Die goede, lieve Bavo!"
+
+M. Raemdonck wenkte Damhout met den vinger tot zich.
+
+Terwijl Bavo en zijne moeder te midden der straat tusschen een hoop
+nieuwsgierige lieden bleven staan, ging Adriaan met ontdekten hoofde
+tot zijnen meester. Deze drukte hem minzaam de hand en zeide hem:
+
+"Ik wensch u geluk, Damhout. Zet uwe klak weder op, ik bid u. Dat gij
+een goed en vlijtig werkman zijt, dit wist ik sedert vele jaren; maar
+dat gij, als een verlicht en verstandig vader, uwen zoon hebt laten
+leeren, totdat hij al de klassen van het lager onderwijs had
+doorloopen, dit is iets, dat u in mijne oogen grootelijks vereert."
+
+"Ach, het is mijne vrouw, mijnheer," antwoordde de ontroerde werkman.
+
+"Uwe vrouw?"
+
+"Ja, mijnheer, daarvoor moet ik God dankbaar zijn, dat Hij mij de
+braafste en verstandigste vrouw heeft gegeven, die er op de wereld te
+vinden is."
+
+"Het zij zoo, mijn vriend, gij hebt er evenwel voor moeten werken. Ik
+heb aan den burgemeester beloofd, dat ik, indien het mogelijk is, iets
+zal doen om u te beloonen. Zeg mij eens, wat stelt gij u voor van uwen
+zoon te maken?"
+
+"Hij is op de fabriek van M. Verbeeck."
+
+"Wat doet hij daar?"
+
+"Hij zal de naaste week aan den eersten _duivel_ staan, mijnheer."
+
+"Ja, dit is niet slecht: hij zal mettertijd meesterknecht kunnen
+worden. Wilt gij mij een vermaak doen, Damhout? Zend mij uwen zoon; ik
+wil hem ook eenen prijs, een geschenk geven. Ga naar huis met uwen
+zoon, en zoohaast hij zijn boek en zijne kroon heeft nedergelegd en
+wat heeft uitgerust, doe hem dan ten mijnent komen; ik zal hem
+verwachten."
+
+Damhout keerde terug tot zijne vrouw en vertelde haar met blijde
+verbaasdheid, wat zijn meester hem had gezegd. Hij had hem de hand zoo
+vriendelijk gedrukt en zulke minzame woorden tot hem gesproken!
+
+Door iedereen nagekeken, geroemd en geprezen, kwamen de Damhouts
+eindelijk in hunne kleine stege. Voor het huisje, waar de Wildenslags
+hadden gewoond, scheen Bavo te willen blijven staan, en hij hief
+zelfs door eene onvrijwillige beweging zijn boek en zijne kroon op,
+als toonde hij deze voorwerpen aan een onzichtbaar wezen; maar een
+zucht ontsnapte hem, en hij volgde zijne ouders tot binnen hunne
+woning.
+
+Hier herhaalden zij nog eens de blijde omhelzing, en dan haastte Bavo
+zich ter stege uit, om naar M. Raemdonck te gaan en daar een nieuw
+geschenk te ontvangen. Wat zou het zijn, dat zijns vaders meester hem
+wilde geven? Misschien insgelijks een schoon boek, misschien iets
+anders?
+
+
+
+
+IX
+
+
+Bavo belde ten huize van M. Raemdonck; de meid leidde hem in het
+bureel. Hier kwam een reeds bejaarde man, de meester-klerk
+ongetwijfeld, hem te gemoet met eenen vriendelijken glimlach op het
+aangezicht, greep hem de hand en zeide:
+
+"Ik wensch u geluk, mijn jongen; men heeft u eene welverdiende eer
+bewezen; ik was er tegenwoordig en heb mij diep ontroerd gevoeld. Het
+zal u geluk bijbrengen dat gij uwe ouders zoo bemint en dankbaar
+zijt."
+
+Bavo murmelde den naam van M. Raemdonck.
+
+"Ja, ik weet het," zeide de meester-klerk, "mijnheer heeft u doen
+komen, maar hij is met eenen koopman in de fabriek gegaan en heeft
+gezegd, dat gij hier een beetje zoudt wachten. Zit neder, mijn vriend.
+M. Raemdonck zou u goed willen doen, indien het mogelijk is. Hij zou
+gaarne weten wat gij kent en tot hoeverre gij geleerd zijt, en hij
+heeft mij gelast u op de proef te stellen, indien gij hierin
+toestemt."
+
+"Ik ben hem wel dankbaar en zal alles doen wat u belieft, mijnheer,"
+antwoordde de jongen.
+
+"Welnu, zet u daar voor den lessenaar; ziehier de kopie van eenen
+brief. Schrijf dien eens in het net, op uw best en zonder feilen.
+Wees niet bevreesd. Daar hebt gij een model voor den vorm des briefs.
+Begin maar; ik zal intusschen mijn eigen werk voortzetten."
+
+Er heerschte eene volledige stilte in het bureel, totdat Bavo, door
+het hoofd op te heffen en zich om te keeren, teeken gaf, dat de brief
+was afgeschreven.
+
+De meester-klerk naderde, hield de oogen eene wijl op het papier
+gevestigd en zeide dan met verwondering:
+
+"Ho, jongen, wat schoon geschrift, wat vaste hand ... en geene feilen!
+Bravo, dit had ik niet verwacht; het zal M. Raemdonck verblijden, want
+hij draagt u eene ware genegenheid toe, omdat gij de zoon zijt van
+eenen onzer oudste en beste werklieden. Kunt gij ook goed rekenen?"
+
+"Daarin was ik de sterkste van de geheele school, mijnheer, ten minste
+volgens mijne meesters."
+
+"Welnu, ziehier eene kolom cijfers; tel ze eerst op; vermenigvuldig
+dan de uitkomst met 365 en deel het geheel met 514."
+
+In eenige minuten had Bavo de rekening gemaakt, en de meester-klerk
+bevond met innige tevredenheid, dat hij niet had gemist.
+
+"Blijf nu een oogenblikje hier wachten, mijn vriend," zeide hij; "ik
+ga M. Raemdonck van uwe komst verwittigen."
+
+Hij liet Bavo alleen in het bureel, opende eene deur en trad ten einde
+van eenen gang in eene zaal, waar de eigenaar der fabriek voor eene
+tafel zat en bezig was met eenige papieren te doorbladeren.
+
+"Welnu, Pasmans, hoe staat het met de geleerdheid van den jongen?"
+vroeg hij. "Zoudt gij hem kunnen benuttigen?"
+
+"Het is een wonder, mijnheer," antwoordde de meester-klerk; "de jongen
+is nauwelijks vijftien jaar, en hij heeft een geschrift zoo vast en
+zoo fraai als van eenen ouden klerk; hij kan goed rekenen, heeft een
+fijn begrip en is bekwaam tot alles, ten minste voor hetgeen onder
+mijn toezicht op het bureel kan te doen zijn."
+
+"Gij wilt toch niet zeggen, dat hij den klerk, dien gij eergisteren
+wegzondt, zou kunnen vervangen?"
+
+"Neen, mijnheer, ik durf het niet zeggen, alhoewel ik overtuigd ben,
+dat ik uit dezen leerling der gemeenteschool meer nut zal trekken;
+maar hij is te jong, en men mag hem in den beginne niet door eene al
+te hooge jaarwedde bederven."
+
+"Inderdaad, de andere klerk had duizend franken. Wat zou men den zoon
+van Damhout kunnen geven? Gij weet dat ik zijne ouders wil beloonen?"
+
+"Het derde gedeelte, mijnheer; driehonderd franken, bij voorbeeld. Het
+ware genoeg om te beginnen. Ik zal den jongen helpen en leeren. Indien
+hij vlijtig en getrouw blijft, kunnen wij zijn loon opvolgend
+verhoogen."
+
+"Het is wel, Pasmans, ik bedank u om uwe goedwilligheid. Zend mij den
+jongen, maar zeg hem niets."
+
+Eenige oogenblikken daarna trad Bavo in de zaal en bleef met de klak
+in de hand voor M. Raemdonck staan.
+
+Deze beschouwde hem eene wijl, met het hoofd knikkende, als schepte
+hij behagen in de regelmatige wezenstrekken en in de nederige, doch
+tevens moedige houding van den jongen.
+
+"Het is een schoone dag voor u geweest, mijn vriend," zeide hij. "Gij
+hebt vele beschermers aangewonnen, en indien gij vlijtig en verstandig
+blijft, zult gij waarschijnlijk uwen weg in de wereld maken; maar wat
+u ook gebeure, vergeet nooit, dat uwe ouders, arme fabriekwerkers,
+zich hebben opgeofferd om u te laten leeren."
+
+"Ik zal het niet vergeten, mijnheer," antwoordde Bavo zeer stil, maar
+op eenen ontroerden toon en met eenen glim van wilskracht, waarvan de
+innigheid den eigenaar der fabriek met verrassing sloeg.
+
+"Ha, dit is wel," zeide hij, "dat gij goed doordrongen zijt van alles,
+wat uwe arme ouders voor u hebben gedaan; uw vader bovenal, niet
+waar?"
+
+"Ja, mijnheer, mijn vader heeft voor mij gewerkt, mijn vader is voor
+mij doodelijk ziek geworden; mijne moeder heeft nachten zonder slapen
+doorgebracht om mij naar de school te laten gaan."
+
+"En gij zult ze liefhebben en, is het u mogelijk, ze beloonen in
+hunnen ouden dag?"
+
+"Ja, mijnheer, zoolang ik leef."
+
+"Gij zijt nu op de fabriek van M. Verbeeck, en gij zult de naaste week
+eerst aan den _duivel_ staan als helper. Het is een goed middel om tot
+iets te geraken; maar dit gaat wel langzaam, mijn jongen. Met uwe
+geleerdheid kan men misschien eenen korteren weg vinden."
+
+"Ik zal meesterknecht worden, mijnheer!" antwoordde Bavo met
+bedwongene kracht.
+
+"En dan?" morde M. Raemdonck.
+
+"Dan, mijnheer, dan zal mijn vader niet meer werken, en mijne moeder
+ook niet."
+
+"Gij zijt een brave jongen," sprak M. Raemdonck getroffen. "Wat wint
+gij nu? Vier of vijf franken in de week, niet waar? Dit is niet
+genoeg. Ik wil u helpen het edele doel bereiken, dat gij uw dankbaar
+hart aanwijst, door u eene loopbaan te openen, waarin men, met uwe
+geleerdheid en uwen goeden wil, veel spoediger kan vooruitgaan. Ik was
+voornemens u een boek te geven; maar al de boeken mijner bibliotheek
+zullen tot uwe beschikking staan. Een ander geschenk ga ik u doen.
+Wilt gij klerk worden op mijn bureel?--Blijft gij bij uwe goede
+gedachten en vlijtig, dan zal ik u voorthelpen met liefde, als waart
+gij mijn eigen zoon."
+
+"O, mijnheer, zooveel goedheid!" kreet Bavo, de handen dankend
+opheffende. "Hoe blijde zal mijne moeder zijn!"
+
+"Gij aanvaardt dus de plaats?"
+
+"Ik kan schier niet spreken, mijnheer. Ach ja, ja, ik zal zoo mijn
+best doen!"
+
+"Maar gij vraagt niet wat gij zult winnen. Indien gij u nuttig maakt
+en u vlijtig toont, zal ik uwe jaarwedde al spoedig verhoogen; het
+hangt van u af.
+
+Voor alsnu en om te beginnen, zult gij ... zult gij vierhonderd
+franken trekken; het is ten minste tweemaal zooveel als uw
+tegenwoordig loon."
+
+Bavo borst in tranen los en scheen in zijne ontroering te stikken; hij
+stamelde verwarde woorden, zegende zijnen weldoener en sprak van zijne
+moeder en van zijnen vader, doch was te zeer ontsteld om een
+verstaanbaar woord te uiten.
+
+
+[Illustratie: Eenen Godspenning wil ik u geven.]
+
+
+M. Raemdonck opende eene lade van zijnen schrijflessenaar, nam er
+iets uit, naderde tot den duizeligen jongen en zeide hem:
+
+"Kom morgen op het groot bureel; de oude meester-klerk is een braaf
+man en een edelmoedig hart; hij zal u vriendelijk zijn en u
+voorthelpen. Eenen Godspenning wil ik u geven; het zal mijn geschenk
+zijn. Daar, neem dit, draag het uwen vader met de goede tijding, en
+poog mijner bescherming waardig te blijven; dan zult gij uw eigen
+geluk en het geluk uwer goede ouders verzekeren. Vaarwel, mijn jongen,
+tot morgen dus."
+
+Het hoofd van Bavo draaide, het was hem duister voor de oogen; hij
+bevond zich in de straat zonder het te weten. Vierhonderd franken ging
+hij winnen! Welke rijkdom, en hoe zou zijne moeder verbaasd staan en
+gelukkig zijn bij dit wonderschoon nieuws! Hij kon het niet gelooven;
+hij droomde misschien? Neen, neen, het was waar. Klerk zou hij worden
+en vierhonderd franken winnen!
+
+Dan eerst voelde hij iets in zijne hand en opende ze. Daar blonken hem
+twee goudstukken van twintig franken in de oogen!
+
+Een luide schreeuw ontvloog hem, en, zonder op de voorbijgangers te
+letten, die hem verwonderd nakeken, sprong hij, met de hand in de
+hoogte, juichend vooruit en liep uit al zijne kracht, totdat hij zijne
+woning bereikte.
+
+"Moeder, vader!" riep hij, "ik word klerk in het groot bureel van M.
+Raemdonck; ik win vierhonderd franken; ik zal spoedig meer winnen:
+daar, daar is mijn Godspenning! Vader, vader, wij zullen rijk zijn;
+gij zult leven zonder werken, gij hebt genoeg gedaan voor mij. Moeder
+zal des nachts niet meer moeten naaien; zij zal eene meid hebben. Nu
+nog niet, maar het zal komen, ja, ja, mettertijd, of ik zal er onder
+bezwijken."
+
+En van ontsteltenis afgemat, liet de opgewonden jongen zich lachend en
+juichend op eenen stoel vallen.
+
+De ouders bestaarden met verwondering de twee goudstukken, welke hun
+zoon op de tafel had geworpen; zij insgelijks schenen buiten zich
+zelven van verbaasdheid.
+
+Damhout sloeg eensklaps de armen om den hals zijner vrouw, drukte haar
+op zijn hart en stamelde met tranen in de oogen:
+
+"O, Christina lief, dat God u zegene! Aan u, aan u alleen zijn wij al
+dit geluk verschuldigd. Gij zijt meer dan eene moeder voor uwe
+kinderen, meer dan eene vrouw voor mij; gij zijt onze goede
+engelbewaarder op aarde!"
+
+Bavo stond eensklaps recht en kreet, terwijl hij naar de deur liep:
+
+"O, Lieveken! Lieveken!"
+
+Met eenen angstigen gil sprong zijne moeder hem achterna.
+
+"Hemel, mijn arme zoon, wat geschiedt u?" gilde zij.
+
+Maar Bavo wierp zich in hare armen en zeide met het schaamrood op de
+wangen:
+
+"Het is niets moeder lief; ik droom, de blijdschap maakt mij
+zinneloos!"
+
+
+
+
+X
+
+
+Des anderen daags begaf Bavo zich naar zijn bureel; hij was zoo blijde
+en zoo vol geestdrift, dat hij geheel door zijnen nieuwen arbeid was
+verslonden en aan niets anders meer scheen te denken. Hij bracht des
+avonds schrijfwerk mede, bleef met de pen in de hand zitten, totdat
+zijne ouders hem herinnerden, dat het tijd was om slapen te gaan, en
+sprak zelfs niet meer van Lieveken, noch van zijne treurnis, omdat zij
+zijne schoone zegepraal niet had kunnen zien.
+
+Evenwel na eenige dagen van groote overspanning, kwam er een beetje
+rust in zijn gemoed. Dan keerde de herinnering aan de afwezige
+vriendin even krachtig als te voren in hem weder, en hij spoorde zijne
+moeder aan om eenen brief aan Lieveken te schrijven. Het arme meisje
+zou zich in hun geluk verblijden, en het zou haar zeker een troost
+zijn in haar verdriet.
+
+Een gansche avond werd aan het opstellen en afschrijven van den brief
+besteed; want alhoewel Bavo de pen voor zijne moeder hield, stortte
+hij er al de vreugde van zijn eigen hart in uit en schilderde breed en
+wijd de prijsuitreiking en het bezoek bij M. Raemdonck. Lieveken moest
+alles, alles weten, even alsof zij zelve er bij tegenwoordig ware
+geweest. Hij vergat insgelijks niet te juichen over de toekomst, die
+hem aanlachte, en beroemde zich, dat, indien Gods bescherming hem
+bijbleef, hij zijne ouders mettertijd rijk en gelukkig zou maken. Zij
+moest seffens antwoorden en laten weten, wanneer haar vader terug naar
+Gent zou keeren; de fabrieken waren hier nu weder alle geopend en er
+was veel werk; want zij kon wel denken, dat, niettegenstaande hunne
+blijdschap, zijne ouders en hij zelf toch veel verdriet hadden, omdat
+zij Lieveken niet meer zagen.
+
+De brief werd in de post gestoken, en van dan af wachtte Bavo met
+koortsig verlangen op het antwoord.
+
+Er verliepen eene week, twee weken, eene gansche maand. Elken middag
+en elken avond, als Bavo zijn bureel verliet, liep hij met groote
+haast naar huis, en zijn eerste woord was telkens:
+
+"Welnu, welnu, moeder, is er niets gekomen?"
+
+"Niets, nog niets, mijn zoon," antwoordde vrouw Damhout met eenen
+zucht.
+
+Bavo werd allengs zeer treurig en moedeloos, en soms bleef hij des
+avonds uren lang met het hoofd in de hand zitten, of koutte met zijne
+moeder over de waarschijnlijke redenen dezer stilzwijgendheid van
+Lieveken. Was zij ziek misschien? Was haar een ongeluk overkomen? Had
+men zich in het opschrift van den brief misgrepen? Maar dit laatste
+was niet mogelijk, vermits Lieveken zelve voor haar vertrek hun dit
+opschrift had gegeven.
+
+Gelukkig dat Bavo in den arbeid eene afleiding voor zijne droeve
+gepeinzen vond. Het plichtgevoel was inderdaad zeer machtig in hem.
+Zoolang hij op zijn bureel was, overspande hij zijne wilskracht en
+worstelde zegevierend tegen het verdriet, dat zijnen geest benevelde,
+en men kon niet aan zijn werk raden, dat smartelijke stoornissen hem
+onophoudend bestormden.
+
+Zekeren avond toch zeide hem de oude meester-klerk met eene schier
+vaderlijke minzaamheid:
+
+"Bavo, mijn jongen, gij moogt met zooveel inspanning niet werken. Gij
+zult u zelven ziek maken door uw overdreven ijver. Ik zie sedert
+eenige dagen, dat gij zwaarmoedig en treurig zijt. Vrees niet, gij
+doet meer en beter dan men van u kan verwachten. M. Raemdonck is zeer
+tevreden over u, gij weet het wel. Kom, kom, een mensch, die zijne
+plichten gevoelvol vervult, moet licht en vroolijk van harte zijn;
+anders wordt hem de arbeid zwaar en geestverdoovend."
+
+De arme jongen ging zeer bedrukt naar huis; hij beschouwde deze
+vriendelijke opwekking als een zijdelingsch verwijt; want zij bewees,
+dat de meester-klerk zijne duistere gemoedsstemming had opgemerkt, en
+misschien had er iets aan zijn schrijfwerk ontbroken. Daarenboven,
+Lieveken antwoordde niet; reeds zes lange weken waren er verloopen.
+Zou hij ooit nog wel iets van haar vernemen? Was zij gevaarlijk ziek?
+Was zij dood misschien?--want aan hare dankbaarheid, aan hare trouwe
+herinnering dorst hij na zulke korte afwezigheid niet twijfelen.
+
+Toen hij dus, dubbend en zuchtend, in de stege kwam, ontvloog hem
+eensklaps een schreeuw van verrassing en blijdschap. Hij zag van verre
+zijne moeder voor de deur van haar huisje staan met een papier in de
+hand, dat zij hem scheen te toonen.
+
+De jongen sprong vooruit, trok zijne moeder in huis en riep:
+
+"Een brief van Lieveken?"
+
+"Ja, van Lieveken of van hare ouders; hij komt uit Frankrijk."
+
+"En wat staat er in, moeder?"
+
+"Gij weet, Bavo, dat ik geen geschrift kan lezen."
+
+"Geef, geef, ik zal hem u voorlezen.... Hij is van Lieveken zelve.
+Luister, moeder. Ach, ik beef van ongeduld:
+
+ "Goede madam Damhout."
+
+"Zie, waarom noemt zij mij nu _madam_?" kreet de verwonderde
+Christina.
+
+"Wel, het is uit eerbied, moeder; daarenboven, in Frankijk noemt men
+iedere vrouw _madam_; maar laat mij lezen, onderbreek mij niet, ik bid
+u:
+
+ "Goede madam Damhout,
+
+ "Vergeef het mij, dat ik niet eerder op uwen brief heb kunnen
+ antwoorden. Vader had hem op de fabriek ontvangen en hem in
+ zijnen zak gestoken en vergeten. Toen moeder zijn vest wilde
+ vermaken, heeft zij hem gevonden. Ik bedank u en Bavo en M.
+ Damhout uit het diepste mijns harten voor de vriendschap, die
+ gij de arme Godelieve blijft toedragen. Uw brief heeft ons
+ zoo gelukkig gemaakt, dat mijne moeder en ik van blijdschap
+ hebben geweend en God om zijne goedheid jegens u hebben
+ gezegend. Wat mij betreft, ik heb veel verdriet; want ik denk
+ zonder ophouden aan u allen: ik treur, omdat ik u niet meer
+ zie en zelfs niet weet, of ik nog ooit van mijn leven u zal
+ wederzien. Mijn vader zegt dikwijls, dat hij nooit meer naar
+ het land zal wederkeeren; want hier is overvloedig werk en
+ een hoog dagloon. Mijne moeder heeft nog geenen winkel voor
+ mij kunnen vinden. Ik werk op eene fabriek en win zes franken
+ in de week. Mocht mijne moeder toch spoedig eenen winkel voor
+ mij vinden! De menschen op de fabriek zijn zoo grof en zoo
+ baldadig; zij schelden en vloeken altijd, en omdat ik eenen
+ afkeer van die woestheid heb, lachen ze mij uit en plagen
+ mij. Ik ben er bijna ziek van geworden; maar nu is het wat
+ beter. Mijn broeder Tist is zijn linker oog kwijtgeraakt in
+ een gevecht tusschen Vlaamsche en Fransche werklieden; hier
+ vecht men schier alle dagen. Dat Bavo in de wereld zal
+ verhoogen, en dat gij altezamen rijk zult worden, daarvan was
+ ik reeds overtuigd, toen ik nog een klein kind was; maar gij
+ zult in uw geluk toch somtijds nog eens denken aan het arme
+ Lieveken, niet waar? Wat ik ook worde, fabriekwerkster of
+ kleermaakster, ik zal slechts met eerbied en dankbaarheid mij
+ uwer eindelooze goedheid mogen herinneren, dit weet ik wel;
+ maar zijt zeker, al leefde Godelieve honderd jaar, dat zij
+ nog op haar doodbed de namen zal noemen van hem, die het arme
+ zieke kind leerde lezen, en van haar, die het als eene tweede
+ moeder naar de school heeft geleid.
+
+ "Uwe ootmoedige dienstmeid,
+
+ "GODELIEVE WILDENSLAG."
+
+Bavo liet den brief ter tafel vallen en begon te weenen: vrouw Damhout
+had insgelijks de tranen in de oogen. Zij poogde echter haren zoon te
+doen begrijpen, dat hij ten onrechte zich zoo diep bedroefde. Wat was
+er dan zoo ongelukkig in het lot van Lieveken? Zij treurde, omdat zij
+verre van hare geboortestad en hare vrienden moest leven. Dit was
+immers natuurlijk? Bavo moest daarenboven wel zeker zijn, dat
+Wildenslag naar Gent zou terugkeeren.
+
+Maar dit was de reden der smart van den jongen niet. Wat hem
+verschrikte, was de tijding, dat Godelieve op eene fabriek werkte, te
+midden van ruwe, woeste menschen, en daarom was hij ontroostbaar. Hij
+drukte het angstig voorgevoel uit, dat Lieveken door de gedurige
+aanraking met de grove, onwetende lieden hare zedigheid en de
+zuiverheid haars harten zou kunnen verliezen. Dit ware volgens hem het
+grootste ongeluk, dat haar kon overkomen. Er lag misschien een gevoel
+van zelfzucht in zijne ontsteltenis; maar hij verborg het onder het
+medelijden voor de gezellinne zijner kindsheid en zuchtte herhaalde
+malen met diepen weemoed:
+
+"Arm Lieveken! Arm Lieveken!"
+
+Adriaan Damhout kwam te huis. Dan bedwong Bavo zijn verdriet; want in
+zijns vaders tegenwoordigheid dorst hij de ontroeringen zijns harten
+niet zoo vrij uitstorten.
+
+Nadat men gedurende eenigen tijd over den treurigen brief van
+Godelieve had gekout, besloot men haar nog denzelfden avond te
+schrijven, om haar te troosten en haar moed te geven. Men zou
+daarenboven in den brief aan haar eenen anderen brief voor hare moeder
+steken, om deze tot het spoedig zoeken van eenen anderen winkel aan te
+manen.
+
+Eens dat deze beide brieven waren geschreven, werd Bavo een beetje
+beter te moede. Hij had nu een middel gevonden om met Godelieve te
+spreken; het was eenigszins, alsof zij nog tegenwoordig ware; de
+betuiging harer dankbaarheid, de zekerheid dat zij nog aan hunne zoete
+vriendschap dacht, deed hem zoo goed aan het hart. Met deze troostende
+overweging ging de jongen te bed, en alhoewel hij droomend Lieveken op
+de fabriek zag en ruwe, onbeschofte woorden rondom haar hoorde galmen,
+werd zijn slaap niet merkelijk gestoord.
+
+Maanden lang wachtte hij op een tweede antwoord van Godelieve; er kwam
+geene tijding. Men schreef eenen anderen brief en zelfs eenen derden,
+maar even vruchteloos.
+
+Bavo meende te moeten denken, dat vader Wildenslag de brieven
+vernietigde. Dewijl men ze naar de fabriek stuurde, aangezien men de
+bijzondere woonst der Wildenslags niet wist, ontving hij ze altijd op
+zijn werk. De brief, waarin Damhout aandrong om Godelieve het
+fabriekwerk te doen verlaten, zou hem waarschijnlijk hebben doen
+besluiten alle betrekking tusschen zijn huisgezin en de Damhouts af te
+breken. Misschien had het woeste gezelschap, waarin Godelieve
+veroordeeld was te leven, reeds eenen verderfelijken invloed op haar
+uitgeoefend? Misschien was haar geheugen verduisterd en had zij hare
+vorige vrienden vergeten? Maar dit kon niet zijn, zoo spoedig toch
+niet!
+
+Op zekeren avond dat Bavo met zijne moeder koutte, ontvielen hem
+eenige droeve woorden, die vrouw Damhout schenen te verrassen en te
+verwonderen. Wat zij daarop antwoordde om hem te troosten, deed het
+schaamrood op Bavo's voorhoofd klimmen. Hij stamelde eenige
+verontschuldigingen en bleef dan zwijgend in zich zelven dubben en
+overwegen, of nam een boek en ontvluchtte zoo eene samenspraak,
+zoohaast hij bemerkte, dat zijne moeder hem met aandacht beschouwde.
+
+Liefde? Zijn medelijden zou liefde zijn? Hij zou Godelieve beminnen
+... beminnen, anders dan eene speelgenoote, dan eene zuster? Zijne
+moeder had het niet gezegd; maar waarom dan had zij gesproken van eene
+geheime neiging des harten, van een gevoel, dat hij moest pogen te
+beheerschen en te overwinnen?
+
+Van dan af werd Bavo aangaande Godelieve achterhoudend met zijne
+moeder. Telkens dat zij zelve, en het gebeurde niet dikwijls meer, den
+naam van Lieveken noemde, keerde hij de samenspraak af.--Dit belette
+echter niet, dat zijne ziel treurde en nog snakte naar de afwezige
+vriendinne. Elke maal dat hij te huis kwam, hoopte hij, dat zijne
+moeder hem eenen brief zou toonen; maar de maanden verliepen zeer
+snel, en van Lieveken hoorde men niets meer.
+
+Wel had vader Damhout eens eenen werkman ontmoet, die uit Frankrijk
+kwam en hem nieuws van de Wildenslags had gegeven; maar zijne woorden
+waren niet van aard om Bavo of zijne moeder te verblijden. Volgens
+zijn zeggen wonnen de Wildenslags veel geld, ja veel te veel; want zij
+waren gekend als de grootste drinkers en zwierders van geheel de stad.
+Zij lagen ook altijd in twist met iedereen en schenen in ruzie en in
+vechten hun vermaak te vinden. Naar Gent terugkomen, dit zouden zij
+zeker niet doen; want zij hadden daarvoor een al te goed leven in
+Frankrijk. Godelieve kende hij niet; maar hij wist, dat al de
+Wildenslags, ouders en kinderen, op fabrieken werkten.
+
+Ondanks de durende beneveling van zijn gemoed kweet Bavo zijne
+plichten zoo wel op zijn bureel, dat hij meer en meer de gunst won van
+M. Raemdonck en van den meester-klerk. Men had zijne jaarwedde reeds
+tot zeshonderd franken verhoogd, en dewijl zijn vader bleef werken en
+zijne moeder nog immer voor haren winkel kielen naaide, kwam er
+zooveel welstand in huis, dat men besloot de stege te verlaten en in
+eene betere en min donkere straat te gaan wonen.
+
+Veel eerder ware men verhuisd, hadde Bavo zelf niet altijd gepoogd
+deze beslissing te doen uitstellen. Hij verborg het niet, dat hij met
+smart zich zou verwijderen van deze plaats, waar zijne wieg had
+gestaan en waar hij zijne gelukkige kindsheid had gesleten. Zeide en
+herhaalde zij hem niet dagelijks, hoe zijne moeder hem had bemind en
+hem had aangemoedigd in zijne pogingen om te leeren? Waren niet al de
+herinneringen van zijn leven aan deze nederige kamer gehecht?
+
+Eindelijk toch kon hij zijne moeder niet meer wederstaan. Er werd, een
+weinig verder aan de straat, een klein doch net huisje gehuurd, en men
+had reeds begonnen de meubelen over te dragen.
+
+Men nam voor den laatsten keer het middagmaal in de oude woning. Bavo
+zat tusschen zijne twee zusterkens aan tafel over zijne ouders. De
+jongen sprak niet en was zeer zwaarmoedig; zijne oogen dwaalden soms
+rond de kamer, als zeide hij vaarwel aan deze wanden, die zoo dikwijls
+de vroolijke stem van arme, ongelukkige kinderen hadden gehoord.
+
+Daar trad onverwachts een man in de kamer, naar buiten roepende:
+
+"Ja, ja, ik kom! Eenige oogenblikken slechts! ga naar de _Blauwe
+Geit_, bij Pier de Knul; ik zal u daar wel vinden!"
+
+En tot de tafel naderende, greep hij de hand van Damhout en zeide:
+
+"Goeden dag, Adriaan, ik wilde toch niet in Gent geweest zijn, zonder
+u te hebben gezien. Gij hebt geluk, ik weet het en het verblijdt mij,
+want gij zijt een brave vent."
+
+"Zie, het is Steven Geerts!" riep Damhout. "Wel vier jaar is het
+geleden, dat ik u voor de laatste maal heb gezien. Waar zijt gij
+gebleven?"
+
+"Ik kom uit Frankrijk; daar is altijd veel werk."
+
+"Uit Frankrijk?"
+
+"Ja, van Wazemmes, bij Rijssel."
+
+"Van Wazemmes!" riepen de ouders en Bavo met blijde verrassing.
+
+"Waarom verwondert u dit?" murmelde Steven.
+
+"En hoe gaat het met de Wildenslags? Die wonen ook te Wazemmes, niet
+waar?" vroeg vrouw Damhout.
+
+"Dit is te zeggen," was het antwoord, "zij hebben er eenigen tijd
+gewoond, volgens dat ik van de vrienden heb vernomen; maar ze zijn van
+daar naar Douai vertrokken. Ik heb ze gedurende acht of tien dagen
+gezien; want ik heb wel een half jaar te Douai gewerkt; maar de week
+na mijne aankomst zijn de Wildenslags eensklaps van daar vertrokken.
+De vrienden zeggen, dat zij werk hebben aangenomen voor eene stad in
+het midden van Frankrijk, voor Rouaan misschien; maar ik weet het niet
+juist."
+
+"En de Wildenslags varen altijd wel?"
+
+"Wel? Ja, veel te wel; het ware beter, dat zij wat armoede leden. Er
+zijn geene grootere rabauwen op de wereld dan de Wildenslags; gij
+moest ze nu zien, Adriaan! Ze doen niets dan zwieren en slempen, halve
+weken; en ze worden zelfs door de vrienden gevlucht; want ze zijn
+daarenboven zeer brutaal en groote ruziemakers."
+
+Adriaan en zijne vrouw schudden treurig en zwijgend het hoofd. Ziende
+dat Steven de hand van haren man greep om hem vaarwel te wenschen,
+vroeg moeder Damhout:
+
+"Zoudt ge ons niet kunnen zeggen, Geerts, hoe het met Godelieve
+Wildenslag gaat? Gij kent ze misschien niet?
+
+"Is het geene teere, magere? Met blond haar en levendige blauwe
+oogen?"
+
+"Ja."
+
+"Ha, die ken ik goed; ik heb ze ten minste eens en maar al te wel
+gezien. Die is nog veel erger dan de anderen, vrouw Damhout. Al de
+Wildenslags zijn grove menschen."
+
+"Wat wilt gij zeggen, o hemel!"
+
+"Denk eens, ik kom in de stege, waar de Wildenslags wonen. Niet voor
+hen, maar voor eenen anderen vriend; want ik wilde met die brutale
+kerels geen uitstaans hebben. Weet gij, wat ik daar zie? Eenen
+ganschen hoop vrouwen met moeder Wildenslag in het midden, die als
+razenden aan het kijven zijn. Daar komt eensklaps Godelieve met den
+kloef in de hand het huis uitgeschoten en begint te slaan en te
+vechten, dat men ze wel met vieren moest vasthouden en bedwingen. De
+leelijke woorden, die zij sprak, maakten mij zuiver beschaamd,
+alhoewel ik van geen klein gerucht vervaard ben. Dat zulk zwak en
+mager meisje, die anders een fraai wezen heeft, zulke baldadige taal
+spreekt, dit stak mij fel tegen de borst, en ik had, mij dunkt, lust
+om de onbeschaamde wat kletsen om hare ooren te geven...."
+
+"Godelieve? Maar het is niet mogelijk!" zuchtte vrouw Damhout. "Hebt
+gij het waarlijk gezien?"
+
+"Met mijne eigene oogen. Misschien was het meisje buiten zich zelve
+geraakt, omdat men hare moeder aanviel.... Nu, Adriaan, houd u wel, en
+gij insgelijks, bazin Damhout, totdat ik nog eens naar Gent kome."
+
+De werkman verliet de kamer. Er heerschte eene wijl de volledigste
+stilte; de ouders bezagen elkander en hunnen zoon met treurige
+verbaasdheid. Bavo scheen vergramd; er fonkelde een somber vuur in
+zijne oogen, en zijne lippen schenen te beven.
+
+Toen zijne moeder eindelijk eenige woorden meende te spreken, om hem
+te troosten en Godelieve te verontschuldigen, stond de jongen op en
+zeide met kracht:
+
+"Moeder, vader, spreekt mij nooit meer van Godelieve! Ik wil haar
+vergeten, mijne kindsheid geheel vergeten, om nimmer nog aan haar te
+denken. Dat een onwetend mensch zoo laag dale en den eerbied voor zich
+zelven verlieze, dit is te begrijpen; maar zij kan lezen, zij is
+geleerd, zij heeft van u, moeder, niets gekregen dan lessen van deugd
+en zedelijkheid. Uwe goedheid, uwe weldaden, onze vriendschap, dit
+alles heeft zij vergeten. Zij is dubbel schuldig. O, ik zal haar
+aandenken in mijn hart versmachten met geweld. Moeder, doe de
+werklieden komen, seffens: alles moet weg naar onze nieuwe woning. Ik
+wil hier niet meer slapen, ik wil geenen voet meer in de stege zetten.
+Ik bid u, dat ik alles gereed vinde tegen dat ik naar huis kom; gij
+zult mij gelukkig maken. Vaarwel, ik ga naar mijn bureel; hier kan ik
+niet meer blijven; dezen avond zal ik bellen aan het huis in de
+straat...."
+
+Hij meende te vertrekken; maar daar hij bemerkte, dat zijne moeder
+bekommerd was en hem wilde wederhouden, zeide hij met min ontsteltenis
+in de stem:
+
+"Wees gerust, moeder; het is voor een oogenblik slechts. Morgen zal ik
+aan niets meer denken; het is gedaan; ik had verdriet, maar nu ben ik
+genezen, genezen voor altijd!"
+
+En na onder het spreken dezer woorden de handen zijner moeder
+teederlijk te hebben gedrukt, ging hij het huis uit.
+
+
+
+
+XI
+
+
+De ongunstige tijding over Godelieve scheen Bavo van eene geheime
+overheersching te hebben verlost, en onder dit opzicht had zij hem
+inderdaad goed gedaan. Alsof dit voorval eensklaps hem al wat er nog
+kinderlijks in hem was, had ontnomen, werd zijn geest ernstiger en hij
+kreeg meer dan te voren het voorkomen van een bezadigd mensch, die
+zich slechts bezighoudt met nuttige dingen.
+
+Van dan af werkte hij met nog meer vlijt op zijn bureel, en al zijne
+pogingen strekten om zich den handel en de inrichting der fabriek
+geheel eigen te maken.
+
+M. Raemdonck en de oude meester-klerk schepten vermaak in den
+leerzamen en dankbaren jongeling voort te helpen. De laatste bovenal
+had hem zeer lief en ontlastte zich op hem van een groot gedeelte
+zijns arbeids, teneinde hem van alles ondervinding te geven. Hij
+verborg hem zelfs niet, dat hij het deed met een bijzonder inzicht.
+
+"Ik kan ziek worden," zeide de meester-klerk, "ik kan eene andere
+plaats bekomen; mijn oom, de huidvetter, kan sterven. Dan erf ik een
+fortuin en ga op mijn geboortedorp leven. Ik wil u bekwaam maken om
+mij desnoods in mijne bezigheid te vervangen en, indien het gebeurt,
+als gij oud genoeg zijt, om mijne plaats bij M. Raemdonck te krijgen."
+
+Dit vooruitzicht was een nieuwe spoorslag voor Bavo. Met de
+toestemming van zijnen meester nam hij boeken uit de bibliotheek naar
+huis, studeerde de mekaniek, volgde nieuwe uitvindingen, teekende en
+overwoog, en had reeds bijgedragen om op de fabriek eene winstgevende
+verbetering aan de werktuigen te doen toebrengen.
+
+Zoo klom eindelijk zijne jaarwedde tot de som van duizend franken,
+toen hij zijn negentiende jaar bereikte.
+
+Van Godelieve en zijne kindsheid sprak hij niet meer of scheen geen
+gewicht meer aan deze herinneringen te hechten. Evenwel kwamen er nog
+oogenblikken, dat het beeld van Lieveken voor zijne oogen opstond, en
+hij dacht zelfs met vermaak en welgevallen aan de vriendin zijner
+eerste jaren. Niet aan Godelieve, het fabriekmeisje, die zich door de
+slechte voorbeelden tot ruwheid en zedelijke verlaging had laten
+medeslepen; neen, aan het kleine, beminnelijke Lieveken, het zuiver en
+eenvoudig kind, dat met hem was opgegroeid en al zijne vermaken en al
+zijne hoop had gedeeld. Onder zijnen drukken arbeid, onder zijne
+onophoudende studien hoorde hij soms een zilveren stemmeken zijnen
+naam murmelen, en hem verscheen nog van tijd tot tijd het zoete wezen
+met de glinsterende blauwe oogen, zooals zij hem had aanschouwd, toen
+hij haar buiten de stadspoort voor de laatste maal had gezien. Dit
+waren echter slechts droomen, die met de wezenlijkheid in geene
+betrekking meer stonden, en hij wist het zeer wel.
+
+Vader Damhout had zijnen zoon reeds aangespoord, om door M. Raemdonck
+of den meester-klerk toch eens naar de Wildenslags te doen vernemen;
+maar Bavo had deze pogingen met eene soort van verschriktheid
+afgewezen, en zijne moeder had hem gelijk gegeven.
+
+Inderdaad, welke gemeenschap was er voortaan mogelijk tusschen
+Godelieve en hem? Hij gevoelde zich geroepen om in de wereld tot den
+burgerstand op te klimmen en onder deftige lieden te leven. Indien de
+Wildenslags naar Gent terugkwamen, zou hij dan niet beschaamd zijn,
+als vriend en broeder te hebben geleefd met menschen, die veeleer het
+misprijzen dan de achting der wereld verdienden? Neen, neen, van de
+Wildenslags mocht men hem niet meer spreken; zij hadden hem gewond in
+zijn gevoel, en hij was verbitterd tegen hen.
+
+Het waren bijna dezelfde overwegingen, die zijne moeder aanspoorden om
+hare eigene herinneringen te onderdrukken. Vijf of zes jaar vroeger
+had zij soms wel gedacht, dat Bavo en Lieveken misschien door God
+bestemd waren om eens door het huwelijk te worden vereenigd. Die droom
+had haar zelfs als eene mogelijkheid toegelachen; maar nu was er
+zooveel afstand tusschen Bavo en Godelieve gekomen, dat men aan de
+vroegere gemeenschap met de Wildenslags niet zonder een geheim gevoel
+van schaamte kon denken.
+
+Men sprak dus eindelijk in het geheel niet meer van Lieveken, alhoewel
+in het hart van vrouw Damhout en in het hart van haren zoon een immer
+herlevend gevoel van treurnis en van medelijden voor het ongelukkige
+kind opwelde.
+
+Bavo, die nu allengs tot de mannenjaren naderde, maakte zich met
+onophoudende vlijt alles eigen, wat den handel en de bewerking van het
+katoen betreft. Met de toestemming van den meester-klerk bracht hij
+een gedeelte van den dag in de fabriek zelve door, niet alleenlijk om
+de praktijk van den arbeid aan te winnen, maar tevens om de werklieden
+op te passen en de belangen van M. Raemdonck te behartigen. Hij
+volbracht dezen laatsten plicht met zooveel ijver en verstand, dat de
+meester-klerk, die hoogmoedig was over zijnen leerling, soms tot M.
+Raemdonck zeide:
+
+"Wees zeker, Bavo Damhout brengt u voor duizenden franken profijt aan,
+elk jaar. De werklieden beminnen en achten hem, en zij zorgen, dat er
+niets verkwist of gebroken worde, alleenlijk om hem vermaak te doen."
+
+Inderdaad, Bavo was zeer minzaam en zacht met iedereen, en zijne
+wonderlijke wetenschap en ervarenheid waren wel van aard om hem het
+ontzag der werklieden te verschaffen; maar dit was de voornaamste
+reden hunner genegenheid voor hem niet.
+
+Zijn eigen vader, hun oude, brave gezel, stond aan eenen spinmolen, en
+de jongeling moest dikwijls aan hem, evenals aan hen zelven, bevelen
+of terechtwijzingen geven. Dit hadde iets pijnlijks kunnen zijn, een
+oude spinner, die zich door zijnen zoon moest zien gebieden. Maar Bavo
+naderde nooit zijnen vader dan met de klak of den hoed in de hand,
+stuurde hem het woord toe met den grootsten eerbied en lachte hem aan
+en drukte hem zoo teederlijk de hand, dat al de werklieden zich
+ontroerd gevoelden van bewondering en hoogmoed. Het kostte hun dan
+geene moeite, te gehoorzamen aan een werkmanskind, die zich door zijne
+geleerdheid het recht tot bevelen had aangewonnen, en door zijne
+zachtheid en door zijne liefde tot zijnen ouden vader de eerbiedige
+genegenheid van elkeen afdwong.
+
+Bavo vergenoegde zich niet met hetgeen er voor hem op de fabriek van
+M. Raemdonck te leeren was; hij had zijnen meester overgehaald om in
+te schrijven op de nieuwste schriften over werktuigkunde en
+nijverheid; hij volgde openbare avondlessen, welke er alsdan over dit
+vak door geleerde professors werden gegeven; hij bezocht telkens dat
+hij er gelegenheid toe had, de beste fabrieken van Gent.
+
+Zoo verkreeg hij mettertijd eene groote wetenschap van alles, wat de
+katoennijverheid en hare mogelijke verbeteringen betreft.
+
+Hij was gelukkig, want iedereen rondom hem loofde en beminde hem....
+Evenwel was zijn hemel niet geheel zonder wolken. Zijn vader werkte
+nog altijd op de fabriek! De droom des jongelings was dus nog niet
+verwezenlijkt, het doel zijns levens nog verre van bereikt te zijn.
+Hij hadde wel gewild, dat zijn vader ophield van werken; maar zijne
+ouders en hij zelf waren nu in hunne nieuwe woning aan zekeren
+welstand gewend. Men kon dien toestand niet verlaten om een meer
+bekrompen leven te hernemen, en zijne jaarwedde alleen was niet
+toereikend om in de onkosten van het huishouden te voorzien. Deze
+overweging was hem soms nog eene oorzaak van voorbijgaand verdriet ...
+en daarbij, wanneer hij alleen was en droomde, tooverden zijne
+gepeinzen hem nog dikwijls terug in zijne schoone zoete kindsheid. Dan
+voelde hij in zijn hart eene ledigheid, eene onoverwinnelijke
+treurnis, eenen geheimzinnigen worm, die wel zachtjes knaagde, doch
+niet wilde sterven....
+
+Op zekeren morgen dat Bavo op zijn bureel trad en, in de afwezigheid
+van den meester-klerk, zich aan het schrijven had gezet, kwam eene
+meid hem zeggen, dat M. Raemdonck hem verlangde te spreken en in de
+zaal op hem wachtte.
+
+Toen hij zich voor den eigenaar der fabriek aanbood, deed deze hem
+nederzitten en zeide:
+
+"Mijnheer Damhout, toen ik door eigene beweging en door aanbeveling
+van den heer burgemeester u op mijn bureel toeliet, hoopte ik, dat gij
+mijne bescherming door leerzaamheid en vlijt zoudt erkennen. Ik heb
+mij niet bedrogen; integendeel, ik heb mijn genoegen in u gevonden, en
+gij hebt mij veel voordeel aangebracht in mijne zaken. Uwe durende
+liefde voor uwe ouders heeft mij daarenboven een waar gevoel van
+vriendschap en achting voor u ingeboezemd. In een woord, gij zijt een
+braaf jongeling en ik ben uiterst tevreden over u. Ik weet, dat uw
+schoonste droom, het voorname doel uwer werkzaamheid, daarin bestaat,
+uwen vader van allen arbeid te ontslaan en uwe moeder door levensgemak
+en zekere weelde voor hare vroegere opofferingen te beloonen. Het
+middel om u dat doel te laten bereiken, is mij nu aangeboden; en
+alhoewel gij nog jong zijt, wil ik nochtans u toonen, dat ik
+vertrouwen heb in uwe ervarenheid en in uwe trouw. De oom van den
+meester-klerk is gisteren overleden; M. Pasmans geeft zijn ontslag en
+gaat zijn geboortedorp bewonen. Gevoelt gij u bekwaam mijn
+meester-klerk te zijn?"
+
+"O, mijnheer!" zuchtte Bavo, "ware ik niet bekwaam, ik wierd het uit
+dankbaarheid voor uwe uiterste goedheid!"
+
+"Het is, mijn vriend, dat daar eene jaarwedde van drieduizend
+vijfhonderd franken aan vast is; ja, vier duizend franken, met zekere
+bijzaken. Dit is tamelijk veel voor een jongeling van tweeentwintig
+jaar. Zal deze aanzienlijke vermeerdering u niet schadelijk zijn? Gij
+zijt in de gevaarlijkste jaren...."
+
+"Beproef mij, ik bid u, mijnheer, al ware het gedurende een gansch
+jaar!" zeide Bavo smeekend "Wat gij mij aanbiedt, is het geluk, dat ik
+voor mijne ouders heb gedroomd. Oh, indien ik mij uwer grootmoedigheid
+ooit onwaardig toon, jaag mij weg, veracht mij; maar neen, neen, ik
+zal mijnen wil en mijne pogingen overspannen, en, is het mogelijk, u
+bewijzen, dat uwe weldaad mijne krachten heeft verdubbeld."
+
+"Ik geloof u, mijn vriend; de liefde tot uwe ouders zal uw
+engelbewaarder zijn. Wees dus meester-klerk, en dat het schoone doel
+uws levens zij bereikt. Gij kunt iemand van het klein bureel nemen om
+de brieven af te schrijven, totdat wij eenen anderen klerk vinden om
+uwe plaats in te nemen."
+
+M. Raemdonck stond op, naderde tot den jongeling en drukte hem de
+hand.
+
+"Proficiat, meester-klerk," zeide hij. "Ga nu in de fabriek; want gij
+brandt ongetwijfeld van ongeduld om uwen vader het goede nieuws te
+dragen?"
+
+Bavo ging niet heen; hij bleef in gedachten voor zijnen meester staan.
+
+"Welnu, hebt gij mij nog iets te zeggen?" vroeg deze.
+
+"Mijnheer, ik wilde u een verzoek doen."
+
+"Spreek, mijn vriend."
+
+"Het is zonderling genoeg, mijnheer, maar gij zijt zoo goed voor mij.
+Ik zou wenschen, dat gedurende eenige maanden niemand iets van mijne
+nieuwe benoeming wist; mijne ouders insgelijks niet. Dat men ten
+minste vooronderstelde, dat mijne jaarwedde voorloopig nog niet is
+verhoogd."
+
+"Welke vreemde gedachte is dit!" kreet M. Raemdonck verwonderd.
+"Waarom toch die geheimhouding?"
+
+"Het is, mijnheer, dat ik mijnen ouders eene blijde verrassing wil
+aandoen, en daartoe zou ik eenigen tijd moeten kunnen sparen, zonder
+dat zij het weten."
+
+"Welke verrassing?"
+
+"Ik weet het nog niet, mijnheer; een geschenk, iets dat hen in eens
+gelukkig zou maken. Ik zal het u zeggen en uwen goeden raad vragen,
+zoohaast ik daarover een besluit heb genomen.... En indien ik
+gedwongen was u een voorschot op mijne jaarwedde af te smeeken?"
+
+"Ho, voor zulk liefderijk doel moogt gij mij niet sparen. Mijne kas
+staat voor u open, ten minste zoolang gij binnen de palen der
+redelijkheid blijft."
+
+Bavo, onder het uiten eener vurige dankzegging, verliet de zaal en
+begaf zich naar zijn bureel. Hij deed eenen helper van het klein
+bureel komen en zette hem onmiddellijk aan het werk. Intusschen dacht
+hij aan hetgeen hij M. Raemdonck had gezegd en aan het geschenk,
+waarmede hij voornemens was zijne ouders te verrassen en gelukkig te
+maken. Zijn ontwerp was sedert jaren reeds in zijn hoofd vastgesteld;
+maar hij had het niet aan zijnen meester durven zeggen, uit vrees dat
+hij zelf nog van gedachte kon veranderen. Na lange overweging toch
+bleef hij bij zijn eerste besluit.
+
+Toen hij met zijne ouders en zusters aan het middagmaal zat vertelde
+hij hun, dat de oude meester-klerk zijn ontslag had gegeven, omdat
+zijn oom, die nu gestorven was, hem een rijk erfdeel had nagelaten. M.
+Raemdonck had wel lust om Bavo tot meester-klerk aan te stellen; maar
+hij wilde het eerst eenige maanden beproeven, aangezien de jonkheid
+van Bavo.
+
+Zoo deed hij voor de oogen zijner ouders de hoop glinsteren, dat hij
+welhaast aanmerkelijk zou worden verhoogd, en hij verborg niet, dat,
+indien dit geluk hem ten deel viel, hij niet meer zou lijden, dat zijn
+vader een oogenblik langer werkte. Hij zou dan in zijne hooge
+jaarwedde de middelen vinden, om zijne moeder alle gemak te bezorgen
+en haar te laten leven als eene ware rentenierster. Hij was zoo
+vroolijk, zoo blijgeestig, dat hij iedereen deed juichen en in de
+handen klappen van hoop en vreugde.
+
+Eindelijk vertelde hij, dat de neef van M. Raemdonck, die lang te
+Parijs had verbleven en daar zelfs onlangs was getrouwd, naar Gent
+ging komen wonen. M. Raemdonck was op zoek naar een huis voor zijnen
+neef. Groot moest het niet zijn, maar fraai en zindelijk. Hij zou het
+voorzien met schoone meubelen en alles in gereedheid brengen tegen de
+overkomst van zijnen neef met zijne jonge vrouw. Bavo sprak er van,
+omdat zijn meester hem had verzocht eens rond te zien, welke huizen
+van dien aard zoo al te huur hingen; en de jongeling, die niet veel
+tijd had, spoorde zijne moeder aan om eens uit wandelen te gaan in de
+beste straten, niet verre van de fabriek, en te zien of er zulke
+huizen niet te huur hingen, opdat hij het alsdan aan zijnen meester
+zou kunnen zeggen.
+
+Reeds des avonds, bij zijnen terugkeer van de fabriek, vernam Bavo van
+zijne moeder, dat er nette burgerhuizen te huren hingen in de
+Mageleinstraat, in de Lange Meere en in de Kruisstraat, niet verre van
+Sint-Baafskerk. Dit laatste was misschien wat klein; maar het was
+nieuwerwetsch en het opschrift meldde, dat het eenen hof had.
+
+Bavo bracht twee dagen later aan zijne moeder de dankzegging van M.
+Raemdonck, die het huis in de Kruisstraat, bij Sint-Baafskerk, naar
+zijnen zin had gevonden en het onmiddellijk had gehuurd.
+
+Sedert dien sprak Bavo nog dikwijls van dit huis en roemde de pracht
+der meubelen, welke zijn meester er in deed zetten, en de smaakvolle
+inrichting van alles. M. Raemdonck had hem reeds tweemaal er naartoe
+geleid, en deed hem de eer aan, hem te raadplegen over de schikking
+van het huis en het aanleggen van den kleinen tuin.
+
+De jongeling verwekte door zijne herhaalde beschrijvingen de
+nieuwsgierigheid zijner moeder zoodanig, dat zij den wensch uitdrukte
+om het schoone huis eens van binnen te mogen zien. Bavo beloofde de
+toelating zijns meesters te vragen; maar men moest nog eenige weken
+wachten, totdat de woning der nieuwgetrouwden geheel in orde zou zijn.
+
+Eindelijk, op eenen zaterdagavond, toonde hij juichend eenen grooten
+sleutel en zeide, dat M. Raemdonck hun allen toeliet het huis van
+onder tot boven te bezichtigen en zelfs eenen ganschen namiddag in den
+hof door te brengen. Hij zou er eene goede flesch wijn gereed zetten,
+en hij verzocht Bavo deze met zijne ouders op zijne gezondheid te
+ledigen. Het was morgen Zondag. Even na het middagmaal te hebben
+genomen, zou men naar het huis in de Kruisstraat gaan en er een uurtje
+of twee blijven. Dit zou een waar feestje zijn!
+
+Inderdaad, nauwelijks gunde men zich des anderen daags tijd om te
+eten, zoo ongeduldig waren Bavo's zusters. Men trok, vroolijk en
+koutende van hetgeen men ging zien, in de richting van Sint-Baafskerk.
+
+In de Kruisstraat gekomen, bleef men voor het huis staan, om den gevel
+te beschouwen; er was een klein balcon, waarvan veelkleurige bloemen
+in kransen nederdaalden; er stonden insgelijks bloemen achter de
+vensters, meestal roode fuchsia's, en dit deed moeder Damhout
+opmerken, dat zij altijd eene soort van voorliefde voor die
+koraalroode bellekens had gehad.
+
+Toen de deur geopend was, zeide Bavo tot zijne zusters, die maar
+seffens al de deuren der kamers wilden openen:
+
+"Neen, neen, zoo niet; het schoonste voor het laatste. Anders zouden
+wij niet veel vermaak van ons bezoek hebben. Laat ons eerst in den hof
+gaan; moeder ziet zoo gaarne bloemen."
+
+"En ik dan?" bemerkte Adriaan Damhout. "Toen ik jonger was, woonden
+mijne ouders op Ledeberg. Wij hadden een hoveken. Ik liet er eten en
+drinken voor; den geheelen Zondag nanoen was ik aan het werk, en ik
+had de schoonste aurikels en de schoonste violieren van geheel het
+voorgeborcht."
+
+Zij kwamen in den tuin; hij was niet zeer uitgestrekt; maar de paden
+slingerden liefelijk, de zon scheen mild op een gedeelte des gronds,
+en er was zulk een overvloed van bloemen, dat de meisjes de handen
+boven het hoofd hieven en vooruitspringende riepen:
+
+"Ho, wat is dit hier schoon en frisch! en welke zoete geuren!"
+
+Meer rustig, in schijn ten minste, wandelde Bavo met zijne ouders door
+de paden, toonde hun al de bloemen, plukte hun takjes van geurig kruid
+en bracht hen zoo onder een looverhuisje, waar zij zich lachend
+nederzetten, om het gezicht des tuins een oogenblik op hun gemak te
+genieten.
+
+Hier stond op de tafel een porseleinen pot met tabak, die er bij
+nederhing, en daarnevens lagen vier of vijf lange Hollandsche pijpen.
+
+"Zie," murmelde Adriaan verwonderd, "ik wist, dat M. Raemdonck soms
+eene sigaar rookt; maar het is waar, zooals men zegt, vele heeren
+rooken te huis op hun gemak eene pijp."
+
+"Gij begrijpt niet, vader," bemerkte Bavo. "Mijnheer heeft de tabak en
+de pijpen daar doen zetten, opdat gij volgens uwen lust hier zoudt
+kunnen rooken."
+
+"Onmogelijk, Bavo."
+
+"Hij heeft het mij zelf gezegd, vader. Gij moet rooken om hem plezier
+te doen."
+
+"Welke goedheid toch! Dan zal ik het maar wagen; want de tabak ziet er
+bijzonder goed uit. Een trek of drie: het is slechts om onzen
+edelmoedigen meester te voldoen."
+
+Hij ontstak zijne pijp, deed den rook in wolkjes tot onder het loover
+van het prieel klimmen, en zeide dan glimlachend en blijde:
+
+"Lekkere tabak! Wat zijn die rijke menschen toch gelukkig. Ziezoo, op
+deze bank met het gezicht op dien schoonen hof en met mijne pijp in
+den mond, zou ik mijn leven willen slijten."
+
+"Gij bedriegt u, vader," wedersprak hem Bavo. "Er is nog iets, dat gij
+zoudt doen."
+
+"Ja, uit visschen gaan, niet waar? Dit doe ik uitnemend gaarne; het
+zou mij dienen om mijn vermaak een beetje af te wisselen."
+
+Onderwijl waren de beide meisjes nog altijd bij de bloemen; ze moesten
+ze een voor een zien, ze vergelijken en over hunnen geur en over hunne
+schoonheid oordeelen.
+
+Vader Damhout legde zijne pijp neder; hij zou ze straks voortrooken;
+maar nu moest men het ongeduld der moeder voldoen en het huis
+bezichtigen.
+
+Bavo bracht hen eerst in een paar kamers, die wel fraai geschikt
+waren, doch niet veel bijzonders aanboden. In de keuken bewonderde
+vrouw Damhout de schoone, versierde kookstoof en de glinsterende
+ketels, pannen en potten, die langs de wanden prijkten.
+
+In den kelder lag eene ton bier op hare stelling; een gemetste bak
+bevatte een zeker getal flesschen wijn, en er stond zelfs een groote
+oplegpot, die ongetwijfeld eenen voorraad boter bevatte.
+
+Dit deed de Damhouts zeggen, dat M. Raemdonck niets had vergeten, en
+zijn neef alles in gereedheid zou vinden, als hadde hij zelf het huis
+sedert lang bewoond.
+
+
+[Illustratie: Ziehier eene amandelbeschuit.]
+
+
+Op den zolder hingen, op de gespannen droogkoorden, eenige vischnetten
+van verschillenden vorm uitgespreid, alle nieuw en met veel zorg
+gemaakt. Vader Damhout was daar kenner van. Ook nam hij ze in de
+hand, beproefde de sterkte van het garen en mompelde in zich zelven:
+
+"Gelukkige lieden, ze hebben alles wat hun hart kan wenschen!"
+
+"Nu naar de zaal, naar de schoonste kamer!" riep Bavo. "Daar zult gij
+wat anders prachtige dingen zien; en wij gaan er op de gezondheid van
+M. Raemdonck de flesch lekkeren wijn drinken, die hij ons heeft
+geschonken."
+
+Toen Bavo de zoogezegde zaal opende, ontvloog hun allen een kreet van
+bewondering. Dat waren alle prachtige meubelen van glimmend
+mahoniehout! Printen in gouden lijsten aan den wand, een zacht tapijt
+met roode bloemen op den grond, een verguld uurwerk en getakte
+kandelaars op de schouwplaat, stoelen met kussens, en twee zetels met
+ruggen, die hunne armen uitstaken en schenen te zeggen: "Ik ben zoo
+zacht, kom, rust wat op mij!"
+
+Het was ook wel wat de meisjes eerst en daarna de ouders deden; maar
+Bavo wenkte zijne moeder en toonde haar een klein tafeltje, waarvan
+het deksel kon worden opgeheven. Daaronder, als in een koffertje, lag
+allerlei glinsterend naai en borduurgerief, zoo rijk en schoon, dat
+het de oogen der verbaasde vrouw en der verwonderde meisjes deed
+schemeren.
+
+"Nu het glas wijn op de gezondheid van ... van ... dit gaan wij zien!
+Aan tafel, aan tafel!"
+
+En hij opende eene kas, nam er eene flesch en roemers uit en schonk
+den wijn. Ieder wilde zijn glas aangrijpen om ter eere van M.
+Raemdonck te drinken; maar Bavo weerhield hen.
+
+"Wacht een oogenblik," zeide hij, "er is ook iets om te eten! Ziehier
+eene amandelbeschuit, die mijnheer Raemdonck niet heeft gegeven; en
+het is ook op zijne gezondheid niet, dat wij allereerst gaan
+drinken...."
+
+"Wat is dit?" kreet Amelia, het oudste meisje. "Die suikerletters op
+de taart? Weet gij, moeder, wat er op te lezen staat?"
+
+"Ha, ha, lang leve Christina, onze goede moeder! Dit staat er op!"
+kreet Bavo, zijn glas in de hoogte heffende. "Het is heden haar
+naamdag. Lang, lang moge zij leven!"
+
+"Lang, lang moge zij leven!" herhaalden de anderen, hun glas in de
+hoogte heffende.
+
+"Wat zonderlinge gedachte van Bavo, u in dit huis te besteken!"
+juichte Amelia. "Ha, dit is aardig!"
+
+"En nu, moeder," zeide de jongeling op plechtigen toon en met eenen
+traan van geestdrift in de oogen, "nu gaat degene, die u alles
+verschuldigd is op de wereld, zijne geleerdheid, zijn geluk, zijne
+toekomst, u een geschenk doen, een geschenk, waarvan hij sedert zijne
+kindsheid heeft gedroomd, aan u en aan den armen fabriekwerker, die
+voor zijnen zoon heeft geslaafd en geleden. Gij hebt dit huis gezien,
+den hof, de bloemen, de netten? Dit alles hoort u toe. Ik heb het huis
+gehuurd, ik heb de meubelen gekocht. Hier zult gij wonen. Vader mag
+niet meer werken; hij zal zijn pijpje rooken, bloemen kweeken, gaan
+visschen. Wij zijn rijk, ik ben meester-klerk, ik win vierduizend
+franken! God zij gezegend, dat Hij mij toelaat uwe liefde te beloonen.
+Moeder, vader, zet u op uw gemak: gij zijt ten uwent!"
+
+Vrouw Damhout was zoo diep getroffen, dat zij eenen steun op de tafel
+zocht, als ging zij bezwijmen; maar zij richtte zich weder op, vloog
+haren zoon om den hals en drukte hem met koortsige teederheid aan haar
+kloppend moederhart. Damhout, stom van verbaasdheid, stortte blijde
+tranen, de meisjes klapten in de handen en dansten met
+uitgelatenheid....
+
+Toen Bavo dien avond weder nevens zijne moeder in het andere huis zat,
+was hij sedert eene wijl zeer stil en als treurig. Hij zeide haar, dat
+hij zeer vermoeid was; maar vrouw Damhout zag wel, dat iets anders
+zijnen geest benevelde.
+
+Zij murmelde eindelijk met teruggehoudene stemme:
+
+"Bavo, gij denkt aan iemand. Ik insgelijks, mijn zoon. Wanneer men zoo
+gelukkig is, niet waar, dan zou men al degenen, die men ooit heeft
+bemind, willen gelukkig zien?"
+
+"Ja, moeder," antwoordde hij, "de mensch is zijne gedachten niet
+altijd meester; maar het beteekent niets. Het is eene herinnering
+mijner kindsheid, die tegen mijnen dank opwelt in mijn hart."
+
+
+
+
+XII
+
+
+Op eenen Zondag, bij het vallen van den avond, verlieten eene reeds
+bejaarde vrouw en een jong meisje de enge stege, waar de Damhouts
+vroeger hadden gewoond. Hunne slechte kleederen, hun onzekere stap en
+hunne zichtbare schuchterheid, alles in hen getuigde niet alleen van
+groote ellende, maar tevens van eene diepe moedeloosheid. Zij gingen
+traag, zwijgend en met gebogen hoofde nevens de huizen, als
+nedergedrukt onder een gevoel van schaamte of van geheime
+verschriktheid.
+
+Er was echter tusschen beider opzicht een merkelijk verschil. Terwijl
+de vrouw als iemand, die sedert lang aan de armoede is gewend, om zoo
+te zeggen met lompen was behangen, had het meisje wel klaarblijkend
+alle moeite ingespannen om de uiterlijke teekens der ellende zooveel
+mogelijk te verbergen. Hare kleederen, alhoewel zeer versleten, waren
+van eene uiterste reinheid; en hare muts, ofschoon geschift en
+genaaid, was sneeuwwit.
+
+Wanneer zij bij geval het hoofd ophief om eenen voorbijganger te
+mijden, bezag men haar met verrassing, als ware men verwonderd, zulke
+wezenstrekken onder dat ellendig kleedsel te vinden.
+
+Inderdaad, het arme meisje was zeer schoon; in hare blauwe oogen,
+alhoewel nu door de smart verduisterd, glom eene vonk van gevoel en
+verstand; hare wangen waren zuiver en haar voorhoofd lelieblank.
+Daarenboven, er was in de snede harer kleederen, in de rijzigheid
+harer leden, in de ingetogenheid van haren gang iets onderscheidens,
+dat niet twijfelen liet of de jonge maagd moest eene goede opvoeding
+hebben genoten.
+
+Welk pijnlijk voorval had toch deze ongelukkige van eenen hoogeren
+stand in zulke diepe ellende nedergerukt, dat men ze nu met hare oude
+gezellin moest aanzien als schamele menschen, die waarschijnlijk op
+weg waren om hier of daar eene aalmoes te gaan afbedelen?
+
+Zonder een woord met elkander te wisselen, hadden zij de Nederschelde
+bereikt, en naderden nu tot de Wijngaardbrug. Daar zeide de vrouw met
+bedwongene stem:
+
+"Heb moed, mijn kind. Gij gaat zoo langzaam. Zijt gij vervaard?"
+
+"Ja, moeder, ik weet niet, mijn hart klopt zoo angstig!" zuchtte het
+meisje.
+
+"O, hemel! vreest gij nu, dat de Damhouts ons gebed zouden kunnen
+verstooten? Doe mij niet beven. Eilaas, wat zou er dan van ons
+geworden?"
+
+"Vrouw Damhout zal ons helpen, moeder, daaraan twijfel ik niet," was
+het stille antwoord. "Een hart als het hare kan niet ongevoelig
+blijven voor ons ongeluk; en wanneer ik met tranende oogen hare vorige
+genegenheid voor het arme Lieveken zal inroepen...."
+
+"Zeker, en vermits zij nog rijker zijn dan men ons te Rijssel had
+gezegd? Ach, Godelieve, wat wij nu gaan beproeven, is eene pijnlijke
+poging, voor u bovenal, ik weet het; maar de nood is een onmeedoogende
+dwingeland."
+
+"De Damhouts zijn rijk, zeer rijk!" morde het meisje op eenen hollen
+toon, waarvan de zonderlinge siddering de vrouw verraste.
+
+"Maar des te beter, Godelieve," zeide zij. "God zij gezegend, dat Hij
+hun de middelen schonk om ons te helpen."
+
+"Eene aalmoes gaan vragen, moeder! Aan ... aan de Damhouts! Ik, het
+kleine Lieveken, die zij zoo teeder hebben bemind, die met hen dorst
+droomen van toekomst en van geluk! O, mijne schoone kindsheid, hoe
+tergend ontstaat gij voor mijne oogen! Bedelaresse? Lieveken eene
+bedelaresse!"
+
+"Neen, kind, wees niet zoo wreed voor u zelve. Wij komen hulp vragen,
+ja, maar bedelaressen zijn wij toch niet."
+
+Zij stapten voorbij de kerk van Sint-Baafs; het meisje scheen door
+eenen geheimen invloed naar de zijdeur des tempels gedreven en had,
+zonder het te weten misschien, zich half omgekeerd.
+
+De vrouw weerhield haar en zeide:
+
+"Maar, Godelieve, wat doet gij nu? Rechtdoor moeten wij gaan; ginder
+is de Kruisstraat."
+
+"De schaamte, de schrik, moeder; mijne ziel wil bidden, sterkte
+vragen; want nu wij de plaats naderen, waar ik de smeekende hand tot
+... tot vrouw Damhout zal uitsteken, ontsnapt mij alle moed."
+
+"De avond valt, Godelieve; wij mogen niet wachten totdat het gansch
+donker is. Kom, mijn kind, het is een smartelijk oogenblik, inderdaad;
+maar het zal haast doorgestreden zijn. Wij zullen hier, bij het
+Heilig Graf, God voor zijne barmhartigheid komen danken of ... of
+tranen van wanhoop storten op diezelfde knielbank, waar wij zoo
+dikwijls hebben gebeden. Kom nu, het zal niet lang duren."
+
+Beiden vervorderden hunnen weg tot in de Kruisstraat, waar zij
+begonnen rond te kijken, om het huis te herkennen, dat men hun in de
+stege had aangeduid en beschreven. Dewijl het reeds half duister was,
+hadden zij eenige moeite om in hunne opzoeking te gelukken. Eensklaps
+zeide de vrouw:
+
+"Daar is het, Godelieve. Die schoone ronde deur, dat balkon. Welk
+prachtig huis! Wat moeten de Damhouts gelukkig zijn! Zij verdienen het
+ook wel, niet waar? Ach, mochten zij onze bede verhooren! Er is reeds
+licht in de benedenkamer. Godelieve, schep moed, mijn kind. Werp u aan
+de voeten van vrouw Damhout, bezweer haar bij hare vorige goedheid
+voor u. Zij zal ons redden, wees er zeker van."
+
+"Ja, moeder, de strijd is ten einde; ik gevoel mij weder eenige
+sterkte," murmelde de bange maagd.
+
+Toen zij het huis gingen naderen, bemerkte Godelieve door de
+vensterruiten, dat een man, een heer, in de verlichte kamer stond.
+Alhoewel hij den rug naar de straat hield gekeerd, sloeg dit gezicht
+haar met eenen onzeglijken schrik; maar op hetzelfde oogenblik deed de
+heer eene beweging en wendde zich naar het venster, op zulke wijze,
+dat het meisje zijn gelaat kon herkennen.
+
+Een versmachte angstschreeuw ontsnapte haar; zij begon op hare beenen
+te wankelen en leunde tegen den muur om niet neder te storten.
+
+Daar zag zij, dat hare moeder de hand naar de bel uitstak om te
+klinken. Zij sprong vooruit, trok de verbaasde vrouw van de deur weg,
+leidde haar met eene soort van koortsig geweld naar den donkeren kant
+der straat en verborg weenend haar hoofd op den boezem der vrouw,
+terwijl zij uitriep:
+
+"Moeder, moeder, hij is daar!"
+
+"Wie?"
+
+"Bavo!"
+
+"Welnu, God zij er om gedankt; hij zal zijne moeder tot barmhartigheid
+voor ons aansporen. Kom, overwin uwe schaamte...."
+
+"Onmogelijk, moeder!" snikte het meisje "O! spaar mij dat lijden, die
+vernedering, die wanhoop! Eene aalmoes vragen in zijne
+tegenwoordigheid ... aan hem? Eilaas, mijn hart breekt, ik zou
+bezwijmen voor zijne voeten, misschien zou ik sterven...."
+
+"Wilt gij dan, dat ik alleen ga?"
+
+"Ik zal u zegenen, u dankbaar blijven mijn gansche leven, moeder lief!
+Mijne ziel is verschrikt; het denkbeeld alleen van de hand tot hem uit
+te steken, vervult mij met eenen doodelijken angst."
+
+"Maar zij beminnen u meer dan mij; en indien zij mijn gebed verwerpen,
+omdat gij niet met mij zijt?"
+
+"Dan," kreet de maagd met overmatige ontsteltenis, "dan zal ik alle
+schaamte, alle gevoel in mijn hart versmachten. Ik zal tot hem, tot
+hem gaan, mij nederstorten voor zijne voeten, zijne knieen omhelzen,
+kruipen door mijne tranen. Ho, hij zal ons meer geven, dan wij noodig
+hebben ... maar er zal iets dood zijn in mij! Het is gelijk, ik zal
+mij onderwerpen, mijn wezen verloochenen en allen levensmoed verzaken,
+om de schande af te koopen en onze eer te redden."
+
+"Welnu, ik ben harder tegen de schaamte dan gij; ik zal het
+beproeven."
+
+Godelieve voegde de handen te zamen en zeide smeekend:
+
+"O, moeder, heb medelijden met mij! Noem mijnen naam niet in zijne
+tegenwoordigheid; verberg hem, dat ik met u ben gekomen; spreek hem
+niet, in 't geheel niet, van mij. Ik ga knielen voor het Heilig Graf
+in Sint-Baafskerk. Hoe vurig zal ik bidden! God zal u beschermen! In
+zijne eindelooze genade zal Hij mij misschien de noodlottige
+opoffering mijner menschelijke waardigheid sparen, dat eenige goed,
+waarvan het behoud mij sterkte gaf en mij worstelen liet tegen de
+akelige bitterheid mijns levens! Ga, moeder; ik zal wachten, angstig
+wachten voor het Heilig Graf. Noem mij niet, noem mij niet!"
+
+En deze laatste woorden stamelende, verwijderde zij zich met haast in
+de richting der Sint-Baafskerk.
+
+De vrouw zag haar een oogenblik achterna, schudde het hoofd en
+mompelde in zich zelve terwijl zij de straat overstapte:
+
+"Ik heb het gevreesd. Arme Godelieve. Zij is dubbel ongelukkig. Ik
+begrijp, dat haar het hart wreedelijk bloedt ... anders zou zij mij
+toch niet alleen laten gaan, zij, die uit liefde, uit goedheid haar
+leven zou opofferen om de smart eener vernedering van mij af te
+keeren. Welaan, ik zal moed hebben voor ons beiden. Oneer, schande,
+redding, blijdschap, wat wacht mij daarbinnen, o hemel!"
+
+Zij trok aan de bel en zeide tot de meid, die kwam openen, dat zij
+verlangde M. Damhout te spreken.
+
+De meid, die waarschijnlijk in de halve duisternis hare slechte
+kleederen niet bemerkte, opende de deur der kamer aan de straat, en
+bracht haar in de tegenwoordigheid van eenen jongen heer, die voor
+eene tafel was gezeten en in een boek scheen te lezen.
+
+Hij hief het hoofd op en beschouwde met zekere onaangename verrassing
+deze slechtgekleede vrouw. Zonder op te staan, zeide hij:
+
+"Komt gij om werk op de fabriek, vrouw? Bied u morgen op het bureel
+aan; ik zal zien of er plaats is voor u. Nu kan ik u dit niet
+verzekeren."
+
+"Ik wenschte M. Damhout te spreken," stamelde de vrouw.
+
+"M. Damhout? Die ben ikzelf."
+
+"Neen, uwen vader of uwe moeder, mijnheer."
+
+"Zij zijn den avond gaan doorbrengen bij vrienden, aan het ander einde
+der stad; heden zult gij ze niet kunnen zien. Keer morgen in den
+voormiddag weder."
+
+"Eilaas," zuchtte de vrouw, "ik, die uit Frankrijk kom en morgen vroeg
+moet vertrekken!"
+
+"Uit Frankrijk? Gij komt uit Frankrijk?" mompelde Bavo, terwijl hij
+met eene klimmende ontsteltenis de vrouw in het aangezicht schouwde.
+
+"Gij herkent mij niet, mijnheer? Inderdaad, gij waart nog jong, en de
+lange tegenspoed veroudert den mensch voor zijnen tijd."
+
+"Bazin Wildenslag? Gij zoudt de moeder zijn van ... de vrouw van Jan
+... Line Wildenslag? Onmogelijk!... Gij zijt dus ziek geweest?"
+
+"Ziek en ongelukkig, mijnheer."
+
+De jongeling had moeite om zich te bedwingen, hij was rechtgesprongen
+en had eene beweging gedaan als om haar de hand te grijpen; maar een
+nieuwe blik op hare ellendige kleeding, de herinnering aan het woest
+en onbetamelijk leven der Wildenslags misschien, weerhielden hem en
+hij liet zich weder op zijnen stoel zakken.
+
+"Gij zult tot morgen moeten wachten.... tenzij gij mij wildet
+toevertrouwen wat gij hun te zeggen hebt," sprak hij.
+
+"Ik kwam hen te voet vallen en hunne hulp afsmeeken, mijnheer. Wij
+verkeeren in een schrikkelijken nood; geene andere toevlucht blijft
+ons over dan de edelmoedigheid uwer ouders. Zeker, in onze ellende
+hebben wij het recht niet om de vorige vriendschap te herinneren, die
+zij ons onverdiend hebben gegund, maar zij zullen het aan diep
+ongelukkige menschen vergeven, dat zij nog in de liefdadigheid uwer
+goede moeder durven hopen."
+
+"Eene almoes!" mompelde Bavo als verschrikt.
+
+"Meer dan eene aalmoes, mijnheer; redding uit de schande, verlossing
+uit de eeuwige oneer!"
+
+"Ik begrijp u niet," zeide hij met mistrouwen. "Waar zijn dan uwe
+zonen, uwe dochter, uw man? Zij wonnen veel geld?"
+
+"Mijn man is dood, mijnheer; van mijne zonen is er een soldaat in
+Afrika, een woont te Rouaan, een andere te Mulhausen. Zij hebben
+kinderen en denken niet meer aan hunne arme moeder. Een eenige, de
+jongste, is met ons ... met mij te Rijssel. Het is voor hem, mijnheer,
+dat ik de hulp uwer ouders kom afsmeeken. Hij had werk bekomen in het
+magazijn eener fabriek. Gisteren deed men hem een pak naar den ijzeren
+weg dragen. De ongelukkige trad onderweg in eene herberg, vergat zich
+daar met eenige kameraden en verloor het hem toevertrouwde pak.
+
+De meester der fabriek beweert, dat mijn zoon het pak heeft gestolen
+en verkocht. Hij wil hem door de gendarmes uit het huis doen halen en
+hem als dief doen veroordeelen tot vijf jaar galei, zegt hij. O,
+mijnheer, wij hebben misschien onze ellende verdiend door een
+zorgeloos en verkwistend leven. Het ongeluk zegt het mij nu; maar toch
+leven wij eerlijk, en mijn arme zoon is aan niets anders plichtig dan
+aan eene laakbare nalatigheid. Hij is in den grond een goede jongen;
+hij heeft een gevoelig hart; hij eerbiedigt zijne moeder. Dat de
+armoede ons lot blijve, ik zal het verduldig verdragen als eene
+rechtvaardige straf; maar de oneer eener veroordeeling! Mijn zoon op
+de galei! Ik ben moeder en zou dien slag niet overleven, en mijne....
+O, mijnheer, gij kunt ons redden, met zoo weinig, weinig ten minste
+voor u, die rijk zijt! De meester van de fabriek wil alles vergeven en
+vergeten en onze verontschuldiging aanvaarden, indien wij hem voor
+morgenmiddag den prijs van het pak teruggeven. Honderd franken. Voor u
+is het schier niets, voor ons is het meer dan het leven. Laten mijne
+tranen u verbidden, heb deernis met menschen, die, ondanks
+verwijdering en tegenspoed, geenen enkelen dag opgehouden hebben met
+dankbaarheid aan u en aan uwe ouders te denken!"
+
+Zij viel geknield te midden der kamer neder en stak de handen bevend
+tot den jongeling op.
+
+Deze kon zijne ontroering niet meer meester blijven, wat geweld hij
+ook deed; hij ging tot haar, hief haar van den grond en sprak:
+
+"Bedaar, vrouw; ik begrijp uwen angst en uw ongeluk. Honderd franken
+kunnen u redden, zegt gij? Troost u, ik zal ze u geven. Zet u neder op
+den stoel. Ik heb u iets te vragen. Gij spraakt van uwe zonen ...
+maar uwe dochters?"
+
+"Mijne dochters?" stamelde bazin Wildenslag in verlegenheid.
+
+"Ja, uwe dochters, wat is er van hen geworden?"
+
+"Mijnheer, zij ... zij wonen diep in Frankrijk, zij zijn getrouwd...."
+
+"Getrouwd!" gromde Bavo met eene grijns op de lippen en eenen diepen
+angst in de oogen.
+
+Hij beschouwde eene wijl met zichtbare gramschap de verschrikte vrouw,
+die het hoofd op de borst hield gebogen en sprakeloos bleef.
+
+"Ja, ik zal u helpen, vrees niet," kreet hij met onderdrukte kracht,
+"maar hadde mijn medelijden met uwe moedersmart mij niet overwonnen,
+ik ware gevoelloos voor uwe smeekingen gebleven. Veel meer, ik hadde
+mij op u gewroken en u onmeedoogend ter deur gewezen; want gij, vrouw,
+gij hebt, zonder het te weten, mijn leven vergiftigd en mij in het
+geluk ongelukkig gemaakt."
+
+"Ik, mijnheer? O, hemel, gij bedriegt u voorzeker!"
+
+"Neen, ik bedrieg mij niet. Mijne moeder had in het hart uwer
+Godelieve de kiemen van deugd en plichtbesef nedergelegd; ik, onnoozel
+kind nog, ik had haren geest de eerste begrippen der geleerdheid
+medegedeeld, de geleerdheid, welke haar moest behoeden voor zedelijke
+verlaging en bederf des harten. Gij, hare moeder, wat hebt gij met uw
+goed en zuiver Lieveken gedaan? Gij hebt haar naar eene fabriek
+gezonden, om geld uit haar te trekken; gij hebt die teedere bloem
+prijs gegeven aan de woeste aanraking van grove menschen...."
+
+"Mijnheer, mijnheer, het is niet waar!" kreet bazin Wildenslag
+sidderende.
+
+Maar Bavo, als buiten zich zelven van ontsteltenis, onderbrak haar en
+hernam:
+
+"Laat mij spreken tot het einde; het is de laatste maal dat haar naam
+mijnen mond ontvalt. Ik herhaal het met verontwaardiging: wat hebt gij
+gedaan met het arme Lieveken? Ha, onnoodig mij te antwoorden, vermits
+men na twee jaar haar in eene stege te Douai verrast met den klomp in
+de hand, vechtende, scheldende en woorden sprekende, die zelfs eenen
+ruwen fabriekwerker van walg deden terugdeinzen. Ziedaar wat gij
+gemaakt hebt van uwe Godelieve. Nu is zij zelfzuchtig, ongevoelig, en
+er blijft in haar niets meer over van de fijnheid des gemoeds? Nu haat
+zij waarschijnlijk de moeder, die de zuivere ziel van haar kind
+verkocht voor wat geld?"
+
+"O, neen, neen, mijnheer, heb medelijden met mij! Godelieve is het
+eenige mijner kinderen, dat mij nog oprecht bemint, mijn eenige steun
+in het ongeluk!"
+
+"Het zij zoo, vrouw; misschien is er nog een goed gevoel in haar
+overgebleven, misschien heeft zij u het kwaad vergeven, dat gij haar
+hebt gedaan; maar ik toch vergeef het u niet, ik kan het u niet
+vergeven.... Ziehier de honderd franken, welke gij vraagt. Ga nu, en
+moge God u niet langer straffen voor uwe noodlottige dwaling ten
+opzichte van uw kind."
+
+Onder het uitspreken dezer woorden had hij de hand in eene lade van
+den schrijflessenaar gebracht, en legde nu vijf goudstukken voor de
+vrouw op de tafel. Deze beschouwde het geld met starende oogen en
+bevende lippen, deinsde terug en riep:
+
+"O, God, kon ik die hulp weigeren!... Maar neen, de eer mijns zoons,
+de eer mijner arme Godelieve! Ik moet bedaren, bukken als eene slavin
+onder zulke schreeuwende onrechtvaardigheid; mijn engelachtig kind
+hooren beschuldigen van laagheid, van bederf des harten! Ik bezwijk er
+onder; mijn moed breekt...."
+
+Zij liet zich op een stoel vallen en begon bitter te weenen.
+
+"Eene schreeuwende onrechtvaardigheid?" vroeg Bavo over hare
+uitroeping verwonderd. "Zijn mijne verwijten, hoe wreed ook, niet
+gegrond?"
+
+"Valsch, geheel valsch, mijnheer," kreet bazin Wildenslag onder hare
+tranen. "Wie was er laf genoeg, om u te komen zeggen, dat hij
+Godelieve heeft zien vechten en haar onbetamelijk heeft hooren
+schelden?"
+
+"Het is Steven Geerts, die haar in eene stege te Douai met den klomp
+in de hand heeft zien slaan."
+
+"Ach, ik herinner mij de droeve zaak; het was Godelieve niet, het was
+hare zuster Theresia, die inderdaad, voor het aangezicht ten minste,
+op haar gelijkt. Godelieve, mijnheer? Er is nooit een hard woord van
+hare lippen gevallen; zij is schoolmeesteresse geweest; zij heeft
+verstand, zij is goed als een engel, en haar hart is nog even zuiver
+als toen gij haar leerdet lezen."
+
+"Hemel, wat zegt gij daar altemaal?" stamelde Bavo, door den twijfel
+aangegrepen. "En zij is getrouwd?"
+
+"En zij heeft nooit toegelaten, mijnheer, dat een man haar zonder
+eerbied bezage, en zij is niet getrouwd."
+
+"Maar verklaar u, gij doet mij vergaan van ongeduld. Zeg mij, ik smeek
+u, welk was dan het lot van het arme Lieveken gedurende die acht lange
+jaren?"
+
+"Welaan, ik zal mijn verdriet bedwingen," zeide bazin Wildenslag, het
+hoofd oprichtende. "Om mijn edel kind, mijne goede Godelieve, te
+verdedigen, zal ik moed en sterkte vinden. Luister, mijnheer, gij zult
+vernemen wat ons en haar lot was sedert gij ons buiten de stadspoort
+een treurig vaarwel zeidet. Wij gingen naar Wazemmes, bij Rijssel, en
+vonden er veel en goed werk. Dewijl ik in mijne pogingen om Godelieve
+op eenen winkel van kleedermaaksters aanvaard te zien, niet kon
+gelukken, deed haar vader haar naar de fabriek gaan. Het arme kind kon
+het daar niet gewend worden en viel ziek van verdriet. Het duurde lang
+eer zij weder eenige krachten terugvond; dan, om toch iets te winnen,
+begon zij in ons huis eene kleine school te houden, om den kinderen
+onzer Vlaamsche geburen te leeren lezen."
+
+"En onze brieven, waarom liet gij die zonder antwoord?"
+
+"Uwe brieven? Wij hebben er slechts eenen ontvangen, en Godelieve
+heeft er op geantwoord."
+
+"Wij schreven er nog drie andere."
+
+"Daarvan weet ik niets, mijnheer."
+
+"Uw man ontving ze op de fabriek. Heeft hij ze misschien
+achtergehouden of vernietigd?"
+
+"Het is wel mogelijk, mijnheer; hij meende, dat het voor Godelieve
+beter was geene betrekking meer te hebben met menschen, die te verre
+boven onzen stand waren; want wij wisten door eenen kameraad van
+Gent, dat gij klerk geworden waart bij M. Raemdonck, en Godelieve
+zeide altijd, dat gij onfeilbaar rijk zoudt worden."
+
+"En waarom schreef Godelieve dan niet eens om tijding van ons te
+hebben?"
+
+De vrouw wachtte een oogenblik en zuchtte dan:
+
+"Wij arme, gemeene fabriekwerkers? En toch, ik heb dikwijls Godelieve
+aangeraden u te schrijven; maar het verschrikte haar; er was te veel
+verschil tusschen uwe ouders en ons; zij dorst niet schrijven."
+
+"Ga voort, vrouw, ik zal u niet meer onderbreken," zeide de jongeling.
+
+"Ach, onze geschiedenis is kort, mijnheer," hernam bazin Wildenslag.
+"Mijn man en mijne zonen leidden een zorgeloos leven. Zij bleven
+dikwijls halve weken zonder te willen werken, zoodat zij zich den
+toegang tot vele fabrieken zagen weigeren. Wij vertrokken altezamen
+naar Rouaan. Daar hield Godelieve weder school in ons huis, en leerde
+er de kinderen der Fransche werklieden; want door altijd Fransch te
+hooren spreken, had zij in die taal spoedige vorderingen gemaakt. Zij
+had veel te lijden van hare woeste broeders en afgunstige zusters,
+omdat zij altijd zindelijk was gekleed en door iedereen, als een
+voorbeeld van zedigheid en beleefdheid, werd geprezen en geacht. Eene
+dame der stad bezorgde haar eindelijk eene goede plaats als
+leermeesteresse in eene groote kostschool van jonge juffrouwen. Daar
+bleef zij twee volle jaren, niets van hare jaarwedde behoudende dan
+wat haar noodig was om zich de kleederen aan te koopen, welke zij
+natuurlijk in hare kostschool hoefde te dragen, ten einde niet te veel
+tegen de andere meesteressen af te steken. Al het overige bracht zij
+naar huis om ons te helpen; want haar vader was ziek geworden, en van
+mijne andere kinderen waren de meeste getrouwd of ongetrouwd in het
+rond alleen gaan wonen; en de twee jongens, welke met ons bleven,
+gaven minder van hun dagloon af dan hun kost en hun onderhoud
+bedroegen. De kwaal van mijnen man verergerde langzaam; het was eene
+kwijnziekte, die hem allengskens scheen uit te putten en ons deed
+vreezen, dat hij niet meer zou genezen. Dan gebeurde er iets, dat ons
+in de bitterste ellende moest storten. Een mijner zonen, die sedert
+als soldaat naar Afrika is vertrokken, een woestaard, een gevoellooze
+verkwister, was reeds meer dan eens, tot schande der arme Godelieve,
+aan hare kostschool gaan bellen om haar geld te vragen. Dit mishaagde
+de meesteresse van het gesticht zeer; maar uit genegenheid voor
+Godelieve had men geduld gehad, zoolang totdat eens mijn baldadige
+zoon, door den drank verblind, binnen de kostschool drong en daar,
+door scheldwoorden en gewelddaden, zijne zuster eene groote somme
+gelds wilde afdwingen. Hij joeg den lieden zulken schrik aan en
+ontstichtte de leerlingen op zulke onbehoorlijke wijze, dat Godelieve
+hare plaats verloor en, schier half dood van schaamte en wanhoop, naar
+huis kwam. Haar broeder, die wel gevoelde, dat hij ons allen
+ongelukkig had gemaakt, vertrok des anderen daags om dienst te nemen
+in het vreemdenlegioen voor Afrika. Godelieve, wier moed en opoffering
+onuitputtelijk zijn, begon onmiddellijk rond te zien om weder eenige
+leerkinderen te zamen te krijgen, en wat naaiwerk te vinden; maar het
+gelukte haar niet spoedig genoeg. De armoede stond voor onze deur, en
+wij schrikten van de droeve toekomst, die ons bedreigde. Misschien
+had mijn arme man een geheim voorgevoel, dat hij niet lang meer zou
+leven. In hem ontstond eensklaps eene onverwinnelijke begeerte om
+terug naar Vlaanderen te gaan. Wij wilden hem dit besluit uit het
+hoofd stellen; Godelieve bovenal, waarom, ik weet het niet, beefde bij
+het gepeins alleen, dat wij de stad Gent nog zouden wederzien. Er was
+niets aan te doen; want hij smeekte ons met overvloedige tranen, hem
+toch niet op vreemden grond te laten sterven. De lucht van Vlaanderen
+zou hem genezen, hij was er van overtuigd. Wij verkochten onze
+meubelen en ons huisraad, om op den ijzeren weg of met de diligence te
+reizen, en vertrokken op eenen zekeren morgen naar het geboorteland.
+Van al mijne kinderen wilde niemand ons volgen dan Godelieve alleen.
+Mijn man had te veel van zijne krachten verhoopt. Alhoewel hij
+onderweg dreigde te bezwijken, wilde hij toch de reis niet staken;
+maar toen wij het voorgeborcht der stad Rijssel bereikten, kon hij
+niet verder en viel buiten kennis in de herberg, voor welke wij ons
+hadden doen afzetten. Hij bekwam echter een beetje, nadat hij eenige
+uren had gerust. Wij bleven twee dagen in de herberg; maar onze
+weinige geldmiddelen waren schier ten einde. Wij vonden niet verre van
+daar een klein werkmanshuisje, dat ledig stond, huurde het en brachten
+er onzen armen zieke naartoe. Een slecht bed, een paar stoelen, eene
+oude kachel en twee of drie stukken keukengerief, ontnamen ons, tot
+den laatsten frank, al wat wij bezaten.... Luister nu, ik bid u,
+mijnheer, en moget gij den moed en de zielegoedheid van mijn kind
+bewonderen, zooals zij het verdient! Dan kwam eene wreede ellende ons
+bezoeken; ik werd van schrik en wanhoop bijna zinneloos. Geen voedsel,
+geen hulp voor mijnen stervenden man, geen uitzicht dan de honger voor
+ons en een akelige dood voor hem. Hoe zal ik het engelachtig gedrag
+van Godelieve beschrijven? Zij bracht geld in huis, zij deed den
+dokter komen en betaalde de medicijnen. Waar zij de middelen haalde,
+dorst ik haar niet vragen; maar ik bemerkte wel, dat eerst hare
+oorringen, dan haar gouden kruis, en dan allengs hare schoone
+kleederen verdwenen, zoolang tot haar niets meer overbleef dan
+voorwerpen zonder waarde. Eindelijk moesten ook mijne zondagskleederen
+worden opgeofferd. Ik sprak van mijnen man in het hospitaal te zien te
+krijgen; maar hij smeekte weenend om genade, en Godelieve wilde er
+niet van hooren. Dan hebben wij naar Rouaan geschreven, om hulp van
+onze kinderen te hebben. Mijn jongste zoon alleen heeft geantwoord,
+dat hij zou komen om voor ons te werken; doch hij had zich in zijne
+fabriek sterk aan den arm gewond en liet ons wachten totdat het te
+laat was. Dit heeft zoo bijna eene gansche maand geduurd, mijnheer,
+eene gansche maand, dat Godelieve elken nacht op eenen stoel bij het
+bed haars vaders bleef gezeten, hem troostende, hem sprekende van
+genezing, van Gods barmhartigheid en van een beter leven in den hemel.
+Geene klacht in haren mond; zij lachte, zij was vroolijk, de goede, om
+moed te geven. O, mijnheer, de woorden ontbreken mij om u te zeggen,
+wat Godelieve in die schrikkelijke dagen voor ons gedaan heeft.
+Oordeel er over: gedurende de laatste week zijns levens heeft mijn
+arme man, door de teedere zorgen, door de liefderijke vertroostingen
+van zijn kind verleid, haar aangezien voor eenen engel, en niet
+anders meer tot haar gesproken dan tot een wezen, door God gezonden om
+zijnen doodsstrijd zacht te maken, en hem den hemel te wijzen. En,
+mijnheer, het was niet omdat haars vaders geest door de ziekte was
+verzwakt, o neen, ik, hare moeder, ik verkeerde in dezelfde dwaling.
+Er kwam een oogenblik dat hare onbegrijpelijke opoffering mij
+nederwierp voor hare voeten en dat ik, van dankbaarheid en bewondering
+zinneloos, voor mijn kind knielde als voor het zuiverste beeld van
+Gods goedheid zelve. Ach, haddet gij mijnen armen man zien sterven,
+met eenen zaligen lach zijne dochter aanschouwende, en nog, tot
+vaarwel, de hand van zijnen troostengel kussende."
+
+Zij smolt in tranen weg en liet het hoofd op de borst vallen.
+
+De jongeling had dit verhaal met eene klimmende ontroering aangehoord;
+de uitdrukking zijns gelaats was een zonderling mengsel van medelijden
+en geheime fierheid, van smart en van blijdschap. Op het einde echter
+had de deernis met het bitter lot der Wildenslags hem overwonnen;
+sedert eene wijl leekten er stille tranen op zijne wangen.
+
+Hij stond op, ging tot de vrouw, greep haar de hand en zeide:
+
+"Arme bazin Wildenslag, wat hebt gij geleden! Ik beschuldigde u zoo
+wreedelijk. O, vergeef het mij! Wees gedankt; want ik begrijp aan uwe
+woorden, aan uwe moederlijke ontroering, dat gij hebt medegeholpen om
+uwe Godelieve de loopbaan te laten betreden, die hare deugd en hare
+geleerdheid haar voorschreven. Kom, troost u; ik zal mijne ouders
+over u spreken; wij zullen u helpen; de ellende ten minste zal u niet
+meer bezoeken."
+
+"Wees gezegend, mijnheer," murmelde de vrouw nog snikkend, "uwe
+eindelooze goedheid ontrukt mij nieuwe tranen. Ha, gij hebt het hart
+uwer moeder ... een hart, mild en edel als het hart mijner Godelieve!"
+
+Bavo deed eenen stap naar zijnen schrijflessenaar en nam er eenig geld
+uit.
+
+"Met de honderd franken, die daar liggen," zeide hij, "kunt gij den
+prijs van het verloren pak betalen. Deze droeve zaak mag u dus niet
+meer bekommeren. Hier hebt gij nog honderd franken meer, om in uwe
+eerste behoefte te voorzien, ik zal met mijne moeder de middelen
+overwegen om u een min bitter lot te verzekeren. Indien wij uwe
+Godelieve eene plaats van leermeesteresse te Gent konden bezorgen?
+Voor uwen zoon heb ik voordeelig werk. Vermits hij een gevoelig gemoed
+heeft, zal ik hem in den goeden weg terugbrengen.--Daar, neem het
+geld, vrouw; gij hebt mij heden verlost van eene lange treurnis, van
+eene diepe smart, die mij sedert jaren aan het harte knaagt. Ja,
+vrouw, het is zoo. De gedachte, dat het goede, zoete Lieveken, de
+vriendin mijner kindsheid, de gedienstige engel, die bij het ziekbed
+mijns vaders heeft gewaakt, in de wereld was verloren geloopen, deze
+gedachte was mij pijnlijk, en mijn medelijden werd allengs eene
+onverwinlijke smart. Nu ben ik daarover gerust, nu ben ik gelukkig te
+weten, dat zij ten minste hare zedelijke natuur, hare schoone inborst
+en de edelheid harer beminnende ziel ongeschonden heeft behouden."
+
+Bazin Wildenslag had het geld van de tafel genomen. Zij vouwde de
+handen te zamen voor den jongeling en zuchtte met de oogen vol tranen:
+
+"O, mijnheer, uwe barmhartigheid, uwe goedheid maakt mij stom; ik weet
+niet, hoe u mijne erkentenis uit te drukken. Morgen vroeg, voor ons
+vertrek, zullen wij hier terugkomen. Godelieve zal op de knieen u
+zegenen voor uwe milde weldaad...."
+
+"Godelieve? Morgen?" kreet de jongeling verbaasd. "Waar is dan
+Godelieve?"
+
+"Ik durf u niet langer bedriegen, mijnheer; zij is in de
+Sint-Baafskerk en bidt er voor het Heilige Graf...."
+
+"En waarom kwam zij niet met u?"
+
+"Het arme meisje is vervaard, mijnheer."
+
+"Vervaard? Van mij?"
+
+"Beschaamd, mijnheer; om onze reis naar Gent te kunnen betalen, hebben
+wij de eenige kleederen, die nog waarde konden hebben, moeten
+verkoopen. Godelieve schrikte van zich voor u te vertoonen...."
+
+"En nochtans, ik zou haar willen zien!" riep Bavo met ontsteltenis.
+"Na acht jaar afwezigheid! Wat doen de kleederen? Zij getuigen immers
+van hare opoffering, van hare liefde voor hare ouders? Ach, mocht ik
+eene belooning eischen, het ware, dat het mij toegelaten wierd haar te
+troosten en haar moed te geven!"
+
+"Ik zal ze halen, mijnheer. Mij ook beschaamde de poging, welke ik bij
+u moest beproeven; maar de weldaad van edelmoedige menschen als gij
+zijt, vernedert niet, integendeel! Ik zal het Godelieve doen
+begrijpen, mijnheer. Zij zal komen om u te danken."
+
+Bazin Wildenslag ging ter deur uit.
+
+Als bezwijkend onder eene geweldige ontsteltenis, liet Bavo zich op
+een stoel zakken en legde het hoofd in de handen. De afwisseling
+zijner uitdrukking getuigde dat hij worstelde tegen gepeinzen, die
+tegen zijnen wil hem bestormden. Evenwel na eenige oogenblikken scheen
+hij over deze geheime opwellingen van een vorig gevoel te hebben
+gezegepraald; want hij hief het hoofd op en zeide met eenen lichten
+spotlach tot zich zelven:
+
+"Het zijn droomen, die vergaan voor de wezenlijkheid. Geene
+onmogelijke gepeinzen! Ja, het is ons plicht, te erkennen en te
+beloonen wat het goede Lieveken eertijds voor mijnen zieken vader
+heeft gedaan. Lieten wij haar ongelukkig zijn, het ware eene wreede
+ondankbaarheid, misschien eene zedelijke misdaad. Onze plicht is zeer
+eenvoudig te vervullen. Wij zullen hen bijstaan en beschermen, totdat
+Godelieve eene voordeelige plaats in een onderwijsgesticht heeft
+gevonden; totdat zij weder de middelen hebben bekomen om stil en
+tevreden te leven. Wij zullen over hen waken, om voortaan het ongeluk
+van hen af te keeren. Anders kunnen wij toch niets...."
+
+Weder boog hij het hoofd en staarde ten gronde; na eene wijl
+beweegloos te zijn gebleven, murmelde hij met eenen diepen zucht:
+
+"Het is zonderling! De mensch schijnt een dubbel wezen in zich te
+besluiten ... maar neen, zijn wil en zijn hart stemmen niet altijd
+overeen. En nochtans, ik moet die gepeinzen verjagen. Vermits er
+tusschen haar en mij eene maatschappelijke onmogelijkheid is ontstaan,
+moet ik mijne kindsheid vergeten. Haar ongeluk legt mij den eerbied
+op; kwetsen wij hare gevoelige ziel niet. Ha, men belt! Daar is zij!
+Hoe klopt mijn hart! Ik moet mij bedwingen.... Arm Lieveken! was het
+zoo, dat ik haar moest wederzien?"
+
+Vrouw Wildenslag trad in de kamer, gevolgd door hare dochter.
+
+Het benauwde meisje hield het hoofd gebogen als eene veroordeelde, en
+dorst den blik niet opheffen; zij beefde zichtbaar, en slechts toen
+hare moeder haar bij den arm greep, kwam zij vooruit tot in het midden
+der kamer.
+
+Een versmachte kreet was Bavos boezem ontsnapt, en hij had eenen stap
+gedaan om tot het meisje te naderen en haar de hand te grijpen; maar
+hij wederhield zich zelven en zeide:
+
+"Godelieve, vergeef het mij: ik wenschte zoo vurig u te zien. Wees
+niet beschaamd; ik weet, dat gij hebt geleden en wat gij voor uwe
+ouders hebt gedaan. Die slechte kleederen verheffen u in mijne oogen,
+en de eenige indruk, dien zij op mij uitoefenen, is mij een gevoel van
+eindeloozen eerbied in te boezemen voor het edel hart, dat zij
+bedekken."
+
+Het meisje hief het hoofd op en sprak zeer bedaard, doch met eenen
+plechtigen nadruk:
+
+"Mijnheer, ik dank u uit den grond mijner ontroerde ziel, meer nog
+voor uwe goede woorden, dan voor uwe milde weldaad. Niet alleen
+verlost gij ons van de akelige vrees; maar gij redt ons uit de
+ellende. Wees gezegend; in al mijne gebeden zal ik uwen naam en den
+naam uwer ouders mengen, opdat God u gelukkig late zijn in de maat
+uwer grootmoedigheid."
+
+Bavo scheen verstomd; er lichtte een vreemde glans in zijnen blik;
+hij rustte met de bevende hand op de tafel, als hadde hij eenen steun
+noodig gehad. Die groote blauwe oogen, zoo kwijnend en zoo vol
+dankbaarheid op hem gevestigd; dat fijn gelaat, dat zuiver voorhoofd,
+waarop nu de rozeverf der kuischheid en der schaamte wolkte! O! zij
+was schooner nog dan het engelachtig Lieveken zijner droomen. Wat
+geweldigen strijd voerde hij tegen zijn hart! Maar hij moest zijne
+dwalende zinnen bedwingen: de eerbied voor de ongelukkige Godelieve
+gebood het hem.
+
+Een holle zucht welde op uit zijnen beklemden boezem; hij liet zich op
+eenen stoel zakken en zeide met schijnbare kalmte:
+
+"U weder te zien na acht jaar afwezigheid, Godelieve, is mij eene
+groote blijdschap. Het ontstelt mij. Natuurlijk, niet waar? Die
+herinneringen der kindsheid, hoe blijven zij, immer met nieuwe kracht
+opgewekt, in het menschelijk harte leven!... Ach, ik laat u daar
+staan, te midden der kamer. Verontschuldig mij; zet u neder."
+
+Godelieve hief de handen smeekend op.
+
+"Mijnheer," stamelde zij, "heb medelijden met een ongelukkig meisje!
+Uwe goedheid is zoo eindeloos. Ik ben ontsteld, ik gevoel mij ziek,
+mijne krachten begeven mij. Vergun mij als eene genade, voor heden dit
+huis te verlaten. Morgen vroeg zal ik bedaard zijn, ik zal, beter dan
+nu, madam uwe moeder mijne grenzenlooze dankbaarheid kunnen
+uitdrukken...."
+
+"Gij wilt vertrekken, Godelieve?" kreet de jongeling met verdriet. "O,
+neen, ik bid u, nog een oogenblik!"
+
+Door hare moeder aangedreven om aan dien wensch te voldoen, zette het
+meisje zich neder en boog weder het hoofd. Men zou gezegd hebben, dat
+de oogslag van Bavo haar schrik inboezemde; en inderdaad, zij had bij
+elken zijner blikken gesidderd.
+
+"Zeg mij, Godelieve, hebt gij in uw smartelijk leven nog dikwijls aan
+onze gelukkige kindsheid gedacht?" vroeg Bavo.
+
+"Mijn eenige troost op de wereld," zuchtte het meisje, "was de
+dankbare herinnering uwer goedheid voor het arme zieke kind."
+
+"En voor mij, Godelieve, was het de eenige, maar bittere smart mijns
+levens, te moeten denken, dat de zoete gezellinne mijner kinderjaren,
+ongelukkig en verloren, in de wereld dwaalde."
+
+Er heerschte eene korte stilte.
+
+"Godelieve," vroeg de jongeling eensklaps, als gedreven door eene
+geweldige ontroering, "Godelieve, ik gaf u een aandenken, eene
+gedachtenis. Hebt gij ze bewaard?"
+
+Hij bekwam geen antwoord.
+
+"Het beeld van Bavo en Lieveken met hun boek in de hand," zeide hij,
+"onnoozel en gebrekkig werk, dat aan den kleinen Bavo schier eene
+maand arbeid kostte. Gij hebt mij beloofd, dat gij het zoudt bewaren."
+
+"Maar, Godelieve toch, hoe kunt gij M. Damhout dus zonder antwoord
+laten?" kreet moeder Wildenslag. "Ja, ja, mijnheer, zij heeft het
+bewaard.--Wederhoud mij niet, Godelieve.--Zoo goed bewaard, mijnheer,
+dat het sedert jaren onder het kleine crucifix hangt, waarvoor
+Godelieve gewoon is te bidden."
+
+"Ach, dank, dank om uwe trouwe herinnering!" riep Bavo.
+
+"Waarom verwondert u dit, mijnheer?" zeide het meisje met eene vonk
+van waardigheid in de oogen. "Indien ik mijn gansche leven wilde
+bidden voor het geluk van hem, die mij leerde lezen, kon ik iets beter
+doen dan zijn beeld te hangen op de plaats, waar ik elken avond
+nederknielde om mijne ziel tot God te verheffen?"
+
+Bavo liep tot haar, greep haar de beide handen en zeide diep ontroerd:
+
+"Altijd dezelfde engel! Kom, Godelieve, troost u en schep moed; gij
+zult niet ongelukkig meer zijn. Wij zullen u beschermen. Wij zullen
+eene goede, zeer goede plaats van leermeesteresse te Gent zoeken;
+mijne moeder zal u weder liefhebben en u helpen. Ik zal uw vriend
+zijn, evenals toen wij nog onnoozele kinderen waren.... Het is te
+zeggen ... ik weet niet, de ontsteltenis maakt mij duizelig, mijne
+zinnen zijn verward...."
+
+Het verschrikte meisje ontwrong hem hare handen met zulk koortsig
+geweld, dat hij zich in zijn hart over deze beweging gekwetst gevoelde
+en met spijtige verbaasdheid eenen stap terugdeinsde.
+
+Godelieve hief langzaam het hoofd op; alhoewel er tranen in hare oogen
+glinsterden, was er zooveel maagdelijke fierheid in haren blik,
+zooveel edelheid in de uitdrukking van haar schoon gelaat, dat Bavo
+haar met ontzag aanschouwde.
+
+
+[Illustratie: Aan mij de vriendin mijner kindsheid!]
+
+
+"Ik smeek u, mijnheer, heb toch medelijden met mij!" zeide zij.
+"Vergeten wat gij voor mij als kind hebt gedaan, vergeten wie ons nu
+uit den afgrond der smart zoo grootmoedig opheft,--de dood zelf kan
+mij daartoe niet bekwaam maken; want in Gods schoot zelven zal
+mijne ziel zich nog uwer goedheid herinneren. Maar zoek geene plaats
+voor mij te Gent. Na den dag van morgen zal ik den grond mijner
+geboortestad niet meer betreden. Ik ken de edelheid uws harten; gij
+begrijpt mij, ik ben er zeker van."
+
+"Maar neen, ik begrijp u niet!" morde Bavo.
+
+"Gij begrijpt den onverbiddelijken plicht niet, mijnheer, die mij
+dwingt in Frankrijk een bestaan te zoeken?" hervatte Godelieve. "Ach,
+bestonden er tusschen u en mij geene diepe, geene onverdelgbare
+herinneringen, ik zou uit erkentenis de dienstmeid uwer moeder, en,
+ware het mogelijk, uwe slavin willen worden. Nu mag geen andere band
+tusschen ons bestaan dan de weldaad van den eenen kant en de eeuwige
+dankbaarheid van den anderen. Ik heb veel geleden, zonder dat mijn
+moed er onder is gebroken. Moest ik een oogenblik uwe achting derven,
+mijnheer, ik stierve eenen pijnlijken dood. Ja, ja, Bavo, de ziel der
+arme Godelieve heeft honger naar uwen eerbied, en zij zal dien
+behouden met hare dankbaarheid tot aan het graf. Vaarwel, mijnheer,
+tot morgen!"
+
+En opstaande greep zij den arm harer moeder en trok haar naar de deur.
+
+De jongeling stak de handen uit, als om haar te wederhouden; maar de
+plechtige woorden der maagd hadden hem zoo geweldig tot het gevoel der
+wezenlijkheid en tot het besef des plichts teruggeroepen, dat hij als
+aan den vloer bleef genageld, totdat hij de voordeur hoorde sluiten.
+
+Dan hief hij, stom en met verbaasden blik, de armen in de hoogte,
+allerlei onduidelijke woorden in zich zelven murmelende. Zijne zinnen
+waren ontsteld en zijne gedachten verward.
+
+Eindelijk, na een oogenblik rust, zeide hij in zich zelven:
+
+"Wat is zij schoon, wat is zij schoon! Onder die slechte kleederen
+scheen zij mij fier en indrukwekkend als eene koningin. Hoe heeft zij
+de zuiverheid, de fijnheid des harten kunnen behouden in zulke wereld,
+tusschen grove, onwetende menschen, dwars door nood, honger en
+ellende? Ha! het onderwijs! Ik ben het, die deze ziel het licht en de
+sterkte heb gegeven om aan de verleiding, aan de zedelijke verlaging
+te wederstaan; mijne moeder is het, die haar de liefde tot deugd en
+plichtsbetrachting heeft ingeboezemd. Roos onder de doornen, lelie
+bloeiend op een mesthoop! En de lelie is zuiver gebleven, en de roos
+heeft hare geuren uitgewasemd als eenen balsem over het lijden
+dergenen, die haar omringden! Edel moet zij zijn boven de edelsten, om
+onder zulke beproeving niet te zijn bezweken. Dank, dank, o, mijn God,
+dat Gij de kiemen, door een ander kind in haren geest en in haar hart
+gestort, niet onvruchtbaar liet zijn!"
+
+Hij wreef zich het voorhoofd en stapte in de kamer rond, als wilde hij
+zijne stormende gepeinzen ontvluchten. Eensklaps staan blijvende, riep
+hij uit:
+
+"Onmogelijk, onmogelijk! De wereld, mijne ouders ... hare broeders,
+hare zusters ... het eenige geluk, dat mij op aarde moet geweigerd
+blijven!... Maar heeft zij daar schuld aan? Zij zal verre van hare
+geboortestad gaan dwalen, verdriet hebben, gaan kwijnen misschien? Ja,
+ja, ik bedrieg mij niet: hare schuchterheid, hare schaamte, hare
+verschrikte kuischheid, hare laatste woorden.... Zij ook heeft
+getreurd, zij ook heeft eenen wreeden knagenden worm in het hart
+gedragen!"
+
+Hij stortte neder op eenen stoel, sloeg zich de handen voor de oogen
+en morde met wanhoop:
+
+"Eilaas, eilaas, het kan niet zijn! Zij heeft gelijk; ik mag haar niet
+meer zien na den dag van morgen. Ik insgelijks wil het aandenken
+mijner kindsheid eerbiedigen en het zuiver bewaren tot aan het graf.
+Zij heeft het gezegd; er is voortaan geen andere band tusschen ons
+mogelijk dan de herinnering aan het verledene, de weldaad en de
+dankbaarheid!"
+
+Na een oogenblik stilte sprong hij weder recht.
+
+"Ik zou haar verliezen voor altijd?" kreet hij. "Die edele ziel, dat
+beminnend harte zou gaan verkwijnen in vreemde streken?... Er is een
+andere band, een heilige band, een eeuwige band; er is een
+geneesmiddel voor haar verdriet en voor mijne treurnis.... Ho, ik kan
+het niet meer uitstaan; ik moet mijne moeder, mijnen vader, mijnen
+meester spreken! Veroordeele mij de gansche wereld, het geluk mijns
+levens staat op dien prijs! Aan mij, aan mij de vriendin mijner
+kindsheid! aan mij het zuivere, zoete Lieveken!"
+
+En onder het uitspreken dezer woorden liep hij als een dwaze ter deur
+uit.
+
+
+
+
+SLOT
+
+
+Een paar jaren geleden ontstond in mij de gedachte om een verhaal uit
+het leven der Gentsche werklieden te schrijven. Met het doel om eenige
+eerste inlichtingen daarover in te zamelen, belde ik op zekeren
+namiddag aan het hek eener groote fabriek te Gent.
+
+Ik had eenen aanbevelingsbrief en stelde dien ter hand aan den
+bestierder van het gesticht, een man van ongeveer vijfendertig jaar,
+en wiens kleederen, ofschoon van welstand getuigende, met vlokken
+katoen en met stof waren overdekt.
+
+Nauwelijks had hij mijnen naam in den brief gelezen, of hij toonde
+zich zeer verblijd over mijn bezoek, zeide, dat hij een warm
+liefhebber der Vlaamsche letterkunde was, en stelde zich geheel tot
+mijnen dienst.
+
+Uren lang leidde hij mij door talrijke zalen en werkhuizen der
+fabriek, toonde en verklaarde mij alles, en antwoordde op mijne vragen
+met zulke minzame dienstwilligheid, dat ik niet wist hoe hem voor zijn
+gulhartig onthaal te bedanken.
+
+Hij was zeker geen gewoon mensch. Van de nijverheid, van haren
+voortgang en van de doelmatige inrichting des arbeids sprak hij niet
+alleen met uitgebreide kennis, maar tevens met eene dichterlijke
+geestdrift, die mij verwonderde.
+
+Ik had reeds vroeger, zonder andere beweegreden echter dan de
+nieuwsgierigheid, eenige andere dergelijke gestichten bezocht. Nergens
+had ik zooveel orde en zindelijkheid aangetroffen. De werkhuizen en
+zalen waren breed en verheven; sterke luchttochten om het stof te
+verwijderen, had men in toereikend getal gemaakt; waar de raderwerken
+of riemen den onvoorzichtigen arbeider konden aangrijpen en verminken,
+waren deze werktuigen door zinken platen geblind; overal was ruimte en
+lucht in overvloed, en men kon bemerken, dat hier met vaderlijke
+bezorgdheid voor de gezondheid en het welzijn der werklieden werd
+gewaakt. De vrouwen, mannen en kinderen, welke ik in groot getal aan
+den arbeid zag, waren geheel anders dan ik ze mij had voorgesteld.
+Geene vuile en gescheurde kleederen; ernst en ingetogenheid, iets
+waardigs in den blik; en waar een hunner werd aangesproken,
+beleefdheid en betamelijkheid.
+
+Ik wenschte rechtzinniglijk den bestierder geluk en zeide, dat hij
+hoogmoedig mocht zijn over het schoone gesticht, dat onder zijne
+leiding bloeide.
+
+"Inderdaad," antwoordde hij, "ik ben er reeds een beetje trotsch over;
+maar ik hoop mettertijd nog meer verbeteringen tot stand te brengen,
+bovenal wat het lot der werklieden betreft. Er is iets, waarover ik
+meer hoogmoed gevoel...."
+
+Hij bezag zijn uurwerk en zeide:
+
+"Nog eenige minuten en ik zal het u toonen. Ziet gij, mijnheer, men
+kan van den werkman al maken wat men wil. Daartoe behoeft natuurlijk
+eenig geduld; want men moet allereerst de onwetendheid overwinnen,
+die, zoolang zij bestaat, een volstrekte hinderpaal is tot alle
+zedelijke verbetering der arbeidende klassen."
+
+Een oogenblik daarna begon er eene klok te luiden. Hier en daar
+verlieten kinderen en jongens de spinmolens, waaromtrent ik mij
+bevond, en zij gingen het werkhuis uit.
+
+"Is het rustuur voor hen gekomen?" vroeg ik.
+
+"Neen, zij gaan ter school," was het antwoord des bestierders. "Van de
+twee draadjesmakers verlaat er een den arbeid voor een uur; de andere
+zal intusschen alleen den molen bedienen, iets wat hem niet moeilijk
+valt, aangezien zijn gezel, vooraleer te vertrekken, alles zooveel
+mogelijk in gereedheid heeft gebracht. Zoo is het insgelijks met de
+kinderen, die in andere vakken werkzaam zijn. Elk heeft zijne beurt,
+en wie zijnen arbeid gedurende de week niet kan verlaten, ontvangt het
+onderwijs des Zondags en des Maandags, gedurende de uren der
+werkstaking. Het is slechts sedert acht jaar dat ik, met oorlof mijns
+meesters, deze school heb ingericht; en nu reeds mag ik mij beroemen,
+dat meer dan de helft onzer werklieden, zoowel vrouwen als mannen,
+kunnen lezen en schrijven. Men bemerkt het wel, niet waar, dat het
+onderwijs hun een gevoel van persoonlijke waardigheid in den boezem
+heeft gestort? Het is mijn droom, te mogen zien voordat ik sterf, dat
+er op de gansche fabriek geen enkel ongeleerd werkman meer te vinden
+zij. Gij zoudt kunnen denken, mijnheer, dat deze werkmanskinderen geen
+vlug verstand hebben, of dat een enkel uur onderwijs geene merkelijke
+vruchten in hen kan voortbrengen; gelief mij te volgen; ik ben wel
+zeker, dat hetgeen gij gaat zien u zal verwonderen en verblijden."
+
+Onder het uitspreken dezer laatste woorden richtte hij zich naar eene
+deur, die uitgaf op een binnenplein, en bracht mij wat verder in eene
+ruime zaal, vervuld met rijen lessenaars, waarachter ik een zestigtal
+jongens, van acht tot vijftien jaar, zag zitten.
+
+De bestierder zeide eenige woorden tot den onderwijzer; en deze
+verzocht mij, dewijl de leerlingen juist hadden begonnen te schrijven,
+eenen blik op hun geschrift te willen werpen.
+
+Er waren er inderdaad velen, die een ongemeen schoone hand hadden.
+
+Ik hoorde er eenigen lezen met eene zuiverheid van uitspraak, welke ik
+zelden in andere scholen had ontmoet.
+
+Dan volgden velerlei oefeningen, ditmaal grootendeels door den
+bestierder zelven geleid, om mij over de vroege ontwikkeling van het
+verstand dezer arme werkmanskinderen te laten oordeelen.
+
+Er werden vragen voorgesteld aangaande de nijverheid en de verdeeling
+van het werk, aangaande de geweefsels in het algemeen en het katoen in
+het bijzonder, aangaande de beginselen der mekaniek en den aard der
+stoffelijke krachten, die de mensch aanwendt tot het vergemakkelijken
+van zijnen arbeid, aangaande de spaarkassen en de genootschappen van
+onderlingen bijstand, en eindelijk aangaande de plichten van den
+mensch jegens God, jegens zich zelven en jegens zijnen evennaaste; in
+een woord aangaande alles, waarvan de kennis deze kinderen tot
+behendige werklieden, tot goede huisvaders en tot verlichte burgers
+van een vrij vaderland kon maken.
+
+Mijne verwondering was groot, toen ik deze vragen door vele kinderen,
+zonder aarzeling en met opmerkelijke klaarte, hoorde beantwoorden;
+maar het verraste mij nog meer, hen gedurende een half uur, op het
+zwarte bord of enkel uit het hoofd, de meest ingewikkelde vraagpunten
+der rekenkunde te hooren oplossen.
+
+Nauwelijks kon ik gelooven, dat ik deze zelfde jongens als
+draadjesmakers achter de spinmolens had gezien. De bestierder en de
+onderwijzer waren trotsch over mijne verbaasdheid en over den lof,
+dien ik hun en hunnen leerlingen toezwaaide.
+
+Nadat ik den bekwamen onderwijzer gulhartig en dankbaar de hand had
+gedrukt, volgde ik den bestierder, die mij verzocht haast te maken,
+dewijl hem anders de tijd mocht ontbreken om mij nog eene andere
+school te toonen.
+
+Hij leidde mij over het plein en opende een poortje. Wij traden door
+eenen bloemrijken tuin, die met muren was omsloten. In de verte, bij
+een looverhuisje, zag ik drie of vier kinderen, waarvan de twee
+kleinsten in een wagentje zaten. Voor het lieve rijtuig waren twee
+schapen gespannen. De voerman was een jongetje van ongeveer tien jaar.
+Aan elke zijde van het wagentje liep eene oude dame, om de kinderen
+voor ongeluk te behoeden.
+
+In het looverhuis zat een grijsaard, die niet min dan zestig jaar oud
+kon zijn. Hij rookte een pijpje en was bezig met een vischnet te
+breien.
+
+Al deze personen juichten en lachten om der kinderen luidruchtige
+vroolijkheid.
+
+De bestierder richtte met eenen glimlach van geluk den blik op dit
+tafereel, doch onderbrak zijnen stap niet.
+
+Maar zoohaast men hem van ginder bemerkte, staken de kinderen in het
+wagentje de hand uit, terwijl het woord "vader! vader!" door den tuin
+klonk. Het jongsken liet de schapen staan, kwam in een vaart geloopen
+en sprong den bestierder aan den hals. Hij zoende het kind en zond het
+terug, met de belofte dat hij straks in den tuin zou komen, maar dat
+hij nu den vreemden heer moest rondleiden.
+
+"Zie, mijnheer," zeide de bestierder mij met zekere ontroering, "al
+wat ik meest bemin op aarde, is daar. Die grijsaard is mijn vader; van
+die beide dames is de eene mijne moeder en de andere de moeder mijner
+vrouw. Die engeltjes zijn mijne kinderen. God heeft mij beladen met
+geluk. Hier ontbreekt slechts mijne vrouw; maar ik weet waar zij is:
+gij gaat ze zien."
+
+En dit zeggende, richtte hij zich tot een ander poortje en opende
+welhaast de deur eener zaal, waar een vijftigtal kleine meisjes,
+evenals in de andere school, voor lessenaren zaten.
+
+Buiten de leermeesteresse, die tusschen de lessenaren zich hield,
+stond er aan het oppereinde der school eene deftig gekleede dame, die
+bezig scheen met vier of vijf der grootste meisjes eene bijzondere les
+te geven.
+
+De bestierder bracht mij bij haar en stelde mij haar voor als zijne
+vrouw.
+
+"Lieve," zeide hij, "deze heer is een oude en goede bekende van u en
+van ons allen; honderdmaal heeft hij, in de lange winteravonden, ons
+den tijd kort en genoeglijk gemaakt. Nog geene acht dagen geleden,
+dat hij u tranen van medelijden met het lot van den armen _Loteling_
+ontrukte."
+
+De dame noemde mijnen naam met verrassing; hare groote blauwe oogen
+glinsterden van blijdschap. Zij overlaadde mij met betuigingen van
+vriendschap, en trof mij diep door de uiterste zoetheid harer stem en
+de minnelijkheid harer woorden.
+
+Op aanzoek haars echtgenoots deed zij de kleine meisjes eenige
+oefeningen doen, om mij het bewijs te geven, dat ook hier het
+onderwijs doelmatig was ingericht en schoone vruchten droeg, waarna
+ik, onder het uitdrukken mijner bewondering, den bestierder volgde,
+waarschijnlijk om nog belangwekkendere dingen te zien.
+
+Al gaande zeide ik hem:
+
+"O, mijnheer, aan welk edel en menschlievend doel hebt gij en uwe
+bekoorlijke echtgenoote uwe pogingen toegewijd! Konden alle personen,
+die overheid op den werkman hebben, hunne zending evenals gij
+begrijpen!"
+
+"Zeker," antwoordde hij, "het onderwijs is het eenige middel om de
+arbeidende klassen uit de zedelijke verlaging op te heffen. Het
+welbegrepen belang der meesters, het welbegrepen belang van gansch het
+menschdom eischt, dat men het nuttigste en het talrijkste gedeelte der
+maatschappij niet langer tot duisternis en onwetendheid veroordeeld
+late. Maar het zijn deze beweegredenen niet alleen, die mij en mijne
+vrouw aandrijven om, binnen het bereik onzer macht, de geleerdheid,
+het plichtbesef en het gevoel van eigen waardigheid onder de
+werklieden te verspreiden. Neen, mijnheer, wij betalen eene schuld,
+eene heilige schuld aan het volksonderwijs! Wij zijn kinderen van
+arme fabriekwerkers. Het onderwijs, dat wij mochten genieten, was de
+eerste band tusschen onze harten; en terwijl ik, als kind, uit
+medelijden of uit vriendschap degene leerde lezen, die nu de moeder
+mijner kinderen is, ontstond in mij de kiem eener zuivere en duurzame
+neiging. Mijne goede ouders hebben mij laten leeren ten koste van vele
+en bittere opofferingen; het was mijn schoonste droom, eens hunne
+liefde te kunnen beloonen door hunne oude dagen zoet en gelukkig te
+maken. Dank zij het onderwijs, dat ik mocht genieten, heb ik daartoe
+ruimschoots de middelen gevonden. Mijne vrouw is in hare jonkheid door
+ongeluk en tegenspoed beproefd geworden. Ware zij onwetend geweest,
+dan hadde zij zeker in de nederige, in de woeste wereld, waarin zij
+gedwongen was te leven, de verhevenheid des harten en de klaarheid des
+geestes verloren; maar het onderwijs heeft ze voor verlaging behoed en
+ze mij wedergeschonken, zuiver, edel en verkleefd als een engel van
+goedheid en van liefde. Het onderwijs, het volksonderwijs heeft ons
+dienvolgens gemaakt wat wij zijn: en indien wij God uit den grond des
+gemoeds zegenen en danken voor al het geluk, waarmede Hij ons heeft
+beladen, dan moeten wij erkennen, dat de Heer in ons het onderwijs tot
+middel zijner weldaden heeft gebezigd. Het verwondere u dus niet
+langer, dat wij ons toewijden aan het onderwijs der arme
+fabriekskinderen. Zooals ik u zeide, wij betalen eene schuld, eene
+heilige schuld."
+
+Ik had met eene soort van verstrooidheid op deze lange uitlegging
+geluisterd. Mij vlotte de gedachte in het hoofd, dat het leven van
+den bestierder dezer fabriek misschien de stof bevatte tot het
+schrijven van een schoon verhaal; en ik was reeds in mijne verbeelding
+bezig met het te schikken en te ontwerpen. Maar vooraleer mijn
+leidsman ophield van spreken, had hij mij in eene zaal zijner woning
+gebracht, en zeide nu, terwijl hij mij eenen zetel aanbood:
+
+"Gelief u neder te zetten; ik wil een glas wijn met u drinken....
+Weiger mij niet, ik bid u ... ik zal u voorstellen wat ik het beste in
+mijnen kelder heb."
+
+Hij trok aan een belkoord en zeide tot de meid, die aan de deur
+verscheen:
+
+"Breng een paar glazen en eenige beschuiten.... Ik ga zelf naar den
+kelder, want zij zou den wijn, dien ik u wil doen proeven, niet
+vinden."
+
+Sedert ik in deze zaal was getreden, had een zeker voorwerp mijne
+oogen tot zich getrokken. Tusschen eenige schilderijen hing eene
+gekleurde print, die mij van verre gebrekkig en grof voorkwam als een
+beeldeken, waarmede de kinderen gewoonlijk spelen. Evenwel, de
+meesters dezer woning moesten er veel prijs aan hechten, want de
+gouden lijst, die het omringde, was uiterst rijk en veel kostelijker
+ongetwijfeld dan de lijsten, waarin de schilderijen waren vervat.
+
+Een gevoel van nieuwsgierigheid deed mij opstaan. Ik naderde tot de
+print en zag nu, beter dan te voren, dat zij niets anders kon zijn dan
+het werk van een kind, dat met groote inspanning en moeite gepoogd had
+de beelden van een jongetje en van een meisje te schetsen, die elkaar
+bij de hand hielden en elk een open boek toonden. Onder de beelden
+stonden deze twee namen in versierde letters te lezen:
+
+ BAVO EN LIEVEKEN.
+
+"Dit beeld doet u glimlachen, niet waar?" zeide de bestierder, die nu
+met de flesch wijn in de zaal trad.
+
+"Glimlachen?" antwoordde ik zeer ernstig. "O, neen, mij schijnt het,
+dat onder dit gebrekkig kinderwerk de geheimenissen van een gansch
+leven liggen verborgen."
+
+"Zoo is het inderdaad. Toen ik nog een kleine jongen was, heb ik
+gepoogd de beeltenissen te schetsen van twee kinderen, tusschen wier
+eenvoudige harten het onderwijs eene diepe en duurzame neiging had
+doen ontstaan. Nu zijn ze verbonden door het huwelijk, en hunne
+schoonste, hunne dierbaarste herinnering is nog dit gebrekkig
+beeldeken."
+
+"Welk schoon verhaal zou daarvan kunnen gemaakt worden!" riep ik,
+terwijl ik een glas wijn aanvaardde. "De titel ware gevonden: _Bavo en
+Lieveken_! Och, ik bid u, mijnheer, vertel mij uwe geschiedenis."
+
+"Maar ik verlang niet, dat mijn leven worde openbaar gemaakt."
+
+"Men kan het beschrijven met veranderingen, met vooronderstelde namen,
+op zulke wijze, dat men de personen niet duidelijk herkenne."
+
+Mijne gedachte scheen den bestierder te verschrikken; hij weerstond
+zeer lang mijn aandringen; doch ten laatste meende ik de overwinning
+nabij te zijn.
+
+Ik deed eene laatste poging, door hem voor oogen te stellen, dat de
+geschiedenis zijns levens, indien ik mij in mijn vooruitzicht niet
+misgreep, een machtig voorbeeld zou kunnen zijn, een spoorslag om den
+werklieden al het nut van het onderwijs voor hunne kinderen te doen
+beseffen, en misschien om andere edelmoedige menschen, eigenaars van
+fabrieken, over te halen tot het oprichten van scholen in hunne
+gestichten. Door zulk verhaal te schrijven, kon ik eenigszins
+medewerken tot het bereiken van het edel doel, dat hij en zijne vrouw
+zich voorstelden. Daarenboven, ik zou het derwijze schikken, dat men
+niet zou kunnen ontdekken, of ik ware of ingebeelde personen in mijn
+boek had beschreven en doen handelen.
+
+"Het is eene ernstige zaak," zeide de bestierder. "Ik wil er eerst met
+mijne vrouw over spreken. Er is slechts een middel, en dit is, dat gij
+het avondmaal met ons neemt. Weiger mij niet: anders zult gij zeker
+onze geschiedenis niet kennen."
+
+Ik liet mij gezeggen. Dien avond bracht ik door tusschen Bavo en
+Lieveken. Over mij zaten de oude Damhout, Christina, zijne vrouw, en
+moeder Wildenslag; aan de andere zijden der tafel hielden zich vier
+allerschoonste kinderen, twee meisjes en twee jongskens.
+
+Ik verliet het huis met het hoofd vol zoete droomen, het hart vol
+woorden van vriendschap, van geluk en van liefde, en het geheugen vol
+van de eenvoudige, doch roerende geschiedenis, die ik in dit boek u
+heb verteld.
+
+EINDE
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
+
+***** This file should be named 13596.txt or 13596.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13596/
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/13596.zip b/13596.zip
new file mode 100644
index 0000000..64c744c
--- /dev/null
+++ b/13596.zip
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..97c85b8
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #13596 (https://www.gutenberg.org/ebooks/13596)
diff --git a/old/13596-8.txt b/old/13596-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..9a4c3cf
--- /dev/null
+++ b/old/13596-8.txt
@@ -0,0 +1,5806 @@
+The Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Bavo en Lieveken
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: October 4, 2004 [EBook #13596]
+[Last updated: August 19, 2011]
+
+Language: Dutch and Flemish
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
+
+
+
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team
+
+
+
+
+
+HENDRIK CONSCIENCE
+
+
+BAVO EN LIEVEKEN
+
+
+(BRUSSEL, [1885])
+
+
+
+
+
+[Illustratie: «Goeden avond» juichte de jongen.]
+
+
+
+
+
+BAVO EN LIEVEKEN
+
+
+
+
+I
+
+
+Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de
+Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck.
+
+Alhoewel het daglicht reeds vermindert, is er alles nog in de volle,
+drukke werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten
+onder de zwoeging der mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste
+doet leven.
+
+Het is vooreerst de _Duivel_, dat machtig tuig, waarin het katoen
+wordt geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft
+verloren; dan de koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende
+potten, die altezamen de boomwol in vlokkig sneeuw veranderen, ze
+mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de spintuigen tot
+haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en
+eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne
+ontelbare spillen en bobijnen.
+
+Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige
+snelheid; het is eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende
+wielen, van knarsende radertanden, van vluchtende riemen, van
+wandelende spinmolens, van draaiende spillen.
+
+Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden
+andere geruchten vermengt tot een donderend gebruis, tot een
+zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en zoo vol, dat het de
+denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem duizelig
+maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee.
+
+Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne
+stem vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig
+wezen tusschen de reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft
+geschapen.
+
+Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang
+der raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen
+katoen of bobijnen aan, en geven onophoudend voedsel aan het
+duizendledig monster, dat de stof met onverzaadbaren honger schijnt te
+verslinden.
+
+Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de
+raderwerken heen- en wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens
+doorkruipen! En nochtans, dat een riem, een tand, één van al die
+draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed of slechts hunne mouw
+aangrijpe ... en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden afrukken of
+hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, vóórdat het, ginder verre,
+als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoevele
+onvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden
+door de barsche, zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent
+tusschen katoen en menschenvleesch!
+
+Maar daar galmt een klokslag! De vuurmaker stopt het stoomtuig; hij
+ontneemt aan de mekanieken hunnen adem en hun leven ... en op het
+ontzaglijk gerucht, op het zinverdoovend geraas volgt de stilte der
+eenzaamheid en der rust....
+
+Het was op eenen zomeravond van het jaar 1832, dat de werklieden der
+fabriek van mijnheer Raemdonck dus, op het sein der klok, hunnen
+arbeid staakten en te gelijk op het binnenplein zakten, om daar voor
+een venster van het bureel op de uitbetaling van het loon der
+afgeloopene week te wachten.
+
+Alhoewel schijnbaar dooreengemengd, toonden zij echter eenige
+schikking. Men kon zien, dat de vrouwen, de kinderen en de mannen
+neiging hadden om afzonderlijke groepen te vormen; zelfs de wevers en
+de spinners stonden aan eene verschillige zijde van het plein.
+
+Allereerst werden de vrouwen betaald; want onder hen waren vele
+moeders, wier zuigelingen sedert uren misschien naar lafenis en
+voedsel snakten. Arme wichtjes, gansche dagen aan vreemde handen
+toevertrouwd, levend van hunne geboorte af in derving en in nood!
+Slachtoffers van een maatschappelijk gebrek, dat, tegen de natuur en
+tegen den wil Gods, de vrouw onttrekt aan de vervulling van den
+moederplicht, opperste wet van haar wezen op aarde!
+
+De werklieden toonden nu eenige levendigheid; zij schenen vroolijk,
+omdat de lange week was afgeloopen en de rust van morgen hen
+toelachte.
+
+Een sterkgebouwde kerel, die tusschen de spinners stond, onderscheide
+zich door zijne luidruchtigheid. Kluchtige woorden en grove
+zinspelingen rolden hem uit den mond, en hij had zijne gezellen meer
+dan eens in eenen schaterlach doen losbarsten.
+
+Nu bemerkte hij eenen werkman, die uit de fabriek kwam en tot het
+uiterst einde van de groep der spinners naderde. Hij ging naar hem
+toe, deed hem teeken, dat hij hem over iets wilde spreken, trok hem
+een paar stappen van zijne kameraden weg en zeide:
+
+"Ha sa, Adriaan, gij zijt er bij dezen avond, niet waar? Wat zullen
+wij lachen en vermaak hebben!"
+
+"Waarbij, Jan? Ik weet van niets," was het antwoord.
+
+"Hoe? gij weet niet, dat rosse Leo van avond zijn _jubilé_ viert?"
+
+"Welk _jubilé_?"
+
+"Van vijfentwintig jaar spinner."
+
+"Werkt Leo reeds zoolang? Onmogelijk: de man is nog niet oud genoeg."
+
+"Niet oud genoeg, Adriaan? Hij was draadjesmaker in de spinnerij van
+Lieven Bauwens, in de allereerste fabriek, die er te Gent was
+opgericht. Dit was in 1800, en Leo was alsdan zestien jaar. Hij weet
+het nog zoo juist op zijn duimken, als hadde hij eenen almanak in den
+kop. Hij is spinner geworden, in 1807, bij mijnheer De Vos. Tel maar
+op de vingeren: zeven van tweeêndertig, blijft vijfentwintig."
+
+"Inderdaad; men zou het niet zeggen: de rosse Leo schijnt geen veertig
+jaar oud."
+
+"Het is, dat hij het leven verstaat en Gods water over Gods dijk laat
+loopen. Ware hij een kniezer geweest, dan zou hij al lang op het
+kerkhof liggen. Eene goede pint bier, eene schel hesp en van tijd tot
+tijd een scheut jenever, dat zet bloed, jongen.... Welnu, doet gij
+mede? Eenen halven frank tot inzet.
+
+Wij zingen, lachen en drinken tot half den nacht. Het is morgen toch
+Zondag. Er zullen daarenboven vier vette konijnen te verdubbelen zijn:
+een buitengewoon _Smeerken_, in de Blauwe Geit, bij onzen kameraad
+Pier de Knul?"
+
+De andere bepeinsde zich eene wijl, schudde het hoofd en antwoordde:
+
+"Ik heb geene goesting, Jan."
+
+"Wat is dit nu?" kreet zijn gezel verwonderd. Zult gij vijfentwintig
+cents weigeren om het _jubilé_ van eenen ouden vriend te vieren?"
+
+"Het is niet voor de vijfentwintig cents, Jan. Ik ken den rossen Leo
+bijna niet, en, ik zeg het rechtuit, dit drinken halve nachten lang
+bevalt mij niet meer; ik kan er niet tegen, het maakt mij ziek."
+
+Deze woorden, op eenen zekeren vreesachtigen toon gesproken, deden Jan
+in eenen spotlach uitbarsten: hij greep de twee handen zijns vriends
+en zeide hem:
+
+"Damhout, Damhout, jongen lief, ik heb medelijden met u. Gij waart
+vroeger altijd het haantje vooruit, en het was u nooit te laat om naar
+huis te gaan; maar sedert gij getrouwd zijt, ik heb het gezien van het
+eerste jaar af,--sedert gij getrouwd zijt, geraakt gij allengskens
+meer en meer achter den bezem; gij durft u niet meer verroeren, gij
+wordt een suffer, een gierigaard, een kwezelaar. Foei, gij vergeet,
+dat gij een man zijt, en gij ligt als een kind onder den duim uwer
+vrouw. Gij zoudt wel mededoen, ik weet het: gij hebt nog een tandje,
+dat er naar lotert; maar gij moet eerst permissie van moeder Damhout
+hebben, en God weet, of gij die permissie nog durft vragen!"
+
+"Wildenslag, ik wil mij niet boos maken," mompelde Damhout. "Ik weet,
+dat gij het niet kwaad meent, alhoewel gij onrechtvaardig zijt jegens
+mij."
+
+"Welnu, loochen dan, dat gij weigert uit opzicht voor uwe vrouw!"
+
+"Integendeel, ik beken het; maar indien het eens was uit achting voor
+haar en uit genegenheid voor mijne kinderen?"
+
+"Ja, Damhout, uwe kinderen; gij zult er een schoon kot van kweeken van
+uwe kinderen. Kleed ze maar als rentenierkens; laat ze maar naar de
+school gaan. Zoolang ze jong zijn, zullen ze meer kosten dan gij kunt
+winnen. Zij zullen schoon weer spelen en luierikken, terwijl gij, och
+arme, na eene gansche week te hebben geslaafd, nog geene pint bier met
+de vrienden zult mogen drinken. Geef hun uw zweet en uw bloed, verderf
+uwe gezondheid en verkort uw leven, en als ze groot geworden zijn,
+zullen ze hunnen vader, den armen versleten fabriekwerker, niet meer
+willen bezien of herkennen."
+
+Deze woorden waren niet zonder indruk op het gemoed van Adriaan
+Damhout. Hij scheen treurig en bleef eene wijl met gebogen hoofde
+overwegen. Dan zeide hij twijfelende:
+
+"Nochtans, Wildenslag, de geleerdheid is een schat, eene macht, die
+den mensch tot alles bekwaam maakt; en vermits wij onzen kinderen geen
+ander erfdeel kunnen nalaten...."
+
+"Vertelsels, droomen van uwe vrouw," herhaalde de andere. "Wat wilt
+gij, om 's hemels wil, dat een spinner of een wever met de geleerdheid
+doe? Of wij nu konden lezen en schrijven, wat zou het ons helpen?
+Hebt gij er minder om gewonnen, dat gij zoo min als ik, eene A uit
+eene B kent? Kom, kom, zotte hoovaardigheid en onnoozele praat
+allemaal. Onze ouders hebben gewerkt van kindsbeen af, wij hebben
+evenzoo gewerkt, en onze kinderen kunnen ook maar werken, dan valt er
+niets op te zeggen. Meent gij, dat ik mijn klein vee zal vetten met
+mijn zweet, totdat ze aan de luiheid gewend zijn? Hola een beetje! Er
+is er reeds één op de fabriek en de anderen zullen volgen. Zoo komt er
+van alle kanten boter in den pot, mijn vriend; en kan er voor ons nog
+een pintje bier, en van tijd tot tijd een plezierig smeerken op
+af.... Welnu, wat zegt gij? Viert gij mede het _jubilé_ van rossen
+Leo? Kom, gij moogt niet zoo vervaard zijn van uwe vrouw. Laat ze wat
+knorren. En maakt ze het te bont, toon haar, dat gij man zijt en een
+hart in het lijf hebt."
+
+Adriaan Damhout stak de hand in den zak, haalde er een stuk van
+vijfentwintig cents uit en gaf het aan zijnen gezel.
+
+"Alzoo, dezen avond, te negen uren stipt, in de _Blauwe Geit_, bij
+Pier de Knul?" juichte Wildenslag. "Het zal er gaan, het zal er een
+leventje zijn, dat gij er in uwen ouden dag nog zult van spreken!"
+
+"Ik zal pogen te komen; maar ik ben er niet zeker van," mompelde nog
+de andere.
+
+"Ja? gij zult toch niet dom genoeg zijn om uw geld door anderen te
+laten opdrinken? Dan zou ik zeker zeggen, dat gij met uwe vrouw van
+kleederen hebt verwisseld. Onmogeljk, Adriaan, zoover zijt gij nog
+niet."
+
+Op dit oogenblik riep men van uit het bureel zekere nummers, en de
+beide vrienden begrepen daardoor, dat hunne beurt om het weekloon te
+ontvangen was gekomen.
+
+Jan Wildenslag kreeg eerst zijn geld, doch bleef nog wachten om met
+zijnen gezel huiswaarts te keeren. Toen echter Adriaan Damhout aan het
+venstertje kwam, zeide men hem, dat hij met eenige anderen moest
+blijven, om eene hand uit te steken aan eene as, die moest worden
+opgelicht.
+
+Wildenslag drukte hem nog de hand en zeide in het heengaan:
+
+"Tot dezen avond dan. Komt gij niet, dan maak ik een kruis op uwen
+rug. Pas op, pas op, vriend: ieder moet op de wereld zijn deel van het
+leven hebben. Offert gij u op voor vrouw en kinderen, zij zullen
+zonder medelijden u afhalen en uitzuigen, totdat uwe gezondheid geheel
+zij gekrenkt. Hang de vlag in den wind, achter ons vergaat de wereld!
+Hoera, vivat de _leute_!"
+
+En lachende en eenen dwazen flikker makende, sprong hij de straat in,
+gevolgd door zijnen draadjesmaker, welken hij onder de eerste de beste
+gaslantaarn van zijn loon zou betalen.
+
+
+
+
+II
+
+
+Op het einde eener enge stege, in de wijk over de Nieuwbrugge, stonden
+een dertigtal kleine huisjes van gelijken vorm, en zichtbaar in eens
+gebouwd, om aan fabriekwerkers of andere geringe lieden te worden
+verhuurd.
+
+In een dezer huisjes was eene vrouw bezig met lijnwaad en kindergoed
+in eene kuip te wasschen.
+
+Zij scheen nog in de volle kracht des levens. Ongetwijfeld was zij
+schoon geweest; misschien was zij het nog; maar de slordigheid harer
+kleederen, de zorgeloosheid en de verzuimenis, waarvan alles op haar
+en rondom haar getuigenis gaf, konden geen ander gevoel opwekken dan
+treurnis en afkeer. Zij arbeidde met veel haast, plonsde hare bloote
+armen in de kuip en schudde en wrong het lijnwaad zoo wild en zoo
+onbezonnen, dat het water in golven ten gronde stortte en als een
+slijmige plas zich rondom haar uitbreidde.
+
+De kamer was gansch vervuld met den walglijken zeepsopdamp; en de lamp
+die tegen de schouw was opgehangen, verspreidde slechts een flauw en
+als ziekelijk licht.
+
+Nevens haar op de kachel stond het avondeten in eenen steenen pot te
+koken. Van tijd tot tijd trok zij hare handen uit de kuip, greep een
+houten lepel, en stompte en roerde in den pot om de spijs niet te
+laten aanbranden.
+
+Vier kinderen, jongskens en meisjes, van verschillenden ouderdom,
+onzindelijk, beslijkt en met gescheurde kleederen, zaten of lagen op
+den vloer in eenen hoek. Zij vermaakten zich met spelen. Niet zelden
+trokken zij elkander bij het haar of vochten of schreeuwden, of
+spraken grove woorden, die men uit den mond van kinderen niet zou
+verwachten.
+
+De vrouw had er tot dan weinig acht op geslagen; evenwel kwam er een
+oogenblik dat het onverdraaglijk gedruis der kinderen en de
+noodkreten: "moeder, help! help!" haar het geduld deden verliezen. Zij
+sprong naar hen toe, gaf den eerste den beste eenen stamp, den tweede
+eenen vuistslag en den overigen eenige weergalmende oorvegen.
+
+Dan keerde zij naar de kachel terug, roerde de aardappelen nog eens om
+en voer vergramd uit tegen de kinderen, in zulke ruwe, onkiesche taal,
+dat de arme kleinen daaruit niets dan eene les van onbeschoftheid
+konden putten.
+
+"Daar hebt gij 't nu, leelijke deugnieten!" riep zij. "De patatten
+zijn aangebrand. Vader zal weer den duivel jagen en mij eenen hoop
+zure woorden naar den kop werpen. Hij en gij, gij meent, dat ik uwe
+slavin ben en maar alleenlijk leef om te werken en uitgescholden en
+geplaagd te worden, van den morgen tot den avond? Wel ja! Is hij niet
+tevreden, dan kan hij er maar bij gaan liggen, totdat het betert. Waar
+blijft uw lekkere vader? In de _Blauwe Geit_, bij Pier de Knul, zeker?
+Hij heeft zijn weekloon getrokken, en de dronkaard is reeds bezig met
+het geld door zijn keelgat te jagen. Wacht een beetje; ik zal hem eens
+naar binnen gaan sleuren. Blijft van den pot, terwijl ik weg ben, of
+ik breek u altezamen den hals, oudersverdriet dat ge zijt!"
+
+Nauwelijks had de moeder het huis verlaten, of de kinderen begonnen
+met de bloote voeten in het gestorte zeepsop te dansen, zoodat de
+muren en het huisraad geheel met slijkige vlekken werden bespat.
+
+Zij stoven verschrikt uiteen, toen hun vader zich onverwachts op den
+dorpel vertoonde. De reuk van het verbrande eten ontrukte den man een
+gegrom van ontevredenheid; de zeepsopdamp en het slijkig water op den
+vloer deden hem huiveren, en zijn gelaat verkrampte tot eene
+uitdrukking van walg en verdriet:
+
+"Waar is moeder?" vroeg hij.
+
+"Naar de _Blauwe Geit_, bij Pier de Knul," antwoordden de kinderen.
+
+"Bij Pier de Knul?"
+
+"Om u te halen, vader."
+
+"Ha, daar zijt gij, morsige prij!" kreet hij, toen hij zijne vrouw zag
+binnenkomen. "Wat is dit hier voor een stal? Waarom wascht gij die
+smerige doeken des avonds, als ik te huis zal komen? Gij hebt zeker
+weer den ganschen dag rondgeloopen en gaan babbelen bij de geburen?"
+
+"Tistje, ga, roep uwe zuster Godelieve," zeide de vrouw tot een der
+kinderen, zonder schijnbaar acht te geven op de harde berispingen
+haars echtgenoots.
+
+"Ik krijg de koorts, zoohaast ik eenen voet in uw varkenskot zet,"
+hernam deze. "Ik heb goesting om er uit weg te vluchten en er nooit
+meer weder te keeren. Werk dan al eene gansche week, en beul u af en
+zweet om geld in het huishouden te brengen; dan vindt gij des
+Zaterdags zwartgebrande patatten en eenen smerigen boel, die u van
+walg het hart in het lijf doet keeren.
+
+--Gaat gij spreken?"
+
+"Ba, spreken," hernam de vrouw spottend, "ik lach met al wat gij zegt.
+Meent gij, dat gij mij gehuurd hebt en dat ik uwe meid ben? Bevalt u
+het eten niet, laat het staan; is het huis niet zuiver genoeg naar
+uwen zin, kuisch het zelf, indien gij lust hebt, domme praatmaker!"
+
+De man hief de hand op en scheen zijne vrouw te bedreigen.
+
+"Zoo, zoo?" riep zij, "de vuisten jeuken u vandaag? Kom, Wildenslag
+lief, houd u niet in. Zoudt ge gaarne weder met een aangezicht vol
+krabben naar de fabriek gaan? Gij moet het maar zeggen; ik ben gereed,
+indien een borstelingsken u plezier kan doen. Zwijg liever en eet in
+vrede: de patatten zijn maar een beetje verbrand; daarenboven,
+schreeuwen, schelden en slaan zullen ze niet beter maken."
+
+Eensklaps trad er een zevenjarig meisje stil en langzaam in de kamer.
+Zij was mager en scheen ziekelijk; maar hare blauwe oogen glinsterden
+als parelen, en op haar fijn mondje speelde eene wonderzoete
+uitdrukking: iets lijdends, iets smeekends, als ware het kind een
+levend gebed. Ofschoon van nederigen vorm en gemeene stof, waren hare
+kleederen zeer zuiver, en hier, in dit onzindelijk huis, omringde haar
+als het ware een wasem van innerlijke onnoozelheid en van lichamelijke
+reinheid.
+
+Zij ging tot den man, legde streelend hare hand in de zijne, zag hem
+met eenen stillen, doch diepen glimlach aan en murmelde:
+
+"Dag, vader lief!"
+
+De zilverachtige toon van dit stemmeken, de kwijnende liefde-blik van
+zijn ziek kind raakten den werkman.
+
+"Dag, mijn goed Lieveken," antwoordde hij, het meisje tegen zijn hart
+drukkende. "Is het wat beter? Zijt ge nog ziek?"
+
+"Nog een beetje, vader," was het antwoord. "Bazin Damhout heeft mij
+kruiden doen drinken en het heeft mij verkwikt."
+
+"Is baas Damhout al te huis van de fabriek?" vroeg Wildenslag.
+
+"Neen, vader, nog niet."
+
+"Kom, zit neer, Lieveken, en eet, kind; want die wilde slokoppen zijn
+al aan den gang. Zij zouden wel niets voor u overlaten."
+
+Het meisje zette zich aan tafel, maakte het teeken des kruises en bad
+in stilte, waarna zij met opmerkelijke geschiktheid en ingetogene
+manieren begon te eten.
+
+"Wildenslag vond de aardappelen uiterst bitter en slecht; hij at met
+lange tanden, grommelde in zich zelven en trok verstoorde gezichten,
+maar hij bedwong zijne spijt en viel niet meer in scheldwoorden uit,
+even alsof de tegenwoordigheid van zijn ziek kind eenig besef der
+betamelijkheid in hem had opgewekt. Eindelijk zeide hij met eenen
+zucht:
+
+"Maar, Lina toch, zonder twist, zoudt gij uw huis niet wat zuiverder
+kunnen houden en uwen kinderen betere voorbeelden geven? Zie eens, hoe
+bazin Damhout het weet te schikken. Haar man is een fabriekwerker als
+ik; hij heeft anders niet dan zijn dagloon; en nochtans in zijn huis
+zoudt ge van vloersteenen willen eten, zoo zuiver is er alles."
+
+"Wat komt gij mij spreken van bazin Damhout!" was het bitsig antwoord.
+"Zij is eene goede, brave vrouw, dit zal ik niet loochenen; maar de
+Damhouts zijn geene menschen gelijk wij. Wees zeker, Wildenslag, zij
+hebben eigendommen of uitgezet geld, alhoewel ze het verbergen."
+
+"Neen, dit hebben ze niet. Er komt geen cent in huis, dien Adriaan
+Damhout niet op de fabriek heeft gewonnen. Zij hebben integendeel
+minder dan wij, vermits onze jongen reeds vier franken in de week
+verdient."
+
+"Lekkere jongen! hij zit zeker in de eene of andere kroeg. Hij heeft
+een aardje naar zijn vaartje: er zal veel goeds van komen, ik beloof
+het u!"
+
+"Neen, neen, hij is achter de taptoe geloopen. Wees zeker, Lina, bazin
+Damhout doet haar huishouden met min dan gij. Zooals zij het schikt,
+kunt gij het ook schikken."
+
+"Kom, kom, Wildenslag, ieder zingt zooals hij gebekt is, en het is
+moeilijk, eenen ouden aap nieuwe grimassen te leeren. Laat dit
+liedeken achter, het is nutteloos. Weet ge wat de huisbaas zegt over
+bazin Damhout? Dat ze zorgend en zindelijk is, omdat ze kan lezen."
+
+"De huisbaas zegt dit om te lachen. Vrouw Damhout kan anders niet
+lezen dan in den almanak en in haar kerkboek. Daar zal ze toch het
+huishouden niet in leeren."
+
+"Dan zal het zijn, omdat Damhout minder geld verteerd, en te huis
+blijft, terwijl gij halve nachten in de kroeg zit te drinken en te
+dobbelen!"
+
+"Dit is wel mogelijk," antwoordde Wildenslag, het hoofd met ongeduld
+schuddende. "Wie zegt u, dat ik niet te huis zou blijven, ten minste
+in de week, indien hier alles niet walgelijk was als in eenen stal, en
+ik er slechts een vriendelijk gezicht mocht vinden; maar gij, met uwe
+barschheid en met uwe zorgeloosheid, zoudt een engel de deur
+uitjagen."
+
+De gekwetste vrouw zette de vuisten op de heupen en meende eenen
+woedenden uitval te doen; maar de deur vloog open en een
+veertienjarige jongen, wiens kleederen vol katoenvlokken hingen,
+sprong binnen; hij eindigde het refrein van een onbetamelijk lied,
+ofschoon hij eene rookende pijp in den mond hield.
+
+Aan tafel vallende, meende hij van de verbrande aardappelen te eten:
+maar na den eersten mondvol te hebben gesmaakt, wierp hij bulderend de
+vork op den schotel en viel uit in onbeschofte berispingen tegen zijne
+moeder.
+
+In stede van hem te bestraffen, gaf de vader hem gelijk.
+
+"Daar is mijn weekloon," zeide de jongen, drie franken ter tafel
+werpende. "De patatten zijn verbrand en smaken naar het zeepsop. Ik
+trek er van door en zal ergens gaan eten, waar men het gevaar niet
+loopt vergiftigd te worden."
+
+Er werd hevig getwist, omdat de jongen eenen frank van zijn loon had
+achtergehouden; dit tooneel vernieuwde zich, toen de vader insgelijks
+zijn weekgeld afgaf. Evenwel, na vele harde, grove woorden verkalmde
+het tempeest.
+
+"Goeden avond," juichte de jongen, "ik ga naar de _Blauwe Geit_, eene
+schel hesp eten."
+
+"Kom, Sander, ik ga mede," zeide de vader. "Het deugt hier niet. Na
+eene gansche week zuren arbeid mogen wij wel een beetje ons
+verzetten."
+
+"Ha, ze meenen, dat ik hier den ganschen avond alleen zal blijven
+koekeloeren, terwijl zij ginder in de _Blauwe Geit_ hun hart ophalen
+en tot over de ooren in de leute zitten?" morde de vrouw, toen haar
+man en haar zoon waren heengegaan. "Ik moet er mijn deel van hebben:
+ik lust ook hesp. Lieveken, ga gij maar voor een uurtje naar bazin
+Damhout. Ik zal u laten roepen."
+
+Zij krabde geweldig met den haak in de kachel, om het vuur uit de
+dooven; doch daar dit niet spoedig genoeg naar haren zin ging, stortte
+zij eene kom zeepsop op de brandende kolen, zoodat de kamer met een
+stinkenden rook werd vervuld.
+
+"En gij daar, bengels," riep zij tot de kinderen, "zorgt dat gij van
+de lamp blijft en met geen vuur speelt, of ik sla den bezem op uwe
+knoken aan stukken!"
+
+Op dit oogenblik zag zij, dat het oudste jongetje een zijner zusters
+bij de haren trok, en zij hoorde een gesnor, alsof er eene stof werd
+gescheurd.
+
+"Beul, schei uit!" bulderde zij. "Wacht maar, booze vadsigaard, gij
+zult niet lang hier den boer spelen. Te naaste week gaat gij naar de
+fabriek. Als ik terugkom, zal ik u geene kleine rammeling geven, omdat
+gij alweder het kleed uwer zuster hebt gescheurd."
+
+"Het is niet waar!" kreet de knaap.
+
+"Ik heb het gezien!" schreeuwde de moeder.
+
+"Gij liegt er aan," snauwde het kind.
+
+En alsof er in dit monsterachtig gebrek aan ontzag en aan zedelijkheid
+niets ongewoons ware, de vrouw scheen er geene acht op te geven, of
+het niet te gevoelen; want zij liep het huis uit en wierp de deur toe.
+
+Arme kinderen, wat kon er onder de leiding van zulke moeder uit hen
+groeien? Niets anders voorwaar dan woeste, onbeschaafde wezens,
+beroofd van alle gevoel der menschelijke waardigheid. Het was hunne
+schuld niet; maar was het wel de schuld hunner moeder?
+
+Die vrouw, toen zij zelve kind was, had hare eerste jaren doorgebracht
+onder de waakzaamheid eener onwetende en grove oude vrouw, te midden
+van verlatene kinderen, wier moeders, evenals de hare, den ganschen
+dag op de fabriek hadden te arbeiden. Daar had zij niets geleerd dan
+eene barsche, onkiesche taal; zij was opgegroeid zonder het minste
+denkbeeld der plichten, welke de mensch in dit leven te vervullen
+heeft jegens God, jegens de maatschappij en bovenal jegens zich
+zelven. Dewijl zij alsdan slechts den ouderdem van negen jaar had
+bereikt, was er nog hoop, dat zij eenige vonken van het licht der
+beschaving zou ontvangen; dat, vooraleer zij vrouw wierd, toch eenig
+gevoel van persoonlijke waardigheid en van maagdelijke zedigheid in
+haar zou ontkiemen. Maar vóórdat de tiende Lente voor haar aanbrak,
+was zij reeds op de fabriek, vastgeklonken aan een eeuwigdraaiend
+tuig, overgeleverd aan het gezelschap van mannen en vrouwen, ruwer nog
+en onwetender dan zij. Later is zij getrouwd; slechts sedert de
+geboorte van haar derde kind blijft zij te huis, en geeft daar aan
+haar kroost het eenig onderwijs, dat zij heeft ontvangen:
+onwetendheid, barschheid, verlaging, verbastering der menschelijke
+natuur.
+
+En wij, die spreken van de zedelijke verbetering des werkmans, wij
+geven zijnen kinderen zulke moeder! En wij, die schelden op den
+werkman, omdat hij zijne woning ontvlucht, omdat hij drinkt en zwiert,
+wij geven hem zulke gezellin!
+
+Ja, de reusachtige uitzetting der nijverheid is een wonderbaar en
+weldadig verschijnsel onzer eeuw; maar de denker, de menschenvriend
+zal haren onweerstaanbaren voortgang niet zonder geheimen schrik
+aanschouwen, zoolang zij de vrouw, de moeder uit den schoot des
+huisgezins wegrukt en het kind tot slaaf der stof maakt in eenen
+ouderdom, die bestemd is tot zijne vorming als mensch en als Christen.
+
+Wil men de beschaving der werkende klasse, dan moet men met de vrouw
+beginnen. Deze wet is onverbiddelijk. Heerscht de man over de
+stoffelijke wereld, van de moeder alleen hangt de zedelijke vorming
+af, en zij heerscht over den geest en het hart der wordende geslachten
+met al de macht des engels of des duivels, naarmate der verhevenheid
+of der laagheid harer ziel.
+
+De menschheid begint het te begrijpen. Uit de diepte van het algemeen
+geweten rijst een noodkreet op, eene waarschuwende stem, die roept:
+"Redt de wereld uit de zedelijke verzinking door de vrouw! Onderwijs
+voor de vrouw! Opvoeding voor de vrouw! Licht, waardigheid en
+plichtbesef in het hart der moeders van het volk! Zoo niet,
+duisternis, verbastering, onrecht en bloedige wederwraak over de
+komende wereld!"
+
+
+
+
+III
+
+
+Veel verder in de rij der gelijkvormige werkmanswoningen was er een
+huisje, dat zich onderscheidde door zijne netheid.
+
+Tot op de straat was er wit zand voor de deur gestrooid. Drie of vier
+bloempotten geurden op de vensters, achter sneeuwblanke gordijntjes.
+Op de schouwplaat prijkte een Lieve-Vrouwebeeld, tusschen twee
+pleisteren papegaaien, wier rood, geel en groen vederkleed de oogen
+aangenaam verraste. Het kleinste keukengerief, de schotels en
+koffietasschen stonden op eene kas te pronken, en glinsterden en
+schitterden, als waren zij hoogmoedig over hunne netheid. De grove
+biezenstoelen waren zonder vlekken, de withouten tafel gewasschen, de
+kachel met potlood geglimd.
+
+Even arm als de andere was deze werkmanswoning; de meest schitterende
+voorwerpen hadden slechts eenige centen gekost ... en nochtans er
+heerschte zulke bekoorlijke toon van vrede, van levenslust en van
+gemak; de lucht was er zoo zuiver en zoo aanlachend, dat men bij het
+gezicht van dit nederig huisje gereedelijk moest begrijpen, hoe een
+werkman ook zijne woning kan liefhebben evenals een rijkaard, die
+zich op zijn paleis verhoovaardigt.
+
+In de benedenkamer van het huisje zat eene vrouw bij eene lamp te
+arbeiden. Zij naaide aan een blauwen kiel; en vermits er op eenen
+stoel nog vele zulke kielen geplooid lagen, was het te vermoeden, dat
+zij voor eenen winkel werkte. Zij kon den ouderdom van achtentwintig
+of dertig jaar bereikt hebben; hare kleederen, van gemeen katoen en
+door wasschen verbleekt, waren zeer zuiver en zelfs met zekeren
+eenvoudigen zwier geschikt.
+
+Nevens haar bij de tafel, zat een achtjarig jongsken met bruin haar en
+groote, levendige oogen. Hij had een brief voor zich liggen en
+verroerde de lippen, terwijl hij met een stokje de lettergrepen
+aanwees, welke hij poogde te lezen.
+
+In eenen hoek, op een paar houten bankjes zaten twee kleine meisjes
+van drie of vier jaar. Zij speelden met poppen en vermaakten zich in
+stilte, nu en dan eens de stem verheffende om de poppen te bekijven,
+of zoet lachende onder elkaar.
+
+Sedert eene wijl scheen de jongen in verlegenheid; zijn stokje
+verroerde niet meer, hij schudde het hoofd met ongeduld.
+
+"Wat is het, Bavo?" vroeg de vrouw. "Gaat het niet goed, kind?"
+
+"Ach, moeder," zeide hij, "de meester heeft mij eene les te leeren
+gegeven, en daar is een woord in, zoo moeilijk, zoo moeilijk! Ik zweet
+er van; maar ik kan er toch niet uit. Lees gij het eens, moeder lief!"
+
+Hij naderde dichter, legde haar het boek onder de oogen en wees het
+onleesbare woord. Maar de vrouw, na eene lange poging, mompelde met
+moedeloosheid:
+
+"Zelf.... Zelfver.... Zelfverloo.... Het overige kan ik niet lezen,
+Bavo. Zijn dit ook woorden voor een kind als gij? Kom, sla dit maar
+over en vraag het morgen uwen meester."
+
+Het jongsken hield zwijgend den blik op het boek gevestigd; zijne
+leden spanden zich, zijne oogen werden starend en hij verzamelde
+zichtbaar de kracht zijns geestes.
+
+"Neen, laat af, kind," zeide de vrouw, "breek u de hersens niet
+nutteloos: het woord is te moeilijk."
+
+"Te moeilijk?" morde de kleine. "Ik moet het lezen, ik wil.... Ach,
+moeder, stil, stil; gij hebt mij geholpen, het zal gaan....
+Zelfverloo.... Zelfverlooch.... Zelfverloochening! Zie, zie, moeder
+lief, het woord is zelfverloochening!"
+
+Een kreet van bewondering ontsnapte de vrouw; zij greep haar zoontje
+in de armen en legde eenen langen kus op zijn voorhoofd. Wat haar dus
+ontroerde, was de vroegtijdige gemoedskracht en de schier mannelijke
+wil, dien zij in haren zoon meende te ontdekken. Wat droomde zij bij
+den liefderijken kus? Zij wist het niet, en evenwel dankte zij God uit
+den grond des harten.
+
+Het kind, door de teedere goedkeuring aangemoedigd, had weder zijn
+boek gegrepen; maar de vrouw, nog ontroerd, zeide hem:
+
+"Bavo lief, gij moet maar goed leeren, kind; later in het leven zult
+gij eerst begrijpen, hoe schoon en hoe nuttig het is, te kunnen lezen
+en schrijven. Iemand, die niet lezen kan, is maar een half mensch, en
+hij is veroordeeld, al ware hij zelfs met verstand geboren, om altijd
+onwetend te blijven. Gij zult meer en beter leeren dan ik, Bavo, en
+daarom zult gij gelukkiger zijn in de wereld. Ach, dat mijn Peter zoo
+vroeg is gestorven! Anders zou ik goed kunnen lezen en schrijven; maar
+er was niemand meer om mij te beschermen; ik moest naar de fabriek.
+Nog wel een beetje heb ik mij zelve geleerd; maar wanneer men moede
+gewerkt is, gaat dit niet goed. Ja, Bavo, indien iedereen kon lezen,
+zouden er zoovele slechte lieden niet zijn; want wie lezen kan,
+gevoelt, dat hij mensch is, en hij eerbiedigt zich zelven. Ongelukkig
+hebben zoo weinige werkmanskinderen de gelegenheid of de middelen om
+te leeren; de ouders, die zelven onwetend zijn, begrijpen niet, hoe
+nuttig en hoe schoon het is geleerd te zijn. Gij, mijn kind, indien
+God uwen vader de gezondheid blijft gunnen, zult veel kunnen leeren.
+Bavo, vergeet nooit, dat gij dit geluk zult verschuldigd zijn aan uwen
+vader, die van den morgen tot den avond slaaft en zweet om zijne
+kinderen in eere op te brengen, en die zelfs uit de herberg blijft en,
+om zoo te zeggen, het brood uit zijnen mond spaart, om u naar de
+school te laten gaan. Niet waar, Bavo, gij zult het nooit vergeten?
+Wat er ook in uw leven gebeure, gij zult uwen goeden vader altijd
+eerbiedigen en beminnen?"
+
+"Altijd, altijd, en u ook, moeder lief!" zei het jongsken, haar de
+wangen streelende.
+
+Op dit oogenblik werd de deur geopend, en een man trad binnen. Zijne
+kleederen, door katoen en stof bevlekt, waren versleten en schenen
+vuil in zulke zindelijke plaats. Er was iets spijtigs in zijne
+uitdrukking en hij scheen van slechte luim.
+
+Maar daar klonk het woord "vader! vader!" hem op alle tonen tegen, en
+vooraleer hij twee stappen in de kamer had gedaan, waren zijne handen
+streelend aangegrepen en fijne kinderstemmen verwelkomden hem met
+eenen vloed van zoete liefdewoorden. Bavo liep naar hem toe, een
+stukje papier boven zijn hoofd zwaaiende:
+
+"Vader, vader lief!" riep hij, "twintig goede noten! Twee kussen voor
+mij en vier centen voor mijnen spaarpot!"
+
+En onder het uitspreken dezer woorden had de jongen eenen machtigen
+sprong genomen, en hing nu aan zijns vaders hals, om de belooning
+zijner leerzaamheid te ontvangen.
+
+Intusschen was de vrouw bezig met een ammelaken op de tafel te
+spreiden en het avondeten op te zetten. Zij lachte haren man
+vriendelijk aan en sprak insgelijks menig blij woord tot welkom.
+
+"Zit neer, zit neer, Damhout," zeide zij, "gij moet eetlust hebben, en
+de aardappelen zouden welhaast koud geworden zijn. Ik heb een lekker
+pladijsje voor u gekocht, goedkoop, voor vijf centen, springende
+levend. Komt, kinderen, aan tafel, aan tafel!"
+
+Adriaan Damhout was gevoelig aan de liefdesbetuigingen zijner
+kinderen; de rimpels verdwenen van zijn voorhoofd en een stille
+glimlach verlichtte zijn gelaat. Hij gaf zijn zoontje de vier
+verschuldige centen en reikte zijn weekloon aan zijne vrouw, die,
+zonder het te bezien, het geld in haren zak liet glijden.
+
+Dan namen allen plaats aan de tafel, zoo ordelijk, zoo zuiver en zoo
+netjes geschikt, alsof die arme menschen gekozene spijzen uit
+porseleinen borden en met zilveren lepels zouden gaan eten. Het waren
+evenwel slechts gestoofde patatten, grove telloren en ijzeren vorken
+die er te zien waren, tenzij misschien het gebakken pladijsje voor
+vader, dat wel lekker geurde en te midden der tafel als een pronkstuk
+of eerder nog als een liefdesgeschenk prijkte.
+
+Allen te gelijk maakten het teeken des kruises en dankten God in
+stilte, waarna zij met waren lust begonnen te eten. Slechts toen de
+visch zou worden aangevat, werd de vrede eenigszins gestoord. Damhout
+kon het niet over zijn gemoed krijgen, de pladijs, hoe klein zij ook
+ware, geheel alleen op te eten; hij wilde het lekker gebak met zijne
+vrouw deelen; maar de vrouw bevestigde, dat het voor hem en slechts
+voor hem was gekocht. Hij zou haar door langer aandringen bedroeven.
+Alhoewel de kleinen, door de moeder geleerd, haar hielpen, eindigde
+toch de vriendelijke twist op zulke wijze, dat elk kind, een stukje
+van den visch op zijn bord kreeg en de werkman het overige met
+onbeneveld vermaak genoot.
+
+Onmiddellijk na het avondmaal werd het ammelaken geplooid, en alles
+verdween in een oogslag van de tafel.
+
+De vrouw zette zich nevens haren man en begon met hem over het werk en
+over de fabriek te spreken; de twee meisjes kropen op vaders knieën.
+Bavo stond aan zijne andere zijde met zijn boek in de hand te wachten,
+totdat zijne ouders ophielden samen te kouten.
+
+Het was een eenvoudig, doch roerend tooneel, dien werkman in zijne
+slechte en besmette kleederen, te zien zitten met die nette, lachende
+engeltjes op de knieën, tusschen eene liefderijke vrouw en eenen
+leerzamen zoon, wiens oogen met ontzag en biddend tot hem waren
+gericht.
+
+"Vader lief, mag ik eens lezen?" vroeg het jongetje eindelijk. "Wij
+hebben vandaag zulke schoone les gekregen! Ik weet niet of ik ze al
+goed ken, maar ik zal mijn best doen."
+
+"Ja, Bavo, lees uwe les eens voor vader," zeide de vrouw.
+
+De jongen opende zijn boek en las met zekere moeite en eenige
+onderbrekingen, evenwel met genoegzame duidelijkheid om verstaan te
+worden:
+
+"Kinderen, wilt gij door God gezegend zijn op aarde, eert uwen vader
+en uwe moeder. Zij hebben u lief als het licht hunner oogen; zij
+zorgen en werken voor u van den morgen tot den avond; het eenige doel
+van al hun streven, van hunnen kommer en van hunne gebeden, is uw
+geluk alleen. Bemint hen teederlijk; zijt hun onderdanig en blijft hun
+dankbaar; wordt de steun en de blijdschap hunner oude dagen, en
+beloont aldus de ouderlijke liefde, die zuivere en schier goddelijke
+zelfverloochening."
+
+Deze lezing scheen eenen ongunstigen indruk op het gemoed van Damhout
+te doen; zij herinnerde hem wat Wildenslag hem had gezegd, en gaf
+nieuwe kracht aan de vrees, welke zijn vriend nu weder voor de
+twintigste maal in hem had opgewekt. Zijn gelaat werd zeer ernstig en
+hij schudde nadenkend het hoofd.
+
+"Bavo, begrijpt gij wat gij daar hebt gelezen?" vroeg hij na eenige
+overweging.
+
+"Ja, vader lief," antwoordde het kind, "er staat, dat gij voor mij
+werkt, en ik u en moeder altijd gaarne moet zien."
+
+"Tot in onzen ouden dag, Bavo."
+
+"Ja, vader, tot in uwen ouden dag, zoolang ik leef."
+
+"En zult gij dit doen, kind?"
+
+De jongen zag zijnen vader verbaasd aan, doch zonder spreken, als
+begreep hij zijnen twijfel niet.
+
+"Het is wel," zeide Damhout, "gij zijt wijs, Bavo. Blijf zoo, en
+vergeet nimmer wat daar in uw boek geschreven staat, anders zal God u
+straffen."
+
+Er volgde eene wijl stilte; de vrouw bespiedde het gelaat van haren
+man, die nu klaarblijkend in treurige gepeinzen was verzonken.
+
+"Adriaan," murmelde zij, "wat is er toch, man lief? Gij schijnt zoo
+denkend? Ik heb het gezien toen gij binnenkwaamt: er hangt u iets in
+het hoofd. Hebt gij verdriet?"
+
+"Ik heb wel geen verdriet, Christina," antwoordde hij, "maar er is
+toch iets dat mij kwelt. De andere kameraden gaan al eens een pintje
+te zamen drinken; zij lachen en kouten en vermaken zich een beetje na
+den weeklangen arbeid. Ik zit hier altijd te huis, alsof ik buiten de
+wereld was; en de vrienden drijven den spot met mij. Misschien is het
+onverstandig, zoo zijn leven geheel op te offeren, zonder te weten,
+wat er in het einde nog zal van komen."
+
+Alhoewel deze woorden haar verrasten, haalde de vrouw een zilveren
+geldstuk uit haren zak en reikte het met eenen minzamen glimlach haren
+man toe.
+
+"Damhout lief," sprak zij, "gij moet het voor mij niet laten; daar is
+geld; hebt gij lust om een uur of eenige uren met de kameraden te
+zijn, voldoe uwe goesting. Ga, ik zal zelve plezier in mijn hart
+hebben, als ik weet, dat gij u vermaakt."
+
+Maar de man, als beschaamd over zijn gemor, dreef zachtjes hare hand
+terug.
+
+"Neen, houd het geld," zeide hij,--mijn lust is over.... Nochtans,
+Christina, dezen avond vieren de vrienden in de _Blauwe Geit_ het
+_jubilé_ van rossen Leo, omdat hij nu vijfentwintig jaren spinner is.
+Wildenslag heeft mij aangemaand om er bij tegenwoordig te zijn; ik heb
+hem beloofd, dat ik zou komen, indien het mogelijk was."
+
+"Welnu, Damhout, het is mogelijk: gij moet uwe belofte houden."
+
+"Ja, maar ik weet niet, mij dunkt, dat ik nog liever te huis zou
+blijven met de kinderen."
+
+"Neen, neen, Damhout; morgen is het Zondag; dan zijn wij van den
+morgen tot den avond te zamen. Doe mij plezier en neem dit geldstuk;
+ga naar de _Blauwe Geit_ en wees vroolijk met de vrienden. Ik zal
+tevreden en welgemoed naar u wachten; maar blijf zoolang, zoolang gij
+wilt. Ga, ga, ik bid u."
+
+Zij moest hem nog gedurende eene wijl met vriendelijk geweld aanmanen
+om op te staan. Dan vergezelde zij hem tot de deur en wenschte hem
+eenen genoeglijken avond. Zij keerde tot de tafel terug en hernam haar
+naaiwerk.
+
+Eenige oogenblikken later werd de deur zeer zachtjes geopend, en een
+klein meisje trad binnen.
+
+"Bavo, daar is Godelieve," zeide de moeder.
+
+De jongen sprong recht, liep naar het meisje, greep haar de hand en
+bracht haar bij de tafel, met groote blijdschap zeggende:
+
+"Ha, Lieveken, dat is goed, dat gij nog terugkomt. Ik ben moede
+geleerd; laat ons nog wat spelen. Willen wij winkel houden gelijk
+gisteren? Het is zoo vermakelijk."
+
+"O, neen, Bavo, laat ons school spelen!" smeekte het meisje.
+
+"Ja, ja, school spelen!" herhaalden de twee zusterkens, lachend in de
+handen kletsende.
+
+Bavo haalde eenige boekjes voor den dag, welke hij van zijne eerste
+leermaanden had gespaard; hij zette Lieveken op het eene bankje en
+zijne zusterkens op het andere, greep zijns vaders zondagsrietje en
+begon, met opgeheven hoofd en koddigen ernst, over en weder te
+wandelen, ondertusschen op verzwaarden toon roepende:
+
+"Stil, in de school, of ik zet u in den hoek! Wie zijne les niet kent,
+zal noen-overal blijven. Godelieve Wildenslag, let op! Welke letter is
+dit?--Goed. En deze? En deze?--Gij kent uwe les; gij zult eene klasse
+verhoogen. Keer het blad van uw boek om. Wat staat daar op den tweeden
+regel?"
+
+"Da, de, di, do, du, dij!" riep Lieveken.
+
+"Ja, gij kent dit van buiten, ik weet het wel; maar daar, op het
+andere blad, daar?"
+
+Het meisje deed een oneindig geweld om de aangewezene lettergreep te
+spellen, doch zij geraakte er niet uit.
+
+"Heb moed, let wel op," zei Bavo. "Die dubbele O is lang; en voeg daar
+achter nu den klank _ge_ bij, wat hebt ge dan?"
+
+"Oog, oog!" riep Lieveken met zegevierende blijdschap.
+
+"Wel zoo, mijn kind, gij zijt er," juichte de jonge schoolmeester.
+"Godelieve Wildenslag krijgt tien goede noten!"
+
+De moeder had dit tooneel glimlachende en met welgevallen afgezien.
+Zij scheen eindelijk ontroerd en zeide: "Kinderen lief, gij speelt
+daar een schoon en ernstig spel. Zoudt gij gelooven, dat Lieveken
+eindelijk nog zou leeren zonder naar de school te gaan?"
+
+De jongen en het meisje bezagen haar met verwondering.
+
+"Het is, zooals ik u zeg," bevestigde zij. "Waarom verwondert het u?
+Ziet eens, Lieveken, zonder het te weten, kent al hare letters en zij
+begint reeds te spellen. Indien Bavo zich wat moeite wilde geven, wees
+zeker, Lieveken, gij zoudt wel spoedig kunnen lezen."
+
+"Gij zegt het om te lachen, niet waar, bazin Damhout?" murmelde het
+meisje twijfelend.
+
+"Zou dit inderdaad mogelijk zijn, moeder lief?" vroeg Bavo, in wiens
+oog eene vonk van besluit glinsterde.
+
+"Mogelijk? Wel, kind, het is bijna gedaan? gij ziet het immers wel?"
+
+"Ha, ha, Lieveken, wij zullen altijd school spelen! Gij zult leeren
+lezen!"
+
+"Ik zal leeren lezen!" herhaalde Lieveken met bedwongen geestdrift.
+
+"Gij zult het leeren!" kreet Bavo. "Och, hemeltje, dat zal vermakelijk
+zijn, als wij te zamen in hetzelfde boek zullen kunnen lezen. Nu ga
+maar weder op de bank zitten, en geef acht ... of ik doe u twee groote
+lessen uit den Catechismus van buiten leeren!"
+
+Bavo speelde zijne rol van schoolmeester met verdubbelde vlijt voort.
+Alhoewel hij insgelijks nu en dan zijnen kleinen zusterkens de letters
+toonde en met geveinsd ongeduld hen terechtwees, hield hij zich toch
+meest met Lieveken bezig Hij sprak zulke diepgevoelde woorden van
+aanmoediging tot haar, en poogde met zulke ware inspanning haar te
+onderwijzen, dat het eenvoudig kinderspel in een ernstig werk, in
+eene edele liefdedaad veranderde.
+
+Het duurde zoolang, dat eindelijk de twee kleine zusterkens, hoofdje
+tegen hoofdje, op hunne bank waren in slaap gesukkeld.
+
+Dan was de school uit. De moeder ontkleedde de ingesluimerde wichtjes
+en droeg ze naar hun bed. Bavo en Lieveken keerden terug bij de tafel
+en keken daar in een klein boek met beeldekens.
+
+Terwijl bazin Damhout haar naaiwerk voortzette, spraken de twee
+kinderen in stilte met elkaar over de gelukkige hoop, dat Lieveken zou
+leeren lezen, alhoewel zij niet naar de school mocht gaan, dan weder
+over andere schoone, vroolijke dingen. Meest altijd zweefde er een
+zoete glimlach op hunne lippen; hunne oogen glinsterden van
+vriendschap en zielsgenoegen, en soms drukten zij elkander de handen.
+
+Eindelijk hoorde men eene kinderstem van buiten den naam van Godelieve
+roepen, en het meisje, na Bavo en zijne moeder eenen goeden nacht te
+hebben gewenscht, meende zich naar huis te spoeden; maar bazin Damhout
+greep eenen emmer en zeide:
+
+"Kom, Lieveken, ik moet om water naar de pomp; ik zal met u gaan."
+
+Toen zij in de kamer terugkeerde, bevond zij, dat Bavo met het hoofd
+op zijne boekjes was ingesluimerd.
+
+Zij zette zich neder, zag haar slapend zoontje eene wijl met zaligen
+blik aan, droomde van onbestemde dingen en legde eindelijk eenen
+langen, vurigen kus op het gladde voorhoofd, als geloofde de goede,
+dat een moederzoen de kiemen des verstands in de hersens van haar kind
+kan verwarmen en bevruchten. Nauwelijks had zij weder haar naaiwerk
+hernomen, of haar man trad in de kamer.
+
+"Reeds terug? Zoo spoedig?" vroeg zij verwonderd. "Gij doet het toch
+niet om mijnentwil, Adriaan? Het zou mij bedroeven."
+
+"Neen, Christina," antwoordde hij, terwijl hij zich bij de tafel
+nederzette. "Ik weet niet, ik kan in dat woeste leven geen vermaak
+meer vinden. De vrienden zijn brave jongens, dit wil ik niet
+ontkennen; maar die baldadige manieren en grove woorden stuiten mij
+tegen de borst. Het is hier in huis tusschen u en mijne kinderen toch
+beter. Denk eens, daar zijn ze nu in _de Blauwe Geit_ volop aan het
+ruziemaken. Zeker, de rosse Leo zal dezen avond nog vechten tegen Kobe
+den zandboer. Zij verwijten malkanderen zulke leelijke dingen, dat er
+de haren van te berge zouden rijzen op uw hoofd. Ik heb groote spijt,
+dat ik vandaag naar de _Blauwe Geit_ gegaan ben."
+
+"Ik geloof het, Adriaan; maar gij kondt niet weten, dat men er zou
+schelden en twisten."
+
+"Daarom is het niet: ik ben droef in mijn hart."
+
+"Hoe zoo? Is u iets geschied?"
+
+"Wildenslag heeft mij vervaard gemaakt! hij maakt mij altijd
+vervaard.... En misschien heeft hij gelijk; misschien doen wij niet
+wel met onzen Bavo boven zijne ouders te willen verheffen."
+
+"Alweder dit kwaad gepeins!"
+
+"Kwaad gepeins, Christina? Wie kan het weten? Laat onze Bavo nu jaren
+lang naar de gemeenteschool gaan en geleerd worden. Hij zal ons veel
+meer geld kosten dan een ander kind, en daarenboven nooit eenen cent in
+het huishouden brengen; en als hij groot is en geld wint, zal hij het
+in schoone kleederen steken en zich schamen over den armen
+fabriekwerker, die zijn zweet heeft gegeven, om eenen mijnheer van hem
+te maken."
+
+"Ach, hoe kunt ge toch zoo spreken, met uwe oogen op uw onnoozel
+kind?" zuchtte de moeder. "Bavo zou ondankbaar worden en zijne ouders
+miskennen? Nooit, nooit, zijn hart is enkel liefde en dankbaarheid."
+
+"Het is een goed kind, ik weet het," morde Damhout "Ze zijn altemaal
+goed, Christina, zoolang ze klein zijn; maar zoohaast ze man worden,
+gaan ze hunne eigene gangen en ze bekreunen zich om hunne ouders niet
+meer. Ja, wanneer ze een beetje verhoogd zijn in de wereld, zien ze
+wel dikwijls met kleinachting neder op degenen, die zich onvoorzichtig
+voor hen hebben opgeofferd."
+
+"Dit zal met onzen Bavo niet gebeuren, Damhout," antwoordde de vrouw,
+haar verdriet bedwingende. "Zijn hart is zuiver, ik zal hem bewaken.
+Gij vreest, dat ons kind later in de wereld een beter lot hebbe dan
+wij? Maar geschiedde het aldus, zou uw vaderhart niet van vreugde
+kloppen? Zoudt gij niet met hoogmoed zeggen, hij is mijn zoon, voor
+hem heb ik met liefde geslaafd; zijn geluk is mijn werk?"
+
+"Schoone dingen Christina; maar indien mijn zoon werkman bleef, gelijk
+ik ben, dan zou ik niet vreezen, dat hij zich later over mij zou
+kunnen schamen."
+
+"Wie zegt u toch, dat hij geen werkman worden zal? Zijn er dan geene
+werklieden, goede, uitmuntende werklieden, die kunnen lezen?"
+
+"Spinners toch niet veel."
+
+"Maar er zijn andere stielen, Adriaan. Mekaniekmakers, timmerlieden,
+schrijnwerkers en honderd andere, waarin men met geleerdheid en goed
+gedrag het tamelijk verre kan brengen."
+
+"Ziet gij wel, Christina, dat gij besloten hebt, onzen Bavo niet naar
+de fabriek te laten gaan?"
+
+"Hij zal gaan waar hij wil of waar hij kan," zeide de vrouw met
+klimmende kracht. "Wij mogen daarover niet op voorhand beslissen. Van
+zijne leerzaamheid, van onze liefde en van Gods wil hangt het af. Uwe
+vrienden verschrikken u, met u te zeggen, dat ik van Bavo eenen
+_mijnheer_ wil maken. Wat ik wil, is, dat mijn kind een mensch worde
+en niet door onwetendheid tot onmacht en eeuwige slavernij veroordeeld
+blijve. Wordt hij _mijnheer_, zooveel te beter!"
+
+"Christina, Christina," zuchtte de werkman, "indien gij wist, hoe uwe
+woorden mij bedroeven! De hoogmoed is een slecht raadsman."
+
+"Hoogmoed?" kreet de vrouw verontwaardigd. "Gelooft gij dan, dat het
+geluk mijner kinderen mij verschrikt? Ik zou geen moederhart moeten
+hebben. Ha, gij zult mij misschien niet begrijpen; maar ik zeg u,
+Damhout, dat, indien onze kinderen later van omhoog op mij konden
+nederzien, ik God zou danken, omdat Hij hen in de wereld heeft
+verheven. Schud het hoofd niet. Kon ik onzen Bavo ten prijze van mijn
+leven koning of keizer maken, ik stierve van blijdschap voor den troon
+van mijn kind!"
+
+Zij was zeer ontroerd en scheen te beven; er was iets ontzaglijks in
+hare houding en in haren blik; het moederlijk gevoel had deze nederige
+vrouw indrukwekkend en schoon gemaakt.
+
+Adriaan Damhout onderging den invloed harer geestdriftige woorden: hij
+boog het hoofd als overwonnen en bleef eene wijl zwijgend. Dan zeide
+hij:
+
+"Misschien hebt gij in den grond gelijk, Christina; maar overweeg toch
+eens met bedaardheid. Nu gaat het nog zoo erg niet; er is veel en goed
+werk. Onze andere kinderen zijn nog klein. Later zult gij misschien
+willen, dat de meisjes insgelijks naar de school gaan?"
+
+De vrouw deed een bevestigend teeken met het hoofd.
+
+"Zullen wij, zonder eenige hulp van onze kinderen, dien last wel
+kunnen blijven dragen? Het schijnt mij onmogelijk."
+
+"Ik zal een beetje meer werken, Adriaan."
+
+"Altijd werken als slaven, zich geheel opofferen gedurende gansch zijn
+leven!"
+
+"Ha, dan gevoel ik eerst, dat ik moeder ben, wanneer ik weet, dat ik
+mij opoffer voor het geluk mijner kinderen."
+
+"Goed; maar indien het werk nu eens voor lang wierd gestaakt? Indien
+een onzer ernstig ziek wierd, wat dan?"
+
+"Dan, Adriaan, dan zouden wij het schikken volgens Gods beslissing.
+Het onmogelijke kan men niet doen."
+
+"En indien het noodig was, Bavo eenig geld te doen verdienen, zoudt
+gij hem naar de fabriek laten gaan?"
+
+"Waarom niet, indien de nood het eischte?"
+
+"En wat zou dan de geleerdheid hem helpen?"
+
+
+[Illustratie: Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne
+vrouw.]
+
+
+"Wat zij hem zou helpen? Hoe kunt gij dit vragen, Adriaan? Hij zou ten
+minste mensch zijn, een uitmuntend werkman worden, bekwaam tot alles
+en, met een beetje geluk, zou hij wel zeker eens tot meesterknecht
+worden aangesteld."
+
+"Zie, Christina," zeide de man met zekere tevredenheid, "zoohaast gij
+zegt, dat gij er niet tegen zijt, dat Bavo werkman worde, ben ik
+gerust."
+
+"Nooit, Adriaan, heb ik een ander inzicht gehad; maar is het zijn lot,
+in de wereld vooruit te gaan, ik zal niet uit baatzucht zijn geluk
+beletten."
+
+Na een oogenblik stilte zeide zij met zoete minzaamheid:
+
+"Nu, lieve man, laat ons over dit alles niet bekommerd zijn. Waarom
+zouden wij door eene voorbarige vrees ons zelven verdriet aandoen,
+zoolang het ons wel gaat en wij niets te kort hebben? Komt er
+tegenspoed, dan zullen wij ons schikken volgens den nood. In alle
+geval, wat er ook gebeure, indien onze kinderen kunnen lezen en
+schrijven, zullen wij, alhoewel arme werklieden, hun toch een
+kostelijk erfdeel nalaten. Zij, die u berispen, kunnen dit niet
+zeggen. Leg de hand op uw hart, Adriaan, en gevoel, of het u niet
+hoogmoedig en gelukkig maakt, te weten, dat gij voor God en voor de
+menschen uwe vaderlijke plichten met liefde vervult. Wees vergenoegd,
+en luister niet meer naar kwaden raad van onwetende lieden. Kom,
+vriend, ik zal Bavo in mijne armen nemen. Wij gaan slapen."
+
+En Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw, die
+achter hem met haar zoontje de trap beklom.
+
+
+
+
+IV
+
+
+Sedert Bavo de overtuiging had bekomen, dat hij Lieveken zou kunnen
+leeren lezen, had hij geenen enkelen dag laten voorbijgaan, zonder
+uren lang haar in het spellen te oefenen. Er was iets wonderlijks in
+de aanhoudendheid en in de vlijt van den kleinen jongen; ja, dikwijls
+vermoeide hij Lieveken zoodanig, dat haar hoofd er duizelig van werd
+en zij om verpoozing smeekte.
+
+Buiten de goedheid des harten, die Bavo aandreef om het arme Lieveken
+deelachtig te maken aan het onderwijs, dat zijne moeder hem had leeren
+aanzien als de hoogste weldaad voor een werkmanskind, bestond er eene
+bijzondere reden van zijne drift en haast om zijne speelgenoote te
+leeren lezen. Hij wist, dat zij, zoohaast het mogelijk zou worden,
+naar de fabriek zou moeten gaan, en dan, vreesde hij, zou zij niet
+meer kunnen leeren; misschien zelfs zou hij niet meer of zeer zelden
+met haar kunnen spelen.
+
+Inderdaad, vader Wildenslag was een vijand van het onderwijs. Volgens
+zijne meening,--die, eilaas, gedeeld wordt door vele onwetende
+werklieden--zijn de kinderen slechts op de wereld om hunnen ouders
+geldelijk voordeel aan te brengen, en is alle opoffering voor hen eene
+domheid, zoohaast er middel bestaat om ze te ontwijken. Alhoewel hij
+zijne kleine Godelieve meer dan zijne andere kinderen beminde,
+verschrikte het hem, dat zij te huis met een boek op de knieën zat, en
+door hare netheid en kiesche manieren tot eene juffrouw scheen op te
+groeien. Het was, volgens zijne gedachte, een slecht voorbeeld in een
+huisgezin, waar iedereen bestemd was om, van kindsbeen af tot aan het
+graf, te werken zonder rust en zonder hoop op verbetering.
+
+Godelieve was te jong en te zwak om nu reeds naar de fabriek te gaan;
+maar er bestond in de buurt een huis, waar men den kleinen meisjes
+leerde handwerken. Daar zou zij eerlang elken dag eenige centen
+verdienen, en dit was toch alweder zooveel in het huishouden gewonnen.
+Daarenboven, zij zou gevoelen, dat zij geboren was om te werken
+evenals de anderen, en de luiheid, de _juffrouwerij_, zooals hij het
+noemde, zou den tijd niet hebben om in haar te groeien.
+
+Meer dan eens reeds had hij met zijne vrouw over zijn inzicht
+gesproken; maar moeder Wildenslag had hem telkens tot een uitstel
+overgehaald, door hem te doen begrijpen, dat Lieveken nog altijd zwak
+en kwijnend was.
+
+Deze reden ontsnapte haar evenwel na eenige maanden; want Lieveken
+scheen gezond te worden, en hare leden hadden in korten tijd zeer in
+sterkte toegenomen.
+
+Dan werd op zekeren middag het vonnis over haar geveld, en haar werd
+bekend gemaakt, dat zij des anderen daags 's morgens, te zes uren,
+naar het speldenwerkhuis zou gaan.
+
+Het meisje zou zich zonder het minste verdriet onderworpen hebben,
+want zij wist niet, wat haar in dezen nieuwen toestand wachtte; maar
+de vader deed haar de ergste zijde van haar lot begrijpen, toen hij
+haar zeide:
+
+"En dan, Godelieve, is het voor altijd gedaan met leeren lezen. Gij
+kent daarvan al veel te veel voor een arm werkmanskind. Poog het
+liever te vergeten, want anders zou het u gedachten kunnen geven, die
+u later op den doolweg zouden brengen. Geene boeken meer in huis; denk
+aan werken alleen."
+
+Godelieve ging zwijgend het huis uit en bleef bij de deur met gebogen
+hoofd staan. Lang overwoog zij. Zij zou niet meer mogen leeren! Dit
+gepeins rukte tranen uit hare oogen, en zij ging langzaam en als
+dwalend naar de woning van bazin Damhout.
+
+Zij verscheen in de kamer met het voorschoot voor de oogen. Adriaan
+Damhout was reeds terug naar zijne fabriek; maar dewijl het Donderdag
+en schoolverlof was, zat Bavo nog nevens zijne moeder bij de tafel.
+
+De jongen sprong met eenen gil van zijnen stoel op, greep het meisje
+de hand en vroeg:
+
+"Lieveken, gij krijscht? Wie heeft er u kwaad gedaan?"
+
+Maar Lieveken begon luide te snikken en scheen ontroostbaar.
+
+"Nu, Godelieve, spreek, wat is u geschied? Het zal niet erg zijn,"
+zeide moeder Damhout.
+
+"Ach, ik mag niet meer leeren lezen!" zuchtte het kind.
+
+"Hoe? Waarom? Het kan niet zijn!" morde Bavo met eene uitdrukking van
+ongeloof en tevens van opstand.
+
+"Neen, ik mag niet meer leeren lezen, nooit meer. O, Bavo, ik kan
+reeds bijna lezen, en nu moet ik geweld doen om het weder te
+vergeten!"
+
+"Wie, wie zegt dit?" kreet de jongen.
+
+"Mijn vader heeft het gezegd, en er is niets aan te doen," antwoordde
+het droeve Lieveken.
+
+"Uw vader!" herhaalde Bavo met schrik.
+
+"Ja, en morgen van te zes uren moet ik naar het kantwerkhuis, en ik
+mag nooit een boek meer in de hand nemen, dat vader het zie. Och God,
+wat ben ik ongelukkig!"
+
+Luider nog begon zij te krijschen; de tranen biggelden van tusschen
+hare vingeren.--Bavo, door medelijden ontroerd, liet het hoofd op de
+tafel vallen en begon insgelijks te weenen.
+
+Gedurende eenigen tijd deed vrouw Damhout pogingen om de kinderen te
+troosten; maar zij gelukte er niet in. Om hun eenigen moed te geven,
+beloofde zij eindelijk, dat zij moeder Wildenslag zou gaan spreken, en
+zij drukte de hoop uit, dat zij misschien het pijnlijk vonnis zou
+kunnen verbidden.
+
+Haastig schikte zij alles in de kamer, en zeide dan tot het meisje:
+
+"Zijt gij wel zeker, Lieveken, dat uwe ouders beslist hebben u naar
+het kantwerkhuis te doen?"
+
+"Zeker, bazin Damhout, reeds van morgen vroeg."
+
+"Zij weten dus niet wat een kantwerkhuis is?"
+
+"Ik geloof, dat zij het wel weten. Dit is niets, bazin Damhout; ik wil
+wel naar het kantwerkhuis gaan, ik zal er mijn best doen zooveel ik
+kan; maar dat ik niet mag leeren lezen, daarom heb ik zooveel
+verdriet."
+
+"Welnu, blijf hier; ik ga naar uwe moeder. Krijsch niet meer.
+Misschien kom ik terug met goed nieuws."
+
+Eenige oogenbliken daarna trad vrouw Damhout in de woning van
+Wildenslag.
+
+"Wel goeden dag, Christina, wat geluk u hier te zien!" riep de moeder
+van Godelieve. "Zijt gij op den wandel? Het gebeurt u niet veel. Ik
+heb daar juist koffie opgeschonken, omdat het vuur toch aan was. Wij
+gaan een lekker kopje te zamen drinken....
+
+En gij daar, vuile bengels, de deur uit, totdat ik u roepe, of anders
+zal het troef op uwen rug zijn!... Nu, zit neer, Christina, wij zijn
+alleen en kunnen op ons gemak een beetje kouten."
+
+"Het is om een beetje te kouten, dat ik gekomen ben, Lina," antwoordde
+vrouw Damhout, zich nederzettende. "Is het inderdaad waar, dat gij
+besloten hebt uwe Godelieve op het kantwerkhuis te doen?"
+
+"Het is waar, Christina. Ik hadde haar nog wel eenigen tijd te huis
+gelaten. Het kind is nog niet van de sterksten; maar mijn man houdt
+niet af, en hij heeft misschien gelijk. Hoe vroeger men de kinderen
+aan het werk gewent, hoe beter. Dan brengen zij al gauw iets of wat in
+het huishouden. Gij trekt zulk aardig gezicht, Christina? Verwondert
+het u, dat wij onze Godelieve naar het kantwerkhuis doen gaan?"
+
+"Het bedroeft mij."
+
+"Waarom toch?"
+
+"Ik ga het u zeggen, Lina; en vermits gij moeder zijt en een goed hart
+hebt, zult gij mij begrijpen, ik hoop het ten minste. Gij weet
+misschien niet wat een kantwerkhuis is? Ik weet het, ik heb er een
+paar jaren op eenen stoel genageld gezeten, en ik zou misschien daar
+eenen vroegen dood mij op den hals gehaald hebben, hadde mijn goede
+peter zaliger, God zegene hem, mij niet van daar weggenomen om mij
+naar de school te laten gaan. Ziet gij, Lina, in zulk kantwerkhuis
+zitten de arme kleine meiskens van den vroegen morgen tot den laten
+avond over een kantkussen gebogen. Men laat toe, dat de kinderen een
+oogenblik ademhalen. Nooit opzien, nooit verroeren; altijd werken met
+gekromde leden en verpletterde borst. Dit eeuwig zitten maakt de
+kinderen bleek en ziekelijk; velen groeien er krom van, eenigen
+krijgen een bult, en het ergste van al is, dat, met hun zoo langzaam
+de borst in te drukken, men dien ongelukkigen kinderen de tering in
+het lijf steekt. Och, wist gij, Lina, hoevele jonge vrouwen er
+begraven worden, die in het kantwerkhuis den doodelijken knak gekregen
+hebben!"
+
+"Hemel, gij verschrikt mij!" zuchtte bazin Wildenslag. "Maar het is
+zeker niet waar, wat gij daar altemaal zegt!"
+
+"Het is ten minste grootendeels waar, Lina. Ik weet het, er zijn
+sterke kinderen, die wel niet ziek worden, omdat zij op het
+kantwerkhuis zijn geweest; maar had ik een kind, dat zoolang ziek was
+als Godelieve, ik zou het niet durven wagen hare gezondheid te krenken
+en misschien de schuld te worden des doods van mijn kind. Ik ben
+moeder...."
+
+"Maar ik ook, ik ben moeder!" kreet bazin Wildenslag.
+
+"Ik weet het, Lina," was het stille antwoord. "Had ik kunnen twijfelen
+aan uwe liefde voor uwe kinderen, gij zoudt mij vandaag hier niet
+gezien hebben. Godelieve is mij komen zeggen, dat gij besloten hebt
+ze morgen naar het kantwerkhuis te doen gaan. Mij raakt de zaak wel
+niet persoonlijk; maar gij zult het mij vergeven, dat ik uw kind
+gaarne zie. Zij is toch zoo minzaam en zoo verstandig, en zij heeft
+zulk goed en zuiver hart. Het doet mij pijn, te moeten denken, dat het
+arme lam misschien de borst zal worden ingedrukt, om vroegtijdig te
+sterven."
+
+"Maar, Christina, zij gaat niet naar het kantwerkhuis!" riep vrouw
+Wildenslag met eene soort van verontwaardiging. "Ik ben arm, ik ben
+eene onwetende sloor, dit beken ik; maar ik heb ook een moederhart in
+het lijf; ik zal mijn kind de borst niet laten indrukken, al gave men
+mij eenen hoop goud!"
+
+"Dit vereert u in mijne oogen, Lina," zeide bazin Damhout, "dat gij uw
+arm Godelieveken zoo oprecht bemint ... maar uw man?"
+
+"Mijn man? Wat heeft hij zich daarmede te bemoeien? Godelieve is een
+meisje, en over de meisjes is de moeder alleen meesteres. Dat hij met
+zijne bengels van jongens doe wat hij wil; ik kom daar ook niet
+tusschen. Wees niet bevreesd, Christina; al verroerde hij hemel en
+aarde, onze Lieveken zou toch niet naar het kantwerkhuis gaan. Het is
+beslist; ik kan niet weten, of gij geheel gelijk hebt, maar met den
+schrik, dien gij mij hebt aangejaagd, zou ik nog niet plooien, al
+stond ik voor den koning zelven."
+
+De beide moeders drukten elkander de handen; bazin Wildenslag scheen
+zeer gevleid door den lof en de vriendschap harer buurvrouw, en het
+was met onverborgene blijdschap, dat zij haar aandreef om nog een
+kopje koffie te drinken. Eindelijk zeide zij in gedachten:
+
+"Zeker, Godelieve gaat niet naar het kantwerkhuis; maar zij kan toch
+niet langs de straat blijven loopen? Haar vader knort dagelijks
+daartegen, en hij heeft geen ongelijk. Zij is nog te jong om naar de
+fabriek te gaan. Wat zou ik met het kind doen, Christina?"
+
+"Indien ik u eenen goeden raad mocht geven...."
+
+"Wel, het is naar goeden raad, dat ik u vraag."
+
+"In uwe plaats liet ik Godelieve voor een paar jaren naar de school
+gaan."
+
+"Naar de school gaan? Ons Lieveken naar de school? Waar zijn toch uwe
+zinnen, Christina?" riep vrouw Wildenslag als verbaasd. "Hebben wij,
+arme fabriekwerkers, de middelen, om van ons kind eene juffrouw te
+maken, die niet meer zou willen en kunnen werken?"
+
+"Gij verstaat mij niet, Lina," bemerkte vrouw Damhout. "Lieveken kan,
+om zoo te zeggen, reeds lezen. Indien ze nu nog twee jaren naar de
+school gaat, zou ze geleerd zijn en goed kunnen schrijven en rekenen.
+Dan deed ik ze bij eene kleermaakster of op een modewinkel. Zij zou
+dienvolgens ook leeren werken, maar zij zou niet onwederroepelijk
+veroordeeld blijven, om tot het einde van haar leven eenvoudige
+werkster en dienstmeid van anderen te blijven. Met hare geleerdheid
+zou zij zeker winkeldochter worden, en later zou ze zonder twijfel
+zelve eenen winkel oprichten en meesteresse worden. Het verwondert u?
+De geleerdheid, Lina, maakt den mensch tot alles bekwaam. Voor ons,
+onwetende werklieden, is er geene verbetering mogelijk; wat wij zijn,
+moeten wij blijven tot onzen dood; maar geven wij onzen kinderen de
+geleerdheid, dan zetten wij de wereld geheel open voor hen, en wij
+nemen van hun hoofd de vermaledijding weg, de onwetendheid, die hen
+veroordeelde tot een leven zonder hoop."
+
+Bazin Wildenslag luisterde met wijdgeopende oogen; zij scheen niet wel
+te begrijpen, wat hare buurvrouw zeide.
+
+"Vooronderstel nu eens, Lina," hernam deze, "dat uwe Godelieve
+winkeldochter worde, en later zelve meesteresse; dat zij veel geld
+winne en als eene ware juffrouw gekleed ga. Zou u dit bedroeven? Is
+het geluk van haar kind de hoogste vreugde eener moeder niet?"
+
+"Inderdaad, Christina."
+
+"En indien gij, met de hand op het hart, u zelve mocht zeggen, dat
+gij, gij alleen de oorzaak zijt van hare welvaart in de wereld, zou
+het u niet hoogmoedig maken?"
+
+"Ja, maar zou zij dan hare arme ouders wel blijven beminnen?"
+
+"Waarom niet? Is de dankbaarheid dan vijandin van de liefde?
+Integendeel, ik ben wel zeker, dat Godelieve nooit uwe weldaad zou
+vergeten en tot op haren ouden dag nog in zich zelve zou zeggen: mijn
+geluk, mijne welvaart ben ik verschuldigd aan mijne moeder. Uwen naam
+zou zij zegenen, haar leven lang, en zij zou God bidden, dat Hij u in
+Zijnen schoonen hemel beloone voor uwe goedheid."
+
+Vrouw Wildenslag was getroffen; hare oogen schenen vochtig van
+ontroering.
+
+"En dan, ziet gij, Lina, de verstandige lieden zouden u achten en
+prijzen. Zij zouden zeggen: die juffrouw, de meesteresse van dien
+schoonen modewinkel, is de dochter van bazin Wildenslag. De arme
+werkmansvrouw heeft moed getoond; zij heeft hare dochter laten leeren
+en dus haar geluk in de wereld verzekerd."
+
+"Het is wel schoon wat gij daar zegt," zuchtte de moeder van
+Godelieve, "maar zoo valt het niet altijd uit."
+
+"En ware de zaak onzeker, zoudt gij daarom Lieveken tot eeuwige
+armoede veroordeelen, als gij het middel kent om haar een beter lot te
+bezorgen? Zijt gij niet moeder, en zou de overtuiging, dat gij uwen
+plicht hebt gedaan, u niet hoogmoedig en blijde maken voor gansch uw
+leven?"
+
+"Naar de school gaan, het is gemakkelijk te zeggen," mompelde vrouw
+Wildenslag, het hoofd schuddende, "maar het geld, de kosten?"
+
+"Daar loopen geene kosten op, Lina. Bij de Zusters-ten-Nonnenbosch,
+achter St.-Anna-Kerke, zal men uw kind met vreugde ontvangen en het
+kosteloos leeren, zoolang gij wilt. Wat zijn die twee jaren? Lieveken
+kan toch niets winnen, en, eens geleerd, zal zij zooveel te spoediger
+bekwaam zijn om een schoon dagloon te verdienen. Wees zeker, indien
+gij mijnen raad volgt, zult gij er mij later om bedanken."
+
+Moeder Wildenslag boog het hoofd en zag zwijgend ten gronde.
+
+"Welnu, wat denkt gij van mijnen raad?" vroeg hare buurvrouw.
+
+"Laat mij overwegen; het is eene gewichtige zaak. Ja, ik ben moeder,
+en het geluk van mijn kind...."
+
+Eensklaps sprong zij recht, liep tot eene kas, drukte zich eene
+zuivere muts op het hoofd en wierp zich eenen katoenen mantel over de
+schouders.
+
+"Kom, Christina," riep zij, "ga mede met mij!"
+
+"Maar wat wilt gij doen?" vroeg bazin Damhout verwonderd.
+
+"Wat ik wil doen? Ik heb nu een goed gepeins, en ik ben vervaard, dat
+het zou kunnen veranderen. Zóó ben ik. Het moet maar seffens gedaan
+worden, anders komt het er niet van. Wij gaan naar de Zusters, om te
+zien, of zij mijne Godelieve op hunne school willen toelaten."
+
+"Moet gij niet eerst uwen man daarover raadplegen?"
+
+"Denk daar niet aan. Van een beetje lawijd en eenen avond gegrom zal
+ik niet ziek worden. Lieveken is mijn kind, en als de zaak eens
+afgedaan en geklonken is, zal haar vader zooveel te gemakkelijker te
+overwinnen zijn. Kom, kom, geen tijd verloren. Gij kunt schoon en
+beleefd spreken, Christina, doe gij het woord bij de Zusters, dan
+geraken wij seffens klaar, indien het mogelijk is."
+
+De beide vrouwen verlieten het huis en verdwenen onmiddellijk achter
+den hoek der stege.
+
+Intusschen wachtten Bavo en Lieveken met koortsig ongeduld op de
+terugkomst van vrouw Damhout. In het eerst hadden zij elkander
+getroost met de hoop op goed nieuws; maar dewijl Bavo's moeder zoolang
+weg bleef, ontzonk hun eindelijk de moed geheel.
+
+Nu zaten zij sedert een half uur zwijgend te treuren, toen eensklaps
+de deur werd geopend en zij hunne moeders zagen verschijnen. Bevend
+sprongen gij recht; hoop en vrees glinsterden in hunne wijdgeopende
+oogen.
+
+"Godelieve," zeide bazin Wildenslag met groote blijdschap, "gij moet
+niet naar het kantwerkhuis! Morgen gaat gij naar de school, bij de
+Zusters-ten-Nonnenbosch, en gij zult mogen leeren gelijk Bavo!"
+
+Een blijde kreet ontsnapte het gelukkige Lieveken; zij omhelsde hare
+moeder en vrouw Damhout; zij greep Bavo bij de handen en danste
+juichend met hem de kamer rond.
+
+"Ik mag naar de school gaan, ik mag leeren, gelijk gij, Bavo!" riep
+zij, in de handen kletsend. "Hoe goed, hoe schoon!"
+
+En zij stortte zich vermoeid tegen de borst harer moeder, streelde
+haar de wangen met de beide handen en stamelde op den toon eener
+diepgevoelde dankbaarheid:
+
+"Ach, moeder lief, ach, moeder lief, wat zijt gij goed voor uw arm
+Lieveken. O, wat zie ik u gaarne! Wat zal ik u altijd gaarne zien,
+mijn geheel leven lang!"
+
+Bazin Wildenslag veegde zich eenen traan uit de oogen. Zulke
+moederlijke fierheid, zulke zuivere, innige blijdschap had ze nog
+nooit gevoeld. Het scheen haar, dat er iets in hare natuur was
+veredeld geworden: zij had ten minste dit besef van eigene
+waardigheid, dat als eerste belooning van eenen grooten vervulden
+plicht in den mensch ontstaat.
+
+"Kom, Lieveken," zeide zij, "laat ons naar huis gaan. Ik moet eens
+goed al uwe kleederen nazien en u een nieuw paar schoenen koopen. De
+kinderen op de school zijn altemaal zoo netjes, en ik wil niet, dat
+daar iets op mijne kap te zeggen valle."
+
+In het uitgaan drukte zij met bijzondere kracht de hand van vrouw
+Damhout, en zeide tot allen groet:
+
+"Dank, dank!"
+
+
+
+
+V
+
+
+Lieveken was ter schole bij de Zusters. Hoe fier en hoe gelukkig
+gevoelde zich het arme kind, wanneer zij, met hare leerboekjes en hare
+schalie in de hand, door de stege stapte! Nu zou zij het onderwijs
+genieten evenals Bavo. Zij was dus een bevoorrecht wezen tusschen al
+deze arme werkmanskinderen, die niet mochten ter schole gaan. De
+overtuiging, dat zij het voorwerp was van eene onverwachte en
+bijzondere gunst, dreef haar aan tot eene ongewone vlijt. Elken avond
+herhaalde zij hare lessen met Bavo. Dewijl zij eenen helderen geest en
+een sterk geheugen had, deed zij met dit dubbel onderwijs in min dan
+een jaar zulke groote vorderingen, dat hare leermeesteressen zelven er
+over verwonderden. Daarenboven, zij was zoo gehoorzaam, zoo dankbaar,
+zoo streelend, dat de Zusters haar met eene bijzondere voorliefde
+behandelden, en allengs trotsch werden over de verrassende vruchten
+van hun onderwijs in dit arme werkmanskind.
+
+Vader Wildenslag had nooit rechtzinnig toegestemd om zijn meisje ter
+schole te laten gaan. Hij gromde nog immer tegen deze gevaarlijke
+gekheid, zooals hij het noemde; en wanneer hij met zijne vrouw er
+over sprak, vielen er vele grammoedige en bittere woorden. Het was
+zijne ingewortelde gedachte, dat het onderwijs een werkmanskind
+onfeilbaar moet verloren leiden; want volgens hem sproten uit de
+geleerdheid de zucht naar schoone kleederen, hoovaardij en vele ergere
+dingen. Het minste kwaad was nog, dat de kinderen, welke dus boven
+hunnen staat verheven worden, eindelijk van hoogmoed op hunne ouders
+nederzien. Daarenboven, terwijl ze leeren, winnen ze niets, en dit is
+zooveel ontstolen aan de ouders, die recht hebben op het werkloon
+hunner kinderen. Hij was niet alleen van dit gevoelen; zijne vrouw
+mocht het vragen aan al hare geburen; buiten bazin Damhout zou geen
+enkele anders spreken. In het eerst had hij, door zijne herhaalde
+aanvechtingen en bovenal door zijne droeve voorspellingen, zijne vrouw
+in twijfel gebracht; maar nu waren allengs zijne woorden onmachtig op
+haar geworden.
+
+Lieveken woonde dikwijls de samenspraken bij, waarin er over haar lot
+werd getwist: zij hoorde en zag bevend, hoe hare moeder haar
+verdedigde en hoe zij te lijden had om haar op de school te houden.
+Het kind wist zulke zoete woorden, zulke teedere streelingen te vinden
+om hare moeder te troosten; zij drukte hare dankbaarheid met zooveel
+gevoel en kracht uit, dat bazin Wildenslag soms haar beminlijk
+Lieveken tegen de borst drukte en diep ontroerd haar omhelsde.
+
+Uit erkentenis voor hare moeder, poogde Lieveken zich op alle wijze
+nuttig te maken. Zij stond op met het krieken van den dag, schikte,
+kuischte en schuurde, en deed zooveel, dat het huisje van Jan
+Wildenslag allengs een min onzindelijk aanzien kreeg. Zij sprak
+tevens met hare moeder over hetgeen zij op de schole leerde en over de
+schoone lessen van zedelijkheid en van wellevendheid, welke de Zusters
+haar gaven. Zoo begon het kind, zonder het te weten, de opvoeding
+harer moeder, en het wierp in haar hoofd de eerste lichtstralen, welke
+er ooit waren in doorgedrongen.
+
+Bazin Wildenslag, hoe woest en onwetend ook, had een goed hart en veel
+gezonde rede. Wanneer zij alleen was met Lieveken en zij het kind zoo
+eenvoudig en toch zoo schoon hoorde spreken van haar onbekende dingen,
+van godsvrucht, van zedelijkheid en van de menschelijke plichten,
+gevoelde zij zich in eene andere lucht, en het scheen haar, dat hare
+eigene natuur door de aanraking van haar kind zich verhief en zich
+louterde.
+
+Ook zeide zij soms tot hare buurvrouw: "Zie, bazin Damhout, wij, arme
+lieden, wij denken, dat wij dom en slecht zijn. Het is niet waar. Het
+goede steekt er in, maar niemand heeft het er doen uitkomen. Hadden
+mijne ouders mij beter opgebracht en mij laten leeren, ik zou een
+ander mensch geworden zijn; want nu gevoel ik het wel, ik ben zoo bot
+niet als ik zelve het meende. Ware het nog te herdoen! Maar het is te
+laat, gebuurvrouw. Ik heb nu toch het geluk, te weten, dat mijne
+Godelieve goed zal geleerd worden. Zij is een engeltje in mijn huis;
+en mijn man mag mij vervaard maken zooveel hij wil, ik ben zeker dat
+ik plezier in mijn kind zal hebben zoolang ik leef. Wat hare broeders
+en zusters betreft, kleinen en grooten, daar is niets goeds van te
+verwachten. Zij staan tegen mij op, alsof ik geboren ware om hunne
+slavin en hunne dienstmeid te zijn. Ik heb al moeite gedaan om de
+kleinste naar de school te krijgen; maar Wildenslag springt vijf voet
+hoog van gramschap, zoohaast ik daarvan spreek."
+
+Misschien had de tevredenheid van vrouw Wildenslag nog eene andere
+reden. Zij was naar de school van Lieveken gegaan. De Zusters hadden
+haar met eene bijzondere beleefdheid en met eene zichtbare blijdschap
+ontvangen; haar de wonderlijke vorderingen van haar kind geroemd; haar
+hoog geprezen, omdat zij, nederige werkmansvrouw, haar kind liet
+leeren, en haar eindelijk, tot overmaat van vriendelijkheid, op eene
+lekkere koffie onthaald.
+
+Natuurlijk, zulk eerbewijs en de uitbundige lof over haar zelve en
+over haar kind hadden haar het hoofd duizelig gemaakt, en zij was uit
+de school teruggekeerd met het vaste opvat, Godelieve zoolang mogelijk
+te laten leeren.
+
+Daaruit volgde, dat, als de twee jaren verloopen waren, zij allerlei
+listen uitvond en zelfs openlijk tegen haren man in opstand kwam, om
+haar meisje nog eenige maanden langer op de school te laten.
+
+Alles was echter geene vreugde in het leven van Lieveken. Hare
+broeders en zusters, waarvan er reeds drie op de fabriek werkten,
+hadden voor haar eene soort van haat opgevat. Het scheen hun eene
+schreeuwende onrechtvaardigheid, dat Godelieve, zonder geld in huis te
+brengen, in luiheid mocht leven.--Onrechtvaardigheid vanwege de ouders
+was het zeker, dat zij al hunne kinderen niet hadden laten leeren;
+maar zoo verstonden de woestaards het niet. Op Lieveken alleen meenden
+zij zich te moeten wreken. Zij noemden haar spottenderwijze de
+_Mammezel_, scholden haar uit voor eene leegloopster, eene
+opvreetster, mishandelden haar, bevuilden of scheurden hare boeken en
+schenen eene samenspanning te hebben aangegaan om het arme meisje te
+bedroeven en te plagen.
+
+Godelieve verdroeg alles met een engelachtig geduld; slechts wanneer
+men hare schrijfboeken bemorste of beschadigde, weende zij in stilte,
+omdat zij vreesde in de school door de Zusters te worden bekeven.
+
+Elken dag, zoohaast het avondmaal was geëindigd, ging zij met hare
+boeken naar het huis van bazin Damhout. Daar las en schreef zij aan de
+zijde van Bavo, ontving zijne terechtwijzingen en zijne lessen met een
+liefderijk gemoed, en speelde dan nog wat, en koutte misschien met
+haren jongen vriend van hetgeen zij beiden meenden of hoopten later in
+de wereld te zullen worden.
+
+Bazin Damhout arbeidde zonder ophouden aan het naaien van kielen of
+van ander lijnwaden kleedergoed. Dewijl haar oudste meisje nu
+insgelijks naar de school ging, moest zij pogen wat meer geld te
+winnen, om haren man niet te laten gevoelen, dat het onderwijs der
+kinderen, ofschoon kosteloos, toch wel eenige opoffering vergde.
+
+Niet zelden wanneer Adriaan Damhout in gezelschap van Jan Wildenslag
+was geweest, keerde hij naar huis met een versomberd gelaat, en dan
+ontsnapten hem treurige bemerkingen, die genoeg lieten blijken, dat
+hij nog altijd ongerust was aangaande de gevolgen der al te hooge
+opvoeding, welke zijne vrouw aan hare kinderen gaf.
+
+Misschien dat de arme moeder niet geheel zonder vrees of twijfel was;
+want zij hield niet op van Bavo en Lieveken, onder alle vormen en bij
+elke gelegenheid, de dankbaarheid en de liefde tot hunne ouders als
+eenen heiligen plicht aan te prijzen. Alsof zij, door eene geheime
+inspraak harer ziel, gevoelde, dat geleerdheid niet voldoende is om
+alleen den mensch te vormen, legde zij met eene teedere oplettendheid
+in het hart van haren zoon en in het hart van Lieveken de kiemen van
+het diepste plichtgevoel en van de zuiverste deugden neder.
+
+Zij was sedert jaren gewend aan de tegenwoordigheid der kleine
+Godelieve; nu vond zij haar geluk in de zoete vriendschap der kinderen
+voor elkander en in hunne ijverige leerzaamheid. Zij aanschouwde
+eenigszins het goede meisje als haar eigen kind. Was zij de oorzaak
+niet, dat zij naar de schole ging? En gaf deze weldaad haar het recht
+niet om Godelieve uitzonderlijk te beminnen?
+
+Het meisje erkende hare liefde niet alleen door eene groote
+dankbaarheid, maar tevens door een gevoel van diepen eerbied en van
+ontzag, dat zij zelfs op Bavo overdroeg; want alhoewel zij aan zijne
+zijde leefde als zijne zuster en zijne gelijke, bleef hij in hare
+oogen altijd een waardiger wezen, wiens vriendschap en wiens
+edelmoedige bescherming zij onverdiend genoot.
+
+Eindelijk toen Godelieve bijna gedurende drie jaar had ter schole
+gegaan, kon hare moeder het niet langer tegen haren man volhouden, en
+er werd beslist, dat het meisje met het begin der volgende week het
+gesticht der Zusters zou verlaten.
+
+Wildenslag meende, dat men haar onmiddellijk op de fabriek moest doen;
+zij zou er seffens eenige stuivers elken dag winnen, terwijl zij, om
+een handwerk te leeren, misschien nog wel gedurende twee jaar met
+eenen of twee stuivers per week zou naar huis komen. Al die
+geldverkwisting, beweerde hij, had geen ander gevolg dan eene pint
+bier en een brok vleesch uit zijnen mond en uit den mond harer
+broeders en zusters te rooven. Het kwetste hem daarenboven, dat zijne
+dochter op eenen juffrouwenstiel ging en niet fabriekwerkster bleef
+gelijk hare ouders.
+
+Daarover echter behaalde hij geen gelijk. In den geest van vrouw
+Wildenslag was de toekomst van Godelieve afgebakend zooals Bavo's
+moeder ze haar had voorspeld. Zij zou kleermaakster worden,
+winkeldochter en eindelijk meesteresse; daar was niets aan te doen,
+haar man mocht er tegen grollen en grimmen zooveel hij wilde.
+
+Toen Lieveken met het onverwachte nieuws bij Bavo kwam en zeide, dat
+zij hare school ging verlaten, was er eerst verrassing en dan stille
+treurnis. De kinderen wisten niets daartegen in te brengen en
+onderwierpen zich; maar hunne oogen, wanneer zij elkanders blikken
+ontmoetten, waren klagend, en uit Lievekens boezem ontsnapte nu en dan
+een zucht. Het was zoo goed voor haar bij de Zusters; zij was er zoo
+bemind geweest en zij droeg haren leermeesteressen zooveel dankbare
+genegenheid toe. Hare goede weldoensters voor altijd vaarwel te
+zeggen, viel haar hart bitter en wreed. Maar het kon niet anders: zij
+was arm in de wereld en moest een ambacht leeren, dit wist zij wel.
+
+Bazin Damhout zeide aan hare buurvrouw, dat zij niet mocht nalaten de
+Zusters van hare beslissing te verwittigen, en bij deze gelegenheid
+hen duizendmaal en uit den grond des harten moest bedanken voor hunne
+goedheid.
+
+Daar Lina reeds eens in het gesticht met bijzondere vriendelijkheid
+was onthaald geworden, volgde zij den raad harer buurvrouw.
+
+Wie het meest verrast en bedroefd schenen bij de onverwachte
+aankondiging, waren de Zusters. Godelieve was eene leerlinge, op welke
+zij niet alleenlijk trotsch waren, maar zij hadden allen het meisje
+bijzonder lief om hare voorbeeldige zedigheid en ijver, en meer nog
+misschien om hare aandoenlijke dankbaarheid. Daarenboven, Godelieve
+was hun reeds sedert eenige maanden behulpzaam geweest om de kleinste
+meisjes te leeren spellen.
+
+Nadat de Zusters de redenen van bazin Wildenslag hadden gehoord,
+staken zij de hoofden bijeen en spraken eenigen tijd in stilte met
+elkander.
+
+Dan zeide de oudste:
+
+"Vrouw, het zou ons pijn doen, onze beste leerlinge nu reeds te moeten
+verliezen. Wij waren fier op haar, en hadden ze wel gaarne nog een
+jaar behouden, om te doen zien waartoe wij bekwaam zijn, als onze
+lessen in eenen goeden grond vallen. Zoudt gij ze niet nog een beetje
+op onze school kunnen laten?"
+
+
+[Illustratie: Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad
+papier uit.]
+
+
+"Onmogelijk, Zuster," antwoordde bazin Wildenslag met eenen zucht. "Ik
+wenschte het ook wel. Vermits ik slechts één kind heb, dat heeft mogen
+naar de school gaan, zou ik ze willen laten leeren zoolang ze kan;
+maar mijn man is niet meer te stillen. Wij kunnen zóó niet leven. De
+kinderen kosten geld. Ik heb er niet minder dan zes; en, gelooft mij
+of niet, ze eten ons waarlijk het haar van het hoofd. Als de
+kinderen hunnen eigen kost niet verdienden, zoohaast ze groot genoeg
+zijn, dan moeten al de menschen van onze soort naar de armen."
+
+"En wanneer denkt gij, dat Godelieve, met den kleermakersstiel te
+leeren, haren kost zou beginnen te verdienen?"
+
+"Niet spoedig, Zusters, ik weet het wel: binnen twee jaar misschien,
+zoo allengskens."
+
+"Welnu, wij willen u een goed voorstel doen. Laat Godelieveken nog
+naar de school komen. Zij zal hier het noenmaal en het avondmaal
+genieten, en zelfs het ontbijt, indien gij wilt. Wij zullen eene
+bijzondere zorg aanwenden om haar goed te leeren naaien. En zoohaast
+zij dertien of veertien jaar bereikt en wel onderwezen is, zullen wij
+zelven haar op eenen winkel doen, bij eene meesteresse, die haar zal
+beschermen en bevorderen. Zij zal dus den verloren tijd ruimschoots
+inwinnen. Bevalt u dit voorstel?"
+
+"Ach, menschen lief, wat zijt gij toch goed voor mijn arm kind!" riep
+moeder Wildenslag met de tranen in de oogen. "Dat God u beloone voor
+uwe liefdadigheid. Ja, ja, zeker, ik neem uw edelmoedig voorstel aan
+uit gansch mijn hart."
+
+Zoo bleef Godelieve, ondanks de tegenwerpingen haars vaders, op de
+school der Zusters.
+
+Wat Bavo betreft, het is onnoodig te bevestigen, dat hij op de
+gemeenteschool insgelijks zich onder al zijne medeleerlingen
+onderscheidde. Hij was in geleerdheid oneindig verder dan Lieveken;
+hij had een schoon geschrift, was zeer geoefend in het rekenen en had
+reeds eenige vorderingen in de Fransche taal gedaan. Zijne meesters
+hadden hun genoegen in zijn helder begrijp en in zijne leerzaamheid,
+en roemden op zijnen spoedigen voortgang.
+
+Daar zijne ouders hem voor den stiel van mekaniekmaker of van
+timmerman bestemden, woonde hij sedert anderhalfjaar de lessen der
+teeken-academie bij, en alles liet vermoeden, dat hij ook in dit
+nieuwe vak behendig worden zou.
+
+Met al deze bezigheden, en alhoewel hij nu slechts te acht uren des
+avonds naar huis kwam, vond hij nog tijds genoeg om spelenderwijze
+Lieveken voort te helpen in hare eerste studie der Fransche taal,
+welke zij op hare school nu insgelijks had begonnen te leeren.
+
+Een gansch jaar verliep er dus, zonder dat eenige tegenspoed het
+stille geluk van bazin Damhout en van beide kinderen kwam storen. Een
+enkel voorval--indien men het voorval mag heeten--was van aard om
+aangeteekent te worden in hunne herinnering.
+
+Bavo had sedert eenigen tijd eene zonderlinge strekking tot
+eenzaamheid getoond. Reeds tweemaal, wanneer zijne ouders des Zondags
+volgens gewoonte hem mede wilden nemen op de wandeling, was hij alleen
+te huis gebleven, onder voorwendsel dat hij veel schoolwerk had af te
+maken. Zijne moeder had hem eens verrast, terwijl hij met angstige
+haast iets voor haar verborg.
+
+Wat mocht hem dus bezighouden? Hij wilde het niet zeggen; hij ontweek
+alle uitleggingen daarover, en bazin Damhout was niet zonder kommer,
+alhoewel zij niet juist wist wat zij vreesde.
+
+Op zekeren avond kwam Bavo te huis van de school; hij scheen uitermate
+blijde, liep van den eenen kant der kamer naar den anderen met
+zichtbaar ongeduld en deed niets dan in zich zelven zeggen:
+
+"Is Lieveken nog niet gekomen? Waar blijft toch Lieveken? Indien zij
+eens dezen avond niet kwame!"
+
+En als bazin Damhout hem vroeg, wat hem zoo aanjaagde, antwoordde hij
+lachende:
+
+"Gij zult het straks zien, moeder lief, en dan zult gij weten, wat ik
+voor u hield verborgen."
+
+"Ha, ha, daar is Lieveken!" riep hij uit.
+
+Het meisje aanschouwde hem verbaasd en keek rond om te raden, wat hem
+zoo vroolijk maakte.
+
+"Welken dag van het jaar zijn wij?" vroeg hij haar.
+
+"Ik weet het niet," stamelde zij. "In de maand Juli...."
+
+"Welnu, zie eens in dezen almanak, daar op den zesden der maand, welke
+heilige staat daar?"
+
+"Sinte-Godelieve!" zeide het meisje met verwondering.
+
+"Ja, Godelieve, het is uw dag," juichte hij. "Ik ga u besteken; ik heb
+een geschenk voor u. Eene maand lang heb ik in het geheim er aan
+gewerkt. Gij moogt er niet mede lachen en moeder ook niet. Ik heb
+gedaan wat ik kon."
+
+Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit, legde
+dit op de tafel en riep:
+
+"Zie, Lieveken, zie, moeder, daar is mijn geschenk!"
+
+Op het blad papier stonden de beelden van twee kinderen, met waterverf
+gekleurd, een jongen en een meisje, hand aan hand, en houdende elk in
+de hand, die hun vrij bleef, een open boek. Er was een breede,
+driekleurige band rondgeschilderd, en deze bonte verven gaven het
+eenen grooten glans. Ongetwijfeld had Bavo geweld gedaan om zijne
+eigene beeltenis en die van Lieveken na te bootsen; de kleederen
+geleken klaarblijkend; maar het geheel was een zoo gebrekkig en grof
+kinderwerk, dat men moeilijk het inzicht des makers hadde kunnen
+raden, indien hij niet onder de beelden in groote letteren hadde
+geschreven: BAVO EN LIEVEKEN.
+
+Verrast en schier droef, omdat het kleine meisje beweegloos bleef en
+niet juichte, zeide hij beschaamd:
+
+"Ja, Godelieve, het is niet goed, ik weet het wel. Ik heb het gemaakt
+om te lachen; het is eene gedenkenis van dat wij te zamen hebben
+leeren lezen."
+
+Godelieve boog het hoofd en begon in stilte te weenen; de tranen
+rolden als parelen uit hare oogen.
+
+"Wat is dit?" murmelde de verbaasde jongen. "Waarom weent gij nu?"
+
+"Ik weet het niet," was het antwoord, "omdat gij zoo goed voor mij
+zijt."
+
+"Kom, kom, het is maar spel," riep Bavo. "Hadde ik geweten, dat het
+beeldeken u moest bedroeven, ik hadde het aan stukken gescheurd."
+
+"Ho, aan stukken scheuren!" gilde Lieveken met schrik. "Doe dit niet!
+Geef het mij, als 't u belieft!"
+
+"Wel, het is voor u, Lieveken, dat ik het heb gemaakt."
+
+"Wees gedankt, Bavo; ik zal de gedenkenis uwer vriendschap zoo
+zorgvuldig bewaren!"
+
+Zij greep het blad papier van de tafel en, als verschrikte haar de
+gedachte, dat het schoon geschilderd beeld haar nog kon worden
+ontnomen, liep zij er mede de deur uit, roepende dat zij het hare
+moeder wilde toonen.
+
+
+
+
+VI
+
+
+Eindelijk was de tijd gekomen, dat Bavo de gemeenteschool zou
+verlaten, om als leerjongen op een werkhuis van mekaniekmakers te
+gaan. Hij was meer dan veertien jaar, en zijne opvoeding was
+voltrokken.
+
+Toen de onderwijzer van dit besluit kennis gegeven was, kwam hij zelf
+in de woning van Damhout, om den ouders van zijnen leerling te
+verzoeken en aan te raden, hunnen zoon nog op de school te laten, ten
+minste tot de aanstaande prijsuitdeeling. Hij twijfelde niet, of Bavo
+zou al de eerste prijzen der hoogste afdeeling behalen. Dus zijne
+opvoeding sluiten als _primus_ der school, zou hem een groote eer
+zijn, en het kon hem een gewichtige titel op latere bescherming
+worden. De hoofdonderwijzer had Bavo lief om zijn goed hart en zijnen
+wakkeren geest, en hij verborg den ouders niet, dat hij er aan hield,
+zijnen beminden leerling de eer en blijdschap van de zegepraal te zien
+genieten.
+
+Er werd dienvolgens beslist, dat Bavo nog ter schole zou blijven tot
+de prijsuitdeeling.
+
+Sedert eene maand was Lieveken door hare leermeesteressen bij eene
+goede kleermaakster geplaatst geworden. Als beschermelinge der
+Zusters won zij van den beginne af een frank per week.
+
+Dit klein loon was oorzaak, dat Wildenslag nog dikwijls zijne vrouw
+van dwaasheid beschuldigde, en haar poogde over te halen om Lieveken
+naar de fabriek te doen gaan. Daar moeten de kinderen geene lange
+leerjaren onderstaan, en zij winnen er onmiddellijk veel meer geld dan
+met welk ander ambacht. Evenwel, hoe onophoudend hij ook daarover
+zijne ingewortelde meening uitdrukte, zijne vrouw wilde van zulk iets
+niet hooren.
+
+Des avonds, na de arbeidsuren, kwam Lieveken bij bazin Damhout. Zij
+had toch te veel van hare woeste broeders en zusters te lijden; en
+hare moeder zelve spoorde haar aan om bij hare brave buren den vrede
+en het stil vermaak te zoeken, welke zij in haar huis niet vinden kon.
+
+Uit gewoonte en uit neiging nam zij nog deel in de lessen van Bavo, of
+juichte op voorhand met hem over de eer en het geluk, die hem zouden
+te beurt vallen bij de aanstaande prijsuitdeeling der gemeenteschool.
+
+Onverwachts ontstonden er gebeurtenissen, die de Gentsche nijverheid,
+en dus ook de werklieden, aan harde beproevingen gingen onderwerpen.
+Vele vraagpunten, door de omwentelingen van Frankrijk en van België in
+1830 geweldiglijk opgeworpen, waren nog onbeslist gebleven. De
+onderhandelingen, tusschen de mogendheden machteloos zijnde om tot
+vereffening te leiden, dreigden eenige der belanghebbende landen, door
+de wapenen hun recht te doen gelden. Alle volkeren, door de vrees van
+eenen Europeeschen oorlog aangedaan, riepen hunne krijgsmachten met
+grooten spoed te zamen. Dit verwekte eenen algemeenen schrik, waarvan,
+volgens gewoonte, handel en nijverheid de eerste slachtoffers werden.
+De overmatige voorraad van stoffen in de magazijnen, eenige groote
+bankroeten te Londen en te Parijs, de opslag van de ruwe katoen,
+spruitende uit het vooruitzicht eener belemmering in de scheepvaart,
+dit alles bracht voort, dat de fabrikanten niet dan met verlies konden
+laten werken en de meesten inderdaad hunne fabrieken sloten.
+
+Twintigduizend menschen geraakten in Gent alleen zonder werk. Dewijl
+de arbeider, zelfs wanneer hij veel geld wint en geene kinderen heeft,
+gewoonlijk aan den dag van morgen niet denkt, vielen al deze lieden
+van een betrekkelijk welzijn eensklaps in de diepste armoede. In het
+eerst vonden zij nog iets of wat bij de winkeliers en bakkers te
+borgen; maar na vijftien dagen was deze hulpbron geheel opgedroogd, en
+dan kwamen de honger en de ware ellende deze duizenden menschen met
+vrouw en kinderen wreedelijk aangrijpen. Men zag ze in talrijke
+groepen op de markten staan of door straten dwalen, met verbleekt
+gelaat en ontvlamden blik, morrend en dreigend en in schijn gereed om
+door gewelddadigheid zich uit den bitteren nood te redden.
+
+Door medelijden aangedreven en hopende, dat deze erge toestand niet
+zou voortduren, boden eenige fabrikanten hunnen werklieden aan met
+zekere vermindering van loon te werken; en op dien grond werden er
+inderdaad meer dan de helft der nijverheidsgestichten geopend.
+
+Maar een groot getal spinners en wevers verstieten de aangebodene
+voorwaarden met gramschap, en beschuldigden de fabrikanten, dat zij
+uit zelfzucht van de omstandigheden gebruik maakten, om het werkloon
+neder te drukken. Na elkander gedurende eene halve week te hebben
+opgehitst, verdoold door onwetendheid en honger, liepen zij in
+stormige scharen naar de geopende fabrieken en wilden met geweld alle
+werkzaamheid doen staken. Zij mishandelden hunne makkers, die, om toch
+brood voor vrouw en kinderen te hebben, de tijdelijke
+loonsvermindering hadden aanvaard; zij beschadigden de gebouwen en
+werktuigen, en leverden zich over aan gewelddaden, die de
+tusschenkomst der gewapende macht noodzakelijk maakten.
+
+Deze tooneelen van woest geweld boezemden den fabrikanten eenen
+grooten schrik of eene diepe spijt in. Dan werden de fabrieken voor
+goed gesloten en de duizenden werkmanshuisgezinnen in eene eindelooze
+ellende gedompeld.
+
+Het was bovenal in de woning van Wildenslag, dat er nood en derving
+heerschte; want daar waren de kinderen talrijk, en men was er gewoon
+zonder vooruitzicht en zonder zorg op voorhand alles te verteren, wat
+er werd gewonnen. Moeder Wildenslag had een wreed en bitter leven; al
+het verdriet en al de onwil van man en kinderen vielen op haar, en zij
+hoorde den ganschen dag niets dan scheldwoorden en verwijtingen, als
+ware zij inderdaad de slavin, die in het huishouden het natuurlijke
+doel moest zijn van de ontevredenheid der anderen. Lieveken, die ook
+deel had in de kwade bejegeningen harer broeders en zusters, was de
+eenige troost, die bazin Wildenslag overbleef; want dit kind ten
+minste beminde en eerbiedigde haar, en het weende tranen van liefde
+en van medelijden op hare borst, wanneer de overigen haar hadden
+mishandeld of gehoond.
+
+In de woning der Damhouts deed de ellende zich zoo spoedig niet
+gevoelen. De winkeliers hadden in hen meer vertrouwen, omdat zij
+bekend stonden als spaarzame lieden, en gaven hun ook langer op borg.
+Daarenboven arbeidde moeder Damhout, wie geen naaiwerk ontbrak, nu van
+het krieken van den dag tot elf uren des avonds zonder ophouden.
+Misschien wel had de zorgende vrouw eenen kleinen spaarpot? Hare
+vlijt, hare zucht om te beletten, dat haar man zich ooit over het
+onderwijs zijner kinderen beklaagde, laat toe te vooronderstellen, dat
+zij iets had bewaard tegen eenen onvoorzienen nood.
+
+In het eerst ten minste ontbrak er niets in haar huishouden. Zij
+verzocht zelfs dikwijls de arme Godelieve, die honger leed
+ongetwijfeld, met hen het avondmaal te nemen; maar het meisje werd
+telkens rood bij zulke aanbieding en weigerde, zichtbaar sidderend,
+alsof het gepeins van in dit huis eene aalmoes te ontvangen haar met
+schrik en schaamte sloeg.
+
+Nog altijd dwaalden de werklieden in de straten van Gent verhongerd en
+lijdend rond. Van kindsbeen af aan eene enkele soort van arbeid, aan
+eene eenvormige en beperkte beweging gewend, waren zij onbekwaam om
+tot eenig ander werk hunne toevlucht te nemen. De gedachte daarvan
+kwam zelfs niet in hen op, en zij zouden veeleer zich met gansch hun
+huisgezin van honger hebben laten sterven, dan in eenige andere
+bezigheid ten minste eenen tijdelijken onderstand te zoeken.
+
+Door den langen duur der werkstaking werd de nood insgelijks voelbaar
+voor het huisgezin der Damhouts. Inderdaad, wat de vrouw door haren
+drukken arbeid met naaien kon verdienen was niet toereikend, om de
+huishuur te betalen en de voeding van vijf personen te bekostigen. In
+de winkels begon men insgelijks moeilijkheden tot langer borgen op te
+werpen.
+
+Aangespoord door den ijver zijner vrouw, die, zooals hij zelf zeide,
+zich de vingeren van de handen werkte, poogde Damhout in de stad werk
+te vinden om iets te winnen. Het gelukte hem in de eerste week niet;
+want schrik voor den oorlog had meer dan eene nijverheid verlamd, en
+er liepen honderden menschen rond om werk en om brood.
+
+Eindelijk toch, en hoezeer het hem, als spinner van ambacht,
+tegenstak, nam hij aan met eenige anderen eene slijkige gracht en
+eenen vijver uit te delven en te verdiepen.
+
+Het bedroefde bazin Damhout uitermate, dat hij zulken arbeid had
+aanvaard, en zij poogde hem te overtuigen, dat hij hem moest verlaten;
+er zou wel een middel zijn om voort te sukkelen, totdat hij wat beters
+hadde gevonden, maar de man, die wanhopig was over de werkeloosheid en
+niet langer al den last van het huishouden op zijne vrouw wilde laten
+drukken, weerstond haar en begon des anderen daags den voor hem zoo
+ongewonen arbeid.
+
+Gedurende de eerste week hield hij het vol; hij was wel treurig in
+zijn hart en tot bezwijkens toe vermoeid in al zijne leden, maar hij
+toonde er niets van en veinsde voor zijne vrouw en kinderen eene
+stille welgemoedheid.
+
+Op eenen namiddag evenwel kwam hij naar huis, liet zich zwak en
+ontzenuwd op eenen stoel vallen, en zeide, dat de koude koorts hem had
+bevangen. Hij was inderdaad zeer bleek, en van tijd tot tijd doorliep
+eene zonderlinge siddering zijne leden. Eene uitdrukking van geheime
+verschriktheid, eene kwaadvoorspellende ontsteltenis zijns gelaats
+deden vrouw Damhout vreezen, dat haar man eene ernstige ziekte kon
+hebben betrapt. Zij bedwong hare tranen om hem niet te verontrusten,
+deed hem te bed gaan en kookte hem eenigen warmen drank, hem onderwijl
+troostende en hem de hoop op eene spoedige herstelling insprekende.
+
+Maar de toestand van Adriaan Damhout verergerde alle oogenblikken; hij
+had groote pijn in het hoofd, hoestte met dor keelgeluid en klaagde
+over eene hevige steekte in de zijde.
+
+De bekommerde vrouw wist niet wat te doen; zij dorst haren zieken man
+niet alleen laten, en evenwel moest er iemand in allerhaast naar den
+dokter loopen. In het over en wedergaan zeide zij in stilte aan haar
+kleinste meisje, dat zij bazin Wildenslag moest gaan verzoeken
+onmiddellijk te komen. Toen zij kort daarop de deur hoorde openen,
+daalde zij de trappen af, vertelde aan hare buurvrouw hoe Damhout met
+eene dreigende ziekte was naar huis gekomen, en verzocht haar bij zijn
+bed te waken, totdat zij den dokter zou hebben kunnen gaan
+verwittigen.
+
+Bij geluk vond vrouw Damhout den dokter te huis en gereed om uit te
+gaan. Hare gebeden waren er niet noodig om hem tot een spoedig bezoek
+aan te sporen. Uit hare verklarigen oordeelde hij, dat hij hier
+waarschijnlijk met eene geweldige _pleuris_ zou te doen hebben, en
+zulke kwaal is dikwijls doodelijk, indien men ze niet onmiddellijk
+bestrijdt.
+
+Zijn voorgevoel was gegrond; bij het bed van den zieke erkende hij
+eene borstvliesontsteking, en gevolglijk was het eerste wat hij deed,
+den zieke de ader te openen en hem zoolang bloed af te trekken, totdat
+hij in bezwijming viel.
+
+Bij het gezicht van het bloed haars echtgenoots kon vrouw Damhout hare
+smart niet meer bedwingen; zij borst in eenen tranenvloed los en bleef
+met de handen voor de oogen weenen, terwijl bazin Wildenslag den
+dokter in zijn werk behulpzaam was.
+
+Toen de geneesheer bemerkte dat de zieke tot zich zelven kwam, schreef
+hij een briefje voor een fleschje en zeide:
+
+"Men hale dit bij den apotheker, en geve er den lijder elk uur eenen
+koffielepel van. Gij moogt zoo niet wanhopen, vrouw; de kwaal is wel
+erg, wanneer men er niet intijds bij is, maar gij hebt wel gedaan mij
+seffens te komen roepen. Nu ben ik schier zeker, dat ik uwen man
+geheel zal genezen; maar het kan nog weken duren, vooraleer hij geheel
+hersteld zij. Hij zal nu waarschijnlijk lust hebben om te slapen;
+stoor hem niet en spreek hem niet aan; hij heeft rust noodig. Gaat
+beiden beneden; gij zult wel hooren wanneer hij iets verlangt.
+Bovenal, dat men hem geen het minste voedsel geve of late nemen. Het
+zou hem doodelijk kunnen worden."
+
+En met de vrouwen beneden gekomen, zeide hij nog, terwijl hij het huis
+uitstapte:
+
+"Hebt goeden moed; dezen avond zal ik wederkeeren om te zien, hoe het
+met onzen zieke gaat."
+
+Bazin Damhout liet zich op eenen stoel vallen en begon nog
+overvloediger te weenen. Uit hare verschrikte snikken kon men slechts
+nu en dan de woorden: "mijn ongelukkige man! mijne arme kinderen!"
+verstaan.
+
+Hare buurvrouw poogde haar te troosten en moed te geven. Of zij daarin
+gelukte en of de bewustheid van haren plicht als echtgenoote en moeder
+de arme bazin Damhout eenige kracht terugschonk, althans de tranen
+dezer laatste hielden op van vlieten.
+
+"Ja, Lina," zeide zij, "gij hebt gelijk: ik moet het hoofd recht
+houden, alhoewel ik verga van droefheid en van angst. Ik ben alleen
+voor alles. Ach, mijn arme Bavo! hoe zal ik hem zeggen, dat men zijnen
+vader al zijn bloed heeft afgetapt? Maar ik mag zoo niet spreken. Ik
+zal pogen het hem te verbergen. Daar is het briefje, Lina; ik kan
+mijnen zieken man niet verlaten. Zoudt gij de goedheid hebben, eens om
+het fleschje te gaan?"
+
+"Welke vraag?" antwoordde vrouw Wildenslag. "Zeker, men gromt en
+scheldt reeds ten mijnent, omdat ik weg ben; maar om u dienst te
+bewijzen, zou ik al wel ergere dingen willen uitstaan. Zoo alleen kunt
+gij niet blijven; ik zal u iemand zenden, die u misschien eene betere
+hulp zal zijn dan eene betaalde dienstmeid."
+
+Bazin Damhout, nu alleen zijnde, stilde haar klein meisje door
+troostende woorden, luisterde met kloppend hart aan de trap en klom
+zelfs eens naar boven om haren angst bevrediging te geven. Zij hoorde
+haren man ademhalen, zij maakte met inzicht eenig gerucht; maar de
+zieke verroerde niet en scheen te slapen.
+
+Dit gaf haar eenigen moed; zij daalde weder in de benedenkamer, zette
+zich op eenen stoel, vouwde de handen te zamen en begon met de oogen
+ten hemel te bidden.
+
+Daar trad Godelieve met het fleschje van den apotheker in de kamer.
+Zij zette het op de tafel, naderde tot vrouw Damhout, omhelsde haar
+teederlijk en begon in stilte op hare borst te weenen.
+
+Het liefderijk medelijden van het meisje ontrukte vrouw Damhout nieuwe
+tranen; maar nadat zij met Godelieve het ongeval van haren man
+gedurende eenigen tijd had beklaagd, werd zij zich zelve meester en
+vroeg op treurigen toon:
+
+"Lieveken, waart gij dan niet op uwen winkel, dat gij om het fleschken
+zijt gegaan?"
+
+"Mijne moeder is om het fleschken geweest," was het antwoord. "Zij is
+op onzen winkel gekomen en heeft met de juffrouw gesproken. Ik mag te
+huis blijven zoolang ik wil, al ware het gedurende vele dagen."
+
+"Waarom te huis blijven?" murmelde vrouw Damhout, die de waarheid
+begon te vermoeden.
+
+"Gij zijt zoo alleen! Om u te helpen baas Damhout op te passen en om
+uwe boodschappen te doen."
+
+"Neen, neen, kind, dit is te veel goedheid van uwe moeder en van u. Ik
+zal Bavo van de school doen blijven. Gij moogt uwen leertijd zoo niet
+onderbreken, het zou u groote schade kunnen zijn."
+
+Het meisje voegde de beide handen smeekend te zamen en zeide:
+
+"Gij waart altijd zoo goed en zoo vriendelijk voor mij; gij zijt de
+oorzaak, dat ik heb mogen leeren. O, ik bid u, weiger mijnen kleinen
+dienst niet! Ik heb verlof van mijne moeder en van mijne meesteresse,
+om met u te blijven zoolang ik u nuttig kan zijn. Laat Bavo op zijne
+school; anders zou hij geene prijzen kunnen behalen. Het ware voor
+hem, voor u en voor zijnen zieken vader een nieuw en groot verdriet."
+
+En zonder een antwoord af te wachten, schikte zij de stoelen, die in
+wanorde geraakt waren, en greep eenen bezem om de kamer te keeren.
+
+Vrouw Damhout aanschouwde haar eene wijl met kloppend hart, ging tot
+haar, omhelsde haar en murmelde:
+
+"Welnu, mijn goed Lieveken, ik aanvaard uwe hulp voor een paar dagen,
+totdat mijn man een beetje zij bekomen. Daarvoor zal God u zegenen,
+dat gij zoo dienstwillig zijt!"
+
+Des avonds, als Bavo en zijne zuster Amelia te huis kwamen, zeide men
+hun, dat vader de koorts had, en men zijne rust niet mocht storen. De
+jongen zag wel aan de treurigheid zijner moeder en aan het droeve
+zwijgen van Lieveken, dat de ziekte zijns vaders ernstig was. Hij
+vergoot stille tranen, totdat de dokter, die nu was gekomen om den
+kranke nog eens te bezoeken, van de trap daalde en op blijden toon
+zeide:
+
+"Wees gerust, vrouw, de ziekte zal geene erge gevolgen hebben; maar
+voor alsnu nog geen het minste voedsel en de volledigste rust. Ween
+niet, mijn brave jongen, uw vader zal genezen, twijfel daar niet aan."
+
+Deze stellige verzekering gaf hun allen moed en hoop; en van dan af
+waren hun verdriet en angst veel verminderd.
+
+Bavo en zijne kleine zuster gingen naar de school, als te voren.
+Lieveken werkte als eene ware dienstmeid; van den vroegen morgen
+verscheen zij ten huize van bazin Damhout, keerde en schikte de kamer,
+ging om water, kookte de koffie en deed alle boodschappen op zulke
+wijze, dat moeder Damhout de uren, welke zij niet bij het bed van
+haren man doorbracht, kon toewijden aan haar naaiwerk, het eenige
+middel om wat geld te winnen voor het huishouden.
+
+In dien zin bovenal was de tegenwoordigheid van Lieveken eene weldaad
+voor de Damhouts; want ondanks het naailoon, was er veel te kort, en
+worstelde de arme Christina tegen eenen klimmenden nood. De ziekte van
+haren man dwong haar tot vele buitengewone uitgaven; zij had zelfs in
+'t geheim reeds hare oorringen en andere kleine juweelen verpand. Wat
+ware het dan niet geweest, indien de tijd tot werken haar volstrekt
+hadde ontbroken?
+
+Godelieve gevoelde wel, hoe zij zich het nuttigst maken kon. Zij
+ijverde met eene wonderbare aanhoudendheid om vrouw Damhout allen
+huisarbeid te sparen, en wanneer zij zelve niets meer te doen wist,
+greep zij naald en garen en naaide mede aan het grofste lijnwaad.
+
+Op eenige dagen tijds was Adriaan Damhout zichtbaar aan het beteren;
+maar zijne herstelling vorderde zeer langzaam. Inderdaad, de dokter
+had hem na den eersten dag nog tweemaal bloed afgetrokken. Daarbij had
+hij hem het gebruik van alle voedsel verboden. Geen wonder dus, dat de
+arme man welhaast zoo mager was als een geraamte, en ofschoon gezond
+van harte misschien, zoo zwak, dat hij nauwelijks kon spreken.
+Mogelijk ook dat zijne ziekte voortduurde en zich slechts langzaam
+liet overwinnen.
+
+Zoohaast zijne beternis toeliet, dat men hem gezelschap hield, gingen
+vrouw Damhout en Lieveken bij zijn bed zitten naaien, en dan gaven zij
+hem moed en troostten hem door allerlei zoete woorden. Het was
+insgelijks bij het bed zijns vaders dat Bavo een gedeelte van den
+avond doorbracht.
+
+Er geschiedde iets zonderlings in den jongen. Hij was somber en
+zwaarmoedig; de anderen, bij de zekerheid dat de zieke zou genezen,
+toonden vreugde en lachten betere tijden tegen, maar Bavo's lippen
+bewogen nooit meer tot den minsten glimlach. Het was, als drukte er
+iets op zijn hart.
+
+Deze duistere gemoedsstemming werd inniger en vermeerderde tot eene
+soort van geheime spijtigheid, wanneer zijne moeder, in stede van te
+gaan slapen, alleen bleef zitten werken tot half in den nacht.
+
+Zij zeide hem somwijlen, dat het niet anders kon zijn; dat, dewijl
+vader niet arbeiden kon, zij moest pogen iets te verdienen om den
+bitteren tijd door te worstelen.
+
+De jongen antwoordde daar niet op, maar ging ontevreden en morrend
+naar zijn bed.
+
+Eenige dagen later had Bavo eensklaps zijne blijmoedigheid
+teruggevonden. Hij was het nu die den anderen moed gaf en zich
+opgeruimd toonde. Vermits hij sedert eenige dagen veel vroeger dan
+gewoonlijk zich naar de school begaf om er werkzaam te zijn,
+vooronderstelde men, dat hij in de prijskampen op zijne school was
+gelukt, en hij ontkende zulks niet. Ieder juichte dus met hem over
+zijne waarschijnlijke zegepraal.
+
+Nu Adriaan Damhout geheel buiten gevaar was geraakt, oordeelde de
+dokter, dat het tijd was om zijne neergedrukte krachten allengs een
+beetje te herstellen. Hij zeide dus op zekeren Maandag tot de vrouw,
+dat zij eene sterke soep van ossenvleesch moest koken, en hem daarvan
+nu en dan een kopje moest te drinken geven.
+
+Groot was de verlegenheid en het verdriet van bazin Damhout. Zij was
+reeds twee weken huishuur ten achter; haar laatste weekloon had zij
+den bakker geheel gegeven, om nog wat brood op borg te bekomen. Niets
+was er in huis, dat waarde genoeg had om tot pand tegen geld te worden
+aanvaard. Nu moest er vleesch zijn: goed ossenvleesch om haren zieken
+man een beetje te versterken. Hoe zou zij dit vleesch bekomen zonder
+geld? Zij dacht aan het bureel van weldadigheid, zij droomde van de
+menschlievendheid van den eenen of anderen rijke in te roepen; maar
+deze middelen boezemden haar schrik in; het gepeins alleen van eene
+aalmoes te gaan vragen, deed haar beven.
+
+Onder hare angstige bewegingen opende zij werktuigelijk de kleine lade
+der kas, waar zij haar geld in legde, wanneer zij geld had. Een
+schreeuw van verrassing ontsnapte haar. De lade was ledig sedert meer
+dan vijftien dagen ... en daar blonk haar nu eensklaps een glinsterend
+vijffrankstuk in de oogen!
+
+Hoe kwam dat muntstuk daar? Was het God zelf, die medelijden had gehad
+met haren nood? Maar neen, hier kon geen wonderwerk in het spel
+zijn.--Lieveken? Maar Lieveken had geen geld, en hare ouders vergingen
+schier van gebrek. Men kon het zien op hunne bleeke aangezichten en
+holle wangen, dat de honger hun ingewand verteerde. Daarenboven, Lina
+Wildenslag verborg het niet, dat zij soms geheele dagen zonder eten
+waren; en bazin Damhout, hoe arm ook, had haar met eenige stuivers te
+gelijk het weekloon van Lieveken doen aanvaarden. Zeker, Lina hadde in
+elk ander geval deze teruggaaf geweigerd; maar nu zeide zij zelve, met
+de tranen in de oogen, dat de ellende haar dwong te vergeten, dat zij
+een hart had.
+
+Van waar kon toch dit vijffrankstuk komen?
+
+Die onoplosbare vraag maakte het hoofd der verbaasde vrouw duizelig,
+en zij bleef de onverwachte hulp lang bestaren. Dan eindelijk zeide
+zij in zich zelve:
+
+"Wie ook onze onbekende beschermer zij, dat God hem zegene! Ho, welke
+sterke, goede soep zal ik gaan maken! En kan iets mijnen armen man
+genezen, dan zal het zeker de weldaad zijn, die ons zoo geheimzinnig
+en zoo edelmoedig wordt bewezen!"
+
+Eenigen tijd daarna stond de soep op de kachel te koken; het gansche
+huis was vervuld met eenen verkwikkenden geur, en de verhongerde zieke
+lag in zijn bed te juichen over het beloofde voedsel, dat hem zoo
+bekorend werd aangekondigd.
+
+Vrouw Damhout verborg noch voor haren man noch voor Lieveken, dat zij,
+als ware het uit den hemel gedaald, in hare kas een vijffrankstuk had
+gevonden, hetwelk er wel zeker nooit in gelegen had. Zij was immer
+vervolgd door het tergend raadsel, van waar dit geld mocht komen, en
+sprak er den ganschen avond van; niemand wist haar iets te zeggen, dat
+haar tot de ontdekking van den geheimen beschermer kon helpen. Bavo
+folterde insgelijks zich de hersens; maar zijne inspanning bleef even
+vruchteloos.
+
+In den loop dezer week waren er geruststellende tijdingen aangaande de
+Europeesche staatsaangelegenheden gekomen; men zeide, dat de vrede
+niet zou gestoord worden, en men kondigde aan, dat sommige fabrieken
+ten minste gedeeltelijk zouden beginnen te werken.
+
+Den volgenden Zondag, zeer vroeg, terwijl Bavo naar de eerste mis was
+gegaan, meende Bazin Damhout eenige centen uit de kas te nemen om
+koffie te halen. Daar zag zij, nevens een geplaatst en als ten toon
+gespreid, vier enkele franken in een hoekje liggen.
+
+Nu was hare verbazing zonder palen; zij bleef eene wijl verblijd het
+geld bezien, sloot de kas en stapte langzaam en het hoofd schuddend,
+ter deur uit.
+
+In den winkel, terwijl men haar de koffie geriefde, zeide haar de
+vrouw:
+
+"Erge tijden, niet waar, bazin Damhout? Hopen wij, mensch lief, dat
+het haast zal beteren. Men zegt, dat er goed nieuws is van Parijs en
+dat het geen oorlog zal worden. Uw man is toch aan de betere hand; God
+zij geloofd, hij zal genezen zijn tegen dat er weder werk is. Ik
+beklaag u echter voor één ding; het is, dat de nood u verplicht heeft
+uwen Bavo van de school te trekken vóór de prijsuitdeeling. Het is
+spijt: de jongen hadde groote eer behaald."
+
+"Gij bedriegt u, onze Bavo gaat nog altijd naar de school," was het
+antwoord.
+
+"In het geheel niet: hij heeft sedert meer dan twee weken de school
+verlaten."
+
+"Maar gij dwaalt; het is niet mogelijk!" kreet bazin Damhout met
+groote verwondering.
+
+"Hoe? Blijft hij van de school zonder uwe kennis!" zeide de
+winkelierster. "Ik weet het van eenen ondermeester, die gisteren bij
+mijnen broeder, den kleermaker, op den winkel was. Sedert vijftien
+dagen heeft men uwen Bavo op zijne school met geene oogen meer gezien.
+Die jongens, die jongens, al deed men ze eenen toom aan, ze zouden nog
+uit het goede spoor loopen!"
+
+Vrouw Damhout verliet den winkel; haar hart was verbrijzeld, en zij
+moest geweld doen om de tranen te bedwingen, die opweiden uit haren
+verkropten boezem. Bavo had sedert zoolang zijne school verlaten,
+zonder dat zijne ouders het wisten! Was de arme jongen in slecht
+gezelschap geraakt? Bewandelde hij eenen doolweg, die hem tot kwaad en
+ondeugd zou leiden? Maar het scheen haar onmogelijk. Welk geheim lag
+er dan onder het onuitlegbaar gedrag van haar kind verborgen? Zou een
+tweede ongeluk haar treffen? Zou het onderwijs in hem zulke slechte
+vruchten hebben voortgebracht? Welke onttoovering! Welke zware
+verantwoordelijkheid voor haar jegens haren man!
+
+Terwijl zij dus onder den pijnlijken twijfel morde en zuchtte, kwam
+Lieveken binnen.
+
+De moeder gevoelde, dat zij haren zoon niet in tegenwoordigheid van
+dit meisje mocht beschuldigen; zij wilde insgelijks haren man niet
+verontrusten, vooraleer door Bavo zelf de verklaring van zijn gedrag
+te hebben bekomen.
+
+Lieveken bemerkte wel, dat bazin Damhout ontsteld en treurig was; toen
+zij echter vernam, dat het met den zieke nog altijd wel ging, wist
+zij niet meer wat te denken, en dorst niet verder aandringen.
+
+Hetzelfde gebeurde met Bavo, die, uit de kerk te huis komende, iets
+vreemds in den blik zijner moeder vond en van haar wilde weten, wat
+haar bedroefde of ontroerde.
+
+De bekommerde en angstvolle vrouw gaf niets dan ontwijkende
+antwoorden, totdat Lieveken het huis had verlaten om op hare beurt ter
+kerke te gaan. Dan greep zij met plechtigen en strengen oogopslag de
+hand haars zoons, leidde hem tot in eenen hoek der kamer, verre van de
+trap, en vroeg hem met bevende stem:
+
+"Bavo, is het waar, dat gij sedert veertien dagen niet meer naar
+school zijt geweest?"
+
+De jongen werd rood tot achter de ooren en boog het hoofd.
+
+"Spreek, Bavo, laat mij niet in den pijnlijken twijfel. Is het waar?"
+
+"Het is waar, moeder lief," was het antwoord.
+
+"Ongelukkige jongen!" kreet de vrouw. "gij hebt sedert twee weken uwe
+school verlaten? Ik beef, ik durf u niet vragen in welk gezelschap gij
+dien tijd hebt doorgebracht. Ach, Bavo, ik, die geloofde, dat gij uwe
+arme moeder bemindet! Mijn God, ik moet het toch weten, hoe
+schrikkelijk het zij. Zeg, zeg, mijn zoon, wat hebt gij gedaan
+gedurende al dien tijd?"
+
+Bavo zag haar diep in de oogen en antwoordde met eene soort van stille
+fierheid:
+
+"Moeder, ik werk op eene fabriek."
+
+"Gij werkt op eene fabriek!"
+
+"Op eene fabriek van _bougies_, sedert vijftien dagen."
+
+Dan schoot er eene plotselijke klaarheid in den geest van bazin
+Damhout: hare oogen begonnen van bedwongen geestdrift te fonkelen. Met
+den bevenden vinger op de kas gericht, vroeg zij:
+
+"Dat geld, dat vijffrankstuk, die vier franken?"
+
+"Het is mijn weekloon, moeder lief," stamelde hij.
+
+Met eenen schreeuw van koortsige blijdschap sloeg Christina de armen
+om den hals haars zoons, sloot hem op haar hart en bevochtigde zijn
+hoofd met hare tranen.
+
+De jongen poogde haar te doen begrijpen, dat hij dien hoogen lof niet
+verdiende en niets gedaan had dan zijnen plicht. Wat hij betreurde,
+was alleenlijk, dat hij geen middel had weten te vinden om meer te
+winnen en zijne arme moeder het nachtelijk werken te sparen.
+
+Toen de ontsteltenis der vrouw een weinig was bedaard, trok zij haren
+zoon op eenen stoel nevens zich en vroeg hem de nadere uitlegging van
+zijn gedrag.
+
+"Ik zag u en Godelieve altijd, altijd arbeiden," antwoordde hij.
+"Wanneer ik, na tot middernacht met u gewaakt te hebben, slapen ging,
+bleeft gij nog zitten met het naaiwerk op den schoot. Mijn vader was
+ziek; er was nood in huis. Ik alleen deed niets om u te helpen. Mijn
+geweten knaagde, mijn hart verweet mij mijne laffe werkeloosheid. Na
+eenige dagen van schaamte en wanhoop ging ik tot den hoofdonderwijzer,
+mijnen meester, en zeide hem, zonder iets te verzwijgen, wat er in ons
+huis geschiedde, en hoe ik besloten had de school te verlaten om eenig
+werk te zoeken en zóó ten minste mijnen zieken vader en mijne goede
+moeder in hunne ellende bij te staan. Ik zeide hem insgelijks, dat ik
+mijn besluit gedurende eenigen tijd voor u zou verborgen houden,
+dewijl ik overtuigd was, dat gij mij anders zoudt beletten het uit te
+voeren. Ik meende, dat hij mijn voornemen zou afkeuren; maar neen, hij
+drukte mij de handen, en prees zeer hoog wat hij mijnen moed en mijn
+plichtgevoel noemde. Toen hij verstond, dat ik niet wist waar het
+gewenschte werk te vinden, beloofde hij mij, zelf eenigen zijner
+bekenden daarover te spreken; en reeds des namiddags had hij mij eene
+plaats gevonden op eene fabriek van waskaarsen, die men _bougies_
+noemt. Daar had ik niets anders te doen dan de kaarsen in pakjes te
+binden en in houten kassen te schikken; en eindelijk eenige letters en
+nummers op de kassen te schilderen. Ik won zestig centiemen daags en
+kreeg op 't einde der week nog eenig drinkgeld, omdat men tevreden was
+over mijn werk. O, moeder, het vijffrankstuk, eerste vrucht van mijnen
+arbeid, heeft mij zoo gelukkig gemaakt! Het moest u helpen en u
+troosten in uwen nood. Ha, gij hebt het niet bemerkt, maar toen ik
+mijnen armen vader de sterke soep lachend zag genieten en hem hoorde
+zeggen, dat hij daardoor onfeilbaar zou genezen, dan ben ik beneden
+gegaan, en ik ben mij op 't einde der steeg achter den blinden muur
+gaan verbergen, om daar door eenen tranenvloed mijn hart van de
+overmatige blijdschap te ontlasten. Het eerste geld, dat ik met werken
+had gewonnen, zou mijnen vader de gezondheid helpen teruggeven! Ik
+bezweek schier van geluk bij die gedachte.... Prijs mij dus niet,
+moeder lief, ik ben genoeg beloond geworden...."
+
+Met eenen gil van bewondering sprong de ontstelde vrouw recht en liep
+naar boven, zonder acht te geven op de smeeking van haren zoon, die de
+handen ophief om haar te wederhouden.
+
+Niet lang daarna klonk de stem van den zieken Damhout met groote
+kracht tot beneden de trap:
+
+"Bavo, Bavo!" kreet hij. "Kom, kom!"
+
+De jongen kon den roep zijns vaders niet wederstaan; hij klom
+aarzelend naar boven, en dewijl hij daar twee bevende armen tot zich
+uitgestrekt zag, omhelsde hij zijnen zieken vader met blijde
+uitstortingen des harten.
+
+Damhout dankte en loofde zijnen zoon voor zijne schoone en moedige
+daad; uit zijne woorden bleek, dat zijne grootste vreugde daarin
+bestond, dat Bavo uit eigene beweging werkman was geworden. Hij drukte
+eindelijk toch eenige spijt uit, omdat zijn zoon op eene fabriek van
+bougies arbeidde; hem scheen het, dat dit niet juist het beste vak
+was.
+
+Op deze bemerking antwoordde de jongen, dat hij door tusschenkomst van
+den hoofdonderwijzer werk had gekregen op de katoenspinnerij van M.
+Verbeeck. Hij zou daar gedurende eenigen tijd katoen uitpluizen en in
+soorten schikken, dan aan den eersten _duivel_ staan, en zoo voorts in
+het vak zich oefenen en allengs vervorderen. De fabriek van M.
+Verbeeck ging binnen vijf dagen geopend worden.
+
+Dit vervulde vader Damhout met nieuwe en groote blijdschap; want dit
+was inderdaad de baan, langs waar men met verstand en vlijt het verste
+op eene katoenfabriek kon geraken. Bavo zou eens meesterknecht worden,
+daaraan twijfelde de gelukkige vader niet meer.
+
+Toen men genoeg bedaard was geworden om over min ontroerende dingen
+te spreken, besliste men, dat van morgen af Godelieve terug naar haren
+winkel zou gaan. Inderdaad, Damhout behoefde geene onophoudende
+bewaking meer; hij zou dien dag zelven reeds gedurende eenigen tijd
+uit zijn bed komen. Met de vier of vijf franken per week, welke Bavo
+nu won, werd het mogelijk betere tijden af te wachten.
+
+In den namiddag, toen Bavo beneden bezig was met Lieveken in een boek
+iets te wijzen of te leeren, ging vrouw Damhout naar boven, zette zich
+nevens het bed van haren man en vroeg hem op zegevierenden toon:
+
+"Welnu, Damhout, gelooft gij nog, dat het onderwijs een werkmanskind
+tot hoogmoed en luiaardij verleidt? Welke kinderen, in geheel onze
+stege, zijn zoo beminnend, zoo verstandig en zoo deugdzaam als Bavo en
+Lieveken? Het is alleenlijk, omdat zij geleerd zijn en weten wat goed
+en wat kwaad is."
+
+Onder den slag eener bijzondere ontroering bevochtigden zich de oogen
+des werkmans; hij greep de hand zijner vrouw en zeide:
+
+"Neen, neen, Christina, dit alleen is de oorzaak hunner schoone
+inborst niet. Het is uw hart, uw goed en edel hart, dat klopt in
+hunnen boezem. Eene moeder als gij is de zegen Gods in een
+huishouden!..."
+
+
+
+
+VII
+
+
+Met het begin der volgende week werden er inderdaad een zeker getal
+fabrieken geopend; maar, in afwachting van stellige tijdingen
+aangaande den Europeeschen vrede, lieten zij slechts een beperkt getal
+werklieden toe.
+
+Bavo arbeidde op de spinnerij van M. Verbeeck. Hij droeg nu zijne
+slechte kleederen, en, dewijl hij door den aard van zijn werk altijd
+met vlokken katoen als met een spinneweb was overdekt, zag hij er op
+verre na zoo zindelijk niet meer uit als te voren. Dit gaf Godelieve,
+als zij des avonds van haren winkel kwam, dikwijls stof tot lachen, en
+zij noemde den jongen schertsend _de katoenvogel_; maar hij, in stede
+van daarover spijtig te worden, was altijd ten uiterste blijmoedig en
+scheen trotsch door de overtuiging, dat hij nu tot iets nuttig
+geworden was en zijne ouders mocht behulpzaam zijn.
+
+Ondanks den nood en de trage herstelling van vader Damhout, was elkeen
+in dit huishouden gelukkig. Bovenal was het hart der moeder met een
+gevoel van hoogmoed en van zaligheid vervuld. Soms kon zij des avonds
+uren lang in stilte haren zoon bestaren, terwijl hij, ofschoon
+vermoeid van den arbeid, nog met inspanning het hoofd over zijne
+boeken hield gebogen. Dan klopte haar hart, dan glinsterden hare
+oogen, en de blik, dien zij dan bij wijlen ten hemel wierp, was wel
+zeker een innig gebed van dankbaarheid.
+
+Vader Wildenslag en zijne zonen, alhoewel zij, door den honger
+aangejaagd, van de eene fabriek naar de andere liepen om arbeid te
+vinden, waren tot dan in hunne pogingen niet gelukt. Zij hadden zich
+bij de laatste volksonlusten door hunne hevigheid en hunne woestheid
+doen opmerken; en dewijl de fabrikanten nu slechts de beste werklieden
+uitkozen, wilde geen hunner de gekende belhamels van den oploop tegen
+de fabrieken in zijn gesticht toelaten.
+
+Het schijnt, dat in Frankrijk de nijverheid spoediger en met meer
+kracht had hernomen; want er kwamen alsdan te Gent eenige afgezondene
+personen, om goede fabriekwerkers aan te werven voor de steden in het
+Noorderdepartement.
+
+Wildenslag en zijne zonen aanvaardden met blijdschap deze gunstige
+gelegenheid om zich uit den onverdraaglijken nood te redden, en namen
+gereedelijk de voorwaarden der wervers aan. Men zou hunne reiskosten
+betalen en zij zouden in Frankrijk een veel hooger dagloon dan in
+België winnen.
+
+Zeker, in andere omstandigheden zou de gedachte van hare geboortestad
+te verlaten, vrouw Wildenslag verschrikt en bedroefd hebben; maar nu
+verblijdde haar deze reis als een onverwacht geluk. Inderdaad, het was
+de verlossing uit den afgrond der bitterste ellende. Daarenboven,
+zoohaast er weder overvloed van werk te Gent zou zijn, zouden zij
+terugkeeren. Hunne afwezigheid zou dienvolgens ten hoogste eenige
+maanden duren.
+
+Vrouw Wildenslag ging juichend en met groote blijdschap haar vertrek
+naar Frankrijk in de gansche buurt aankondigen.
+
+Toen zij in de woning der Damhouts kwam, was zij vergezeld door haren
+man, die nu zijne luidruchtige welgemoedheid geheel had teruggevonden
+en roemde op het hooge dagloon, dat men in Frankrijk genoot. Dáár,
+zeide hij, eet een werkman tweemaal vleesch elken dag en drinkt er
+bier en somtijds wijn, evenals een rijk mensch. Dat zou een pleizierig
+leven en een eeuwig _smeerken_ zijn!
+
+Bazin Damhout ontving deze tijding met treurnis. Het gepeins, dat
+Lieveken, hare ouders zou volgen en zij het goede kind dus in langen
+tijd niet meer zou zien, bedroefde haar; maar dewijl zij het vertrek
+der Wildenslags niet anders kon beschouwen dan als eene zeer
+natuurlijke zaak en als een gelukkig middel voor hen, om uit de lange
+ellende te worden verlost, deed zij geene de minste tegenwerping.
+Alleenlijk beklaagde zij het, dat Godelieve nu den winkel zou moeten
+verlaten, waar zij zoo wel was en op spoedige vervordering mocht
+hopen.
+
+Moeder Wildenslag betreurde dit insgelijks; maar zij meende, dat het
+niet onmogelijk zou zijn, in Frankrijk eenen anderen goeden winkel
+voor Lieveken te vinden.
+
+Hierop antwoordde Wildenslag:
+
+"Ba, ba! met uwen winkel! Godelieve is nu sterk genoeg geworden. Als
+zij zal zien, hoe hare broeders en zusters geld in overhoop winnen,
+zal zij van zelve op eene fabriek willen werken."
+
+Nadat hare buren waren weggegaan, overpeinsde vrouw Damhout zeer lang
+de woorden van Wildenslag. Zij wist niet waarom de vrees, dat Lieveken
+op eene fabriek kon gaan, haar ontstelde. Waarlijk, zij had voor het
+goede kind eene andere toekomst gedroomd; maar werkte haar eigen zoon
+niet op eene fabriek? Het was toch hetzelfde niet: Bavo kon
+meesterknecht worden.
+
+Hare treurnis overwinnende, zeide zij zich zelve, dat moeder
+Wildenslag waarschijnlijk wel zou zorgen, dat hare Godelieve in
+Frankrijk het ambacht van kleermaakster voortleerde; de afwezigheid
+hunner buren zou niet langdurig zijn; dewijl alles voorspelde, dat het
+werk in Gent ook spoedig zou hernemen. Daarenboven, er was niets aan
+te doen. De Wildenslags hadden gelijk, het redmiddel, dat hun
+aangeboden werd, met blijdschap te aanvaarden.
+
+Toen Bavo des avonds te huis kwam, zeide zijne moeder hem, dat de
+Wildenslags besloten hadden overmorgen, met het krieken van den dag,
+naar Frankrijk te vertrekken. Zij zouden dus onmiddellijk uit hunne
+bittere armoede gered zijn; want men had hun een buitengewoon hoog
+dagloon verzekerd. Lieveken zou natuurlijk hare ouders volgen; maar
+zoohaast er weder veel werk in Gent was, zouden zij terugkomen.
+
+Deze tijding trof Bavo op eene zonderlinge wijze; hij boog het hoofd,
+zag sprakeloos ten gronde en antwoordde zelfs niet, toen zijne moeder
+hem vroeg waarom iets, dat zeker een geluk was voor de ouders van
+Lieveken, hem scheen te bedroeven. Eindelijk, als ware er nu eerst een
+duidelijk besef der zaak in zijnen geest ontstaan, zeide hij op den
+toon van onderwerping:
+
+"Inderdaad, moeder, zij zullen dan toch uit den pijnlijken nood
+verlost zijn. Ik was zoo gewend, Lieveken des avonds hier te vinden.
+Nu zal ik alleen, altijd alleen met u zijn; maar ik ben geen kind
+meer.... Als Lieveken slechts welvaart en gelukkig is in Frankrijk,
+zal ik mij over hare afwezigheid niet te veel bedroeven. Gij hebt
+gelijk, moeder, de mensch moet zich sterk houden tegen het lot.
+Daarenboven, wie weet of onze geburen niet reeds binnen eenige maanden
+wederkeeren?"
+
+De moed en de verduldigheid, waarmede haar zoon deze tijding had
+ontvangen, verwonderden en verblijdden vrouw Damhout. Zij begreep
+niet, dat hare moeite om hem de tijding onder een gunstig daglicht te
+doen aanschouwen, voor een oogenblik zijn gevoel en zijne rede had in
+twijfel gebracht.
+
+Maar zij moest weldra erkennen, dat zij zich had bedrogen; want Bavo
+liet zich bij de tafel op eenen stoel zakken, bleef lang met starende
+oogen in diepe overweging verzonken, en slaakte van tijd tot tijd
+eenen hollen zucht, als beklemde een zwaar gewicht zijne borst.
+
+Het was reeds laat, toen Lieveken met het voorschoot voor de oogen in
+de kamer verscheen, en onder luide snikken over haar vertrek naar
+Frankrijk begon te kermen.
+
+Bavo, alhoewel hij zelf geweld deed om niet onder zijn verdriet te
+bezwijken, poogde het bedrukte meisje te troosten. Vrouw Damhout en
+haar man voegden hunne woorden bij de zijne; maar Godelieve scheen
+ontroostbaar in hare diepe smart.
+
+Toen eindelijk het meisje tusschen hare snikken eenige duidelijke
+klachten kon voortbrengen, zeide zij, waarom dit vertrek als een wreed
+ongeluk haar verschrikte en haar zoo diep bedroefde. Zij herinnerde
+zich de eindelooze goedheid van vrouw Damhout voor haar, de
+onverdiende vriendschap, die Bavo gedurende geheel haar leven haar had
+gegund, en zij sprak van weldaden, van edelmoedigheid en medelijden
+voor een arm verstooten kind; zij noemde bazin Damhout hare goede
+moeder en Bavo haren leermeester en haren broeder. Dit alles ging zij
+verliezen. De wereld zou eene woestijn voor haar worden, al wat zij
+meest had bemind, ging zij verlaten, misschien voor altijd.
+
+Het meisje had zulke gevoelige, zulke zoete, teedere woorden; de
+liefde haars harten voor hare weldoeners stortte zich zoo onbewimpeld
+en zoo vurig uit, dat zij iedereen tot in de ziel ontroerde.
+
+Vrouw Damhout sloot het dankbare kind tegen hare borst, en deed geweld
+om door bewijzen van innige dankbaarheid haar te troosten.
+
+Bavo lag met het hoofd op de tafel en weende; zijne droefheid was
+stom; geene klacht ontsnapte zijnen boezem; want hij wist wel, dat
+hier niet tegen de wreede uitspraak van het lot kon geworsteld worden.
+
+Zoo bleven dien avond in de woning van Damhout bittere, hopelooze
+tranen vlieten, totdat moeder Wildenslag hare Godelieve kwam roepen en
+ze mede naar huis nam.
+
+
+[Illustratie: Grepen elkander de handen.]
+
+
+Den volgenden dag ging het wat beter. Uitgeput van weenen, getroost en
+versterkt door de vriendelijke woorden van vrouw Damhout en van Bavo,
+had Lieveken de zaak allengs met meer verduldigheid beginnen in te
+zien. De vaste hoop, dat zij welhaast met hare ouders naar Gent zou
+wederkeeren, had een weldadig licht in hare droefheid geschoten, en
+zij insgelijks scheen het vertrek, als zijnde toch een geluk voor hare
+ouders, met onderwerping te aanvaarden....
+
+Toen de Wildenslags, ouders en kinderen, elk met een pak aan de hand,
+vóór den dageraad de stege verlieten, om de reis naar Frankrijk te
+beginnen, waren zij door Bavo vergezeld.
+
+De jongen stapte nevens Lieveken en droeg haar pak. Zij weenden niet
+en spraken weinig. Hunne harten waren beklemd. Wat zij zeiden, waren
+woorden van wederzijdsche vertroosting; want zij hadden beiden het
+gevoel, dat deze scheiding, hoe kort ook, hun pijnlijk zou zijn; en
+zij maanden in hunne eenvoudigheid elkander aan, om niet te veel te
+denken aan al het zoet vermaak en aan het stil geluk, dat zij
+gedurende hunne schoone kindsheid te zamen hadden genoten.
+
+Zoo kwam men buiten de poort, en dewijl het tijd was voor Bavo om naar
+zijne fabriek te gaan, kon hij onmogelijk de Wildenslags langer
+vergezellen.
+
+Bavo en Lieveken, als door eene zelfde beweging gedreven, grepen
+elkander de handen, wisselden eenen diepen blik, waarvan zij zelven de
+beteekenis niet begrepen en murmelden met versmachte stemme:
+
+"Vaarwel, Bavo! Vaarwel, Lieveken. Tot wederziens!"
+
+Tranen ontsprongen hunnen oogen; maar het meisje, zich voelende
+bezwijken, slaakte eenen grievenden kreet en liep tot hare ouders, die
+reeds in de baan vooruit waren.
+
+De jongen bleef roerloos; hij zag hoe het arme Lieveken met hangend
+hoofd en wankelende stappen achter moeder voortsukkelde. Hij wenschte
+en hoopte, dat zij nog eens het gezicht tot hem zou keeren; maar daar
+bereikten zij den draai der baan, en allen verdwenen zij voor de oogen
+van Bavo.
+
+Dan werd het hem, als hadde men met geweld iets uit zijn hart gerukt.
+Hem verbaasde de akelige ledigheid, die eensklaps in hem en rondom hem
+was ontstaan, en hij schudde twijfelend het hoofd, als vroege hij zich
+zelven het raadselwoord der duizeligheid zijner zinnen.
+
+Dubbend, morrend en diep bedrukt, keerde hij stedewaarts en begaf zich
+naar zijne fabriek. Het beeld van Lieveken vervolgde hem overal; in
+het katoen, dat hij uitpluizen en schikken moest, vormde zich de
+gedaante der betreurde speelgenoote, nu met den onbegrijpelijken blik
+in de oogen, dan met hangend hoofd de droeve rust beginnende. Het
+woord "vaarwel!" klonk hem van alle kanten uit de geruchten der
+fabriek in de ooren. Maar de arbeid is een machtige trooster des
+harten, en hij leent den mensch eene wonderbare sterkte tegen de
+denkbeelden, die hem overheerschen. Vóór het einde van den eersten dag
+was de smart van Bavo reeds veel verminderd, en alhoewel hij nog
+altijd aan Lieveken en aan haar vertrek bleef mijmeren, kwam er meer
+verduldigheid en rust in zijn hart.
+
+Des avonds, als hij te huis kwam van zijne fabriek, nam hij als te
+voren zijne boeken, maar dan geviel het dikwijls, dat hij, zonder het
+te weten, eensklaps het hoofd verhief en rondkeek, als zocht hij
+iemand met de oogen; somtijds stond hij op en ging naar de deur bij
+het minste gerucht. Er ontbrak hem iets; en alhoewel hij lachte met
+zijne eigene verstrooidheid, was zijne moeder bekommerd over deze
+zonderlinge ontroeringen haars zoons.
+
+Ook sprak zij weinig met hem over Godelieve; en wanneer hij haar dwong
+over de afwezige vriendin te kouten, brak zij de samenspraak zoo kort
+mogelijk af. Hare moederlijke liefde zeide haar, dat de diepe treurnis
+haars zoons geen voedsel mocht geven, alhoewel zij even veel aan
+Lieveken dacht als hij zelf.
+
+Er verliepen op deze wijze een paar weken. Bavo scheen zich in de
+afwezigheid van Godelieve te hebben getroost, en, sprak hij nu nog van
+haar, het was met bedaardheid en met rede.
+
+Vader Damhout was schier geheel genezen. Hij had zich reeds naar de
+fabriek van zijnen ouden meester, M. Raemdonck, begeven, om er te
+worden aangenomen. Nog eene week en hij zou zijnen arbeid als spinner
+hernemen.
+
+Op eenen middag kwam een onderwijzer der gemeenteschool in hun huis,
+om hen allen in naam van den bestierder uit te noodigen tot de
+prijsuitdeeling, die op den komenden Maandag was vastgesteld. Wel was
+het waar, dat Bavo, omdat hij de school voor het einde der wedstrijden
+had verlaten, geen recht kon hebben op de gewone prijzen, maar de
+onderwijzers hadden besloten, dat zijne vlijt, zijne vorderingen en
+bovenal zijn schoon gedrag eene openbare belooning verdienden. Bavo
+zou dienvolgens eenen buitengewonen prijs krijgen. Hij zelf en zijne
+ouders mochten niet nalaten de plechtigheid der prijsuitdeeling bij te
+wonen. Zij zouden ongetwijfeld altezamen verheugd en fier naar huis
+keeren.
+
+
+
+
+VIII
+
+
+De zaal, waar de prijsuitdeeling der gemeenteschool ging geschieden,
+was opgevuld met volk, meest vaders en moeders van leerlingen, en dus
+zeer geringe burgers of werklieden. Evenwel, vooraan bemerkte men ook
+wel eenige deftige dames en heeren, die, door een edel gevoel
+ingesproken, de prijsuitdeeling der kostelooze gemeenteschool door
+hunne tegenwoordigheid kwamen verheffen en opluisteren.
+
+Adriaan Damhout met zijne vrouw Christina zat op de vijfde of zesde
+bank, te midden van het publiek; hun zoon Bavo bevond zich tusschen de
+schoolkinderen op de plaats, hem door de onderwijzers aangeduid.
+
+Alles was gereed en de klokken der kerken hadden reeds sedert eene
+wijl het bepaalde uur verkondigd, toen eensklaps de deur der zaal met
+eenig gerucht werd geopend. De burgemeester van Gent, vergezeld door
+eenige schepenen en gemeenteraadsheeren, trad binnen en stapte tot bij
+het tooneel, waar groote leunstoelen voor de overheden waren geschikt.
+
+Met blijde verrassing in de stem murmelde Adriaan Damhout aan het oor
+zijner vrouw:
+
+"Hebt gij niet gezien, Christina, dat mijnheer Raemdonck met den
+burgemeester is binnengekomen?"
+
+"M. Raemdonck, de meester van uwe fabriek?"
+
+"Ja, kijk, daar voor ons, op den tweeden zetel, naast den
+burgemeester, aan zijne linkerzijde. Het is M. Raemdonck zelf."
+
+"Het is te begrijpen, Adriaan, vermits mijnheer Raemdonck sedert een
+jaar in den raad van de stad zit."
+
+"Ja, en hij moet daar nog al veel bezigheden hebben; want nu bemoeit
+hij zich zooveel niet meer met de fabriek; het is de oude
+meester-klerk, die schier alles bestiert. Ha, ik weet niet, Christina,
+maar het verblijdt mij grootelijks, dat M. Raemdonck hier tegenwoordig
+is."
+
+"En mij verheugt het insgelijks, Adriaan. Nu zal uw meester kunnen
+zien, dat gij een goed vader zijt en uwe kinderen hebt laten
+leeren...."
+
+Hunne stille samenspraak werd onderbroken door den klank der bel, die
+het begin der plechtigheid aankondigde.
+
+Een der raadsheeren had de trede der verhevenheid beklommen en hield
+eene openingsrede. Hij sprak over de noodzakelijkheid van het
+onderwijs voor alle standen der samenleving, en spoorde bovenal de
+werklieden aan om hunne kinderen niet in de onmacht en de slavernij
+der onwetendheid te laten. Zijne bondige rede eindigende, zeide hij:
+
+"Luistert, mijne vrienden, hoe een werkman als gij, een werkman van
+Brussel [Voetnoot: M. Dauby.], tot zijne medegezellen spreekt.--Het
+onderwijs, zegt hij, is heden voor iedereen eene dringende
+noodzakelijkheid, tot welke loopbaan of ambacht men ook zij bestemd.
+Niet geleerd zijn, wanneer de anderen geleerdheid bezitten, stelt den
+mensch in eenen toestand van eeuwige minderheid. De voordeelen van het
+onderwijs bestaan niet alleenlijk in te kunnen lezen, schrijven en
+rekenen, maar het opent den geest, ontwikkelt het verstand en vormt de
+rede; het leert opmerken en vergelijken; het geeft den mensch licht en
+sterkte om zijne plichten te vervullen en zijne rechten te verdedigen.
+Gij weet het, gezellen, de nijverheid vervormt zich onophoudend: alle
+dagen komen nieuwe verbeteringen tot stand. Alles gaat vooruit; de
+werkman moet mede vooruitgaan en den stap der anderen volgen, wil hij
+niet achterblijven en verpletterd worden. Indien de mekanieken hem
+zijnen lichamelijken en enkel stoffelijken arbeid ontnemen, om hem
+niets te laten dan het verstandelijk werk, dit is ook een vooruitgang;
+maar slechts op voorwaarde dat de werkman zich tot de hoogte zijner
+nieuwe taak wete te verheffen. Wie zal hem daartoe helpen? Het
+onderwijs, de geleerdheid, die den geest ontwikkelt en den mensch
+nieuwe krachten geeft, krachten, wel anders machtig dan die zijner
+armen, omdat zij noch de vermoeidheid noch de jaren vreezen;--de
+geleerdheid, die hem nieuwe wegen opent, die hem een beter dagloon met
+minder lichamelijke vermoeidheid bezorgt;--de geleerdheid, die de
+eeuwenlange ongelijkheid tusschen de menschen vermindert en veel meer
+kan toebrengen om ze geheel te doen verdwijnen dan de dwaze droom
+dergenen, die de rijkdommen onder allen zouden willen verdeeld zien,
+en waarvan de zekerste uitslag niets zou zijn dan de gelijkheid der
+armoede. Zegenen wij dus als werklieden den vooruitgang der scholen,
+de verspreiding van het onderwijs, als de schoonste glorie onzer eeuw.
+Wat ons betreft, wij beschouwen elke school als een tempel, opgericht
+aan de waardigheid en de welvaart van het arbeidende volk!--Ziedaar,
+vrienden, de edele woorden, u door eenen uwer gezellen toegestuurd.
+Drukt ze in uw hart en volgt den wijzen raad, die er in ligt besloten;
+want zij toonen u het middel om uwe krachten te verdubbelen, uwe
+welvaart te vermeerderen en in de toekomst het werk en den werkman te
+verheffen en te veredelen."
+
+Deze redevoering, met kracht en overtuiging uitgesproken, had eenen
+diepen indruk op het gemoed der aanhoorders gedaan. Eerst na een
+oogenblik der volledigste stilte braken de toejuichingen los. Onder
+degenen, die met koortsige geestdrift in de handen klapten en bravo
+riepen, kon men bovenal vrouw Damhout onderscheiden. De opgetogene
+Christina had hare eigene denkwijze zoo welsprekend hooren bevestigen;
+en zij gevoelde, dat de woorden van den raadsheer eene lange lofrede
+van haar gedrag als moeder waren geweest.
+
+"Welnu, Adriaan," vroeg zij zegevierend, "had ik gelijk of niet? Die
+heer weet er meer van dan Jan Wildenslag, niet waar? En gij hoort wel,
+dat er verstandige werklieden zijn, die denken als ik over het
+onderwijs der kinderen?"
+
+Damhout knikte met het hoofd ten teeken van toestemming; maar hij had
+den tijd niet om haar te antwoorden, want de oefeningen der
+schoolkinderen begonnen onmiddellijk en werden zonder verpoozing
+voortgezet.
+
+Men droeg eenige verzenstukjes en fabelen voor, en men vertoonde zelfs
+een geestig blijspel, het alles onder het twintigmaal herhaalde
+handgeklap der aanschouwers, die verbaasd waren en zich trotsch
+gevoelden over de kunde en de geleerdheid hunner kinderen.
+
+Eindelijk ging men over tot de prijsuitreiking. Een groot getal
+jongens van allen ouderdom, de kleinste eerst, werden beurtelings
+opgeroepen en kregen één of meer boeken.
+
+Velen moeders ontvielen tranen van geluk en hoogmoed; eenigen drukten
+in vol publiek hunne kinderen op hun hart en deden door deze
+eenvoudige uitstorting van liefde en blijdschap de toejuichingen der
+ontroerde aanschouwers verdubbelen.
+
+Toen men aan de leerlingen der hoogste klasse was gekomen, en Bavo de
+schoone, groote boeken één voor één van de tafel zag verdwijnen, werd
+het hem eenigszins bang om het hart. Ware hij op de school gebleven,
+dan hadde hij wel zeker het grootste getal dier prijzen behaald. Al de
+eer, welke zijnen ouden gezellen nu werd aangedaan, ware hem te beurt
+gevallen. Hoe hadde die openbare zegepraal, in tegenwoordigheid des
+burgemeesters en der andere heeren, zijne moeder en zijnen ziekelijken
+vader gelukkig gemaakt! Nu zou hij slechts eenen prijs krijgen, eenen
+kleinen prijs, want er lagen geene groote boeken meer op de tafel.
+
+Nog treuriger werd Bavo, toen hij ook den laatsten prijs zag weggaan;
+maar hij werd uit zijne droeve overweging opgewekt door de
+verschijning van den hoofdonderwijzer, die op het tooneel vooruitkwam
+om tot het publiek te spreken.
+
+De redenaar was een man met grijze haren; er lag in zijn schoon en
+indrukwekkend gelaat een toon van ernst en goedheid, van overtuiging
+en liefde, die liet vermoeden, dat deze grijsaard het onderwijs der
+kinderen beschouwde als eene soort van priesterschap.
+
+Op stillen, doch diepgevoelden toon begon hij zijne aanspraak. Van
+zijne eerste woorden af verwonderde hij elkeen, en boeide de aandacht
+gansch bijzonderlijk; want hij verhaalde een vertelsel van werklieden,
+eenen vader en eene moeder, die ten koste van vele opofferingen hunnen
+zoon hadden laten leeren, en die zelfs te midden van nood, van ziekte
+en ellende, liever honger hadden geleden dan hun kind van de school te
+trekken. Hij prees deze ouders zeer hoog, noemde ze edele, waardige
+menschen, en stelde ze ten voorbeeld van allen, die hem aanhoorden.
+
+Dewijl hij geene namen noemde, meende men, dat hij een uitgevonden
+verhaal voordroeg; maar de moed en de opoffering dezer ingebeelde
+ouders rukten evenwel tranen van bewondering uit de oogen van alle
+lieden.
+
+Christina Damhout hield het hoofd gebogen en verborg hare ontroering.
+Haar hart klopte fel, en zij was als beschaamd.
+
+"God heeft die goede ouders beloond," ging de grijze redenaar voort,
+"en in het feit dat ik u verhalen ga, zult gij het bewijs vinden, dat
+het onderwijs, gepaard met de zedelijke opvoeding, het hart van den
+mensch veredelt en hem, met het besef zijner plichten, ook den moed en
+de kracht geeft om ze te vervullen. De zoon dier ouders was leerling
+op deze school. Hij was de sterkste en meest geleerde in de hoogste
+klasse, en wel zeker zou hij al de eerste prijzen hebben weggedragen.
+Niemand twijfelde er aan, noch wij, zijne leermeesters, noch zijne
+medeleerlingen, noch hij zelf. Hij snakte naar den dag der
+prijsuitreiking, niet voor zich zelven, maar voor zijnen vader en
+zijne moeder, die gelukkig zouden zijn door zijne schoone zegepraal.
+Dan kwam de werkstaking der fabrieken; zijn vader werd doodelijk ziek;
+nood en lijden overvielen zijne arme ouders. Wat deed de jongen? Hij
+verzaakte aan al zijne prijzen, aan de lang gedroomde eer, om eenen
+dwingenden plicht te vervullen. Hij verliet de school, zonder het
+zijnen ouders te durven zeggen, zocht en vond werk in eene fabriek,
+legde in 't geheim zijn dagloon in de kas zijner moeder neder en redde
+dus, als een onzichtbare weldoener, zijne ouders uit de bittere
+ellende.... Door ontijdig van de school weg te blijven, heeft de goede
+zoon zijn recht op het behalen der prijzen verloren; maar wij, zijne
+leermeesters, met toestemming van den heer burgemeester en met behulp
+van eenen milden beschermer der volksscholen, hebben besloten zijne
+vlijt, zijne kunde en bovenal zijn edel gedrag door eene bijzondere
+belooning te erkennen."
+
+Hij haalde van achter een gordijn een groot kwartoboek en een
+lauwerkroon te voorschijn. Het boek was in rood leder gebonden en
+verguld op snede. De onderwijzer opende het en toonde, dat het vol was
+van schoone, ontplooibare platen. Op den titel stond te lezen:
+_Werktuigkunde, toegepast op de Nijverheid_. Al de aanschouwers waren
+rechtgesprongen en keken zich de oogen uit het hoofd, om te raden,
+wien dit prachtig boek mocht bestemd zijn.
+
+De hoofdonderwijzer keerde zich naar den kant der schoolkinderen, en
+zeide met diepe aandoening:
+
+"Kom, Bavo Damhout, kom, mijn vriend, ontvang dit bewijs van de
+achting uwer leermeesters; het blijve u een kostbaar aandenken en een
+spoorslag om op den weg der deugd en der plichtsbetrachting voort te
+gaan. Gij zijt werkman; maar in die nuttige loopbaan staat de toekomst
+voor u open. Wees uwen gezellen een voorbeeld en toon hun gedurende uw
+leven, in uw gedrag en in uw welgelukken, de onschatbare vruchten van
+het volksonderwijs!"
+
+Bavo was bleek en beefde; hij scheen de macht niet te hebben om de
+trede te beklimmen, zoodanig ontstelde hem deze onverwachte
+eerbewijzing in tegenwoordigheid zijner ouders. Een der onderwijzers
+vatte hem bij den arm en leidde hem op het tooneel. Zijn grijze
+meester omhelsde hem, zette hem de lauwerkroon op het hoofd en legde
+hem het groote boek op de handen.
+
+De gansche zaal daverde onder een donderend bravo; velen der
+aanschouwers leekten tranen van ontroering op de wangen; de vrouwen
+brachten zich den neusdoek aan de oogen.
+
+Voor de trede stonden de burgemeester en de andere heeren recht,
+gereed om den bekroonden jongen geluk te wenschen; maar Bavo, zonder
+daar acht op te geven, zoohaast hij zich in bezit van zijnen prijs
+zag, keerde zich om, hief het boek en kroon met beide handen in de
+hoogte en riep in verrukking uit:
+
+"Moeder, moeder, moeder!"
+
+En hij sprong als een zinnelooze of een blinde tusschen de overheden
+en het publiek door, wierp kroon en boek op den schoot zijner moeder
+en vloog haar aan den hals en zoende haar onder het uitspreken van
+allerlei dankzeggingen. Ook zijnen vader omhelsde hij lang en vurig.
+Tusschen zijne liefdesbetuiging riep hij luid:
+
+"Gij hebt gewerkt en geleden om mij te laten leeren. Vader, vader, ik
+zal voor u werken. O, dat God mij bescherme! Gij zult het zien, gij
+zult het zien!"
+
+Deze eenvoudige lieden, in hun geluk, in hunne ontsteltenis, hadden de
+geheele wereld vergeten en schenen niet te weten, dat eene menigte
+menschen, met tranen in de oogen en woorden van bewondering op de
+lippen, hen omringden en op de uitstorting hunner blijdschap staarden.
+
+Damhout richtte zich eerst op en zeide tot zijne vrouw:
+
+"Kom, Christina, kom; men bekijkt ons zoo vreemd. Het is gedaan; de
+burgemeester is al weg; laat ons naar huis gaan."
+
+Men hadde op de schijnbare koelheid zijner woorden kunnen
+vooronderstellen, dat vader Damhout min gevoelig was aan de zegepraal
+zijns zoons; maar men hadde zich daarover geheel misgrepen. Zijn hart
+was vervuld met hoogmoed; want toen hij van tusschen de banken was
+geraakt, spande hij zichtbaar alle pogingen in om nevens Bavo te
+blijven, opdat elkeen mochte zien, dat hij de vader van dien jongen
+was.
+
+Bavo scheen sedert eenige oogenblikken door een gevoel van
+beschaamdheid aangegrepen; hij hield het hoofd gebogen en stapte
+wankelend tusschen zijne ouders.
+
+Toen zij de deur der zaal gingen bereiken, zeide Christina tot haren
+zoon:
+
+"Bavo lief, gij moogt niet beschaamd zijn: integendeel, hef het hoofd
+op; de menschen zouden zoo gaarne u in het aangezicht zien; het is uit
+vriendschap...."
+
+De jongen, als uit eenen slaap opschietende, slaakte eenen zucht en
+murmelde met zonderlinge ontroering aan het oor zijner moeder:
+
+"Ach, hadde Lieveken dit eens kunnen zien!"
+
+Zij werden door den vloed des volks ter deur uitgestuwd, en bevonden
+zich op de straat.
+
+"Christina," zeide vader Damhout, "ginder staat M. Raemdonck; hij
+beziet ons en schijnt mij te willen spreken."
+
+"Inderdaad, Adriaan, het is natuurlijk, hij zal u gelukwenschen. Welke
+eer, niet waar? Uw eigen meester. Wie hadde zich toch aan zooveel
+geluk verwacht. Die goede, lieve Bavo!"
+
+M. Raemdonck wenkte Damhout met den vinger tot zich.
+
+Terwijl Bavo en zijne moeder te midden der straat tusschen een hoop
+nieuwsgierige lieden bleven staan, ging Adriaan met ontdekten hoofde
+tot zijnen meester. Deze drukte hem minzaam de hand en zeide hem:
+
+"Ik wensch u geluk, Damhout. Zet uwe klak weder op, ik bid u. Dat gij
+een goed en vlijtig werkman zijt, dit wist ik sedert vele jaren; maar
+dat gij, als een verlicht en verstandig vader, uwen zoon hebt laten
+leeren, totdat hij al de klassen van het lager onderwijs had
+doorloopen, dit is iets, dat u in mijne oogen grootelijks vereert."
+
+"Ach, het is mijne vrouw, mijnheer," antwoordde de ontroerde werkman.
+
+"Uwe vrouw?"
+
+"Ja, mijnheer, daarvoor moet ik God dankbaar zijn, dat Hij mij de
+braafste en verstandigste vrouw heeft gegeven, die er op de wereld te
+vinden is."
+
+"Het zij zoo, mijn vriend, gij hebt er evenwel voor moeten werken. Ik
+heb aan den burgemeester beloofd, dat ik, indien het mogelijk is, iets
+zal doen om u te beloonen. Zeg mij eens, wat stelt gij u voor van uwen
+zoon te maken?"
+
+"Hij is op de fabriek van M. Verbeeck."
+
+"Wat doet hij daar?"
+
+"Hij zal de naaste week aan den eersten _duivel_ staan, mijnheer."
+
+"Ja, dit is niet slecht: hij zal mettertijd meesterknecht kunnen
+worden. Wilt gij mij een vermaak doen, Damhout? Zend mij uwen zoon; ik
+wil hem ook eenen prijs, een geschenk geven. Ga naar huis met uwen
+zoon, en zoohaast hij zijn boek en zijne kroon heeft nedergelegd en
+wat heeft uitgerust, doe hem dan ten mijnent komen; ik zal hem
+verwachten."
+
+Damhout keerde terug tot zijne vrouw en vertelde haar met blijde
+verbaasdheid, wat zijn meester hem had gezegd. Hij had hem de hand zoo
+vriendelijk gedrukt en zulke minzame woorden tot hem gesproken!
+
+Door iedereen nagekeken, geroemd en geprezen, kwamen de Damhouts
+eindelijk in hunne kleine stege. Voor het huisje, waar de Wildenslags
+hadden gewoond, scheen Bavo te willen blijven staan, en hij hief
+zelfs door eene onvrijwillige beweging zijn boek en zijne kroon op,
+als toonde hij deze voorwerpen aan een onzichtbaar wezen; maar een
+zucht ontsnapte hem, en hij volgde zijne ouders tot binnen hunne
+woning.
+
+Hier herhaalden zij nog eens de blijde omhelzing, en dan haastte Bavo
+zich ter stege uit, om naar M. Raemdonck te gaan en daar een nieuw
+geschenk te ontvangen. Wat zou het zijn, dat zijns vaders meester hem
+wilde geven? Misschien insgelijks een schoon boek, misschien iets
+anders?
+
+
+
+
+IX
+
+
+Bavo belde ten huize van M. Raemdonck; de meid leidde hem in het
+bureel. Hier kwam een reeds bejaarde man, de meester-klerk
+ongetwijfeld, hem te gemoet met eenen vriendelijken glimlach op het
+aangezicht, greep hem de hand en zeide:
+
+"Ik wensch u geluk, mijn jongen; men heeft u eene welverdiende eer
+bewezen; ik was er tegenwoordig en heb mij diep ontroerd gevoeld. Het
+zal u geluk bijbrengen dat gij uwe ouders zoo bemint en dankbaar
+zijt."
+
+Bavo murmelde den naam van M. Raemdonck.
+
+"Ja, ik weet het," zeide de meester-klerk, "mijnheer heeft u doen
+komen, maar hij is met eenen koopman in de fabriek gegaan en heeft
+gezegd, dat gij hier een beetje zoudt wachten. Zit neder, mijn vriend.
+M. Raemdonck zou u goed willen doen, indien het mogelijk is. Hij zou
+gaarne weten wat gij kent en tot hoeverre gij geleerd zijt, en hij
+heeft mij gelast u op de proef te stellen, indien gij hierin
+toestemt."
+
+"Ik ben hem wel dankbaar en zal alles doen wat u belieft, mijnheer,"
+antwoordde de jongen.
+
+"Welnu, zet u daar voor den lessenaar; ziehier de kopie van eenen
+brief. Schrijf dien eens in het net, op uw best en zonder feilen.
+Wees niet bevreesd. Daar hebt gij een model voor den vorm des briefs.
+Begin maar; ik zal intusschen mijn eigen werk voortzetten."
+
+Er heerschte eene volledige stilte in het bureel, totdat Bavo, door
+het hoofd op te heffen en zich om te keeren, teeken gaf, dat de brief
+was afgeschreven.
+
+De meester-klerk naderde, hield de oogen eene wijl op het papier
+gevestigd en zeide dan met verwondering:
+
+"Ho, jongen, wat schoon geschrift, wat vaste hand ... en geene feilen!
+Bravo, dit had ik niet verwacht; het zal M. Raemdonck verblijden, want
+hij draagt u eene ware genegenheid toe, omdat gij de zoon zijt van
+eenen onzer oudste en beste werklieden. Kunt gij ook goed rekenen?"
+
+"Daarin was ik de sterkste van de geheele school, mijnheer, ten minste
+volgens mijne meesters."
+
+"Welnu, ziehier eene kolom cijfers; tel ze eerst op; vermenigvuldig
+dan de uitkomst met 365 en deel het geheel met 514."
+
+In eenige minuten had Bavo de rekening gemaakt, en de meester-klerk
+bevond met innige tevredenheid, dat hij niet had gemist.
+
+"Blijf nu een oogenblikje hier wachten, mijn vriend," zeide hij; "ik
+ga M. Raemdonck van uwe komst verwittigen."
+
+Hij liet Bavo alleen in het bureel, opende eene deur en trad ten einde
+van eenen gang in eene zaal, waar de eigenaar der fabriek voor eene
+tafel zat en bezig was met eenige papieren te doorbladeren.
+
+"Welnu, Pasmans, hoe staat het met de geleerdheid van den jongen?"
+vroeg hij. "Zoudt gij hem kunnen benuttigen?"
+
+"Het is een wonder, mijnheer," antwoordde de meester-klerk; "de jongen
+is nauwelijks vijftien jaar, en hij heeft een geschrift zoo vast en
+zoo fraai als van eenen ouden klerk; hij kan goed rekenen, heeft een
+fijn begrip en is bekwaam tot alles, ten minste voor hetgeen onder
+mijn toezicht op het bureel kan te doen zijn."
+
+"Gij wilt toch niet zeggen, dat hij den klerk, dien gij eergisteren
+wegzondt, zou kunnen vervangen?"
+
+"Neen, mijnheer, ik durf het niet zeggen, alhoewel ik overtuigd ben,
+dat ik uit dezen leerling der gemeenteschool meer nut zal trekken;
+maar hij is te jong, en men mag hem in den beginne niet door eene al
+te hooge jaarwedde bederven."
+
+"Inderdaad, de andere klerk had duizend franken. Wat zou men den zoon
+van Damhout kunnen geven? Gij weet dat ik zijne ouders wil beloonen?"
+
+"Het derde gedeelte, mijnheer; driehonderd franken, bij voorbeeld. Het
+ware genoeg om te beginnen. Ik zal den jongen helpen en leeren. Indien
+hij vlijtig en getrouw blijft, kunnen wij zijn loon opvolgend
+verhoogen."
+
+"Het is wel, Pasmans, ik bedank u om uwe goedwilligheid. Zend mij den
+jongen, maar zeg hem niets."
+
+Eenige oogenblikken daarna trad Bavo in de zaal en bleef met de klak
+in de hand voor M. Raemdonck staan.
+
+Deze beschouwde hem eene wijl, met het hoofd knikkende, als schepte
+hij behagen in de regelmatige wezenstrekken en in de nederige, doch
+tevens moedige houding van den jongen.
+
+"Het is een schoone dag voor u geweest, mijn vriend," zeide hij. "Gij
+hebt vele beschermers aangewonnen, en indien gij vlijtig en verstandig
+blijft, zult gij waarschijnlijk uwen weg in de wereld maken; maar wat
+u ook gebeure, vergeet nooit, dat uwe ouders, arme fabriekwerkers,
+zich hebben opgeofferd om u te laten leeren."
+
+"Ik zal het niet vergeten, mijnheer," antwoordde Bavo zeer stil, maar
+op eenen ontroerden toon en met eenen glim van wilskracht, waarvan de
+innigheid den eigenaar der fabriek met verrassing sloeg.
+
+"Ha, dit is wel," zeide hij, "dat gij goed doordrongen zijt van alles,
+wat uwe arme ouders voor u hebben gedaan; uw vader bovenal, niet
+waar?"
+
+"Ja, mijnheer, mijn vader heeft voor mij gewerkt, mijn vader is voor
+mij doodelijk ziek geworden; mijne moeder heeft nachten zonder slapen
+doorgebracht om mij naar de school te laten gaan."
+
+"En gij zult ze liefhebben en, is het u mogelijk, ze beloonen in
+hunnen ouden dag?"
+
+"Ja, mijnheer, zoolang ik leef."
+
+"Gij zijt nu op de fabriek van M. Verbeeck, en gij zult de naaste week
+eerst aan den _duivel_ staan als helper. Het is een goed middel om tot
+iets te geraken; maar dit gaat wel langzaam, mijn jongen. Met uwe
+geleerdheid kan men misschien eenen korteren weg vinden."
+
+"Ik zal meesterknecht worden, mijnheer!" antwoordde Bavo met
+bedwongene kracht.
+
+"En dan?" morde M. Raemdonck.
+
+"Dan, mijnheer, dan zal mijn vader niet meer werken, en mijne moeder
+ook niet."
+
+"Gij zijt een brave jongen," sprak M. Raemdonck getroffen. "Wat wint
+gij nu? Vier of vijf franken in de week, niet waar? Dit is niet
+genoeg. Ik wil u helpen het edele doel bereiken, dat gij uw dankbaar
+hart aanwijst, door u eene loopbaan te openen, waarin men, met uwe
+geleerdheid en uwen goeden wil, veel spoediger kan vooruitgaan. Ik was
+voornemens u een boek te geven; maar al de boeken mijner bibliotheek
+zullen tot uwe beschikking staan. Een ander geschenk ga ik u doen.
+Wilt gij klerk worden op mijn bureel?--Blijft gij bij uwe goede
+gedachten en vlijtig, dan zal ik u voorthelpen met liefde, als waart
+gij mijn eigen zoon."
+
+"O, mijnheer, zooveel goedheid!" kreet Bavo, de handen dankend
+opheffende. "Hoe blijde zal mijne moeder zijn!"
+
+"Gij aanvaardt dus de plaats?"
+
+"Ik kan schier niet spreken, mijnheer. Ach ja, ja, ik zal zoo mijn
+best doen!"
+
+"Maar gij vraagt niet wat gij zult winnen. Indien gij u nuttig maakt
+en u vlijtig toont, zal ik uwe jaarwedde al spoedig verhoogen; het
+hangt van u af.
+
+Voor alsnu en om te beginnen, zult gij ... zult gij vierhonderd
+franken trekken; het is ten minste tweemaal zooveel als uw
+tegenwoordig loon."
+
+Bavo borst in tranen los en scheen in zijne ontroering te stikken; hij
+stamelde verwarde woorden, zegende zijnen weldoener en sprak van zijne
+moeder en van zijnen vader, doch was te zeer ontsteld om een
+verstaanbaar woord te uiten.
+
+
+[Illustratie: Eenen Godspenning wil ik u geven.]
+
+
+M. Raemdonck opende eene lade van zijnen schrijflessenaar, nam er
+iets uit, naderde tot den duizeligen jongen en zeide hem:
+
+"Kom morgen op het groot bureel; de oude meester-klerk is een braaf
+man en een edelmoedig hart; hij zal u vriendelijk zijn en u
+voorthelpen. Eenen Godspenning wil ik u geven; het zal mijn geschenk
+zijn. Daar, neem dit, draag het uwen vader met de goede tijding, en
+poog mijner bescherming waardig te blijven; dan zult gij uw eigen
+geluk en het geluk uwer goede ouders verzekeren. Vaarwel, mijn jongen,
+tot morgen dus."
+
+Het hoofd van Bavo draaide, het was hem duister voor de oogen; hij
+bevond zich in de straat zonder het te weten. Vierhonderd franken ging
+hij winnen! Welke rijkdom, en hoe zou zijne moeder verbaasd staan en
+gelukkig zijn bij dit wonderschoon nieuws! Hij kon het niet gelooven;
+hij droomde misschien? Neen, neen, het was waar. Klerk zou hij worden
+en vierhonderd franken winnen!
+
+Dan eerst voelde hij iets in zijne hand en opende ze. Daar blonken hem
+twee goudstukken van twintig franken in de oogen!
+
+Een luide schreeuw ontvloog hem, en, zonder op de voorbijgangers te
+letten, die hem verwonderd nakeken, sprong hij, met de hand in de
+hoogte, juichend vooruit en liep uit al zijne kracht, totdat hij zijne
+woning bereikte.
+
+"Moeder, vader!" riep hij, "ik word klerk in het groot bureel van M.
+Raemdonck; ik win vierhonderd franken; ik zal spoedig meer winnen:
+daar, daar is mijn Godspenning! Vader, vader, wij zullen rijk zijn;
+gij zult leven zonder werken, gij hebt genoeg gedaan voor mij. Moeder
+zal des nachts niet meer moeten naaien; zij zal eene meid hebben. Nu
+nog niet, maar het zal komen, ja, ja, mettertijd, of ik zal er onder
+bezwijken."
+
+En van ontsteltenis afgemat, liet de opgewonden jongen zich lachend en
+juichend op eenen stoel vallen.
+
+De ouders bestaarden met verwondering de twee goudstukken, welke hun
+zoon op de tafel had geworpen; zij insgelijks schenen buiten zich
+zelven van verbaasdheid.
+
+Damhout sloeg eensklaps de armen om den hals zijner vrouw, drukte haar
+op zijn hart en stamelde met tranen in de oogen:
+
+"O, Christina lief, dat God u zegene! Aan u, aan u alleen zijn wij al
+dit geluk verschuldigd. Gij zijt meer dan eene moeder voor uwe
+kinderen, meer dan eene vrouw voor mij; gij zijt onze goede
+engelbewaarder op aarde!"
+
+Bavo stond eensklaps recht en kreet, terwijl hij naar de deur liep:
+
+"O, Lieveken! Lieveken!"
+
+Met eenen angstigen gil sprong zijne moeder hem achterna.
+
+"Hemel, mijn arme zoon, wat geschiedt u?" gilde zij.
+
+Maar Bavo wierp zich in hare armen en zeide met het schaamrood op de
+wangen:
+
+"Het is niets moeder lief; ik droom, de blijdschap maakt mij
+zinneloos!"
+
+
+
+
+X
+
+
+Des anderen daags begaf Bavo zich naar zijn bureel; hij was zoo blijde
+en zoo vol geestdrift, dat hij geheel door zijnen nieuwen arbeid was
+verslonden en aan niets anders meer scheen te denken. Hij bracht des
+avonds schrijfwerk mede, bleef met de pen in de hand zitten, totdat
+zijne ouders hem herinnerden, dat het tijd was om slapen te gaan, en
+sprak zelfs niet meer van Lieveken, noch van zijne treurnis, omdat zij
+zijne schoone zegepraal niet had kunnen zien.
+
+Evenwel na eenige dagen van groote overspanning, kwam er een beetje
+rust in zijn gemoed. Dan keerde de herinnering aan de afwezige
+vriendin even krachtig als te voren in hem weder, en hij spoorde zijne
+moeder aan om eenen brief aan Lieveken te schrijven. Het arme meisje
+zou zich in hun geluk verblijden, en het zou haar zeker een troost
+zijn in haar verdriet.
+
+Een gansche avond werd aan het opstellen en afschrijven van den brief
+besteed; want alhoewel Bavo de pen voor zijne moeder hield, stortte
+hij er al de vreugde van zijn eigen hart in uit en schilderde breed en
+wijd de prijsuitreiking en het bezoek bij M. Raemdonck. Lieveken moest
+alles, alles weten, even alsof zij zelve er bij tegenwoordig ware
+geweest. Hij vergat insgelijks niet te juichen over de toekomst, die
+hem aanlachte, en beroemde zich, dat, indien Gods bescherming hem
+bijbleef, hij zijne ouders mettertijd rijk en gelukkig zou maken. Zij
+moest seffens antwoorden en laten weten, wanneer haar vader terug naar
+Gent zou keeren; de fabrieken waren hier nu weder alle geopend en er
+was veel werk; want zij kon wel denken, dat, niettegenstaande hunne
+blijdschap, zijne ouders en hij zelf toch veel verdriet hadden, omdat
+zij Lieveken niet meer zagen.
+
+De brief werd in de post gestoken, en van dan af wachtte Bavo met
+koortsig verlangen op het antwoord.
+
+Er verliepen ééne week, twee weken, eene gansche maand. Elken middag
+en elken avond, als Bavo zijn bureel verliet, liep hij met groote
+haast naar huis, en zijn eerste woord was telkens:
+
+"Welnu, welnu, moeder, is er niets gekomen?"
+
+"Niets, nog niets, mijn zoon," antwoordde vrouw Damhout met eenen
+zucht.
+
+Bavo werd allengs zeer treurig en moedeloos, en soms bleef hij des
+avonds uren lang met het hoofd in de hand zitten, of koutte met zijne
+moeder over de waarschijnlijke redenen dezer stilzwijgendheid van
+Lieveken. Was zij ziek misschien? Was haar een ongeluk overkomen? Had
+men zich in het opschrift van den brief misgrepen? Maar dit laatste
+was niet mogelijk, vermits Lieveken zelve vóór haar vertrek hun dit
+opschrift had gegeven.
+
+Gelukkig dat Bavo in den arbeid eene afleiding voor zijne droeve
+gepeinzen vond. Het plichtgevoel was inderdaad zeer machtig in hem.
+Zoolang hij op zijn bureel was, overspande hij zijne wilskracht en
+worstelde zegevierend tegen het verdriet, dat zijnen geest benevelde,
+en men kon niet aan zijn werk raden, dat smartelijke stoornissen hem
+onophoudend bestormden.
+
+Zekeren avond toch zeide hem de oude meester-klerk met eene schier
+vaderlijke minzaamheid:
+
+"Bavo, mijn jongen, gij moogt met zooveel inspanning niet werken. Gij
+zult u zelven ziek maken door uw overdreven ijver. Ik zie sedert
+eenige dagen, dat gij zwaarmoedig en treurig zijt. Vrees niet, gij
+doet meer en beter dan men van u kan verwachten. M. Raemdonck is zeer
+tevreden over u, gij weet het wel. Kom, kom, een mensch, die zijne
+plichten gevoelvol vervult, moet licht en vroolijk van harte zijn;
+anders wordt hem de arbeid zwaar en geestverdoovend."
+
+De arme jongen ging zeer bedrukt naar huis; hij beschouwde deze
+vriendelijke opwekking als een zijdelingsch verwijt; want zij bewees,
+dat de meester-klerk zijne duistere gemoedsstemming had opgemerkt, en
+misschien had er iets aan zijn schrijfwerk ontbroken. Daarenboven,
+Lieveken antwoordde niet; reeds zes lange weken waren er verloopen.
+Zou hij ooit nog wel iets van haar vernemen? Was zij gevaarlijk ziek?
+Was zij dood misschien?--want aan hare dankbaarheid, aan hare trouwe
+herinnering dorst hij na zulke korte afwezigheid niet twijfelen.
+
+Toen hij dus, dubbend en zuchtend, in de stege kwam, ontvloog hem
+eensklaps een schreeuw van verrassing en blijdschap. Hij zag van verre
+zijne moeder voor de deur van haar huisje staan met een papier in de
+hand, dat zij hem scheen te toonen.
+
+De jongen sprong vooruit, trok zijne moeder in huis en riep:
+
+"Een brief van Lieveken?"
+
+"Ja, van Lieveken of van hare ouders; hij komt uit Frankrijk."
+
+"En wat staat er in, moeder?"
+
+"Gij weet, Bavo, dat ik geen geschrift kan lezen."
+
+"Geef, geef, ik zal hem u voorlezen.... Hij is van Lieveken zelve.
+Luister, moeder. Ach, ik beef van ongeduld:
+
+ "Goede madam Damhout."
+
+"Zie, waarom noemt zij mij nu _madam_?" kreet de verwonderde
+Christina.
+
+"Wel, het is uit eerbied, moeder; daarenboven, in Frankijk noemt men
+iedere vrouw _madam_; maar laat mij lezen, onderbreek mij niet, ik bid
+u:
+
+ "Goede madam Damhout,
+
+ "Vergeef het mij, dat ik niet eerder op uwen brief heb kunnen
+ antwoorden. Vader had hem op de fabriek ontvangen en hem in
+ zijnen zak gestoken en vergeten. Toen moeder zijn vest wilde
+ vermaken, heeft zij hem gevonden. Ik bedank u en Bavo en M.
+ Damhout uit het diepste mijns harten voor de vriendschap, die
+ gij de arme Godelieve blijft toedragen. Uw brief heeft ons
+ zoo gelukkig gemaakt, dat mijne moeder en ik van blijdschap
+ hebben geweend en God om zijne goedheid jegens u hebben
+ gezegend. Wat mij betreft, ik heb veel verdriet; want ik denk
+ zonder ophouden aan u allen: ik treur, omdat ik u niet meer
+ zie en zelfs niet weet, of ik nog ooit van mijn leven u zal
+ wederzien. Mijn vader zegt dikwijls, dat hij nooit meer naar
+ het land zal wederkeeren; want hier is overvloedig werk en
+ een hoog dagloon. Mijne moeder heeft nog geenen winkel voor
+ mij kunnen vinden. Ik werk op eene fabriek en win zes franken
+ in de week. Mocht mijne moeder toch spoedig eenen winkel voor
+ mij vinden! De menschen op de fabriek zijn zoo grof en zoo
+ baldadig; zij schelden en vloeken altijd, en omdat ik eenen
+ afkeer van die woestheid heb, lachen ze mij uit en plagen
+ mij. Ik ben er bijna ziek van geworden; maar nu is het wat
+ beter. Mijn broeder Tist is zijn linker oog kwijtgeraakt in
+ een gevecht tusschen Vlaamsche en Fransche werklieden; hier
+ vecht men schier alle dagen. Dat Bavo in de wereld zal
+ verhoogen, en dat gij altezamen rijk zult worden, daarvan was
+ ik reeds overtuigd, toen ik nog een klein kind was; maar gij
+ zult in uw geluk toch somtijds nog eens denken aan het arme
+ Lieveken, niet waar? Wat ik ook worde, fabriekwerkster of
+ kleermaakster, ik zal slechts met eerbied en dankbaarheid mij
+ uwer eindelooze goedheid mogen herinneren, dit weet ik wel;
+ maar zijt zeker, al leefde Godelieve honderd jaar, dat zij
+ nog op haar doodbed de namen zal noemen van hem, die het arme
+ zieke kind leerde lezen, en van haar, die het als eene tweede
+ moeder naar de school heeft geleid.
+
+ "Uwe ootmoedige dienstmeid,
+
+ "GODELIEVE WILDENSLAG."
+
+Bavo liet den brief ter tafel vallen en begon te weenen: vrouw Damhout
+had insgelijks de tranen in de oogen. Zij poogde echter haren zoon te
+doen begrijpen, dat hij ten onrechte zich zoo diep bedroefde. Wat was
+er dan zoo ongelukkig in het lot van Lieveken? Zij treurde, omdat zij
+verre van hare geboortestad en hare vrienden moest leven. Dit was
+immers natuurlijk? Bavo moest daarenboven wel zeker zijn, dat
+Wildenslag naar Gent zou terugkeeren.
+
+Maar dit was de reden der smart van den jongen niet. Wat hem
+verschrikte, was de tijding, dat Godelieve op eene fabriek werkte, te
+midden van ruwe, woeste menschen, en daarom was hij ontroostbaar. Hij
+drukte het angstig voorgevoel uit, dat Lieveken door de gedurige
+aanraking met de grove, onwetende lieden hare zedigheid en de
+zuiverheid haars harten zou kunnen verliezen. Dit ware volgens hem het
+grootste ongeluk, dat haar kon overkomen. Er lag misschien een gevoel
+van zelfzucht in zijne ontsteltenis; maar hij verborg het onder het
+medelijden voor de gezellinne zijner kindsheid en zuchtte herhaalde
+malen met diepen weemoed:
+
+"Arm Lieveken! Arm Lieveken!"
+
+Adriaan Damhout kwam te huis. Dan bedwong Bavo zijn verdriet; want in
+zijns vaders tegenwoordigheid dorst hij de ontroeringen zijns harten
+niet zoo vrij uitstorten.
+
+Nadat men gedurende eenigen tijd over den treurigen brief van
+Godelieve had gekout, besloot men haar nog denzelfden avond te
+schrijven, om haar te troosten en haar moed te geven. Men zou
+daarenboven in den brief aan haar eenen anderen brief voor hare moeder
+steken, om deze tot het spoedig zoeken van eenen anderen winkel aan te
+manen.
+
+Eens dat deze beide brieven waren geschreven, werd Bavo een beetje
+beter te moede. Hij had nu een middel gevonden om met Godelieve te
+spreken; het was eenigszins, alsof zij nog tegenwoordig ware; de
+betuiging harer dankbaarheid, de zekerheid dat zij nog aan hunne zoete
+vriendschap dacht, deed hem zoo goed aan het hart. Met deze troostende
+overweging ging de jongen te bed, en alhoewel hij droomend Lieveken op
+de fabriek zag en ruwe, onbeschofte woorden rondom haar hoorde galmen,
+werd zijn slaap niet merkelijk gestoord.
+
+Maanden lang wachtte hij op een tweede antwoord van Godelieve; er kwam
+geene tijding. Men schreef eenen anderen brief en zelfs eenen derden,
+maar even vruchteloos.
+
+Bavo meende te moeten denken, dat vader Wildenslag de brieven
+vernietigde. Dewijl men ze naar de fabriek stuurde, aangezien men de
+bijzondere woonst der Wildenslags niet wist, ontving hij ze altijd op
+zijn werk. De brief, waarin Damhout aandrong om Godelieve het
+fabriekwerk te doen verlaten, zou hem waarschijnlijk hebben doen
+besluiten alle betrekking tusschen zijn huisgezin en de Damhouts af te
+breken. Misschien had het woeste gezelschap, waarin Godelieve
+veroordeeld was te leven, reeds eenen verderfelijken invloed op haar
+uitgeoefend? Misschien was haar geheugen verduisterd en had zij hare
+vorige vrienden vergeten? Maar dit kon niet zijn, zoo spoedig toch
+niet!
+
+Op zekeren avond dat Bavo met zijne moeder koutte, ontvielen hem
+eenige droeve woorden, die vrouw Damhout schenen te verrassen en te
+verwonderen. Wat zij daarop antwoordde om hem te troosten, deed het
+schaamrood op Bavo's voorhoofd klimmen. Hij stamelde eenige
+verontschuldigingen en bleef dan zwijgend in zich zelven dubben en
+overwegen, of nam een boek en ontvluchtte zóó eene samenspraak,
+zoohaast hij bemerkte, dat zijne moeder hem met aandacht beschouwde.
+
+Liefde? Zijn medelijden zou liefde zijn? Hij zou Godelieve beminnen
+... beminnen, anders dan eene speelgenoote, dan eene zuster? Zijne
+moeder had het niet gezegd; maar waarom dan had zij gesproken van eene
+geheime neiging des harten, van een gevoel, dat hij moest pogen te
+beheerschen en te overwinnen?
+
+Van dan af werd Bavo aangaande Godelieve achterhoudend met zijne
+moeder. Telkens dat zij zelve, en het gebeurde niet dikwijls meer, den
+naam van Lieveken noemde, keerde hij de samenspraak af.--Dit belette
+echter niet, dat zijne ziel treurde en nog snakte naar de afwezige
+vriendinne. Elke maal dat hij te huis kwam, hoopte hij, dat zijne
+moeder hem eenen brief zou toonen; maar de maanden verliepen zeer
+snel, en van Lieveken hoorde men niets meer.
+
+Wel had vader Damhout eens eenen werkman ontmoet, die uit Frankrijk
+kwam en hem nieuws van de Wildenslags had gegeven; maar zijne woorden
+waren niet van aard om Bavo of zijne moeder te verblijden. Volgens
+zijn zeggen wonnen de Wildenslags veel geld, ja veel te veel; want zij
+waren gekend als de grootste drinkers en zwierders van geheel de stad.
+Zij lagen ook altijd in twist met iedereen en schenen in ruzie en in
+vechten hun vermaak te vinden. Naar Gent terugkomen, dit zouden zij
+zeker niet doen; want zij hadden daarvoor een al te goed leven in
+Frankrijk. Godelieve kende hij niet; maar hij wist, dat al de
+Wildenslags, ouders en kinderen, op fabrieken werkten.
+
+Ondanks de durende beneveling van zijn gemoed kweet Bavo zijne
+plichten zoo wel op zijn bureel, dat hij meer en meer de gunst won van
+M. Raemdonck en van den meester-klerk. Men had zijne jaarwedde reeds
+tot zeshonderd franken verhoogd, en dewijl zijn vader bleef werken en
+zijne moeder nog immer voor haren winkel kielen naaide, kwam er
+zooveel welstand in huis, dat men besloot de stege te verlaten en in
+eene betere en min donkere straat te gaan wonen.
+
+Veel eerder ware men verhuisd, hadde Bavo zelf niet altijd gepoogd
+deze beslissing te doen uitstellen. Hij verborg het niet, dat hij met
+smart zich zou verwijderen van deze plaats, waar zijne wieg had
+gestaan en waar hij zijne gelukkige kindsheid had gesleten. Zeide en
+herhaalde zij hem niet dagelijks, hoe zijne moeder hem had bemind en
+hem had aangemoedigd in zijne pogingen om te leeren? Waren niet al de
+herinneringen van zijn leven aan deze nederige kamer gehecht?
+
+Eindelijk toch kon hij zijne moeder niet meer wederstaan. Er werd, een
+weinig verder aan de straat, een klein doch net huisje gehuurd, en men
+had reeds begonnen de meubelen over te dragen.
+
+Men nam voor den laatsten keer het middagmaal in de oude woning. Bavo
+zat tusschen zijne twee zusterkens aan tafel over zijne ouders. De
+jongen sprak niet en was zeer zwaarmoedig; zijne oogen dwaalden soms
+rond de kamer, als zeide hij vaarwel aan deze wanden, die zoo dikwijls
+de vroolijke stem van arme, ongelukkige kinderen hadden gehoord.
+
+Daar trad onverwachts een man in de kamer, naar buiten roepende:
+
+"Ja, ja, ik kom! Eenige oogenblikken slechts! ga naar de _Blauwe
+Geit_, bij Pier de Knul; ik zal u daar wel vinden!"
+
+En tot de tafel naderende, greep hij de hand van Damhout en zeide:
+
+"Goeden dag, Adriaan, ik wilde toch niet in Gent geweest zijn, zonder
+u te hebben gezien. Gij hebt geluk, ik weet het en het verblijdt mij,
+want gij zijt een brave vent."
+
+"Zie, het is Steven Geerts!" riep Damhout. "Wel vier jaar is het
+geleden, dat ik u voor de laatste maal heb gezien. Waar zijt gij
+gebleven?"
+
+"Ik kom uit Frankrijk; daar is altijd veel werk."
+
+"Uit Frankrijk?"
+
+"Ja, van Wazemmes, bij Rijssel."
+
+"Van Wazemmes!" riepen de ouders en Bavo met blijde verrassing.
+
+"Waarom verwondert u dit?" murmelde Steven.
+
+"En hoe gaat het met de Wildenslags? Die wonen ook te Wazemmes, niet
+waar?" vroeg vrouw Damhout.
+
+"Dit is te zeggen," was het antwoord, "zij hebben er eenigen tijd
+gewoond, volgens dat ik van de vrienden heb vernomen; maar ze zijn van
+daar naar Douai vertrokken. Ik heb ze gedurende acht of tien dagen
+gezien; want ik heb wel een half jaar te Douai gewerkt; maar de week
+na mijne aankomst zijn de Wildenslags eensklaps van daar vertrokken.
+De vrienden zeggen, dat zij werk hebben aangenomen voor eene stad in
+het midden van Frankrijk, voor Rouaan misschien; maar ik weet het niet
+juist."
+
+"En de Wildenslags varen altijd wel?"
+
+"Wel? Ja, veel te wel; het ware beter, dat zij wat armoede leden. Er
+zijn geene grootere rabauwen op de wereld dan de Wildenslags; gij
+moest ze nu zien, Adriaan! Ze doen niets dan zwieren en slempen, halve
+weken; en ze worden zelfs door de vrienden gevlucht; want ze zijn
+daarenboven zeer brutaal en groote ruziemakers."
+
+Adriaan en zijne vrouw schudden treurig en zwijgend het hoofd. Ziende
+dat Steven de hand van haren man greep om hem vaarwel te wenschen,
+vroeg moeder Damhout:
+
+"Zoudt ge ons niet kunnen zeggen, Geerts, hoe het met Godelieve
+Wildenslag gaat? Gij kent ze misschien niet?
+
+"Is het geene teere, magere? Met blond haar en levendige blauwe
+oogen?"
+
+"Ja."
+
+"Ha, die ken ik goed; ik heb ze ten minste eens en maar al te wel
+gezien. Die is nog veel erger dan de anderen, vrouw Damhout. Al de
+Wildenslags zijn grove menschen."
+
+"Wat wilt gij zeggen, o hemel!"
+
+"Denk eens, ik kom in de stege, waar de Wildenslags wonen. Niet voor
+hen, maar voor eenen anderen vriend; want ik wilde met die brutale
+kerels geen uitstaans hebben. Weet gij, wat ik daar zie? Eenen
+ganschen hoop vrouwen met moeder Wildenslag in het midden, die als
+razenden aan het kijven zijn. Daar komt eensklaps Godelieve met den
+kloef in de hand het huis uitgeschoten en begint te slaan en te
+vechten, dat men ze wel met vieren moest vasthouden en bedwingen. De
+leelijke woorden, die zij sprak, maakten mij zuiver beschaamd,
+alhoewel ik van geen klein gerucht vervaard ben. Dat zulk zwak en
+mager meisje, die anders een fraai wezen heeft, zulke baldadige taal
+spreekt, dit stak mij fel tegen de borst, en ik had, mij dunkt, lust
+om de onbeschaamde wat kletsen om hare ooren te geven...."
+
+"Godelieve? Maar het is niet mogelijk!" zuchtte vrouw Damhout. "Hebt
+gij het waarlijk gezien?"
+
+"Met mijne eigene oogen. Misschien was het meisje buiten zich zelve
+geraakt, omdat men hare moeder aanviel.... Nu, Adriaan, houd u wel, en
+gij insgelijks, bazin Damhout, totdat ik nog eens naar Gent kome."
+
+De werkman verliet de kamer. Er heerschte eene wijl de volledigste
+stilte; de ouders bezagen elkander en hunnen zoon met treurige
+verbaasdheid. Bavo scheen vergramd; er fonkelde een somber vuur in
+zijne oogen, en zijne lippen schenen te beven.
+
+Toen zijne moeder eindelijk eenige woorden meende te spreken, om hem
+te troosten en Godelieve te verontschuldigen, stond de jongen op en
+zeide met kracht:
+
+"Moeder, vader, spreekt mij nooit meer van Godelieve! Ik wil haar
+vergeten, mijne kindsheid geheel vergeten, om nimmer nog aan haar te
+denken. Dat een onwetend mensch zoo laag dale en den eerbied voor zich
+zelven verlieze, dit is te begrijpen; maar zij kan lezen, zij is
+geleerd, zij heeft van u, moeder, niets gekregen dan lessen van deugd
+en zedelijkheid. Uwe goedheid, uwe weldaden, onze vriendschap, dit
+alles heeft zij vergeten. Zij is dubbel schuldig. O, ik zal haar
+aandenken in mijn hart versmachten met geweld. Moeder, doe de
+werklieden komen, seffens: alles moet weg naar onze nieuwe woning. Ik
+wil hier niet meer slapen, ik wil geenen voet meer in de stege zetten.
+Ik bid u, dat ik alles gereed vinde tegen dat ik naar huis kom; gij
+zult mij gelukkig maken. Vaarwel, ik ga naar mijn bureel; hier kan ik
+niet meer blijven; dezen avond zal ik bellen aan het huis in de
+straat...."
+
+Hij meende te vertrekken; maar daar hij bemerkte, dat zijne moeder
+bekommerd was en hem wilde wederhouden, zeide hij met min ontsteltenis
+in de stem:
+
+"Wees gerust, moeder; het is voor een oogenblik slechts. Morgen zal ik
+aan niets meer denken; het is gedaan; ik had verdriet, maar nu ben ik
+genezen, genezen voor altijd!"
+
+En na onder het spreken dezer woorden de handen zijner moeder
+teederlijk te hebben gedrukt, ging hij het huis uit.
+
+
+
+
+XI
+
+
+De ongunstige tijding over Godelieve scheen Bavo van eene geheime
+overheersching te hebben verlost, en onder dit opzicht had zij hem
+inderdaad goed gedaan. Alsof dit voorval eensklaps hem al wat er nog
+kinderlijks in hem was, had ontnomen, werd zijn geest ernstiger en hij
+kreeg meer dan te voren het voorkomen van een bezadigd mensch, die
+zich slechts bezighoudt met nuttige dingen.
+
+Van dan af werkte hij met nog meer vlijt op zijn bureel, en al zijne
+pogingen strekten om zich den handel en de inrichting der fabriek
+geheel eigen te maken.
+
+M. Raemdonck en de oude meester-klerk schepten vermaak in den
+leerzamen en dankbaren jongeling voort te helpen. De laatste bovenal
+had hem zeer lief en ontlastte zich op hem van een groot gedeelte
+zijns arbeids, teneinde hem van alles ondervinding te geven. Hij
+verborg hem zelfs niet, dat hij het deed met een bijzonder inzicht.
+
+"Ik kan ziek worden," zeide de meester-klerk, "ik kan eene andere
+plaats bekomen; mijn oom, de huidvetter, kan sterven. Dan erf ik een
+fortuin en ga op mijn geboortedorp leven. Ik wil u bekwaam maken om
+mij desnoods in mijne bezigheid te vervangen en, indien het gebeurt,
+als gij oud genoeg zijt, om mijne plaats bij M. Raemdonck te krijgen."
+
+Dit vooruitzicht was een nieuwe spoorslag voor Bavo. Met de
+toestemming van zijnen meester nam hij boeken uit de bibliotheek naar
+huis, studeerde de mekaniek, volgde nieuwe uitvindingen, teekende en
+overwoog, en had reeds bijgedragen om op de fabriek eene winstgevende
+verbetering aan de werktuigen te doen toebrengen.
+
+Zoo klom eindelijk zijne jaarwedde tot de som van duizend franken,
+toen hij zijn negentiende jaar bereikte.
+
+Van Godelieve en zijne kindsheid sprak hij niet meer of scheen geen
+gewicht meer aan deze herinneringen te hechten. Evenwel kwamen er nog
+oogenblikken, dat het beeld van Lieveken voor zijne oogen opstond, en
+hij dacht zelfs met vermaak en welgevallen aan de vriendin zijner
+eerste jaren. Niet aan Godelieve, het fabriekmeisje, die zich door de
+slechte voorbeelden tot ruwheid en zedelijke verlaging had laten
+medeslepen; neen, aan het kleine, beminnelijke Lieveken, het zuiver en
+eenvoudig kind, dat met hem was opgegroeid en al zijne vermaken en al
+zijne hoop had gedeeld. Onder zijnen drukken arbeid, onder zijne
+onophoudende studiën hoorde hij soms een zilveren stemmeken zijnen
+naam murmelen, en hem verscheen nog van tijd tot tijd het zoete wezen
+met de glinsterende blauwe oogen, zooals zij hem had aanschouwd, toen
+hij haar buiten de stadspoort voor de laatste maal had gezien. Dit
+waren echter slechts droomen, die met de wezenlijkheid in geene
+betrekking meer stonden, en hij wist het zeer wel.
+
+Vader Damhout had zijnen zoon reeds aangespoord, om door M. Raemdonck
+of den meester-klerk toch eens naar de Wildenslags te doen vernemen;
+maar Bavo had deze pogingen met eene soort van verschriktheid
+afgewezen, en zijne moeder had hem gelijk gegeven.
+
+Inderdaad, welke gemeenschap was er voortaan mogelijk tusschen
+Godelieve en hem? Hij gevoelde zich geroepen om in de wereld tot den
+burgerstand op te klimmen en onder deftige lieden te leven. Indien de
+Wildenslags naar Gent terugkwamen, zou hij dan niet beschaamd zijn,
+als vriend en broeder te hebben geleefd met menschen, die veeleer het
+misprijzen dan de achting der wereld verdienden? Neen, neen, van de
+Wildenslags mocht men hem niet meer spreken; zij hadden hem gewond in
+zijn gevoel, en hij was verbitterd tegen hen.
+
+Het waren bijna dezelfde overwegingen, die zijne moeder aanspoorden om
+hare eigene herinneringen te onderdrukken. Vijf of zes jaar vroeger
+had zij soms wel gedacht, dat Bavo en Lieveken misschien door God
+bestemd waren om eens door het huwelijk te worden vereenigd. Die droom
+had haar zelfs als eene mogelijkheid toegelachen; maar nu was er
+zooveel afstand tusschen Bavo en Godelieve gekomen, dat men aan de
+vroegere gemeenschap met de Wildenslags niet zonder een geheim gevoel
+van schaamte kon denken.
+
+Men sprak dus eindelijk in het geheel niet meer van Lieveken, alhoewel
+in het hart van vrouw Damhout en in het hart van haren zoon een immer
+herlevend gevoel van treurnis en van medelijden voor het ongelukkige
+kind opwelde.
+
+Bavo, die nu allengs tot de mannenjaren naderde, maakte zich met
+onophoudende vlijt alles eigen, wat den handel en de bewerking van het
+katoen betreft. Met de toestemming van den meester-klerk bracht hij
+een gedeelte van den dag in de fabriek zelve door, niet alleenlijk om
+de praktijk van den arbeid aan te winnen, maar tevens om de werklieden
+op te passen en de belangen van M. Raemdonck te behartigen. Hij
+volbracht dezen laatsten plicht met zooveel ijver en verstand, dat de
+meester-klerk, die hoogmoedig was over zijnen leerling, soms tot M.
+Raemdonck zeide:
+
+"Wees zeker, Bavo Damhout brengt u voor duizenden franken profijt aan,
+elk jaar. De werklieden beminnen en achten hem, en zij zorgen, dat er
+niets verkwist of gebroken worde, alleenlijk om hem vermaak te doen."
+
+Inderdaad, Bavo was zeer minzaam en zacht met iedereen, en zijne
+wonderlijke wetenschap en ervarenheid waren wel van aard om hem het
+ontzag der werklieden te verschaffen; maar dit was de voornaamste
+reden hunner genegenheid voor hem niet.
+
+Zijn eigen vader, hun oude, brave gezel, stond aan eenen spinmolen, en
+de jongeling moest dikwijls aan hem, evenals aan hen zelven, bevelen
+of terechtwijzingen geven. Dit hadde iets pijnlijks kunnen zijn, een
+oude spinner, die zich door zijnen zoon moest zien gebieden. Maar Bavo
+naderde nooit zijnen vader dan met de klak of den hoed in de hand,
+stuurde hem het woord toe met den grootsten eerbied en lachte hem aan
+en drukte hem zoo teederlijk de hand, dat al de werklieden zich
+ontroerd gevoelden van bewondering en hoogmoed. Het kostte hun dan
+geene moeite, te gehoorzamen aan een werkmanskind, die zich door zijne
+geleerdheid het recht tot bevelen had aangewonnen, en door zijne
+zachtheid en door zijne liefde tot zijnen ouden vader de eerbiedige
+genegenheid van elkeen afdwong.
+
+Bavo vergenoegde zich niet met hetgeen er voor hem op de fabriek van
+M. Raemdonck te leeren was; hij had zijnen meester overgehaald om in
+te schrijven op de nieuwste schriften over werktuigkunde en
+nijverheid; hij volgde openbare avondlessen, welke er alsdan over dit
+vak door geleerde professors werden gegeven; hij bezocht telkens dat
+hij er gelegenheid toe had, de beste fabrieken van Gent.
+
+Zoo verkreeg hij mettertijd eene groote wetenschap van alles, wat de
+katoennijverheid en hare mogelijke verbeteringen betreft.
+
+Hij was gelukkig, want iedereen rondom hem loofde en beminde hem....
+Evenwel was zijn hemel niet geheel zonder wolken. Zijn vader werkte
+nog altijd op de fabriek! De droom des jongelings was dus nog niet
+verwezenlijkt, het doel zijns levens nog verre van bereikt te zijn.
+Hij hadde wel gewild, dat zijn vader ophield van werken; maar zijne
+ouders en hij zelf waren nu in hunne nieuwe woning aan zekeren
+welstand gewend. Men kon dien toestand niet verlaten om een meer
+bekrompen leven te hernemen, en zijne jaarwedde alleen was niet
+toereikend om in de onkosten van het huishouden te voorzien. Deze
+overweging was hem soms nog eene oorzaak van voorbijgaand verdriet ...
+en daarbij, wanneer hij alleen was en droomde, tooverden zijne
+gepeinzen hem nog dikwijls terug in zijne schoone zoete kindsheid. Dan
+voelde hij in zijn hart eene ledigheid, eene onoverwinnelijke
+treurnis, eenen geheimzinnigen worm, die wel zachtjes knaagde, doch
+niet wilde sterven....
+
+Op zekeren morgen dat Bavo op zijn bureel trad en, in de afwezigheid
+van den meester-klerk, zich aan het schrijven had gezet, kwam eene
+meid hem zeggen, dat M. Raemdonck hem verlangde te spreken en in de
+zaal op hem wachtte.
+
+Toen hij zich voor den eigenaar der fabriek aanbood, deed deze hem
+nederzitten en zeide:
+
+"Mijnheer Damhout, toen ik door eigene beweging en door aanbeveling
+van den heer burgemeester u op mijn bureel toeliet, hoopte ik, dat gij
+mijne bescherming door leerzaamheid en vlijt zoudt erkennen. Ik heb
+mij niet bedrogen; integendeel, ik heb mijn genoegen in u gevonden, en
+gij hebt mij veel voordeel aangebracht in mijne zaken. Uwe durende
+liefde voor uwe ouders heeft mij daarenboven een waar gevoel van
+vriendschap en achting voor u ingeboezemd. In één woord, gij zijt een
+braaf jongeling en ik ben uiterst tevreden over u. Ik weet, dat uw
+schoonste droom, het voorname doel uwer werkzaamheid, daarin bestaat,
+uwen vader van allen arbeid te ontslaan en uwe moeder door levensgemak
+en zekere weelde voor hare vroegere opofferingen te beloonen. Het
+middel om u dat doel te laten bereiken, is mij nu aangeboden; en
+alhoewel gij nog jong zijt, wil ik nochtans u toonen, dat ik
+vertrouwen heb in uwe ervarenheid en in uwe trouw. De oom van den
+meester-klerk is gisteren overleden; M. Pasmans geeft zijn ontslag en
+gaat zijn geboortedorp bewonen. Gevoelt gij u bekwaam mijn
+meester-klerk te zijn?"
+
+"O, mijnheer!" zuchtte Bavo, "ware ik niet bekwaam, ik wierd het uit
+dankbaarheid voor uwe uiterste goedheid!"
+
+"Het is, mijn vriend, dat daar eene jaarwedde van drieduizend
+vijfhonderd franken aan vast is; ja, vier duizend franken, met zekere
+bijzaken. Dit is tamelijk veel voor een jongeling van tweeëntwintig
+jaar. Zal deze aanzienlijke vermeerdering u niet schadelijk zijn? Gij
+zijt in de gevaarlijkste jaren...."
+
+"Beproef mij, ik bid u, mijnheer, al ware het gedurende een gansch
+jaar!" zeide Bavo smeekend "Wat gij mij aanbiedt, is het geluk, dat ik
+voor mijne ouders heb gedroomd. Oh, indien ik mij uwer grootmoedigheid
+ooit onwaardig toon, jaag mij weg, veracht mij; maar neen, neen, ik
+zal mijnen wil en mijne pogingen overspannen, en, is het mogelijk, u
+bewijzen, dat uwe weldaad mijne krachten heeft verdubbeld."
+
+"Ik geloof u, mijn vriend; de liefde tot uwe ouders zal uw
+engelbewaarder zijn. Wees dus meester-klerk, en dat het schoone doel
+uws levens zij bereikt. Gij kunt iemand van het klein bureel nemen om
+de brieven af te schrijven, totdat wij eenen anderen klerk vinden om
+uwe plaats in te nemen."
+
+M. Raemdonck stond op, naderde tot den jongeling en drukte hem de
+hand.
+
+"Proficiat, meester-klerk," zeide hij. "Ga nu in de fabriek; want gij
+brandt ongetwijfeld van ongeduld om uwen vader het goede nieuws te
+dragen?"
+
+Bavo ging niet heen; hij bleef in gedachten voor zijnen meester staan.
+
+"Welnu, hebt gij mij nog iets te zeggen?" vroeg deze.
+
+"Mijnheer, ik wilde u een verzoek doen."
+
+"Spreek, mijn vriend."
+
+"Het is zonderling genoeg, mijnheer, maar gij zijt zoo goed voor mij.
+Ik zou wenschen, dat gedurende eenige maanden niemand iets van mijne
+nieuwe benoeming wist; mijne ouders insgelijks niet. Dat men ten
+minste vooronderstelde, dat mijne jaarwedde voorloopig nog niet is
+verhoogd."
+
+"Welke vreemde gedachte is dit!" kreet M. Raemdonck verwonderd.
+"Waarom toch die geheimhouding?"
+
+"Het is, mijnheer, dat ik mijnen ouders eene blijde verrassing wil
+aandoen, en daartoe zou ik eenigen tijd moeten kunnen sparen, zonder
+dat zij het weten."
+
+"Welke verrassing?"
+
+"Ik weet het nog niet, mijnheer; een geschenk, iets dat hen in eens
+gelukkig zou maken. Ik zal het u zeggen en uwen goeden raad vragen,
+zoohaast ik daarover een besluit heb genomen.... En indien ik
+gedwongen was u een voorschot op mijne jaarwedde af te smeeken?"
+
+"Ho, voor zulk liefderijk doel moogt gij mij niet sparen. Mijne kas
+staat voor u open, ten minste zoolang gij binnen de palen der
+redelijkheid blijft."
+
+Bavo, onder het uiten eener vurige dankzegging, verliet de zaal en
+begaf zich naar zijn bureel. Hij deed eenen helper van het klein
+bureel komen en zette hem onmiddellijk aan het werk. Intusschen dacht
+hij aan hetgeen hij M. Raemdonck had gezegd en aan het geschenk,
+waarmede hij voornemens was zijne ouders te verrassen en gelukkig te
+maken. Zijn ontwerp was sedert jaren reeds in zijn hoofd vastgesteld;
+maar hij had het niet aan zijnen meester durven zeggen, uit vrees dat
+hij zelf nog van gedachte kon veranderen. Na lange overweging toch
+bleef hij bij zijn eerste besluit.
+
+Toen hij met zijne ouders en zusters aan het middagmaal zat vertelde
+hij hun, dat de oude meester-klerk zijn ontslag had gegeven, omdat
+zijn oom, die nu gestorven was, hem een rijk erfdeel had nagelaten. M.
+Raemdonck had wel lust om Bavo tot meester-klerk aan te stellen; maar
+hij wilde het eerst eenige maanden beproeven, aangezien de jonkheid
+van Bavo.
+
+Zoo deed hij voor de oogen zijner ouders de hoop glinsteren, dat hij
+welhaast aanmerkelijk zou worden verhoogd, en hij verborg niet, dat,
+indien dit geluk hem ten deel viel, hij niet meer zou lijden, dat zijn
+vader een oogenblik langer werkte. Hij zou dan in zijne hooge
+jaarwedde de middelen vinden, om zijne moeder alle gemak te bezorgen
+en haar te laten leven als eene ware rentenierster. Hij was zoo
+vroolijk, zoo blijgeestig, dat hij iedereen deed juichen en in de
+handen klappen van hoop en vreugde.
+
+Eindelijk vertelde hij, dat de neef van M. Raemdonck, die lang te
+Parijs had verbleven en daar zelfs onlangs was getrouwd, naar Gent
+ging komen wonen. M. Raemdonck was op zoek naar een huis voor zijnen
+neef. Groot moest het niet zijn, maar fraai en zindelijk. Hij zou het
+voorzien met schoone meubelen en alles in gereedheid brengen tegen de
+overkomst van zijnen neef met zijne jonge vrouw. Bavo sprak er van,
+omdat zijn meester hem had verzocht eens rond te zien, welke huizen
+van dien aard zoo al te huur hingen; en de jongeling, die niet veel
+tijd had, spoorde zijne moeder aan om eens uit wandelen te gaan in de
+beste straten, niet verre van de fabriek, en te zien of er zulke
+huizen niet te huur hingen, opdat hij het alsdan aan zijnen meester
+zou kunnen zeggen.
+
+Reeds des avonds, bij zijnen terugkeer van de fabriek, vernam Bavo van
+zijne moeder, dat er nette burgerhuizen te huren hingen in de
+Mageleinstraat, in de Lange Meere en in de Kruisstraat, niet verre van
+Sint-Baafskerk. Dit laatste was misschien wat klein; maar het was
+nieuwerwetsch en het opschrift meldde, dat het eenen hof had.
+
+Bavo bracht twee dagen later aan zijne moeder de dankzegging van M.
+Raemdonck, die het huis in de Kruisstraat, bij Sint-Baafskerk, naar
+zijnen zin had gevonden en het onmiddellijk had gehuurd.
+
+Sedert dien sprak Bavo nog dikwijls van dit huis en roemde de pracht
+der meubelen, welke zijn meester er in deed zetten, en de smaakvolle
+inrichting van alles. M. Raemdonck had hem reeds tweemaal er naartoe
+geleid, en deed hem de eer aan, hem te raadplegen over de schikking
+van het huis en het aanleggen van den kleinen tuin.
+
+De jongeling verwekte door zijne herhaalde beschrijvingen de
+nieuwsgierigheid zijner moeder zoodanig, dat zij den wensch uitdrukte
+om het schoone huis eens van binnen te mogen zien. Bavo beloofde de
+toelating zijns meesters te vragen; maar men moest nog eenige weken
+wachten, totdat de woning der nieuwgetrouwden geheel in orde zou zijn.
+
+Eindelijk, op eenen zaterdagavond, toonde hij juichend eenen grooten
+sleutel en zeide, dat M. Raemdonck hun allen toeliet het huis van
+onder tot boven te bezichtigen en zelfs eenen ganschen namiddag in den
+hof door te brengen. Hij zou er eene goede flesch wijn gereed zetten,
+en hij verzocht Bavo deze met zijne ouders op zijne gezondheid te
+ledigen. Het was morgen Zondag. Even na het middagmaal te hebben
+genomen, zou men naar het huis in de Kruisstraat gaan en er een uurtje
+of twee blijven. Dit zou een waar feestje zijn!
+
+Inderdaad, nauwelijks gunde men zich des anderen daags tijd om te
+eten, zoo ongeduldig waren Bavo's zusters. Men trok, vroolijk en
+koutende van hetgeen men ging zien, in de richting van Sint-Baafskerk.
+
+In de Kruisstraat gekomen, bleef men voor het huis staan, om den gevel
+te beschouwen; er was een klein balcon, waarvan veelkleurige bloemen
+in kransen nederdaalden; er stonden insgelijks bloemen achter de
+vensters, meestal roode fuchsia's, en dit deed moeder Damhout
+opmerken, dat zij altijd eene soort van voorliefde voor die
+koraalroode bellekens had gehad.
+
+Toen de deur geopend was, zeide Bavo tot zijne zusters, die maar
+seffens al de deuren der kamers wilden openen:
+
+"Neen, neen, zóó niet; het schoonste voor het laatste. Anders zouden
+wij niet veel vermaak van ons bezoek hebben. Laat ons eerst in den hof
+gaan; moeder ziet zoo gaarne bloemen."
+
+"En ik dan?" bemerkte Adriaan Damhout. "Toen ik jonger was, woonden
+mijne ouders op Ledeberg. Wij hadden een hoveken. Ik liet er eten en
+drinken voor; den geheelen Zondag nanoen was ik aan het werk, en ik
+had de schoonste aurikels en de schoonste violieren van geheel het
+voorgeborcht."
+
+Zij kwamen in den tuin; hij was niet zeer uitgestrekt; maar de paden
+slingerden liefelijk, de zon scheen mild op een gedeelte des gronds,
+en er was zulk een overvloed van bloemen, dat de meisjes de handen
+boven het hoofd hieven en vooruitspringende riepen:
+
+"Ho, wat is dit hier schoon en frisch! en welke zoete geuren!"
+
+Meer rustig, in schijn ten minste, wandelde Bavo met zijne ouders door
+de paden, toonde hun al de bloemen, plukte hun takjes van geurig kruid
+en bracht hen zoo onder een looverhuisje, waar zij zich lachend
+nederzetten, om het gezicht des tuins een oogenblik op hun gemak te
+genieten.
+
+Hier stond op de tafel een porseleinen pot met tabak, die er bij
+nederhing, en daarnevens lagen vier of vijf lange Hollandsche pijpen.
+
+"Zie," murmelde Adriaan verwonderd, "ik wist, dat M. Raemdonck soms
+eene sigaar rookt; maar het is waar, zooals men zegt, vele heeren
+rooken te huis op hun gemak eene pijp."
+
+"Gij begrijpt niet, vader," bemerkte Bavo. "Mijnheer heeft de tabak en
+de pijpen daar doen zetten, opdat gij volgens uwen lust hier zoudt
+kunnen rooken."
+
+"Onmogelijk, Bavo."
+
+"Hij heeft het mij zelf gezegd, vader. Gij moet rooken om hem plezier
+te doen."
+
+"Welke goedheid toch! Dan zal ik het maar wagen; want de tabak ziet er
+bijzonder goed uit. Een trek of drie: het is slechts om onzen
+edelmoedigen meester te voldoen."
+
+Hij ontstak zijne pijp, deed den rook in wolkjes tot onder het loover
+van het prieel klimmen, en zeide dan glimlachend en blijde:
+
+"Lekkere tabak! Wat zijn die rijke menschen toch gelukkig. Ziezoo, op
+deze bank met het gezicht op dien schoonen hof en met mijne pijp in
+den mond, zou ik mijn leven willen slijten."
+
+"Gij bedriegt u, vader," wedersprak hem Bavo. "Er is nog iets, dat gij
+zoudt doen."
+
+"Ja, uit visschen gaan, niet waar? Dit doe ik uitnemend gaarne; het
+zou mij dienen om mijn vermaak een beetje af te wisselen."
+
+Onderwijl waren de beide meisjes nog altijd bij de bloemen; ze moesten
+ze een voor een zien, ze vergelijken en over hunnen geur en over hunne
+schoonheid oordeelen.
+
+Vader Damhout legde zijne pijp neder; hij zou ze straks voortrooken;
+maar nu moest men het ongeduld der moeder voldoen en het huis
+bezichtigen.
+
+Bavo bracht hen eerst in een paar kamers, die wel fraai geschikt
+waren, doch niet veel bijzonders aanboden. In de keuken bewonderde
+vrouw Damhout de schoone, versierde kookstoof en de glinsterende
+ketels, pannen en potten, die langs de wanden prijkten.
+
+In den kelder lag eene ton bier op hare stelling; een gemetste bak
+bevatte een zeker getal flesschen wijn, en er stond zelfs een groote
+oplegpot, die ongetwijfeld eenen voorraad boter bevatte.
+
+Dit deed de Damhouts zeggen, dat M. Raemdonck niets had vergeten, en
+zijn neef alles in gereedheid zou vinden, als hadde hij zelf het huis
+sedert lang bewoond.
+
+
+[Illustratie: Ziehier eene amandelbeschuit.]
+
+
+Op den zolder hingen, op de gespannen droogkoorden, eenige vischnetten
+van verschillenden vorm uitgespreid, alle nieuw en met veel zorg
+gemaakt. Vader Damhout was daar kenner van. Ook nam hij ze in de
+hand, beproefde de sterkte van het garen en mompelde in zich zelven:
+
+"Gelukkige lieden, ze hebben alles wat hun hart kan wenschen!"
+
+"Nu naar de zaal, naar de schoonste kamer!" riep Bavo. "Dáár zult gij
+wat anders prachtige dingen zien; en wij gaan er op de gezondheid van
+M. Raemdonck de flesch lekkeren wijn drinken, die hij ons heeft
+geschonken."
+
+Toen Bavo de zoogezegde zaal opende, ontvloog hun allen een kreet van
+bewondering. Dat waren alle prachtige meubelen van glimmend
+mahoniehout! Printen in gouden lijsten aan den wand, een zacht tapijt
+met roode bloemen op den grond, een verguld uurwerk en getakte
+kandelaars op de schouwplaat, stoelen met kussens, en twee zetels met
+ruggen, die hunne armen uitstaken en schenen te zeggen: "Ik ben zoo
+zacht, kom, rust wat op mij!"
+
+Het was ook wel wat de meisjes eerst en daarna de ouders deden; maar
+Bavo wenkte zijne moeder en toonde haar een klein tafeltje, waarvan
+het deksel kon worden opgeheven. Daaronder, als in een koffertje, lag
+allerlei glinsterend naai en borduurgerief, zoo rijk en schoon, dat
+het de oogen der verbaasde vrouw en der verwonderde meisjes deed
+schemeren.
+
+"Nu het glas wijn op de gezondheid van ... van ... dit gaan wij zien!
+Aan tafel, aan tafel!"
+
+En hij opende eene kas, nam er eene flesch en roemers uit en schonk
+den wijn. Ieder wilde zijn glas aangrijpen om ter eere van M.
+Raemdonck te drinken; maar Bavo weerhield hen.
+
+"Wacht een oogenblik," zeide hij, "er is ook iets om te eten! Ziehier
+eene amandelbeschuit, die mijnheer Raemdonck niet heeft gegeven; en
+het is ook op zijne gezondheid niet, dat wij allereerst gaan
+drinken...."
+
+"Wat is dit?" kreet Amelia, het oudste meisje. "Die suikerletters op
+de taart? Weet gij, moeder, wat er op te lezen staat?"
+
+"Ha, ha, lang leve Christina, onze goede moeder! Dit staat er op!"
+kreet Bavo, zijn glas in de hoogte heffende. "Het is heden haar
+naamdag. Lang, lang moge zij leven!"
+
+"Lang, lang moge zij leven!" herhaalden de anderen, hun glas in de
+hoogte heffende.
+
+"Wat zonderlinge gedachte van Bavo, u in dit huis te besteken!"
+juichte Amelia. "Ha, dit is aardig!"
+
+"En nu, moeder," zeide de jongeling op plechtigen toon en met eenen
+traan van geestdrift in de oogen, "nu gaat degene, die u alles
+verschuldigd is op de wereld, zijne geleerdheid, zijn geluk, zijne
+toekomst, u een geschenk doen, een geschenk, waarvan hij sedert zijne
+kindsheid heeft gedroomd, aan u en aan den armen fabriekwerker, die
+voor zijnen zoon heeft geslaafd en geleden. Gij hebt dit huis gezien,
+den hof, de bloemen, de netten? Dit alles hoort u toe. Ik heb het huis
+gehuurd, ik heb de meubelen gekocht. Hier zult gij wonen. Vader mag
+niet meer werken; hij zal zijn pijpje rooken, bloemen kweeken, gaan
+visschen. Wij zijn rijk, ik ben meester-klerk, ik win vierduizend
+franken! God zij gezegend, dat Hij mij toelaat uwe liefde te beloonen.
+Moeder, vader, zet u op uw gemak: gij zijt ten uwent!"
+
+Vrouw Damhout was zoo diep getroffen, dat zij eenen steun op de tafel
+zocht, als ging zij bezwijmen; maar zij richtte zich weder op, vloog
+haren zoon om den hals en drukte hem met koortsige teederheid aan haar
+kloppend moederhart. Damhout, stom van verbaasdheid, stortte blijde
+tranen, de meisjes klapten in de handen en dansten met
+uitgelatenheid....
+
+Toen Bavo dien avond weder nevens zijne moeder in het andere huis zat,
+was hij sedert eene wijl zeer stil en als treurig. Hij zeide haar, dat
+hij zeer vermoeid was; maar vrouw Damhout zag wel, dat iets anders
+zijnen geest benevelde.
+
+Zij murmelde eindelijk met teruggehoudene stemme:
+
+"Bavo, gij denkt aan iemand. Ik insgelijks, mijn zoon. Wanneer men zoo
+gelukkig is, niet waar, dan zou men al degenen, die men ooit heeft
+bemind, willen gelukkig zien?"
+
+"Ja, moeder," antwoordde hij, "de mensch is zijne gedachten niet
+altijd meester; maar het beteekent niets. Het is eene herinnering
+mijner kindsheid, die tegen mijnen dank opwelt in mijn hart."
+
+
+
+
+XII
+
+
+Op eenen Zondag, bij het vallen van den avond, verlieten eene reeds
+bejaarde vrouw en een jong meisje de enge stege, waar de Damhouts
+vroeger hadden gewoond. Hunne slechte kleederen, hun onzekere stap en
+hunne zichtbare schuchterheid, alles in hen getuigde niet alleen van
+groote ellende, maar tevens van eene diepe moedeloosheid. Zij gingen
+traag, zwijgend en met gebogen hoofde nevens de huizen, als
+nedergedrukt onder een gevoel van schaamte of van geheime
+verschriktheid.
+
+Er was echter tusschen beider opzicht een merkelijk verschil. Terwijl
+de vrouw als iemand, die sedert lang aan de armoede is gewend, om zoo
+te zeggen met lompen was behangen, had het meisje wel klaarblijkend
+alle moeite ingespannen om de uiterlijke teekens der ellende zooveel
+mogelijk te verbergen. Hare kleederen, alhoewel zeer versleten, waren
+van eene uiterste reinheid; en hare muts, ofschoon geschift en
+genaaid, was sneeuwwit.
+
+Wanneer zij bij geval het hoofd ophief om eenen voorbijganger te
+mijden, bezag men haar met verrassing, als ware men verwonderd, zulke
+wezenstrekken onder dat ellendig kleedsel te vinden.
+
+Inderdaad, het arme meisje was zeer schoon; in hare blauwe oogen,
+alhoewel nu door de smart verduisterd, glom eene vonk van gevoel en
+verstand; hare wangen waren zuiver en haar voorhoofd lelieblank.
+Daarenboven, er was in de snede harer kleederen, in de rijzigheid
+harer leden, in de ingetogenheid van haren gang iets onderscheidens,
+dat niet twijfelen liet of de jonge maagd moest eene goede opvoeding
+hebben genoten.
+
+Welk pijnlijk voorval had toch deze ongelukkige van eenen hoogeren
+stand in zulke diepe ellende nedergerukt, dat men ze nu met hare oude
+gezellin moest aanzien als schamele menschen, die waarschijnlijk op
+weg waren om hier of daar eene aalmoes te gaan afbedelen?
+
+Zonder een woord met elkander te wisselen, hadden zij de Nederschelde
+bereikt, en naderden nu tot de Wijngaardbrug. Daar zeide de vrouw met
+bedwongene stem:
+
+"Heb moed, mijn kind. Gij gaat zoo langzaam. Zijt gij vervaard?"
+
+"Ja, moeder, ik weet niet, mijn hart klopt zoo angstig!" zuchtte het
+meisje.
+
+"O, hemel! vreest gij nu, dat de Damhouts ons gebed zouden kunnen
+verstooten? Doe mij niet beven. Eilaas, wat zou er dan van ons
+geworden?"
+
+"Vrouw Damhout zal ons helpen, moeder, daaraan twijfel ik niet," was
+het stille antwoord. "Een hart als het hare kan niet ongevoelig
+blijven voor ons ongeluk; en wanneer ik met tranende oogen hare vorige
+genegenheid voor het arme Lieveken zal inroepen...."
+
+"Zeker, en vermits zij nog rijker zijn dan men ons te Rijssel had
+gezegd? Ach, Godelieve, wat wij nu gaan beproeven, is eene pijnlijke
+poging, voor u bovenal, ik weet het; maar de nood is een onmeedoogende
+dwingeland."
+
+"De Damhouts zijn rijk, zeer rijk!" morde het meisje op eenen hollen
+toon, waarvan de zonderlinge siddering de vrouw verraste.
+
+"Maar des te beter, Godelieve," zeide zij. "God zij gezegend, dat Hij
+hun de middelen schonk om ons te helpen."
+
+"Eene aalmoes gaan vragen, moeder! Aan ... aan de Damhouts! Ik, het
+kleine Lieveken, die zij zoo teeder hebben bemind, die met hen dorst
+droomen van toekomst en van geluk! O, mijne schoone kindsheid, hoe
+tergend ontstaat gij voor mijne oogen! Bedelaresse? Lieveken eene
+bedelaresse!"
+
+"Neen, kind, wees niet zoo wreed voor u zelve. Wij komen hulp vragen,
+ja, maar bedelaressen zijn wij toch niet."
+
+Zij stapten voorbij de kerk van Sint-Baafs; het meisje scheen door
+eenen geheimen invloed naar de zijdeur des tempels gedreven en had,
+zonder het te weten misschien, zich half omgekeerd.
+
+De vrouw weerhield haar en zeide:
+
+"Maar, Godelieve, wat doet gij nu? Rechtdoor moeten wij gaan; ginder
+is de Kruisstraat."
+
+"De schaamte, de schrik, moeder; mijne ziel wil bidden, sterkte
+vragen; want nu wij de plaats naderen, waar ik de smeekende hand tot
+... tot vrouw Damhout zal uitsteken, ontsnapt mij alle moed."
+
+"De avond valt, Godelieve; wij mogen niet wachten totdat het gansch
+donker is. Kom, mijn kind, het is een smartelijk oogenblik, inderdaad;
+maar het zal haast doorgestreden zijn. Wij zullen hier, bij het
+Heilig Graf, God voor zijne barmhartigheid komen danken of ... of
+tranen van wanhoop storten op diezelfde knielbank, waar wij zoo
+dikwijls hebben gebeden. Kom nu, het zal niet lang duren."
+
+Beiden vervorderden hunnen weg tot in de Kruisstraat, waar zij
+begonnen rond te kijken, om het huis te herkennen, dat men hun in de
+stege had aangeduid en beschreven. Dewijl het reeds half duister was,
+hadden zij eenige moeite om in hunne opzoeking te gelukken. Eensklaps
+zeide de vrouw:
+
+"Dáár is het, Godelieve. Die schoone ronde deur, dat balkon. Welk
+prachtig huis! Wat moeten de Damhouts gelukkig zijn! Zij verdienen het
+ook wel, niet waar? Ach, mochten zij onze bede verhooren! Er is reeds
+licht in de benedenkamer. Godelieve, schep moed, mijn kind. Werp u aan
+de voeten van vrouw Damhout, bezweer haar bij hare vorige goedheid
+voor u. Zij zal ons redden, wees er zeker van."
+
+"Ja, moeder, de strijd is ten einde; ik gevoel mij weder eenige
+sterkte," murmelde de bange maagd.
+
+Toen zij het huis gingen naderen, bemerkte Godelieve door de
+vensterruiten, dat een man, een heer, in de verlichte kamer stond.
+Alhoewel hij den rug naar de straat hield gekeerd, sloeg dit gezicht
+haar met eenen onzeglijken schrik; maar op hetzelfde oogenblik deed de
+heer eene beweging en wendde zich naar het venster, op zulke wijze,
+dat het meisje zijn gelaat kon herkennen.
+
+Een versmachte angstschreeuw ontsnapte haar; zij begon op hare beenen
+te wankelen en leunde tegen den muur om niet neder te storten.
+
+Daar zag zij, dat hare moeder de hand naar de bel uitstak om te
+klinken. Zij sprong vooruit, trok de verbaasde vrouw van de deur weg,
+leidde haar met eene soort van koortsig geweld naar den donkeren kant
+der straat en verborg weenend haar hoofd op den boezem der vrouw,
+terwijl zij uitriep:
+
+"Moeder, moeder, hij is daar!"
+
+"Wie?"
+
+"Bavo!"
+
+"Welnu, God zij er om gedankt; hij zal zijne moeder tot barmhartigheid
+voor ons aansporen. Kom, overwin uwe schaamte...."
+
+"Onmogelijk, moeder!" snikte het meisje "O! spaar mij dat lijden, die
+vernedering, die wanhoop! Eene aalmoes vragen in zijne
+tegenwoordigheid ... aan hem? Eilaas, mijn hart breekt, ik zou
+bezwijmen voor zijne voeten, misschien zou ik sterven...."
+
+"Wilt gij dan, dat ik alleen ga?"
+
+"Ik zal u zegenen, u dankbaar blijven mijn gansche leven, moeder lief!
+Mijne ziel is verschrikt; het denkbeeld alleen van de hand tot hem uit
+te steken, vervult mij met eenen doodelijken angst."
+
+"Maar zij beminnen u meer dan mij; en indien zij mijn gebed verwerpen,
+omdat gij niet met mij zijt?"
+
+"Dan," kreet de maagd met overmatige ontsteltenis, "dan zal ik alle
+schaamte, alle gevoel in mijn hart versmachten. Ik zal tot hem, tot
+hem gaan, mij nederstorten voor zijne voeten, zijne knieën omhelzen,
+kruipen door mijne tranen. Ho, hij zal ons meer geven, dan wij noodig
+hebben ... maar er zal iets dood zijn in mij! Het is gelijk, ik zal
+mij onderwerpen, mijn wezen verloochenen en allen levensmoed verzaken,
+om de schande af te koopen en onze eer te redden."
+
+"Welnu, ik ben harder tegen de schaamte dan gij; ik zal het
+beproeven."
+
+Godelieve voegde de handen te zamen en zeide smeekend:
+
+"O, moeder, heb medelijden met mij! Noem mijnen naam niet in zijne
+tegenwoordigheid; verberg hem, dat ik met u ben gekomen; spreek hem
+niet, in 't geheel niet, van mij. Ik ga knielen voor het Heilig Graf
+in Sint-Baafskerk. Hoe vurig zal ik bidden! God zal u beschermen! In
+zijne eindelooze genade zal Hij mij misschien de noodlottige
+opoffering mijner menschelijke waardigheid sparen, dat eenige goed,
+waarvan het behoud mij sterkte gaf en mij worstelen liet tegen de
+akelige bitterheid mijns levens! Ga, moeder; ik zal wachten, angstig
+wachten voor het Heilig Graf. Noem mij niet, noem mij niet!"
+
+En deze laatste woorden stamelende, verwijderde zij zich met haast in
+de richting der Sint-Baafskerk.
+
+De vrouw zag haar een oogenblik achterna, schudde het hoofd en
+mompelde in zich zelve terwijl zij de straat overstapte:
+
+"Ik heb het gevreesd. Arme Godelieve. Zij is dubbel ongelukkig. Ik
+begrijp, dat haar het hart wreedelijk bloedt ... anders zou zij mij
+toch niet alleen laten gaan, zij, die uit liefde, uit goedheid haar
+leven zou opofferen om de smart eener vernedering van mij af te
+keeren. Welaan, ik zal moed hebben voor ons beiden. Oneer, schande,
+redding, blijdschap, wat wacht mij daarbinnen, o hemel!"
+
+Zij trok aan de bel en zeide tot de meid, die kwam openen, dat zij
+verlangde M. Damhout te spreken.
+
+De meid, die waarschijnlijk in de halve duisternis hare slechte
+kleederen niet bemerkte, opende de deur der kamer aan de straat, en
+bracht haar in de tegenwoordigheid van eenen jongen heer, die voor
+eene tafel was gezeten en in een boek scheen te lezen.
+
+Hij hief het hoofd op en beschouwde met zekere onaangename verrassing
+deze slechtgekleede vrouw. Zonder op te staan, zeide hij:
+
+"Komt gij om werk op de fabriek, vrouw? Bied u morgen op het bureel
+aan; ik zal zien of er plaats is voor u. Nu kan ik u dit niet
+verzekeren."
+
+"Ik wenschte M. Damhout te spreken," stamelde de vrouw.
+
+"M. Damhout? Die ben ikzelf."
+
+"Neen, uwen vader of uwe moeder, mijnheer."
+
+"Zij zijn den avond gaan doorbrengen bij vrienden, aan het ander einde
+der stad; heden zult gij ze niet kunnen zien. Keer morgen in den
+voormiddag weder."
+
+"Eilaas," zuchtte de vrouw, "ik, die uit Frankrijk kom en morgen vroeg
+moet vertrekken!"
+
+"Uit Frankrijk? Gij komt uit Frankrijk?" mompelde Bavo, terwijl hij
+met eene klimmende ontsteltenis de vrouw in het aangezicht schouwde.
+
+"Gij herkent mij niet, mijnheer? Inderdaad, gij waart nog jong, en de
+lange tegenspoed veroudert den mensch vóór zijnen tijd."
+
+"Bazin Wildenslag? Gij zoudt de moeder zijn van ... de vrouw van Jan
+... Line Wildenslag? Onmogelijk!... Gij zijt dus ziek geweest?"
+
+"Ziek en ongelukkig, mijnheer."
+
+De jongeling had moeite om zich te bedwingen, hij was rechtgesprongen
+en had eene beweging gedaan als om haar de hand te grijpen; maar een
+nieuwe blik op hare ellendige kleeding, de herinnering aan het woest
+en onbetamelijk leven der Wildenslags misschien, weerhielden hem en
+hij liet zich weder op zijnen stoel zakken.
+
+"Gij zult tot morgen moeten wachten.... tenzij gij mij wildet
+toevertrouwen wat gij hun te zeggen hebt," sprak hij.
+
+"Ik kwam hen te voet vallen en hunne hulp afsmeeken, mijnheer. Wij
+verkeeren in een schrikkelijken nood; geene andere toevlucht blijft
+ons over dan de edelmoedigheid uwer ouders. Zeker, in onze ellende
+hebben wij het recht niet om de vorige vriendschap te herinneren, die
+zij ons onverdiend hebben gegund, maar zij zullen het aan diep
+ongelukkige menschen vergeven, dat zij nog in de liefdadigheid uwer
+goede moeder durven hopen."
+
+"Eene almoes!" mompelde Bavo als verschrikt.
+
+"Meer dan eene aalmoes, mijnheer; redding uit de schande, verlossing
+uit de eeuwige oneer!"
+
+"Ik begrijp u niet," zeide hij met mistrouwen. "Waar zijn dan uwe
+zonen, uwe dochter, uw man? Zij wonnen veel geld?"
+
+"Mijn man is dood, mijnheer; van mijne zonen is er één soldaat in
+Afrika, één woont te Rouaan, één andere te Mulhausen. Zij hebben
+kinderen en denken niet meer aan hunne arme moeder. Een eenige, de
+jongste, is met ons ... met mij te Rijssel. Het is voor hem, mijnheer,
+dat ik de hulp uwer ouders kom afsmeeken. Hij had werk bekomen in het
+magazijn eener fabriek. Gisteren deed men hem een pak naar den ijzeren
+weg dragen. De ongelukkige trad onderweg in eene herberg, vergat zich
+daar met eenige kameraden en verloor het hem toevertrouwde pak.
+
+De meester der fabriek beweert, dat mijn zoon het pak heeft gestolen
+en verkocht. Hij wil hem door de gendarmes uit het huis doen halen en
+hem als dief doen veroordeelen tot vijf jaar galei, zegt hij. O,
+mijnheer, wij hebben misschien onze ellende verdiend door een
+zorgeloos en verkwistend leven. Het ongeluk zegt het mij nu; maar toch
+leven wij eerlijk, en mijn arme zoon is aan niets anders plichtig dan
+aan eene laakbare nalatigheid. Hij is in den grond een goede jongen;
+hij heeft een gevoelig hart; hij eerbiedigt zijne moeder. Dat de
+armoede ons lot blijve, ik zal het verduldig verdragen als eene
+rechtvaardige straf; maar de oneer eener veroordeeling! Mijn zoon op
+de galei! Ik ben moeder en zou dien slag niet overleven, en mijne....
+O, mijnheer, gij kunt ons redden, met zoo weinig, weinig ten minste
+voor u, die rijk zijt! De meester van de fabriek wil alles vergeven en
+vergeten en onze verontschuldiging aanvaarden, indien wij hem vóór
+morgenmiddag den prijs van het pak teruggeven. Honderd franken. Voor u
+is het schier niets, voor ons is het meer dan het leven. Laten mijne
+tranen u verbidden, heb deernis met menschen, die, ondanks
+verwijdering en tegenspoed, geenen enkelen dag opgehouden hebben met
+dankbaarheid aan u en aan uwe ouders te denken!"
+
+Zij viel geknield te midden der kamer neder en stak de handen bevend
+tot den jongeling op.
+
+Deze kon zijne ontroering niet meer meester blijven, wat geweld hij
+ook deed; hij ging tot haar, hief haar van den grond en sprak:
+
+"Bedaar, vrouw; ik begrijp uwen angst en uw ongeluk. Honderd franken
+kunnen u redden, zegt gij? Troost u, ik zal ze u geven. Zet u neder op
+den stoel. Ik heb u iets te vragen. Gij spraakt van uwe zonen ...
+maar uwe dochters?"
+
+"Mijne dochters?" stamelde bazin Wildenslag in verlegenheid.
+
+"Ja, uwe dochters, wat is er van hen geworden?"
+
+"Mijnheer, zij ... zij wonen diep in Frankrijk, zij zijn getrouwd...."
+
+"Getrouwd!" gromde Bavo met eene grijns op de lippen en eenen diepen
+angst in de oogen.
+
+Hij beschouwde eene wijl met zichtbare gramschap de verschrikte vrouw,
+die het hoofd op de borst hield gebogen en sprakeloos bleef.
+
+"Ja, ik zal u helpen, vrees niet," kreet hij met onderdrukte kracht,
+"maar hadde mijn medelijden met uwe moedersmart mij niet overwonnen,
+ik ware gevoelloos voor uwe smeekingen gebleven. Veel meer, ik hadde
+mij op u gewroken en u onmeedoogend ter deur gewezen; want gij, vrouw,
+gij hebt, zonder het te weten, mijn leven vergiftigd en mij in het
+geluk ongelukkig gemaakt."
+
+"Ik, mijnheer? O, hemel, gij bedriegt u voorzeker!"
+
+"Neen, ik bedrieg mij niet. Mijne moeder had in het hart uwer
+Godelieve de kiemen van deugd en plichtbesef nedergelegd; ik, onnoozel
+kind nog, ik had haren geest de eerste begrippen der geleerdheid
+medegedeeld, de geleerdheid, welke haar moest behoeden voor zedelijke
+verlaging en bederf des harten. Gij, hare moeder, wat hebt gij met uw
+goed en zuiver Lieveken gedaan? Gij hebt haar naar eene fabriek
+gezonden, om geld uit haar te trekken; gij hebt die teedere bloem
+prijs gegeven aan de woeste aanraking van grove menschen...."
+
+"Mijnheer, mijnheer, het is niet waar!" kreet bazin Wildenslag
+sidderende.
+
+Maar Bavo, als buiten zich zelven van ontsteltenis, onderbrak haar en
+hernam:
+
+"Laat mij spreken tot het einde; het is de laatste maal dat haar naam
+mijnen mond ontvalt. Ik herhaal het met verontwaardiging: wat hebt gij
+gedaan met het arme Lieveken? Ha, onnoodig mij te antwoorden, vermits
+men na twee jaar haar in eene stege te Douai verrast met den klomp in
+de hand, vechtende, scheldende en woorden sprekende, die zelfs eenen
+ruwen fabriekwerker van walg deden terugdeinzen. Ziedaar wat gij
+gemaakt hebt van uwe Godelieve. Nu is zij zelfzuchtig, ongevoelig, en
+er blijft in haar niets meer over van de fijnheid des gemoeds? Nu haat
+zij waarschijnlijk de moeder, die de zuivere ziel van haar kind
+verkocht voor wat geld?"
+
+"O, neen, neen, mijnheer, heb medelijden met mij! Godelieve is het
+eenige mijner kinderen, dat mij nog oprecht bemint, mijn eenige steun
+in het ongeluk!"
+
+"Het zij zoo, vrouw; misschien is er nog een goed gevoel in haar
+overgebleven, misschien heeft zij u het kwaad vergeven, dat gij haar
+hebt gedaan; maar ik toch vergeef het u niet, ik kan het u niet
+vergeven.... Ziehier de honderd franken, welke gij vraagt. Ga nu, en
+moge God u niet langer straffen voor uwe noodlottige dwaling ten
+opzichte van uw kind."
+
+Onder het uitspreken dezer woorden had hij de hand in eene lade van
+den schrijflessenaar gebracht, en legde nu vijf goudstukken voor de
+vrouw op de tafel. Deze beschouwde het geld met starende oogen en
+bevende lippen, deinsde terug en riep:
+
+"O, God, kon ik die hulp weigeren!... Maar neen, de eer mijns zoons,
+de eer mijner arme Godelieve! Ik moet bedaren, bukken als eene slavin
+onder zulke schreeuwende onrechtvaardigheid; mijn engelachtig kind
+hooren beschuldigen van laagheid, van bederf des harten! Ik bezwijk er
+onder; mijn moed breekt...."
+
+Zij liet zich op een stoel vallen en begon bitter te weenen.
+
+"Eene schreeuwende onrechtvaardigheid?" vroeg Bavo over hare
+uitroeping verwonderd. "Zijn mijne verwijten, hoe wreed ook, niet
+gegrond?"
+
+"Valsch, geheel valsch, mijnheer," kreet bazin Wildenslag onder hare
+tranen. "Wie was er laf genoeg, om u te komen zeggen, dat hij
+Godelieve heeft zien vechten en haar onbetamelijk heeft hooren
+schelden?"
+
+"Het is Steven Geerts, die haar in eene stege te Douai met den klomp
+in de hand heeft zien slaan."
+
+"Ach, ik herinner mij de droeve zaak; het was Godelieve niet, het was
+hare zuster Theresia, die inderdaad, voor het aangezicht ten minste,
+op haar gelijkt. Godelieve, mijnheer? Er is nooit een hard woord van
+hare lippen gevallen; zij is schoolmeesteresse geweest; zij heeft
+verstand, zij is goed als een engel, en haar hart is nog even zuiver
+als toen gij haar leerdet lezen."
+
+"Hemel, wat zegt gij daar altemaal?" stamelde Bavo, door den twijfel
+aangegrepen. "En zij is getrouwd?"
+
+"En zij heeft nooit toegelaten, mijnheer, dat een man haar zonder
+eerbied bezage, en zij is niet getrouwd."
+
+"Maar verklaar u, gij doet mij vergaan van ongeduld. Zeg mij, ik smeek
+u, welk was dan het lot van het arme Lieveken gedurende die acht lange
+jaren?"
+
+"Welaan, ik zal mijn verdriet bedwingen," zeide bazin Wildenslag, het
+hoofd oprichtende. "Om mijn edel kind, mijne goede Godelieve, te
+verdedigen, zal ik moed en sterkte vinden. Luister, mijnheer, gij zult
+vernemen wat ons en haar lot was sedert gij ons buiten de stadspoort
+een treurig vaarwel zeidet. Wij gingen naar Wazemmes, bij Rijssel, en
+vonden er veel en goed werk. Dewijl ik in mijne pogingen om Godelieve
+op eenen winkel van kleedermaaksters aanvaard te zien, niet kon
+gelukken, deed haar vader haar naar de fabriek gaan. Het arme kind kon
+het daar niet gewend worden en viel ziek van verdriet. Het duurde lang
+eer zij weder eenige krachten terugvond; dan, om toch iets te winnen,
+begon zij in ons huis eene kleine school te houden, om den kinderen
+onzer Vlaamsche geburen te leeren lezen."
+
+"En onze brieven, waarom liet gij die zonder antwoord?"
+
+"Uwe brieven? Wij hebben er slechts eenen ontvangen, en Godelieve
+heeft er op geantwoord."
+
+"Wij schreven er nog drie andere."
+
+"Daarvan weet ik niets, mijnheer."
+
+"Uw man ontving ze op de fabriek. Heeft hij ze misschien
+achtergehouden of vernietigd?"
+
+"Het is wel mogelijk, mijnheer; hij meende, dat het voor Godelieve
+beter was geene betrekking meer te hebben met menschen, die te verre
+boven onzen stand waren; want wij wisten door eenen kameraad van
+Gent, dat gij klerk geworden waart bij M. Raemdonck, en Godelieve
+zeide altijd, dat gij onfeilbaar rijk zoudt worden."
+
+"En waarom schreef Godelieve dan niet eens om tijding van ons te
+hebben?"
+
+De vrouw wachtte een oogenblik en zuchtte dan:
+
+"Wij arme, gemeene fabriekwerkers? En toch, ik heb dikwijls Godelieve
+aangeraden u te schrijven; maar het verschrikte haar; er was te veel
+verschil tusschen uwe ouders en ons; zij dorst niet schrijven."
+
+"Ga voort, vrouw, ik zal u niet meer onderbreken," zeide de jongeling.
+
+"Ach, onze geschiedenis is kort, mijnheer," hernam bazin Wildenslag.
+"Mijn man en mijne zonen leidden een zorgeloos leven. Zij bleven
+dikwijls halve weken zonder te willen werken, zoodat zij zich den
+toegang tot vele fabrieken zagen weigeren. Wij vertrokken altezamen
+naar Rouaan. Daar hield Godelieve weder school in ons huis, en leerde
+er de kinderen der Fransche werklieden; want door altijd Fransch te
+hooren spreken, had zij in die taal spoedige vorderingen gemaakt. Zij
+had veel te lijden van hare woeste broeders en afgunstige zusters,
+omdat zij altijd zindelijk was gekleed en door iedereen, als een
+voorbeeld van zedigheid en beleefdheid, werd geprezen en geacht. Eene
+dame der stad bezorgde haar eindelijk eene goede plaats als
+leermeesteresse in eene groote kostschool van jonge juffrouwen. Daar
+bleef zij twee volle jaren, niets van hare jaarwedde behoudende dan
+wat haar noodig was om zich de kleederen aan te koopen, welke zij
+natuurlijk in hare kostschool hoefde te dragen, ten einde niet te veel
+tegen de andere meesteressen af te steken. Al het overige bracht zij
+naar huis om ons te helpen; want haar vader was ziek geworden, en van
+mijne andere kinderen waren de meeste getrouwd of ongetrouwd in het
+rond alleen gaan wonen; en de twee jongens, welke met ons bleven,
+gaven minder van hun dagloon af dan hun kost en hun onderhoud
+bedroegen. De kwaal van mijnen man verergerde langzaam; het was eene
+kwijnziekte, die hem allengskens scheen uit te putten en ons deed
+vreezen, dat hij niet meer zou genezen. Dan gebeurde er iets, dat ons
+in de bitterste ellende moest storten. Een mijner zonen, die sedert
+als soldaat naar Afrika is vertrokken, een woestaard, een gevoellooze
+verkwister, was reeds meer dan eens, tot schande der arme Godelieve,
+aan hare kostschool gaan bellen om haar geld te vragen. Dit mishaagde
+de meesteresse van het gesticht zeer; maar uit genegenheid voor
+Godelieve had men geduld gehad, zoolang totdat eens mijn baldadige
+zoon, door den drank verblind, binnen de kostschool drong en daar,
+door scheldwoorden en gewelddaden, zijne zuster eene groote somme
+gelds wilde afdwingen. Hij joeg den lieden zulken schrik aan en
+ontstichtte de leerlingen op zulke onbehoorlijke wijze, dat Godelieve
+hare plaats verloor en, schier half dood van schaamte en wanhoop, naar
+huis kwam. Haar broeder, die wel gevoelde, dat hij ons allen
+ongelukkig had gemaakt, vertrok des anderen daags om dienst te nemen
+in het vreemdenlegioen voor Afrika. Godelieve, wier moed en opoffering
+onuitputtelijk zijn, begon onmiddellijk rond te zien om weder eenige
+leerkinderen te zamen te krijgen, en wat naaiwerk te vinden; maar het
+gelukte haar niet spoedig genoeg. De armoede stond voor onze deur, en
+wij schrikten van de droeve toekomst, die ons bedreigde. Misschien
+had mijn arme man een geheim voorgevoel, dat hij niet lang meer zou
+leven. In hem ontstond eensklaps eene onverwinnelijke begeerte om
+terug naar Vlaanderen te gaan. Wij wilden hem dit besluit uit het
+hoofd stellen; Godelieve bovenal, waarom, ik weet het niet, beefde bij
+het gepeins alleen, dat wij de stad Gent nog zouden wederzien. Er was
+niets aan te doen; want hij smeekte ons met overvloedige tranen, hem
+toch niet op vreemden grond te laten sterven. De lucht van Vlaanderen
+zou hem genezen, hij was er van overtuigd. Wij verkochten onze
+meubelen en ons huisraad, om op den ijzeren weg of met de diligence te
+reizen, en vertrokken op eenen zekeren morgen naar het geboorteland.
+Van al mijne kinderen wilde niemand ons volgen dan Godelieve alleen.
+Mijn man had te veel van zijne krachten verhoopt. Alhoewel hij
+onderweg dreigde te bezwijken, wilde hij toch de reis niet staken;
+maar toen wij het voorgeborcht der stad Rijssel bereikten, kon hij
+niet verder en viel buiten kennis in de herberg, voor welke wij ons
+hadden doen afzetten. Hij bekwam echter een beetje, nadat hij eenige
+uren had gerust. Wij bleven twee dagen in de herberg; maar onze
+weinige geldmiddelen waren schier ten einde. Wij vonden niet verre van
+daar een klein werkmanshuisje, dat ledig stond, huurde het en brachten
+er onzen armen zieke naartoe. Een slecht bed, een paar stoelen, eene
+oude kachel en twee of drie stukken keukengerief, ontnamen ons, tot
+den laatsten frank, al wat wij bezaten.... Luister nu, ik bid u,
+mijnheer, en moget gij den moed en de zielegoedheid van mijn kind
+bewonderen, zooals zij het verdient! Dan kwam eene wreede ellende ons
+bezoeken; ik werd van schrik en wanhoop bijna zinneloos. Geen voedsel,
+geen hulp voor mijnen stervenden man, geen uitzicht dan de honger voor
+ons en een akelige dood voor hem. Hoe zal ik het engelachtig gedrag
+van Godelieve beschrijven? Zij bracht geld in huis, zij deed den
+dokter komen en betaalde de medicijnen. Waar zij de middelen haalde,
+dorst ik haar niet vragen; maar ik bemerkte wel, dat eerst hare
+oorringen, dan haar gouden kruis, en dan allengs hare schoone
+kleederen verdwenen, zoolang tot haar niets meer overbleef dan
+voorwerpen zonder waarde. Eindelijk moesten ook mijne zondagskleederen
+worden opgeofferd. Ik sprak van mijnen man in het hospitaal te zien te
+krijgen; maar hij smeekte weenend om genade, en Godelieve wilde er
+niet van hooren. Dan hebben wij naar Rouaan geschreven, om hulp van
+onze kinderen te hebben. Mijn jongste zoon alleen heeft geantwoord,
+dat hij zou komen om voor ons te werken; doch hij had zich in zijne
+fabriek sterk aan den arm gewond en liet ons wachten totdat het te
+laat was. Dit heeft zoo bijna eene gansche maand geduurd, mijnheer,
+eene gansche maand, dat Godelieve elken nacht op eenen stoel bij het
+bed haars vaders bleef gezeten, hem troostende, hem sprekende van
+genezing, van Gods barmhartigheid en van een beter leven in den hemel.
+Geene klacht in haren mond; zij lachte, zij was vroolijk, de goede, om
+moed te geven. O, mijnheer, de woorden ontbreken mij om u te zeggen,
+wat Godelieve in die schrikkelijke dagen voor ons gedaan heeft.
+Oordeel er over: gedurende de laatste week zijns levens heeft mijn
+arme man, door de teedere zorgen, door de liefderijke vertroostingen
+van zijn kind verleid, haar aangezien voor eenen engel, en niet
+anders meer tot haar gesproken dan tot een wezen, door God gezonden om
+zijnen doodsstrijd zacht te maken, en hem den hemel te wijzen. En,
+mijnheer, het was niet omdat haars vaders geest door de ziekte was
+verzwakt, o neen, ik, hare moeder, ik verkeerde in dezelfde dwaling.
+Er kwam een oogenblik dat hare onbegrijpelijke opoffering mij
+nederwierp voor hare voeten en dat ik, van dankbaarheid en bewondering
+zinneloos, voor mijn kind knielde als voor het zuiverste beeld van
+Gods goedheid zelve. Ach, haddet gij mijnen armen man zien sterven,
+met eenen zaligen lach zijne dochter aanschouwende, en nog, tot
+vaarwel, de hand van zijnen troostengel kussende."
+
+Zij smolt in tranen weg en liet het hoofd op de borst vallen.
+
+De jongeling had dit verhaal met eene klimmende ontroering aangehoord;
+de uitdrukking zijns gelaats was een zonderling mengsel van medelijden
+en geheime fierheid, van smart en van blijdschap. Op het einde echter
+had de deernis met het bitter lot der Wildenslags hem overwonnen;
+sedert eene wijl leekten er stille tranen op zijne wangen.
+
+Hij stond op, ging tot de vrouw, greep haar de hand en zeide:
+
+"Arme bazin Wildenslag, wat hebt gij geleden! Ik beschuldigde u zoo
+wreedelijk. O, vergeef het mij! Wees gedankt; want ik begrijp aan uwe
+woorden, aan uwe moederlijke ontroering, dat gij hebt medegeholpen om
+uwe Godelieve de loopbaan te laten betreden, die hare deugd en hare
+geleerdheid haar voorschreven. Kom, troost u; ik zal mijne ouders
+over u spreken; wij zullen u helpen; de ellende ten minste zal u niet
+meer bezoeken."
+
+"Wees gezegend, mijnheer," murmelde de vrouw nog snikkend, "uwe
+eindelooze goedheid ontrukt mij nieuwe tranen. Ha, gij hebt het hart
+uwer moeder ... een hart, mild en edel als het hart mijner Godelieve!"
+
+Bavo deed eenen stap naar zijnen schrijflessenaar en nam er eenig geld
+uit.
+
+"Met de honderd franken, die dáár liggen," zeide hij, "kunt gij den
+prijs van het verloren pak betalen. Deze droeve zaak mag u dus niet
+meer bekommeren. Hier hebt gij nog honderd franken meer, om in uwe
+eerste behoefte te voorzien, ik zal met mijne moeder de middelen
+overwegen om u een min bitter lot te verzekeren. Indien wij uwe
+Godelieve eene plaats van leermeesteresse te Gent konden bezorgen?
+Voor uwen zoon heb ik voordeelig werk. Vermits hij een gevoelig gemoed
+heeft, zal ik hem in den goeden weg terugbrengen.--Daar, neem het
+geld, vrouw; gij hebt mij heden verlost van eene lange treurnis, van
+eene diepe smart, die mij sedert jaren aan het harte knaagt. Ja,
+vrouw, het is zoo. De gedachte, dat het goede, zoete Lieveken, de
+vriendin mijner kindsheid, de gedienstige engel, die bij het ziekbed
+mijns vaders heeft gewaakt, in de wereld was verloren geloopen, deze
+gedachte was mij pijnlijk, en mijn medelijden werd allengs eene
+onverwinlijke smart. Nu ben ik daarover gerust, nu ben ik gelukkig te
+weten, dat zij ten minste hare zedelijke natuur, hare schoone inborst
+en de edelheid harer beminnende ziel ongeschonden heeft behouden."
+
+Bazin Wildenslag had het geld van de tafel genomen. Zij vouwde de
+handen te zamen voor den jongeling en zuchtte met de oogen vol tranen:
+
+"O, mijnheer, uwe barmhartigheid, uwe goedheid maakt mij stom; ik weet
+niet, hoe u mijne erkentenis uit te drukken. Morgen vroeg, vóór ons
+vertrek, zullen wij hier terugkomen. Godelieve zal op de knieën u
+zegenen voor uwe milde weldaad...."
+
+"Godelieve? Morgen?" kreet de jongeling verbaasd. "Waar is dan
+Godelieve?"
+
+"Ik durf u niet langer bedriegen, mijnheer; zij is in de
+Sint-Baafskerk en bidt er voor het Heilige Graf...."
+
+"En waarom kwam zij niet met u?"
+
+"Het arme meisje is vervaard, mijnheer."
+
+"Vervaard? Van mij?"
+
+"Beschaamd, mijnheer; om onze reis naar Gent te kunnen betalen, hebben
+wij de eenige kleederen, die nog waarde konden hebben, moeten
+verkoopen. Godelieve schrikte van zich voor u te vertoonen...."
+
+"En nochtans, ik zou haar willen zien!" riep Bavo met ontsteltenis.
+"Na acht jaar afwezigheid! Wat doen de kleederen? Zij getuigen immers
+van hare opoffering, van hare liefde voor hare ouders? Ach, mocht ik
+eene belooning eischen, het ware, dat het mij toegelaten wierd haar te
+troosten en haar moed te geven!"
+
+"Ik zal ze halen, mijnheer. Mij ook beschaamde de poging, welke ik bij
+u moest beproeven; maar de weldaad van edelmoedige menschen als gij
+zijt, vernedert niet, integendeel! Ik zal het Godelieve doen
+begrijpen, mijnheer. Zij zal komen om u te danken."
+
+Bazin Wildenslag ging ter deur uit.
+
+Als bezwijkend onder eene geweldige ontsteltenis, liet Bavo zich op
+een stoel zakken en legde het hoofd in de handen. De afwisseling
+zijner uitdrukking getuigde dat hij worstelde tegen gepeinzen, die
+tegen zijnen wil hem bestormden. Evenwel na eenige oogenblikken scheen
+hij over deze geheime opwellingen van een vorig gevoel te hebben
+gezegepraald; want hij hief het hoofd op en zeide met eenen lichten
+spotlach tot zich zelven:
+
+"Het zijn droomen, die vergaan voor de wezenlijkheid. Geene
+onmogelijke gepeinzen! Ja, het is ons plicht, te erkennen en te
+beloonen wat het goede Lieveken eertijds voor mijnen zieken vader
+heeft gedaan. Lieten wij haar ongelukkig zijn, het ware eene wreede
+ondankbaarheid, misschien eene zedelijke misdaad. Onze plicht is zeer
+eenvoudig te vervullen. Wij zullen hen bijstaan en beschermen, totdat
+Godelieve eene voordeelige plaats in een onderwijsgesticht heeft
+gevonden; totdat zij weder de middelen hebben bekomen om stil en
+tevreden te leven. Wij zullen over hen waken, om voortaan het ongeluk
+van hen af te keeren. Anders kunnen wij toch niets...."
+
+Weder boog hij het hoofd en staarde ten gronde; na eene wijl
+beweegloos te zijn gebleven, murmelde hij met eenen diepen zucht:
+
+"Het is zonderling! De mensch schijnt een dubbel wezen in zich te
+besluiten ... maar neen, zijn wil en zijn hart stemmen niet altijd
+overeen. En nochtans, ik moet die gepeinzen verjagen. Vermits er
+tusschen haar en mij eene maatschappelijke onmogelijkheid is ontstaan,
+moet ik mijne kindsheid vergeten. Haar ongeluk legt mij den eerbied
+op; kwetsen wij hare gevoelige ziel niet. Ha, men belt! Daar is zij!
+Hoe klopt mijn hart! Ik moet mij bedwingen.... Arm Lieveken! was het
+zóó, dat ik haar moest wederzien?"
+
+Vrouw Wildenslag trad in de kamer, gevolgd door hare dochter.
+
+Het benauwde meisje hield het hoofd gebogen als eene veroordeelde, en
+dorst den blik niet opheffen; zij beefde zichtbaar, en slechts toen
+hare moeder haar bij den arm greep, kwam zij vooruit tot in het midden
+der kamer.
+
+Een versmachte kreet was Bavos boezem ontsnapt, en hij had eenen stap
+gedaan om tot het meisje te naderen en haar de hand te grijpen; maar
+hij wederhield zich zelven en zeide:
+
+"Godelieve, vergeef het mij: ik wenschte zoo vurig u te zien. Wees
+niet beschaamd; ik weet, dat gij hebt geleden en wat gij voor uwe
+ouders hebt gedaan. Die slechte kleederen verheffen u in mijne oogen,
+en de eenige indruk, dien zij op mij uitoefenen, is mij een gevoel van
+eindeloozen eerbied in te boezemen voor het edel hart, dat zij
+bedekken."
+
+Het meisje hief het hoofd op en sprak zeer bedaard, doch met eenen
+plechtigen nadruk:
+
+"Mijnheer, ik dank u uit den grond mijner ontroerde ziel, meer nog
+voor uwe goede woorden, dan voor uwe milde weldaad. Niet alleen
+verlost gij ons van de akelige vrees; maar gij redt ons uit de
+ellende. Wees gezegend; in al mijne gebeden zal ik uwen naam en den
+naam uwer ouders mengen, opdat God u gelukkig late zijn in de maat
+uwer grootmoedigheid."
+
+Bavo scheen verstomd; er lichtte een vreemde glans in zijnen blik;
+hij rustte met de bevende hand op de tafel, als hadde hij eenen steun
+noodig gehad. Die groote blauwe oogen, zoo kwijnend en zoo vol
+dankbaarheid op hem gevestigd; dat fijn gelaat, dat zuiver voorhoofd,
+waarop nu de rozeverf der kuischheid en der schaamte wolkte! O! zij
+was schooner nog dan het engelachtig Lieveken zijner droomen. Wat
+geweldigen strijd voerde hij tegen zijn hart! Maar hij moest zijne
+dwalende zinnen bedwingen: de eerbied voor de ongelukkige Godelieve
+gebood het hem.
+
+Een holle zucht welde op uit zijnen beklemden boezem; hij liet zich op
+eenen stoel zakken en zeide met schijnbare kalmte:
+
+"U weder te zien na acht jaar afwezigheid, Godelieve, is mij eene
+groote blijdschap. Het ontstelt mij. Natuurlijk, niet waar? Die
+herinneringen der kindsheid, hoe blijven zij, immer met nieuwe kracht
+opgewekt, in het menschelijk harte leven!... Ach, ik laat u daar
+staan, te midden der kamer. Verontschuldig mij; zet u neder."
+
+Godelieve hief de handen smeekend op.
+
+"Mijnheer," stamelde zij, "heb medelijden met een ongelukkig meisje!
+Uwe goedheid is zoo eindeloos. Ik ben ontsteld, ik gevoel mij ziek,
+mijne krachten begeven mij. Vergun mij als eene genade, voor heden dit
+huis te verlaten. Morgen vroeg zal ik bedaard zijn, ik zal, beter dan
+nu, madam uwe moeder mijne grenzenlooze dankbaarheid kunnen
+uitdrukken...."
+
+"Gij wilt vertrekken, Godelieve?" kreet de jongeling met verdriet. "O,
+neen, ik bid u, nog een oogenblik!"
+
+Door hare moeder aangedreven om aan dien wensch te voldoen, zette het
+meisje zich neder en boog weder het hoofd. Men zou gezegd hebben, dat
+de oogslag van Bavo haar schrik inboezemde; en inderdaad, zij had bij
+elken zijner blikken gesidderd.
+
+"Zeg mij, Godelieve, hebt gij in uw smartelijk leven nog dikwijls aan
+onze gelukkige kindsheid gedacht?" vroeg Bavo.
+
+"Mijn eenige troost op de wereld," zuchtte het meisje, "was de
+dankbare herinnering uwer goedheid voor het arme zieke kind."
+
+"En voor mij, Godelieve, was het de eenige, maar bittere smart mijns
+levens, te moeten denken, dat de zoete gezellinne mijner kinderjaren,
+ongelukkig en verloren, in de wereld dwaalde."
+
+Er heerschte eene korte stilte.
+
+"Godelieve," vroeg de jongeling eensklaps, als gedreven door eene
+geweldige ontroering, "Godelieve, ik gaf u een aandenken, eene
+gedachtenis. Hebt gij ze bewaard?"
+
+Hij bekwam geen antwoord.
+
+"Het beeld van Bavo en Lieveken met hun boek in de hand," zeide hij,
+"onnoozel en gebrekkig werk, dat aan den kleinen Bavo schier eene
+maand arbeid kostte. Gij hebt mij beloofd, dat gij het zoudt bewaren."
+
+"Maar, Godelieve toch, hoe kunt gij M. Damhout dus zonder antwoord
+laten?" kreet moeder Wildenslag. "Ja, ja, mijnheer, zij heeft het
+bewaard.--Wederhoud mij niet, Godelieve.--Zoo goed bewaard, mijnheer,
+dat het sedert jaren onder het kleine crucifix hangt, waarvoor
+Godelieve gewoon is te bidden."
+
+"Ach, dank, dank om uwe trouwe herinnering!" riep Bavo.
+
+"Waarom verwondert u dit, mijnheer?" zeide het meisje met eene vonk
+van waardigheid in de oogen. "Indien ik mijn gansche leven wilde
+bidden voor het geluk van hem, die mij leerde lezen, kon ik iets beter
+doen dan zijn beeld te hangen op de plaats, waar ik elken avond
+nederknielde om mijne ziel tot God te verheffen?"
+
+Bavo liep tot haar, greep haar de beide handen en zeide diep ontroerd:
+
+"Altijd dezelfde engel! Kom, Godelieve, troost u en schep moed; gij
+zult niet ongelukkig meer zijn. Wij zullen u beschermen. Wij zullen
+eene goede, zeer goede plaats van leermeesteresse te Gent zoeken;
+mijne moeder zal u weder liefhebben en u helpen. Ik zal uw vriend
+zijn, evenals toen wij nog onnoozele kinderen waren.... Het is te
+zeggen ... ik weet niet, de ontsteltenis maakt mij duizelig, mijne
+zinnen zijn verward...."
+
+Het verschrikte meisje ontwrong hem hare handen met zulk koortsig
+geweld, dat hij zich in zijn hart over deze beweging gekwetst gevoelde
+en met spijtige verbaasdheid eenen stap terugdeinsde.
+
+Godelieve hief langzaam het hoofd op; alhoewel er tranen in hare oogen
+glinsterden, was er zooveel maagdelijke fierheid in haren blik,
+zooveel edelheid in de uitdrukking van haar schoon gelaat, dat Bavo
+haar met ontzag aanschouwde.
+
+
+[Illustratie: Aan mij de vriendin mijner kindsheid!]
+
+
+"Ik smeek u, mijnheer, heb toch medelijden met mij!" zeide zij.
+"Vergeten wat gij voor mij als kind hebt gedaan, vergeten wie ons nu
+uit den afgrond der smart zoo grootmoedig opheft,--de dood zelf kan
+mij daartoe niet bekwaam maken; want in Gods schoot zelven zal
+mijne ziel zich nog uwer goedheid herinneren. Maar zoek geene plaats
+voor mij te Gent. Na den dag van morgen zal ik den grond mijner
+geboortestad niet meer betreden. Ik ken de edelheid uws harten; gij
+begrijpt mij, ik ben er zeker van."
+
+"Maar neen, ik begrijp u niet!" morde Bavo.
+
+"Gij begrijpt den onverbiddelijken plicht niet, mijnheer, die mij
+dwingt in Frankrijk een bestaan te zoeken?" hervatte Godelieve. "Ach,
+bestonden er tusschen u en mij geene diepe, geene onverdelgbare
+herinneringen, ik zou uit erkentenis de dienstmeid uwer moeder, en,
+ware het mogelijk, uwe slavin willen worden. Nu mag geen andere band
+tusschen ons bestaan dan de weldaad van den eenen kant en de eeuwige
+dankbaarheid van den anderen. Ik heb veel geleden, zonder dat mijn
+moed er onder is gebroken. Moest ik een oogenblik uwe achting derven,
+mijnheer, ik stierve eenen pijnlijken dood. Ja, ja, Bavo, de ziel der
+arme Godelieve heeft honger naar uwen eerbied, en zij zal dien
+behouden met hare dankbaarheid tot aan het graf. Vaarwel, mijnheer,
+tot morgen!"
+
+En opstaande greep zij den arm harer moeder en trok haar naar de deur.
+
+De jongeling stak de handen uit, als om haar te wederhouden; maar de
+plechtige woorden der maagd hadden hem zoo geweldig tot het gevoel der
+wezenlijkheid en tot het besef des plichts teruggeroepen, dat hij als
+aan den vloer bleef genageld, totdat hij de voordeur hoorde sluiten.
+
+Dan hief hij, stom en met verbaasden blik, de armen in de hoogte,
+allerlei onduidelijke woorden in zich zelven murmelende. Zijne zinnen
+waren ontsteld en zijne gedachten verward.
+
+Eindelijk, na een oogenblik rust, zeide hij in zich zelven:
+
+"Wat is zij schoon, wat is zij schoon! Onder die slechte kleederen
+scheen zij mij fier en indrukwekkend als eene koningin. Hoe heeft zij
+de zuiverheid, de fijnheid des harten kunnen behouden in zulke wereld,
+tusschen grove, onwetende menschen, dwars door nood, honger en
+ellende? Ha! het onderwijs! Ik ben het, die deze ziel het licht en de
+sterkte heb gegeven om aan de verleiding, aan de zedelijke verlaging
+te wederstaan; mijne moeder is het, die haar de liefde tot deugd en
+plichtsbetrachting heeft ingeboezemd. Roos onder de doornen, lelie
+bloeiend op een mesthoop! En de lelie is zuiver gebleven, en de roos
+heeft hare geuren uitgewasemd als eenen balsem over het lijden
+dergenen, die haar omringden! Edel moet zij zijn boven de edelsten, om
+onder zulke beproeving niet te zijn bezweken. Dank, dank, o, mijn God,
+dat Gij de kiemen, door een ander kind in haren geest en in haar hart
+gestort, niet onvruchtbaar liet zijn!"
+
+Hij wreef zich het voorhoofd en stapte in de kamer rond, als wilde hij
+zijne stormende gepeinzen ontvluchten. Eensklaps staan blijvende, riep
+hij uit:
+
+"Onmogelijk, onmogelijk! De wereld, mijne ouders ... hare broeders,
+hare zusters ... het eenige geluk, dat mij op aarde moet geweigerd
+blijven!... Maar heeft zij daar schuld aan? Zij zal verre van hare
+geboortestad gaan dwalen, verdriet hebben, gaan kwijnen misschien? Ja,
+ja, ik bedrieg mij niet: hare schuchterheid, hare schaamte, hare
+verschrikte kuischheid, hare laatste woorden.... Zij ook heeft
+getreurd, zij ook heeft eenen wreeden knagenden worm in het hart
+gedragen!"
+
+Hij stortte neder op eenen stoel, sloeg zich de handen voor de oogen
+en morde met wanhoop:
+
+"Eilaas, eilaas, het kan niet zijn! Zij heeft gelijk; ik mag haar niet
+meer zien na den dag van morgen. Ik insgelijks wil het aandenken
+mijner kindsheid eerbiedigen en het zuiver bewaren tot aan het graf.
+Zij heeft het gezegd; er is voortaan geen andere band tusschen ons
+mogelijk dan de herinnering aan het verledene, de weldaad en de
+dankbaarheid!"
+
+Na een oogenblik stilte sprong hij weder recht.
+
+"Ik zou haar verliezen voor altijd?" kreet hij. "Die edele ziel, dat
+beminnend harte zou gaan verkwijnen in vreemde streken?... Er is een
+andere band, een heilige band, een eeuwige band; er is een
+geneesmiddel voor haar verdriet en voor mijne treurnis.... Ho, ik kan
+het niet meer uitstaan; ik moet mijne moeder, mijnen vader, mijnen
+meester spreken! Veroordeele mij de gansche wereld, het geluk mijns
+levens staat op dien prijs! Aan mij, aan mij de vriendin mijner
+kindsheid! aan mij het zuivere, zoete Lieveken!"
+
+En onder het uitspreken dezer woorden liep hij als een dwaze ter deur
+uit.
+
+
+
+
+SLOT
+
+
+Een paar jaren geleden ontstond in mij de gedachte om een verhaal uit
+het leven der Gentsche werklieden te schrijven. Met het doel om eenige
+eerste inlichtingen daarover in te zamelen, belde ik op zekeren
+namiddag aan het hek eener groote fabriek te Gent.
+
+Ik had eenen aanbevelingsbrief en stelde dien ter hand aan den
+bestierder van het gesticht, een man van ongeveer vijfendertig jaar,
+en wiens kleederen, ofschoon van welstand getuigende, met vlokken
+katoen en met stof waren overdekt.
+
+Nauwelijks had hij mijnen naam in den brief gelezen, of hij toonde
+zich zeer verblijd over mijn bezoek, zeide, dat hij een warm
+liefhebber der Vlaamsche letterkunde was, en stelde zich geheel tot
+mijnen dienst.
+
+Uren lang leidde hij mij door talrijke zalen en werkhuizen der
+fabriek, toonde en verklaarde mij alles, en antwoordde op mijne vragen
+met zulke minzame dienstwilligheid, dat ik niet wist hoe hem voor zijn
+gulhartig onthaal te bedanken.
+
+Hij was zeker geen gewoon mensch. Van de nijverheid, van haren
+voortgang en van de doelmatige inrichting des arbeids sprak hij niet
+alleen met uitgebreide kennis, maar tevens met eene dichterlijke
+geestdrift, die mij verwonderde.
+
+Ik had reeds vroeger, zonder andere beweegreden echter dan de
+nieuwsgierigheid, eenige andere dergelijke gestichten bezocht. Nergens
+had ik zooveel orde en zindelijkheid aangetroffen. De werkhuizen en
+zalen waren breed en verheven; sterke luchttochten om het stof te
+verwijderen, had men in toereikend getal gemaakt; waar de raderwerken
+of riemen den onvoorzichtigen arbeider konden aangrijpen en verminken,
+waren deze werktuigen door zinken platen geblind; overal was ruimte en
+lucht in overvloed, en men kon bemerken, dat hier met vaderlijke
+bezorgdheid voor de gezondheid en het welzijn der werklieden werd
+gewaakt. De vrouwen, mannen en kinderen, welke ik in groot getal aan
+den arbeid zag, waren geheel anders dan ik ze mij had voorgesteld.
+Geene vuile en gescheurde kleederen; ernst en ingetogenheid, iets
+waardigs in den blik; en waar een hunner werd aangesproken,
+beleefdheid en betamelijkheid.
+
+Ik wenschte rechtzinniglijk den bestierder geluk en zeide, dat hij
+hoogmoedig mocht zijn over het schoone gesticht, dat onder zijne
+leiding bloeide.
+
+"Inderdaad," antwoordde hij, "ik ben er reeds een beetje trotsch over;
+maar ik hoop mettertijd nog meer verbeteringen tot stand te brengen,
+bovenal wat het lot der werklieden betreft. Er is iets, waarover ik
+meer hoogmoed gevoel...."
+
+Hij bezag zijn uurwerk en zeide:
+
+"Nog eenige minuten en ik zal het u toonen. Ziet gij, mijnheer, men
+kan van den werkman al maken wat men wil. Daartoe behoeft natuurlijk
+eenig geduld; want men moet allereerst de onwetendheid overwinnen,
+die, zoolang zij bestaat, een volstrekte hinderpaal is tot alle
+zedelijke verbetering der arbeidende klassen."
+
+Een oogenblik daarna begon er eene klok te luiden. Hier en daar
+verlieten kinderen en jongens de spinmolens, waaromtrent ik mij
+bevond, en zij gingen het werkhuis uit.
+
+"Is het rustuur voor hen gekomen?" vroeg ik.
+
+"Neen, zij gaan ter school," was het antwoord des bestierders. "Van de
+twee draadjesmakers verlaat er één den arbeid voor een uur; de andere
+zal intusschen alleen den molen bedienen, iets wat hem niet moeilijk
+valt, aangezien zijn gezel, vooraleer te vertrekken, alles zooveel
+mogelijk in gereedheid heeft gebracht. Zoo is het insgelijks met de
+kinderen, die in andere vakken werkzaam zijn. Elk heeft zijne beurt,
+en wie zijnen arbeid gedurende de week niet kan verlaten, ontvangt het
+onderwijs des Zondags en des Maandags, gedurende de uren der
+werkstaking. Het is slechts sedert acht jaar dat ik, met oorlof mijns
+meesters, deze school heb ingericht; en nu reeds mag ik mij beroemen,
+dat meer dan de helft onzer werklieden, zoowel vrouwen als mannen,
+kunnen lezen en schrijven. Men bemerkt het wel, niet waar, dat het
+onderwijs hun een gevoel van persoonlijke waardigheid in den boezem
+heeft gestort? Het is mijn droom, te mogen zien voordat ik sterf, dat
+er op de gansche fabriek geen enkel ongeleerd werkman meer te vinden
+zij. Gij zoudt kunnen denken, mijnheer, dat deze werkmanskinderen geen
+vlug verstand hebben, of dat een enkel uur onderwijs geene merkelijke
+vruchten in hen kan voortbrengen; gelief mij te volgen; ik ben wel
+zeker, dat hetgeen gij gaat zien u zal verwonderen en verblijden."
+
+Onder het uitspreken dezer laatste woorden richtte hij zich naar eene
+deur, die uitgaf op een binnenplein, en bracht mij wat verder in eene
+ruime zaal, vervuld met rijen lessenaars, waarachter ik een zestigtal
+jongens, van acht tot vijftien jaar, zag zitten.
+
+De bestierder zeide eenige woorden tot den onderwijzer; en deze
+verzocht mij, dewijl de leerlingen juist hadden begonnen te schrijven,
+eenen blik op hun geschrift te willen werpen.
+
+Er waren er inderdaad velen, die een ongemeen schoone hand hadden.
+
+Ik hoorde er eenigen lezen met eene zuiverheid van uitspraak, welke ik
+zelden in andere scholen had ontmoet.
+
+Dan volgden velerlei oefeningen, ditmaal grootendeels door den
+bestierder zelven geleid, om mij over de vroege ontwikkeling van het
+verstand dezer arme werkmanskinderen te laten oordeelen.
+
+Er werden vragen voorgesteld aangaande de nijverheid en de verdeeling
+van het werk, aangaande de geweefsels in het algemeen en het katoen in
+het bijzonder, aangaande de beginselen der mekaniek en den aard der
+stoffelijke krachten, die de mensch aanwendt tot het vergemakkelijken
+van zijnen arbeid, aangaande de spaarkassen en de genootschappen van
+onderlingen bijstand, en eindelijk aangaande de plichten van den
+mensch jegens God, jegens zich zelven en jegens zijnen evennaaste; in
+één woord aangaande alles, waarvan de kennis deze kinderen tot
+behendige werklieden, tot goede huisvaders en tot verlichte burgers
+van een vrij vaderland kon maken.
+
+Mijne verwondering was groot, toen ik deze vragen door vele kinderen,
+zonder aarzeling en met opmerkelijke klaarte, hoorde beantwoorden;
+maar het verraste mij nog meer, hen gedurende een half uur, op het
+zwarte bord of enkel uit het hoofd, de meest ingewikkelde vraagpunten
+der rekenkunde te hooren oplossen.
+
+Nauwelijks kon ik gelooven, dat ik deze zelfde jongens als
+draadjesmakers achter de spinmolens had gezien. De bestierder en de
+onderwijzer waren trotsch over mijne verbaasdheid en over den lof,
+dien ik hun en hunnen leerlingen toezwaaide.
+
+Nadat ik den bekwamen onderwijzer gulhartig en dankbaar de hand had
+gedrukt, volgde ik den bestierder, die mij verzocht haast te maken,
+dewijl hem anders de tijd mocht ontbreken om mij nog eene andere
+school te toonen.
+
+Hij leidde mij over het plein en opende een poortje. Wij traden door
+eenen bloemrijken tuin, die met muren was omsloten. In de verte, bij
+een looverhuisje, zag ik drie of vier kinderen, waarvan de twee
+kleinsten in een wagentje zaten. Voor het lieve rijtuig waren twee
+schapen gespannen. De voerman was een jongetje van ongeveer tien jaar.
+Aan elke zijde van het wagentje liep eene oude dame, om de kinderen
+voor ongeluk te behoeden.
+
+In het looverhuis zat een grijsaard, die niet min dan zestig jaar oud
+kon zijn. Hij rookte een pijpje en was bezig met een vischnet te
+breien.
+
+Al deze personen juichten en lachten om der kinderen luidruchtige
+vroolijkheid.
+
+De bestierder richtte met eenen glimlach van geluk den blik op dit
+tafereel, doch onderbrak zijnen stap niet.
+
+Maar zoohaast men hem van ginder bemerkte, staken de kinderen in het
+wagentje de hand uit, terwijl het woord "vader! vader!" door den tuin
+klonk. Het jongsken liet de schapen staan, kwam in een vaart geloopen
+en sprong den bestierder aan den hals. Hij zoende het kind en zond het
+terug, met de belofte dat hij straks in den tuin zou komen, maar dat
+hij nu den vreemden heer moest rondleiden.
+
+"Zie, mijnheer," zeide de bestierder mij met zekere ontroering, "al
+wat ik meest bemin op aarde, is daar. Die grijsaard is mijn vader; van
+die beide dames is de eene mijne moeder en de andere de moeder mijner
+vrouw. Die engeltjes zijn mijne kinderen. God heeft mij beladen met
+geluk. Hier ontbreekt slechts mijne vrouw; maar ik weet waar zij is:
+gij gaat ze zien."
+
+En dit zeggende, richtte hij zich tot een ander poortje en opende
+welhaast de deur eener zaal, waar een vijftigtal kleine meisjes,
+evenals in de andere school, voor lessenaren zaten.
+
+Buiten de leermeesteresse, die tusschen de lessenaren zich hield,
+stond er aan het oppereinde der school eene deftig gekleede dame, die
+bezig scheen met vier of vijf der grootste meisjes eene bijzondere les
+te geven.
+
+De bestierder bracht mij bij haar en stelde mij haar voor als zijne
+vrouw.
+
+"Lieve," zeide hij, "deze heer is een oude en goede bekende van u en
+van ons allen; honderdmaal heeft hij, in de lange winteravonden, ons
+den tijd kort en genoeglijk gemaakt. Nog geene acht dagen geleden,
+dat hij u tranen van medelijden met het lot van den armen _Loteling_
+ontrukte."
+
+De dame noemde mijnen naam met verrassing; hare groote blauwe oogen
+glinsterden van blijdschap. Zij overlaadde mij met betuigingen van
+vriendschap, en trof mij diep door de uiterste zoetheid harer stem en
+de minnelijkheid harer woorden.
+
+Op aanzoek haars echtgenoots deed zij de kleine meisjes eenige
+oefeningen doen, om mij het bewijs te geven, dat ook hier het
+onderwijs doelmatig was ingericht en schoone vruchten droeg, waarna
+ik, onder het uitdrukken mijner bewondering, den bestierder volgde,
+waarschijnlijk om nog belangwekkendere dingen te zien.
+
+Al gaande zeide ik hem:
+
+"O, mijnheer, aan welk edel en menschlievend doel hebt gij en uwe
+bekoorlijke echtgenoote uwe pogingen toegewijd! Konden alle personen,
+die overheid op den werkman hebben, hunne zending evenals gij
+begrijpen!"
+
+"Zeker," antwoordde hij, "het onderwijs is het eenige middel om de
+arbeidende klassen uit de zedelijke verlaging op te heffen. Het
+welbegrepen belang der meesters, het welbegrepen belang van gansch het
+menschdom eischt, dat men het nuttigste en het talrijkste gedeelte der
+maatschappij niet langer tot duisternis en onwetendheid veroordeeld
+late. Maar het zijn deze beweegredenen niet alleen, die mij en mijne
+vrouw aandrijven om, binnen het bereik onzer macht, de geleerdheid,
+het plichtbesef en het gevoel van eigen waardigheid onder de
+werklieden te verspreiden. Neen, mijnheer, wij betalen eene schuld,
+eene heilige schuld aan het volksonderwijs! Wij zijn kinderen van
+arme fabriekwerkers. Het onderwijs, dat wij mochten genieten, was de
+eerste band tusschen onze harten; en terwijl ik, als kind, uit
+medelijden of uit vriendschap degene leerde lezen, die nu de moeder
+mijner kinderen is, ontstond in mij de kiem eener zuivere en duurzame
+neiging. Mijne goede ouders hebben mij laten leeren ten koste van vele
+en bittere opofferingen; het was mijn schoonste droom, eens hunne
+liefde te kunnen beloonen door hunne oude dagen zoet en gelukkig te
+maken. Dank zij het onderwijs, dat ik mocht genieten, heb ik daartoe
+ruimschoots de middelen gevonden. Mijne vrouw is in hare jonkheid door
+ongeluk en tegenspoed beproefd geworden. Ware zij onwetend geweest,
+dan hadde zij zeker in de nederige, in de woeste wereld, waarin zij
+gedwongen was te leven, de verhevenheid des harten en de klaarheid des
+geestes verloren; maar het onderwijs heeft ze voor verlaging behoed en
+ze mij wedergeschonken, zuiver, edel en verkleefd als een engel van
+goedheid en van liefde. Het onderwijs, het volksonderwijs heeft ons
+dienvolgens gemaakt wat wij zijn: en indien wij God uit den grond des
+gemoeds zegenen en danken voor al het geluk, waarmede Hij ons heeft
+beladen, dan moeten wij erkennen, dat de Heer in ons het onderwijs tot
+middel zijner weldaden heeft gebezigd. Het verwondere u dus niet
+langer, dat wij ons toewijden aan het onderwijs der arme
+fabriekskinderen. Zooals ik u zeide, wij betalen eene schuld, eene
+heilige schuld."
+
+Ik had met eene soort van verstrooidheid op deze lange uitlegging
+geluisterd. Mij vlotte de gedachte in het hoofd, dat het leven van
+den bestierder dezer fabriek misschien de stof bevatte tot het
+schrijven van een schoon verhaal; en ik was reeds in mijne verbeelding
+bezig met het te schikken en te ontwerpen. Maar vooraleer mijn
+leidsman ophield van spreken, had hij mij in eene zaal zijner woning
+gebracht, en zeide nu, terwijl hij mij eenen zetel aanbood:
+
+"Gelief u neder te zetten; ik wil een glas wijn met u drinken....
+Weiger mij niet, ik bid u ... ik zal u voorstellen wat ik het beste in
+mijnen kelder heb."
+
+Hij trok aan een belkoord en zeide tot de meid, die aan de deur
+verscheen:
+
+"Breng een paar glazen en eenige beschuiten.... Ik ga zelf naar den
+kelder, want zij zou den wijn, dien ik u wil doen proeven, niet
+vinden."
+
+Sedert ik in deze zaal was getreden, had een zeker voorwerp mijne
+oogen tot zich getrokken. Tusschen eenige schilderijen hing eene
+gekleurde print, die mij van verre gebrekkig en grof voorkwam als een
+beeldeken, waarmede de kinderen gewoonlijk spelen. Evenwel, de
+meesters dezer woning moesten er veel prijs aan hechten, want de
+gouden lijst, die het omringde, was uiterst rijk en veel kostelijker
+ongetwijfeld dan de lijsten, waarin de schilderijen waren vervat.
+
+Een gevoel van nieuwsgierigheid deed mij opstaan. Ik naderde tot de
+print en zag nu, beter dan te voren, dat zij niets anders kon zijn dan
+het werk van een kind, dat met groote inspanning en moeite gepoogd had
+de beelden van een jongetje en van een meisje te schetsen, die elkaar
+bij de hand hielden en elk een open boek toonden. Onder de beelden
+stonden deze twee namen in versierde letters te lezen:
+
+ BAVO EN LIEVEKEN.
+
+"Dit beeld doet u glimlachen, niet waar?" zeide de bestierder, die nu
+met de flesch wijn in de zaal trad.
+
+"Glimlachen?" antwoordde ik zeer ernstig. "O, neen, mij schijnt het,
+dat onder dit gebrekkig kinderwerk de geheimenissen van een gansch
+leven liggen verborgen."
+
+"Zóó is het inderdaad. Toen ik nog een kleine jongen was, heb ik
+gepoogd de beeltenissen te schetsen van twee kinderen, tusschen wier
+eenvoudige harten het onderwijs eene diepe en duurzame neiging had
+doen ontstaan. Nu zijn ze verbonden door het huwelijk, en hunne
+schoonste, hunne dierbaarste herinnering is nog dit gebrekkig
+beeldeken."
+
+"Welk schoon verhaal zou daarvan kunnen gemaakt worden!" riep ik,
+terwijl ik een glas wijn aanvaardde. "De titel ware gevonden: _Bavo en
+Lieveken_! Och, ik bid u, mijnheer, vertel mij uwe geschiedenis."
+
+"Maar ik verlang niet, dat mijn leven worde openbaar gemaakt."
+
+"Men kan het beschrijven met veranderingen, met vooronderstelde namen,
+op zulke wijze, dat men de personen niet duidelijk herkenne."
+
+Mijne gedachte scheen den bestierder te verschrikken; hij weerstond
+zeer lang mijn aandringen; doch ten laatste meende ik de overwinning
+nabij te zijn.
+
+Ik deed eene laatste poging, door hem voor oogen te stellen, dat de
+geschiedenis zijns levens, indien ik mij in mijn vooruitzicht niet
+misgreep, een machtig voorbeeld zou kunnen zijn, een spoorslag om den
+werklieden al het nut van het onderwijs voor hunne kinderen te doen
+beseffen, en misschien om andere edelmoedige menschen, eigenaars van
+fabrieken, over te halen tot het oprichten van scholen in hunne
+gestichten. Door zulk verhaal te schrijven, kon ik eenigszins
+medewerken tot het bereiken van het edel doel, dat hij en zijne vrouw
+zich voorstelden. Daarenboven, ik zou het derwijze schikken, dat men
+niet zou kunnen ontdekken, of ik ware of ingebeelde personen in mijn
+boek had beschreven en doen handelen.
+
+"Het is eene ernstige zaak," zeide de bestierder. "Ik wil er eerst met
+mijne vrouw over spreken. Er is slechts één middel, en dit is, dat gij
+het avondmaal met ons neemt. Weiger mij niet: anders zult gij zeker
+onze geschiedenis niet kennen."
+
+Ik liet mij gezeggen. Dien avond bracht ik door tusschen Bavo en
+Lieveken. Over mij zaten de oude Damhout, Christina, zijne vrouw, en
+moeder Wildenslag; aan de andere zijden der tafel hielden zich vier
+allerschoonste kinderen, twee meisjes en twee jongskens.
+
+Ik verliet het huis met het hoofd vol zoete droomen, het hart vol
+woorden van vriendschap, van geluk en van liefde, en het geheugen vol
+van de eenvoudige, doch roerende geschiedenis, die ik in dit boek u
+heb verteld.
+
+EINDE
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
+
+***** This file should be named 13596-8.txt or 13596-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13596/
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/13596-8.zip b/old/13596-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..58343f9
--- /dev/null
+++ b/old/13596-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h.zip b/old/13596-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..500e85d
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h.zip
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/13596-h.htm b/old/13596-h/13596-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..859a7d2
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/13596-h.htm
@@ -0,0 +1,4342 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN">
+<html>
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content=
+ "text/html; charset=iso-8859-1">
+ <meta http-equiv="Content-Language"
+ content="nl">
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ P { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ H1,H2,H3,H4,H5,H6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ }
+ HR { width: 33%;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;
+ }
+ BODY{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ }
+ div.center {text-align: center;}
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* footnote */
+ .blkquot {margin-left: 4em; margin-right: 4em;} /* block indent */
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */
+ .sidenote {width: 20%; margin-bottom: 1em; margin-top: 1em; padding-left: 1em; font-size: smaller; float: right; clear: right;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span {display: block; margin: 0; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;}
+ .poem .caesura {vertical-align: -200%;}
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Bavo en Lieveken
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: October 4, 2004 [EBook #13596]
+[Last updated: August 19, 2011]
+
+Language: Dutch and Flemish
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
+
+
+
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+ <!-- Page 1 -->
+ <!-- Page 2 -->
+ <h1>HENDRIK CONSCIENCE</h1>
+ <h1><i>BAVO EN LIEVEKEN</i></h1>
+ <center>
+ <img src='images/002.png' width='300' alt='Titelpagina' title='Titelpagina' />
+ </center>
+ <br />
+
+ <h3>SAMENWERKENDE MAATSCHAPPIJ</h3>
+ <h3>36, NIEUWSTRAAT, BRUSSEL</h3>
+ <br />
+ <!-- Page 4 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <h2>INHOUDSOPGAVE</h2>
+ <div class="center">
+ <a href='#I'><b>I</b></a><br />
+ <a href='#II'><b>II</b></a><br />
+ <a href='#III'><b>III</b></a><br />
+ <a href='#IV'><b>IV</b></a><br />
+ <a href='#V'><b>V</b></a><br />
+ <a href='#VI'><b>VI</b></a><br />
+ <a href='#VII'><b>VII</b></a><br />
+ <a href='#VIII'><b>VIII</b></a><br />
+ <a href='#IX'><b>IX</b></a><br />
+ <a href='#X'><b>X</b></a><br />
+ <a href='#XI'><b>XI</b></a><br />
+ <a href='#XII'><b>XII</b></a><br />
+ <a href='#SLOT'><b>SLOT</b></a><br />
+ </div>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <!-- Page 3 -->
+ <div class="center">
+ <img src='images/003.png' width='600'
+ alt='&laquo;Goeden avond&raquo; juichte de jongen'
+ title='&laquo;Goeden avond&raquo; juichte de jongen' /><br />
+ <br />
+ <i>&laquo;Goeden avond&raquo; juichte de jongen</i>
+ </div>
+ <!-- Page 5 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <h1>BAVO EN LIEVEKEN</h1>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="I" name='I'></a>
+ <h2>I</h2>
+ <br />
+
+ <p>Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de
+ Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck.</p>
+ <p>Alhoewel het daglicht reeds vermindert, is er alles nog in de volle, drukke
+ werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten onder de zwoeging der
+ mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste doet leven.</p>
+ <p>Het is vooreerst de <i>Duivel</i>, dat machtig tuig, waarin het katoen wordt
+ geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft verloren; dan de
+ koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende potten, die altezamen de boomwol
+ in vlokkig sneeuw veranderen, ze mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de
+ spintuigen tot haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en
+ eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne ontelbare
+ spillen en bobijnen.</p>
+ <!-- Page 6 -->
+ <p>Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige snelheid; het is
+ eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende wielen, van knarsende
+ radertanden, van vluchtende riemen, van wandelende spinmolens, van draaiende
+ spillen.</p>
+ <p>Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden andere geruchten
+ vermengt tot een donderend gebruis, tot een zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en
+ zoo vol, dat het de denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem
+ duizelig maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee.</p>
+ <p>Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne stem
+ vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig wezen tusschen de
+ reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft geschapen.</p>
+ <p>Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang der
+ raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen katoen of bobijnen
+ aan, en geven onophoudend voedsel aan het duizendledig monster, dat de stof met
+ onverzaadbaren honger schijnt te verslinden.</p>
+ <p>Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de raderwerken heen- en
+ wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens doorkruipen! En nochtans, dat een
+ riem, een tand, &eacute;&eacute;n van al die draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed
+ of slechts hunne mouw aangrijpe ... en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden
+ afrukken of hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, v&oacute;&oacute;rdat het,
+ ginder verre, als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoevele
+ <!-- Page 7 -->
+ onvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden door de barsche,
+ zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent tusschen katoen en menschenvleesch!</p>
+ <p>Maar daar galmt een klokslag! De vuurmaker stopt het stoomtuig; hij ontneemt aan
+ de mekanieken hunnen adem en hun leven ... en op het ontzaglijk gerucht, op het
+ zinverdoovend geraas volgt de stilte der eenzaamheid en der rust....</p>
+ <p>Het was op eenen zomeravond van het jaar 1832, dat de werklieden der fabriek van
+ mijnheer Raemdonck dus, op het sein der klok, hunnen arbeid staakten en te gelijk op
+ het binnenplein zakten, om daar voor een venster van het bureel op de uitbetaling van
+ het loon der afgeloopene week te wachten.</p>
+ <p>Alhoewel schijnbaar dooreengemengd, toonden zij echter eenige schikking. Men kon
+ zien, dat de vrouwen, de kinderen en de mannen neiging hadden om afzonderlijke
+ groepen te vormen; zelfs de wevers en de spinners stonden aan eene verschillige zijde
+ van het plein.</p>
+ <p>Allereerst werden de vrouwen betaald; want onder hen waren vele moeders, wier
+ zuigelingen sedert uren misschien naar lafenis en voedsel snakten. Arme wichtjes,
+ gansche dagen aan vreemde handen toevertrouwd, levend van hunne geboorte af in
+ derving en in nood! Slachtoffers van een maatschappelijk gebrek, dat, tegen de natuur
+ en tegen den wil Gods, de vrouw onttrekt aan de vervulling van den moederplicht,
+ opperste wet van haar wezen op aarde!</p>
+ <p>De werklieden toonden nu eenige levendigheid; zij schenen vroolijk, omdat de lange
+ week was afgeloopen en de rust van morgen hen toelachte.</p>
+ <p>Een sterkgebouwde kerel, die tusschen de spinners stond, onderscheide zich door
+ zijne luidruchtigheid. Kluchtige woorden en grove zinspelingen rolden hem uit den
+ mond, en hij had zijne gezellen meer dan eens in eenen schaterlach doen
+ losbarsten.</p>
+ <p>Nu bemerkte hij eenen werkman, die uit de fabriek kwam en tot het uiterst einde
+ van de groep der spinners naderde. Hij ging naar hem toe, deed hem teeken, dat hij
+ hem over iets wilde spreken, trok hem een paar stappen van zijne kameraden weg en
+ zeide:</p>
+ <p>"Ha sa, Adriaan, gij zijt er bij dezen avond, niet waar? Wat zullen wij lachen en
+ vermaak hebben!"</p>
+ <p>"Waarbij, Jan? Ik weet van niets," was het antwoord.</p>
+ <p>"Hoe? gij weet niet, dat rosse Leo van avond zijn <i>jubil&eacute;</i> viert?"</p>
+ <p>"Welk <i>jubil&eacute;</i>?"</p>
+ <p>"Van vijfentwintig jaar spinner."</p>
+ <p>"Werkt Leo reeds zoolang? Onmogelijk: de man is nog niet oud genoeg."</p>
+ <p>"Niet oud genoeg, Adriaan? Hij was draadjesmaker in de spinnerij van Lieven
+ Bauwens, in de allereerste fabriek, die er te Gent was opgericht. Dit was in 1800, en
+ Leo was alsdan zestien jaar. Hij weet het nog zoo juist op zijn duimken, als hadde
+ hij eenen almanak in den kop. Hij is spinner geworden, in 1807, bij mijnheer De Vos.
+ Tel maar op de vingeren: zeven van twee&ecirc;ndertig, blijft vijfentwintig."</p>
+ <p>"Inderdaad; men zou het niet zeggen: de rosse Leo schijnt geen veertig jaar
+ oud."</p>
+ <p>"Het is, dat hij het leven verstaat en Gods water over Gods dijk laat loopen. Ware
+ hij een kniezer geweest, dan zou hij al lang op het kerkhof liggen. Eene goede pint
+ bier, eene schel hesp en van tijd tot tijd een scheut jenever, dat zet bloed,
+ jongen.... Welnu, doet gij mede? Eenen halven frank tot inzet.</p>
+ <p>Wij zingen, lachen en drinken tot half den nacht. Het is morgen toch Zondag. Er
+ zullen daarenboven vier vette konijnen te verdubbelen zijn: een buitengewoon
+ <i>Smeerken</i>, in de Blauwe Geit, bij onzen kameraad Pier de Knul?"</p>
+ <p>De andere bepeinsde zich eene wijl, schudde het hoofd en antwoordde:</p>
+ <p>"Ik heb geene goesting, Jan."</p>
+ <p>"Wat is dit nu?" kreet zijn gezel verwonderd. Zult gij vijfentwintig cents
+ weigeren om het <i>jubil&eacute;</i> van eenen ouden vriend te vieren?"</p>
+ <p>"Het is niet voor de vijfentwintig cents, Jan. Ik ken den rossen Leo bijna niet,
+ en, ik zeg het rechtuit, dit drinken halve nachten lang bevalt mij niet meer; ik kan
+ er niet tegen, het maakt mij ziek."</p>
+ <p>Deze woorden, op eenen zekeren vreesachtigen toon gesproken, deden Jan in eenen
+ spotlach uitbarsten: hij greep de twee handen zijns vriends en zeide hem:</p>
+ <p>"Damhout, Damhout, jongen lief, ik heb medelijden met u. Gij waart vroeger altijd
+ het haantje vooruit, en het was u nooit te laat om naar huis te gaan; maar sedert gij
+ getrouwd zijt, ik heb het gezien van het eerste jaar af,&mdash;sedert gij getrouwd
+ zijt, geraakt gij allengskens meer en meer achter den bezem; gij durft u niet meer
+ verroeren, gij wordt een suffer, een gierigaard, een kwezelaar. Foei, gij vergeet,
+ dat gij een man zijt, en gij ligt als een kind onder den duim<!-- Page 8 --> uwer
+ vrouw. Gij zoudt wel mededoen, ik weet het: gij hebt nog een tandje, dat er naar
+ lotert; maar gij moet eerst permissie van moeder Damhout hebben, en God weet, of gij
+ die permissie nog durft vragen!"</p>
+ <p>"Wildenslag, ik wil mij niet boos maken," mompelde Damhout. "Ik weet, dat gij het
+ niet kwaad meent, alhoewel gij onrechtvaardig zijt jegens mij."</p>
+ <p>"Welnu, loochen dan, dat gij weigert uit opzicht voor uwe vrouw!"</p>
+ <p>"Integendeel, ik beken het; maar indien het eens was uit achting voor haar en uit
+ genegenheid voor mijne kinderen?"</p>
+ <p>"Ja, Damhout, uwe kinderen; gij zult er een schoon kot van kweeken van uwe
+ kinderen. Kleed ze maar als rentenierkens; laat ze maar naar de school gaan. Zoolang
+ ze jong zijn, zullen ze meer kosten dan gij kunt winnen. Zij zullen schoon weer
+ spelen en luierikken, terwijl gij, och arme, na eene gansche week te hebben geslaafd,
+ nog geene pint bier met de vrienden zult mogen drinken. Geef hun uw zweet en uw
+ bloed, verderf uwe gezondheid en verkort uw leven, en als ze groot geworden zijn,
+ zullen ze hunnen vader, den armen versleten fabriekwerker, niet meer willen bezien of
+ herkennen."</p>
+ <p>Deze woorden waren niet zonder indruk op het gemoed van Adriaan Damhout. Hij
+ scheen treurig en bleef eene wijl met gebogen hoofde overwegen. Dan zeide hij
+ twijfelende:</p>
+ <p>"Nochtans, Wildenslag, de geleerdheid is een schat, eene macht, die den mensch tot
+ alles bekwaam maakt; en vermits wij onzen kinderen geen ander erfdeel kunnen
+ nalaten...."</p>
+ <p>"Vertelsels,<!-- Page 9 --> droomen van uwe vrouw," herhaalde de andere. "Wat wilt
+ gij, om 's hemels wil, dat een spinner of een wever met de geleerdheid doe? Of wij nu
+ konden lezen en schrijven, wat zou het ons helpen? Hebt gij er minder om gewonnen,
+ dat gij zoo min als ik, eene A uit eene B kent? Kom, kom, zotte hoovaardigheid en
+ onnoozele praat allemaal. Onze ouders hebben gewerkt van kindsbeen af, wij hebben
+ evenzoo gewerkt, en onze kinderen kunnen ook maar werken, dan valt er niets op te
+ zeggen. Meent gij, dat ik mijn klein vee zal vetten met mijn zweet, totdat ze aan de
+ luiheid gewend zijn? Hola een beetje! Er is er reeds &eacute;&eacute;n op de fabriek
+ en de anderen zullen volgen. Zoo komt er van alle kanten boter in den pot, mijn
+ vriend; en kan er voor ons nog een pintje bier, en van tijd tot tijd een plezierig
+ smeerken op af.... Welnu, wat zegt gij? Viert gij mede het <i>jubil&eacute;</i> van
+ rossen Leo? Kom, gij moogt niet zoo vervaard zijn van uwe vrouw. Laat ze wat knorren.
+ En maakt ze het te bont, toon haar, dat gij man zijt en een hart in het lijf
+ hebt."</p>
+ <p>Adriaan Damhout stak de hand in den zak, haalde er een stuk van vijfentwintig
+ cents uit en gaf het aan zijnen gezel.</p>
+ <p>"Alzoo, dezen avond, te negen uren stipt, in de <i>Blauwe Geit</i>, bij Pier de
+ Knul?" juichte Wildenslag. "Het zal er gaan, het zal er een leventje zijn, dat gij er
+ in uwen ouden dag nog zult van spreken!"</p>
+ <p>"Ik zal pogen te komen; maar ik ben er niet zeker van," mompelde nog de
+ andere.</p>
+ <p>"Ja? gij zult toch niet dom genoeg zijn om uw geld door anderen te laten
+ opdrinken? Dan zou ik zeker zeggen, dat gij met uwe vrouw van kleederen hebt
+ verwisseld. Onmogeljk, Adriaan, zoover zijt gij nog niet."</p>
+ <!-- Page 10 -->
+ <p>Op dit oogenblik riep men van uit het bureel zekere nummers, en de beide vrienden
+ begrepen daardoor, dat hunne beurt om het weekloon te ontvangen was gekomen.</p>
+ <p>Jan Wildenslag kreeg eerst zijn geld, doch bleef nog wachten om met zijnen gezel
+ huiswaarts te keeren. Toen echter Adriaan Damhout aan het venstertje kwam, zeide men
+ hem, dat hij met eenige anderen moest blijven, om eene hand uit te steken aan eene
+ as, die moest worden opgelicht.</p>
+ <p>Wildenslag drukte hem nog de hand en zeide in het heengaan:</p>
+ <p>"Tot dezen avond dan. Komt gij niet, dan maak ik een kruis op uwen rug. Pas op,
+ pas op, vriend: ieder moet op de wereld zijn deel van het leven hebben. Offert gij u
+ op voor vrouw en kinderen, zij zullen zonder medelijden u afhalen en uitzuigen,
+ totdat uwe gezondheid geheel zij gekrenkt. Hang de vlag in den wind, achter ons
+ vergaat de wereld! Hoera, vivat de <i>leute</i>!"</p>
+ <p>En lachende en eenen dwazen flikker makende, sprong hij de straat in, gevolgd door
+ zijnen draadjesmaker, welken hij onder de eerste de beste gaslantaarn van zijn loon
+ zou betalen.</p>
+ <!-- Page 11 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="II" name='II'></a>
+ <h2>II</h2>
+ <br />
+
+ <p>Op het einde eener enge stege, in de wijk over de Nieuwbrugge, stonden een
+ dertigtal kleine huisjes van gelijken vorm, en zichtbaar in eens gebouwd, om aan
+ fabriekwerkers of andere geringe lieden te worden verhuurd.</p>
+ <p>In een dezer huisjes was eene vrouw bezig met lijnwaad en kindergoed in eene kuip
+ te wasschen.</p>
+ <p>Zij scheen nog in de volle kracht des levens. Ongetwijfeld was zij schoon geweest;
+ misschien was zij het nog; maar de slordigheid harer kleederen, de zorgeloosheid en
+ de verzuimenis, waarvan alles op haar en rondom haar getuigenis gaf, konden geen
+ ander gevoel opwekken dan treurnis en afkeer. Zij arbeidde met veel haast, plonsde
+ hare bloote armen in de kuip en schudde en wrong het lijnwaad zoo wild en zoo
+ onbezonnen, dat het water in golven ten gronde stortte en als een slijmige plas zich
+ rondom haar uitbreidde.</p>
+ <p>De kamer was gansch vervuld met den walglijken zeepsopdamp; en de lamp die tegen
+ de schouw was opgehangen, verspreidde slechts een flauw en als ziekelijk licht.</p>
+ <!-- Page 12 -->
+ <p>Nevens haar op de kachel stond het avondeten in eenen steenen pot te koken. Van
+ tijd tot tijd trok zij hare handen uit de kuip, greep een houten lepel, en stompte en
+ roerde in den pot om de spijs niet te laten aanbranden.</p>
+ <p>Vier kinderen, jongskens en meisjes, van verschillenden ouderdom, onzindelijk,
+ beslijkt en met gescheurde kleederen, zaten of lagen op den vloer in eenen hoek. Zij
+ vermaakten zich met spelen. Niet zelden trokken zij elkander bij het haar of vochten
+ of schreeuwden, of spraken grove woorden, die men uit den mond van kinderen niet zou
+ verwachten.</p>
+ <p>De vrouw had er tot dan weinig acht op geslagen; evenwel kwam er een oogenblik dat
+ het onverdraaglijk gedruis der kinderen en de noodkreten: "moeder, help! help!" haar
+ het geduld deden verliezen. Zij sprong naar hen toe, gaf den eerste den beste eenen
+ stamp, den tweede eenen vuistslag en den overigen eenige weergalmende oorvegen.</p>
+ <p>Dan keerde zij naar de kachel terug, roerde de aardappelen nog eens om en voer
+ vergramd uit tegen de kinderen, in zulke ruwe, onkiesche taal, dat de arme kleinen
+ daaruit niets dan eene les van onbeschoftheid konden putten.</p>
+ <p>"Daar hebt gij 't nu, leelijke deugnieten!" riep zij. "De patatten zijn
+ aangebrand. Vader zal weer den duivel jagen en mij eenen hoop zure woorden naar den
+ kop werpen. Hij en gij, gij meent, dat ik uwe slavin ben en maar alleenlijk leef om
+ te werken en uitgescholden en geplaagd te worden, van den morgen tot den avond? Wel
+ ja! Is hij niet tevreden, dan k<!-- Page 13 -->an hij er maar bij gaan liggen, totdat
+ het betert. Waar blijft uw lekkere vader? In de <i>Blauwe Geit</i>, bij Pier de Knul,
+ zeker? Hij heeft zijn weekloon getrokken, en de dronkaard is reeds bezig met het geld
+ door zijn keelgat te jagen. Wacht een beetje; ik zal hem eens naar binnen gaan
+ sleuren. Blijft van den pot, terwijl ik weg ben, of ik breek u altezamen den hals,
+ oudersverdriet dat ge zijt!"</p>
+ <p>Nauwelijks had de moeder het huis verlaten, of de kinderen begonnen met de bloote
+ voeten in het gestorte zeepsop te dansen, zoodat de muren en het huisraad geheel met
+ slijkige vlekken werden bespat.</p>
+ <p>Zij stoven verschrikt uiteen, toen hun vader zich onverwachts op den dorpel
+ vertoonde. De reuk van het verbrande eten ontrukte den man een gegrom van
+ ontevredenheid; de zeepsopdamp en het slijkig water op den vloer deden hem huiveren,
+ en zijn gelaat verkrampte tot eene uitdrukking van walg en verdriet:</p>
+ <p>"Waar is moeder?" vroeg hij.</p>
+ <p>"Naar de <i>Blauwe Geit</i>, bij Pier de Knul," antwoordden de kinderen.</p>
+ <p>"Bij Pier de Knul?"</p>
+ <p>"Om u te halen, vader."</p>
+ <p>"Ha, daar zijt gij, morsige prij!" kreet hij, toen hij zijne vrouw zag
+ binnenkomen. "Wat is dit hier voor een stal? Waarom wascht gij die smerige doeken des
+ avonds, als ik te huis zal komen? Gij hebt zeker weer den ganschen dag rondgeloopen
+ en gaan babbelen bij de geburen?"</p>
+ <p>"Tistje, ga, roep uwe zuster Godelieve," zeide de vrouw tot een der kinderen,
+ zonder schijnbaar acht te geven op de harde berispingen haars echtgenoots.</p>
+ <p>"Ik krijg de koorts, zoohaast ik eenen voet in uw varkenskot zet," hernam deze.
+ "Ik heb goesting om er uit weg te vluchten en er nooit meer weder te keeren. Werk dan
+ al eene gansche week, en beul u af en zweet om geld in het huishouden te brengen; dan
+ vindt gij des Zaterdags zwartgebrande patatten en eenen smerigen boel, die u van walg
+ het hart in het lijf doet keeren.</p>
+ <p>&mdash;Gaat gij spreken?"</p>
+ <p>"Ba, spreken," hernam de vrouw spottend, "ik lach met al wat gij zegt. Meent gij,
+ dat gij mij gehuurd hebt en dat ik uwe meid ben? Bevalt u het eten niet, laat het
+ staan; is het huis niet zuiver genoeg naar uwen zin, kuisch het zelf, indien gij lust
+ hebt, domme praatmaker!"</p>
+ <p>De man hief de hand op en scheen zijne vrouw te bedreigen.</p>
+ <p>"Zoo, zoo?" riep zij, "de vuisten jeuken u vandaag? Kom, Wildenslag lief, houd u
+ niet in. Zoudt ge gaarne weder met een aangezicht vol krabben naar de fabriek gaan?
+ Gij moet het maar zeggen; ik ben gereed, indien een borstelingsken u plezier kan
+ doen. Zwijg liever en eet in vrede: de patatten zijn maar een beetje verbrand;
+ daarenboven, schreeuwen, schelden en slaan zullen ze niet beter maken."</p>
+ <p>Eensklaps trad er een zevenjarig meisje stil en langzaam in de kamer. Zij was
+ mager en scheen ziekelijk; maar hare blauwe oogen glinsterden als parelen, en op haar
+ fijn mondje speelde eene wonderzoete uitdrukking: iets lijdends, iets smeekends, als
+ ware het kind een levend gebed. Ofschoon van nederigen vorm en gemeene stof, waren
+ hare kleederen zeer zuiver, en hier, in dit onzindelijk huis, omringde haar als het
+ ware een wasem van innerlijke onnoozelheid en van lichamelijke reinheid.</p>
+ <p>Zij ging tot den man, legde streelend hare hand in de zijne, zag hem met eenen
+ stillen, doch diepen glimlach aan en murmelde:</p>
+ <p>"Dag, vader lief!"</p>
+ <p>De zilverachtige toon van dit stemmeken, de kwijnende liefde-blik van zijn ziek
+ kind raakten den werkman.</p>
+ <p>"Dag, mijn goed Lieveken," antwoordde hij, het meisje tegen zijn hart drukkende.
+ "Is het wat beter? Zijt ge nog ziek?"</p>
+ <p>"Nog een beetje, vader," was het antwoord. "Bazin Damhout heeft mij kruiden doen
+ drinken en het heeft mij verkwikt."</p>
+ <p>"Is baas Damhout al te huis van de fabriek?" vroeg Wildenslag.</p>
+ <p>"Neen, vader, nog niet."</p>
+ <p>"Kom, zit neer, Lieveken, en eet, kind; want die wilde slokoppen zijn al aan den
+ gang. Zij zouden wel niets voor u overlaten."</p>
+ <p>Het meisje zette zich aan tafel, maakte het teeken des kruises en bad in stilte,
+ waarna zij met opmerkelijke geschiktheid en ingetogene manieren begon te eten.</p>
+ <p>"Wildenslag vond de aardappelen uiterst bitter en slecht; hij at met lange tanden,
+ grommelde in zich zelven en trok verstoorde gezichten, maar hij bedwong zijne spijt
+ en viel niet meer in scheldwoorden uit, even alsof de tegenwoordigheid van zijn ziek
+ kind eenig besef der betamelijkheid in hem had opgewekt. Eindelijk zeide hij met
+ eenen zucht:</p>
+ <p>"Maar, Lina toch, zonder twist, zou<!-- Page 14 -->dt gij uw huis niet wat
+ zuiverder kunnen houden en uwen kinderen betere voorbeelden geven? Zie eens, hoe
+ bazin Damhout het weet te schikken. Haar man is een fabriekwerker als ik; hij heeft
+ anders niet dan zijn dagloon; en nochtans in zijn huis zoudt ge van vloersteenen
+ willen eten, zoo zuiver is er alles."</p>
+ <p>"Wat komt gij mij spreken van bazin Damhout!" was het bitsig antwoord. "Zij is
+ eene goede, brave vrouw, dit zal ik niet loochenen; maar de Damhouts zijn geene
+ menschen gelijk wij. Wees zeker, Wildenslag, zij hebben eigendommen of uitgezet geld,
+ alhoewel ze het verbergen."</p>
+ <p>"Neen, dit hebben ze niet. Er komt geen cent in huis, dien Adriaan Damhout niet op
+ de fabriek heeft gewonnen. Zij hebben integendeel minder dan wij, vermits onze jongen
+ reeds vier franken in de week verdient."</p>
+ <p>"Lekkere jongen! hij zit zeker in de eene of andere kroeg. Hij heeft een aardje
+ naar zijn vaartje: er zal veel goeds van komen, ik beloof het u!"</p>
+ <p>"Neen, neen, hij is achter de taptoe geloopen. Wees zeker, Lina, bazin Damhout
+ doet haar huishouden met min dan gij. Zooals zij het schikt, kunt gij het ook
+ schikken."</p>
+ <p>"Kom, kom, Wildenslag, ieder zingt zooals hij gebekt is, en het is moeilijk, eenen
+ ouden aap nieuwe grimassen te leeren. Laat dit liedeken achter, het is nutteloos.
+ Weet ge wat de huisbaas zegt over bazin Damhout? Dat ze zorgend en zindelijk is,
+ omdat ze kan lezen."</p>
+ <p>"De huisbaas zegt dit om te lachen. Vrouw Damhout kan anders niet lezen dan in den
+ almanak en in haar kerkboek. Daar zal ze toch het huishouden niet in leeren."</p>
+ <!-- Page 15 -->
+ <p>"Dan zal het zijn, omdat Damhout minder geld verteerd, en te huis blijft, terwijl
+ gij halve nachten in de kroeg zit te drinken en te dobbelen!"</p>
+ <p>"Dit is wel mogelijk," antwoordde Wildenslag, het hoofd met ongeduld schuddende.
+ "Wie zegt u, dat ik niet te huis zou blijven, ten minste in de week, indien hier
+ alles niet walgelijk was als in eenen stal, en ik er slechts een vriendelijk gezicht
+ mocht vinden; maar gij, met uwe barschheid en met uwe zorgeloosheid, zoudt een engel
+ de deur uitjagen."</p>
+ <p>De gekwetste vrouw zette de vuisten op de heupen en meende eenen woedenden uitval
+ te doen; maar de deur vloog open en een veertienjarige jongen, wiens kleederen vol
+ katoenvlokken hingen, sprong binnen; hij eindigde het refrein van een onbetamelijk
+ lied, ofschoon hij eene rookende pijp in den mond hield.</p>
+ <p>Aan tafel vallende, meende hij van de verbrande aardappelen te eten: maar na den
+ eersten mondvol te hebben gesmaakt, wierp hij bulderend de vork op den schotel en
+ viel uit in onbeschofte berispingen tegen zijne moeder.</p>
+ <p>In stede van hem te bestraffen, gaf de vader hem gelijk.</p>
+ <p>"Daar is mijn weekloon," zeide de jongen, drie franken ter tafel werpende. "De
+ patatten zijn verbrand en smaken naar het zeepsop. Ik trek er van door en zal ergens
+ gaan eten, waar men het gevaar niet loopt vergiftigd te worden."</p>
+ <p>Er werd hevig getwist, omdat de jongen eenen frank van zijn loon had
+ achtergehouden; dit tooneel vernieuwde zich, toen de vader insgelijks zijn weekgeld
+ afgaf. Evenwel, na vele harde, grove woorden verkalmde <!-- Page 16 -->het
+ tempeest.</p>
+ <p>"Goeden avond," juichte de jongen, "ik ga naar de <i>Blauwe Geit</i>, eene schel
+ hesp eten."</p>
+ <p>"Kom, Sander, ik ga mede," zeide de vader. "Het deugt hier niet. Na eene gansche
+ week zuren arbeid mogen wij wel een beetje ons verzetten."</p>
+ <p>"Ha, ze meenen, dat ik hier den ganschen avond alleen zal blijven koekeloeren,
+ terwijl zij ginder in de <i>Blauwe Geit</i> hun hart ophalen en tot over de ooren in
+ de leute zitten?" morde de vrouw, toen haar man en haar zoon waren heengegaan. "Ik
+ moet er mijn deel van hebben: ik lust ook hesp. Lieveken, ga gij maar voor een uurtje
+ naar bazin Damhout. Ik zal u laten roepen."</p>
+ <p>Zij krabde geweldig met den haak in de kachel, om het vuur uit de dooven; doch
+ daar dit niet spoedig genoeg naar haren zin ging, stortte zij eene kom zeepsop op de
+ brandende kolen, zoodat de kamer met een stinkenden rook werd vervuld.</p>
+ <p>"En gij daar, bengels," riep zij tot de kinderen, "zorgt dat gij van de lamp
+ blijft en met geen vuur speelt, of ik sla den bezem op uwe knoken aan stukken!"</p>
+ <p>Op dit oogenblik zag zij, dat het oudste jongetje een zijner zusters bij de haren
+ trok, en zij hoorde een gesnor, alsof er eene stof werd gescheurd.</p>
+ <p>"Beul, schei uit!" bulderde zij. "Wacht maar, booze vadsigaard, gij zult niet lang
+ hier den boer spelen. Te naaste week gaat gij naar de fabriek. Als ik terugkom, zal
+ ik u geene kleine rammeling geven, omdat gij alweder het kleed uwer zuster hebt
+ gescheurd."</p>
+ <p>"Het is niet waar!" kreet de knaap.</p>
+ <p>"<!-- Page 17 -->Ik heb het gezien!" schreeuwde de moeder.</p>
+ <p>"Gij liegt er aan," snauwde het kind.</p>
+ <p>En alsof er in dit monsterachtig gebrek aan ontzag en aan zedelijkheid niets
+ ongewoons ware, de vrouw scheen er geene acht op te geven, of het niet te gevoelen;
+ want zij liep het huis uit en wierp de deur toe.</p>
+ <p>Arme kinderen, wat kon er onder de leiding van zulke moeder uit hen groeien? Niets
+ anders voorwaar dan woeste, onbeschaafde wezens, beroofd van alle gevoel der
+ menschelijke waardigheid. Het was hunne schuld niet; maar was het wel de schuld
+ hunner moeder?</p>
+ <p>Die vrouw, toen zij zelve kind was, had hare eerste jaren doorgebracht onder de
+ waakzaamheid eener onwetende en grove oude vrouw, te midden van verlatene kinderen,
+ wier moeders, evenals de hare, den ganschen dag op de fabriek hadden te arbeiden.
+ Daar had zij niets geleerd dan eene barsche, onkiesche taal; zij was opgegroeid
+ zonder het minste denkbeeld der plichten, welke de mensch in dit leven te vervullen
+ heeft jegens God, jegens de maatschappij en bovenal jegens zich zelven. Dewijl zij
+ alsdan slechts den ouderdem van negen jaar had bereikt, was er nog hoop, dat zij
+ eenige vonken van het licht der beschaving zou ontvangen; dat, vooraleer zij vrouw
+ wierd, toch eenig gevoel van persoonlijke waardigheid en van maagdelijke zedigheid in
+ haar zou ontkiemen. Maar v&oacute;&oacute;rdat de tiende Lente voor haar aanbrak, was
+ zij reeds op de fabriek, vastgeklonken aan een eeuwigdraaiend tuig, overgeleverd aan
+ het gezelschap va<!-- Page 18 -->n mannen en vrouwen, ruwer nog en onwetender dan
+ zij. Later is zij getrouwd; slechts sedert de geboorte van haar derde kind blijft zij
+ te huis, en geeft daar aan haar kroost het eenig onderwijs, dat zij heeft ontvangen:
+ onwetendheid, barschheid, verlaging, verbastering der menschelijke natuur.</p>
+ <p>En wij, die spreken van de zedelijke verbetering des werkmans, wij geven zijnen
+ kinderen zulke moeder! En wij, die schelden op den werkman, omdat hij zijne woning
+ ontvlucht, omdat hij drinkt en zwiert, wij geven hem zulke gezellin!</p>
+ <p>Ja, de reusachtige uitzetting der nijverheid is een wonderbaar en weldadig
+ verschijnsel onzer eeuw; maar de denker, de menschenvriend zal haren onweerstaanbaren
+ voortgang niet zonder geheimen schrik aanschouwen, zoolang zij de vrouw, de moeder
+ uit den schoot des huisgezins wegrukt en het kind tot slaaf der stof maakt in eenen
+ ouderdom, die bestemd is tot zijne vorming als mensch en als Christen.</p>
+ <p>Wil men de beschaving der werkende klasse, dan moet men met de vrouw beginnen.
+ Deze wet is onverbiddelijk. Heerscht de man over de stoffelijke wereld, van de moeder
+ alleen hangt de zedelijke vorming af, en zij heerscht over den geest en het hart der
+ wordende geslachten met al de macht des engels of des duivels, naarmate der
+ verhevenheid of der laagheid harer ziel.</p>
+ <p>De menschheid begint het te begrijpen. Uit de diepte van het algemeen geweten
+ rijst een noodkreet op, eene waarschuwende stem, die roept: "Redt de wereld uit de
+ zedelijke verzinking door de vrouw! Onderwijs voor de vrouw! Opvoeding voor de vrouw!
+ Licht, waardigheid en plichtbesef in het hart der moeders van het volk! Zoo niet,
+ duisternis, verbastering, onrecht en bloedige wederwraak over de komende wereld!"</p>
+ <!-- Page 19 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="III" name='III'></a>
+ <h2>III</h2>
+ <br />
+
+ <p>Veel verder in de rij der gelijkvormige werkmanswoningen was er een huisje, dat
+ zich onderscheidde door zijne netheid.</p>
+ <p>Tot op de straat was er wit zand voor de deur gestrooid. Drie of vier bloempotten
+ geurden op de vensters, achter sneeuwblanke gordijntjes. Op de schouwplaat prijkte
+ een Lieve-Vrouwebeeld, tusschen twee pleisteren papegaaien, wier rood, geel en groen
+ vederkleed de oogen aangenaam verraste. Het kleinste keukengerief, de schotels en
+ koffietasschen stonden op eene kas te pronken, en glinsterden en schitterden, als
+ waren zij hoogmoedig over hunne netheid. De grove biezenstoelen waren zonder vlekken,
+ de withouten tafel gewasschen, de kachel met potlood geglimd.</p>
+ <p>Even arm als de andere was deze werkmanswoning; de meest schitterende voorwerpen
+ hadden slechts eenige centen gekost ... en nochtans er heerschte zulke bekoorlijke
+ toon van vrede, van levenslust en van gemak; de lucht was er zoo zuiver en zoo
+ <!-- Page 20 --> aanlachend, dat men bij het gezicht van dit nederig huisje
+ gereedelijk moest begrijpen, hoe een werkman ook zijne woning kan liefhebben evenals
+ een rijkaard, die zich op zijn paleis verhoovaardigt.</p>
+ <p>In de benedenkamer van het huisje zat eene vrouw bij eene lamp te arbeiden. Zij
+ naaide aan een blauwen kiel; en vermits er op eenen stoel nog vele zulke kielen
+ geplooid lagen, was het te vermoeden, dat zij voor eenen winkel werkte. Zij kon den
+ ouderdom van achtentwintig of dertig jaar bereikt hebben; hare kleederen, van gemeen
+ katoen en door wasschen verbleekt, waren zeer zuiver en zelfs met zekeren eenvoudigen
+ zwier geschikt.</p>
+ <p>Nevens haar bij de tafel, zat een achtjarig jongsken met bruin haar en groote,
+ levendige oogen. Hij had een brief voor zich liggen en verroerde de lippen, terwijl
+ hij met een stokje de lettergrepen aanwees, welke hij poogde te lezen.</p>
+ <p>In eenen hoek, op een paar houten bankjes zaten twee kleine meisjes van drie of
+ vier jaar. Zij speelden met poppen en vermaakten zich in stilte, nu en dan eens de
+ stem verheffende om de poppen te bekijven, of zoet lachende onder elkaar.</p>
+ <p>Sedert eene wijl scheen de jongen in verlegenheid; zijn stokje verroerde niet
+ meer, hij schudde het hoofd met ongeduld.</p>
+ <p>"Wat is het, Bavo?" vroeg de vrouw. "Gaat het niet goed, kind?"</p>
+ <p>"Ach, moeder," zeide hij, "de meester heeft mij eene les te leeren gegeven, en
+ daar is een woord in, zoo moeilijk, zoo moeilijk! Ik zweet er van; maar ik kan er
+ toch niet uit. Lees gij het eens, moeder lief!"</p>
+ <!-- Page 21 -->
+ <p>Hij naderde dichter, legde haar het boek onder de oogen en wees het onleesbare
+ woord. Maar de vrouw, na eene lange poging, mompelde met moedeloosheid:</p>
+ <p>"Zelf.... Zelfver.... Zelfverloo.... Het overige kan ik niet lezen, Bavo. Zijn dit
+ ook woorden voor een kind als gij? Kom, sla dit maar over en vraag het morgen uwen
+ meester."</p>
+ <p>Het jongsken hield zwijgend den blik op het boek gevestigd; zijne leden spanden
+ zich, zijne oogen werden starend en hij verzamelde zichtbaar de kracht zijns
+ geestes.</p>
+ <p>"Neen, laat af, kind," zeide de vrouw, "breek u de hersens niet nutteloos: het
+ woord is te moeilijk."</p>
+ <p>"Te moeilijk?" morde de kleine. "Ik moet het lezen, ik wil.... Ach, moeder, stil,
+ stil; gij hebt mij geholpen, het zal gaan.... Zelfverloo.... Zelfverlooch....
+ Zelfverloochening! Zie, zie, moeder lief, het woord is zelfverloochening!"</p>
+ <p>Een kreet van bewondering ontsnapte de vrouw; zij greep haar zoontje in de armen
+ en legde eenen langen kus op zijn voorhoofd. Wat haar dus ontroerde, was de
+ vroegtijdige gemoedskracht en de schier mannelijke wil, dien zij in haren zoon meende
+ te ontdekken. Wat droomde zij bij den liefderijken kus? Zij wist het niet, en evenwel
+ dankte zij God uit den grond des harten.</p>
+ <p>Het kind, door de teedere goedkeuring aangemoedigd, had weder zijn boek gegrepen;
+ maar de vrouw, nog ontroerd, zeide hem:</p>
+ <p>"Bavo lief, gij moet maar goed leeren, kind; later in het leven zult gij eerst
+ begrijpen, hoe schoon en hoe nuttig het i<!-- Page 22 -->s, te kunnen lezen en
+ schrijven. Iemand, die niet lezen kan, is maar een half mensch, en hij is
+ veroordeeld, al ware hij zelfs met verstand geboren, om altijd onwetend te blijven.
+ Gij zult meer en beter leeren dan ik, Bavo, en daarom zult gij gelukkiger zijn in de
+ wereld. Ach, dat mijn Peter zoo vroeg is gestorven! Anders zou ik goed kunnen lezen
+ en schrijven; maar er was niemand meer om mij te beschermen; ik moest naar de
+ fabriek. Nog wel een beetje heb ik mij zelve geleerd; maar wanneer men moede gewerkt
+ is, gaat dit niet goed. Ja, Bavo, indien iedereen kon lezen, zouden er zoovele
+ slechte lieden niet zijn; want wie lezen kan, gevoelt, dat hij mensch is, en hij
+ eerbiedigt zich zelven. Ongelukkig hebben zoo weinige werkmanskinderen de gelegenheid
+ of de middelen om te leeren; de ouders, die zelven onwetend zijn, begrijpen niet, hoe
+ nuttig en hoe schoon het is geleerd te zijn. Gij, mijn kind, indien God uwen vader de
+ gezondheid blijft gunnen, zult veel kunnen leeren. Bavo, vergeet nooit, dat gij dit
+ geluk zult verschuldigd zijn aan uwen vader, die van den morgen tot den avond slaaft
+ en zweet om zijne kinderen in eere op te brengen, en die zelfs uit de herberg blijft
+ en, om zoo te zeggen, het brood uit zijnen mond spaart, om u naar de school te laten
+ gaan. Niet waar, Bavo, gij zult het nooit vergeten? Wat er ook in uw leven gebeure,
+ gij zult uwen goeden vader altijd eerbiedigen en beminnen?"</p>
+ <p>"Altijd, altijd, en u ook, moeder lief!" zei het jongsken, haar de wangen
+ streelende.</p>
+ <p>Op dit oogenblik werd de deur geopend, en een man trad binnen. Zijne kleederen,
+ door katoen en stof bevlekt, waren versleten en schenen vuil in zulke zindelijke
+ plaats. Er was iets spijtigs in zijne uitdrukking en hij scheen van slechte luim.</p>
+ <!-- Page 23 -->
+ <p>Maar daar klonk het woord "vader! vader!" hem op alle tonen tegen, en vooraleer
+ hij twee stappen in de kamer had gedaan, waren zijne handen streelend aangegrepen en
+ fijne kinderstemmen verwelkomden hem met eenen vloed van zoete liefdewoorden. Bavo
+ liep naar hem toe, een stukje papier boven zijn hoofd zwaaiende:</p>
+ <p>"Vader, vader lief!" riep hij, "twintig goede noten! Twee kussen voor mij en vier
+ centen voor mijnen spaarpot!"</p>
+ <p>En onder het uitspreken dezer woorden had de jongen eenen machtigen sprong
+ genomen, en hing nu aan zijns vaders hals, om de belooning zijner leerzaamheid te
+ ontvangen.</p>
+ <p>Intusschen was de vrouw bezig met een ammelaken op de tafel te spreiden en het
+ avondeten op te zetten. Zij lachte haren man vriendelijk aan en sprak insgelijks
+ menig blij woord tot welkom.</p>
+ <p>"Zit neer, zit neer, Damhout," zeide zij, "gij moet eetlust hebben, en de
+ aardappelen zouden welhaast koud geworden zijn. Ik heb een lekker pladijsje voor u
+ gekocht, goedkoop, voor vijf centen, springende levend. Komt, kinderen, aan tafel,
+ aan tafel!"</p>
+ <p>Adriaan Damhout was gevoelig aan de liefdesbetuigingen zijner kinderen; de rimpels
+ verdwenen van zijn voorhoofd en een stille glimlach verlichtte zijn gelaat. Hij gaf
+ zijn zoontje de vier verschuldige centen en reikte zijn weekloon aan zijne vrouw,
+ die, zonder het te bezien, het geld in haren zak liet glijden.</p>
+ <p>Dan namen allen plaats aan de tafel, zoo ordelijk, zoo zuiver en zoo netjes
+ geschikt, alsof die arme menschen gekozene s<!-- Page 24 -->pijzen uit porseleinen
+ borden en met zilveren lepels zouden gaan eten. Het waren evenwel slechts gestoofde
+ patatten, grove telloren en ijzeren vorken die er te zien waren, tenzij misschien het
+ gebakken pladijsje voor vader, dat wel lekker geurde en te midden der tafel als een
+ pronkstuk of eerder nog als een liefdesgeschenk prijkte.</p>
+ <p>Allen te gelijk maakten het teeken des kruises en dankten God in stilte, waarna
+ zij met waren lust begonnen te eten. Slechts toen de visch zou worden aangevat, werd
+ de vrede eenigszins gestoord. Damhout kon het niet over zijn gemoed krijgen, de
+ pladijs, hoe klein zij ook ware, geheel alleen op te eten; hij wilde het lekker gebak
+ met zijne vrouw deelen; maar de vrouw bevestigde, dat het voor hem en slechts voor
+ hem was gekocht. Hij zou haar door langer aandringen bedroeven. Alhoewel de kleinen,
+ door de moeder geleerd, haar hielpen, eindigde toch de vriendelijke twist op zulke
+ wijze, dat elk kind, een stukje van den visch op zijn bord kreeg en de werkman het
+ overige met onbeneveld vermaak genoot.</p>
+ <p>Onmiddellijk na het avondmaal werd het ammelaken geplooid, en alles verdween in
+ een oogslag van de tafel.</p>
+ <p>De vrouw zette zich nevens haren man en begon met hem over het werk en over de
+ fabriek te spreken; de twee meisjes kropen op vaders knie&euml;n. Bavo stond aan
+ zijne andere zijde met zijn boek in de hand te wachten, totdat zijne ouders ophielden
+ samen te kouten.</p>
+ <p>Het was een eenvoudig, doch roerend tooneel, dien werkman in zijne slechte en
+ besmette kleederen, te zien zitten met die nette, lachende engeltjes op de
+ knie&euml;n, tusschen eene liefderijke vrouw en eenen leerzamen zoon, wiens oogen met
+ ontzag en biddend tot hem waren <!-- Page 25 -->gericht.</p>
+ <p>"Vader lief, mag ik eens lezen?" vroeg het jongetje eindelijk. "Wij hebben vandaag
+ zulke schoone les gekregen! Ik weet niet of ik ze al goed ken, maar ik zal mijn best
+ doen."</p>
+ <p>"Ja, Bavo, lees uwe les eens voor vader," zeide de vrouw.</p>
+ <p>De jongen opende zijn boek en las met zekere moeite en eenige onderbrekingen,
+ evenwel met genoegzame duidelijkheid om verstaan te worden:</p>
+ <p>"Kinderen, wilt gij door God gezegend zijn op aarde, eert uwen vader en uwe
+ moeder. Zij hebben u lief als het licht hunner oogen; zij zorgen en werken voor u van
+ den morgen tot den avond; het eenige doel van al hun streven, van hunnen kommer en
+ van hunne gebeden, is uw geluk alleen. Bemint hen teederlijk; zijt hun onderdanig en
+ blijft hun dankbaar; wordt de steun en de blijdschap hunner oude dagen, en beloont
+ aldus de ouderlijke liefde, die zuivere en schier goddelijke zelfverloochening."</p>
+ <p>Deze lezing scheen eenen ongunstigen indruk op het gemoed van Damhout te doen; zij
+ herinnerde hem wat Wildenslag hem had gezegd, en gaf nieuwe kracht aan de vrees,
+ welke zijn vriend nu weder voor de twintigste maal in hem had opgewekt. Zijn gelaat
+ werd zeer ernstig en hij schudde nadenkend het hoofd.</p>
+ <p>"Bavo, begrijpt gij wat gij daar hebt gelezen?" vroeg hij na eenige
+ overweging.</p>
+ <p>"Ja, vader lief," antwoordde het kind, "er staat, dat gij voor mij werkt, en ik u
+ en moeder altijd gaarne moet zien."</p>
+ <p>"Tot in onzen ouden dag, Bavo."</p>
+ <p>"Ja, vader, tot in uwen ouden dag, zoolang ik leef."</p>
+ <p>"<!-- Page 26 -->En zult gij dit doen, kind?"</p>
+ <p>De jongen zag zijnen vader verbaasd aan, doch zonder spreken, als begreep hij
+ zijnen twijfel niet.</p>
+ <p>"Het is wel," zeide Damhout, "gij zijt wijs, Bavo. Blijf zoo, en vergeet nimmer
+ wat daar in uw boek geschreven staat, anders zal God u straffen."</p>
+ <p>Er volgde eene wijl stilte; de vrouw bespiedde het gelaat van haren man, die nu
+ klaarblijkend in treurige gepeinzen was verzonken.</p>
+ <p>"Adriaan," murmelde zij, "wat is er toch, man lief? Gij schijnt zoo denkend? Ik
+ heb het gezien toen gij binnenkwaamt: er hangt u iets in het hoofd. Hebt gij
+ verdriet?"</p>
+ <p>"Ik heb wel geen verdriet, Christina," antwoordde hij, "maar er is toch iets dat
+ mij kwelt. De andere kameraden gaan al eens een pintje te zamen drinken; zij lachen
+ en kouten en vermaken zich een beetje na den weeklangen arbeid. Ik zit hier altijd te
+ huis, alsof ik buiten de wereld was; en de vrienden drijven den spot met mij.
+ Misschien is het onverstandig, zoo zijn leven geheel op te offeren, zonder te weten,
+ wat er in het einde nog zal van komen."</p>
+ <p>Alhoewel deze woorden haar verrasten, haalde de vrouw een zilveren geldstuk uit
+ haren zak en reikte het met eenen minzamen glimlach haren man toe.</p>
+ <p>"Damhout lief," sprak zij, "gij moet het voor mij niet laten; daar is geld; hebt
+ gij lust om een uur of eenige uren met de kameraden te zijn, voldoe uwe goesting. Ga,
+ ik zal zelve plezier in mijn hart hebben, als ik weet, dat gij u vermaakt."</p>
+ <p>Maar de man, als beschaamd over zijn gemor, dreef zachtjes hare hand terug.</p>
+ <!-- Page 27 -->
+ <p>"Neen, houd het geld," zeide hij,&mdash;mijn lust is over.... Nochtans, Christina,
+ dezen avond vieren de vrienden in de <i>Blauwe Geit</i> het <i>jubil&eacute;</i> van
+ rossen Leo, omdat hij nu vijfentwintig jaren spinner is. Wildenslag heeft mij
+ aangemaand om er bij tegenwoordig te zijn; ik heb hem beloofd, dat ik zou komen,
+ indien het mogelijk was."</p>
+ <p>"Welnu, Damhout, het is mogelijk: gij moet uwe belofte houden."</p>
+ <p>"Ja, maar ik weet niet, mij dunkt, dat ik nog liever te huis zou blijven met de
+ kinderen."</p>
+ <p>"Neen, neen, Damhout; morgen is het Zondag; dan zijn wij van den morgen tot den
+ avond te zamen. Doe mij plezier en neem dit geldstuk; ga naar de <i>Blauwe Geit</i>
+ en wees vroolijk met de vrienden. Ik zal tevreden en welgemoed naar u wachten; maar
+ blijf zoolang, zoolang gij wilt. Ga, ga, ik bid u."</p>
+ <p>Zij moest hem nog gedurende eene wijl met vriendelijk geweld aanmanen om op te
+ staan. Dan vergezelde zij hem tot de deur en wenschte hem eenen genoeglijken avond.
+ Zij keerde tot de tafel terug en hernam haar naaiwerk.</p>
+ <p>Eenige oogenblikken later werd de deur zeer zachtjes geopend, en een klein meisje
+ trad binnen.</p>
+ <p>"Bavo, daar is Godelieve," zeide de moeder.</p>
+ <p>De jongen sprong recht, liep naar het meisje, greep haar de hand en bracht haar
+ bij de tafel, met groote blijdschap zeggende:</p>
+ <p>"Ha, Lieveken, dat is goed, dat gij nog terugkomt. Ik ben moede geleerd; laat ons
+ nog wat spelen. Willen wij winkel houden gelijk gisteren? Het is zoo
+ vermakelijk."</p>
+ <p>"<!-- Page 28 -->O, neen, Bavo, laat ons school spelen!" smeekte het meisje.</p>
+ <p>"Ja, ja, school spelen!" herhaalden de twee zusterkens, lachend in de handen
+ kletsende.</p>
+ <p>Bavo haalde eenige boekjes voor den dag, welke hij van zijne eerste leermaanden
+ had gespaard; hij zette Lieveken op het eene bankje en zijne zusterkens op het
+ andere, greep zijns vaders zondagsrietje en begon, met opgeheven hoofd en koddigen
+ ernst, over en weder te wandelen, ondertusschen op verzwaarden toon roepende:</p>
+ <p>"Stil, in de school, of ik zet u in den hoek! Wie zijne les niet kent, zal
+ noen-overal blijven. Godelieve Wildenslag, let op! Welke letter is dit?&mdash;Goed.
+ En deze? En deze?&mdash;Gij kent uwe les; gij zult eene klasse verhoogen. Keer het
+ blad van uw boek om. Wat staat daar op den tweeden regel?"</p>
+ <p>"Da, de, di, do, du, dij!" riep Lieveken.</p>
+ <p>"Ja, gij kent dit van buiten, ik weet het wel; maar daar, op het andere blad,
+ daar?"</p>
+ <p>Het meisje deed een oneindig geweld om de aangewezene lettergreep te spellen, doch
+ zij geraakte er niet uit.</p>
+ <p>"Heb moed, let wel op," zei Bavo. "Die dubbele O is lang; en voeg daar achter nu
+ den klank <i>ge</i> bij, wat hebt ge dan?"</p>
+ <p>"Oog, oog!" riep Lieveken met zegevierende blijdschap.</p>
+ <p>"Wel zoo, mijn kind, gij zijt er," juichte de jonge schoolmeester. "Godelieve
+ Wildenslag krijgt tien goede noten!"</p>
+ <p>De moeder had dit tooneel glimlachende en met welgevallen afgezien.
+ <!-- Page 29 -->Zij scheen eindelijk ontroerd en zeide: "Kinderen lief, gij speelt
+ daar een schoon en ernstig spel. Zoudt gij gelooven, dat Lieveken eindelijk nog zou
+ leeren zonder naar de school te gaan?"</p>
+ <p>De jongen en het meisje bezagen haar met verwondering.</p>
+ <p>"Het is, zooals ik u zeg," bevestigde zij. "Waarom verwondert het u? Ziet eens,
+ Lieveken, zonder het te weten, kent al hare letters en zij begint reeds te spellen.
+ Indien Bavo zich wat moeite wilde geven, wees zeker, Lieveken, gij zoudt wel spoedig
+ kunnen lezen."</p>
+ <p>"Gij zegt het om te lachen, niet waar, bazin Damhout?" murmelde het meisje
+ twijfelend.</p>
+ <p>"Zou dit inderdaad mogelijk zijn, moeder lief?" vroeg Bavo, in wiens oog eene vonk
+ van besluit glinsterde.</p>
+ <p>"Mogelijk? Wel, kind, het is bijna gedaan? gij ziet het immers wel?"</p>
+ <p>"Ha, ha, Lieveken, wij zullen altijd school spelen! Gij zult leeren lezen!"</p>
+ <p>"Ik zal leeren lezen!" herhaalde Lieveken met bedwongen geestdrift.</p>
+ <p>"Gij zult het leeren!" kreet Bavo. "Och, hemeltje, dat zal vermakelijk zijn, als
+ wij te zamen in hetzelfde boek zullen kunnen lezen. Nu ga maar weder op de bank
+ zitten, en geef acht ... of ik doe u twee groote lessen uit den Catechismus van
+ buiten leeren!"</p>
+ <p>Bavo speelde zijne rol van schoolmeester met verdubbelde vlijt voort. Alhoewel hij
+ insgelijks nu en dan zijnen kleinen zusterkens de letters toonde en met geveinsd
+ ongeduld hen terechtwees, hield hij zich toch meest<!-- Page 30 --> met Lieveken
+ bezig Hij sprak zulke diepgevoelde woorden van aanmoediging tot haar, en poogde met
+ zulke ware inspanning haar te onderwijzen, dat het eenvoudig kinderspel in een
+ ernstig werk, in eene edele liefdedaad veranderde.</p>
+ <p>Het duurde zoolang, dat eindelijk de twee kleine zusterkens, hoofdje tegen
+ hoofdje, op hunne bank waren in slaap gesukkeld.</p>
+ <p>Dan was de school uit. De moeder ontkleedde de ingesluimerde wichtjes en droeg ze
+ naar hun bed. Bavo en Lieveken keerden terug bij de tafel en keken daar in een klein
+ boek met beeldekens.</p>
+ <p>Terwijl bazin Damhout haar naaiwerk voortzette, spraken de twee kinderen in stilte
+ met elkaar over de gelukkige hoop, dat Lieveken zou leeren lezen, alhoewel zij niet
+ naar de school mocht gaan, dan weder over andere schoone, vroolijke dingen. Meest
+ altijd zweefde er een zoete glimlach op hunne lippen; hunne oogen glinsterden van
+ vriendschap en zielsgenoegen, en soms drukten zij elkander de handen.</p>
+ <p>Eindelijk hoorde men eene kinderstem van buiten den naam van Godelieve roepen, en
+ het meisje, na Bavo en zijne moeder eenen goeden nacht te hebben gewenscht, meende
+ zich naar huis te spoeden; maar bazin Damhout greep eenen emmer en zeide:</p>
+ <p>"Kom, Lieveken, ik moet om water naar de pomp; ik zal met u gaan."</p>
+ <p>Toen zij in de kamer terugkeerde, bevond zij, dat Bavo met het hoofd op zijne
+ boekjes was ingesluimerd.</p>
+ <p>Zij zette zich neder, zag haar slapend zoontje eene wijl met zaligen blik aan,
+ droomde van onbestemde dingen en legde eindelijk eenen langen, vurigen kus op het
+ <!-- Page 31 -->gladde voorhoofd, als geloofde de goede, dat een moederzoen de kiemen
+ des verstands in de hersens van haar kind kan verwarmen en bevruchten. Nauwelijks had
+ zij weder haar naaiwerk hernomen, of haar man trad in de kamer.</p>
+ <p>"Reeds terug? Zoo spoedig?" vroeg zij verwonderd. "Gij doet het toch niet om
+ mijnentwil, Adriaan? Het zou mij bedroeven."</p>
+ <p>"Neen, Christina," antwoordde hij, terwijl hij zich bij de tafel nederzette. "Ik
+ weet niet, ik kan in dat woeste leven geen vermaak meer vinden. De vrienden zijn
+ brave jongens, dit wil ik niet ontkennen; maar die baldadige manieren en grove
+ woorden stuiten mij tegen de borst. Het is hier in huis tusschen u en mijne kinderen
+ toch beter. Denk eens, daar zijn ze nu in <i>de Blauwe Geit</i> volop aan het
+ ruziemaken. Zeker, de rosse Leo zal dezen avond nog vechten tegen Kobe den zandboer.
+ Zij verwijten malkanderen zulke leelijke dingen, dat er de haren van te berge zouden
+ rijzen op uw hoofd. Ik heb groote spijt, dat ik vandaag naar de <i>Blauwe Geit</i>
+ gegaan ben."</p>
+ <p>"Ik geloof het, Adriaan; maar gij kondt niet weten, dat men er zou schelden en
+ twisten."</p>
+ <p>"Daarom is het niet: ik ben droef in mijn hart."</p>
+ <p>"Hoe zoo? Is u iets geschied?"</p>
+ <p>"Wildenslag heeft mij vervaard gemaakt! hij maakt mij altijd vervaard.... En
+ misschien heeft hij gelijk; misschien doen wij niet wel met onzen Bavo boven zijne
+ ouders te willen verheffen."</p>
+ <p>"Alweder dit kwaad gepeins!"</p>
+ <p>"Kwaad gepeins, Christina? Wie kan het weten? Laat onze Bavo nu jaren lang naar de
+ gemeenteschool gaan en geleerd worden. Hij zal ons veel meer geld kosten dan
+ <!-- Page 32 -->een ander kind, en daarenboven nooit eenen cent in het huishouden
+ brengen; en als hij groot is en geld wint, zal hij het in schoone kleederen steken en
+ zich schamen over den armen fabriekwerker, die zijn zweet heeft gegeven, om eenen
+ mijnheer van hem te maken."</p>
+ <p>"Ach, hoe kunt ge toch zoo spreken, met uwe oogen op uw onnoozel kind?" zuchtte de
+ moeder. "Bavo zou ondankbaar worden en zijne ouders miskennen? Nooit, nooit, zijn
+ hart is enkel liefde en dankbaarheid."</p>
+ <p>"Het is een goed kind, ik weet het," morde Damhout "Ze zijn altemaal goed,
+ Christina, zoolang ze klein zijn; maar zoohaast ze man worden, gaan ze hunne eigene
+ gangen en ze bekreunen zich om hunne ouders niet meer. Ja, wanneer ze een beetje
+ verhoogd zijn in de wereld, zien ze wel dikwijls met kleinachting neder op degenen,
+ die zich onvoorzichtig voor hen hebben opgeofferd."</p>
+ <p>"Dit zal met onzen Bavo niet gebeuren, Damhout," antwoordde de vrouw, haar
+ verdriet bedwingende. "Zijn hart is zuiver, ik zal hem bewaken. Gij vreest, dat ons
+ kind later in de wereld een beter lot hebbe dan wij? Maar geschiedde het aldus, zou
+ uw vaderhart niet van vreugde kloppen? Zoudt gij niet met hoogmoed zeggen, hij is
+ mijn zoon, voor hem heb ik met liefde geslaafd; zijn geluk is mijn werk?"</p>
+ <p>"Schoone dingen Christina; maar indien mijn zoon werkman bleef, gelijk ik ben, dan
+ zou ik niet vreezen, dat hij zich later over mij zou kunnen schamen."</p>
+ <p>"Wie zegt u toch, dat hij geen werkman worden zal? Zijn er dan geene werklieden,
+ goede, uitmuntende werklieden, die kunnen lezen?"</p>
+ <p>"Spinners toch niet veel."</p>
+ <!-- Page 33 -->
+ <p>"Maar er zijn andere stielen, Adriaan. Mekaniekmakers, timmerlieden,
+ schrijnwerkers en honderd andere, waarin men met geleerdheid en goed gedrag het
+ tamelijk verre kan brengen."</p>
+ <p>"Ziet gij wel, Christina, dat gij besloten hebt, onzen Bavo niet naar de fabriek
+ te laten gaan?"</p>
+ <p>"Hij zal gaan waar hij wil of waar hij kan," zeide de vrouw met klimmende kracht.
+ "Wij mogen daarover niet op voorhand beslissen. Van zijne leerzaamheid, van onze
+ liefde en van Gods wil hangt het af. Uwe vrienden verschrikken u, met u te zeggen,
+ dat ik van Bavo eenen <i>mijnheer</i> wil maken. Wat ik wil, is, dat mijn kind een
+ mensch worde en niet door onwetendheid tot onmacht en eeuwige slavernij veroordeeld
+ blijve. Wordt hij <i>mijnheer</i>, zooveel te beter!"</p>
+ <p>"Christina, Christina," zuchtte de werkman, "indien gij wist, hoe uwe woorden mij
+ bedroeven! De hoogmoed is een slecht raadsman."</p>
+ <p>"Hoogmoed?" kreet de vrouw verontwaardigd. "Gelooft gij dan, dat het geluk mijner
+ kinderen mij verschrikt? Ik zou geen moederhart moeten hebben. Ha, gij zult mij
+ misschien niet begrijpen; maar ik zeg u, Damhout, dat, indien onze kinderen later van
+ omhoog op mij konden nederzien, ik God zou danken, omdat Hij hen in de wereld heeft
+ verheven. Schud het hoofd niet. Kon ik onzen Bavo ten prijze van mijn leven koning of
+ keizer maken, ik stierve van blijdschap voor den troon van mijn kind!"</p>
+ <p>Zij was zeer ontroerd en scheen te beven; er was iets ontzaglijks in hare houding
+ en in haren blik; het moederlijk gevoel had deze nederige vrouw indrukwekkend en
+ schoon gemaakt.</p>
+ <!-- Page 34 -->
+ <p>Adriaan Damhout onderging den invloed harer geestdriftige woorden: hij boog het
+ hoofd als overwonnen en bleef eene wijl zwijgend. Dan zeide hij:</p>
+ <p>"Misschien hebt gij in den grond gelijk, Christina; maar overweeg toch eens met
+ bedaardheid. Nu gaat het nog zoo erg niet; er is veel en goed werk. Onze andere
+ kinderen zijn nog klein. Later zult gij misschien willen, dat de meisjes insgelijks
+ naar de school gaan?"</p>
+ <p>De vrouw deed een bevestigend teeken met het hoofd.</p>
+ <p>"Zullen wij, zonder eenige hulp van onze kinderen, dien last wel kunnen blijven
+ dragen? Het schijnt mij onmogelijk."</p>
+ <p>"Ik zal een beetje meer werken, Adriaan."</p>
+ <p>"Altijd werken als slaven, zich geheel opofferen gedurende gansch zijn leven!"</p>
+ <p>"Ha, dan gevoel ik eerst, dat ik moeder ben, wanneer ik weet, dat ik mij opoffer
+ voor het geluk mijner kinderen."</p>
+ <p>"Goed; maar indien het werk nu eens voor lang wierd gestaakt? Indien een onzer
+ ernstig ziek wierd, wat dan?"</p>
+ <p>"Dan, Adriaan, dan zouden wij het schikken volgens Gods beslissing. Het
+ onmogelijke kan men niet doen."</p>
+ <p>"En indien het noodig was, Bavo eenig geld te doen verdienen, zoudt gij hem naar
+ de fabriek laten gaan?"</p>
+ <p>"Waarom niet, indien de nood het eischte?"</p>
+ <p>"En wat zou dan de geleerdheid hem helpen?"</p>
+ <div class="center">
+ <img src='images/035.png' width='600'
+ alt=' Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw.'
+ title=' Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw.' /><br />
+ <br />
+ <i>Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw.</i>
+ </div>
+ <p>"Wat zij hem zou helpen? Hoe kunt gij dit vragen, Adriaan? Hij zou ten minste
+ mensch zijn, een uitmuntend werkman worden, bekwaam tot alles<!-- Page 35 -->
+ <!-- Page 36 -->
+ <!-- Page 37 -->en, met een beetje geluk, zou hij wel zeker eens tot meesterknecht
+ worden aangesteld."</p>
+ <p>"Zie, Christina," zeide de man met zekere tevredenheid, "zoohaast gij zegt, dat
+ gij er niet tegen zijt, dat Bavo werkman worde, ben ik gerust."</p>
+ <p>"Nooit, Adriaan, heb ik een ander inzicht gehad; maar is het zijn lot, in de
+ wereld vooruit te gaan, ik zal niet uit baatzucht zijn geluk beletten."</p>
+ <p>Na een oogenblik stilte zeide zij met zoete minzaamheid:</p>
+ <p>"Nu, lieve man, laat ons over dit alles niet bekommerd zijn. Waarom zouden wij
+ door eene voorbarige vrees ons zelven verdriet aandoen, zoolang het ons wel gaat en
+ wij niets te kort hebben? Komt er tegenspoed, dan zullen wij ons schikken volgens den
+ nood. In alle geval, wat er ook gebeure, indien onze kinderen kunnen lezen en
+ schrijven, zullen wij, alhoewel arme werklieden, hun toch een kostelijk erfdeel
+ nalaten. Zij, die u berispen, kunnen dit niet zeggen. Leg de hand op uw hart,
+ Adriaan, en gevoel, of het u niet hoogmoedig en gelukkig maakt, te weten, dat gij
+ voor God en voor de menschen uwe vaderlijke plichten met liefde vervult. Wees
+ vergenoegd, en luister niet meer naar kwaden raad van onwetende lieden. Kom, vriend,
+ ik zal Bavo in mijne armen nemen. Wij gaan slapen."</p>
+ <p>En Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw, die achter hem
+ met haar zoontje de trap beklom.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="IV" name='IV'></a>
+ <h2><!-- Page 38 -->IV</h2>
+ <br />
+
+ <p>Sedert Bavo de overtuiging had bekomen, dat hij Lieveken zou kunnen leeren lezen,
+ had hij geenen enkelen dag laten voorbijgaan, zonder uren lang haar in het spellen te
+ oefenen. Er was iets wonderlijks in de aanhoudendheid en in de vlijt van den kleinen
+ jongen; ja, dikwijls vermoeide hij Lieveken zoodanig, dat haar hoofd er duizelig van
+ werd en zij om verpoozing smeekte.</p>
+ <p>Buiten de goedheid des harten, die Bavo aandreef om het arme Lieveken deelachtig
+ te maken aan het onderwijs, dat zijne moeder hem had leeren aanzien als de hoogste
+ weldaad voor een werkmanskind, bestond er eene bijzondere reden van zijne drift en
+ haast om zijne speelgenoote te leeren lezen. Hij wist, dat zij, zoohaast het mogelijk
+ zou worden, naar de fabriek zou moeten gaan, en dan, vreesde hij, zou zij niet meer
+ kunnen leeren; misschien zelfs zou hij niet meer of zeer zelden met haar kunnen
+ spelen.</p>
+ <p>Inderdaad, vader Wildenslag was een vijand van het onderwijs. Volgens zijne
+ meening,&mdash;die, eilaas, gedeeld wordt door vele onwetende werklieden&mdash;zijn
+ de kinderen slechts op de wereld om hunnen ouders geldelijk voordeel aan te brengen,
+ en is alle opoffering voor hen eene domheid, zoohaast er <!-- Page 39 -->middel
+ bestaat om ze te ontwijken. Alhoewel hij zijne kleine Godelieve meer dan zijne andere
+ kinderen beminde, verschrikte het hem, dat zij te huis met een boek op de knie&euml;n
+ zat, en door hare netheid en kiesche manieren tot eene juffrouw scheen op te groeien.
+ Het was, volgens zijne gedachte, een slecht voorbeeld in een huisgezin, waar iedereen
+ bestemd was om, van kindsbeen af tot aan het graf, te werken zonder rust en zonder
+ hoop op verbetering.</p>
+ <p>Godelieve was te jong en te zwak om nu reeds naar de fabriek te gaan; maar er
+ bestond in de buurt een huis, waar men den kleinen meisjes leerde handwerken. Daar
+ zou zij eerlang elken dag eenige centen verdienen, en dit was toch alweder zooveel in
+ het huishouden gewonnen. Daarenboven, zij zou gevoelen, dat zij geboren was om te
+ werken evenals de anderen, en de luiheid, de <i>juffrouwerij</i>, zooals hij het
+ noemde, zou den tijd niet hebben om in haar te groeien.</p>
+ <p>Meer dan eens reeds had hij met zijne vrouw over zijn inzicht gesproken; maar
+ moeder Wildenslag had hem telkens tot een uitstel overgehaald, door hem te doen
+ begrijpen, dat Lieveken nog altijd zwak en kwijnend was.</p>
+ <p>Deze reden ontsnapte haar evenwel na eenige maanden; want Lieveken scheen gezond
+ te worden, en hare leden hadden in korten tijd zeer in sterkte toegenomen.</p>
+ <p>Dan werd op zekeren middag het vonnis over haar geveld, en haar werd bekend
+ gemaakt, dat zij des anderen daags 's morgens, te zes uren, naar het speldenwerkhuis
+ zou gaan.</p>
+ <p>Het meisje zou zich zonder het minste verdriet <!-- Page 40 -->onderworpen hebben,
+ want zij wist niet, wat haar in dezen nieuwen toestand wachtte; maar de vader deed
+ haar de ergste zijde van haar lot begrijpen, toen hij haar zeide:</p>
+ <p>"En dan, Godelieve, is het voor altijd gedaan met leeren lezen. Gij kent daarvan
+ al veel te veel voor een arm werkmanskind. Poog het liever te vergeten, want anders
+ zou het u gedachten kunnen geven, die u later op den doolweg zouden brengen. Geene
+ boeken meer in huis; denk aan werken alleen."</p>
+ <p>Godelieve ging zwijgend het huis uit en bleef bij de deur met gebogen hoofd staan.
+ Lang overwoog zij. Zij zou niet meer mogen leeren! Dit gepeins rukte tranen uit hare
+ oogen, en zij ging langzaam en als dwalend naar de woning van bazin Damhout.</p>
+ <p>Zij verscheen in de kamer met het voorschoot voor de oogen. Adriaan Damhout was
+ reeds terug naar zijne fabriek; maar dewijl het Donderdag en schoolverlof was, zat
+ Bavo nog nevens zijne moeder bij de tafel.</p>
+ <p>De jongen sprong met eenen gil van zijnen stoel op, greep het meisje de hand en
+ vroeg:</p>
+ <p>"Lieveken, gij krijscht? Wie heeft er u kwaad gedaan?"</p>
+ <p>Maar Lieveken begon luide te snikken en scheen ontroostbaar.</p>
+ <p>"Nu, Godelieve, spreek, wat is u geschied? Het zal niet erg zijn," zeide moeder
+ Damhout.</p>
+ <p>"Ach, ik mag niet meer leeren lezen!" zuchtte het kind.</p>
+ <p>"Hoe? Waarom? Het kan niet zijn!" morde Bavo met eene uitdrukking van ongeloof en
+ tevens van opstand.</p>
+ <p>"<!-- Page 41 -->Neen, ik mag niet meer leeren lezen, nooit meer. O, Bavo, ik kan
+ reeds bijna lezen, en nu moet ik geweld doen om het weder te vergeten!"</p>
+ <p>"Wie, wie zegt dit?" kreet de jongen.</p>
+ <p>"Mijn vader heeft het gezegd, en er is niets aan te doen," antwoordde het droeve
+ Lieveken.</p>
+ <p>"Uw vader!" herhaalde Bavo met schrik.</p>
+ <p>"Ja, en morgen van te zes uren moet ik naar het kantwerkhuis, en ik mag nooit een
+ boek meer in de hand nemen, dat vader het zie. Och God, wat ben ik ongelukkig!"</p>
+ <p>Luider nog begon zij te krijschen; de tranen biggelden van tusschen hare
+ vingeren.&mdash;Bavo, door medelijden ontroerd, liet het hoofd op de tafel vallen en
+ begon insgelijks te weenen.</p>
+ <p>Gedurende eenigen tijd deed vrouw Damhout pogingen om de kinderen te troosten;
+ maar zij gelukte er niet in. Om hun eenigen moed te geven, beloofde zij eindelijk,
+ dat zij moeder Wildenslag zou gaan spreken, en zij drukte de hoop uit, dat zij
+ misschien het pijnlijk vonnis zou kunnen verbidden.</p>
+ <p>Haastig schikte zij alles in de kamer, en zeide dan tot het meisje:</p>
+ <p>"Zijt gij wel zeker, Lieveken, dat uwe ouders beslist hebben u naar het
+ kantwerkhuis te doen?"</p>
+ <p>"Zeker, bazin Damhout, reeds van morgen vroeg."</p>
+ <p>"Zij weten dus niet wat een kantwerkhuis is?"</p>
+ <p>"Ik geloof, dat zij het wel weten. Dit is niets, bazin Damhout; ik wil wel naar
+ het kantwerkhuis gaan, ik zal er mijn best doen zooveel ik kan; maar dat ik niet mag
+ leeren lezen, daarom heb ik zooveel verdriet."</p>
+ <p>"Welnu, blijf hier; ik ga naar uwe moeder. <!-- Page 42 -->Krijsch niet meer.
+ Misschien kom ik terug met goed nieuws."</p>
+ <p>Eenige oogenbliken daarna trad vrouw Damhout in de woning van Wildenslag.</p>
+ <p>"Wel goeden dag, Christina, wat geluk u hier te zien!" riep de moeder van
+ Godelieve. "Zijt gij op den wandel? Het gebeurt u niet veel. Ik heb daar juist koffie
+ opgeschonken, omdat het vuur toch aan was. Wij gaan een lekker kopje te zamen
+ drinken....</p>
+ <p>En gij daar, vuile bengels, de deur uit, totdat ik u roepe, of anders zal het
+ troef op uwen rug zijn!... Nu, zit neer, Christina, wij zijn alleen en kunnen op ons
+ gemak een beetje kouten."</p>
+ <p>"Het is om een beetje te kouten, dat ik gekomen ben, Lina," antwoordde vrouw
+ Damhout, zich nederzettende. "Is het inderdaad waar, dat gij besloten hebt uwe
+ Godelieve op het kantwerkhuis te doen?"</p>
+ <p>"Het is waar, Christina. Ik hadde haar nog wel eenigen tijd te huis gelaten. Het
+ kind is nog niet van de sterksten; maar mijn man houdt niet af, en hij heeft
+ misschien gelijk. Hoe vroeger men de kinderen aan het werk gewent, hoe beter. Dan
+ brengen zij al gauw iets of wat in het huishouden. Gij trekt zulk aardig gezicht,
+ Christina? Verwondert het u, dat wij onze Godelieve naar het kantwerkhuis doen
+ gaan?"</p>
+ <p>"Het bedroeft mij."</p>
+ <p>"Waarom toch?"</p>
+ <p>"Ik ga het u zeggen, Lina; en vermits gij moeder zijt en een goed hart hebt, zult
+ gij mij begrijpen, ik hoop het ten minste. Gij weet misschien niet wat een
+ kantwerkhuis is? Ik weet het, ik heb er een paar jaren op eenen stoel genageld
+ gezeten, en ik zou <!-- Page 43 -->misschien daar eenen vroegen dood mij op den hals
+ gehaald hebben, hadde mijn goede peter zaliger, God zegene hem, mij niet van daar
+ weggenomen om mij naar de school te laten gaan. Ziet gij, Lina, in zulk kantwerkhuis
+ zitten de arme kleine meiskens van den vroegen morgen tot den laten avond over een
+ kantkussen gebogen. Men laat toe, dat de kinderen een oogenblik ademhalen. Nooit
+ opzien, nooit verroeren; altijd werken met gekromde leden en verpletterde borst. Dit
+ eeuwig zitten maakt de kinderen bleek en ziekelijk; velen groeien er krom van,
+ eenigen krijgen een bult, en het ergste van al is, dat, met hun zoo langzaam de borst
+ in te drukken, men dien ongelukkigen kinderen de tering in het lijf steekt. Och, wist
+ gij, Lina, hoevele jonge vrouwen er begraven worden, die in het kantwerkhuis den
+ doodelijken knak gekregen hebben!"</p>
+ <p>"Hemel, gij verschrikt mij!" zuchtte bazin Wildenslag. "Maar het is zeker niet
+ waar, wat gij daar altemaal zegt!"</p>
+ <p>"Het is ten minste grootendeels waar, Lina. Ik weet het, er zijn sterke kinderen,
+ die wel niet ziek worden, omdat zij op het kantwerkhuis zijn geweest; maar had ik een
+ kind, dat zoolang ziek was als Godelieve, ik zou het niet durven wagen hare
+ gezondheid te krenken en misschien de schuld te worden des doods van mijn kind. Ik
+ ben moeder...."</p>
+ <p>"Maar ik ook, ik ben moeder!" kreet bazin Wildenslag.</p>
+ <p>"Ik weet het, Lina," was het stille antwoord. "Had ik kunnen twijfelen aan uwe
+ liefde voor uwe kinderen, gij zoudt mij vandaag hier niet gezien hebben. Godelieve is
+ mij komen zeggen, dat gij <!-- Page 44 -->besloten hebt ze morgen naar het
+ kantwerkhuis te doen gaan. Mij raakt de zaak wel niet persoonlijk; maar gij zult het
+ mij vergeven, dat ik uw kind gaarne zie. Zij is toch zoo minzaam en zoo verstandig,
+ en zij heeft zulk goed en zuiver hart. Het doet mij pijn, te moeten denken, dat het
+ arme lam misschien de borst zal worden ingedrukt, om vroegtijdig te sterven."</p>
+ <p>"Maar, Christina, zij gaat niet naar het kantwerkhuis!" riep vrouw Wildenslag met
+ eene soort van verontwaardiging. "Ik ben arm, ik ben eene onwetende sloor, dit beken
+ ik; maar ik heb ook een moederhart in het lijf; ik zal mijn kind de borst niet laten
+ indrukken, al gave men mij eenen hoop goud!"</p>
+ <p>"Dit vereert u in mijne oogen, Lina," zeide bazin Damhout, "dat gij uw arm
+ Godelieveken zoo oprecht bemint ... maar uw man?"</p>
+ <p>"Mijn man? Wat heeft hij zich daarmede te bemoeien? Godelieve is een meisje, en
+ over de meisjes is de moeder alleen meesteres. Dat hij met zijne bengels van jongens
+ doe wat hij wil; ik kom daar ook niet tusschen. Wees niet bevreesd, Christina; al
+ verroerde hij hemel en aarde, onze Lieveken zou toch niet naar het kantwerkhuis gaan.
+ Het is beslist; ik kan niet weten, of gij geheel gelijk hebt, maar met den schrik,
+ dien gij mij hebt aangejaagd, zou ik nog niet plooien, al stond ik voor den koning
+ zelven."</p>
+ <p>De beide moeders drukten elkander de handen; bazin Wildenslag scheen zeer gevleid
+ door den lof en de vriendschap harer buurvrouw, en het was met onverborgene
+ blijdschap, dat zij haar aandreef om nog een kopje koffie te drinken.
+ <!-- Page 45 -->Eindelijk zeide zij in gedachten:</p>
+ <p>"Zeker, Godelieve gaat niet naar het kantwerkhuis; maar zij kan toch niet langs de
+ straat blijven loopen? Haar vader knort dagelijks daartegen, en hij heeft geen
+ ongelijk. Zij is nog te jong om naar de fabriek te gaan. Wat zou ik met het kind
+ doen, Christina?"</p>
+ <p>"Indien ik u eenen goeden raad mocht geven...."</p>
+ <p>"Wel, het is naar goeden raad, dat ik u vraag."</p>
+ <p>"In uwe plaats liet ik Godelieve voor een paar jaren naar de school gaan."</p>
+ <p>"Naar de school gaan? Ons Lieveken naar de school? Waar zijn toch uwe zinnen,
+ Christina?" riep vrouw Wildenslag als verbaasd. "Hebben wij, arme fabriekwerkers, de
+ middelen, om van ons kind eene juffrouw te maken, die niet meer zou willen en kunnen
+ werken?"</p>
+ <p>"Gij verstaat mij niet, Lina," bemerkte vrouw Damhout. "Lieveken kan, om zoo te
+ zeggen, reeds lezen. Indien ze nu nog twee jaren naar de school gaat, zou ze geleerd
+ zijn en goed kunnen schrijven en rekenen. Dan deed ik ze bij eene kleermaakster of op
+ een modewinkel. Zij zou dienvolgens ook leeren werken, maar zij zou niet
+ onwederroepelijk veroordeeld blijven, om tot het einde van haar leven eenvoudige
+ werkster en dienstmeid van anderen te blijven. Met hare geleerdheid zou zij zeker
+ winkeldochter worden, en later zou ze zonder twijfel zelve eenen winkel oprichten en
+ meesteresse worden. Het verwondert u? De geleerdheid, Lina, maakt den mensch tot
+ alles bekwaam. Voor ons, onwetende werklieden, is er geene verbetering mogelijk; wat
+ wij zijn, moeten wij blijven tot onzen dood; maar geven <!-- Page 46 -->wij onzen
+ kinderen de geleerdheid, dan zetten wij de wereld geheel open voor hen, en wij nemen
+ van hun hoofd de vermaledijding weg, de onwetendheid, die hen veroordeelde tot een
+ leven zonder hoop."</p>
+ <p>Bazin Wildenslag luisterde met wijdgeopende oogen; zij scheen niet wel te
+ begrijpen, wat hare buurvrouw zeide.</p>
+ <p>"Vooronderstel nu eens, Lina," hernam deze, "dat uwe Godelieve winkeldochter
+ worde, en later zelve meesteresse; dat zij veel geld winne en als eene ware juffrouw
+ gekleed ga. Zou u dit bedroeven? Is het geluk van haar kind de hoogste vreugde eener
+ moeder niet?"</p>
+ <p>"Inderdaad, Christina."</p>
+ <p>"En indien gij, met de hand op het hart, u zelve mocht zeggen, dat gij, gij alleen
+ de oorzaak zijt van hare welvaart in de wereld, zou het u niet hoogmoedig maken?"</p>
+ <p>"Ja, maar zou zij dan hare arme ouders wel blijven beminnen?"</p>
+ <p>"Waarom niet? Is de dankbaarheid dan vijandin van de liefde? Integendeel, ik ben
+ wel zeker, dat Godelieve nooit uwe weldaad zou vergeten en tot op haren ouden dag nog
+ in zich zelve zou zeggen: mijn geluk, mijne welvaart ben ik verschuldigd aan mijne
+ moeder. Uwen naam zou zij zegenen, haar leven lang, en zij zou God bidden, dat Hij u
+ in Zijnen schoonen hemel beloone voor uwe goedheid."</p>
+ <p>Vrouw Wildenslag was getroffen; hare oogen schenen vochtig van ontroering.</p>
+ <p>"En dan, ziet gij, Lina, de verstandige lieden zouden u achten en prijzen. Zij
+ zouden zeggen: die juffrouw, de meesteresse van dien schoonen modewinkel,
+ <!-- Page 47 -->is de dochter van bazin Wildenslag. De arme werkmansvrouw
+ heeft moed getoond; zij heeft hare dochter laten leeren en dus haar geluk in de
+ wereld verzekerd."</p>
+ <p>"Het is wel schoon wat gij daar zegt," zuchtte de moeder van Godelieve, "maar zoo
+ valt het niet altijd uit."</p>
+ <p>"En ware de zaak onzeker, zoudt gij daarom Lieveken tot eeuwige armoede
+ veroordeelen, als gij het middel kent om haar een beter lot te bezorgen? Zijt gij
+ niet moeder, en zou de overtuiging, dat gij uwen plicht hebt gedaan, u niet
+ hoogmoedig en blijde maken voor gansch uw leven?"</p>
+ <p>"Naar de school gaan, het is gemakkelijk te zeggen," mompelde vrouw Wildenslag,
+ het hoofd schuddende, "maar het geld, de kosten?"</p>
+ <p>"Daar loopen geene kosten op, Lina. Bij de Zusters-ten-Nonnenbosch, achter
+ St.-Anna-Kerke, zal men uw kind met vreugde ontvangen en het kosteloos leeren,
+ zoolang gij wilt. Wat zijn die twee jaren? Lieveken kan toch niets winnen, en, eens
+ geleerd, zal zij zooveel te spoediger bekwaam zijn om een schoon dagloon te
+ verdienen. Wees zeker, indien gij mijnen raad volgt, zult gij er mij later om
+ bedanken."</p>
+ <p>Moeder Wildenslag boog het hoofd en zag zwijgend ten gronde.</p>
+ <p>"Welnu, wat denkt gij van mijnen raad?" vroeg hare buurvrouw.</p>
+ <p>"Laat mij overwegen; het is eene gewichtige zaak. Ja, ik ben moeder, en het geluk
+ van mijn kind...."</p>
+ <p>Eensklaps sprong zij recht, liep tot eene kas, <!-- Page 48 -->drukte zich eene
+ zuivere muts op het hoofd en wierp zich eenen katoenen mantel over de schouders.</p>
+ <p>"Kom, Christina," riep zij, "ga mede met mij!"</p>
+ <p>"Maar wat wilt gij doen?" vroeg bazin Damhout verwonderd.</p>
+ <p>"Wat ik wil doen? Ik heb nu een goed gepeins, en ik ben vervaard, dat het zou
+ kunnen veranderen. Z&oacute;&oacute; ben ik. Het moet maar seffens gedaan worden,
+ anders komt het er niet van. Wij gaan naar de Zusters, om te zien, of zij mijne
+ Godelieve op hunne school willen toelaten."</p>
+ <p>"Moet gij niet eerst uwen man daarover raadplegen?"</p>
+ <p>"Denk daar niet aan. Van een beetje lawijd en eenen avond gegrom zal ik niet ziek
+ worden. Lieveken is mijn kind, en als de zaak eens afgedaan en geklonken is, zal haar
+ vader zooveel te gemakkelijker te overwinnen zijn. Kom, kom, geen tijd verloren. Gij
+ kunt schoon en beleefd spreken, Christina, doe gij het woord bij de Zusters, dan
+ geraken wij seffens klaar, indien het mogelijk is."</p>
+ <p>De beide vrouwen verlieten het huis en verdwenen onmiddellijk achter den hoek der
+ stege.</p>
+ <p>Intusschen wachtten Bavo en Lieveken met koortsig ongeduld op de terugkomst van
+ vrouw Damhout. In het eerst hadden zij elkander getroost met de hoop op goed nieuws;
+ maar dewijl Bavo's moeder zoolang weg bleef, ontzonk hun eindelijk de moed
+ geheel.</p>
+ <p>Nu zaten zij sedert een half uur zwijgend te treuren, toen eensklaps de deur werd
+ geopend en zij hunne moeders zagen verschijnen. Bevend sprongen <!-- Page 49 -->gij
+ recht; hoop en vrees glinsterden in hunne wijdgeopende oogen.</p>
+ <p>"Godelieve," zeide bazin Wildenslag met groote blijdschap, "gij moet niet naar het
+ kantwerkhuis! Morgen gaat gij naar de school, bij de Zusters-ten-Nonnenbosch, en gij
+ zult mogen leeren gelijk Bavo!"</p>
+ <p>Een blijde kreet ontsnapte het gelukkige Lieveken; zij omhelsde hare moeder en
+ vrouw Damhout; zij greep Bavo bij de handen en danste juichend met hem de kamer
+ rond.</p>
+ <p>"Ik mag naar de school gaan, ik mag leeren, gelijk gij, Bavo!" riep zij, in de
+ handen kletsend. "Hoe goed, hoe schoon!"</p>
+ <p>En zij stortte zich vermoeid tegen de borst harer moeder, streelde haar de wangen
+ met de beide handen en stamelde op den toon eener diepgevoelde dankbaarheid:</p>
+ <p>"Ach, moeder lief, ach, moeder lief, wat zijt gij goed voor uw arm Lieveken. O,
+ wat zie ik u gaarne! Wat zal ik u altijd gaarne zien, mijn geheel leven lang!"</p>
+ <p>Bazin Wildenslag veegde zich eenen traan uit de oogen. Zulke moederlijke fierheid,
+ zulke zuivere, innige blijdschap had ze nog nooit gevoeld. Het scheen haar, dat er
+ iets in hare natuur was veredeld geworden: zij had ten minste dit besef van eigene
+ waardigheid, dat als eerste belooning van eenen grooten vervulden plicht in den
+ mensch ontstaat.</p>
+ <p>"Kom, Lieveken," zeide zij, "laat ons naar huis gaan. Ik moet eens goed al uwe
+ kleederen nazien en u een nieuw paar schoenen koopen. De kinderen op de
+ <!-- Page 50 -->school zijn altemaal zoo netjes, en ik wil niet, dat daar iets op
+ mijne kap te zeggen valle."</p>
+ <p>In het uitgaan drukte zij met bijzondere kracht de hand van vrouw Damhout, en
+ zeide tot allen groet:</p>
+ <p>"Dank, dank!"</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="V" name='V'></a>
+ <h2><!-- Page 51 -->V</h2>
+ <br />
+
+ <p>Lieveken was ter schole bij de Zusters. Hoe fier en hoe gelukkig gevoelde zich het
+ arme kind, wanneer zij, met hare leerboekjes en hare schalie in de hand, door de
+ stege stapte! Nu zou zij het onderwijs genieten evenals Bavo. Zij was dus een
+ bevoorrecht wezen tusschen al deze arme werkmanskinderen, die niet mochten ter schole
+ gaan. De overtuiging, dat zij het voorwerp was van eene onverwachte en bijzondere
+ gunst, dreef haar aan tot eene ongewone vlijt. Elken avond herhaalde zij hare lessen
+ met Bavo. Dewijl zij eenen helderen geest en een sterk geheugen had, deed zij met dit
+ dubbel onderwijs in min dan een jaar zulke groote vorderingen, dat hare
+ leermeesteressen zelven er over verwonderden. Daarenboven, zij was zoo gehoorzaam,
+ zoo dankbaar, zoo streelend, dat de Zusters haar met eene bijzondere voorliefde
+ behandelden, en allengs trotsch werden over de verrassende vruchten van hun onderwijs
+ in dit arme werkmanskind.</p>
+ <p>Vader Wildenslag had nooit rechtzinnig toegestemd om zijn meisje ter schole te
+ laten gaan. Hij gromde nog immer tegen deze gevaarlijke gekheid, zooals hij het
+ noemde; en wanneer hij met zijne <!-- Page 52 -->vrouw er over sprak, vielen er vele
+ grammoedige en bittere woorden. Het was zijne ingewortelde gedachte, dat het
+ onderwijs een werkmanskind onfeilbaar moet verloren leiden; want volgens hem sproten
+ uit de geleerdheid de zucht naar schoone kleederen, hoovaardij en vele ergere dingen.
+ Het minste kwaad was nog, dat de kinderen, welke dus boven hunnen staat verheven
+ worden, eindelijk van hoogmoed op hunne ouders nederzien. Daarenboven, terwijl ze
+ leeren, winnen ze niets, en dit is zooveel ontstolen aan de ouders, die recht hebben
+ op het werkloon hunner kinderen. Hij was niet alleen van dit gevoelen; zijne vrouw
+ mocht het vragen aan al hare geburen; buiten bazin Damhout zou geen enkele anders
+ spreken. In het eerst had hij, door zijne herhaalde aanvechtingen en bovenal door
+ zijne droeve voorspellingen, zijne vrouw in twijfel gebracht; maar nu waren allengs
+ zijne woorden onmachtig op haar geworden.</p>
+ <p>Lieveken woonde dikwijls de samenspraken bij, waarin er over haar lot werd
+ getwist: zij hoorde en zag bevend, hoe hare moeder haar verdedigde en hoe zij te
+ lijden had om haar op de school te houden. Het kind wist zulke zoete woorden, zulke
+ teedere streelingen te vinden om hare moeder te troosten; zij drukte hare
+ dankbaarheid met zooveel gevoel en kracht uit, dat bazin Wildenslag soms haar
+ beminlijk Lieveken tegen de borst drukte en diep ontroerd haar omhelsde.</p>
+ <p>Uit erkentenis voor hare moeder, poogde Lieveken zich op alle wijze nuttig te
+ maken. Zij stond op met het krieken van den dag, schikte, kuischte en schuurde, en
+ deed zooveel, dat het huisje van Jan Wildenslag allengs een min onzindelijk aanzien
+ <!-- Page 53 -->kreeg. Zij sprak tevens met hare moeder over hetgeen zij op de schole
+ leerde en over de schoone lessen van zedelijkheid en van wellevendheid, welke de
+ Zusters haar gaven. Zoo begon het kind, zonder het te weten, de opvoeding harer
+ moeder, en het wierp in haar hoofd de eerste lichtstralen, welke er ooit waren in
+ doorgedrongen.</p>
+ <p>Bazin Wildenslag, hoe woest en onwetend ook, had een goed hart en veel gezonde
+ rede. Wanneer zij alleen was met Lieveken en zij het kind zoo eenvoudig en toch zoo
+ schoon hoorde spreken van haar onbekende dingen, van godsvrucht, van zedelijkheid en
+ van de menschelijke plichten, gevoelde zij zich in eene andere lucht, en het scheen
+ haar, dat hare eigene natuur door de aanraking van haar kind zich verhief en zich
+ louterde.</p>
+ <p>Ook zeide zij soms tot hare buurvrouw: "Zie, bazin Damhout, wij, arme lieden, wij
+ denken, dat wij dom en slecht zijn. Het is niet waar. Het goede steekt er in, maar
+ niemand heeft het er doen uitkomen. Hadden mijne ouders mij beter opgebracht en mij
+ laten leeren, ik zou een ander mensch geworden zijn; want nu gevoel ik het wel, ik
+ ben zoo bot niet als ik zelve het meende. Ware het nog te herdoen! Maar het is te
+ laat, gebuurvrouw. Ik heb nu toch het geluk, te weten, dat mijne Godelieve goed zal
+ geleerd worden. Zij is een engeltje in mijn huis; en mijn man mag mij vervaard maken
+ zooveel hij wil, ik ben zeker dat ik plezier in mijn kind zal hebben zoolang ik leef.
+ Wat hare broeders en zusters betreft, kleinen en grooten, daar is niets goeds van te
+ verwachten. Zij staan tegen mij op, alsof ik geboren ware om hunne slavin en hunne
+ dienstmeid te zijn. <!-- Page 54 -->Ik heb al moeite gedaan om de kleinste naar de
+ school te krijgen; maar Wildenslag springt vijf voet hoog van gramschap, zoohaast ik
+ daarvan spreek."</p>
+ <p>Misschien had de tevredenheid van vrouw Wildenslag nog eene andere reden. Zij was
+ naar de school van Lieveken gegaan. De Zusters hadden haar met eene bijzondere
+ beleefdheid en met eene zichtbare blijdschap ontvangen; haar de wonderlijke
+ vorderingen van haar kind geroemd; haar hoog geprezen, omdat zij, nederige
+ werkmansvrouw, haar kind liet leeren, en haar eindelijk, tot overmaat van
+ vriendelijkheid, op eene lekkere koffie onthaald.</p>
+ <p>Natuurlijk, zulk eerbewijs en de uitbundige lof over haar zelve en over haar kind
+ hadden haar het hoofd duizelig gemaakt, en zij was uit de school teruggekeerd met het
+ vaste opvat, Godelieve zoolang mogelijk te laten leeren.</p>
+ <p>Daaruit volgde, dat, als de twee jaren verloopen waren, zij allerlei listen
+ uitvond en zelfs openlijk tegen haren man in opstand kwam, om haar meisje nog eenige
+ maanden langer op de school te laten.</p>
+ <p>Alles was echter geene vreugde in het leven van Lieveken. Hare broeders en
+ zusters, waarvan er reeds drie op de fabriek werkten, hadden voor haar eene soort van
+ haat opgevat. Het scheen hun eene schreeuwende onrechtvaardigheid, dat Godelieve,
+ zonder geld in huis te brengen, in luiheid mocht leven.&mdash;Onrechtvaardigheid
+ vanwege de ouders was het zeker, dat zij al hunne kinderen niet hadden laten leeren;
+ maar zoo verstonden de woestaards het niet. Op Lieveken alleen meenden zij zich te
+ moeten wreken. Zij noemden haar spottenderwijze de <i>Mammezel</i>, scholden haar uit
+ voor eene leegloopster, eene <!-- Page 55 -->opvreetster, mishandelden haar,
+ bevuilden of scheurden hare boeken en schenen eene samenspanning te hebben aangegaan
+ om het arme meisje te bedroeven en te plagen.</p>
+ <p>Godelieve verdroeg alles met een engelachtig geduld; slechts wanneer men hare
+ schrijfboeken bemorste of beschadigde, weende zij in stilte, omdat zij vreesde in de
+ school door de Zusters te worden bekeven.</p>
+ <p>Elken dag, zoohaast het avondmaal was ge&euml;indigd, ging zij met hare boeken
+ naar het huis van bazin Damhout. Daar las en schreef zij aan de zijde van Bavo,
+ ontving zijne terechtwijzingen en zijne lessen met een liefderijk gemoed, en speelde
+ dan nog wat, en koutte misschien met haren jongen vriend van hetgeen zij beiden
+ meenden of hoopten later in de wereld te zullen worden.</p>
+ <p>Bazin Damhout arbeidde zonder ophouden aan het naaien van kielen of van ander
+ lijnwaden kleedergoed. Dewijl haar oudste meisje nu insgelijks naar de school ging,
+ moest zij pogen wat meer geld te winnen, om haren man niet te laten gevoelen, dat het
+ onderwijs der kinderen, ofschoon kosteloos, toch wel eenige opoffering vergde.</p>
+ <p>Niet zelden wanneer Adriaan Damhout in gezelschap van Jan Wildenslag was geweest,
+ keerde hij naar huis met een versomberd gelaat, en dan ontsnapten hem treurige
+ bemerkingen, die genoeg lieten blijken, dat hij nog altijd ongerust was aangaande de
+ gevolgen der al te hooge opvoeding, welke zijne vrouw aan hare kinderen gaf.</p>
+ <p>Misschien dat de arme moeder niet geheel zonder vrees of twijfel was; want zij
+ hield niet op van Bavo <!-- Page 56 -->en Lieveken, onder alle vormen en bij elke
+ gelegenheid, de dankbaarheid en de liefde tot hunne ouders als eenen heiligen plicht
+ aan te prijzen. Alsof zij, door eene geheime inspraak harer ziel, gevoelde, dat
+ geleerdheid niet voldoende is om alleen den mensch te vormen, legde zij met eene
+ teedere oplettendheid in het hart van haren zoon en in het hart van Lieveken de
+ kiemen van het diepste plichtgevoel en van de zuiverste deugden neder.</p>
+ <p>Zij was sedert jaren gewend aan de tegenwoordigheid der kleine Godelieve; nu vond
+ zij haar geluk in de zoete vriendschap der kinderen voor elkander en in hunne
+ ijverige leerzaamheid. Zij aanschouwde eenigszins het goede meisje als haar eigen
+ kind. Was zij de oorzaak niet, dat zij naar de schole ging? En gaf deze weldaad haar
+ het recht niet om Godelieve uitzonderlijk te beminnen?</p>
+ <p>Het meisje erkende hare liefde niet alleen door eene groote dankbaarheid, maar
+ tevens door een gevoel van diepen eerbied en van ontzag, dat zij zelfs op Bavo
+ overdroeg; want alhoewel zij aan zijne zijde leefde als zijne zuster en zijne
+ gelijke, bleef hij in hare oogen altijd een waardiger wezen, wiens vriendschap en
+ wiens edelmoedige bescherming zij onverdiend genoot.</p>
+ <p>Eindelijk toen Godelieve bijna gedurende drie jaar had ter schole gegaan, kon hare
+ moeder het niet langer tegen haren man volhouden, en er werd beslist, dat het meisje
+ met het begin der volgende week het gesticht der Zusters zou verlaten.</p>
+ <p>Wildenslag meende, dat men haar onmiddellijk op de fabriek moest doen; zij zou er
+ seffens eenige stuivers elken dag winnen, terwijl zij, om een handwerk
+ <!-- Page 57 -->te leeren, misschien nog wel gedurende twee jaar met eenen of twee
+ stuivers per week zou naar huis komen. Al die geldverkwisting, beweerde hij, had geen
+ ander gevolg dan eene pint bier en een brok vleesch uit zijnen mond en uit den mond
+ harer broeders en zusters te rooven. Het kwetste hem daarenboven, dat zijne dochter
+ op eenen juffrouwenstiel ging en niet fabriekwerkster bleef gelijk hare ouders.</p>
+ <p>Daarover echter behaalde hij geen gelijk. In den geest van vrouw Wildenslag was de
+ toekomst van Godelieve afgebakend zooals Bavo's moeder ze haar had voorspeld. Zij zou
+ kleermaakster worden, winkeldochter en eindelijk meesteresse; daar was niets aan te
+ doen, haar man mocht er tegen grollen en grimmen zooveel hij wilde.</p>
+ <p>Toen Lieveken met het onverwachte nieuws bij Bavo kwam en zeide, dat zij hare
+ school ging verlaten, was er eerst verrassing en dan stille treurnis. De kinderen
+ wisten niets daartegen in te brengen en onderwierpen zich; maar hunne oogen, wanneer
+ zij elkanders blikken ontmoetten, waren klagend, en uit Lievekens boezem ontsnapte nu
+ en dan een zucht. Het was zoo goed voor haar bij de Zusters; zij was er zoo bemind
+ geweest en zij droeg haren leermeesteressen zooveel dankbare genegenheid toe. Hare
+ goede weldoensters voor altijd vaarwel te zeggen, viel haar hart bitter en wreed.
+ Maar het kon niet anders: zij was arm in de wereld en moest een ambacht leeren, dit
+ wist zij wel.</p>
+ <p>Bazin Damhout zeide aan hare buurvrouw, dat zij niet mocht nalaten de Zusters van
+ hare beslissing te verwittigen, en bij deze gelegenheid hen duizendmaal
+ <!-- Page 58 -->en uit den grond des harten moest bedanken voor hunne goedheid.</p>
+ <p>Daar Lina reeds eens in het gesticht met bijzondere vriendelijkheid was onthaald
+ geworden, volgde zij den raad harer buurvrouw.</p>
+ <p>Wie het meest verrast en bedroefd schenen bij de onverwachte aankondiging, waren
+ de Zusters. Godelieve was eene leerlinge, op welke zij niet alleenlijk trotsch waren,
+ maar zij hadden allen het meisje bijzonder lief om hare voorbeeldige zedigheid en
+ ijver, en meer nog misschien om hare aandoenlijke dankbaarheid. Daarenboven,
+ Godelieve was hun reeds sedert eenige maanden behulpzaam geweest om de kleinste
+ meisjes te leeren spellen.</p>
+ <p>Nadat de Zusters de redenen van bazin Wildenslag hadden gehoord, staken zij de
+ hoofden bijeen en spraken eenigen tijd in stilte met elkander.</p>
+ <p>Dan zeide de oudste:</p>
+ <p>"Vrouw, het zou ons pijn doen, onze beste leerlinge nu reeds te moeten verliezen.
+ Wij waren fier op haar, en hadden ze wel gaarne nog een jaar behouden, om te doen
+ zien waartoe wij bekwaam zijn, als onze lessen in eenen goeden grond vallen. Zoudt
+ gij ze niet nog een beetje op onze school kunnen laten?"</p>
+ <br />
+
+ <div class="center">
+ <img src='images/059.png' width='600'
+ alt='Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit.'
+ title='Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit.' /><br />
+ <br />
+ <i>Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit.</i>
+ </div>
+ <p>"Onmogelijk, Zuster," antwoordde bazin Wildenslag met eenen zucht. "Ik wenschte
+ het ook wel. Vermits ik slechts &eacute;&eacute;n kind heb, dat heeft mogen naar de
+ school gaan, zou ik ze willen laten leeren zoolang ze kan; maar mijn man is niet meer
+ te stillen. Wij kunnen z&oacute;&oacute; niet leven. De kinderen kosten geld. Ik heb
+ er niet minder dan zes; en, gelooft mij of niet, ze eten ons waarlijk het haar van
+ het hoofd. Als <!-- Page 61 --><!-- Page 59 --><!-- Page 60 -->de kinderen hunnen
+ eigen kost niet verdienden, zoohaast ze groot genoeg zijn, dan moeten al de menschen
+ van onze soort naar de armen."</p>
+ <p>"En wanneer denkt gij, dat Godelieve, met den kleermakersstiel te leeren, haren
+ kost zou beginnen te verdienen?"</p>
+ <p>"Niet spoedig, Zusters, ik weet het wel: binnen twee jaar misschien, zoo
+ allengskens."</p>
+ <p>"Welnu, wij willen u een goed voorstel doen. Laat Godelieveken nog naar de school
+ komen. Zij zal hier het noenmaal en het avondmaal genieten, en zelfs het ontbijt,
+ indien gij wilt. Wij zullen eene bijzondere zorg aanwenden om haar goed te leeren
+ naaien. En zoohaast zij dertien of veertien jaar bereikt en wel onderwezen is, zullen
+ wij zelven haar op eenen winkel doen, bij eene meesteresse, die haar zal beschermen
+ en bevorderen. Zij zal dus den verloren tijd ruimschoots inwinnen. Bevalt u dit
+ voorstel?"</p>
+ <p>"Ach, menschen lief, wat zijt gij toch goed voor mijn arm kind!" riep moeder
+ Wildenslag met de tranen in de oogen. "Dat God u beloone voor uwe liefdadigheid. Ja,
+ ja, zeker, ik neem uw edelmoedig voorstel aan uit gansch mijn hart."</p>
+ <p>Zoo bleef Godelieve, ondanks de tegenwerpingen haars vaders, op de school der
+ Zusters.</p>
+ <p>Wat Bavo betreft, het is onnoodig te bevestigen, dat hij op de gemeenteschool
+ insgelijks zich onder al zijne medeleerlingen onderscheidde. Hij was in geleerdheid
+ oneindig verder dan Lieveken; hij had een schoon geschrift, was zeer geoefend in het
+ rekenen en had reeds eenige vorderingen in de Fransche taal gedaan. Zijne meesters
+ hadden hun genoegen in zijn <!-- Page 62 -->helder begrijp en in zijne leerzaamheid,
+ en roemden op zijnen spoedigen voortgang.</p>
+ <p>Daar zijne ouders hem voor den stiel van mekaniekmaker of van timmerman bestemden,
+ woonde hij sedert anderhalfjaar de lessen der teeken-academie bij, en alles liet
+ vermoeden, dat hij ook in dit nieuwe vak behendig worden zou.</p>
+ <p>Met al deze bezigheden, en alhoewel hij nu slechts te acht uren des avonds naar
+ huis kwam, vond hij nog tijds genoeg om spelenderwijze Lieveken voort te helpen in
+ hare eerste studie der Fransche taal, welke zij op hare school nu insgelijks had
+ begonnen te leeren.</p>
+ <p>Een gansch jaar verliep er dus, zonder dat eenige tegenspoed het stille geluk van
+ bazin Damhout en van beide kinderen kwam storen. Een enkel voorval&mdash;indien men
+ het voorval mag heeten&mdash;was van aard om aangeteekent te worden in hunne
+ herinnering.</p>
+ <p>Bavo had sedert eenigen tijd eene zonderlinge strekking tot eenzaamheid getoond.
+ Reeds tweemaal, wanneer zijne ouders des Zondags volgens gewoonte hem mede wilden
+ nemen op de wandeling, was hij alleen te huis gebleven, onder voorwendsel dat hij
+ veel schoolwerk had af te maken. Zijne moeder had hem eens verrast, terwijl hij met
+ angstige haast iets voor haar verborg.</p>
+ <p>Wat mocht hem dus bezighouden? Hij wilde het niet zeggen; hij ontweek alle
+ uitleggingen daarover, en bazin Damhout was niet zonder kommer, alhoewel zij niet
+ juist wist wat zij vreesde.</p>
+ <p>Op zekeren avond kwam Bavo te huis van de school; hij scheen uitermate blijde,
+ liep van den <!-- Page 63 -->eenen kant der kamer naar den anderen met zichtbaar
+ ongeduld en deed niets dan in zich zelven zeggen:</p>
+ <p>"Is Lieveken nog niet gekomen? Waar blijft toch Lieveken? Indien zij eens dezen
+ avond niet kwame!"</p>
+ <p>En als bazin Damhout hem vroeg, wat hem zoo aanjaagde, antwoordde hij
+ lachende:</p>
+ <p>"Gij zult het straks zien, moeder lief, en dan zult gij weten, wat ik voor u hield
+ verborgen."</p>
+ <p>"Ha, ha, daar is Lieveken!" riep hij uit.</p>
+ <p>Het meisje aanschouwde hem verbaasd en keek rond om te raden, wat hem zoo vroolijk
+ maakte.</p>
+ <p>"Welken dag van het jaar zijn wij?" vroeg hij haar.</p>
+ <p>"Ik weet het niet," stamelde zij. "In de maand Juli...."</p>
+ <p>"Welnu, zie eens in dezen almanak, daar op den zesden der maand, welke heilige
+ staat daar?"</p>
+ <p>"Sinte-Godelieve!" zeide het meisje met verwondering.</p>
+ <p>"Ja, Godelieve, het is uw dag," juichte hij. "Ik ga u besteken; ik heb een
+ geschenk voor u. Eene maand lang heb ik in het geheim er aan gewerkt. Gij moogt er
+ niet mede lachen en moeder ook niet. Ik heb gedaan wat ik kon."</p>
+ <p>Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit, legde dit op de
+ tafel en riep:</p>
+ <p>"Zie, Lieveken, zie, moeder, daar is mijn geschenk!"</p>
+ <p>Op het blad papier stonden de beelden van twee kinderen, met waterverf gekleurd,
+ een jongen en een meisje, hand aan hand, en houdende elk in de hand, die hun vrij
+ bleef, een open boek. Er was een breede, driekleurige band rondgeschilderd, en deze
+ bonte <!-- Page 64 -->verven gaven het eenen grooten glans. Ongetwijfeld had Bavo
+ geweld gedaan om zijne eigene beeltenis en die van Lieveken na te bootsen; de
+ kleederen geleken klaarblijkend; maar het geheel was een zoo gebrekkig en grof
+ kinderwerk, dat men moeilijk het inzicht des makers hadde kunnen raden, indien hij
+ niet onder de beelden in groote letteren hadde geschreven: BAVO EN LIEVEKEN.</p>
+ <p>Verrast en schier droef, omdat het kleine meisje beweegloos bleef en niet juichte,
+ zeide hij beschaamd:</p>
+ <p>"Ja, Godelieve, het is niet goed, ik weet het wel. Ik heb het gemaakt om te
+ lachen; het is eene gedenkenis van dat wij te zamen hebben leeren lezen."</p>
+ <p>Godelieve boog het hoofd en begon in stilte te weenen; de tranen rolden als
+ parelen uit hare oogen.</p>
+ <p>"Wat is dit?" murmelde de verbaasde jongen. "Waarom weent gij nu?"</p>
+ <p>"Ik weet het niet," was het antwoord, "omdat gij zoo goed voor mij zijt."</p>
+ <p>"Kom, kom, het is maar spel," riep Bavo. "Hadde ik geweten, dat het beeldeken u
+ moest bedroeven, ik hadde het aan stukken gescheurd."</p>
+ <p>"Ho, aan stukken scheuren!" gilde Lieveken met schrik. "Doe dit niet! Geef het
+ mij, als 't u belieft!"</p>
+ <p>"Wel, het is voor u, Lieveken, dat ik het heb gemaakt."</p>
+ <p>"Wees gedankt, Bavo; ik zal de gedenkenis uwer vriendschap zoo zorgvuldig
+ bewaren!"</p>
+ <p>Zij greep het blad papier van de tafel en, als verschrikte haar de gedachte, dat
+ het schoon geschilderd beeld haar nog kon worden ontnomen, liep zij er mede de deur
+ uit, roepende dat zij het hare moeder wilde toonen.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="VI" name='VI'></a>
+ <h2><!-- Page 65 -->VI</h2>
+ <br />
+
+ <p>Eindelijk was de tijd gekomen, dat Bavo de gemeenteschool zou verlaten, om als
+ leerjongen op een werkhuis van mekaniekmakers te gaan. Hij was meer dan veertien
+ jaar, en zijne opvoeding was voltrokken.</p>
+ <p>Toen de onderwijzer van dit besluit kennis gegeven was, kwam hij zelf in de woning
+ van Damhout, om den ouders van zijnen leerling te verzoeken en aan te raden, hunnen
+ zoon nog op de school te laten, ten minste tot de aanstaande prijsuitdeeling. Hij
+ twijfelde niet, of Bavo zou al de eerste prijzen der hoogste afdeeling behalen. Dus
+ zijne opvoeding sluiten als <i>primus</i> der school, zou hem een groote eer zijn, en
+ het kon hem een gewichtige titel op latere bescherming worden. De hoofdonderwijzer
+ had Bavo lief om zijn goed hart en zijnen wakkeren geest, en hij verborg den ouders
+ niet, dat hij er aan hield, zijnen beminden leerling de eer en blijdschap van de
+ zegepraal te zien genieten.</p>
+ <p>Er werd dienvolgens beslist, dat Bavo nog ter schole zou blijven tot de
+ prijsuitdeeling.</p>
+ <p>Sedert eene maand was Lieveken door hare leermeesteressen bij eene goede
+ kleermaakster geplaatst <!-- Page 66 -->geworden. Als beschermelinge der Zusters won
+ zij van den beginne af een frank per week.</p>
+ <p>Dit klein loon was oorzaak, dat Wildenslag nog dikwijls zijne vrouw van dwaasheid
+ beschuldigde, en haar poogde over te halen om Lieveken naar de fabriek te doen gaan.
+ Daar moeten de kinderen geene lange leerjaren onderstaan, en zij winnen er
+ onmiddellijk veel meer geld dan met welk ander ambacht. Evenwel, hoe onophoudend hij
+ ook daarover zijne ingewortelde meening uitdrukte, zijne vrouw wilde van zulk iets
+ niet hooren.</p>
+ <p>Des avonds, na de arbeidsuren, kwam Lieveken bij bazin Damhout. Zij had toch te
+ veel van hare woeste broeders en zusters te lijden; en hare moeder zelve spoorde haar
+ aan om bij hare brave buren den vrede en het stil vermaak te zoeken, welke zij in
+ haar huis niet vinden kon.</p>
+ <p>Uit gewoonte en uit neiging nam zij nog deel in de lessen van Bavo, of juichte op
+ voorhand met hem over de eer en het geluk, die hem zouden te beurt vallen bij de
+ aanstaande prijsuitdeeling der gemeenteschool.</p>
+ <p>Onverwachts ontstonden er gebeurtenissen, die de Gentsche nijverheid, en dus ook
+ de werklieden, aan harde beproevingen gingen onderwerpen. Vele vraagpunten, door de
+ omwentelingen van Frankrijk en van Belgi&euml; in 1830 geweldiglijk opgeworpen, waren
+ nog onbeslist gebleven. De onderhandelingen, tusschen de mogendheden machteloos
+ zijnde om tot vereffening te leiden, dreigden eenige der belanghebbende landen, door
+ de wapenen hun recht te doen gelden. Alle volkeren, door de vrees van eenen
+ Europeeschen oorlog aangedaan, riepen hunne krijgs<!-- Page 67 -->machten met grooten
+ spoed te zamen. Dit verwekte eenen algemeenen schrik, waarvan, volgens gewoonte,
+ handel en nijverheid de eerste slachtoffers werden. De overmatige voorraad van
+ stoffen in de magazijnen, eenige groote bankroeten te Londen en te Parijs, de opslag
+ van de ruwe katoen, spruitende uit het vooruitzicht eener belemmering in de
+ scheepvaart, dit alles bracht voort, dat de fabrikanten niet dan met verlies konden
+ laten werken en de meesten inderdaad hunne fabrieken sloten.</p>
+ <p>Twintigduizend menschen geraakten in Gent alleen zonder werk. Dewijl de arbeider,
+ zelfs wanneer hij veel geld wint en geene kinderen heeft, gewoonlijk aan den dag van
+ morgen niet denkt, vielen al deze lieden van een betrekkelijk welzijn eensklaps in de
+ diepste armoede. In het eerst vonden zij nog iets of wat bij de winkeliers en bakkers
+ te borgen; maar na vijftien dagen was deze hulpbron geheel opgedroogd, en dan kwamen
+ de honger en de ware ellende deze duizenden menschen met vrouw en kinderen wreedelijk
+ aangrijpen. Men zag ze in talrijke groepen op de markten staan of door straten
+ dwalen, met verbleekt gelaat en ontvlamden blik, morrend en dreigend en in schijn
+ gereed om door gewelddadigheid zich uit den bitteren nood te redden.</p>
+ <p>Door medelijden aangedreven en hopende, dat deze erge toestand niet zou
+ voortduren, boden eenige fabrikanten hunnen werklieden aan met zekere vermindering
+ van loon te werken; en op dien grond werden er inderdaad meer dan de helft der
+ nijverheidsgestichten geopend.</p>
+ <p>Maar een groot getal spinners en wevers verstieten de aangebodene voorwaarden met
+ gramschap, en <!-- Page 68 -->beschuldigden de fabrikanten, dat zij uit zelfzucht van
+ de omstandigheden gebruik maakten, om het werkloon neder te drukken. Na elkander
+ gedurende eene halve week te hebben opgehitst, verdoold door onwetendheid en honger,
+ liepen zij in stormige scharen naar de geopende fabrieken en wilden met geweld alle
+ werkzaamheid doen staken. Zij mishandelden hunne makkers, die, om toch brood voor
+ vrouw en kinderen te hebben, de tijdelijke loonsvermindering hadden aanvaard; zij
+ beschadigden de gebouwen en werktuigen, en leverden zich over aan gewelddaden, die de
+ tusschenkomst der gewapende macht noodzakelijk maakten.</p>
+ <p>Deze tooneelen van woest geweld boezemden den fabrikanten eenen grooten schrik of
+ eene diepe spijt in. Dan werden de fabrieken voor goed gesloten en de duizenden
+ werkmanshuisgezinnen in eene eindelooze ellende gedompeld.</p>
+ <p>Het was bovenal in de woning van Wildenslag, dat er nood en derving heerschte;
+ want daar waren de kinderen talrijk, en men was er gewoon zonder vooruitzicht en
+ zonder zorg op voorhand alles te verteren, wat er werd gewonnen. Moeder Wildenslag
+ had een wreed en bitter leven; al het verdriet en al de onwil van man en kinderen
+ vielen op haar, en zij hoorde den ganschen dag niets dan scheldwoorden en
+ verwijtingen, als ware zij inderdaad de slavin, die in het huishouden het natuurlijke
+ doel moest zijn van de ontevredenheid der anderen. Lieveken, die ook deel had in de
+ kwade bejegeningen harer broeders en zusters, was de eenige troost, die bazin
+ Wildenslag overbleef; want dit kind ten minste beminde en eerbiedigde haar, en het
+ weende tranen van liefde <!-- Page 69 -->en van medelijden op hare borst, wanneer de
+ overigen haar hadden mishandeld of gehoond.</p>
+ <p>In de woning der Damhouts deed de ellende zich zoo spoedig niet gevoelen. De
+ winkeliers hadden in hen meer vertrouwen, omdat zij bekend stonden als spaarzame
+ lieden, en gaven hun ook langer op borg. Daarenboven arbeidde moeder Damhout, wie
+ geen naaiwerk ontbrak, nu van het krieken van den dag tot elf uren des avonds zonder
+ ophouden. Misschien wel had de zorgende vrouw eenen kleinen spaarpot? Hare vlijt,
+ hare zucht om te beletten, dat haar man zich ooit over het onderwijs zijner kinderen
+ beklaagde, laat toe te vooronderstellen, dat zij iets had bewaard tegen eenen
+ onvoorzienen nood.</p>
+ <p>In het eerst ten minste ontbrak er niets in haar huishouden. Zij verzocht zelfs
+ dikwijls de arme Godelieve, die honger leed ongetwijfeld, met hen het avondmaal te
+ nemen; maar het meisje werd telkens rood bij zulke aanbieding en weigerde, zichtbaar
+ sidderend, alsof het gepeins van in dit huis eene aalmoes te ontvangen haar met
+ schrik en schaamte sloeg.</p>
+ <p>Nog altijd dwaalden de werklieden in de straten van Gent verhongerd en lijdend
+ rond. Van kindsbeen af aan eene enkele soort van arbeid, aan eene eenvormige en
+ beperkte beweging gewend, waren zij onbekwaam om tot eenig ander werk hunne toevlucht
+ te nemen. De gedachte daarvan kwam zelfs niet in hen op, en zij zouden veeleer zich
+ met gansch hun huisgezin van honger hebben laten sterven, dan in eenige andere
+ bezigheid ten minste eenen tijdelijken onderstand te zoeken.</p>
+ <p>Door den langen duur der werkstaking werd de <!-- Page 70 -->nood insgelijks
+ voelbaar voor het huisgezin der Damhouts. Inderdaad, wat de vrouw door haren drukken
+ arbeid met naaien kon verdienen was niet toereikend, om de huishuur te betalen en de
+ voeding van vijf personen te bekostigen. In de winkels begon men insgelijks
+ moeilijkheden tot langer borgen op te werpen.</p>
+ <p>Aangespoord door den ijver zijner vrouw, die, zooals hij zelf zeide, zich de
+ vingeren van de handen werkte, poogde Damhout in de stad werk te vinden om iets te
+ winnen. Het gelukte hem in de eerste week niet; want schrik voor den oorlog had meer
+ dan eene nijverheid verlamd, en er liepen honderden menschen rond om werk en om
+ brood.</p>
+ <p>Eindelijk toch, en hoezeer het hem, als spinner van ambacht, tegenstak, nam hij
+ aan met eenige anderen eene slijkige gracht en eenen vijver uit te delven en te
+ verdiepen.</p>
+ <p>Het bedroefde bazin Damhout uitermate, dat hij zulken arbeid had aanvaard, en zij
+ poogde hem te overtuigen, dat hij hem moest verlaten; er zou wel een middel zijn om
+ voort te sukkelen, totdat hij wat beters hadde gevonden, maar de man, die wanhopig
+ was over de werkeloosheid en niet langer al den last van het huishouden op zijne
+ vrouw wilde laten drukken, weerstond haar en begon des anderen daags den voor hem zoo
+ ongewonen arbeid.</p>
+ <p>Gedurende de eerste week hield hij het vol; hij was wel treurig in zijn hart en
+ tot bezwijkens toe vermoeid in al zijne leden, maar hij toonde er niets van en
+ veinsde voor zijne vrouw en kinderen eene stille welgemoedheid.</p>
+ <p>Op eenen namiddag evenwel kwam hij naar huis, <!-- Page 71 -->liet zich zwak en
+ ontzenuwd op eenen stoel vallen, en zeide, dat de koude koorts hem had bevangen. Hij
+ was inderdaad zeer bleek, en van tijd tot tijd doorliep eene zonderlinge siddering
+ zijne leden. Eene uitdrukking van geheime verschriktheid, eene kwaadvoorspellende
+ ontsteltenis zijns gelaats deden vrouw Damhout vreezen, dat haar man eene ernstige
+ ziekte kon hebben betrapt. Zij bedwong hare tranen om hem niet te verontrusten, deed
+ hem te bed gaan en kookte hem eenigen warmen drank, hem onderwijl troostende en hem
+ de hoop op eene spoedige herstelling insprekende.</p>
+ <p>Maar de toestand van Adriaan Damhout verergerde alle oogenblikken; hij had groote
+ pijn in het hoofd, hoestte met dor keelgeluid en klaagde over eene hevige steekte in
+ de zijde.</p>
+ <p>De bekommerde vrouw wist niet wat te doen; zij dorst haren zieken man niet alleen
+ laten, en evenwel moest er iemand in allerhaast naar den dokter loopen. In het over
+ en wedergaan zeide zij in stilte aan haar kleinste meisje, dat zij bazin Wildenslag
+ moest gaan verzoeken onmiddellijk te komen. Toen zij kort daarop de deur hoorde
+ openen, daalde zij de trappen af, vertelde aan hare buurvrouw hoe Damhout met eene
+ dreigende ziekte was naar huis gekomen, en verzocht haar bij zijn bed te waken,
+ totdat zij den dokter zou hebben kunnen gaan verwittigen.</p>
+ <p>Bij geluk vond vrouw Damhout den dokter te huis en gereed om uit te gaan. Hare
+ gebeden waren er niet noodig om hem tot een spoedig bezoek aan te sporen. Uit hare
+ verklarigen oordeelde hij, dat hij hier waarschijnlijk met eene geweldige
+ <i>pleuris</i> zo<!-- Page 72 -->u te doen hebben, en zulke kwaal is dikwijls
+ doodelijk, indien men ze niet onmiddellijk bestrijdt.</p>
+ <p>Zijn voorgevoel was gegrond; bij het bed van den zieke erkende hij eene
+ borstvliesontsteking, en gevolglijk was het eerste wat hij deed, den zieke de ader te
+ openen en hem zoolang bloed af te trekken, totdat hij in bezwijming viel.</p>
+ <p>Bij het gezicht van het bloed haars echtgenoots kon vrouw Damhout hare smart niet
+ meer bedwingen; zij borst in eenen tranenvloed los en bleef met de handen voor de
+ oogen weenen, terwijl bazin Wildenslag den dokter in zijn werk behulpzaam was.</p>
+ <p>Toen de geneesheer bemerkte dat de zieke tot zich zelven kwam, schreef hij een
+ briefje voor een fleschje en zeide:</p>
+ <p>"Men hale dit bij den apotheker, en geve er den lijder elk uur eenen koffielepel
+ van. Gij moogt zoo niet wanhopen, vrouw; de kwaal is wel erg, wanneer men er niet
+ intijds bij is, maar gij hebt wel gedaan mij seffens te komen roepen. Nu ben ik
+ schier zeker, dat ik uwen man geheel zal genezen; maar het kan nog weken duren,
+ vooraleer hij geheel hersteld zij. Hij zal nu waarschijnlijk lust hebben om te
+ slapen; stoor hem niet en spreek hem niet aan; hij heeft rust noodig. Gaat beiden
+ beneden; gij zult wel hooren wanneer hij iets verlangt. Bovenal, dat men hem geen het
+ minste voedsel geve of late nemen. Het zou hem doodelijk kunnen worden."</p>
+ <p>En met de vrouwen beneden gekomen, zeide hij nog, terwijl hij het huis
+ uitstapte:</p>
+ <p>"Hebt goeden moed; dezen avond zal ik wederkeeren om te zien, hoe het met onzen
+ zieke gaat."</p>
+ <p>Bazin Damhout liet zich op eenen stoel vallen en <!-- Page 73 -->begon nog
+ overvloediger te weenen. Uit hare verschrikte snikken kon men slechts nu en dan de
+ woorden: "mijn ongelukkige man! mijne arme kinderen!" verstaan.</p>
+ <p>Hare buurvrouw poogde haar te troosten en moed te geven. Of zij daarin gelukte en
+ of de bewustheid van haren plicht als echtgenoote en moeder de arme bazin Damhout
+ eenige kracht terugschonk, althans de tranen dezer laatste hielden op van
+ vlieten.</p>
+ <p>"Ja, Lina," zeide zij, "gij hebt gelijk: ik moet het hoofd recht houden, alhoewel
+ ik verga van droefheid en van angst. Ik ben alleen voor alles. Ach, mijn arme Bavo!
+ hoe zal ik hem zeggen, dat men zijnen vader al zijn bloed heeft afgetapt? Maar ik mag
+ zoo niet spreken. Ik zal pogen het hem te verbergen. Daar is het briefje, Lina; ik
+ kan mijnen zieken man niet verlaten. Zoudt gij de goedheid hebben, eens om het
+ fleschje te gaan?"</p>
+ <p>"Welke vraag?" antwoordde vrouw Wildenslag. "Zeker, men gromt en scheldt reeds ten
+ mijnent, omdat ik weg ben; maar om u dienst te bewijzen, zou ik al wel ergere dingen
+ willen uitstaan. Zoo alleen kunt gij niet blijven; ik zal u iemand zenden, die u
+ misschien eene betere hulp zal zijn dan eene betaalde dienstmeid."</p>
+ <p>Bazin Damhout, nu alleen zijnde, stilde haar klein meisje door troostende woorden,
+ luisterde met kloppend hart aan de trap en klom zelfs eens naar boven om haren angst
+ bevrediging te geven. Zij hoorde haren man ademhalen, zij maakte met inzicht eenig
+ gerucht; maar de zieke verroerde niet en scheen te slapen.</p>
+ <p>Dit gaf haar eenigen moed; zij daalde weder in de <!-- Page 74 -->benedenkamer,
+ zette zich op eenen stoel, vouwde de handen te zamen en begon met de oogen ten hemel
+ te bidden.</p>
+ <p>Daar trad Godelieve met het fleschje van den apotheker in de kamer. Zij zette het
+ op de tafel, naderde tot vrouw Damhout, omhelsde haar teederlijk en begon in stilte
+ op hare borst te weenen.</p>
+ <p>Het liefderijk medelijden van het meisje ontrukte vrouw Damhout nieuwe tranen;
+ maar nadat zij met Godelieve het ongeval van haren man gedurende eenigen tijd had
+ beklaagd, werd zij zich zelve meester en vroeg op treurigen toon:</p>
+ <p>"Lieveken, waart gij dan niet op uwen winkel, dat gij om het fleschken zijt
+ gegaan?"</p>
+ <p>"Mijne moeder is om het fleschken geweest," was het antwoord. "Zij is op onzen
+ winkel gekomen en heeft met de juffrouw gesproken. Ik mag te huis blijven zoolang ik
+ wil, al ware het gedurende vele dagen."</p>
+ <p>"Waarom te huis blijven?" murmelde vrouw Damhout, die de waarheid begon te
+ vermoeden.</p>
+ <p>"Gij zijt zoo alleen! Om u te helpen baas Damhout op te passen en om uwe
+ boodschappen te doen."</p>
+ <p>"Neen, neen, kind, dit is te veel goedheid van uwe moeder en van u. Ik zal Bavo
+ van de school doen blijven. Gij moogt uwen leertijd zoo niet onderbreken, het zou u
+ groote schade kunnen zijn."</p>
+ <p>Het meisje voegde de beide handen smeekend te zamen en zeide:</p>
+ <p>"Gij waart altijd zoo goed en zoo vriendelijk voor mij; gij zijt de oorzaak, dat
+ ik heb mogen leeren. O, ik bid u, weiger mijnen kleinen dienst niet! Ik heb
+ <!-- Page 75 -->verlof van mijne moeder en van mijne meesteresse, om met u te blijven
+ zoolang ik u nuttig kan zijn. Laat Bavo op zijne school; anders zou hij geene prijzen
+ kunnen behalen. Het ware voor hem, voor u en voor zijnen zieken vader een nieuw en
+ groot verdriet."</p>
+ <p>En zonder een antwoord af te wachten, schikte zij de stoelen, die in wanorde
+ geraakt waren, en greep eenen bezem om de kamer te keeren.</p>
+ <p>Vrouw Damhout aanschouwde haar eene wijl met kloppend hart, ging tot haar,
+ omhelsde haar en murmelde:</p>
+ <p>"Welnu, mijn goed Lieveken, ik aanvaard uwe hulp voor een paar dagen, totdat mijn
+ man een beetje zij bekomen. Daarvoor zal God u zegenen, dat gij zoo dienstwillig
+ zijt!"</p>
+ <p>Des avonds, als Bavo en zijne zuster Amelia te huis kwamen, zeide men hun, dat
+ vader de koorts had, en men zijne rust niet mocht storen. De jongen zag wel aan de
+ treurigheid zijner moeder en aan het droeve zwijgen van Lieveken, dat de ziekte zijns
+ vaders ernstig was. Hij vergoot stille tranen, totdat de dokter, die nu was gekomen
+ om den kranke nog eens te bezoeken, van de trap daalde en op blijden toon zeide:</p>
+ <p>"Wees gerust, vrouw, de ziekte zal geene erge gevolgen hebben; maar voor alsnu nog
+ geen het minste voedsel en de volledigste rust. Ween niet, mijn brave jongen, uw
+ vader zal genezen, twijfel daar niet aan."</p>
+ <p>Deze stellige verzekering gaf hun allen moed en hoop; en van dan af waren hun
+ verdriet en angst veel verminderd.</p>
+ <p>Bavo en zijne kleine zuster gingen naar de school, <!-- Page 76 -->als te voren.
+ Lieveken werkte als eene ware dienstmeid; van den vroegen morgen verscheen zij ten
+ huize van bazin Damhout, keerde en schikte de kamer, ging om water, kookte de koffie
+ en deed alle boodschappen op zulke wijze, dat moeder Damhout de uren, welke zij niet
+ bij het bed van haren man doorbracht, kon toewijden aan haar naaiwerk, het eenige
+ middel om wat geld te winnen voor het huishouden.</p>
+ <p>In dien zin bovenal was de tegenwoordigheid van Lieveken eene weldaad voor de
+ Damhouts; want ondanks het naailoon, was er veel te kort, en worstelde de arme
+ Christina tegen eenen klimmenden nood. De ziekte van haren man dwong haar tot vele
+ buitengewone uitgaven; zij had zelfs in 't geheim reeds hare oorringen en andere
+ kleine juweelen verpand. Wat ware het dan niet geweest, indien de tijd tot werken
+ haar volstrekt hadde ontbroken?</p>
+ <p>Godelieve gevoelde wel, hoe zij zich het nuttigst maken kon. Zij ijverde met eene
+ wonderbare aanhoudendheid om vrouw Damhout allen huisarbeid te sparen, en wanneer zij
+ zelve niets meer te doen wist, greep zij naald en garen en naaide mede aan het
+ grofste lijnwaad.</p>
+ <p>Op eenige dagen tijds was Adriaan Damhout zichtbaar aan het beteren; maar zijne
+ herstelling vorderde zeer langzaam. Inderdaad, de dokter had hem na den eersten dag
+ nog tweemaal bloed afgetrokken. Daarbij had hij hem het gebruik van alle voedsel
+ verboden. Geen wonder dus, dat de arme man welhaast zoo mager was als een geraamte,
+ en ofschoon gezond van harte misschien, zoo zwak, dat hij nauwelijks kon spreken.
+ Mogelijk ook dat zijne <!-- Page 77 -->ziekte voortduurde en zich slechts langzaam
+ liet overwinnen.</p>
+ <p>Zoohaast zijne beternis toeliet, dat men hem gezelschap hield, gingen vrouw
+ Damhout en Lieveken bij zijn bed zitten naaien, en dan gaven zij hem moed en
+ troostten hem door allerlei zoete woorden. Het was insgelijks bij het bed zijns
+ vaders dat Bavo een gedeelte van den avond doorbracht.</p>
+ <p>Er geschiedde iets zonderlings in den jongen. Hij was somber en zwaarmoedig; de
+ anderen, bij de zekerheid dat de zieke zou genezen, toonden vreugde en lachten betere
+ tijden tegen, maar Bavo's lippen bewogen nooit meer tot den minsten glimlach. Het
+ was, als drukte er iets op zijn hart.</p>
+ <p>Deze duistere gemoedsstemming werd inniger en vermeerderde tot eene soort van
+ geheime spijtigheid, wanneer zijne moeder, in stede van te gaan slapen, alleen bleef
+ zitten werken tot half in den nacht.</p>
+ <p>Zij zeide hem somwijlen, dat het niet anders kon zijn; dat, dewijl vader niet
+ arbeiden kon, zij moest pogen iets te verdienen om den bitteren tijd door te
+ worstelen.</p>
+ <p>De jongen antwoordde daar niet op, maar ging ontevreden en morrend naar zijn
+ bed.</p>
+ <p>Eenige dagen later had Bavo eensklaps zijne blijmoedigheid teruggevonden. Hij was
+ het nu die den anderen moed gaf en zich opgeruimd toonde. Vermits hij sedert eenige
+ dagen veel vroeger dan gewoonlijk zich naar de school begaf om er werkzaam te zijn,
+ vooronderstelde men, dat hij in de prijskampen op zijne school was gelukt, en hij
+ ontkende zulks niet. Ieder juichte dus met hem over zijne waarschijnlijke
+ zegepraal.</p>
+ <p><!-- Page 78 -->Nu Adriaan Damhout geheel buiten gevaar was geraakt, oordeelde de
+ dokter, dat het tijd was om zijne neergedrukte krachten allengs een beetje te
+ herstellen. Hij zeide dus op zekeren Maandag tot de vrouw, dat zij eene sterke soep
+ van ossenvleesch moest koken, en hem daarvan nu en dan een kopje moest te drinken
+ geven.</p>
+ <p>Groot was de verlegenheid en het verdriet van bazin Damhout. Zij was reeds twee
+ weken huishuur ten achter; haar laatste weekloon had zij den bakker geheel gegeven,
+ om nog wat brood op borg te bekomen. Niets was er in huis, dat waarde genoeg had om
+ tot pand tegen geld te worden aanvaard. Nu moest er vleesch zijn: goed ossenvleesch
+ om haren zieken man een beetje te versterken. Hoe zou zij dit vleesch bekomen zonder
+ geld? Zij dacht aan het bureel van weldadigheid, zij droomde van de menschlievendheid
+ van den eenen of anderen rijke in te roepen; maar deze middelen boezemden haar schrik
+ in; het gepeins alleen van eene aalmoes te gaan vragen, deed haar beven.</p>
+ <p>Onder hare angstige bewegingen opende zij werktuigelijk de kleine lade der kas,
+ waar zij haar geld in legde, wanneer zij geld had. Een schreeuw van verrassing
+ ontsnapte haar. De lade was ledig sedert meer dan vijftien dagen ... en daar blonk
+ haar nu eensklaps een glinsterend vijffrankstuk in de oogen!</p>
+ <p>Hoe kwam dat muntstuk daar? Was het God zelf, die medelijden had gehad met haren
+ nood? Maar neen, hier kon geen wonderwerk in het spel zijn.&mdash;Lieveken? Maar
+ Lieveken had geen geld, en hare ouders vergingen schier van gebrek. Men kon het
+ <!-- Page 79 -->zien op hunne bleeke aangezichten en holle wangen, dat de honger hun
+ ingewand verteerde. Daarenboven, Lina Wildenslag verborg het niet, dat zij soms
+ geheele dagen zonder eten waren; en bazin Damhout, hoe arm ook, had haar met eenige
+ stuivers te gelijk het weekloon van Lieveken doen aanvaarden. Zeker, Lina hadde in
+ elk ander geval deze teruggaaf geweigerd; maar nu zeide zij zelve, met de tranen in
+ de oogen, dat de ellende haar dwong te vergeten, dat zij een hart had.</p>
+ <p>Van waar kon toch dit vijffrankstuk komen?</p>
+ <p>Die onoplosbare vraag maakte het hoofd der verbaasde vrouw duizelig, en zij bleef
+ de onverwachte hulp lang bestaren. Dan eindelijk zeide zij in zich zelve:</p>
+ <p>"Wie ook onze onbekende beschermer zij, dat God hem zegene! Ho, welke sterke,
+ goede soep zal ik gaan maken! En kan iets mijnen armen man genezen, dan zal het zeker
+ de weldaad zijn, die ons zoo geheimzinnig en zoo edelmoedig wordt bewezen!"</p>
+ <p>Eenigen tijd daarna stond de soep op de kachel te koken; het gansche huis was
+ vervuld met eenen verkwikkenden geur, en de verhongerde zieke lag in zijn bed te
+ juichen over het beloofde voedsel, dat hem zoo bekorend werd aangekondigd.</p>
+ <p>Vrouw Damhout verborg noch voor haren man noch voor Lieveken, dat zij, als ware
+ het uit den hemel gedaald, in hare kas een vijffrankstuk had gevonden, hetwelk er wel
+ zeker nooit in gelegen had. Zij was immer vervolgd door het tergend raadsel, van waar
+ dit geld mocht komen, en sprak er den ganschen avond van; niemand wist haar iets te
+ zeggen, dat haar tot de ontdekking van den geheimen beschermer <!-- Page 80 -->kon
+ helpen. Bavo folterde insgelijks zich de hersens; maar zijne inspanning bleef even
+ vruchteloos.</p>
+ <p>In den loop dezer week waren er geruststellende tijdingen aangaande de Europeesche
+ staatsaangelegenheden gekomen; men zeide, dat de vrede niet zou gestoord worden, en
+ men kondigde aan, dat sommige fabrieken ten minste gedeeltelijk zouden beginnen te
+ werken.</p>
+ <p>Den volgenden Zondag, zeer vroeg, terwijl Bavo naar de eerste mis was gegaan,
+ meende Bazin Damhout eenige centen uit de kas te nemen om koffie te halen. Daar zag
+ zij, nevens een geplaatst en als ten toon gespreid, vier enkele franken in een hoekje
+ liggen.</p>
+ <p>Nu was hare verbazing zonder palen; zij bleef eene wijl verblijd het geld bezien,
+ sloot de kas en stapte langzaam en het hoofd schuddend, ter deur uit.</p>
+ <p>In den winkel, terwijl men haar de koffie geriefde, zeide haar de vrouw:</p>
+ <p>"Erge tijden, niet waar, bazin Damhout? Hopen wij, mensch lief, dat het haast zal
+ beteren. Men zegt, dat er goed nieuws is van Parijs en dat het geen oorlog zal
+ worden. Uw man is toch aan de betere hand; God zij geloofd, hij zal genezen zijn
+ tegen dat er weder werk is. Ik beklaag u echter voor &eacute;&eacute;n ding; het is,
+ dat de nood u verplicht heeft uwen Bavo van de school te trekken v&oacute;&oacute;r
+ de prijsuitdeeling. Het is spijt: de jongen hadde groote eer behaald."</p>
+ <p>"Gij bedriegt u, onze Bavo gaat nog altijd naar de school," was het antwoord.</p>
+ <p>"In het geheel niet: hij heeft sedert meer dan twee weken de school verlaten."</p>
+ <p>"<!-- Page 81 -->Maar gij dwaalt; het is niet mogelijk!" kreet bazin Damhout met
+ groote verwondering.</p>
+ <p>"Hoe? Blijft hij van de school zonder uwe kennis!" zeide de winkelierster. "Ik
+ weet het van eenen ondermeester, die gisteren bij mijnen broeder, den kleermaker, op
+ den winkel was. Sedert vijftien dagen heeft men uwen Bavo op zijne school met geene
+ oogen meer gezien. Die jongens, die jongens, al deed men ze eenen toom aan, ze zouden
+ nog uit het goede spoor loopen!"</p>
+ <p>Vrouw Damhout verliet den winkel; haar hart was verbrijzeld, en zij moest geweld
+ doen om de tranen te bedwingen, die opweiden uit haren verkropten boezem. Bavo had
+ sedert zoolang zijne school verlaten, zonder dat zijne ouders het wisten! Was de arme
+ jongen in slecht gezelschap geraakt? Bewandelde hij eenen doolweg, die hem tot kwaad
+ en ondeugd zou leiden? Maar het scheen haar onmogelijk. Welk geheim lag er dan onder
+ het onuitlegbaar gedrag van haar kind verborgen? Zou een tweede ongeluk haar treffen?
+ Zou het onderwijs in hem zulke slechte vruchten hebben voortgebracht? Welke
+ onttoovering! Welke zware verantwoordelijkheid voor haar jegens haren man!</p>
+ <p>Terwijl zij dus onder den pijnlijken twijfel morde en zuchtte, kwam Lieveken
+ binnen.</p>
+ <p>De moeder gevoelde, dat zij haren zoon niet in tegenwoordigheid van dit meisje
+ mocht beschuldigen; zij wilde insgelijks haren man niet verontrusten, vooraleer door
+ Bavo zelf de verklaring van zijn gedrag te hebben bekomen.</p>
+ <p>Lieveken bemerkte wel, dat bazin Damhout ontsteld en treurig was; toen zij echter
+ vernam, dat het <!-- Page 82 -->met den zieke nog altijd wel ging, wist zij niet meer
+ wat te denken, en dorst niet verder aandringen.</p>
+ <p>Hetzelfde gebeurde met Bavo, die, uit de kerk te huis komende, iets vreemds in den
+ blik zijner moeder vond en van haar wilde weten, wat haar bedroefde of ontroerde.</p>
+ <p>De bekommerde en angstvolle vrouw gaf niets dan ontwijkende antwoorden, totdat
+ Lieveken het huis had verlaten om op hare beurt ter kerke te gaan. Dan greep zij met
+ plechtigen en strengen oogopslag de hand haars zoons, leidde hem tot in eenen hoek
+ der kamer, verre van de trap, en vroeg hem met bevende stem:</p>
+ <p>"Bavo, is het waar, dat gij sedert veertien dagen niet meer naar school zijt
+ geweest?"</p>
+ <p>De jongen werd rood tot achter de ooren en boog het hoofd.</p>
+ <p>"Spreek, Bavo, laat mij niet in den pijnlijken twijfel. Is het waar?"</p>
+ <p>"Het is waar, moeder lief," was het antwoord.</p>
+ <p>"Ongelukkige jongen!" kreet de vrouw. "gij hebt sedert twee weken uwe school
+ verlaten? Ik beef, ik durf u niet vragen in welk gezelschap gij dien tijd hebt
+ doorgebracht. Ach, Bavo, ik, die geloofde, dat gij uwe arme moeder bemindet! Mijn
+ God, ik moet het toch weten, hoe schrikkelijk het zij. Zeg, zeg, mijn zoon, wat hebt
+ gij gedaan gedurende al dien tijd?"</p>
+ <p>Bavo zag haar diep in de oogen en antwoordde met eene soort van stille
+ fierheid:</p>
+ <p>"Moeder, ik werk op eene fabriek."</p>
+ <p>"Gij werkt op eene fabriek!"</p>
+ <p>"Op eene fabriek van <i>bougies</i>, sedert vijftien dagen."</p>
+ <p><!-- Page 83 -->Dan schoot er eene plotselijke klaarheid in den geest van bazin
+ Damhout: hare oogen begonnen van bedwongen geestdrift te fonkelen. Met den bevenden
+ vinger op de kas gericht, vroeg zij:</p>
+ <p>"Dat geld, dat vijffrankstuk, die vier franken?"</p>
+ <p>"Het is mijn weekloon, moeder lief," stamelde hij.</p>
+ <p>Met eenen schreeuw van koortsige blijdschap sloeg Christina de armen om den hals
+ haars zoons, sloot hem op haar hart en bevochtigde zijn hoofd met hare tranen.</p>
+ <p>De jongen poogde haar te doen begrijpen, dat hij dien hoogen lof niet verdiende en
+ niets gedaan had dan zijnen plicht. Wat hij betreurde, was alleenlijk, dat hij geen
+ middel had weten te vinden om meer te winnen en zijne arme moeder het nachtelijk
+ werken te sparen.</p>
+ <p>Toen de ontsteltenis der vrouw een weinig was bedaard, trok zij haren zoon op
+ eenen stoel nevens zich en vroeg hem de nadere uitlegging van zijn gedrag.</p>
+ <p>"Ik zag u en Godelieve altijd, altijd arbeiden," antwoordde hij. "Wanneer ik, na
+ tot middernacht met u gewaakt te hebben, slapen ging, bleeft gij nog zitten met het
+ naaiwerk op den schoot. Mijn vader was ziek; er was nood in huis. Ik alleen deed
+ niets om u te helpen. Mijn geweten knaagde, mijn hart verweet mij mijne laffe
+ werkeloosheid. Na eenige dagen van schaamte en wanhoop ging ik tot den
+ hoofdonderwijzer, mijnen meester, en zeide hem, zonder iets te verzwijgen, wat er in
+ ons huis geschiedde, en hoe ik besloten had de school te verlaten om eenig werk te
+ zoeken en z&oacute;&oacute; ten minste mijnen zieken vader en mijne goede moeder in
+ hunne ellende bij te <!-- Page 84 -->staan. Ik zeide hem insgelijks, dat ik mijn
+ besluit gedurende eenigen tijd voor u zou verborgen houden, dewijl ik overtuigd was,
+ dat gij mij anders zoudt beletten het uit te voeren. Ik meende, dat hij mijn
+ voornemen zou afkeuren; maar neen, hij drukte mij de handen, en prees zeer hoog wat
+ hij mijnen moed en mijn plichtgevoel noemde. Toen hij verstond, dat ik niet wist waar
+ het gewenschte werk te vinden, beloofde hij mij, zelf eenigen zijner bekenden
+ daarover te spreken; en reeds des namiddags had hij mij eene plaats gevonden op eene
+ fabriek van waskaarsen, die men <i>bougies</i> noemt. Daar had ik niets anders te
+ doen dan de kaarsen in pakjes te binden en in houten kassen te schikken; en eindelijk
+ eenige letters en nummers op de kassen te schilderen. Ik won zestig centiemen daags
+ en kreeg op 't einde der week nog eenig drinkgeld, omdat men tevreden was over mijn
+ werk. O, moeder, het vijffrankstuk, eerste vrucht van mijnen arbeid, heeft mij zoo
+ gelukkig gemaakt! Het moest u helpen en u troosten in uwen nood. Ha, gij hebt het
+ niet bemerkt, maar toen ik mijnen armen vader de sterke soep lachend zag genieten en
+ hem hoorde zeggen, dat hij daardoor onfeilbaar zou genezen, dan ben ik beneden
+ gegaan, en ik ben mij op 't einde der steeg achter den blinden muur gaan verbergen,
+ om daar door eenen tranenvloed mijn hart van de overmatige blijdschap te ontlasten.
+ Het eerste geld, dat ik met werken had gewonnen, zou mijnen vader de gezondheid
+ helpen teruggeven! Ik bezweek schier van geluk bij die gedachte.... Prijs mij dus
+ niet, moeder lief, ik ben genoeg beloond geworden...."</p>
+ <p>Met eenen gil van bewondering sprong de ontstelde <!-- Page 85 -->vrouw recht en
+ liep naar boven, zonder acht te geven op de smeeking van haren zoon, die de handen
+ ophief om haar te wederhouden.</p>
+ <p>Niet lang daarna klonk de stem van den zieken Damhout met groote kracht tot
+ beneden de trap:</p>
+ <p>"Bavo, Bavo!" kreet hij. "Kom, kom!"</p>
+ <p>De jongen kon den roep zijns vaders niet wederstaan; hij klom aarzelend naar
+ boven, en dewijl hij daar twee bevende armen tot zich uitgestrekt zag, omhelsde hij
+ zijnen zieken vader met blijde uitstortingen des harten.</p>
+ <p>Damhout dankte en loofde zijnen zoon voor zijne schoone en moedige daad; uit zijne
+ woorden bleek, dat zijne grootste vreugde daarin bestond, dat Bavo uit eigene
+ beweging werkman was geworden. Hij drukte eindelijk toch eenige spijt uit, omdat zijn
+ zoon op eene fabriek van bougies arbeidde; hem scheen het, dat dit niet juist het
+ beste vak was.</p>
+ <p>Op deze bemerking antwoordde de jongen, dat hij door tusschenkomst van den
+ hoofdonderwijzer werk had gekregen op de katoenspinnerij van M. Verbeeck. Hij zou
+ daar gedurende eenigen tijd katoen uitpluizen en in soorten schikken, dan aan den
+ eersten <i>duivel</i> staan, en zoo voorts in het vak zich oefenen en allengs
+ vervorderen. De fabriek van M. Verbeeck ging binnen vijf dagen geopend worden.</p>
+ <p>Dit vervulde vader Damhout met nieuwe en groote blijdschap; want dit was inderdaad
+ de baan, langs waar men met verstand en vlijt het verste op eene katoenfabriek kon
+ geraken. Bavo zou eens meesterknecht worden, daaraan twijfelde de gelukkige vader
+ niet meer.</p>
+ <p>Toen men genoeg bedaard was geworden om over <!-- Page 86 -->min ontroerende
+ dingen te spreken, besliste men, dat van morgen af Godelieve terug naar haren winkel
+ zou gaan. Inderdaad, Damhout behoefde geene onophoudende bewaking meer; hij zou dien
+ dag zelven reeds gedurende eenigen tijd uit zijn bed komen. Met de vier of vijf
+ franken per week, welke Bavo nu won, werd het mogelijk betere tijden af te
+ wachten.</p>
+ <p>In den namiddag, toen Bavo beneden bezig was met Lieveken in een boek iets te
+ wijzen of te leeren, ging vrouw Damhout naar boven, zette zich nevens het bed van
+ haren man en vroeg hem op zegevierenden toon:</p>
+ <p>"Welnu, Damhout, gelooft gij nog, dat het onderwijs een werkmanskind tot hoogmoed
+ en luiaardij verleidt? Welke kinderen, in geheel onze stege, zijn zoo beminnend, zoo
+ verstandig en zoo deugdzaam als Bavo en Lieveken? Het is alleenlijk, omdat zij
+ geleerd zijn en weten wat goed en wat kwaad is."</p>
+ <p>Onder den slag eener bijzondere ontroering bevochtigden zich de oogen des
+ werkmans; hij greep de hand zijner vrouw en zeide:</p>
+ <p>"Neen, neen, Christina, dit alleen is de oorzaak hunner schoone inborst niet. Het
+ is uw hart, uw goed en edel hart, dat klopt in hunnen boezem. Eene moeder als gij is
+ de zegen Gods in een huishouden!..."</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="VII" name='VII'></a>
+ <h2><!-- Page 87 -->VII</h2>
+ <br />
+
+ <p>Met het begin der volgende week werden er inderdaad een zeker getal fabrieken
+ geopend; maar, in afwachting van stellige tijdingen aangaande den Europeeschen vrede,
+ lieten zij slechts een beperkt getal werklieden toe.</p>
+ <p>Bavo arbeidde op de spinnerij van M. Verbeeck. Hij droeg nu zijne slechte
+ kleederen, en, dewijl hij door den aard van zijn werk altijd met vlokken katoen als
+ met een spinneweb was overdekt, zag hij er op verre na zoo zindelijk niet meer uit
+ als te voren. Dit gaf Godelieve, als zij des avonds van haren winkel kwam, dikwijls
+ stof tot lachen, en zij noemde den jongen schertsend <i>de katoenvogel</i>; maar hij,
+ in stede van daarover spijtig te worden, was altijd ten uiterste blijmoedig en scheen
+ trotsch door de overtuiging, dat hij nu tot iets nuttig geworden was en zijne ouders
+ mocht behulpzaam zijn.</p>
+ <p>Ondanks den nood en de trage herstelling van vader Damhout, was elkeen in dit
+ huishouden gelukkig. Bovenal was het hart der moeder met een gevoel van hoogmoed en
+ van zaligheid vervuld. Soms kon zij des avonds uren lang in stilte haren zoon
+ bestaren, <!-- Page 88 -->terwijl hij, ofschoon vermoeid van den arbeid, nog met
+ inspanning het hoofd over zijne boeken hield gebogen. Dan klopte haar hart, dan
+ glinsterden hare oogen, en de blik, dien zij dan bij wijlen ten hemel wierp, was wel
+ zeker een innig gebed van dankbaarheid.</p>
+ <p>Vader Wildenslag en zijne zonen, alhoewel zij, door den honger aangejaagd, van de
+ eene fabriek naar de andere liepen om arbeid te vinden, waren tot dan in hunne
+ pogingen niet gelukt. Zij hadden zich bij de laatste volksonlusten door hunne
+ hevigheid en hunne woestheid doen opmerken; en dewijl de fabrikanten nu slechts de
+ beste werklieden uitkozen, wilde geen hunner de gekende belhamels van den oploop
+ tegen de fabrieken in zijn gesticht toelaten.</p>
+ <p>Het schijnt, dat in Frankrijk de nijverheid spoediger en met meer kracht had
+ hernomen; want er kwamen alsdan te Gent eenige afgezondene personen, om goede
+ fabriekwerkers aan te werven voor de steden in het Noorderdepartement.</p>
+ <p>Wildenslag en zijne zonen aanvaardden met blijdschap deze gunstige gelegenheid om
+ zich uit den onverdraaglijken nood te redden, en namen gereedelijk de voorwaarden der
+ wervers aan. Men zou hunne reiskosten betalen en zij zouden in Frankrijk een veel
+ hooger dagloon dan in Belgi&euml; winnen.</p>
+ <p>Zeker, in andere omstandigheden zou de gedachte van hare geboortestad te verlaten,
+ vrouw Wildenslag verschrikt en bedroefd hebben; maar nu verblijdde haar deze reis als
+ een onverwacht geluk. Inderdaad, het was de verlossing uit den afgrond der bitterste
+ ellende. Daarenboven, zoohaast er weder overvloed van werk te Gent zou zijn, zouden
+ zij <!-- Page 89 -->terugkeeren. Hunne afwezigheid zou dienvolgens ten hoogste eenige
+ maanden duren.</p>
+ <p>Vrouw Wildenslag ging juichend en met groote blijdschap haar vertrek naar
+ Frankrijk in de gansche buurt aankondigen.</p>
+ <p>Toen zij in de woning der Damhouts kwam, was zij vergezeld door haren man, die nu
+ zijne luidruchtige welgemoedheid geheel had teruggevonden en roemde op het hooge
+ dagloon, dat men in Frankrijk genoot. D&aacute;&aacute;r, zeide hij, eet een werkman
+ tweemaal vleesch elken dag en drinkt er bier en somtijds wijn, evenals een rijk
+ mensch. Dat zou een pleizierig leven en een eeuwig <i>smeerken</i> zijn!</p>
+ <p>Bazin Damhout ontving deze tijding met treurnis. Het gepeins, dat Lieveken, hare
+ ouders zou volgen en zij het goede kind dus in langen tijd niet meer zou zien,
+ bedroefde haar; maar dewijl zij het vertrek der Wildenslags niet anders kon
+ beschouwen dan als eene zeer natuurlijke zaak en als een gelukkig middel voor hen, om
+ uit de lange ellende te worden verlost, deed zij geene de minste tegenwerping.
+ Alleenlijk beklaagde zij het, dat Godelieve nu den winkel zou moeten verlaten, waar
+ zij zoo wel was en op spoedige vervordering mocht hopen.</p>
+ <p>Moeder Wildenslag betreurde dit insgelijks; maar zij meende, dat het niet
+ onmogelijk zou zijn, in Frankrijk eenen anderen goeden winkel voor Lieveken te
+ vinden.</p>
+ <p>Hierop antwoordde Wildenslag:</p>
+ <p>"Ba, ba! met uwen winkel! Godelieve is nu sterk genoeg geworden. Als zij zal zien,
+ hoe hare broeders en zusters geld in overhoop winnen, zal zij van zelve op eene
+ fabriek willen werken."</p>
+ <p><!-- Page 90 -->Nadat hare buren waren weggegaan, overpeinsde vrouw Damhout zeer
+ lang de woorden van Wildenslag. Zij wist niet waarom de vrees, dat Lieveken op eene
+ fabriek kon gaan, haar ontstelde. Waarlijk, zij had voor het goede kind eene andere
+ toekomst gedroomd; maar werkte haar eigen zoon niet op eene fabriek? Het was toch
+ hetzelfde niet: Bavo kon meesterknecht worden.</p>
+ <p>Hare treurnis overwinnende, zeide zij zich zelve, dat moeder Wildenslag
+ waarschijnlijk wel zou zorgen, dat hare Godelieve in Frankrijk het ambacht van
+ kleermaakster voortleerde; de afwezigheid hunner buren zou niet langdurig zijn;
+ dewijl alles voorspelde, dat het werk in Gent ook spoedig zou hernemen. Daarenboven,
+ er was niets aan te doen. De Wildenslags hadden gelijk, het redmiddel, dat hun
+ aangeboden werd, met blijdschap te aanvaarden.</p>
+ <p>Toen Bavo des avonds te huis kwam, zeide zijne moeder hem, dat de Wildenslags
+ besloten hadden overmorgen, met het krieken van den dag, naar Frankrijk te
+ vertrekken. Zij zouden dus onmiddellijk uit hunne bittere armoede gered zijn; want
+ men had hun een buitengewoon hoog dagloon verzekerd. Lieveken zou natuurlijk hare
+ ouders volgen; maar zoohaast er weder veel werk in Gent was, zouden zij
+ terugkomen.</p>
+ <p>Deze tijding trof Bavo op eene zonderlinge wijze; hij boog het hoofd, zag
+ sprakeloos ten gronde en antwoordde zelfs niet, toen zijne moeder hem vroeg waarom
+ iets, dat zeker een geluk was voor de ouders van Lieveken, hem scheen te bedroeven.
+ Eindelijk, als ware er nu eerst een duidelijk besef der zaak in
+ <!-- Page 91 -->zijnen geest ontstaan, zeide hij op den toon van onderwerping:</p>
+ <p>"Inderdaad, moeder, zij zullen dan toch uit den pijnlijken nood verlost zijn. Ik
+ was zoo gewend, Lieveken des avonds hier te vinden. Nu zal ik alleen, altijd alleen
+ met u zijn; maar ik ben geen kind meer.... Als Lieveken slechts welvaart en gelukkig
+ is in Frankrijk, zal ik mij over hare afwezigheid niet te veel bedroeven. Gij hebt
+ gelijk, moeder, de mensch moet zich sterk houden tegen het lot. Daarenboven, wie weet
+ of onze geburen niet reeds binnen eenige maanden wederkeeren?"</p>
+ <p>De moed en de verduldigheid, waarmede haar zoon deze tijding had ontvangen,
+ verwonderden en verblijdden vrouw Damhout. Zij begreep niet, dat hare moeite om hem
+ de tijding onder een gunstig daglicht te doen aanschouwen, voor een oogenblik zijn
+ gevoel en zijne rede had in twijfel gebracht.</p>
+ <p>Maar zij moest weldra erkennen, dat zij zich had bedrogen; want Bavo liet zich bij
+ de tafel op eenen stoel zakken, bleef lang met starende oogen in diepe overweging
+ verzonken, en slaakte van tijd tot tijd eenen hollen zucht, als beklemde een zwaar
+ gewicht zijne borst.</p>
+ <p>Het was reeds laat, toen Lieveken met het voorschoot voor de oogen in de kamer
+ verscheen, en onder luide snikken over haar vertrek naar Frankrijk begon te
+ kermen.</p>
+ <p>Bavo, alhoewel hij zelf geweld deed om niet onder zijn verdriet te bezwijken,
+ poogde het bedrukte meisje te troosten. Vrouw Damhout en haar man voegden hunne
+ woorden bij de zijne; maar Godelieve scheen ontroostbaar in hare diepe smart.</p>
+ <p><!-- Page 92 -->Toen eindelijk het meisje tusschen hare snikken eenige duidelijke
+ klachten kon voortbrengen, zeide zij, waarom dit vertrek als een wreed ongeluk haar
+ verschrikte en haar zoo diep bedroefde. Zij herinnerde zich de eindelooze goedheid
+ van vrouw Damhout voor haar, de onverdiende vriendschap, die Bavo gedurende geheel
+ haar leven haar had gegund, en zij sprak van weldaden, van edelmoedigheid en
+ medelijden voor een arm verstooten kind; zij noemde bazin Damhout hare goede moeder
+ en Bavo haren leermeester en haren broeder. Dit alles ging zij verliezen. De wereld
+ zou eene woestijn voor haar worden, al wat zij meest had bemind, ging zij verlaten,
+ misschien voor altijd.</p>
+ <p>Het meisje had zulke gevoelige, zulke zoete, teedere woorden; de liefde haars
+ harten voor hare weldoeners stortte zich zoo onbewimpeld en zoo vurig uit, dat zij
+ iedereen tot in de ziel ontroerde.</p>
+ <p>Vrouw Damhout sloot het dankbare kind tegen hare borst, en deed geweld om door
+ bewijzen van innige dankbaarheid haar te troosten.</p>
+ <p>Bavo lag met het hoofd op de tafel en weende; zijne droefheid was stom; geene
+ klacht ontsnapte zijnen boezem; want hij wist wel, dat hier niet tegen de wreede
+ uitspraak van het lot kon geworsteld worden.</p>
+ <p>Zoo bleven dien avond in de woning van Damhout bittere, hopelooze tranen vlieten,
+ totdat moeder Wildenslag hare Godelieve kwam roepen en ze mede naar huis nam.</p>
+ <br />
+
+ <div class="center">
+ <img src='images/093.png' width='600' alt='Grepen elkander de handen.'
+ title='Grepen elkander de handen.' /><br />
+ <br />
+ <i>Grepen elkander de handen.</i>
+ </div>
+ <p>Den volgenden dag ging het wat beter. Uitgeput van weenen, getroost en versterkt
+ door de vriendelijke woorden van vrouw Damhout en van Bavo, had <!-- Page 94 -->
+ <!-- Page 93 --><!-- Page 95 -->Lieveken de zaak allengs met meer verduldigheid
+ beginnen in te zien. De vaste hoop, dat zij welhaast met hare ouders naar Gent zou
+ wederkeeren, had een weldadig licht in hare droefheid geschoten, en zij insgelijks
+ scheen het vertrek, als zijnde toch een geluk voor hare ouders, met onderwerping te
+ aanvaarden....</p>
+ <p>Toen de Wildenslags, ouders en kinderen, elk met een pak aan de hand,
+ v&oacute;&oacute;r den dageraad de stege verlieten, om de reis naar Frankrijk te
+ beginnen, waren zij door Bavo vergezeld.</p>
+ <p>De jongen stapte nevens Lieveken en droeg haar pak. Zij weenden niet en spraken
+ weinig. Hunne harten waren beklemd. Wat zij zeiden, waren woorden van wederzijdsche
+ vertroosting; want zij hadden beiden het gevoel, dat deze scheiding, hoe kort ook,
+ hun pijnlijk zou zijn; en zij maanden in hunne eenvoudigheid elkander aan, om niet te
+ veel te denken aan al het zoet vermaak en aan het stil geluk, dat zij gedurende hunne
+ schoone kindsheid te zamen hadden genoten.</p>
+ <p>Zoo kwam men buiten de poort, en dewijl het tijd was voor Bavo om naar zijne
+ fabriek te gaan, kon hij onmogelijk de Wildenslags langer vergezellen.</p>
+ <p>Bavo en Lieveken, als door eene zelfde beweging gedreven, grepen elkander de
+ handen, wisselden eenen diepen blik, waarvan zij zelven de beteekenis niet begrepen
+ en murmelden met versmachte stemme:</p>
+ <p>"Vaarwel, Bavo! Vaarwel, Lieveken. Tot wederziens!"</p>
+ <p>Tranen ontsprongen hunnen oogen; maar het meisje, zich voelende bezwijken, slaakte
+ eenen grievenden kreet en liep tot hare ouders, die reeds in de baan vooruit
+ waren.</p>
+ <p><!-- Page 96 -->De jongen bleef roerloos; hij zag hoe het arme Lieveken met
+ hangend hoofd en wankelende stappen achter moeder voortsukkelde. Hij wenschte en
+ hoopte, dat zij nog eens het gezicht tot hem zou keeren; maar daar bereikten zij den
+ draai der baan, en allen verdwenen zij voor de oogen van Bavo.</p>
+ <p>Dan werd het hem, als hadde men met geweld iets uit zijn hart gerukt. Hem
+ verbaasde de akelige ledigheid, die eensklaps in hem en rondom hem was ontstaan, en
+ hij schudde twijfelend het hoofd, als vroege hij zich zelven het raadselwoord der
+ duizeligheid zijner zinnen.</p>
+ <p>Dubbend, morrend en diep bedrukt, keerde hij stedewaarts en begaf zich naar zijne
+ fabriek. Het beeld van Lieveken vervolgde hem overal; in het katoen, dat hij
+ uitpluizen en schikken moest, vormde zich de gedaante der betreurde speelgenoote, nu
+ met den onbegrijpelijken blik in de oogen, dan met hangend hoofd de droeve rust
+ beginnende. Het woord "vaarwel!" klonk hem van alle kanten uit de geruchten der
+ fabriek in de ooren. Maar de arbeid is een machtige trooster des harten, en hij leent
+ den mensch eene wonderbare sterkte tegen de denkbeelden, die hem overheerschen.
+ V&oacute;&oacute;r het einde van den eersten dag was de smart van Bavo reeds veel
+ verminderd, en alhoewel hij nog altijd aan Lieveken en aan haar vertrek bleef
+ mijmeren, kwam er meer verduldigheid en rust in zijn hart.</p>
+ <p>Des avonds, als hij te huis kwam van zijne fabriek, nam hij als te voren zijne
+ boeken, maar dan geviel het dikwijls, dat hij, zonder het te weten, eensklaps het
+ hoofd verhief en rondkeek, als zocht hij iemand met de oogen; somtijds stond hij op
+ en ging naar de <!-- Page 97 -->deur bij het minste gerucht. Er ontbrak hem iets; en
+ alhoewel hij lachte met zijne eigene verstrooidheid, was zijne moeder bekommerd over
+ deze zonderlinge ontroeringen haars zoons.</p>
+ <p>Ook sprak zij weinig met hem over Godelieve; en wanneer hij haar dwong over de
+ afwezige vriendin te kouten, brak zij de samenspraak zoo kort mogelijk af. Hare
+ moederlijke liefde zeide haar, dat de diepe treurnis haars zoons geen voedsel mocht
+ geven, alhoewel zij even veel aan Lieveken dacht als hij zelf.</p>
+ <p>Er verliepen op deze wijze een paar weken. Bavo scheen zich in de afwezigheid van
+ Godelieve te hebben getroost, en, sprak hij nu nog van haar, het was met bedaardheid
+ en met rede.</p>
+ <p>Vader Damhout was schier geheel genezen. Hij had zich reeds naar de fabriek van
+ zijnen ouden meester, M. Raemdonck, begeven, om er te worden aangenomen. Nog eene
+ week en hij zou zijnen arbeid als spinner hernemen.</p>
+ <p>Op eenen middag kwam een onderwijzer der gemeenteschool in hun huis, om hen allen
+ in naam van den bestierder uit te noodigen tot de prijsuitdeeling, die op den
+ komenden Maandag was vastgesteld. Wel was het waar, dat Bavo, omdat hij de school
+ voor het einde der wedstrijden had verlaten, geen recht kon hebben op de gewone
+ prijzen, maar de onderwijzers hadden besloten, dat zijne vlijt, zijne vorderingen en
+ bovenal zijn schoon gedrag eene openbare belooning verdienden. Bavo zou dienvolgens
+ eenen buitengewonen prijs krijgen. Hij zelf en zijne ouders mochten niet nalaten de
+ plechtigheid der prijsuitdeeling bij te wonen. Zij zouden ongetwijfeld altezamen
+ verheugd en fier naar huis keeren.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="VIII" name='VIII'></a>
+ <h2><!-- Page 98 -->VIII</h2>
+ <br />
+
+ <p>De zaal, waar de prijsuitdeeling der gemeenteschool ging geschieden, was opgevuld
+ met volk, meest vaders en moeders van leerlingen, en dus zeer geringe burgers of
+ werklieden. Evenwel, vooraan bemerkte men ook wel eenige deftige dames en heeren,
+ die, door een edel gevoel ingesproken, de prijsuitdeeling der kostelooze
+ gemeenteschool door hunne tegenwoordigheid kwamen verheffen en opluisteren.</p>
+ <p>Adriaan Damhout met zijne vrouw Christina zat op de vijfde of zesde bank, te
+ midden van het publiek; hun zoon Bavo bevond zich tusschen de schoolkinderen op de
+ plaats, hem door de onderwijzers aangeduid.</p>
+ <p>Alles was gereed en de klokken der kerken hadden reeds sedert eene wijl het
+ bepaalde uur verkondigd, toen eensklaps de deur der zaal met eenig gerucht werd
+ geopend. De burgemeester van Gent, vergezeld door eenige schepenen en
+ gemeenteraadsheeren, trad binnen en stapte tot bij het tooneel, waar groote
+ leunstoelen voor de overheden waren geschikt.</p>
+ <p>Met blijde verrassing in de stem murmelde Adriaan Damhout aan het oor zijner
+ vrouw:</p>
+ <p>"Hebt gij niet gezien, Christina, dat mijnheer <!-- Page 99 -->Raemdonck met den
+ burgemeester is binnengekomen?"</p>
+ <p>"M. Raemdonck, de meester van uwe fabriek?"</p>
+ <p>"Ja, kijk, daar voor ons, op den tweeden zetel, naast den burgemeester, aan zijne
+ linkerzijde. Het is M. Raemdonck zelf."</p>
+ <p>"Het is te begrijpen, Adriaan, vermits mijnheer Raemdonck sedert een jaar in den
+ raad van de stad zit."</p>
+ <p>"Ja, en hij moet daar nog al veel bezigheden hebben; want nu bemoeit hij zich
+ zooveel niet meer met de fabriek; het is de oude meester-klerk, die schier alles
+ bestiert. Ha, ik weet niet, Christina, maar het verblijdt mij grootelijks, dat M.
+ Raemdonck hier tegenwoordig is."</p>
+ <p>"En mij verheugt het insgelijks, Adriaan. Nu zal uw meester kunnen zien, dat gij
+ een goed vader zijt en uwe kinderen hebt laten leeren...."</p>
+ <p>Hunne stille samenspraak werd onderbroken door den klank der bel, die het begin
+ der plechtigheid aankondigde.</p>
+ <p>Een der raadsheeren had de trede der verhevenheid beklommen en hield eene
+ openingsrede. Hij sprak over de noodzakelijkheid van het onderwijs voor alle standen
+ der samenleving, en spoorde bovenal de werklieden aan om hunne kinderen niet in de
+ onmacht en de slavernij der onwetendheid te laten. Zijne bondige rede eindigende,
+ zeide hij:</p>
+ <p>"Luistert, mijne vrienden, hoe een werkman als gij, een werkman van Brussel<a
+ href='#footnote1'>[1]</a>, tot zijne medegezellen spreekt.&mdash;Het onderwijs, zegt hij, is
+ heden <!-- Page 100 -->voor iedereen eene dringende noodzakelijkheid, tot welke
+ loopbaan of ambacht men ook zij bestemd. Niet geleerd zijn, wanneer de anderen
+ geleerdheid bezitten, stelt den mensch in eenen toestand van eeuwige minderheid. De
+ voordeelen van het onderwijs bestaan niet alleenlijk in te kunnen lezen, schrijven en
+ rekenen, maar het opent den geest, ontwikkelt het verstand en vormt de rede; het
+ leert opmerken en vergelijken; het geeft den mensch licht en sterkte om zijne
+ plichten te vervullen en zijne rechten te verdedigen. Gij weet het, gezellen, de
+ nijverheid vervormt zich onophoudend: alle dagen komen nieuwe verbeteringen tot
+ stand. Alles gaat vooruit; de werkman moet mede vooruitgaan en den stap der anderen
+ volgen, wil hij niet achterblijven en verpletterd worden. Indien de mekanieken hem
+ zijnen lichamelijken en enkel stoffelijken arbeid ontnemen, om hem niets te laten dan
+ het verstandelijk werk, dit is ook een vooruitgang; maar slechts op voorwaarde dat de
+ werkman zich tot de hoogte zijner nieuwe taak wete te verheffen. Wie zal hem daartoe
+ helpen? Het onderwijs, de geleerdheid, die den geest ontwikkelt en den mensch nieuwe
+ krachten geeft, krachten, wel anders machtig dan die zijner armen, omdat zij noch de
+ vermoeidheid noch de jaren vreezen;&mdash;de geleerdheid, die hem nieuwe wegen opent,
+ die hem een beter dagloon met minder lichamelijke vermoeidheid bezorgt;&mdash;de
+ geleerdheid, die de eeuwenlange ongelijkheid tusschen de menschen vermindert en veel
+ meer kan toebrengen om ze geheel te doen verdwijnen dan de dwaze droom dergenen, die
+ de rijkdommen onder allen zouden willen verdeeld zien, en waarvan de
+ <!-- Page 101 -->zekerste uitslag niets zou zijn dan de gelijkheid der armoede.
+ Zegenen wij dus als werklieden den vooruitgang der scholen, de verspreiding van het
+ onderwijs, als de schoonste glorie onzer eeuw. Wat ons betreft, wij beschouwen elke
+ school als een tempel, opgericht aan de waardigheid en de welvaart van het arbeidende
+ volk!&mdash;Ziedaar, vrienden, de edele woorden, u door eenen uwer gezellen
+ toegestuurd. Drukt ze in uw hart en volgt den wijzen raad, die er in ligt besloten;
+ want zij toonen u het middel om uwe krachten te verdubbelen, uwe welvaart te
+ vermeerderen en in de toekomst het werk en den werkman te verheffen en te
+ veredelen."</p>
+ <p><a id="footnote1" name='footnote1'></a>[1] M. Dauby.</p>
+ <p>Deze redevoering, met kracht en overtuiging uitgesproken, had eenen diepen indruk
+ op het gemoed der aanhoorders gedaan. Eerst na een oogenblik der volledigste stilte
+ braken de toejuichingen los. Onder degenen, die met koortsige geestdrift in de handen
+ klapten en bravo riepen, kon men bovenal vrouw Damhout onderscheiden. De opgetogene
+ Christina had hare eigene denkwijze zoo welsprekend hooren bevestigen; en zij
+ gevoelde, dat de woorden van den raadsheer eene lange lofrede van haar gedrag als
+ moeder waren geweest.</p>
+ <p>"Welnu, Adriaan," vroeg zij zegevierend, "had ik gelijk of niet? Die heer weet er
+ meer van dan Jan Wildenslag, niet waar? En gij hoort wel, dat er verstandige
+ werklieden zijn, die denken als ik over het onderwijs der kinderen?"</p>
+ <p>Damhout knikte met het hoofd ten teeken van toestemming; maar hij had den tijd
+ niet om haar te antwoorden, want de oefeningen der schoolkinderen
+ <!-- Page 102 -->begonnen onmiddellijk en werden zonder verpoozing voortgezet.</p>
+ <p>Men droeg eenige verzenstukjes en fabelen voor, en men vertoonde zelfs een geestig
+ blijspel, het alles onder het twintigmaal herhaalde handgeklap der aanschouwers, die
+ verbaasd waren en zich trotsch gevoelden over de kunde en de geleerdheid hunner
+ kinderen.</p>
+ <p>Eindelijk ging men over tot de prijsuitreiking. Een groot getal jongens van allen
+ ouderdom, de kleinste eerst, werden beurtelings opgeroepen en kregen
+ &eacute;&eacute;n of meer boeken.</p>
+ <p>Velen moeders ontvielen tranen van geluk en hoogmoed; eenigen drukten in vol
+ publiek hunne kinderen op hun hart en deden door deze eenvoudige uitstorting van
+ liefde en blijdschap de toejuichingen der ontroerde aanschouwers verdubbelen.</p>
+ <p>Toen men aan de leerlingen der hoogste klasse was gekomen, en Bavo de schoone,
+ groote boeken &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n van de tafel zag verdwijnen,
+ werd het hem eenigszins bang om het hart. Ware hij op de school gebleven, dan hadde
+ hij wel zeker het grootste getal dier prijzen behaald. Al de eer, welke zijnen ouden
+ gezellen nu werd aangedaan, ware hem te beurt gevallen. Hoe hadde die openbare
+ zegepraal, in tegenwoordigheid des burgemeesters en der andere heeren, zijne moeder
+ en zijnen ziekelijken vader gelukkig gemaakt! Nu zou hij slechts eenen prijs krijgen,
+ eenen kleinen prijs, want er lagen geene groote boeken meer op de tafel.</p>
+ <p>Nog treuriger werd Bavo, toen hij ook den laatsten prijs zag weggaan; maar hij
+ werd uit zijne droeve overweging opgewekt door de verschijning van den
+ <!-- Page 103 -->hoofdonderwijzer, die op het tooneel vooruitkwam om tot het publiek
+ te spreken.</p>
+ <p>De redenaar was een man met grijze haren; er lag in zijn schoon en indrukwekkend
+ gelaat een toon van ernst en goedheid, van overtuiging en liefde, die liet vermoeden,
+ dat deze grijsaard het onderwijs der kinderen beschouwde als eene soort van
+ priesterschap.</p>
+ <p>Op stillen, doch diepgevoelden toon begon hij zijne aanspraak. Van zijne eerste
+ woorden af verwonderde hij elkeen, en boeide de aandacht gansch bijzonderlijk; want
+ hij verhaalde een vertelsel van werklieden, eenen vader en eene moeder, die ten koste
+ van vele opofferingen hunnen zoon hadden laten leeren, en die zelfs te midden van
+ nood, van ziekte en ellende, liever honger hadden geleden dan hun kind van de school
+ te trekken. Hij prees deze ouders zeer hoog, noemde ze edele, waardige menschen, en
+ stelde ze ten voorbeeld van allen, die hem aanhoorden.</p>
+ <p>Dewijl hij geene namen noemde, meende men, dat hij een uitgevonden verhaal
+ voordroeg; maar de moed en de opoffering dezer ingebeelde ouders rukten evenwel
+ tranen van bewondering uit de oogen van alle lieden.</p>
+ <p>Christina Damhout hield het hoofd gebogen en verborg hare ontroering. Haar hart
+ klopte fel, en zij was als beschaamd.</p>
+ <p>"God heeft die goede ouders beloond," ging de grijze redenaar voort, "en in het
+ feit dat ik u verhalen ga, zult gij het bewijs vinden, dat het onderwijs, gepaard met
+ de zedelijke opvoeding, het hart van den mensch veredelt en hem, met het besef zijner
+ plichten, ook den moed en de kracht geeft om ze te <!-- Page 104 -->vervullen. De
+ zoon dier ouders was leerling op deze school. Hij was de sterkste en meest geleerde
+ in de hoogste klasse, en wel zeker zou hij al de eerste prijzen hebben weggedragen.
+ Niemand twijfelde er aan, noch wij, zijne leermeesters, noch zijne medeleerlingen,
+ noch hij zelf. Hij snakte naar den dag der prijsuitreiking, niet voor zich zelven,
+ maar voor zijnen vader en zijne moeder, die gelukkig zouden zijn door zijne schoone
+ zegepraal. Dan kwam de werkstaking der fabrieken; zijn vader werd doodelijk ziek;
+ nood en lijden overvielen zijne arme ouders. Wat deed de jongen? Hij verzaakte aan al
+ zijne prijzen, aan de lang gedroomde eer, om eenen dwingenden plicht te vervullen.
+ Hij verliet de school, zonder het zijnen ouders te durven zeggen, zocht en vond werk
+ in eene fabriek, legde in 't geheim zijn dagloon in de kas zijner moeder neder en
+ redde dus, als een onzichtbare weldoener, zijne ouders uit de bittere ellende....
+ Door ontijdig van de school weg te blijven, heeft de goede zoon zijn recht op het
+ behalen der prijzen verloren; maar wij, zijne leermeesters, met toestemming van den
+ heer burgemeester en met behulp van eenen milden beschermer der volksscholen, hebben
+ besloten zijne vlijt, zijne kunde en bovenal zijn edel gedrag door eene bijzondere
+ belooning te erkennen."</p>
+ <p>Hij haalde van achter een gordijn een groot kwartoboek en een lauwerkroon te
+ voorschijn. Het boek was in rood leder gebonden en verguld op snede. De onderwijzer
+ opende het en toonde, dat het vol was van schoone, ontplooibare platen. Op den titel
+ stond te lezen: <i>Werktuigkunde, toegepast op de Nijverheid<!-- Page 105 --></i>. Al
+ de aanschouwers waren rechtgesprongen en keken zich de oogen uit het hoofd, om te
+ raden, wien dit prachtig boek mocht bestemd zijn.</p>
+ <p>De hoofdonderwijzer keerde zich naar den kant der schoolkinderen, en zeide met
+ diepe aandoening:</p>
+ <p>"Kom, Bavo Damhout, kom, mijn vriend, ontvang dit bewijs van de achting uwer
+ leermeesters; het blijve u een kostbaar aandenken en een spoorslag om op den weg der
+ deugd en der plichtsbetrachting voort te gaan. Gij zijt werkman; maar in die nuttige
+ loopbaan staat de toekomst voor u open. Wees uwen gezellen een voorbeeld en toon hun
+ gedurende uw leven, in uw gedrag en in uw welgelukken, de onschatbare vruchten van
+ het volksonderwijs!"</p>
+ <p>Bavo was bleek en beefde; hij scheen de macht niet te hebben om de trede te
+ beklimmen, zoodanig ontstelde hem deze onverwachte eerbewijzing in tegenwoordigheid
+ zijner ouders. Een der onderwijzers vatte hem bij den arm en leidde hem op het
+ tooneel. Zijn grijze meester omhelsde hem, zette hem de lauwerkroon op het hoofd en
+ legde hem het groote boek op de handen.</p>
+ <p>De gansche zaal daverde onder een donderend bravo; velen der aanschouwers leekten
+ tranen van ontroering op de wangen; de vrouwen brachten zich den neusdoek aan de
+ oogen.</p>
+ <p>Voor de trede stonden de burgemeester en de andere heeren recht, gereed om den
+ bekroonden jongen geluk te wenschen; maar Bavo, zonder daar acht op te geven,
+ zoohaast hij zich in bezit van zijnen prijs zag, keerde zich om, hief het boek en
+ kroon met beide handen in de hoogte en riep in verrukking uit:</p>
+ <p>"Moeder, moeder, moeder!"</p>
+ <p><!-- Page 106 -->En hij sprong als een zinnelooze of een blinde tusschen de
+ overheden en het publiek door, wierp kroon en boek op den schoot zijner moeder en
+ vloog haar aan den hals en zoende haar onder het uitspreken van allerlei
+ dankzeggingen. Ook zijnen vader omhelsde hij lang en vurig. Tusschen zijne
+ liefdesbetuiging riep hij luid:</p>
+ <p>"Gij hebt gewerkt en geleden om mij te laten leeren. Vader, vader, ik zal voor u
+ werken. O, dat God mij bescherme! Gij zult het zien, gij zult het zien!"</p>
+ <p>Deze eenvoudige lieden, in hun geluk, in hunne ontsteltenis, hadden de geheele
+ wereld vergeten en schenen niet te weten, dat eene menigte menschen, met tranen in de
+ oogen en woorden van bewondering op de lippen, hen omringden en op de uitstorting
+ hunner blijdschap staarden.</p>
+ <p>Damhout richtte zich eerst op en zeide tot zijne vrouw:</p>
+ <p>"Kom, Christina, kom; men bekijkt ons zoo vreemd. Het is gedaan; de burgemeester
+ is al weg; laat ons naar huis gaan."</p>
+ <p>Men hadde op de schijnbare koelheid zijner woorden kunnen vooronderstellen, dat
+ vader Damhout min gevoelig was aan de zegepraal zijns zoons; maar men hadde zich
+ daarover geheel misgrepen. Zijn hart was vervuld met hoogmoed; want toen hij van
+ tusschen de banken was geraakt, spande hij zichtbaar alle pogingen in om nevens Bavo
+ te blijven, opdat elkeen mochte zien, dat hij de vader van dien jongen was.</p>
+ <p>Bavo scheen sedert eenige oogenblikken door een gevoel van beschaamdheid
+ aangegrepen; hij hield <!-- Page 107 -->het hoofd gebogen en stapte wankelend
+ tusschen zijne ouders.</p>
+ <p>Toen zij de deur der zaal gingen bereiken, zeide Christina tot haren zoon:</p>
+ <p>"Bavo lief, gij moogt niet beschaamd zijn: integendeel, hef het hoofd op; de
+ menschen zouden zoo gaarne u in het aangezicht zien; het is uit vriendschap...."</p>
+ <p>De jongen, als uit eenen slaap opschietende, slaakte eenen zucht en murmelde met
+ zonderlinge ontroering aan het oor zijner moeder:</p>
+ <p>"Ach, hadde Lieveken dit eens kunnen zien!"</p>
+ <p>Zij werden door den vloed des volks ter deur uitgestuwd, en bevonden zich op de
+ straat.</p>
+ <p>"Christina," zeide vader Damhout, "ginder staat M. Raemdonck; hij beziet ons en
+ schijnt mij te willen spreken."</p>
+ <p>"Inderdaad, Adriaan, het is natuurlijk, hij zal u gelukwenschen. Welke eer, niet
+ waar? Uw eigen meester. Wie hadde zich toch aan zooveel geluk verwacht. Die goede,
+ lieve Bavo!"</p>
+ <p>M. Raemdonck wenkte Damhout met den vinger tot zich.</p>
+ <p>Terwijl Bavo en zijne moeder te midden der straat tusschen een hoop nieuwsgierige
+ lieden bleven staan, ging Adriaan met ontdekten hoofde tot zijnen meester. Deze
+ drukte hem minzaam de hand en zeide hem:</p>
+ <p>"Ik wensch u geluk, Damhout. Zet uwe klak weder op, ik bid u. Dat gij een goed en
+ vlijtig werkman zijt, dit wist ik sedert vele jaren; maar dat gij, als een verlicht
+ en verstandig vader, uwen zoon hebt laten leeren, totdat hij al de klassen van het
+ lager <!-- Page 108 -->onderwijs had doorloopen, dit is iets, dat u in mijne oogen
+ grootelijks vereert."</p>
+ <p>"Ach, het is mijne vrouw, mijnheer," antwoordde de ontroerde werkman.</p>
+ <p>"Uwe vrouw?"</p>
+ <p>"Ja, mijnheer, daarvoor moet ik God dankbaar zijn, dat Hij mij de braafste en
+ verstandigste vrouw heeft gegeven, die er op de wereld te vinden is."</p>
+ <p>"Het zij zoo, mijn vriend, gij hebt er evenwel voor moeten werken. Ik heb aan den
+ burgemeester beloofd, dat ik, indien het mogelijk is, iets zal doen om u te beloonen.
+ Zeg mij eens, wat stelt gij u voor van uwen zoon te maken?"</p>
+ <p>"Hij is op de fabriek van M. Verbeeck."</p>
+ <p>"Wat doet hij daar?"</p>
+ <p>"Hij zal de naaste week aan den eersten <i>duivel</i> staan, mijnheer."</p>
+ <p>"Ja, dit is niet slecht: hij zal mettertijd meesterknecht kunnen worden. Wilt gij
+ mij een vermaak doen, Damhout? Zend mij uwen zoon; ik wil hem ook eenen prijs, een
+ geschenk geven. Ga naar huis met uwen zoon, en zoohaast hij zijn boek en zijne kroon
+ heeft nedergelegd en wat heeft uitgerust, doe hem dan ten mijnent komen; ik zal hem
+ verwachten."</p>
+ <p>Damhout keerde terug tot zijne vrouw en vertelde haar met blijde verbaasdheid, wat
+ zijn meester hem had gezegd. Hij had hem de hand zoo vriendelijk gedrukt en zulke
+ minzame woorden tot hem gesproken!</p>
+ <p>Door iedereen nagekeken, geroemd en geprezen, kwamen de Damhouts eindelijk in
+ hunne kleine stege. Voor het huisje, waar de Wildenslags hadden gewoond, scheen Bavo
+ te willen blijven staan, en hij <!-- Page 109 -->hief zelfs door eene onvrijwillige
+ beweging zijn boek en zijne kroon op, als toonde hij deze voorwerpen aan een
+ onzichtbaar wezen; maar een zucht ontsnapte hem, en hij volgde zijne ouders tot
+ binnen hunne woning.</p>
+ <p>Hier herhaalden zij nog eens de blijde omhelzing, en dan haastte Bavo zich ter
+ stege uit, om naar M. Raemdonck te gaan en daar een nieuw geschenk te ontvangen. Wat
+ zou het zijn, dat zijns vaders meester hem wilde geven? Misschien insgelijks een
+ schoon boek, misschien iets anders?</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="IX" name='IX'></a>
+ <h2><!-- Page 110 -->IX</h2>
+ <br />
+
+ <p>Bavo belde ten huize van M. Raemdonck; de meid leidde hem in het bureel. Hier kwam
+ een reeds bejaarde man, de meester-klerk ongetwijfeld, hem te gemoet met eenen
+ vriendelijken glimlach op het aangezicht, greep hem de hand en zeide:</p>
+ <p>"Ik wensch u geluk, mijn jongen; men heeft u eene welverdiende eer bewezen; ik was
+ er tegenwoordig en heb mij diep ontroerd gevoeld. Het zal u geluk bijbrengen dat gij
+ uwe ouders zoo bemint en dankbaar zijt."</p>
+ <p>Bavo murmelde den naam van M. Raemdonck.</p>
+ <p>"Ja, ik weet het," zeide de meester-klerk, "mijnheer heeft u doen komen, maar hij
+ is met eenen koopman in de fabriek gegaan en heeft gezegd, dat gij hier een beetje
+ zoudt wachten. Zit neder, mijn vriend. M. Raemdonck zou u goed willen doen, indien
+ het mogelijk is. Hij zou gaarne weten wat gij kent en tot hoeverre gij geleerd zijt,
+ en hij heeft mij gelast u op de proef te stellen, indien gij hierin toestemt."</p>
+ <p>"Ik ben hem wel dankbaar en zal alles doen wat u belieft, mijnheer," antwoordde de
+ jongen.</p>
+ <p>"Welnu, zet u daar voor den lessenaar; ziehier de kopie van eenen brief. Schrijf
+ dien eens in het net, <!-- Page 111 -->op uw best en zonder feilen. Wees niet
+ bevreesd. Daar hebt gij een model voor den vorm des briefs. Begin maar; ik zal
+ intusschen mijn eigen werk voortzetten."</p>
+ <p>Er heerschte eene volledige stilte in het bureel, totdat Bavo, door het hoofd op
+ te heffen en zich om te keeren, teeken gaf, dat de brief was afgeschreven.</p>
+ <p>De meester-klerk naderde, hield de oogen eene wijl op het papier gevestigd en
+ zeide dan met verwondering:</p>
+ <p>"Ho, jongen, wat schoon geschrift, wat vaste hand ... en geene feilen! Bravo, dit
+ had ik niet verwacht; het zal M. Raemdonck verblijden, want hij draagt u eene ware
+ genegenheid toe, omdat gij de zoon zijt van eenen onzer oudste en beste werklieden.
+ Kunt gij ook goed rekenen?"</p>
+ <p>"Daarin was ik de sterkste van de geheele school, mijnheer, ten minste volgens
+ mijne meesters."</p>
+ <p>"Welnu, ziehier eene kolom cijfers; tel ze eerst op; vermenigvuldig dan de
+ uitkomst met 365 en deel het geheel met 514."</p>
+ <p>In eenige minuten had Bavo de rekening gemaakt, en de meester-klerk bevond met
+ innige tevredenheid, dat hij niet had gemist.</p>
+ <p>"Blijf nu een oogenblikje hier wachten, mijn vriend," zeide hij; "ik ga M.
+ Raemdonck van uwe komst verwittigen."</p>
+ <p>Hij liet Bavo alleen in het bureel, opende eene deur en trad ten einde van eenen
+ gang in eene zaal, waar de eigenaar der fabriek voor eene tafel zat en bezig was met
+ eenige papieren te doorbladeren.</p>
+ <p>"Welnu, Pasmans, hoe staat het met de geleerd<!-- Page 112 -->heid van den
+ jongen?" vroeg hij. "Zoudt gij hem kunnen benuttigen?"</p>
+ <p>"Het is een wonder, mijnheer," antwoordde de meester-klerk; "de jongen is
+ nauwelijks vijftien jaar, en hij heeft een geschrift zoo vast en zoo fraai als van
+ eenen ouden klerk; hij kan goed rekenen, heeft een fijn begrip en is bekwaam tot
+ alles, ten minste voor hetgeen onder mijn toezicht op het bureel kan te doen
+ zijn."</p>
+ <p>"Gij wilt toch niet zeggen, dat hij den klerk, dien gij eergisteren wegzondt, zou
+ kunnen vervangen?"</p>
+ <p>"Neen, mijnheer, ik durf het niet zeggen, alhoewel ik overtuigd ben, dat ik uit
+ dezen leerling der gemeenteschool meer nut zal trekken; maar hij is te jong, en men
+ mag hem in den beginne niet door eene al te hooge jaarwedde bederven."</p>
+ <p>"Inderdaad, de andere klerk had duizend franken. Wat zou men den zoon van Damhout
+ kunnen geven? Gij weet dat ik zijne ouders wil beloonen?"</p>
+ <p>"Het derde gedeelte, mijnheer; driehonderd franken, bij voorbeeld. Het ware genoeg
+ om te beginnen. Ik zal den jongen helpen en leeren. Indien hij vlijtig en getrouw
+ blijft, kunnen wij zijn loon opvolgend verhoogen."</p>
+ <p>"Het is wel, Pasmans, ik bedank u om uwe goedwilligheid. Zend mij den jongen, maar
+ zeg hem niets."</p>
+ <p>Eenige oogenblikken daarna trad Bavo in de zaal en bleef met de klak in de hand
+ voor M. Raemdonck staan.</p>
+ <p>Deze beschouwde hem eene wijl, met het hoofd knikkende, als schepte hij behagen in
+ de regelmatige <!-- Page 113 -->wezenstrekken en in de nederige, doch tevens moedige
+ houding van den jongen.</p>
+ <p>"Het is een schoone dag voor u geweest, mijn vriend," zeide hij. "Gij hebt vele
+ beschermers aangewonnen, en indien gij vlijtig en verstandig blijft, zult gij
+ waarschijnlijk uwen weg in de wereld maken; maar wat u ook gebeure, vergeet nooit,
+ dat uwe ouders, arme fabriekwerkers, zich hebben opgeofferd om u te laten
+ leeren."</p>
+ <p>"Ik zal het niet vergeten, mijnheer," antwoordde Bavo zeer stil, maar op eenen
+ ontroerden toon en met eenen glim van wilskracht, waarvan de innigheid den eigenaar
+ der fabriek met verrassing sloeg.</p>
+ <p>"Ha, dit is wel," zeide hij, "dat gij goed doordrongen zijt van alles, wat uwe
+ arme ouders voor u hebben gedaan; uw vader bovenal, niet waar?"</p>
+ <p>"Ja, mijnheer, mijn vader heeft voor mij gewerkt, mijn vader is voor mij doodelijk
+ ziek geworden; mijne moeder heeft nachten zonder slapen doorgebracht om mij naar de
+ school te laten gaan."</p>
+ <p>"En gij zult ze liefhebben en, is het u mogelijk, ze beloonen in hunnen ouden
+ dag?"</p>
+ <p>"Ja, mijnheer, zoolang ik leef."</p>
+ <p>"Gij zijt nu op de fabriek van M. Verbeeck, en gij zult de naaste week eerst aan
+ den <i>duivel</i> staan als helper. Het is een goed middel om tot iets te geraken;
+ maar dit gaat wel langzaam, mijn jongen. Met uwe geleerdheid kan men misschien eenen
+ korteren weg vinden."</p>
+ <p>"Ik zal meesterknecht worden, mijnheer!" antwoordde Bavo met bedwongene
+ kracht.</p>
+ <p>"En dan?" morde M. Raemdonck.</p>
+ <p>"<!-- Page 114 -->Dan, mijnheer, dan zal mijn vader niet meer werken, en mijne
+ moeder ook niet."</p>
+ <p>"Gij zijt een brave jongen," sprak M. Raemdonck getroffen. "Wat wint gij nu? Vier
+ of vijf franken in de week, niet waar? Dit is niet genoeg. Ik wil u helpen het edele
+ doel bereiken, dat gij uw dankbaar hart aanwijst, door u eene loopbaan te openen,
+ waarin men, met uwe geleerdheid en uwen goeden wil, veel spoediger kan vooruitgaan.
+ Ik was voornemens u een boek te geven; maar al de boeken mijner bibliotheek zullen
+ tot uwe beschikking staan. Een ander geschenk ga ik u doen. Wilt gij klerk worden op
+ mijn bureel?&mdash;Blijft gij bij uwe goede gedachten en vlijtig, dan zal ik u
+ voorthelpen met liefde, als waart gij mijn eigen zoon."</p>
+ <p>"O, mijnheer, zooveel goedheid!" kreet Bavo, de handen dankend opheffende. "Hoe
+ blijde zal mijne moeder zijn!"</p>
+ <p>"Gij aanvaardt dus de plaats?"</p>
+ <p>"Ik kan schier niet spreken, mijnheer. Ach ja, ja, ik zal zoo mijn best doen!"</p>
+ <p>"Maar gij vraagt niet wat gij zult winnen. Indien gij u nuttig maakt en u vlijtig
+ toont, zal ik uwe jaarwedde al spoedig verhoogen; het hangt van u af.</p>
+ <p>Voor alsnu en om te beginnen, zult gij ... zult gij vierhonderd franken trekken;
+ het is ten minste tweemaal zooveel als uw tegenwoordig loon."</p>
+ <p>Bavo borst in tranen los en scheen in zijne ontroering te stikken; hij stamelde
+ verwarde woorden, zegende zijnen weldoener en sprak van zijne moeder en van zijnen
+ vader, doch was te zeer ontsteld om een verstaanbaar woord te uiten.</p>
+ <br />
+
+ <div class="center">
+ <img src='images/115.png' width='600' alt='Eenen Godspenning wil ik u geven.'
+ title='Eenen Godspenning wil ik u geven.' /><br />
+ <br />
+ <i>Eenen Godspenning wil ik u geven.</i>
+ </div>
+ <p>M. Raemdonck opende eene lade van zijnen <!-- Page 115 --><!-- Page 116 -->
+ <!-- Page 117 -->schrijflessenaar, nam er iets uit, naderde tot den duizeligen jongen
+ en zeide hem:</p>
+ <p>"Kom morgen op het groot bureel; de oude meester-klerk is een braaf man en een
+ edelmoedig hart; hij zal u vriendelijk zijn en u voorthelpen. Eenen Godspenning wil
+ ik u geven; het zal mijn geschenk zijn. Daar, neem dit, draag het uwen vader met de
+ goede tijding, en poog mijner bescherming waardig te blijven; dan zult gij uw eigen
+ geluk en het geluk uwer goede ouders verzekeren. Vaarwel, mijn jongen, tot morgen
+ dus."</p>
+ <p>Het hoofd van Bavo draaide, het was hem duister voor de oogen; hij bevond zich in
+ de straat zonder het te weten. Vierhonderd franken ging hij winnen! Welke rijkdom, en
+ hoe zou zijne moeder verbaasd staan en gelukkig zijn bij dit wonderschoon nieuws! Hij
+ kon het niet gelooven; hij droomde misschien? Neen, neen, het was waar. Klerk zou hij
+ worden en vierhonderd franken winnen!</p>
+ <p>Dan eerst voelde hij iets in zijne hand en opende ze. Daar blonken hem twee
+ goudstukken van twintig franken in de oogen!</p>
+ <p>Een luide schreeuw ontvloog hem, en, zonder op de voorbijgangers te letten, die
+ hem verwonderd nakeken, sprong hij, met de hand in de hoogte, juichend vooruit en
+ liep uit al zijne kracht, totdat hij zijne woning bereikte.</p>
+ <p>"Moeder, vader!" riep hij, "ik word klerk in het groot bureel van M. Raemdonck; ik
+ win vierhonderd franken; ik zal spoedig meer winnen: daar, daar is mijn Godspenning!
+ Vader, vader, wij zullen rijk zijn; gij zult leven zonder werken, gij hebt genoeg
+ gedaan voor mij. Moeder zal des nachts niet <!-- Page 118 -->meer moeten naaien; zij
+ zal eene meid hebben. Nu nog niet, maar het zal komen, ja, ja, mettertijd, of ik zal
+ er onder bezwijken."</p>
+ <p>En van ontsteltenis afgemat, liet de opgewonden jongen zich lachend en juichend op
+ eenen stoel vallen.</p>
+ <p>De ouders bestaarden met verwondering de twee goudstukken, welke hun zoon op de
+ tafel had geworpen; zij insgelijks schenen buiten zich zelven van verbaasdheid.</p>
+ <p>Damhout sloeg eensklaps de armen om den hals zijner vrouw, drukte haar op zijn
+ hart en stamelde met tranen in de oogen:</p>
+ <p>"O, Christina lief, dat God u zegene! Aan u, aan u alleen zijn wij al dit geluk
+ verschuldigd. Gij zijt meer dan eene moeder voor uwe kinderen, meer dan eene vrouw
+ voor mij; gij zijt onze goede engelbewaarder op aarde!"</p>
+ <p>Bavo stond eensklaps recht en kreet, terwijl hij naar de deur liep:</p>
+ <p>"O, Lieveken! Lieveken!"</p>
+ <p>Met eenen angstigen gil sprong zijne moeder hem achterna.</p>
+ <p>"Hemel, mijn arme zoon, wat geschiedt u?" gilde zij.</p>
+ <p>Maar Bavo wierp zich in hare armen en zeide met het schaamrood op de wangen:</p>
+ <p>"Het is niets moeder lief; ik droom, de blijdschap maakt mij zinneloos!"</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="X" name='X'></a>
+ <h2><!-- Page 119 -->X</h2>
+ <br />
+
+ <p>Des anderen daags begaf Bavo zich naar zijn bureel; hij was zoo blijde en zoo vol
+ geestdrift, dat hij geheel door zijnen nieuwen arbeid was verslonden en aan niets
+ anders meer scheen te denken. Hij bracht des avonds schrijfwerk mede, bleef met de
+ pen in de hand zitten, totdat zijne ouders hem herinnerden, dat het tijd was om
+ slapen te gaan, en sprak zelfs niet meer van Lieveken, noch van zijne treurnis, omdat
+ zij zijne schoone zegepraal niet had kunnen zien.</p>
+ <p>Evenwel na eenige dagen van groote overspanning, kwam er een beetje rust in zijn
+ gemoed. Dan keerde de herinnering aan de afwezige vriendin even krachtig als te voren
+ in hem weder, en hij spoorde zijne moeder aan om eenen brief aan Lieveken te
+ schrijven. Het arme meisje zou zich in hun geluk verblijden, en het zou haar zeker
+ een troost zijn in haar verdriet.</p>
+ <p>Een gansche avond werd aan het opstellen en afschrijven van den brief besteed;
+ want alhoewel Bavo de pen voor zijne moeder hield, stortte hij er al de vreugde van
+ zijn eigen hart in uit en schilderde breed en wijd de prijsuitreiking en het bezoek
+ bij M. Raemdonck. Lieveken moest alles, alles weten, <!-- Page 120 -->even alsof zij
+ zelve er bij tegenwoordig ware geweest. Hij vergat insgelijks niet te juichen over de
+ toekomst, die hem aanlachte, en beroemde zich, dat, indien Gods bescherming hem
+ bijbleef, hij zijne ouders mettertijd rijk en gelukkig zou maken. Zij moest seffens
+ antwoorden en laten weten, wanneer haar vader terug naar Gent zou keeren; de
+ fabrieken waren hier nu weder alle geopend en er was veel werk; want zij kon wel
+ denken, dat, niettegenstaande hunne blijdschap, zijne ouders en hij zelf toch veel
+ verdriet hadden, omdat zij Lieveken niet meer zagen.</p>
+ <p>De brief werd in de post gestoken, en van dan af wachtte Bavo met koortsig
+ verlangen op het antwoord.</p>
+ <p>Er verliepen &eacute;&eacute;ne week, twee weken, eene gansche maand. Elken middag
+ en elken avond, als Bavo zijn bureel verliet, liep hij met groote haast naar huis, en
+ zijn eerste woord was telkens:</p>
+ <p>"Welnu, welnu, moeder, is er niets gekomen?"</p>
+ <p>"Niets, nog niets, mijn zoon," antwoordde vrouw Damhout met eenen zucht.</p>
+ <p>Bavo werd allengs zeer treurig en moedeloos, en soms bleef hij des avonds uren
+ lang met het hoofd in de hand zitten, of koutte met zijne moeder over de
+ waarschijnlijke redenen dezer stilzwijgendheid van Lieveken. Was zij ziek misschien?
+ Was haar een ongeluk overkomen? Had men zich in het opschrift van den brief
+ misgrepen? Maar dit laatste was niet mogelijk, vermits Lieveken zelve
+ v&oacute;&oacute;r haar vertrek hun dit opschrift had gegeven.</p>
+ <p>Gelukkig dat Bavo in den arbeid eene afleiding voor zijne droeve gepeinzen vond.
+ Het plichtgevoel was inderdaad zeer machtig in hem. Zoolang hij op
+ <!-- Page 121 -->zijn bureel was, overspande hij zijne wilskracht en worstelde
+ zegevierend tegen het verdriet, dat zijnen geest benevelde, en men kon niet aan zijn
+ werk raden, dat smartelijke stoornissen hem onophoudend bestormden.</p>
+ <p>Zekeren avond toch zeide hem de oude meester-klerk met eene schier vaderlijke
+ minzaamheid:</p>
+ <p>"Bavo, mijn jongen, gij moogt met zooveel inspanning niet werken. Gij zult u
+ zelven ziek maken door uw overdreven ijver. Ik zie sedert eenige dagen, dat gij
+ zwaarmoedig en treurig zijt. Vrees niet, gij doet meer en beter dan men van u kan
+ verwachten. M. Raemdonck is zeer tevreden over u, gij weet het wel. Kom, kom, een
+ mensch, die zijne plichten gevoelvol vervult, moet licht en vroolijk van harte zijn;
+ anders wordt hem de arbeid zwaar en geestverdoovend."</p>
+ <p>De arme jongen ging zeer bedrukt naar huis; hij beschouwde deze vriendelijke
+ opwekking als een zijdelingsch verwijt; want zij bewees, dat de meester-klerk zijne
+ duistere gemoedsstemming had opgemerkt, en misschien had er iets aan zijn schrijfwerk
+ ontbroken. Daarenboven, Lieveken antwoordde niet; reeds zes lange weken waren er
+ verloopen. Zou hij ooit nog wel iets van haar vernemen? Was zij gevaarlijk ziek? Was
+ zij dood misschien?&mdash;want aan hare dankbaarheid, aan hare trouwe herinnering
+ dorst hij na zulke korte afwezigheid niet twijfelen.</p>
+ <p>Toen hij dus, dubbend en zuchtend, in de stege kwam, ontvloog hem eensklaps een
+ schreeuw van verrassing en blijdschap. Hij zag van verre zijne moeder voor de deur
+ van haar huisje staan met een papier in de hand, dat zij hem scheen te toonen.</p>
+ <p><!-- Page 122 -->De jongen sprong vooruit, trok zijne moeder in huis en riep:</p>
+ <p>"Een brief van Lieveken?"</p>
+ <p>"Ja, van Lieveken of van hare ouders; hij komt uit Frankrijk."</p>
+ <p>"En wat staat er in, moeder?"</p>
+ <p>"Gij weet, Bavo, dat ik geen geschrift kan lezen."</p>
+ <p>"Geef, geef, ik zal hem u voorlezen.... Hij is van Lieveken zelve. Luister,
+ moeder. Ach, ik beef van ongeduld:</p>
+ <div class='blkquot'>
+ <p>"Goede madam Damhout."</p>
+ </div>
+ <p>"Zie, waarom noemt zij mij nu <i>madam</i>?" kreet de verwonderde Christina.</p>
+ <p>"Wel, het is uit eerbied, moeder; daarenboven, in Frankijk noemt men iedere vrouw
+ <i>madam</i>; maar laat mij lezen, onderbreek mij niet, ik bid u:</p>
+ <div class='blkquot'>
+ <p>"Goede madam Damhout,</p>
+ <p>"Vergeef het mij, dat ik niet eerder op uwen brief heb kunnen antwoorden. Vader
+ had hem op de fabriek ontvangen en hem in zijnen zak gestoken en vergeten. Toen
+ moeder zijn vest wilde vermaken, heeft zij hem gevonden. Ik bedank u en Bavo en M.
+ Damhout uit het diepste mijns harten voor de vriendschap, die gij de arme Godelieve
+ blijft toedragen. Uw brief heeft ons zoo gelukkig gemaakt, dat mijne moeder
+ <!-- Page 123 -->en ik van blijdschap hebben geweend en God om zijne goedheid
+ jegens u hebben gezegend. Wat mij betreft, ik heb veel verdriet; want ik denk
+ zonder ophouden aan u allen: ik treur, omdat ik u niet meer zie en zelfs niet weet,
+ of ik nog ooit van mijn leven u zal wederzien. Mijn vader zegt dikwijls, dat hij
+ nooit meer naar het land zal wederkeeren; want hier is overvloedig werk en een hoog
+ dagloon. Mijne moeder heeft nog geenen winkel voor mij kunnen vinden. Ik werk op
+ eene fabriek en win zes franken in de week. Mocht mijne moeder toch spoedig eenen
+ winkel voor mij vinden! De menschen op de fabriek zijn zoo grof en zoo baldadig;
+ zij schelden en vloeken altijd, en omdat ik eenen afkeer van die woestheid heb,
+ lachen ze mij uit en plagen mij. Ik ben er bijna ziek van geworden; maar nu is het
+ wat beter. Mijn broeder Tist is zijn linker oog kwijtgeraakt in een gevecht
+ tusschen Vlaamsche en Fransche werklieden; hier vecht men schier alle dagen. Dat
+ Bavo in de wereld zal verhoogen, en dat gij altezamen rijk zult worden, daarvan was
+ ik reeds overtuigd, toen ik nog een klein kind was; maar gij zult in uw geluk toch
+ somtijds nog eens denken aan het arme Lieveken, niet waar? Wat ik ook worde,
+ fabriekwerkster of kleermaakster, ik zal slechts met eerbied en dankbaarheid mij
+ uwer eindelooze goedheid mogen herinneren, dit weet ik wel; maar zijt zeker, al
+ leefde Godelieve honderd jaar, dat zij nog op haar doodbed de namen zal noemen van
+ hem, die het arme zieke kind leerde lezen, en van haar, die het als eene tweede
+ moeder naar de school heeft geleid.</p>
+ <p>"Uwe ootmoedige dienstmeid,</p>
+ <p>"GODELIEVE WILDENSLAG."</p>
+ </div>
+ <!-- Page 124 -->
+ <p>Bavo liet den brief ter tafel vallen en begon te weenen: vrouw Damhout had
+ insgelijks de tranen in de oogen. Zij poogde echter haren zoon te doen begrijpen, dat
+ hij ten onrechte zich zoo diep bedroefde. Wat was er dan zoo ongelukkig in het lot
+ van Lieveken? Zij treurde, omdat zij verre van hare geboortestad en hare vrienden
+ moest leven. Dit was immers natuurlijk? Bavo moest daarenboven wel zeker zijn, dat
+ Wildenslag naar Gent zou terugkeeren.</p>
+ <p>Maar dit was de reden der smart van den jongen niet. Wat hem verschrikte, was de
+ tijding, dat Godelieve op eene fabriek werkte, te midden van ruwe, woeste menschen,
+ en daarom was hij ontroostbaar. Hij drukte het angstig voorgevoel uit, dat Lieveken
+ door de gedurige aanraking met de grove, onwetende lieden hare zedigheid en de
+ zuiverheid haars harten zou kunnen verliezen. Dit ware volgens hem het grootste
+ ongeluk, dat haar kon overkomen. Er lag misschien een gevoel van zelfzucht in zijne
+ ontsteltenis; maar hij verborg het onder het medelijden voor de gezellinne zijner
+ kindsheid en zuchtte herhaalde malen met diepen weemoed:</p>
+ <p>"Arm Lieveken! Arm Lieveken!"</p>
+ <p>Adriaan Damhout kwam te huis. Dan bedwong Bavo zijn verdriet; want in zijns vaders
+ tegenwoordigheid dorst hij de ontroeringen zijns harten niet zoo vrij uitstorten.</p>
+ <p>Nadat men gedurende eenigen tijd over den treurigen brief van Godelieve had
+ gekout, besloot men haar nog denzelfden avond te schrijven, om haar te troosten en
+ haar moed te geven. Men zou <!-- Page 125 -->daarenboven in den brief aan haar eenen
+ anderen brief voor hare moeder steken, om deze tot het spoedig zoeken van eenen
+ anderen winkel aan te manen.</p>
+ <p>Eens dat deze beide brieven waren geschreven, werd Bavo een beetje beter te moede.
+ Hij had nu een middel gevonden om met Godelieve te spreken; het was eenigszins, alsof
+ zij nog tegenwoordig ware; de betuiging harer dankbaarheid, de zekerheid dat zij nog
+ aan hunne zoete vriendschap dacht, deed hem zoo goed aan het hart. Met deze
+ troostende overweging ging de jongen te bed, en alhoewel hij droomend Lieveken op de
+ fabriek zag en ruwe, onbeschofte woorden rondom haar hoorde galmen, werd zijn slaap
+ niet merkelijk gestoord.</p>
+ <p>Maanden lang wachtte hij op een tweede antwoord van Godelieve; er kwam geene
+ tijding. Men schreef eenen anderen brief en zelfs eenen derden, maar even
+ vruchteloos.</p>
+ <p>Bavo meende te moeten denken, dat vader Wildenslag de brieven vernietigde. Dewijl
+ men ze naar de fabriek stuurde, aangezien men de bijzondere woonst der Wildenslags
+ niet wist, ontving hij ze altijd op zijn werk. De brief, waarin Damhout aandrong om
+ Godelieve het fabriekwerk te doen verlaten, zou hem waarschijnlijk hebben doen
+ besluiten alle betrekking tusschen zijn huisgezin en de Damhouts af te breken.
+ Misschien had het woeste gezelschap, waarin Godelieve veroordeeld was te leven, reeds
+ eenen verderfelijken invloed op haar uitgeoefend? Misschien was haar geheugen
+ verduisterd en had zij hare vorige vrienden vergeten? Maar dit kon niet zijn, zoo
+ spoedig toch niet!</p>
+ <!-- Page 126 -->
+ <p>Op zekeren avond dat Bavo met zijne moeder koutte, ontvielen hem eenige droeve
+ woorden, die vrouw Damhout schenen te verrassen en te verwonderen. Wat zij daarop
+ antwoordde om hem te troosten, deed het schaamrood op Bavo's voorhoofd klimmen. Hij
+ stamelde eenige verontschuldigingen en bleef dan zwijgend in zich zelven dubben en
+ overwegen, of nam een boek en ontvluchtte z&oacute;&oacute; eene samenspraak,
+ zoohaast hij bemerkte, dat zijne moeder hem met aandacht beschouwde.</p>
+ <p>Liefde? Zijn medelijden zou liefde zijn? Hij zou Godelieve beminnen ... beminnen,
+ anders dan eene speelgenoote, dan eene zuster? Zijne moeder had het niet gezegd; maar
+ waarom dan had zij gesproken van eene geheime neiging des harten, van een gevoel, dat
+ hij moest pogen te beheerschen en te overwinnen?</p>
+ <p>Van dan af werd Bavo aangaande Godelieve achterhoudend met zijne moeder. Telkens
+ dat zij zelve, en het gebeurde niet dikwijls meer, den naam van Lieveken noemde,
+ keerde hij de samenspraak af.&mdash;Dit belette echter niet, dat zijne ziel treurde
+ en nog snakte naar de afwezige vriendinne. Elke maal dat hij te huis kwam, hoopte
+ hij, dat zijne moeder hem eenen brief zou toonen; maar de maanden verliepen zeer
+ snel, en van Lieveken hoorde men niets meer.</p>
+ <p>Wel had vader Damhout eens eenen werkman ontmoet, die uit Frankrijk kwam en hem
+ nieuws van de Wildenslags had gegeven; maar zijne woorden waren niet van aard om Bavo
+ of zijne moeder te verblijden. Volgens zijn zeggen wonnen de Wildenslags veel geld,
+ ja veel te v<!-- Page 127 -->eel; want zij waren gekend als de grootste drinkers en
+ zwierders van geheel de stad. Zij lagen ook altijd in twist met iedereen en schenen
+ in ruzie en in vechten hun vermaak te vinden. Naar Gent terugkomen, dit zouden zij
+ zeker niet doen; want zij hadden daarvoor een al te goed leven in Frankrijk.
+ Godelieve kende hij niet; maar hij wist, dat al de Wildenslags, ouders en kinderen,
+ op fabrieken werkten.</p>
+ <p>Ondanks de durende beneveling van zijn gemoed kweet Bavo zijne plichten zoo wel op
+ zijn bureel, dat hij meer en meer de gunst won van M. Raemdonck en van den
+ meester-klerk. Men had zijne jaarwedde reeds tot zeshonderd franken verhoogd, en
+ dewijl zijn vader bleef werken en zijne moeder nog immer voor haren winkel kielen
+ naaide, kwam er zooveel welstand in huis, dat men besloot de stege te verlaten en in
+ eene betere en min donkere straat te gaan wonen.</p>
+ <p>Veel eerder ware men verhuisd, hadde Bavo zelf niet altijd gepoogd deze beslissing
+ te doen uitstellen. Hij verborg het niet, dat hij met smart zich zou verwijderen van
+ deze plaats, waar zijne wieg had gestaan en waar hij zijne gelukkige kindsheid had
+ gesleten. Zeide en herhaalde zij hem niet dagelijks, hoe zijne moeder hem had bemind
+ en hem had aangemoedigd in zijne pogingen om te leeren? Waren niet al de
+ herinneringen van zijn leven aan deze nederige kamer gehecht?</p>
+ <p>Eindelijk toch kon hij zijne moeder niet meer wederstaan. Er werd, een weinig
+ verder aan de straat, een klein doch net huisje gehuurd, en men had reeds begonnen de
+ meubelen over te dragen.</p>
+ <p>Men nam<!-- Page 128 --> voor den laatsten keer het middagmaal in de oude woning.
+ Bavo zat tusschen zijne twee zusterkens aan tafel over zijne ouders. De jongen sprak
+ niet en was zeer zwaarmoedig; zijne oogen dwaalden soms rond de kamer, als zeide hij
+ vaarwel aan deze wanden, die zoo dikwijls de vroolijke stem van arme, ongelukkige
+ kinderen hadden gehoord.</p>
+ <p>Daar trad onverwachts een man in de kamer, naar buiten roepende:</p>
+ <p>"Ja, ja, ik kom! Eenige oogenblikken slechts! ga naar de <i>Blauwe Geit</i>, bij
+ Pier de Knul; ik zal u daar wel vinden!"</p>
+ <p>En tot de tafel naderende, greep hij de hand van Damhout en zeide:</p>
+ <p>"Goeden dag, Adriaan, ik wilde toch niet in Gent geweest zijn, zonder u te hebben
+ gezien. Gij hebt geluk, ik weet het en het verblijdt mij, want gij zijt een brave
+ vent."</p>
+ <p>"Zie, het is Steven Geerts!" riep Damhout. "Wel vier jaar is het geleden, dat ik u
+ voor de laatste maal heb gezien. Waar zijt gij gebleven?"</p>
+ <p>"Ik kom uit Frankrijk; daar is altijd veel werk."</p>
+ <p>"Uit Frankrijk?"</p>
+ <p>"Ja, van Wazemmes, bij Rijssel."</p>
+ <p>"Van Wazemmes!" riepen de ouders en Bavo met blijde verrassing.</p>
+ <p>"Waarom verwondert u dit?" murmelde Steven.</p>
+ <p>"En hoe gaat het met de Wildenslags? Die wonen ook te Wazemmes, niet waar?" vroeg
+ vrouw Damhout.</p>
+ <p>"Dit is te zeggen," was het antwoord, "zij hebben er eenigen tijd gewoond, volgens
+ dat ik van de vrienden heb vernomen; ma<!-- Page 129 -->ar ze zijn van daar naar
+ Douai vertrokken. Ik heb ze gedurende acht of tien dagen gezien; want ik heb wel een
+ half jaar te Douai gewerkt; maar de week na mijne aankomst zijn de Wildenslags
+ eensklaps van daar vertrokken. De vrienden zeggen, dat zij werk hebben aangenomen
+ voor eene stad in het midden van Frankrijk, voor Rouaan misschien; maar ik weet het
+ niet juist."</p>
+ <p>"En de Wildenslags varen altijd wel?"</p>
+ <p>"Wel? Ja, veel te wel; het ware beter, dat zij wat armoede leden. Er zijn geene
+ grootere rabauwen op de wereld dan de Wildenslags; gij moest ze nu zien, Adriaan! Ze
+ doen niets dan zwieren en slempen, halve weken; en ze worden zelfs door de vrienden
+ gevlucht; want ze zijn daarenboven zeer brutaal en groote ruziemakers."</p>
+ <p>Adriaan en zijne vrouw schudden treurig en zwijgend het hoofd. Ziende dat Steven
+ de hand van haren man greep om hem vaarwel te wenschen, vroeg moeder Damhout:</p>
+ <p>"Zoudt ge ons niet kunnen zeggen, Geerts, hoe het met Godelieve Wildenslag gaat?
+ Gij kent ze misschien niet?</p>
+ <p>"Is het geene teere, magere? Met blond haar en levendige blauwe oogen?"</p>
+ <p>"Ja."</p>
+ <p>"Ha, die ken ik goed; ik heb ze ten minste eens en maar al te wel gezien. Die is
+ nog veel erger dan de anderen, vrouw Damhout. Al de Wildenslags zijn grove
+ menschen."</p>
+ <p>"Wat wilt gij zeggen, o hemel!"</p>
+ <p>"Denk eens, ik kom in de stege, waar de Wildenslags wonen. Niet voor hen, maar
+ voor eenen anderen vriend; want ik wilde met die<!-- Page 130 --> brutale kerels geen
+ uitstaans hebben. Weet gij, wat ik daar zie? Eenen ganschen hoop vrouwen met moeder
+ Wildenslag in het midden, die als razenden aan het kijven zijn. Daar komt eensklaps
+ Godelieve met den kloef in de hand het huis uitgeschoten en begint te slaan en te
+ vechten, dat men ze wel met vieren moest vasthouden en bedwingen. De leelijke
+ woorden, die zij sprak, maakten mij zuiver beschaamd, alhoewel ik van geen klein
+ gerucht vervaard ben. Dat zulk zwak en mager meisje, die anders een fraai wezen
+ heeft, zulke baldadige taal spreekt, dit stak mij fel tegen de borst, en ik had, mij
+ dunkt, lust om de onbeschaamde wat kletsen om hare ooren te geven...."</p>
+ <p>"Godelieve? Maar het is niet mogelijk!" zuchtte vrouw Damhout. "Hebt gij het
+ waarlijk gezien?"</p>
+ <p>"Met mijne eigene oogen. Misschien was het meisje buiten zich zelve geraakt, omdat
+ men hare moeder aanviel.... Nu, Adriaan, houd u wel, en gij insgelijks, bazin
+ Damhout, totdat ik nog eens naar Gent kome."</p>
+ <p>De werkman verliet de kamer. Er heerschte eene wijl de volledigste stilte; de
+ ouders bezagen elkander en hunnen zoon met treurige verbaasdheid. Bavo scheen
+ vergramd; er fonkelde een somber vuur in zijne oogen, en zijne lippen schenen te
+ beven.</p>
+ <p>Toen zijne moeder eindelijk eenige woorden meende te spreken, om hem te troosten
+ en Godelieve te verontschuldigen, stond de jongen op en zeide met kracht:</p>
+ <p>"Moeder, vader, spreekt mij nooit meer van Godelieve! Ik wil haar vergeten, mijne
+ kindsheid geheel vergeten, om nimmer nog aan haar te denken. Dat een onwetend mensch
+ zoo laag dale en den eer<!-- Page 131 -->bied voor zich zelven verlieze, dit is te
+ begrijpen; maar zij kan lezen, zij is geleerd, zij heeft van u, moeder, niets
+ gekregen dan lessen van deugd en zedelijkheid. Uwe goedheid, uwe weldaden, onze
+ vriendschap, dit alles heeft zij vergeten. Zij is dubbel schuldig. O, ik zal haar
+ aandenken in mijn hart versmachten met geweld. Moeder, doe de werklieden komen,
+ seffens: alles moet weg naar onze nieuwe woning. Ik wil hier niet meer slapen, ik wil
+ geenen voet meer in de stege zetten. Ik bid u, dat ik alles gereed vinde tegen dat ik
+ naar huis kom; gij zult mij gelukkig maken. Vaarwel, ik ga naar mijn bureel; hier kan
+ ik niet meer blijven; dezen avond zal ik bellen aan het huis in de straat...."</p>
+ <p>Hij meende te vertrekken; maar daar hij bemerkte, dat zijne moeder bekommerd was
+ en hem wilde wederhouden, zeide hij met min ontsteltenis in de stem:</p>
+ <p>"Wees gerust, moeder; het is voor een oogenblik slechts. Morgen zal ik aan niets
+ meer denken; het is gedaan; ik had verdriet, maar nu ben ik genezen, genezen voor
+ altijd!"</p>
+ <p>En na onder het spreken dezer woorden de handen zijner moeder teederlijk te hebben
+ gedrukt, ging hij het huis uit.</p>
+ <!-- Page 132 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="XI" name='XI'></a>
+ <h2>XI</h2>
+ <br />
+
+ <p>De ongunstige tijding over Godelieve scheen Bavo van eene geheime overheersching
+ te hebben verlost, en onder dit opzicht had zij hem inderdaad goed gedaan. Alsof dit
+ voorval eensklaps hem al wat er nog kinderlijks in hem was, had ontnomen, werd zijn
+ geest ernstiger en hij kreeg meer dan te voren het voorkomen van een bezadigd mensch,
+ die zich slechts bezighoudt met nuttige dingen.</p>
+ <p>Van dan af werkte hij met nog meer vlijt op zijn bureel, en al zijne pogingen
+ strekten om zich den handel en de inrichting der fabriek geheel eigen te maken.</p>
+ <p>M. Raemdonck en de oude meester-klerk schepten vermaak in den leerzamen en
+ dankbaren jongeling voort te helpen. De laatste bovenal had hem zeer lief en
+ ontlastte zich op hem van een groot gedeelte zijns arbeids, teneinde hem van alles
+ ondervinding te geven. Hij verborg hem zelfs niet, dat hij het deed met een bijzonder
+ inzich<!-- Page 133 -->t.</p>
+ <p>"Ik kan ziek worden," zeide de meester-klerk, "ik kan eene andere plaats bekomen;
+ mijn oom, de huidvetter, kan sterven. Dan erf ik een fortuin en ga op mijn
+ geboortedorp leven. Ik wil u bekwaam maken om mij desnoods in mijne bezigheid te
+ vervangen en, indien het gebeurt, als gij oud genoeg zijt, om mijne plaats bij M.
+ Raemdonck te krijgen."</p>
+ <p>Dit vooruitzicht was een nieuwe spoorslag voor Bavo. Met de toestemming van zijnen
+ meester nam hij boeken uit de bibliotheek naar huis, studeerde de mekaniek, volgde
+ nieuwe uitvindingen, teekende en overwoog, en had reeds bijgedragen om op de fabriek
+ eene winstgevende verbetering aan de werktuigen te doen toebrengen.</p>
+ <p>Zoo klom eindelijk zijne jaarwedde tot de som van duizend franken, toen hij zijn
+ negentiende jaar bereikte.</p>
+ <p>Van Godelieve en zijne kindsheid sprak hij niet meer of scheen geen gewicht meer
+ aan deze herinneringen te hechten. Evenwel kwamen er nog oogenblikken, dat het beeld
+ van Lieveken voor zijne oogen opstond, en hij dacht zelfs met vermaak en welgevallen
+ aan de vriendin zijner eerste jaren. Niet aan Godelieve, het fabriekmeisje, die zich
+ door de slechte voorbeelden tot ruwheid en zedelijke verlaging had laten medeslepen;
+ neen, aan het kleine, beminnelijke Lieveken, het zuiver en eenvoudig kind, dat met
+ hem was opgegroeid en al zijne vermaken en al zijne hoop had gedeeld. Onder zijnen
+ drukken arbeid, onder zijne onophoudende studi&euml;n hoorde hij soms een zilveren
+ stemmeken zijnen naam murmelen, en hem verscheen nog van tijd tot tijd het zoete
+ wezen met de glinsterende blauwe oogen, zooals zij hem had aanschouwd, toen
+ <!-- Page 134 -->hij haar buiten de stadspoort voor de laatste maal had gezien. Dit
+ waren echter slechts droomen, die met de wezenlijkheid in geene betrekking meer
+ stonden, en hij wist het zeer wel.</p>
+ <p>Vader Damhout had zijnen zoon reeds aangespoord, om door M. Raemdonck of den
+ meester-klerk toch eens naar de Wildenslags te doen vernemen; maar Bavo had deze
+ pogingen met eene soort van verschriktheid afgewezen, en zijne moeder had hem gelijk
+ gegeven.</p>
+ <p>Inderdaad, welke gemeenschap was er voortaan mogelijk tusschen Godelieve en hem?
+ Hij gevoelde zich geroepen om in de wereld tot den burgerstand op te klimmen en onder
+ deftige lieden te leven. Indien de Wildenslags naar Gent terugkwamen, zou hij dan
+ niet beschaamd zijn, als vriend en broeder te hebben geleefd met menschen, die
+ veeleer het misprijzen dan de achting der wereld verdienden? Neen, neen, van de
+ Wildenslags mocht men hem niet meer spreken; zij hadden hem gewond in zijn gevoel, en
+ hij was verbitterd tegen hen.</p>
+ <p>Het waren bijna dezelfde overwegingen, die zijne moeder aanspoorden om hare eigene
+ herinneringen te onderdrukken. Vijf of zes jaar vroeger had zij soms wel gedacht, dat
+ Bavo en Lieveken misschien door God bestemd waren om eens door het huwelijk te worden
+ vereenigd. Die droom had haar zelfs als eene mogelijkheid toegelachen; maar nu was er
+ zooveel afstand tusschen Bavo en Godelieve gekomen, dat men aan de vroegere
+ gemeenschap met de Wildenslags niet zonder een geheim gevoel van schaamte kon
+ denken.</p>
+ <p>Men sprak dus eindelijk in het geheel niet meer van Lieveken, alhoewel
+ <!-- Page 135 -->in het hart van vrouw Damhout en in het hart van haren zoon een
+ immer herlevend gevoel van treurnis en van medelijden voor het ongelukkige kind
+ opwelde.</p>
+ <p>Bavo, die nu allengs tot de mannenjaren naderde, maakte zich met onophoudende
+ vlijt alles eigen, wat den handel en de bewerking van het katoen betreft. Met de
+ toestemming van den meester-klerk bracht hij een gedeelte van den dag in de fabriek
+ zelve door, niet alleenlijk om de praktijk van den arbeid aan te winnen, maar tevens
+ om de werklieden op te passen en de belangen van M. Raemdonck te behartigen. Hij
+ volbracht dezen laatsten plicht met zooveel ijver en verstand, dat de meester-klerk,
+ die hoogmoedig was over zijnen leerling, soms tot M. Raemdonck zeide:</p>
+ <p>"Wees zeker, Bavo Damhout brengt u voor duizenden franken profijt aan, elk jaar.
+ De werklieden beminnen en achten hem, en zij zorgen, dat er niets verkwist of
+ gebroken worde, alleenlijk om hem vermaak te doen."</p>
+ <p>Inderdaad, Bavo was zeer minzaam en zacht met iedereen, en zijne wonderlijke
+ wetenschap en ervarenheid waren wel van aard om hem het ontzag der werklieden te
+ verschaffen; maar dit was de voornaamste reden hunner genegenheid voor hem niet.</p>
+ <p>Zijn eigen vader, hun oude, brave gezel, stond aan eenen spinmolen, en de
+ jongeling moest dikwijls aan hem, evenals aan hen zelven, bevelen of terechtwijzingen
+ geven. Dit hadde iets pijnlijks kunnen zijn, een oude spinner, die zich door zijnen
+ zoon moest zien gebieden. Ma<!-- Page 136 -->ar Bavo naderde nooit zijnen vader dan
+ met de klak of den hoed in de hand, stuurde hem het woord toe met den grootsten
+ eerbied en lachte hem aan en drukte hem zoo teederlijk de hand, dat al de werklieden
+ zich ontroerd gevoelden van bewondering en hoogmoed. Het kostte hun dan geene moeite,
+ te gehoorzamen aan een werkmanskind, die zich door zijne geleerdheid het recht tot
+ bevelen had aangewonnen, en door zijne zachtheid en door zijne liefde tot zijnen
+ ouden vader de eerbiedige genegenheid van elkeen afdwong.</p>
+ <p>Bavo vergenoegde zich niet met hetgeen er voor hem op de fabriek van M. Raemdonck
+ te leeren was; hij had zijnen meester overgehaald om in te schrijven op de nieuwste
+ schriften over werktuigkunde en nijverheid; hij volgde openbare avondlessen, welke er
+ alsdan over dit vak door geleerde professors werden gegeven; hij bezocht telkens dat
+ hij er gelegenheid toe had, de beste fabrieken van Gent.</p>
+ <p>Zoo verkreeg hij mettertijd eene groote wetenschap van alles, wat de
+ katoennijverheid en hare mogelijke verbeteringen betreft.</p>
+ <p>Hij was gelukkig, want iedereen rondom hem loofde en beminde hem.... Evenwel was
+ zijn hemel niet geheel zonder wolken. Zijn vader werkte nog altijd op de fabriek! De
+ droom des jongelings was dus nog niet verwezenlijkt, het doel zijns levens nog verre
+ van bereikt te zijn. Hij hadde wel gewild, dat zijn vader ophield van werken; maar
+ zijne ouders en hij zelf waren nu in hunne nieuwe woning aan zekeren welstand gewend.
+ Men kon dien toestand niet verlaten om een meer bekrompen leven te hernemen, en zijne
+ jaarwedde alleen was niet toereikend om in de onkosten van het huishouden
+ <!-- Page 137 -->te voorzien. Deze overweging was hem soms nog eene oorzaak van
+ voorbijgaand verdriet ... en daarbij, wanneer hij alleen was en droomde, tooverden
+ zijne gepeinzen hem nog dikwijls terug in zijne schoone zoete kindsheid. Dan voelde
+ hij in zijn hart eene ledigheid, eene onoverwinnelijke treurnis, eenen geheimzinnigen
+ worm, die wel zachtjes knaagde, doch niet wilde sterven....</p>
+ <p>Op zekeren morgen dat Bavo op zijn bureel trad en, in de afwezigheid van den
+ meester-klerk, zich aan het schrijven had gezet, kwam eene meid hem zeggen, dat M.
+ Raemdonck hem verlangde te spreken en in de zaal op hem wachtte.</p>
+ <p>Toen hij zich voor den eigenaar der fabriek aanbood, deed deze hem nederzitten en
+ zeide:</p>
+ <p>"Mijnheer Damhout, toen ik door eigene beweging en door aanbeveling van den heer
+ burgemeester u op mijn bureel toeliet, hoopte ik, dat gij mijne bescherming door
+ leerzaamheid en vlijt zoudt erkennen. Ik heb mij niet bedrogen; integendeel, ik heb
+ mijn genoegen in u gevonden, en gij hebt mij veel voordeel aangebracht in mijne
+ zaken. Uwe durende liefde voor uwe ouders heeft mij daarenboven een waar gevoel van
+ vriendschap en achting voor u ingeboezemd. In &eacute;&eacute;n woord, gij zijt een
+ braaf jongeling en ik ben uiterst tevreden over u. Ik weet, dat uw schoonste droom,
+ het voorname doel uwer werkzaamheid, daarin bestaat, uwen vader van allen arbeid te
+ ontslaan en uwe moeder door levensgemak en zekere weelde voor hare vroegere
+ opofferingen te beloonen. Het middel om u dat doel te laten bereiken, is mij nu
+ aangeboden; en alhoewel gij nog jong zijt, wil ik nochtans u toonen, dat ik
+ vertrouwen heb in uwe ervarenheid en in uwe trouw. De oom van den meester-klerk is
+ gisteren overleden; M. Pas<!-- Page 138 -->mans geeft zijn ontslag en gaat zijn
+ geboortedorp bewonen. Gevoelt gij u bekwaam mijn meester-klerk te zijn?"</p>
+ <p>"O, mijnheer!" zuchtte Bavo, "ware ik niet bekwaam, ik wierd het uit dankbaarheid
+ voor uwe uiterste goedheid!"</p>
+ <p>"Het is, mijn vriend, dat daar eene jaarwedde van drieduizend vijfhonderd franken
+ aan vast is; ja, vier duizend franken, met zekere bijzaken. Dit is tamelijk veel voor
+ een jongeling van twee&euml;ntwintig jaar. Zal deze aanzienlijke vermeerdering u niet
+ schadelijk zijn? Gij zijt in de gevaarlijkste jaren...."</p>
+ <p>"Beproef mij, ik bid u, mijnheer, al ware het gedurende een gansch jaar!" zeide
+ Bavo smeekend "Wat gij mij aanbiedt, is het geluk, dat ik voor mijne ouders heb
+ gedroomd. Oh, indien ik mij uwer grootmoedigheid ooit onwaardig toon, jaag mij weg,
+ veracht mij; maar neen, neen, ik zal mijnen wil en mijne pogingen overspannen, en, is
+ het mogelijk, u bewijzen, dat uwe weldaad mijne krachten heeft verdubbeld."</p>
+ <p>"Ik geloof u, mijn vriend; de liefde tot uwe ouders zal uw engelbewaarder zijn.
+ Wees dus meester-klerk, en dat het schoone doel uws levens zij bereikt. Gij kunt
+ iemand van het klein bureel nemen om de brieven af te schrijven, totdat wij eenen
+ anderen klerk vinden om uwe plaats in te nemen."</p>
+ <p>M. Raemdonck stond op, naderde tot den jongeling en drukte hem de hand.</p>
+ <p>"Proficiat, meester-klerk," zeide hij. "Ga nu in de fabriek; want gij brandt
+ ongetwijfeld van ongeduld om uwen vader het goede nieuws te dragen?"</p>
+ <p>Bavo ging niet heen; hij bleef in gedachten voor zijnen meester staan.</p>
+ <p>"<!-- Page 139 -->Welnu, hebt gij mij nog iets te zeggen?" vroeg deze.</p>
+ <p>"Mijnheer, ik wilde u een verzoek doen."</p>
+ <p>"Spreek, mijn vriend."</p>
+ <p>"Het is zonderling genoeg, mijnheer, maar gij zijt zoo goed voor mij. Ik zou
+ wenschen, dat gedurende eenige maanden niemand iets van mijne nieuwe benoeming wist;
+ mijne ouders insgelijks niet. Dat men ten minste vooronderstelde, dat mijne jaarwedde
+ voorloopig nog niet is verhoogd."</p>
+ <p>"Welke vreemde gedachte is dit!" kreet M. Raemdonck verwonderd. "Waarom toch die
+ geheimhouding?"</p>
+ <p>"Het is, mijnheer, dat ik mijnen ouders eene blijde verrassing wil aandoen, en
+ daartoe zou ik eenigen tijd moeten kunnen sparen, zonder dat zij het weten."</p>
+ <p>"Welke verrassing?"</p>
+ <p>"Ik weet het nog niet, mijnheer; een geschenk, iets dat hen in eens gelukkig zou
+ maken. Ik zal het u zeggen en uwen goeden raad vragen, zoohaast ik daarover een
+ besluit heb genomen.... En indien ik gedwongen was u een voorschot op mijne jaarwedde
+ af te smeeken?"</p>
+ <p>"Ho, voor zulk liefderijk doel moogt gij mij niet sparen. Mijne kas staat voor u
+ open, ten minste zoolang gij binnen de palen der redelijkheid blijft."</p>
+ <p>Bavo, onder het uiten eener vurige dankzegging, verliet de zaal en begaf zich naar
+ zijn bureel. Hij deed eenen helper van het klein bureel komen en zette hem
+ onmiddellijk aan het werk. Intusschen dacht hij aan hetgeen hij M. Raemdonck
+ <!-- Page 140 -->had gezegd en aan het geschenk, waarmede hij voornemens was zijne
+ ouders te verrassen en gelukkig te maken. Zijn ontwerp was sedert jaren reeds in zijn
+ hoofd vastgesteld; maar hij had het niet aan zijnen meester durven zeggen, uit vrees
+ dat hij zelf nog van gedachte kon veranderen. Na lange overweging toch bleef hij bij
+ zijn eerste besluit.</p>
+ <p>Toen hij met zijne ouders en zusters aan het middagmaal zat vertelde hij hun, dat
+ de oude meester-klerk zijn ontslag had gegeven, omdat zijn oom, die nu gestorven was,
+ hem een rijk erfdeel had nagelaten. M. Raemdonck had wel lust om Bavo tot
+ meester-klerk aan te stellen; maar hij wilde het eerst eenige maanden beproeven,
+ aangezien de jonkheid van Bavo.</p>
+ <p>Zoo deed hij voor de oogen zijner ouders de hoop glinsteren, dat hij welhaast
+ aanmerkelijk zou worden verhoogd, en hij verborg niet, dat, indien dit geluk hem ten
+ deel viel, hij niet meer zou lijden, dat zijn vader een oogenblik langer werkte. Hij
+ zou dan in zijne hooge jaarwedde de middelen vinden, om zijne moeder alle gemak te
+ bezorgen en haar te laten leven als eene ware rentenierster. Hij was zoo vroolijk,
+ zoo blijgeestig, dat hij iedereen deed juichen en in de handen klappen van hoop en
+ vreugde.</p>
+ <p>Eindelijk vertelde hij, dat de neef van M. Raemdonck, die lang te Parijs had
+ verbleven en daar zelfs onlangs was getrouwd, naar Gent ging komen wonen. M.
+ Raemdonck was op zoek naar een huis voor zijnen neef. Groot moest het niet zijn, maar
+ fraai en zindelijk. Hij zou het voorzien met schoone meubelen en alles in gereedheid
+ brengen tegen de overkomst van zijnen neef met zijne jonge <!-- Page 141 -->vrouw.
+ Bavo sprak er van, omdat zijn meester hem had verzocht eens rond te zien, welke
+ huizen van dien aard zoo al te huur hingen; en de jongeling, die niet veel tijd had,
+ spoorde zijne moeder aan om eens uit wandelen te gaan in de beste straten, niet verre
+ van de fabriek, en te zien of er zulke huizen niet te huur hingen, opdat hij het
+ alsdan aan zijnen meester zou kunnen zeggen.</p>
+ <p>Reeds des avonds, bij zijnen terugkeer van de fabriek, vernam Bavo van zijne
+ moeder, dat er nette burgerhuizen te huren hingen in de Mageleinstraat, in de Lange
+ Meere en in de Kruisstraat, niet verre van Sint-Baafskerk. Dit laatste was misschien
+ wat klein; maar het was nieuwerwetsch en het opschrift meldde, dat het eenen hof
+ had.</p>
+ <p>Bavo bracht twee dagen later aan zijne moeder de dankzegging van M. Raemdonck, die
+ het huis in de Kruisstraat, bij Sint-Baafskerk, naar zijnen zin had gevonden en het
+ onmiddellijk had gehuurd.</p>
+ <p>Sedert dien sprak Bavo nog dikwijls van dit huis en roemde de pracht der meubelen,
+ welke zijn meester er in deed zetten, en de smaakvolle inrichting van alles. M.
+ Raemdonck had hem reeds tweemaal er naartoe geleid, en deed hem de eer aan, hem te
+ raadplegen over de schikking van het huis en het aanleggen van den kleinen tuin.</p>
+ <p>De jongeling verwekte door zijne herhaalde beschrijvingen de nieuwsgierigheid
+ zijner moeder zoodanig, dat zij den wensch uitdrukte om het schoone huis eens van
+ binnen te mogen zien. Bavo beloofde de toelating zijns meesters te vragen; maar men
+ moest nog eenige weken wachten, totdat de woning der nieuwgetrouwden geheel in orde
+ zou zijn.</p>
+ <!-- Page 142 -->
+ <p>Eindelijk, op eenen zaterdagavond, toonde hij juichend eenen grooten sleutel en
+ zeide, dat M. Raemdonck hun allen toeliet het huis van onder tot boven te bezichtigen
+ en zelfs eenen ganschen namiddag in den hof door te brengen. Hij zou er eene goede
+ flesch wijn gereed zetten, en hij verzocht Bavo deze met zijne ouders op zijne
+ gezondheid te ledigen. Het was morgen Zondag. Even na het middagmaal te hebben
+ genomen, zou men naar het huis in de Kruisstraat gaan en er een uurtje of twee
+ blijven. Dit zou een waar feestje zijn!</p>
+ <p>Inderdaad, nauwelijks gunde men zich des anderen daags tijd om te eten, zoo
+ ongeduldig waren Bavo's zusters. Men trok, vroolijk en koutende van hetgeen men ging
+ zien, in de richting van Sint-Baafskerk.</p>
+ <p>In de Kruisstraat gekomen, bleef men voor het huis staan, om den gevel te
+ beschouwen; er was een klein balcon, waarvan veelkleurige bloemen in kransen
+ nederdaalden; er stonden insgelijks bloemen achter de vensters, meestal roode
+ fuchsia's, en dit deed moeder Damhout opmerken, dat zij altijd eene soort van
+ voorliefde voor die koraalroode bellekens had gehad.</p>
+ <p>Toen de deur geopend was, zeide Bavo tot zijne zusters, die maar seffens al de
+ deuren der kamers wilden openen:</p>
+ <p>"Neen, neen, z&oacute;&oacute; niet; het schoonste voor het laatste. Anders zouden
+ wij niet veel vermaak van ons bezoek hebben. Laat ons eerst in den hof gaan; moeder
+ ziet zoo gaarne bloemen."</p>
+ <p>"En ik dan?" bemerkte Adriaan Damhout. "Toen ik jonger was, woonden mijne ouders
+ op Ledeberg. Wij hadden een hoveken. Ik liet er eten en drinken voor; den geheelen
+ Zondag nanoen was ik aan het werk, en ik had de schoonste aurikels en
+ <!-- Page 143 -->de schoonste violieren van geheel het voorgeborcht."</p>
+ <p>Zij kwamen in den tuin; hij was niet zeer uitgestrekt; maar de paden slingerden
+ liefelijk, de zon scheen mild op een gedeelte des gronds, en er was zulk een
+ overvloed van bloemen, dat de meisjes de handen boven het hoofd hieven en
+ vooruitspringende riepen:</p>
+ <p>"Ho, wat is dit hier schoon en frisch! en welke zoete geuren!"</p>
+ <p>Meer rustig, in schijn ten minste, wandelde Bavo met zijne ouders door de paden,
+ toonde hun al de bloemen, plukte hun takjes van geurig kruid en bracht hen zoo onder
+ een looverhuisje, waar zij zich lachend nederzetten, om het gezicht des tuins een
+ oogenblik op hun gemak te genieten.</p>
+ <p>Hier stond op de tafel een porseleinen pot met tabak, die er bij nederhing, en
+ daarnevens lagen vier of vijf lange Hollandsche pijpen.</p>
+ <p>"Zie," murmelde Adriaan verwonderd, "ik wist, dat M. Raemdonck soms eene sigaar
+ rookt; maar het is waar, zooals men zegt, vele heeren rooken te huis op hun gemak
+ eene pijp."</p>
+ <p>"Gij begrijpt niet, vader," bemerkte Bavo. "Mijnheer heeft de tabak en de pijpen
+ daar doen zetten, opdat gij volgens uwen lust hier zoudt kunnen rooken."</p>
+ <p>"Onmogelijk, Bavo."</p>
+ <p>"Hij heeft het mij zelf gezegd, vader. Gij moet rooken om hem plezier te
+ doen."</p>
+ <p>"Welke goedheid toch! Dan zal ik het maar wagen; want de tabak ziet er bijzonder
+ goed uit. Een trek of drie: het is slechts om onzen edelmoedigen meester te
+ voldoen."</p>
+ <!-- Page 144 -->
+ <p>Hij ontstak zijne pijp, deed den rook in wolkjes tot onder het loover van het
+ prieel klimmen, en zeide dan glimlachend en blijde:</p>
+ <p>"Lekkere tabak! Wat zijn die rijke menschen toch gelukkig. Ziezoo, op deze bank
+ met het gezicht op dien schoonen hof en met mijne pijp in den mond, zou ik mijn leven
+ willen slijten."</p>
+ <p>"Gij bedriegt u, vader," wedersprak hem Bavo. "Er is nog iets, dat gij zoudt
+ doen."</p>
+ <p>"Ja, uit visschen gaan, niet waar? Dit doe ik uitnemend gaarne; het zou mij dienen
+ om mijn vermaak een beetje af te wisselen."</p>
+ <p>Onderwijl waren de beide meisjes nog altijd bij de bloemen; ze moesten ze een voor
+ een zien, ze vergelijken en over hunnen geur en over hunne schoonheid oordeelen.</p>
+ <p>Vader Damhout legde zijne pijp neder; hij zou ze straks voortrooken; maar nu moest
+ men het ongeduld der moeder voldoen en het huis bezichtigen.</p>
+ <p>Bavo bracht hen eerst in een paar kamers, die wel fraai geschikt waren, doch niet
+ veel bijzonders aanboden. In de keuken bewonderde vrouw Damhout de schoone, versierde
+ kookstoof en de glinsterende ketels, pannen en potten, die langs de wanden
+ prijkten.</p>
+ <p>In den kelder lag eene ton bier op hare stelling; een gemetste bak bevatte een
+ zeker getal flesschen wijn, en er stond zelfs een groote oplegpot, die ongetwijfeld
+ eenen voorraad boter bevatte.</p>
+ <p>Dit deed de Damhouts zeggen, dat M. Raemdonck niets had vergeten, en zijn neef
+ alles in gereedheid zou vinden, als hadde hij zelf het huis sedert lang bewoond.</p>
+ <br />
+
+ <div class="center">
+ <img src='images/145.png' width='600' alt='Ziehier eene amandelbeschuit.'
+ title='Ziehier eene amandelbeschuit.' /><br />
+ <br />
+ <i>Ziehier eene amandelbeschuit.</i>
+ </div>
+ <!-- Page 146 --><!-- Page 145 --><!-- Page 147 -->
+ <p>Op den zolder hingen, op de gespannen droogkoorden, eenige vischnetten van
+ verschillenden vorm uitgespreid, alle nieuw en met veel zorg gemaakt. Vader Damhout
+ was daar kenner van. Ook nam hij ze in de hand, beproefde de sterkte van het garen en
+ mompelde in zich zelven:</p>
+ <p>"Gelukkige lieden, ze hebben alles wat hun hart kan wenschen!"</p>
+ <p>"Nu naar de zaal, naar de schoonste kamer!" riep Bavo. "D&aacute;&aacute;r zult
+ gij wat anders prachtige dingen zien; en wij gaan er op de gezondheid van M.
+ Raemdonck de flesch lekkeren wijn drinken, die hij ons heeft geschonken."</p>
+ <p>Toen Bavo de zoogezegde zaal opende, ontvloog hun allen een kreet van bewondering.
+ Dat waren alle prachtige meubelen van glimmend mahoniehout! Printen in gouden lijsten
+ aan den wand, een zacht tapijt met roode bloemen op den grond, een verguld uurwerk en
+ getakte kandelaars op de schouwplaat, stoelen met kussens, en twee zetels met ruggen,
+ die hunne armen uitstaken en schenen te zeggen: "Ik ben zoo zacht, kom, rust wat op
+ mij!"</p>
+ <p>Het was ook wel wat de meisjes eerst en daarna de ouders deden; maar Bavo wenkte
+ zijne moeder en toonde haar een klein tafeltje, waarvan het deksel kon worden
+ opgeheven. Daaronder, als in een koffertje, lag allerlei glinsterend naai en
+ borduurgerief, zoo rijk en schoon, dat het de oogen der verbaasde vrouw en der
+ verwonderde meisjes deed schemeren.</p>
+ <p>"Nu het glas wijn op de gezondheid van ... van ... dit gaan wij zien! Aan tafel,
+ aan tafel!"</p>
+ <p>En hij opende eene kas, nam er eene flesch en roem<!-- Page 148 -->ers uit en
+ schonk den wijn. Ieder wilde zijn glas aangrijpen om ter eere van M. Raemdonck te
+ drinken; maar Bavo weerhield hen.</p>
+ <p>"Wacht een oogenblik," zeide hij, "er is ook iets om te eten! Ziehier eene
+ amandelbeschuit, die mijnheer Raemdonck niet heeft gegeven; en het is ook op zijne
+ gezondheid niet, dat wij allereerst gaan drinken...."</p>
+ <p>"Wat is dit?" kreet Amelia, het oudste meisje. "Die suikerletters op de taart?
+ Weet gij, moeder, wat er op te lezen staat?"</p>
+ <p>"Ha, ha, lang leve Christina, onze goede moeder! Dit staat er op!" kreet Bavo,
+ zijn glas in de hoogte heffende. "Het is heden haar naamdag. Lang, lang moge zij
+ leven!"</p>
+ <p>"Lang, lang moge zij leven!" herhaalden de anderen, hun glas in de hoogte
+ heffende.</p>
+ <p>"Wat zonderlinge gedachte van Bavo, u in dit huis te besteken!" juichte Amelia.
+ "Ha, dit is aardig!"</p>
+ <p>"En nu, moeder," zeide de jongeling op plechtigen toon en met eenen traan van
+ geestdrift in de oogen, "nu gaat degene, die u alles verschuldigd is op de wereld,
+ zijne geleerdheid, zijn geluk, zijne toekomst, u een geschenk doen, een geschenk,
+ waarvan hij sedert zijne kindsheid heeft gedroomd, aan u en aan den armen
+ fabriekwerker, die voor zijnen zoon heeft geslaafd en geleden. Gij hebt dit huis
+ gezien, den hof, de bloemen, de netten? Dit alles hoort u toe. Ik heb het huis
+ gehuurd, ik heb de meubelen gekocht. Hier zult gij wonen. Vader mag niet meer werken;
+ hij zal zijn pijpje rooken, bloemen kweeken, gaan visschen. Wij zijn rijk, ik ben
+ meester-klerk, ik win vierduizend franken! God zij gezegend, dat <!-- Page 149 -->Hij
+ mij toelaat uwe liefde te beloonen. Moeder, vader, zet u op uw gemak: gij zijt ten
+ uwent!"</p>
+ <p>Vrouw Damhout was zoo diep getroffen, dat zij eenen steun op de tafel zocht, als
+ ging zij bezwijmen; maar zij richtte zich weder op, vloog haren zoon om den hals en
+ drukte hem met koortsige teederheid aan haar kloppend moederhart. Damhout, stom van
+ verbaasdheid, stortte blijde tranen, de meisjes klapten in de handen en dansten met
+ uitgelatenheid....</p>
+ <p>Toen Bavo dien avond weder nevens zijne moeder in het andere huis zat, was hij
+ sedert eene wijl zeer stil en als treurig. Hij zeide haar, dat hij zeer vermoeid was;
+ maar vrouw Damhout zag wel, dat iets anders zijnen geest benevelde.</p>
+ <p>Zij murmelde eindelijk met teruggehoudene stemme:</p>
+ <p>"Bavo, gij denkt aan iemand. Ik insgelijks, mijn zoon. Wanneer men zoo gelukkig
+ is, niet waar, dan zou men al degenen, die men ooit heeft bemind, willen gelukkig
+ zien?"</p>
+ <p>"Ja, moeder," antwoordde hij, "de mensch is zijne gedachten niet altijd meester;
+ maar het beteekent niets. Het is eene herinnering mijner kindsheid, die tegen mijnen
+ dank opwelt in mijn hart."</p>
+ <!-- Page 150 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="XII" name='XII'></a>
+ <h2>XII</h2>
+ <br />
+
+ <p>Op eenen Zondag, bij het vallen van den avond, verlieten eene reeds bejaarde vrouw
+ en een jong meisje de enge stege, waar de Damhouts vroeger hadden gewoond. Hunne
+ slechte kleederen, hun onzekere stap en hunne zichtbare schuchterheid, alles in hen
+ getuigde niet alleen van groote ellende, maar tevens van eene diepe moedeloosheid.
+ Zij gingen traag, zwijgend en met gebogen hoofde nevens de huizen, als nedergedrukt
+ onder een gevoel van schaamte of van geheime verschriktheid.</p>
+ <p>Er was echter tusschen beider opzicht een merkelijk verschil. Terwijl de vrouw als
+ iemand, die sedert lang aan de armoede is gewend, om zoo te zeggen met lompen was
+ behangen, had het meisje wel klaarblijkend alle moeite ingespannen om de uiterlijke
+ teekens der ellende zooveel mogelijk te verbergen. Hare kleederen, alhoewel zeer
+ versleten, waren van eene uiterste reinheid; en hare muts, ofschoon geschift en
+ genaaid, was sneeuwwit.</p>
+ <p><!-- Page 151 -->Wanneer zij bij geval het hoofd ophief om eenen voorbijganger te
+ mijden, bezag men haar met verrassing, als ware men verwonderd, zulke wezenstrekken
+ onder dat ellendig kleedsel te vinden.</p>
+ <p>Inderdaad, het arme meisje was zeer schoon; in hare blauwe oogen, alhoewel nu door
+ de smart verduisterd, glom eene vonk van gevoel en verstand; hare wangen waren zuiver
+ en haar voorhoofd lelieblank. Daarenboven, er was in de snede harer kleederen, in de
+ rijzigheid harer leden, in de ingetogenheid van haren gang iets onderscheidens, dat
+ niet twijfelen liet of de jonge maagd moest eene goede opvoeding hebben genoten.</p>
+ <p>Welk pijnlijk voorval had toch deze ongelukkige van eenen hoogeren stand in zulke
+ diepe ellende nedergerukt, dat men ze nu met hare oude gezellin moest aanzien als
+ schamele menschen, die waarschijnlijk op weg waren om hier of daar eene aalmoes te
+ gaan afbedelen?</p>
+ <p>Zonder een woord met elkander te wisselen, hadden zij de Nederschelde bereikt, en
+ naderden nu tot de Wijngaardbrug. Daar zeide de vrouw met bedwongene stem:</p>
+ <p>"Heb moed, mijn kind. Gij gaat zoo langzaam. Zijt gij vervaard?"</p>
+ <p>"Ja, moeder, ik weet niet, mijn hart klopt zoo angstig!" zuchtte het meisje.</p>
+ <p>"O, hemel! vreest gij nu, dat de Damhouts ons gebed zouden kunnen verstooten? Doe
+ mij niet beven. Eilaas, wat zou er dan van ons geworden?"</p>
+ <p>"Vrouw Damhout zal ons helpen, moeder, daaraan twijfel ik niet," was het stille
+ antwoord. "Een hart als het hare kan nie<!-- Page 152 -->t ongevoelig blijven voor
+ ons ongeluk; en wanneer ik met tranende oogen hare vorige genegenheid voor het arme
+ Lieveken zal inroepen...."</p>
+ <p>"Zeker, en vermits zij nog rijker zijn dan men ons te Rijssel had gezegd? Ach,
+ Godelieve, wat wij nu gaan beproeven, is eene pijnlijke poging, voor u bovenal, ik
+ weet het; maar de nood is een onmeedoogende dwingeland."</p>
+ <p>"De Damhouts zijn rijk, zeer rijk!" morde het meisje op eenen hollen toon, waarvan
+ de zonderlinge siddering de vrouw verraste.</p>
+ <p>"Maar des te beter, Godelieve," zeide zij. "God zij gezegend, dat Hij hun de
+ middelen schonk om ons te helpen."</p>
+ <p>"Eene aalmoes gaan vragen, moeder! Aan ... aan de Damhouts! Ik, het kleine
+ Lieveken, die zij zoo teeder hebben bemind, die met hen dorst droomen van toekomst en
+ van geluk! O, mijne schoone kindsheid, hoe tergend ontstaat gij voor mijne oogen!
+ Bedelaresse? Lieveken eene bedelaresse!"</p>
+ <p>"Neen, kind, wees niet zoo wreed voor u zelve. Wij komen hulp vragen, ja, maar
+ bedelaressen zijn wij toch niet."</p>
+ <p>Zij stapten voorbij de kerk van Sint-Baafs; het meisje scheen door eenen geheimen
+ invloed naar de zijdeur des tempels gedreven en had, zonder het te weten misschien,
+ zich half omgekeerd.</p>
+ <p>De vrouw weerhield haar en zeide:</p>
+ <p>"Maar, Godelieve, wat doet gij nu? Rechtdoor moeten wij gaan; ginder is de
+ Kruisstraat."</p>
+ <p>"De schaamte, de schrik, moeder; mijne ziel wil bidden, sterkte vragen; want nu
+ wij de plaats naderen, waar ik de smeekende hand tot <!-- Page 153 -->... tot vrouw
+ Damhout zal uitsteken, ontsnapt mij alle moed."</p>
+ <p>"De avond valt, Godelieve; wij mogen niet wachten totdat het gansch donker is.
+ Kom, mijn kind, het is een smartelijk oogenblik, inderdaad; maar het zal haast
+ doorgestreden zijn. Wij zullen hier, bij het Heilig Graf, God voor zijne
+ barmhartigheid komen danken of ... of tranen van wanhoop storten op diezelfde
+ knielbank, waar wij zoo dikwijls hebben gebeden. Kom nu, het zal niet lang
+ duren."</p>
+ <p>Beiden vervorderden hunnen weg tot in de Kruisstraat, waar zij begonnen rond te
+ kijken, om het huis te herkennen, dat men hun in de stege had aangeduid en
+ beschreven. Dewijl het reeds half duister was, hadden zij eenige moeite om in hunne
+ opzoeking te gelukken. Eensklaps zeide de vrouw:</p>
+ <p>"D&aacute;&aacute;r is het, Godelieve. Die schoone ronde deur, dat balkon. Welk
+ prachtig huis! Wat moeten de Damhouts gelukkig zijn! Zij verdienen het ook wel, niet
+ waar? Ach, mochten zij onze bede verhooren! Er is reeds licht in de benedenkamer.
+ Godelieve, schep moed, mijn kind. Werp u aan de voeten van vrouw Damhout, bezweer
+ haar bij hare vorige goedheid voor u. Zij zal ons redden, wees er zeker van."</p>
+ <p>"Ja, moeder, de strijd is ten einde; ik gevoel mij weder eenige sterkte," murmelde
+ de bange maagd.</p>
+ <p>Toen zij het huis gingen naderen, bemerkte Godelieve door de vensterruiten, dat
+ een man, een heer, in de verlichte kamer stond. Alhoewel hij den rug naar de straat
+ hield gekeerd, sloeg dit gezicht haar met eenen onzeglijken schrik; maar op hetzelfde
+ oogenblik deed de heer eene beweging en wendde zich naar het venster, op zulke wijze,
+ dat het meisje zijn gelaat kon herkennen.</p>
+ <!-- Page 154 -->
+ <p>Een versmachte angstschreeuw ontsnapte haar; zij begon op hare beenen te wankelen
+ en leunde tegen den muur om niet neder te storten.</p>
+ <p>Daar zag zij, dat hare moeder de hand naar de bel uitstak om te klinken. Zij
+ sprong vooruit, trok de verbaasde vrouw van de deur weg, leidde haar met eene soort
+ van koortsig geweld naar den donkeren kant der straat en verborg weenend haar hoofd
+ op den boezem der vrouw, terwijl zij uitriep:</p>
+ <p>"Moeder, moeder, hij is daar!"</p>
+ <p>"Wie?"</p>
+ <p>"Bavo!"</p>
+ <p>"Welnu, God zij er om gedankt; hij zal zijne moeder tot barmhartigheid voor ons
+ aansporen. Kom, overwin uwe schaamte...."</p>
+ <p>"Onmogelijk, moeder!" snikte het meisje "O! spaar mij dat lijden, die vernedering,
+ die wanhoop! Eene aalmoes vragen in zijne tegenwoordigheid ... aan hem? Eilaas, mijn
+ hart breekt, ik zou bezwijmen voor zijne voeten, misschien zou ik sterven...."</p>
+ <p>"Wilt gij dan, dat ik alleen ga?"</p>
+ <p>"Ik zal u zegenen, u dankbaar blijven mijn gansche leven, moeder lief! Mijne ziel
+ is verschrikt; het denkbeeld alleen van de hand tot hem uit te steken, vervult mij
+ met eenen doodelijken angst."</p>
+ <p>"Maar zij beminnen u meer dan mij; en indien zij mijn gebed verwerpen, omdat gij
+ niet met mij zijt?"</p>
+ <p>"Dan," kreet de maagd met overmatige ontsteltenis, "dan zal ik alle schaamte, alle
+ gevoel in mijn hart versmachten. Ik zal tot hem, tot hem gaan, mij nederstorten voor
+ zijne voeten, zijne knie&euml;n omhelzen, kruipen door mijne tranen. Ho, hij zal ons
+ meer geven, dan wij noodig <!-- Page 155 -->hebben ... maar er zal iets dood zijn in
+ mij! Het is gelijk, ik zal mij onderwerpen, mijn wezen verloochenen en allen
+ levensmoed verzaken, om de schande af te koopen en onze eer te redden."</p>
+ <p>"Welnu, ik ben harder tegen de schaamte dan gij; ik zal het beproeven."</p>
+ <p>Godelieve voegde de handen te zamen en zeide smeekend:</p>
+ <p>"O, moeder, heb medelijden met mij! Noem mijnen naam niet in zijne
+ tegenwoordigheid; verberg hem, dat ik met u ben gekomen; spreek hem niet, in 't
+ geheel niet, van mij. Ik ga knielen voor het Heilig Graf in Sint-Baafskerk. Hoe vurig
+ zal ik bidden! God zal u beschermen! In zijne eindelooze genade zal Hij mij misschien
+ de noodlottige opoffering mijner menschelijke waardigheid sparen, dat eenige goed,
+ waarvan het behoud mij sterkte gaf en mij worstelen liet tegen de akelige bitterheid
+ mijns levens! Ga, moeder; ik zal wachten, angstig wachten voor het Heilig Graf. Noem
+ mij niet, noem mij niet!"</p>
+ <p>En deze laatste woorden stamelende, verwijderde zij zich met haast in de richting
+ der Sint-Baafskerk.</p>
+ <p>De vrouw zag haar een oogenblik achterna, schudde het hoofd en mompelde in zich
+ zelve terwijl zij de straat overstapte:</p>
+ <p>"Ik heb het gevreesd. Arme Godelieve. Zij is dubbel ongelukkig. Ik begrijp, dat
+ haar het hart wreedelijk bloedt ... anders zou zij mij toch niet alleen laten gaan,
+ zij, die uit liefde, uit goedheid haar leven zou opofferen om de smart eener
+ vernedering van mij af te keeren. Welaan, ik zal moed hebben voor ons beiden. Oneer,
+ schande, redding, blijdschap, wat wacht mij daarbinnen, o hemel!"</p>
+ <p>Zij trok aan de bel en zeide tot de meid<!-- Page 156 -->, die kwam openen, dat
+ zij verlangde M. Damhout te spreken.</p>
+ <p>De meid, die waarschijnlijk in de halve duisternis hare slechte kleederen niet
+ bemerkte, opende de deur der kamer aan de straat, en bracht haar in de
+ tegenwoordigheid van eenen jongen heer, die voor eene tafel was gezeten en in een
+ boek scheen te lezen.</p>
+ <p>Hij hief het hoofd op en beschouwde met zekere onaangename verrassing deze
+ slechtgekleede vrouw. Zonder op te staan, zeide hij:</p>
+ <p>"Komt gij om werk op de fabriek, vrouw? Bied u morgen op het bureel aan; ik zal
+ zien of er plaats is voor u. Nu kan ik u dit niet verzekeren."</p>
+ <p>"Ik wenschte M. Damhout te spreken," stamelde de vrouw.</p>
+ <p>"M. Damhout? Die ben ikzelf."</p>
+ <p>"Neen, uwen vader of uwe moeder, mijnheer."</p>
+ <p>"Zij zijn den avond gaan doorbrengen bij vrienden, aan het ander einde der stad;
+ heden zult gij ze niet kunnen zien. Keer morgen in den voormiddag weder."</p>
+ <p>"Eilaas," zuchtte de vrouw, "ik, die uit Frankrijk kom en morgen vroeg moet
+ vertrekken!"</p>
+ <p>"Uit Frankrijk? Gij komt uit Frankrijk?" mompelde Bavo, terwijl hij met eene
+ klimmende ontsteltenis de vrouw in het aangezicht schouwde.</p>
+ <p>"Gij herkent mij niet, mijnheer? Inderdaad, gij waart nog jong, en de lange
+ tegenspoed veroudert den mensch v&oacute;&oacute;r zijnen tijd."</p>
+ <p>"Bazin Wildenslag? Gij zoudt de moeder zijn van ... de vrouw van Jan ... Line
+ Wildenslag? Onmogelijk!... Gij zijt dus ziek geweest?"</p>
+ <p>"Ziek en ong<!-- Page 157 -->elukkig, mijnheer."</p>
+ <p>De jongeling had moeite om zich te bedwingen, hij was rechtgesprongen en had eene
+ beweging gedaan als om haar de hand te grijpen; maar een nieuwe blik op hare
+ ellendige kleeding, de herinnering aan het woest en onbetamelijk leven der
+ Wildenslags misschien, weerhielden hem en hij liet zich weder op zijnen stoel
+ zakken.</p>
+ <p>"Gij zult tot morgen moeten wachten.... tenzij gij mij wildet toevertrouwen wat
+ gij hun te zeggen hebt," sprak hij.</p>
+ <p>"Ik kwam hen te voet vallen en hunne hulp afsmeeken, mijnheer. Wij verkeeren in
+ een schrikkelijken nood; geene andere toevlucht blijft ons over dan de edelmoedigheid
+ uwer ouders. Zeker, in onze ellende hebben wij het recht niet om de vorige
+ vriendschap te herinneren, die zij ons onverdiend hebben gegund, maar zij zullen het
+ aan diep ongelukkige menschen vergeven, dat zij nog in de liefdadigheid uwer goede
+ moeder durven hopen."</p>
+ <p>"Eene almoes!" mompelde Bavo als verschrikt.</p>
+ <p>"Meer dan eene aalmoes, mijnheer; redding uit de schande, verlossing uit de
+ eeuwige oneer!"</p>
+ <p>"Ik begrijp u niet," zeide hij met mistrouwen. "Waar zijn dan uwe zonen, uwe
+ dochter, uw man? Zij wonnen veel geld?"</p>
+ <p>"Mijn man is dood, mijnheer; van mijne zonen is er &eacute;&eacute;n soldaat in
+ Afrika, &eacute;&eacute;n woont te Rouaan, &eacute;&eacute;n andere te Mulhausen. Zij
+ hebben kinderen en denken niet meer aan hunne arme moeder. Een eenige, de jongste, is
+ met ons ... met mij te Rijssel. Het is voor hem, mijnheer, dat ik de hulp uwer ouders
+ kom afsmeeken. Hij had werk bekomen in het <!-- Page 158 -->magazijn eener fabriek.
+ Gisteren deed men hem een pak naar den ijzeren weg dragen. De ongelukkige trad
+ onderweg in eene herberg, vergat zich daar met eenige kameraden en verloor het hem
+ toevertrouwde pak.</p>
+ <p>De meester der fabriek beweert, dat mijn zoon het pak heeft gestolen en verkocht.
+ Hij wil hem door de gendarmes uit het huis doen halen en hem als dief doen
+ veroordeelen tot vijf jaar galei, zegt hij. O, mijnheer, wij hebben misschien onze
+ ellende verdiend door een zorgeloos en verkwistend leven. Het ongeluk zegt het mij
+ nu; maar toch leven wij eerlijk, en mijn arme zoon is aan niets anders plichtig dan
+ aan eene laakbare nalatigheid. Hij is in den grond een goede jongen; hij heeft een
+ gevoelig hart; hij eerbiedigt zijne moeder. Dat de armoede ons lot blijve, ik zal het
+ verduldig verdragen als eene rechtvaardige straf; maar de oneer eener veroordeeling!
+ Mijn zoon op de galei! Ik ben moeder en zou dien slag niet overleven, en mijne.... O,
+ mijnheer, gij kunt ons redden, met zoo weinig, weinig ten minste voor u, die rijk
+ zijt! De meester van de fabriek wil alles vergeven en vergeten en onze
+ verontschuldiging aanvaarden, indien wij hem v&oacute;&oacute;r morgenmiddag den
+ prijs van het pak teruggeven. Honderd franken. Voor u is het schier niets, voor ons
+ is het meer dan het leven. Laten mijne tranen u verbidden, heb deernis met menschen,
+ die, ondanks verwijdering en tegenspoed, geenen enkelen dag opgehouden hebben met
+ dankbaarheid aan u en aan uwe ouders te denken!"</p>
+ <p>Zij viel geknield te midden der kamer neder en stak de handen bevend tot den
+ jongeling op.</p>
+ <p>Deze kon zijne ontroering niet meer meester blijven, wat geweld hij ook deed;
+ <!-- Page 159 -->hij ging tot haar, hief haar van den grond en sprak:</p>
+ <p>"Bedaar, vrouw; ik begrijp uwen angst en uw ongeluk. Honderd franken kunnen u
+ redden, zegt gij? Troost u, ik zal ze u geven. Zet u neder op den stoel. Ik heb u
+ iets te vragen. Gij spraakt van uwe zonen ... maar uwe dochters?"</p>
+ <p>"Mijne dochters?" stamelde bazin Wildenslag in verlegenheid.</p>
+ <p>"Ja, uwe dochters, wat is er van hen geworden?"</p>
+ <p>"Mijnheer, zij ... zij wonen diep in Frankrijk, zij zijn getrouwd...."</p>
+ <p>"Getrouwd!" gromde Bavo met eene grijns op de lippen en eenen diepen angst in de
+ oogen.</p>
+ <p>Hij beschouwde eene wijl met zichtbare gramschap de verschrikte vrouw, die het
+ hoofd op de borst hield gebogen en sprakeloos bleef.</p>
+ <p>"Ja, ik zal u helpen, vrees niet," kreet hij met onderdrukte kracht, "maar hadde
+ mijn medelijden met uwe moedersmart mij niet overwonnen, ik ware gevoelloos voor uwe
+ smeekingen gebleven. Veel meer, ik hadde mij op u gewroken en u onmeedoogend ter deur
+ gewezen; want gij, vrouw, gij hebt, zonder het te weten, mijn leven vergiftigd en mij
+ in het geluk ongelukkig gemaakt."</p>
+ <p>"Ik, mijnheer? O, hemel, gij bedriegt u voorzeker!"</p>
+ <p>"Neen, ik bedrieg mij niet. Mijne moeder had in het hart uwer Godelieve de kiemen
+ van deugd en plichtbesef nedergelegd; ik, onnoozel kind nog, ik had haren geest de
+ eerste begrippen der geleerdheid medegedeeld, de geleerdheid, welke haar moest
+ behoeden voor zedelijke verlaging en bederf des harten. Gij, hare moeder, wat hebt
+ gij met uw <!-- Page 160 -->goed en zuiver Lieveken gedaan? Gij hebt haar naar eene
+ fabriek gezonden, om geld uit haar te trekken; gij hebt die teedere bloem prijs
+ gegeven aan de woeste aanraking van grove menschen...."</p>
+ <p>"Mijnheer, mijnheer, het is niet waar!" kreet bazin Wildenslag sidderende.</p>
+ <p>Maar Bavo, als buiten zich zelven van ontsteltenis, onderbrak haar en hernam:</p>
+ <p>"Laat mij spreken tot het einde; het is de laatste maal dat haar naam mijnen mond
+ ontvalt. Ik herhaal het met verontwaardiging: wat hebt gij gedaan met het arme
+ Lieveken? Ha, onnoodig mij te antwoorden, vermits men na twee jaar haar in eene stege
+ te Douai verrast met den klomp in de hand, vechtende, scheldende en woorden
+ sprekende, die zelfs eenen ruwen fabriekwerker van walg deden terugdeinzen. Ziedaar
+ wat gij gemaakt hebt van uwe Godelieve. Nu is zij zelfzuchtig, ongevoelig, en er
+ blijft in haar niets meer over van de fijnheid des gemoeds? Nu haat zij
+ waarschijnlijk de moeder, die de zuivere ziel van haar kind verkocht voor wat
+ geld?"</p>
+ <p>"O, neen, neen, mijnheer, heb medelijden met mij! Godelieve is het eenige mijner
+ kinderen, dat mij nog oprecht bemint, mijn eenige steun in het ongeluk!"</p>
+ <p>"Het zij zoo, vrouw; misschien is er nog een goed gevoel in haar overgebleven,
+ misschien heeft zij u het kwaad vergeven, dat gij haar hebt gedaan; maar ik toch
+ vergeef het u niet, ik kan het u niet vergeven.... Ziehier de honderd franken, welke
+ gij vraagt. Ga nu, en moge God u niet langer straffen voor uwe noodlottige dwaling
+ ten opzichte van uw kin<!-- Page 161 -->d."</p>
+ <p>Onder het uitspreken dezer woorden had hij de hand in eene lade van den
+ schrijflessenaar gebracht, en legde nu vijf goudstukken voor de vrouw op de tafel.
+ Deze beschouwde het geld met starende oogen en bevende lippen, deinsde terug en
+ riep:</p>
+ <p>"O, God, kon ik die hulp weigeren!... Maar neen, de eer mijns zoons, de eer
+ mijner arme Godelieve! Ik moet bedaren, bukken als eene slavin onder zulke
+ schreeuwende onrechtvaardigheid; mijn engelachtig kind hooren beschuldigen van
+ laagheid, van bederf des harten! Ik bezwijk er onder; mijn moed breekt...."</p>
+ <p>Zij liet zich op een stoel vallen en begon bitter te weenen.</p>
+ <p>"Eene schreeuwende onrechtvaardigheid?" vroeg Bavo over hare uitroeping
+ verwonderd. "Zijn mijne verwijten, hoe wreed ook, niet gegrond?"</p>
+ <p>"Valsch, geheel valsch, mijnheer," kreet bazin Wildenslag onder hare tranen. "Wie
+ was er laf genoeg, om u te komen zeggen, dat hij Godelieve heeft zien vechten en haar
+ onbetamelijk heeft hooren schelden?"</p>
+ <p>"Het is Steven Geerts, die haar in eene stege te Douai met den klomp in de hand
+ heeft zien slaan."</p>
+ <p>"Ach, ik herinner mij de droeve zaak; het was Godelieve niet, het was hare zuster
+ Theresia, die inderdaad, voor het aangezicht ten minste, op haar gelijkt. Godelieve,
+ mijnheer? Er is nooit een hard woord van hare lippen gevallen; zij is
+ schoolmeesteresse geweest; zij heeft verstand, zij is goed als een engel, en haar
+ hart is nog even zuiver als toen gij haar leerdet lezen."</p>
+ <!-- Page 162 -->
+ <p>"Hemel, wat zegt gij daar altemaal?" stamelde Bavo, door den twijfel aangegrepen.
+ "En zij is getrouwd?"</p>
+ <p>"En zij heeft nooit toegelaten, mijnheer, dat een man haar zonder eerbied bezage,
+ en zij is niet getrouwd."</p>
+ <p>"Maar verklaar u, gij doet mij vergaan van ongeduld. Zeg mij, ik smeek u, welk was
+ dan het lot van het arme Lieveken gedurende die acht lange jaren?"</p>
+ <p>"Welaan, ik zal mijn verdriet bedwingen," zeide bazin Wildenslag, het hoofd
+ oprichtende. "Om mijn edel kind, mijne goede Godelieve, te verdedigen, zal ik moed en
+ sterkte vinden. Luister, mijnheer, gij zult vernemen wat ons en haar lot was sedert
+ gij ons buiten de stadspoort een treurig vaarwel zeidet. Wij gingen naar Wazemmes,
+ bij Rijssel, en vonden er veel en goed werk. Dewijl ik in mijne pogingen om Godelieve
+ op eenen winkel van kleedermaaksters aanvaard te zien, niet kon gelukken, deed haar
+ vader haar naar de fabriek gaan. Het arme kind kon het daar niet gewend worden en
+ viel ziek van verdriet. Het duurde lang eer zij weder eenige krachten terugvond; dan,
+ om toch iets te winnen, begon zij in ons huis eene kleine school te houden, om den
+ kinderen onzer Vlaamsche geburen te leeren lezen."</p>
+ <p>"En onze brieven, waarom liet gij die zonder antwoord?"</p>
+ <p>"Uwe brieven? Wij hebben er slechts eenen ontvangen, en Godelieve heeft er op
+ geantwoord."</p>
+ <p>"Wij schreven er nog drie andere."</p>
+ <p>"Daarvan weet ik niets, mijnheer."</p>
+ <p>"Uw man ontving ze op de fabriek. Heeft hij ze misschien achtergehouden of
+ vernietigd?"</p>
+ <!-- Page 163 -->
+ <p>"Het is wel mogelijk, mijnheer; hij meende, dat het voor Godelieve beter was geene
+ betrekking meer te hebben met menschen, die te verre boven onzen stand waren; want
+ wij wisten door eenen kameraad van Gent, dat gij klerk geworden waart bij M.
+ Raemdonck, en Godelieve zeide altijd, dat gij onfeilbaar rijk zoudt worden."</p>
+ <p>"En waarom schreef Godelieve dan niet eens om tijding van ons te hebben?"</p>
+ <p>De vrouw wachtte een oogenblik en zuchtte dan:</p>
+ <p>"Wij arme, gemeene fabriekwerkers? En toch, ik heb dikwijls Godelieve aangeraden u
+ te schrijven; maar het verschrikte haar; er was te veel verschil tusschen uwe ouders
+ en ons; zij dorst niet schrijven."</p>
+ <p>"Ga voort, vrouw, ik zal u niet meer onderbreken," zeide de jongeling.</p>
+ <p>"Ach, onze geschiedenis is kort, mijnheer," hernam bazin Wildenslag. "Mijn man en
+ mijne zonen leidden een zorgeloos leven. Zij bleven dikwijls halve weken zonder te
+ willen werken, zoodat zij zich den toegang tot vele fabrieken zagen weigeren. Wij
+ vertrokken altezamen naar Rouaan. Daar hield Godelieve weder school in ons huis, en
+ leerde er de kinderen der Fransche werklieden; want door altijd Fransch te hooren
+ spreken, had zij in die taal spoedige vorderingen gemaakt. Zij had veel te lijden van
+ hare woeste broeders en afgunstige zusters, omdat zij altijd zindelijk was gekleed en
+ door iedereen, als een voorbeeld van zedigheid en beleefdheid, werd geprezen en
+ geacht. Eene dame der stad bezorgde haar eindelijk eene goede plaats als
+ leermeesteresse in eene groote kostschool van jong<!-- Page 164 -->e juffrouwen. Daar
+ bleef zij twee volle jaren, niets van hare jaarwedde behoudende dan wat haar noodig
+ was om zich de kleederen aan te koopen, welke zij natuurlijk in hare kostschool
+ hoefde te dragen, ten einde niet te veel tegen de andere meesteressen af te steken.
+ Al het overige bracht zij naar huis om ons te helpen; want haar vader was ziek
+ geworden, en van mijne andere kinderen waren de meeste getrouwd of ongetrouwd in het
+ rond alleen gaan wonen; en de twee jongens, welke met ons bleven, gaven minder van
+ hun dagloon af dan hun kost en hun onderhoud bedroegen. De kwaal van mijnen man
+ verergerde langzaam; het was eene kwijnziekte, die hem allengskens scheen uit te
+ putten en ons deed vreezen, dat hij niet meer zou genezen. Dan gebeurde er iets, dat
+ ons in de bitterste ellende moest storten. Een mijner zonen, die sedert als soldaat
+ naar Afrika is vertrokken, een woestaard, een gevoellooze verkwister, was reeds meer
+ dan eens, tot schande der arme Godelieve, aan hare kostschool gaan bellen om haar
+ geld te vragen. Dit mishaagde de meesteresse van het gesticht zeer; maar uit
+ genegenheid voor Godelieve had men geduld gehad, zoolang totdat eens mijn baldadige
+ zoon, door den drank verblind, binnen de kostschool drong en daar, door scheldwoorden
+ en gewelddaden, zijne zuster eene groote somme gelds wilde afdwingen. Hij joeg den
+ lieden zulken schrik aan en ontstichtte de leerlingen op zulke onbehoorlijke wijze,
+ dat Godelieve hare plaats verloor en, schier half dood van schaamte en wanhoop, naar
+ huis kwam. Haar broeder, die wel gevoelde, dat hij ons allen ongelukkig had gemaakt,
+ vertrok des anderen daags om dienst te nemen in het vreemdenlegioen voor
+ <!-- Page 165 -->Afrika. Godelieve, wier moed en opoffering onuitputtelijk zijn,
+ begon onmiddellijk rond te zien om weder eenige leerkinderen te zamen te krijgen, en
+ wat naaiwerk te vinden; maar het gelukte haar niet spoedig genoeg. De armoede stond
+ voor onze deur, en wij schrikten van de droeve toekomst, die ons bedreigde. Misschien
+ had mijn arme man een geheim voorgevoel, dat hij niet lang meer zou leven. In hem
+ ontstond eensklaps eene onverwinnelijke begeerte om terug naar Vlaanderen te gaan.
+ Wij wilden hem dit besluit uit het hoofd stellen; Godelieve bovenal, waarom, ik weet
+ het niet, beefde bij het gepeins alleen, dat wij de stad Gent nog zouden wederzien.
+ Er was niets aan te doen; want hij smeekte ons met overvloedige tranen, hem toch niet
+ op vreemden grond te laten sterven. De lucht van Vlaanderen zou hem genezen, hij was
+ er van overtuigd. Wij verkochten onze meubelen en ons huisraad, om op den ijzeren weg
+ of met de diligence te reizen, en vertrokken op eenen zekeren morgen naar het
+ geboorteland. Van al mijne kinderen wilde niemand ons volgen dan Godelieve alleen.
+ Mijn man had te veel van zijne krachten verhoopt. Alhoewel hij onderweg dreigde te
+ bezwijken, wilde hij toch de reis niet staken; maar toen wij het voorgeborcht der
+ stad Rijssel bereikten, kon hij niet verder en viel buiten kennis in de herberg, voor
+ welke wij ons hadden doen afzetten. Hij bekwam echter een beetje, nadat hij eenige
+ uren had gerust. Wij bleven twee dagen in de herberg; maar onze weinige geldmiddelen
+ waren schier ten einde. Wij vonden niet verre van daar een klein werkmanshuisje, dat
+ ledig stond, huurde het en brachten er onzen armen zieke naartoe. Een slecht bed, een
+ p<!-- Page 166 -->aar stoelen, eene oude kachel en twee of drie stukken keukengerief,
+ ontnamen ons, tot den laatsten frank, al wat wij bezaten.... Luister nu, ik bid u,
+ mijnheer, en moget gij den moed en de zielegoedheid van mijn kind bewonderen, zooals
+ zij het verdient! Dan kwam eene wreede ellende ons bezoeken; ik werd van schrik en
+ wanhoop bijna zinneloos. Geen voedsel, geen hulp voor mijnen stervenden man, geen
+ uitzicht dan de honger voor ons en een akelige dood voor hem. Hoe zal ik het
+ engelachtig gedrag van Godelieve beschrijven? Zij bracht geld in huis, zij deed den
+ dokter komen en betaalde de medicijnen. Waar zij de middelen haalde, dorst ik haar
+ niet vragen; maar ik bemerkte wel, dat eerst hare oorringen, dan haar gouden kruis,
+ en dan allengs hare schoone kleederen verdwenen, zoolang tot haar niets meer
+ overbleef dan voorwerpen zonder waarde. Eindelijk moesten ook mijne zondagskleederen
+ worden opgeofferd. Ik sprak van mijnen man in het hospitaal te zien te krijgen; maar
+ hij smeekte weenend om genade, en Godelieve wilde er niet van hooren. Dan hebben wij
+ naar Rouaan geschreven, om hulp van onze kinderen te hebben. Mijn jongste zoon alleen
+ heeft geantwoord, dat hij zou komen om voor ons te werken; doch hij had zich in zijne
+ fabriek sterk aan den arm gewond en liet ons wachten totdat het te laat was. Dit
+ heeft zoo bijna eene gansche maand geduurd, mijnheer, eene gansche maand, dat
+ Godelieve elken nacht op eenen stoel bij het bed haars vaders bleef gezeten, hem
+ troostende, hem sprekende van genezing, van Gods barmhartigheid en van een beter
+ leven in den hemel. Geene klacht in haren mond; zij lachte, zij was vroolijk, de
+ goede, om moed te g<!-- Page 167 -->even. O, mijnheer, de woorden ontbreken mij om u
+ te zeggen, wat Godelieve in die schrikkelijke dagen voor ons gedaan heeft. Oordeel er
+ over: gedurende de laatste week zijns levens heeft mijn arme man, door de teedere
+ zorgen, door de liefderijke vertroostingen van zijn kind verleid, haar aangezien voor
+ eenen engel, en niet anders meer tot haar gesproken dan tot een wezen, door God
+ gezonden om zijnen doodsstrijd zacht te maken, en hem den hemel te wijzen. En,
+ mijnheer, het was niet omdat haars vaders geest door de ziekte was verzwakt, o neen,
+ ik, hare moeder, ik verkeerde in dezelfde dwaling. Er kwam een oogenblik dat hare
+ onbegrijpelijke opoffering mij nederwierp voor hare voeten en dat ik, van
+ dankbaarheid en bewondering zinneloos, voor mijn kind knielde als voor het zuiverste
+ beeld van Gods goedheid zelve. Ach, haddet gij mijnen armen man zien sterven, met
+ eenen zaligen lach zijne dochter aanschouwende, en nog, tot vaarwel, de hand van
+ zijnen troostengel kussende."</p>
+ <p>Zij smolt in tranen weg en liet het hoofd op de borst vallen.</p>
+ <p>De jongeling had dit verhaal met eene klimmende ontroering aangehoord; de
+ uitdrukking zijns gelaats was een zonderling mengsel van medelijden en geheime
+ fierheid, van smart en van blijdschap. Op het einde echter had de deernis met het
+ bitter lot der Wildenslags hem overwonnen; sedert eene wijl leekten er stille tranen
+ op zijne wangen.</p>
+ <p>Hij stond op, ging tot de vrouw, greep haar de hand en zeide:</p>
+ <p>"Arme bazin Wildenslag, wat hebt gij geleden! Ik beschuldigde u zoo
+ <!-- Page 168 -->wreedelijk. O, vergeef het mij! Wees gedankt; want ik begrijp aan
+ uwe woorden, aan uwe moederlijke ontroering, dat gij hebt medegeholpen om uwe
+ Godelieve de loopbaan te laten betreden, die hare deugd en hare geleerdheid haar
+ voorschreven. Kom, troost u; ik zal mijne ouders over u spreken; wij zullen u helpen;
+ de ellende ten minste zal u niet meer bezoeken."</p>
+ <p>"Wees gezegend, mijnheer," murmelde de vrouw nog snikkend, "uwe eindelooze
+ goedheid ontrukt mij nieuwe tranen. Ha, gij hebt het hart uwer moeder ... een hart,
+ mild en edel als het hart mijner Godelieve!"</p>
+ <p>Bavo deed eenen stap naar zijnen schrijflessenaar en nam er eenig geld uit.</p>
+ <p>"Met de honderd franken, die d&aacute;&aacute;r liggen," zeide hij, "kunt gij den
+ prijs van het verloren pak betalen. Deze droeve zaak mag u dus niet meer bekommeren.
+ Hier hebt gij nog honderd franken meer, om in uwe eerste behoefte te voorzien, ik zal
+ met mijne moeder de middelen overwegen om u een min bitter lot te verzekeren. Indien
+ wij uwe Godelieve eene plaats van leermeesteresse te Gent konden bezorgen? Voor uwen
+ zoon heb ik voordeelig werk. Vermits hij een gevoelig gemoed heeft, zal ik hem in den
+ goeden weg terugbrengen.&mdash;Daar, neem het geld, vrouw; gij hebt mij heden verlost
+ van eene lange treurnis, van eene diepe smart, die mij sedert jaren aan het harte
+ knaagt. Ja, vrouw, het is zoo. De gedachte, dat het goede, zoete Lieveken, de
+ vriendin mijner kindsheid, de gedienstige engel, die bij het ziekbed mijns vaders
+ heeft gewaakt, in de wereld was verloren geloopen, deze gedachte was mij pijnlijk, en
+ mijn medelijden werd allengs eene onverwinlijke smart. Nu ben ik daarover gerust,
+ <!-- Page 169 --> nu ben ik gelukkig te weten, dat zij ten minste hare zedelijke
+ natuur, hare schoone inborst en de edelheid harer beminnende ziel ongeschonden heeft
+ behouden."</p>
+ <p>Bazin Wildenslag had het geld van de tafel genomen. Zij vouwde de handen te zamen
+ voor den jongeling en zuchtte met de oogen vol tranen:</p>
+ <p>"O, mijnheer, uwe barmhartigheid, uwe goedheid maakt mij stom; ik weet niet, hoe u
+ mijne erkentenis uit te drukken. Morgen vroeg, v&oacute;&oacute;r ons vertrek, zullen
+ wij hier terugkomen. Godelieve zal op de knie&euml;n u zegenen voor uwe milde
+ weldaad...."</p>
+ <p>"Godelieve? Morgen?" kreet de jongeling verbaasd. "Waar is dan Godelieve?"</p>
+ <p>"Ik durf u niet langer bedriegen, mijnheer; zij is in de Sint-Baafskerk en bidt er
+ voor het Heilige Graf...."</p>
+ <p>"En waarom kwam zij niet met u?"</p>
+ <p>"Het arme meisje is vervaard, mijnheer."</p>
+ <p>"Vervaard? Van mij?"</p>
+ <p>"Beschaamd, mijnheer; om onze reis naar Gent te kunnen betalen, hebben wij de
+ eenige kleederen, die nog waarde konden hebben, moeten verkoopen. Godelieve schrikte
+ van zich voor u te vertoonen...."</p>
+ <p>"En nochtans, ik zou haar willen zien!" riep Bavo met ontsteltenis. "Na acht jaar
+ afwezigheid! Wat doen de kleederen? Zij getuigen immers van hare opoffering, van hare
+ liefde voor hare ouders? Ach, mocht ik eene belooning eischen, het ware, dat het mij
+ toegelaten wierd haar te troosten en haar moed te geven!"</p>
+ <p>"Ik zal ze halen, mijnheer. Mij ook beschaamde de poging, welke ik bij u moest
+ beproeven; maar de weldaad van edelmoedige menschen als gij zijt, vernedert niet,
+ integendeel! Ik zal het Godelieve doen <!-- Page 170 -->begrijpen, mijnheer. Zij zal
+ komen om u te danken."</p>
+ <p>Bazin Wildenslag ging ter deur uit.</p>
+ <p>Als bezwijkend onder eene geweldige ontsteltenis, liet Bavo zich op een stoel
+ zakken en legde het hoofd in de handen. De afwisseling zijner uitdrukking getuigde
+ dat hij worstelde tegen gepeinzen, die tegen zijnen wil hem bestormden. Evenwel na
+ eenige oogenblikken scheen hij over deze geheime opwellingen van een vorig gevoel te
+ hebben gezegepraald; want hij hief het hoofd op en zeide met eenen lichten spotlach
+ tot zich zelven:</p>
+ <p>"Het zijn droomen, die vergaan voor de wezenlijkheid. Geene onmogelijke gepeinzen!
+ Ja, het is ons plicht, te erkennen en te beloonen wat het goede Lieveken eertijds
+ voor mijnen zieken vader heeft gedaan. Lieten wij haar ongelukkig zijn, het ware eene
+ wreede ondankbaarheid, misschien eene zedelijke misdaad. Onze plicht is zeer
+ eenvoudig te vervullen. Wij zullen hen bijstaan en beschermen, totdat Godelieve eene
+ voordeelige plaats in een onderwijsgesticht heeft gevonden; totdat zij weder de
+ middelen hebben bekomen om stil en tevreden te leven. Wij zullen over hen waken, om
+ voortaan het ongeluk van hen af te keeren. Anders kunnen wij toch niets...."</p>
+ <p>Weder boog hij het hoofd en staarde ten gronde; na eene wijl beweegloos te zijn
+ gebleven, murmelde hij met eenen diepen zucht:</p>
+ <p>"Het is zonderling! De mensch schijnt een dubbel wezen in zich te besluiten ...
+ maar ne<!-- Page 171 -->en, zijn wil en zijn hart stemmen niet altijd overeen. En
+ nochtans, ik moet die gepeinzen verjagen. Vermits er tusschen haar en mij eene
+ maatschappelijke onmogelijkheid is ontstaan, moet ik mijne kindsheid vergeten. Haar
+ ongeluk legt mij den eerbied op; kwetsen wij hare gevoelige ziel niet. Ha, men belt!
+ Daar is zij! Hoe klopt mijn hart! Ik moet mij bedwingen.... Arm Lieveken! was het
+ z&oacute;&oacute;, dat ik haar moest wederzien?"</p>
+ <p>Vrouw Wildenslag trad in de kamer, gevolgd door hare dochter.</p>
+ <p>Het benauwde meisje hield het hoofd gebogen als eene veroordeelde, en dorst den
+ blik niet opheffen; zij beefde zichtbaar, en slechts toen hare moeder haar bij den
+ arm greep, kwam zij vooruit tot in het midden der kamer.</p>
+ <p>Een versmachte kreet was Bavos boezem ontsnapt, en hij had eenen stap gedaan om
+ tot het meisje te naderen en haar de hand te grijpen; maar hij wederhield zich zelven
+ en zeide:</p>
+ <p>"Godelieve, vergeef het mij: ik wenschte zoo vurig u te zien. Wees niet beschaamd;
+ ik weet, dat gij hebt geleden en wat gij voor uwe ouders hebt gedaan. Die slechte
+ kleederen verheffen u in mijne oogen, en de eenige indruk, dien zij op mij
+ uitoefenen, is mij een gevoel van eindeloozen eerbied in te boezemen voor het edel
+ hart, dat zij bedekken."</p>
+ <p>Het meisje hief het hoofd op en sprak zeer bedaard, doch met eenen plechtigen
+ nadruk:</p>
+ <p>"Mijnheer, ik dank u uit den grond mijner ontroerde ziel, meer nog voor uwe goede
+ woorden, dan voor uwe milde weldaad. Niet alleen verlost gij ons van de akelige
+ vrees; maar gij redt ons uit de ellende. Wees gezegend; in al mijne gebeden zal
+ <!-- Page 172 -->ik uwen naam en den naam uwer ouders mengen, opdat God u gelukkig
+ late zijn in de maat uwer grootmoedigheid."</p>
+ <p>Bavo scheen verstomd; er lichtte een vreemde glans in zijnen blik; hij rustte met
+ de bevende hand op de tafel, als hadde hij eenen steun noodig gehad. Die groote
+ blauwe oogen, zoo kwijnend en zoo vol dankbaarheid op hem gevestigd; dat fijn gelaat,
+ dat zuiver voorhoofd, waarop nu de rozeverf der kuischheid en der schaamte wolkte! O!
+ zij was schooner nog dan het engelachtig Lieveken zijner droomen. Wat geweldigen
+ strijd voerde hij tegen zijn hart! Maar hij moest zijne dwalende zinnen bedwingen: de
+ eerbied voor de ongelukkige Godelieve gebood het hem.</p>
+ <p>Een holle zucht welde op uit zijnen beklemden boezem; hij liet zich op eenen stoel
+ zakken en zeide met schijnbare kalmte:</p>
+ <p>"U weder te zien na acht jaar afwezigheid, Godelieve, is mij eene groote
+ blijdschap. Het ontstelt mij. Natuurlijk, niet waar? Die herinneringen der kindsheid,
+ hoe blijven zij, immer met nieuwe kracht opgewekt, in het menschelijk harte leven!...
+ Ach, ik laat u daar staan, te midden der kamer. Verontschuldig mij; zet u neder."</p>
+ <p>Godelieve hief de handen smeekend op.</p>
+ <p>"Mijnheer," stamelde zij, "heb medelijden met een ongelukkig meisje! Uwe goedheid
+ is zoo eindeloos. Ik ben ontsteld, ik gevoel mij ziek, mijne krachten begeven mij.
+ Vergun mij als eene genade, voor heden dit huis te verlaten. Morgen vroeg zal ik
+ bedaard zijn, ik zal, beter dan nu, madam uwe moeder mijne grenzenlooze dankbaarheid
+ kunnen uitdrukken...."</p>
+ <!-- Page 173 -->
+ <p>"Gij wilt vertrekken, Godelieve?" kreet de jongeling met verdriet. "O, neen, ik
+ bid u, nog een oogenblik!"</p>
+ <p>Door hare moeder aangedreven om aan dien wensch te voldoen, zette het meisje zich
+ neder en boog weder het hoofd. Men zou gezegd hebben, dat de oogslag van Bavo haar
+ schrik inboezemde; en inderdaad, zij had bij elken zijner blikken gesidderd.</p>
+ <p>"Zeg mij, Godelieve, hebt gij in uw smartelijk leven nog dikwijls aan onze
+ gelukkige kindsheid gedacht?" vroeg Bavo.</p>
+ <p>"Mijn eenige troost op de wereld," zuchtte het meisje, "was de dankbare
+ herinnering uwer goedheid voor het arme zieke kind."</p>
+ <p>"En voor mij, Godelieve, was het de eenige, maar bittere smart mijns levens, te
+ moeten denken, dat de zoete gezellinne mijner kinderjaren, ongelukkig en verloren, in
+ de wereld dwaalde."</p>
+ <p>Er heerschte eene korte stilte.</p>
+ <p>"Godelieve," vroeg de jongeling eensklaps, als gedreven door eene geweldige
+ ontroering, "Godelieve, ik gaf u een aandenken, eene gedachtenis. Hebt gij ze
+ bewaard?"</p>
+ <p>Hij bekwam geen antwoord.</p>
+ <p>"Het beeld van Bavo en Lieveken met hun boek in de hand," zeide hij, "onnoozel en
+ gebrekkig werk, dat aan den kleinen Bavo schier eene maand arbeid kostte. Gij hebt
+ mij beloofd, dat gij het zoudt bewaren."</p>
+ <p>"Maar, Godelieve toch, hoe kunt gij M. Damhout dus zonder antwoord laten?" kreet
+ moeder Wildenslag. "Ja, ja, mijnheer, zij heeft het
+ <!-- Page 174 -->bewaard.&mdash;Wederhoud mij niet, Godelieve.&mdash;Zoo goed
+ bewaard, mijnheer, dat het sedert jaren onder het kleine crucifix hangt, waarvoor
+ Godelieve gewoon is te bidden."</p>
+ <p>"Ach, dank, dank om uwe trouwe herinnering!" riep Bavo.</p>
+ <p>"Waarom verwondert u dit, mijnheer?" zeide het meisje met eene vonk van
+ waardigheid in de oogen. "Indien ik mijn gansche leven wilde bidden voor het geluk
+ van hem, die mij leerde lezen, kon ik iets beter doen dan zijn beeld te hangen op de
+ plaats, waar ik elken avond nederknielde om mijne ziel tot God te verheffen?"</p>
+ <p>Bavo liep tot haar, greep haar de beide handen en zeide diep ontroerd:</p>
+ <p>"Altijd dezelfde engel! Kom, Godelieve, troost u en schep moed; gij zult niet
+ ongelukkig meer zijn. Wij zullen u beschermen. Wij zullen eene goede, zeer goede
+ plaats van leermeesteresse te Gent zoeken; mijne moeder zal u weder liefhebben en u
+ helpen. Ik zal uw vriend zijn, evenals toen wij nog onnoozele kinderen waren.... Het
+ is te zeggen ... ik weet niet, de ontsteltenis maakt mij duizelig, mijne zinnen zijn
+ verward...."</p>
+ <p>Het verschrikte meisje ontwrong hem hare handen met zulk koortsig geweld, dat hij
+ zich in zijn hart over deze beweging gekwetst gevoelde en met spijtige verbaasdheid
+ eenen stap terugdeinsde.</p>
+ <p>Godelieve hief langzaam het hoofd op; alhoewel er tranen in hare oogen
+ glinsterden, was er zooveel maagdelijke fierheid in haren blik, zooveel edelheid in
+ de uitdrukking van haar schoon gelaat, dat Bavo haar met ontzag aanschouwde.</p>
+ <br />
+
+ <div class="center">
+ <img src='images/175.png' width='600' alt='Aan mij de vriendin mijner kindsheid!'
+ title='Aan mij de vriendin mijner kindsheid!' /><br />
+ <br />
+ <i>Aan mij de vriendin mijner kindsheid!</i>
+ </div>
+ <!-- Page 177 --><!-- Page 176 --><!-- Page 175 -->
+ <p>"Ik smeek u, mijnheer, heb toch medelijden met mij!" zeide zij. "Vergeten wat gij
+ voor mij als kind hebt gedaan, vergeten wie ons nu uit den afgrond der smart zoo
+ grootmoedig opheft,&mdash;de dood zelf kan mij daartoe niet bekwaam maken; want in
+ Gods schoot zelven zal mijne ziel zich nog uwer goedheid herinneren. Maar zoek geene
+ plaats voor mij te Gent. Na den dag van morgen zal ik den grond mijner geboortestad
+ niet meer betreden. Ik ken de edelheid uws harten; gij begrijpt mij, ik ben er zeker
+ van."</p>
+ <p>"Maar neen, ik begrijp u niet!" morde Bavo.</p>
+ <p>"Gij begrijpt den onverbiddelijken plicht niet, mijnheer, die mij dwingt in
+ Frankrijk een bestaan te zoeken?" hervatte Godelieve. "Ach, bestonden er tusschen u
+ en mij geene diepe, geene onverdelgbare herinneringen, ik zou uit erkentenis de
+ dienstmeid uwer moeder, en, ware het mogelijk, uwe slavin willen worden. Nu mag geen
+ andere band tusschen ons bestaan dan de weldaad van den eenen kant en de eeuwige
+ dankbaarheid van den anderen. Ik heb veel geleden, zonder dat mijn moed er onder is
+ gebroken. Moest ik een oogenblik uwe achting derven, mijnheer, ik stierve eenen
+ pijnlijken dood. Ja, ja, Bavo, de ziel der arme Godelieve heeft honger naar uwen
+ eerbied, en zij zal dien behouden met hare dankbaarheid tot aan het graf. Vaarwel,
+ mijnheer, tot morgen!"</p>
+ <p>En opstaande greep zij den arm harer moeder en trok haar naar de deur.</p>
+ <p>De jongeling stak de handen uit, als om haar te wederhouden; maar de plechtige
+ woorden der maagd hadden hem zoo gew<!-- Page 178 -->eldig tot het gevoel der
+ wezenlijkheid en tot het besef des plichts teruggeroepen, dat hij als aan den vloer
+ bleef genageld, totdat hij de voordeur hoorde sluiten.</p>
+ <p>Dan hief hij, stom en met verbaasden blik, de armen in de hoogte, allerlei
+ onduidelijke woorden in zich zelven murmelende. Zijne zinnen waren ontsteld en zijne
+ gedachten verward.</p>
+ <p>Eindelijk, na een oogenblik rust, zeide hij in zich zelven:</p>
+ <p>"Wat is zij schoon, wat is zij schoon! Onder die slechte kleederen scheen zij mij
+ fier en indrukwekkend als eene koningin. Hoe heeft zij de zuiverheid, de fijnheid des
+ harten kunnen behouden in zulke wereld, tusschen grove, onwetende menschen, dwars
+ door nood, honger en ellende? Ha! het onderwijs! Ik ben het, die deze ziel het licht
+ en de sterkte heb gegeven om aan de verleiding, aan de zedelijke verlaging te
+ wederstaan; mijne moeder is het, die haar de liefde tot deugd en plichtsbetrachting
+ heeft ingeboezemd. Roos onder de doornen, lelie bloeiend op een mesthoop! En de lelie
+ is zuiver gebleven, en de roos heeft hare geuren uitgewasemd als eenen balsem over
+ het lijden dergenen, die haar omringden! Edel moet zij zijn boven de edelsten, om
+ onder zulke beproeving niet te zijn bezweken. Dank, dank, o, mijn God, dat Gij de
+ kiemen, door een ander kind in haren geest en in haar hart gestort, niet onvruchtbaar
+ liet zijn!"</p>
+ <p>Hij wreef zich het voorhoofd en stapte in de kamer rond, als wilde hij zijne
+ stormende gepeinzen ontvluchten. Eensklaps staan blijvende, riep hij uit:</p>
+ <p>"Onmogelijk, onmogelijk! De we<!-- Page 179 -->reld, mijne ouders ... hare
+ broeders, hare zusters ... het eenige geluk, dat mij op aarde moet geweigerd
+ blijven!... Maar heeft zij daar schuld aan? Zij zal verre van hare geboortestad gaan
+ dwalen, verdriet hebben, gaan kwijnen misschien? Ja, ja, ik bedrieg mij niet: hare
+ schuchterheid, hare schaamte, hare verschrikte kuischheid, hare laatste woorden....
+ Zij ook heeft getreurd, zij ook heeft eenen wreeden knagenden worm in het hart
+ gedragen!"</p>
+ <p>Hij stortte neder op eenen stoel, sloeg zich de handen voor de oogen en morde met
+ wanhoop:</p>
+ <p>"Eilaas, eilaas, het kan niet zijn! Zij heeft gelijk; ik mag haar niet meer zien
+ na den dag van morgen. Ik insgelijks wil het aandenken mijner kindsheid eerbiedigen
+ en het zuiver bewaren tot aan het graf. Zij heeft het gezegd; er is voortaan geen
+ andere band tusschen ons mogelijk dan de herinnering aan het verledene, de weldaad en
+ de dankbaarheid!"</p>
+ <p>Na een oogenblik stilte sprong hij weder recht.</p>
+ <p>"Ik zou haar verliezen voor altijd?" kreet hij. "Die edele ziel, dat beminnend
+ harte zou gaan verkwijnen in vreemde streken?... Er is een andere band, een heilige
+ band, een eeuwige band; er is een geneesmiddel voor haar verdriet en voor mijne
+ treurnis.... Ho, ik kan het niet meer uitstaan; ik moet mijne moeder, mijnen vader,
+ mijnen meester spreken! Veroordeele mij de gansche wereld, het geluk mijns levens
+ staat op dien prijs! Aan mij, aan mij de vriendin mijner kindsheid! aan mij het
+ zuivere, zoete Lieveken!"</p>
+ <p>En onder het uitspreken dezer woorden liep hij als een dwaze ter deur uit.</p>
+ <!-- Page 180 -->
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="SLOT" name='SLOT'></a>
+ <h2>SLOT</h2>
+ <br />
+
+ <p>Een paar jaren geleden ontstond in mij de gedachte om een verhaal uit het leven
+ der Gentsche werklieden te schrijven. Met het doel om eenige eerste inlichtingen
+ daarover in te zamelen, belde ik op zekeren namiddag aan het hek eener groote fabriek
+ te Gent.</p>
+ <p>Ik had eenen aanbevelingsbrief en stelde dien ter hand aan den bestierder van het
+ gesticht, een man van ongeveer vijfendertig jaar, en wiens kleederen, ofschoon van
+ welstand getuigende, met vlokken katoen en met stof waren overdekt.</p>
+ <p>Nauwelijks had hij mijnen naam in den brief gelezen, of hij toonde zich zeer
+ verblijd over mijn bezoek, zeide, dat hij een warm liefhebber der Vlaamsche
+ letterkunde was, en stelde zich geheel tot mijnen dienst.</p>
+ <p>Uren lang leidde hij mij door talrijke zalen en werkhuizen der fabriek, toonde en
+ verklaarde mij alles, en antwoordde op mijne vragen met zulke minzame dienstwilligheid,
+ <!-- Page 181 -->dat ik niet wist hoe hem voor zijn gulhartig onthaal te
+ bedanken.</p>
+ <p>Hij was zeker geen gewoon mensch. Van de nijverheid, van haren voortgang en van de
+ doelmatige inrichting des arbeids sprak hij niet alleen met uitgebreide kennis, maar
+ tevens met eene dichterlijke geestdrift, die mij verwonderde.</p>
+ <p>Ik had reeds vroeger, zonder andere beweegreden echter dan de nieuwsgierigheid,
+ eenige andere dergelijke gestichten bezocht. Nergens had ik zooveel orde en
+ zindelijkheid aangetroffen. De werkhuizen en zalen waren breed en verheven; sterke
+ luchttochten om het stof te verwijderen, had men in toereikend getal gemaakt; waar de
+ raderwerken of riemen den onvoorzichtigen arbeider konden aangrijpen en verminken,
+ waren deze werktuigen door zinken platen geblind; overal was ruimte en lucht in
+ overvloed, en men kon bemerken, dat hier met vaderlijke bezorgdheid voor de
+ gezondheid en het welzijn der werklieden werd gewaakt. De vrouwen, mannen en
+ kinderen, welke ik in groot getal aan den arbeid zag, waren geheel anders dan ik ze
+ mij had voorgesteld. Geene vuile en gescheurde kleederen; ernst en ingetogenheid,
+ iets waardigs in den blik; en waar een hunner werd aangesproken, beleefdheid en
+ betamelijkheid.</p>
+ <p>Ik wenschte rechtzinniglijk den bestierder geluk en zeide, dat hij hoogmoedig
+ mocht zijn over het schoone gesticht, dat onder zijne leiding bloeide.</p>
+ <p>"Inderdaad," antwoordde hij, "ik ben er reeds een beetje trotsch over; maar ik
+ hoop mettertijd nog meer verbeteringen tot stand te brengen, bovenal wat het lot der
+ werklieden betreft. Er is iets, waarover ik meer hoogmoed gevoel...."</p>
+ <p>Hij bezag zijn<!-- Page 182 --> uurwerk en zeide:</p>
+ <p>"Nog eenige minuten en ik zal het u toonen. Ziet gij, mijnheer, men kan van den
+ werkman al maken wat men wil. Daartoe behoeft natuurlijk eenig geduld; want men moet
+ allereerst de onwetendheid overwinnen, die, zoolang zij bestaat, een volstrekte
+ hinderpaal is tot alle zedelijke verbetering der arbeidende klassen."</p>
+ <p>Een oogenblik daarna begon er eene klok te luiden. Hier en daar verlieten kinderen
+ en jongens de spinmolens, waaromtrent ik mij bevond, en zij gingen het werkhuis
+ uit.</p>
+ <p>"Is het rustuur voor hen gekomen?" vroeg ik.</p>
+ <p>"Neen, zij gaan ter school," was het antwoord des bestierders. "Van de twee
+ draadjesmakers verlaat er &eacute;&eacute;n den arbeid voor een uur; de andere zal
+ intusschen alleen den molen bedienen, iets wat hem niet moeilijk valt, aangezien zijn
+ gezel, vooraleer te vertrekken, alles zooveel mogelijk in gereedheid heeft gebracht.
+ Zoo is het insgelijks met de kinderen, die in andere vakken werkzaam zijn. Elk heeft
+ zijne beurt, en wie zijnen arbeid gedurende de week niet kan verlaten, ontvangt het
+ onderwijs des Zondags en des Maandags, gedurende de uren der werkstaking. Het is
+ slechts sedert acht jaar dat ik, met oorlof mijns meesters, deze school heb
+ ingericht; en nu reeds mag ik mij beroemen, dat meer dan de helft onzer werklieden,
+ zoowel vrouwen als mannen, kunnen lezen en schrijven. Men bemerkt het wel, niet waar,
+ dat het onderwijs hun een gevoel van persoonlijke waardigheid in den boezem heeft
+ gestort? Het is mijn droom, <!-- Page 183 -->te mogen zien voordat ik sterf, dat er
+ op de gansche fabriek geen enkel ongeleerd werkman meer te vinden zij. Gij zoudt
+ kunnen denken, mijnheer, dat deze werkmanskinderen geen vlug verstand hebben, of dat
+ een enkel uur onderwijs geene merkelijke vruchten in hen kan voortbrengen; gelief mij
+ te volgen; ik ben wel zeker, dat hetgeen gij gaat zien u zal verwonderen en
+ verblijden."</p>
+ <p>Onder het uitspreken dezer laatste woorden richtte hij zich naar eene deur, die
+ uitgaf op een binnenplein, en bracht mij wat verder in eene ruime zaal, vervuld met
+ rijen lessenaars, waarachter ik een zestigtal jongens, van acht tot vijftien jaar,
+ zag zitten.</p>
+ <p>De bestierder zeide eenige woorden tot den onderwijzer; en deze verzocht mij,
+ dewijl de leerlingen juist hadden begonnen te schrijven, eenen blik op hun geschrift
+ te willen werpen.</p>
+ <p>Er waren er inderdaad velen, die een ongemeen schoone hand hadden.</p>
+ <p>Ik hoorde er eenigen lezen met eene zuiverheid van uitspraak, welke ik zelden in
+ andere scholen had ontmoet.</p>
+ <p>Dan volgden velerlei oefeningen, ditmaal grootendeels door den bestierder zelven
+ geleid, om mij over de vroege ontwikkeling van het verstand dezer arme
+ werkmanskinderen te laten oordeelen.</p>
+ <p>Er werden vragen voorgesteld aangaande de nijverheid en de verdeeling van het
+ werk, aangaande de geweefsels in het algemeen en het katoen in het bijzonder,
+ aangaande de beginselen der mekaniek en den aard der stoffelijke krachten, die de
+ mensch aanwendt tot het vergemakkelijken van zijnen arbeid, aangaande de spaarkassen
+ en<!-- Page 184 --> de genootschappen van onderlingen bijstand, en eindelijk
+ aangaande de plichten van den mensch jegens God, jegens zich zelven en jegens zijnen
+ evennaaste; in &eacute;&eacute;n woord aangaande alles, waarvan de kennis deze
+ kinderen tot behendige werklieden, tot goede huisvaders en tot verlichte burgers van
+ een vrij vaderland kon maken.</p>
+ <p>Mijne verwondering was groot, toen ik deze vragen door vele kinderen, zonder
+ aarzeling en met opmerkelijke klaarte, hoorde beantwoorden; maar het verraste mij nog
+ meer, hen gedurende een half uur, op het zwarte bord of enkel uit het hoofd, de meest
+ ingewikkelde vraagpunten der rekenkunde te hooren oplossen.</p>
+ <p>Nauwelijks kon ik gelooven, dat ik deze zelfde jongens als draadjesmakers achter
+ de spinmolens had gezien. De bestierder en de onderwijzer waren trotsch over mijne
+ verbaasdheid en over den lof, dien ik hun en hunnen leerlingen toezwaaide.</p>
+ <p>Nadat ik den bekwamen onderwijzer gulhartig en dankbaar de hand had gedrukt,
+ volgde ik den bestierder, die mij verzocht haast te maken, dewijl hem anders de tijd
+ mocht ontbreken om mij nog eene andere school te toonen.</p>
+ <p>Hij leidde mij over het plein en opende een poortje. Wij traden door eenen
+ bloemrijken tuin, die met muren was omsloten. In de verte, bij een looverhuisje, zag
+ ik drie of vier kinderen, waarvan de twee kleinsten in een wagentje zaten. Voor het
+ lieve rijtuig waren twee schapen gespannen. De voerman was een jongetje van ongeveer
+ tien jaar. Aan elke zijde van het wagentje liep eene oude dame, om de kinderen voor
+ ongeluk te behoeden.</p>
+ <p>In het looverhuis zat een grijsaard, die niet min dan zestig jaar oud kon zijn.
+ Hij rookte een pijpje en was bezig met een vischnet te breien.</p>
+ <!-- Page 185 -->
+ <p>Al deze personen juichten en lachten om der kinderen luidruchtige
+ vroolijkheid.</p>
+ <p>De bestierder richtte met eenen glimlach van geluk den blik op dit tafereel, doch
+ onderbrak zijnen stap niet.</p>
+ <p>Maar zoohaast men hem van ginder bemerkte, staken de kinderen in het wagentje de
+ hand uit, terwijl het woord "vader! vader!" door den tuin klonk. Het jongsken liet de
+ schapen staan, kwam in een vaart geloopen en sprong den bestierder aan den hals. Hij
+ zoende het kind en zond het terug, met de belofte dat hij straks in den tuin zou
+ komen, maar dat hij nu den vreemden heer moest rondleiden.</p>
+ <p>"Zie, mijnheer," zeide de bestierder mij met zekere ontroering, "al wat ik meest
+ bemin op aarde, is daar. Die grijsaard is mijn vader; van die beide dames is de eene
+ mijne moeder en de andere de moeder mijner vrouw. Die engeltjes zijn mijne kinderen.
+ God heeft mij beladen met geluk. Hier ontbreekt slechts mijne vrouw; maar ik weet
+ waar zij is: gij gaat ze zien."</p>
+ <p>En dit zeggende, richtte hij zich tot een ander poortje en opende welhaast de deur
+ eener zaal, waar een vijftigtal kleine meisjes, evenals in de andere school, voor
+ lessenaren zaten.</p>
+ <p>Buiten de leermeesteresse, die tusschen de lessenaren zich hield, stond er aan het
+ oppereinde der school eene deftig gekleede dame, die bezig scheen met vier of vijf
+ der grootste meisjes eene bijzondere les te geven.</p>
+ <p>De bestierder bracht mij bij haar en stelde mij haar voor als zijne vrouw.</p>
+ <!-- Page 186 -->
+ <p>"Lieve," zeide hij, "deze heer is een oude en goede bekende van u en van ons
+ allen; honderdmaal heeft hij, in de lange winteravonden, ons den tijd kort en
+ genoeglijk gemaakt. Nog geene acht dagen geleden, dat hij u tranen van medelijden met
+ het lot van den armen <i>Loteling</i> ontrukte."</p>
+ <p>De dame noemde mijnen naam met verrassing; hare groote blauwe oogen glinsterden
+ van blijdschap. Zij overlaadde mij met betuigingen van vriendschap, en trof mij diep
+ door de uiterste zoetheid harer stem en de minnelijkheid harer woorden.</p>
+ <p>Op aanzoek haars echtgenoots deed zij de kleine meisjes eenige oefeningen doen, om
+ mij het bewijs te geven, dat ook hier het onderwijs doelmatig was ingericht en
+ schoone vruchten droeg, waarna ik, onder het uitdrukken mijner bewondering, den
+ bestierder volgde, waarschijnlijk om nog belangwekkendere dingen te zien.</p>
+ <p>Al gaande zeide ik hem:</p>
+ <p>"O, mijnheer, aan welk edel en menschlievend doel hebt gij en uwe bekoorlijke
+ echtgenoote uwe pogingen toegewijd! Konden alle personen, die overheid op den werkman
+ hebben, hunne zending evenals gij begrijpen!"</p>
+ <p>"Zeker," antwoordde hij, "het onderwijs is het eenige middel om de arbeidende
+ klassen uit de zedelijke verlaging op te heffen. Het welbegrepen belang der meesters,
+ het welbegrepen belang van gansch het menschdom eischt, dat men het nuttigste en het
+ talrijkste gedeelte der maatschappij niet langer tot duisternis en onwetendheid
+ veroordeeld <!-- Page 187 -->late. Maar het zijn deze beweegredenen niet alleen, die
+ mij en mijne vrouw aandrijven om, binnen het bereik onzer macht, de geleerdheid, het
+ plichtbesef en het gevoel van eigen waardigheid onder de werklieden te verspreiden.
+ Neen, mijnheer, wij betalen eene schuld, eene heilige schuld aan het volksonderwijs!
+ Wij zijn kinderen van arme fabriekwerkers. Het onderwijs, dat wij mochten genieten,
+ was de eerste band tusschen onze harten; en terwijl ik, als kind, uit medelijden of
+ uit vriendschap degene leerde lezen, die nu de moeder mijner kinderen is, ontstond in
+ mij de kiem eener zuivere en duurzame neiging. Mijne goede ouders hebben mij laten
+ leeren ten koste van vele en bittere opofferingen; het was mijn schoonste droom, eens
+ hunne liefde te kunnen beloonen door hunne oude dagen zoet en gelukkig te maken. Dank
+ zij het onderwijs, dat ik mocht genieten, heb ik daartoe ruimschoots de middelen
+ gevonden. Mijne vrouw is in hare jonkheid door ongeluk en tegenspoed beproefd
+ geworden. Ware zij onwetend geweest, dan hadde zij zeker in de nederige, in de woeste
+ wereld, waarin zij gedwongen was te leven, de verhevenheid des harten en de klaarheid
+ des geestes verloren; maar het onderwijs heeft ze voor verlaging behoed en ze mij
+ wedergeschonken, zuiver, edel en verkleefd als een engel van goedheid en van liefde.
+ Het onderwijs, het volksonderwijs heeft ons dienvolgens gemaakt wat wij zijn: en
+ indien wij God uit den grond des gemoeds zegenen en danken voor al het geluk,
+ waarmede Hij ons heeft beladen, dan moeten wij erkennen, dat de Heer in ons het
+ onderwijs tot middel zijner weldaden heeft gebezigd. Het verwondere u dus niet
+ langer, dat wij ons toewijden aan het onderwijs der arme fabriekskinderen. Zooals ik
+ u zeide, w<!-- Page 188 -->ij betalen eene schuld, eene heilige schuld."</p>
+ <p>Ik had met eene soort van verstrooidheid op deze lange uitlegging geluisterd. Mij
+ vlotte de gedachte in het hoofd, dat het leven van den bestierder dezer fabriek
+ misschien de stof bevatte tot het schrijven van een schoon verhaal; en ik was reeds
+ in mijne verbeelding bezig met het te schikken en te ontwerpen. Maar vooraleer mijn
+ leidsman ophield van spreken, had hij mij in eene zaal zijner woning gebracht, en
+ zeide nu, terwijl hij mij eenen zetel aanbood:</p>
+ <p>"Gelief u neder te zetten; ik wil een glas wijn met u drinken.... Weiger mij niet,
+ ik bid u ... ik zal u voorstellen wat ik het beste in mijnen kelder heb."</p>
+ <p>Hij trok aan een belkoord en zeide tot de meid, die aan de deur verscheen:</p>
+ <p>"Breng een paar glazen en eenige beschuiten.... Ik ga zelf naar den kelder, want
+ zij zou den wijn, dien ik u wil doen proeven, niet vinden."</p>
+ <p>Sedert ik in deze zaal was getreden, had een zeker voorwerp mijne oogen tot zich
+ getrokken. Tusschen eenige schilderijen hing eene gekleurde print, die mij van verre
+ gebrekkig en grof voorkwam als een beeldeken, waarmede de kinderen gewoonlijk spelen.
+ Evenwel, de meesters dezer woning moesten er veel prijs aan hechten, want de gouden
+ lijst, die het omringde, was uiterst rijk en veel kostelijker ongetwijfeld dan de
+ lijsten, waarin de schilderijen waren vervat.</p>
+ <p>Een gevoel van nieuwsgierigheid deed mij opstaan. Ik naderde tot de
+ <!-- Page 189 -->print en zag nu, beter dan te voren, dat zij niets anders kon zijn
+ dan het werk van een kind, dat met groote inspanning en moeite gepoogd had de beelden
+ van een jongetje en van een meisje te schetsen, die elkaar bij de hand hielden en elk
+ een open boek toonden. Onder de beelden stonden deze twee namen in versierde letters
+ te lezen:</p>
+ <div class='blkquot'>
+ <p>BAVO EN LIEVEKEN.</p>
+ </div>
+ <p>"Dit beeld doet u glimlachen, niet waar?" zeide de bestierder, die nu met de
+ flesch wijn in de zaal trad.</p>
+ <p>"Glimlachen?" antwoordde ik zeer ernstig. "O, neen, mij schijnt het, dat onder dit
+ gebrekkig kinderwerk de geheimenissen van een gansch leven liggen verborgen."</p>
+ <p>"Z&oacute;&oacute; is het inderdaad. Toen ik nog een kleine jongen was, heb ik
+ gepoogd de beeltenissen te schetsen van twee kinderen, tusschen wier eenvoudige
+ harten het onderwijs eene diepe en duurzame neiging had doen ontstaan. Nu zijn ze
+ verbonden door het huwelijk, en hunne schoonste, hunne dierbaarste herinnering is nog
+ dit gebrekkig beeldeken."</p>
+ <p>"Welk schoon verhaal zou daarvan kunnen gemaakt worden!" riep ik, terwijl ik een
+ glas wijn aanvaardde. "De titel ware gevonden: <i>Bavo en Lieveken</i>! Och, ik bid
+ u, mijnheer, vertel mij uwe geschiedenis."</p>
+ <p>"Maar ik verlang niet, dat mijn leven worde openbaar gemaakt."</p>
+ <p>"Men kan het beschrijven met veranderingen, met vooronderstelde namen, op zulke
+ wijze, dat men de personen niet duidelij<!-- Page 190 -->k herkenne."</p>
+ <p>Mijne gedachte scheen den bestierder te verschrikken; hij weerstond zeer lang mijn
+ aandringen; doch ten laatste meende ik de overwinning nabij te zijn.</p>
+ <p>Ik deed eene laatste poging, door hem voor oogen te stellen, dat de geschiedenis
+ zijns levens, indien ik mij in mijn vooruitzicht niet misgreep, een machtig voorbeeld
+ zou kunnen zijn, een spoorslag om den werklieden al het nut van het onderwijs voor
+ hunne kinderen te doen beseffen, en misschien om andere edelmoedige menschen,
+ eigenaars van fabrieken, over te halen tot het oprichten van scholen in hunne
+ gestichten. Door zulk verhaal te schrijven, kon ik eenigszins medewerken tot het
+ bereiken van het edel doel, dat hij en zijne vrouw zich voorstelden. Daarenboven, ik
+ zou het derwijze schikken, dat men niet zou kunnen ontdekken, of ik ware of
+ ingebeelde personen in mijn boek had beschreven en doen handelen.</p>
+ <p>"Het is eene ernstige zaak," zeide de bestierder. "Ik wil er eerst met mijne vrouw
+ over spreken. Er is slechts &eacute;&eacute;n middel, en dit is, dat gij het
+ avondmaal met ons neemt. Weiger mij niet: anders zult gij zeker onze geschiedenis
+ niet kennen."</p>
+ <p>Ik liet mij gezeggen. Dien avond bracht ik door tusschen Bavo en Lieveken. Over
+ mij zaten de oude Damhout, Christina, zijne vrouw, en moeder Wildenslag; aan de
+ andere zijden der tafel hielden zich vier allerschoonste kinderen, twee meisjes en
+ twee jongskens.</p>
+ <p>Ik verliet het huis met het hoofd vol zoete droomen, het hart vol woorden van
+ vriendschap, van geluk en van liefde, en het geheugen vol van de eenvoudige, doch
+ roerende geschiedenis, die ik in dit boek u heb verteld.</p>
+ <br />
+ <br />
+
+ <h2>EINDE</h2>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
+
+***** This file should be named 13596-h.htm or 13596-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13596/
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+ </body>
+</html>
+
+
diff --git a/old/13596-h/Bavo/images/002.png b/old/13596-h/Bavo/images/002.png
new file mode 100644
index 0000000..ae7794b
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/Bavo/images/002.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/Bavo/images/003.png b/old/13596-h/Bavo/images/003.png
new file mode 100644
index 0000000..4dbd8ae
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/Bavo/images/003.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/Bavo/images/035.png b/old/13596-h/Bavo/images/035.png
new file mode 100644
index 0000000..db486e6
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/Bavo/images/035.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/Bavo/images/059.png b/old/13596-h/Bavo/images/059.png
new file mode 100644
index 0000000..e7954f0
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/Bavo/images/059.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/Bavo/images/093.png b/old/13596-h/Bavo/images/093.png
new file mode 100644
index 0000000..c4ca613
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/Bavo/images/093.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/Bavo/images/115.png b/old/13596-h/Bavo/images/115.png
new file mode 100644
index 0000000..5148c07
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/Bavo/images/115.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/Bavo/images/145.png b/old/13596-h/Bavo/images/145.png
new file mode 100644
index 0000000..c472242
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/Bavo/images/145.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/Bavo/images/175.png b/old/13596-h/Bavo/images/175.png
new file mode 100644
index 0000000..03c3350
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/Bavo/images/175.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/images/002.png b/old/13596-h/images/002.png
new file mode 100644
index 0000000..ae7794b
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/images/002.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/images/003.png b/old/13596-h/images/003.png
new file mode 100644
index 0000000..4dbd8ae
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/images/003.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/images/035.png b/old/13596-h/images/035.png
new file mode 100644
index 0000000..db486e6
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/images/035.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/images/059.png b/old/13596-h/images/059.png
new file mode 100644
index 0000000..e7954f0
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/images/059.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/images/093.png b/old/13596-h/images/093.png
new file mode 100644
index 0000000..c4ca613
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/images/093.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/images/115.png b/old/13596-h/images/115.png
new file mode 100644
index 0000000..5148c07
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/images/115.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/images/145.png b/old/13596-h/images/145.png
new file mode 100644
index 0000000..c472242
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/images/145.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596-h/images/175.png b/old/13596-h/images/175.png
new file mode 100644
index 0000000..03c3350
--- /dev/null
+++ b/old/13596-h/images/175.png
Binary files differ
diff --git a/old/13596.txt b/old/13596.txt
new file mode 100644
index 0000000..d8c7665
--- /dev/null
+++ b/old/13596.txt
@@ -0,0 +1,5806 @@
+The Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Bavo en Lieveken
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: October 4, 2004 [EBook #13596]
+[Last updated: August 19, 2011]
+
+Language: Dutch and Flemish
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
+
+
+
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team
+
+
+
+
+
+HENDRIK CONSCIENCE
+
+
+BAVO EN LIEVEKEN
+
+
+(BRUSSEL, [1885])
+
+
+
+
+
+[Illustratie: "Goeden avond" juichte de jongen.]
+
+
+
+
+
+BAVO EN LIEVEKEN
+
+
+
+
+I
+
+
+Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de
+Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck.
+
+Alhoewel het daglicht reeds vermindert, is er alles nog in de volle,
+drukke werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten
+onder de zwoeging der mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste
+doet leven.
+
+Het is vooreerst de _Duivel_, dat machtig tuig, waarin het katoen
+wordt geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft
+verloren; dan de koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende
+potten, die altezamen de boomwol in vlokkig sneeuw veranderen, ze
+mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de spintuigen tot
+haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en
+eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne
+ontelbare spillen en bobijnen.
+
+Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige
+snelheid; het is eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende
+wielen, van knarsende radertanden, van vluchtende riemen, van
+wandelende spinmolens, van draaiende spillen.
+
+Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden
+andere geruchten vermengt tot een donderend gebruis, tot een
+zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en zoo vol, dat het de
+denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem duizelig
+maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee.
+
+Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne
+stem vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig
+wezen tusschen de reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft
+geschapen.
+
+Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang
+der raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen
+katoen of bobijnen aan, en geven onophoudend voedsel aan het
+duizendledig monster, dat de stof met onverzaadbaren honger schijnt te
+verslinden.
+
+Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de
+raderwerken heen- en wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens
+doorkruipen! En nochtans, dat een riem, een tand, een van al die
+draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed of slechts hunne mouw
+aangrijpe ... en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden afrukken of
+hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, voordat het, ginder verre,
+als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoevele
+onvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden
+door de barsche, zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent
+tusschen katoen en menschenvleesch!
+
+Maar daar galmt een klokslag! De vuurmaker stopt het stoomtuig; hij
+ontneemt aan de mekanieken hunnen adem en hun leven ... en op het
+ontzaglijk gerucht, op het zinverdoovend geraas volgt de stilte der
+eenzaamheid en der rust....
+
+Het was op eenen zomeravond van het jaar 1832, dat de werklieden der
+fabriek van mijnheer Raemdonck dus, op het sein der klok, hunnen
+arbeid staakten en te gelijk op het binnenplein zakten, om daar voor
+een venster van het bureel op de uitbetaling van het loon der
+afgeloopene week te wachten.
+
+Alhoewel schijnbaar dooreengemengd, toonden zij echter eenige
+schikking. Men kon zien, dat de vrouwen, de kinderen en de mannen
+neiging hadden om afzonderlijke groepen te vormen; zelfs de wevers en
+de spinners stonden aan eene verschillige zijde van het plein.
+
+Allereerst werden de vrouwen betaald; want onder hen waren vele
+moeders, wier zuigelingen sedert uren misschien naar lafenis en
+voedsel snakten. Arme wichtjes, gansche dagen aan vreemde handen
+toevertrouwd, levend van hunne geboorte af in derving en in nood!
+Slachtoffers van een maatschappelijk gebrek, dat, tegen de natuur en
+tegen den wil Gods, de vrouw onttrekt aan de vervulling van den
+moederplicht, opperste wet van haar wezen op aarde!
+
+De werklieden toonden nu eenige levendigheid; zij schenen vroolijk,
+omdat de lange week was afgeloopen en de rust van morgen hen
+toelachte.
+
+Een sterkgebouwde kerel, die tusschen de spinners stond, onderscheide
+zich door zijne luidruchtigheid. Kluchtige woorden en grove
+zinspelingen rolden hem uit den mond, en hij had zijne gezellen meer
+dan eens in eenen schaterlach doen losbarsten.
+
+Nu bemerkte hij eenen werkman, die uit de fabriek kwam en tot het
+uiterst einde van de groep der spinners naderde. Hij ging naar hem
+toe, deed hem teeken, dat hij hem over iets wilde spreken, trok hem
+een paar stappen van zijne kameraden weg en zeide:
+
+"Ha sa, Adriaan, gij zijt er bij dezen avond, niet waar? Wat zullen
+wij lachen en vermaak hebben!"
+
+"Waarbij, Jan? Ik weet van niets," was het antwoord.
+
+"Hoe? gij weet niet, dat rosse Leo van avond zijn _jubile_ viert?"
+
+"Welk _jubile_?"
+
+"Van vijfentwintig jaar spinner."
+
+"Werkt Leo reeds zoolang? Onmogelijk: de man is nog niet oud genoeg."
+
+"Niet oud genoeg, Adriaan? Hij was draadjesmaker in de spinnerij van
+Lieven Bauwens, in de allereerste fabriek, die er te Gent was
+opgericht. Dit was in 1800, en Leo was alsdan zestien jaar. Hij weet
+het nog zoo juist op zijn duimken, als hadde hij eenen almanak in den
+kop. Hij is spinner geworden, in 1807, bij mijnheer De Vos. Tel maar
+op de vingeren: zeven van tweeendertig, blijft vijfentwintig."
+
+"Inderdaad; men zou het niet zeggen: de rosse Leo schijnt geen veertig
+jaar oud."
+
+"Het is, dat hij het leven verstaat en Gods water over Gods dijk laat
+loopen. Ware hij een kniezer geweest, dan zou hij al lang op het
+kerkhof liggen. Eene goede pint bier, eene schel hesp en van tijd tot
+tijd een scheut jenever, dat zet bloed, jongen.... Welnu, doet gij
+mede? Eenen halven frank tot inzet.
+
+Wij zingen, lachen en drinken tot half den nacht. Het is morgen toch
+Zondag. Er zullen daarenboven vier vette konijnen te verdubbelen zijn:
+een buitengewoon _Smeerken_, in de Blauwe Geit, bij onzen kameraad
+Pier de Knul?"
+
+De andere bepeinsde zich eene wijl, schudde het hoofd en antwoordde:
+
+"Ik heb geene goesting, Jan."
+
+"Wat is dit nu?" kreet zijn gezel verwonderd. Zult gij vijfentwintig
+cents weigeren om het _jubile_ van eenen ouden vriend te vieren?"
+
+"Het is niet voor de vijfentwintig cents, Jan. Ik ken den rossen Leo
+bijna niet, en, ik zeg het rechtuit, dit drinken halve nachten lang
+bevalt mij niet meer; ik kan er niet tegen, het maakt mij ziek."
+
+Deze woorden, op eenen zekeren vreesachtigen toon gesproken, deden Jan
+in eenen spotlach uitbarsten: hij greep de twee handen zijns vriends
+en zeide hem:
+
+"Damhout, Damhout, jongen lief, ik heb medelijden met u. Gij waart
+vroeger altijd het haantje vooruit, en het was u nooit te laat om naar
+huis te gaan; maar sedert gij getrouwd zijt, ik heb het gezien van het
+eerste jaar af,--sedert gij getrouwd zijt, geraakt gij allengskens
+meer en meer achter den bezem; gij durft u niet meer verroeren, gij
+wordt een suffer, een gierigaard, een kwezelaar. Foei, gij vergeet,
+dat gij een man zijt, en gij ligt als een kind onder den duim uwer
+vrouw. Gij zoudt wel mededoen, ik weet het: gij hebt nog een tandje,
+dat er naar lotert; maar gij moet eerst permissie van moeder Damhout
+hebben, en God weet, of gij die permissie nog durft vragen!"
+
+"Wildenslag, ik wil mij niet boos maken," mompelde Damhout. "Ik weet,
+dat gij het niet kwaad meent, alhoewel gij onrechtvaardig zijt jegens
+mij."
+
+"Welnu, loochen dan, dat gij weigert uit opzicht voor uwe vrouw!"
+
+"Integendeel, ik beken het; maar indien het eens was uit achting voor
+haar en uit genegenheid voor mijne kinderen?"
+
+"Ja, Damhout, uwe kinderen; gij zult er een schoon kot van kweeken van
+uwe kinderen. Kleed ze maar als rentenierkens; laat ze maar naar de
+school gaan. Zoolang ze jong zijn, zullen ze meer kosten dan gij kunt
+winnen. Zij zullen schoon weer spelen en luierikken, terwijl gij, och
+arme, na eene gansche week te hebben geslaafd, nog geene pint bier met
+de vrienden zult mogen drinken. Geef hun uw zweet en uw bloed, verderf
+uwe gezondheid en verkort uw leven, en als ze groot geworden zijn,
+zullen ze hunnen vader, den armen versleten fabriekwerker, niet meer
+willen bezien of herkennen."
+
+Deze woorden waren niet zonder indruk op het gemoed van Adriaan
+Damhout. Hij scheen treurig en bleef eene wijl met gebogen hoofde
+overwegen. Dan zeide hij twijfelende:
+
+"Nochtans, Wildenslag, de geleerdheid is een schat, eene macht, die
+den mensch tot alles bekwaam maakt; en vermits wij onzen kinderen geen
+ander erfdeel kunnen nalaten...."
+
+"Vertelsels, droomen van uwe vrouw," herhaalde de andere. "Wat wilt
+gij, om 's hemels wil, dat een spinner of een wever met de geleerdheid
+doe? Of wij nu konden lezen en schrijven, wat zou het ons helpen?
+Hebt gij er minder om gewonnen, dat gij zoo min als ik, eene A uit
+eene B kent? Kom, kom, zotte hoovaardigheid en onnoozele praat
+allemaal. Onze ouders hebben gewerkt van kindsbeen af, wij hebben
+evenzoo gewerkt, en onze kinderen kunnen ook maar werken, dan valt er
+niets op te zeggen. Meent gij, dat ik mijn klein vee zal vetten met
+mijn zweet, totdat ze aan de luiheid gewend zijn? Hola een beetje! Er
+is er reeds een op de fabriek en de anderen zullen volgen. Zoo komt er
+van alle kanten boter in den pot, mijn vriend; en kan er voor ons nog
+een pintje bier, en van tijd tot tijd een plezierig smeerken op
+af.... Welnu, wat zegt gij? Viert gij mede het _jubile_ van rossen
+Leo? Kom, gij moogt niet zoo vervaard zijn van uwe vrouw. Laat ze wat
+knorren. En maakt ze het te bont, toon haar, dat gij man zijt en een
+hart in het lijf hebt."
+
+Adriaan Damhout stak de hand in den zak, haalde er een stuk van
+vijfentwintig cents uit en gaf het aan zijnen gezel.
+
+"Alzoo, dezen avond, te negen uren stipt, in de _Blauwe Geit_, bij
+Pier de Knul?" juichte Wildenslag. "Het zal er gaan, het zal er een
+leventje zijn, dat gij er in uwen ouden dag nog zult van spreken!"
+
+"Ik zal pogen te komen; maar ik ben er niet zeker van," mompelde nog
+de andere.
+
+"Ja? gij zult toch niet dom genoeg zijn om uw geld door anderen te
+laten opdrinken? Dan zou ik zeker zeggen, dat gij met uwe vrouw van
+kleederen hebt verwisseld. Onmogeljk, Adriaan, zoover zijt gij nog
+niet."
+
+Op dit oogenblik riep men van uit het bureel zekere nummers, en de
+beide vrienden begrepen daardoor, dat hunne beurt om het weekloon te
+ontvangen was gekomen.
+
+Jan Wildenslag kreeg eerst zijn geld, doch bleef nog wachten om met
+zijnen gezel huiswaarts te keeren. Toen echter Adriaan Damhout aan het
+venstertje kwam, zeide men hem, dat hij met eenige anderen moest
+blijven, om eene hand uit te steken aan eene as, die moest worden
+opgelicht.
+
+Wildenslag drukte hem nog de hand en zeide in het heengaan:
+
+"Tot dezen avond dan. Komt gij niet, dan maak ik een kruis op uwen
+rug. Pas op, pas op, vriend: ieder moet op de wereld zijn deel van het
+leven hebben. Offert gij u op voor vrouw en kinderen, zij zullen
+zonder medelijden u afhalen en uitzuigen, totdat uwe gezondheid geheel
+zij gekrenkt. Hang de vlag in den wind, achter ons vergaat de wereld!
+Hoera, vivat de _leute_!"
+
+En lachende en eenen dwazen flikker makende, sprong hij de straat in,
+gevolgd door zijnen draadjesmaker, welken hij onder de eerste de beste
+gaslantaarn van zijn loon zou betalen.
+
+
+
+
+II
+
+
+Op het einde eener enge stege, in de wijk over de Nieuwbrugge, stonden
+een dertigtal kleine huisjes van gelijken vorm, en zichtbaar in eens
+gebouwd, om aan fabriekwerkers of andere geringe lieden te worden
+verhuurd.
+
+In een dezer huisjes was eene vrouw bezig met lijnwaad en kindergoed
+in eene kuip te wasschen.
+
+Zij scheen nog in de volle kracht des levens. Ongetwijfeld was zij
+schoon geweest; misschien was zij het nog; maar de slordigheid harer
+kleederen, de zorgeloosheid en de verzuimenis, waarvan alles op haar
+en rondom haar getuigenis gaf, konden geen ander gevoel opwekken dan
+treurnis en afkeer. Zij arbeidde met veel haast, plonsde hare bloote
+armen in de kuip en schudde en wrong het lijnwaad zoo wild en zoo
+onbezonnen, dat het water in golven ten gronde stortte en als een
+slijmige plas zich rondom haar uitbreidde.
+
+De kamer was gansch vervuld met den walglijken zeepsopdamp; en de lamp
+die tegen de schouw was opgehangen, verspreidde slechts een flauw en
+als ziekelijk licht.
+
+Nevens haar op de kachel stond het avondeten in eenen steenen pot te
+koken. Van tijd tot tijd trok zij hare handen uit de kuip, greep een
+houten lepel, en stompte en roerde in den pot om de spijs niet te
+laten aanbranden.
+
+Vier kinderen, jongskens en meisjes, van verschillenden ouderdom,
+onzindelijk, beslijkt en met gescheurde kleederen, zaten of lagen op
+den vloer in eenen hoek. Zij vermaakten zich met spelen. Niet zelden
+trokken zij elkander bij het haar of vochten of schreeuwden, of
+spraken grove woorden, die men uit den mond van kinderen niet zou
+verwachten.
+
+De vrouw had er tot dan weinig acht op geslagen; evenwel kwam er een
+oogenblik dat het onverdraaglijk gedruis der kinderen en de
+noodkreten: "moeder, help! help!" haar het geduld deden verliezen. Zij
+sprong naar hen toe, gaf den eerste den beste eenen stamp, den tweede
+eenen vuistslag en den overigen eenige weergalmende oorvegen.
+
+Dan keerde zij naar de kachel terug, roerde de aardappelen nog eens om
+en voer vergramd uit tegen de kinderen, in zulke ruwe, onkiesche taal,
+dat de arme kleinen daaruit niets dan eene les van onbeschoftheid
+konden putten.
+
+"Daar hebt gij 't nu, leelijke deugnieten!" riep zij. "De patatten
+zijn aangebrand. Vader zal weer den duivel jagen en mij eenen hoop
+zure woorden naar den kop werpen. Hij en gij, gij meent, dat ik uwe
+slavin ben en maar alleenlijk leef om te werken en uitgescholden en
+geplaagd te worden, van den morgen tot den avond? Wel ja! Is hij niet
+tevreden, dan kan hij er maar bij gaan liggen, totdat het betert. Waar
+blijft uw lekkere vader? In de _Blauwe Geit_, bij Pier de Knul, zeker?
+Hij heeft zijn weekloon getrokken, en de dronkaard is reeds bezig met
+het geld door zijn keelgat te jagen. Wacht een beetje; ik zal hem eens
+naar binnen gaan sleuren. Blijft van den pot, terwijl ik weg ben, of
+ik breek u altezamen den hals, oudersverdriet dat ge zijt!"
+
+Nauwelijks had de moeder het huis verlaten, of de kinderen begonnen
+met de bloote voeten in het gestorte zeepsop te dansen, zoodat de
+muren en het huisraad geheel met slijkige vlekken werden bespat.
+
+Zij stoven verschrikt uiteen, toen hun vader zich onverwachts op den
+dorpel vertoonde. De reuk van het verbrande eten ontrukte den man een
+gegrom van ontevredenheid; de zeepsopdamp en het slijkig water op den
+vloer deden hem huiveren, en zijn gelaat verkrampte tot eene
+uitdrukking van walg en verdriet:
+
+"Waar is moeder?" vroeg hij.
+
+"Naar de _Blauwe Geit_, bij Pier de Knul," antwoordden de kinderen.
+
+"Bij Pier de Knul?"
+
+"Om u te halen, vader."
+
+"Ha, daar zijt gij, morsige prij!" kreet hij, toen hij zijne vrouw zag
+binnenkomen. "Wat is dit hier voor een stal? Waarom wascht gij die
+smerige doeken des avonds, als ik te huis zal komen? Gij hebt zeker
+weer den ganschen dag rondgeloopen en gaan babbelen bij de geburen?"
+
+"Tistje, ga, roep uwe zuster Godelieve," zeide de vrouw tot een der
+kinderen, zonder schijnbaar acht te geven op de harde berispingen
+haars echtgenoots.
+
+"Ik krijg de koorts, zoohaast ik eenen voet in uw varkenskot zet,"
+hernam deze. "Ik heb goesting om er uit weg te vluchten en er nooit
+meer weder te keeren. Werk dan al eene gansche week, en beul u af en
+zweet om geld in het huishouden te brengen; dan vindt gij des
+Zaterdags zwartgebrande patatten en eenen smerigen boel, die u van
+walg het hart in het lijf doet keeren.
+
+--Gaat gij spreken?"
+
+"Ba, spreken," hernam de vrouw spottend, "ik lach met al wat gij zegt.
+Meent gij, dat gij mij gehuurd hebt en dat ik uwe meid ben? Bevalt u
+het eten niet, laat het staan; is het huis niet zuiver genoeg naar
+uwen zin, kuisch het zelf, indien gij lust hebt, domme praatmaker!"
+
+De man hief de hand op en scheen zijne vrouw te bedreigen.
+
+"Zoo, zoo?" riep zij, "de vuisten jeuken u vandaag? Kom, Wildenslag
+lief, houd u niet in. Zoudt ge gaarne weder met een aangezicht vol
+krabben naar de fabriek gaan? Gij moet het maar zeggen; ik ben gereed,
+indien een borstelingsken u plezier kan doen. Zwijg liever en eet in
+vrede: de patatten zijn maar een beetje verbrand; daarenboven,
+schreeuwen, schelden en slaan zullen ze niet beter maken."
+
+Eensklaps trad er een zevenjarig meisje stil en langzaam in de kamer.
+Zij was mager en scheen ziekelijk; maar hare blauwe oogen glinsterden
+als parelen, en op haar fijn mondje speelde eene wonderzoete
+uitdrukking: iets lijdends, iets smeekends, als ware het kind een
+levend gebed. Ofschoon van nederigen vorm en gemeene stof, waren hare
+kleederen zeer zuiver, en hier, in dit onzindelijk huis, omringde haar
+als het ware een wasem van innerlijke onnoozelheid en van lichamelijke
+reinheid.
+
+Zij ging tot den man, legde streelend hare hand in de zijne, zag hem
+met eenen stillen, doch diepen glimlach aan en murmelde:
+
+"Dag, vader lief!"
+
+De zilverachtige toon van dit stemmeken, de kwijnende liefde-blik van
+zijn ziek kind raakten den werkman.
+
+"Dag, mijn goed Lieveken," antwoordde hij, het meisje tegen zijn hart
+drukkende. "Is het wat beter? Zijt ge nog ziek?"
+
+"Nog een beetje, vader," was het antwoord. "Bazin Damhout heeft mij
+kruiden doen drinken en het heeft mij verkwikt."
+
+"Is baas Damhout al te huis van de fabriek?" vroeg Wildenslag.
+
+"Neen, vader, nog niet."
+
+"Kom, zit neer, Lieveken, en eet, kind; want die wilde slokoppen zijn
+al aan den gang. Zij zouden wel niets voor u overlaten."
+
+Het meisje zette zich aan tafel, maakte het teeken des kruises en bad
+in stilte, waarna zij met opmerkelijke geschiktheid en ingetogene
+manieren begon te eten.
+
+"Wildenslag vond de aardappelen uiterst bitter en slecht; hij at met
+lange tanden, grommelde in zich zelven en trok verstoorde gezichten,
+maar hij bedwong zijne spijt en viel niet meer in scheldwoorden uit,
+even alsof de tegenwoordigheid van zijn ziek kind eenig besef der
+betamelijkheid in hem had opgewekt. Eindelijk zeide hij met eenen
+zucht:
+
+"Maar, Lina toch, zonder twist, zoudt gij uw huis niet wat zuiverder
+kunnen houden en uwen kinderen betere voorbeelden geven? Zie eens, hoe
+bazin Damhout het weet te schikken. Haar man is een fabriekwerker als
+ik; hij heeft anders niet dan zijn dagloon; en nochtans in zijn huis
+zoudt ge van vloersteenen willen eten, zoo zuiver is er alles."
+
+"Wat komt gij mij spreken van bazin Damhout!" was het bitsig antwoord.
+"Zij is eene goede, brave vrouw, dit zal ik niet loochenen; maar de
+Damhouts zijn geene menschen gelijk wij. Wees zeker, Wildenslag, zij
+hebben eigendommen of uitgezet geld, alhoewel ze het verbergen."
+
+"Neen, dit hebben ze niet. Er komt geen cent in huis, dien Adriaan
+Damhout niet op de fabriek heeft gewonnen. Zij hebben integendeel
+minder dan wij, vermits onze jongen reeds vier franken in de week
+verdient."
+
+"Lekkere jongen! hij zit zeker in de eene of andere kroeg. Hij heeft
+een aardje naar zijn vaartje: er zal veel goeds van komen, ik beloof
+het u!"
+
+"Neen, neen, hij is achter de taptoe geloopen. Wees zeker, Lina, bazin
+Damhout doet haar huishouden met min dan gij. Zooals zij het schikt,
+kunt gij het ook schikken."
+
+"Kom, kom, Wildenslag, ieder zingt zooals hij gebekt is, en het is
+moeilijk, eenen ouden aap nieuwe grimassen te leeren. Laat dit
+liedeken achter, het is nutteloos. Weet ge wat de huisbaas zegt over
+bazin Damhout? Dat ze zorgend en zindelijk is, omdat ze kan lezen."
+
+"De huisbaas zegt dit om te lachen. Vrouw Damhout kan anders niet
+lezen dan in den almanak en in haar kerkboek. Daar zal ze toch het
+huishouden niet in leeren."
+
+"Dan zal het zijn, omdat Damhout minder geld verteerd, en te huis
+blijft, terwijl gij halve nachten in de kroeg zit te drinken en te
+dobbelen!"
+
+"Dit is wel mogelijk," antwoordde Wildenslag, het hoofd met ongeduld
+schuddende. "Wie zegt u, dat ik niet te huis zou blijven, ten minste
+in de week, indien hier alles niet walgelijk was als in eenen stal, en
+ik er slechts een vriendelijk gezicht mocht vinden; maar gij, met uwe
+barschheid en met uwe zorgeloosheid, zoudt een engel de deur
+uitjagen."
+
+De gekwetste vrouw zette de vuisten op de heupen en meende eenen
+woedenden uitval te doen; maar de deur vloog open en een
+veertienjarige jongen, wiens kleederen vol katoenvlokken hingen,
+sprong binnen; hij eindigde het refrein van een onbetamelijk lied,
+ofschoon hij eene rookende pijp in den mond hield.
+
+Aan tafel vallende, meende hij van de verbrande aardappelen te eten:
+maar na den eersten mondvol te hebben gesmaakt, wierp hij bulderend de
+vork op den schotel en viel uit in onbeschofte berispingen tegen zijne
+moeder.
+
+In stede van hem te bestraffen, gaf de vader hem gelijk.
+
+"Daar is mijn weekloon," zeide de jongen, drie franken ter tafel
+werpende. "De patatten zijn verbrand en smaken naar het zeepsop. Ik
+trek er van door en zal ergens gaan eten, waar men het gevaar niet
+loopt vergiftigd te worden."
+
+Er werd hevig getwist, omdat de jongen eenen frank van zijn loon had
+achtergehouden; dit tooneel vernieuwde zich, toen de vader insgelijks
+zijn weekgeld afgaf. Evenwel, na vele harde, grove woorden verkalmde
+het tempeest.
+
+"Goeden avond," juichte de jongen, "ik ga naar de _Blauwe Geit_, eene
+schel hesp eten."
+
+"Kom, Sander, ik ga mede," zeide de vader. "Het deugt hier niet. Na
+eene gansche week zuren arbeid mogen wij wel een beetje ons
+verzetten."
+
+"Ha, ze meenen, dat ik hier den ganschen avond alleen zal blijven
+koekeloeren, terwijl zij ginder in de _Blauwe Geit_ hun hart ophalen
+en tot over de ooren in de leute zitten?" morde de vrouw, toen haar
+man en haar zoon waren heengegaan. "Ik moet er mijn deel van hebben:
+ik lust ook hesp. Lieveken, ga gij maar voor een uurtje naar bazin
+Damhout. Ik zal u laten roepen."
+
+Zij krabde geweldig met den haak in de kachel, om het vuur uit de
+dooven; doch daar dit niet spoedig genoeg naar haren zin ging, stortte
+zij eene kom zeepsop op de brandende kolen, zoodat de kamer met een
+stinkenden rook werd vervuld.
+
+"En gij daar, bengels," riep zij tot de kinderen, "zorgt dat gij van
+de lamp blijft en met geen vuur speelt, of ik sla den bezem op uwe
+knoken aan stukken!"
+
+Op dit oogenblik zag zij, dat het oudste jongetje een zijner zusters
+bij de haren trok, en zij hoorde een gesnor, alsof er eene stof werd
+gescheurd.
+
+"Beul, schei uit!" bulderde zij. "Wacht maar, booze vadsigaard, gij
+zult niet lang hier den boer spelen. Te naaste week gaat gij naar de
+fabriek. Als ik terugkom, zal ik u geene kleine rammeling geven, omdat
+gij alweder het kleed uwer zuster hebt gescheurd."
+
+"Het is niet waar!" kreet de knaap.
+
+"Ik heb het gezien!" schreeuwde de moeder.
+
+"Gij liegt er aan," snauwde het kind.
+
+En alsof er in dit monsterachtig gebrek aan ontzag en aan zedelijkheid
+niets ongewoons ware, de vrouw scheen er geene acht op te geven, of
+het niet te gevoelen; want zij liep het huis uit en wierp de deur toe.
+
+Arme kinderen, wat kon er onder de leiding van zulke moeder uit hen
+groeien? Niets anders voorwaar dan woeste, onbeschaafde wezens,
+beroofd van alle gevoel der menschelijke waardigheid. Het was hunne
+schuld niet; maar was het wel de schuld hunner moeder?
+
+Die vrouw, toen zij zelve kind was, had hare eerste jaren doorgebracht
+onder de waakzaamheid eener onwetende en grove oude vrouw, te midden
+van verlatene kinderen, wier moeders, evenals de hare, den ganschen
+dag op de fabriek hadden te arbeiden. Daar had zij niets geleerd dan
+eene barsche, onkiesche taal; zij was opgegroeid zonder het minste
+denkbeeld der plichten, welke de mensch in dit leven te vervullen
+heeft jegens God, jegens de maatschappij en bovenal jegens zich
+zelven. Dewijl zij alsdan slechts den ouderdem van negen jaar had
+bereikt, was er nog hoop, dat zij eenige vonken van het licht der
+beschaving zou ontvangen; dat, vooraleer zij vrouw wierd, toch eenig
+gevoel van persoonlijke waardigheid en van maagdelijke zedigheid in
+haar zou ontkiemen. Maar voordat de tiende Lente voor haar aanbrak,
+was zij reeds op de fabriek, vastgeklonken aan een eeuwigdraaiend
+tuig, overgeleverd aan het gezelschap van mannen en vrouwen, ruwer nog
+en onwetender dan zij. Later is zij getrouwd; slechts sedert de
+geboorte van haar derde kind blijft zij te huis, en geeft daar aan
+haar kroost het eenig onderwijs, dat zij heeft ontvangen:
+onwetendheid, barschheid, verlaging, verbastering der menschelijke
+natuur.
+
+En wij, die spreken van de zedelijke verbetering des werkmans, wij
+geven zijnen kinderen zulke moeder! En wij, die schelden op den
+werkman, omdat hij zijne woning ontvlucht, omdat hij drinkt en zwiert,
+wij geven hem zulke gezellin!
+
+Ja, de reusachtige uitzetting der nijverheid is een wonderbaar en
+weldadig verschijnsel onzer eeuw; maar de denker, de menschenvriend
+zal haren onweerstaanbaren voortgang niet zonder geheimen schrik
+aanschouwen, zoolang zij de vrouw, de moeder uit den schoot des
+huisgezins wegrukt en het kind tot slaaf der stof maakt in eenen
+ouderdom, die bestemd is tot zijne vorming als mensch en als Christen.
+
+Wil men de beschaving der werkende klasse, dan moet men met de vrouw
+beginnen. Deze wet is onverbiddelijk. Heerscht de man over de
+stoffelijke wereld, van de moeder alleen hangt de zedelijke vorming
+af, en zij heerscht over den geest en het hart der wordende geslachten
+met al de macht des engels of des duivels, naarmate der verhevenheid
+of der laagheid harer ziel.
+
+De menschheid begint het te begrijpen. Uit de diepte van het algemeen
+geweten rijst een noodkreet op, eene waarschuwende stem, die roept:
+"Redt de wereld uit de zedelijke verzinking door de vrouw! Onderwijs
+voor de vrouw! Opvoeding voor de vrouw! Licht, waardigheid en
+plichtbesef in het hart der moeders van het volk! Zoo niet,
+duisternis, verbastering, onrecht en bloedige wederwraak over de
+komende wereld!"
+
+
+
+
+III
+
+
+Veel verder in de rij der gelijkvormige werkmanswoningen was er een
+huisje, dat zich onderscheidde door zijne netheid.
+
+Tot op de straat was er wit zand voor de deur gestrooid. Drie of vier
+bloempotten geurden op de vensters, achter sneeuwblanke gordijntjes.
+Op de schouwplaat prijkte een Lieve-Vrouwebeeld, tusschen twee
+pleisteren papegaaien, wier rood, geel en groen vederkleed de oogen
+aangenaam verraste. Het kleinste keukengerief, de schotels en
+koffietasschen stonden op eene kas te pronken, en glinsterden en
+schitterden, als waren zij hoogmoedig over hunne netheid. De grove
+biezenstoelen waren zonder vlekken, de withouten tafel gewasschen, de
+kachel met potlood geglimd.
+
+Even arm als de andere was deze werkmanswoning; de meest schitterende
+voorwerpen hadden slechts eenige centen gekost ... en nochtans er
+heerschte zulke bekoorlijke toon van vrede, van levenslust en van
+gemak; de lucht was er zoo zuiver en zoo aanlachend, dat men bij het
+gezicht van dit nederig huisje gereedelijk moest begrijpen, hoe een
+werkman ook zijne woning kan liefhebben evenals een rijkaard, die
+zich op zijn paleis verhoovaardigt.
+
+In de benedenkamer van het huisje zat eene vrouw bij eene lamp te
+arbeiden. Zij naaide aan een blauwen kiel; en vermits er op eenen
+stoel nog vele zulke kielen geplooid lagen, was het te vermoeden, dat
+zij voor eenen winkel werkte. Zij kon den ouderdom van achtentwintig
+of dertig jaar bereikt hebben; hare kleederen, van gemeen katoen en
+door wasschen verbleekt, waren zeer zuiver en zelfs met zekeren
+eenvoudigen zwier geschikt.
+
+Nevens haar bij de tafel, zat een achtjarig jongsken met bruin haar en
+groote, levendige oogen. Hij had een brief voor zich liggen en
+verroerde de lippen, terwijl hij met een stokje de lettergrepen
+aanwees, welke hij poogde te lezen.
+
+In eenen hoek, op een paar houten bankjes zaten twee kleine meisjes
+van drie of vier jaar. Zij speelden met poppen en vermaakten zich in
+stilte, nu en dan eens de stem verheffende om de poppen te bekijven,
+of zoet lachende onder elkaar.
+
+Sedert eene wijl scheen de jongen in verlegenheid; zijn stokje
+verroerde niet meer, hij schudde het hoofd met ongeduld.
+
+"Wat is het, Bavo?" vroeg de vrouw. "Gaat het niet goed, kind?"
+
+"Ach, moeder," zeide hij, "de meester heeft mij eene les te leeren
+gegeven, en daar is een woord in, zoo moeilijk, zoo moeilijk! Ik zweet
+er van; maar ik kan er toch niet uit. Lees gij het eens, moeder lief!"
+
+Hij naderde dichter, legde haar het boek onder de oogen en wees het
+onleesbare woord. Maar de vrouw, na eene lange poging, mompelde met
+moedeloosheid:
+
+"Zelf.... Zelfver.... Zelfverloo.... Het overige kan ik niet lezen,
+Bavo. Zijn dit ook woorden voor een kind als gij? Kom, sla dit maar
+over en vraag het morgen uwen meester."
+
+Het jongsken hield zwijgend den blik op het boek gevestigd; zijne
+leden spanden zich, zijne oogen werden starend en hij verzamelde
+zichtbaar de kracht zijns geestes.
+
+"Neen, laat af, kind," zeide de vrouw, "breek u de hersens niet
+nutteloos: het woord is te moeilijk."
+
+"Te moeilijk?" morde de kleine. "Ik moet het lezen, ik wil.... Ach,
+moeder, stil, stil; gij hebt mij geholpen, het zal gaan....
+Zelfverloo.... Zelfverlooch.... Zelfverloochening! Zie, zie, moeder
+lief, het woord is zelfverloochening!"
+
+Een kreet van bewondering ontsnapte de vrouw; zij greep haar zoontje
+in de armen en legde eenen langen kus op zijn voorhoofd. Wat haar dus
+ontroerde, was de vroegtijdige gemoedskracht en de schier mannelijke
+wil, dien zij in haren zoon meende te ontdekken. Wat droomde zij bij
+den liefderijken kus? Zij wist het niet, en evenwel dankte zij God uit
+den grond des harten.
+
+Het kind, door de teedere goedkeuring aangemoedigd, had weder zijn
+boek gegrepen; maar de vrouw, nog ontroerd, zeide hem:
+
+"Bavo lief, gij moet maar goed leeren, kind; later in het leven zult
+gij eerst begrijpen, hoe schoon en hoe nuttig het is, te kunnen lezen
+en schrijven. Iemand, die niet lezen kan, is maar een half mensch, en
+hij is veroordeeld, al ware hij zelfs met verstand geboren, om altijd
+onwetend te blijven. Gij zult meer en beter leeren dan ik, Bavo, en
+daarom zult gij gelukkiger zijn in de wereld. Ach, dat mijn Peter zoo
+vroeg is gestorven! Anders zou ik goed kunnen lezen en schrijven; maar
+er was niemand meer om mij te beschermen; ik moest naar de fabriek.
+Nog wel een beetje heb ik mij zelve geleerd; maar wanneer men moede
+gewerkt is, gaat dit niet goed. Ja, Bavo, indien iedereen kon lezen,
+zouden er zoovele slechte lieden niet zijn; want wie lezen kan,
+gevoelt, dat hij mensch is, en hij eerbiedigt zich zelven. Ongelukkig
+hebben zoo weinige werkmanskinderen de gelegenheid of de middelen om
+te leeren; de ouders, die zelven onwetend zijn, begrijpen niet, hoe
+nuttig en hoe schoon het is geleerd te zijn. Gij, mijn kind, indien
+God uwen vader de gezondheid blijft gunnen, zult veel kunnen leeren.
+Bavo, vergeet nooit, dat gij dit geluk zult verschuldigd zijn aan uwen
+vader, die van den morgen tot den avond slaaft en zweet om zijne
+kinderen in eere op te brengen, en die zelfs uit de herberg blijft en,
+om zoo te zeggen, het brood uit zijnen mond spaart, om u naar de
+school te laten gaan. Niet waar, Bavo, gij zult het nooit vergeten?
+Wat er ook in uw leven gebeure, gij zult uwen goeden vader altijd
+eerbiedigen en beminnen?"
+
+"Altijd, altijd, en u ook, moeder lief!" zei het jongsken, haar de
+wangen streelende.
+
+Op dit oogenblik werd de deur geopend, en een man trad binnen. Zijne
+kleederen, door katoen en stof bevlekt, waren versleten en schenen
+vuil in zulke zindelijke plaats. Er was iets spijtigs in zijne
+uitdrukking en hij scheen van slechte luim.
+
+Maar daar klonk het woord "vader! vader!" hem op alle tonen tegen, en
+vooraleer hij twee stappen in de kamer had gedaan, waren zijne handen
+streelend aangegrepen en fijne kinderstemmen verwelkomden hem met
+eenen vloed van zoete liefdewoorden. Bavo liep naar hem toe, een
+stukje papier boven zijn hoofd zwaaiende:
+
+"Vader, vader lief!" riep hij, "twintig goede noten! Twee kussen voor
+mij en vier centen voor mijnen spaarpot!"
+
+En onder het uitspreken dezer woorden had de jongen eenen machtigen
+sprong genomen, en hing nu aan zijns vaders hals, om de belooning
+zijner leerzaamheid te ontvangen.
+
+Intusschen was de vrouw bezig met een ammelaken op de tafel te
+spreiden en het avondeten op te zetten. Zij lachte haren man
+vriendelijk aan en sprak insgelijks menig blij woord tot welkom.
+
+"Zit neer, zit neer, Damhout," zeide zij, "gij moet eetlust hebben, en
+de aardappelen zouden welhaast koud geworden zijn. Ik heb een lekker
+pladijsje voor u gekocht, goedkoop, voor vijf centen, springende
+levend. Komt, kinderen, aan tafel, aan tafel!"
+
+Adriaan Damhout was gevoelig aan de liefdesbetuigingen zijner
+kinderen; de rimpels verdwenen van zijn voorhoofd en een stille
+glimlach verlichtte zijn gelaat. Hij gaf zijn zoontje de vier
+verschuldige centen en reikte zijn weekloon aan zijne vrouw, die,
+zonder het te bezien, het geld in haren zak liet glijden.
+
+Dan namen allen plaats aan de tafel, zoo ordelijk, zoo zuiver en zoo
+netjes geschikt, alsof die arme menschen gekozene spijzen uit
+porseleinen borden en met zilveren lepels zouden gaan eten. Het waren
+evenwel slechts gestoofde patatten, grove telloren en ijzeren vorken
+die er te zien waren, tenzij misschien het gebakken pladijsje voor
+vader, dat wel lekker geurde en te midden der tafel als een pronkstuk
+of eerder nog als een liefdesgeschenk prijkte.
+
+Allen te gelijk maakten het teeken des kruises en dankten God in
+stilte, waarna zij met waren lust begonnen te eten. Slechts toen de
+visch zou worden aangevat, werd de vrede eenigszins gestoord. Damhout
+kon het niet over zijn gemoed krijgen, de pladijs, hoe klein zij ook
+ware, geheel alleen op te eten; hij wilde het lekker gebak met zijne
+vrouw deelen; maar de vrouw bevestigde, dat het voor hem en slechts
+voor hem was gekocht. Hij zou haar door langer aandringen bedroeven.
+Alhoewel de kleinen, door de moeder geleerd, haar hielpen, eindigde
+toch de vriendelijke twist op zulke wijze, dat elk kind, een stukje
+van den visch op zijn bord kreeg en de werkman het overige met
+onbeneveld vermaak genoot.
+
+Onmiddellijk na het avondmaal werd het ammelaken geplooid, en alles
+verdween in een oogslag van de tafel.
+
+De vrouw zette zich nevens haren man en begon met hem over het werk en
+over de fabriek te spreken; de twee meisjes kropen op vaders knieen.
+Bavo stond aan zijne andere zijde met zijn boek in de hand te wachten,
+totdat zijne ouders ophielden samen te kouten.
+
+Het was een eenvoudig, doch roerend tooneel, dien werkman in zijne
+slechte en besmette kleederen, te zien zitten met die nette, lachende
+engeltjes op de knieen, tusschen eene liefderijke vrouw en eenen
+leerzamen zoon, wiens oogen met ontzag en biddend tot hem waren
+gericht.
+
+"Vader lief, mag ik eens lezen?" vroeg het jongetje eindelijk. "Wij
+hebben vandaag zulke schoone les gekregen! Ik weet niet of ik ze al
+goed ken, maar ik zal mijn best doen."
+
+"Ja, Bavo, lees uwe les eens voor vader," zeide de vrouw.
+
+De jongen opende zijn boek en las met zekere moeite en eenige
+onderbrekingen, evenwel met genoegzame duidelijkheid om verstaan te
+worden:
+
+"Kinderen, wilt gij door God gezegend zijn op aarde, eert uwen vader
+en uwe moeder. Zij hebben u lief als het licht hunner oogen; zij
+zorgen en werken voor u van den morgen tot den avond; het eenige doel
+van al hun streven, van hunnen kommer en van hunne gebeden, is uw
+geluk alleen. Bemint hen teederlijk; zijt hun onderdanig en blijft hun
+dankbaar; wordt de steun en de blijdschap hunner oude dagen, en
+beloont aldus de ouderlijke liefde, die zuivere en schier goddelijke
+zelfverloochening."
+
+Deze lezing scheen eenen ongunstigen indruk op het gemoed van Damhout
+te doen; zij herinnerde hem wat Wildenslag hem had gezegd, en gaf
+nieuwe kracht aan de vrees, welke zijn vriend nu weder voor de
+twintigste maal in hem had opgewekt. Zijn gelaat werd zeer ernstig en
+hij schudde nadenkend het hoofd.
+
+"Bavo, begrijpt gij wat gij daar hebt gelezen?" vroeg hij na eenige
+overweging.
+
+"Ja, vader lief," antwoordde het kind, "er staat, dat gij voor mij
+werkt, en ik u en moeder altijd gaarne moet zien."
+
+"Tot in onzen ouden dag, Bavo."
+
+"Ja, vader, tot in uwen ouden dag, zoolang ik leef."
+
+"En zult gij dit doen, kind?"
+
+De jongen zag zijnen vader verbaasd aan, doch zonder spreken, als
+begreep hij zijnen twijfel niet.
+
+"Het is wel," zeide Damhout, "gij zijt wijs, Bavo. Blijf zoo, en
+vergeet nimmer wat daar in uw boek geschreven staat, anders zal God u
+straffen."
+
+Er volgde eene wijl stilte; de vrouw bespiedde het gelaat van haren
+man, die nu klaarblijkend in treurige gepeinzen was verzonken.
+
+"Adriaan," murmelde zij, "wat is er toch, man lief? Gij schijnt zoo
+denkend? Ik heb het gezien toen gij binnenkwaamt: er hangt u iets in
+het hoofd. Hebt gij verdriet?"
+
+"Ik heb wel geen verdriet, Christina," antwoordde hij, "maar er is
+toch iets dat mij kwelt. De andere kameraden gaan al eens een pintje
+te zamen drinken; zij lachen en kouten en vermaken zich een beetje na
+den weeklangen arbeid. Ik zit hier altijd te huis, alsof ik buiten de
+wereld was; en de vrienden drijven den spot met mij. Misschien is het
+onverstandig, zoo zijn leven geheel op te offeren, zonder te weten,
+wat er in het einde nog zal van komen."
+
+Alhoewel deze woorden haar verrasten, haalde de vrouw een zilveren
+geldstuk uit haren zak en reikte het met eenen minzamen glimlach haren
+man toe.
+
+"Damhout lief," sprak zij, "gij moet het voor mij niet laten; daar is
+geld; hebt gij lust om een uur of eenige uren met de kameraden te
+zijn, voldoe uwe goesting. Ga, ik zal zelve plezier in mijn hart
+hebben, als ik weet, dat gij u vermaakt."
+
+Maar de man, als beschaamd over zijn gemor, dreef zachtjes hare hand
+terug.
+
+"Neen, houd het geld," zeide hij,--mijn lust is over.... Nochtans,
+Christina, dezen avond vieren de vrienden in de _Blauwe Geit_ het
+_jubile_ van rossen Leo, omdat hij nu vijfentwintig jaren spinner is.
+Wildenslag heeft mij aangemaand om er bij tegenwoordig te zijn; ik heb
+hem beloofd, dat ik zou komen, indien het mogelijk was."
+
+"Welnu, Damhout, het is mogelijk: gij moet uwe belofte houden."
+
+"Ja, maar ik weet niet, mij dunkt, dat ik nog liever te huis zou
+blijven met de kinderen."
+
+"Neen, neen, Damhout; morgen is het Zondag; dan zijn wij van den
+morgen tot den avond te zamen. Doe mij plezier en neem dit geldstuk;
+ga naar de _Blauwe Geit_ en wees vroolijk met de vrienden. Ik zal
+tevreden en welgemoed naar u wachten; maar blijf zoolang, zoolang gij
+wilt. Ga, ga, ik bid u."
+
+Zij moest hem nog gedurende eene wijl met vriendelijk geweld aanmanen
+om op te staan. Dan vergezelde zij hem tot de deur en wenschte hem
+eenen genoeglijken avond. Zij keerde tot de tafel terug en hernam haar
+naaiwerk.
+
+Eenige oogenblikken later werd de deur zeer zachtjes geopend, en een
+klein meisje trad binnen.
+
+"Bavo, daar is Godelieve," zeide de moeder.
+
+De jongen sprong recht, liep naar het meisje, greep haar de hand en
+bracht haar bij de tafel, met groote blijdschap zeggende:
+
+"Ha, Lieveken, dat is goed, dat gij nog terugkomt. Ik ben moede
+geleerd; laat ons nog wat spelen. Willen wij winkel houden gelijk
+gisteren? Het is zoo vermakelijk."
+
+"O, neen, Bavo, laat ons school spelen!" smeekte het meisje.
+
+"Ja, ja, school spelen!" herhaalden de twee zusterkens, lachend in de
+handen kletsende.
+
+Bavo haalde eenige boekjes voor den dag, welke hij van zijne eerste
+leermaanden had gespaard; hij zette Lieveken op het eene bankje en
+zijne zusterkens op het andere, greep zijns vaders zondagsrietje en
+begon, met opgeheven hoofd en koddigen ernst, over en weder te
+wandelen, ondertusschen op verzwaarden toon roepende:
+
+"Stil, in de school, of ik zet u in den hoek! Wie zijne les niet kent,
+zal noen-overal blijven. Godelieve Wildenslag, let op! Welke letter is
+dit?--Goed. En deze? En deze?--Gij kent uwe les; gij zult eene klasse
+verhoogen. Keer het blad van uw boek om. Wat staat daar op den tweeden
+regel?"
+
+"Da, de, di, do, du, dij!" riep Lieveken.
+
+"Ja, gij kent dit van buiten, ik weet het wel; maar daar, op het
+andere blad, daar?"
+
+Het meisje deed een oneindig geweld om de aangewezene lettergreep te
+spellen, doch zij geraakte er niet uit.
+
+"Heb moed, let wel op," zei Bavo. "Die dubbele O is lang; en voeg daar
+achter nu den klank _ge_ bij, wat hebt ge dan?"
+
+"Oog, oog!" riep Lieveken met zegevierende blijdschap.
+
+"Wel zoo, mijn kind, gij zijt er," juichte de jonge schoolmeester.
+"Godelieve Wildenslag krijgt tien goede noten!"
+
+De moeder had dit tooneel glimlachende en met welgevallen afgezien.
+Zij scheen eindelijk ontroerd en zeide: "Kinderen lief, gij speelt
+daar een schoon en ernstig spel. Zoudt gij gelooven, dat Lieveken
+eindelijk nog zou leeren zonder naar de school te gaan?"
+
+De jongen en het meisje bezagen haar met verwondering.
+
+"Het is, zooals ik u zeg," bevestigde zij. "Waarom verwondert het u?
+Ziet eens, Lieveken, zonder het te weten, kent al hare letters en zij
+begint reeds te spellen. Indien Bavo zich wat moeite wilde geven, wees
+zeker, Lieveken, gij zoudt wel spoedig kunnen lezen."
+
+"Gij zegt het om te lachen, niet waar, bazin Damhout?" murmelde het
+meisje twijfelend.
+
+"Zou dit inderdaad mogelijk zijn, moeder lief?" vroeg Bavo, in wiens
+oog eene vonk van besluit glinsterde.
+
+"Mogelijk? Wel, kind, het is bijna gedaan? gij ziet het immers wel?"
+
+"Ha, ha, Lieveken, wij zullen altijd school spelen! Gij zult leeren
+lezen!"
+
+"Ik zal leeren lezen!" herhaalde Lieveken met bedwongen geestdrift.
+
+"Gij zult het leeren!" kreet Bavo. "Och, hemeltje, dat zal vermakelijk
+zijn, als wij te zamen in hetzelfde boek zullen kunnen lezen. Nu ga
+maar weder op de bank zitten, en geef acht ... of ik doe u twee groote
+lessen uit den Catechismus van buiten leeren!"
+
+Bavo speelde zijne rol van schoolmeester met verdubbelde vlijt voort.
+Alhoewel hij insgelijks nu en dan zijnen kleinen zusterkens de letters
+toonde en met geveinsd ongeduld hen terechtwees, hield hij zich toch
+meest met Lieveken bezig Hij sprak zulke diepgevoelde woorden van
+aanmoediging tot haar, en poogde met zulke ware inspanning haar te
+onderwijzen, dat het eenvoudig kinderspel in een ernstig werk, in
+eene edele liefdedaad veranderde.
+
+Het duurde zoolang, dat eindelijk de twee kleine zusterkens, hoofdje
+tegen hoofdje, op hunne bank waren in slaap gesukkeld.
+
+Dan was de school uit. De moeder ontkleedde de ingesluimerde wichtjes
+en droeg ze naar hun bed. Bavo en Lieveken keerden terug bij de tafel
+en keken daar in een klein boek met beeldekens.
+
+Terwijl bazin Damhout haar naaiwerk voortzette, spraken de twee
+kinderen in stilte met elkaar over de gelukkige hoop, dat Lieveken zou
+leeren lezen, alhoewel zij niet naar de school mocht gaan, dan weder
+over andere schoone, vroolijke dingen. Meest altijd zweefde er een
+zoete glimlach op hunne lippen; hunne oogen glinsterden van
+vriendschap en zielsgenoegen, en soms drukten zij elkander de handen.
+
+Eindelijk hoorde men eene kinderstem van buiten den naam van Godelieve
+roepen, en het meisje, na Bavo en zijne moeder eenen goeden nacht te
+hebben gewenscht, meende zich naar huis te spoeden; maar bazin Damhout
+greep eenen emmer en zeide:
+
+"Kom, Lieveken, ik moet om water naar de pomp; ik zal met u gaan."
+
+Toen zij in de kamer terugkeerde, bevond zij, dat Bavo met het hoofd
+op zijne boekjes was ingesluimerd.
+
+Zij zette zich neder, zag haar slapend zoontje eene wijl met zaligen
+blik aan, droomde van onbestemde dingen en legde eindelijk eenen
+langen, vurigen kus op het gladde voorhoofd, als geloofde de goede,
+dat een moederzoen de kiemen des verstands in de hersens van haar kind
+kan verwarmen en bevruchten. Nauwelijks had zij weder haar naaiwerk
+hernomen, of haar man trad in de kamer.
+
+"Reeds terug? Zoo spoedig?" vroeg zij verwonderd. "Gij doet het toch
+niet om mijnentwil, Adriaan? Het zou mij bedroeven."
+
+"Neen, Christina," antwoordde hij, terwijl hij zich bij de tafel
+nederzette. "Ik weet niet, ik kan in dat woeste leven geen vermaak
+meer vinden. De vrienden zijn brave jongens, dit wil ik niet
+ontkennen; maar die baldadige manieren en grove woorden stuiten mij
+tegen de borst. Het is hier in huis tusschen u en mijne kinderen toch
+beter. Denk eens, daar zijn ze nu in _de Blauwe Geit_ volop aan het
+ruziemaken. Zeker, de rosse Leo zal dezen avond nog vechten tegen Kobe
+den zandboer. Zij verwijten malkanderen zulke leelijke dingen, dat er
+de haren van te berge zouden rijzen op uw hoofd. Ik heb groote spijt,
+dat ik vandaag naar de _Blauwe Geit_ gegaan ben."
+
+"Ik geloof het, Adriaan; maar gij kondt niet weten, dat men er zou
+schelden en twisten."
+
+"Daarom is het niet: ik ben droef in mijn hart."
+
+"Hoe zoo? Is u iets geschied?"
+
+"Wildenslag heeft mij vervaard gemaakt! hij maakt mij altijd
+vervaard.... En misschien heeft hij gelijk; misschien doen wij niet
+wel met onzen Bavo boven zijne ouders te willen verheffen."
+
+"Alweder dit kwaad gepeins!"
+
+"Kwaad gepeins, Christina? Wie kan het weten? Laat onze Bavo nu jaren
+lang naar de gemeenteschool gaan en geleerd worden. Hij zal ons veel
+meer geld kosten dan een ander kind, en daarenboven nooit eenen cent in
+het huishouden brengen; en als hij groot is en geld wint, zal hij het
+in schoone kleederen steken en zich schamen over den armen
+fabriekwerker, die zijn zweet heeft gegeven, om eenen mijnheer van hem
+te maken."
+
+"Ach, hoe kunt ge toch zoo spreken, met uwe oogen op uw onnoozel
+kind?" zuchtte de moeder. "Bavo zou ondankbaar worden en zijne ouders
+miskennen? Nooit, nooit, zijn hart is enkel liefde en dankbaarheid."
+
+"Het is een goed kind, ik weet het," morde Damhout "Ze zijn altemaal
+goed, Christina, zoolang ze klein zijn; maar zoohaast ze man worden,
+gaan ze hunne eigene gangen en ze bekreunen zich om hunne ouders niet
+meer. Ja, wanneer ze een beetje verhoogd zijn in de wereld, zien ze
+wel dikwijls met kleinachting neder op degenen, die zich onvoorzichtig
+voor hen hebben opgeofferd."
+
+"Dit zal met onzen Bavo niet gebeuren, Damhout," antwoordde de vrouw,
+haar verdriet bedwingende. "Zijn hart is zuiver, ik zal hem bewaken.
+Gij vreest, dat ons kind later in de wereld een beter lot hebbe dan
+wij? Maar geschiedde het aldus, zou uw vaderhart niet van vreugde
+kloppen? Zoudt gij niet met hoogmoed zeggen, hij is mijn zoon, voor
+hem heb ik met liefde geslaafd; zijn geluk is mijn werk?"
+
+"Schoone dingen Christina; maar indien mijn zoon werkman bleef, gelijk
+ik ben, dan zou ik niet vreezen, dat hij zich later over mij zou
+kunnen schamen."
+
+"Wie zegt u toch, dat hij geen werkman worden zal? Zijn er dan geene
+werklieden, goede, uitmuntende werklieden, die kunnen lezen?"
+
+"Spinners toch niet veel."
+
+"Maar er zijn andere stielen, Adriaan. Mekaniekmakers, timmerlieden,
+schrijnwerkers en honderd andere, waarin men met geleerdheid en goed
+gedrag het tamelijk verre kan brengen."
+
+"Ziet gij wel, Christina, dat gij besloten hebt, onzen Bavo niet naar
+de fabriek te laten gaan?"
+
+"Hij zal gaan waar hij wil of waar hij kan," zeide de vrouw met
+klimmende kracht. "Wij mogen daarover niet op voorhand beslissen. Van
+zijne leerzaamheid, van onze liefde en van Gods wil hangt het af. Uwe
+vrienden verschrikken u, met u te zeggen, dat ik van Bavo eenen
+_mijnheer_ wil maken. Wat ik wil, is, dat mijn kind een mensch worde
+en niet door onwetendheid tot onmacht en eeuwige slavernij veroordeeld
+blijve. Wordt hij _mijnheer_, zooveel te beter!"
+
+"Christina, Christina," zuchtte de werkman, "indien gij wist, hoe uwe
+woorden mij bedroeven! De hoogmoed is een slecht raadsman."
+
+"Hoogmoed?" kreet de vrouw verontwaardigd. "Gelooft gij dan, dat het
+geluk mijner kinderen mij verschrikt? Ik zou geen moederhart moeten
+hebben. Ha, gij zult mij misschien niet begrijpen; maar ik zeg u,
+Damhout, dat, indien onze kinderen later van omhoog op mij konden
+nederzien, ik God zou danken, omdat Hij hen in de wereld heeft
+verheven. Schud het hoofd niet. Kon ik onzen Bavo ten prijze van mijn
+leven koning of keizer maken, ik stierve van blijdschap voor den troon
+van mijn kind!"
+
+Zij was zeer ontroerd en scheen te beven; er was iets ontzaglijks in
+hare houding en in haren blik; het moederlijk gevoel had deze nederige
+vrouw indrukwekkend en schoon gemaakt.
+
+Adriaan Damhout onderging den invloed harer geestdriftige woorden: hij
+boog het hoofd als overwonnen en bleef eene wijl zwijgend. Dan zeide
+hij:
+
+"Misschien hebt gij in den grond gelijk, Christina; maar overweeg toch
+eens met bedaardheid. Nu gaat het nog zoo erg niet; er is veel en goed
+werk. Onze andere kinderen zijn nog klein. Later zult gij misschien
+willen, dat de meisjes insgelijks naar de school gaan?"
+
+De vrouw deed een bevestigend teeken met het hoofd.
+
+"Zullen wij, zonder eenige hulp van onze kinderen, dien last wel
+kunnen blijven dragen? Het schijnt mij onmogelijk."
+
+"Ik zal een beetje meer werken, Adriaan."
+
+"Altijd werken als slaven, zich geheel opofferen gedurende gansch zijn
+leven!"
+
+"Ha, dan gevoel ik eerst, dat ik moeder ben, wanneer ik weet, dat ik
+mij opoffer voor het geluk mijner kinderen."
+
+"Goed; maar indien het werk nu eens voor lang wierd gestaakt? Indien
+een onzer ernstig ziek wierd, wat dan?"
+
+"Dan, Adriaan, dan zouden wij het schikken volgens Gods beslissing.
+Het onmogelijke kan men niet doen."
+
+"En indien het noodig was, Bavo eenig geld te doen verdienen, zoudt
+gij hem naar de fabriek laten gaan?"
+
+"Waarom niet, indien de nood het eischte?"
+
+"En wat zou dan de geleerdheid hem helpen?"
+
+
+[Illustratie: Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne
+vrouw.]
+
+
+"Wat zij hem zou helpen? Hoe kunt gij dit vragen, Adriaan? Hij zou ten
+minste mensch zijn, een uitmuntend werkman worden, bekwaam tot alles
+en, met een beetje geluk, zou hij wel zeker eens tot meesterknecht
+worden aangesteld."
+
+"Zie, Christina," zeide de man met zekere tevredenheid, "zoohaast gij
+zegt, dat gij er niet tegen zijt, dat Bavo werkman worde, ben ik
+gerust."
+
+"Nooit, Adriaan, heb ik een ander inzicht gehad; maar is het zijn lot,
+in de wereld vooruit te gaan, ik zal niet uit baatzucht zijn geluk
+beletten."
+
+Na een oogenblik stilte zeide zij met zoete minzaamheid:
+
+"Nu, lieve man, laat ons over dit alles niet bekommerd zijn. Waarom
+zouden wij door eene voorbarige vrees ons zelven verdriet aandoen,
+zoolang het ons wel gaat en wij niets te kort hebben? Komt er
+tegenspoed, dan zullen wij ons schikken volgens den nood. In alle
+geval, wat er ook gebeure, indien onze kinderen kunnen lezen en
+schrijven, zullen wij, alhoewel arme werklieden, hun toch een
+kostelijk erfdeel nalaten. Zij, die u berispen, kunnen dit niet
+zeggen. Leg de hand op uw hart, Adriaan, en gevoel, of het u niet
+hoogmoedig en gelukkig maakt, te weten, dat gij voor God en voor de
+menschen uwe vaderlijke plichten met liefde vervult. Wees vergenoegd,
+en luister niet meer naar kwaden raad van onwetende lieden. Kom,
+vriend, ik zal Bavo in mijne armen nemen. Wij gaan slapen."
+
+En Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw, die
+achter hem met haar zoontje de trap beklom.
+
+
+
+
+IV
+
+
+Sedert Bavo de overtuiging had bekomen, dat hij Lieveken zou kunnen
+leeren lezen, had hij geenen enkelen dag laten voorbijgaan, zonder
+uren lang haar in het spellen te oefenen. Er was iets wonderlijks in
+de aanhoudendheid en in de vlijt van den kleinen jongen; ja, dikwijls
+vermoeide hij Lieveken zoodanig, dat haar hoofd er duizelig van werd
+en zij om verpoozing smeekte.
+
+Buiten de goedheid des harten, die Bavo aandreef om het arme Lieveken
+deelachtig te maken aan het onderwijs, dat zijne moeder hem had leeren
+aanzien als de hoogste weldaad voor een werkmanskind, bestond er eene
+bijzondere reden van zijne drift en haast om zijne speelgenoote te
+leeren lezen. Hij wist, dat zij, zoohaast het mogelijk zou worden,
+naar de fabriek zou moeten gaan, en dan, vreesde hij, zou zij niet
+meer kunnen leeren; misschien zelfs zou hij niet meer of zeer zelden
+met haar kunnen spelen.
+
+Inderdaad, vader Wildenslag was een vijand van het onderwijs. Volgens
+zijne meening,--die, eilaas, gedeeld wordt door vele onwetende
+werklieden--zijn de kinderen slechts op de wereld om hunnen ouders
+geldelijk voordeel aan te brengen, en is alle opoffering voor hen eene
+domheid, zoohaast er middel bestaat om ze te ontwijken. Alhoewel hij
+zijne kleine Godelieve meer dan zijne andere kinderen beminde,
+verschrikte het hem, dat zij te huis met een boek op de knieen zat, en
+door hare netheid en kiesche manieren tot eene juffrouw scheen op te
+groeien. Het was, volgens zijne gedachte, een slecht voorbeeld in een
+huisgezin, waar iedereen bestemd was om, van kindsbeen af tot aan het
+graf, te werken zonder rust en zonder hoop op verbetering.
+
+Godelieve was te jong en te zwak om nu reeds naar de fabriek te gaan;
+maar er bestond in de buurt een huis, waar men den kleinen meisjes
+leerde handwerken. Daar zou zij eerlang elken dag eenige centen
+verdienen, en dit was toch alweder zooveel in het huishouden gewonnen.
+Daarenboven, zij zou gevoelen, dat zij geboren was om te werken
+evenals de anderen, en de luiheid, de _juffrouwerij_, zooals hij het
+noemde, zou den tijd niet hebben om in haar te groeien.
+
+Meer dan eens reeds had hij met zijne vrouw over zijn inzicht
+gesproken; maar moeder Wildenslag had hem telkens tot een uitstel
+overgehaald, door hem te doen begrijpen, dat Lieveken nog altijd zwak
+en kwijnend was.
+
+Deze reden ontsnapte haar evenwel na eenige maanden; want Lieveken
+scheen gezond te worden, en hare leden hadden in korten tijd zeer in
+sterkte toegenomen.
+
+Dan werd op zekeren middag het vonnis over haar geveld, en haar werd
+bekend gemaakt, dat zij des anderen daags 's morgens, te zes uren,
+naar het speldenwerkhuis zou gaan.
+
+Het meisje zou zich zonder het minste verdriet onderworpen hebben,
+want zij wist niet, wat haar in dezen nieuwen toestand wachtte; maar
+de vader deed haar de ergste zijde van haar lot begrijpen, toen hij
+haar zeide:
+
+"En dan, Godelieve, is het voor altijd gedaan met leeren lezen. Gij
+kent daarvan al veel te veel voor een arm werkmanskind. Poog het
+liever te vergeten, want anders zou het u gedachten kunnen geven, die
+u later op den doolweg zouden brengen. Geene boeken meer in huis; denk
+aan werken alleen."
+
+Godelieve ging zwijgend het huis uit en bleef bij de deur met gebogen
+hoofd staan. Lang overwoog zij. Zij zou niet meer mogen leeren! Dit
+gepeins rukte tranen uit hare oogen, en zij ging langzaam en als
+dwalend naar de woning van bazin Damhout.
+
+Zij verscheen in de kamer met het voorschoot voor de oogen. Adriaan
+Damhout was reeds terug naar zijne fabriek; maar dewijl het Donderdag
+en schoolverlof was, zat Bavo nog nevens zijne moeder bij de tafel.
+
+De jongen sprong met eenen gil van zijnen stoel op, greep het meisje
+de hand en vroeg:
+
+"Lieveken, gij krijscht? Wie heeft er u kwaad gedaan?"
+
+Maar Lieveken begon luide te snikken en scheen ontroostbaar.
+
+"Nu, Godelieve, spreek, wat is u geschied? Het zal niet erg zijn,"
+zeide moeder Damhout.
+
+"Ach, ik mag niet meer leeren lezen!" zuchtte het kind.
+
+"Hoe? Waarom? Het kan niet zijn!" morde Bavo met eene uitdrukking van
+ongeloof en tevens van opstand.
+
+"Neen, ik mag niet meer leeren lezen, nooit meer. O, Bavo, ik kan
+reeds bijna lezen, en nu moet ik geweld doen om het weder te
+vergeten!"
+
+"Wie, wie zegt dit?" kreet de jongen.
+
+"Mijn vader heeft het gezegd, en er is niets aan te doen," antwoordde
+het droeve Lieveken.
+
+"Uw vader!" herhaalde Bavo met schrik.
+
+"Ja, en morgen van te zes uren moet ik naar het kantwerkhuis, en ik
+mag nooit een boek meer in de hand nemen, dat vader het zie. Och God,
+wat ben ik ongelukkig!"
+
+Luider nog begon zij te krijschen; de tranen biggelden van tusschen
+hare vingeren.--Bavo, door medelijden ontroerd, liet het hoofd op de
+tafel vallen en begon insgelijks te weenen.
+
+Gedurende eenigen tijd deed vrouw Damhout pogingen om de kinderen te
+troosten; maar zij gelukte er niet in. Om hun eenigen moed te geven,
+beloofde zij eindelijk, dat zij moeder Wildenslag zou gaan spreken, en
+zij drukte de hoop uit, dat zij misschien het pijnlijk vonnis zou
+kunnen verbidden.
+
+Haastig schikte zij alles in de kamer, en zeide dan tot het meisje:
+
+"Zijt gij wel zeker, Lieveken, dat uwe ouders beslist hebben u naar
+het kantwerkhuis te doen?"
+
+"Zeker, bazin Damhout, reeds van morgen vroeg."
+
+"Zij weten dus niet wat een kantwerkhuis is?"
+
+"Ik geloof, dat zij het wel weten. Dit is niets, bazin Damhout; ik wil
+wel naar het kantwerkhuis gaan, ik zal er mijn best doen zooveel ik
+kan; maar dat ik niet mag leeren lezen, daarom heb ik zooveel
+verdriet."
+
+"Welnu, blijf hier; ik ga naar uwe moeder. Krijsch niet meer.
+Misschien kom ik terug met goed nieuws."
+
+Eenige oogenbliken daarna trad vrouw Damhout in de woning van
+Wildenslag.
+
+"Wel goeden dag, Christina, wat geluk u hier te zien!" riep de moeder
+van Godelieve. "Zijt gij op den wandel? Het gebeurt u niet veel. Ik
+heb daar juist koffie opgeschonken, omdat het vuur toch aan was. Wij
+gaan een lekker kopje te zamen drinken....
+
+En gij daar, vuile bengels, de deur uit, totdat ik u roepe, of anders
+zal het troef op uwen rug zijn!... Nu, zit neer, Christina, wij zijn
+alleen en kunnen op ons gemak een beetje kouten."
+
+"Het is om een beetje te kouten, dat ik gekomen ben, Lina," antwoordde
+vrouw Damhout, zich nederzettende. "Is het inderdaad waar, dat gij
+besloten hebt uwe Godelieve op het kantwerkhuis te doen?"
+
+"Het is waar, Christina. Ik hadde haar nog wel eenigen tijd te huis
+gelaten. Het kind is nog niet van de sterksten; maar mijn man houdt
+niet af, en hij heeft misschien gelijk. Hoe vroeger men de kinderen
+aan het werk gewent, hoe beter. Dan brengen zij al gauw iets of wat in
+het huishouden. Gij trekt zulk aardig gezicht, Christina? Verwondert
+het u, dat wij onze Godelieve naar het kantwerkhuis doen gaan?"
+
+"Het bedroeft mij."
+
+"Waarom toch?"
+
+"Ik ga het u zeggen, Lina; en vermits gij moeder zijt en een goed hart
+hebt, zult gij mij begrijpen, ik hoop het ten minste. Gij weet
+misschien niet wat een kantwerkhuis is? Ik weet het, ik heb er een
+paar jaren op eenen stoel genageld gezeten, en ik zou misschien daar
+eenen vroegen dood mij op den hals gehaald hebben, hadde mijn goede
+peter zaliger, God zegene hem, mij niet van daar weggenomen om mij
+naar de school te laten gaan. Ziet gij, Lina, in zulk kantwerkhuis
+zitten de arme kleine meiskens van den vroegen morgen tot den laten
+avond over een kantkussen gebogen. Men laat toe, dat de kinderen een
+oogenblik ademhalen. Nooit opzien, nooit verroeren; altijd werken met
+gekromde leden en verpletterde borst. Dit eeuwig zitten maakt de
+kinderen bleek en ziekelijk; velen groeien er krom van, eenigen
+krijgen een bult, en het ergste van al is, dat, met hun zoo langzaam
+de borst in te drukken, men dien ongelukkigen kinderen de tering in
+het lijf steekt. Och, wist gij, Lina, hoevele jonge vrouwen er
+begraven worden, die in het kantwerkhuis den doodelijken knak gekregen
+hebben!"
+
+"Hemel, gij verschrikt mij!" zuchtte bazin Wildenslag. "Maar het is
+zeker niet waar, wat gij daar altemaal zegt!"
+
+"Het is ten minste grootendeels waar, Lina. Ik weet het, er zijn
+sterke kinderen, die wel niet ziek worden, omdat zij op het
+kantwerkhuis zijn geweest; maar had ik een kind, dat zoolang ziek was
+als Godelieve, ik zou het niet durven wagen hare gezondheid te krenken
+en misschien de schuld te worden des doods van mijn kind. Ik ben
+moeder...."
+
+"Maar ik ook, ik ben moeder!" kreet bazin Wildenslag.
+
+"Ik weet het, Lina," was het stille antwoord. "Had ik kunnen twijfelen
+aan uwe liefde voor uwe kinderen, gij zoudt mij vandaag hier niet
+gezien hebben. Godelieve is mij komen zeggen, dat gij besloten hebt
+ze morgen naar het kantwerkhuis te doen gaan. Mij raakt de zaak wel
+niet persoonlijk; maar gij zult het mij vergeven, dat ik uw kind
+gaarne zie. Zij is toch zoo minzaam en zoo verstandig, en zij heeft
+zulk goed en zuiver hart. Het doet mij pijn, te moeten denken, dat het
+arme lam misschien de borst zal worden ingedrukt, om vroegtijdig te
+sterven."
+
+"Maar, Christina, zij gaat niet naar het kantwerkhuis!" riep vrouw
+Wildenslag met eene soort van verontwaardiging. "Ik ben arm, ik ben
+eene onwetende sloor, dit beken ik; maar ik heb ook een moederhart in
+het lijf; ik zal mijn kind de borst niet laten indrukken, al gave men
+mij eenen hoop goud!"
+
+"Dit vereert u in mijne oogen, Lina," zeide bazin Damhout, "dat gij uw
+arm Godelieveken zoo oprecht bemint ... maar uw man?"
+
+"Mijn man? Wat heeft hij zich daarmede te bemoeien? Godelieve is een
+meisje, en over de meisjes is de moeder alleen meesteres. Dat hij met
+zijne bengels van jongens doe wat hij wil; ik kom daar ook niet
+tusschen. Wees niet bevreesd, Christina; al verroerde hij hemel en
+aarde, onze Lieveken zou toch niet naar het kantwerkhuis gaan. Het is
+beslist; ik kan niet weten, of gij geheel gelijk hebt, maar met den
+schrik, dien gij mij hebt aangejaagd, zou ik nog niet plooien, al
+stond ik voor den koning zelven."
+
+De beide moeders drukten elkander de handen; bazin Wildenslag scheen
+zeer gevleid door den lof en de vriendschap harer buurvrouw, en het
+was met onverborgene blijdschap, dat zij haar aandreef om nog een
+kopje koffie te drinken. Eindelijk zeide zij in gedachten:
+
+"Zeker, Godelieve gaat niet naar het kantwerkhuis; maar zij kan toch
+niet langs de straat blijven loopen? Haar vader knort dagelijks
+daartegen, en hij heeft geen ongelijk. Zij is nog te jong om naar de
+fabriek te gaan. Wat zou ik met het kind doen, Christina?"
+
+"Indien ik u eenen goeden raad mocht geven...."
+
+"Wel, het is naar goeden raad, dat ik u vraag."
+
+"In uwe plaats liet ik Godelieve voor een paar jaren naar de school
+gaan."
+
+"Naar de school gaan? Ons Lieveken naar de school? Waar zijn toch uwe
+zinnen, Christina?" riep vrouw Wildenslag als verbaasd. "Hebben wij,
+arme fabriekwerkers, de middelen, om van ons kind eene juffrouw te
+maken, die niet meer zou willen en kunnen werken?"
+
+"Gij verstaat mij niet, Lina," bemerkte vrouw Damhout. "Lieveken kan,
+om zoo te zeggen, reeds lezen. Indien ze nu nog twee jaren naar de
+school gaat, zou ze geleerd zijn en goed kunnen schrijven en rekenen.
+Dan deed ik ze bij eene kleermaakster of op een modewinkel. Zij zou
+dienvolgens ook leeren werken, maar zij zou niet onwederroepelijk
+veroordeeld blijven, om tot het einde van haar leven eenvoudige
+werkster en dienstmeid van anderen te blijven. Met hare geleerdheid
+zou zij zeker winkeldochter worden, en later zou ze zonder twijfel
+zelve eenen winkel oprichten en meesteresse worden. Het verwondert u?
+De geleerdheid, Lina, maakt den mensch tot alles bekwaam. Voor ons,
+onwetende werklieden, is er geene verbetering mogelijk; wat wij zijn,
+moeten wij blijven tot onzen dood; maar geven wij onzen kinderen de
+geleerdheid, dan zetten wij de wereld geheel open voor hen, en wij
+nemen van hun hoofd de vermaledijding weg, de onwetendheid, die hen
+veroordeelde tot een leven zonder hoop."
+
+Bazin Wildenslag luisterde met wijdgeopende oogen; zij scheen niet wel
+te begrijpen, wat hare buurvrouw zeide.
+
+"Vooronderstel nu eens, Lina," hernam deze, "dat uwe Godelieve
+winkeldochter worde, en later zelve meesteresse; dat zij veel geld
+winne en als eene ware juffrouw gekleed ga. Zou u dit bedroeven? Is
+het geluk van haar kind de hoogste vreugde eener moeder niet?"
+
+"Inderdaad, Christina."
+
+"En indien gij, met de hand op het hart, u zelve mocht zeggen, dat
+gij, gij alleen de oorzaak zijt van hare welvaart in de wereld, zou
+het u niet hoogmoedig maken?"
+
+"Ja, maar zou zij dan hare arme ouders wel blijven beminnen?"
+
+"Waarom niet? Is de dankbaarheid dan vijandin van de liefde?
+Integendeel, ik ben wel zeker, dat Godelieve nooit uwe weldaad zou
+vergeten en tot op haren ouden dag nog in zich zelve zou zeggen: mijn
+geluk, mijne welvaart ben ik verschuldigd aan mijne moeder. Uwen naam
+zou zij zegenen, haar leven lang, en zij zou God bidden, dat Hij u in
+Zijnen schoonen hemel beloone voor uwe goedheid."
+
+Vrouw Wildenslag was getroffen; hare oogen schenen vochtig van
+ontroering.
+
+"En dan, ziet gij, Lina, de verstandige lieden zouden u achten en
+prijzen. Zij zouden zeggen: die juffrouw, de meesteresse van dien
+schoonen modewinkel, is de dochter van bazin Wildenslag. De arme
+werkmansvrouw heeft moed getoond; zij heeft hare dochter laten leeren
+en dus haar geluk in de wereld verzekerd."
+
+"Het is wel schoon wat gij daar zegt," zuchtte de moeder van
+Godelieve, "maar zoo valt het niet altijd uit."
+
+"En ware de zaak onzeker, zoudt gij daarom Lieveken tot eeuwige
+armoede veroordeelen, als gij het middel kent om haar een beter lot te
+bezorgen? Zijt gij niet moeder, en zou de overtuiging, dat gij uwen
+plicht hebt gedaan, u niet hoogmoedig en blijde maken voor gansch uw
+leven?"
+
+"Naar de school gaan, het is gemakkelijk te zeggen," mompelde vrouw
+Wildenslag, het hoofd schuddende, "maar het geld, de kosten?"
+
+"Daar loopen geene kosten op, Lina. Bij de Zusters-ten-Nonnenbosch,
+achter St.-Anna-Kerke, zal men uw kind met vreugde ontvangen en het
+kosteloos leeren, zoolang gij wilt. Wat zijn die twee jaren? Lieveken
+kan toch niets winnen, en, eens geleerd, zal zij zooveel te spoediger
+bekwaam zijn om een schoon dagloon te verdienen. Wees zeker, indien
+gij mijnen raad volgt, zult gij er mij later om bedanken."
+
+Moeder Wildenslag boog het hoofd en zag zwijgend ten gronde.
+
+"Welnu, wat denkt gij van mijnen raad?" vroeg hare buurvrouw.
+
+"Laat mij overwegen; het is eene gewichtige zaak. Ja, ik ben moeder,
+en het geluk van mijn kind...."
+
+Eensklaps sprong zij recht, liep tot eene kas, drukte zich eene
+zuivere muts op het hoofd en wierp zich eenen katoenen mantel over de
+schouders.
+
+"Kom, Christina," riep zij, "ga mede met mij!"
+
+"Maar wat wilt gij doen?" vroeg bazin Damhout verwonderd.
+
+"Wat ik wil doen? Ik heb nu een goed gepeins, en ik ben vervaard, dat
+het zou kunnen veranderen. Zoo ben ik. Het moet maar seffens gedaan
+worden, anders komt het er niet van. Wij gaan naar de Zusters, om te
+zien, of zij mijne Godelieve op hunne school willen toelaten."
+
+"Moet gij niet eerst uwen man daarover raadplegen?"
+
+"Denk daar niet aan. Van een beetje lawijd en eenen avond gegrom zal
+ik niet ziek worden. Lieveken is mijn kind, en als de zaak eens
+afgedaan en geklonken is, zal haar vader zooveel te gemakkelijker te
+overwinnen zijn. Kom, kom, geen tijd verloren. Gij kunt schoon en
+beleefd spreken, Christina, doe gij het woord bij de Zusters, dan
+geraken wij seffens klaar, indien het mogelijk is."
+
+De beide vrouwen verlieten het huis en verdwenen onmiddellijk achter
+den hoek der stege.
+
+Intusschen wachtten Bavo en Lieveken met koortsig ongeduld op de
+terugkomst van vrouw Damhout. In het eerst hadden zij elkander
+getroost met de hoop op goed nieuws; maar dewijl Bavo's moeder zoolang
+weg bleef, ontzonk hun eindelijk de moed geheel.
+
+Nu zaten zij sedert een half uur zwijgend te treuren, toen eensklaps
+de deur werd geopend en zij hunne moeders zagen verschijnen. Bevend
+sprongen gij recht; hoop en vrees glinsterden in hunne wijdgeopende
+oogen.
+
+"Godelieve," zeide bazin Wildenslag met groote blijdschap, "gij moet
+niet naar het kantwerkhuis! Morgen gaat gij naar de school, bij de
+Zusters-ten-Nonnenbosch, en gij zult mogen leeren gelijk Bavo!"
+
+Een blijde kreet ontsnapte het gelukkige Lieveken; zij omhelsde hare
+moeder en vrouw Damhout; zij greep Bavo bij de handen en danste
+juichend met hem de kamer rond.
+
+"Ik mag naar de school gaan, ik mag leeren, gelijk gij, Bavo!" riep
+zij, in de handen kletsend. "Hoe goed, hoe schoon!"
+
+En zij stortte zich vermoeid tegen de borst harer moeder, streelde
+haar de wangen met de beide handen en stamelde op den toon eener
+diepgevoelde dankbaarheid:
+
+"Ach, moeder lief, ach, moeder lief, wat zijt gij goed voor uw arm
+Lieveken. O, wat zie ik u gaarne! Wat zal ik u altijd gaarne zien,
+mijn geheel leven lang!"
+
+Bazin Wildenslag veegde zich eenen traan uit de oogen. Zulke
+moederlijke fierheid, zulke zuivere, innige blijdschap had ze nog
+nooit gevoeld. Het scheen haar, dat er iets in hare natuur was
+veredeld geworden: zij had ten minste dit besef van eigene
+waardigheid, dat als eerste belooning van eenen grooten vervulden
+plicht in den mensch ontstaat.
+
+"Kom, Lieveken," zeide zij, "laat ons naar huis gaan. Ik moet eens
+goed al uwe kleederen nazien en u een nieuw paar schoenen koopen. De
+kinderen op de school zijn altemaal zoo netjes, en ik wil niet, dat
+daar iets op mijne kap te zeggen valle."
+
+In het uitgaan drukte zij met bijzondere kracht de hand van vrouw
+Damhout, en zeide tot allen groet:
+
+"Dank, dank!"
+
+
+
+
+V
+
+
+Lieveken was ter schole bij de Zusters. Hoe fier en hoe gelukkig
+gevoelde zich het arme kind, wanneer zij, met hare leerboekjes en hare
+schalie in de hand, door de stege stapte! Nu zou zij het onderwijs
+genieten evenals Bavo. Zij was dus een bevoorrecht wezen tusschen al
+deze arme werkmanskinderen, die niet mochten ter schole gaan. De
+overtuiging, dat zij het voorwerp was van eene onverwachte en
+bijzondere gunst, dreef haar aan tot eene ongewone vlijt. Elken avond
+herhaalde zij hare lessen met Bavo. Dewijl zij eenen helderen geest en
+een sterk geheugen had, deed zij met dit dubbel onderwijs in min dan
+een jaar zulke groote vorderingen, dat hare leermeesteressen zelven er
+over verwonderden. Daarenboven, zij was zoo gehoorzaam, zoo dankbaar,
+zoo streelend, dat de Zusters haar met eene bijzondere voorliefde
+behandelden, en allengs trotsch werden over de verrassende vruchten
+van hun onderwijs in dit arme werkmanskind.
+
+Vader Wildenslag had nooit rechtzinnig toegestemd om zijn meisje ter
+schole te laten gaan. Hij gromde nog immer tegen deze gevaarlijke
+gekheid, zooals hij het noemde; en wanneer hij met zijne vrouw er
+over sprak, vielen er vele grammoedige en bittere woorden. Het was
+zijne ingewortelde gedachte, dat het onderwijs een werkmanskind
+onfeilbaar moet verloren leiden; want volgens hem sproten uit de
+geleerdheid de zucht naar schoone kleederen, hoovaardij en vele ergere
+dingen. Het minste kwaad was nog, dat de kinderen, welke dus boven
+hunnen staat verheven worden, eindelijk van hoogmoed op hunne ouders
+nederzien. Daarenboven, terwijl ze leeren, winnen ze niets, en dit is
+zooveel ontstolen aan de ouders, die recht hebben op het werkloon
+hunner kinderen. Hij was niet alleen van dit gevoelen; zijne vrouw
+mocht het vragen aan al hare geburen; buiten bazin Damhout zou geen
+enkele anders spreken. In het eerst had hij, door zijne herhaalde
+aanvechtingen en bovenal door zijne droeve voorspellingen, zijne vrouw
+in twijfel gebracht; maar nu waren allengs zijne woorden onmachtig op
+haar geworden.
+
+Lieveken woonde dikwijls de samenspraken bij, waarin er over haar lot
+werd getwist: zij hoorde en zag bevend, hoe hare moeder haar
+verdedigde en hoe zij te lijden had om haar op de school te houden.
+Het kind wist zulke zoete woorden, zulke teedere streelingen te vinden
+om hare moeder te troosten; zij drukte hare dankbaarheid met zooveel
+gevoel en kracht uit, dat bazin Wildenslag soms haar beminlijk
+Lieveken tegen de borst drukte en diep ontroerd haar omhelsde.
+
+Uit erkentenis voor hare moeder, poogde Lieveken zich op alle wijze
+nuttig te maken. Zij stond op met het krieken van den dag, schikte,
+kuischte en schuurde, en deed zooveel, dat het huisje van Jan
+Wildenslag allengs een min onzindelijk aanzien kreeg. Zij sprak
+tevens met hare moeder over hetgeen zij op de schole leerde en over de
+schoone lessen van zedelijkheid en van wellevendheid, welke de Zusters
+haar gaven. Zoo begon het kind, zonder het te weten, de opvoeding
+harer moeder, en het wierp in haar hoofd de eerste lichtstralen, welke
+er ooit waren in doorgedrongen.
+
+Bazin Wildenslag, hoe woest en onwetend ook, had een goed hart en veel
+gezonde rede. Wanneer zij alleen was met Lieveken en zij het kind zoo
+eenvoudig en toch zoo schoon hoorde spreken van haar onbekende dingen,
+van godsvrucht, van zedelijkheid en van de menschelijke plichten,
+gevoelde zij zich in eene andere lucht, en het scheen haar, dat hare
+eigene natuur door de aanraking van haar kind zich verhief en zich
+louterde.
+
+Ook zeide zij soms tot hare buurvrouw: "Zie, bazin Damhout, wij, arme
+lieden, wij denken, dat wij dom en slecht zijn. Het is niet waar. Het
+goede steekt er in, maar niemand heeft het er doen uitkomen. Hadden
+mijne ouders mij beter opgebracht en mij laten leeren, ik zou een
+ander mensch geworden zijn; want nu gevoel ik het wel, ik ben zoo bot
+niet als ik zelve het meende. Ware het nog te herdoen! Maar het is te
+laat, gebuurvrouw. Ik heb nu toch het geluk, te weten, dat mijne
+Godelieve goed zal geleerd worden. Zij is een engeltje in mijn huis;
+en mijn man mag mij vervaard maken zooveel hij wil, ik ben zeker dat
+ik plezier in mijn kind zal hebben zoolang ik leef. Wat hare broeders
+en zusters betreft, kleinen en grooten, daar is niets goeds van te
+verwachten. Zij staan tegen mij op, alsof ik geboren ware om hunne
+slavin en hunne dienstmeid te zijn. Ik heb al moeite gedaan om de
+kleinste naar de school te krijgen; maar Wildenslag springt vijf voet
+hoog van gramschap, zoohaast ik daarvan spreek."
+
+Misschien had de tevredenheid van vrouw Wildenslag nog eene andere
+reden. Zij was naar de school van Lieveken gegaan. De Zusters hadden
+haar met eene bijzondere beleefdheid en met eene zichtbare blijdschap
+ontvangen; haar de wonderlijke vorderingen van haar kind geroemd; haar
+hoog geprezen, omdat zij, nederige werkmansvrouw, haar kind liet
+leeren, en haar eindelijk, tot overmaat van vriendelijkheid, op eene
+lekkere koffie onthaald.
+
+Natuurlijk, zulk eerbewijs en de uitbundige lof over haar zelve en
+over haar kind hadden haar het hoofd duizelig gemaakt, en zij was uit
+de school teruggekeerd met het vaste opvat, Godelieve zoolang mogelijk
+te laten leeren.
+
+Daaruit volgde, dat, als de twee jaren verloopen waren, zij allerlei
+listen uitvond en zelfs openlijk tegen haren man in opstand kwam, om
+haar meisje nog eenige maanden langer op de school te laten.
+
+Alles was echter geene vreugde in het leven van Lieveken. Hare
+broeders en zusters, waarvan er reeds drie op de fabriek werkten,
+hadden voor haar eene soort van haat opgevat. Het scheen hun eene
+schreeuwende onrechtvaardigheid, dat Godelieve, zonder geld in huis te
+brengen, in luiheid mocht leven.--Onrechtvaardigheid vanwege de ouders
+was het zeker, dat zij al hunne kinderen niet hadden laten leeren;
+maar zoo verstonden de woestaards het niet. Op Lieveken alleen meenden
+zij zich te moeten wreken. Zij noemden haar spottenderwijze de
+_Mammezel_, scholden haar uit voor eene leegloopster, eene
+opvreetster, mishandelden haar, bevuilden of scheurden hare boeken en
+schenen eene samenspanning te hebben aangegaan om het arme meisje te
+bedroeven en te plagen.
+
+Godelieve verdroeg alles met een engelachtig geduld; slechts wanneer
+men hare schrijfboeken bemorste of beschadigde, weende zij in stilte,
+omdat zij vreesde in de school door de Zusters te worden bekeven.
+
+Elken dag, zoohaast het avondmaal was geeindigd, ging zij met hare
+boeken naar het huis van bazin Damhout. Daar las en schreef zij aan de
+zijde van Bavo, ontving zijne terechtwijzingen en zijne lessen met een
+liefderijk gemoed, en speelde dan nog wat, en koutte misschien met
+haren jongen vriend van hetgeen zij beiden meenden of hoopten later in
+de wereld te zullen worden.
+
+Bazin Damhout arbeidde zonder ophouden aan het naaien van kielen of
+van ander lijnwaden kleedergoed. Dewijl haar oudste meisje nu
+insgelijks naar de school ging, moest zij pogen wat meer geld te
+winnen, om haren man niet te laten gevoelen, dat het onderwijs der
+kinderen, ofschoon kosteloos, toch wel eenige opoffering vergde.
+
+Niet zelden wanneer Adriaan Damhout in gezelschap van Jan Wildenslag
+was geweest, keerde hij naar huis met een versomberd gelaat, en dan
+ontsnapten hem treurige bemerkingen, die genoeg lieten blijken, dat
+hij nog altijd ongerust was aangaande de gevolgen der al te hooge
+opvoeding, welke zijne vrouw aan hare kinderen gaf.
+
+Misschien dat de arme moeder niet geheel zonder vrees of twijfel was;
+want zij hield niet op van Bavo en Lieveken, onder alle vormen en bij
+elke gelegenheid, de dankbaarheid en de liefde tot hunne ouders als
+eenen heiligen plicht aan te prijzen. Alsof zij, door eene geheime
+inspraak harer ziel, gevoelde, dat geleerdheid niet voldoende is om
+alleen den mensch te vormen, legde zij met eene teedere oplettendheid
+in het hart van haren zoon en in het hart van Lieveken de kiemen van
+het diepste plichtgevoel en van de zuiverste deugden neder.
+
+Zij was sedert jaren gewend aan de tegenwoordigheid der kleine
+Godelieve; nu vond zij haar geluk in de zoete vriendschap der kinderen
+voor elkander en in hunne ijverige leerzaamheid. Zij aanschouwde
+eenigszins het goede meisje als haar eigen kind. Was zij de oorzaak
+niet, dat zij naar de schole ging? En gaf deze weldaad haar het recht
+niet om Godelieve uitzonderlijk te beminnen?
+
+Het meisje erkende hare liefde niet alleen door eene groote
+dankbaarheid, maar tevens door een gevoel van diepen eerbied en van
+ontzag, dat zij zelfs op Bavo overdroeg; want alhoewel zij aan zijne
+zijde leefde als zijne zuster en zijne gelijke, bleef hij in hare
+oogen altijd een waardiger wezen, wiens vriendschap en wiens
+edelmoedige bescherming zij onverdiend genoot.
+
+Eindelijk toen Godelieve bijna gedurende drie jaar had ter schole
+gegaan, kon hare moeder het niet langer tegen haren man volhouden, en
+er werd beslist, dat het meisje met het begin der volgende week het
+gesticht der Zusters zou verlaten.
+
+Wildenslag meende, dat men haar onmiddellijk op de fabriek moest doen;
+zij zou er seffens eenige stuivers elken dag winnen, terwijl zij, om
+een handwerk te leeren, misschien nog wel gedurende twee jaar met
+eenen of twee stuivers per week zou naar huis komen. Al die
+geldverkwisting, beweerde hij, had geen ander gevolg dan eene pint
+bier en een brok vleesch uit zijnen mond en uit den mond harer
+broeders en zusters te rooven. Het kwetste hem daarenboven, dat zijne
+dochter op eenen juffrouwenstiel ging en niet fabriekwerkster bleef
+gelijk hare ouders.
+
+Daarover echter behaalde hij geen gelijk. In den geest van vrouw
+Wildenslag was de toekomst van Godelieve afgebakend zooals Bavo's
+moeder ze haar had voorspeld. Zij zou kleermaakster worden,
+winkeldochter en eindelijk meesteresse; daar was niets aan te doen,
+haar man mocht er tegen grollen en grimmen zooveel hij wilde.
+
+Toen Lieveken met het onverwachte nieuws bij Bavo kwam en zeide, dat
+zij hare school ging verlaten, was er eerst verrassing en dan stille
+treurnis. De kinderen wisten niets daartegen in te brengen en
+onderwierpen zich; maar hunne oogen, wanneer zij elkanders blikken
+ontmoetten, waren klagend, en uit Lievekens boezem ontsnapte nu en dan
+een zucht. Het was zoo goed voor haar bij de Zusters; zij was er zoo
+bemind geweest en zij droeg haren leermeesteressen zooveel dankbare
+genegenheid toe. Hare goede weldoensters voor altijd vaarwel te
+zeggen, viel haar hart bitter en wreed. Maar het kon niet anders: zij
+was arm in de wereld en moest een ambacht leeren, dit wist zij wel.
+
+Bazin Damhout zeide aan hare buurvrouw, dat zij niet mocht nalaten de
+Zusters van hare beslissing te verwittigen, en bij deze gelegenheid
+hen duizendmaal en uit den grond des harten moest bedanken voor hunne
+goedheid.
+
+Daar Lina reeds eens in het gesticht met bijzondere vriendelijkheid
+was onthaald geworden, volgde zij den raad harer buurvrouw.
+
+Wie het meest verrast en bedroefd schenen bij de onverwachte
+aankondiging, waren de Zusters. Godelieve was eene leerlinge, op welke
+zij niet alleenlijk trotsch waren, maar zij hadden allen het meisje
+bijzonder lief om hare voorbeeldige zedigheid en ijver, en meer nog
+misschien om hare aandoenlijke dankbaarheid. Daarenboven, Godelieve
+was hun reeds sedert eenige maanden behulpzaam geweest om de kleinste
+meisjes te leeren spellen.
+
+Nadat de Zusters de redenen van bazin Wildenslag hadden gehoord,
+staken zij de hoofden bijeen en spraken eenigen tijd in stilte met
+elkander.
+
+Dan zeide de oudste:
+
+"Vrouw, het zou ons pijn doen, onze beste leerlinge nu reeds te moeten
+verliezen. Wij waren fier op haar, en hadden ze wel gaarne nog een
+jaar behouden, om te doen zien waartoe wij bekwaam zijn, als onze
+lessen in eenen goeden grond vallen. Zoudt gij ze niet nog een beetje
+op onze school kunnen laten?"
+
+
+[Illustratie: Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad
+papier uit.]
+
+
+"Onmogelijk, Zuster," antwoordde bazin Wildenslag met eenen zucht. "Ik
+wenschte het ook wel. Vermits ik slechts een kind heb, dat heeft mogen
+naar de school gaan, zou ik ze willen laten leeren zoolang ze kan;
+maar mijn man is niet meer te stillen. Wij kunnen zoo niet leven. De
+kinderen kosten geld. Ik heb er niet minder dan zes; en, gelooft mij
+of niet, ze eten ons waarlijk het haar van het hoofd. Als de
+kinderen hunnen eigen kost niet verdienden, zoohaast ze groot genoeg
+zijn, dan moeten al de menschen van onze soort naar de armen."
+
+"En wanneer denkt gij, dat Godelieve, met den kleermakersstiel te
+leeren, haren kost zou beginnen te verdienen?"
+
+"Niet spoedig, Zusters, ik weet het wel: binnen twee jaar misschien,
+zoo allengskens."
+
+"Welnu, wij willen u een goed voorstel doen. Laat Godelieveken nog
+naar de school komen. Zij zal hier het noenmaal en het avondmaal
+genieten, en zelfs het ontbijt, indien gij wilt. Wij zullen eene
+bijzondere zorg aanwenden om haar goed te leeren naaien. En zoohaast
+zij dertien of veertien jaar bereikt en wel onderwezen is, zullen wij
+zelven haar op eenen winkel doen, bij eene meesteresse, die haar zal
+beschermen en bevorderen. Zij zal dus den verloren tijd ruimschoots
+inwinnen. Bevalt u dit voorstel?"
+
+"Ach, menschen lief, wat zijt gij toch goed voor mijn arm kind!" riep
+moeder Wildenslag met de tranen in de oogen. "Dat God u beloone voor
+uwe liefdadigheid. Ja, ja, zeker, ik neem uw edelmoedig voorstel aan
+uit gansch mijn hart."
+
+Zoo bleef Godelieve, ondanks de tegenwerpingen haars vaders, op de
+school der Zusters.
+
+Wat Bavo betreft, het is onnoodig te bevestigen, dat hij op de
+gemeenteschool insgelijks zich onder al zijne medeleerlingen
+onderscheidde. Hij was in geleerdheid oneindig verder dan Lieveken;
+hij had een schoon geschrift, was zeer geoefend in het rekenen en had
+reeds eenige vorderingen in de Fransche taal gedaan. Zijne meesters
+hadden hun genoegen in zijn helder begrijp en in zijne leerzaamheid,
+en roemden op zijnen spoedigen voortgang.
+
+Daar zijne ouders hem voor den stiel van mekaniekmaker of van
+timmerman bestemden, woonde hij sedert anderhalfjaar de lessen der
+teeken-academie bij, en alles liet vermoeden, dat hij ook in dit
+nieuwe vak behendig worden zou.
+
+Met al deze bezigheden, en alhoewel hij nu slechts te acht uren des
+avonds naar huis kwam, vond hij nog tijds genoeg om spelenderwijze
+Lieveken voort te helpen in hare eerste studie der Fransche taal,
+welke zij op hare school nu insgelijks had begonnen te leeren.
+
+Een gansch jaar verliep er dus, zonder dat eenige tegenspoed het
+stille geluk van bazin Damhout en van beide kinderen kwam storen. Een
+enkel voorval--indien men het voorval mag heeten--was van aard om
+aangeteekent te worden in hunne herinnering.
+
+Bavo had sedert eenigen tijd eene zonderlinge strekking tot
+eenzaamheid getoond. Reeds tweemaal, wanneer zijne ouders des Zondags
+volgens gewoonte hem mede wilden nemen op de wandeling, was hij alleen
+te huis gebleven, onder voorwendsel dat hij veel schoolwerk had af te
+maken. Zijne moeder had hem eens verrast, terwijl hij met angstige
+haast iets voor haar verborg.
+
+Wat mocht hem dus bezighouden? Hij wilde het niet zeggen; hij ontweek
+alle uitleggingen daarover, en bazin Damhout was niet zonder kommer,
+alhoewel zij niet juist wist wat zij vreesde.
+
+Op zekeren avond kwam Bavo te huis van de school; hij scheen uitermate
+blijde, liep van den eenen kant der kamer naar den anderen met
+zichtbaar ongeduld en deed niets dan in zich zelven zeggen:
+
+"Is Lieveken nog niet gekomen? Waar blijft toch Lieveken? Indien zij
+eens dezen avond niet kwame!"
+
+En als bazin Damhout hem vroeg, wat hem zoo aanjaagde, antwoordde hij
+lachende:
+
+"Gij zult het straks zien, moeder lief, en dan zult gij weten, wat ik
+voor u hield verborgen."
+
+"Ha, ha, daar is Lieveken!" riep hij uit.
+
+Het meisje aanschouwde hem verbaasd en keek rond om te raden, wat hem
+zoo vroolijk maakte.
+
+"Welken dag van het jaar zijn wij?" vroeg hij haar.
+
+"Ik weet het niet," stamelde zij. "In de maand Juli...."
+
+"Welnu, zie eens in dezen almanak, daar op den zesden der maand, welke
+heilige staat daar?"
+
+"Sinte-Godelieve!" zeide het meisje met verwondering.
+
+"Ja, Godelieve, het is uw dag," juichte hij. "Ik ga u besteken; ik heb
+een geschenk voor u. Eene maand lang heb ik in het geheim er aan
+gewerkt. Gij moogt er niet mede lachen en moeder ook niet. Ik heb
+gedaan wat ik kon."
+
+Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit, legde
+dit op de tafel en riep:
+
+"Zie, Lieveken, zie, moeder, daar is mijn geschenk!"
+
+Op het blad papier stonden de beelden van twee kinderen, met waterverf
+gekleurd, een jongen en een meisje, hand aan hand, en houdende elk in
+de hand, die hun vrij bleef, een open boek. Er was een breede,
+driekleurige band rondgeschilderd, en deze bonte verven gaven het
+eenen grooten glans. Ongetwijfeld had Bavo geweld gedaan om zijne
+eigene beeltenis en die van Lieveken na te bootsen; de kleederen
+geleken klaarblijkend; maar het geheel was een zoo gebrekkig en grof
+kinderwerk, dat men moeilijk het inzicht des makers hadde kunnen
+raden, indien hij niet onder de beelden in groote letteren hadde
+geschreven: BAVO EN LIEVEKEN.
+
+Verrast en schier droef, omdat het kleine meisje beweegloos bleef en
+niet juichte, zeide hij beschaamd:
+
+"Ja, Godelieve, het is niet goed, ik weet het wel. Ik heb het gemaakt
+om te lachen; het is eene gedenkenis van dat wij te zamen hebben
+leeren lezen."
+
+Godelieve boog het hoofd en begon in stilte te weenen; de tranen
+rolden als parelen uit hare oogen.
+
+"Wat is dit?" murmelde de verbaasde jongen. "Waarom weent gij nu?"
+
+"Ik weet het niet," was het antwoord, "omdat gij zoo goed voor mij
+zijt."
+
+"Kom, kom, het is maar spel," riep Bavo. "Hadde ik geweten, dat het
+beeldeken u moest bedroeven, ik hadde het aan stukken gescheurd."
+
+"Ho, aan stukken scheuren!" gilde Lieveken met schrik. "Doe dit niet!
+Geef het mij, als 't u belieft!"
+
+"Wel, het is voor u, Lieveken, dat ik het heb gemaakt."
+
+"Wees gedankt, Bavo; ik zal de gedenkenis uwer vriendschap zoo
+zorgvuldig bewaren!"
+
+Zij greep het blad papier van de tafel en, als verschrikte haar de
+gedachte, dat het schoon geschilderd beeld haar nog kon worden
+ontnomen, liep zij er mede de deur uit, roepende dat zij het hare
+moeder wilde toonen.
+
+
+
+
+VI
+
+
+Eindelijk was de tijd gekomen, dat Bavo de gemeenteschool zou
+verlaten, om als leerjongen op een werkhuis van mekaniekmakers te
+gaan. Hij was meer dan veertien jaar, en zijne opvoeding was
+voltrokken.
+
+Toen de onderwijzer van dit besluit kennis gegeven was, kwam hij zelf
+in de woning van Damhout, om den ouders van zijnen leerling te
+verzoeken en aan te raden, hunnen zoon nog op de school te laten, ten
+minste tot de aanstaande prijsuitdeeling. Hij twijfelde niet, of Bavo
+zou al de eerste prijzen der hoogste afdeeling behalen. Dus zijne
+opvoeding sluiten als _primus_ der school, zou hem een groote eer
+zijn, en het kon hem een gewichtige titel op latere bescherming
+worden. De hoofdonderwijzer had Bavo lief om zijn goed hart en zijnen
+wakkeren geest, en hij verborg den ouders niet, dat hij er aan hield,
+zijnen beminden leerling de eer en blijdschap van de zegepraal te zien
+genieten.
+
+Er werd dienvolgens beslist, dat Bavo nog ter schole zou blijven tot
+de prijsuitdeeling.
+
+Sedert eene maand was Lieveken door hare leermeesteressen bij eene
+goede kleermaakster geplaatst geworden. Als beschermelinge der
+Zusters won zij van den beginne af een frank per week.
+
+Dit klein loon was oorzaak, dat Wildenslag nog dikwijls zijne vrouw
+van dwaasheid beschuldigde, en haar poogde over te halen om Lieveken
+naar de fabriek te doen gaan. Daar moeten de kinderen geene lange
+leerjaren onderstaan, en zij winnen er onmiddellijk veel meer geld dan
+met welk ander ambacht. Evenwel, hoe onophoudend hij ook daarover
+zijne ingewortelde meening uitdrukte, zijne vrouw wilde van zulk iets
+niet hooren.
+
+Des avonds, na de arbeidsuren, kwam Lieveken bij bazin Damhout. Zij
+had toch te veel van hare woeste broeders en zusters te lijden; en
+hare moeder zelve spoorde haar aan om bij hare brave buren den vrede
+en het stil vermaak te zoeken, welke zij in haar huis niet vinden kon.
+
+Uit gewoonte en uit neiging nam zij nog deel in de lessen van Bavo, of
+juichte op voorhand met hem over de eer en het geluk, die hem zouden
+te beurt vallen bij de aanstaande prijsuitdeeling der gemeenteschool.
+
+Onverwachts ontstonden er gebeurtenissen, die de Gentsche nijverheid,
+en dus ook de werklieden, aan harde beproevingen gingen onderwerpen.
+Vele vraagpunten, door de omwentelingen van Frankrijk en van Belgie in
+1830 geweldiglijk opgeworpen, waren nog onbeslist gebleven. De
+onderhandelingen, tusschen de mogendheden machteloos zijnde om tot
+vereffening te leiden, dreigden eenige der belanghebbende landen, door
+de wapenen hun recht te doen gelden. Alle volkeren, door de vrees van
+eenen Europeeschen oorlog aangedaan, riepen hunne krijgsmachten met
+grooten spoed te zamen. Dit verwekte eenen algemeenen schrik, waarvan,
+volgens gewoonte, handel en nijverheid de eerste slachtoffers werden.
+De overmatige voorraad van stoffen in de magazijnen, eenige groote
+bankroeten te Londen en te Parijs, de opslag van de ruwe katoen,
+spruitende uit het vooruitzicht eener belemmering in de scheepvaart,
+dit alles bracht voort, dat de fabrikanten niet dan met verlies konden
+laten werken en de meesten inderdaad hunne fabrieken sloten.
+
+Twintigduizend menschen geraakten in Gent alleen zonder werk. Dewijl
+de arbeider, zelfs wanneer hij veel geld wint en geene kinderen heeft,
+gewoonlijk aan den dag van morgen niet denkt, vielen al deze lieden
+van een betrekkelijk welzijn eensklaps in de diepste armoede. In het
+eerst vonden zij nog iets of wat bij de winkeliers en bakkers te
+borgen; maar na vijftien dagen was deze hulpbron geheel opgedroogd, en
+dan kwamen de honger en de ware ellende deze duizenden menschen met
+vrouw en kinderen wreedelijk aangrijpen. Men zag ze in talrijke
+groepen op de markten staan of door straten dwalen, met verbleekt
+gelaat en ontvlamden blik, morrend en dreigend en in schijn gereed om
+door gewelddadigheid zich uit den bitteren nood te redden.
+
+Door medelijden aangedreven en hopende, dat deze erge toestand niet
+zou voortduren, boden eenige fabrikanten hunnen werklieden aan met
+zekere vermindering van loon te werken; en op dien grond werden er
+inderdaad meer dan de helft der nijverheidsgestichten geopend.
+
+Maar een groot getal spinners en wevers verstieten de aangebodene
+voorwaarden met gramschap, en beschuldigden de fabrikanten, dat zij
+uit zelfzucht van de omstandigheden gebruik maakten, om het werkloon
+neder te drukken. Na elkander gedurende eene halve week te hebben
+opgehitst, verdoold door onwetendheid en honger, liepen zij in
+stormige scharen naar de geopende fabrieken en wilden met geweld alle
+werkzaamheid doen staken. Zij mishandelden hunne makkers, die, om toch
+brood voor vrouw en kinderen te hebben, de tijdelijke
+loonsvermindering hadden aanvaard; zij beschadigden de gebouwen en
+werktuigen, en leverden zich over aan gewelddaden, die de
+tusschenkomst der gewapende macht noodzakelijk maakten.
+
+Deze tooneelen van woest geweld boezemden den fabrikanten eenen
+grooten schrik of eene diepe spijt in. Dan werden de fabrieken voor
+goed gesloten en de duizenden werkmanshuisgezinnen in eene eindelooze
+ellende gedompeld.
+
+Het was bovenal in de woning van Wildenslag, dat er nood en derving
+heerschte; want daar waren de kinderen talrijk, en men was er gewoon
+zonder vooruitzicht en zonder zorg op voorhand alles te verteren, wat
+er werd gewonnen. Moeder Wildenslag had een wreed en bitter leven; al
+het verdriet en al de onwil van man en kinderen vielen op haar, en zij
+hoorde den ganschen dag niets dan scheldwoorden en verwijtingen, als
+ware zij inderdaad de slavin, die in het huishouden het natuurlijke
+doel moest zijn van de ontevredenheid der anderen. Lieveken, die ook
+deel had in de kwade bejegeningen harer broeders en zusters, was de
+eenige troost, die bazin Wildenslag overbleef; want dit kind ten
+minste beminde en eerbiedigde haar, en het weende tranen van liefde
+en van medelijden op hare borst, wanneer de overigen haar hadden
+mishandeld of gehoond.
+
+In de woning der Damhouts deed de ellende zich zoo spoedig niet
+gevoelen. De winkeliers hadden in hen meer vertrouwen, omdat zij
+bekend stonden als spaarzame lieden, en gaven hun ook langer op borg.
+Daarenboven arbeidde moeder Damhout, wie geen naaiwerk ontbrak, nu van
+het krieken van den dag tot elf uren des avonds zonder ophouden.
+Misschien wel had de zorgende vrouw eenen kleinen spaarpot? Hare
+vlijt, hare zucht om te beletten, dat haar man zich ooit over het
+onderwijs zijner kinderen beklaagde, laat toe te vooronderstellen, dat
+zij iets had bewaard tegen eenen onvoorzienen nood.
+
+In het eerst ten minste ontbrak er niets in haar huishouden. Zij
+verzocht zelfs dikwijls de arme Godelieve, die honger leed
+ongetwijfeld, met hen het avondmaal te nemen; maar het meisje werd
+telkens rood bij zulke aanbieding en weigerde, zichtbaar sidderend,
+alsof het gepeins van in dit huis eene aalmoes te ontvangen haar met
+schrik en schaamte sloeg.
+
+Nog altijd dwaalden de werklieden in de straten van Gent verhongerd en
+lijdend rond. Van kindsbeen af aan eene enkele soort van arbeid, aan
+eene eenvormige en beperkte beweging gewend, waren zij onbekwaam om
+tot eenig ander werk hunne toevlucht te nemen. De gedachte daarvan
+kwam zelfs niet in hen op, en zij zouden veeleer zich met gansch hun
+huisgezin van honger hebben laten sterven, dan in eenige andere
+bezigheid ten minste eenen tijdelijken onderstand te zoeken.
+
+Door den langen duur der werkstaking werd de nood insgelijks voelbaar
+voor het huisgezin der Damhouts. Inderdaad, wat de vrouw door haren
+drukken arbeid met naaien kon verdienen was niet toereikend, om de
+huishuur te betalen en de voeding van vijf personen te bekostigen. In
+de winkels begon men insgelijks moeilijkheden tot langer borgen op te
+werpen.
+
+Aangespoord door den ijver zijner vrouw, die, zooals hij zelf zeide,
+zich de vingeren van de handen werkte, poogde Damhout in de stad werk
+te vinden om iets te winnen. Het gelukte hem in de eerste week niet;
+want schrik voor den oorlog had meer dan eene nijverheid verlamd, en
+er liepen honderden menschen rond om werk en om brood.
+
+Eindelijk toch, en hoezeer het hem, als spinner van ambacht,
+tegenstak, nam hij aan met eenige anderen eene slijkige gracht en
+eenen vijver uit te delven en te verdiepen.
+
+Het bedroefde bazin Damhout uitermate, dat hij zulken arbeid had
+aanvaard, en zij poogde hem te overtuigen, dat hij hem moest verlaten;
+er zou wel een middel zijn om voort te sukkelen, totdat hij wat beters
+hadde gevonden, maar de man, die wanhopig was over de werkeloosheid en
+niet langer al den last van het huishouden op zijne vrouw wilde laten
+drukken, weerstond haar en begon des anderen daags den voor hem zoo
+ongewonen arbeid.
+
+Gedurende de eerste week hield hij het vol; hij was wel treurig in
+zijn hart en tot bezwijkens toe vermoeid in al zijne leden, maar hij
+toonde er niets van en veinsde voor zijne vrouw en kinderen eene
+stille welgemoedheid.
+
+Op eenen namiddag evenwel kwam hij naar huis, liet zich zwak en
+ontzenuwd op eenen stoel vallen, en zeide, dat de koude koorts hem had
+bevangen. Hij was inderdaad zeer bleek, en van tijd tot tijd doorliep
+eene zonderlinge siddering zijne leden. Eene uitdrukking van geheime
+verschriktheid, eene kwaadvoorspellende ontsteltenis zijns gelaats
+deden vrouw Damhout vreezen, dat haar man eene ernstige ziekte kon
+hebben betrapt. Zij bedwong hare tranen om hem niet te verontrusten,
+deed hem te bed gaan en kookte hem eenigen warmen drank, hem onderwijl
+troostende en hem de hoop op eene spoedige herstelling insprekende.
+
+Maar de toestand van Adriaan Damhout verergerde alle oogenblikken; hij
+had groote pijn in het hoofd, hoestte met dor keelgeluid en klaagde
+over eene hevige steekte in de zijde.
+
+De bekommerde vrouw wist niet wat te doen; zij dorst haren zieken man
+niet alleen laten, en evenwel moest er iemand in allerhaast naar den
+dokter loopen. In het over en wedergaan zeide zij in stilte aan haar
+kleinste meisje, dat zij bazin Wildenslag moest gaan verzoeken
+onmiddellijk te komen. Toen zij kort daarop de deur hoorde openen,
+daalde zij de trappen af, vertelde aan hare buurvrouw hoe Damhout met
+eene dreigende ziekte was naar huis gekomen, en verzocht haar bij zijn
+bed te waken, totdat zij den dokter zou hebben kunnen gaan
+verwittigen.
+
+Bij geluk vond vrouw Damhout den dokter te huis en gereed om uit te
+gaan. Hare gebeden waren er niet noodig om hem tot een spoedig bezoek
+aan te sporen. Uit hare verklarigen oordeelde hij, dat hij hier
+waarschijnlijk met eene geweldige _pleuris_ zou te doen hebben, en
+zulke kwaal is dikwijls doodelijk, indien men ze niet onmiddellijk
+bestrijdt.
+
+Zijn voorgevoel was gegrond; bij het bed van den zieke erkende hij
+eene borstvliesontsteking, en gevolglijk was het eerste wat hij deed,
+den zieke de ader te openen en hem zoolang bloed af te trekken, totdat
+hij in bezwijming viel.
+
+Bij het gezicht van het bloed haars echtgenoots kon vrouw Damhout hare
+smart niet meer bedwingen; zij borst in eenen tranenvloed los en bleef
+met de handen voor de oogen weenen, terwijl bazin Wildenslag den
+dokter in zijn werk behulpzaam was.
+
+Toen de geneesheer bemerkte dat de zieke tot zich zelven kwam, schreef
+hij een briefje voor een fleschje en zeide:
+
+"Men hale dit bij den apotheker, en geve er den lijder elk uur eenen
+koffielepel van. Gij moogt zoo niet wanhopen, vrouw; de kwaal is wel
+erg, wanneer men er niet intijds bij is, maar gij hebt wel gedaan mij
+seffens te komen roepen. Nu ben ik schier zeker, dat ik uwen man
+geheel zal genezen; maar het kan nog weken duren, vooraleer hij geheel
+hersteld zij. Hij zal nu waarschijnlijk lust hebben om te slapen;
+stoor hem niet en spreek hem niet aan; hij heeft rust noodig. Gaat
+beiden beneden; gij zult wel hooren wanneer hij iets verlangt.
+Bovenal, dat men hem geen het minste voedsel geve of late nemen. Het
+zou hem doodelijk kunnen worden."
+
+En met de vrouwen beneden gekomen, zeide hij nog, terwijl hij het huis
+uitstapte:
+
+"Hebt goeden moed; dezen avond zal ik wederkeeren om te zien, hoe het
+met onzen zieke gaat."
+
+Bazin Damhout liet zich op eenen stoel vallen en begon nog
+overvloediger te weenen. Uit hare verschrikte snikken kon men slechts
+nu en dan de woorden: "mijn ongelukkige man! mijne arme kinderen!"
+verstaan.
+
+Hare buurvrouw poogde haar te troosten en moed te geven. Of zij daarin
+gelukte en of de bewustheid van haren plicht als echtgenoote en moeder
+de arme bazin Damhout eenige kracht terugschonk, althans de tranen
+dezer laatste hielden op van vlieten.
+
+"Ja, Lina," zeide zij, "gij hebt gelijk: ik moet het hoofd recht
+houden, alhoewel ik verga van droefheid en van angst. Ik ben alleen
+voor alles. Ach, mijn arme Bavo! hoe zal ik hem zeggen, dat men zijnen
+vader al zijn bloed heeft afgetapt? Maar ik mag zoo niet spreken. Ik
+zal pogen het hem te verbergen. Daar is het briefje, Lina; ik kan
+mijnen zieken man niet verlaten. Zoudt gij de goedheid hebben, eens om
+het fleschje te gaan?"
+
+"Welke vraag?" antwoordde vrouw Wildenslag. "Zeker, men gromt en
+scheldt reeds ten mijnent, omdat ik weg ben; maar om u dienst te
+bewijzen, zou ik al wel ergere dingen willen uitstaan. Zoo alleen kunt
+gij niet blijven; ik zal u iemand zenden, die u misschien eene betere
+hulp zal zijn dan eene betaalde dienstmeid."
+
+Bazin Damhout, nu alleen zijnde, stilde haar klein meisje door
+troostende woorden, luisterde met kloppend hart aan de trap en klom
+zelfs eens naar boven om haren angst bevrediging te geven. Zij hoorde
+haren man ademhalen, zij maakte met inzicht eenig gerucht; maar de
+zieke verroerde niet en scheen te slapen.
+
+Dit gaf haar eenigen moed; zij daalde weder in de benedenkamer, zette
+zich op eenen stoel, vouwde de handen te zamen en begon met de oogen
+ten hemel te bidden.
+
+Daar trad Godelieve met het fleschje van den apotheker in de kamer.
+Zij zette het op de tafel, naderde tot vrouw Damhout, omhelsde haar
+teederlijk en begon in stilte op hare borst te weenen.
+
+Het liefderijk medelijden van het meisje ontrukte vrouw Damhout nieuwe
+tranen; maar nadat zij met Godelieve het ongeval van haren man
+gedurende eenigen tijd had beklaagd, werd zij zich zelve meester en
+vroeg op treurigen toon:
+
+"Lieveken, waart gij dan niet op uwen winkel, dat gij om het fleschken
+zijt gegaan?"
+
+"Mijne moeder is om het fleschken geweest," was het antwoord. "Zij is
+op onzen winkel gekomen en heeft met de juffrouw gesproken. Ik mag te
+huis blijven zoolang ik wil, al ware het gedurende vele dagen."
+
+"Waarom te huis blijven?" murmelde vrouw Damhout, die de waarheid
+begon te vermoeden.
+
+"Gij zijt zoo alleen! Om u te helpen baas Damhout op te passen en om
+uwe boodschappen te doen."
+
+"Neen, neen, kind, dit is te veel goedheid van uwe moeder en van u. Ik
+zal Bavo van de school doen blijven. Gij moogt uwen leertijd zoo niet
+onderbreken, het zou u groote schade kunnen zijn."
+
+Het meisje voegde de beide handen smeekend te zamen en zeide:
+
+"Gij waart altijd zoo goed en zoo vriendelijk voor mij; gij zijt de
+oorzaak, dat ik heb mogen leeren. O, ik bid u, weiger mijnen kleinen
+dienst niet! Ik heb verlof van mijne moeder en van mijne meesteresse,
+om met u te blijven zoolang ik u nuttig kan zijn. Laat Bavo op zijne
+school; anders zou hij geene prijzen kunnen behalen. Het ware voor
+hem, voor u en voor zijnen zieken vader een nieuw en groot verdriet."
+
+En zonder een antwoord af te wachten, schikte zij de stoelen, die in
+wanorde geraakt waren, en greep eenen bezem om de kamer te keeren.
+
+Vrouw Damhout aanschouwde haar eene wijl met kloppend hart, ging tot
+haar, omhelsde haar en murmelde:
+
+"Welnu, mijn goed Lieveken, ik aanvaard uwe hulp voor een paar dagen,
+totdat mijn man een beetje zij bekomen. Daarvoor zal God u zegenen,
+dat gij zoo dienstwillig zijt!"
+
+Des avonds, als Bavo en zijne zuster Amelia te huis kwamen, zeide men
+hun, dat vader de koorts had, en men zijne rust niet mocht storen. De
+jongen zag wel aan de treurigheid zijner moeder en aan het droeve
+zwijgen van Lieveken, dat de ziekte zijns vaders ernstig was. Hij
+vergoot stille tranen, totdat de dokter, die nu was gekomen om den
+kranke nog eens te bezoeken, van de trap daalde en op blijden toon
+zeide:
+
+"Wees gerust, vrouw, de ziekte zal geene erge gevolgen hebben; maar
+voor alsnu nog geen het minste voedsel en de volledigste rust. Ween
+niet, mijn brave jongen, uw vader zal genezen, twijfel daar niet aan."
+
+Deze stellige verzekering gaf hun allen moed en hoop; en van dan af
+waren hun verdriet en angst veel verminderd.
+
+Bavo en zijne kleine zuster gingen naar de school, als te voren.
+Lieveken werkte als eene ware dienstmeid; van den vroegen morgen
+verscheen zij ten huize van bazin Damhout, keerde en schikte de kamer,
+ging om water, kookte de koffie en deed alle boodschappen op zulke
+wijze, dat moeder Damhout de uren, welke zij niet bij het bed van
+haren man doorbracht, kon toewijden aan haar naaiwerk, het eenige
+middel om wat geld te winnen voor het huishouden.
+
+In dien zin bovenal was de tegenwoordigheid van Lieveken eene weldaad
+voor de Damhouts; want ondanks het naailoon, was er veel te kort, en
+worstelde de arme Christina tegen eenen klimmenden nood. De ziekte van
+haren man dwong haar tot vele buitengewone uitgaven; zij had zelfs in
+'t geheim reeds hare oorringen en andere kleine juweelen verpand. Wat
+ware het dan niet geweest, indien de tijd tot werken haar volstrekt
+hadde ontbroken?
+
+Godelieve gevoelde wel, hoe zij zich het nuttigst maken kon. Zij
+ijverde met eene wonderbare aanhoudendheid om vrouw Damhout allen
+huisarbeid te sparen, en wanneer zij zelve niets meer te doen wist,
+greep zij naald en garen en naaide mede aan het grofste lijnwaad.
+
+Op eenige dagen tijds was Adriaan Damhout zichtbaar aan het beteren;
+maar zijne herstelling vorderde zeer langzaam. Inderdaad, de dokter
+had hem na den eersten dag nog tweemaal bloed afgetrokken. Daarbij had
+hij hem het gebruik van alle voedsel verboden. Geen wonder dus, dat de
+arme man welhaast zoo mager was als een geraamte, en ofschoon gezond
+van harte misschien, zoo zwak, dat hij nauwelijks kon spreken.
+Mogelijk ook dat zijne ziekte voortduurde en zich slechts langzaam
+liet overwinnen.
+
+Zoohaast zijne beternis toeliet, dat men hem gezelschap hield, gingen
+vrouw Damhout en Lieveken bij zijn bed zitten naaien, en dan gaven zij
+hem moed en troostten hem door allerlei zoete woorden. Het was
+insgelijks bij het bed zijns vaders dat Bavo een gedeelte van den
+avond doorbracht.
+
+Er geschiedde iets zonderlings in den jongen. Hij was somber en
+zwaarmoedig; de anderen, bij de zekerheid dat de zieke zou genezen,
+toonden vreugde en lachten betere tijden tegen, maar Bavo's lippen
+bewogen nooit meer tot den minsten glimlach. Het was, als drukte er
+iets op zijn hart.
+
+Deze duistere gemoedsstemming werd inniger en vermeerderde tot eene
+soort van geheime spijtigheid, wanneer zijne moeder, in stede van te
+gaan slapen, alleen bleef zitten werken tot half in den nacht.
+
+Zij zeide hem somwijlen, dat het niet anders kon zijn; dat, dewijl
+vader niet arbeiden kon, zij moest pogen iets te verdienen om den
+bitteren tijd door te worstelen.
+
+De jongen antwoordde daar niet op, maar ging ontevreden en morrend
+naar zijn bed.
+
+Eenige dagen later had Bavo eensklaps zijne blijmoedigheid
+teruggevonden. Hij was het nu die den anderen moed gaf en zich
+opgeruimd toonde. Vermits hij sedert eenige dagen veel vroeger dan
+gewoonlijk zich naar de school begaf om er werkzaam te zijn,
+vooronderstelde men, dat hij in de prijskampen op zijne school was
+gelukt, en hij ontkende zulks niet. Ieder juichte dus met hem over
+zijne waarschijnlijke zegepraal.
+
+Nu Adriaan Damhout geheel buiten gevaar was geraakt, oordeelde de
+dokter, dat het tijd was om zijne neergedrukte krachten allengs een
+beetje te herstellen. Hij zeide dus op zekeren Maandag tot de vrouw,
+dat zij eene sterke soep van ossenvleesch moest koken, en hem daarvan
+nu en dan een kopje moest te drinken geven.
+
+Groot was de verlegenheid en het verdriet van bazin Damhout. Zij was
+reeds twee weken huishuur ten achter; haar laatste weekloon had zij
+den bakker geheel gegeven, om nog wat brood op borg te bekomen. Niets
+was er in huis, dat waarde genoeg had om tot pand tegen geld te worden
+aanvaard. Nu moest er vleesch zijn: goed ossenvleesch om haren zieken
+man een beetje te versterken. Hoe zou zij dit vleesch bekomen zonder
+geld? Zij dacht aan het bureel van weldadigheid, zij droomde van de
+menschlievendheid van den eenen of anderen rijke in te roepen; maar
+deze middelen boezemden haar schrik in; het gepeins alleen van eene
+aalmoes te gaan vragen, deed haar beven.
+
+Onder hare angstige bewegingen opende zij werktuigelijk de kleine lade
+der kas, waar zij haar geld in legde, wanneer zij geld had. Een
+schreeuw van verrassing ontsnapte haar. De lade was ledig sedert meer
+dan vijftien dagen ... en daar blonk haar nu eensklaps een glinsterend
+vijffrankstuk in de oogen!
+
+Hoe kwam dat muntstuk daar? Was het God zelf, die medelijden had gehad
+met haren nood? Maar neen, hier kon geen wonderwerk in het spel
+zijn.--Lieveken? Maar Lieveken had geen geld, en hare ouders vergingen
+schier van gebrek. Men kon het zien op hunne bleeke aangezichten en
+holle wangen, dat de honger hun ingewand verteerde. Daarenboven, Lina
+Wildenslag verborg het niet, dat zij soms geheele dagen zonder eten
+waren; en bazin Damhout, hoe arm ook, had haar met eenige stuivers te
+gelijk het weekloon van Lieveken doen aanvaarden. Zeker, Lina hadde in
+elk ander geval deze teruggaaf geweigerd; maar nu zeide zij zelve, met
+de tranen in de oogen, dat de ellende haar dwong te vergeten, dat zij
+een hart had.
+
+Van waar kon toch dit vijffrankstuk komen?
+
+Die onoplosbare vraag maakte het hoofd der verbaasde vrouw duizelig,
+en zij bleef de onverwachte hulp lang bestaren. Dan eindelijk zeide
+zij in zich zelve:
+
+"Wie ook onze onbekende beschermer zij, dat God hem zegene! Ho, welke
+sterke, goede soep zal ik gaan maken! En kan iets mijnen armen man
+genezen, dan zal het zeker de weldaad zijn, die ons zoo geheimzinnig
+en zoo edelmoedig wordt bewezen!"
+
+Eenigen tijd daarna stond de soep op de kachel te koken; het gansche
+huis was vervuld met eenen verkwikkenden geur, en de verhongerde zieke
+lag in zijn bed te juichen over het beloofde voedsel, dat hem zoo
+bekorend werd aangekondigd.
+
+Vrouw Damhout verborg noch voor haren man noch voor Lieveken, dat zij,
+als ware het uit den hemel gedaald, in hare kas een vijffrankstuk had
+gevonden, hetwelk er wel zeker nooit in gelegen had. Zij was immer
+vervolgd door het tergend raadsel, van waar dit geld mocht komen, en
+sprak er den ganschen avond van; niemand wist haar iets te zeggen, dat
+haar tot de ontdekking van den geheimen beschermer kon helpen. Bavo
+folterde insgelijks zich de hersens; maar zijne inspanning bleef even
+vruchteloos.
+
+In den loop dezer week waren er geruststellende tijdingen aangaande de
+Europeesche staatsaangelegenheden gekomen; men zeide, dat de vrede
+niet zou gestoord worden, en men kondigde aan, dat sommige fabrieken
+ten minste gedeeltelijk zouden beginnen te werken.
+
+Den volgenden Zondag, zeer vroeg, terwijl Bavo naar de eerste mis was
+gegaan, meende Bazin Damhout eenige centen uit de kas te nemen om
+koffie te halen. Daar zag zij, nevens een geplaatst en als ten toon
+gespreid, vier enkele franken in een hoekje liggen.
+
+Nu was hare verbazing zonder palen; zij bleef eene wijl verblijd het
+geld bezien, sloot de kas en stapte langzaam en het hoofd schuddend,
+ter deur uit.
+
+In den winkel, terwijl men haar de koffie geriefde, zeide haar de
+vrouw:
+
+"Erge tijden, niet waar, bazin Damhout? Hopen wij, mensch lief, dat
+het haast zal beteren. Men zegt, dat er goed nieuws is van Parijs en
+dat het geen oorlog zal worden. Uw man is toch aan de betere hand; God
+zij geloofd, hij zal genezen zijn tegen dat er weder werk is. Ik
+beklaag u echter voor een ding; het is, dat de nood u verplicht heeft
+uwen Bavo van de school te trekken voor de prijsuitdeeling. Het is
+spijt: de jongen hadde groote eer behaald."
+
+"Gij bedriegt u, onze Bavo gaat nog altijd naar de school," was het
+antwoord.
+
+"In het geheel niet: hij heeft sedert meer dan twee weken de school
+verlaten."
+
+"Maar gij dwaalt; het is niet mogelijk!" kreet bazin Damhout met
+groote verwondering.
+
+"Hoe? Blijft hij van de school zonder uwe kennis!" zeide de
+winkelierster. "Ik weet het van eenen ondermeester, die gisteren bij
+mijnen broeder, den kleermaker, op den winkel was. Sedert vijftien
+dagen heeft men uwen Bavo op zijne school met geene oogen meer gezien.
+Die jongens, die jongens, al deed men ze eenen toom aan, ze zouden nog
+uit het goede spoor loopen!"
+
+Vrouw Damhout verliet den winkel; haar hart was verbrijzeld, en zij
+moest geweld doen om de tranen te bedwingen, die opweiden uit haren
+verkropten boezem. Bavo had sedert zoolang zijne school verlaten,
+zonder dat zijne ouders het wisten! Was de arme jongen in slecht
+gezelschap geraakt? Bewandelde hij eenen doolweg, die hem tot kwaad en
+ondeugd zou leiden? Maar het scheen haar onmogelijk. Welk geheim lag
+er dan onder het onuitlegbaar gedrag van haar kind verborgen? Zou een
+tweede ongeluk haar treffen? Zou het onderwijs in hem zulke slechte
+vruchten hebben voortgebracht? Welke onttoovering! Welke zware
+verantwoordelijkheid voor haar jegens haren man!
+
+Terwijl zij dus onder den pijnlijken twijfel morde en zuchtte, kwam
+Lieveken binnen.
+
+De moeder gevoelde, dat zij haren zoon niet in tegenwoordigheid van
+dit meisje mocht beschuldigen; zij wilde insgelijks haren man niet
+verontrusten, vooraleer door Bavo zelf de verklaring van zijn gedrag
+te hebben bekomen.
+
+Lieveken bemerkte wel, dat bazin Damhout ontsteld en treurig was; toen
+zij echter vernam, dat het met den zieke nog altijd wel ging, wist
+zij niet meer wat te denken, en dorst niet verder aandringen.
+
+Hetzelfde gebeurde met Bavo, die, uit de kerk te huis komende, iets
+vreemds in den blik zijner moeder vond en van haar wilde weten, wat
+haar bedroefde of ontroerde.
+
+De bekommerde en angstvolle vrouw gaf niets dan ontwijkende
+antwoorden, totdat Lieveken het huis had verlaten om op hare beurt ter
+kerke te gaan. Dan greep zij met plechtigen en strengen oogopslag de
+hand haars zoons, leidde hem tot in eenen hoek der kamer, verre van de
+trap, en vroeg hem met bevende stem:
+
+"Bavo, is het waar, dat gij sedert veertien dagen niet meer naar
+school zijt geweest?"
+
+De jongen werd rood tot achter de ooren en boog het hoofd.
+
+"Spreek, Bavo, laat mij niet in den pijnlijken twijfel. Is het waar?"
+
+"Het is waar, moeder lief," was het antwoord.
+
+"Ongelukkige jongen!" kreet de vrouw. "gij hebt sedert twee weken uwe
+school verlaten? Ik beef, ik durf u niet vragen in welk gezelschap gij
+dien tijd hebt doorgebracht. Ach, Bavo, ik, die geloofde, dat gij uwe
+arme moeder bemindet! Mijn God, ik moet het toch weten, hoe
+schrikkelijk het zij. Zeg, zeg, mijn zoon, wat hebt gij gedaan
+gedurende al dien tijd?"
+
+Bavo zag haar diep in de oogen en antwoordde met eene soort van stille
+fierheid:
+
+"Moeder, ik werk op eene fabriek."
+
+"Gij werkt op eene fabriek!"
+
+"Op eene fabriek van _bougies_, sedert vijftien dagen."
+
+Dan schoot er eene plotselijke klaarheid in den geest van bazin
+Damhout: hare oogen begonnen van bedwongen geestdrift te fonkelen. Met
+den bevenden vinger op de kas gericht, vroeg zij:
+
+"Dat geld, dat vijffrankstuk, die vier franken?"
+
+"Het is mijn weekloon, moeder lief," stamelde hij.
+
+Met eenen schreeuw van koortsige blijdschap sloeg Christina de armen
+om den hals haars zoons, sloot hem op haar hart en bevochtigde zijn
+hoofd met hare tranen.
+
+De jongen poogde haar te doen begrijpen, dat hij dien hoogen lof niet
+verdiende en niets gedaan had dan zijnen plicht. Wat hij betreurde,
+was alleenlijk, dat hij geen middel had weten te vinden om meer te
+winnen en zijne arme moeder het nachtelijk werken te sparen.
+
+Toen de ontsteltenis der vrouw een weinig was bedaard, trok zij haren
+zoon op eenen stoel nevens zich en vroeg hem de nadere uitlegging van
+zijn gedrag.
+
+"Ik zag u en Godelieve altijd, altijd arbeiden," antwoordde hij.
+"Wanneer ik, na tot middernacht met u gewaakt te hebben, slapen ging,
+bleeft gij nog zitten met het naaiwerk op den schoot. Mijn vader was
+ziek; er was nood in huis. Ik alleen deed niets om u te helpen. Mijn
+geweten knaagde, mijn hart verweet mij mijne laffe werkeloosheid. Na
+eenige dagen van schaamte en wanhoop ging ik tot den hoofdonderwijzer,
+mijnen meester, en zeide hem, zonder iets te verzwijgen, wat er in ons
+huis geschiedde, en hoe ik besloten had de school te verlaten om eenig
+werk te zoeken en zoo ten minste mijnen zieken vader en mijne goede
+moeder in hunne ellende bij te staan. Ik zeide hem insgelijks, dat ik
+mijn besluit gedurende eenigen tijd voor u zou verborgen houden,
+dewijl ik overtuigd was, dat gij mij anders zoudt beletten het uit te
+voeren. Ik meende, dat hij mijn voornemen zou afkeuren; maar neen, hij
+drukte mij de handen, en prees zeer hoog wat hij mijnen moed en mijn
+plichtgevoel noemde. Toen hij verstond, dat ik niet wist waar het
+gewenschte werk te vinden, beloofde hij mij, zelf eenigen zijner
+bekenden daarover te spreken; en reeds des namiddags had hij mij eene
+plaats gevonden op eene fabriek van waskaarsen, die men _bougies_
+noemt. Daar had ik niets anders te doen dan de kaarsen in pakjes te
+binden en in houten kassen te schikken; en eindelijk eenige letters en
+nummers op de kassen te schilderen. Ik won zestig centiemen daags en
+kreeg op 't einde der week nog eenig drinkgeld, omdat men tevreden was
+over mijn werk. O, moeder, het vijffrankstuk, eerste vrucht van mijnen
+arbeid, heeft mij zoo gelukkig gemaakt! Het moest u helpen en u
+troosten in uwen nood. Ha, gij hebt het niet bemerkt, maar toen ik
+mijnen armen vader de sterke soep lachend zag genieten en hem hoorde
+zeggen, dat hij daardoor onfeilbaar zou genezen, dan ben ik beneden
+gegaan, en ik ben mij op 't einde der steeg achter den blinden muur
+gaan verbergen, om daar door eenen tranenvloed mijn hart van de
+overmatige blijdschap te ontlasten. Het eerste geld, dat ik met werken
+had gewonnen, zou mijnen vader de gezondheid helpen teruggeven! Ik
+bezweek schier van geluk bij die gedachte.... Prijs mij dus niet,
+moeder lief, ik ben genoeg beloond geworden...."
+
+Met eenen gil van bewondering sprong de ontstelde vrouw recht en liep
+naar boven, zonder acht te geven op de smeeking van haren zoon, die de
+handen ophief om haar te wederhouden.
+
+Niet lang daarna klonk de stem van den zieken Damhout met groote
+kracht tot beneden de trap:
+
+"Bavo, Bavo!" kreet hij. "Kom, kom!"
+
+De jongen kon den roep zijns vaders niet wederstaan; hij klom
+aarzelend naar boven, en dewijl hij daar twee bevende armen tot zich
+uitgestrekt zag, omhelsde hij zijnen zieken vader met blijde
+uitstortingen des harten.
+
+Damhout dankte en loofde zijnen zoon voor zijne schoone en moedige
+daad; uit zijne woorden bleek, dat zijne grootste vreugde daarin
+bestond, dat Bavo uit eigene beweging werkman was geworden. Hij drukte
+eindelijk toch eenige spijt uit, omdat zijn zoon op eene fabriek van
+bougies arbeidde; hem scheen het, dat dit niet juist het beste vak
+was.
+
+Op deze bemerking antwoordde de jongen, dat hij door tusschenkomst van
+den hoofdonderwijzer werk had gekregen op de katoenspinnerij van M.
+Verbeeck. Hij zou daar gedurende eenigen tijd katoen uitpluizen en in
+soorten schikken, dan aan den eersten _duivel_ staan, en zoo voorts in
+het vak zich oefenen en allengs vervorderen. De fabriek van M.
+Verbeeck ging binnen vijf dagen geopend worden.
+
+Dit vervulde vader Damhout met nieuwe en groote blijdschap; want dit
+was inderdaad de baan, langs waar men met verstand en vlijt het verste
+op eene katoenfabriek kon geraken. Bavo zou eens meesterknecht worden,
+daaraan twijfelde de gelukkige vader niet meer.
+
+Toen men genoeg bedaard was geworden om over min ontroerende dingen
+te spreken, besliste men, dat van morgen af Godelieve terug naar haren
+winkel zou gaan. Inderdaad, Damhout behoefde geene onophoudende
+bewaking meer; hij zou dien dag zelven reeds gedurende eenigen tijd
+uit zijn bed komen. Met de vier of vijf franken per week, welke Bavo
+nu won, werd het mogelijk betere tijden af te wachten.
+
+In den namiddag, toen Bavo beneden bezig was met Lieveken in een boek
+iets te wijzen of te leeren, ging vrouw Damhout naar boven, zette zich
+nevens het bed van haren man en vroeg hem op zegevierenden toon:
+
+"Welnu, Damhout, gelooft gij nog, dat het onderwijs een werkmanskind
+tot hoogmoed en luiaardij verleidt? Welke kinderen, in geheel onze
+stege, zijn zoo beminnend, zoo verstandig en zoo deugdzaam als Bavo en
+Lieveken? Het is alleenlijk, omdat zij geleerd zijn en weten wat goed
+en wat kwaad is."
+
+Onder den slag eener bijzondere ontroering bevochtigden zich de oogen
+des werkmans; hij greep de hand zijner vrouw en zeide:
+
+"Neen, neen, Christina, dit alleen is de oorzaak hunner schoone
+inborst niet. Het is uw hart, uw goed en edel hart, dat klopt in
+hunnen boezem. Eene moeder als gij is de zegen Gods in een
+huishouden!..."
+
+
+
+
+VII
+
+
+Met het begin der volgende week werden er inderdaad een zeker getal
+fabrieken geopend; maar, in afwachting van stellige tijdingen
+aangaande den Europeeschen vrede, lieten zij slechts een beperkt getal
+werklieden toe.
+
+Bavo arbeidde op de spinnerij van M. Verbeeck. Hij droeg nu zijne
+slechte kleederen, en, dewijl hij door den aard van zijn werk altijd
+met vlokken katoen als met een spinneweb was overdekt, zag hij er op
+verre na zoo zindelijk niet meer uit als te voren. Dit gaf Godelieve,
+als zij des avonds van haren winkel kwam, dikwijls stof tot lachen, en
+zij noemde den jongen schertsend _de katoenvogel_; maar hij, in stede
+van daarover spijtig te worden, was altijd ten uiterste blijmoedig en
+scheen trotsch door de overtuiging, dat hij nu tot iets nuttig
+geworden was en zijne ouders mocht behulpzaam zijn.
+
+Ondanks den nood en de trage herstelling van vader Damhout, was elkeen
+in dit huishouden gelukkig. Bovenal was het hart der moeder met een
+gevoel van hoogmoed en van zaligheid vervuld. Soms kon zij des avonds
+uren lang in stilte haren zoon bestaren, terwijl hij, ofschoon
+vermoeid van den arbeid, nog met inspanning het hoofd over zijne
+boeken hield gebogen. Dan klopte haar hart, dan glinsterden hare
+oogen, en de blik, dien zij dan bij wijlen ten hemel wierp, was wel
+zeker een innig gebed van dankbaarheid.
+
+Vader Wildenslag en zijne zonen, alhoewel zij, door den honger
+aangejaagd, van de eene fabriek naar de andere liepen om arbeid te
+vinden, waren tot dan in hunne pogingen niet gelukt. Zij hadden zich
+bij de laatste volksonlusten door hunne hevigheid en hunne woestheid
+doen opmerken; en dewijl de fabrikanten nu slechts de beste werklieden
+uitkozen, wilde geen hunner de gekende belhamels van den oploop tegen
+de fabrieken in zijn gesticht toelaten.
+
+Het schijnt, dat in Frankrijk de nijverheid spoediger en met meer
+kracht had hernomen; want er kwamen alsdan te Gent eenige afgezondene
+personen, om goede fabriekwerkers aan te werven voor de steden in het
+Noorderdepartement.
+
+Wildenslag en zijne zonen aanvaardden met blijdschap deze gunstige
+gelegenheid om zich uit den onverdraaglijken nood te redden, en namen
+gereedelijk de voorwaarden der wervers aan. Men zou hunne reiskosten
+betalen en zij zouden in Frankrijk een veel hooger dagloon dan in
+Belgie winnen.
+
+Zeker, in andere omstandigheden zou de gedachte van hare geboortestad
+te verlaten, vrouw Wildenslag verschrikt en bedroefd hebben; maar nu
+verblijdde haar deze reis als een onverwacht geluk. Inderdaad, het was
+de verlossing uit den afgrond der bitterste ellende. Daarenboven,
+zoohaast er weder overvloed van werk te Gent zou zijn, zouden zij
+terugkeeren. Hunne afwezigheid zou dienvolgens ten hoogste eenige
+maanden duren.
+
+Vrouw Wildenslag ging juichend en met groote blijdschap haar vertrek
+naar Frankrijk in de gansche buurt aankondigen.
+
+Toen zij in de woning der Damhouts kwam, was zij vergezeld door haren
+man, die nu zijne luidruchtige welgemoedheid geheel had teruggevonden
+en roemde op het hooge dagloon, dat men in Frankrijk genoot. Daar,
+zeide hij, eet een werkman tweemaal vleesch elken dag en drinkt er
+bier en somtijds wijn, evenals een rijk mensch. Dat zou een pleizierig
+leven en een eeuwig _smeerken_ zijn!
+
+Bazin Damhout ontving deze tijding met treurnis. Het gepeins, dat
+Lieveken, hare ouders zou volgen en zij het goede kind dus in langen
+tijd niet meer zou zien, bedroefde haar; maar dewijl zij het vertrek
+der Wildenslags niet anders kon beschouwen dan als eene zeer
+natuurlijke zaak en als een gelukkig middel voor hen, om uit de lange
+ellende te worden verlost, deed zij geene de minste tegenwerping.
+Alleenlijk beklaagde zij het, dat Godelieve nu den winkel zou moeten
+verlaten, waar zij zoo wel was en op spoedige vervordering mocht
+hopen.
+
+Moeder Wildenslag betreurde dit insgelijks; maar zij meende, dat het
+niet onmogelijk zou zijn, in Frankrijk eenen anderen goeden winkel
+voor Lieveken te vinden.
+
+Hierop antwoordde Wildenslag:
+
+"Ba, ba! met uwen winkel! Godelieve is nu sterk genoeg geworden. Als
+zij zal zien, hoe hare broeders en zusters geld in overhoop winnen,
+zal zij van zelve op eene fabriek willen werken."
+
+Nadat hare buren waren weggegaan, overpeinsde vrouw Damhout zeer lang
+de woorden van Wildenslag. Zij wist niet waarom de vrees, dat Lieveken
+op eene fabriek kon gaan, haar ontstelde. Waarlijk, zij had voor het
+goede kind eene andere toekomst gedroomd; maar werkte haar eigen zoon
+niet op eene fabriek? Het was toch hetzelfde niet: Bavo kon
+meesterknecht worden.
+
+Hare treurnis overwinnende, zeide zij zich zelve, dat moeder
+Wildenslag waarschijnlijk wel zou zorgen, dat hare Godelieve in
+Frankrijk het ambacht van kleermaakster voortleerde; de afwezigheid
+hunner buren zou niet langdurig zijn; dewijl alles voorspelde, dat het
+werk in Gent ook spoedig zou hernemen. Daarenboven, er was niets aan
+te doen. De Wildenslags hadden gelijk, het redmiddel, dat hun
+aangeboden werd, met blijdschap te aanvaarden.
+
+Toen Bavo des avonds te huis kwam, zeide zijne moeder hem, dat de
+Wildenslags besloten hadden overmorgen, met het krieken van den dag,
+naar Frankrijk te vertrekken. Zij zouden dus onmiddellijk uit hunne
+bittere armoede gered zijn; want men had hun een buitengewoon hoog
+dagloon verzekerd. Lieveken zou natuurlijk hare ouders volgen; maar
+zoohaast er weder veel werk in Gent was, zouden zij terugkomen.
+
+Deze tijding trof Bavo op eene zonderlinge wijze; hij boog het hoofd,
+zag sprakeloos ten gronde en antwoordde zelfs niet, toen zijne moeder
+hem vroeg waarom iets, dat zeker een geluk was voor de ouders van
+Lieveken, hem scheen te bedroeven. Eindelijk, als ware er nu eerst een
+duidelijk besef der zaak in zijnen geest ontstaan, zeide hij op den
+toon van onderwerping:
+
+"Inderdaad, moeder, zij zullen dan toch uit den pijnlijken nood
+verlost zijn. Ik was zoo gewend, Lieveken des avonds hier te vinden.
+Nu zal ik alleen, altijd alleen met u zijn; maar ik ben geen kind
+meer.... Als Lieveken slechts welvaart en gelukkig is in Frankrijk,
+zal ik mij over hare afwezigheid niet te veel bedroeven. Gij hebt
+gelijk, moeder, de mensch moet zich sterk houden tegen het lot.
+Daarenboven, wie weet of onze geburen niet reeds binnen eenige maanden
+wederkeeren?"
+
+De moed en de verduldigheid, waarmede haar zoon deze tijding had
+ontvangen, verwonderden en verblijdden vrouw Damhout. Zij begreep
+niet, dat hare moeite om hem de tijding onder een gunstig daglicht te
+doen aanschouwen, voor een oogenblik zijn gevoel en zijne rede had in
+twijfel gebracht.
+
+Maar zij moest weldra erkennen, dat zij zich had bedrogen; want Bavo
+liet zich bij de tafel op eenen stoel zakken, bleef lang met starende
+oogen in diepe overweging verzonken, en slaakte van tijd tot tijd
+eenen hollen zucht, als beklemde een zwaar gewicht zijne borst.
+
+Het was reeds laat, toen Lieveken met het voorschoot voor de oogen in
+de kamer verscheen, en onder luide snikken over haar vertrek naar
+Frankrijk begon te kermen.
+
+Bavo, alhoewel hij zelf geweld deed om niet onder zijn verdriet te
+bezwijken, poogde het bedrukte meisje te troosten. Vrouw Damhout en
+haar man voegden hunne woorden bij de zijne; maar Godelieve scheen
+ontroostbaar in hare diepe smart.
+
+Toen eindelijk het meisje tusschen hare snikken eenige duidelijke
+klachten kon voortbrengen, zeide zij, waarom dit vertrek als een wreed
+ongeluk haar verschrikte en haar zoo diep bedroefde. Zij herinnerde
+zich de eindelooze goedheid van vrouw Damhout voor haar, de
+onverdiende vriendschap, die Bavo gedurende geheel haar leven haar had
+gegund, en zij sprak van weldaden, van edelmoedigheid en medelijden
+voor een arm verstooten kind; zij noemde bazin Damhout hare goede
+moeder en Bavo haren leermeester en haren broeder. Dit alles ging zij
+verliezen. De wereld zou eene woestijn voor haar worden, al wat zij
+meest had bemind, ging zij verlaten, misschien voor altijd.
+
+Het meisje had zulke gevoelige, zulke zoete, teedere woorden; de
+liefde haars harten voor hare weldoeners stortte zich zoo onbewimpeld
+en zoo vurig uit, dat zij iedereen tot in de ziel ontroerde.
+
+Vrouw Damhout sloot het dankbare kind tegen hare borst, en deed geweld
+om door bewijzen van innige dankbaarheid haar te troosten.
+
+Bavo lag met het hoofd op de tafel en weende; zijne droefheid was
+stom; geene klacht ontsnapte zijnen boezem; want hij wist wel, dat
+hier niet tegen de wreede uitspraak van het lot kon geworsteld worden.
+
+Zoo bleven dien avond in de woning van Damhout bittere, hopelooze
+tranen vlieten, totdat moeder Wildenslag hare Godelieve kwam roepen en
+ze mede naar huis nam.
+
+
+[Illustratie: Grepen elkander de handen.]
+
+
+Den volgenden dag ging het wat beter. Uitgeput van weenen, getroost en
+versterkt door de vriendelijke woorden van vrouw Damhout en van Bavo,
+had Lieveken de zaak allengs met meer verduldigheid beginnen in te
+zien. De vaste hoop, dat zij welhaast met hare ouders naar Gent zou
+wederkeeren, had een weldadig licht in hare droefheid geschoten, en
+zij insgelijks scheen het vertrek, als zijnde toch een geluk voor hare
+ouders, met onderwerping te aanvaarden....
+
+Toen de Wildenslags, ouders en kinderen, elk met een pak aan de hand,
+voor den dageraad de stege verlieten, om de reis naar Frankrijk te
+beginnen, waren zij door Bavo vergezeld.
+
+De jongen stapte nevens Lieveken en droeg haar pak. Zij weenden niet
+en spraken weinig. Hunne harten waren beklemd. Wat zij zeiden, waren
+woorden van wederzijdsche vertroosting; want zij hadden beiden het
+gevoel, dat deze scheiding, hoe kort ook, hun pijnlijk zou zijn; en
+zij maanden in hunne eenvoudigheid elkander aan, om niet te veel te
+denken aan al het zoet vermaak en aan het stil geluk, dat zij
+gedurende hunne schoone kindsheid te zamen hadden genoten.
+
+Zoo kwam men buiten de poort, en dewijl het tijd was voor Bavo om naar
+zijne fabriek te gaan, kon hij onmogelijk de Wildenslags langer
+vergezellen.
+
+Bavo en Lieveken, als door eene zelfde beweging gedreven, grepen
+elkander de handen, wisselden eenen diepen blik, waarvan zij zelven de
+beteekenis niet begrepen en murmelden met versmachte stemme:
+
+"Vaarwel, Bavo! Vaarwel, Lieveken. Tot wederziens!"
+
+Tranen ontsprongen hunnen oogen; maar het meisje, zich voelende
+bezwijken, slaakte eenen grievenden kreet en liep tot hare ouders, die
+reeds in de baan vooruit waren.
+
+De jongen bleef roerloos; hij zag hoe het arme Lieveken met hangend
+hoofd en wankelende stappen achter moeder voortsukkelde. Hij wenschte
+en hoopte, dat zij nog eens het gezicht tot hem zou keeren; maar daar
+bereikten zij den draai der baan, en allen verdwenen zij voor de oogen
+van Bavo.
+
+Dan werd het hem, als hadde men met geweld iets uit zijn hart gerukt.
+Hem verbaasde de akelige ledigheid, die eensklaps in hem en rondom hem
+was ontstaan, en hij schudde twijfelend het hoofd, als vroege hij zich
+zelven het raadselwoord der duizeligheid zijner zinnen.
+
+Dubbend, morrend en diep bedrukt, keerde hij stedewaarts en begaf zich
+naar zijne fabriek. Het beeld van Lieveken vervolgde hem overal; in
+het katoen, dat hij uitpluizen en schikken moest, vormde zich de
+gedaante der betreurde speelgenoote, nu met den onbegrijpelijken blik
+in de oogen, dan met hangend hoofd de droeve rust beginnende. Het
+woord "vaarwel!" klonk hem van alle kanten uit de geruchten der
+fabriek in de ooren. Maar de arbeid is een machtige trooster des
+harten, en hij leent den mensch eene wonderbare sterkte tegen de
+denkbeelden, die hem overheerschen. Voor het einde van den eersten dag
+was de smart van Bavo reeds veel verminderd, en alhoewel hij nog
+altijd aan Lieveken en aan haar vertrek bleef mijmeren, kwam er meer
+verduldigheid en rust in zijn hart.
+
+Des avonds, als hij te huis kwam van zijne fabriek, nam hij als te
+voren zijne boeken, maar dan geviel het dikwijls, dat hij, zonder het
+te weten, eensklaps het hoofd verhief en rondkeek, als zocht hij
+iemand met de oogen; somtijds stond hij op en ging naar de deur bij
+het minste gerucht. Er ontbrak hem iets; en alhoewel hij lachte met
+zijne eigene verstrooidheid, was zijne moeder bekommerd over deze
+zonderlinge ontroeringen haars zoons.
+
+Ook sprak zij weinig met hem over Godelieve; en wanneer hij haar dwong
+over de afwezige vriendin te kouten, brak zij de samenspraak zoo kort
+mogelijk af. Hare moederlijke liefde zeide haar, dat de diepe treurnis
+haars zoons geen voedsel mocht geven, alhoewel zij even veel aan
+Lieveken dacht als hij zelf.
+
+Er verliepen op deze wijze een paar weken. Bavo scheen zich in de
+afwezigheid van Godelieve te hebben getroost, en, sprak hij nu nog van
+haar, het was met bedaardheid en met rede.
+
+Vader Damhout was schier geheel genezen. Hij had zich reeds naar de
+fabriek van zijnen ouden meester, M. Raemdonck, begeven, om er te
+worden aangenomen. Nog eene week en hij zou zijnen arbeid als spinner
+hernemen.
+
+Op eenen middag kwam een onderwijzer der gemeenteschool in hun huis,
+om hen allen in naam van den bestierder uit te noodigen tot de
+prijsuitdeeling, die op den komenden Maandag was vastgesteld. Wel was
+het waar, dat Bavo, omdat hij de school voor het einde der wedstrijden
+had verlaten, geen recht kon hebben op de gewone prijzen, maar de
+onderwijzers hadden besloten, dat zijne vlijt, zijne vorderingen en
+bovenal zijn schoon gedrag eene openbare belooning verdienden. Bavo
+zou dienvolgens eenen buitengewonen prijs krijgen. Hij zelf en zijne
+ouders mochten niet nalaten de plechtigheid der prijsuitdeeling bij te
+wonen. Zij zouden ongetwijfeld altezamen verheugd en fier naar huis
+keeren.
+
+
+
+
+VIII
+
+
+De zaal, waar de prijsuitdeeling der gemeenteschool ging geschieden,
+was opgevuld met volk, meest vaders en moeders van leerlingen, en dus
+zeer geringe burgers of werklieden. Evenwel, vooraan bemerkte men ook
+wel eenige deftige dames en heeren, die, door een edel gevoel
+ingesproken, de prijsuitdeeling der kostelooze gemeenteschool door
+hunne tegenwoordigheid kwamen verheffen en opluisteren.
+
+Adriaan Damhout met zijne vrouw Christina zat op de vijfde of zesde
+bank, te midden van het publiek; hun zoon Bavo bevond zich tusschen de
+schoolkinderen op de plaats, hem door de onderwijzers aangeduid.
+
+Alles was gereed en de klokken der kerken hadden reeds sedert eene
+wijl het bepaalde uur verkondigd, toen eensklaps de deur der zaal met
+eenig gerucht werd geopend. De burgemeester van Gent, vergezeld door
+eenige schepenen en gemeenteraadsheeren, trad binnen en stapte tot bij
+het tooneel, waar groote leunstoelen voor de overheden waren geschikt.
+
+Met blijde verrassing in de stem murmelde Adriaan Damhout aan het oor
+zijner vrouw:
+
+"Hebt gij niet gezien, Christina, dat mijnheer Raemdonck met den
+burgemeester is binnengekomen?"
+
+"M. Raemdonck, de meester van uwe fabriek?"
+
+"Ja, kijk, daar voor ons, op den tweeden zetel, naast den
+burgemeester, aan zijne linkerzijde. Het is M. Raemdonck zelf."
+
+"Het is te begrijpen, Adriaan, vermits mijnheer Raemdonck sedert een
+jaar in den raad van de stad zit."
+
+"Ja, en hij moet daar nog al veel bezigheden hebben; want nu bemoeit
+hij zich zooveel niet meer met de fabriek; het is de oude
+meester-klerk, die schier alles bestiert. Ha, ik weet niet, Christina,
+maar het verblijdt mij grootelijks, dat M. Raemdonck hier tegenwoordig
+is."
+
+"En mij verheugt het insgelijks, Adriaan. Nu zal uw meester kunnen
+zien, dat gij een goed vader zijt en uwe kinderen hebt laten
+leeren...."
+
+Hunne stille samenspraak werd onderbroken door den klank der bel, die
+het begin der plechtigheid aankondigde.
+
+Een der raadsheeren had de trede der verhevenheid beklommen en hield
+eene openingsrede. Hij sprak over de noodzakelijkheid van het
+onderwijs voor alle standen der samenleving, en spoorde bovenal de
+werklieden aan om hunne kinderen niet in de onmacht en de slavernij
+der onwetendheid te laten. Zijne bondige rede eindigende, zeide hij:
+
+"Luistert, mijne vrienden, hoe een werkman als gij, een werkman van
+Brussel [Voetnoot: M. Dauby.], tot zijne medegezellen spreekt.--Het
+onderwijs, zegt hij, is heden voor iedereen eene dringende
+noodzakelijkheid, tot welke loopbaan of ambacht men ook zij bestemd.
+Niet geleerd zijn, wanneer de anderen geleerdheid bezitten, stelt den
+mensch in eenen toestand van eeuwige minderheid. De voordeelen van het
+onderwijs bestaan niet alleenlijk in te kunnen lezen, schrijven en
+rekenen, maar het opent den geest, ontwikkelt het verstand en vormt de
+rede; het leert opmerken en vergelijken; het geeft den mensch licht en
+sterkte om zijne plichten te vervullen en zijne rechten te verdedigen.
+Gij weet het, gezellen, de nijverheid vervormt zich onophoudend: alle
+dagen komen nieuwe verbeteringen tot stand. Alles gaat vooruit; de
+werkman moet mede vooruitgaan en den stap der anderen volgen, wil hij
+niet achterblijven en verpletterd worden. Indien de mekanieken hem
+zijnen lichamelijken en enkel stoffelijken arbeid ontnemen, om hem
+niets te laten dan het verstandelijk werk, dit is ook een vooruitgang;
+maar slechts op voorwaarde dat de werkman zich tot de hoogte zijner
+nieuwe taak wete te verheffen. Wie zal hem daartoe helpen? Het
+onderwijs, de geleerdheid, die den geest ontwikkelt en den mensch
+nieuwe krachten geeft, krachten, wel anders machtig dan die zijner
+armen, omdat zij noch de vermoeidheid noch de jaren vreezen;--de
+geleerdheid, die hem nieuwe wegen opent, die hem een beter dagloon met
+minder lichamelijke vermoeidheid bezorgt;--de geleerdheid, die de
+eeuwenlange ongelijkheid tusschen de menschen vermindert en veel meer
+kan toebrengen om ze geheel te doen verdwijnen dan de dwaze droom
+dergenen, die de rijkdommen onder allen zouden willen verdeeld zien,
+en waarvan de zekerste uitslag niets zou zijn dan de gelijkheid der
+armoede. Zegenen wij dus als werklieden den vooruitgang der scholen,
+de verspreiding van het onderwijs, als de schoonste glorie onzer eeuw.
+Wat ons betreft, wij beschouwen elke school als een tempel, opgericht
+aan de waardigheid en de welvaart van het arbeidende volk!--Ziedaar,
+vrienden, de edele woorden, u door eenen uwer gezellen toegestuurd.
+Drukt ze in uw hart en volgt den wijzen raad, die er in ligt besloten;
+want zij toonen u het middel om uwe krachten te verdubbelen, uwe
+welvaart te vermeerderen en in de toekomst het werk en den werkman te
+verheffen en te veredelen."
+
+Deze redevoering, met kracht en overtuiging uitgesproken, had eenen
+diepen indruk op het gemoed der aanhoorders gedaan. Eerst na een
+oogenblik der volledigste stilte braken de toejuichingen los. Onder
+degenen, die met koortsige geestdrift in de handen klapten en bravo
+riepen, kon men bovenal vrouw Damhout onderscheiden. De opgetogene
+Christina had hare eigene denkwijze zoo welsprekend hooren bevestigen;
+en zij gevoelde, dat de woorden van den raadsheer eene lange lofrede
+van haar gedrag als moeder waren geweest.
+
+"Welnu, Adriaan," vroeg zij zegevierend, "had ik gelijk of niet? Die
+heer weet er meer van dan Jan Wildenslag, niet waar? En gij hoort wel,
+dat er verstandige werklieden zijn, die denken als ik over het
+onderwijs der kinderen?"
+
+Damhout knikte met het hoofd ten teeken van toestemming; maar hij had
+den tijd niet om haar te antwoorden, want de oefeningen der
+schoolkinderen begonnen onmiddellijk en werden zonder verpoozing
+voortgezet.
+
+Men droeg eenige verzenstukjes en fabelen voor, en men vertoonde zelfs
+een geestig blijspel, het alles onder het twintigmaal herhaalde
+handgeklap der aanschouwers, die verbaasd waren en zich trotsch
+gevoelden over de kunde en de geleerdheid hunner kinderen.
+
+Eindelijk ging men over tot de prijsuitreiking. Een groot getal
+jongens van allen ouderdom, de kleinste eerst, werden beurtelings
+opgeroepen en kregen een of meer boeken.
+
+Velen moeders ontvielen tranen van geluk en hoogmoed; eenigen drukten
+in vol publiek hunne kinderen op hun hart en deden door deze
+eenvoudige uitstorting van liefde en blijdschap de toejuichingen der
+ontroerde aanschouwers verdubbelen.
+
+Toen men aan de leerlingen der hoogste klasse was gekomen, en Bavo de
+schoone, groote boeken een voor een van de tafel zag verdwijnen, werd
+het hem eenigszins bang om het hart. Ware hij op de school gebleven,
+dan hadde hij wel zeker het grootste getal dier prijzen behaald. Al de
+eer, welke zijnen ouden gezellen nu werd aangedaan, ware hem te beurt
+gevallen. Hoe hadde die openbare zegepraal, in tegenwoordigheid des
+burgemeesters en der andere heeren, zijne moeder en zijnen ziekelijken
+vader gelukkig gemaakt! Nu zou hij slechts eenen prijs krijgen, eenen
+kleinen prijs, want er lagen geene groote boeken meer op de tafel.
+
+Nog treuriger werd Bavo, toen hij ook den laatsten prijs zag weggaan;
+maar hij werd uit zijne droeve overweging opgewekt door de
+verschijning van den hoofdonderwijzer, die op het tooneel vooruitkwam
+om tot het publiek te spreken.
+
+De redenaar was een man met grijze haren; er lag in zijn schoon en
+indrukwekkend gelaat een toon van ernst en goedheid, van overtuiging
+en liefde, die liet vermoeden, dat deze grijsaard het onderwijs der
+kinderen beschouwde als eene soort van priesterschap.
+
+Op stillen, doch diepgevoelden toon begon hij zijne aanspraak. Van
+zijne eerste woorden af verwonderde hij elkeen, en boeide de aandacht
+gansch bijzonderlijk; want hij verhaalde een vertelsel van werklieden,
+eenen vader en eene moeder, die ten koste van vele opofferingen hunnen
+zoon hadden laten leeren, en die zelfs te midden van nood, van ziekte
+en ellende, liever honger hadden geleden dan hun kind van de school te
+trekken. Hij prees deze ouders zeer hoog, noemde ze edele, waardige
+menschen, en stelde ze ten voorbeeld van allen, die hem aanhoorden.
+
+Dewijl hij geene namen noemde, meende men, dat hij een uitgevonden
+verhaal voordroeg; maar de moed en de opoffering dezer ingebeelde
+ouders rukten evenwel tranen van bewondering uit de oogen van alle
+lieden.
+
+Christina Damhout hield het hoofd gebogen en verborg hare ontroering.
+Haar hart klopte fel, en zij was als beschaamd.
+
+"God heeft die goede ouders beloond," ging de grijze redenaar voort,
+"en in het feit dat ik u verhalen ga, zult gij het bewijs vinden, dat
+het onderwijs, gepaard met de zedelijke opvoeding, het hart van den
+mensch veredelt en hem, met het besef zijner plichten, ook den moed en
+de kracht geeft om ze te vervullen. De zoon dier ouders was leerling
+op deze school. Hij was de sterkste en meest geleerde in de hoogste
+klasse, en wel zeker zou hij al de eerste prijzen hebben weggedragen.
+Niemand twijfelde er aan, noch wij, zijne leermeesters, noch zijne
+medeleerlingen, noch hij zelf. Hij snakte naar den dag der
+prijsuitreiking, niet voor zich zelven, maar voor zijnen vader en
+zijne moeder, die gelukkig zouden zijn door zijne schoone zegepraal.
+Dan kwam de werkstaking der fabrieken; zijn vader werd doodelijk ziek;
+nood en lijden overvielen zijne arme ouders. Wat deed de jongen? Hij
+verzaakte aan al zijne prijzen, aan de lang gedroomde eer, om eenen
+dwingenden plicht te vervullen. Hij verliet de school, zonder het
+zijnen ouders te durven zeggen, zocht en vond werk in eene fabriek,
+legde in 't geheim zijn dagloon in de kas zijner moeder neder en redde
+dus, als een onzichtbare weldoener, zijne ouders uit de bittere
+ellende.... Door ontijdig van de school weg te blijven, heeft de goede
+zoon zijn recht op het behalen der prijzen verloren; maar wij, zijne
+leermeesters, met toestemming van den heer burgemeester en met behulp
+van eenen milden beschermer der volksscholen, hebben besloten zijne
+vlijt, zijne kunde en bovenal zijn edel gedrag door eene bijzondere
+belooning te erkennen."
+
+Hij haalde van achter een gordijn een groot kwartoboek en een
+lauwerkroon te voorschijn. Het boek was in rood leder gebonden en
+verguld op snede. De onderwijzer opende het en toonde, dat het vol was
+van schoone, ontplooibare platen. Op den titel stond te lezen:
+_Werktuigkunde, toegepast op de Nijverheid_. Al de aanschouwers waren
+rechtgesprongen en keken zich de oogen uit het hoofd, om te raden,
+wien dit prachtig boek mocht bestemd zijn.
+
+De hoofdonderwijzer keerde zich naar den kant der schoolkinderen, en
+zeide met diepe aandoening:
+
+"Kom, Bavo Damhout, kom, mijn vriend, ontvang dit bewijs van de
+achting uwer leermeesters; het blijve u een kostbaar aandenken en een
+spoorslag om op den weg der deugd en der plichtsbetrachting voort te
+gaan. Gij zijt werkman; maar in die nuttige loopbaan staat de toekomst
+voor u open. Wees uwen gezellen een voorbeeld en toon hun gedurende uw
+leven, in uw gedrag en in uw welgelukken, de onschatbare vruchten van
+het volksonderwijs!"
+
+Bavo was bleek en beefde; hij scheen de macht niet te hebben om de
+trede te beklimmen, zoodanig ontstelde hem deze onverwachte
+eerbewijzing in tegenwoordigheid zijner ouders. Een der onderwijzers
+vatte hem bij den arm en leidde hem op het tooneel. Zijn grijze
+meester omhelsde hem, zette hem de lauwerkroon op het hoofd en legde
+hem het groote boek op de handen.
+
+De gansche zaal daverde onder een donderend bravo; velen der
+aanschouwers leekten tranen van ontroering op de wangen; de vrouwen
+brachten zich den neusdoek aan de oogen.
+
+Voor de trede stonden de burgemeester en de andere heeren recht,
+gereed om den bekroonden jongen geluk te wenschen; maar Bavo, zonder
+daar acht op te geven, zoohaast hij zich in bezit van zijnen prijs
+zag, keerde zich om, hief het boek en kroon met beide handen in de
+hoogte en riep in verrukking uit:
+
+"Moeder, moeder, moeder!"
+
+En hij sprong als een zinnelooze of een blinde tusschen de overheden
+en het publiek door, wierp kroon en boek op den schoot zijner moeder
+en vloog haar aan den hals en zoende haar onder het uitspreken van
+allerlei dankzeggingen. Ook zijnen vader omhelsde hij lang en vurig.
+Tusschen zijne liefdesbetuiging riep hij luid:
+
+"Gij hebt gewerkt en geleden om mij te laten leeren. Vader, vader, ik
+zal voor u werken. O, dat God mij bescherme! Gij zult het zien, gij
+zult het zien!"
+
+Deze eenvoudige lieden, in hun geluk, in hunne ontsteltenis, hadden de
+geheele wereld vergeten en schenen niet te weten, dat eene menigte
+menschen, met tranen in de oogen en woorden van bewondering op de
+lippen, hen omringden en op de uitstorting hunner blijdschap staarden.
+
+Damhout richtte zich eerst op en zeide tot zijne vrouw:
+
+"Kom, Christina, kom; men bekijkt ons zoo vreemd. Het is gedaan; de
+burgemeester is al weg; laat ons naar huis gaan."
+
+Men hadde op de schijnbare koelheid zijner woorden kunnen
+vooronderstellen, dat vader Damhout min gevoelig was aan de zegepraal
+zijns zoons; maar men hadde zich daarover geheel misgrepen. Zijn hart
+was vervuld met hoogmoed; want toen hij van tusschen de banken was
+geraakt, spande hij zichtbaar alle pogingen in om nevens Bavo te
+blijven, opdat elkeen mochte zien, dat hij de vader van dien jongen
+was.
+
+Bavo scheen sedert eenige oogenblikken door een gevoel van
+beschaamdheid aangegrepen; hij hield het hoofd gebogen en stapte
+wankelend tusschen zijne ouders.
+
+Toen zij de deur der zaal gingen bereiken, zeide Christina tot haren
+zoon:
+
+"Bavo lief, gij moogt niet beschaamd zijn: integendeel, hef het hoofd
+op; de menschen zouden zoo gaarne u in het aangezicht zien; het is uit
+vriendschap...."
+
+De jongen, als uit eenen slaap opschietende, slaakte eenen zucht en
+murmelde met zonderlinge ontroering aan het oor zijner moeder:
+
+"Ach, hadde Lieveken dit eens kunnen zien!"
+
+Zij werden door den vloed des volks ter deur uitgestuwd, en bevonden
+zich op de straat.
+
+"Christina," zeide vader Damhout, "ginder staat M. Raemdonck; hij
+beziet ons en schijnt mij te willen spreken."
+
+"Inderdaad, Adriaan, het is natuurlijk, hij zal u gelukwenschen. Welke
+eer, niet waar? Uw eigen meester. Wie hadde zich toch aan zooveel
+geluk verwacht. Die goede, lieve Bavo!"
+
+M. Raemdonck wenkte Damhout met den vinger tot zich.
+
+Terwijl Bavo en zijne moeder te midden der straat tusschen een hoop
+nieuwsgierige lieden bleven staan, ging Adriaan met ontdekten hoofde
+tot zijnen meester. Deze drukte hem minzaam de hand en zeide hem:
+
+"Ik wensch u geluk, Damhout. Zet uwe klak weder op, ik bid u. Dat gij
+een goed en vlijtig werkman zijt, dit wist ik sedert vele jaren; maar
+dat gij, als een verlicht en verstandig vader, uwen zoon hebt laten
+leeren, totdat hij al de klassen van het lager onderwijs had
+doorloopen, dit is iets, dat u in mijne oogen grootelijks vereert."
+
+"Ach, het is mijne vrouw, mijnheer," antwoordde de ontroerde werkman.
+
+"Uwe vrouw?"
+
+"Ja, mijnheer, daarvoor moet ik God dankbaar zijn, dat Hij mij de
+braafste en verstandigste vrouw heeft gegeven, die er op de wereld te
+vinden is."
+
+"Het zij zoo, mijn vriend, gij hebt er evenwel voor moeten werken. Ik
+heb aan den burgemeester beloofd, dat ik, indien het mogelijk is, iets
+zal doen om u te beloonen. Zeg mij eens, wat stelt gij u voor van uwen
+zoon te maken?"
+
+"Hij is op de fabriek van M. Verbeeck."
+
+"Wat doet hij daar?"
+
+"Hij zal de naaste week aan den eersten _duivel_ staan, mijnheer."
+
+"Ja, dit is niet slecht: hij zal mettertijd meesterknecht kunnen
+worden. Wilt gij mij een vermaak doen, Damhout? Zend mij uwen zoon; ik
+wil hem ook eenen prijs, een geschenk geven. Ga naar huis met uwen
+zoon, en zoohaast hij zijn boek en zijne kroon heeft nedergelegd en
+wat heeft uitgerust, doe hem dan ten mijnent komen; ik zal hem
+verwachten."
+
+Damhout keerde terug tot zijne vrouw en vertelde haar met blijde
+verbaasdheid, wat zijn meester hem had gezegd. Hij had hem de hand zoo
+vriendelijk gedrukt en zulke minzame woorden tot hem gesproken!
+
+Door iedereen nagekeken, geroemd en geprezen, kwamen de Damhouts
+eindelijk in hunne kleine stege. Voor het huisje, waar de Wildenslags
+hadden gewoond, scheen Bavo te willen blijven staan, en hij hief
+zelfs door eene onvrijwillige beweging zijn boek en zijne kroon op,
+als toonde hij deze voorwerpen aan een onzichtbaar wezen; maar een
+zucht ontsnapte hem, en hij volgde zijne ouders tot binnen hunne
+woning.
+
+Hier herhaalden zij nog eens de blijde omhelzing, en dan haastte Bavo
+zich ter stege uit, om naar M. Raemdonck te gaan en daar een nieuw
+geschenk te ontvangen. Wat zou het zijn, dat zijns vaders meester hem
+wilde geven? Misschien insgelijks een schoon boek, misschien iets
+anders?
+
+
+
+
+IX
+
+
+Bavo belde ten huize van M. Raemdonck; de meid leidde hem in het
+bureel. Hier kwam een reeds bejaarde man, de meester-klerk
+ongetwijfeld, hem te gemoet met eenen vriendelijken glimlach op het
+aangezicht, greep hem de hand en zeide:
+
+"Ik wensch u geluk, mijn jongen; men heeft u eene welverdiende eer
+bewezen; ik was er tegenwoordig en heb mij diep ontroerd gevoeld. Het
+zal u geluk bijbrengen dat gij uwe ouders zoo bemint en dankbaar
+zijt."
+
+Bavo murmelde den naam van M. Raemdonck.
+
+"Ja, ik weet het," zeide de meester-klerk, "mijnheer heeft u doen
+komen, maar hij is met eenen koopman in de fabriek gegaan en heeft
+gezegd, dat gij hier een beetje zoudt wachten. Zit neder, mijn vriend.
+M. Raemdonck zou u goed willen doen, indien het mogelijk is. Hij zou
+gaarne weten wat gij kent en tot hoeverre gij geleerd zijt, en hij
+heeft mij gelast u op de proef te stellen, indien gij hierin
+toestemt."
+
+"Ik ben hem wel dankbaar en zal alles doen wat u belieft, mijnheer,"
+antwoordde de jongen.
+
+"Welnu, zet u daar voor den lessenaar; ziehier de kopie van eenen
+brief. Schrijf dien eens in het net, op uw best en zonder feilen.
+Wees niet bevreesd. Daar hebt gij een model voor den vorm des briefs.
+Begin maar; ik zal intusschen mijn eigen werk voortzetten."
+
+Er heerschte eene volledige stilte in het bureel, totdat Bavo, door
+het hoofd op te heffen en zich om te keeren, teeken gaf, dat de brief
+was afgeschreven.
+
+De meester-klerk naderde, hield de oogen eene wijl op het papier
+gevestigd en zeide dan met verwondering:
+
+"Ho, jongen, wat schoon geschrift, wat vaste hand ... en geene feilen!
+Bravo, dit had ik niet verwacht; het zal M. Raemdonck verblijden, want
+hij draagt u eene ware genegenheid toe, omdat gij de zoon zijt van
+eenen onzer oudste en beste werklieden. Kunt gij ook goed rekenen?"
+
+"Daarin was ik de sterkste van de geheele school, mijnheer, ten minste
+volgens mijne meesters."
+
+"Welnu, ziehier eene kolom cijfers; tel ze eerst op; vermenigvuldig
+dan de uitkomst met 365 en deel het geheel met 514."
+
+In eenige minuten had Bavo de rekening gemaakt, en de meester-klerk
+bevond met innige tevredenheid, dat hij niet had gemist.
+
+"Blijf nu een oogenblikje hier wachten, mijn vriend," zeide hij; "ik
+ga M. Raemdonck van uwe komst verwittigen."
+
+Hij liet Bavo alleen in het bureel, opende eene deur en trad ten einde
+van eenen gang in eene zaal, waar de eigenaar der fabriek voor eene
+tafel zat en bezig was met eenige papieren te doorbladeren.
+
+"Welnu, Pasmans, hoe staat het met de geleerdheid van den jongen?"
+vroeg hij. "Zoudt gij hem kunnen benuttigen?"
+
+"Het is een wonder, mijnheer," antwoordde de meester-klerk; "de jongen
+is nauwelijks vijftien jaar, en hij heeft een geschrift zoo vast en
+zoo fraai als van eenen ouden klerk; hij kan goed rekenen, heeft een
+fijn begrip en is bekwaam tot alles, ten minste voor hetgeen onder
+mijn toezicht op het bureel kan te doen zijn."
+
+"Gij wilt toch niet zeggen, dat hij den klerk, dien gij eergisteren
+wegzondt, zou kunnen vervangen?"
+
+"Neen, mijnheer, ik durf het niet zeggen, alhoewel ik overtuigd ben,
+dat ik uit dezen leerling der gemeenteschool meer nut zal trekken;
+maar hij is te jong, en men mag hem in den beginne niet door eene al
+te hooge jaarwedde bederven."
+
+"Inderdaad, de andere klerk had duizend franken. Wat zou men den zoon
+van Damhout kunnen geven? Gij weet dat ik zijne ouders wil beloonen?"
+
+"Het derde gedeelte, mijnheer; driehonderd franken, bij voorbeeld. Het
+ware genoeg om te beginnen. Ik zal den jongen helpen en leeren. Indien
+hij vlijtig en getrouw blijft, kunnen wij zijn loon opvolgend
+verhoogen."
+
+"Het is wel, Pasmans, ik bedank u om uwe goedwilligheid. Zend mij den
+jongen, maar zeg hem niets."
+
+Eenige oogenblikken daarna trad Bavo in de zaal en bleef met de klak
+in de hand voor M. Raemdonck staan.
+
+Deze beschouwde hem eene wijl, met het hoofd knikkende, als schepte
+hij behagen in de regelmatige wezenstrekken en in de nederige, doch
+tevens moedige houding van den jongen.
+
+"Het is een schoone dag voor u geweest, mijn vriend," zeide hij. "Gij
+hebt vele beschermers aangewonnen, en indien gij vlijtig en verstandig
+blijft, zult gij waarschijnlijk uwen weg in de wereld maken; maar wat
+u ook gebeure, vergeet nooit, dat uwe ouders, arme fabriekwerkers,
+zich hebben opgeofferd om u te laten leeren."
+
+"Ik zal het niet vergeten, mijnheer," antwoordde Bavo zeer stil, maar
+op eenen ontroerden toon en met eenen glim van wilskracht, waarvan de
+innigheid den eigenaar der fabriek met verrassing sloeg.
+
+"Ha, dit is wel," zeide hij, "dat gij goed doordrongen zijt van alles,
+wat uwe arme ouders voor u hebben gedaan; uw vader bovenal, niet
+waar?"
+
+"Ja, mijnheer, mijn vader heeft voor mij gewerkt, mijn vader is voor
+mij doodelijk ziek geworden; mijne moeder heeft nachten zonder slapen
+doorgebracht om mij naar de school te laten gaan."
+
+"En gij zult ze liefhebben en, is het u mogelijk, ze beloonen in
+hunnen ouden dag?"
+
+"Ja, mijnheer, zoolang ik leef."
+
+"Gij zijt nu op de fabriek van M. Verbeeck, en gij zult de naaste week
+eerst aan den _duivel_ staan als helper. Het is een goed middel om tot
+iets te geraken; maar dit gaat wel langzaam, mijn jongen. Met uwe
+geleerdheid kan men misschien eenen korteren weg vinden."
+
+"Ik zal meesterknecht worden, mijnheer!" antwoordde Bavo met
+bedwongene kracht.
+
+"En dan?" morde M. Raemdonck.
+
+"Dan, mijnheer, dan zal mijn vader niet meer werken, en mijne moeder
+ook niet."
+
+"Gij zijt een brave jongen," sprak M. Raemdonck getroffen. "Wat wint
+gij nu? Vier of vijf franken in de week, niet waar? Dit is niet
+genoeg. Ik wil u helpen het edele doel bereiken, dat gij uw dankbaar
+hart aanwijst, door u eene loopbaan te openen, waarin men, met uwe
+geleerdheid en uwen goeden wil, veel spoediger kan vooruitgaan. Ik was
+voornemens u een boek te geven; maar al de boeken mijner bibliotheek
+zullen tot uwe beschikking staan. Een ander geschenk ga ik u doen.
+Wilt gij klerk worden op mijn bureel?--Blijft gij bij uwe goede
+gedachten en vlijtig, dan zal ik u voorthelpen met liefde, als waart
+gij mijn eigen zoon."
+
+"O, mijnheer, zooveel goedheid!" kreet Bavo, de handen dankend
+opheffende. "Hoe blijde zal mijne moeder zijn!"
+
+"Gij aanvaardt dus de plaats?"
+
+"Ik kan schier niet spreken, mijnheer. Ach ja, ja, ik zal zoo mijn
+best doen!"
+
+"Maar gij vraagt niet wat gij zult winnen. Indien gij u nuttig maakt
+en u vlijtig toont, zal ik uwe jaarwedde al spoedig verhoogen; het
+hangt van u af.
+
+Voor alsnu en om te beginnen, zult gij ... zult gij vierhonderd
+franken trekken; het is ten minste tweemaal zooveel als uw
+tegenwoordig loon."
+
+Bavo borst in tranen los en scheen in zijne ontroering te stikken; hij
+stamelde verwarde woorden, zegende zijnen weldoener en sprak van zijne
+moeder en van zijnen vader, doch was te zeer ontsteld om een
+verstaanbaar woord te uiten.
+
+
+[Illustratie: Eenen Godspenning wil ik u geven.]
+
+
+M. Raemdonck opende eene lade van zijnen schrijflessenaar, nam er
+iets uit, naderde tot den duizeligen jongen en zeide hem:
+
+"Kom morgen op het groot bureel; de oude meester-klerk is een braaf
+man en een edelmoedig hart; hij zal u vriendelijk zijn en u
+voorthelpen. Eenen Godspenning wil ik u geven; het zal mijn geschenk
+zijn. Daar, neem dit, draag het uwen vader met de goede tijding, en
+poog mijner bescherming waardig te blijven; dan zult gij uw eigen
+geluk en het geluk uwer goede ouders verzekeren. Vaarwel, mijn jongen,
+tot morgen dus."
+
+Het hoofd van Bavo draaide, het was hem duister voor de oogen; hij
+bevond zich in de straat zonder het te weten. Vierhonderd franken ging
+hij winnen! Welke rijkdom, en hoe zou zijne moeder verbaasd staan en
+gelukkig zijn bij dit wonderschoon nieuws! Hij kon het niet gelooven;
+hij droomde misschien? Neen, neen, het was waar. Klerk zou hij worden
+en vierhonderd franken winnen!
+
+Dan eerst voelde hij iets in zijne hand en opende ze. Daar blonken hem
+twee goudstukken van twintig franken in de oogen!
+
+Een luide schreeuw ontvloog hem, en, zonder op de voorbijgangers te
+letten, die hem verwonderd nakeken, sprong hij, met de hand in de
+hoogte, juichend vooruit en liep uit al zijne kracht, totdat hij zijne
+woning bereikte.
+
+"Moeder, vader!" riep hij, "ik word klerk in het groot bureel van M.
+Raemdonck; ik win vierhonderd franken; ik zal spoedig meer winnen:
+daar, daar is mijn Godspenning! Vader, vader, wij zullen rijk zijn;
+gij zult leven zonder werken, gij hebt genoeg gedaan voor mij. Moeder
+zal des nachts niet meer moeten naaien; zij zal eene meid hebben. Nu
+nog niet, maar het zal komen, ja, ja, mettertijd, of ik zal er onder
+bezwijken."
+
+En van ontsteltenis afgemat, liet de opgewonden jongen zich lachend en
+juichend op eenen stoel vallen.
+
+De ouders bestaarden met verwondering de twee goudstukken, welke hun
+zoon op de tafel had geworpen; zij insgelijks schenen buiten zich
+zelven van verbaasdheid.
+
+Damhout sloeg eensklaps de armen om den hals zijner vrouw, drukte haar
+op zijn hart en stamelde met tranen in de oogen:
+
+"O, Christina lief, dat God u zegene! Aan u, aan u alleen zijn wij al
+dit geluk verschuldigd. Gij zijt meer dan eene moeder voor uwe
+kinderen, meer dan eene vrouw voor mij; gij zijt onze goede
+engelbewaarder op aarde!"
+
+Bavo stond eensklaps recht en kreet, terwijl hij naar de deur liep:
+
+"O, Lieveken! Lieveken!"
+
+Met eenen angstigen gil sprong zijne moeder hem achterna.
+
+"Hemel, mijn arme zoon, wat geschiedt u?" gilde zij.
+
+Maar Bavo wierp zich in hare armen en zeide met het schaamrood op de
+wangen:
+
+"Het is niets moeder lief; ik droom, de blijdschap maakt mij
+zinneloos!"
+
+
+
+
+X
+
+
+Des anderen daags begaf Bavo zich naar zijn bureel; hij was zoo blijde
+en zoo vol geestdrift, dat hij geheel door zijnen nieuwen arbeid was
+verslonden en aan niets anders meer scheen te denken. Hij bracht des
+avonds schrijfwerk mede, bleef met de pen in de hand zitten, totdat
+zijne ouders hem herinnerden, dat het tijd was om slapen te gaan, en
+sprak zelfs niet meer van Lieveken, noch van zijne treurnis, omdat zij
+zijne schoone zegepraal niet had kunnen zien.
+
+Evenwel na eenige dagen van groote overspanning, kwam er een beetje
+rust in zijn gemoed. Dan keerde de herinnering aan de afwezige
+vriendin even krachtig als te voren in hem weder, en hij spoorde zijne
+moeder aan om eenen brief aan Lieveken te schrijven. Het arme meisje
+zou zich in hun geluk verblijden, en het zou haar zeker een troost
+zijn in haar verdriet.
+
+Een gansche avond werd aan het opstellen en afschrijven van den brief
+besteed; want alhoewel Bavo de pen voor zijne moeder hield, stortte
+hij er al de vreugde van zijn eigen hart in uit en schilderde breed en
+wijd de prijsuitreiking en het bezoek bij M. Raemdonck. Lieveken moest
+alles, alles weten, even alsof zij zelve er bij tegenwoordig ware
+geweest. Hij vergat insgelijks niet te juichen over de toekomst, die
+hem aanlachte, en beroemde zich, dat, indien Gods bescherming hem
+bijbleef, hij zijne ouders mettertijd rijk en gelukkig zou maken. Zij
+moest seffens antwoorden en laten weten, wanneer haar vader terug naar
+Gent zou keeren; de fabrieken waren hier nu weder alle geopend en er
+was veel werk; want zij kon wel denken, dat, niettegenstaande hunne
+blijdschap, zijne ouders en hij zelf toch veel verdriet hadden, omdat
+zij Lieveken niet meer zagen.
+
+De brief werd in de post gestoken, en van dan af wachtte Bavo met
+koortsig verlangen op het antwoord.
+
+Er verliepen eene week, twee weken, eene gansche maand. Elken middag
+en elken avond, als Bavo zijn bureel verliet, liep hij met groote
+haast naar huis, en zijn eerste woord was telkens:
+
+"Welnu, welnu, moeder, is er niets gekomen?"
+
+"Niets, nog niets, mijn zoon," antwoordde vrouw Damhout met eenen
+zucht.
+
+Bavo werd allengs zeer treurig en moedeloos, en soms bleef hij des
+avonds uren lang met het hoofd in de hand zitten, of koutte met zijne
+moeder over de waarschijnlijke redenen dezer stilzwijgendheid van
+Lieveken. Was zij ziek misschien? Was haar een ongeluk overkomen? Had
+men zich in het opschrift van den brief misgrepen? Maar dit laatste
+was niet mogelijk, vermits Lieveken zelve voor haar vertrek hun dit
+opschrift had gegeven.
+
+Gelukkig dat Bavo in den arbeid eene afleiding voor zijne droeve
+gepeinzen vond. Het plichtgevoel was inderdaad zeer machtig in hem.
+Zoolang hij op zijn bureel was, overspande hij zijne wilskracht en
+worstelde zegevierend tegen het verdriet, dat zijnen geest benevelde,
+en men kon niet aan zijn werk raden, dat smartelijke stoornissen hem
+onophoudend bestormden.
+
+Zekeren avond toch zeide hem de oude meester-klerk met eene schier
+vaderlijke minzaamheid:
+
+"Bavo, mijn jongen, gij moogt met zooveel inspanning niet werken. Gij
+zult u zelven ziek maken door uw overdreven ijver. Ik zie sedert
+eenige dagen, dat gij zwaarmoedig en treurig zijt. Vrees niet, gij
+doet meer en beter dan men van u kan verwachten. M. Raemdonck is zeer
+tevreden over u, gij weet het wel. Kom, kom, een mensch, die zijne
+plichten gevoelvol vervult, moet licht en vroolijk van harte zijn;
+anders wordt hem de arbeid zwaar en geestverdoovend."
+
+De arme jongen ging zeer bedrukt naar huis; hij beschouwde deze
+vriendelijke opwekking als een zijdelingsch verwijt; want zij bewees,
+dat de meester-klerk zijne duistere gemoedsstemming had opgemerkt, en
+misschien had er iets aan zijn schrijfwerk ontbroken. Daarenboven,
+Lieveken antwoordde niet; reeds zes lange weken waren er verloopen.
+Zou hij ooit nog wel iets van haar vernemen? Was zij gevaarlijk ziek?
+Was zij dood misschien?--want aan hare dankbaarheid, aan hare trouwe
+herinnering dorst hij na zulke korte afwezigheid niet twijfelen.
+
+Toen hij dus, dubbend en zuchtend, in de stege kwam, ontvloog hem
+eensklaps een schreeuw van verrassing en blijdschap. Hij zag van verre
+zijne moeder voor de deur van haar huisje staan met een papier in de
+hand, dat zij hem scheen te toonen.
+
+De jongen sprong vooruit, trok zijne moeder in huis en riep:
+
+"Een brief van Lieveken?"
+
+"Ja, van Lieveken of van hare ouders; hij komt uit Frankrijk."
+
+"En wat staat er in, moeder?"
+
+"Gij weet, Bavo, dat ik geen geschrift kan lezen."
+
+"Geef, geef, ik zal hem u voorlezen.... Hij is van Lieveken zelve.
+Luister, moeder. Ach, ik beef van ongeduld:
+
+ "Goede madam Damhout."
+
+"Zie, waarom noemt zij mij nu _madam_?" kreet de verwonderde
+Christina.
+
+"Wel, het is uit eerbied, moeder; daarenboven, in Frankijk noemt men
+iedere vrouw _madam_; maar laat mij lezen, onderbreek mij niet, ik bid
+u:
+
+ "Goede madam Damhout,
+
+ "Vergeef het mij, dat ik niet eerder op uwen brief heb kunnen
+ antwoorden. Vader had hem op de fabriek ontvangen en hem in
+ zijnen zak gestoken en vergeten. Toen moeder zijn vest wilde
+ vermaken, heeft zij hem gevonden. Ik bedank u en Bavo en M.
+ Damhout uit het diepste mijns harten voor de vriendschap, die
+ gij de arme Godelieve blijft toedragen. Uw brief heeft ons
+ zoo gelukkig gemaakt, dat mijne moeder en ik van blijdschap
+ hebben geweend en God om zijne goedheid jegens u hebben
+ gezegend. Wat mij betreft, ik heb veel verdriet; want ik denk
+ zonder ophouden aan u allen: ik treur, omdat ik u niet meer
+ zie en zelfs niet weet, of ik nog ooit van mijn leven u zal
+ wederzien. Mijn vader zegt dikwijls, dat hij nooit meer naar
+ het land zal wederkeeren; want hier is overvloedig werk en
+ een hoog dagloon. Mijne moeder heeft nog geenen winkel voor
+ mij kunnen vinden. Ik werk op eene fabriek en win zes franken
+ in de week. Mocht mijne moeder toch spoedig eenen winkel voor
+ mij vinden! De menschen op de fabriek zijn zoo grof en zoo
+ baldadig; zij schelden en vloeken altijd, en omdat ik eenen
+ afkeer van die woestheid heb, lachen ze mij uit en plagen
+ mij. Ik ben er bijna ziek van geworden; maar nu is het wat
+ beter. Mijn broeder Tist is zijn linker oog kwijtgeraakt in
+ een gevecht tusschen Vlaamsche en Fransche werklieden; hier
+ vecht men schier alle dagen. Dat Bavo in de wereld zal
+ verhoogen, en dat gij altezamen rijk zult worden, daarvan was
+ ik reeds overtuigd, toen ik nog een klein kind was; maar gij
+ zult in uw geluk toch somtijds nog eens denken aan het arme
+ Lieveken, niet waar? Wat ik ook worde, fabriekwerkster of
+ kleermaakster, ik zal slechts met eerbied en dankbaarheid mij
+ uwer eindelooze goedheid mogen herinneren, dit weet ik wel;
+ maar zijt zeker, al leefde Godelieve honderd jaar, dat zij
+ nog op haar doodbed de namen zal noemen van hem, die het arme
+ zieke kind leerde lezen, en van haar, die het als eene tweede
+ moeder naar de school heeft geleid.
+
+ "Uwe ootmoedige dienstmeid,
+
+ "GODELIEVE WILDENSLAG."
+
+Bavo liet den brief ter tafel vallen en begon te weenen: vrouw Damhout
+had insgelijks de tranen in de oogen. Zij poogde echter haren zoon te
+doen begrijpen, dat hij ten onrechte zich zoo diep bedroefde. Wat was
+er dan zoo ongelukkig in het lot van Lieveken? Zij treurde, omdat zij
+verre van hare geboortestad en hare vrienden moest leven. Dit was
+immers natuurlijk? Bavo moest daarenboven wel zeker zijn, dat
+Wildenslag naar Gent zou terugkeeren.
+
+Maar dit was de reden der smart van den jongen niet. Wat hem
+verschrikte, was de tijding, dat Godelieve op eene fabriek werkte, te
+midden van ruwe, woeste menschen, en daarom was hij ontroostbaar. Hij
+drukte het angstig voorgevoel uit, dat Lieveken door de gedurige
+aanraking met de grove, onwetende lieden hare zedigheid en de
+zuiverheid haars harten zou kunnen verliezen. Dit ware volgens hem het
+grootste ongeluk, dat haar kon overkomen. Er lag misschien een gevoel
+van zelfzucht in zijne ontsteltenis; maar hij verborg het onder het
+medelijden voor de gezellinne zijner kindsheid en zuchtte herhaalde
+malen met diepen weemoed:
+
+"Arm Lieveken! Arm Lieveken!"
+
+Adriaan Damhout kwam te huis. Dan bedwong Bavo zijn verdriet; want in
+zijns vaders tegenwoordigheid dorst hij de ontroeringen zijns harten
+niet zoo vrij uitstorten.
+
+Nadat men gedurende eenigen tijd over den treurigen brief van
+Godelieve had gekout, besloot men haar nog denzelfden avond te
+schrijven, om haar te troosten en haar moed te geven. Men zou
+daarenboven in den brief aan haar eenen anderen brief voor hare moeder
+steken, om deze tot het spoedig zoeken van eenen anderen winkel aan te
+manen.
+
+Eens dat deze beide brieven waren geschreven, werd Bavo een beetje
+beter te moede. Hij had nu een middel gevonden om met Godelieve te
+spreken; het was eenigszins, alsof zij nog tegenwoordig ware; de
+betuiging harer dankbaarheid, de zekerheid dat zij nog aan hunne zoete
+vriendschap dacht, deed hem zoo goed aan het hart. Met deze troostende
+overweging ging de jongen te bed, en alhoewel hij droomend Lieveken op
+de fabriek zag en ruwe, onbeschofte woorden rondom haar hoorde galmen,
+werd zijn slaap niet merkelijk gestoord.
+
+Maanden lang wachtte hij op een tweede antwoord van Godelieve; er kwam
+geene tijding. Men schreef eenen anderen brief en zelfs eenen derden,
+maar even vruchteloos.
+
+Bavo meende te moeten denken, dat vader Wildenslag de brieven
+vernietigde. Dewijl men ze naar de fabriek stuurde, aangezien men de
+bijzondere woonst der Wildenslags niet wist, ontving hij ze altijd op
+zijn werk. De brief, waarin Damhout aandrong om Godelieve het
+fabriekwerk te doen verlaten, zou hem waarschijnlijk hebben doen
+besluiten alle betrekking tusschen zijn huisgezin en de Damhouts af te
+breken. Misschien had het woeste gezelschap, waarin Godelieve
+veroordeeld was te leven, reeds eenen verderfelijken invloed op haar
+uitgeoefend? Misschien was haar geheugen verduisterd en had zij hare
+vorige vrienden vergeten? Maar dit kon niet zijn, zoo spoedig toch
+niet!
+
+Op zekeren avond dat Bavo met zijne moeder koutte, ontvielen hem
+eenige droeve woorden, die vrouw Damhout schenen te verrassen en te
+verwonderen. Wat zij daarop antwoordde om hem te troosten, deed het
+schaamrood op Bavo's voorhoofd klimmen. Hij stamelde eenige
+verontschuldigingen en bleef dan zwijgend in zich zelven dubben en
+overwegen, of nam een boek en ontvluchtte zoo eene samenspraak,
+zoohaast hij bemerkte, dat zijne moeder hem met aandacht beschouwde.
+
+Liefde? Zijn medelijden zou liefde zijn? Hij zou Godelieve beminnen
+... beminnen, anders dan eene speelgenoote, dan eene zuster? Zijne
+moeder had het niet gezegd; maar waarom dan had zij gesproken van eene
+geheime neiging des harten, van een gevoel, dat hij moest pogen te
+beheerschen en te overwinnen?
+
+Van dan af werd Bavo aangaande Godelieve achterhoudend met zijne
+moeder. Telkens dat zij zelve, en het gebeurde niet dikwijls meer, den
+naam van Lieveken noemde, keerde hij de samenspraak af.--Dit belette
+echter niet, dat zijne ziel treurde en nog snakte naar de afwezige
+vriendinne. Elke maal dat hij te huis kwam, hoopte hij, dat zijne
+moeder hem eenen brief zou toonen; maar de maanden verliepen zeer
+snel, en van Lieveken hoorde men niets meer.
+
+Wel had vader Damhout eens eenen werkman ontmoet, die uit Frankrijk
+kwam en hem nieuws van de Wildenslags had gegeven; maar zijne woorden
+waren niet van aard om Bavo of zijne moeder te verblijden. Volgens
+zijn zeggen wonnen de Wildenslags veel geld, ja veel te veel; want zij
+waren gekend als de grootste drinkers en zwierders van geheel de stad.
+Zij lagen ook altijd in twist met iedereen en schenen in ruzie en in
+vechten hun vermaak te vinden. Naar Gent terugkomen, dit zouden zij
+zeker niet doen; want zij hadden daarvoor een al te goed leven in
+Frankrijk. Godelieve kende hij niet; maar hij wist, dat al de
+Wildenslags, ouders en kinderen, op fabrieken werkten.
+
+Ondanks de durende beneveling van zijn gemoed kweet Bavo zijne
+plichten zoo wel op zijn bureel, dat hij meer en meer de gunst won van
+M. Raemdonck en van den meester-klerk. Men had zijne jaarwedde reeds
+tot zeshonderd franken verhoogd, en dewijl zijn vader bleef werken en
+zijne moeder nog immer voor haren winkel kielen naaide, kwam er
+zooveel welstand in huis, dat men besloot de stege te verlaten en in
+eene betere en min donkere straat te gaan wonen.
+
+Veel eerder ware men verhuisd, hadde Bavo zelf niet altijd gepoogd
+deze beslissing te doen uitstellen. Hij verborg het niet, dat hij met
+smart zich zou verwijderen van deze plaats, waar zijne wieg had
+gestaan en waar hij zijne gelukkige kindsheid had gesleten. Zeide en
+herhaalde zij hem niet dagelijks, hoe zijne moeder hem had bemind en
+hem had aangemoedigd in zijne pogingen om te leeren? Waren niet al de
+herinneringen van zijn leven aan deze nederige kamer gehecht?
+
+Eindelijk toch kon hij zijne moeder niet meer wederstaan. Er werd, een
+weinig verder aan de straat, een klein doch net huisje gehuurd, en men
+had reeds begonnen de meubelen over te dragen.
+
+Men nam voor den laatsten keer het middagmaal in de oude woning. Bavo
+zat tusschen zijne twee zusterkens aan tafel over zijne ouders. De
+jongen sprak niet en was zeer zwaarmoedig; zijne oogen dwaalden soms
+rond de kamer, als zeide hij vaarwel aan deze wanden, die zoo dikwijls
+de vroolijke stem van arme, ongelukkige kinderen hadden gehoord.
+
+Daar trad onverwachts een man in de kamer, naar buiten roepende:
+
+"Ja, ja, ik kom! Eenige oogenblikken slechts! ga naar de _Blauwe
+Geit_, bij Pier de Knul; ik zal u daar wel vinden!"
+
+En tot de tafel naderende, greep hij de hand van Damhout en zeide:
+
+"Goeden dag, Adriaan, ik wilde toch niet in Gent geweest zijn, zonder
+u te hebben gezien. Gij hebt geluk, ik weet het en het verblijdt mij,
+want gij zijt een brave vent."
+
+"Zie, het is Steven Geerts!" riep Damhout. "Wel vier jaar is het
+geleden, dat ik u voor de laatste maal heb gezien. Waar zijt gij
+gebleven?"
+
+"Ik kom uit Frankrijk; daar is altijd veel werk."
+
+"Uit Frankrijk?"
+
+"Ja, van Wazemmes, bij Rijssel."
+
+"Van Wazemmes!" riepen de ouders en Bavo met blijde verrassing.
+
+"Waarom verwondert u dit?" murmelde Steven.
+
+"En hoe gaat het met de Wildenslags? Die wonen ook te Wazemmes, niet
+waar?" vroeg vrouw Damhout.
+
+"Dit is te zeggen," was het antwoord, "zij hebben er eenigen tijd
+gewoond, volgens dat ik van de vrienden heb vernomen; maar ze zijn van
+daar naar Douai vertrokken. Ik heb ze gedurende acht of tien dagen
+gezien; want ik heb wel een half jaar te Douai gewerkt; maar de week
+na mijne aankomst zijn de Wildenslags eensklaps van daar vertrokken.
+De vrienden zeggen, dat zij werk hebben aangenomen voor eene stad in
+het midden van Frankrijk, voor Rouaan misschien; maar ik weet het niet
+juist."
+
+"En de Wildenslags varen altijd wel?"
+
+"Wel? Ja, veel te wel; het ware beter, dat zij wat armoede leden. Er
+zijn geene grootere rabauwen op de wereld dan de Wildenslags; gij
+moest ze nu zien, Adriaan! Ze doen niets dan zwieren en slempen, halve
+weken; en ze worden zelfs door de vrienden gevlucht; want ze zijn
+daarenboven zeer brutaal en groote ruziemakers."
+
+Adriaan en zijne vrouw schudden treurig en zwijgend het hoofd. Ziende
+dat Steven de hand van haren man greep om hem vaarwel te wenschen,
+vroeg moeder Damhout:
+
+"Zoudt ge ons niet kunnen zeggen, Geerts, hoe het met Godelieve
+Wildenslag gaat? Gij kent ze misschien niet?
+
+"Is het geene teere, magere? Met blond haar en levendige blauwe
+oogen?"
+
+"Ja."
+
+"Ha, die ken ik goed; ik heb ze ten minste eens en maar al te wel
+gezien. Die is nog veel erger dan de anderen, vrouw Damhout. Al de
+Wildenslags zijn grove menschen."
+
+"Wat wilt gij zeggen, o hemel!"
+
+"Denk eens, ik kom in de stege, waar de Wildenslags wonen. Niet voor
+hen, maar voor eenen anderen vriend; want ik wilde met die brutale
+kerels geen uitstaans hebben. Weet gij, wat ik daar zie? Eenen
+ganschen hoop vrouwen met moeder Wildenslag in het midden, die als
+razenden aan het kijven zijn. Daar komt eensklaps Godelieve met den
+kloef in de hand het huis uitgeschoten en begint te slaan en te
+vechten, dat men ze wel met vieren moest vasthouden en bedwingen. De
+leelijke woorden, die zij sprak, maakten mij zuiver beschaamd,
+alhoewel ik van geen klein gerucht vervaard ben. Dat zulk zwak en
+mager meisje, die anders een fraai wezen heeft, zulke baldadige taal
+spreekt, dit stak mij fel tegen de borst, en ik had, mij dunkt, lust
+om de onbeschaamde wat kletsen om hare ooren te geven...."
+
+"Godelieve? Maar het is niet mogelijk!" zuchtte vrouw Damhout. "Hebt
+gij het waarlijk gezien?"
+
+"Met mijne eigene oogen. Misschien was het meisje buiten zich zelve
+geraakt, omdat men hare moeder aanviel.... Nu, Adriaan, houd u wel, en
+gij insgelijks, bazin Damhout, totdat ik nog eens naar Gent kome."
+
+De werkman verliet de kamer. Er heerschte eene wijl de volledigste
+stilte; de ouders bezagen elkander en hunnen zoon met treurige
+verbaasdheid. Bavo scheen vergramd; er fonkelde een somber vuur in
+zijne oogen, en zijne lippen schenen te beven.
+
+Toen zijne moeder eindelijk eenige woorden meende te spreken, om hem
+te troosten en Godelieve te verontschuldigen, stond de jongen op en
+zeide met kracht:
+
+"Moeder, vader, spreekt mij nooit meer van Godelieve! Ik wil haar
+vergeten, mijne kindsheid geheel vergeten, om nimmer nog aan haar te
+denken. Dat een onwetend mensch zoo laag dale en den eerbied voor zich
+zelven verlieze, dit is te begrijpen; maar zij kan lezen, zij is
+geleerd, zij heeft van u, moeder, niets gekregen dan lessen van deugd
+en zedelijkheid. Uwe goedheid, uwe weldaden, onze vriendschap, dit
+alles heeft zij vergeten. Zij is dubbel schuldig. O, ik zal haar
+aandenken in mijn hart versmachten met geweld. Moeder, doe de
+werklieden komen, seffens: alles moet weg naar onze nieuwe woning. Ik
+wil hier niet meer slapen, ik wil geenen voet meer in de stege zetten.
+Ik bid u, dat ik alles gereed vinde tegen dat ik naar huis kom; gij
+zult mij gelukkig maken. Vaarwel, ik ga naar mijn bureel; hier kan ik
+niet meer blijven; dezen avond zal ik bellen aan het huis in de
+straat...."
+
+Hij meende te vertrekken; maar daar hij bemerkte, dat zijne moeder
+bekommerd was en hem wilde wederhouden, zeide hij met min ontsteltenis
+in de stem:
+
+"Wees gerust, moeder; het is voor een oogenblik slechts. Morgen zal ik
+aan niets meer denken; het is gedaan; ik had verdriet, maar nu ben ik
+genezen, genezen voor altijd!"
+
+En na onder het spreken dezer woorden de handen zijner moeder
+teederlijk te hebben gedrukt, ging hij het huis uit.
+
+
+
+
+XI
+
+
+De ongunstige tijding over Godelieve scheen Bavo van eene geheime
+overheersching te hebben verlost, en onder dit opzicht had zij hem
+inderdaad goed gedaan. Alsof dit voorval eensklaps hem al wat er nog
+kinderlijks in hem was, had ontnomen, werd zijn geest ernstiger en hij
+kreeg meer dan te voren het voorkomen van een bezadigd mensch, die
+zich slechts bezighoudt met nuttige dingen.
+
+Van dan af werkte hij met nog meer vlijt op zijn bureel, en al zijne
+pogingen strekten om zich den handel en de inrichting der fabriek
+geheel eigen te maken.
+
+M. Raemdonck en de oude meester-klerk schepten vermaak in den
+leerzamen en dankbaren jongeling voort te helpen. De laatste bovenal
+had hem zeer lief en ontlastte zich op hem van een groot gedeelte
+zijns arbeids, teneinde hem van alles ondervinding te geven. Hij
+verborg hem zelfs niet, dat hij het deed met een bijzonder inzicht.
+
+"Ik kan ziek worden," zeide de meester-klerk, "ik kan eene andere
+plaats bekomen; mijn oom, de huidvetter, kan sterven. Dan erf ik een
+fortuin en ga op mijn geboortedorp leven. Ik wil u bekwaam maken om
+mij desnoods in mijne bezigheid te vervangen en, indien het gebeurt,
+als gij oud genoeg zijt, om mijne plaats bij M. Raemdonck te krijgen."
+
+Dit vooruitzicht was een nieuwe spoorslag voor Bavo. Met de
+toestemming van zijnen meester nam hij boeken uit de bibliotheek naar
+huis, studeerde de mekaniek, volgde nieuwe uitvindingen, teekende en
+overwoog, en had reeds bijgedragen om op de fabriek eene winstgevende
+verbetering aan de werktuigen te doen toebrengen.
+
+Zoo klom eindelijk zijne jaarwedde tot de som van duizend franken,
+toen hij zijn negentiende jaar bereikte.
+
+Van Godelieve en zijne kindsheid sprak hij niet meer of scheen geen
+gewicht meer aan deze herinneringen te hechten. Evenwel kwamen er nog
+oogenblikken, dat het beeld van Lieveken voor zijne oogen opstond, en
+hij dacht zelfs met vermaak en welgevallen aan de vriendin zijner
+eerste jaren. Niet aan Godelieve, het fabriekmeisje, die zich door de
+slechte voorbeelden tot ruwheid en zedelijke verlaging had laten
+medeslepen; neen, aan het kleine, beminnelijke Lieveken, het zuiver en
+eenvoudig kind, dat met hem was opgegroeid en al zijne vermaken en al
+zijne hoop had gedeeld. Onder zijnen drukken arbeid, onder zijne
+onophoudende studien hoorde hij soms een zilveren stemmeken zijnen
+naam murmelen, en hem verscheen nog van tijd tot tijd het zoete wezen
+met de glinsterende blauwe oogen, zooals zij hem had aanschouwd, toen
+hij haar buiten de stadspoort voor de laatste maal had gezien. Dit
+waren echter slechts droomen, die met de wezenlijkheid in geene
+betrekking meer stonden, en hij wist het zeer wel.
+
+Vader Damhout had zijnen zoon reeds aangespoord, om door M. Raemdonck
+of den meester-klerk toch eens naar de Wildenslags te doen vernemen;
+maar Bavo had deze pogingen met eene soort van verschriktheid
+afgewezen, en zijne moeder had hem gelijk gegeven.
+
+Inderdaad, welke gemeenschap was er voortaan mogelijk tusschen
+Godelieve en hem? Hij gevoelde zich geroepen om in de wereld tot den
+burgerstand op te klimmen en onder deftige lieden te leven. Indien de
+Wildenslags naar Gent terugkwamen, zou hij dan niet beschaamd zijn,
+als vriend en broeder te hebben geleefd met menschen, die veeleer het
+misprijzen dan de achting der wereld verdienden? Neen, neen, van de
+Wildenslags mocht men hem niet meer spreken; zij hadden hem gewond in
+zijn gevoel, en hij was verbitterd tegen hen.
+
+Het waren bijna dezelfde overwegingen, die zijne moeder aanspoorden om
+hare eigene herinneringen te onderdrukken. Vijf of zes jaar vroeger
+had zij soms wel gedacht, dat Bavo en Lieveken misschien door God
+bestemd waren om eens door het huwelijk te worden vereenigd. Die droom
+had haar zelfs als eene mogelijkheid toegelachen; maar nu was er
+zooveel afstand tusschen Bavo en Godelieve gekomen, dat men aan de
+vroegere gemeenschap met de Wildenslags niet zonder een geheim gevoel
+van schaamte kon denken.
+
+Men sprak dus eindelijk in het geheel niet meer van Lieveken, alhoewel
+in het hart van vrouw Damhout en in het hart van haren zoon een immer
+herlevend gevoel van treurnis en van medelijden voor het ongelukkige
+kind opwelde.
+
+Bavo, die nu allengs tot de mannenjaren naderde, maakte zich met
+onophoudende vlijt alles eigen, wat den handel en de bewerking van het
+katoen betreft. Met de toestemming van den meester-klerk bracht hij
+een gedeelte van den dag in de fabriek zelve door, niet alleenlijk om
+de praktijk van den arbeid aan te winnen, maar tevens om de werklieden
+op te passen en de belangen van M. Raemdonck te behartigen. Hij
+volbracht dezen laatsten plicht met zooveel ijver en verstand, dat de
+meester-klerk, die hoogmoedig was over zijnen leerling, soms tot M.
+Raemdonck zeide:
+
+"Wees zeker, Bavo Damhout brengt u voor duizenden franken profijt aan,
+elk jaar. De werklieden beminnen en achten hem, en zij zorgen, dat er
+niets verkwist of gebroken worde, alleenlijk om hem vermaak te doen."
+
+Inderdaad, Bavo was zeer minzaam en zacht met iedereen, en zijne
+wonderlijke wetenschap en ervarenheid waren wel van aard om hem het
+ontzag der werklieden te verschaffen; maar dit was de voornaamste
+reden hunner genegenheid voor hem niet.
+
+Zijn eigen vader, hun oude, brave gezel, stond aan eenen spinmolen, en
+de jongeling moest dikwijls aan hem, evenals aan hen zelven, bevelen
+of terechtwijzingen geven. Dit hadde iets pijnlijks kunnen zijn, een
+oude spinner, die zich door zijnen zoon moest zien gebieden. Maar Bavo
+naderde nooit zijnen vader dan met de klak of den hoed in de hand,
+stuurde hem het woord toe met den grootsten eerbied en lachte hem aan
+en drukte hem zoo teederlijk de hand, dat al de werklieden zich
+ontroerd gevoelden van bewondering en hoogmoed. Het kostte hun dan
+geene moeite, te gehoorzamen aan een werkmanskind, die zich door zijne
+geleerdheid het recht tot bevelen had aangewonnen, en door zijne
+zachtheid en door zijne liefde tot zijnen ouden vader de eerbiedige
+genegenheid van elkeen afdwong.
+
+Bavo vergenoegde zich niet met hetgeen er voor hem op de fabriek van
+M. Raemdonck te leeren was; hij had zijnen meester overgehaald om in
+te schrijven op de nieuwste schriften over werktuigkunde en
+nijverheid; hij volgde openbare avondlessen, welke er alsdan over dit
+vak door geleerde professors werden gegeven; hij bezocht telkens dat
+hij er gelegenheid toe had, de beste fabrieken van Gent.
+
+Zoo verkreeg hij mettertijd eene groote wetenschap van alles, wat de
+katoennijverheid en hare mogelijke verbeteringen betreft.
+
+Hij was gelukkig, want iedereen rondom hem loofde en beminde hem....
+Evenwel was zijn hemel niet geheel zonder wolken. Zijn vader werkte
+nog altijd op de fabriek! De droom des jongelings was dus nog niet
+verwezenlijkt, het doel zijns levens nog verre van bereikt te zijn.
+Hij hadde wel gewild, dat zijn vader ophield van werken; maar zijne
+ouders en hij zelf waren nu in hunne nieuwe woning aan zekeren
+welstand gewend. Men kon dien toestand niet verlaten om een meer
+bekrompen leven te hernemen, en zijne jaarwedde alleen was niet
+toereikend om in de onkosten van het huishouden te voorzien. Deze
+overweging was hem soms nog eene oorzaak van voorbijgaand verdriet ...
+en daarbij, wanneer hij alleen was en droomde, tooverden zijne
+gepeinzen hem nog dikwijls terug in zijne schoone zoete kindsheid. Dan
+voelde hij in zijn hart eene ledigheid, eene onoverwinnelijke
+treurnis, eenen geheimzinnigen worm, die wel zachtjes knaagde, doch
+niet wilde sterven....
+
+Op zekeren morgen dat Bavo op zijn bureel trad en, in de afwezigheid
+van den meester-klerk, zich aan het schrijven had gezet, kwam eene
+meid hem zeggen, dat M. Raemdonck hem verlangde te spreken en in de
+zaal op hem wachtte.
+
+Toen hij zich voor den eigenaar der fabriek aanbood, deed deze hem
+nederzitten en zeide:
+
+"Mijnheer Damhout, toen ik door eigene beweging en door aanbeveling
+van den heer burgemeester u op mijn bureel toeliet, hoopte ik, dat gij
+mijne bescherming door leerzaamheid en vlijt zoudt erkennen. Ik heb
+mij niet bedrogen; integendeel, ik heb mijn genoegen in u gevonden, en
+gij hebt mij veel voordeel aangebracht in mijne zaken. Uwe durende
+liefde voor uwe ouders heeft mij daarenboven een waar gevoel van
+vriendschap en achting voor u ingeboezemd. In een woord, gij zijt een
+braaf jongeling en ik ben uiterst tevreden over u. Ik weet, dat uw
+schoonste droom, het voorname doel uwer werkzaamheid, daarin bestaat,
+uwen vader van allen arbeid te ontslaan en uwe moeder door levensgemak
+en zekere weelde voor hare vroegere opofferingen te beloonen. Het
+middel om u dat doel te laten bereiken, is mij nu aangeboden; en
+alhoewel gij nog jong zijt, wil ik nochtans u toonen, dat ik
+vertrouwen heb in uwe ervarenheid en in uwe trouw. De oom van den
+meester-klerk is gisteren overleden; M. Pasmans geeft zijn ontslag en
+gaat zijn geboortedorp bewonen. Gevoelt gij u bekwaam mijn
+meester-klerk te zijn?"
+
+"O, mijnheer!" zuchtte Bavo, "ware ik niet bekwaam, ik wierd het uit
+dankbaarheid voor uwe uiterste goedheid!"
+
+"Het is, mijn vriend, dat daar eene jaarwedde van drieduizend
+vijfhonderd franken aan vast is; ja, vier duizend franken, met zekere
+bijzaken. Dit is tamelijk veel voor een jongeling van tweeentwintig
+jaar. Zal deze aanzienlijke vermeerdering u niet schadelijk zijn? Gij
+zijt in de gevaarlijkste jaren...."
+
+"Beproef mij, ik bid u, mijnheer, al ware het gedurende een gansch
+jaar!" zeide Bavo smeekend "Wat gij mij aanbiedt, is het geluk, dat ik
+voor mijne ouders heb gedroomd. Oh, indien ik mij uwer grootmoedigheid
+ooit onwaardig toon, jaag mij weg, veracht mij; maar neen, neen, ik
+zal mijnen wil en mijne pogingen overspannen, en, is het mogelijk, u
+bewijzen, dat uwe weldaad mijne krachten heeft verdubbeld."
+
+"Ik geloof u, mijn vriend; de liefde tot uwe ouders zal uw
+engelbewaarder zijn. Wees dus meester-klerk, en dat het schoone doel
+uws levens zij bereikt. Gij kunt iemand van het klein bureel nemen om
+de brieven af te schrijven, totdat wij eenen anderen klerk vinden om
+uwe plaats in te nemen."
+
+M. Raemdonck stond op, naderde tot den jongeling en drukte hem de
+hand.
+
+"Proficiat, meester-klerk," zeide hij. "Ga nu in de fabriek; want gij
+brandt ongetwijfeld van ongeduld om uwen vader het goede nieuws te
+dragen?"
+
+Bavo ging niet heen; hij bleef in gedachten voor zijnen meester staan.
+
+"Welnu, hebt gij mij nog iets te zeggen?" vroeg deze.
+
+"Mijnheer, ik wilde u een verzoek doen."
+
+"Spreek, mijn vriend."
+
+"Het is zonderling genoeg, mijnheer, maar gij zijt zoo goed voor mij.
+Ik zou wenschen, dat gedurende eenige maanden niemand iets van mijne
+nieuwe benoeming wist; mijne ouders insgelijks niet. Dat men ten
+minste vooronderstelde, dat mijne jaarwedde voorloopig nog niet is
+verhoogd."
+
+"Welke vreemde gedachte is dit!" kreet M. Raemdonck verwonderd.
+"Waarom toch die geheimhouding?"
+
+"Het is, mijnheer, dat ik mijnen ouders eene blijde verrassing wil
+aandoen, en daartoe zou ik eenigen tijd moeten kunnen sparen, zonder
+dat zij het weten."
+
+"Welke verrassing?"
+
+"Ik weet het nog niet, mijnheer; een geschenk, iets dat hen in eens
+gelukkig zou maken. Ik zal het u zeggen en uwen goeden raad vragen,
+zoohaast ik daarover een besluit heb genomen.... En indien ik
+gedwongen was u een voorschot op mijne jaarwedde af te smeeken?"
+
+"Ho, voor zulk liefderijk doel moogt gij mij niet sparen. Mijne kas
+staat voor u open, ten minste zoolang gij binnen de palen der
+redelijkheid blijft."
+
+Bavo, onder het uiten eener vurige dankzegging, verliet de zaal en
+begaf zich naar zijn bureel. Hij deed eenen helper van het klein
+bureel komen en zette hem onmiddellijk aan het werk. Intusschen dacht
+hij aan hetgeen hij M. Raemdonck had gezegd en aan het geschenk,
+waarmede hij voornemens was zijne ouders te verrassen en gelukkig te
+maken. Zijn ontwerp was sedert jaren reeds in zijn hoofd vastgesteld;
+maar hij had het niet aan zijnen meester durven zeggen, uit vrees dat
+hij zelf nog van gedachte kon veranderen. Na lange overweging toch
+bleef hij bij zijn eerste besluit.
+
+Toen hij met zijne ouders en zusters aan het middagmaal zat vertelde
+hij hun, dat de oude meester-klerk zijn ontslag had gegeven, omdat
+zijn oom, die nu gestorven was, hem een rijk erfdeel had nagelaten. M.
+Raemdonck had wel lust om Bavo tot meester-klerk aan te stellen; maar
+hij wilde het eerst eenige maanden beproeven, aangezien de jonkheid
+van Bavo.
+
+Zoo deed hij voor de oogen zijner ouders de hoop glinsteren, dat hij
+welhaast aanmerkelijk zou worden verhoogd, en hij verborg niet, dat,
+indien dit geluk hem ten deel viel, hij niet meer zou lijden, dat zijn
+vader een oogenblik langer werkte. Hij zou dan in zijne hooge
+jaarwedde de middelen vinden, om zijne moeder alle gemak te bezorgen
+en haar te laten leven als eene ware rentenierster. Hij was zoo
+vroolijk, zoo blijgeestig, dat hij iedereen deed juichen en in de
+handen klappen van hoop en vreugde.
+
+Eindelijk vertelde hij, dat de neef van M. Raemdonck, die lang te
+Parijs had verbleven en daar zelfs onlangs was getrouwd, naar Gent
+ging komen wonen. M. Raemdonck was op zoek naar een huis voor zijnen
+neef. Groot moest het niet zijn, maar fraai en zindelijk. Hij zou het
+voorzien met schoone meubelen en alles in gereedheid brengen tegen de
+overkomst van zijnen neef met zijne jonge vrouw. Bavo sprak er van,
+omdat zijn meester hem had verzocht eens rond te zien, welke huizen
+van dien aard zoo al te huur hingen; en de jongeling, die niet veel
+tijd had, spoorde zijne moeder aan om eens uit wandelen te gaan in de
+beste straten, niet verre van de fabriek, en te zien of er zulke
+huizen niet te huur hingen, opdat hij het alsdan aan zijnen meester
+zou kunnen zeggen.
+
+Reeds des avonds, bij zijnen terugkeer van de fabriek, vernam Bavo van
+zijne moeder, dat er nette burgerhuizen te huren hingen in de
+Mageleinstraat, in de Lange Meere en in de Kruisstraat, niet verre van
+Sint-Baafskerk. Dit laatste was misschien wat klein; maar het was
+nieuwerwetsch en het opschrift meldde, dat het eenen hof had.
+
+Bavo bracht twee dagen later aan zijne moeder de dankzegging van M.
+Raemdonck, die het huis in de Kruisstraat, bij Sint-Baafskerk, naar
+zijnen zin had gevonden en het onmiddellijk had gehuurd.
+
+Sedert dien sprak Bavo nog dikwijls van dit huis en roemde de pracht
+der meubelen, welke zijn meester er in deed zetten, en de smaakvolle
+inrichting van alles. M. Raemdonck had hem reeds tweemaal er naartoe
+geleid, en deed hem de eer aan, hem te raadplegen over de schikking
+van het huis en het aanleggen van den kleinen tuin.
+
+De jongeling verwekte door zijne herhaalde beschrijvingen de
+nieuwsgierigheid zijner moeder zoodanig, dat zij den wensch uitdrukte
+om het schoone huis eens van binnen te mogen zien. Bavo beloofde de
+toelating zijns meesters te vragen; maar men moest nog eenige weken
+wachten, totdat de woning der nieuwgetrouwden geheel in orde zou zijn.
+
+Eindelijk, op eenen zaterdagavond, toonde hij juichend eenen grooten
+sleutel en zeide, dat M. Raemdonck hun allen toeliet het huis van
+onder tot boven te bezichtigen en zelfs eenen ganschen namiddag in den
+hof door te brengen. Hij zou er eene goede flesch wijn gereed zetten,
+en hij verzocht Bavo deze met zijne ouders op zijne gezondheid te
+ledigen. Het was morgen Zondag. Even na het middagmaal te hebben
+genomen, zou men naar het huis in de Kruisstraat gaan en er een uurtje
+of twee blijven. Dit zou een waar feestje zijn!
+
+Inderdaad, nauwelijks gunde men zich des anderen daags tijd om te
+eten, zoo ongeduldig waren Bavo's zusters. Men trok, vroolijk en
+koutende van hetgeen men ging zien, in de richting van Sint-Baafskerk.
+
+In de Kruisstraat gekomen, bleef men voor het huis staan, om den gevel
+te beschouwen; er was een klein balcon, waarvan veelkleurige bloemen
+in kransen nederdaalden; er stonden insgelijks bloemen achter de
+vensters, meestal roode fuchsia's, en dit deed moeder Damhout
+opmerken, dat zij altijd eene soort van voorliefde voor die
+koraalroode bellekens had gehad.
+
+Toen de deur geopend was, zeide Bavo tot zijne zusters, die maar
+seffens al de deuren der kamers wilden openen:
+
+"Neen, neen, zoo niet; het schoonste voor het laatste. Anders zouden
+wij niet veel vermaak van ons bezoek hebben. Laat ons eerst in den hof
+gaan; moeder ziet zoo gaarne bloemen."
+
+"En ik dan?" bemerkte Adriaan Damhout. "Toen ik jonger was, woonden
+mijne ouders op Ledeberg. Wij hadden een hoveken. Ik liet er eten en
+drinken voor; den geheelen Zondag nanoen was ik aan het werk, en ik
+had de schoonste aurikels en de schoonste violieren van geheel het
+voorgeborcht."
+
+Zij kwamen in den tuin; hij was niet zeer uitgestrekt; maar de paden
+slingerden liefelijk, de zon scheen mild op een gedeelte des gronds,
+en er was zulk een overvloed van bloemen, dat de meisjes de handen
+boven het hoofd hieven en vooruitspringende riepen:
+
+"Ho, wat is dit hier schoon en frisch! en welke zoete geuren!"
+
+Meer rustig, in schijn ten minste, wandelde Bavo met zijne ouders door
+de paden, toonde hun al de bloemen, plukte hun takjes van geurig kruid
+en bracht hen zoo onder een looverhuisje, waar zij zich lachend
+nederzetten, om het gezicht des tuins een oogenblik op hun gemak te
+genieten.
+
+Hier stond op de tafel een porseleinen pot met tabak, die er bij
+nederhing, en daarnevens lagen vier of vijf lange Hollandsche pijpen.
+
+"Zie," murmelde Adriaan verwonderd, "ik wist, dat M. Raemdonck soms
+eene sigaar rookt; maar het is waar, zooals men zegt, vele heeren
+rooken te huis op hun gemak eene pijp."
+
+"Gij begrijpt niet, vader," bemerkte Bavo. "Mijnheer heeft de tabak en
+de pijpen daar doen zetten, opdat gij volgens uwen lust hier zoudt
+kunnen rooken."
+
+"Onmogelijk, Bavo."
+
+"Hij heeft het mij zelf gezegd, vader. Gij moet rooken om hem plezier
+te doen."
+
+"Welke goedheid toch! Dan zal ik het maar wagen; want de tabak ziet er
+bijzonder goed uit. Een trek of drie: het is slechts om onzen
+edelmoedigen meester te voldoen."
+
+Hij ontstak zijne pijp, deed den rook in wolkjes tot onder het loover
+van het prieel klimmen, en zeide dan glimlachend en blijde:
+
+"Lekkere tabak! Wat zijn die rijke menschen toch gelukkig. Ziezoo, op
+deze bank met het gezicht op dien schoonen hof en met mijne pijp in
+den mond, zou ik mijn leven willen slijten."
+
+"Gij bedriegt u, vader," wedersprak hem Bavo. "Er is nog iets, dat gij
+zoudt doen."
+
+"Ja, uit visschen gaan, niet waar? Dit doe ik uitnemend gaarne; het
+zou mij dienen om mijn vermaak een beetje af te wisselen."
+
+Onderwijl waren de beide meisjes nog altijd bij de bloemen; ze moesten
+ze een voor een zien, ze vergelijken en over hunnen geur en over hunne
+schoonheid oordeelen.
+
+Vader Damhout legde zijne pijp neder; hij zou ze straks voortrooken;
+maar nu moest men het ongeduld der moeder voldoen en het huis
+bezichtigen.
+
+Bavo bracht hen eerst in een paar kamers, die wel fraai geschikt
+waren, doch niet veel bijzonders aanboden. In de keuken bewonderde
+vrouw Damhout de schoone, versierde kookstoof en de glinsterende
+ketels, pannen en potten, die langs de wanden prijkten.
+
+In den kelder lag eene ton bier op hare stelling; een gemetste bak
+bevatte een zeker getal flesschen wijn, en er stond zelfs een groote
+oplegpot, die ongetwijfeld eenen voorraad boter bevatte.
+
+Dit deed de Damhouts zeggen, dat M. Raemdonck niets had vergeten, en
+zijn neef alles in gereedheid zou vinden, als hadde hij zelf het huis
+sedert lang bewoond.
+
+
+[Illustratie: Ziehier eene amandelbeschuit.]
+
+
+Op den zolder hingen, op de gespannen droogkoorden, eenige vischnetten
+van verschillenden vorm uitgespreid, alle nieuw en met veel zorg
+gemaakt. Vader Damhout was daar kenner van. Ook nam hij ze in de
+hand, beproefde de sterkte van het garen en mompelde in zich zelven:
+
+"Gelukkige lieden, ze hebben alles wat hun hart kan wenschen!"
+
+"Nu naar de zaal, naar de schoonste kamer!" riep Bavo. "Daar zult gij
+wat anders prachtige dingen zien; en wij gaan er op de gezondheid van
+M. Raemdonck de flesch lekkeren wijn drinken, die hij ons heeft
+geschonken."
+
+Toen Bavo de zoogezegde zaal opende, ontvloog hun allen een kreet van
+bewondering. Dat waren alle prachtige meubelen van glimmend
+mahoniehout! Printen in gouden lijsten aan den wand, een zacht tapijt
+met roode bloemen op den grond, een verguld uurwerk en getakte
+kandelaars op de schouwplaat, stoelen met kussens, en twee zetels met
+ruggen, die hunne armen uitstaken en schenen te zeggen: "Ik ben zoo
+zacht, kom, rust wat op mij!"
+
+Het was ook wel wat de meisjes eerst en daarna de ouders deden; maar
+Bavo wenkte zijne moeder en toonde haar een klein tafeltje, waarvan
+het deksel kon worden opgeheven. Daaronder, als in een koffertje, lag
+allerlei glinsterend naai en borduurgerief, zoo rijk en schoon, dat
+het de oogen der verbaasde vrouw en der verwonderde meisjes deed
+schemeren.
+
+"Nu het glas wijn op de gezondheid van ... van ... dit gaan wij zien!
+Aan tafel, aan tafel!"
+
+En hij opende eene kas, nam er eene flesch en roemers uit en schonk
+den wijn. Ieder wilde zijn glas aangrijpen om ter eere van M.
+Raemdonck te drinken; maar Bavo weerhield hen.
+
+"Wacht een oogenblik," zeide hij, "er is ook iets om te eten! Ziehier
+eene amandelbeschuit, die mijnheer Raemdonck niet heeft gegeven; en
+het is ook op zijne gezondheid niet, dat wij allereerst gaan
+drinken...."
+
+"Wat is dit?" kreet Amelia, het oudste meisje. "Die suikerletters op
+de taart? Weet gij, moeder, wat er op te lezen staat?"
+
+"Ha, ha, lang leve Christina, onze goede moeder! Dit staat er op!"
+kreet Bavo, zijn glas in de hoogte heffende. "Het is heden haar
+naamdag. Lang, lang moge zij leven!"
+
+"Lang, lang moge zij leven!" herhaalden de anderen, hun glas in de
+hoogte heffende.
+
+"Wat zonderlinge gedachte van Bavo, u in dit huis te besteken!"
+juichte Amelia. "Ha, dit is aardig!"
+
+"En nu, moeder," zeide de jongeling op plechtigen toon en met eenen
+traan van geestdrift in de oogen, "nu gaat degene, die u alles
+verschuldigd is op de wereld, zijne geleerdheid, zijn geluk, zijne
+toekomst, u een geschenk doen, een geschenk, waarvan hij sedert zijne
+kindsheid heeft gedroomd, aan u en aan den armen fabriekwerker, die
+voor zijnen zoon heeft geslaafd en geleden. Gij hebt dit huis gezien,
+den hof, de bloemen, de netten? Dit alles hoort u toe. Ik heb het huis
+gehuurd, ik heb de meubelen gekocht. Hier zult gij wonen. Vader mag
+niet meer werken; hij zal zijn pijpje rooken, bloemen kweeken, gaan
+visschen. Wij zijn rijk, ik ben meester-klerk, ik win vierduizend
+franken! God zij gezegend, dat Hij mij toelaat uwe liefde te beloonen.
+Moeder, vader, zet u op uw gemak: gij zijt ten uwent!"
+
+Vrouw Damhout was zoo diep getroffen, dat zij eenen steun op de tafel
+zocht, als ging zij bezwijmen; maar zij richtte zich weder op, vloog
+haren zoon om den hals en drukte hem met koortsige teederheid aan haar
+kloppend moederhart. Damhout, stom van verbaasdheid, stortte blijde
+tranen, de meisjes klapten in de handen en dansten met
+uitgelatenheid....
+
+Toen Bavo dien avond weder nevens zijne moeder in het andere huis zat,
+was hij sedert eene wijl zeer stil en als treurig. Hij zeide haar, dat
+hij zeer vermoeid was; maar vrouw Damhout zag wel, dat iets anders
+zijnen geest benevelde.
+
+Zij murmelde eindelijk met teruggehoudene stemme:
+
+"Bavo, gij denkt aan iemand. Ik insgelijks, mijn zoon. Wanneer men zoo
+gelukkig is, niet waar, dan zou men al degenen, die men ooit heeft
+bemind, willen gelukkig zien?"
+
+"Ja, moeder," antwoordde hij, "de mensch is zijne gedachten niet
+altijd meester; maar het beteekent niets. Het is eene herinnering
+mijner kindsheid, die tegen mijnen dank opwelt in mijn hart."
+
+
+
+
+XII
+
+
+Op eenen Zondag, bij het vallen van den avond, verlieten eene reeds
+bejaarde vrouw en een jong meisje de enge stege, waar de Damhouts
+vroeger hadden gewoond. Hunne slechte kleederen, hun onzekere stap en
+hunne zichtbare schuchterheid, alles in hen getuigde niet alleen van
+groote ellende, maar tevens van eene diepe moedeloosheid. Zij gingen
+traag, zwijgend en met gebogen hoofde nevens de huizen, als
+nedergedrukt onder een gevoel van schaamte of van geheime
+verschriktheid.
+
+Er was echter tusschen beider opzicht een merkelijk verschil. Terwijl
+de vrouw als iemand, die sedert lang aan de armoede is gewend, om zoo
+te zeggen met lompen was behangen, had het meisje wel klaarblijkend
+alle moeite ingespannen om de uiterlijke teekens der ellende zooveel
+mogelijk te verbergen. Hare kleederen, alhoewel zeer versleten, waren
+van eene uiterste reinheid; en hare muts, ofschoon geschift en
+genaaid, was sneeuwwit.
+
+Wanneer zij bij geval het hoofd ophief om eenen voorbijganger te
+mijden, bezag men haar met verrassing, als ware men verwonderd, zulke
+wezenstrekken onder dat ellendig kleedsel te vinden.
+
+Inderdaad, het arme meisje was zeer schoon; in hare blauwe oogen,
+alhoewel nu door de smart verduisterd, glom eene vonk van gevoel en
+verstand; hare wangen waren zuiver en haar voorhoofd lelieblank.
+Daarenboven, er was in de snede harer kleederen, in de rijzigheid
+harer leden, in de ingetogenheid van haren gang iets onderscheidens,
+dat niet twijfelen liet of de jonge maagd moest eene goede opvoeding
+hebben genoten.
+
+Welk pijnlijk voorval had toch deze ongelukkige van eenen hoogeren
+stand in zulke diepe ellende nedergerukt, dat men ze nu met hare oude
+gezellin moest aanzien als schamele menschen, die waarschijnlijk op
+weg waren om hier of daar eene aalmoes te gaan afbedelen?
+
+Zonder een woord met elkander te wisselen, hadden zij de Nederschelde
+bereikt, en naderden nu tot de Wijngaardbrug. Daar zeide de vrouw met
+bedwongene stem:
+
+"Heb moed, mijn kind. Gij gaat zoo langzaam. Zijt gij vervaard?"
+
+"Ja, moeder, ik weet niet, mijn hart klopt zoo angstig!" zuchtte het
+meisje.
+
+"O, hemel! vreest gij nu, dat de Damhouts ons gebed zouden kunnen
+verstooten? Doe mij niet beven. Eilaas, wat zou er dan van ons
+geworden?"
+
+"Vrouw Damhout zal ons helpen, moeder, daaraan twijfel ik niet," was
+het stille antwoord. "Een hart als het hare kan niet ongevoelig
+blijven voor ons ongeluk; en wanneer ik met tranende oogen hare vorige
+genegenheid voor het arme Lieveken zal inroepen...."
+
+"Zeker, en vermits zij nog rijker zijn dan men ons te Rijssel had
+gezegd? Ach, Godelieve, wat wij nu gaan beproeven, is eene pijnlijke
+poging, voor u bovenal, ik weet het; maar de nood is een onmeedoogende
+dwingeland."
+
+"De Damhouts zijn rijk, zeer rijk!" morde het meisje op eenen hollen
+toon, waarvan de zonderlinge siddering de vrouw verraste.
+
+"Maar des te beter, Godelieve," zeide zij. "God zij gezegend, dat Hij
+hun de middelen schonk om ons te helpen."
+
+"Eene aalmoes gaan vragen, moeder! Aan ... aan de Damhouts! Ik, het
+kleine Lieveken, die zij zoo teeder hebben bemind, die met hen dorst
+droomen van toekomst en van geluk! O, mijne schoone kindsheid, hoe
+tergend ontstaat gij voor mijne oogen! Bedelaresse? Lieveken eene
+bedelaresse!"
+
+"Neen, kind, wees niet zoo wreed voor u zelve. Wij komen hulp vragen,
+ja, maar bedelaressen zijn wij toch niet."
+
+Zij stapten voorbij de kerk van Sint-Baafs; het meisje scheen door
+eenen geheimen invloed naar de zijdeur des tempels gedreven en had,
+zonder het te weten misschien, zich half omgekeerd.
+
+De vrouw weerhield haar en zeide:
+
+"Maar, Godelieve, wat doet gij nu? Rechtdoor moeten wij gaan; ginder
+is de Kruisstraat."
+
+"De schaamte, de schrik, moeder; mijne ziel wil bidden, sterkte
+vragen; want nu wij de plaats naderen, waar ik de smeekende hand tot
+... tot vrouw Damhout zal uitsteken, ontsnapt mij alle moed."
+
+"De avond valt, Godelieve; wij mogen niet wachten totdat het gansch
+donker is. Kom, mijn kind, het is een smartelijk oogenblik, inderdaad;
+maar het zal haast doorgestreden zijn. Wij zullen hier, bij het
+Heilig Graf, God voor zijne barmhartigheid komen danken of ... of
+tranen van wanhoop storten op diezelfde knielbank, waar wij zoo
+dikwijls hebben gebeden. Kom nu, het zal niet lang duren."
+
+Beiden vervorderden hunnen weg tot in de Kruisstraat, waar zij
+begonnen rond te kijken, om het huis te herkennen, dat men hun in de
+stege had aangeduid en beschreven. Dewijl het reeds half duister was,
+hadden zij eenige moeite om in hunne opzoeking te gelukken. Eensklaps
+zeide de vrouw:
+
+"Daar is het, Godelieve. Die schoone ronde deur, dat balkon. Welk
+prachtig huis! Wat moeten de Damhouts gelukkig zijn! Zij verdienen het
+ook wel, niet waar? Ach, mochten zij onze bede verhooren! Er is reeds
+licht in de benedenkamer. Godelieve, schep moed, mijn kind. Werp u aan
+de voeten van vrouw Damhout, bezweer haar bij hare vorige goedheid
+voor u. Zij zal ons redden, wees er zeker van."
+
+"Ja, moeder, de strijd is ten einde; ik gevoel mij weder eenige
+sterkte," murmelde de bange maagd.
+
+Toen zij het huis gingen naderen, bemerkte Godelieve door de
+vensterruiten, dat een man, een heer, in de verlichte kamer stond.
+Alhoewel hij den rug naar de straat hield gekeerd, sloeg dit gezicht
+haar met eenen onzeglijken schrik; maar op hetzelfde oogenblik deed de
+heer eene beweging en wendde zich naar het venster, op zulke wijze,
+dat het meisje zijn gelaat kon herkennen.
+
+Een versmachte angstschreeuw ontsnapte haar; zij begon op hare beenen
+te wankelen en leunde tegen den muur om niet neder te storten.
+
+Daar zag zij, dat hare moeder de hand naar de bel uitstak om te
+klinken. Zij sprong vooruit, trok de verbaasde vrouw van de deur weg,
+leidde haar met eene soort van koortsig geweld naar den donkeren kant
+der straat en verborg weenend haar hoofd op den boezem der vrouw,
+terwijl zij uitriep:
+
+"Moeder, moeder, hij is daar!"
+
+"Wie?"
+
+"Bavo!"
+
+"Welnu, God zij er om gedankt; hij zal zijne moeder tot barmhartigheid
+voor ons aansporen. Kom, overwin uwe schaamte...."
+
+"Onmogelijk, moeder!" snikte het meisje "O! spaar mij dat lijden, die
+vernedering, die wanhoop! Eene aalmoes vragen in zijne
+tegenwoordigheid ... aan hem? Eilaas, mijn hart breekt, ik zou
+bezwijmen voor zijne voeten, misschien zou ik sterven...."
+
+"Wilt gij dan, dat ik alleen ga?"
+
+"Ik zal u zegenen, u dankbaar blijven mijn gansche leven, moeder lief!
+Mijne ziel is verschrikt; het denkbeeld alleen van de hand tot hem uit
+te steken, vervult mij met eenen doodelijken angst."
+
+"Maar zij beminnen u meer dan mij; en indien zij mijn gebed verwerpen,
+omdat gij niet met mij zijt?"
+
+"Dan," kreet de maagd met overmatige ontsteltenis, "dan zal ik alle
+schaamte, alle gevoel in mijn hart versmachten. Ik zal tot hem, tot
+hem gaan, mij nederstorten voor zijne voeten, zijne knieen omhelzen,
+kruipen door mijne tranen. Ho, hij zal ons meer geven, dan wij noodig
+hebben ... maar er zal iets dood zijn in mij! Het is gelijk, ik zal
+mij onderwerpen, mijn wezen verloochenen en allen levensmoed verzaken,
+om de schande af te koopen en onze eer te redden."
+
+"Welnu, ik ben harder tegen de schaamte dan gij; ik zal het
+beproeven."
+
+Godelieve voegde de handen te zamen en zeide smeekend:
+
+"O, moeder, heb medelijden met mij! Noem mijnen naam niet in zijne
+tegenwoordigheid; verberg hem, dat ik met u ben gekomen; spreek hem
+niet, in 't geheel niet, van mij. Ik ga knielen voor het Heilig Graf
+in Sint-Baafskerk. Hoe vurig zal ik bidden! God zal u beschermen! In
+zijne eindelooze genade zal Hij mij misschien de noodlottige
+opoffering mijner menschelijke waardigheid sparen, dat eenige goed,
+waarvan het behoud mij sterkte gaf en mij worstelen liet tegen de
+akelige bitterheid mijns levens! Ga, moeder; ik zal wachten, angstig
+wachten voor het Heilig Graf. Noem mij niet, noem mij niet!"
+
+En deze laatste woorden stamelende, verwijderde zij zich met haast in
+de richting der Sint-Baafskerk.
+
+De vrouw zag haar een oogenblik achterna, schudde het hoofd en
+mompelde in zich zelve terwijl zij de straat overstapte:
+
+"Ik heb het gevreesd. Arme Godelieve. Zij is dubbel ongelukkig. Ik
+begrijp, dat haar het hart wreedelijk bloedt ... anders zou zij mij
+toch niet alleen laten gaan, zij, die uit liefde, uit goedheid haar
+leven zou opofferen om de smart eener vernedering van mij af te
+keeren. Welaan, ik zal moed hebben voor ons beiden. Oneer, schande,
+redding, blijdschap, wat wacht mij daarbinnen, o hemel!"
+
+Zij trok aan de bel en zeide tot de meid, die kwam openen, dat zij
+verlangde M. Damhout te spreken.
+
+De meid, die waarschijnlijk in de halve duisternis hare slechte
+kleederen niet bemerkte, opende de deur der kamer aan de straat, en
+bracht haar in de tegenwoordigheid van eenen jongen heer, die voor
+eene tafel was gezeten en in een boek scheen te lezen.
+
+Hij hief het hoofd op en beschouwde met zekere onaangename verrassing
+deze slechtgekleede vrouw. Zonder op te staan, zeide hij:
+
+"Komt gij om werk op de fabriek, vrouw? Bied u morgen op het bureel
+aan; ik zal zien of er plaats is voor u. Nu kan ik u dit niet
+verzekeren."
+
+"Ik wenschte M. Damhout te spreken," stamelde de vrouw.
+
+"M. Damhout? Die ben ikzelf."
+
+"Neen, uwen vader of uwe moeder, mijnheer."
+
+"Zij zijn den avond gaan doorbrengen bij vrienden, aan het ander einde
+der stad; heden zult gij ze niet kunnen zien. Keer morgen in den
+voormiddag weder."
+
+"Eilaas," zuchtte de vrouw, "ik, die uit Frankrijk kom en morgen vroeg
+moet vertrekken!"
+
+"Uit Frankrijk? Gij komt uit Frankrijk?" mompelde Bavo, terwijl hij
+met eene klimmende ontsteltenis de vrouw in het aangezicht schouwde.
+
+"Gij herkent mij niet, mijnheer? Inderdaad, gij waart nog jong, en de
+lange tegenspoed veroudert den mensch voor zijnen tijd."
+
+"Bazin Wildenslag? Gij zoudt de moeder zijn van ... de vrouw van Jan
+... Line Wildenslag? Onmogelijk!... Gij zijt dus ziek geweest?"
+
+"Ziek en ongelukkig, mijnheer."
+
+De jongeling had moeite om zich te bedwingen, hij was rechtgesprongen
+en had eene beweging gedaan als om haar de hand te grijpen; maar een
+nieuwe blik op hare ellendige kleeding, de herinnering aan het woest
+en onbetamelijk leven der Wildenslags misschien, weerhielden hem en
+hij liet zich weder op zijnen stoel zakken.
+
+"Gij zult tot morgen moeten wachten.... tenzij gij mij wildet
+toevertrouwen wat gij hun te zeggen hebt," sprak hij.
+
+"Ik kwam hen te voet vallen en hunne hulp afsmeeken, mijnheer. Wij
+verkeeren in een schrikkelijken nood; geene andere toevlucht blijft
+ons over dan de edelmoedigheid uwer ouders. Zeker, in onze ellende
+hebben wij het recht niet om de vorige vriendschap te herinneren, die
+zij ons onverdiend hebben gegund, maar zij zullen het aan diep
+ongelukkige menschen vergeven, dat zij nog in de liefdadigheid uwer
+goede moeder durven hopen."
+
+"Eene almoes!" mompelde Bavo als verschrikt.
+
+"Meer dan eene aalmoes, mijnheer; redding uit de schande, verlossing
+uit de eeuwige oneer!"
+
+"Ik begrijp u niet," zeide hij met mistrouwen. "Waar zijn dan uwe
+zonen, uwe dochter, uw man? Zij wonnen veel geld?"
+
+"Mijn man is dood, mijnheer; van mijne zonen is er een soldaat in
+Afrika, een woont te Rouaan, een andere te Mulhausen. Zij hebben
+kinderen en denken niet meer aan hunne arme moeder. Een eenige, de
+jongste, is met ons ... met mij te Rijssel. Het is voor hem, mijnheer,
+dat ik de hulp uwer ouders kom afsmeeken. Hij had werk bekomen in het
+magazijn eener fabriek. Gisteren deed men hem een pak naar den ijzeren
+weg dragen. De ongelukkige trad onderweg in eene herberg, vergat zich
+daar met eenige kameraden en verloor het hem toevertrouwde pak.
+
+De meester der fabriek beweert, dat mijn zoon het pak heeft gestolen
+en verkocht. Hij wil hem door de gendarmes uit het huis doen halen en
+hem als dief doen veroordeelen tot vijf jaar galei, zegt hij. O,
+mijnheer, wij hebben misschien onze ellende verdiend door een
+zorgeloos en verkwistend leven. Het ongeluk zegt het mij nu; maar toch
+leven wij eerlijk, en mijn arme zoon is aan niets anders plichtig dan
+aan eene laakbare nalatigheid. Hij is in den grond een goede jongen;
+hij heeft een gevoelig hart; hij eerbiedigt zijne moeder. Dat de
+armoede ons lot blijve, ik zal het verduldig verdragen als eene
+rechtvaardige straf; maar de oneer eener veroordeeling! Mijn zoon op
+de galei! Ik ben moeder en zou dien slag niet overleven, en mijne....
+O, mijnheer, gij kunt ons redden, met zoo weinig, weinig ten minste
+voor u, die rijk zijt! De meester van de fabriek wil alles vergeven en
+vergeten en onze verontschuldiging aanvaarden, indien wij hem voor
+morgenmiddag den prijs van het pak teruggeven. Honderd franken. Voor u
+is het schier niets, voor ons is het meer dan het leven. Laten mijne
+tranen u verbidden, heb deernis met menschen, die, ondanks
+verwijdering en tegenspoed, geenen enkelen dag opgehouden hebben met
+dankbaarheid aan u en aan uwe ouders te denken!"
+
+Zij viel geknield te midden der kamer neder en stak de handen bevend
+tot den jongeling op.
+
+Deze kon zijne ontroering niet meer meester blijven, wat geweld hij
+ook deed; hij ging tot haar, hief haar van den grond en sprak:
+
+"Bedaar, vrouw; ik begrijp uwen angst en uw ongeluk. Honderd franken
+kunnen u redden, zegt gij? Troost u, ik zal ze u geven. Zet u neder op
+den stoel. Ik heb u iets te vragen. Gij spraakt van uwe zonen ...
+maar uwe dochters?"
+
+"Mijne dochters?" stamelde bazin Wildenslag in verlegenheid.
+
+"Ja, uwe dochters, wat is er van hen geworden?"
+
+"Mijnheer, zij ... zij wonen diep in Frankrijk, zij zijn getrouwd...."
+
+"Getrouwd!" gromde Bavo met eene grijns op de lippen en eenen diepen
+angst in de oogen.
+
+Hij beschouwde eene wijl met zichtbare gramschap de verschrikte vrouw,
+die het hoofd op de borst hield gebogen en sprakeloos bleef.
+
+"Ja, ik zal u helpen, vrees niet," kreet hij met onderdrukte kracht,
+"maar hadde mijn medelijden met uwe moedersmart mij niet overwonnen,
+ik ware gevoelloos voor uwe smeekingen gebleven. Veel meer, ik hadde
+mij op u gewroken en u onmeedoogend ter deur gewezen; want gij, vrouw,
+gij hebt, zonder het te weten, mijn leven vergiftigd en mij in het
+geluk ongelukkig gemaakt."
+
+"Ik, mijnheer? O, hemel, gij bedriegt u voorzeker!"
+
+"Neen, ik bedrieg mij niet. Mijne moeder had in het hart uwer
+Godelieve de kiemen van deugd en plichtbesef nedergelegd; ik, onnoozel
+kind nog, ik had haren geest de eerste begrippen der geleerdheid
+medegedeeld, de geleerdheid, welke haar moest behoeden voor zedelijke
+verlaging en bederf des harten. Gij, hare moeder, wat hebt gij met uw
+goed en zuiver Lieveken gedaan? Gij hebt haar naar eene fabriek
+gezonden, om geld uit haar te trekken; gij hebt die teedere bloem
+prijs gegeven aan de woeste aanraking van grove menschen...."
+
+"Mijnheer, mijnheer, het is niet waar!" kreet bazin Wildenslag
+sidderende.
+
+Maar Bavo, als buiten zich zelven van ontsteltenis, onderbrak haar en
+hernam:
+
+"Laat mij spreken tot het einde; het is de laatste maal dat haar naam
+mijnen mond ontvalt. Ik herhaal het met verontwaardiging: wat hebt gij
+gedaan met het arme Lieveken? Ha, onnoodig mij te antwoorden, vermits
+men na twee jaar haar in eene stege te Douai verrast met den klomp in
+de hand, vechtende, scheldende en woorden sprekende, die zelfs eenen
+ruwen fabriekwerker van walg deden terugdeinzen. Ziedaar wat gij
+gemaakt hebt van uwe Godelieve. Nu is zij zelfzuchtig, ongevoelig, en
+er blijft in haar niets meer over van de fijnheid des gemoeds? Nu haat
+zij waarschijnlijk de moeder, die de zuivere ziel van haar kind
+verkocht voor wat geld?"
+
+"O, neen, neen, mijnheer, heb medelijden met mij! Godelieve is het
+eenige mijner kinderen, dat mij nog oprecht bemint, mijn eenige steun
+in het ongeluk!"
+
+"Het zij zoo, vrouw; misschien is er nog een goed gevoel in haar
+overgebleven, misschien heeft zij u het kwaad vergeven, dat gij haar
+hebt gedaan; maar ik toch vergeef het u niet, ik kan het u niet
+vergeven.... Ziehier de honderd franken, welke gij vraagt. Ga nu, en
+moge God u niet langer straffen voor uwe noodlottige dwaling ten
+opzichte van uw kind."
+
+Onder het uitspreken dezer woorden had hij de hand in eene lade van
+den schrijflessenaar gebracht, en legde nu vijf goudstukken voor de
+vrouw op de tafel. Deze beschouwde het geld met starende oogen en
+bevende lippen, deinsde terug en riep:
+
+"O, God, kon ik die hulp weigeren!... Maar neen, de eer mijns zoons,
+de eer mijner arme Godelieve! Ik moet bedaren, bukken als eene slavin
+onder zulke schreeuwende onrechtvaardigheid; mijn engelachtig kind
+hooren beschuldigen van laagheid, van bederf des harten! Ik bezwijk er
+onder; mijn moed breekt...."
+
+Zij liet zich op een stoel vallen en begon bitter te weenen.
+
+"Eene schreeuwende onrechtvaardigheid?" vroeg Bavo over hare
+uitroeping verwonderd. "Zijn mijne verwijten, hoe wreed ook, niet
+gegrond?"
+
+"Valsch, geheel valsch, mijnheer," kreet bazin Wildenslag onder hare
+tranen. "Wie was er laf genoeg, om u te komen zeggen, dat hij
+Godelieve heeft zien vechten en haar onbetamelijk heeft hooren
+schelden?"
+
+"Het is Steven Geerts, die haar in eene stege te Douai met den klomp
+in de hand heeft zien slaan."
+
+"Ach, ik herinner mij de droeve zaak; het was Godelieve niet, het was
+hare zuster Theresia, die inderdaad, voor het aangezicht ten minste,
+op haar gelijkt. Godelieve, mijnheer? Er is nooit een hard woord van
+hare lippen gevallen; zij is schoolmeesteresse geweest; zij heeft
+verstand, zij is goed als een engel, en haar hart is nog even zuiver
+als toen gij haar leerdet lezen."
+
+"Hemel, wat zegt gij daar altemaal?" stamelde Bavo, door den twijfel
+aangegrepen. "En zij is getrouwd?"
+
+"En zij heeft nooit toegelaten, mijnheer, dat een man haar zonder
+eerbied bezage, en zij is niet getrouwd."
+
+"Maar verklaar u, gij doet mij vergaan van ongeduld. Zeg mij, ik smeek
+u, welk was dan het lot van het arme Lieveken gedurende die acht lange
+jaren?"
+
+"Welaan, ik zal mijn verdriet bedwingen," zeide bazin Wildenslag, het
+hoofd oprichtende. "Om mijn edel kind, mijne goede Godelieve, te
+verdedigen, zal ik moed en sterkte vinden. Luister, mijnheer, gij zult
+vernemen wat ons en haar lot was sedert gij ons buiten de stadspoort
+een treurig vaarwel zeidet. Wij gingen naar Wazemmes, bij Rijssel, en
+vonden er veel en goed werk. Dewijl ik in mijne pogingen om Godelieve
+op eenen winkel van kleedermaaksters aanvaard te zien, niet kon
+gelukken, deed haar vader haar naar de fabriek gaan. Het arme kind kon
+het daar niet gewend worden en viel ziek van verdriet. Het duurde lang
+eer zij weder eenige krachten terugvond; dan, om toch iets te winnen,
+begon zij in ons huis eene kleine school te houden, om den kinderen
+onzer Vlaamsche geburen te leeren lezen."
+
+"En onze brieven, waarom liet gij die zonder antwoord?"
+
+"Uwe brieven? Wij hebben er slechts eenen ontvangen, en Godelieve
+heeft er op geantwoord."
+
+"Wij schreven er nog drie andere."
+
+"Daarvan weet ik niets, mijnheer."
+
+"Uw man ontving ze op de fabriek. Heeft hij ze misschien
+achtergehouden of vernietigd?"
+
+"Het is wel mogelijk, mijnheer; hij meende, dat het voor Godelieve
+beter was geene betrekking meer te hebben met menschen, die te verre
+boven onzen stand waren; want wij wisten door eenen kameraad van
+Gent, dat gij klerk geworden waart bij M. Raemdonck, en Godelieve
+zeide altijd, dat gij onfeilbaar rijk zoudt worden."
+
+"En waarom schreef Godelieve dan niet eens om tijding van ons te
+hebben?"
+
+De vrouw wachtte een oogenblik en zuchtte dan:
+
+"Wij arme, gemeene fabriekwerkers? En toch, ik heb dikwijls Godelieve
+aangeraden u te schrijven; maar het verschrikte haar; er was te veel
+verschil tusschen uwe ouders en ons; zij dorst niet schrijven."
+
+"Ga voort, vrouw, ik zal u niet meer onderbreken," zeide de jongeling.
+
+"Ach, onze geschiedenis is kort, mijnheer," hernam bazin Wildenslag.
+"Mijn man en mijne zonen leidden een zorgeloos leven. Zij bleven
+dikwijls halve weken zonder te willen werken, zoodat zij zich den
+toegang tot vele fabrieken zagen weigeren. Wij vertrokken altezamen
+naar Rouaan. Daar hield Godelieve weder school in ons huis, en leerde
+er de kinderen der Fransche werklieden; want door altijd Fransch te
+hooren spreken, had zij in die taal spoedige vorderingen gemaakt. Zij
+had veel te lijden van hare woeste broeders en afgunstige zusters,
+omdat zij altijd zindelijk was gekleed en door iedereen, als een
+voorbeeld van zedigheid en beleefdheid, werd geprezen en geacht. Eene
+dame der stad bezorgde haar eindelijk eene goede plaats als
+leermeesteresse in eene groote kostschool van jonge juffrouwen. Daar
+bleef zij twee volle jaren, niets van hare jaarwedde behoudende dan
+wat haar noodig was om zich de kleederen aan te koopen, welke zij
+natuurlijk in hare kostschool hoefde te dragen, ten einde niet te veel
+tegen de andere meesteressen af te steken. Al het overige bracht zij
+naar huis om ons te helpen; want haar vader was ziek geworden, en van
+mijne andere kinderen waren de meeste getrouwd of ongetrouwd in het
+rond alleen gaan wonen; en de twee jongens, welke met ons bleven,
+gaven minder van hun dagloon af dan hun kost en hun onderhoud
+bedroegen. De kwaal van mijnen man verergerde langzaam; het was eene
+kwijnziekte, die hem allengskens scheen uit te putten en ons deed
+vreezen, dat hij niet meer zou genezen. Dan gebeurde er iets, dat ons
+in de bitterste ellende moest storten. Een mijner zonen, die sedert
+als soldaat naar Afrika is vertrokken, een woestaard, een gevoellooze
+verkwister, was reeds meer dan eens, tot schande der arme Godelieve,
+aan hare kostschool gaan bellen om haar geld te vragen. Dit mishaagde
+de meesteresse van het gesticht zeer; maar uit genegenheid voor
+Godelieve had men geduld gehad, zoolang totdat eens mijn baldadige
+zoon, door den drank verblind, binnen de kostschool drong en daar,
+door scheldwoorden en gewelddaden, zijne zuster eene groote somme
+gelds wilde afdwingen. Hij joeg den lieden zulken schrik aan en
+ontstichtte de leerlingen op zulke onbehoorlijke wijze, dat Godelieve
+hare plaats verloor en, schier half dood van schaamte en wanhoop, naar
+huis kwam. Haar broeder, die wel gevoelde, dat hij ons allen
+ongelukkig had gemaakt, vertrok des anderen daags om dienst te nemen
+in het vreemdenlegioen voor Afrika. Godelieve, wier moed en opoffering
+onuitputtelijk zijn, begon onmiddellijk rond te zien om weder eenige
+leerkinderen te zamen te krijgen, en wat naaiwerk te vinden; maar het
+gelukte haar niet spoedig genoeg. De armoede stond voor onze deur, en
+wij schrikten van de droeve toekomst, die ons bedreigde. Misschien
+had mijn arme man een geheim voorgevoel, dat hij niet lang meer zou
+leven. In hem ontstond eensklaps eene onverwinnelijke begeerte om
+terug naar Vlaanderen te gaan. Wij wilden hem dit besluit uit het
+hoofd stellen; Godelieve bovenal, waarom, ik weet het niet, beefde bij
+het gepeins alleen, dat wij de stad Gent nog zouden wederzien. Er was
+niets aan te doen; want hij smeekte ons met overvloedige tranen, hem
+toch niet op vreemden grond te laten sterven. De lucht van Vlaanderen
+zou hem genezen, hij was er van overtuigd. Wij verkochten onze
+meubelen en ons huisraad, om op den ijzeren weg of met de diligence te
+reizen, en vertrokken op eenen zekeren morgen naar het geboorteland.
+Van al mijne kinderen wilde niemand ons volgen dan Godelieve alleen.
+Mijn man had te veel van zijne krachten verhoopt. Alhoewel hij
+onderweg dreigde te bezwijken, wilde hij toch de reis niet staken;
+maar toen wij het voorgeborcht der stad Rijssel bereikten, kon hij
+niet verder en viel buiten kennis in de herberg, voor welke wij ons
+hadden doen afzetten. Hij bekwam echter een beetje, nadat hij eenige
+uren had gerust. Wij bleven twee dagen in de herberg; maar onze
+weinige geldmiddelen waren schier ten einde. Wij vonden niet verre van
+daar een klein werkmanshuisje, dat ledig stond, huurde het en brachten
+er onzen armen zieke naartoe. Een slecht bed, een paar stoelen, eene
+oude kachel en twee of drie stukken keukengerief, ontnamen ons, tot
+den laatsten frank, al wat wij bezaten.... Luister nu, ik bid u,
+mijnheer, en moget gij den moed en de zielegoedheid van mijn kind
+bewonderen, zooals zij het verdient! Dan kwam eene wreede ellende ons
+bezoeken; ik werd van schrik en wanhoop bijna zinneloos. Geen voedsel,
+geen hulp voor mijnen stervenden man, geen uitzicht dan de honger voor
+ons en een akelige dood voor hem. Hoe zal ik het engelachtig gedrag
+van Godelieve beschrijven? Zij bracht geld in huis, zij deed den
+dokter komen en betaalde de medicijnen. Waar zij de middelen haalde,
+dorst ik haar niet vragen; maar ik bemerkte wel, dat eerst hare
+oorringen, dan haar gouden kruis, en dan allengs hare schoone
+kleederen verdwenen, zoolang tot haar niets meer overbleef dan
+voorwerpen zonder waarde. Eindelijk moesten ook mijne zondagskleederen
+worden opgeofferd. Ik sprak van mijnen man in het hospitaal te zien te
+krijgen; maar hij smeekte weenend om genade, en Godelieve wilde er
+niet van hooren. Dan hebben wij naar Rouaan geschreven, om hulp van
+onze kinderen te hebben. Mijn jongste zoon alleen heeft geantwoord,
+dat hij zou komen om voor ons te werken; doch hij had zich in zijne
+fabriek sterk aan den arm gewond en liet ons wachten totdat het te
+laat was. Dit heeft zoo bijna eene gansche maand geduurd, mijnheer,
+eene gansche maand, dat Godelieve elken nacht op eenen stoel bij het
+bed haars vaders bleef gezeten, hem troostende, hem sprekende van
+genezing, van Gods barmhartigheid en van een beter leven in den hemel.
+Geene klacht in haren mond; zij lachte, zij was vroolijk, de goede, om
+moed te geven. O, mijnheer, de woorden ontbreken mij om u te zeggen,
+wat Godelieve in die schrikkelijke dagen voor ons gedaan heeft.
+Oordeel er over: gedurende de laatste week zijns levens heeft mijn
+arme man, door de teedere zorgen, door de liefderijke vertroostingen
+van zijn kind verleid, haar aangezien voor eenen engel, en niet
+anders meer tot haar gesproken dan tot een wezen, door God gezonden om
+zijnen doodsstrijd zacht te maken, en hem den hemel te wijzen. En,
+mijnheer, het was niet omdat haars vaders geest door de ziekte was
+verzwakt, o neen, ik, hare moeder, ik verkeerde in dezelfde dwaling.
+Er kwam een oogenblik dat hare onbegrijpelijke opoffering mij
+nederwierp voor hare voeten en dat ik, van dankbaarheid en bewondering
+zinneloos, voor mijn kind knielde als voor het zuiverste beeld van
+Gods goedheid zelve. Ach, haddet gij mijnen armen man zien sterven,
+met eenen zaligen lach zijne dochter aanschouwende, en nog, tot
+vaarwel, de hand van zijnen troostengel kussende."
+
+Zij smolt in tranen weg en liet het hoofd op de borst vallen.
+
+De jongeling had dit verhaal met eene klimmende ontroering aangehoord;
+de uitdrukking zijns gelaats was een zonderling mengsel van medelijden
+en geheime fierheid, van smart en van blijdschap. Op het einde echter
+had de deernis met het bitter lot der Wildenslags hem overwonnen;
+sedert eene wijl leekten er stille tranen op zijne wangen.
+
+Hij stond op, ging tot de vrouw, greep haar de hand en zeide:
+
+"Arme bazin Wildenslag, wat hebt gij geleden! Ik beschuldigde u zoo
+wreedelijk. O, vergeef het mij! Wees gedankt; want ik begrijp aan uwe
+woorden, aan uwe moederlijke ontroering, dat gij hebt medegeholpen om
+uwe Godelieve de loopbaan te laten betreden, die hare deugd en hare
+geleerdheid haar voorschreven. Kom, troost u; ik zal mijne ouders
+over u spreken; wij zullen u helpen; de ellende ten minste zal u niet
+meer bezoeken."
+
+"Wees gezegend, mijnheer," murmelde de vrouw nog snikkend, "uwe
+eindelooze goedheid ontrukt mij nieuwe tranen. Ha, gij hebt het hart
+uwer moeder ... een hart, mild en edel als het hart mijner Godelieve!"
+
+Bavo deed eenen stap naar zijnen schrijflessenaar en nam er eenig geld
+uit.
+
+"Met de honderd franken, die daar liggen," zeide hij, "kunt gij den
+prijs van het verloren pak betalen. Deze droeve zaak mag u dus niet
+meer bekommeren. Hier hebt gij nog honderd franken meer, om in uwe
+eerste behoefte te voorzien, ik zal met mijne moeder de middelen
+overwegen om u een min bitter lot te verzekeren. Indien wij uwe
+Godelieve eene plaats van leermeesteresse te Gent konden bezorgen?
+Voor uwen zoon heb ik voordeelig werk. Vermits hij een gevoelig gemoed
+heeft, zal ik hem in den goeden weg terugbrengen.--Daar, neem het
+geld, vrouw; gij hebt mij heden verlost van eene lange treurnis, van
+eene diepe smart, die mij sedert jaren aan het harte knaagt. Ja,
+vrouw, het is zoo. De gedachte, dat het goede, zoete Lieveken, de
+vriendin mijner kindsheid, de gedienstige engel, die bij het ziekbed
+mijns vaders heeft gewaakt, in de wereld was verloren geloopen, deze
+gedachte was mij pijnlijk, en mijn medelijden werd allengs eene
+onverwinlijke smart. Nu ben ik daarover gerust, nu ben ik gelukkig te
+weten, dat zij ten minste hare zedelijke natuur, hare schoone inborst
+en de edelheid harer beminnende ziel ongeschonden heeft behouden."
+
+Bazin Wildenslag had het geld van de tafel genomen. Zij vouwde de
+handen te zamen voor den jongeling en zuchtte met de oogen vol tranen:
+
+"O, mijnheer, uwe barmhartigheid, uwe goedheid maakt mij stom; ik weet
+niet, hoe u mijne erkentenis uit te drukken. Morgen vroeg, voor ons
+vertrek, zullen wij hier terugkomen. Godelieve zal op de knieen u
+zegenen voor uwe milde weldaad...."
+
+"Godelieve? Morgen?" kreet de jongeling verbaasd. "Waar is dan
+Godelieve?"
+
+"Ik durf u niet langer bedriegen, mijnheer; zij is in de
+Sint-Baafskerk en bidt er voor het Heilige Graf...."
+
+"En waarom kwam zij niet met u?"
+
+"Het arme meisje is vervaard, mijnheer."
+
+"Vervaard? Van mij?"
+
+"Beschaamd, mijnheer; om onze reis naar Gent te kunnen betalen, hebben
+wij de eenige kleederen, die nog waarde konden hebben, moeten
+verkoopen. Godelieve schrikte van zich voor u te vertoonen...."
+
+"En nochtans, ik zou haar willen zien!" riep Bavo met ontsteltenis.
+"Na acht jaar afwezigheid! Wat doen de kleederen? Zij getuigen immers
+van hare opoffering, van hare liefde voor hare ouders? Ach, mocht ik
+eene belooning eischen, het ware, dat het mij toegelaten wierd haar te
+troosten en haar moed te geven!"
+
+"Ik zal ze halen, mijnheer. Mij ook beschaamde de poging, welke ik bij
+u moest beproeven; maar de weldaad van edelmoedige menschen als gij
+zijt, vernedert niet, integendeel! Ik zal het Godelieve doen
+begrijpen, mijnheer. Zij zal komen om u te danken."
+
+Bazin Wildenslag ging ter deur uit.
+
+Als bezwijkend onder eene geweldige ontsteltenis, liet Bavo zich op
+een stoel zakken en legde het hoofd in de handen. De afwisseling
+zijner uitdrukking getuigde dat hij worstelde tegen gepeinzen, die
+tegen zijnen wil hem bestormden. Evenwel na eenige oogenblikken scheen
+hij over deze geheime opwellingen van een vorig gevoel te hebben
+gezegepraald; want hij hief het hoofd op en zeide met eenen lichten
+spotlach tot zich zelven:
+
+"Het zijn droomen, die vergaan voor de wezenlijkheid. Geene
+onmogelijke gepeinzen! Ja, het is ons plicht, te erkennen en te
+beloonen wat het goede Lieveken eertijds voor mijnen zieken vader
+heeft gedaan. Lieten wij haar ongelukkig zijn, het ware eene wreede
+ondankbaarheid, misschien eene zedelijke misdaad. Onze plicht is zeer
+eenvoudig te vervullen. Wij zullen hen bijstaan en beschermen, totdat
+Godelieve eene voordeelige plaats in een onderwijsgesticht heeft
+gevonden; totdat zij weder de middelen hebben bekomen om stil en
+tevreden te leven. Wij zullen over hen waken, om voortaan het ongeluk
+van hen af te keeren. Anders kunnen wij toch niets...."
+
+Weder boog hij het hoofd en staarde ten gronde; na eene wijl
+beweegloos te zijn gebleven, murmelde hij met eenen diepen zucht:
+
+"Het is zonderling! De mensch schijnt een dubbel wezen in zich te
+besluiten ... maar neen, zijn wil en zijn hart stemmen niet altijd
+overeen. En nochtans, ik moet die gepeinzen verjagen. Vermits er
+tusschen haar en mij eene maatschappelijke onmogelijkheid is ontstaan,
+moet ik mijne kindsheid vergeten. Haar ongeluk legt mij den eerbied
+op; kwetsen wij hare gevoelige ziel niet. Ha, men belt! Daar is zij!
+Hoe klopt mijn hart! Ik moet mij bedwingen.... Arm Lieveken! was het
+zoo, dat ik haar moest wederzien?"
+
+Vrouw Wildenslag trad in de kamer, gevolgd door hare dochter.
+
+Het benauwde meisje hield het hoofd gebogen als eene veroordeelde, en
+dorst den blik niet opheffen; zij beefde zichtbaar, en slechts toen
+hare moeder haar bij den arm greep, kwam zij vooruit tot in het midden
+der kamer.
+
+Een versmachte kreet was Bavos boezem ontsnapt, en hij had eenen stap
+gedaan om tot het meisje te naderen en haar de hand te grijpen; maar
+hij wederhield zich zelven en zeide:
+
+"Godelieve, vergeef het mij: ik wenschte zoo vurig u te zien. Wees
+niet beschaamd; ik weet, dat gij hebt geleden en wat gij voor uwe
+ouders hebt gedaan. Die slechte kleederen verheffen u in mijne oogen,
+en de eenige indruk, dien zij op mij uitoefenen, is mij een gevoel van
+eindeloozen eerbied in te boezemen voor het edel hart, dat zij
+bedekken."
+
+Het meisje hief het hoofd op en sprak zeer bedaard, doch met eenen
+plechtigen nadruk:
+
+"Mijnheer, ik dank u uit den grond mijner ontroerde ziel, meer nog
+voor uwe goede woorden, dan voor uwe milde weldaad. Niet alleen
+verlost gij ons van de akelige vrees; maar gij redt ons uit de
+ellende. Wees gezegend; in al mijne gebeden zal ik uwen naam en den
+naam uwer ouders mengen, opdat God u gelukkig late zijn in de maat
+uwer grootmoedigheid."
+
+Bavo scheen verstomd; er lichtte een vreemde glans in zijnen blik;
+hij rustte met de bevende hand op de tafel, als hadde hij eenen steun
+noodig gehad. Die groote blauwe oogen, zoo kwijnend en zoo vol
+dankbaarheid op hem gevestigd; dat fijn gelaat, dat zuiver voorhoofd,
+waarop nu de rozeverf der kuischheid en der schaamte wolkte! O! zij
+was schooner nog dan het engelachtig Lieveken zijner droomen. Wat
+geweldigen strijd voerde hij tegen zijn hart! Maar hij moest zijne
+dwalende zinnen bedwingen: de eerbied voor de ongelukkige Godelieve
+gebood het hem.
+
+Een holle zucht welde op uit zijnen beklemden boezem; hij liet zich op
+eenen stoel zakken en zeide met schijnbare kalmte:
+
+"U weder te zien na acht jaar afwezigheid, Godelieve, is mij eene
+groote blijdschap. Het ontstelt mij. Natuurlijk, niet waar? Die
+herinneringen der kindsheid, hoe blijven zij, immer met nieuwe kracht
+opgewekt, in het menschelijk harte leven!... Ach, ik laat u daar
+staan, te midden der kamer. Verontschuldig mij; zet u neder."
+
+Godelieve hief de handen smeekend op.
+
+"Mijnheer," stamelde zij, "heb medelijden met een ongelukkig meisje!
+Uwe goedheid is zoo eindeloos. Ik ben ontsteld, ik gevoel mij ziek,
+mijne krachten begeven mij. Vergun mij als eene genade, voor heden dit
+huis te verlaten. Morgen vroeg zal ik bedaard zijn, ik zal, beter dan
+nu, madam uwe moeder mijne grenzenlooze dankbaarheid kunnen
+uitdrukken...."
+
+"Gij wilt vertrekken, Godelieve?" kreet de jongeling met verdriet. "O,
+neen, ik bid u, nog een oogenblik!"
+
+Door hare moeder aangedreven om aan dien wensch te voldoen, zette het
+meisje zich neder en boog weder het hoofd. Men zou gezegd hebben, dat
+de oogslag van Bavo haar schrik inboezemde; en inderdaad, zij had bij
+elken zijner blikken gesidderd.
+
+"Zeg mij, Godelieve, hebt gij in uw smartelijk leven nog dikwijls aan
+onze gelukkige kindsheid gedacht?" vroeg Bavo.
+
+"Mijn eenige troost op de wereld," zuchtte het meisje, "was de
+dankbare herinnering uwer goedheid voor het arme zieke kind."
+
+"En voor mij, Godelieve, was het de eenige, maar bittere smart mijns
+levens, te moeten denken, dat de zoete gezellinne mijner kinderjaren,
+ongelukkig en verloren, in de wereld dwaalde."
+
+Er heerschte eene korte stilte.
+
+"Godelieve," vroeg de jongeling eensklaps, als gedreven door eene
+geweldige ontroering, "Godelieve, ik gaf u een aandenken, eene
+gedachtenis. Hebt gij ze bewaard?"
+
+Hij bekwam geen antwoord.
+
+"Het beeld van Bavo en Lieveken met hun boek in de hand," zeide hij,
+"onnoozel en gebrekkig werk, dat aan den kleinen Bavo schier eene
+maand arbeid kostte. Gij hebt mij beloofd, dat gij het zoudt bewaren."
+
+"Maar, Godelieve toch, hoe kunt gij M. Damhout dus zonder antwoord
+laten?" kreet moeder Wildenslag. "Ja, ja, mijnheer, zij heeft het
+bewaard.--Wederhoud mij niet, Godelieve.--Zoo goed bewaard, mijnheer,
+dat het sedert jaren onder het kleine crucifix hangt, waarvoor
+Godelieve gewoon is te bidden."
+
+"Ach, dank, dank om uwe trouwe herinnering!" riep Bavo.
+
+"Waarom verwondert u dit, mijnheer?" zeide het meisje met eene vonk
+van waardigheid in de oogen. "Indien ik mijn gansche leven wilde
+bidden voor het geluk van hem, die mij leerde lezen, kon ik iets beter
+doen dan zijn beeld te hangen op de plaats, waar ik elken avond
+nederknielde om mijne ziel tot God te verheffen?"
+
+Bavo liep tot haar, greep haar de beide handen en zeide diep ontroerd:
+
+"Altijd dezelfde engel! Kom, Godelieve, troost u en schep moed; gij
+zult niet ongelukkig meer zijn. Wij zullen u beschermen. Wij zullen
+eene goede, zeer goede plaats van leermeesteresse te Gent zoeken;
+mijne moeder zal u weder liefhebben en u helpen. Ik zal uw vriend
+zijn, evenals toen wij nog onnoozele kinderen waren.... Het is te
+zeggen ... ik weet niet, de ontsteltenis maakt mij duizelig, mijne
+zinnen zijn verward...."
+
+Het verschrikte meisje ontwrong hem hare handen met zulk koortsig
+geweld, dat hij zich in zijn hart over deze beweging gekwetst gevoelde
+en met spijtige verbaasdheid eenen stap terugdeinsde.
+
+Godelieve hief langzaam het hoofd op; alhoewel er tranen in hare oogen
+glinsterden, was er zooveel maagdelijke fierheid in haren blik,
+zooveel edelheid in de uitdrukking van haar schoon gelaat, dat Bavo
+haar met ontzag aanschouwde.
+
+
+[Illustratie: Aan mij de vriendin mijner kindsheid!]
+
+
+"Ik smeek u, mijnheer, heb toch medelijden met mij!" zeide zij.
+"Vergeten wat gij voor mij als kind hebt gedaan, vergeten wie ons nu
+uit den afgrond der smart zoo grootmoedig opheft,--de dood zelf kan
+mij daartoe niet bekwaam maken; want in Gods schoot zelven zal
+mijne ziel zich nog uwer goedheid herinneren. Maar zoek geene plaats
+voor mij te Gent. Na den dag van morgen zal ik den grond mijner
+geboortestad niet meer betreden. Ik ken de edelheid uws harten; gij
+begrijpt mij, ik ben er zeker van."
+
+"Maar neen, ik begrijp u niet!" morde Bavo.
+
+"Gij begrijpt den onverbiddelijken plicht niet, mijnheer, die mij
+dwingt in Frankrijk een bestaan te zoeken?" hervatte Godelieve. "Ach,
+bestonden er tusschen u en mij geene diepe, geene onverdelgbare
+herinneringen, ik zou uit erkentenis de dienstmeid uwer moeder, en,
+ware het mogelijk, uwe slavin willen worden. Nu mag geen andere band
+tusschen ons bestaan dan de weldaad van den eenen kant en de eeuwige
+dankbaarheid van den anderen. Ik heb veel geleden, zonder dat mijn
+moed er onder is gebroken. Moest ik een oogenblik uwe achting derven,
+mijnheer, ik stierve eenen pijnlijken dood. Ja, ja, Bavo, de ziel der
+arme Godelieve heeft honger naar uwen eerbied, en zij zal dien
+behouden met hare dankbaarheid tot aan het graf. Vaarwel, mijnheer,
+tot morgen!"
+
+En opstaande greep zij den arm harer moeder en trok haar naar de deur.
+
+De jongeling stak de handen uit, als om haar te wederhouden; maar de
+plechtige woorden der maagd hadden hem zoo geweldig tot het gevoel der
+wezenlijkheid en tot het besef des plichts teruggeroepen, dat hij als
+aan den vloer bleef genageld, totdat hij de voordeur hoorde sluiten.
+
+Dan hief hij, stom en met verbaasden blik, de armen in de hoogte,
+allerlei onduidelijke woorden in zich zelven murmelende. Zijne zinnen
+waren ontsteld en zijne gedachten verward.
+
+Eindelijk, na een oogenblik rust, zeide hij in zich zelven:
+
+"Wat is zij schoon, wat is zij schoon! Onder die slechte kleederen
+scheen zij mij fier en indrukwekkend als eene koningin. Hoe heeft zij
+de zuiverheid, de fijnheid des harten kunnen behouden in zulke wereld,
+tusschen grove, onwetende menschen, dwars door nood, honger en
+ellende? Ha! het onderwijs! Ik ben het, die deze ziel het licht en de
+sterkte heb gegeven om aan de verleiding, aan de zedelijke verlaging
+te wederstaan; mijne moeder is het, die haar de liefde tot deugd en
+plichtsbetrachting heeft ingeboezemd. Roos onder de doornen, lelie
+bloeiend op een mesthoop! En de lelie is zuiver gebleven, en de roos
+heeft hare geuren uitgewasemd als eenen balsem over het lijden
+dergenen, die haar omringden! Edel moet zij zijn boven de edelsten, om
+onder zulke beproeving niet te zijn bezweken. Dank, dank, o, mijn God,
+dat Gij de kiemen, door een ander kind in haren geest en in haar hart
+gestort, niet onvruchtbaar liet zijn!"
+
+Hij wreef zich het voorhoofd en stapte in de kamer rond, als wilde hij
+zijne stormende gepeinzen ontvluchten. Eensklaps staan blijvende, riep
+hij uit:
+
+"Onmogelijk, onmogelijk! De wereld, mijne ouders ... hare broeders,
+hare zusters ... het eenige geluk, dat mij op aarde moet geweigerd
+blijven!... Maar heeft zij daar schuld aan? Zij zal verre van hare
+geboortestad gaan dwalen, verdriet hebben, gaan kwijnen misschien? Ja,
+ja, ik bedrieg mij niet: hare schuchterheid, hare schaamte, hare
+verschrikte kuischheid, hare laatste woorden.... Zij ook heeft
+getreurd, zij ook heeft eenen wreeden knagenden worm in het hart
+gedragen!"
+
+Hij stortte neder op eenen stoel, sloeg zich de handen voor de oogen
+en morde met wanhoop:
+
+"Eilaas, eilaas, het kan niet zijn! Zij heeft gelijk; ik mag haar niet
+meer zien na den dag van morgen. Ik insgelijks wil het aandenken
+mijner kindsheid eerbiedigen en het zuiver bewaren tot aan het graf.
+Zij heeft het gezegd; er is voortaan geen andere band tusschen ons
+mogelijk dan de herinnering aan het verledene, de weldaad en de
+dankbaarheid!"
+
+Na een oogenblik stilte sprong hij weder recht.
+
+"Ik zou haar verliezen voor altijd?" kreet hij. "Die edele ziel, dat
+beminnend harte zou gaan verkwijnen in vreemde streken?... Er is een
+andere band, een heilige band, een eeuwige band; er is een
+geneesmiddel voor haar verdriet en voor mijne treurnis.... Ho, ik kan
+het niet meer uitstaan; ik moet mijne moeder, mijnen vader, mijnen
+meester spreken! Veroordeele mij de gansche wereld, het geluk mijns
+levens staat op dien prijs! Aan mij, aan mij de vriendin mijner
+kindsheid! aan mij het zuivere, zoete Lieveken!"
+
+En onder het uitspreken dezer woorden liep hij als een dwaze ter deur
+uit.
+
+
+
+
+SLOT
+
+
+Een paar jaren geleden ontstond in mij de gedachte om een verhaal uit
+het leven der Gentsche werklieden te schrijven. Met het doel om eenige
+eerste inlichtingen daarover in te zamelen, belde ik op zekeren
+namiddag aan het hek eener groote fabriek te Gent.
+
+Ik had eenen aanbevelingsbrief en stelde dien ter hand aan den
+bestierder van het gesticht, een man van ongeveer vijfendertig jaar,
+en wiens kleederen, ofschoon van welstand getuigende, met vlokken
+katoen en met stof waren overdekt.
+
+Nauwelijks had hij mijnen naam in den brief gelezen, of hij toonde
+zich zeer verblijd over mijn bezoek, zeide, dat hij een warm
+liefhebber der Vlaamsche letterkunde was, en stelde zich geheel tot
+mijnen dienst.
+
+Uren lang leidde hij mij door talrijke zalen en werkhuizen der
+fabriek, toonde en verklaarde mij alles, en antwoordde op mijne vragen
+met zulke minzame dienstwilligheid, dat ik niet wist hoe hem voor zijn
+gulhartig onthaal te bedanken.
+
+Hij was zeker geen gewoon mensch. Van de nijverheid, van haren
+voortgang en van de doelmatige inrichting des arbeids sprak hij niet
+alleen met uitgebreide kennis, maar tevens met eene dichterlijke
+geestdrift, die mij verwonderde.
+
+Ik had reeds vroeger, zonder andere beweegreden echter dan de
+nieuwsgierigheid, eenige andere dergelijke gestichten bezocht. Nergens
+had ik zooveel orde en zindelijkheid aangetroffen. De werkhuizen en
+zalen waren breed en verheven; sterke luchttochten om het stof te
+verwijderen, had men in toereikend getal gemaakt; waar de raderwerken
+of riemen den onvoorzichtigen arbeider konden aangrijpen en verminken,
+waren deze werktuigen door zinken platen geblind; overal was ruimte en
+lucht in overvloed, en men kon bemerken, dat hier met vaderlijke
+bezorgdheid voor de gezondheid en het welzijn der werklieden werd
+gewaakt. De vrouwen, mannen en kinderen, welke ik in groot getal aan
+den arbeid zag, waren geheel anders dan ik ze mij had voorgesteld.
+Geene vuile en gescheurde kleederen; ernst en ingetogenheid, iets
+waardigs in den blik; en waar een hunner werd aangesproken,
+beleefdheid en betamelijkheid.
+
+Ik wenschte rechtzinniglijk den bestierder geluk en zeide, dat hij
+hoogmoedig mocht zijn over het schoone gesticht, dat onder zijne
+leiding bloeide.
+
+"Inderdaad," antwoordde hij, "ik ben er reeds een beetje trotsch over;
+maar ik hoop mettertijd nog meer verbeteringen tot stand te brengen,
+bovenal wat het lot der werklieden betreft. Er is iets, waarover ik
+meer hoogmoed gevoel...."
+
+Hij bezag zijn uurwerk en zeide:
+
+"Nog eenige minuten en ik zal het u toonen. Ziet gij, mijnheer, men
+kan van den werkman al maken wat men wil. Daartoe behoeft natuurlijk
+eenig geduld; want men moet allereerst de onwetendheid overwinnen,
+die, zoolang zij bestaat, een volstrekte hinderpaal is tot alle
+zedelijke verbetering der arbeidende klassen."
+
+Een oogenblik daarna begon er eene klok te luiden. Hier en daar
+verlieten kinderen en jongens de spinmolens, waaromtrent ik mij
+bevond, en zij gingen het werkhuis uit.
+
+"Is het rustuur voor hen gekomen?" vroeg ik.
+
+"Neen, zij gaan ter school," was het antwoord des bestierders. "Van de
+twee draadjesmakers verlaat er een den arbeid voor een uur; de andere
+zal intusschen alleen den molen bedienen, iets wat hem niet moeilijk
+valt, aangezien zijn gezel, vooraleer te vertrekken, alles zooveel
+mogelijk in gereedheid heeft gebracht. Zoo is het insgelijks met de
+kinderen, die in andere vakken werkzaam zijn. Elk heeft zijne beurt,
+en wie zijnen arbeid gedurende de week niet kan verlaten, ontvangt het
+onderwijs des Zondags en des Maandags, gedurende de uren der
+werkstaking. Het is slechts sedert acht jaar dat ik, met oorlof mijns
+meesters, deze school heb ingericht; en nu reeds mag ik mij beroemen,
+dat meer dan de helft onzer werklieden, zoowel vrouwen als mannen,
+kunnen lezen en schrijven. Men bemerkt het wel, niet waar, dat het
+onderwijs hun een gevoel van persoonlijke waardigheid in den boezem
+heeft gestort? Het is mijn droom, te mogen zien voordat ik sterf, dat
+er op de gansche fabriek geen enkel ongeleerd werkman meer te vinden
+zij. Gij zoudt kunnen denken, mijnheer, dat deze werkmanskinderen geen
+vlug verstand hebben, of dat een enkel uur onderwijs geene merkelijke
+vruchten in hen kan voortbrengen; gelief mij te volgen; ik ben wel
+zeker, dat hetgeen gij gaat zien u zal verwonderen en verblijden."
+
+Onder het uitspreken dezer laatste woorden richtte hij zich naar eene
+deur, die uitgaf op een binnenplein, en bracht mij wat verder in eene
+ruime zaal, vervuld met rijen lessenaars, waarachter ik een zestigtal
+jongens, van acht tot vijftien jaar, zag zitten.
+
+De bestierder zeide eenige woorden tot den onderwijzer; en deze
+verzocht mij, dewijl de leerlingen juist hadden begonnen te schrijven,
+eenen blik op hun geschrift te willen werpen.
+
+Er waren er inderdaad velen, die een ongemeen schoone hand hadden.
+
+Ik hoorde er eenigen lezen met eene zuiverheid van uitspraak, welke ik
+zelden in andere scholen had ontmoet.
+
+Dan volgden velerlei oefeningen, ditmaal grootendeels door den
+bestierder zelven geleid, om mij over de vroege ontwikkeling van het
+verstand dezer arme werkmanskinderen te laten oordeelen.
+
+Er werden vragen voorgesteld aangaande de nijverheid en de verdeeling
+van het werk, aangaande de geweefsels in het algemeen en het katoen in
+het bijzonder, aangaande de beginselen der mekaniek en den aard der
+stoffelijke krachten, die de mensch aanwendt tot het vergemakkelijken
+van zijnen arbeid, aangaande de spaarkassen en de genootschappen van
+onderlingen bijstand, en eindelijk aangaande de plichten van den
+mensch jegens God, jegens zich zelven en jegens zijnen evennaaste; in
+een woord aangaande alles, waarvan de kennis deze kinderen tot
+behendige werklieden, tot goede huisvaders en tot verlichte burgers
+van een vrij vaderland kon maken.
+
+Mijne verwondering was groot, toen ik deze vragen door vele kinderen,
+zonder aarzeling en met opmerkelijke klaarte, hoorde beantwoorden;
+maar het verraste mij nog meer, hen gedurende een half uur, op het
+zwarte bord of enkel uit het hoofd, de meest ingewikkelde vraagpunten
+der rekenkunde te hooren oplossen.
+
+Nauwelijks kon ik gelooven, dat ik deze zelfde jongens als
+draadjesmakers achter de spinmolens had gezien. De bestierder en de
+onderwijzer waren trotsch over mijne verbaasdheid en over den lof,
+dien ik hun en hunnen leerlingen toezwaaide.
+
+Nadat ik den bekwamen onderwijzer gulhartig en dankbaar de hand had
+gedrukt, volgde ik den bestierder, die mij verzocht haast te maken,
+dewijl hem anders de tijd mocht ontbreken om mij nog eene andere
+school te toonen.
+
+Hij leidde mij over het plein en opende een poortje. Wij traden door
+eenen bloemrijken tuin, die met muren was omsloten. In de verte, bij
+een looverhuisje, zag ik drie of vier kinderen, waarvan de twee
+kleinsten in een wagentje zaten. Voor het lieve rijtuig waren twee
+schapen gespannen. De voerman was een jongetje van ongeveer tien jaar.
+Aan elke zijde van het wagentje liep eene oude dame, om de kinderen
+voor ongeluk te behoeden.
+
+In het looverhuis zat een grijsaard, die niet min dan zestig jaar oud
+kon zijn. Hij rookte een pijpje en was bezig met een vischnet te
+breien.
+
+Al deze personen juichten en lachten om der kinderen luidruchtige
+vroolijkheid.
+
+De bestierder richtte met eenen glimlach van geluk den blik op dit
+tafereel, doch onderbrak zijnen stap niet.
+
+Maar zoohaast men hem van ginder bemerkte, staken de kinderen in het
+wagentje de hand uit, terwijl het woord "vader! vader!" door den tuin
+klonk. Het jongsken liet de schapen staan, kwam in een vaart geloopen
+en sprong den bestierder aan den hals. Hij zoende het kind en zond het
+terug, met de belofte dat hij straks in den tuin zou komen, maar dat
+hij nu den vreemden heer moest rondleiden.
+
+"Zie, mijnheer," zeide de bestierder mij met zekere ontroering, "al
+wat ik meest bemin op aarde, is daar. Die grijsaard is mijn vader; van
+die beide dames is de eene mijne moeder en de andere de moeder mijner
+vrouw. Die engeltjes zijn mijne kinderen. God heeft mij beladen met
+geluk. Hier ontbreekt slechts mijne vrouw; maar ik weet waar zij is:
+gij gaat ze zien."
+
+En dit zeggende, richtte hij zich tot een ander poortje en opende
+welhaast de deur eener zaal, waar een vijftigtal kleine meisjes,
+evenals in de andere school, voor lessenaren zaten.
+
+Buiten de leermeesteresse, die tusschen de lessenaren zich hield,
+stond er aan het oppereinde der school eene deftig gekleede dame, die
+bezig scheen met vier of vijf der grootste meisjes eene bijzondere les
+te geven.
+
+De bestierder bracht mij bij haar en stelde mij haar voor als zijne
+vrouw.
+
+"Lieve," zeide hij, "deze heer is een oude en goede bekende van u en
+van ons allen; honderdmaal heeft hij, in de lange winteravonden, ons
+den tijd kort en genoeglijk gemaakt. Nog geene acht dagen geleden,
+dat hij u tranen van medelijden met het lot van den armen _Loteling_
+ontrukte."
+
+De dame noemde mijnen naam met verrassing; hare groote blauwe oogen
+glinsterden van blijdschap. Zij overlaadde mij met betuigingen van
+vriendschap, en trof mij diep door de uiterste zoetheid harer stem en
+de minnelijkheid harer woorden.
+
+Op aanzoek haars echtgenoots deed zij de kleine meisjes eenige
+oefeningen doen, om mij het bewijs te geven, dat ook hier het
+onderwijs doelmatig was ingericht en schoone vruchten droeg, waarna
+ik, onder het uitdrukken mijner bewondering, den bestierder volgde,
+waarschijnlijk om nog belangwekkendere dingen te zien.
+
+Al gaande zeide ik hem:
+
+"O, mijnheer, aan welk edel en menschlievend doel hebt gij en uwe
+bekoorlijke echtgenoote uwe pogingen toegewijd! Konden alle personen,
+die overheid op den werkman hebben, hunne zending evenals gij
+begrijpen!"
+
+"Zeker," antwoordde hij, "het onderwijs is het eenige middel om de
+arbeidende klassen uit de zedelijke verlaging op te heffen. Het
+welbegrepen belang der meesters, het welbegrepen belang van gansch het
+menschdom eischt, dat men het nuttigste en het talrijkste gedeelte der
+maatschappij niet langer tot duisternis en onwetendheid veroordeeld
+late. Maar het zijn deze beweegredenen niet alleen, die mij en mijne
+vrouw aandrijven om, binnen het bereik onzer macht, de geleerdheid,
+het plichtbesef en het gevoel van eigen waardigheid onder de
+werklieden te verspreiden. Neen, mijnheer, wij betalen eene schuld,
+eene heilige schuld aan het volksonderwijs! Wij zijn kinderen van
+arme fabriekwerkers. Het onderwijs, dat wij mochten genieten, was de
+eerste band tusschen onze harten; en terwijl ik, als kind, uit
+medelijden of uit vriendschap degene leerde lezen, die nu de moeder
+mijner kinderen is, ontstond in mij de kiem eener zuivere en duurzame
+neiging. Mijne goede ouders hebben mij laten leeren ten koste van vele
+en bittere opofferingen; het was mijn schoonste droom, eens hunne
+liefde te kunnen beloonen door hunne oude dagen zoet en gelukkig te
+maken. Dank zij het onderwijs, dat ik mocht genieten, heb ik daartoe
+ruimschoots de middelen gevonden. Mijne vrouw is in hare jonkheid door
+ongeluk en tegenspoed beproefd geworden. Ware zij onwetend geweest,
+dan hadde zij zeker in de nederige, in de woeste wereld, waarin zij
+gedwongen was te leven, de verhevenheid des harten en de klaarheid des
+geestes verloren; maar het onderwijs heeft ze voor verlaging behoed en
+ze mij wedergeschonken, zuiver, edel en verkleefd als een engel van
+goedheid en van liefde. Het onderwijs, het volksonderwijs heeft ons
+dienvolgens gemaakt wat wij zijn: en indien wij God uit den grond des
+gemoeds zegenen en danken voor al het geluk, waarmede Hij ons heeft
+beladen, dan moeten wij erkennen, dat de Heer in ons het onderwijs tot
+middel zijner weldaden heeft gebezigd. Het verwondere u dus niet
+langer, dat wij ons toewijden aan het onderwijs der arme
+fabriekskinderen. Zooals ik u zeide, wij betalen eene schuld, eene
+heilige schuld."
+
+Ik had met eene soort van verstrooidheid op deze lange uitlegging
+geluisterd. Mij vlotte de gedachte in het hoofd, dat het leven van
+den bestierder dezer fabriek misschien de stof bevatte tot het
+schrijven van een schoon verhaal; en ik was reeds in mijne verbeelding
+bezig met het te schikken en te ontwerpen. Maar vooraleer mijn
+leidsman ophield van spreken, had hij mij in eene zaal zijner woning
+gebracht, en zeide nu, terwijl hij mij eenen zetel aanbood:
+
+"Gelief u neder te zetten; ik wil een glas wijn met u drinken....
+Weiger mij niet, ik bid u ... ik zal u voorstellen wat ik het beste in
+mijnen kelder heb."
+
+Hij trok aan een belkoord en zeide tot de meid, die aan de deur
+verscheen:
+
+"Breng een paar glazen en eenige beschuiten.... Ik ga zelf naar den
+kelder, want zij zou den wijn, dien ik u wil doen proeven, niet
+vinden."
+
+Sedert ik in deze zaal was getreden, had een zeker voorwerp mijne
+oogen tot zich getrokken. Tusschen eenige schilderijen hing eene
+gekleurde print, die mij van verre gebrekkig en grof voorkwam als een
+beeldeken, waarmede de kinderen gewoonlijk spelen. Evenwel, de
+meesters dezer woning moesten er veel prijs aan hechten, want de
+gouden lijst, die het omringde, was uiterst rijk en veel kostelijker
+ongetwijfeld dan de lijsten, waarin de schilderijen waren vervat.
+
+Een gevoel van nieuwsgierigheid deed mij opstaan. Ik naderde tot de
+print en zag nu, beter dan te voren, dat zij niets anders kon zijn dan
+het werk van een kind, dat met groote inspanning en moeite gepoogd had
+de beelden van een jongetje en van een meisje te schetsen, die elkaar
+bij de hand hielden en elk een open boek toonden. Onder de beelden
+stonden deze twee namen in versierde letters te lezen:
+
+ BAVO EN LIEVEKEN.
+
+"Dit beeld doet u glimlachen, niet waar?" zeide de bestierder, die nu
+met de flesch wijn in de zaal trad.
+
+"Glimlachen?" antwoordde ik zeer ernstig. "O, neen, mij schijnt het,
+dat onder dit gebrekkig kinderwerk de geheimenissen van een gansch
+leven liggen verborgen."
+
+"Zoo is het inderdaad. Toen ik nog een kleine jongen was, heb ik
+gepoogd de beeltenissen te schetsen van twee kinderen, tusschen wier
+eenvoudige harten het onderwijs eene diepe en duurzame neiging had
+doen ontstaan. Nu zijn ze verbonden door het huwelijk, en hunne
+schoonste, hunne dierbaarste herinnering is nog dit gebrekkig
+beeldeken."
+
+"Welk schoon verhaal zou daarvan kunnen gemaakt worden!" riep ik,
+terwijl ik een glas wijn aanvaardde. "De titel ware gevonden: _Bavo en
+Lieveken_! Och, ik bid u, mijnheer, vertel mij uwe geschiedenis."
+
+"Maar ik verlang niet, dat mijn leven worde openbaar gemaakt."
+
+"Men kan het beschrijven met veranderingen, met vooronderstelde namen,
+op zulke wijze, dat men de personen niet duidelijk herkenne."
+
+Mijne gedachte scheen den bestierder te verschrikken; hij weerstond
+zeer lang mijn aandringen; doch ten laatste meende ik de overwinning
+nabij te zijn.
+
+Ik deed eene laatste poging, door hem voor oogen te stellen, dat de
+geschiedenis zijns levens, indien ik mij in mijn vooruitzicht niet
+misgreep, een machtig voorbeeld zou kunnen zijn, een spoorslag om den
+werklieden al het nut van het onderwijs voor hunne kinderen te doen
+beseffen, en misschien om andere edelmoedige menschen, eigenaars van
+fabrieken, over te halen tot het oprichten van scholen in hunne
+gestichten. Door zulk verhaal te schrijven, kon ik eenigszins
+medewerken tot het bereiken van het edel doel, dat hij en zijne vrouw
+zich voorstelden. Daarenboven, ik zou het derwijze schikken, dat men
+niet zou kunnen ontdekken, of ik ware of ingebeelde personen in mijn
+boek had beschreven en doen handelen.
+
+"Het is eene ernstige zaak," zeide de bestierder. "Ik wil er eerst met
+mijne vrouw over spreken. Er is slechts een middel, en dit is, dat gij
+het avondmaal met ons neemt. Weiger mij niet: anders zult gij zeker
+onze geschiedenis niet kennen."
+
+Ik liet mij gezeggen. Dien avond bracht ik door tusschen Bavo en
+Lieveken. Over mij zaten de oude Damhout, Christina, zijne vrouw, en
+moeder Wildenslag; aan de andere zijden der tafel hielden zich vier
+allerschoonste kinderen, twee meisjes en twee jongskens.
+
+Ik verliet het huis met het hoofd vol zoete droomen, het hart vol
+woorden van vriendschap, van geluk en van liefde, en het geheugen vol
+van de eenvoudige, doch roerende geschiedenis, die ik in dit boek u
+heb verteld.
+
+EINDE
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
+
+***** This file should be named 13596.txt or 13596.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13596/
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/13596.zip b/old/13596.zip
new file mode 100644
index 0000000..64c744c
--- /dev/null
+++ b/old/13596.zip
Binary files differ