diff options
Diffstat (limited to '13596.txt')
| -rw-r--r-- | 13596.txt | 5806 |
1 files changed, 5806 insertions, 0 deletions
diff --git a/13596.txt b/13596.txt new file mode 100644 index 0000000..d8c7665 --- /dev/null +++ b/13596.txt @@ -0,0 +1,5806 @@ +The Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Bavo en Lieveken + +Author: Hendrik Conscience + +Release Date: October 4, 2004 [EBook #13596] +[Last updated: August 19, 2011] + +Language: Dutch and Flemish + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN *** + + + + +Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online +Distributed Proofreading Team + + + + + +HENDRIK CONSCIENCE + + +BAVO EN LIEVEKEN + + +(BRUSSEL, [1885]) + + + + + +[Illustratie: "Goeden avond" juichte de jongen.] + + + + + +BAVO EN LIEVEKEN + + + + +I + + +Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de +Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck. + +Alhoewel het daglicht reeds vermindert, is er alles nog in de volle, +drukke werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten +onder de zwoeging der mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste +doet leven. + +Het is vooreerst de _Duivel_, dat machtig tuig, waarin het katoen +wordt geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft +verloren; dan de koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende +potten, die altezamen de boomwol in vlokkig sneeuw veranderen, ze +mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de spintuigen tot +haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en +eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne +ontelbare spillen en bobijnen. + +Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige +snelheid; het is eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende +wielen, van knarsende radertanden, van vluchtende riemen, van +wandelende spinmolens, van draaiende spillen. + +Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden +andere geruchten vermengt tot een donderend gebruis, tot een +zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en zoo vol, dat het de +denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem duizelig +maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee. + +Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne +stem vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig +wezen tusschen de reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft +geschapen. + +Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang +der raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen +katoen of bobijnen aan, en geven onophoudend voedsel aan het +duizendledig monster, dat de stof met onverzaadbaren honger schijnt te +verslinden. + +Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de +raderwerken heen- en wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens +doorkruipen! En nochtans, dat een riem, een tand, een van al die +draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed of slechts hunne mouw +aangrijpe ... en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden afrukken of +hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, voordat het, ginder verre, +als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoevele +onvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden +door de barsche, zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent +tusschen katoen en menschenvleesch! + +Maar daar galmt een klokslag! De vuurmaker stopt het stoomtuig; hij +ontneemt aan de mekanieken hunnen adem en hun leven ... en op het +ontzaglijk gerucht, op het zinverdoovend geraas volgt de stilte der +eenzaamheid en der rust.... + +Het was op eenen zomeravond van het jaar 1832, dat de werklieden der +fabriek van mijnheer Raemdonck dus, op het sein der klok, hunnen +arbeid staakten en te gelijk op het binnenplein zakten, om daar voor +een venster van het bureel op de uitbetaling van het loon der +afgeloopene week te wachten. + +Alhoewel schijnbaar dooreengemengd, toonden zij echter eenige +schikking. Men kon zien, dat de vrouwen, de kinderen en de mannen +neiging hadden om afzonderlijke groepen te vormen; zelfs de wevers en +de spinners stonden aan eene verschillige zijde van het plein. + +Allereerst werden de vrouwen betaald; want onder hen waren vele +moeders, wier zuigelingen sedert uren misschien naar lafenis en +voedsel snakten. Arme wichtjes, gansche dagen aan vreemde handen +toevertrouwd, levend van hunne geboorte af in derving en in nood! +Slachtoffers van een maatschappelijk gebrek, dat, tegen de natuur en +tegen den wil Gods, de vrouw onttrekt aan de vervulling van den +moederplicht, opperste wet van haar wezen op aarde! + +De werklieden toonden nu eenige levendigheid; zij schenen vroolijk, +omdat de lange week was afgeloopen en de rust van morgen hen +toelachte. + +Een sterkgebouwde kerel, die tusschen de spinners stond, onderscheide +zich door zijne luidruchtigheid. Kluchtige woorden en grove +zinspelingen rolden hem uit den mond, en hij had zijne gezellen meer +dan eens in eenen schaterlach doen losbarsten. + +Nu bemerkte hij eenen werkman, die uit de fabriek kwam en tot het +uiterst einde van de groep der spinners naderde. Hij ging naar hem +toe, deed hem teeken, dat hij hem over iets wilde spreken, trok hem +een paar stappen van zijne kameraden weg en zeide: + +"Ha sa, Adriaan, gij zijt er bij dezen avond, niet waar? Wat zullen +wij lachen en vermaak hebben!" + +"Waarbij, Jan? Ik weet van niets," was het antwoord. + +"Hoe? gij weet niet, dat rosse Leo van avond zijn _jubile_ viert?" + +"Welk _jubile_?" + +"Van vijfentwintig jaar spinner." + +"Werkt Leo reeds zoolang? Onmogelijk: de man is nog niet oud genoeg." + +"Niet oud genoeg, Adriaan? Hij was draadjesmaker in de spinnerij van +Lieven Bauwens, in de allereerste fabriek, die er te Gent was +opgericht. Dit was in 1800, en Leo was alsdan zestien jaar. Hij weet +het nog zoo juist op zijn duimken, als hadde hij eenen almanak in den +kop. Hij is spinner geworden, in 1807, bij mijnheer De Vos. Tel maar +op de vingeren: zeven van tweeendertig, blijft vijfentwintig." + +"Inderdaad; men zou het niet zeggen: de rosse Leo schijnt geen veertig +jaar oud." + +"Het is, dat hij het leven verstaat en Gods water over Gods dijk laat +loopen. Ware hij een kniezer geweest, dan zou hij al lang op het +kerkhof liggen. Eene goede pint bier, eene schel hesp en van tijd tot +tijd een scheut jenever, dat zet bloed, jongen.... Welnu, doet gij +mede? Eenen halven frank tot inzet. + +Wij zingen, lachen en drinken tot half den nacht. Het is morgen toch +Zondag. Er zullen daarenboven vier vette konijnen te verdubbelen zijn: +een buitengewoon _Smeerken_, in de Blauwe Geit, bij onzen kameraad +Pier de Knul?" + +De andere bepeinsde zich eene wijl, schudde het hoofd en antwoordde: + +"Ik heb geene goesting, Jan." + +"Wat is dit nu?" kreet zijn gezel verwonderd. Zult gij vijfentwintig +cents weigeren om het _jubile_ van eenen ouden vriend te vieren?" + +"Het is niet voor de vijfentwintig cents, Jan. Ik ken den rossen Leo +bijna niet, en, ik zeg het rechtuit, dit drinken halve nachten lang +bevalt mij niet meer; ik kan er niet tegen, het maakt mij ziek." + +Deze woorden, op eenen zekeren vreesachtigen toon gesproken, deden Jan +in eenen spotlach uitbarsten: hij greep de twee handen zijns vriends +en zeide hem: + +"Damhout, Damhout, jongen lief, ik heb medelijden met u. Gij waart +vroeger altijd het haantje vooruit, en het was u nooit te laat om naar +huis te gaan; maar sedert gij getrouwd zijt, ik heb het gezien van het +eerste jaar af,--sedert gij getrouwd zijt, geraakt gij allengskens +meer en meer achter den bezem; gij durft u niet meer verroeren, gij +wordt een suffer, een gierigaard, een kwezelaar. Foei, gij vergeet, +dat gij een man zijt, en gij ligt als een kind onder den duim uwer +vrouw. Gij zoudt wel mededoen, ik weet het: gij hebt nog een tandje, +dat er naar lotert; maar gij moet eerst permissie van moeder Damhout +hebben, en God weet, of gij die permissie nog durft vragen!" + +"Wildenslag, ik wil mij niet boos maken," mompelde Damhout. "Ik weet, +dat gij het niet kwaad meent, alhoewel gij onrechtvaardig zijt jegens +mij." + +"Welnu, loochen dan, dat gij weigert uit opzicht voor uwe vrouw!" + +"Integendeel, ik beken het; maar indien het eens was uit achting voor +haar en uit genegenheid voor mijne kinderen?" + +"Ja, Damhout, uwe kinderen; gij zult er een schoon kot van kweeken van +uwe kinderen. Kleed ze maar als rentenierkens; laat ze maar naar de +school gaan. Zoolang ze jong zijn, zullen ze meer kosten dan gij kunt +winnen. Zij zullen schoon weer spelen en luierikken, terwijl gij, och +arme, na eene gansche week te hebben geslaafd, nog geene pint bier met +de vrienden zult mogen drinken. Geef hun uw zweet en uw bloed, verderf +uwe gezondheid en verkort uw leven, en als ze groot geworden zijn, +zullen ze hunnen vader, den armen versleten fabriekwerker, niet meer +willen bezien of herkennen." + +Deze woorden waren niet zonder indruk op het gemoed van Adriaan +Damhout. Hij scheen treurig en bleef eene wijl met gebogen hoofde +overwegen. Dan zeide hij twijfelende: + +"Nochtans, Wildenslag, de geleerdheid is een schat, eene macht, die +den mensch tot alles bekwaam maakt; en vermits wij onzen kinderen geen +ander erfdeel kunnen nalaten...." + +"Vertelsels, droomen van uwe vrouw," herhaalde de andere. "Wat wilt +gij, om 's hemels wil, dat een spinner of een wever met de geleerdheid +doe? Of wij nu konden lezen en schrijven, wat zou het ons helpen? +Hebt gij er minder om gewonnen, dat gij zoo min als ik, eene A uit +eene B kent? Kom, kom, zotte hoovaardigheid en onnoozele praat +allemaal. Onze ouders hebben gewerkt van kindsbeen af, wij hebben +evenzoo gewerkt, en onze kinderen kunnen ook maar werken, dan valt er +niets op te zeggen. Meent gij, dat ik mijn klein vee zal vetten met +mijn zweet, totdat ze aan de luiheid gewend zijn? Hola een beetje! Er +is er reeds een op de fabriek en de anderen zullen volgen. Zoo komt er +van alle kanten boter in den pot, mijn vriend; en kan er voor ons nog +een pintje bier, en van tijd tot tijd een plezierig smeerken op +af.... Welnu, wat zegt gij? Viert gij mede het _jubile_ van rossen +Leo? Kom, gij moogt niet zoo vervaard zijn van uwe vrouw. Laat ze wat +knorren. En maakt ze het te bont, toon haar, dat gij man zijt en een +hart in het lijf hebt." + +Adriaan Damhout stak de hand in den zak, haalde er een stuk van +vijfentwintig cents uit en gaf het aan zijnen gezel. + +"Alzoo, dezen avond, te negen uren stipt, in de _Blauwe Geit_, bij +Pier de Knul?" juichte Wildenslag. "Het zal er gaan, het zal er een +leventje zijn, dat gij er in uwen ouden dag nog zult van spreken!" + +"Ik zal pogen te komen; maar ik ben er niet zeker van," mompelde nog +de andere. + +"Ja? gij zult toch niet dom genoeg zijn om uw geld door anderen te +laten opdrinken? Dan zou ik zeker zeggen, dat gij met uwe vrouw van +kleederen hebt verwisseld. Onmogeljk, Adriaan, zoover zijt gij nog +niet." + +Op dit oogenblik riep men van uit het bureel zekere nummers, en de +beide vrienden begrepen daardoor, dat hunne beurt om het weekloon te +ontvangen was gekomen. + +Jan Wildenslag kreeg eerst zijn geld, doch bleef nog wachten om met +zijnen gezel huiswaarts te keeren. Toen echter Adriaan Damhout aan het +venstertje kwam, zeide men hem, dat hij met eenige anderen moest +blijven, om eene hand uit te steken aan eene as, die moest worden +opgelicht. + +Wildenslag drukte hem nog de hand en zeide in het heengaan: + +"Tot dezen avond dan. Komt gij niet, dan maak ik een kruis op uwen +rug. Pas op, pas op, vriend: ieder moet op de wereld zijn deel van het +leven hebben. Offert gij u op voor vrouw en kinderen, zij zullen +zonder medelijden u afhalen en uitzuigen, totdat uwe gezondheid geheel +zij gekrenkt. Hang de vlag in den wind, achter ons vergaat de wereld! +Hoera, vivat de _leute_!" + +En lachende en eenen dwazen flikker makende, sprong hij de straat in, +gevolgd door zijnen draadjesmaker, welken hij onder de eerste de beste +gaslantaarn van zijn loon zou betalen. + + + + +II + + +Op het einde eener enge stege, in de wijk over de Nieuwbrugge, stonden +een dertigtal kleine huisjes van gelijken vorm, en zichtbaar in eens +gebouwd, om aan fabriekwerkers of andere geringe lieden te worden +verhuurd. + +In een dezer huisjes was eene vrouw bezig met lijnwaad en kindergoed +in eene kuip te wasschen. + +Zij scheen nog in de volle kracht des levens. Ongetwijfeld was zij +schoon geweest; misschien was zij het nog; maar de slordigheid harer +kleederen, de zorgeloosheid en de verzuimenis, waarvan alles op haar +en rondom haar getuigenis gaf, konden geen ander gevoel opwekken dan +treurnis en afkeer. Zij arbeidde met veel haast, plonsde hare bloote +armen in de kuip en schudde en wrong het lijnwaad zoo wild en zoo +onbezonnen, dat het water in golven ten gronde stortte en als een +slijmige plas zich rondom haar uitbreidde. + +De kamer was gansch vervuld met den walglijken zeepsopdamp; en de lamp +die tegen de schouw was opgehangen, verspreidde slechts een flauw en +als ziekelijk licht. + +Nevens haar op de kachel stond het avondeten in eenen steenen pot te +koken. Van tijd tot tijd trok zij hare handen uit de kuip, greep een +houten lepel, en stompte en roerde in den pot om de spijs niet te +laten aanbranden. + +Vier kinderen, jongskens en meisjes, van verschillenden ouderdom, +onzindelijk, beslijkt en met gescheurde kleederen, zaten of lagen op +den vloer in eenen hoek. Zij vermaakten zich met spelen. Niet zelden +trokken zij elkander bij het haar of vochten of schreeuwden, of +spraken grove woorden, die men uit den mond van kinderen niet zou +verwachten. + +De vrouw had er tot dan weinig acht op geslagen; evenwel kwam er een +oogenblik dat het onverdraaglijk gedruis der kinderen en de +noodkreten: "moeder, help! help!" haar het geduld deden verliezen. Zij +sprong naar hen toe, gaf den eerste den beste eenen stamp, den tweede +eenen vuistslag en den overigen eenige weergalmende oorvegen. + +Dan keerde zij naar de kachel terug, roerde de aardappelen nog eens om +en voer vergramd uit tegen de kinderen, in zulke ruwe, onkiesche taal, +dat de arme kleinen daaruit niets dan eene les van onbeschoftheid +konden putten. + +"Daar hebt gij 't nu, leelijke deugnieten!" riep zij. "De patatten +zijn aangebrand. Vader zal weer den duivel jagen en mij eenen hoop +zure woorden naar den kop werpen. Hij en gij, gij meent, dat ik uwe +slavin ben en maar alleenlijk leef om te werken en uitgescholden en +geplaagd te worden, van den morgen tot den avond? Wel ja! Is hij niet +tevreden, dan kan hij er maar bij gaan liggen, totdat het betert. Waar +blijft uw lekkere vader? In de _Blauwe Geit_, bij Pier de Knul, zeker? +Hij heeft zijn weekloon getrokken, en de dronkaard is reeds bezig met +het geld door zijn keelgat te jagen. Wacht een beetje; ik zal hem eens +naar binnen gaan sleuren. Blijft van den pot, terwijl ik weg ben, of +ik breek u altezamen den hals, oudersverdriet dat ge zijt!" + +Nauwelijks had de moeder het huis verlaten, of de kinderen begonnen +met de bloote voeten in het gestorte zeepsop te dansen, zoodat de +muren en het huisraad geheel met slijkige vlekken werden bespat. + +Zij stoven verschrikt uiteen, toen hun vader zich onverwachts op den +dorpel vertoonde. De reuk van het verbrande eten ontrukte den man een +gegrom van ontevredenheid; de zeepsopdamp en het slijkig water op den +vloer deden hem huiveren, en zijn gelaat verkrampte tot eene +uitdrukking van walg en verdriet: + +"Waar is moeder?" vroeg hij. + +"Naar de _Blauwe Geit_, bij Pier de Knul," antwoordden de kinderen. + +"Bij Pier de Knul?" + +"Om u te halen, vader." + +"Ha, daar zijt gij, morsige prij!" kreet hij, toen hij zijne vrouw zag +binnenkomen. "Wat is dit hier voor een stal? Waarom wascht gij die +smerige doeken des avonds, als ik te huis zal komen? Gij hebt zeker +weer den ganschen dag rondgeloopen en gaan babbelen bij de geburen?" + +"Tistje, ga, roep uwe zuster Godelieve," zeide de vrouw tot een der +kinderen, zonder schijnbaar acht te geven op de harde berispingen +haars echtgenoots. + +"Ik krijg de koorts, zoohaast ik eenen voet in uw varkenskot zet," +hernam deze. "Ik heb goesting om er uit weg te vluchten en er nooit +meer weder te keeren. Werk dan al eene gansche week, en beul u af en +zweet om geld in het huishouden te brengen; dan vindt gij des +Zaterdags zwartgebrande patatten en eenen smerigen boel, die u van +walg het hart in het lijf doet keeren. + +--Gaat gij spreken?" + +"Ba, spreken," hernam de vrouw spottend, "ik lach met al wat gij zegt. +Meent gij, dat gij mij gehuurd hebt en dat ik uwe meid ben? Bevalt u +het eten niet, laat het staan; is het huis niet zuiver genoeg naar +uwen zin, kuisch het zelf, indien gij lust hebt, domme praatmaker!" + +De man hief de hand op en scheen zijne vrouw te bedreigen. + +"Zoo, zoo?" riep zij, "de vuisten jeuken u vandaag? Kom, Wildenslag +lief, houd u niet in. Zoudt ge gaarne weder met een aangezicht vol +krabben naar de fabriek gaan? Gij moet het maar zeggen; ik ben gereed, +indien een borstelingsken u plezier kan doen. Zwijg liever en eet in +vrede: de patatten zijn maar een beetje verbrand; daarenboven, +schreeuwen, schelden en slaan zullen ze niet beter maken." + +Eensklaps trad er een zevenjarig meisje stil en langzaam in de kamer. +Zij was mager en scheen ziekelijk; maar hare blauwe oogen glinsterden +als parelen, en op haar fijn mondje speelde eene wonderzoete +uitdrukking: iets lijdends, iets smeekends, als ware het kind een +levend gebed. Ofschoon van nederigen vorm en gemeene stof, waren hare +kleederen zeer zuiver, en hier, in dit onzindelijk huis, omringde haar +als het ware een wasem van innerlijke onnoozelheid en van lichamelijke +reinheid. + +Zij ging tot den man, legde streelend hare hand in de zijne, zag hem +met eenen stillen, doch diepen glimlach aan en murmelde: + +"Dag, vader lief!" + +De zilverachtige toon van dit stemmeken, de kwijnende liefde-blik van +zijn ziek kind raakten den werkman. + +"Dag, mijn goed Lieveken," antwoordde hij, het meisje tegen zijn hart +drukkende. "Is het wat beter? Zijt ge nog ziek?" + +"Nog een beetje, vader," was het antwoord. "Bazin Damhout heeft mij +kruiden doen drinken en het heeft mij verkwikt." + +"Is baas Damhout al te huis van de fabriek?" vroeg Wildenslag. + +"Neen, vader, nog niet." + +"Kom, zit neer, Lieveken, en eet, kind; want die wilde slokoppen zijn +al aan den gang. Zij zouden wel niets voor u overlaten." + +Het meisje zette zich aan tafel, maakte het teeken des kruises en bad +in stilte, waarna zij met opmerkelijke geschiktheid en ingetogene +manieren begon te eten. + +"Wildenslag vond de aardappelen uiterst bitter en slecht; hij at met +lange tanden, grommelde in zich zelven en trok verstoorde gezichten, +maar hij bedwong zijne spijt en viel niet meer in scheldwoorden uit, +even alsof de tegenwoordigheid van zijn ziek kind eenig besef der +betamelijkheid in hem had opgewekt. Eindelijk zeide hij met eenen +zucht: + +"Maar, Lina toch, zonder twist, zoudt gij uw huis niet wat zuiverder +kunnen houden en uwen kinderen betere voorbeelden geven? Zie eens, hoe +bazin Damhout het weet te schikken. Haar man is een fabriekwerker als +ik; hij heeft anders niet dan zijn dagloon; en nochtans in zijn huis +zoudt ge van vloersteenen willen eten, zoo zuiver is er alles." + +"Wat komt gij mij spreken van bazin Damhout!" was het bitsig antwoord. +"Zij is eene goede, brave vrouw, dit zal ik niet loochenen; maar de +Damhouts zijn geene menschen gelijk wij. Wees zeker, Wildenslag, zij +hebben eigendommen of uitgezet geld, alhoewel ze het verbergen." + +"Neen, dit hebben ze niet. Er komt geen cent in huis, dien Adriaan +Damhout niet op de fabriek heeft gewonnen. Zij hebben integendeel +minder dan wij, vermits onze jongen reeds vier franken in de week +verdient." + +"Lekkere jongen! hij zit zeker in de eene of andere kroeg. Hij heeft +een aardje naar zijn vaartje: er zal veel goeds van komen, ik beloof +het u!" + +"Neen, neen, hij is achter de taptoe geloopen. Wees zeker, Lina, bazin +Damhout doet haar huishouden met min dan gij. Zooals zij het schikt, +kunt gij het ook schikken." + +"Kom, kom, Wildenslag, ieder zingt zooals hij gebekt is, en het is +moeilijk, eenen ouden aap nieuwe grimassen te leeren. Laat dit +liedeken achter, het is nutteloos. Weet ge wat de huisbaas zegt over +bazin Damhout? Dat ze zorgend en zindelijk is, omdat ze kan lezen." + +"De huisbaas zegt dit om te lachen. Vrouw Damhout kan anders niet +lezen dan in den almanak en in haar kerkboek. Daar zal ze toch het +huishouden niet in leeren." + +"Dan zal het zijn, omdat Damhout minder geld verteerd, en te huis +blijft, terwijl gij halve nachten in de kroeg zit te drinken en te +dobbelen!" + +"Dit is wel mogelijk," antwoordde Wildenslag, het hoofd met ongeduld +schuddende. "Wie zegt u, dat ik niet te huis zou blijven, ten minste +in de week, indien hier alles niet walgelijk was als in eenen stal, en +ik er slechts een vriendelijk gezicht mocht vinden; maar gij, met uwe +barschheid en met uwe zorgeloosheid, zoudt een engel de deur +uitjagen." + +De gekwetste vrouw zette de vuisten op de heupen en meende eenen +woedenden uitval te doen; maar de deur vloog open en een +veertienjarige jongen, wiens kleederen vol katoenvlokken hingen, +sprong binnen; hij eindigde het refrein van een onbetamelijk lied, +ofschoon hij eene rookende pijp in den mond hield. + +Aan tafel vallende, meende hij van de verbrande aardappelen te eten: +maar na den eersten mondvol te hebben gesmaakt, wierp hij bulderend de +vork op den schotel en viel uit in onbeschofte berispingen tegen zijne +moeder. + +In stede van hem te bestraffen, gaf de vader hem gelijk. + +"Daar is mijn weekloon," zeide de jongen, drie franken ter tafel +werpende. "De patatten zijn verbrand en smaken naar het zeepsop. Ik +trek er van door en zal ergens gaan eten, waar men het gevaar niet +loopt vergiftigd te worden." + +Er werd hevig getwist, omdat de jongen eenen frank van zijn loon had +achtergehouden; dit tooneel vernieuwde zich, toen de vader insgelijks +zijn weekgeld afgaf. Evenwel, na vele harde, grove woorden verkalmde +het tempeest. + +"Goeden avond," juichte de jongen, "ik ga naar de _Blauwe Geit_, eene +schel hesp eten." + +"Kom, Sander, ik ga mede," zeide de vader. "Het deugt hier niet. Na +eene gansche week zuren arbeid mogen wij wel een beetje ons +verzetten." + +"Ha, ze meenen, dat ik hier den ganschen avond alleen zal blijven +koekeloeren, terwijl zij ginder in de _Blauwe Geit_ hun hart ophalen +en tot over de ooren in de leute zitten?" morde de vrouw, toen haar +man en haar zoon waren heengegaan. "Ik moet er mijn deel van hebben: +ik lust ook hesp. Lieveken, ga gij maar voor een uurtje naar bazin +Damhout. Ik zal u laten roepen." + +Zij krabde geweldig met den haak in de kachel, om het vuur uit de +dooven; doch daar dit niet spoedig genoeg naar haren zin ging, stortte +zij eene kom zeepsop op de brandende kolen, zoodat de kamer met een +stinkenden rook werd vervuld. + +"En gij daar, bengels," riep zij tot de kinderen, "zorgt dat gij van +de lamp blijft en met geen vuur speelt, of ik sla den bezem op uwe +knoken aan stukken!" + +Op dit oogenblik zag zij, dat het oudste jongetje een zijner zusters +bij de haren trok, en zij hoorde een gesnor, alsof er eene stof werd +gescheurd. + +"Beul, schei uit!" bulderde zij. "Wacht maar, booze vadsigaard, gij +zult niet lang hier den boer spelen. Te naaste week gaat gij naar de +fabriek. Als ik terugkom, zal ik u geene kleine rammeling geven, omdat +gij alweder het kleed uwer zuster hebt gescheurd." + +"Het is niet waar!" kreet de knaap. + +"Ik heb het gezien!" schreeuwde de moeder. + +"Gij liegt er aan," snauwde het kind. + +En alsof er in dit monsterachtig gebrek aan ontzag en aan zedelijkheid +niets ongewoons ware, de vrouw scheen er geene acht op te geven, of +het niet te gevoelen; want zij liep het huis uit en wierp de deur toe. + +Arme kinderen, wat kon er onder de leiding van zulke moeder uit hen +groeien? Niets anders voorwaar dan woeste, onbeschaafde wezens, +beroofd van alle gevoel der menschelijke waardigheid. Het was hunne +schuld niet; maar was het wel de schuld hunner moeder? + +Die vrouw, toen zij zelve kind was, had hare eerste jaren doorgebracht +onder de waakzaamheid eener onwetende en grove oude vrouw, te midden +van verlatene kinderen, wier moeders, evenals de hare, den ganschen +dag op de fabriek hadden te arbeiden. Daar had zij niets geleerd dan +eene barsche, onkiesche taal; zij was opgegroeid zonder het minste +denkbeeld der plichten, welke de mensch in dit leven te vervullen +heeft jegens God, jegens de maatschappij en bovenal jegens zich +zelven. Dewijl zij alsdan slechts den ouderdem van negen jaar had +bereikt, was er nog hoop, dat zij eenige vonken van het licht der +beschaving zou ontvangen; dat, vooraleer zij vrouw wierd, toch eenig +gevoel van persoonlijke waardigheid en van maagdelijke zedigheid in +haar zou ontkiemen. Maar voordat de tiende Lente voor haar aanbrak, +was zij reeds op de fabriek, vastgeklonken aan een eeuwigdraaiend +tuig, overgeleverd aan het gezelschap van mannen en vrouwen, ruwer nog +en onwetender dan zij. Later is zij getrouwd; slechts sedert de +geboorte van haar derde kind blijft zij te huis, en geeft daar aan +haar kroost het eenig onderwijs, dat zij heeft ontvangen: +onwetendheid, barschheid, verlaging, verbastering der menschelijke +natuur. + +En wij, die spreken van de zedelijke verbetering des werkmans, wij +geven zijnen kinderen zulke moeder! En wij, die schelden op den +werkman, omdat hij zijne woning ontvlucht, omdat hij drinkt en zwiert, +wij geven hem zulke gezellin! + +Ja, de reusachtige uitzetting der nijverheid is een wonderbaar en +weldadig verschijnsel onzer eeuw; maar de denker, de menschenvriend +zal haren onweerstaanbaren voortgang niet zonder geheimen schrik +aanschouwen, zoolang zij de vrouw, de moeder uit den schoot des +huisgezins wegrukt en het kind tot slaaf der stof maakt in eenen +ouderdom, die bestemd is tot zijne vorming als mensch en als Christen. + +Wil men de beschaving der werkende klasse, dan moet men met de vrouw +beginnen. Deze wet is onverbiddelijk. Heerscht de man over de +stoffelijke wereld, van de moeder alleen hangt de zedelijke vorming +af, en zij heerscht over den geest en het hart der wordende geslachten +met al de macht des engels of des duivels, naarmate der verhevenheid +of der laagheid harer ziel. + +De menschheid begint het te begrijpen. Uit de diepte van het algemeen +geweten rijst een noodkreet op, eene waarschuwende stem, die roept: +"Redt de wereld uit de zedelijke verzinking door de vrouw! Onderwijs +voor de vrouw! Opvoeding voor de vrouw! Licht, waardigheid en +plichtbesef in het hart der moeders van het volk! Zoo niet, +duisternis, verbastering, onrecht en bloedige wederwraak over de +komende wereld!" + + + + +III + + +Veel verder in de rij der gelijkvormige werkmanswoningen was er een +huisje, dat zich onderscheidde door zijne netheid. + +Tot op de straat was er wit zand voor de deur gestrooid. Drie of vier +bloempotten geurden op de vensters, achter sneeuwblanke gordijntjes. +Op de schouwplaat prijkte een Lieve-Vrouwebeeld, tusschen twee +pleisteren papegaaien, wier rood, geel en groen vederkleed de oogen +aangenaam verraste. Het kleinste keukengerief, de schotels en +koffietasschen stonden op eene kas te pronken, en glinsterden en +schitterden, als waren zij hoogmoedig over hunne netheid. De grove +biezenstoelen waren zonder vlekken, de withouten tafel gewasschen, de +kachel met potlood geglimd. + +Even arm als de andere was deze werkmanswoning; de meest schitterende +voorwerpen hadden slechts eenige centen gekost ... en nochtans er +heerschte zulke bekoorlijke toon van vrede, van levenslust en van +gemak; de lucht was er zoo zuiver en zoo aanlachend, dat men bij het +gezicht van dit nederig huisje gereedelijk moest begrijpen, hoe een +werkman ook zijne woning kan liefhebben evenals een rijkaard, die +zich op zijn paleis verhoovaardigt. + +In de benedenkamer van het huisje zat eene vrouw bij eene lamp te +arbeiden. Zij naaide aan een blauwen kiel; en vermits er op eenen +stoel nog vele zulke kielen geplooid lagen, was het te vermoeden, dat +zij voor eenen winkel werkte. Zij kon den ouderdom van achtentwintig +of dertig jaar bereikt hebben; hare kleederen, van gemeen katoen en +door wasschen verbleekt, waren zeer zuiver en zelfs met zekeren +eenvoudigen zwier geschikt. + +Nevens haar bij de tafel, zat een achtjarig jongsken met bruin haar en +groote, levendige oogen. Hij had een brief voor zich liggen en +verroerde de lippen, terwijl hij met een stokje de lettergrepen +aanwees, welke hij poogde te lezen. + +In eenen hoek, op een paar houten bankjes zaten twee kleine meisjes +van drie of vier jaar. Zij speelden met poppen en vermaakten zich in +stilte, nu en dan eens de stem verheffende om de poppen te bekijven, +of zoet lachende onder elkaar. + +Sedert eene wijl scheen de jongen in verlegenheid; zijn stokje +verroerde niet meer, hij schudde het hoofd met ongeduld. + +"Wat is het, Bavo?" vroeg de vrouw. "Gaat het niet goed, kind?" + +"Ach, moeder," zeide hij, "de meester heeft mij eene les te leeren +gegeven, en daar is een woord in, zoo moeilijk, zoo moeilijk! Ik zweet +er van; maar ik kan er toch niet uit. Lees gij het eens, moeder lief!" + +Hij naderde dichter, legde haar het boek onder de oogen en wees het +onleesbare woord. Maar de vrouw, na eene lange poging, mompelde met +moedeloosheid: + +"Zelf.... Zelfver.... Zelfverloo.... Het overige kan ik niet lezen, +Bavo. Zijn dit ook woorden voor een kind als gij? Kom, sla dit maar +over en vraag het morgen uwen meester." + +Het jongsken hield zwijgend den blik op het boek gevestigd; zijne +leden spanden zich, zijne oogen werden starend en hij verzamelde +zichtbaar de kracht zijns geestes. + +"Neen, laat af, kind," zeide de vrouw, "breek u de hersens niet +nutteloos: het woord is te moeilijk." + +"Te moeilijk?" morde de kleine. "Ik moet het lezen, ik wil.... Ach, +moeder, stil, stil; gij hebt mij geholpen, het zal gaan.... +Zelfverloo.... Zelfverlooch.... Zelfverloochening! Zie, zie, moeder +lief, het woord is zelfverloochening!" + +Een kreet van bewondering ontsnapte de vrouw; zij greep haar zoontje +in de armen en legde eenen langen kus op zijn voorhoofd. Wat haar dus +ontroerde, was de vroegtijdige gemoedskracht en de schier mannelijke +wil, dien zij in haren zoon meende te ontdekken. Wat droomde zij bij +den liefderijken kus? Zij wist het niet, en evenwel dankte zij God uit +den grond des harten. + +Het kind, door de teedere goedkeuring aangemoedigd, had weder zijn +boek gegrepen; maar de vrouw, nog ontroerd, zeide hem: + +"Bavo lief, gij moet maar goed leeren, kind; later in het leven zult +gij eerst begrijpen, hoe schoon en hoe nuttig het is, te kunnen lezen +en schrijven. Iemand, die niet lezen kan, is maar een half mensch, en +hij is veroordeeld, al ware hij zelfs met verstand geboren, om altijd +onwetend te blijven. Gij zult meer en beter leeren dan ik, Bavo, en +daarom zult gij gelukkiger zijn in de wereld. Ach, dat mijn Peter zoo +vroeg is gestorven! Anders zou ik goed kunnen lezen en schrijven; maar +er was niemand meer om mij te beschermen; ik moest naar de fabriek. +Nog wel een beetje heb ik mij zelve geleerd; maar wanneer men moede +gewerkt is, gaat dit niet goed. Ja, Bavo, indien iedereen kon lezen, +zouden er zoovele slechte lieden niet zijn; want wie lezen kan, +gevoelt, dat hij mensch is, en hij eerbiedigt zich zelven. Ongelukkig +hebben zoo weinige werkmanskinderen de gelegenheid of de middelen om +te leeren; de ouders, die zelven onwetend zijn, begrijpen niet, hoe +nuttig en hoe schoon het is geleerd te zijn. Gij, mijn kind, indien +God uwen vader de gezondheid blijft gunnen, zult veel kunnen leeren. +Bavo, vergeet nooit, dat gij dit geluk zult verschuldigd zijn aan uwen +vader, die van den morgen tot den avond slaaft en zweet om zijne +kinderen in eere op te brengen, en die zelfs uit de herberg blijft en, +om zoo te zeggen, het brood uit zijnen mond spaart, om u naar de +school te laten gaan. Niet waar, Bavo, gij zult het nooit vergeten? +Wat er ook in uw leven gebeure, gij zult uwen goeden vader altijd +eerbiedigen en beminnen?" + +"Altijd, altijd, en u ook, moeder lief!" zei het jongsken, haar de +wangen streelende. + +Op dit oogenblik werd de deur geopend, en een man trad binnen. Zijne +kleederen, door katoen en stof bevlekt, waren versleten en schenen +vuil in zulke zindelijke plaats. Er was iets spijtigs in zijne +uitdrukking en hij scheen van slechte luim. + +Maar daar klonk het woord "vader! vader!" hem op alle tonen tegen, en +vooraleer hij twee stappen in de kamer had gedaan, waren zijne handen +streelend aangegrepen en fijne kinderstemmen verwelkomden hem met +eenen vloed van zoete liefdewoorden. Bavo liep naar hem toe, een +stukje papier boven zijn hoofd zwaaiende: + +"Vader, vader lief!" riep hij, "twintig goede noten! Twee kussen voor +mij en vier centen voor mijnen spaarpot!" + +En onder het uitspreken dezer woorden had de jongen eenen machtigen +sprong genomen, en hing nu aan zijns vaders hals, om de belooning +zijner leerzaamheid te ontvangen. + +Intusschen was de vrouw bezig met een ammelaken op de tafel te +spreiden en het avondeten op te zetten. Zij lachte haren man +vriendelijk aan en sprak insgelijks menig blij woord tot welkom. + +"Zit neer, zit neer, Damhout," zeide zij, "gij moet eetlust hebben, en +de aardappelen zouden welhaast koud geworden zijn. Ik heb een lekker +pladijsje voor u gekocht, goedkoop, voor vijf centen, springende +levend. Komt, kinderen, aan tafel, aan tafel!" + +Adriaan Damhout was gevoelig aan de liefdesbetuigingen zijner +kinderen; de rimpels verdwenen van zijn voorhoofd en een stille +glimlach verlichtte zijn gelaat. Hij gaf zijn zoontje de vier +verschuldige centen en reikte zijn weekloon aan zijne vrouw, die, +zonder het te bezien, het geld in haren zak liet glijden. + +Dan namen allen plaats aan de tafel, zoo ordelijk, zoo zuiver en zoo +netjes geschikt, alsof die arme menschen gekozene spijzen uit +porseleinen borden en met zilveren lepels zouden gaan eten. Het waren +evenwel slechts gestoofde patatten, grove telloren en ijzeren vorken +die er te zien waren, tenzij misschien het gebakken pladijsje voor +vader, dat wel lekker geurde en te midden der tafel als een pronkstuk +of eerder nog als een liefdesgeschenk prijkte. + +Allen te gelijk maakten het teeken des kruises en dankten God in +stilte, waarna zij met waren lust begonnen te eten. Slechts toen de +visch zou worden aangevat, werd de vrede eenigszins gestoord. Damhout +kon het niet over zijn gemoed krijgen, de pladijs, hoe klein zij ook +ware, geheel alleen op te eten; hij wilde het lekker gebak met zijne +vrouw deelen; maar de vrouw bevestigde, dat het voor hem en slechts +voor hem was gekocht. Hij zou haar door langer aandringen bedroeven. +Alhoewel de kleinen, door de moeder geleerd, haar hielpen, eindigde +toch de vriendelijke twist op zulke wijze, dat elk kind, een stukje +van den visch op zijn bord kreeg en de werkman het overige met +onbeneveld vermaak genoot. + +Onmiddellijk na het avondmaal werd het ammelaken geplooid, en alles +verdween in een oogslag van de tafel. + +De vrouw zette zich nevens haren man en begon met hem over het werk en +over de fabriek te spreken; de twee meisjes kropen op vaders knieen. +Bavo stond aan zijne andere zijde met zijn boek in de hand te wachten, +totdat zijne ouders ophielden samen te kouten. + +Het was een eenvoudig, doch roerend tooneel, dien werkman in zijne +slechte en besmette kleederen, te zien zitten met die nette, lachende +engeltjes op de knieen, tusschen eene liefderijke vrouw en eenen +leerzamen zoon, wiens oogen met ontzag en biddend tot hem waren +gericht. + +"Vader lief, mag ik eens lezen?" vroeg het jongetje eindelijk. "Wij +hebben vandaag zulke schoone les gekregen! Ik weet niet of ik ze al +goed ken, maar ik zal mijn best doen." + +"Ja, Bavo, lees uwe les eens voor vader," zeide de vrouw. + +De jongen opende zijn boek en las met zekere moeite en eenige +onderbrekingen, evenwel met genoegzame duidelijkheid om verstaan te +worden: + +"Kinderen, wilt gij door God gezegend zijn op aarde, eert uwen vader +en uwe moeder. Zij hebben u lief als het licht hunner oogen; zij +zorgen en werken voor u van den morgen tot den avond; het eenige doel +van al hun streven, van hunnen kommer en van hunne gebeden, is uw +geluk alleen. Bemint hen teederlijk; zijt hun onderdanig en blijft hun +dankbaar; wordt de steun en de blijdschap hunner oude dagen, en +beloont aldus de ouderlijke liefde, die zuivere en schier goddelijke +zelfverloochening." + +Deze lezing scheen eenen ongunstigen indruk op het gemoed van Damhout +te doen; zij herinnerde hem wat Wildenslag hem had gezegd, en gaf +nieuwe kracht aan de vrees, welke zijn vriend nu weder voor de +twintigste maal in hem had opgewekt. Zijn gelaat werd zeer ernstig en +hij schudde nadenkend het hoofd. + +"Bavo, begrijpt gij wat gij daar hebt gelezen?" vroeg hij na eenige +overweging. + +"Ja, vader lief," antwoordde het kind, "er staat, dat gij voor mij +werkt, en ik u en moeder altijd gaarne moet zien." + +"Tot in onzen ouden dag, Bavo." + +"Ja, vader, tot in uwen ouden dag, zoolang ik leef." + +"En zult gij dit doen, kind?" + +De jongen zag zijnen vader verbaasd aan, doch zonder spreken, als +begreep hij zijnen twijfel niet. + +"Het is wel," zeide Damhout, "gij zijt wijs, Bavo. Blijf zoo, en +vergeet nimmer wat daar in uw boek geschreven staat, anders zal God u +straffen." + +Er volgde eene wijl stilte; de vrouw bespiedde het gelaat van haren +man, die nu klaarblijkend in treurige gepeinzen was verzonken. + +"Adriaan," murmelde zij, "wat is er toch, man lief? Gij schijnt zoo +denkend? Ik heb het gezien toen gij binnenkwaamt: er hangt u iets in +het hoofd. Hebt gij verdriet?" + +"Ik heb wel geen verdriet, Christina," antwoordde hij, "maar er is +toch iets dat mij kwelt. De andere kameraden gaan al eens een pintje +te zamen drinken; zij lachen en kouten en vermaken zich een beetje na +den weeklangen arbeid. Ik zit hier altijd te huis, alsof ik buiten de +wereld was; en de vrienden drijven den spot met mij. Misschien is het +onverstandig, zoo zijn leven geheel op te offeren, zonder te weten, +wat er in het einde nog zal van komen." + +Alhoewel deze woorden haar verrasten, haalde de vrouw een zilveren +geldstuk uit haren zak en reikte het met eenen minzamen glimlach haren +man toe. + +"Damhout lief," sprak zij, "gij moet het voor mij niet laten; daar is +geld; hebt gij lust om een uur of eenige uren met de kameraden te +zijn, voldoe uwe goesting. Ga, ik zal zelve plezier in mijn hart +hebben, als ik weet, dat gij u vermaakt." + +Maar de man, als beschaamd over zijn gemor, dreef zachtjes hare hand +terug. + +"Neen, houd het geld," zeide hij,--mijn lust is over.... Nochtans, +Christina, dezen avond vieren de vrienden in de _Blauwe Geit_ het +_jubile_ van rossen Leo, omdat hij nu vijfentwintig jaren spinner is. +Wildenslag heeft mij aangemaand om er bij tegenwoordig te zijn; ik heb +hem beloofd, dat ik zou komen, indien het mogelijk was." + +"Welnu, Damhout, het is mogelijk: gij moet uwe belofte houden." + +"Ja, maar ik weet niet, mij dunkt, dat ik nog liever te huis zou +blijven met de kinderen." + +"Neen, neen, Damhout; morgen is het Zondag; dan zijn wij van den +morgen tot den avond te zamen. Doe mij plezier en neem dit geldstuk; +ga naar de _Blauwe Geit_ en wees vroolijk met de vrienden. Ik zal +tevreden en welgemoed naar u wachten; maar blijf zoolang, zoolang gij +wilt. Ga, ga, ik bid u." + +Zij moest hem nog gedurende eene wijl met vriendelijk geweld aanmanen +om op te staan. Dan vergezelde zij hem tot de deur en wenschte hem +eenen genoeglijken avond. Zij keerde tot de tafel terug en hernam haar +naaiwerk. + +Eenige oogenblikken later werd de deur zeer zachtjes geopend, en een +klein meisje trad binnen. + +"Bavo, daar is Godelieve," zeide de moeder. + +De jongen sprong recht, liep naar het meisje, greep haar de hand en +bracht haar bij de tafel, met groote blijdschap zeggende: + +"Ha, Lieveken, dat is goed, dat gij nog terugkomt. Ik ben moede +geleerd; laat ons nog wat spelen. Willen wij winkel houden gelijk +gisteren? Het is zoo vermakelijk." + +"O, neen, Bavo, laat ons school spelen!" smeekte het meisje. + +"Ja, ja, school spelen!" herhaalden de twee zusterkens, lachend in de +handen kletsende. + +Bavo haalde eenige boekjes voor den dag, welke hij van zijne eerste +leermaanden had gespaard; hij zette Lieveken op het eene bankje en +zijne zusterkens op het andere, greep zijns vaders zondagsrietje en +begon, met opgeheven hoofd en koddigen ernst, over en weder te +wandelen, ondertusschen op verzwaarden toon roepende: + +"Stil, in de school, of ik zet u in den hoek! Wie zijne les niet kent, +zal noen-overal blijven. Godelieve Wildenslag, let op! Welke letter is +dit?--Goed. En deze? En deze?--Gij kent uwe les; gij zult eene klasse +verhoogen. Keer het blad van uw boek om. Wat staat daar op den tweeden +regel?" + +"Da, de, di, do, du, dij!" riep Lieveken. + +"Ja, gij kent dit van buiten, ik weet het wel; maar daar, op het +andere blad, daar?" + +Het meisje deed een oneindig geweld om de aangewezene lettergreep te +spellen, doch zij geraakte er niet uit. + +"Heb moed, let wel op," zei Bavo. "Die dubbele O is lang; en voeg daar +achter nu den klank _ge_ bij, wat hebt ge dan?" + +"Oog, oog!" riep Lieveken met zegevierende blijdschap. + +"Wel zoo, mijn kind, gij zijt er," juichte de jonge schoolmeester. +"Godelieve Wildenslag krijgt tien goede noten!" + +De moeder had dit tooneel glimlachende en met welgevallen afgezien. +Zij scheen eindelijk ontroerd en zeide: "Kinderen lief, gij speelt +daar een schoon en ernstig spel. Zoudt gij gelooven, dat Lieveken +eindelijk nog zou leeren zonder naar de school te gaan?" + +De jongen en het meisje bezagen haar met verwondering. + +"Het is, zooals ik u zeg," bevestigde zij. "Waarom verwondert het u? +Ziet eens, Lieveken, zonder het te weten, kent al hare letters en zij +begint reeds te spellen. Indien Bavo zich wat moeite wilde geven, wees +zeker, Lieveken, gij zoudt wel spoedig kunnen lezen." + +"Gij zegt het om te lachen, niet waar, bazin Damhout?" murmelde het +meisje twijfelend. + +"Zou dit inderdaad mogelijk zijn, moeder lief?" vroeg Bavo, in wiens +oog eene vonk van besluit glinsterde. + +"Mogelijk? Wel, kind, het is bijna gedaan? gij ziet het immers wel?" + +"Ha, ha, Lieveken, wij zullen altijd school spelen! Gij zult leeren +lezen!" + +"Ik zal leeren lezen!" herhaalde Lieveken met bedwongen geestdrift. + +"Gij zult het leeren!" kreet Bavo. "Och, hemeltje, dat zal vermakelijk +zijn, als wij te zamen in hetzelfde boek zullen kunnen lezen. Nu ga +maar weder op de bank zitten, en geef acht ... of ik doe u twee groote +lessen uit den Catechismus van buiten leeren!" + +Bavo speelde zijne rol van schoolmeester met verdubbelde vlijt voort. +Alhoewel hij insgelijks nu en dan zijnen kleinen zusterkens de letters +toonde en met geveinsd ongeduld hen terechtwees, hield hij zich toch +meest met Lieveken bezig Hij sprak zulke diepgevoelde woorden van +aanmoediging tot haar, en poogde met zulke ware inspanning haar te +onderwijzen, dat het eenvoudig kinderspel in een ernstig werk, in +eene edele liefdedaad veranderde. + +Het duurde zoolang, dat eindelijk de twee kleine zusterkens, hoofdje +tegen hoofdje, op hunne bank waren in slaap gesukkeld. + +Dan was de school uit. De moeder ontkleedde de ingesluimerde wichtjes +en droeg ze naar hun bed. Bavo en Lieveken keerden terug bij de tafel +en keken daar in een klein boek met beeldekens. + +Terwijl bazin Damhout haar naaiwerk voortzette, spraken de twee +kinderen in stilte met elkaar over de gelukkige hoop, dat Lieveken zou +leeren lezen, alhoewel zij niet naar de school mocht gaan, dan weder +over andere schoone, vroolijke dingen. Meest altijd zweefde er een +zoete glimlach op hunne lippen; hunne oogen glinsterden van +vriendschap en zielsgenoegen, en soms drukten zij elkander de handen. + +Eindelijk hoorde men eene kinderstem van buiten den naam van Godelieve +roepen, en het meisje, na Bavo en zijne moeder eenen goeden nacht te +hebben gewenscht, meende zich naar huis te spoeden; maar bazin Damhout +greep eenen emmer en zeide: + +"Kom, Lieveken, ik moet om water naar de pomp; ik zal met u gaan." + +Toen zij in de kamer terugkeerde, bevond zij, dat Bavo met het hoofd +op zijne boekjes was ingesluimerd. + +Zij zette zich neder, zag haar slapend zoontje eene wijl met zaligen +blik aan, droomde van onbestemde dingen en legde eindelijk eenen +langen, vurigen kus op het gladde voorhoofd, als geloofde de goede, +dat een moederzoen de kiemen des verstands in de hersens van haar kind +kan verwarmen en bevruchten. Nauwelijks had zij weder haar naaiwerk +hernomen, of haar man trad in de kamer. + +"Reeds terug? Zoo spoedig?" vroeg zij verwonderd. "Gij doet het toch +niet om mijnentwil, Adriaan? Het zou mij bedroeven." + +"Neen, Christina," antwoordde hij, terwijl hij zich bij de tafel +nederzette. "Ik weet niet, ik kan in dat woeste leven geen vermaak +meer vinden. De vrienden zijn brave jongens, dit wil ik niet +ontkennen; maar die baldadige manieren en grove woorden stuiten mij +tegen de borst. Het is hier in huis tusschen u en mijne kinderen toch +beter. Denk eens, daar zijn ze nu in _de Blauwe Geit_ volop aan het +ruziemaken. Zeker, de rosse Leo zal dezen avond nog vechten tegen Kobe +den zandboer. Zij verwijten malkanderen zulke leelijke dingen, dat er +de haren van te berge zouden rijzen op uw hoofd. Ik heb groote spijt, +dat ik vandaag naar de _Blauwe Geit_ gegaan ben." + +"Ik geloof het, Adriaan; maar gij kondt niet weten, dat men er zou +schelden en twisten." + +"Daarom is het niet: ik ben droef in mijn hart." + +"Hoe zoo? Is u iets geschied?" + +"Wildenslag heeft mij vervaard gemaakt! hij maakt mij altijd +vervaard.... En misschien heeft hij gelijk; misschien doen wij niet +wel met onzen Bavo boven zijne ouders te willen verheffen." + +"Alweder dit kwaad gepeins!" + +"Kwaad gepeins, Christina? Wie kan het weten? Laat onze Bavo nu jaren +lang naar de gemeenteschool gaan en geleerd worden. Hij zal ons veel +meer geld kosten dan een ander kind, en daarenboven nooit eenen cent in +het huishouden brengen; en als hij groot is en geld wint, zal hij het +in schoone kleederen steken en zich schamen over den armen +fabriekwerker, die zijn zweet heeft gegeven, om eenen mijnheer van hem +te maken." + +"Ach, hoe kunt ge toch zoo spreken, met uwe oogen op uw onnoozel +kind?" zuchtte de moeder. "Bavo zou ondankbaar worden en zijne ouders +miskennen? Nooit, nooit, zijn hart is enkel liefde en dankbaarheid." + +"Het is een goed kind, ik weet het," morde Damhout "Ze zijn altemaal +goed, Christina, zoolang ze klein zijn; maar zoohaast ze man worden, +gaan ze hunne eigene gangen en ze bekreunen zich om hunne ouders niet +meer. Ja, wanneer ze een beetje verhoogd zijn in de wereld, zien ze +wel dikwijls met kleinachting neder op degenen, die zich onvoorzichtig +voor hen hebben opgeofferd." + +"Dit zal met onzen Bavo niet gebeuren, Damhout," antwoordde de vrouw, +haar verdriet bedwingende. "Zijn hart is zuiver, ik zal hem bewaken. +Gij vreest, dat ons kind later in de wereld een beter lot hebbe dan +wij? Maar geschiedde het aldus, zou uw vaderhart niet van vreugde +kloppen? Zoudt gij niet met hoogmoed zeggen, hij is mijn zoon, voor +hem heb ik met liefde geslaafd; zijn geluk is mijn werk?" + +"Schoone dingen Christina; maar indien mijn zoon werkman bleef, gelijk +ik ben, dan zou ik niet vreezen, dat hij zich later over mij zou +kunnen schamen." + +"Wie zegt u toch, dat hij geen werkman worden zal? Zijn er dan geene +werklieden, goede, uitmuntende werklieden, die kunnen lezen?" + +"Spinners toch niet veel." + +"Maar er zijn andere stielen, Adriaan. Mekaniekmakers, timmerlieden, +schrijnwerkers en honderd andere, waarin men met geleerdheid en goed +gedrag het tamelijk verre kan brengen." + +"Ziet gij wel, Christina, dat gij besloten hebt, onzen Bavo niet naar +de fabriek te laten gaan?" + +"Hij zal gaan waar hij wil of waar hij kan," zeide de vrouw met +klimmende kracht. "Wij mogen daarover niet op voorhand beslissen. Van +zijne leerzaamheid, van onze liefde en van Gods wil hangt het af. Uwe +vrienden verschrikken u, met u te zeggen, dat ik van Bavo eenen +_mijnheer_ wil maken. Wat ik wil, is, dat mijn kind een mensch worde +en niet door onwetendheid tot onmacht en eeuwige slavernij veroordeeld +blijve. Wordt hij _mijnheer_, zooveel te beter!" + +"Christina, Christina," zuchtte de werkman, "indien gij wist, hoe uwe +woorden mij bedroeven! De hoogmoed is een slecht raadsman." + +"Hoogmoed?" kreet de vrouw verontwaardigd. "Gelooft gij dan, dat het +geluk mijner kinderen mij verschrikt? Ik zou geen moederhart moeten +hebben. Ha, gij zult mij misschien niet begrijpen; maar ik zeg u, +Damhout, dat, indien onze kinderen later van omhoog op mij konden +nederzien, ik God zou danken, omdat Hij hen in de wereld heeft +verheven. Schud het hoofd niet. Kon ik onzen Bavo ten prijze van mijn +leven koning of keizer maken, ik stierve van blijdschap voor den troon +van mijn kind!" + +Zij was zeer ontroerd en scheen te beven; er was iets ontzaglijks in +hare houding en in haren blik; het moederlijk gevoel had deze nederige +vrouw indrukwekkend en schoon gemaakt. + +Adriaan Damhout onderging den invloed harer geestdriftige woorden: hij +boog het hoofd als overwonnen en bleef eene wijl zwijgend. Dan zeide +hij: + +"Misschien hebt gij in den grond gelijk, Christina; maar overweeg toch +eens met bedaardheid. Nu gaat het nog zoo erg niet; er is veel en goed +werk. Onze andere kinderen zijn nog klein. Later zult gij misschien +willen, dat de meisjes insgelijks naar de school gaan?" + +De vrouw deed een bevestigend teeken met het hoofd. + +"Zullen wij, zonder eenige hulp van onze kinderen, dien last wel +kunnen blijven dragen? Het schijnt mij onmogelijk." + +"Ik zal een beetje meer werken, Adriaan." + +"Altijd werken als slaven, zich geheel opofferen gedurende gansch zijn +leven!" + +"Ha, dan gevoel ik eerst, dat ik moeder ben, wanneer ik weet, dat ik +mij opoffer voor het geluk mijner kinderen." + +"Goed; maar indien het werk nu eens voor lang wierd gestaakt? Indien +een onzer ernstig ziek wierd, wat dan?" + +"Dan, Adriaan, dan zouden wij het schikken volgens Gods beslissing. +Het onmogelijke kan men niet doen." + +"En indien het noodig was, Bavo eenig geld te doen verdienen, zoudt +gij hem naar de fabriek laten gaan?" + +"Waarom niet, indien de nood het eischte?" + +"En wat zou dan de geleerdheid hem helpen?" + + +[Illustratie: Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne +vrouw.] + + +"Wat zij hem zou helpen? Hoe kunt gij dit vragen, Adriaan? Hij zou ten +minste mensch zijn, een uitmuntend werkman worden, bekwaam tot alles +en, met een beetje geluk, zou hij wel zeker eens tot meesterknecht +worden aangesteld." + +"Zie, Christina," zeide de man met zekere tevredenheid, "zoohaast gij +zegt, dat gij er niet tegen zijt, dat Bavo werkman worde, ben ik +gerust." + +"Nooit, Adriaan, heb ik een ander inzicht gehad; maar is het zijn lot, +in de wereld vooruit te gaan, ik zal niet uit baatzucht zijn geluk +beletten." + +Na een oogenblik stilte zeide zij met zoete minzaamheid: + +"Nu, lieve man, laat ons over dit alles niet bekommerd zijn. Waarom +zouden wij door eene voorbarige vrees ons zelven verdriet aandoen, +zoolang het ons wel gaat en wij niets te kort hebben? Komt er +tegenspoed, dan zullen wij ons schikken volgens den nood. In alle +geval, wat er ook gebeure, indien onze kinderen kunnen lezen en +schrijven, zullen wij, alhoewel arme werklieden, hun toch een +kostelijk erfdeel nalaten. Zij, die u berispen, kunnen dit niet +zeggen. Leg de hand op uw hart, Adriaan, en gevoel, of het u niet +hoogmoedig en gelukkig maakt, te weten, dat gij voor God en voor de +menschen uwe vaderlijke plichten met liefde vervult. Wees vergenoegd, +en luister niet meer naar kwaden raad van onwetende lieden. Kom, +vriend, ik zal Bavo in mijne armen nemen. Wij gaan slapen." + +En Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw, die +achter hem met haar zoontje de trap beklom. + + + + +IV + + +Sedert Bavo de overtuiging had bekomen, dat hij Lieveken zou kunnen +leeren lezen, had hij geenen enkelen dag laten voorbijgaan, zonder +uren lang haar in het spellen te oefenen. Er was iets wonderlijks in +de aanhoudendheid en in de vlijt van den kleinen jongen; ja, dikwijls +vermoeide hij Lieveken zoodanig, dat haar hoofd er duizelig van werd +en zij om verpoozing smeekte. + +Buiten de goedheid des harten, die Bavo aandreef om het arme Lieveken +deelachtig te maken aan het onderwijs, dat zijne moeder hem had leeren +aanzien als de hoogste weldaad voor een werkmanskind, bestond er eene +bijzondere reden van zijne drift en haast om zijne speelgenoote te +leeren lezen. Hij wist, dat zij, zoohaast het mogelijk zou worden, +naar de fabriek zou moeten gaan, en dan, vreesde hij, zou zij niet +meer kunnen leeren; misschien zelfs zou hij niet meer of zeer zelden +met haar kunnen spelen. + +Inderdaad, vader Wildenslag was een vijand van het onderwijs. Volgens +zijne meening,--die, eilaas, gedeeld wordt door vele onwetende +werklieden--zijn de kinderen slechts op de wereld om hunnen ouders +geldelijk voordeel aan te brengen, en is alle opoffering voor hen eene +domheid, zoohaast er middel bestaat om ze te ontwijken. Alhoewel hij +zijne kleine Godelieve meer dan zijne andere kinderen beminde, +verschrikte het hem, dat zij te huis met een boek op de knieen zat, en +door hare netheid en kiesche manieren tot eene juffrouw scheen op te +groeien. Het was, volgens zijne gedachte, een slecht voorbeeld in een +huisgezin, waar iedereen bestemd was om, van kindsbeen af tot aan het +graf, te werken zonder rust en zonder hoop op verbetering. + +Godelieve was te jong en te zwak om nu reeds naar de fabriek te gaan; +maar er bestond in de buurt een huis, waar men den kleinen meisjes +leerde handwerken. Daar zou zij eerlang elken dag eenige centen +verdienen, en dit was toch alweder zooveel in het huishouden gewonnen. +Daarenboven, zij zou gevoelen, dat zij geboren was om te werken +evenals de anderen, en de luiheid, de _juffrouwerij_, zooals hij het +noemde, zou den tijd niet hebben om in haar te groeien. + +Meer dan eens reeds had hij met zijne vrouw over zijn inzicht +gesproken; maar moeder Wildenslag had hem telkens tot een uitstel +overgehaald, door hem te doen begrijpen, dat Lieveken nog altijd zwak +en kwijnend was. + +Deze reden ontsnapte haar evenwel na eenige maanden; want Lieveken +scheen gezond te worden, en hare leden hadden in korten tijd zeer in +sterkte toegenomen. + +Dan werd op zekeren middag het vonnis over haar geveld, en haar werd +bekend gemaakt, dat zij des anderen daags 's morgens, te zes uren, +naar het speldenwerkhuis zou gaan. + +Het meisje zou zich zonder het minste verdriet onderworpen hebben, +want zij wist niet, wat haar in dezen nieuwen toestand wachtte; maar +de vader deed haar de ergste zijde van haar lot begrijpen, toen hij +haar zeide: + +"En dan, Godelieve, is het voor altijd gedaan met leeren lezen. Gij +kent daarvan al veel te veel voor een arm werkmanskind. Poog het +liever te vergeten, want anders zou het u gedachten kunnen geven, die +u later op den doolweg zouden brengen. Geene boeken meer in huis; denk +aan werken alleen." + +Godelieve ging zwijgend het huis uit en bleef bij de deur met gebogen +hoofd staan. Lang overwoog zij. Zij zou niet meer mogen leeren! Dit +gepeins rukte tranen uit hare oogen, en zij ging langzaam en als +dwalend naar de woning van bazin Damhout. + +Zij verscheen in de kamer met het voorschoot voor de oogen. Adriaan +Damhout was reeds terug naar zijne fabriek; maar dewijl het Donderdag +en schoolverlof was, zat Bavo nog nevens zijne moeder bij de tafel. + +De jongen sprong met eenen gil van zijnen stoel op, greep het meisje +de hand en vroeg: + +"Lieveken, gij krijscht? Wie heeft er u kwaad gedaan?" + +Maar Lieveken begon luide te snikken en scheen ontroostbaar. + +"Nu, Godelieve, spreek, wat is u geschied? Het zal niet erg zijn," +zeide moeder Damhout. + +"Ach, ik mag niet meer leeren lezen!" zuchtte het kind. + +"Hoe? Waarom? Het kan niet zijn!" morde Bavo met eene uitdrukking van +ongeloof en tevens van opstand. + +"Neen, ik mag niet meer leeren lezen, nooit meer. O, Bavo, ik kan +reeds bijna lezen, en nu moet ik geweld doen om het weder te +vergeten!" + +"Wie, wie zegt dit?" kreet de jongen. + +"Mijn vader heeft het gezegd, en er is niets aan te doen," antwoordde +het droeve Lieveken. + +"Uw vader!" herhaalde Bavo met schrik. + +"Ja, en morgen van te zes uren moet ik naar het kantwerkhuis, en ik +mag nooit een boek meer in de hand nemen, dat vader het zie. Och God, +wat ben ik ongelukkig!" + +Luider nog begon zij te krijschen; de tranen biggelden van tusschen +hare vingeren.--Bavo, door medelijden ontroerd, liet het hoofd op de +tafel vallen en begon insgelijks te weenen. + +Gedurende eenigen tijd deed vrouw Damhout pogingen om de kinderen te +troosten; maar zij gelukte er niet in. Om hun eenigen moed te geven, +beloofde zij eindelijk, dat zij moeder Wildenslag zou gaan spreken, en +zij drukte de hoop uit, dat zij misschien het pijnlijk vonnis zou +kunnen verbidden. + +Haastig schikte zij alles in de kamer, en zeide dan tot het meisje: + +"Zijt gij wel zeker, Lieveken, dat uwe ouders beslist hebben u naar +het kantwerkhuis te doen?" + +"Zeker, bazin Damhout, reeds van morgen vroeg." + +"Zij weten dus niet wat een kantwerkhuis is?" + +"Ik geloof, dat zij het wel weten. Dit is niets, bazin Damhout; ik wil +wel naar het kantwerkhuis gaan, ik zal er mijn best doen zooveel ik +kan; maar dat ik niet mag leeren lezen, daarom heb ik zooveel +verdriet." + +"Welnu, blijf hier; ik ga naar uwe moeder. Krijsch niet meer. +Misschien kom ik terug met goed nieuws." + +Eenige oogenbliken daarna trad vrouw Damhout in de woning van +Wildenslag. + +"Wel goeden dag, Christina, wat geluk u hier te zien!" riep de moeder +van Godelieve. "Zijt gij op den wandel? Het gebeurt u niet veel. Ik +heb daar juist koffie opgeschonken, omdat het vuur toch aan was. Wij +gaan een lekker kopje te zamen drinken.... + +En gij daar, vuile bengels, de deur uit, totdat ik u roepe, of anders +zal het troef op uwen rug zijn!... Nu, zit neer, Christina, wij zijn +alleen en kunnen op ons gemak een beetje kouten." + +"Het is om een beetje te kouten, dat ik gekomen ben, Lina," antwoordde +vrouw Damhout, zich nederzettende. "Is het inderdaad waar, dat gij +besloten hebt uwe Godelieve op het kantwerkhuis te doen?" + +"Het is waar, Christina. Ik hadde haar nog wel eenigen tijd te huis +gelaten. Het kind is nog niet van de sterksten; maar mijn man houdt +niet af, en hij heeft misschien gelijk. Hoe vroeger men de kinderen +aan het werk gewent, hoe beter. Dan brengen zij al gauw iets of wat in +het huishouden. Gij trekt zulk aardig gezicht, Christina? Verwondert +het u, dat wij onze Godelieve naar het kantwerkhuis doen gaan?" + +"Het bedroeft mij." + +"Waarom toch?" + +"Ik ga het u zeggen, Lina; en vermits gij moeder zijt en een goed hart +hebt, zult gij mij begrijpen, ik hoop het ten minste. Gij weet +misschien niet wat een kantwerkhuis is? Ik weet het, ik heb er een +paar jaren op eenen stoel genageld gezeten, en ik zou misschien daar +eenen vroegen dood mij op den hals gehaald hebben, hadde mijn goede +peter zaliger, God zegene hem, mij niet van daar weggenomen om mij +naar de school te laten gaan. Ziet gij, Lina, in zulk kantwerkhuis +zitten de arme kleine meiskens van den vroegen morgen tot den laten +avond over een kantkussen gebogen. Men laat toe, dat de kinderen een +oogenblik ademhalen. Nooit opzien, nooit verroeren; altijd werken met +gekromde leden en verpletterde borst. Dit eeuwig zitten maakt de +kinderen bleek en ziekelijk; velen groeien er krom van, eenigen +krijgen een bult, en het ergste van al is, dat, met hun zoo langzaam +de borst in te drukken, men dien ongelukkigen kinderen de tering in +het lijf steekt. Och, wist gij, Lina, hoevele jonge vrouwen er +begraven worden, die in het kantwerkhuis den doodelijken knak gekregen +hebben!" + +"Hemel, gij verschrikt mij!" zuchtte bazin Wildenslag. "Maar het is +zeker niet waar, wat gij daar altemaal zegt!" + +"Het is ten minste grootendeels waar, Lina. Ik weet het, er zijn +sterke kinderen, die wel niet ziek worden, omdat zij op het +kantwerkhuis zijn geweest; maar had ik een kind, dat zoolang ziek was +als Godelieve, ik zou het niet durven wagen hare gezondheid te krenken +en misschien de schuld te worden des doods van mijn kind. Ik ben +moeder...." + +"Maar ik ook, ik ben moeder!" kreet bazin Wildenslag. + +"Ik weet het, Lina," was het stille antwoord. "Had ik kunnen twijfelen +aan uwe liefde voor uwe kinderen, gij zoudt mij vandaag hier niet +gezien hebben. Godelieve is mij komen zeggen, dat gij besloten hebt +ze morgen naar het kantwerkhuis te doen gaan. Mij raakt de zaak wel +niet persoonlijk; maar gij zult het mij vergeven, dat ik uw kind +gaarne zie. Zij is toch zoo minzaam en zoo verstandig, en zij heeft +zulk goed en zuiver hart. Het doet mij pijn, te moeten denken, dat het +arme lam misschien de borst zal worden ingedrukt, om vroegtijdig te +sterven." + +"Maar, Christina, zij gaat niet naar het kantwerkhuis!" riep vrouw +Wildenslag met eene soort van verontwaardiging. "Ik ben arm, ik ben +eene onwetende sloor, dit beken ik; maar ik heb ook een moederhart in +het lijf; ik zal mijn kind de borst niet laten indrukken, al gave men +mij eenen hoop goud!" + +"Dit vereert u in mijne oogen, Lina," zeide bazin Damhout, "dat gij uw +arm Godelieveken zoo oprecht bemint ... maar uw man?" + +"Mijn man? Wat heeft hij zich daarmede te bemoeien? Godelieve is een +meisje, en over de meisjes is de moeder alleen meesteres. Dat hij met +zijne bengels van jongens doe wat hij wil; ik kom daar ook niet +tusschen. Wees niet bevreesd, Christina; al verroerde hij hemel en +aarde, onze Lieveken zou toch niet naar het kantwerkhuis gaan. Het is +beslist; ik kan niet weten, of gij geheel gelijk hebt, maar met den +schrik, dien gij mij hebt aangejaagd, zou ik nog niet plooien, al +stond ik voor den koning zelven." + +De beide moeders drukten elkander de handen; bazin Wildenslag scheen +zeer gevleid door den lof en de vriendschap harer buurvrouw, en het +was met onverborgene blijdschap, dat zij haar aandreef om nog een +kopje koffie te drinken. Eindelijk zeide zij in gedachten: + +"Zeker, Godelieve gaat niet naar het kantwerkhuis; maar zij kan toch +niet langs de straat blijven loopen? Haar vader knort dagelijks +daartegen, en hij heeft geen ongelijk. Zij is nog te jong om naar de +fabriek te gaan. Wat zou ik met het kind doen, Christina?" + +"Indien ik u eenen goeden raad mocht geven...." + +"Wel, het is naar goeden raad, dat ik u vraag." + +"In uwe plaats liet ik Godelieve voor een paar jaren naar de school +gaan." + +"Naar de school gaan? Ons Lieveken naar de school? Waar zijn toch uwe +zinnen, Christina?" riep vrouw Wildenslag als verbaasd. "Hebben wij, +arme fabriekwerkers, de middelen, om van ons kind eene juffrouw te +maken, die niet meer zou willen en kunnen werken?" + +"Gij verstaat mij niet, Lina," bemerkte vrouw Damhout. "Lieveken kan, +om zoo te zeggen, reeds lezen. Indien ze nu nog twee jaren naar de +school gaat, zou ze geleerd zijn en goed kunnen schrijven en rekenen. +Dan deed ik ze bij eene kleermaakster of op een modewinkel. Zij zou +dienvolgens ook leeren werken, maar zij zou niet onwederroepelijk +veroordeeld blijven, om tot het einde van haar leven eenvoudige +werkster en dienstmeid van anderen te blijven. Met hare geleerdheid +zou zij zeker winkeldochter worden, en later zou ze zonder twijfel +zelve eenen winkel oprichten en meesteresse worden. Het verwondert u? +De geleerdheid, Lina, maakt den mensch tot alles bekwaam. Voor ons, +onwetende werklieden, is er geene verbetering mogelijk; wat wij zijn, +moeten wij blijven tot onzen dood; maar geven wij onzen kinderen de +geleerdheid, dan zetten wij de wereld geheel open voor hen, en wij +nemen van hun hoofd de vermaledijding weg, de onwetendheid, die hen +veroordeelde tot een leven zonder hoop." + +Bazin Wildenslag luisterde met wijdgeopende oogen; zij scheen niet wel +te begrijpen, wat hare buurvrouw zeide. + +"Vooronderstel nu eens, Lina," hernam deze, "dat uwe Godelieve +winkeldochter worde, en later zelve meesteresse; dat zij veel geld +winne en als eene ware juffrouw gekleed ga. Zou u dit bedroeven? Is +het geluk van haar kind de hoogste vreugde eener moeder niet?" + +"Inderdaad, Christina." + +"En indien gij, met de hand op het hart, u zelve mocht zeggen, dat +gij, gij alleen de oorzaak zijt van hare welvaart in de wereld, zou +het u niet hoogmoedig maken?" + +"Ja, maar zou zij dan hare arme ouders wel blijven beminnen?" + +"Waarom niet? Is de dankbaarheid dan vijandin van de liefde? +Integendeel, ik ben wel zeker, dat Godelieve nooit uwe weldaad zou +vergeten en tot op haren ouden dag nog in zich zelve zou zeggen: mijn +geluk, mijne welvaart ben ik verschuldigd aan mijne moeder. Uwen naam +zou zij zegenen, haar leven lang, en zij zou God bidden, dat Hij u in +Zijnen schoonen hemel beloone voor uwe goedheid." + +Vrouw Wildenslag was getroffen; hare oogen schenen vochtig van +ontroering. + +"En dan, ziet gij, Lina, de verstandige lieden zouden u achten en +prijzen. Zij zouden zeggen: die juffrouw, de meesteresse van dien +schoonen modewinkel, is de dochter van bazin Wildenslag. De arme +werkmansvrouw heeft moed getoond; zij heeft hare dochter laten leeren +en dus haar geluk in de wereld verzekerd." + +"Het is wel schoon wat gij daar zegt," zuchtte de moeder van +Godelieve, "maar zoo valt het niet altijd uit." + +"En ware de zaak onzeker, zoudt gij daarom Lieveken tot eeuwige +armoede veroordeelen, als gij het middel kent om haar een beter lot te +bezorgen? Zijt gij niet moeder, en zou de overtuiging, dat gij uwen +plicht hebt gedaan, u niet hoogmoedig en blijde maken voor gansch uw +leven?" + +"Naar de school gaan, het is gemakkelijk te zeggen," mompelde vrouw +Wildenslag, het hoofd schuddende, "maar het geld, de kosten?" + +"Daar loopen geene kosten op, Lina. Bij de Zusters-ten-Nonnenbosch, +achter St.-Anna-Kerke, zal men uw kind met vreugde ontvangen en het +kosteloos leeren, zoolang gij wilt. Wat zijn die twee jaren? Lieveken +kan toch niets winnen, en, eens geleerd, zal zij zooveel te spoediger +bekwaam zijn om een schoon dagloon te verdienen. Wees zeker, indien +gij mijnen raad volgt, zult gij er mij later om bedanken." + +Moeder Wildenslag boog het hoofd en zag zwijgend ten gronde. + +"Welnu, wat denkt gij van mijnen raad?" vroeg hare buurvrouw. + +"Laat mij overwegen; het is eene gewichtige zaak. Ja, ik ben moeder, +en het geluk van mijn kind...." + +Eensklaps sprong zij recht, liep tot eene kas, drukte zich eene +zuivere muts op het hoofd en wierp zich eenen katoenen mantel over de +schouders. + +"Kom, Christina," riep zij, "ga mede met mij!" + +"Maar wat wilt gij doen?" vroeg bazin Damhout verwonderd. + +"Wat ik wil doen? Ik heb nu een goed gepeins, en ik ben vervaard, dat +het zou kunnen veranderen. Zoo ben ik. Het moet maar seffens gedaan +worden, anders komt het er niet van. Wij gaan naar de Zusters, om te +zien, of zij mijne Godelieve op hunne school willen toelaten." + +"Moet gij niet eerst uwen man daarover raadplegen?" + +"Denk daar niet aan. Van een beetje lawijd en eenen avond gegrom zal +ik niet ziek worden. Lieveken is mijn kind, en als de zaak eens +afgedaan en geklonken is, zal haar vader zooveel te gemakkelijker te +overwinnen zijn. Kom, kom, geen tijd verloren. Gij kunt schoon en +beleefd spreken, Christina, doe gij het woord bij de Zusters, dan +geraken wij seffens klaar, indien het mogelijk is." + +De beide vrouwen verlieten het huis en verdwenen onmiddellijk achter +den hoek der stege. + +Intusschen wachtten Bavo en Lieveken met koortsig ongeduld op de +terugkomst van vrouw Damhout. In het eerst hadden zij elkander +getroost met de hoop op goed nieuws; maar dewijl Bavo's moeder zoolang +weg bleef, ontzonk hun eindelijk de moed geheel. + +Nu zaten zij sedert een half uur zwijgend te treuren, toen eensklaps +de deur werd geopend en zij hunne moeders zagen verschijnen. Bevend +sprongen gij recht; hoop en vrees glinsterden in hunne wijdgeopende +oogen. + +"Godelieve," zeide bazin Wildenslag met groote blijdschap, "gij moet +niet naar het kantwerkhuis! Morgen gaat gij naar de school, bij de +Zusters-ten-Nonnenbosch, en gij zult mogen leeren gelijk Bavo!" + +Een blijde kreet ontsnapte het gelukkige Lieveken; zij omhelsde hare +moeder en vrouw Damhout; zij greep Bavo bij de handen en danste +juichend met hem de kamer rond. + +"Ik mag naar de school gaan, ik mag leeren, gelijk gij, Bavo!" riep +zij, in de handen kletsend. "Hoe goed, hoe schoon!" + +En zij stortte zich vermoeid tegen de borst harer moeder, streelde +haar de wangen met de beide handen en stamelde op den toon eener +diepgevoelde dankbaarheid: + +"Ach, moeder lief, ach, moeder lief, wat zijt gij goed voor uw arm +Lieveken. O, wat zie ik u gaarne! Wat zal ik u altijd gaarne zien, +mijn geheel leven lang!" + +Bazin Wildenslag veegde zich eenen traan uit de oogen. Zulke +moederlijke fierheid, zulke zuivere, innige blijdschap had ze nog +nooit gevoeld. Het scheen haar, dat er iets in hare natuur was +veredeld geworden: zij had ten minste dit besef van eigene +waardigheid, dat als eerste belooning van eenen grooten vervulden +plicht in den mensch ontstaat. + +"Kom, Lieveken," zeide zij, "laat ons naar huis gaan. Ik moet eens +goed al uwe kleederen nazien en u een nieuw paar schoenen koopen. De +kinderen op de school zijn altemaal zoo netjes, en ik wil niet, dat +daar iets op mijne kap te zeggen valle." + +In het uitgaan drukte zij met bijzondere kracht de hand van vrouw +Damhout, en zeide tot allen groet: + +"Dank, dank!" + + + + +V + + +Lieveken was ter schole bij de Zusters. Hoe fier en hoe gelukkig +gevoelde zich het arme kind, wanneer zij, met hare leerboekjes en hare +schalie in de hand, door de stege stapte! Nu zou zij het onderwijs +genieten evenals Bavo. Zij was dus een bevoorrecht wezen tusschen al +deze arme werkmanskinderen, die niet mochten ter schole gaan. De +overtuiging, dat zij het voorwerp was van eene onverwachte en +bijzondere gunst, dreef haar aan tot eene ongewone vlijt. Elken avond +herhaalde zij hare lessen met Bavo. Dewijl zij eenen helderen geest en +een sterk geheugen had, deed zij met dit dubbel onderwijs in min dan +een jaar zulke groote vorderingen, dat hare leermeesteressen zelven er +over verwonderden. Daarenboven, zij was zoo gehoorzaam, zoo dankbaar, +zoo streelend, dat de Zusters haar met eene bijzondere voorliefde +behandelden, en allengs trotsch werden over de verrassende vruchten +van hun onderwijs in dit arme werkmanskind. + +Vader Wildenslag had nooit rechtzinnig toegestemd om zijn meisje ter +schole te laten gaan. Hij gromde nog immer tegen deze gevaarlijke +gekheid, zooals hij het noemde; en wanneer hij met zijne vrouw er +over sprak, vielen er vele grammoedige en bittere woorden. Het was +zijne ingewortelde gedachte, dat het onderwijs een werkmanskind +onfeilbaar moet verloren leiden; want volgens hem sproten uit de +geleerdheid de zucht naar schoone kleederen, hoovaardij en vele ergere +dingen. Het minste kwaad was nog, dat de kinderen, welke dus boven +hunnen staat verheven worden, eindelijk van hoogmoed op hunne ouders +nederzien. Daarenboven, terwijl ze leeren, winnen ze niets, en dit is +zooveel ontstolen aan de ouders, die recht hebben op het werkloon +hunner kinderen. Hij was niet alleen van dit gevoelen; zijne vrouw +mocht het vragen aan al hare geburen; buiten bazin Damhout zou geen +enkele anders spreken. In het eerst had hij, door zijne herhaalde +aanvechtingen en bovenal door zijne droeve voorspellingen, zijne vrouw +in twijfel gebracht; maar nu waren allengs zijne woorden onmachtig op +haar geworden. + +Lieveken woonde dikwijls de samenspraken bij, waarin er over haar lot +werd getwist: zij hoorde en zag bevend, hoe hare moeder haar +verdedigde en hoe zij te lijden had om haar op de school te houden. +Het kind wist zulke zoete woorden, zulke teedere streelingen te vinden +om hare moeder te troosten; zij drukte hare dankbaarheid met zooveel +gevoel en kracht uit, dat bazin Wildenslag soms haar beminlijk +Lieveken tegen de borst drukte en diep ontroerd haar omhelsde. + +Uit erkentenis voor hare moeder, poogde Lieveken zich op alle wijze +nuttig te maken. Zij stond op met het krieken van den dag, schikte, +kuischte en schuurde, en deed zooveel, dat het huisje van Jan +Wildenslag allengs een min onzindelijk aanzien kreeg. Zij sprak +tevens met hare moeder over hetgeen zij op de schole leerde en over de +schoone lessen van zedelijkheid en van wellevendheid, welke de Zusters +haar gaven. Zoo begon het kind, zonder het te weten, de opvoeding +harer moeder, en het wierp in haar hoofd de eerste lichtstralen, welke +er ooit waren in doorgedrongen. + +Bazin Wildenslag, hoe woest en onwetend ook, had een goed hart en veel +gezonde rede. Wanneer zij alleen was met Lieveken en zij het kind zoo +eenvoudig en toch zoo schoon hoorde spreken van haar onbekende dingen, +van godsvrucht, van zedelijkheid en van de menschelijke plichten, +gevoelde zij zich in eene andere lucht, en het scheen haar, dat hare +eigene natuur door de aanraking van haar kind zich verhief en zich +louterde. + +Ook zeide zij soms tot hare buurvrouw: "Zie, bazin Damhout, wij, arme +lieden, wij denken, dat wij dom en slecht zijn. Het is niet waar. Het +goede steekt er in, maar niemand heeft het er doen uitkomen. Hadden +mijne ouders mij beter opgebracht en mij laten leeren, ik zou een +ander mensch geworden zijn; want nu gevoel ik het wel, ik ben zoo bot +niet als ik zelve het meende. Ware het nog te herdoen! Maar het is te +laat, gebuurvrouw. Ik heb nu toch het geluk, te weten, dat mijne +Godelieve goed zal geleerd worden. Zij is een engeltje in mijn huis; +en mijn man mag mij vervaard maken zooveel hij wil, ik ben zeker dat +ik plezier in mijn kind zal hebben zoolang ik leef. Wat hare broeders +en zusters betreft, kleinen en grooten, daar is niets goeds van te +verwachten. Zij staan tegen mij op, alsof ik geboren ware om hunne +slavin en hunne dienstmeid te zijn. Ik heb al moeite gedaan om de +kleinste naar de school te krijgen; maar Wildenslag springt vijf voet +hoog van gramschap, zoohaast ik daarvan spreek." + +Misschien had de tevredenheid van vrouw Wildenslag nog eene andere +reden. Zij was naar de school van Lieveken gegaan. De Zusters hadden +haar met eene bijzondere beleefdheid en met eene zichtbare blijdschap +ontvangen; haar de wonderlijke vorderingen van haar kind geroemd; haar +hoog geprezen, omdat zij, nederige werkmansvrouw, haar kind liet +leeren, en haar eindelijk, tot overmaat van vriendelijkheid, op eene +lekkere koffie onthaald. + +Natuurlijk, zulk eerbewijs en de uitbundige lof over haar zelve en +over haar kind hadden haar het hoofd duizelig gemaakt, en zij was uit +de school teruggekeerd met het vaste opvat, Godelieve zoolang mogelijk +te laten leeren. + +Daaruit volgde, dat, als de twee jaren verloopen waren, zij allerlei +listen uitvond en zelfs openlijk tegen haren man in opstand kwam, om +haar meisje nog eenige maanden langer op de school te laten. + +Alles was echter geene vreugde in het leven van Lieveken. Hare +broeders en zusters, waarvan er reeds drie op de fabriek werkten, +hadden voor haar eene soort van haat opgevat. Het scheen hun eene +schreeuwende onrechtvaardigheid, dat Godelieve, zonder geld in huis te +brengen, in luiheid mocht leven.--Onrechtvaardigheid vanwege de ouders +was het zeker, dat zij al hunne kinderen niet hadden laten leeren; +maar zoo verstonden de woestaards het niet. Op Lieveken alleen meenden +zij zich te moeten wreken. Zij noemden haar spottenderwijze de +_Mammezel_, scholden haar uit voor eene leegloopster, eene +opvreetster, mishandelden haar, bevuilden of scheurden hare boeken en +schenen eene samenspanning te hebben aangegaan om het arme meisje te +bedroeven en te plagen. + +Godelieve verdroeg alles met een engelachtig geduld; slechts wanneer +men hare schrijfboeken bemorste of beschadigde, weende zij in stilte, +omdat zij vreesde in de school door de Zusters te worden bekeven. + +Elken dag, zoohaast het avondmaal was geeindigd, ging zij met hare +boeken naar het huis van bazin Damhout. Daar las en schreef zij aan de +zijde van Bavo, ontving zijne terechtwijzingen en zijne lessen met een +liefderijk gemoed, en speelde dan nog wat, en koutte misschien met +haren jongen vriend van hetgeen zij beiden meenden of hoopten later in +de wereld te zullen worden. + +Bazin Damhout arbeidde zonder ophouden aan het naaien van kielen of +van ander lijnwaden kleedergoed. Dewijl haar oudste meisje nu +insgelijks naar de school ging, moest zij pogen wat meer geld te +winnen, om haren man niet te laten gevoelen, dat het onderwijs der +kinderen, ofschoon kosteloos, toch wel eenige opoffering vergde. + +Niet zelden wanneer Adriaan Damhout in gezelschap van Jan Wildenslag +was geweest, keerde hij naar huis met een versomberd gelaat, en dan +ontsnapten hem treurige bemerkingen, die genoeg lieten blijken, dat +hij nog altijd ongerust was aangaande de gevolgen der al te hooge +opvoeding, welke zijne vrouw aan hare kinderen gaf. + +Misschien dat de arme moeder niet geheel zonder vrees of twijfel was; +want zij hield niet op van Bavo en Lieveken, onder alle vormen en bij +elke gelegenheid, de dankbaarheid en de liefde tot hunne ouders als +eenen heiligen plicht aan te prijzen. Alsof zij, door eene geheime +inspraak harer ziel, gevoelde, dat geleerdheid niet voldoende is om +alleen den mensch te vormen, legde zij met eene teedere oplettendheid +in het hart van haren zoon en in het hart van Lieveken de kiemen van +het diepste plichtgevoel en van de zuiverste deugden neder. + +Zij was sedert jaren gewend aan de tegenwoordigheid der kleine +Godelieve; nu vond zij haar geluk in de zoete vriendschap der kinderen +voor elkander en in hunne ijverige leerzaamheid. Zij aanschouwde +eenigszins het goede meisje als haar eigen kind. Was zij de oorzaak +niet, dat zij naar de schole ging? En gaf deze weldaad haar het recht +niet om Godelieve uitzonderlijk te beminnen? + +Het meisje erkende hare liefde niet alleen door eene groote +dankbaarheid, maar tevens door een gevoel van diepen eerbied en van +ontzag, dat zij zelfs op Bavo overdroeg; want alhoewel zij aan zijne +zijde leefde als zijne zuster en zijne gelijke, bleef hij in hare +oogen altijd een waardiger wezen, wiens vriendschap en wiens +edelmoedige bescherming zij onverdiend genoot. + +Eindelijk toen Godelieve bijna gedurende drie jaar had ter schole +gegaan, kon hare moeder het niet langer tegen haren man volhouden, en +er werd beslist, dat het meisje met het begin der volgende week het +gesticht der Zusters zou verlaten. + +Wildenslag meende, dat men haar onmiddellijk op de fabriek moest doen; +zij zou er seffens eenige stuivers elken dag winnen, terwijl zij, om +een handwerk te leeren, misschien nog wel gedurende twee jaar met +eenen of twee stuivers per week zou naar huis komen. Al die +geldverkwisting, beweerde hij, had geen ander gevolg dan eene pint +bier en een brok vleesch uit zijnen mond en uit den mond harer +broeders en zusters te rooven. Het kwetste hem daarenboven, dat zijne +dochter op eenen juffrouwenstiel ging en niet fabriekwerkster bleef +gelijk hare ouders. + +Daarover echter behaalde hij geen gelijk. In den geest van vrouw +Wildenslag was de toekomst van Godelieve afgebakend zooals Bavo's +moeder ze haar had voorspeld. Zij zou kleermaakster worden, +winkeldochter en eindelijk meesteresse; daar was niets aan te doen, +haar man mocht er tegen grollen en grimmen zooveel hij wilde. + +Toen Lieveken met het onverwachte nieuws bij Bavo kwam en zeide, dat +zij hare school ging verlaten, was er eerst verrassing en dan stille +treurnis. De kinderen wisten niets daartegen in te brengen en +onderwierpen zich; maar hunne oogen, wanneer zij elkanders blikken +ontmoetten, waren klagend, en uit Lievekens boezem ontsnapte nu en dan +een zucht. Het was zoo goed voor haar bij de Zusters; zij was er zoo +bemind geweest en zij droeg haren leermeesteressen zooveel dankbare +genegenheid toe. Hare goede weldoensters voor altijd vaarwel te +zeggen, viel haar hart bitter en wreed. Maar het kon niet anders: zij +was arm in de wereld en moest een ambacht leeren, dit wist zij wel. + +Bazin Damhout zeide aan hare buurvrouw, dat zij niet mocht nalaten de +Zusters van hare beslissing te verwittigen, en bij deze gelegenheid +hen duizendmaal en uit den grond des harten moest bedanken voor hunne +goedheid. + +Daar Lina reeds eens in het gesticht met bijzondere vriendelijkheid +was onthaald geworden, volgde zij den raad harer buurvrouw. + +Wie het meest verrast en bedroefd schenen bij de onverwachte +aankondiging, waren de Zusters. Godelieve was eene leerlinge, op welke +zij niet alleenlijk trotsch waren, maar zij hadden allen het meisje +bijzonder lief om hare voorbeeldige zedigheid en ijver, en meer nog +misschien om hare aandoenlijke dankbaarheid. Daarenboven, Godelieve +was hun reeds sedert eenige maanden behulpzaam geweest om de kleinste +meisjes te leeren spellen. + +Nadat de Zusters de redenen van bazin Wildenslag hadden gehoord, +staken zij de hoofden bijeen en spraken eenigen tijd in stilte met +elkander. + +Dan zeide de oudste: + +"Vrouw, het zou ons pijn doen, onze beste leerlinge nu reeds te moeten +verliezen. Wij waren fier op haar, en hadden ze wel gaarne nog een +jaar behouden, om te doen zien waartoe wij bekwaam zijn, als onze +lessen in eenen goeden grond vallen. Zoudt gij ze niet nog een beetje +op onze school kunnen laten?" + + +[Illustratie: Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad +papier uit.] + + +"Onmogelijk, Zuster," antwoordde bazin Wildenslag met eenen zucht. "Ik +wenschte het ook wel. Vermits ik slechts een kind heb, dat heeft mogen +naar de school gaan, zou ik ze willen laten leeren zoolang ze kan; +maar mijn man is niet meer te stillen. Wij kunnen zoo niet leven. De +kinderen kosten geld. Ik heb er niet minder dan zes; en, gelooft mij +of niet, ze eten ons waarlijk het haar van het hoofd. Als de +kinderen hunnen eigen kost niet verdienden, zoohaast ze groot genoeg +zijn, dan moeten al de menschen van onze soort naar de armen." + +"En wanneer denkt gij, dat Godelieve, met den kleermakersstiel te +leeren, haren kost zou beginnen te verdienen?" + +"Niet spoedig, Zusters, ik weet het wel: binnen twee jaar misschien, +zoo allengskens." + +"Welnu, wij willen u een goed voorstel doen. Laat Godelieveken nog +naar de school komen. Zij zal hier het noenmaal en het avondmaal +genieten, en zelfs het ontbijt, indien gij wilt. Wij zullen eene +bijzondere zorg aanwenden om haar goed te leeren naaien. En zoohaast +zij dertien of veertien jaar bereikt en wel onderwezen is, zullen wij +zelven haar op eenen winkel doen, bij eene meesteresse, die haar zal +beschermen en bevorderen. Zij zal dus den verloren tijd ruimschoots +inwinnen. Bevalt u dit voorstel?" + +"Ach, menschen lief, wat zijt gij toch goed voor mijn arm kind!" riep +moeder Wildenslag met de tranen in de oogen. "Dat God u beloone voor +uwe liefdadigheid. Ja, ja, zeker, ik neem uw edelmoedig voorstel aan +uit gansch mijn hart." + +Zoo bleef Godelieve, ondanks de tegenwerpingen haars vaders, op de +school der Zusters. + +Wat Bavo betreft, het is onnoodig te bevestigen, dat hij op de +gemeenteschool insgelijks zich onder al zijne medeleerlingen +onderscheidde. Hij was in geleerdheid oneindig verder dan Lieveken; +hij had een schoon geschrift, was zeer geoefend in het rekenen en had +reeds eenige vorderingen in de Fransche taal gedaan. Zijne meesters +hadden hun genoegen in zijn helder begrijp en in zijne leerzaamheid, +en roemden op zijnen spoedigen voortgang. + +Daar zijne ouders hem voor den stiel van mekaniekmaker of van +timmerman bestemden, woonde hij sedert anderhalfjaar de lessen der +teeken-academie bij, en alles liet vermoeden, dat hij ook in dit +nieuwe vak behendig worden zou. + +Met al deze bezigheden, en alhoewel hij nu slechts te acht uren des +avonds naar huis kwam, vond hij nog tijds genoeg om spelenderwijze +Lieveken voort te helpen in hare eerste studie der Fransche taal, +welke zij op hare school nu insgelijks had begonnen te leeren. + +Een gansch jaar verliep er dus, zonder dat eenige tegenspoed het +stille geluk van bazin Damhout en van beide kinderen kwam storen. Een +enkel voorval--indien men het voorval mag heeten--was van aard om +aangeteekent te worden in hunne herinnering. + +Bavo had sedert eenigen tijd eene zonderlinge strekking tot +eenzaamheid getoond. Reeds tweemaal, wanneer zijne ouders des Zondags +volgens gewoonte hem mede wilden nemen op de wandeling, was hij alleen +te huis gebleven, onder voorwendsel dat hij veel schoolwerk had af te +maken. Zijne moeder had hem eens verrast, terwijl hij met angstige +haast iets voor haar verborg. + +Wat mocht hem dus bezighouden? Hij wilde het niet zeggen; hij ontweek +alle uitleggingen daarover, en bazin Damhout was niet zonder kommer, +alhoewel zij niet juist wist wat zij vreesde. + +Op zekeren avond kwam Bavo te huis van de school; hij scheen uitermate +blijde, liep van den eenen kant der kamer naar den anderen met +zichtbaar ongeduld en deed niets dan in zich zelven zeggen: + +"Is Lieveken nog niet gekomen? Waar blijft toch Lieveken? Indien zij +eens dezen avond niet kwame!" + +En als bazin Damhout hem vroeg, wat hem zoo aanjaagde, antwoordde hij +lachende: + +"Gij zult het straks zien, moeder lief, en dan zult gij weten, wat ik +voor u hield verborgen." + +"Ha, ha, daar is Lieveken!" riep hij uit. + +Het meisje aanschouwde hem verbaasd en keek rond om te raden, wat hem +zoo vroolijk maakte. + +"Welken dag van het jaar zijn wij?" vroeg hij haar. + +"Ik weet het niet," stamelde zij. "In de maand Juli...." + +"Welnu, zie eens in dezen almanak, daar op den zesden der maand, welke +heilige staat daar?" + +"Sinte-Godelieve!" zeide het meisje met verwondering. + +"Ja, Godelieve, het is uw dag," juichte hij. "Ik ga u besteken; ik heb +een geschenk voor u. Eene maand lang heb ik in het geheim er aan +gewerkt. Gij moogt er niet mede lachen en moeder ook niet. Ik heb +gedaan wat ik kon." + +Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit, legde +dit op de tafel en riep: + +"Zie, Lieveken, zie, moeder, daar is mijn geschenk!" + +Op het blad papier stonden de beelden van twee kinderen, met waterverf +gekleurd, een jongen en een meisje, hand aan hand, en houdende elk in +de hand, die hun vrij bleef, een open boek. Er was een breede, +driekleurige band rondgeschilderd, en deze bonte verven gaven het +eenen grooten glans. Ongetwijfeld had Bavo geweld gedaan om zijne +eigene beeltenis en die van Lieveken na te bootsen; de kleederen +geleken klaarblijkend; maar het geheel was een zoo gebrekkig en grof +kinderwerk, dat men moeilijk het inzicht des makers hadde kunnen +raden, indien hij niet onder de beelden in groote letteren hadde +geschreven: BAVO EN LIEVEKEN. + +Verrast en schier droef, omdat het kleine meisje beweegloos bleef en +niet juichte, zeide hij beschaamd: + +"Ja, Godelieve, het is niet goed, ik weet het wel. Ik heb het gemaakt +om te lachen; het is eene gedenkenis van dat wij te zamen hebben +leeren lezen." + +Godelieve boog het hoofd en begon in stilte te weenen; de tranen +rolden als parelen uit hare oogen. + +"Wat is dit?" murmelde de verbaasde jongen. "Waarom weent gij nu?" + +"Ik weet het niet," was het antwoord, "omdat gij zoo goed voor mij +zijt." + +"Kom, kom, het is maar spel," riep Bavo. "Hadde ik geweten, dat het +beeldeken u moest bedroeven, ik hadde het aan stukken gescheurd." + +"Ho, aan stukken scheuren!" gilde Lieveken met schrik. "Doe dit niet! +Geef het mij, als 't u belieft!" + +"Wel, het is voor u, Lieveken, dat ik het heb gemaakt." + +"Wees gedankt, Bavo; ik zal de gedenkenis uwer vriendschap zoo +zorgvuldig bewaren!" + +Zij greep het blad papier van de tafel en, als verschrikte haar de +gedachte, dat het schoon geschilderd beeld haar nog kon worden +ontnomen, liep zij er mede de deur uit, roepende dat zij het hare +moeder wilde toonen. + + + + +VI + + +Eindelijk was de tijd gekomen, dat Bavo de gemeenteschool zou +verlaten, om als leerjongen op een werkhuis van mekaniekmakers te +gaan. Hij was meer dan veertien jaar, en zijne opvoeding was +voltrokken. + +Toen de onderwijzer van dit besluit kennis gegeven was, kwam hij zelf +in de woning van Damhout, om den ouders van zijnen leerling te +verzoeken en aan te raden, hunnen zoon nog op de school te laten, ten +minste tot de aanstaande prijsuitdeeling. Hij twijfelde niet, of Bavo +zou al de eerste prijzen der hoogste afdeeling behalen. Dus zijne +opvoeding sluiten als _primus_ der school, zou hem een groote eer +zijn, en het kon hem een gewichtige titel op latere bescherming +worden. De hoofdonderwijzer had Bavo lief om zijn goed hart en zijnen +wakkeren geest, en hij verborg den ouders niet, dat hij er aan hield, +zijnen beminden leerling de eer en blijdschap van de zegepraal te zien +genieten. + +Er werd dienvolgens beslist, dat Bavo nog ter schole zou blijven tot +de prijsuitdeeling. + +Sedert eene maand was Lieveken door hare leermeesteressen bij eene +goede kleermaakster geplaatst geworden. Als beschermelinge der +Zusters won zij van den beginne af een frank per week. + +Dit klein loon was oorzaak, dat Wildenslag nog dikwijls zijne vrouw +van dwaasheid beschuldigde, en haar poogde over te halen om Lieveken +naar de fabriek te doen gaan. Daar moeten de kinderen geene lange +leerjaren onderstaan, en zij winnen er onmiddellijk veel meer geld dan +met welk ander ambacht. Evenwel, hoe onophoudend hij ook daarover +zijne ingewortelde meening uitdrukte, zijne vrouw wilde van zulk iets +niet hooren. + +Des avonds, na de arbeidsuren, kwam Lieveken bij bazin Damhout. Zij +had toch te veel van hare woeste broeders en zusters te lijden; en +hare moeder zelve spoorde haar aan om bij hare brave buren den vrede +en het stil vermaak te zoeken, welke zij in haar huis niet vinden kon. + +Uit gewoonte en uit neiging nam zij nog deel in de lessen van Bavo, of +juichte op voorhand met hem over de eer en het geluk, die hem zouden +te beurt vallen bij de aanstaande prijsuitdeeling der gemeenteschool. + +Onverwachts ontstonden er gebeurtenissen, die de Gentsche nijverheid, +en dus ook de werklieden, aan harde beproevingen gingen onderwerpen. +Vele vraagpunten, door de omwentelingen van Frankrijk en van Belgie in +1830 geweldiglijk opgeworpen, waren nog onbeslist gebleven. De +onderhandelingen, tusschen de mogendheden machteloos zijnde om tot +vereffening te leiden, dreigden eenige der belanghebbende landen, door +de wapenen hun recht te doen gelden. Alle volkeren, door de vrees van +eenen Europeeschen oorlog aangedaan, riepen hunne krijgsmachten met +grooten spoed te zamen. Dit verwekte eenen algemeenen schrik, waarvan, +volgens gewoonte, handel en nijverheid de eerste slachtoffers werden. +De overmatige voorraad van stoffen in de magazijnen, eenige groote +bankroeten te Londen en te Parijs, de opslag van de ruwe katoen, +spruitende uit het vooruitzicht eener belemmering in de scheepvaart, +dit alles bracht voort, dat de fabrikanten niet dan met verlies konden +laten werken en de meesten inderdaad hunne fabrieken sloten. + +Twintigduizend menschen geraakten in Gent alleen zonder werk. Dewijl +de arbeider, zelfs wanneer hij veel geld wint en geene kinderen heeft, +gewoonlijk aan den dag van morgen niet denkt, vielen al deze lieden +van een betrekkelijk welzijn eensklaps in de diepste armoede. In het +eerst vonden zij nog iets of wat bij de winkeliers en bakkers te +borgen; maar na vijftien dagen was deze hulpbron geheel opgedroogd, en +dan kwamen de honger en de ware ellende deze duizenden menschen met +vrouw en kinderen wreedelijk aangrijpen. Men zag ze in talrijke +groepen op de markten staan of door straten dwalen, met verbleekt +gelaat en ontvlamden blik, morrend en dreigend en in schijn gereed om +door gewelddadigheid zich uit den bitteren nood te redden. + +Door medelijden aangedreven en hopende, dat deze erge toestand niet +zou voortduren, boden eenige fabrikanten hunnen werklieden aan met +zekere vermindering van loon te werken; en op dien grond werden er +inderdaad meer dan de helft der nijverheidsgestichten geopend. + +Maar een groot getal spinners en wevers verstieten de aangebodene +voorwaarden met gramschap, en beschuldigden de fabrikanten, dat zij +uit zelfzucht van de omstandigheden gebruik maakten, om het werkloon +neder te drukken. Na elkander gedurende eene halve week te hebben +opgehitst, verdoold door onwetendheid en honger, liepen zij in +stormige scharen naar de geopende fabrieken en wilden met geweld alle +werkzaamheid doen staken. Zij mishandelden hunne makkers, die, om toch +brood voor vrouw en kinderen te hebben, de tijdelijke +loonsvermindering hadden aanvaard; zij beschadigden de gebouwen en +werktuigen, en leverden zich over aan gewelddaden, die de +tusschenkomst der gewapende macht noodzakelijk maakten. + +Deze tooneelen van woest geweld boezemden den fabrikanten eenen +grooten schrik of eene diepe spijt in. Dan werden de fabrieken voor +goed gesloten en de duizenden werkmanshuisgezinnen in eene eindelooze +ellende gedompeld. + +Het was bovenal in de woning van Wildenslag, dat er nood en derving +heerschte; want daar waren de kinderen talrijk, en men was er gewoon +zonder vooruitzicht en zonder zorg op voorhand alles te verteren, wat +er werd gewonnen. Moeder Wildenslag had een wreed en bitter leven; al +het verdriet en al de onwil van man en kinderen vielen op haar, en zij +hoorde den ganschen dag niets dan scheldwoorden en verwijtingen, als +ware zij inderdaad de slavin, die in het huishouden het natuurlijke +doel moest zijn van de ontevredenheid der anderen. Lieveken, die ook +deel had in de kwade bejegeningen harer broeders en zusters, was de +eenige troost, die bazin Wildenslag overbleef; want dit kind ten +minste beminde en eerbiedigde haar, en het weende tranen van liefde +en van medelijden op hare borst, wanneer de overigen haar hadden +mishandeld of gehoond. + +In de woning der Damhouts deed de ellende zich zoo spoedig niet +gevoelen. De winkeliers hadden in hen meer vertrouwen, omdat zij +bekend stonden als spaarzame lieden, en gaven hun ook langer op borg. +Daarenboven arbeidde moeder Damhout, wie geen naaiwerk ontbrak, nu van +het krieken van den dag tot elf uren des avonds zonder ophouden. +Misschien wel had de zorgende vrouw eenen kleinen spaarpot? Hare +vlijt, hare zucht om te beletten, dat haar man zich ooit over het +onderwijs zijner kinderen beklaagde, laat toe te vooronderstellen, dat +zij iets had bewaard tegen eenen onvoorzienen nood. + +In het eerst ten minste ontbrak er niets in haar huishouden. Zij +verzocht zelfs dikwijls de arme Godelieve, die honger leed +ongetwijfeld, met hen het avondmaal te nemen; maar het meisje werd +telkens rood bij zulke aanbieding en weigerde, zichtbaar sidderend, +alsof het gepeins van in dit huis eene aalmoes te ontvangen haar met +schrik en schaamte sloeg. + +Nog altijd dwaalden de werklieden in de straten van Gent verhongerd en +lijdend rond. Van kindsbeen af aan eene enkele soort van arbeid, aan +eene eenvormige en beperkte beweging gewend, waren zij onbekwaam om +tot eenig ander werk hunne toevlucht te nemen. De gedachte daarvan +kwam zelfs niet in hen op, en zij zouden veeleer zich met gansch hun +huisgezin van honger hebben laten sterven, dan in eenige andere +bezigheid ten minste eenen tijdelijken onderstand te zoeken. + +Door den langen duur der werkstaking werd de nood insgelijks voelbaar +voor het huisgezin der Damhouts. Inderdaad, wat de vrouw door haren +drukken arbeid met naaien kon verdienen was niet toereikend, om de +huishuur te betalen en de voeding van vijf personen te bekostigen. In +de winkels begon men insgelijks moeilijkheden tot langer borgen op te +werpen. + +Aangespoord door den ijver zijner vrouw, die, zooals hij zelf zeide, +zich de vingeren van de handen werkte, poogde Damhout in de stad werk +te vinden om iets te winnen. Het gelukte hem in de eerste week niet; +want schrik voor den oorlog had meer dan eene nijverheid verlamd, en +er liepen honderden menschen rond om werk en om brood. + +Eindelijk toch, en hoezeer het hem, als spinner van ambacht, +tegenstak, nam hij aan met eenige anderen eene slijkige gracht en +eenen vijver uit te delven en te verdiepen. + +Het bedroefde bazin Damhout uitermate, dat hij zulken arbeid had +aanvaard, en zij poogde hem te overtuigen, dat hij hem moest verlaten; +er zou wel een middel zijn om voort te sukkelen, totdat hij wat beters +hadde gevonden, maar de man, die wanhopig was over de werkeloosheid en +niet langer al den last van het huishouden op zijne vrouw wilde laten +drukken, weerstond haar en begon des anderen daags den voor hem zoo +ongewonen arbeid. + +Gedurende de eerste week hield hij het vol; hij was wel treurig in +zijn hart en tot bezwijkens toe vermoeid in al zijne leden, maar hij +toonde er niets van en veinsde voor zijne vrouw en kinderen eene +stille welgemoedheid. + +Op eenen namiddag evenwel kwam hij naar huis, liet zich zwak en +ontzenuwd op eenen stoel vallen, en zeide, dat de koude koorts hem had +bevangen. Hij was inderdaad zeer bleek, en van tijd tot tijd doorliep +eene zonderlinge siddering zijne leden. Eene uitdrukking van geheime +verschriktheid, eene kwaadvoorspellende ontsteltenis zijns gelaats +deden vrouw Damhout vreezen, dat haar man eene ernstige ziekte kon +hebben betrapt. Zij bedwong hare tranen om hem niet te verontrusten, +deed hem te bed gaan en kookte hem eenigen warmen drank, hem onderwijl +troostende en hem de hoop op eene spoedige herstelling insprekende. + +Maar de toestand van Adriaan Damhout verergerde alle oogenblikken; hij +had groote pijn in het hoofd, hoestte met dor keelgeluid en klaagde +over eene hevige steekte in de zijde. + +De bekommerde vrouw wist niet wat te doen; zij dorst haren zieken man +niet alleen laten, en evenwel moest er iemand in allerhaast naar den +dokter loopen. In het over en wedergaan zeide zij in stilte aan haar +kleinste meisje, dat zij bazin Wildenslag moest gaan verzoeken +onmiddellijk te komen. Toen zij kort daarop de deur hoorde openen, +daalde zij de trappen af, vertelde aan hare buurvrouw hoe Damhout met +eene dreigende ziekte was naar huis gekomen, en verzocht haar bij zijn +bed te waken, totdat zij den dokter zou hebben kunnen gaan +verwittigen. + +Bij geluk vond vrouw Damhout den dokter te huis en gereed om uit te +gaan. Hare gebeden waren er niet noodig om hem tot een spoedig bezoek +aan te sporen. Uit hare verklarigen oordeelde hij, dat hij hier +waarschijnlijk met eene geweldige _pleuris_ zou te doen hebben, en +zulke kwaal is dikwijls doodelijk, indien men ze niet onmiddellijk +bestrijdt. + +Zijn voorgevoel was gegrond; bij het bed van den zieke erkende hij +eene borstvliesontsteking, en gevolglijk was het eerste wat hij deed, +den zieke de ader te openen en hem zoolang bloed af te trekken, totdat +hij in bezwijming viel. + +Bij het gezicht van het bloed haars echtgenoots kon vrouw Damhout hare +smart niet meer bedwingen; zij borst in eenen tranenvloed los en bleef +met de handen voor de oogen weenen, terwijl bazin Wildenslag den +dokter in zijn werk behulpzaam was. + +Toen de geneesheer bemerkte dat de zieke tot zich zelven kwam, schreef +hij een briefje voor een fleschje en zeide: + +"Men hale dit bij den apotheker, en geve er den lijder elk uur eenen +koffielepel van. Gij moogt zoo niet wanhopen, vrouw; de kwaal is wel +erg, wanneer men er niet intijds bij is, maar gij hebt wel gedaan mij +seffens te komen roepen. Nu ben ik schier zeker, dat ik uwen man +geheel zal genezen; maar het kan nog weken duren, vooraleer hij geheel +hersteld zij. Hij zal nu waarschijnlijk lust hebben om te slapen; +stoor hem niet en spreek hem niet aan; hij heeft rust noodig. Gaat +beiden beneden; gij zult wel hooren wanneer hij iets verlangt. +Bovenal, dat men hem geen het minste voedsel geve of late nemen. Het +zou hem doodelijk kunnen worden." + +En met de vrouwen beneden gekomen, zeide hij nog, terwijl hij het huis +uitstapte: + +"Hebt goeden moed; dezen avond zal ik wederkeeren om te zien, hoe het +met onzen zieke gaat." + +Bazin Damhout liet zich op eenen stoel vallen en begon nog +overvloediger te weenen. Uit hare verschrikte snikken kon men slechts +nu en dan de woorden: "mijn ongelukkige man! mijne arme kinderen!" +verstaan. + +Hare buurvrouw poogde haar te troosten en moed te geven. Of zij daarin +gelukte en of de bewustheid van haren plicht als echtgenoote en moeder +de arme bazin Damhout eenige kracht terugschonk, althans de tranen +dezer laatste hielden op van vlieten. + +"Ja, Lina," zeide zij, "gij hebt gelijk: ik moet het hoofd recht +houden, alhoewel ik verga van droefheid en van angst. Ik ben alleen +voor alles. Ach, mijn arme Bavo! hoe zal ik hem zeggen, dat men zijnen +vader al zijn bloed heeft afgetapt? Maar ik mag zoo niet spreken. Ik +zal pogen het hem te verbergen. Daar is het briefje, Lina; ik kan +mijnen zieken man niet verlaten. Zoudt gij de goedheid hebben, eens om +het fleschje te gaan?" + +"Welke vraag?" antwoordde vrouw Wildenslag. "Zeker, men gromt en +scheldt reeds ten mijnent, omdat ik weg ben; maar om u dienst te +bewijzen, zou ik al wel ergere dingen willen uitstaan. Zoo alleen kunt +gij niet blijven; ik zal u iemand zenden, die u misschien eene betere +hulp zal zijn dan eene betaalde dienstmeid." + +Bazin Damhout, nu alleen zijnde, stilde haar klein meisje door +troostende woorden, luisterde met kloppend hart aan de trap en klom +zelfs eens naar boven om haren angst bevrediging te geven. Zij hoorde +haren man ademhalen, zij maakte met inzicht eenig gerucht; maar de +zieke verroerde niet en scheen te slapen. + +Dit gaf haar eenigen moed; zij daalde weder in de benedenkamer, zette +zich op eenen stoel, vouwde de handen te zamen en begon met de oogen +ten hemel te bidden. + +Daar trad Godelieve met het fleschje van den apotheker in de kamer. +Zij zette het op de tafel, naderde tot vrouw Damhout, omhelsde haar +teederlijk en begon in stilte op hare borst te weenen. + +Het liefderijk medelijden van het meisje ontrukte vrouw Damhout nieuwe +tranen; maar nadat zij met Godelieve het ongeval van haren man +gedurende eenigen tijd had beklaagd, werd zij zich zelve meester en +vroeg op treurigen toon: + +"Lieveken, waart gij dan niet op uwen winkel, dat gij om het fleschken +zijt gegaan?" + +"Mijne moeder is om het fleschken geweest," was het antwoord. "Zij is +op onzen winkel gekomen en heeft met de juffrouw gesproken. Ik mag te +huis blijven zoolang ik wil, al ware het gedurende vele dagen." + +"Waarom te huis blijven?" murmelde vrouw Damhout, die de waarheid +begon te vermoeden. + +"Gij zijt zoo alleen! Om u te helpen baas Damhout op te passen en om +uwe boodschappen te doen." + +"Neen, neen, kind, dit is te veel goedheid van uwe moeder en van u. Ik +zal Bavo van de school doen blijven. Gij moogt uwen leertijd zoo niet +onderbreken, het zou u groote schade kunnen zijn." + +Het meisje voegde de beide handen smeekend te zamen en zeide: + +"Gij waart altijd zoo goed en zoo vriendelijk voor mij; gij zijt de +oorzaak, dat ik heb mogen leeren. O, ik bid u, weiger mijnen kleinen +dienst niet! Ik heb verlof van mijne moeder en van mijne meesteresse, +om met u te blijven zoolang ik u nuttig kan zijn. Laat Bavo op zijne +school; anders zou hij geene prijzen kunnen behalen. Het ware voor +hem, voor u en voor zijnen zieken vader een nieuw en groot verdriet." + +En zonder een antwoord af te wachten, schikte zij de stoelen, die in +wanorde geraakt waren, en greep eenen bezem om de kamer te keeren. + +Vrouw Damhout aanschouwde haar eene wijl met kloppend hart, ging tot +haar, omhelsde haar en murmelde: + +"Welnu, mijn goed Lieveken, ik aanvaard uwe hulp voor een paar dagen, +totdat mijn man een beetje zij bekomen. Daarvoor zal God u zegenen, +dat gij zoo dienstwillig zijt!" + +Des avonds, als Bavo en zijne zuster Amelia te huis kwamen, zeide men +hun, dat vader de koorts had, en men zijne rust niet mocht storen. De +jongen zag wel aan de treurigheid zijner moeder en aan het droeve +zwijgen van Lieveken, dat de ziekte zijns vaders ernstig was. Hij +vergoot stille tranen, totdat de dokter, die nu was gekomen om den +kranke nog eens te bezoeken, van de trap daalde en op blijden toon +zeide: + +"Wees gerust, vrouw, de ziekte zal geene erge gevolgen hebben; maar +voor alsnu nog geen het minste voedsel en de volledigste rust. Ween +niet, mijn brave jongen, uw vader zal genezen, twijfel daar niet aan." + +Deze stellige verzekering gaf hun allen moed en hoop; en van dan af +waren hun verdriet en angst veel verminderd. + +Bavo en zijne kleine zuster gingen naar de school, als te voren. +Lieveken werkte als eene ware dienstmeid; van den vroegen morgen +verscheen zij ten huize van bazin Damhout, keerde en schikte de kamer, +ging om water, kookte de koffie en deed alle boodschappen op zulke +wijze, dat moeder Damhout de uren, welke zij niet bij het bed van +haren man doorbracht, kon toewijden aan haar naaiwerk, het eenige +middel om wat geld te winnen voor het huishouden. + +In dien zin bovenal was de tegenwoordigheid van Lieveken eene weldaad +voor de Damhouts; want ondanks het naailoon, was er veel te kort, en +worstelde de arme Christina tegen eenen klimmenden nood. De ziekte van +haren man dwong haar tot vele buitengewone uitgaven; zij had zelfs in +'t geheim reeds hare oorringen en andere kleine juweelen verpand. Wat +ware het dan niet geweest, indien de tijd tot werken haar volstrekt +hadde ontbroken? + +Godelieve gevoelde wel, hoe zij zich het nuttigst maken kon. Zij +ijverde met eene wonderbare aanhoudendheid om vrouw Damhout allen +huisarbeid te sparen, en wanneer zij zelve niets meer te doen wist, +greep zij naald en garen en naaide mede aan het grofste lijnwaad. + +Op eenige dagen tijds was Adriaan Damhout zichtbaar aan het beteren; +maar zijne herstelling vorderde zeer langzaam. Inderdaad, de dokter +had hem na den eersten dag nog tweemaal bloed afgetrokken. Daarbij had +hij hem het gebruik van alle voedsel verboden. Geen wonder dus, dat de +arme man welhaast zoo mager was als een geraamte, en ofschoon gezond +van harte misschien, zoo zwak, dat hij nauwelijks kon spreken. +Mogelijk ook dat zijne ziekte voortduurde en zich slechts langzaam +liet overwinnen. + +Zoohaast zijne beternis toeliet, dat men hem gezelschap hield, gingen +vrouw Damhout en Lieveken bij zijn bed zitten naaien, en dan gaven zij +hem moed en troostten hem door allerlei zoete woorden. Het was +insgelijks bij het bed zijns vaders dat Bavo een gedeelte van den +avond doorbracht. + +Er geschiedde iets zonderlings in den jongen. Hij was somber en +zwaarmoedig; de anderen, bij de zekerheid dat de zieke zou genezen, +toonden vreugde en lachten betere tijden tegen, maar Bavo's lippen +bewogen nooit meer tot den minsten glimlach. Het was, als drukte er +iets op zijn hart. + +Deze duistere gemoedsstemming werd inniger en vermeerderde tot eene +soort van geheime spijtigheid, wanneer zijne moeder, in stede van te +gaan slapen, alleen bleef zitten werken tot half in den nacht. + +Zij zeide hem somwijlen, dat het niet anders kon zijn; dat, dewijl +vader niet arbeiden kon, zij moest pogen iets te verdienen om den +bitteren tijd door te worstelen. + +De jongen antwoordde daar niet op, maar ging ontevreden en morrend +naar zijn bed. + +Eenige dagen later had Bavo eensklaps zijne blijmoedigheid +teruggevonden. Hij was het nu die den anderen moed gaf en zich +opgeruimd toonde. Vermits hij sedert eenige dagen veel vroeger dan +gewoonlijk zich naar de school begaf om er werkzaam te zijn, +vooronderstelde men, dat hij in de prijskampen op zijne school was +gelukt, en hij ontkende zulks niet. Ieder juichte dus met hem over +zijne waarschijnlijke zegepraal. + +Nu Adriaan Damhout geheel buiten gevaar was geraakt, oordeelde de +dokter, dat het tijd was om zijne neergedrukte krachten allengs een +beetje te herstellen. Hij zeide dus op zekeren Maandag tot de vrouw, +dat zij eene sterke soep van ossenvleesch moest koken, en hem daarvan +nu en dan een kopje moest te drinken geven. + +Groot was de verlegenheid en het verdriet van bazin Damhout. Zij was +reeds twee weken huishuur ten achter; haar laatste weekloon had zij +den bakker geheel gegeven, om nog wat brood op borg te bekomen. Niets +was er in huis, dat waarde genoeg had om tot pand tegen geld te worden +aanvaard. Nu moest er vleesch zijn: goed ossenvleesch om haren zieken +man een beetje te versterken. Hoe zou zij dit vleesch bekomen zonder +geld? Zij dacht aan het bureel van weldadigheid, zij droomde van de +menschlievendheid van den eenen of anderen rijke in te roepen; maar +deze middelen boezemden haar schrik in; het gepeins alleen van eene +aalmoes te gaan vragen, deed haar beven. + +Onder hare angstige bewegingen opende zij werktuigelijk de kleine lade +der kas, waar zij haar geld in legde, wanneer zij geld had. Een +schreeuw van verrassing ontsnapte haar. De lade was ledig sedert meer +dan vijftien dagen ... en daar blonk haar nu eensklaps een glinsterend +vijffrankstuk in de oogen! + +Hoe kwam dat muntstuk daar? Was het God zelf, die medelijden had gehad +met haren nood? Maar neen, hier kon geen wonderwerk in het spel +zijn.--Lieveken? Maar Lieveken had geen geld, en hare ouders vergingen +schier van gebrek. Men kon het zien op hunne bleeke aangezichten en +holle wangen, dat de honger hun ingewand verteerde. Daarenboven, Lina +Wildenslag verborg het niet, dat zij soms geheele dagen zonder eten +waren; en bazin Damhout, hoe arm ook, had haar met eenige stuivers te +gelijk het weekloon van Lieveken doen aanvaarden. Zeker, Lina hadde in +elk ander geval deze teruggaaf geweigerd; maar nu zeide zij zelve, met +de tranen in de oogen, dat de ellende haar dwong te vergeten, dat zij +een hart had. + +Van waar kon toch dit vijffrankstuk komen? + +Die onoplosbare vraag maakte het hoofd der verbaasde vrouw duizelig, +en zij bleef de onverwachte hulp lang bestaren. Dan eindelijk zeide +zij in zich zelve: + +"Wie ook onze onbekende beschermer zij, dat God hem zegene! Ho, welke +sterke, goede soep zal ik gaan maken! En kan iets mijnen armen man +genezen, dan zal het zeker de weldaad zijn, die ons zoo geheimzinnig +en zoo edelmoedig wordt bewezen!" + +Eenigen tijd daarna stond de soep op de kachel te koken; het gansche +huis was vervuld met eenen verkwikkenden geur, en de verhongerde zieke +lag in zijn bed te juichen over het beloofde voedsel, dat hem zoo +bekorend werd aangekondigd. + +Vrouw Damhout verborg noch voor haren man noch voor Lieveken, dat zij, +als ware het uit den hemel gedaald, in hare kas een vijffrankstuk had +gevonden, hetwelk er wel zeker nooit in gelegen had. Zij was immer +vervolgd door het tergend raadsel, van waar dit geld mocht komen, en +sprak er den ganschen avond van; niemand wist haar iets te zeggen, dat +haar tot de ontdekking van den geheimen beschermer kon helpen. Bavo +folterde insgelijks zich de hersens; maar zijne inspanning bleef even +vruchteloos. + +In den loop dezer week waren er geruststellende tijdingen aangaande de +Europeesche staatsaangelegenheden gekomen; men zeide, dat de vrede +niet zou gestoord worden, en men kondigde aan, dat sommige fabrieken +ten minste gedeeltelijk zouden beginnen te werken. + +Den volgenden Zondag, zeer vroeg, terwijl Bavo naar de eerste mis was +gegaan, meende Bazin Damhout eenige centen uit de kas te nemen om +koffie te halen. Daar zag zij, nevens een geplaatst en als ten toon +gespreid, vier enkele franken in een hoekje liggen. + +Nu was hare verbazing zonder palen; zij bleef eene wijl verblijd het +geld bezien, sloot de kas en stapte langzaam en het hoofd schuddend, +ter deur uit. + +In den winkel, terwijl men haar de koffie geriefde, zeide haar de +vrouw: + +"Erge tijden, niet waar, bazin Damhout? Hopen wij, mensch lief, dat +het haast zal beteren. Men zegt, dat er goed nieuws is van Parijs en +dat het geen oorlog zal worden. Uw man is toch aan de betere hand; God +zij geloofd, hij zal genezen zijn tegen dat er weder werk is. Ik +beklaag u echter voor een ding; het is, dat de nood u verplicht heeft +uwen Bavo van de school te trekken voor de prijsuitdeeling. Het is +spijt: de jongen hadde groote eer behaald." + +"Gij bedriegt u, onze Bavo gaat nog altijd naar de school," was het +antwoord. + +"In het geheel niet: hij heeft sedert meer dan twee weken de school +verlaten." + +"Maar gij dwaalt; het is niet mogelijk!" kreet bazin Damhout met +groote verwondering. + +"Hoe? Blijft hij van de school zonder uwe kennis!" zeide de +winkelierster. "Ik weet het van eenen ondermeester, die gisteren bij +mijnen broeder, den kleermaker, op den winkel was. Sedert vijftien +dagen heeft men uwen Bavo op zijne school met geene oogen meer gezien. +Die jongens, die jongens, al deed men ze eenen toom aan, ze zouden nog +uit het goede spoor loopen!" + +Vrouw Damhout verliet den winkel; haar hart was verbrijzeld, en zij +moest geweld doen om de tranen te bedwingen, die opweiden uit haren +verkropten boezem. Bavo had sedert zoolang zijne school verlaten, +zonder dat zijne ouders het wisten! Was de arme jongen in slecht +gezelschap geraakt? Bewandelde hij eenen doolweg, die hem tot kwaad en +ondeugd zou leiden? Maar het scheen haar onmogelijk. Welk geheim lag +er dan onder het onuitlegbaar gedrag van haar kind verborgen? Zou een +tweede ongeluk haar treffen? Zou het onderwijs in hem zulke slechte +vruchten hebben voortgebracht? Welke onttoovering! Welke zware +verantwoordelijkheid voor haar jegens haren man! + +Terwijl zij dus onder den pijnlijken twijfel morde en zuchtte, kwam +Lieveken binnen. + +De moeder gevoelde, dat zij haren zoon niet in tegenwoordigheid van +dit meisje mocht beschuldigen; zij wilde insgelijks haren man niet +verontrusten, vooraleer door Bavo zelf de verklaring van zijn gedrag +te hebben bekomen. + +Lieveken bemerkte wel, dat bazin Damhout ontsteld en treurig was; toen +zij echter vernam, dat het met den zieke nog altijd wel ging, wist +zij niet meer wat te denken, en dorst niet verder aandringen. + +Hetzelfde gebeurde met Bavo, die, uit de kerk te huis komende, iets +vreemds in den blik zijner moeder vond en van haar wilde weten, wat +haar bedroefde of ontroerde. + +De bekommerde en angstvolle vrouw gaf niets dan ontwijkende +antwoorden, totdat Lieveken het huis had verlaten om op hare beurt ter +kerke te gaan. Dan greep zij met plechtigen en strengen oogopslag de +hand haars zoons, leidde hem tot in eenen hoek der kamer, verre van de +trap, en vroeg hem met bevende stem: + +"Bavo, is het waar, dat gij sedert veertien dagen niet meer naar +school zijt geweest?" + +De jongen werd rood tot achter de ooren en boog het hoofd. + +"Spreek, Bavo, laat mij niet in den pijnlijken twijfel. Is het waar?" + +"Het is waar, moeder lief," was het antwoord. + +"Ongelukkige jongen!" kreet de vrouw. "gij hebt sedert twee weken uwe +school verlaten? Ik beef, ik durf u niet vragen in welk gezelschap gij +dien tijd hebt doorgebracht. Ach, Bavo, ik, die geloofde, dat gij uwe +arme moeder bemindet! Mijn God, ik moet het toch weten, hoe +schrikkelijk het zij. Zeg, zeg, mijn zoon, wat hebt gij gedaan +gedurende al dien tijd?" + +Bavo zag haar diep in de oogen en antwoordde met eene soort van stille +fierheid: + +"Moeder, ik werk op eene fabriek." + +"Gij werkt op eene fabriek!" + +"Op eene fabriek van _bougies_, sedert vijftien dagen." + +Dan schoot er eene plotselijke klaarheid in den geest van bazin +Damhout: hare oogen begonnen van bedwongen geestdrift te fonkelen. Met +den bevenden vinger op de kas gericht, vroeg zij: + +"Dat geld, dat vijffrankstuk, die vier franken?" + +"Het is mijn weekloon, moeder lief," stamelde hij. + +Met eenen schreeuw van koortsige blijdschap sloeg Christina de armen +om den hals haars zoons, sloot hem op haar hart en bevochtigde zijn +hoofd met hare tranen. + +De jongen poogde haar te doen begrijpen, dat hij dien hoogen lof niet +verdiende en niets gedaan had dan zijnen plicht. Wat hij betreurde, +was alleenlijk, dat hij geen middel had weten te vinden om meer te +winnen en zijne arme moeder het nachtelijk werken te sparen. + +Toen de ontsteltenis der vrouw een weinig was bedaard, trok zij haren +zoon op eenen stoel nevens zich en vroeg hem de nadere uitlegging van +zijn gedrag. + +"Ik zag u en Godelieve altijd, altijd arbeiden," antwoordde hij. +"Wanneer ik, na tot middernacht met u gewaakt te hebben, slapen ging, +bleeft gij nog zitten met het naaiwerk op den schoot. Mijn vader was +ziek; er was nood in huis. Ik alleen deed niets om u te helpen. Mijn +geweten knaagde, mijn hart verweet mij mijne laffe werkeloosheid. Na +eenige dagen van schaamte en wanhoop ging ik tot den hoofdonderwijzer, +mijnen meester, en zeide hem, zonder iets te verzwijgen, wat er in ons +huis geschiedde, en hoe ik besloten had de school te verlaten om eenig +werk te zoeken en zoo ten minste mijnen zieken vader en mijne goede +moeder in hunne ellende bij te staan. Ik zeide hem insgelijks, dat ik +mijn besluit gedurende eenigen tijd voor u zou verborgen houden, +dewijl ik overtuigd was, dat gij mij anders zoudt beletten het uit te +voeren. Ik meende, dat hij mijn voornemen zou afkeuren; maar neen, hij +drukte mij de handen, en prees zeer hoog wat hij mijnen moed en mijn +plichtgevoel noemde. Toen hij verstond, dat ik niet wist waar het +gewenschte werk te vinden, beloofde hij mij, zelf eenigen zijner +bekenden daarover te spreken; en reeds des namiddags had hij mij eene +plaats gevonden op eene fabriek van waskaarsen, die men _bougies_ +noemt. Daar had ik niets anders te doen dan de kaarsen in pakjes te +binden en in houten kassen te schikken; en eindelijk eenige letters en +nummers op de kassen te schilderen. Ik won zestig centiemen daags en +kreeg op 't einde der week nog eenig drinkgeld, omdat men tevreden was +over mijn werk. O, moeder, het vijffrankstuk, eerste vrucht van mijnen +arbeid, heeft mij zoo gelukkig gemaakt! Het moest u helpen en u +troosten in uwen nood. Ha, gij hebt het niet bemerkt, maar toen ik +mijnen armen vader de sterke soep lachend zag genieten en hem hoorde +zeggen, dat hij daardoor onfeilbaar zou genezen, dan ben ik beneden +gegaan, en ik ben mij op 't einde der steeg achter den blinden muur +gaan verbergen, om daar door eenen tranenvloed mijn hart van de +overmatige blijdschap te ontlasten. Het eerste geld, dat ik met werken +had gewonnen, zou mijnen vader de gezondheid helpen teruggeven! Ik +bezweek schier van geluk bij die gedachte.... Prijs mij dus niet, +moeder lief, ik ben genoeg beloond geworden...." + +Met eenen gil van bewondering sprong de ontstelde vrouw recht en liep +naar boven, zonder acht te geven op de smeeking van haren zoon, die de +handen ophief om haar te wederhouden. + +Niet lang daarna klonk de stem van den zieken Damhout met groote +kracht tot beneden de trap: + +"Bavo, Bavo!" kreet hij. "Kom, kom!" + +De jongen kon den roep zijns vaders niet wederstaan; hij klom +aarzelend naar boven, en dewijl hij daar twee bevende armen tot zich +uitgestrekt zag, omhelsde hij zijnen zieken vader met blijde +uitstortingen des harten. + +Damhout dankte en loofde zijnen zoon voor zijne schoone en moedige +daad; uit zijne woorden bleek, dat zijne grootste vreugde daarin +bestond, dat Bavo uit eigene beweging werkman was geworden. Hij drukte +eindelijk toch eenige spijt uit, omdat zijn zoon op eene fabriek van +bougies arbeidde; hem scheen het, dat dit niet juist het beste vak +was. + +Op deze bemerking antwoordde de jongen, dat hij door tusschenkomst van +den hoofdonderwijzer werk had gekregen op de katoenspinnerij van M. +Verbeeck. Hij zou daar gedurende eenigen tijd katoen uitpluizen en in +soorten schikken, dan aan den eersten _duivel_ staan, en zoo voorts in +het vak zich oefenen en allengs vervorderen. De fabriek van M. +Verbeeck ging binnen vijf dagen geopend worden. + +Dit vervulde vader Damhout met nieuwe en groote blijdschap; want dit +was inderdaad de baan, langs waar men met verstand en vlijt het verste +op eene katoenfabriek kon geraken. Bavo zou eens meesterknecht worden, +daaraan twijfelde de gelukkige vader niet meer. + +Toen men genoeg bedaard was geworden om over min ontroerende dingen +te spreken, besliste men, dat van morgen af Godelieve terug naar haren +winkel zou gaan. Inderdaad, Damhout behoefde geene onophoudende +bewaking meer; hij zou dien dag zelven reeds gedurende eenigen tijd +uit zijn bed komen. Met de vier of vijf franken per week, welke Bavo +nu won, werd het mogelijk betere tijden af te wachten. + +In den namiddag, toen Bavo beneden bezig was met Lieveken in een boek +iets te wijzen of te leeren, ging vrouw Damhout naar boven, zette zich +nevens het bed van haren man en vroeg hem op zegevierenden toon: + +"Welnu, Damhout, gelooft gij nog, dat het onderwijs een werkmanskind +tot hoogmoed en luiaardij verleidt? Welke kinderen, in geheel onze +stege, zijn zoo beminnend, zoo verstandig en zoo deugdzaam als Bavo en +Lieveken? Het is alleenlijk, omdat zij geleerd zijn en weten wat goed +en wat kwaad is." + +Onder den slag eener bijzondere ontroering bevochtigden zich de oogen +des werkmans; hij greep de hand zijner vrouw en zeide: + +"Neen, neen, Christina, dit alleen is de oorzaak hunner schoone +inborst niet. Het is uw hart, uw goed en edel hart, dat klopt in +hunnen boezem. Eene moeder als gij is de zegen Gods in een +huishouden!..." + + + + +VII + + +Met het begin der volgende week werden er inderdaad een zeker getal +fabrieken geopend; maar, in afwachting van stellige tijdingen +aangaande den Europeeschen vrede, lieten zij slechts een beperkt getal +werklieden toe. + +Bavo arbeidde op de spinnerij van M. Verbeeck. Hij droeg nu zijne +slechte kleederen, en, dewijl hij door den aard van zijn werk altijd +met vlokken katoen als met een spinneweb was overdekt, zag hij er op +verre na zoo zindelijk niet meer uit als te voren. Dit gaf Godelieve, +als zij des avonds van haren winkel kwam, dikwijls stof tot lachen, en +zij noemde den jongen schertsend _de katoenvogel_; maar hij, in stede +van daarover spijtig te worden, was altijd ten uiterste blijmoedig en +scheen trotsch door de overtuiging, dat hij nu tot iets nuttig +geworden was en zijne ouders mocht behulpzaam zijn. + +Ondanks den nood en de trage herstelling van vader Damhout, was elkeen +in dit huishouden gelukkig. Bovenal was het hart der moeder met een +gevoel van hoogmoed en van zaligheid vervuld. Soms kon zij des avonds +uren lang in stilte haren zoon bestaren, terwijl hij, ofschoon +vermoeid van den arbeid, nog met inspanning het hoofd over zijne +boeken hield gebogen. Dan klopte haar hart, dan glinsterden hare +oogen, en de blik, dien zij dan bij wijlen ten hemel wierp, was wel +zeker een innig gebed van dankbaarheid. + +Vader Wildenslag en zijne zonen, alhoewel zij, door den honger +aangejaagd, van de eene fabriek naar de andere liepen om arbeid te +vinden, waren tot dan in hunne pogingen niet gelukt. Zij hadden zich +bij de laatste volksonlusten door hunne hevigheid en hunne woestheid +doen opmerken; en dewijl de fabrikanten nu slechts de beste werklieden +uitkozen, wilde geen hunner de gekende belhamels van den oploop tegen +de fabrieken in zijn gesticht toelaten. + +Het schijnt, dat in Frankrijk de nijverheid spoediger en met meer +kracht had hernomen; want er kwamen alsdan te Gent eenige afgezondene +personen, om goede fabriekwerkers aan te werven voor de steden in het +Noorderdepartement. + +Wildenslag en zijne zonen aanvaardden met blijdschap deze gunstige +gelegenheid om zich uit den onverdraaglijken nood te redden, en namen +gereedelijk de voorwaarden der wervers aan. Men zou hunne reiskosten +betalen en zij zouden in Frankrijk een veel hooger dagloon dan in +Belgie winnen. + +Zeker, in andere omstandigheden zou de gedachte van hare geboortestad +te verlaten, vrouw Wildenslag verschrikt en bedroefd hebben; maar nu +verblijdde haar deze reis als een onverwacht geluk. Inderdaad, het was +de verlossing uit den afgrond der bitterste ellende. Daarenboven, +zoohaast er weder overvloed van werk te Gent zou zijn, zouden zij +terugkeeren. Hunne afwezigheid zou dienvolgens ten hoogste eenige +maanden duren. + +Vrouw Wildenslag ging juichend en met groote blijdschap haar vertrek +naar Frankrijk in de gansche buurt aankondigen. + +Toen zij in de woning der Damhouts kwam, was zij vergezeld door haren +man, die nu zijne luidruchtige welgemoedheid geheel had teruggevonden +en roemde op het hooge dagloon, dat men in Frankrijk genoot. Daar, +zeide hij, eet een werkman tweemaal vleesch elken dag en drinkt er +bier en somtijds wijn, evenals een rijk mensch. Dat zou een pleizierig +leven en een eeuwig _smeerken_ zijn! + +Bazin Damhout ontving deze tijding met treurnis. Het gepeins, dat +Lieveken, hare ouders zou volgen en zij het goede kind dus in langen +tijd niet meer zou zien, bedroefde haar; maar dewijl zij het vertrek +der Wildenslags niet anders kon beschouwen dan als eene zeer +natuurlijke zaak en als een gelukkig middel voor hen, om uit de lange +ellende te worden verlost, deed zij geene de minste tegenwerping. +Alleenlijk beklaagde zij het, dat Godelieve nu den winkel zou moeten +verlaten, waar zij zoo wel was en op spoedige vervordering mocht +hopen. + +Moeder Wildenslag betreurde dit insgelijks; maar zij meende, dat het +niet onmogelijk zou zijn, in Frankrijk eenen anderen goeden winkel +voor Lieveken te vinden. + +Hierop antwoordde Wildenslag: + +"Ba, ba! met uwen winkel! Godelieve is nu sterk genoeg geworden. Als +zij zal zien, hoe hare broeders en zusters geld in overhoop winnen, +zal zij van zelve op eene fabriek willen werken." + +Nadat hare buren waren weggegaan, overpeinsde vrouw Damhout zeer lang +de woorden van Wildenslag. Zij wist niet waarom de vrees, dat Lieveken +op eene fabriek kon gaan, haar ontstelde. Waarlijk, zij had voor het +goede kind eene andere toekomst gedroomd; maar werkte haar eigen zoon +niet op eene fabriek? Het was toch hetzelfde niet: Bavo kon +meesterknecht worden. + +Hare treurnis overwinnende, zeide zij zich zelve, dat moeder +Wildenslag waarschijnlijk wel zou zorgen, dat hare Godelieve in +Frankrijk het ambacht van kleermaakster voortleerde; de afwezigheid +hunner buren zou niet langdurig zijn; dewijl alles voorspelde, dat het +werk in Gent ook spoedig zou hernemen. Daarenboven, er was niets aan +te doen. De Wildenslags hadden gelijk, het redmiddel, dat hun +aangeboden werd, met blijdschap te aanvaarden. + +Toen Bavo des avonds te huis kwam, zeide zijne moeder hem, dat de +Wildenslags besloten hadden overmorgen, met het krieken van den dag, +naar Frankrijk te vertrekken. Zij zouden dus onmiddellijk uit hunne +bittere armoede gered zijn; want men had hun een buitengewoon hoog +dagloon verzekerd. Lieveken zou natuurlijk hare ouders volgen; maar +zoohaast er weder veel werk in Gent was, zouden zij terugkomen. + +Deze tijding trof Bavo op eene zonderlinge wijze; hij boog het hoofd, +zag sprakeloos ten gronde en antwoordde zelfs niet, toen zijne moeder +hem vroeg waarom iets, dat zeker een geluk was voor de ouders van +Lieveken, hem scheen te bedroeven. Eindelijk, als ware er nu eerst een +duidelijk besef der zaak in zijnen geest ontstaan, zeide hij op den +toon van onderwerping: + +"Inderdaad, moeder, zij zullen dan toch uit den pijnlijken nood +verlost zijn. Ik was zoo gewend, Lieveken des avonds hier te vinden. +Nu zal ik alleen, altijd alleen met u zijn; maar ik ben geen kind +meer.... Als Lieveken slechts welvaart en gelukkig is in Frankrijk, +zal ik mij over hare afwezigheid niet te veel bedroeven. Gij hebt +gelijk, moeder, de mensch moet zich sterk houden tegen het lot. +Daarenboven, wie weet of onze geburen niet reeds binnen eenige maanden +wederkeeren?" + +De moed en de verduldigheid, waarmede haar zoon deze tijding had +ontvangen, verwonderden en verblijdden vrouw Damhout. Zij begreep +niet, dat hare moeite om hem de tijding onder een gunstig daglicht te +doen aanschouwen, voor een oogenblik zijn gevoel en zijne rede had in +twijfel gebracht. + +Maar zij moest weldra erkennen, dat zij zich had bedrogen; want Bavo +liet zich bij de tafel op eenen stoel zakken, bleef lang met starende +oogen in diepe overweging verzonken, en slaakte van tijd tot tijd +eenen hollen zucht, als beklemde een zwaar gewicht zijne borst. + +Het was reeds laat, toen Lieveken met het voorschoot voor de oogen in +de kamer verscheen, en onder luide snikken over haar vertrek naar +Frankrijk begon te kermen. + +Bavo, alhoewel hij zelf geweld deed om niet onder zijn verdriet te +bezwijken, poogde het bedrukte meisje te troosten. Vrouw Damhout en +haar man voegden hunne woorden bij de zijne; maar Godelieve scheen +ontroostbaar in hare diepe smart. + +Toen eindelijk het meisje tusschen hare snikken eenige duidelijke +klachten kon voortbrengen, zeide zij, waarom dit vertrek als een wreed +ongeluk haar verschrikte en haar zoo diep bedroefde. Zij herinnerde +zich de eindelooze goedheid van vrouw Damhout voor haar, de +onverdiende vriendschap, die Bavo gedurende geheel haar leven haar had +gegund, en zij sprak van weldaden, van edelmoedigheid en medelijden +voor een arm verstooten kind; zij noemde bazin Damhout hare goede +moeder en Bavo haren leermeester en haren broeder. Dit alles ging zij +verliezen. De wereld zou eene woestijn voor haar worden, al wat zij +meest had bemind, ging zij verlaten, misschien voor altijd. + +Het meisje had zulke gevoelige, zulke zoete, teedere woorden; de +liefde haars harten voor hare weldoeners stortte zich zoo onbewimpeld +en zoo vurig uit, dat zij iedereen tot in de ziel ontroerde. + +Vrouw Damhout sloot het dankbare kind tegen hare borst, en deed geweld +om door bewijzen van innige dankbaarheid haar te troosten. + +Bavo lag met het hoofd op de tafel en weende; zijne droefheid was +stom; geene klacht ontsnapte zijnen boezem; want hij wist wel, dat +hier niet tegen de wreede uitspraak van het lot kon geworsteld worden. + +Zoo bleven dien avond in de woning van Damhout bittere, hopelooze +tranen vlieten, totdat moeder Wildenslag hare Godelieve kwam roepen en +ze mede naar huis nam. + + +[Illustratie: Grepen elkander de handen.] + + +Den volgenden dag ging het wat beter. Uitgeput van weenen, getroost en +versterkt door de vriendelijke woorden van vrouw Damhout en van Bavo, +had Lieveken de zaak allengs met meer verduldigheid beginnen in te +zien. De vaste hoop, dat zij welhaast met hare ouders naar Gent zou +wederkeeren, had een weldadig licht in hare droefheid geschoten, en +zij insgelijks scheen het vertrek, als zijnde toch een geluk voor hare +ouders, met onderwerping te aanvaarden.... + +Toen de Wildenslags, ouders en kinderen, elk met een pak aan de hand, +voor den dageraad de stege verlieten, om de reis naar Frankrijk te +beginnen, waren zij door Bavo vergezeld. + +De jongen stapte nevens Lieveken en droeg haar pak. Zij weenden niet +en spraken weinig. Hunne harten waren beklemd. Wat zij zeiden, waren +woorden van wederzijdsche vertroosting; want zij hadden beiden het +gevoel, dat deze scheiding, hoe kort ook, hun pijnlijk zou zijn; en +zij maanden in hunne eenvoudigheid elkander aan, om niet te veel te +denken aan al het zoet vermaak en aan het stil geluk, dat zij +gedurende hunne schoone kindsheid te zamen hadden genoten. + +Zoo kwam men buiten de poort, en dewijl het tijd was voor Bavo om naar +zijne fabriek te gaan, kon hij onmogelijk de Wildenslags langer +vergezellen. + +Bavo en Lieveken, als door eene zelfde beweging gedreven, grepen +elkander de handen, wisselden eenen diepen blik, waarvan zij zelven de +beteekenis niet begrepen en murmelden met versmachte stemme: + +"Vaarwel, Bavo! Vaarwel, Lieveken. Tot wederziens!" + +Tranen ontsprongen hunnen oogen; maar het meisje, zich voelende +bezwijken, slaakte eenen grievenden kreet en liep tot hare ouders, die +reeds in de baan vooruit waren. + +De jongen bleef roerloos; hij zag hoe het arme Lieveken met hangend +hoofd en wankelende stappen achter moeder voortsukkelde. Hij wenschte +en hoopte, dat zij nog eens het gezicht tot hem zou keeren; maar daar +bereikten zij den draai der baan, en allen verdwenen zij voor de oogen +van Bavo. + +Dan werd het hem, als hadde men met geweld iets uit zijn hart gerukt. +Hem verbaasde de akelige ledigheid, die eensklaps in hem en rondom hem +was ontstaan, en hij schudde twijfelend het hoofd, als vroege hij zich +zelven het raadselwoord der duizeligheid zijner zinnen. + +Dubbend, morrend en diep bedrukt, keerde hij stedewaarts en begaf zich +naar zijne fabriek. Het beeld van Lieveken vervolgde hem overal; in +het katoen, dat hij uitpluizen en schikken moest, vormde zich de +gedaante der betreurde speelgenoote, nu met den onbegrijpelijken blik +in de oogen, dan met hangend hoofd de droeve rust beginnende. Het +woord "vaarwel!" klonk hem van alle kanten uit de geruchten der +fabriek in de ooren. Maar de arbeid is een machtige trooster des +harten, en hij leent den mensch eene wonderbare sterkte tegen de +denkbeelden, die hem overheerschen. Voor het einde van den eersten dag +was de smart van Bavo reeds veel verminderd, en alhoewel hij nog +altijd aan Lieveken en aan haar vertrek bleef mijmeren, kwam er meer +verduldigheid en rust in zijn hart. + +Des avonds, als hij te huis kwam van zijne fabriek, nam hij als te +voren zijne boeken, maar dan geviel het dikwijls, dat hij, zonder het +te weten, eensklaps het hoofd verhief en rondkeek, als zocht hij +iemand met de oogen; somtijds stond hij op en ging naar de deur bij +het minste gerucht. Er ontbrak hem iets; en alhoewel hij lachte met +zijne eigene verstrooidheid, was zijne moeder bekommerd over deze +zonderlinge ontroeringen haars zoons. + +Ook sprak zij weinig met hem over Godelieve; en wanneer hij haar dwong +over de afwezige vriendin te kouten, brak zij de samenspraak zoo kort +mogelijk af. Hare moederlijke liefde zeide haar, dat de diepe treurnis +haars zoons geen voedsel mocht geven, alhoewel zij even veel aan +Lieveken dacht als hij zelf. + +Er verliepen op deze wijze een paar weken. Bavo scheen zich in de +afwezigheid van Godelieve te hebben getroost, en, sprak hij nu nog van +haar, het was met bedaardheid en met rede. + +Vader Damhout was schier geheel genezen. Hij had zich reeds naar de +fabriek van zijnen ouden meester, M. Raemdonck, begeven, om er te +worden aangenomen. Nog eene week en hij zou zijnen arbeid als spinner +hernemen. + +Op eenen middag kwam een onderwijzer der gemeenteschool in hun huis, +om hen allen in naam van den bestierder uit te noodigen tot de +prijsuitdeeling, die op den komenden Maandag was vastgesteld. Wel was +het waar, dat Bavo, omdat hij de school voor het einde der wedstrijden +had verlaten, geen recht kon hebben op de gewone prijzen, maar de +onderwijzers hadden besloten, dat zijne vlijt, zijne vorderingen en +bovenal zijn schoon gedrag eene openbare belooning verdienden. Bavo +zou dienvolgens eenen buitengewonen prijs krijgen. Hij zelf en zijne +ouders mochten niet nalaten de plechtigheid der prijsuitdeeling bij te +wonen. Zij zouden ongetwijfeld altezamen verheugd en fier naar huis +keeren. + + + + +VIII + + +De zaal, waar de prijsuitdeeling der gemeenteschool ging geschieden, +was opgevuld met volk, meest vaders en moeders van leerlingen, en dus +zeer geringe burgers of werklieden. Evenwel, vooraan bemerkte men ook +wel eenige deftige dames en heeren, die, door een edel gevoel +ingesproken, de prijsuitdeeling der kostelooze gemeenteschool door +hunne tegenwoordigheid kwamen verheffen en opluisteren. + +Adriaan Damhout met zijne vrouw Christina zat op de vijfde of zesde +bank, te midden van het publiek; hun zoon Bavo bevond zich tusschen de +schoolkinderen op de plaats, hem door de onderwijzers aangeduid. + +Alles was gereed en de klokken der kerken hadden reeds sedert eene +wijl het bepaalde uur verkondigd, toen eensklaps de deur der zaal met +eenig gerucht werd geopend. De burgemeester van Gent, vergezeld door +eenige schepenen en gemeenteraadsheeren, trad binnen en stapte tot bij +het tooneel, waar groote leunstoelen voor de overheden waren geschikt. + +Met blijde verrassing in de stem murmelde Adriaan Damhout aan het oor +zijner vrouw: + +"Hebt gij niet gezien, Christina, dat mijnheer Raemdonck met den +burgemeester is binnengekomen?" + +"M. Raemdonck, de meester van uwe fabriek?" + +"Ja, kijk, daar voor ons, op den tweeden zetel, naast den +burgemeester, aan zijne linkerzijde. Het is M. Raemdonck zelf." + +"Het is te begrijpen, Adriaan, vermits mijnheer Raemdonck sedert een +jaar in den raad van de stad zit." + +"Ja, en hij moet daar nog al veel bezigheden hebben; want nu bemoeit +hij zich zooveel niet meer met de fabriek; het is de oude +meester-klerk, die schier alles bestiert. Ha, ik weet niet, Christina, +maar het verblijdt mij grootelijks, dat M. Raemdonck hier tegenwoordig +is." + +"En mij verheugt het insgelijks, Adriaan. Nu zal uw meester kunnen +zien, dat gij een goed vader zijt en uwe kinderen hebt laten +leeren...." + +Hunne stille samenspraak werd onderbroken door den klank der bel, die +het begin der plechtigheid aankondigde. + +Een der raadsheeren had de trede der verhevenheid beklommen en hield +eene openingsrede. Hij sprak over de noodzakelijkheid van het +onderwijs voor alle standen der samenleving, en spoorde bovenal de +werklieden aan om hunne kinderen niet in de onmacht en de slavernij +der onwetendheid te laten. Zijne bondige rede eindigende, zeide hij: + +"Luistert, mijne vrienden, hoe een werkman als gij, een werkman van +Brussel [Voetnoot: M. Dauby.], tot zijne medegezellen spreekt.--Het +onderwijs, zegt hij, is heden voor iedereen eene dringende +noodzakelijkheid, tot welke loopbaan of ambacht men ook zij bestemd. +Niet geleerd zijn, wanneer de anderen geleerdheid bezitten, stelt den +mensch in eenen toestand van eeuwige minderheid. De voordeelen van het +onderwijs bestaan niet alleenlijk in te kunnen lezen, schrijven en +rekenen, maar het opent den geest, ontwikkelt het verstand en vormt de +rede; het leert opmerken en vergelijken; het geeft den mensch licht en +sterkte om zijne plichten te vervullen en zijne rechten te verdedigen. +Gij weet het, gezellen, de nijverheid vervormt zich onophoudend: alle +dagen komen nieuwe verbeteringen tot stand. Alles gaat vooruit; de +werkman moet mede vooruitgaan en den stap der anderen volgen, wil hij +niet achterblijven en verpletterd worden. Indien de mekanieken hem +zijnen lichamelijken en enkel stoffelijken arbeid ontnemen, om hem +niets te laten dan het verstandelijk werk, dit is ook een vooruitgang; +maar slechts op voorwaarde dat de werkman zich tot de hoogte zijner +nieuwe taak wete te verheffen. Wie zal hem daartoe helpen? Het +onderwijs, de geleerdheid, die den geest ontwikkelt en den mensch +nieuwe krachten geeft, krachten, wel anders machtig dan die zijner +armen, omdat zij noch de vermoeidheid noch de jaren vreezen;--de +geleerdheid, die hem nieuwe wegen opent, die hem een beter dagloon met +minder lichamelijke vermoeidheid bezorgt;--de geleerdheid, die de +eeuwenlange ongelijkheid tusschen de menschen vermindert en veel meer +kan toebrengen om ze geheel te doen verdwijnen dan de dwaze droom +dergenen, die de rijkdommen onder allen zouden willen verdeeld zien, +en waarvan de zekerste uitslag niets zou zijn dan de gelijkheid der +armoede. Zegenen wij dus als werklieden den vooruitgang der scholen, +de verspreiding van het onderwijs, als de schoonste glorie onzer eeuw. +Wat ons betreft, wij beschouwen elke school als een tempel, opgericht +aan de waardigheid en de welvaart van het arbeidende volk!--Ziedaar, +vrienden, de edele woorden, u door eenen uwer gezellen toegestuurd. +Drukt ze in uw hart en volgt den wijzen raad, die er in ligt besloten; +want zij toonen u het middel om uwe krachten te verdubbelen, uwe +welvaart te vermeerderen en in de toekomst het werk en den werkman te +verheffen en te veredelen." + +Deze redevoering, met kracht en overtuiging uitgesproken, had eenen +diepen indruk op het gemoed der aanhoorders gedaan. Eerst na een +oogenblik der volledigste stilte braken de toejuichingen los. Onder +degenen, die met koortsige geestdrift in de handen klapten en bravo +riepen, kon men bovenal vrouw Damhout onderscheiden. De opgetogene +Christina had hare eigene denkwijze zoo welsprekend hooren bevestigen; +en zij gevoelde, dat de woorden van den raadsheer eene lange lofrede +van haar gedrag als moeder waren geweest. + +"Welnu, Adriaan," vroeg zij zegevierend, "had ik gelijk of niet? Die +heer weet er meer van dan Jan Wildenslag, niet waar? En gij hoort wel, +dat er verstandige werklieden zijn, die denken als ik over het +onderwijs der kinderen?" + +Damhout knikte met het hoofd ten teeken van toestemming; maar hij had +den tijd niet om haar te antwoorden, want de oefeningen der +schoolkinderen begonnen onmiddellijk en werden zonder verpoozing +voortgezet. + +Men droeg eenige verzenstukjes en fabelen voor, en men vertoonde zelfs +een geestig blijspel, het alles onder het twintigmaal herhaalde +handgeklap der aanschouwers, die verbaasd waren en zich trotsch +gevoelden over de kunde en de geleerdheid hunner kinderen. + +Eindelijk ging men over tot de prijsuitreiking. Een groot getal +jongens van allen ouderdom, de kleinste eerst, werden beurtelings +opgeroepen en kregen een of meer boeken. + +Velen moeders ontvielen tranen van geluk en hoogmoed; eenigen drukten +in vol publiek hunne kinderen op hun hart en deden door deze +eenvoudige uitstorting van liefde en blijdschap de toejuichingen der +ontroerde aanschouwers verdubbelen. + +Toen men aan de leerlingen der hoogste klasse was gekomen, en Bavo de +schoone, groote boeken een voor een van de tafel zag verdwijnen, werd +het hem eenigszins bang om het hart. Ware hij op de school gebleven, +dan hadde hij wel zeker het grootste getal dier prijzen behaald. Al de +eer, welke zijnen ouden gezellen nu werd aangedaan, ware hem te beurt +gevallen. Hoe hadde die openbare zegepraal, in tegenwoordigheid des +burgemeesters en der andere heeren, zijne moeder en zijnen ziekelijken +vader gelukkig gemaakt! Nu zou hij slechts eenen prijs krijgen, eenen +kleinen prijs, want er lagen geene groote boeken meer op de tafel. + +Nog treuriger werd Bavo, toen hij ook den laatsten prijs zag weggaan; +maar hij werd uit zijne droeve overweging opgewekt door de +verschijning van den hoofdonderwijzer, die op het tooneel vooruitkwam +om tot het publiek te spreken. + +De redenaar was een man met grijze haren; er lag in zijn schoon en +indrukwekkend gelaat een toon van ernst en goedheid, van overtuiging +en liefde, die liet vermoeden, dat deze grijsaard het onderwijs der +kinderen beschouwde als eene soort van priesterschap. + +Op stillen, doch diepgevoelden toon begon hij zijne aanspraak. Van +zijne eerste woorden af verwonderde hij elkeen, en boeide de aandacht +gansch bijzonderlijk; want hij verhaalde een vertelsel van werklieden, +eenen vader en eene moeder, die ten koste van vele opofferingen hunnen +zoon hadden laten leeren, en die zelfs te midden van nood, van ziekte +en ellende, liever honger hadden geleden dan hun kind van de school te +trekken. Hij prees deze ouders zeer hoog, noemde ze edele, waardige +menschen, en stelde ze ten voorbeeld van allen, die hem aanhoorden. + +Dewijl hij geene namen noemde, meende men, dat hij een uitgevonden +verhaal voordroeg; maar de moed en de opoffering dezer ingebeelde +ouders rukten evenwel tranen van bewondering uit de oogen van alle +lieden. + +Christina Damhout hield het hoofd gebogen en verborg hare ontroering. +Haar hart klopte fel, en zij was als beschaamd. + +"God heeft die goede ouders beloond," ging de grijze redenaar voort, +"en in het feit dat ik u verhalen ga, zult gij het bewijs vinden, dat +het onderwijs, gepaard met de zedelijke opvoeding, het hart van den +mensch veredelt en hem, met het besef zijner plichten, ook den moed en +de kracht geeft om ze te vervullen. De zoon dier ouders was leerling +op deze school. Hij was de sterkste en meest geleerde in de hoogste +klasse, en wel zeker zou hij al de eerste prijzen hebben weggedragen. +Niemand twijfelde er aan, noch wij, zijne leermeesters, noch zijne +medeleerlingen, noch hij zelf. Hij snakte naar den dag der +prijsuitreiking, niet voor zich zelven, maar voor zijnen vader en +zijne moeder, die gelukkig zouden zijn door zijne schoone zegepraal. +Dan kwam de werkstaking der fabrieken; zijn vader werd doodelijk ziek; +nood en lijden overvielen zijne arme ouders. Wat deed de jongen? Hij +verzaakte aan al zijne prijzen, aan de lang gedroomde eer, om eenen +dwingenden plicht te vervullen. Hij verliet de school, zonder het +zijnen ouders te durven zeggen, zocht en vond werk in eene fabriek, +legde in 't geheim zijn dagloon in de kas zijner moeder neder en redde +dus, als een onzichtbare weldoener, zijne ouders uit de bittere +ellende.... Door ontijdig van de school weg te blijven, heeft de goede +zoon zijn recht op het behalen der prijzen verloren; maar wij, zijne +leermeesters, met toestemming van den heer burgemeester en met behulp +van eenen milden beschermer der volksscholen, hebben besloten zijne +vlijt, zijne kunde en bovenal zijn edel gedrag door eene bijzondere +belooning te erkennen." + +Hij haalde van achter een gordijn een groot kwartoboek en een +lauwerkroon te voorschijn. Het boek was in rood leder gebonden en +verguld op snede. De onderwijzer opende het en toonde, dat het vol was +van schoone, ontplooibare platen. Op den titel stond te lezen: +_Werktuigkunde, toegepast op de Nijverheid_. Al de aanschouwers waren +rechtgesprongen en keken zich de oogen uit het hoofd, om te raden, +wien dit prachtig boek mocht bestemd zijn. + +De hoofdonderwijzer keerde zich naar den kant der schoolkinderen, en +zeide met diepe aandoening: + +"Kom, Bavo Damhout, kom, mijn vriend, ontvang dit bewijs van de +achting uwer leermeesters; het blijve u een kostbaar aandenken en een +spoorslag om op den weg der deugd en der plichtsbetrachting voort te +gaan. Gij zijt werkman; maar in die nuttige loopbaan staat de toekomst +voor u open. Wees uwen gezellen een voorbeeld en toon hun gedurende uw +leven, in uw gedrag en in uw welgelukken, de onschatbare vruchten van +het volksonderwijs!" + +Bavo was bleek en beefde; hij scheen de macht niet te hebben om de +trede te beklimmen, zoodanig ontstelde hem deze onverwachte +eerbewijzing in tegenwoordigheid zijner ouders. Een der onderwijzers +vatte hem bij den arm en leidde hem op het tooneel. Zijn grijze +meester omhelsde hem, zette hem de lauwerkroon op het hoofd en legde +hem het groote boek op de handen. + +De gansche zaal daverde onder een donderend bravo; velen der +aanschouwers leekten tranen van ontroering op de wangen; de vrouwen +brachten zich den neusdoek aan de oogen. + +Voor de trede stonden de burgemeester en de andere heeren recht, +gereed om den bekroonden jongen geluk te wenschen; maar Bavo, zonder +daar acht op te geven, zoohaast hij zich in bezit van zijnen prijs +zag, keerde zich om, hief het boek en kroon met beide handen in de +hoogte en riep in verrukking uit: + +"Moeder, moeder, moeder!" + +En hij sprong als een zinnelooze of een blinde tusschen de overheden +en het publiek door, wierp kroon en boek op den schoot zijner moeder +en vloog haar aan den hals en zoende haar onder het uitspreken van +allerlei dankzeggingen. Ook zijnen vader omhelsde hij lang en vurig. +Tusschen zijne liefdesbetuiging riep hij luid: + +"Gij hebt gewerkt en geleden om mij te laten leeren. Vader, vader, ik +zal voor u werken. O, dat God mij bescherme! Gij zult het zien, gij +zult het zien!" + +Deze eenvoudige lieden, in hun geluk, in hunne ontsteltenis, hadden de +geheele wereld vergeten en schenen niet te weten, dat eene menigte +menschen, met tranen in de oogen en woorden van bewondering op de +lippen, hen omringden en op de uitstorting hunner blijdschap staarden. + +Damhout richtte zich eerst op en zeide tot zijne vrouw: + +"Kom, Christina, kom; men bekijkt ons zoo vreemd. Het is gedaan; de +burgemeester is al weg; laat ons naar huis gaan." + +Men hadde op de schijnbare koelheid zijner woorden kunnen +vooronderstellen, dat vader Damhout min gevoelig was aan de zegepraal +zijns zoons; maar men hadde zich daarover geheel misgrepen. Zijn hart +was vervuld met hoogmoed; want toen hij van tusschen de banken was +geraakt, spande hij zichtbaar alle pogingen in om nevens Bavo te +blijven, opdat elkeen mochte zien, dat hij de vader van dien jongen +was. + +Bavo scheen sedert eenige oogenblikken door een gevoel van +beschaamdheid aangegrepen; hij hield het hoofd gebogen en stapte +wankelend tusschen zijne ouders. + +Toen zij de deur der zaal gingen bereiken, zeide Christina tot haren +zoon: + +"Bavo lief, gij moogt niet beschaamd zijn: integendeel, hef het hoofd +op; de menschen zouden zoo gaarne u in het aangezicht zien; het is uit +vriendschap...." + +De jongen, als uit eenen slaap opschietende, slaakte eenen zucht en +murmelde met zonderlinge ontroering aan het oor zijner moeder: + +"Ach, hadde Lieveken dit eens kunnen zien!" + +Zij werden door den vloed des volks ter deur uitgestuwd, en bevonden +zich op de straat. + +"Christina," zeide vader Damhout, "ginder staat M. Raemdonck; hij +beziet ons en schijnt mij te willen spreken." + +"Inderdaad, Adriaan, het is natuurlijk, hij zal u gelukwenschen. Welke +eer, niet waar? Uw eigen meester. Wie hadde zich toch aan zooveel +geluk verwacht. Die goede, lieve Bavo!" + +M. Raemdonck wenkte Damhout met den vinger tot zich. + +Terwijl Bavo en zijne moeder te midden der straat tusschen een hoop +nieuwsgierige lieden bleven staan, ging Adriaan met ontdekten hoofde +tot zijnen meester. Deze drukte hem minzaam de hand en zeide hem: + +"Ik wensch u geluk, Damhout. Zet uwe klak weder op, ik bid u. Dat gij +een goed en vlijtig werkman zijt, dit wist ik sedert vele jaren; maar +dat gij, als een verlicht en verstandig vader, uwen zoon hebt laten +leeren, totdat hij al de klassen van het lager onderwijs had +doorloopen, dit is iets, dat u in mijne oogen grootelijks vereert." + +"Ach, het is mijne vrouw, mijnheer," antwoordde de ontroerde werkman. + +"Uwe vrouw?" + +"Ja, mijnheer, daarvoor moet ik God dankbaar zijn, dat Hij mij de +braafste en verstandigste vrouw heeft gegeven, die er op de wereld te +vinden is." + +"Het zij zoo, mijn vriend, gij hebt er evenwel voor moeten werken. Ik +heb aan den burgemeester beloofd, dat ik, indien het mogelijk is, iets +zal doen om u te beloonen. Zeg mij eens, wat stelt gij u voor van uwen +zoon te maken?" + +"Hij is op de fabriek van M. Verbeeck." + +"Wat doet hij daar?" + +"Hij zal de naaste week aan den eersten _duivel_ staan, mijnheer." + +"Ja, dit is niet slecht: hij zal mettertijd meesterknecht kunnen +worden. Wilt gij mij een vermaak doen, Damhout? Zend mij uwen zoon; ik +wil hem ook eenen prijs, een geschenk geven. Ga naar huis met uwen +zoon, en zoohaast hij zijn boek en zijne kroon heeft nedergelegd en +wat heeft uitgerust, doe hem dan ten mijnent komen; ik zal hem +verwachten." + +Damhout keerde terug tot zijne vrouw en vertelde haar met blijde +verbaasdheid, wat zijn meester hem had gezegd. Hij had hem de hand zoo +vriendelijk gedrukt en zulke minzame woorden tot hem gesproken! + +Door iedereen nagekeken, geroemd en geprezen, kwamen de Damhouts +eindelijk in hunne kleine stege. Voor het huisje, waar de Wildenslags +hadden gewoond, scheen Bavo te willen blijven staan, en hij hief +zelfs door eene onvrijwillige beweging zijn boek en zijne kroon op, +als toonde hij deze voorwerpen aan een onzichtbaar wezen; maar een +zucht ontsnapte hem, en hij volgde zijne ouders tot binnen hunne +woning. + +Hier herhaalden zij nog eens de blijde omhelzing, en dan haastte Bavo +zich ter stege uit, om naar M. Raemdonck te gaan en daar een nieuw +geschenk te ontvangen. Wat zou het zijn, dat zijns vaders meester hem +wilde geven? Misschien insgelijks een schoon boek, misschien iets +anders? + + + + +IX + + +Bavo belde ten huize van M. Raemdonck; de meid leidde hem in het +bureel. Hier kwam een reeds bejaarde man, de meester-klerk +ongetwijfeld, hem te gemoet met eenen vriendelijken glimlach op het +aangezicht, greep hem de hand en zeide: + +"Ik wensch u geluk, mijn jongen; men heeft u eene welverdiende eer +bewezen; ik was er tegenwoordig en heb mij diep ontroerd gevoeld. Het +zal u geluk bijbrengen dat gij uwe ouders zoo bemint en dankbaar +zijt." + +Bavo murmelde den naam van M. Raemdonck. + +"Ja, ik weet het," zeide de meester-klerk, "mijnheer heeft u doen +komen, maar hij is met eenen koopman in de fabriek gegaan en heeft +gezegd, dat gij hier een beetje zoudt wachten. Zit neder, mijn vriend. +M. Raemdonck zou u goed willen doen, indien het mogelijk is. Hij zou +gaarne weten wat gij kent en tot hoeverre gij geleerd zijt, en hij +heeft mij gelast u op de proef te stellen, indien gij hierin +toestemt." + +"Ik ben hem wel dankbaar en zal alles doen wat u belieft, mijnheer," +antwoordde de jongen. + +"Welnu, zet u daar voor den lessenaar; ziehier de kopie van eenen +brief. Schrijf dien eens in het net, op uw best en zonder feilen. +Wees niet bevreesd. Daar hebt gij een model voor den vorm des briefs. +Begin maar; ik zal intusschen mijn eigen werk voortzetten." + +Er heerschte eene volledige stilte in het bureel, totdat Bavo, door +het hoofd op te heffen en zich om te keeren, teeken gaf, dat de brief +was afgeschreven. + +De meester-klerk naderde, hield de oogen eene wijl op het papier +gevestigd en zeide dan met verwondering: + +"Ho, jongen, wat schoon geschrift, wat vaste hand ... en geene feilen! +Bravo, dit had ik niet verwacht; het zal M. Raemdonck verblijden, want +hij draagt u eene ware genegenheid toe, omdat gij de zoon zijt van +eenen onzer oudste en beste werklieden. Kunt gij ook goed rekenen?" + +"Daarin was ik de sterkste van de geheele school, mijnheer, ten minste +volgens mijne meesters." + +"Welnu, ziehier eene kolom cijfers; tel ze eerst op; vermenigvuldig +dan de uitkomst met 365 en deel het geheel met 514." + +In eenige minuten had Bavo de rekening gemaakt, en de meester-klerk +bevond met innige tevredenheid, dat hij niet had gemist. + +"Blijf nu een oogenblikje hier wachten, mijn vriend," zeide hij; "ik +ga M. Raemdonck van uwe komst verwittigen." + +Hij liet Bavo alleen in het bureel, opende eene deur en trad ten einde +van eenen gang in eene zaal, waar de eigenaar der fabriek voor eene +tafel zat en bezig was met eenige papieren te doorbladeren. + +"Welnu, Pasmans, hoe staat het met de geleerdheid van den jongen?" +vroeg hij. "Zoudt gij hem kunnen benuttigen?" + +"Het is een wonder, mijnheer," antwoordde de meester-klerk; "de jongen +is nauwelijks vijftien jaar, en hij heeft een geschrift zoo vast en +zoo fraai als van eenen ouden klerk; hij kan goed rekenen, heeft een +fijn begrip en is bekwaam tot alles, ten minste voor hetgeen onder +mijn toezicht op het bureel kan te doen zijn." + +"Gij wilt toch niet zeggen, dat hij den klerk, dien gij eergisteren +wegzondt, zou kunnen vervangen?" + +"Neen, mijnheer, ik durf het niet zeggen, alhoewel ik overtuigd ben, +dat ik uit dezen leerling der gemeenteschool meer nut zal trekken; +maar hij is te jong, en men mag hem in den beginne niet door eene al +te hooge jaarwedde bederven." + +"Inderdaad, de andere klerk had duizend franken. Wat zou men den zoon +van Damhout kunnen geven? Gij weet dat ik zijne ouders wil beloonen?" + +"Het derde gedeelte, mijnheer; driehonderd franken, bij voorbeeld. Het +ware genoeg om te beginnen. Ik zal den jongen helpen en leeren. Indien +hij vlijtig en getrouw blijft, kunnen wij zijn loon opvolgend +verhoogen." + +"Het is wel, Pasmans, ik bedank u om uwe goedwilligheid. Zend mij den +jongen, maar zeg hem niets." + +Eenige oogenblikken daarna trad Bavo in de zaal en bleef met de klak +in de hand voor M. Raemdonck staan. + +Deze beschouwde hem eene wijl, met het hoofd knikkende, als schepte +hij behagen in de regelmatige wezenstrekken en in de nederige, doch +tevens moedige houding van den jongen. + +"Het is een schoone dag voor u geweest, mijn vriend," zeide hij. "Gij +hebt vele beschermers aangewonnen, en indien gij vlijtig en verstandig +blijft, zult gij waarschijnlijk uwen weg in de wereld maken; maar wat +u ook gebeure, vergeet nooit, dat uwe ouders, arme fabriekwerkers, +zich hebben opgeofferd om u te laten leeren." + +"Ik zal het niet vergeten, mijnheer," antwoordde Bavo zeer stil, maar +op eenen ontroerden toon en met eenen glim van wilskracht, waarvan de +innigheid den eigenaar der fabriek met verrassing sloeg. + +"Ha, dit is wel," zeide hij, "dat gij goed doordrongen zijt van alles, +wat uwe arme ouders voor u hebben gedaan; uw vader bovenal, niet +waar?" + +"Ja, mijnheer, mijn vader heeft voor mij gewerkt, mijn vader is voor +mij doodelijk ziek geworden; mijne moeder heeft nachten zonder slapen +doorgebracht om mij naar de school te laten gaan." + +"En gij zult ze liefhebben en, is het u mogelijk, ze beloonen in +hunnen ouden dag?" + +"Ja, mijnheer, zoolang ik leef." + +"Gij zijt nu op de fabriek van M. Verbeeck, en gij zult de naaste week +eerst aan den _duivel_ staan als helper. Het is een goed middel om tot +iets te geraken; maar dit gaat wel langzaam, mijn jongen. Met uwe +geleerdheid kan men misschien eenen korteren weg vinden." + +"Ik zal meesterknecht worden, mijnheer!" antwoordde Bavo met +bedwongene kracht. + +"En dan?" morde M. Raemdonck. + +"Dan, mijnheer, dan zal mijn vader niet meer werken, en mijne moeder +ook niet." + +"Gij zijt een brave jongen," sprak M. Raemdonck getroffen. "Wat wint +gij nu? Vier of vijf franken in de week, niet waar? Dit is niet +genoeg. Ik wil u helpen het edele doel bereiken, dat gij uw dankbaar +hart aanwijst, door u eene loopbaan te openen, waarin men, met uwe +geleerdheid en uwen goeden wil, veel spoediger kan vooruitgaan. Ik was +voornemens u een boek te geven; maar al de boeken mijner bibliotheek +zullen tot uwe beschikking staan. Een ander geschenk ga ik u doen. +Wilt gij klerk worden op mijn bureel?--Blijft gij bij uwe goede +gedachten en vlijtig, dan zal ik u voorthelpen met liefde, als waart +gij mijn eigen zoon." + +"O, mijnheer, zooveel goedheid!" kreet Bavo, de handen dankend +opheffende. "Hoe blijde zal mijne moeder zijn!" + +"Gij aanvaardt dus de plaats?" + +"Ik kan schier niet spreken, mijnheer. Ach ja, ja, ik zal zoo mijn +best doen!" + +"Maar gij vraagt niet wat gij zult winnen. Indien gij u nuttig maakt +en u vlijtig toont, zal ik uwe jaarwedde al spoedig verhoogen; het +hangt van u af. + +Voor alsnu en om te beginnen, zult gij ... zult gij vierhonderd +franken trekken; het is ten minste tweemaal zooveel als uw +tegenwoordig loon." + +Bavo borst in tranen los en scheen in zijne ontroering te stikken; hij +stamelde verwarde woorden, zegende zijnen weldoener en sprak van zijne +moeder en van zijnen vader, doch was te zeer ontsteld om een +verstaanbaar woord te uiten. + + +[Illustratie: Eenen Godspenning wil ik u geven.] + + +M. Raemdonck opende eene lade van zijnen schrijflessenaar, nam er +iets uit, naderde tot den duizeligen jongen en zeide hem: + +"Kom morgen op het groot bureel; de oude meester-klerk is een braaf +man en een edelmoedig hart; hij zal u vriendelijk zijn en u +voorthelpen. Eenen Godspenning wil ik u geven; het zal mijn geschenk +zijn. Daar, neem dit, draag het uwen vader met de goede tijding, en +poog mijner bescherming waardig te blijven; dan zult gij uw eigen +geluk en het geluk uwer goede ouders verzekeren. Vaarwel, mijn jongen, +tot morgen dus." + +Het hoofd van Bavo draaide, het was hem duister voor de oogen; hij +bevond zich in de straat zonder het te weten. Vierhonderd franken ging +hij winnen! Welke rijkdom, en hoe zou zijne moeder verbaasd staan en +gelukkig zijn bij dit wonderschoon nieuws! Hij kon het niet gelooven; +hij droomde misschien? Neen, neen, het was waar. Klerk zou hij worden +en vierhonderd franken winnen! + +Dan eerst voelde hij iets in zijne hand en opende ze. Daar blonken hem +twee goudstukken van twintig franken in de oogen! + +Een luide schreeuw ontvloog hem, en, zonder op de voorbijgangers te +letten, die hem verwonderd nakeken, sprong hij, met de hand in de +hoogte, juichend vooruit en liep uit al zijne kracht, totdat hij zijne +woning bereikte. + +"Moeder, vader!" riep hij, "ik word klerk in het groot bureel van M. +Raemdonck; ik win vierhonderd franken; ik zal spoedig meer winnen: +daar, daar is mijn Godspenning! Vader, vader, wij zullen rijk zijn; +gij zult leven zonder werken, gij hebt genoeg gedaan voor mij. Moeder +zal des nachts niet meer moeten naaien; zij zal eene meid hebben. Nu +nog niet, maar het zal komen, ja, ja, mettertijd, of ik zal er onder +bezwijken." + +En van ontsteltenis afgemat, liet de opgewonden jongen zich lachend en +juichend op eenen stoel vallen. + +De ouders bestaarden met verwondering de twee goudstukken, welke hun +zoon op de tafel had geworpen; zij insgelijks schenen buiten zich +zelven van verbaasdheid. + +Damhout sloeg eensklaps de armen om den hals zijner vrouw, drukte haar +op zijn hart en stamelde met tranen in de oogen: + +"O, Christina lief, dat God u zegene! Aan u, aan u alleen zijn wij al +dit geluk verschuldigd. Gij zijt meer dan eene moeder voor uwe +kinderen, meer dan eene vrouw voor mij; gij zijt onze goede +engelbewaarder op aarde!" + +Bavo stond eensklaps recht en kreet, terwijl hij naar de deur liep: + +"O, Lieveken! Lieveken!" + +Met eenen angstigen gil sprong zijne moeder hem achterna. + +"Hemel, mijn arme zoon, wat geschiedt u?" gilde zij. + +Maar Bavo wierp zich in hare armen en zeide met het schaamrood op de +wangen: + +"Het is niets moeder lief; ik droom, de blijdschap maakt mij +zinneloos!" + + + + +X + + +Des anderen daags begaf Bavo zich naar zijn bureel; hij was zoo blijde +en zoo vol geestdrift, dat hij geheel door zijnen nieuwen arbeid was +verslonden en aan niets anders meer scheen te denken. Hij bracht des +avonds schrijfwerk mede, bleef met de pen in de hand zitten, totdat +zijne ouders hem herinnerden, dat het tijd was om slapen te gaan, en +sprak zelfs niet meer van Lieveken, noch van zijne treurnis, omdat zij +zijne schoone zegepraal niet had kunnen zien. + +Evenwel na eenige dagen van groote overspanning, kwam er een beetje +rust in zijn gemoed. Dan keerde de herinnering aan de afwezige +vriendin even krachtig als te voren in hem weder, en hij spoorde zijne +moeder aan om eenen brief aan Lieveken te schrijven. Het arme meisje +zou zich in hun geluk verblijden, en het zou haar zeker een troost +zijn in haar verdriet. + +Een gansche avond werd aan het opstellen en afschrijven van den brief +besteed; want alhoewel Bavo de pen voor zijne moeder hield, stortte +hij er al de vreugde van zijn eigen hart in uit en schilderde breed en +wijd de prijsuitreiking en het bezoek bij M. Raemdonck. Lieveken moest +alles, alles weten, even alsof zij zelve er bij tegenwoordig ware +geweest. Hij vergat insgelijks niet te juichen over de toekomst, die +hem aanlachte, en beroemde zich, dat, indien Gods bescherming hem +bijbleef, hij zijne ouders mettertijd rijk en gelukkig zou maken. Zij +moest seffens antwoorden en laten weten, wanneer haar vader terug naar +Gent zou keeren; de fabrieken waren hier nu weder alle geopend en er +was veel werk; want zij kon wel denken, dat, niettegenstaande hunne +blijdschap, zijne ouders en hij zelf toch veel verdriet hadden, omdat +zij Lieveken niet meer zagen. + +De brief werd in de post gestoken, en van dan af wachtte Bavo met +koortsig verlangen op het antwoord. + +Er verliepen eene week, twee weken, eene gansche maand. Elken middag +en elken avond, als Bavo zijn bureel verliet, liep hij met groote +haast naar huis, en zijn eerste woord was telkens: + +"Welnu, welnu, moeder, is er niets gekomen?" + +"Niets, nog niets, mijn zoon," antwoordde vrouw Damhout met eenen +zucht. + +Bavo werd allengs zeer treurig en moedeloos, en soms bleef hij des +avonds uren lang met het hoofd in de hand zitten, of koutte met zijne +moeder over de waarschijnlijke redenen dezer stilzwijgendheid van +Lieveken. Was zij ziek misschien? Was haar een ongeluk overkomen? Had +men zich in het opschrift van den brief misgrepen? Maar dit laatste +was niet mogelijk, vermits Lieveken zelve voor haar vertrek hun dit +opschrift had gegeven. + +Gelukkig dat Bavo in den arbeid eene afleiding voor zijne droeve +gepeinzen vond. Het plichtgevoel was inderdaad zeer machtig in hem. +Zoolang hij op zijn bureel was, overspande hij zijne wilskracht en +worstelde zegevierend tegen het verdriet, dat zijnen geest benevelde, +en men kon niet aan zijn werk raden, dat smartelijke stoornissen hem +onophoudend bestormden. + +Zekeren avond toch zeide hem de oude meester-klerk met eene schier +vaderlijke minzaamheid: + +"Bavo, mijn jongen, gij moogt met zooveel inspanning niet werken. Gij +zult u zelven ziek maken door uw overdreven ijver. Ik zie sedert +eenige dagen, dat gij zwaarmoedig en treurig zijt. Vrees niet, gij +doet meer en beter dan men van u kan verwachten. M. Raemdonck is zeer +tevreden over u, gij weet het wel. Kom, kom, een mensch, die zijne +plichten gevoelvol vervult, moet licht en vroolijk van harte zijn; +anders wordt hem de arbeid zwaar en geestverdoovend." + +De arme jongen ging zeer bedrukt naar huis; hij beschouwde deze +vriendelijke opwekking als een zijdelingsch verwijt; want zij bewees, +dat de meester-klerk zijne duistere gemoedsstemming had opgemerkt, en +misschien had er iets aan zijn schrijfwerk ontbroken. Daarenboven, +Lieveken antwoordde niet; reeds zes lange weken waren er verloopen. +Zou hij ooit nog wel iets van haar vernemen? Was zij gevaarlijk ziek? +Was zij dood misschien?--want aan hare dankbaarheid, aan hare trouwe +herinnering dorst hij na zulke korte afwezigheid niet twijfelen. + +Toen hij dus, dubbend en zuchtend, in de stege kwam, ontvloog hem +eensklaps een schreeuw van verrassing en blijdschap. Hij zag van verre +zijne moeder voor de deur van haar huisje staan met een papier in de +hand, dat zij hem scheen te toonen. + +De jongen sprong vooruit, trok zijne moeder in huis en riep: + +"Een brief van Lieveken?" + +"Ja, van Lieveken of van hare ouders; hij komt uit Frankrijk." + +"En wat staat er in, moeder?" + +"Gij weet, Bavo, dat ik geen geschrift kan lezen." + +"Geef, geef, ik zal hem u voorlezen.... Hij is van Lieveken zelve. +Luister, moeder. Ach, ik beef van ongeduld: + + "Goede madam Damhout." + +"Zie, waarom noemt zij mij nu _madam_?" kreet de verwonderde +Christina. + +"Wel, het is uit eerbied, moeder; daarenboven, in Frankijk noemt men +iedere vrouw _madam_; maar laat mij lezen, onderbreek mij niet, ik bid +u: + + "Goede madam Damhout, + + "Vergeef het mij, dat ik niet eerder op uwen brief heb kunnen + antwoorden. Vader had hem op de fabriek ontvangen en hem in + zijnen zak gestoken en vergeten. Toen moeder zijn vest wilde + vermaken, heeft zij hem gevonden. Ik bedank u en Bavo en M. + Damhout uit het diepste mijns harten voor de vriendschap, die + gij de arme Godelieve blijft toedragen. Uw brief heeft ons + zoo gelukkig gemaakt, dat mijne moeder en ik van blijdschap + hebben geweend en God om zijne goedheid jegens u hebben + gezegend. Wat mij betreft, ik heb veel verdriet; want ik denk + zonder ophouden aan u allen: ik treur, omdat ik u niet meer + zie en zelfs niet weet, of ik nog ooit van mijn leven u zal + wederzien. Mijn vader zegt dikwijls, dat hij nooit meer naar + het land zal wederkeeren; want hier is overvloedig werk en + een hoog dagloon. Mijne moeder heeft nog geenen winkel voor + mij kunnen vinden. Ik werk op eene fabriek en win zes franken + in de week. Mocht mijne moeder toch spoedig eenen winkel voor + mij vinden! De menschen op de fabriek zijn zoo grof en zoo + baldadig; zij schelden en vloeken altijd, en omdat ik eenen + afkeer van die woestheid heb, lachen ze mij uit en plagen + mij. Ik ben er bijna ziek van geworden; maar nu is het wat + beter. Mijn broeder Tist is zijn linker oog kwijtgeraakt in + een gevecht tusschen Vlaamsche en Fransche werklieden; hier + vecht men schier alle dagen. Dat Bavo in de wereld zal + verhoogen, en dat gij altezamen rijk zult worden, daarvan was + ik reeds overtuigd, toen ik nog een klein kind was; maar gij + zult in uw geluk toch somtijds nog eens denken aan het arme + Lieveken, niet waar? Wat ik ook worde, fabriekwerkster of + kleermaakster, ik zal slechts met eerbied en dankbaarheid mij + uwer eindelooze goedheid mogen herinneren, dit weet ik wel; + maar zijt zeker, al leefde Godelieve honderd jaar, dat zij + nog op haar doodbed de namen zal noemen van hem, die het arme + zieke kind leerde lezen, en van haar, die het als eene tweede + moeder naar de school heeft geleid. + + "Uwe ootmoedige dienstmeid, + + "GODELIEVE WILDENSLAG." + +Bavo liet den brief ter tafel vallen en begon te weenen: vrouw Damhout +had insgelijks de tranen in de oogen. Zij poogde echter haren zoon te +doen begrijpen, dat hij ten onrechte zich zoo diep bedroefde. Wat was +er dan zoo ongelukkig in het lot van Lieveken? Zij treurde, omdat zij +verre van hare geboortestad en hare vrienden moest leven. Dit was +immers natuurlijk? Bavo moest daarenboven wel zeker zijn, dat +Wildenslag naar Gent zou terugkeeren. + +Maar dit was de reden der smart van den jongen niet. Wat hem +verschrikte, was de tijding, dat Godelieve op eene fabriek werkte, te +midden van ruwe, woeste menschen, en daarom was hij ontroostbaar. Hij +drukte het angstig voorgevoel uit, dat Lieveken door de gedurige +aanraking met de grove, onwetende lieden hare zedigheid en de +zuiverheid haars harten zou kunnen verliezen. Dit ware volgens hem het +grootste ongeluk, dat haar kon overkomen. Er lag misschien een gevoel +van zelfzucht in zijne ontsteltenis; maar hij verborg het onder het +medelijden voor de gezellinne zijner kindsheid en zuchtte herhaalde +malen met diepen weemoed: + +"Arm Lieveken! Arm Lieveken!" + +Adriaan Damhout kwam te huis. Dan bedwong Bavo zijn verdriet; want in +zijns vaders tegenwoordigheid dorst hij de ontroeringen zijns harten +niet zoo vrij uitstorten. + +Nadat men gedurende eenigen tijd over den treurigen brief van +Godelieve had gekout, besloot men haar nog denzelfden avond te +schrijven, om haar te troosten en haar moed te geven. Men zou +daarenboven in den brief aan haar eenen anderen brief voor hare moeder +steken, om deze tot het spoedig zoeken van eenen anderen winkel aan te +manen. + +Eens dat deze beide brieven waren geschreven, werd Bavo een beetje +beter te moede. Hij had nu een middel gevonden om met Godelieve te +spreken; het was eenigszins, alsof zij nog tegenwoordig ware; de +betuiging harer dankbaarheid, de zekerheid dat zij nog aan hunne zoete +vriendschap dacht, deed hem zoo goed aan het hart. Met deze troostende +overweging ging de jongen te bed, en alhoewel hij droomend Lieveken op +de fabriek zag en ruwe, onbeschofte woorden rondom haar hoorde galmen, +werd zijn slaap niet merkelijk gestoord. + +Maanden lang wachtte hij op een tweede antwoord van Godelieve; er kwam +geene tijding. Men schreef eenen anderen brief en zelfs eenen derden, +maar even vruchteloos. + +Bavo meende te moeten denken, dat vader Wildenslag de brieven +vernietigde. Dewijl men ze naar de fabriek stuurde, aangezien men de +bijzondere woonst der Wildenslags niet wist, ontving hij ze altijd op +zijn werk. De brief, waarin Damhout aandrong om Godelieve het +fabriekwerk te doen verlaten, zou hem waarschijnlijk hebben doen +besluiten alle betrekking tusschen zijn huisgezin en de Damhouts af te +breken. Misschien had het woeste gezelschap, waarin Godelieve +veroordeeld was te leven, reeds eenen verderfelijken invloed op haar +uitgeoefend? Misschien was haar geheugen verduisterd en had zij hare +vorige vrienden vergeten? Maar dit kon niet zijn, zoo spoedig toch +niet! + +Op zekeren avond dat Bavo met zijne moeder koutte, ontvielen hem +eenige droeve woorden, die vrouw Damhout schenen te verrassen en te +verwonderen. Wat zij daarop antwoordde om hem te troosten, deed het +schaamrood op Bavo's voorhoofd klimmen. Hij stamelde eenige +verontschuldigingen en bleef dan zwijgend in zich zelven dubben en +overwegen, of nam een boek en ontvluchtte zoo eene samenspraak, +zoohaast hij bemerkte, dat zijne moeder hem met aandacht beschouwde. + +Liefde? Zijn medelijden zou liefde zijn? Hij zou Godelieve beminnen +... beminnen, anders dan eene speelgenoote, dan eene zuster? Zijne +moeder had het niet gezegd; maar waarom dan had zij gesproken van eene +geheime neiging des harten, van een gevoel, dat hij moest pogen te +beheerschen en te overwinnen? + +Van dan af werd Bavo aangaande Godelieve achterhoudend met zijne +moeder. Telkens dat zij zelve, en het gebeurde niet dikwijls meer, den +naam van Lieveken noemde, keerde hij de samenspraak af.--Dit belette +echter niet, dat zijne ziel treurde en nog snakte naar de afwezige +vriendinne. Elke maal dat hij te huis kwam, hoopte hij, dat zijne +moeder hem eenen brief zou toonen; maar de maanden verliepen zeer +snel, en van Lieveken hoorde men niets meer. + +Wel had vader Damhout eens eenen werkman ontmoet, die uit Frankrijk +kwam en hem nieuws van de Wildenslags had gegeven; maar zijne woorden +waren niet van aard om Bavo of zijne moeder te verblijden. Volgens +zijn zeggen wonnen de Wildenslags veel geld, ja veel te veel; want zij +waren gekend als de grootste drinkers en zwierders van geheel de stad. +Zij lagen ook altijd in twist met iedereen en schenen in ruzie en in +vechten hun vermaak te vinden. Naar Gent terugkomen, dit zouden zij +zeker niet doen; want zij hadden daarvoor een al te goed leven in +Frankrijk. Godelieve kende hij niet; maar hij wist, dat al de +Wildenslags, ouders en kinderen, op fabrieken werkten. + +Ondanks de durende beneveling van zijn gemoed kweet Bavo zijne +plichten zoo wel op zijn bureel, dat hij meer en meer de gunst won van +M. Raemdonck en van den meester-klerk. Men had zijne jaarwedde reeds +tot zeshonderd franken verhoogd, en dewijl zijn vader bleef werken en +zijne moeder nog immer voor haren winkel kielen naaide, kwam er +zooveel welstand in huis, dat men besloot de stege te verlaten en in +eene betere en min donkere straat te gaan wonen. + +Veel eerder ware men verhuisd, hadde Bavo zelf niet altijd gepoogd +deze beslissing te doen uitstellen. Hij verborg het niet, dat hij met +smart zich zou verwijderen van deze plaats, waar zijne wieg had +gestaan en waar hij zijne gelukkige kindsheid had gesleten. Zeide en +herhaalde zij hem niet dagelijks, hoe zijne moeder hem had bemind en +hem had aangemoedigd in zijne pogingen om te leeren? Waren niet al de +herinneringen van zijn leven aan deze nederige kamer gehecht? + +Eindelijk toch kon hij zijne moeder niet meer wederstaan. Er werd, een +weinig verder aan de straat, een klein doch net huisje gehuurd, en men +had reeds begonnen de meubelen over te dragen. + +Men nam voor den laatsten keer het middagmaal in de oude woning. Bavo +zat tusschen zijne twee zusterkens aan tafel over zijne ouders. De +jongen sprak niet en was zeer zwaarmoedig; zijne oogen dwaalden soms +rond de kamer, als zeide hij vaarwel aan deze wanden, die zoo dikwijls +de vroolijke stem van arme, ongelukkige kinderen hadden gehoord. + +Daar trad onverwachts een man in de kamer, naar buiten roepende: + +"Ja, ja, ik kom! Eenige oogenblikken slechts! ga naar de _Blauwe +Geit_, bij Pier de Knul; ik zal u daar wel vinden!" + +En tot de tafel naderende, greep hij de hand van Damhout en zeide: + +"Goeden dag, Adriaan, ik wilde toch niet in Gent geweest zijn, zonder +u te hebben gezien. Gij hebt geluk, ik weet het en het verblijdt mij, +want gij zijt een brave vent." + +"Zie, het is Steven Geerts!" riep Damhout. "Wel vier jaar is het +geleden, dat ik u voor de laatste maal heb gezien. Waar zijt gij +gebleven?" + +"Ik kom uit Frankrijk; daar is altijd veel werk." + +"Uit Frankrijk?" + +"Ja, van Wazemmes, bij Rijssel." + +"Van Wazemmes!" riepen de ouders en Bavo met blijde verrassing. + +"Waarom verwondert u dit?" murmelde Steven. + +"En hoe gaat het met de Wildenslags? Die wonen ook te Wazemmes, niet +waar?" vroeg vrouw Damhout. + +"Dit is te zeggen," was het antwoord, "zij hebben er eenigen tijd +gewoond, volgens dat ik van de vrienden heb vernomen; maar ze zijn van +daar naar Douai vertrokken. Ik heb ze gedurende acht of tien dagen +gezien; want ik heb wel een half jaar te Douai gewerkt; maar de week +na mijne aankomst zijn de Wildenslags eensklaps van daar vertrokken. +De vrienden zeggen, dat zij werk hebben aangenomen voor eene stad in +het midden van Frankrijk, voor Rouaan misschien; maar ik weet het niet +juist." + +"En de Wildenslags varen altijd wel?" + +"Wel? Ja, veel te wel; het ware beter, dat zij wat armoede leden. Er +zijn geene grootere rabauwen op de wereld dan de Wildenslags; gij +moest ze nu zien, Adriaan! Ze doen niets dan zwieren en slempen, halve +weken; en ze worden zelfs door de vrienden gevlucht; want ze zijn +daarenboven zeer brutaal en groote ruziemakers." + +Adriaan en zijne vrouw schudden treurig en zwijgend het hoofd. Ziende +dat Steven de hand van haren man greep om hem vaarwel te wenschen, +vroeg moeder Damhout: + +"Zoudt ge ons niet kunnen zeggen, Geerts, hoe het met Godelieve +Wildenslag gaat? Gij kent ze misschien niet? + +"Is het geene teere, magere? Met blond haar en levendige blauwe +oogen?" + +"Ja." + +"Ha, die ken ik goed; ik heb ze ten minste eens en maar al te wel +gezien. Die is nog veel erger dan de anderen, vrouw Damhout. Al de +Wildenslags zijn grove menschen." + +"Wat wilt gij zeggen, o hemel!" + +"Denk eens, ik kom in de stege, waar de Wildenslags wonen. Niet voor +hen, maar voor eenen anderen vriend; want ik wilde met die brutale +kerels geen uitstaans hebben. Weet gij, wat ik daar zie? Eenen +ganschen hoop vrouwen met moeder Wildenslag in het midden, die als +razenden aan het kijven zijn. Daar komt eensklaps Godelieve met den +kloef in de hand het huis uitgeschoten en begint te slaan en te +vechten, dat men ze wel met vieren moest vasthouden en bedwingen. De +leelijke woorden, die zij sprak, maakten mij zuiver beschaamd, +alhoewel ik van geen klein gerucht vervaard ben. Dat zulk zwak en +mager meisje, die anders een fraai wezen heeft, zulke baldadige taal +spreekt, dit stak mij fel tegen de borst, en ik had, mij dunkt, lust +om de onbeschaamde wat kletsen om hare ooren te geven...." + +"Godelieve? Maar het is niet mogelijk!" zuchtte vrouw Damhout. "Hebt +gij het waarlijk gezien?" + +"Met mijne eigene oogen. Misschien was het meisje buiten zich zelve +geraakt, omdat men hare moeder aanviel.... Nu, Adriaan, houd u wel, en +gij insgelijks, bazin Damhout, totdat ik nog eens naar Gent kome." + +De werkman verliet de kamer. Er heerschte eene wijl de volledigste +stilte; de ouders bezagen elkander en hunnen zoon met treurige +verbaasdheid. Bavo scheen vergramd; er fonkelde een somber vuur in +zijne oogen, en zijne lippen schenen te beven. + +Toen zijne moeder eindelijk eenige woorden meende te spreken, om hem +te troosten en Godelieve te verontschuldigen, stond de jongen op en +zeide met kracht: + +"Moeder, vader, spreekt mij nooit meer van Godelieve! Ik wil haar +vergeten, mijne kindsheid geheel vergeten, om nimmer nog aan haar te +denken. Dat een onwetend mensch zoo laag dale en den eerbied voor zich +zelven verlieze, dit is te begrijpen; maar zij kan lezen, zij is +geleerd, zij heeft van u, moeder, niets gekregen dan lessen van deugd +en zedelijkheid. Uwe goedheid, uwe weldaden, onze vriendschap, dit +alles heeft zij vergeten. Zij is dubbel schuldig. O, ik zal haar +aandenken in mijn hart versmachten met geweld. Moeder, doe de +werklieden komen, seffens: alles moet weg naar onze nieuwe woning. Ik +wil hier niet meer slapen, ik wil geenen voet meer in de stege zetten. +Ik bid u, dat ik alles gereed vinde tegen dat ik naar huis kom; gij +zult mij gelukkig maken. Vaarwel, ik ga naar mijn bureel; hier kan ik +niet meer blijven; dezen avond zal ik bellen aan het huis in de +straat...." + +Hij meende te vertrekken; maar daar hij bemerkte, dat zijne moeder +bekommerd was en hem wilde wederhouden, zeide hij met min ontsteltenis +in de stem: + +"Wees gerust, moeder; het is voor een oogenblik slechts. Morgen zal ik +aan niets meer denken; het is gedaan; ik had verdriet, maar nu ben ik +genezen, genezen voor altijd!" + +En na onder het spreken dezer woorden de handen zijner moeder +teederlijk te hebben gedrukt, ging hij het huis uit. + + + + +XI + + +De ongunstige tijding over Godelieve scheen Bavo van eene geheime +overheersching te hebben verlost, en onder dit opzicht had zij hem +inderdaad goed gedaan. Alsof dit voorval eensklaps hem al wat er nog +kinderlijks in hem was, had ontnomen, werd zijn geest ernstiger en hij +kreeg meer dan te voren het voorkomen van een bezadigd mensch, die +zich slechts bezighoudt met nuttige dingen. + +Van dan af werkte hij met nog meer vlijt op zijn bureel, en al zijne +pogingen strekten om zich den handel en de inrichting der fabriek +geheel eigen te maken. + +M. Raemdonck en de oude meester-klerk schepten vermaak in den +leerzamen en dankbaren jongeling voort te helpen. De laatste bovenal +had hem zeer lief en ontlastte zich op hem van een groot gedeelte +zijns arbeids, teneinde hem van alles ondervinding te geven. Hij +verborg hem zelfs niet, dat hij het deed met een bijzonder inzicht. + +"Ik kan ziek worden," zeide de meester-klerk, "ik kan eene andere +plaats bekomen; mijn oom, de huidvetter, kan sterven. Dan erf ik een +fortuin en ga op mijn geboortedorp leven. Ik wil u bekwaam maken om +mij desnoods in mijne bezigheid te vervangen en, indien het gebeurt, +als gij oud genoeg zijt, om mijne plaats bij M. Raemdonck te krijgen." + +Dit vooruitzicht was een nieuwe spoorslag voor Bavo. Met de +toestemming van zijnen meester nam hij boeken uit de bibliotheek naar +huis, studeerde de mekaniek, volgde nieuwe uitvindingen, teekende en +overwoog, en had reeds bijgedragen om op de fabriek eene winstgevende +verbetering aan de werktuigen te doen toebrengen. + +Zoo klom eindelijk zijne jaarwedde tot de som van duizend franken, +toen hij zijn negentiende jaar bereikte. + +Van Godelieve en zijne kindsheid sprak hij niet meer of scheen geen +gewicht meer aan deze herinneringen te hechten. Evenwel kwamen er nog +oogenblikken, dat het beeld van Lieveken voor zijne oogen opstond, en +hij dacht zelfs met vermaak en welgevallen aan de vriendin zijner +eerste jaren. Niet aan Godelieve, het fabriekmeisje, die zich door de +slechte voorbeelden tot ruwheid en zedelijke verlaging had laten +medeslepen; neen, aan het kleine, beminnelijke Lieveken, het zuiver en +eenvoudig kind, dat met hem was opgegroeid en al zijne vermaken en al +zijne hoop had gedeeld. Onder zijnen drukken arbeid, onder zijne +onophoudende studien hoorde hij soms een zilveren stemmeken zijnen +naam murmelen, en hem verscheen nog van tijd tot tijd het zoete wezen +met de glinsterende blauwe oogen, zooals zij hem had aanschouwd, toen +hij haar buiten de stadspoort voor de laatste maal had gezien. Dit +waren echter slechts droomen, die met de wezenlijkheid in geene +betrekking meer stonden, en hij wist het zeer wel. + +Vader Damhout had zijnen zoon reeds aangespoord, om door M. Raemdonck +of den meester-klerk toch eens naar de Wildenslags te doen vernemen; +maar Bavo had deze pogingen met eene soort van verschriktheid +afgewezen, en zijne moeder had hem gelijk gegeven. + +Inderdaad, welke gemeenschap was er voortaan mogelijk tusschen +Godelieve en hem? Hij gevoelde zich geroepen om in de wereld tot den +burgerstand op te klimmen en onder deftige lieden te leven. Indien de +Wildenslags naar Gent terugkwamen, zou hij dan niet beschaamd zijn, +als vriend en broeder te hebben geleefd met menschen, die veeleer het +misprijzen dan de achting der wereld verdienden? Neen, neen, van de +Wildenslags mocht men hem niet meer spreken; zij hadden hem gewond in +zijn gevoel, en hij was verbitterd tegen hen. + +Het waren bijna dezelfde overwegingen, die zijne moeder aanspoorden om +hare eigene herinneringen te onderdrukken. Vijf of zes jaar vroeger +had zij soms wel gedacht, dat Bavo en Lieveken misschien door God +bestemd waren om eens door het huwelijk te worden vereenigd. Die droom +had haar zelfs als eene mogelijkheid toegelachen; maar nu was er +zooveel afstand tusschen Bavo en Godelieve gekomen, dat men aan de +vroegere gemeenschap met de Wildenslags niet zonder een geheim gevoel +van schaamte kon denken. + +Men sprak dus eindelijk in het geheel niet meer van Lieveken, alhoewel +in het hart van vrouw Damhout en in het hart van haren zoon een immer +herlevend gevoel van treurnis en van medelijden voor het ongelukkige +kind opwelde. + +Bavo, die nu allengs tot de mannenjaren naderde, maakte zich met +onophoudende vlijt alles eigen, wat den handel en de bewerking van het +katoen betreft. Met de toestemming van den meester-klerk bracht hij +een gedeelte van den dag in de fabriek zelve door, niet alleenlijk om +de praktijk van den arbeid aan te winnen, maar tevens om de werklieden +op te passen en de belangen van M. Raemdonck te behartigen. Hij +volbracht dezen laatsten plicht met zooveel ijver en verstand, dat de +meester-klerk, die hoogmoedig was over zijnen leerling, soms tot M. +Raemdonck zeide: + +"Wees zeker, Bavo Damhout brengt u voor duizenden franken profijt aan, +elk jaar. De werklieden beminnen en achten hem, en zij zorgen, dat er +niets verkwist of gebroken worde, alleenlijk om hem vermaak te doen." + +Inderdaad, Bavo was zeer minzaam en zacht met iedereen, en zijne +wonderlijke wetenschap en ervarenheid waren wel van aard om hem het +ontzag der werklieden te verschaffen; maar dit was de voornaamste +reden hunner genegenheid voor hem niet. + +Zijn eigen vader, hun oude, brave gezel, stond aan eenen spinmolen, en +de jongeling moest dikwijls aan hem, evenals aan hen zelven, bevelen +of terechtwijzingen geven. Dit hadde iets pijnlijks kunnen zijn, een +oude spinner, die zich door zijnen zoon moest zien gebieden. Maar Bavo +naderde nooit zijnen vader dan met de klak of den hoed in de hand, +stuurde hem het woord toe met den grootsten eerbied en lachte hem aan +en drukte hem zoo teederlijk de hand, dat al de werklieden zich +ontroerd gevoelden van bewondering en hoogmoed. Het kostte hun dan +geene moeite, te gehoorzamen aan een werkmanskind, die zich door zijne +geleerdheid het recht tot bevelen had aangewonnen, en door zijne +zachtheid en door zijne liefde tot zijnen ouden vader de eerbiedige +genegenheid van elkeen afdwong. + +Bavo vergenoegde zich niet met hetgeen er voor hem op de fabriek van +M. Raemdonck te leeren was; hij had zijnen meester overgehaald om in +te schrijven op de nieuwste schriften over werktuigkunde en +nijverheid; hij volgde openbare avondlessen, welke er alsdan over dit +vak door geleerde professors werden gegeven; hij bezocht telkens dat +hij er gelegenheid toe had, de beste fabrieken van Gent. + +Zoo verkreeg hij mettertijd eene groote wetenschap van alles, wat de +katoennijverheid en hare mogelijke verbeteringen betreft. + +Hij was gelukkig, want iedereen rondom hem loofde en beminde hem.... +Evenwel was zijn hemel niet geheel zonder wolken. Zijn vader werkte +nog altijd op de fabriek! De droom des jongelings was dus nog niet +verwezenlijkt, het doel zijns levens nog verre van bereikt te zijn. +Hij hadde wel gewild, dat zijn vader ophield van werken; maar zijne +ouders en hij zelf waren nu in hunne nieuwe woning aan zekeren +welstand gewend. Men kon dien toestand niet verlaten om een meer +bekrompen leven te hernemen, en zijne jaarwedde alleen was niet +toereikend om in de onkosten van het huishouden te voorzien. Deze +overweging was hem soms nog eene oorzaak van voorbijgaand verdriet ... +en daarbij, wanneer hij alleen was en droomde, tooverden zijne +gepeinzen hem nog dikwijls terug in zijne schoone zoete kindsheid. Dan +voelde hij in zijn hart eene ledigheid, eene onoverwinnelijke +treurnis, eenen geheimzinnigen worm, die wel zachtjes knaagde, doch +niet wilde sterven.... + +Op zekeren morgen dat Bavo op zijn bureel trad en, in de afwezigheid +van den meester-klerk, zich aan het schrijven had gezet, kwam eene +meid hem zeggen, dat M. Raemdonck hem verlangde te spreken en in de +zaal op hem wachtte. + +Toen hij zich voor den eigenaar der fabriek aanbood, deed deze hem +nederzitten en zeide: + +"Mijnheer Damhout, toen ik door eigene beweging en door aanbeveling +van den heer burgemeester u op mijn bureel toeliet, hoopte ik, dat gij +mijne bescherming door leerzaamheid en vlijt zoudt erkennen. Ik heb +mij niet bedrogen; integendeel, ik heb mijn genoegen in u gevonden, en +gij hebt mij veel voordeel aangebracht in mijne zaken. Uwe durende +liefde voor uwe ouders heeft mij daarenboven een waar gevoel van +vriendschap en achting voor u ingeboezemd. In een woord, gij zijt een +braaf jongeling en ik ben uiterst tevreden over u. Ik weet, dat uw +schoonste droom, het voorname doel uwer werkzaamheid, daarin bestaat, +uwen vader van allen arbeid te ontslaan en uwe moeder door levensgemak +en zekere weelde voor hare vroegere opofferingen te beloonen. Het +middel om u dat doel te laten bereiken, is mij nu aangeboden; en +alhoewel gij nog jong zijt, wil ik nochtans u toonen, dat ik +vertrouwen heb in uwe ervarenheid en in uwe trouw. De oom van den +meester-klerk is gisteren overleden; M. Pasmans geeft zijn ontslag en +gaat zijn geboortedorp bewonen. Gevoelt gij u bekwaam mijn +meester-klerk te zijn?" + +"O, mijnheer!" zuchtte Bavo, "ware ik niet bekwaam, ik wierd het uit +dankbaarheid voor uwe uiterste goedheid!" + +"Het is, mijn vriend, dat daar eene jaarwedde van drieduizend +vijfhonderd franken aan vast is; ja, vier duizend franken, met zekere +bijzaken. Dit is tamelijk veel voor een jongeling van tweeentwintig +jaar. Zal deze aanzienlijke vermeerdering u niet schadelijk zijn? Gij +zijt in de gevaarlijkste jaren...." + +"Beproef mij, ik bid u, mijnheer, al ware het gedurende een gansch +jaar!" zeide Bavo smeekend "Wat gij mij aanbiedt, is het geluk, dat ik +voor mijne ouders heb gedroomd. Oh, indien ik mij uwer grootmoedigheid +ooit onwaardig toon, jaag mij weg, veracht mij; maar neen, neen, ik +zal mijnen wil en mijne pogingen overspannen, en, is het mogelijk, u +bewijzen, dat uwe weldaad mijne krachten heeft verdubbeld." + +"Ik geloof u, mijn vriend; de liefde tot uwe ouders zal uw +engelbewaarder zijn. Wees dus meester-klerk, en dat het schoone doel +uws levens zij bereikt. Gij kunt iemand van het klein bureel nemen om +de brieven af te schrijven, totdat wij eenen anderen klerk vinden om +uwe plaats in te nemen." + +M. Raemdonck stond op, naderde tot den jongeling en drukte hem de +hand. + +"Proficiat, meester-klerk," zeide hij. "Ga nu in de fabriek; want gij +brandt ongetwijfeld van ongeduld om uwen vader het goede nieuws te +dragen?" + +Bavo ging niet heen; hij bleef in gedachten voor zijnen meester staan. + +"Welnu, hebt gij mij nog iets te zeggen?" vroeg deze. + +"Mijnheer, ik wilde u een verzoek doen." + +"Spreek, mijn vriend." + +"Het is zonderling genoeg, mijnheer, maar gij zijt zoo goed voor mij. +Ik zou wenschen, dat gedurende eenige maanden niemand iets van mijne +nieuwe benoeming wist; mijne ouders insgelijks niet. Dat men ten +minste vooronderstelde, dat mijne jaarwedde voorloopig nog niet is +verhoogd." + +"Welke vreemde gedachte is dit!" kreet M. Raemdonck verwonderd. +"Waarom toch die geheimhouding?" + +"Het is, mijnheer, dat ik mijnen ouders eene blijde verrassing wil +aandoen, en daartoe zou ik eenigen tijd moeten kunnen sparen, zonder +dat zij het weten." + +"Welke verrassing?" + +"Ik weet het nog niet, mijnheer; een geschenk, iets dat hen in eens +gelukkig zou maken. Ik zal het u zeggen en uwen goeden raad vragen, +zoohaast ik daarover een besluit heb genomen.... En indien ik +gedwongen was u een voorschot op mijne jaarwedde af te smeeken?" + +"Ho, voor zulk liefderijk doel moogt gij mij niet sparen. Mijne kas +staat voor u open, ten minste zoolang gij binnen de palen der +redelijkheid blijft." + +Bavo, onder het uiten eener vurige dankzegging, verliet de zaal en +begaf zich naar zijn bureel. Hij deed eenen helper van het klein +bureel komen en zette hem onmiddellijk aan het werk. Intusschen dacht +hij aan hetgeen hij M. Raemdonck had gezegd en aan het geschenk, +waarmede hij voornemens was zijne ouders te verrassen en gelukkig te +maken. Zijn ontwerp was sedert jaren reeds in zijn hoofd vastgesteld; +maar hij had het niet aan zijnen meester durven zeggen, uit vrees dat +hij zelf nog van gedachte kon veranderen. Na lange overweging toch +bleef hij bij zijn eerste besluit. + +Toen hij met zijne ouders en zusters aan het middagmaal zat vertelde +hij hun, dat de oude meester-klerk zijn ontslag had gegeven, omdat +zijn oom, die nu gestorven was, hem een rijk erfdeel had nagelaten. M. +Raemdonck had wel lust om Bavo tot meester-klerk aan te stellen; maar +hij wilde het eerst eenige maanden beproeven, aangezien de jonkheid +van Bavo. + +Zoo deed hij voor de oogen zijner ouders de hoop glinsteren, dat hij +welhaast aanmerkelijk zou worden verhoogd, en hij verborg niet, dat, +indien dit geluk hem ten deel viel, hij niet meer zou lijden, dat zijn +vader een oogenblik langer werkte. Hij zou dan in zijne hooge +jaarwedde de middelen vinden, om zijne moeder alle gemak te bezorgen +en haar te laten leven als eene ware rentenierster. Hij was zoo +vroolijk, zoo blijgeestig, dat hij iedereen deed juichen en in de +handen klappen van hoop en vreugde. + +Eindelijk vertelde hij, dat de neef van M. Raemdonck, die lang te +Parijs had verbleven en daar zelfs onlangs was getrouwd, naar Gent +ging komen wonen. M. Raemdonck was op zoek naar een huis voor zijnen +neef. Groot moest het niet zijn, maar fraai en zindelijk. Hij zou het +voorzien met schoone meubelen en alles in gereedheid brengen tegen de +overkomst van zijnen neef met zijne jonge vrouw. Bavo sprak er van, +omdat zijn meester hem had verzocht eens rond te zien, welke huizen +van dien aard zoo al te huur hingen; en de jongeling, die niet veel +tijd had, spoorde zijne moeder aan om eens uit wandelen te gaan in de +beste straten, niet verre van de fabriek, en te zien of er zulke +huizen niet te huur hingen, opdat hij het alsdan aan zijnen meester +zou kunnen zeggen. + +Reeds des avonds, bij zijnen terugkeer van de fabriek, vernam Bavo van +zijne moeder, dat er nette burgerhuizen te huren hingen in de +Mageleinstraat, in de Lange Meere en in de Kruisstraat, niet verre van +Sint-Baafskerk. Dit laatste was misschien wat klein; maar het was +nieuwerwetsch en het opschrift meldde, dat het eenen hof had. + +Bavo bracht twee dagen later aan zijne moeder de dankzegging van M. +Raemdonck, die het huis in de Kruisstraat, bij Sint-Baafskerk, naar +zijnen zin had gevonden en het onmiddellijk had gehuurd. + +Sedert dien sprak Bavo nog dikwijls van dit huis en roemde de pracht +der meubelen, welke zijn meester er in deed zetten, en de smaakvolle +inrichting van alles. M. Raemdonck had hem reeds tweemaal er naartoe +geleid, en deed hem de eer aan, hem te raadplegen over de schikking +van het huis en het aanleggen van den kleinen tuin. + +De jongeling verwekte door zijne herhaalde beschrijvingen de +nieuwsgierigheid zijner moeder zoodanig, dat zij den wensch uitdrukte +om het schoone huis eens van binnen te mogen zien. Bavo beloofde de +toelating zijns meesters te vragen; maar men moest nog eenige weken +wachten, totdat de woning der nieuwgetrouwden geheel in orde zou zijn. + +Eindelijk, op eenen zaterdagavond, toonde hij juichend eenen grooten +sleutel en zeide, dat M. Raemdonck hun allen toeliet het huis van +onder tot boven te bezichtigen en zelfs eenen ganschen namiddag in den +hof door te brengen. Hij zou er eene goede flesch wijn gereed zetten, +en hij verzocht Bavo deze met zijne ouders op zijne gezondheid te +ledigen. Het was morgen Zondag. Even na het middagmaal te hebben +genomen, zou men naar het huis in de Kruisstraat gaan en er een uurtje +of twee blijven. Dit zou een waar feestje zijn! + +Inderdaad, nauwelijks gunde men zich des anderen daags tijd om te +eten, zoo ongeduldig waren Bavo's zusters. Men trok, vroolijk en +koutende van hetgeen men ging zien, in de richting van Sint-Baafskerk. + +In de Kruisstraat gekomen, bleef men voor het huis staan, om den gevel +te beschouwen; er was een klein balcon, waarvan veelkleurige bloemen +in kransen nederdaalden; er stonden insgelijks bloemen achter de +vensters, meestal roode fuchsia's, en dit deed moeder Damhout +opmerken, dat zij altijd eene soort van voorliefde voor die +koraalroode bellekens had gehad. + +Toen de deur geopend was, zeide Bavo tot zijne zusters, die maar +seffens al de deuren der kamers wilden openen: + +"Neen, neen, zoo niet; het schoonste voor het laatste. Anders zouden +wij niet veel vermaak van ons bezoek hebben. Laat ons eerst in den hof +gaan; moeder ziet zoo gaarne bloemen." + +"En ik dan?" bemerkte Adriaan Damhout. "Toen ik jonger was, woonden +mijne ouders op Ledeberg. Wij hadden een hoveken. Ik liet er eten en +drinken voor; den geheelen Zondag nanoen was ik aan het werk, en ik +had de schoonste aurikels en de schoonste violieren van geheel het +voorgeborcht." + +Zij kwamen in den tuin; hij was niet zeer uitgestrekt; maar de paden +slingerden liefelijk, de zon scheen mild op een gedeelte des gronds, +en er was zulk een overvloed van bloemen, dat de meisjes de handen +boven het hoofd hieven en vooruitspringende riepen: + +"Ho, wat is dit hier schoon en frisch! en welke zoete geuren!" + +Meer rustig, in schijn ten minste, wandelde Bavo met zijne ouders door +de paden, toonde hun al de bloemen, plukte hun takjes van geurig kruid +en bracht hen zoo onder een looverhuisje, waar zij zich lachend +nederzetten, om het gezicht des tuins een oogenblik op hun gemak te +genieten. + +Hier stond op de tafel een porseleinen pot met tabak, die er bij +nederhing, en daarnevens lagen vier of vijf lange Hollandsche pijpen. + +"Zie," murmelde Adriaan verwonderd, "ik wist, dat M. Raemdonck soms +eene sigaar rookt; maar het is waar, zooals men zegt, vele heeren +rooken te huis op hun gemak eene pijp." + +"Gij begrijpt niet, vader," bemerkte Bavo. "Mijnheer heeft de tabak en +de pijpen daar doen zetten, opdat gij volgens uwen lust hier zoudt +kunnen rooken." + +"Onmogelijk, Bavo." + +"Hij heeft het mij zelf gezegd, vader. Gij moet rooken om hem plezier +te doen." + +"Welke goedheid toch! Dan zal ik het maar wagen; want de tabak ziet er +bijzonder goed uit. Een trek of drie: het is slechts om onzen +edelmoedigen meester te voldoen." + +Hij ontstak zijne pijp, deed den rook in wolkjes tot onder het loover +van het prieel klimmen, en zeide dan glimlachend en blijde: + +"Lekkere tabak! Wat zijn die rijke menschen toch gelukkig. Ziezoo, op +deze bank met het gezicht op dien schoonen hof en met mijne pijp in +den mond, zou ik mijn leven willen slijten." + +"Gij bedriegt u, vader," wedersprak hem Bavo. "Er is nog iets, dat gij +zoudt doen." + +"Ja, uit visschen gaan, niet waar? Dit doe ik uitnemend gaarne; het +zou mij dienen om mijn vermaak een beetje af te wisselen." + +Onderwijl waren de beide meisjes nog altijd bij de bloemen; ze moesten +ze een voor een zien, ze vergelijken en over hunnen geur en over hunne +schoonheid oordeelen. + +Vader Damhout legde zijne pijp neder; hij zou ze straks voortrooken; +maar nu moest men het ongeduld der moeder voldoen en het huis +bezichtigen. + +Bavo bracht hen eerst in een paar kamers, die wel fraai geschikt +waren, doch niet veel bijzonders aanboden. In de keuken bewonderde +vrouw Damhout de schoone, versierde kookstoof en de glinsterende +ketels, pannen en potten, die langs de wanden prijkten. + +In den kelder lag eene ton bier op hare stelling; een gemetste bak +bevatte een zeker getal flesschen wijn, en er stond zelfs een groote +oplegpot, die ongetwijfeld eenen voorraad boter bevatte. + +Dit deed de Damhouts zeggen, dat M. Raemdonck niets had vergeten, en +zijn neef alles in gereedheid zou vinden, als hadde hij zelf het huis +sedert lang bewoond. + + +[Illustratie: Ziehier eene amandelbeschuit.] + + +Op den zolder hingen, op de gespannen droogkoorden, eenige vischnetten +van verschillenden vorm uitgespreid, alle nieuw en met veel zorg +gemaakt. Vader Damhout was daar kenner van. Ook nam hij ze in de +hand, beproefde de sterkte van het garen en mompelde in zich zelven: + +"Gelukkige lieden, ze hebben alles wat hun hart kan wenschen!" + +"Nu naar de zaal, naar de schoonste kamer!" riep Bavo. "Daar zult gij +wat anders prachtige dingen zien; en wij gaan er op de gezondheid van +M. Raemdonck de flesch lekkeren wijn drinken, die hij ons heeft +geschonken." + +Toen Bavo de zoogezegde zaal opende, ontvloog hun allen een kreet van +bewondering. Dat waren alle prachtige meubelen van glimmend +mahoniehout! Printen in gouden lijsten aan den wand, een zacht tapijt +met roode bloemen op den grond, een verguld uurwerk en getakte +kandelaars op de schouwplaat, stoelen met kussens, en twee zetels met +ruggen, die hunne armen uitstaken en schenen te zeggen: "Ik ben zoo +zacht, kom, rust wat op mij!" + +Het was ook wel wat de meisjes eerst en daarna de ouders deden; maar +Bavo wenkte zijne moeder en toonde haar een klein tafeltje, waarvan +het deksel kon worden opgeheven. Daaronder, als in een koffertje, lag +allerlei glinsterend naai en borduurgerief, zoo rijk en schoon, dat +het de oogen der verbaasde vrouw en der verwonderde meisjes deed +schemeren. + +"Nu het glas wijn op de gezondheid van ... van ... dit gaan wij zien! +Aan tafel, aan tafel!" + +En hij opende eene kas, nam er eene flesch en roemers uit en schonk +den wijn. Ieder wilde zijn glas aangrijpen om ter eere van M. +Raemdonck te drinken; maar Bavo weerhield hen. + +"Wacht een oogenblik," zeide hij, "er is ook iets om te eten! Ziehier +eene amandelbeschuit, die mijnheer Raemdonck niet heeft gegeven; en +het is ook op zijne gezondheid niet, dat wij allereerst gaan +drinken...." + +"Wat is dit?" kreet Amelia, het oudste meisje. "Die suikerletters op +de taart? Weet gij, moeder, wat er op te lezen staat?" + +"Ha, ha, lang leve Christina, onze goede moeder! Dit staat er op!" +kreet Bavo, zijn glas in de hoogte heffende. "Het is heden haar +naamdag. Lang, lang moge zij leven!" + +"Lang, lang moge zij leven!" herhaalden de anderen, hun glas in de +hoogte heffende. + +"Wat zonderlinge gedachte van Bavo, u in dit huis te besteken!" +juichte Amelia. "Ha, dit is aardig!" + +"En nu, moeder," zeide de jongeling op plechtigen toon en met eenen +traan van geestdrift in de oogen, "nu gaat degene, die u alles +verschuldigd is op de wereld, zijne geleerdheid, zijn geluk, zijne +toekomst, u een geschenk doen, een geschenk, waarvan hij sedert zijne +kindsheid heeft gedroomd, aan u en aan den armen fabriekwerker, die +voor zijnen zoon heeft geslaafd en geleden. Gij hebt dit huis gezien, +den hof, de bloemen, de netten? Dit alles hoort u toe. Ik heb het huis +gehuurd, ik heb de meubelen gekocht. Hier zult gij wonen. Vader mag +niet meer werken; hij zal zijn pijpje rooken, bloemen kweeken, gaan +visschen. Wij zijn rijk, ik ben meester-klerk, ik win vierduizend +franken! God zij gezegend, dat Hij mij toelaat uwe liefde te beloonen. +Moeder, vader, zet u op uw gemak: gij zijt ten uwent!" + +Vrouw Damhout was zoo diep getroffen, dat zij eenen steun op de tafel +zocht, als ging zij bezwijmen; maar zij richtte zich weder op, vloog +haren zoon om den hals en drukte hem met koortsige teederheid aan haar +kloppend moederhart. Damhout, stom van verbaasdheid, stortte blijde +tranen, de meisjes klapten in de handen en dansten met +uitgelatenheid.... + +Toen Bavo dien avond weder nevens zijne moeder in het andere huis zat, +was hij sedert eene wijl zeer stil en als treurig. Hij zeide haar, dat +hij zeer vermoeid was; maar vrouw Damhout zag wel, dat iets anders +zijnen geest benevelde. + +Zij murmelde eindelijk met teruggehoudene stemme: + +"Bavo, gij denkt aan iemand. Ik insgelijks, mijn zoon. Wanneer men zoo +gelukkig is, niet waar, dan zou men al degenen, die men ooit heeft +bemind, willen gelukkig zien?" + +"Ja, moeder," antwoordde hij, "de mensch is zijne gedachten niet +altijd meester; maar het beteekent niets. Het is eene herinnering +mijner kindsheid, die tegen mijnen dank opwelt in mijn hart." + + + + +XII + + +Op eenen Zondag, bij het vallen van den avond, verlieten eene reeds +bejaarde vrouw en een jong meisje de enge stege, waar de Damhouts +vroeger hadden gewoond. Hunne slechte kleederen, hun onzekere stap en +hunne zichtbare schuchterheid, alles in hen getuigde niet alleen van +groote ellende, maar tevens van eene diepe moedeloosheid. Zij gingen +traag, zwijgend en met gebogen hoofde nevens de huizen, als +nedergedrukt onder een gevoel van schaamte of van geheime +verschriktheid. + +Er was echter tusschen beider opzicht een merkelijk verschil. Terwijl +de vrouw als iemand, die sedert lang aan de armoede is gewend, om zoo +te zeggen met lompen was behangen, had het meisje wel klaarblijkend +alle moeite ingespannen om de uiterlijke teekens der ellende zooveel +mogelijk te verbergen. Hare kleederen, alhoewel zeer versleten, waren +van eene uiterste reinheid; en hare muts, ofschoon geschift en +genaaid, was sneeuwwit. + +Wanneer zij bij geval het hoofd ophief om eenen voorbijganger te +mijden, bezag men haar met verrassing, als ware men verwonderd, zulke +wezenstrekken onder dat ellendig kleedsel te vinden. + +Inderdaad, het arme meisje was zeer schoon; in hare blauwe oogen, +alhoewel nu door de smart verduisterd, glom eene vonk van gevoel en +verstand; hare wangen waren zuiver en haar voorhoofd lelieblank. +Daarenboven, er was in de snede harer kleederen, in de rijzigheid +harer leden, in de ingetogenheid van haren gang iets onderscheidens, +dat niet twijfelen liet of de jonge maagd moest eene goede opvoeding +hebben genoten. + +Welk pijnlijk voorval had toch deze ongelukkige van eenen hoogeren +stand in zulke diepe ellende nedergerukt, dat men ze nu met hare oude +gezellin moest aanzien als schamele menschen, die waarschijnlijk op +weg waren om hier of daar eene aalmoes te gaan afbedelen? + +Zonder een woord met elkander te wisselen, hadden zij de Nederschelde +bereikt, en naderden nu tot de Wijngaardbrug. Daar zeide de vrouw met +bedwongene stem: + +"Heb moed, mijn kind. Gij gaat zoo langzaam. Zijt gij vervaard?" + +"Ja, moeder, ik weet niet, mijn hart klopt zoo angstig!" zuchtte het +meisje. + +"O, hemel! vreest gij nu, dat de Damhouts ons gebed zouden kunnen +verstooten? Doe mij niet beven. Eilaas, wat zou er dan van ons +geworden?" + +"Vrouw Damhout zal ons helpen, moeder, daaraan twijfel ik niet," was +het stille antwoord. "Een hart als het hare kan niet ongevoelig +blijven voor ons ongeluk; en wanneer ik met tranende oogen hare vorige +genegenheid voor het arme Lieveken zal inroepen...." + +"Zeker, en vermits zij nog rijker zijn dan men ons te Rijssel had +gezegd? Ach, Godelieve, wat wij nu gaan beproeven, is eene pijnlijke +poging, voor u bovenal, ik weet het; maar de nood is een onmeedoogende +dwingeland." + +"De Damhouts zijn rijk, zeer rijk!" morde het meisje op eenen hollen +toon, waarvan de zonderlinge siddering de vrouw verraste. + +"Maar des te beter, Godelieve," zeide zij. "God zij gezegend, dat Hij +hun de middelen schonk om ons te helpen." + +"Eene aalmoes gaan vragen, moeder! Aan ... aan de Damhouts! Ik, het +kleine Lieveken, die zij zoo teeder hebben bemind, die met hen dorst +droomen van toekomst en van geluk! O, mijne schoone kindsheid, hoe +tergend ontstaat gij voor mijne oogen! Bedelaresse? Lieveken eene +bedelaresse!" + +"Neen, kind, wees niet zoo wreed voor u zelve. Wij komen hulp vragen, +ja, maar bedelaressen zijn wij toch niet." + +Zij stapten voorbij de kerk van Sint-Baafs; het meisje scheen door +eenen geheimen invloed naar de zijdeur des tempels gedreven en had, +zonder het te weten misschien, zich half omgekeerd. + +De vrouw weerhield haar en zeide: + +"Maar, Godelieve, wat doet gij nu? Rechtdoor moeten wij gaan; ginder +is de Kruisstraat." + +"De schaamte, de schrik, moeder; mijne ziel wil bidden, sterkte +vragen; want nu wij de plaats naderen, waar ik de smeekende hand tot +... tot vrouw Damhout zal uitsteken, ontsnapt mij alle moed." + +"De avond valt, Godelieve; wij mogen niet wachten totdat het gansch +donker is. Kom, mijn kind, het is een smartelijk oogenblik, inderdaad; +maar het zal haast doorgestreden zijn. Wij zullen hier, bij het +Heilig Graf, God voor zijne barmhartigheid komen danken of ... of +tranen van wanhoop storten op diezelfde knielbank, waar wij zoo +dikwijls hebben gebeden. Kom nu, het zal niet lang duren." + +Beiden vervorderden hunnen weg tot in de Kruisstraat, waar zij +begonnen rond te kijken, om het huis te herkennen, dat men hun in de +stege had aangeduid en beschreven. Dewijl het reeds half duister was, +hadden zij eenige moeite om in hunne opzoeking te gelukken. Eensklaps +zeide de vrouw: + +"Daar is het, Godelieve. Die schoone ronde deur, dat balkon. Welk +prachtig huis! Wat moeten de Damhouts gelukkig zijn! Zij verdienen het +ook wel, niet waar? Ach, mochten zij onze bede verhooren! Er is reeds +licht in de benedenkamer. Godelieve, schep moed, mijn kind. Werp u aan +de voeten van vrouw Damhout, bezweer haar bij hare vorige goedheid +voor u. Zij zal ons redden, wees er zeker van." + +"Ja, moeder, de strijd is ten einde; ik gevoel mij weder eenige +sterkte," murmelde de bange maagd. + +Toen zij het huis gingen naderen, bemerkte Godelieve door de +vensterruiten, dat een man, een heer, in de verlichte kamer stond. +Alhoewel hij den rug naar de straat hield gekeerd, sloeg dit gezicht +haar met eenen onzeglijken schrik; maar op hetzelfde oogenblik deed de +heer eene beweging en wendde zich naar het venster, op zulke wijze, +dat het meisje zijn gelaat kon herkennen. + +Een versmachte angstschreeuw ontsnapte haar; zij begon op hare beenen +te wankelen en leunde tegen den muur om niet neder te storten. + +Daar zag zij, dat hare moeder de hand naar de bel uitstak om te +klinken. Zij sprong vooruit, trok de verbaasde vrouw van de deur weg, +leidde haar met eene soort van koortsig geweld naar den donkeren kant +der straat en verborg weenend haar hoofd op den boezem der vrouw, +terwijl zij uitriep: + +"Moeder, moeder, hij is daar!" + +"Wie?" + +"Bavo!" + +"Welnu, God zij er om gedankt; hij zal zijne moeder tot barmhartigheid +voor ons aansporen. Kom, overwin uwe schaamte...." + +"Onmogelijk, moeder!" snikte het meisje "O! spaar mij dat lijden, die +vernedering, die wanhoop! Eene aalmoes vragen in zijne +tegenwoordigheid ... aan hem? Eilaas, mijn hart breekt, ik zou +bezwijmen voor zijne voeten, misschien zou ik sterven...." + +"Wilt gij dan, dat ik alleen ga?" + +"Ik zal u zegenen, u dankbaar blijven mijn gansche leven, moeder lief! +Mijne ziel is verschrikt; het denkbeeld alleen van de hand tot hem uit +te steken, vervult mij met eenen doodelijken angst." + +"Maar zij beminnen u meer dan mij; en indien zij mijn gebed verwerpen, +omdat gij niet met mij zijt?" + +"Dan," kreet de maagd met overmatige ontsteltenis, "dan zal ik alle +schaamte, alle gevoel in mijn hart versmachten. Ik zal tot hem, tot +hem gaan, mij nederstorten voor zijne voeten, zijne knieen omhelzen, +kruipen door mijne tranen. Ho, hij zal ons meer geven, dan wij noodig +hebben ... maar er zal iets dood zijn in mij! Het is gelijk, ik zal +mij onderwerpen, mijn wezen verloochenen en allen levensmoed verzaken, +om de schande af te koopen en onze eer te redden." + +"Welnu, ik ben harder tegen de schaamte dan gij; ik zal het +beproeven." + +Godelieve voegde de handen te zamen en zeide smeekend: + +"O, moeder, heb medelijden met mij! Noem mijnen naam niet in zijne +tegenwoordigheid; verberg hem, dat ik met u ben gekomen; spreek hem +niet, in 't geheel niet, van mij. Ik ga knielen voor het Heilig Graf +in Sint-Baafskerk. Hoe vurig zal ik bidden! God zal u beschermen! In +zijne eindelooze genade zal Hij mij misschien de noodlottige +opoffering mijner menschelijke waardigheid sparen, dat eenige goed, +waarvan het behoud mij sterkte gaf en mij worstelen liet tegen de +akelige bitterheid mijns levens! Ga, moeder; ik zal wachten, angstig +wachten voor het Heilig Graf. Noem mij niet, noem mij niet!" + +En deze laatste woorden stamelende, verwijderde zij zich met haast in +de richting der Sint-Baafskerk. + +De vrouw zag haar een oogenblik achterna, schudde het hoofd en +mompelde in zich zelve terwijl zij de straat overstapte: + +"Ik heb het gevreesd. Arme Godelieve. Zij is dubbel ongelukkig. Ik +begrijp, dat haar het hart wreedelijk bloedt ... anders zou zij mij +toch niet alleen laten gaan, zij, die uit liefde, uit goedheid haar +leven zou opofferen om de smart eener vernedering van mij af te +keeren. Welaan, ik zal moed hebben voor ons beiden. Oneer, schande, +redding, blijdschap, wat wacht mij daarbinnen, o hemel!" + +Zij trok aan de bel en zeide tot de meid, die kwam openen, dat zij +verlangde M. Damhout te spreken. + +De meid, die waarschijnlijk in de halve duisternis hare slechte +kleederen niet bemerkte, opende de deur der kamer aan de straat, en +bracht haar in de tegenwoordigheid van eenen jongen heer, die voor +eene tafel was gezeten en in een boek scheen te lezen. + +Hij hief het hoofd op en beschouwde met zekere onaangename verrassing +deze slechtgekleede vrouw. Zonder op te staan, zeide hij: + +"Komt gij om werk op de fabriek, vrouw? Bied u morgen op het bureel +aan; ik zal zien of er plaats is voor u. Nu kan ik u dit niet +verzekeren." + +"Ik wenschte M. Damhout te spreken," stamelde de vrouw. + +"M. Damhout? Die ben ikzelf." + +"Neen, uwen vader of uwe moeder, mijnheer." + +"Zij zijn den avond gaan doorbrengen bij vrienden, aan het ander einde +der stad; heden zult gij ze niet kunnen zien. Keer morgen in den +voormiddag weder." + +"Eilaas," zuchtte de vrouw, "ik, die uit Frankrijk kom en morgen vroeg +moet vertrekken!" + +"Uit Frankrijk? Gij komt uit Frankrijk?" mompelde Bavo, terwijl hij +met eene klimmende ontsteltenis de vrouw in het aangezicht schouwde. + +"Gij herkent mij niet, mijnheer? Inderdaad, gij waart nog jong, en de +lange tegenspoed veroudert den mensch voor zijnen tijd." + +"Bazin Wildenslag? Gij zoudt de moeder zijn van ... de vrouw van Jan +... Line Wildenslag? Onmogelijk!... Gij zijt dus ziek geweest?" + +"Ziek en ongelukkig, mijnheer." + +De jongeling had moeite om zich te bedwingen, hij was rechtgesprongen +en had eene beweging gedaan als om haar de hand te grijpen; maar een +nieuwe blik op hare ellendige kleeding, de herinnering aan het woest +en onbetamelijk leven der Wildenslags misschien, weerhielden hem en +hij liet zich weder op zijnen stoel zakken. + +"Gij zult tot morgen moeten wachten.... tenzij gij mij wildet +toevertrouwen wat gij hun te zeggen hebt," sprak hij. + +"Ik kwam hen te voet vallen en hunne hulp afsmeeken, mijnheer. Wij +verkeeren in een schrikkelijken nood; geene andere toevlucht blijft +ons over dan de edelmoedigheid uwer ouders. Zeker, in onze ellende +hebben wij het recht niet om de vorige vriendschap te herinneren, die +zij ons onverdiend hebben gegund, maar zij zullen het aan diep +ongelukkige menschen vergeven, dat zij nog in de liefdadigheid uwer +goede moeder durven hopen." + +"Eene almoes!" mompelde Bavo als verschrikt. + +"Meer dan eene aalmoes, mijnheer; redding uit de schande, verlossing +uit de eeuwige oneer!" + +"Ik begrijp u niet," zeide hij met mistrouwen. "Waar zijn dan uwe +zonen, uwe dochter, uw man? Zij wonnen veel geld?" + +"Mijn man is dood, mijnheer; van mijne zonen is er een soldaat in +Afrika, een woont te Rouaan, een andere te Mulhausen. Zij hebben +kinderen en denken niet meer aan hunne arme moeder. Een eenige, de +jongste, is met ons ... met mij te Rijssel. Het is voor hem, mijnheer, +dat ik de hulp uwer ouders kom afsmeeken. Hij had werk bekomen in het +magazijn eener fabriek. Gisteren deed men hem een pak naar den ijzeren +weg dragen. De ongelukkige trad onderweg in eene herberg, vergat zich +daar met eenige kameraden en verloor het hem toevertrouwde pak. + +De meester der fabriek beweert, dat mijn zoon het pak heeft gestolen +en verkocht. Hij wil hem door de gendarmes uit het huis doen halen en +hem als dief doen veroordeelen tot vijf jaar galei, zegt hij. O, +mijnheer, wij hebben misschien onze ellende verdiend door een +zorgeloos en verkwistend leven. Het ongeluk zegt het mij nu; maar toch +leven wij eerlijk, en mijn arme zoon is aan niets anders plichtig dan +aan eene laakbare nalatigheid. Hij is in den grond een goede jongen; +hij heeft een gevoelig hart; hij eerbiedigt zijne moeder. Dat de +armoede ons lot blijve, ik zal het verduldig verdragen als eene +rechtvaardige straf; maar de oneer eener veroordeeling! Mijn zoon op +de galei! Ik ben moeder en zou dien slag niet overleven, en mijne.... +O, mijnheer, gij kunt ons redden, met zoo weinig, weinig ten minste +voor u, die rijk zijt! De meester van de fabriek wil alles vergeven en +vergeten en onze verontschuldiging aanvaarden, indien wij hem voor +morgenmiddag den prijs van het pak teruggeven. Honderd franken. Voor u +is het schier niets, voor ons is het meer dan het leven. Laten mijne +tranen u verbidden, heb deernis met menschen, die, ondanks +verwijdering en tegenspoed, geenen enkelen dag opgehouden hebben met +dankbaarheid aan u en aan uwe ouders te denken!" + +Zij viel geknield te midden der kamer neder en stak de handen bevend +tot den jongeling op. + +Deze kon zijne ontroering niet meer meester blijven, wat geweld hij +ook deed; hij ging tot haar, hief haar van den grond en sprak: + +"Bedaar, vrouw; ik begrijp uwen angst en uw ongeluk. Honderd franken +kunnen u redden, zegt gij? Troost u, ik zal ze u geven. Zet u neder op +den stoel. Ik heb u iets te vragen. Gij spraakt van uwe zonen ... +maar uwe dochters?" + +"Mijne dochters?" stamelde bazin Wildenslag in verlegenheid. + +"Ja, uwe dochters, wat is er van hen geworden?" + +"Mijnheer, zij ... zij wonen diep in Frankrijk, zij zijn getrouwd...." + +"Getrouwd!" gromde Bavo met eene grijns op de lippen en eenen diepen +angst in de oogen. + +Hij beschouwde eene wijl met zichtbare gramschap de verschrikte vrouw, +die het hoofd op de borst hield gebogen en sprakeloos bleef. + +"Ja, ik zal u helpen, vrees niet," kreet hij met onderdrukte kracht, +"maar hadde mijn medelijden met uwe moedersmart mij niet overwonnen, +ik ware gevoelloos voor uwe smeekingen gebleven. Veel meer, ik hadde +mij op u gewroken en u onmeedoogend ter deur gewezen; want gij, vrouw, +gij hebt, zonder het te weten, mijn leven vergiftigd en mij in het +geluk ongelukkig gemaakt." + +"Ik, mijnheer? O, hemel, gij bedriegt u voorzeker!" + +"Neen, ik bedrieg mij niet. Mijne moeder had in het hart uwer +Godelieve de kiemen van deugd en plichtbesef nedergelegd; ik, onnoozel +kind nog, ik had haren geest de eerste begrippen der geleerdheid +medegedeeld, de geleerdheid, welke haar moest behoeden voor zedelijke +verlaging en bederf des harten. Gij, hare moeder, wat hebt gij met uw +goed en zuiver Lieveken gedaan? Gij hebt haar naar eene fabriek +gezonden, om geld uit haar te trekken; gij hebt die teedere bloem +prijs gegeven aan de woeste aanraking van grove menschen...." + +"Mijnheer, mijnheer, het is niet waar!" kreet bazin Wildenslag +sidderende. + +Maar Bavo, als buiten zich zelven van ontsteltenis, onderbrak haar en +hernam: + +"Laat mij spreken tot het einde; het is de laatste maal dat haar naam +mijnen mond ontvalt. Ik herhaal het met verontwaardiging: wat hebt gij +gedaan met het arme Lieveken? Ha, onnoodig mij te antwoorden, vermits +men na twee jaar haar in eene stege te Douai verrast met den klomp in +de hand, vechtende, scheldende en woorden sprekende, die zelfs eenen +ruwen fabriekwerker van walg deden terugdeinzen. Ziedaar wat gij +gemaakt hebt van uwe Godelieve. Nu is zij zelfzuchtig, ongevoelig, en +er blijft in haar niets meer over van de fijnheid des gemoeds? Nu haat +zij waarschijnlijk de moeder, die de zuivere ziel van haar kind +verkocht voor wat geld?" + +"O, neen, neen, mijnheer, heb medelijden met mij! Godelieve is het +eenige mijner kinderen, dat mij nog oprecht bemint, mijn eenige steun +in het ongeluk!" + +"Het zij zoo, vrouw; misschien is er nog een goed gevoel in haar +overgebleven, misschien heeft zij u het kwaad vergeven, dat gij haar +hebt gedaan; maar ik toch vergeef het u niet, ik kan het u niet +vergeven.... Ziehier de honderd franken, welke gij vraagt. Ga nu, en +moge God u niet langer straffen voor uwe noodlottige dwaling ten +opzichte van uw kind." + +Onder het uitspreken dezer woorden had hij de hand in eene lade van +den schrijflessenaar gebracht, en legde nu vijf goudstukken voor de +vrouw op de tafel. Deze beschouwde het geld met starende oogen en +bevende lippen, deinsde terug en riep: + +"O, God, kon ik die hulp weigeren!... Maar neen, de eer mijns zoons, +de eer mijner arme Godelieve! Ik moet bedaren, bukken als eene slavin +onder zulke schreeuwende onrechtvaardigheid; mijn engelachtig kind +hooren beschuldigen van laagheid, van bederf des harten! Ik bezwijk er +onder; mijn moed breekt...." + +Zij liet zich op een stoel vallen en begon bitter te weenen. + +"Eene schreeuwende onrechtvaardigheid?" vroeg Bavo over hare +uitroeping verwonderd. "Zijn mijne verwijten, hoe wreed ook, niet +gegrond?" + +"Valsch, geheel valsch, mijnheer," kreet bazin Wildenslag onder hare +tranen. "Wie was er laf genoeg, om u te komen zeggen, dat hij +Godelieve heeft zien vechten en haar onbetamelijk heeft hooren +schelden?" + +"Het is Steven Geerts, die haar in eene stege te Douai met den klomp +in de hand heeft zien slaan." + +"Ach, ik herinner mij de droeve zaak; het was Godelieve niet, het was +hare zuster Theresia, die inderdaad, voor het aangezicht ten minste, +op haar gelijkt. Godelieve, mijnheer? Er is nooit een hard woord van +hare lippen gevallen; zij is schoolmeesteresse geweest; zij heeft +verstand, zij is goed als een engel, en haar hart is nog even zuiver +als toen gij haar leerdet lezen." + +"Hemel, wat zegt gij daar altemaal?" stamelde Bavo, door den twijfel +aangegrepen. "En zij is getrouwd?" + +"En zij heeft nooit toegelaten, mijnheer, dat een man haar zonder +eerbied bezage, en zij is niet getrouwd." + +"Maar verklaar u, gij doet mij vergaan van ongeduld. Zeg mij, ik smeek +u, welk was dan het lot van het arme Lieveken gedurende die acht lange +jaren?" + +"Welaan, ik zal mijn verdriet bedwingen," zeide bazin Wildenslag, het +hoofd oprichtende. "Om mijn edel kind, mijne goede Godelieve, te +verdedigen, zal ik moed en sterkte vinden. Luister, mijnheer, gij zult +vernemen wat ons en haar lot was sedert gij ons buiten de stadspoort +een treurig vaarwel zeidet. Wij gingen naar Wazemmes, bij Rijssel, en +vonden er veel en goed werk. Dewijl ik in mijne pogingen om Godelieve +op eenen winkel van kleedermaaksters aanvaard te zien, niet kon +gelukken, deed haar vader haar naar de fabriek gaan. Het arme kind kon +het daar niet gewend worden en viel ziek van verdriet. Het duurde lang +eer zij weder eenige krachten terugvond; dan, om toch iets te winnen, +begon zij in ons huis eene kleine school te houden, om den kinderen +onzer Vlaamsche geburen te leeren lezen." + +"En onze brieven, waarom liet gij die zonder antwoord?" + +"Uwe brieven? Wij hebben er slechts eenen ontvangen, en Godelieve +heeft er op geantwoord." + +"Wij schreven er nog drie andere." + +"Daarvan weet ik niets, mijnheer." + +"Uw man ontving ze op de fabriek. Heeft hij ze misschien +achtergehouden of vernietigd?" + +"Het is wel mogelijk, mijnheer; hij meende, dat het voor Godelieve +beter was geene betrekking meer te hebben met menschen, die te verre +boven onzen stand waren; want wij wisten door eenen kameraad van +Gent, dat gij klerk geworden waart bij M. Raemdonck, en Godelieve +zeide altijd, dat gij onfeilbaar rijk zoudt worden." + +"En waarom schreef Godelieve dan niet eens om tijding van ons te +hebben?" + +De vrouw wachtte een oogenblik en zuchtte dan: + +"Wij arme, gemeene fabriekwerkers? En toch, ik heb dikwijls Godelieve +aangeraden u te schrijven; maar het verschrikte haar; er was te veel +verschil tusschen uwe ouders en ons; zij dorst niet schrijven." + +"Ga voort, vrouw, ik zal u niet meer onderbreken," zeide de jongeling. + +"Ach, onze geschiedenis is kort, mijnheer," hernam bazin Wildenslag. +"Mijn man en mijne zonen leidden een zorgeloos leven. Zij bleven +dikwijls halve weken zonder te willen werken, zoodat zij zich den +toegang tot vele fabrieken zagen weigeren. Wij vertrokken altezamen +naar Rouaan. Daar hield Godelieve weder school in ons huis, en leerde +er de kinderen der Fransche werklieden; want door altijd Fransch te +hooren spreken, had zij in die taal spoedige vorderingen gemaakt. Zij +had veel te lijden van hare woeste broeders en afgunstige zusters, +omdat zij altijd zindelijk was gekleed en door iedereen, als een +voorbeeld van zedigheid en beleefdheid, werd geprezen en geacht. Eene +dame der stad bezorgde haar eindelijk eene goede plaats als +leermeesteresse in eene groote kostschool van jonge juffrouwen. Daar +bleef zij twee volle jaren, niets van hare jaarwedde behoudende dan +wat haar noodig was om zich de kleederen aan te koopen, welke zij +natuurlijk in hare kostschool hoefde te dragen, ten einde niet te veel +tegen de andere meesteressen af te steken. Al het overige bracht zij +naar huis om ons te helpen; want haar vader was ziek geworden, en van +mijne andere kinderen waren de meeste getrouwd of ongetrouwd in het +rond alleen gaan wonen; en de twee jongens, welke met ons bleven, +gaven minder van hun dagloon af dan hun kost en hun onderhoud +bedroegen. De kwaal van mijnen man verergerde langzaam; het was eene +kwijnziekte, die hem allengskens scheen uit te putten en ons deed +vreezen, dat hij niet meer zou genezen. Dan gebeurde er iets, dat ons +in de bitterste ellende moest storten. Een mijner zonen, die sedert +als soldaat naar Afrika is vertrokken, een woestaard, een gevoellooze +verkwister, was reeds meer dan eens, tot schande der arme Godelieve, +aan hare kostschool gaan bellen om haar geld te vragen. Dit mishaagde +de meesteresse van het gesticht zeer; maar uit genegenheid voor +Godelieve had men geduld gehad, zoolang totdat eens mijn baldadige +zoon, door den drank verblind, binnen de kostschool drong en daar, +door scheldwoorden en gewelddaden, zijne zuster eene groote somme +gelds wilde afdwingen. Hij joeg den lieden zulken schrik aan en +ontstichtte de leerlingen op zulke onbehoorlijke wijze, dat Godelieve +hare plaats verloor en, schier half dood van schaamte en wanhoop, naar +huis kwam. Haar broeder, die wel gevoelde, dat hij ons allen +ongelukkig had gemaakt, vertrok des anderen daags om dienst te nemen +in het vreemdenlegioen voor Afrika. Godelieve, wier moed en opoffering +onuitputtelijk zijn, begon onmiddellijk rond te zien om weder eenige +leerkinderen te zamen te krijgen, en wat naaiwerk te vinden; maar het +gelukte haar niet spoedig genoeg. De armoede stond voor onze deur, en +wij schrikten van de droeve toekomst, die ons bedreigde. Misschien +had mijn arme man een geheim voorgevoel, dat hij niet lang meer zou +leven. In hem ontstond eensklaps eene onverwinnelijke begeerte om +terug naar Vlaanderen te gaan. Wij wilden hem dit besluit uit het +hoofd stellen; Godelieve bovenal, waarom, ik weet het niet, beefde bij +het gepeins alleen, dat wij de stad Gent nog zouden wederzien. Er was +niets aan te doen; want hij smeekte ons met overvloedige tranen, hem +toch niet op vreemden grond te laten sterven. De lucht van Vlaanderen +zou hem genezen, hij was er van overtuigd. Wij verkochten onze +meubelen en ons huisraad, om op den ijzeren weg of met de diligence te +reizen, en vertrokken op eenen zekeren morgen naar het geboorteland. +Van al mijne kinderen wilde niemand ons volgen dan Godelieve alleen. +Mijn man had te veel van zijne krachten verhoopt. Alhoewel hij +onderweg dreigde te bezwijken, wilde hij toch de reis niet staken; +maar toen wij het voorgeborcht der stad Rijssel bereikten, kon hij +niet verder en viel buiten kennis in de herberg, voor welke wij ons +hadden doen afzetten. Hij bekwam echter een beetje, nadat hij eenige +uren had gerust. Wij bleven twee dagen in de herberg; maar onze +weinige geldmiddelen waren schier ten einde. Wij vonden niet verre van +daar een klein werkmanshuisje, dat ledig stond, huurde het en brachten +er onzen armen zieke naartoe. Een slecht bed, een paar stoelen, eene +oude kachel en twee of drie stukken keukengerief, ontnamen ons, tot +den laatsten frank, al wat wij bezaten.... Luister nu, ik bid u, +mijnheer, en moget gij den moed en de zielegoedheid van mijn kind +bewonderen, zooals zij het verdient! Dan kwam eene wreede ellende ons +bezoeken; ik werd van schrik en wanhoop bijna zinneloos. Geen voedsel, +geen hulp voor mijnen stervenden man, geen uitzicht dan de honger voor +ons en een akelige dood voor hem. Hoe zal ik het engelachtig gedrag +van Godelieve beschrijven? Zij bracht geld in huis, zij deed den +dokter komen en betaalde de medicijnen. Waar zij de middelen haalde, +dorst ik haar niet vragen; maar ik bemerkte wel, dat eerst hare +oorringen, dan haar gouden kruis, en dan allengs hare schoone +kleederen verdwenen, zoolang tot haar niets meer overbleef dan +voorwerpen zonder waarde. Eindelijk moesten ook mijne zondagskleederen +worden opgeofferd. Ik sprak van mijnen man in het hospitaal te zien te +krijgen; maar hij smeekte weenend om genade, en Godelieve wilde er +niet van hooren. Dan hebben wij naar Rouaan geschreven, om hulp van +onze kinderen te hebben. Mijn jongste zoon alleen heeft geantwoord, +dat hij zou komen om voor ons te werken; doch hij had zich in zijne +fabriek sterk aan den arm gewond en liet ons wachten totdat het te +laat was. Dit heeft zoo bijna eene gansche maand geduurd, mijnheer, +eene gansche maand, dat Godelieve elken nacht op eenen stoel bij het +bed haars vaders bleef gezeten, hem troostende, hem sprekende van +genezing, van Gods barmhartigheid en van een beter leven in den hemel. +Geene klacht in haren mond; zij lachte, zij was vroolijk, de goede, om +moed te geven. O, mijnheer, de woorden ontbreken mij om u te zeggen, +wat Godelieve in die schrikkelijke dagen voor ons gedaan heeft. +Oordeel er over: gedurende de laatste week zijns levens heeft mijn +arme man, door de teedere zorgen, door de liefderijke vertroostingen +van zijn kind verleid, haar aangezien voor eenen engel, en niet +anders meer tot haar gesproken dan tot een wezen, door God gezonden om +zijnen doodsstrijd zacht te maken, en hem den hemel te wijzen. En, +mijnheer, het was niet omdat haars vaders geest door de ziekte was +verzwakt, o neen, ik, hare moeder, ik verkeerde in dezelfde dwaling. +Er kwam een oogenblik dat hare onbegrijpelijke opoffering mij +nederwierp voor hare voeten en dat ik, van dankbaarheid en bewondering +zinneloos, voor mijn kind knielde als voor het zuiverste beeld van +Gods goedheid zelve. Ach, haddet gij mijnen armen man zien sterven, +met eenen zaligen lach zijne dochter aanschouwende, en nog, tot +vaarwel, de hand van zijnen troostengel kussende." + +Zij smolt in tranen weg en liet het hoofd op de borst vallen. + +De jongeling had dit verhaal met eene klimmende ontroering aangehoord; +de uitdrukking zijns gelaats was een zonderling mengsel van medelijden +en geheime fierheid, van smart en van blijdschap. Op het einde echter +had de deernis met het bitter lot der Wildenslags hem overwonnen; +sedert eene wijl leekten er stille tranen op zijne wangen. + +Hij stond op, ging tot de vrouw, greep haar de hand en zeide: + +"Arme bazin Wildenslag, wat hebt gij geleden! Ik beschuldigde u zoo +wreedelijk. O, vergeef het mij! Wees gedankt; want ik begrijp aan uwe +woorden, aan uwe moederlijke ontroering, dat gij hebt medegeholpen om +uwe Godelieve de loopbaan te laten betreden, die hare deugd en hare +geleerdheid haar voorschreven. Kom, troost u; ik zal mijne ouders +over u spreken; wij zullen u helpen; de ellende ten minste zal u niet +meer bezoeken." + +"Wees gezegend, mijnheer," murmelde de vrouw nog snikkend, "uwe +eindelooze goedheid ontrukt mij nieuwe tranen. Ha, gij hebt het hart +uwer moeder ... een hart, mild en edel als het hart mijner Godelieve!" + +Bavo deed eenen stap naar zijnen schrijflessenaar en nam er eenig geld +uit. + +"Met de honderd franken, die daar liggen," zeide hij, "kunt gij den +prijs van het verloren pak betalen. Deze droeve zaak mag u dus niet +meer bekommeren. Hier hebt gij nog honderd franken meer, om in uwe +eerste behoefte te voorzien, ik zal met mijne moeder de middelen +overwegen om u een min bitter lot te verzekeren. Indien wij uwe +Godelieve eene plaats van leermeesteresse te Gent konden bezorgen? +Voor uwen zoon heb ik voordeelig werk. Vermits hij een gevoelig gemoed +heeft, zal ik hem in den goeden weg terugbrengen.--Daar, neem het +geld, vrouw; gij hebt mij heden verlost van eene lange treurnis, van +eene diepe smart, die mij sedert jaren aan het harte knaagt. Ja, +vrouw, het is zoo. De gedachte, dat het goede, zoete Lieveken, de +vriendin mijner kindsheid, de gedienstige engel, die bij het ziekbed +mijns vaders heeft gewaakt, in de wereld was verloren geloopen, deze +gedachte was mij pijnlijk, en mijn medelijden werd allengs eene +onverwinlijke smart. Nu ben ik daarover gerust, nu ben ik gelukkig te +weten, dat zij ten minste hare zedelijke natuur, hare schoone inborst +en de edelheid harer beminnende ziel ongeschonden heeft behouden." + +Bazin Wildenslag had het geld van de tafel genomen. Zij vouwde de +handen te zamen voor den jongeling en zuchtte met de oogen vol tranen: + +"O, mijnheer, uwe barmhartigheid, uwe goedheid maakt mij stom; ik weet +niet, hoe u mijne erkentenis uit te drukken. Morgen vroeg, voor ons +vertrek, zullen wij hier terugkomen. Godelieve zal op de knieen u +zegenen voor uwe milde weldaad...." + +"Godelieve? Morgen?" kreet de jongeling verbaasd. "Waar is dan +Godelieve?" + +"Ik durf u niet langer bedriegen, mijnheer; zij is in de +Sint-Baafskerk en bidt er voor het Heilige Graf...." + +"En waarom kwam zij niet met u?" + +"Het arme meisje is vervaard, mijnheer." + +"Vervaard? Van mij?" + +"Beschaamd, mijnheer; om onze reis naar Gent te kunnen betalen, hebben +wij de eenige kleederen, die nog waarde konden hebben, moeten +verkoopen. Godelieve schrikte van zich voor u te vertoonen...." + +"En nochtans, ik zou haar willen zien!" riep Bavo met ontsteltenis. +"Na acht jaar afwezigheid! Wat doen de kleederen? Zij getuigen immers +van hare opoffering, van hare liefde voor hare ouders? Ach, mocht ik +eene belooning eischen, het ware, dat het mij toegelaten wierd haar te +troosten en haar moed te geven!" + +"Ik zal ze halen, mijnheer. Mij ook beschaamde de poging, welke ik bij +u moest beproeven; maar de weldaad van edelmoedige menschen als gij +zijt, vernedert niet, integendeel! Ik zal het Godelieve doen +begrijpen, mijnheer. Zij zal komen om u te danken." + +Bazin Wildenslag ging ter deur uit. + +Als bezwijkend onder eene geweldige ontsteltenis, liet Bavo zich op +een stoel zakken en legde het hoofd in de handen. De afwisseling +zijner uitdrukking getuigde dat hij worstelde tegen gepeinzen, die +tegen zijnen wil hem bestormden. Evenwel na eenige oogenblikken scheen +hij over deze geheime opwellingen van een vorig gevoel te hebben +gezegepraald; want hij hief het hoofd op en zeide met eenen lichten +spotlach tot zich zelven: + +"Het zijn droomen, die vergaan voor de wezenlijkheid. Geene +onmogelijke gepeinzen! Ja, het is ons plicht, te erkennen en te +beloonen wat het goede Lieveken eertijds voor mijnen zieken vader +heeft gedaan. Lieten wij haar ongelukkig zijn, het ware eene wreede +ondankbaarheid, misschien eene zedelijke misdaad. Onze plicht is zeer +eenvoudig te vervullen. Wij zullen hen bijstaan en beschermen, totdat +Godelieve eene voordeelige plaats in een onderwijsgesticht heeft +gevonden; totdat zij weder de middelen hebben bekomen om stil en +tevreden te leven. Wij zullen over hen waken, om voortaan het ongeluk +van hen af te keeren. Anders kunnen wij toch niets...." + +Weder boog hij het hoofd en staarde ten gronde; na eene wijl +beweegloos te zijn gebleven, murmelde hij met eenen diepen zucht: + +"Het is zonderling! De mensch schijnt een dubbel wezen in zich te +besluiten ... maar neen, zijn wil en zijn hart stemmen niet altijd +overeen. En nochtans, ik moet die gepeinzen verjagen. Vermits er +tusschen haar en mij eene maatschappelijke onmogelijkheid is ontstaan, +moet ik mijne kindsheid vergeten. Haar ongeluk legt mij den eerbied +op; kwetsen wij hare gevoelige ziel niet. Ha, men belt! Daar is zij! +Hoe klopt mijn hart! Ik moet mij bedwingen.... Arm Lieveken! was het +zoo, dat ik haar moest wederzien?" + +Vrouw Wildenslag trad in de kamer, gevolgd door hare dochter. + +Het benauwde meisje hield het hoofd gebogen als eene veroordeelde, en +dorst den blik niet opheffen; zij beefde zichtbaar, en slechts toen +hare moeder haar bij den arm greep, kwam zij vooruit tot in het midden +der kamer. + +Een versmachte kreet was Bavos boezem ontsnapt, en hij had eenen stap +gedaan om tot het meisje te naderen en haar de hand te grijpen; maar +hij wederhield zich zelven en zeide: + +"Godelieve, vergeef het mij: ik wenschte zoo vurig u te zien. Wees +niet beschaamd; ik weet, dat gij hebt geleden en wat gij voor uwe +ouders hebt gedaan. Die slechte kleederen verheffen u in mijne oogen, +en de eenige indruk, dien zij op mij uitoefenen, is mij een gevoel van +eindeloozen eerbied in te boezemen voor het edel hart, dat zij +bedekken." + +Het meisje hief het hoofd op en sprak zeer bedaard, doch met eenen +plechtigen nadruk: + +"Mijnheer, ik dank u uit den grond mijner ontroerde ziel, meer nog +voor uwe goede woorden, dan voor uwe milde weldaad. Niet alleen +verlost gij ons van de akelige vrees; maar gij redt ons uit de +ellende. Wees gezegend; in al mijne gebeden zal ik uwen naam en den +naam uwer ouders mengen, opdat God u gelukkig late zijn in de maat +uwer grootmoedigheid." + +Bavo scheen verstomd; er lichtte een vreemde glans in zijnen blik; +hij rustte met de bevende hand op de tafel, als hadde hij eenen steun +noodig gehad. Die groote blauwe oogen, zoo kwijnend en zoo vol +dankbaarheid op hem gevestigd; dat fijn gelaat, dat zuiver voorhoofd, +waarop nu de rozeverf der kuischheid en der schaamte wolkte! O! zij +was schooner nog dan het engelachtig Lieveken zijner droomen. Wat +geweldigen strijd voerde hij tegen zijn hart! Maar hij moest zijne +dwalende zinnen bedwingen: de eerbied voor de ongelukkige Godelieve +gebood het hem. + +Een holle zucht welde op uit zijnen beklemden boezem; hij liet zich op +eenen stoel zakken en zeide met schijnbare kalmte: + +"U weder te zien na acht jaar afwezigheid, Godelieve, is mij eene +groote blijdschap. Het ontstelt mij. Natuurlijk, niet waar? Die +herinneringen der kindsheid, hoe blijven zij, immer met nieuwe kracht +opgewekt, in het menschelijk harte leven!... Ach, ik laat u daar +staan, te midden der kamer. Verontschuldig mij; zet u neder." + +Godelieve hief de handen smeekend op. + +"Mijnheer," stamelde zij, "heb medelijden met een ongelukkig meisje! +Uwe goedheid is zoo eindeloos. Ik ben ontsteld, ik gevoel mij ziek, +mijne krachten begeven mij. Vergun mij als eene genade, voor heden dit +huis te verlaten. Morgen vroeg zal ik bedaard zijn, ik zal, beter dan +nu, madam uwe moeder mijne grenzenlooze dankbaarheid kunnen +uitdrukken...." + +"Gij wilt vertrekken, Godelieve?" kreet de jongeling met verdriet. "O, +neen, ik bid u, nog een oogenblik!" + +Door hare moeder aangedreven om aan dien wensch te voldoen, zette het +meisje zich neder en boog weder het hoofd. Men zou gezegd hebben, dat +de oogslag van Bavo haar schrik inboezemde; en inderdaad, zij had bij +elken zijner blikken gesidderd. + +"Zeg mij, Godelieve, hebt gij in uw smartelijk leven nog dikwijls aan +onze gelukkige kindsheid gedacht?" vroeg Bavo. + +"Mijn eenige troost op de wereld," zuchtte het meisje, "was de +dankbare herinnering uwer goedheid voor het arme zieke kind." + +"En voor mij, Godelieve, was het de eenige, maar bittere smart mijns +levens, te moeten denken, dat de zoete gezellinne mijner kinderjaren, +ongelukkig en verloren, in de wereld dwaalde." + +Er heerschte eene korte stilte. + +"Godelieve," vroeg de jongeling eensklaps, als gedreven door eene +geweldige ontroering, "Godelieve, ik gaf u een aandenken, eene +gedachtenis. Hebt gij ze bewaard?" + +Hij bekwam geen antwoord. + +"Het beeld van Bavo en Lieveken met hun boek in de hand," zeide hij, +"onnoozel en gebrekkig werk, dat aan den kleinen Bavo schier eene +maand arbeid kostte. Gij hebt mij beloofd, dat gij het zoudt bewaren." + +"Maar, Godelieve toch, hoe kunt gij M. Damhout dus zonder antwoord +laten?" kreet moeder Wildenslag. "Ja, ja, mijnheer, zij heeft het +bewaard.--Wederhoud mij niet, Godelieve.--Zoo goed bewaard, mijnheer, +dat het sedert jaren onder het kleine crucifix hangt, waarvoor +Godelieve gewoon is te bidden." + +"Ach, dank, dank om uwe trouwe herinnering!" riep Bavo. + +"Waarom verwondert u dit, mijnheer?" zeide het meisje met eene vonk +van waardigheid in de oogen. "Indien ik mijn gansche leven wilde +bidden voor het geluk van hem, die mij leerde lezen, kon ik iets beter +doen dan zijn beeld te hangen op de plaats, waar ik elken avond +nederknielde om mijne ziel tot God te verheffen?" + +Bavo liep tot haar, greep haar de beide handen en zeide diep ontroerd: + +"Altijd dezelfde engel! Kom, Godelieve, troost u en schep moed; gij +zult niet ongelukkig meer zijn. Wij zullen u beschermen. Wij zullen +eene goede, zeer goede plaats van leermeesteresse te Gent zoeken; +mijne moeder zal u weder liefhebben en u helpen. Ik zal uw vriend +zijn, evenals toen wij nog onnoozele kinderen waren.... Het is te +zeggen ... ik weet niet, de ontsteltenis maakt mij duizelig, mijne +zinnen zijn verward...." + +Het verschrikte meisje ontwrong hem hare handen met zulk koortsig +geweld, dat hij zich in zijn hart over deze beweging gekwetst gevoelde +en met spijtige verbaasdheid eenen stap terugdeinsde. + +Godelieve hief langzaam het hoofd op; alhoewel er tranen in hare oogen +glinsterden, was er zooveel maagdelijke fierheid in haren blik, +zooveel edelheid in de uitdrukking van haar schoon gelaat, dat Bavo +haar met ontzag aanschouwde. + + +[Illustratie: Aan mij de vriendin mijner kindsheid!] + + +"Ik smeek u, mijnheer, heb toch medelijden met mij!" zeide zij. +"Vergeten wat gij voor mij als kind hebt gedaan, vergeten wie ons nu +uit den afgrond der smart zoo grootmoedig opheft,--de dood zelf kan +mij daartoe niet bekwaam maken; want in Gods schoot zelven zal +mijne ziel zich nog uwer goedheid herinneren. Maar zoek geene plaats +voor mij te Gent. Na den dag van morgen zal ik den grond mijner +geboortestad niet meer betreden. Ik ken de edelheid uws harten; gij +begrijpt mij, ik ben er zeker van." + +"Maar neen, ik begrijp u niet!" morde Bavo. + +"Gij begrijpt den onverbiddelijken plicht niet, mijnheer, die mij +dwingt in Frankrijk een bestaan te zoeken?" hervatte Godelieve. "Ach, +bestonden er tusschen u en mij geene diepe, geene onverdelgbare +herinneringen, ik zou uit erkentenis de dienstmeid uwer moeder, en, +ware het mogelijk, uwe slavin willen worden. Nu mag geen andere band +tusschen ons bestaan dan de weldaad van den eenen kant en de eeuwige +dankbaarheid van den anderen. Ik heb veel geleden, zonder dat mijn +moed er onder is gebroken. Moest ik een oogenblik uwe achting derven, +mijnheer, ik stierve eenen pijnlijken dood. Ja, ja, Bavo, de ziel der +arme Godelieve heeft honger naar uwen eerbied, en zij zal dien +behouden met hare dankbaarheid tot aan het graf. Vaarwel, mijnheer, +tot morgen!" + +En opstaande greep zij den arm harer moeder en trok haar naar de deur. + +De jongeling stak de handen uit, als om haar te wederhouden; maar de +plechtige woorden der maagd hadden hem zoo geweldig tot het gevoel der +wezenlijkheid en tot het besef des plichts teruggeroepen, dat hij als +aan den vloer bleef genageld, totdat hij de voordeur hoorde sluiten. + +Dan hief hij, stom en met verbaasden blik, de armen in de hoogte, +allerlei onduidelijke woorden in zich zelven murmelende. Zijne zinnen +waren ontsteld en zijne gedachten verward. + +Eindelijk, na een oogenblik rust, zeide hij in zich zelven: + +"Wat is zij schoon, wat is zij schoon! Onder die slechte kleederen +scheen zij mij fier en indrukwekkend als eene koningin. Hoe heeft zij +de zuiverheid, de fijnheid des harten kunnen behouden in zulke wereld, +tusschen grove, onwetende menschen, dwars door nood, honger en +ellende? Ha! het onderwijs! Ik ben het, die deze ziel het licht en de +sterkte heb gegeven om aan de verleiding, aan de zedelijke verlaging +te wederstaan; mijne moeder is het, die haar de liefde tot deugd en +plichtsbetrachting heeft ingeboezemd. Roos onder de doornen, lelie +bloeiend op een mesthoop! En de lelie is zuiver gebleven, en de roos +heeft hare geuren uitgewasemd als eenen balsem over het lijden +dergenen, die haar omringden! Edel moet zij zijn boven de edelsten, om +onder zulke beproeving niet te zijn bezweken. Dank, dank, o, mijn God, +dat Gij de kiemen, door een ander kind in haren geest en in haar hart +gestort, niet onvruchtbaar liet zijn!" + +Hij wreef zich het voorhoofd en stapte in de kamer rond, als wilde hij +zijne stormende gepeinzen ontvluchten. Eensklaps staan blijvende, riep +hij uit: + +"Onmogelijk, onmogelijk! De wereld, mijne ouders ... hare broeders, +hare zusters ... het eenige geluk, dat mij op aarde moet geweigerd +blijven!... Maar heeft zij daar schuld aan? Zij zal verre van hare +geboortestad gaan dwalen, verdriet hebben, gaan kwijnen misschien? Ja, +ja, ik bedrieg mij niet: hare schuchterheid, hare schaamte, hare +verschrikte kuischheid, hare laatste woorden.... Zij ook heeft +getreurd, zij ook heeft eenen wreeden knagenden worm in het hart +gedragen!" + +Hij stortte neder op eenen stoel, sloeg zich de handen voor de oogen +en morde met wanhoop: + +"Eilaas, eilaas, het kan niet zijn! Zij heeft gelijk; ik mag haar niet +meer zien na den dag van morgen. Ik insgelijks wil het aandenken +mijner kindsheid eerbiedigen en het zuiver bewaren tot aan het graf. +Zij heeft het gezegd; er is voortaan geen andere band tusschen ons +mogelijk dan de herinnering aan het verledene, de weldaad en de +dankbaarheid!" + +Na een oogenblik stilte sprong hij weder recht. + +"Ik zou haar verliezen voor altijd?" kreet hij. "Die edele ziel, dat +beminnend harte zou gaan verkwijnen in vreemde streken?... Er is een +andere band, een heilige band, een eeuwige band; er is een +geneesmiddel voor haar verdriet en voor mijne treurnis.... Ho, ik kan +het niet meer uitstaan; ik moet mijne moeder, mijnen vader, mijnen +meester spreken! Veroordeele mij de gansche wereld, het geluk mijns +levens staat op dien prijs! Aan mij, aan mij de vriendin mijner +kindsheid! aan mij het zuivere, zoete Lieveken!" + +En onder het uitspreken dezer woorden liep hij als een dwaze ter deur +uit. + + + + +SLOT + + +Een paar jaren geleden ontstond in mij de gedachte om een verhaal uit +het leven der Gentsche werklieden te schrijven. Met het doel om eenige +eerste inlichtingen daarover in te zamelen, belde ik op zekeren +namiddag aan het hek eener groote fabriek te Gent. + +Ik had eenen aanbevelingsbrief en stelde dien ter hand aan den +bestierder van het gesticht, een man van ongeveer vijfendertig jaar, +en wiens kleederen, ofschoon van welstand getuigende, met vlokken +katoen en met stof waren overdekt. + +Nauwelijks had hij mijnen naam in den brief gelezen, of hij toonde +zich zeer verblijd over mijn bezoek, zeide, dat hij een warm +liefhebber der Vlaamsche letterkunde was, en stelde zich geheel tot +mijnen dienst. + +Uren lang leidde hij mij door talrijke zalen en werkhuizen der +fabriek, toonde en verklaarde mij alles, en antwoordde op mijne vragen +met zulke minzame dienstwilligheid, dat ik niet wist hoe hem voor zijn +gulhartig onthaal te bedanken. + +Hij was zeker geen gewoon mensch. Van de nijverheid, van haren +voortgang en van de doelmatige inrichting des arbeids sprak hij niet +alleen met uitgebreide kennis, maar tevens met eene dichterlijke +geestdrift, die mij verwonderde. + +Ik had reeds vroeger, zonder andere beweegreden echter dan de +nieuwsgierigheid, eenige andere dergelijke gestichten bezocht. Nergens +had ik zooveel orde en zindelijkheid aangetroffen. De werkhuizen en +zalen waren breed en verheven; sterke luchttochten om het stof te +verwijderen, had men in toereikend getal gemaakt; waar de raderwerken +of riemen den onvoorzichtigen arbeider konden aangrijpen en verminken, +waren deze werktuigen door zinken platen geblind; overal was ruimte en +lucht in overvloed, en men kon bemerken, dat hier met vaderlijke +bezorgdheid voor de gezondheid en het welzijn der werklieden werd +gewaakt. De vrouwen, mannen en kinderen, welke ik in groot getal aan +den arbeid zag, waren geheel anders dan ik ze mij had voorgesteld. +Geene vuile en gescheurde kleederen; ernst en ingetogenheid, iets +waardigs in den blik; en waar een hunner werd aangesproken, +beleefdheid en betamelijkheid. + +Ik wenschte rechtzinniglijk den bestierder geluk en zeide, dat hij +hoogmoedig mocht zijn over het schoone gesticht, dat onder zijne +leiding bloeide. + +"Inderdaad," antwoordde hij, "ik ben er reeds een beetje trotsch over; +maar ik hoop mettertijd nog meer verbeteringen tot stand te brengen, +bovenal wat het lot der werklieden betreft. Er is iets, waarover ik +meer hoogmoed gevoel...." + +Hij bezag zijn uurwerk en zeide: + +"Nog eenige minuten en ik zal het u toonen. Ziet gij, mijnheer, men +kan van den werkman al maken wat men wil. Daartoe behoeft natuurlijk +eenig geduld; want men moet allereerst de onwetendheid overwinnen, +die, zoolang zij bestaat, een volstrekte hinderpaal is tot alle +zedelijke verbetering der arbeidende klassen." + +Een oogenblik daarna begon er eene klok te luiden. Hier en daar +verlieten kinderen en jongens de spinmolens, waaromtrent ik mij +bevond, en zij gingen het werkhuis uit. + +"Is het rustuur voor hen gekomen?" vroeg ik. + +"Neen, zij gaan ter school," was het antwoord des bestierders. "Van de +twee draadjesmakers verlaat er een den arbeid voor een uur; de andere +zal intusschen alleen den molen bedienen, iets wat hem niet moeilijk +valt, aangezien zijn gezel, vooraleer te vertrekken, alles zooveel +mogelijk in gereedheid heeft gebracht. Zoo is het insgelijks met de +kinderen, die in andere vakken werkzaam zijn. Elk heeft zijne beurt, +en wie zijnen arbeid gedurende de week niet kan verlaten, ontvangt het +onderwijs des Zondags en des Maandags, gedurende de uren der +werkstaking. Het is slechts sedert acht jaar dat ik, met oorlof mijns +meesters, deze school heb ingericht; en nu reeds mag ik mij beroemen, +dat meer dan de helft onzer werklieden, zoowel vrouwen als mannen, +kunnen lezen en schrijven. Men bemerkt het wel, niet waar, dat het +onderwijs hun een gevoel van persoonlijke waardigheid in den boezem +heeft gestort? Het is mijn droom, te mogen zien voordat ik sterf, dat +er op de gansche fabriek geen enkel ongeleerd werkman meer te vinden +zij. Gij zoudt kunnen denken, mijnheer, dat deze werkmanskinderen geen +vlug verstand hebben, of dat een enkel uur onderwijs geene merkelijke +vruchten in hen kan voortbrengen; gelief mij te volgen; ik ben wel +zeker, dat hetgeen gij gaat zien u zal verwonderen en verblijden." + +Onder het uitspreken dezer laatste woorden richtte hij zich naar eene +deur, die uitgaf op een binnenplein, en bracht mij wat verder in eene +ruime zaal, vervuld met rijen lessenaars, waarachter ik een zestigtal +jongens, van acht tot vijftien jaar, zag zitten. + +De bestierder zeide eenige woorden tot den onderwijzer; en deze +verzocht mij, dewijl de leerlingen juist hadden begonnen te schrijven, +eenen blik op hun geschrift te willen werpen. + +Er waren er inderdaad velen, die een ongemeen schoone hand hadden. + +Ik hoorde er eenigen lezen met eene zuiverheid van uitspraak, welke ik +zelden in andere scholen had ontmoet. + +Dan volgden velerlei oefeningen, ditmaal grootendeels door den +bestierder zelven geleid, om mij over de vroege ontwikkeling van het +verstand dezer arme werkmanskinderen te laten oordeelen. + +Er werden vragen voorgesteld aangaande de nijverheid en de verdeeling +van het werk, aangaande de geweefsels in het algemeen en het katoen in +het bijzonder, aangaande de beginselen der mekaniek en den aard der +stoffelijke krachten, die de mensch aanwendt tot het vergemakkelijken +van zijnen arbeid, aangaande de spaarkassen en de genootschappen van +onderlingen bijstand, en eindelijk aangaande de plichten van den +mensch jegens God, jegens zich zelven en jegens zijnen evennaaste; in +een woord aangaande alles, waarvan de kennis deze kinderen tot +behendige werklieden, tot goede huisvaders en tot verlichte burgers +van een vrij vaderland kon maken. + +Mijne verwondering was groot, toen ik deze vragen door vele kinderen, +zonder aarzeling en met opmerkelijke klaarte, hoorde beantwoorden; +maar het verraste mij nog meer, hen gedurende een half uur, op het +zwarte bord of enkel uit het hoofd, de meest ingewikkelde vraagpunten +der rekenkunde te hooren oplossen. + +Nauwelijks kon ik gelooven, dat ik deze zelfde jongens als +draadjesmakers achter de spinmolens had gezien. De bestierder en de +onderwijzer waren trotsch over mijne verbaasdheid en over den lof, +dien ik hun en hunnen leerlingen toezwaaide. + +Nadat ik den bekwamen onderwijzer gulhartig en dankbaar de hand had +gedrukt, volgde ik den bestierder, die mij verzocht haast te maken, +dewijl hem anders de tijd mocht ontbreken om mij nog eene andere +school te toonen. + +Hij leidde mij over het plein en opende een poortje. Wij traden door +eenen bloemrijken tuin, die met muren was omsloten. In de verte, bij +een looverhuisje, zag ik drie of vier kinderen, waarvan de twee +kleinsten in een wagentje zaten. Voor het lieve rijtuig waren twee +schapen gespannen. De voerman was een jongetje van ongeveer tien jaar. +Aan elke zijde van het wagentje liep eene oude dame, om de kinderen +voor ongeluk te behoeden. + +In het looverhuis zat een grijsaard, die niet min dan zestig jaar oud +kon zijn. Hij rookte een pijpje en was bezig met een vischnet te +breien. + +Al deze personen juichten en lachten om der kinderen luidruchtige +vroolijkheid. + +De bestierder richtte met eenen glimlach van geluk den blik op dit +tafereel, doch onderbrak zijnen stap niet. + +Maar zoohaast men hem van ginder bemerkte, staken de kinderen in het +wagentje de hand uit, terwijl het woord "vader! vader!" door den tuin +klonk. Het jongsken liet de schapen staan, kwam in een vaart geloopen +en sprong den bestierder aan den hals. Hij zoende het kind en zond het +terug, met de belofte dat hij straks in den tuin zou komen, maar dat +hij nu den vreemden heer moest rondleiden. + +"Zie, mijnheer," zeide de bestierder mij met zekere ontroering, "al +wat ik meest bemin op aarde, is daar. Die grijsaard is mijn vader; van +die beide dames is de eene mijne moeder en de andere de moeder mijner +vrouw. Die engeltjes zijn mijne kinderen. God heeft mij beladen met +geluk. Hier ontbreekt slechts mijne vrouw; maar ik weet waar zij is: +gij gaat ze zien." + +En dit zeggende, richtte hij zich tot een ander poortje en opende +welhaast de deur eener zaal, waar een vijftigtal kleine meisjes, +evenals in de andere school, voor lessenaren zaten. + +Buiten de leermeesteresse, die tusschen de lessenaren zich hield, +stond er aan het oppereinde der school eene deftig gekleede dame, die +bezig scheen met vier of vijf der grootste meisjes eene bijzondere les +te geven. + +De bestierder bracht mij bij haar en stelde mij haar voor als zijne +vrouw. + +"Lieve," zeide hij, "deze heer is een oude en goede bekende van u en +van ons allen; honderdmaal heeft hij, in de lange winteravonden, ons +den tijd kort en genoeglijk gemaakt. Nog geene acht dagen geleden, +dat hij u tranen van medelijden met het lot van den armen _Loteling_ +ontrukte." + +De dame noemde mijnen naam met verrassing; hare groote blauwe oogen +glinsterden van blijdschap. Zij overlaadde mij met betuigingen van +vriendschap, en trof mij diep door de uiterste zoetheid harer stem en +de minnelijkheid harer woorden. + +Op aanzoek haars echtgenoots deed zij de kleine meisjes eenige +oefeningen doen, om mij het bewijs te geven, dat ook hier het +onderwijs doelmatig was ingericht en schoone vruchten droeg, waarna +ik, onder het uitdrukken mijner bewondering, den bestierder volgde, +waarschijnlijk om nog belangwekkendere dingen te zien. + +Al gaande zeide ik hem: + +"O, mijnheer, aan welk edel en menschlievend doel hebt gij en uwe +bekoorlijke echtgenoote uwe pogingen toegewijd! Konden alle personen, +die overheid op den werkman hebben, hunne zending evenals gij +begrijpen!" + +"Zeker," antwoordde hij, "het onderwijs is het eenige middel om de +arbeidende klassen uit de zedelijke verlaging op te heffen. Het +welbegrepen belang der meesters, het welbegrepen belang van gansch het +menschdom eischt, dat men het nuttigste en het talrijkste gedeelte der +maatschappij niet langer tot duisternis en onwetendheid veroordeeld +late. Maar het zijn deze beweegredenen niet alleen, die mij en mijne +vrouw aandrijven om, binnen het bereik onzer macht, de geleerdheid, +het plichtbesef en het gevoel van eigen waardigheid onder de +werklieden te verspreiden. Neen, mijnheer, wij betalen eene schuld, +eene heilige schuld aan het volksonderwijs! Wij zijn kinderen van +arme fabriekwerkers. Het onderwijs, dat wij mochten genieten, was de +eerste band tusschen onze harten; en terwijl ik, als kind, uit +medelijden of uit vriendschap degene leerde lezen, die nu de moeder +mijner kinderen is, ontstond in mij de kiem eener zuivere en duurzame +neiging. Mijne goede ouders hebben mij laten leeren ten koste van vele +en bittere opofferingen; het was mijn schoonste droom, eens hunne +liefde te kunnen beloonen door hunne oude dagen zoet en gelukkig te +maken. Dank zij het onderwijs, dat ik mocht genieten, heb ik daartoe +ruimschoots de middelen gevonden. Mijne vrouw is in hare jonkheid door +ongeluk en tegenspoed beproefd geworden. Ware zij onwetend geweest, +dan hadde zij zeker in de nederige, in de woeste wereld, waarin zij +gedwongen was te leven, de verhevenheid des harten en de klaarheid des +geestes verloren; maar het onderwijs heeft ze voor verlaging behoed en +ze mij wedergeschonken, zuiver, edel en verkleefd als een engel van +goedheid en van liefde. Het onderwijs, het volksonderwijs heeft ons +dienvolgens gemaakt wat wij zijn: en indien wij God uit den grond des +gemoeds zegenen en danken voor al het geluk, waarmede Hij ons heeft +beladen, dan moeten wij erkennen, dat de Heer in ons het onderwijs tot +middel zijner weldaden heeft gebezigd. Het verwondere u dus niet +langer, dat wij ons toewijden aan het onderwijs der arme +fabriekskinderen. Zooals ik u zeide, wij betalen eene schuld, eene +heilige schuld." + +Ik had met eene soort van verstrooidheid op deze lange uitlegging +geluisterd. Mij vlotte de gedachte in het hoofd, dat het leven van +den bestierder dezer fabriek misschien de stof bevatte tot het +schrijven van een schoon verhaal; en ik was reeds in mijne verbeelding +bezig met het te schikken en te ontwerpen. Maar vooraleer mijn +leidsman ophield van spreken, had hij mij in eene zaal zijner woning +gebracht, en zeide nu, terwijl hij mij eenen zetel aanbood: + +"Gelief u neder te zetten; ik wil een glas wijn met u drinken.... +Weiger mij niet, ik bid u ... ik zal u voorstellen wat ik het beste in +mijnen kelder heb." + +Hij trok aan een belkoord en zeide tot de meid, die aan de deur +verscheen: + +"Breng een paar glazen en eenige beschuiten.... Ik ga zelf naar den +kelder, want zij zou den wijn, dien ik u wil doen proeven, niet +vinden." + +Sedert ik in deze zaal was getreden, had een zeker voorwerp mijne +oogen tot zich getrokken. Tusschen eenige schilderijen hing eene +gekleurde print, die mij van verre gebrekkig en grof voorkwam als een +beeldeken, waarmede de kinderen gewoonlijk spelen. Evenwel, de +meesters dezer woning moesten er veel prijs aan hechten, want de +gouden lijst, die het omringde, was uiterst rijk en veel kostelijker +ongetwijfeld dan de lijsten, waarin de schilderijen waren vervat. + +Een gevoel van nieuwsgierigheid deed mij opstaan. Ik naderde tot de +print en zag nu, beter dan te voren, dat zij niets anders kon zijn dan +het werk van een kind, dat met groote inspanning en moeite gepoogd had +de beelden van een jongetje en van een meisje te schetsen, die elkaar +bij de hand hielden en elk een open boek toonden. Onder de beelden +stonden deze twee namen in versierde letters te lezen: + + BAVO EN LIEVEKEN. + +"Dit beeld doet u glimlachen, niet waar?" zeide de bestierder, die nu +met de flesch wijn in de zaal trad. + +"Glimlachen?" antwoordde ik zeer ernstig. "O, neen, mij schijnt het, +dat onder dit gebrekkig kinderwerk de geheimenissen van een gansch +leven liggen verborgen." + +"Zoo is het inderdaad. Toen ik nog een kleine jongen was, heb ik +gepoogd de beeltenissen te schetsen van twee kinderen, tusschen wier +eenvoudige harten het onderwijs eene diepe en duurzame neiging had +doen ontstaan. Nu zijn ze verbonden door het huwelijk, en hunne +schoonste, hunne dierbaarste herinnering is nog dit gebrekkig +beeldeken." + +"Welk schoon verhaal zou daarvan kunnen gemaakt worden!" riep ik, +terwijl ik een glas wijn aanvaardde. "De titel ware gevonden: _Bavo en +Lieveken_! Och, ik bid u, mijnheer, vertel mij uwe geschiedenis." + +"Maar ik verlang niet, dat mijn leven worde openbaar gemaakt." + +"Men kan het beschrijven met veranderingen, met vooronderstelde namen, +op zulke wijze, dat men de personen niet duidelijk herkenne." + +Mijne gedachte scheen den bestierder te verschrikken; hij weerstond +zeer lang mijn aandringen; doch ten laatste meende ik de overwinning +nabij te zijn. + +Ik deed eene laatste poging, door hem voor oogen te stellen, dat de +geschiedenis zijns levens, indien ik mij in mijn vooruitzicht niet +misgreep, een machtig voorbeeld zou kunnen zijn, een spoorslag om den +werklieden al het nut van het onderwijs voor hunne kinderen te doen +beseffen, en misschien om andere edelmoedige menschen, eigenaars van +fabrieken, over te halen tot het oprichten van scholen in hunne +gestichten. Door zulk verhaal te schrijven, kon ik eenigszins +medewerken tot het bereiken van het edel doel, dat hij en zijne vrouw +zich voorstelden. Daarenboven, ik zou het derwijze schikken, dat men +niet zou kunnen ontdekken, of ik ware of ingebeelde personen in mijn +boek had beschreven en doen handelen. + +"Het is eene ernstige zaak," zeide de bestierder. "Ik wil er eerst met +mijne vrouw over spreken. Er is slechts een middel, en dit is, dat gij +het avondmaal met ons neemt. Weiger mij niet: anders zult gij zeker +onze geschiedenis niet kennen." + +Ik liet mij gezeggen. Dien avond bracht ik door tusschen Bavo en +Lieveken. Over mij zaten de oude Damhout, Christina, zijne vrouw, en +moeder Wildenslag; aan de andere zijden der tafel hielden zich vier +allerschoonste kinderen, twee meisjes en twee jongskens. + +Ik verliet het huis met het hoofd vol zoete droomen, het hart vol +woorden van vriendschap, van geluk en van liefde, en het geheugen vol +van de eenvoudige, doch roerende geschiedenis, die ik in dit boek u +heb verteld. + +EINDE + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN *** + +***** This file should be named 13596.txt or 13596.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13596/ + +Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online +Distributed Proofreading Team + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
