diff options
Diffstat (limited to 'old/13625.txt')
| -rw-r--r-- | old/13625.txt | 22697 |
1 files changed, 22697 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/13625.txt b/old/13625.txt new file mode 100644 index 0000000..c0db5ff --- /dev/null +++ b/old/13625.txt @@ -0,0 +1,22697 @@ +Project Gutenberg's De Kerels van Vlaanderen, by Hendrik Conscience + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Kerels van Vlaanderen + +Author: Hendrik Conscience + +Release Date: October 5, 2004 [EBook #13625] +[Last updated: August 27, 2011] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KERELS VAN VLAANDEREN *** + + + + +Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online +Distributed Proofreading Team. + + + + + + + + +HENDRIK CONSCIENCE + +De Kerels van Vlaanderen + + +Brussel + +[1883] + + + + +De Kerels van Vlaanderen + + + + +I + + +Op eenen herfstmorgen van het jaar 1126 weergalmden de plechtige tonen +van eenen lofzang binnen de kerk van Onze-Lieve-Vrouwe te Brugge. + +Ongetwijfeld zaten onder hare breede gewelven gansche scharen +nedergeknield; want nu en dan riep het gerinkel der schellen de +geloovigen tot een inniger gebed. + +Evenwel, op het doodenveld, dat den tempel omringde, heerschte de +volledigste eenzaamheid. Geen ander gerucht stoorde er de stilte dan het +aanhoudend geschreeuw eener vlucht zwarte kauwen, die daarboven, op meer +dan vierhonderd voet hoogte, de lucht met hun treurig gekras vervulden +en als een onweerswolk rondom de spits van den reusachtigen toren vlogen +en slingerden. + +Aan eene groeiende rots gelijk, schoot het logge gevaarte zijne bonkige +freiten en graten ten hemel, en hief het teeken der verlossing zoo hoog +boven de stad, dat de scheepslieden, van uren en uren verre in zee, deze +baak konden herkennen....[1] + +Een man trad langzaam op het kerkhof, luisterde eene wijl op de statige +galmen die in den tempel herklonken en stapte dan verder in het +kronkelend voetpad. + +Hij naderde een steenen kruis,--godvruchtige gedachtenis aan eenen +dierbaren doode,--leunde met den elleboog er tegen en bleef zoo, half +glimlachend, naar de kerkdeur blikken, als wachtte hij met vurig +verlangen op iemand wiens verschijning hem gelukkig kon maken. + +Deze man had wel de dertig jaar bereikt; zijne weinig verhevene gestalte +en de magerheid zijner leden deden hem echter jonger schijnen dan hij +was. Met vrij regelmatige wezenstrekken en diep zwarte oogen mocht hij +sommigen toeschijnen als niet beroofd van zekere schoonheid; maar zware +wenkbrauwen en scherpgeslotene lippen gaven zijn gelaat een zuur en +onvriendelijk voorkomen dat, bij den eersten blik, twijfel of mistrouwen +aangaande zijne inborst kon verwekken. + +Zijne kleeding liet gissen dat hij tot den ridderstand behoorde; want +zijn overkolder was van fijn groen laken en de draagband, waaraan zijn +zwaard hing, glinsterde van gouden en zilveren stikwerk In diepe +gedachten was hij verslonden. Had in het eerste een glimlach van blijde +verwachting de harde plooi zijner lippen gematigd, nu toch schoot er +insgelijks eene bedroevende overweging door zijnen geest; want hij +sidderde van verborgene gramschap en sloeg met zijne vuist aan den arm +van het kruis waartegen hij leunde, als wilde hij den steen vermorzelen. + +Dan was zijn aangezicht terugstootend van bitterheid en haat.... Maar nu +traden er eenige lieden uit de kerk--en de glimlach verscheen weder op +des ridders mond, terwijl hij verder het doodenveld overstapte om niet +te laten vermoeden dat hij daar wachtend had gestaan. + +De godsdienstige plechtigheid moest ten einde zijn; want uit de nauwe +tempeldeur stroomde een vloed geloovigen van allen ouderdom en stand. + +Al hadde ook het dragen der lange zwaarden en rijke kleederen de ridders +tusschen de menigte niet aangewezen, hunne trotsche houding en de +dienaars welke hen ootmoedig volgden waren toereikend geweest om hen en +hun huisgezin van de Poorters[2] of burgers te doen onderscheiden. + +Deze laatsten, ernstig en bescheiden, droegen eenen langen kolder van +donkerkleurig laken, meest zwart of bruin, waarboven, aan eenen +gordelriem, de lederen tassche hing met een mes in eene scheede. + +De lijfeigenen of dienstbare lieden,--die men nog met den akker, waarop +zij geboren waren, kon koopen en verkoopen,--waren gekleed in ongebleekt +linnen of in grof roestvervig laken, onzindelijk en slordig. Velen zelfs +gingen met armen en voeten naakt. + +Geen dezer ongelukkigen hadde eenig wapen durven dragen, al ware het +slechts een schier onzichtbaar mes geweest. Het teeken hunner slavernij +bestond in de berooving van alle verdedigingsmiddel, en eene wreede +straf wachtte dengene die de onedelheid zijner afkomst poogde te +verbergen. + +Reeds hadden vele geloovigen zich verwijderd, toen een bejaard ridder +met zijne dochter uit de kerk kwam en bij de ingangdeur bleef staan, om +met haar over iets te spreken. + +Burgers en mindere lieden schikten zich met eerbied op eenige stappen +rondom hem en keken stil en verbaasd op de jonge maagd, wier schoonheid +elkeen met bewondering trof. + +Deze ridder, Segher Wulf van Lampernisse, was weduwnaar; zijn eenig +kind, hem dierbaar als het licht zijner oogen, heette Dakerlia. + +Alhoewel zij door hare opgeschotene gestalte en sterken lichaamsbouw de +andere vrouwen scheen te overheerschen, was zij echter nog zeer jong. +Dit getuigde het donzig waas op hare beroosde wangen, de zoete +schuchtere blik harer diepe bruine oogen, het koraal op haren fijnen +mond en iets onbestemds in haren gang. + +Maar het geviel tevens dat zij, haastig met haren vader sprekende, meer +nadruk aan haar woord wilde geven, en dan ontschoot aan dit helder oog +eene vonk van gemoedskracht die de omstanders met verwondering trof en +deed denken dat in dit zoete maagdelijk wezen eene sterke ziel moest +wonen. + +Zelfs murmelde op dit oogenblik eene oude burgersvrouw schier +onhoorbaar: + +"Ho, de lieve jonkvrouw! Prachtige Kerlinne van het zuiverste bloed!" + +Dakerlia droeg een onderkleed van witte gebloemde zijde met enge, +spannende mouwen; daarop een lichtblauw overkleed, waarvan de mouwen +integendeel wijd en afhangend waren. Haar golvend zwart haar was boven +haar hoofd met eenen witten sluier bedekt en te zaam gehouden door eenen +platten band van zuiver goud, die als eene kroon aan haar voorhoofd +blonk. + +Haar vader drukte haar de hand en meende haar te verlaten; de +dienstmeid, door hem geroepen, naderde reeds om hare jonge meesteresse +te vergezellen toen eensklaps de man, die op het kerkhof had gestaan, +met vele buigingen tot hem kwam en onder vriendelijk glimlachen zeide: + +"God geve u alle heil, mher Wulf en u, jonkver Dakerlia. Welkom, welkom! +Hoe verblijdt het mij u behouden weder te zien na zulke lange +afwezigheid!"[3] + +"Zulke lange afwezigheid, mher Disdir Vos?" schertste Segher Wulf. +"Nauwelijks eene maand." + +"Het schijnt zeer lang voor die u eeren ... en beminnen", antwoordde +Disdir, terwijl hij met eenen zucht de oogen op de jonkvrouw richtte. + +"Ik dank u voor uwe genegenheid", zeide Segher Wulf, minzaam lachende, +"maar gij zult het mij vergeven, mijn goede Disdir, indien ik niet +langer met u kan kouten. Ik ben slechts gisterenavond van den zeekant +teruggekeerd en moet onmiddellijk bij den proost van St-Donaas eene +gewichtige boodschap gaan vervullen. Indien gij waarlijk nieuwsgierig +zijt om te weten hoe het ons op de reis is gegaan, Dakerlia kan er u +iets van zeggen, terwijl gij haar een eindweegs huiswaarts vergezelt." + +"O, God, alleen met haar!" mompelde Disdir Vos binnensmonds terwijl +zijne oogen van blijdschap glinsterden. + +En zich tot de jongvrouw keerende, vroeg hij met zekere aarzeling: + +"Gij stemt toe, Dakerlia?" + + +[Illustratie: Ik verbied u mij nog ooit het woord toe te sturen!] + + +"Uw gezelschap is vereerend voor mij, mher Vos", stamelde zij, "maar, ik +bid u, geef deze moeite niet; mijne dienstmeid zal mij vergezellen." + +Haar vader drukte Disdir de hand en verwijderde zich in de richting naar +den Dyver; Dakerlia, door hare meid gevolgd, stapte aan de zijde van +Disdir de Maria-straat in. + +Eene wijl gingen zij stilzwijgend. De ridder hield de oogen zijdelings +op haar; zijne borst zwoegde en zijn blik ontvlamde, als bereidde hij +zich tot eenen harden strijd waarin hij eene pijnlijke wonde moest +bekomen. + +Eensklaps zeide hij op eenen hollen toon, die van zijne overmatige +ontsteltenis getuigde: + +"Dakerlia, ik ben ongelukkig; ik doorsta smarten die mij het leven +ondraaglijk maken. Reeds tweemaal heb ik u durven bekennen wat +onverwinnelijk gevoel voor u in mijnen boezem is ontstaan. Gij hebt +eerst ongevoelig den spot met mijn lijden gedreven, daarna koel en +bitter mij afgewezen. Ach, sedert dan is die vonk in mijn hart tot een +verterend vuur aangegroeid...." + +"Maar bedwing u, heer", murmelde Dakerlia op strengen toon. "Spreek zoo +niet tot mij." + +"Uw vader, die mij acht en mij met zijne genegenheid vereert, gaf mij er +het recht toe. Hem heb ik de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft +ze mij toegestaan op voorwaarde dat ik uwe toestemming verwierf. +Dakerlia, heb medelijden; blijf niet onmeedoogend mij veroordeelen!" + +"Ik ben te jong nog om aan zulke dingen te denken", zeide de jonkvrouw. + +"Te jong nog?" schertste Disdir. "Gave God dat het zoo ware!... Maar +versmachten wij den wreeden worm die daar binnen knaagt.... Dakerlia, +het lot heeft mij begunstigd: wij zijn alleen. Ik wil u mijne bekentenis +herhalen, al dreigde mij daarom de dood zelf. Ja, Dakerlia, ik bemin u; +niet zooals een ander man u zou kunnen beminnen, neen, meer dan het +leven, meer dan mijne plaats in het Walhalla der vaderen, meer dan +mijner ziele zaligheid...." + +"Schromelijk!" zuchtte de maagd. "Wat gij zegt, heer, is eene +godslastering!" + +"Eilaas, het is waar: ik ben blind, betooverd, zinneloos", ging Disdir +voort. "Wees toch genadig, Dakerlia; red mij uit deze hel van +vertwijfeling door een enkel minzaam woord! Gij zwijgt, o wreede?" + +"Wat kan ik antwoorden op zulke taal?" morde de jonkvrouw met +ontevredenheid. + +"Zeg mij, zeg mij, om Gods wil, dat ik mag hopen!" + +"Ik zou liegen, Disdir." + +"Gij zoudt liegen! Wee mij! Er is dus geene de minste vonk van +genegenheid voor mij in uw ijskoel hart?" + +"Vriendschap, genegenheid kan ik u gunnen, als aan elk der bekenden +mijns vaders", antwoordde het meisje, "maar het gevoel dat gij van mij +eischt, mher Disdir, is iets dat zich niet laat gebieden, gij weet het +wel. Is uwe smart ongeveinsd, dan heb ik waarlijk medelijden met u. Meer +kan ik u niet geven." + +Als geheel ontmoedigd, liet de ridder het hoofd op de borst vallen en +stapte eenige oogenblikken zwijgend voort. + +Eene rilling doorliep welhaast zijne leden, en hij sprak tot de maagd op +zoeteren, doch niet min ontstelden toon: + +"Dakerlia, gedurende deze vier eindelooze weken uwer afwezigheid heb ik +aan niets gedacht dan aan u alleen; mijne ziel is vervuld gebleven met +uw beeld; nacht en dag hebt gij voor mijne oogen gewaard. Ik heb +gedwaald als een verloren geest, u zoekende in de straten, in de +bosschen, in de woestijnen; en overal klonk mij in de ooren het +onverbiddelijke "neen, neen!" dat gij mij, als een gloeiend ijzer, op +het bloedend hart hebt gedrukt. Dakerlia, uw vader stemt toe in ons +huwelijk. Verwerp mij niet voor eeuwig. O, laat mij hopen! Bedrieg mij, +maar laat mij hopen!" + +"Bedriegen kan ik niet; bedriegen wil ik niet", zuchtte de maagd, droef +en ongeduldig. + +"Niets voor mij dan afkeer en misprijzen!" huilde Disdir op versmachten +toon. "Zelfs geene genegenheid genoeg om mij uit medelijden te +bedriegen! Welaan, het zij dan zoo! Liefde of verachting, mijne vrouw +zult gij worden, Dakerlia!" + +"Ik uwe vrouw?" kreet de maagd met verontwaardiging. "Welk ridder, welk +vrijgeboren man zou eene vrouw door geweld tot een huwelijk zonder +genegenheid willen dwingen?" + +"Eene liefde als de mijne is blind en kent geene wetten. Wat mij +verhindert, wat mij in den weg staat zal ik verbrijzelen!" + +"En ik zal mijnen vader zeggen wat schaamtelooze taal gij tot zijn kind +durft voeren." + +"Hij zelf schonk mij uwe hand." + +"Gij weet wel, heer, dat dit onwaar is. Mijn vader laat mij de vrije +keus. Hij heeft niet verzuimd het u uitdrukkelijk te zeggen. Daarbij, ik +herhaal het u, ik ben veel te jong om aan zulk iets te denken." + +Hij schouwde haar diep in de oogen en vroeg met ontstelde stemme: + +"Dakerlia,--o, folterend vermoeden!--Dakerlia, gij bedriegt mij. Ware uw +hart vrij, gij zoudt niet zoo onmeedoogend voor mij zijn. Durf zeggen +dat gij niet reeds uwe keus hebt gedaan!" + +Een hevige schaamteblos kleurde het voorhoofd der maagd. Zij voelde zich +gekwetst, aanzag Disdir met fieren blik en antwoordde: + +"Wat geeft u de stoutheid om dus beschuldigend mij te ondervragen? Zijt +gij een eerlijk ridder en een Kerel? Waarom vergeet gij dan dat ik eene +vrouw ben en recht heb op uwen eerbied?" + +"Nu, durf spreken!" + +"Verwijder u, verlaat mij!" gebood de jonkvrouw op ontzagwekkenden toon. + +"Ja, ik zal mij verwijderen!" gromde Disdir, uitzinnig van spijt. "Ik +weet wel wie het is die mij belet in uw hart de minste plaats te vinden, +omdat hij het geheel vervult. Robrecht Snelhoge, niet waar? Hij is een +Erembald, hij is machtig, rijk als een vorst; en de hoop dat gij nevens +hem zult schitteren...." + +"Onbeschaamde, gij verzaakt zelfs mijne achting!" onderbrak de maagd met +gramschap. "Ga uwen weg; ik verbied u mij nog ooit het woord toe te +sturen!" + +"Ach, vergiffenis, medelijden!" smeekte Disdir, die beefde onder den +vertoornden blik der maagd. "Laat mij eene vonk, eenen schemer slechts +van hoop!" + +"Mijnen vader zal ik verzoeken u mijn verbod te doen eerbiedigen; en wij +zullen zien of gij den ouden krijgsman zult durven trotsen en zijn kind +blijven hoonen." + +"Doemenis, doemenis!" kreet Disdir, van vertwijfeling de vuisten +wringende. "Gij veroordeelt mij tot eeuwige wanhoop?... Ah, neen, neen, +mijne vrouw zult gij worden, Dakerlia!" + +En onder het uiten dezer woorden keerde hij zich om en liep met hevige +gebaren terug in de straat. + +De jonkvrouw hield vol ontroering den blik nederwaarts en stapte in +gepeinzen voort. Het was haar bang om het hart en zij schudde soms het +hoofd in pijnlijken twijfel. Niet omdat de laatste woorden van mher Vos +haar verschrikten; want zij kende hem als een grootspreker wiens +overdrevene woorden en wiens bedreigingen weinig te vreezen waren; maar +hij had haar iets gezegd dat haar als eene angstwekkende veropenbaring +had getroffen. + +Robrecht Snelhoge!--Disdir had deze beschuldiging ongetwijfeld op een +ijdel vermoeden gegrond; de schijn had hem bedrogen? + +Als gebuurkind en vriendinne was Dakerlia, om zoo te zeggen, met +Robrechts zuster opgevoed geworden. Van hare eerste stappen in het leven +had zij Robrecht aan hare zijde gezien, en zij was allengs gewoon +geworden hem als eenen broeder te beschouwen. Ofschoon eenige jaren +ouder dan zij, had hij gedurende hare kindsheid wel dikwijls hare spelen +gedeeld. Later was hij ernstiger geworden; maar hij was toch zoo goed en +zoo minzaam voor haar gebleven dat zij dan met dankbaarheid aan hem en +aan hare kinderjaren kon denken. Ach, was het iets meer dan broederlijke +genegenheid, dit diep en innig gevoel dat hen alle drie reeds zoolang in +den band der schuldelooze vriendschap hield gesloten? + +Dit waren de angstige gepeinzen der maagd, terwijl zij langzaam de +Hoogstraat instapte. + +Van wederzijde dezer straat kon men drie slag van woningen bemerken. De +talrijkste waren huizen tot welker bouw men terzelfder tijd hout en +baksteenen had gebezigd. Eenigen dezer woonsteden van welhebbende +poorters waren tamelijk hoog, en de stijlen hunner enge deuren en de +omlijsten hunner rondbogige vensters waren met eenen overvloed van +gesneden beeldwerk versierd. Het benedengedeelte dezer huizen was +ingericht tot winkels of stapels van allerlei waren; men verkocht er +laken en lijnwaad, leder, huisgerief, ijzerwerk, landbouwgereedschappen +en vele andere benoodigheden des levens of voorwerpen des handels. + +Daartusschen en bij groepen hier en daar te zamen geschikt, zag men ook +houten hutten zonder verdiep, zeer laag en onzindelijk, die tot +schuilplaats dienden aan onvrije of geheel arme lieden. + +Verder, ten einde der straat, hieven twee ridderlijke Steenen[4] hunne +ronde of achtkantige torens in de hoogte; zij schenen door hunnen loggen +bouwtrant en door de schietgaten, die als zoovele wakende oogen over de +poortershuizen heenkeken, al wat hen omringde te bedreigen en te +overheerschen. En waarlijk, zulk sterk slot, te midden der stad zelve +opgericht, moest in dien tijd den burgers en onvrijen lieden ontzag en +vrees inboezemen voor de heerschzuchtige ridders, die met macht uit dit +arendnest konden vallen, om onrecht te plegen, doch niet vervolgd konden +worden achter muren welke de stormram zelfs onwrikbaar vond. + +Van zulke versterkte Steenen stonden er velen binnen Brugge of in de +nabijheid; want reeds alsdan ontkiemden niet alleenlijk in deze stad de +Vlaamsche bedrijvigheid en de Vlaamsche koophandel; maar zij was tevens +het gewoon verblijf van den graaf van Vlaanderen, wiens hofhouding +talrijke edele landheeren uitlokte. Elk dezer machtige ridders had zich +het recht aangematigd om een dergelijk bewald en immer dreigend kasteel +te bewonen. + +Dakerlia hield haren ontstelden blik gericht naar eene der beide +ridderwoningen, welker gulden weerhanen in de verte boven de hoogste +poortershuizen glinsterden. + +Nu moest zij in hare overwegingen tot een besluit geraakt zijn, want zij +zag er zeer droef en neerslachtig uit; ja, zij vertraagde nog haren +gang, als hadde zij gevreesd het einde der straat te bereiken. + +Daar stond nochtans de Steen haars vaders ... maar bijna recht er over +stond de Steen waar de ouderlooze Robrecht Sneloghe met zijne jonge +zuster Witta woonde. + +Kon Dakerlia, na eene maandlange afwezigheid, nalaten hare trouwe +vriendin Witta te bezoeken? Onmogelijk!... maar indien Robrecht te huis +was en zijn oog haren vreesachtigen blik ontmoette? Zou zij niet beven, +schaamrood worden en den angst haars harten verraden? + +Ja, nu toch zag zij klaar in hare eigene ziel. Hoe had zij het zoolang +voor zich zelve kunnen verborgen houden? Het nijdig woord van Disdir Vos +was er noodig geweest om haar die geheimenis te veropenbaren: uit hare +zusterlijke vriendschap voor Robrecht was een ander gevoel ontstaan! + +Nu wist zij waarom zij, maanden reeds voor haar vertrek, eene +onweerstaanbare neiging had gevoeld om hare bezoeken bij Witta in getal +te verminderen en in duur te verkorten; waarom zij zwijgend was geworden +in Robrechts tegenwoordigheid en den blik nedersloeg als hij haar +bezag.... Ah, daarom had het beeld van Robrecht op geheel deze reis haar +vervolgd als een onverjaagbare droom! + +Zij stond voor de poort van haars vaders Steen, toen zij met een treurig +knikken deze laatste gedachten bevestigde. Zij meende binnen te treden, +want de meid had reeds den ijzeren klopper laten nedervallen; maar +eensklaps ontsnapte haar een lange zucht; zij richtte het hoofd als met +fierheid op en murmelde in zich zelve: + +"Waarom zou ik beschaamd zijn? Ben ik schuldig? Heb ik voor mij zelve +het zoolang kunnen verborgen houden, waarom zou mij dan de noodige +sterkte ontbreken om het voor alle anderen te verbergen? En indien +Robrecht niet vermoedt wat er in mijn hart omgaat?... Misschien is hij +niet te huis? Ik kan toch niet als eene vijandin afbreken met zijne +goede zuster. Wat kwaad heeft zij mij gedaan? Kom, ik zal moed hebben, +mij sterk houden en God bidden dat Hij mij machtig make tegen een gevoel +dat mij verschrikt...." + +Zij wenkte de meid en zeide haar: + +"Ga binnen, Gertrudis; ik behoef uwen dienst niet meer. Komt mijn heer +vader te huis en vraagt hij naar mij, meld hem dat ik mijne vriendin +Witta ben gaan bezoeken." + +Zij richtte zich hierop tot den grooten Steen aan de overzijde der +straat en vroeg eenen dienaar, die in de halfgeopende poort stond, of +jonkver Witta Sneloghe te huis was. + +Met een bevestigend antwoord leidde de huisknecht haar over den Neerhof. +Zij volgde hem schier bevend; doch toen hij haar meldde dat zijn meester +sedert den vroegen morgen reeds was uitgegaan, verlichtte haar gemoed en +zij glimlachte zelfs met blijdschap, als viele er een drukkende steen +van haar hart. + +De dienaar bracht haar in eene kleine benedenzaal en schoof eenen +leunstoel vooruit. + +"Jonkver Wulf", zeide hij, "mijne meesteresse is boven en ongetwijfeld +bezig aan haren opschik. Ik zal eene meid bevelen haar van uwe komst te +gaan verwittigen. Gelief dus het mij niet ten kwade te duiden indien gij +verplicht waart eene korte wijle te wachten" + +Dakerlia zette zich neder en liet hare blikken, vrij en helder, rondom +deze kamer dwalen, elk voorwerp glimlachend aanziende, als begroette zij +oude, zeer oude vrienden, tusschen welke zij in reeds verre afzijnde +tijden had geleefd. + +Inderdaad, het speelzieke kind, het vrije en zorgelooze meisje, dat hier +vroeger leefde, bestond niet meer; de tijd van heldere, belanglooze +vriendschap was reeds het verleden geworden.... + +De zaal waarin zij zich bevond was tamelijk duister, dewijl de kleine, +groenachtige vensterruiten slechts een beperkt en gematigd licht +toelieten. Aan de voeten der jonkvrouw spreidde de vloer van kleurige +baksteenen zijne gebloemde reken uit; boven haar hoofd rustte het +verdiep op eiken balken, welker kanten en steunsels versierd waren met +schoone beeldingen, schitterende van goud en allerlei prachtige verven. +Eveneens bestond hier alle huisraad uit gesneden eikenhout dat, ofschoon +donker en zwaar, de teekens droeg van geduldvollen arbeid en van +rijkdom. + +In het diepe der zaal verhief zich een hooge schoorsteen van blauw +arduin, en daarboven prijkten eenige ridderlijke wapens, zooals een +krijgsdegen, een maliehemd, een harnas en een ijzeren stormhoed. + +Dakerlia was opgestaan en stapte rondom de kamer, als wilde zij elk der +voorwerpen, welke er zich bevonden, van naderbij beschouwen. Misschien +gaf zij slechts toe aan de onrustigheid die haar nog beheerschte. + +Zij was blijven stilstaan voor eene halfgeopende kas waarin drie of vier +boeken op een berd lagen. Met verslondenheid hield zij eene wijl de +oogen er op gevestigd. Zij keek eensklaps bespiedend naar de deur der +zaal, als iemand die aarzelt om eene laakbare daad te plegen, greep dan +de deur der kas aan en opende ze verder.... + +Een zucht ontsnapte haar. Daar stond, nevens de boeken, eene dooze of +zeer klein schrijn, met leder overtogen en met gulden inlegwerk gesierd, +dat ongetwijfeld een juweel of eenig ander kostbaar kleinood moest +bevatten. + +Eene lange wijl staarde zij beweegloos doch met begeesterden blik op +deze dooze, legde eindelijk aarzelend de hand er op en schouwde biddend +ten hemel. + +Zij murmelde zeer zacht, als vreesde zij dat haar gelispel door iemand +kon worden gehoord: + +"Dit schrijn bevat het levensgeluk eener vrouw! Toen zijne moeder haar +einde voelde naderen, schonk zij hem het kostbaar juweel, en zeide tot +vaarwel:'Robrecht, sier daarmede den hals uwer bruid tot mijne +gedachtenis!' Wie? wie zal het zijn, o genadige God?" + +Maar een gevoel van beschaamdheid greep haar aan; zij duwde de kas toe, +keerde terug naar den leunstoel en liet er zich op nederzakken. + +Waarschijnlijk zette zij den gelukkigen droom voort, die bij de kas hare +dwalende ziel had gestreeld; want nog was haar oog helder en een blijde +glimlach bleef op hare lippen zweven ... totdat eene nog jongere maagd +dan zij in de zaal trad en, met opene armen op haar toesnelde terwijl +zij uitriep: + +"Ah, God dank, God dank, daar zijt gij behouden weergekeerd, lieve +Dakerlia!" + +"Goede, dierbare Witta", murmelde jonkver Wulf ontroerd, terwijl zij +Robrechts zuster omhelsde, "hoe heb ik onverpoosd aan u gedacht! Nu toch +ben ik wel gelukkig u weder te zien!" + +"En ik, Dakerlia, ik was zoo bedroefd en treurig dezen morgen...." + +"Treurig? Waarom, vriendinne?" + +"Van gisterenavond heeft mijn broeder mij gezegd dat gij teruggekomen +waart. Hij vernam het van onzen oom, den kastelein Hacket, die u in +eenen wagen de Ezelpoort zag binnenrijden. Ik ben vandaag met de zon +opgestaan en heb lang uitgezien of gij niet kwaamt. De vermoeidheid, +niet waar? Gij hebt wat laat geslapen?" + +"Maar neen, gij misgrijpt u", antwoordde Dakerlia, hare vriendin de hand +nemende. "Kom, laat ons zitten en kouten. Het is eene gansche +geschiedenis die ik u moet vertellen." + +"De reden waarom gij zoo laat mij bezoekt?" + +"Ja, Witta; het was eene gelofte die ik, op zee, aan Onze-Lieve-Vrouw +van Brugge heb gedaan." + +"Op zee, Dakerlia? In eenen storm? Geloofd zij de Heilige Moeder, die u +heeft beschermd. Maar, lieve hemel, hoe geraaktet gij op de woeste zee?" + +"Die zal ik u gaan verhalen, Witta. Luister slechts.... Toen wij te +Lampernisse op de hofstede mijner moei kwamen, was zij zoo ziek dat wij +haar onzen innigen dank betuigden omdat zij ons had laten roepen. Nadat +ik bijna twee weken nevens haar bed had gewaakt, haar had getroost en +verpleegd, werd zij eensklaps beter, en een paar dagen daarna gevoelde +zij zich reeds tot zooverre hersteld dat zij van den bedde opstond en +met mij in den hof wandelde...." + +"Hoe? Uwe moei is genezen!" kreet Robrechts zuster verwonderd. + +"Maar neen, Witta. Laat mij toch voortgaan. Zij scheen geheel genezen en +onze zorgen niet meer te behoeven. Te Veurne, dat schier aan Lampernisse +paalt, vernam mijn vader dat eenige kooplieden, vrije mannen en Kerels +als hij, voorgenomen hadden in gezelschap naar Witzand te reizen, eene +zeehaven in het graafschap van Boonen[5] gelegen. Dit bracht mijnen +vader op de gedachte deze gelegenheid waar te nemen om zijnen broeder te +bezoeken die niet verre van daar te Helbedinghem woont, en welken hij in +tien jaar niet meer had gezien. Het was wel dertig uren verre; maar +toch, ik, nieuwsgierig om dit gedeelte van het oude Kerlingaland te +kennen...." + +"Dertig uren verre over zee? En gij hebt aanvaard?" kreet Witta +verbaasd. + +"Dan nog niet, vriendin. Wij reisden over land, en kwamen na vier dagen +behouden te Witzand aan." + +"Maar hebt gij niets merkwaardigs of zonderlings onderwege gezien, +Dakerlia? Vertel mij toch iets van uwe lange reis!" + +"Wat zal ik u vertellen? Het land, alhoewel wat heuvelachtig, ziet er +uit als hier; de lieden zijn er Kerels van ons geslacht en spreken er +hetzelfde Dietsch als wij, Kerels van Vlaanderen[6]." + +"Zij zijn dus ook vrije mannen?" + +"Dat weet ik niet al te wel", gaf Dakerlia, het hoofd schuddende, ten +antwoord. "Het schijnt dat hunne voorvaders vroeger door de graven van +Gwynen en van Boonen wreedelijk zijn verdrukt geworden, en dat zij nu in +eene halve dienstbaarheid leven. Het recht tot het voeren van wapens is +hun ontroofd. Zij betalen eene schatting om eene houten kolf tot +verdediging te mogen dragen, en die verlaten zij nooit. Daarom noemt men +hen de Kolvekerels, en die onrechtvaardige schatting, de Kolvekerlij[7]. +Deze menschen, wanneer de vrije Kerels uit Vlaanderen zien, klagen over +hun lot en drukken de hoop uit dat zij nog wel eens uit de +dienstbaarheid zullen opstaan. Anders zijn zij van opzicht, gestalte en +kleeding geheel gelijk aan onze Kerels die de Ambachten bewonen. Meer +weet ik u van hen niet te vertellen." + +"Maar hoe geraakt gij op de zee, Dakerlia?" + +"Het is gansch eenvoudig. Te Witzand lag een schip van Brugge, dat met +eene lading koren en schapevachten naar het Swin[8] zou varen. De +stuurman was een Kerel van Uitkerke die mijn vader goed kende. Hij +stelde ons voor ons onderweg te Sandeshove[9], op de Vlaamsche kust, aan +wal te zetten. Daar wij geen gezelschap hadden om over land terug te +keeren en de reis over zee korter en gemakkelijker is, besloot mijn +vader het aanbod van den stuurman te aanvaarden, indien ik toestemde. Ik +durf het wel bekennen, Witta: ik was een beetje verschrikt van de +overvaart op den grooten, wilden plas; maar de tegenwoordigheid van +eenen Walschen priester, die naar Rodenburg[10] wilde en met ons zou +varen, gaf mij moed." + +"En gij deinsdet niet terug van eene zoo lange zeereis, Dakerlia?" + +"Neen, vermits een priester ze zonder kommer wilde ondernemen." + +"Een priester is een man; wij zijn zwakke vrouwen." + +"Maar, onnoozele Witta, onderscheidt de zee?" + +"Het is gelijk, Dakerlia; gij doet mij kiekenvleesch krijgen. Vertel +haastig: gij gingt op het schip?" + +"Ja. Den vijfden dag na onze aankomst te Witzand, met eenen zachten, +gunstigen wind, staken wij des morgens in zee. Het was helder weder en, +ofschoon zeer verre van de kust, konden wij de zandduinen langs het +strand in de zon zien schitteren. De Walsche priester koutte met mij en +toonde mij in de verte de havens en dorpen welke hij herkende. Zoo +voeren wij voorbij eene stad die mijn vader Rembrechtsgat noemde en de +priester mij met den naam van Calaisiacum of Kales aanwees. Daar viel, +nevens ons schip, een groote vogel uit de lucht, die duikelde en met +eenen visch in den snavel opwaarts steeg. Deze vogel was een zee-arend +en had blauwe beenen. Mijn vader zeide mij ter dier gelegenheid dat de +Kerels van de zeekust, om te betuigen dat zij stoute en behendige +stuurlieden zijn, zich zelven Blauwvoeten noemen, dit wil zeggen: +arenden der zee. Daarvan komt het, Witta, dat onze vijanden alle Kerels +dien naam als een spotwoord toewerpen[11]." + +"Ja, maar de Kerels noemen de Leenheeren Isegrims, dat is wolven. Het +is niet schooner...." + +"Later op den dag zagen wij Mardyck en de nieuwe kerk in de duinen, die +de priester Dino-Clesia heette, dat is Duinkerke. Schoon en zacht was +het weder tot dan gebleven; ik had den ganschen dag op het dek gestaan, +uitkijkend naar de duinen, of mijnen blik badend in het kolkachtig en +onbestemd verschiet der groene zee, toen eene grauwe wolk zich aan den +gezichteinder vertoonde. Alhoewel nu en dan een zwakke weerlicht uit den +schoot der donkere streep opwalmde, begreep ik niet waarom de schipper +onmiddellijk ongerust werd en met stille stem geheimzinnige bevelen aan +zijne bootsgezellen gaf. Maar de wolk groeide al spoedig tot eenen +zwarten berg aan, schoot als een loodvervige muur voor de zon, +ontplooide zich over den ganschen hemel en dompelde ons in eene +angstwekkende duisternis. Onder voorwendsel dat het sterk zou regenen, +had men mijnen vader en mij naar beneden in de kamer van het schip doen +gaan. Daar hoorden wij weldra doffe, doch akelige donderslagen. Het +bliksemlicht was zoo hevig dat het ons scheen te willen verblinden. Tot +dan besefte ik niet dat eenig bijzonder gevaar ons bedreigde; want het +schip lag stil en rustig, dacht mij. Ik geloofde mijnen vader die poogde +mij te overtuigen dat hier geene reden bestond om ongerust te zijn, en +ik toonde mij zelfs zeer tevreden, omdat iets nieuws de eentonigheid +onzer reis ging onderbreken.... Maar, Witta lief, eenige oogenblikken +daarna zat ik nevens mijnen vader geknield, hem met de eene hand +vasthoudend om niet te vallen, en de andere in de hoogte heffende om 's +hemels bijstand af te smeeken. Een woedend orkaan was over de zee +gerezen en hief nu de golven tot bergen in de hoogte. Het schip +slingerde heen en weer, het draaide, het wentelde, het kraakte! Tweemaal +werd ik met mijnen vader tegen den wand geslagen; doch wij stonden +telkens op om nog inniger te bidden. Donder, hagel, wind huilden +daarbuiten, als ware het einde der wereld verschenen...." + +"O, mijn God!" zuchtte Robrechts zuster, "ik beef! Het koude zweet staat +mij op het voorhoofd! En gij zijt niet van schrik gestorven, Dakerlia?" + +"Het is dan, Witta, dat ik Onze-Lieve-Vrouwe van Brugge mijn gouden +kruis met de groene smaragden heb beloofd op te dragen, indien zij +mijnen vader en mij geliefde tegen dezen akeligen dood te beschermen. +Zij heeft mijn gebed verhoord. En ik, zoohaast dezen morgen de zon was +opgerezen, ben met mijnen vader ter kerke gegaan om er de gedane gelofte +te vervullen. Wij zijn zeer lang blijven bidden en danken ... en dit is +de reden waarom ik zoo laat tot u ben gekomen." + +"Maar Dakerlia", murmelde Witta, "dit is een verbazend mirakel! Viel het +schrikkelijk onweer zoo eensklaps door de voorspraak van +Onze-Lieve-Vrouw?" + +"Neen, het duurde nog lang voort; maar het verminderde allengs. Ik werd +ziek van de zeekwaal en bleef dien geheelen nacht te bedde, schrikkelijk +lijdend, doch bijna bewusteloos. Des anderen daags rees de zon weder aan +eenen blauwen hemel op, en ik was geheel genezen. De stuurman liep de +haven van Sandeshove binnen en zette ons daar aan wal. Wij, uiterst +welgemoed over onze behoudenis, trokken langs Veurne naar +Lampernisse...." + +Hier werd Dakerlia's stem eensklaps dof en zij onderbrak haar verhaal. + +"Welnu?" vroeg Robrechts zuster. "Wat geschiedt u? Tranen in uwe oogen?" + +"Ja, Witta; wij meenden mijne goede moei gansch hersteld te vinden ... +en oordeel over onze droefheid: toen wij de hofstede binnentraden en de +armen reeds uitstaken om haar te omhelzen, toonde men ons...." + +"Hemel, wat toch?" + +"Haar lijk, Witta!" + +Een kreet van medelijden klonk door de zaal, en de beide jonkvrouwen +bleven eene poos zwijgend. Dan zeide Witta: + +"Kom, Dakerlia, troost u in de gedachte dat de Heer haar eene plaats in +zijnen schoonen hemel heeft gegund. Zij was reeds oud, ongetwijfeld, en +wij zijn allen sterfelijk." + +"Het is waar, mijne goede Witta; genoeg reeds heb ik ginder geweend; +want gij zoudt niet gelooven, vriendinne, hoe treffend en hoe roerend de +lijkplechtigheden zijn onder onze Kerels der Ambachten!" + +"De Kerels zijn immers Christenen als wij?" bemerkte Robrechts zuster, +"Het moet te Veurne bijna toegaan gelijk hier te Brugge." + +"Neen, toch niet. Wel zijn zij Christenen; maar zij hebben nog vele +voorvaderlijke gewoonten behouden, welke wij, Kerels in de steden, +sedert lang hebben vergeten. Van den kerkelijken dienst moet ik u niet +spreken, die is inderdaad overal dezelfde. Het lijk mijner moei lag in +hare schoonste zondagskleederen uitgestrekt op eene breede tafel, met +een spinrok in den arm, even alsof zij nog leefde. Iemand zeide mij +sedert, dat men nevens het doode lichaam van eenen man een naakt zwaard +legt en de afgestorvene kinderen met speelgoed omringt....[12] Aan het +voeteneinde mijner moei stonden drie schotels, de eene met gebraden +vleesch, de andere met gortebrij, de derde met kleine koeken van +weitebloem, en daarnevens eene groote kruik met hoppebier. Met welk +inzicht zulks geschiedde, kon men mij niet goed verklaren. Oude vrouwen +schenen te gelooven dat 's menschen ziel, wanneer zij eens van het +lichaam is gescheiden, nog kan eten, en men daarom voedsel bij het lijk +moet zetten. Vindt gij die gedachte niet zonderling, Witta?" + +"Het is bijgeloof, zondig bijgeloof, Dakerlia." + +"Het scheen mij insgelijks zoo. Maar het is niet alles. Gedurende de +drie dagen dat mijne moei boven de aarde bleef liggen, zaten immer +twaalf vrouwen rondom het lijk te krijschen en te huilen, dat men het +wel op honderd stappen buiten de hofstede kon hooren. Deze vrouwen +woonden in de gebuurte of waren bloedverwanten of bekenden, en alle drie +uren wisselden zij elkander af. Mij kwetste dit overdreven misbaar; maar +men deed mij begrijpen dat, hoe meer en hoe heviger er werd geweend en +geklaagd, hoe grooter eere der afgestorvene werd bewezen.--Den avond +voor de begrafenis had men mij uit de doodenkamer doen gaan; maar men +riep mij een half uur daarna terug. Daar vond ik al onze bloedverwanten, +vrouwen en mannen, in grooten ernst en plechtigheid rondom de lijktafel. +Een stokoud man, met eenen langen witten baard, deed eenige zonderlinge +teekens over mijne moei en scheen iets in haar oor te prevelen; dan nam +hij de weitekoekjes, brak ze aan twee en gaf den omstanders elk een +stuk. Iedereen begon er van te eten. Mijn vader, die mijne aarzeling +bemerkte, deed mij de anderen navolgen. Ik mocht niet weigeren deel te +nemen aan deze plechtigheid, die men _het doodenmaal_ noemde. Daarna +schonk men bier uit de kanne in eenen grooten hoorn en men dronk _de +doodenminne_ in het ronde, terwijl de oude man met den witten baard +eenige druppels uit de kan rondom het lijk stortte en vreemdklinkende +woorden mompelde. Voor het laatste moesten wij tot vaarwel het lijk +eenen kus op voorhoofd en lippen drukken, en dit heet men daar de +_doodenzoene_, die alle reden tot wrok, haat of vijandschap vernietigt +welke er tusschen de afgestorvene en iemand der aanwezigen zou kunnen +bestaan." + +"Maar, lieve hemel!" zuchtte Robrechts zuster, "men zou zeggen dat gij +van Heidenen spreekt! En gij hebt aan deze onchristelijke plechtigheden +deelgenomen, Dakerlia?" + +"Ik moest wel, mijn vader gebood het mij. En toch, wat kwaad bestaat +daarin, Witta? Het zijn onze voorouderlijke gewoonten." + +Robrechts zuster schudde afkeurend het hoofd. + +"Kom, laat ons nu daarover niet twisten", hernam Dakerlia "Waren wij in +de Ambachten geboren en opgevoed, wij zouden deze gewoonten noch vreemd +noch laakbaar vinden." + +"Maar, Dakerlia, een kanunnik van Poperinghem zeide mij eens dat de +Houtkerels, die in de bosschen wonen, den boozen geest aanbidden." + +"Deze kanunnik heeft men bedrogen. De Kerels hebben vele vijanden die +kwaad van hen spreken; maar geloof mij, Witta, de lieden van +Kerlingaland[13] denken aan God bij al wat zij doen." + +"Welnu, ga voort, Dakerlia. Was de begrafenis uwer moei prachtig?" + +"Prachtig, zooals wij het verstaan, neen; maar er was groote toeloop +van volk. Het lijk, door vrouwen gedragen, was opgevolgd door wel +vijfhonderd menschen, allen met bukstwijgen of wijpalmtakken in de hand. +De wijpalm is in Kerlingaland de boom der dooden. Al de mannen hadden +lange baarden, die afhingen tot verre op de borst, en aan hunne zijde +een krom zwaard, dat zij eene schermzeis noemen[14]. Elk gehuwde Kerel +was vergezeld van zijne vrouw en kinderen. Ik zag er die er wel zeven of +acht rondom zich hadden." + +"En gingen die kinderen ter begrafenis, Dakerlia?" + +"Het is eene wonderlijke gewoonte, ginder, Witta. Waar het niet +volstrekt onmogelijk is, heeft de Kerel altijd zijne vrouw bij zich, en +zijne kinderen zelven verlaten hem zelden. Wat eerbied en wat +genegenheid een Kerel zijne vrouw betuigt, is bijna niet begrijpelijk. +Ook, wie ginder, buiten zake van oorlog of veete, eene vrouw durft +hinderen of hoonen, wordt, het geheele Ambacht door, als een eerlooze +veracht en gehaat. Van de begrafenis zelve zal ik u niet veel zeggen; +zij geschiedde op geheel christelijke en stichtende wijze. Maar toen wij +op de hofstede terugkeerden, begon daar een feest dat mij eerst zeer +verbaasde, doch eindelijk mij, als een vreemd schouwspel, met groote +belangstelling de oogen uit het hoofd deed kijken. Men had de groote +schuur geledigd en vele banken en tafels er in gesteld. Daar werden nu +groote ketels brij, een kalf en twee schapen gebraden en gezoden +opgediend. Al deze lieden, mannen, vrouwen, kinderen, begonnen te eten +met zulken lust dat het zonderling was om te zien. Een paar vaten lagen +in eenen hoek der schuur, en men dronk mee en bier bij herhaalde teugen, +telkens daarvan eenige druppels ten gronde stortende. Eene vrouw, die ik +naar de reden dezer vreemde gewoonte vroeg zeide mij dat men dus van den +drank een weinig ter aarde werpt voor de ziel van den afgestorvene, +welke onzichtbaar het doodenfeest bijwoont. Eene andere, integendeel, +beweerde dat men het doet als een offer om de Drollen te bevredigen." + +"De Drollen, wat is dit?" mompelde Witta verrast. + +"Ja, dit weet ik reeds sedert jaren", antwoordde Dakerlia. "Mijn vader +heeft mij er meer dan eens van gesproken. Vroeger tijd, toen de Kerels +nog geheel Heidenen waren, had elk zijn huisgod, wiens beeld nevens den +haard in een klein kapelleken stond; en, wat men at of dronk, men smeet +er een weinig van ten gronde om hem te vereeren. Deze huisgoden noemde +men de Drollen, en onze Kerels gelooven nu, dat deze Drollen kwade +geesten geworden zijn.--Daarvan, Witta, dat wij nog, in al onze +schoorsteenen, zulk kapelleken hebben, alhoewel wij er nu een beeldje +der heilige maagd Maria inzetten ...[15] maar ik ga voort met u te +vertellen van het feest. Eindelijk, als dit groote doodenmaal ten einde +was, haalde men een paar doedelzakken voor den dag, en al deze mannen +met hunne lange baarden, en de vrouwen en de kinderen begonnen te dansen +en te zingen, op de maat der speeltuigen, dat ik er schier blind en doof +van werd. Dit duurde zeer laat op den dag, totdat twee Kerels, door de +mee en den dans verdwaasd, "kamp! kamp!" riepen, hunne zwaarden trokken +en elkander het hoofd wilden klooven. De twist werd door vrienden +bijgelegd, en men besliste daarop dat het tijd was om huiswaarts te +keeren. Zingende en springende door veld en bosch, ging elke Kerel met +vrouw en kinderen zijnen weg; en een vierendeel uur later was het zoo +stil op de hofstede alsof er niets was geschied." + +"Mij schijnt", bemerkte Witta, "dat de Kerels in de Ambachten grof en +woest moeten zijn." + +"Toch niet; zij zijn zeer goed, vroolijk, trouw, dienstvaardig en +arbeidszaam; maar hunne trotschheid is iets opmerkelijks. Bij den +minsten hoon grijpen zij naar hunne schermzeis...." + +De huisknecht opende de deur en meldde zijne meesteresse dat er een +schildknaap was gekomen met eene boodschap voor mher Robrecht, welke hij +slechts aan haar wilde afgeven. + +Jonkver Sneloghe ging daarop ter zaal uit en liet hare vriendin alleen. +Korten tijd daarna keerde zij echter terug en zeide tot Dakerlia: + +"Dit is een schildknaap van mehr Rijkaard Van Woumen, die mijnen broeder +laat weten dat hij hem heden voor den middag ten zijnent zal verwachten. +Ik denk er nu eerst aan, Dakerlia: gij hebt mij nog niet eens gevraagd +hoe het met mijnen broeder gaat." + +Jonkver Wulf, door dezen onverwachten oproep verrast, murmelde eene +onduidelijke verschooning. + +"Inderdaad", bevestigde Witta, "al die vervaarlijke geschiedenissen van +den storm op zee en de akelige lijkplechtigheden der Kerels beletteden u +aan Robrecht te denken." + +"Neen, neen, ik wist van uwen huisschalk dat zijn meester welvarend is +en reeds dezen morgen, zeer vroeg en opgeruimd van geest, is uitgegaan." + +"Opgeruimd van geest? Heeft de schalk zulks gezegd, Dakerlia?" + +"Ik meen het zoo te hebben verstaan." + +"Hij zal niet wel gezien hebben: mijn broeder is integendeel, sedert +meer dan drie weken, zwaarmoedig en diep treurig zelfs." + +"Hij heeft verdriet? Waarom?" + +"Ik weet het niet; hij verbergt het mij. Het moet een geheim, een +pijnlijk geheim zijn; want hij is ontevreden en verlegen als ik hem naar +de reden zijner afgetrokkenheid vraag.--Wel poogt hij dan mij te doen +gelooven dat niets hem bekommerd, en veinst hij opgeruimdheid; maar +evenras vervalt hij in stille mijmerij en murmelt treurige woorden in +zich zelven. Nauwelijks waart gij vertrokken, Dakerlia, of mijn broeder +werd dus droefgeestig en zwijgend; nu, sedert eenige dagen is zijn +verdriet nog aangegroeid. De reden daarvan meen ik te kunnen raden. +Verbeeld u, Dakerlia, dat onze oom, de proost van St-Donaas, en Hacket, +de kastelein, zich in het hoofd gestoken hebben mijnen broeder met +Placida Van Woumen te doen trouwen...." + +"Mijn God ... trouwen ... wat zegt gij, Witta?" stamelde jonkver Wulf, +sidderend van het geweld dat zij deed om den diepen indruk dezer tijding +op haar te verbergen. + +"Het zou voorwaar een eervol huwelijk zijn, Dakerlia. Mher Rijkaard Van +Woumen is een zeer geacht ridder en uiterst machtig bij den graaf." + +"Maar die Placida, kent gij haar, Witta?" + +"Zeker. Men roemt hare schoonheid. Wel zegt men dat zij trotsch is, doch +dat misstaat eene edelgeborene jonkvrouw niet. Daarbij, zij is eene der +rijkste erfgenamen van Vlaanderen." + +"Maar, Witta, haar vader is een Isegrim; een dergenen die samenspannen +met de Tancmars, onze vijanden, en met de Leenheeren, die de Kerels der +Ambachten van hunne vrijheid hebben willen berooven." + +"Mijn oom, de proost van St-Donaas, zegt, dat men hem ten onrechte zulks +ten laste legt. Hij heeft integendeel de Kerels bij den graaf +verdedigd." + +"Maar, Witta, jonkver Van Woumen moest trouwen met Ghijselbrecht +Tancmar, den rusteloozen vijand der Erembalds?" + +"Van dit huwelijk is er geen spraak meer." + +"Het is gelijk: Placida is geene Kerlinne; het bloed der verdrukkers +vloeit in hare aderen." + +Robrechts zuster, verwonderd over den scherpen toon van Dakerlia's +stemme, aanschouwde haar twijfelend. + +"Gij verwondert mij", zeide zij. "Hoe zijt gij nu eensklaps zulke +onverzoenbare Kerlinne geworden? Men zou gaan vermoeden dat gij die +schuldelooze Placida eenen bijzonderen haat toedraagt." + +Jonkver Wulf antwoordde niet; zij scheen vertoornd, alhoewel hare +glinsterende oogen vochtig waren en zij zichtbaar geweld deed om +opwellende tranen te bedwingen. + +Zij stond op en zeide: + +"Ik gevoel mij niet al te wel; ik heb pijn in het hoofd en moet rusten. +Naar huis wil ik gaan." + +Witta greep haar de hand en sprak lachende: + +"Kom, kom, blijf met mij. Gij veinst! Maar hoe kan toch zulk onbeduidend +nieuws u dermate ontstellen?" + +"Robrecht zal ongelukkig zijn." + +"Indien hij met jonkver Van Woumen trouwt?" + +"Ja, zeer ongelukkig." + +"Waarom?" + +"Ah, Witta, gij kent haren hoogmoed niet! Zij zal hem later de eer +verwijten die zij meent hem aan te doen door hare hand hem te schenken." + +"Hoe toch? mijn broeder is rijker dan zij." + +"Ja, maar zij waant zich van edeler bloed dan een Kerel. Nu stemt zij +misschien toe het te vergeten; maar er zijn honderden Isegrims in haar +eigen maagschap, die later haar deze verbintenis met eenen Blauwvoet +zullen verwijten. Arme Robrecht, welk lot voor zijne fiere mannelijke +ziel!" + +En bij het uiten dezer laatste woorden legde Dakerlia zich de handen +voor de oogen om de geweldige droefheid te verbergen die haar het hart +beklemde. + +Witta misgreep zich over de reden dezer ontsteltenis en voelde zich +geneigd om de vrees harer vriendin te deelen. Zij sprak troostende: + +"Nu, Dakerlia, dit huwelijk is nog niet gesloten. Mijn broeder heeft +niet veel lust om te trouwen." + +"Heeft hij u dit gezegd?" kreet Dakerlia met eene vonk van blijdschap in +de oogen. + +"Neen, duidelijk heeft hij het mij niet gezegd. Hij is ook voor deze +zaak zoo achterhoudend, zoo stilzwijgend met mij! Ik heb reeds eens +eenen geheelen nacht in stilte geweend, omdat ik meende zijn broederlijk +vertrouwen te hebben verloren. Maar, Dakerlia, indien hij verheugd was +over de pogingen die de proost van St-Donaas aanwendt om dit huwelijk +mogelijk te maken, zou dan mijn arme broeder sedert vijftien dagen in +eenzaamheid morren, het hoofd schudden en zijne vuisten wringen, als +drukte hem een pijnlijk gewicht op het hart?" + +"Ach, ik begrijp het, Witta: men wil hem dwingen!" + +"Gij weet, Dakerlia, dat hij niet licht te dwingen is." + +"Maar indien zijn oom, de proost, het gebiedt?" + +"Hij zal toch weigeren." + +"Hoe weet gij dit?" + +"Hij heeft het gezegd." + +"U gezegd?" + +"Neen, maar ik hoorde eens, op eenen laten avond dat ik voorbij mijns +broeders kamer ging, hoe hij met kracht uitriep: Nooit, nooit! Ik mag +niet, ik kan niet!... Maar hoort gij het kort en snel geblaf van onzen +wolfshond? Gij kent dit teeken: mijn broeder komt!" + +Dakerlia beschouwde bevend rondom de kamer, als iemand die onbewust een +middel zoekt om aan eene gevreesde ontmoeting te ontsnappen. Zij stapte +zelfs naar de deur om heen te gaan; maar Witta hield haar terug en riep +lachend uit: + +"Maar wat is dit nu, lieve hemel? Zijt gij vervaard van mijnen broeder +geworden? Hij is toch reeds in den gang; gij kunt hem niet beletten u +welkom te heeten." + +Nauwelijks was Dakerlia in de zaal teruggeweken, of Robrecht Sneloghe +verscheen in de deur. + +Hij was een jong ridder, rijzig van gestalte, sterk van leden, met +schoon gelaat, glinsterende donkere oogen en lange bruine haren. Zijn +degengevest was met gesteente afgezet, en zijn zwierig kleedsel met +kostbaar gouden stikwerk geboord. Konden deze teekenen van rijkdom den +eerbied der mindere lieden voor hem opwekken, zijn open doch mannelijk +aangezicht, iets in zijne uitdrukking, zacht en fier tevens, stemde +iedereen bij den eersten blik tot toeneiging voor hem. + +Bij zijne intrede in de zaal onderbrak hij zijnen stap, als verraste de +tegenwoordigheid van Dakerlia hem pijnlijk. Hij schouwde haar zoo diep +in de oogen dat zij beefde onder zijnen blik; maar dan, zijne +ontsteltenis meester wordende, ging hij tot de jonkvrouw, reikte haar de +hand en zeide met eene stem, die eene uiterste moedeloosheid verried: + +"Dakerlia, gij zijt terug van de reis? Wees welkom.... Ik hoopte evenwel +dat gij nog meer dan eene maand te Veurne zoudt gebleven zijn." + +De jonkvrouw staarde hem verwonderd aan. + +"Zulke wensch schijnt u onbegrijpelijk, niet waar, Dakerlia? Ach, er +gaat hier iets gebeuren dat mij verschrikt en doet lijden. Mijn verdriet +kan u slechts bedroeven. Ik ga trouwen, Dakerlia!" + +Een smartkreet ontsnapte jonkver Wulf. + +"Wat zoet en helder leven sleet ik hier tusschen eene teedere zuster en +eene zoete vriendinne!" zuchtte de jonge ridder, "Dit leven is ten einde +voor mij!" + +"Maar, Robrecht, het is nog niet zeker. Gij kunt weigeren! riep Witta. +"Wie heeft het recht om u te dwingen?" + +"Weigeren, zuster? Ik heb langen tijd geweigerd; er is niets aan te +doen. Wie kan mij dwingen? Menschen niet; maar mijn plicht jegens +Kerlingaland, jegens de vrijheid. Neen, neen. Mijn vonnis is geveld; en +ik zelf heb het aanvaard. Hoe dit mogelijk, hoe dit onvermijdelijk was, +zal ik u later verklaren, zuster lief. Nu heb ik geenen tijd; men wacht +op mij." + +Hij hoorde hoe Dakerlia snikte; hij zag hoe glinsterende tranen van hare +vingeren ten gronde vielen. Het hart klopte hem fel bij het gezicht van +Dakerlia's medelijden mij zijne smart. Tot haar gaande, sprak hij op +diep ontroerden toon: + +"Dakerlia, gij beklaagt mij, niet waar? Ik dank u, lieve vriendinne. Het +is een bitter lot zijn leven te moeten slijten met eene vrouw die men +niet bemint en vreest nimmer te zullen beminnen ... maar troost u, +waarschijnlijk bedrieg ik mij. Placida Van Woumen is schoon; er is +goedheid in haar hart. Wie weet? misschien zal ik haar de liefde kunnen +schenken die zij verdient...." + +In Dakerlia's oogen, welke zij nu ontdekte, vlamde een vreemde blik. De +ridder begreep hem niet, doch deinsde er van terug en bleef vragend op +de maagd staren. + +"Placida?" riep zij, "Placida zal u ongelukkig maken, arme Robrecht!" + +"Hoe kunt gij het weten?" + +"Mijn hart, mijn hart, dat niet kan liegen, roept het luid." + +Mher Sneloghe worstelde in eene pijnlijke verlegenheid tegen zijn eigen +gemoed. Hij deed geweld op zich zelven om door woorden noch gebaren het +gevoel te verraden dat de bron was van zijn verdriet. Dakerlia zou het +in alle geval niet begrijpen, en zulke veropenbaring op dit oogenblik, +ware niet alleen nutteloos, maar zelfs voor allen schadelijk, ja, +misschien misdadig voor God! + +Deze overweging deed hem besluiten de lastige, de droeve samenspraak af +te breken. + +"Uw medelijden doet u dwalen, Dakerlia", zeide hij. "Jonkver Placida is +beminnenswaardig. Ik moet weder uitgaan en mij haasten. Ongetwijfeld +wacht men reeds met ongeduld op mij. Kom dezen namiddag ... of ik zal +met mijne zuster ten uwent gaan om u te verklaren wat mij tot dit +huwelijk dwingt." + +Hij stapte tot eene kas, trok ze open en nam er eene dooze uit welker +deksel met gulden inlegwerk was versierd. + +Dakerlia slaakte eenen angstschreeuw, sprong vooruit en rukte de doos +uit zijne handen ... maar, alsof zij besef had van de onbetamelijkheid +harer daad, gaf zij ze spoedig terug. Dan bezwijkende onder hare +geweldige ontsteltenis, liet zij zich op eenen stoel vallen en bleef +daar beschaamd en overvloedig weenend, met den blik neergeslagen zitten. + +Eene hevige siddering had Robrecht aangegrepen en eene doffe angstkreet +was hem ontsnapt. Hij aanschouwde haar eene wijl verbaasd en zeide dan +op pijnlijken toon: + +"Dakerlia, Dakerlia, indien gij een geheim in uw hart hebt gedragen, o, +verberg het voor eeuwig uit medelijden! Er zijn dingen die, wanneer men +ze weet, ons zoo rampzalig kunnen maken, dat wij elken verderen dag van +ons leven God om den dood zouden bidden als om de verlossing." + +Jonkver Dakerlia stond op en, terwijl de tranen nog over hare wangen +rolden, sprak zij snikkend: + +"Ik vertrek van hier; ik begrijp mijnen plicht, over den dorpel van +dezen Steen mag ik niet meer treden. Het geheim dat, eilaas, tegen +mijnen wil mij is ontsnapt, zal ik opsluiten in mijn lijdend hart. Wees +gelukkig, Robrecht.... O, mijn God, Placida Van Woumen uwe vrouw! Ik zou +ze zien aan uwe zijde, op de plaats die.... Zinnelooze droom die mij de +zinnen ontstelt! Vaarwel, mher Sneloghe; bekreun u niet om mij: laat mij +ziek worden, verkwijnen, sterven!" + +Zij wierp zich aan den hals van Witta en riep tusschen haren koortsigen +zoen: + +"Nog eens, nog eens voor de laatste maal!" + +En zich uit de omhelzing losrukkende, meende zij haren stap tot de deur +te richten; maar Robrecht hield haar terug en zeide met aangejaagdheid: + +"Blijf, Dakerlia, ik smeek u! Gij waant mij gevoelloos voor uwe smart? +Mijn verdriet is dieper dan het uwe. Ach, hadde ik het vroeger kunnen +gelooven! Maar alle hoop is nog niet verloren. Kerlingaland kan de +slachtoffering van ons beider geluk niet eischen. Wees getroost, +Dakerlia. Wij hebben in elkanders hart gelezen. Neen, neen, Placida Van +Woumen wordt mijne echtgenoote niet! Laat mij gaan; ons levensheil kan +afhangen van een enkel oogenblik." + +Hij wierp de juweeldoos op de tafel en liep ter zaal uit. + +Dakerlia staarde hem achterna; doch, alsof zij geen geloof had in zijne +voorspelling, legde zij welhaast de handen voor de oogen en begon +overvloediger nog te weenen. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 1: De kerk van O.L.V. te Brugge was eerst eene kapel, ten jare +745 door St-Bonifacius gesticht.... Haar schoone toren, die voor baak +aan de zeevaarders dient, heeft eerst 442 voet hoogte gehad. + +LANSSENS _aloude staat van Vl._, bl. 235] + +[Voetnoot 2: Men noemde alsdan eene stad _eene poort_ en de burgers +_poorters_.] + +[Voetnoot 3: Bij verkorting zeide men, tot aanzienlijke personen +sprekende, _mher_ voor mijnheer, _ver_ voor vrouw, _jonkver_ voor +jonkvrouw.] + +[Voetnoot 4: De woningen van aanzienlijke lieden, meest uit zware +steenen gebouwd en met waaktorens voorzien, noemde men Steenen, welk +woord gelijkstaat met het Fransch _manoir, donjon, castel_.] + +[Voetnoot 5: Niet verre van de Fransche stad Boulogne lag alsdan de +vermaarde zeehaven _Witsant_, dus genoemd naar het witte zand der +duinen, evenals nu het Vlaamsche zeestadje _Blankenberghe_.] + +[Voetnoot 6: Dat de bevolking der kusten tot onder de muren van Boulogne +Vlaamsch sprak, bewijzen de namen der omliggende dorpen, zooals +Helbedinghem Leubringhem, Santingheveld, Pepelingen, enz.] + +[Voetnoot 7: "In diebus illis fuerunt homines quidam clavati sive +clavigeri, quos vulgo _Colvekerlos_ nominatos audivimus, in terra +Ghisnensium habitantes, qui clavati sive vlavigeri a clava dicebantur +agnominati, eo quod non licebat eis aliquod genus armorum nisi clavas +tantum bajulare. Hii siquidem, quadam impropitiationis specie, ab +Hammensibus dominis quasi sub servilis conditionis jugo constricti +tenebantur." + +LAMBERTI _Ardensis ecclesiae presbiteri chronicon_, uitgegeven door le +Mis Godefroy Menilglaise, Parijs. 1855, pag. 87.] + +[Voetnoot 8: De wijde inham bij Sluis, vroeger de haven van Brugge, +heette men het _Swin_.] + +[Voetnoot 9: Nu de haven van Nieuwpoort.] + +[Voetnoot 10: Nu Ardenburg.] + +[Voetnoot 11: + + + In deser wijs so hadden die aren, + Valken en de sperwaren, + _Blauwvoeten_ ende smerlen mede + Al vergadert daer ter stede. + + +Gedicht _van der Vledermuus_. + +In het nabericht van den _Reinaert de Vos_, uitgegeven door J.F. +WILLEMS, pag. 384. + +Bij JOHANNES LEUNIS, _Synopsis der drei Naturreiche,_ t. I, p. 81, wordt +deze vogel dus opgegeven: _Pandion Haliaetos_. L. Flussadler. Fischaar, +Entenstosser.... BLEINE BLAU.] + +[Voetnoot 12: Zie over deze lijkplechtigheden: _Overblijfsels van den +Heidenschen godsdienst onzer voorvaderen_, J. HUYTENS, Messager des +sciences hist. de Gand, annee 1860.] + +[Voetnoot 13: "De zeekust van Vlaanderen, die de Noormannen +_Kerlingaland_ noemden." VICTOR DE RODE, _Annales du Comite flamand de +France_, t. VIII, pag. 51] + +[Voetnoot 14: Scharmasax, scarmsax.] + +[Voetnoot 15: Zie over de bijgeloovigheid aangaande deze _Drollen_ J. +HUYTTENS, _Messag. des sciences de gand_, 1860. + +J.F. WILLEMS, in zijne uitgaaf van _Reinaert de Vos_, haalt de volgende +verzen aan uit _eene genouchelijke clute van nu noch_: + + Ic wil u belesen ende besweren + By cocketoysen, by neckers, by maren + Ende by den _drollen_.... + +] + + + + +II + + +In het midden der stad Brugge stond eene sterke vesting, weleer als +wijkplaats tegen de invallen der wreede Noormannen gebouwd. Men noemde +ze den Burg. + +Ten zuiden en ten westen was zij ongenaakbaar gemaakt door zeer breede +grachten; ten noorden en ten oosten was zij beschut door eenen hoogen +steenen wal, met gaanderijen, schietgaten en kanteelen. + +Drie bruggen en vier poorten gaven toegang tot het wijde vierkante +binnenplein, waar rondom de aanzienlijkste gebouwen der stad zich +verhieven. + +Trad men van den kant der Markt, over de Hofbrug, den Burg binnen, dan +zag men schuins voor zich 's Heeren hof, een schoon paleis, met eene +overwelfde bovengang, die men de Loove noemde, en waarbinnen de graaf +van Vlaanderen, als hij te Brugge zich bevond, zijn hof hield. + +Ter rechterzijde verhief zich een even groot doch min prachtig huis, dat +men den Steen heete en waarin de kastelein van Brugge, dit is de +bevelhebber en bewaarder van den Burg, zijn verblijf had. + +Daarnevens, met den achtergevel naar de Markt, stond het Gijselhuis, dat +tot gevangenis diende. + +De vierde zijde, ten noorden van het plein, was geheel ingenomen door +geestelijke gebouwen, zijnde ten eerste de schoone kerk van St-Donaas, +welker hooge, vierkante toren omringd was met twee breede, gekanteelde +gaanderijen, opdat men ook van daar den vijand mocht bevechten, indien +de Burg eenen aanval af te weren had[16]; dan het klooster St-Donaas met +de huizen der kanunniken en de slaapsteden en eetzalen der broeders en +eindelijk het hof der proostdij, dat door Bertulf, proost van St-Donaas +en erfkanselier van Vlaanderen, werd bewoond. + +Alhoewel deze geestelijke gebouwen binnen den algemeenen wal van den +Burg waren begrepen, omringde hen nog een bijzondere muur, zeer hoog en +sterk, met torentjes en kanteelen, zoodat, indien de Burg in de handen +der vijanden mocht vallen, de kerk, het klooster en de proostdij nog +lang wederstand konden bieden. + +Tusschen de grootere gebouwen van den Burg zag men, in alle +tusschenruimten, er nog andere van mindere uitgestrektheid, die tot +voorraadstapels, wapenhuizen of stallingen waren bestemd. + +De Burg was dus de zetel der openbare macht in Vlaanderen. Niet slechts +omdat hij het paleis van den vorst bevatte; maar bovenal omdat de proost +van St-Donaas en de kastelein van Brugge er hun verblijf hielden. + +Trouwens, deze twee ambtenaren, staande de eene aan het hoofd der +geestelijke en de andere aan het hoofd der wereldlijke overheid, +opzichtens al de vrije Ambachten afhangende van Brugge, bezaten meer +onmiddellijken invloed op dit groot gedeelte van het Westelijk +Vlaanderen dan de vorst zelf. Hunne aanzienlijke grondbezittingen en hun +persoonlijke rijkdom vermeerderden dien invloed tot zooverre, dat de +ridders van de hofhouding des graven met nijdig oog zulke buitenmatige +macht aanschouwden, meest nog omdat deze, volgens hunne meening, eenen +ondraaglijken hoon voor allen waarlijk edelgeboren man daarstelde. + +Inderdaad, Bertulf, de proost van St-Donaas, en zijn broeder Hacket, de +kastelein, waren Kerels, afkomstig uit het Veurne-Ambacht, waar zij +hunne grondbezittingen hadden. + +Nog meer kerels genoten in Brugge door hunnen rijkdom eenen bijzonderen +invloed. Men noemde hen de Erembalds, omdat de voornaamste onder hen +afstamden van Erembald, den eersten Kerel die het ambt van kastelein +bekwam, en daardoor in 's lands bestuur boven andere ridders zich +verhief. + +Hoe dit laatste geschiedde, is gemakkelijk te begrijpen. De leenheeren +of de zoogenaamde edellieden aanzagen allen arbeid en allen handel als +onteerend. Hunne eenige inkomsten bestonden in de lasten en schattingen +welke zij hunnen lijfeigenen of dienstbaren veldbewoner opdrongen, en in +de tollen van doorvaart die zij reizigers en kooplieden afpersten. + +De vrije mannen van Kerlingaland aanschouwden daarentegen den arbeid als +eenen plicht en den landbouw en den koophandel als vereerend. De gansche +scheepvaart van Vlaanderen en de visscherij, tot de Engelsche kust, +waren in hunne handen. Ontbrak er graan in het land, zij gingen het +koopen tot in Denemarken, ja, tot in de Morgenlandsche zee. + +Geen wonder dus, dat mettertijd de bedrijvigste en verstandigste dezer +Kerels groote rijkdommen hadden verzameld. + +Toen nu de vorsten en voorname leenheeren, om zich gemakkelijk geld aan +te schaffen, hadden begonnen de ambachten, tollen en inkomsten, waarover +zij beschikten, om zoo te zeggen, aan den meestbiedende te verkoopen, +dan zullen zulke Kerels, zooals de genaamde Erembald, niet nagelaten +hebben deze gelegenheid te benuttigen om zich tot de eerste waardigheden +van den Staat te verheffen. + +Dewijl zij deze waardigheden door zulken koop wettelijk en erfelijk +bezaten, konden zij daarvan niet worden beroofd, al mochten ook de +ridders, ja de graaf zelf, met geheime spijt de verheffing dezer +machtige Brugsche Kerels aanzien. + +Eene meerdere reden nog om de leenheerschap tegen de Erembalds te +verbitteren was dat zij, als de erkende hoofden en beschermers der +Kerels van de vrije Ambachten, dezen immer tegen de heerschzuchtige +aanslagen der leenheeren verdedigden; maar daarom tevens durfde de +graaf, noch zijne hovelingen, openlijk tegen de Erembalds ingaan, want +zij wisten dat de Kerels der Ambachten met eede aan hen waren verbonden +en niet zouden nalaten het leed, hun aangedaan, bloedig te wreken. + +Dien dag heerschte er zekere geheimzinnige onrust of nieuwsgierigheid op +den Burg. Men zag er niet alleen kanunniken, geestelijke broeders en +vele poorters in groepen en met de hoofden te zamen staan kouten; maar +aan de deur der proostdij hielden zich een aantal boden te paard, van +welke er nu en dan een met de hem vertrouwde brieven of bevelen den Burg +verliet. Van den graaf konden de bevelen niet uitgaan, want deze was met +duizenden Vlaamsche ridders ten oorlog getrokken, om onder het Fransche +vaandel in Aquitanie te gaan strijden. + +De lieden, die op het plein stonden, poogden wel uit de ruiters te +vernemen welke tijding zij voerden, doch zij konden geen voldoende +antwoord bekomen, dewijl de boden den inhoud der brieven niet kenden. + +Op dit oogenblik vertoonde zich onder de voornaamste poort van den Burg +een persoon die aller aandacht tot zich trok en eene zonderlinge +beweging onder de groepen der nieuwsgierige lieden deed ontstaan. + +Het was een ridder, buitengewoon hoog van gestalte en sterk van leden. +Zooals hij daar met zwaren tred en met het hoofd fier opgeheven den Burg +opstapte, had hij het voorkomen van eenen reus. De genster, die uit +zijne groote zwarte oogen lichtte, moest den aanschouwers ontzag +inboezemen; want alhoewel men vermoedde dat hij de aangekomen tijding +moest kennen, durfde niemand hem het woord toesturen, ja, men trad terug +om hem eenen onbelemmerden doorgang te bieden[17]. + +Een vrij man en ridder moest hij zijn; want aan zijne zijde hing een +groot, krom zwaard. Op zijne kleeding, waarin de blauwe verf heerschte, +bemerkte men echter geene de minste pracht. + +"Daar is Burchard Knap, de neef van onzen proost", murmelde een +geestelijken broeder. + +"Is hij niet de zoon van Lambrecht van Rodenburg, den eigen broeder van +den proost?" vroeg de poorter. + +"Ja, maar hij woont meest buiten, tusschen de Kerels. Wie hem zou durven +ondervragen zou wel te weten komen wat er gaande is." + +"Wel, vraag gij het hem." + +"Ik zal er mij wel van wachten. Die mher Burchard is de ongenaakste en +de gramstorigste man der wereld." + +"Ja, en gij vreest dat hij met eenen slag zijner reusachtige vuist u zou +kunnen verpletten?" + +"Spot er niet mede; het is zooals gij zegt. Zwijgt, daar nadert die +vervloekte bullekop!" + +"Welnu, ik zal hem vragen wat nieuws er is", mompelde een oude +zwaardveger. "Hij komt dikwijls in mijnen winkel; hij kent mij en zal +minzaam mij antwoorden." + +Inderdaad, hij ging den ridder te gemoet en stamelde, terwijl deze met +scherpen blik van uit de hoogte op hem nederzag: + +"Mher Burchard, duid mijne stoutheid niet ten kwade. Welke tijding is er +toch gekomen?" + +"Weet gij het?" vroeg de ridder met eene stem die uit eenen kelder +scheen op te klimmen. + +"Neen, heer." + +"Ik even min. Gij verveelt mij; ga uit mijnen weg!" + +Hij deed door zijnen zuren blik den verbluften zwaardveger terugdeinzen +en richtte zich, zonder meer acht op de omstanders te geven, naar de +poort der proostdij. + +Hij stapte onder eenen langen zuilengang door, duwde eene deur open en +trad in eene zaal waar een twaalftal ridders rondom eene tafel zaten, +bij welke een paar groote leuningstoelen ledig stonden, als wachtte men +hier op twee voorname personen. + +"Welnu, wat is er ophanden?" vroeg Burchard, nadat hij den ridders eenen +korten groet had toegestuurd. + +"De graaf is terug uit Aquitanie[18]", antwoordde hem Segher Wulf. "Het +Fransche leger is te Atrecht aangekomen. Onze ridders zullen nog daar +blijven; want de koning van Frankrijk vreest eenen aanval der Engelschen +uit Normandie; maar de graaf komt overmorgen te Brugge." + +Eene uitdrukking van ongenoegen trok Burchards lippen te zamen. + +"Waar is de proost?" vroeg hij. + +"Hij is bezig met het schrijven van eenige bevelen; hij zal aanstonds +komen." + +"En de kastelein?" + +"Die is met hem." + +Burchard zette zich zoo zwaar neder dat de eiken stoel onder hem +kraakte, als ginge hij breken. + +"Het schijnt dat de komst van onzen graaf u niet verblijdt?" bemerkte +Segher Wulf. + +"De komst van den graaf is mij onverschillig" mordde Burchard. + +"Waarom ziet gij er zoo ontevreden uit?" + +"De Isegrims komen met hem?" + +"Natuurlijk." + +"En zijn duivel Tancmar insgelijks." + +"Altijd even grimmig, mher Burchard?" lachte Yorg Koevoet, een der +aanwezige ridders. "Wat vreest gij van de komst des graven? Toen hij ten +oorlog trekken zou heeft hij eenen algemeenen landsvrede doen uitroepen +en ons gelast in zijne afwezigheid over de openbare rust te waken. +Hebben wij deze zending niet trouw volbracht? Gij zelf, mher Burchard, +hebt gij niet toegestemd om uwen twist met den hofraadsheer Tancmar +opgeschorst te laten tot des graven terugkeer!" + +"Ja, ja, tot mijne groote schande", antwoordde Burchard gramstorig. +"Tancmar had voor den oorlog mij een gedeelte mijner gronden ontnomen. +Ik heb het hem voorloopig laten behouden, om den landsvrede niet te +breken, zooals gij zegt, mher Yorg; maar wat gebeurt er nu? Tancmar is +in het leger met zijne beide zonen en heeft intusschen het beheer zijner +goederen toevertrouwd aan zijnen neef Rambold Tancmar. Weet gij wat deze +doet om mij te hoonen en uit te dagen? Hij zaait en oogst op mijnen +grond en bouwt er eene schuur op. Het is een ware diefstal ... en ik, +Burchard Knap, dien men eenen woestaard en eenen trotschaard noemt, ik +heb het tot nu toe kunnen verkroppen als een machteloos kind! De graaf +komt overmorgen in Brugge, zegt gij? Welnu, hij zal mij doen teruggeven +wat mijn eigendom is, of bij Thors hamer[19], ik verplet al wie het mij +nog durft betwisten!" + +"Mher Tancmar beweert dat de graaf zelf hem dien grond heeft +geschonken", bemerkte Matfried Wegel. + +"Maar mag de graaf het eigendom van eenen vrijen man onder zijne voeten +wegschenken?" + +"De listige Tancmar heeft onzen graaf bedrogen en hem doen gelooven dat +die grond der kroon toebehoort." + +"Ben ik dan een lijfeigene of een slaaf", bulderde Burchard. + +"Kom, kom, onze heer graaf zal de zaak onderzoeken en u recht doen", +zeide Gerwijn Eekel. + +"Karel van Denemarken?" vroeg Burchard met eenen grijns van misprijzen +op de lippen, "Is dit nu een vorst die Vlaanderen betaamt? Hij kruipt +voor den koning van Frankrijk; en deze zal hem zeker niet leeren hoe men +de rechten der vrije mannen van Kerlingaland eerbiedigen moet." + +"Beschuldig onzen vorst Karel niet", bemerkte Segher Wulf. "Ware hij +niet slecht geraden, hij zou in alles rechtvaardigheid plegen; maar de +valsche Isegrims, die hem omringen...." + +"Dit is juist de zaak", bevestigde Willem van Wervick. "De leenheeren, +die bloedvijanden der Kerels, drijven hem onverpoosd tot onrecht aan. +Men noemt ze Isegrims, dit is wolven, en zij verdienen het wel, zij, die +niets betrachten dan het vrije volk van Vlaanderen te verslinden. Meent +gij dat zij verzadigd zijn?" + +"Dat geloove de duivel indien hij zich wil laten bedriegen!" riep +Burchard. "Gij zult het zien, heeren: zoohaast de Isegrims in het land +zijn zullen zij weder hunne kuiperijen beginnen om onzen Kerels den +balfaart, het juk der slavernij op den nek te drukken![20]" + +"De graaf zal het beletten", zeide Matfried. + +"De graaf?" schertste Burchard. "Die huichelaar? Hij heeft het zelf +gepoogd; de oorlog alleen...." + +"Zwijg, zwijg, daar is de proost!" mompelden eenige stemmen. + +Bertulf, de proost van St-Donaas, die nu met zijnen broeder Hacket, den +kastelein, in de kamer verscheen, was een man van meer dan zestig jaar, +met grijze haarkroon en een ernstig en eerbiedwekkend gelaat. Ondanks +zijnen ouderdom ging hij rechtop, en het geheel zijner statige +wezenstrekken ademde niet alleen wijsheid maar tevens een diep gevoel +van eigen waarde. + +Hij droeg eenen zwarten tabbaard, die hem in wijde plooien tot op de +voeten daalde en rondom hals en schouders eenig wit bont, zoodat zijne +kleeding half geestelijk en half wereldlijk scheen. Inderdaad, ofschoon +eene hooge kerkelijke waardigheid bezettende, was hij evenwel geen +priester. + +Na zijnen bloedverwanten en vrienden eenen stillen groet te hebben +toegestuurd, zette hij zich nevens den kastelein in eenen der groote +leunstoelen en zeide tot de aanwezigen: + +"Heeren, ik heb u de tijding mede te deelen dat onze heer graaf +overmorgen te Brugge zal aankomen. Hij zal ditmaal nog niet in +Vlaanderen blijven; want hij moet terug naar het leger te Atrecht, waar +de koning van Frankrijk eenen aanval der Engelschen uit Normandie +verwacht. Hoe het zij, het betaamt dat wij onzen vorst, na zijne lange +afwezigheid, met de verschuldigde eerbewijzen onthalen. Ik heb u doen +roepen, heeren, om uwe hulp te vragen ten einde op den dag van 's +vorsten intrede een behoorlijk getal vrije lieden uit de Ambachten naar +de stad te doen komen. Gij zult begrijpen dat zulks noodig is om te +beletten dat onze vijanden bij den graaf de Kerels beschuldigen van +onverschilligheid of oneerbiedigheid jegens hem. Onze zaken staan nu op +eenen goeden voet. Wij zijn er in gelukt gedurende des vorsten +afwezigheid Kerlingaland in eene volstrekte rust te houden. De graaf +moet over ons voldaan zijn en wij hebben dus het recht te hopen dat hij +ons tegen de booze aanslagen der Isegrims zal beschermen." + +"Ja, verwacht u daaraan!" gromde Burchard. "Hij is zelf de grootste +Isegrim...." + +"Mijn neef heeft altijd iets onaangenaams voor onzen heer graaf in den +mond", zeide de proost berispende. "Het zijn persoonlijke redenen waarop +wij nu geene acht dienen te slaan.... Alzoo, heeren, gelieft brieven of +boden naar uwe burchten en hofsteden te zenden, met het verzoek dat men +van daar eenige lieden naar Brugge doe komen om bij de intrede des +vorsten tegenwoordig te zijn. Laat hen begrijpen dat het voor de Kerels +een plicht is, een vaderlandsche plicht, onzen heer graaf met eerbied en +blijdschap te verwelkomen." + +De aanwezige ridders toonden zich bereid om aan dit verzoek te voldoen. +Dat de graaf waarlijk ten opzichte der Kerels gunstig gestemd was, +daaraan twijfelde de meerderheid sterk; maar zij wilden in deze +onzekerheid den Isegrims geenen schijn van reden geven om hen bij den +vorst van vijandschap tegen hem te betichten. + +Burchard Knap alleen riep luid dat hij zulk onthaal vanwege de Kerels +als eene laffe kuiperij aanzag. Graaf Karel van Denemarken was, volgens +zijn gevoelen, een valschaard en een geboren vijand van alle recht en +alle vrijheid zijns volks. + +Terwijl de proost met bitterheid de onvoorzichtige woorden van zijnen +neef laakte, als de zaak der Kerels ten hoogst schadelijk, werd de deur +geopend en een ridder, met den helm op het hoofd en het maliehemd aan +het lijf, trad onder het uitspreken eener luide groetenis in de zaal. + +"Welkom, welkom, onze vriend Isaac Van Reninghe!" riepen de ridders, van +hunne zetels opstaande om hem de hand te drukken. + +"Gij komt van het leger? Hoe is het in Aquitanie vergaan? Mher +Luitprand van Rousbrugge was erg gekwetst. Is hij genezen? Zijn er vele +Vlaamsche ridders gesneuveld? Wie heeft er zich het meest onderscheiden? +Wanneer komt ons leger terug?" + +Dergelijke vragen werden hem van alle kanten toegestuurd; hij antwoordde +er met zekere verstrooidheid op en scheen haast te hebben om hen van +andere dingen te spreken. Nauwelijks kon hij met zijne vrienden eenige +korte groetenissen gewisseld hebben, of hij stapte naar de deur, sloot +ze toe en, tot de tafel terugkeerende, zeide hij: + +"Heeren, ik ben vermoeid van de lange vaart en vraag u oorlof om te +zitten. Ik heb ernstige berichten u mede te deelen." + +Hij nam eenen stoel; en toen hij zag dat de anderen hem hierin hadden +nagevolgd en hem nieuwsgierig aanzagen, sprak hij: + +"Volgens hetgene ik onderwege van eenige vrienden heb vernomen, vleit +gij u hier met de hoop dat men het ontwerp om de Kerels van hunne +vrijheid te berooven heeft laten varen. Het doet mij leed uwe gerustheid +te moeten storen; maar gij bedriegt u. De Kerels zijn integendeel +bedreigd met eene nieuwe en ergere vervolging." + +Een kreet van verrassing en gramschap ontsnapte den ridderen; Burchard +Knap stampte geweldig op den vloer en gromde eene vermaledijding, maar +de proost gebood hem de stilte en vroeg aan Isaac: + +"Waarop, mher Van Reninghe, vestigt gij dit vermoeden? Zijn er +bewijzen?" + +"Bewijzen?" was het antwoord. "De leenheeren, de Isegrims sedert wij uit +Aquitanie wederkeerden, beroemen zich openlijk dat zij de wapens niet +zullen nederleggen voordat de Kerels den balfaart op den nek hebben en +in eeuwige slavernij zijn gedompeld." + +"Verstikke mij de nachtmare!" riep Burchard. "Indien wij door onze +lankmoedigheid...." + +"Zwijg, mijn neef, laat mher Isaac ten minste voortgaan", onderbrak hem +de proost. "Wat heeft deze pocherij der Isegrims te beduiden? Wij zijn +er aan gewend. Waarom zou ze ons nu verwonderen als iets nieuws?" + +"Het zijn de Isegrims niet meer alleen", hernam Isaac. "De koning van +Frankrijk en de voornaamste ridders, die hem omringen, moeten zich +sedert eenigen tijd met de zaak der Kerels bezighouden; want zij spreken +er van en beslissen den twist met de Walsche spreuk: _pas de terre sans +seigneur, geen grond zonder heer_". + +"Bij Loki en zijne horens! wat is dit voor eene taal?" riep Burchard. +"Is elk vrij man niet meester van den grond die hem toebehoord? De +Fransche koning? Ha, ha, de Fransche koning bemoeit zich met onze zaken? +Niet genoeg dat men ons slaven wil maken, onze dwingeland zelf zou slaaf +zijn van eenen vreemden vorst! Het is om te barsten van schaamte!" + +"In dit geval blijft ons niets anders te doen dan geheel Kerlingaland te +wapen te roepen", zeide Willem Van Wervick. "De schermzeis uit de +scheede getogen voordat het te laat zij!" + +"Ja, en zonder toeven al de burchten afbranden, die onze vijanden, om +onze vrijheid te bedreigen, te midden der Ambachten hebben gebouwd!" +voegde Burchard er bij. "Ik heb omtrent Eerneghem, in de bosschen, +tweehonderd Houtkerels, echte Blauwvoeten, die snakken naar den strijd." + +"Heeren, ik kan u niet genoeg de voorzichtigheid aanbevelen", zeide de +proost, "u bovenal, mijn oploopende neef Burchard! Ontijdig geweld redt +geene zaak, zelfs niet de rechtvaardigste. Houd u stil; blijf bedaard, +zooals het een redelijk man betaamt." + +Een somber gegrol ratelde in Burchards keel. Hij zou zulke berisping van +geenen anderen man op aarde verdragen hebben; maar de proost, die als +hoofd der Erembalds recht had om hier te gebieden, gaf geene acht op +zijne spijt. + +"Vrienden", ging hij voort, "ik beken dat de berichten, ons door mher +Isaac Van Reninghe aangebracht, in schijn, ten minste, van aard zijn om +u te kwetsen en te verbitteren; maar gelieft in te zien dat wij nooit +iets anders dan zulke grootspraak vanwege de Isegrims te verwachten +hebben." + +"Ja, maar het is nu veel erger dan te voren", wedersprak hem Isaac. "Er +moet eene geheime reden tot den eensklaps aangegroeiden overmoed der +leenheeren bestaan. Kondet gij het hooren, vrienden, hoe onbeschaamd de +Isegrims hunnen haat tegen de Kerels lucht geven! Zij zingen zelfs, met +de hanaps in de hand, een spotlied tegen ons. Het is zeer lang en vol +hoon. Ik heb er slechts de volgende rijmen van kunnen onthouden: + + Wij willen de Kerels doen greinsen, + Al dravende over het velt; + Het 's al kwaad dat si peinsen, + Ic weetse wel bestelt, + Men sal se slepen en hangen, + Haar baart is al te lanc; + Sine connens niet ontgangen; + Sine dogen niet sonder bedwanc." + +Een storm van verontwaardigingskreten borst los. + +"Zoo sla mij Thors hamer, indien ik den eersten Isegrim die slechts een +woord van dit lied in mijn bijwezen durft zingen het hoofd niet kloof!" +schreeuwde Burchard boven het gerucht uit. + +"Klachten genoeg, daden moeten er zijn", zeide Willem Van Wervick. "Wat +blijft ons te doen? Het is gansch eenvoudig: ons in de Ambachten begeven +en alles tot den opstand bereiden." + +"Ja, en onmiddellijk Willem Van Loo, den burggraaf van Yperen, tot graaf +van Vlaanderen uitroepen", viel Burchard woedend uit, "te wapen loopen +met dien wettigen erfgenaam onzer graven aan het hoofd en Karel van +Denemarken het land uitjagen!" + +"Zijt gij daar alweder met die dwaze gedachte?" schertste de kastelein +Hacket. "Is het zoo dat men beraadslaagt over de hoogste belangen? Gij +maakt gerucht en tiert. Dit zijn geene redenen." + +"Dwaze gedachte?" herhaalde Burchard. "Is Willem Van Loo niet de +kleinzoon en erfgenaam van den graaf Robrecht De Vries, door de mannen, +terwijl Karel van Denemarken dit slechts is door de vrouwen? Haddet gij, +mijne ooms, in den oorlog tusschen beiden, Karel niet geholpen, wij +zouden nu eenen vorst hebben met Kerlenbloed in de aderen; want de +moeder van Willem was eene Kerlinne[21]." + +"En haddet gij en mher Isaac en velen uwer vrienden in den oorlog voor +de Kroon u onzijdig gehouden", wedervoer Hacket, "de Kerels zouden +waarschijnlijk nu de ongunst van den graaf niet te vreezen hebben." + +"Ik verzoek u bedaard te blijven, heeren", zeide de proost. "Laat mij +mher Isaac Van Reninghe vragen of hij ons met eenige zekerheid kan +bevestigen dat graaf Karel dezelfde inzichten als de Isegrims jegens ons +heeft." + +"In der waarheid, ik moet bekennen", antwoordde Isaac Van Reninghe, +"dat, welke moeite ik ook aanwendde, ik desaangaande niets heb kunnen +vernemen. Maar gij weet hoe ondoorgrondelijk onze graaf is; en +daarenboven, men mistrouwt mij omdat men vermoedt dat ik een vriend der +Erembalds ben." + +"Welnu", bemerkte de proost met eene zegevierende uitdrukking, "ik, +integendeel, heb daarover rechtstreeksche berichten van iemand die meer +dan anderen het vertrouwen van onzen graaf bezit en hem nooit verlaat, +namelijk den ouden Frumold, wiens geloofbaarheid wel niemand uwer zal +betwisten. Deze heeft mij geschreven dat wij alle redenen hebben om te +gelooven dat men de Kerels voortaan aangaande hunne vrijheid niet meer +zal verontrusten; en hij raadt ons aan onzen heer graaf met betuigingen +van eerbied en verkleefdheid te onthalen en hem in zijne goede stemming +ten onzen opzichte te versterken. Het is onze plicht dezen wijzen raad +te volgen. De oorlog tegen onzen wettigen vorst, indien wij er toe +gedwongen worden zal, in alle geval, een groot ongeluk zijn, dat wij +behooren te ontwijken zoolang wij kunnen. Is dit niet het gevoelen der +meerderheid dezer vergadering?" + +Velen der tegenwoordig zijnde ridders knikten met het hoofd of +antwoordden bevestigend. + +"Laat ons dan tot een besluit komen, heeren", hernam de proost. "Mijn +tijd is kostelijk; ik verwacht den voorschepen van Brugge. Ziet hier +mijn gevoelen. Wij moeten ons bereiden om onzen heer graaf bij zijne +intrede met de meest mogelijke eerbewijzen te verwelkomen. Diegenen +onzer die niet gehouden zijn hem af te wachten, zullen hem te gemoet +rijden...." + +"Ik den graaf te gemoet rijden?" kreet Burchard. "Mij door de Isegrims +uitdagend laten bekijken? Neen, neen, ik zou een ongeluk doen!" + +"Daarom juist, mijn neef, omdat gij zoo oploopend zijt en u zelven niet +kunt bedwingen, wilde ik u verzoeken dien dag te Bethferkerke te +blijven[22]." + +"Ha, vrees niet: men zal mij in Brugge niet zien!" + +"Tot nu toe, heeren", ging de proost voort, "hebben wij geene redenen om +den graaf als een vijand der Kerels te beschouwen. Integendeel, ik durf +de overtuiging uitdrukken dat vorst Karel een edelmoedig hart heeft en +nooit ons recht zal te kort doen, indien slechte raadslieden hem niet +valschelijk tegen de Kerels aanhitsten. Wij zullen ons nu eerbiedig en +verkleefd jegens hem toonen en zelfs, indien het geval zich voordoet, de +hoonende houding der Isegrims over het hoofd zien, om geene reden van +ontevredenheid aan den vorst te geven. Ontstaat het kwaad dat gij +vreest, wij zullen onzen plicht doen en met goed en bloed de vrijheid +van Kerlingaland verdedigen; maar niemand toch zal ons kunnen +beschuldigen dat wij zelven de oorzaak der bloedige botsing waren.... In +deze omstandigheid, heeren, verheugt het mij ten hoogste u te kunnen +melden dat ik er gelukt ben het machtige huis van Rijkaard Van Woumen +door een huwelijk aan onzen stam te verbinden. Rijkaard en de zijnen +zijn machtig bij den graaf en hunne hulp is ons meer waard dan duizend +zwaarden." + +"Zoo? heeft mehr Robrecht Sneloghe dan eindelijk toegestemd?" vroeg +Matfried Wegel. "Hij scheen van dit huwelijk niet te willen hooren." + +"Inderdaad", bevestigde de proost, "hij heeft wel eenigen tegenstand +geboden; maar gij weet het, onder ons is er geen die met meer edelmoed +dan mijn neef Robrecht zich bereid toont tot zelfopoffering, zoohaast +hij iets kan doen ten goede van ons geslacht en van Kerlingaland. Het +was mij genoeg hem te doen begrijpen welke gelukkige gevolgen dit +huwelijk, zoowel voor de Erembalds in het bijzonder als voor de Kerels +in het algemeen, moest hebben, om hem de eervolle verbintenis te doen +aanvaarden." + +"En is Rijkaard Van Woumen met dit huwelijk tevreden?" + +"Zeer tevreden." + +"Een der machtigste leenheeren zich verbinden met eenen Kerel!" + +"Met den rijksten en machtigsten Kerel", verbeterde Bertulf. "Wie weet +niet dat mijn neef meer vrije gronden bezit dan mher Rijkaard +leengoederen?" + +"Het is gelijk, heer proost, indien dit huwelijk voltrokken wordt zult +gij iets wonders gewrocht hebben dat, inderdaad, de Kerels sterk moet +maken tegen de kuiperijen der Isegrims." + +"Maar Ghijselbrecht Tancmar stond insgelijks naar de hand van jonkver +Placida", bemerkte Yorg Koevoet. "Indien zijn oom, de hofraadsheer, met +den graaf terugkomt, zou hij dit huwelijk nog wel kunnen beletten." + +"Onmogelijk", antwoordde Bertulf, "heden nog, dezen morgen zelfs, zal +Placida Van Woumen de beloftegift uit Robrechts handen ontvangen. Het is +daarom dat mijn neef zich niet hier met ons bevindt." + +"God zij dank, dit is eene goede tijding!" juichten al de aanwezigen. +Burchard zelf glimlachte van tevredenheid en loofde uitbundig zijnen oom +over deze zegepraal. + +De proost was bezig met hun uit te leggen, hoe dit huwelijk den Kerels +in eenmaal vele invloedrijke vrienden aan het hof des graven zelven +moest verschaffen en hoe hij hoopte daardoor beter dan door eenen +verderfelijken oorlog de rechten en de vrijheid van Kerlingaland te doen +eerbiedigen. Een dienaar opende zachtjes de deur en meldde hem dat de +voorschepen van Brugge verlangde hem te spreken. + +Al de ridders stonden op. Zijne aanbeveling tot voorzichtigheid +herhalende, leidde de oude Bertulf hen tot aan de deur. + +Hier zeide zijn broeder Hacket in stilte tot hem: + +"Maar, proost, waarom verbergt gij den toestand der zaken? Onze +berichten zijn niet zoo geruststellend als gij het voorgeeft." + +"Wat wij te vreezen hebben is dat de Kerels der Ambachten in beroering +geraken. Dit zou de graaf ongunstig stemmen en de Isegrims in de hand +werken. Met zulken onvoorzichtigen woestaard als onze neef Burchard, +kunnen wij de waarheid niet gansch openbaren. De minste genster ware +genoeg om het vuur van eenen ontijdigen opstand in Kerlingaland te doen +ontvlammen. Ga zonder kommer, broeder, en gelief den deurwaarder te +zeggen dat men den voorschepen binnenlate." + +De kastelein drukte hem de hand en verwijderde zich. + +Een voornaam en rijk poorter, die als voorschepen of burgemeester aan +het hoofd van het stadsbestuur stond, trad in de zaal en groette den +proost, terwijl deze hem minzaam eenen zetel aanbood. + +Toen beiden gezeten waren, zeide de oude Bertulf: + +"Heer voorschepen, dringende bezigheden, zooals gij aanstonds zult +begrijpen, laten mij niet toe ten uwent te gaan; daarom deed ik u bidden +u ten Burg te willen begeven. Ik moet u melden dat onze heer graaf +overmorgen in Brugge komt...." + +"Ik weet het reeds, heer proost", bemerkte de voorschepen. + +"Gij weet het? Heeft dan de graaf u insgelijks eenen bode gestuurd?" + +"Neen, maar de hofraadsheer Tancmar Van Straten bracht zelf mij de +tijding." + +"De raadsheer Tancmar?" herhaalde Bertulf met zichtbare bekommerdheid. + +"Ja, en tevens de hofbottelier Walter Van Lokeren." + +"Zij hebben wel veel haast om in Brugge te verschijnen, heer +voorschepen." + +"Inderdaad." + +"Brachten zij u ook eenige bijzondere bevelen van den graaf?" + +"Bevelen wel niet; maar zij raadden mij aan eene houten trede op de +markt te doen timmeren om daarop de sleutels der stad den graaf te +overhandigen alsof hij eene eerste intrede deed. De reden daarvan is dat +eenige voorname Fransche ridders onzen vorst zullen vergezellen en hij +verlangt dat zijn onthaal zoo plechtig mogelijk geschiede. Ik zie geen +beletsel om onzen heer graaf hierin te vergenoegen. Daarenboven, ik zal +de poorters uitnoodigen hunne huizen op den doortocht van den stoet met +alle mogelijke pracht te versieren." + +"Ik hoor wel dat voor alles naar behooren zal gezorgd worden", sprak de +proost. "Het spijt mij u zoo verre te hebben doen komen, dewijl ik u +niets anders te zeggen of te raden had." + +De voorschepen stond op. + +"Alzoo de raadsheer Tancmar is in de stad?" vroeg de proost peinzend. + +"Ja, maar hij keert terug op de baan naar Atrecht om den graaf te gemoet +te gaan." + +"Wanneer vertrekt hij? Dezen morgen nog?" + +"Neen, in den vooravond." + +Bertulf schudde het hoofd. + +"Verwacht gij dan een erg kwaad van Tancmars tegenwoordigheid?" vroeg de +voorschepen verwonderd. + +"Zit nog een oogenblik, heer voorschepen", zeide de proost. "Wat goeds +kunnen de poorters zoowel als de Kerels van deze aanleiders der Isegrims +verwachten?" + +"Niet veel goeds", antwoordde de voorschepen, het hoofd schuddende. "Zij +zijn de erfvijanden des volks in het algemeen. Verbeeld u, heer proost, +dat zij nu beweren het recht te hebben om den balfaart der +dienstbaarheid door een groot getal Brugsche poorters te doen betalen, +onder voorwendsel dat dezen voortgesproten zijn uit onvrije lieden welke +vroeger tot bezittingen der leenheeren behoorden. Onze keure, door +vorige vorsten ons verleend, stelt als wet vast dat een onvrij man, die +gedurende een jaar en eenen dag in onze stad woont zonder dat zijn heer +hem teruggevorderd hebbe, tot poorter mag aanvaard worden en van dan af +de vrijheid dezer poort geniet[23]." + +"En de lieden welke de Isegrims den tol der dienstbaarheid willen doen +betalen, wonen meer dan een jaar in Brugge?" + +"Vele jaren, heer proost. Van sommigen weet men zelfs niet meer wanneer +zij of hunne ouders binnen deze poort zijn komen wonen." + +"Gij zult dit onrecht niet lijdzaam onderstaan, hoop ik, heer +voorschepen?" + +"Wij zullen ons bij den graaf beklagen en rechtvaardigheid eischen." + +"Ja, onze heer graaf zal u waarschijnlijk tegen de aanmatiging der +leenheeren beschermen. Wij moeten het hopen ... maar indien hij onzen +vijanden gelijk gaf en men u wilde dwingen?" + +"Wat er zou geschieden, heer proost? Wie kan het voorzien? Wij poorters +hebben een taai geduld; maar des te meer gespaard bloed zouden wij voor +het behoud onzer rechten kunnen opofferen indien eens de boog door +overspanning brak." + +Bertulf greep den voorschepen de hand. + +"Wel gesproken", zeide hij. "Geduld hebben en door zachte middelen het +onheil, dat ons dreigt, pogen af te weren, zoolang het mogelijk is; maar +intusschen waken en zich bereid houden om op het uiterst oogenblik de +dwingelandij der Isegrims eenen hardnekkigen tegenstand te kunnen +bieden. Werden de poorters eerder dan de Kerels aangerand, wij zouden +allen u ter hulp vliegen; want het geldt hier het dierbaarste dat onze +vaderen ons hebben nagelaten. Hoezeer vroegere tijdsomstandigheden de +instellingen dezer landen hebben veranderd, wij zijn toch altemaal van +hetzelfde bloed: uwe voorouders en onze voorouders waren Kerels van +eenen stam." + +"Het is waar, heer proost", murmelde de voorsehepen. + +"De Isegrims begrijpen ons daarom in denzelfden haat", ging Bertulf +voort. "Poorters, Kerels, vrije mannen van binnen en buiten de steden, +wil men doen bukken onder eene zelfde verdrukking. Slaan wij dus immer +de handen te zaam en, waar het volk bedreigd wordt door degenen die +niets beoogen dan al wat werkt of handel drijft in slavernij te +dompelen, daar vinde het gevaar ons als broeders in dezelfde scharen!" + +"Zoo zal het zijn als de worsteling ooit uitbreekt", bevestigde de +voorschepen. "Wij poorters, zijn allen uwe vrienden, gij weet het wel; +en wij zullen u helpen tegen uwe vijanden, die ook de onze zijn." + +Hij reikte den proost tot vaarwel de hand. + +Bertulf vergezelde hem tot bij de deur, keerde dan terug naar de tafel +en mompelde in gedachten: + +"Tancmar is in de stad! Wat komt hij er doen? En indien hij iets van +het ontworpen huwelijk verneemt? Zijn zoon Ghijselbrecht heeft lang naar +de hand van jonkver Placida gestaan. Gelukkig dat op dit oogenblik de +beloftegift reeds moet aanvaard zijn en het dus geheel onwaarschijnlijk +is dat Rijkaard Van Woumen nog op eene wederzijds bevestigde verbintenis +kan terugkomen.... Maar Tancmar is zoo vol list en zoo bedrijvig!" + +Hij hief het hoofd op en zag Robrecht Sneloghe die met droef en spijtig +gelaat te midden der zaal stond. + +"Nu, mijn neef, wat beduidt dit treurig aangezicht?" vroeg hij +verwonderd en bekommerd. "Heeft jonkver Van Woumen uwe gift aanvaard?" + +"Ik heb mij nog niet bij haar aangeboden", was het antwoord. + +"Hoe, gij zijt nog niet in sher Rijkaards Steen[24] geweest?" riep de +proost met verbazing uit. "Welk noodlottig beletsel hield u terug?" + +"Wees toegevend voor mij: laat mij afzien van dit huwelijk!" zeide +Robrecht. + +"Onmogelijk, gij zijt zinneloos!" kreet de proost, die zich door zijne +spijt liet vervoeren. + +Robrecht zou anders van niemand zulke harde woorden geduld hebben; maar +hij onderstond deemoedig den uitval van zijnen ouden oom. + +"Ik bezweer u, heer oom", smeekte hij, "bij de gedachtenis mijns vaders, +dien gij zoo liefhadt, dwing mij niet tot het aangaan dezer +verbintenis!" + +"Zij is noodig tot het heil van Kerlingaland. De Isegrims bedreigen onze +vrijheid." + +"Welnu, oom, dat het zwaard dan onze rechter weze! Mijn bloed wil ik +geven tot den laatsten druppel; maar gij eischt mijne ziel...." + +"Uwe ziel?" + +"Ja, gij slachtoffert mij zonder mededoogen, ik weet niet ten gevolge +van welke diepe berekeningen. Bestrijden wij de Isegrims, maar het weze +niet door sluwe middelen. De list was altoos de toevlucht der zwakken +en der lafaards; wij zijn sterk en onversaagd." + +"Waarlijk, gij doet mij twijfelen aan de vastheid uwer zinnen" morde de +proost, sidderend van verontwaardiging en ongeduld. "Waarom breekt gij +uwe belofte?" + +"Ik zal ongelukkig zijn, geheel mijn leven!" + +"Met Placida Van Woumen? Is zij niet schoon genoeg?" + +"Schoon als eene lelie is zij, heer oom." + +"En rijk en edel geboren?" + +"Ik zal ze nooit kunnen beminnen. Dit huwelijk boezemt mij schrik en +afkeer in." + +"Waarom toch?" + +Robrecht aarzelde om de bekentenis, die hem op de lippen zweefde, uit te +spreken. Evenwel hij deed geweld op zich zelven en zeide met vaste stem: + +"Omdat ik eene andere vrouw bemin." + +"Gij bemint eene andere vrouw?" kreet de proost met verbaasdheid. + +"Dakerlia Wulf." + +"Kom, kom, dit is onmogelijk, mijn neef! Disdir Vos staat naar de hand +van jonkver Dakerlia en haar vader stemt toe in haar huwelijk met hem." + +"Mher Wulf laat zijne dochter de vrije keus. Mij bemint Dakerlia." + +"Gij hieldt dezen band uws harten voor mij verborgen! Gij hebt mij dus +bedrogen?" + +"Eerst heden ontving ik hare bekentenis." + +"En om deze liefde van eenen enkelen dag gehoor te geven wilt gij de +hoogste belangen uws vaderlands slachtofferen en mijne gelukkige +pogingen verijdelen?" gromde de proost bitter schertsend. "Het is eene +onbegrijpelijke dwaasheid. Spreken wij er niet langer van. Wilt gij niet +dat ik, door de diepste treurnis getroffen, u voor altoos mijne +vriendschap en mijne achting onttrekke, begeef u onmiddellijk naar sher +Rijkaards Steen en bied jonkver Placida uwe beloftegift aan!" + +"Dus geene genade voor mij?" + +"Geene. Uwe belofte moet u heilig zijn." + +Robrecht bezag zijnen oom eene wijl met strakken blik, als worstelde +hij nog tegen een pijnlijk besluit. Dan zeide hij, het hoofd +verheffende: + +"Gij weet, heer oom, hoe ik u sedert mijne kindsheid heb geeerbiedigd en +bemind als waart gij mijn vader. Er is eene grens aan alles. Vermits gij +onverbiddelijk blijft, welnu, laad uwe gramschap op mij: ik weiger u te +gehoorzamen. De bruidegom van Placida word ik niet!" + +"Niet?" + +"Nimmer, heer oom. Dakerlia Wulf zal mijne levensgezellinne zijn." + +"Ha, ha, dit zullen wij zien!" riep de proost met ongeduld. "Luister +slechts op de tijding welke ik u mede te deelen heb. Overmorgen komt de +graaf in Brugge. De Leenheeren, de Isegrims, onze vijanden, beroemen +zich openlijk dat zij nu met geweld onze broederen, de Kerels der +Ambachten, den balfaart gaan opdringen. Het uur van den grooten strijd +om vrijheid of slavernij, om leven of dood nadert dus waarschijnlijk +voor het Kerlingaland." + +"God zij dank", mompelde Robrecht, "dat wij eindelijk ons leven mogen +wagen voor de vrijheid!" + +"Dat kan de minste Kerel", wedervoer de proost met drift. "Wie meer +heeft brenge meer ten offer, indien hij zijnen plicht getrouw wil zijn. +Daareven was ik, in deze zaal zelve, vergaderd met uwe ooms en neven en +met eenigen onzer vrienden. Allen juichten bij de aankondiging van uw +huwelijk, als bij iets dat de booze ontwerpen onzer vijanden voor altijd +kon verijdelen. Want, misken het niet, dit huwelijk moet geheel een +edelgeboren en aanzienlijk geslacht tot vrienden en verdedigers der +Kerels maken. Door aldus de verdeeldheid onder de Isegrims zelven te +brengen, breken wij hunne macht. + +Rijkaard Van Woumen kan dit alles bij den graaf. Indien hij den vorst +rechtvaardigheid jegens de Kerels inboezemt, wat hebben wij te vreezen?" + +Robrecht was bleek geworden en hield den blik beweegloos op zijnen +grijzen oom gevestigd. + +"Volhard nu in uwe weigering", ging deze met klimmenden nadruk voort; +"maak dat de hulp van mher Rijkaard ons ontbreke en de noodlottige +botsing diensvolgens niet worde belet. De grond van Kerlingaland zal met +lijken en puinen overdekt worden, en--wie kan het weten?--misschien zal +in dit akelig bloedbad de vrijheid der Kerels, de vrijheid van ons +geslacht voor eeuwig vergaan. Na zulke ijselijke ramp zou de vloek der +overlevenden op eenen enkelen man geladen worden. Uit den afgrond der +slavernij zou men, tot in de verre toekomst zelve, den naam van eenen +trouwelooze, van eenen ondankbare vermaledijden, wien de noodige moed +ontbrak om op het altaar van den plicht het offer te brengen dat zijn +vaderland kon redden!" + +Met het hoofd gebogen en als neergedrukt onder het gewicht der wreede +noodzakelijkheid, luisterde Robrecht sprakeloos op de strenge woorden +van zijnen oom. + +Deze meende te voorzien dat zijn neef zich eindelijk weder zou +onderwerpen en verzachtte daarom eenigszins den toon zijner stem. + +"Mijn goede Robrecht", zeide hij, "ik kan waarlijk niet begrijpen hoe +gij niet met blijdschap de hand van Jonkver Placida aanvaardt. Dit +huwelijk moet niet alleen u tot eenen hoogen trap van roem verheffen, +maar zelf gansch ons geslacht nader bij den troon brengen. Mher Wulf +daarentegen is niet rijk; hoe eerlijk en hoe achtbaar hij ook weze, de +hand zijner dochter doet u afdalen." + +Eene hevige siddering doorliep Robrechts leden en een ongeduldige grijns +verkrampte zijne lippen; doch hij antwoordde niets. + +Bertulf aanzag deze zure uitdrukking als het teeken van nieuwen onwil. + +"Verlangt gij inderdaad, mehr Sneloghe", vroeg hij met nog meer klem, +"dat ik onze magen en vrienden doen terugroepen om hun aan te kondigen +dat gij liever nog Kerlingaland aan verdelging en slavernij ten prooi +geeft dan de hand te aanvaarden der schoonste en rijkste erfgename van +Vlaanderen? Gij aanroept de gedachtenis uws vaders? Meent gij misschien +dat zijne ziel juicht, daar hij ziet hoe zijn eenig zoon zijn geslacht +verraadt en weigert te gehoorzamen aan mij die de erfgenaam ben zijner +overheid op aarde? Gij antwoordt mij niet? Is alle gevoel van eer en +plicht eensklaps in u gestorven? Weigert gij dan de minste opoffering +voor het welzijn van Kerlingaland? Wilt gij de vermaledijding te gemoet +gaan van een gansch volk, dat door uwe zwakmoedigheid kan veroordeeld +worden tot eeuwige slavernij? Ha, ha, ware jonkver Dakerlia hier met +ons, en eischte ik van haar, tot redding onzer vrijheid, zulke +opoffering, meent gij dat zij, die eene vrouw is, zou weigeren? Is zij +geene Kerlinne?" + +Robrecht stond op. Zijn gelaat droeg nog wel den stempel eener diepe +droefheid, doch in zijne oogen fonkelde eene genster van beradenheid. + +"Heer oom, staak uwe bittere verwijten", zeide hij, "zij zijn +overbodig." + +"Hoe meent gij het?" + +"De wreede strijd is over in mij. Het kost moeite. Ik dwaalde; gij hebt +gelijk. Hoezeer ik ook hadde gewenscht dit huwelijk te kunnen ontwijken, +ik erken mijnen plicht en onderwerp mij aan de noodzakelijkheid." + +"Oprecht? Ernstig?" + +"In vollen ernst. Wees gerust: eer een half uur verloopen zij, zal +jonkver Placida mijne beloftegift ontvangen hebben. Zooals gij zegt, +oom, Dakerlia zal begrijpen dat de plicht jegens Kerlingaland...." + +"Dank zij God, die u mijne genegenheid en achting waardig laat blijven!" +juichte de proost met onverborgene blijdschap. "Ga, mijn goede neef, +haast u; want onze vijanden zijn waakzaam." + +Bij de deur hield hij mher Sneloghe met de hand terug, als schoot er een +onrustwekkend gepeins door zijnen geest, en zeide: + +"Robrecht, indien gij door de zuurheid of de treurigheid uws gelaats +gingt toonen dat dit huwelijk u bedroeft? Indien gij door de koelheid +uwer woorden jonkver Placida tot eene weigering deedt besluiten of een +uitstel deedt vragen, meent gij dat gij jegens uw geslacht niet even +schuldig zoudt zijn?" + +"Vrees niet, heer oom", antwoordde de jonge ridder, "mijn besluit is +genomen, rechtzinnig genomen; ik zal onderwege mijne krachten verzamelen +en, wees zeker, mij zal de moed niet ontbreken om mijnen plicht tot het +einde te volbrengen." + +"Toon u ten minste een weinig lieftallig voor jonkver Placida." + +"Hoofsch en minzaam moet een ridder immer met jonkvrouwen zijn. Dit kan +ik niet vergeten. Placida is schoon en bevallig. Ik zal mij aan het +denkbeeld van dit huwelijk pogen te gewennen. Hopen wij dat er later ook +liefde voor jonkver Van Woumen in mijn hart zal groeien. Wel schijnt het +mij nu moeilijk; maar de wil van eenen man, als hij eenen duren plicht +vervult, kan wonderen wrochten...." + +"Zoo is het wel, mijn goede Robrecht!" riep de proost, hem juichend op +den schouder slaande. "Ga nu spoedig met mijnen groet en mijnen zegen." + +Hij meende zich naar de Hof straat te richten; maar nu schoot hem +eensklaps de herinnering te binnen, dat hij de juweeldoos in zijne +woning had gelaten. Zonder beloftegift kon hij niet tot jonkver Placida +gaan. + +Het hoofd met mismoed schuddende, begaf hij zich naar de Hoogstraat. Wel +vertraagde hij zijnen stap en wel scheen hij soms te willen staan; maar +het lot en de plicht dreven hem naar zijnen Steen. + +Hij trad bevend in de zaal waar hij Dakerlia nog meende aan te treffen. +Zijne zuster was gansch alleen. Dit gaf hem eenige sterkmoedigheid +weder. + +Terwijl Witta bij zijne eerste woorden reeds in tranen van medelijden +losborst, poogde hij haar te doen begrijpen dat zij allen met +verduldigheid zich onderwerpen moesten aan den onverbiddelijken plicht. +Hij, Robrecht, mocht nu met Dakerlia niet meer spreken. Jonkver Wulf zou +dit zelve wel erkennen. Witta zou haar gaan zeggen dat alle hoop was +verloren. Zij beloofde, op het dringend verzoek haars broeders, alles +aan te wenden wat mogelijk was om hem bij Dakerlia te verontschuldigen +en hare arme vriendin te troosten. + +Mher Sneloghe stak de juweeldoos in de tasch die hem aan den gordel hing +en verliet zijnen Steen met opgehouden tranen in de oogen. + +Hij stapte haastig voort tot op de Markt. Hier bleef hij staan en wreef +zich met kracht over het voorhoofd, als om de volle bewustheid van +zijnen toestand te bekomen. Na eene wijl overwogen te hebben mompelde +hij treurig in zich zelven: + +"Vaarwel, vaarwel, o schoone droom die den hemel voor mijne oogen had +geopend! Een enkel uur hebt gij geduurd ... om mij de slachtoffering +bitter en schrikkelijk te maken! Het is gedaan: uwe herinnering zelve +wil ik uit mijne hersens vagen. Ach, het lot is mij wreed; maar de +plicht is eene stalen wet. Ik ben man en Kerel; geene zwakheid!" + +En na het uitspreken dezer woorden, stapte hij langzaam en immer denkend +over de Markt, en verdween achter St-Christoffels-kapelle. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 16: Deze oude toren is ingestort ten jare 1316. Zie DESPARS, +_cronycke_, enz., I, pag. 395.] + +[Voetnoot 17: "Burchard, die wreede, woedende, onversaagde krijgsman, +begaafd met eene wonderlijke lichaamskracht." + +GALBERTUS, uitgegeven door Guizot, _Collection des Mem. rel. a l'hist. +de Fr._, tom. VIII, pag. 314.] + +[Voetnoot 18: Over dezen krijgstocht van den graaf van Vlaanderen in +Aquitanie met den koning van Frankrijk, zie SUGER, _Vie de +Louis-le-Gros_, uitgegeven door Guizot, tome VIII, pag. 132.] + +[Voetnoot 19: Thor, de krijgsgod der Romeinen, werd verbeeld met eenen +zwaren hamer in de hand. Men zegt daarvan nog in Brabant, van iemand die +zeer verbaasd of verbluft is: _hij staat als van den hamer geslagen_.] + +[Voetnoot 20: "De tol der dienstbaarheid, gezegd _half have_ en +_Balfaert_, ook geheeten _beste hooft_." + +VICTOR DE RODE, _Ann. du Comite Fl. de Fr._, t. VIII, pag. 145.] + +[Voetnoot 21: Deze Willem Van Loo, burggraaf, dit is kastelein van +Yperen, was kleinzoon van Robrecht-de-Vries door Philips; Karel van +Denemarken was dit insgelijks, doch door Adela. Men vindt den volledigen +geslachtsboom in _Vie de Charles-le-Bon par le Dr. Wagner, trad. du +Danois par un Bollandiste._] + +[Voetnoot 22: Tancmar had een landgoed te Straten en Burchard eene +woning te Bethferkerke. Beide deze plaatsen lagen op het gebied der +tegenwoordige parochie St-Andries, op eene mijl van Brugge.] + +[Voetnoot 23: Bij het ontstaan der steden of vrije gemeenten was een +slaaf vrij als hij ongestoord een jaar en eenen dag in de stad had +gewoond." + +P. BLOMMAERT, _Aloude Gesch. der Belgen_, pag. 175.] + +[Voetnoot 24: Die vorm _Sher_ of _Ser_, alsdan gebruikt, is de genitivus +van _heer_; het is alsof er stond: _des heeren Rijkaards steen_.] + + + + +III + + +Ten einde der Kuiperstraat verhief zich, verre boven de poortershuizen, +de achtkantige toren van sher Rijkaards Steen. + +Deze aanzienlijke woning bestond uit verschillige gebouwen, rondom een +vierkante neerhof, en uit eenen tuin, waarvan de gekanteelde +omheiningsmuur met zijne schietgaten op St-Pieters voorgeborchte uitzag. +Zij was van alle zijden omringd met water, en eene ophaalbrug onderbrak +des nachts of in tijden van gevaar hare gemeenschap met de stad. + +De wijde tuin was overlommerd met hooge boomen, welker gebladerte in dit +gevorderde jaargetijde zich reeds begon te sieren met de veelkleurige +tinten die den komenden winter aankondigen. Dien morgen echter stond de +zon glanzend aan den hemel, en de wind was even zoel en even verheugend +als op eenen lentedag. + +Onder de boomen, rondom eene tafel, zaten drie vrouwen te arbeiden aan +zekere kostbare kleedingstukken. Eene der jongsten verwerkte zelfs +goud-en zilverdraad in een zijden hoofdhulsel. + +De oudste, wier haar reeds begon te vergrijzen, sloeg nu en dan eenen +blik op den arbeid harer twee gezellinnen en wees hen terecht en gaf hun +raad, als ware zij hier de meesteresse. + +Evenwel, het was genoegkennelijk aan het eenvoudig linnen kleedsel dezer +vrouwen, dat zij allen dienstmeiden waren; ja, eene zilveren schaar +naast een fraai naaischrijn op de tafel en een stoel van gesneden +eikenhout met een gebloemd zitkussen konden doen vermoeden dat de ware +meesteresse onlangs was opgestaan en den tuin had verlaten. + +Eene der beide jongere vrouwen moest geweend hebben; want zij hield +mismoedig het hoofd over haar werk gebogen en hare oogen waren nog +vochtig. + +"Kom, Brigitta, denk niet meer aan het voorval", zeide de oudere +troostend. "Gij zijt te gevoelig; en daarbij, onze jonkvrouw heeft +gelijk: wij arme dienaars mogen ons met de zaken onzer meesters niet +bemoeien, zooals gij het soms doet." + +"Het is alweder voorbij, Martha", antwoordde het treurige meisje. "Onze +jonkvrouw toont zich hard voor mij. Wat kwaad bestaat daarin dat ik mher +Robrecht Sneloghe roemde?" + +"Geen, inderdaad; maar waarom spraakt gij van mehr Ghijselbrecht Tancmar +zonder den verschuldigden eerbied? Mher Ghijselbrecht is ridder; wij +zijn lijfeigene lieden,--slaven." + +"Ja, ja, slaven!" herhaalde de jonge Brigitta met eenen diepen zucht. + +"En omdat gij zoo stout van eenen edelgeboren man durft spreken, heeft +uwe taal jonkver Placida diep gekwetst. Zij bestrafte u met bitterheid; +gij moet het ootmoedig verdragen." + +Brigitta bedwong hare stem, als vreesde zij van uit den Steen gehoord te +kunnen worden. Fluisterend zeide zij: + +"Weet gij wat ik denk, Martha? Ik denk dat onze jonkvrouw liever mher +Ghijselbrecht tot bruidegom zou hebben en dat zij nu de hand van +Robrecht Sneloghe slechts aanvaardt omdat hare ouders het zoo willen; +want ziet gij niet...." + +"Spreek stiller nog!" onderbrak de oude vrouw, met een gebaar van angst. +"Indien men u hoorde, ongelukkige!" + +"Meent gij dat ik mij misgrijp? Wat denkt gij er over, Amelberga?" + +"Ik, ik?" stamelde het andere jonge meisje. "Ik denk dat wij beter doen +met hoegenaamd niets te denken." + +"Zijn wij dan geene menschen meer?" vroeg Brigitta met eene soort van +verontwaardiging in de oogen. + +"Eilaas, ja", was het antwoord, "maar ik weet nog dat ik, voor drie +jaren, eens door eenige stoute woorden liet hooren dat ik zulks +geloofde. Ik zeide tot onze jonkvrouw, die mij al te ruw toesprak, dat +ik mensch en Christen was evenals zij. Weet gij welk antwoord zij mij +gaf?" + +"Geen minzaam antwoord, dit is begrijpelijk." + +"Zij deed mij door de schalken op den Neerhof zoo wreedelijk met roeden +geeselen, dat het bloed mij van de schouders liep." + +"Wee, wee, moest mij zulken hoon geschieden", kreet Brigitta + +"Gij zoudt het verdragen evenals Amelberga", bemerkte de oude vrouw. + +"Maar wat zoudt gij doen, Brigitta?" + +"Ik zou alle voedsel weigeren totdat de honger of de schaamte mij deed +sterven. Reeds meer dan eens heb ik er aan gedacht. Wees zeker, ik zou +zulke mishandeling niet lang overleven." + +"Nu, nu, dit is al grootspraak", schertste Amelberga, "zulke taal in den +mond eener lijfeigene!" + +"Ja, gij kunt het niet begrijpen", wedervoer Brigitta. "Beiden zijt gij +in slavernij geboren, op een leen dat onze heer omtrent Aalst in +Zeizers-Vlaanderen bezit; maar ik kwam ter wereld omtrent Loo, in het +Land der Kerels, en ik ben eene Kerlinne geweest." + +"Wat doet het, vermits er insgelijks dienstbare Kerels zijn?" + +"Die zijn er niet, Martha. Wie zijne vrijheid verliest houdt op Kerel te +zijn." + +"Dan heeft waarschijnlijk uw vader zich verkocht, of de straf eener +misdaad bracht hem in slavernij", bemerkte Amelberga met eenen +twijfellach op de lippen. + +"Ik vergeef u den spot, omdat gij onzer gewoonten onwetend zijt", +wedervoer Brigitta. "Vermits wij hier nu alleen zijn en vrij kunnen +kouten tusschen den arbeid, laat mij u de zaak uitleggen en gij zult +begrijpen waarom er nog eenige fierheid in mijn bloed overblijft. Mijn +vader heette Warnfried; hij woonde in Kerlingaland en was een vrij man; +als eigenaar van eene hut en van eenen akker, was hij lid van het Gilde +en had stemrecht in de vergadering van het Ambacht. Voor alle maagschap +had hij eenen neef, evenals hij. Deze neef werd de oorzaak van ons aller +ongeluk. Op een plechtig Gildenmaal te Loo, door het drinken van +hoppebier verhit, geraakte hij in twist met eenen anderen Kerel en +bracht met zijne schermzeis--dit is een zwaard--zijnen tegenstrever +eenen zoo noodlottigen slag toe dat hij er van stierf. De talrijke +bloedverwanten van den overledene zouden onzen neef en mijnen vader +gedood hebben, zooals het recht en de plicht der _Veete_ het hun +oplegden. Evenwel, zij gaven ons vrede en aanvaardden den zoen; maar het +zoengeld dat zij eischten was zoo aanzienlijk, dat alwat mijn vader en +zijn neef bezaten nauwelijks toereikend was om het te betalen[25]. Mijn +vader bleef dan zijne hut bewonen, niet meer als eigenaar, maar als +vrijlaat, zittende op een anders goed. Weinig tijds daarna, in den +Houthulst op jacht zijnde, werd hij, eilaas, door een everzwijn zoo +deerlijk gewond, dat men hem ter plaatse dood vond. Nu bleef mijne +moeder alleen met drie onmondige meisjes, zonder maagschap en zonder +eenen enkelen verdediger. Door wanhoop gedreven, reisde zij met mij en +mijne kleine zusters naar het klooster ten Nonnenbosch, bij Yperen, en +gaf zich zelve en hare kinderen tot lijfeigenen van het klooster aan de +Priorine[26]. Zoo ben ik, zonder mijn toedoen, van vrijgeborene Kerlinne +in eeuwige dienstbaarheid vervallen. Ten Nonnenbossche heeft men mij wel +behandeld en mij veel schoon werk geleerd. Mijne arme moeder, die nu bij +den Heer is, beschuldig ik insgelijks niet; maar de vrijheid, ziet gij, +is een kostbaardere schat dan het leven; en wat moeite ik er ook toe +inspanne, ik kan mij aan de dienstbaarheid niet gewennen." + +Er bleef eene wijl stilte. + +"Alzoo, gij zijt waarlijk vrij geweest?" murmelde Martha. + +"Gij hoort het wel. Wat ik zeg is enkel waarheid. Toen onze jonkver +Placida den wensch had uitgedrukt om eene jonge huismeid te vinden die +handig was in naai- en stikwerk, heeft haar heer vader mij afgekocht van +het klooster ten Nonnenbosche, en zoo ben ik nu zijne lijfeigene +geworden." + +"Maar wat kon uwe moeder anders doen?" bemerkte Amelberga. "In alle +geval zoudt gij de dienaresse van vreemden geworden zijn en uwe vrijheid +verloren hebben." + +"Daarin bedriegt gij u", was het antwoord. "Zijn er onvrije menschen in +Kerlingaland, dezen wonen op de leenen der heeren. De Kerels in de +Ambachten kennen geene slaven. Hunne huisdienaars zijn ook vrije +menschen die aan denzelfden disch eten met degenen voor wie zij werken. +Men noemt ze niet dienaars of schalken, maar _gezellen_, en zij gaan en +komen en verhuren hunnen arbeid waar en aan wien zij willen. Het eenig +onderscheid bestaat daarin dat men een grondeigendom, hoe gering ook, +moet bezitten om stemrecht in de vergadering te hebben[27]. Ware ik vrij +gebleven, ik hadde gemakkelijk eenen Kerel tot bruidegom gevonden. +Indien mijn man geen stuk grond bezat, zouden wij jaren gearbeid hebben +om er een te koopen. Dan hadde ik gewoond in onze eigene hut, op onze +eigene aarde, vrij en trotsch als de edelste jonkvrouw van Vlaanderen. +Begrijpt gij dat ik de noodlottige daad mijner moeder betreur, en +moeilijk de schaamte verkrop wanneer men mij toespreekt alsof ik zelf +geen mensch was?" + +"Ja, en nu begrijp ik insgelijks waarom gij zulke voorliefde voor mher +Robrecht Sneloghe toont, terwijl gij van mher Ghijselbrecht Tancmar met +weinig eerbied spreekt", zeide de oude Martha. + +"Is het niet met reden?" antwoordde Brigitta. "Mher Robrecht is veel +rijker dan mher Ghijselbrecht; hij is schooner van gelaat, zachter van +gemoed en daarbij minzaam met iedereen, zelfs met ons. Hij is slechts +driemaal hier geweest en heeft telkens ons gegroet. Zou Ghijselbrecht +Tancmar zulks doen?" + +"Dit is evenwel niet wat ik wil zeggen, Brigitta." + +"Wat dan, Martha?" + +"Het bloed spreekt in u." + +"Ik begrijp u niet." + +"Ik zal u dan iets zeggen, Brigitta, dat gij niet weet. Robrecht +Sneloghe is een Kerel geweest." + +"Onmogelijk. Wie Kerel geboren is blijft het zoolang hij zijne vrijheid +behoudt." + +"En wanneer men wil ophouden Kerel te zijn?" + +"Men kan dit niet, Martha. Men is door eenen onverbreekbaren band aan +het Gilde verbonden." + +"Welnu, zijn vader, vroeger kastelein van Brugge, was een Kerel, in het +Veurne-Ambacht geboren. Mher Robrecht zelf, meen ik, kwam ter wereld te +Eggewaardskapelle, waar hij nu nog vele goederen bezit." + +"Dan is mher Robrecht insgelijks een Kerel!" riep Brigitta met +blijdschap uit. + +"Dat hij het nog is, geloof ik zeker niet", ging Martha voort, "maar +indien gij dit alles niet wist, dan heeft wel werkelijk het bloed in u +gesproken, Brigitta." + +"Inderdaad, het is wel mogelijk.... Ach, Martha, ik smeek u, beloof mij +iets! Gij kunt veel op onze jonkvrouw. Raad haar aan mij met zich te +nemen als zij, na haar huwelijk, dezen Steen verlaat. Wie weet of zij +niet in Kerlingaland zal wonen? Zoo, met mher Robrecht, met eenen Kerel +tot meester, zal ik mij gelukkig achten; de dienstbaarheid zal mij +lichter wezen en ik zal mij misschien in mijn lot.... Stil! daar is onze +jonkvrouw met mher Robrecht...." + +De vrouwen stonden op en bogen ten teeken van eerbied het hoofd, doch +schouwden tersluips naar hunne naderende meesters. + +Bovenal hielden zij met bewondering en nieuwsgierigheid den blik +gevestigd op een kostbaar juweel van Oostersche parelen en groene +smaragden, dat aan den hals der jonkvrouw glinsterde en, met een kruis +van vuurroode robijnen, tot op hare borst nederhing. Zij twijfelden niet +of dit moest de aanvaarde gift van haren verloofde zijn. Het huwelijk +zou dus binnen eenige weken worden gevierd! + +Placida Van Woumen kon twintig jaar oud zijn. Zij was rijzig van +gestalte en hield hals en hoofd zeer rechtop. Dit gaf haar een voorkomen +van trotschheid, dat nog versterkt werd door den tragen, statigen blik +harer oogen. Het blonde haar dat, evenals bij alle ongehuwde vrouwen, +haar in lange lokken over de schouders golfde, was boven haar hoofd met +eenen gouden band bevestigd. Gansch in witte zijde was zij gekleed. + +Men zou gezegd hebben dat zij insgelijks tot het aanvaarden van dit +huwelijk zekeren dwang onderging, of, ten minste, met volledige +onverschilligheid zich aan den wensch harer ouders had onderworpen; want +zij antwoordde slechts met korte bevestigende woorden op de hoofsche +gezegden van Robrecht, en haar gelaat, alhoewel het geene teekens van +ontevredenheid toonde, bleef onbewogen en koel. + +Achter de jongelieden kwam Rijkaard Van Woumen met zijne echtgenoote, +Ver Aldegunda. + +Eenige dienaars of schalken volgden hen met leunstoelen. + +Op een teeken van mher Rijkaard verliet de oude Martha met hare beide +gezellinnen den tuin. + +De leunstoelen werden onder eenen hoogen lindeboom geschikt. Elk nam +plaats, en men zettede het afgesproken gesprek voort, terwijl een oude +schalk en een jonge knaap bij de achterdeur van den Steen bleven staan +om elk bevel der meesters te ontvangen. + +"Alzoo, mher Sneloghe", vroeg Placida's vader, "het is wel besloten, +niet waar, dat gij Ravenschoot tot zomerverblijf zult kiezen? Deze +burcht staat niet verre van Brugge. Het zou ons pijnlijk vallen van onze +eenige dochter door eenen grooten afstand gescheiden te blijven; maar op +zulke wijze zal het zijn alsof zij ons niet had verlaten." + +"O, mijne lieve Placida", riep Ver Aldegunda uit, als wilde zij hare +dochter tot blijdschap opwekken, "Ravenschoot is zulk schoon landgoed, +dat het geroemd wordt in gansch Vlaanderen om zijne lustige boomgaarden, +waranden en tuinen! Het is tevens zeer uitgestrekt en heeft groene +weiden en wildrijke bosschen. Ik ken het wel: toen mher Robrechts moeder +en ik nog kinderen waren, heb ik dikwijls op Ravenschoot gespeeld. Wie +hadde dan kunnen denken dat mijne dochter, mijne lieve Placida, eens +daar als meesteresse den sleutelbosch zou dragen! Zijt gij niet +vroolijk daarom, Placida?" + +"Ja, moeder", antwoordde de jonkvrouw. "Ik weet sedert lang dat geen +landgoed zoo schoon als Ravenschoot rondom Brugge ligt; maar wat mij +meest verheugd is toch dat ik u bijna dagelijks zal kunnen zien en +omhelzen." + +"Die goede Placida!" zuchtte Ver Aldegunda ontroerd. + +"Ik had een oogenblik gevreesd", zeide mher Rijkaard tot zijnen +toekomenden schoonzoon, "dat gij lust kondet hebben om van het landgoed +te Houthem uw zomerverblijf te maken. Het is wel een aanzienlijk +eigendom, maar veel minder toch dan Ravenschoot, en het ligt bij Veurne, +zoo verre van Brugge!" + +Robrecht had het hoofd gebogen en scheen in gepeinzen verzonken. +Daarover verwonderd, aanschouwden Rijkaard en zijne vrouw den jongen +ridder met kommer. + +Na eene korte stilte vroeg Placida's vader: + +"Gij zijt zoo droomachtig, mher Sneloghe?" + +Robrecht hief het hoofd op, sloeg met eenen glimlach den blik op Placida +en zeide: + +"Ja, mij boezemt de Heer eene goede gedachte in. Ik meende ze verborgen +te houden tot den dag na ons huwelijk; maar dewijl jonkver Placida zoo +minzaam mijne beloftegift heeft aanvaard, voel ik mij aangedreven tot +onbescheidenheid. Volgens de overeenkomst tusschen u, mher Van Woumen, +en mijnen oom, den proost van St-Donaas, gesloten, zal ik mijner bruid +het landgoed te Houthem als morgengave[28] in vollen eigendom schenken, +niet waar?" + +"Zoo is het inderdaad tusschen ons bepaald geworden." + +"Welnu, ik ben overtuigd dat de heer proost en geheel mijne maagschap +mijn nieuw besluit zullen goedkeuren. Niet Houthem, maar wel het schoone +Ravenschoot zal de morgengave mijner bruid zijn. Zoo wone dan mijne +echtgenoote met mij op haar persoonlijk eigendom." + +Placida's oogen glansden van ware blijdschap en van hoogmoed; hare +ouders juichten luid. Ravenschoot was inderdaad zulk uitgestrekt goed, +dat het alleen den rijkdom van een ridderlijk huisgezin kon uitmaken. + +Terwijl men nog bezig was met Eobrecht om zijne vrijgevigheid te roemen +en hij betuigde dat hij, zooveel het hem mogelijk was, alles wilde +inspannen om zijne vrouw gelukkig te maken en vereerd te zien, naderde +de knaap die tot dan bij de deur had gestaan. + + +[Illustratie: ... Robrecht hief het hoofd op. (bladz. 64)] + + +"Heer", zeide hij tot Van Woumen, "er is een ridder in de zaal; hij +verlangt u te spreken." + +"Ik heb nu geenen tijd", mompelde Rijkaard ontevreden. "Verzoek hem na +den middag te willen wederkeeren." + +De knaap trok de schouders op, als wilde hij betuigen dat zulke +boodschap moeilijk was. + +"Wie is dan deze ontijdige bezoeker?" vroeg zijn meester. + +"De hofraadsheer Tancmar Van Straten", was het antwoord. + +Mher Rijkaard stond met verrassing op. + +"Tancmar? 's Graven raadsheer?" herhaalde hij. Zou hij waarlijk van het +leger teruggekeerd zijn? Zeker, hij brengt belangrijk nieuws.... Nu, +Aldegunda, blijf intusschen met onze jongelieden nog wat kouten. Ik keer +zoo spoedig mogelijk tot u weder." + +Deze woorden sprekende, begaf hij zich naar den Steen en trad in eene +groote zaal, waar hij een reeds bejaarden ridder, die hem met bewijzen +van vriendschap te gemoet kwam, de handen hartelijk drukte. + +Na de eerste grotenissen gewisseld te hebben, zeide Rijkaard: + +"Zoo, zoo, mher Tancmar, gij zijt terug van den oorlog?" + +"Niet voor goed, vriend Van Woumen", was het antwoord. "Ons leger blijft +nog te Atrecht; maar de graaf komt overmorgen naar Brugge." + +"Onze graaf komt overmorgen te Brugge?" + +"Ja. Op mijn verzoek heeft hij mij met Walter Van Lokeren afgezonden om +zijnen voornamen leenhouders de tijding zijner komst te brengen; want +hij verlangt met plecht te worden onthaald, om reden dat eenige Fransche +ridders hem zullen vergezellen, onder anderen de jonge Willem van +Normandie, 's konings gunsteling. Gij zult niet nalaten, mher Rijkaard, +onzen graaf te gemoet te gaan?" + +"Zeker niet; ik zal mijnen plicht als trouw vazal met blijdschap +vervullen. Maar hoe komt het dat gij zoo onverwachts uit Frankrijk +terugkeert? Is de oorlog ten einde?" + +"De vrede is gesloten." + +"En zal onze heer graaf nu voor goed in Brugge blijven?" + +"Nog niet. Hij zal insgelijks te Yperen eene plechtige intrede doen en +keert dan onmiddellijk weder naar het leger.... Maar zeg mij, mher Van +Woumen, ik heb in Brugge iets vernomen, zoo verrassend en zoo +ongeloofelijk, dat ik nog zou twijfelen, al verzekerdet gij zelf het +mij...." + +Het gelaat van Rijkaard werd streng en mistrouwend. Hij voorzag waarover +Tancmar hem ging onderhouden. + +"Aangaande mher Robrecht Sneloghe?" murmelde hij. + +"Inderdaad; men zeide mij dat er spraak is van een huwelijk tusschen +uwe dochter en mher Sneloghe." + +"Men heeft u niet bedrogen", wedervoer Bijkaard met fierheid, als +wapende hij zich op voorhand tegen eene waarschijnlijke aanvechting. +"Dit huwelijk is besloten." + +"Besloten?" riep Tancmar. + +"De beloftegift is dezen morgen aanvaard; nog eene maand en het zal +voltrokken worden." + +"Ik geloof het niet, mehr Van Woumen." + +"Waarom?" + +"Omdat de graaf zelf desnoods het u zal afraden; en gij, vriend +Rijkaard, zoudt wel zeker zijnen raad volgen, tenzij gij voorgenomen +haddet, evenals de Kerels, juist dat te doen wat den vorst kan +mishagen." + +"De graaf weet niets van het ontworpen huwelijk. Gij zijt het dus die +hem daartoe zoudt aandrijven?" + +"Ik of anderen uwer vrienden, uit genegenheid voor u, in het belang uwer +dochter en voor de eer van uwen naam." + +"Waarlijk, ik begrijp niet wat gij wilt zeggen", riep Rijkaard met +spijtig ongeduld. "Robrecht Sneloghe is uiterst rijk, een volmaakt +ridder, hoofsch, edelmoedig, goed van harte en door iedereen geacht en +bemind. Zijn vader, die met onzen heer graaf ter kruisvaart trok, heeft +zich in het Heilige Land door zijne dapperheid vermaard gemaakt." + +"Sneloghe is een Erembald, mijn vriend." + +"Welnu, wat geeft dit?" + +"De Erembalds zijn Kerels." + +"Meent gij dan dat ik zulks niet weet?" morde Rijkaard Van Woumen. + +"Eilaas, eenen goeden vriend blindelings de oneer voor zijn geslacht +zien aanvaarden, het is pijnlijk!" zuchtte Tancmar. + +"Maar welke oneer toch? Omdat Robrecht een Kerel is? Ik weet het, mher +Tancmar, gij haat de Kerels en bovenal de Erembalds. Mij verwondert het +dat gij Robrecht Sneloghe niet reeds een Blauwvoet hebt genoemd; maar +Blauwvoet, Isegrim, het zijn scheldwoorden, die niets voortbrengen dan +haat en twist. Mij is een vrije Kerel even waardig als een edelgeboren +ridder." + +"Maar de Kerels kunnen niet vrij blijven", wedersprak de hofraadsheer +met nadruk. "Niets kan hen tegen de dienstbaarheid behoeden; het is +slechts eene zaak van tijd." + +"Hoe meent gij het?" + +"Wel ja, mijn vriend; laat ons vooronderstellen dat de Kerels, van de +barbaarsche tijden af, vrije lieden zijn geweest, zooals overigens al de +barbaren, die naar het zuiden afzakken, de Romeinen uit Gallie, dat is +uit Frankrijk, hebben verdreven. Nu toch, door verloop der eeuwen en +door de meerdere beschaving der wereld, heeft in Frankrijk, in +Duitschland, in Italie en zelfs in het grootste gedeelte van Vlaanderen +het volk zijne vrijheid verloren en zijn de dorpers, arbeiders en alle +laaggeboren lieden den heeren en edelen ondergeschikt en dienstbaar +gemaakt. Meent gij dat de Kerels, zoo weinig sterk als afzonderlijk +volk, alleen wetten en inrichtingen zouden kunnen behouden, die de +gansche ridderschap moet aanzien als eene inbreuk op de vorstelijke +macht en op de overheid die den edelgeborenen toebehoort?" + +"Maar het is nu misschien sedert twee eeuwen dat de Kerels hunne +vrijheid te verdedigen hadden", bemerkte Rijkaard. "Mij dunkt, dat ze +daardoor niet zijn verzwakt." + +"Inderdaad, maar nu nadert wel zeker hun einde. Tot den dag van heden +bestond onder de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen veel +verdeeldheid. Zij hadden geen hoofd, dat hen kon leiden en gebieden. Dit +hoofd is nu de machtige en gevreesde koning van Frankrijk. Zoo, aan een +opperhoofd gehoorzamende, zal de ridderschap, door hare eendracht +alleen, elke zucht naar onafhankelijkheid verstikken, die ergens uit den +schoot van het dorpere volk mocht opstijgen; en waar nog iets van de +oude vrijheid der onedelgeborenen overblijft, daar zullen wij deze +laatste sporen der barbaarsche wetten onmeedoogend vernietigen. Het is +te zeggen dat de Kerels welhaast tot de dienstbaarheid zullen worden +gedwongen." + +"En zijt gij voornemens dit doel met geweld pogen te bereiken?" + +"Met list en geweld." + +"Maar het is eene schandelijke valschheid!" riep Rijkaard met +verontwaardiging uit. "Gij en de andere ridders, de graaf zelf, hebt +voor uw vertrek de Kerels laten gelooven dat men hun voortaan hunne +vrijheid niet meer zou betwisten!" + +"Wanneer men naar verre streken ten oorlog trekt, moet men den vrede +achter zich in het land laten", antwoordde Tancmar met eenen slimmen +glimlach. + +"En nu zou onze heer graaf de Kerels bedriegen?" + +"Neen; dat zulks voor alsnu ten minste zijn inzicht zij, zou ik niet +durven beweren. Maar vergeet niet dat onze heer graaf eenen heimelijken +wrok tegen de Kerels in het hart draagt, omdat vele Ambachten en zelfs +eenige Erembalds, in den oorlog voor de Kroon, Willem van Loo tegen hem +hebben geholpen. Hij wenscht daarom insgelijks de Kerels onderjukt te +zien; maar hij hoopt mettertijd en zonder bloedstorting allengs dit doel +te bereiken. Laat de Kerels iets bedrijven dat onzen graaf bijzonder +mishaagt,--wij zullen er voor zorgen,--dan zal hij onmiddellijk doen wat +de koning van Frankrijk en wat al de ridders hem raden, dit is te zeggen +de Kerels verpletten en voor altijd in dienstbaarheid slaan." + +"De Kerels verpletten?" herhaalde Rijkaard. "Het is zoo gemakkelijk +niet. Welk ijselijk bloedbad!" + +"Neen, geen bloedbad, mijn vriend. Weet gij wel dat wij, Vlaamsche +ridders, met onze wapenknechten, in het Fransche leger wel tienduizend +sterk zijn[29]? Wat zouden de Kerels kunnen doen, indien eene macht van +tienduizend krijgslieden in de Ambachten verscheen, om daar al te +verpletteren wat weerstand zou durven bieden? En ware dit ontoereikend, +is geheel het Fransche leger niet daar om ons te helpen." + +"Het Fransche leger zou u helpen tegen de Kerels?" + +"Ja, zeker." + +"Maar onze heer graaf zou het beletten." + +"Nu misschien, inderdaad; maar wij kennen zoovele middelen om de Kerels +tot onvoorzichtigheid aan te drijven en den graaf tegen hen verbolgen te +maken!... Kom, kom, mijn vriend Rijkaard, het is ten einde met de +Kerels. Geen grond zonder heer. De Kerels zullen den graaf dienstbaar +gemaakt worden, en willen die vermaledijde Blauwvoeten den nek onder het +juk niet buigen, welnu, dan zal men ze vernietigen en hun land met een +min onplooibaar ras bevolken." + +Rijkaard Van Woumen schouwde ten gronde en schudde kommervol het hoofd. + +"Ha, ik wist wel dat gij eindelijk den afgrond zoudt erkennen waarin +gij, door onwetendheid der zaken, u en uw onnoozel kind ging storten!" +riep Tancmar zegevierend uit. "Laat ons nu vooronderstellen dat jonkver +Placida met Robrecht Sneloghe getrouwd zij, op het oogenblik dat de +Kerels tot den staat van onvrije lieden worden verlaagd. Uwe dochter zou +dus het lot van het veroordeeld geslacht moeten deelen? Gij zelf zoudt +in dezen strijd de zijde der Kerels moeten kiezen tegen den graaf en +tegen de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen. De banden des bloeds +zouden u er toe verplichten; want gij zoudt van der Keerlen maagschap +zijn." + +"Veroordeeld geslacht? De Erembalds?" mompelde Rijkaard verschrikt. +"Meent gij macht genoeg op den graaf te hebben om hem de Erembalds in de +vervolving te doen begrijpen?" + +"Ik twijfel er niet aan", was het vaste antwoord. "Er is in alle +gebeurtenissen eene natuurlijke volgorde die mij het recht geeft te +denken dat de Erembalds in den val der Kerels zullen begrepen worden." + +"Gij brengt mij in erge verlegenheid, mehr Tancmar." + +"Maar neen, de zaak is eenvoudig. Zoek het een of ander voorwendsel om +mehr Sneloghe af te wijzen. Willen de Erembalds zich daarover wreken, ik +beloof u niet alleen de hulp van al de ridders, maar tevens de +bijzondere bescherming van den graaf. Gij zult gemakkelijk eenen even +voordeeligen bruidegom voor uwe dochter vinden ... Mijnen zoon +Ghijselbrecht, bijvoorbeeld. Hij geniet 's vorsten gunst in hooge maat." + +"Ghijselbrecht, uwen zoon?" herhaalde Rijkaard met eenen schertsenden +glimlach. + +"Ik weet dat gij hem niet genegen zijt", zeide Tancmar, "maar bij +bemint jonkver Placida en zij zou hem gewillig tot echtgenoot +aanvaarden." + +"Is het daarom dat gij hare huwelijksbelofte met Sneloghe poogt te +verbreken?" morde Van Woumen. + +"Ho, neen, spreken wij er niet meer van. Later zult gij rechtvaardiger +jegens hem worden. Nu, zeg mij, vriend Rijkaard, blijft gij waarlijk bij +uw voornemen uwe dochter in een geslacht te doen treden dat eerlang tot +den slavenstaat kan gedompeld worden?" + +"Het is eene erge zaak!" zuchtte Van Woumen. "Ik wil daarover nu niets +beslissen. Er blijft nog tijds genoeg over ons er op na te denken." + +"Inderdaad; maar ik ben toch zeker van uw besluit. Overmorgen zullen +velen uwer beste vrienden met den graaf in Brugge komen. Ondervraag hen; +gij zult overtuigd worden dat ik uit plichtgevoel nog veel van de +waarheid u heb verzwegen ... Nu moet ik u verlaten; mijn tijd is +kostelijk: ik heb nog veel te bezorgen. Indien gij onzen vriend Walter +Van Lokeren wenscht te zien, gij zult hem ten mijnent vinden tot verre +op den namiddag." + +"Ik zal komen", murmelde Rijkaard in gedachten, "ja, ik zal komen." + +Beiden verlieten de zaal en stapten over den neerhof. + +Tancmar bleef eene wijl staan en zeide tot Rijkaard met teruggehouden +stem: + +"Als de Kerels onderjukt zijn, worden al hunne eigendommen tot gronden +der kroon verklaard. Overweeg, mijn vriend, dat, buiten eenige leenen, +de Kerels geheel het land der Ambachten bezitten, van Grevelinghe af tot +op de eilanden in de mondingen der Schelde. Dit schoon en rijk gewest +zal dus door den graaf in leenen worden verdeeld en weggeschonken aan de +ridders die 's vorsten gunst genieten. Onze graaf bemint u zeer +uithoofde der vorige diensten welke gij hem hebt bewezen. Gij zult toch +de kans om uwe erfgoederen aanzienlijk te vergrooten niet willen +vernietigen ... Nu, vaarwel, tot dezen namiddag. Overweeg met wijsheid; +want het lot uwer eenige dochter en de eer van uw geslacht hangen van de +beslissing die gij zult nemen." Onder het uitspreken dezer woorden was +hij tot de poort genaderd. Hij drukte nu de hand van zijnen gezel en +verliet sher Rijkaards Steen. + +Placida's vader keerde terug tot de zaal en liet zich daar op eenen +stoel nederzakken. Hij legde zich de hand op het voorhoofd schouwde eene +wijl denkend ten gronde en murmelde dan: + +"Arme Kerels! Zij arbeiden in vertrouwen, zij bevaren de zee, zij +beploegen den grond, zij weven, zij drijven handel, zij openen zoo voor +Vlaanderen de bronnen van welvaart en rijkdom, terwijl heerschzuchtige +lieden hunnen ondergang smeden!... Tancmar is de geboren vijand der +Erembalds en, om dezer macht te breken wenscht hij de Kerels onderjukt +te zien. Maar onze graaf zal zijne kroon aan de uitvoering dezer +onrechtvaardige ontwerpen niet gaan wagen. Hij is een wijs en edelmoedig +vorst ... Evenwel, wie weet, eilaas, welke gedachten de koning hem kan +hebben ingeboezemd De Fransche ridders begrijpen niet dat geheel een +volk uit vrije mannen kan bestaan. De geest van onafhankelijkheid, dien +de Kerels tegenover elkeen, zelfs tegenover den vorst toonen behaagt +onzen graaf niet ... Zoo Tancmar mij de waarheid had gezegd? Ik ben +vader: mijn kind mag ik niet opofferen ... Maar indien Tancmar mij had +bedrogen? Droeve onzekerheid!" + +Hij stond op en begaf zich met tragen stap naar den tuin, intusschen +zeer bezorgd om te weten welke houding hij nu jegens Robrecht Sneloghe +zou aannemen; maar bij geluk vond hij den jongen ridder bezig met eene +groetenis uit te spreken, om voor dien dag afscheid van zijne verloofde +te nemen. Hij meende te bemerken dat, terwijl Robrecht tot vaarwel +Placida de hand drukte, zijne dochter haren toekomenden echtgenoot eenen +blik toestuurde vol teedere minzaamheid. Dit gezicht bedroefde hem nu, +om reden dat de liefde, indien zij met zekere innigheid tusschen de +jongelieden ontstond, hem het te nemen besluit oneindig moeielijker zou +maken, in geval hij zich gedwongen zag voor het geluk van zijn kind bet +ontworpen huwelijk te breken. + +Tot Robrecht naderende, zeide hij: + +"Gij verlaat ons, mijn vriend? Het is waar, gij zijt reeds een paar uren +hier, en er zijn tijdingen gekomen die van elk onzer eenige werkzaamheid +eischen. Gij weet ongetwijfeld reeds dat onze heer graaf overmorgen in +Brugge komt?" + +"Ja, mher Van Woumen, ik weet het", was bet antwoord. "Zooals gij zegt, +deze komst legt ons zekere plichten op die niemand onzer mag verzuimen. +Wij moeten onzen vorst eene schitterende intrede bereiden." + +Op de vraag van Placida en hare moeder, gaf Rijkaard eenige uitleggingen +over het bericht dat des graven raadsheer hem had gebracht. Dan zeide +hij: + +"Ik moet ten gevolge dezer tijding onmiddellijk uitgaan. Indien Robrecht +mij een eind weegs wil vergezellen?" + +De jonge ridder herhaalde zijnen afscheidsgroet en volgde, zonder meer +te spreken, Rijkaard Van Woumen tot in de Naaldestraat. + +Dit stilzwijgen scheen Placida's vader te hinderen. Hij vroeg dan, als +om toch iets te zeggen: + +"Wat benevelt dan uwen geest, mijn vriend? Gij zijt zwaarmoedig" + +"Ik zwaarmoedig?" mompelde Robrecht, uit eene diepe mijmering +opschietende. "Ho neen, heer, ik dacht aan de onverwachte terugkomst van +onzen heer graaf." + +"Indien ik wel onderricht ben, dan zou inderdaad de terugkeer van onzen +vorst niet even verblijdend zijn voor al de lieden van Vlaanderen. Weet +gij iets van zekere onrustwekkende geruchten?" + +En onder het uiten dezer woorden bezag hij mher Sneloghe aandachtig. + +"Onrustwekkende geruchten?" herhaalde deze, in twijfel het hoofd +schuddende. + +"Ah, God dank, men zal mij bedrogen hebben!" juichte Rijkaard. + +"Meent gij misschien de geruchten volgens welke de Isegrims zouden +voornemens zijn de Kerels opnieuw te verontrusten en te vervolgen, +zoohaast het leger in Vlaanderen wederkeert?" + +"Ja, mijn vriend." + +"Mijn oom, de proost, moet er iets van weten; want hij sprak mij er van +met treurnis en spijt." + +"Het zou dus waar zijn?" kreet Rijkaard. "De proost sprak er van met +treurnis? Hij vreest dus dat men er in gelukke den Kerels het juk der +dienstbaarheid op te leggen?" + +"Ho, neen, dit kan een Erembald niet vreezen", wedervoer Robrecht met +fierheid. "Niemand zal Kerlingaland onderjukken; maar mijn oom treurt +bij het gepeins dat alweder duizenden Christenen gaan sterven om hunne +bedreigde vrijheid te verdedigen." + +"Zouden de Erembalds zich waarlijk de zaak der Kerels aantrekken?" + +"Daaraan kunt gij niet twijfelen, heer. Wij, zonen van Erembald zijn +Kerels zoowel als de vrije lieden der Ambachten, en wij zullen tegen het +onrecht blijven worstelen ten koste van goed en bloed, al moest ook de +laatste onzer in dien strijd bezwijken." + +Deze bevestiging van Tancmars voorspelling verschrikte Rijkaard. Hij +zeide dat hij naar de Zilverstraat moest gaan, drukte Robrecht ontsteld +de hand en verwijderde zich. + +De jongeling zette met zekeren haast zijnen weg huiswaarts voort, door +de St-Jacobsstraat; maar na eene korte wijl begon allengs zijn stap meer +en meer te vertragen en zijn hoofd voorover te hellen, als wierd zijn +geest bezwaard door duistere gedachten. + +Toen hij achter St-Christoffelskapelle kwam, bleef hij staan en keek +aarzelend in het ronde, als wist hij niet meer welken weg hij zou +inslaan om zich naar zijnen Steen te begeven. + +In stede van de Markt over te gaan, keerde hij ter linkerhand, stapte +over de Kraanbrug en daalde eene nauwe straat af, totdat hij de +Spiegelrei bereikte. + +Hier naderde hij den boord der vliet, staarde eene lange wijl in de +diepte van het heldere water en zette dan zijne droomachtige wandeling +voort onder de hooge olmen die de kade overlommerden. + +Eindelijk liet hij zich, als afgemat van denken, op eene steenen bank +nederzakken, en bleef daar met den blik ten gronde zitten. + +Zijn lot was dus beslist, afdoende en voor altijd beslist! Hij had zich +onderworpen aan de onverbiddelijke wet des plichts; hij had moed en wil +getoond en zich jegens Palcida en hare ouders op zulke wijze gedragen +dat zijn oom over hem moest tevreden zijn. In den eerste had deze +overtuiging hem verblijd en getroost: maar nu die eerste worsteling was +doorgestreden en hij zich alleen bevond met zijne gedachten, was allengs +weder het beeld van Dakerlia in zijnen geest opgestaan. Zijne droomen +schetsten hem nu voor de oogen het stil en gelukkig leven dat hij hadde +gesleten indien hij tot aan het graf had mogen vereenigd blijven met de +zoete speelgenoote zijner eerste jaren, met de teedere maagd wier beeld +zijn hart gansch had ingenomen en het nog onverwinbaar beheerschte, hoe +hij ook poogde, in het gevoel des plichts, krachten te vinden om het te +verjagen. Ach, nu hij eeuwig vaarwel aan den schoonsten droom zijner +ziel had gezegd, nu las hij met klaarheid in zijnen eigen boezem, nu kon +hij afmeten wat hij had verloren en welke schrikkelijke opoffering het +noodlot hem had afgedwongen! Zijne goede zuster Witta, de arme weeze, +welk zou voortaan haar lot zijn? Met de trotsche Placida zou zij niet +lang kunnen wonen zonder zich vernederd te gevoelen. Zij zou dus +heengaan en bij magen of vreemden eene toevlucht tegen de droeve +eenzaamheid moeten zoeken. Met Dakerlia hadde zij aan de zijde eener +zoete vriendin, eener teedere zuster geleefd. Welk huisgezin ware op de +gansche wereld gelukkiger geweest? Een hemel van genegenheid, van +vriendschap en van liefde! En nu, wat zou het zijn?... Maar er was niet +op terug te keeren. Zijn hart bloedde en stortte nog eens zijne treurnis +uit. Voor de laatste maal! Hij was man en zou zijnen plicht vervullen. +Het beeld van Dakerlia zou hij uit zijn hart rukken, zijn vorig leven +vergeten, en pogen gansch en oprecht de echtgenoote te beminnen die het +lot hem had gegeven. + +Dit waren de gepeinzen van den lijdenden jongeling, daar hij onder de +boomen, op de steenen bank, gansch bewusteloos van het overige der +wereld, eenen smartelijken strijd tegen zijn eigen hart voerde. + +Bij het einde dezer overweging ontsnapte hem een diepe zucht, en nog +meer helde zijn hoofd voorover onder het gewicht der smart. + +Terwijl hij daar beweegloos zat, naderde van den kant der Engelsche +straat een ander ridder. Zoohaast deze mher Sneloghe herkende, bleef hij +verrast staan en beschouwde hem met oogen waarin haat en nijd schenen te +vlammen. Van dit bitter gevoel moest zijn hart overstorten; want zijne +scherpe lippen trokken bevend tot eenen grijns te zamen. + +Na eene wijl dus met eene soort van booze vreugde op Robrecht te hebben +gestaard, gaf hij zijn gelaat eene treurige, doch minzame uitdrukking en +trad langzaam tot de steenen bank. + +Onder het murmelen eener groetenis zette hij zich neder met eenen diepen +zucht en zeide: + +"God zij dank dat Hij mij den eenigen mensch laat ontmoeten die mij kan +troosten. Robrecht, ik ben ongelukkig, diep ongelukkig O, mocht ik door +u vernemen dat alle hoop mij niet is ontnomen!" + +"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet", mompelde mher Sneloghe. + +"Robrecht, wij zijn vrienden. Laat gij mij toe u iets te vragen?" + +"Waarom niet? Spreek vrij, Disdir." + +"Robrecht, Dakerlia is schoon, niet waar?" + +"Welke vraag! Dit weet toch iedereen." + +"Ik bemin haar uit al de kracht mijner ziel; zonder hare wederliefde kan +ik niet leven." + +Mher Sneloghe zag hem verwonderd aan. + +"En Dakerlia bemint u niet?" murmelde hij. "Het is pijnlijk inderdaad." + +"Ha, zij zou zoo koel en zoo wreed niet voor mij blijven", kreet Disdir +Vos met eene nijdigheid welke hij poogde te bedwingen "maar, eilaas, zij +bemint iemand anders! Kent gij dien gelukkigen sterveling, Robrecht?" + +"Kom, kom, mijn vriend Disdir", antwoordde mher Sneloghe, treurig +glimlachende, "waarom dus met linksche omwegen mij ondervragen? Wees +openhartig. Gij wilt zeggen dat ik bet beletsel ben tot uw geluk? Heeft +jonkver Dakerlia dit verklaard?" + +"Ho, neen, maar ik meende het uit hare woorden te verstaan. Zij bemint u +wel zeker. Beken het mij, ik smeek u!" + +"Wat daarvan zij, Disdir, het is haar geheim." + +Eene zenuwtrekking schokte Disdirs leden, en een zucht ontsnapte hem. + +"Dit behoefde ik u niet te vragen, Robrecht", zeide hij, "ik wist het +sedert lang. Het is eene andere vrees die mij als een venijnige worm aan +het harte knaagt. Indien gij, Robrecht, voor Dakerlia hetzelfde gevoel +koestert, ben ik veroordeeld tot levenslange hopeloosheid. Indien gij, +integendeel, haar niet bemint, dan zal ik hare koelheid jegens mij wel +overwinnen. Wees edelmoedig ik zal, indien gij het eischt, alle hoop +verzaken en mijne liefde voor jonkver Wulf in mijnen boezem versmachten; +maar zeg het mij oprecht: bemint gij Dakerlia, Robrecht?" + +Zonder het zelf te weten, knikte mher Sneloghe met het hoofd. + +Een somber gegrol van wanhoop ontsnapte Disdir; hij stak de hand in zijn +kleed en neep zich de borst ten bloede, terwijl een traan van afgunst of +van smart in zijne oogen blikkerde. + +"Gij hebt mij niet begrepen, Disdir", zeide Robrecht, door medelijden +ontroerd. + +"Aldus gij bemint haar niet?" kreet mher Vos. + +"Ik heb haar inderdaad bemind ..." + +"O, hemel! En nu?" + +"Nu is die liefde door den plicht en door God zelf mij verboden Ik ga +trouwen-" + +"Trouwen?" + +"Met Placida Van Woumen. Ik kom van sher Rijkaards Steen. Jonkver +Placida heeft dezen morgen mijne beloftegift aanvaard. Binnen eene maand +zal ik haar echtgenoot zijn. Mijn oom de proost heeft dit huwelijk +bereid." + +"Ha, dank, dank!" murmelde Disdir. "Gij ontlast mijn hart van een +versmachtend gewicht." + +"Ik geloof inderdaad, Disdir, dat mijn huwelijk met jonkver Van Woumen +het u gemakkelijker zal maken de hand van Dakerlia te bekomen. Dit +gezegde kwetse u niet. Gij weet dat Dakerlia bijna van kindsbeen af met +mijne zuster Witta is opgevoed geworden. Geen wonder diensvolgens dat er +allengs een gevoel van wederzijdsche genegenheid in ons is ontstaan, +zonder dat wij het zelven wisten ..." + +"Zonder dat gij het wist?" onderbrak Disdir met eenen glim van +blijdschap. + +"Slechts dezen morgen, bij de aankondiging van mijn huwelijk ontsnapte +ons dit geheim." + +"En gij hadt nooit te voren uwe liefde bekend?" + +"Noch ik, noch zij. Geen woord had ooit deze geheime zucht onzer harten +verraden." + +"Ach, bedriegt gij mij niet, Robrecht?" + +"Wanneer heb ik iemand bedrogen? Ik ben niet verplicht u dit alles te +zeggen; maar ik gevoel te diep in mijnen eigen boezem wat gij moet +lijden. Daarom poog ik u te troosten." + +"O, heb dank!" riep Disdir Vos, zijnen vriend de hand drukkende "Het is +als gaaft gij mij, met de verlorene hoop, een nieuw leven weder. Durfde +ik van uwe edelmoedige vriendschap eene weldaad afsmeeken ..." + +"Spreek; wat mogelijk is zal ik gaarne doen." + +"Indien gij bij jonkver Dakerlia eenige goede woorden ten mijnen +voordeele wildet spreken? Naar u zal zij luisteren-" + +"Onmogelijk!" antwoordde Robrecht met eenen zucht, "Gij begrijpt het, +niet waar? Als eerlijk ridder moet ik mijne toekomende echtgenoote +eerbiedigen en mijnen plicht jegens haar vervullen Tusschen jonkver +Dakerlia en mij mogen geene betrekkingen meer bestaan. Kan ik haar naar +mijnen wensch geheel ontwijken, dan zal ik haar zelfs in vele maanden +niet meer zien." + +"Gij hebt gelijk, ja, gij hebt groot gelijk!" juichte Disdir. + +Na eene wijl vroeg hij, alsof hij eene overweging voortzette: + +"En is uw huwelijk wel zeker vastgesteld? Er is niet meer op terug te +komen?" + +"Onverbrekelijk vastgesteld, vermits jonkver Van Woumen daarop mijne +beloftegift heeft ontvangen." + +"En gij verzaakt Dakerlia voor immer?" + +"Uwe vragen zijn stout en indringend", antwoordde Robrecht met lichte +spijtigheid. "Ware ik nog vrij, dan zeker zou ik aan geen mensch ter +wereld de hand van Dakerlia afstaan. Nu even wel kost het mij niets u te +bevredigen door u te zeggen dat ik desaangaande alle hoop heb verzaakt. +Ik wensch uiterharte dat gij gelukket; geloof mij, ik zou Dakerlia +willen getrouwd zien." + +Robrecht stond op en, de hand drukkende die hem werd toegereikt zeide +hij nog met eene uiterste goedheid: + +"Nu, Disdir, heb moed. Ik zal mijne zuster aanraden in uw voordeel te +pleiten, als zij jonkver Wulf gaat bezoeken. Wat mij betreft, ik herhaal +het u, met Dakerlia wil nog mag ik voortaan spreken. Nu, vaarwel, en +blijf hopen." + +Hij verwijderde zich tusschen de boomen. Disdir Vos zag hem achterna +met een zuren lach op de lippen. + +"Hij heeft haar bemind! Hij bemint haar nog!" morde hij binnensmonds. +"En voor hem alleen klopt haar hart ... Wreede minnenijd, die mij den +boezem verscheurt!" + +Robrecht verliet welhaast de Spiegelrei en trad in de Ridderstrate, ten +einde derwelke de gulden weerhaan boven den toren van zijn Steen hem in +de oogen blonk. + +Al gaande overwoog hij eerst wat Disdir hem had gezegd, doch even ras +keerden zijne gedachten op zijn eigen lot en op het verlies van alle +levenshoop voor hem zelven. Weder werd hij treurig, bovenal toen hij +voorbij sher Wulfs Steen moest en het hoofd afkeerde om het gevaar te +voorkomen van Dakerlia's blik te ontmoeten. + +Toen hij zijne woning had bereikt en in de zaal trad, vond hij zijne +zuster met de handen voor de oogen zitten. Hij zag dat hare borst hijgde +en glinsterende tranen van hare vingeren rolden. + +"Mijne zuster, mijne goede Witta", vroeg hij, "hoe zijt gij zoo +bedroefd? Wat is de reden uwer smart?" + +"Ach, Robrecht", kreet zij, "die arme ongelukkige Dakerlia!" + +"Welnu? Dakerlia? Wat is haar geschied?" morde de jongeling verschrikt. + +"Ik heb haar de pijnlijke boodschap gebracht. Zij heeft nog niets gedaan +dan weenen, zij gaat te werk als eene zinnelooze. Nu ligt zij te bed. +Haar vader is niet te huis; maar de kamermeid heeft in aller haast +gezonden om den geneesheer te halen. Zij meent dat men Dakerlia zal +moeten aderlaten. Ik ben weggevlucht bij de komst van den geneesheer. +Bloed, bloed van die arme Dakerlia? Ik stierve moest ik het zien!" + +Een traan wilde in des jongelings oogen opwellen; maar hij bedwong dit +teeken zijner ontroering met geweld. + +"Ach, het is wel wreed, het lot dat ons allen treft!" klaagde Witta. "Nu +zal Dakerlia nooit meer in onzen Steen mogen komen. Dit is de belooning +voor hare teedere vriendschap, voor hare liefde! Eilaas, ik bezwijk van +wanhoop bij het verlies mijner goede zuster!" + +"Luister, Witta", sprak Robrecht op ernstigen toon. "Het huwelijk is een +band door God geheiligd en dien wij als Christenen verplicht zijn, tot +in den grond van ons hart te eerbiedigen. Ik ga trouwen, Placida Van +Woumen wordt mijne echtgenoote. Van dit oogenblik af mag ik aan Dakerlia +niet meer denken en gij, zuster, gij moogt haren naam voor mij niet meer +uitspreken. Begrijpt gij mij, Witta?" + +"Ik begrijp u, broeder", was het treurig antwoord. "Pijnlijk is de +plicht, maar toch, gij hebt gelijk. Zwijgen zal ik. Eilaas, indien die +arme ... Bloed laten! Het is schromelijk!" + +"Houd u sterk, Witta", zeide Robrecht met eene stemme die door den angst +was verdoofd. "Ga naar sher Wulfs Steen, verneem wat daar geschiedt, +opdat gij ten minste van de onrust wordet verlost. Ik ga op mijne kamer; +ik heb eenzaamheid noodig. Men store mij niet, ik smeek u, zuster lief." + +De smart overwon hem plotseling; hij sloeg de handen voor de oogen en +verliet met haast de zaal. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 25: Eenen moord kon men afkoopen van de erfgenamen of naaste +bloedverwanten des vermoorden, betalende eene zekere vergoeding, welke +men het _zoengeld_ noemde.] + +[Voetnoot 26: Er bestaan van dien tijd nog vele oorkonden waarbij zekere +vrije personen zich de eene of andere abdij dienstbaar maken om hare +bescherming te genieten.] + +[Voetnoot 27: Bij de Germaansche stammen moest men een grondeigendom +bezitten om stemrecht in de vergaderingen te hebben. Dit eigendom noemde +men eene _were_ en den bezitter eenen _weerman_.] + +[Voetnoot 28: _Morgengave_ was de gift welke de bruidegom zijne bruid +moest schenken den morgen na zijn huwelijk; het was de eigenlijke +bruidschat.] + +[Voetnoot 29: Zie aangaande de Vlaamsche strijdmacht, in het Fransche +leger: SUGER, _vie de Louis V, le gros,_ in de Coll. des memoires rel. a +l'hist. de Fr., tome VIII, pag. 126.] + + + + +IV + + +Karel van Denemarken, komende van Atrecht, over Rijssel en Kortrijk, had +met zijn gevolg den nacht te Thourout doorgebracht, waar hem de +gastvrijheid in het machtige klooster van St-Pieter was aangeboden +geworden. + +Vele Vlaamsche ridders, waaronder ook wel eenige Erembalds of voorname +Kerels van Brugge, waren hem hier komen vervoegen en hadden hem reeds +hunne hulde bewezen. + +Wat dezen hem hadden gezegd aangaande de volstrekte rust die gedurende +zijne lange afwezigheid in het Westelijk Vlaanderen had geheerscht, was +hem eene bron van voldoening, en hij toonde zich zeer minzaam met +elkeen, zelfs jegens zulke Kerels die vroeger, in den oorlog voor de +kroon, zijnen medestrever Willem Van Loo hadden geholpen. + +Dien dag nog zou hij te Brugge aankomen en, volgens de hem gebrachte +berichten, er met alle mogelijke pracht en onder de oprechtste en +warmste toejuichingen des volks worden onthaald. Daar hij innig wenschte +aan de Fransche ridders, die hem vergezelden, te kunnen toonen dat hij +in zijn graafschap hoog was geeerd en algemeen bemind, stemde de +zekerheid van zulk schitterend onthaal hem gunstig. Het was met +zichtbare teekens van welgemoedheid dat hij, na een hartelijk ontbijt, +te paard steeg, om aan het hoofd van zijn gevolg den weg naar Brugge in +te slaan. + +De ridders en wapenlieden, die al te zamen eene tamelijk sterke bende +vormden, hielden zich uit eerbied op eenigen afstand achter den graaf. +Deze reed alleen aan het hoofd van den stoet met Willem, den jongsten +hertog van Normandie, welke ditzelfde jaar met eene zuster der koningin +van Frankrijk was getrouwd en, als gunsteling des konings, zeer werd +vereerd en ontzien. + +Beide vorsten spraken vroolijk en vertrouwelijk van allerlei dingen; +maar het onthaal dat hem te Brugge was bereid, scheen graaf Karel meest +bezig te houden, want hij keerde er telkens op terug, wanneer zijn +gezel, door eenige bemerkingen over de landstreek, hem er af had geleid. + +Langen tijd hadden zij op matigen stap tusschen dichte bosschen gereden, +en slechts van verre eenige lieden gezien; maar nu kwamen zij eensklaps +in eene vlakte van bebouwde velden waar, om zoo te zeggen, de wegenissen +van Aartrijke, Ruddervoorde, Wardamme en andere dorpen te zamen liepen. + +Hier bemerkten zij dat de groote baan naar Brugge aan wederzijde bezet +was door eenen grooten toevloed van hoogstaltige mannen met lange +baarden[30], en bijna even hoogstaltige vrouwen. + +De hertog van Normandie, toen zij meer genaderd waren, keek met eene +bijzondere aandacht en met nieuwsgierigheid naar deze lieden, die hem +voorkwamen als een vreemd en hem nog onbekend volk. + +"Het zijn de Kerels waarvan men u reeds dikwijls heeft gesproken", +zeide de graaf. + +"Ha, dit zijn nu Kerels!" murmelde Willem van Normandie. "Zij hebben +waarlijk het voorkomen van halve wilden met die leelijke baarden!" + +In de kleeding dezer Kerels heerschte vooral de blauwe verf[31]; ook der +vrouwen optooi was geheel blauw, behalve dat hun lijnwaden kapmanteltje +bezaaid scheen met witte bloemstippen op donkerblauwen grond. Maar wat +aan de welhebbende Kerlinnen, nu zij hun feestgewaad hadden aangetogen, +het opmerkelijkste voorkwam, was de groote hoeveelheid goud en zilver +waarmede zij waren behangen: hoofd, hals, borst, ooren, handen +glinsterden bij hen met voorwerpen van kostelijk metaal. Ja, zelfs de +vele kinderen, die hen volgden, droegen insgelijks zulke kostbare +versiersels. + +Elke Kerel voerde aan zijne zijde een krom zwaard, dat hij zijne +scarmsax of schermzeis noemde, en waarvan het gevest bij sommigen met +zilveren drijfwerk was opgeluisterd. + +Toen de vorsten hen gingen naderen zwaaiden de Kerels en hunne vrouwen +hoeden en handen, en deden de lucht onder eenen machtigen welkomsgroet +hergalmen. Graaf Karel scheen gevoelig aan deze hartelijke uitdrukking +hunner hulde en groette meermalen met minzaamheid onder het +voorbijrijden. + +"Maar het zijn boeren, niet waar?" vroeg de hertog van Normandie +verwonderd. "Waarom dan voeren zij zwaarden, als waren zij +edelgeborenen?" + +"Ja, landbouwers zijn zij", antwoordde de graaf, "maar niet zooals men +dit in Frankrijk verstaat. Deze Kerels beweren van oude tijden af vrij +te zijn, evenals de beste ridder. Eenen Kerel zonder zwaard ontmoet men +nooit. Mijne voorgangers en ik zelf hebben vele pogingen aangewend om +het recht tot het dragen van wapens hun te ontnemen; maar dewijl zij +zeer manhaftig zijn en zij dit recht als een teeken hunner vrije +geboorte aanzien, zouden zij veeleer zich tot den laatste toe laten +dooden dan hun zwaard af te leggen." + +"En is het waar, heer graaf, zooals uw hofraadsheer mij zeide, dat zij +weigeren u eenige schatting te betalen?" + +"Inderdaad, het betalen eener schatting aanzien zij als het teeken der +dienstbaarheid; als vrije mannen willen zij zich daar niet aan +onderwerpen; maar wanneer ik hun verzoek mij eene hoeveelheid marken +zilvers te leveren, als hun deel in de kosten van 's lands bestuur of +van den oorlog, dan beraadslagen zij onder elkander daarover en schenken +mij de gevraagde hulp uit gelden die zij te zamen brengen en hunnen +Gildenschat noemen." + +"En zij zouden kunnen weigeren?" + +"Zeker, dewijl zij het aanschouwen als eene vrijwillige gift." + +"Men zegt dat deze Kerels niemand gehoorzamen, noch u, heer graaf, noch +uwe ambtenaars, noch hunne leenheeren." + +"Zij doen mij hulde als vorst en achten zich slechts verplicht mij in +geval van oorlog met wapenen te dienen. Heeren hebben zij niet. Zij +verwerpen allen invloed eener hoogere overheid in het bestuur hunner +zaken." + +"Maar uwe kasteleins hebben dan volstrekt niets te gebieden?" + +"De overheid mijner kasteleins strekt, in dit gedeelte van mijn +graafschap, niet verder dan het gebied der bemuurde steden. Daar benoem +ik de schepenen; maar de Kerels, in het veld en in de opene steden, +hebben hun land in zekere kringen verdeeld. Elke kring vormt een +rechtsgebied, dat zij een _Ambacht_[32] noemen, en de bewoners van zulk +Ambacht kiezen zelven, bij meerderheid van stemmen, hunne oversten en +hunne rechters. Zij leven waarlijk in eene bijna volledige +onafhankelijkheid van de kroon, en weigeren zelfs mij rekening te geven +van hetgeen zij aangaande het bestier hunner zaken beslissen of +verrichten." + +"En gij kunt zulken toestand van zaken dulden, heer graaf?" riep Willem +van Normandie, met eene verontwaardiging welke hij niet geheel kon +bedwingen. "Mher Tancmar heeft gelijk, het is eene miskenning uwer +overheid en eene bloedige vernedering voor alle ridders die gedwongen +zijn zulke grove boeren als hunne gelijken te erkennen. In welk oord der +wereld vindt men nog zulke monsterachtige inrichting?" + +"Ja, ja, ik denk er dikwijls aan", mompelde de graaf, "maar de Kerels +hebben een geschreven recht dat ik, bij mijne troonsbeklimming, heb +gezworen te eerbiedigen." + +"Wat doet het? Is alles op aarde niet van natuur veranderlijk? En zou +een vorst gedwongen zijn te eerbiedigen wat schadelijk is voor zijn land +of wat inbreuk doet op zijne wettige overheid?" + +"Het is eene zaak van tijd, heer hertog", antwoordde de graaf zeer +bedaard. "De wetten van het zoogenaamd Kerlingaland zal ik veranderd +krijgen; het is zelfs, ik beken het, een voornaam doel van mijn streven; +maar ik wil mijn gansche graafschap niet overdekken met bloed. De zaak +is moeielijker dan gij meent. Misschien zal ik door geduld en +voorzichtigheid meer bekomen dan door geweld." + +"De koning, mijn broeder, heeft u de hulp van zijn leger aangeboden. Men +kon dit trotsche gebroed in weinige dagen verpletten en voor altoos +terugwerpen in de dienstbaarheid, waar het nooit hadde mogen uit +opstaan." + +"Dit is de groote vraag", mompelde graaf Karel in zich zelven. "Zijn de +Kerels van Vlaanderen wel ooit dienstbaar geweest?" + +"Maar wat slag van volk is dit dan, en van waar zijn ze hier te lande +gekomen?" + +"Daarover zou de oude Littra, een geleerd kanunnik van St-Donaas te +Brugge, u beter dan ik bescheid kunnen geven," antwoordde de graaf. "Hij +weet uit de oude kronieken wat er in vroegere eeuwen is geschied. +Volgens hem wonen de Kerels reeds van den tijd der Romeinen in +Vlaanderen, en zijn hetzelfde volk als de Angelsaksen, die eertijds +onder hunne aanleiders Hengist en Horsa het Britsche eiland, dat is +Engeland, veroverden." + +"In uw graafschap vindt men dus volkeren van verschillig geslacht?" + +"Toch niet, heer hertog: al de bewoners van Vlaanderen zijn van +Germaanschen oorsprong; en is er eenig plaatselijk verschil in hunne +spraak, zij hebben toch eene gemeene taal, welke zij Dietsch noemen en +die in al de landen langs de zee wordt gebezigd, van Denemarken af tot +op de grenzen van uw hertogdom Normandie." + +"Dus zouden de Kerels van hetzelfde volk zijn als de Saksische bewoners +van Engeland?" + +"Het moet zijn, hertog; want de taal, de zeden en de wetten der Kerels +hebben nog eene opmerkelijke gelijkenis met hetgeen men desaangaande in +Engeland vindt." + +"Maar zijn ze dan nog zoo machtig en talrijk dat gij vreest ze tot +onderwerping te dwingen, heer graaf?" + +"Machtig, ja, in zeker opzicht, vooral door hunne onverschrokkenheid en +den rijkdom van sommige geslachten. Vroeger waren het al Kerels, die +gansch het Westelijk Vlaanderen bewoonden, van de stad Boulogne af tot +Kortrijk, en zoo naar de Zeeuwsche eilanden op tot over de kust van +Holland en Friesland. Door verloop des tijds hebben vele streken reeds +zich aan de algemeene wetten van het Frankische rijk onderworpen, en +dezen noemen zelfs zich geene Kerels meer; maar de bewoners der +Vlaamsche zeekust, tot voorbij Yperen, Thourout en Brugge, hebben hunne +oorspronkelijke zeden en wetten met hardnekkigheid verdedigd en ze tot +nu toe behouden, ondanks de onophoudende pogingen van vorsten en +ridders." + +"En zijn er geene edelen onder hen?" + +"Neen; maar, zooals ik u zeide, hertog, onder hen heeft men zekere +voorname lieden die eenen grooten invloed op de menigte uitoefenen. Zoo +hebben wij in Brugge een Kerlengeslacht dat uitnemend rijk en machtig +is, en welks leden men de Erembalds noemt. Deze zijn zeer hoog geacht en +zoo invloedrijk, dat het waarlijk, zooals gij ten onrechte meent, een +hoon voor mij en voor mijne edelen is, door hen eene overheid te zien +uitoefenen die mij en mijnen ridders wordt ontzegd." + +"Maar die schreeuwende schennis uwer kroon kan niet voortduren, heer +graaf!" kreet Willem van Normandie. "De gansche ridderschap zal u +betichten van zwakheid!" + +"Ik herhaal het u", zeide de graaf, het hoofd schuddende, "die toestand +zal veranderen; maar ik moet tijd en gelegenheid afwachten om dit doel +te kunnen bereiken zonder groote bloedstorting. Ik wil mijne kroon aan +dit gevaarlijk spel niet wagen. Wat mij tot geduld aandrijft is de goede +wil dien sedert eenigen tijd de Kerels mij betoonen; ik heb de hoop dat +ik, zonder geweld, hen zal kunnen doen toestemmen in het vrijwillig +overeenbrengen hunner wetten met de algemeene wetten van Vlaanderen. De +Kerels, ziet gij, heer hertog, zijn de beste en nijverigste landbouwers, +werklieden, koophandelaars en zeevaarders die men vinden kan. Een oorlog +tegen hen zou voor langen tijd de openbare welvaart in Vlaanderen +vernietigen." + +"Maar, heer graaf!" bemerkte Willem van Normandie verwonderd, "gij +spreekt zoo welwillend van deze Kerels! Uw hofraadsheer Tancmar +schilderde ze mij af als een verachtelijk ras van grove dorpers, van +moordenaars en dieven." + +"Mijn hofraadsheer overdrijft. Hij haat de Kerels onzeglijk. Het +schijnt, dat het eene oude veete van zijn geslacht tegen het geslacht +der Erembalds is." + +"Toch niet, heer graaf, gij misgrijpt u daarover", wedervoer Willem; +"mher Tancmar verfoeit de Kerels met recht, omdat zij uwe overheid +miskennen. Wat gij zijnen haat noemt, is niet anders dan de +verontwaardiging hem ingeboezemd door zijne eindelooze verkleefdheid aan +zijnen vorst." + +"Inderdaad, Tancmar is mij zeer verkleefd, en ik ben hem er dankbaar +voor; maar ik wil mij door zijnen raad tot geene onvoorzichtigheid laten +drijven. Niet alles, wat hij over de Kerels zegt, is gegrond." + +Willem van Normandie wenkte den hofraadsheer Tancmar. Deze bracht zijn +paard nevens de vorsten. + +"Het schijnt, mher Tancmar", zeide hij, "dat gij de Kerels bij mij hebt +gelasterd, of ten minste hunne ondeugden zeer hebt overdreven. Uw heer +graaf meent dat een bijzonder gevoel van haat u verblindt." + +"Geliefde mijn heer graaf het mij toe te laten", antwoordde de +hofraadsheer op eerbiedvollen toon, "dan zou ik durven beweren dat zijne +al te groote goedhartigheid hem verblindt. De Kerels zijn godvergetene, +woeste, schaamtelooze lieden, die de overheid van onzen vorst met +schuldige trotschheid miskennen en verachten. Ik wil het bewijzen ..." + +"Nu, nu, raadsheer, laat die bewijzen achter; wij kennen ze sedert +lang", morde de vorst met zichtbare ontevredenheid. "Het lust mij heden +niet den bedroevenden kant der dingen te zien. Doe mij het vermaak voor +alsnu daarvan te zwijgen." + +"Naar uw believen, heer graaf", murmelde Tancmar, het hoofd buigende, +terwijl hij den toom van zijn paard spande en daardoor het dier dwong +achteruit te blijven. + +Op dit oogenblik kwam een ridder van den kant van Brugge gereden en deze +meende de vorsten, onder het uitspreken eener eerbiedvolle groetenis, +voorbij te gaan om de ridders van het gevolg te vervoegen; maar graaf +Karel reikte hem glimlachend de hand toe, vraagde hem minzaam hoe het +hem ging, en liet hem niet doorrijden dan na met hem eenige vriendelijke +woorden te hebben gewisseld. + +"Een schoon jonkman, een zeer hoofsch ridder", bemerkte Willem van +Normandie. + +"Hij is een Kerel", zeide de graaf. + +"Een Kerel? Onmogelijk!" + +"Ja, een Erembald van Brugge; zijn naam is Robrecht Sneloghe. Zijn +vader, zaliger gedachtenis, was kastelein van Brugge en mijn bijzondere +vriend en wapenmakker, van voor den tijd dat ik tot het graafschap werd +verheven. Ik draag daarom dezen jongen ridder zekere genegenheid toe. +Men zou het niet vermoeden, heer hertog, maar deze Kerel is misschien +wel de rijkste man van geheel mijn graafschap." + +Zoo over de Kerels koutende, vervorderden de beide vorsten hunnen weg. +Zij waren Zedelghem voorbij en zouden in min dan een uur de stad Brugge +bereiken ... + +Zeer lang reeds, ja van in den vroegen morgen zelfs, werden zij +afgewacht door de bevolking van Brugge en der omstreken, die vroolijk en +luidruchtig over de Markt krielde waar de graaf met plechtigheid en met +vreugdebewijzen zou worden onthaald. Bovenal verdrong zich de menigte +rondom eene houten stelling die men te midden van het plein had +opgetimmerd. + +Vele werklieden waren nog druk bezig aan de laatste versiering van +dezen hoogen vloer, waarop de graaf van Vlaanderen de hulde zijner +leenmannen en der stadsbestuurders zou ontvangen. Men bracht kostelijke +zetels uit den Burg, men spreidde bonte tapijten uit, men hechtte +kleurige baanders en vlaggen aan hooge stijlen. + +De gevels der huizen rondom de Markt waren overdekt met groene twijgen +en met bloemen; uit vele vensters hingen roode lakens; zelfs hadden +sommige poorters voor hunne deuren looverrijke boomkens geplant en +daaraan schilden gehangen waarop de letter K, de vorstelijke kroon en de +leeuw van Vlaanderen ter eere van graaf Karel zeer dikwijls waren +herhaald. + +Boven elken ridderlijken Steen, op de torenspits of op het dak, waaide +een standaard met de wapenteekens van den bewoner. + +Om al deze toebereidselen van naderbij te kunnen zien, vlotte het volk +van de eene zijde der Markt naar de andere. Er heerschte voortdurend een +dof gerucht als het gebruis eener verre zee, slechts nu en dan +onderbroken door eenige luidruchtige vreugdekreten. Op aller gelaat +blonk een heldere lach, en het was zichtbaar dat de plechtige terugkomst +des graven met blijdschap werd afgewacht. + +De rondstroomende menigte bestond grootendeels uit Brugsche poorters, +reeds uit de verte herkennelijk aan de zwarte of bruine verf hunner +kleederen, welke op alle boorden omzet waren met donker pelswerk. Zij +droegen het haar kort, en hun baard was geheel geschoren. Door deze +beide laatste omstandigheden onderscheidden zij zich terzelfder tijd van +de leenheeren of edelen, wier haar in lokken op de schouders daalde, en +van de Kerels uit de Ambachten, die hunne baarden lieten groeien. + +Vele lijfeigenen of dienaars, zeer armelijk in ongebleekt linnen +gekleed, liepen met houten schoenen of blootsvoets. Zij hielden zich +meest stil en ingetogen bij en rondom de St-Christoffelskapelle. + +De Kerels uit de naaste Ambachten hadden de uitnoodiging hunner Brugsche +beschermers in groot getal beantwoord; zij stonden in groepen verspreid +met hunne vrouwen en kinderen, en men kon ze van zeer verre herkennen +aan hunne blauwe kleeding en hunne kromme zwaarden. + +Op eenige stappen van de houten stelling stond een Kerel die, alhoewel +niet bijzonder groot, om de sterkte zijner leden vele poorters +verwonderd deed opkijken. De dikke baard die hem op de borst hing begon +reeds te vergrijzen; zijn aangezicht was getaand en rimpelig als van +iemand die in zijn leven veel en zwaar heeft gewerkt. + +Op elk zijner breede schouders zat een jongsken van zeven of acht jaar. +Hij had zijne kinderen dus opgeheven om hun toe te laten over de hoofden +der omstanders te zien wat de arbeiders op den verheven vloer doende +waren. Onderwijl koutte hij met zijne vrouw, die nevens hem zich hield. + +"Maar Arnulf", bemerkte zij op dit oogenblik, "de graaf laat zich +zoolang wachten; zijt gij zeker dat hij voor den middag nog zal komen?" + +"Gansch zeker, Strena", was het antwoord. "Gij hebt wel gezien dat de +proost en de kanunniken van St-Donaas, met de ridders en met schepenen +van Brugge, door de Steenstraat hem zijn te gemoet gegaan?" + +"Het is meer dan een uur geleden, Arnulf. Moeten zij nog van zooverre +terugkeeren, dan zullen zij ongetwijfeld tot den middag en langer +uitblijven." + +"Neen, gij bedriegt u, Strena: zij bevinden zich allen wachtend op het +Zand. Gij weet wel, het groote onbebouwde plein, even buiten de poort +die naar Thourout leidt? Van daar zullen zij al te zamen den graaf tot +op deze stelling geleiden." + +"Laat ons dan naar het Zand gaan", zeide de vrouw. "De kinderen zouden +zoo het gezicht van gansch de feestelijkheid kunnen genieten." + +"Integendeel, Strena, op zulke wijze zouden zij de bijzonderste +plechtigheid missen. Het Zand krielt waarschijnlijk van volk. Wanneer de +graaf nu de stad binnenrijdt, zullen al deze menschen hem willen volgen. +De Steenstraat is niet breed; er zullen vele paarden zijn. In dit +gedrang met kleine kinderen zich begeven ..." + +Hij zweeg eensklaps, zette met eene haastige beweging de beide kinderen +ten gronde, en verhief zich op de teenen en rekte den hals om over de +menigte te kunnen heenzien. + +Zijne vrouw aanschouwde hem verwonderd. + +"Wat bemerkt gij zoo verrassends, Arnulf?" vroeg zij. "Komt de graaf?" + +De Kerel greep zijne vrouw de hand, trok haar tot zich en, met den +vinger in eene zekere richting naar het volk wijzende, zeide hij zeer +stil: + +"Strena, ziet gij, ginder verre tegen dien hoogen Steen, den man met +zwarten baard?" + +"Ja, zeer wel", antwoordde zij. + +"Herkent gij hem?" + +"Neen, Arnulf, ik heb hem nooit ontmoet, dat ik wete." + +"Is het niet Warad Valk, van Dudzeele?" + +"Wat? de moordenaar uws broeders?" kreet de vrouw verschrikt. "Gij +misgrijpt u: die man is Warad niet." + +"Hij is het, zeg ik u, Strena." + +"Neen, neen, dit verhoede de hemel!" zuchtte de vrouw. "Zulke ontmoeting +op dezen dag? Het ware een noodlottig toeval!" + +"Ongelukkig toeval, inderdaad; maar ik mag den dood van mijnen armen +broeder niet ongewroken laten." + +"Wat gaat gij doen, Arnulf?" morde zij, hem angstig bij den arm +vattende. + +"Gij kunt het vermoeden", antwoordde hij op somberen toon. "Plicht is +plicht; weerhoud mij niet; blijf stil en waak over de kinderen. Gebaar u +alsof gij niets had bemerkt. Heb ik mij misgrepen is die man Warad niet, +dan kom ik onmiddellijk bij u terug." + +Hij drong vooruit en verdween tusschen de menigte. + +De verschrikte moeder omarmde hare kinderen en sloot ze met teekens van +angstige liefde tegen hare borst. Eilaas, wat ging er geschieden? +Misschien glinsterden reeds ginder de zwaarden, misschien vloeide reeds +daar een duurbaar bloed! Zij was zoo welgemoed en zoo vroolijk aan de +hand van haren man in Brugge getreden. Hoe zou zij nu naar hare hofstede +te Moerkerke wederkeeren Als weduwe, met vaderlooze kinderen? Wie kon +het weten? + +Door deze angstige gepeinzen neergedrukt had zij het hoofd gebogen en +blikte ten gronde. Zij ontwaakte echter met eenen blijden kreet uit +dezen naren droom: haar echtgenoot stond nevens haar. + +"De man dien ik had gezien was verdwenen", zeide hij. "Nergens kon ik +hem nog bespeuren. Misschien was het inderdaad Warad Valk niet. Gij moet +het weten, Strena, uw gezicht is sterker dan het mijne." + +"Geloof mij, Arnulf", antwoordde zij, "zeker, gij hebt u bedrogen." + +"Des te beter, Strena. Ik zou niet gaarne heden wraak te plegen hebben; +maar, zage ik bij geval de moordenaar mijns broeders, ik zou wel moeten +gehoorzamen; Waarad heeft den vrede verbroken en den zoen geweigerd." + +"Maar indien gij evenwel de vervulling van uwen plicht uitsteldet tot op +eenen anderen dag?" + +"Onmogelijk! ik ware onteerd voor gansch mijn leven; elk vrij man zou +mij als eenen lafaard verachten, gij weet het wel, Strena. Danken wij +God dat ik mij heb misgrepen. Laat ons nu weder vroolijk met de kinderen +... Geef acht! Die beweging bij den ingang der Steenstraat! Daar komt +ongetwijfeld de stoet!... Blijf immer dicht bij mij, Strena. Komt, +kinderen, geeft mij elk eene hand. Wij zullen het dringen zooveel +mogelijk wederstaan; dan zien wij de plechtigheid van nabij." + +Uit de Steenstraat stroomde allereerst een golvende volksvloed over de +Markt. Men hoorde in de verte de scherpe of zware tonen van trompen en +bazuinen tusschen de herhaalde welkomskreten der menigte hergalmen, en +welhaast vertoonde het hoofd van den stoet zich op het plein. + +Vooraan ging de proost van St-Donaas met zijne kanunniken en de overige +geestelijkheid der stad. Bij tusschenpoozen zongen zij gebeden en +lofpsalmen, terwijl vele koorknapen hunne wierookvaten zwaaiden en +geurige wolken in de hoogte deden stijgen. + +Hierop volgden de voorschepen en de twaalf andere schepen van Brugge, +vergezeld van een twintigtal klerken en andere bedienden. + +Achter hen, tusschen twee trompers, stapte een man die een rood +fluweelen kussen droeg, waarop men de sleutels der stad voor deze +plechtige omstandigheid verguld, zag blikkeren. + +Dan kwamen vijf wapenboden te paard, met lange bazuinen, en in hun +midden een ridder die den baander of standaard van Vlaanderen opgeheven +hield. + +Onmiddellijk na zijne wapenboden verscheen de graaf van Vlaanderen, +gezeten op een moedig wit paard, dat bijna geheel met een dekkleed van +goudlaken was behangen. + +Graaf Karel kon de veertig jaar bereikt hebben. Zijne statige +wezenstrekken droegen den stempel van strenge fierheid en wilskracht +alhoewel tevens de zachtere, ja zelfs de fijne teekening zijner lippen +liet vermoeden dat zijn hart met goedheid en vriendelijkheid moest +begaafd zijn. Dit stemde overeen met het gevoelen dat ridders en +poorters over hem hadden, aangezien zij gewoon waren te zeggen: "graaf +Karel is uiterst goed en minzaam voor wie hem bevalt, maar streng en +onverbiddelijk voor wie hem mishaagt". + +Om zijne plechtige intrede op dezen dag te doen, had de vorst zijne +oorlogskleeding gedeeltelijk afgelegd. Wel zag men nog aan zijne armen +en beenen de duizenden ringen van zijn maliehemd glinsteren; maar +daarboven had hij een overkleed van rood fluweel aangetogen. Zijn gulden +helm blonk in het zonnelicht; rondom zijnen hals en op zijne borst hing +een zwaar snoer van veelkleurig gesteente, waaraan een kruis van +gewrocht goud en diamanten glinsterde. De graaf toonde dit kostbaar +kleinood gaarne in het openbaar, omdat hij de gesteenten er van gewonnen +had in Palestina tegen de Saracenen, en het hem een dierbaar aandenken +was van zijne tochten in het Heilig Land. + +Aan de eene zijde van den vorst reed de jonge hertog Willem van +Normandie. Aan de andere zijde hield zich Gervaas van Praet, kamerheer +van den graaf, en geroemd als een wijs, moedig en verkleefd ridder. + +Achter de vorsten kwamen Tancmar Van Straten, de raadsheer; Walter Van +Lokeren, de hofbottelier; Frumold, 's graven schrijver en rekenmeester; +Hacket, de kastelein van Brugge; Eijkaard Van Woumen, Baudewijn van +Aelst en Daniel Van Dendermonde. + +De andere Fransche of Vlaamsche ridders, die den graaf op de reis hadden +vergezeld of hem nu te gemoet gekomen waren, volgden allen zonder +herkenbare schikking. Zelfs bevonden zich in dit gedeelte van den +ruiterstoet vele Kerels; en men kon ook hier bemerken dat er geene +vriendschap tusschen deze laatsten en de leenheeren bestond, want zij +reden zichtbaar van elkander gescheiden. + +Nauwelijks had de menigte, die krielend de Markt overdekte, den vorst +ontwaard, of er verhief zich een algemeen gejuich dat meermaals met +vernieuwde kracht werd herhaald, naarmate de stoet over het plein +vooruitkwam. Bovenal gaf de vreugde der menigte zich lucht in machtige +galmen, toen de vorst met zijn gevolg de houten trede had beklommen en +daar het volk zijnen groet toestuurde. + +Ridders, poorters, Kerels, allen wedijverden om door luid geroep, door +het zwaaien der hoeden of door het opheffen der handen hunne blijdschap +te betuigen en den graaf te verwelkomen. + +Terwijl men bezig was met de menigte van de stelling te ver wijderen, om +eenige ruimte te maken, terwijl de laatste ridders afstegen en de +schalken hunne paarden op eenigen afstand wegleidden stuurde de graaf +zijnen blik over de Markt. Hij staarde met bijzondere aandacht op de +talrijke groepen der Kerels, die luidruchtiger en driftiger dan alle +anderen, hem toejuichten en dikwijls de oorzaak waren dat de volksschaar +hare blijde kreten herhaalde. + +De vorst scheen tevreden; het was met eenen helderen glimlach dat hij in +stilte nu en dan een woord wisselde met Willem van Normandie, wanneer +deze hem geluk wenschte over de liefde welke het Vlaamsche volk hem +betuigde. + +Op een teeken van den voorschepen hieven de trompen en bazuinen een +feestgeschal aan. De leden van den stadsraad beklommen de trede en bogen +voor den vorst, totdat hij den voorschepen de hand bood. Dan naderde de +man met het fluweelen kussen. + +De voorschepen, na den graaf de sleutels der poorten te hebben +aangeboden, begon eene lange redevoering waarin hij den vorst, in naam +der stad, hulde bewees en verkleefdheid beloofde, evenwel in +eerbiedvolle woorden zijne bescherming inroepende tegen degenen die de +vrijheden of de rechten der poorters van Brugge zouden willen schenden. + +De graaf gaf hem een minzaam antwoord en behandigde hem opnieuw de +sleutels die toch, zeide hij, aan niemand beter konden worden +toevertrouwd dan aan de bestuurders zijner beminde en verkleefde stad +Brugge zelve; maar aangaande de zinspeling op het eerbiedigen der +rechten en vrijheden antwoordde hij niets en deed alsof hij dit gedeelte +der redevoering niet had gehoord. + +De schepenen bemerkten deze achterhoudendheid met zekere treurnis, en +zij daalden half mismoedig de trede af. + +Dan verschenen de leden der geestelijkheid voor den vorst. Op de +aanspraak, hem door den proost van St-Donaas toegericht, betuigde hij +zijnen innigen wensch om in alle omstandigheden de Kerk en hare dienaars +niet alleen te beschermen maar tevens hoog te vereeren en mildelijk te +begiftigen. + +Na den proost van St-Donaas, bood de abt van het klooster Ten Eeckhout +zich aan om den graaf hulde te bewijzen en zijne goedwilligheid voor dit +belangrijk gesticht in te roepen. + +Graaf Karel, die het klooster Ten Eeckhout eene bijzondere gunst +toedroeg, onderhield zich lang met den abt en hij was nog bezig met +spreken toen, eensklaps, een hevig en vreemd gerucht hem kwam +onderbreken en hem met verstoorden blik deed rondkijken Wie was er +vermetel genoeg om in zijne tegenwoordigheid zulk oneerbiediglijk +geschreeuw aan te heffen of te veroorzaken? + +Hij zag aan de eene zijde der Markt, niet verre van de trede, eenige +poorters verschrikt wegvluchten, terwijl daar ter plaatse vele Kerels +tot eenen hoop te zamen liepen. Twee naakte zwaarden glinsterden hem in +de oogen. Hij zag eenen man wien bloed van de wang afliep en die met +eene reuzenstem den noodkreet "haarop! haarop! hulp! hulp!" over de +Markt deed hergalmen[33]. + +Onmiddellijk waren eenige ridders toegesneld om de ruststoorders tot +stilte te dwingen; maar de Kerels hielden hen terug met de woorden +"kamp! kamp!" waardoor zij wilden betuigen dat daar een twist werd +beslecht waarmede niemand zich te bemoeien had. + +Vooraleer de graaf, die van gramschap sidderde, eenige bevelen kon +geven, bliksemden de uitgetogen zwaarden door de lucht en een der beide +kampers viel met gekloofd hoofd ten gronde. + +"Men vange den snooden moordenaar!" riep de graaf. "Men brenge hem +levend of dood voor mij! Ik wil, tot een voorbeeld, in het aanschijn des +volks kort recht doen over zulke verfoeilijke misdaad!" + +Een tiental ridders sprongen te gelijk van de trede en liepen ter plaats +waar de manslag was geschied; zij meenden de hand aan den plichtige te +leggen, maar deze hield zijn bloot zwaard tot slaan gereed, roepende dat +hij den eerste die hem raken dorst voor zijne voeten zou nedervellen. +Velen der omstaande Kerels hadden insgelijks hunne zwaarden getrokken en +betuigden dat zij hunnen makker zouden verdedigen, indien iemand hem +geweld aandeed. + +Hacket, de kastelein van Brugge, die nu kwam toegeloopen, herkende den +woedenden Kerel en zeide hem op spijtigen toon: + +"Eilaas, Arnulf, wat hebt gij gedaan?" + +"Mijnen plicht heb ik gedaan", antwoordde de andere, "Hij is de +moordenaar mijns broeders en hij heeft den zoen geweigerd. Gij, heer +kastelein, kent de wet beter dan ik[34]." + +"Maar de graaf is buiten zich zelven van toorn! Onderwerp u, om grooter +kwaad te vermijden." + +"De hand aan mij leggen?" kreet de Kerel, "Ik ben een vrij man en zal +mijne daad verantwoorden waar en wanneer men het moge eischen." + +"De graaf wil dat gij onmiddellijk voor hem verschijnt, Arnulf. Toon u +onderdanig uit voorzichtigheid." + +"Het zij zoo, kastelein; leid mij tot den graaf, maar behoed mij voor +hoon en onrecht," mompelde Arnulf, terwijl hij zijn swaard in de schede +stak en, door wel vijftig Kerels gevolgd, naar de stelling +vooruitstapte. + +Hij klom alleen met den kastelein op de trede en bood zich voor den +vorst aan, wel met eene diepe buiging en ontdekten hoofde, doch fier en +beraden als ontstelde hem niet de minste vrees. + +"Verwaten woestaard!" viel de vertoornde vorst uit. "Hoe durft gij dezen +plechtigen dag door zulke gruwelijke misdaad bezoedelen? Gij zult de +straf uwer boosheid ondergaan: nog heden zal de beul u op het galgeveld, +ten voorbeeld aller moordenaars en ruststoorders, aan eenen strop ten +toon hangen!" + +Arnulf aanschouwde den vorst met zulke zonderlinge en diepe verwondering +in de oogen, dat deze verrast murmelde: + +"Vermetele, gij gelooft het niet?" + +"Waar in de wereld het recht heerscht", antwoordde de Kerel, "wordt +niemand veroordeeld zonder dat men hem tot zijne verdediging gehoord +hebbe. Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?" + +"Spreek", morde de vorst met ongeduld. + +"Ziehier de zaak die u ten onrechte tegen mij verbolgen doet zijn, heer +graaf", begon de Kerel. "Ik had eenen broeder, een goedhartig man, door +iedereen bemind en geacht. Een zekere Warad Valk, van Dudzeele, geraakte +in twist met hem aangaande het gebruik eener schapenweide, en bracht hem +eenen doodelijken slag toe. Ik, de naaste bloedverwant, erfde, krachtens +onze wetten en onze gewoonten, niet alleen den plicht om voor zijne +weduwe en kinderen te zorgen, maar tevens om de veete te vervolgen en +wraak te nemen. In de meening dat de doodslag het gevolg van een +onvrijwillig toeval kon zijn, bood ik den moordenaar den vrede, en liet +scheidsmannen het zoengeld bepalen, dat Warad Valk ten voordeele der +weduwe mijns broeders zou te betalen hebben. Wat deed hij? Op den +zoendag verscheen hij niet voor de Keurmannen[35] en misprees aldus het +gerecht. Ondanks den vrede hoonde hij nog de arme weduwe en dreigde hare +hofstede in brand te steken. Sedert dan is hij uit het Ambacht +verdwenen. Ik ontmoette hem hier en deed mijnen plicht." + +"En moest gij daarom bloed in mijne tegenwoordigheid vergieten? Eenen +afschuwelijken moord plegen?" riep de vorst, die eerder door de koele +woorden van den Kerel was verbitterd geworden dan gestild. + + +[Illustratie: ...viel met gekloofd hoofd ten gronde. (Bladz. 95.)] + + +"De wet gebood het mij" wedervoer Arnulf. "Zij heeft geene bijzondere +gevallen voorzien. Wie den gebannen vrede breekt mag overal aangevallen +en gestraft worden. Ik kon Warad Valk zonder verwittiging doodslaan, en +evenwel heb ik hem tot zelfverdediging uitgedaagd en hem ten kamp +geroepen. Hadde ik mijnen broeder niet gewroken, ik ware als lafaard +onteerd gebleven Iedereen moet mij prijzen omdat ik mijnen plicht heb +gedaan." + +"Ha, dit zullen wij zien!" kreet graaf Karel, over zooveel stoutheid +verbaasd. "Kastelein, men leide dien man naar het Gijselhuis op den +Burg. Hij blijve gevangen totdat wij zijn vonnis hebben uitgesproken." + +"Ik in de gevangenis?" mompelde de Kerel, met eenen ongeloovigen lach op +de lippen. "Ik ben een vrij man; ik heb geenen lust tot vluchten; ik zal +komen op de eerste dagvaarding, maar in de gevangenis wil ik niet! Geen +der Kerels die daarbeneden staan zal dulden dat men mij, schuldeloos als +ik ben, naar de gevangenis voere. Stroomt er meer bloed, God zal weten +wie het deed vergieten!" + +Een honderdtal Kerels, die aan den voet der trap stonden en dit tooneel +met angst en klimmende verontwaardiging volgden, getuigden door hun +dreigend gemor dat zij waarlijk bekwaam waren om hunnen makker ook +gewelddadig ter hulp te komen, indien men onrecht jegens hem pleegde. + +De dreigende houding der Kerels verbitterde den graaf nog meer; want in +tegenwoordigheid der Fransche ridders, die hunne verbaasdheid over zijne +aarzeling betuigden, was zijn toestand zeer onaangenaam en schier +belachelijk. + +"Gij zult in de gevangenis!" riep hij. "Indien de kastelein van Brugge +de macht niet heeft om mijn bevel uit te doen voeren, zullen mijne +ridders of hunne wapenlieden u wel dwingen." + +Arnulf, die zag dat er waarlijk eene beweging onder de ridders ontstond, +sprong een paar stappen achteruit en sloeg de vuist aan het gevest van +zijn zwaard. + +"Men voere dan mijn lijk naar de gevangenis!" gromde hij, terwijl zijne +oogen zoo bloedig werden en zoo dreigend vlamden dat elkeen aarzelde om +hem te naderen. + +Terwijl de kastelein Arnulf poogde te bedaren, was Robrecht Sneloghe te +midden der Kerels geloopen en verkreeg van hen door vriendelijke woorden +en gebeden dat zij zich nog stilhielden. + +Arnulf wilde naar niets luisteren en weigerde zich naar de gevangenis te +laten leiden. Maar nu beklom de proost van St-Donaas de stelling, +naderde den vertoornden Kerel en zeide aan zijn oor: + +"Volg den kastelein naar het Gijselhuis, Arnulf. Doet gij het niet, gij +brengt waarschijnlijk de vrijheid van gansch Kerlingaland in gevaar. +Wij zullen over u waken en zorgen dat u geschiede volgens wet en recht. +Ik smeek u, gehoorzaam den graaf ... Desnoods gebied ik het u op uwen +gilden-eed!" + +"Welaan, heer vorst, ik onderwerp mij aan uwen wil", zeide de Kerel, +eensklaps met eene diepe buiging vooruittredende. "Naar de gevangenis +zal ik mij begeven met het vertrouwen dat men mij, als vrij man, in de +vierschaar zal hooren en rechters zal geven zooals het behoort." + +"Rechters? Gij hebt gelijk", antwoordde de graaf met bittere scherts. +"Gij zult ze hebben. Voor den avond zult gij ter hooger vierschaar +verschijnen om uw vonnis te hooren uitspreken." + +De Kerel daalde met den kastelein van de trede, omarmde eene vrouw en +twee weenende kinderen, drukte eenigen vrienden de hand en verdween uit +het gezicht der ridders tusschen de menigte, die als een rollende stroom +op zijne baan over en weder golfde. Vele Kerels volgden hem, luidop +morrend tegen het onrecht dat hem werd aangedaan; maar hij zelf zeide +dat hij zich vrijwillig naar het gevang begaf, en zoo bracht hij zijne +vrienden tot bedaren. + +Graaf Karel, door het gebeurde diep ontsteld en wel bemerkende dat de +plechtigheid zijner intrede beslissend was gestoord, gaf bevel om de +paarden bij te brengen en den stoet te vormen. + +Terwijl men daarmede bezig was, zat hij beweegloos, met strakke oogen, +welker scherpe blik de verbolgenheid zijns harten verried. + +Even ontroerd en verontwaardigd waren de ridders. Zij durfden den graaf +in zijne stilzwijgendheid niet storen. De eenige, die niet bedroefd +scheen, was de raadsheer Tancmar Van Straten. Hij wisselde zelfs in het +verborgen eenen glimlach met den hofbottelier Walter Van Lokeren. In +zijne oogen glinsterde eene geheime blijdschap; want hij twijfelde niet +of dit voorval zou den graaf onverzoenbaar tegen de Kerels verbitteren. +De vorst weigerde nog altijd den Kerels met geweld het juk der +dienstbaarheid op te leggen; maar nu zou zijne gramschap in hunne +vernedering wraak zoeken voor den hoon hem heden aangedaan. + +Toen de paarden bijgebracht waren en de kamerheer Gervaas Van Praet den +vorst had verwittigd dat alles gereed was, daalde deze met zijn gansch +gevolg van de trede. + +Men steeg te paard, en de stoet begaf zich op weg over de Markt in +dezelfde schikking als bij zijne komst. Weder hergalmden de schelle +tonen van bazuinen en trompen; weder hieven de kanunniken in de +tusschenpoozingen plechtige lofzangen aan; maar de menigte, nog ontroerd +en treurig over het gebeurde, bleef koel en betuigde slechts haren +eerbied door zich, bij het voorbijrijden van den vorst, diep te buigen. +Karel zelf was nog verslonden in spijtige gepeinzen en reed over de +markt en door de Hofstraat, zonder schijnbaar acht te geven op hetgeen +rondom hem geschiedde. + +Zoo kwam de stoet op den Burg. + +Hier stonden voor het Gijselhuis misschien tweehonderd Kerels, waar +tusschen ook eenige vrouwen en kinderen. Zoohaast zij den graaf +bemerkten hieven zij den roep: "recht! recht!" zoo luidruchtig aan dat +het middenplein van den Burg er van hergalmde. + +Dit herhaalde geschreeuw kwetste den graaf; want hij aanzag het als eene +poging om hem tot het vrijlaten van den gevangene te dwingen. + +Nauwelijks was hij afgestegen, of hij wenkte den kastelein van Brugge +tot zich en vroeg met dreigenden blik: + +"Zit de uitzinnige Kerel in de gevangenis?" + +"Ja, heer graaf", was het antwoord, "hij zal er blijven totdat het u +gelieve hem te ontslaan." + +"Ontslaan?" herhaalde de vorst, bitter spottende. "Heeft men hem in den +moordenaarskuil geketend?" + +"Neen, heer". + +"Waarom niet, kastelein?" + +"Hij is een vrij man, heer graaf." + +"Vrij man? die grove woestaard? Ah, mijn geduld is ten einde: ik wil +gehoorzaamd worden! Gij blijft verantwoordelijk voor den gevangene. Houd +u gereed om op het eerste bevel hem in mijne tegenwoordigheid te doen +voeren." + +De graaf, door al de ridders van zijn hof gevolgd, trad in de groote +zaal van zijn paleis. Iedereen aanschouwde hem in stilte, want men +begreep dat hij zeer vergramd en bedroefd moest zijn. Bovenal waren de +Fransche ridders verontwaardigd over de voorbeeldelooze stoutheid der +Kerels en de oneerbiedige houding van gansch het volk, dat zich den +moordenaar veeleer gunstig dan vijandig had getoond. + +Graaf Karel keerde zich tot de vergadering en zeide: + +"Heeren, gij zult mijn verdriet en mijne ontsteltenis begrijpen na de +ongehoorde dingen die heden zijn voorgevallen. Niet alleenlijk ben ik +vermoeid en behoef een weinig rust; maar ik wil tevens zonder uitstel +overwegen wat mijn plicht, als graaf van Vlaanderen mij gebiedt te doen +om den schuldige te straffen en door een streng voorbeeld anderen te +beletten mijne overheid nog te miskennen. Binnen een paar uren zal ik u +aan het middagmaal wedervinden. Gelieft intusschen u niet te +verwijderen, aangezien uwe tegenwoodigheid mij noodig kan zijn.... De +leden van mijnen bijzonderen raad volgen mij!" + +Hij bood zijnen arm aan Willem van Normandie, stapte door eene +zuilengang en trad in eene zaal waar eenige zetels rondom eene breede +tafel geschikt stonden. Hij nam plaats aan het hooger einde der tafel en +toonde Willem van Normandie eenen zetel nevens zich. + +Hier waren nog tegenwoordig Tancmar Van Straten, Walter Van Lokeren, +Gervaas Van Praet, benevens de oude Frumold en zijn neef, rekenmeesters +en schrijvers des graven, en twee of drie andere ridders. + +Toen allen gezeten waren, vroeg de vorst: + +"Welnu, heeren, wat zegt gij van zulke schennis onzer overheid?" + +"Verfoeilijk, snood, ongehoord; hij verdient den dood!" morden meest al +de raadsheeren. + +"Ja, eenen onmiddellijken dood!" zeide Tancmar Van Straten. "Maar dit is +niet genoeg. De verwaande Kerels en hunne aanleiders de Erembalds, die +door hunne dreigende houding onzen goeden vorst nog dieper hoonen, +moeten insgelijks worden gestraft Het zal niemand der heeren ontsnapt +zijn, hoe de moordenaar hardnekkig weigerde het gebod van onzen heer +graaf te gehoorzamen en hoe een enkel woord door den proost van +St-Donaas aan zijn oor gesproken, hem gedwee maakte als een lam. Het is +dus de proost, het zijn dus de Erembalds die over de Ambachten en over +de Kerels gebieden! Zij ontrooven aan den vorst zijne wettig overheid en +maken er dan nog gebruik van om de Kerels tot hoovaardigheid en tot +opstand aan te drijven, niet alleen tegen den graaf, maar tegen al wat +edel is in Vlaanderen ..." + +"Elkeen zal, op tijd en plaats, krijgen wat hij verdient", onderbrak de +graaf. "Spreken wij van den moordenaar. Onze waardigheid eischt dat hij +sterve; maar men kan hem toch niet veroordeelen zonder hem te hooren. +Wie zal zijn vonnis uitspreken?" + +"Een woord van u, heer graaf, is voldoende", antwoordde Walter Van +Lokeren. "Wie zou zich tegen uw besluit durven verzetten?" + +"Inderdaad", bemerkte Willem van Normandie, "mij dunkt dat er reeds te +veel is geaarzeld. Indien zulke zaak in Frankrijk ware voorgevallen, de +plichtige hinge reeds aan de galg." + +"Ja, maar, heer, in Vlaanderen zijn wij nog zooverre niet", antwoordde +de graaf. "Mijn voornemen is den plichtige rechters te geven en hem in +zijne verdediging te hooren. Het vonnis kan niet twijfelachtig zijn, +aangezien ik den Kerel voor het hoogerhof der ridders wil doen +verschijnen. Zoo ten minste zal het volk mij niet kunnen beschuldigen +van willekeur of dwingelandij. Ziet gij eenige redenen, heeren, om niet +onmiddellijk het hooge hof der ridders te doen vergaderen?" + +"Geene de minste", zeide Tancmar Van Straten. "Er zijn ridders genoeg in +het paleis tegenwoordig, en allen wenschen den dood des moordenaars als +een noodig voorbeeld.... Luistert, heeren, hoe die schaamtelooze +Blauwvoeten daarbuiten roepen 'recht! recht!', zonder eerbied voor den +vorst. Men geve hun dus wat zij eischen. Een bevel van u, heer graaf, en +ik zal oogenblikkelijk het hoogerhof doen vergaderen." + +"Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?" zeide de kamerheer, +Gervaas Van Praet. "Zeker, wat heden op de Markt voorviel is eene +wraakroepende miskenning van den eerbied dien men onzen vorst +verschuldigd is. Wij zullen later, op behoorlijken tijd en door +doelmatige middelen, het trotsche geslacht verpletten dat zich dus tegen +alle wettelijke overheid durft opwerpen. Maar wat kan ons nu het +straffen van eenen enkelen man baten? Men neme in acht dat de +beschuldigde Kerel, volgens de wetten der Ambachten, in zijn recht was +en niets gedaan heeft dan zijnen plicht." + +"Daarover zal het hoogerhof der ridderen uitspraak doen", wedervoer +Tancmar met eenige bitterheid. + +"Het hoogerhof der ridderen?" hernam Gervaas Van Praet. "Dit hof is +ingesteld om in zaken van edelen, ridders en vrije lieden uitspraak te +doen. De gevangen Kerel is een dorper, een landbouwer. Zult gij, door +hem voor het hooge ridderhof te brengen, zijne vrije geboorte erkennen? +Begrijpt gij niet dat zulks den hoogmoed der Kerels nog zou vermeerderen +en ons in den weg zou staan, als wij later hun deze vrijheid willen +ontkennen?" + +"Het is waar, daaraan hadden wij niet gedacht", mompelde Tancmar. "Beter +ware het dat de heer graaf, door een besluit van zijnen vorstelijken +wil, den schuldigen Kerel tot de galg verwees." + +"Even onvoorzichtig ware dit", wedersprak hem Gervaas Van Praet. "Wilt +gij heden nog de Kerels, die in Brugge zich bevinden, tot gewelddaden +aandrijven? Wie zal met ons zijn als wij de poorters oproepen om te +verdedigen wat zij een onrecht meenen te zijn? En indien hier bloed +vergoten werd in eenen nutteloozen strijd, zou dan niet het geheele +Kerlingaland in opstand kunnen komen? Ons leger is te Atrecht. Vergeet +niet dat, indien wij in zulk geval tot den laatste toe ons leven gaven +om den persoon van onzen welbeminden vorst te verdedigen, die opoffering +misschien niet toereikend zou zijn. En daarbij, waar bleve dan het +ontwerp om de Kerels der Ambachten tot onderwerping te dwingen zoohaast +wij het met zekerheid kunnen doen?" + +"De kamerheer heeft gelijk", bemerkte de oude Frumold. "Ik ken de +poorters van Brugge: het onrecht zullen zij niet verdedigen. Zonder +hunne hulp zijn wij in de macht der Kerels." + +"Het schijnt dat ik van de overheid niets dan de schaduw bezit!" +schertste de graaf spijtig. "Ja, ja, ik heb het te lang geduld: dit moet +en zal veranderen! In afwachting geloof ik dat de kamerheer gelijk +heeft. Het kwetst mij diep, dit te moeten erkennen. De Kerel blijve dus +in de gevangenis ..." + +"Gelieft de heer graaf mij nog eene bemerking toe te laten?" vroeg +Gervaas Van Praet. "Indien men den Kerel in de gevangenis houdt heeft +men hetzelfde kwaad te vreezen. Volgens de wet mag niemand een vrijen +Kerel in hechtenis houden zonder toelating der Keurmans, die +onmiddellijk de zaak moeten onderzoeken,--en, willen andere begoede +Kerels borg voor hem blijven, dan mag men hem hoegenaamd niet kerkeren. +Het onrecht zou dus blijven bestaan en het aangewezen gevaar +insgelijks." + +De vorst toonde zich zeer ontevreden, niet over de woorden van zijnen +kamerheer, wiens trouw en verkleefdheid hij kende, maar over zijne +onmacht als vorst en over den tergenden toestand waarin hij zich bevond. + +"Ik zou dus den hoon moeten verkroppen en den moordenaar laten loopen?" +kreet hij. "Zulke vernedering!" + +"Het is een ondraaglijke hoon voor al wie edel bloed in de aderen heeft! +Er moet een einde aan onze schandelijke lijdzaamheid komen!" + +"Inderdaad", bevestigde Gervaas, "er moet en er zal een einde aan den +overmoed der Kerels gesteld worden; maar wie een doel beoogt aanvaarde +de middelen om het te bereiken. Ik ben van gevoelen dat men de gevangen +Kerel in vrijheid moet laten gaan. Is hij plichtig, de Keurmans van zijn +Ambacht zullen hem oordeelen." + +"Maar zijt gij zinneloos, mijn goede heer Van Praet?" riep de graaf. +"Zal uwe zwakheid mij niet een voorwerp van spot maken in de oogen der +hoogmoedige Kerels zelven? is de moordenaar, volgens de wetten der +Ambachten, niet voor zijne misdaad strafbaar, hij is toch schuldig van +oneerbiedigheid jegens mijnen persoon en van openbaren opstand tegen +mijnen wil." + +"Ja, heer graaf, en hij verdient den dood; maar het groote doel, +waarnaar onze plicht als ridders ons oplegt te streven, eischt dat wij +voor alsnu dit doel niet in gevaar brengen door eene afzonderlijke wraak +op eenen enkelen persoon te plegen." + +De ouden Frumold, wiens woord de graaf gewoon was aan te hooren, stond +op en sprak: + +"Heer vorst, ik weet een middel waardoor niet alleen uwe overheid tegen +alle schennis zal gewaarborgd blijven, maar deze droeve zaak nog ter +uwer meerdere eere zal worden geeindigd. Laat den Kerel u verschooning +en vergiffenis vragen, omdat hij op zulken dag en in uwe +tegenwoordigheid wraak pleegde, en schenk hem dan door eigene beweging +de vrijheid. Men zal deze daad onthalen als eene hulde aan het recht, +zoolang dit recht bestaat, en men zal u roemen als een grootmoedig +vorst." + +Velen, over dezen wijzen vond verwonderd en verblijd, knikten +bevestigend. + +"Maar zal de hardnekkige Blauwvoet zich wel voor den graaf willen +vernederen?" vroeg Tancmar. "Ik twijfel er aan. De Kerels buigen niet; +men moet ze breken." + +"De heer graaf late mij toe het te beproeven", sprak de oude Frumold. +"Met goedheid kan men veel van de Kerels bekomen." + +"Nu, ga, en beproef het", beval de vorst. "Mij bedroeft en verveelt die +zaak uitermate. Later zal men weten wie ik ben!" + +Frumold verliet de zaal en zocht naar den kastelein Hacket. Hij vond hem +onder de Loove, met de kommervolle oogen naar het gijselhuis gericht, +waar eene gansche schaar Kerels, hetzij staande, hetzij ten gronde +zittende, afwachtte wat men in het paleis aangaande hunnen gevangen +vriend zou beslissen. + +"Heer kastelein", sprak hij, "gelief mij te volgen; ik heb u iets +belangrijks mede te deelen." + +Hij leidde hem eenige stappen verre op het binnenplein, hield hem dan +staan en zeide hem dat de graaf den gevangen Kerel in vrijheid zou laten +gaan op voorwaarde dat deze hem verschooning vroege, niet aangaande het +feit van den doodslag zelven, maar nopens den tijd en de plaats waarop +de wraakneming was geschied. + +Alhoewel de kastelein sterk twijfelde of Arnulf, dien hij kende als een +vastberaden man zonder vrees, wel tot zulk iets kon toestemmen, beloofde +hij al het mogelijke aan te wenden om hem er toe over te halen. + +Hij riep vijf of zes wapenmannen tot zich en richtte zich naar het +Gijselhuis waar hij, om de onrustige Kerels te stillen, verplicht was +hun te zeggen dat hun vriend waarschijnlijk binnen een half uur zijne +vrijheid zou terugbekomen. + +Deze aankondiging werd door een algemeen gejuich van blijdschap begroet. + +Om meerdere kans tot welgelukken zijner zending te hebben, verzocht de +kastelein de weenende vrouw en twee kinderen van Arnulf hem in de +gevangenis te volgen. + +De oude Frumold bleef te midden van het plein staan, afwachtende wat de +uitslag van des kasteleins poging zou zijn. + +Het duurde niet zeer lang of een vreugdekreet ontsnapte hem; want hij +zag den kastelein met den Kerel uit het Gijselhuis komen. De laatste +moest dus toegestemd hebben tot het afsmeeken van des graven +vergiffenis. + +Al de verzamelde Kerels vergezelden hunnen makker tot voor de Loove, en +begroetten hem en moedigden hem aan totdat hij onder de poort van het +paleis verdween. Eenigen der stoutsten volgden hem zelfs tot binnen het +hof. + +De kastelein verscheen met zijnen gevangene bij den ingang der raadzaal +en wachtte daar een verder bevel. + +"Treed nader!" gebood de vorst. + +Met eene diepe buiging doch met helderen, onbevreesden blik stapte de +Kerel vooruit. + +"Men heeft ons gemeld dat gij ons vergiffenis wilt vragen en onze +grootmoedigheid afsmeeken", zeide de graaf. "Is dit waar, zoo spreek!" + +"Wie schuldig is, vraagt vergiffenis", antwoordde Arnulf. "Ik heb mijnen +plicht gedaan." + +"Versteende trotschaard!" gromde de vorst, van ongeduld ter tafel +slaande. + +"Gelief mij te hooren, heer graaf", hernam de Kerel, even onbewogen, +"Toen ik eerst op de Markt den moordenaar mijns broeders meende te +herkennen, zeide ik tot mijne vrouw dat deze ontmoeting, op zulken dag +en in uwe tegenwoordigheid, een ongeluk zou zijn, hetwelk ik diep zou +betreuren. Het heeft mij leed gedaan, heer graaf, door het vervullen van +eenen onverbiddelijken plicht de plechtigheid uwer blijde intrede te +hebben gestoord. Het grieft mij nog en ik smeek u, aangaande deze +omstandigheid, die onafhankelijk was van mijnen wil, mij uwe +grootmoedige verschooning te gunnen." + +"Het is wel", sprak de graaf, in schijn tevreden over deze ootmoedige +woorden, die hem gelegenheid gaven om uit den neteligen toestand te +geraken, "Ik schenk u vergiffenis; ga in vrijheid en in vrede!" + +Onmiddellijk verhief zich een gejuich dat door gangen en zalen voortliep +en welhaast tot op het middenplein hergalmde. + +Meer nog werden de Kerels met blijdschap vervuld toen Arnulf buiten kwam +en zijne vrouw en kinderen omhelsde. Een schallend triumfkreet bonsde +tegen de muren van het paleis; en de vorst kon van in de raadzaal hooren +hoe daarbuiten hem ten lof wel twintigmaal opnieuw de schreeuw: "Heil +onze vorst! Leve de graaf van Vlaanderen!" werd aangeheven. + +Dit gejuich deed den proost van St-Donaas en eenigen zijner vrienden, +die met groote bekommerdheid in de proostdij den loop der zaak +afwachtten, buiten komen. Met teekens van blijdschap liep de kastelein +tot hen en vertelde hun hoe deze erge zaak gelukkig was afgeloopen. +Allen betuigden hunne tevredenheid en drukten elkaar de handen; want zij +hadden zich zelven niet ontveinsd dat de gramschap des graven de +vijanden der Kerels in de hand kon werken, ja, zij hadden zelfs gevreesd +dat zij het sein tot eene erge en noodlottige vervolging kon worden. +Hunne vrees was geheel ongegrond geweest, meenden zij; want indien de +vorst den Kerel in vrijheid liet gaan, dit was wel een bewijs dat hij +niet voornemens was de wetten van Kerlingaland te veranderen, aangezien +hij nu daartoe eene schijnbare reden had, en deze niet gebruikte. +Diensvolgens waren de kwaadvoorspellende berichten, die Isaac Van +Reninghe aangaande de vermoedelijke inzichten des graven hun had +gebracht, van allen grond ontbloot. + +De kastelein noodigde hen uit om op dezen verblijdenden uitslag eener +dreigende zaak met hem eenen beker Cyperwijn te gaan ledigen. + +Allen volgden hem in den Steen. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 30: "De Kerels droegen het haar kort en den baard lang ... de +ridders droegen het haar lang en schoren hunne kin." + +_Ann. du Com. fl. de Fr.,_ tome VIII, pag. 68.] + +[Voetnoot 31: Zie daarover VICTOR DE RODE, pag. 147.] + +[Voetnoot 32: Het woord _Ambacht_ is later te zamen getrokken tot_Ambt_ +en in het Duitsch tot _Amt._ Zie J. CRIMM, _Worterbuch_ bij _Amt._ + +LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_, t. I. pag. 583, zegt: "Tot de +oudste districts-benamingen, die het Engelsche _Shire_ voorafgingen, +behoorde nog _maegthe_, een land, dat de leden van een geslacht of van +ene _maegschap_, gelijk zij in den oorlog te zamen gestreden en veroverd +hadden, ook in den vrede te zamen bezaten." + +Dan zal wel het woord Ambacht niets zijn dan het oud-Saksische _maegt_, +met het samenvoegend voorzetsel _an_ of _am_, dus _Ammaegt,_ waarvan +_Ambacht_.] + +[Voetnoot 33: _Harop, Harop,_ voces Belgicae quae et clamorem ob crimen +perpetram, DUCANCE, _Gloss._ + +"Convictus ex _dousslach et harop_ emendabit comiti III libras" + +_Keure van Veurne van 1240._] + +[Voetnoot 34: "Van eenen min begrijpelijken aard was de wederzijdsche +verantwoordelijkheid der leden van eene maagschap (_de mageborge, +maegburh_), dat voornamelijk de verplichting begreep tot het wreken der +moorden, de bescherming der weezen, enz." + +LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_, vertaald door Thorpe. t. II, pag. +332.] + +[Voetnoot 35: _Keurmans, Keurlieden, Keurheers_, waren bij de Kerels de +bestierders en rechters, die door _Keure_ of kiezing werden aangesteld.] + + + + +V + + +Dakerlia Wulf, de schoone Kerlinne, zat in haars vaders Steen, bij een +venster, met een borduurwerk op den schoot. + +Wel hing nog de gulden draad aan hare vingeren, doch de naald was haar +ontglipt. Zij arbeidde niet en scheen geheel verslonden in diepe +gepeinzen. Haar gelaat was bleek en de droefheid had nevens hare wangen +eenen lichten rimpel geplooid. + +Nu en dan ontsnapte haar een zucht en murmelde zij eenige afgebrokene +woorden, waartusschen de namen van Placida en Robrecht alleen met eenige +duidelijkheid waren uitgesproken; maar die namen, als stonden zij tegen +haren wil op haren mond, deden haar telkens spijtig het hoofd schudden, +en dan slechts verroerden hare leden met eene korte doch krachtige +beweging van ongeduld. + +Langen tijd was zij weder in stille mijmering bedolven gebleven toen de +deur der kamer werd geopend en eene jonge maagd met uitgestrekte armen +tot haar kwam. + +Zij stond op en zeide na eene blijde omhelzing: + +"Ach, Witta lief, hoevele uren wacht ik reeds op u! Allerlei angstvolle +gedachten bestormen mij. Ik vreesde dat gij ziek geworden waart. +Gisteren heb ik u van den gansenen dag niet gezien, en nu is het reeds +middag!" + +"Veel bezigheid ... een onverwacht geval hield mij terug, Dakerlia", +antwoordde jonkver Sneloghe, als aarzelde zij om eene klaardere +uitlegging te geven. "Maar laat ons nederzitten en spreken wij van u, +vriendinne. Hoe gaat het heden met u?" + +"Wel genoeg, gij ziet het." + +"Nog zoo bleek! Gij hebt alweder geweend!" bemerkte Witta verwijtend. + +"Gij bedriegt u", zeide Dakerlia met eenen pijnlijken glimlach, "ik heb +niet geweend; maar droef was ik toch onuitsprekelijk. De mensch, +vriendinne, is zoo zwak in den strijd tegen zijn eigen hart!" + +"Maar, Dakerlia, gij moet verduldig u onderwerpen aan het lot. Zoudt +gij dus jaren lang gaan treuren over iets dat niet te veranderen is?" + +"Neen, neen, niet jaren, niet maanden. Een ongeluk dat nog moet komen +verschrikt ons en ontrooft ons allen moed; een ongeluk dat geheel en al +onwederroepelijk is volbracht, geeft ons kracht en moed terug ..." + +En zij voegde daarbij op den toon der diepste wanhoop: + +"Eilaas, nog drie weken, eene eeuw van smart en angst!" + +Witta greep hare hand en zeide troostend: + +"Kom, vriendinne, wees redelijk. Gij weet dat ik even droef ben als gij. +Het zoet en vroolijk leven dat wij sedert onze kindsheid te zamen +genoten, is voor altijd verloren. Ik zit nu alleen, immer alleen in +mijne kamer ... maar, hoe het zij, er is niets aan te doen. Wees gij +insgelijks verduldig, Dakerlia, anders zult gij u zeker ernstig ziek +maken, en hoe ongelukkig zou dan uw arme vader niet zijn, indien hij +zijn eenig kind zag verkwijnen? Eergisteren toen ik u verlaten had, +sprak hij mij over uwe onpasselijkheid met de tranen in de oogen. Hij +wilde van mij weten wat toch de reden van uw onbegrijpelijk verdriet kon +zijn; maar ik heb ze hem niet durven openbaren ..." + +"Ik zelve heb ze hem geopenbaard, Witta." + +"Gij hebt de reden uwer smart hem bekend?" + +"Ja, geheel en zonder de minste terughouding." + +"Zoo? en wat heeft hij gezegd, Dakerlia?" + +"Het heeft hem verblijd; hij heeft met mijn verdriet gelachen." + +"Dit kan ik niet gelooven! Uw vader bemint u te veel om bij uw lijden +ongevoelig te blijven." + +"Het is te begrijpen, Witta. Hij vreesde dat eene erge ziekte mij +bedreigde en was daarom, uit liefde tot mij, zeer bekommerd; maar nu hij +weet wat mij ontstelt, is hij geheel gerust. Liefdezaken? Men sterft +daar niet van, zegt hij." + +"Hij heeft gelijk, meen ik, Dakerlia." + +"Ik heb hem niet tegengesproken; het hadde hem te veel leed gedaan!" +zeide jonkver Wulf op zonderlingen toon. + +Robrechts zuster aanschouwde haar verschrikt en murmelde: "O, Hemel, +Dakerlia, gij, die zoo sterk zijt, gelooft gij inderdaad, dat men van +zulk verdriet kan sterven?" + +Jonkver Wulf legde zich de hand op het hart, terwijl zij eenen klagenden +blik ten hemel stuurde. + +"De sterkste zielen", zeide zij, "lijden het wreedelijkst, omdat zij +dieper gevoelen en niet zoo spoedig onder het gewicht der smart +ontspannen. Maar wees om mij niet bekommerd, Witta. Nog drie weken! +Wanneer dan alles onherroepelijk is volbracht, zal ik de kracht vinden +om mij in de uitspraak van het lot te getroosten." + +Er heerschte eene wijl stilte. Dakerlia zag hare vriendin in de oogen en +scheen iets te vragen, doch daar zij geen antwoord bekwam, zuchtte zij: + +"Kom, Witta, spreek mij toch van hem. Hoe gaat het met hem?" + +"Tamelijk wel. Hij aanvaardt verduldig het lot." + +"Ja, hij is man, Witta; de mannen zijn niet, als wij, slaven van het +hart. Hij heeft het gezegd: Placida is schoon; hij zal hopen haar te +beminnen en hij zal er in gelukken. De arme Dakerlia zal vergeten +worden, zooals het behoort ... en ze zal verkwijnen misschien in den +harden, nutteloozen strijd om te kunnen vergeten!" + +Zij sloeg zich de handen voor het aangezicht en verborg dus de tranen +die haar in de oogen schoten. + +"Gij zijt onrechtvardig, Dakerlia", morde Robrechts zuster verwijtend. +"Mijn arme broeder is treuriger nog dan gij." + +"Ja, troost mij", antwoordde Dakerlia met droeve scherts. "Het is soms +edelmoedig bedrukte lieden te bedriegen. Gisteren heb ik den ganschen +dag nutteloos op u gewacht, gehoopt, gebeefd geleden; maar gij hadt +niets mij te zeggen ... en zoo zal het in de toekomst gaan. Tusschen u +en mij en uwen broeder zal het lot eenen afgrond delven; en zij die aan +de eene zijde van de kolk staan, zullen voor immer vergeten wie er aan +de andere zijde treurt en verkwijnt." + +"Mijn broeder heeft mij gebeden hier van hem nooit te spreken", zeide +Witta, "en ik gevoel wel dat de plicht mij het insgelijks gebiedt: maar +uw bitter lijden, Dakerlia, uwe sombere wanhoop, die ik wel doorgrond, +dwingen mij tot zondige onbescheidenheid." + +"O, spreek, spreek uit medelijden!" smeekte jonkver Wulf. + +"Welnu, hoor dus wat ik u meende te verzwijgen. Mijn broeder heeft, met +vele andere ridders, onzen heer graaf uitgeleide gedaan tot Yperen, en +is daar zelfs gebleven tot des vorsten vertrek naar het leger. +Gisterenmorgen, bij zijne terugkomst, moest mijn broeder onmiddellijk +naar Placida Van Woumen gaan. Het was zijn plicht, en ik raadde hem aan +dien te vervullen. Hij was zoo ontmoedigd en zoo treurig, dat hij op +zijne kamer is gegaan en langen tijd daar in eenzaamheid bleef zitten. +Dan heeft hij eenen bode naar sher Rijkaards Steen gezonden om jonkver +Placida te melden dat hij onpasselijk was en niet kon uitgaan. +Inderdaad, hij is den ganschen dag te bed gebleven. Ik was zeer angstig +bij de gedachte dat eene erge ziekte hem bedreigde ..." + +"Ziek? hij ziek? O hemel!" kreet Dakerlia met den glimlach der +blijdschap op de lippen en tevens den strakken blik der verschriktheid +in de oogen. + +"Ik geloofde dat eene zware ziekte hem had overvallen", hernam Witta. +"Verre in den avond, toen hij hoorbaar sliep ging ik vol kommer nevens +zijn bed zitten, om te waken en bidden. Hij heeft gedroomd, luidop +gedroomd. Wat hij zeide verstond ik niet; maar van tijd tot tijd zweefde +uw naam Dakerlia op zijne lippen, en dan lachte hij zoo zoet in zijnen +slaap, dat mij het hart van ontroering klopte. Ook morde hij wel eens +den naam van jonkver Placida, en dan trok zijn mond tot eenen grijns van +smart te zamen en zwoegde zijne borst en stak hij de handen vooruit als +om iets te verwijderen dat hem verschrikte ..." + +Dakerlia slaakte eenen blijden kreet. + +"Ach, dank! dank!" zuchtte zij. "Zulke woorden alleen kunnen mijne smart +verlichten." + +"Blijf bedaard, vriendinne", zeide Witta. + +"Neen, laat mij dien troost genieten. Ik meende alleen, gansch alleen te +lijden, en hij, hij tevens bezwijkt onder het gewicht der treurnis!" + +"Maar, Dakerlia, gij verbaast mij! Hebt gij dan nog de hoop behouden dat +Placida Van Woumen zijne echtgenoote niet zal worden?" + +"Of ik nog eenige hoop heb behouden?" herhaalde jonkver Wulf met +plotselijke ontmoediging. "Eilaas, neen, vriendinne, niet de minste +hoop. Verschoon mij: mijne hersens zijn ontsteld, ik ben +zinneloos,--zinneloos genoeg om mij in de ziekte van Robrecht te +verblijden ... ik, die al mijn bloed zou geven om hem gelukkig te weten! +Moge de barmhartige God mijne schuldige ontsteltenis mij vergeven en hem +spoedig laten genezen!" + +"Maar hij is niet ernstig ziek, Dakerlia." + +"Ha, ik begrijp: het hart alleen doet hem wee, niet waar? Schromelijk is +die ziekte der ziel!" + +"Heden is hij opgestaan en heeft mij gezegd dat hij na den middag +jonkver Placida een bezoek zal brengen. Ik hoor wel aan den treurigen +toon zijner stem dat dit bezoek hem onaangenaam is; maar hij kan het +niet uitstellen. Mher Rijkaard Van Woumen, die onzen heer graaf tot +Rijssel heeft vergezeld, moet dezen morgen teruggekeerd zijn; en gij +begrijpt wel, Dakerlia, dat Robrecht niet mag nalaten hem te gaan +begroeten. Nu zou ik moeten huiswaarts keeren; ik ben slechts gekomen om +te vernemen hoe het met u gaat." + +"Gij verlaat mij reeds? Ach, Witta, dan ben ik weder zoo gansch alleen! +Blijf, ik smeek u!" + +"Onmogelijk, mijn broeder staat gansch gereed om zijn bezoek bij mher +Rijkaard te brengen." + +"Wat doet het? Hij zal daarom niet laten uit te gaan. Heb medelijden met +mij!" + +"Ik kan niet blijven, Dakerlia. Mijn broeder wacht mij." + +"O, God!" riep jonkver Wulf eensklaps met blijdschap, "het is dus +Robrecht die u tot mij gezonden heeft? Gij zeidet dat hij nooit meer van +mij spreekt ... en hij wacht om te weten hoe het met mij gaat! O, +bevestig mij in die hoop!" + +"Welaan, ja, hij is bekommerd over uwe gezondheid. Laat mij nu +vertrekken: ik zal in den morgen hier wederkeeren." + +"Ga, ga, spoedig!" murmelde Dakerlia, hare vriendin bij de hand tot de +deur lijdende. "Stel hem gerust; verzeker hem dat mijne gezondheid niet +in het minste is bedreigd. Dat ik droef ben en onder eene diepe smart +gebukt lig, zeg hem dit niet; hij zal het wel voelen aan zijn eigen +hart. Tot straks, tot straks!" + +Jonkver Sneloghe haastte zich naar hare woning. + +Toen zij binnentrad, vond zij haren broeder in de zaal zitten, met den +blik nederwaarts en zoo diep in zijne overweging bedolven dat hij het +hoofd slechts ophief toen zij voor hem stond. + +"Welnu, zuster?" vroeg hij. + +"Zij is veel beter, broeder; zij zal niet ziek worden." + +"De goede God zij er om geloofd!" murmelde Robrecht. + +Na een oogenblik stilte zeide hij, als sprake hij tot zich zelven: + +"Wel gebiedt de plicht mij nimmermeer aan haar nog te denken; maar ik +ben toch mensch en heb geen steenen hart. Vreezen dat de trouwe vriendin +onzer kindsheid van treurnis kan verkwijnen, en alle medelijden in onzen +boezem moeten versmachten, het is iets dat mijne krachten te boven gaat. +Is deze zwakheid een zondig vergeten van den plicht, de hemel zal mij +vergiffenis schenken in aanzien mijner onderwerping aan zijn besluit." + +Robrecht had deze woorden op zulken lijdzamen, smartelijken toon +gesproken, dat Witta de handen voor de oogen had geslagen en luidop +snikte. + +"Ween niet, zuster lief", zeide hij, "er is niets aan te doen. Het lot +is wreed jegens mij; maar in het gevoel van den plicht vindt een man +eindelijk de kracht om het leven te dragen, hoe bitter het zij." + +Met eenen zucht voegde hij er bij: + +"Eilaas, ik waande mij zelven sterker: ik hoopte dat ik allengs mijne +vroegere gedachten geheel zou hebben overwonnen; maar mijne ziel dwaalt +immer weg in treurige droomen ... in de pijnlijke beschouwing van het +verloren geluk ..." + +Hij blikte in stilte ten gronde en scheen diep neerslachtig; doch bijna +onmiddellijk hief hij het hoofd weder op en morde met treurig ongeduld: + +"Ach, wat geschiedt mij? Is alle gemoedskracht mij ontvallen? Vergeet ik +dat Kerlingaland, dat de vrijheid van mijn geslacht dit offer van mij +vergt? Weg, weg, die aarzeling! De plicht is de opperste wet. Zal ik tot +eenen lafaard ontaarden? Neen, neen, gehoorzamen wij, en weze dit de +laatste klacht die mijnen boezem ontsnapt!" + +Hij omhelsde zijne weenende zuster, zeide nog eenige geruststellende +woorden om haar te troosten, verliet in allerhaast zijnen Steen en +keerde om den hoek der Ridderstraat. + +Onder den invloed der gepeinzen vertraagde allengs zijn stap; hij bleef +zelfs, onder de boomen der Spiegelrei, een oogenblik staan en schudde +zuchtend het hoofd, waarna hij even mijmerend weder zijnen weg +vervorderde. + +Hij kon niet begrijpen hoe, ondanks zijnen vasten wil en zijne heldere +rede, eene geheimzinnige macht hem beheerschte. Wist hij niet dat dit +huwelijk hem was opgelegd als eene opoffering die de vrijheid van +Kerlingaland kon redden? Was hij niet overtuigd dat het voltrokken moest +worden en niets op aarde het nog kon beletten? Hij had die verbintenis +aanvaard en zich met goeden wil aan het onverbiddelijk lot onderworpen; +ja, hij had gehoopt dat allengs in zijn hart eenige genegenheid voor de +schoone Placida Van Woumen zou zijn ontstaan. En nu? Nu boezemde Placida +hem afschrik in, nu deed het gepeins dat hij in hare tegenwoordigheid +ging verschijnen hem sidderen! Nu liep er koude door zijne aderen, +wanneer hij in de verbeelding haar helder oog op zich gevestigd zag! En +hij gevoelde geenen haat voor haar; niets dan een onuitlegbaar gevoel +van vrees, eenen ziekelijken schrik ... Maar het mocht daarbinnen in +zijn hart gaan zooals het kon, hij moest toch uit dezen strijd opstaan +met de noodige gemoedskracht om zijnen plicht te volbrengen ... + +Zoo vervuld met onverwinnelijke droefheid, doch welberaden om niets te +zeggen of te doen dat Placida of hare ouders kon kwetsen, bereikte hij +sher Rijkaards Steen. + +Op zijne vraag zeide hem de schalk, die de poort opende, dat mher Van +Woumen sedert gisterenavond was teruggekeerd, maar nu daareven den Steen +had verlaten. Jonkver Placida was te huis en wachtte zelfs op mher +Robrecht, meende de schalk. + +Hij leidde den jongen ridder over den neerhof en opende voor hem de deur +eener kamer, waar Placida bij het venster was gezeten met hare oude +dienstmeid Martha. + +Op de tafel bemerkte hij met verwondering de dooze die zijne beloftegift +bevatte. Placida had het juweel nog onlangs in de hand genomen, +misschien had zij zich er mede versierd? + +Hij keerde zijn oog van de dooze om zijne verloofde te groeten; maar de +jonkvrouw richtte op hem eenen bijzonderen strengen blik verwijtend en +zoo zonderling diep, dat Robrecht er gansch van ontstelde. + +Hij boog zich voor de maagd en murmelde: + +"Jonkver Van Woumen, ik bid u om verschooning. Zeker, mijn eerste plicht +en mijn eerste wensch na mijnen terugkeer van Yperen, moesten zijn u een +bezoek te brengen; maar zooals mijn bode u gemeld heeft, ik was gisteren +onpasselijk, zeer ziek zelfs." + +De jonkvrouw deed hare dienstmeid een teeken dat zij de kamer zou +verlaten. Dan wendde zij zich tot haren verloofde. + +"En mher Sneloghe is heden gansch genezen?" vroeg zij op eenen toon van +half verborgen spot en met eene spijtigheid die Robrecht verbaasde. Hij +aanschouwde haar zwijgend. + +"Waarom mij bedriegen?" zeide zij. "Gij waart niet ziek, heer. Iemand +anders moest gij bezoeken, niet waar?" + +"Ik begrijp u niet, Placida", mompelde Robrecht. "Geloof mij, ik was +gisteren zoo onpasselijk dat ik van den ganschen dag mijn bed niet kon +verlaten." + +"En niemand hebt gij gezien of gesproken?" + +"Niemand dan mijne zuster." + +Jonkver Van Woumen schudde ongeloovig het hoofd, terwijl een vinnige +glimlach op hare lippen sidderde. + +"Uw strenge blik beschuldigt mij", stamelde Robrecht. "Heb ik iets +gedaan dat u op mij kon verbitteren, het was dan onwetend; want +waarlijk, Placida, ik wensch niets meer dan al wat in mijne macht is aan +te wenden om u te behagen." + +"Ah, daarin juist bestaat uwe valschheid", zeide de jonkvrouw met eene +gramschap die zij niet poogde te bedwingen. + +"Mijne valschheid!" herhaalde Robrecht, wiens oog plotselijk eene +genster van verontwaardiging uitschoot. + +Maar hij bedaarde even spoedig en sprak: + +"Placida, een man zou mij die beschuldiging niet ongestraft toesturen; +in u evenwel eerbiedig ik niet alleen mijne verloofde, maar tevens de +vrouw. Men heeft u bedrogen, ongetwijfeld; men heeft kwaad van mij +gesproken en gij, gij hebt het geloofd! Ik had recht op meer vertrouwen +van uwentwege. Mijne valschheid! Gij acht mij valsch?" + +Jonkver Van Woumen bleef eene korte wijl stilzwijgend, als raapte zij +hare stoutheid of hare gemoedskracht te zamen tot het uitvoeren van een +gewichtig besluit. + +"Neen, beweer niet, heer, dat gij u oprecht jegens mij gedraagt", zeide +zij. "Hoe? gij laat mij gelooven dat ik uwe genegenheid geheel zal +bezitten? Ik aanvaard uwe hand.--Ah, dit zou men geene valschheid moge +noemen?--Wetens en willens veroordeelt gij mij om mijn treurig leven te +slijten met eenen echtgenoot wiens gedachten verre van mij zijn en die +het mij nimmer vergeven zou aan zijne zijde de plaats eener andere vrouw +te hebben ingenomen. Het is zulk lot dat gij mij wilt bereiden?" + +Robrecht werd door deze onverwachte aantijging diep getroffen. Hij zag +de jonkvrouw zwijgend en met verbaasden blik aan. + +"Het is dus waar! Gij bekent het!" kreet zij met eenen spotlach. + +Eenen geweldigen strijd doorstond de jonge ridder. Hij voelde zich +bloedig gekwetst en worstelde tegen zijne mannelijke waardigheid die hem +aandreef om den hoon af te weren; maar dan overwoog hij hoe zijn oom en +al de zijnen hem zouden beschuldigen van lafheid of van zelfzucht, +indien hij eenige redenen gaf tot het verbreken der huwelijksbelofte. +Dan zouden de Erembalds in Rijkaard Van Woumen niet eenen machtigen +vriend, maar eenen onverzoenbaren vijand vinden, en hij, Robrecht, zou +misschien de schuld van der Keerlen verderf zijn. Deze gepeinzen sloegen +hem met droefheid en spoorden hem aan tot eindeloos geduld. + +"Jonkver Placida", zeide hij zonder driftigheid, "onze ouders hebben +geoordeeld dat een huwelijk tusschen ons wenschelijk was voor het +welzijn van beide geslachten. Zij hebben onze harten niet geraadpleegd; +zij konden het niet doen, wij kenden elkander nauwelijks. Wat mij +betreft, ik heb uit plichtgevoel die verbintenis aanvaard met de hoop, +bijna met de zekerheid dat ik u zou beminnen. God heeft u begaafd met +schoonheid ..." + +"Hoe kondet gij dit hopen, heer?" onderbrak Placida, "dewijl uw hart +geheel is ingenomen door hetzelfde gevoel voor eene andere vrouw?" + +Robrecht, gemarteld door eene pijnlijke verlegenheid, murmelde eene +onverstaanbare terechtwijzing. + +"Wie toch kon weten", schertste Placida met misprijzen op de lippen, +"dat gij u vereerd zoudt achten met de hand eener edelgeborene +jonkvrouw? Gij zijt een Kerel; een Kerlinne alleen is uwer liefde +waardig! Dakerlia wone dus op Ravenschoot! Wees zeker, heer, ik benijd +de dochter van Segher Wulf dit geluk niet!" + +"O, ik smeek u", riep Robrecht met sombere ontstelde stem, "hoon jonkver +Dakerlia Wulf niet in mijne tegenwoordigheid! Laat mij bedaard blijven. +Ik zal alles verdragen, alles lijden, maar eerbiedig Dakerlia!" + +"Genoeg, ik weet genoeg", wedervoer Placida. "Nu ben ik overtuigd dat +men mij de waarheid heeft gezegd. Gij zelf, heer, ontkent het niet. +Alles zij dus gedaan tusschen ons. Neem uwe beloftegift terug ..." + +"Eilaas, jonkver Placida, wat doet gij?" + +"Neem uwe gift terug; ik ontsla u van uwe belofte: gij zijt vrij." + +"Maar wat zal uw heer vader zeggen?" + +"Mijn vader weet wat ik voornemens was heden te doen. Hij betreurt mijn +besluit, doch wil mij niet dwingen." + +"En hij zal ons ten vijand worden?" + +"In het geheel niet. Neem uwe beloftegift terug, heer!" + +"Maar berekent gij dan niet, Placida, dat mijne maagschap, dat de +Erembalds het breken dezer verbintenis als eenen bloedigen hoon zullen +beschouwen? Wat al ongelukken kunnen daaruit ontstaan!" + +"Gij bedriegt u, heer. Mijn vader zal uwen oom, den proost, gaan spreken +en hem doen begrijpen dat ik alleen de schuld ben van alles; dat ik dit +huwelijk van de hand wijs, ondanks den wensch mijner ouders. Uw oom en +uwe magen zullen, meen ik, den wil eener vrouw eerbiedigen, en mijnen +vader daarom niet haten ... Neem uwe beloftegift terug, heer!" + +"Eilaas, het zij zoo!" zuchtte Robrecht, de juweeldoos van de tafel +nemende. + +"Alles is dus tusschen ons verbroken?" vroeg hij droef. + +"Alles", was het koele antwoord. + +"Onherroepelijk en voor altijd?" + +"Voor altijd!" + +"Blijf dus met God, jonkver Van Woumen. Hij late u gelukkig zijn, dit is +mijn oprechte wensch", murmelde Robrecht, terwijl hij de doos in zijne +tassche stak en aarzelend nog bleef staan. + +"Geene hoop meer?" zuchtte hij. + +"Geene. Vaarwel!" + +Robrecht groette nog diep en verliet sher Rijkaards Steen. + +Toen hij in de straat kwam, helde zijn hoofd voorover en hij stapte eene +lange wijl als bewusteloos voort; maar dan verhelderde allengs zijn +blik, totdat hij eensklaps het hoofd ophief en met eenen begeesterden +lach op het gelaat in zich zelven mompelde: + +"Vrij? vrij? Ik heb mijnen plicht betracht, hoon en laster verdragen, de +slachtoffering verduldig aanvaard tot het uiterst einde ... en toch ben +ik vrij! Ha, dank, o God, dat gij mij dit leven van eeuwige treurnis +hebt gespaard ... Dakerlia! Dakerlia!" + +En onder den invloed dezer blijde gedachten verhaastte hij zoodanig +zijnen stap dat hij weinige oogenblikken daarna de Spiegelrei bereikte. + +Hier zag hij tusschen de boomen eene vrouw wier nederige kleeding eene +dienstmeid scheen aan te kondigen. Zij trad in zijne baan, als wachtte +zij hem af, liet hem nader komen, schikte zich nevens hem en vroeg met +verdoofde stem: + +"Heer, herkent gij mij niet?" + +"Ja, gij zijt Brigitta, de dienstmeid van jonkver Placida", mompelde +Robrecht, haar beziende. + +"Ik heb u iets te zeggen, heer. Verraad mij nimmer. Wat ik doe is uit +eerbied, uit liefde tot u, en ik waag er misschien mijn leven aan ... +Mijne jonkvrouw heeft uwe beloftegift u teruggegeven niet waar? Heeft +zij u niet beschuldigd eene andere vrouw, eene Kerlinne, uwe liefde te +hebben geschonken?" + +"Hoe weet gij dit? Gij waart niet tegenwoordig!" vroeg Robrecht +verwonderd. + +"Dit is wat ik u wilde verklaren, heer. Gisterenavond is mijn meester +van de reis te huis gekomen. Hij heeft zich met jonkver Van Woumen in +eene kamer opgesloten om haar over iets gewichtigs te onderhouden. Ik +heb schier alles gehoord. Mher Van Woumen zeide dat gij eene andere +jonkvrouw bemint en bijna al uwen tijd in haar gezelschap slijt. Hij +noemde daarbij vele malen eenen mher Tancmar en andere ridders, die hem +te Rijssel dringend aangeraden hebben de huwelijksbelofte zijner dochter +te breken. Men besloot het te beproeven, maar dewijl mher Van Woumen de +wraak uwer bloedverwanten niet op zich wilde laden, zou men jonkver +Placida pogen over te halen om uit eigene beweging het huwelijk af te +wijzen. Daarom moest men haar tegen u verbitteren. Men deed mijne +jonkvrouw roepen en men overtuigde haar dat gij sedert lang eene zekere +Dakerlia Wulf bemint. Mijne jonkvrouw, door deze lasterlijke aantijging +bedrogen, stemde in alles toe. Gij ziet het dus wel, heer, men heeft +eenen verraderlijken aanslag tegen u gesmeed en mijne jonkvrouw +bedrogen. Alle hoop is niet verloren. Bewijs uwe onschuld: het moet u +gemakkelijk zijn; jonkver Placida zal terugkomen op haar besluit ... Nu +keer ik spoedig weder naar onzen Steen. Bedank mij niet: ik ben nu eene +slavinne, maar mijne ouders waren vrije Kerels. God geleide u, heer!" + +Robrecht zag haar eene wijl denkend achterna. Dan keerde hij zich om, +vervorderde haastig zijnen weg, en zeide in zich zelven, met eenen +helderen glimlach op het gelaat: + +"Ha, ha, het is te Rijssel dat men besloten heeft dit huwelijk te +beletten! Ik heb er dus geene de minste schuld aan. Mijn geweten is +onbeladen en mijn oom kan mij niets verwijten. Tancmar, altijd die +Tancmar! Hij vervolgt ons zonder verpoozing. Die bloedvijand van ons +geslacht heeft nu toch zijn doel gemist. Hij meende mij diep te honen en +doodelijk te bedroeven ... en hij maakt mij den gelukkigste der +menschen! Nu heb ik mijne vrijheid weder. Er is niet meer op terug te +komen. Geene macht op aarde kan mij nog dwingen mij voor Placida Van +Woumen te vernederen. Dakerlia, Dakerlia zal mijne levensgezellinne +zijn!" + +En nog meer zijnen stap bespoedigende, bereikte hij welhaast het einde +der Ridderstrate. + +Hij klopte aan de poort van zijnen Steen, ging den schalk zonder +spreken voorbij en liep tot in de zaal waar zijne zuster, voor een +kruisbeeld geknield, in een innig gebed was verslonden. + +Zijne verwarde zegekreten deden haar verbaasd opspringen, en zij wilde +hem vragen wat hem dus was overkomen; maar hij sloot haar in zijne armen +en zeide: + +"Witta, de Hemel is ons barmhartig! Ik trouw niet met Placida; zij zelve +heeft onze belofte verbroken en mijne gift mij doen terugnemen. Het is +onherroepelijk. Ik ben vrij, Dakerlia zal met ons wonen, zij zal mijne +bruid en uwe zuster zijn, totdat de dood ons scheide!" + +Het jonge meisje, door deze tijding gansch buiten zich zelve van +gelukkige verrassing, hief de handen in de hoogte en riep uit: + +"O, dank, dank, God, Gij hebt mijn gebed verhoord!" + +Maar Robrecht greep haar den arm en trok haar naar de deur, terwijl hij +haastig zeide: + +"Kom, kom, zuster: Dakerlia moet het weten." + +Het meisje weerstond hem eensklaps. + +"Dakerlia?" morde zij, "o, neen, nog niet!" + +"Zij is droef, zij lijdt, Witta." + +"Ja maar, die onverwachte tijding ..." + +"Welnu?" + +"Die onverwachte tijding zou haar kunnen ziek maken, haar kunnen doen +sterven. Zij is zoo uiterst gevoelig." + +"Gij verschrikt mij! inderdaad ..." + +"Laat mij alleen tot haar gaan", zeide Witta. "Ik zal het haar +voorzichtig bekend maken. Eenige woorden zijn genoeg om haar te behoeden +voor eene plotselijke ontsteltenis. Kom gij dan straks." + +"Ga, ga, zuster, uw raad is wijs en goed; maar haast u toch, ik smeek +u!" + +Het meisje begaf zich naar sher Wulfs Steen. + +Toen zij de achterzaal binnentrad, zag zij Dakerlia met eenen witten +doek in de hand voor het venster zitten. De hopelooze had waarschijnlijk +in hare droeve eenzaamheid alweder tranen gestort. + +Robrechts zuster meende tot haar te loopen en hare treurnis door eene +onmiddellijke veropenbaring van het gelukkig nieuws te verdrijven; maar +zij weerhield zich, naderde tot Dakerlia, nam haar de hand en zeide: + +"Nu, ween niet meer, vriendinne ..." + +"Ach, ik kan mijne smart niet bedwingen; ik zal zeker ziek worden, ik +gevoel het wel!" riep jonkver Wulf. + + +[Illustratie: "Aanvaard het uit mijne hand." (Bladz. 123.)] + + +"Ik kom om u iets te zeggen, Dakerlia ..." + +"Gij hebt nooit afgunst gevoeld, Witta; de minnenijd heeft nooit u den +boezem verteerd. + +O, behoede de barmhartige God u voor zulk akelig lijden! Het is eene +slang die om ons hart gekronkeld ligt en het vezel voor vezel verbijt en +verscheurt." + +"Maar laat mij spreken", morde Witta, hare klacht onderbrekende. "Ik heb +eene verrassende tijding u mede te deelen. Het schijnt dat het huwelijk +mijns broeders met Placida Van Woumen eenig beletsel ontmoet." + +Dakerlia zag haar als verschrikt aan en begon te sidderen. + +"O, hemel, wat zegt gij?" mompelde zij schier onverstaanbaar. "Spreek, +spreek!" + +"Gij zijt zoo ontsteld, vriendinne; ik zeg immers niet dat dit huwelijk +verbroken is?" + +Eenen zwaren zucht slakende, riep Dakerlia klagend uit: + +"Ach, Witta, Witta, waarom pijnigt gij mij zoo wreedelijk?" + +Jonkver Sneloghe verkeerde in eene lastige verlegenheid. Haar broeder +ging komen; zij moest zich haasten en de groote ontstelbaarheid van +Dakerlia maakte hare taak zoo moeilijk! Tot een besluit gedwongen, +verzamelde zij haren moed en zeide: + +"Dakerlia, ik heb gewichtige dingen u te openbaren: maar gij moet +bedaard blijven of ik verlaat u oogenblikkelijk ... Het is +waarschijnlijk dat de huwelijksbelofte mijns broeders zal verbroken +worden." + +"Waarschijnlijk?" herhaalde Dakerlia, met eenen hoopvollen lach van +haren zetel opstaande. + +"Bijna zeker." + +"Ach, mocht dit geschieden, hoe zou ik God zegenen!" + +"Het is geschied, Dakerlia: het huwelijk is verbroken." + +Jonkver Wulf vloog hare vriendin aan den hals en lachte en stortte +tranen, als hadde deze tijding haar van blijdschap zinneloos gemaakt. + +De deur werd geopend, en Robrecht trad binnen. + +Een kreet ontsnapte Dakerlia; zij rukte zich los uit de armen harer +vriendin en meende met uitgestrekte handen Robrecht te gemoet te loopen; +maar een hevig schaamrood klom op haar voorhoofd en zij bleef, met +neergeslagen blik, te midden der kamer staan. + +Dezelfde ontsteltenis had den jongeling getroffen; maar hij, het eerst +de bewegingen van zijn hart bedwingende, ging tot haar, nam haar de hand +en sprak op schier plechtigen toon: + +"Dakerlia, mijne zuster heeft u gezegd, niet waar, dat ik verlost ben +van den dwang die mij ongelukkig maakte. De wreede beproeving, welke wij +moesten onderstaan, heeft ons toegelaten in elkanders hart te lezen. Na +zulke bekentenis hoef ik u niet te vragen, Dakerlia, of uwe ziel +dezelfde wenschen voedt als de mijne. Ik kan niet meer leven zonder u +te zien, zonder uwe stem te hooren, zonder mijn heil uit uwen zoeten +blik te putten. Vrienden als te voren kunnen wij niet meer zijn. Wij +moeten iets anders voor elkander worden. Stemt gij toe?" + +Dakerlia wilde antwoorden; maar de spraak verstikte in hare keel en zij +begon overvloedig te weenen. Deze onverwachte vraag had haar zoodanig +ontsteld, dat zij wankelend tot haren zetel liep en met de handen voor +de oogen er zich op liet nedervallen. Maar de stilte die haar omringde +riep haar tot bewustzijn terug. + +"Ach, Robrecht, Witta, vergeeft het mij!" kreet zij. "Er is een geluk +zoo eindeloos groot dat het ons verplettert. Komt, komt hier bij mij, +geeft mij de hand ... Laat mij ademhalen. Waarom stort de genadige God +... dus in eens over mij ... al de zaligheden van een gansch leven +uit?... Zoo, zit zoo nevens mij!" + +"Bedaar toch, lieve Dakerlia", murmelde mher Sneloghe. + +"Ach, hoe duister mijne hersens! Alles draait in mijn hoofd. Gij hebt +mij iets gevraagd, Robrecht. Zou ik wel begrepen hebben? Is het eene +begoocheling mijner zinnen?" + +"Wilt gij mijne bruid worden?" vroeg de jonge ridder. + +"Ik uwe bruid? Onmogelijk! Het is een droom!" + +"Ja, ja, Dakerlia, het is de zoete droom onzer harten die zich +verwezenlijken gaat." + +"Het zou waar zijn? Ik, Dakerlia, ik zou uwe echtgenoote worden? Ik zou +met u leven, u nimmer verlaten, uwe vreugde, uwe smarten deelen, nevens +uwe zijde staan tot aan het graf? Ach, ik kan aan zooveel geluk niet +gelooven!" + +Robrecht nam de juweeldoos uit zijne tasch, opende ze en reikte de +jonkvrouw het kostbare halssnoer. + +"Dakerlia", zeide hij, "gij weet tot welk einde mijne moeder op haar +sterfbed mij dit juweel heeft geschonken. Aanvaard het uit mijne hand." + +De dwalende maagd greep het glinsterende snoer en drukte het aan hare +lippen en op haar hart, terwijl zij hijgend uitriep: + +"Het is waar, het is waar, ik kan niet meer twijfelen! Hoe looft mijne +ziel, o, God! Aan mij dit pand, aan mij voor altijd!" + +En Witta opnieuw in hare armen sluitende, begon zij te juichen van het +geluk dat hen allen wachtte, van de eeuwige vriendschap, van de +onverstoorbare liefde waarin zij te zamen zouden leven als in eenen +immer wolkenloozen hemel. Robrechts zuster en hij zelf voegden nu en dan +een woord bij hare verblindend schoone schildering der toekomst, maar +zij liet hun niet veel zeggen en kon geen oogenblik zwijgen, zoo zeer +gevoelde zij den dringenden nood tot uitstorting haars harten. + +Robrecht stond op en zeide: + +"Dakerlia, de zorg voor ons geluk dwingt mij u te verlaten. De dag zal +niet lang meer duren. Mijn oom moet weten wat er is geschied; uit mijnen +mond slechts mag hij vernemen aan wie ik nu mijne beloftegift heb +aangeboden. Vrees niet meer. Uw vader zal mijn besluit toejuichen. Ik +zal komen om mijnen plicht jegens hem te vervullen. Geene menschelijke +macht kan ons nog van elkander scheiden. Blijf met mijne goede +zuster.--Later zullen wij met meer bedaardheid doch met evenveel +blijdschap ons toekomend leven overwegen." + +Hij drukte Dakerlia teederlijk de handen en terwijl de verrukte maagd +met tranende oogen zijnen naam liefdevol herhaalde, ging hij ter zaal +uit. + +Hij stapte met haast door de Hoogstraat en richtte zich naar den Burg. + +Hier vond hij zijne ooms Bertulf, den proost van St-Donaas, en Hacket, +den kastelein van Brugge, te zamen in eene kamer der proostdij. Zij +schenen tevreden en welgemoed. + +"Ah, goeden dag, mijne lieve neef", riep Bertulf. "U zijn wij +dankbaarheid verschuldigd. Uwe opoffering heeft hare vruchten reeds +gedragen. Ik heb tijdingen van Yperen. Mher Van Woumen heeft ons bij den +graaf verdedigd en velen onzer vijanden tot zwijgen gebracht. Uw +huwelijk met de dochter van dien machtigen ridder is een onschatbaar +geluk voor ons en voor geheel Kerlingaland!" + +"Mijn huwelijk? Mijn huwelijk is verbroken, heer proost", stamelde +Robrecht, die wel voorzag welken pijnlijken indruk deze tijding zou +doen. + +"Verbroken? Uw huwelijk met jonkver Placida verbroken?" kreten zijne +beide ooms. + +"Ja, onherroepelijk verbroken; jonkver Van Woumen zelve dwong mij tot +het terugnemen mijner beloftegift." + +"Dan heeft het u aan moed of aan goeden wil gefaald", viel Bertulf +beschuldigend uit. "Ik heb het gevreesd!" + +"Uwe vrees was onrechtvaardig en ongegrond, oom", wedervoer Robrecht met +stille fierheid. "Ik heb mij laten vernederen en honen met een geduld +dat aan lafheid grensde, alleenlijk om in mijn geweten de overtuiging te +hebben dat ik tot het einde mijnen plicht heb betracht, ten minste tot +zooverre de menschelijke krachten reiken. Deze overtuiging heb ik." + +"Maar welke reden gaf dan mher Van Woumen tot zulk onverwacht besluit?" +vroeg de kastelein. + +"Mher Rijkaard was niet tegenwoordig", antwoordde Robrecht. "Men had het +zoo geschikt dat ik mij alleen met jonkver Placida bevond. Zij brak onze +huwelijksbelofte, mij beschuldigende haar niet te beminnen en mijn hart +eene andere vrouw te hebben geschonken." + +"Valsche uitvindingen onzer vijanden!" morde de oude Bertulf. "Hoe komt +het dat gij dien laster niet oogenblikkelijk hebt vernietigd?" + +"Het was geen laster; ik kan niet liegen", antwoordde Robrecht. "Gij +vergeet, heer oom, dat ik u aangaande jonkver Dakerlia Wulf heb gezegd +..." + +"Maar hadt gij mij niet beloofd aan deze neiging uws harten te +verzaken?" + +"Inderdaad, en ik heb met oprechtheid en vasten wil deze belofte pogen +te vervullen. Sedert mijn eerste bezoek bij jonkver Placida heb ik +Dakerlia niet meer gezien; en ik wilde zelfs haren naam niet meer hooren +uitspreken. Ik had besloten mij op te offeren voor het heil van +Kerlingaland en, wat het mij ook moest kosten, ik zou de opoffering +trouw volvoerd hebben. Nu dank ik den barmhartiger God, die mij verlost +heeft van een pijnlijk leven; want, oom, men overwint zijn hart niet in +eenen dag. Integendeel, de dwang doet het sluimerend gevoel tot eene +beheerschende drift ontvlammen, evenals de wind de smeulende kolen tot +een verterenden gloed aanblaast. Ik bemin Dakerlia Wulf uit al de +krachten mijner ziel ..." + +"Zwijg, zwijg", onderbrak hem de oude Bertulf met spijt, "Wilt gij dan +de vijanden van Kerlingaland de zegepraal verzekeren? Ach, ik heb dit +ongeluk gevreesd van het oogenblik af dat de arglistige Tancmar in de +stad was verschenen!" + +"Nu begrijp ik", zeide de kastelein, "waarom Rambold, Tancmars neef, zoo +vol vertrouwen overal verzekerde dat Robrechts huwelijk met jonkver Van +Woumen niet zou voltrokken worden. Hij wist het dus op voorhand!" + +"Daarin misgrijpt zich mijn oom, de kastelein", zeide de jonge ridder. +"Het is te Rijssel dat het verbreken van onze huwelijksbelofte werd +besloten, en het is de hofraadsheer Tancmar met de Isegrims van 's +graven gevolg, die Placida's vader er toe hebben overgehaald. Hoe het +zij, ooms, nu het lot mij de vrijheid heeft teruggeschonken, moet ik het +u verklaren: ik bemin Dakerlia Wulf, en geene andere vrouw op aarde +wordt ooit mijne bruid!" + +"Maar, maar het afbreken met jonkver Placida, met het machtige huis der +Van Woumen kan niet beslissend zijn", morde de proost, spijtig het hoofd +schuddende. + +"Het is beslissend en onherroepelijk", bevestigde Robrecht. + +"Wij zullen mher Van Woumen gaan spreken", zeide de kastelein. "Hij zal +erkennen dat hij de speelbal is van arglistige vijanden der Kerels en +dat men hem heeft bedrogen." + +"Nutteloos, nutteloos", wedervoer Robrecht. "Wat men te Rijssel heeft +besloten zal men hier niet veranderen. Daarenboven, ik weiger volstrekt +alle nieuwe poging. Er is voor den man die zich zelven eerbiedigt een +grenspaal aan het geduld en aan de vrijwillige vernedering. Men verwijt +mij in sher Rijkaards Steen dat ik een Kerel ben. Welnu, deze Kerel +buigt het hoofd niet voor trotschaards die zijn geslacht misprijzen!" + +"Het wordt duister in onze toekomst!" zuchtte de proost met mismoed. "Ik +had op onze verbintenis met het machtige geslacht der Van Woumens mijne +schoonste hoop gebouwd. Tancmar zegeviert alweder over al mijne +berekeningen, over al mijne moeite! Nu zal Rijkaard Van Woumen ons zeker +een onverzoenbare vijand worden?" + +"Toch niet, heer oom", antwoordde Robrecht. "Men heeft jonkver Placida +doen veinzen dat zij dit huwelijk door eigene beweging verbreekt, om ons +geene redenen tot vijandschap tegen mher Van Woumen te geven. Placida +heeft mij zelfs verzekerd dat haar vader u zal komen spreken om zich bij +u te verschoonen." + +"Maar is het zoo, mijn neef, laat mij nog eene poging bij hem +beproeven." + +"Neen, neen, oom, ik heb u gehoorzaamd en mijnen plicht gedaan. Nu wil +ik van dit huwelijk niet meer hooren en ik bevestig het u nog eens: +Dakerlia Wulf wordt mijne bruid!" + +"Eilaas, kan het anders niet!... Wij zullen zien nochtans." + +"Ik heb haar reeds mijne beloftegift aangeboden." + +"Hoe? wat zegt gij? En zij heeft ze aanvaard?" + +Mher Sneloghe knikte bevestigend. + +"Alles, alles mislukt ons!" klaagde de oude Bertulf. "Er drijft een +onweder boven onze hoofden te zamen. Wanneer zal het losbarsten? Ik weet +het niet. Misschien is het nog af te keeren, ondanks wederwaardigheid en +tegenspoed. Voorzichtig moeten wij zijn en waakzaam als de zeeman die +zijn schip door golven en klippen in de haven hoopt te brengen. Daarom, +Robrecht, beloof mij dat gij uw voornemen om Dakerlia Wulf tot bruid te +nemen niet openbaar zult maken voordat ik mher Van Woumen heb +gesproken." + +"Uwe hoop is ijdel, heer oom: ik blijf onplooibaar in mijn besluit." + +"Beloof mij dat gij het evenwel nog eenige dagen zult geheimhouden." + +"Daarin ben ik bereid mij volgens uwen wensch te gedragen." + +De kletterende stappen van een dravend paard hergalmden tot in de zaal. + +"Daar is nu onze neef Burchard!" zuchtte de proost ontevreden. "Wat zal +dien onbedwingbare woestaard ons te melden hebben?" + +Hij had deze woorden niet geheel geeindigd, toen Burchard binnentrad en +zijne ooms en Robrecht met eenen glimlach groette. + +De reusachtige Kerel liet zich op eenen stoel vallen en zeide vroolijk: + +"Ha, ik breng goede tijding." + +"Zoo! het is een wonder", mompelde de kastelein. + +"Ja; ik ben te Oudenburg, te Ghistel, te Moere en in de omstreken +geweest. Gij hadt moeten zien en hooren hoe de Kerels daar om wraak +riepen en naar eenen onmiddellijken oorlog wenschten, zoohaast ik hun +had gezegd dat de Isegrims zich bereiden om hun den balfaart op te +dringen. Zij zijn moedig, onze Kerels der Ambachten; zij snakken naar +het oogenblik dat het hun toegelaten worde de burchten der Isegrims af +te branden en te verdelgen tot in den grond. Laat onze vijanden maar +komen! Al stond de graaf zelf aan hun hoofd, geen enkele zal levend +terugkeeren uit Kerlingaland!" + +"En gij noemt dit eene goede tijding?" schertste de kastelein. "Beter en +wijzer ware het dat gij u stilhieldet. Wij hebben moeite genoeg om den +landsvrede in de Ambachten te doen eerbiedigen. Door uwe roekeloosheid +zult gij den graaf aandrijven om den raad onzer vijanden te volgen." + +"Zoo, zoo! Meer zou het u behagen misschien dat ik u kwame zeggen: de +Kerels hebben den moed verloren en zullen als lafaards met het hoofd in +den schoot de slavernij aanvaarden? Gij gelooft dat alles met +lijdzaamheid en geduld te winnen is? Gij zult het zien. Laat den boog +maar plooien, altijd plooien, en als het oogenblik komt dat gij hem moet +gebruiken zal hij zijne laatste veerkracht verloren hebben. Wat mij +betreft, liever breken: anderen breken of zelf breken; maar niet +laffelijk buigen, als waren wij vreesachtige vrouwen! Ha, was ik +meester!" + +"Gij zoudt onfeilbaar ons de ongelukken op den hals halen die wij reeds +zoolang door voorzichtigheid hebben afgeweerd", bemerkte de kastelein. +"Met wijsheid kunnen wij misschien Kerlingaland beslissend tegen de +aanslagen onzer vijanden behoeden." + +"Ja, ja, mijne ooms, gij zijt de verduldigheid zelve", lachte Burchard. +"Blijft maar op den edelmoed der Isegrims hopen, en den eenen of anderen +dag zullen de Kerels ontwaken met de keten der slavernij aan de beenen. +Gij zult verwonderd staan, woedend worden misschien; maar dan zal uw +beschuldigend geweten u toeroepen: te laat! te laat!" + +"Burchard heeft gelijk!" riep Robrecht Sneloghe met eene uitdrukking van +verontwaardiging. "Wij zijn te lijdzaam; men zal haast gaan denken dat +de Kerels niets dan melk in de aderen hebben!..." + +"Gij ook, mijn neef!" viel de proost half spottend hem in de rede. "Hoe +laat gij u toch zoo spoedig verleiden door de grootspraak van Burchard? +Het zijn al dwaasheden die hij uitkraamt. Wij zullen wachten en +voorzichtig toezien totdat de graaf van het leger zij teruggekeerd. +Zoolang de vorst afwezig blijft, hebben wij niets te vreezen. Wij kunnen +zijne eindelijke beslissing niet vooruitzien. Zouden wij door +gewelddadigheid hem redenen geven tot wettige verbittering tegen ons?" + +"Welnu, ooms, blijf bij uw gevoelen", zeide Burchard. "De toekomst zal +bewijzen wie er gelijk had." + +De hand tot Robrecht reikende, sprak hij: + +"Ha, mher Sneloghe, laat mij toe u geluk te wenschen over uw schitterend +huwelijk met jonkver Van Woumen." + +"Mijn huwelijk is verbroken", antwoordde de jonge ridder. "Gij schudt +het hoofd en gelooft mij niet, Burchard? Placida heeft mij mijne +beloftegift teruggegeven." + +"Doemenis, ik heb gedacht dat het zoo zou eindigen!" kreet Burchard met +plotselijke woede. "Waar een Tancmar omtrent kan mag een Erembald zich +aan hoon of onheil verwachten. Gij zijt het slachtoffer eener snoode +kuiperij, Robrecht. Misschien wist gij het niet; maar Ghyselbrecht +Tancmar heeft insgelijks naar de hand van jonkver Placida gestaan. Van +daar komt u deze vernedering." + +"Inderdaad, het is op den raad van mher Tancmar dat de huwelijksbelofte +werd verbroken." + +"Dien hatelijken Ghyselbrecht zal ik wel vinden", gromde Burchard. "Wees +zeker, hij zal sterven door mijne handen!" + +"Bah, bah, het is altijd hetzelfde met u", schertste de kastelein. + +"Ik zal hem vermoorden zeg ik u!" bulderde Burchard. "De tijd der wraak +zal wel eens verschijnen. Rust zal ik toch in mijn leven niet meer +vinden voordat ik den laatste dezer booze Tancmars het hoofd gekloofd +hebbe!" + +"Gij spreekt als een redelooze woestaard", bemerkte de proost. "Al wat +men uit uwen mond hoort is vermoorden, verdelgen, verpletteren. Wat +recht hebben wij om over onze vijanden te klagen indien wij wreeder, +boozer en gewelddadiger zijn dan zij? + +Indien gij zoo blijft voortgaan, zult gij ons groote onheilen op den +hals halen en, wat het ergste is, wij zullen ze verdiend hebben." + +"Gij hoeft over het verbreken mijner huwelijksbelofte geene wraak te +zoeken", zeide Robrecht. "Is Ghyselbrecht Tancmar er de oorzaak van, ik +ben hem zeer dankbaar; want hij heeft mij eenen onschatbaren dienst +bewezen en mij gelukkig gemaakt." + +Burchard zweeg eene wijl en zeide dan eensklaps, zich met de hand op het +voorhoofd slaande: + +"Ik ging het vergeten; maar de nieuwe snoodheid der Tancmars doet er mij +aan denken. Het is eene zaak die mij geheel persoonlijk is en dus +niemand anders aangaat; maar ik wilde er u van spreken om u niet te +laten denken dat ik ze met inzicht u heb verzwegen." + +"Wat zal het nu weder zijn?" mompelde de proost met kommer. + +"Gij weet het niet", ging Burchard voort. "Sedert het laatste bezoek van +den graaf te Brugge, is Rambold Tancmar met zijnen vader den burcht te +Straten komen bewonen. Daar stak iets achter dat zich welhaast zou +openbaren. Men moest mij honen en mij tergen. Terwijl ik naar Rodenburg +was gegaan, om mijnen vader te bezoeken, is Rambold Tancmar met vele +werklieden te Bethferkerke verschenen en heeft begonnen den grond die +mij ten onrechte wordt betwist, met paalwerk te omsluiten. Mijne +gezellen wilden zich tegen die aanmatiging verzetten, maar zij werden +mishandeld en moesten onderdoen voor de overmacht, bovenal omdat ik hun +wel strengelijk had verboden zich tot geweldige twisten met Tancmars +lieden te laten verlokken. Gij weet dat ik een zoontje van mijn zuster +zaliger met mij te Bethferkerke heb. Een onnoozel kind van veertien +jaar, met Kerlenbloed in de aderen toch; want hij weerstond het langste +aan Tancmars lieden. Men heeft den kleinen Eric zoo onmenschelijk +geslagen, dat hij er van te bedde ligt." + +"Laffe wreedheid!" riep Robrecht. "Ha, gij hebt het arme kind gewroken, +niet waar?" + +"Hemel! en wat hebt gij gedaan?" zuchtten terzelfder tijd de proost en +de kastelein. + +"Gij gelooft", antwoordde Burchard, "dat ik ginder te Straten al +degenen verpletterd heb die zich met de zaak hadden bemoeid. Ik beken +dat het gedurende een geheel uur mijn voornemen was, maar ik heb het +gelaten uit ontzag voor u, mijne ooms." + +"Ah, God dank!" riep de proost. "Gij deedt mij beven van schrik." + +"En gij hebt van alle wraak afgezien?" vroeg Robrecht Sneloghe +verwonderd. + +"Ik heb eenvoudig Tancmars lieden verjaagd, het paalwerk omvergeworpen, +opnieuw bezit van mijn land genomen, er een twintigtal gewapende +gezellen op gesteld en Rambold Tancmar eenen bode gestuurd om hem te +zeggen dat ik voortaan mijn eigendom met geweld zal verdedigen." + +"Gij hebt wel gedaan", zeide Robrecht. + +"Maar dit is eene oorlogsverklaring!" riep de kastelein. + +"Welnu, Rambold mag het nemen zooals hij wil: ik ben bereid." + +Er heerschte eene wijl stilte. Wat Burchard had gezegd, vervulde +zichtbaar zijne beide ooms met vrees. + +"Eilaas! En wat heeft Rambold Tancmar geantwoord?" vroeg Bertulf. + +"Niets; ik heb van hem niets meer gehoord. Gij ziet wel, heer proost, +dat er met lankmoedigheid niets is te winnen. Eene enkele stoute daad +brengt deze in schijn zoo trotsche Isegrims tot zwijgen." + +"Het is onnatuurlijk; daar moet eene list onder verborgen liggen", +bemerkte de kastelein. + +"Die Tancmars zijn voor ons ongeluk geboren", morde de proost. "Zij +zoeken met eene helsche spitsvondigheid alle gelegenheden op om ons tot +ongeduld en geweld te drijven. Die gelegenheid hebben zij nu gevonden. +Gij meent dat zij ze zullen verzuimen of laten ontsnappen? Gij verlaat +uw landgoed te Bethferkerke alsof gij den terugkeer van Rambold +onmogelijk geloofdet!" + +"Mijn eigendom is goed bewaard", zeide Burchard met fieren glimlach. "Ik +vrees Rambold Tancmar niet meer." + +"Maar indien hij met overmacht komt? Wat is twintig man? De ondadigheid +van uwen vijand verontrust mij als de kwaadvoorspellende stilte die een +onweder voorafgaat ..." + +De deur werd geopend en een huisschalk verscheen bij den ingang der +zaal met eenen zwaren korf aan de hand. + +"Mher Burchard", zeide hij, "er is een bode van St-Andries gekomen met +dezen korf. Hij verzocht mij hem u onmiddellijk te behandigen. Het is +een geschenk van Mher Rambold Tancmar, heeft hij gezegd, vruchten van +een nieuwen grond, waarvan het gezicht u zal verblijden." + +"Van Rambold Tancmar!" riepen allen verbaasd. "Wat mag het zijn?" + +"Wij gaan het weten", morde Burchard, naar de deur stappende. + +Hij bracht den korf bij de tafel en terwijl de anderen waren opgestaan +en hunne oogen op zijne handen gevestigd hielden, rukte hij de banden en +den doek van den korf. + +"Appelen, schoone appelen, ik ken dit ooft, het is op mijnen grond +gegroeid", sprak Burchard schertsend. + +Maar eensklaps bemerkte hij iets dat hem eenen schreeuw van afgrijzen +ontrukte en de anderen deed verbleeken en beven. + +Onder deze eerste laag appelen vertoonde zich een afgehakte +menschenvoet, met verkrampte teenen en nog bevlekt met bloed. + +Burchard stortte de appelen ten gronde ... nog meer afgehakte yoeten +bevatte de nootlottige korf![36] + +Zwijgend en als versteend staarden allen op deze teekens eener +afschuwelijke wraak. + +Onderwijl gromde Burchard onverstaanbare vermaledijdingen en, alsof hij +zich zelven wilde tergen, nam hij de loodvervige roeten een voor een bij +de teenen, hief ze uit den korf en telde: een, twee, drie, vier ... + +Al deze voeten waren naakt; maar nu haalde Burchard, van den grond der +mande, eenen kleineren voet op die nog een blauw schoeisel droeg. + +Een akelige noodkreet bonsde door de zaal; Burchard, de harde de +sterkmoedige Kerel, liet zich op eenen zetel vallen en begon overvloedig +te weenen. + +"Eric! Eric! Het kind mijner zuster!" klaagde hij. "Dood, dood! En hem +niet weder levend kunnen maken, zelfs niet in stroomen bloed!" + +"Ho, het is gruwelijk!" morde Robrecht, sidderende van verontwaardiging +en toorn. "Bij zulke heuveldaad wordt de wraak een plicht. Geschiedde +wat wil, geduld is hier lafheid!" + +De proost en de kastelein hadden Burchards handen gegrepen en poogden +hem te stillen en te troosten. + +"Welnu, ooms, wat denkt gij?" zuchtte Burchard met heesche stem. "Nu is +al mijn moed gestorven; maar indien mij nog kracht overbleef, zoudt gij +zeggen: geef toe, wees voorzichtig, verdraag alles?" + +"Neen, neen, het is te veel!" antwoordde de oude Bertulf. "Rambold +Tancmar moet zijne wreedheid boeten; maar laat u niet aldus door uwe +wettige woede tot uitzinnigheid vervoeren; in alles moet de mensch met +beradenheid te werk gaan." + +Burchard bleef eene wijl hoorbaar hijgen. Dan sprong hij eensklaps +recht, dreef zijne ooms van zich weg en liep buiten de zaal. + +"Mijn paard, mijn paard!" klonk het op den neerhof met zooveel kracht, +dat de andere gebouwen van den burg er van weergalmden. + +De kastelein was Burchard achterna geloopen en bracht hem nu terug in de +zaal, hem smeekende zich niet zoo in het openbaar ten schouwspel te +geven. Men mocht vreezen dat, indien de misdaad bekend werd, er een +volksoploop zou geschieden en dit moest men, als een even groot ongeluk, +voorkomen. + +Hem nogmaals met medelijden de hand nemende, poogde de proost hem te +doen begrijpen dat men, om der wraak zeker te zijn, eenige voorzorgen +moest nemen en niet dwaselijk mocht te werk gaan. Hij zou zijnen neef +helpen, hem de middelen bezorgen om de Tancmars te straffen. Nu was het +te laat voor heden: de avond begon reeds te vallen. + +Maar Burchard hoorde niets; hij hield, met eenen lach als een +tijgergrijns op den mond, zijnen blik naar de deur ... + +"Nu, Burchard, blijf moedig; wees getroost", zeide hem Robrecht +Sneloghe. "Ik zal mijne mannen van Ravenschoot halen; wij zullen te +zamen naar Straten gaan. Gij zult gewroken worden ..." + +Maar Burchard, als antwoordde hij zich zelven, gromde verwardelijk: + +"Neen, neen, gij zijt niet wreed genoeg; gij zoudt mijne wraak +wederhouden ... Alleen, alleen ... geene voorzichtigheid ... andere +mannen: Blauwvoeten met baarden! Ha, ik hoor ... daar is mijn paard!" + +Hij liep naar den korf, raapte den kleinen voet met blauw schoeisel van +den grond op, stak hem met koortsige haast in zijne gordeltasch en ijlde +dan, door zijne verschrikte ooms gevolgd, naar buiten. + +Hier sprong hij op zijn brieschend paard en drukte het de spoor door de +huid. Het dier huilde van pijn en schoot als de pijl uit den boog over +het binnenplein van den burg. + +Burchards ooms hadden hem gevolgd tot buiten de proostdij; zij stonden +daar nu klagend en met de armen opgeheven, en riepen hem nog bij zijnen +naam; maar hij hoorde hen niet en verdween uit hun gezicht onder de +hofpoort. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 36: KERVYN DE LETTENHOVE. Histoire de FL, t. I, pag. 369.] + + + + +VI + + +Ten zuiden en ten oosten van Brugge was het land weleer gansch overdekt +geweest met een enkel oorspronkelijk woud, slechts hier en daar +onderbroken door zandige moerassen en turfachtige poelen. + +Een taaie, werkzame volkstam had voor eeuwen bezit van dien verlaten +grond genomen, vele bosschen uitgeroeid en tot vruchtbare akkers +herschapen, de lage boorden der beken van alle houtgewas gezuiverd, de +staande wateren door dijken en grachten afwatering bezorgd en zoo, door +geduld en arbeid, de woestijn gedwongen tot het voeden van talrijke +bewoners. + +De reizende koopman, die het waagde in het gunstige jaargetijde deze +streken te doorloopen, keek verwonderd op, wanner hij eensklaps, in den +schoot van het bosch zelf, of langs de grasrijke boorden der beken een +ontelbaar hoornvee of groote kudden schapen ganzen en zwijnen zag +grazen. + +Zoo werd de grond bebouwd tot aan den voet der eeuwenheugende wouden, +overal waar het zonnelicht eene vlakte kon beschijnen. Alles was +benuttigd: de waterloopen tot het bewegen van molens, de poelen tot het +kweeken van visch, de bosschen tot het hakken van brand- en timmerhout, +ja, de moerassen zelve tot het baggeren van derring of turf. + +Het bedrijvige volk, dat deze wonderen had gewrocht, woonde niet in +dorpen; zijne huizen of hutten stonden eenzaam en als bij geval gezaaid +langs de beken of de boorden der bosschen. Enkele zelfs waren verdoken +in het diepste van het woud. + +Hierom noemden de lieden van meer vlakke gewesten deze uitroeiers der +bosschen de Houtkerels[37]. + +Weinig in aanraking komende met de poorters der steden of met +vreemdelingen, hadden de Houtkerels meer nog dan de overige bewoners van +Kerlingaland hunne voorvaderlijke gewoonten schier onveranderd behouden. +Alhoewel zij Christenen waren en des Zondags in de naastgelegen dorp ter +misse gingen, oefenden zij nog vele gebruiken die klaarblijkend +heidensch waren, en vermengden dus, soms zonder het te weten, de +plechtigheden van den Christenen-godsdienst met de overblijfselen der +vroegere vereering van Wodan, Thor en Freya. + +Dewijl zij niet gaarne in de dorpen of steden zich begaven en zeer +verspreid leefden, zouden zij, bij gebrek aan middelpunt, weinig verkeer +met elkanderen gehad hebben; maar daarin waren zij voorzien. + +Al de bewoners eener beperkte streek vormden eene gemeente welke zij +_Minne_ noemden, dat is _vriendschap_[38]. + +In het midden dezer Minne, dikwijls bij eenen waterloop, stond een +groot huis, bewoond door eenen bierbrouwer, waarnevens eene zeer wijde +schuur was getimmerd, die men _zale_ of _zele_ heette. Hier hielden zij +hunne vergaderingen van allen aard. Men koos er, bij meerderheid van +stemmen, de Keurmans of bestierders en rechters; men beraadslaagde er +over de gemeene zaken, men bracht er zijnen jaar- of maandpenning in den +Gildenschat, men vierde er doopen, huwelijken en uitvaarten. + +Voor de deur, te midden van een grasplein, stond de hooge wip, om met +hand- of kruisboog naar den gaai te schieten. + +Een weinig terzijde, tusschen eene groene haag, die eenen halven kring +vormde, kon men vier zodenbanken zien. Dit was de plaats waar de +Keurmans, volgens oud Germaansch gebruik, de misdadigers veroordeelden +of boeten uitspraken tegen degenen die de wet van het Gilde of der Minne +hadden overtreden; en dewijl eene bank bij hen den naam van _scarne_ +droeg, noemden zij dit rechtsbeluik _vierscarne_ of vierschaar[39]. + +Onder deze Houtkerels waren geene onvrije menschen; allen waren gelijk, +met dit eenige onderscheid dat men eigenaar van eenen akker moest zijn +om stemrecht in de vergaderingen te hebben. Om deze reden zelve was de +grond zeer verdeeld, en bijna ieder weerbaar man bezat er in vollen +eigendom een gedeelte lands. + +Tusschen Zedelghem en Aartryke stond zulke groote brouwerij, die de naam +van Krekaarzele droeg. + +Op zekeren avond waren vele Houtkerels daar vergaderd tot het vieren van +een huwelijk. De groote schuur was er geheel opgevuld met mannen van +allerlei ouderdom, met vrouwen en kinderen. Hier en daar hingen steenen +lampen, uit welker dikke lemmers, zwemmende te midden van drabbige olie, +het roet in smookige kronkels opklom. Langs de wanden liep een houten +bank, waarboven een schab of berd vooruitstak, om er de stoopen en +drinkkannen op te zetten. + +Al de lieden die hier tegenwoordig waren droegen hunne beste +feestkleederen. De mannen hadden voor deze omstandigheid hunne lange +baarden zorgvuldig gewasschen, gekamd en geglimd; de vrouwen en meisjes +hadden zich vol goud en zilver gehangen. + +De bruid herkende men aan haar wit gewaad, dat zacht en sneeuwig +uitloste op al het blauw dat haar omringde; daarenboven terwijl bij de +ongehuwde meisjes het haar tot op den rug nederviel, had de bruid, ten +teeken dat zij geene dochter meer was, het haar zeer gekort. Zij droeg +eene kroon van wit gebloemte; hare jonge gezellinnen hadden integendeel +hunne vlottende haren met eenen groenen krans van maagdenpalm[40] +bevestigd. + +Aan de eene einde der zaal, op eene tafel, zaten drie speellieden: twee +doedelpijpers[41] en een bommelaar. + +Een dans was geeindigd: men genoot een oogenblik rust. Gasten en +speellieden hijgden naar hunnen adem. Jonge gezellen liepen met groote +stoopen door de schuur en vulden alle kannen met schuimend gerstebier. +Maar nauwelijks had elk zijnen dorst door eenen teug gelescht, of de +doedelpijpers en de bommelaar begonnen een aanjagend deuntje, en gaven +dus het sein tot nieuw vermaak. + +Al de aanwezigen sprongen recht, liepen bij paren te midden der zaal en +begonnen te dansen, te wiegelen en te draaien met zulke snelheid dat het +gezicht van dit driftig gewoel eenen koelen aanschouwer het hoofd +duizelig zou gemaakt hebben. Evenwel was er zekere orde in dezen woesten +dans. Bij tusschenpoozen hielden al de paren stil op eenen vasteren slag +der maat, om oogenblikkelijk weder met vernieuwde kracht dooreen te +springen en te zwieren ... Men lachte, men juichte, men zong; en zelfs +de kinderen huppelden dooreen aan het einde der schuur, even vroolijk en +even uitgelaten als hunne ouders ... + +De dansers hadden tusschen al het gerucht der doedelzakken en der bommel +niet gehoord dat een dravend paard voor de deur van het huis had +stilgehouden ... maar nu klonk, eensklaps, boven het geluid der +speeltuigen en boven de galmen hunner vroolijkheid, een machtige stem +en de kwaad voorspellende roep: "Harop! Harop!" die aan elk het +voorgevoel gaf van een onverwacht gevaar. + +De dans hield op; de mannen sprongen naar hunne zwaarden, die zij hier +en daar op de houten bank hadden neergelegd; de vrouwen slaakten een +angstgeschreeuw, de kinderen liepen te hoop in eenen hoek; maar allen +hielden het oog naar de deur, waar nu een hoogstaltig man zich +vertoonde. Bij zijne verschijning riep elkeen met verwondering: + +"Mher Burchard Knap!" + +Velen gingen naar hem toe om te vernemen waarom hij zoo onverwachts +hunne hulp eischte; maar hij deed een teeken met de hand dat hij spreken +wilde, stapte dan te midden der zaal, haalde uit zijne tasch eenen +kleinen menschenvoet waaraan nog bloed kleefde en toonde dien met eenen +pijnlijken spotlach op de lippen. Hij meende te spreken, doch de tranen +borsten hem uit de oogen. + +Velen der omstanders waren bij het gezicht van den bebloeden voet +teruggeweken; doch de smart van Burchard, wiens sterkmoedigheid zij +kenden, deed hun voorgevoelen dat hem een groot ongeluk moest gebeurd +zijn. Meer tot hem naderende, ondervroegen zij hem, ongeduldig en reeds +in toorn ontvlammende. + +Burchard, door eene geweldige beweging der hand, wreef de tranen uit +zijne oogen en zeide hun op heeschen toon: + +"Gezellen, ik ben doodelijk in het hart getroffen. Gij kent Eric, het +schoone kind dat mij somtijds hier ter jacht vergezelde. Hoe dikwijls +heeft hij de warme melk onder uw gastvrij dak gedronken! Gij hadt hem +lief om zijne geestigheid. Ik beminde hem als mijnen zoon, niet slechts +omdat hij het kind mijner zuster zaliger was, maar bovenal omdat het +Kerlenbloed zoo zuiver door zijne aderen vloeide en er uit hem een +wondersterke man moest groeien. Eilaas, mijn arme Eric! hij is dood, dit +is zijn voet!" + +"Dood!" riepen al de omstanders. + +"De kleine Eric dood!" klaagden de vrouwen met opgeheven armen. + +"Wie? wie?" gromden de mannen. + +"De Isegrims!" antwoordde Burchard. + +Gedurende eene wijle tijds zag men niets dan vuisten wringen en zwaarden +opsteken, hoorde men niets dan wraakkreten en knarsing der tanden. Maar +Burchard verhief de stem en zeide: + +"Vrienden, gij hebt meer dan eens mij uwe hulp aangeboden; die hulp kom +ik nu eischen, niet alleen van u, maar van al de Houtkerels die tot onze +Gilde van Krekaarzele behooren. Dat degenen die last van vrouw of +kinderen hebben te huis blijven; jonge mannen zoek ik, en die zijn er +genoeg. Gaat nu naar huis, wekt onderwege de Kerels en zendt ze +herwaarts. Zegt hun dat zij hunne korenwannen medebrengen. De Isegrims, +die mijnen armen Eric vermoord hebben, wonen op eenen sterken burcht. +Dit nest moeten wij bestormen om er het wolvengebroed in te verpletten. +Ladders en boomen, tot beukrammen, zullen wij ginder gereed vinden. +Haast u; wie zich lust gevoelt keere hier weder. Wij gaan het noodvuur +opsteken en den hoorn blazen. Tot straks, gezellen!" + +Door al de bijzijnde lieden gevolgd, stapte hij buiten de schuur. Hier +verspreidden zich de Kerels met hunne vrouwen en kinderen door +verschillige wegen. Men hoorde reeds in de bosschen den diepen, +klagenden toon van den noodhoorn hergalmen. + +Burchard naderde tot de wip, die men had neergehaald. Drie of vier jonge +mannen waren bezig met aan de ijzeren stangen groote vlokken kemp te +hechten, die vroeger reeds in gesmolten harst waren gedoopt geworden. + +"Nog niet vaardig, Wijgbert?" vroeg Burchard. + +"Het gaat zoo spoedig niet", was het antwoord. "Om het wel te doen, moet +men wat tijd gebruiken; maar wees gerust, mher Knap; als onze Houtkerels +dit noodvuur zoo hoog in de lucht zien vlammen, zullen ze welhaast hier +zijn." + +"Luister, Wijgbert", zeide Burchard, "ik bezwijk schier van +vermoeidheid; de smart heeft mij mijne krachten benomen. Ik moet wat +rusten. Verzoek onze gezellen in de schuur te gaan; doe hun te drinken +geven naar hunnen lust, en kom mij roepen wanneer zij in genoegzaam +getal te zamen zijn." + +Hij richtte zich naar het huis en trad in de woonkamer, waar hij zich op +eenen stoel liet nederzakken. + +Niemand bevond zich hier dan des brouwers vrouw met drie kinderen, die +bezig waren eene soort van melkpap uit eenen aarden schotel te eten. + +De vrouw, die reeds bij de komst van Burchard uit zijnen mond den +wreeden dood van den jongen Eric had vernomen, wilde hem nu eenige +woorden van troost toesturen, doch daar zij zag dat hij ongaarne +antwoordde, stoorde zij hem in zijne zwaarmoedigheid niet meer. + +Zij wendde zich tot hare kinderen, die gedaan hadden met eten en zeide: + +"Nu, kinderen, vergeet den Drolle niet. Gij moet gaan slapen." + +Een der kinderen nam eenen lepel pap en stortte dien bij druppelen ten +gronde in eenen hoek van den schoorsteen waar, op mannenhoogte, in den +muur eene kleine holte als een kapelleken was uitgespaard. Nu stond daar +een Lieve-Vrouwebeeldje, maar het was in vroeger tijd waarschijnlijk de +plaats geweest der heidensche huisgoden, want de vrouw zeide tot de +kinderen: + +"Nu zal de Drolle u geen kwaad doen of uwen slaap storen. Bidt nu ook uw +avondgebed." + +De kinderen maakten het teeken des kruises en prevelden zeer godvruchtig +het Vader-ons, waarna ze door hunne moeder uit de kamer werden geleid. + +Toen de vrouw wederkwam, scheen Burchard een weinig van zijne +vermoeidheid hersteld. + +"Vrouw Moerinck", vroeg hij, "waar is uw man?" + +"Hij is met den noodhoorn uitgereden, op den weg van Eeneghem om de +Kerels te wekken", antwoordde zij. "Hij moest reeds terug zijn." + +"En uw vader, de oude Balderic Wisman?" + +"Ja, die loopt altijd in de bosschen, bij het minste dat er voorvalt. Ik +hoor hem hoesten, meen ik. Daar is hij." + +Een zeer oud man, met eenen langen witten baard, trad binnen. Hij +naderde tot Burchard, zette zich op eenen stoel nevens hem, en zeide: + +"Men heeft beelden van heiligen of van Christen-martelaars aan al onze +wijboomen gehangen, en dus de goden onzer vaderen verjaagd; maar ik weet +nog eenen boom, eenen eik, die gespaard is gebleven. Het is de boom van +Thor, den machtigen God der wraak. Ik heb hem de wreedheid en de +boosheid der Isegrims geklaagd. Hij zal u bijstaan en u de overwinning +geven." + +"Gij meent het, Balderik?" mompelde Burchard met eenen glim van +ongeloof. + +"Ik ben er zeker van. Wilt gij dat ik de Runen[42] voor u werpe?" + +Burchard haalde de schouders op; maar de grijsaard, die ontevreden +scheen over zijn twijfel, stond op en nam eenen lijnwaden zak uit eene +kas. Hij keerde terug, schudde den zak en stortte op de tafel een zeker +getal kleine houten stokjes, in ieder derwelke een zonderling teeken was +gesneden. + +"Zie, zie", riep hij, "of het lot u niet gunstig is!" + +Op dit oogenblik trad de brouwer binnen. Hij was een man van ongeveer +veertig jaar, tamelijk zwaarlijvig en hooggekleurd van wangen. + +"Zijt gij weder bezig, grootvader, met die oude bijgeloovigheden?" +schertste hij. "Kom, kom, doe uwe stokjes weg. Zij zullen den zwakken of +lafhartigen de zegepraal niet geven: de beste Runnen zijne sterke leden +en mannelijken moed ... Mher Burchard, ik moet u melden dat er in de +schuur wel vijftig of zestig Kerels reeds vergaderd zijn. Zij gloeien +allen van wraakzucht; want zij vertellen elkander den ongelukkigen dood +van Eric, dien iedereen hier liefhad. Elstrunc en Everslag, onze +Keurmans en uwe goede vrienden, willen u volgen en zullen u te paard +vergezellen. Hoort het gerucht. Het krielt daarbinnen van Kerels. Nu zal +het wel tijd zijn om te vertrekken, meen ik." + +Burchard stond op en begaf zich naar de schuur, die gansch opgevuld was +met mannen, meest langgebaard, waartusschen evenwel ook jongelieden zich +bevonden, wier kin nauwelijks door eenige donzige haren was beschaduwd. +Het grootste getal was voorzien van eenen zwaren kruisboog, eenigen +droegen lange handbogen. Volgens de aanbeveling die hun was gedaan +geworden hadden zij hunne dorschwannen medegebracht, om zich daarvan +als van beukelaars of schilden bij de bestorming van eenen burcht te +bedienen. Allen zonder uitzondering voerden aan de linkerzijde een groot +krom zwaard, de scherpsnijdende schermzeis. + +Burchard blikte in het ronde, drukte eenigen zijner bijzondere vrienden +de hand, en sprak dan met luider stemme: + +"Gezellen, men heeft u gemeld, niet waar, dat ik u den noodkreet van +_Harop_ heb toegericht, opdat gij mij den dood van den armen Eric helpt +wreken. Tegen de Isegrims, der Kerlen bloedvijanden trekken wij ten +strijde. Het is Rambold, de neef van den hofraadsheer Tancmar, die niet +alleen het kind mijner zuster heeft vermoord, maar daarbij nog een +tiental vrije Kerels. Hij woont nu op den burcht te Straten, en verwacht +zich waarschijnlijk niet aan onze komst. Hoe het zij, moet er bloed +vlieten, wij zullen het geven en hier niet terugkeeren zoolang er een +steen van het vermaledijde Isegrimsnest rechtstaat." + +"Wij zullen het afbranden en verdelgen tot in den grond!" kreten de +Kerels, hunne wapens in de hoogte zwaaiend. + +"Welaan, gezellen", zeide Burchard, "reizen wij in stilte; pogen wij +onze vijanden te verrassen. Onverwachts, als de pletterende slag van +Thors hamer, treffe hen onze wraak!" + +"Wie moeten wij sparen?" vroeg een jongeling. + +"Sparen? Hebben zij een arm, onschuldig kind gespaard?" + +"Niemand! niemand!" kreten de gezellen. + +"Rambold Tancmar bovenal mag ons niet ontsnappen", bevestigde Burchard. +"Indien hij eenen zoon had! Maar hij heeft geene kinderen. Vooruit nu, +gezellen! vooruit naar den burcht te Straten. Het is bijna twee uren van +hier. Wij zullen niet te haastig gaan, om onze krachten tot den storm te +sparen." + +De Kerels traden allen buiten de schuur, hingen de korenwannen aan +lederen riemkens op hunnen rug en schikten zich in zekere orde. Burchard +en de twee Keurmans sprongen te paard,--en de bende, wel honderd sterk, +begaf zich door de duisternis op weg. + +Langen tijd liep de baan door dichte bosschen, en konden de Kerels +moeilijk te zamen blijven; maar eindelijk geraakten zij in het vlakke +veld op eene breede zandige straat. + +Hier reden de twee Keurmans zonder beletsel aan Burchards zijde, en +vroegen hem eenige nauwere bijzonderheden over het gebeurde. + +Hij gaf hun de volgende uitlegging: + +"Mij behoort te Straten, als deelmakende van mijne moederlijke erfenis, +een boomgaard en eene paarden weide. Onze graaf, als naar gewoonte door +de Isegrims tot het vergeten van het recht der vrije Kerels aangedreven, +heeft dien grond, mijn eigendom, aan Tancmar Van Straten in leen +geschonken. Ik heb natuurlijk mij tegen zulke berooving willen verzetten +met woorden en met geweld. Maar toen de graaf naar Frankrijk ten oorlog +zou trekken, heeft hij, zooals gij weet, eenen algemeenen landsvrede +afgekondigd en mijne ooms, de proost van St-Donaas en den kastelein van +Brugge, in het bijzonder verantwoordelijk gemaakt voor het behoud van +dien vrede. Op hun verzoek heb ik toegestemd den bedoelden grond +ongebruikt te laten totdat de graaf, bij zijne terugkomst, over den +twist kon oordeelen en zijne onrechtvaardige gift herroepen. Maar de +Tancmars, die niets zoeken dan de Kerels tot geweld aan te hitsen, om ze +dus bij den graaf gehaat te maken, hebben den vrede niet geeerbiedigd en +mij dagelijks met zooveel boosheid getergd en vernederd, dat ik +eindelijk, bij die laffe verduldigheid, mij zelven begon te verachten. +Nu laatst, na vele andere uitdagingen, hadden zij mijnen grond met +paalwerk omsloten en mijne gezellen mishandeld. Ik heb het paalwerk +omverre geworpen en een twintigtal gewapende mannen op den grond gezet, +om hem te bewaken. Rambold Tancmar heeft eenige dagen zich stilgehouden, +alsof hij van alle verdere aanspraak op mijn eigendom hadde afgezien. +Maar hij is eensklaps met groote macht verschenen, heeft mijne gezellen +overrompeld,--en gekwetsten en gevangenen den rechtervoet doen afhakken, +om mij deze bloedige teekens zijner wreedheid ten geschenke te zenden +... Helsche uitvinding! Wist hij dan, de afschuwelijke moordenaar, dat +ik al mijne genegenheid, al mijne hoop op het kind mijner zuster had +verzameld? Eilaas, de lieve, zoete Eric! Hoe kan ik hem en mijne doode +gezellen wreken?" + +"Wij zullen doen wat Rambold heeft gedaan", gromde een Keurman. "Hun de +voeten afsnijden en ze den hofraadsheer Tancmar toezenden, al bevond de +hatelijke Isegrim zich ook met den graaf." + +"Neen, neen", zeide de andere knarsetandende, "wij zullen ze altemaal +binnen den burcht op eenen hoop leggen, ze doormengen met stroo en hout +op zulke wijze, dat ze tot pulver verteerd worden in den brandenden +gloed. De puinen van den burcht zullen nederstortend hunne asch +verstrooien of begraven, en zoo zal zelfs geene gedachtenis van die +snoode Isegrims meer overblijven." + +"Maar Rambold, Rambold!" morde Burchard. "Zijnen rechtervoet moet ik +hebben: zijn oom de raadsheer wacht mijn geschenk ..." + +En dus tegen de Isegrims bulderende en elkander tot eene bloedige wraak +aanmanende, geraakten zij eindelijk in de nabijheid van Bethferkerke. + +Hier steeg Burchard met de Keurmans af en deed de Kerels stilhouden. De +paarden werden toevertrouwd aan gezellen, die ze door het Frinte-bosch +moesten leiden. + +"Volgt mij nu, een voor een, en op zekeren afstand, vrienden", zeide +Burchard. "Weest zeer stil; en waar men u zou kunnen zien, buigt u of +stapt verborgen in het kreupelhout. Hier omtrent staan hofsteden en +hutten van Tancmars lieden. Indien men onze tegenwoordigheid op deze +baan bemerkte, zouden de wachten van den burcht onmiddellijk verwittigd +worden. Volgt mij voorzichtig en langzaam." + +Door de duisternis slopen al deze mannen achter elkander voort, de +schaduw en de diepten zoekende en met de korenwannen op den rug over de +baan slingerende als eene reuzenslang, wier geelachtige schubben den +zwakken nachtelijken schemer nog herkaatsten. + +Eensklaps bleven, bij het hoofd der bende, eenige gezellen verrast +staan; zij meenden eenen man tusschen het kreupelhout te hebben +bespeurd; het geritsel der bladeren bevestigde hun vermoeden. + +"Vliegt de Blauwvoet?" riep een der Kerels. + +Maar dewijl hij geen antwoord bekwam, spande hij zijnen boog en stuurde +eenen pijl door de heesters. Drie of vier gezellen volgden hem hierin +na. Uit den schoot van het gebladerte ging een smartkreet in de hoogte +en men hoorde de haastige stappen van iemand die vluchtte. + +Burchard kwam nader en vroeg wat hen had aangedreven om te dezer plaatse +gebruik van hunne bogen te maken. + +Bij de verklaring der Kerels schuddde hij het hoofd met spijt en zeide: + +"Wij zijn verraden. Het was een schildwacht of bespieder. Men waakt op +den burcht!" + +"De man zal niet verre loopen", bemerkte degene die het laatste schot +gelost had. "Mijn pijl is hem waarschijnlijk door de borst gegaan." + +"Daarin bedriegt gij u", zeide een andere. "Hij zal waarschijnlijk +slechts aan den arm gekwetst zijn; ik ken dit: zijne klacht was een +smartkreet, maar geen doodsschreeuw. Daarenboven, gij hebt hem hooren +wegloopen, zooverre dat het gerucht zijner stappen geheel en zachtjes +uitstierf. Wie leert zulke dingen aan mij, Ivo-den-wolvenjager?" + +"Laat ons zwijgen", onderbrak Burchard. "Hoe het zij, gaan wij met +voorzichtigheid en in stilte!" + +Hij stapte hen vooruit en bracht hen door eenen afgelegen weg aan zijn +landgoed, dat wel geen eigenlijke burcht was, doch waarvan het voorname +gebouw eveneens met eenen hoogen muur en met eene diepe gracht was +omsloten. + +Gansch alleen begaf hij zich over de brug tot bij de poort, en klopte +daar op der Kerlen wijze, dit is te zeggen twee slagen en dan, na eene +rust, nog een derden, hard en kort. + +"Vliegt de Blauwvoet?" vroeg eene stem van binnen. + +"Storm op zee!" antwoordde Burchard. "Doe open, Alijn, ik ben het." + +De poort draaide krijschend op hare hengels en al de Kerels traden +binnen den ringmuur op den wijden neerhof. + +Hier werden een paar toortsen ontstoken en alles tot den aanval tegen +den burcht van Straten in gereedheid gebracht. + +Te midden van den neerhof lagen drie zeer hooge ladders nevens eenen +zwaren eiken balk, aan welks einde een ijzeren ramshoofd met dikke +banden was vastgesmeed. Een weinig verder had men vele in olie gedoopte +kempbundels en toortsen van pijnharst in eenen hoop te zamen gelegd, en +daarnevens houwelen, hamers, haken en koorden. + +Burchard verdeelde zijne mannen in kleine benden en schikte ze op den +neerhof in eene soort van stoet. + +Vooraan stonden vele kruisboogschutters, gansch onbeladen en gereed tot +onmiddellijke verdediging; achter dezen de dragers der drie groote +ladders, dan de twintig man op wier schouders de eiken balk rustte, en +eindelijk degenen die de koorden, houwelen en brandstoffen aanbrengen +zouden, allen nog opgevolgd door eene bende handboogschutters als +achterhoede. + +Zoohaast alles vaardig was, werden de toortsen uitgedoofd en de stoet +trok in de diepste stilte door de duisternis over de brug. + +Burchard leidde hen langs eenen verborgen weg door dicht geboomte, beval +nog meer stilte en bracht hen eindelijk tot bij den uitersten boord van +het bosch. Hier toonde hij hun den burcht van Straten die, op een goed +boogschot van daar, als een logge steenberg met zijne torens tegen den +donkeren hemel nog donkerder uitloste. + +"Legt uwen last ter aarde, rust een weinig en verzamelt uwe krachten", +fluisterde Burchard, terwijl hij van de eene bende naar de andere ging. + +Hij keerde terug tot den boord van het bosch, waar zijne vrienden de +Keurmans, met Ivo-den-wolvenjager het oog bespiedend op den burcht +hielden gericht. + +"Men waakt ginder", murmelde een hunner. "Zie daar, boven den muur, +nevens de poort, die bewegende vlekken. Zijn het geene menschenhoofden?" + +"Zeker", bevestigde Ivo. "Donker is de nacht, maar staal glinstert nog +in de duisternis: het zijn stormhoeden of zwaarden." + +Burchard overspande een wijl zijne gezichtskracht en zeide dan: + +"Ja, men waakt; men weet van onze komst. De bespieder, dien wij onderweg +met eenen pijl troffen, heeft ons verraden ... Zij zijn talrijk en pogen +zich voor ons te verbergen. Het spel zal hard zijn. Des te beter, ik zal +mijne vermoorde gezellen in ruime maat kunnen wreken. Ziehier wat wij +gaan beproeven: de twee minst zware ladders zullen wij over de gracht +tot voor de ophaalbrug leggen om de ketens te bereiken en ze te +verbrijzelen. Dan zullen wij met den stormram tegen de poort beuken en +zoo den burcht binnen dringen. Gaat nu bij onze gezellen en deelt hun +dit inzicht mede, elk voor het zijne. Zegt den ouden Lambrecht dat hij +met een tiental mannen in het bosch blijve om de gekwetsten te +verzorgen." + +Een weinig later was alles gereed tot den aanval. Bij elken ladderdrager +stond een gezel die hem eene korenwan boven het hoofd moest houden. + +Daar de wannen van wederzijde dus opgeheven waren, vormden deze +beschutsels boven elk ladder een voortloopend dak, waaronder dragers en +strijders tegen pijlen en steenen, ja, zelfs tegen werpvuur waren +beveiligd. + +Men verliet langzaam het bosch, met de hoop dat men bij eene volledige +stilte misschien de aandacht der wakers zou ontsnappen. + +Alles ging naar wensch, totdat de Kerels de gracht van den burcht zouden +naderen. Dan vertoonden zich eensklaps vele hoofden boven den hoogen +muur; de boogpezen klonken en de pijlen snorden door de lucht, terwijl +een schaterende spotlach binnen den burcht hergalmde. + +"Vooruit, vooruit de ladders!" kreet Burchard. "Schutters, mikt daar +boven de poort. Geeft dien lachers spel, totdat wij hunne hoonende +vreugd in hun bloed versmachten. Vooruit, vooruit!" + +Burchard aanjagend bevel was volbracht geworden. Men had de ladders over +de gracht gelegd, en was nu bezig met mokers, tangen en hefboomen op de +ketens der valbruggen te slaan en ze zoo geweldig te wringen dat het +ijzer schreeuwde en huilde als hadde het pijn gevoeld. + +De beide Keurmans en Burchard stonden niet verre van daar onder twee +breede wannen, waarop des vijands pijlen nu en dan als hamerslagen +nedervielen en afbotsten. + +Reeds een Kerel lag dood voor de brug en men had er drie anderen, zwaar +gewond, het bosch ingedragen, toen een der Keurmans, eene beweging +terzijde doende, zich gedeeltelijk ontblootte. + +Een versmachte kreet ontsnapte hem; hij greep Burchard den arm en zeide: + +"Ondersteun mij, ik ga vallen." + +"Wat, wat is u geschied?" vroeg zijn gezel. + +"Ik heb mijn deel ... hier een pijl, dwars door mijne borst ... het is +gedaan met mij." + +"O, God!" kreet Burchard. "Gij, Elstrunc, mijn vriend, gij zoudt +sterven? Neen, neen, heb moed, geloof het niet!" + +"Moed?" schertste de bezwijmende Elstrunc. + +"Moed? Ben ik hier gekomen met de vrees des doods?" + +Burchard greep zijnen gewonden vriend om de middel, hief hem met eene +plotselijke inspanning van krachten op zijnen schouder en liep met dien +last het bosch in waar hij hem bij de andere gekwetsten neder legde. + +Hij knielde aan zijne zijde en meende hem te troosten; maar de andere, +ofschoon reeds op den boord van het graf, dacht slechts aan de +overwinning en aan de wraak, en deed Burchard begrijpen dat hij tot den +storm moest terugkeeren, wilde hij den aanval niet doen mislukken. + +Inderdaad, toen Burchard uit het bosch trad zag hij dat men van boven de +poort zijne mannen niet alleen bevocht met pijlen en steenen, maar +tevens met vlammend werpvuur, en dat de Kerels, die de keten der +ophaalbrug moesten breken, schier werkeloos onder de opgeheven wannen +zich hielden verborgen. + +Dit gezicht vervoerde hem in razernij en ontrukte hem eenen schreeuw die +als een leeuwengebrul over den burcht heenklonk. Hij dreef de wannen weg +van boven zijn hoofd, liep vooruit over de ladder, greep eenen grooten +ijzeren hefboom uit de hand van eenen der gezellen, stak dien met het +einde door enen schakel en begon de keten te draaien en te wringen met +zulke woestheid, dat glinsterende vonken het knarsend metaal +ontsprongen. + +Een steen viel hem op den schouder en bonsde terug, als hadde hij eene +rots getroffen; eene vlok vuur zengde hem de haren, maar hij wrong immer +voort, boog zich, kronkelde zich en spande zijne leden, totdat de ketens +braken en de ophaalbrug onder het gejuich zijner gezellen nederplofte. + +Een zegevierende schreeuw kondigde dit eerste voordeel aan. Nu was de +baan tot aan de poort geheel vrij en, kon men die insgelijks +verbrijzelen, dan zou niets weerstaan aan hunne woede en aan hunne +wraak. + +Wel vijftig man, met den vreeselijken stormram op de armen, liepen over +de brug en beukten zoo geweldig tegen de poort, dat de holle klank van +den slag als de donder over bosch en velden hergalmde. + +De eerste stoot scheen geen uitwerksel te hebben. De Kerels verwijderden +zich van de poort, namen eenen nieuwen loop en beukten met meerdere +kracht nog, maar de poort bleef onwrikbaar. Pijlen, steenen en vuur +vielen als hagel op de wannen, en troffen nu en dan eenen Kerel, die den +storm moest verlaten of door anderen in het bosch werd gedragen. + +Boven den muur lachte men nog spottend, maar daar moest evenwel meer dan +een man door de pijlen van buiten zijn getroffen geworden, dewijl nu en +dan een scherpere kreet of een noodgehuil tusschen het tergend lachen +opsteeg. + +De Kerels, door de moeilijkheid van den aanval verwoed geworden, +herhaalden menigmaal hunnen loop en hitsten elkander aan door een +koortsig strijdgeschreeuw. Burchard zelf had zich nu aan den stormram +gesteld; en, of zijne kracht waarlijk overmatig was, en of zijne +tegenwoordigheid de kracht zijner mannen had verdubbeld, van den eersten +stoot waartoe hij had geholpen, had de poort een rinkelend geluid +gegeven, alsof zij gedeeltelijk van hare hengsels was losgeraakt. + +"Terug, terug!" riep Burchard. "Nog eene goede poging en zij stort +neder! Aan ons de overwinning!" + +Toen zijne mannen met den balk op eenigen afstand van de brug onder de +opgehevene wannen veilig stonden, zeide hij hun op blijden toon: + +"Haalt adem, rust een oogenblik. Werken wij met vereende kracht, het is +de laatste stoot ... Maar wat drijft daarginder langs den muur? Mannen +die zich verwijderen van de poort! Zouden zij onze wraak willen +ontvluchten? Op, op, de stormram! Vooruit, vooruit!" + +Een oogenblik daarna sidderde de lucht onder eenen dubbelen dondergalm, +en de poort viel achterover ten gronde. + +"Wannen weg! De zwaarden nu!" huilde Burchard, terwijl hij met zijne +gezellen als een onweerstaanbare vloed ten burcht instroomde. + +Slechts gedurende eenen korten tijd boden hunne verraste vijanden +eenigen tegenstand en vloden dan weg in het gebouw of in duistere hoeken +en kanten om, ware het mogelijk, nog een uitkomen te vinden; maar de +Kerels vervolgden hen, speurden hen na en hakten alwat leven had +onmeedoogend neder. + +Burchard, die slechts een doel voor oogen had, namelijk zijne wraak op +Rambold Tancmar te koelen, deed drie of vier toortsen ontsteken, en liep +op en af de verdiepen van den burcht, alles doorsnuffelende wat maar +eene schuilplaats verschaffen kon. Ook de andere gebouwen onderzocht +hij, koortsig, spijtig en met heesch keelgeluid grommend: + +"Hij alleen zou mij ontsnappen! Onmogelijk. Hij is in den burcht, de +vuige moordenaar van mijnen armen Eric! Ah, ik zal hem vinden, ik moet +hem hebben!" + +Maar wanneer hij alles had doorzocht, en de Kerels van moorden moede en +met bloed bedekt, hem omringden, stond hij daar, grijnzend het hoofd +schuddende en als ontmoedigd. + +"Rambold ontsnapt mij!" zuchtte hij herhaalde malen. + +"Hij is gevlucht met een groot gedeelte zijner mannen", zeide een Kerel. +"Ik heb aan den voet van den achtermuur eenen Isegrim doodelijk +getroffen. Die heeft mij, om zijn leven smeekend, mij verklaard dat zijn +meester langs eene ladder is afgedaald en over deze ladder den anderen +boord der gracht heeft bereikt." + +"Doemenis!" kreet Burchard. "Zijn mijne gezellen gewroken, de moord van +mijnen armen Eric blijft onbetaald! Hadden wij hier dan slechts iemand +van Rambolds maagschap gevonden, iemand dien hij bemint!..." + +Er naderde een Kerel die, de laatste klacht van Burchard hoorende, hem +zeide: + +"Iemand van Rambolds maagschap? Wees tevreden, mher Burchard: +daarbeneden, in den kelder, ligt het lijk zijner zuster." + +"Het lijk zijner zuster? Ah!" kreet Burchard, eene toorts grijpende. + +Door de Kerels gevolgd, daalde hij eene steenen trap af en kwam in eenen +overwelfden gang waar inderdaad het lijk eener jonkvrouw op de zijde ten +gronde lag. + +Eene wijl staarde Burchard stom en beweegloos op het doode lichaam. + +"Het is Rambolds zuster", morde hij. "Nu zal ook de smart, nu zal ook +de rouw hem in het hart bijten. Eric is gewroken!" + +"Zal ik haar den voet afhakken?" vroeg een Kerel, zijn zwaard tot slaan +gereedhoudende. + +"Neen, neen, eene vrouw ... Ik ben voldaan, het is genoeg ", antwoordde +hij. "Men drage nu de lijken te zamen in den burcht en steke het vuur +aan al de gebouwen en op honderd plaatsen te gelijk!" + +Hij stapte uit den burcht op den neerhof en bleef daar staan, met de +armen overeen gevouwen. + +Schier onmiddellijk begonnen de vlammen hier en daar hunne roode tongen +te vertoonen, en het vuur liep voort en verhief zich en kronkelde +allengs om muren en torens, totdat eindelijk de burcht, aan eenen +vulkaan gelijk, den donkeren hemel verfde met eenen bloedigen gloed[43]. + +De Kerels juichten dit schouwspel toe, als hadden zij zich vermaakt bij +een feestelijk vreugdevuur, totdat het halfverteerde dakwerk met +ijselijk gekraak nederstortte en hun een laatst en machtiger gejubel +deed aanheffen. + +"Het werk der wraak is volbracht", zeide Burchard. "Nu de gekwetsten +verzorgd, en huiswaarts gekeerd!" + +Eenigen tijd daarna hoorde men der Kerlen zegelied in de verte nog +hergalmen, en eindelijk achter de bosschen geheel in de nachtelijke +stilte wegsterven ... Zij zongen: + + Doedele, bommele, romdomdom, + Houd u recht en sie niet om! + + Gi, rudders, dwingers, maect u van cant, + Hier sijn de Kerels van Vlanderlant! + Gi, Isegrims, hoedt u vor den Blauvoet, + Of gi selt voelen wat sine clau doet. + Onse vaderen waren vri, + En vri so bliven wi, + So lanc een hert, dat lafheid haet, + In enen Keerlenboesem slaet. + + Doedele, bommele, romdomdom, + Houd u recht en sie niet om! + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 37: Men noemt heden nog, In eenige streken van Vlaanderen, de +bewoners der bosschen _Boschkerels_ of _Houtkeerlen_. + +Zie J. HUYTTENS, _messager des Sc. etc. de Gand_, 1860, pp. 215 et 420.] + +[Voetnoot 38: "Le mot _Commune_ (gemeente) est relativement moderne; +ceste chose s'appelait _minne_ (amitie), _gilde_, association." + +V. DE RODE, _Ann. du Com. Pl. de Pr._, t. VIII, p. 96.] + +[Voetnoot 39: WARNKOENIG, _Hist. de Fl., traduct. de Gheldorf_, t. II, +pag. 123.] + +[Voetnoot 40: Vinca pervinca.] + +[Voetnoot 41: "La cornemuse (doedelzak), instrument national des Kerls." +VICTOR DE RODE, _Ann. du Com. Fl. de Fr._, t. VIII, pag. 75.] + +[Voetnoot 42: De _Runen_ waren de letterteekens van het oudste +Germaansch schrift; zij dienden later tot zoogezegde tooverij of +waarzeggerij.] + +[Voetnoot 43: Zie aangaande de verdelging van Tancmars burcht, te +Straten, door Burchard, KERVYN DE LETTENHOVE, _Hist. de Fl._, I, 370.] + + + + +VII + + +Toen de gevluchte Rambold Van Straten te Atrecht kwam, en met groot +misbaar den graaf de verwoesting van zijnen burcht en den wreeden moord +zijner zuster en zijner dienaars klaagde, ontvlamde de vorst in eenen +onuitsprekelijken toorn. + +Terwijl Rambold zijne eigene gewelddadigheden verzweeg of verbloemde, +lieten Tancmar en zijne vrienden niet na de Erembalds en de Kerels in +het algemeen van medeplichtigheid aan deze euveldaad te beschuldigen. +Zij poogden de verontwaardiging des vorsten tot het uiterste aan te +vuren en hem over te halen om onmiddellijk met een sterk gedeelte des +legers verdelgend in de vrije Ambachten te vallen. De gelegenheid was nu +gunstig, meenden zij: niemand zou de Kerels helpen of beklagen; en, kon +men ze dwingen eens voor goed den nek onder het juk der dienstbaarheid +te buigen, dan ware het voor eeuwig met dit wreed en overmoedig ras +gedaan. + +Graaf Karel, alhoewel hij niet gewoon was zonder lange overweging eenig +gewichtig besluit te nemen, had hun laten denken dat hij, ditmaal ten +minste, gansch hunne woede deelde en hunnen raad zou volgen. + +Maar nog denzelfden dag had de proost van St-Donaas eenen bode naar +Atrecht afgezonden met eenen langen brief waarin hij den graaf het +gebeurde verhaalde van zijnen eersten oorsprong af en Rambold Tancmar +beschuldigde den bloedigen twist te hebben begonnen door het vermoorden +van Burchards gezellen. De proost, in zijnen brief, betreurde diep wat +er voorgevallen was en drukte de vaste hoop uit dat de vorst, in zijne +wijsheid, uitspraak zou doen tusschen de beide vijanden, volgens rede en +recht, opdat verder bloedvergieten mocht worden voorkomen. + +Dit schrijven deed den vorst wankelen. Ofschoon zeer trotsch van gemoed, +wist hij zich zelven genoeg te bedwingen. Daarenboven hield hij er aan +door het Vlaamsche volk als rechtvaardig te worden geacht. Ook kwam hij +allengs tot het besluit Rambold Tancmar en Burchard Knap voor het +hooger ridderhof te dagen, en dus over dit schuldig verbreken van den +landsvrede in het openbaar een plechtig en onpartijdig vonnis te doen +vellen. + + +[Illustratie: "Het is Rambolds zuster." (Bladz 151)] + + +De Tancmars toonden zich bedroefd en ontevreden over dit besluit en +klaagden dat de graaf, in zijne overdrevene zucht tot rechtvaardigheid, +weigerde tusschen den schuldige en zijn slachtoffer eenig onderscheid te +maken. Het was list en veinzerij van hunnentwege; want zij wisten dat +zij, door zulke eerbiedige tegenstreving, den vorst in zijn genomen +besluit konden bevestigen. Zij waren wel overtuigd dat een rechtbank +die, als het ridderhof, geheel uit vijanden der Erembalds en der Kerels +was samengesteld, niets anders kon doen dan Burchard veroordeelen, hij +mocht dan al zijne wraakpleging kunnen verrechtvaardigen of niet. + +Daarop werden naar Brugge en naar andere steden boden gezonden, dragers +van 's graven bevelbrieven, waarbij afgekondigd werd dat, vijf dagen +later, het hooge ridderhof onder het voorzitterschap des vorsten te +Yperen zou vergaderen, om Rambold Tancmar en Burchard Knap aangaande de +gepleegde moorderijen te hooren en te vonnissen. + +De gestelde dag was nu verschenen; te twee uren namiddag zou te Yperen, +in de zaal op den Burg, de vorstelijke vierschaar worden geopend. + +Volgens de gewoonte van dien tijd, zouden de bloedverwanten en +bijzonderste vrienden der beschudigden dezen ter vierschaar vergezellen, +hetzij om hen desnoods voor het gerecht te verdedigen, hetzij om, door +hunne tegenwoordigheid, te betuigen dat zij de achting veler lieden +genoten of tot eene machtige maagschap behoorden. + +Zoo kwam het dat op dien dag, in den morgen, de Erembalds van Brugge, +ten getalle van wel dertig, omtrent Staden, op de baan naar Yperen +voorbijreden. + +Zij hadden den nacht te Thorhout doorgebracht en waren laat genoeg te +paard gestegen om niet voor het bepaald uur te Yperen aan te komen. +Bertulf, de proost van St-Donaas, had het dus goedgevonden om reden dat +hij het oploopend gemoed van Burchard vreesde, en zooveel mogelijk hem +de aanraking met zijne vijanden, de Tancmars, wilde doen vermijden. + +Wel is waar dat, door de dagvaarding voor 's vorsten rechtbank, er +tusschen de belanghebbenden en hunne vrienden een plechtige vrede was +gebannen, dien men op de doodstraf moest eerbiedigen; maar Burchard had +reeds zoovele blijken van ontembaarheid en van blinde gramschap gegeven, +dat de oude Bertulf alle vertrouwen in zijnen woesten neef had verloren. + +Alhoewel de proost in den grond zijns harten bekende dat Rambold Tancmar +de eerste oorzaak der betreurlijke moorderijen was geweest en Burchard +eene wettige wraak had uitgeoefend, beschuldigde hij niettemin zijnen +neef van onvoorzichtigheid en wreedheid. Zulks was insgelijks het +gevoelen van Hacket, den kastelein, en van vele andere leden van hunne +maagschap. + +Waarschijnlijk hadden zij gedurende hunne reis deze meening herhaalde +malen uitgedrukt; want nu waren zij sedert een uur opnieuw daarover in +een hevig gesprek met Burchard, wier onverduldigheid zooverre ging, dat +hij den proost en al wie zijne zienswijze deelde van lafheid durfde +beschuldigen. + +Door eene strenge vermaning zijner ooms gekwetst, hield Burchard zijn +paard terug en betuigde in toornige woorden het inzicht voortaan op +eenigen afstand achteruit te blijven om zulke bewijzen van +kleinhartigheid niet meer te moeten hooren. + +Nauwelijks was hij eenige oogenblikken alleen, of een ander ridder +vertraagde insgelijks den stap van zijn paard totdat hij zich terzijde +van Burchard bevond. Dan zeide hij met eene stem die versomberd scheen +door een diep gevoel van verontwaardiging: + +"Het is om rood te worden van schaamte, bij elk woord dat ze ginder +spreken! Ha, mher Burchard, de Erembalds, behalve gij en een paar +anderen misschien, zijn geene Kerels meer!" + +"Gij hebt wel gelijk, mher Disdir Vos", antwoordde Burchard. "Het leven +in de stad, het genot van hooge ambachten heeft hen bedorven. Zij +stellen de Romaansche voorzichtigheid boven de Germaansche koenheid." + +"Gave God dat zij u geleken, Burchard, dan zouden de Isegrims het niet +durven bestaan de Kerels te hoonen of te bedreigen. Ik heb hier niet +veel te zeggen, dewijl ik geen Erembald ben en slechts naar Yperen ga +uit achting, ja, uit bewondering voor u; maar gij hebt gehoord hoe ik +evenwel uw recht tegen den proost verdedigde?" + +"Ja, en ik ben er u dankbaar voor, het heeft mij verheugd omtrent mij +toch eenen Kerel te vinden die zich nog den mannelijken trots der +vaderen in het harte voelt." + +Disdir Vos scheen eene wijl te overwegen. + +"Het is pijnlijk zulk iets te moeten denken, Burchard", zeide hij, "maar +het zou mij niet verwonderen indien sommige Erembalds u op het oogenblik +van gevaar verzaakten en verlieten, om zich aan de zijde uwer vijanden +te schikken." + +"Neen, neen, dit toch niet!" kreet Burchard, "uwe vrees is overdreven." + +"Gij meent het?" wedervoer Disdir Vos, die ongetwijfeld met verborgen +inzicht den gramstorigen Kerel tegen zijne magen aanhitste. "Bemerkt gij +dan niet dat er reeds zekeren uwer naaste bloedverwanten van nu af u +verlaten?" + +"Wie zou dit zijn?" vroeg Burchard verwonderd. + +"Waarom is mher Sneloghe niet in uw gezelschap?" + +"De proost heeft mij gezegd dat hij gisteren te Brugge moest blijven om +eene gewichtige zaak af te doen; maar dat hij heden evenwel intijds te +Yperen zal aankomen." + +Disdir Vos schudde het hoofd met eenen scherpen spotlach op de lippen. + +"Sa, Disdir", morde Burchard, "ik meende dat gij een vriend van Robrecht +waart, en gij beticht hem van ontrouw en lafheid! Wat doet u denken dat +hij niet zal komen?" + +"God gave dat ik mij bedroge! Maar ziet gij niet, Burchard, hoe Robrecht +alle moeite aanwendt om door prachtige kleeding, door overdrevene +heuschheid en door verfijnde spreekwijze zelfs aan de leenheeren te +gelijken? Hij snakt om tusschen de Isegrims als een hunner te worden +aanvaard. Zal een echte Kerel kruipen en vleien, zooals hij gedaan +heeft, om de hand eener edele jonkvrouw te bekomen?" + +"Bij Loki![44] gij zijt zinneloos, Disdir, en weet niet wat ge zegt!" +viel Burchard met ongeduld uit. "Robrecht zou de Isegrims vleien en voor +hen kruipen? Wat domheid toch! Ja, hij luistert te veel naar zijn oom; +maar, wees zeker, het Kerlenhart klopt hem op de goede plaats. Waren al +de Erembalds hem gelijk, er kwame spoedig een einde aan den overmoed +onzer vijanden. Het is mher Sneloghe niet die de hand van jonkver +Placida heeft gevraagd; het is zijn oom de proost. Zijne +huwelijksbelofte met Placida is verbroken. Hij gaat trouwen met Dakerlia +Wulf. Gij moet het weten." + +"Eilaas, ja, ik weet het tot mijn ongeluk!" zuchtte Disdir. "Snode spot! +Robrecht had de wreedheid zelf mij zijn huwelijk met Dakerlia aan te +kondigen, ofschoon hij wist dat zulke tijding als een moordpriem mij +door het hart moest gaan." + +"Versta ik wel? Gij insgelijks bemindet jonkver Wulf?" + +"Ach, meer dan mijn leven!" + +"Dan beklaag ik u, mijn arme Disdir. Het bij eene vrouw op mher Sneloghe +te winnen, dit hebt gij wel zeker nooit gehoopt?" + +"Doemenis, doemenis! Robrecht heeft mij snood bedrogen", klaagde Disdir +Vos met versmachte woede. "Ik maak u rechter tusschen ons beiden, +Burchard. Oordeel of ik niet het slachtoffer eener hatelijke kuiperij +mij mag noemen. Het is reeds lang dat ik jonkver Wulf bemin. Zeker, zij +hadde mijne hulde aanvaard indien Robrecht mij dit geluk niet had +benijd. In alle geval, hij heeft, toen er spraak was van zijn huwelijk +met Placida, mij verklaard dat hij beslissend van Dakerlia's hand +afzag." + +"Ik geloof het wel", bemerkte Burchard. "Men trouwt niet met twee +vrouwen te gelijk." + +"Neen, zoo eenvoudig was zijne verklaring niet. Hij beloofde mij zelf +ten mijnen gunste bij Dakerlia te pleiten. Nu breekt hij, als een +valschaard, zijne plechtige belofte en vernietigt mijne levenshoop voor +altijd. Ho, beken het, Burchard, het is een wraakroepend verraad." + +"De minnenijd berooft den mensch van zijn verstand, ik zie het", +schertste Burchard. "Wel, wel, mijn arme Disdir, het zijn dwaasheden die +gij uitkraamt, dunkt mij. Dakerlia Wulf is geen kind meer, en ik ken +haar genoeg om te weten dat zij, minder nog dan een man misschien, in de +beschikking over haar hart zich zou laten dwingen. Bemint zij u? Dit is +de vraag ... Gij antwoordt niet? Zij bemint dus Robrecht. Gij moet hare +beslissing eerbiedigen." + +"Robrecht is een veinsaard; hij heeft mij laffelijk bedrogen; ik zal mij +wreken!" riep Disdir, knarsetandend van spijt en woede. + +"Gij zult u wreken? op Robrecht?" herhaalde Burchard glimlachende. "Het +is uwe zaak, maar uit vriendschap tot u kan ik niet nalaten u van twee +dingen te verwittigen. Ten eerste, Robrecht is sterker dan gij en wordt +geroemd om zijne bedrevenheid in het behandelen der wapenen. Hij zal +geenen hoon verdragen. Ten tweede, hij wordt zoo algemeen geacht en +bemind dat, indien het u gelukte hem in eenen kamp te treffen, twintig +anderen u opvolgend zouden uitdagen. Ik zelf zou naar uw bloed moeten +staan. Gij begrijpt, het is alsof gij reeds dood waart ..." + +"En toch zal ik mij wreken!" gromde Disdir Vos. + +"Kom, kom, gij droomt. Uwe spijt zal bedaren. Wat onzin Gij zoudt u +wreken over een ongelijk dat niemand u aandoet. Overweeg toch: wie ter +wereld die eene vrouw bemint en zich door haar bemint weet zal deze +vrouw verzaken uit toegevendheid voor eenen anderen man? Zoudt gij het +doen? Waarom verlangt gij het dan van mher Sneloghe?" + +Eene stem riep nu van de andere zijde der baan Burchard eenen goeden dag +toe. + +"Doemenis, daar is hij!" zuchtte Disdir Vos bevend van angst of van +toorn. + +Inderdaad, Robrecht en Dakerlia's vader reden hen voorbij, om den proost +en den kastelein, die vooruit waren, hunne groetenissen te brengen. Na +eene lange wijl de oogen met nijdigen blik op Robrecht te hebben +gehouden, zeide Disdir tot Burchard: + +"Gij ziet wel hoe hij u ontwijkt. Nauwelijks gunt hij u eenen korten +groet, en vervordert zijnen weg, schier zonder u te bezien." + +"Neen, neen", antwoordde Burchard, "ik ken Robrecht beter ... Daar keert +hij reeds zijn paard om tot ons te komen." + +Mher Sneloghe naderde inderdaad tot Burchard, drukte hem de hand en +wisselde eenige woorden met hem over het geding dat ging geopend worden. +Hij drukte de vaste hoop uit dat Rambold Tancmar zou veroordeeld worden; +want, volgens zijn gevoelen, had Burchard niets gedaan dan eene wettige +wraak uitgeoefend. Wel was deze wraak bloedig geweest, maar wreeder toch +niet dan de onmenschelijke moord door Rambold op den kleinen Eric en op +de Kerels van Bethferkerke gepleegd. + +Burchard zeide, spottende, dat hij naar Yperen ging om zijne ooms deze +bevrediging te geven; maar dat hij het deed met de vaste overtuiging dat +de ridders hem zouden veroordeelen. Welke rechtvaardigheid mocht een +Kerel toch verwachten in eene vierschaar die slechts samengesteld was +uit de heetste Isegrims, en voorgezeten door Karel van Denemarken, den +huichelenden en valschen vijand der Kerels en der Erembalds? + +Disdir Vos scheen in gedachten verslonden en bemoeide zich met de +samenspraak niet. + +Eene nauwe brug over eenen waterloop dwong hen welhaast hunne paarden +het eene achter het andere vooruit te laten stappen Deze omstandigheid +waarnemende, zeide Robrecht tot Disdir: "Ik wenschte wel een ogenblik +alleen met u te kunnen spreken, mher Vos. Verleen mij een kort +onderhoud, ik bid u." + +"Onmiddellijk, als gij wilt", was het antwoord. + +Nu kwam Burchard hen weder terzijde. Robrecht verzocht hem om +verschooning, zeggende dat hij met Disdir eene wijl achteruit zou +blijven, om met hem over iets bijzonders te kouten. + +"Ik weet wel wat gij samen te verhandelen hebt", zeide Burchard +glimlachend. "Liefdezaken, uw huwelijk met Dakerlia, niet waar?" + +"Hoe? Heeft mher Disdir u daarvan gesproken?" + +"Ja, het schijnt dat hij wel gaarne in uwe plaats zou zijn." + +"Is het zoo, dan behoef ik hem niet alleen te spreken, en gij moogt het +wel hooren, Burchard, wat ik hem te zeggen heb. Het zal kort zijn." + +Hij wendde zich tot Disdir en zeide hem op kalmen, doch nadrukvollen +toon: "Mher Vos, ik heb u plechtiglijk mijn aanstaande huwelijk met +jonkver Wulf aangekondigd. Na onze woordenwisseling over deze zaak hebt +gij, in schijn ten minste, als vriend afscheid van mij genomen. Waarom +veinst gij nu te vergeten wat ik u heb gezegd?" + +"Is het om dus hoonend mij te ondervragen dat gij mij alleen moest +onderhouden?" gromde Disdir. "Ik ben onbedreven in het oplossen van +raadsels." + +"Welnu, ja, laat ons klaar zijn. Mher Vos, zoolang gij niet wist dat er +tusschen jonkver Wulf en mij eene huwelijksbelofte bestaat kondet gij u +vrij achten tot het aanwenden van pogingen om, ware het mogelijk, u door +Dakerlia te doen beminnen. Nu is u daartoe het recht benomen. Dakerlia +heeft mij geklaagd dat gij haar vervolgt, dat gij haar afspiedt als zij +ter kerke gaat of er van terugkeert, en dat gij, ondanks hare herhaalde +afwijzing, haar lastig valt met de betuigingen uwer liefde. Mij is het +nu een plicht geworden mijne bruid te doen eerbiedigen. Ik hoop, mher +Vos, dat deze weinige worden voldoende zullen zijn om u insgelijks uwen +plicht jegens Dakerlia en jegens mij te doen begrijpen." + +"Wat wilt gij zeggen?" vroeg Disdir. + +"Dat gij jonkver Dakerlia voortaan met vrede zult laten." + +"Ik heb van niemand bevelen te ontvangen." + +"Aldus, gij zijt voornemens voort te gaan met mijne bruid te hoonen?" + +"Ik zal doen wat mij goeddunkt." + +"Het zij dan zoo, vermits gij het verlangt", zeide Robrecht. "Mij spijt +het zeer eenen vriend dus toe te spreken, maar gij dwingt er mij toe. +Wordt er bloed tusschen ons gestort, het valle dan op u, mher Disdir. +Daar, aanvaard dit pand!" + +En dit zeggende, bood Robrecht zijnen handschoen aan Disdir Vos. Deze +verbleekte en aanschouwde zijnen uitdager met scherpen blik. + +"Gij aarzelt?" kreet Robrecht verbaasd. + +Maar Burchard, die de weigering van Disdir gansch goedkeurde en hem +daarom uit de pijnlijke verlegenheid wilde redden, greep den handschoen. + +"Hier is een misverstand; gij zult niet strijden!" riep hij. + +"Maar weigert Disdir den aangeboden kamp? Ik moet het weten!" + +"Bloed tusschen vrienden!" zuchtte mher Vos met eenen geveinsden afkeer. +"Voor een ongeluk waaraan het lot alleen schuld heeft ..." + +"Kom, Robrecht, wees redelijk", viel Burchard in. "Dat Disdir droef en +spijtig is, zult gij hem daarom gaan haten? Indien Dakerlia u verstiet, +zoudt gij niet treuren?" + +"Zeker, zeker", antwoordde Robrecht getroffen. "Dat Disdir belove mijne +bruid te eerbiedigen, en ik wil alles vergeten." + +"Ik zal ze eerbiedigen", stamelde Disdir. "Deze verzekering hadde ik u +gewillig gegeven, hadde gij niet, op eenen kwetsenden toon van bevel, +mij ze hadt willen afdwingen. Ik ben ridder, ik ben ongelukkig, gij +behandelt mij zonder achting, zonder medelijden. Waart gij in mijne +plaats en ik in de uwe, wees zeker, ik zou beter dan gij toonen dat ik +gevoelig ben aan de wettige smart van eenen vriend." + +Deze woorden, oprecht of geveinsd, hadden Disdir een pijnlijk geweld op +zich zelven gekost. Tranen glinsterden in zijne oogen; hij scheen +vernederd en beschaamd. + +Mher Sneloghe, door deze teekens van diepe droefheid getroffen, reikte +hem de hand en zeide met minzaamheid in de stem: + +"Nu, Disdir, het is een misverstaan, inderdaad. Laat ons vrienden +blijven. Geloof mij, had jonkver Wulf u hare genegenheid geschonken, ik +hadde hare beslissing geeerbiedigd. Evenals gij zou ik daarover getreurd +hebben; maar daarom toch zou ik u niet vijandig geworden zijn." + +Zij drukten elkaar de hand. In Disdirs oogen fonkelde nog de nijd, en +zijne lippen waren scherp gesloten; maar Robrecht en Burchard meenden te +mogen denken dat deze zure uitdrukking slechts het gevolg was van het +geweld dat hij op zijn hart deed, om zoo beslissend eene lange hoop te +verzaken. Zij mistrouwden zijne oprechtheid niet en prezen hem +integendeel om zijn moedig besluit. + +Robrecht verschoonde zich bij Burchard omdat hij niet langer zoo van de +anderen afgescheiden met hen kon blijven, aangezien hij +beleefdheidshalve zijne ooms en zijnen schoonvader gezelschap moest +houden. Hij dreef daarom zijn paard vooruit en begaf zich naar het hoofd +van den stoet. + +Eenigen tijd daarna bereikten de Erembalds de stad Yperen. + +Zij reden de Thorhoutsche poort binnen en namen hunnen intrek in de +groote afspanning de Gouden Liebaart, om eene wijl te rusten en hunne +kleederen van stof te zuiveren. + +De stad Yperen, door zich zelve reeds volkrijk, had nog gansche benden +bezoekers van Veurne, Dixmude, Roesbrugge, Steenvoorde Poperinghe en +andere naastgelegene Ambachten ontvangen. Daarenboven, de gansche +hofhouding des graven, benevens een honderdtal ridders met hunne +talrijke wapenknechten, waren er dien morgen aangekomen, zoodat het in +de straten krielde van allerlei lieden, en de stad een voorkomen aanbood +alsof een leger er zich, te midden eener kermis, tot den oorlog +bereidde. + +Naarmate het uur van het vorstelijk geding naderde, drong de menigte +meer en meer te zamen op het voorplein van den burg, om van de eene +zijde de Tancmars, en van de andere de Erembalds te zien voorbijgaan. +Hoezeer ook sommige Kerels of poorters lust hadden om een der beide +geslachten toe te juichen of uit te jouwen, en dus hunnen haat of hunne +genegenheid te betuigen, zij durfden het niet doen, omdat zulks door den +gebannen vrede was verboden, en de wapenlieden met uitgetogen zwaard +genoeg in machte daar stonden om de wet en des vorsten wil te doen +eerbiedigen. + +Nauwelijks was het bepaalde uur verschenen of de trompers gingen rond en +daagden bij name Rambold Tancmar en Burchard Knap voor het hooger +ridderhof. + +De geroepenen, door hunne bijzonderste bloedverwanten gevolgd, traden in +de groote zaal van den burg. Hun werden, elk langs eene zijde, banken +aangewezen, ten dien einde te midden der zaal gesteld. + +De graaf zat op eene verhevenheid, onder eene soort van troon en achter +eene breede tafel, waar rondom de leden van het hof, de maarschalk en de +schrijvers plaats genomen hadden. + +Al de leden van het hof waren vijanden der Erembalds, ten minste zij +stonden bekend als Isegrims, dit is te zeggen als zulke lieden die den +leenheeren alle macht en alle recht wilden toegekend zien, ten koste van +het recht en van de vrijheid der poorters en der Kerels. + +Eenen enkelen ridder, den kastelein of burggraaf van Yperen, die nevens +den vorst zat, meende Burchard als eenen vriend en verdediger te mogen +beschouwen. Het was Willem van Loo, afstammeling der graven van +Vlaanderen, en die slechts na eenen ongelukkigen oorlog zich gedwongen +had gezien de kroon aan Karel van Denemarken af te staan. Hij alleen had +Burchard met een teeken des hoofds en eenen minzamen glimlach gegroet. +Zijne tegenwoordigheid tusschen de rechters verheugde de Erembalds, +ofschoon de proost Bertulf wel wist dat Willem van Loo eenen geheimen +wrok tegen hem had, omdat hij, in den oorlog voor de kroon, zich ten +voordeele van Karel van Denemarken had verklaard. + +Nog werden de trompen aangeheven en eenige afkondigingen gedaan, waarna +de maarschalk, woordvoerder des vorsten, Rambold Tancmar als aanklager +opriep en hem vroeg waarover hij recht eischte. + +Rambold verhaalde met berekende bedaardheid en geveinsde droefheid wat +er te Straten was geschied. De graaf had uit grootmoedigheid zijnen +raadsheer Tancmar eenige gronden, die de kroon toebehoorden, ter leen +geschonken. Burchard Knap had beweerd dat de graaf geen recht had om +over deze gronden te beschikken en had er zijne lieden op gesteld, om +Tancmar den eigendom er van met geweld van wapenen te betwisten. +Rambold, die door zijnen oom belast was geworden, gedurende zijne +tegenwoordigheid in het leger zijne goederen te Straten te bewaren en te +verdedigen, had zich verplicht gezien geweld tegen geweld te stellen en +Burchards lieden van den bedoelden grond te verjagen. Wat Burchard dan +had gedaan: hoe hij Tancmars lieden had neergehakt, hoe hij eene +edelgeborene maagd, eene onschuldige jonkvrouw had vermoord, hoe hij al +de lijken zijner slachtoffers en den burcht zei ven had verbrand, dit +wist iedereen. De droeve mare zijner gruwelijke gewelddaden had geheel +Vlaanderen met verontwaardiging vervuld; en uit alle burchten, uit elk +ridderlijk hart steeg eene stem op tot den troon om recht en om wraak. +Op den ijselijken dood zijner arme zuster wilde hij nu niet aandringen, +om den vorst niet pijnlijk te ontroeren en zelf niet in rouwtranen te +smelten. Hij putte sterkte en troost in de overtuiging dat de graaf +recht zou doen met al de strengheid die zulke voorbeeldelooze wreedheid +eischte. + +Burchard, die met diepe aandacht de rede van zijnen vijand had +afgeluisterd, en bij elk woord had gevoeld hoe deze, door het verzwijgen +of verdraaien der omstandigheden, al de schuld hem op den hals poogde te +schuiven, wrong zijne vuisten, trappelde met de voeten en morde hoorbaar +vermaledijdingen tegen zijnen aanklager. + +Bertulf en Hacket, zijne ooms, spanden alle moeite in om hem tot bedaren +te brengen; doch de stem van Rambold, die hij zoolang had moeten hooren, +was alleen toereikend geweest om zijn geduld te vernietigen en hem in +woede te doen ontvlammen. + +Nu werd hij zelf opgeroepen en de maarschalk vroeg wat hij tegen +Rambolds aantijgingen in te brengen had. + +Burchard trad met fierheid en zichtbaar toornig voor het hof. + +"Wat die listige mensch u zegt is valsch, geheel valsch!" riep nij met +kracht. "De grond was mijn eigendom; ik heb hem geerfd van mijne moeder +zaliger. Men heeft u bedrogen, heer graaf. Haddet gij geweten dat de +weide en de boomgaard te Straten u niet toebehoorde, gij zoudt deze +goederen zeker niet weggeschonken hebben, want ook de vorst moet elks +recht eerbiedigen...." + +Een afkeurend gemor, dat onder de Tancmars en zelfs onder eenige leden +der rechtbank opsteeg, onderbrak zijne rede. + +Hij, daarover gekwetst, hief het hoofd met trotschheid op, stuurde +fonkelende blikken tot de bank zijner vijanden, en riep uit: + +"Vleiers en valschaards zijn zij die alle mannelijke openhartigheid +terzijde stellen en hier durven beweren dat de vorst het recht bezit om +onrechtvaardig te zijn, daar de God des hemels zelf dit recht niet +heeft!" + +Deze vermetele worden ontrukten al den ridders eenen kreet van +verontwaardiging; het gelaat des graven was versomberd door eene +uitdrukking van beklemden toorn. + +Bertulf, de proost van St-Donaas, die het gevaar merkte, stond op en +naderde tot zijnen neef, met wien hij in stilte eenige haastige en +driftige woorden wisselde. Burchard keerde onwillig naar zijne plaats op +de bank terug. De oude Bertulf wendde zich met eene diepe buiging tot +het hof en zeide: + +"Genadige heer graaf, en gij, heeren rechters, de beschuldigde gevoelt +wel dat hij, ondanks zijnen eerbied voor het hof, door ontsteltenis in +gevaar zou komen van dingen te zeggen welke hem niet zoo in het gemoed +liggen. Hij heeft mij, zijnen oom, aangesteld als zijnen woordvoerder, +en in deze hoedanigheid zal ik spreken, indien de vorst en de heeren +rechters gelieven mij aan te hooren." + +Er werd over deze vraag eene wijl in stilte beraadslaagd. Vele rechters +getuigden door ontkennend schudden des hoof dat, dat zij van gedachte +waren den woordvoerder van Burchard niet te aanvaarden en deze te +dwingen zijne eigene verdediging voor te dragen. Dit was inderdaad een +onfeilbaar middel, niet alleen om hem te doen veroordeelen, maar tevens +om den graaf tot eene strenge en onmiddellijke straf pleging aan te +drijven. Maar Willem, de burggraaf van Yperen, deed den vorst begrijpen +dat men den beschuldigde de gewone middelen tot verdediging niet mocht +ontzeggen. + +Men besliste dus dat men de vraag van den proost van St-Donaas zou +inwilligen. + +De maarschalk stond op en riep: + +"Onze genadige heer graaf en het hof stemmen er in toe den woordvoerder +van Burchard Knap te hooren. Dat hij spreke!" + +"Heeren", begon Bertulf op zeer kalmen toon, "om te kunnen oordeelen wie +hier de ware plichtige is, hoeft men niet te onderzoeken wien de +boomgaard en de weide te Straten toebehoorden. Het is genoeg te weten +dat de heer graaf bevolen had dat men, tot zijnen terugkeer van den +oorlog, desaangaande alles zou laten in den toestand waarin het bij zijn +vertrek zich bevond. Wie heeft allereerst dit hoog bevel overtreden? Is +het niet Rambold Tancmar die nog onlangs dien grond met paalwerk deed +omsluiten? Heeft mijn neef iets gepleegd dat buiten zijn recht was, toen +hij de palen uitwierp en den grond in den staat herstelde waarin onze +genadige heer graaf had bevolen hem te laten?" + +"Hij heeft er gewapende lieden op gezet en mijnen neef eene +oorlogsverklaring toegezonden", onderbrak de raadsheer Tancmar. + +"Maar had mher Rambold niet reeds gewapenderhand de gezellen van mijnen +neef mishandeld en verjaagd?" wedervoer Bertulf. "Dan, tot dit oogenblik +was er nog niets geschied, dat de gewelddaden, die wij allen in het +diepste van ons hart betreuren, kon veroorzaken. Maar Rambold, den +landsvrede op eene bloedige wijze willende breken, is met macht van +wapenen op de gezellen van mijnen neef gevallen, heeft er een gedeelte +van vermoord, en dooden en gevangenen den rechtervoet afgehakt. Deze +voeten heeft hij in eenen korf gelegd en ze, in de proostdij te Brugge, +mijnen neef Burchard als een geschenk toegestuurd, den bode de +gruwelijke woorden in den mond leggende: 'Rambold Tancmar zendt Burchard +Knap deze vruchten van eenen nieuwen grond; hij hoopt dat het gezicht +daarvan hem zal verblijden.' In dezen korf vond mijn neef insgelijks den +voet van den zoon zijner zuster zaliger, een kind van veertien jaar, dat +hij beminde als het licht zijner oogen. Ik beroep mij op uw hart, heer +graaf, en ik spreek tot uw gemoed, heeren. Wat zoudt gij bij zulke +ijselijke wreedheid, bij zulken helschen spot hebben gedaan? Recht +geeischt bij onzen genadigen heer graaf, zult gij zeggen? Inderdaad, +maar vergeet niet dat mijn neef mensch is, en meer dan mensch zou moeten +zijn om bij zulken bloedigen hoon niet onder zijne wettige wraakzucht te +bezwijken." + +"Het hof late mij toe eenige woorden tot terechtwijzing te spreken", +zeide de hofraadsheer Tancmar. "Zeker, hadde mijn neef Rambold de voeten +van mher Burchards lieden afgesneden zonder daartoe uitgedaagd te zijn +geworden, het ware eene onmenschelijke wreedheid en eene helsche spot +geweest, zooals de heer proost zegt. Maar hier valt aan te merken dat +Burchard Knap in het openbaar mijnen neef gedreigd had zulks aan zijne +lieden, ja, aan hem zelven te doen, indien iemand hunner den voet op den +betwisten grond durfde zetten." + +"Wie dit gezegd heeft is een valschaard: hij liegt!" riep Burchard +rechtspringende. + +Een strenge oogslag van den proost dwong hem echter weder tot stilte. + +"Heeren, de wraak die mijn neef Burchard te Straten gepleegd heeft", +hernam Bertulf, "is wreed en bloedig geweest. Mij doet het pijn, ja, mij +grieft het diep dit te moeten bekennen. Maar was zij wreeder dan de +moorderij door Rambold vroeger aangericht, en welker ijselijkheid hij +zelfs niet onder den naam van wraak kan pogen te verminderen? Rambold +heeft de gezellen van mijnen neef vermoord en het kind zijner zuster van +het leven beroofd na het onmenschelijk te hebben verminkt. Burchard +heeft de lieden van Rambold vermoord, en in de woestheid der +wraakpleging heeft men Rambolds zuster insgelijks het leven benomen. +Wanneer men alleenlijk de daden beschouwt, dan zouden zij beiden even +plichtig zijn; want wat de tweede deed is de herhaling van wat de eerste +had gedaan. Evenwel, de rechters verzuimen nooit de oorzaak der dingen +te onderzoeken om te weten wie de stichter was van het kwaad en dus met +vrijen, onbelemmerden wil heeft gehandeld, niet om wraak te plegen, maar +uit enkele nijging tot vijandschap en tot wreedheid. Wie was hier de +eerste stichter van de afschuwelijke gewelddaden welke het geheele land +met ons betreurt? Uw antwoord kan niet twijfelachtig zijn, heeren +rechters. De overtuiging welke mijn neef, omdat hij niet gewoon is in +het openbaar te spreken, verkeerdelijk heeft uitgedrukt, ligt ook in +onze harten: Onze heer graaf kan niet onrechtvaardig zijn, omdat zijne +wijsheid, zijne grootmoedigheid en zijne vaderlijke bezorgdheid voor het +welzijn van zijn volk zulks onmogelijk maken. Daarom, wij berusten in +het recht onzer zaak en zien met vertrouwen een gunstig vonnis te +gemoet." + +Rambold Tancmar hield daarop eene tegenrede; de proost van St-Donaas +antwoordde hem eene tweede maal; de hofraadsheer poogde nog van tijd tot +tijd door eene onderbreking zijnen neef behulpzaam te zijn; ook Burchard +riep nog twee- of driemaal dat de Tancmars wetens en willens logen; maar +al deze pleitredenen en woordenwisselingen brachten niets nieuws aan den +dag, en lieten de zaak zooals zij zich van den beginne had voorgedaan. + +Op deze wijze liep het geding ten einde. De graaf en de leden van het +hof verlieten de zaal, om in een ander vertrek over het vonnis te +raadplegen. + +Intusschen bleven de Tancmars en de Erembalds op hunne plaatsen zitten +en koutten met hunne vrienden, en berekenden de kansen eener gunstige +uitspraak. + +Terwijl de meeste Erembalds den glimlach op de lippen hadden en luidop +spraken, fluisterden de Tancmars in stilte. De eersten, door de +welsprekendheid van Bertulfs pleitrede aangemoedigd, twijfelden niet aan +den goeden uitslag hunner zaak; de vrienden van Rambold vreesden +integendeel dat hij, als stichter en als eerste oorzaak van het kwaad, +zou worden veroordeeld. Wel hielden zij zich overtuigd dat de graaf de +Erembalds haatte en tegen de Kerels in het algemeen was verbitterd; maar +hij was zoo zonderling en zoo ondoorgrondelijk van gemoed. Daarenboven, +iedereen wist dat graaf Karel zijnen hoogmoed stelde in de faam van een +streng, doch rechvaardig vorst te zijn. Zou hij nu niet terugwijken voor +eene veroordeeling van Burchard, indien de welberekende pleitrede van +den proost hem deed vreezen dat zulke veroordeeling als een onrecht zou +worden aangezien? + +Het hof bleef zeer lang in beraadslaging. + +Naarmate de tijd verliep, groeide de hoop op eenen goeden uitslag onder +de Erembalds aan, omdat zij elkander moed inspraken en door allerlei +gunstige vooruitzichten Burchard poogden te bedaren. + +De Tancmars, integendeel, door het gevoel van Rambolds plichtigheid +reeds in twijfel gebracht, verloren bij het gezicht der welgemoedheid +hunner vijanden bijna alle hoop. + +De oude Bertulf, die de ridders als vijanden der Erembalds mistrouwde +en de mogelijkheid der veroordeeling zijns neefs in zijn gemoed erkende, +nam den tijd waar om Burchard tot het aanvaarden van het vonnis te +bereiden, hoe het ook mocht zijn. Hij deed hem begrijpen dat alle +opstand, alle oneerbiedig geschreeuw den graaf slechts kon verbitteren +en hunne zaak bederven. Hij bezwoer hem uit liefde, uit opoffering voor +zijn geslacht en voor Kerlingaland, met verduldigheid des vorsten +uitspraak aan te hooren en, al ware het slechts in schijn, zich er aan +te onderwerpen Hij verkreeg door welsprekendheid en door lang aandringen +zooveel op zijnen neef, dat deze beloofde zijnen raad te volgen. + +Eindelijk verscheen weder het hof in de zaal. De graaf en de rechters +gingen tot hunne vorige plaatsen; de trompers hieven een kort geschal +aan; de jonge Frumold, als schrijver van het hof, kwam vooruit en las, +met luider stemme, terwijl de diepste stilte in de zaal heerschte, het +uitgesproken vonnis. + +Dit stuk was zeer lang. Het verhaalde, tot in de minste bijzonderheden +al de feiten die zoowel door Rambold Tancmar als door Burchard Knap +waren gepleegd geworden, zonder dat men uit deze bloote beschrijving der +voorvallen kon opmaken wat het besluit van het vonnis kon zijn. + +Ook luisterden de aanwezigen met overspannen aandacht en veler hart +popelde van vrees of van ongeduldige verwachting, totdat eindelijk een +zegevierende lach op de aangezichten der Tancmars verscheen en de oude +proost van St-Donaas, met eenen kreet van angst en medelijden, zijnen +neef omhelsde en hem, bij al wat hem duurbaar was, bezwoer zijne +verontwaardiging te bedwingen. + +Burchard Knap was schuldig verklaard en veroordeeld; Rambold Tancmar +kwam er niet alleen gansch ongestraft van af, maar hem werd nog +daarenboven schadevergoeding toegekend! + +Wel liet Burchard een versmacht gegrom hooren als van eenen getergden +leeuw, maar hij hield het hoofd gebogen en roerde zich niet, terwijl de +schrijver dus voortlas. + +"Ten eerste, wij bevelen dat de burcht te Straten, ten koste van den +veroordeelden Burchard Knap, weder zal worden opgebouwd zooals hij te +voren was. + +Ten tweede, wij bevelen, omdat de veroordeelde den landsvrede heeft +gebroken, dat zijn huis te Bethferkerke zal worden afgebrand en +vernietigd, hem verbiedend, op lijfstraffe, voortaan in het Ambacht van +Brugge eene woning op te richten of te hebben[45]. + +Ten derde, wij bevelen dat de veroordeelde Burchard Knap uit onzen Lande +van Vlaanderen blijve gebannen, gedurende den tijd van tien +achtereenvolgende jaren. Wij willen en bevelen dat hij, te beginnen van +heden met zonneondergang onze stad Yperen ontruime en voorts den grond +van ons graafschap na den derden dag, gevende al onzen ridders, +kasteleins, wapenlieden, poorters en laten recht en bevel hem aan den +lijve te gaan en hem te dooden, indien hij ooit, in miskenning van dit +ons vonnis, voor den gemelden tijd van tien jaren, binnen de palen van +ons graafschap zich durfde vertoonen." + +Burchard, die tot dan, door zijne gemoedssterkte te overspannen zich had +kunnen bedwingen, sprong nu eensklaps recht en bief de dreigende vuist +tegen den graaf op, terwijl uit zijne borst onverstaanbare +vermaledijdingen opstegen: maar de proost, de kastelein, Robrecht, +Segher Wulf, Yorg Koevoet, Matfried Wezel en andere vrienden omringden +hem, biddend en smeekend, of omarmden en weerhielden hem met geweld. + +Eindelijk rukten zij hem uit de zaal, terwijl de trompers de opheffing +der rechtbank verkondigden. + +Hem omringende en het nieuwsgierige volk terugdrijvende, sleurden zij +hem met groote haast tot in de herberg de Gulden Liebaart, en brachten +hem hier in eene zaal waarvan zij de deuren toesloten. + +Burchard, uitzinnig van woede over het schreeuwend onrecht dat, volgens +zijne meening, hem was aangedaan, bulderde van niets min dan van den +graaf en al de rechters die hem veroordeeld hadden te vermoorden en hun +de meineedige tong uit den mond te rukken. + +Disdir Vos gaf hem gelijk en ging zelfs nog verder: hij was van gedachte +dat men den nacht moest afwachten en het vuur aan de vier hoeken van den +burg steken, om den graaf en de hatelijke Isegrims, die hem het onrecht +geraden hadden, te verbranden en onder de puinen van den burg te +begraven. + +Alhoewel van zulke gewelddaden niet sprekende, beklaagde Robrecht +Sneloghe met ware deelneming het onrechtvaardig vonnis en drukte de +meening uit dat het waarlijk tijd was om geweld tegen geweld te stellen, +wilde men niet door de Isegrims zelven worden aangezien als lafaards, +die men zonder vrees van tegenstand mag vervolgen en verdrukken. + +Segher Wulf sprak in denzelfden zin, en was zeer verbolgen over eene +veroordeeling welke hij aanschouwde als eene daad van wraakroepende +dwingelandij. + +De oude Bertulf riep zijne overheid in, als hoofd der Erembalds, om zich +te doen aanhooren, en wendde al zijne welsprekendheid aan om zijnen neef +en de anderen tot eene kalme overweging van hunnen toestand te brengen. +Volgens hem had men door kuiperijen en bedrog den graaf verrast en hem +dit onbegrijpelijk vonnis doen bezegelen. Men moest de gemoederen +slechts tijd geven om een weinig te bedaren, en door onderwerping den +vorst laten gelooven dat men zijne besluiten wilde eerbiedigen. Hij, +proost van St-Donaas, zou persoonlijke pogingen bij het hof doen. De +graaf zou voor eenige dagen te Brugge komen verblijven; dan konden de +Erembalds en hunne vrienden bijna dagelijks den vorst naderen. Men mocht +de hoop voeden, men mocht bijna zeker zijn dat de graaf de +ongerechtigheid van zijn vonnis zou erkennen en het zou herroepen. + +Burchard viel in nieuwe wraakreten uit, beschuldigde zijne ooms van +lafheid en riep dat hij niemands hulp noodig had om de Kerels te wapen +te doen loopen. Men zou het wel zien eer acht dagen voorbij waren, hoe +de burchten der Isegrims over geheel Kerlingaland in vuur en vlam zouden +staan, en hoe de kroon, welke de graaf slechts droeg om onrecht te +plegen, hem van het hoofd zou worden gerukt. + +Maar de proost verloor zijn geduld niet en zette onverstoord zijne +bedarende rede voort. Hij deed elk begrijpen dat men niet om het kwaad +dat een enkel persoon werd aangedaan, het geheele Kerlingaland tot een +bloedbad mocht maken, niet alleenlijk omdat zulks in zich zelven eene +onrechtvaardigheid was, maar bovenal omdat de wetten der Gilden +verboden iets gewichtigs te ondernemen zonder eerst hunne +vertegenwoordigers te hebben geraadpleegd. Binnen drie weken zou te +Veurne de jaarlijksche _Hoop_ der Gilden van Kerlingaland te zamen +komen. Gunstiger omstandigheid kon zich niet voordoen. Men zou in de +Hoop kennis geven van het gebeurde en van den ergen toestand der zaken, +en dan, na rijp beraad, de afgevaardigden laten oordeelen wat de Kerels +behoorden te doen. Besliste men daar tot den opstand en tot den oorlog, +welnu de proost, de kastelein en alwie het met hem hield, zouden de +besluiten van den Hoop aanvaarden en ze helpen uitvoeren, ten koste van +goed en bloed. Burchard kon in afwachting eene schuilplaats bij zijnen +vader te Rodenburg vinden. Niemand zou hem daar durven opzoeken en veel +min vervolgen. Hij, de proost, zijn oom, zou hem nu en dan gaan bezoeken +om hem kennis van den gang der zaken te brengen. + +Eindelijk door de vereenigde pogingen zijner magen en vrienden +overwonnen, of eerder vermoeid van hen tegen te spreken, scheen Burchard +eenigszins gestild en stemde er in toe, dewijl het daglicht verzwakte, +met hen Yperen te verlaten, volgens het bevel des graven. + +Men hoorde de opgezadelde paarden in de straat trappelen en hinniken, en +reeds opende de proost de deur om de zaal te verlaten, toen een ridder +binnentrad en, recht tot Burchard gaande, hem met een woord van troost +de hand drukte. + +"Mher Willem Van Loo, burggraaf van Yperen, wilt gij graaf van +Vlaanderen zijn?" riep Burchard. + +"Ik graaf van Vlaanderen?" stamelde Willem verwonderd. + +"Zijt gij niet de wettige erfgenaam onzer vorsten?" vroeg Burchard, zeer +aangejaagd en als door eene hevige blijdschap ontroerd. "Heeft niet deze +Karel van Denemarken u de kroon ontroofd?" + +Willem van Yperen deed een teeken dat men de deur der zaal zou sluiten; +dan zeide hij tot Burchard: + +"Mher Knap, spreek toch hier van zulke dingen niet. De graaf is in +Yperen met vele ridders en wapenlieden; hij kan met u doen wat hij wil. +Zeker, indien men het recht had geeerbiedigd, zou ik nu op den +grafelijken troon zitten en zulke ongehoorde wetsverkrachting, als wij +heden hebben bijgewoond, zou op Vlaanderens grond niet geschieden; maar +het lot heeft zich tegen mij verklaard en ik heb mij gebogen onder het +geweld der wapenen ..." + +"De tijden zijn veranderd", viel Burchard ongeduldig in zijne rede. "De +maat der ongerechtigheid is vol. Wilt gij graaf van Vlaanderen zijn, +mher Willem? Zeg een woord!" + +"Eilaas, wie kan mij mijn erfdeel terugschenken?" zuchtte Willem Van Loo +met een moedeloozen glimlach. + +"Wie? Ik!" riep Burchard. + +"Maar welke middelen meent gij te hebben?" + +"Ha, dit is mijn geheim", morde Burchard, zich met de vuist op het +voorhoofd slaande. + +"Kom, kom, dit zijn droomen, onmogelijke droomen", zeide Willem. "Ik ben +u dankbaar voor uwen goeden wil ten mijnen opzichte; maar, gekwetst en +verbitterd als gij nu zijt acht gij mogelijk wat geheel onmogelijk is." + +De proost had reeds tusschen deze zonderlinge samenspraak eenige +bemerkingen geworpen, om te doen gevoelen hoe zinneloos en hoe +gevaarlijk zulke bedreigingen tegen den vorst waren, en hij drong weder +met kracht op het vertrek aan. De zon zou welhaast onder den +gezichteinder wegzinken, en wie kon verzekeren dat niet de eene of +andere ridder of dienaar des graven op het leven van Burchard zou +toeleggen, aangezien het gevelde vonnis zulks iedereen ten plichte +maakte? + +Allen verlieten op zijnen raad de zaal en gingen buiten de herberg. + +Willem van Yperen had Burchard gevolgd. + +Op het oogenblik dat deze te paard zou steigen, neigde hij zich naar +mher Willem en fluisterde aan zijn oor: + +"Burggraaf, wij zien elkander spoedig weder." + +"Maar gij zijt gebannen!" bemerkte de andere, niet zonder +verschriktheid. "Ik mag u niet onder mijn dak onthalen." + +"Als de graaf vertrokken is. Des nachts. Vrees niet. Ik heb gewichtige +zaken u mede te deelen: uw geluk en onze vrijheid hangen er van af." + +En na het uitspreken dezer woorden sprong hij te paard en volgde de +andere Erembalds die reeds vooruit waren, als hadden zij groote haast om +de poort te bereiken en de stad te verlaten. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 44: _Loki_ is de duivel der oud-Germaansche godenleer.] + +[Voetnoot 45: Zie over het vonnis tegen Burchard, door den graaf te +Yperen uitgesproken, KERVYN DE LETTENHOVE, _Hist. de F._, t. #I#, 371.] + + + + +VIII + + +Dakerlia Wulf stond alleen in eene groote kamer van haar vaders woning, +voor eene tafel die beladen was met velerlei kostbare voorwerpen, als +gebeeldhouwde schrijnen en doozen, vergulde lampen, kristallen +drinkvaten, zilveren dischgerief, een kruisbeeld van elpenbeen; alles +zoo kunstrijk, zoo zeldzaam en zoo prachtig dat, hoe weinig plaats het +ook besloeg, men het evenwel als eenen aanzienlijken schat moest +beschouwen. + +Met den glans des geluks in de oogen en den glimlach der bewondering op +de lippen, staarde Dakerlia droomend op deze tafel, nam het een of ander +voorwerp in de hand, keerde het om, bezag het langs alle zijden en hief +dan, als aangedreven door een gevoel van dankbaarheid, den blik tot God. + +Het gerucht van stappen in den gang stoorde haar eindelijk in zulk +dankgebed. Een blijde kreet ontsnapte haar; met de handen uitgestrekt, +keerde zij zich naar de deur en murmelde: + +"Ha, hij is daar ... mijn verloofde!" + +Robrecht en zijne zuster vertoonden zich bij den ingang der kamer. Zij +waren gevolgd door eenen schalk die een zwaar kunstvoorwerp op den arm +droeg. Het geleek aan eene kerk, met vensters en torens, gansch van +glinsterend goud, en hier en daar opgeluisterd met een fonkelend +gesteente. + +De schalk zette, naar aanwijzing zijns meesters, het gulden kerkje op de +tafel en verliet de kamer. + +Dan eerst greep Dakerlia ontroerd den jongeling de beide handen en riep: + +"Ach, Robrecht, wilt gij mij dan zinneloos maken van geluk en fierheid? +Is die wonderschoone kapelle voor mij?" + +"Alweder een geschenk voor u, lieve Dakerlia,", antwoordde mher +Sneloghe. + +"Hoe zal ik ooit uwe goedheid, uwe liefde kunnen erkennen?" + +"Uwe tevredenheid, uwe blijdschap alleen, Dakerlia, is mij eene +voldoende belooning ... Maar ken mij toch "de verdienste van dit echt +vorstelijk geschenk niet toe. Het is eene gift van mijnen oom, den +proost. Zie, Dakerlia, de dubbele poort van het kerkje kan men openen. +Hierbinnen, op eene soort van altaar, staat een zilveren doosje. Wist +gij, lieve, wat het bevat, het geschenk zou honderdmaal meer prijs nog +in uwe oogen hebben...." + +"Welnu? Een heiligdom?" + +"Ja, een vingerbeen van den grooten heiligen Donaas, patroon van +Brugge." + +"Dank, dank zij den heer proost! St-Donaas zal ons beschermen!" + +"Gij moet de kostbare reliquiekas in uwe slaapkamer zetten", bemerkte +Witta, "dan zal de booze geest onmachtig zijn ooit uwen slaap te +storen." + +"En wij zullen te zamen er voor knielen en God en zijnen dienaar +St-Donaas dagelijks loven en danken, niet waar, Robrecht?" + +"Zonder twijfel, Dakerlia. In onze slaapkamer, op Ravenschoot, is eene +breede schoorsteentafel. Daarop zullen wij het zetten, nevens dit +schoone kruisbeeld, tusschen gene twee albasten vaten, die ik zal doen +vullen met geurige bloemen. Het zal zijn als een autaar, Dakerlia, +waarvan het gezicht uw godvruchtig hart immer zal verblijden." + +Nadat zij dus nog eene korte wijl hunne bewondering voor het kostbaar +geschenk en hunne innige vreugde hadden uitgestort, greep de jonge +ridder zijne verloofde de hand en leidde haar tot eenen leunstoel; hij +zette zich nevens haar, schouwde haar diep in hare oogen en zuchtte met +het licht der zielsvreugde op het gelaat: + +"Ha, Dakerlia, nog acht dagen, en de hemel opent zich voor ons!" + +"Nog acht dagen!" herhaalde jonkver Wulf, blozend van maagdelijke +schuchterheid. + +Witta, die aan hare andere zijde was gezeten, legde den arm over haren +hals, trok haar tegen haar hart en riep tusschen een zoeten kus: + +"Ja, ja, nog acht dagen, dan wordt gij mij een onafscheidbare zuster!" + +Toen jonkver Sneloghe haren arm van den hals harer vriendin terugtrok, +rolden twee dikke tranen, als glinsterende parelen, op Dakerlia's +wangen. + +"Welk kommervol gepeins schiet u dus eensklaps door den geest?" vroeg +Robrecht verwonderd. + +"Welk kommervol gepeins?" herhaalde de maagd met eenen blik, die +straalde van blijdschap. "Neen, neen, het zijn tranen van dankbaarheid. +Robrecht, ik herdenk dat ik veroordeeld was tot eeuwige treurnis; dat +ik, tot bij het graf, eene andere vrouw haar geluk moest benijden ... en +nu, zoo onverwachts zal ik uwe bruid worden; geenen enkelen dag zonder u +te zien, u te hooren ... leven in uwe zoete liefde!...Soms nog beef ik. +Ach, zooveel geluk in eens, het verschrikt mij! Indien eens, even +onverwachts, eene wolk onzen helderen hemel kwam verduisteren!" + +"Neen, vrees dit niet meer, mijne lieve", zeide Robrecht, haar opnieuw +de hand nemende. "Ik weet wel wat u bekommert, maar gij hebt ongelijk. +Sedert de graaf nu weder in Brugge is, ondervinden mijne ooms dat zijn +toorn geheel is bedaard. Burchard Knap is gestraft geworden, +onrechtvaardig gestraft, zeker; maar hij heeft zich onderworpen, en deze +gehoorzaamheid van den ontembaren Kerel schijnt onzen heer graaf te +hebben verzoend. Hoe het zij, acht dagen zijn zoo ras verloopen; en, +moest er nog iets gebeuren, ons huwelijk zal gevierd zijn, voordat eenig +nieuw gevaar de Kerels kome bedreigen. Aldus, lever u gansch over aan +het geluk en laat ..." + +Hij werd onderbroken door de komst van mher Segher Wulf, die, in +plechtgewaad, met het zwaard aan de zijde in de zaal verscheen. + +Hij lachte de jongelieden toe en deed hun teeken dat zij zouden blijven +zitten; maar Dakerlia liep tot hem, leidde hem bij de tafel en toonde +hem met blijden hoogmoed de gulden reliquiekas, de nieuwe prachtige gift +van den proost van St-Donaas. + +Na het schoone kunstwerk te hebben bewonderd, zeide mher Wulf: + +"De heer graaf houdt heden open hof. Het is onze plicht hem door onze +tegenwoordigheid hulde te brengen. Zult gij niet naar den burg gaan, +Robrecht? Gij schudt het hoofd?" + +"Maar, vader", bemerkte Dakerlia met eenige spijt, "Robrecht is daar +even eerst gekomen. De groote dag nadert zoo snel! Wij hebben nog van +honderden dingen te spreken en voor honderden dingen te zorgen." + +"Ja, Dakerlia", morde haar vader met eenen glimlach, "gij zorgt maar al +te wel. Ik heb uw huwelijkskleed gezien bij Janne Elshout, en uw kanten +hulsel bij Aleide Stierzeel. Ik ben de rijkste man van Vlaanderen niet +en gij geene vorstin, mijn kind." + +"Ik wil schoon zijn, vader!" antwoordde de maagd. + +"Maar zijt gij niet schoon genoeg, mijne zoete Dakerlia?" vroeg +Robrecht. "Heeft de blanke lelie, heeft de frissche lenteroos vreemde +praal te ontleenen om bewonderd te worden en elkeen te bekoren?" + +"Vleitaal spreekt gij. Ik wil schoon zijn", herhaalde de jonkvrouw. +"Schoon en prachtig opdat mijn bruidegom trotsch weze over mij! Niets is +mij kostbaar genoeg." + +"Het zij zoo: vrouwenwil, Gods wil!" zeide Segher Wulf, de schouders +ophalende. "En toch, ik heb maar een kind en moet mij al eene groote +opoffering getroosten. Doe dus naar uwen lust, Dakerlia; gij zult er +mij, hoop ik, des te meer en te langer blijven om beminnen." + +"Altijd, altijd even vurig, vader lief!" riep zij uit, terwijl zij hem +aan den hals vloog en hem teederlijk omhelsde. + +"Alzoo, gij gaat niet mede naar den burg?" vroeg mher Wulf, zich tot +Robrecht wendende. + +"Men zal mijne afwezigheid tusschen zoovele heeren niet opmerken", +antwoordde de jonge ridder. "Daarbij, de gemoederen zijn nu weder +gestild, en voor het oogenblik, ten minste, moeten wij voor niets +bezorgd zijn." + +"Dit is te zeggen", wedersprak hem Segher Wulf, "dat wij daarvan niet +gansch zeker zijn. Sedert Burchard Knap werd gebannen, sedert zijn huis +te Bethferkerke werd afgebrand, verspreid men zonderlinge geruchten. Er +zijn er die beweren dat Burchard des nachts bedektelijk in de bosschen +rondreist en de Houtkerels tot eenen opstand aanvuurt. Een van 's graven +laten, die buiten Yperen woont, meent Burchard omtrent Loo in de +duisternis op een reusachtig paard te hebben ontmoet en herkend. +Burchard zou dus in geheime betrekkingen staan met Willem Van Loo? Wat +beramen zij? Onze heer graaf, wien deze samenkomsten van Willem Van Loo +met Burchard moeten bekend zijn, zal in woede ontvlammen; want Willem, +alhoewel hij zich in schijn heeft onderworpen, is hem een bloedvijand, +en de graaf weet het wel. Ach, het is eene ongelukkige verwikkeling! Men +zal aan het hof de Kerels voor het gedrag van Burchard verantwoordelijk +maken; en wie kan voorzien welke nieuwe vervolgingen er voor ons zullen +uit ontstaan?" + +"Maar, mher Wulf, mijn oom, de proost, zeide mij, dat hij de vaste hoop +heeft van onzen vorst genade voor Burchard te bekomen. Hij en de +kastelein zullen dan het huis te Bethferkerke op hunne kosten doen +herbouwen. Zoo zal alles bijgelegd zijn, en Burchard zal in vrede naar +Bethferkerke wederkeeren." + +"Neen, neen, mijn vriend, de toekomst is zoo helder niet als gij het +schijnt te gelooven. Wat zal de Hoop der Ambachten, die binnen veertien +dagen te Veurne vergadert, over onze zaken beslissen?... Dankt God, +mijne kinderen, dat gij dan reeds zult getrouwd zijn, anders mocht nog +wel eenig toeval uw geluk komen vertragen. Blijf dus, Robrecht; desnoods +zal ik u over uwe afwezigheid verontschuldigen. Vaarwel, tot straks!" + +Segher Wulf drukte den jongelieden nog de hand, verliet zijnen Steen en +begaf zich naar den burg. + +Toen hij het paleis binnentrad, vond hij in de groote plechtzaal wel een +honderdtal ridders die, bij groepen verdeeld, stonden te kouten, in +afwachting van des graven verschijning. + +Hij ging eenigen tijd van den eenen hoop tot den anderen, drukte hier en +daar eenen vriend de hand, en bleef eindelijk met den proost en den +kastelein in gesprek, totdat een luidere woordenstrijd, die uit den hoek +der zaal opsteeg, zijne aandacht vestigde. + +De hofraadsheer Tancmar was met zijnen oudsten zoon Ghyselbrecht uit +eene binnendeur in de zaal getreden en deze laatste had onmiddellijk tot +de nastaande ridders iets gezegd dat niet allen even goed beviel, want +Eustaas Van Steenvoorde, een Kerel en een vriend der Erembalds, had met +zekere driftigheid op zijne gezegden geantwoord. + +Segher Wulf en andere ridders naderden tot de plaats waar Tancmar stond, +om de reden van dien twist te vernemen. Hier hoorde mher Wulf met +verontwaardiging dat de zoon van den hofraadsheer driftig zeide: + +"Zij zullen den balfaart betalen: elk jaar eenen denier, vier deniers +bij hun huwelijk, en vier deniers bij hunnen dood of het beste hoofd ten +voordeele des graven!" + +"Van wie spreekt men?" vroeg Segher Wulf zeer stil aan Eustaas Van +Steenvoorde. + +Maar Ghyselbrecht, die het had gehoord, antwoordde op tergenden toon: + +"Vraag niet naar bekende dingen, mher Wulf. Van de Kerels spreek ik, en +gij weet het wel." + +"De Kerels zijn vrij geborene lieden; men heeft het recht niet om hun +den tol der dienstbaarheid op te leggen!" wedervoer Segher Wulf. + +"Vrijgeborene lieden? De Kerels, ha, ha!" schertste Ghyselbrecht, als +hadde hij het vast inzicht om hier eenig gerucht te doen ontstaan, dat +de Erembalds bij den graaf mocht benadeelen. "Hoe zullen de Kerels hunne +vrije geboorte bewijzen?" + +"Bewijst men den oorsprong van dingen die altijd hebben bestaan?" +wedervoer Segher Wulf. "De Kerels zijn de eerste bewoners dezer landen +geweest. Hunne vaderen waren trotsch op hunne nooit geschondene +vrijheid, en deze vrijheid hebben hunne zonen tot nu toe even +ongeschonden behouden." + +"Men levere onzen heer graaf de oorkonden, de bewijzen daarvan!" zeide +Ghyselbrecht zegevierend. "Men kan het niet. Voordat onze vorsten, ter +verlossing van Jeruzalem, naar Palestina togen, betaalden de Kerels den +balfaart ..." + +"Valsch, het is valsch!" riepen eenige stemmen. + +"En gedurende de afwezigheid onzer graven en hunner leenhouders hebben +de Kerels zich eene vrijheid aangematigd die zij nooit te voren hadden +genoten." + +In het hart van Segher Wulf gloeide verontwaardiging en toorn; maar hij +bedwong zijne ontsteltenis met geweld en sprak op treurigen toon: + +"O, heeren, die hier tegenwoordig zijt, getuigt ten minste dat ik heb +voorspeld welke beklaaglijke onheilen zij ons arm Vlaanderen bereiden, +zij, die onzen vorst aldus het geweld en het onrecht aanraden. De +Tancmars misleiden u. Ik bezweer u, leent hun de hand niet; laadt niet +op u de schuld van Vlaanderens ondergang! De Kerels vragen van u niets +dan vrede; zij willen ongestoord werken en rijkdom scheppen voor vorst +en land. Waarom ze onrechtvaardig dwingen tot het vergieten van stroomen +bloeds voor het behoud hunner oude vrijheid?" + +Eenige andere Erembalds en tevens een tiental ridders traden er +tusschen, hetzij om de bedaardheid aan te raden, hetzij om door even +driftige woorden den twist nog aan te vuren. + +Het was zichtbaar dat de hofraadsheer en zijn zoon een beraamd ontwerp +uitvoerden; want Walter Van Lokeren en Raes Van Gaveren, hunne +bijzonderste vrienden, stonden lachend nevens hen en fluisterden soms +stille woorden aan hun oor, als om hen aan te moedigen, terwijl vele +ridders waakzaam hen omringden, gereed tot hunne verdediging, indien de +gehoonde Erembalds tot geweld mochten overslaan. + +Segher Wulf behoefde al zijne gemoedskracht om niet in woede los te +barsten; de gedachte dat de graaf alle oogenblikken kon verschijnen, +weerhield hem evenwel. + +"De Kerels zijn altijd dienstbare lieden geweest!" riep Ghyselbrecht, +"onvrijen, dorpers, slaven, en zij zijn het nog! Het moge den Erembalds +niet behagen, dat deze waarheid worde verkondigd. Het is te begrijpen, +zij zijn zelven van Kerlenbloede. En gij, mher Wulf, waarom trekt gij +hunne zaak u zoo vurig aan? Is het misschien omdat gij vreest dat men +later ook u de bewijzen uwer vrije geboorte zou kunnen vragen?" + +"Het is te veel!" schreeuwde Segher Wulf boven al de kreten zijner +vrienden uit. "Mher Ghyselbrecht, gij zijt een valschaard, een +lasteraar, gij liegt! Ik daag u uit tot eenen kamp op leven of dood. De +God des hemels beslisse tusschen de Kerels en hunne vervolgers! Daar +ligt mijn handschoen: zijt gij niet zoo laf als boos, raap hem op!" + +Maar Ghyselbrecht, die nu waarschijnlijk zijn verborgen doel had +bereikt, aanschouwde spotlachend zijnen getergden vijand en schudde +ontkennend het hoofd. + +"Gij weigert? Gij bekent dus dat gij een lafaard zijt?" gromde Segher +Wulf. + +"Deze heeren zullen oordeelen", wedervoer Ghyselbrecht zeer koel. "Het +is een ridder op schande verboden in eenen gesloten kamp te treden met +iemand die niet vrijgeboren is. De vrije geboorte van mher Segher Wulf +is mij niet bewezen, ja, ik loochen ze. Het is mij dus een onmiskenbare +plicht de uitdaging af te wijzen[46]." + +Segher Wulf wrong zijne vuisten van woede, en verweet Ghyselbrecht zijne +bloohartigheid in diep kwetsende woorden, met de hoop dat hij hem dus +tot ongeduld zou drijven. Hij noemde hem schijnheilige lasteraar, +onverzadelijk van heerschzucht, vol boosheid en venijn, laf en kruipend +als eene slang. + +Dit alles vermocht niets op het gemoed van Ghyselbrecht, die meer dan +eens herhaalde dat hij tegen geen onvrij man wilde kampen. + +Er ontstond een groot gerucht, doordien de andere Erembalds zich bij +Segher Wulf voegden en men mocht vreezen dat eindelijk deze woordentwist +in een bloedig tooneel zou veranderen, des te meer daar de aanjagende +woorden Isegrim en Blauwvoet nu insgelijks werden uitgesproken. + +Er naderde een ridder, gebouwd als een reus, die tot dan, van in eenen +hoek der zaal, alles onbewogen had aangehoord. Hij drong door den +vlottenden hoop, raapte den handschoen van den grond en sprak: + +"Ik, Jakob Van Waesten, bijgenaamd de Leeuw, van edele geboorte en +ridder, ik aanvaard den handschoen en den kamp totterdood! Ik verdedig +de eer van hen die men hier Isegrims durft noemen." + +Tancmar en zijne vrienden poogden Jacob de Leeuw het aanvaarden van den +kamp af te raden. Hun doel was geweest den strijd door allen edelgeboren +man te doen weigeren en dus voor het land te doen verkondigen dat men de +Erembalds als onvrije lieden aanzag. Jacob Van Waesten wilde evenwel +hunne spitsvondige redenen niet aanhooren, en behield den handschoen. +Hij meende juist met kalme woorden Segher Wulf aan te spreken om met hem +tijd en plaats voor den kamp te bepalen,--maar nu werd eene dubbele deur +opengeworpen, en de graaf verscheen in de zaal. + +Al de ridders schikten zich van wederzijde langs de wanden en boden met +gebukten hoofde eenen doorgang aan den vorst, die langzaam tusschen hen +voorbij stapte en eene hoogte in het diepe der zaal beklom. Hier zette +hij zich neder onder een kostbaar verhemelte en sprak op spijtigen toon: + +"Heeren, zal ik dan nimmer den voet in Brugge kunnen zetten zonder in +mijnen persoon den eerbied miskent te zien welken men den vorst +verschuldigd is? Dat grove dorpers, onbeschaafde lieden zich aan zulk +verbreken plichtig maken, dit laat zich eenigszins begrijpen; maar +ridders, mannen van edelen bloede!... Nu, welke is de reden van den +twist die tot in het diepste van ons paleis onze ooren heeft getroffen?" + +"Gelieft onze genadige heer graaf mij het woord te verleenen?" vroeg +Tancmar. + +"Dat onze hofraadsheer spreke!" zeide de vorst. + +De listige Tancmar begon het voorgevallene te verklaren, in schijn met +rechtzinnigheid; maar hij drukte met zulke welberekende kracht op de +ontkenning van der Kerlen vrijheid en op de redenen van de weigering +zijns zoons, dat de Erembalds hem knarsetandend aanhoorden. Door de +tegenwoordigheid van den graaf bedwongen, verkropten zij echter in +stilte den hoon en de schande die hun hier werden aangedaan. + +Insgelijks bekwam Segher Wulf het woord om zijne uitdaging te +verechtvaardigen, en na hem sprak Jacob de Leeuw, om den graaf te +verzoeken den kamp te willen goedkeuren en zelf tijd en plaats te +bepalen opdat het ingeroepen oordeel Gods in de tegenwoordigheid des +vorsten en der ridderen zich mocht verklaren. + +Wel wilde Tancmar, immer om dezelfde reden, den graaf overhalen tot het +afwijzen en verbieden van den kamp; maar Jakob de Leeuw wedersprak hem +met veel vuur en eischte des vorsten goedkeuring, als eene genade en als +en recht. + +Onderwijl staken de voornaamste Isegrims de hoofden te zamen en +fluisterden elkander geheime woorden in de ooren. + +Dan veranderde Tancmar geheel van taal. Wel wilden de ridders niet als +bewezen aanvaarden dat de Erembalds vrijgeborene lieden waren; maar +dewijl Segher Wulf in hunnen naam het oordeel Gods inriep en een ridder +den handschoen had opgeraapt raadde hij den vorst dezen beslissenden +kamp toe te staan, in de hoop dat de hemel zelf, met de overwinning aan +den kampioen der waarheid te gunnen, voor altijd over het hangend +geschil zou uitspraak doen. + +De Isegrims steunden zijnen raad en keurden zijne redenen goed. Zij +achtten zich verzekerd dat de reusachtige Jakob Van Waesten zijnen min +sterken tegenkamper wel ras zou dooden. + +Graaf Karel had tot dan in stilte op deze woordenwisseling geluisterd. +Nu stond hij op en sprak met luider stem: + +"Wij keuren goed en veroorloven dat onze leenhouder, mher Jakob Van +Waesten in het strijdperk trede tegen mher Segher Wulf Van Lampernisse, +en stellen den kamp vast op heden, te twee uren namiddag, in den _Krijt_ +binnen onzen burg van Brugge. Wij gelasten den kastelein en onze overige +ambtenaars de krijtwaarders[47] te verwittigen en te zorgen voor al wat +er, volgens de gewoonten der ridderschap, tot dezen kamp behoeft. +Daarenboven, omdat wij met u in de kalmte des gemoeds over ernstige +zaken hebben te kouten, verzoeken en bevelen wij de twee kampers zich +uit ons paleis te verwijderen totdat het bepaalde uur hen ten strijde +roepe." + +Segher Wulf en Jakob de Leeuw, door weinige vrienden gevolgd, verlieten +de zaal. + +Bij de poort onder de Loove, drukten de proost en de kastelein hunnen +vriend mistroostig de handen; zij klaagden over de booze listigheid +hunner vijanden, die dezen twist hadden doen ontstaan om het gemoed des +graven opnieuw tegen de Kerels te ontsteken en gelegenheid te vinden om +zelfs de vrije geboorte der Erembalds te loochenen. Had Ghyselbrecht +Tancmar het gevoelen des vorsten uitgedrukt? Hadden de Erembalds zich +bedrogen over de schijnbare bevrediging des graven? Ging het +langgevreesde onweder losbreken? Zou nu hun trouwe, goede vriend Segher +Wulf niet bezwijken in zijnen vermetelen kamp tegen Jakob de Leeuw, die +om zijne reuzensterkte gansch Vlaanderen door was beroemd? + +De tranen stonden den ouden Bertulf bij al deze erge vooruitzichten in +de oogen; maar Segher Wulf deed hun begrijpen dat zij binnen de zaal +zich moesten begeven om te weten wat men daar tegen de Kerels kon +zeggen. Hij zelf had rust noodig en wilde naar huis gaan, om zich tot +den kamp te bereiden. + +Toen Segher Wulf den burg had verlaten en de Hoogstraat instapte, +vertraagde hij zijnen gang, als vreesde hij zijne woning te naderen; hij +bleef zelf een oogenblik staan om na te denken. + +Hoe zou zijne arme Dakerlia verschrikken bij de aankondiging van eenen +strijd die haar eenen beminden vader kon ontrooven! Dit huwelijk, zoo +vurig gewenscht, zou het niet uitgesteld moeten worden, zelfs al wierd +hij slechts ernstig gekwetst? En indien dan intusschen het geduchte +onweder losbrak en de Kerels ten koste van stroomen bloeds hunne +vrijheid hadden te verdedigen, zou dan niet dit noodlottig toeval het +geluk van zijn kind voor altijd kunnen vernietigen? + +Onder den druk zulker bedroevende overwegingen stapte hij langzaam +voort, zich op voorhand geweld aandoende om zijne treurigheid voor +Dakerlia te kunnen verbergen. + +Ook, toen hij zijne woning had bereikt en in de zaal trad waar zijne +dochter met Robrecht en zijne zuster zich nog bevonden, speelde hem een +glimlach op de lippen, en hij beantwoordde hunnen blijden groet, alsof +niets hem bekommerde. + +Maar Dakerlia staarde hem aan en zeide: + +"Heer vader, gij zijt ontsteld; u is iets onaangenaams geschied." + +"Iets onaangenaams? Wie heeft u dit gezegd?" mompelde Segher Wulf +verwonderd. + +"Mijn hart beeft; ik zie het in den grond uwer oogen, vader." + +"Welnu, ja, mijne lieve Dakerlia. Mher Tancmars zoon, de arglistige +Ghyselbrecht, durfde in tegenwoordigheid der ridderen beweren dat de +Kerels niet vrij geboren zijn en altijd slaven zijn geweest." + +"Onmogelijk!" kreet Dakerlia met eene vonk van verontwaardiging in den +blik. + +"Ja, het is zoo, mijn kind; en hij ging zooverre in zijnen +onbeschaamden overmoed dat hij ook den Erembalds en zelfs uwen vader +hunne vrije geboorte durfde ontloochenen." + +"De booze valschaard! Was er dan geen ridder, geen Erembald daar om hem +den lasterenden mond te sluiten?" + +"Gij wilt zeggen, mijn kind, dat ik onmiddellijk de eer van ons had +moeten wreken?" + +"Neen, gij niet, vader", antwoordde Dakerlia, eensklaps bedarende, "gij +zijt te oud; maar hebben onze jonge ridders dan geen Kerlenbloed meer in +de aderen?" + +"Ah, Dakerlia", riep Bobrecht, "wees zeker, ware ik heden ten hove +geweest, ik hadde den onbeschaamden Isegrim mijnen handschoen in het +aangezicht gesmeten!" + +"Het is juist wat ik heb gedaan", zeide Segher Wulf ... "Nu, Dakerlia, +waarom verbleekt gij dus? Indien een ander ridder, zonder wraak te +eischen, ons geslacht zoo diep had laten hoonen, gij zoudt hem lafaard +noemen en hem minachten. Wees dus rechtvaardig voor uwen vader en prijs +hem, omdat hij zijnen plicht getrouw bleef." + +"O, God, de wolk, de duistere wolk aan onzen schoonen hemel!" klaagde +Dakerlia met de handen opgeheven. + +"En heeft Ghyselbrecht uwen handschoen opgeraapt?" vroeg Robrecht. + +"Neen, de lafaard zocht een uitvlucht in de bewering dat ik, als Kerel, +geen vrij man zou zijn en hij, edel geboren, dus dezen kamp niet mag +aanvaarden." + +"Ach, vader, hoe hebt gij mij doodelijk verschrikt!" zuchtte Dakerlia, +met oogen die van plotselijke blijdschap straalden. "Ghyselbrecht heeft +geweigerd? Ik voel mij genijgd om onzen boozen vijand daarvoor te +zegenen." + +"Gij vreest dus uitermate mij ten kamp te zien gaan, Dakerlia? Hoe +dikwijls nochtans heb ik in mijn leven de eer van mijnen eigen naam of +de eer van ons geslacht te verdedigen gehad? God heeft mij tot nu toe +het leven laten behouden. Waarom zou Hij heden mij Zijne bescherming +onttrekken?" + +Dakerlia wierp hare armen om zijnen hals en zeide, hem teederlijk +zoenende: + +"Ja, ja, vader lief, gij hebt gelijk: de hemel zou, evenals vroeger, +dengenen bijstaan die het recht verdedigt. Gij hebt wel gedaan en uwen +plicht vervuld, met de lasteraars der Kerels tot zwijgen te brengen, +maar ik ben toch zoo gelukkig dat Ghyselbrecht den kamp heeft geweigerd! +Mijnen vader, mijnen goeden vader blootgesteld weten aan gevaar, aan +doodsgevaar, ach, de gedachte alleen doet mij sidderen als een riet!" + +"En toch moet ik vechten, mijn kind." + +"Hemel, gij moet vechten?" + +"Dezen namiddag, te twee uren." + +"Neen, o neen, Ghyselbrecht heeft geweigerd!" + +"Ja, maar een ander ridder heeft mijnen handschoen opgeraapt en den kamp +aanvaard." + +Dakerlia sloeg zich de handen voor de oogen en begon te weenen. + +"Maar, mijne lieve Dakerlia, waarom zulke bittere tranen te storten?" +zeide Robrecht. "Uw heer vader zal niet strijden. Ik neem zijne plaats +in en zal kampen tegen zijnen vijand. Ik ben jong en sterk." + +"Gij, Robrecht, gij vechten in den krijt!" riep Dakerlia met nog +meerdere verschriktheid. + +"Ik of uw vader; een onzer moet toch den geworpen handschoen lossen." + +"Zwijgt, zwijgt beiden; gij doet mij sterven van angst!" + +"Wat gij mij voorstelt is onmogelijk, mher Sneloghe", zeide Segher Wulf. + +Dakerlia slaakte eenen luiden gil. Haar vader vatte hare hand en sprak +troostend: + +"Nu, mijn kind, ontstel u niet zoozeer over een voorval dat een ridder +elk oogenblik in zijn leven kan ontmoeten. Gij, zoo moedig en zoo fier, +zoud nu misschien gaan wenchen dat ik laffelijk den wreedsten hoon +verdrage? Ik begrijp: het geluk dat u zoo mild toelachte is bedreigd, +niet waar? Uw huwelijk ..." + +De maagd legde, met eenen pijnlijken kreet, de hand op den mond haars +vaders en versmachtte dus het woord dat haar kwetste. + +"Mijn huwelijk, mijn huwelijk?" morde zij. "Zie, ja, mijn geluk was te +groot, het moest gestoord worden; ik heb het voorgevoeld, ik heb het +gedroomd ... maar indien mijne smart en mijn schrik eene andere bron +hebben dan de liefde tot u, mijnen vader, dat de alziende God mij +terugwerpe voor altijd in het ijselijk verdriet dat mijnen boezem heeft +verknaagd!" + +"Ik bid u, mher Wulf, laat mij voor u in het strijdperk treden", zeide +Robrecht. "Niemand kan twijfelen aan uwen moed. Gij hebt zoovele +schitterende bewijzen uwer onversaagdheid gegeven. Nu zijt gij reeds +oud. Ik ben behendig en sterk. Stem toe; laat mij de eer van Dakerlia's +vader wreken!" + +"Ik dank u om uwe dienstvaardigheid, mijn vriend Sneloghe", sprak mher +Wulf. "Al wilde ik u mijne plaats overlaten, het ware onmogelijk: de +graaf zelf heeft de beide kampers bij name aangewezen. Wat zou men +denken, indien ik terugtrad, ik, die den handschoen heb geworpen? Mij +ontbreekt de mannelijke kracht nog niet, en ik zal toonen dat de oude +Wulf Van Lampernisse nog de sterkte, de behendige kamper is van vroeger +dagen. Dakerlia heeft ongelijk zich zoo diep te ontstellen. God zal mij +helpen; Hij zal in mij het recht laten overwinnen ... Wees toch +redelijk, jonkver Witta; gij insgelijks, gij weent en snikt? Wilt gij +beiden mij allen moed ontrooven?" + +"Maar wie is dan uw tegenkamper?" vroeg Robrecht. + +"Gij kent hem waarschijnlijk niet", antwoordde Segher Wulf aarzelende. + +"Zijn naam is?..." + +"Jakob ... van Waesten, meen ik." + +"Jakob? De Leeuw van Waesten! O, hemel!" + +"De Leeuw, de reusachtige ridder, voor wiens blik elkeen beeft? Hij, uw +tegenkamper?" kreet Dakerlia op den toon der diepste wanhoop, "o, mijn +arme vader! Wee mij, wee mij!" + +En zij verborg haar aangezicht op haars vaders hart, legde haren arm om +zijnen hals, stortte tranen op zijne borst en bleef zoo ontroosbaar +weenen en snikken, welke pogingen men ook aanwendde om eenige +verlichting in haren verschrikten geest te brengen. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 46: Zulke weigering van een tweegevecht door eenen ridder +jegens eenen Kerel, om dezelfde reden, vindt men aangeteekend bij +GALBERTUS, _Mem. rel. a l'hist. de Fr._, t. VIII, 252.] + +[Voetnoot 47: Het strijdperk noemde men _Krijt_ (Krettz). + + + "Doe gingen sie uten _Crite_ keren + Metten Crytwaerders totden Coninc." + + _Reinaert de Vos_, vers 7450 en 7451. + + +] + + + + +IX + + +De tijding, dat er dien namiddag tusschen twee ridders een kamp om leven +en dood zou worden gestreden, had zich wondersnel tot in de uiterste +hoeken der stad verspreid. + +Ook reeds lang voor het gestelde uur verdrong zich de menigte niet +alleen op den burg, maar zelfs in de aanpalende straten. + +Volgens het bevel des graven, had men op het binnenplein van den burg +den _krijt_ gesteld, dit is eene vierkante omheining van houten palen +met dikke koorden, die niemand mocht overschrijden en waarbinnen de kamp +moest geschieden. + +Aan elk der beide uiteinden van het vierkant, langswaar de strijders +binnen het perk zouden treden, stonden vier krijtwaarders en twee +trompers of bazuinblazers. + +Achter hen, binnen een insgelijks voorbehouden omtrek, hielden zich de +twee kampers nevens hun strijdpaard, in afwachting dat het sein tot den +aanval wierd gegeven. + +Jakob de Leeuw stond aan den kant die naar 's graven hof zich verlengde; +Segher Wulf naar de zijde van St-Donaas. + +Beiden waren omring van eenige vrienden en van schalken, om hun paard te +bedwingen en hunne wapens te dragen. + +Rondom den krijt en drukkend op de koorden, ondanks de pogingen der +schildwachten, stond de volksschaar zoo dicht opeengepakt, dat men niets +zag dan eene zee van hoofden, zich nu en dan golvend bewegende onder het +machtig gedrang van andere nieuwsgierigen, die bij de poorten van den +burg vooruitwoelden om nog plaats te vinden. + +Alle gebouwen, die uitzicht hadden op het strijdperk, krielden van +menschen; de vensters waren vervuld met vrouwen; het mindere volk, de +schalken en onvrijen zaten op daken en torens. + +Alleen de breede gaanderij, boven de Loove van het paleis, was nog +geheel ledig. Wel stonden daar, rondom eene soort van troongestoelte, +eenige zetels voor de kamprechters; maar dezen zouden slechts +verschijnen op het bepaalde uur. + +In afwachting waren de beide kampers bezig met de laatste stukken +hunner wapenrusting zich aan de leden te bevestigen. + +Segher Wulf werd hierin geholpen door Robrecht Sneloghe en door Eustaas +Van Steenvoorde. Allereerst gespte men hem het harnas voor de borst, +boven zijn maliehemd van ijzeren ringen; dan den halsberg, de arm- en +bilplaten, de knieschijven en eindelijk den vergulden helm met het +neergelaten vizier, waardoor men niets kon zien dan de oogen van den +kamper. + +Zoo stond hij daar nu, van hoofd tot voeten overdekt met ijzer en staal, +nevens zijn reusachtig paard, dat insgelijks op hoofd, borst en rug door +metalen platen was beschut. + +Zijne strijdwapens, die een paar schildknapen achter hem gereed hielden, +bestonden in eene lange speer of lans, in een breed zwaard en in een +vierkant schild. + +Volgens de wetten van den krijt moesten de kampers eerst elkander te +paard en met de speer aanvallen. Leverde deze proeve geenen beslissenden +uitslag op of werd een van beiden uit den zadel gelicht zonder doodelijk +te zijn gewond, dan zou men den kamp te voet en met het zwaard +voortzetten, totdat een hunner om genade smeekte of den geest gaf. + +Reeds alsdan lag in de menschelijke natuur de onuitlegbare lust, de +hatelijke nieuwsgierigheid om bloedige, om zielverschrikkende tooneelen +bij te wonen. Men wist nu dat de strijd om leven of dood zou zijn en dat +dus een dezer moedige ridders onder de oogen der menigte ging sterven; +en evenwel heerschte er tusschen de saamgedrongene volksschaar een luid +geschater, een bruisend gemor, dat slechts van het vroolijk ongeduld der +toeschouwers getuigde. + +Eensklaps veranderde dit verward gerucht in een lang gejuich, in eenen +galmenden zegekreet, waarboven de roep: "Leve de graaf! Heil graaf +Karel!" met meer kracht zich verhief. + +De vorst was boven de Love van zijn paleis verschenen en had plaats +genomen onder het verhemelte van rood brocade, dat daar was opgericht. +Nevens hem stonden twee wapenboden met gevlagde bazuinen; van wederzijde +zaten de kamprechters; en verder op deze verhevene gaanderij hielden +zich de ridders van 's graven hof. + +Het sein zou welhaast worden gegeven. + +Segher Wulf moest dan een oogenblik van mismoed of van angst ondergaan; +want hij sloot mher Sneloghe in zijne armen en zeide hem met ontroerde +stem: + +"Robrecht, mijn zoon, niemand weet wat God zal beslissen. Heden kan mijn +laatste dag zijn. Een oud krijgsman als ik vreest den dood niet; maar ik +ben vader, mij beeft het hart bij de gedachte dat mijne lieve Dakerlia +alleen op de wereld zou blijven. Ach, ik smeek u, doe mij de belofte dat +gij haar, indien ik bezwijk, uw leven lang zult blijven beminnen; dat +gij haar een trouwe echtgenoot zult zijn, een goede broeder, een +liefderijke beschermer!" + +"De hemel zal het recht de overwinning gunnen", antwoordde Robrecht, +"maar, hoe het zij, mher Wulf, elke klop van mijn hart zal toegwijd +blijven aan het geluk van uw kind." + +"Dit is mij genoeg: ik heb vertrouwen in uwe oprechtheid, mijn zoon. +Vergeten wij nu dat wij vader zijn om nog eens de onverschrokken +krijgsman te worden dien men vroeger roemde om zijne behendigheid. Keert +het lot der wapens tegen mij, ik sterf voor de eer van mijn geslacht en +voor de vrijheid van mijn land!" + +Een eerste bazuingeschal verwittigde de kampers dat zij zich tot den +aanval moesten bereiden. + +Men hield hen te paard en gaf hun de lange speer in de hand. Zij +naderden tot de koorden van den krijt. + +Eene doodsche stilte heerschte tusschen de menigte. + +Nu de toeschouwers de kampers op hunne paarden konden zien zitten, drong +een gevoel van medelijden in veler harten voor Segher Wulf. Hij scheen +wel sterk gebouwd; maar zijn tegenstrever geleek een reus en was een +gansch hoofd grooter dan hij. + +"Heb betrouwen in Gods bescherming!" zeide Robrecht, die nevens het +paard van Segher Wulf stond. "Heb goede hoop: Dakerlia zit geknield voor +het kruisbeeld en bidt voor u." + +"Ach, spreek mij niet van Dakerlia!" zuchtte mher Wulf. + +"Denk veeleer aan uw kind; houd uwe welbeminde Dakerlia voor oogen", +sprak Robrecht met geestdrift. "Het zal u sterk maken en uwen moed +verdubbelen." + +"Inderdaad", kreet de oude krijgsman, "voor haar moet ik overwinnen, +voor haar moet ik leven!" + +De bazuinen op de Loove hergalmden eenmaal; dan nog eens ... Bij het +derde sein wierpen de krijtwaarders de koorden der twee ingangen ter +aarde ... en geen hinderpaal belette nog den aanval. + +De kampers staken de lans aan hunnen zadel, dreven de spoor in de lenden +hunner dravers en renden met speer en schild vooruit, naar elkander toe. + +Deze eerste schok had geen merkbaar gevolg; de beide lansen waren +afgeschampt op de schilden. + +Weder hernamen de moedige ridders hunnen loop en vernieuwden zulke +pogingen nog meermaals. + +De speren bonsden als hamerslagen op de schilden, het staal krijschte op +het ijzer der harnassen, de paarden huilden onder den slag der spoor, +die het bloed hun uit de zijde drukte. De menigte liet nu en dan een +goedkeurend gejuich hooren, of getuigde door een hol gemor het ongeduld, +wanneer een steek, die een der strijders scheen te moeten doorboren, +zijn doel miste. + +Robrecht en de overige Erembalds begonnen meer vertrouwen in den uitslag +van het gevecht te krijgen; want het was zichtbaar dat Segher Wulf, +indien hij min sterk dan zijn vijand was, dit gebrek aan lichaamskracht +door zijne behendigheid ruimschoots vergoedde. Inderdaad, hij had al de +steken, die hem waren toegebracht geworden, afgeweerd, terwijl hij meer +dan eens zijnen tegenhanger zoo hard op het volle harnas had getroffen, +dat deze reeds tweemaal in den zadel had gewankeld. + +Maar dit vertrouwen begaf hen bij den zesden loop. Het paard van Segher +Wulf viel op de knieen, en scheen ijdele pogingen in te spannen om weder +op te staan. + +De toejuichingen der Isegrims weergalmden boven de Love. + +Gelukkig dat Jakob de Leeuw, door den begonnen loop voortgerukt zich +niet kon omkeeren, vooraleer het paard van Segher Wulf zich had +opgericht, en deze tot het andere einde van den krijt was gereden, om +afstand voor eenen nieuwen en felleren aanval te nemen. + +Weder stormden zij op elkander los. Segher Wulf trof Jakob de Leeuw zoo +geweldig voor de borst op den halsberg, dat zijne speer plooide en aan +twee stuken brak; maar mher Jakob boog zich als uitgeput over het hoofd +van zijn paard, terwijl, van den harden schok, het bloed hem uit neus en +mond vloeide. + +Een bazuingeschal hergalmde. Volgens de wetten van den krijt mocht men +nu het gevecht te paard niet meer voortzetten. Men zou den kampers +eenige rust gunnen en dan het sein geven tot de beslissende worsteling +te voet en met het zwaard. + +Jakob de Leeuw ging buiten het perk bij zijne vrienden, die hem den helm +afnamen, hem te drinken gaven en zijn aangezicht met frisch water van +zweet en bloed reinigden. + +Deze hulp en lafenis boden de Erembalds insgelijks hunnen moedigen +vriend Segher Wulf. Zij juichten reeds over zijne waarschijnlijke +overwinning, want tot nu toe waren al de kansen hem voordeelig geweest. + +Robrecht omhelsde hem met blijdschap en murmelde nog den naam van +Dakerlia aan zijn oor, in de overtuiging dat het denken aan zijn kind +hem dus behendig en machtig had gemaakt. + +De oude kampioen had evenwel geene aanmoediging noodig; de strijd zelf +had hem aangevuurd en hem weder jong gemaakt. Hij scheen nu met ongeduld +naar het hervatten der worsteling te snakken, en sprak woorden die van +zijn eindeloos vertrouwen in eene beslissende zegepraal getuigden. + +Ook toen het sein zich liet hooren, greep hij zijn breed zwaard in de +beide banden en sprong juichend in den krijt. + +Nu begon er een akelig gevecht. De zwaarden draaiden onverpoosd door de +lucht en vormden bliksemende kringen boven de hoofden der strijders, nu +en dan als hamers nederbonzend op schild of helm of schouderplaat, met +zulke reuzenkracht, dat zij niet alleen de kampers van pijn en woede +deden huilen, maar zelfs meer dan eens het krijschend staal vurige +vonken ontlokten. + +Het was hier eveneens zooveel om behendigheid als om lichaamsmacht te +doen; hij, die door eene vlugge beweging zijnen tegenstrever kon +verrassen, om hem tusschen de voegen zijner wapenrusting te treffen, zou +waarschijnlijk overwinnen. + +Ook liepen de kampers rondom elkander, bleven staan, sloegen toe, weken +terzijde, weerden het vijandelijk zwaard af, bukten zich, mikten, +sprongen vooruit, staken en hakten zonder eenige verpoozing, zoodat de +toeschouwers zelven het hoofd draaide bij het gezicht zulker snelle +bewegingen en zulker reusachtige inspanning van krachten. + +Het zweet moest onder den geblutsten helm van der strijders voorhoofd +stroomen; want een heete damp steeg zichtbaar uit al de voegen hunner +wapenrusting op. Menige slag had wellicht hun het vleesch onder de +ijzeren platen verpletterd of erg gekneusd. Zeker hadden zij reeds door +de ringen van hun maliehemd opene wonden ontvangen, want het bloed droop +Segher Wulf op den halsberg, en bloed vloeide mher Jakob van de vingeren +zijner ijzeren handschoen. + +En evenwel gingen zij voort met immer even woedend te kampen; men hoorde +ze schelden en elkander hoonen, men hoorde ze juichen en +vermaledijden.... + +Er kwam echter een oogenblik dat de adem hun ontbrak en de borst hun +gloeide, als wierde zij door een vlammend vuur verteerd. + +"Rust! een weinig rust!" morde Jakob de Leeuw. + +"Ja, rust, een oogenblik", antwoordde mher Wulf. + +En de kampers, bij gemeene overeenkomst, traden eenige stappen terug en +bleven, met opgeheven zwaard en tot onmiddellijke verdediging gereed, +daar staan hijgen, zoo geweldig en zoo snel dat men de borstplaat van +hun harnas als de tafel van een blaasbalg zag op- en neergaan. + +Dit lang en wreed gevecht had de menigte met ontzag en bewondering +getroffen. Er heerschte een diepe stilte; want elkeen gevoelde dat het +einde dezer bloedige worsteilng naderde en het lot der wapenen over het +leven van een der heldhaftige strijders ging beslissen? De onzekerheid, +de twijfel deed het hart der toeschouwers angstig kloppen; de meesten +nog wenschten de zege toe aan den behendigen ridder die, ondanks zijne +mindere gestalte, tot dan met ongeloofelijke kunde en sterkmoedigheid +weerstand had kunnen bieden aan zijnen reusachtigen tegenkamper. + +"Het moet eindigen tusschen ons, vermaledijde Blauwvoet!" riep Jakob de +Leeuw zijnen vijand toe. + +"Welnu, dat het eindige, valsche Isegrim! Geene schilden meer!" +antwoordde hem Segher Wulf. + +"Het zij zoo, geene schilden meer; elke slag bijte in het vleesch!" +kreet de Leeuw, terwijl hij, door mher Wulf hierin nagevolgd, zijnen +beukelaar verre in den krijt wegsmeet. "Zijt gij bereid, Blauwvoet?" + +"Ik heb dorst naar uw bloed, Isegrim! Achteruit, tot bij de +krijtkoorde!" + +"Welaan!" + + +[Illustratie: "Mijn vader, mijn arme vader!" kreet zij. (Bladz. 196)] + + +Zij weken elk tot bij den tegenovergestelden kant van het perk, hieven +hun zwaard op, mikten op hunnen vijand met vlammende oogen, berekenden +hunnen slag en riepen: + +"Totterdood!" + +"Totterdood!" + +En zij stormden razend en huilend op elkander los. De zwaarden +bliksemden door de lucht en vielen neder met zulke ontzettende kracht, +dat de dubbele slag, hol en scherp tevens, tegen de omstaande gebouwen +hergalmde. + +Een schreeuw van angst, een gehuil van afgrijzen doorliep de menigte. + +Daar lagen de beide kampers doodelijk getroffen ten gronde; mher Jakobs +helm was gekloofd; zijne hersens moesten hem onder het bekkeneel zijn +verpletterd. Segher Wulf had eene breede wonde over hals en schouder; +het bloed stroomde onder zijn hoofd tot eenen rooden plas te zamen. + +Een bazuingeschal verkondigde dat de kamp was gesloten. + +Op dit sein liepen de magen en bekenden der kampers met de heelmeesters +binnen den krijt om hulp te brengen of om het lijk van hunnen +ongelukkigen vriend voor schennis te behoeden en het met de +verschuldigde eer van daar te doen wegvoeren. Reeds kwamen de +krijtdienaars met twee draagbaren toegeloopen. + +Wat Jakob de Leeuw betreft, die had wel waarlijk den geest gegeven; want +men bespeurde zijne bloote hersens door de klove van zijnen helm. + +Segher Wulf leefde nog; alhoewel zijne oogen gesloten waren en zijn +gelaat met de lijkachtige loodverf des doods was overtogen, verroerde +hij nu en dan nog krampachtig handen en voeten. + +De Erembalds stonden stom en verpletterd rondom hem; eenigen hielpen den +heelmeester in het ontgespen der wapenrusting. Allen echter zagen in +deze sidderende beweging der leden van hunnen gewonden vriend niets dan +de laatste kramp der zieltoging. + +Robrecht Sneloghe zat geknield bij het hoofd van Segher Wulf, den hemel +het schrikkelijk onheil klagende en zijne tranen mengende met het bloed +van den armen ridder. Ach, wat zou de liefderijke Dakerlia gebeuren? Zou +haar hart niet breken, zou zij niet sterven van rouw en smart? + +Dit schromelijk gepeins ontrukte telkens den jongeling eenen nieuwen +angstschreeuw, en hij sloeg zich de handen voor de oogen als om het +spookgezicht te verjagen dat hem de ijskoude des doods door de aderen +deed vlieten. + +Intusschentijd had de heelmeester, door zijne dienaars en door eenige +Erembalds geholpen, Segher Wulf van al de stukken zijner wapenrusting +ontdaan, en door een eerste verband zijne wonde zoo goed mogelijk +gesloten. Hij scheen zeer voldaan over zijnen arbeid en toonde den +omstanders met zekere fierheid dat het bloed nog slechts bij druppels +tusschen de opgelegde pleisters en doeken doorsijpelde. + +Men had, op zijn bevel, een pluimenbed aangebracht en het met eenige +kussens op de draagbaar uitgespreid. + +"Heeren", zeide hij tot de omstaande vrienden van Segher Wulf, "de wonde +is verschrikkelijk, inderdaad; maar alle hoop is niet volstrekt +verloren. In mijne meening is geen edel lichaamsdeel gekwetst. Wel is +het sleutelbeen verbrijzeld, maar dit kan genezen. Indien hij geen bloed +meer verliest en het vuur zich niet in de wonde zet, zouden wij hem nog +het leven kunnen behouden. Hebt aldus goeden moed, gij vooral, mher +Sneloghe, die van schrik en treurnis schijnt te willen bezwijken. Helpt +ons nu, heeren, den armen ridder zachtjes, voorzichtig, zeer voorzichtig +op de baar te leggen. De minste beweging kan zijne wonde weder openen, +het ware hem een onherroepelijk doodvonnis. Wij zullen hem naar zijnen +Steen dragen; de opene lucht doet hem kwaad." + +Men gelukte er in het beweeglooze lichaam van Segher Wulf op de baar te +leggen, zonder het verband zijner wonde te hebben ontschikt; en zoo +begaf men zich, stap voor stap, naar den kant der Hoogpoort. + +De Erembalds volgden treurig en met vochtige oogen, als vergezelden zij +eene lijkbaar naar het kerkhof. Robrecht Sneloghe weende, maar scheen +anders alle bewustheid te hebben verloren; want hij hield den blik ten +gronde en stapte wankelend voort, als een dronken mensch. In zijne +overtuiging was Segher Wulf dood, of de laatste levensvonk zou in hem +uitgedoofd zijn vooraleer men den Steen zou bereiken. Dakerlia! Welk +akelig oogenblik! En hoe de gedachte aan dit zielscheurend tooneel hem +ook deed terugijzen, hij mocht het niet ontwijken; hij had eenen +heiligen plicht te vervullen: Dakerlia steunen, troosten en haar sterk +maken, om zonder sterven den vervaarlijken slag te doorstaan. + +Terwijl hij eenige klaarte in zijnen geest poogde op te roepen en zijne +krachten tot het vervullen der pijnlijke taak verzamelde, was de +treurige stoet dwars door de menigte in de Hoogstraat geraakt. + +Reeds zag men in de verte den toren van sher Wulfs Steen, toen voor het +hoofd van den stoet de volksschaar eensklaps vlottend bewoog, als week +zij terug voor eenen onverwachten drang. + +Daar sprong eene kermende jonkvrouw met de armen in de hoogte van +tusschen de menigte ... Waarlijk had iemand de arme Dakerlia verwittigd +van het schromelijk onheil dat haar dien dag had getroffen. + +Zij liep tot de draagbaar, staarde bleek en bevend op het levenloos +gelaat haars vaders, slaakte eenen grievenden noodkreet en viel zonder +gevoel achterover in de armen van Robrecht en van den proost van +St-Donaas. + +Het was een oogenblik van onuitsprekelijken angst ... Het hoofd van het +arme meisje hing ontzenuwd op haren schouder; hare oogen waren gesloten, +de bleekheid des doods ontverfde haar gelaat. + +Op de wangen aller omstanders vloeiden tranen van deernis. + +Robrecht, door smart en medelijden weggerukt, legde zijne lippen op het +bleeke voorhoofd zijner verloofde. Hem bleef slechts de kracht om in +onduidelijke woorden den hemel de wreedheid van het lot te klagen. + +"Dakerlia, arme Dakerlia!" murmelde hij. "God, o God! Wee, wee!" + +Op raad van den heelmeester, had de stoet zich vooruitbegeven, ten einde +aan Dakerlia, als zij tot bewustzijn zou komen, het gezicht van haren +gekwetsten vader te onttrekken. + +Reeds moest de draagbaar sher Wulfs Steen bereikt hebben, vooraleer de +lieden, die men uitgezonden had, met koud water en edik terugkeerden. + +Nauwelijks had men Dakerlia's voorhoofd en wangen bevochtigd, of zij +opende de oogen, staarde eene wijl als zinneloos op degenen die haar +omringden, sprong dan recht en zocht de draagbaar met den blik. + +"Mijn vader, mijn arme vader!" kreet zij. "Dood, o God! En ik leef +nog!... Ik wil niet leven, ik wil hem volgen in het graf!" + +En zij begon zich de borst met hare nagels te verscheuren, als hadde de +wanhoop haar waarlijk met zinsverbijstering geslagen. Intusschen +worstelde zij om los te raken uit de vriendenhanden die haar poogden te +wederhouden: naar huis wilde zij loopen om daar, op het lijk haars +vaders, te sterven, ten einde hunne zielen te zamen de reis naar de +eeuwigheid mochten aanvaarden. + +Robrecht poogde haar te bedaren en sprak allerlei zoete, troostende +woorden tot haar; maar zij hoorde hem in het eerst niet. + +Eindelijk scheen zij, door uitputting van krachten, zelve tot eenige +aandacht bekwaam geworden, want zij riep eensklaps uit: + +"Robrecht, wat zegt gij? O, bedrieg mij niet! Mijn vader is niet dood? +Wiens lijk was het dan dat voor mijne oogen heeft gespookt? Ben ik +zinneloos? Heb ik gedroomd? Waarom liegen bij een graf?" + +"Ach, uit medelijden met mij, Dakerlia lief, hoor mij aan! Uw vader +leeft; hij is wel erg gewond, maar er is nog hoop. De heelmeester zegt +dat hij kan genezen. Waarom dus vertwijfelen, alsof gij geen geloof meer +hadt in Gods goedheid?" + +"Gij bedriegt mij niet, Robrecht?" + +"Neen, Dakerlia. Kom nu stil aan, naar huis, en houd u sterk. Wees +zeker, uw vader kan genezen; mijne bedrukte ziel roept mij toe dat hij +zal genezen." + +"Eilaas, eilaas! Kom; ik wil hem zien, hem troosten of bidden nevens +zijn doodbed!" zuchtte Dakerlia, die voelde dat hare krachten haar weder +dreigden te begeven. + +Zij leunde zwaar op den arm van Robrecht en op den arm van den ouden +Bertulf. Hare stappen waren wankelend en zij liet het hoofd op de borst +hangen. Dan eerst ontstroomde haar een tranenvloed, en hijgde en snikte +zij met krampachtige bewegingen der borst. + +Zonder nog een woord te spreken, zonder in schijn acht te geven op de +vertroostingen van Robrecht, liet zij zich tot in de groote zaal harer +woning leiden. + +Hier drukte zij den wensch uit om haren vader te zien, maar men deed +haar begrijpen dat de heelmeesters bezig waren met hem te ontkleeden, en +daarna een nieuw vast verband op zijne wonden zouden leggen. Zij moest +geduld hebben; de kastelein Hacket zou zich naar haars vaders kamer +begeven en haar komen verwittigen zoohaast het haar zou toegelaten +worden bij hem te gaan. + +Door dit beletsel in hare smart getergd, borst Dakerlia in nieuwe tranen +los. Zij zakte neder in eenen leunstoel en weende en snikte sprakeloos, +zonder acht te slaan op de troostende woorden van Robrecht die, aan hare +zijde zittende, een harer handen in de zijne hield gedrukt. + +Zoo, in eene doodsche smart verslonden, bleef zij wel een half uur +beweegloos zitten, totdat eindelijk de kastelein Hacket in de zaal trad +en haar zeide: + +"Jonkver Wulf, gij moogt nu tot uwen vader gaan. Voor een oogenblik +slechts. Hij is nog buiten bewustheid, maar hij geeft nu en dan +zichtbare teekens van leven. De geneesheer heeft veel hoop." + +"Kom, kom, ik vlieg", kreet Dakerlia, rechtspringende. + +"Zoo niet, jonkvrouw", bemerkte de kastelein, haar wederhoudende. "Ik +bid u, wees redelijk en hoor wat ik u zeg. Gij moogt bij het bed uwe +vaders niet spreken, geen enkel woord; ook niet zuchten of klagen. Het +minste gerucht kan den armen zieke schadelijk, ja, doodelijk worden." + +"Ik zal stil zijn, mijnen schrik, mijn verdriet met geweld bedwingen", +murmelde het meisje. + +"Welaan dan, volg mij." + +Allen verlieten de zaal en traden ten einde van den gang in eene kamer +welker beide vensters op de straat uitzagen. + +Hier lag Segher Wulf nog met geslotene oogen en paarse wangen op een bed +uitgestrekt. + +Dakerlia, door den proost en door Robrecht bewaakt, ging bij het +hoofdeneinde van het bed en staarde in stilte op het levensloos gelaat +haars vaders. Hare lippen beefden; haar strakke blik scheen door ijzing +en door angst met beweegloosheid geslagen. + +Gevoelde het hart des vaders de nabijheid van zijn kind, of was het een +bloot toeval? Althans, hij ontwaakte uit de diepe bewusteloosheid, zijne +wimpers hieven zich op, en hij keek zijne bevende dochter eerst verbaasd +en dan met eenen klaren blik van teederheid aan. Ten minste zoo dacht +Dakerlia; het scheen haar zelfs dat zijne lippen eene beweging deden, +als poogde hij haar toe te lachen. + +Alhoewel Dakerlia vast besloten had het bevel der geneesheeren te +gehoorzamen, kon zij de uitzinnige blijdschap, die haar bij het gezicht +dezer onverhoopte verrijzing kwam treffen, niet wederstaan. Onder hare +ontsteltenis bezwijkende, boog zij zich over haren vader, zoende hem de +wangen, stortte eenige heete tranen op zijn voorhoofd en murmelde aan +zijn oor: + +"Vader lief, vader lief, heb moed: gij zult genezen!" + +Maar de heelmeester en de geneesheer grepen haar bij de armen en +trokken haar, hoe zij ook stilzwijgend worstelde, met vereende kracht +tot in de gang. + +"Ongelukkige jonkvrouw", sprak de oude geneesheer verwijtend, "zoo zoudt +gij in eens uwen armen vader kunnen dooden! Zijn bloed mag niet +aangejaagd worden; het moet traag en rustig in de aderen rondvloeien, +anders zou het zijne wonde openen of ontsteken." + +"Ach, laat mij tot hem wederkeeren!" zuchtte Dakerlia met saamgevoegde +handen. + +"Neen, neen, gij moet in eene andere kamer gaan, achter in het gebouw, +verre van den zieke", zeide de geneesheer op strengen toon. + +Maar Dakerlia, die bij dit bevel als bij een doodvonnis verschrikte, +liet zich geknield voor de voeten van den geneesheer vallen, hief de +armen tot hem op en riep: + +"O, wees medelijdend met mijne smart! Vergiffenis! vergiffenis! +Verwijder mij niet van mijnen vader! Ik wil hem bewaken, hem verplegen, +nacht en dag. Ik zal zwijgen als eene stomme, mij stilhouden als eene +slapende, geenen zucht over mijne lippen laten stijgen. Zie, ik kruip +voor uw aanschijn, ik zaai mijne tranen voor uwe voeten!" + +"Om Gods wil, laat zulke ijselijke smart u vermurwen, heer!" smeekte +Robrecht, die achter Dakerlia uit de kamer was gegaan. "Verstoot toch +hare bede niet!" + +Door deernis getroffen, hief de geneesheer de maagd van den grond en +sprak: + +"Welaan, jonkvrouw, beproeven wij het nog eens! Maar weet wel dat, +indien gij nog, al ware het slechts door een teeken, in gevaar komt van +uwen zieken vader te ontroeren, ik u onverbiddelijk uit zijne kamer zal +verwijderen, al moest men daartoe geweld gebruiken. Ik ben +verantwoordelijk en ik zal mijnen plicht vervullen." + +Dakerlia ging op de punten harer voeten binnen; zij sloeg nog eenen blik +op haren vader, wiens oogen weder gesloten waren ... + +Dan vatte zij Robrecht de hand, leidde hem tot in het diepe der kamer, +toonde hem sprakeloos de knielbank voor het groote kruisbeeld dat aan +den muur hing en liet zich er op nedergaan. + +De jongeling zette zich nevens haar; beiden bogen het hoofd in een vurig +gebed. + +Eene stilte, zoo diep en zoo volledig als de sombere ledigheid van een +gesloten graf, bleef uren en uren lang in de kamer heerschen. + + + + +X + + +Het weder was sedert eenige dagen regenachtig en koud geweest; maar +dezen morgen had de zon zich aan eenen zuiver-blauwen hemel verheven en +de lucht was voor het jaargetijde uitnemend zoel en verkwikkend. + +In de Zuidzandstraat, omtrent St-Salvators kerk, wandelde een ridder met +langzame stappen over en weder. Hij scheen in diepe overwegingen +verslonden, want alhoewel hij meesttijds met eenen somberen, strakken +blik de oogen ten gronde hield gericht, hief hij nu en dan het hoofd op +en glimlachte, alsof eene verblijdende gedachte hem door den geest +schoot. + +Van uit de Steenstraat kwam, zonder dat hij het bemerkte, een ander +ridder hem te gemoet. Deze, hem bereikt hebbende, klopte hem gemeenzaam +op den schouder en zeide: + +"Nu, mijn vriend Disdir, wat benevelt toch uw gemoed zoo uitermate, dat +gij bij dage dwaalt en droomt als een slaapwandelaar?" + +"Ha, wees gegroet, mher Willem Van Wervick", antwoordde Disdir. "Ik ben +ziek geweest en kom mij nu een weinig in den zonneschijn verwarmen." + +"Ziek geweest, mher Vos? Daarvan zijt gij nog bleek? Men heeft u sinds +weken niet meer gezien. De koude koorts?" + +"Neen pijn in het hoofd, steken aan het hart." + +"Gij hebt evenwel vernomen wat er is geschied en hoe Segher Wulf in den +krijt Jakob de Leeuw het hoofd heeft gekloofd?" + +"Ja, Willem, en tevens hoe Segher Wulf, doodelijk gewond, uit den kamp +werd gedragen. Hoe gaat het nu met mher Wulf, weet gij het?" + +"Gisterennammiddag nog ben ik hem gaan bezoeken. Hij is zes dagen +blijven liggen zonder spreken, en schier zonder bewustheid. Nu houdt hij +veeltijds de oogen geopend en zou wel eenige stille woorden met de +bezoekers wisselen, maar de geneesheeren, die immer bij zijn bed staan, +verbieden hem alle beweging en zelfs de minste spanning des geestes." + +"Arme Dakerlia, wat moet zij verdriet hebben!" zuchtte Disdir. "Zij die +haren vader zoo teederlijk bemint." + +"Gij kunt het denken, mher Vos. Zij is schrikkelijk vermagerd en +vervallen. Het mag niet lang zoo voortduren, of de gevoelige jonkvrouw +wordt zelve erg ziek." + +Eene lichte spotgrijns trok Disdirs lippen te zamen. + +"Robrecht Sneloghe was zeker in sher Wulfs Steen, toen gij er kwaamt?" +vroeg hij. + +"Inderdaad, het is niet verwonderlijk." + +"En hij houdt zich veel meer bezig met Dakerlia dan met haren +ongelukkigen vader? Hij troost haar?" + +"Zooals gij zegt, Disdir; toen ik in de ziekenkamer trad, hield Robrecht +eene van Dakerlia's handen en ik zag dat hem van medelijden de tranen in +de oogen stonden." + +"De lafaard! Een man weenen als een meisje!" gromde Disdir Vos op +zonderling nijdigen toon. + +"Lafaard? Robrecht Sneloghe een lafaard?" herhaalde Willem Van Wervick +verbaasd. "Omdat hij deernis heeft met ...?" + +Maar hij werd onderbroken door het voorbijrijden van eenen grooten +wagen, die hem dwong terzijde te gaan. + +Toen zij wat verder bij den kerkhofmuur stonden, zeide Disdir, die zich +intusschen had bedwongen: + +"Mij vloog de overweging door den geest dat het eenen man, eenen ridder, +niet betaamt zoo weemoedig en zoo flauwhartig te zijn ... Nu zal toch +Robrechts huwelijk voor langen tijd uitgesteld moeten blijven?" + +"Zeker; geneest Segher Wulf, hij zal slechts na verloop van vele +maanden het ziekbed kunnen verlaten." + +"En sterft hij, dan volgt er een gansch rouwjaar." + +"Dit schijnt u te verblijden?" vroeg mher Willem, hem scherp in de oogen +ziende. + +Disdir Vos trok zwijgend de schouders op. + +"Ik begrijp", morde zijn gezel, "gij insgelijks hebt Dakerlia bemind en +naar hare hand gestaan? Gij moet u het lot getroosten. Dakerlia zal wel +zeker Robrechts echtgenoote worden." + +"Dit huwelijk is nog niet voltrokken!" gromde Disdir Vos met eene vonk +van zegevierende blijdschap in de oogen. + +"Maar zijt gij zinneloos, mijn goede Disdir?" schertste Willem Van +Wervick. "Alzoo, gij meent het nog mogelijk dat Dakerlia Wulf uwe vrouw +worde?" + +"Wie weet? Er loopt op een jaar zooveel water door de Reije. Laat het +oorlog worden in Vlaanderen, laat de Kerels te wapen loopen tegen den +graaf en de Isegrims ... Bij den vrede kunnen zaken en menschen groote +veranderingen ondergaan hebben." + +"Ongetwijfeld, Disdir, indien het oorlog werd, maar dit is nu niet meer +waarschijnlijk. De graaf heeft het oordeel Gods aanvaard. Segher Wulf +heeft dus, door zijne overwinning, Kerlingaland voor groote +bloedstorting behoed." + +"Gij meent het, mher Willem?" wedervoer Disdir Vos. "Alhoewel ik ziek +ben geweest, weet ik misschien beter dan gij wat er omgaat. Is het niet +waar dat de Isegrims van 's graven hof sedert den kamp stilzwijgend en +achterhoudend zijn geworden, en elkander geheimzinniglijk de woorden in +de ooren fluisteren, uit vrees dat een Erembald of een andere Kerel iets +verrasse van hetgeen er in 's vorsten raad gebrouwen wordt?" + +Willem Van Wervick knikte bevestigend. + +"Welnu, het kwaad dat men daar in het verborgen tegen de Kerels smeedt +zal onverwachts uitbreken. De proost van St-Donaas, de kastelein, +Robrecht Sneloghe en wie hunnen raad of hunne zienswijze volgen, zijn +blind. Zij willen niet zien wat er geschiedt; zij zenden boden uit om de +Kerels te doen stil blijven; al wat zij zeggen is: geduld, geduld. De +bloodaards! Zij zullen ontwaken als Kerlingaland zal verloren zijn. +Burchard Knap, ziedaar de man, die alleen misschien nog onze vrijheid +kon redden ... En zij hebben hem onrechtvaardig laten veroordeelen, +zonder iets te hebben gepoogd tot zijne verdediging of zijne wraak!" + +"Gij hebt wel gelijk", bevestigde Willem, "de proost van St-Donaas is +lijdzamer dan eene vrouw. Men noemt hem wijs; maar met zulke wijsheid +loopt men recht in de slavernij. Laat ons echter niet denken dat de +Kerels ondadig zullen blijven. Nog zes dagen en de Hoop der Ambachten +vergadert te Veurne. Daar zal men over het lot van Kerlingaland +beslissen en de Erembalds zullen er niet alleen meester zijn. Ik zal er +mij bevinden als afgevaardigde van Proven, waar ik vele goederen heb." + +"En ik insgelijks zal er tegenwoordig zijn, als gekozen om +Bekeghem-Ambacht te vertegenwoordigen ..." + +"Zie, wie daar uit de Zuidzandstraat tot ons komt!" riep Willem. "Als +men van Loki spreekt ..." + +"Robrecht Sneloghe!" mompelde Disdir Vos, met somberen haat in de stem. + +Maar dewijl hij bemerkte dat Robrecht naderde om hen te groeten, bedwong +hij zijne ontsteltenis en zag mher Sneloghe stil glimlachende te gemoet. + +Nadat zij eenige woorden hadden gewisseld over het zoele weder en over +den toestand van Segher Wulf, zeide Disdir Vos: + +"Mag ik mher Snelogde vragen, hoe het met zijne verloofde gaat? Wat moet +toch die arme Dakerlia lijden!" + +"Het is onbeschrijfelijk!" antwoordde Robrecht diep ontroerd. "Sedert +acht dagen heeft zij de kamer haars vaders nog niet willen verlaten: zij +rust des nachts bij zijn bed, met het hoofd op eene tafel; maar slapen +doet zij toch niet, want bij den minsten zucht, bij de minste beweging +haars vaders springt zij recht. Hoe een meisje de krachten kan hebben om +bij zulk leven niet van uitgeputheid te bezwijken is onbegrijpelijk. Ook +is zij, och arme, zoo bleek en zoo mager geworden van dit lange waken en +van het overvloedig weenen, dat men ze niet meer zal herkennen, de +eerste maal dat zij zal uitgaan." + +"En nu is uw huwelijk onbepaald verschoven?" vroeg Disdir. + +"Eilaas, daaraan denken wij niet meer", zuchtte Robrecht. "Late de goede +God Dakerlia's vader genezen! Andere wenschen voeden wij niet; anders +vragen wij niet in onze gebeden." + +Er lichtte eene vonk van blijdschap in Disdirs oogen; want de treurige +woorden van Robrecht bevestigden de verborgene hoop zijns harten. + +"Ik twijfel niet, of wij zullen u binnen acht dagen te Veurne zien", +zeide hij. "Houthem kiest u gewoonlijk tot zijnen vertegenwoordiger." + +"Waarschijnlijk zal ik de vergadering van den Hoop niet kunnen +bijwonen", antwoordde mher Sneloghe. "Het spijt mij grootelijks; maar +gij begrijpt, vrienden, de erge toestand van Segher Wulf? De arme +Dakerlia....?" + +"En indien men daar tot den oorlog besluit?" + +"Dan zullen wij onzen plicht doen, en goed en bloed ten beste geven voor +de vrijheid van Kerlingaland", antwoordde Robrecht. "Hopen wij evenwel +dat de wijsheid van onzen graaf dit ongeluk zal voorkomen." + +"Is het waar", vroeg Willem Van Wervick, "dat gij Ghyselbrecht Tancmar +ten hove uwen handschoen in het aangezicht hebt gesmeten?" + +"Het is waar", antwoordde Robrecht. + +"En hij heeft den kamp tegen u geweigerd?" + +"Ja, onder voorwendsel dat hij, edelgeboren man, niet mag strijden tegen +eenen Kerel, wiens vrije geboorte hem niet is bewezen." + +"Welke lafheid!" gromde mher Willem. + +"Lafheid niet, huichelarij en boosheid. Het is om ons tot +gewelddadigheid aan te drijven en den graaf tegen ons te verbitteren." + +"En gij hebt hem uw zwaard niet in de borst gestooten?" kreet Disdir +Vos. + +"De heer graaf kwam in de zaal, waar de twist gebeurde. Hij bande den +vrede tusschen ons. Ik moest gehoorzamen; maar, wat zeker is, ik zal +vroeg of laat het verdriet van Dakerlia Wulf op Ghyselbrecht wreken!" + +"Ware mij den kamp geweigerd, ik sloege den valschaard dood, ondanks den +vrede!" morde Disdir Vos. + +"Neen, neen, zoo niet", wedervoer Robrecht met zeker misprijzen in de +stem. "Ik zal Ghyselbrecht wel tot een kamp weten te dwingen; een +eerlijk ridder wreekt zich niet door eenen moord ... Nu, heeren, +verontschuldigt mij, dat ik uwe samenspraak heb gestoord. Vaartwel." + +Mher Sneloghe vervorderde zijnen weg door de Steenstraat tot op de +Markt, waar hij vele lieden bemerkte die, om het fraaie weder te +genieten, op dit breede plein rondwandelden. + +Hij meende, zonder stil te houden, naar de Hofstraat zich te richten en +door den burg te gaan om zijne woning te bereiken; maar nu ontsnapte hem +eensklaps een kreet van blijde verrassing en hij stapte haastig naar het +midden der Markt, terwijl hij in zich zelven murmelde: + +"Dakerlia met mijne zuster! Wat wil dit zeggen? Zij schijnen wel te +moede!" + +"Jonkvrouwen, zal ik mijne oogen gelooven?" riep hij glimlachend uit. +"Is onze heer vader genezen?" + +"Ter goeder ure dat wij u ontmoeten!" zeide Dakerlia. "Nu hebben wij +eenen ridder om ons op de wandeling te geleiden. Verliezen wij geenen +tijd; stel u tusschen ons beiden en laat ons voortstappen; wij zullen al +gaande kouten. O, Robrecht, ik ben zoo gelukkig!" + +"Mij dunkt het, de blijdschap straalt uit uwe oogen. Vertel mij toch wat +u dus verheugt." + +"Gij zijt dezen morgen vroeg gekomen", antwoordde Dakerlia. "Mijn vader +was dan nog bezwaard van den nacht en hij scheen niet veel beter dan +gisteren; maar sedert dan is hij ontwaakt. Zijne oogen waren helder; hij +vroeg eten, voor de eerste maal zijner erge ziekte. De geneesheeren +hebben hem, alhoewel met vrees, eenige lepels hoendersoep doen +toedienen. Het deed hem zoo goed! Hij keerde als het ware tot het leven +weder en begon te spreken, wel zeer stil, maar met eene klaarheid des +geestes die, ons allen verbaasde. Hij sprak van u, Robrecht." + +"Van mij, Dakerlia?" + +"Ja, het is onbegrijpelijk. Hij moet gedurende al den tijd, dat hij daar +beweegloos heeft gelegen, gehoord en opgemerkt hebben wat rondom hem +geschiedde; want hij weet alles. Ach, Robrecht, haddet gij kunnen hooren +hoe hij u bemint en u dankbaar is voor uwe goede zorgen!" + +"En u Dakerlia, heeft hij u niet gedankt? Gij toch hebt meer gedaan dan +men van de menschelijke krachten kan eischen." + +"Ik durf het bijna niet zeggen", stamelde Dakerlia ontroerd, "Hij heeft +mij de hand op het hoofd gelegd, en zoo, met den blik ten hemel, mij +gezegend ... Spreken wij daar niet van; ik was zoodanig ontroerd dat nu, +bij herdenken zijner liefderijke woorden mij nog de tranen in de oogen +schieten." + +Zij vervorderden eene wijl in stilte hunne wandeling. + +"Geen wonder", zeide Witta, "dat wij zoo blijde zijn. De geneesheeren, +die tot nu toe achterhoudend bleven en ons geene hoop durfden geven, +hebben dezen morgen verklaard dat zij niet twijfelen of mher Wulf zal +genezen. Zijne wonde, die nog altijd was ontstoken, is nu gesloten." + +"God zij geloofd!" riep de jonge ridder, "dit is eene gelukkige +tijding." + +"De proost en de kastelein zijn gekomen; zij hebben met mher Wulf +gesproken en zij, insgelijks, zeiden ons dat wij niet meer mogen +vreezen." + +"Ja, Robrecht", bevestigde Dakerlia, "en uw oom de proost heeft mijnen +vader doen begrijpen dat hij waarschijnlijk, door het vergieten van zijn +bloed, de vrijheid van Kerlingaland heeft gered, of ten minste +Vlaanderen heeft behoed voor een rampspoedigen oorlog. Dit heeft mijnen +armen vader zoo gelukkig gemaakt, dat zijne oogen van trotschheid +glinsterden." + +"Maar dit alles verklaart mij niet hoe het komt dat ik u hier ontmoet", +bemerkte de jonge ridder. + +"Uwe ooms zijn daar de oorzaak van", antwoordde Dakerlia. "Zij beweerden +dat ik zeker ziek zou worden, indien ik langer zoo in eene altijd +geslotene kamer bleef zitten. Het was zulk zoet weder; ik moest uitgaan +en wandelen. De geneesheeren hielpen hen. Om mijnen tegenstand te +overwinnen, zeiden uwe ooms dat zij een paar uren in mijne plaats bij +het bed mijns vaders zouden waken. Ik heb toegestemd voor een enkel uur. +Zij hadden gelijk, uwe goede ooms: de zonneschijn, nog meer dan de +blijdschap, doet mij herleven; de zoete lucht vloeit mij als een +verkwikkende balsem door de longen." + +Zoo vroolijk koutende en dankbaar juichende over de onverwachte +verbetering van den toestand des zieken ridders, wandelden zij eenige +malen rondom de Markt, totdat Dakerlia, ondanks het aandringen van +Robrecht, huiswaarts wilde keeren. + +Zij richtten zich dus naar de Hofstraat, maar werden eensklaps +teruggehouden door eenen hoop volks, die achter twee bazuinblazers van +den burg op de Markt kwam gestroomd. + +Van alle kanten liepen nog vele menschen toe; want men herkende de +bazuinblazers als gewone wapenboden des graven, en men voorzag dat zij +een vorstelijk besluit gingen afkondigen. + +Even nieuwsgierig als de anderen om te weten wat men hier ten poorters +van Brugge ging bekend maken, bleef Robrecht met zijne gezellinnen +omtrent de wapenboden staan. + +De bazuinblazers hieven eenige tonen aan, en zoohaast het volk genoeg +rondom hen was verzameld, trad een klerk vooruit met een vel perkament +in de hand. Hij ontrolde het blad op zulke wijze, dat men de groote +groene zegels er van kon zien nederhangen en begon dan met luide, klare +stem aldus zijne afkondiging: + + "Wij Karel, graaf van Vlaanderen, al degenen die deze letteren + lezen of hooren lezen, heil in Gode! + + Alzoo er in zekere gewesten van onzen lande van Vlaanderen een slag + van lieden wonen, zich noemende Kerels, die, zonder gezeten te zijn + op vrije erven, gezegd _Allodii_, beweren vrij te zijn in hunnen + persoon en hunne goederen, en tot groote inbreuk op den openbaren + vrede zich vermeten wapens te dragen, niettegenstaande het herhaald + verbod, door onze voorgangers en door ons uitgevaardigd; + + Aangezien deze lieden, zich noemende Kerels, tot geene erkende + leenen behooren en onder zulke zich weigeren te schikken; + + Overwegende dat dergelijke toestand slechts het gevolg eener + onwettige aanmatiging kan zijn, strijdig met de rechten onzer kroon + en met den vrede des graafschaps; + + Maken kond, dat wij, na rijp beraad en onderzoek van elks recht, + hebben besloten en besluiten wat volgt: + + Ten eerste. Elk ingezetene dezer landen van Vlaanderen, die niet + toebehoort tot een onzer leenen of tot eene abdij, of niet + eigenaar is eener erkende vrije erve, gezegd _Allodium_, anders + _Boekland_[48], of niet het poortersrecht in eene onzer goede + steden geniet, zal voortaan een man onzer kroon zijn." + +Tot dan had de menigte, waaronder waarschijnlijk zich geene of weinige +Kerels bevonden, stom en gapend den klerk de woorden uit den mond +geluisterd; maar nu ontstond er zulk luid gemor van verbaasdheid, dat +men de stem van den afkondiger niet meer kon hooren. + +"Stil! stil!" riepen vele der omstanders, die zich misschien de zaak der +Kerels weinig aantrokken. + +De klerk zette zijne lezing voort. + + "Ten tweede. Al zulke mannen der kroon zullen in handen der + ontvangers onzer burgen en kasteleinen den tol, gezegd _balfaart_, + betalen, dit is een denier jaarlijks, vier deniers op den dag van + hun huwelijk en vier deniers bij hun afsterven, of anders het + beste hoofd ter keuze des heeren. + + Ten derde. Het blijft allen dienstbaren lieden verboden, wapens te + dragen, als daar zijn schermzeisen, zwaarden, staven, knijven, + kolven, op lijf straffe of op boete, zooals bepaald is bij de + besluiten der graven, onze voorgangers, en der onze." + +Het overige der afkondiging bestond slechts in eenige voorschriften tot +de uitvoering van het zwaarwichtig besluit. + +Met groot geschater van stemmen begonnen de poorters elkander hun +gevoelen over dit edict tegen de Kerels mede te deelen; maar dewijl de +bazuinblazers de plaats verlieten en naar de Steenstraat opgingen, om +daar en elders hunne zending te vervullen, volgden hen de meeste +aanhoorders. Andere liepen in allerijl over de Markt, om het verrassende +nieuws aan vrienden of bekenden te gaan mededeelen. + +Robrecht en Dakerlia, getroffen met eenen diepen schrik, aanschouwden +elkander eene wijl zonder spreken. + +"Eilaas", zuchtte Dakerlia, "daar breekt het langgevreesde onweder over +Vlaanderen los! Het bloed mijns vaders heeft nutteloos gevloeid. Arm +Kerlingaland!" + +"Arm Kerlingaland?" herhaalde Robrecht. "Neen, neen, het recht zal +zegepralen! Men heeft met ons gehuicheld. Wij zijn verraden, snood +verraden. Ha, nu is alle geduld lafheid, alle toegevendheid misdaad! +Wanhoop niet van onze zaak. Meent gij dan dat de Kerels zich zullen +laten binden als kalveren op de markt? De nootkreet gaat hergalmen over +Kerlingaland. Wie overwinnen zal, dit weet God alleen; maar wij zullen +den strijd niet opgeven, al eischte de verdediging der vrijheid onzen +laatsten druppel bloed!" + +"Ramp, ramp!" klaagde Witta, "wie er ook overwinne, Vlaanderen zal +overdekt worden met lijken ..." + +"O, mijn God!" kreet eensklaps Dakerlia verbleekend. + +"Wat geschiedt u? Wat ziet gij?" vroegen Robrecht en zijne zuster +verbaasd. + +Maar Dakerlia greep haren verloofde de hand, trok hem naar de Hofstraat +en antwoordde haastig: + +"Kom, kom, loopen wij naar huis. Mijn arme vader! Indien iemand hem deze +tijding bracht, het zou hem zoo diep bedroeven, hem eenen noodlottigen +slag toebrengen misschien! Kom, wij zullen verbieden dat iemand van +buiten hem nadere, wie het ook weze!" + +"Maar bedwing toch uwe ontsteltenis, Dakerlia", zeide Robrecht "Uw vader +zou bemerken dat gij hem iets verbergt ..." + +"Neen, neen, hij zal het niet zien; ik ben sterk, ik zal welgemoedheid +veinzen." + +Inderdaad, toen zij het bed haars vaders naderde, zweefde er een stille +glimlach op haar gelaat; maar dewijl hij met de oogen gesloten lag, en +de geneesheeren haar teeken deden dat hij rustte, hield zij zich stil en +zette zich bij het hoofdeneinde op eenen stoel. + +Robrecht murmelde iets aan het oor van den proost, wenkte den kastelein +met den vinger en verliet de kamer met zijne beide ooms, die, +nieuwsgierig geworden door zijne geheimzinnigheid, hem vragend aanzagen. + +Hij bracht hen in eene zaal en zeide hun met de handen opgeheven: + +"Schrikkelijk nieuws! Er loopt een klerk in de stad rond, die een +besluit van onsen graaf tegen de Kerels afkondigt. De Kerels zijn +voortaan dienstbaar aan de kroon, evenals waren zij in slavernij +geboren!" + +De proost verbleekte; eene siddering doorliep de leden des kasteleins; +beiden bleven stom, als konden zij de onverwachte tijding niet gelooven. + +"Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?" vroeg de oude Bertulf. + +"Gansch zeker; ik heb het besluit hooren afkondigen." + +"Waar?" + +"Op de Markt, in tegenwoordigheid van eenen grooten hoop volks." + +"En hoe luidde dit besluit?" + +"Het verklaarde dat de Kerels ten onrechte zich vrij wanen; het legt hun +den balfaart der dienstbaarheid op en verbiedt hun, op lijfstraf en op +boete, eenige hoegenaamde wapens te dragen." + +"Eilaas, welke onheilen dreigen Vlaanderen!" zuchtte de kastelein +Hacket. "De valsche Isegrims zegevieren!" + +"Bekent het nu, mijne ooms", bemerkte Robrecht, "al ons geduld, al onze +toegevendheid heeft tot niets gediend dan om den hoogmoed onzer vijanden +aan te vuren. Het is misschien nog tijd. Geef een teeken, heer proost; +help gij er toe, heer kastelein, en morgen staat geheel Kerlingaland +onder de wapens!" + +"Met zulk voorbarig besluit ware alles verloren", antwoordde Bertulf, +zich op het voorhoofd wrijvend om een klaar en diep besef van den +toestand in zijne hersens op te wekken. "Onze vijanden moeten hetzelfde +wenschen als gij, Robrecht. Zulke onvoorbereide opstand kan slechts +gedeeltelijk zijn. Vergeet het leger niet dat te Atrecht ons bewaakt. De +opstand der Kerels, indien men verplicht wordt tot zulk uiterst middel +zijne toevlucht te nemen, mag slechts algemeen zijn, en onze +heirkrachten moeten tot eenen langen oorlog worden ingericht." + +"Maar, oom lief, is de maat niet vol genoeg?" wedervoer Robrecht, met +eene verontwaardiging die hij uit ontzag voor den ouden proost poogde te +bedwingen. "De tijding van dit hoonend besluit zal de Kerels, de +Houtkerels vooral, verwoed maken." + +"Inderdaad", bemerkte de kastelein, "mij zou het niet verwonderen dat +zij onmiddellijk de wapens opnamen en de burchten der leenheeren +begonnen te bestormen en af te branden." + +"En ware het niet beter het sein tot den algemeenen opstand te geven?" +vroeg Robrecht. "Wees zeker, oom, uw lankmoedigheid zal het ongeluk van +Kerlingaland zijn!" + +"Bedwing uwe jonge drift, mijn neef", sprak Bertulf op strengen toon. +"Met zulke overijling verderft men de beste zaak. Hebt gij dan geen +vertrouwen meer in mijne oude ondervinding?" + +"Zeker, oom; maar, met uw oorlof, mij dunkt, dat krachtdadigheid en +moed, in dringende omstandigheden, meer zijn dan wijsheid." + +"Ik geloof dat gij gelijk hebt, broeder", zeide de kastelein, "maar +werkeloos kunnen wij niet blijven. Wat gaan wij doen?" + +"Wij moeten alle beweging in de Ambachten voorkomen", antwoordde de +proost. "De Kerels doen stil blijven totdat de Hoop over de erge zaak +beslist hebbe. Wat is zes dagen? Wil de Hoop het lot der wapens +beproeven, men zal daar de afgevaardigden van al de Ambachten onder de +hand hebben en dus, moet het zijn, met een enkel woord gansch +Kerlingaland als een man doen opstaan." + +"Maar, heer oom", bemerkte Robrecht, "gij vergeet Burchard Knap, uwen +neef. Als die de mare zal vernemen!" + +"Ik weet waar hij zich ophoudt: hij zal een bijzonderen brief van mij +ontvangen en in vrede blijven, ten minste tot den dag van den Hoop. Hij +heeft mij dit reeds plechtig beloofd." + +"Alzoo, wij hoeven ons te bereiden tot den oorlog?" vroeg de kastelein. + +"Bereiden, voorzeker", antwoordde hem zijn broeder de proost, "maar die +noodlottige worsteling is nog niet volstrekt onvermijdelijk. Wie zegt +ons dat, indien onze graaf het oor aan den raad onzer vijanden heeft +geleend, het niet alleenlijk is, omdat de oorlog in Aquitanie, en nu op +de grenzen van Normandie, hem dwingt naar middelen uit te zien om zich +eene groote hoeveelheid gelds te bezorgen? Indien de Kerels hem eene +bede toestonden van eenige duizende marken zilvers?" + +"Alweder toegevendheid en gebeden?" morde Robrecht; "kunnen wij dan +niets meer dan smeeken? Gij weet, oom, hoe ik onzen graaf verkleefd +was, ondanks het onrecht dat ons werd aangedaan. Vorst Karel had mijnen +vader zaliger vereerd en bemind. Ik was hem daarvoor dankbaar. Nu moet +ik die dankbaarheid in mijn hart versmachten. Ik heb te kiezen tusschen +den oorlog tegen den graaf en de vernedering van mijn vaderland, het +verlies onzer vrijheid. De overtuiging dat onze vorst door de booze +Isegrims is misleid maakte mij die keus nog pijnlijk, ik beken het; maar +de stem van mijn geweten ..." + +"Zwijg toch", onderbrak hem de proost, "Gij wordt even voorbarig en +oploopend als de woeste Burchard. Luister toch eerst naar de kalme rede. +Indien wij door zulke geldelijke opoffering het edict en de +schrikkelijke rampen afweren, die ons geslacht en ons vaderland +bedreigen, zoudt gij mij laken den raad daartoe te hebben gegeven?" + +"Neen, neen, oom; maar alle hoop op rechtvaardigheid, alle hoop op vrede +is dood in mij!" + +"Welnu, ik zal pogen te weten wat zulk aanbod bij den graaf vermag. In +alle geval, de Hoop te Veurne zal over de zaak beraadslagen; en wij +allen, onzen Gilden-eed getrouw, zullen ons aan zijne beslissing +onderwerpen. Laat ons nu naar de proostdij gaan, Hacket; de tijd is ons +kostelijk; wij moeten met spoed onze voorzorgen nemen om, tot de +beslissing van den Hoop, alle beroerte in de Ambachten te beletten." + +In den gang zeide de proost nog: + +"Wij zullen terloops Segher Wulf vaarwel wenschen; hij zal misschien +ontwaakt zijn." + +Robrecht hield hen terug en deed hun begrijpen dat zij in +tegenwoordigheid des zieken van het afgekondigde besluit niet mochten +gewagen. Segher Wulf, die zich gelukkig achtte, zijn leven te hebben +gewaagd, in de gedachte dat hij door het storten van zijn bloed de +vrijheid der Kerels tegen allen nieuwen aanval had behoed, kon een +noodlottigen slag ontvangen, indien hij nu vernam dat de Isegrims zelfs +het oordeel Gods niet hadden geeerbiedigd. + +Zijne ooms erkenden de gegrondheid dezer bemerkingen en beloofden den +zieke van niets te spreken. + +Alzoo zij nu door de gang traden, hoorden zij eensklaps op eenigen +afstand bazuintonen hergalmen. + +"O! mijn God!" kreet Robrecht verschrikt, "daar komt men nu in deze +straat het noodlottig besluit afkondigen. Mher Wulf zal het hooren. Wat +schromelijke slag!" + +"De snoodaards!" morde de kastelein. "Wie weet, hebben zij de wapenboden +daartoe geen bijzonder bevel gegeven? Onverbiddelijk zijn de Tancmars in +hunnen haat." + +"Maar neen, de wapenboden zijn nog verre; mher Wulf kan niets van de +afkondiging verstaan", bemerkte de proost. + +"Ach, hij hoort zoo verwonderlijk scherp, en hij ligt onder het venster +bij de straat", klaagde Robrecht. + +"Kom, kom, gij bekommert u ten onrechte", zeide de proost, terwijl hij +de deur der ziekenkamer opende. + +Segher Wulf lag nog met geslotene oogen, en nevens hem stond Dakerlia +met angst en vervaardheid op het gelaat; want zij insgelijks had de +bazuintonen gehoord. + +"Ontstel u niet zoozeer, jonkvrouw; uw vader slaapt en de bazuinblazers +zijn weg", fluisterde de proost aan haar oor. + +Maar nauwelijks waren deze stille woorden zijnen mond ontglipt of de +stem van den afkondiger verhief zich onder het venster zelf. + +Een pijnlijke kreet ontsnapte Dakerlia, terwijl zij de bevende handen +over haren vader uitstrekte, als poogde zij de noodlottige klanken te +onderscheppen. + +De zieke opende de oogen wijd en luisterde. Hij bleef rustig; geene +plooi op zijn gelaat duidde aan dat hij verstond wat men daarbuiten zoo +luid afriep. + +Reeds was de klerk zeer verre in het lezen van het besluit gevorderd, en +nog had Segher Wulf geen teeken van ontroering gegeven. De omstanders +meenden te mogen hopen, dat hij niets van het besluit zou verstaan. + +Maar toen de afkondiger het tweede punt van het noodlottig edict +bereikte, werd de zieke eensklaps als door eenen geweldigen slag +getroffen: al zijne leden trokken zich krampachtig te zamen en, ofschoon +de klagende Dakerlia en de verschrikte geneesheeren hem poogden te +bedwingen, duwde hij zijne twee armen op het bed, spande al zijne +zenuwen en riep uit, terwijl hij zich met verwonderlijke kracht in de +hoogte hief: + +"Slaven! De Kerels slaven! Wraak, wraak, o, mijn God!" + +Eilaas! Zijn slecht geheeld sleutelbeen brak opnieuw, zijne wond +scheurde open, het bloed golfde hem over de borst en hij viel met eenen +akeligen noodkreet achterover ... + +"Het is niets, geen gejammer, geen gekerm!" riep een der geneesheeren, +den proost haastige teekens doende, dat men de jonkvrouw zou +verwijderen. + +Allen verstonden hem. Robrecht en zijne ooms grepen Dakerlia bij de +armen en schouders, en hoe zij ook als zinneloos worstelde, zij leidden +ze met geweld in eene ver afgelegene kamer. Daar poogde men haar te doen +gelooven dat het ongeval geene erge gevolgen zou hebben. De geneesheer +had immers zelf gezegd dat men niet mocht bekommerd zijn? Een nieuw +verband zou alles weer herstellen. + +Maar Dakerlia, door eenen doodelijken schrik aangejaagd, was niet te +bedaren. + +"De wreedaards, de Isegrims!" riep zij uit, terwijl men haar poogde van +de deur terug te houden. "Zij hebben hem in den kamp niet kunnen +overwinnen. Vermoorden moesten zij hem, met valschheid, met +lafhartigheid! O, mijn vader, mijn arme vader, wie zal u wreken? Wie zal +het edel bloed herkoopen, dat gij voor de vrijheid van Kerlingaland hebt +vergoten?" + +"Wees gerust, Dakerlia", antwoordde Robrecht Sneloghe. "De noodhoorns +gaan galmen over Kerlingaland. Het is een oorlog om leven en dood. Ik +zal te midden des gevechts de vijanden uws vaders opzoeken en ze +treffen, zoolang mijn arm de macht heeft tot het verheffen van een +zwaard." + +De maagd slaakte eenen angstkreet, legde zich de handen voor de oogen en +begon overvloedig te weenen; maar zij was zoo aangejaagd dat zij bijna +onmiddellijk weder naar den ingang der kamer sprong en zich de handen +ten bloede werkte om de geslotene deur open te rukken. + +Zij viel op de knieen voor den proost en kermde en bad met saamgevoegde +handen, om tot haren vader te mogen gaan. Hij kon sterven, haar +verkrampend hart riep het luid. Mocht zij hem dan niet een laatst +vaarwel wenschen en hem de oogen sluiten? Zou hij ten hemel varen zonder +zijn kind aan zijne zijde te zien? + +Eindelijk door medelijden overwonnen, zeide de proost tot haar, dat hij +den kastelein zou verzoeken naar de ziekenkamer te gaan om het oorlof +der geneesheeren af te smeeken, indien Dakerlia toestemde bedaard te +wachten op de tijding welke hij hun zou brengen. + +Men opende met voorzorg de deur en Hacket begaf zich naar de kamer aan +de straat. + +Hier ontvloog hem een kreet van schrik, ofschoon de geneesheer door zich +den vinger aan den mond te leggen, hem tot stilte aanmaande. + +Segher Wulf lag uitgestrekt op het bed, met een kruisbeeld op de borst. +Zijn gelaat was loodvervig en toonde de doorschijnende tint der +bloedeloosheid. Witta zat ten gronde geknield en weende bitter. + +De kastelein naderde met kloppend hart en aanschouwde den geneesheer. + +"Niets meer dan een lijk!" murmelde deze. + +"Wel zeker?" + +"Hoe anders? Al zijn bloed is hem ontloopen." + +"Wat akelige ramp!" + +"Ja, een ijselijk voorval; maar klagen kan hier niet helpen, heer +kastelein. Gij moet tot de jonkvrouw gaan; haar eerst met halve woorden +een ongeluk doen voorgevoelen, haar dan van een groot gevaar spreken en +zoo allengs haar den dood haars vaders melden, opdat de slag haar niet +plotselijk treffe." + +De kastelein verwijderde zich stilzwijgend, om de droeve zending te gaan +vervullen; maar nauwelijks was hij eenige oogenblikken weg, of men horde +in den gang eenige wanhopige klachten hergalmen. + +Dakerlia stortte in de kamer en liep tot bij het bed. Een eerste blik +zeide haar alles: zij slaakte eenen machtigen schreeuw, eenen noodkreet, +die het gansche huis doorschalde, en viel gevoelloos met het hoofd op de +borst haars vaders. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 48: Bij de Angel-Saksen noemde men het Gemeentegoed of vrij +geweide _folcland_ (ager publicus), een land, waarvan het bezit door +eene geschrevene oorkonde vanwege den vorst was toegestaan of bevestigd, +_bocland_ (geboekt land). + +Zie LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_ t. I, pp. 578 en 579.] + + + + +XI + + +De dag waarop de Hoop[49] zou gehouden worden, was verschenen. + +Reeds van in den vroegen morgen krielde de stad Veurne met lieden die +zich uit alle gewesten van Kerlingaland zich derwaarts hadden begeven, +en nog zag men elk oogenblik groote overdekte wagens voor de +bijzonderste herbergen stilhouden. + +Niet al deze bezoekers waren geroepen, om als afgevaardigden der +Ambachten in den Hoop te zetelen. Eenigen moesten zich aanbieden voor +het beroepsgerecht of _jaarwaarhede_, anderen zouden zekere zaken +aangaande hunne betrekkingen met het Gilde vereffenen; de meesten +evenwel hadden de reis ondernomen uit enkele nieuwsgierigheid of om +vrienden of bekenden te ontmoeten. + +Rondom den Kerkhofsmuur van St-Walburgis stonden kramen met eetwaren, +met fruit en lekkernijen, met landbouwgereedschap, met huisgerief en +kleederstoffen, zoodat de plaats naar die zijde geheel het voorkomen had +eener jaarmarkt of eener kermis. + +Daar was groote toeloop van volk. De Kerels herkende men aan hunne lange +baarden en aan hun breed zwaard of schermzeis. Tusschen hen kon men de +Houtkerels onderscheiden aan het diepere blauw hunner kleeding en aan +hunne hoeden, waarvan de randen achter en terzijde in vorm eener klak +waren opgeslagen, terwijl de Veld- en Duinkerels breedgerande hoeden +droegen, die met eene veder van den Blauwvoet of Zeearend waren gesierd. + +Men bemerkte zelfs hier en daar eenen Kolvekerel uit het graafschap +Gwynen, die gansch in kleeding en voorkomen aan de andere Kerels +geleek, tenzij dat hij tot eenig wapen eenen houten kolf of knots in de +hand of op den schouder droeg. + +De poorters of burgers van Veurne hadden geenen baard, en slechts de +bijzondersten onder hen droegen een kort mes boven de lederen tassche +aan hunnen gordel. Zij lieten zich niet veel in met de Kerels, die +overigens hen met hoogmoed bejegenden en zorgvuldig vermeden over de +zaken der Ambachten in hunne tegenwoordigheid te spreken. + +Inderdaad, de Kerels zagen de poorters der steden als lieden aan die +hunne onafhankelijkheid hadden verloren en van de voorvaderlijke +vrijheden niets meer bezaten dan wat de vorst hun willekeurig en uit +genade had laten behouden. + +Vroeger genoten al de gedeelten van Kerlingaland dezelfde +onafhankelijkheid, en hadden geenen anderen dienstplicht jegens den +graaf dan het leveren van krijgslieden tot 's lands verdediging Zij +betaalden gewilliglijk alle tollen van doorvaart op koopwaren, +havenrechten en burggelden aan 's gravens ambtenaars, voor zooveel deze +belastingen niet als een persoonlijke hoofdtol konden worden beschouwd. +Daarenboven, in oorlogstijd of in andere gewichtige omstandigheden, +wanneer de vorst hun eene _bede_ toerichtte, verleenden zij hem +vrijwilliglijk aanzienlijke hulpgelden uit den gildeschat. + +Maar voor twee eeuwen hadden de graven van Vlaanderen, om het land tegen +de invallen der Noormannen te kunnen verdedigen, met de toestemming der +Kerels zelven, verschillende steden met muren omsingeld en er een sterk +kastel of burg gebouwd, waarin een ambtenaar, door den vorst aangesteld, +als kastelein of burggraaf het bevel voerde. + +Van dit oogenblik af zag de graaf het gebied van den burg als een leen +der Kroon aan, en werden de inwoners der steden zijne leenmannen, met de +uitzondering nochtans, dat hij hun zekere vrijheden liet behouden, en +deze bevestigde door eene vorstelijke vergunning. Hij gaf zulke +_gemeente_ bestierders of _schepenen_ en liet er het recht uitoefenen in +zijnen naam, onder de hooge bewaking van den kastelein. + +Geheel anders was het met de Kerels buiten de bemuurde steden gesteld. +Dezen hadden nog hunne voorvaderlijke inrichtingen behouden en +bestierden zich zelven en oefenden den rechtspleging zonder de minste +tusschenkomst eener hoogere overheid. Een of meer dorpen, onder een +gemeenschappelijk bestier, noemden zij eene _minne_, en verscheidene +zulker _minnen_ vormden een Ambacht. Schepenen hadden zij niet; hunne +bestierders, jaarlijks door hen gekozen, noemden zij Keurmans. Dezen +waren belast met het beredderen der openbare belangen van de minne, en +zetelden in de vierschaar en vonnisten, zoowel over stoffelijke gedingen +als over wetsovertredingen en misdaden. + +Binnen de stad Veurne zelve, naar eenen hoek der Markt, was er nog eene +vrije plek grond, die niet aan de overheid van den kastelein was +onderworpen. Daarop hadden de machtige Kerels van Veurne-Ambacht hunne +groote Gildehalle gebouwd, om er hunne gemeene zaken te behandelen en er +de wekelijksche rechtspleging te oefenen. + +Van buiten beschouwd, had deze Halle het voorkomen van een onmatig lang +en breed huis, zonder verdiep, welks eenvormige lijnen slechts +onderbroken waren door een hoog torentje, waarin twee klokken hingen van +verschillende grootte. De vensters waren zeer hoog boven den grond en +met ijzeren staven gesloten. + +Nu stonden voor de ingangspoort tien of twaalf langgebaarde mannen, met +uitgetogen schermzeis, die de poorters en vreemdelingen van de Halle +hielden verwijderd. + +Dit opzicht van ongastvrijheid en van verborgenheid moest doen denken +dat de Kerels, bij den bouw der Gildehalle, voor doel hadden gehad, alle +bespieding van buiten af te weren en het geheim hunner beraadslagingen +te vrijwaren tegen de nieuwsgierigheid zulker lieden, die niet door den +Gildeneed met hen waren verbonden. + +Van binnen was de Halle niet zoo somber; want de vensters, die op den +neerhof uitzagen, waren zeer breed, en geen traliewerk onderschepte er +het daglicht. Hare grootste uitgestrektheid was ingenomen door eene +lange zaal, waarvan het gewelf, met zijne veelvuldige graten, op twee +rijen lage pijlers rustte, die met zonderlinge beeldsieraden waren +overdekt. + +Men had nu, tot het houden van den Hoop, in deze zaal eene verhevendheid +getimmerd en er talrijke banken gezet. + +Nog vele min wijde vertrekken, elk tot een bijzonder gebruik bestemd, +lagen achter de groote zaal en hadden eenen gemeenen uitgang op den +neerhof, niet verre van de plaats waar, onder de opene lucht, de vier +banken der _vierschaar_ tusschen eene ringvormige haag waren geschikt. + +Tot dan hadden de Kerels rondom het kerkhof gewandeld of in groepen op +de Markt over de zaken van Kerlingaland gekout en getwist, immer +zorgende dat zij niet door de poorters werden gehoord. + +In de Halle bevonden zich geene andere personen dan eenige Keurlieden en +klerken, die alles in gereedheid brachten tot den dienst waarmede elk +hunner belast was. + +Nu evenwel werd op het torentje de kleinste klok geluid. Vele Kerels +traden in de Halle, en begaven zich in verschillende vertrekken, volgens +de zaken welke zij te bezorgen hadden. + +In eene groote kamer zaten de ontvangers van den gildeschat met hunne +klerken. Hier kwamen opvolgend de afgevaardigden der Ambachten het geld +storten dat zij voor elk lid van het Gilde als jaarlijksche bijdrage +waren verschuldigd. + +Daarnevens en van de ontvangers gescheiden, zaten de betaalders die, op +vertoon van oorkonden, door aangestelde opzichters en schatters +afgeleverd, de hulpgelden uitdeelden voor brand van huizen of vergaan +van schepen of schuiten; want de gildeschat was voor de Kerels tevens +eene kas van onderlinge verzekering.[50] + +In een ander vertrek zaten de beheerders van wegenissen en van water- en +dijkwerken, die ten laste van meer dan een Ambacht moesten worden +onderhouden. + +Maar de toevloed van volk was het grootst op den neerhof, in en rondom +de vierschaar. + +Hier zetelden afgevaardigde Keurmans van de groote Ambachten, ondere +anderen van Veurne, Capellebrouck, Berg, Brouckburg, Hazebrouck en +Duinkerke. Te zamen vormden zij een gerechtshof, dat elken Kerel moest +aanhooren die beweerde dat hem, in zijn Ambacht, onrecht was gedaan of +recht was geweigerd. Deze vierschare, die men _jaarwaarhede_ noemde, +vonniste diensvolgens als een hof van beroep; zij was onafhankelijk van +den Hoop en zetelde verscheidene dagen. + +Al deze bijzondere verrichtingen namen den ganschen morgen in, en het +was slechts ten een uur namiddag, na men den afgevaardigden den tijd had +gegund om te eten, dat de groote klok de opening van den Hoop +aankondigde. + +Men had eenigen tijd te voren iedereen, wie hij ook ware, de Halle doen +ontruimen. Nu werd niemand toegelaten, tenzij na onderzoek der volmacht, +hem afgeleverd door de Keurlieden van het Ambacht, dat hem als zijnen +vertegenwoordiger had gekozen. + +De groote zaal geraakte allengs vol. Elk nam plaats naar zijne geliefte, +nevens zijne vrienden of bekenden. + +Hacket, de kastelein van Brugge, bevond zich daar als afgevaardigde van +het Brugsche Vrije; nevens hem, Robrecht Sneloghe, als vertegenwoordiger +van Houthem; en, meer naar achter in de zaal, Disdir Vos, Willem Van +Wervick en Ingelram Van Eessen en andere ridders, door verschillige +Ambachten afgevaardigd. + +Dewijl de Hoop nog niet was geopend, en de Kerels met luider stemme hun +gevoelen uitdrukten over de zaak van den balfaart en over hetgeen men in +deze erge tijdsomstandigheden te doen had, heerschte er in de gansche +zaal een verward gerucht als van eenen ronkenden bijenzwerm ... Maar +daar verschenen nu de afgevaardigden der groote Ambachten op de +verhevenheid en, terwijl zij plaats namen in de leunstoelen, die men +daar voor hen had geschikt, zetteden al de aanwezigen zich op de banken +neder. + +Het gedruisch begon echter opnieuw, totdat de Voorman of voorzitter met +eenen zwaren houten hamer zoo hard op de eiken tafel sloeg, dat de galm +als een donder door de zaal dreunde. + +Elk zweeg en de diepste stilte verving het gerucht. + +De Voorman of de voorzitter was een Keurman van Hazebrouck met eenen +langen sneeuwwitten baard. Hij wierp eenen tragen blik door de zaal, +klopte dan nog eens met den hamer, stond op en sprak: + +"Gezellen, Gildebroeders, toen wij, uwe zaakgelastigden, voor eenige +weken ons wilden bereiden tot het houden van den Hoop, hadden wij eenige +min of meer belangrijke voorwerpen uitgekozen om aan uwe beraadslaging +te worden onderworpen. Sedert dan heeft onze heer graaf tegen de Kerels +een edict uitgevaardigd dat, moest het van kracht blijven, ons en onze +kinderen in eeuwige slavernij zou dompelen. Zoo zwaarwichtig is voor ons +deze zaak, dat ik ze alle andere doen voorafgaan. Ik hoop dat gij niet +alleen met de verontwaardiging van diepgehoonde, maar tevens met de +bedaardheid van wijze en bezadigde lieden zult onderzoeken en overwegen +wat ons te doen staat om de vrijheid van Kerlingaland te redden en +ongeschonden te behouden. En, ten einde het rechtverkrachtend besluit +van onzen heer graaf iedereen geheel bekend zij, zal ik den klerk +verzoeken het u voor te lezen." + +De klerk stond op en begon de lezing van het edict. Schier bij elken +regel werd zijne stem verdoofd door het toornig gemor der vergadering; +maar wanneer iets bijzonder kwetsends in het besluit voorkwam, ontstond +uit al de hoeken der zaal een onweder van wraakkreten en +vermaledijdingen. + +"Te wapen, te wapen! Sla dood de Isegrims! Stroome ons bloed voor de +vrijheid! Heden nog! Gevloekt, gevloekt de balfaart der slavernij!" +galmden de driftigsten. + +"Stil! Stil! Laat af met dit woest geschreeuw: wij hooren niet!" riepen +eenige anderen. + +Zoo ging de lezing van het besluit met vele onderbrekingen tot het einde +voort. + +Nu nog heviger dan te voren, zou de meerderheid der aanwezigen hare +verontwaardiging en hare woede door verwarde kreten lucht geven, maar de +Voorman klopte zoo geweldig met den hamer, dat hij iedereen tot zwijgen +dwong. + +Hij zeide, dat hij de diepe onsteltenis der vergadering wel begreep, en +daarom gedacht had de stilte niet streng te moeten handhaven. Nu evenwel +verzocht hij zijne gezellen hun gevoel van wettige verontwaardiging te +bedwingen, opdat de beraadslaging, die nu ging aanvangen, behoorlijk en +met eerbied voor elke gedachte kon worden voortgezet. Hij zou van nu af +geene onderbrekingen meer dulden, en niemand zou spreken dan met zijne +toelating en op beurt. + +Daarop vroeg hij of een der aanwezigen het woord verlangde; doch zoovele +handen gingen terzelfder tijd in de hoogte en zoovele namen werden hem +toegeroepen dat hij niet wist wien uit te kiezen tusschen al de sprekers +die zich aanboden. + +Op dit oogenblik werd de deur der zaal geopend. + +Er trad een hoogstaltig man binnen, wiens fiere houding en stoute blik +ook degenen met ontzag troffen die hem niet kenden. Hij was gekleed als +een ridder en aan het gevest van zijn zwaard glinsterde eenig +edelgesteente. + +Zijne verschijning deed een algemeen gemor van verbaasdheid ontstaan, +bovenal toen degenen, die hem herkenden, zijnen naam noemden. + +"Burchard Knap! Hij is een banneling. Iedereen mag hem dooden! Hoe durft +hij bij kiaren dage hier verschijnen? Heeft hij recht om in den Hoop te +zitten?" vroeg men elkander. + +Dit ongunstig gemompel scheen Burchard Knap te kwetsen. Met spijt in de +stem riep hij uit: + +"Gezellen, is het zoo dat gij een slachtoffer der dwingelandij begroet? +Had iemand onzer gevreesd zich door de Isegrims te doen bannen, +Kerlingaland zou nu niet op den boord des afgronds staan. Elkeen mag mij +dooden. De minste schalk kan mij eenen pijl door rug en lenden drijven, +ik weet het; maar, hoe de dood mij ook bedreige, hij kan mij niet +weerhouden van hier mijnen plicht te komen vervullen. Ik ben +afgevaardigde van Rodenburg en, als zulks, zal ik in den Hoop zetelen +met evenveel recht als de beste die hier tegenwoordig is." + +"Maar gij zijt gebannen!" riep eene stem. + +"Wie heeft daar gesproken?" wedervoer Burchard met bedwongene gramschap. +"Dat hij rechtsta en zich toone. Ik wil weten welke vrije Kerel zich +hier aanstelt tot uitvoerder der vonnissen die onze verdrukkers tegen +zijne broeders hebben uitgesproken." + +"Niemand, niemand! Leve Burchard Knap!" klonk het door de zaal. + +De slag van den hamer weergalmde. + +"Gezellen", zeide de Voorman, "mher Burchard Knap van Bethferkerke is +als ridder door het hooger hof der baroenen tot ballingschap verwezen. +Als Kerel kon hij slechts door de Aldermans van zijn Ambacht worden +gevonnist; als Kerel bevindt hij zich tusschen ons, niet als ridder. Wij +aanvaarden dus in hem den vertegenwoordiger van Rodenburg." + +Een bijna algemeen handgeklap juichte deze verklaring toe. + +Burchard, hierdoor aangemoedigd en verstout, begon weder tot de +vergadering te spreken; maar de Voorman onderbrak hem door herhaalde +hamerslagen, en verzocht hem zich neder te zetten, hem zeggende dat hij +stellig en streng hem verbood het woord te voeren voordat zijne beurt +kwam. De onverduldige Kerel moest gehoorzamen en nam grommend plaats op +de bank nevens Disdir Vos. + +"Dat mher Hacket, kastelein van Brugge, spreke!" zeide de Voorman. + +Hacket begon eene rede, waarin hij de vergadering aanraadde de zaak wel +en met bedaarden geest te overwegen, vooraleer eene misschien overijlde +beslissing te nemen. Het was telkens een groot ongeluk wanneer een volk +gedwongen was op te staan tegen zijnen wettigen vorst, en eene misdaad +wanneer zulken opstand gebeurde zonder dat men alle middelen had +uitgeput om hem te ontwijken. Men mocht niet vergeten dat graaf Karel in +den grond een edelmoedig vorst was. Hij had het genoeg bewezen tijdens +den laatsten hongersnood, toen hij zijnen ganschen schat had uitgeput om +de noodlijdenden te spijzen, zonder eenig onderscheid te maken tusschen +de lieden der kroonsleenen en de lieden van Kerlingaland. De kastelein +scheen te worstelen tegen een voorstel dat nog niet gedaan was. In alle +geval moest hij voorzien dat zijn neef Burchard of anderen den graaf met +hevigheid zouden beschuldigen; want hij haalde vele redenen aan, om te +bewijzen dat de Isegrims alleen schuld hadden aan de grieven der Kerels +en vorst Karel, zonder het te weten, door hen was bedrogen en misleid. +Dan schilderde hij af hoe het geheele land, indien men den oorlog moest +beginnen, met bloed en puinhoopen zou overdekt worden en alle welvaart +voor vele jaren vernietigd. Bestonden er middelen om dit onheil nog af +te keeren, het was de plicht der vergadering zulke middelen te +beproeven. Na deze voorbereiding sprak hij van de hoop die men nog moest +koesteren dat de graaf, indien men hem een aanzienlijk getal marken +zilvers uit den gildeschat toestond, het noodlottig besluit zou +intrekken. Wat was toch eene geldelijke opoffering, die in alle geval +nog het tiende gedeelte van de kosten des oorlogs niet zou bereiken? Hij +deed kennen dat de proost van St-Donaas in dien zin pogingen bij het hof +had begonnen, en hij eindigde met het voorstel, hier slechts een +voorwaardelijk besluit te nemen en de wapens niet op te vatten voordat +men zeker ware van de mislukking aller min geweldige middelen. + +Deze vreedzame redevoering werd met een hevig gemor van afkeuring +begroet. + +"Altijd dezelfde vrouwentaal!" riep Burchard. "Wij hebben reeds den +strop aan den nek; geeft onzen vijanden dan den tijd om ons geheel te +verworgen!" + +"Onze flauwheid stort Kerlingaland in het verderf. De vrijheid eischt +bloed, geven wij ons bloed!" schreeuwde Disdir Vos, harder nog dan +Burchard, die hem daarom de handen drukte. + +"De beurt is aan Alyn Van Ghistel", zeide de Voorman. + +Een zeer oud man stond op. Zijne gedachten, die hij zeer onduidelijk +voordroeg, kwamen hierop uit, dat men zich wel in allerhaast ten oorlog +hoefde te bereiden, doch niet nalaten mocht het middel tot verzoening te +beproeven dat door den vorigen spreker was aangeduid. + +De vergadering hoorde zijne rede met onverschilligheid aan. + +"Mher Robrecht Sneloghe van Houthem mag spreken" riep de Voorman. + +Robrecht begon dus zijne rede: + +"Gezellen, velen uwer weten dat ik nauw vermaagdschapt ben met den +kastelein van Brugge en den proost van St-Donaas. Zij zijn mijne ooms. +Ik huldig hier in het openbaar hunne oprechte en vurige verkleefdheid +aan de belangen van Kerlingaland; maar, hoe het mij ook leed doe, in de +gewichtige zaak waarover wij beraadslagen, kan ik hun niet terzijde +blijven. Integendeel, de plicht, de diepgevoelde plicht dwingt mij +dezelfde overtuiging uit te drukken als mijn vriend Disdir Vos van +Bekeghem, en met hem te roepen: Ja, onze lankmoedigheid stort +Kerlingaland in slavernij! Niet meer gewacht, niet meer geaarzeld; de +verdediging der vrijheid eischt bloed, geven wij zonder dralen ons +bloed!" + +Deze laatste woorden werden luidruchtig toegejuicht, en menige kreet van +"leve Robrecht Sneloghe!" liet zich hooren; want de jonge ridder was in +de Ambachten algemeen gekend en door iedereen bemind. + +Hij hernam zijne rede: + +"Neen, gezellen, laat u niet verleiden door de hoop op vrede. De +Isegrims hebben gezworen dat zij hunne kuiperijen niet zullen staken +voordat de Kerels machteloos en gedwee onder het slavenjuk gebogen +liggen. Doet opofferingen van schatten gelds, verkropt hoon en onrecht, +het kan niet helpen. Indien wij langer terugdeinzen voor eenen oorlog, +die toch niet te ontwijken is, smeden wij zelven, als dwazen en als +lafaards, de ketens die ons aan het juk der dienstbaarheid moeten +vastklinken. Daarom met voorvaderlijke trotschheid opgestaan en met het +zwaard het edict der slavernij verscheurd! Ja, ja, loopen wij te wapen, +veeleer heden dan morgen! Wie aarzelt is half verwonnen.--Wat hebben wij +te vreezen? Indien al de weerbare mannen van Kerlingaland te velde +komen, wie zou ons dwingen? Ontbreekt het ons aan geld, aan wapens of +aan moed?... Ziehier mijn voorstel, gezellen. Dat dezen nacht en morgen +overal, waar de beslissing van den Hoop bekend wordt, het noodvuur +vlamme en de noodhoorns galmen! Verkondigen wij den landstorm; bepalen +wij eene vergaderplaats, hetzij Diksmuide, Ghistel of Oudenburg; +benoemen wij in dezen Hoop zelven eenen ervaren veldheer en eenen +krijgsraad. Onmiddellijk zullen wij eene aanzienlijke macht te wapen +hebben. Met deze eerste benden zouden wij de versterkte burgen in +Kerlingaland overrompelen en, zonder ernstigen tegenstand te ontmoeten, +in bezit nemen. Tegen deze vestingen gesteund zouden wij in allerhaast +ons leger tot eenen beslissenden oorlog inrichten, van daar in +ontzaglijke drommen onze vijanden te gemoet trekken en Kerlingaland en +de vrijheid wreken in het terugvinden dan nadat graaf Karel onze +vrijheid opnieuw hebbe bezworen en gewaarborgd, en wij de vaste +verzekering hebben bekomen, dat hij de Isegrims uit zijnen raad zal +verwijderen en ons een rechtvaardig vorst wil zijn. Wat gij ook over +deze voorstellen denkt, gezellen, gelooft mij, wachten, aarzelen is hier +eene lafheid en eene misdaad. Gansch Kerlingaland loope te wapen als een +enkel man, en verrassen en verbazen wij onze vijanden door plotselijke +ontwikkeling van al onze macht!" + +Er volgde eene lange en donderende toejuiching; vele stemmen zelfs +schreeuwden luid dat men mher Sneloghe tot veldheer moest kiezen; maar +Robrecht beriep zich op zijne jonkheid en onervarendheid en verklaarde +dat hij deze zending niet kon of wilde aanvaarden. + +Burchard Knap sprong recht en poogde te spreken; maar de Voorman ontnam +hem onmiddellijk het woord en deed hem zitten, voor reden gevende dat, +eer zijne beurt verschene, nog menig ander gezel moest worden gehoord. + +Inderdaad, verscheidene afgevaardigden drukten, de eene na den andere, +hun gevoelen uit. Een of twee rieden met weinig aandringen de +voorzichtigheid aan en wilden het middel, waarvan de kastelein Hacket +gesproken had, beproefd zien; al de anderen vielen met woede tegen de +Isegrims uit, noemde alle lankmoedigheid verraad en lafhartigheid, en +stemden voor het onmiddellijk beginnen van eenen oorlog zonder genade. + +Eindelijk bekwam Burchard Knap het woord. Hij stond op en zeide met eene +holle en krachtige stem, waarvan de ontzaggelijke toon alleen indruk +deed op zijne aanhoorders. + +"Gezellen, ik had honderd redenen gereed, om u tot eenen onmiddellijken +oorlog te doen besluiten; maar dewijl ik zie dat het Kerlenbloed in uwe +aderen niet min kookt dan in de mijne, zal ik u van wat anders, even +gewichtig spreken. Heeft het u niet verbaasd dat men in deze vergadering +den lof komt verkondigen van Karel van Denemarken, den huichelenden +vijand der Kerels, die met zijne Isegrims in het donker onzen ondergang +beraamt, en dan eensklaps voor den dag komt met het vloekbaar edict dat +ons allen tot slavernij veroordeelt? Het spijt mij dat ik mijnen oom +Hacket moet tegenspreken; maar de vrijheid voor alles en boven alles! +Eerbied voor Karel van Denemarken? Was die vreemdeling niet van den dag +zijner troonsbeklimming ons een gezworen vijand? Wat deed hij +onmiddellijk? Hij vaardigde een edict uit dat hij den _Heerliken vrede_ +noemde, waarbij hij allen onvrij geboren man op lijfstraffe verbood +wapens te dragen. Heeft hij niet jaren lang gepoogd u tot het nakomen +van dit edict te dwingen, alsof de Kerels zonder uitzondering in +slavernij waren geboren? Heeft hij niet vrijgeweiden en vrijbosschen, +die den armen lieden onzer Minnen of onzer Ambachten sedert eeuwen +toebehoorden, aan leenheeren en abdijen weggeschonken, zonder eerbied +voor ons recht van eigendom? Gelooft mij, de haat voor de Kerels, dien +men aan het hof zoo openlijk toont, ligt niet alleen in het hart der +raadsheeren van Karel van Denemarken, maar vuriger nog in zijn eigen +hart ..." + +Mher Hacket en eenige anderen morden luid en riepen zelfs dat Burchard +de dingen overdreef en den graaf ten onrechte beschuldigde; maar de +overige leden der vergadering juichten den redenaar toe, en zoo ontstond +er een groot gerucht in de zaal. + +De stem verheffende, overneerschte Burchard al het gedruisch en sprak: + +"Ik ben in het bezit van het woord en zal het behouden totdat ik gedaan +heb!... Karel van Denemarken is ons vreemd; al zijne gedachten zijn +Romaansch. Voor hem zijn er op de wereld slechts twee soorten van +menschen mogelijk, dit is beheerders die gebieden en slaven die onder +den stok der meesterschalken in het juk loopen. Dat er vrije menschen +kunnen bestaan die ploegen, weven, handel drijven of de zee bevaren, dit +begrijpt hij niet; ja, hij ziet het als eenen bloedigen hoon aan voor +allen ridder van zoogezegde edele geboorte, dat nog anderen dan zij op +persoonlijke vrijheid zich beroemen ..." + +"Gij spreekt van de Isegrims en niet van den vorst!" onderbrak Robrecht. + +"Ja, wij weten waarom mher Sneloghe den graaf wil sparen", wedervoer +Burchard. "Het is ter gedachtenis van zijnen vader zaliger, die een +vriend van Karel was. Ik zie het aan als eene slecht begrepene +dankbaarheid, en herhaal hier met eene vaste overtuiging: die Karel van +Denemarken is een bedrieger, een valschaard. Hij veinsde inderdaad veel +prijs te hechten aan de faam van streng en rechtvaardig te zijn; maar, +zegt het mij: heeft hij onder dien gehuichelden schijn ooit eenen Kerel +recht laten wedervaren? Of willen wij nu het bloed bij stroomen gaan +vergieten omdat wij den graaf te danken hebben voor zijne +rechtvaardigheid? Dat de leenheeren hem prijzen en zijnen lof +uitbazuinen, wat wonder? Hij is in alles hun beschermer en dus de +natuurlijke vijand des volks ... Ja, betwist het zooveel gij wilt, mher +Sneloghe, zelfs de poorters van Brugge, die van zijne willekeur +afhangen, poogt hij te verdrukken. Gaat hij niet een groot gedeelte +hunner nu den balfaart opleggen, alhoewel zij reeds hun deel in de +lasten der poort betalen?... Wil ik u het eenige middel aanwijzen om +onze vrijheid te behouden en zelfs in de toekomst tegen alle vervolging +en alle verdrukking verzekerd te zijn? Wij moeten den graaf der Isegrims +verloochenen en ons eenen graaf kiezen die geen vijand, maar wel een +vriend der Kerels zij!" + +Dit onverwacht voorstel trof de aanwezigen met verbaasdheid, en er bleef +eene wijl eene betrekkelijke stilte heerschen, alhoewel eenige leden der +vergadering met luider stemme tegen den vermetelen redenaar uitvielen. + +"Ik heb niet gedaan", zeide deze, "maar ik wil toelaten dat mijne +wederstrevers nu spreken, op voorwaarde dat mij het woord teruggegeven +worde, zoohaast wij hunne opmerkingen zullen gehoord hebben." + +Een algemeen handgeklap betuigde dat men dit voorstel goedkeurde. + +Hierop stonden Hacket en nog twee of drie anderen beurtelings op en +deden rechtzinnige pogingen, niet om den graaf te verrechtvaardigen, +maar slechts om hem te verschoonen, als zijnde de grieven der Kerels +hoofdzakelijk te wijten aan de Isegrims, die den graaf uitsluitend +omringden en allen anderen invloed van hem hadden verwijderd. + +Robrecht Sneloghe riep eene andere reden in, om het voorstel van +Burchard als ontijdig en schadelijk te doen verwerpen. Hij wees op de +beroering, welke het verloochenen van den graaf door de vrije Ambachten +in gansch Vlaanderen en zelfs tot in het hart van Frankrijk, waar Karel +van Denemarken vele vrienden telde, zou veroorzaken. Zou men dus de +Kerels blootstellen aan den haat van gansch de Westerwereld? En zouden +zij niet onfeilbaar bezwijken, indien men hun zoovele vijanden te gelijk +op den hals trok? Zij wilden hunne vrijheid en hun recht verdedigen; +maar moesten zij daarom, zelfs voor het begin van den oorlog, den graaf +van zijne kroon berooven? + +Burchard antwoordde hierop, dat hij zich om de goedkeuring der Franschen +niet bekreunde, die wel genoeg te doen hadden om zich tegen de +Engelschen in Normandie te verdedigen. En wat de overige gewesten van +Vlaanderen betrof, hij poogde te bewijzen dat de gemoederen daar niet +minder ontevreden waren dan in Kerlingaland. + +Wat konden de Kerels bij eene eindelijke zegepraal winnen, indien hun +grootste vijand, indien Karel van Denemarken de kroon bleef dragen? +Volgens hem moest men in dezen oorlog, wilde men een beslissend einde +aan de vervolging zien, alles op het spel zetten en den graaf dwingen +zijne kroon tegen de vrijheid der Kerels te wagen. Alle halve middelen +doemde hij als ingesproken door vreesachtigheid en lage aarzeling. + +Volgens de gewoonte zulker vergaderingen werden de woorden van Burchard +het meest toegejuicht, alleenlijk omdat hij de geweldigste middelen +voorstelde. + +Willem Van Wervick en Ingelram Van Eessen hadden al zijne woorden met +geestdrift toegejuicht, en nu en dan vuriger nog dan hij, hunnen haat +voor graaf Karel uitgedrukt. + +Na eenige wederspraak van beider zijde, staakten Hacket en Robrecht +hunne vruchtelooze pogingen, daar de meerderheid hen met onwil aanhoorde +en luidruchtig riep dat men tot de stemming zou overgaan. + +De Voorman herhaalde in een kort begrip, wat de verschillende redenaars +het gewichtigst over de hangende zaak hadden doen gelden. + +Dan zeide hij: + +"Gezellen, vooraleer tot de stemming over te gaan, meen ik u te mogen +herinneren dat elk onzer door zijnen gildeneed verbonden is de besluiten +van den Hoop te aanvaarden en rechtzinnig en trouw tot hunne uitvoering +mede te werken, welke ook zijne bijzondere meening over deze besluiten +zij. Wie deze verplichting niet geheel aanvaardt, dat hij opsta en het +verklare!... Niemand antwoordt, het is wel. Nu zal ik de voorstellen u, +onder vorm van vragen, toerichten. Wie de hand in de hoogte steekt +antwoordt bevestigend, wie dit niet doe, stemt tegen het voorstel ... Ik +vraag u dus ten eerste: zullen de vrije Ambachten van Kerlingaland de +wapens opvatten en oorlog voeren tegen den graaf!" + +De gansche vergadering sprong recht met de handen opgeheven. + +En toen de Voorman uitriep: + +"De Hoop besluit eenparig tot den oorlog!" volgde er onmiddellijk een +langdurig gejuich, vermengd met blijde kreten en met woeste bedreigingen +tegen de Isegrims. + +De hamerslag hergalmde driemaal. + +"Nu de tweede vraag", zeide de Voorman, "Verloochenen de vrije Ambachten +Karel van Denemarken als graaf van Vlaanderen?" + +Bij dit voorstel werd het noodig geoordeeld de stemmen te tellen; want +een zeker getal afgevaardigden hadden de handen niet opgestoken. + +Evenwel, men bevond dat de grootste meerderheid het voorstel aanvaardde, +en de Voorman kondigde dus den uitslag af: + +"De Hoop besluit dat de vrije Ambachten Karel van Denemarken niet meer +als graaf van Vlaanderen erkennen." + +Weder werd deze beslissing door luid gejuich begroet. + +Eenigen der aanwezigen nochtans waren droef of schrikten terug van den +gevaarlijken stap dien men hier zoo lichtvaardig waagde. Robrecht +Snelooghe schudde het hoofd in diepe overweging; op het gelaat van +Hacket stond eene zure grijns van ontevredenheid. + +"Ik vraag het woord!" riep Burchard Knap. + +En zoohaast de Voorman toestemmend hem had geantwoord, sprak hij: + +"Gezellen, ik wensch u geluk over uwe manmoedige besluiten. Gelooft mij, +gij hebt gedaan wat Kerlingaland van zijne vrije, van zijne onversaagde +zonen mocht verwachten. Nu hebben wij geenen vorst meer. Ik raad u aan, +zonder deze zaal te verlaten, eenen anderen graaf te kiezen en uwe +stemmen op zulken persoon te richten die als opperveldheer ons ten +oorlog kan geleiden. Wij mogen geenen tijd verliezen om ons zulken +leidsman te geven. Ik zal mij verstouten iemand aan uwe keus voor te +stellen. Een afstammeling onzer wettige graven is mher Willem Van +Loo...." + +"Willem Van Loo, leve Willem Van Loo!" riepen velen der aanhoorders; +maar de Voorman klopte met den hamer, en Burchard hernam: + +"Laat mij voortgaan, gezellen: mher Willem Van Loo, thans burggraaf van +Yperen, is een kleinzoon van onzen beroemden graaf Robrecht De Vries. De +moeder van mher Willem was eene vrije Kerlinne; hem vloeit dus +Kerlenbloed in de aderen. Hij kent ons en heeft zijn gansch leven in ons +midden gesleten. Hij heeft reeds als veldheer groote legers aangevoerd +en is een beroemd krijgsman. Schijnt het niet dat God zelf dezen telg +van onzen ouden grafelijken stam heeft gespaard, om ons ter zegepraal te +leiden? Welaan, roepen wij mher Willem Van Loo met eenparige stemmen tot +graaf van Vlaanderen uit." + +De kreten: "Leve Willem, graaf van Vlaanderen! Heil, heil onzen graaf!" +weergalmden zeer lang en zoo algemeen dat niemand het nuttig achtte de +stemming door het opsteken der handen te bevestigen. + +Toen het mogelijk was zich weder te doen hooren, vroeg iemand of men +zich mocht verzekerd houden dat Willem van Loo uit de handen der Kerels +de kroon van Vlaanderen zou willen aanvaarden. Deze kroon moest nog ten +prijze van veel bloed misschien, en door zegepralen gewonnen worden. Zou +mher Willem toestemmen om deze kans te wagen? + +"Twijfel er niet aan", antwoordde Burchard. "Willem Van Loo stemt toe om +zijn lot aan het lot der Kerels te verbinden; met ons zal hij overwinnen +of bezwijken ... En, wil de vergadering mij oorlof geven om deze zaal +eenige oogenblikken te verlaten, ik zal terugkeeren met mher Willem Van +Loo, en hij zelf zal u van zijne aanvaarding verzekeren." + + +"Hoe? Wat beduidt dit? Hij kende dus op voorhand onze beslissing?" riep +eene stem. + +"Neen", wedervoer Burchard, "ik ben naar Yperen gegaan en heb hem +medegedeeld welke voorstellen ik hier wilde doen. Ten volle zeker van uw +besluit, omdat het alleen Kerlingaland kan redden, heb ik hem verzocht +mij naar Veurne te vergezellen. Zoo spaar ik u veel verlies van tijd en +langdradig gaan en komen. Heb ik onze taak daarmede niet eenen goeden +dienst bewezen?" + +"Ja, ja, eenen grooten dienst!" riep men van alle kanten. + +"Welnu", zeide Burchard, "de Voorman geve aan de wachten en klerken, bij +de deur der zaal en bij de poort der Halle, bevel om eenen ridder, die +tot de Hoop niet toebehoort, met mij in de zaal te laten treden," + +Hierop verliet hij de Halle. + +De vergadering bleef met groot gerucht over deze haastige keus twisten +en kouten, totdat de deur weder werd geopend en mher Willem Van Loo +waarlijk in de zaal trad. + +Hij werd onder het herhaald gejubel van: "Leve Willem, graaf van +Vlaanderen! Heil, heil onzen graaf!" door Burchard op de verhevenheid +geleid, waar de Voorman, met eenige woorden van hulde en gelukwensching, +hem den middelzetel aanbood. + +Willem Van Loo was een ridder van meer dan gewone gestalte en +lichaamskracht. Zijn blik was trotsch en indrukwekkend, doch zijne +lippen waren dun, en rondom zijnen mond liepen twee zonderlinge rimpels, +die zijn gelaat een voorkomen van list of van achterdocht gaven. + +Terwijl men nog immer voortging met hem als graaf van Vlaanderen toe te +juichen, zette Willem zich neder; en toen hij bespeurde dat de +welkomskreten verminderden, stond hij op en sprak dus tot de +vergadering: + +"Vrienden van Kerlingaland, gij biedt mij de kroon van Vlaanderen aan, +die mijne voorvaderen zoo roemrijk hebben gedragen. Ik aanvaard ze uit +uwe handen, dit is te zeggen, dat wij te zamen goed en bloed gaan wagen +om ze den vreemden overweldiger te ontrukken. Elk uwer doe zijnen plicht +als vrij man en als Kerel; ik zal den mijnen doen als uw aanleider en uw +vorst. Eischt gij van mij eene belofte of eenen eed, ik zweer u dat ik +uw recht en uwe vrijheid zal eerbiedigen; maar mij insgelijks zult mij +beloven gedurende dezen oorlog mij in alles te gehoorzamen en mij +willekeurig onze krijgsverrichtingen te laten leiden, zooals ik het goed +zal vinden. Ik eisch deze belofte van u niet als vorst, maar als +legeroverste. Zonder een eenig hoofd kan men in den oorlog niets ... Nu, +belooft uwen veldheer deze gehoorzaamheid." + +Al de handen gingen in de hoogte en de kreten: "Ja, ja, wij beloven +het, wij zullen u gehoorzamen!" versmolten tot een verward en +luidruchtig geraas. + +Willem Van Loo moest reeds op voorhand overwogen hebben wat hij hier zou +zeggen; want hij hernam onmiddellijk het woord. + + +[Illustratie: Vrienden van Kerlingaland (Bladz 232.)] + + +"Welaan dan, gezellen", sprak hij, "ziehier mijne eerste bevelen. Zooals +gij het hebt besloten, zal gansch Kerlingaland zijne weerbare mannen te +wapen roepen en ze tot mijne beschikking stellen, opdat ik ze aanvoere +tegen den vijand. Het is niet raadzaam dat onze gewapende Kerels eenzaam +of bij kleine benden de Ambachten doorkruisen, vooraleer wij eene zekere +macht hebben verzameld. Daarom, bereidt alles metterhaast en in stilte, +opdat uwe mannen allen te gelijk zich op weg kunnen begeven in den nacht +van Maandag tot Dinsdag toekomende, dat is binnen zes dagen, op zulke +wijze dat zij bij zonsopgang ter vergaderplaats des legers verschijnen. +Deze vergaderplaats is het Wolvennestbosch boven Koyhem. Mijn ontwerp is +gemaakt; het berust op mijne lange ondervinding van den oorlog in deze +gewesten. Allereerst zullen wij in het vlakke veld ons leger goed +inrichten, met den burg van Yperen, die in mijn bezit is, tot steunpunt +en voorraadstapel. Men houde zich in de overige burgen, alsof men geheel +vreemd was aan den opstand. Wanneer ik later met ons zegevierend leger +opvolgend voor elken burg verschijn, zal het tijd genoeg zijn om van +binnen ons te helpen. Onze macht mogen wij niet verstrooien: blijven wij +overwinnaars in het open veld, dan zullen de burgen van zelf hunne +poorten voor ons openen. Dit is voor alsnu mijn ontwerp; maar deden de +voorvallen mijne gedachten desaangaande veranderen, gij zoudt allen +zonder onderzoek en zonder vertraging mijne bevelen uit te voeren +hebben. Van de macht, welke gij mij heden hebt toegekend, zal ik gebruik +maken met onverbiddelijke strengheid, en degenen die mij gehoorzaamheid +weigeren de straf der landverraders doen onderstaan. Het is noodig tot +het bereiken van ons doel. Zoolang deze oorlog duurt, is uw veldheer +alleen meester ..." + +Eenig gemor liet zich hooren. + +"Mishaagt u deze wet?" vroeg Willem ontevreden. "De vergadering zegge +het mij, en ik verzaak onmiddellijk de zware taak die ik had aanvaard." + +"Neen, neen; leve Willem, onze graaf!" riep men met herhaald gejuich. + +"Wel zoo, gezellen", zeide Willem. "Doen wij nu allen onzen plicht met +vastberadenheid en trouw ... Ik zie in de vergadering velen mijner +vrienden, wien ik te dezer gelegenheid gaarne de hand zou drukken, en +andere gezellen, met welke ik wensch kennis te maken. De Voorman hebbe +de goedheid mij tot hen te geleiden en mij hunne namen te noemen, opdat +ik ze herkenne, als wij te zamen tegenover den gemeenen vijand zullen +staan." + +Na deze woorden daalde hij met den Voorman van de verhevenheid en ging +tusschen de banken, hier minzaam groetende, daar handen drukkende, +overal vriendelijke woorden sprekende en elkeen door eenige aangename +woorden gunstig stemmende. Deze verbroedering tusschen den nieuwen vorst +en de afgevaardigden der Ambachten eenigen tijd geduurd hebbende, +beklom Willem Van Loo opnieuw de trede en sprak: + +"Vrienden, om redenen, welke gij licht zult begrijpen, acht ik het +noodig nu deze vergadering en zelfs de stad Veurne te verlaten In het +Wolvennest-bosch zullen wij elkander wederzien. Daar zullen wij uwe keus +met veel plecht, in tegenwoordigheid van het vergaderde leger, +afkondigen; want dan eerst zullen wij de macht hebben om haar tegen +andersdenkenden te verdedigen. Tot dan houdt alles, wat hier beslist is +geworden, zoo geheim mogelijk. In het Wolvennest zullen wij te zamen +regelen wat nog te regelen is. Hebt betrouwen in onze zaak, gezellen. Ik +heb reeds jaren lang oorlog gevoerd tegen Karel van Denemarken, en hem +bijna overwonnen, alhoewel ik mij slechts door een gering gedeelte der +Kerels geholpen zag. Nu gaat gansch Kerlingaland opstaan tot het +verdedigen zijner vrijheid. Sterk door zulke eendracht, wat zouden wij +vreezen? Wij zijn onverwinnelijk!" + +"Ja, ja, onverwinnelijk! Leve Willem Van Loo, onze graaf!" riep men met +geestdrift van alle kanten. + +"Ik herhaal u nog eens mijne oprechte dankbetuiging voor uw vertrouwen +in mij", zeide Willem. "Blijft in deze zaal, vrienden, en zet vreedzaam +uwe beraadslagingen voort; doch haast u, na afgedane zaken naar uwe +Ambachten weder te keeren, om daar zonder tijdverlies alles te bereiden. +Vaartwel, tot wederziens in het Wolvennest!" + +Eene laatste toejuiching dreunde hem achterna, toen hij de zaal verliet. + +Burchard, die hem alleen volgen zou, doch niet met hem in de straten van +Veurne wilde gezien worden, bleef nog eene wijl met Disdir Vos in stilte +kouten. Dan, naar de deur stappende, ging hij tot Robrecht Sneloghe en +zeide hem met eenen glimlach: + +"De zaken zijn hier niet afgeloopen naar uwen wensch?" + +"Niet gansch, inderdaad", antwoordde Robrecht. "Wat beslist is eerbiedig +ik evenwel en onderwerp er mij aan." + +"En gij zult den nieuwen graaf verkleefd zijn en gehoorzamen?" + +"Zeker, hij is der Kerlen vorst." + +"En gij zult zijne bevelen volbrengen zonder onwil?" + +"Blindelings. Het is mijn plicht. De uitspraak van den Hoop aanvaard ik +als eene onverbrekelijke wet." + +"Alzoo, wij mogen u in het Wolvennest verwachten met de mannen van +Houthem?" + +"En met de mannen van Ravenschoot en nog anderen: te zamen meer dan +vijfhonderd man." + +"Gij zijt een eerlijk en edelmoedig ridder", zeide Burchard, hem de hand +reikende. "Ik zal u in de gunst van onzen graaf bevelen. Nu vaarwel!" + +"Gij ziet wel dat gij u over Robrecht misgrijpt", murmelde hij aan het +oor van Disdir Vos, die deze samenspraak had afgeluisterd "Hij is bereid +om mher Van Loo in alles zelfs blindelings te gehoorzamen." + +Disdir Vos schudde zwijgend het hoofd. + +Na eenen handdruk met hem te hebben gewisseld, verliet Burchard de zaal +en haastte zich, in eene herberg aan het uiteinde der stad, Willem Van +Loo te gaan vervoegen. + +Deze zat reeds te paard met vier andere ruiters, die hem als lijfwacht +hadden vergezeld. Een der ruiters hield een los paard voor Burchard Knap +gereed. + +Zoohaast deze laatste opgestegen was, reed het gezelschap de stadspoort +uit en vervorderde zijnen weg op eenen goeden draf, totdat men Bulscamp +voorbij was en Wulveringhem ging naderen. + +Dan vertraagde Willem den gang van zijn paard en gaf den wapenlieden +bevel om op eenigen afstand achteruit te blijven. + +Hij begon in vol vertrouwen met Burchard te kouten over zijne kiezing +door den Hoop, over den oorlog en over zijne uitzichten voor de +toekomst. Dat de koning van Frankrijk zich met de zaak zou willen +bemoeien en zich in dit geval tegen de Kerels zou verklaren, dit moest +men als mogelijk aanzien; maar Willem Van Loo zou onmiddellijk boden +uitzenden om de hulp des konings van Engeland te verzoeken, en men mocht +verhopen dat er zoohaast mogelijk eene Engelsche vloot in het Swin zou +verschijnen om de Kerels te ondersteunen. De twijfel aangaande de vraag, +welk gedrag de koning van Frankrijk in dezen strijd voor de kroon van +Vlaanderen zou houden, bekommerde mher Willem evenwel zeer. Het Fransche +leger was toch zoo dicht bij de grenzen van Kerlingaland! En +daarenboven, Karel van Denemarken was door vleierij en door slaafsche +onderwerping den koning niet alleen een knecht, maar tevens een +lieveling geworden. + +Ter gelegenheid dezer bedenking, stortte Burchard geheel zijnen haat +tegen Karel van Denemarken uit; hij noemde hem huichelaar, valschaard, +bedrieger en dief; ja, hij zeide dat de gelukkigste dag zijns levens die +zou zijn waarop hij zou vernemen dat die verachtelijke Karel gestorven +of gesneuveld was, en dus eindelijk zijne ziel der helle, waaraan zij +toebehoorde, had overgeleverd. + +Deze taal behaagde Willem Van Loo ten uiterste; want in zijn hart lag +evenveel haat tegen graaf Karel, iets dat genoeg te begrijpen was, +aangezien hij hem kon beschuldigen de kroon van Vlaanderen hem te hebben +ontroofd. + +Nadat zij dus langen tijd waren voortgegaan met gal tegen hunnen +gemeenen vijand te spuwen, zagen zij van verre twee ruiters in vollen +draf hen te gemoet komen. + +Het verwonderde hen in het eerst, maar toen zij meer genaderd waren, +herkende Willem eenen der beide ruiters als zijnen dienaar. + +Deze hield zijn paard voor zijnen meester staan en zeide: + +"Heer burggraaf, ziehier een man die u zoekt; hij komt van Atrecht en +heeft eene haastige boodschap van mher Godevaart Van Belle voor u." + +"Komt gij van het leger? En weet gij wat uwe boodschap behelst?" vroeg +mher Willem. + +"Ik kom van het leger, heer", antwoordde de bode, "maar de tijding die +ik u breng is mij onbekend." + +Dit zeggende, haalde hij eenen gesloten brief van onder zijn kleed, en +reikte hem mher Willem toe, die hem met zekere bekommerdheid opende. + +Wat daarin te lezen stond, moest hem onaangenaam verassen, want hij +scheen te verbleeken. Hij bedwong evenwel onmiddellijk zijne +ontsteltenis en stak den brief in zijne tasch, terwijl hij tot zijnen +dienaar zeide: + +"Rijdt in allerhaast terug naar Loo met den bode; geef hem eten en +drinken. Hij wachte mij daar; ik moet hem spreken." + +Hij deed teeken tot zijne wapenlieden, dat zij achteruit zouden +blijven, zette zijn paard op eenen langzamen stap en sprak dan met eenen +diepen zucht tot Burchard: + +"Noodlottige tijding, mijn vriend: de kroon die ik reeds op mijn hoofd +voelde, ontsnapt mij!" + +"Wat wilt gij zeggen, heer graaf?" mompelde Burchard verschrikt. + +"Weet gij wat dien brief mij meldt? Morgen zal er een leger ridders, met +hunne wapenlieden tweeduizend sterk, allen Isegrims, uit Atrecht +vertrekken, om de Kerels tot het eerbiedigen van het edict over den +balfaart te komen dwingen. Zij zullen onmiddellijk door talrijke benden +wapenlieden te voet worden opgevolgd; met hoe weinig spoed deze ridders +ook reizen, zullen zij in Kerlingaland verschijnen voordat ons leger +vergaderd zij." + +"Maar laat ons in allerijl naar Veurne terugrijden en bevelen dat men de +mannen der Ambachten onmiddellijk tot u zende", antwoordde Burchard. +"Zoo zouden de ridders eenen krachtigen wederstand ontmoeten, en wij +zouden tijd winnen tot het verzamelen onzer heirkrachten." + +"Onmogelijk. De meeste leden van den Hoop hebben Veurne reeds verlaten; +het daglicht vermindert, de avond zal welhaast vallen. En daarbij, wat +zou het helpen? Meent gij dat ik met eenige bijeengeraapte mannen de +kans zou wagen tegen tweeduizend ridders? Eilaas, de hemel is ons niet +gunstig! De Isegrims zullen metterhaast alle burgen en kasteelen +bezetten, en dan zijn onze pogingen op voorhand verijdeld. Ik ben reeds +in zulken ongelukkigen oorlog bezweken. Nu wil ik het zwaarwichtig spel +niet meer wagen, zonder eenige kans op overwinning. Wij moeten plooien +en betere tijden afwachten. Ik zal boden naar alle Ambachten sturen om +voorloopig eene lijdzame onderwerping te doen veinzen." + +Burchard gromde wel in zich zelven en knarste de tanden; maar hij zeide +niets: de erge tijding vervulde hem met angst. + +"De listige, booze Karel van Denemarken!" morde hij eindelijk "Dit +geheele spel van rechtsverkrachting en huichelarij was op voorhand +bestoken!" + +"Ja, Karel van Denemarken is ons te slim!" zeide Willem met eenen +zucht. "Mocht hij van zijn paard storten of op eene andere wijze den +hals breken, dan waren wij van den dwingeland verlost, en de ridders +zelven zouden mij als graaf van Vlaanderen erkennen. Maar dit is eene +ijdele wensch. Het staat daarboven geschreven, dat ik nimmer den troon +mijner vaderen zal beklimmen Waarom langer worstelen tegen het +onverbiddelijk noodlot? Onderwerpen wij ons verduldig. Anders blijft mij +niet meer over ..." + +Beiden zwegen eene wijl, als neergedrukt onder de overtuiging hunner +onmacht. + +Eensklaps slaakte Burchard eenen zonderlingen kreet. Mher Willem zag hem +verwonderd aan. + +"Indien iemand u kwam zeggen: Karel van Denemarken is dood", vroeg +Burchard met verdoofde stem, "zoudt gij den bode gunstig onthalen?" + +"Ik ware bekwaam om hem op mijn hart te drukken!" + +"En zoudt gij hem vragen op welke wijze Karel van Denemarken is +gestorven?" + +"Wat geeft het mij, indien Vlaanderen slechts van den vreemden +overweldiger wordt verlost?" + +"Hoor mij aan met aandacht, heer graaf", sprak Burchard, "en heb +vertrouwen in mij. Vraag mij niets meer, geen enkel woord; laat de +Kerels binnen zes dagen vergaderen op de aangewezene plaats, en wacht op +eene ontzettende tijding van mij. Ik hoop dat gij mij hebt begrepen? Uw +handdruk is mij daarvan een bewijs. Welnu, laat mij vertrekken; ik wil +over Beerst en Thourout naar Aartryke. Daar moet ik zekere Houtkerels +spreken. Morgennacht ben ik in Brugge. Wederhoud mij niet, graaf, het is +nu bijna duister: alles begunstigt mij. Vaarwel!" + +En zonder eenigen anderen uitleg dreef hij zijn paard in eenen aardeweg. +Willem Van Loo, ontsteld en stom, schouwde hem achterna, totdat hij +tusschen de eerste boomen van een klein bosch uit zijn gezicht verdween. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 49: "De _Hoop_ was eene volksvergadering waar men over de +staatsbelangen der bevolking van de Vlaamsche zeegewesten +beraadslaagde." + +VICTOR DE RODE. _Ann. Fl. de Fr._, t. VIII, p. 113.] + +[Voetnoot 50: Dat niemand zich verstoute den eed te zweren, waarmede men +zich pleegt aan de gilden te verbinden. Welke ook de voorwaarden zijn, +dat niemand zich bij eede verplichte tot geldelijke bijdrage, aangaande +de gevallen van schipbreuk of van brand. + +_Capit. Caroli Magni_ a. 779, art. XIV.] + + + + +XII + + +Het was reeds lang duister; in de straten der stad Brugge heerschte eene +volledige stilte. + +Dakerlia, gansch in rouwgewaad, zat voor eene tafel in haren Steen. Bij +de smokige vlam der koperen lamp loste haar bleek gelaat zonderling op +haar zwart kleedsel uit. Van tijd tot tijd rolden er nog eenige tranen +op hare wangen; want ondanks de pogingen harer vriendin Witta, die +nevens haar was gezeten, ontstond het beeld haars vader immer opnieuw +voor hare oogen. Zij hoorde zijnen laatsten noodkreet in hare ooren +klinken; zij zag hem met de doodkramp op de lippen en het kruis op de +borst uitgestrekt liggen; zij zag hoe men te midden van het Mariakerkhof +zijn lijk in het graf nederliet; in haar sidderend hart hergalmde nog +het doffe gebons der aarde, door magen en vrienden als een laatste +vaarwel op de lijkbaar geworpen ... + +Maar hare bedruktheid was rustig geworden en in eene lijdzame mijmerij +veranderd. + +Op eene vertroosting van Witta antwoordde zij met gelatenheid: + +"Lieve vriendinne, waarom toch vermoeit gij u, om mijne droeve gedachten +af te keeren? Het is vruchteloos. Zou ik nu een enkel oogenblik mijnen +armen vader kunnen vergeten? Hem, die mij zoo beminde! Toen op den +noodlottigen dag der afkondiging zijne wonde openscheurde, stuurde hij +mij nog eenen blik toe, zoo vol eindelooze liefde, zoo vol treurnis ... +En ik zou er niet aan mogen denken?" + +"Daar weent gij nu alweder", zeide Witta. "Gij zijt niet redelijk, +Dakerlia. Uw vader is daarboven bij den Heer. Hij ziet ons ongetwijfeld. +Meent gij dat het zijne zalige ziel verblijden kan dat gij u ziek +maakt?" + +"Eilaas, ik weet het wel, Witta, en ik zeg het mij zelve genoeg, dat +tranen dit schromelijk ongeluk niet kunnen herstellen; maar tranen +verlichten mijne smart. Mettertijd zal ik allengs wat moed +terugvinden.... Morgen, niet waar? Morgen zeer vroeg zullen wij naar het +kerkhof gaan en langer nog dan heden op zijn graf bidden?" + +"Zoolang gij wilt, Dakerlia; maar spreken wij nu van andere dingen." + + +[Illustratie: Willem Van Loo ontsteld en stom schouwde hem achterna] + + +"Van wat kunnen wij spreken?" + +"Van mijnen broeder." + +"Ja, van Robrecht. Hij insgelijks is ontroostbaar. Zijn medelijden met +mijne smart is oneindig. Toen hij dezen namiddag hier met u was, kon hij +nauwelijks spreken, omdat ik mij door de smart liet overwinnen. Hij zou +mij willen troosten en schijnt geene rust meer te hebben ..." + +"Zeker, zijn verdriet is groot; maar dit is het niet", bemerkte Witta +met verdoofde stem. "Wat hem onrustig maakt en hem aanjaagt is een +geheim, dat hem op het hart ligt." + +"Een geheim?" + +"Ziet gij, Dakerlia, hij is dezen nacht van Veurne wedergekeerd Toen ik +in den vroegen morgen, zonder u te wekken, dezen Steen verliet, om ten +onzent bevelen tot den huisdienst te gaan geven, vond ik mijnen broeder +reeds beneden met het hoofd in de handen en diep in gedachten verzonken. +Ik vroeg hem wat men in den Hoop te Veurne heeft verricht; maar hij gaf +mij afwijkende antwoorden. Ik ken hem, en het was mij gemakkelijk te +raden dat eene zeer gewichtige zaak hem bezighoudt ... Gij luistert +niet, Dakerlia; gij denkt weer aan droeve dingen ..." + +"Ach, neen", zuchtte jonkver Wulf, "ik luister ... Welke zaak zou hem +bezighouden? Het is te vermoeden, Witta. De Hoop te Veurne heeft kennis +genomen van het edict op den balfaart. Misschien heeft men daar +besloten, zooals de kastelein Hacket het moest voorstellen, nederige +pogingen bij den graaf aan te wenden om het onrechtvaardig edict te doen +intrekken. Dit slaat Robrecht met spijt en droefheid; want zoo leidt men +de Kerels naar de eindelijke slavernij. Het is zijn gevoelen, en hij +heeft gelijk." + +"Ik geloof dat gij u misgrijpt", wedervoer jonkver Sneloghe, "want toen +ik hem dezen morgen van den balfaart sprak en de Kerels beklaagde, +ontschoot eensklaps eene vonk van verontwaardiging zijnen oogen, en met +eenen spotlach op de lippen, riep hij uit: "De balfaart? Nooit, nooit!" +Hij bedwong zich even ras en ging morrend uit de kamer, alsof hij +onwillig iets van het groote geheim had laten ontsnappen ... Gij zwijgt, +Dakerlia. Begrijpt gij niet wat ik zeg? Immer dit treurig droomen!" + +"Ik begrijp", antwoordde jonkver Wulf. "Ach, indien mijn goede vader nog +leefde! Hij wiens heldenmoed men roemde! Maar hij kan de vrijheid niet +meer verdedigen; hij ligt in het koude graf." + +"Wees zeker, Dakerlia, het gaat oorlog worden." + +"Misschien." + +"Neen, twijfel er niet aan: mijn broeder heeft heden zijne beste +wapenrusting overzien, en ze op eenen wagen bedektelijk naar Ravenschoot +doen voeren. Dit beduidt toch wel iets, meent gij het niet?" + +En zoo, waarschijnlijk haar eigen vermoeden overdrijvend, spande de +goede Witta alle mogelijke pogingen in om de gepeinzen harer vriendin +van den dood haars vaders af te wenden. Het gelukte haar slechts bij +poozen de aandacht van Dakerlia voor een oogenblik te vestigen, doch zij +hield niet op en zette met vindingrijken geest hare liefdetaak voort, +totdat het uur om ter rust te gaan was verschenen. Sedert het overlijden +van Segher Wulf, sliep zij in Dakerlia's woning, om hare arme vriendin +nimmer alleen aan hare treurnis overgeleverd te laten. + +Zij ontstak eene kaars en zeide: + +"Nu, Dakerlia, wij hebben lang genoeg gewaakt. De nachtrust versterkt +den mensch. Wij zullen boven nog wat bidden." + +Maar nu werd de deur der kamer geopend, en Robrecht Sneloghe trad +binnen. + +Hij ging tot zijne verloofde, drukte haar teederlijk de handen en sprak +eenige zoete troostende woorden tot haar. + +Na eene wijl stilte zeide hij zeer ernstig: + +"Dakerlia, en gij, mijne zuster, ik bid u, luistert met aandacht op wat +ik u ga melden. Morgen vroeg vertrek ik uit Brugge. Het is mogelijk dat +er vele dagen, dat er weken verloopen voordat gij mij wederziet." + +"O, hemel, gij verlaat ons!" kreten de beide jonkvrouwen te gelijk, met +angstige verrassing. + +"Blijft zonder de minste vrees", ging Kobrecht voort. "Ik heb alles +voorzien en geschikt, opdat geen gevaar in mijn afwezen u bedreige. +Trouwe, verkleefde dienaars zullen waken over uwe rust. Gebeurde er iets +in de stad of in het land, dat u om meerderen steun of om eene veiligere +schuilplaats deed wenschen, gaat naar den burg. In den Steen van mijnen +oom Hacket zijn kamers voor u en voor uwe dienstmeiden in gereedheid +gebracht. De proost van St-Donaas zal u onder zijne bescherming nemen en +u dagelijks meer dan eens bezoeken." + +De beide jonkvrouwen zagen hem met verschriktheid aan. + +"Het wordt dus oorlog?" vroeg Dakerlia. + +"Het geheim van den Hoop moet elkeen heilig zijn, die het kent", +antwoordde Robrecht. "Poog dus niet van mij te weten waarom ik u ga +verlaten." + +Dakerlia en Witta begonnen te weenen, doch zonder klagen. + +"Ik begrijp en ik gevoel wel aan mijn eigen hart dat dit onverwacht +vaarwel u moet bedroeven", zeide Robrecht, "maar troosten wij ons, in de +gedachte dat ik waarschijnlijk binnen weinige dagen hier reeds terug zal +zijn. Hoe het weze, in deze erge tijden, moet elk onzer zijne rust en +zijne pogingen ten offer brengen voor de vrijheid. Aarzelen is eene +lafheid, weigeren, zelfs door eenen geheimen wensch des harten, is eene +misdaad. Ik mag dus met recht verwachten dat noch mijne verloofde, noch +mijne zuster het zullen afkeuren dat ik, als trouw lid van het Gilde, +mijnen plicht vervul. Gij zijt Kerlinnen en gij bemint uw land!" + +Deze strenge woorden brachten eenen plotselijken ommekeer in het gemoed +der jonkvrouwen. Witta stortte nog eenige tranen, ofschoon zij zichtbaar +geweld deed om haren angst te bedwingen. Dakerlia hief het hoofd met +fierheid op, en terwijl een vreemde glimlach op hare lippen verscheen, +zeide zij: + +"God dank, ja, wij zijn Kerlinnen, en zullen toonen dat zelfs de diepste +smart ons het niet kan doen vergeten! Ga, Robrecht, ga waar de plicht u +roept. Wij zullen bidden voor u en voor Kerlingaland en met vertrouwen +afwachten wat het lot zal beslissen ... Gij vertrekt morgen zeer vroeg! +Voor zonsopgang?" + +"Neen, ik zal den klaren dag afwachten; mijn vertrek is niet zoo +haastig." + +"Welnu dan, mijn vriend, waarom zoudt gij nog dezen avond afscheid van +ons nemen? Is er iets dat u belet ons morgen vaarwel te komen wenschen, +wij onderwerpen ons gereedelijk; maar anders zullen wij zeer vroeg +opstaan. Kan het zijn, gun ons nog dit geluk." + +"Het zij zoo, Dakerlia", antwoordde de jonge ridder. "Blijft dus met God +tot morgen." + +Door zijne verloofde gevolgd, richtte hij zich naar de deur. + +Hier drukte hij nog teederlijk hare handen, neigde zijn hoofd over haren +schouder en murmelde aan haar oor: + +"Wees tevreden, Dakerlia, wij gaan uwen vader wreken! Ik zal aan u +denken altoos; uw beeld zal mijne star zijn; de vijand, terwijl hij valt +onder mijn zwaard, zal terzelfdertijd uwen naam en den naam uws vaders +hooren. Houd dit geheim!" + +De maagd wierp eenen diepen blik in zijne oogen en antwoordde: + +"Dank, dank, mijn vriend, doe uwen plicht!" + +"Goeden nacht, zuster, tot morgen." + +Met deze woorden verliet hij de zaal. + +Toen hij op het neerhof kwam, vroeg de schalk, die hem de poort opende, +of hij mher Sneloghe niet met licht zou vergezellen; want het was zoo +donker op de straat dat men de huizen niet kon ontwaren. + +Robrecht weigerde dezen dienst; zijn Steen toch was slechts eenige +stappen verwijderd. + +De schalk sloot dus de poort achter hem en stak de grendels in. + +Terwijl Robrecht nu over de straat stapte en zijne woning naderde, +scheen het hem dat eene menschenschaduw langs den muur voortsloop en +naar hem toekwam. Hierover verwonderd, bleef hij staan, legde de hand +aan het gevest van zijn zwaard, liet den onbekende naderen en vroeg dan +met verdoofde stem: + +"Vliegt de Blauwvoet?" + +"Storm op zee!" antwoordde de schaduw zonder aarzelen. + +"Mijn oom Hacket! Gij hier op dit uur?" + +"Stil!" fluisterde de kastelein, "ik kwam u opzoeken in uwen Steen. Ik +heb eene boodschap u te vertrouwen." + +"Het is een wonder dat ik nog niet slapen ben." + +"Ik hadde bevel gegeven om u te wekken, mijn neef. Nu, doe de poort +openen." + +Robrecht klopte op eene hem gewone wijze, en schier onmiddellijk kwam er +een schalk achter de poort staan. + +"Zijt gij het, mher Sneloghe?" vroeg hij. + +Op het bevestigend antwoord werd Robrecht met zijnen oom binnengelaten. + +Beiden begaven zich in eene zaal, waar eene brandende lamp aan het +gewelf hing. De kastelein sloot de deur langs binnen, trok eenen +gezegelden brief uit zijne tasch, en dien den jongen ridder toereikende, +zeide hij: + +"De proost is niet van zijn voornemen af te brengen. Nadat gij ons hadt +verlaten, is hij er weder op teruggekomen en heeft eindelijk, ondanks +mijnen raad, besloten toch eenen brief aan Willem Van Loo te schrijven. +Dien brief zult gij hem overhandigen De proost verzoekt u de boodschap +op uwe borst te verbergen; want, werd zij door 's graven lieden verrast, +onze vijanden zouden het geheim van den Hoop geheel kennen." + +"Heb geene vrees: ik zal de boodschap trouw volbrengen. Mag ik weten, +oom, wat de brief behelst?" + +"Gij kunt het wel vermoeden. Mijn broeder dringt bij Willem Van Loo op +alle wijzen aan, om hem de vijandelijkheden te doen uitstellen, zelfs +dan nog wanneer het Kerlenleger zal vergaderd zijn. Hij laat hem weten +dat onze graaf Karel het oor schijnt te willen leenen aan het voorstel +om hem eene aanzienlijke bede uit den Gildenschat toe te staan." + +"Maar mijn oom de proost bedriegt zich!" riep Robrecht met ongeduld. +"Veinst men aan het hof van goeden wil te zijn, het is slechts om tijd +te winnen en ons in slaap te wiegen!" + +"Zoo denk ik er nu insgelijks over, gij weet het, neef. Daarom evenwel +moogt gij mij niet weigeren den brief aan Willem Van Loo af te geven. +Hij kan dan nog beslissen wat hij wil." + +"Inderdaad, oom. Ik zal doen wat de heer proost verlangt." + +"Hij verzoekt u daarenboven zijne voorstellen bij Willem te ondersteunen +en alle mogelijke pogingen aan te wenden om hem te doen aanvaarden." + +"Dit kan ik niet", zeide Robrecht ontevreden. "Ik weiger volstrekt deze +zending. Volgens mijne vaste overtuiging valt er niet meer te aarzelen. +De omstandigheden schijnen ons zeer gunstig; men moet zonder omzien er +gebruik van maken. Bij al dit omzien en dralen verliezen wij den moed en +worden de Kerels hunnen vijand ten spot. Mijn oom de proost weet wel dat +ik daarover van een geheel ander gevoelen ben dan hij." + +"Doe naar uw goeddunken, neef." + +"Maar zeg mij, ik bid u, kastelein, kent gij den inhoud van den brief +dien ik dragen ga?" + +"Ja, ik heb hem gelezen." + +"Hoe noemt de proost daarin mher Willem?" + +"Hij noemt hem burggraaf." + +"Maar het is gevaarlijk; met allen eerbied voor mijnen oom zou ik schier +durven zeggen dat hij zijnen gildeneed ontrouw is. De Hoop heeft te +Veurne beslist dat al de Kerels Willem Van Loo als graaf van Vlaanderen +zullen erkennen. Waarom weigert de proost hem graaf te noemen?" + +"Gij weet het, Robrecht," antwoordde de kastelein, de schouders +ophalende. "Mijn broeder heeft zich, in den vorigen oorlog voor de +kroon, tegen mher Willem verklaard. Er bestaat tusschen hen, van +wederzijde, een verborgene, doch diepe wrok. Het bedroeft hem oneindig +dat men in den Hoop zulke gevaarlijke beslissing heeft genomen." + +"En bedroeft het mij niet, oom? Maar de onderwerping aan de besluiten +van den Hoop is eene heilige wet, waarvoor alle Kerels, grooten en +kleinen, moeten bukken. Mher Willem, de graaf van Vlaanderen,--zoo noem +ik hem--zal, bij het lezen van den brief, verbitteren, wanneer hij zal +zien dat de proost weigert hem als graaf te erkennen." + +"Ik heb er geene schuld aan, Robrecht; de proost heeft mijnen raad niet +willen volgen. Hij kan er niet toe besluiten, mher Willem nu reeds als +vorst te begroeten. Hij zal het later doen. Gij kondet de graaf +uitleggen dat de proost nog geene bijzondere tijding over de +verrichtingen van den Hoop heeft ontvangen." + +"Het zij zoo, ik zal mijnen oom pogen te verontschuldigen ... Maar +indien graaf Willem den proost eenige bevelen zendt, zal hij +gehoorzamen?" + +"Zonder twijfel, Robrecht. Wat mij betreft, ik verzoek u, mher Willem te +melden, dat ik alles geheimelijk in gereedheid breng om den burg van +Brugge voor de Kerels te behouden, en ik zijne bevelen afwacht om, waar +het zijn kan, ze getrouwelijk te volbrengen. Blijf nu in vrede, mijn +neef, en vergeet niet, wanneer gij in het leger zijt, ons zoo dikwijls +als het mogelijk is tijding van u te zenden. Goeden nacht en goede +reis!" + +Robrecht vergezelde zijnen oom tot buiten de poort van den Steen. Dan +keerde hij terug naar de zaal, legde zijn zwaard af en zette zich neder, +met den elleboog rustend op de tafel en de oogen onvast in de ruimte +gericht. + +Hij overwoog het zonderling gedrag van zijnen oom Bertulf en voorzag dat +uit den verborgen haat, dien hij en Willem Van Loo elkander toedroegen, +nog ongelukkige verwikkelingen voor de Erembalds en misschien voor +Kerlingaland konden ontstaan. + +Dien dag was Disdir Vos op den burg gekomen en had lang met den proost +over de beslissingen van den Hoop gesproken. De oude Bertulf had zijne +ontevredenheid en zijnen afkeer van mher Willem niet verborgen. Indien +de nieuwe graaf door Disdir Vos of door iemand anders daarvan kennis +kreeg, zou hij dan niet de Erembalds vijandig worden? De proost, anders +zoo wijs en zoo voorzichtig, liet zich nu door een gevoel van haat +verblinden. + +Terwijl mher Sneloghe daar bij de tafel zat en in verslondenheid den +gevaarlijken toestand der zaken overdacht, stonden achter St-Janskapelle +twee mannen, die in stilte doch met zekere driftigheid van hem spraken. + +Nevens den muur der kapelle, was de duisternis nog dikker; geen mensch +hadde kunnen zien dat iemand zich daar bevond; evenwel hadde men ze +kunnen hooren, want zij spraken zeer stil. + +"Nu, waarom wijkt gij terzijde? Waarom blijft gij staan?" vroeg de eene. + +"Zeg wat gij wilt", antwoordde de andere, "zoo sla mij Thors hamer, +indien gij ons niet eene gevaarlijke dwaasheid doet begaan!" + +"Maar, neen", wedervoer de eerste fluisterende. "Het is tot het bereiken +van ons doel volstrekt noodig dat Robrecht Sneloghe ons helpe." + +"Hij zal weigeren." + +"Geenszins." + +"Hij eerbiedigt te veel zijne ooms, en dezen schrikken terug van alle +krachtdadigheid." + +"Dit is grondig veranderd. Robrecht staat op tegen zijne ooms en +beschuldigt ze van lauwheid en ontrouw. Ik heb hem dezen morgen luidop +tegen den proost hooren roepen dat hij, Robrecht, voor niets meer +achteruitwijken wil en bereid is, met blinde onderwerping onzen nieuwen +graaf te gehoorzamen; ja, dat hij voor hem zonder aarzelen goed en bloed +zal ten offer brengen." + +"En evenwel kan ik het niet uit mijn hoofd krijgen dat wij eene domheid +begaan." + +"Gij hebt mijne redenen goedgekeurd, gij en onze vrienden. Waarom dwingt +gij mij nu ze alweder te herhalen? Wat wij gaan ondernemen belaadt ons +met eene schromelijke verantwoordelijkheid. Om te beletten dat de +proost en de kastelein zich tegen ons keeren, moeten wij mher Sneloghe +met ons doen samenspannen en samenwerken. Zoo zullen dan de hoofden der +Erembalds, uit verkleefdheid en liefde voor hem, ons allen beschermen en +verdedigen Zeg Robrecht, dat onze graaf het beveelt of verlangt, en gij +zult zien dat hij onmiddellijk zal toestemmen. Of twijfelt gij daaraan?" + +"Ik weet waarlijk niet", gromde de andere, half schertsende, "waarom gij +zoo vurig en zoo onverwinnelijk aandringt om Robrecht deel aan onze +onderneming te geven. Ik zou haast gaan denken dat gij de zaak voor eene +gevaarlijke halsbrekerij aanziet, en daarom mher Sneloghe het spel wilt +doen wagen. Uit genegenheid zeker niet, gij haat hem." + +"Neen, ik heb alle vijandschap afgelegd. Geene andere beweegreden drijft +mij aan dan alleenlijk de voorzorg om het gelukken onzer poging, ook na +den slag, te verzekeren." + +"Welaan, het zij dan zoo. Wij zullen zien hoe hij het voorstel onthaalt. +Aanvaardt hij het, hij zal zijn woord getrouw blijven tot het einde. +Daarvan ten minste mogen wij zeker zijn. Gedragen wij ons evenwel +voorzichtig met hem. In zijnen Steen zullen wij hem het ontwerp niet te +kennen geven. Als hij Willem Van Wervick, Isaac Van Reninghe en Ingelram +Van Eessen ziet, zal hij beter gelooven dat de zaak niet roekeloos door +mij wordt gewaagd ... Kom nu, laat ons gaan, maar zwijgen wij!" + +Zij stapten met looze treden de St-Jansstraat in, keerden achter den +hoek der Ridderstraat, en slopen dan voort door de onpeilbare duisternis +tot voor de poort van sher Robrechts Steen. + +Een hunner liet den ijzeren klopper driemaal met zekere berekende +tusschenpoozen nedervallen. + +Dewijl men daarbinnen nog waakte, kwam schier onmiddellijk een schalk +achter de poort staan. + +"Wie daar?" riep hij door het kijkgat. + +"Spreek stil", werd hem geantwoord. "Ga, zeg uwen meester dat vrienden +hem wenschen te spreken. Hij kome zelf om ons te herkennen." + +Na eene korte wijl vroeg hem eene andere stem: + +"Vliegt de Blauwvoet?" + +"Storm op zee!" antwoordde een hunner. "Doe ons open, Robrecht." + +"O, mijn God, Burchard!" morde iemand achter het kijkgat. + +"Stil, stil, en ontsluit de poort!" + +Robrecht opende metterhaast en leidde de twee ontijdige bezoekers zonder +spreken tot in de zaal, welke hij zooeven had verlaten. Hij sloot de +deur en zeide met verrassing: + +"Burchard, gij hier! Vreest gij dan niet voor uw leven? Indien men u +herkende!" + +Burchard antwoordde schertsend: + +"Zonderlinge vraag op het oogenblik dat wij allen lijf en have voor de +vrijheid van Kerlingaland gaan wagen! Vreest mijn vriend Disdir Vos +eenen banneling in de straten van Brugge te vergezellen? De tijd is +gekomen dat elke Kerel moet spotten met den dood!" + +"Het is waar", bevestigde Robrecht. "Gij hebt mij ongetwijfeld iets +bijzonders te melden, heeren; want zoo, te midden van den nacht, bezoekt +men toch zijne vrienden niet zonder gewichtige redenen." + +"Ik kom vanwege den graaf van Vlaanderen tot u." + +"Vanwege graaf Willem!" kreet Robrecht twijfelende. + +"Vanwege den eenig wettigen graaf van Vlaanderen", herhaalde Burchard +met nadruk. "Gij weet het, of anders maak ik het u bekend, ik geniet +gansch zijne gunst en ben zijn vertrouweling. Hij heeft mij met eene +moeilijke onderneming belast. Wat ik u kom vragen, Robrecht, is of gij +bereid zijt, op mijn verzoek en ten dienste van Kerlingaland, alles te +wagen, zelfs uw leven." + +"De vraag is kwetsend!" morde de jongeling. + +"Hij heeft gelijk", zeide Disdir Vos. "Gaf mher Sneloghe ooit iemand +recht om aan zijne onversaagdheid te twijfelen? In deze zaak is eer en +roem te behalen. Hoe zou hij kunnen weigeren?" + +"Nu, laat ons klaar zijn; de tijd is kostelijk", viel Burchard hem in de +rede. "Ziehier, Robrecht, waarom wij tot u gekomen zijn. Iemand heeft +onzen graaf Willem een ontwerp medegedeeld dat, kan het uitgevoerd +worden, de vrijheid der Kerels voor altijd moet redden en waarschijnlijk +den oorlog nog zal voorkomen. In alle geval zal het de macht onzer +vijanden eenen ontzaglijken slag toebrengen. De graaf heeft dit ontwerp +goedgekeurd en mij belast in Brugge eenige moedige ridders op te zoeken +om het uit te voeren. Het is een moeilijk waagspel, dit wil ik u niet +verbergen; er is onversaagdheid, zelfs vermetelheid toe noodig. Ik heb +gedacht, Robrecht, dat ik, naar manhaftige ridders zoekende, het recht +niet had u te vergeten." + +Robrecht stapte naar eenen hoek der zaal en zeide: + +"Ik trek mijn maliehemd aan; want men kan ..." + +"Neen, neen, nuttelooze voorzorg", onderbrak hem Burchard; "de +onderneming is niet voor heden. Nu gaan wij slechts naar eene +vergadering van vrienden, die op u wachten om te beraadslagen over de +beste middelen tot gelukken. Daar zal men u kennis geven van het +ontwerp. Binnen een uur zijt gij hier terug." + +"Welaan, ik volg u, heeren", zeide Robrecht, terwijl hij zrijn zwaard +aangordde. "Gij twijfeldet aan mijne bereidwilligheid? Is er waarlijk +eene poging, hoe vermetel ook, ten voordeele van Kerlingaland te +beproeven, ik zal u toonen dat niets mij kan doen aarzelen; integendeel, +ik ben u innig dankbaar omdat gij in zulke omstandigheid aan mij hebt +gedacht." + +"De graaf weet dat gij van de onzen zult zijn. Hij zelf duidde u aan." + +"Hoe is het mogelijk, Burchard? Kent hij mij?" + +"Wie kent u niet onder de ridders van Kerlingaland?" + +"In alle geval, ik zal bewijzen dat ik zijn vertrouwen waardig ben. +Vertrekken wij!" + +Toen zij bij de poort waren en in de straat zouden stappen, fluisterde +Burchard: + +"Zwijgt nu en volgt mij. Langs de St-Jansstraat mogen wij niet gaan. +Laat ons afdalen tot op de Spiegelrei: daar is de weg gansch eenzaam." + +Na eenigen tijd door de duisternis te hebben voortgeslopen, kwamen zij +in de Grauwwerkersstraat voor eenen grooten Steen, waarvan de poort op +een enkel teeken van Burchard werd geopend. + +Men leidde Robrecht over den neerhof tot in eene zaal, die in de diepte +van het gebouw was gelegen. + +Burchard sloot de deur en stak bedektelijk den sleutel in zijne tassche. + +Hier zaten rondom eene tafel drie ridders, die Robrecht kende als zeer +manhaftige Kerels, en wier ouderdom en goede faam hem een vol betrouwen +in hunne oprechtheid moesten inboezemen. Het waren Ingelram Van Eessen, +Isaac Van Reninghe en Willem Van Wervick. + +Deze ridders betuigden eene groote blijdschap bij de intrede van +Robrecht; zij stonden van hunne zetels op, gingen hem te gemoet en +drukten hem de handen, met allerlei vleiende bewoordingen hem lovende +voor zijne bereidwilligheid. + +Het was bovenal Isaac Van Reninghe, die meer dan anderen prijs aan de +tegenwoordigheid van mher Sneloghe scheen te hechten. + +"Maar, heeren", vroeg Robrecht met eenige spijt in de stem "twijfeldet +gij aan mijnen moed?" + +"In het geheel niet", antwoordde Willem Van Wervick, "maar het ontijdig +uur, de bijzondere, de ongewone aard onzer onderneming ..." + +"Hoe het zij, heeren", morde Robrecht, "ik zal mij wreken over uw +mistrouwen, door u te toonen dat ik niet gierig ben op mijn bloed." + +"Het is Burchard die ons wilde doen gelooven dat gij niet zoudt komen", +bemerkte Isaac. + +"Mher Sneloghe is tot nu toe toe min of meer van het gevoelen zijner +ooms geweest", zeide Burchard, "die gelooven dat men Kerlingaland kan +redden met voor zijne dwingelanden te knielen en om genade te smeeken. +Heb ik mij aangaande mijnen vriend Robrecht misgrepen, het verheugt mij, +en ik wensch hem uiterharte geluk. Nooit heb ik aan zijne dapperheid +getwijfeld." + +"Mij toch kan mher Sneloghe niet beschuldigen", riep Disdir Vos. +"Getuigt het, heeren, dat ik van den beginne af mij borg heb gesteld +voor zijnen moed en zijne bereidwilligheid." + +"Ik dank u, Disdir", murmelde Robrecht, zonder eenig mistrouwen de hand +van zijnen geheimen bloedvijand drukkende. + +"Nu, zitten wij neder, heeren", sprak Ingelram Van Eessen. "Deze +betwisting is overbodig: onze blijdschap over de tegenwoordigheid van +mher Sneloghe moet hem bewijzen hoe wij allen hem liefhebben en +eerbiedigen. Gaan wij over tot de zaak welke ons hier doet vergaderen." + +En toen allen gezeten waren, hernam hij: + +"Is mher Sneloghe bereid om met ons de handen te zamen te leggen, als +eenen eed van getrouwheid jegens elkander, en als eene belofte dat hij +verborgen zal houden wat hij hier gaat vernemen?" + +"Ik ben er toe bereid", antwoordde Robrecht. "Ziedaar mijne hand, +heeren; ik beloof u te helpen als een trouw gezel, en verbind mij tot +het geheimhouden van alwat ik hier kan vernemen." + +Allen stonden op en traden in het midden der kamer, waar zij met +Robrecht de handen te zamen legden. Dit was onder de Kerels de vorm van +den duursten eed, en daardoor verbonden zij zich te gader en elk jegens +al de anderen tot het trouw vervullen der aldus bezworene beloften. + +Ieder nam weder zijne plaats bij de tafel. + +"Nu gaat gij alles weten, mher Sneloghe", zeide Ingelram Van Eessen. "De +verklaring der zaak eischt niet veel woorden. Tweeduizend ridders, +gevolgd door talrijke benden wapenknechten zijn uit Atrecht vertrokken +om ons het slavenjuk te komen opdwingen. Dit leger zal te Yperen zijn +voordat de Kerels der Ambachten in het Wolvennestbosch kunnen +vergaderen. Kerlingaland is dus beslissend verloren, indien wij het niet +redden door eenen stouten slag. Met goedkeuring van onzen graaf en +veldheer Willem Van Loo, gaan wij dien slag wagen. Overmorgen, in den +namiddag, geeft Karel van Denemarken eenen grooten maaltijd ter eere der +twee gezanten, die vanwege den Keizer aan zijn hof zijn gekomen. +Natuurlijk zullen de voornaamste Isegrims, de gezworene vijanden der +Kerels, aan den disch zitten. Het feestmaal zal lang duren; de dagen +zijn kort; het wordt vroeg donker. Welnu, een vijftigtal onbevreesde +Houtkerels, meer, indien het noodig is, wachten slechts een bevel van +ons, om bedektelijk in de stad te vergaderen. Wij stellen ons aan hun +hoofd, sluipen, door de duisternis begunstigd, op den burg, stormen in +de feestzaal, vallen op de Isegrims en dooden al de dischgenooten, +behalve de afgezanten des Keizers ..." + +"En de graaf?" morde Robrecht ontsteld. + +"Onze eerste slag is voor Karel van Denemarken; hij vooral moet sterven, +de dwingeland!" + +Mher Sneloghe sprong recht; hij was bleek en scheen te beven. + +"Maar het is een sluipmoord, eene afschuwelijke misdaad!" riep hij uit. +"En gij hoopt dat ik mijne handen zal doopen in het bloed van vorst +Karel? Bij verrassing? als een struikroover die nederstort op een +weerloos slachtoffer? Nooit! nooit!" + +"Uw eed; gij zijt verbonden!" kreet Burchard. + +"Gij hebt mij bedrogen, door listige woorden mij verleid", wedervoer +Robrecht. "Het is eene snoodheid. Ik moodenaar? Ha, nu begrijp ik uw +mistrouwen en ik roem er op! Ja, heeren, gij waart rechtvaardig jegens +mij, toen gij vreesdet dat ik zou weigeren deel te maken van zulk +gruwelijk verbond." + +"Gij hebt gezworen en zijt slaaf van uwen eed!" zeide Ingelram Van +Eessen. + +"Dien eed hebt gij door vuige list mij ontrukt. Ik verbreek hem. Hoe? +Gij komt mij vragen of ik bereid ben mijn leven voor de vrijheid van +Kerlingaland te wagen ... en nu eischt gij dat ik het helpe vermoorden +door de schandelijkste euveldaad?... Ja, vermoorden! De gansche wereld +zal tegen ons opstaan; de Kerels der Ambachten zelven zullen +terugschrikken; de wapens zullen hunne handen ontvallen; uit schaamte +zullen zij het hoofd buigen en moedeloos het juk aanvaarden, als eene +rechtvaardige straf der ijselijke misdaad!..." + +"Gij hebt te Veurne onzen graaf Willem eene blinde gehoorzaamheid +beloofd", zeide Burchard. + +"Ha, daarin bestaat vooral uw bedrog", wedervoer Robrecht met +verontwaardiging. "Gij wilt mij doen gelooven dat graaf Willem dezen +moord goedkeurt? Welnu, het is niet waar, het kan niet waar zijn! Gij +lastert hem. Hij zou u geboden hebben Karel van Denemarken te dooden? +bij verrassing? als laffe sluipmoordenaars?" + +"Het vonnis is geveld, Karel moet sterven!" gromde Willem Van Wervick. + +"Welnu, neen, hij zal niet sterven!" riep Robrecht met kracht. "Uw +afschuwelijk opzet wil ik beletten. Morgen vroeg reeds zal de proost van +St-Donaas weten wat hier is beraamd ... en, moest ik zelf tot graaf +Karel gaan om hem te waarschuwen, ik zou niet terugtreden voor zulke +daad!" + +Isaac Van Reninghe was opgestaan en legde nu den arm over Robrechts +schouder. + +"Kom, mijn vriend, bedaar toch; gij dwaalt", zeide hij. "Er is geen +ander middel meer om Kerlingaland voor eeuwige slavernij te behoeden. +Karel van Denemarken is de valschte mensch der wereld, hij verdient +honderdmaal den dood. Wees beter beraden; aanvaard de dwingende +noodzakelijkheid." + +Robrecht, door eene plotselijke gemoedsomkeering ontroerd, stiet +langzaam den arm van sher Ingelram terug, aanschouwde met diepe +droefheid de andere ridders en hief de handen als eene klacht ten hemel. + +"Wat? Tranen in zijne oogen!" schertste Willem Van Wervick "Hij bemint +wel vurig den dwingeland, dat de gedachte zijns aanstaanden doods hem +doet weenen[51]!" + +"Ik ween, ja", antwoordde Robrecht, "van afgrijzen, van medelijden! +Mijne tranen vlieten over Kerlingaland, dat gij ten prooi gaat geven aan +de vermaledijding der gansche Christenheid; over u, die u zelven en de +Kerels gaat bevlekken met eeuwige schande ..." + +Hij meende te bemerken dat Disdir Vos en Isaak Van Reninghe hem met min +onwil dan hunne gezellen aanhoorden. Dit boezemde hem eenige hoop in. +Hij trad een paar stappen vooruit en sprak biddende: + +"Ach, vrienden, hoort mijnen raad aan! Gij zijt de speelbal van den +boozen geest, die u met verblindheid slaat. Karel van Denemarken eenen +koningszoon, eenen telg onzer graven, vermoorden laffelijk, bij verraad? +O, ik smeek u, doet het niet! Het is nog tijd; keert terug op uw +noodlottig besluit. Ik bezweer u, doodt toch niet zoo uitzinnig onze +vrijheid en ons vaderland!" + +"IJdele woorden, wat besloten is zal uitgevoerd worden!" antwoordde +Ingelram met somberen toon. "Al haddet gij gelijk in uwe voorspelling, +Kerlingaland is toch verloren. Welnu, het verga veeleer gewroken dan +machteloos en vernederd. Noodlottige gedachte die ons deed besluiten de +hulp te vragen van iemand wien de sterkmoedigheid ontbreekt om den +reddenden slag te wagen!" + +"Alles wil ik wagen, alles wil ik opofferen voor de vrijheid", sprak +Robrecht, fier het hoofd verheffende, "Met blijdschap zou ik sterven +voor Kerlingaland ... in den oorlog, tegen gewapende vijanden, als een +man, als een ridder. Maar weerlooze menschen gaan vermoorden, terwijl +zij aan tafel zijn gezeten? Het denkbeeld zulker lafheid alleen doet mij +sidderen van schaamte ... Gij blijft bij uw afschuwelijk besluit? Welnu, +worstelt dan tegen mij; ik ben uw vijand, ik zal uw verfoeilijk opzet +verijdelen! Neen, neen, gij zult ons dierbaar Kerlingaland niet met u +nederstorten in eenen afgrond van vermaledijding en schande. Hoopt niet +Karel van Denemarken te treffen: Kerels, zoo onversaagd als gij, zullen +waken rondom hem. Vaartwel, ik wil niets gemeens meer hebben met +moordenaars!" + +Deze stoute taal trof al de aanhoorders met verbaasdheid. Ingelram Van +Eessen raasde als een dolzinnige, en sprak van niets min dan van +Robrecht het hoofd te klooven, om hem te beletten zijne eedgenooten te +verraden. Isaac Van Beninghe had veel moeite om hem te wederhouden van +zijn zwaard te trekken. Wat Burchard Knap betreft, wonderlijk genoeg, +die scheen te droomen en zeide niets. + +Onderwijl was mher Sneloghe naar de deur der zaal gegaan en meende deze +te openen; maar hij vond ze gesloten. + +Daar stond hij nu, de andere ridders met vlammende oogen en met eenen +grijns van misprijzen te bezien. + +"Beloof ons ten minste dat gij ons geheim zult bewaren", zeide Isaac Van +Reninghe. + +"Neen, neen", kreet Robrecht zeer aangejaagd, "integendeel, ik zal het +openbaren! Uwe namen zal ik verzwijgen; maar vorst Karel doen +verwittigen, daarvan weerhoudt mij niemand!" + +"Zijt gij dan een verrader? een verborgen vijand der Kerels?" vroeg +Willem Van Wervick. + +"De vijanden der Kerels zijn degenen die ons arm vaderland het brandmerk +van den sluipmoord op het voorhoofd willen drukken!" + +"Maar, vermetele", bulderde Ingelram, "weet gij niet waartoe uw eed ons +recht geeft? Gij zijt in onze macht. Zoo het ons lustte in uw bloed het +geheim te versmachten dat wij u hebben toevertrouwd?" + +"Wat doet mij zulke bedreiging?" wedervoer Robrecht met eenen zuren +spotlach. "Al spookte de dood voor mijne oogen, hij deed mij niet +terugwijken voor het vervullen van mijnen plicht." + +"Heeren", zeide Disdir Vos, als hadde hij iets uitgevonden dat alle +moeilijkheid uit den weg kon ruimen, "ik bid u, blijft eene korte wijl +nog bedaard en laat mij toe eenige woorden alleen met mher Sneloghe te +wisselen." + +Na een oogenblik wederstand te hebben geboden, gaf Robrecht toe aan zijn +dringend verzoek en volgde hem tot in eenen hoek der zaal, waar beiden +begonnen te kouten, Disdir ernstig en vleiend, Robrecht met onwil en +spijtige gebaren. + +Ondertusschen staken de anderen bij de tafel, op eenen wenk van +Burchard, de hoofden bijeen en beraadslaagden geheimelijk over hetgeen +hun te doen stond; want dat mher Sneloghe zou weigeren, daarvan achtten +allen zich zeker. + +Disdir Vos keerde tot zijne makkers en zeide: + +"Vergeefsche moeite, heeren. Ik zelf begin te twijfelen of onze vriend +Robrecht niet zou kunnen gelijk hebben. Ware het inderdaad niet +raadzamer dat wij met gemeene toestemming van de gevaarlijke onderneming +afzagen?" + +En daar hij bemerkte hoe een glimlach van misprijzen Burchards lippen +samentrok, haastte hij zich er bij te voegen: + +"De verwijdering van mher Sneloghe bedroeft mij, ik beken het: maar ik +wil evenwel mijnen eed getrouw blijven." + +"Welnu, heeren, opent men mij de deur, of niet?" vroeg Robrecht +dreigende. "Moet ik met mijn zwaard het slot verbrijzelen en mij door +geweld eenen vrijen weg banen?" + +"Nutteloos, gansch nuttelloos, mijn vriend Sneloghe", zeide Burchard, +opstaande. "Ik heb den sleutel en zal de deur openen, niet voor u +alleen, maar voor ons allen, ongetwijfeld; en gij, Robrecht, zult des te +geruster kunnen slapen, daar gij u zult mogen beroemen ons door uwe +redenen te hebben overwonnen. Bezie mij zoo zonderling niet. Wat ik zeg, +is waarheid. Ik heb op uwe woorden diep nagedacht. Gij hebt mij +overtuigd dat zulke aanval bij verrassing, al gelukte hij ten volle, +meer kwaad dan goed aan onze zaak zou kunnen doen. Waarschijnlijk is +mher Isaac insgelijks van deze meening?" + +"Inderdaad", antwoordde Isaac Van Reninghe. + +"En indien mher Ingelram wil toestemmen om van de uitvoering van ons +ontwerp af te zien?" + +"Alleen kan ik niets ondernemen", morde Ingelram, in schijn verstoord. + +"Wat Disdir Vos betreft, die heeft reeds zijnen twijfel bekend", hernam +Burchard. "Aldus vriend Sneloghe, gij ziet het, wij laten op uwen raad +de voorgenomen poging varen. Wees gedankt, gij hebt ons teruggehouden +van eene onvoorzichtige daad. Dat Karel van Denemarken, als verdrukker +der Kerels, den dood verdient, wie zou dit durven loochenen? Maar gij +hebt gelijk, het is niet zoo dat wij zijn bloed moeten vergieten. Laat +ons nu dezen Steen verlaten, heeren, en ieder rustig zijnen weg gaan. +Het is reeds diep in den nacht." + +Allen begaven zich naar de deur en verlieten de zaal. + +Robrecht sprak niet. Hem verwonderde de plotselijke ommekeer in de +gemoedsstemming zijner gezellen. Lag daaronder eene list verborgen? +Zouden de eedgenooten evenwel den beraamden moord pogen te plegen? Hij +kon het beletten en zou niet nalaten dezen plicht te vervullen. Hij +behoefde slechts, zonder iemand te noemen, den kastelein Hacket te +verwittigen van het gevaar dat graaf Karel gedurende het feestmaal kon +bedreigen. Daartoe had hij tijd genoeg, en hij was zelfs niet verplicht +de nachtrust zijner ooms te gaan storen, vermits het bedoelde feestmaal +slechts overmorgen moest gehouden worden. De kastelein zou alle wegen +tot den burg doen bewaken en al de toegangen der Loove met genoegzame +macht bezetten. Indien dan de saamgezworenen op den burg traden, zouden +zij wel bemerken dat hun aanslag was bekend en op voorhand verijdeld. + +Maar toen Robrecht in de straat door zijne gezellen nogmaals in schijn +rechtzinnig werd bedankt, en hij hen, na het murmelen van eenen goeden +nacht, ieder zijnen weg hoorde gaan, begon hij meer en meer te denken +dat zij waarlijk door zijne redenen waren overwonnen geworden. Alhoewel +hij nog eenigszins twijfelde, verheugde hem dit gepeins; want hij achtte +zich overtuigd dat hij in dit geval zijn land en zijn geslacht eenen +onschatbaren dienst had bewezen. + +Disdir Vos, na afscheid van de anderen te hebben genomen, volgde +Robrecht en ging twee straten verre aan zijne zijde, hem vleiende en hem +prijzende over zijnen wijzen raad en over zijne standvastigheid; maar +mher Sneloghe antwoordde hem niet veel. Sedert dien avond toch was in +hem een onuitlegbaar, doch diep gevoel van afkeer tegen Disdir Vos +ontstaan. Waarom, dit wist hij niet wel; maar er groeide in zijn hart +een vermoeden van valschheid tegen Disdir. + +Het was zelfs met eene soort van blijdschap dat hij bij de +St-Janskapelle afscheid nam van zijnen gezel en alleen zijnen weg +vervorderde, om over den Maalberg de Hoogstraat en zijnen steen te +bereiken. + +Disdir Vos ging terug over de Kranebrug, maar nauwelijks had hij eenige +stappen in de enge Robijnstraat gedaan, of hij bleef staan en keerde +zich om; zijne gedachten veranderden echter weder en hij zette, in zich +zelven sprekende, zijnen weg voort. + +"Ja, dat Burchard en de anderen weder te zamen zijn, daarvan ben ik +zeker", mompelde hij. "Zij hebben zich willen ontdoen van Robrecht en +van mij, die inderdaad nooit den minsten lust had om aan dit helsche +waagspel deel te nemen. Eilaas, ik heb mijnen slag gemist! Hij was zoo +goed berekend nochtans! Had Robrecht tot den moord des graven +toegestemd, ik hadde hem in eenen strik doen vallen, waaruit hij niet +levend zou losgeraakt zijn ... Maar wij zijn nog niet dood ... tijd +genoeg om mij te wreken ... zijn huwelijk is nog niet voltrokken ..." + +Terwijl Disdir dus denkend en mijmerend voortstapte, wandelde er op den +Dyver, niet verre van de Eeckhoutstraat, een man over en weder, die met +inspanning zijner gezichtskracht door de duisternis poogde te dringen om +te zien of niemand in de verte naderde. + +Hij had reeds eene lange wijl gewacht, toen hij meende een gerucht van +stappen te hooren. Sluipend week hij terug tot tegen de poort van eenen +Steen, op den hoek der Eeckhoutstraat. + +Iemand naderde hem. + +"Vliegt de Blauwvoet?" murmelde hij. + +"Storm op zee!" antwoordde eene grove stem. + +Hij duwde de poort open, trad met zijnen gezel binnen en sloot ze weder. + +"De vrienden zijn reeds hier", morde de eene. "Wij gingen haast vreezen +dat u een ongeval was geschied." + +"Ik dwaalde van mijne baan", antwoordde de andere. "Om de Markt te +ontwijken, sloeg ik het Palmstraatje in. Daar hoorde ik stappen van +menschen. Eene wacht misschien. Ik heb eenen langen omweg gedaan.--Nu, +geenen tijd meer verloren! Leid mij tot de vrienden." + +Zij traden schuins door den neerhof en gingen in eene kamer, waar eene +kleine lamp brandde. + +"De schalken zouden ons kunnen afspieden", zeide degene die den andere +had ingeleid. "Ik doof het licht uit.--Spreek zeer stil![52]" + +Daar zaten zij nu in eene zoo volledige duisternis dat zij elkaar niet +konden zien. + +"Gelukkiglijk zijn wij van de twijfelaars verlost", murmelde er een met +verdoofde stem. "Niets kan ons nog verhinderen ons besluit uit te +voeren. Haast gemaakt dus, en geene overbodige woorden." + +"Maar de zaak van het feestmaal is verloren. Wat gaan wij doen?" vroeg +iemand. + +"Ik heb tijd gehad, om alles te overwegen", antwoordde de man met de +zware stem. "Ziehier mijne meening. Wij moeten ons eerste ontwerp +hervatten. Karel van Denemarken, zijt des zeker, gaat alle dagen ter +vroegmis in de bovenkerk van St-Donaas. Iedereen mag er de mis bijwonen. +Het is met deze korte dagen dan nog bijna donker. Mijn paard staat +buiten de Zandpoort. Ik zal mij haasten naar Bethferkerke. Daar heb ik +eene bende onverschrokken Houtkerels onder de hand. Komt morgen in de +vroegmis op den burg; gij zult mij en mijne mannen daar, verspreid zien +onder de beuken en tusschen de geloovigen; misschien zult gij ons niet +herkennen. Het is gelijk, ik zal het sein geven door den dwingeland te +treffen. Op den roep van 'Harop! Harop!' sluit gij alle uitgangen af. +Geen Isegrim mag ontsnappen. Aanvaardt gij het voorstel, leggen wij dan +nog eens daarop de handen te zamen[53]." + +Zij zochten tastend elkander en zwoeren zwijgende den gruwelijken eed. + +"Op weg nu! Verlaten wij, de eene na den andere, dezen Steen. Ik vertrek +eerst; want mij is de tijd het kostelijkst. Tot morgen, heeren; ik +betrouw op u als op mij zelven." + +Hij werd door een der aanwezigen tot buiten de poort geleid en liep met +lichte doch haastige stappen vooruit in de duisternis. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 51: "Isaac, Burchard, Willem Van Wervick, Ingelram en hunne +medeplichtigen ... riepen tot dien eed den jongen Robrecht; maar de +edele jonkman, verschrikt en tranen stortende, zeide: verre van mij het +inzicht onzen vorst te verraden! Indien gij van uw opzet niet afziet, +zal ik uw verraad den graaf openbaren." + +GALBERTUS. in de _Mem rel. a l'hist. de France,_ tom. VIII, p. 258.] + +[Voetnoot 52: "Binnentredende, doofden zij hunne vuren uit, opdat +degenen, die in het huis waakten, hen niet zouden herkennen." + +GALBERTUS, p 259.] + + + + +XIII + + +De kerk van St-Donaas, binnen den burg, was een schoone, groote tempel +van Romaansche bouwstijl. + +Hare middelbeuk was zeer verheven; maar van wederzijde verlengde zich +eene lage, donkere nevenbeuk, waarvan het neergedrukte welfsel op korte +pijlers rustte. Daarboven liep, rondom de geheele kerk, eene opene +gaanderij, vanwaar de geloovigen even goed als beneden de priesters aan +den autaar konden zien en de goddelijke diensten bijwonen. + +De Zuidelijke zijde dezer gaanderij had men van het overige gedeelte +afgescheiden, en tot eene kapelle voor den graaf van Vlaanderen +ingericht. + +Zij was versierd met een prachtig altaar en met schoone +heiligenbeelden. Een kostbaar gesnedene knielbank voor den graaf prijkte +in haar midden, bijna aan den voet des altaars. Er stonden aan beide +zijden gestoelten voor de lieden van het hof en, meer naar den gemeenen +ingang, vele rijen houten banken voor de geloovigen, die 's graven misse +wilden bijwonen; maar vooral voor de arme menschen, die gewoon waren +hier in menigte te komen, met de hoop van den vorsten aalmoezen te +genieten. + +Deze verhevene kapelle, die men de opperkerk noemde, had eenen ingang +voor het volk, die met eenen engen steenen trap onder de lage beuk der +benedenkerk uitkwam; maar dicht bij het altaar was eene tweede deur, +uitsluitelijk bestemd ten gebruike des graven. Een gewelfde gang liep +van daar over de Hoogpoort naar het paleis, op zulke wijze dat vorst +Karel, uit zijne slaapkamer tredende, zich ter kerk kon begeven zonder +het plein van den burg te moeten overstappen. + +De nacht was ongewoon donker geweest, ter oorzake van eenen dikken mist, +die reeds van den avond te voren als een somber baarkleed over de aarde +was nedergezakt. + +Nu ging de morgenstond aanbreken; maar nog was de nevel zoo dik, dat men +nauwelijks op een paar stappen verre de voorwerpen als onduidelijke +schaduwen kon onderscheiden. + +In de opperkerk van St-Donaan hadden de broeders en klerken van het +klooster een aantal waskaarsen op en nevens het altaar aangestoken, in +afwachting dat het uur der vroegmis verscheen. + +Vele geloovigen,--poorters uit de naburige straten, of arme menschen, +waartusschen ook eenige vrouwen,--traden onder de donkere poort der kerk +en beklommen langzaam den steenen trap, om in 's graven kapelle de misse +te gaan hooren. + +Maar wat niemand bemerkte was, dat nu en dan vele mannen met bruine +mantels en breede hoeden den steenen trap voorbijstapten om zich in de +duisternis onder de lage nevenbeuk der benedenkerk te gaan verbergen. + +Eenigen dezer scheidden zich echter zonder spreken bij de groote +ingangpoort van hunne makkers en bestegen den trap. Onder het opklimmen +fluisterden zij nog elkander geheime woorden toe, doch zoohaast zij de +deur der opperkerk bereikten, hielden zij zich alsof zij elkander +geheel vreemd waren, en stapten stil en met zedige houding, ieder in +eene verschillende richting, door de geloovigen, om plaats op eene der +knielbanken te zoeken. + +Zoo naderde er nu een man, die op eenen stok leunde, tot eene der +voorste banken en knielde neder tusschen twee vrouwen. Zij bezagen hem, +voor zooveel het schemerlicht der waskaarsen het hun toeliet; zijne +hooge gestalte verwonderde hen. Maar de man moest ziek of zeer oud zijn; +want hij ging diep gebogen, en dat hij noodlijdend was, kon men genoeg +bemerken aan zijnen gelapten en gescheurden mantel. Ongetwijfeld kwam +hij, evenals vele andere arme lieden, in de kapelle om deelachtig te +worden aan de aalmoezen welke de graaf gewoon was in de vroegmis uit te +deelen. + +Van zulke zonderlinge arme lieden bevonden er zich nu een zeker getal in +de kapelle tusschen de geloovigen verspreid; maar alhoewel de eerste +dagschemering als een flauwe melkachtige schijn zich aan de +buitenvensters vertoonde, was het nog zoo donker in het diepe der +kapelle, dat men zelfs de lieden, nevens wie men onmiddellijk was +gezeten, niet duidelijk kon onderscheiden. + +Het uur der vroegmis moest verschenen zijn; want alles was gereed op het +altaar. Een koorknaap hield zelfs de hand aan het zeel eener klok, om op +het eerste sein te kleppen; ja, in de opene deur van het sakristijn, +vertoonde zich nu en dan een priester in plechtgewaad, die als met +ongeduld naar de deur blikte, om te zien of de graaf nog niet kwam. + +Ook de arme man met den gescheurden mantel scheen door ongeduld +aangejaagd; want, ofschoon hij diep voorover op zijne knielbank gebogen +lag, hief hij bij het minste gerucht het hoofd op en liet het dan weer +nederzakken, onder het slaken van een versmacht gemor. De nevenszittende +vrouwen meenden, dat hij zuchtte van verdriet, omdat degene, van wien +hij hulp voor zijnen nood verhoopte, zoolang zich liet wachten. + +Maar zij bedrogen zich in hun medelijden; want in het hart, dat onder +den gescheurden mantel onstuimig klopte, woelde de vurigste haat en +gloeide de dorst naar bloed. Indien de graaf, door Robrecht Sneloghe +gewaarschuwd, of door onpasselijkheid belet, in de vroegmis niet +verscheen, dan ontsnapte hij aan de wraakzucht van zijnen vijand, en +verijdeld werd de zoo wel beraamde aanslag! Alle hoop was dan voor +Burchard verloren; want het leger van Atrecbt was misschien reeds in +Vlaanderen, en graaf Karel, door zulke macht van ridders omringd en +beschut, zou niet meer naakbaar zijn voor een balling, die in het diepe +van Kerlingaland eene schuilplaats zou moeten zoeken. + +Terwijl de moordzuchtige Burchard dus in zich zelven het dreigend lot +vermaledijdde en eene klimmende hopeloosheid in zijn hart voelde zinken, +kwam er uit het sakristijn een priester, dien hij voor den hofkapelaan +herkende. Deze verdween in de deur welke toegang gaf tot het paleis. +Burchard twijfelde niet of hij wilde naar de reden van des graven +afwezigheid gaan vernemen. En inderdaad, hij misgreep zich niet; want de +priester begaf zich voor de gang naar de nachtvertrekken des vorsten. In +eene voorzaal ontmoette hij Jan Cauwenoghe, den kamerdienaar des graven, +die op zijne vraag antwoordde: + +"Onze heer graaf heeft zeer slecht geslapen dezen nacht: hij gevoelt +zich niet wel en is later dan naar gewoonte opgestaan; maar nu is hij +gekleed en komt oogenblikkelijk. Er is geen belet: ga maar binnen, heer +kanunnik." + +De priester klopte en opende de deur. Hij vond den graaf staande te +midden der kamer, terwijl een andere dienaar hem hielp om de kap op zijn +hoofd te schikken. + +"Ik vraag u verschooning, kapelaan", zeide de vorst. "Laat ik u wachten, +het is mijne schuld niet. Nog een paar minuten." + +"Maar indien Uwe Hoogheid onpasselijk is", bemerkte de priester, "ware +het beter nog wat te bedde te blijven en te rusten." + +"Neen, neen, heer kanunnik, ik voel heden, meer dan andere dagen den +nood om God te bidden. Ik heb zoo slecht geslapen, den gansenen nacht +gedroomd van ijselijke dingen, koortsig geweest en gewoeld, als ware het +bed mij eene pijnbank geworden[54]. Kanunnik, gij kent de Kerels, gij; +zouden zij inderdaad bekwaam zijn om mij bij verrassing te dooden?" + +"U dooden?" herhaalde de priester verschrikt. "Vreest gij dit, heer +graaf?" + +"Men heeft het mij gezegd; nu heb ik herhaalde malen er van gedroomd." + + +[Illustratie: ...Met gekloofd hoofd op den vloer der kerk ... (Bladz. +267.)] + + +"Het is misschien eene waarschuwing des hemels!" zuchtte de kanunnik. +"Blijf in uwe kamer, heer vorst, de kapel is vol volk. Wie weet?" + +"Is er niet dagelijks volk in de kapelle? God houdt mijn leven in Zijne +handen", zeide graaf Karel met eenen glimlach. "Heeft Hij er over +beschikt, dan kan een moordenaar mij even goed hier treffen als in de +kerk. Zou ik nalaten mijne Christelijke plichten te vervullen, omdat een +zwarte droom mijne nachtrust heeft gestoord Ik volg u, kapelaan." + +Hij duwde eene andere deur open en zeide tot de ridders die daar op +zijne bevelen stonden te wachten: + +"Heeren, wij zijn gereed en gaan ter misse. Gelieft ons te volgen." + +Hierop trad hij met den kapelaan uit de kamer. Na hem kwamen de volgende +personen: Tancmar Van Straten, zijn geheimraadsheer; Gervaas Van Praet, +zijn opperkamerling; Walter Van Lokeren, zijn hofbottelier, met dezes +broeder Eustaas Frumold, Arnold en Ogier, zijne schrijvers en +rekenmeesters met nog vier of vijf andere hofbedienden. + +Toen de graaf in de kapelle verscheen, klepte men het klokje, dat bij +het sakristijn hing.... Een onwillige kreet ontsnapte den man met den +gescheurden mantel; maar hij boog onmiddellijk het hoofd zoo diep dat, +al hadde er meer licht in de kapelle geheerscht, men toch zijne +wezenstrekken niet zou herkend hebben. + +Graaf Karel knielde neder op weinig afstand van het altaar; de lieden +van zijn gevolg namen plaats in het gestoelte. De mis begon.... + +De priesters zongen de morgengebeden, en de vorst, zijne stem met de +hunne parende, zeide de psalmen Davids op, terwijl in het overige der +kerk de diepste stilte heerschte. Toen de misse eenigszins gevorderd was +en graaf Karel met luider stemme den _pater_ opzeide, verliet Tancmar +Van Straten het gestoelte, haalde eene zijden beurs uit zijne tasch en +legde, volgens de dagelijksche gewoonte, eene handvol deniers op het +rustbord van 's vorsten knielbank. + +Dit was een teeken voor de arme lieden, die nu van tusschen de banken en +zoo stil mogelijk den graaf naderden om eene aalmoes uit zijne hand te +ontvangen. + +Ook de hoogstaltige man met den gescheurden mantel stond op. Zich diep +gebogen houdende en leunende op eenen staf, als hadde hij moeite om +zijne verstijfde beenen te sleepen, stapte hij langzaam vooruit en +schikte zich tusschen andere noodlijdenden, achter des graven rug. + +Eene zieke vrouw, met een kind op den arm, stak het eerste hare hand +uit, om den denier te ontvangen, dien graaf Karel haar toereikte.... +Maar op dit oogenblik wierp Burchard den gescheurden mantel zich van de +schouders; een zwaard bliksemde in zijne handen, en hij sloeg het neder +met zulk wreed geweld, dat de arme graaf, zonder zelfs eene klacht te +kunnen uiten, met gekloofd hoofd op den vloer der kerk achterover +stortte ...[55] + +De arme lieden vluchtten weg van het autaar en vervulden de kapelle met +den weekreet: "Wacharm! Wacharm! Wacharm!" + +Maar boven dit noodgekerm heerschte de machtige stem van Burchard, die +schreeuwde: + +"Harop! Harop! Leve Willem Van Loo, graaf van Vlaanderen! Heil Willem! +Heil! Heil!" + +In de benedenkerk hergalmden even ras dezelfde kreten, alsof van daar +honderd verwarde stemmen het akelig moordgeroep hadden beantwoord. + +Door de afschuwelijkheid zelve der ongehoorde misdaad verstomd dachten +de ridders des graven in den eerste op geene tegenweer welke zij +overigens als onmogelijk aanzagen. Zij waren terzijde gesprongen, om de +slingeringen van Burchards zwaard te ontwijken; twee of drie waren zelfs +langs de naaste deur in bet paleis gevloden om daar hulp te zoeken. + +Tancmar Van Straten wilde hen volgen; maar Ingelram Van Eessen, die nu +met vijf of zes man toeschoot, gaf hem eenen wreeden zwaardslag. Met +geopenden schouder viel de hofraadsheer levenloos in zijn bloed ten +gronde[56]. + +De geloovigen liepen kermend naar den uitgang en verpletterden elkander +bij de nauwe deur om te ontvluchten. Velen waren reeds op den steenen +trap geraakt; maar daar ontmoetten zij de mannen van Burchard die, als +een woeste drom, de vliedenden terug naar boven dreven en achter hen met +woedend wraakgeschreeuw de kapelle binnenstormden. + +In deze drukke verwarring was het onmogelijk iemand te herkennen of te +vervolgen; de moordenaars zelven werden voortgewoeld en onweerstaanbaar +tot tegen den autaar gedrongen. Dit gaf den meesten van 's graven lieden +tijd en middel om te ontkomen; doch, dewijl Ingelram Van Eessen de deur +naar het paleis hield bezet, zagen zij zich gedwongen een anderen weg te +zoeken of zich te verbergen. Dan eerst werd de uitgang naar de +benedenkerk vrij; ook bleef er, een oogenblik daarna, niemand meer in de +bovenkerk dan de moordenaars en drie of vier priesters, die bevend en +weenend op het bloedige lijk van Karel staarden, zonder het evenwel te +durven raken. + +De moordenaars, vreugdedronken over hunne gemakkelijke zegepraal, deden +niets dan juichen en schreeuwen: + +"Heil Willem, heil den nieuwen graaf van Vlaanderen! Heil! heil!" + +Maar Burchard, door eenen schallenden klank zijner stem, gebood hun de +stilte en zeide: + +"Zwijgt, mannen, ons werk is niet volvoerd. Met den graaf waren hier een +tiental vermaledijde Isegrims. Zij kunnen niet ontvlucht zijn; de +uitgangen der kapelle waren bezet; zij zijn dus verborgen. Doorzoekt +alle hoeken en kanten; en, vindt gij iemand, brengt hem hier voor mij. +Wie mij Walter Van Lokeren levert, of Gervaas Van Praet, of den +schrijver Frumold, dien geef ik drie marken zilvers!" + +Zijne mannen, door het gezicht van twee lijken en van plassen bloed +aangehitst, en door de hoop op de aanzienlijke belooning verlokt, +begonnen hunne opzoekingen niet alleen in de kapelle, maar tevens in de +benedenkerk. + +Walter Van Lokeren, na Tancmar de heetste vijand der Kerels, hield zich +verborgen achter het orgel. Een kerkdienaar had eenen mantel over hem +geworpen, en hij zat, op den houten vloer ineengekropen, onder dit wijde +kleedsel. + +Hij hoorde hoe men zijnen naam uitriep en hem eenen ijselijken dood +toezwoer; het hart klopte hem van angst, en het koude zweet brak hem +uit. Alle hoop had hem echter niet begeven, want tot dan had geen zijner +vijanden er aan gedacht deze schuilplaats te doorzoeken. + +Maar nu hoorde hij eene bende woedende mannen naderen. Welhaast beukten +zij zoo geweldig met hunne zwaarden op de orgelkas, dat elke slag als +een doodvonnis in de ooren van den armen ridder hergalmde. + +Zeker dat zij hem gingen ontdekken, sprong hij op en liep dwars door +zijne vervolgers in de kapelle, met opgeheven armen tot God om hulp +roepende en zijne vijanden om levensgenade smeekende. + +Burchard en Ingelram herkenden hem. Zij liepen hem achterna en huilden +als bloedzuchtige tijgers: + +"Sla dood, sla dood, den snooden Isegrim!" + +Walter Van Lokeren viel geknield voor den autaar, op het oogenblik dat +Burchard hem bereikte en hem met de eene hand bij het haar greep, +terwijl hij met de andere zijn zwaard ophief om hem den doodslag te +geven. + +Een priester hield evenwel zijnen arm terug en smeekte, met tranen in de +oogen, om genade voor den ongelukkigen ridder; en, toen hij op het +wraakzuchtig antwoord van Burchard wel merkte dat het leven van den +hofbottelier niet te redden was, verzocht hij den moordenaar toch niet +langer aldus de kapelle met bloed te besmetten en het huis Gods te +ontheiligen. + +Burchard en zijne beide eedgenooten, Ingelram en Isaac sleurden den +ridder bij het haar over den vloer der kapelle naar de uitgangdeur. + +"O, mijn God, mijn God, erbarm u mijner!" kermde Walter Van Lokeren. +"Spaart mij, spaart mij!" + +"Wij zullen u sparen zooals gij ons bij den graaf heb gespaard, valsche +lasteraar![57]" antwoordde hem Burchard. + +Zij rukten hem van de trap, brachten hem voor de deur der kerk en hakten +daar allen te gelijk op hem, met zooveel woede, dat zijn lichaam schier +onkennelijk was, toen zij het verlieten om in de benedenkerk naar nieuwe +slachtoffers te zoeken. + +Onderwijl hadden hunne mannen in de kapelle, achter den autaar de ware +schuilplaats der gevluchte ridders en hofbedienden ontdekt. Opvolgend +hadden zij uit dit donker hol, waarin men gewoon was de minst kostbare +sieraden der kerk te bergen, zeven of acht personen gerukt en ze te +midden der kapelle gesleurd, om te herkennen of er tusschen hen zich +niet een der ridders bevond voor wie Burchard de marken zilvers had +beloofd. + +Deze ongelukkigen stonden daar nu bevend, met den doodsangst op het +gelaat, en schouwend op het lijk van hunnen vorst, dat nevens hen in +zijn bloed lag uitgestrekt. Zij twijfelden niet aan het wreede lot dat +hun was beschoren; de eenen knielden neder, de anderen vouwden de +handen, eenigen smeekten de priesters, die bij het sakristijn stonden, +hunne biecht te willen hooren; allen spraken met misbaar en tranen van +hunne kinderen of van hunne ouders ... + +Onder hen bevonden zich Arnold en Ogier, des graven schrijvers; Bertyn +en Baldwyn, zijne kamerdienaars; Godbert, zijn schenker, en de jonge +Frumold, zijn schatbewaarder. + +Deze laatste was een dergenen, voor wier levering Burchard drie marken +zilvers had beloofd; maar de moordenaars kenden hem niet. Daarom, +alhoewel zij hunne zwaarden en knijven boven de hoofden der gevangenen +zwaaiden, sloegen zij hen niet. Zij wilden op de komst hunnen aanleiders +wachten, opdat zij hun aanwezen wie van dezen hun onbekende lieden moest +vermoord of behouden worden. + +Frumold, die zich op de knieen had laten vallen, sprak met luider stemme +zijne biecht, en bekwam dan ook de vergiffenis zijner zonden van eenen +priester. + +Den ring van zijnen vinger trekkende, bood hij dien den geestelijke en +zuchtte: + +"O, vader, ik smeek u, geef deze laatste herinnering aan mijne dochter +Aleidis! Zeg het ongelukkig kind dat ik haar zegen, dat ik daarboven God +voor haar zal bidden. Weze zij de arme ziel haars vaders gedachtig ..." + +En na deze woorden deed hij vruchteloos geweld om nog te spreken: tranen +en snikken versmachtten zijne stem. + +De priester, door medelijden geroerd, veinsde de ontvangene boodschap +onmiddellijk te willen volbrengen, en begaf zich naar de deur van den +trap, zonder dat iemand der moordenaars hem belette uit te gaan. Hij had +nog eenige hoop den schatmeester des graven te kunnen redden, en liep +met dat inzicht naar de proostdij, om Bertulf te gaan verwittigen en +zijne hulp in te roepen. + +Al deze dingen waren geschied op minder tijd dan er noodig is om ze te +verhalen. Nog altoos heerschte er eene halve schemering in de kapelle, +alhoewel er reeds eene grijze klaarheid in de benedenkerk zich +verspreidde. + +Nu kwam Burchard met zijne bloeddorstige vrienden terug in de kapelle. + +Isaac Van Reninghe herkende des graven schatmeester. Hij sprong op hem +toe, rukte hem, onder het bulderen van schromelijke vermaledijdingen, de +kappe van het hoofd, greep hem bij het haar en sleepte hem over den +vloer, om hem buiten de kerk te gaan vermoorden. + +Maar daar trad de proost Bertulf hem te gemoet, met den ouden Frumold, +des schatmeesters oom, die, ondanks zijne zwakheid, Isaac om de lenden +vatte en hem dwong zijn slachtoffer los te laten. + +Burchard kwam toegeloopen. De proost zeide hem met tranen in de oogen: + +"Neef, neef, wat hebt gij gedaan? Vreest gij dan niet dat de wrake Gods +om zulke misdaad ons geslacht verdelge als een ras van Cain?" + +"Geene laffe woorden!" riep Burchard zeer trotsch. "Willem Van Loo is +graaf van Vlaanderen. Aan hem alleen heb ik rekening mijner daden te +geven en, keurt hij goed wat ik doe, wie zou mij durven laken?" + +"De dooden zijn noch door klachten noch door gebeden op te wekken", +zuchtte de oude Bertulf, "maar uit liefde tot uwen grijzen oom, spaar +het leven dezer arme lieden!" + +"Frumold moet sterven!" gromde Ingelram Van Eessen. + +"Ach, Isaac, mijn vriend", smeekte Frumold, "heb deernis met mij, +ontferm u mijner arme kinderkens, die op de wereld zullen blijven zonder +steun!" + +"Hoe? medelijden met u?" schreeuwde Isaac Van Reninghe, spotlachend. +"Zijt gij het niet, die, meer nog dan anderen, ons bij den graaf hebt +gelasterd? Gij zult sterven, al boodt gij ons zooveel goud aan als de +kapelle kan bevatten. Kom, kom, naar de deur der kerk; ik alleen kloof u +het hoofd!" + +Onderwijl had de proost nog eenige woorden met zijnen neef gewisseld. +Deze verhief de stem en, als een veldheer gebiedende, riep hij: + +"Stil! Men zal hier doen wat ik beveel." + +En zich tot Frumold keerende, die nog biddend op de knieen zat, vroeg +hij, in schijn meer bedaard: + +"Gij hebt de sleutels van des graven schat in uw bezit?" + +"Hier zijn ze", antwoordde Frumold, eenen reesel sleutels uit zijne +tasch halende. + +"Er moeten verborgene schatten zijn?" mompelde Burchard. + +"Ja, zulke zijn er", bevestigde Frumold, die begon te hopen dat de +tusschenkomst van den proost hem misschien nog het leven zou redden. + +"Zult gij ons die verborgene schatten toonen?" vroeg hem Burchard. + +"Ik zal ze u aanwijzen, zonder iets te verzwijgen." + +"Welnu", zeide Burchard op eenen toon, die geene wederspraak duldde, "ik +vertrouw de sleutels aan mijnen oom, den proost, die ze zal bewaren. Wij +hebben nu geenen tijd ons daarmede lang bezig te houden. Al deze +gevangene stel ik insgelijks onder de bewaking van den proost van +St-Donaas. Hij blijft jegens ons en jegens den graaf van Vlaanderen +borg, dat geene hunner zonder mijn bevel uit de proostdij zal gaan[58]." + +De gevangenen dankten en juichten; want zij waren nu aan eenen +onmiddellijken dood ontsnapt en twijfelden niet of de proost, wiens +overheid groot was, zou hen blijven beschermen, totdat de woede hunner +wreede vijanden was gekoeld. Zij volgden hunnen redder naar de trap der +kapelle. + +Wel morden en gromden Burchards gezellen; maar hij zeide hun: + +"Geen tegenstand! Wij moeten 's graven schat hebben. Willem Van Loo zal +hem gebruiken om den oorlog tegen onze vijanden te voeren. Wij kunnen +later even goed over het lot van Frumold en van de anderen beslissen. Nu +moeten wij het paleis gaan doorzoeken om te zien of daar geene onzer +vijanden meer te ontdekken zijn. Gervaas Van Praet is ons ontsnapt; de +beide zonen van den snooden Tancmar leven nog! Komt met haast; wij +moeten den ganschen dag arbeiden ..." + +Zij liepen door de gang over de Hoogpoort en kwamen in het paleis; maar, +hoe zij zochten in kamers, in zalen en in kelders, zij vonden er geen +levend wezen. + +Slechts toen zij het paleis meenden te verlaten, troffen zij in de +voorzaal, tegen het plein, den kastelein Hacket aan, met Hendrik Van +Roesbrugge, eenen ridder van 's graven hof, en Eustaas, den broeder van +den vermoorden Walter Van Lokeren. + +Zoohaast zij dezen laatste bemerkten, hieven zij hunne zwaarden op, om +hem onmiddellijk neer te hakken; want hier niet op gewijden grond +zijnde, hadden zij geene reden om hun slachtoffer naar buiten te +sleuren. + +Maar Hacket, die hun inzicht bespeurde, sprong voor de twee ridders, +beschutte ze met zijn lijf en riep: + +"Zij zijn mijne gevangenen! Niemand raakt een haar van hun hoofd zonder +mij eerst te dooden!" + +Hetzij de woede van Burchard was gekoeld, of dat hij zijnen oom niet op +eene bloedige wijze wilde wederstreven, hij gebood zijnen mannen, deze +ridders, die zich toch den Kerels niet bijzonder vijandig getoond +hadden, vooralsnu ongehinderd te laten; en hij stelde ze, evenals hij +met de anderen had gedaan, in bewaring van den proost en van den +kastelein, die voor hunne gevangenhouding verantwoordelijk zouden +blijven. + +Op dit oogenblik haalden eenige gezellen van Burchard eenen ouden man +uit eene schuilplaats nevens de poort. + +Deze beweerde dat hij zich niet had verborgen. Wie zou Eggard, den +grijzen deurwaarder der Loove, toch willen kwaad doen, hem, die niets +dan vrienden telde in Brugge? + +Inderdaad, Burchard lachte over den vond zijner mannen en verbood dat +men den halfzinneloozen poortbewaarder eenig kwaad deed. + +"Welnu, Eggard", vroeg hij, "hebt gij altoos bij de poort gestaan, +sedert dezen vroegen morgen?" + +"Reeds van vier uren", was het antwoord. + +"Gij hebt dan wel lieden zien vluchten, dienaars en ridders?" + +"Velen." + +"Ook mher Gervaas Van Praet?" + +"Ja, die is in den stal op een paard gesprongen en is langs de Hoogpoort +weggereden, als hadde hij den duivel achter zich[59]." + +"Zoo, zoo! En de zonen van mher Tancmar?" + +"Die zijn beiden niet in het paleis geweest en slapen waarschijnlijk +nog, indien de helsche storm, die er op den burg heerscht, hen niet +heeft gewekt." + +"Volgt mij, gezellen!" kreet Burchard. "De zonen van Tancmar zijn onze +grootste vijanden. Wij gaan ze verrassen. Zij moeten sterven!" + +Zij liepen in allerhaast over het middelplein en door de Hofpoort. + +Nu begon het klaar dag te worden. Ongetwijfeld had de schromelijke mare +zich gedeeltelijk door de stad verspreid; want er was reeds volk op de +straten, meest gemeene lieden en schalken. + +Waar de woeste bende voorbijging en den zegevierenden schreeuw: "Leve +Willem Van Loo, graaf van Vlaanderen!" tot boven de huizen deed +hergalmen, juichte het volk hen toe en herhaalde hunnen roep. + +Nergens een teeken van afkeuring, nergens een traan over het lot van den +vorst, die zoo ellendig onder den slag van sluipmoordenaars den dood had +gevonden. + +Graaf Karel was in Brugge niet algemeen bemind, hoe milddadig hij zich +ook jegens de noodlijdenden toonde. Alhoewel de poorters van Brugge +sedert lang aan eene bijna geheele afhankelijkheid gewend waren, vloeide +hun toch Kerlenbloed in de aderen, en poogden zij met ijverzucht de +weinige vrijheden te bewaren, welke de vorige graven hun had laten +behouden. Omdat Karel van Denemarken, door de Isegrims geraden, +aangaande het bestier des lands meer zuidelijke gedachten koesterde, en +alle macht in zijnen persoon alleen scheen te willen samentrekken, +zonder acht op de bestaande vrijheden te slaan, hadden zij eenen wrok +tegen hem. Dat hij het niet oprecht met zijne onderdanen meende, daarvan +beschuldigde men hem niet; maar het was genoeg dat hij niet zelden +zijnen eigen wil in de plaats van het recht stelde, om hem de +genegenheid der poorters te ontrooven. + +Hoe het zij, zeker bevonden zich tevens in de straten vele menschen, die +den moord van vorst Karel als een gruwel laakten of betreurden; maar zij +durfden het niet toonen, uit schrik voor de wreede Houtkerels, tusschen +welke zij er sommigen bemerkten wier handen gansch met bloed waren +geverfd. + +Over de St-Salvatorskerk, op den hoek der Zilverstraat, stond de +prachtige steen, door het huisgezin van Tancmar bewoond. + +Burchard en zijne mannen, toen zij voor dezen sterken Steen kwamen, +begonnen met hunne zwaarden op de poort te slaan en te schreeuwen dat +men zou openen; maar zij bekwamen geen antwoord, en het bleef binnen in +het huis zoo stil alsof geen levend wezen zich er had bevonden. + +Geen middel was er om in den Steen te dringen. Dit onverwacht beletsel +voerde hunne woede ten top, en zij poogden hunne spijt lucht te geven +door het bulderen van allerlei vermaledijdingen. + +Maar Ingelram Van Eessen bemerkte eenen balk, die wat verder voor de +deur van eenen wagenmaker ten gronde lag. Hij riep eenige mannen tot +zich en dezen keerden welhaast weder met den vreeselijken stormram op de +armen. + +Achteruitgaande, liepen zij tegen de poort en beukten zoo geweldig, dat +de slag als een donder binnen den Steen hergalmde. + +De poort was zeer sterk; zij weerstond aan vijf herhaalde botsingen, +zonder te breken of te bewegen; maar bij den zesden slag sprong een der +bovenste hengsels uit den muur en eene zijde der poort neigde +achterover. De aanvallers hieven zegevierende kreten aan. Nog een loop, +en de poort zou onfeilbaar nederstorten. + +Men was met den stormram achteruitgeweken, om met verdubbelde kracht +tegen de poort te beuken. Burchard en zijne gezellen hieven hunne +zwaarden in de hoogte, gereed om den Steen binnen te stormen en hunne +vijanden neder te hakken ... toen eensklaps twee personen over den +achtermuur van den Steen in de Zilverstraat sprongen en met ongemeene +snelheid hun behoud in de vlucht zochten. + +"Zij zijn het, Tanemars zonen! Slaat dood, slaat dood! Drie marken +zilvers voor elk!" riep Burchard, terwijl hij, door al zijne mannen +gevolgd, de vluchtelingen achternaliep. + +Maar dezen waren te verre vooruit en zouden waarschijnlijk ontsnapt zijn +aan degenen die dorst hadden naar hun bloed, indien niet een onverwacht +beletsel hun den weg had versperd. + +Zoo vervolgd door hunne wraakzuchtige vijanden, waren zij het +Giststraatje ingevlucht en zouden welhaast de Noordzandstraat bereiken. +Zij zagen reeds van verre de stadspoort; het open veld zou hun middel +geven om tusschen de boomen te ontsnappen ... + +Maar daar sprong eensklaps een poorter, Berakin genaamd, met eene bijl +hun tegemoet, en hij zwaaide deze boven zijn hoofd om hen er mede te +treffen. Zij deinsden terug om den slag van het moordtuig te ontwijken: +doch, ziende achter zich de huilende drom hunner vijanden naderen, +sprongen zij kermend en hopeloos weder vooruit. Berakin trof een hunner +zoo wreedelijk, dat hij hem met eenen slag den rechterarm bij den +schouder afhakte. + +De ongelukkige ridder viel neder en riep zijnen vliedenden broeder nog +een laatst en grievend vaarwel toe. + +Eenige mannen bleven staan en verminkten het slachtoffer met wreed +vermaak, terwijl de overigen immer vooruitliepen om den tweeden ridder +niet te laten ontkomen. + +Burchard wierp eenen blik op den stervende, wiens bloed uit eene breede +wonde stroomde. + +"Dit is er een!" riep hij. "Het is Walter: hij heeft zijne rekening +Ghyselbrecht nu! vooruit! vooruit!" + +En zijnen loop hernemende, zette hij de vervolging met nieuwe woede +voort. + +Mher Ghyselbrecht had inderdaad de stadspoort bereikt en liep nu over +het groote plein, dat men het Zand noemde. Alhoewel een twintigtal +vijanden hem op de hielen waren, zou hij misschien nog den dood ontsnapt +zijn; maar op het oogenblik dat hij meende in een kreupelhout te +springen, stiet hij met den voet tegen den wortel ens booms en viel ter +aarde. + +Vooraleer hij zich kon oprichten, was hij door twintig handen te gelijk +aangegrepen; en, hoe hij kermde en om genade smeekte, men sleurde hem +verder op het plein. + +Daar wilde men hem oogenblikkelijk het hoofd kloven; maar degene, die +beweerde hem allereerst te hebben aangevat, stelde zich tegen dit +voornemen en dreigde de anderen met zijn zwaard. Hij had, zeide hij, de +beloofde marken zilvers verdiend en wilde den gevangene aan Burchard +Knap overleveren, die hem dan ook de toegezegde belooning niet zou +weigeren. + +Terwijl zij nog daarover aan het twisten waren, kwam Burchard met de +geheele bende op het plein en naderde degenen die den ridder omringden. + +"Ik, Batulf Merlaan, heb hem gevat: mij de marken zilvers!" riep hem een +gezel toe. + +"Gij zult ze krijgen, wees gerust", antwoordde Burchard. + +"Ha, ha, daar heb ik u in mijne klauwen, gij snoodste aller Isegrims!" +viel hij met bloedzuchtigen spotlach tegen Ghyselbrecht Tancmar uit. +"Beveel uwe ziel aan God, gij gaat sterven! Ik wil, dat men uwe +afgerukte leden rondom dit plein zaaie, zooals men met lafaards en +verraders doet!" + +Ghyselbrecht kroop op de knieen voor hem en hief de bevende handen in de +hoogte, met overvloedige tranen om genade smeekende en schatten gouds +hem belovende. + +"Gij zijt zinneloos!" bulderde Burchard. "U het leven schenken? U, den +boozen, den valschen, den meedoogenloozen vijand der Kerels? Wie heeft +mher Robrecht Sneloghe bij jonkver Van Woumen gelasterd en ons eenen +bloedigen hoon doen toebrengen? Ha, gij moest de bruidegom van jonkver +Placida worden? Gij gaat trouwen met den dood!" + +"Genade, genade, ik verzaak de hand van Placida!" + +Maar Burchard hoorde hem niet aan en ging voort: + +"Wie heeft aan het hof zelfs de vrije geboorte der Erembalds durven +loochenen? Wie is daardoor de schuld geworden des doods van den edelen +Kerel Segher Wulf? Wie heeft Karel van Denemarken het edict op den +balfaart ingeboezemd? Ha, ha, ik zou u sparen? Zeg vaarwel aan het +leven: uw uur is gekomen!" + +"Bij de passie onzes Heeren, heb medelijden, o, dood mij niet!" kermde +Ghyselbrecht. + +"Ik zal u niet dooden", schertste Burchard, als hadde hij vermaak +gevonden in de zieltoging van zijn slachtoffer te verlengen. "Neen, ik +wil mijne handen aan uw bloed niet bevuilen; maar gij zult gaan zien of +gij iets daarbij kunt winnen." + +Hij gaf den armen ridder zulken geweldigen schop in de lenden, dat hij +ter zijde viel; en dan, een teeken tot zijne mannen doende, zeide hij +hun zeer koel: + +"Verplettert de slang die zoovele jaren de Kerels met haar gif heeft +bespuwd!" + +Tien zwaarden vielen te gelijk op mher Ghyselbrecht die, zonder nog +eenen zucht te kunnen slaken, den geest gaf. Welhaast waren zijne +overblijfsels onkennelijk en lagen zijne leden, zooals zijn vijand het +had voorspeld, over het plein verspreid[60]. + +Burchard gunde zijne bende eene korte wijl rust; want, afgemat van de +drukke vervolging, hijgden vele mannen naar hunnen adem. + +Hij verzamelde ze welhaast en zeide hun, dat hij onmiddellijk met hen +naar Straten wilde gaan, om daar Rambold Tancmar te verrassen in den +burcht, die nu reeds gedeeltelijk weder was opgebouwd. Van daar zou men +naar Snelleghem loopen, met de hoop er Gervaas Van Praet, des graven +kamerheer, te vinden. Men zou de burchten der ridders onderwege bezoeken +en wapens verzamelen. Er was veel te rapen, en zoo zouden zijne mannen +eene belooning vinden voor hunnen moed en hunne verkleefdheid. + +Een schallend gejuich begroette zijne woorden. Met den zegevierenden +schreeuw: "Heil, heil Willem Van Loo, onzen graaf! Leve Burchard Knap!" +verliet de bende, die door bijgekomene poorters zeer was gegroeid, het +plein en verdween kort daarop in de baan naar St-Andries. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 53: "Dus gerust in de duisternis, besloten zij hunne misdaad +den volgenden dag bij de eerste morgenschemering uit te voeren." + +GALB., p. 259.] + +[Voetnoot 54: GALBERTUS, p. 260.] + +[Voetnoot 55: "Het Jaar 1127, den tweeden dag van Maart ... vermoordden +de verraders den graaf, terwijl hij bad en aalmoezen uitdeelde, +ootmoedig geknield voor God." + +GALE., p. 266] + +[Voetnoot 56: Zie GALBERTUS, p. 267] + +[Voetnoot 57: "Walter, dus gevangen en zeker dat hij moest sterven, +riep: "God, hebt medelijden met mij!" en zij antwoordden hem: "wij +zullen u betalen met hetzelfde medelijden dat gij jegens ons hebt +getoond." + +"Zij haatten hem uitermate; want hij was van 's graven raad, en had in +elke gelegenheid hen benadeeld en den graaf aangehitst, om de gansche +maagschap van den proost in dienstbaarheid (servage) te brengen." + +GALBERTUS, pp. 271 en 270.] + +[Voetnoot 58: Aangaande dit gansche tooneel en het behoud der gevangenen +door tusschenkomst van den proost Bertulf, zie GALB, pp. 272 tot 275.] + +[Voetnoot 59: "Gervaas, kamerdienaar des graven, ontvlood te paard." + +GALB., p. 269.] + +[Voetnoot 60: Zie aangaande dezen moord der twee zonen van Tancmar. +GALB., p. 268.] + + + + +XIV + + +Robrecht Sneloghe lag nog te bed. De ontsteltenis zijns gemoeds, +tengevolge der afschuwelijke voorstellen van Burchard, had hem in het +midden van den nacht langen tijd belet te slapen; maar eindelijk toch, +onder de vermoeidheid bezwijkende, was hij in eenen loomen sluimer +weggezonken. Reeds begon het morgenlicht in zijne kamer te dringen, toen +hij eensklaps ontwaakte en de oogen luisterend hield geopend. + +Er heerschte in de verte een onduidelijk gebruis, als de suizende +branding eener verre zee, waartusschen bijwijlen een machtiger gerucht, +even versmoord, opsteeg. In zijne zware slaperigheid kon hij zich geen +helder denkbeeld vormen van wat hij hoorde; hij meende dat het weder +stormig was geworden en dat nu en dan een rukwind zuchtend tegen de +torens der Steenen aansloeg. + +Het gebruis scheen echter te vergaan. Robrecht liet zijn hoofd terzijde +op het kussen vallen en sloot de oogen. + +Maar welhaast hoorde hij in de straat eenige stemmen van lieden die in +twist waren, die klaagden of elkander riepen. Dewijl zijne slaapkamer in +het diepe zijner woning was gelegen, onderscheidde hij niets dan doffe +klanken; hij zou misschien opnieuw ingesluimerd zijn, indien niet op dit +oogenblik de stappen van een snel voorbijdravend paard voor zijnen Steen +hadden hergalmd. + +Alhoewel hij in zich zelven deze geruchten verklaarde door de meening +dat het eerste veroorzaakt was door lieden die naar den burg ter +vroegmis gingen, en het andere door eenen bode des graven, zooals er +dikwijls bij het aanbreken van den dag uitgezonden werden, ontstond er +niettemin een angstige twijfel in zijnen geest. + +De slaap was hem beslissend ontvloden, en vermits het nu reeds licht +begon te worden, stond hij op en kleedde zich met haast. Hoe het ware, +hij had beloofd, voor zijne afreis naar Houthem, Dakerlia en zijne +zuster nog tot vaarwel de hand te gaan drukken. Zij zouden +waarschijnlijk reeds op hem wachten. + +Na eene korte wijle tijds was hij gansch gekleed, daalde den trap af en +ging naar de voorzaal om daar zijn zwaard te nemen. + +Nauwelijks had hij den gordelriem zich om de lenden gegespt, of Dakerlia +en Witta stormden klagend en met opgeheven handen de zaal binnen. + +"Wach arme! Wach arme!" kermden zij, "God behoede Kerlingaland!" + +"Wat is er geschied?" mompelde Robrecht verschrikt. + +"Wee, wee, de graaf is vermoord!" kreten zij. + +"De graaf vermoord? Graaf Karel?" + +"Hij ligt in St-Donaas met gekloofd hoofd!" + +"Wie, wie zijn de moordenaars?" + +"Eilaas, het is gruwelijk! Houtkerels van Eerneghem ..." + +"En Burchard Knap?" + +"Ja, Burchard ... Wat schromelijk ongeluk!" + +"Hemel, ik wist het!" zuchtte Robrecht met gebogen hoofde. + +"Gij wist het?" herhaalde Dakerlia, eenen stap achteruitwijkende als +hadde het verdenken van Robrechts medeplichtigheid haar doen +terugschrikken. + +"Neen, neen", zeide hij, het hoofd opheffende. "Ik wist dat de woeste +Burchard het voornemen van dien ijselijken moord had opgevat. Mijne +verontwaardiging, mijne bedreigingen, mijne gebeden troffen hem, en hij +verzekerde mij dat hij van den misdadigen aanslag beslissend had +afgezien. O, die ellendeling, wat al vermaledijdingen, wat al rampen +roept hij niet over Kerlingaland en over geheel Vlaanderen!" + +"Onuitwischbare schande voor ons geslacht!" klaagde Dakerlia + +"Ons wacht de rechtvaardige wraak des hemels!" murmelde Witta snikkende. + +"Ja, ja, men zou zich den naam van Kerel schamen", gromde Robrecht met +toorn. "Ach, ik verbrijzel veel liever mijn zwaard dan het aan de zijde +van moordenaars te moeten voeren!" + +En onder het uitspreken dezer woorden trok hij zijn zwaard uit de +scheede; doch, eensklaps zich bedenkende, stak hij het weder in en zeide +op droeven toon: + +"Mijne ooms! ik mag ze niet verlaten; ik moet ze steunen, beschermen +misschien. Hoe zullen zij bedrukt zijn en schrikken, zij, de hoofden van +ons geslacht! Men zal hen verantwoordelijk maken, de misdaad op hen +wreken, op hen, die onschuldig zijn.... Keer terug naar huis, Dakerlia, +of blijf hier met mijne zuster. Ik moet mij haasten naar den burg. Mijne +ooms zullen zich tegen Burchards gewelddadigheid verzetten. Hij is in +zijne blinde woede bekwaam om hen te mishandelen...." + +De beide jonkvrouwen, in de gedachte dat Robrechts leven kon bedreigd +zijn, wilden hem wederhouden; maar roepend dat het niet op zulk +gevaarvol oogenblik was dat hij de vervulling van zijnen plicht zou +verzaken, rukte hij zich los uit hunne armen en verliet de zaal, ondanks +hun gekerm. + +In de Hoogstraat zag hij vele lieden, die met gebaren van ontsteltenis +en schrik van den kant van den burg kwamen. Onder hen bemerkte hij eenen +poorter die hem goed bekend was. Dezen staande houdende, vroeg hij: + +"Nu, Thiebald, wat geschiedt er op den burg?" + +"O, mher Sneloghe, het is afgrijselijk! De graaf is vermoord in de +vroegmis; zijn lijk ligt nog in zijn bloed op den vloer der kapelle!" +antwoordde de poorter. + +"Ik weet het. Waart gij er tegenwoordig?" + +"Ja, ik sidder er nog van in al mijne leden." + +"Ik bid u, Thiebald, zeg mij in eenige woorden: hoe is dit schromelijk +ongeluk gebeurd?" + +"De graaf zat geknield voor het autaar. Burchard Knap is genaderd en +heeft hem met eenen enkelen slag het hoofd gekloofd. Ingelram Van Eessen +heeft den hofraadsheer Tancmar den schouder afgehakt; Isaac Van Eeninghe +heeft den hofbottelier bij de poort der kerk vermoord...." + +"IJselijk, ijselijk!" morde Robrecht, de handen met wanhoop wringende. + +"Kent gij niet mher Disdir Vos?" vroeg hij. + +"Zeker, heer, ik ken hem wel." + +"Was hij in de kapelle met de moordenaars?" + +"Neen, hij was er niet, anders hadde ik hem gezien." + +"En is Burchard Knap nog op den burg?" + +"Neen, hij is daareven met zijne bende Houtkerels de stad ingeloopen, +om Tancmars zonen te gaan dooden. Wee, wee ons, mher Sneloghe! de wrake +Gods gaat nederstorten op onze stad, die besmet werd met zulke +euveldaad." + +Vier of vijf andere poorters waren genaderd; een hunner, die de laatste +klacht had gehoord, riep dreigend uit: + +"Wat raast gij daar, Thiebald? Dat gij een bloodaard zijt, weet +iedereen. Hoe? gij beklaagt de dwingelanden? Gave God dat al de Isegrims +dus naar de helle werden gezonden; dan zou Vlaanderen van zijne booze +verdrukkers voor eeuwig zijn bevrijd!" + +"Zinnelooze, gij weet niet wat gij zegt", morde Robrecht met eenen blik +van misprijzen, doch hij liet de poorters staan twisten en haastte zich +naar den burg. + +Voor de poort der kerk greep hem eene ijskoude siddering aan en hij +weerhield zijnen stap, als dede iets akeligs hem twijfelen of hij wel +verder zou gaan. Daar lag een groote plas bloed, ter plaatse waar men +den hofbottelier had gemarteld. + +Zijnen moed te zamen rapende, sprong Robrecht met eene breede schrede +over de gruwelijke vlek, beklom de trap en ging in de kapelle. Hier zag +hij niemand dan eenige mannen, die met bloote zwaarden bij de deur van +de gang naar het paleis op wacht schenen te staan, vijf of zes +priesters, die met diep gebogen hoofde in de gestoelten zaten te bidden, +en drie vrouwen, bij het altaar ten gronde geknield, die nevens het lijk +weenden. + +Akelig en doodsch was het hier als in een graf; slechts nu en dan werd +de stilte door eenen pijnlijken snik der treurende vrouwen onderbroken. + +Mher Sneloghe naderde tot het altaar en blikte lang met stommen schrik +op het lijk van vorst Karel, dat daar nog in zijn bloed lag uitgestrekt, +zooals het onder den slag van Burchards zwaard was neergestort[61]. + +De jonge ridder kon zijn medelijden niet bedwingen; hem borsten de +tranen uit de oogen; maar welhaast ontstond er een grijns van diepe +verontwaardiging op zijn gelaat, en hij dreef zijne tranen met geweld +terug. + +Tot de priesters gaande, zeide hij hun: + +"Maar, eerwaarde heeren, waarom laat men het lijk van onzen armen vorst +dus schandelijk liggen? Bewijst hem ten minste de eer die men allen +dooden schuldig is." + +De priesters schenen verwonderd over deze taal. + +"Ach, mher Sneloghe, wij durven niet", antwoordde de kanunnik Ludgard, +die hem een vriend was. "De moordenaars hebben gedreigd de kerk van +St-Donaas te verdelgen, indien wij het lichaam van graaf Karel eenige +eer bewijzen. Zij zwoeren bij duren eede, den eerste die zijnen dood +durft beklagen, zonder genade neder te hakken. Zij gaan wederkeeren ..." + +"En toch, wij mogen geenen godsdienst oefenen, geene plechtigheden +vervullen in eenen tempel die door eenen moord ontheiligd is", bemerkte +de oude kanunnik Littra. + +"Het zij zoo", antwoordde Robrecht, "maar roept eenige broeders, doet +het lijk zooveel mogelijk van bloed reinigen, legt het op eene baar en +verbergt zijn hoofd en zijne gruwelijke wonde met een linnen kleed." + +"Wij zijn u dankbaar, mher Sneloghe, voor uw Christelijk medelijden", +zeide Ludgard. "Wij zullen gelukkig zijn dezen plicht jegens de +stoffelijke overblijfsels van onzen vorst te mogen vervullen; maar wie +zal den tempel en wie zal ons tegen de wraak zijner wreede moordenaars +beschermen?" + +"Wie, heeren? Ik zal u behoeden, al ware het zelfs ten koste van mijn +leven. Zegt dat de proost het u heeft bevolen." + +"De proost!" herhaalde de priester op eenen zonderlingen toon, die +Robrecht verbaasde en verschrikte. + +"O, mijn God!" kreet hij, "spreek toch duidelijk. Wat wilt gij zeggen? +Beschuldigt gij den proost?..." + +"Neen; maar hij is oom van Burchard. De ijselijke misdaad heeft hem +zoodanig ontsteld, dat hij van moed en wil is beroofd. Hij bemoeit zich +met niets meer, zegt hij. Hem ontbreekt de macht om ons te beschermen." + +"Welnu, heeren, doet alles op mijn bevel, ik blijf verantwoordelijk. +Wil iemand u hinderen, men roepe mij in de proostdij; ik zal +onmiddellijk komen en verantwoorden wat ik u heb geraden." + +Dit zeggende verliet hij de kapelle en ging over het middelplein van den +burg, om zijnen oom te gaan spreken. + +Een huisschalk hield hem terug, onder voorwendsel dat de heer proost +bevolen had niemand tot hem toe te laten, wie het ook ware. Hij was zeer +aangedaan en bedrukt, en wilde alleen zijn. + +Maar Robrecht, daarop geene acht slaande, stiet de deur eener zaal open +en verraste zijnen oom, waar hij met het hoofd op de beide handen voor +eene tafel zat. Een open zakdoek, die nevens hem lag, scheen te getuigen +dat hij tranen had gestort. + +Robrecht en de proost aanschouwden elkander een oogenblik zonder +spreken. + +"Oom, wat afschuwelijke misdaad!" riep mher Sneloghe. + +"Ja, ja, Robrecht", zuchtte de oude Bertulf, moedeloos het hoofd +schuddende, "Het is misschien ons aller doodvonnis! Onze vijanden zullen +de kans niet laten ontsnappen, om al de Erembalds van medeplichtigheid +aan dezen moord te beschuldigen. Gansch Vlaanderen zal ons vervolgen en +ons verderf najagen als eene rechtvaardige wraak!" + +"De dood is niets, oom, wanneer men onschuldig sterft", zeide Robrecht +met beklemden toorn, "maar de schande! Wij beweren ridders te zijn, +ridders en vrije mannen, en daar gedragen voorname leden van ons +geslacht zich als laffe sluipmoordenaars! Ach, het is eene vlek die in +de verre toekomst nog op onzen naam zal kleven. Weerhield de plicht +jegens u en jegens Kerlingaland mij niet, ik verzaakte van heden af +eenen naam die met wraakroepend bloed is besmeurd!" + +"Weze God ons barmhartig, Robrecht, anders is deze gruweldaad de +slavernij voor de Kerels en de marteldood voor uwe ooms!" + +"En waar is nu Burchard?" vroeg Robrecht. + +"Men heeft mij daareven geboodschapt dat hij met zijne woeste Houtkerels +naar Straten is geloopen om Rambold Tancmar te gaan verrassen. Eilaas, +hij heeft in de stad de beide zonen van den hofraadsheer vermoord! +Zeker, zij waren ons booze, onmeedoogende vijanden; maar zoo toch +moesten wij ons niet verdedigen. Dit bloed zullen wij duur betalen...." + +"Oom, vergeef mij mijne vraag", onderbrak hem Robrecht. "Hebt gij dan +niets gedaan om Burchard het moorddadig zwaard uit de handen te rukken? +Uwe overheid op hem is groot; uw gebod ..." + +"Neen, wees niet wreed voor mij, mijn goede neef", antwoordde Bertulf +bijna smeekende. "Ik gevoelde mij niet wel en lag nog te bed, toen reeds +de graaf en zijne twee raadslieden van het leven waren beroofd. Ik heb +het beproefd, Burchard van verder bloedvergieten te wederhouden; maar +hij noemde mijne vermaningen laffe woorden en weigerde mij aan te +hooren. Hij handelt op bevel en met goedkeuring van Willem Van Loo, zegt +hij, en indien dit waar is, wat kunnen wij tegen den wil van dengenen +die in den Hoop tot graaf van Vlaanderen werd verheven?" + +"Maar het is niet waar, het is eene snoode logen!" kreet Robrecht met +verontwaardiging. "Burchard bedriegt ons." + +"Hoe kunt gij het weten, neef?" antwoordde de proost met een treurig +schokschouderen. "Kent gij den burggraaf van Yperen? Zijne ziel is diep +verbitterd; hij haat Karel van Denemarken ontzeglijk, sedert deze, in +zijne plaats, zoo hij meent, den troon van Vlaanderen beklom. De +heerschzucht, mijn zoon, maakt den mensch tot alle euveldaden bekwaam; +de geschiedenissen, oude en nieuwe, krielen van bewijzen." + +"Schromelijk!" morde mher Sneloghe, "gij waant Willem Van Loo uitzinnig +of boos genoeg, om door plassen bloed, laffelijk en snood gestort, den +troon zijner vaderen te beklimmen? En hij zou eenen Erembald, hij zou +Burchard Knap deze gruwelijke misdaad bevolen hebben?" + +"Ik weet het niet, neef; maar gij zelf hebt mij gezegd, dat Burchard te +Veurne zich aanstelde als een gunsteling van mher Willem en zichtbaar +zijn bijzonder vertrouwen genoot." + +"Het is waar!" bevestigde Robrecht, met eenen zucht van moedeloosheid. +"En zouden wij hem nog als graaf erkennen, den valschen en wreeden +mensch, die zijn rijk met eenen eerloozen sluipmoord begint?" + +"Spreek zulke onvoorzichtige woorden niet, mijn neef", bemerkte de +proost. "Wij moeten de voorvallen afwachten en zien wat ons eigen behoud +en de verdediging van Kerlingaland van ons eischen. Wij zijn gebonden +door onzen gildeneed. Vergeet dit niet." + +"Waar is mijn oom Hacket?" vroeg mher Sneloghe. + +"Die is in het Gijselhuis en bewaart daar den schatmeester Frumold en +andere hofbedienden des graven, die Burchard aan onze wacht heeft +toevertrouwd." + +"Oom, ik heb bevolen dat men het lijk des graven wassche en het op eene +baar legge. Het volk gaat komen; dit bebloede lichaam, indien wij het +zonder eenig bewijs van eerbied op den vloer lieten liggen, zou den +poorters afgrijzen inboezemen en hun erg verdenken tegen u en den +kastelein doen opvatten. Daarenboven, men is allen dooden eerbied +verschuldigd, en Karel van Denemarken was toch voor Vlaanderen nog de +wettige graaf." + +"Ik dank u voor uwe goede zorg; gij hebt wel gedaan, mijn neef ... Ik +was door dezen ijselijken moord zoo diep ontsteld, zoo verpletterd, dat +het gansch duister in mijnen geest was geworden; nu klaart mijn verstand +een weinig op. Ik ga metterhaast brieven schrijven: naar Willem Van Loo, +om hem te melden wat hier is geschied en zijne hulp in te roepen; naar +de bischoppen van Terouaen en van Noyon, om hun te bewijzen dat ik +onschuldig ben aan deze schromelijke voorvallen en hun te verzoeken de +ontheiligde kerk te komen herwijden. Ja, Robrecht, gij zult het zien, de +Isegrims zullen al de Erembalds, en mij meer dan anderen betichten van +aan dezen moord te hebben deelgenomen of hem te hebben aangeraden. +Burchard is mijn neef; met weet dat ik alleen invloed op hem bezat, en +men zal beweren dat ik zijnen arm hadde kunnen weerhouden, indien ik den +ijselijken aanslag niet had goedgekeurd. De schijn is tegen ons. Niemand +toch kan vermoeden dat eene hoogere overheid dan de mijne dezen moord +heeft bevolen." + +"Ik zelf, oom, ik kan nog niet gelooven dat mher Willem Van Loo zulk +bevel heeft gegeven. Hij is toch ridder!" + +"Geve God dat gij u bedrieget; anders valt de pletterende +verantwoordelijkheid geheel op ons. Laat mij nu alleen, Robrecht; ik zal +metterhaast mijne brieven voor Willem Van Loo en de bisschoppen gaan +schrijven." + +"Kan ik hier niet van eenigen dienst zijn, heer oom?" vroeg Robrecht. + +"Ja, zeker, van grooten dienst; ik dacht er niet aan. Hoe verward zijn +toch mijne zinnen!" antwoordde de oude Bertulf. "Ga naar de kapelle en +blijf daar waken over het lijk des graven. Ik heb reeds vijf of zes +wapenlieden er naartoe gezonden; maar zij hebben geenen overste. Ik zal +uwen oom Hacket verzoeken er u nog anderen te sturen. Welhaast zal de +gansche bevolking van Brugge te been zijn. De menigte zal uit +nieuwsgierigheid naar St-Donaas komen gestroomd. Niet alleen moet men +daar het gewoel en het gedrang beletten, maar tevens het lijk tegen +allen hoon beschermen; want de woeste gezellen van Burchard kunnen +terugkeeren, en zij zouden hun slachtoffer niet eerbiedigen. +Daarenboven, vele poorters koesterden eenen even vurigen haat tegen +graaf Karel. Er zijn ijselijkheden genoeg gepleegd. Ga, mijn neef, en +behoed ten minste het doode lichaam tegen alle schennis en tegen alle +oneerbiedigheid." + +"Het is wel, oom", antwoordde Robrecht, met eenen groet. "Wees gerust; +al moest mijn bloed zich mengen met het bloed van den ongelukkigen vorst +Karel, niemand zal ongestraft zijn lichaam hoonen." + +Hij verliet de proostdij en keerde terug naar de kapelle, waar zich een +twintigtal nieuwsgierigen bevonden, die in stilte op de banken geknield +zaten en, met schrik op het gelaat, naar het altaar blikten. + +Het lijk lag nu op eene soort van tafel en was overdekt met een wit +linnen. Rondom deze baar brandden een zeker getal waskaarsen Men had den +vloer van bloed gereinigd en alles, wat in de kapelle door de woeling +was overhoop gesmeten geworden, weder geschikt en gezuiverd. + +Door de woorden van mher Sneloghe aangemoedigd, hadden de priesters +hunne genooten en klerken verwittigd, zoodat nu bij de baar en in de +gestoelten vele geestelijken en broeders van St-Donaasklooster in stilte +zaten te bidden. Maar hun plechtgewaad hadden zij afgelegd, en de gewone +gebeden voor de dooden lazen zij niet; want dit was hun verboden door de +kerkelijke wetten, zoolang de ontheiligde tempel niet door eenen +bisschop zou herwijd zijn. + +Robrecht sprak eene wijl met den kanunnik Ludgard, schikte dan de +gewapende wachten op eenigen afstand rondom de baar en beval hun niemand +het lijk te laten naderen, en al degenen die zich oneerbiedig zouden +toonen zonder eenig ontzag terug te drijven. Hij zou in de kapelle +blijven en op het minste gerucht hun terzijde komen, om hun hulp te +bieden, indien het noodig werd. + +Na dus zijne onderrichtingen te hebben gegeven, trok hij eenen bidstoel +tot bij de deur van de gang naar het paleis, en zette zich daar geknield +en met gebogen hoofd neder. + +Allengs kwam er meer en meer volk in de kapelle, en na een uur tijds +begon men er zoo dicht opeen te staan, dat de wachten, alhoewel zij nu +wel twaalf in getal waren, moeite hadden om de lieden te beletten +elkander tot tegen het lijk te dringen. + +Daaruit ontstond verwarring, en nu en dan een hevig gemor, dat waarlijk +inbreuk maakte op den eerbied dien men deze plaats en bovenal het doode +lichaam des graven was verschuldigd. + +Robrecht stond op en beval dreigend de diepste stilte. Dan stelde hij +vier gewapende mannen bij de deur, aan de trap, en legde hun ten plicht +op niemand meer toe te laten dan wanneer de kapelle door een zeker getal +bezoekers zou ontruimd zijn. + +Toen hij naar zijnen bidstoel meende terug te keeren, hoorde hij eenen +poorter luidop zeggen dat Karel van Denemarken niet meer had dan wat hij +verdiende; hij noemde hem valschaard, dwingeland en huichelaar. + +Robrecht zag hem met vertoornden blik aan en beval hem te zwijgen; maar +de poorter, die verblind was door zijnen haat tegen den doode, sprak +eene grove vermaledijding uit. + +Robrecht deed geweld om zijne verontwaardiging te bedwingen; hij ging +tot twee zijner wachten, zeide hun eenige stille woorden en naderde +weder met hen tot den oneerbiedigen poorter. + +"Wilt gij zwijgen of oogenblikkelijk deze kapelle verlaten?" vroeg hem +mher Sneloghe. + +De poorter toonde zich nog onwillig. + +Op een teeken van Robrecht grepen de beide wapenlieden te gelijk hem +aan en rukten hem naar de deur, ondanks zijnen tegenstand. + +"Weigert hij den burg te verlaten, men voere hem naar het Gijselhuis in +den kerker!" riep Robrecht. + +De rust, een oogenblik door dit voorval gestoord, was welhaast geheel +hersteld. Dit bewijs van krachtdadigheid boezemde de menigte ontzag in, +en ieder hield zich stil. + + +[Illustratie: En zette zich daar geknield en met gebogen hoofd neder +(Bladz. 288)] + + +Robrecht keerde terug naar zijnen stoel. Uren verliepen er, zonder dat +zijne tusschenkomst nog noodig werd; want, dank aan den wijzen maatregel +door hem voorgeschreven, het men slechts opvolgend een beperkt getal +nieuwsgierigen de kapelle binnentreden. + +Weinig tijds voor den middag, terwijl hij in diepe verslondenheid zat te +bidden of te overwegen, werd zijn naam zeer zachtjes achter hem +uitgesproken. Hij hief het hoofd op en zag met verrassing Dakerlia en +Witta aan zijne zijde staan. + +Hij sprak met hen door treurige blikken en stomme gebaren, want, om de +stilte niet te storen, durfde niemand hunner iets zeggen. + +Robrecht trok twee stoelen bij, en Dakerlia en zijne zuster knielden +nevens hem met saamgevoegde handen. Tusschen het prevelend gebed der +jonkvrouwen werd nu en dan een doffe snik hoorbaar. Zij weenden over de +misdaad en over het arm slachtoffer. + +Wel een half uur hadden zij daar voor de ziel van graaf Karel en voor +het bedreigde Kerlingaland gebeden, toen mher Eggard Van Ysendijke, een +vriend van Robrecht, in de kapel trad en eenige woorden aan zijn oor +fluisterde. Robrecht stond op en deed Dakerlia en zijne zuster teeken +dat zij hem zouden volgen. + +Zij zwegen totdat zij buiten de kerk op het plein waren. + +Hier begonnen de ontstelde jonkvrouwen, onder het storten van nieuwe +tranen, hun medelijden met het doorluchtige slachtoffer uit te storten +en hunnen afschrik van den ijselijken moord te betuigen; maar Robrecht +troostte en versterkte hen, zoo hij best kon, en deed hun begrijpen dat +zij huiswaarts moesten keeren en daar gerust op hem wachten. Hij zou hen +gaan vervoegen zoohaast hem dit mogelijk zou zijn. Nu moest hij nog op +den burg blijven, om in de kapelle over het doode lichaam te waken. Wel +had de proost hem door Eggard Van Ysendijke doen aflossen; maar het was +slechts om hem toe te laten in de proostdij metterhaast en weinig +voedsel te nuttigen. Dan moest hij weder in de kerk zijne wacht gaan +hernemen. Overigens wist hij niet met welken anderen dienst men hem zou +kunnen belasten. Zijne ooms waren, om zoo te zeggen, gansch alleen en +zonder hulp; zijn plicht gebood hem met hen te blijven zoolang zijne +tegenwoordigheid hun van eenig nut kon zijn. Tot nu toe bestond er voor +de poorters der stad geen het minste gevaar. Dakerlia en Witta konden +dus in volle gerustheid naar huis gaan, en daar onbekommerd op hem +wachten. + +Zou koutende en moeite doende om hun moed in te spreken, leidde hij hen +door de Hoogpoort en bijna tot voor zijnen Steen. Hier nam hij echter +afscheid van hen en keerde terug naar den burg. + +Toen hij op het plein trad, zag hij eenen ganschen stoet geladene wagens +de Hofpoort binnenrijden. Daarop lagen in groote verwarring allerlei +wapens opgehoopt: helmen, harnassen, maliehemden zwaarden, kruisbogen, +speren, en zelfs werptuigen die men in belegerde plaatsen gebruikt om +eenen stormloop af te weren. Rondom en tusschen de wagens reden vele +Houtkerels, aan hunne diepblauwe kleeding en lange baarden kennelijk. +Dat zij deze paarden in het veld of op de ridderburchten hadden geroofd +bleek genoeg daaruit dat de meeste dezer dieren ongezadeld waren en +sommige met een zeel bij de hand werden geleid. Een gansche drom +Houtkerels te voet kwamen achter de wagens aangestapt Velen hunner +droegen kostbare voorwerpen op hunne armen of op hunne schouders: gouden +lakens, rijke kleederen, ingelegde wapens, zilveren schotels, die zij +ongetwijfeld op hunnen tocht tot buit hadden gemaakt. + +Bij hunne intrede binnen den burg zongen zij met verwarde galmen: + + "Gi, rudders, dwingers, maect u van cant, + Hier zyn de Kerels van Vlaenderlant! + Gi, Isegrim, hoed u vor den Blauwvoet + Of gi selt voelen wat sine clau doet. + Onse vorderen waren vri, + En vri so bliven wi, + So lanc een hart, dat lafheid haat, + In eenen Kerlenboesem slaat! + + Doedele, bommele, rondomdom, + Houd u recht en sie niet om!" + +En na dezen zang deden zij den schreeuw: "Heil Willem Van Loo, graaf van +Vlaanderen! Heil, heil!" als een donder over den burg schallen, terwijl +vele poorters dien kreet met evenveel drift herhaalden. + +Het pijnigde mher Sneloghe zeer diep, het lied der Kerels bij zulke +beklaaglijke gelegenheid in den mond te hooren van lieden die hij als +laffe moordenaars aanschouwde. Het scheen hem eene ontheiliging van den +vaderlandschen krijgszang; hij sidderde van verontwaardiging bij het +gepeins dat ditzelfde lied ook in den oorlog, welke er ongetwijfeld ging +ontstaan, der Kerlen scharen ten strijde zou voeren. Het was hem nu +hatelijk geworden, het zou hem voortaan ontmoedigen en beschamen, +telkens dat het in zijn oor zou hergalmen. + +Daar zag hij eensklaps Disdir Vos tusschen de Houtkerels. Deze ridder +moest een hunner oversten zijn, want hij deelde zichtbaar bevelen uit +tot het ontladen der wagens en tot het bergen der wapens in de +stapelhuizen. + +Disdir Vos bemerkte Robrecht en kwam tot hem. + +"Hoe staat gij daar werkeloos en onverschillig, mher Sneloghe?" vroeg +hij. "Wij gaan straks om nieuwen buit naar de burchten der omstreken. +Ditmaal zullen wij allen te paard zijn. Gaat gij niet mede?" + +"Ik wil niets gemeens hebben met lieden die eenen afschuwelijken +sluipmoord hebben gepleegd", antwoordde Robrecht zeer koel. + +"Maar de slag is nu toch gegeven. Uwe treurnis zal den dwingeland niet +opwekken." + +"Kleve de wrake Gods en de vermaledijding der wereld op degenen die het +bloed van Karel hebben vergoten! Ik, Robrecht, wil ten minste voor mijn +eigen geweten onschuldig blijven van alle medeplichtigheid aan dien +gruwel." + +Mher Vos veranderde eensklaps van toon, en het was met zekere +bekommerdheid, dat hij zeide: + +"Ik was niet tegenwoordig bij den moord; toen men mij de erge +gebeurtenis kwam melden, lag ik nog te bed, wees daarvan zeker." + +"Ik weet het", mompelde Robrecht. "Misschien hebt gij Tancmars zonen +zien dooden?" + +"Neen, neen, in mij bijzijn is er geen druppel bloed gestort. Uit enkel +nieuwsgierigheid ben ik Burchard achternagereden naar Straten. Ik heb +hem vergezeld naar Snelleghem, Lophem, Oostcamp en Assebroeck. Overal +waren de lieden gevlucht en niemand bood ons wederstand. Burchard meende +ten minste Rambold Tancmar te verrassen; het nest was ledig en de vogel +ontvlogen ... Kom straks met ons, Robrecht. Burchard handelt op bevel +van graaf Willem; hij is zijn gunsteling en hij zal den graaf laten +weten wie in deze gewichtige omstandigheid hem bewijzen van +verkleefdheid gaven." + +Mher Sneloghe glimlachte met misprijzen. + +"Gij begrijpt", ging Disdir met vleiend aandringen voort, "dat vele +leenen der Isegrims zullen verbeurd worden. De graaf zal deze leenen +uitdeelen aan de ridders die hem door openbare daden van moed en +opoffering hebben geholpen. Uw deel zal groot zijn, indien gij nu zonder +aarzeling u aan de zijde van Burchard schikt en niet ten onrechte laat +denken dat het u aan stoutheid faalt." + +"Ik heul niet met lieden aan wier handen nog het bloed van den +sluipmoord kleeft! Op tijd en plaats, in eenen open en eerlijken oorlog, +zal ik toonen dat ik niet weiger mijn leven voor het heil van +Kerlingaland te wagen. Nu blijf ik op den burg." + +Disdir Vos scheen verdrietig over het mislukken zijner poging. + +"Denk toch niet, mher Sneloghe", zeide hij, "dat ik juich over den +ellendigen dood van graaf Karel; maar, al weende ik nu ook in mijn +binnenste over het bloedig voorval, wat zou het er aan helpen? Is onze +plicht niet ons te wapenen tegen onze vijanden, die op de stad Brugge en +op Kerlingaland het verlies van den graaf zullen willen wreken? Wij +kunnen ons toch niet als kalveren door de Isegrims laten doodslaan?" + +"Het is waar", zuchtte Robrecht, "maar tusschen moordenaars? Nooit, +nooit!" + +Disdir Vos keerde zich om met eenen korten groet; een dof gemor rolde +van zijne lippen en hij verwijderde zich, knarsetandend van geheime +spijt. + +Robrecht richtte zich naar de proostdij. Een schalk leidde hem in eene +kamer en bracht hem een stuk gebraden vleesch en eene flesch wijn. + +Hij begon te eten zonder veel lust, ofschoon hij wel gevoelde dat zijn +lichaam nood had tot herstelling van krachten. + +Spoedig had hij met zijnen maaltijd gedaan, en meende zich weder naar de +kapelle te begeven, toen zijn oom Bertulf bij hem in de kamer trad. De +oude proost scheen minder neerslachtig; ja, eene uitdrukking als een +glimlach verhelderde zijn gelaat. + +"Kom, mijn goede Robrecht", zeide hij, o wat geschied is kan niet +hersteld worden. Wij moeten het lot aanvaarden zooals het zich voordoet, +en met beradenheid de middelen verzamelen om ons tegen de wraakzucht +onzer onmeedoogende vijanden te kunnen verdedigen. Burchard is toch van +ons maagschap. Hoe schromelijk ook de daad zij, die door hem is +gepleegd geworden, wij moeten hem bijstaan." + +"Ach, oom, spreek zoo niet!" zuchtte Robrecht met afgrijzen. "Burchard +is eene afschuwelijke moordenaar. Ik hem helpen? Eischt gij dat van +mij?" + +"Het is een bloedplicht, mijn neef, gij weet het wel. Ik heb lang met +Burchard gesproken; hij is in de proostdij en rust nu een weinig ... +Indien het waar is, zooals hij het verzekert, dat Willem Van Loo hem +last heeft gegeven om den graaf te dooden ..." + +"Dit is onmogelijk!" kreet Robrecht met driftigheid. + +"Gij kent Willem niet, mijn neef. Uw edelmoedig hart begrijpt niet dat +een ridder tot zulke gruwelen kan besluiten, al moest ook de kroon van +Vlaanderen de prijs van den sluipmoord worden. Gij bedriegt u; de tijd +zal het u leeren. In alle geval, Burchard toont zich bereid om voor den +nieuwen graaf, wie hij ook weze, zijne daden te verrechtvaardigen. Laat +hem dan verantwoordelijk blijven voor den moord, en pogen wij, van onze +zijde te beletten dat onze vijanden deze gelegenheid waarnemen om het +geslacht der Erembalds te verderven en Kerlingaland in eeuwige slavernij +te dompelen." + +"Ik ben bereid tot alles, heer oom", antwoordde Robrecht, "maar aan de +zijde van Burchard niet. Sedert dezen morgen is hij een wangedrocht in +mijne oogen; mijn afkeer voor hem is onuitsprekelijk" + +"Dit gevoel begrijp ik, Robrecht; maar het zal verzwakken. Kom, wees +beter beraden; men moet ook zedelijke opofferingen voor zijn land kunnen +doen ... Ik heb daar straks eene bijeenkomst gehad met de schepenen van +Brugge ..." + +"Ha, zij insgelijks beven van verontwaardiging en van afschuw niet +waar?" + +"Inderdaad; maar als wijze mannen denken zij aan de verdediging der stad +en aan het behoud hunner vrijheden. Wij hebben gezamenlijk besloten dat +men, met den grootsten spoed de grachten zal uitdelven, waar ze door +verloop van tijd ondiep zijn geworden. De paalwerken zullen wij +herstellen, de zwakste plaatsen der omheining met aarden wallen +versterken, de torens en poorten met allerlei wapens voorzien. +Verschijnen dan de Isegrims voor de stad, wij zullen ze kunnen afweren +en terughouden totdat Willem Van Loo met het Kerlenleger hun den strijd +komt bieden. Zijn de Kerels overwinnaars, Burchard zal voor hem en zijne +ridders terechtstaan en zich volgens hun vonnis gedragen. Gij ziet wel, +mijn goede neef, dat alles nog zoo erg niet is als wij meenden." + +Robrecht schudde zwijgend het hoofd, ofschoon hij innerlijk niet +ontkende dat zijn oom gelijk had, ten minste wanneer hij aanried zich +tot verdediging tegen de Isegrims te bereiden. + +Daar hoorde men in de proostdij een gerucht van stappen. + +"Hemel, zou hij het zijn?" kreet Robrecht als verschrikt. + +"Burchard?" antwoordde de proost, "ja, ik geloof dat hij het is." + +Mher Sneloghe sprong recht en zocht met de oogen eene deur om de kamer +te verlaten. + +"Bij uwe liefde tot mij en tot Kerlingaland", zeide de oude Bertulf, hem +de hand grijpende, "ik bezweer u, Robrecht, toon niet zoo openlijk uwen +afkeer voor Burchard; het zou hem diep kwetsen ... en wie weet? Ach, +indien gij elkander op zulk oogenblik naar het leven moest staan, waar +bleef onze verdediging?" + +"Laat mij gaan", smeekte mher Sneloghe, "ik zal het gezicht van den +moordenaar niet kunnen verdragen; nu nog niet, later; maar nimmer toch +zal ik zonder blozen...." + +"Wij bedrogen ons, het is Burchard niet!" riep de proost met blijdschap. + +De kanunnik Ludgard was in de kamer getreden en zeide met groote haast: + +"De schalken wilden mij beletten tot u te naderen, heeren; ik heb uw +bevel niet geeerbiedigd ... Mher Sneloghe, kom toch zonder uitstel naar +de kerk! Daar zijn Houtkerels die het lijk van graaf Karel allen smaad +aandoen; zij hebben den doek er af getrokken, de lichten uitgedoofd, de +geloovigen verjaagd en ons, dienaars des Heeren, gehoond en bespot." + +Robrecht sloeg, van verontwaardiging sidderend, de hand aan zijn zwaard +en, terwijl hij zich naar de deur richtte, morde hij, dat hij een einde +aan de baldadigheid der Houtkerels zou stellen, al moest hij ook dien +goddeloozen het hoofd klooven ... maar hij deinsde eensklaps terug, als +hadde een onverwacht gezicht hem met verschriktheid geslagen. + +Burchard Knap vertoonde zich glimlachende in de deur. Hem hing een +zilveren jachthoorn aan de zijde. + +"Wat komt kanunnik Ludgard hier van mijne Houtkerels vertellen oom?" +vroeg hij den proost, die uit voorzorg zich tusschen Robrecht en +Burchard had gesteld. + +"Hij komt hulp vragen tegen uwe mannen, die in de kapelle het doode +lichaam van vorst Karel hoonen en mijne priesters smaad aandoen", +antwoordde de proost toornig. "Ik zal niet langer dulden dat de kerk van +St-Donaas zoo wraakroepend worde ontheiligd!" + +"Is het anders niet?" schertste Burchard, zijnen zilveren hoorn +aangrijpende. "Gij zult gaan zien hoe mijne Houtkerels den overste +gehoorzamen, die in naam van graaf Willem over hen gebied. Hier is de +jachthoorn van den valschen Rambold Tancmaar; zij kennen dien klank." + +En dit zeggende, stapte hij, door de anderen gevolgd, uit de proostdij +en deed op het plein eenige schelle tonen hergalmen. + +Even ras antwoordden van alle kanten verwarde stemmen op dit geluid, en +men zag uit de stapelhuizen en uit de kerk vele Kerels en ook poorters, +die zich in hunne bende hadden geschikt, met haast naar Burchard komen +geloopen. + +"Vrees nu niet meer voor uwe kerk, heer oom", zeide deze. "Ik ga weder +met mijne mannen het veld in, om wapens te verzamelen en buit te maken +op onze vijanden ... Ginder bij de kerk staat mher Sneloghe. Hij +ontwijkt mij; ik begrijp het en vergeef hem zijne teergevoeligheid; maar +zeg hem, oom, dat hij zich niet verstoute in het openbaar mij te hoonen, +of, bij Thors hamer, hij zal slaan met mij!" + +"Wat? woestaard!" gromde de proost vergramd, o gij zoudt Robrecht durven +uitdagen? Mij zoudt gij moeten dooden, vooraleer ik zulken broederstrijd +toeliete!" + +"Welaan, hij bedwinge zich dan! Zijne vriendschap behoef ik niet, maar +zijn misprijzen zal ik niet dulden, in geener wijze!" + +"Maar wie zegt u dat Robrecht u misprijst?" + +"Ik heb er een staal van gehad dezen nacht; er zijn geene scheldwoorden +die den trotsaard mij niet naar het hoofd wierp." + +"Dezen nacht?" vroeg Bertulf verwonderd. + +"Ik zal het u later uitleggen. Nu heb ik geenen tijd. Vaarwel, oom, tot +onzen terugkeer." + +De proost ging naar de kapelle, waar hij Robrecht reeds werkzaam vond +aan het doen herstellen van wat de woeste Houtkerels hadden ontschikt. +Een nieuw linnen werd over het lijk gelegd; men ontstak nog meer +waskaarsen en nam eenige maatregels om alle verdere ontheiliging der +kapelle te voorkomen. + +Toen men hiermede gedaan had, wenkte de proost zijnen neef. Beiden +gingen tot op het middelplein. Daar zeide de oude Bertulf: + +"Robrecht, wij kunnen zoo niet blootgesteld blijven aan de baldadigheid +van Burchards gezellen, zonder eenige hulp om desnoods hen in bedwang te +houden. Hoevele gewapende mannen zoudt gij op uw landgoed Ravenschoot +kunnen verzamelen?" + +"Onmiddellijk, oom?" + +"Voor den avond." + +"In zoo korten tijd? Zeker vijftig of zestig, indien niet meer." + +"Het is genoeg. Wij zullen hun de wacht van den burg toevertrouwen, en +gij zult hun overste zijn. Kunt gij zonder uitstel u naar Ravenschoot +begeven?" + +"Ja, ik zal naar huis gaan om een paard te nemen. Dit zal mij +gelegenheid geven om mijne zuster en jonkver Wulf over mijne afwezigheid +gerust te stellen. Ik vertrek, heer oom, en zal mij spoeden, om met al +de mannen, die ik kan vergaderen, voor het einde van den dag terug te +zijn." + +Hij meende zich naar de Hoogpoort te richten; maar de proost weerhield +hem. + +"Nog een woord, mijn goede neef", zeide hij, "en ik smeek u, ik bezweer +u, hoor mijnen vaderlijken raad aan! Het kan zijn, het is zelfs +waarschijnlijk dat gij in aanraking zult komen met Burchard Knap. Uit +opoffering voor uw geslacht, uit liefde voor Kerlingaland verberg uwen +afkeer voor hem. Indien gij beiden in twist geraaktet, er zou tusschen +de mannen, die ons moeten verdedigen, eene noodlottige, eene +onherstelbare verdeeldheid ontstaan. Genoeg ware dit om onze kracht te +verlammen en al onze pogingen op voorhand te verijdelen. Beloof mij, +Robrecht, dat gij geweld op u zelven zult doen om geene reden tot zulke +splitsing te geven." + +"Maar ik gevoel eenen onverwinnelijken afkeer voor hem", mompelde +Robrecht. + +"Hij weet het; gij hoeft het hem dus niet meer te betuigen. Ik zal hem +aanraden, in uwe tegenwoordigheid, van Karels dood niet meer te gewagen. +Zwijg gij insgelijks daarover." + +"Ik zal het beproeven, oom: uw raad is wijs, ik beken het gaarne." + +"Welnu, ga dan, mijn zoon, en ontvang met mijnen zegen al mijnen dank +voor uwen goeden wil." + +Hij drukte nog tot vaarwel de hand van mher Sneloghe, die met haastige +stappen zich verwijderde, om de hem opgelegde boodschap te gaan +volbrengen. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 61: "Gedurende al dien tijd liet men daar het lichaam des +graven liggen ... zoodat zijn bloedig en verlaten lijk nog in denzelfden +toestand was als op het oogenblik dat hij den doodslag ontving." + +GALBERTUS, p. 277.] + + + + +XV + + +Reeds vier dagen waren er verloopen sedert den moord van graaf Karel, +zonder dat er eenige gewapende macht voor Brugge was verschenen om +zijnen dood te wreken. + +De Erembalds wisten echter, door hun toegezonden berichten, dat de +ridders, gansch Vlaanderen door, zich bereidden om met vereende kracht +tegen Brugge op te trekken. Zij hadden zelfs van eenigen hunner heetste +vijanden, onder anderen van Tancmars neven, brieven ontvangen, waarin +men hun toezwoer dat zij allen, als medeplichtig aan den gruwelijken +moord, tot den laatste toe zouden worden uitgeroeid. + +Evenwel, deze bedreigingen boezemden hun niet veel bekommerdheid in. +Vooraleer het leger der ridders zich voor Brugge kon aanbieden, zou de +stad ruimschoots voorzien zijn van alles wat er noodig was om ook de +geweldigste aanvallen zegevierend af te weren. Daarenboven, morgen was +de vastgestelde dag voor de vergadering van het Kerlenleger in het +Wolvennest-bosch. Men mocht met recht zich zeker achten dat de ridders, +hoe machtig ook, weinig tegen Brugge zouden verrichten, indien zij tot +daar konden geraken, aangezien zij spels genoeg zouden hebben om niet +door Willem Van Loo in het open veld verpletterd te worden. + +Deze bloedige bedreigingen der Isegrims hadden zelfs eenen voor de +Erembalds voordeeligen invloed uitgeoefend, dewijl zij Robrecht Sneloghe +en anderen, die met hem de moordenaars verfoeiden hadden doen besluiten +dit gevoel te verbergen of te versmachten om aan niets meer te denken +dan aan zelfverdediging en aan het behoud van hun geslacht. + +Het was kort na den middag. Bertulf, de proost van St-Donaas, stond op +het binnenplein van den burg en wandelde daar langzaam over en weder, in +gepeinzen starende op hetgeen rondom hem geschiedde. + +Er heerschte eene koortsige bedrijvigheid op het plein. Honderden +arbeiders krielden er dooreen; men hoorde er den bevelroep der oversten, +den zang der werkers, het gekrijsch der katrollen den zweepslag der +voerlieden. + +Alle oogenblikken kwamen er wagens en karren op den burg. De eene, +geladen met koren, boonen, gezouten vleesch of andere nooddruft, werden +bij verschillende stapelhuizen of kelders gelost; de andere, plooiend +onder den last van balken en berderen, van steenen en keien, voerde men +tot aan den voet der muren en torens. Hier werd hunne vracht op ladders +naarboven gedragen of bij middel van katrollen of gewerken omhoog +geheschen. Ja, men zag er harst, vet en olie in vaten aanbrengen om +desnoods zelfs door vlammend vuur den vijand af te slaan, indien ooit +den burg door hem werd aangevallen. Zooverre zelfs had men de voorzorg +gedreven, dat men nevens de Hofpoort eenen stal had ingericht om er +eenige melkgevende koeien te zetten. + +Alzoo Bertulf nu het oog gericht hield op een twintigtal arbeiders die +met inspanning van krachten een zwaren balk van den grond poogden te +heffen, naderde hem een kanunnik. + +"Heer proost", zeide hem deze, "wij verzoeken u naar 's graven kapelle +te willen komen. Het graf is geheel afgewerkt; alles is gereed om de +kist er in te laten nederzakken en de steenen tafel er op te leggen. Gij +hebt den wensch uitgedrukt om bij het sluiten van het graf tegenwoordig +te zijn." + +"Inderdaad, heer Ludgard; ik verwachtte uw bericht dezen morgen", +antwoordde de proost, zich naar de kerk wendende. "Kom, ik volg u." + +In de kapelle, ter plaatse zelve waar graaf Karel was gevallen, had men +eene diepte gedolven en er een graf gemetst, dat aan de vier zijden drie +voet boven den vloer zich verhief. + +Het lijk van graaf Karel was, op verzoek van Robrecht en op bevel van +den proost, gebalsemd en in eene dubbele kist van eikenhout en lood +gesloten geworden. + +Toen Bertulf met den kanunnik Ludgard in de kapelle trad, hing de kist +boven de grafstede in twee gewerken van windassen. Een tiental arbeiders +hielden zich gereed om ze te laten nederdalen. Vele priesters zonder +plechtgewaad omringden de laatste overblijfsels van den ongelukkigen +graaf. + +De proost naderde tot de kist, verzekerde zich door een vluchtig +onderzoek dat zij ongeschonden was, murmelde eenige woorden binnensmonds +en deed dan een teeken tot de arbeiders. + +Langzaam daalde de kist in het graf[62]. + +De priesters bogen het hoofd en baden ongetwijfeld; maar hunne lippen +verroerden niet, en geen het minste geprevel stoorde de doodsche stilte. + +"Het is deerniswaardig en beklaaglijk", zeide kanunnik Ludgard tot den +proost, "dat wij den armen vorst zoo moeten begraven, zonder de minste +plechtigheid, als een verlaten mensch of als een dier!" + +"Het is mijne schuld niet", antwoordde Bertulf met eenen zucht. "Ik +wilde dat het anders mogelijk ware; maar in eene ontheiligde kerk...." + +"Hebt gij nog geene tijding van de komst des bisschops, heer proost?" + +"Geene. Mijne brieven zullen onderschept zijn geworden. In alle geval, +kanunnik, men heeft in St-Pieterskapelle eene plechtige uitvaart +gezongen, en in de kerk van St-Salvator leest men nog dagelijks de +gebeden voor de dooden. Wij moeten den tijd nemen zooals hij is." + +De arbeiders hadden nu de haken der gewerken aan de zeelen gehecht, +waarmede de groote steenen tafel was omringd. + +Het duurde niet lang of dit deksel zonk neder op de grafstede, welke +aldus beslissend werd gesloten. + +Nog eene wijl bleef de proost, op eenen stoel knielend, voor het graf +zitten, waarna hij de kanunikken eenen stillen groet toestuurde en de +kapelle verliet. + +Hij daalde weder op het plein. Daar vond hij zijnen broeder Hacket. + +"Welnu, kastelein", vroeg hij hem, "gaat het werk goed voort aan de +vesten? Wij moeten ons haasten; want wie weet wat er kan gebeuren?" + +"Wees niet bekommerd, broeder", antwoordde de kastelein. "Het is een +wonder, met hoeveel ijver men ginder arbeidt. Van nu af zijn wij tot +verdediging gereed." + +"En hoe toonen zich de poorters?" + +"Ja, gij weet het wel, velen zijn onwillig en houden zich verwijderd, +uit schrik van als medeplichtig aan den moord des graven te worden +beschouwd; maar het getal dergenen, die met ons zijn, is zoo groot, dat +wij de hulp der anderen wel kunnen missen." + +Bertulf schudde het hoofd. + +"Zijt gij over iets bekommerd?" vroeg Hacket. + +"Niet zonder reden", morde Bertulf. "Wij hebben brief op brief en bode +op bode tot Willem Van Loo gezonden; wij hebben hem gesmeekt zich aan +ons hoofd te komen stellen; hem verzekerende dat de poorterij hem hier +als graaf van Vlaanderen zou uitroepen. Geen antwoord, geen het minste +bericht van hem!" + +"Maar de tijd was kort." + +"Indien Willem Van Loo ons ging verraden, Hacket?" + +"Ons verraden? Hoe meent gij het?" + +"Indien hij ons zonder hulp liet en ons overleverde aan de wraak onzer +vijanden, om te doen gelooven dat hij geheel vreemd is aan den moord +van graaf Karel: hij is een zelfzuchtig en arglistig man." + +"Gij zijt hem altijd vijandig gebleven sedert den laatsten oorlog", +bemerkte de kastelein. "Nu nog maakt uw wantrouwen u onrechtvaardig +jegens hem. Het is eerst morgen dat Willem Van Loo aan het hoofd eener +heirkracht zal staan. Wie weet of hij overmorgen niet reeds met gansch +zijn leger voor Brugge zal verschijnen?" + +"Ja, ja, maar waarom geen antwoord op onze brieven?" + +"Misschien zijn de wegen niet vrij. Kom, kom, Bertulf, geenen moed +verloren: de zaken staan allerbest. Wees zeker, dat de Isegrims niet +binnen Brugge zullen geraken, al bestormen zij het met al hunne macht. +Er ontbreken ons noch mannen, noch krijgsbehoeften. Wat mij betreft, ik +beken dat de moord van Karel mij gansch ter neder had geslagen; maar nu +heb ik daarover mijn besluit genomen. Vermits de Isegrims ons allen den +dood hebben toegezworen, verdedigen wij ons leven met blinde +hardnekkigheid. Ik zal toonen dat de oude Hacket nog Kerlenbloed in de +aderen heeft!" + +De proost scheen een weinig gerustgesteld door de moedige woorden zijns +broeders. + +"Is Burchard nog verbitterd tegen mij?" vroeg hij. + +"Neen, het is gedaan. Ik heb hem doen begrijpen dat wij den verborgen +schat van graaf Karel niet anders konden bekomen, dan door het in +vrijheid stellen van den jongen Frumold, en dat wij dien schat noodig +hebben om Willem Van Loo de kosten des oorlogs te helpen dragen. Wat de +andere gevangenen betreft, aan dezen hechtte hij niet den minsten prijs, +en hij keurt het goed dat wij hun oorlof gaven om de stad te verlaten." + +"En hoe gedragen Robrecht en Burchard zich jegens elkander?" + +"Tot nu toe zeer wel, Bertulf", was het antwoord. "Beiden hebben mij +beloofd zich te houden alsof zij geene redenen hadden om tegen elkander +verstoord te zijn." + +"Maar Burchard is zoo onvoorzichtig. Indien hij Robrecht ging kwetsen!" + +"Vrees het niet, broeder; mijne voorzorgen zijn genomen. Burchard wilde +inderdaad den meester spelen en iedereen gebieden; maar ik heb hem +uitdrukkelijk doen verstaan dat, zoolang ik kastelein des graven ben, +niemand aangaande de verdediging van Brugge iets te bevelen heeft dan ik +alleen. Ik heb onder mijn opperbestier onze krachten in drie scharen +verdeeld, en Robrecht en Burchard elk aan het hoofd van eene dezer +scharen gesteld. Zoo zullen zij elkander niet dikwijls ontmoeten. De +derde schaar staat onder mher Disdir Vos...." + +"Disdir Vos?" mompelde de proost. "Het schijnt dat hij, meer dan +anderen, door zijnen raad schuld heeft aan den moord, alhoewel hij, uit +list misschien, zich op het beslissend oogenblik afwezig maakte. Hebben +wij nog niet genoeg aan Burchard? Waarom eenen zijner medeplichtigen aan +het hoofd onzer mannen stellen? Het is gevaarlijk." + +"Neen, broeder, gij bedriegt u. Wij zijn door het noodlot zelf gedwongen +te handelen alsof wij aan den moord in het geheel niet meer dachten. +Ieder zal later zijne zaak verantwoorden. Disdir Vos toont zich zeer +ijverig en onversaagd. Hoe schuldiger hij is, hoe hardnekkiger hij zal +strijden, om niet in handen der Isegrims te vallen. Burchard verlangde +voor Disdir een bevelhebberschap. Ik heb onze neef die voldoening +gegeven." + +"Gistermorgen zijn Ingelram Van Eessen, Willem Van Wervick en Isaac Van +Reninghe met eenigen onzer mannen naar het Noord-Vrije gegaan, om daar +eene bende Kerels te verzamelen. Zijn zij nog niet terug?" + +"Neen, broeder, wij verwachten ze heden avond. Mistrouwt gij hen +insgelijks?" + +"Geloof mij, Hacket, ik wenschte dat zij niet meer in Brugge +terugkeerden. Hoe minder moordenaars van graaf Karel wij tusschen ons +hebben, hoe beter het zal zijn voor onze zaak." + +"Gij zijt niet al te wel gestemd vandaag", zeide de kastelein met eenen +glimlach. "Kom, kom, Bertulf, houd goeden moed. Ik was hier bevelen +komen geven om paarden en karren naar de Kathelijnepoort te doen zenden. +Men wacht mij op de vesten; mijne tegenwoordigheid is daar voortdurend +noodig. Tot dezen avond!" + +De kastelein richtte zijne stappen naar de Hofpoort; Bertulf trad in de +proostdij en zette zich daar in eene kamer voor eene tafel waarop eenig +schrijfgerief lag. + +Hij bleef lang, met den blik in de ruimte, den toestand der zaken +overwegen. Het volledig stilzwijgen van Willem Van Loo moest inderdaad +zijnen geest bekommeren; want hij schudde soms het hoofd, terwijl hij +den naam van den nieuwen graaf morrend uitsprak. + +Eindelijk had hij eene pen gegrepen, en wilde zich aan het schrijven +zetten, toen de kastelein Hacket, door twee ridders gevolgd, in de kamer +trad. + +"Mijn broeder", zeide hij, de ridders voorstellende, "ziehier mher +Godschalk Tayhals en mher Baldwin Spegel, die, als gezanten van onzen +graaf Willem, u het antwoord op onze brieven brengen." + +Deze aankondiging moest den proost zeer verblijden; want hij sprong +recht, ging met eenen minzamen glimlach de afgevaardigden te gemoet en +drukte hun de handen. + +Na eenige woorden tot groetenis en verwelkoming met hen te hebben +gewisseld, betuigde Bertulf den wensch om hunne boodschap te kennen. + +"Onze graaf Willem", sprak Godschalk Tayhals, "doet u door onzen mond +zeggen dat gij den moed niet zoudt laten zakken, en vertrouwen hebben op +zijnen bijstand. Zoohaast het hem mogelijk is, zal hij met zijn gansch +leger naar Brugge komen[63]. Al de macht, waarover hij nu kon +beschikken, heeft hij u tot hulp afgezonden. Wij hebben vierhonderd +dappere kerels met ons gebracht. Dewijl wij te paard waren, hebben wij +hen omtrent Zedelghem verlaten. Binnen iets meer dan een uur zullen ze +te Brugge aankomen." + +"Ha, het is eene goede tijding!" riep Bertulf. + +"Ja, heer proost", bemerkte Baldwin Spegel, "en gij moogt gelooven dat +wij de bloem der Kerels tot u hebben geleid; want deze vierhonderd man +waren reeds in het Wolvennest voor den gestelden tijd. Men is dus +verplicht te denken dat het hun aan geenen strijdlust ontbreekt. + +"Dankt in onzen naam den heer graaf voor zijnen goeden bijstand", zeide +de proost. "Wij hebben wel juist geene behoefte aan strijdvaardige +mannen; maar op de poorters kunnen wij toch niet al te vast betrouwen. +Velen twijfelen of zij zich wel voor ons willen verklaren. De minste +tegenspoed zou de anderen eveneens aan het wankelen kunnen brengen. Met +Kerels zijn wij zeker dat men Brugge zal verdedigen totterdood, en de +Isegrims er niet zullen in geraken dan over puinhoopen en lijken." + +"Alzoo, gij meent sterk genoeg te zijn om de stad te behouden totdat het +leger u ter hulp komt? De heer graaf richt u door mij deze vraag toe", +zeide Godschalk. + +"Voor het behoud der stad stel ik mij verantwoordelijk!" riep de +kastelein. + +"Wij weten, heeren, dat een leger Vlaamsche ridders en wapenlieden +Atrecht heeft verlaten en door Rijssel is getrokken. Dezen zullen +waarschijnlijk over Kortrijk en Thourout naar Brugge komen. Morgen reeds +zouden ze voor uwe wallen kunnen verschijnen. Zijt gij zeker de stad +gedurende eenige dagen te kunnen verdedigen?" + +"Gedurende weken en maanden", antwoorden de proost en zijn broeder. + +"Morgen eerst vergaderen de Kerels in bet Wolvennest-bosch. Een paar +dagen zal onze heer graaf bestellen aan het haastig inrichten van zijn +leger. Dan zakt hij met al onze heirkracht naar Brugge af om u te +ontzetten, indien gij inderdaad waart belegerd. Hebben wij dus goeden +moed: voor het behoud van Brugge is niets te vreezen." + +De proost bood den afgevaardigden eenige ververschingen aan; maar zij +drukten den wensch uit om daarmede te wachten tot het avondmaal, dewijl +zij naar de Smedepoort zich wilden begeven, om bij de aankomst hunner +mannen tegenwoordig te zijn. + +Hacket zeide dat hij hen zou vergezellen en, indien hem tijd daartoe +overbleef, de gelegenheid zou waarnemen om hun eenige der +verdedigingswerken te toonen, waaraan men nu met allen spoed de laatste +hand legde. + +Bertulf zou in de proostdij blijven om te zorgen voor de slaapsteden en +het voedsel der vierhonderd Kerels, en tevens de noodige bevelen te +geven om den afgvaardigden des graven een behoorlijk avondmaal te +bereiden. + +Toen de kastelein met de beide ridders aan de Ezelpoort kwam, toonde hij +hun, niet zonder fierheid, hoe honderden en honderden poorters daar aan +het arbeiden waren om balken te richten en aarde aan te voeren. Hij +leidde hen langs de vesten naar de Smedepoort. Onderweg zagen zij overal +dezelfde bedrijvigheid: hier metselde men, daar timmerde men, verder +droeg men steenen op waltorens en op vestingmuren[64]. + +Bij de Smedepoort ontmoetten zij Robrecht Sneloghe, die daar den arbeid +van zijne zestig Ravenschootsche Kerels bestierde. Dezen waren druk +bezig met achter een gedeelte van den muur, dat onsterk scheen, eenen +hoogen wal op te werpen, en zij brachten de aarde met kruiwagens van het +plein, dat buiten de poort was gelegen. + +Juist had Hacket zijnen neef Robrecht aan de afgezanten des graven +voorgesteld, toen men in de verte een bazuingeschal hoorde hergalmen. + +Daar de arbeiders niet wisten wat dit krijgsgerucht te beduiden had, +lieten zij allen hun gereedschap of hunne werktuigen staan, en klommen +op de muren om in het veld te kijken. + +Alhoewel Godschalk Tayhals en zijn makker verzekerden dat de naderende +bende geene andere kon zijn dan degene welke zij tot hulp nadden +aangebracht, riep mher Sneloghe uit voorzichtigheid zijne mannen onder +de wapens. + +Zoohaast echter de vierhonderd Kerels op het plein, dat men het Zand +noemde, zichtbaar werden, herkenden hen de arbeiders aan hun blauw +kleedsel en aan hunne baarden. Een lang vreugdegeroep ontstond boven de +wallen en klonk hun reeds van verre als een gulhartig welkom tegen. + +De Kerels trokken de poort binnen, onder het geschal der bazuinen en +onder de aanjagende galmen van der Kerlen krijgslied. Zij werden door +hunne Brugsche vrienden met gejuich, met handgeklap en met het zwaaien +der hoeden onthaald. + +Deze mannen schenen in het geheel niet vreemd aan het voeren van +oorlogswapenen; want zij gingen in geslotene gelederen en waren verdeeld +in zekere kleine benden, waarvan elke was voorafgegaan door eenen Kerel +die over haar gebood. + +Aan het hoofd van allen stapte Benkin, een beroemd schutter. Hij was een +man van middelmatige gestalte, maar met zulke breede schouders en +struische leden, dat men van hem met reden zeide, dat hij sterk scheen +als een beer. Op zijnen rug hing een groote kruisboog, met eene breede +stalen lat. Zulke bogen droegen tevens de meesten zijner gezellen. + +Hier en daar achter de gelederen stapten een tiental gehuwde vrouwen, +even sterk van leden en even fier van houding als mannen, die eetwaren +droegen of met eenig klein gepak waren beladen. + +De kastelein en de afgezondenen des graven volgden de Kerels in de +Noordzandstraat. + +Nog eenigen tijd na hunnen doortocht bleef het gejuich der arbeiders +aanhouden. Men wenschte elkander geluk over de komst van zulke schoone +bende mannen, wier trotsche houding ontzag inboezemde en wier oogen van +onversaagdheid gloeiden. Maar Robrecht en de mindere oversten +herinnerden hun dat de tijd te kostelijk was om hem aan vreugdegeroep te +verspillen. Allen hernamen weder met nieuwe drift hun werk. + +Ongeveer een uur daarna kwamen eenige landlieden met snelheid over het +Zand naar de poort geloopen. Van verre riepen zij reeds uit al hunne +macht: + +"Harop, harop! De vijand, de vijand!" + +Robrecht ging hun te gemoet. + +"Gauw, heer, te wapen!" zeiden zij hem. "De baan naar Thourout, zooverre +het gezicht reiken kan, is overdekt met ridders, met wapenlieden en met +wagens. Gansch een machtig leger!" + +"Het is wel", antwoordde hun Robrecht. "Komt nu binnen de stad en maakt +geen gekerm!" + +Hij deed de poort sluiten en de egge nederlaten, en vergaderde met haast +zijne mannen. Vier of vijf hunner, op wier behendigheid hij vertrouwen +kon, zond hij naar den burg, om de kastelein te verwittigen, en naar de +andere poorten, om den oversten kennis te geven van des vijands +waarschijnlijke nadering. + +De werklieden wierpen hun gereedschap neder, en beklommen de wallen, +daar zich gereed houdende om den vijand, ook van verre, met pijlen of +slingersteenen te treffen. + +Weinig tijds daarna zag Robrecht, die boven de poort op eenen der torens +geklommen was, ten einde van het uitgestrekte plein inderdaad eene +schaar ruiters opdagen. Vele andere scharen vertoonden zich opvolgend. +Daarna kwam een machtige drom voetvolk, en eindelijk eene reeks wagens +en karren, van welke de meeste, voor zooveel hij het onderscheiden kon, +met zakken meel en sommige met lange ladders waren beladen. + +Deze krijgsmacht, die volgens zijne berekening wel tot twee of +drieduizend man kon beloopen, schikte zich gansch ten einde van het +plein en buiten bereik der schutters in eenen dichten hoop. Het dacht +Robrecht dat men zich bij de achterhoede bezig hield met de ladders van +de wagens te lossen. Was de vijand dan voornemens onmiddellijk eenen +stormloop te beproeven? Wie kon het weten? Misschien hoopte hij door +dezen onverwachten aanval de Bruggelingen te verrassen en te +overrompelen. + +Robrecht liep naar beneden en zond in allerhaast nog eenigen zijner +mannen in verschillende richtingen. Hij ging op de wallen, onderzocht +alles, om zich te verzekeren dat men in alle geval gereed was om de +Isegrims duchtig te onthalen, en moedigde iedereen door eenige +vertrouwvolle woorden aan. + +De kastelein Hacket, die hier bij hem kwam, verhaalde hij wat hij van +boven den toren had bemerkt. Hij drukte de overtuiging uit, dat men zich +aan eene onmiddellijke bestorming te wachten had, en, aangezien de +Isegrims waarschijnlijk de Smedepoort of de Bouverypoort zouden +aanvallen, vroeg hij of het niet raadzaam was mannen van de andere +poorten te roepen om den bedreigden kant der stad te versterken. + +Maar de kastelein zeide hem, dat de vierhonderd Kerels des graven +onmiddellijk ter Smedepoort zouden komen. Deze versterking was +voldoende. Men kon niet vast weten welke de inzichten van den vijand +waren, en men mocht de verdediging der andere poorten niet ontijdig +verzwakken. + +Hacket gebood beneden de muren het vuur onder de ketels te ontsteken en +met spoed pek, olie en vet aan het zieden te brengen, om daarmede den +vijand te onthalen, indien hij waarlijk tot aan den voet der wallen +dorst naderen. + +Dan klom hij met Robrecht naarboven op den toren der poort en stuurde +zijn gezicht over het plein. + +Wel zag hij den dikken drom der vijanden als eene zwarte wolk tegen het +verre geboomte krielen; maar zijne oogen hadden de kracht der jeugd niet +meer, om te onderscheiden wat men daar verrichtte. + +"Vele ridders zijn van hunne paarden gestegen", zeide hem Robrecht. "Men +heeft al de ladders van de wagens genomen. Nu is men bezig, op vijftig +plaatsen te gelijk, met de zakken meel te lossen; het zijn kleine zakken +... want elk man loopt weg met zulke zakken op de schouders. Wat mag dit +beduiden?" + +"Weet gij het niet?" kreet Hacket. "Het zijn zakjes aarde om de grachten +te vullen. Kom, kom, Robrecht! Geen twijfel meer. Wij zijn bedreigd met +eene geweldige bestorming. Beneden, beneden, en elk aangemoedigd om +zijnen plicht te doen!" + +Zij daalden haastig van den toren, liepen op de wallen, kondigden den +onmiddellijken strijd aan en bezwoeren door vurige woorden hunne mannen, +bij den eersten aanval te toonen dat men poorters en vrije Kerels niet +zoo gemakkelijk over het lijf loopt als de Isegrims het schenen te +gelooven. + +De vierhonderd man van graaf Willem waren intusschen op den wal gekomen. +Zij werden met de andere boogschutters, in twee of drie gelederen diep, +achter de kanteelen van den muur geschikt, om allereerst den vijand van +verre te begroeten. Degenen, die de zware steenen, de kokende olie of +het brandend pek zouden werpen, hielden zich gereed beneden den wal. + +Boven den muur, nevens de Smedepoort, stond Hacket met mher Sneloghe de +bewegingen van het vijandelijk leger gadeslaande. Het oogenblik van den +aanval scheen eindelijk te naderen. + +"Robrecht, ziet gij nog de ridders, die van hunne paarden gestegen +zijn?" vroeg Hacket. + +"Ja, zij hebben breede beukelaars", was het antwoord. "Zij zijn het die +zullen pogen onze wallen te beklimmen. De mannen met de ladders staan +hen terzijde, niet waar?" + +"Zooals gij zegt, oom; en aan de andere zijde staat een gansche hoop +mannen, waarvan elk eenen zak aarde op den schouder heeft ... Maar zie +nu! Daar treedt een dichte schaar boogschutters vooruit en verbergt het +overige des legers voor mijn gezicht!" + +"Geeft acht, geeft acht, mannen, het spel gaat aan den gang!" riep de +kastelein, die zulke bestormingen ongetwijfeld meer dan eens had +bijgewoond. + +En inderdaad, nauwelijks had hij deze verwittiging uitgesproken of de +bazuinen hergalmden op het plein, en een gedeelte van het vijandelijk +leger, met de schuttersbenden aan het hoofd, kwam vooruit naar de stad. + +Duizenden pijlen en schichten snorden eensklaps door de lucht en kwamen +zich tegen den muur verbrijzelen of vlogen over de kanteelen. Uit de +stad antwoordde men even overvloedig; en dewijl de Bruggelingen hunne +pijlen op dichte gelederen zonder beschutting zonden, troffen meest +allen het doel. Men zag onder de vijandelijke schutters vele mannen ter +aarde storten. + +Ook op de wallen werden eenige mannen achter de kanteelen door pijlen +geraakt en doodelijk aan het hoofd gewond. + +Alhoewel het verlies des vijands meer en meer aangroeide naarmate hij de +vesting naderde, onderbrak hij zijnen gang niet. Men zou gezegd hebben, +dat zijne voorste gelederen onweerstaanbaar door andere scharen werden +voortgestuwd. + +Eensklaps opende de schuttersbende zich in haar midden, en een donderend +krijgsgeschreeuw galmde over het plein. + +Vele honderden mannen met zakken op de schouders, en achter hen eene +schaar ridders met den beukelaar aan den arm kwamen juichend +vooruitgestroomd, ondanks de pijlen, die velen hunner doodelijk troffen. + +De mannen met de zakken smeten hunnen last nevens de Smedepoort in het +water, zoolang en zooveel dat de gracht op die plaats er eindelijk +gansch mede was opgevuld. Lijken en gewonden lagen er bij hoopen op den +boord des waters. + +Dan, onder het aanheffen van nieuwe oorlogskreten, naderden andere +mannen den wal en stelden hunne ladders tegen den muur. De ridders +stormden vooruit en klommen op de ladders ... + +Maar de Kerels hielden zich gereed om hun deze blinde vermetelheid duur +te doen boeten. Van boven wierp met groote steenen, kokende olie en +vlammend pek op de bestormers. Allen vielen opvolgend met verpletterend +hoofd of verbrande ledematen naar beneden. + +Evenwel, hoe meer hunner gezellen zij zagen nederstorten, hoe heviger +zij elkander aanmoedigden om den storm niet op te geven. Zij zouden het +moordenaarsnest rooven en de snoode Blauwvoeten tot den laatste toe +vernietigen, hoeveel edel bloed daar ook voor moest opgeofferd worden. + +Robrecht Sneloghe toonde eene verwonderlijke onversaagdheid. Niet alleen +stond hij immer geheel recht op den wal, zonder zich voor des vijands +pijlen te beschutten, en vuurde onophoudend den moed zijner mannen aan; +maar toen eens een zeker getal ridders er in gelukten boven den muur te +geraken, en de toestand voor de Kerels gevaarlijk scheen te worden, +sprong Robrecht met zijne dapperste gezellen toe en doodde, na eenen +heldhaftigen strijd, de aanvallers, of dreef ze van den wal in de +gracht. + +Hij was zelfs aan de wang gekwetst geworden; maar hij gaf er geene acht +op, want alhoewel hem bloed in den hals liep, had hij slechts eene +ondiepe snede bekomen. + +Burchard en Disdir Vos waren met een gedeelte hunner mannen komen +toegeloopen; maar hunne hulp was overbodig, dewijl er boven den wal +geene ruimte was om nog meer strijders toe te laten. + +Er kwam eindelijk een oogenblik dat de vijand, door groote verliezen +uitgeput, begon te beseffen dat hij iets onmogelijks had ondernomen. +Zijn stormloop scheen te verzwakken ... + +Dan klonken uit de verte eenige schelle bazuintonen. De ridders, op dit +sein, zagen van den aanval af, hieven onder eenen hagel pijlen met allen +spoed hunne gekwetste makkers van den grond en verwijderden zich van +het plein, om het grootere gedeelte van hun leger te gaan vervoegen. + +Een tiental herhaalde zegekreten en hoonend schaterlachen klonken hun +van de stadswallen ten spot achterna. + +Evenwel bleef de bezetting boven den muur gereed staan om eenen tweeden +aanval af te weren; want men was overtuigd dat de ridders niet zoo met +schaamte de bestorming zouden verzaken, zonder eene nieuwe poging te +beproeven. Men zag evenwel schier onmiddellijk de ridders te paard +springen en het leger zich bewegen, om het plein te verlaten. + +Robrecht en de Kerels des graven wilden de poort geopend hebben om de +Isegrims achterna te zetten en ze in het open veld aan te vallen; maar +de kastelein deed hun begrijpen hoe onvoorzichtig het was, met geringe +macht den strijd te bieden aan een gansch leger ridders, wier paarden +alleen voldoende waren om vijf- of zeshonderd man te verpletten. + +Na verloop van eenigen tijd, toen men verzekerd was dat de vijand zich +beslissend had verwijderd, deed de kastelein de poort openen en zond een +groot getal arbeiders naar buiten met spaden, houweelen en draagbaren, +om de dooden te begraven en de gekwetsten binnen de stad te brengen. +Anderen gelastte hij met lange haken de zakken aarde uit de vest op te +halen. + +Van eenen gekwetsten ridder, dien Hacket goed kende, vernam hij de ware +macht en de inzichten des vijands. Wel met zesduizend sterk, de +wapenlieden er onder begrepen, hadden de ridders Atrecht verlaten. Hier, +voor Brugge, waren zij ongeveer drieduizend sterk, onder bevel van den +kamerheer Gervaas Van Praet. Het andere gedeelte had zich over St-Omaers +gericht om in Veurne-Ambacht te vallen. Eenige ridders hadden te +Kortrijk het voornemen opgevat eene vermetele poging te beproeven om +Brugge bij verrassing te winnen. Gervaas Van Praet had dit waagspel ten +sterkste afgekeurd, te meer daar hij besloten had Brugge slechts te +bewaken, om te beletten dat het hulp uit Kerlingaland krege, totdat de +Gentenaars met de beloofde stormtuigen zouden aankomen. Ongelukkiglijk +had mher Gervaas de drift en de strijdlust zijner ridders niet kunnen +bedwingen, en eindelijk hun toegelaten den noodlottigen stormloop te +beproeven. Nu zou mher Gervaas ongetwijfeld zijn eerste ontwerp +hervatten, dit is te zeggen, dat hij zijn leger ergens in de omstreken +van Brugge zou nederslaan om daar, zonder iets meer te ondernemen, de +komst af te wachten van de Gentsche ridders, die hem allerlei +stormtuigen moesten aanvoeren. + +Het nieuws dezer eerste overwinning had zich met groote snelheid door de +stad verspreid. Vele lieden, die gedurende de bestorming zich hadden +verschuild gehouden, kwamen nu naar de wallen geloopen, om daar met de +gewapende poorters en met de Kerels over de behaalde zegepraal te +juichen, of om zich te verzekeren dat hunne bloedverwanten of vrienden +niet in den strijd gesneuveld waren. + +Welhaast was de menigte bij de Smedepoort zoo groot, dat men elkander +daar verdrong, en zeker, het waren de vrouwen en de kinderen niet die +het minst uitgelaten schenen en door luidruchtig gejubel hunne +blijdschap betuigden. + +De proost was insgelijks, met eenigen zijner kanunniken en met de +afgevaardigden van graaf Willem naar de plaats der bestorming gekomen. +Hij en zijne gezellen omringden Robrecht Sneloghe en overlaadden hem met +gelukwenschen over zijne onversaagdheid. Men had zijne wonde met eene +enkele kleefpleister gesloten; doch het bovenste gedeelte van zijnen +kolder was nog bevlekt met bloed. Mher Sneloghe riep lachend dat men +ongelijk had hem voor zulke onbeduidende daden te prijzen; de proost, +die hem zeer liefhad, sprak uitbundig zijnen lof. + +Disdir Vos stond op een paar stappen terzijde, en luisterde met verkropt +gemoed en nijdig hart op hetgeen men rondom Robrecht zeide. Hij hield in +schijn de oogen in eene andere richting; maar een aandachtig toeschouwer +hadde wel aan den zuren grijns zijner lippen bemerkt dat elk woord van +lof hem als een pijl door den boezem boorde. + +Eensklaps trof hem eene zonderlinge ontroering; hij sidderde en +verbleekte ... Daar zag hij Dakerlia en Witta door de menigte dringen, +reeds van verre de handen tot Robrecht uitsteken, en een oogenblik later +hem met kreten van blijdschap aan den hals vliegen. + +Zijn hart verkrampte, terwijl hij den blik op Dakerlia hield gevestigd +en zien moest met welke onverborgene teederheid zij hem gelukwenschte en +God dankte om zijn behoud. Dakerlia, zoo op de borst van Robrecht tranen +van liefde stortende? Het deed hem sterven van minnenijd en haat. Een +somber gegrol ratelde in zijne keel; hij verwijderde zich tusschen de +menigte, en vluchtte verre van daar, om niet langer door het +zielverscheurende schouwspel te worden gemarteld. + +Het behaagde den proost niet de poorters en Kerels met verwonderde +blikken te zien staren op de bewijzen van genegenheid en liefde, welke +Dakerlia en Witta niet ophielden Robrecht te geven. + +"De dag loopt ten einde, mijne kinderen", zeide de oude Bertulf. "Ik zal +den kastelein Hacket verzoeken mijnen neef aan de Smedepoort gedurende +een paar uren te doen vervangen; en ik noodig u allen om met mij en de +heeren gezanten des graven het avondmaal in de proostdij te komen nemen. +Gij zult aldus tijd genoeg en eene betere gelegenheid hebben om uwe +vreugde over onze eerste zegepraal uit te storten." + +Deze uitnoodiging werd dankbaar aanvaard. De proost verliet met zijn +gezelschap de plaats van den strijd en verwijderde zich door de +Noordzandstraat. + +De kastelein Hacket bleef nog, om de goede uitvoering zijner bevelen te +verzekeren. + +Twee uren later was de opgelegde arbeid verricht: de dooden waren +begraven, de gekwetsten naar de ziekenhuizen gevoerd, de aarde uit de +gracht opgehaald. + +Men had boven de wallen sterke wachten gesteld en aan de overige mannen +toegelaten gansch gekleed in de gebouwen van den burg te gaan slapen, +ten einde bij den eersten Harop-kreet te been te zijn. + +Slechts nog eene enkele maal werd de rust der wachten gestoord, en riep +men de bezetting der Smedepoort onder de wapens. Het was ter oorzake der +terugkomst van mher Ingelram Van Eessen en zijne gezellen, die naar het +Noordvrije waren gegaan om er hulp te zoeken. Zij traden in de stad aan +het hoofd van een honderdtal Kerels, en begaven zich naar den burg. + +Alles werd weder stil bij de poorten en op de vesten. Het was zeer +duister en er heerschte eene diepe stilte over de stad. Slechts nu en +dan hoorde men omtrent de wallen de stappen van kleine benden hergalmen, +wanneer het uur tot het aflossen der wachten was verschenen. + +Disdir Vos voerde het bevel over de vijftig Kerels die met de bewaking +der Kathelynepoort waren belast.. + +Terwijl zijne mannen, in de beide wachthuizen van wederzijde der poort, +zich met dobbelen vermaakten of op bossen stroo lagen te slapen, zat hij +in het oppervertrek van een der torens bij eene tafel, waarop een smokig +lampje brandde. + +Met het hoofd op de hand schouwde hij denkend in de half-donkere ruimte. +Nu en dan verkrampte zijn gelaat of deed hij een gebaar van gramschap. +Het moest stormen in zijn hart, want zijne wezenstrekken bewogen +geweldig onder den slag zijner akelige gepeinzen, en niet zelden +ontsnapte hem een holle zucht. + +Hij stond op, wandelde eene wijl over en weder en morde dan in zich +zelven: + +"Het is gedaan: geene hoop meer! De Kerels zullen zegepralen; Willem Van +Loo zal graaf van Vlaanderen zijn; Robrecht, mijn vijand, zal de +bruidegom van Dakerlia worden ... en ik, ik zal van nijd en wanhoop mij +het hart opvreten ... Doemenis! mijn ontwerp was zoo goed berekend. +Hadde ik hem slechts tot deelneming aan den moord van graaf Karel kunnen +verleiden. Ik hadde wel gemaakt dat zijn hoofd de prijs wierde der +misdaad. Hij verdwenen, dan zou Dakerlia mijne vrouw worden. Maar wat +nu? Eilaas, eilaas, wat nu? Ach, hadde ik hem dezen namiddag kunnen +doorsteken met mijne oogen!" + +Er werd op de deur geklopt en de Kerel, die onder hem over de wacht der +poort gebood, trad binnen. + +"Mher Vos", zeide hij, "hebt gij niet gehoord dat er iemand buiten voor +de poort staat, die vraagt om te worden binnengelaten? Hij beweert +gewichtige tijdingen voor den kastelein te brengen." + +"Wie is hij?" + +"Hij zegt dat hij Lambrecht Ploegijzer heet en te Bethferkerke woont." + +"Ha, ik ken hem; het is een van mher Burchards lieden. Doe uwe mannen +onder de wapens komen, Landfried; open de poort met voorzichtigheid en +geleid den bode tot mij." + +Landfried ging ter kamer uit. + +Eene wijl daarna keerde hij weder met eenen man, die wel in blauw linnen +gekleed was, doch geenen baard droeg. + +Zoohaast Landfried zich weder had verwijderd, zeide Disdir Vos: + +"Gij zijt Lambrecht Ploegijzer, een vrijlaat van Bethferkerke, niet +waar? Ik herken u. Zijt gij niet eens met mher Burchard Knap en met mij +ter jacht geweest in het Merleijtebosch, bij Bekeghem?" + +"Inderdaad, heer", antwoordde de bode, "het is niet zeer lang geleden." + +"Gij brengt berichten voor den kastelein. Zijn zij geheimen, Lambrecht?" + +"Voor u niet, heer. Indien gij het verlangt, ben ik bereid u te zeggen +wat ik weet." + +"Zeker. Gij zult mij vermaak doen", bevestigde Disdir Vos. + +"Welnu, heer, ik breng slecht nieuws." + +"Slecht nieuws? Voor de Kerels?" + +"Voor Brugge en voor de Kerels." + +"Laat hooren, Lambrecht." + +"Ziehier de zaak. De Isegrims hebben mij gedwongen, met eene kar en twee +paarden hen te volgen, om gekwetsten te vervoeren. Ik heb gedurende drie +uren afgeluisterd wat er rondom mij werd gezegd, en alles wel in mijn +geheugen gedrukt. Het mislukken van den stormloop tegen Brugge heeft +noch den ridders, noch den wapenlieden den moed benomen. Integendeel, +zij lachen er mede als met een verloren waagspel zonder gewicht, en zij +spreken zonder vrees en drukken pochende de vaste overtuiging uit dat, +eer eene week verloopen zij, niet alleen Brugge in hunne macht zal zijn, +maar tevens geheel Kerlingaland voor altijd onder het juk der +dienstbaarheid zal gebukt liggen." + +"Ijdele bedreigingen van verwaande lieden!" mompelde Disdir. + +"Neen, neen, heer; hunne woorden deden mij beven; want, indien het waar +is wat zij als bewijzen hunner overtuiging doen gelden, dan blijft er +weinig hoop voor Brugge en voor de Kerels." + +"Welke bewijzen?" + +"Deze ridders zijn slechts eene zwakke voorhoede van een ontzaglijk +leger, heer. Gansch de Vlaamsche heirkracht, die te Atrecht is, zal +opvolgend naar Kerlingaland afzakken. Binnen weinige dagen, overmorgen +misschien, komen de ridders van Keizers-Vlaanderen met al de stormtuigen +die de burg van Gent zoo overvloedig bezit, en met ontellijke +wapenlieden. Men heeft tot in Holland en Friesland toe ridders gezonden, +om daar huurbenden te gaan halen. Men schat aldus, binnen zeer korten +tijd, twintigduizend man in Kerlingaland te kunnen brengen. Aan zulke +macht, door de stormtuigen van Gent geholpen, kan Brugge geene twee +dagen weerstand bieden, ten minste zoo beweren zij het met eenen grooten +schijn van reden." + +"Maar gij vergeet het Kerlenleger", bemerkte Disdir Vos. "En indien men +den landstorm in Kerlingaland uitroept, zullen wij dan niet insgelijks +een even ontzaglijk leger in het veld brengen?" + +De bode trok de schouders op. + +"Ja, hadden wij tegen de Isegrims alleen te staan, misschien ware alle +hoop niet verloren", antwoordde hij, "maar weet gij, heer, wat ik eenen +gekwetsten ridder heb hooren zeggen? De koning van Frankrijk heeft te +Atrecht gezworen dat, indien de Vlaamsche ridders niet onmiddellijk den +moord van graaf Karel kunnen wreken, hij zelf met het geheele Fransche +leger in Vlaanderen zal vallen. Hij heeft daarbij nog zijn koninklijk +woord verpand dat de moordenaars des graven en alwie hen, van dicht of +van bij, met raad of daad hebben geholpen, zonder genade eenen +schrikkelijken dood zullen onderstaan. De Fransche vorst was vriend en +bloedverwant van graaf Karel, en hij heeft zich aangesteld als +wraakeischer over zijnen moord." + +Disdir Vos zag eene wijl ten gronde. + +Het hoofd weder opheffende, vroeg hij, in gedachten: + +"Waar zijn nu de ridders? Weet gij het?" + +"Ja, heer, mijn wagen en paarden zijn er nog De zieken liggen in de +huizen van het dorp Oostcamp; de wapenlieden legeren tegen het +Balanderbosch; de oversten bevinden zich op den burcht van mher Van +Gruuthuse." + +"En gelooft gij niet dat men, zoo in den duisteren juicht, ze +gemakkelijk zou kunnen verrassen en overhoop slaan?" + +"Het schijnt mij geheel onmogelijk, heer", antwoordde de bode. "Ik +verwittig u dat zij overal, tot zeer verre in het veld, sterke wachten +hebben uitgezet en op hunne hoede zijn." + +"Het is wel; ik dank u. Ga nu tot den heer kastelein en draag hem uwe +boodschap." + +De bode verliet de kamer met eenen groet en daalde de trappen af. Disdir +Vos luisterde eene wijl op het gerucht van zijnen stap, duwde dan de +deur toe en liet zich, onder het slaken van eenen versmachten kreet, bij +de tafel op eenen stoel vallen. Hij legde de beide handen aan het hoofd, +boog zich voorover en staarde op den vloer. + +"Ja, ja, de Kerels zijn veroordeeld; zij zullen bezwijken!" morde hij. +"Wat kunnen zij tegen de ridders, tegen gansch Vlaanderen, tegen het +overmachtig Fransch leger? De koning heeft zich opgeworpen tot +wraakeischer; wie tot den moord van graaf Karel heeft geholpen, door +raad of daad, zal eenen schromelijke dood sterven. Ik insgelijks ... En +Robrecht? Hij is een Erembald. Sterven, ik? O, neen, neen, Robrecht zal +in het graf; ik moet leven!" + +Langen tijd bleef hij beweegloos zitten, zonder dat zijne wezenstrekken +iets anders uitdrukten dan verbazing en diepe verslondenheid. + +Allengs nochtans kwam een lach van blijdschap zijn gelaat beglanzen. + +Eensklaps sprong hij op en liep naar de deur; maar hij bleef staan en +begon te beven, alsof eene plotselijke vrees hem had aangegrepen. + +Zuchtend keerde hij terug naar de tafel en zonk opnieuw in gedachten +weg. + +"Ik ben een lafaard! Het moet geschieden!" morde hij welhaast. "O, +Dakerlia! Dakerlia!" + +En hij sloeg met het gevest van zijn zwaard driemaal op de tafel. + +Onmiddellijk hoorde hij iemand den trap beklimmen. Hij bedwong zijne +ontsteltenis met geweld en gaf zijn gelaat eene ernstige of +onverschillige uitdrukking. + +"Vriend Landfried", zeide hij tot den Kerel, die in de kamer verscheen, +"ik moet oogenblikkelijk tot den heer kastelein gaan, om hem van een +gewichtig ontwerp te spreken, dat door de woorden van den bode in mijnen +geest is opgestaan. Neem het bevel over de mannen, wees mijn stedehouder +en stel goede wacht bij de poort.--Vaarwel, tot straks." + +Hij drukte zijnen gezel Landfried met ongewone vriendelijkheid de hand, +daalde den trap af, en ging voorbij de Mariakerk; maar instede van zich +naar den burg te richten, sloeg hij ter linkerhand de Heiliggeeststraat +in en vertraagde meer en meer zijnen gang, als iemand die in het geheel +geene haast heeft. + +Zoo stapte hij voorbij St-Salvators, door het Giststraatje en door de +Meerstraat. Dan keerde hij langs andere omwegen terug naar de +Kathelijnepoort, riep Landfried buiten het wachthuis en zeide hem met +verdoofde stem: + +"Landfried, mijn vriend, ik moet oogenblikkelijk de stad uit, om eene +zwaarwichtige boodschap vanwege den heer kastelein te vervullen." + +"Zoo gansch alleen, heer!" mompelde zijn gezel verbaasd. "Vreest gij +niet dat de vijand ..." + +"Gansch alleen. Het is geheime zending", antwoordde Disdir. "Om de +vrijheid van Kerlingaland te redden, ontziet men geene gevaren. Ik zal +terugkeeren binnen een paar uren, later misschien, in alle geval voordat +het dag worde. Let wel op dat men mij niet te lang voor de poort late +staan. Ik zal driemaal kloppen op der Kerlen wijze en zeggen "Wolf en +Vos". Dit is het woord. Deel het uwe mannen mede ... Nu, doe de egge +ophalen en open mij de poort." + +Landfried gehoorzaamde, zonder nog eene bemerking te wagen. Disdir Vos +drukte hem de hand, liep over de brug en verdween in de duisternis. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 62: De graaf werd gelegd in een graf, zoo goed gemetseld als +de tijd het had toegelaten. GALB., p. 283.] + +[Voetnoot 63: Gottschalk De Thaihals kwam als bode van Yperen naar +Brugge bij den proost, en zeide: "Heil en vriendschap vanwege mijnen +heer en uwen goeden vriend Willem Van Loo, die u openbaarlijk, voor +zooveel het in zijne macht is, eenen zeer spoedigen bijstand belooft aan +u en aan de uwen." + +GALB., p. 285.] + +[Voetnoot 64: Zi gunden zich geene rust, den nacht doorbrengende met +waken, en den dag met arbeiden, totdat de versterkingen der stad geheel +voltrokken waren. + +GALB. p. 288.] + + + + +XVI + + +Na den mislukten aanslag tegen Brugge waren de ridders teruggetogen naar +het dorp Oostcamp[65], waar zij, tegen het Balanderbosch steunende, zich +hadden nedergeslagen, om op de komst der Gentenaars te wachten, die hun +vele machtige stormtuigen moesten aanbrengen. + +In het dorp zelf waren de meeste ridders geherbergd, en werden de +gekwetsten en zieken verpleegd. De wapenlieden lagen onder de open lucht +op den zoom van het bosch, waar zij de waak hielden over de talrijke +paarden, die men niet in het kleine dorp had kunnen stallen. + +Van de lange dagreis vermoeid of van den geweddigen stormloop afgemat, +hadden allen zoo goed mogelijk eene plaats gezocht om te rusten,--en nu +sluimerden ridders en wapenlieden den eersten, loomen slaap, alhoewel +het slechts negen uren in den avond kon zijn. + +Ware het niet geweest dat het gehinnik der paarden of het geroep der +schildwachten nu en dan de nachtelijke stilte kwam storen, men hadde +niet kunnen vermoeden dat daar, in de dikke duisternis, meer dan +drieduizend krijgslieden waren gelegerd. + +Zoo stil en rustig was het echter niet op den burcht van Oostcamp, een +groot en schoon kasteel, door mher Halewijn Van Gruuthuse bewoond. + +Deze ridder was vroeger geen Isegrim geweest; hij had integendeel zeer +dikwijls de gevaarlijke ontwerpen der Tancmars afgekeurd en zelfs de +Kerels ten hove verdedigd; maar, zooals het nu bij velen het geval was, +de moord des graven had hem met verontwaardiging vervuld, en hij +wenschte niets meer dan tot de wraakneming over de afschuwelijke +euveldaad te mogen medewerken. + +Ook had hij gulhartig den oversten en voornaamste ridders de +herbergzaamheid op zijnen burcht aangeboden, en geene moeite gespaard +om hen wel en prachtig te onthalen. + +Zij zaten nu in eene zaal van den burcht, rondom eene lange tafel, nog +beladen met de overblijfsels van smakelijke gerechten; want het +avondmaal was ten einde. Maar des te overvloediger werden de +kostelijkste wijnen rondgeschonken, en het klinken der bekers en het +geschater der hartelijke samenspraak vervulden de zaal met een vroolijk +en verward gebruis. + +Ter rechterzijde van den gastheer zaten mher Gervaas Van Praet, de +veldheer van het ridderleger, en Raas Van Gaveren, Jan Van Nevele en +Alyn Van Bouchante, die onder hem het bevel over de scharen voerden. Ter +linkerzijde bevonden zich Gerhart Van Audenaarde, Diederik Van Ter +Beerst en Arnold Van Beveren De overige dischgenoten hadden, volgens +hunne eigen keus, nevens hunne vrienden rondom de tafel plaats genomen. + +Nu de wijn het gezelschap begon te verhitten, spraken allen luidruchtig +en met opgevoerdheid van de glansrijke wapenfeiten die elk hunner wilde +bedrijven, en van de meedoogenlooze wraak welke zij op de moordenaars +van graaf Karel zouden uitoefenen. Al de Kerels waren, volgens hen, +medeplichtig aan de ijselijke misdaad; men zou ze uitroeien tot den +laatste toe, hunne hofsteden afbranden, hunne velden verwoesten en zelfs +hunne vrouwen en kinderen dooden, opdat de herinnering aan het +vermaledijd geslacht wierd vernietigd. + +Waren er ook al eenige meer bedaarde ridders, zooals Gervaas Van Praet, +die zich tegen zulke algemeene verdelging der inwoners van een groot +gedeelte des lands verklaarden, allen waren het evenwel eens, dat van de +Erembalds en hunne aanhangers en vrienden geen enkele mocht gespaard +worden. + +In hunne aangejaagdheid, verbonden zij zich met duren eede niet toe te +laten dat er een Erembald, op welke voorwaarden of door wien ook, +lijfsgenade werd verleend. Zoo zou het ridderschap voor immer verlost +worden van den hoon, dien men zoolang had te lijden gehad, door den +overdreven rijkdom en door den onwettigen invloed dezer trotsche Kerels. + +Terwijl zij nog bezig waren met dus hunne vijanden tot eene volstrekte +vernietiging te doemen, en reeds poogden te berekenen welk gedeelte zij +van de uitgestrekte grondbezittingen der Erembalds ten leen zouden +krijgen, traden er eensklaps een tiental minstreelen of speellieden in +de zaal. + +Deze minstreelen behoorden zichtbaar tot twee verschillige +gezelschappen; want elk dezer bestond uit eenen doedelpijper, eenen +schalmeier, eenen bommelaar en twee zangers. + +Zulke gezelschappen volgden gewoonlijk de legers. Gedurende den rusttijd +en bij lange avondstonden vermaakten zij de ridders, die hunne kunst +zeer vrijgevig loonden. + +Nu kwamen zij gewis ter goeder ure; want bij het klinken der bekers +behooren muziek en zang. + +Het eerste gezelschap zong een minnelied in de Walsche of Fransche taal. +Zeer geestig waren de rijmen en trippelend en vroolijk het deuntje; maar +evenwel, zoohaast het ten einde was, ontstond van alle kanten, tusschen +de toejuichingen zelve, de roep: + +"Van de Kerels! van de Kerels! Laat hooren het lied der Isegrims!" + +Nu trad het tweede gezelschap vooruit. Begeleid door doedelzak en +schalmei, en bij het referein door den bommel, verhieven de beide +minstreelen de stem en zongen het volgende lied: + + Wij willen van den Kerel singen; + Si sijn van quader aert, + Si willen die rudders dwingen, + Si dragen enen langen baert. + Haer cleedren die sijn al ontnayt, + Een hoedekin op haer hooft gecapt, + 't Caproen staet al verdrayt; + Haer cousen en haer scoen gelapt. + Wrongele ende wei, broot ende caes. + Dat eet hi al den dach; + Daerom es de Kerel so dwaes, + Hi eets meer dan hi mach. + +Deze vier laatste verzen, die als referein dikwijls met geweldige +begeleiding des bommels werden herhaald, deden de ridders in handgeklap +en schaterlachen losbarsten. Slechts na eene wijl onderbreking konden de +minstreelen hun lied dus voortzetten: + + Een groten ruggenen cant + Es harde wel genouch; + Dien neemt hi in sijn hant + Als hi wil gaen ter plouch. + Dan comt hem tot sijn wijf, de vule, + Spinnende mit enen rocke; + Een sleter omtrent haer mule; + Ende gaet syn sceutele broeken. + Wrongele ende wei, enz. + + Ter kermesse wil hi gaen; + Hem dinct dat hi es een grave; + Daer wil hij 't al omme slaen + Met sinen verroesten stave. + Dan gaet hi drincken van den wine, + Stappans es hi versmoort; + Dan es al die werelt sine, + Stede, land ende poort. + Wrongele ende wei, enz. + + Met enen Zeeuwschen knive + Soo gaet hi deur sijn tassche. + Hi comt tot sinen wive; + Al vul brinct hi sine flassche. + Dan geeft si hem vele quader vloucke. + Als haer die Kerel genaect; + Dan geeft hi haer van den lyscoucke, + Dan es die pays gemaect. + Wrongele ende wei, enz. + + Dan comt die grote cornemuse + Ende pijpt hem turelureluut. + Ai, hoor van desen abuse! + Dan maact si groot geluut, + Dan springt si al overhoop, + Dan lacht haer lange baert; + Si maken groot geloop. + Gode geve hen quade vaert! + Wrongele ende wei, enz. + + Wi willen de Kerels doen greinsen + Al dravende over dat velt; + Hets al quaet dat si peinsen, + Ie weetse wel bestelt. + Men sal se slepen ende hangen, + Haer baert es al te lanc. + Si ne connens niet ontgangen, + Si ne dogen niet sonder bedwanc. + Wrongele ende wei, enz. + Dat eet hi al den dach; + Hi eets meer dan hi mach[66] + Daerom is de Kerel so dwaes, + +De ridders werden in hunne luidruchtige goedkeuring en in hun spottend +lachen gestoord door de komst van eenen wapenknecht, die ongeroepen in +de zaal trad en groetende voor den veldheer kwam staan, als iemand die +eene haastige boodschap brengt. + +"Nu, spreek, wat hebt gij mij te melden?" vroeg mher Gervaas Van Praet. + +"Heer, een Brugsch ridder heeft zich bij de brandwacht aangeboden om in +het leger te worden toegelaten. Hij moet u onmiddellijk spreken, zegt +hij, om u iets van het grootste gewicht mede te deelen." + +"Een ridder? Wie is hij?" + +"Zijn naam wil hij voor ons verborgen houden. De veldheer kent hem zeer +wel, zegt hij." + +"Breng hem in deze zaal." + +"Alleen moet hij u spreken, heer; het is een geheim. Ik heb hem onder +bewaking mijner gezellen in eene kamer van dezen burcht geleid." + +Mher Gervaas richtte eenige woorden tot zijne makkers, om hun te +verzekeren dat hij slechts eenige oogenblikken afwezig zou blijven, en +hen aan te manen hunne vroolijkheid onafgebroken voort te zetten. Dan +volgde hij den wapenknecht naar eene bijgelegene kamer van den burcht. + +Nauwelijks had hij, onder den schijn der eenige lamp, die hier brandde, +den ridder beschouwd, of hij riep met verwondering uit: + +"Mher Disdir Vos! Gij hier? Welke is de reden uwer komst?" + +Disdir Vos gaf hem door een teeken te verstaan dat hij in +tegenwoordigheid der wapenlieden niet vrij kon spreken. + +De veldheer deed de wachten buiten de kamer gaan, bood Disdir eenen +stoel aan en zeide: + +"U zoo te midden van den nacht in mijn leger te zien, daaraan had ik mij +zeker nimmer verwacht, mher Vos. Zenden de Kerels of de poorters van +Brugge u tot mij? Ik verwittig u dat ik de stad op genade wil +overgegeven hebben." + +"Gij misgrijpt u over het doel van mijn bezoek, mher Van Praet", +antwoordde Disdir met eenen scherpen glimlach. "De Bruggelingen noch de +Kerels zijn voornemens de stad over te geven. Integendeel, zij hebben +besloten ze tot den laatsten man te verdedigen, zelfs al kwam de koning +van Frankrijk met al zijne macht hen belegeren. Zij zijn ruimschoots +voorzien van alwat er noodig is om maanden lang tegenstand te bieden." + +"Ha, ha", spotte mher Gervaas, "laat onze stormtuigen aankomen en Brugge +bezwijkt in de eerste week?" + +"Maar, heer, duid het mij niet ten kwade, indien ik u de waarheid onder +de oogen leg, Morgen loopt gansch Kerlingaland te wapen en treedt Willem +Van Loo, dien de Kerels tot graaf van Vlaanderen hebben verkozen, met +een ontzaglijk leger in het veld. Wel verre van Brugge zoo gemakkelijk +te krijgen, zult gij wonderen van dapperheid moeten doen, om niet zelf +overrompeld te worden en onder de overmacht te bezwijken." + +"Morgen loopt gansch Kerlingaland te wapen?" mompelde de veldheer +bekommerd. "Zijt gij daar zeker van?" + +"Het is zoo sedert lang besloten, heer", antwoordde Disdir. "Wat meer +is, nu Kerlingaland door uwe tegenwoordigheid is bedreigd, zal de +landstorm verkondigd worden, en alwie slechts eenen boog of eene +schermzeis voeren kan, zal zich rondom Willem Van Loo komen scharen. +Indien gij aangevallen werdt door twintig duizend verwoede Kerels, zoudt +gij niet bezwijken, vooraleer eenige hulp u van elders kon toekomen?" + +Mher Gervaas schouwde Disdir in de oogen en schudde kommervol het hoofd. + +"Ik betwijfel den moed, ja, de onverschrokkenheid uwer ridders niet", +zeide Disdir Vos, "maar het onmogelijke kan niemand" + +"Inderdaad", mompelde de veldheer in zich zelven, "het ware voorzichtig +op den weg naar Gent terug te wijken en mijn leger in veiligheid te +brengen, totdat wij met meerdere macht kunnen terugkeeren ... Ik dank u, +mher Vos, voor uw bericht ... Maar laat mij toe u iets te vragen. Gij +zijt een Blauwvoet en waart een aanhanger der Erembalds. Hoe komt het nu +dat gij hun vijandig zijt geworden?" + +"Hoe? dit verwondert u, heer?" antwoordde Disdir, in schijn met +gekwetste fierheid. "Welk eerlijk hart zou de Erembalds niet haten na +den gruwelijken moord van graaf Karel?" + +"Gij haat de Erembalds?" + +"Diep en onverzoenbaar!" + +"Hoe wilt gij dat ik geloove? Welk bewijs kunt gij mij daarvan geven?" + +"Gij zult het vernemen, heer. Dit is juist het doel mijner komst. Nu +verre van Brugge trekken na den mislukten aanval, dit zal u en uwen +ridders niet behagen. Indien gij de sterke stad kondet veroveren, zelfs +zonder de hulp der Gentenaars te moeten afwachten, ware het niet voor uw +leger en bovenal voor u een wonderlijk wapenfeit, dat men zelfs in +Frankrijk zou roemen?" + +"Inderdaad; maar zulke hoop is een droom", schertste mher Gervaas. + +"Welnu, die droom kan ik verwezenlijken, nog dezen nacht ... Gij +twijfelt, heer? Ik stel mijn hoofd ten pande voor de waarheid mijner +woorden." + +"Gij zoudt mij Brugge leveren?" kreet de veldheer verbaasd. "Nog dezen +nacht?" + +"Ja, dezen nacht; en waarschijnlijk zonder veel bloedvergieten" + +"Nu, ik bid u, mher Vos, laat hooren uwe middelen. O, kondet gij uwe +belofte volvoeren, ik en al de ridders, mijne gezellen, bleven u eeuwig +dankbaar voor dezen onschatbaren dienst!" + +"Ik heb voorwaarden te stellen, heer." "Alwat mogelijk is, wil ik u +verspreken, mher Vos." + +"Ik vraag slechts weinig. De Erembalds, als zij zullen weten dat ik +hunne vijanden in de stad heb gebracht, zullen mij pogen te lasteren; en +wie weet of ze niet zullen beweren dat ik deel heb genomen aan hun +verfoeielijk eedgenootschap tegen graaf Karel. Uw woord eisch ik, mher +Van Praet, dat gij tegen al zulke lasteraars wie ze ook zijn mogen, mij +zult verdedigen." + +"Het is wel zeker toch dat gij hoegenaamd niet hebt geraden of geholpen +tot den moord des graven?" mompelde de veldheer twijfelend. + +"Geheel zeker", antwoordde Disdir. "Robrecht Sneloghe heeft mij in het +eedgenootschap willen trekken ..." + +"Mher Robrecht Sneloghe? Hoe is dit mogelijk?" kreet Van Praet. "De +eenige Erembald dien ik hadde willen sparen!" + +"De hevigste en schuldigste is Robrecht", ging Disdir voort. Hij is het +die onder een geveinsd voorwendsel mij in de geheime vergadering bracht, +waar de moordenaars te zamen waren. Maar ik heb met verontwaardiging +hunne voorstellen verstooten, en zelfs met tranen hen bezworen hun +gruwelijk opzet te verzaken. Zij beloofden het mij, in schijn met +oprechtheid. Eilaas, en toen ik nog gerust in mijnen Steen lag te +slapen, doopten zij hunne misdadige handen in het bloed van graaf +Karel!" + +"Is het zoo, geene genade voor de Erembalds; zij zullen sterven tot den +laatsten toe!" gromde de veldheer verbolgen. + +"Ja, zij zijn allen schuldig", bevestigde Disdir, "en allen verdienen +den dood.--Nu, heer, geeft mij uw woord, dat gij mij tegen alle +beschuldiging van medeplichtigheid met de hatelijke Erembalds zult +verdedigen?" + +"En gij zult de stad Brugge in mijne handen leveren?" + +"Indien ik het niet doe, dezen nacht, zijt gij vrij jegens mij te +handelen zooals u goeddunkt[67]". + +"Welaan, daar is mijne hand; ik geef u mijn plechtig woord, mher Vos." + +"Nog eene voorwaarde", zeide Disdir. + +"Zoo?" + +"Het heeft geen belang voor u, heer. Weet dat ik vroeger naar de hand +heb gestaan van jonkver Dakerlia, de dochter van mher Segher Wulf. +Dakerlia was mij niet ongunstig, en haar vader stemde toe in ons +huwelijk. Robrecht Sneloghe heeft mij mijn geluk benijd, en heeft zelf +de hand van Dakerlia gevraagd. Gij kent de macht der Erembalds, heer; en +het is wel onnoodig u te zeggen dat ik onmeedoogend werd geslachtofferd. +Nu is mijne voorwaarde, dat gij mij helpet om jonkver Dakerlia uit de +macht der Erembalds te verlossen, en mij toelatet, niet alleen haar te +beschermen, maar tevens jegens haar te handelen zooals ik doelmatig zal +oordeelen om hare hand te bekomen." + +"Eene liefdezaak?" schertste de veldheer. "Is het anders niet? Dit heeft +geene zwarigheid in, mijn goede Disdir. Desaangaande beloof ik u alwat +gij kunt verlangen." + +"Welnu dan, heer, ziehier mijn voorstel. De Kathelijnepoort is slechts +bewaakt door een vijftigtal Kerels. Deze poort, langswaar ik de stad heb +verlaten, kan ik op het uitspreken van een enkel woord doen openen, +dewijl de wacht bevel heeft mij op mijnen eersten roep binnen te laten. +Breng uw leger in stilte onder de wapenen; laat de paarden hier blijven, +leid uwe scharen door de duisternis tot op eenigen afstand van de +Kathelijnepoort. Van daar zal ik met een toereikend getal der stoutsten, +ridders of wapenlieden, vooruitgaan en de poort doen openen. Wij stormen +de stad binnen en overrompelen de wacht der poort. Op ons geschreeuw +komt gij met gansch uw leger toegeloopen. De Kerels en poorters slapen; +wie zich toont wordt verpletterd eer hij op verdediging kan denken; wij +overdekken welhaast de Markt als een dichte drom; geen tegenstand is +mogelijk, en schier zonder slag of stoot krijgt gij Brugge in uw bezit." + +Er verliepen eenige oogenblikken, vooraleer Gervaas Van Praet zijn +gevoelen over dit ontwerp te kennen gaf. + +"Wonder, wonder! Eenvoudig maar wel berekend!" riep hij na eene diepe +overweging. "En ik mag op u betrouwen? Het is geen strik dien gij ons +spant?" + +"Hebt gij mijn leven niet in uwe handen, heer? Doe mij dooden indien gij +bevindt dat ik u verraad." + +"Ik geloof dat gij oprecht zijt", zeide mber Gervaas, "maar duidt het +mij niet ten kwade dat ik, als veldheer, eenige maatregelen tegen alle +verrassing neem. Stemt gij toe dat ik u door twee trouwe en onversaagde +mannen doe bewaken?" + +"Waarom niet, heer? Ben ik niet zeker van mij zelven?" + + +[Illustratie: Eene groote kan wijn en drie bekers op de tafel ... +(Bladz. 330.)] + + +"Bij het minste verraad, bij de minste poging om ons zonder oorlof te +verlaten, klooft men u het hoofd." + +"Het zij zoo, ik begrijp dat gij deze voorzorg neemt." + +"Des te meer dankbaarheid zal ik u bewijzen na het welgelukken onzer +poging." + +"Anders vraag ik niet, heer." + +"Welnu, men zal u hier wijn brengen", zeide de veldheer. "Verveel u +niet, mher Vos, terwijl ik alles ga bereiden tot onzen geheimen optocht +naar Brugge." + +Met deze woorden verliet hij de kamer, bij welker deur onmiddellijk +eenige wapenlieden verschenen. + +Disdir zette zich dichter bij de tafel en legde het hoofd op de handen. +Een glimlach speelde op zijne lippen; hij zegevierde! Zeker, zijn +aanslag zou gelukken. Daardoor zou hij niet alleenlijk bij de vervolging +en de wraak tegen de moordenaars van graaf Karel uitgezonderd blijven; +maar hij zou invloed en geloof genoeg bij den veldheer en zijne ridders +verkrijgen, om Robrecht Sneloghe zonder genade ter dood te doen brengen. +Dan bleef Dakerlia alleen; dan verviel zij geheel in zijne macht. En wie +weet? Misschien zou het gunstig gevoel dat zij, zooals hij meende, hem +vroeger had toegedragen, weder in haar hart ontwaken. Wat hij deed was +wel iets schromelijks, iets, dat zijn geweten hem innerlijk verweet als +een snood verraad; maar zoolang reeds verzamelde de gal der wraakzucht +zich in zijnen boezem! Robrecht Sneloghe in het verderf storten, +Dakerlia tot vrouw bekomen; voor dit dubbele geluk hadde hij zijne ziel +den booze zelven verpand. + +Hij werd in zijne zoete droomerij gestoord door het gerucht van stappen +en van wapengeklingel, dat zich eensklaps door den ganschen burcht liet +vernemen. Ongetwijfeld had de veldheer zijne ridders het ontwerp +medegedeeld, en nu begaven zij zich allen naar de legerplaats, om er +zijne bevelen te gaan uitvoeren. + +Nog lang bleef Disdir alleen. Eindelijk trad er een schalk in de kamer. +Deze zette eene groote kan wijn en drie bekers op de tafel en schonk in. + +"Voor wie?" vroeg Disdir. + +Maar vooraleer de schalk hem kon antwoorden, verschenen er twee ridders +in de deur. Dezen kwamen glimlachend tot hem, terwijl een hunner hem +zeide: + +"Mher Disdir Vos, wij zijn door den veldheer belast, in afwachting dat +hij ons roepe, u gezelschap te houden. Wij nemen de vrijheid ons bij u +neder te zetten en, indien het u aangenaam is, met u eenen dronk op de +gewichtige onderneming te ledigen." + +"Dit gaat u, mher Gheldorf van Stalhille", antwoordde Disdir zijnen +beker verheffende. + +"Ik drink insgelijks ter eere van ..." + +"Van mher Hugo Van Rolleghem, mijnen vriend en wapenmakker" + +De bekers nedergezet zijnde, vroeg Gheldorf met eenigen twijfel in de +stem: + +"Het zou dus inderdaad waar zijn, mher Vos, dat gij ons de stad Brugge +leveren gaat?" + +"Gij zult het zien." + +"Maar gij zijt een Kerel. Voor hooveel marken zilvers hebt gij uwe +broeders verkocht?" + +Disdir Vos aanschouwde hem met vlammende oogen en riep uit: + +"Mher Gheldolf, gij hoont mij onverdiend. Ware uw veldheer hier, ik zou +hem zeggen dat ik van mijn voorstel afzie, en nimmer zoudt gij de stad +Brugge krijgen!" + +"Nu, nu, mher Vos, vergram u niet", sprak de andere onbewogen. "Men ziet +toch zelden dat iemand zijn eigen geslacht verraadt, zonder dat hij wete +tot welken prijs." + +"Dit is waar", voegde Hugo Van Rolleghem er bij, "maar deze ridder heeft +gewis redenen van eenen anderen aard." + +"Zooals gij zegt, heer", bevestigde Disdir. "Mijn geslacht verraad ik +niet; maar ik wil medewerken tot het wreken eener euveldaad die mij met +verontwaardiging en afgrijzen heeft vervuld." + +"En zijn het de Kerels niet die onzen armen graaf hebben vermoord?" +vroeg Gheldolf. + +"Neen, de Kerels niet." + +"Wie dan?" + +"De Erembalds." + +"De proost van St-Donaas en de kastelein?" + +"Ja, ja, en Burchard Knap en Robrecht Sneloghe." + +"Ingelram Van Bessen en Isaac Van Reninghe, die den hofsraadsheer en den +hofbottelier zoo wreedelijk hebben neergeveld, zijn toch geene +Erembalds?" + +"Neen, maar het zijn hunne vrienden. Door mher Robrecht Sneloghe zijn +zij in het vloekbaar eedgenootschap getrokken." + +"Wat gij zegt! Het is schier ongeloofelijk. Wij hebben berichten van +lieden die ooggetuigen van alles waren. Mher Sneloghe was niet bij den +moord aanwezig. Hij heeft geweend over het lijk, het eere bewezen en het +verdedigd tegen schennis, zoo ten minste verklaarde ons de oude kanunnik +Littra, die hier met ons in het leger is." + +"Mher Robrecht is de grootste huichelaar der wereld", antwoordde +Disdir. "Hij is de aanstoker der misdaad geweest. Zijn schijnheilig +gedrag heeft den kanunnik Littra bedrogen. Ik zal, op tijd en plaats +daarvan ontegensprekelijke bewijzen leveren." + +"Op mijn riddereer!" riep Gheldolf uit, "ik had veel achting voor mher +Sneloghe; maar nu, wees zeker, indien ik hem ontmoet zal ik hem met +blijdschap het hoofd klooven!" + +"Dan zult gij u mogen beroemen hem te hebben gestraft die de eerste en +ware oorzaak van des graven beklaaglijken dood was", bevestigde Disdir. + +Er trad een zeer jong ridder of schildknaap in de kamer, en deze sprak +in stilte eenige woorden tot sher Gheldolf, waarna hij even ras vertrok. + +"Mher Vos", zeide deze laatste, opstaande, "de veldheer verzoekt ons hem +voorbij Oostcamp op de baan naar Brugge te gaan vervoegen. Hij heeft ons +belast op u te waken en ons verantwoordelijk gemaakt voor uw behoud. Gij +zult het dus niet vreemd vinden dat wij u overal evenals uwe schaduw +vergezellen. Gelief ons nu te volgen." + +Zij gingen door het dorp Oostcamp en kwamen welhaast op de groote baan +van Kortrijk naar Brugge. + +Hier vonden zij het grootste gedeelte des legers, dat in dichte +gelederen geschaard, op de baan stond. Volgens het ontvangen bevel +hielden de wapenlieden zich zoo stil, dat men in de duisternis slechts +van zeer nabij hunne tegenwoordigheid kon bemerken. + +Aan het hoofd dezer scharen, en wel een boogschot vooruit, hield zich +mher Gervaas Van Praet met een honderdtal mannen, door hem onder de +onversaagsten uitgekozen. Wel de helft dezer waren ridders, die gesmeekt +hadden om van de voorwacht te mogen deel maken, en evenals de +wapenlieden hunne harnassen en ijzeren wapening hadden afgelegd om geen +het minste gerucht te maken. Slechts de helm en de ijzeren handschoenen +hadden zij behouden. + +Toen Disdir Vos den veldheer was genaderd en zich door hem had doen +herkennen, zeide hem deze aan het oor: + +"Alles is gereed; gij gaat vooruittreden met uwe beide gezellen, +langzaam en voorzichtig. Honderd man zullen u volgen tot bij de brug +achternakruipen. Doe nu wat gij mij hebt beloofd. Gelukken wij, ik zal u +niet alleen beschermen, maar nog u doen beloonen door alles wat den +hoogmoed van eenen ridder kan streelen." + +"Het is wel, men volge mij!" mompelde Disdir Vos, zich met loozen, +tragen stap vooruit begevende. + +Het was zoo donker dat de beide ridders, die Disdir vergezelden, hem +zelfs van nabij niet konden zien, en hem aan wederzijde bij den arm +hielden om zijn spoor niet te verliezen. + +Zij kwamen tot op de brug, zonder dat de schildwachten boven den muur +eenig gerucht hadden gehoord; maar nu klonk door de duisternis, op +dreigenden toon, de roep: + +"Wie daar?" + +"Storm op zee! Wolf en Vos!" antwoordde Disdir. "Open mij de poort en +haast u!" + +"Te wapen, te wapen!" klonk het schier onmiddellijk achter de poort. + +Disdir herkende de stem van Landfried, zijnen stedehouder, die bezig was +met zijne mannen te wekken. Deze voorzorg kon het gelukken van zijn +verraad moeielijker maken, doch het geheel beletten, daarvoor was, +meende hij, niets te vreezen. + +"Zijt gij het, mher Disdir Vos?" vroeg Landfried door het kijkgat der +poort. + +"Ik ben het, doe open", morde Disdir. "Waarom laat gij mij zoolang in de +duisternis staan wachten?" + +"Een oogenblik, heer; ik haal de egge naarboven", antwoordde Landfried. + +Ondertusschen waren de honderd man, die den eersten aanval zouden wagen, +op handen en voeten over de brug nader gekropen, en lagen nu stil en met +opgehouden adem ter aarde, op eenige stappen achter Disdir Vos en zijne +gezellen. + +De poort krijschte in hare hengels ... maar nauwelijks was zij half +geopend, of de honderd mannen sprongen recht, drongen de beide deuren +onweerstaanbaar open en stormden als een vloed met groot geschreeuw en +gejuich er binnen. + +Hier trokken zij hunne zwaarden en vielen op de vijftig Kerels der wacht +die, verrast en overrompeld, een oogenblik aarzelden; maar, door +Landfried aangemoedigd, schier onmiddellijk in de nauwe Mariastraat +eene onverwachte tegenweer boden, terwijl zij uit al hunne kracht om +hulp riepen en de lucht deden hergalmen onder den noodkreet: "Verraad! +verraad! Harop! harop!" + +Van boven de muren kwamen in korten tijd vele Kerels toegeloopen en het +gelukte hun de Isegrims eenigen tijd terug te houden; maar dewijl deze +laatsten meester van de poort waren, vonden hunne makkers van buiten +geen beletsel om in de stad te komen. + +Welhaast was het hoofd van het ridderleger de poort genaderd, en nu +drongen de Isegrims met weergalmend geschreeuw door de Mariastraat +vooruit. + +Zoohaast een duizendtal ridders en wapenlieden de poort binnen waren, +kon niets meer aan hunnen drang wederstaan, en zij stormden, elkander +omverre loopende, naar de Markt. + +De noodkreet der aangevallen wacht was tot in den burg gehoord geworden. +In minder dan eenen oogwenk waren al de Kerels te been; en, zonder goed +te weten welk gevaar hen bedreigde, richtten zij zich naar de plaats der +stad vanwaar de haropschreeuw in de hoogte steeg. + +Reeds toen de dikke drom der Isegrims den ingang van de Oudebrugstraat +bereikte, werden zij van terzijde met woede aangevallen en boorden de +Kerels eene breede klove in hunne schaar. + +Om elkander in de duisternis te kunnen herkennen, begonnen de Kerels +elkander toe te roepen met het woord: "Blauwvoet! Blauwvoet!" En, hen +daarin navolgende, riepen hunne vijanden: "Isegrim! Isegrim!" + +Geene dapperheid, geen geweld kon echter het ridderleger wederhouden van +op de Markt zich te ontplooien; en daar begon dan eindelijk de +afgrijselijke menschenslachting te midden eener duisternis die niemand +toeliet vriend of vijand te onderscheiden. + +Men hoorde er niets anders dan het wraakgehuil der strijders, het +noodgekerm der stervenden, het geknars der zwaarden en boven dit alles +het aanhitsend geschreeuw: "Blauwvoet! Blauwvoet! Isegrim! Isegrim!" dat +onophoudend door duizenden monden ten hemel werd geworpen, en als het +gebruis eener stormachtige zee met klimmende en dalende kracht over de +Markt heen en weder golfde. Men struikelde er over lijken, men +vertrappelde er gekwetsten, men waadde er door plassen bloed, men viel +er neder met gekloofd hoofd of doorboorde borst, zonder dat men zelfs +de schaduw zijns vijands had kunnen zien. + +Wel waren er vele honderden Kerels en poorters uit den burg en van de +stadswallen komen toegeloopen; maar de Steenstraat spuwde nog immer +nieuwe gedeelten van het ridderleger op de Markt. + +Niemand kon oordeelen over den gang of over de kansen van den akeligen +nachtstrijd. De eenige en onzekere maatstaf waren de oorlogskreten +"Blauwvoet! Isegrim!" maar tot nu toe galmden ze beide met evenveel +kracht en hevigheid. + +De kastelein Hacket, die te midden der Kerels had gevochten, meende dan +te bemerken dat zijne mannen, onder den druk eener onweerstaanbare +overmacht, allengs achteruitweken. Door een angstig gepeins aangegrepen, +verliet hij den strijd en ging terug tot bij de Hofstraat, om over den +toestand te kunnen oordeelen. Hier bekwam hij, na eenige oogenblikken te +hebben geluisterd, de droeve overtuiging dat het krijgsgeroep der Kerels +verzwakte, terwijl integendeel het geschreeuw der Isegrims meer en meer +in kracht verdubbelde. + +Hij liep achter de schaar zijner mannen en kreet daar uit al zijne +macht: + +"Wijkt naar den burg! Kerels, naar den burg! Langzaam, langzaam naar den +burg!" + +Men herkende zijne stem, en zijn bevel werd door vele Kerels herhaald. + +Het was tijd; want op dit oogenblik boorde eene machtige bende Isegrims +van terzijde door den vijand en sneed aldus meer dan de helft der Kerels +van hunne gemeenschap met den burg af. + +Aan het ontvangen bevel gehoorzamende, weken de Kerels, wien de baan nog +vrijstond, al vechtende door de Hofstraat naar den burg, en een groot +getal hunner geraakte er nog behouden binnen. + +Men had even de egge neergelaten en de poort gesloten, toen de Isegrims, +onder het bulderen van vermaledijdingen en zegevierend geschreeuw, met +hunne zwaarden er begonnen op te beuken. Maar hier werden zij van boven +de poort en van boven de wallen zoo overvloedig en zoo woedend met +steenbonken, met balken, met pijlen en met allerlei werptuig onthaald, +dat elke Isegrim, die dorst naderen, even ras verpletterd nederviel[68]. + +Het was als lage daar voor de poort een bodemloos graf, in welks +gewapenden muil honderden ridders en wapenlieden werden verzwolgen; want +dewijl van op de Markt immer nieuwe Isegrims in de nauwe straat +vooruitdrongen, werden de voorsten onweerstaanbaar tot voor de poort +gedreven, waar zij onder den hagel steenen en pijlen onmiddellijk werden +verpletterd. + +In weinige oogenblikken was de gansche brug zoodanig met hoopen dooden +overdekt, dat de opgestapelde lijken zelven een onoverstapbaar beletsel +werden om nog de poort te naderen. + +Onderwijl werd de akelige strijd nog op de Markt voortgezet door de +Kerels die van de gemeenschap met den burg waren afgescheiden geworden. +Zij vochten als verwoede leeuwen en zaaiden rondom zich dood en +vernieling in de schaar hunner vijanden, zoolang totdat, hun getal +schier geheel weggesmolten zijnde, hun geene hoop meer overbleef om te +kunnen overwinnen. + +Dan, op de stem van Ingelram Van Eessen, drongen zij met eene laatste +inspanning van krachten door den drom hunner vijanden en weken, altijd +strijdende, in de St-Jakobsstraat. + +Zoo geraakten zij, alhoewel aanzienlijk in getal verminderd, buiten de +Ezelpoort, en vonden hun behoud in het vrije veld. + +Mher Gervaas Van Praet, die den noodlottigen toestand zijner mannen voor +de poort van den burg zelf had gaan erkennen, en de duizenden pijlen der +Kerels tot op het midden der Markt door de lucht hoorde snorren, deed de +trompers blazen en riep zijn leger naar den kant der +St-Christoffelskapelle te zamen. + +Hier verhief zich een zoo lange en zoo dikwijls herhaalde zegeschreeuw, +dat de veldheer in langen tijd zich door niemand kon doen verstaan of +hooren. + +Eindelijk gelukte het hem zijne bevelen aan eenige oversten mede te +deelen. Men moest bezit nemen van al de huizen rondom den burg en de +uitgangen dezer vesting met sterke wachten bezetten, opdat niemand der +Kerels, die er zich bevonden, mocht ontsnappen. De overige benden, de +wapenlieden bovenal, zouden bij De Christoffelskapelle gelegerd blijven, +en niemand hoegenaamd zou zich tot slapen begeven, aangezien men niet +twijfelen kon of de Kerels van den burg zouden nog eenen uitval +beproeven. + + +[Illustratie: ... De egge neergelaten en de poort gesloten....] + + +Daarom tevens verbood hij dat iemand zich tot plunderen begave. Wel was +hij voornemens de woningen der Erembalds te laten verdelgen en hunne +goederen den wapenlieden tot buit te geven; maar daarover wilde hij, +zooals de voorzichtigheid het gebood, slechts morgen bij klaren dag +beslissen. + +Nauwelijks had hij dus zijne bevelen uitgedeeld, of hij trad nevens de +kapelle in een openstaand poortershuis, waar hij licht bemerkte. Hoe hij +ook riep, niemand antwoordde hem; de bewoners, door het akelig +nachtgevecht verrast en verschrikt, waren gevlucht. + +Mher Van Praet zette zich neder op eenen stoel en veegde zijn zweet af. + +Daar verscheen voor hem Disdir Vos, die met eenen zegevierenden lach op +het gelaat hem vroeg: + +"Welnu, veldheer, heb ik mijn woord gehouden, of niet?" + +"Ja, mher Vos", antwoordde Gervaas, "het kostte evenwel veel, veel +bloed." + +"Maar zooveel te meer gerucht zal deze overwinning maken, zooveel te +grooter zal de roem zijn voor u en uwe ridders, die de sterke stad +Brugge hebt gewonnen zonder hulp der Gentenaars." + +"Het is waar, mher Vos; ik ben u dankbaar en zal mijne belofte jegens u +vervullen, wees des zeker." + +"Ik kom u reeds iets vragen", zeide Disdir. + +"Spreek stoutelijk." + +"Mij zou het vermaak doen, veldheer, dat gij een twintigtal trouwe, +moedige wapenlieden onder mijn bevel steldet. De jonkvrouw, waarvan ik u +heb gesproken, Dakerlia Wulf, zou ik zoowel tegen mishandeling door uwe +wapenknechten als tegen ontvoering vanwege de Erembalds willen +behoeden." + +"Doe naar uw goeddunken, mher Vos. De twintig wapenlieden zullen u +worden gegeven." + +"Er is nog eene andere jonkvrouw, de eigen zuster van Robrecht Sneloghe. +Indien ik deze terzelfder tijd onder mijne bewaking nam, zou zij u +kunnen dienen als gijzelaresse. Ik zal de beide jonkvrouwen naar mijnen +Steen in de Moerstrate leiden. Zult gij gelieven bevelen te geven, opdat +iedereen dien Steen eerbiedige?" + +"Onmiddellijk. Roep, bid ik u, mher Raas Van Gaveren, die in de kamer +aan de straat met eenigen zijner gezellen zich bevindt." + +Toen Disdir Vos deze boodschap had vervuld en met den aangewezen ridder +was teruggekeerd, zeide de veldheer: + +"Mher Van Gaveren, ik verzoek u onder uwe wapenlieden er twintig uit te +kiezen en dezen ter beschikking van onzen vriend Disdir Vos te stellen. +Zij zullen onder zijn bevel staan en hem gehoorzamen totdat zij door +anderen worden vervangen." + +Disdir verliet het huis met mher Van Gaveren, die de twintig man onder +de wapens riep en hun het bevel van den veldheer mededeelde. + +Zij volgden zonder spreken den nieuwen overste die hun was gegeven. + +Disdir Vos leidde hen door de St-Jansstraat, om de nabijheid van den +burg te ontwijken, en bracht hen zoo voor sher Wulfs Steen. + +Hier klopte hij op de poort en riep dat men zou openen. Daar hij na lang +wachten geen antwoord bekwam, klopte hij nog eens met dreigend geweld, +en meende juist terug te wijken om naar hamers of naar eenen balk uit te +zien, ten einde de poort te verbrijzelen; maar nu liet zich achter het +kijkgat eene verschrikte stem hooren, die vroeg: + +"Wie zijt gij? Wat wilt gij? Er is niemand te huis." + +"Ik ben Disdir Vos, en gij kent mij wel, Peter. Open onmiddellijk: ik +kom uwe jonkvrouw redden." + +Een oude schalk ontsloot de poort. + +"Ach, mher Disdir, wat akelige dingen gebeuren er toch? Vergaat de +wereld?" kermde hij. "God zegene u, mher Vos, die ons ter hulpe komt in +onzen nood.--Al de andere huisbedienden zijn gevlucht...." + +"Zwijg. Waar is uwe meesteresse?" + +"Achter, in de zaal. Zij bidt." + +"Is zij alleen?" + +"Jonkver Sneloghe is met haar." + +"Houd u stil en blijf hier, totdat ik wederkeer." + +Hij deed de twintig wapenlieden binnen de poort treden, koos er vier +uit, die hem zouden volgen, en ging met dezen over den neerhof naar de +aangewezene zaal, waar hij door het venster bemerkte dat er licht +brandde. + +Bij zijne verschijning in de zaal zag hij de beide jonkvrouwen nog +geknield, maar met den angstigen blik naar de deur gekeerd. + +Hem herkennende, sprongen zij met eenen noodkreet recht en vluchtten tot +in het diepe einde des vertreks. + +Dit bewijs van afkeer en mistrouwen kwetste Disdir zeer diep; maar hij +bedwong zijne spijt en poogde zijn gelaat eene uitdrukking van droefheid +en tevens van vriendschap te geven. + +Hij gebood den wapenlieden, die hem vergezeld hadden, op den neerhof +terug te keeren, sloot de deur der zaal, en dan tot de bevende +jonkvrouwen gaande, zeide hij: + +"Hebt vertrouwen in mij, ik kom u het leven redden. Ach, de Kerels zijn +bezweken; onze vijanden, de Isegrims, hebben de stad Brugge verrast en +ingenomen. De Markt is overdekt met de lijken onzer ongelukkige +vrienden!" + +"O, God, en mijn arme broeder?" kreet Witta. + +"Wie kan het weten?" antwoordde Disdir op treurigen toon. "Een gedeelte +onzer mannen zijn op den burg gevlucht. Of Robrecht behouden is of dood, +dit is het geheim der duisternis." + +Witta begon luid te kermen; Dakerlia stortte stille tranen. + +"Gij moet mij volgen, jonkvrouwen; ik wil u in eene veilige schuilplaats +brengen." + +Maar deze woorden ontrukten de wanhopige meisjes eenen nieuwen +angstkreet, en zij sprongen terzijde, als boezemde Disdir Vos hun eene +diepe vervaardheid in. + +"Ik begrijp", zeide hij, "dat gij liever in dezen Steen zoudt blijven; +maar het is onmogelijk. Morgen, bij het eerste daglicht, zal men al de +woningen der Erembalds en hunner vrienden aan de plundering der woeste +wapenlieden overleveren. Wie er zich in bevindt, zal men vermoorden en +martelen. Hier blijven is u zelven veroordeelen tot den ijselijksten +dood. Beeft niet; ik zal u redden." + +"O, dank, dank, mher Vos", riep Witta met opgehevene handen. "Dit zal +God u loonen in zijnen hemel!" + +En zij meende tot Disdir te gaan; maar Dakerlia greep haren arm en hield +ze met koortsig geweld terug, terwijl zij haar zeide: + +"Onnoozele! Het is een strik; hij komt hier met Isegrims!" + +Disdir Vos trad nader en zeide, in schijn kalm en treurig: + +"Dakerlia, gij zijt onrechtvaardig jegens mij; ik vergeef het u. Mijne +eenige belooning zal zijn u te hebben gered ondanks u zelve. Ja, ik kom +hier met Isegrims. Verwijt het mij niet; want daarin bestaat juist het +hoogste bewijs van opoffering dat ik u kan geven. Toen ik te midden van +het gevecht mij bevond en aan de zijde van mher Sneloghe den vijand +hopeloozen weerstand bood, bemerkte ik alras dat de Kerels zouden +bezwijken. Dan dacht ik aan u, Dakerlia; voor mijne oogen ontstond, als +een akelige droom, uwe marteling en uw vervaarlijke dood. God zelf +boezemde mij eene plotselijke gedachte in. Ik liep in de gelederen der +vijanden, huilde tegen de Kerels en veinsde hen te bevechten. Na den +slag vleide ik de Isegrims, spuwde venijn tegen onze arme broeders, en +won zoo het vertrouwen van mher Gervaas Van Praet, den veldheer. Wat zal +daarvan voor mij het gevolg zijn? Door de Kerels als een verrader +verfoeid, door de Isegrims als een lafaard veracht. Ik verlies aan dit +spel meer dan mijn leven; ik verlies er mijne faam en mijne eer aan. +Voor u alleen, Dakerlia, om u te redden, om u tegen de wreede +mishandelingen der wapenknechten en tegen eenen ijselijken dood te +behouden, heb ik deze eeuwige schande aanvaard. De veldheer, die meent +dat ik rechtzinnig mijn zwaard tegen mijn geslacht heb gekeerd, vroeg +mij welken prijs ik voor mijn verraad eischte. Weet gij wat ik hem met +saamgevoegde handen heb toegeroepen? "O, schenk mij het leven van +jonkver Wulf; anders wil ik niet, anders verlang ik niet!" Uwe oogen +vragen mij wat mij tot zulke slachtoffering van mij zelven aandrijft? +Gij weet het. Het is mijne schuld niet en ik spreek er niet van. In mijn +geweten en in mijn hart ligt mijne belooning." + +Hij had deze reden op zulken toon van oprechtheid gesproken, er was +zooveel medelijden en treurnis in zijne stem, dat Dakerlia haar +mistrouwen geheel voelde vergaan. Ja, door eene plotselijke omkeering +haars gemoeds, bewonderde zij nu den man die haar tot dan eenen diepen +afkeer had ingeboezemd. Het was toch wel eene daad van ongehoorde +opoffering, zich dus der eeuwige oneer toe te wijden, om twee +ongelukkige meisjes te kunnen redden. + +Dakerlia trad vooruit en reikte Disdir te hand. + +"Heer, ik geloof in uwe edelmoedigheid", zeide zij. "Ik heb u miskend; +vergeef het mij. Beschik over ons lot: wij volgen u." + +Disdir leidde de jonkvrouwen over den donkeren neerhof. Hier voelde +Dakerlia dat de hand van Disdir gloeide en hij hare hand koortsig +drukte. Zij poogde zachtjes zich los te rukken; maar hij hield haar vast +totdat hij de bende wapenknechten had bereikt. + +"Ho, Dakerlia, Dakerlia, gij zijt ondankbaar en wreed!" gromde hij. "Ik +geef u meer dan mijn leven, en gij mistrouwt mij, als ware ik uw +vijand." + +Dakerlia slaakte eenen zucht, doch antwoordde niet. + +"Eerbiedigt en bewaakt deze jonkvrouwen", gebood Disdir Vos. "Men volge +mij!" + +Allen verlieten den Steen en daalden door de duisternis naar de +Spiegelrei. + +De oude schalk Peter, zonder er zelfs aan te denken de poort te sluiten, +ging naar de zaal, waar zijne jonge meesteresse daareven nog had +geknield. Hij liet zich op eenen stoel vallen en begon haar lot te +beklagen en overvloedige tranen te storten. + +Reeds een half uur zat hij daar, schier bewusteloos in zijne droefheid +verslonden, toen hij, het gerucht van sluipende mannenstappen meenende +te hooren, het hoofd ophief. + +Inderdaad, door de opene deur der zaal zag hij in de halve duisternis +menschenschaduwen bewegen en zwaarden glinsteren. + +Hij liet zich op de knieen vallen en smeekte reeds om genade; maar toen +hij den ridder herkende, die tot teeken van geheim met den vinger op de +lippen tot hem kwam, sprong hij op en riep met verdoofde stem: + +"Mher Sneloghe, gij hier, o, hemel! Vlucht, vlucht, de Isegrims hebben +de stad overrompeld. Zij zullen de Erembalds vermoorden. Wapenknechten +hebben het mij gezworen...." + +Een tweede ridder, die met Robrecht in de zaal was getreden, legde hem +de hand op den mond en brak zijn gekerm af. + +"Peter, waar is Dakerlia? Waar is mijne zuster?" vroeg Robrecht. + +De schalk verhaalde hem hoe Disdir Vos met een bende Isegrims was +gekomen, en hoe dezen de beide jonkvrouwen hadden weggeleid. + +Een sombere kreet van angst en afgrijzen bonsde op uit Robrechts borst. + +"Waar? Waar naartoe?" riep hij. + +"Ja, heer, ik weet het niet. Naar de Isegrims zeker, naar de gevangenis +misschien." + +Mher Sneloghe wrong zich de vuisten en sloeg zich de borst met teekens +der diepste vertwijfeling. + +"Te laat, te laat!" zuchtte hij. "Dakerlia, mijne zuster in handen van +Disdir Vos! O, mijn God, wat akelig lot hebt Gij die onnoozele +slachtoffers voorbewaard? Zij insgelijks moeten boeten voor den +gruwelijken moord? En niets, niets kunnen doen voor hunne verlossing!" + +De andere ridder greep hem bij den arm en zeide: + +"Robrecht, wij moeten met haast deze plaats verlaten. Het is een groot +ongeluk dat u treft; maar hier kunnen wij niets nuttigs meer +verrichten." + +"Deze plaats verlaten zonder Dakerlia, zonder mijne zuster?" kermde mher +Sneloghe. "Ach, hadde de dood mij getroffen dezen nacht!" + +"De vijanden kunnen komen; wij zouden bezwijken. Ons leven behoort toe +aan de verdediging van den burg; het hier langer nutteloos wagen, ware +verraad." + +"Verraad, verraad?" mompelde Robrecht, terwijl hij zijnen gezel lijdzaam +volgde. "Ja, Eggard, verraad! Nu begrijp ik alles. Disdir Vos had de +wacht bij de Kathelijnepoort. Zoo had Burchard het gewild. Disdir heeft +ons verkocht en den Isegrims de poort geopend...." + +"Zwijg, zwijg", mompelde zijn gezel, "stap zacht, buk neder en ga langs +de huizen." + +Zij slopen met looze stappen door de duisternis, tot bij den hoek der +Hoogstraat. + +Hier werden zij uit een nevensstaand huis door Isegrims bemerkt of +gehoord; want men riep hun dreigend het: "Wie daar?" toe, en +onmiddellijk snorden drie of vier pijlen boven hunne hoofden voorbij. + +Zij liepen op de brug van den burg. Daar stonden voor de poort een +twintigtal Kerels op hen te wachten. + +De poort werd voor hen en hunne gezellen geopend, en dan weder gesloten. + +De egge daalde neder, en de diepste stilte verving het lichte gerucht, +dat hunne komst had veroorzaakt. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 65: Eene mijl van Brugge, op de baan naar Kortryk.] + +[Voetnoot 66: Dit oud lied, in 1847 ontdekt en uitgegeven, is te vinden +In de Nederlandsche Dichterhalle, van prof. Heremans, in de Nederl. +Geschiedzangen van Dr.J.Van Vloten en in Trois chants historiques, van +De Coussemaker.] + +[Voetnoot 67: "Het verhaal van Galbertus (zegt de hr. KERVYN DE +LETTENHOVE, t. I, p. 389) laat toe te gelooven dat de eedgenooten werden +verraden door Disdir ... Hij hoopte daardoor te doen vergeten welk deel +hij genomen had aan de misdaad."] + +[Voetnoot 68: Zie het verhaal van dit gevecht en de vlucht der Kerels op +den burg bij GALBERTUS, pp. 293 en 294.] + + + + +XVII + + +Des anderen daags, zoohaast het klaar dag was geworden, had de kastelein +Hacket aan alle kanten boven de muren een zeker getal schildwachten +gesteld, en dan de horens doen blazen en bevel rondgezonden, dat alwie +zich binnen den burg bevond, op het plein zou vergaderen. + +Hij wilde door dezen oogenschouw het verlies afmeten dat zij in het +noodlottig nachtgevecht hadden geleden, en tevens zijne overblijvende +macht berekenen. + +Daar stonden nu de Kerels en hunne oversten in gelederen geschaard, te +midden van den burg. Zij konden ten hoogste nog vierhonderd in getal +zijn. Achter hen hielden zich de tien of twaalf Kerlinnen, die met hunne +mannen binnen Brugge gekomen waren. Eene geringe bende gewapende +poorters vormde den linkervleugel. + +Verder, naar den kant van het Gyselhuis, stond een groote hoop +ongewapende poorters, waartusschen insgelijks vele vrouwen. Dezen waren +op den burg gekomen als arbeiders of handelaars, om een hoog dagloon te +verdienen of door het verkoopen van drank of eetwaren winst te doen. + +Voor de deur van het kloostergebouw zag men eenige kanunniken en klerken +die, ofschoon niet geroepen, buiten waren gekomen om te zien wat er op +het plein geschiedde. + +Zeer verschillend was de houding van al deze lieden. De Kerels, alhoewel +hunne kleederen waren gescheurd of doorhakt en velen een verband aan +hoofd of arm droegen, zagen er moedig en trotsch uit. Het ongeluk van +dezen nacht, door het verraad van eenen valschen broeder hun berokkend, +had hen diep verbitterd en met wraakzucht vervuld; doch hun vertrouwen +in eene eindelijke zegepraal was er niet door verminderd. Zij wisten dat +op dien dag het groote Kerlenleger in het Wolvennest-bosch vergaderen +zou. Morgen reeds misschien zou graaf Willem Van Loo naar Brugge komen +afgezakt, en zouden dan vijftien- of twintigduizend Kerels eenige moeite +hebben om de Isegrims te verpletten of te verstrooien, als de rukwind +het stof? + +Zoo gerust en zoo vertrouwend waren de Brugsche arbeiders, zoetelaars en +vrouwen niet. De mannen keken treurig en met den schrik op het +aangezicht naar de Kerels, in de zwakke hoop dat dezen iets ten hunnen +gunste zouden beslissen; de vrouwen weenden en hieven biddend de handen +in de hoogte, God de wreede ramp klagende die hen zoo onverwachts van +hunne kinderen had gescheiden om hen toe te wijden aan eenen +schrikkelijken dood. + +Zij wisten dat men bij het aanbreken van den dag eenen bode naar den +vijand had gezonden, met den last om oorlof te verzoeken om de +onschuldige poorters en vrouwen uit den burg te laten gaan; maar, +eilaas, hij was wedergekeerd met het droevig antwoord dat de ridders al +degenen die met de moordenaars van graaf Karel zich op den burg +bevonden, als medeplichtig aan de gruwelijke misdaad beschouwden, en +zonder genade zouden dooden en martelen wie, om den burg te verlaten, +zich buiten eene poort durfde vertoonen. Zelfs hadden de ridders +geweigerd de kanunniken en leekebroeders van St-Donaas bij het vellen +van dit vonnis uit te zonderen zoolang de bisschop over hun lot niet zou +hebben beslist, dewijl men in het leger wel meende te weten dat sommige +kanunniken het met den proost van St-Donaas hielden. + +Robrecht Snelooghe stond voor de gelederen zijner Ravenschootsche +Kerels. Hij liet het hoofd hangen en scheen onverschillig aan hetgeen er +rondom hem geschiedde. Dakerlia, zijne verloofde, Witta, zijne zuster, +in de macht van zijnen vijand, van den snoodaard, die zoo laf zijn +geslacht en zijn vaderland had verraden! Dit schromelijk gepeins +vervolgde hem als eene nachtmare en hield zijne geestkracht verslonden. +In zijne ooren bromde de schaamtelooze taal van Disdir Vos, daar hij +Dakerlia bedreigde en haar zijne liefde aanbood! Voor zijne oogen +spookte het tooneel van den smaad en de mishandelingen waarmede hij de +arme Witta bejegende! Dakerlia, de moedige, fiere Dakerlia zou hem +verstooten en verachten, en hij, de booze, wat zou hij doen? Was het een +voorspellend gezicht, de gemartelde lijken die in het verschiet voor +zijne blikken heendreven? + +Hij was wel ongelukkig, de arme ridder. Waar bevonden zich Dakerlia en +zijne zuster? Welk was hun lot? Zou hij hen nog ooit wederzien? Deze +onzekerheid pijnigde hem verschrikkelijk, en deed zijn minnend hart +bloeden. + +De andere oversten en de Kerels eerbiedigden Robrechts smart, waarvan de +bron hun bekend was; zij staarden soms ontroerd op hem en schudden +medelijdend het hoofd. + +Slechts een enkele Kerel aanschouwde hem half spottend en met eenen +glimlach van misprijzen. Het was Burchard, die in zich zelven mompelde +dat het eene lafheid was over het lot van vrouwen te treuren en den moed +te laten zakken, wanneer land en vrijheid in gevaar verkeerden. + +Burchard was woedend en verbitterd; een gevoel van verdriet of van nijd +ontstelde hem. In het nachtgevecht had hij meer dan de helft zijner +Houtkerels verloren, terwijl integendeel de bende van Ravenschoot bijna +geheel door het lot was gespaard geworden. Ingelram Van Eessen en zijne +gezellen, die Burchard den moord hadden helpen plegen, waren niet in den +burg. Hunne meeste mannen uit het Noord-Vrije vermiste men insgelijks. +Waren zij in den nachtelijken strijd gesneuveld, of hadden zij hun +behoud in de vlucht gevonden? + +Zoo was Burchards macht veel verminderd, en zoo bekwam de invloed van +Robrecht, dien hij bedektelijk als zijnen vijand beschouwde, op de +bezetting het overwicht. Deze gedachte kwetste en vernederde hem. + +Toen de oogenschouw was geeindigd en de optelling gedaan, deelde de +kastelein Hacket verschillige bevelen uit, tot het goed bewaken der +wallen en tot het versterken van zekere zwakke plaatsen van den burg. +Hij gebood dat men in allernaast twee der poorten van achter met eenen +aarden dijk zou afsluiten, opdat men, in geval van bestorming, al de +beschikbare macht tot de verdediging der andere twee poorten zou kunnen +aanwenden. Het was te vermoeden, dacht hij, dat de Isegrims, door hunne +overwinning aangemoedigd, nog dien dag eenen aanval tegen den burg +zouden wagen. Daarom moest men zooveel steenen mogelijk boven de muren +dragen, en het vuur onder de ketels met ziedende olie immer onderhouden. +Hij eindigde met elkeen tot onversaagdheid en vertrouwen aan te manen, +en gaf hun de verzekering dat morgen of overmorgen, in alle geval binnen +weinige dagen, het groote Kerlenleger hunne vijanden zou komen +verstrooien. + +Dan deed hij nog eens de horens blazen en zond allen naar hunne wacht +boven de wallen, of naar den hun opgelegden arbeid. + +Hij zelf begaf zich naar de proostdij om zijnen broeder Bertulf den +uitslag der optelling te gaan mededeelen. + +Robrecht bleef op het plein om den arbeid zijner mannen te bestieren, +die belast waren achter de poort, die nevens des kasteleins Steen +uitgang naar de Vischmarkt gaf, eenen dijk van aarde en steenen op te +werpen. + +Hij wandelde in treurige mijmerij over en weder, aan niets denkende dan +aan Dakerlia en aan zijne zuster, gaf nu en dan in verstrooidheid een +bevel aan de arbeiders, doch liet even ras weder het hoofd op de borst +zakken, om zijne pijnlijke droomen voort te zetten. + +De dijk achter de Hoogpoort was bijna voltooid, toen de jonge kanunnik +Ludgard, die Robrecht een vriend was, hem naderde en op troostenden toon +zeide: + +"Mher Sneloghe, ik heb van den heer proost de reden uwer droefheid +vernomen. Gij zijt wel ongelukkig, inderdaad; uw lot boezemt mij een +diep medelijden in." + +"Eilaas", zuchtte Robrecht, "zoo, door eenen enkelen slag mijne zuster +en mijne bruid verliezen! alwat mij dierbaar was op aarde!" + +"Maar, vriend Sneloghe, wanhopen moogt gij toch niet", murmelde Ludgard. + +"O, mijn God!" kreet Robrecht, zich de hand aan het voorhoofd slaande, +"niets, niets kunnen doen tot hunne verlossing! Dakerlia in de macht van +Disdir Vos! Het hart verkrampt mij van schrik.... De snoode verrader is +tot alles bekwaam. Neen, de lafaard zou niet terugwijken voor de +gruwelijkste euveldaad.... En ik, ik weet het; ik zou mijnen laatsten +druppel bloed willen storten om haar uit zijne klauwen te redden, en, +ach, ik ben machteloos als een kind, ik kan niets, niets!" + +Bij deze woorden wrong hij de vuisten zoo geweldig, dat zijne vingeren +hoorbaar kraakten; hij scheen inderdaad aan de diepste wanhoop +overgeleverd. + +"Nu, Robrecht", sprak de kanunnik, "gij moogt uw ongeluk niet +overdrijven; het is door zich zelf reeds groot genoeg. Waarom denkt gij +dat Dakerlia Wulf en uwe zuster in de macht van Disdir Vos zich +bevinden?" + +"Heeft hij ze niet uit hunne woning gerukt?" + +"Inderdaad, de heer proost heeft het mij gezegd; maar Disdir Vos is aan +het hoofd van wapenknechten in sher Wulfs Steen gekomen. Hij handelde +dus op bevel van mher Gervaas Van Praet. Acht gij dezen ridder bekwaam +om vrouwen te laten mishandelen? Neen, niet waar? Gij kent hem genoeg om +te weten dat hij het Disdir Vos evenmin zou toelaten? Mijne meening is +dat de verrader Disdir Vos, om zich op u te wreken, Dakerlia en uwe +zuster den veldheer heeft aangewezen als kunnende hem in zekere gevallen +tot gijzelaressen verstrekken. Hij heeft de beide jonkvrouwen aan mher +Gervaas overgeleverd, en nu zitten zij waarschijnlijk ergens gevangen. +Misschien zijn zij buiten Brugge gevoerd, om u en uwe vrienden te +beletten eenige poging tot hunne verlossing te beproeven." + +Robrecht had zich een oogenblik door deze troostende overwegingen laten +verleiden. Nu echter schudde hij moedeloos het hoofd. + +"Ik hoop niets", zeide hij, "het ergste moet mij gebeuren." + +"Hoe? Ik begrijp u niet." + +"Het is de straf der gruwelijke misdaad. Zij begint met mij." + +"Maar wat schuld hebt gij aan den moord des graven, Robrecht?" + +"Ach, ik heb er den gansenen nacht wakende aan gedroomd", zuchtte mher +Sneloghe. "Wat schuld, Ludgard? Is de moordenaar Burchard niet van het +bloed der Erembalds, evenals ik? Is het daarom niet dat de proost, dat +de kastelein en ik gedwongen zijn hem te verdedigen? De bloedplicht +maakt ons verantwoordelijk voor zijne daden...." + +"Maar, Robrecht, God, die de hoogste rechtvaardigheid is, oordeelt zoo +niet. Hij loont ieder volgens zijne werken. Binnen weinige dagen zal de +nieuwe graaf met het Kerlenleger voor Brugge verschijnen. Hij zal uwe +verloofde en uwe zuster tegen gevangene ridders uitwisselen.... Kom, +mijn vriend, heb moed!" + +Een soort van spotgrijns trok Robrechts lippen te zamen. + +"Moed?" schertste hij. "De wanhoop is ook moed, en zij maakt mij bekwaam +tot blinde onversaagdheid. Kome de vijand, hij bestorme den burg, ik +weet wel wie met vurige begeerte den dood zal zoeken...." + +Na eene wijl stilte greep de kanunnik mher Sneloghe de hand en zeide: + +"Neen, Robrecht, weersta de sombere vertwijfeling. Hare voorname bron is +de onzekerheid waarin gij u aangaande het lot uwer zuster en uwer +verloofde bevindt; ik begrijp het wel." + +De jonge ridder knikte bevestigend. + +"Welnu, vertrouw dan op mijne hulp, om dit lot te kennen." + +"Op uwe hulp?" mompelde Robrecht verbaasd. "Hoopt gij den burg te kunnen +verlaten?" + +"Luister, het is nog een geheim. Wij kunnen den proost, noch den Kerels +hier van eenig nut zijn. Wij hebben brieven aan pijlen gehecht en deze +langs verschillige zijden in de stad doen schieten. Op dezelfde wijze is +ons reeds antwoord toegekomen. De abt van het klooster te Eeckhout zal +zich tot den veldheer begeven, om voor ons oorlof te bekomen tot het +verlaten van den burg met de reliquieen en gewijde vaten. Hij kan dit +oorlof niet blijven weigeren. Zoohaast ik in de stad ben, zal ik naar de +plaats vernemen waar jonkver Wulf en uwe zuster zich bevinden, en ik zal +wel eenig middel uitvinden om er u van te berichten. Ik ken vele ridders +en bezit invloed genoeg bij mher Gervaas om de arme jonkvrouwen tegen +den verrader Disdir Vos te beschermen." + +Robrecht greep de beide handen van den kanunnik en drukte ze dankbaar. +Hij glimlachte; het scheen dat deze weinige woorden hem hadden getroost +en eenen helderen straal van hoop in zijn hart hadden geworpen. + +Nog gedurende eenigen tijd koutte hij meer opgeruimd met den kanunnik; +dan ziende dat zijne mannen hunnen arbeid hadden voltooid, zeide hij dat +hij op de wallen moest gaan om te zien of alles aan de zijde naar de +Markt, met welker verdediging hij was belast, tot het afweren van eenen +storm in gereedheid was. + +Hij dankte nog eens den kanunnik voor zijne troostende belofte, en +beklom dan, door zijne mannen gevolgd, den hoogen vestingmuur. + +Nadat hij zijne bevelen had uitgedeeld, wandelde hij achter de kanteelen +over en weder en schouwde over de Markt naar den vijand, die buiten het +bereik der pijlen in en voor de huizen zich hield. + +Veel bedrijvigheid bemerkte hij niet tusschen hen; zij schenen te +rusten, en waarschijnlijk zouden zij dien dag niets ondernemen. + +In dit vermoeden werd hij bevestigd door den kastelein Hacket, die hier +bij hem kwam en zeide: + +"De vijand zal heden geenen aanval wagen, en misschien morgen evenmin." + +"Mij dunkt insgelijks dat zij ginder gansch ondadig zijn", antwoordde +Robrecht; "maar, oom, hoe kunt gij hunne inzichten kennen?" + +"Ik weet het door eenen brief dien men in den burg geschoten heeft. De +brief zegt dat de Isegrims niets zullen ondernemen voordat de Gentenaars +met de groote stormtuigen aankomen?" + +"De Gentenaars?" herhaalde Robrecht, het hoofd ontevreden schuddende. +"De poorters van Gent waren onze vrienden, en zij insgelijks haatten de +Isegrims, die hunne reeds ingekorte vrijheden bedreigden. Eilaas, de +moord van graaf Karel heeft hen nu vijanden der Kerels gemaakt!" + +"Toch niet; gij misgrijpt u. Geen enkel poorter zal tegen ons willen +optrekken; maar de stormtuigen behooren tot den burg van Gent, en de +kastelein dier stad heeft al de mannen der kroon tot zijne beschikking. +Dezen zijn het die de stormtuigen zullen aanvoeren. Zij kunnen zich nog +eenige dagen laten wachten; in dit geval beklaag ik hen: zij zullen hier +het groote Kerlenleger vinden en al hun stormtuig verliezen." + +"Maar, oom, is het bericht dat gij hebt ontvangen geene list om onze +waakzaamheid te doen verslappen?" + +"Neen; ik meen het schrift te herkennen. Het is van eenen verkleefden +vriend der Kerels. Zie, de brief is onderteekend." + +Hij reikte zijnen neef een geopend stukje perkament. Deze bestaarde het +eene wijl en mompelde: + +"Wat beduidt het beeld van eenen rooster, dat men onder de letter E +heeft geteekend?" + +"Begrijpt gij het niet? Elfrid Rooster, den graankoopman die bij den +Maalberg woont. Van op zijn dak kan hij in den burg schieten. Hij is +poorter van Brugge, alhoewel een trouwe Kerel. Wij mogen geloof hechten +aan zijn bericht. Nu ben ik voornemens de meeste mannen naar beneden te +zenden om te gaan rusten...." + +"Zie, zie!" kreet Robrecht eensklaps, "wat geschiedt ginder, bij de +St-Christoffelskapelle? Een groote toeloop van ridders en +wapenknechten!" + +"Mij dunkt", murmelde de kastelein, "dat ik twee bazuinblazers bemerk." + +"Inderdaad, en eenen wapenbode. Zij zullen ongetwijfeld naar den burg +komen, om ons eene boodschap te brengen." + +"Zij heffen eene witte baander in de hoogte, om ons het opschorsen der +vijandelijkheden te vragen. Hijsch ten teeken van toestemming de +vredevlag in de hoogte." + +Mher Sneloghe volvoerde dit bevel, keerde terug bij zijnen oom en +schouwde weder over de Markt. + +"Wat mag dit beteekenen?" zeide hij. "Vijf of zes priesters achter den +wapenbode! Misschien een antwoord van den bisschop op des proosts +brieven? Nu is het wapenstilstand; wij hebben niets van den vijand te +vreezen. Ik loop haastig mijnen oom, den proost, verwittigen." + +De tijding van de komst der priesters verspreidde zich onmiddellijk door +den burg, en iedereen kwam buiten op het plein; zelfs de Kerels, die op +de muren geene vaste wacht hadden, daalden naar beneden. + +Welhaast werd de poort geopend en de wapenbode met zijn gevolg +binnengelaten. + +De proost en de kanunniken herkenden in dengene die de aanleider der +priesters scheen, den abt van St-Pietersklooster, te Thourout. Zij +stuurden hem hunne groetenissen toe, poogden het doel zijner komst te +vernemen, en noodigden hem uit om in de proostdij te treden. Zij hadden +eerst de vaste hoop gehad dat hij gezonden was om, in naam van den +bisschop, de ontheiligde kerk te herwijden; maar zijne +kwaadvoorspellende houding en zijn stilzwijgen boezemden hun nu eenige +vrees in. + +De abt, zonder iemand te hebben geantwoord, bleef op het midden van het +plein staan, en las met luider stemme eenen Latijnschen brief af, +waarbij door Simon, bisschop van Noyon, al degenen die tot den moord van +graaf Karel hadden geraden of geholpen, of de wapens hadden opgenomen om +de moordenaars te verdedigen, in den ban der heilige Kerk geslagen +werden en van de gemeenschap der Christenen afgezonderd. + +Onmiddellijk daarop verhief hij de stem nog meer, opdat elk hem mocht +verstaan, en zeide in de Dietsche taal tot de omstaande menigte: + +"Het zij u kond dat de bisschop Simon, van Noyon, al degenen die zich in +dezen burg ter verdediging der moordenaars van graaf Karel van +Denemarken bevinden, alsook de plaats waar de gruwelijke misdaad werd +gepleegd, met den kerkelijken banvloek slaat. Geene godsdienstige +plechtigheden mogen hier nog geschieden, noch mis gelezen, noch biecht +gehoord. Niemand heeft hier nog deel aan de verdiensten der heiligen of +aan het gebed der Christenen; en wie er sneuvelt of sterft, is gedoemd +tot het eeuwige vuur der helle[69]!" + +De vrouwen en poorters, die zich tegen hunnen wil in den burg bevonden, +hieven de armen klagend in de hoogte of huilden van angst en +vervaardheid, bij het schromelijk oordeel dat de abt over hen had +uitgebliksemd. + +Op de Kerels deed deze afkondiging eenen min diepen indruk. Zij zagen er +somber en verstoord uit en mompelden bittere woorden, doch luisterden +met ontzag naar des bisschops vonnis, dat zij ontvingen als eenen harden +slag, doch waaronder zij evenwel niet plooiden. De abt verklaarde dat +hij van den veldheer oorlof had bekomen om de kanunniken en andere +geestelijke lieden den burg te doen verlaten, de proost Bertulf alleen +daarvan uitgezonderd. Hij eischte als een recht dat men de kanunniken al +de gewijde vaten, kerksieraden en wat meer tot het uitoefenen van den +godsdienst behoorde, liete medenemen. + +Toen de vrouwen en ongewapende poorters hoorden dat de geestelijken uit +den burg mochten gaan, vielen zij geknield neder en kropen voor des abts +voeten, zijne bescherming bij den veldheer afbiddende. Zij toch waren +tegen hunnen wil en door verrassing op den burg gesloten geworden. Zij +waren onschuldig aan alle kwaad. Men kon toch niet onrechtvaardig en +wreed genoeg zijn om hen in den banvloek te begrijpen en hen de wettige +wraak der ridders over te leveren, als hadden zij schuld aan den moord +des graven. Hunne vrouwen, hunne ouders weenden over hun lot. Zij zouden +hun leven lang den abt zegenen, indien hij bij den veldheer de +verlossing van zoovele goede, maar ongelukkige Christenen wilde +bewerken. + +De abt beloofde hun eene poging ten hunnen voordeele te beproeven; en +toen hij van den proost en van de oversten der Kerels de verzekering had +bekomen dat zij het wegdragen der gewijde zaken niet zouden beletten, +verliet hij den burg met zijn gevolg. + +De kanunniken en de kloosterbroeders begonnen onmiddellijk de gewijde +vaten, kruisen, kazuifels, kandelaars en al de kostbaarste kerksieraden +van de autaars en uit de sakristijnen weg te nemen, en buiten den burg +naar de St-Christoffelskapelle te dragen[70]. + +Boven de Hofpoort en den muur van wederzijde had de kastelein Hacket een +honderdtal Kerels gesteld, die daar met den boog geschouderd, tegen alle +verrassing van buiten moesten waken. + +Op de Markt, voor den uitgang der Hofstraat, hielden zich eenige +Brugsche ridders, gesteund door eene bende wapenknechten, dermate +geschikt, dat al wie den burg verliet of er binnen wilde gaan, te midden +door deze wacht moest stappen. Diensvolgens was het onmogelijk dat een +enkele Kerel ontsnapte, aangezien de wakende ridders met al de Erembalds +persoonlijk in betrekking waren geweest, en de Kerels aan hunne lange +baarden en blauwe kleeding herkennelijk waren. + +Robrecht, die op het plein stond en het gaan en komen der priesters in +gedachten gadesloeg, zag Ludgard met eene vracht autaarkleederen op de +armen uit de kerk komen. De jonge ridder herinnerde den priester door +een gebaar de belofte welke hij hem aangaande zijne zuster en zijne +verloofde had gedaan, en Ludgard bevestigde hem door het knikken des +hoofds, dat hij de aanvaarde zending met ijver en liefde zou vervullen. + +Eenigen der ongewapende poorters en vrouwen waren tusschen of achter de +priesters buiten den burg geslopen; maar niet zoohaast hadden de ridders +en de wapenknechten hen bemerkt, of men had pijlen op hen gemikt, +zwaarden tegen hen opgeheven en hen onder schrikkelijke bedreigingen +terug binnen den burg gejaagd. + +Intusschen deed de kastelein eenen der poorters, Jan Harinc genaamd, met +hem geheimelijk in de proostdij treden. Hij raadde hem aan den burg te +verlaten met de andere poorters, die ongetwijfeld, op verzoek van den +abt en als waarlijk onschuldig, oorlof zouden bekomen om naar huis te +gaan. + +In den eerste wilde Jan Harinc daarin niet toestemmen; hij had, zeide +hij, de zijde der Kerels gekozen, en zou nu lief en leed met hen deelen, +totdat de nieuwe graaf hen kwame verlossen. Maar toen de kastelein hem +deed begrijpen dat hij buiten den burg hun grootere, ja, onschatbare +diensten kon bewijzen, waarvoor men hem na den oorlog zeer mild zou +beloonen, gaf hij eindelijk zijne toestemming. + +Hierop gelastte hem de kastelein, de verrichtingen des vijands +geheimelijk te bewaken en zijne ontwerpen af te spieden. Hij moest de +berichtingen, welke hij kon verzamelen, aan den graankoopman Elfrid +Rooster overbrengen. Deze kon goed schrijven en, daar hij op den hoek +van den Maalberg woonde, was het hem gemakkelijk, zonder door den vijand +gezien te worden, pijlen met brieven tegen den hoogen muur van St-Donaas +te schieten, en van deze pijlen kon geen enkele zijn doel missen of +verloren gaan, dewijl zij onfeilbaar op het kerkhof moesten vallen. + +De Bruggeling legde zijne wapens af en begaf zich tusschen de groep met +treurende poorters, die nog immer, bevend van angst, op den uitslag +wachtten der poging welke de abt had beloofd ten hunnen voordeele bij +den veldheer te beproeven. + +Er kwam geene tijding; de wanhoop greep de arme poorters aan; de +vrouwen klaagden en kermden luid, als zagen zij reeds den dood voor +hunne oogen spoken. + +Nog altijd gingen de priesters en kloosterbroeders, met kostbare +voorwerpen beladen, uit en in den burg. De overvoering, die nu reeds een +paar uren had geduurd, ging ten einde loopen; want reeds waren eenigen +der dragers met ledige handen uit kerk en klooster gekomen. + +De vertwijfeling der onschuldige poorters vermeerderde bij de +overtuiging dat de veldheer de bede des abts had verworpen; eenige +vrouwen rukten zich de haren uit, anderen lieten zich huilende ten +gronde vallen. + +Terwijl Robrecht verstrooid doch met medelijden het tooneel hunner +verschriktheid aanschouwde, trad de kanunnik Ludgard, die nog niet eens +was teruggekeerd, de Hof poort binnen en deed reeds van verre tot mher +Sneloghe een teeken, dat hij hem zou volgen. + +Robrecht ging hem achterna tot op het midden van het plein. + +"Welnu, kanunnik, brengt gij mij eenige tijding?" vroeg hij met +verdoofde stem, om niet door de over en weder gaande Kerels te worden +gehoord. + +Ludgard knikte bevestigend. + +"Gij weet waar zij zijn?" + +"Ja; men heeft hen opgesloten; en men houdt hen gevangen in eene +benedenkamer van sher Disdirs Steen, in de Moerstraat." + +"Hemel! zij zijn dus waarlijk in de macht van Disdir Vos!" kreet +Robrecht. + +"Eilaas, ja!" + +"Heeft hij hen mishandeld?" + +"Ik weet het niet; zij weenen en kermen den ganschen dag." + +"Zij weenen en kermen? O, de booze lafaard!" + +"Misschien, Robrecht, heeft mher Vos hen evenwel niet mishandeld; hunne +wanhoop schijnt eene andere oorzaak te hebben. Zij gelooven dat gij in +het nachtgevecht gesneuveld zijt." + +"Ha, de verrader! Ik begrijp kanunnik: hij heeft Dakerlia mijnen dood +aangekondigd, in de hoop dat hij haar dus zal kunnen overhalen om hem +hare hand te schenken. Maar hij kent Dakerlia niet! Gij hebt haar +gezegd, niet waar, dat ik leef en onverpoosd aan haar denk?" + +"Gij misgrijpt u, Robrecht", antwoordde de kanunnik op haastigen toon. +"Ik heb uwe zuster noch jonkver Dakerlia gezien. Luister en onderbreek +mij niet; het kon voor mij gevaarlijk worden, indien men bemerkte dat ik +zoolang in geheime samenspraak met u blijf. Onmiddellijk nadat ik uit +den burg was gegaan, hield ik mij bezig met het vervullen mijner +belofte. Natuurlijk richtte ik mij naar sher Disdirs Steen. Daar woont +eene oude meid, die mijn biechtkind is. Van haar vernam ik wat ik u heb +gezegd. De jonkvrouwen kon ik niet naderen. Zij worden bewaakt door +twintig wapenknechten, die allen toegang tot hen afgesloten houden.... +Nu, wat beduidt dit blij gejuich? Ha, de arme poorters mogen den burg +verlaten!" + +Inderdaad, er was een wapenbode verschenen die vanwege den veldheer de +toelating had gebracht om de poorters van Brugge uit den burg te laten +gaan. Zijne afkondiging was onthaald geworden met vreugdekreten, +dankzeggingen en gejubel. Hadde hij niet het bevel medegedeeld dat de +poorters en hunne vrouwen slechts stil en met tragen stap over de brug +mochten gaan, zij zouden waarlijk door de Hoogpoort zingend en juichend +op de Markt gestroomd zijn. + +Nu verlieten zij den burg bij kleine groepen en stapten langzaam +tusschen de wapenknechten en ridders door, die hen wel nauwkeurig +bekeken, doch niemand terugdreven. + +De bode verklaarde in naam van mher Gervaas Van Praet, dat de +wapenstilstand ging ophouden en voortaan elkeen, wie hij ook waren, die +den burg poogde te verlaten, zou worden gedood of gehalsrecht, als +medeplichtig aan den moord des graven. + +"Ik moet u in allerhaast verlaten, Robrecht", zeide de kanunnik, hem +bedektelijk de hand drukkende. "Blijf welgemoed; ik zal zooveel mogelijk +over jonkver Dakerlia en over uwe zuster waken...." + +"Heb dank om uwe edelmoedige vriendschap, kanunnik; mijne droeve ziel +overlaadt u met zegeningen; mijn gansch leven blijf ik u dankbaar." + +Ludgaard verwijderde zich met den wapenbode. + +Achter hen werd de Hofpoort gesloten en de stormegge nedergelaten. + +Robrecht legde zich de hand aan het voorhoofd en bleef lang te midden +van het plein staan, zoo diep in gedachten verslonden en zoo beweegloos +dat hij, voor degenen die hem zagen, het voorkomen had van een steenen +beeld. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 69: De bisschop Simon sloeg met het zwaard des bans de +heiligschenners en verraders, verbood alle geloovigen hen te helpen, en +bliksemde den kerkelijken banvloek uit over al degenen die hen tot het +plegen hunner misdaad hadden geholpen. + +GALB., p. 279.] + +[Voetnoot 70: GALBERTUS, p. 302.] + + + + +XVIII + + +Het was avond. De oude Bertulf zat in eene kamer der proostdij voor eene +tafel waarop vele gouden muntstukken, eenige kostbare juweelen en zelfs +eene vorstenkroon lagen geschikt. In groote verslondenheid vergeleek de +proost deze voorwerpen met de aanteekeningen eener lijst, welke hij uit +een ijzeren koffertje had genomen; en hij schreef den uitslag van zijn +onderzoek op een blad perkament. + +Ongetwijfeld was de proost bezig met den schat des graven, welke hem +door den jongen Frumold was overgeleverd, na te zien en zijne waarde te +berekenen, opdat noch graaf Willem, noch wie het ook ware, de Kerels zou +kunnen betichten daarvan het minste gedeelte te hebben achtergehouden of +vervreemd. + +Sedert lang stoorde een ver gerucht hem in zijne berekening, en hij hief +dikwijls luisterende het hoofd op. Hij meende verwarde stemmen te hooren +galmen, een geraas doormengd met luidere klanken, als ware er tusschen +de Kerels der bezetting een twist opgerezen. + +Telkens had hij echter zijn onderzoek hernomen en voortgezet. Nu was het +gerucht geheel vergaan; de proost laadde het geld en de juweelen in den +koffer en greep eenen gesloten zak, om den inhoud er van op de tafel uit +te storten, toen Hacket, zijn broeder, morrende en zichtbaar spijtig in +de kamer trad. + +"Welnu, kastelein", vroeg Bertulf, "wat geschied daarbuiten? Ik zou +hebben gaan denken dat de Isegrims den burg hadden aangevallen...." + +"Aan een erger gevaar zijn wij ontsnapt, broeder", antwoordde Hacket. + +"Inderdaad, gij ziet er gansch ontsteld uit. Welk gevaar?" + +"Gij weet, Bertulf, dat onze neef Robrecht het ontwerp heeft opgevat om +eenen nachtelijken uitval te wagen, in de hoop dat hij zijne zuster en +jonkvrouw Dakerlia uit des vijands macht zou kunnen verlossen." + +"Ja, ja, kastelein, het is een gevaarlijk spel; maar vermits wij er +hebben in toegestemd, is er niet meer op terug te komen. Robrecht mag +niemand dwingen; slechts mannen van goeden wil mag hij tot zijne +vermetele poging medenemen. Heeft hij misschien deze voorwaarde +miskend?" + +"Neen, dit is het niet. Wij hebben ongelijk gehad Burchard niet over +dien gevaarlijken uitval te raadplegen. Robrecht heeft zijn voornemen +insgelijks voor Burchard verborgen gehouden; en, toen deze laatste aan +de beweging der Ravenschootsche Kerels bemerkte dat er iets ophanden +was, en dan ook Robrechts inzicht vernam, is hij begonnen den uitval als +eene zinneloosheid te laken. Robrecht heeft zijn ontwerp verdedigd; +Burchard is woedend geworden en heeft gescholden, omdat men het behoud +van den burg wil op bet spel zetten ten gunste van twee vrouwen. Door +Robrechts trotsche tegenwerpingen aangehitst, heeft hij gespot en zich +kwetsende scherts over jonkver Wulf veroorloofd. Robrecht heeft hem dan +beschuldigd door den moord des graven de Kerels te hebben verraden en de +vrijheid des vaderlands aan zijnen persoonlijken haat tegen Karel van +Denemarken te hebben geslachtofferd. Van woord tot woord is de twist zoo +hevig geworden, dat onze beide neven hun zwaard hebben getrokken en +elkander tot een gevecht om leven of dood uitdaagden. Zij waren gereed +om waarlijk den gruwelijken broederstrijd te beginnen. Ik sprong vooruit +en sloot Burchard in mijne armen; Eggard Van IJzendijke wederhield +Robrecht. Onderwijl bedreigden de Houtkerels de mannen van Ravenschoot +en ik zag met doodelijken angst het oogenblik naderen, dat onze Kerels +elkander onderling zouden hebben vermoord. Dit gevaar zelf bracht onze +neven tot inkeer, en deed hen naar den raad en de gebeden hunner +vrienden luisteren. Het dreigend tooneel is geeindigd door eene +overeenkomst. Zoohaast de burg ontzet is, zullen onze neven in +tweegevecht gaan, totdat een hunner in het strijdperk sterve...." + +"Onmogelijk, kastelein, zulke broedermoord!" riep de oude Bertulf. + +"Spreek er niet meer van en wees niet bekommerd. Wij hebben tijd en +zullen pogingen aanwenden om onze neven van hun gruwelijk opzet te doen +afzien. Ik beloof u dat hun twist geene erge gevolgen zal hebben." + +"Zal Robrecht evenwel den uitval wagen?" + +"Zeker; hij is nu bezig met de mannen op te zoeken en te verzamelen, die +hem tot zijne gevaarvolle onderneming willen helpen. Eggard Van +IJzendijk en Yorg Koevoet zullen hem vergezellen." + +"En Burchard?" + +"Die is bulderend naar boven op den wal geloopen, roepende dat hij zich +met niets meer bemoeit." + +De proost schudde verdrietig het hoofd, overwoog eene wijl en zeide dan: + +"Hacket, ik verzoek u, ga, boodschap Robrecht dat ik hem aanstonds wil +spreken. Mij zal hij aanhooren. Uit liefde, uit eerbied tot mij zal hij +zijnen wrok tegen Burchard afleggen of ten minste verborgen houden. +Misschien is er nog middel om Robrecht den vermetelen uitval te doen +verzaken, en zoo den woesten Burchard te bevredigen. Ga, broeder, zeg +onzen neef dat ik hem hier verwacht." + +Hacket verliet de kamer en stapte door de duisternis naar den overkant +van het plein, waar, tegen het Gyselhuis, een dof gerucht van verwarde +stemmen ruischte. + +Hij vond Robrecht sprekende met zijnen vriend Yorg Koevoet, en deelde +hem het dringend verzoek van den proost mede. + +De jonge ridder antwoordde hem met ontevredenheid: + +"Ja, ik weet wat mijn oom mij zal zeggen. Ik moet bedaard zijn en de +berispingen van eenen Burchard met geduld onderstaan. Mijne lijdzaamheid +is ten einde; geen woord, geen enkel woord verdraag ik nog van hem. Hij +is de moordenaar van ons vaderland; ik veracht hem en zal mij wreken, +bloedig wreken over den minsten hoon dien hij mij nog zou durven +toebrengen!" + +"Weigert gij dan aan het vriendelijk verzoek van den proost te voldoen?" + +"Neen, oom, ik zal tot hem gaan.... Gij, mijne goede vrienden, Yorg en +Eggard, bereidt alles zooveel mogelijk; vergadert onze mannen en +onderricht elk van hetgeen hij te doen heeft. Gij kent mijne inzichten. +Gelooft niet dat ik mijn ontwerp kan laten varen. Indien uwe hulp mij +niet ontbreekt, zal de uitval gewaagd worden, wat mijn oom de proost ook +zegge." + +Onder het uitspreken dezer woorden verwijderde hij zich met den +kastelein door de duisternis.... + +Dienzelfden avond en bijna op hetzelfde uur, zaten Dakerlia en Witta +nevens elkander in eene kamer van sher Disdirs Steen. + +Hunne oogen waren rood van weenen; de lange treurnis moest hunne +krachten uitgeput hebben, want zij zaten daar met hangend hoofd, +beweegloos en zwijgend. + +Slechts van tijd tot tijd scheen eene siddering de leden van Dakerlia te +doorloopen, wanneer de galmen van grove of dreigende stemmen meer +duidelijk haar oor troffen, doch zij liet even ras weder het hoofd +nederzakken, onder het slaken van eenen angstigen zucht. + +Nevens deze kamer, in een ander vertrek, bevonden zich de wapenlieden, +die hier gesteld waren om de gevangene jonkvrouwen te bewaken. Dien dag +moesten onder hen vele Fransche krijgsknechten zich bevinden; want +Dakerlia hoorde de schetterende galmen der Walsche taal onophoudend +klinken. Misschien waren deze lieden door het gebruiken van drank +aangehitst. Zij spraken veel en lachten soms luidruchtig. + +Getroffen door het gerucht van zware stappen in den gang, riep Dakerlia +bevende: + +"Witta, o Witta, daar is hij!" + +Zij bleven beiden angstig naar de deur kijken, totdat het gerucht in de +wachtkamer verging, en zij den intredende door zijne gezellen hoorden +verwelkomen met den roep: + +"Vive Dieu, voici Raoul!" + +"Maar, Dakerlia", zeide Witta na eene wijl, "waarom toont gij u zoo +bitter en zoo onverbiddelijk hard voor mher Vos? Hij heeft ons toch +gered, niet waar, en zijne eer en zijn leven voor ons gewaagd? Nu nog +verdedigt hij ons dagelijks tegen de Isegrims, die ons in een somberen +kerker willen gevangen zetten." + + +[Illustratie: ... zullen onze neven in tweegevecht gaan....] + + +"Het is mij onmogelijk, vriendinne", antwoordde Dakerlia treurig; "ik +zou hem dankbaarheid willen betoonen, maar mijn hart mistrouwt zijne +oprechtheid, en mijne ziel haat en verfoeit hem tegen mijnen wil." + +"Ja, ik begrijp, Dakerlia; maar nu mijn arme broeder wel zeker dood +is...." + +Zij borst in tranen los en begon luide te snikken. + +Alhoewel Dakerlia bij de woorden van Witta door diepe smart werd +aangedaan, meende zij evenwel hare arme vriendin te troosten; maar nu +hief zij, eensklaps getroffen, het hoofd op en overspande hare +gehoorkracht, om de klanken op te vatten van een gesprek dat in de +wachtzaal met ongewone drift werd gehouden. + +Wat vertelde toch de Fransche wapenknecht? Wat zeide hij van de _Porte +de Ste-Catherine_ en van _le chevalier de Vos_? + +Verstond Dakerlia het gedeeltelijk of vermoedde zij slechts dat de +praatzieke wapenknecht ook voor haar belangrijke dingen ging openbaren? + +"Stil, stil!" murmelde zij met haast aan Witta's oor. "Blijf, laat mij +luisteren!" + +En met loozen stap tot het ander einde der kamer gaande, legde gij het +hoofd tegen het paneel der deur. Wat zij hoorde moest haar zeer +verrassen en ontroeren; want de uitdrukking haars gelaats veranderde +veelmalen. Nu verkrampten hare lippen van verachting of van haat, dan +glinsterden hare oogen van verwondering, dan weder glimlachte zij bitter +of deed met de handen een gebaar van gramschap. + +Na eene lange wijl eindigde daarbuiten het gesprek met eenen schaterlach +en met het klinken der bekers. + +Dakerlia keerde terug nevens Witta en zeide met ontstelde stemme: + +"IJselijk! Wat monster! Hoe kan God zulken valschaard onder zijnen hemel +dulden! Waarom verbliksemt Hij de venijnige slange niet?" + +"Wat is het? Wat hebt gij gehoord?" vroeg Witta, verschrikt door de +fonkelende oogen harer vriendin. + +"Wat ik heb gehoord, Witta? Het is een gruwel. Daar sprak een +wapenknecht; hij beroemde zich, bij de inneming van Brugge een van de +eersten binnen de Kathelijnepoort te zijn gedrongen; en, om zijne +gezellen te overtuigen, dat hij er inderdaad tegenwoordig was, legde hij +uit hoe de zaak was toegegaan. Weet gij wie onze stad aan de Isegrims +heeft verkocht? wie, als een godverlaten moedermoorder, de vijanden +binnen Brugge heeft geleid? Wie? Disdir Vos!--O, het wangedrocht! Hij is +de schuld van den dood onzer arme Kerels, de schuld van Robrechts dood. +Hij kome, hij hoone mij nog door zijne laffe liefdewoorden!" + +Zij sprong in vervoering recht en, terwijl zij met de oogen rondom de +kamer iets scheen te zoeken, ging zij voort: + +"Ik, zwakke vrouw, ik voel mij bekwaam om het vaderland op den snooden +verrader te wreken! Ik ben eene Kerlinne; de haat maakt mij sterk.... +Maar geen wapen, geen wapen! De booswicht heeft alles weggenomen; hij +vreest! Ha, hij kent mij. Mijn vader dood, mijn bruidegom dood, wat +geldt mij nog het leven!..." + +Door de zenuwontsteltenis uitgeput, liet zij zich nevens Witta op den +zetel zakken en bleef hijgend allerlei onduidelijke bedreigingen tegen +Disdir Vos mompelen. + +Witta greep haar de hand en zeide bevende: + +"O, Dakerlia, ik smeek u, bedaar. Gij doet mij bezwijken van schrik. +Mher Vos gaat komen waarschijnlijk. Indien gij hem zijne schandelijke +daad verwijt en hem bedreigt, zal hij ons aan de Isegrims overleveren. +Wij zullen zonder bescherming aan de wacht der grove wapenknechten +overgeleverd worden. Mijn God, mijn God, dan worden wij de slachtoffers +hunner woeste baldadigheid! Dakerlia, vreest gij dit ijselijk lot niet? +Ach, het is honderdmaal schromelijker dan de marteldood! Ik bid u, ik +bezweer u, Dakerlia, bij de liefde die mijn zalige broeder u toedroeg, +bij uwe vriendschap voor mij, word kalm, bedwing uwe rechtvaardigen haat +voor den verrader.... Ho, de hemel bescherme ons, daar komt hij!" + +Inderdaad, de deur werd geopend en Disdir Vos, met den helm op het hoofd +en het harnas aan de leden, trad in de kamer. + +De beide jonkvrouwen, bij zijne komst met schrik geslagen, kropen +dichter bijeen; Witta verborg haar aangezicht met de handen; Dakerlia +hield eenen blik vol misprijzen op Disdir Vos gericht. + +"Gij ziet het, jonkvrouwen", zeide Disdir, "ik kom gansch uitgerust tot +u. Daareven verlaat ik den veldheer, om u eene haastige, eene droeve +tijding te brengen. De raad der ridders is vergaderd geweest om over uw +lot te beslissen. Gij weet het, ik heb het u reeds gezegd, dat al onze +broeders, die levend in de handen der Isegrims vallen, als verdacht van +medeplichtigheid aan des graven moord, zonder genade ter dood worden +veroordeeld. Dezen morgen nog heeft men er wel twintig op het Zand +gemarteld en aan stukken gehakt. De krijgsraad heeft, eilaas, nu +insgelijks uitspraak over uw lot gedaan. Als zuster en als verloofde van +eenen Erembald, van eenen Kerel, die, volgens hunne meening, tot den +moord van graaf Karel heeft medegeholpen, zijt gij beiden veroordeeld om +door den beul onthoofd te worden...." + +Hij zweeg en speurde na welken indruk deze schrikkelijke tijding op de +beide jonkvrouwen zou uitoefenen. + +Een scherpe angstkreet ontsnapte de bevende Witta. Jonkver Wulf +aanschouwde hem integendeel met eenen tergenden twijfellach op de +lippen. + +"Er is slechts een middel voor u om uw leven nog te redden", hernam +Disdir Vos. "Dat Dakerlia mijne hand aanvaarde, en de veldheer schenkt u +beiden genade. Anders wordt gij morgen, voor den middag, naar het Zand +gesleurd en zal uw hoofd, ten aanzien der menigte, van het bloedige +kapblok rollen. Nu, Dakerlia, wilt gij niets doen voor uw eigen behoud, +heb toch deernis met uwe arme vriendin. Red haar van den ijselijken +marteldood door eene kleine opoffering. Zoolang Robrecht Sneloghe +leefde, kon ik uwe weigering begrijpen. Nu hij in het graf is gedaald, +ziet wel zeker zijne ziel uit den hemel op u neder, wachtende op uwe +beslissing. Zult gij wreed en onmenschelijk genoeg zijn om zijne zuster, +om u zelven eenen schandelijken dood toe te wijden? Gij antwoordt niets, +in uwe oogen fonkelt de spot, zinnelooze? Gelooft gij mij dan niet?" + +Door haar hardnekkig stilzwijgen en door hare misprijzende uitdrukking +verbolgen, stapte Disdir dreigend tot haar, en meende haar bij den arm +te grijpen; maar zij sprong recht, stiet hem met kracht achteruit en +riep: + +"U gelooven? Uit den mond van hem die de valschheid zelf is vloeit niets +dan logen. Weg van mij, raak mij niet; uwe handen besmetten! Uwe bruid? +Ik? Zeidet gij de waarheid, dan zou mijne hand de prijs van uw verraad +worden? Dakerlia Wulf zou haar leven slijten in de armen van het +wangedrocht dat onze stad Brugge aan de Isegrims heeft overgeleverd? +Neen, sterven, liever honderdmaal sterven. Achteruit, verrader, niets in +mijn hart voor u dan afkeer, misprijzen en haat!" + +"Hemel, wat beteekenen uwe woorden?" gromde Disdir Vos, als verpletterd +door de openbaring der vertoornde maagd. "Gij spreekt van verraad? Gij +zegt dat ik den vijand onze stad Brugge heb overgeleverd?" + +"Ja, veins, huichel de onschuld", schertste Dakerlia, "ik weet alles! +Ha, gij zijt in den nacht tot mher Gervaas gegaan, gij hebt hem de stad +verkocht, en waarschijnlijk was mijne hand in den prijs der misdaad +begrepen. Zoo, zoo, gij dwaze snoodaard, gij meendet dat ik den moord +der Kerels, dat ik den dood van Robrecht u zou betalen! Ga, roep de +beulen; ik zal sterven met eene vermaledijding tegen u op den mond. Tot +in het graf zal ik hem haten, den laffen verkooper van Kerlingaland!" + +Disdir scheen te beven onder den indruk van Dakerlia's ontzagwekkende +houding en vurige woorden. Hij was eenige stappen in de kamer +teruggeweken en bulderde daar onverstaanbare bedreigingen. + +Eindelijk, als hadde hij een opperst besluit genomen, zeide hij: + +"Ha, het is zoo? Gij laat mij niet de minste hoop, zelfs niet in eene +verwijderde toekomst? Gij worstelt en vecht tegen mij, en gij vindt +vermaak in mij uit te dagen? Roekelooze, gij zult mij kennen! Ik keer +terug naar den veldheer; ik lever u over aan uw lot; bereid u tot den +dood; de zon van morgen zal uwe beider lijken beschijnen!" + +Onder het slaken van eenen noodkreet, liet Witta zich geknield ten +gronde vallen, kroop tot voor Disdir Vos, hief hare handen smeekend tot +hem op en riep om genade. + +Het scheen dat Disdir niet gewillig alle hoop, om Dakerlia nog te +overwinnen, verzaakte; want hij hief Witta met eene hand op, en zeide +haar: + +"Arme jonkvrouw, hoe ontstelt u de vrees des doods! Ik heb deernis met u +en zou u willen redden. Beproef of gij uwe vriendin betere gedachten +kunt inboezemen. Ik gun u twee uren, nog twee uren tijds zal ik van den +veldheer afbidden. Dan keer ik terug. Weigert Dakerlia mijne hand, dan +wordt haar noodlottig "neen" u beider een onherroepelijk doodvonnis. +Kiest geluk en rijkdom of schavot en graf." + +Hij stapte haastig ter zaal uit en sloeg de deur geweldig toe. + +Witta voegde de handen te zamen en riep tusschen overvloedige tranen: + +"O, Dakerlia, heb medelijden met mij! Sterven, sterven, op het schavot, +zoo jong! Ik ben vervaard, ik bezwijk van schrik. Wees niet zoo wreed! +Zie mijne tranen aan, geef mher Disdir een goed woord!" + +"Ik laffelijk terugwijken voor den dood, die mij moet verlossen?" riep +Dakerlia met opgewondenheid. "Ik de bruid worden van dengene, die door +zijn snood verraad uwen armen broeder heeft vermoord; ik vriendschap +bewijzen aan den verkooper van mijn land? Nimmer, nimmer! Kome de dood; +hij zal mij opvoeren bij mijnen vader, bij mijnen bruidegom, in den +schoot van God!" + +Overtuigd dat hare smeekingen niets op hare vriendin zouden vermogen, +erkennende misschien wat er wangedrochtelijks zou zijn in een huwelijk +tusschen Dakerlia en den vijand van Robrecht, sloeg Witta, met eene +grievende klacht, de armen om den hals der sterkmoedige maagd, en legde +dan snikkende het hoofd tegen hare borst.... + + * * * * * + +Terwijl dit tooneel tusschen Disdir Vos en de beide ongelukkige +jonkvrouwen plaats greep, was Robrecht Sneloghe bij zijnen oom, den +proost, die vele moeite inspande om hem van den ontworpen uitval te doen +afzien. Maar de jonge ridder weerstond zijne vermaningen en gebeden, en +verliet hem eindelijk met de woorden: + +"Bid intusschen voor mij, oom lief. God is vergramd op ons; maar dat Hij +nog eens, eene enkele maal nog, mij Zijne bescherming gunne! Ach, hoe +zou ik Hem zegenen tot aan het graf, indien Hij mij de genade gunde, u +te mogen toeroepen: "Zege, zege, verlost is mijne arme zuster, verlost +is Dakerlia!" + +Hij haastte zich over het plein. Zijn vriend Eggard Van IJsendijke zeide +hem: + +"Alles is gereed; wij wachten uw bevel." + +"Weet ieder wat hij te doen heeft?" + +"Ja; Yorg Koevoet zal de voorhoede houden. Degenen die u niet mogen +verlaten en, in geval wij gelukken, uwe zuster en jonkvrouw Dakerlia +moeten beschutten, staan in het midden. Met de anderen zal ik u volgen +en, waar eenig gevaar u dreigt, zal ik stand houden en den vijand werk +geven, om uwe vlucht te beschermen." + +"En de mannen met den beukram?" + +"Zij hebben hem reeds op de schouders." + +"Het is wel Eggard, beveel de stilte. Eens buiten de poort zullen wij +weinig acht op de pijlen slaan, vooruitloopen, immer vooruit over den +Maalberg en door de Wapenmakersstraat. Men volge mij zonder gerucht!" + +De gansche bende, misschien wel honderd man sterk, bewoog zich door de +duisternis en stapte tot achter de Hoogpoort, die zeer langzaam en +zachtjes werd geopend. + +Robrecht, die al de anderen vooraf was, gaf met verdoofde stem het sein +tot het vertrek. + +Eerst slopen de Kerels, gebukt en met looze stappen, over de brug; maar +nu werden zij door de schildwachten des vijands bemerkt, en van vier of +vijf kanten tegelijk werden hun pijlen toegestuurd, terwijl de verraste +wapenknechten de lucht onder hunne noodkreten deden hergalmen. + +"Vooruit, vooruit, loopt, loopt!" riep Robrecht. + +De Kerels, zijn bevel gehoorzamende, smeten eenige vijanden overhoop, +die hun den weg wilden versperren, en stormden dan over den Maalberg de +Wapenmakersstraat in. + +Zonder nog eenen ernstigen tegenstand te ontmoeten, geraakten zij voor +den Steen van Disdir Vos; en dewijl men weigerde hun de poort te openen, +begonnen zij onmiddellijk met den ram zoo geweldig er tegen te beuken, +dat het was alsof de gansche stad er van dreunde. + +Het was geen gemakkelijk werk; de poort weerstond de herhaalde slagen en +bleef onwrikbaar, als hadde men ze van achter met eenen aarden wal +bedijkt. + +Welke schrik, welk lijden verscheurden Robrechts hart! Hoe stond hem, +bij die vergeefsche krachtinspanningen, het angstzweet op het +aangezicht! Zijne poging zou mislukken; het bloed zijner moedige +gezellen zou nutteloos vergoten worden. Zijne arme zuster, zijne +ongelukkige verloofde zouden in de macht van den snooden verrader +blijven. Ja, want de noodhoorns hergalmden op de Markt. Reeds waren vele +vijanden op het gedonder der ramslagen komen toegeloopen; Eggard en Yorg +waren in eenen drukken strijd gewikkeld; pijlen snorden door de straat, +en reeds waren eenige Kerels met verbrijzelden schedel of met doorboorde +borst nedergevallen. + +Robrecht stelde zelf zich aan den ram en vuurde de kracht der beukers +aan door koortsige uitroepingen; hij beloofde hun zelfs eene +aanzienlijke belooning indien zij de poort ten gronde konden werpen. + +Een zegevierende kreet, een gehuil van blijdschap ontsnapte hun: het +slot der poort was gesprongen, en hare beide deuren waren wagenwijd +opengevlogen. + +Door zijne mannen gevolgd, stormde Robrecht in den Steen. Op den voorhof +stieten zij wel op de twintig wapenknechten, aan wie de wacht was +toevertrouwd, maar Robrecht, door de woeste slingeringen van zijn +zwaard, smeet er twee of drie omverre en liep, zonder nog om te zien, +naar het achtergebouw, waar hij in eene verlichte kamer de schaduw van +Disdir Vos meende te zien wemelen. + +Hij beukte met eenen ontzaglijken druk van zijnen schouder de deur open +en hief zijn zwaard in de hoogte, om zijnen bloedvijand het hoofd te +klooven; maar een dubbele noodkreet klonk hem tegen, en hij zag zijne +verloofde en zijne zuster, die in eenen hoek der kamer elkander angstig +hielden omarmd. + +"O, Witta, Dakerlia", riep hij, "staat op, volgt mij, ik kom u redden!" + +"Dank, o hemel, hij leeft, mijn broeder leeft! Robrecht, Robrecht!" +galmden de jonkvrouwen, hem met zinnelooze blijdschap aan den hals +vliegende. "Gij leeft, Disdir heeft ons bedrogen? Welk geluk!" + +"Geen woord, geen woord!" beval de jonge ridder met vurige haast, "Komt, +komt!" + +En dewijl zij, door blijdschap te diep ontroerd, hem niet schenen te +begrijpen, sloeg hij zijne armen hun om het lichaam en dreef ze met +geweld naar buiten. + +"Hier, hier, mijne mannen! Beschut, beschermt de vrouwen!" riep hij. + +Zijn bevel werd gehoord en volvoerd. Een dertigtal Kerels omringden hem, +terwijl de anderen, door Eggard Van IJsendijke en Yorg Koevoet +aangevoerd, langs beide zijden in de straat zich verdedigden tegen eenen +dikken drom vijanden. + +"Nu vooruit, vooruit naar den burg!" gebood Robrecht met eene stem die +door den toon der uiterste blijdschap was versterkt en begeesterd. + +De Kerels drongen strijdend voorwaarts en poogden zich met hunne +zwaarden ter redding der jonkvrouwen eenen vrijen weg door de +toeloopende vijanden te banen. Zij vonden een hardnekkigen tegenstand en +vorderden, bij het verliezen van velen hunner gezellen, slechts +langzaam. Weder begon Robrechts hart zich met doodelijken angst te +vervullen. Zou hij nu met zijne dappere Kerels bezwijken op het +oogenblik zelf dat hij God had gedankt om Zijnen bijstand? Zouden zijne +zuster en zijne verloofde terugvallen in de macht van Disdir Vos? Hoorde +hij niet in de verte op de Markt een gebruis als van eenen nakenden +orkaan? Gingen duizenden vijanden hem bespringen? + +Tot dan had hij zonder strijden over zijne zuster en Dakerlia van nabij +gewaakt; maar deze pijnlijke gedachten ontrukten hem eenen schreeuw van +wanhoop. Hij hief zijn zwaard in de hoogte, sprong vooruit aan het hoofd +zijner mannen en ontvlamde hunnen moed en hunne krachten door zijn +voorbeeld en door zijn vurig woord. + +De vijanden werden teruggedreven, omvergeworpen en verstrooid. + +De Kerels, zonder dat nog iets hunne vaart kon stuiten, liepen over den +Maalberg en in den burg, waarvan de poort, bij hunne komst geopend, +onmiddellijk weder werd gesloten. + +De lucht hergalmde eenigen tijd van zegevierend gejuich en van +schaterend gejubel. + +Robrecht zelf hief de handen ten hemel en zegende God over het +welgelukken zijner vermetele poging. Hij sprong beurtelings Yorg Koevoet +en Eggard Van IJsendijke aan den hals, drukte in de duisternis de handen +zijner moedige gezellen, dankte hen met uitgelaten blijdschap en riep, +dat hij hen allen mildelijk zou beloonen. + +Dan greep hij zijne zuster en zijne verloofde bij de armen en trok hen +naar de proostdij. + +"Komt, komt, bij mijne ooms!" zeide hij, "ach, hoe gelukkig zullen zij +zijn, u behouden weder te zien!" + +Hij wierp de deur eener zaal open; Witta viel juichend den proost aan +den hals, en Robrecht riep met geestdrift uit: + +"God heeft mij beschermd. Verlost is mijne goede zuster, verlost is onze +lieve Dakerlia" + + + + +XIX + + +Eenige dagen na hunne verlossing, in den vroegen morgen, zaten Dakerlia +en Witta in eene benedenzaal van des kasteleins Steen, waar Hacket hen +had geherbergd, terwijl Robrecht integendeel binnen de proostdij zijn +verblijf had. + +Eggard Van IJsendijke, de jonge en dappere vriend van mher Sneloghe, +hield de jonkvrouwen gezelschap en koutte vroolijk met hen. Hij wendde +zich bij voorkeur tot Witta, die een groot vermaak in zijne samenspraak +scheen te vinden en niet naliet bij elke gelegenheid hem te loven en te +danken voor de krachtdadige hulp welke hij tot hunne redding had +geleend. Ja, zij getuigde dikwijls dat zijne edelmoedige opoffering en +zijne onversaagdheid alleen het welgelukken dezer vermetele onderneming +hadden mogelijk gemaakt. + +Nu antwoordde Eggard op eene bemerking van Dakerlia: + +"Ja, jonkver Wulf, het is zoo, men heeft gisteren nog op bet kerkhof van +St-Donaas eenen pijl gevonden met eenen brief waarin men ons, namens den +graaf Willem Van Loo, tot standvastigheid aanmoedigt en ons laat weten +dat het Kerlenleger welhaast naar Brugge zal komen om ons te verlossen. +Onze graaf Willem Van Loo zal zeker wat tijds behoeven om zijne +heirkracht in te richten; hij is een ervaren en voorzichtig krijgsman, +die niets onzekers wil wagen. Men handelt niet met een talrijk leger als +met eene geringe bende. Gij ziet wel dat de Gentenaars, die door de +Isegrims sedert acht dagen worden verwacht, nog niet verschenen zijn." + +"En zoohaast de Gentenaars aankomen, zal men den burg bestormen?" vroeg +Robrechts zuster met eenen zucht. + +"Ongetwijfeld, jonkver Sneloghe." + +"Ach, en dan zal mijn broeder en dan zult gij, mher Eggard, alweder +moeten strijden!" + +"Tenzij het Kerlenleger eerder dan de Gentenaars binnen Brugge trede. In +alle geval, jonkvrouwen, weest niet bekommerd: de burg is sterk, en de +Isegrims zullen er niet in geraken voor de komst van ons leger, al +moesten wij zelfs weken lang op ontzet wachten." + +"En indien er nog een verrader tusschen u zich bevond?" bemerkte +Dakerlia. + +"Neen, zulke wangedrochten zijn zeldzaam. In den burg tellen wij slechts +trouwe en beproefde gezellen." + +Er trad eene hoogstaltige vrouw met helgekleurd aangezicht en mannelijke +trekken in de kamer. Het was eene der twee Kerlinnen, die toegestemd +hadden om de jonkvrouwen als _gezellinnen_ behulpzaam te zijn. Zoo ten +minste kenmerkten zij zelven den last dien zij hadden aanvaard; want de +woorden _dienen_ en _dienstmeid_ wilde men onder de vrije Kerels niet +kennen. + +Zij legde een wit ammelaken op de tafel en schikte er eenige borden en +drinkschalen op. + +"Jonkvrouwen, het ontbijt is gereed", zeide zij. "Gelieft het u dat ik +het opbrenge?" + +"Ja, Elswinde", antwoordde Witta, "maar wees zoo goed mijnen broeder +door iemand te doen roepen. Hij is waarschijnlijk in de proostdij." + +"Hij wandelt op den wal, boven de Hoogpoort", bemerkte Elswinde, "ik heb +hem daar straks van verre gezien." + +Zij stapte ter zaal uit en keerde eene wijl daarna met eene andere vrouw +terug. Beiden droegen spijzen aan en gingen voort met de tafel tot het +ontbijt te schikken. + +Mher Sneloghe kwam binnen, drukte Dakerlia met teederheid de handen en +omhelsde zijne zuster, onder het murmelen van eenen blijden morgengroet. +Nadat hij insgelijks zijnen vriend Eggard de hand had gedrukt, zette +hij zich bij de tafel nevens Dakerlia. Allen bogen het hoofd en +murmelden een dankgebed. + +Op de tafel stonden kannen met warme melk en eene kom met gortebrij. + +Onder het nuttigen dezer lichte morgenspijzen, zeide Robrecht tot zijnen +vriend: + +"Wij hebben vanwege den graankoopman Elfrid Rooster en van anderen nog, +brieven ontvangen nopens zekere verrassende tijdingen, die gisteren in +de stad zijn aangekomen. De koning van Frankrijk heeft boden aan mher +Gervaas Van Praet en aan de schepenen van Brugge gezonden, om hun te +gebieden, zonder uitstel tot het kiezen van eenen nieuwen graaf over te +gaan. De stad Gent heeft insgelijks zulk bevel ontvangen." + +"Wat beteekent dit?" riep Eggard spottend. "Meent de koning van +Frankrijk nu dat hij zich met de zaken van Vlaanderen te bemoeien +heeft?" + +"Het is in den beklaaglijken moord des graven dat hij ongetwijfeld +beweert dit recht te putten", antwoordde mher Sneloghe. "Gij weet dat +hij zich als wraakeischer van graaf Karel aanstelt. Hij was zijn neef; +de bloedplicht gebied hem zijne moordenaars te vervolgen." + +"Maar de schepenen en de poorters van Brugge zullen wel zeker weigeren +tot zulke keus over te gaan, op bevel of op verzoek van eenen vreemden +vorst?" + +"Neen, Eggard, daarin bedriegt gij u. Binnen drie dagen zullen de +poorters op het Zand vergaderen, om eenen nieuwen graaf te kiezen." + +"Ik begrijp het wel", bemerkte Dakerlia, "de schepenen en poorters +zullen voor Willem Van Loo stemmen; en zoo zal de koning van Frankrijk +in zijne verwachting teleurgesteld worden." + +"Hopen wij het!" zeide Robrecht. "Er is evenwel, denk ik, eene groote +verdeeldheid over deze zaak onder de poorters. De moord des graven heeft +ons meer dan de helft der Bruggelingen vijandig gemaakt. Anderen zullen +misschien in de keus een middel zoeken, om eenen langen en verdelgenden +oorlog te voorkomen. Er zijn reeds drie vorsten die afgezanten naar +Brugge hebben gezonden om zich aan de keus der ridders en der poorters +voor te stellen. De eene is Diederik van den Elzas, de tweede is de +graaf van Henegouwen en de derde is zoon der gravin van Holland, die +allen afstammen van onze vorige graven en beweren recht te hebben tot +het erven der kroon van Vlaanderen." + +"De eenige die kans heeft op het bekomen van een zeker getal stemmen is +Diederik van den Elzas", bemerkte Eggard. "Hij staat bekend als een +dapper en vrijheidlievend vorst. Indien hij gekozen werd, zou daaruit +wel eene erge verwikkeling voor onze zaak kunnen ontstaan." + +"Toch niet, Eggard. Deze keus is geheel onverschillig voor ons. Wat er +ook geschiede, Willem Van Loo moet zijne kroon door veldslagen en +zegepralen winnen. Ongelukkiglijk heeft Burchard door zijne vloekbare +misdaad de eensgezindheid, welke tusschen de poorters en de Kerels +bestond, geheel vernietigd. Anders ware de zaak reeds beslist en +afgedaan. Gansch Vlaanderen hadde Willem Van Loo als graaf toegejuicht. +Hoe deze worsteling nu voor hem zal eindigen, dit weet God alleen!" + +Terwijl hij deze laatste woorden uitsprak, trad Yorg Koevoet in de +kamer. + +Na de jonkvrouwen minzaam te hebben gegroet, zeide hij: + +"Vrienden, komt toch kijken. De Gentenaars zijn aangekomen. Van boven +den wal kan men ze zien voorbijtrekken. Zij zijn zeer talrijk. Het spel +gaat nu eens voor goed beginnen!" + +Robrecht en Eggard stonden op om Yorg naar buiten te volgen. Door +nieuwsgierigheid aangedreven, betuigden de jonkvrouwen den wensch om +mede op den wal te gaan; maar Eggard en Robrecht deden hun begrijpen dat +de vijand nu en dan met pijlen schoot en het immer gevaarlijk was achter +de kanteelen te wandelen. + +Zij lieten zich raden en bleven in de kamer, de ridders tot +voorzichtigheid aanmanende. + +Robrecht wilde den wal aan den linkerkant der Hofpoort beklimmen; maar +Yorg Koevoet hield hem terug en zeide: + +"Neen, niet langs dezen kant; daar staat Burchard. Ontwijken wij den +norschen woestaard. Nu ongeveer een half uur geleden, heb ik nog eenen +hevigen twist met hem gehad." + +"Zoo? Waarover?" + +"Hij was alweder bezig met u te beschuldigen, Robrecht, omdat gij +volgens hem bij den nachtelijken uitval meer dan dertig dappere gezellen +hebt opgeofferd tot eene poging die voor der Kerlen verdediging geen het +minste belang had." + +Robrecht liet een gemor van gramschap hooren en deed eenen stap om tot +Burchard op te klimmen; maar Yorg Koevoet greep hem den arm en zeide +lachend: + +"Kom, kom, mher Sneloghe, stoor u niet in de spijtige woorden van +Burchard. Laat hem over aan zijn lot. Hij wordt nu meestal door onze +gezellen gevlucht, en dwaalt grommend en met sombere blikken rondom de +wallen. De boete der misdaad begint reeds voor hem." + +"Gij hebt gelijk, mijn vriend", sprak Robrecht, het hoofd schuddende. +"Ik moet de belofte vervullen welke ik mijnen ooms heb gedaan. Het kost +mij veel.... Kom, wij zullen nevens de proostdij op den muur gaan." + +Toen zij boven achter de kanteelen stonden, hielden zij met verwondering +de oogen op de voorbijtrekkende scharen hunner nieuwe vijanden gericht. + +De Gentenaars, om eene breede baan te vinden, waren van de Gentpoort +naar de Steenstraat afgedaald, en hunne eerste benden trokken nu langs +de oostelijke zijde der Markt, voorbij de St-Christoffelskapelle, de +St-Jacobsstraat in, om plaats te maken voor degenen die moesten volgen. + +Aan hun hoofd reden: Segher, kastelein van Gent, hun bevelvoerder, Ivan +Van Aalst, Daniel van Dendermonde, Balder Van Deinze, Walter Van Lillers +en nog eenige andere Vlaamsche ridders. + +Gedurende langen tijd zag men slechts kruisboogschutters, speerdragers +en knotsvoerders voorbijtrekken; maar dan verschenen eindelijk de +beruchte stormgewerken van den burg van Gent. + +Wel zestig wagens en zware voertuigen van alle slag volgden elkander op, +en schikten zich in twee rijen langs de huizen der Markt. + +Alhoewel vele stormgestellen uiteen op de wagens lagen, kon men toch de +meeste nog herkennen. Vooraan reden de Springhalen, die bij elke +ontspanning veertig of vijftig groote pijlen over de muren der +belegerde sterkte schoten; dan de Blijden, waarmede men groote steenen +en rotsblokken den vijand toezond; dan stormtorens met valbruggen, om op +de wallen der burgen over te loopen; dan een honderdtal Schildpadden of +groote beukelaars, van sterke wissen gevlochten en overdekt met +ossenleder; verder vele wagens met ladders van alle grootte: de eenen +reusachtig van gestalte en zestig voet lang, de anderen licht en door +weinige mannen draagbaar. Eindelijk volgden nog een aantal wagens, +geladen met balken, haken, mokers, bijlen, hefboomen, spaden, koorden, +katrollen en wat meer nog tot beleg eener sterke stad of burg kon +behoeven. + +Deze nieuwe heirkracht kon wel tweeduizend man sterk zijn. Of onder hen +wel vele Gentsche poorters zich bevonden, dit was zeer te betwijfelen; +want het grootste gedeelte droeg vuile, gescheurde kleederen van +vreemden vorm, en geleek aan eenen zwerm landloopers of bedelaars. +Eveneens kon men benden herkennen, samengesteld uit mannen die men +tusschen de oud-Friesche bevolking van het Waasland had aangeworven en +bijeengeraapt[71]. + +Het was te denken dat de Gentsche poorters, die wel wisten dat de Kerels +de algemeene volkszaak van Vlaanderen tegen de dwingende heerschzucht +der leenheeren verdedigden, geweigerd hadden tegen hen op te trekken. De +kastelein van Gent beschikte over de stormtuigen en over al de mannen, +die tot leenen der kroon behoorden. Waarschijnlijk had hij ook door +groote beloften een zeker getal poorters overgehaald om hem naar Brugge +te volgen. + +Hoe het zij, al deze mannen schenen door eenen hevigen strijdlust +bezield; want zij deden de Markt onder hunne zegekreten hergalmen, +terwijl zij tusschen het bulderen der grofste vermaledijdingen hunne +vuisten of hunne zwaarden dreigende naar den burg uitstaken. + +Uit hun verward gejuich was te verstaan dat zij den burg opgevuld +meenden met onschatbare rijkdommen, aldaar door de Kerels verzameld; ja, +sommigen beweerden dat er kelders waren op welker vloer men de marken +zilvers met de spade kon opscheppen. Zeker, het was veel meer de +hebzucht en de begeerte naar deze schatten dan de haat tegen de Kerels +die hunnen moed ontvlamden en hen naar den strijd deden snakken. + +Zoohaast zijne mannen eenigszins op de Markt geschikt waren, trad de +kastelein van Gent met eenigen der ridders, zijne gezellen, in een huis +omtrent de St-Christoffelskapelle, dat men hem aangeduid had als het +verblijf van mher Gervaas Van Praet. + +Na den veldheer de hand te hebben gedrukt en eene vriendelijke groetenis +met hem te hebben gewisseld, zeide hij: + +"Wij zijn wat lang achterwege gebleven, niet waar, veldheer? De banen +zijn slecht, en wij vorderden moeielijk met de zware stormtuigen. Heden +hebben wij zelfs weinig meer dan een uur gaans afgelegd. Onze paarden +hebben het lastig genoeg gehad; maar mijne mannen zijn frisch en licht, +als stonden zij eerst van hun nachtleger op. Zij hijgen naar den strijd, +en willen oogenblikkelijk alles tot eenen beslissenden stormloop +bereiden." + +"Hoeveel tijds is daartoe noodig?" vroeg de veldheer. + +"Drie of vier uren. Korts na den middag kunnen wij vaardig zijn." + +"Welnu, mijne ridders en wapenknechten betreuren reeds vele dagen de +werkeloosheid waartoe zij zich veroordeeld zagen. Doe alles bereiden, +kastelein. Wij zullen den burg met gansch onze macht en van alle zijden +te gelijk aangrijpen. Heden zullen de moordenaars des graven levend of +dood in onze handen vallen. Ik zal met u uitgaan om te beramen waar men +best de Springhalen en Blijden kan stellen." + +"Ik moet u iets zeggen, veldheer", bemerkte Segher, de kastelein, "opdat +er geen misverstaan tusschen ons rijze. Wij, ridders, die al deze benden +van woeste doch onversaagde lieden met groote haast moesten +bijeenbrengen, hebben hun beloofd dat de burg en wat hij bevat, hun ter +plundering zal worden overgelaten. Het is welbegrepen, niet waar, dat +niemand de plundering zal pogen te beletten?" + +Deze vraag scheen den veldheer en bovenal den ridders van zijn +gezelschap zeer te mishagen. Mher Gervaas schudde denkend het hoofd. + + +[Illustratie: ... klommen zij inderdaad op de ladders....] + + +"Maar, heeren", riep de kastelein ontevreden, "de mannen die ons gevolgd +hebben, zijn meerendeels zelf geene Vlamingen. Wij moesten hun toch +eenig lokkend voordeel beloven. Wilt gij de plundering niet toestaan, +het is uwe zaak; zij zal evenwel geschieden; want ik geloof niet dat gij +machtig genoeg zoudt zijn om ze te beletten." + +"Welnu, dat uwe mannen in den burg vrij plunderen!" zeide mher Gervaas, +"op voorwaarde dat gij, heer kastelein, hen de poorters van Brugge en +hunne eigendommen doet eerbiedigen." + +Een ridder gromde verstoord: + +"Maar, veldheer, indien men dus allen buit den Gentenaren toekent, wat +zal er dan voor ons en onze wapenknechten overblijven?" + +"Onze wapenknechten, indien zij met de Gentenaars in den burg dringen, +zullen recht tot plunderen hebben, evenals zij. Wat ons betreft, wij +zullen in de verdeeling van der Kerlen groote landeigendommen eene +toereikende belooning vinden.... Kom nu, kastelein, en verhaasten wij +zooveel mogelijk den arbeid uwer mannen." + +Toen zij op de Markt kwamen, deelden zij, na eene korte beraadslaging, +hunne bevelen uit. Eenige wagens zouden naar den Maalberg en naar de +Hoogstraat gevoerd worden; andere naar de Vischmarkt, om zoo den burg +van alle kanten met stormtuigen te omringen, en den Kerels, aangezien +hun klein getal, de verdediging onmogelijk te maken. + +Niet lang daarna hoorde men, op de Markt en achter den burg, tusschen +het aanhitsend geroep der arbeiders, den fellen slag der hamers en het +snerpe geknars der schroeven, en zag men allengs de reusachtige +stormgewerken eenen herkennelijken vorm bekomen en hier en daar zich in +de hoogte verheffen. Ladders en schildpadden werden van de wagens +genomen en in verschillende richtingen rondom den burg gedragen. + +In de aanpalende straten schikten de oversten hunne ridders en +wapenknechten in gelederen, gereed om vooruit te stormen en den wal te +beklimmen, zoohaast de Gentsche benden de ladders zouden hebben gerecht. + +Men kon wel van verre bespeuren dat de Kerels binnen den burg, bij het +gezicht dezer ontzaglijke toebereidsels, niet ondadig bleven en als een +zwerm boven de muren over en weder krielden, met steenen en balken +sleurden, en overal achter de kanteelen lange speren en ijzeren haken en +klauwers aanbrachten, om den vijand van de ladders te smijten en den +storm af te slaan. + +De zwarte rook, die op vele plaatsen boven den wal steeg, getuigde dat +het vuur onder de ketels met pek en olie reeds was ontstoken. Dat de +tegenstand hevig zou zijn, dit kon men daaruit besluiten dat zelfs een +tiental vrouwen zich achter de kanteelen vertoonden en daar, evenals de +mannen, druk aan het dragen van steenen arbeidden. + +Kort na den middag was alles tot den aanval gereed. + +Dan, op een bevel van den veldheer, dat door het geschal der bazuinen +werd herhaald, begonnen de Springhalen en Blijden van alle kanten +honderden groote pijlen en zware steenen over den muur in den burg te +werpen. Daarbij drongen nu insgelijks gansche scharen kruisboogschutters +vooruit, zoodat na weinig tijds, de lucht op de Markt en over den burg +door eene wolk pijlen, schichten en rotsbonken scheen verduisterd. + +Al de Kerels waren van de wallen verdwenen of hielden zich achter de +kanteelen nauw verborgen. Inderdaad, geen enkel mensch kon boven den +muur van den burg van buiten zichtbaar worden of hij werd onmiddellijk +door een werptuig getroffen. + +Deze geweldige beschieting werd meer dan een uur zonder verpoozing +voortgezet; en dewijl door haar het den Kerels onmogelijk was gemaakt +zich te verdedigen, konden de aanvoerders der ladders deze nader bij den +burg brengen en alles zonder beletsel tot den stormloop gereedmaken. + +Eindelijk gaven de bazuinen een sein tot het staken der beschieting. + +Van alle kanten, onder het aanheffen van een donderend krijgsgeroep, +werden de ladders gerecht en stormden ridders en wapenknechten vooruit +om den wal te beklimmen. + +De eerste aanval zou echter door Gentsche benden gewaagd worden. Bedekt +en beschut door de schildpadden of beukelaars, klommen zij inderdaad op +de ladders. Uit het gansche leger steeg een weergalmende zegekreet in de +hoogte; want niemand twijfelde, of de burg, aldus aan de vier zijden te +gelijk besprongen, zou bij dezen eersten storm bezwijken. + +Hoe vonden zij zich echter in hunne verwachting bedrogen! De Kerels +hadden nu geene pijlen van buiten meer te vreezen; want de vijand kon +niet schieten zonder zijne eigene mannen te treffen, terwijl integendeel +de bezetting van den burg nu vrij hare pijlen en schichten in zulken +dikken drom ongeharnaste menschen kon zenden, dat elk schot onfeilbaar +een slachtoffer moest nedervellen. Ook schenen de Kerels zich boven den +muur te vermenigvuldigen; alhoewel slechts gering in getal, krielden +zij op de weinige plaatsen welke de vijand rechtstreeks kon aanvallen. + +De eenen trokken met de lange haken de ladders omverre, anderen rukten +de aanvallers met de krauwels in de vesten, velen goten kokend pek, olie +of vlammend vuur op den vijand, de meesten schoten met pijlen. Waar het +echter eenigen ridders of wapenknechten gelukte boven den wal te +geraken, daar hieven zich even ras twintig zwaarden in de hoogte om hen +te verpletteren. + +Na een half uur dezer koortsige bestorming, lagen er reeds vele +honderden lijken of gekwetsten in de vesten of op de bruggen, en elk +oogenblik zag men er bij hoopen van de ladders nedertuimelen. + +De Gentenaars huilden van woede en wraakzucht, en vernieuwden telkens +den aanval met verdubbelde kracht; de ridders, die niet minder +onversaagdheid dan deze dorpers en landloopers zouden hebben willen +toonen, sprongen met even blinden moed tegen de ladders op, doch werden +telkens afgeslagen of boven den wal aan stukken gehakt. + +De zijde van den burg, die naar de Hofbrug en de Markt uitzag, was voor +de aanvallers de gevaarlijkste plaats. Daar stonden de tien of twaalf +Kerlinnen, die niet ophielden eenen vloed kokende olie op den vijand te +gieten. Ook lagen daar op de Hofbrug, tusschen halfverkoolde lijken, +vele ridders en wapenknechten met verbrande leden te spartelen en akelig +te kermen om deernis en om hulp. + +Den ganschen namiddag duurde de schrikkelijke bestorming voort, nu voor +eene wijl opgeschorst, dan weder met nieuw geweld hernomen, nogmaals +onderbroken, om nieuwe werktuigen aan te voeren, doch nimmer opgegeven. + +De grachten van den burg schenen opgevuld met bloed; hun water, bijna +geheel overdekt met lijken, was donkerrood geworden. + +Er kwam een oogenblik dat ook de onversaagdsten de onmogelijkheid om op +zulke wijze den burg in te nemen, erkenden; en alhoewel zij van spijt +schier razend waren, gaven zij gehoor aan het bazuingeschal, dat hen uit +de bestorming riep, en weken terug op de Markt tot buiten het bereik der +pijlen. + +De aanval scheen opgegeven, want geen enkel Isegrim was aan den voet +der vesting gebleven, en de ladders, meest aan brand gestoken door het +vlammend pik, stonden daar gansch verlaten. + +Van op de muren zonden de Kerels zulke machtige zegeschreeuwen, zulk +donderend triomfgejubel in de hoogte, dat de galmen er van als een +rollende donder over de gansche stad herklonken. + +De veldheer Gervaas Van Praet en zijne ridders waren van gevoelen dat +men voor dien dag de bestorming hoefde te staken; maar de Gentenaars, +beschaamd over hunne vruchtelooze poging of verwoed over het verlies van +den hun beloofden buit, wilden van geen terugwijken hooren. Volgens hen +moest men den houten toren, die in de Hoogstraat stond, tot bij den wal +van den burg voeren en dan, terwijl men nog eenen algemeenen aanval zou +wagen, langs de valbrug van den toren op de muren springen. De Kerels +waren vermoeid en hadden insgelijks vele mannen verloren. Aan deze +uiterste bestorming zouden zij niet kunnen weerstaan. + +De ridders stemden in dezen laatsten aanval toe, en de veldheer begaf +zich met de dappersten zijner gezellen naar de Hoogstraat, om bij de +aanvoering van den toren en de beklimming van den muur langs dien kant +tegenwoordig te zijn. + +Na een half uur verpoozing, gedurende welken tijd de benden opnieuw tot +den aanval werden ingericht en alles ten beste geschikt, gaf mher +Gervaas Van Praet, door het herhaald geschal der bazuinen, het sein tot +den algemeenen stormloop. + +Terwijl langs alle kanten de ladders weder werden gerecht en de +aanvallers met evenveel woede doch even vruchteloos den muur poogden te +beklimmen, hadden honderden mannen zich in de Hoogstraat aan den +stormtoren gespannen of stieten met hunne schouders er tegen, om hem op +zijne rollen vooruit te stuwen. + +De Kerels, die wel bemerkten wat de vijand voornemens was te beproeven, +waren intusschen niet werkeloos gebleven. Boven de Hoogpoort en er +nevens hadden zij velerlei brandstof vergaderd; en aan den rook, die +daar ter plaatse opsteeg, en aan de Kerlinnen, aan de struische, moedige +vrouwen, die met lange ijzeren lepels daar gereedstonden, konden de +Isegrims wel bespeuren met welke vreeselijke wapens men hier hen zou +onthalen. + +De toren werd zoo dicht bij den burg gevoerd, dat men de valbrug op den +muur zou kunnen laten zakken. + +Honderden Gentenaars en tevens eenige ridders liepen binnen in den +toren en beklommen de trappen, maar vooraleer zij de bovenste gaanderij +konden bereiken, hadden de Kerels het logge houten gevaarte zoodanig met +vlammend pik, harst en olie, met brandend stroo en met bundels vlas +overdekt, dat het was alsof een vloeibaar vuur langs zijne wanden +nederstroomde. + +Door hunnen strijdlust en hunne drift aangevuurd, poogden de Gentenaars +evenwel naar boven te klimmen; zij gelukten er zelfs in de valbrug neder +te laten en vochten waarlijk eene wijl met de Kerels op de muren; maar +welhaast had het brandend pik het vuur in den toren gestoken, en nu rees +onmiddellijk de vlam tot boven zijne gaanderij. + +De Gentenaars die op den muur geraakt waren konden nu geene hulp meer +bekomen en werden neergehakt; de anderen verstikten of verbrandden meest +allen binnen den toren. + +Dit was de laatste poging welke de vijand tegen den burg zou wagen. +Overal afgeslagen en door het verlies van wel duizend man verzwakt, gaf +hij de bestorming eindelijk beslissend op[72]. + +Al de benden werden teruggeroepen tot buiten het bereik der pijlen, die +de onvermoeibare Kerels niet ophielden uit den burg te schieten, terwijl +zij de lucht met hun herhaald jubelgeschreeuw en met de galmen van hun +krijgslied vervulden. Tot aan de andere zijde der Markt klonk duidelijk +hun tergend lied, dat zij met de klanken der hoorns en met het slaan +hunner zwaarden op de schilden begeleidden: + + Gi, rudders, dwingers, maect u van cant, + Hier syn de Kerels van Vlanderlant! + Gi, Isegrms, hoedt u voor den Blauwvoet, + Of gi selt voelen wat sine clau doet. + Onze vorderen waren vri, + En vri so bliven wi, + So lanc een hert, dat lafheid haet, + In eenen Kerlenboesem slaet! + + Doedele, bommele, romdomdom, + Houd u recht en sie niet om! + +Zoolang had de bestorming geduurd, dat kort na den aftocht der +aanvallers het daglicht zichtbaar begon te verzwakken. + +Mher Gervaas Van Praet zond eenen wapenbode naar den burg om den Kerels +eene opschorsing der vijandelijkheden tot morgen bij zonsopgang te +verzoeken, ten einde men de gekwetsten mocht opnemen en de dooden +begraven. + +Deze vraag werd ingewilligd, en de Kerels staken boven de Hofpoort de +witte vredevlag uit. + +Binnen den burg had men insgelijks een zeker getal dooden en gekwetsten. +De eersten begroef men op het kleine kerkhof nevens St-Donaas; de +anderen verzorgde men in het klooster. + +De avond was reeds gevallen, toen men de dooden ter aarde besteld en +alles op de wallen tot de afwering van eenen nieuwen stormloop had in +gereedheid gebracht. + +Hacket, de kastelein, stelde eenige geringe wachten boven de muren, en +gaf den overigen mannen oorlof te gaan rusten in de kloostergebouwen en +in de Love, waar men groote vuren had ontstoken, aangezien er een koude +gure wind was ontstaan. + +Dewijl het nu wapenstilstand was tot den volgenden morgen, konden de +mannen die de wacht niet hadden eenige rust na de vermoeienis van den +druk doorgestreden dag genieten. + +In den eerste hadden de Kerels, rondom de vuren gezeten, hunne +schitterende zegepraal geroemd of den dood van velen hunner gezellen +door eenige woorden van treurnis beklaagd; maar welhaast deed de warmte +hen onder eene onweerstaanbare sluimerigheid bezwijken, en zij legden +zich langs de wanden der kamers gansch gekleed te slapen. + +Alles werd doodstil op den burg. + +Zelfs de schildwachten boven de wallen wankelden in hunnen stap of +zwijmelden, met gesloten oogen, achter de kanteelen voort. + +Zij waren toch zoo moede van eenen ganschen dag hevig strijden; al hunne +gewrichten deden hun zeer, en de afgematheid beroofde hen schier van +gevoel en besef. Daarbuiten, op de Markt en in de straten rondom den +burg, was het even stil. Men zou gemeend hebben dat in gansch Brugge +geen enkel mensch meer waakte. Zeker, de Isegrims, na een zoo +schrikkelijk verlies, konden dien nacht niets tegen den burg meer +ondernemen. Daarenboven, het was wapenstilstand tot het rijzen der zon. + +Door dergelijke overwegingen gansch gerustgesteld, sloten de +schildwachten allengs de oogen en vielen in slaap achter de kanteelen, +of daalden van den muur om zich bij de vuren te gaan warmen. + +Toen het uur van middernacht naderde, was een groot gedeelte van den wal +door de schildwachten verlaten. + +In de kamer van des kasteleins Steen zat Robrecht in eenen leunstoel; +hij had het hoofd achterover tegen den rug van den zetel laten vallen en +sliep met hoorbare hijgingen. + +Tegen den wand der kamer, op een bed, lag Eggard Van IJsendijke +uitgestrekt. De arme ridder had in de bestorming eene ijselijke wonde +ontvangen; zijn hoofd was schier geheel bedekt met bebloede doeken, en +men zou hem dood gemeend hebben, indien niet de zwoeging zijner borst en +bijwijlen de krampachtige beweging zijner lippen hadden komen getuigen +dat hij nog leefde. + +Dakerlia en Witta zaten nevens hem, met verkropt hart en tranende oogen +zijn lijden afspiedende. Robrechts zuster scheen bovenal bedrukt en +wanhopig. Zij hield eene hand van den gekwetste, en wanneer hij door de +krampachtige trekking zijner leden eenen aanval van hevige smart +verried, murmelde zij woorden van troost en medelijden aan zijn oor of +verfrischte zijne dorre lippen met eenige druppels water. + +Er kwam een oogenblik, dat de ongelukkige Eggard, door de hersenpijn +aangejaagd, schrikkelijk begon te woelen en den naam van Robrecht als +eene bede tot hulp en lafenis uitsprak. + +Witta, verschrikt en vreezende dat Eggards laatste stond was verschenen, +wekte haren broeder. + +Mher Sneloghe rekte zich de leden, ging nog gansch verdwaasd van den +loomen slaap tot zijnen vriend en beschouwde hem eene wijl. + +"Arme Eggard!" zuchtte hij, o wat moet hij lijden! Waarom roept gij mij, +zuster?" + +"Ach, ik beef er nog van," antwoordde Witta. "Hij scheen te willen +sterven in eene schromelijke kramp en murmelde uwen naam, als wenschte +hij u een laatst vaarwel toe. God zij er om gezegend, nu is het weder +voorbij!" + +"Gij weet wel, Dakerlia, wat de heelmeester heeft bevolen", zeide +Robrecht berispend. "Men mag omtrent den zieke niet spreken, en buiten +het bevochtigen zijner lippen, moet men beweegloos en stil hem bewaken. +Doe mijne zuster bedaard blijven. Hier is ons medelijden, hier is onze +hulp machteloos. God alleen beschikt over het leven van onzen armen +vriend. Bidden is alwat gij voor hem kunt doen. Morgen zal hij misschien +beter zijn. Wie kan het weten? Wellicht zal hij nog genezen. Hopen wij +het...." + +Onder het mompelen dezer laatste woorden was hij tot zijnen zetel +wedergekeerd. Nog eene wijl bleef hij van daar met de uitdrukking der +diepste droefheid op den gekwetste staren; doch allengs zakte het hoofd +hem op den schouder, en hij sloot de oogen. Weinig tijds daarna kwam de +zwoegende hijging zijner borst getuigen dat hij opnieuw in eenen diepen +slaap was weggezonken.... + +Had Robrecht, hadden de Kerels binnen den burg geweten wat daarbuiten in +de stad geschiedde, zij zouden zeker zich niet zoo ongekommerd +overgeleverd hebben aan het genot der rust. + +Terwijl alles sliep, waren eenigen der stoutste Gentenaars op de +gedachte gekomen, in het midden van den nacht nog eene poging tot het +innemen van den burg te beproeven. Zij zouden met twee of drie der +lichtste ladders geheimelijk en zonder hunne nadering door het minste +gerucht te verraden, naar den wal kruipen en den muur nevens de Hofpoort +beklimmen. Waren daar, volgens hun vermoeden, de schildwachten afwezig +of ingeslapen, dan zouden zij zich boven den muur stilhouden, totdat een +zeker getal hunner gezellen hen kon vervoegen. Eens sterk genoeg, zouden +zij van den wal dalen en bij middel van door hen medegebrachte +werktuigen de Hofpoort openen, om het overige hunner mannen een vrijen +doorgang te bieden. + +Gelukte die list, zooals zij haar hadden berekend, dan viel de burg nog +voor den morgen in hunne macht en werden de slapende Kerels verrast en +verplet. + +Toen men den veldheer Gervaas Van Praet van dit ontwerp kennis gaf, +keurde hij het af en wilde de Gentenaars beletten dus verraderlijk den +aanvaarden wapenstilstand te breken; doch de ridders zelven laakten +zijne teergevoelige eerlijkheid jegens moordenaars die in den ban der +kerk lagen. + +En daar hij nog wederstand bood, verklaarden hem de oversten der +Gentenaars, dat zij en hunne mannen alleen den slag zouden wagen, de +veldheer mocht hun voornemen goedkeuren of niet. + +Mher Gervaas, om de verdeeldheid niet in het leger te brengen, gaf met +onwil en spijt zijne toestemming, doch zou niet zelf deelnemen aan deze +poging. + +Onmiddellijk hadden de Gentenaars in stilte begonnen hunne toebereidsels +te maken. Een uur na middernacht slopen ongeveer honderd man, tusschen +hen uitgekozen als de behendigsten en stoutsten, met slechts twee der +lichtste ladders door de duisternis over de Hofbrug. + +Dewijl boven den muur geene schildwachten meer tegenwoordig waren, werd +hunne nadering niet opgemerkt.... + +Het was op dit oogenblik dat Robrecht Sneloghe voor de tweede maal in +zijnen zetel door den slaap was overwonnen geworden. + +Reeds sluimerde hij nu weder zeer diep sedert een goed kwart uurs, toen +eensklaps de kreet "Harop! Harop!" met bijzondere haast en kracht uit +alle hoeken van den burg ontstond en hem verrast uit den slaap deed +opschieten. + +Eer hij gansch was ontwaakt, hoorde hij het gedonder van zware +hamersslagen, het geklingel van wapenen, het noodgeroep der Kerels en de +zegekreten der Isegrims. + +"Blijft, blijft!" zeide hij tot de verschrikte jonkvrouwen. "Wij worden +aangevallen, valsch, verraderlijk. Het zal niets zijn. Wacht op mijne +terugkomst. Houdt u stil...." + +En met uitgetogen zwaard sprong hij naar buiten. + +Hier vond hij zijne gezellen naar den kant der Hofpoort in eenen +schrikkelijken strijd gewikkeld. De vijand was binnen den burg! + +Aan het geroep "Isegrim, Isegrim!" "Blauwvoet, Blauwvoet!" dat tot +herkenningsteeken in de duisternis van wederzijde werd aangeheven, +meende Robrecht te kunnen oordeelen dat de vijand niet overmachtig was +en door de Kerels, die nu uit al de gebouwen kwamen gestormd, wel ras +zou verplet zijn. + +Onder het uitgalmen van den kreet: "Ravenschoot, Ravenschoot met mij!" +wierp hij zich vooruit en hakte links en rechts op den vijand. + +Maar alhoewel het grootste getal der Gentenaars, die over den wal +geklommen waren, reeds in hun bloed lagen te spartelen en door de Kerels +werden vertreden, gelukte het den overblijvenden op dit oogenblik de +poort te openen. + +Dan drong zulke machtige vloed van strijdzuchtige en plunderzieke mannen +den burg binnen, dat de Kerels, na eenen langen en hardnekkigen +wederstand, gedwongen werden te wijken, en zij stap voor stap den grond +zich voelden ontnemen[73]. + +Robrecht Sneloghe dacht aan Dakerlia en aan zijne zuster. Hem schoot als +een bliksem de overweging door den geest, dat zij in des kasteleins +Steen niet veilig waren en onmiddellijk in des vijands handen zouden +vallen. + +Hij liep uit het gevecht, sprong in de kamer, waar de jonkvrouwen zich +bevonden, en riep: + +"Gauw, gauw, volgt mij! Spoedig, of het is te laat!" + +"Ach, de arme Eggard, onze beschermer, onze verlosser!" riep Witta. +"Verlaat gij hem zonder medelijden, Robrecht? Zij zullen hem ijselijk +martelen!" + +Op dit oogenblik woelde de gekwetste, hief de handen in de hoogte en +murmelde op klagenden toon: + +"Robrecht, Robrecht!" + +Mher Sneloghe, tot in het diepste der ziel geroerd door zijnen roep, +dien hij als een gebed tot bijstand aanzag, omvatte het lichaam van +zijnen gekwetsten vriend, hief door eene geweldige krachtinspanning hem +op den schouder en liep naar de deur, terwijl hij met koortsigen klem +tot de jonkvrouwen zeide: + +"Volgt mij van nabij, verlaat mij niet! In het klooster, in de proostdij +zijn wij niet veilig! Komt, komt!" + +Buiten, langs den kant der Love, vond hij nog eene talrijke schaar +Kerels, die zich woedend verdedigden, alhoewel het plein schier op zijne +gansche uitgestrektheid weergalmde van den roep "Isegrim, Isegrim!" + +Het gelukte Robrecht, immer door de jonkvrouwen van nabij gevolgd, +voorbij de Loove te geraken. Nog een tiental stappen, en hij zou de enge +poort van het klooster bereiken. Eens binnen de geestelijke gestichten, +dan was hij veilig; want deze gebouwen waren omvangen door eene +afzonderlijke versterking, die na het verlies van den burg nog eene +lange belegering kon doorstaan. + +Reeds juichte de jonge ridder, want hij raakte schier de poort des +kloosters; maar nu werden eensklaps de nog strijdende Kerels door eenen +woedenden aanval van duizenden vijanden overrompeld en tegen den gevel +der Loove verpletterd. + +Degenen, die nog vrij in hunne beweging waren, stroomden vluchtend, en +met den vijand vermengd, als een stortvloed naar het klooster, en zoo +drongen zij Robrecht met zijnen last er insgelijks binnen. + +Onmiddellijk werd deze poort verbalkt en van achter met allerlei +voorwerpen versterkt en bedijkt. + +Robrecht liep tot in eene der kloosterkamers en legde zijnen gekwetsten +vriend Eggard Van IJsendijke op een bed. Dan keerde hij, als uitzinnig +van schrik, terug tot achter de poort. + +"Ha, God dank, Dakerlia, gij zijt gered!" kreet hij, zijne verloofde aan +den hals vliegend. + +Maar even ras stuurde hij zijne blikken kommervol in het ronde. + +"Dakerlia, waar, waar is mijne zuster?" vroeg hij. "Gij weent, o hemel!" + +"Arme Witta, arme Witta!" zuchtte jonkver Wulf. + +"Zij is niet met u!" kreet Robrecht, sidderend van schrik. "Zij is +buiten gebleven? Eilaas, eilaas!" + +En hij zakte, door de wanhoop verpletterd, op eene bank neder. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 71: "Segher, kastelein van Gent, kwam toegeloopen met al zijne +macht.... De burgers van Gent, met eenen hoop _brigands_ uit hunne +omstreken, zeer dorstig naar buit, vergaderden om in het beleg te komen, +als mannen befaamd in den oorlog en behendig tot het innemen en +verdelgen van sterke vestingen." + +GALB., p. 299; zie ook KERVYN DE LETTENHOVE, I, p. 391.] + +[Voetnoot 72: "Den Zaterdag bevalen de oversten eenen algemeenen +aanval.... Het gevecht duurde tot den avond, en de aanvallers, na groote +schade en verlies, verwijderden zich van de muren van den burg, beducht +voor de gevaren van den nacht." + +GALBERTUS, pp. 298 en 299.] + +[Voetnoot 73: Zie het verhaal dezer nachtelijke overrompeling en der +plundering van den burg bij GALBERTUS, p. 315.] + + + + +XX + + +De poorters van Brugge, te zamen geroepen, om bij openbare stemming +eenen nieuwen graaf te kiezen, overdekten in onderscheidene groepen of +scharen het groote plein buiten de Smedepoort dat men het Zand noemde. + +In het midden dezer vlakte had men eene breede stelling getimmerd waarop +nu de schepenen der stad en de voornaamste Vlaamsche ridders met hunnen +veldheer, mher Van Praet, zich hielden, zoowel om hunne stem te geven, +als om de plechtigheid te bestieren en over de oprechtheid der kiezing +te waken. + +Disdir Vos, de verrader, die sedert de nachtelijke overrompeling der +stad het bijzondere vertrouwen van den veldheer scheen te genieten, +stond nu insgelijks achter hem. + +Voor de stelling waren een groot getal poorters, meest bejaard en met +zekere pracht gekleed, in eenen afzonderlijken hoop vergaderd Het waren +de hoofdmannen der wijken en der gilden of neringen, die hier kwamen +hooren wat de schepenen of ridders het volk te zeggen hadden. Zij zouden +dan tot hunne mannen gaan, die wat verder op het plein langs alle zijden +waren geschaard hun de woorden der overheden mededeelen, hunne stemmen +opnemen en den uitslag der kiezing naar de schepenen brengen. + +Deze hoofdmannen spraken in afwachting zeer luid en vurig over de zaak, +die hen hier te zamen riep. Eenigen wilden de stemming geweigerd hebben, +om reden dat de koning van Frankrijk zich in geenen deele met het +bestuur van Vlaanderen te bemoeien had, en hij het was die de Brugsche +poorters niet alleen den raad, maar zelfs het bevel had gezonden tot het +kiezen van eenen nieuwen graaf. + +De meesten waren van gevoelen, dat men zonder tegenwerping en in +allerhaast des konings bevel moest volbrengen, uit vreeze dat hij, beter +beraden, het nog zou kunnen intrekken. In oude tijden hadden hunne +voorouders het recht genoten tot het kiezen hunner vorsten. Nu werd dit +recht, dat eeuwen lang hun ontroofd was gebleven, hun werkelijk +teruggeschonken. Zouden zij dwaas genoeg zijn om het te verwerpen, +alleenlijk omdat zij het bekwamen door toedoen van eenen vreemden vorst? +Waarom toonden de poorters, die voornemens waren ten gunste van Willem +Van Loo te stemmen, zich zoo ontevreden? Waren zij niet even vrij in +hunne keus als de aanhangers van Diederik van den Elsas of van den +jongen graaf van Holland? + +Deze en andere zulke redenen hadden de meest ontevredene hoofdmannen +eenigszins tot bedaren gebracht; evenwel bleef het gerucht der driftige +samenspraak tusschen hen voortduren, dewijl elk nu groote pogingen +inspande om de anderen tot het stemmen voor dezen of genen vorst over te +halen. + +Op dit oogenblik bracht een wapenbode de bazuin aan den mond en gebood +door eenige scherpe galmen de stilte en de aandacht. + +De veldheer Gervaas Van Praet trad vooruit op de stelling, met een +bezegeld perkament in de hand, en, zich tot de hoofdmannen wendende, +zeide hij: + +"Ziet hier, vrienden, wat Lodewijk, de machtige koning van het Fransche +rijk, aan de ridders van Vlaanderen en aan de inwoners der goede steden +schrijft." + +Hij vestigde zijne oogen op het perkament en las: + +"Beminden en getrouwen, ridders en burgers van het graafschap +Vlaanderen. Het schijnt mij nu niet raadzaam u te gaan bezoeken. Ik zal +met eenigen mijner lieden tot u komen, zoohaast ik den uitslag van het +beleg van den burg van Brugge zal kennen. Want volgens mijn gevoelen zou +ik niet wijselijk handelen met mij in de handen der verraders van uw +land te gaan werpen, wel wetende dat er nog velen zijn die het lot der +belegerde moordenaars betreuren, hunne misdaden verdedigen en op alle +wijze werkzaam zijn tot hunne verlossing. Uw ongelukkig land is in +verwarring. Reeds zijn er samenspanningen gesmeed om de grafelijke kroon +met geweld voor Willem Van Loo te bekomen; maar meest al de inwoners der +steden hebben gezworen nooit dezen Willem voor graaf te aanvaarden, +omdat hij van onedele geboorte is, dit is te zeggen, geboren van eenen +edelen vader en van eene onvrije moeder die, zoolang zij leefde, niet +heeft opgehouden schapenwol te kaarden. Ik wil en ik beveel dat de +ridders en burgers van Vlaanderen zonder uitstel vergaderen om eenen +bekwamen graaf te kiezen. Het land zou niet langer van eenen wettigen +vorst kunnen beroofd blijven, zonder blootgesteld te zijn aan grootere +gevaren dan degene waarmede het nu wordt bedreigd. + + Heil in Gode. LODEWIJK[74] + +Deze brief verwekte eene korte opschudding onder de hoofdmannen. Het +waren de aanhangers van Willem Van Loo, die luidop riepen, dat de koning +zich door lasteraars had laten bedriegen. Willem was niet van onechten +bloede; zijne moeder zaliger was eene Kerlinne, en dus geene onvrij +geborene, zooals de brief het valschelijk beweerde. Al de Kerlinnen, +buiten de steden, waren zij ook edel en rijk als vorstinnen, hadden de +gewoonte en den plicht te werken; en, omdat de moeder van Willem Van Loo +schapen wol had gekaard, was zij niet min edel dan of zij haar leven in +ijdele werkeloosheid had gesleten. + +Mher Gervaas Van Pract en de voorschepen daalden van de stelling +tusschen de hoofdmannen. Zij maanden hen aan, de brieven des konings te +eerbiedigen, en deden hen begrijpen dat, indien iets daarin hun niet +gegrond voorkwam, zij desniettemin vrij in hunne keus bleven en zelfs +voor Willem Van Loo konden stemmen, indien zij zulks goed vonden. + +Min of meer bevredigd, gingen de hoofdmannen tot hunne gezellen om de +stemming te doen beginnen. + +Men hoorde welhaast ten allen kant op het plein een groot geraas en +geroep ontstaan, naarmate de hoofdmannen aan de menigte mededeelden wat +de veldheer hun vanwege den koning had voorgelezen. + +Ondertusschen begon de stemming, en deze werkzaamheid duurde zeer lang +voort. + +Terwijl men er nog mede bezig was, galmden eensklaps, in de baan naar +Thourout, de klanken van eenige hoorns, als wierd de nadering van +krijgslieden aangekondigd. + +Even ras zag men een twintigtal ridders te paard, door eene tamelijke +sterke bende wapenknechten gevolgd, op het plein treden en zich naar de +stelling richten. Iedereen keek met nieuwsgierigheid deze ridders +achterna; doch in de meening dat zij, evenals vele anderen, die +dagelijks in Brugge kwamen, slechts hier verschenen om deel aan het +beleg te nemen, zette men, na eene korte onderbreking, het opnemen der +stemmen weder voort. + +De aangekomene ridders beklommen de stelling. Baudewijn Van Aelst, die +hun aanleider scheen, begon in stilte met mher Gervaas Van Praet en met +den voorschepen te spreken. + +Ongetwijfeld deelde hij hun gewichtige dingen mede; want de veldheer +scheen spijtig en betuigde zijne ontevredenheid door bittere woorden. + +"Zouden wij klagen, veldheer", zeide hem Baudewijn Van Aelst, "omdat de +koning de poorters van den balfaart en van eenige andere schattingen wil +ontslaan? Hij en de nieuwe graaf, van eenen anderen kant, beloven, dat +zij al de eigendommen der Erembalds en hunner aanhangers aan de ridders +tot belooning zullen schenken. Daarin zult gij eene ruime vergoeding +vinden voor het verlies van uw recht op sommige poorters. Komt, heeren, +de zaak eischt spoed; eerbiedigen wij den wil des konings. Geef den +bazuinblazers bevel om de hoofdmannen te zamen te roepen. De stemming is +gelukkiglijk nog niet afgeloopen; anders mochten wij moeielijkheden +ontmoeten, welke het onze plicht is te voorkomen." + +Eene wijl daarna stonden de geroepene hoofdmannen weder voor de stelling +en keken verwonderd op, elkander vragende wat zwaarwichtige tijding er +toch mocht gekomen zijn, daar men de kiezing opschorste om hun iets +nieuws mede te deelen. + +Baudewijn Van Aelst trad vooruit en, na de stilte door eenige +bazuinklanken was bevolen geworden, zeide hij tot de hoofdmannen: +"Poorters van Brugge, ik ben tot u gezonden door den koning van +Frankrijk. Hoort, wat hij u schrijft." + +Een perkament ontplooid hebbende, las hij den volgenden brief, hem bij +de lezing in het Dietsch vertalende: + +"Lodewijk, de koning van Frankrijk, groet minnelijk al zijne goede +zonen, de inwoners van het graafschap Vlaanderen, en kondigt hun aan dat +hij van Atrecht is vertrokken om tot hen te komen, aan het hoofd zijner +koninklijke legers, vervuld met dapperheid en met de kracht Gods, zijne +onverwinnelijke hulp. Bedroefd omdat wij voorzagen dat de moord des +graven uw land in het verderf zou storten, hebben wij besloten onze +wraak uit te oefenen met eene onverbiddelijke strengheid en door +lijfstraffen, tot nog toe ongehoord. Wij hebben, om uw land voor +grootere onheilen te behoeden, u eenen graaf gekozen. Opdat dezen den +vrede in het graafschap zou kunnen herstellen en den verloren voorspoed +doen herbloeien, gehoorzaamt en doet wat mher Baudewijn Van Aelst, mijn +bode en uw vriend, ingevolge mijnen wil, dien hij kent, u zal raden en +gebieden[75]." + +Er heerschte eene groote stilte onder de luisterende hoofdmannen Zij +hielden zwijgend de oogen op den koninklijken bode, van wien zij eene +uitlegging over de zonderlinge tijding schenen te vragen. + +Baudewijn Van Aelst nam het woord en sprak: + +"Hoort, poorters van Brugge, wat de koning van Frankrijk mij belast +heeft u te boodschappen. De ridders van Frankrijk en de ridders van +Vlaanderen hebben, op raad en bevel des konings, tot graaf van +Vlaanderen gekozen en verheven Willem, den jongen hertog van Normandie." + +Er rees een hevig gemor en ook wel hier en daar een luid geroep van +ontevredenheid tusschen de hoofdmannen. + +Een hunner zeide zelfs verstaanbaar: + +"Wat? Een Normandier graaf van Vlaanderen? De Isegrims hebben ons weder +verraden. Het was te voorzien: zij zijn altoos de dienaars en vleiers +der vreemdelingen geweest!" + +Een nieuw bazuingeschal herstelde de stilte, en Baudewijn Van Aelst +zette dus zijne rede voort: + +"Wij allen, ridders, die nu tot u gekomen zijn, en vele anderen nog, +hebben Willem van Normandie tot graaf gekozen en hem als zulken eed +gezworen en hulde bewezen. Hij, tot onze belooning, heeft den ridderen +van Vlaanderen al de landen en eigendommen geschonken die tot nu toe +hebben toebehoord aan de moordenaars van graaf Karel en aan degenen die +hen aanhangen of verdedigen. De verraders zijn door den koning +veroordeeld tot den wreedsten en schandelijksten dood, en geen hunner +zal worden gespaard. Ik, in naam des konings, gebied en raad u, poorters +van Brugge, en al wie hier tegenwoordig zijn, voor uwen wettigen vorst +te aanvaarden Willem van Normandie, die door ons is gekozen en door den +koning met de grafelijke kroon is begiftigd." + +Weder ontstond er luid gemor en driftig gewoel onder de hoofdmannen; +maar Baudewijn Van Aelst verhief de stem en ging voort: + +"De koning en de nieuwe graaf, om den lieden van Brugge hunnen goeden +wil te betuigen, hebben besloten dat voortaan geen poorter nog eenige +persoonlijke schatting zal betalen. Alle belastingen hoegenaamd ook, of +balfaart of beste hoofd, of staande op huizen of op neringen, zijn en +blijven afgeschaft ten eeuwigen dage. Daarenboven zullen de burgers van +Vlaanderen voortaan macht en vrijheid hebben om hunne eigene wetten en +gebruiken te behouden, of ze te veranderen volgens hun goeddunken[76]." + +Zulke volledige vrijmaking van alle schatting en dus ook van de teekens +der dientsbaarheid, was eene gift en eene weldaad, waaraan de poorters +zich des te minder vanwege den koning konden verwachten, daar hunne +eigene graven sedert langen tijd nooit opgehouden hadden pogingen te +doen om het volk der steden dieper en dieper in slavernij te dompelen. +Ook werd dit besluit door de meeste hoofdmannen met onverborgene vreugd +en zelfs met luid gejubel onthaald. + +Er waren evenwel nog eenigen die zich ontevreden toonden en luidop +riepen dat zij in zulke beloften niet geloofden, aangezien de koning en +de graaf, die willekeurig hun dit recht toestonden, even willekeurig het +hun konden ontnemen. + +Baudewijn Van Aelst, om deze laatste tegenwerpingen te versmachten +gebood nog eens de stilte en sprak: + +"De koning van Frankrijk is nu op reis naar Vlaanderen, aan het hoofd +van twintigduizend uitgelezene krijgslieden. Binnen eenige dagen zal hij +zelf met den nieuwen graaf te Brugge komen, en zijne beloften u in het +openbaar bij eede bezweren. Wie zich tegen zijnen wil opwerpt en weigert +Willem van Normandie als vorst te erkennen, zal aanschouwd werden als +een aanhanger der moordenaars en dezelfde straf onderstaan, dit is te +zeggen dat hij zal worden ter dood gebracht en zijne goederen verbeurd. +Gaat nu, deelt uwen mannen mede wat de koning u door mij heeft +geboodschapt. Beveelt hun zich vreedzaam naar huis te begeven. Gij, als +overheid op hen hebbende, blijft verantwoordelijk voor de rust der stad, +die, werd ze gestoord, op uitdrukkelijk bevel des konings, door het +geweld der wapenen zou worden hersteld." + +De gedane beloften van den eenen kant en de schrikkelijke bedreigingen +van den anderen hadden voor gevolg, dat de hoofdmannen stilzwijgende +zich van de stelling verwijderden, om hunnen gezellen de verrassende +tijding der benoeming van eenen nieuwen graaf te gaan mededeelen. + +De ridders bleven op de stelling staan en keken in het ronde. Zij +wilden, vooraleer deze plaats te verlaten, naspeuren welke de houding +der poorters en ambachtslieden zou zijn bij het vernemen van 's konings +boodschap. + +In den eersten bemerkten zij wel eenig gewoel en hoorden zij hier en +daar afkeurend gemompel; maar het duurde evenwel niet lang, of zij zagen +de poorters en ambachtslieden in scharen over het plein trekken en bij +gedeelten juichend de poort ingaan. + +Dan daalden de ridders insgelijks van de stelling, om zich naar de stad +te begeven. + +De veldheer, die alleen met Baudewijn Van Aelst de anderen +vooruitstapte, zeide, na eene wijl in stille overweging te zijn +verslonden gebleven, tot zijnen gezel: + +"Onder ons durf ik het u wel bekennen, mher Baudewijn, 's konings +boodschap bedroeft mij diep." + +"Betreurt gij den keus die wij hebben gedaan?" morde Baudewijn + +"Neen; mher Willem van Normandie is een jong vorst, die de eer van het +ridderschap zal staande houden. Daarom verwondert het mij des te meer, +dat hij nu den poorters der steden eene volledige vrijheid vergunt. Weet +hij dan niet, dat onze goede graaf Karel is vermoord geworden, +alleenlijk omdat hij de ridderschap wilde verheffen en de onedele +menigte in dienstbaarheid houden? Ha, kon Karel van Denemarken uit zijn +graf opstaan, hoe zou hij klagen over de zonderlinge wijze waarop de +koning zijne gedachtenis meent te wreken!" + +"Zulke overweging is insgelijks in mij opgestaan", zeide mher Baudewijn, +"en ik heb mij zelfs verstout bij den koning eenige opmerkingen in dien +zin te wagen. Hij heeft mij doen begrijpen dat men iets moet opofferen +om de poorters der steden van Vlaanderen gunstig te stemmen. Wat het +verlies betreft van den balfaart dien de ridders op vele poorters van +Brugge beweren te mogen heffen, dit zal na onderzoek tiendubbel vergoed +worden, bij middel der uitdeeling van de verbeurde rijkdommen en +grondbezittingen der Erembalds en hunner aanhangers. Daarenboven, mher +Gervaas, wat is gemakkelijker, indien de poorters een slecht gebruik van +de hun verleende rechten maken, dan hun die rechten weder te ontnemen?" + +De veldheer stapte mijmerend voort. + +"Maar zeg eens, mher Gervaas", vroeg Baudewijn Van Aelst, "mij heeft de +koning nog eenen anderen last opgelegd. Ik ging het haast vergeten. +Karel van Denemarken was rijk. Waar is zijn schat gebleven?" + +"De Kerels hebben 's graven rekenmeester gedwongen hun dien schat ter +hand te stellen." + +"En zij bezitten hem nog?" + +"Zeker: vele duizenden marken zilvers en kostbare juweelen." + +"De koning eischt dat die schat hem overgeleverd worde." + +"Met den besten wil der wereld is het ons vooralsnu onmogelijk den +koning hierin te gehoorzamen. Hij zal moeten wachten totdat wij de +Kerels, die nog op den burg zijn, geheel hebben overwonnen." + +"Wel hoe? Men heeft mij daar, op het plein, gezegd, dat gij den burg na +eene hevige bestorming hebt ingenomen!" + +"Inderdaad, mher Baudewijn, maar wij krijgen hem niet geheel. De Kerels +bezetten op den burg nog de proostdij, het klooster en de kerk van +St-Donaas." + +"Dit verwondert mij!" mompelde mher Baudewijn. "Indien gij zegevierend +binnen den burg kondet dringen, waarom hebt gij uwe overwinning dan niet +voortgedreven? Wat kon u daarin beletten?" + +"Gij hebt gelijk", antwoordde de veldheer, "eene beklaaglijke +omstandigheid heeft ons te midden der overwinning teruggehouden Men had +den Gentenaars en onze wapenknechten beloofd hun den burg ter plundering +over te geven. Zoohaast waren wij er niet binnen, of al onze mannen, in +stede van de Kerels te vervolgen en tot het einde toe te bestrijden, +zijn in verwarring en door de gierigheid verblind, naar de veroverde +gebouwen geloopen en hebben beginnen te plunderen. Het was ons, +ridderen, niet meer mogelijk iets gedaan te krijgen van mannen, die tot +bezwijkens toe beladen waren met buitgemaakte voorwerpen. Onderwijl +hebben de Kerels zich binnen de geestelijke gestichten van den burg +opnieuw versterkt. Deze gestichten zijn omringd met wallen, gaanderijen +en torens, als eene afzonderlijke vesting." + +"Maar indien gij nu opnieuw eenen algemeenen storm geboodt?" + +"Onmogelijk, mher Baudewijn. Wij hebben schrikkelijke verliezen geleden. +Mijne mannen moeten rusten; de stormtuigen en ladders kunnen zonder +herstelling niet meer dienen." + +"De koning heeft mij nochtans gelast u te zeggen dat gij zonder verwijl +alle mogelijke pogingen hoeft te beproeven om den schat des graven uit +de handen der moordenaars te krijgen. Hij weet, door mher Frumold +zelven, dat zij hem bezitten, en vreest dat zij hem bedektelijk naar den +zeekant zullen zenden of, vooraleer te bezwijken, hem op eene andere +wijze zullen doen verdwijnen. De koning belooft u door mij niet alleen +het kasteleinschap van Brugge, maar nog uitgestrekte leenen, indien hij +door uw toedoen 's graven schat bekomt." + +"Het onmogelijke kan ik evenwel niet!" zuchtte de veldheer. + +Na eenige oogenblikken de zaak bedacht te hebben, zeide mher Baudewijn: + +"Die hardnekkige Blauwvoeten, wat hopen zij? Hebben zij nog niet de +minste neiging getoond om zich over te geven?" + +"Zich overgeven? De Kerels? Het zijn ontembare leeuwen Zij zullen zich +tot den laatste toe op hunne wallen laten doodslaan. Van hen is er niets +te verhopen dan door geweld!" + +"En indien gij hun de vrijheid aanboodt, op voorwaarde dat zij u des +graven schat geheel en volledig ter hand stellen?" + +"Dit is onmogelijk; al wilde ik het doen, ik zou niet kunnen", +antwoordde mher Van Praet. "Oordeel zelf: wij, ridders, die allereerst +te wapen geloopen zijn om den dood van onzen graaf te wreken, hebben +elkander met duren eede toegezworen niet te dulden dat een der +moordenaars of hunner vrienden, in een woord, dat een der Erembalds +gespaard worde of hem genade des levens worde verleend. Allen moeten +sterven!" + +"Maar, veldheer, de koning wenscht zoo vurig des graven schat te +bezitten, dat hij u zeker zou goedkeuren en mild beloonen, indien gij, +om den schat hem te kunnen leveren, deze weinige Kerels in vrijheid liet +gaan." + +"Onmogelijk, ik herhaal het u, mher Baudewijn; mijne ridders zouden +tegen mij opstaan, en ik geloof zelfs niet dat de koning in persoon, +hoezeer wij hem ook eerbiedigen, machtig genoeg zou zijn om hen daarin +te doen toestemmen." + +Zij waren nu tot op de Groote Markt gekomen en naderden het huis, dat de +veldheer sedert de overrompeling der stad tot zijn verblijf had gekozen. + +"Ziedaar mijne woning", zeide mher Van Praet. "Gelief mij te volgen, +mher Baudewijn. Het middaguur is reeds voorbij. Gij moet vermoeid en +hongerig zijn. Wees mijn gast." + +Baudewijn hield hem staan en zeide in gedachten, als hadde hij geene +acht op deze uitnoodiging geslagen: + +"Er moet evenwel een middel zijn om 's graven schat uit hunne handen te +krijgen! Om den wensch des konings te volbrengen zou men hemel en aarde +willen verroeren." + +"Welk middel? Ik weet er geen." + +"Wij zullen er nog eens goed over nadenken, veldheer. Men heeft mij een +uwer ridders, die hier achter ons komt, aangewezen als een doortrapt en +spitsvondig man ..." + +"Mher Disdir Vos?" + +"Ja, geloof ik. Die weet misschien raad ... Kom, ik aanvaard uwe minzame +uitnoodiging; want waarlijk, ik gevoel eenen koortsigen eetlust na de +reis." + +Door eenige andere ridders gevolgd, traden zij in de woning des +veldheers ... + +Een paar uren later verliet Disdir Vos dit huis. Hij keerde welhaast +terug met eenen wapenbode en twee bazuinblazers. + +Baudewijn Van Aelst, vergezeld door vijf of zes ridders, kwam hem +vervoegen; en na de veldheer hun geluk had gewenscht in hunne +onderneming, gingen zij te midden der Markt en deden de bazuinen +aanheffen en eenen witten wimpel in de hoogte steken. + +De Kerels liepen te zamen boven den vestingmuur en toonden kort daarop +eene vredevlag, om te betuigen dat zij in de opschorsing der +vijandelijkheden toestemden en den bode zouden aanhooren. + +Baudewijn Van Aelst, Disdir Vos en hunne gezellen begaven zich naar den +kant der Hofstraat en traden welhaast op het plein van den burg. + +Hier hadden de Gentenaars, om den vijand van nabij te kunnen +bewaken,--zonder gevaar te loopen van door zijne pijlen te worden +getroffen--eenen langen dam opgeworpen, schier van manshoogte en als met +een dak tegen alle werptuigen beschut. Dus konden zij op het plein over +en weder gaan, zoo dicht bij den muur der proostdij, dat zij, door de +stem te verheffen, met de Kerels uitdagingen en scheldwoorden konden +wisselen. + +De ridders gingen op raad van Disdir Vos eerst achter den dam. De +verrader zeide hun dat de Kerels valsche lieden waren en men niet +roekeloos zich aan hunne wraak mocht blootstellen. + +Zijne woorden deden de ridders glimlachen. De vervaardheid van Disdir +Vos scheen hun natuurlijk, en zij erkenden in hun gemoed dat, indien de +Kerels, zelfs verraderlijkerwijze, hem eenen pijl door den boezem dreven +of hem het hoofd met eenen steen verpletterden, hij slechts zou hebben +wat hij ten minste jegens hen verdiende. + +Baudewijn Van Aelst gaf den wapenbode bevel om, buiten den dam, tot aan +den voet van den muur der proostdij te naderen en daar de bazuin te +blazen. Hij volgde hem zonder vrees met twee andere ridders. + +Na eene wijl verschenen de oversten der Kerels boven den muur: Bertulf +de proost, zijn broeder de kastelein, zijn neef Burchard Knap, Yorg +Koevoet en eenige anderen. Robrecht Sneloghe was niet met hen, alhoewel +men hem de komst van den wapenbode had gemeld. + +De jonge ridder was sedert het verlies zijner zuster, wier lot hij niet +kende, zeer treurig en in schijn aan alles onverschillig geworden. Wel +hield hij zich gereed om, bij het eerste sein, naar de wallen te vliegen +en zijn leven te wagen; maar zoohaast zijne tegenwoordigheid niet op de +muren werd vereischt, ging hij naar de kamer waar Dakerlia den +gekwetsten Eggard verzorgde, en bleef daar uren lang over zijne zuster +spreken of bad met zijne verloofde voor de ziel van het arme meisje, +wanneer de gedachte, dat zij waarlijk dood was, zijn lijdend hart kwam +bestormen. + +Toen de kastelein Hacket den ridders vroeg wat de reden hunner komst +was, riep Baudewijn Van Aelst hem toe: + +"Ik spreek tot u als afgezant des konings van Frankrijk, die met een +leger van twintigduizend man op weg is om naar Brugge te komen. Mij +heeft hij belast van u de teruggaaf van 's graven schat te vragen, en +mij gemachtigd u daartoe al zulke voorwaarden aan te bieden als ik zal +goedvinden. Ontsluit eene der poorten en laat mij binnen, opdat ik met u +over mijne zending onderhandele." + +De Kerels antwoordden hem van boven dat zij wel wilden aanhooren wat hij +hun te zeggen had, doch het hun volstrekt onmogelijk was eene poort te +openen, aangezien alle uitgangen zoodanig van binnen waren gebalkt en +met steenen bedamd, dat een gansche dag arbeid ontoereikend zou zijn om +zelfs den minsten toegang vrij te maken. Had 's konings bode hun iets +bijzonders te melden, zij konden niet anders dan van boven den muur hem +aanhooren. + +"Het zij zoo!" riep mher Baudewijn. "Hebt gij des graven schat met u?" + +"Ja, wij hebben hem hier met ons", werd hem geantwoord. + +"Geheel?" + +"Ongeschonden en geheel, zooals Frumold, des graven rekenmeester hem +volgens eene door hem geteekende lijst ons heeft ter hand gesteld." + +"Welnu", zeide mher Baudewijn, "luistert wat ik u voorstel als +gemachtigd door den koning van Frankrijk en door den nieuwen graaf, +dien hij heeft verheven. Indien gij mij des graven schat overlevert, +zonder er iets van achter te houden, zult gij allen in vrijheid dezen +burg en de stad mogen verlaten, met de eenige verplichting u na den +oorlog voor het wettelijk gerecht aan te bieden, wanneer gij daartoe +wordt gedagvaard." + +Dit voorstel verraste en verwonderde de Kerels zoodanig, dat zij +elkander een oogenblik zwijgend aanzagen. Zoohaast zij echter een klaar +denkbeeld van de zaak zich hadden gevormd, borsten eenigen in eenen +schaterlach uit, en de anderen morden eene grammoedige weigering; maar +de proost Bertulf gebood zijnen gezellen de stilte, en vroeg aan 's +konings bode: + +"Sluit gij niemand uit? Zijn wij allen in uw voorstel begrepen?" + +"Allen." + +"En mher Burchard Knap?" + +"Hij insgelijks. Wil hij het land van Vlaanderen ten eeuwigen dage +ontruimen, het staat hem vrij. Anders zal hij voor zijne daden na den +oorlog verantwoorden." + +"Wij zullen uw voorstel onderzoeken en er over raadplegen; gun ons den +tijd daartoe!" riep Bertulf. + +"Ik zal wachten. Overweegt dat binnen eenige dagen het Fransche leger te +Brugge komt en er voor u geen ander uitzicht overblijft dan eene +onmiddelijke nederlaag en de schrikkelijkste dood!" + +Mher Baudewijn verwijderde zich met zijne gezellen achter den dam. + +De Kerels, boven den muur, begonnen het voorstel van 's konings bode te +overwegen. Velen spotteden er mede als met iets belachelijks, anderen +wilden de zaak in ernst onderzocht hebben, ofschoon zij geneigd waren om +te denken dat er bedrog onder dit verrassend aanbod schuilde. + +Bertulf was van een geheel ander gevoelen. Bedrog vermoedde hij in het +geheel niet; want het was volgens zijne meening onmogelijk dat de +Fransche koning, in aanzien der gansche wereld, zijn gegeven woord zou +breken. Zou deze machtige vorst, met tot zulke vuige listen zijne +toevlucht te nemen, zijnen naam van eerlijk en trouw ridder willen +schenden? Zeker, indien men eenige kans zag, om het gedeelte van den +burg, dat zij nog bezaten, tot de komst van Willem Van Loo te behouden, +dan zou hij, Bertulf, zelf het volstrekt verwerpen van alle voorstellen +aanraden; maar die kans zag hij niet. Hij had reeds bericht ontvangen +over hetgeen er dien morgen op het Zand was geschied, en hij wist voor +waar dat er inderdaad een Fransch leger van twintigduizend man op gang +was om naar Brugge te komen. Door zulke macht aangevallen zouden de +Kerels in den burg wel zeker bezwijken en tot den laatste toe worden +vermoord. Wat nut kon hunne dood op zulke wijze Kerlingaland toebrengen? +Geen het minste. Bijaldien zij integendeel den burg nu verlieten, konden +zij zich in het leger van mher Willem Van Loo begeven; en wie, zooals +hij en zijn broeder en neven, uitgestrekte landgoederen bezat, kon de +Ambachten doorloopen en overal de lieden tot den algemeenen landstorm +opwekken. + +In den eerste werden zijne redenen door gemor en tegenspraak onthaald; +de gedachte, dus de proostdij en het klooster den vijand te leveren, +kwetste den hoogmoed der Kerels. + +Burchard bovenal gromde en tierde; maar de proost schetste hem met +schrikkelijke kleuren den marteldood af, die hem wachtte, indien zij, +zooals het zeker was, onder den aanval van het Fransche leger bezweken. +Hij deed hem insgelijks begrijpen dat hij aan de zijde van mher Willem +Van Loo, in het open veld, zijn land en de vrijheid meer ware diensten +kon bewijzen dan besloten achter muren, die bestemd waren om onder de +aanvechting des vijands te vallen. + +Eindelijk stemde Burchard Knap in alles toe, en zoo deden insgelijks de +meesten zijner gezellen. + +Op dit oogenblik naderde Robrecht Sneloghe, dien de proost had doen +roepen. + +Men deelde hem mede wat hier was verhandeld. Hij verwierp het voorstel +met verontwaardiging, en betuigde dat hij liever op de muren van den +burg sneuvelde dan door eene daad van zwakmoedigheid ja van lafheid den +naam der Erembalds te onteeren. Indien mher Willem Van Loo nu met het +Kerlenleger voor Brugge kwam, en vernam dat zij den vijand den burg +hadden geleverd, wat zou hij van hen zeggen? + +Bertulf en Hacket vereenigden hunne pogingen om Robrecht in hun +gevoelen te doen deelen. Zij herhaalden de redenen welke zij reeds +hadden doen gelden en beriepen zich beurtelings op zijne vriendschap +voor hen, op hunne overheid en op het belang van Kerlingaland en van de +vrijheid, voor welker heil en behoud men zelfs de menschelijke eer ten +offer moest brengen. + +Zooverre brachten zij het, dat Robrecht Sneloghe hun antwoordde: + +"Ik ben niet machtig genoeg op mijn gemoed om het voorstel goed te +keuren en vrijwillig de schande te aanvaarden; maar, ooms, vermits gij +meent dat ik ongelijk heb, laat mij mijn gevoelen behouden en handelt +volgens uw goeddunken: ik zal mij onderwerpen, ofschoon met schaamte en +verdriet." + +Dan wendden de proost en de kastelein zich weder tot andere Kerels, die +opnieuw zich onwillig toonden en tegenwerpingen maakten. + +Robrecht, in gedachten naar beneden kijkende, bemerkte en herkende den +verrader Disdir Vos die, eenigszins verstout, bij eenen doorgang van den +dam een paar stappen was vooruitgetreden en spotlachend tot hem opzag. + +"Ha, daar zijt gij, Disdir Vos, valsche verkooper van uw land!" riep hij +hem toe. "Gij zijt het die den raad tot het vermoorden des graven hebt +gegeven; en nu, nu gij ons in den nood ziet, nu verblijdt gij u over ons +ongeluk! Gave de hemel dat ik u kon bereiken! Ik zou u dwingen tot een +gevecht om leven en dood; en, wees zeker, ik zou haar het hoofd +verpletten, de vuige slang die ons arm Kerlingaland bezoedelt met haar +venijn. God zelf roep ik hier tot getuige, dat gij een verachtelijk +booswicht zijt; want eerst hebt gij uw vorst verraden, en nu verraadt +gij uw eigen geslacht en uw vaderland!" + +Deze bloedige verwijten werden door iedereen gehoord, en vele ridders en +wapenknechten zagen Disdir Vos met eenen blik van misprijzen aan. Hij +scheen er geene acht op te slaan, en antwoordde door eenige +scheldwoorden en bespottingen, waarin hij den naam van Robrechts zuster +mengde. + +Mher Sneloghe, die den zin zijner onduidelijke bedreigingen niet had +verstaan, werd door eenen hevigen angst getroffen, en kreet met de +handen opgeheven: + +"Mijne zuster, mijne arme, onnoozele zuster, hij heeft ze vermoord! O, +God, rechtvaardige God, waarom verbliksemt Gij het monster niet!" + +"Neen, neen, gij bedriegt u, mher Robrecht!" riep van beneden een +ridder, ongetwijfeld door een gevoel van medelijden gedreven. "Wanhoop +zoo niet: uwe zuster zit gevangen in sher Jacobs Steen; haar is niets!" + +"Zij leeft, mijne zuster leeft!" galmde Robrecht, terwijl hij, door +blijdschap uitzinnig, zijnen vriend Yorg Koevoet juichend aan den hals +vloog. + +De oude Bertulf had gedeeltelijk deze laatste uitroepingen gehoord. Een +heldere glimlach kwam nu eensklaps zijn gelaat verlichten, en, als hadde +hij een plotselijk voornemen opgevat, gaf hij eenen Kerel, die nevens +hem stond, bevel om den hoorn te blazen. + +Toen Bandewijn Van Aelst weder aan den voet van den muur stond, riep de +proost: + +"De veldheer houdt eene jonkvrouw gevangen, die Witta Sneloghe heet en +mijne nicht is. Neemt gij als voorwaarde onzer overgaaf aan dat zij +insgelijks in vrijheid zal worden gesteld?" + +Mher Baudewijn begon in schijn over deze vraag met zijne ridders te +spreken. Men kon zien dat Disdir Vos met grammoedigheid zich tegen het +aanvaarden van dezen nieuwen eisch verklaarde maar waarschijnlijk liet +hij zich door des konings afgezant overreden; want deze riep tot den +proost: + +"Ja, wij nemen de verbintenis aan de jonkvrouw, uwe nicht, in vrijheid +te stellen en u toe te laten ze met u uit de stad te leiden." + +Robrecht drukte zijnen oom met ontroering de handen en dankte hem vurig. + +Zich weder tot mher Baudewijn wendende, vroeg de proost: + +"Zult gij, voordat wij dezen burg verlaten, ons een vrijgeleide ter hand +stellen, door u geteekend in naam des konings van Frankrijk en in naam +van al de ridders van Vlaanderen?" + +"Levert ons des graven schat zonder achterhouding. Zoohaast wij zullen +bevonden hebben dat er niets aan ontbreekt, zal men u zulk vrijgeleide, +onderteekend en bezegeld, doen toekomen, en gij zult vrij, met al wat u +persoonlijk toebehoort, den burg en de stad mogen verlaten." + +De Kerels, op bevel van den proost, brachten eenige koffers, schrijnen +en balen boven den muur, en lieten ze bij middel van touwen opvolgend +naar beneden zakken. + +Wanneer dus een twintigtal zware kisten en pakken aan den voet van den +muur lagen, riep de proost Bertulf, dat daarin de geheele schat des +graven was besloten. Ten bewijze der waarheid zijner woorden liet hij +allerhaast een perkament nederzakken, waarop eene lijst, door 's graven +rekenmeester onderteekend, de voorwerpen aanwees welke hij den proost +van St-Donaas had ter hand gesteld. + +"Het is wel!" riep mher Baudewijn. "Ik zal den schat naar des veldheers +woning doen dragen; wij zullen de voorwerpen met de lijst vergelijken +en, bevinden wij dat er niets achtergehouden is, dan keer ik tot u terug +met het vrijgeleide. Wacht aldus met eenig geduld; wij zullen ons +zooveel mogelijk haasten." + +Robrecht daalde van den muur en liep naar de kamer, waar Dakerlia bij +het bed van den gekwetsten Eggard Van IJsendijke waakte. + +"Dakerlia, o Dakerlia!" riep hij, "goed nieuws: mijne zuster leeft!" + +"Lieve hemel, wat zegt gij daar! Heb ik het wel verstaan? Onze arme +Witta leeft?" + +"Ja, ja, en ongedeerd." + +"Daarom weze de barmhartige God eeuwig gezegend!" riep Dakerlia, met de +handen in de hoogte, "Waar is zij?" + +"Zij zit gevangen in sher Jacobs Steen." + +"Gevangen, eilaas!" + +"Ja, maar zij gaat verlost worden, heden nog!" + +"Wie bracht u dit gelukkig nieuws?" + +"Dakerlia", zeide Robrecht op treurigen toon, "ik heb nog eene andere +tijding, min goed en wel pijnlijk voor mijn Kerlenhart maar het is nu +zoo beslist. Dakerlia, wij gaan straks dezen burg in vrijheid verlaten." + +"Mher Yorg is hier geweest; ik weet wat men daarboven heeft verricht", +antwoordde Dakerlia met eenen zucht. "Het doet mij blozen, Robrecht. +Ach, indien morgen onze graaf Willem Van Loo zich voor Brugge met het +Kerlenleger aanbood, zou hij degenen niet veroordeelen die den vijand +dezen burg hebben overgeleverd, wanneer zij hem nog weken lang konden +verdedigen?" "Ja, gij hebt gelijk, vriendinne; maar de proost en de +kastelein hebben het zoo gewild. Gij zult naar Lampernisse of naar +Houthem vertrekken; ik zal mij in het leger te Yperen begeven." "En die +ongelukkige ridder Eggard?" vroeg Dakerlia met medelijden. + +"Kan hij vervoerd worden, wij zullen hem medenemen naar Yperen. Is dit +onmogelijk, dan zal ik hier in Brugge eenen poorter zoeken die zich +verbinde hem goed te verplegen. Nu, Dakerlia, maak intusschen u gereed +voor het vertrek; mijne tegenwoordigheid kan boven op den muur noodig +zijn: ik keer terug bij mijne ooms." + +Toen hij den muur had beklommen langs de zijde der Hofpoort, waar nu +zijne ooms stonden, zag hij op de Markt eene groote menigte +wapenknechten en ridders staan die, omdat de vredevlag waaide, uit +nieuwsgierigheid den burg waren genaderd of met poorters vermengd aan +het twisten en aan het kouten waren over des graven schat en over de +vrijlating der Kerels. + +Wat den proost Bertulf vreemd voorkwam was, dat men, naar den kant van +St-Christoffelskapelle, eene lange schaar schutters in geslotene +gelederen zag staan, met hunne bogen op de schouders als gingen zij ten +strijd trekken. + +Eindelijk hoorden de Kerels een bevel herklinken, en de boogschutters, +met mher Baudewijn Van Aelst en eenige ridders vooraan, kwamen verder op +de Markt tot op eenigen afstand van den muur der proostdij. + +Een bazuingeschal kondigde aan dat des konings afgezant tol de Kerels +wilde spreken. + +Misschien had men den schat des graven niet volledig bevonden en wilde +men hen daarover ondervragen. + +Baudewijn Van Aelst, de stem verheffende zooveel hij kon, riep tot de +Kerels: + +"Voor u geene genade, moordenaars! Gij hebt op u de eeuwige +vermaledijding der gansche Christenheid geladen; gij zult sterven tot +den laatste. Men is booswichten geene trouw verschuldigd. Wij breken dus +met recht onze belofte, en zullen u bevechten zonder rust, totdat gij +allen de straf der afschuwelijke misdaad hebt onderstaan. Niets, niets +voor u, verwatene Blauwvoeten, dan de wreedste, de schandelijkste dood!" + +En de daad bij het woord voegende, gaf hij de schaar der boogschutters +bevel om hunne pijlen naar de Kerels te schieten. + +Dit was evenwel slechts eene betooging, want onmiddellijk deed hij ze +verre op de Markt en tot buiten net bereik der Kerels achteruitgaan. + +Hier raapte hij eenen stroohalm van den grond en brak hem aan twee +stukken. Zoo deden insgelijks de ridders en wapenknechten. Dit was een +teeken dat zij voortaan alle vriendschap, alle betrekking met de Kerels +afbraken, hun eene eeuwige vijandschap toezwoeren en zonder genade naar +hun leven zouden staan[77]. + +Bij het gezicht van dit snood verraad hadden de Kerels eene wijl +verbluft gestaan, als konden zij niet aan zulke verregaande valschheid +gelooven. + +De proost en de kastelein schenen er door verpletterd; maar even ras was +in het hart der anderen de wraakzucht ontvlamd, en zij riepen luid dat +zij zich over dien uitslag verblijdden en hun leven duur, zeer duur aan +die trouwelooze Isegrims wilden verkoopen. + +"Welaan, ooms", riep Robrecht, "nu weten wij dat wij op niets mogen +hopen dan op onze eigene kracht en moed. Het lot is geworpen: de vijand +zal hier niet binnentreden dan door plassen van zijn eigen bloed en op +der Kerlen laatste lijk!" + +Bn om den Isegrims te toonen dat hunne bedreigingen hun geene vrees +inboezemden, hieven de Kerels hun strijdlied aan en deden het zoo +machtig klinken, dat het over de gansche stad weergalmde. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 74: Deze brief bevindt zich bij GALBERTUS, p. 325 en 326.] + +[Voetnoot 75: Zie den tekst van dezen brief bij GALB., p. 333.] + +[Voetnoot 76: Zie deze boodschap van den koning van Frankrijk, waarbij +hij Willem van Normandie als graaf van Vlaanderen opdringt en den +poorters de aangehaalde vrijheden schenkt, bij GALBERTUS, p. 415.] + +[Voetnoot 77: Maar de oversten lieten zich weinig gelegen aan de +beloften en aan de eeden welke zij den belegerden deden; want het was +slechts een middel om het geld en den schat van den graaf uit hunne +handen te krijgen." GALBERTUS. p 296] + + + + +XXI + + +Sedert men de Kerels had bedrogen, om hen tot afleveren van 's graven +schat over te halen, was er bijna eene gansche week verloopen, zonder +dat de Isegrims de schuilplaats hunner vijanden nog met macht hadden +bedreigd. + +Zij bepaalden zich met nu en dan de Kerels door eenen geveinsden aanval +te verontrusten en de gebouwen der proostdij nauw omzet te houden, opdat +niemand er uit mocht ontsnappen. + +Onderwijl maakten de Gentenaars en de ridders evenwel groote +toebereidselen om eenen nieuwen en beslissenden stormloop te wagen; want +op de Markt, onder het gezicht der Kerels zelven, bouwden zij eenen +houten toren, ladders en beukgestellen. + +De kastelein Hacket had deze dagen van rust niet werkeloos laten +voorbijgaan. Integendeel, men had binnen de proostdij onophoudend +gearbeid en gezwoegd, om allerlei middelen tot verdediging in gereedheid +te brengen. Zelfs had men in het klooster twee binnenmuren uitgebroken, +om achter de kanteelen en op de gaanderijen der torens geheele hoopen +steenblokken te kunnen verzamelen. + +Overal op de wallen stonden de ketels met ziedend pik en olie, bewaakt +door lieden die belast waren de vuren te onderhouden. + +De dienst der schildwachten was derwijze ingericht geworden dat dag en +nacht immer de eene helft der Kerels op de wallen zich bevond en men +geene verrassing meer had te vreezen. + +Aangezien de kloostergebouwen en zelfs de proostdij niet al de +voorwaarden tot eene lange verdediging aanboden, terwijl integendeel de +kerk schier oninnemelijk was, had men den meesten voorraad van +levensmiddelen en van wapenen in den tempel gedragen. + +Alhoewel ze bij de inneming van den burg wel honderddertig gezellen +hadden verloren, en hun getal nu tot ongeveer tweehonderd weerbare +mannen was verminderd, hadden zij nog de hoop zich te kunnen verdedigen +totdat zij door het groote Kerlenleger wierden ontzet. + +De vijand mocht nu hunne schuilplaats komen bestormen. Zij waren gereed +en wachtten hem af met koele beradenheid en vasten moed; zij zouden hem +zijne vermetelheid zoo duur doen betalen, dat, indien hij de proostdij +overweldigde, de Isegrims hunne zegepraal zelve als eene bloedige ramp +zouden beweenen ... + +De namiddag was reeds ver gevorderd. + +Bertulf, de proost, zijn broeder Hacket, Robrecht en de andere oversten +stonden boven de muren en keken nieuwsgierig over de Markt, als +verwachtten zij zich aan iets van dien kant. + +Er was dien dag een brief op het kerkhof geschoten geworden, waarin men +den proost Bertulf verwittigde, dat een ridder zich met eenen wapenbode +zou aanbieden, om opnieuw met de Kerels aangaande de overgaaf der +proostdij en der kerk te onderhandelen. De brief eindigde met deze +woorden: + +"Weigert niet dezen ridder te hooren. Hij is altijd een goed en trouw +vriend geweest. Laat hem tot u opklimmen; hij heeft u eene gewichtige +zaak te openbaren en wenscht u te redden. Zijn leven stelt hij ten pande +voor zijne oprechtheid." + +Wat zouden zij nu doen? Was dit schrift niet weder bedrog en valschheid? +Een vijand binnen de proostdij laten? Misschien eenen bespieder, die +hunne middelen tot verdediging kwam afmeten of den weg zoeken om hen te +overrompelen? + +Maar het kon insgelijks een oprechte vriend zijn, die hun gewichtige +tijdingen bracht, misschien vanwege mher Willem Van Loo? Men kon hem +boven den muur doen blijven; daar toch zou hij niets zien dan de +ontzaglijke toebereidsels, die men voor het afslaan van eenen stormloop +had gemaakt. Zooals nu de meeste Kerels boven den wal gereedstonden om +alle pogingen tot verrassing of verraad oogenblikkelijk te verijdelen, +mocht de komst van eenen enkelen ridder hun geene vrees inboezemen. + +Zij hadden dus besloten den wensch, hun door den brief uitgedrukt in te +willigen, en zagen nu naar de woning van den veldheer uit, of de +aangekondigde ridder zich niet vertoonde. + +Na eene lange wijl nog, naderde inderdaad een wapenbode; maar deze was +door vele ridders gevolgd, en de Kerels konden dienvolgens niet +herkennen wie hunner hun het bericht had toegezonden. + +Toen de bode door bazuingeschal den wapenstilstand had gevraagd, en men +tot antwoord op den wal der proostdij de vredevlag had opgestoken, +traden de gezondenen op het binnenplein van den burg; een hunner naderde +meer tot den voet van den muur en riep den Kerels toe: + +"Vanwege den gezant des konings, mher Baudewijn Van Aelst, kom ik tot u +om u nieuwe voorwaarden tot overgaaf der proostdij en der kerk aan te +bieden. Van hier is het mij moeilijk met u te spreken. Onze +onderhandeling kan lang en moeielijk zijn. Ware ik met u daarboven, wij +zouden beter over de hangende zaak kunnen beraadslagen. Ik vertrouw mij +op uwe eerlijkheid en zou tot u willen opklimmen. Stemt gij toe?" + +"Het is Walter Van Lillers!" zeide de proost tot zijnen broeder Hacket. +"Hij was inderdaad vroeger een verkleefde vriend." + +"Ja, wij stemmen toe", werd den ridder geantwoord, "maar voor u, voor u +alleen!" + +Walter Van Lillers deed eene lange ladder aanbrengen; en eenige +oogenblikken daarna bereikte hij de kruin van den muur en stapte +tusschen de oversten der Kerels op den wal. + +Daar zij hem omringden en hem vroegen wat hij hun te zeggen had, +betuigde hij den wensch om beneden in de proostdij te worden geleid; +maar men deed hem verstaan dat men zijne boodschap hier wilde hooren. + +Walter Van Lillers, min of meer verlegen en zonderling glimlachende als +wilde hij beduiden dat hij aan zijne eigene woorden niet geloofde, zeide +hun: + +"Ziehier de zaak, heeren: heeft 's konings bode geweigerd u in vrijheid +te laten gaan na de overlevering van 's graven schat, dan is het niet +door berekende trouweloosheid, zooals gij waarschijnlijk meent. Neen, +het is omdat gij zelven, volgens zijne meening, hebt gepoogd hem te +bedriegen. Er ontbraken toch kostbare voorwerpen aan dien schat, onder +anderen een drinkkelk van zeven marken gouds en een gedreven vat van +eenentwintig marken zilvers. Wilt gij deze beide voorwerpen mij ter hand +stellen, dan zal mher Baudewijn Van Aelst, zooals hij mij gelast heeft u +te beloven, de voorwaarden der overgaaf aanvaarden en vervullen." + +De omstanders lieten een hevig gemor hooren en betuigden luid dat zij +geen het minste vertrouwen meer in de beloften der Isegrims hadden en in +deze boodschap niets zagen dan eene nieuwe poging tot verraad. + +In stede van zich daarover verwonderd of spijtig te toonen, haalde +Walter Van Lillers twijfelend de schouders op, als wilde hij zeggen: + +"Dit raakt mij niet; gelooft er van wat gij wilt." + +"De voorwerpen door u aangeduid als ontbrekende, mher Walter", +antwoordde de proost, "heb ik, omdat ze tot den dienst van 's graven +kapelle werden gebezigd en dus de kerk zijn toegewijd, aan den +pastoor-deken Helias gegeven, en hij heeft ze waarschijnlijk in +St-Christoffelskapelle geborgen. Wil s' konings bode ze bezitten, hij +vrage ze den deken." + +Maar Walter Van Lillers scheen weinig acht op deze uitlegging te slaan, +en poogde door velerlei gebaren en oogwenken den proost te doen verstaan +dat hij iets geheims aan hem alleen te veropenbaren had. + +Eindelijk herhaalde hij zijne vraag om beneden in de proostdij te worden +geleid; men mocht hem eenen doek voor de oogen binden en hem dus +beletten iets te zien. Eenige woorden slechts wenschte hij met den +proost te verwisselen. Dan zou hij onmiddellijk naar mher Baudewijn Van +Aelst terugkeeren, en hem boodschappen wat men hem aangaande den gouden +kelk en het zilveren vat had gezegd. + +Op aandringen van Bertulf stemden de anderen toe. Mher Walter werd met +eenen doek geblind en naar beneden geleid. Hier vatte de proost hem bij +de hand, bracht hem in eene kamer, nam den doek van voor zijne oogen weg +en vroeg: + +"Nu, mher Walter Van Lillers, welk geheim hebt gij mij mede te deelen?" + +"Luister, heer proost", zeide deze, "ik heb weinig tijds; want mijne +gezellen, indien ik lang met u bleef, zouden mij mistrouwen Ik begin met +u eenen raad te geven. Welke voorstellen tot overgaaf men u ook doe, +verwerp ze hardnekkig: zij kunnen niets zijn dan bedrog. De koning van +Frankrijk en al de ridders die in het beleg zijn, hebben gezworen dat de +Erembalds tot den laatste toe den schrikkelijksten dood zullen sterven. +Had onze veldheer niet met groote krachtdadigheid mher Baudewijn Van +Aelst belet de trouweloosheid tot het uiterste te drijven, geen uwer zou +heden nog leven. Men hadde u, na de aflevering van 's graven schat, uit +den burg laten gaan, u verraderlijk aangevat en u allen denzelfden dag +vermoord." + +"Gruwelijk, gruwelijk!" zuchtte Bertulf. "Ik dank u voor uwen raad, mher +Walter. Zal men dan in deze verdorvene wereld zelfs aan het woord der +koningen niet meer mogen gelooven?" + +"Ik ben van meening dat de koning van Frankrijk van dit verraad niet +weet." + +"Was de goede raad, dien gij mij gegeven hebt, de eenige veropenbaring +welke gij mij wildet doen?" + +"Neen, heer proost; nu ga ik u het ware doel mijner komst mededeelen. +Toen mher Baudewijn van de achterhouding der twee kostbare vaten sprak +en het verlies dezer voorwerpen betreurde, maakte ik mij sterk ze u door +een nieuw bedrog te ontrukken; en het is zoo dat ik belast werd als bode +tot u te komen. Mijn doel was u te redden, heer proost. Gij weet dat ik +altijd u veel vriendschap en eerbied heb toegedragen; van den eersten +dag des belegs ben ik er op bedacht geweest, ten minste u van den +wreeden dood te verlossen, en nu ben ik alleenlijk hier om u te vragen +of gij door mij behouden uit den burg en uit de stad wilt geleid +worden." + +"Zoo in vollen dag, dwars door de Isegrims?" schertste de proost met +eenen twijfellach. + +"Neen, in den nacht." + +"Onmogelijk; tienmaal wierd ik ontdekt en aangevat." + +"Daarin bedriegt gij u: ik ben niet alleen om u te redden. De zaak is +goed ontworpen. Wij komen te elf uren juist, onder voorwendsel van +rondom den burg te waken, met eene kleine bende Gentenaars nevens den +achtermuur van het klooster voorbij en zwaaien tot sein eene ontstoken +lantaarn over en weder. Op dit oogenblik laat gij u, bij middel van eene +koord, van den muur dalen. Wij, zonder gerucht te maken, vatten u aan en +leiden u naar de gevangenis ... dit is te zeggen buiten de Smedepoort, +die dezen nacht zal bewaakt worden door een mijner vrienden. Ik vergezel +u totdat gij geheel buiten de legerwachten zijt en niets meer hebt te +vreezen. Dan gaat gij een gedeelte van den nacht. Des anderen daags +bevindt gij u te midden der Kerels, buiten het bereik uwer vijanden. Wat +zegt gij van dit ontwerp?" + +"Het is waarlijk niet slecht beraamd", antwoordde Bertulf, na eene korte +overweging. "Ik ben u uiterharte dankbaar voor dit bewijs uwer +vriendschap; doch ik kan uw voorstel niet aanvaarden Hier zal ik blijven +met mijne magen en gezellen." + +"Maar er is geene hoop voor u. De koning van Frankrijk nadert met een +ontzaglijk leger. Men zal u martelen, u doen sterven in de akeligste +pijnen!" + +"Eilaas!" zuchtte Bertulf, "gij zegt misschien de waarheid, mher Walter; +maar zulke vlucht ware een verraad jegens mijnen broeder en jegens mijne +neven. Liever nog deel ik hun lot en sterf met hen." + +"Gij zijt verbitterd en verblind door de wanhoop", wedervoer Walter Van +Lillers met ongeduld, "Waartoe kunt gij den uwen hier nuttig zijn, gij, +die waarschijnlijk nooit de wapens hebt behandeld? Het verwonderd ons, +ridders, dat; Willem Van Loo, die toch aan het hoofd van een leger staat +en het veld houdt, u nog niet ter hulp is gekomen. Verwondert u dit +niet?" + +"Inderdaad." + +"Weet gij de redenen van zijn wegblijven, heer proost?" + +"Neen." + +"Wij evenmin; ja, wij hebben dagelijks zijne nadering verwacht en onze +voorzorgen tegen hem genomen. Indien hij u ter hulp snelde, voordat de +koning te Brugge komt, dan zou er voor u misschien nog hoop op ontzet +blijven." + +"Hoe verstaat gij het, mher Walter?" + +"Het is eenvoudig: Willem Van Loo weet waarschijnlijk niet dat gij reeds +een gedeelte van den burg hebt verloren. Hij meent u sterk genoeg om in +veiligheid op hem te wachten. Waart gij vrij, gij kondet tot hem gaan, +hem den waren toestand onder de oogen leggen en hem overhalen om +onmiddellijk met al zijne macht naar Brugge te komen." + +"Het is waar, gij hebt gelijk", bevestigde de proost. "Ik zou over dit +gewichtig voorstel mijnen broeder en mijne neven moeten raadplegen. Gunt +gij mij den raad daartoe?" + +"Ja, maar er is eene omstandigheid welke ik u niet eerder kon te kennen +geven", antwoordde sher Walter. "Ik, die vroeger u een vriend was, +handel belangeloos in deze zaak. Gij begrijpt evenwel, heer proost, dat +ik, om eene bende Gentenaars en hunne oversten tot verraad over te +halen,--want wat gij gaan doen is verraad,--om dus eenige ridders en +vele wapenknechten om te koopen, hun groote sommen gelds heb moeten +beloven." + +"Groote sommen gelds?" herhaalde de proost met eenig mistrouwen. + +"Ja, niet minder dan vierhonderd marken zilvers;--en, wil een tweede +persoon u vergezellen, dan nog honderd marken meer." + +De oude Bertulf schrikte terug bij de gedachte van zulke aanzienlijke +hoeveelheid gelds voor zijne vrijheid te moeten betalen; maar mher +Walter deed hem begrijpen dat, in den neteligen toestand waarin de +Kerels zich bevonden, het geld niet veel prijs meer in hunne oogen kon +hebben. Wat was nu een klein gedeelte hunner ontzaglijke rijkdommen, +wanneer men, door het op te offeren, misschien de schier hopelooze zaak +van Kerlingaland nog kon redden?" + +De proost kwam eindelijk met hem overeen, dat hij het voorstel zijnen +broeder en zijnen neven zou mededeelen, en, stemden zij toe, dan zouden +de Kerels langs den kant der Markt eene banier uit St-Donaastoren +steken. Dit zou voor Walter van Lillers een teeken zijn dat men zijne +voorwaarden had aanvaard en de proost zich in den nacht boven den muur +gereed zou houden om tot hem af te dalen. + +Mher Walter zou 's konings gezant zeggen, in wiens handen de twee +kostbare vaten zich bevonden, en, daarover zeer tevreden, zou deze geen +hoegenaamd vermoeden van verstandhouding met de Kerels tegen hem +opvatten. + +Bertulf bond Walter opnieuw den blinddoek voor de oogen en leidde hem +tot boven den muur. Zonder groetenis daalde mher Walter naar beneden. De +ladder werd weggenomen en de vredevlag ingetrokken. + +Dan wenkte Bertulf zijnen broeder en eenige oversten en verzocht hun met +hem binnen de proostdij te gaan, om daar te vernemen wat de bode hem had +geopenbaard. + +Toen hij hun het ontwerp had medegedeeld, vroeg hij hun gevoelen er +over. + +Allen, behalve Burchard Knap, toonden zich zeer verheugd en juichten +mher Walters voorstel toe. Zij eerbiedigden en beminden den ouden +Bertulf zeer. Het was toch hier zijne plaats niet. Van welk nut kon het +hun zijn dat de proost met hen in gevaar des levens bleef verkeeren? +Neen, neen, hij moest gered worden, welke groote hoeveelheid gelds men +ook voor zijne verlossing eischte. + +Daarenboven, hij zou tot Willem Van Loo gaan en hem overtuigen dat hij +onmiddellijk met het Kerlenleger naar Brugge moest komen afgezakt. Zoo +was er dan voor hen allen nog hoop op ontzet, en voor Kerlingaland nog +hoop op zegepraal. + +Door deze overwegingen verblijd, juichten zij het ontwerp toe. Burchard +alleen morde en gromde, dat men elkander had toegezworen tot het einde +te zamen te blijven. Zulke nachtelijke vlucht was een bewijs van vrees, +dat de Kerels zou ontmoedigen. In alle geval, door het voorstel te +aanvaarden, beging men eene domheid; want zeker, Walter Van Lillers was +een Isegrim, en dus een bedrieger; zijn eenig doel kon slechts zijn den +proost in de handen des veldheers te leveren. + +De anderen bestreden zijn gevoelen, en betuigden een volledig vertrouwen +in Walters oprechtheid. Zij wilden deze gunstige gelegenheid om Willem +Van Loo eenen invloedrijken bode te sturen, niet laten ontsnappen. + +Dewijl de proost meende de geheime rede van Burchards tegenstand te +doorgronden, zeide hij: + +"Nog iets heb ik vergeten u mede te deelen. Mher Walter stemt er in toe +met mij eenen tweeden persoon buiten de stad te brengen, tegen eene +belooning van honderd marken zilvers. Ik doe mijnen neef Burchard het +voorstel, mij dezen nacht te volgen; ik zal de gevraagde marken zilvers +voor hem betalen." + +"Ja, ja, dit is goed!" riepen de anderen, verheugd bij de gedachte dat +zij zouden verlost worden van den somberen en woesten Burchard, van den +moordenaar des graven, wiens tegenwoordigheid in hun midden hen +bedroefde en kwetste. + +Maar Burchard verwierp dit voorstel met misprijzen; en dewijl men hevig +bij hem aandrong, en hem ter dier gelegenheid de onaangename woorden +niet spaarde, liep hij scheldend en bulderend de kamer uit. + +Sedert een oogenblik was Robrecht Sneloghe in eene diepe overweging +weggezonken. Nu zeide hij met eenen blijden lach op de lippen: + +"Ach, mijne ooms, ach, mijne vrienden, bewijst mij eene gunst! Laat +jonkver Dakerlia Wulf dezen nacht met den heer proost den burg +verlaten!" + +Deze onverwachte vraag verraste iedereen. + +"De honderd marken zilvers zal ik betalen, driemaal zooveel, indien het +noodig is!" voegde Robrecht er bij. + +"Eene vrouw, is dit wel mogelijk?" mompelde Hacket. "Hare witte +kleederen? Men zal ze zelfs in de duisternis herkennen ..." + +"Neen, neen, in eenen zwarten mantel gewikkeld, in donkere stoffen +gekleed ... O, weigert niet! Een arm meisje zoo binnen eene belegerde +sterkte besloten, alle oogenblikken bedreigd niet alleen met den dood, +maar nog met de gruwelijkste mishandeling der zegevierende +wapenknechten! Neen, dit kan, dit mag niet langer blijven duren. Ik +smeek u, vermits de barmhartige God haar die eenige kans aanbiedt, geeft +uwe toestemming; ik zal er u eeuwig dankbaar om zijn." + +Zijne ooms en de andere oversten betuigden dat, indien hij zijn ontwerp +goed en uitvoerbaar oordeelde, zij gereedelijk hunne volle toestemming +gaven en niets meer wenschten dan jonkver Dakerlia den burg te zien +verlaten, in de hoop dat de arme maagd behouden het nog vrije +Kerlingaland zou bereiken. + +Mher Sneloghe verzocht zijne ooms met hem naar Dakerlia te gaan, om haar +deze goede tijding mede te deelen en desnoods haar te overtuigen dat zij +deze poging om haar te redden moest aanvaarden. + +Zij vonden Dakerlia geknield en biddend tusschen de Kerlinnen die +weenden rondom het lijk van Eggard Van IJsendijke. Deze jonge ridder was +den dag te voren aan zijne wonde bezweken, en zou den anderen morgen op +het kerkhof van St-Donaas ter aarde worden besteld. + +Robrechts gelaat was bij zijne intrede door zulke heldere blijdschap +verlicht, dat Dakerlia eenen kreet van verrassing slaakte en met +glinsterenden blik opsprong, als om eene gelukkige tijding te ontvangen; +maar de proost deed haar een teeken, dat zij hen in de naastgelegene +kamer zou volgen. + +Hier zeide Robrecht haar met eene stem die door eene koortsige vreugde +was ontsteld: + +"Dakerlia, gij gaat vrij zijn, vrij en buiten alle gevaar! Dezen nacht +zal mijn oom de proost door eenige goede, trouwe vrienden uit den burg +en uit de stad geleid worden en naar Yperen gaan. Gij moogt hem +vergezellen!" + + +[Illustratie: ...tot aan den voet van den muur. (Bladz. 423.)] + + +De jonkvrouw keek hem verwonderd aan, als verstond zij hem niet. + +"Vrees niet, Dakerlia", ging hij voort, "gij zult in gezelschap van +mijnen oom het vrije Kerlingaland bereiken. Gij begeeft u naar Veurne, +naar Lampernisse, en blijft daar in veiligheid te midden uwer magen +wonen, totdat betere tijdsomstandigheden mij toelaten u te gaan +vervoegen ... Ach, u verlost weten, het verheugt mij ontzeglijk! Wees +gij ook blijde, Dakerlia!" + +"Ik zou u verlaten?" mompelde de jonkvrouw met eenen lichten spotlach +op de lippen. "Verre van u gaan, u niet meer zien, duizend dooden +sterven in de onzekerheid van uw lot? O, Robrecht, gij kent Dakerlia nog +niet!" + +"Hemel, weigert gij dan dit eenig middel om aan eenen bijna zekeren dood +te ontsnappen?" + +"Ja, ja; ik weiger", antwoordde de maagd met vast besluit. "Waar gij +zijt, wil ik zijn: de dood zelf zal ons niet scheiden. Indien God over +uw leven had beschikt, dan wierd uw graf het mijne. Alleen ben ik nu op +de wereld met u; gij zijt mij alles en, wat er ook geschiede, Dakerlia +verlaat u niet!" + +Een angstkreet ontsnapte Robrechts borst. Hij had wel eenigszins den +tegenstand zijner moedige verloofde voorzien; doch had tevens gehoopt +dien te kunnen overwinnen. Hare koele beradenheid ontnam hem deze hoop +schier geheel. + +Zijn oom de proost kwam hem nu ter hulp en poogde door velerlei redenen +jonkver Wulf te doen begrijpen dat zij ongelijk had dit eenig middel tot +verlossing, dat God in Zijne goedheid haar aanbood, zoo vermetel te +weigeren. Zij kon het zich niet ontveinzen dat de Kerels, in den burg, +elk oogenblik met eene beslissende overrompeling waren bedreigd. Nu de +koning van Frankrijk met zijn leger te Brugge ging komen, zouden zij +misschien bezwijken. Dan stond hun allen niets te wachten dan een +ijselijke dood. Wat nut kon zij, door de opoffering van haar leven, het +vaderland toebrengen? Indien zij weigerde met hem den burg te verlaten, +zou zij zich voor God niet schuldig maken aan eenen roekeloozen +zelfmoord? Daarenboven, was zulke belegerde vesting wel de plaats waar +het eene jonkvrouw betaamde te blijven? Moest haar gevoel van +eerbaarheid haar niet zeggen dat bij de inneming van den burg door de +Fransche wapenknechten, een veel ijselijker gevaar dan de dood haar kon +bedreigen? + +De kastelein Hacket voegde zijne pogingen bij die zijns broeders; doch +welke moeite ze beiden ook inspanden of wat ze deden gelden, jonkver +Wulf wilde naar niets luisteren en betuigde dat zij tot het einde toe +het lot van Robrecht zou deelen. + +Mher Sneloghe greep haar de handen en zeide op smartelijken toon: + +"Dakerlia, ik bid u, wees beter beraden! Uit liefde, uit verkleefdheid +voor mij wilt gij u opofferen; maar, dierbare, gij bedriegt u in uwen +edelmoed. Uwe tegenwoordigheid in dezen burg is mij geen troost; +integendeel, zij maakt mij diep ongelukkig." + +"Ongelukkig?" herhaalde de jonkvrouw. + +"Ja, Dakerlia; gij hebt het gezien, hoe ik sedert vele dagen onder +treurnis en verdriet gebogen ga; hoe de moedeloosheid mij bestormt en +dreigt geheel te overwinnen. Gij meent, dat het verlies mijnes arme +zuster de eenige oorzaak was? Neen, uwe tegenwoordigheid in deze plaats, +het lot dat u beschoren schijnt, zijn de voorname bronnen mijner smart. +Ach, ik bemin u, gij weet het, uit al de krachten mijner ziel. Moeten +vreezen, bijna zeker zijn dat gij hier eenen akeligen dood zult vinden, +uwe verlossing, uwe vrijheid in handen hebben, en ze u zien weigeren! +Begrijpt gij niet, Dakerlia, dat zulke overwegingen mij wreedelijk +martelen? Ach, wees goed, geef mij het liefdebewijs dat ik u smeekend +afbid! Volg mijnen oom en ga naar Lampernisse. O, ik bezweer u, schenk +mij dus, met de zekerheid uwer behoudenis, den verloren moed terug!" + +Dakerlia schudde weigerend het hoofd. + +"Gij blijft ongevoelig voor mijne bede?" zuchtte mher Sneloghe pijnlijk. + +"Maar, Robrecht, en gij, heeren", zeide Dakerlia met eene verrassende +bedaardheid, "hebt gij wel waarlijk de minste hoop gevoed dat ik kon +toestemmen den burg te verlaten en mijnen verloofde een koel en +eigenzuchtig vaarwel te zeggen? Gij doet allerlei gevaren voor mijne +oogen spoken? Maar bestonden deze gevaren niet, dan slechts zou ik doen +wat gij van mij eischt. Nu wil en moet ik blijven. Hoe? Gij voorzegt mij +de komst van een Fransch leger en geweldige aanvallen des vijands? +Robrecht, dien God behoede, kan gekwetst worden. Wie zal hem verzorgen +en troosten! De Kerlinnen die daar binnen zijn? Zal ik, Dakerlia. deze +zending aan vreemde handen overlaten, en rust en vrijheid te Lampernisse +gaan zoeken, terwijl mijn verloofde hier stervend misschien ligt +uitgestrekt en om hulp en lafenis kermt? Neen, neen, wat gij vraagt is +onmogelijk. Het denkbeeld zulker lafheid alleen brengt mijne +verontwaardigde ziel in opstand, en ik bid u, ik bezweer u, heeren, +spreekt mij er niet meer van!" + +Allen erkenden innerlijk dat men te vergeefs zou pogen de sterkmoedige +maagd van besluit te doen veranderen. Robrecht, die diep was bedroefd +bij de gedachte dat Dakerlia, door te weigeren, alle hoop op redding +verloor, zeide haar nog met aangejaagdheid: + +"Maar, vriendinne, verschrikt het beeld van den pijnlijksten dood u +niet, er is toch iets, iets schromelijks, dat uw fier en kuisch gemoed +kan doen terugdeinzen. Vooronderstel dat de Kerels hier bezwijken en de +burg worde ingenomen. Dan zegeviert de verrader Disdir Vos, hij vat u +aan, rukt u naar zijne woning ... Ach, de booswicht is bekwaam tot de +gruwelijkste misdaad!" + +Terwijl hij deze woorden sprak, was Dakerlia's blik fonkelend geworden; +ja, hare oogen vlamden, toen hij door de bedreiging van een grooter +ongeluk dan de marteldood zelf, haar met angst en vervaardheid had +geslagen. + +Robrecht en zijne ooms zagen haar aan met de twijfelachtige hoop dat zij +door het denkbeeld van zulk vreeswekkend gevaar overwonnen, tot de +vlucht ging toestemmen. + +"Welnu, welnu, Dakerlia?" murmelde mher Sneloghe. + +"Welnu?" herhaalde zij met sombere stemme. "Disdir Vos, de verrader, de +lafaard? Ik kan terug in zijne handen vallen? Ja, ik heb er aan +gedacht...." + +En zij stak langzaam de hand in hare borst en trok er eenen +glinsterenden moordpriem uit, dien zij stilzwijgend toonde. + +De anderen deinsden met eenen angstkreet terug. + +Het staal in de vuist wringende, zeide Dakerlia, zonder de minste drift: + +"Zoolang Robrecht nevens mij staat, zal hij mij verdedigen; beschikt God +over zijn leven, dan wordt deze moordpriem mijn beschermer. Disdir Vos? +Wat kan hij tegen mij? Ik ben eene Kerlinne! Tusschen den dwingeland en +het slachtoffer graaft de dood in een oogenblik eenen onoverschrijdbaren +afgrond." + +Vooraleer de anderen van hunne verbaasdheid konden bekomen, verborg zij +het wapen weder in hare borst en zeide met eenen stillen glimlach: + +"Robrecht, uit liefde tot mij, wilt gij mij van hier verwijderd zien; +ik, uit liefde tot u, wil u niet verlaten. Het is dus eene worsteling +tusschen ons beiden. Wie van ons volhoudt en verwint, toont de grootste +liefde. Meent gij dat ik, in dit gevecht der ziel, u de zegepraal zal +gunnen? Verzaakt dus uwe pogingen, heeren; zij zijn volstrekt onmachtig +en nutteloos." + +Robrecht greep Dakerlia's handen en drukte vurig in de zijne, terwijl +tranen uit zijne oogen rolden. Hij bewonderde de sterkmoedigheid en de +eindelooze liefde der maagd, ofschoon hare noodlottige weigering hem het +hart met droefheid en schrik vervulde. Er was echter niets aan te doen; +hij moest zich onderwerpen en alle verdere poging opgeven; want dat +Dakerlia onplooibaar zou blijven, daaraan kon hij niet meer twijfelen. + +Hij trad met haar en zijne ooms in de andere kamer, waar het lijk van +mher Eggard, gansch gekleed en met een zwaard in de hand, op eene soort +van rusttafel lag uitgestrekt. Hier brandden wel waskaarsen nevens een +kruisbeeld, maar aan de voeten van den dooden stonden insgelijks kommen +met gortebrij en eene kruik bier, zoodat hier, evenals onder de Kerels +der Ambachten, terzelfder tijd Christelijke en Heidensche plechtigheden +werden geoefend. + +Om eenige oogenblikken te bidden, knielde Robrecht met Dakerlia op eene +bank en boog in stilte het hoofd. + +De proost verliet de kamer met zijnen broeder. Het was tijd dat hij de +noodige maatregelen name, om zijne vlucht te bereiden; want de dag begon +zichtbaar te dalen, en welhaast zou de duisternis invallen. + +Opgesloten in eene zaal der proostdij, wogen en wikten zij goud en +gesteenten, om het geld, dat zij Walter Van Lillers beloofd hadden, +onder het minste gewicht bijeen te brengen. Dan overwogen zij welke +kleederen de proost zou aantrekken, opdat hij min herkennelijk ware, en +hoe hij zijne pogingen bij Willem Van Loo zou berekenen om zeker te zijn +dat hij onmiddellijk naar Brugge zou komen. + +Toen zij eindelijk onderzochten welke baan hij volgen zou om zonder +ongeval het vrije Kerlingaland te bereiken, stieten zij tegen eene +groote moeielijkheid. Rondom Brugge mocht men de groote wegen niet +volgen, dewijl men daar reizende ridders of wapenknechten kon ontmoeten. +Om met eenige kans op veiligheid te kunnen reizen, moest Bertulf de +afgelegene voetpaden door velden en door bosschen volgen; maar dewijl +hij nooit te voet deze streek des lands had doorkruist, was hij met de +kleine wegenissen in het minste niet bekend. + +Zeker, zonder leidsman en zoo gansch alleen, zou hij in de duisternis +verdwalen en misschien in de handen der Isegrims vallen! + +In hunne verlegenheid herinnerden zij zich dat er tusschen de mannen, +welke hun door Willem Van Loo waren toegezonden geworden, een Houtkerel +zich bevond, die men den wolvenjager noemde. Deze had zijne gansche +jeugd in de velden en bosschen zwervend doorgebracht, en moest +diensvolgens beter dan iemand de afgelegene wegenissen en doorgangen +kennen. Hij was daarenboven onversaagd, verstandig en verkleefd, en kon +den proost niet alleen een leidsman zijn, maar nog desnoods hem +verdedigen tegen allen aanval. + +Zij deden Ivo-den-wolvenjager roepen en gaven hem te kennen wat zij van +hem verlangden. In den eerste verraste hun voorstel den Houtkerel, die +in het geheel geenen lust gevoelde om uit den burg te vluchten, zooals +hij het noemde; maar hunne beloften en hunne smeekingen overwonnen na +lange moeite zijnen tegenstand en hij stemde toe den proost te volgen. + +Toen eindelijk het uur zou naderen, riep Bertulf zijne neven en de +bijzonderste oversten te zamen, om afscheid van hen te nemen. Hij +beloofde hun dat hij rechtstreeks naar de legerplaats van Willem Van Loo +zou gaan, en door onweerstaanbare redenen, zelfs door het aanbod van +aanzienlijke hulpgelden, hem zou overhalen om onmiddellijk met gansch +zijne macht naar Brugge te komen. Hij poogde zijne magen en vrienden +vertrouwen in te boezemen, en moedigde hen aan om den burg met +hardnekkigheid te verdedigen, in de zekerheid dat een spoedig ontzet hen +allen uit hunnen gevaarlijken toestand zou komen verlossen. + +Hun beurtelings de handen gedrukt hebbende, verzocht hij hun hier in de +benedenzaal der proostdij te blijven; want, indien zij hem op den muur +volgden, ter plaatse waar hij zou nederdalen, dan, ongetwijfeld, zouden +de schildwachten der Isegrims argwaan opvatten en hunne gezellen te +wapen roepen. Niemand zou met hem daarboven gaan dan zijn broeder +Hacket, zijn neef Robrecht en vier sterke Kerels, die hem en zijnen +leidsman zouden aflaten. + +Na het uitspreken van een laatst vaarwel, en onder de gelukwenschen +zijner vrienden, verliet hij de gebouwen der proostdij en beklom den wal +nevens het klooster. + +Hier stond hij achter de kanteelen met degenen die aangewezen waren om +tot zijne vlucht te helpen. De kastelein, Robrecht Sneloghe en +Ivo-de-wolvenjager waren insgelijks met hem. + +Zij zwegen en ontweken zooveel mogelijk alle bewegingen, om niet door de +wakende schildwachten des vijands opgemerkt te worden. + +Eens toch fluisterde Robrecht aan het oor van den proost: + +"Ik weet niet, oom, mij ontstelt een zonderlinge schrik. Indien gij het +slachtoffer werdt van bedrog en verraad?" + +"Stil, stil, gij hebt ongelijk", suisde Bertulf. "In alle geval, het lot +is nu geworpen!" + +Reeds hadden zij zeer lang gewacht, en sommigen hunner begonnen te +denken dat het ontwerp door een of ander beletsel was mislukt; want het +vastgestelde uur was reeds voorbij. + +Maar daar hoorden zij in de verte de zware stappen van eene bende +wapenknechten, en zelfs de galmen van verwarde stemmen. Zij bogen zich +dieper achter de kanteelen en keken bespiedend door de schietgaten, +terwijl de bende meer en meer naderde. + +Eensklaps zagen zij iemand eene ontstoken lantaarn over- en +wederzwaaien. Het zwakke licht werd onmiddellijk uitgedoofd. + +Op dit sein omhelsde Bertulf in stilte zijnen broeder en zijnen neef. + +Allen sprongen haastig boven den wal; de proost en Ivo-de-wolvenjager +zetteden den voet in eenen strop, grepen een dik touw met beide handen +aan en daalden neder tot aan den voet van den muur. + +Hier werden zij zeer ruw aangegrepen, vastgehouden en weg gerukt als +echte gevangenen. Zij begonnen te vreezen, en zouden zich zeker verraden +gewaand hebben, had niet de waarschijnlijk berekende stilte der +wapenknechten hun nog eenig vertrouwen ingeboezemd. + +Walter Van Lillers, die den proost bij den schouder hield en hem +voortstuwde, fluisterde aan zijn oor: + +"Laat u doen en wees stom; niet al mijne mannen zijn met ons. Een +gedeelte slechts kent geheel het ontwerp; de anderen meenen dat wij u in +eenen strik hebben gelokt. Veins evenals wij." + +Omtrent de St-Janskapelle hield Walter Van Lillers zijne bende staan en +sprak: + +"Wij hoeven niet zoo sterk te zijn om deze twee Kerels naar de +gevangenis te leiden. Meester Daneel, ga met tien wapenknechten terug +naar den burg, langs den kant van den Maalberg; daar zullen, zooals ik u +heb gezegd, nog andere van die vermaledijde Blauwvoeten u in de handen +vallen." + +Mher Daneel moest wel van de zaak weten; want hij koos, niet zonder +geheim inzicht, onder zijne mannen er tien uit, en keerde met hen terug +in de Wapenmakersstraat. + +Dan begaf mher Walter zich met zijne gevangenen op weg door afgelegene +straten, totdat zij de Smedepoort gingen naderen. + +Hij deed zijne gezellen achter eenen hoek blijven staan, en zeide tot +den proost en zijnen leidsman: + +"Neemt nu eene losse, onbekommerde houding; spreekt luid en gebaart u +alsof gij niet in het minste op eenig gevaar bedacht waart." + +Na deze woorden stapte hij met hen naar de poort, waar de overste hem +scheen af te wachten. + +"Mher Ogier", zeide hij, "ziehier twee poorters die met mij uit de stad +moeten gaan. De veldheer...." + +"Ik weet het; mij zijn daarover bevelen toegekomen", onderbrak de +overste. "De stormegge is reeds opgehaald. Zie, daar opent men de poort. +Vaarwel en goede reis!" + +Eenige oogenblikken daarna bevonden zij zich in het open veld. Weder had +Walter Van Lillers hun de stilte bevolen, en zij volgden hem zwijgend +gedurende schier eene halve mijl. + +Hier bleef hij staan en zeide hun: + +"Nu zijt gij verre buiten den kring der brandwachten. Ik ga u verlaten +en naar de stad terugkeeren. Mijne belofte heb ik gansch vervuld; geef +mij nu het geld, om mijne vrienden en de wapenknechten te betalen[78]." + +Bertulf ontgespte de lederen tassche, die hem aan den gordel hing en +reikte ze aan Walter. + +"Zij weegt inderdaad zwaar", mompelde deze verheugd. "Hoeveel bevat ze?" + +"Vijfhonderd marken." + +"In goud." + +"In goud en in kostbare juweelen." + +"De rekening is zeker juist." + +"Er is meer in waarde, mher Walter; maar om u geen mistrouwen te laten, +beloof ik u, indien ik het leven behoud, u in betere tijden en op uwe +eerste vraag, nog vijftig marken zilvers te schenken als bewijs mijner +dankbaarheid." + +"Nu dan, ik druk u de hand, heer proost, en wensch u alle geluk." + +Hij verwijderde zich in de baan naar Brugge. + +"Langswaar nu onze stappen gewend?" vroeg Bertulf aan zijnen leidsman. +"In dien pikdonkeren nacht kan men zelfs den weg niet zien." + +"Nog twee boogschoten verder", antwoordde Ivo-de-wolvenjager, "komen wij +aan eene zandbaan die dwars door het Frinte-bosch loopt, tot aan +Aertryke toe. Daar wenden wij ons links af naar Thourout en zonder deze +stad te naderen, bereiken wij de baan naar Staden en naar Yperen.... +Geef mij de hand, heer proost; want hier is eene drooge gracht die wij +overstappen moeten. Wij verlaten de groote baan." + +De proost liet zich leiden. Hij drong aan de hand van Ivo in een dicht +bosch. + +Daar eerst achtte hij zich in veiligheid; het was hem alsof een steen +hem van de benauwde borst viel. + +"Ha, God zij geloofd!" riep hij uit. "Ik vreesde nog verraad, maar hij +was oprecht en trouw. Verlost! Verlost!" + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 78: "Bertulf, geld gegeven hebbende aan Walter, tot de som van +100 mark, liet zich af aan een touw." + +GALB., p. 316.] + + + + +XXII + + +Den dag Na de ontsnapping van den ouden Bertulf hadden de Kerels, van op +de wallen der proostdij, eene ongemeene beweging van poorters, ridders +en wapenknechten in de stad opgemerkt. Terzelfder tijd hadden zij verre +bazuingeschal en dof gedruis gehoord, als van reizende legerbenden. + +Zij meenden te mogen vermoeden dat Willem Van Loo met zijne heirkracht +de stad was genaderd, en de Isegrims buiten Brugge togen om hem te gaan +bestrijden. + +Hunne dwaling desaangaande duurde echter niet lang. Zij telden vele +vrienden onder de poorters van Brugge, zelfs onder degenen die, door +Gervaas Van Praet gedwongen, nu met de Isegrims hen bestreden. Dezen, +uit eigen beweging of door Jan Haring en Elfried Rooster er toe +aangespoord, schoten hun zeer dikwijls pijlen met geheime berichten toe. + +Zoo vernamen zij al spoedig dat de koning van Frankrijk en Willem van +Normandie, met de voorhoede van hun leger, te Brugge waren aangekomen, +en men poorters en ridders buiten de stadsvesten op het Zand had doen +vergaderen, om den koning en den nieuwen graaf hulde te bewijzen en +trouw te zweren[79]. + +Men zeide hun insgelijks dat men de bestorminng der proostdij had +uitgesteld om het Fransche leger af te wachten; maar dat men nu, binnen +weinige dagen, eenen geweldigen en waarschijnlijk beslissenden aanval +zou doen. + +Deze berichten onstelden de Kerels niet zeer. Vanwege Walter Van Lillers +was hun een bericht toegekomen, waardoor men hun de verzekering had +gegeven dat de proost behouden buiten de stad was geraakt en zijne reis +naar Yperen in volle vrijheid had begonnen. + +Bertulf was diensvolgens ongetwijfeld op dit oogenblik reeds in +tegenwoordigheid van Willem Van Loo, en zij mochten hopen dat het groote +Kerlenleger morgen of overmorgen voor Brugge zou verschijnen. + +In alle geval, zij waren bereid om de bestorming moedig en hardnekkig af +te slaan, en dus de proostdij en de kerk tot de komst van Willem Van Loo +te behouden. Wel waren zij niet meer boven de tweehonderd man sterk; +maar dewijl de genaakbare plaatsen van den muur niet veel +uitgestrektheid hadden, waren zij talrijk genoeg om eenen voor den +vijand vreeselijken tegenstand te bieden. + +Dien dag hadden zij tot den avond op de wallen gestaan, en zij hadden +gedeeltelijk zelfs den gansehen nacht gewaakt; maar de vijand had zich +niet vertoond. + +Nauwelijks was echter de zon boven den gezichteinder gerezen of alles +voorzeide hun dat zij dien dag eene algemeene bestorming zouden te +doorstaan hebben. + +Inderdaad, er kwam allengs eene ongewone bedrijvigheid onder den vijand. +Niet alleen trokken alle oogenblikken aanzienlijke legerbenden, meest +van Fransche wapenknechten, over de Markt voorbij, om stand te gaan +nemen op de plaatsen en in de straten rondom den burg; maar de +Gentenaars waren tevens langs alle kanten bezig met hunne stormtuigen te +stellen of ze nader bij den burg te voeren. + +Een groot gedeelte van den morgen verliep aan deze ontzaglijke +toebereidsels. + +De Kerels lieten intusschen niet na alles aan te brengen wat hun tot +eene hardnekkige verdediging van dienst kon zijn. Overal boven den burg +stegen zwarte rookwolken in de hoogte, als wilde men den vijand +verwittigen dat men zich gereed hield om hem met kokend pik en olie te +begroeten. + +Terwijl de Kerels als eene uitdaging hun lied over de Markt deden +schallen, zagen de Fransche ridders en wapenknechten verwonderd op naar +deze handvol mannen, die zoo onbevreesd en vroolijk schenen, een +oogenblik zelfs voor hunne nederlaag en hunnen dood. Wat hun nog +onbegrijpelijker voorkwam, was de tegenwoordigheid boven de muren van +eenige hoogstaltige vrouwen, die lachend en dreigend hun onverstaanbare +scheldwoorden toeriepen. + +Eensklaps vertoonde zich bij den ingang der Steenstraat eene bende +ridders te paard, allen zeer rijk gekleed en overdekt met wapenrustingen +welke blonken van zilver en van goud. + +Deze ridders keerden den hoek om en reden voort langs de huizen der +Markt, buiten het bereik van der Kerlen pijlen. Zij waren eene lijfwacht +of eene voorhoede; want onmiddellijk achter hen kwam de koning van +Frankrijk, op een groot en sterk strijdpaard gezeten. + +Deze vorst, Lodewijk, bijgenaamd de dikke, was inderdaad zoo zwaarlijvig +en zoo vet, dat de aanschouwers verwonderd zich afvroegen hoe zulk +wanstaltig dik mensch wel te paard kon stijgen. Evenwel, ondanks zijne +zwaarlijvigheid, zag de koning er tamelijk rap en levendig uit, en +getuigden zijne gebaren en bewegingen niet van de minste loomheid. + +Nevens hem reed de nieuwe graaf Willem van Normandie, wiens jonkheid en +tengere leden hem nevens den Franschen vorst bijna als een kind deden +voorkomen. + +De koning, met zijn gevolg, begaf zich in de straten rondom den burg, +onderzocht met den blik de sterkte der wallen, verzekerde zich dat alles +doelmatig was bereid, gaf hier en daar nog eenige bevelen en keerde dan +terug op de Markt. + +Hier vergaderde hij de oversten der Vlaamsche en Fransche strijdmacht +rondom zich, sprak eene wijl met hen en zond ze dan terug, elk naar +zijne standplaats, om op het sein tot den algemeenen aanval te wachten. + +Eindelijk werd door den koning het bevel gegeven om den stormloop te +beginnen. De bazuinen en hoorns herhaalden tot in de verre straten hun +aanhitsend geschal.... + +Langs alle kanten van het gedeelte van den burg, dat nog in bezit der +Kerels was, werden de ladders gerecht en klommen ridders en +wapenknechten, door hunne beukelaars beschut, naar boven. + +Maar eer zij de kruin van den muur konden bereiken, waren zij of door +steenen verpletterd of door pijlen getroffen of door kokende olie +verbrand of door lange haken naar beneden geworpen. Hoevelen er ook +sneuvelden, hoe velen er met verbrijzelde of verzengde leden +nedervielen, hoe de gekwetsten en de dooden zich bij den voet van den +muur ook ophoopten, de moed en de woede der aanvallers verminderden +niet. Integendeel, de gedachte dat zoo weinig mannen weerstand konden +bieden aan twee legers, aan de bloem van Frankrijks krijgslieden, +strijdende onder de oogen des konings zelven, dreef hen tot razernij en +tot blinde strijdzucht. + +Ook verdrongen zij, om de ladders te kunnen beklimmen, elkander zoo +woest en zoo vurig, dat deze groote drift zelve hun schadelijk werd. Nu +zij beneden den muur als een zwoegende zwerm krielden, konden de Kerels +geenen pijl schieten, geen steenblok werpen, geene vlammende olie +storten, of zij troffen onder den dichten hoop en maakten slachtoffers +in verbazend getal. + +Na een half uur dezer geweldige bestorming lagen er honderden en +honderden dooden en gekwetsten rondom de wallen der proostdij en der +kerk. + +Het leger des konings, evenmin als het leger der Vlaamsche ridders +scheen eenig voordeel te hebben behaald. Wel hadden hier en daar +verscheidene ridders de kruin van den wal bereikt, en waren onder +daverende toejuichingen hunner makkers op den muur gesprongen; maar even +ras hadden de Kerels hen neergehakt of met hamerslagen hun den schedel +gebroken en tot antwoord hunne lijken naar beneden geslingerd. + +De Fransche oversten moedigden hunne mannen aan door hunne woorden en +door hun geroep, en deden hun begrijpen welke schande het zou zijn, +indien zij dezen strijd tegen eenen zoo zwakken vijand slechts eenige +oogenblikken moesten opgeven. + +Immer duurde de moorddadige bestorming voort, en immer sneuvelden +ridders en wapenknechten bij hoopen onder de muren, terwijl de Kerels al +strijdend zegekreten lieten hooren of met afgebrokene galmen deze verzen +van hun lied herhaalden: + + "Gi ridders, dwingers, maect u van cant, + Hier syn de Kerels van Vlanderlant! + Ja, Isegrims, hoedt u voor den Blauvoet + Of gi selt voelen wat sine clau doet!" + +Misschien wel zou de Fransche vorst, in aanzien van het groote verlies, +dat zijn leger onderstond, den storm hebben doen opschorsen, om andere +middelen te bedenken; maar nu geschiedde er in den burg zelve iets dat +de verdediging voor de Kerels schier onmogelijk moest maken. + +Terwijl er buiten de vesting zoo hevig werd gevochten, was een gedeelte +der Gentenaars met allerlei machtige gereedschappen in het paleis des +graven gegaan, om te beproeven of men den binnenmuur, tusschen dit +paleis en het klooster, niet zou kunnen doorboren of omverre werpen. + +Zij hadden den bedoelden muur zeer onsterk bevonden, en waren er +eindelijk in gelukt daar eene wijde opening te maken, die hun eenen +vrijen ingang gaf tot het klooster en de gebouwen die nog in bezit der +Kerels waren. + +Dewijl dezen boven de muren in eenen drukken strijd waren gewikkeld, +konden de Gentenaars, door een gedeelte der Fransche wapenknechtcn +gevolgd, in het klooster sluipen, zonder eenigen tegenstand te +ontmoeten. + +Toen zij in genoegzaam getal door den muur gedrongen waren, vertoonden +zij zich en begonnen "zege! zege!" te roepen. + +Het gezicht dezer nieuwe vijanden, binnen hunne vesting zelve, ontrukte +den Kerels eenen langen noodkreet, en velen liepen van den muur om, ware +het mogelijk, deze indringelingen te verpletten. + +Zij wierpen zich als woedende leeuwen op Gentenaars en Franschen, en +dreven ze inderdaad terug tot bij den uitgebroken muur; maar dewijl de +bestormers van buiten nu op den wal geene genoegzame tegenweer meer +vonden, gelukte het den Franschen ridders in groot getal boven den muur +te geraken en de Kerels naar beneden te stuwen. + +Welhaast zagen dezen zich langs alle kanten omringd door eene menigte +vijanden, wier getal zeer snel en ontzaglijk aangroeide; want nu kwamen, +zoowel van boven de wallen als door den uitgebroken muur, wolken +vijanden toegestroomd. + +Nog eenigen tijd verdedigden zich de Kerels met ontplooibaren moed, +slechts de eene kamer na de andere verlatende, totdat de kastelein +Hacket wel bemerkte dat het volstrekt onmogelijk was geworden het +klooster en de proostdij te behouden. + +Op zijn bevel staakten de overblijvende Kerels dit hopeloos gevecht en +weken op een gegeven teeken altezamen binnen de kerk, waarvan de groote +deur reeds van achter was bedamd. + +Hier viel Dakerlia haren verloofde aan den hals en juichte en dankte +God, dat Hij hen beiden in dit schrikkelijk en rampspoedig gevecht had +behouden. + +Maar Robrecht, door de overtuiging van het gevaar dat hen bedreigde, +schier gevoelloos voor hare blijdschap, maakte zich uit hare armen los +en riep tot de Kerels: + +"Stopt, verbalkt, bedamt de deur ... en dan naar boven, naar boven, op +den toren!" + +Zij verbalkten onmiddellijk de deur van het sakristijn, langswaar zij +binnengevlucht waren, en vulden zelfs dit laatste vertrek met steenen, +hout en aarde en met alles wat hun op dit hachelijk oogenblik onder de +hand viel. + +In de kerk hadden zij eenen grooten voorraad van eetwaren en bovenal van +wapens en werptuigen. Onmiddellijk deden zij van deze laatste geheele +vrachten naar boven dragen. + +Zoohaast zij zich zeker mochten achten, dat men niet meer van beneden in +den tempel kon dringen, klommen zij op naar de gaanderijen in den toren, +en begonnen van daar met nieuwe woede met pijlen te schieten en +steenbrokken te werpen, zoodat nog voortdurend velen hunner vijanden +werden doorboord of verpletterd. + +Intusschen hadden de Gentenaars met hunne gehuurde hulpbenden, en op hun +voorbeeld ook vele Franschen, de bestorming verlaten om de proostdij en +het klooster uit te plunderen. + +De ridders zagen, voor dien dag ten minst, geen middel om de kerk in te +nemen; want de toren was zoo hoog, dat geene der beschikbare ladders +zijne gaanderijen kon bereiken. En wat de muren der kerk betrof, deze +waren, volgens de gewoonte des tijds, gebouwd uit rotsbrokken, zoo dik +en zoo hecht, dat men ze niet dan na langen arbeid zou hebben kunnen +doorboren, zelfs dan wanneer de vijand niet door zijne werptuigen alle +nadering hadde belet. + +Dewijl er nog voortdurend vele ridders en wapenknechten nutteloos werden +gedood of gekwetst, boodschapte men den koning dezen nadeeligen +toestand; en de vorst gaf daarop bevel om de bestorming te staken. + +De Fransche benden verlieten de omgeving van den burg en trokken dieper +in de stad of naar de naastliggende dorpen, waar zij geherbergd waren. +Zoo deden insgelijks de Vlaamsche ridders en wapenlieden; er bleven in +en rondom den burg niet meer krijgsknechten dan er noodig geacht waren +tot het bewaken des vijands en het verdedigen der reeds ingenomene +gebouwen. + +Dan konden de Kerels met eenige bedaardheid hun verlies afmeten en +voorzorgen nemen tegen eenen nieuwen aanval. + +Zij bevonden dat zij ongeveer zestig man vermisten, er onder gerekend +een tiental gekwetsten, die beneden in de kerk onder eene zijbeuk lagen +en daar werden verpleegd. + +Na zulke lange bestorming en zulken geweldigen strijd binnen het +klooster, mocht dit verlies als gering aangezien worden; maar voor hen +was het echter zeer groot, dewijl zij hunne macht allengs zagen +wegsmelten en geen middel bezaten om ze te vernieuwen of te herstellen. + +Zij waren dus nog honderdveertig man. Alles wel berekend was dit getal +toereikend om de kerk van boven den toren nog lang te verdedigen. + +In deze overtuiging moedigden zij elkander tot onversaagdheid en tot +volharding aan. Zeker, het Kerlenleger zou hun te hulp komen; hun +heldhaftige tegenstand zou hun een eeuwigen roem en hunne vijanden eene +eeuwige schaamte zijn. + +Ondanks de trotsche woorden, door Robrecht, Hacket en Burchard hun +toegestuurd, lieten sommige Kerels in stomme somberheid het hoofd +hangen. Zij gevoelden wel dat hier schier geene hoop op verlossing meer +overbleef: de dood, de ijselijkste marteldood spookte voor hunne oogen. +Evenwel, na zulke angstige overweging kwam telkens hun mannelijk gemoed +in opstand tegen die opwelling der ingeborene levensliefde, en zij, +heviger nog dan de anderen, zwoeren, zonder wankelen tot den laatste toe +met het zwaard in de vuist te sterven. + +Na eene lange geheime beraadslaging besloten de oversten der Kerels +hunne middelen tot verdediging te berekenen, alsof men de benedenkerk +nog kon verliezen voordat hun hulp van buiten toekwam Dienvolgens zou +men de bovenkerk, dit is te zeggen de hooge gaanderij, die vroeger den +graaf tot hofkapelle had gediend, zooveel mogelijk versterken en er +eenen toereikenden voorraad van werptuigen en van levensmiddelen +verzamelen. + + +[Illustratie: ...mannen van vermoeidheid in slaap gevallen. (Bladz. +437.)] + + +In eenen hoek der kapelle bevond zich eene zeer nauwe deur, de eenige +langswaar men tot den toren kon opklimmen en, aangezien men allerlei +middelen tot verbalking en tot bedamming dezer deur en tevens der +kapeldeur ging bijbrengen, zouden de Kerels, zelfs indien zij bij elken +aanval de nederlaag kregen, nog drie bestormingen kunnen doorstaan +vooraleer geheel te bezwijken." + +Zoohaast de bevelen tot deze nieuwe werkzaamheden waren uitgedeeld, +begon mher Sneloghe te zorgen voor iets dat hem persoonlijk aan het hart +lag. Hij onderzocht de kapelle en de twee verdiepen van den toren, om +daar vertrekken of afgezonderde plaatsen te vinden, waar Dakerlia en de +vier of vijf vrouwen, die nog met de Kerels waren, konden wonen en +slapen. Deze plaatsen deed hij van beddegoed en van eenig huisraad +voorzien en daalde dan naar beneden, in gezelschap van Dakerlia, die hem +in deze toebereidsels immer was terzijde gebleven. + +Wel had Robrecbt meer dan eens zijne verloofde zijn diep verdriet +betuigd, omdat zij geweigerd had met den ouden Bertulf naar Kerlingaland +te vluchten. Hem deed het niets, dat zij dus in het nauw gebracht waren +en gevaar liepen van in de handen hunner wreede vijanden te vallen; maar +dat Dakerlia, zoo jong nog, blootgesteld bleef om dit akelig lot te +moeten deelen, die gedachte knaagde hem als een wreede worm aan het hart +en liet hem geene rust. + +Dakerlia betoonde slechts eenige treurnis, omdat Robrecht in al deze +bloedige gevechten kon gekwetst of gedood worden. Wat haar zelve betrof, +het was haar een geluk en eene bron van trotschheid met hem te mogen +blijven. Moesten zij bezwijken, zij zouden te zamen opklimmen tot God, +en zoo zou de dood zelf niet machtig genoeg zijn om te scheiden wat de +liefde had vereenigd. + +Hare woorden waren zoo vol geestdrift; er lag zulke ware blijdschap in +den toon harer stem, dat zij Robrecht eindelijk geheel troostte en hem +weder opvoerde tot helder vertrouwen en tot grenzenloozen moed. + +Toen zij in de kerk kwamen, vonden zij den kastelein Hacket omringd van +vele Kerels, die allen te gelijk spraken om hem van iets te overtuigen +waaraan hij geen geloof wilde hechten. + +Eenigen dergenen die vroeger in Brugge hadden gewoond bevestigden +namelijk dat, bij het terugwijken uit het klooster in de kerk, een +poorter met hen was binnengedrongen; dat zij, na de deur van het +sakristijn te hebben verbalkt, overal in de kerk en tot op den toren +hadden gezocht, doch den poorter niet meer hadden gevonden. Men mocht +niet twijfelen aan de waarheid hunner woorden: zij hadden den +indringeling herkend: het was niemand anders dan David Snoek, de bode +van het grauwwerkersgilde die in de gansche stad befaamd was als de +ronddrager van tijdingen en nieuwmaren. + +De kastelein, alhoewel hij weinig geloof of weinig belang aan deze +beweringen hechtte, gaf bevel om nog alle schuilhoeken te doorzoeken en +den poorter, indien men hem vond, ongehinderd in zijne tegenwoordigheid +te brengen. + +Hij meende zich naar den kant der kerk te richten, waar de gekwetsten +lagen; maar nu kwam een Kerel van den toren geloopen en deze riep met +luider stem en akelig kermend, dat men op den Maalberg bezig was met al +hunne gevangene broeders deerlijk te martelen en te vermoorden. + +Al degenen die niet als wachten beneden moesten blijven, liepen naar +boven. + +Zij zagen op de Markt, die men den Maalberg noemde en die zich tot aan +den muur van den burg uitstrekte, eenige benden wapenknechten geschikt, +en te midden dezer een vijftigtal Kerels, aan hunne lange baarden en +blauwe kleeding herkennelijk, die, met de handen op den rug gebonden, +door beulen, met uitgetogen slagzwaard, waren omringd, als om te worden +gehalsrecht. + +Inderdaad, reeds drie of vier verminkte lijken lagen daar in eenen plas +bloed, en de beulen stonden nevens de anderen gereed om op het minste +teeken toe te slaan. + +Nu evenwel scheen er eene opschorsing in het werk der beulen te zijn +gekomen; want reeds eene wijl hadden zij beweegloos gewacht. + +Daar bracht men nu twee ridders vooruit, en men sleurde en rukte ze met +baldadig geweld dichter naar den burg, opdat de Kerels beter zouden zien +wat hier ging geschieden. + +"O, hemel, Ingelram Van Eessen en Willem Van Wervick!" kreet Burchard +met angst, en voor de eerste maal, sedert den moord des graven, eenige +smart betuigende. "Mijne arme vrienden! Zulke dood!" + +"Eilaas, eilaas, God is rechtvaardig!" fluisterde Dakerlia aan Robrechts +oor. "Zijne straffende hand heeft zich uitgestrekt over de moordenaars +van graaf Karel!" + +Robrecht knikte bevestigend, doch slaakte eenen kreet van afgrijzen bij +het schrikkelijk schouwspel dat nu onder zijnen strakken blik aanvang +nam. + +Eerst hakten de beulen Ingelram en Willem de handen af, dan doorstaken +zij hunne lichamen met honderd kleine wonden, en martelden onmenschelijk +hunne slachtoffers, totdat zij eindelijk; gansch doorkerfd nedervielen +en hunne lijken onder de voeten van honderden wapenknechten werden +vertreden en verpletterd. + +De Kerels staarden van den toren in stommen angst op dit ijselijk +tooneel, en menigeen ontvielen tranen van medelijden. Burchard Knap +gromde met schorre stem en bulderde vermaledijdingen maar hij was bleek +en scheen te beven. + +Een wapenbode trad vooruit naar den burg en riep uit al zijne macht tot +de Kerels: + +"Ziedaar 's konings en 's graven gerechtigheid! Zoo en schrikkelijker +nog zult gij allen sterven, verwaten Blauwvoeten, die uwen wettigen +vorst hebt vermoord of den moordenaars hulp hebt gebracht. Geene genade +voor u: allen wacht zoo de schandelijkste marteldood!" + +Terwijl hij deze woorden verkondigde, hadden de beulen op den Maalberg +hun bloedig werk voortgezet en waren nu bezig met den gevangenen Kerels +de handen af te houwen en het hoofd in te slaan. + +Zoo zagen de Kerels, die op de gaanderijen van den toren stonden hunne +vijftig broeders, waaronder zij er velen herkenden, den een na den ander +ter dood brengen en, tot teeken van verachting met voeten trappen. + +Het verstroostte hen misschien een weinig te mogen bemerken dat ten +minste geen hunner eenen enkelen kreet of eene klacht slaakte; maar bij +het gezicht van dit groot getal lijken, door de wapenknechten zelven zoo +wreedelijk vertreden, konden zij hunne tranen niet wederhouden, en allen +beweenden zuchtend en kermend het akelige lot hunner arme gezellen. + +Zij bleven op den toren, totdat de lijken waren weggenomen en het +vertrek der wapenknechten hen kwam overtuigen, dat des konings wraak, +voor dien dag, bij gebrek aan slachtoffers was gestaakt. + +Nog weenden velen in stilte, zelfs toen zij reeds de gaanderijen des +torens hadden verlaten en ter kerke waren afgedaald. + +Hunne eigene smart onderdrukkende, deden de oversten vele moeite om het +neerslachtig gemoed hunner mannen weder op te beuren; maar welke +pogingen zij ook inspanden, van dit oogenblik af bleef onder de Kerels +eene sombere treurigheid heerschen. Velen hunner toch hadden eenen +vader, eenen broeder of eenen vriend zien martelen, en dit schouwspel +spookte als eene onverwinnelijke nachtmare voor hunne oogen. Wel +zwoeren zij daarom niet min onversaagd te zullen strijden, ja, zelfs +hunne dierbare dooden op den vijand te willen wreken; maar hun hart was +vervuld met deernis en verdriet, en hun ontsprongen tranen ondanks +hunnen wil. + +Zoo kwam eindelijk de nacht. De Kerels zaten hier en daar in de kapelle +of in de benedenkerk bij groepen ten gronde, rondom eenige ontstokene +kaarsen, en schouwden met somberen blik in de donkere ruimte der kerk of +spraken treurig van hunne doode vrienden. + +Mher Sneloghe en Dakerlia bevonden zich bij de gekwetsten; deze laatste +raadde en hielp de Kerlinnen in het verplegen der arme gezellen, die +door het zwaard des vijands waren getroffen geworden. + +Hacket, de kastelein, hield zich in de kapelle, waar hij een weinig +poogde te rusten. + +Wat Burchard Knap betreft, die zat waarschijnlijk, zooals naar gewoonte, +ergens in eenen duisteren hoek, alleen met zijn knagend geweten of in +gezelschap van eenigen zijner woeste Houtkerels. + +Het kon ongeveer tien uren zijn, en ondanks hunne ontsteltenis en +droefheid waren vele mannen van vermoeidheid in slaap gevallen toen +eensklaps achter den autaar, in de benedenkerk, een geraas van stemmen +zich liet hooren, alsof daar een twist opgerezen was. + +Het gerucht naderde onmiddellijk naar het midden der kerk, en vele +Kerels grepen hunne wapenen en liepen toe, om te vernemen wat er +geschiedde. + +Het was David Snoek, de bode van het grauwwerkersgilde, die, door de +nachtelijke stilte uitgelokt, zijne verborgene schuilplaats had +verlaten, in de hoop dat hij door de vlucht zou kunnen ontkomen; maar +eenig gerucht door hem gemaakt, had hem verraden. + +Men had hem aangegrepen en rukte hem nu vooruit, hem beschuldigende van +verraad en hem eenen onmiddellijken dood toezeggende. + +De arme man, die er zeer eenvoudig uitzag, beefde in al zijne leden en +smeekte met gevouwen handen om genade. + +Toen Robrecht Sneloghe hem genaderd was en hem vroeg met welk doel hij +binnen de kerk was gedrongen, stotterde David Snoek eenige verwarde +woorden, waaruit men niets kon begrijpen. Robrecht gebood den Kerels +hunne zwaarden in te steken en den man los te laten. Hij verzekerde deze +tevens dat, indien hij onschuldig was aan verraad, hem geen leed zou +gedaan worden. + +Dit stelde David Snoek eenigszins gerust. Dan kwam de spraak hem weder. + +"God zal u daarvoor zegenen, mher Sneloghe", zeide hij, "dat gij deernis +hebt met mij, ongelukkige. Gij weet het allen, heeren, die mij kent, dat +de arme David Snoek vroeger een goede vriend der Kerels was, en dat hij +in het schromelijk nachtgevecht nog met u tegen de Isegrims heeft +gestreden." + +"Nu, bloodaard, zoovele domme woorden niet!" gromde Burchard die +genaderd was. "Zeg, wat kwaamt gij hier doen? Ons bespieden, ons +verraden?" + +"Neen, neen, heeren, hoort mij aan zonder gramschap!" smeekte de +gevangene. "Hoe ik mij hier tusschen u bevind, dit weet ik, eilaas, zelf +niet wel. Toen men in de stad de mare verspreidde, dat het Fransch +leger, geholpen door de Gentenaars en door de poorters van Brugge, de +proostdij, het klooster en de kerk ging innemen, sprak iedereen van den +rijken buit welke men daar zou vinden. Ik, die arm ben, liet mij +verleiden door de hoop dat ik in de plundering wel een of ander voorwerp +van hooge waarde zou bekomen, en zoo drong ik met de Gentenaars in het +klooster. Wat er dan geschied is, draait mij als een molen in het hoofd. +De Kerels zijn gekomen en hebben ons teruggedreven, de Franschen zijn +gekomen en hebben ons weder vooruitgestuwd, en zoo in de hoogte gewoeld, +gekneusd, gepletterd, ben ik, zonder het te weten, binnen de kerk +gestooten. En dan, schier dood van schrik, ben ik achter den altaar +gevlucht en heb mij verborgen onder eenen hoop balken, welke daar in +verwarring opeengestapeld lagen. Dit is, heeren, de loutere waarheid. +Doet nu met mij naar uwen wil; maar wees mij toch barmhartig: want, wel +verre van u te verraden, zou ik, indien het mij mogelijk was, u willen +verlossen van den schrikkelijken dood die, eilaas, u bedreigt!" + +"De heer kastelein heeft bevolen den gevangene onmiddellijk in zijne +tegenwoordigheid te brengen", bemerkte een Kerel. + +"Welnu, doet hem geen leed en leidt hem naarboven in de kapelle." + +"In de kapelle? Ik?" riep David Snoek, eenen stap terugspringende "o, +mijn God, daar ligt het lijk van den graaf! Neen, neen, ik bid u, doodt +mij liever!" + +Hij beefde zoodanig en zulke diepe verschriktheid verried de holle toon +zijner stem, dat de Kerels gansch ontsteld hem aanzagen. + +"Meent gij dan dat de vervloekte Denemarker uit zijn graf zal opstaan om +u den nek te breken?" spotte Burchard Knap, tot groote ergernis zijner +gezellen. + +De gevangene knikte bevestigend, terwijl hij zuchtend een kruis maakte. + +"Maar wees duidelijk; wat wilt gij zeggen?" mompelden vele Kerels, door +zijne vreemde houding en eindelooze vervaardheid getroffen. + +"Ach, heeren", zeide David Snoek, de handen samenvoegende, "gij weet +niet wat er in de stad geschiedt. Het is ijselijk; en sedert ik het weet +durf ik des nachts niet meer slapen. Zou ik het u durven openbaren? Zult +gij niet tegen mij vergammen?" + +"Spreek, spreek!" riep men hem toe. + +"Welnu, de geest van graaf Karel waart alle nachten in de stad en spookt +in de Steenen waar de ridders geherbergd zijn, niet anders roepende dan +"wraak, wraak, wraak!" + +De Kerels luisterden met jagenden boezem; twee of drie slechts +beantwoordden deze openbaring met eenen spotlach. + +"Om Gods wil, lacht niet, heeren", hernam de gevangene; "wat ik zeg is +enkel waarheid. Nu twee dagen geleden, is de geest van Karel bij het bed +des konings verschenen en heeft zoo lang om wraak geroepen, totdat de +koning beloofd had al degenen ter dood te brengen, die tot zijnen moord +hebben geholpen. Den nacht daarna heeft de nieuwe graaf Willem van +Normandie het spook insgelijks bij zijn bed gezien en gehoord, en +dezelfde belofte gedaan Daarom heeft men heden u zoo geweldig bestormd, +en daarom ook heeft men heden de gevangene Kerels zoo onmenschelijk +gemarteld. De geest van graaf Karel heeft zelf die marteling der Kerels +van den nieuwen graaf geeischt." + +Toen hij dus zijne veropenbaring had geeindigd en door schijnbare +feiten bevestigd, sprak er niemand meer: al deze harde, moedige Kerels, +die weinig vatbaar waren voor vrees, zoolang het slechts stoffelijke +gevaren gold, beefden nu bij de bedreiging der wraak van een +ontstoffelijk wezen, aan welks verschijning hunne bijgeloovigheid hun +niet toeliet te twijfelen. + +Dat de onverzoende of onbevredigde geesten van vermoorde menschen op +aarde konden rondwaren, om wraak op hunne moordenaars te eischen, dit +was zoowel volgens de Christelijke als volgens de Heidensche begrippen +onbetwistbaar. + +Het verhaal van David Snoek kon waar zijn, ja, het moest waar zijn, +dachten zij, aangezien men bij het lijk van graaf Karel de vormen der +verzoening niet had in acht genomen, en zelfs de Christelijke +plechtigheden niet had vervuld. + +Na lang met klimmenden angst en benauwdheid deze erge zaak te hebben +overwogen, kwamen de meesten tot het besluit zich met den geest van +graaf Karel te verzoenen, om hem de vervolging tegen hen te doen staken. +Zij zouden dus, op het uur van middernacht dat nu aanstaande was, de +Heidensche plechtigheden vieren die men Dodsiras noemde. + +Daar Robrecht Sneloghe en eenige anderen zich tegen dit opzet +verklaarden en beweerden dat het beter was, volgens de gebruiken der +Kerk den nacht in gebeden voor de ziel van den doode door te brengen, +besliste men, dat elkeen te dier gelegenheid zou handelen volgens zijn +geloof en volgens de inspraak van zijn geweten. David Snoek zou bij de +gekwetsten blijven en aan hunne verzorging helpen tot morgen. Vond men +een middel om hem aan een touw af te laten, en wilde hij het wagen, men +zou hem oorlof geven om zich te redden. + +Op het uur van middernacht bood de kapelle een vreemd schouwspel aan. De +gansche beuk was verlicht met een zeker getal smokende lampen, die langs +de muren waren opgehangen. Rondom de steenen tafel der grafstede, waarin +het lijk van graaf Karel rustte, brandden vele kaarsen van geel was, die +men evenwel zoo had geschikt dat het benedeneinde der tafel, die zeer +lang en breed was, gansch vrij bleef. Aan het boveneinde stond een +kruisbeeld en een vat met wijwater, waarin een droge palmtak rustte. Uit +een koperen bekken walmden wierookgeuren op. + +Langs deze opperzijden hielden zich de kastelein Hacket, Robrecht +Sneloghe, Yorg Koevoet, Dakerlia Wulf en vele Kerels. + +Zij zaten met gebogen hoofd en gevouwen handen nevens het graf geknield +en baden in stilte, geen hoegenaamd deel nemende aan de Heidensche +plechtigheden, welke men aan het nedereinde der grafstede ging vieren. + +Hier hielden zich Burchard met de grootere helft der andere Kerels, die +meer vertrouwen schenen te hebben in de Heidensche gebruiken dan in de +Christelijke gebeden. + +Toen alles gereed was, brachten zij op de graftafel vele schotels met +spijzen: brood, koud vleesch, gedroogde visschen en gortebrij, en +stelden daarnevens eenige flesschen wijn en kruiken bier. Burchard Knap, +hier het ambt van priester of wichelaar vervullende, sprak eenige +woorden, die het inzicht der tegenwoordigen deden kennen, en noodigde +dan bij name de ziel van graaf Karel uit om het _doodenmaal_ bij te +wonen, dat ter harer eere werd gevierd. + +Hierop brak hij het brood, en gaf elken zijner makkers een stuk. Allen +begonnen te eten, en van alwat zij nuttigden, legden zij een brok of +eenen lepel vol op den steen der grafstede. + +Robrecht Sneloghe, van zijnen kant, doopte den palmtak in het wijwater, +en besprengde daarmede het oppereinde der tafel, met Dakerlia, zooveel +het hun mogelijk was, daarbij de gewone gebeden der Kerk murmelende. + +Het doodenmaal geeindigd zijne, schonk Burchard eerst bier in eenen +grooten hoorn, stortte daarvan een gedeelte op het graf en liet dan den +hoorn tusschen zijne mannen rondgaan, die elk opvolgend vooraleer de +lippen aan het vocht te brengen, luidop zeiden: + +"Met dit hoppebier drink ik de _doodenminne_ ter eere van Karel van +Denemarken." + +Deze plechtigheid werd ten tweeden male herhaald met den wijn. Ook +zegende Robrecht ten tweeden male de grafstede met wijwater. + +Ten laatste boog Burchard Knap zich over het graf en, terwijl hij den +steen met de lippen raakte, zeide hij: + +"Ik kus den _doodenzoen_ ter eere van Karel van Denemarken. Weze aldus +zijne schimme bevredigd, en verzake zij jegens mij aan vijandschap en +aan wraak!" + +Al zijne mannen kwamen beurtelings, onder het uitspreken derzelfde +woorden, dus eenen kus op de steenen tafel nederleggen. + +Ondertusschen besprengde Robrecht het graf voor de derde maal, schudde +het bekken met wierook rondom de tafel en murmelde op plechtigen toon: + +"Requiescat in pace!" + +De Christelijke doodendienst en de Heidensche Dodsisas waren beide ten +einde[80]. + +Men doofde de lichten uit, en, alsof de Kerels door deze plechtigheden +van hunnen angst verlost en gansch gerust van gemoed waren geworden, zij +gingen naar beneden om eene rustplaats te zoeken, of legden zich zelfs +rondom de grafstede neder. + +Een uur later waren zij allen ingeslapen, en hoorde men niets meer in de +kerk dan den eentonigen stap der schildwachten of eene stille klacht der +gekwetsten. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 79: Den Dinsdag 5 April, _aqua sapientia_, kwamen de koning en +de nieuwe graaf Willem te Brugge. + +GALB., p. 336] + +[Voetnoot 80: Allen waren afgemat, en terwijl de eenen de _dadsisa_ op +het graf van Karel vierden, hadden anderen, die de kracht van het bloed +der martelaars niet meer loochenden, eene toorts ter eere van Karel +ontstoken. KERVYN DE LETTENHOVE, I, 410. + +Over de beteekenis van dit woord _dadsisa_ raadpleegde ik mijnen +geleerden vriend prof. J. F. J. Heremans. Zijn brief daarover aan mij +geschreven schijnt mij belangrijk genoeg om hier te worden medegedeeld. + +"Waarde vriend. Het woord, waarover gij verleden Zondag inlichtingen +vroegt, luidt _dad-sisas,_ niet _dadsisa_. Het komt voor in het +_Indiculus superstitionem et paganiarum_ (uit de achtste eeuw): _de +sacrilegio super defunctos, id est dad-sisas._ Dit _dad_, dat gewoonlijk +in het Saksisch _dod_ wordt geschreven, is stellig ons _dood_, en +_sisas_ is de nominatief meervoud van _sisu._ Maar wat beteekent _sisu?_ +J. Grim vermoedt _kuil, graf._ Anderen verklaren het door _treurzang_. +Er bestaat in het oud-Hoogduitsch een woord _sisesang_, dat ook de +beteekenis heeft van _treurzang, doodenzang_. Ook de Angel-Saksen kenden +dit woord, dat ik zou verkiezen boven dodsisu, waarvan het laatste deel +toch steeds een raadsel blijft. Wil men J. Grimm gelooven, dan is +_dadsisu_ hetzelfde als _doodenkuil_ en komt het begrip van zang in die +samenstelling niet voor. In _sisesang_ is dit begrip stellig +voorhanden." Gent, 26 Januari 1870, J.W. HEREMANS.] + + + + +XXIII + + +De Kerels verwachten zich des anderen daags aan het voortzetten der +bestorming; ook stonden zij bij de eerste morgenschemering reeds +strijdvaardig, om de aanvallen des vijands met onverzwakten moed af te +weren of hem ten minste elken stap voorwaarts duur te doen betalen. + +Maar dien dag, en insgelijks de twee volgende dagen, werden zij niets +anders verontrust dan door pijlen, welke de wapenknechten nu en dan naar +den toren schoten, en die de schildwachten der Kerels verplichtten zich +achter de kanteelen verborgen te houden. + +Zij hadden door eenen hun toegeschoten brief de reden van deze +opschorsing der aanvallen tegen de kerk vernomen. De koning van +Frankrijk, wien waarschijnlijk was bericht geworden dat het Kerlenleger +Brugge naderde, was met het grootste gedeelte zijner heirkracht in de +richting naar Yperen getogen, om Willem Van Loo op te zoeken en hem den +veldslag aan te bieden. + +Het heil van Kerlingaland en de redding der belegerden hingen dus af van +het lot eener enkele worsteling! Bleef Willem Van Loo in dezen eersten +schok der beide legers overwinnaar, dan zou niets meer aan de dappere en +verbitterde Kerels kunnen wederstaan; zij zouden de Franschen dwingen +Vlaanderen te verlaten en zouden dan onmiddellijk zegevierend naar +Brugge komen afgezakt, de Isegrims verpletten of verstrooien en hunne +broeders verlossen, die zoolang reeds schier zonder hoop, doch met +onplooibaren heldenmoed zich tegen twee legers hadden verdedigd. + +Het bericht van des konings veldtocht in Kerlingaland had hun eenig +vertrouwen teruggeschonken. Dewijl men hun tevens had laten weten dat de +Isegrims waarschijnlijk gedurende de afwezigheid des konings geenen +ernstigen aanval tegen hen zouden beproeven, was hun de tijd gegund om +te rusten, ten einde weder krachten te verzamelen tot latere +worstelingen; maar zij lieten integendeel geen oogenblik voorbijgaan +zonder aan het scheppen van nieuwe verdedigingsmiddelen te arbeiden. + +In de vrees dat de Isegrims misschien zouden pogen de vensters der kerk +te beklimmen, bouwden zij achter elk venster eene poort van stelling, +waarop een tiental mannen de wacht konden houden, niet alleen om de +bewegingen des vijands te bewaken en zijne inzichten af te spieden, maar +tevens om den wapenknechten door het schieten van pijlen alle nadering +te beletten. + +Onder de vensters, op den vloer der kerk, legden zij vele balken, waarin +puntige houten, stalen pennen, zwaarden en moordpriemen bevestigd waren, +zoodat deze altezamen, als een gebosch van dreigende lansen, in de +hoogte staken en onfeilbaar elken ridder of wapenknecht, die door het +venster in de kerk wilde dalen, moesten doorboren. + +De buitenpoort des tempels was zeer zwaar. Om echter te beletten dat ze +door den beukram wierd ingeworpen, vulden de Kerels het nauwe +voorportaal tusschen de twee deuren geheel met steenen en met alle zware +voorwerpen, welke in hun bereik waren; ja, zij braken met dit inzicht in +den tempel zelven zekere binnenmuren uit, waarvan zij tevens de minst +zware steenblokken in de kapelle en op den toren droegen, om ook van +daar den vijand te kunnen treffen. + +Zij hadden, zonder ernstig te zijn gestoord geworden, aan deze +toebereidsels drie of vier dagen besteed, toen zij in den nacht van den +vijfden dag verontrust werden door een dof en verwijderd gerucht, als +het gebons van zware mokers en den scherpen slag van den hamer op +ijzeren keggen. + +Dit gerucht vernamen zij op de hoogte der kapelle, in de richting van +den gang, langs waar graaf Karel gewoon was geweest van zijn paleis ter +kerk te komen. + +Het scheen hun duidelijk dat men ergens, langs den kant van het +klooster, bezig was met pogingen te doen om eenen muur te doorboren en +zoo op de gaanderij der opperkerk hen aan te vallen. + +De kastelein Hacket en Robrecht Sneloghe deden al hunne beschikbare +mannen in de kapelle te zamen komen; en, terwijl zij immer de doffe +galmen van den geheimzinnigen arbeid des vijands afluisterden, hielden +zij zich gereed om hem duchtig te onthalen, indien hij er werkelijk in +gelukte eene opening in den muur te maken. + +Den ganschen nacht hoorden zij den slag der hamers. Het werk der +Isegrims moest evenwel zwaar en moeielijk zijn en scheen weinig te +vorderen; want het gerucht bleef even verwijderd en onduidelijk tot den +morgen, en hield dan geheel op. + +De Kerels meenden zelfs te mogen gelooven dat de vijand zijne poging had +opgegeven, en zij waren gereed, nu de eerste dag-klaarte zich vertoonde, +om beneden in de kerk hunnen arbeid tot verdediging te gaan hernemen, +toen een schildwacht van den toren daalde en hun kwam boodschappen dat +zwarte rookwolken tot hen opklommen en zij vreesden dat de vijand de +kerk aan brand gestoken had. + +De oversten der Kerels liepen op de torengaanderij, en keken bekommerd +naar beneden. + +Was het slaan der hamers eene list geweest om hunne aandacht af te +keeren, terwijl men langs eenen anderen kant de middelen tot eenen +aanval bereidde? Waarschijnlijk, want zij zagen nu dat men, gedurende +den nacht, voor de buitendeur der kerk, met dikke balken een soort van +dak had getimmerd, waarop de zwaarste steenbonken onmachtig afbotsten. +Daaronder hielden zich vele vijanden ongetwijfeld? Maar wat deden ze in +deze schuilplaats? En wat beduidde de rookwolk die kronkelend van daar +langs den toren opsteeg? De morgenschemering en de mistige lucht +beletteden de Kerels duidelijk te onderscheiden welk nieuw gevaar hen +bedreigde. + +Bij zijn vertrek had de koning van Frankrijk den veldheer Gervaas Van +Praet gelast de belegering voort te zetten, en de vaste hoop uitgedrukt +dat, eer eene week verloopen ware, alles te Brugge zou gedaan zijn en de +Vlamingen hem in Kerlingaland zouden komen vervoegen, indien de oorlog +daar niet met eenen enkelen slag wierd beslist en gesloten. + +Na zijne mannen eenige dagen te hebben laten rusten en den nieuwen +aanval rijpelijk te hebben berekend, had de veldheer de noodige bevelen +gegeven om de kerk van St-Donaas te bestormen en kost wat kost in te +nemen. + +Terwijl een gedeelte der Gentenaars zouden arbeiden, om dwars door +eenige muren de opperste gaanderij des tempels te bereiken, zou een +ander gedeelte, door de wapenknechten en ridders ondersteund beproeven +of men de groote buitenpoort niet bij middel van vuur zou kunnen +vernietigen, en dus eenen vrijen doorgang bekomen om de Kerels in de +kerk zelve aan te tasten. + +Om dit te bewerkstelligen, hadden zij in de duisternis de poort der kerk +met eene dikke laag vet en teer bedekt, en pik en harst en hout tot +eenen hoop er voor te zamen gedragen. + +Intusschen hadden zij hunne mannen in al de omliggende gebouwen +vergaderd en hun de noodige bevelen gegeven, om op het eerste sein de +kerk binnen te stormen. + +Nu de dag ging aanbreken, hadden zij het vuur aan de licht ontbrandbare +stoffen gestoken, en smeten nog immer, van uit hunne sterke +schuilplaats, olie en pik in den gloed, om de verterende vlammen te +voeden. + +Wel wierpen de Kerels van boven onophoudelijk zware steenbonken brandend +stroo en kokende olie op het dak; maar de dikke balken waaruit het was +samengesteld, en de versche ossenhuiden waarmede men het overdekt had, +verijdelden al hunne pogingen. + +Intusschen verslond het vuur de deur wel langzaam doch voortdurend en de +vlammen knaagden zoo onweerstaanbaar in het eikenhout, dat het, na een +uur tijds, gansch verkoold bij brokken nederviel, en de steenen en de +aarde ontdekte, waarmede de Kerels het voorportaal hadden opgevuld. + +Deze dam, geenen steun meer hebbende, rolde gedeeltelijk naar beneden; +en het overige was in korten tijd geheel weggeruimd door eene bende +Gentenaars, welke men tot dit einde had doen naderen. + +Dan bracht men in het voorportaal eenen draagbaren beukram, en begon +daarmede zoo hevig tegen de binnendeur in te loopen, dat de gansche kerk +er van dreunde. + +Dewijl het hout dezer deur niet dik was, kon zij niet lang aan het +geweldig bonzen wederstaan en viel welhaast verbrijzeld neder. + +De Gentenaars, die in het voorportaal stonden, zonden eenen schallenden +zegekreet in de hoogte en sprongen de kerk in; maar het gejuich was van +korten duur. Daar stonden een honderdtal Kerels gereed om hen te +onthalen, en nauwelijks hadden deze roekelooze Gentenaars hun zwaard +kunnen verheffen, of zij lagen allen met gekloofd hoofd of afgehakte +leden op den vloer. + +Nu galmden de bazuinen op het plein van den burg, en een zwerm vijanden +liep uit al de omliggende gebouwen naar de kerk om de Kerels te +verpletten. Zij vervulden de lucht met vroolijk krijgsgeschreeuw, en +meenden als een onweerstaanbare vloed de kerk binnen te stormen; maar, +hoe zij ook elkander verdrongen en vooruitstuwden, zij werden in hunne +woeste vaart gestuit door den hardnekkigen tegenstand der Kerels, die +als een ondoordringbare muur den nauwen ingang afsloten en alles +nederhakten wat hen naderde. + +Na eene wijl lag het voorportaal vol lijken, en vloeide het bloed in +beken onder de voeten der aanvallers. + +Zij, die nog op het plein zich bevonden en poogden vooruit te dringen, +wisten niet hoevelen hunner makkers in deze enge plaats reeds het leven +hadden verloren. Zij juichten, hitsten elkander aan en deden niets dan +roepen: + +"Vooruit! Vooruit! Zege! Zege!" + +Hun onweerstaanbaar gedrang had dan eindelijk voor gevolg dat de Kerels, +hoe schrikkelijk zij ook onder de Isegrims hakten, voor den druk der +aanvallers moesten wijken en dus gedwongen werden hunnen vijand den +vrijen doorgang te bieden. + +Zij hadden alles voorzien en de kansen hunner verdediging sedert lang +berekend. Nu deinsden zij door eene eenparige beweging als op een geheim +bevel, tot onder de zijbeuk der kerk, met den rug tegen de deur van den +nauwen trap, langswaar men tot de kapelle opklom. Zij zouden dus dezen +weg naar de opperkerk zoolang mogelijk verdedigen en, moesten zij den +strijd opgeven, langs daar de gaanderij bereiken, waar zij nieuwe +middelen tot wederstand moesten vinden. + +Ridders en wapenknechten waren nu, onder het aanheffen van triumfkreten +en wraakgeroep, den tempel binnengestroomd; en wie plaats kon vinden om +de Kerels te naderen, had hen met woede aangevallen. + +Het ging er lijf om lijf; men zag hier en daar zelfs Kerels en +Isegrims, door het gedrang belet hun zwaard te nemen, elkander +aangrijpen en, ten gronde rollende, ijselijke pogingen doen om hunnen +vijand te versmachten, totdat ze beiden werden verpletterd of doorboord. + +Dewijl de Kerels in eenen dichten hoop stonden en van alle kanten eene +heldhaftige tegenweer boden, was het den aanvallers niet mogelijk hunne +gelederen te breken. Nog een ander en even groot voordeel had voor hen +deze wijze van strijden; want zoo beletteden zij het grootste gedeelte +der Isegrims werkelijk aan de worsteling deel te nemen. + +Dit schromelijk gevecht in de kerk duurde bijna een half uur voort, met +immer klimmende woede en wreedheid. De vloer des tempels lag bezaaid met +honderden lijken, en de strijdenden plasten hier en daar tot aan de +knoesels in het gestorte bloed[81]. + +Bij dezen onverwachten tegenstand en bij het gezicht van zulk verlies +aan dooden en gekwetsten, huilden ridders en wapenknechten van razernij +en wraakzucht, en drongen telkens met nieuwe drift elkander naar den +hardnekkigen vijand vooruit. + +Hoe de Kerels ook de Isegrims bij hoopen nedervelden, zij zelven zagen +insgelijks velen hunner gezellen onder de slagen des vijands bezwijken, +en hun getal was eindelijk zoozeer verminderd dat men niet kon twijfelen +of zij zouden welhaast geheel worden verpletterd. + +Op een bevel van den kastelein Hacket weken zij langzaam en even moedig +strijdend naar den trap der gaanderij, sprongen allen te gelijk naar +boven en wierpen de trapdeur toe. + +Terwijl eenigen hunner, die men op voorhand had aangewezen, den ganschen +trap opvulden en verstopten met daartoe gereedgelegde steenen en zakken +aarde, liepen de anderen naar de kapelle. + +Hier op de verhevene gaanderij staande, begonnen zij in den dichten +drom hunner vijanden zoodanig met steenbonken te werpen, met pijlen te +schieten en met kokende olie, die de Kerlinnen hadden bereid, in het +ronde te gieten, dat de Isegrims binnen eene korte wijle tijds meer +hunner makkers zagen vallen dan zij er gedurende de lange en bloedige +worsteling hadden verloren. De plaats was voor hen niet langer te +behouden, wilden zij zich niet nutteloos aan eene geheele verdelging +blootstellen. + +Een bazuingalm riep hen terug onder de tegenoverstaande zijbeuk der +kerk, waar de werptuigen hunner vijanden hen niet konden bereiken. + +Intusschen bleven de Kerels boven de gaanderij waakzaam om alwie zich +langs dien kant der kerk dorst wagen neer te schieten of te +verpletteren; maar de Isegrims hielden zich schuil onder de zijbeuk en +schenen daar onder elkander over iets te raadplegen. + +Dakerlia kwam met uitgestrekte armen tot Robrecht geloopen en juichte +over zijne behoudenis; maar een grievende angstschreeuw ontvloog de +ontstelde jonkvrouw, toen haar verloofde, stom en met eenen traan in de +oogen, den vinger naar de benedenkerk richtte en daar op een lijk wees +dat met verpletterd hoofd ten gronde lag uitgestrekt. + +"Wee, wee, Yorg Koevoet!" zuchtte Dakerlia. "Hij heeft Kerlingaland, hij +heeft onze vrijheid zijne heldenbloed gegeven! De goede God weze zijne +arme ziel genadig!" + +Robrecht durfde nauwelijks in de kapelle rondzien; want zeker, vele +vrienden vermisten zij, en de berekening van hun verlies zou hen met +eene eindelooze droefheid slaan. De kastelein was aan het hoofd gekwetst +en verzekerde nu glimlachend zijnen makkers dat zijne wonde slechts +oppervlakkig en niet erg was. + +Eensklaps traden van onder de zijbeuk een bazuinblazer en een wapenbode +vooruit. Deze laatste stelde den Kerels eenen wapenstilstand tot den +avond voor, om de gekwetsten te kunnen oprapen en de dooden buiten de +kerk te voeren. Hij beloofde hun, in naam van sher Baudewijn Van Aelst, +die als overste hier gebood, dat men, zoolang de dag duurde, geene de +minste daad van vijandelijkheid tegen hen zou plegen. + +De Kerels gaven hunne toestemming, op voorwaarde dat slechts eenige +wapenknechten vrij door de kerk zouden mogen gaan om de lijken weg te +nemen. Al de anderen zouden onder de zijbeuk blijven of, wilden zij de +kerk verlaten, nevens den muur naar de poort stappen. Wie langs de +zijde, waarboven de kapelle was, zich waagde, zou oogenblikkelijk van +boven worden nedergeschoten of met steenen verpletterd. + +Deze overeenkomst aldus gesloten en aanvaard zijnde, begonnen de +Isegrims hun werk, en voerden dooden en gekwetsten buiten den tempel. + +Zich in het geheel niet op de beloften hunner vijanden betrouwende, +hielden de Kerels nauwe wacht op hun gaan en komen en bleven den +ganschen dag gereed om allen aanval af te slaan, intusschen immer +werkzaam om op de gaanderij allerlei werptuig bijeen te dragen. + +Toen de avond was gevallen, zaten zij bijna allen te zamen in de +kapelle, waar eenige lampen brandden, of lagen hier en daar, in hoeken +of op banken, worstelende tegen den slaaplust en denkend aan den +noodlottigen strijd van dien rampspoedigen dag. + +Zij hadden hunne overblijvende mannen geteld. Eilaas, meer dan de helft +hunner trouwe makkers hadden den dood in de bloedige worsteling +gevonden! Van de vijfhonderd Kerels en poorters die met hen de +verdediging van den burg hadden begonnen, leefden er nog zeventig! + +De kastelein Hacket was zeer bleek ten gevolge van het bloed dat hij had +verloren, en scheen afgemat en mismoedig. + +Burchard Knap zat met het hoofd op de handen in eenen halfduisteren hoek +en bulderde schrikkelijke vermaledijdingen tegen Willem Van Loo en tegen +de Kerels, die hun niet ter hulp kwamen, maar bovenal tegen Disdir Vos, +den verrader, zonder wiens hulp de vijand nooit binnen Brugge zou +geraakt zijn. Hij zwoer bij duren eede dat, indien hij ooit zijne +vrijheid terugbekwam, hij geene rust zou genieten voordat hij Disdir Vos +het valsche hart uit den boezem hadde gerukt. + +Terwijl hij dus in zich zelven morde en gromde, wierp hij sombere +blikken in het ronde, als waande hij in zijne makkers zelven vijanden te +zien. En waarlijk, daarin bedroog hij zich niet geheel; want buiten +eenige Houtkerels beschouwden allen hem in hun gemoed als de oorzaak der +ongelukken die hen zelven en Kerlingaland bedreigden. + +Robrecht Sneloghe alleen poogde door zijne woorden den Kerels nog +vertrouwen op redding in te boezemen. De veldslag tusschen den koning +van Frankrijk en Willem Van Loo moest nu geleverd zijn of ging geleverd +worden. Niet van hunne verdediging te dezer plaatse hing hun lot af; +maar van dien beslissenden strijd in het open veld. Alle uren konden zij +de zegepraal van het groote Kerlenleger vernemen, en die zegepraal moest +ook het einde zijn van hunne gevaren en van hun lijden. + +Zoo bleven degenen, die niet onder de vermoeidheid en onder den +slapensnood bezweken, elkander troosten en aanmoedigen tot diep in den +nacht. + +Dan hoorden zij eensklaps eene stem die van buiten de gaanderij tot hen +scheen te komen en op versmachten toon hun toeriep: + +"Storm op zee! Stil, stil, ik ben een vriend, een Blauwvoet!" + +Robrecht deed zijnen makkers een teeken dat zij beweegloos zouden +blijven. + +Hij zag een menschenhoofd boven de gaanderij opdagen. + +"Hemel!" mompelde hij, "bedriegen mij mijne oogen? Ivo-de-wolvenjager! +Zonder baard? Gekleed als een wapenknecht?..." + +Ivo legde zich den vinger op den mond en stapte over de leuning der +gaanderij. + +Terwijl de Kerels hem met verbaasdheid bezagen, trok hij met dezelfde +geheimzinnige stilte eene lichte ladder in de hoogte en legde ze ten +gronde. + +Dan liet hij zich op eene bank nedervallen en zeide op treurigen toon: + +"Vrienden, laat mij ademscheppen.... Ik heb mij als een wapenknecht +verkleed en vele gevaren getrotst om tot u te komen. Ach, mijne arme +gezellen, ik vervul eenen droeven plicht.... Ik ben een ongeluksbode.... +De oude Bertulf de proost is dood...." + +"Dood! De proost van St-Donaas?" kreten allen te gelijk door eenen +plotselijken angst aangegrepen. + +"Ja, dood; gemarteld, ijselijk gemarteld!" + +Degenen die in de verre hoeken zaten, naderden den bode; men wekte zelfs +de slapenden, en allen omringden Ivo-den-wolvenjager en overlaadden hem +met vragen. Hacket stortte tranen over zijnen ongelukkigen broeder, +Robrecht beweende zijnen oom; bleek en met kloppend hart hielden zij de +oogen gericht op Ivo-den-wolvenjager, die zijne verklaring aanving en ze +met eenige onderbrekingen dus voortzette: + +"Wij zijn door Walter Van Lillers behouden buiten de stad geleid, en +ondernamen met moed en met vertrouwen onze lange reis door de +nachtelijke duisternis. De oude proost, die niet gewoon was te voet te +gaan en elk oogenblik struikelde, bezeerde zich dikwijls en begon al +spoedig van vermoeidheid te klagen. Wij mochten echter niet rusten; +want, bereikten wij voor den morgenstond het leger der Kerels niet, dan +liepen wij groot gevaar van in handen der Fransche krijgsknechten te +vallen. Ik ondersteunde den heer proost zooveel ik kon, ja, droeg hem, +om zoo te zeggen, gedurende de twee laatste uren, want zijne voeten +waren gewond en bloedend.... Toen de eerste dagschemering zich aan den +hemel begon te vertoonen, verlieten wij de baan omtrent Roozebeke, en +traden op eene hofstede waar een goed vriend van mij woont. Zeker, de +man zou naar het leger zich begeven hebben; hij is een onversaagde +Kerel, een verkleefde Blauwvoet, die vurig wenschte zijn bloed voor de +verdediging onzer vrijheid te mogen vergieten; maar zijne vrouw en +kinderen zouden op de hofstede zijn. Daar zou de heer proost kunnen +rusten en eenig voedsel tot versterking gebruiken. Tot mijne groote +verwondering vond ik den Kerel te huis. Toen ik hem zeide dat mijn oude +gezel niemand anders was dan de proost van St-Donaas te Brugge, deinsde +de Kerel met eene grijns van gramschap en misprijzen terug en mompelde: +"Een Erembald, een moordenaar, een verrader van Kerlingaland!"--Door +goede woorden wekte ik zijn medelijden op en bracht hem tot bedaren. +Terwijl de proost, door dit slecht onthaal mismoedig, wat brood en melk +poogde te nuttigen, vernam ik over den toestand der zaken in +Kerlingaland zeer bedroevende dingen. De tijding van den moord des +graven heeft de tweespalt tusschen de Ambachten gezaaid, waarvan velen +geweigerd hebben te wapen te komen, om de verantwoordelijkheid der +misdaad zelfs niet in schijn te aanvaarden. Men beschuldigt algemeen de +Erembalds van Brugge onze vrijheid en Kerlingaland te hebben verraden; +want door den moord hebben zij de beslissingen, die in den Hoop te +Veurne genomen waren, onuitvoerbaar gemaakt en op voorhand +verijdeld.--Het zijn de woorden van mijnen vriend.--In de Ambachten +zelve, die hunne mannen ter beschikking van Willem Van Loo hebben +gesteld, zijn vele Kerels te huis gebleven; en zij, die opgetrokken zijn +en zich in het leger bevinden, vermaledijden niet min de Erembalds als +de oorzaak van 's lands ongeluk." + +"Door elkeen gehaat, door de gansche wereld vervloekt als laffe +moordenaars!" zuchtte Robrecht. + +"Ga voort, laat al dien praat van bloode lieden achter en zeg ons wat +mijnen oom den proost is geschied!" gromde Burchard Knap met beklemde +woede. + +De anderen, zeer ontsteld en nieuwsgierig om het einde dezer verklaring +te hooren, luisterden in stilte. + +Ivo-de-wolvenjager hernam: + +"De woorden van mijnen vriend deden ons twijfelen aan den goeden uitslag +onzer zending. Er was echter niet te aarzelen, en alhoewel de arme heer +proost schier niet meer kon gaan, wilde hij toch de pijnlijke reis +voortzetten.--Wij geraakten, met overspanning onzer krachten, eindelijk +in den morgen te Zonnebeke. De heer proost kon niet verder en viel daar +in eene herberg bijna machteloos op eene banke neder. Al de paarden, +karren en voertuigen der omstreken waren in het leger, dat binnen en +rondom Yperen zich bevond. Ik besloot dan alleen naar deze stad te gaan, +om mher Willem de komst van den proost bekend te maken en hem te +verzoeken mij een rijtuig te doen geven om hem naar Yperen te doen +voeren. Ik volbracht mijne boodschap. Een wagen, door een twintigtal +Kerels, met eenen overste vergezeld, volgden mij naar Zonnebeke.--Daar +vielen de Kerels op mij en ontrukten mij mijn zwaard. Terwijl men mij +vasthield om mij alle beweging onmogelijk te maken, greep men, onder het +bulderen van allerlei smaadwoorden, den ouden proost aan, bond hem de +armen op den rug en smeet hem barschelijk op den wagen. De zweep werd op +de paarden gelegd, en wij vertrokken naar Yperen. Mij had men insgelijks +gebonden; maar de overste, die mij goed kende, zeide mij dat men mij van +niets beschuldigde. Indien ik mijn woord wilde geven dat ik mij zou +stilhouden en niet pogen te ontvluchten, zou men mij zonder banden den +gevangen proost laten vergezellen. Ik aanvaardde.--Toen wij Yperen +gingen naderen, vonden wij, zelfs buiten de stad, eene menigte poorters +en Kerels, die nevens de baan op ons schenen te wachten. Ach, hoe zal ik +het u zeggen, wat den armen proost daar en tot op de Markt van Yperen +wedervoer? Eerst overlaadde men hem met vermaledijdingen en riep men +onophoudelijk, zoo luid en zoo woedend, dat het over de velden +hergalmde: "Ter dood, ter dood, de laffe moordenaar! Versmoort hem in +het slijk, den verrader van Kerlingaland!"--Bij de poort der stad rukte +de razende menigte den proost van den wagen en dwong hem te voet te +gaan. Dan begon men hem met modder en met steenen te werpen ..." + +Een gemor van ijzing en angst vervulde de kapelle; de kastelein Hacket, +door het akelig lot zijns broeders verpletterd, had het hoofd gebogen en +de handen voor de oogen gelegd. Robrecht en Dakerlia hielden hunne +strakke blikken op Burchard gevestigd en schenen hem te verwijten dat +hij de schuld was van Bertulfs ongeluk. + +Zoo ontsteld en aangegrepen door het verhaal van Ivo, hoorden de Kerels +niet dat de doffe hamerslagen, naar de zijde van het klooster, weder +waren hervat. Misschien meenden zij het gevaar dezer poging niet nabij +genoeg, om er nu eene bijzondere acht op te slaan. + +De wolvenjager ging voort: + +"De proost, alhoewel ziek en uitgeput, stapte met opgeheven hoofd +tusschen den razenden volkshoop; hij had, zooveel zijne banden het hem +toelieten, de handen samengevoegd en scheen te bidden. Wij kwamen te +midden der Markt, en vonden daar Willem Van Loo met de oversten der +Kerels. Mher Willem verweet den proost met hevige gramschap, dat hij tot +den moord van graaf Karel had geholpen, en door deze afschuwelijke daad +der Kerlen macht had gebroken. De proost beschuldigde integendeel mher +Willem en beweerde dat hij zelf aan zijnen neef Burchard bevel had +gegeven om Karel van Denemarken te dooden. Mher Willem loochende en +zwoer dat hij niets er van had geweten; maar dewijl de proost zijn +gezegde staan hield en de waarheid er van poogde te bewijzen, werd mher +Willem zoo woedend, dat hij luidop bevel gaf om den ouden proost ter +dood te brengen ... Mocht ik hier mijne openbaring eindigen! Mijn hart +beeft en mij spookt nog het ijselijk schouwspel voor de oogen ... Op een +kruis genageld, met ijzeren tangen verscheurd, door de menigte met +modder overdekt, gehoond, bespot, vermaledijd, de oogen tot God en voor +zijne beulen biddend ... zoo is de oude proost van St-Donaas +gestorven[82] ." + +Ivo-de-wolvenjager borst in tranen. Er bleef gedurende eene wijl eene +doodsche stilte heerschen, zoo diep waren allen onder schrik en +droefheid neergedrukt. + +"Ach, Burchard, ongelukkige, wat hebt gij gedaan!" riep de kastelein. +"Gij zijt niet alleen de schuld van mijns broeders gruwelijken dood, +maar tevens van het verderf uws vaderlands! Geheel uw geslacht zal +vernietigd worden tot straf uwer misdaad. Waarom zeidet zij ons dat mher +Willem u had bevolen den graaf te dooden?" + +"Willem Van Loo is een snoodaard; hij liegt!" schreeuwde Burchard. "Hij +was de eerste wien het ontwerp werd bekend gemaakt, en hij heeft het +goedgekeurd. Is hij nu valsch genoeg om het pak zich van de schouders te +schudden, ik veracht hem als een lafaard die hij is. Men beticht mij de +zaak van Kerlingaland te hebben verdorven? Het is belachelijk! Neen, wie +onze vijand heeft vermoord, wie ons machteloos ten prooi der Isegrims +heeft geleverd, is niemand dan de proost Bertulf zelf ..." + +"O, mijn God, dat gaat te verre! Zijnen armen oom, zijn slachtoffer +hoonen tot in het graf!" galmde Robrecht, de verkrampte vuist tot +Burchard vooruitstekende. + +"Ha, ik vrees uwe bedreigingen niet!" zeide deze. "Het zijn de +toegevingen, de aarzelingen, de vreesachtigheid, de traagheid van den +proost, die de zaak van Kerlingaland hebben verloren." + +"Neen", kreet Robrecht, "gij alleen hebt ons verraden; gij alleen hebt +onze vrijheid en ons vaderland vermoord. Indien de gansche wereld ons +vermaledijdt, dan is het omdat gij uwe misdadige handen in het bloed van +graaf Karel hebt gedoopt. Ha, ha, zeg wat gij wilt, maar op uw graf +kleeft nog na vele eeuwen Vlaanderens onuitwischbare vloek!... Laffe, +valsche moordenaar!" + +Burchard had zijn zwaard opgeheven en riep bulderend dat hij mher +Sneloghe het hoofd wilde klooven. Robrecht, niet min door woede +ontsteld, wilde insgelijks met uitgetogen wapen naar Burchard springen. +Beiden, door hunne verschrikte gezellen met geweld wederhouden, +worstelden om elkander te kunnen naderen. Maar op dit oogenblik hoorden +zij achter den autaar der kapelle een bonzend gerucht als van eenen hoop +nederrollende steenen, en onmiddellijk daarop den korten toon van eenen +hoorn, die door de donkere kerk weergalmde. + +"Harop, harop! De vijand, de vijand!" schreeuwden de Kerels, terwijl +zij, alles vergetend, naar den autaar vooruitsprongen om hun leven te +verdedigen. + +Hier begon alweder eene bloedige worsteling. De Gentenaars waren door +den uitgebroken muur in groot getal binnen de kapel gedrongen, en onder +een luid krijgsgeschreeuw vielen zij de verraste Kerels met groote woede +aan. Zij bekochten echter hunne vermetelheid zeer duur: want de eersten +werden onmiddellijk neergehakt en degenen die na hen in de nauwe opening +zich vertoonden smaakten den dood vooraleer zij den voet op den vloer +der kapelle konden zetten. + +Gewis, de Kerels zouden het hier zeer lang volgehouden hebben en +misschien des vijands poging geheel verijdeld; want, daar de Gentenaars +door eene lange gang moesten komen om tot hen te naderen, was het hun +gemakkelijk ze allen opvolgend te verpletten Maar terwijl zij door dit +gevecht naar de andere zijde der kapel waren gelokt, kwamen de ridders +en wapenknechten in de kerk met lichte ladders toegeloopen, en beklommen +zonder eenig beletsel te ontmoeten de gaanderij. + +Onder het aanheffen van zegevierend krijgsgeschreeuw vielen zij in +groote menigte de Kerels van achter op het lijf; en dezen, dus geheel +ingesloten, moesten onfeilbaar in korten tijd bezwijken. Nog eene wijl +hielden zij het vol en weerden zich met leeuwenmoed, den vloer bezaaiend +met de verminkte lichamen hunner vijanden en met hunne eigene lijken, +totdat de overblijvenden, hun klein getal bemerkende, alle hoop opgaven, +immer strijdend naar eenen kleinen trap weken en hun heil op den toren +zochten[83]. + +Dewijl zij ook de mogelijkheid zulker vlucht hadden berekend, en op +voorhand de middelen tot redding hadden bereid, was de toegang naarboven +in een oogenblik verbalkt en de enge trap met steenbonken opgevuld. + + +[Illustratie: "Ha, ik vrees uwe bedreiging niet!" (Bladz. 453.)] + + +Toen zij op de gaanderij van den toren kwamen en elkander met wanhoop +riepen, bevonden zij dat zij slechts nog veertig in getal waren; +zevenendertig man en drie vrouwen! + +De kastelein Hacket was niet meer met hen! + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 81: "In de kerk vocht men met de hevigste vurigheid, en bij +den toren was er zulke groote bloedstorting en menschenslachting, dat ik +het niet zou kunnen beschrijven, noch het getal uitdrukken dergenen die +werden gedood of gewond." + +GALB., p. 380.] + +[Voetnoot 82: Zie het verhaal van Bertulfs schrikkelijke folteringen en +dood, op bevel van Willem Van Loo, bij GALBERTUS, p. 341.] + +[Voetnoot 83: Volgens GALBERTUS (p. 353) werden de Kerels den 14 April, +na een bloedig gevecht, uit de opperkerk op den toren gedreven.] + + + + +XXIV + + +Er gloeide in Robrechts hart een diepe haat tegen den moordenaar +Burchard, die, wel zeker de oorzaak van al hunne ongelukken zijnde, +echter boos genoeg was geweest om de schuld op zijnen armen oom Bertulf +te leggen en hem zelfs na zijnen ijselijken marteldood nog te hoonen. + +Van zijnen kant, was Burchard zoo verbolgen dat hij geenen blik op mher +Sneloghe of op Dakerlia kon werpen, of hij sidderde van woede en +wraakzucht. + +Zij hadden op den toren nog hevige verwijten en uitdagingen gewisseld; +maar de krachtdadige tusschenkomst hunner gezellen en de zekerheid dat +zij bij het eerste morgenlicht weder zouden worden aangevallen, brachten +hen, in schijn ten minste, tot bedaren. + +Te zamen konden zij evenwel niet blijven; want bij het minste woord +zouden zij elkander aan het lijf willen, en dan werden de Kerels +blootgesteld aan het gevaar van elkander in eenen gruwelijken +broederstrijd te vernielen. + +Het verlies van den kastelein liet de Kerels zonder opperhoofd. Wie zou +nu over hen gebieden? Robrecht? Burchard? Geen van beiden zou de bevelen +van den anderen aanvaarden. Ja, zij konden elkander niet meer naderen +zonder in gramschap te ontvlammen. + +Toen de dag reeds lang was aangebroken en men geene beweging onder de +vijanden opmerkte, brachten de algemene vermoeidheid en de nood tot +rusten, als van zelf de oplossing van het lastig raadsel. + +Op den toren der kerk waren twee gaanderijen. De laagste was groot en +breed; de opperste, die wel vijftig voet boven de eerste was verheven, +had eenen minderen omvang. Zoo was insgelijks het binnenste van den +toren in twee verdiepen gedeeld, welke ruimte genoeg aanboden om zoo +weinig menschen tot woning te verstrekken. + +Burchard, met een twaalftal Houtkerels, die uit plichtgevoel hem nog +bijbleven, klom naarboven en nam bezit van de opperste gaanderij. Hij +zou tot de verdediging medewerken zonder echter iemands bevel te +erkennen. + +Opmerkelijk was het,--en Burchard bevond het nu met spijt en +schrik,---dat van al de Houtkerels die op den morgen van den moord met +hem in de kerk geslopen waren, geen enkele meer op den toren was. Allen +waren gesneuveld of gevangen. + +De overige mannen bleven met Robrecht op de groote gaanderij waar zij, +binnen den toren, in allernaast met planken en tapijten eene soort van +kamer timmerden, om den drie vrouwen eene behoorlijke slaapstede te +bezorgen. + +Na langs de vier zijden des torens schildwachten te hebben gezet, met +den last bij den minsten schijn van aanval hen door den Harop-kreet te +wekken, gingen de overige Kerels binnen den toren en legden, zoo zij +best konden, zich hier of daar ter rust. + +Van de hoogte waarop zij stonden zagen de schildwachten over de gansche +stad heen en niets van alwat op de Markt, op den Maalberg of in de +naastbijgelegene straten gebeurde, kon hunne aandacht ontsnappen. + +Wel bespeurden zij dien ganschen morgen eene groote beweging van +poorters en wapenknechten in de stad; maar dezen volgden allen de +richting naar St-Salvators, alsof zij daar eenen plechtigen kerkdienst +gingen bijwonen. + +Een weinig voor elf uur werd hun de reden dier beweging verklaard + +Uit de kerk stroomde alsdan een groote toevloed van lieden, die de +Steenstraat geheel overdekte en langzaam naar de Markt vooruitkwam. Hij +was samengesteld uit ridders, poorters en wapenknechten klaarblijkend +niet op vijandelijkheden bedacht, aangezien zij met elkander waren +vermengd en nu pogingen deden om zich in eenen stoet te schikken. + +Na eene wijl traden uit de kerk een groot getal priesters, diakens en +zangers, met vanen, standaarden en wierookvaten. Dezen stelden zich aan +het hoofd van den stoet en gaven, door het aanheffen van een treurigen +lijkzang, het sein tot den optocht. + +In den eerste wisten de schildwachten op den toren niet wat deze +plechtigheid te beduiden had; maar toen de zingende priesters met hun +gevolg over de Markt kwamen en de Hofstraat insloegen, twijfelden zij +niet meer, of hun doel moest zijn het lijk van Karel van Denemarken uit +St-Donaas weg te halen en het op niet ontwijde aarde en in eene betere +grafstede te leggen. + +Zij wekten hunne gezellen en zeiden hun wat er geschiedde, en hoe +duizenden menschen in den burg gingen treden; maar dewijl de Kerels +uiterst vermoeid en slaperig waren, wilden de meesten hunne rust niet +laten, om naar iets te gaan kijken dat hun als geen gevaar aanbiedende, +geheel onverschillig was. + +Robrecht, met vier of vijf zijner gezellen, kwam op de gaanderij en +schouwde neder op den stoet die nu binnen den burg trad en, zonder der +Kerlen pijlen of hunne steenen te vreezen, tot aan den voet van den +toren zelven vooruitstapte, om in de kerk te gaan. Mher Sneloghe +begreep dat de priesters vertrouwen genoeg in der Kerlen godvruchtigheid +hadden gehad om te denken dat zij deze lijkplechtigheid niet door het +plegen van vijandelijkheden zouden storen. Hij gebood zijne mannen hunne +bogen neder te leggen om in stilte te aanschouwen wat daarbeneden +geschiedde. + +De stoet bleef weinigen tijd in de ontheiligde kerk. + +Eerst traden de priesters, zingend en in wolken wierook gehuld, er uit. +Achter hen kwamen eenige ridders met eene lijkbaar waarop, onder een +zwart kleed met zilveren kronen, de doodkist, die het lichaam van graaf +Karel bevatte, werd gedragen. + +Al de poorters volgden met ontdekten hoofde. Velen weenden zichtbaar, en +het klagen en jammeren der vrouwen klom, als een beschuldigend gebruis, +tot op de gaanderij waar de Kerels zich bevonden. + +Tot alsdan was alles stil en vreedzaam toegegaan; maar nu werden er +eensklaps door de Houtkerels der bovenste gaanderij eenige pijlen onder +den dichten stoet geschoten, en drie of vier poorters vielen gewond +neder. + +Dan rees er een lange en schallende wraakkreet onder de menigte op, en +terwijl velen der tegenwoordig zijnde lieden den burg afvloden, staken +de anderen de gebalde vuisten dreigend tegen de Kerels op en stuurde hun +de schrikkelijkste vermaledijdingen toe. + +Aangezien het voorste gedeelte van den stoet reeds in de Hofstraat was +getreden en buiten het bereik der Kerels zich bevond, stoorde deze +vijandelijke aanval de plechtigheid niet ernstigerwijze. + +Eenige oogenblikken daarna hadden al de poorters het plein van den burg +verlaten en, ofschoon nog immer van verre de Kerels bedreigende, volgden +zij de priesters naar de St-Christoffelskapelle waar men, in afwachting +van 's konings terugkomst, het lijk des graven zou nederzetten. + +Het geschreeuw en gedruisch der vluchtende menigte had al de Kerels op +de gaanderij gelokt. + +Robrecht, ten uiterste verbitterd over den aanval door de Houtkerels +tegen den lijkstoet gepleegd, meende naarboven te loopen om Burchard +rekening over deze nuttelooze baldadigheid te vragen maar zijne gezellen +en Dakerlia wederhielden hem door hunne gebeden ... + +In den namiddag stond Robrecht met Dakerlia op de gaanderij. Hij poogde +zijnen mannen nog eenige hoop in te boezemen. Het Kerlenleger kon in den +eersten veldslag tegen den koning van Frankrijk de overwinning behalen. +Dan werden zij verlost; en vermits zij allen hunne onschuld aan den +moord des graven konden bewijzen, zouden zij hunne vrijheid bekomen en +ongehinderd naar Kerlingaland mogen terugkeeren. + +Terwijl hij nog sprekende was, werd hij in zijne rede onderbroken door +eenen Kerel die over de Markt wees en zeide: + +"Ziet, ziet, ginder ten einde der Markt! Men gaat ons aanvallen! Vele +benden wapenknechten, boogschutters ..." + +Inderdaad, uit de St-Jacobsstraat kwam op dit oogenblik, met ontrolde +banieren en klinkende bazuinen, eene talrijke schaar krijgslieden over +de Markt en richtte zich naar den burg. + +Op Robrechts bevel werd in allerhaast het vuur onder de ketels met olie +ontstoken en steenen naar den Zuiderkant des torens in hoopen +bijeengedragen. + +De wapenknechten traden op het middenplein van den burg, en terwijl zij +zich daar langs de Loove en het Gijselhuis in een vierkant schikten, +stapte uit hun midden een bazuinblazer met eenen wapenbode vooruit. Deze +riep den Kerels toe dat hun een wapenstilstand tot het einde van den +dag werd voorgesteld, opdat zij zouden kunnen aanhooren wat de veldheer +door zijne zaakgelastigden hun wilde zeggen. + +Ten teeken van toestemming hingen de Kerels eene witte vlag buiten de +gaanderij. Den wapenbode aansprekende, vroegen zij hem wat hij hun +vanwege den veldheer te melden had; maar hij gaf hun te kennen dat zij +een weinig op de boodschap moesten wachten. + +Over dit antwoord verwonderd, keken de Kerels met overspannen +nieuwsgierigheid naar den kant der Markt, waar des veldheers woning +stond. Wat ging men hun voorstellen? De vrijheid? de gevangenis? den +dood? Hadden de Kerels over het Fransche leger gezegepraald? + +Eensklaps werd hunne aandacht opgewekt door eenen verwarden volksdrom, +die van uit de Steenstraat over de Markt kwam gevloeid en eenige +wapenknechten scheen te omringen. + +"Wat mag dit zonderling gewoel toch beduiden?" morde Robrecht. + +"Eilaas!" zuchtte Dakerlia, de handen klagende opheffende, "de Isegrims, +over de bloedige storing der lijkplecht verbitterd, komen zich wreken." + +"Die wanordelijke volkshoop?" vroeg Robrecht verwonderd. + +"Akelig, akelig! Zij zullen hier, onder onze oogen, iemand martelen!" + +"Wie zou het zijn, meent gij?" + +"Gave God, Robrecht, dat mijne vrees ongegrond ware. Arme Hacket!" + +"Mijn oom, zij zouden mijnen armen oom onder ons gezicht vermoorden? +Kom, Dakerlia, zulk schouwspel is te gruwelijk; ik zou het niet kunnen +zien; treden wij binnen den toren." + +En dit zeggende, verliet hij de gaanderij met zijne verloofde; maar +nauwelijks had hij eenige stappen gedaan, of een Kerel kwam hem +achternageloopen en riep hem toe: + +"Mher Sneloghe, gij bedriegt u: het is onze kastelein Hacket niet, dien +zij naar hier brengen. Neen, het is eene vrouw ..." + +Robrecht en Dakerlia slaakten terzelfder tijd eenen grievenden +noodkreet. + +"Eene vrouw? O, hemel, eene vrouw!" + +Meer zeiden zij niet: hun vervaarde blik en de ontsteltenis huns gelaats +toonden genoeg dat zij door eene schrikwekkende gedachte waren +aangegrepen. + +Zij liepen terug naar de gaanderij en poogden, door het overspannen +hunner gezichtskracht, te herkennen of de Kerel hun de waarheid had +gezegd; doch nu de menigte zich verdrong om de Hof straat in te +stroomen, was het hun onmogelijk iets te onderscheiden. + +Welhaast bereikte deze verwarde stoet de Hofpoort en trad op het +middelplein van den burg. + +Dakerlia vloog haren verloofde met eenen angstschreeuw aan den hals. + +"Arme Robrecht!" zuchtte zij. "Wee, wee ons, het is Witta, de goede +Witta! Gruwelijk, Disdir Vos, de valsche verrader, stoot haar voort en +mishandelt haar!" + +"Mijne zuster? Zij ook, zij zou boeten voor de misdaad! O, neen, mijn +God, laat mij sterven; maar behoed een arm, onschuldig kind!" + +Witta Sneloghe stapte tusschen een twintigtal wapenknechten die haar nu +en dan barschelijk bij den schouder namen of haar voortstuwden. Disdir +Vos was niet meer met haar; ongetwijfeld had hij zich achter den dam of +onder het kerkportaal verscholen in de gegronde vrees dat zijne +tegenwoordigheid sommige Kerels kon aandrijven om hem eenen pijl door +het lichaam te schieten. + +Van zoohaast Witta op den burg was verschenen, had zij oogen en handen +tot haren broeder en tot Dakerlia opgeheven, als wilde zij haar +schrikkelijk lot hun klagen of hunne hulp afsmeeken. Tranen rolden de +ongelukkige maagd over de wangen. + +Het was Robrecht zoo bang om het hart, dat hij sidderend naar beneden +schouwde en geene andere klacht deed hooren dan een heesch en somber +keelgeluid. + +Dakerlia, door zijnen angst en zijn lijden verschrikt, overwon hare +eigene smart, om hem te steunen en te troosten. Zij zeide hem dat alle +hoop niet was verloren. Misschien vreesden zij ten onrechte een ijselijk +ongeluk. Zij kenden immers de inzichten des vijands niet ... + +Maar nu trad een wapenbode dichter bij den toren en riep hun toe: + +"In name van mher Gervaas Van Praet, veldheer der Vlaamsche heirkracht, +spreek ik tot u. Hoort, wat hij u meldt. Geeft u over in zijne handen, +opdat hij over het lot van elk uwer beschikke naar zijnen wil. Een half +uur gunt hij u om tot deze overgaaf te besluiten. Indien gij voor het +verloop van dien tijd u niet in zijne genade hebt overgegeven, zal, tot +een voorbeeld en tot wraak over den moord van graaf Karel, deze +jonkvrouw, Witta Sneloghe, zuster van een der moordenaars, onder uwe +oogen door den beul het hoofd worden afgeslagen. Ziet aldus wat u te +doen staat; wij wachten uw antwoord." + +Robrecht slaakte eenen schreeuw en beefde in al zijne ledematen; hij was +schier ijlhoofdig en kon zijnen blik niet afwenden van zijne arme +zuster, die biddend en smeekend immer de handen tot hem ophief. + +Dakerlia, door bedruktheid en schrik overstelpt, had de handen voor de +oogen geslagen en weende bitter. + +De eindeloosheid van het ongeluk dat hem bedreigde en de akeligheid van +zijnen toestand deden Robrecht een uiterst geweld inspannen om zijne +smart te bedwingen. Er was geen tijd te verliezen; wat doodelijke angst +hem ook folterde, hij was man en moest zelfs te midden der gruwelijkste +gevaren sterkmoedig blijven. + +Zich tot zijne gezellen keerende, zeide hij haastig: + +"Vrienden, wat gaan wij doen? Weigeren wij ons over te geven, dan +vermoordt men mijne zuster,--onnoozel kind, zoet en argloos als een +lam!--Geven wij ons over zonder voorwaarden, zooals men het eischt, dan +dreigt ons een onvermijdelijke dood. Wat gedaan? O, hemel, geeft mij +raad! Wat gedaan?" + +De Kerels zwegen of morden binnensmonds. Het was klaarblijkend dat zij +geenen lust gevoelden om zich weerloos in de handen hunner wreede +vijanden te leveren; evenwel, uit medelijden voor den hachelijken +toestand van hunnen overste, drukten zij hunne weigering niet door +woorden uit. + +"Ach, nog eene zwakke hoop!" kreet Robrecht, "misschien zullen onze +vijanden niet onverbiddelijk zijn en ons de voorwaarden toestaan die +mijn oom Hacket hun vroeger heeft uitgedrukt. Wat voordeel brengt het +toch Kerlingaland toe, dat wij nog eenige dagen op dezen toren blijven? +Sterven,--indien dit lot ons door God is voorbeschikt,--sterven moeten +wij allen. Waarom mijne zuster, waarom een onnoozel kind nutteloos +geslachtofferd? Laat mij het beproeven: wil men ons beloven ons +onmiddellijk te dooden en ons toe te laten onze onschuld aan den moord +te bewijzen, dan, vrienden, ik smeek u, geven wij ons over! Mijne arme +zuster zal gered zijn en wij, misschien, zullen worden gespaard ..." + +Burchard Knap die, om beter te hooren wat des veldheers bode zeide op de +groote gaanderij was gekomen, viel Robrecht hier met eenen spotlach in +de rede, en riep: + +"Zinnelooze woorden! Ziet gij niet dat de Isegrims deze nieuwe list +uitgevonden hebben om ons in handen te krijgen en ons te martelen, +zooals zij onze ongelukkige broeders hebben gemarteld? Al wat zij zeggen +is bedrog en valschheid. Zoohaast gij beneden zijt zal men u doodslaan +en uwe lijken met voeten treden. Wat mij betreft, ik geef mij niet over. +Moet ik sterven, het zij dan met met zwaard in de vuist!" + +"Maar, maar, om Gods wille, Burchard", smeekte mher Sneloghe, "beneem +mij dit laatste middel niet! Veroordeel mijne rampzalige zuster niet tot +eenen gruwelijken dood!" + +"Te veel reeds hebben vrouwen onze verdediging gehinderd", gromde +Burchard. "Voor het behoud van het leven uwer zuster zoudt gij het leven +van al deze dappere mannen gaan opofferen? Het is belachelijk!" + +Robrecht meende tegen den barschen Burchard met woede uit te vallen; +maar nu galmde hem van beneden eenen angstkreet in de ooren, die hem +naar den boord der gaanderij deed springen. Hij zag de arme Wtta +tusschen ridders en wapenknechten ten gronde geknield, terwijl een beul +met uitgetogen zwaard nevens haar gereed stond om op het eerste sein +haar het hoofd af te slaan. + +Bevend als een riet en schier zinneloos van verschriktheid, deed +Robrecht een teeken dat hij wilde spreken. De wapenbode naderde en mher +Sneloghe gaf hem te kennen dat de Kerels er in toestemden den toren te +verlaten en zich in des veldheers handen over te geven op voorwaarde dat +men hen allen in de gevangenis zou leiden en men hen door een +gerechtshof zou doen oordeelen, opdat elk hunner gestraft wierde in de +maat zijner schuldigheid. + +De wapenbode keerde terug naar de ridders die onder elkander met zekere +hevigheid over deze voorstellen begonnen te raadplegen. + +Intusschen was Disdir Vos, door den gang der onderhandelingen verstout, +uit zijne schuilplaats getreden en stond nu nevens de geknielde Witta, +waar hij met eenen ridder, die de overste der wapenknechten scheen, +begon te spreken. + +Burchard bemerkte den verrader van op den toren. Hij nam, zonder iets te +zeggen, den boog uit de handen van eenen zijner mannen, legde er eenen +pijl op en mikte ... + +Met eenen angstigen gil sprong Dakerlia naar hem toe en wilde hem den +boog uit de handen rukken, terwijl zij riep: + +"Houd op, laat af, uw pijl is een doodvonnis voor de ongelukkige Witta!" + +Maar hij, met eenen enkelen zwaai zijner linkerhand, wierp de smeekende +maagd zoo geweldig achteruit dat zij tegen den kerkmuur viel. + +De pijl snorde door de lucht en trof in eene schuinsche richting Disdir +Vos op de schouderplaat; maar hier schampte hij af, verhief zich weder +en doorboorde den hals van den overste der wapenknechten. Deze, zich +doodelijk gekwetst voelende, begon te wankelen doch had nog, terwijl hij +ineenzakte, de kracht om te roepen: + +"Sla toe! Sla toe!" + +De beul, op dit bevel, slingerde zijn bliksemend zwaard door de lucht +... en het hoofd der arme Witta rolde ten gronde ... + +Een lange angstschreeuw, een akelige noodkreet weergalmde terzelfder +tijd op het plein en op den toren. + +Robrecht Sneloghe, als hadde het gezicht van het bloedend lijk zijner +zuster hem met versteendheid en verbijstering geslagen, lag beweegloos +over de gaanderij en hield den strakken blik naar beneden. Hij sprak +geen woord, en welke pogingen de weenende Dakerlia ook inspande om hem +uit den afgrond zijner smart op te heffen, hij antwoordde haar niet. + +Eensklaps toch scheen de bewustheid van wat er was geschied in hem +terug te keeren. Hij sprong achteruit, trok zij'n zwaard en riep tot +Burchard, terwijl vele Kerels, die zijn inzicht begrepen, hem wilden +weerhouden: + +"Moordenaar van den graaf, moordenaar van Bertulf, moordenaar mijner +zuster, moordenaar van Kerlingaland, uw bloed moet ik hebben! Weze mijn +arm de uitvoerder van Gods wraak! Het hoofd zal ik u klooven, vervloekte +duivel, geboren tot ramp en schand van uw geslacht!" + +Hij was zoodanig door woede vervoerd, dat hij eenigen zijner gezellen +overhoop smeet, zelfs Dakerlia met geweld terugdreef en bulderend +vooruit liep naar Burchard die, met het zwaard in de vuist en eenen +spotlach op de lippen, hem verwachtte. + +Nog immer poogden hunne gezellen hen van elkander verwijderd te houden; +maar Robrecht riep op eenen toon, die geene wederspraak meer toeliet: + +"Kamp! Kamp! Wilt gij mij niet dwingen een moordenaar te worden, laat +mij strijden tegen het wangedrocht! Achteruit, achteruit! Hij verdedige +zich, of ik vel hem, onmensen die hij is, voor mijne voeten neder!" + +Door den kreet "kamp! kamp!" welken de beide vijanden terzelfder tijd +aanhieven, zagen de Kerels zich gedwongen hen in vrijheid elkander te +laten bevechten. + +Stervende van schrik en hare onmacht voelende, was Dakerlia op beide +knieen nedergezonken en hield nu de handen ten hemel en bad God om +bescherming. + +De zwaarden slingerden door de lucht en vielen nu en dan bonzend of +knarsend op pantser of op helm. De uiterste woede zelve der strijders +maakte hunne slagen onzeker. Na eene korte wijl echter bekwam mher +Sneloghe zulken harden slag op den schouder dat hij er onder bukte en +met eene knie ten gronde zonk. Een gil van doodelijken angst ontsnapte +Dakerlia, die haren verloofde reeds dood waande; maar vooraleer Burchard +opnieuw zijn zwaard kon verheffen, was Robrecht opgesprongen en +achteruitgeweken. + +Onder het bulderen van sombere wraakkreten, liep hij weder tegen zijnen +vijand in en trof hem zoo geweldig terzijde onder zijnen helm dat hij +hem den hals half doorhakte. + +Eene onduidbare vermaledijding bonsde op uit Burchards borst; het bloed +ontsprong hem in eenen dikken straal, en hij viel zonder beweging +achterover. + +De Houtkerels naderden hunnen overste om zijnen helm te ontgespen en hem +hulp te brengen; maar zijne wijde wonde en de doodverf op zijn gelaat +lieten hun slechts weinig hoop--Burchard Knap had het leven verloren, en +zijne ziel was opgeklommen tot God, om daar te verantwoorden over +hetgeen hij op de wereld had gedaan. + +In den eerste had Robrecht met eenen glim van voldoening op zijnen +gevallen vijand gestaard, doch na een kort oogenblik keerde het gevoel +eener akelige zekerheid in hem terug, en hij sprong met eenen scherpen +kreet naar de gaanderij. + +Over de leuning gebogen, schouwde hij naar beneden ... Hij zag hoe men +het bloedig lijk zijner zuster van den grond ophief om het elders te +voeren, en hoe een wapenknecht het afgehakte hoofd bij de haren hield en +het zoo de arme doode achternadroeg ... + +Dit gezicht doorboorde hem het hart als een moordpriem. Hij viel +ontzenuwd en vertwijfelend op de leuning der gaanderij, en begon te +weenen en te snikken als een kind: + +"Dood, dood, mijne arme Witta!... Onschuldig en rein als een offerlam! +God, o, God, Gij hebt ons vermaledijd!... maar waarom mijne arme +zuster?... Wee, wee; mocht ik sterven!..." + +En overvloediger nog stroomden hem de tranen langs de wangen + +Dakerlia, niet min ontsteld en door droefheid verpletterd, poogde +evenwel hem nog te troosten. Hij scheen haar niet te hooren en bleef in +stomme hopeloosheid verslonden, totdat zij eindelijk, als laatste +toevlucht, zijne mannelijke fierheid aanriep en hem deed begrijpen dat +het gezicht zijner tranen de Kerels verschrikte en hun den moed geheel +zou benemen. + +Hetzij de storm zijner smart een weinig was bedaard of dat hij eenige +schaamte gevoelde over zijne weekhartigheid, hij luisterde naar de +liefderijke vermaningen van Dakerlia, stond op, vatte haar de hand en +stapte met haar in den toren, om daar in eenzaamheid zijne tranen te +verbergen en zonder stoornis den dood zijner zuster te betreuren. + +Onderwijl waren de meeste Kerels bij het lijk van Burchard gebleven, en +hadden hem helm en harnas ontgespt en hem de hand op het hart gehouden, +om zich te verzekeren dat geen spoor van leven meer in hem overbleef. + +Dan zeide Ivo-de-wolvenjager tot hen: + +"Hij is dood, gansch dood!--Hij is het die graaf Karel heeft vermoord. +Geen onzer heeft werkelijk deel aan deze misdaad genomen. De gezellen, +die Burchard tot den noodlottigen slag hebben geholpen, zijn allen +gesneuveld. De Isegrims wilden ons martelen alleenlijk omdat mher +Burchard zich met ons bevond. Laat ons nu den wapenbode den dood van den +moordenaar melden; en wellicht zullen de Isegrims ons dan gunstige +voorwaarden tot onze overgaaf toestaan." + +Eenigen morden tegen dit voorstel; maar de meesten keurden het goed. + +Ivo-de-wolvenjager stapte naar den zuiderkant der gaanderij en riep uit +al zijne macht tot de ridders: + +"Heeren, onder ons allen bleef nog slechts een man die schuldig was aan +des graven moord, namelijk Burchard Knap. Ik maak u kond dat hij niet +meer leeft; Robrecht Sneloghe heeft hem daareven in eenen kamp gedood!" + +Een gemompel van verbaasdheid of van twijfel ontstond tusschen de +ridders. + +"Wij willen ons in uwe handen overgeven", zeide Ivo, "op de voorwaarden +welke daar straks door mher Sneloghe, onzen overste, u zijn bekend +gemaakt. Wij zijn niet plichtig en zullen onze onschuld voor de rechters +bewijzen." + +"Het is eene list! Gij poogt ons te bedriegen! De moordenaar van graaf +Karel is niet dood!" riep men verwardelijk van alle kanten hem toe. + +"Welnu, heeren, gij zult overtuigd worden van de waarheid mijner +woorden", riep Ivo. "Wij gaan het lijk van Burchard tot u aflaten. Doe +het bezichtigen door ridders die Burchard in zijn leven hebben gekend. +Beraadslaagt dan over bet besluit dat gij ten onzen opzichte wilt nemen. +Wij wachten uw antwoord met vertrouwen." + +Hij trad terug op de gaanderij en haalde een lang touw, zooals er vele +in de nabijheid gereed lagen. Door zijne makkers geholpen, bond hij het +einde aan Burchards lijk en droeg dit op den boord der ganderij. + +"Geeft acht, heeren", riep hij, "daar daalt het doode lichaam van +Burchard Knap tot u af!" + +En onder het uitspreken dezer verwittiging, lieten zij hunnen last tot +op het plein van den burg nederzakken, en wierpen zelfs het touw naar +beneden. + +Onmiddellijk stroomde eene menigte ridders, poorters en wapenknechten +naar den voet des torens om eenen blik te werpen op het lijk van den +booswicht, wiens misdadige handen graaf Karel voor Gods altaar het hoofd +hadden gekloofd. + +Langen tijd heerschte daar een verward gewoel en gedrang en tevens een +schaterend gedruisch, waaruit men niets duidelijks hoorde opgaan dan de +kreten: + +"Hij is het! Ik ken hem. Hij is het niet! Zij willen ons bedriegen. Het +is een Kerel die hem gelijkt. Zeker, het is de barsche, de wreede +Burchard wel![84]" + +Maar wat ook het gevoelen was, dat hier de bovenhand behield, niet lang +bleef de menigte zoo twisten. Welhaast begonnen poorters en +wapenknechten hunnen haat en hunne wraakzucht op het lijk te koelen. Zij +doorstaken het eerst met honderd wonden, en traden het met de voeten, +totdat eene machtige stem zich verhief en uitriep: + +"Naar het galgeveld, de moordenaar! Op het rad het kreng! Naar de galg +het monster, naar de galg! naar de galg!" + +En op zijn voorbeeld grepen eene menigte lieden het touw aan, sleepten +juichend en schreeuwend het lijk over het plein, stroomden als een +rollende vloed er mede door de Hof straat en verdwenen achter den hoek +der Markt. + +Er kwam dan weder eene betrekkelijke stilte op den burg. + +Ivo-de-wolvenjager zag van boven de gaanderij dat de oversten der +Isegrims onder elkander beraadslaagden, en hij twijfelde niet of zij +waren bezig met de voorstellen der Kerels te overwegen. + +Na eenigen tijd te hebben gewacht, riep hij: + +"Welnu, heeren, wat is uw besluit? Geeft ons een antwoord?" + +De ridders gingen uiteen. Velen hunner schreeuwden tot de Kerels: + +"Sterven, sterven! voor u allen niets dan de dood!" + +Onmiddellijk klonken eenige bazuintonen en galmde de stem van mher +Gervaas bevelend over het plein. + +De duizenden wapenknechten spanden hunne bogen en een oogenblik daarna +vlogen zoovele pijlen naar den toren, dat de lucht als door eene wolk +werd verduisterd. + +Dewijl de Kerels het inzicht des vijands hadden bemerkt, konden zij zich +intijds achter de kanteelen der gaanderij verbergen, en zoo kwam het dat +buiten eenen Kerel, die eene wonde aan de wang bekwam, niemand hunner +werd getroffen. + +Zij hielden zich reeds lang op deze wijze schuil, en de vijand ging nog +immer voort met schieten, zonder dat de Kerels er op bedacht waren +eenige tegenweer te bieden. + +Dan trad Robrecht Sneloghe op de gaanderij. Hij scheen kalm en er +fonkelde eene genster van trotschheid in zijne oogen, alhoewel zijn +aangezicht nog de sporen van gestorte tranen toonde. + +Hij wierp eenen blik over het plein en riep dan met eene bittere grijns +op de lippen tot zijne gezellen: + +"Op, Kerels! Zijn wij waarlijk veroordeeld tot den dood, sterven wij ten +minste gewroken! Welke gunstige gelegenheid! Eisenen wij van deze wreede +beulen den prijs van den akeligen dood mijner zuster, den prijs van +onzer broederen bloed! Haastig, pijlen, steenen, kokende olie! Zij zijn +onverbiddelijk voor ons: geene genade meer voor hen!" + +En het voorbeeld bij het woord voegende, slingerde hij eenen zwaren +steen naar beneden en verpletterde eenen ridder het hoofd. + +Zijne mannen sprongen allen te gelijk recht en schoten pijlen en smeten +steenen met razende woede en overspannen kracht. De vrouwen zelven +kwamen vooruit en sproeiden, met groote ijzeren lepels, vlammend pik en +olie over het plein. + +In min dan eenige oogenblikken lagen er vele poorters, wapenknechten en +ridders met verpletterd hoofd, verbrande leden of doorboorde borst ten +gronde. + +De veldheer Gervaas Van Praet, die zich niet op zulke moorddadige +tegenweer had verwacht, schrikte bij de gedachte dat hij hier nutteloos +een aanzienlijk getal mannen zou verliezen. Hij deed de bazuin aanheffen +en den aftocht blazen. + +De wapenknechten liepen te zamen en weken schier in wanorde door de +Hofstraat. + +Eene wijl daarna was het op den burg zoo stil als ware er niets +geschied. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 84: "De belegerden kondigden ... den dood van Burchard aan, +roepende dat een twist tusschen hem en den jongen Robrecht was +opgerezen, en deze hem had nedergeveld en met zijn zwaard doorstoken." +GALB., p. 551.] + + + + +XXV + + +Er waren vijf of zes dagen verloopen sedert den dood van Witta en van +Burchard Knap, zonder dat de Kerels op den toren eenige tijding van +buiten hadden vernomen. + +De Isegrims hadden bemerkt dat er uit een huis op den hoek van den +Maalberg pijlen met brieven naar de Kerels werden geschoten Zij hadden +daarop den graankoopman Elfrid Rooster, als plichtig aan verstandhouding +met den vijand, uit zijne woning gerukt en in de gevangenis gezet. +Tevens hadden zij rondom de kerk en den burg de schildwachten verdubbeld +en doen afkondigen dat elk poorter, wapenknecht of ridder die tot de +Kerels sprak of hun eenig bericht toestuurde, de straf der landverraders +zou onderstaan. + +Van dan af bleven de Kerels geheel zonder kennis van hetgeen er in de +stad of elders geschiedde. + +Het verwonderde hun dat men reeds bijna gedurende eene gansche week hen +met rust had gelaten en geenen nieuwen aanval tegen hen had beproefd. +Misschien had men besloten hen van honger op den toren te laten +sterven? Dit was geheel onwaarschijnlijk. Wel bezaten de Kerels nog +eenigen voorraad aan levensbehoeften maar zij voorzagen dat deze +welhaast ontoereikend zou worden en zij hun dagelijksch voedsel moesten +verminderen, wilden zij niet door gebrek gedwongen worden zich in de +handen hunner vijanden over te leveren. + +Intusschen poogden zij allerlei middelen tot de hardnekkigste +verdediging bijeen te dragen. Zelfs braken zij steenen en balken uit den +toren, om daarmede bij eenen ernstigen aanval den vijand duchtig te +treffen. + +Dat de Franschen of de Isegrims langs de trap eene bestorming zouden +wagen, dit was niet te gelooven. Inderdaad, deze toegang, die als eene +kreukel binnen den toren naar de hoogte draaide, was zoo nauw dat geene +twee menschen te gelijk hem konden beklimmen Kwamen er vijanden langs +daar, dan zou het den Kerels gemakkelijk zijn ze een voor een te dooden, +naarmate hunne hoofden opvolgend uit de trapval opdaagden. + +Evenwel, om tegen alle verrassing te zijn beveiligd, hadden da Kerels +den mond van de trap, waar deze zich op de gaanderij opende, met balken +en zware steenen overdekt en beladen. + +Robrecht Sneloghe had nog meer dan eens, wanneer hij zich alleen binnen +den toren bevond, tranen gestort over het beklaaglijk einde zijner +zuster en ongetwijfeld tevens over het schrikkelijk lot dat zijne +verloofde te wachten stond. Maar hetzij de krachtige woorden van +Dakerlia hem moed inboezemden, of dat de onvermijdelijkheid van den dood +zelven hem tegen den rampspoed deed opstaan, hij ademde niets meer dan +wraak en hield zijne gezellen geen ander doel meer voor oogen dan hun +leven duur te verkoopen en dus de Isegrims te dwingen zelfs bij hunne +zegepraal nog de onversaagdheid en de onplooibaarheid der Kerels te +bewonderen. + +Weinigen onder hen behielden nog eene zwakke hoop op verlossing Wat zou +de uitslag zijn van den eersten strijd tusschen het Fransche leger en +der Kerlen heirkracht? Wel scheen Willem Van Loo de Erembalds te haten; +maar indien hij overwinnaar bleef, zou toch de vijand Brugge verlaten, +en zij zouden zonder eenig beletsel van den toren komen en in vrijheid +naar huis gaan. + +In den morgen van den zesden dag trad de veldheer Gervaas Van Praet +zelf met eenigen zijner voornaamste ridders op den burg, en deed den +Kerels door eenen wapenbode hunne overgaaf afeischen, hen bedreigende +met den schromelijksten marteldood indien zij nog langer weigerig +bleven. + +De Kerels herhaalden hunne vorige voorstellen, maar wilden van geene +overgaaf op genade hooren. + +Het verbitterde den veldheer ten hoogste zich dus onmachtig tegen eene +handvol mannen te gevoelen; ja, het vernederde hem te moeten denken dat +zij den toren wellicht zouden behouden tot den terugkeer des konings van +Frankrijk, die ongetwijfeld daarover zeer ontevreden zou zijn. + +Zijne ridders spoorden hem aan om, in schijn ten minste, de voorwaarden +der Kerels aan te nemen; maar dezen eischten een vrijgeleide door den +veldheer onderteekend en bezegeld, en Gervaas Van Praet was te eerlijk +ridder om dus een verraad te plegen dat als eene eeuwige vlek, meende +hij, op zijnen naam zou kleven. + +Terwijl hij nog daarover met zijne ridders in beraadslaging was, kwam +een overste van de Markt geloopen en zeide hem dat er een bode met eenen +brief van 's konings wege was gekomen met zeer haastig nieuws. Deze bode +wachtte hem in zijne woning. + +Hij voegde er met luider stemme bij: + +"Verheugt u, heeren, de koning heeft de Kerels overwonnen! Yperen is +bezweken en Willem Van Loo is in 's konings macht!" + +Een groot gejuich ontstond onder de ridders; en dewijl zij den veldheer +zich zagen verwijderen, liepen zij insgelijks van den burg om de blijde +tijding overal te gaan verspreiden. + +De veldheer vond des konings bode in zijne woning. Zeer nieuwsgierig, +opende hij den brief dien hij hem had gebracht. Dit schrijven behelsde +in slechts weinige woorden de aankondiging der nederlaag van Willem Van +Loo, maar meldde tevens dat de ridder Pierre de Bohain, drager des +briefs, hem verdere bijzonderheden zou doen kennen. + +"Aldus, uw heer koning heeft de Kerels verwonnen? God zij dank! Ik +vreesde dat het zoo gemakkelijk niet zou gaan", zeide Gervaas Van Praet. +"Het is te Yperen dat de slag werd geleverd?" + +"Ja, veldheer, te Yperen", antwoordde de bode, "maar dat het eene +gemakkelijke zaak was, daarin bedriegt gij u. Die Kerels zijn eene soort +van reuzen of van duivels: zij strijden als dolle leeuwen, en laten zich +liever tot den laatste toe doodslaan dan eenen voet te wijken. +Gelukkiglijk waren zij niet talrijk, en daarenboven, zij werden verraden +door hunne eigene landslieden." + +"Verraden? Ik bid u, heer Van Bohain, heb de goedheid en vertel mij toch +hoe de gansche zaak is toegegaan." + +"Het is mijne zending dit te doen, veldheer. Luister dan; ik zal pogen +kort en duidelijk te zijn. Wij waren met den koning en den graaf van +Vlaanderen opgetrokken naar het land der Kerels. Slechts omtrent een +open vlek, dat men Staden noemt, vonden wij eerst een duizendtal +vijanden, en tastten hen onmiddellijk aan met al onze macht. Het is +onbegrijpelijk welken hardnekkigen tegenstand deze lieden ons boden. Wij +moesten elk huis van Staden elke plooi des gronds, elke gracht, eiken +boom stormenderhand innemen. Het bloedig gevecht duurde tot den avond, +en het eindigde slechts toen ook de laatste dezer wilde Kerels was +verpletterd. Wij bleven daar den volgenden dag, om onze dooden te +begraven en onze gekwetsten te verzorgen; want, veldheer, wij hadden +zulke groote verliezen geleden, dat de koning een oogenblik aarzelde om +zijn leger verder te leiden in eene onbekende streek, door zulke +sterkmoedige en strijdbare lieden bewoond.--Hier kwam ons het bericht +toe dat de valsche graaf Willem Van Loo, met een weinig machtig leger, +zich voor Yperen had nedergeslagen, en voornemens was deze stad tegen +den koning te verdedigen. Het bevel tot den optocht werd ons +gegeven.--Voor Yperen hadden wij een even lang en hardnekkig gevecht te +leveren en de avondduisternis kwam zelfs ons dwingen den veldslag te +onderbreken, met de zekerheid dat de akelige bloedstorting des anderen +daags bij het opgaan der zon met meer woede nog zou beginnen." + +"Die onplooibare Kerels!" zuchtte Gervaas. "Het zijn manhaftige lieden, +heer ridder, en zij zouden een beter lot verdienen, indien zij niet wars +waren van alle overheid en van allen dwang. Eilaas, waarom willen zij +zich niet onderwerpen! Nu moeten wij ze vernietigen, het sterkste en +dapperste volksras van Vlaanderen!... En den dag daarna hebt gij de +Kerels beslissend overwonnen?" + +"Vooraleer ik mijn verhaal voortzet, is het noodig dat ik u iets +zegge", antwoordde de ridder Van Bohain. "Gij moet weten dat binnen +Yperen meer dan de helft der poorters, sedert den moord van graaf Karel, +vijanden der Kerels geworden zijn; want alhoewel Willem Van Loo en zijne +gezellen beweren van dezen aanslag niet te hebben geweten, blijven de +poorters denken dat Willem Van Loo en andere machtige lieden van het +land de Kerels tot den moord hebben geraden of geholpen.--Wij waren dus +in de nabijheid van Yperen gelegerd, ons voorbereidende tot den strijd +van morgen, toen eenige burgers geheimelijk tot ons kwamen en den koning +aanboden eene poort der stad en den burg in onze macht te leveren. Zij +zouden, terwijl wij de Kerels aanvielen, de wapens opnemen en dezen van +achter aanvallen, onderwijl eene poort openen en den burg, waar zij de +wacht hielden, aan de Fransche krijgsknechten overleveren.--Ofschoon wij +niet veel vertrouwen in deze lieden hadden, aanvaardden wij hunne +voorstellen. De zaken gebeurden echter zooals zij ons hadden +beloofd.--Bij de eerste morgenschemering werd de strijd hervat, en wel +gedurende twee uren met veel woede voortgezet; maar dan wierpen de +gewapende poorters zich langs achter op de Kerels; en dezen, dus van +alle kanten ingesloten en bevochten, en daarenboven afgesneden van hun +steunpunt, den burg, verzwakten allengs en bezweken eindelijk geheel, in +onze handen slechts een vijftigtal gevangenen latende, waaronder de +valsche graaf zich bevond.[85]" + +"Willem Van Loo is waarlijk 's konings krijgsgevangene!" + +"Ja, veldheer, gij zult hem ongetwijfeld heden nog zien." + +"Voert men hem dan naar Brugge?" + +"De koning komt naar Brugge met een klein gedeelte des legers. Uw graaf +Willem van Normandie zal met de meeste macht door het land der Kerels +trekken; want het schijnt dat Willem Van Loo reeds vele sterke steden +en burchten had ingenomen. Zijn onze berichten echt, dan bezetten de +Kerels Veurne, Vormezeele, Cassel, Arien, Berghe, Bodenburg en andere +vestingen nog; maar, nu hun hoofdleger is verpletterd, kunnen zij echter +geenen ernstigen tegenstand meer bieden. Het schijnt daarenboven dat er +veel verdeeldheid onder hen heerscht en zij elkander den moord van graaf +Karel verwijten." + +"Maar, heer Van Bohain, indien de koning u heeft gezonden om mij zijne +komst te boodschappen, verlangt hij wellicht als overwinnaar met +plechtigheid te worden ingehaald. Ik moet daartoe in allernaast bevelen +geven en de schepenen en de geestelijkheid verwittigen." + +"Neen, veldheer, dit wenscht onze koning niet. Het zal voldoende zijn, +het nieuws zijner overwinning door de stad te verkondigen Hij heeft +liever, aangezien de oorlog nog niet is geeindigd dat men het volk de +vrije uitboezeming zijner hulde en zijner blijdschap late. Wilt gij, +veldheer, met een twintigtal uwer voornaamste ridders den koning te +gemoet rijden, het zal hem genoegen doen. Geef mij nu oorlof om u te +verlaten; ik keer terug op de baan naar Yperen." + +"Eenige oogenblikken!" riep Gervaas Van Praet. "Ik haast mij de noodige +bevelen te geven en mijne ridders te doen verwittigen; dan vertrek ik +met u. Gelief mij nu te volgen, heer Van Bohain; ik vraag u slechts een +klein half uur." + +"Het zij zoo, ik zal mij gelukkig achten, in uw vereerend gezelschap te +reizen", antwoordde 's konings bode, terwijl hij met den veldheer de +zaal verliet. + +Het nieuws van des konings overwinning en van zijnen terugkeer te Brugge +verspreidde zich met wonderlijke snelheid door de stad. Welhaast zagen +de Kerels van boven den toren hoe vele poorters, gewapend en ongewapend, +zelfs vrouwen en kinderen, van alle kanten zich naar de Steenstraat en +naar de St-Amandsstraat spoedden, ongetwijfeld om op het Zand eene of +andere plechtigheid te gaan bijwonen. + +Alhoewel men uit de nevenstraten nu en dan zonderlinge teekens tot de +Kerels deed, en door de handen in de hoogte te heffen hen scheen te +beklagen of hun te willen berichten dat een groot ongeluk hen +bedreigde, verstonden zij echter niet wat men hun wilde zeggen. + +In de verwachting van eenen mogelijken aanval, maakten zij hunne +werptuigen gereed en ontstaken het vuur onder de ketels met pik en olie. + +Er verliep een goed gedeelte van den dag zonder dat zij werden +verontrust; ja, het was zelfs zoo stil in de stad en in den burg +geworden, alsof poorters en Isegrims meest allen buiten de vesting waren +gegaan. + +Slechts toen het ongeveer twee uren na middag was, hoorden zij in de +verte een hevig bazuingeschal en daartusschen een galmend gejuich dat, +onduidelijk nog, met korte onderbrekingen over de stad weergalmde. + +Dit gerucht groeide aan en naderde immer, totdat de volksvloed uit welke +schoot het opklom, zich bij den ingang der Steenstraat en op de Markt +vertoonde. + +Wat dit gewoel en deze luidruchtige verwelkomingen te beduiden hadden, +konden de Kerels niet raden. Wel zagen zij eindelijk den koning van +Frankrijk, op een wit paard gezeten, van eenen prachtigen ridderstoet +omringd en door de wapenknechten en een gedeelte des volks toegejuicht; +wel bemerkten zij achter den koning eenen open wagen, waarop een ridder, +dien men hoonde en met vuisten dreigde, gebonden lag; maar de stoet, die +aan de overzijde der Markt voorbijtrok, was nog te zeer verwijdert om +hun toe te laten duidelijk te zien wat er geschiedde. + +Het was hun klaarblijkend dat de toejuichingen op des konings baan +werden aangeheven door wapenknechten, schalken en mindere lieden, +waartusschen slechts weinige poorters zich bevonden. De groote +meerderheid der welhebbende of der neringdoende Bruggelingen hield zich +stil langs de huizen, en bepaalde hare betuiging bij eenen eerbiedigen +groet. + +Maar telkens wanneer de koning eenige stappen voorbij was, ontstond er +onder deze poorters een afkeurend gemor, en velen waren zelfs stout +genoeg om openlijk door uitroepingen of door gebaren hunne gramschap en +hunne verontwaardiging te betuigen. + +De oorzaak dezer ontevredenheid wae, dat Rambold Tancmar en andere +neven of magen van den hofraadsheer, die met graaf Karel was vermoord +geworden, den koning volgden. Tot nu toe had geen hunner binnen Brugge +zich durven vertoonen; maar sedert de nederlaag van het Kerlenleger +vreesden zij niets meer, en tergden nu zelfs de verbitterde poorters +door spottende blikken en hoogmoedig lachen. + +Zoo trok de stoet, bij den klank van bazuinen en trompers, nevens de +St-Christoffelskapelle voorbij, en begaf zich naar den Maalberg, alsof +des konings doel ware geweest de Kerels van boven den toren zijnen +zegevierenden intocht te doen aanschouwen. + +Op den Maalberg hield de stoet stil, en men voerde, met een bepaald +inzicht ongetwijfeld, den open wagen zoo dicht mogelijk naar den toren. + +De ridder, die op den wagen gebonden lag, woelde zich om en wrong zijne +leden, als wierd hij door de stuiptrekking eener vurige woede geschokt. +Zoo geraakte hij half opgericht en schreeuwde met eene machtige stem tot +de Kerels: + +"Moordenaars, vuige, laffe moordenaars, gij hebt Kerlingaland en mij in +het verderf gestort! Wees vermaledijd!" + +Dan herkenden de Kerels in den gevangen ridder Willem Van Loo, dien zij +te Veurne in de Hoop tot graaf van Vlaanderen hadden gekozen. + +Hij lag gebonden op eenen wagen en werd in eenen zegevierenden optocht, +ter eere des konings van Frankrijk, rondgevoerd! Het Kerlenleger was dus +overwonnen; niet alleen was alle hoop op behoudenis des levens hun +ontnomen, maar zelfs hun vaderland was verloren! + +Deze overtuiging trof hen met zulken diepen angst, dat zij in den eerste +geene acht op des ridders woorden gaven; maar dewijl hij zijne +beschuldiging meer dan eens herhaalde, ontvlamden zij in toorn en riepen +hem toe: + +"De lafaard, de verrader zijt gij, valsche ridder, die den moord des +graven hebt bevolen, en dan den onschuldigen proost van St-Donaas hebt +doen martelen en ons zonder hulp hebt gelaten, om de wereld te doen +gelooven dat gij vreemd waart aan de misdaad! Ja, de gruwelijke moord, +door Burchard Knap gepleegd, is de oorzaak van Gods toorn tegen ons +geslacht; maar gij, gij hebt den wreeden arm van Burchard bestierd ... +Wees vermaledijd, valschaard, vermaledijd tot in den dood!" + +Misschien verstond Willem Van Loo de bittere verwijten niet welke de +Kerels hem toestuurden; want zij spraken verscheidene te gelijk, en +daarenboven was reeds de wagen omgewend geworden en voerde men hem nu +verder het plein op, om hem buiten het bereik van der Kerlen pijlen te +stellen. + +Intusschen had de koning zijn gevolg van ridders en wapenknechten den +ruststand bevolen, en was zelf van paard gestegen, om van zoo dichtbij +als mogelijk de kerk en den toren te bezichtigen. + +Hij deed nu eenige stappen vooruit met den veldheer der Isegrims en met +Baudewijn Van Aelst, die zich gereed hielden om hem desnoods de +uitleggingen te geven, welke hij zou kunnen verlangen. + +Eene wijl bleef de koning in stilte naar den toren blikken. Dan, zich +tot Gervaas Van Praet wendende, vroeg hij: + +"Men heeft mij daar straks gezegd dat zij nog wel met hun honderd +daarboven zijn? Zij schijnen mij zoo talrijk niet!" + +"Uwe gissing is gegrond, heer koning", antwoordde de veldheer "zij +kunnen, volgens de nauwste berekening, niet meer boven de vijftig sterk +zijn. Maar wanneer onze mannen, om hen te verontrusten, eenen aanval +veinzen, weren zij zich zoo hardnekkig en zoo krachtig, dat men +inderdaad wel zou denken dat zij nog met honderden te zamen zijn." + +"En zij dooden u vele mannen?" + +"Ja, heer koning, zij deden ons aanzienlijke verliezen onderstaan Daarom +hebben wij, sedert eenige dagen, van alle vijandelijkheid tegen hen +afgezien, totdat wij uwe hooge bevelen mochten ontvangen." + +"Het zijn dus verwoede, zinnelooze lieden, die Kerels? Wat hopen zij?" + +Mher Gervaas haalde twijfelend de schouders op. + +"Maar, veldheer", zeide de koning, op eenigszins strengen toon, "het is +u mogelijk geweest de kerk en de kapelle stormenderhand te winnen. +Waarom hebt gij niets tegen den toren beproefd? Mij dunkt het +gemakkelijk deze handvol uitgeputte mannen met geweld van daarboven af +te rukken." + + +[Illustratie: "Moordenaars, vuige, laffe moordenaars!" (Bladz. 479.)] + + +"Veroorlove mij de heer koning hem eenige uitleggingen over den toestand +der zaken te geven", antwoordde de veldheer. "Men kan de gaanderij van +den toren niet bereiken dan langs eenen wenteltrap die zoo nauw is dat +men haar man voor man moet beklimmen. De heer koning begrijpt dat bij +eenen aanval langs dezen weg de Kerels den tijd zouden hebben om +duizenden ridders en wapenknechten opvolgend het hoofd te klooven of den +hals af te snijden ... Beter dunkt het mij onze vijanden daarboven van +honger en gebrek te laten bezwijken, dan nutteloos zoovele dierbare +menschenlevens op te offeren." + +"Maar zij willen zich overgeven", bemerkte Baudewijn Van Aalst. + +"Ja, op voorwaarde dat men hun het leven laat behouden", antwoordde de +veldheer. + +"Welnu, waarom aanvaardt gij dit niet?" vroeg de koning; "gij hebt mij +daar straks gezegd dat de moordenaar des graven dood is en men zijn lijk +door de straten heeft gesleurd totdat het ontkennelijk geworden was." + +"Maar, heer koning, wij, ridders van Vlaanderen, hebben gezworen dat +geen enkele Erembald,--dit is het geslacht waaraan de moordenaar +toebehoort,--genade des levens zou bekomen. Daarenboven op den toren +bevinden zich nog Erembalds; onder anderen de rijkste en machtigste +Kerel, Robrecht Sneloghe. Gelieve de heer koning zich te herinneren dat +onze nieuwe graaf Willem van Normandie beloofd heeft de groote +grondbezittingen van dezen Kerel tot belooning aan de Vlaamsche ridders +uit te deelen. Werd Robrecht Sneloghe gespaard, de vervulling van des +graven belofte wierd onmogelijk. Daarenboven, deze jonge ridder Robrecht +is onder de Kerels zeer geacht en bemind; hij zou onfeilbaar door hen +tot opperhoofd worden gekozen; en nauwelijks zou onze graaf Willem bezit +van den troon genomen hebben, of een nieuwe en misschien gevaarlijkere +opstand zou hem bedreigen." + +"Ware het mijne zaak", zeide Baudewijn Van Aelst, "ik zou er spoedig +mede gedaan hebben!" + +"Door welk middel?" vroeg de koning. + +"Het is door de goddelijke en menschelijke wetten toegelaten verraders +te verraden. Men aanvaarde hunne voorstellen ... en zoohaast ze beneden +komen, vatte men de schelmen aan en brenge ze ter dood!" + +"Aan zulk bedrog weiger ik deel te nemen", morde de veldheer "Men zal +van mij niet verhalen dat ik, aan het hoofd van een machtig leger +staande, vijftig ellendige vijanden door list en valschheid heb verrast +en doen vermoorden!" + +"Gij hebt gelijk zoo teergevoelig op uwe krijgseer te zijn", viel de +koning met ongeduld uit, "maar het is eene even groote schande voor u, +veldheer, en voor mij, koning van Frankrijk, dat wij met twee legers +voor dezen toren staan en gedurende dagen en weken onmachtig zouden +blijven om vijftig ellendige vijanden, zooals gij hen noemt, in handen +te krijgen." + +De veldheer boog het hoofd en zweeg. + +"Indien wij het klooster en de kerk in brand deden steken?" mompelde de +vorst. "De dolle Kerels zouden zich overgeven of door het vuur worden +vernield?" + +"O, heer koning, denk daar niet aan!" zeide Gervaas Van Praet, schier +smeekende. "De Bruggelingen zouden hun bloed vergieten om den oudsten +tempel hunner stad te verdedigen of zijne verdelging te wreken. Ook de +geestelijkheid van Vlaanderen zou dit verlies als een schrikkelijk +onheil beklagen." + +"Maar, veldheer, ik wil niet dat de Kerels nog langer van daarboven mij +en mijne ridders blijven hoonen! Er moet een middel zijn om een einde +aan hunne trotschheid te stellen. Al moest ik den toren omverre werpen, +zij zullen er af voordat de week verloopen zij! Mijne gewerkmeesters en +mijngravers zijn ongelukkiglijk in het leger met Willem van Normandie. +Zonder dit toeval ..." + +"Dat de heer koning zich daarom niet bedroeve", zeide Baudewijn Van +Aelst. "Onder de lieden van Gent zijn behendige gewerkmeesters, een +onder anderen, meester Arnold, die om zijne spitsvondigheid befaamd is +door geheel Vlaanderen en tot in Duitschland toe." + +De koning wendde zich om en deed een teeken tot de oversten die op zijn +bevel stonden te wachten. + +Eene groote beweging liet zich oogenblikkelijk tusschen de ridders en +wapenknechten opmerken. Ieder steeg te paard of schikte zich in zijn +gelid. + +Insgelijks naar zijn paard stappende, vroeg de koning aan mher Van +Praet: + +"Veldheer, heeft men nu eene betere herberg voor mij doen bereiden?" + +"Ja, heer koning", was het antwoord, "De schepenen hebben eene woning +als een paleis in gereedheid gebracht. Zij is niet verre van de Markt +gelegen en men noemt ze sher Gherwijns Steen." + +"Het is wel, veldheer; heb de goedheid te bevelen dat men dezen namiddag +den Gentschen gewerkmeester Arnold tot mij leide. Ik wil met hem +spreken." + +Onder het uiten dezer laatste woorden was hij te paard gestegen. Hij +gaf nog een sein met de hand; de bazuinen werden aangeheven, de stoet +bewoog zich en zakte den Maalberg af. + +De Kerels keken hem zwijgend achterna, totdat hij voorbij de +St-Janskapelle uit hun gezicht verdween. + +Dan begonnen zij onder elkander over de waarschijnlijke nederlaag van +het leger der Kerels en over de gevangenneming van Willem Van Loo te +kouten. Hun lot was schrikkelijk, geene de minste hoop bleef hun over. +Had God waarlijk hen vervloekt en tot eenen ijselijken dood gedoemd, om +voor den moord des graven te boeten? Volgens de wetten en gebruiken der +Kerels waren alle magen en vrienden van eenen moordenaar mede +verantwoordelijk voor de misdaad. Zij vroegen in zich zelven, waarom het +daarboven in den hemel met insgelijks zoo zou zijn. Ja, er was niet aan +het hoogere vonnis te ontsnappen; zij zouden sterven tot den laatste +toe! + +In den eerste versomberde deze mistroostige overweging hunne gemoederen; +maar welhaast stonden zij weder met nieuwe hardnekkigheid uit de +hopeloosheid op en maanden elkander aan om geen het minste teeken van +zwakheid te geven en als onversaagde mannen te volharden, tot onder het +zwaard des vijands zelven, opdat hun dood getuigenis gave van der Kerlen +onverwinbaren heldenmoed. + +Daar hoorden zij onverwachts weder bazuingeschal hergalmen, en zagen van +den kant der Markt een tiental ridders en eene bende wapenknechten door +de Hofstraat den burg naderen. De standaard, die men voor de +bazuinblazers hield opgeheven, verklaarde hun wie deze lieden waren. + +Inderdaad, de standaard droeg de wapenteekens der Tancmars, Het +geslachtszinnebeeld van de bloedvijanden der Erembalds! + +Wat kwamen deze booze vervolgers der Kerels op den burg doen? Ha, indien +zij tot onder het bereik der pijlen durfden naderen, met welke vreugd +zouden Robrecht en zijne gezellen de vernedering van Kerlingaland op hen +wreken! + +Maar de Tancmars keerden ter rechterzijde en gingen achter den +opgeworpen dam tot bij de Hoogpoort. Hier traden zij met hunne +wapenknechten in de gebouwen van het klooster. + +Vele poorters hadden hen tot daar gevolgd, onder het uitspreken van +afkeurende woorden en zelfs met dreigende gebaren; maar de Tancmars, +zich door 's konings bescherming sterk wanende, hadden nu en dan de +verbitterde poorters door de wapenknechten doen terugdrijven, zonder +eenige acht op hunne vijandige houding te slaan. + +Terwijl de volkshoop steeds voor het klooster aangroeide en men elkander +tegen Rambold aanhitste, als zijnde hij de oorzaak van des graven +beklaaglijken dood, werd eensklaps de standaard der Tancmars uit het +bovenste venster van den gevel der proostdij gestoken. + +Dan begrepen de poorters en tevens de Kerels boven op den toren wat er +geschiedde: de Tancmars namen bezit van de proostdij als van hunnen +eigendom. Had de koning hun dit toegelaten of was het enkel eene daad +van zwetserij en overmoed? + +De Kerels toonden de gebalde vuisten en deden de lucht onder hunne +verontwaardigingskreten weergalmen; de poorters morden en schreeuwden, +en wierpen de Tancmars scheldwoorden toe. + +Dan verscheen Rambold Tancmar voor de deur des kloosters en gebood +zijnen wapenlieden deze grove, vermetele lieden met geweld uiteen te +drijven. + +Het volk week morrend achteruit. Een enkel poorter weigerde eenen voet +te verzetten, en kwetste zelfs een der wapenknechten met zijn mes. Hij +werd doorstoken en viel neder in zijn bloed. + +Toen de andere poorters dit zagen, vloden zij allen met groot gekerm van +den burg en liepen op de Markt en door de straten, met de handen in de +hoogte, schreeuwende: + +"Wacharm! Wacharm! De Tancmars zijn in de proostdij! Zij hebben den +beenhouwer Han Bout vermoord! Harop, harop!" + +Op dit oogenblik keerden juist de Bruggelingen, die des konings stoet +gevolgd hadden, naar hunne woningen terug; de straten krielden van volk, +dat eveneens als de vluchtelingen van den burg: "Wee! Wee! Wacharm! +Harop! Harop! Harop!" begon te roepen. + +Zoo weergalmde onmiddellijk de gansche stad van den honderdmaal +herhaalden noodkreet, en weinig tijds daarna stroomden van alle kanten +gewapende poorters en ambachtslieden te zamen op de Markt, rondom de +standaarden der neringen en der gilden. + +Men zou gezegd hebben dat deze lieden elkander lang op voorhand verstaan +hadden, om op dezen dag allen te gelijk onder de wapens te komen. Het +was echter niet zoo. Hun haat tegen de Tancmars was alleen de oorzaak +dezer eensgezindheid. Zoolang de Kerels machtig waren en konden laten +hopen dat zij zich zelven zouden verdedigen, hadden de meeste poorters +het inwendig goedgekeurd, dat men tegen hen wraak name over des graven +moord; maar nu de Kerels voor goed waren bezweken, gevoelden de poorters +dat zij voortaan hunne vrijheden alleen en zonder hulp tegen de +dwingelandij en de verdrukking der leenheeren zouden te verdedigen +hebben en waarschijnlijk in deze ongelijke worsteling zouden bezwijken. +Zij waren door het gevoel van dit gevaar verbitterd. Tegen den koning en +tegen het ridderleger konden zij niets. De Tancmars, welken zij reeds +sedert jaren eenen diepen haat hadden toegedragen, boden zich nu van +zelven tot doel hunner gramschap aan. + +Nauwelijks waren zij op de Markt ten getalle van eenige honderden te +zamen, of zij liepen naar den burg en bestormden daar de deur van het +klooster, en schoten de wapenknechten neder, evenals in eenen waren +oorlog. + +De Kerels, van boven de toren, zagen niet alleen dit gevecht, maar +bemerkten nog met groote vreugde hoe uit al de straten der stad een +ontelbare vloed gewapende poorters naar den burg kwam gestroomd. In de +meening dat het Brugsche volk, tegen de Franschen en tegen de Isegrims +in opstand was gekomen, om hen te verlossen, moedigden zij de +strijdenden aan en riepen zelfs de poorters bij hunnen naam, hen met +vurige woorden tegen de Tancmars en tegen de wapenknechten ophitsende. + +Eensklaps verscheen de veldheer Gervaas Van Praet met eenige Vlaamsche +ridders op den burg. Zonder acht te slaan op het gevaar, wierp hij zich +met zijne gezellen voor de poort van het klooster en bezwoer, schier met +tranen in de oogen, de poorters deze bloedige worsteling te staken. Wat +was de oorzaak dezer beroerte? Wat eischten zij? Men zou hun bevrediging +geven. + +Door de woede van den strijd verhit, wilden de poorters in den eerste op +zijne stem niet luisteren, en dreigden zelfs den veldheer en zijne +ridders te doorsteken, indien hij de booze en verfoeilijke Tancmars +tegen hunne woede wilde beschermen; maar eindelijk toch bedaarde het +gewoel en geschreeuw een weinig, en dan traden eenige oversten der +neringen vooruit, om den veldheer de eischen der poorters te doen +begrijpen. + +"Mher Van Praet", zeide een hunner, nog zeer door toorn ontsteld, "de +Tancmars zijn de schuld van des graven ellendigen dood en van al de +ongelukken die ons arm Vlaanderen daarom bedreigen. Zij hebben +onophoudelijk den vorst aangeraden den Kerels en tevens den poorters der +steden hunne vrijheden te ontnemen. Wanneer alles rustig was, en wij den +vorst over onzen vrede en onzen voorspoed zegenden, dan waren de +Tancmars nacht en dag er op bedacht om door listen en lagen de +Erembalds, de Kerels en de poorters te verbitteren, en zoo 's lands rust +te storen. Zij hebben den graaf verleid tot onrecht en verdrukking en +zij zijn dus de ware moordenaars van onzen armen vorst ..." + +"Wat wilt gij van hen?" vroeg de veldheer verschrikt, "gij eischt toch +hun leven niet?" + +"Ja, ja, hun leven!" kreet de menigte. + +"Maar het is onmogelijk, vrienden", zeide de veldheer treurig. "Gij +dwaalt. Vergeet niet dat de koning van Frankrijk te Brugge is, en dat ik +een machtig leger tot mijne beschikking heb. Wilt gij mij dan dwingen u +allen te vermoorden? Ach, ik bid u, bedaart en weest redelijk!" + +"Neen, neen, veldheer", hernam de overste, die eerst gesproken had, "het +leven van deze booze vijanden des volks eischen wij niet. Zij zijn met +uitdagenden overmoed in Brugge verschenen, hebben bezit der proostdij +genomen en eenen poorter doen doorsteken ..." + +"Een wapenknecht, die zich verdedigde; het is een ongeluk!" mompelde +Gervaas. + +"Inderdaad; maar wij willen niet vernederd of getergd worden door +degenen die de schuld zijn van des graven dood. Wij eischen dat de +Tancmars oogenblikkenlijk niet alleen den burg, maar onze stad verlaten. +En geeft men ons niet zonder uitstel deze bevrediging dan geschiede wat +kan, zij geraken niet levend uit onze handen!" + +De veldheer verzocht den poorters eene wijl zijn antwoord te wachten, en +trad in het klooster. + +Toen hij terugkwam, zeide hij tot den overste: + +"Ik zal de Tancmars gebieden de stad Brugge te verlaten. Stemt gij toe +om hun met hunne wapenknechten eenen vrijen doorgang te bieden?" + +"Wij stemmen toe", was het antwoord. + +"Maar zult gij hen niet volgen?" + +"Tot bij de stadspoort, ja." + +"En niet er buiten?" + +"Neen, niet daarbuiten." + +"Gaat dan achteruit en laat ons den weg vrij!" + +De oversten der neringen en gilden dreven hunne mannen terug en spanden +al hunne pogingen in, om hen tot bedaren te brengen. Meer dan de +verwijdering, om zoo te zeggen de ballingschap der Tancmars konden zij +nu niet eischen. Was hier noch bedrog noch list in het spel, en schonk +men de poorterij deze bevrediging, dan moesten zij zich stilhouden en +geene reden geven tot nuttelooze bloedstorting.[86] + +De Tancmars, beschaamd en verschrikt, kwamen uit het klooster en +schikten zich elk tusschen twee ridders, om tegen de woede des volks +beveiligd te zijn. + +Men leidde hen over de Markt, in de richting der Bouverypoort. + +Wel werden zij onderwege nog met scheldwoorden en dreigende gebaren +bejegend, maar toen het volk hen ter poort had zien uitstappen, en van +op de vestingen hen eene wijl had achternagekeken ging elkeen juichend +en bevredigd naar huis. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 85: "De koning en de graaf belegerden Yperen. Een hardnekkig +gevecht had plaats tusschen de beide legers ... Booze inwoners van +Yperen, hebbende een verbond met den koning gesloten, brachten hem en +zijn ontelbaar leger in de stad ... Willem, niet wetende dat hij +verraden was, kwam toegeloopen. De koning en de graaf maakten hem +krijgsgevangen." GALBERTUS, p. 377.] + +[Voetnoot 86: Zie het verhaal dezer volksberoerte en de uitdrijving der +Tancmars, bij GALBERTDS, p. 322.] + + + + +XXVI + + +De koning van Frankrijk was lang met den Gentschen gewerkmeester Arnold +in samenspraak gebleven, en had met hem overwogen welke middelen men zou +kunnen uitdenken om de Kerels, die nog op den toren waren, levend of +dood in handen te krijgen, zonder tot dit einde een al te groot getal +zijner ridders en wapenknechten te moeten opofferen. + +De uitslag dezer beraadslaging was, dat er geen ander middel bestond dan +de toren te doen vallen, of ten minste de Kerels met dien val tot +zooverre te dreigen dat zij, in de zekerheid van onder de puinen te +worden verpletterd, zich in de genade des konings overgaven. + +Men zou den voet van den toren ondermijnen, en daartoe eenen ontzaglijk +zwaren beukram bouwen. Om de arbeiders en wapenknechten tegen de steenen +en pijlen der Kerels te beschutten, kon men het groote werktuig binnen +in het klooster stellen, daar, waar de refter van achter tegen den toren +raakte. Dus onder dak staande, zouden degenen, die den beukram moesten +bewegen of bestieren, geheel buiten bereik des vijands blijven, en men +zou geene of zeer weinige mannen verliezen. + +Dit ontwerp bekwam des konings goedkeuring. Hij gelastte meester Arnold +een groot getal timmerlieden en smeden aan het werk te stellen, opdat de +ram binnen eenige dagen vaardig ware. Bleven de Kerels weigeren zich op +genade over te geven, welnu, de toren zou dan nederstorten en deze +hardnekkige, verstokte lieden onder zijne puinen begraven! + +Meester Arnold had na weinige dagen de balken en gebinten van zijn +gestel in gereedheid gebracht, en deed ze stuk voor stuk in het klooster +dragen. + +Toen eindelijk de reusachtige balk met het ijzeren ramshoofd werd +aangevoerd, bemerkten de Kerels, ofschoon nog onduidelijk, wat de vijand +voornemens was tegen hen te beproeven. Dat men den toren wilde doen +vallen, of dat die val mogelijk ware, zulke gedachte was zoo +buitengewoon en zoo ongegrond, meenden zij, dat ze eenen glimlach op +hunne lippen verwekte. Wat was dan het doel hunner vijanden? Zouden zij +op zekere hoogte in den toren een gat boren, om de trap te bereiken en +dus tot hen op te klimmen? Maar deze vooronderstelling was even +onwaarschijnlijk. + +In deze onzekerheid moedigden zij elkander aan om voor niets te +zwichten. Zij hadden het nu reeds zoolang volgehouden, twee machtige +legers getrotst en hunne vijanden beschaamd; het was toch oneindig +schooner en heerlijker tot den laatste toe vrij en met het zwaard in de +vuist te bezwijken, dan gemarteld en door de Isegrims vertreden en +bespot, te moeten sterven. + +Alhoewel zij slechts weinige pijlen nog bezaten en reeds groote holten +in den toren hadden gebroken, om zich werptuigen te verschaffen poogden +zij elken vijand, die onder hun bereik kwam, met steenen of schichten te +treffen. + +Dagelijks sneuvelden er dus eenige Franschen en Vlamingen, ridders en +wapenknechten. Dit verlies vergramde den koning uitermate en vuurde +dusdanig zijn ongeduld aan dat hij bij dag zijn intrek in de Loove nam +en niet zelden binnen het klooster ging om de arbeiders tot vlijt en +haast aan te drijven. + +Nu was hij weder met eenige ridders in het klooster getreden, omdat men +hem de voltooiing van den grooten beukram was komen aankondigen. Met +genoegen beschouwde hij het ontzaglijk gestel, dat waarschijnlijk in +weinig tijd de Kerels tot overgaaf zou dwingen of door den akeligsten +dood een einde aan hunnen onbeschaamden trots zou maken. + +De refter van het klooster was bijna hoog als de beuk eener kerk. Daar +hing nu, in evenwicht tusschen eene timmering van opgaande balken, een +zware eikeboom, nauwelijks van zijne schors ontbloot en vooraan met een +ijzeren ramshoofd beslagen. + +Aan het achterst einde waren vele zelen gehecht en aan elk dezer zelen +stonden vele arbeiders en wapenknechten. Om te beuken, moesten deze +lieden achteruitloopen, den balk hoog uit zijn evenwicht trekken en dan, +op een sein of een woord, allen te gelijk de zelen loslaten. Dan schoot +de balk, om zijn evenwicht te zoeken, vooruit tegen den torenmuur en +verbrijzelde de steenen en schokte het gebouw tot in zijne grondvesten. + +Toen alles gereed was, gaf de koning zelf het eerste sein. Wel was de +schok geweldig en sprong het vuur uit den verstaalden ramskop; maar de +brokkelingen, welke hij van den muur deed vallen, waren zoo weinig +aanzienlijk, dat de koning met ongeduld en mismoed het hoofd schudde. +Nog drie of vier schokken deed hij in zijne tegenwoordigheid beproeven, +met even geringen uitslag. + +Dan betuigde hij zijne ontevredenheid aan meester Arnold; maar deze, +door zijne eerbiedige uitleggingen, deed den vorst begrijpen dat de +steen van den toren uitnemend hard was en daarom de ram, ondanks zijne +zwaarte, bij elken afzonderlijken slag zoo weinig uitwerksel had. Het +was evenwel slechts eene zaak van tijd, en hij kon de verzekering geven, +dat na twee of drie dagen arbeids, de toren zou ten gronde liggen, +indien de Kerels zich niet vroeger in 's konings genade overgaven. + +De vorst verwijderde zich half tevreden over deze verklaring, en meester +Arnold zette met ijver het begonnen werk voort; ja, om zijne mannen moed +in te boezemen, deed hij hun wijn bij volle kannen schenken, en zong +onder den arbeid een zeker lied, waarvan de maat de bewegingen der +beukers eenstemmig regelde. Gansch door het dak van den refter beschut +en door den wijn aangejaagd zongen zij welhaast allen te samen en waren +vroolijk als op eene kermis. + +Evenwel in den namiddag werd hunne vreugde eensklaps op eene bloedige +wijze gestoord ... Een geweldige slag en een schrikkelijk gekraak liet +zich hooren, en er viel een zwaar voorwerp, als een rotsbonk, door het +dak en door het welfsel. + +Toen de verschrikte arbeiders door de stofwolk konden heenzien bevonden +zij dat drie hunner makkers verpletterd dood lagen en vier of vijf met +gebroken leden om hulp kermden. + +Terwijl men naderde, om de dooden en gekwetsten op te rapen, viel weder +zulk voorwerp met ijselijk gebons op het dak, doch ditmaal weerstond het +welfsel, en het voorwerp rolde neder op een keukendak, dat onder den +slag instortte en een tiental wapenknechten verpletterde of verwondde. + +Er rees een algemeen noodgeroep in het klooster op, en al de ridders en +wapenknechten, die zich daar of in de Loove bevonden, grepen naar hunne +wapens en liepen dooreen, als waanden zij zich door eenen machtigen +vijand verrast of bedreigd. + +Na eene wijl kwam de veldheer Gervaas Van Praet in het klooster, om te +vernemen wat er geschiedde. Hij vond meester Arnold, met de armen +overeen en als verbaasd nederziende op een groot brok metaal, dat ten +gronde lag. + +Op des veldheer ondervraging, zeide Arnold: + +"Het zijn ware duivels daarboven, mher Van Praet. Daar hebben zij nu met +mokers eene klok uit den toren aan twee stukken geslagen en deze als +dondersteenen ons op het lijf geworpen! Zie het gat daar in het welfsel! +Hoe zij zulke bonken metaal over de gaanderij kunnen porren, dit weet +God![87]" + +"En wat gaat gij nu beginnen?" + +"Ha, veldheer, het voorzichtigste is ons werk voor heden te laten +steken, en gedurende den nacht naar middelen uit te zien om het dak met +balken te sluiten." + +"Het is om schaamrood van te worden!" mompelde de veldheer "Vijftig man +die ons blijven tergen en ons zooveel spels leveren als een groot leger! +De koning zal wel ontevreden zijn, meester Arnold, indien hij verneemt +dat gij het beuken wilt staken." + +"Wat mij betreft, ik ben bereid om het werk voort te zetten, veldheer; +maar de heer koning heeft mij bevolen de mannen zoo weinig mogelijk in +gevaar te brengen." + +Er kwam een overste geloopen, en deze riep op verstoorden toon tot +Arnold: + +"Welnu, meester, waarom staakt gij het werk? Ga voort, ga poort, kost +wat kost, de koning wil het zoo! Men zal u nog meer wapenknechten +zenden: de ram moet beuken, nacht en dag![88]" + +"'s Konings wil zal geschieden", antwoordde meester Arnold. + +Hij verliet de ridders, vergaderde de arbeiders en zeide hun hoe zij +den ram wat zijdelings zouden trekken, om niet onder de opening van het +dak te staan. + +Eene wijl daarna waren zij weder aan het werk, en beukte de ram opnieuw +met korte tusschenpoozen tegen den toren. + +Waarschijnlijk hadden de Kerels geene klokken meer om naar beneden te +werpen, of waren deze te zwaar om te worden verbrijzeld of verplet. +Althans er verliepen ten minste twee uren zonder dat de beukers door +iets werden gestoord of bedreigd. + +Wel was iemand hun komen zeggen dat men boven op de gaanderij van den +toren veel rook zag opgaan en vuren zag vlammen; maar dewijl men niet +raden kon wat de vijand daarmede in den zin had, onderbrak men het werk +van den ram daarom niet. + +Buiten het klooster was men min gerust. De ridders die in de Love waren, +en zelfs de koning zagen met zekere bekommerheid naar den toren en +vroegen elkander wat toch die razende en onuitputtelijke Kerels nu weder +aan het uitvinden waren om hunnen beslissenden val te vertragen. + +De zaak was echter zeer eenvoudig. Toen de Kerels, na het werpen der +klok, den ram zijn werk hoorde hervatten, begrepen zij dat zij door dit +middel het dak, dat de Isegrims voor hunne pijlen beschutte en aan hun +gezicht onttrok, niet zouden kunnen verbrijzelen. Na eenige overweging +waren zij dan op de gedachte gekomen eene poging te doen om dit dak door +het vuur te vernietigen. + +Zij brachten daartoe al het was, al het vet en zelfs de weinige boter +die hun overbleef te zamen. De zelen der klokken hakten zij aan stukken +en ontwonden en openden ze; lijnwaad, zakken en zeildoeken werden +bijgehaald. + +Dan begonnen zij met hout, dat zij uit den toren braken, vuren te stoken +en de vette stoffen in ketels te smelten. Hierin doopten zij al de +bijgebrachte brandstoffen en legden ze terzijde, totdat alles klaar zou +zijn. + +Het waren deze vuren en al deze bewegingen die de ridders en den koning +door het voorgevoel van eenig groot gevaar bekommerden. + +Nu waren de Kerels gereed tot het uitvoeren van hun ontwerp. + +Allen te gelijk hieven zij de ingevette brandstoffen boven de vuren, +lieten ze goed vlammen en wierpen ze dan naar beneden op het dak van het +klooster, in zulke hoeveelheid, dat ze daar in hoopen op elkander vielen +en een groot gedeelte van het dak met golvende vlammen overdekten. + +Dan begrepen de ridders ten volle het inzicht en het doel hunner +hardnekkige vijanden: zij wilden al de geestelijke gebouwen door den +brand vernielen en dus de beukers en de wapenknechten van alle +beschutting berooven. + +Een groot geroep rees op; de bevelen klonken verward door elkander, en +de oversten der Isegrims en der Franschen poogden hunnen mannen het +gevoel in te drukken dat men, ondanks alle gevaar, moest pogen den brand +te blusschen, wilde men niet den ganschen burg in asch te zien vergaan. + +De wapenknechten, evenals hadden zij op het slagveld tegen den vijand te +strijden, liepen in menigte naar boven met al wat water kon bevatten, en +sprongen door de zoldervensters op de daken. + +Maar de Kerels, die zulks wel hadden voorzien, wierpen zoo duchtig met +steenen en schoten zoo onophoudend met hunne laatste pijlen, dat een +groot getal wapenknechten doorboord of verpletterd werden en onder het +slaken van doodskreten nedervielen in het vuur zelf dat zij wilden +blusschen. + +De wind blies tamelijk sterk en hitste de vlammen aan[89]. + +Dank aan wanhopige pogingen en ten prijze van vele menschenlevens +gelukten de wapenknechten er in den brand boven den refter uit te +dooven; maar op hetzelfde oogenblik sloegen de vlammen met nieuw geweld +uit het dak van een ander gedeelte des kloosters ... + +Dit geschiedde nog herhaalde malen. Toen men eindelijk den brand geheel +meester was geworden, lagen verscheidene daken neergevallen; maar de +Kerels hadden evenwel hun voornaam doel gemist, aangezien het dak boven +den beukram, dat men allereerst had gebluscht, was behouden gebleven. + +De koning van Frankrijk had dit gansche schouwspel, van uit een venster +der Love, met diepe verbittering gevolgd. Hoe werd hij nu tegen de +Kerels verbolgen, toen hij onder zijne oogen zoovele gekwetsten zag +wegdragen, alsof men tegen een vijandelijk leger had slag geleverd! Hij +zwoer zich op die uitzinnige Kerels wreedelijk te wreken. Geen enkele +zou het schromelijkste lot ontsnappen: allen zouden den marteldood +sterven! + +Toen hij de Loove tegen den avond verliet, herhaalde hij nog deze +onmeedoogende veroordeeling tot groote vreugd der Isegrims, die aldus de +verzekering kregen dat al de grondbezittingen, zoowel van Robrecht +Sneloghe als van de andere Erembalds, hun tot belooning zouden worden +uitgedeeld. + +Den ganschen nacht bleven de Franschen en de Isegrims werkzaam om de +geledene schade zooveel mogelijk te herstellen en nieuwe gevaren van +dien aard te voorkomen. Het dak van den refter werd overdekt met versche +of natgemaakte ossenhuiden, en hier en daar van binnen met balkwerk +versterkt. Nog werden vele mannen door de steenen of de pijlen der +Kerels getroffen; maar het was een waar gevecht, en niemand meende het +te mogen ontwijken. + +Reeds des anderen daags in den vroegen morgen begon de ram zijn werk +opnieuw. + +Nog poogden de Kerels hunne vijanden door het werpen van zware steenen +of van brandstoffen te verontrusten; maar alles botste op de vochtige +ossenhuiden af, of verteerde zonder eenig uitwerksel. Eindelijk, na alle +mogelijke middelen te hebben beproefd erkenden zij hunne onmacht en +staakten hunne pogingen. Buiten vier of vijf, die de wacht hielden, om +nog de ridders en de wapenknechten te treffen, die zich roekeloos onder +hun bereik waagden, bleven de Kerels van dan af gansch ondadig. Zij +legden zich hier en daar binnen ten toren ter ruste of luisterden in +sombere stilzwijgendheid op de holle slagen van den beukram, of keken +mijmerend in de verte over burg en stad naar het betreurde Kerlingaland, +als waanden zij nog dat van daar verlossing kon komen. + +Den derden dag moest het werk der beukers reeds verre gevorderd zijn, +want bij elken stoot van den ram beefde de toren nu op zijne +grondvesten; schouwde men in de hoogte, dan zag men op zulk oogenblik +hoe het kruis en de haan op de torenspits over en weder waggelden. + +Nu begonnen de Kerels te vermoeden wat hunner vijanden inzicht was. De +schrikkelijke gedachte, dat men den toren kon doen nederstorten, om hen +allen onder de puinen te verpletteren, ontstelde hen in den eerste; maar +zij twijfelden nog aan de mogelijkheid van zulk ontwerp; en moest het +zich verwezenlijken, welnu, zij waren bereid om dezen gruwelijken dood +zonder klagen te aanvaarden. Allen te zamen sterven, was in hunnen +hachelijken toestand nog een geluk. + +Toen de avond van dien dag zichtbaar begon te dalen, werden zij door den +vijand zelven uit hunne onzekerheid getrokken. Een wapenbode stuurde +hun, in name des konings van Frankrijk, het woord toe. Hij zeide hun, +met vele bedreigingen, dat de ram reeds bijna de helft van des torens +voet had uitgebeukt, en dit gebouw welhaast in gruis zou nederstorten. +Al de Kerels zouden onder zijne puinen worden begraven. Wilden zij zich +op genade des konings overgeven, men zou hen beneden laten komen; +weigerden zij, de beukram zou onmeedoogend zijn werk voltrekken. Men +gunde hun een vierendeel uurs. + +Op dit voorstel antwoordden de Kerels met koele fierheid, dat zij +volstrekt weigerden zich over te geven, tenzij de koning en de ridders +hun de reeds meermaals uitgedrukte voorwaarden toestonden. Weigerde men +dit voorstel, het was een bewijs dat men voornemens was, zonder vonnis +hen te dooden, en in dit geval stierven zij nog liever als vrije Kerels +onder de puinen van den toren. + +De wapenbode sprak in naam des konings eene vermaledijding en een +doodvonnis tegen hen uit, en keerde dan terug naar de Loove. + +Onmiddellijk daarop begon men in het klooster met nieuwe kracht te +beuken, tot verre in den avond. Dan echter werd het werk der vernieling +gestaakt, ongetwijfeld omdat men vreesde den toren onverwachts te zien +instorten, en men wilde vermijden dat zulks gedurende den nacht +geschiedde. + +Ondanks de ijselijkheid van het lot dat hen dreigde, begaven de Kerels +zich ter rust; en dewijl nu het bonzen van den beukram hen niet stoorde, +sliepen er velen zeer vast tot in den morgen van den volgenden dag. + + +[Illustratie: ...het hoofd op de leuning der gaanderij gelegd. (Bladz. +497.)] + + +De zon was reeds sedert een goed uur boven de kim gerezen, toen Robrecht +ontwaakte. Hij voelde zijnen geest verzwaard door den langen, loomen +slaap, en stapte naar buiten, om op de gaanderij eene verfrissching voor +zijn neergedrukt gemoed te zoeken. + +Daar zag hij eensklaps aan den zuiderkant des torens Dakerlia op eene +houten bank in het stralend morgenlicht zitten. De maagd had het hoofd +op de leuning der gaanderij gelegd en hield de oogen gesloten. Was zij +onder de koesterende warmte der zon ingesluimerd of mijmerde zij in +vergetelheid van het verloren geluk en van den akeligen dood die haar +jong leven ging verslinden? + +Mher Sneloghe naderde tot op twee stappen van haar, bleef daar staan, +vouwde de armen over de borst en staarde zuchtend op zijne verloofde. + +Welke eindelooze wereld van gedachten en herinneringen stormde hem op +dit oogenblik door de hersens! Alwat hij had gedroomd, gehoopt, +gevreesd, geleden, warrelde als een spokig gezicht hem voor de oogen. +Wat was toch de mensch in de handen Gods? Zandkorrel dien het lot mede +voert, evenals de wind een vlokje stof! Hij, Robrecht, was de rijkste +ridder van geheel West-Vlaanderen geweest, hij had toebehoord aan een +vrij land en een edel geslacht. Hij was schoon en sterk geweest als man, +geacht en bemind als mensch. Hij had eene zuster gehad, zoet, eenvoudig +en lieftallig als eene duive. Zijne ziel had eene zuivere, beminnende +ziel ontmoet; de huwelijkszegen moest hen onafscheidbaar vereenigen en +hun leven tot een paradijs van liefde en zoet genot herscheppen ... +Eenige sombere dagen slechts waren voorbij--en van dit alles bestond +niets,--niets meer! Kerlingaland was bezweken, de vrijheid, het erfdeel +der edele voorvaderen, verloren! Hij, die de gelukkige bruidegom der +aangebeden maagd moest worden, ging den dood vinden onder de puinen van +St-Donaastoren ... Van de Erembalds zou zelf in 's lands geschiedenis +niets overblijven dan eene gevloekte gedachtenis! en dit alles tot boete +eener afschuwelijke misdaad, waaraan zij vreemd gebleven waren,--tot +betaling der bloedschuld van den moordenaar Burchard Knap! + +Eene wijl bleef nog de blik des jongelings strak en dof, als ware de +denkingskracht in hem opgeschorst geweest. + +Allengs nochtans vormde zich op zijne lippen een onduidelijke glimlach, +en hij hield de oogen met eene soort van treurige bewondering op het +gelaat van Dakerlia gevestigd. + +Zij was toch zoo schoon en zoo ontzagwekkend, zijne verloofde, die daar +op den rand van den waggelenden toren lag te slapen als een onnoozel +kind dat sluimerd op de kruin van eenen vulkaan. + +Waren Robrecht en zijne gezellen bleek, vermagerd, gekwetst, vuil en +gescheurd, Dakerlia had geheel het voorkomen der gezondheid van den +zielevrede en der zindelijkheid behouden. Iedereen toch had gewedijverd +om haar tegen de ongemakken van hunnen schrikkelijken toestand te +behoeden; en, hoe zij ook wederstand had geboden, haar voedsel toch was +niet verminderd geworden, en zelfs had men veel van het kostbare +drinkwater opgeofferd, om de Kerlinnen toe te laten, haar met al de +zorgen der netheid te omringen. + +Dakerlia's wangen hadden nog iets van hunnen vorigen blos behouden, haar +aangezicht was zuiver en frisch gebleven. Haar zoo op de leuning der +gaanderij onder het zonnelicht ziende rusten, zou men gewaand hebben +eene teeder gekleurde roze te beschouwen, die even door een storm uit +het dal was gerukt geworden en boven op eene naakte rots gevoerd. + +Robrechts hart popelde van bewondering en liefde, terwijl hij, van het +gevoel der wezenlijkheid verdwaald, den blik op het zoet gelaat zijner +verloofde hield gevestigd; maar eindelijk toch ontviel hem de +tooversluier der begoocheling, en welhaast sidderde hij onder den slag +van bedroevende gepeinzen. + +Zij ook, zij, Dakerlia, ging eenen akeligen dood sterven! Van die +schoonheid, van dat jong leven, van al die hoop op geluk zou niets +overblijven dan ... dan een verpletterd en verminkt lichaam ... +ijselijk, gruwelijk! + +Tranen schoten den ontroerden ridder in de oogen; maar hij bedwong deze +teekens der smart met geweld, en zette zich in stilte nevens zijne +verloofde. + +Dakerlia ontwaakte en opende de oogen; zij aanschouwde Robrecht eene +wijl met eene soort van onbewustheid en glimlachte dan helder, als stond +er eene verheugende herinnering in haren geest op. + +"Gij lacht, Dakerlia?" murmelde de jonge ridder verbaasd, "Uwe sterke +ziel is dus boven alle vrees verheven?" + +"Wat schoon, wat heerlijk gezicht!" riep de maagd met begeestering uit. +"Robrecht, ik heb mijn vader en uwe zuster gezien ... gezien en omhelsd +en gesproken!" + +"Een droom, lieve, eene begoocheling ..." + +"Neen, neen, meer dan dat; eene inspraak van God, een troost in ons +lijden, eene voorspelling van toekomende dingen!" + +Robrecht haalde mismoedig de schouders op en zeide met eenen zucht: + +"Luister, luister, hoe de ram daarbeneden beukt; voel, Dakerlia, hoe de +toren siddert. Ziedaar, arme vriendinne, de droeve wezenlijkheid!" + +"Gij gelooft mij niet?" sprak de maagd, met een gelaat dat van vreugde +straalde, "Ik heb den toren reeds zien vallen ... Zoo zat ik hier bij +den rand der gaanderij: de ram beukte geweldiger nog dan nu, de toren +waggelde op zijne grondvesten en ging nederstorten. Ik was vervaard en +hief de handen biddend ten hemel. Een Engel verscheen aan mijne zijde. +"Vrees niet, Dakerlia," zeide hij; "voor wie ongelukkig is of onrecht +lijdt, is de dood eene verlossing, een nieuw en beter leven." De goede +geest gaf mij moed en versterkte mij tegen den hachelijken stond. Daar +viel de toren met ijselijk gekraak; maar terwijl ik met de puinen naar +beneden stortte, greep de engel mij in zijne armen en vloog met mij naar +den hemel. In eene zaal, die verblindend glansde van goud en licht, +kwamen mijn vader en uwe zuster juichend mij te gemoet geloopen en +omhelsden mij met uitstorting eener onzeglijke blijdschap. Tranen van +geluk ontrolden onzen oogen bij dit vroolijk wederzien. Onze vrienden +Eggard Van IJsendijke, Yorg Koevoet, uw oude oom, de proost, en nog +velen van de dappere gezellen die gesneuveld zijn, kwamen mij omringen +en drukten mij de handen. Eene treurnis slechts benevelde onze vreugd; +allen riepen wij: "Waar is Robrecht? Waar blijft de edele Robrecht?" Ha, +er ging tusschen ons een schallende jubelkreet op. Daar kwaamt gij! Wij +liepen met uitgestrekte handen u toe en sloten u in de armen ... Dan +overstroomde ons eensklaps een stralend licht, en uit den schoot van +dien gloed sprak de stemme Gods zelve tot ons: "Robrecht, Dakerlia, +zielen die op aarde hebt bemind en geleden, weest vereenigd en gelukkig +tot het einde der eeuwen!" En dan, Robrecht, dan ben ik ontwaakt en heb +u nevens mij zien zitten. Het is een droom; ja, ja, een droom; maar hij +zal waarheid worden. Daarboven zullen wij eeuwig te zamen leven, met +mijnen vader, met uwe zuster, in Gods aanschijn!" + +De jonge ridder had zich door de begeesterde taal van Dakerlia tot +begoocheling laten verleiden, en ook op zijne lippen was een zoete +glimlach verschenen; maar zoohaast zij ophield van spreken, keerde hij +tot het gevoel der wezenlijkheid terug en schudde met treurigheid het +hoofd. + +"Die schoone voorspelling kan u niet verblijden?" murmelde de maagd. +"Zoudt gij den dood vreezen, Robrecht?" + +"Voor mij niet, gij weet het wel", antwoordde hij. "Maar u te zien +sterven, Dakerlia, u, zoo jong, zoo onschuldig, zoo schoon! Eilaas, het +is eene ijselijke gedachte!" + +"Vermits ik dit lot zonder beven aanvaard ..." + +"Er is nog een middel, Dakerlia; en onze arme gezellen zouden, uit +liefde tot mij en tot u, er in toestemmen." + +"Alweder het voorstel dat ik reeds tienmaal heb verstooten?" + +"Inderdaad, lieve; maar ik smeek u, aanvaard het, uit medelijden met +mijne smart! Indien ik u gered mocht weten, ik stierve met een gevoel +van geluk, en ik zegende dan den dood als eene weldaad. Laat mij doen: +ik zal den koning onze overgaaf op zijne genade voorstellen, indien hij +zijn vorstelijk woord wil verpanden dat men u in volle vrijheid naar +Kerlingaland zal laten vertrekken." + +"Nimmer, nimmer! Ik weiger ..." + +"Dakerlia!" + +"Met u wil ik leven en sterven. Mijn droom zal waarheid blijven." + +"Wees niet onmeedoogend; uwe weigering maakt mij den dood tot eenen +galbeker." + +"Ha, Robrecht, hoe is het mogelijk!" kreet het meisje met +verontwaardiging. "Gij wilt dat ik op aarde blijve na uw vertrek? Bemint +gij mij? Waarom dan wenscht gij dat ik blootgesteld worde aan de +vervolgingen van den verrader Disdir Vos? En wierd ik het slachtoffer +zijner boosheid, hoe zou uwe ziel zich beschuldigen de oorzaak te zijn +geweest mijner onzaligheid en mijner schande! Ik ben eene Kerlinne: +zuiver zal ik voor God verschijnen; ik wil het recht behouden mijnen +vader, uwe zuster en u zelven daarboven in de armen te drukken ..." + +Tot dan hadden de Kerels, die zich op de gaanderij bevonden, volgens +hunne gewoonte de samenspraak van hunnen overste met jonkver Wulf +geerbiedigd, en waren zij aan de andere zijden van den toren gebleven; +maar nu kwam Ivo-de-Wolvenjager nader en zeide: + +"Mher Sneloghe, indien ik mij niet bedrieg, gaat daar beneden iets +gewichtigs gebeuren. In de Hofstraat komen een groot getal voorname +poorters. Zij begeven zich in stoet naar den burg, ongetwijfeld om den +koning te spreken. Wat hun inzicht is kunnen wij niet raden; maar zij +doen verstaan dat zij over ons gaan handelen." + +Op dit oogenblik bereikten de poorters het middelplein van den burg, en +Robrecht hoefde slechts het hoofd over de leuning der, gaanderij te +buigen, om op den stoet neder te zien. Hem werden insgelijks teekens +gedaan, doch hij kon er geene andere beduidenis aan toekennen, dan dat +men waarschijnlijk eene laatste poging bij den koning wilde wagen om +levensgenade te bekomen voor de arme Kerels, die andere door den val van +den toren ellendig zouden worden verpletterd. + +Inderdaad, hij misgreep zich niet. De schepenen der stad, vergezeld van +wel veertig oversten der gilden en neringen, boden zich op dit oogenblik +voor de poort der Loove aan en verzochten den koning te mogen spreken. + +In de tegenwoordigheid des vorsten toegelaten en over de reden hunner +komst ondervraagd, zeide de voorschepen: + +"Heer koning, de droeve mare dat men den toren van St-Donaas gaat doen +vallen heeft onze poorters zeer ontroerd. Op hun aandringen komen wij +uwe goedheid afsmeeken en, voor uwe voeten neergebogen, u bidden dit +oudste kerkelijk gebouw onzer stad te willen sparen. Valt deze logge +toren, dan zal hij niet alleen de kerk en de proostdij verpletteren, +maar nog daarenboven zonder twijfel vele menschen dooden." + +"Wij begrijpen wel, heeren, dat gij liever den toren zoudt gespaard +zien", antwoordde de vorst. "Maar gij hoopt zeker niet 'dat wij, koning +van Frankrijk, ongestraft onze macht zullen laten hoonen, of van hier +zouden kunnen vertrekken zonder die slechte, hardnekkige lieden tot +overgaaf te hebben gedwongen? Te lang heeft dit belachelijk spel +geduurd; en, vermits er geen ander middel is om die razende Kerels te +doen bezwijken, zal de toren vallen!" + +"Gelieve de heer koning mij oorlof te geven om eene overweging ootmoedig +hem te onderwerpen", hernam de voorschepen. "Het getal der Kerels op den +toren is niet vijftig; wij meenen ons overtuigd te kunnen houden, dat +zij niet boven de dertig sterk meer kunnen zijn. Deze arme lieden zijn +in den oorlog gewikkeld geworden ten gevolge van eenen gruwelijken moord +waaraan geen hunner persoonlijk schuldig was." + +"En Robrecht Sneloghe dan?" riep Disdir Vos, die met den veldheer +Grervaas en met andere ridders achter den koning stond. + +"De koning late mij toe het te zeggen", antwoordde de voorschepen "mher +Robrecht Sneloghe heeft door al zijne daden bewezen dat hij vreemd is +gebleven aan de misdaad en deze dieper betreurt dan wie het zij; ja, hij +heeft in het openbaar tranen van deernis en rouw op het lijk van graaf +Karel gestort en het met gevaar des levens tegen schennis verdedigd. Is +hij het niet die den moordenaar heeft gedood[90]? + +Van allen die bekend zijn als hebbende deel aan de misdaad genomen, is +geen enkele meer op den toren; zij zijn gesneuveld, gemarteld of +gevlucht ... O, machtige koning van Frankrijk, kan de onmiddellijke dood +dezer ellendige lieden eenigen luister voegen bij den glans van uwen +roem? Zeker, de moord van onzen graaf is een afschuwelijke aanslag; +maar, heer koning, in uw grootmoedig hart kan het gevoel der wraak +slechts toegang vinden, voor zooveel het nuttig of geheel rechtvaardig +zij...." + +"Hoe?" morde de vorst verwonderd. "Onze wraak tegen deze overmoedige +lieden zou niet rechtvaardig zijn? Hebben zij niet genoeg onzer ridders +en wapenknechten gedood of gekwetst?" + +"Inderdaad, heer koning, en het is wel te betreuren; maar indien uw +edelmoedig hart het wilde aanzien als enkelijk geschied tot hunne +verdediging ..." + +"Sa, begrijp ik het wel", viel de koning half vergramd uit, "dan zoudt +gij vermetel genoeg zijn om te wenschen en te verwachten dat wij genade +schenken aan deze lieden die ten minste vrienden en handlangers der +moordenaars zijn?" + +"Neen, heer koning, genade niet; maar wij durven u smeeken hun de +voorwaarden toe te staan welke zij op hunne overgaaf stellen. Zij +willen zich in de gevangenis begeven en onderwerpen zich op voorhand aan +de straf welke de rechters, na hen gehoord te hebben, over elk hunner +zullen uitspreken. Zij vragen geene genade, zij eischen slechts +rechtvaardigheid. Zeker, grootmoedige vorst, zij zijn in dezen oorlog +uwe vijanden; hun lot is in uwe handen, en, wat gij ook over hen gelieve +te beslissen, elkeen moet met eerbied zich onderwerpen aan uwen wil. +Maar, hebben zij geen recht op uwe genadigheid, wees dan toch den +poorters dezer goede stad Brugge goedgunstig en doe, op hun gebed, wat +gij den Kerels zoudt weigeren. Wij smeeken op de knieen uwe koninklijke +grootmoedigheid af! Spaar, spaar den toren en den tempel van onzen +grooten heiligen Donaas!" + +Bij deze laatste aanroeping zonken al de schepenen en poorters geknield +ten gronde en bleven zoo, met neergeslagen blik, voor den koning +gebogen. + +De vorst scheen gevoelig aan hunne hulde en aan hunne bede. Hij keerde +zich tot de ridders, waarschijnlijk om hen te raadplegen over de +beslissing welke hij geneigd was te nemen. De Isegrims morden hevig; +hunne gebaren konden laten gissen dat zij den koning poogden over te +halen tot het volstrekt verwerpen van het verzoek der poorters. + +Wat ook de indruk dezer korte samenspraak op des vorsten gemoed ware +geweest, hij wendde zich weder tot de schepenen en zeide op minzamen +toon: + +"Staat op, heeren. Wat gij van ons vraagt is moeilijk toe te staan. De +Kerels sparen? Zouden dan al onze mannen, die zij gedood hebben, +ongewroken moeten blijven? Evenwel, wij zouden indien het ons mogelijk +ware den toren te behouden, ons gelukkig achten, deze gelegenheid te +vinden om den goeden lieden der stad Brugge een hoog bewijs onzer +bijzondere welwillendheid te geven. Gaat tot uwe mannen, stelt ze gerust +en zegt hun dat wij het werk van den beukram zullen doen opschorsen, +totdat wij met rijp beraad hebben overwogen wat ons mogelijk is, ten +believe der poorters dezer goede stad Brugge te doen. Hebt vertrouwen ik +hoop dat wij den toren van St-Donaas zullen kunnen behouden." + +Onder het uiten van dankzeggingen en met blij gemoed, verlieten de +schepenen en hun gevolg de Loove. + +Het middelplein van den burg krielde van volk, zelfs tot aan den voet +van den toren; want ieder wist dat de Kerels, sedert den dood van +Burchard Knap, nooit meer op ongewapende poorters schoten. + +De schepenen deelden aan de menigte de goede woorden des konings mede. +Dit bericht ontlokte het volk een schallend gejuich en, terwijl menige +kreet van "Leve de koning!" in de hoogte steeg, poogden eenige stoutere +lieden met de Kerels te spreken en hun door sterk roepen te doen +verstaan dat er nog groote hoop op verlossing voor hen was. + +Maar nu traden eenige wapenknechten op het plein en dreigden de poorters +met gevangenis indien zij, tot de Kerels sprekende, het gebod des +konings overtraden. + +Het duurde zeer lang eer men iets nieuws vernam. De toevloed der menigte +groeide immer aan, en met ongeduld wachtte een ieder op het besluit des +konings. + +Eindelijk liep een blij gemor door het volk, dat zich opende om eenen +wapenbode en eenen bazuinblazer door te laten. + +De bode, nadat men de aandacht der Kerels door een kort geschal had +opgewekt, riep hun toe: + +"Op de bede der poorters van deze goede stad Brugge en om den toren van +St-Donaas te sparen, vergunt onze heer, de koning van Frankrijk, u de +voorwaarden op welke gij aangeboden hebt u over te geven. Gij zult in de +gevangenis geleid worden en daar afwachten totdat rechters over uw lot +uitspraak hebben gedaan. Laat mij weten of gij deze gunst aanvaardt: ik +wacht uw antwoord." + +Na eene wijl onder elkander te hebben geraadpleegd, riepen de +Kerels[91]: + +"Wij aanvaarden met vertrouwen in 's konings woord!" + +"Komt dan beneden!" zeide de bode. "Men zal den uitgang van den trap +vrijmaken en u in de kerk uwe wapens afnemen!" + +"Het zij zoo!" antwoordden de Kerels. + +Een lang gejubel klonk over het plein, en herhaalde malen weergalmden er +kreten ter eere van den Franschen vorst. + +Ongetwijfeld hadden de Kerels nog druk te arbeiden om zich eenen +doorgang te banen tusschen al de hindernissen waarmede zij tot hunne +verdediging de torentrap hadden versperd. + +Schier een uur verliep er, vooraleer een dof gebruis en een koortsig +gewoel onder de menigte aankondigden dat de Kerels gingen verschijnen. + +Inderdaad, uit de kerkpoort trad nu eene sterke wacht van wapenknechten; +daarachter stapten de Kerels, ten getalle van slechts zevenentwintig man +en drie vrouwen.--Zij waren sedert meer dan veertig dagen in den burg +opgesloten gebleven, en hadden daarvan zestien dagen op den toren +doorgebracht! Gedurende deze lange tijdruimte hadden zij met +onplooibaren heldenmoed zich verdedigd tegen twee legers en tegen al de +befaamde stormtuigen van den burg van Gent! + +Ook was het wel aan hun ellendig opzicht te zien wat zij hadden +doorstaan en geleden. Allen waren geel en mager, met ingevallen wangen +en weggezonken oogen. Velen droegen op aangezicht en handen de roode +litteekens van slecht geslotene wonden; hunne kleederen waren vuil en +hingen aan flarden. Ware het niet hunne trotsche houding geweest, hadde +niet uit hun somber oog nog de vonk der onplooibare trotschheid +ontschoten, men zou voorzeker gewaand hebben eene bende verhongerde +bedelaars te zien. + +Dakerlia alleen, met hare rijzige gestalte, hare bekoorlijke +wezenstrekken en reine, nette kleeding scheen eene koningin tusschen +eenen hoop noodlijdenden. Zij stapte aan Robrechts zijde en verbaasde +elkeen door den stillen, zoeten glimlach en door den glans van fierheid +die haar schoon gelaat verlichtte. + +Ridders en wapenknechten boden als met eerbied eenen vrijen doorgang aan +deze heldhaftige vijanden, en bekeken hen zonder een enkel hoonend woord +te laten hooren of door eenig zegevierend gebaar hen in hun ongeluk te +bespotten. + +Menig poorter, terwijl de arme Kerels hen voorbijgingen, wischte zich +eenen traan van medelijden en bewondering uit de oogen. + +Verre hoefden de gevangenen niet te gaan: het Gyselhuis, in welks kerker +men ze ging opsluiten, stond op den burg, schuins over de proostdij. + +Toen de Kerels binnen in het Gyselhuis gekomen waren, gebood de overste +der wachten, dat men de mannen in den grooten kerker ter rechterzijde, +en de vrouwen in de cellen ter linkerzijde zou opsluiten. + +Een angstschreeuw ontsnapte terzelfdertijd aan Dakerlia en Robrecht en, +als vreesden zij dat dit afscheid eeuwig zou zijn, sprongen hun beiden +de tranen uit de oogen. + +Dakerlia hief met een plechtig gebaar den vinger ten hemel, wees dus aan +haren verloofde de baak der hoop en riep: + +"Robrecht, Robrecht, er is een beter leven. Vaarwel, tot wederziens +daarboven ... mijn vader, Witta!" + +"Vaarwel, dat God u bescherme!" murmelde de jonge ridder, schier +bezwijkende van smart. + +De wapenknechten grepen de Kerels en de vrouwen bij de armen en leidden +ze naar de kerkers die hun waren toegekend. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 87: "Zij sloegen de klokken aan stukken om daarmede hunne +vijanden te verpletten." GALB., p. 319.] + +[Voetnoot 88: "In zijne gramschap gebood de koning den toren spoedig +omverre te doen storten ... Onmiddellijk begonnen zij met ijzeren +werktuigen den toren van onderen uit te breken." GALB., p. 370.] + +[Voetnoot 89: "Zij wierpen kolen, gedoopt in pik, in was en in boter. +Deze kolen, zich hechtende aan de daken, deden vlammen ontstaan, welke +de wind aanblies, en die, zich uitbreidende, het dak naar alle kanten +verslonden." GALB., p. 354.] + +[Voetnoot 90: Den Maandag, 18 April, wierpen onze burgers zich weder +geknield voor den koning neder, en smeekten om genade voor Robrecht. +GALB., p. 370.] + +[Voetnoot 91: "De koning verleende aan de belegerden, volgens hunne +vraag, oorlof om van den toren te komen, dewijl het voordeeliger was dat +zij zich zelven overgaven zonder de belegeraars aan de gevaren der +Instorting bloot te stellen." + +GALB., p. 371. + +"Zij kwamen dus uit de kerk ten getalle van zevenentwintig." + +GALB., p. 371. + +Volgens Galbertus werd de stad Brugge bij verraad ingenomen den 9en +Maart, en gaven de Kerels zich over den 19en April. Het beleg had +dienvolgens tweeenveertig dagen geduurd] + + + + +XXVII. + + +Dakerlia zat gevangen in het Gyselhuis op den burg. Een enkel verheven +venstertje liet in haren engen kerker eenen flauwen lichtstraal +nederdalen, en men moest zijne oogen aan den twijfelachtigen schemer, +die er heerschte, gewend hebben, vooraleer er de voorwerpen duidelijk te +kunnen onderscheiden. + +Ongetwijfeld wilden de vorsten of de ridders, die over het lot der jonge +Kerlinne beschikten, haar niet met de uiterste strengheid behandelen; +misschien was er iemand die haar geheimelijk beschermde, want in haren +kerker stonden een paar stoelen en eene tafel en, in den duisteren hoek, +verre van het licht, had men eene soort van bed geschikt, om haar eene +gemakkelijke rustplaats te bezorgen. + +Het was de vierde dag, nadat de Kerels van den toren waren gedaald en +zich in de handen hunner vijanden hadden overgegeven op voorwaarde dat +men hen door eene wettelijke rechtbank zou doen onderhooren en +vonnissen. + +Dakerlia zat op haren stoel nevens de tafel en, met het hoofd op de hand +rustende, schouwde zij droomend in de ruimte. + +De bewegingen haars gelaats getuigden dat velerlei gedachten haar door +den geest stroomden. Nu zweefde er een glimlach op hare lippen, dan liep +er eene angstige siddering haar door de leden of bevochtigde een traan +haar oog; dan weder hief zij den blik ten hemel en vouwde de handen tot +een gebed. + +Wie haar dus gezien hadde, zou geraden hebben dat haar hart over en +weder vlotte tusschen hoop, schrik en medelijden. Waren de rechters +onpartijdige lieden,--mijmerde zij in zich zelve,--dan zouden zij +Robrecht wel eene straf opleggen, omdat hij, ter vervulling van eenen +onverbiddelijken bloedplicht, den moordenaar Burchard had helpen +verdedigen; zij zouden misschien zijne goederen verbeurd verklaren, om +de gierigheid en den haat der Isegrims te bevredigen; maar zijne dood +zouden zij niet eischen, en hem in vrijheid laten gaan of hem uit het +graafschap bannen. Was de rijkdom wel noodig tot hun geluk? Hoe arm +Robrecht mocht worden en waar hij zich ook bevonde, zij zou zijne +echtgenoote zijn en haar leven toewijden aan het verzachten, aan het +verhelderen van zijn lot. Misschien zou zij hem dan den geleden +rampspoed kunnen doen vergeten, misschien waren hun door den +barmhartigen God nog schoone, vreedzame dagen voorbewaard? + +Bij zulke gepeinzen rees er een stille glimlach op hare lippen en +ontschoot eene vonk van vertrouwen aan hare vochtige oogen; maar weldra +versomberde eene kommervolle overweging haren geest. Zouden de +valschhartige Isegrims, in hunnen onverbiddelijken wrok, de rechtbank +niet doen samenstellen uit vijanden der Kerels? Eilaas, dan zou een +doodvonnis den armen Robrecht treffen, en het zwaard des beuls zou dit +edel en dierbaar hoofd van het bloedige kapblok doen rollen! + +Schrikkelijke gedachte, die Dakerlia deed ijzen en haar eenen angstkreet +ontrukte ... Evenwel, haar beweegbaar en sterk gemoed kwam onmiddellijk +in opstand tegen de wanhoop; en dan bief zij de oogen ten hemel, als om +de plaats te zoeken waar hare ziel welhaast met de ziel van Robrecht en +met andere dierbare zielen zou vereenigd zijn. + +Zij bedwong op dit oogenblik hare ontsteltenis, en eene uitdrukking van +blijde verwachting beglansde haar gelaat. Het gerucht van sleutels en +zware stappen in den gang kondigde haar aan dat Reinbert, de +gevangenbewaarder, haar met het morgeneten tijding van Robrecht ging +brengen. + +Reinbert, die nu de deur des kerkers opende en met eene kruik en een +weitebroodje in de hand binnentrad, was een reeds bejaarde man, wiens +gelaat niet van gevoeligheid getuigde; maar hij had vroeger in den +oorlog onder het bevel van mher Wulf gestaan, en herinnerde zich met +erkentenis den heldenmoed en de goedheid van zijnen overste. Daarom +behandelde hij nu zijne dochter in het ongeluk met eerbied en +genegenheid, en verschafte haar, niet zonder gevaar voor zich zelven, +wat haar lot in deze treurige plaats kon verzachten. + +"Jonkver Wulf", zeide hij bij zijne intrede, "ik heb hier warme melk en +van het fijnste brood dat er in Brugge te vinden is. Dezen middag zal ik +..." + +Maar Dakerlia, door haar ongeduld aangejaagd, onderbrak zijne +vriendelijke rede: + +"Dank, dank; God zegene u, Reinbert, voor uwe goedhartigheid! Hebt gij +heden reeds mher Sneloghe gezien?" + +"Ik heb hem gezien, jonkvrouw." + +"En hoe vaart hij?" + +"Wel, tamelijk wel." + +"Gij zegt het zoo twijfelachtig! Treurt hij?" + +"Ja en neen, jonkvrouw. Als hij tot zijne gezellen spreekt, glanzen +zijne oogen van mannelijke trotschheid, en hij boezemt allen de +verachting des doods in, met eene onweerstaanbare welsprekendheid +Sterven op zulke wijze dat men den onplooibaren heldenmoed der Kerels +tot den einde toe bewondere, schijnt zijn eenige droom en zijn eenig +doel; maar zoohaast hij het woord tot mij richt, wordt hij droefgeestig, +en niet zelden schieten hem dan tranen in de oogen." + +"Waarom toch? Zegt gij hem bedroevende dingen, Reinbert?" + +"Neen, jonkvrouw; maar mij spreekt hij immer van u, van u alleen. Uw +tegenwoordig lot, het lot dat u nog te wachten staat, verschrikt hem. De +tranen, welke hij met zooveel geweld op zich zelven poogt te bedwingen, +zijn tranen van medelijden en van liefde." + +Dakerlia zweeg eene wijl; een zucht ontsnapte haar en hare oogen +glinsterden van ontroering. + +"Maar, Reinbert", vroeg zij in gedachten, "gelooft dan mher Sneloghe, +gelooven de andere Kerels dat men de doodstraf tegen hen zal +uitspreken?" + +"Zij schijnen inderdaad weinig hoop op het behoud des levens te +koesteren", antwoordde de gevangenbewaarder, "en zij hebben wel reden, +dunkt mij, om zich vanwege hunne vijanden aan het ergste lot te +verwachten. Arme Kerels, hunne onzekerheid zal niet lang meer duren!" + +Door deze koele bevesting harer vrees verschrikt, hief Dakerlia de +handen in de hoogte en riep kermend uit: + +"Genade, genade voor hem, almachtige God! Hij is onschuldig. Ach, wreek +den gruwelijken moord niet op hem. Laat hem leven, ik zegen Uwen +heiligen naam tot mijnen laatsten snik!" + +"Jonkver Wulf, vertwijfel zoo niet", zeide de gevangenbewaarder "Hoor +mij aan, ik bid u. Worden de andere Kerels ter dood veroordeeld, men zal +naar alle waarschijnlijkheid mher Sneloghe het leven sparen." + +"Gij wilt mij troosten en poogt mij te bedriegen, uit goedheid des +harten!" murmelde Dakerlia ongeloovig. + +"Neen, jonkvrouw, ik heb u reeds gezegd dat de schepenen en voorname +poorters niet ophouden bij den koning allerlei pogingen aan te wenden om +genade voor mher Sneloghe te bekomen. Gisterenavond heb ik hier, in de +groote zaal van het Gyselhuis, twee ridders,--mher Gervaas Van Praet, +die nu kastelein van Brugge is geworden, en een Fransch overste van 's +konings raad over deze zaak hooren spreken en twisten. Uit hunne +woorden kon ik verstaan dat de koning geneigd is om mher Sneloghe in +genade te ontvangen, en hij het reeds zou hebben gedaan, indien de +Isegrims hem tot nu toe niet hadden wederhouden. Wie zal hier overwinnen +de poorters of de Isegrims?" + +"De rechtvaardigheid of de haat?" mompelde Dakerlia. + +"Men zal het waarschijnlijk heden nog weten, jonkvrouw." + +"Heden?" + +"Het gerucht loopt dat dezen morgen een gerechtshof van daartoe door den +koning aangewezen ridders in de Loove zal vergaderen om de Kerels te +vonnissen. Het is zeker dat er iets gewichtigs gaat geschieden: de burg +is sedert een paar uren vol wapenknechten en eene menigte ridders hebben +zich in de Loove begeven Zelfs de Markt is overdekt met Fransche benden, +die gisteren met den nieuwen graaf uit Kerlingaland zijn teruggekeerd +..." + +"Ons arm Kerlingaland is gansch onderjukt!" zuchtte de maagd. + +"Dit kon men wel voorzien, jonkvrouw. Zoo aangevallen door de +krijgsknechten van gansch Vlaanderen en van het groote Frankrijk ..." + +"Ja, ja, en van God verlaten tot boete eener afschuwelijke misdaad ..." + +"Kon Kerlingaland slechts zijnen heldenmoed betoonen en dan bezwijken +... Maar, wat mher Sneloghe betreft, jonkvrouw, hebt gij alle redenen om +te hopen. Hij zal ongetwijfeld voor het gerechtshof der ridders zijne +onschuld bewijzen, en de koning, door de smeekingen der poorters tot +mildheid gestemd, zal hem genade schenken. Wie kan het weten? Misschien +zult gij nog met Sneloghe vreedzame en gelukkige dagen slijten ... +Vaarwel, jonkver Wulf; verneem ik iets gewichtigs, ik zal pogen een +oogenblik te vinden om het u te komen zeggen." + +Onder het uitspreken der vurigste dankbetuigingen vergezelde Dakerlia +hem tot bij de deur. + +Toen deze weder gesloten was, bleef de maagd langen tijd te midden van +den kerker staan, en overwoog wat de gevangenbewaarder haar had gezegd. +Zij kwam door hare gepeinzen tot het besluit dat er inderdaad nog veel +hoop op eenen gunstigen uitslag bestond; haar gemoed was verlicht. + +Zij ging tot de tafel, schonk de melk in eene kleine kom en begon van +het brood te eten ... + +Daar hoorde zij weder den sleutel in de deur steken. Zij stond met +blijdschap op en trad eenige stappen vooruit, in de verwachting dat +Reinbert terugkeerde, om haar eenig belangrijk nieuws van Robrecht te +brengen. + +Toen de deur werd geopend, ontsnapte haar een kreet van verschriktheid, +en zij deinsde met eene uitdrukking van afkeer terug naar de tafel, waar +zij zich op den stoel liet nederzakken. + +Disdir Vos stond voor haar. + +Op een teeken van hem ging de gevangenbewaarder uit den kerker. + +Haar met eenen bitteren grimlach in de oogen starende, zeide Disdir Vos: + +"Ik kom tot u uit edelmoed, uit medelijden; en gij, Dakerlia, ik zie het +wel, gij haat hem altijd even vurig, den mensch, die, door loutere +liefde tot u vervoerd, zich in gevaar bracht zijn leven en zijne eer te +verliezen." + +"Verrader, verkooper van Kerlingaland!" morde de maagd. "Voltrek uw +verfoeilijk werk: doe hem sterven, den Kerel, wiens edelheid, wiens +trouw aan land en vrijheid uwe lage ziel moeten beschamen!" + +"Het is hij, het is Robrecht, niet waar", wedervoer Disdir Vos met +spottende koelheid, "die mij dus bij u heeft beschuldigd? Niets kon +Kerlingaland van den val behoeden. De ware oorzaak dezer ramp is de +langwijligheid, de lijdzame traagheid van den proost Bertulf, van den +kastelein Hacket, van Robrecht Sneloghe en van alwie met hem den Kerels +hebben belet tegen de Isegrims en tegen den graaf het geweld der wapenen +in te roepen, toen het nog tijd was." + +"Valsch, valsch!" kreet Dakerlia verontwaardigd. "De ware oorzaak is de +moord van graaf Karel, afschuwelijke misdaad, waartoe gij, door uwen +raad, hebt geholpen, en die ons God en de gansche wereld tot vijanden +heeft gemaakt!" + +"Ik ben niet gekomen om daarover te twisten", zeide Disdir, zich op +eenen stoel nederzettende. "Mijn tijd is kort; hoor met aandacht, +jonkver Wulf, wat ik u te melden heb ... De ridders, door den koning +benoemd om mher Sneloghe en zijne gezellen te vonnissen, gaan in de +Loove vergaderen. Het is slechts veinzerij, om in schijn ten minste te +voldoen aan de voorwaarde door de Kerels op hunne overgaaf gesteld. Men +zal zelfs zich niet gewaardigen de Kerels te onderhooren. Allen zullen +worden veroordeeld tot den schrikkelijksten marteldood. Gij schijnt mij +niet te gelooven?" + +"Ware het zoo, welnu, zij zouden sterven zonder beven!" antwoordde +Dakerlia. "Maar zulk vonnis is niet zeker; gij zoudt nog kunnen bedrogen +worden in uwen onverbiddelijken haat. Indien de koning van Frankrijk +genade wil schenken aan Robrecht?" + +"De koning van Frankrijk?" + +"Ja, de koning." + +"Aldus, men heeft u hier veropenbaard wat er in de Loove geschiedt?" +mompelde Disdir Vos, het hoofd schuddende. "Gij streelt u met eene +ijdele hoop, Dakerlia. Wel schijnt de koning geneigd om toe te geven aan +de smeekingen der schepenen; maar de veldheer, Gervaas Van Praet, in +naam van al ds Vlaamsche ridders, eischt den dood van mher Sneloghe, en +de koning zelf heeft betuigd dat hij zonder hunne toestemming geenen +enkelen Kerel het leven zal laten behouden. Hij is daartoe door zijnen +eigen eed verbonden. Robrecht zal dus sterven in de wreedste +martelpijnen, en zijn lijk zal onder de voeten der wapenknechten worden +vertreden ..." + +"Mijn God, mijn God, zulk akelig lijden, zulke vernedering in den dood!" +kreet de maagd terugschrikkende. "Ach, kan niets, niets het gruwelijk +noodlot dan verbidden?" + +"Ja, Dakerlia, gij alleen op aarde kunt Robrecht nog het leven redden." + +"Ik, o hemel!" + +"Hem redden en hem de vrijheid terugschenken." + +"Eilaas, gij bedriegt mij door eene valsche hoop; gij wilt mij +verrassen!" zuchtte de maagd, terwijl zij, gansch ontmoedigd, het hoofd +op de borst liet vallen. + +"Ziet gij, Dakerlia", sprak Disdir Vos, "ik heb den veldheer Gervaas Van +Praet groote diensten bewezen. Hij is mij nog daarvoor eene uitstekende +belooning schuldig. Vraag ik van hem, als kwijtschelding zijner belofte +jegens mij, levensgenade voor mher Sneloghe, dan zal hij zonder twijfel +mij mijne bede toestaan en den koning de goedwilligheid jegens Robrecht +aanraden. Zoudt gij mij dankbaar zijn, indien ik, alle andere gunsten +verzakende, de verlossing van Robrecht Sneloghe als het eenige loon +mijner zelfopoffering eischte?" + +Dakerlia stond op en trad eenen stap vooruit; zij zag Disdir aan met +eenen smeekenden glimlach, die vriendschap of erkentenis scheen te +ademen. + +Hij, door dien eersten straal van mogelijke genegenheid tot hem verrast +en ontroerd, greep Dakerlia's hand; maar als hadde deze aanraking haar +door een gevoel van afschuw tot bewustheid van haren toestand +teruggeroepen, de jonkvrouw ontrukte hem sidderend hare hand. + +"Gij blijft onverbiddelijk voor mij!" gromde Disdir gekwetst. "Het zij +dan zoo, vergiet gij zelve het bloed van Robrecht uit haat tegen mij. Ik +vertrek en ga het woord uitspreken dat hem een doodvonnis moet zijn. Nog +een uur en zijn trillend lijk zal op het Zand, verminkt en verpletterd, +door de wapenknechten met voeten worden getreden ..." + +Hij meende den kerker te verlaten; maar Dakerlia liep tot hem en +weerhield hem, terwijl zij bevend kermde: + +"Disdir, Disdir, ach, wees barmhartig! Genade, genade voor hem!" + +"Genade voor hem?" morde mher Vos, zich omkeerende. "Gij alleen, +Dakerlia, kunt hem het leven nog redden; een enkel woord van u is +daartoe genoeg." + +"Een enkel woord? Welk woord?" stamelde de maagd met angstig +vooruitzicht. + +"Zeg, dat gij na het vertrek van Robrecht,--want indien men hem het +leven spaart, zal hij zeker gebannen worden,--zeg, dat gij toestemt mij +tot echtgenoot te aanvaarden." + +Een doffe schreeuw van afgrijzen ontsprong uit Dakerlia's benauwde +borst, en zij deinsde wankelend naar de tafel, waar zij met de hand +eenen steun zocht. + +"Ik eisch niet", ging Disdir voort, "dat dit huwelijk in de eerste +maand voltrokken worde. Ik wil u den tijd gunnen om u aan de gedachte +van dit nieuw lot te gewennen. Beloof mij slechts op dit oogenblik, dat +gij aan uwe liefde voor mher Sneloghe verzaakt en laat mij de hoop dat +ik u ten altaar zal mogen leiden, zoohaast de herinnering aan uwe +tegenwoordige beproevingen genoeg zal verzwakt zijn, om in uw hart +plaats voor een ander gevoel te maken. Gij ziet het, ik ben toegevend +tot het uiterste; maar langer kan ik in dezen kerker niet blijven. Neem +een besluit: van dit opperst ja of neen hangt het leven van Robrecht af. +Zult gij mijne vrouw worden of niet?" + +Dakerlia staarde hem aan met eenen zuren spotlach en met oogen die +eensklaps van heldhaftige trotschheid blonken. + +"Gij antwoordt niet?" vroeg bij. "Gij veroordeelt dus Robrecht tot den +schandelijksten marteldood?" + +"Uwe vrouw?" antwoordde de maagd. "Ik, Dakerlia Wulf, ik, eene Kerlinne, +uwe vrouw? Nooit, nooit! Doe ons allen sterven. God zal mij daarboven +met Robrecht, mijnen bruidegom, voor eeuwig vereenigen. Ha, gij meent +mij vatbaar voor vrees? Neen, neen, onze onplooibare standvastigheid tot +op het kapblok zal onze vijanden nog verbazen en de verraders van +Kerlingaland beschamen!" + +"Gij bedriegt u in uwe zinnelooze hoop, jonkvrouw", schertste Disdir, +wiens hart met woede en spijt was vervuld. "Men heeft mij reeds uwe +genade toegestaan; noch gij noch de andere gevangene Kerlinnen zult +sterven. Gij moet leven, leven om mijne vrouw te worden!" + +"Nooit, nooit!" + +"Gij blijft in mijne macht; worstel zooveel gij wilt tegen een +onvermijdelijk noodlot, gij zult het onderstaan, met goeden wil of tegen +dank, ik heb het gezworen en ik herhaal u dien eed. Vaarwel, Dakerlia; +het bloed van mher Sneloghe valle terug op haar die weigert hem door een +enkel goed woord te redden. Ziet gij mij hier terug, het zal zijn om u +den dood van Robrecht aan te kondigen." + +Hij stapte uit den kerker, en zelfs toen de deur was gesloten, hoorde +hij nog het woord "nooit! nooit!" hem achternaklinken. + +Eene uitdrukking van haat en gramschap deed zijne scherpe lippen beven +en, terwijl hij over het plein van den burg stapte, mompelde hij sombere +bedreigingen tegen Robrecht en zelfs tegen Dakerlia. + +Voor de poort der Loove trok Disdir Vos zijn zwaard en meende zich als +overste aan het hoofd van een gedeelte der wacht te stellen; maar zijn +plaatsvervanger zeide hem dat het gerechtshof reeds sedert eenigen tijd +was vergaderd en de koning zelf daar zooeven mher Gerhard Van Audenaarde +met eenige wapenknechten had gezonden om den gevangen Robrecht Sneloghe +voor de rechtbank te brengen. + +Deze tijding bekommerde Disdir. Zou men de Kerels onderhooren? Was de +koning voornemens Robrecht genade te schenken en hoopte hij, in de +woorden van den jongen ridder het middel te vinden om aan de smeekingen +der poorters toe te geven? In alle geval, er moest in de besluiten der +ridders eene verandering gekomen zijn. Indien men Robrecht Sneloghe ging +sparen! + +Disdir stak zijn zwaard in, gaf het bevel aan zijnen plaatsvervanger +over en trad binnen de Loove. + +In de groote zaal, waar het gerechtshof zetelde, was een gedeelte +voorbehouden om den ridders toe te laten het uitspreken van het vonnis +bij te wonen. + +Het was Disdir Vos gemakkelijk tot tegen de balie door te dringen; maar +hier dwong de tegenwoordigheid des konings hem tot eerbied en tot +stilte; en, hoe hij het ook vurig wenschte, hij kon den veldheer Gervaas +Van Praet, die tusschen de rechters zetelde, niet naderen, en moest zich +vergenoegen met hem, door herhaalde wenken en door gebaren, tot +onverbiddelijke strengheid aan te drijven. + +In het diepe der zaal, onder een kostbaar verhemelte van roode zijde, +zat de koning van Frankrijk, Lodewijk de Dikke; nevens hem, aan de eene +zijde, Willem van Normandie, de nieuwe graaf, door hem benoemd, en aan +de andere Gervaas Van Praet, die om zijne uitstekende diensten tot de +waardigheid van kastelein van Brugge was verheven geworden. + +Van wederkanten des troons zaten de rechters. Tusschen hen kon men de +heetste Isegrims, die onverbiddelijkste vijanden der Kerels; ja zelfs +Rambold Tancmar die, door den koning geroepen, in Brugge was +teruggekeerd. + +Van zulke rechters was zeker geen onpartijdig vonnis voor de Kerels te +verwachten; tenzij nochtans in geval de wil des konings, stellig +uitgedrukt, hen tot toegevendheid had overgehaald; want zij waren den +Franschen vorst genoeg onderworpen om, zelfs tegen dank, een in schijn +zachtmoedig oordeel uit te brengen. + +Op dit oogenblik doorliep eene siddering de leden van Disdir Vos. Zijne +herhaalde wenken en gebaren had mher Gervaas Van Praet nu door een +droevig schokschouderen beantwoord, als wilde hij beduiden dat de zaak +eene ongunstige wending had genomen, maar dat hij zich onmachtig +gevoelde om den wensch des konings langer te weder streven. + +Disdir meende door nieuwe teekens zijne afkeuring te betuigen en den +veldheer tot krachtdadigheid aan te manen; maar nu werd er eene zijdeur +geopend, en Robrecht Sneloghe, door eenige wapenknechten geleid, +verscheen te midden der zaal. + +Elkeen aanschouwde in stilte den jongen ridder, wiens gescheurde +kleederen en uitgeholde wangen getuigden van alwat hij had geleden +gedurende het beleg der kerk en des torens. + +Hij hield het hoofd rechtop en aanschouwde den koning en de ridders met +eenen rustigen blik die, alhoewel trotsch en ontzagwekkend, toch niet +van zekere zachte verduldigheid was beroofd. + +Een ridder, die nevens den graaf van Vlaanderen was gezeten en hier het +ambt van maarschalk vervulde, begon op een teeken des konings den +beschuldigde dus te ondervragen: + +"Uw naam is Robrecht Sneloghe?" + +De jonge ridder knikte bevestigend. + +"Gij zijt een Kerel?" + +"Ja, ik ben een Kerel!" antwoordde Robrecht, de stem met fierheid +verheffende. + +"En gij beweert een vrij man te zijn?" + +"Onze voorvaderen waren vrijgeboren lieden, en evenals zij komen hunne +zonen vrij ter wereld." + +"Gij hoort toe aan het maagschap der Erembalds?" + +"De proost van St-Donaas was mijn oom." + +"Een Erembald, Burchard Knap, heeft den gruwelijksten moord gepleegd op +den wettigen graaf van Vlaanderen, Karel van Denemarken?" + +"Het is waar." + +"Gij zijt beschuldigd, ten minste door uwen raad tot de ijselijke +misdaad te hebben geholpen." + +"Wie tegen mij getuigt is een valschaard", antwoordde Robrecht. "Ik +eerbiedigde graaf Karel als eenen vriend mijns vaders zaliger, en had +nooit de hoop verloren dat hij den Kerels rechtvaardigheid zou laten +wedervaren. Bij zijnen dood heb ik tranen van rouw en medelijden +gestort, en ik heb niet opgehouden mijnen afschuw voor zijne moordenaars +te betuigen." + +"Gij hebt integendeel den moordenaar tegen de Vlaamsche ridders en zelfs +tegen den koning van Frankrijk verdedigd." + +"Inderdaad; maar het is voor de Kerels een bloedplicht, hunne magen bij +te staan en tegen alle geweld te verdedigen, zoolang niet eene +wettelijke vierschaar over het verbreken heeft gevonnist." + +"Dit is alles wat gij tot uwe verdediging hebt in te brengen?" + +"Anders niet dan dat ik onschuldig ben aan den moord van graaf Karel en +zelfs ten prijze van al mijn bloed de afschuwelijke misdaad, die den val +van mijn vaderland heeft veroorzaakt, hadde willen beletten." + +De maarschalk zag op naar den koning om hem te berichten dat de +ondervraging was geeindigd en zijne bevelen in te roepen. + +Na eenige woorden met den graaf en met Gervaas Van Praet te hebben +gewisseld, verhief de Fransche vorst de stem en richtte zich tot +Robrecht Sneloghe. + +"Gij hebt tienmaal den dood verdiend", zeide hij. "Te Veurne naamt gij +als aanleider een werkelijk deel aan eene samenspanning tot opstand +tegen uwen wettigen graaf; in dezen burg hebt gij weken lang den +moordenaar en zijne aanhangers verdedigd, en gij zijt meer dan anderen +de schuld dat er zooveel kostbaar bloed is moeten vergoten worden, om +wraak te nemen over den dood van graaf Karel. Gaven wij slechts gehoor +aan onzen plicht, wij zouden u onmiddellijk tot den pijnlijksten dood +moeten veroordeelen; maar de gebeden en smeekingen der goede lieden van +Brugge doen ons tot zachtmoedigheid jegens u overhellen. Wij zijn bereid +u het leven te schenken, op voorwaarde dat gij hier in het openbaar +erkennet dat de Kerels geene vrijgeboren lieden zijn, en gij verklaret +in alle geval, voor u en uw geslacht de vrijheid te verzaken[92]". + +Een stille glimlach bewoog Robrechts lippen. + +"Ik mij dienstbaar erkennen? Het juk der slavernij voor mij en mijn +geslacht aanvaarden? Onmogelijk, heer koning, liever twintigmaal den +dood dan zulke vernedering, dan zulke schande. Mijne voorvaderen zien +uit den hemel op mij neder; zij zullen daar niet te blozen hebben over +de lafhartigheid van hunnen zoon." + +"Zinnelooze!" riep de koning, over zulke koele hardnekkigheid verbaasd, +"gij wilt mij dus dwingen u in de handen der beulen te leveren?" + +Robrecht zweeg. + +"Spreek een goed woord; de koning wenscht u het leven te sparen", zeide +hem Willem van Normandie. + +"De koning kan mij niet redden", antwoordde Robrecht. "Er is eene +hoogere macht dan de zijne." + +"Waarom? Wat wilt gij zeggen?" vroeg de graaf met verwondering. + +"Omdat God zelf heeft beslist dat ik en mijne dappere gezellen moeten +sterven tot boete voor de snoode misdaad van Burchard Knap. Na onzen +dood zal de Heer des hemels misschien verzoend worden en zijne wrekende +hand oplichten van Kerlingaland." + +"Kerlingaland heeft zijne vrijheid beslissend verloren en zal nimmer +opstaan uit de dienstbaarheid!" morde Rambold Tancmar, met eenen +zegevierenden spotlach. + +Robrecht hief eensklaps het hoofd op en, terwijl zijne oogen van +ontroering glansden, sprak hij met luider stemme: + +"Menschen kunnen bezwijken, een volk kan neergedrukt worden voor eenigen +tijd;--wij Kerels hebben dit lot reeds dikwijls onderstaan,--maar wat +niet kan versmacht worden, wat niet kan sterven, is de vrijheid. Wat gij +ook aanwendet om die ingeboren zucht der bewoners van Vlaanderen uit te +roeien, zij zal immer, als een onuitdoofbaar vuur opnieuw ontvlammen en +eindelijk hare vijanden verslinden. Uit het bloed der martelaars zelven +zal de verlossing opdagen, en eens zullen de zonen van het volk, dat gij +nu met voeten treedt, u dwingen tot eerbied voor zijn aangeboren recht +... Doet met mij naar uwen wil, ik ben bereid!" + +Vooraleer hij deze laatste woorden had kunnen uitspreken, waren van alle +kanten wraakkreten tegen hem opgegaan, en de meeste ridders riepen +woedend: + +"Ter dood, ter dood, de onbeschaamde!" + +Maar de koning, door een teeken zijner hand, legde hun de stilte op en +zeide: + +"Heeren, mij behoort het na beraadslaging der rechtbank over het lot van +den beschuldigde te beslissen. Men voere hem terug naar de gevangenis!" + +Mher Sneloghe werd ter zaal uitgeleid en door de wapenknechten in den +grooten kerker gebracht, waar de andere Kerels, sedert zijn vertrek, +niet zonder angstige nieuwsgierigheid zich vroegen wat toch zijn +wedervaren voor het gerechtshof zou zijn. + +Hij verhaalde hun hoe de koning van Frankrijk hem de genade des levens +had aangeboden, op de enkele voorwaarde dat hij de Kerels als in +dienstbaarheid geboren erkende, en verklaarde voor zijn geslacht alle +aanspraak op vrijheid te verzaken. + +"Het is dus de dood ... de onvermijdelijke dood!" mompelden zijne +gezellen. + +De meesten schenen bij deze schrikkelijke overtuiging geenszins +ontsteld. Slechts eenigen, die ongetwijfeld eene vrouw of kinderen of +andere geliefde wezens zouden achterlaten, bogen het hoofd en zonken weg +in eene sombere mijmering. + +Het bleek evenwel schier onmiddellijk dat geen hunner, ware het zelfs om +meer dan een dierbaar leven te redden, zich bekwaam gevoelde tot het +aanvaarden der eeuwige slavernij. Werden zij voor de rechtbank geroepen, +zij zouden den koning en den Isegrims hetzelfde koel en trotsch antwoord +geven, dat zij uit den mond van mher Sneloghe hadden bekomen. Zij +wisten wel dat dit waarschijnlijk hun doodvonnis zou zijn; maar, zooals +Robrecht het zeide, hun bloed moest vlieten als een boetoffer, om den +vertoornden God met Kerlingaland te verzoenen. + +[Illustratie: Robrecht hief eensklaps het hoofd op ... (Bladz. 519.)] + +Zij besloten, als ware Kerels, onverschrokken en met eenen glim van +misprijzen op de lippen, alles te onderstaan, zelfs de wreedste +martelingen. Niemand hunner zou de minste klacht slaken, noch eenige +acht op de scheldwoorden of verwijten hunner vijanden slaan. Ja, zij +verbonden zich jegens elkander door eene plechtige belofte, in het uur +des doods zich gansch gevoelloos te toonen en geen enkel woord te +spreken, ten einde de verdrukkers van Kerlingaland door hunne koele +hardnekkigheid te beschamen. Zij zouden zelfs niet hoorbaar bidden, en +slechts op het laatste oogenblik hunne ziel in den grond des harten Gods +bevelen, voor hem getuigende, dat zij wilden sterven als zoenoffers +voor het heil en de vrijheid van Kerlingaland. + +Met ongeduld wachtten zij nu dat men hen voor de rechtbank riepe; maar +wel een gansch uur ging er voorbij zonder dat zij iemand zagen +verschijnen. + +Robrecht Sneloghe stapte met aangejaagdheid over en weder, om de wreede +ontroering zijns harten meester te blijven. Dakerlia zweefde voor zijne +oogen; zijne lippen murmelden een treurig en pijnlijk vaarwel. Hij zou +haar wellicht niet meer zien op aarde! Maar bij zulk gepeins voelde hij +dat er tranen in zijne oogen wilden opwellen, en hij sprak eene vuriger +taal nog tot zijne makkers, opdat de invloed zijner eigene woorden zijne +treurende ziele de macht leende om niet onder het gewicht der smart te +bezwijken. + +De kerker werd eindelijk geopend, en een overste, door wapenknechten +vergezeld, riep bij name Ivo-den-wolvenjager en Benkin-den-schutter op, +om hem voor de rechtbank te volgen. + +Men drukte den geroepenen de handen en herinnerde hun de gedane belofte +tot onplooibaren moed. + +Ivo en Benkin volgden de wapenknechten, wel besloten den koning en den +Isegrims door hunne manhaftige taal te toonen dat tusschen den dood en +de slavernij een Kerel niet in zijne keus kon aarzelen. + +Buiten het Gyselhuis gekomen, vonden zij daar nog andere wapenknechten, +aan wier hoofd Disdir Vos als overste zich bevond. Zij werden te midden +der wacht gesteld en over het plein geleid. + +Hun scheen het zonderling dat de poorten van den burg gesloten waren en +men geenen enkelen poorter bemerkte. Bijna gansch het plein was overdekt +met gewapende benden. + +Wat ging hier geschieden? Zou men, nog denzelfden dag en binnen den burg +hen ter dood brengen? Alles kondigde het hun aan. Deze gedachte deed hen +zwijgen en, zelfs toen Disdir Vos met barschheid Ivo-den-wolvenjager +voortstuwde, sprak deze geen woord, ofschoon hij den verkooper van +Kerlingaland kende en zijn hart van spijt en verontwaardiging +overstroomde. + +Men bracht de twee gevangenen in de kerk van St-Donaas; zij meenden, +zooals het in dien tijd nog geschiedde, dat de koning en de ridders in +den tempel zouden vergaderd zijn; maar nauwelijks waren zij onder de +poort doorgetreden, of op een sein van Disdir Vos grepen een tiental +wapenknechten hen aan en bonden hun de handen op den rug. + +Daar traden van onder de zijbeuk vier ongewapende mannen, wier +opgestroopte mouwen en gespierde armen getuigden dat zij gereed waren +tot het volvoeren van een werk dat lastig kon zijn en geweld vorderen. +Waren zij de beulen, die de Kerels moesten martelen? + +Inderdaad, degene die onder hen de meester scheen, vatte +Ivo-den-wolvenjager bij den schouder en duwde hem naar de trap van den +toren, terwijl hij zeide: + +"Makkers, alle tegenstand is nutteloos; gij zijt veroordeeld tot den +dood en moet sterven." + +Een scherpe glimlach van misprijzen was het eenige antwoord der Kerels, +en zij volgden hunne beulen op de trap zonder den minsten onwil te +toonen. + +Toen zij de groote gaanderij hadden bereikt, leidde men hen tegen de +leuning naar den kant die over de opene achterplaats van het klooster +uitzag. + +"Beveelt uwe ziel aan God", morde de beul, "en haast u!" + +Hij wees naar beneden en zeide: + +"Ziedaar voor u de weg der eeuwigheid!" + +Men zou dus de arme Kerels van den toren naar beneden werpen en zij +zouden daar op de vloersteenen, met hoofd en leden verbrijzeld, een +akelig einde vinden! + +Wel doorliep eene ijskoude siddering de aders der gevangenen, toen zij +den blik nederstuurden in den afgrond die hen aangrijnsde als een +hongerig graf; maar zij bedwongen den opstand hunner menschelijke natuur +tegen den dood, hieven de handen tot God en spraken in stilte het gebed, +waardoor zij Hem hun bloed en hun lijden tot zoenoffer voor hun +vaderland en voor de vrijheid aanboden. + +De beul boog zich over de leuning der gaanderij en blikte naar beneden. +Waarschijnlijk zag hij daar eenige wapenknechten over en weder loopen; +want hij riep uit al zijne kracht: + +"Van onder! van onder!" + +Dan, door zijne drie struische makkers geholpen, greep hij +Benkin-den-schutter om de lenden, hief hem boven de leuning en smeet hem +in de ruimte ... + +"Nu gij!" morde hij, de handen tot Ivo-den-wolvenjager uitstekende om +hem te grijpen; maar Ivo sprong met eenen schaterlach over de leuning en +riep, terwijl hij reeds in de ledige ruimte nederzonk: + +"Vrij, vrij tot in den dood!" + +Disdir Vos, die tot dan een weinig terzijde was gebleven en de wreede +strafpleging had bijgewoond zonder er eenig werkelijk deel aan te nemen, +naderde nu tot den rand der gaanderij en schouwde op de opene plaats van +het klooster. De lijken der twee Kerels lagen daar verbrijzeld; geen lid +verroerde nog aan hen ..., de beulenknechts, die de verminkte lichamen +kwamen wegnemen, sleepten er mede langs den grond als met voorwerpen +waarin nooit eenig leven had gewoond. + +Een verwijderd gebruis en onduidelijke galmen deden hem den blik over de +stad richten. Hij zag de markt en alle omliggende straten overdekt met +Fransche krijgsknechten en, daarachter in de verte, de poorters, die de +handen ophieven, als riepen zij nog om genade voor de ongelukkige +Kerels, manhaftige verdedigers der bedreigde volksvrijheid. + +Nauwelijks waren er eenige minuten verloopen, of men bracht twee andere +Kerels op den toren en smeet ze, zonder hun meer dan een oogenblik tot +bidden te gunnen, over de leuning ... en daarna weder twee, en nog twee, +en zoo voorts, totdat er reeds twintig den vloer der opene plaats van +het klooster met hun bloed hadden geverfd[93]. + +Allen waren gestorven zooals zij het hunnen gezellen hadden beloofd: +zonder tegenstand, zwijgend en onverschrokken en met eenen koelen +glimlach op den mond. Hadden sommigen geweend bij de gedachtenis aan +vrouw of kinderen, hunne tranen hadden in het binnenste van hun +verscheurd hart gevloeid, en niets had hunne ontroering voor het oog +hunner beulen verraden. + +Op dit oogenblik kwam er een dienaar van den gevangenbewaarder op de +gaanderij. Tot Disdir Vos naderende, fluisterde hij hem iets in het oor +dat hem scheen te verrassen en diep te treffen; ja, het lokte eenen +blijden glimlach op zijne lippen. + +Disdir wenkte eenen overste, die onder hem de wacht gebood, en zeide hem +iets aangaande Robrecht Sneloghe. Dan volgde hij den dienaar, daalde met +hem de trap af en begaf zich met groote stappen naar het Gyselhuis, waar +hij den kerker van Dakerlia deed openen. + +"Gij hebt mij doen roepen, jonkvrouw?" zeide hij. + +De maagd, wier oogen rood waren van tranen, kwam hem te gemoet geloopen +en kreet met saamgevoegde handen: + +"Disdir, Disdir, hij is dood?" + +"Nog niet, jonkvrouw", was het antwoord. + +"O, red hem, red hem!" + +"Onmogelijk, het vonnis is geveld, ik ben onmachtig." + +"Hij moet sterven?" + +"Straks." + +"Mijn God, mijn God, men zal hem van den toren werpen, niet waar?" + +"Wie heeft u dit gezegd, jonkvrouw?" + +"Ach, ik weet het; reeds tien onzer arme broeders zijn dood." + +"Reeds twintig, Dakerlia. Het is te laat!" + +"Dus geene genade meer voor hem?" + +"Geene; de koning zelf heeft hem veroordeeld." + +Dakerlia deinsde een paar stappen achteruit; de bleekheid des doods +ontverfde haar gelaat en zij sidderde in al hare leden, als hadde eene +diepe vrees haar aangegrepen. Misschien schrikte zij terug van hare +eigene gedachten; want zij deed zichtbaar geweld om hare ontsteltenis te +bedwingen. + +Eensklaps viel zij geknield neder en, de handen tot Disdir Vos +opheffende, kreet zij: + +"O, ik smeek u, wees medelijdend voor mij! Gun mij eene genade, eene +enkele; ik zal u daarvoor dankbaar zijn mijn leven lang!" + +"Welke genade? Het is te laat, zeg ik u!" + +"Neen, neen; hij sterve, vermits het wreede noodlot zijnen dood eischt; +maar, Disdir, laat mij hem vergezellen, hem troosten tot het einde!" + +Verwonderd over deze zonderlinge vraag, schudde Disdir weigerend het +hoofd. + +"Ach, dat het mij vergund weze jegens hem ook dezen laatsten plicht der +liefde te vervullen!" riep Dakerlia, tot Disdir op de knieen +voortkruipende. "Ik zal u dankbaar blijven voor deze weldaad ... en, wie +weet, wie weet?... indien ik daardoor de overtuiging kon bekomen dat er +goedheid in uw harte ligt!" + +Bij het uitspreken dezer woorden schouwde zij Disdir in de oogen met +eenen blik zoo biddend en zoo vriendelijk, dat hij er tot in de ziel +door werd ontroerd. Dakerlia zou hem kunnen beminnen? Gaven niet hare +woorden hem die hoop? Straalde niet uit hare oogen de belofte dat zij +zou pogen hare dankbaarheid tot een zoeter gevoel te laten vergroeien? + +Hij reikte de maagd de hand, hief haar op en zeide: + +"Dakerlia, ik wil, ofschoon het gevaarlijk voor mij kan worden, u de +genade toestaan die gij zoo verleidend van mij afsmeekt." + +"Dank, dank, Disdir!" murmelde zij. + +"Maar op de strenge voorwaarde dat gij u stil houdet en geen gerucht +maket. Vergezel Robrecht tot op den toren, vermits gij het zoo vurig +wenscht; spreek hem aan, steun zijnen moed; maar blijf bedaard en wek +niet te veel de aandacht der wapenknechten op. Bij de minste +ontstuimigheid in de uitstorting uwer droefheid, zal ik mij verplicht +zien u naar den kerker te doen terugleiden." + +"Ik zal bedaard blijven. O, dank, Disdir, voor uw medelijden, voor uwe +toegevendheid!" + +"Volg mij dus, Dakerlia, en wees uwe belofte getrouw, heden en in de +toekomst." + +De maagd stapte achter hem uit den kerker. Was haar uiterste droefheid +veinzerij geweest? Nu glimlachte zij geheimelijk, en eene vonk van +zegevierende blijdschap glinsterde in hare oogen. + +Evenwel, toen zij op het plein trad, ontsnapte haar een versmachte +angstkreet en zij verbleekte van schrik. + +Daar zag zij haren verloofde, met de armen op den rug gebonden tusschen +eenige wapenknechten staan. Zij ging met wankelende stappen tot hem, +blikte hem diep in de oogen en meende te spreken, doch de stem verkropte +in hare keel. + +"Dakerlia, o, Dakerlia", zuchtte Robrecht, "ik smeek u, spaar mij het +gezicht uwer smart! Laat mij den moed om als een Kerel te sterven! +Vaarwel, mijn uur is gekomen ..." + +De maagd liet haar hoofd op zijne borst vallen en murmelde zoo zacht, +dat hij alleen het kon hooren: + +"Blijf sterk, Robrecht. Sterven is voor ons geboren worden tot een nieuw +leven. Heden nog zullen wij vereenigd zijn voor eeuwig in Gods schoot. +Ik wil u volgen tot het laatste oogenblik. Stel u niet tegen mijnen +wensch ... Moed, moed! Der Kerlen vijanden moeten u bewonderen tot in +den dood!" + +Zij deed eenen stap terug; want op een bevel van Disdir Vos hadden de +wapenknechten mher Sneloghe bij den schouder gegrepen en stuwden hem nu +over het plein voort. + +Dakerlia ging nevens hem, en wanneer hij een treurigen blik tot haar +richtte, hief zij hare vochtige oogen met eene genster van begeestering +ten hemel, als om het vrije vaderland der zielen aan te wijzen. + +Te midden zijner wacht stapte Robrecht met opgeheven hoofd en koele +beradenheid voort. Zijn blik was evenwel onvast en wijfelend, en zoozeer +scheen hij vreemd aan alles wat rondom hem geschiedde, dat hij niet meer +acht op de tegenwoordigheid van Disdir Vos scheen te slaan, dan of hij +hem ooit hadde gekend. Al zijne denkingskracht was in een enkel gevoel +verslonden. Dakerlia had gezegd: "heden nog zullen wij daarboven +vereenigd zijn." De arme maagd wilde dus sterven uit liefde tot hem? Hij +zag in den geest hoe zij den moordpriem, dien zij op zich droeg om zich +desnoods tegen Disdir Vos te verdedigen, in haren eigen boezem plofte. +Hij meende zelfs, toen men hem in de kerk had gebracht, Dakerlia dien +wreeden aanslag op zich zelven af te raden en haar te bidden haar +dierbaar leven te sparen; maar nu rukten de wapenknechten hem met barsch +geweld naar de trap van den toren en stuwden en trokken hem naar boven. + +Terwijl men hem bij de leuning der gaanderij bracht, en de beulen hem +aankondigden dat zijn laatste uur gekomen was, deed Disdir Vos de maagd +op eenige stappen blijven staan. + +Dakerlia, nu de akelige stond nader was, liet zich geknield nedervallen +en, alsof zij terugschrikte van het ijswekkend gezicht van Robrechts +dood, sloeg zij de handen met eenen versmoorden kreet voor de oogen. + +"Spreek uw laatst gebed; gij gaat sterven", morde de beul tot den +veroordeelden Kerel. + +Robrecht hief de oogen ten hemel en bad: + +"Barmhartige God, in uwe handen beveel ik mijnen geest. Aanvaard mijn +lijden en mijn bloed als een zoenoffer. O, laat de vrijheid niet vergaan +in Vlaanderen. Bescherm, bescherm Kerlingaland!" + +De naam van den dierbaren geboortegrond was niet gansch van zijne lippen +opgestegen, toen reeds de handen der beulen hem in de hoogte hadden +geheven en zijn lichaam in de ruimte smeten ... + +Dakerlia, nog even stil en immer met de handen voor het aangezicht, +hoorde slechts aan het gerucht van den val en aan het zegevierend +gejuich, waardoor men van beneden er op antwoordde, dat de +slachtoffering was volbracht. + +Zij ontdekte hare oogen en zag hoe Disdir over de leuning gebogen lag, +waarschijnlijk om vreugde te putten uit de overtuiging dat Robrecht niet +meer leefde. + +Opspringend, opende zij de armen als tot eene omhelzing en riep met +blijdschap en begeestering in de stem: + +"Disdir, Disdir, ontvang uw loon; ik wil uwe gezellinne zijn. De dood +zelf kan ons niet meer scheiden!" + +Hij hief het hoofd op en zag haar aan met eenen glimlach van hoopvolle +verrassing. + +Maar de maagd sloeg hem hare armen als twee stalen banden rondom het +lichaam, en hoe hij ook worstelde en om hulp schreeuwde, zij hief hem +door eene overmatige krachtinspanning van den grond, en sprong met hem +over de leuning, terwijl zij uitriep: + +"Zoo wreekt eene Kerlinne haar vaderland! God zal ons oordeelen!" + +Een schallende angstschreeuw weergalmde op den toren, en beulen en +schildwachten bogen sidderend zich over de leuning, om neder te blikken +op drie lijken ... + +Dan werd het op den toren en op de ganschen burg doodstil, als hadde het +gezicht van het gruwelijk schouwspel iedereen met afgrijzen en met +verstomdheid geslagen. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 92: Op zulke voorwaarde zou graaf Karel zelfs aan Burchard, na +zijne veroordeeling te Yperen, genade hebben aangeboden. (Quae ergo +injuste rapuit, juste restituat, et conditionem sui generis agnoscat, et +sic misericordiam quam querit inveniat). + +Aanhaling uit het werk van GUALTERUS, bij den graaf Van der +Straten-Ponthoz _Charles-le-Bon_, etc., p. 29.] + +[Voetnoot 93: Zie bij GALBERTUS, p. 3880, het verhaal dezer wreede +strafpleging, dat hij eindigt met deze woorden: "om ze niet allen in de +volgorde huns doods te moeten noemen, zal ik zeggen dat de anderen, ten +getalle van achtentwintig, op dezelfde wijs van den toren werden +gesmeten."] + + + + +Vervolg van de Geschiedenis der Kerels + + +De tot dan onplooibare Kerels van Vlaanderen waren nu overwonnen; hunne +machtigste beschermers, hunne natuurlijke opperhoofden, de Erembalds, +had men wreedelijk doen sterven onder het valsche voorwendsel dat zij +allen medeplichtig aan den moord van graaf Karel waren. + +"Men heeft hunne verrechtvaardiging belet", zegt de geleerde abbe +Carton, "door hen uit te roeien; en dit middel was het zekerste, want de +dooden spreken niet. Toen zij nog leefden, weigerde men hen te +verhooren; zij vroegen rechters, en men gaf hun beulen[94]." + +De Isegrims mochten dus tevreden zijn, want het leenheerschap zegevierde +in Vlaanderen, en zij hadden nu eenen vorst die, gansch met hunne +heerschzuchtige gedachten doordrongen, niet zou dulden dat het volk nog +ergens het hoofd ophief. + +Inderdaad, Willem van Normandie begon bloedige vervolgingen in te +spannen tegen de Kerels en tegen al wie verdacht was van toegenegenheid +voor hunne zaak. Niet slechts op het platte land, maar in de steden +zelven zocht hij zijne slachtoffers: binnen Brugge alleen werden dus +honderdvijfentwintig burgers als medeplichtigen der Kerels veroordeeld. + + + +Zich machtig genoeg wanende, om niets meer te ontzien, herstelde Willem +van Normandie den tol der dienstbaarheid, _den balfaart_, alhoewel hij +bij zijne inhuldiging plechtiglijk had gezworen dat deze gehate +belasting nimmermeer zou worden geeischt. + +Hij toonde zich overigens in alle zaken van bestuur als een vorst die +beweerde naar willekeur te mogen heerschen, zonder acht te slaan op de +rechten en gebruiken van het volk. + +Nauwelijks waren er eenige maanden verloopen sedert dat Willem van +Normandie de graaflijke kroon uit de handen des konings van Frankrijk +had ontvangen, of gansch Vlaanderen stond tegen hem op. + +Diederik van den Elzas werd door het Vlaamsche volk tot graaf +uitgeroepen, en stelde zich aan het hoofd der opstandelingen. + +Er begon een bloedige oorlog, die met wisselvallige kansen voortduurde, +totdat Willem van Normandie, bij het beleg van Aelst, door eenen burger +gewond, het leven verloor. + +Diederik van den Elzas bestierde Vlaanderen gedurende bijna vijftig +jaren, in voorspoed en in vrede. Hij was de beschermer der +volksvrijheden, en liet niet alleenlijk de Kerels hunne instellingen +behouden, maar verleende tevens aan vele steden hunne eerste geschrevene +voorrechten of _keuren_. Aan hem zijn de Vlaamsche gemeenten, zoo niet +hunnen oorsprong, dan toch hunne wonderlijke ontwikkeling en hunne +latere macht verschuldigd. + +Hier dient eene opmerkingswaardige bijzonderheid aangeteekend te worden, +die de nagedachtenis der Kerels den Vlamingen dierbaar moet maken. Het +zijn de Kerels die allereerst geeischt hebben dat de keuren en +stadsschriften, hen betrekkelijk, in de moedertaal, dat is te zeggen in +het Vlaamsch wierden opgesteld[95]. + +Wie zou beweren dat Vlaanderen het behoud zijner Germaansche volkstaal +niet grootendeels aan deze fiere Kerels is verschuldigd? + +In het jaar 1204 bezat de gravin Machteld, weduwe van Philips van den +Elzas, als bijleving of _duwarie_ een groot gedeelte van Kerlingaland. + +Zij wilde den vrijen bewoners drukkende belastingen opleggen, waaronder +ongetwijfeld de zoo diep gehate balfaart. + +De Kerels stonden tegen haar op en er volgde een oorlog, welke Lambertus +Ardensis dus in zijne kroniek verhaalt: "daarom vergaderde Machteld een +groot leger, waarmede zij het land van Veurne en Brouckburg en het volk +aldaar meende te verwoesten en te verdelgen. Door hare woede aangevuurd, +trok zij met al hare macht op het grondgebied van Veurne; maar de +Blauwvoeten, onder bevel van zekeren Herbert van Wulveringhem, kwamen +haar te gemoet en vielen haar met zulke dapperheid aan, dat zij haar +leger overhoop sloegen en al degenen neerhakten die zich niet door eene +spoedige vlucht konden redden. Tot zooverre, dat de arme gravin niet +weinige harer lieden ternauwernood haar kasteel te Veurne kon bereiken, +van waar zij des nachts naar Duinkerke vlood[96]." + +Vijf jaar later begon de oorlog opnieuw. De Kerels belegerden de stad +Berghen. Eene aanzienlijke heirkracht, onder bevel van Christiaan Van +Praet, kwam hen aanvallen. Zij verloren den slag en aanvaardden den +vrede, op zekere niet ongunstige voorwaarden welke men hun door +tusschenkomst van Arnold van Gwijnen toestond. + +In 1302 waren de Kerels ongetwijfeld in groot getal naar Kortrijk +getogen, om de onafhankelijkheid van Vlaanderen tegen een overmachtig +Fransch leger te verdedigen. Dat zij aan den beruchten slag der Gulden +Sporen een aanzienlijk deel genomen hebben, blijkt uit eene oude +Vlaamsche kroniek, door ons reeds aangehaald, waarin Robert d'Artois, de +Fransche veldheer, al de Vlamingen, welke hij bij Kortrijk gereed ziet +om hem slag te leveren, Kerels noemt. + +In 1322, had de graaf van Vlaanderen de stad Sluis aan zijnen oom, Jan +van Namen, gegeven. Sluis lag aan het Swin en was voor Brugge de sleutel +der zeevaart. + +Jan van Namen begon den koophandel door het willekeurig heffen van +tollen te benadeelen. Daaruit ontstond eene groote ontevredenheid onder +de Bruggelingen; en, om hen tegen den verdrukker te helpen, liepen de +Kerels aller Ambachten te wapen. + +Met de lieden van Brugge vereenigd, en aangevoerd door den Kerel Niklaas +Zannekin, van Lampernisse, veroverden zij de stad Sluis en namen Jan van +Namen gevangen. + +Deze oorlog duurde jaren voort, met groote verwoestingen en wreedheden +van wederzijde. In den loop van het jaar 1325, voegden de Kortrijkers +zich bij den opstand en, leverden den graaf van Vlaanderen (Lodewijk van +Crecy) in handen der Kerels, die den vorst naar Brugge voerden, waar hij +langen tijd gevangen bleef. + +Toen graaf Lodewijk eindelijk, op zekere voorwaarden, zijne vrijheid +bekwam, liep hij naar Frankrijk en smeekte des konings hulp af, om de +wederspannige Kerels met geweld van wapenen tot onderdanigheid te +dwingen. + +Een machtig Fransch leger zakte welhaast naar Kerlingaland af. De Kerels +en hunne bondgenooten, van de komst der Franschen verwittigd, hadden +zich volgens hunne gewoonte nedergeslagen en versterkt op den +Casselberg, tusschen Yperen en St-Omaers. + +Niet slechts de Fransche heirkracht hadden zij te bestrijden; de graaf +van Vlaanderen naderde met een sterk leger, dat hij op het grondgebied +van Gent en Audenaerde had verzameld; Jan van Namen kwam toegeloopen met +eene aanzienlijke hulp; Robrecht van Cassel voerde de ridders van +Vlaanderen aan. + +Deze vereenigde macht was meer dan voldoende om de Kerels te verpletten. +Desniettemin lieten de onverschrokken Vlamingen den moed niet zinken; +integendeel, zij waren nog trotsch genoeg om den koning van Frankrijk +door hoonende spotwoorden uit te dagen[97]. + +De veldslag, die hier werd geleverd, was noodlottig voor de Kerels. Wel +vochten zij als leeuwen en deden langen tijd, door hunne wonderlijke +heldhaftigheid, de kansen wankelen; maar eindelijk bezweken zij onder de +overmacht des vijands. Meer dan dertienduizend hunner lijken overdekten +het slagveld, en getuigden door hun verbazend getal, met welke +hardnekkigheid de arme Kerels hadden gevochten[98]. + +Deze bloedige nederlaag moet de Kerels gedurende vele jaren machteloos +gemaakt hebben, om nog wederstand te bieden aan de leenheeren, die immer +voortijverden om de volksrechten te vernietigen. + +Maar andere verdedigers vond de vrijheid welhaast in de groote steden +van Vlaanderen, welke door de nijverheid hunner inwoners eenen hoogen +trap van voorspoed en rijkdom hadden bereikt. + +Elkeen in ons land kent nu de geschiedenis van Jacob Van Artevelde, en +weet, hoe onder zijne leiding de Vlaamsche gemeenten gansch Europa +verwonderden door de ontwikkeling eener tot dan ongekende volksmacht. + +Maar het lag in het lot der wereld, dat de volkeren van Europa nog diep +en langdurig zouden verdrukt blijven vooraleer de verlorene vrijheid der +vaderen gedeeltelijk te herwinnen. + +Toen Philips Van Artevelde, Jacobs zoon, in 1382, op het slagveld van +Roozebeke, met meer dan twintigduizend Vlamingen sneuvelde, verduisterde +de zon der onafhankelijke gemeenten, en de eeuwenheugende worsteling was +ten einde, hoe dikwijls ook vruchtelooze pogingen nog kwamen bewijzen +dat Vlaanderen het juk met ongeduld en geheime woede droeg. + +Een ander tijdvak was aangebroken en eene nieuwe staatsinrichting ging +zich over de beschaafde wereld spreiden. Het leenheerschap dat berustte +op de algemeen onderschikking, bij trappen opklimmende van den slaaf +tot den vorst, was door zijne eigene grondbeginsel ondermijnd geworden. +De koningen en vorsten, instede van de onmiddellijke overheid op het +volk tusschen de leenheeren verdeeld te laten, hadden alle macht en +allen invloed op hunnen persoon samengetrokken, en dus de giftige vrucht +van het leenheerschap, de _Centralisatie_, tot rijpheid gebracht. + +In de tweede helft der veertiende eeuw verviel de kroon van Vlaanderen, +door een huwelijk, op de hertogen van Bourgondie. + +Van dit oogenblik af werd er door trotsche en heerschzuchtige vorsten, +ons geheel vreemd van afkomst en zeden, een openlijke strijd gevoerd +tegen de rechten, de taal en den eigen aard van het Vlaamsche volk. + +De mannen der gemeenten vergoten nog hun bloed in eervolle pogingen, om +zich uit de verdrukking los te woelen; doch het lot had beslist: de +vorstelijke macht zou voortaan geene andere wet erkennen dan de +willekeur, en de _staatsreden_ zou zelfs het aangeboren menschelijk +recht verzwelgen. + +Nog eens liepen de Kerels te wapen en durfden het wagen eene ongelijke +worsteling tegen het machtig huis van Bourgondie te beproeven. + +De hertog Philips, spottenderwijze bijgenaamd _de Goede_, wilde den +bewoners der Ambachten nieuwe wetten opdringen, die geheel met hunne +oude rechten in strijd waren. Na eenige vruchtelooze pogingen tot +overeenkomst, besloten de Kerels uit tweeenvijftig dorpen tot den +opstand en brachten meer dan 8000 man te velde, onder bevel van Hanne +Mettenbaerde (Jan met den baard) en Arnold Kieken. + +De hertog zond 5000 man tegen hen af, doch zij sloegen dit kleine leger +op de vlucht en veroverden de stad Cassel en het sterke slot Reneschure. + +Over deze nederlaag zijner lieden verbolgen, bracht de hertog een zoo +machtig leger te been, dat de Kerels, overtuigd dat alle wederstand +onmogelijk was geworden, zich onderwierpen en hunne wetten volgens 's +vorsten wil lieten wijzigen[99]. + +Na dit tijdstip gewaagt de geschiedenis niet meer van gebeurtenissen +waarin de Kerels eene bijzondere rol vervullen. Wel bleven de Ambachten +bestaan, wel behielden de bewoners der omstreken van Brugge een eigen +bestuur; maar de weinige rechten, welke zij tot het einde der achttiende +eeuw bleven genieten, werden hun door de vorsten toegestaan en, volgens +hunne willekeur ingekort en gewijzigd. + +Ziedaar de gansche geschiedenis der Kerels, van hunne eerste +verschijning op den bodem onzes vaderlands, totdat zij, evenals gansch +Europa, onder het juk der _centralisatie_ moeten buigen en, met hunne +nationale instellingen, ook hunne kenmerken als bijzonderen stam +verliezen. + +Hoe is het mogelijk dat de daden en het lot van dit dapper Vlaamsch +geslacht tot voor eenige jaren ons gansch onbekend konden blijven? + +Schrikkelijk, doch niet verwonderlijk!... De vijanden van het volksrecht +hebben gedurende zeshonderd jaren al hunne pogingen vereenigd, om de +nakomelingschap de voorvaderlijke vrijheidszucht en den voorvaderlijken +roem te doen vergeten. Zij hebben de verdrukte menigte der vorige eeuwen +misprijzen en verachting ingeboezemd voor de sterke mannen van +Kerlingaland en voor de heldhaftige burgers der gemeenten. + +Hebben wij niet tot op onze dagen moeten wachten om in den _Wijzen man_ +van Gent, in Jacob Van Artevelde, iets anders te zien dan eenen +oproerigen brouwer en overmoedigen volksleider?[100] Worstelt de +nagedachtenis van den Brusselschen martelaar Anneessens niet immer nog +tegen miskenning, twijfel of kleinachting? + +Zoo insgelijks hebben zij de nagedachtenis der Kerels of geheel +uitgedoofd, of slechts verduisterd en bevlekt tot ons laten komen. + +Maar wij, Vlamingen, die nu ijveren om den roem der vaderen weder uit de +verdonkerde kronieken op te graven, zouden wij niet met eerbied en +dankbaarheid de kloeke mannen van Vlaanderen gedenken, wier bloed zoo +overvloedig en eeuwen lang heeft gestroomd voor 's volks ontslaving en +voor 's lands onafhankelijkheid? + +Zijn wij niet de zonen, de rechtstreeksche erfgenamen dier taaie Kerels +van Vlaanderen? En strijden wij niet, evenals zij deden, met zwakke +krachten misschien, maar toch met oud-Germaansche volharding, voor het +behoud van onzen eigen aard, van ons volksrecht en van onze moedertaal? + + +EINDE. + + +VOETNOTEN: + +[Voetnoot 94: "On a prevenu leur justification en les exterminant, et +cette voie est la plus sure pour avoir raison; les morts ne parlent pas. +Vivant, on n'a pas voulu l'entendre; il a demande des juges et on lui a +donne des bourreaux." + +ABBE C. CARTON, _Bertulf et sa famille. Annales de la soc. d'emul. de +Bruges_, t. I, 2e serie, p. 303.] + +[Voetnoot 95: "Le triomphe des Kerles dans la lutte prolongee, ce fut de +faire admettre le Flamand dans les chartes publlques." + +Victore Derode, _Annales des Flamands de France_, t. VIII, p. 69.] + +[Voetnoot 96: Uitgave van _le Mis Godefroy de Menilglaise_, p. 382.] + +[Voetnoot 97: Zij staken geschilderde hanen uit, met dit opschrift: + + _Quand ce cocq icy chantera_ + _Le roy trouve cy entrera._ + +Oudegherst, p. 416.] + +[Voetnoot 98: "Et en laquelle bataille lesdicts Flamans rebelles se +porterent sy vaillamment qu'ils faysoyent plusieurs fois doubter leurs +ennemys de l'evenement de la bataille ... Les Flamans laissant la plaine +couverte de plus de treize mille de leurs compagnons, quy lors finirent +miserablement leurs jours." + +Oudegerst, pp. 417 et 418.] + +[Voetnoot 99: Zie over dezen laatsten opstand der Kerels een schoon +opstel door A. Desplanque, _Annales du comite flamand de France_, t. +VIII, p. 218.] + +[Voetnoot 100: "C'est un tyran qui, pour satisfaire de viles passions, +la soif de l'or et la haine contre tout ce qui est noble, s'entoure de +brigands et d'assassins et ne se plait qu'au milieu du pillage et des +massacres." Tel est et en resume le jugement porte pendant des siecles +sur Jacques Van Artevelde. + +_Jacques Van Artevelde_, par P. A. Lentz, professeur a l'Universite de +Gand, pp. 3 et 4.] + + + + + + + + + +End of Project Gutenberg's De Kerels van Vlaanderen, by Hendrik Conscience + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KERELS VAN VLAANDEREN *** + +***** This file should be named 13625.txt or 13625.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/3/6/2/13625/ + +Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online +Distributed Proofreading Team. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
