summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/13625.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/13625.txt')
-rw-r--r--old/13625.txt22697
1 files changed, 22697 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/13625.txt b/old/13625.txt
new file mode 100644
index 0000000..c0db5ff
--- /dev/null
+++ b/old/13625.txt
@@ -0,0 +1,22697 @@
+Project Gutenberg's De Kerels van Vlaanderen, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Kerels van Vlaanderen
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: October 5, 2004 [EBook #13625]
+[Last updated: August 27, 2011]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KERELS VAN VLAANDEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HENDRIK CONSCIENCE
+
+De Kerels van Vlaanderen
+
+
+Brussel
+
+[1883]
+
+
+
+
+De Kerels van Vlaanderen
+
+
+
+
+I
+
+
+Op eenen herfstmorgen van het jaar 1126 weergalmden de plechtige tonen
+van eenen lofzang binnen de kerk van Onze-Lieve-Vrouwe te Brugge.
+
+Ongetwijfeld zaten onder hare breede gewelven gansche scharen
+nedergeknield; want nu en dan riep het gerinkel der schellen de
+geloovigen tot een inniger gebed.
+
+Evenwel, op het doodenveld, dat den tempel omringde, heerschte de
+volledigste eenzaamheid. Geen ander gerucht stoorde er de stilte dan het
+aanhoudend geschreeuw eener vlucht zwarte kauwen, die daarboven, op meer
+dan vierhonderd voet hoogte, de lucht met hun treurig gekras vervulden
+en als een onweerswolk rondom de spits van den reusachtigen toren vlogen
+en slingerden.
+
+Aan eene groeiende rots gelijk, schoot het logge gevaarte zijne bonkige
+freiten en graten ten hemel, en hief het teeken der verlossing zoo hoog
+boven de stad, dat de scheepslieden, van uren en uren verre in zee, deze
+baak konden herkennen....[1]
+
+Een man trad langzaam op het kerkhof, luisterde eene wijl op de statige
+galmen die in den tempel herklonken en stapte dan verder in het
+kronkelend voetpad.
+
+Hij naderde een steenen kruis,--godvruchtige gedachtenis aan eenen
+dierbaren doode,--leunde met den elleboog er tegen en bleef zoo, half
+glimlachend, naar de kerkdeur blikken, als wachtte hij met vurig
+verlangen op iemand wiens verschijning hem gelukkig kon maken.
+
+Deze man had wel de dertig jaar bereikt; zijne weinig verhevene gestalte
+en de magerheid zijner leden deden hem echter jonger schijnen dan hij
+was. Met vrij regelmatige wezenstrekken en diep zwarte oogen mocht hij
+sommigen toeschijnen als niet beroofd van zekere schoonheid; maar zware
+wenkbrauwen en scherpgeslotene lippen gaven zijn gelaat een zuur en
+onvriendelijk voorkomen dat, bij den eersten blik, twijfel of mistrouwen
+aangaande zijne inborst kon verwekken.
+
+Zijne kleeding liet gissen dat hij tot den ridderstand behoorde; want
+zijn overkolder was van fijn groen laken en de draagband, waaraan zijn
+zwaard hing, glinsterde van gouden en zilveren stikwerk In diepe
+gedachten was hij verslonden. Had in het eerste een glimlach van blijde
+verwachting de harde plooi zijner lippen gematigd, nu toch schoot er
+insgelijks eene bedroevende overweging door zijnen geest; want hij
+sidderde van verborgene gramschap en sloeg met zijne vuist aan den arm
+van het kruis waartegen hij leunde, als wilde hij den steen vermorzelen.
+
+Dan was zijn aangezicht terugstootend van bitterheid en haat.... Maar nu
+traden er eenige lieden uit de kerk--en de glimlach verscheen weder op
+des ridders mond, terwijl hij verder het doodenveld overstapte om niet
+te laten vermoeden dat hij daar wachtend had gestaan.
+
+De godsdienstige plechtigheid moest ten einde zijn; want uit de nauwe
+tempeldeur stroomde een vloed geloovigen van allen ouderdom en stand.
+
+Al hadde ook het dragen der lange zwaarden en rijke kleederen de ridders
+tusschen de menigte niet aangewezen, hunne trotsche houding en de
+dienaars welke hen ootmoedig volgden waren toereikend geweest om hen en
+hun huisgezin van de Poorters[2] of burgers te doen onderscheiden.
+
+Deze laatsten, ernstig en bescheiden, droegen eenen langen kolder van
+donkerkleurig laken, meest zwart of bruin, waarboven, aan eenen
+gordelriem, de lederen tassche hing met een mes in eene scheede.
+
+De lijfeigenen of dienstbare lieden,--die men nog met den akker, waarop
+zij geboren waren, kon koopen en verkoopen,--waren gekleed in ongebleekt
+linnen of in grof roestvervig laken, onzindelijk en slordig. Velen zelfs
+gingen met armen en voeten naakt.
+
+Geen dezer ongelukkigen hadde eenig wapen durven dragen, al ware het
+slechts een schier onzichtbaar mes geweest. Het teeken hunner slavernij
+bestond in de berooving van alle verdedigingsmiddel, en eene wreede
+straf wachtte dengene die de onedelheid zijner afkomst poogde te
+verbergen.
+
+Reeds hadden vele geloovigen zich verwijderd, toen een bejaard ridder
+met zijne dochter uit de kerk kwam en bij de ingangdeur bleef staan, om
+met haar over iets te spreken.
+
+Burgers en mindere lieden schikten zich met eerbied op eenige stappen
+rondom hem en keken stil en verbaasd op de jonge maagd, wier schoonheid
+elkeen met bewondering trof.
+
+Deze ridder, Segher Wulf van Lampernisse, was weduwnaar; zijn eenig
+kind, hem dierbaar als het licht zijner oogen, heette Dakerlia.
+
+Alhoewel zij door hare opgeschotene gestalte en sterken lichaamsbouw de
+andere vrouwen scheen te overheerschen, was zij echter nog zeer jong.
+Dit getuigde het donzig waas op hare beroosde wangen, de zoete
+schuchtere blik harer diepe bruine oogen, het koraal op haren fijnen
+mond en iets onbestemds in haren gang.
+
+Maar het geviel tevens dat zij, haastig met haren vader sprekende, meer
+nadruk aan haar woord wilde geven, en dan ontschoot aan dit helder oog
+eene vonk van gemoedskracht die de omstanders met verwondering trof en
+deed denken dat in dit zoete maagdelijk wezen eene sterke ziel moest
+wonen.
+
+Zelfs murmelde op dit oogenblik eene oude burgersvrouw schier
+onhoorbaar:
+
+"Ho, de lieve jonkvrouw! Prachtige Kerlinne van het zuiverste bloed!"
+
+Dakerlia droeg een onderkleed van witte gebloemde zijde met enge,
+spannende mouwen; daarop een lichtblauw overkleed, waarvan de mouwen
+integendeel wijd en afhangend waren. Haar golvend zwart haar was boven
+haar hoofd met eenen witten sluier bedekt en te zaam gehouden door eenen
+platten band van zuiver goud, die als eene kroon aan haar voorhoofd
+blonk.
+
+Haar vader drukte haar de hand en meende haar te verlaten; de
+dienstmeid, door hem geroepen, naderde reeds om hare jonge meesteresse
+te vergezellen toen eensklaps de man, die op het kerkhof had gestaan,
+met vele buigingen tot hem kwam en onder vriendelijk glimlachen zeide:
+
+"God geve u alle heil, mher Wulf en u, jonkver Dakerlia. Welkom, welkom!
+Hoe verblijdt het mij u behouden weder te zien na zulke lange
+afwezigheid!"[3]
+
+"Zulke lange afwezigheid, mher Disdir Vos?" schertste Segher Wulf.
+"Nauwelijks eene maand."
+
+"Het schijnt zeer lang voor die u eeren ... en beminnen", antwoordde
+Disdir, terwijl hij met eenen zucht de oogen op de jonkvrouw richtte.
+
+"Ik dank u voor uwe genegenheid", zeide Segher Wulf, minzaam lachende,
+"maar gij zult het mij vergeven, mijn goede Disdir, indien ik niet
+langer met u kan kouten. Ik ben slechts gisterenavond van den zeekant
+teruggekeerd en moet onmiddellijk bij den proost van St-Donaas eene
+gewichtige boodschap gaan vervullen. Indien gij waarlijk nieuwsgierig
+zijt om te weten hoe het ons op de reis is gegaan, Dakerlia kan er u
+iets van zeggen, terwijl gij haar een eindweegs huiswaarts vergezelt."
+
+"O, God, alleen met haar!" mompelde Disdir Vos binnensmonds terwijl
+zijne oogen van blijdschap glinsterden.
+
+En zich tot de jongvrouw keerende, vroeg hij met zekere aarzeling:
+
+"Gij stemt toe, Dakerlia?"
+
+
+[Illustratie: Ik verbied u mij nog ooit het woord toe te sturen!]
+
+
+"Uw gezelschap is vereerend voor mij, mher Vos", stamelde zij, "maar, ik
+bid u, geef deze moeite niet; mijne dienstmeid zal mij vergezellen."
+
+Haar vader drukte Disdir de hand en verwijderde zich in de richting naar
+den Dyver; Dakerlia, door hare meid gevolgd, stapte aan de zijde van
+Disdir de Maria-straat in.
+
+Eene wijl gingen zij stilzwijgend. De ridder hield de oogen zijdelings
+op haar; zijne borst zwoegde en zijn blik ontvlamde, als bereidde hij
+zich tot eenen harden strijd waarin hij eene pijnlijke wonde moest
+bekomen.
+
+Eensklaps zeide hij op eenen hollen toon, die van zijne overmatige
+ontsteltenis getuigde:
+
+"Dakerlia, ik ben ongelukkig; ik doorsta smarten die mij het leven
+ondraaglijk maken. Reeds tweemaal heb ik u durven bekennen wat
+onverwinnelijk gevoel voor u in mijnen boezem is ontstaan. Gij hebt
+eerst ongevoelig den spot met mijn lijden gedreven, daarna koel en
+bitter mij afgewezen. Ach, sedert dan is die vonk in mijn hart tot een
+verterend vuur aangegroeid...."
+
+"Maar bedwing u, heer", murmelde Dakerlia op strengen toon. "Spreek zoo
+niet tot mij."
+
+"Uw vader, die mij acht en mij met zijne genegenheid vereert, gaf mij er
+het recht toe. Hem heb ik de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft
+ze mij toegestaan op voorwaarde dat ik uwe toestemming verwierf.
+Dakerlia, heb medelijden; blijf niet onmeedoogend mij veroordeelen!"
+
+"Ik ben te jong nog om aan zulke dingen te denken", zeide de jonkvrouw.
+
+"Te jong nog?" schertste Disdir. "Gave God dat het zoo ware!... Maar
+versmachten wij den wreeden worm die daar binnen knaagt.... Dakerlia,
+het lot heeft mij begunstigd: wij zijn alleen. Ik wil u mijne bekentenis
+herhalen, al dreigde mij daarom de dood zelf. Ja, Dakerlia, ik bemin u;
+niet zooals een ander man u zou kunnen beminnen, neen, meer dan het
+leven, meer dan mijne plaats in het Walhalla der vaderen, meer dan
+mijner ziele zaligheid...."
+
+"Schromelijk!" zuchtte de maagd. "Wat gij zegt, heer, is eene
+godslastering!"
+
+"Eilaas, het is waar: ik ben blind, betooverd, zinneloos", ging Disdir
+voort. "Wees toch genadig, Dakerlia; red mij uit deze hel van
+vertwijfeling door een enkel minzaam woord! Gij zwijgt, o wreede?"
+
+"Wat kan ik antwoorden op zulke taal?" morde de jonkvrouw met
+ontevredenheid.
+
+"Zeg mij, zeg mij, om Gods wil, dat ik mag hopen!"
+
+"Ik zou liegen, Disdir."
+
+"Gij zoudt liegen! Wee mij! Er is dus geene de minste vonk van
+genegenheid voor mij in uw ijskoel hart?"
+
+"Vriendschap, genegenheid kan ik u gunnen, als aan elk der bekenden
+mijns vaders", antwoordde het meisje, "maar het gevoel dat gij van mij
+eischt, mher Disdir, is iets dat zich niet laat gebieden, gij weet het
+wel. Is uwe smart ongeveinsd, dan heb ik waarlijk medelijden met u. Meer
+kan ik u niet geven."
+
+Als geheel ontmoedigd, liet de ridder het hoofd op de borst vallen en
+stapte eenige oogenblikken zwijgend voort.
+
+Eene rilling doorliep welhaast zijne leden, en hij sprak tot de maagd op
+zoeteren, doch niet min ontstelden toon:
+
+"Dakerlia, gedurende deze vier eindelooze weken uwer afwezigheid heb ik
+aan niets gedacht dan aan u alleen; mijne ziel is vervuld gebleven met
+uw beeld; nacht en dag hebt gij voor mijne oogen gewaard. Ik heb
+gedwaald als een verloren geest, u zoekende in de straten, in de
+bosschen, in de woestijnen; en overal klonk mij in de ooren het
+onverbiddelijke "neen, neen!" dat gij mij, als een gloeiend ijzer, op
+het bloedend hart hebt gedrukt. Dakerlia, uw vader stemt toe in ons
+huwelijk. Verwerp mij niet voor eeuwig. O, laat mij hopen! Bedrieg mij,
+maar laat mij hopen!"
+
+"Bedriegen kan ik niet; bedriegen wil ik niet", zuchtte de maagd, droef
+en ongeduldig.
+
+"Niets voor mij dan afkeer en misprijzen!" huilde Disdir op versmachten
+toon. "Zelfs geene genegenheid genoeg om mij uit medelijden te
+bedriegen! Welaan, het zij dan zoo! Liefde of verachting, mijne vrouw
+zult gij worden, Dakerlia!"
+
+"Ik uwe vrouw?" kreet de maagd met verontwaardiging. "Welk ridder, welk
+vrijgeboren man zou eene vrouw door geweld tot een huwelijk zonder
+genegenheid willen dwingen?"
+
+"Eene liefde als de mijne is blind en kent geene wetten. Wat mij
+verhindert, wat mij in den weg staat zal ik verbrijzelen!"
+
+"En ik zal mijnen vader zeggen wat schaamtelooze taal gij tot zijn kind
+durft voeren."
+
+"Hij zelf schonk mij uwe hand."
+
+"Gij weet wel, heer, dat dit onwaar is. Mijn vader laat mij de vrije
+keus. Hij heeft niet verzuimd het u uitdrukkelijk te zeggen. Daarbij, ik
+herhaal het u, ik ben veel te jong om aan zulk iets te denken."
+
+Hij schouwde haar diep in de oogen en vroeg met ontstelde stemme:
+
+"Dakerlia,--o, folterend vermoeden!--Dakerlia, gij bedriegt mij. Ware uw
+hart vrij, gij zoudt niet zoo onmeedoogend voor mij zijn. Durf zeggen
+dat gij niet reeds uwe keus hebt gedaan!"
+
+Een hevige schaamteblos kleurde het voorhoofd der maagd. Zij voelde zich
+gekwetst, aanzag Disdir met fieren blik en antwoordde:
+
+"Wat geeft u de stoutheid om dus beschuldigend mij te ondervragen? Zijt
+gij een eerlijk ridder en een Kerel? Waarom vergeet gij dan dat ik eene
+vrouw ben en recht heb op uwen eerbied?"
+
+"Nu, durf spreken!"
+
+"Verwijder u, verlaat mij!" gebood de jonkvrouw op ontzagwekkenden toon.
+
+"Ja, ik zal mij verwijderen!" gromde Disdir, uitzinnig van spijt. "Ik
+weet wel wie het is die mij belet in uw hart de minste plaats te vinden,
+omdat hij het geheel vervult. Robrecht Snelhoge, niet waar? Hij is een
+Erembald, hij is machtig, rijk als een vorst; en de hoop dat gij nevens
+hem zult schitteren...."
+
+"Onbeschaamde, gij verzaakt zelfs mijne achting!" onderbrak de maagd met
+gramschap. "Ga uwen weg; ik verbied u mij nog ooit het woord toe te
+sturen!"
+
+"Ach, vergiffenis, medelijden!" smeekte Disdir, die beefde onder den
+vertoornden blik der maagd. "Laat mij eene vonk, eenen schemer slechts
+van hoop!"
+
+"Mijnen vader zal ik verzoeken u mijn verbod te doen eerbiedigen; en wij
+zullen zien of gij den ouden krijgsman zult durven trotsen en zijn kind
+blijven hoonen."
+
+"Doemenis, doemenis!" kreet Disdir, van vertwijfeling de vuisten
+wringende. "Gij veroordeelt mij tot eeuwige wanhoop?... Ah, neen, neen,
+mijne vrouw zult gij worden, Dakerlia!"
+
+En onder het uiten dezer woorden keerde hij zich om en liep met hevige
+gebaren terug in de straat.
+
+De jonkvrouw hield vol ontroering den blik nederwaarts en stapte in
+gepeinzen voort. Het was haar bang om het hart en zij schudde soms het
+hoofd in pijnlijken twijfel. Niet omdat de laatste woorden van mher Vos
+haar verschrikten; want zij kende hem als een grootspreker wiens
+overdrevene woorden en wiens bedreigingen weinig te vreezen waren; maar
+hij had haar iets gezegd dat haar als eene angstwekkende veropenbaring
+had getroffen.
+
+Robrecht Snelhoge!--Disdir had deze beschuldiging ongetwijfeld op een
+ijdel vermoeden gegrond; de schijn had hem bedrogen?
+
+Als gebuurkind en vriendinne was Dakerlia, om zoo te zeggen, met
+Robrechts zuster opgevoed geworden. Van hare eerste stappen in het leven
+had zij Robrecht aan hare zijde gezien, en zij was allengs gewoon
+geworden hem als eenen broeder te beschouwen. Ofschoon eenige jaren
+ouder dan zij, had hij gedurende hare kindsheid wel dikwijls hare spelen
+gedeeld. Later was hij ernstiger geworden; maar hij was toch zoo goed en
+zoo minzaam voor haar gebleven dat zij dan met dankbaarheid aan hem en
+aan hare kinderjaren kon denken. Ach, was het iets meer dan broederlijke
+genegenheid, dit diep en innig gevoel dat hen alle drie reeds zoolang in
+den band der schuldelooze vriendschap hield gesloten?
+
+Dit waren de angstige gepeinzen der maagd, terwijl zij langzaam de
+Hoogstraat instapte.
+
+Van wederzijde dezer straat kon men drie slag van woningen bemerken. De
+talrijkste waren huizen tot welker bouw men terzelfder tijd hout en
+baksteenen had gebezigd. Eenigen dezer woonsteden van welhebbende
+poorters waren tamelijk hoog, en de stijlen hunner enge deuren en de
+omlijsten hunner rondbogige vensters waren met eenen overvloed van
+gesneden beeldwerk versierd. Het benedengedeelte dezer huizen was
+ingericht tot winkels of stapels van allerlei waren; men verkocht er
+laken en lijnwaad, leder, huisgerief, ijzerwerk, landbouwgereedschappen
+en vele andere benoodigheden des levens of voorwerpen des handels.
+
+Daartusschen en bij groepen hier en daar te zamen geschikt, zag men ook
+houten hutten zonder verdiep, zeer laag en onzindelijk, die tot
+schuilplaats dienden aan onvrije of geheel arme lieden.
+
+Verder, ten einde der straat, hieven twee ridderlijke Steenen[4] hunne
+ronde of achtkantige torens in de hoogte; zij schenen door hunnen loggen
+bouwtrant en door de schietgaten, die als zoovele wakende oogen over de
+poortershuizen heenkeken, al wat hen omringde te bedreigen en te
+overheerschen. En waarlijk, zulk sterk slot, te midden der stad zelve
+opgericht, moest in dien tijd den burgers en onvrijen lieden ontzag en
+vrees inboezemen voor de heerschzuchtige ridders, die met macht uit dit
+arendnest konden vallen, om onrecht te plegen, doch niet vervolgd konden
+worden achter muren welke de stormram zelfs onwrikbaar vond.
+
+Van zulke versterkte Steenen stonden er velen binnen Brugge of in de
+nabijheid; want reeds alsdan ontkiemden niet alleenlijk in deze stad de
+Vlaamsche bedrijvigheid en de Vlaamsche koophandel; maar zij was tevens
+het gewoon verblijf van den graaf van Vlaanderen, wiens hofhouding
+talrijke edele landheeren uitlokte. Elk dezer machtige ridders had zich
+het recht aangematigd om een dergelijk bewald en immer dreigend kasteel
+te bewonen.
+
+Dakerlia hield haren ontstelden blik gericht naar eene der beide
+ridderwoningen, welker gulden weerhanen in de verte boven de hoogste
+poortershuizen glinsterden.
+
+Nu moest zij in hare overwegingen tot een besluit geraakt zijn, want zij
+zag er zeer droef en neerslachtig uit; ja, zij vertraagde nog haren
+gang, als hadde zij gevreesd het einde der straat te bereiken.
+
+Daar stond nochtans de Steen haars vaders ... maar bijna recht er over
+stond de Steen waar de ouderlooze Robrecht Sneloghe met zijne jonge
+zuster Witta woonde.
+
+Kon Dakerlia, na eene maandlange afwezigheid, nalaten hare trouwe
+vriendin Witta te bezoeken? Onmogelijk!... maar indien Robrecht te huis
+was en zijn oog haren vreesachtigen blik ontmoette? Zou zij niet beven,
+schaamrood worden en den angst haars harten verraden?
+
+Ja, nu toch zag zij klaar in hare eigene ziel. Hoe had zij het zoolang
+voor zich zelve kunnen verborgen houden? Het nijdig woord van Disdir Vos
+was er noodig geweest om haar die geheimenis te veropenbaren: uit hare
+zusterlijke vriendschap voor Robrecht was een ander gevoel ontstaan!
+
+Nu wist zij waarom zij, maanden reeds voor haar vertrek, eene
+onweerstaanbare neiging had gevoeld om hare bezoeken bij Witta in getal
+te verminderen en in duur te verkorten; waarom zij zwijgend was geworden
+in Robrechts tegenwoordigheid en den blik nedersloeg als hij haar
+bezag.... Ah, daarom had het beeld van Robrecht op geheel deze reis haar
+vervolgd als een onverjaagbare droom!
+
+Zij stond voor de poort van haars vaders Steen, toen zij met een treurig
+knikken deze laatste gedachten bevestigde. Zij meende binnen te treden,
+want de meid had reeds den ijzeren klopper laten nedervallen; maar
+eensklaps ontsnapte haar een lange zucht; zij richtte het hoofd als met
+fierheid op en murmelde in zich zelve:
+
+"Waarom zou ik beschaamd zijn? Ben ik schuldig? Heb ik voor mij zelve
+het zoolang kunnen verborgen houden, waarom zou mij dan de noodige
+sterkte ontbreken om het voor alle anderen te verbergen? En indien
+Robrecht niet vermoedt wat er in mijn hart omgaat?... Misschien is hij
+niet te huis? Ik kan toch niet als eene vijandin afbreken met zijne
+goede zuster. Wat kwaad heeft zij mij gedaan? Kom, ik zal moed hebben,
+mij sterk houden en God bidden dat Hij mij machtig make tegen een gevoel
+dat mij verschrikt...."
+
+Zij wenkte de meid en zeide haar:
+
+"Ga binnen, Gertrudis; ik behoef uwen dienst niet meer. Komt mijn heer
+vader te huis en vraagt hij naar mij, meld hem dat ik mijne vriendin
+Witta ben gaan bezoeken."
+
+Zij richtte zich hierop tot den grooten Steen aan de overzijde der
+straat en vroeg eenen dienaar, die in de halfgeopende poort stond, of
+jonkver Witta Sneloghe te huis was.
+
+Met een bevestigend antwoord leidde de huisknecht haar over den Neerhof.
+Zij volgde hem schier bevend; doch toen hij haar meldde dat zijn meester
+sedert den vroegen morgen reeds was uitgegaan, verlichtte haar gemoed en
+zij glimlachte zelfs met blijdschap, als viele er een drukkende steen
+van haar hart.
+
+De dienaar bracht haar in eene kleine benedenzaal en schoof eenen
+leunstoel vooruit.
+
+"Jonkver Wulf", zeide hij, "mijne meesteresse is boven en ongetwijfeld
+bezig aan haren opschik. Ik zal eene meid bevelen haar van uwe komst te
+gaan verwittigen. Gelief dus het mij niet ten kwade te duiden indien gij
+verplicht waart eene korte wijle te wachten"
+
+Dakerlia zette zich neder en liet hare blikken, vrij en helder, rondom
+deze kamer dwalen, elk voorwerp glimlachend aanziende, als begroette zij
+oude, zeer oude vrienden, tusschen welke zij in reeds verre afzijnde
+tijden had geleefd.
+
+Inderdaad, het speelzieke kind, het vrije en zorgelooze meisje, dat hier
+vroeger leefde, bestond niet meer; de tijd van heldere, belanglooze
+vriendschap was reeds het verleden geworden....
+
+De zaal waarin zij zich bevond was tamelijk duister, dewijl de kleine,
+groenachtige vensterruiten slechts een beperkt en gematigd licht
+toelieten. Aan de voeten der jonkvrouw spreidde de vloer van kleurige
+baksteenen zijne gebloemde reken uit; boven haar hoofd rustte het
+verdiep op eiken balken, welker kanten en steunsels versierd waren met
+schoone beeldingen, schitterende van goud en allerlei prachtige verven.
+Eveneens bestond hier alle huisraad uit gesneden eikenhout dat, ofschoon
+donker en zwaar, de teekens droeg van geduldvollen arbeid en van
+rijkdom.
+
+In het diepe der zaal verhief zich een hooge schoorsteen van blauw
+arduin, en daarboven prijkten eenige ridderlijke wapens, zooals een
+krijgsdegen, een maliehemd, een harnas en een ijzeren stormhoed.
+
+Dakerlia was opgestaan en stapte rondom de kamer, als wilde zij elk der
+voorwerpen, welke er zich bevonden, van naderbij beschouwen. Misschien
+gaf zij slechts toe aan de onrustigheid die haar nog beheerschte.
+
+Zij was blijven stilstaan voor eene halfgeopende kas waarin drie of vier
+boeken op een berd lagen. Met verslondenheid hield zij eene wijl de
+oogen er op gevestigd. Zij keek eensklaps bespiedend naar de deur der
+zaal, als iemand die aarzelt om eene laakbare daad te plegen, greep dan
+de deur der kas aan en opende ze verder....
+
+Een zucht ontsnapte haar. Daar stond, nevens de boeken, eene dooze of
+zeer klein schrijn, met leder overtogen en met gulden inlegwerk gesierd,
+dat ongetwijfeld een juweel of eenig ander kostbaar kleinood moest
+bevatten.
+
+Eene lange wijl staarde zij beweegloos doch met begeesterden blik op
+deze dooze, legde eindelijk aarzelend de hand er op en schouwde biddend
+ten hemel.
+
+Zij murmelde zeer zacht, als vreesde zij dat haar gelispel door iemand
+kon worden gehoord:
+
+"Dit schrijn bevat het levensgeluk eener vrouw! Toen zijne moeder haar
+einde voelde naderen, schonk zij hem het kostbaar juweel, en zeide tot
+vaarwel:'Robrecht, sier daarmede den hals uwer bruid tot mijne
+gedachtenis!' Wie? wie zal het zijn, o genadige God?"
+
+Maar een gevoel van beschaamdheid greep haar aan; zij duwde de kas toe,
+keerde terug naar den leunstoel en liet er zich op nederzakken.
+
+Waarschijnlijk zette zij den gelukkigen droom voort, die bij de kas hare
+dwalende ziel had gestreeld; want nog was haar oog helder en een blijde
+glimlach bleef op hare lippen zweven ... totdat eene nog jongere maagd
+dan zij in de zaal trad en, met opene armen op haar toesnelde terwijl
+zij uitriep:
+
+"Ah, God dank, God dank, daar zijt gij behouden weergekeerd, lieve
+Dakerlia!"
+
+"Goede, dierbare Witta", murmelde jonkver Wulf ontroerd, terwijl zij
+Robrechts zuster omhelsde, "hoe heb ik onverpoosd aan u gedacht! Nu toch
+ben ik wel gelukkig u weder te zien!"
+
+"En ik, Dakerlia, ik was zoo bedroefd en treurig dezen morgen...."
+
+"Treurig? Waarom, vriendinne?"
+
+"Van gisterenavond heeft mijn broeder mij gezegd dat gij teruggekomen
+waart. Hij vernam het van onzen oom, den kastelein Hacket, die u in
+eenen wagen de Ezelpoort zag binnenrijden. Ik ben vandaag met de zon
+opgestaan en heb lang uitgezien of gij niet kwaamt. De vermoeidheid,
+niet waar? Gij hebt wat laat geslapen?"
+
+"Maar neen, gij misgrijpt u", antwoordde Dakerlia, hare vriendin de hand
+nemende. "Kom, laat ons zitten en kouten. Het is eene gansche
+geschiedenis die ik u moet vertellen."
+
+"De reden waarom gij zoo laat mij bezoekt?"
+
+"Ja, Witta; het was eene gelofte die ik, op zee, aan Onze-Lieve-Vrouw
+van Brugge heb gedaan."
+
+"Op zee, Dakerlia? In eenen storm? Geloofd zij de Heilige Moeder, die u
+heeft beschermd. Maar, lieve hemel, hoe geraaktet gij op de woeste zee?"
+
+"Die zal ik u gaan verhalen, Witta. Luister slechts.... Toen wij te
+Lampernisse op de hofstede mijner moei kwamen, was zij zoo ziek dat wij
+haar onzen innigen dank betuigden omdat zij ons had laten roepen. Nadat
+ik bijna twee weken nevens haar bed had gewaakt, haar had getroost en
+verpleegd, werd zij eensklaps beter, en een paar dagen daarna gevoelde
+zij zich reeds tot zooverre hersteld dat zij van den bedde opstond en
+met mij in den hof wandelde...."
+
+"Hoe? Uwe moei is genezen!" kreet Robrechts zuster verwonderd.
+
+"Maar neen, Witta. Laat mij toch voortgaan. Zij scheen geheel genezen en
+onze zorgen niet meer te behoeven. Te Veurne, dat schier aan Lampernisse
+paalt, vernam mijn vader dat eenige kooplieden, vrije mannen en Kerels
+als hij, voorgenomen hadden in gezelschap naar Witzand te reizen, eene
+zeehaven in het graafschap van Boonen[5] gelegen. Dit bracht mijnen
+vader op de gedachte deze gelegenheid waar te nemen om zijnen broeder te
+bezoeken die niet verre van daar te Helbedinghem woont, en welken hij in
+tien jaar niet meer had gezien. Het was wel dertig uren verre; maar
+toch, ik, nieuwsgierig om dit gedeelte van het oude Kerlingaland te
+kennen...."
+
+"Dertig uren verre over zee? En gij hebt aanvaard?" kreet Witta
+verbaasd.
+
+"Dan nog niet, vriendin. Wij reisden over land, en kwamen na vier dagen
+behouden te Witzand aan."
+
+"Maar hebt gij niets merkwaardigs of zonderlings onderwege gezien,
+Dakerlia? Vertel mij toch iets van uwe lange reis!"
+
+"Wat zal ik u vertellen? Het land, alhoewel wat heuvelachtig, ziet er
+uit als hier; de lieden zijn er Kerels van ons geslacht en spreken er
+hetzelfde Dietsch als wij, Kerels van Vlaanderen[6]."
+
+"Zij zijn dus ook vrije mannen?"
+
+"Dat weet ik niet al te wel", gaf Dakerlia, het hoofd schuddende, ten
+antwoord. "Het schijnt dat hunne voorvaders vroeger door de graven van
+Gwynen en van Boonen wreedelijk zijn verdrukt geworden, en dat zij nu in
+eene halve dienstbaarheid leven. Het recht tot het voeren van wapens is
+hun ontroofd. Zij betalen eene schatting om eene houten kolf tot
+verdediging te mogen dragen, en die verlaten zij nooit. Daarom noemt men
+hen de Kolvekerels, en die onrechtvaardige schatting, de Kolvekerlij[7].
+Deze menschen, wanneer de vrije Kerels uit Vlaanderen zien, klagen over
+hun lot en drukken de hoop uit dat zij nog wel eens uit de
+dienstbaarheid zullen opstaan. Anders zijn zij van opzicht, gestalte en
+kleeding geheel gelijk aan onze Kerels die de Ambachten bewonen. Meer
+weet ik u van hen niet te vertellen."
+
+"Maar hoe geraakt gij op de zee, Dakerlia?"
+
+"Het is gansch eenvoudig. Te Witzand lag een schip van Brugge, dat met
+eene lading koren en schapevachten naar het Swin[8] zou varen. De
+stuurman was een Kerel van Uitkerke die mijn vader goed kende. Hij
+stelde ons voor ons onderweg te Sandeshove[9], op de Vlaamsche kust, aan
+wal te zetten. Daar wij geen gezelschap hadden om over land terug te
+keeren en de reis over zee korter en gemakkelijker is, besloot mijn
+vader het aanbod van den stuurman te aanvaarden, indien ik toestemde. Ik
+durf het wel bekennen, Witta: ik was een beetje verschrikt van de
+overvaart op den grooten, wilden plas; maar de tegenwoordigheid van
+eenen Walschen priester, die naar Rodenburg[10] wilde en met ons zou
+varen, gaf mij moed."
+
+"En gij deinsdet niet terug van eene zoo lange zeereis, Dakerlia?"
+
+"Neen, vermits een priester ze zonder kommer wilde ondernemen."
+
+"Een priester is een man; wij zijn zwakke vrouwen."
+
+"Maar, onnoozele Witta, onderscheidt de zee?"
+
+"Het is gelijk, Dakerlia; gij doet mij kiekenvleesch krijgen. Vertel
+haastig: gij gingt op het schip?"
+
+"Ja. Den vijfden dag na onze aankomst te Witzand, met eenen zachten,
+gunstigen wind, staken wij des morgens in zee. Het was helder weder en,
+ofschoon zeer verre van de kust, konden wij de zandduinen langs het
+strand in de zon zien schitteren. De Walsche priester koutte met mij en
+toonde mij in de verte de havens en dorpen welke hij herkende. Zoo
+voeren wij voorbij eene stad die mijn vader Rembrechtsgat noemde en de
+priester mij met den naam van Calaisiacum of Kales aanwees. Daar viel,
+nevens ons schip, een groote vogel uit de lucht, die duikelde en met
+eenen visch in den snavel opwaarts steeg. Deze vogel was een zee-arend
+en had blauwe beenen. Mijn vader zeide mij ter dier gelegenheid dat de
+Kerels van de zeekust, om te betuigen dat zij stoute en behendige
+stuurlieden zijn, zich zelven Blauwvoeten noemen, dit wil zeggen:
+arenden der zee. Daarvan komt het, Witta, dat onze vijanden alle Kerels
+dien naam als een spotwoord toewerpen[11]."
+
+"Ja, maar de Kerels noemen de Leenheeren Isegrims, dat is wolven. Het
+is niet schooner...."
+
+"Later op den dag zagen wij Mardyck en de nieuwe kerk in de duinen, die
+de priester Dino-Clesia heette, dat is Duinkerke. Schoon en zacht was
+het weder tot dan gebleven; ik had den ganschen dag op het dek gestaan,
+uitkijkend naar de duinen, of mijnen blik badend in het kolkachtig en
+onbestemd verschiet der groene zee, toen eene grauwe wolk zich aan den
+gezichteinder vertoonde. Alhoewel nu en dan een zwakke weerlicht uit den
+schoot der donkere streep opwalmde, begreep ik niet waarom de schipper
+onmiddellijk ongerust werd en met stille stem geheimzinnige bevelen aan
+zijne bootsgezellen gaf. Maar de wolk groeide al spoedig tot eenen
+zwarten berg aan, schoot als een loodvervige muur voor de zon,
+ontplooide zich over den ganschen hemel en dompelde ons in eene
+angstwekkende duisternis. Onder voorwendsel dat het sterk zou regenen,
+had men mijnen vader en mij naar beneden in de kamer van het schip doen
+gaan. Daar hoorden wij weldra doffe, doch akelige donderslagen. Het
+bliksemlicht was zoo hevig dat het ons scheen te willen verblinden. Tot
+dan besefte ik niet dat eenig bijzonder gevaar ons bedreigde; want het
+schip lag stil en rustig, dacht mij. Ik geloofde mijnen vader die poogde
+mij te overtuigen dat hier geene reden bestond om ongerust te zijn, en
+ik toonde mij zelfs zeer tevreden, omdat iets nieuws de eentonigheid
+onzer reis ging onderbreken.... Maar, Witta lief, eenige oogenblikken
+daarna zat ik nevens mijnen vader geknield, hem met de eene hand
+vasthoudend om niet te vallen, en de andere in de hoogte heffende om 's
+hemels bijstand af te smeeken. Een woedend orkaan was over de zee
+gerezen en hief nu de golven tot bergen in de hoogte. Het schip
+slingerde heen en weer, het draaide, het wentelde, het kraakte! Tweemaal
+werd ik met mijnen vader tegen den wand geslagen; doch wij stonden
+telkens op om nog inniger te bidden. Donder, hagel, wind huilden
+daarbuiten, als ware het einde der wereld verschenen...."
+
+"O, mijn God!" zuchtte Robrechts zuster, "ik beef! Het koude zweet staat
+mij op het voorhoofd! En gij zijt niet van schrik gestorven, Dakerlia?"
+
+"Het is dan, Witta, dat ik Onze-Lieve-Vrouwe van Brugge mijn gouden
+kruis met de groene smaragden heb beloofd op te dragen, indien zij
+mijnen vader en mij geliefde tegen dezen akeligen dood te beschermen.
+Zij heeft mijn gebed verhoord. En ik, zoohaast dezen morgen de zon was
+opgerezen, ben met mijnen vader ter kerke gegaan om er de gedane gelofte
+te vervullen. Wij zijn zeer lang blijven bidden en danken ... en dit is
+de reden waarom ik zoo laat tot u ben gekomen."
+
+"Maar Dakerlia", murmelde Witta, "dit is een verbazend mirakel! Viel het
+schrikkelijk onweer zoo eensklaps door de voorspraak van
+Onze-Lieve-Vrouw?"
+
+"Neen, het duurde nog lang voort; maar het verminderde allengs. Ik werd
+ziek van de zeekwaal en bleef dien geheelen nacht te bedde, schrikkelijk
+lijdend, doch bijna bewusteloos. Des anderen daags rees de zon weder aan
+eenen blauwen hemel op, en ik was geheel genezen. De stuurman liep de
+haven van Sandeshove binnen en zette ons daar aan wal. Wij, uiterst
+welgemoed over onze behoudenis, trokken langs Veurne naar
+Lampernisse...."
+
+Hier werd Dakerlia's stem eensklaps dof en zij onderbrak haar verhaal.
+
+"Welnu?" vroeg Robrechts zuster. "Wat geschiedt u? Tranen in uwe oogen?"
+
+"Ja, Witta; wij meenden mijne goede moei gansch hersteld te vinden ...
+en oordeel over onze droefheid: toen wij de hofstede binnentraden en de
+armen reeds uitstaken om haar te omhelzen, toonde men ons...."
+
+"Hemel, wat toch?"
+
+"Haar lijk, Witta!"
+
+Een kreet van medelijden klonk door de zaal, en de beide jonkvrouwen
+bleven eene poos zwijgend. Dan zeide Witta:
+
+"Kom, Dakerlia, troost u in de gedachte dat de Heer haar eene plaats in
+zijnen schoonen hemel heeft gegund. Zij was reeds oud, ongetwijfeld, en
+wij zijn allen sterfelijk."
+
+"Het is waar, mijne goede Witta; genoeg reeds heb ik ginder geweend;
+want gij zoudt niet gelooven, vriendinne, hoe treffend en hoe roerend de
+lijkplechtigheden zijn onder onze Kerels der Ambachten!"
+
+"De Kerels zijn immers Christenen als wij?" bemerkte Robrechts zuster,
+"Het moet te Veurne bijna toegaan gelijk hier te Brugge."
+
+"Neen, toch niet. Wel zijn zij Christenen; maar zij hebben nog vele
+voorvaderlijke gewoonten behouden, welke wij, Kerels in de steden,
+sedert lang hebben vergeten. Van den kerkelijken dienst moet ik u niet
+spreken, die is inderdaad overal dezelfde. Het lijk mijner moei lag in
+hare schoonste zondagskleederen uitgestrekt op eene breede tafel, met
+een spinrok in den arm, even alsof zij nog leefde. Iemand zeide mij
+sedert, dat men nevens het doode lichaam van eenen man een naakt zwaard
+legt en de afgestorvene kinderen met speelgoed omringt....[12] Aan het
+voeteneinde mijner moei stonden drie schotels, de eene met gebraden
+vleesch, de andere met gortebrij, de derde met kleine koeken van
+weitebloem, en daarnevens eene groote kruik met hoppebier. Met welk
+inzicht zulks geschiedde, kon men mij niet goed verklaren. Oude vrouwen
+schenen te gelooven dat 's menschen ziel, wanneer zij eens van het
+lichaam is gescheiden, nog kan eten, en men daarom voedsel bij het lijk
+moet zetten. Vindt gij die gedachte niet zonderling, Witta?"
+
+"Het is bijgeloof, zondig bijgeloof, Dakerlia."
+
+"Het scheen mij insgelijks zoo. Maar het is niet alles. Gedurende de
+drie dagen dat mijne moei boven de aarde bleef liggen, zaten immer
+twaalf vrouwen rondom het lijk te krijschen en te huilen, dat men het
+wel op honderd stappen buiten de hofstede kon hooren. Deze vrouwen
+woonden in de gebuurte of waren bloedverwanten of bekenden, en alle drie
+uren wisselden zij elkander af. Mij kwetste dit overdreven misbaar; maar
+men deed mij begrijpen dat, hoe meer en hoe heviger er werd geweend en
+geklaagd, hoe grooter eere der afgestorvene werd bewezen.--Den avond
+voor de begrafenis had men mij uit de doodenkamer doen gaan; maar men
+riep mij een half uur daarna terug. Daar vond ik al onze bloedverwanten,
+vrouwen en mannen, in grooten ernst en plechtigheid rondom de lijktafel.
+Een stokoud man, met eenen langen witten baard, deed eenige zonderlinge
+teekens over mijne moei en scheen iets in haar oor te prevelen; dan nam
+hij de weitekoekjes, brak ze aan twee en gaf den omstanders elk een
+stuk. Iedereen begon er van te eten. Mijn vader, die mijne aarzeling
+bemerkte, deed mij de anderen navolgen. Ik mocht niet weigeren deel te
+nemen aan deze plechtigheid, die men _het doodenmaal_ noemde. Daarna
+schonk men bier uit de kanne in eenen grooten hoorn en men dronk _de
+doodenminne_ in het ronde, terwijl de oude man met den witten baard
+eenige druppels uit de kan rondom het lijk stortte en vreemdklinkende
+woorden mompelde. Voor het laatste moesten wij tot vaarwel het lijk
+eenen kus op voorhoofd en lippen drukken, en dit heet men daar de
+_doodenzoene_, die alle reden tot wrok, haat of vijandschap vernietigt
+welke er tusschen de afgestorvene en iemand der aanwezigen zou kunnen
+bestaan."
+
+"Maar, lieve hemel!" zuchtte Robrechts zuster, "men zou zeggen dat gij
+van Heidenen spreekt! En gij hebt aan deze onchristelijke plechtigheden
+deelgenomen, Dakerlia?"
+
+"Ik moest wel, mijn vader gebood het mij. En toch, wat kwaad bestaat
+daarin, Witta? Het zijn onze voorouderlijke gewoonten."
+
+Robrechts zuster schudde afkeurend het hoofd.
+
+"Kom, laat ons nu daarover niet twisten", hernam Dakerlia "Waren wij in
+de Ambachten geboren en opgevoed, wij zouden deze gewoonten noch vreemd
+noch laakbaar vinden."
+
+"Maar, Dakerlia, een kanunnik van Poperinghem zeide mij eens dat de
+Houtkerels, die in de bosschen wonen, den boozen geest aanbidden."
+
+"Deze kanunnik heeft men bedrogen. De Kerels hebben vele vijanden die
+kwaad van hen spreken; maar geloof mij, Witta, de lieden van
+Kerlingaland[13] denken aan God bij al wat zij doen."
+
+"Welnu, ga voort, Dakerlia. Was de begrafenis uwer moei prachtig?"
+
+"Prachtig, zooals wij het verstaan, neen; maar er was groote toeloop
+van volk. Het lijk, door vrouwen gedragen, was opgevolgd door wel
+vijfhonderd menschen, allen met bukstwijgen of wijpalmtakken in de hand.
+De wijpalm is in Kerlingaland de boom der dooden. Al de mannen hadden
+lange baarden, die afhingen tot verre op de borst, en aan hunne zijde
+een krom zwaard, dat zij eene schermzeis noemen[14]. Elk gehuwde Kerel
+was vergezeld van zijne vrouw en kinderen. Ik zag er die er wel zeven of
+acht rondom zich hadden."
+
+"En gingen die kinderen ter begrafenis, Dakerlia?"
+
+"Het is eene wonderlijke gewoonte, ginder, Witta. Waar het niet
+volstrekt onmogelijk is, heeft de Kerel altijd zijne vrouw bij zich, en
+zijne kinderen zelven verlaten hem zelden. Wat eerbied en wat
+genegenheid een Kerel zijne vrouw betuigt, is bijna niet begrijpelijk.
+Ook, wie ginder, buiten zake van oorlog of veete, eene vrouw durft
+hinderen of hoonen, wordt, het geheele Ambacht door, als een eerlooze
+veracht en gehaat. Van de begrafenis zelve zal ik u niet veel zeggen;
+zij geschiedde op geheel christelijke en stichtende wijze. Maar toen wij
+op de hofstede terugkeerden, begon daar een feest dat mij eerst zeer
+verbaasde, doch eindelijk mij, als een vreemd schouwspel, met groote
+belangstelling de oogen uit het hoofd deed kijken. Men had de groote
+schuur geledigd en vele banken en tafels er in gesteld. Daar werden nu
+groote ketels brij, een kalf en twee schapen gebraden en gezoden
+opgediend. Al deze lieden, mannen, vrouwen, kinderen, begonnen te eten
+met zulken lust dat het zonderling was om te zien. Een paar vaten lagen
+in eenen hoek der schuur, en men dronk mee en bier bij herhaalde teugen,
+telkens daarvan eenige druppels ten gronde stortende. Eene vrouw, die ik
+naar de reden dezer vreemde gewoonte vroeg zeide mij dat men dus van den
+drank een weinig ter aarde werpt voor de ziel van den afgestorvene,
+welke onzichtbaar het doodenfeest bijwoont. Eene andere, integendeel,
+beweerde dat men het doet als een offer om de Drollen te bevredigen."
+
+"De Drollen, wat is dit?" mompelde Witta verrast.
+
+"Ja, dit weet ik reeds sedert jaren", antwoordde Dakerlia. "Mijn vader
+heeft mij er meer dan eens van gesproken. Vroeger tijd, toen de Kerels
+nog geheel Heidenen waren, had elk zijn huisgod, wiens beeld nevens den
+haard in een klein kapelleken stond; en, wat men at of dronk, men smeet
+er een weinig van ten gronde om hem te vereeren. Deze huisgoden noemde
+men de Drollen, en onze Kerels gelooven nu, dat deze Drollen kwade
+geesten geworden zijn.--Daarvan, Witta, dat wij nog, in al onze
+schoorsteenen, zulk kapelleken hebben, alhoewel wij er nu een beeldje
+der heilige maagd Maria inzetten ...[15] maar ik ga voort met u te
+vertellen van het feest. Eindelijk, als dit groote doodenmaal ten einde
+was, haalde men een paar doedelzakken voor den dag, en al deze mannen
+met hunne lange baarden, en de vrouwen en de kinderen begonnen te dansen
+en te zingen, op de maat der speeltuigen, dat ik er schier blind en doof
+van werd. Dit duurde zeer laat op den dag, totdat twee Kerels, door de
+mee en den dans verdwaasd, "kamp! kamp!" riepen, hunne zwaarden trokken
+en elkander het hoofd wilden klooven. De twist werd door vrienden
+bijgelegd, en men besliste daarop dat het tijd was om huiswaarts te
+keeren. Zingende en springende door veld en bosch, ging elke Kerel met
+vrouw en kinderen zijnen weg; en een vierendeel uur later was het zoo
+stil op de hofstede alsof er niets was geschied."
+
+"Mij schijnt", bemerkte Witta, "dat de Kerels in de Ambachten grof en
+woest moeten zijn."
+
+"Toch niet; zij zijn zeer goed, vroolijk, trouw, dienstvaardig en
+arbeidszaam; maar hunne trotschheid is iets opmerkelijks. Bij den
+minsten hoon grijpen zij naar hunne schermzeis...."
+
+De huisknecht opende de deur en meldde zijne meesteresse dat er een
+schildknaap was gekomen met eene boodschap voor mher Robrecht, welke hij
+slechts aan haar wilde afgeven.
+
+Jonkver Sneloghe ging daarop ter zaal uit en liet hare vriendin alleen.
+Korten tijd daarna keerde zij echter terug en zeide tot Dakerlia:
+
+"Dit is een schildknaap van mehr Rijkaard Van Woumen, die mijnen broeder
+laat weten dat hij hem heden voor den middag ten zijnent zal verwachten.
+Ik denk er nu eerst aan, Dakerlia: gij hebt mij nog niet eens gevraagd
+hoe het met mijnen broeder gaat."
+
+Jonkver Wulf, door dezen onverwachten oproep verrast, murmelde eene
+onduidelijke verschooning.
+
+"Inderdaad", bevestigde Witta, "al die vervaarlijke geschiedenissen van
+den storm op zee en de akelige lijkplechtigheden der Kerels beletteden u
+aan Robrecht te denken."
+
+"Neen, neen, ik wist van uwen huisschalk dat zijn meester welvarend is
+en reeds dezen morgen, zeer vroeg en opgeruimd van geest, is uitgegaan."
+
+"Opgeruimd van geest? Heeft de schalk zulks gezegd, Dakerlia?"
+
+"Ik meen het zoo te hebben verstaan."
+
+"Hij zal niet wel gezien hebben: mijn broeder is integendeel, sedert
+meer dan drie weken, zwaarmoedig en diep treurig zelfs."
+
+"Hij heeft verdriet? Waarom?"
+
+"Ik weet het niet; hij verbergt het mij. Het moet een geheim, een
+pijnlijk geheim zijn; want hij is ontevreden en verlegen als ik hem naar
+de reden zijner afgetrokkenheid vraag.--Wel poogt hij dan mij te doen
+gelooven dat niets hem bekommerd, en veinst hij opgeruimdheid; maar
+evenras vervalt hij in stille mijmerij en murmelt treurige woorden in
+zich zelven. Nauwelijks waart gij vertrokken, Dakerlia, of mijn broeder
+werd dus droefgeestig en zwijgend; nu, sedert eenige dagen is zijn
+verdriet nog aangegroeid. De reden daarvan meen ik te kunnen raden.
+Verbeeld u, Dakerlia, dat onze oom, de proost van St-Donaas, en Hacket,
+de kastelein, zich in het hoofd gestoken hebben mijnen broeder met
+Placida Van Woumen te doen trouwen...."
+
+"Mijn God ... trouwen ... wat zegt gij, Witta?" stamelde jonkver Wulf,
+sidderend van het geweld dat zij deed om den diepen indruk dezer tijding
+op haar te verbergen.
+
+"Het zou voorwaar een eervol huwelijk zijn, Dakerlia. Mher Rijkaard Van
+Woumen is een zeer geacht ridder en uiterst machtig bij den graaf."
+
+"Maar die Placida, kent gij haar, Witta?"
+
+"Zeker. Men roemt hare schoonheid. Wel zegt men dat zij trotsch is, doch
+dat misstaat eene edelgeborene jonkvrouw niet. Daarbij, zij is eene der
+rijkste erfgenamen van Vlaanderen."
+
+"Maar, Witta, haar vader is een Isegrim; een dergenen die samenspannen
+met de Tancmars, onze vijanden, en met de Leenheeren, die de Kerels der
+Ambachten van hunne vrijheid hebben willen berooven."
+
+"Mijn oom, de proost van St-Donaas, zegt, dat men hem ten onrechte zulks
+ten laste legt. Hij heeft integendeel de Kerels bij den graaf
+verdedigd."
+
+"Maar, Witta, jonkver Van Woumen moest trouwen met Ghijselbrecht
+Tancmar, den rusteloozen vijand der Erembalds?"
+
+"Van dit huwelijk is er geen spraak meer."
+
+"Het is gelijk: Placida is geene Kerlinne; het bloed der verdrukkers
+vloeit in hare aderen."
+
+Robrechts zuster, verwonderd over den scherpen toon van Dakerlia's
+stemme, aanschouwde haar twijfelend.
+
+"Gij verwondert mij", zeide zij. "Hoe zijt gij nu eensklaps zulke
+onverzoenbare Kerlinne geworden? Men zou gaan vermoeden dat gij die
+schuldelooze Placida eenen bijzonderen haat toedraagt."
+
+Jonkver Wulf antwoordde niet; zij scheen vertoornd, alhoewel hare
+glinsterende oogen vochtig waren en zij zichtbaar geweld deed om
+opwellende tranen te bedwingen.
+
+Zij stond op en zeide:
+
+"Ik gevoel mij niet al te wel; ik heb pijn in het hoofd en moet rusten.
+Naar huis wil ik gaan."
+
+Witta greep haar de hand en sprak lachende:
+
+"Kom, kom, blijf met mij. Gij veinst! Maar hoe kan toch zulk onbeduidend
+nieuws u dermate ontstellen?"
+
+"Robrecht zal ongelukkig zijn."
+
+"Indien hij met jonkver Van Woumen trouwt?"
+
+"Ja, zeer ongelukkig."
+
+"Waarom?"
+
+"Ah, Witta, gij kent haren hoogmoed niet! Zij zal hem later de eer
+verwijten die zij meent hem aan te doen door hare hand hem te schenken."
+
+"Hoe toch? mijn broeder is rijker dan zij."
+
+"Ja, maar zij waant zich van edeler bloed dan een Kerel. Nu stemt zij
+misschien toe het te vergeten; maar er zijn honderden Isegrims in haar
+eigen maagschap, die later haar deze verbintenis met eenen Blauwvoet
+zullen verwijten. Arme Robrecht, welk lot voor zijne fiere mannelijke
+ziel!"
+
+En bij het uiten dezer laatste woorden legde Dakerlia zich de handen
+voor de oogen om de geweldige droefheid te verbergen die haar het hart
+beklemde.
+
+Witta misgreep zich over de reden dezer ontsteltenis en voelde zich
+geneigd om de vrees harer vriendin te deelen. Zij sprak troostende:
+
+"Nu, Dakerlia, dit huwelijk is nog niet gesloten. Mijn broeder heeft
+niet veel lust om te trouwen."
+
+"Heeft hij u dit gezegd?" kreet Dakerlia met eene vonk van blijdschap in
+de oogen.
+
+"Neen, duidelijk heeft hij het mij niet gezegd. Hij is ook voor deze
+zaak zoo achterhoudend, zoo stilzwijgend met mij! Ik heb reeds eens
+eenen geheelen nacht in stilte geweend, omdat ik meende zijn broederlijk
+vertrouwen te hebben verloren. Maar, Dakerlia, indien hij verheugd was
+over de pogingen die de proost van St-Donaas aanwendt om dit huwelijk
+mogelijk te maken, zou dan mijn arme broeder sedert vijftien dagen in
+eenzaamheid morren, het hoofd schudden en zijne vuisten wringen, als
+drukte hem een pijnlijk gewicht op het hart?"
+
+"Ach, ik begrijp het, Witta: men wil hem dwingen!"
+
+"Gij weet, Dakerlia, dat hij niet licht te dwingen is."
+
+"Maar indien zijn oom, de proost, het gebiedt?"
+
+"Hij zal toch weigeren."
+
+"Hoe weet gij dit?"
+
+"Hij heeft het gezegd."
+
+"U gezegd?"
+
+"Neen, maar ik hoorde eens, op eenen laten avond dat ik voorbij mijns
+broeders kamer ging, hoe hij met kracht uitriep: Nooit, nooit! Ik mag
+niet, ik kan niet!... Maar hoort gij het kort en snel geblaf van onzen
+wolfshond? Gij kent dit teeken: mijn broeder komt!"
+
+Dakerlia beschouwde bevend rondom de kamer, als iemand die onbewust een
+middel zoekt om aan eene gevreesde ontmoeting te ontsnappen. Zij stapte
+zelfs naar de deur om heen te gaan; maar Witta hield haar terug en riep
+lachend uit:
+
+"Maar wat is dit nu, lieve hemel? Zijt gij vervaard van mijnen broeder
+geworden? Hij is toch reeds in den gang; gij kunt hem niet beletten u
+welkom te heeten."
+
+Nauwelijks was Dakerlia in de zaal teruggeweken, of Robrecht Sneloghe
+verscheen in de deur.
+
+Hij was een jong ridder, rijzig van gestalte, sterk van leden, met
+schoon gelaat, glinsterende donkere oogen en lange bruine haren. Zijn
+degengevest was met gesteente afgezet, en zijn zwierig kleedsel met
+kostbaar gouden stikwerk geboord. Konden deze teekenen van rijkdom den
+eerbied der mindere lieden voor hem opwekken, zijn open doch mannelijk
+aangezicht, iets in zijne uitdrukking, zacht en fier tevens, stemde
+iedereen bij den eersten blik tot toeneiging voor hem.
+
+Bij zijne intrede in de zaal onderbrak hij zijnen stap, als verraste de
+tegenwoordigheid van Dakerlia hem pijnlijk. Hij schouwde haar zoo diep
+in de oogen dat zij beefde onder zijnen blik; maar dan, zijne
+ontsteltenis meester wordende, ging hij tot de jonkvrouw, reikte haar de
+hand en zeide met eene stem, die eene uiterste moedeloosheid verried:
+
+"Dakerlia, gij zijt terug van de reis? Wees welkom.... Ik hoopte evenwel
+dat gij nog meer dan eene maand te Veurne zoudt gebleven zijn."
+
+De jonkvrouw staarde hem verwonderd aan.
+
+"Zulke wensch schijnt u onbegrijpelijk, niet waar, Dakerlia? Ach, er
+gaat hier iets gebeuren dat mij verschrikt en doet lijden. Mijn verdriet
+kan u slechts bedroeven. Ik ga trouwen, Dakerlia!"
+
+Een smartkreet ontsnapte jonkver Wulf.
+
+"Wat zoet en helder leven sleet ik hier tusschen eene teedere zuster en
+eene zoete vriendinne!" zuchtte de jonge ridder, "Dit leven is ten einde
+voor mij!"
+
+"Maar, Robrecht, het is nog niet zeker. Gij kunt weigeren! riep Witta.
+"Wie heeft het recht om u te dwingen?"
+
+"Weigeren, zuster? Ik heb langen tijd geweigerd; er is niets aan te
+doen. Wie kan mij dwingen? Menschen niet; maar mijn plicht jegens
+Kerlingaland, jegens de vrijheid. Neen, neen. Mijn vonnis is geveld; en
+ik zelf heb het aanvaard. Hoe dit mogelijk, hoe dit onvermijdelijk was,
+zal ik u later verklaren, zuster lief. Nu heb ik geenen tijd; men wacht
+op mij."
+
+Hij hoorde hoe Dakerlia snikte; hij zag hoe glinsterende tranen van hare
+vingeren ten gronde vielen. Het hart klopte hem fel bij het gezicht van
+Dakerlia's medelijden mij zijne smart. Tot haar gaande, sprak hij op
+diep ontroerden toon:
+
+"Dakerlia, gij beklaagt mij, niet waar? Ik dank u, lieve vriendinne. Het
+is een bitter lot zijn leven te moeten slijten met eene vrouw die men
+niet bemint en vreest nimmer te zullen beminnen ... maar troost u,
+waarschijnlijk bedrieg ik mij. Placida Van Woumen is schoon; er is
+goedheid in haar hart. Wie weet? misschien zal ik haar de liefde kunnen
+schenken die zij verdient...."
+
+In Dakerlia's oogen, welke zij nu ontdekte, vlamde een vreemde blik. De
+ridder begreep hem niet, doch deinsde er van terug en bleef vragend op
+de maagd staren.
+
+"Placida?" riep zij, "Placida zal u ongelukkig maken, arme Robrecht!"
+
+"Hoe kunt gij het weten?"
+
+"Mijn hart, mijn hart, dat niet kan liegen, roept het luid."
+
+Mher Sneloghe worstelde in eene pijnlijke verlegenheid tegen zijn eigen
+gemoed. Hij deed geweld op zich zelven om door woorden noch gebaren het
+gevoel te verraden dat de bron was van zijn verdriet. Dakerlia zou het
+in alle geval niet begrijpen, en zulke veropenbaring op dit oogenblik,
+ware niet alleen nutteloos, maar zelfs voor allen schadelijk, ja,
+misschien misdadig voor God!
+
+Deze overweging deed hem besluiten de lastige, de droeve samenspraak af
+te breken.
+
+"Uw medelijden doet u dwalen, Dakerlia", zeide hij. "Jonkver Placida is
+beminnenswaardig. Ik moet weder uitgaan en mij haasten. Ongetwijfeld
+wacht men reeds met ongeduld op mij. Kom dezen namiddag ... of ik zal
+met mijne zuster ten uwent gaan om u te verklaren wat mij tot dit
+huwelijk dwingt."
+
+Hij stapte tot eene kas, trok ze open en nam er eene dooze uit welker
+deksel met gulden inlegwerk was versierd.
+
+Dakerlia slaakte eenen angstschreeuw, sprong vooruit en rukte de doos
+uit zijne handen ... maar, alsof zij besef had van de onbetamelijkheid
+harer daad, gaf zij ze spoedig terug. Dan bezwijkende onder hare
+geweldige ontsteltenis, liet zij zich op eenen stoel vallen en bleef
+daar beschaamd en overvloedig weenend, met den blik neergeslagen zitten.
+
+Eene hevige siddering had Robrecht aangegrepen en eene doffe angstkreet
+was hem ontsnapt. Hij aanschouwde haar eene wijl verbaasd en zeide dan
+op pijnlijken toon:
+
+"Dakerlia, Dakerlia, indien gij een geheim in uw hart hebt gedragen, o,
+verberg het voor eeuwig uit medelijden! Er zijn dingen die, wanneer men
+ze weet, ons zoo rampzalig kunnen maken, dat wij elken verderen dag van
+ons leven God om den dood zouden bidden als om de verlossing."
+
+Jonkver Dakerlia stond op en, terwijl de tranen nog over hare wangen
+rolden, sprak zij snikkend:
+
+"Ik vertrek van hier; ik begrijp mijnen plicht, over den dorpel van
+dezen Steen mag ik niet meer treden. Het geheim dat, eilaas, tegen
+mijnen wil mij is ontsnapt, zal ik opsluiten in mijn lijdend hart. Wees
+gelukkig, Robrecht.... O, mijn God, Placida Van Woumen uwe vrouw! Ik zou
+ze zien aan uwe zijde, op de plaats die.... Zinnelooze droom die mij de
+zinnen ontstelt! Vaarwel, mher Sneloghe; bekreun u niet om mij: laat mij
+ziek worden, verkwijnen, sterven!"
+
+Zij wierp zich aan den hals van Witta en riep tusschen haren koortsigen
+zoen:
+
+"Nog eens, nog eens voor de laatste maal!"
+
+En zich uit de omhelzing losrukkende, meende zij haren stap tot de deur
+te richten; maar Robrecht hield haar terug en zeide met aangejaagdheid:
+
+"Blijf, Dakerlia, ik smeek u! Gij waant mij gevoelloos voor uwe smart?
+Mijn verdriet is dieper dan het uwe. Ach, hadde ik het vroeger kunnen
+gelooven! Maar alle hoop is nog niet verloren. Kerlingaland kan de
+slachtoffering van ons beider geluk niet eischen. Wees getroost,
+Dakerlia. Wij hebben in elkanders hart gelezen. Neen, neen, Placida Van
+Woumen wordt mijne echtgenoote niet! Laat mij gaan; ons levensheil kan
+afhangen van een enkel oogenblik."
+
+Hij wierp de juweeldoos op de tafel en liep ter zaal uit.
+
+Dakerlia staarde hem achterna; doch, alsof zij geen geloof had in zijne
+voorspelling, legde zij welhaast de handen voor de oogen en begon
+overvloediger nog te weenen.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 1: De kerk van O.L.V. te Brugge was eerst eene kapel, ten jare
+745 door St-Bonifacius gesticht.... Haar schoone toren, die voor baak
+aan de zeevaarders dient, heeft eerst 442 voet hoogte gehad.
+
+LANSSENS _aloude staat van Vl._, bl. 235]
+
+[Voetnoot 2: Men noemde alsdan eene stad _eene poort_ en de burgers
+_poorters_.]
+
+[Voetnoot 3: Bij verkorting zeide men, tot aanzienlijke personen
+sprekende, _mher_ voor mijnheer, _ver_ voor vrouw, _jonkver_ voor
+jonkvrouw.]
+
+[Voetnoot 4: De woningen van aanzienlijke lieden, meest uit zware
+steenen gebouwd en met waaktorens voorzien, noemde men Steenen, welk
+woord gelijkstaat met het Fransch _manoir, donjon, castel_.]
+
+[Voetnoot 5: Niet verre van de Fransche stad Boulogne lag alsdan de
+vermaarde zeehaven _Witsant_, dus genoemd naar het witte zand der
+duinen, evenals nu het Vlaamsche zeestadje _Blankenberghe_.]
+
+[Voetnoot 6: Dat de bevolking der kusten tot onder de muren van Boulogne
+Vlaamsch sprak, bewijzen de namen der omliggende dorpen, zooals
+Helbedinghem Leubringhem, Santingheveld, Pepelingen, enz.]
+
+[Voetnoot 7: "In diebus illis fuerunt homines quidam clavati sive
+clavigeri, quos vulgo _Colvekerlos_ nominatos audivimus, in terra
+Ghisnensium habitantes, qui clavati sive vlavigeri a clava dicebantur
+agnominati, eo quod non licebat eis aliquod genus armorum nisi clavas
+tantum bajulare. Hii siquidem, quadam impropitiationis specie, ab
+Hammensibus dominis quasi sub servilis conditionis jugo constricti
+tenebantur."
+
+LAMBERTI _Ardensis ecclesiae presbiteri chronicon_, uitgegeven door le
+Mis Godefroy Menilglaise, Parijs. 1855, pag. 87.]
+
+[Voetnoot 8: De wijde inham bij Sluis, vroeger de haven van Brugge,
+heette men het _Swin_.]
+
+[Voetnoot 9: Nu de haven van Nieuwpoort.]
+
+[Voetnoot 10: Nu Ardenburg.]
+
+[Voetnoot 11:
+
+
+ In deser wijs so hadden die aren,
+ Valken en de sperwaren,
+ _Blauwvoeten_ ende smerlen mede
+ Al vergadert daer ter stede.
+
+
+Gedicht _van der Vledermuus_.
+
+In het nabericht van den _Reinaert de Vos_, uitgegeven door J.F.
+WILLEMS, pag. 384.
+
+Bij JOHANNES LEUNIS, _Synopsis der drei Naturreiche,_ t. I, p. 81, wordt
+deze vogel dus opgegeven: _Pandion Haliaetos_. L. Flussadler. Fischaar,
+Entenstosser.... BLEINE BLAU.]
+
+[Voetnoot 12: Zie over deze lijkplechtigheden: _Overblijfsels van den
+Heidenschen godsdienst onzer voorvaderen_, J. HUYTENS, Messager des
+sciences hist. de Gand, annee 1860.]
+
+[Voetnoot 13: "De zeekust van Vlaanderen, die de Noormannen
+_Kerlingaland_ noemden." VICTOR DE RODE, _Annales du Comite flamand de
+France_, t. VIII, pag. 51]
+
+[Voetnoot 14: Scharmasax, scarmsax.]
+
+[Voetnoot 15: Zie over de bijgeloovigheid aangaande deze _Drollen_ J.
+HUYTTENS, _Messag. des sciences de gand_, 1860.
+
+J.F. WILLEMS, in zijne uitgaaf van _Reinaert de Vos_, haalt de volgende
+verzen aan uit _eene genouchelijke clute van nu noch_:
+
+ Ic wil u belesen ende besweren
+ By cocketoysen, by neckers, by maren
+ Ende by den _drollen_....
+
+]
+
+
+
+
+II
+
+
+In het midden der stad Brugge stond eene sterke vesting, weleer als
+wijkplaats tegen de invallen der wreede Noormannen gebouwd. Men noemde
+ze den Burg.
+
+Ten zuiden en ten westen was zij ongenaakbaar gemaakt door zeer breede
+grachten; ten noorden en ten oosten was zij beschut door eenen hoogen
+steenen wal, met gaanderijen, schietgaten en kanteelen.
+
+Drie bruggen en vier poorten gaven toegang tot het wijde vierkante
+binnenplein, waar rondom de aanzienlijkste gebouwen der stad zich
+verhieven.
+
+Trad men van den kant der Markt, over de Hofbrug, den Burg binnen, dan
+zag men schuins voor zich 's Heeren hof, een schoon paleis, met eene
+overwelfde bovengang, die men de Loove noemde, en waarbinnen de graaf
+van Vlaanderen, als hij te Brugge zich bevond, zijn hof hield.
+
+Ter rechterzijde verhief zich een even groot doch min prachtig huis, dat
+men den Steen heete en waarin de kastelein van Brugge, dit is de
+bevelhebber en bewaarder van den Burg, zijn verblijf had.
+
+Daarnevens, met den achtergevel naar de Markt, stond het Gijselhuis, dat
+tot gevangenis diende.
+
+De vierde zijde, ten noorden van het plein, was geheel ingenomen door
+geestelijke gebouwen, zijnde ten eerste de schoone kerk van St-Donaas,
+welker hooge, vierkante toren omringd was met twee breede, gekanteelde
+gaanderijen, opdat men ook van daar den vijand mocht bevechten, indien
+de Burg eenen aanval af te weren had[16]; dan het klooster St-Donaas met
+de huizen der kanunniken en de slaapsteden en eetzalen der broeders en
+eindelijk het hof der proostdij, dat door Bertulf, proost van St-Donaas
+en erfkanselier van Vlaanderen, werd bewoond.
+
+Alhoewel deze geestelijke gebouwen binnen den algemeenen wal van den
+Burg waren begrepen, omringde hen nog een bijzondere muur, zeer hoog en
+sterk, met torentjes en kanteelen, zoodat, indien de Burg in de handen
+der vijanden mocht vallen, de kerk, het klooster en de proostdij nog
+lang wederstand konden bieden.
+
+Tusschen de grootere gebouwen van den Burg zag men, in alle
+tusschenruimten, er nog andere van mindere uitgestrektheid, die tot
+voorraadstapels, wapenhuizen of stallingen waren bestemd.
+
+De Burg was dus de zetel der openbare macht in Vlaanderen. Niet slechts
+omdat hij het paleis van den vorst bevatte; maar bovenal omdat de proost
+van St-Donaas en de kastelein van Brugge er hun verblijf hielden.
+
+Trouwens, deze twee ambtenaren, staande de eene aan het hoofd der
+geestelijke en de andere aan het hoofd der wereldlijke overheid,
+opzichtens al de vrije Ambachten afhangende van Brugge, bezaten meer
+onmiddellijken invloed op dit groot gedeelte van het Westelijk
+Vlaanderen dan de vorst zelf. Hunne aanzienlijke grondbezittingen en hun
+persoonlijke rijkdom vermeerderden dien invloed tot zooverre, dat de
+ridders van de hofhouding des graven met nijdig oog zulke buitenmatige
+macht aanschouwden, meest nog omdat deze, volgens hunne meening, eenen
+ondraaglijken hoon voor allen waarlijk edelgeboren man daarstelde.
+
+Inderdaad, Bertulf, de proost van St-Donaas, en zijn broeder Hacket, de
+kastelein, waren Kerels, afkomstig uit het Veurne-Ambacht, waar zij
+hunne grondbezittingen hadden.
+
+Nog meer kerels genoten in Brugge door hunnen rijkdom eenen bijzonderen
+invloed. Men noemde hen de Erembalds, omdat de voornaamste onder hen
+afstamden van Erembald, den eersten Kerel die het ambt van kastelein
+bekwam, en daardoor in 's lands bestuur boven andere ridders zich
+verhief.
+
+Hoe dit laatste geschiedde, is gemakkelijk te begrijpen. De leenheeren
+of de zoogenaamde edellieden aanzagen allen arbeid en allen handel als
+onteerend. Hunne eenige inkomsten bestonden in de lasten en schattingen
+welke zij hunnen lijfeigenen of dienstbaren veldbewoner opdrongen, en in
+de tollen van doorvaart die zij reizigers en kooplieden afpersten.
+
+De vrije mannen van Kerlingaland aanschouwden daarentegen den arbeid als
+eenen plicht en den landbouw en den koophandel als vereerend. De gansche
+scheepvaart van Vlaanderen en de visscherij, tot de Engelsche kust,
+waren in hunne handen. Ontbrak er graan in het land, zij gingen het
+koopen tot in Denemarken, ja, tot in de Morgenlandsche zee.
+
+Geen wonder dus, dat mettertijd de bedrijvigste en verstandigste dezer
+Kerels groote rijkdommen hadden verzameld.
+
+Toen nu de vorsten en voorname leenheeren, om zich gemakkelijk geld aan
+te schaffen, hadden begonnen de ambachten, tollen en inkomsten, waarover
+zij beschikten, om zoo te zeggen, aan den meestbiedende te verkoopen,
+dan zullen zulke Kerels, zooals de genaamde Erembald, niet nagelaten
+hebben deze gelegenheid te benuttigen om zich tot de eerste waardigheden
+van den Staat te verheffen.
+
+Dewijl zij deze waardigheden door zulken koop wettelijk en erfelijk
+bezaten, konden zij daarvan niet worden beroofd, al mochten ook de
+ridders, ja de graaf zelf, met geheime spijt de verheffing dezer
+machtige Brugsche Kerels aanzien.
+
+Eene meerdere reden nog om de leenheerschap tegen de Erembalds te
+verbitteren was dat zij, als de erkende hoofden en beschermers der
+Kerels van de vrije Ambachten, dezen immer tegen de heerschzuchtige
+aanslagen der leenheeren verdedigden; maar daarom tevens durfde de
+graaf, noch zijne hovelingen, openlijk tegen de Erembalds ingaan, want
+zij wisten dat de Kerels der Ambachten met eede aan hen waren verbonden
+en niet zouden nalaten het leed, hun aangedaan, bloedig te wreken.
+
+Dien dag heerschte er zekere geheimzinnige onrust of nieuwsgierigheid op
+den Burg. Men zag er niet alleen kanunniken, geestelijke broeders en
+vele poorters in groepen en met de hoofden te zamen staan kouten; maar
+aan de deur der proostdij hielden zich een aantal boden te paard, van
+welke er nu en dan een met de hem vertrouwde brieven of bevelen den Burg
+verliet. Van den graaf konden de bevelen niet uitgaan, want deze was met
+duizenden Vlaamsche ridders ten oorlog getrokken, om onder het Fransche
+vaandel in Aquitanie te gaan strijden.
+
+De lieden, die op het plein stonden, poogden wel uit de ruiters te
+vernemen welke tijding zij voerden, doch zij konden geen voldoende
+antwoord bekomen, dewijl de boden den inhoud der brieven niet kenden.
+
+Op dit oogenblik vertoonde zich onder de voornaamste poort van den Burg
+een persoon die aller aandacht tot zich trok en eene zonderlinge
+beweging onder de groepen der nieuwsgierige lieden deed ontstaan.
+
+Het was een ridder, buitengewoon hoog van gestalte en sterk van leden.
+Zooals hij daar met zwaren tred en met het hoofd fier opgeheven den Burg
+opstapte, had hij het voorkomen van eenen reus. De genster, die uit
+zijne groote zwarte oogen lichtte, moest den aanschouwers ontzag
+inboezemen; want alhoewel men vermoedde dat hij de aangekomen tijding
+moest kennen, durfde niemand hem het woord toesturen, ja, men trad terug
+om hem eenen onbelemmerden doorgang te bieden[17].
+
+Een vrij man en ridder moest hij zijn; want aan zijne zijde hing een
+groot, krom zwaard. Op zijne kleeding, waarin de blauwe verf heerschte,
+bemerkte men echter geene de minste pracht.
+
+"Daar is Burchard Knap, de neef van onzen proost", murmelde een
+geestelijken broeder.
+
+"Is hij niet de zoon van Lambrecht van Rodenburg, den eigen broeder van
+den proost?" vroeg de poorter.
+
+"Ja, maar hij woont meest buiten, tusschen de Kerels. Wie hem zou durven
+ondervragen zou wel te weten komen wat er gaande is."
+
+"Wel, vraag gij het hem."
+
+"Ik zal er mij wel van wachten. Die mher Burchard is de ongenaakste en
+de gramstorigste man der wereld."
+
+"Ja, en gij vreest dat hij met eenen slag zijner reusachtige vuist u zou
+kunnen verpletten?"
+
+"Spot er niet mede; het is zooals gij zegt. Zwijgt, daar nadert die
+vervloekte bullekop!"
+
+"Welnu, ik zal hem vragen wat nieuws er is", mompelde een oude
+zwaardveger. "Hij komt dikwijls in mijnen winkel; hij kent mij en zal
+minzaam mij antwoorden."
+
+Inderdaad, hij ging den ridder te gemoet en stamelde, terwijl deze met
+scherpen blik van uit de hoogte op hem nederzag:
+
+"Mher Burchard, duid mijne stoutheid niet ten kwade. Welke tijding is er
+toch gekomen?"
+
+"Weet gij het?" vroeg de ridder met eene stem die uit eenen kelder
+scheen op te klimmen.
+
+"Neen, heer."
+
+"Ik even min. Gij verveelt mij; ga uit mijnen weg!"
+
+Hij deed door zijnen zuren blik den verbluften zwaardveger terugdeinzen
+en richtte zich, zonder meer acht op de omstanders te geven, naar de
+poort der proostdij.
+
+Hij stapte onder eenen langen zuilengang door, duwde eene deur open en
+trad in eene zaal waar een twaalftal ridders rondom eene tafel zaten,
+bij welke een paar groote leuningstoelen ledig stonden, als wachtte men
+hier op twee voorname personen.
+
+"Welnu, wat is er ophanden?" vroeg Burchard, nadat hij den ridders eenen
+korten groet had toegestuurd.
+
+"De graaf is terug uit Aquitanie[18]", antwoordde hem Segher Wulf. "Het
+Fransche leger is te Atrecht aangekomen. Onze ridders zullen nog daar
+blijven; want de koning van Frankrijk vreest eenen aanval der Engelschen
+uit Normandie; maar de graaf komt overmorgen te Brugge."
+
+Eene uitdrukking van ongenoegen trok Burchards lippen te zamen.
+
+"Waar is de proost?" vroeg hij.
+
+"Hij is bezig met het schrijven van eenige bevelen; hij zal aanstonds
+komen."
+
+"En de kastelein?"
+
+"Die is met hem."
+
+Burchard zette zich zoo zwaar neder dat de eiken stoel onder hem
+kraakte, als ginge hij breken.
+
+"Het schijnt dat de komst van onzen graaf u niet verblijdt?" bemerkte
+Segher Wulf.
+
+"De komst van den graaf is mij onverschillig" mordde Burchard.
+
+"Waarom ziet gij er zoo ontevreden uit?"
+
+"De Isegrims komen met hem?"
+
+"Natuurlijk."
+
+"En zijn duivel Tancmar insgelijks."
+
+"Altijd even grimmig, mher Burchard?" lachte Yorg Koevoet, een der
+aanwezige ridders. "Wat vreest gij van de komst des graven? Toen hij ten
+oorlog trekken zou heeft hij eenen algemeenen landsvrede doen uitroepen
+en ons gelast in zijne afwezigheid over de openbare rust te waken.
+Hebben wij deze zending niet trouw volbracht? Gij zelf, mher Burchard,
+hebt gij niet toegestemd om uwen twist met den hofraadsheer Tancmar
+opgeschorst te laten tot des graven terugkeer!"
+
+"Ja, ja, tot mijne groote schande", antwoordde Burchard gramstorig.
+"Tancmar had voor den oorlog mij een gedeelte mijner gronden ontnomen.
+Ik heb het hem voorloopig laten behouden, om den landsvrede niet te
+breken, zooals gij zegt, mher Yorg; maar wat gebeurt er nu? Tancmar is
+in het leger met zijne beide zonen en heeft intusschen het beheer zijner
+goederen toevertrouwd aan zijnen neef Rambold Tancmar. Weet gij wat deze
+doet om mij te hoonen en uit te dagen? Hij zaait en oogst op mijnen
+grond en bouwt er eene schuur op. Het is een ware diefstal ... en ik,
+Burchard Knap, dien men eenen woestaard en eenen trotschaard noemt, ik
+heb het tot nu toe kunnen verkroppen als een machteloos kind! De graaf
+komt overmorgen in Brugge, zegt gij? Welnu, hij zal mij doen teruggeven
+wat mijn eigendom is, of bij Thors hamer[19], ik verplet al wie het mij
+nog durft betwisten!"
+
+"Mher Tancmar beweert dat de graaf zelf hem dien grond heeft
+geschonken", bemerkte Matfried Wegel.
+
+"Maar mag de graaf het eigendom van eenen vrijen man onder zijne voeten
+wegschenken?"
+
+"De listige Tancmar heeft onzen graaf bedrogen en hem doen gelooven dat
+die grond der kroon toebehoort."
+
+"Ben ik dan een lijfeigene of een slaaf", bulderde Burchard.
+
+"Kom, kom, onze heer graaf zal de zaak onderzoeken en u recht doen",
+zeide Gerwijn Eekel.
+
+"Karel van Denemarken?" vroeg Burchard met eenen grijns van misprijzen
+op de lippen, "Is dit nu een vorst die Vlaanderen betaamt? Hij kruipt
+voor den koning van Frankrijk; en deze zal hem zeker niet leeren hoe men
+de rechten der vrije mannen van Kerlingaland eerbiedigen moet."
+
+"Beschuldig onzen vorst Karel niet", bemerkte Segher Wulf. "Ware hij
+niet slecht geraden, hij zou in alles rechtvaardigheid plegen; maar de
+valsche Isegrims, die hem omringen...."
+
+"Dit is juist de zaak", bevestigde Willem van Wervick. "De leenheeren,
+die bloedvijanden der Kerels, drijven hem onverpoosd tot onrecht aan.
+Men noemt ze Isegrims, dit is wolven, en zij verdienen het wel, zij, die
+niets betrachten dan het vrije volk van Vlaanderen te verslinden. Meent
+gij dat zij verzadigd zijn?"
+
+"Dat geloove de duivel indien hij zich wil laten bedriegen!" riep
+Burchard. "Gij zult het zien, heeren: zoohaast de Isegrims in het land
+zijn zullen zij weder hunne kuiperijen beginnen om onzen Kerels den
+balfaart, het juk der slavernij op den nek te drukken![20]"
+
+"De graaf zal het beletten", zeide Matfried.
+
+"De graaf?" schertste Burchard. "Die huichelaar? Hij heeft het zelf
+gepoogd; de oorlog alleen...."
+
+"Zwijg, zwijg, daar is de proost!" mompelden eenige stemmen.
+
+Bertulf, de proost van St-Donaas, die nu met zijnen broeder Hacket, den
+kastelein, in de kamer verscheen, was een man van meer dan zestig jaar,
+met grijze haarkroon en een ernstig en eerbiedwekkend gelaat. Ondanks
+zijnen ouderdom ging hij rechtop, en het geheel zijner statige
+wezenstrekken ademde niet alleen wijsheid maar tevens een diep gevoel
+van eigen waarde.
+
+Hij droeg eenen zwarten tabbaard, die hem in wijde plooien tot op de
+voeten daalde en rondom hals en schouders eenig wit bont, zoodat zijne
+kleeding half geestelijk en half wereldlijk scheen. Inderdaad, ofschoon
+eene hooge kerkelijke waardigheid bezettende, was hij evenwel geen
+priester.
+
+Na zijnen bloedverwanten en vrienden eenen stillen groet te hebben
+toegestuurd, zette hij zich nevens den kastelein in eenen der groote
+leunstoelen en zeide tot de aanwezigen:
+
+"Heeren, ik heb u de tijding mede te deelen dat onze heer graaf
+overmorgen te Brugge zal aankomen. Hij zal ditmaal nog niet in
+Vlaanderen blijven; want hij moet terug naar het leger te Atrecht, waar
+de koning van Frankrijk eenen aanval der Engelschen uit Normandie
+verwacht. Hoe het zij, het betaamt dat wij onzen vorst, na zijne lange
+afwezigheid, met de verschuldigde eerbewijzen onthalen. Ik heb u doen
+roepen, heeren, om uwe hulp te vragen ten einde op den dag van 's
+vorsten intrede een behoorlijk getal vrije lieden uit de Ambachten naar
+de stad te doen komen. Gij zult begrijpen dat zulks noodig is om te
+beletten dat onze vijanden bij den graaf de Kerels beschuldigen van
+onverschilligheid of oneerbiedigheid jegens hem. Onze zaken staan nu op
+eenen goeden voet. Wij zijn er in gelukt gedurende des vorsten
+afwezigheid Kerlingaland in eene volstrekte rust te houden. De graaf
+moet over ons voldaan zijn en wij hebben dus het recht te hopen dat hij
+ons tegen de booze aanslagen der Isegrims zal beschermen."
+
+"Ja, verwacht u daaraan!" gromde Burchard. "Hij is zelf de grootste
+Isegrim...."
+
+"Mijn neef heeft altijd iets onaangenaams voor onzen heer graaf in den
+mond", zeide de proost berispende. "Het zijn persoonlijke redenen waarop
+wij nu geene acht dienen te slaan.... Alzoo, heeren, gelieft brieven of
+boden naar uwe burchten en hofsteden te zenden, met het verzoek dat men
+van daar eenige lieden naar Brugge doe komen om bij de intrede des
+vorsten tegenwoordig te zijn. Laat hen begrijpen dat het voor de Kerels
+een plicht is, een vaderlandsche plicht, onzen heer graaf met eerbied en
+blijdschap te verwelkomen."
+
+De aanwezige ridders toonden zich bereid om aan dit verzoek te voldoen.
+Dat de graaf waarlijk ten opzichte der Kerels gunstig gestemd was,
+daaraan twijfelde de meerderheid sterk; maar zij wilden in deze
+onzekerheid den Isegrims geenen schijn van reden geven om hen bij den
+vorst van vijandschap tegen hem te betichten.
+
+Burchard Knap alleen riep luid dat hij zulk onthaal vanwege de Kerels
+als eene laffe kuiperij aanzag. Graaf Karel van Denemarken was, volgens
+zijn gevoelen, een valschaard en een geboren vijand van alle recht en
+alle vrijheid zijns volks.
+
+Terwijl de proost met bitterheid de onvoorzichtige woorden van zijnen
+neef laakte, als de zaak der Kerels ten hoogst schadelijk, werd de deur
+geopend en een ridder, met den helm op het hoofd en het maliehemd aan
+het lijf, trad onder het uitspreken eener luide groetenis in de zaal.
+
+"Welkom, welkom, onze vriend Isaac Van Reninghe!" riepen de ridders, van
+hunne zetels opstaande om hem de hand te drukken.
+
+"Gij komt van het leger? Hoe is het in Aquitanie vergaan? Mher
+Luitprand van Rousbrugge was erg gekwetst. Is hij genezen? Zijn er vele
+Vlaamsche ridders gesneuveld? Wie heeft er zich het meest onderscheiden?
+Wanneer komt ons leger terug?"
+
+Dergelijke vragen werden hem van alle kanten toegestuurd; hij antwoordde
+er met zekere verstrooidheid op en scheen haast te hebben om hen van
+andere dingen te spreken. Nauwelijks kon hij met zijne vrienden eenige
+korte groetenissen gewisseld hebben, of hij stapte naar de deur, sloot
+ze toe en, tot de tafel terugkeerende, zeide hij:
+
+"Heeren, ik ben vermoeid van de lange vaart en vraag u oorlof om te
+zitten. Ik heb ernstige berichten u mede te deelen."
+
+Hij nam eenen stoel; en toen hij zag dat de anderen hem hierin hadden
+nagevolgd en hem nieuwsgierig aanzagen, sprak hij:
+
+"Volgens hetgene ik onderwege van eenige vrienden heb vernomen, vleit
+gij u hier met de hoop dat men het ontwerp om de Kerels van hunne
+vrijheid te berooven heeft laten varen. Het doet mij leed uwe gerustheid
+te moeten storen; maar gij bedriegt u. De Kerels zijn integendeel
+bedreigd met eene nieuwe en ergere vervolging."
+
+Een kreet van verrassing en gramschap ontsnapte den ridderen; Burchard
+Knap stampte geweldig op den vloer en gromde eene vermaledijding, maar
+de proost gebood hem de stilte en vroeg aan Isaac:
+
+"Waarop, mher Van Reninghe, vestigt gij dit vermoeden? Zijn er
+bewijzen?"
+
+"Bewijzen?" was het antwoord. "De leenheeren, de Isegrims sedert wij uit
+Aquitanie wederkeerden, beroemen zich openlijk dat zij de wapens niet
+zullen nederleggen voordat de Kerels den balfaart op den nek hebben en
+in eeuwige slavernij zijn gedompeld."
+
+"Verstikke mij de nachtmare!" riep Burchard. "Indien wij door onze
+lankmoedigheid...."
+
+"Zwijg, mijn neef, laat mher Isaac ten minste voortgaan", onderbrak hem
+de proost. "Wat heeft deze pocherij der Isegrims te beduiden? Wij zijn
+er aan gewend. Waarom zou ze ons nu verwonderen als iets nieuws?"
+
+"Het zijn de Isegrims niet meer alleen", hernam Isaac. "De koning van
+Frankrijk en de voornaamste ridders, die hem omringen, moeten zich
+sedert eenigen tijd met de zaak der Kerels bezighouden; want zij spreken
+er van en beslissen den twist met de Walsche spreuk: _pas de terre sans
+seigneur, geen grond zonder heer_".
+
+"Bij Loki en zijne horens! wat is dit voor eene taal?" riep Burchard.
+"Is elk vrij man niet meester van den grond die hem toebehoord? De
+Fransche koning? Ha, ha, de Fransche koning bemoeit zich met onze zaken?
+Niet genoeg dat men ons slaven wil maken, onze dwingeland zelf zou slaaf
+zijn van eenen vreemden vorst! Het is om te barsten van schaamte!"
+
+"In dit geval blijft ons niets anders te doen dan geheel Kerlingaland te
+wapen te roepen", zeide Willem Van Wervick. "De schermzeis uit de
+scheede getogen voordat het te laat zij!"
+
+"Ja, en zonder toeven al de burchten afbranden, die onze vijanden, om
+onze vrijheid te bedreigen, te midden der Ambachten hebben gebouwd!"
+voegde Burchard er bij. "Ik heb omtrent Eerneghem, in de bosschen,
+tweehonderd Houtkerels, echte Blauwvoeten, die snakken naar den strijd."
+
+"Heeren, ik kan u niet genoeg de voorzichtigheid aanbevelen", zeide de
+proost, "u bovenal, mijn oploopende neef Burchard! Ontijdig geweld redt
+geene zaak, zelfs niet de rechtvaardigste. Houd u stil; blijf bedaard,
+zooals het een redelijk man betaamt."
+
+Een somber gegrol ratelde in Burchards keel. Hij zou zulke berisping van
+geenen anderen man op aarde verdragen hebben; maar de proost, die als
+hoofd der Erembalds recht had om hier te gebieden, gaf geene acht op
+zijne spijt.
+
+"Vrienden", ging hij voort, "ik beken dat de berichten, ons door mher
+Isaac Van Reninghe aangebracht, in schijn, ten minste, van aard zijn om
+u te kwetsen en te verbitteren; maar gelieft in te zien dat wij nooit
+iets anders dan zulke grootspraak vanwege de Isegrims te verwachten
+hebben."
+
+"Ja, maar het is nu veel erger dan te voren", wedersprak hem Isaac. "Er
+moet eene geheime reden tot den eensklaps aangegroeiden overmoed der
+leenheeren bestaan. Kondet gij het hooren, vrienden, hoe onbeschaamd de
+Isegrims hunnen haat tegen de Kerels lucht geven! Zij zingen zelfs, met
+de hanaps in de hand, een spotlied tegen ons. Het is zeer lang en vol
+hoon. Ik heb er slechts de volgende rijmen van kunnen onthouden:
+
+ Wij willen de Kerels doen greinsen,
+ Al dravende over het velt;
+ Het 's al kwaad dat si peinsen,
+ Ic weetse wel bestelt,
+ Men sal se slepen en hangen,
+ Haar baart is al te lanc;
+ Sine connens niet ontgangen;
+ Sine dogen niet sonder bedwanc."
+
+Een storm van verontwaardigingskreten borst los.
+
+"Zoo sla mij Thors hamer, indien ik den eersten Isegrim die slechts een
+woord van dit lied in mijn bijwezen durft zingen het hoofd niet kloof!"
+schreeuwde Burchard boven het gerucht uit.
+
+"Klachten genoeg, daden moeten er zijn", zeide Willem Van Wervick. "Wat
+blijft ons te doen? Het is gansch eenvoudig: ons in de Ambachten begeven
+en alles tot den opstand bereiden."
+
+"Ja, en onmiddellijk Willem Van Loo, den burggraaf van Yperen, tot graaf
+van Vlaanderen uitroepen", viel Burchard woedend uit, "te wapen loopen
+met dien wettigen erfgenaam onzer graven aan het hoofd en Karel van
+Denemarken het land uitjagen!"
+
+"Zijt gij daar alweder met die dwaze gedachte?" schertste de kastelein
+Hacket. "Is het zoo dat men beraadslaagt over de hoogste belangen? Gij
+maakt gerucht en tiert. Dit zijn geene redenen."
+
+"Dwaze gedachte?" herhaalde Burchard. "Is Willem Van Loo niet de
+kleinzoon en erfgenaam van den graaf Robrecht De Vries, door de mannen,
+terwijl Karel van Denemarken dit slechts is door de vrouwen? Haddet gij,
+mijne ooms, in den oorlog tusschen beiden, Karel niet geholpen, wij
+zouden nu eenen vorst hebben met Kerlenbloed in de aderen; want de
+moeder van Willem was eene Kerlinne[21]."
+
+"En haddet gij en mher Isaac en velen uwer vrienden in den oorlog voor
+de Kroon u onzijdig gehouden", wedervoer Hacket, "de Kerels zouden
+waarschijnlijk nu de ongunst van den graaf niet te vreezen hebben."
+
+"Ik verzoek u bedaard te blijven, heeren", zeide de proost. "Laat mij
+mher Isaac Van Reninghe vragen of hij ons met eenige zekerheid kan
+bevestigen dat graaf Karel dezelfde inzichten als de Isegrims jegens ons
+heeft."
+
+"In der waarheid, ik moet bekennen", antwoordde Isaac Van Reninghe,
+"dat, welke moeite ik ook aanwendde, ik desaangaande niets heb kunnen
+vernemen. Maar gij weet hoe ondoorgrondelijk onze graaf is; en
+daarenboven, men mistrouwt mij omdat men vermoedt dat ik een vriend der
+Erembalds ben."
+
+"Welnu", bemerkte de proost met eene zegevierende uitdrukking, "ik,
+integendeel, heb daarover rechtstreeksche berichten van iemand die meer
+dan anderen het vertrouwen van onzen graaf bezit en hem nooit verlaat,
+namelijk den ouden Frumold, wiens geloofbaarheid wel niemand uwer zal
+betwisten. Deze heeft mij geschreven dat wij alle redenen hebben om te
+gelooven dat men de Kerels voortaan aangaande hunne vrijheid niet meer
+zal verontrusten; en hij raadt ons aan onzen heer graaf met betuigingen
+van eerbied en verkleefdheid te onthalen en hem in zijne goede stemming
+ten onzen opzichte te versterken. Het is onze plicht dezen wijzen raad
+te volgen. De oorlog tegen onzen wettigen vorst, indien wij er toe
+gedwongen worden zal, in alle geval, een groot ongeluk zijn, dat wij
+behooren te ontwijken zoolang wij kunnen. Is dit niet het gevoelen der
+meerderheid dezer vergadering?"
+
+Velen der tegenwoordig zijnde ridders knikten met het hoofd of
+antwoordden bevestigend.
+
+"Laat ons dan tot een besluit komen, heeren", hernam de proost. "Mijn
+tijd is kostelijk; ik verwacht den voorschepen van Brugge. Ziet hier
+mijn gevoelen. Wij moeten ons bereiden om onzen heer graaf bij zijne
+intrede met de meest mogelijke eerbewijzen te verwelkomen. Diegenen
+onzer die niet gehouden zijn hem af te wachten, zullen hem te gemoet
+rijden...."
+
+"Ik den graaf te gemoet rijden?" kreet Burchard. "Mij door de Isegrims
+uitdagend laten bekijken? Neen, neen, ik zou een ongeluk doen!"
+
+"Daarom juist, mijn neef, omdat gij zoo oploopend zijt en u zelven niet
+kunt bedwingen, wilde ik u verzoeken dien dag te Bethferkerke te
+blijven[22]."
+
+"Ha, vrees niet: men zal mij in Brugge niet zien!"
+
+"Tot nu toe, heeren", ging de proost voort, "hebben wij geene redenen om
+den graaf als een vijand der Kerels te beschouwen. Integendeel, ik durf
+de overtuiging uitdrukken dat vorst Karel een edelmoedig hart heeft en
+nooit ons recht zal te kort doen, indien slechte raadslieden hem niet
+valschelijk tegen de Kerels aanhitsten. Wij zullen ons nu eerbiedig en
+verkleefd jegens hem toonen en zelfs, indien het geval zich voordoet, de
+hoonende houding der Isegrims over het hoofd zien, om geene reden van
+ontevredenheid aan den vorst te geven. Ontstaat het kwaad dat gij
+vreest, wij zullen onzen plicht doen en met goed en bloed de vrijheid
+van Kerlingaland verdedigen; maar niemand toch zal ons kunnen
+beschuldigen dat wij zelven de oorzaak der bloedige botsing waren.... In
+deze omstandigheid, heeren, verheugt het mij ten hoogste u te kunnen
+melden dat ik er gelukt ben het machtige huis van Rijkaard Van Woumen
+door een huwelijk aan onzen stam te verbinden. Rijkaard en de zijnen
+zijn machtig bij den graaf en hunne hulp is ons meer waard dan duizend
+zwaarden."
+
+"Zoo? heeft mehr Robrecht Sneloghe dan eindelijk toegestemd?" vroeg
+Matfried Wegel. "Hij scheen van dit huwelijk niet te willen hooren."
+
+"Inderdaad", bevestigde de proost, "hij heeft wel eenigen tegenstand
+geboden; maar gij weet het, onder ons is er geen die met meer edelmoed
+dan mijn neef Robrecht zich bereid toont tot zelfopoffering, zoohaast
+hij iets kan doen ten goede van ons geslacht en van Kerlingaland. Het
+was mij genoeg hem te doen begrijpen welke gelukkige gevolgen dit
+huwelijk, zoowel voor de Erembalds in het bijzonder als voor de Kerels
+in het algemeen, moest hebben, om hem de eervolle verbintenis te doen
+aanvaarden."
+
+"En is Rijkaard Van Woumen met dit huwelijk tevreden?"
+
+"Zeer tevreden."
+
+"Een der machtigste leenheeren zich verbinden met eenen Kerel!"
+
+"Met den rijksten en machtigsten Kerel", verbeterde Bertulf. "Wie weet
+niet dat mijn neef meer vrije gronden bezit dan mher Rijkaard
+leengoederen?"
+
+"Het is gelijk, heer proost, indien dit huwelijk voltrokken wordt zult
+gij iets wonders gewrocht hebben dat, inderdaad, de Kerels sterk moet
+maken tegen de kuiperijen der Isegrims."
+
+"Maar Ghijselbrecht Tancmar stond insgelijks naar de hand van jonkver
+Placida", bemerkte Yorg Koevoet. "Indien zijn oom, de hofraadsheer, met
+den graaf terugkomt, zou hij dit huwelijk nog wel kunnen beletten."
+
+"Onmogelijk", antwoordde Bertulf, "heden nog, dezen morgen zelfs, zal
+Placida Van Woumen de beloftegift uit Robrechts handen ontvangen. Het is
+daarom dat mijn neef zich niet hier met ons bevindt."
+
+"God zij dank, dit is eene goede tijding!" juichten al de aanwezigen.
+Burchard zelf glimlachte van tevredenheid en loofde uitbundig zijnen oom
+over deze zegepraal.
+
+De proost was bezig met hun uit te leggen, hoe dit huwelijk den Kerels
+in eenmaal vele invloedrijke vrienden aan het hof des graven zelven
+moest verschaffen en hoe hij hoopte daardoor beter dan door eenen
+verderfelijken oorlog de rechten en de vrijheid van Kerlingaland te doen
+eerbiedigen. Een dienaar opende zachtjes de deur en meldde hem dat de
+voorschepen van Brugge verlangde hem te spreken.
+
+Al de ridders stonden op. Zijne aanbeveling tot voorzichtigheid
+herhalende, leidde de oude Bertulf hen tot aan de deur.
+
+Hier zeide zijn broeder Hacket in stilte tot hem:
+
+"Maar, proost, waarom verbergt gij den toestand der zaken? Onze
+berichten zijn niet zoo geruststellend als gij het voorgeeft."
+
+"Wat wij te vreezen hebben is dat de Kerels der Ambachten in beroering
+geraken. Dit zou de graaf ongunstig stemmen en de Isegrims in de hand
+werken. Met zulken onvoorzichtigen woestaard als onze neef Burchard,
+kunnen wij de waarheid niet gansch openbaren. De minste genster ware
+genoeg om het vuur van eenen ontijdigen opstand in Kerlingaland te doen
+ontvlammen. Ga zonder kommer, broeder, en gelief den deurwaarder te
+zeggen dat men den voorschepen binnenlate."
+
+De kastelein drukte hem de hand en verwijderde zich.
+
+Een voornaam en rijk poorter, die als voorschepen of burgemeester aan
+het hoofd van het stadsbestuur stond, trad in de zaal en groette den
+proost, terwijl deze hem minzaam eenen zetel aanbood.
+
+Toen beiden gezeten waren, zeide de oude Bertulf:
+
+"Heer voorschepen, dringende bezigheden, zooals gij aanstonds zult
+begrijpen, laten mij niet toe ten uwent te gaan; daarom deed ik u bidden
+u ten Burg te willen begeven. Ik moet u melden dat onze heer graaf
+overmorgen in Brugge komt...."
+
+"Ik weet het reeds, heer proost", bemerkte de voorschepen.
+
+"Gij weet het? Heeft dan de graaf u insgelijks eenen bode gestuurd?"
+
+"Neen, maar de hofraadsheer Tancmar Van Straten bracht zelf mij de
+tijding."
+
+"De raadsheer Tancmar?" herhaalde Bertulf met zichtbare bekommerdheid.
+
+"Ja, en tevens de hofbottelier Walter Van Lokeren."
+
+"Zij hebben wel veel haast om in Brugge te verschijnen, heer
+voorschepen."
+
+"Inderdaad."
+
+"Brachten zij u ook eenige bijzondere bevelen van den graaf?"
+
+"Bevelen wel niet; maar zij raadden mij aan eene houten trede op de
+markt te doen timmeren om daarop de sleutels der stad den graaf te
+overhandigen alsof hij eene eerste intrede deed. De reden daarvan is dat
+eenige voorname Fransche ridders onzen vorst zullen vergezellen en hij
+verlangt dat zijn onthaal zoo plechtig mogelijk geschiede. Ik zie geen
+beletsel om onzen heer graaf hierin te vergenoegen. Daarenboven, ik zal
+de poorters uitnoodigen hunne huizen op den doortocht van den stoet met
+alle mogelijke pracht te versieren."
+
+"Ik hoor wel dat voor alles naar behooren zal gezorgd worden", sprak de
+proost. "Het spijt mij u zoo verre te hebben doen komen, dewijl ik u
+niets anders te zeggen of te raden had."
+
+De voorschepen stond op.
+
+"Alzoo de raadsheer Tancmar is in de stad?" vroeg de proost peinzend.
+
+"Ja, maar hij keert terug op de baan naar Atrecht om den graaf te gemoet
+te gaan."
+
+"Wanneer vertrekt hij? Dezen morgen nog?"
+
+"Neen, in den vooravond."
+
+Bertulf schudde het hoofd.
+
+"Verwacht gij dan een erg kwaad van Tancmars tegenwoordigheid?" vroeg de
+voorschepen verwonderd.
+
+"Zit nog een oogenblik, heer voorschepen", zeide de proost. "Wat goeds
+kunnen de poorters zoowel als de Kerels van deze aanleiders der Isegrims
+verwachten?"
+
+"Niet veel goeds", antwoordde de voorschepen, het hoofd schuddende. "Zij
+zijn de erfvijanden des volks in het algemeen. Verbeeld u, heer proost,
+dat zij nu beweren het recht te hebben om den balfaart der
+dienstbaarheid door een groot getal Brugsche poorters te doen betalen,
+onder voorwendsel dat dezen voortgesproten zijn uit onvrije lieden welke
+vroeger tot bezittingen der leenheeren behoorden. Onze keure, door
+vorige vorsten ons verleend, stelt als wet vast dat een onvrij man, die
+gedurende een jaar en eenen dag in onze stad woont zonder dat zijn heer
+hem teruggevorderd hebbe, tot poorter mag aanvaard worden en van dan af
+de vrijheid dezer poort geniet[23]."
+
+"En de lieden welke de Isegrims den tol der dienstbaarheid willen doen
+betalen, wonen meer dan een jaar in Brugge?"
+
+"Vele jaren, heer proost. Van sommigen weet men zelfs niet meer wanneer
+zij of hunne ouders binnen deze poort zijn komen wonen."
+
+"Gij zult dit onrecht niet lijdzaam onderstaan, hoop ik, heer
+voorschepen?"
+
+"Wij zullen ons bij den graaf beklagen en rechtvaardigheid eischen."
+
+"Ja, onze heer graaf zal u waarschijnlijk tegen de aanmatiging der
+leenheeren beschermen. Wij moeten het hopen ... maar indien hij onzen
+vijanden gelijk gaf en men u wilde dwingen?"
+
+"Wat er zou geschieden, heer proost? Wie kan het voorzien? Wij poorters
+hebben een taai geduld; maar des te meer gespaard bloed zouden wij voor
+het behoud onzer rechten kunnen opofferen indien eens de boog door
+overspanning brak."
+
+Bertulf greep den voorschepen de hand.
+
+"Wel gesproken", zeide hij. "Geduld hebben en door zachte middelen het
+onheil, dat ons dreigt, pogen af te weren, zoolang het mogelijk is; maar
+intusschen waken en zich bereid houden om op het uiterst oogenblik de
+dwingelandij der Isegrims eenen hardnekkigen tegenstand te kunnen
+bieden. Werden de poorters eerder dan de Kerels aangerand, wij zouden
+allen u ter hulp vliegen; want het geldt hier het dierbaarste dat onze
+vaderen ons hebben nagelaten. Hoezeer vroegere tijdsomstandigheden de
+instellingen dezer landen hebben veranderd, wij zijn toch altemaal van
+hetzelfde bloed: uwe voorouders en onze voorouders waren Kerels van
+eenen stam."
+
+"Het is waar, heer proost", murmelde de voorsehepen.
+
+"De Isegrims begrijpen ons daarom in denzelfden haat", ging Bertulf
+voort. "Poorters, Kerels, vrije mannen van binnen en buiten de steden,
+wil men doen bukken onder eene zelfde verdrukking. Slaan wij dus immer
+de handen te zaam en, waar het volk bedreigd wordt door degenen die
+niets beoogen dan al wat werkt of handel drijft in slavernij te
+dompelen, daar vinde het gevaar ons als broeders in dezelfde scharen!"
+
+"Zoo zal het zijn als de worsteling ooit uitbreekt", bevestigde de
+voorschepen. "Wij poorters, zijn allen uwe vrienden, gij weet het wel;
+en wij zullen u helpen tegen uwe vijanden, die ook de onze zijn."
+
+Hij reikte den proost tot vaarwel de hand.
+
+Bertulf vergezelde hem tot bij de deur, keerde dan terug naar de tafel
+en mompelde in gedachten:
+
+"Tancmar is in de stad! Wat komt hij er doen? En indien hij iets van
+het ontworpen huwelijk verneemt? Zijn zoon Ghijselbrecht heeft lang naar
+de hand van jonkver Placida gestaan. Gelukkig dat op dit oogenblik de
+beloftegift reeds moet aanvaard zijn en het dus geheel onwaarschijnlijk
+is dat Rijkaard Van Woumen nog op eene wederzijds bevestigde verbintenis
+kan terugkomen.... Maar Tancmar is zoo vol list en zoo bedrijvig!"
+
+Hij hief het hoofd op en zag Robrecht Sneloghe die met droef en spijtig
+gelaat te midden der zaal stond.
+
+"Nu, mijn neef, wat beduidt dit treurig aangezicht?" vroeg hij
+verwonderd en bekommerd. "Heeft jonkver Van Woumen uwe gift aanvaard?"
+
+"Ik heb mij nog niet bij haar aangeboden", was het antwoord.
+
+"Hoe, gij zijt nog niet in sher Rijkaards Steen[24] geweest?" riep de
+proost met verbazing uit. "Welk noodlottig beletsel hield u terug?"
+
+"Wees toegevend voor mij: laat mij afzien van dit huwelijk!" zeide
+Robrecht.
+
+"Onmogelijk, gij zijt zinneloos!" kreet de proost, die zich door zijne
+spijt liet vervoeren.
+
+Robrecht zou anders van niemand zulke harde woorden geduld hebben; maar
+hij onderstond deemoedig den uitval van zijnen ouden oom.
+
+"Ik bezweer u, heer oom", smeekte hij, "bij de gedachtenis mijns vaders,
+dien gij zoo liefhadt, dwing mij niet tot het aangaan dezer
+verbintenis!"
+
+"Zij is noodig tot het heil van Kerlingaland. De Isegrims bedreigen onze
+vrijheid."
+
+"Welnu, oom, dat het zwaard dan onze rechter weze! Mijn bloed wil ik
+geven tot den laatsten druppel; maar gij eischt mijne ziel...."
+
+"Uwe ziel?"
+
+"Ja, gij slachtoffert mij zonder mededoogen, ik weet niet ten gevolge
+van welke diepe berekeningen. Bestrijden wij de Isegrims, maar het weze
+niet door sluwe middelen. De list was altoos de toevlucht der zwakken
+en der lafaards; wij zijn sterk en onversaagd."
+
+"Waarlijk, gij doet mij twijfelen aan de vastheid uwer zinnen" morde de
+proost, sidderend van verontwaardiging en ongeduld. "Waarom breekt gij
+uwe belofte?"
+
+"Ik zal ongelukkig zijn, geheel mijn leven!"
+
+"Met Placida Van Woumen? Is zij niet schoon genoeg?"
+
+"Schoon als eene lelie is zij, heer oom."
+
+"En rijk en edel geboren?"
+
+"Ik zal ze nooit kunnen beminnen. Dit huwelijk boezemt mij schrik en
+afkeer in."
+
+"Waarom toch?"
+
+Robrecht aarzelde om de bekentenis, die hem op de lippen zweefde, uit te
+spreken. Evenwel hij deed geweld op zich zelven en zeide met vaste stem:
+
+"Omdat ik eene andere vrouw bemin."
+
+"Gij bemint eene andere vrouw?" kreet de proost met verbaasdheid.
+
+"Dakerlia Wulf."
+
+"Kom, kom, dit is onmogelijk, mijn neef! Disdir Vos staat naar de hand
+van jonkver Dakerlia en haar vader stemt toe in haar huwelijk met hem."
+
+"Mher Wulf laat zijne dochter de vrije keus. Mij bemint Dakerlia."
+
+"Gij hieldt dezen band uws harten voor mij verborgen! Gij hebt mij dus
+bedrogen?"
+
+"Eerst heden ontving ik hare bekentenis."
+
+"En om deze liefde van eenen enkelen dag gehoor te geven wilt gij de
+hoogste belangen uws vaderlands slachtofferen en mijne gelukkige
+pogingen verijdelen?" gromde de proost bitter schertsend. "Het is eene
+onbegrijpelijke dwaasheid. Spreken wij er niet langer van. Wilt gij niet
+dat ik, door de diepste treurnis getroffen, u voor altoos mijne
+vriendschap en mijne achting onttrekke, begeef u onmiddellijk naar sher
+Rijkaards Steen en bied jonkver Placida uwe beloftegift aan!"
+
+"Dus geene genade voor mij?"
+
+"Geene. Uwe belofte moet u heilig zijn."
+
+Robrecht bezag zijnen oom eene wijl met strakken blik, als worstelde
+hij nog tegen een pijnlijk besluit. Dan zeide hij, het hoofd
+verheffende:
+
+"Gij weet, heer oom, hoe ik u sedert mijne kindsheid heb geeerbiedigd en
+bemind als waart gij mijn vader. Er is eene grens aan alles. Vermits gij
+onverbiddelijk blijft, welnu, laad uwe gramschap op mij: ik weiger u te
+gehoorzamen. De bruidegom van Placida word ik niet!"
+
+"Niet?"
+
+"Nimmer, heer oom. Dakerlia Wulf zal mijne levensgezellinne zijn."
+
+"Ha, ha, dit zullen wij zien!" riep de proost met ongeduld. "Luister
+slechts op de tijding welke ik u mede te deelen heb. Overmorgen komt de
+graaf in Brugge. De Leenheeren, de Isegrims, onze vijanden, beroemen
+zich openlijk dat zij nu met geweld onze broederen, de Kerels der
+Ambachten, den balfaart gaan opdringen. Het uur van den grooten strijd
+om vrijheid of slavernij, om leven of dood nadert dus waarschijnlijk
+voor het Kerlingaland."
+
+"God zij dank", mompelde Robrecht, "dat wij eindelijk ons leven mogen
+wagen voor de vrijheid!"
+
+"Dat kan de minste Kerel", wedervoer de proost met drift. "Wie meer
+heeft brenge meer ten offer, indien hij zijnen plicht getrouw wil zijn.
+Daareven was ik, in deze zaal zelve, vergaderd met uwe ooms en neven en
+met eenigen onzer vrienden. Allen juichten bij de aankondiging van uw
+huwelijk, als bij iets dat de booze ontwerpen onzer vijanden voor altijd
+kon verijdelen. Want, misken het niet, dit huwelijk moet geheel een
+edelgeboren en aanzienlijk geslacht tot vrienden en verdedigers der
+Kerels maken. Door aldus de verdeeldheid onder de Isegrims zelven te
+brengen, breken wij hunne macht.
+
+Rijkaard Van Woumen kan dit alles bij den graaf. Indien hij den vorst
+rechtvaardigheid jegens de Kerels inboezemt, wat hebben wij te vreezen?"
+
+Robrecht was bleek geworden en hield den blik beweegloos op zijnen
+grijzen oom gevestigd.
+
+"Volhard nu in uwe weigering", ging deze met klimmenden nadruk voort;
+"maak dat de hulp van mher Rijkaard ons ontbreke en de noodlottige
+botsing diensvolgens niet worde belet. De grond van Kerlingaland zal met
+lijken en puinen overdekt worden, en--wie kan het weten?--misschien zal
+in dit akelig bloedbad de vrijheid der Kerels, de vrijheid van ons
+geslacht voor eeuwig vergaan. Na zulke ijselijke ramp zou de vloek der
+overlevenden op eenen enkelen man geladen worden. Uit den afgrond der
+slavernij zou men, tot in de verre toekomst zelve, den naam van eenen
+trouwelooze, van eenen ondankbare vermaledijden, wien de noodige moed
+ontbrak om op het altaar van den plicht het offer te brengen dat zijn
+vaderland kon redden!"
+
+Met het hoofd gebogen en als neergedrukt onder het gewicht der wreede
+noodzakelijkheid, luisterde Robrecht sprakeloos op de strenge woorden
+van zijnen oom.
+
+Deze meende te voorzien dat zijn neef zich eindelijk weder zou
+onderwerpen en verzachtte daarom eenigszins den toon zijner stem.
+
+"Mijn goede Robrecht", zeide hij, "ik kan waarlijk niet begrijpen hoe
+gij niet met blijdschap de hand van Jonkver Placida aanvaardt. Dit
+huwelijk moet niet alleen u tot eenen hoogen trap van roem verheffen,
+maar zelf gansch ons geslacht nader bij den troon brengen. Mher Wulf
+daarentegen is niet rijk; hoe eerlijk en hoe achtbaar hij ook weze, de
+hand zijner dochter doet u afdalen."
+
+Eene hevige siddering doorliep Robrechts leden en een ongeduldige grijns
+verkrampte zijne lippen; doch hij antwoordde niets.
+
+Bertulf aanzag deze zure uitdrukking als het teeken van nieuwen onwil.
+
+"Verlangt gij inderdaad, mehr Sneloghe", vroeg hij met nog meer klem,
+"dat ik onze magen en vrienden doen terugroepen om hun aan te kondigen
+dat gij liever nog Kerlingaland aan verdelging en slavernij ten prooi
+geeft dan de hand te aanvaarden der schoonste en rijkste erfgename van
+Vlaanderen? Gij aanroept de gedachtenis uws vaders? Meent gij misschien
+dat zijne ziel juicht, daar hij ziet hoe zijn eenig zoon zijn geslacht
+verraadt en weigert te gehoorzamen aan mij die de erfgenaam ben zijner
+overheid op aarde? Gij antwoordt mij niet? Is alle gevoel van eer en
+plicht eensklaps in u gestorven? Weigert gij dan de minste opoffering
+voor het welzijn van Kerlingaland? Wilt gij de vermaledijding te gemoet
+gaan van een gansch volk, dat door uwe zwakmoedigheid kan veroordeeld
+worden tot eeuwige slavernij? Ha, ha, ware jonkver Dakerlia hier met
+ons, en eischte ik van haar, tot redding onzer vrijheid, zulke
+opoffering, meent gij dat zij, die eene vrouw is, zou weigeren? Is zij
+geene Kerlinne?"
+
+Robrecht stond op. Zijn gelaat droeg nog wel den stempel eener diepe
+droefheid, doch in zijne oogen fonkelde eene genster van beradenheid.
+
+"Heer oom, staak uwe bittere verwijten", zeide hij, "zij zijn
+overbodig."
+
+"Hoe meent gij het?"
+
+"De wreede strijd is over in mij. Het kost moeite. Ik dwaalde; gij hebt
+gelijk. Hoezeer ik ook hadde gewenscht dit huwelijk te kunnen ontwijken,
+ik erken mijnen plicht en onderwerp mij aan de noodzakelijkheid."
+
+"Oprecht? Ernstig?"
+
+"In vollen ernst. Wees gerust: eer een half uur verloopen zij, zal
+jonkver Placida mijne beloftegift ontvangen hebben. Zooals gij zegt,
+oom, Dakerlia zal begrijpen dat de plicht jegens Kerlingaland...."
+
+"Dank zij God, die u mijne genegenheid en achting waardig laat blijven!"
+juichte de proost met onverborgene blijdschap. "Ga, mijn goede neef,
+haast u; want onze vijanden zijn waakzaam."
+
+Bij de deur hield hij mher Sneloghe met de hand terug, als schoot er een
+onrustwekkend gepeins door zijnen geest, en zeide:
+
+"Robrecht, indien gij door de zuurheid of de treurigheid uws gelaats
+gingt toonen dat dit huwelijk u bedroeft? Indien gij door de koelheid
+uwer woorden jonkver Placida tot eene weigering deedt besluiten of een
+uitstel deedt vragen, meent gij dat gij jegens uw geslacht niet even
+schuldig zoudt zijn?"
+
+"Vrees niet, heer oom", antwoordde de jonge ridder, "mijn besluit is
+genomen, rechtzinnig genomen; ik zal onderwege mijne krachten verzamelen
+en, wees zeker, mij zal de moed niet ontbreken om mijnen plicht tot het
+einde te volbrengen."
+
+"Toon u ten minste een weinig lieftallig voor jonkver Placida."
+
+"Hoofsch en minzaam moet een ridder immer met jonkvrouwen zijn. Dit kan
+ik niet vergeten. Placida is schoon en bevallig. Ik zal mij aan het
+denkbeeld van dit huwelijk pogen te gewennen. Hopen wij dat er later ook
+liefde voor jonkver Van Woumen in mijn hart zal groeien. Wel schijnt het
+mij nu moeilijk; maar de wil van eenen man, als hij eenen duren plicht
+vervult, kan wonderen wrochten...."
+
+"Zoo is het wel, mijn goede Robrecht!" riep de proost, hem juichend op
+den schouder slaande. "Ga nu spoedig met mijnen groet en mijnen zegen."
+
+Hij meende zich naar de Hof straat te richten; maar nu schoot hem
+eensklaps de herinnering te binnen, dat hij de juweeldoos in zijne
+woning had gelaten. Zonder beloftegift kon hij niet tot jonkver Placida
+gaan.
+
+Het hoofd met mismoed schuddende, begaf hij zich naar de Hoogstraat. Wel
+vertraagde hij zijnen stap en wel scheen hij soms te willen staan; maar
+het lot en de plicht dreven hem naar zijnen Steen.
+
+Hij trad bevend in de zaal waar hij Dakerlia nog meende aan te treffen.
+Zijne zuster was gansch alleen. Dit gaf hem eenige sterkmoedigheid
+weder.
+
+Terwijl Witta bij zijne eerste woorden reeds in tranen van medelijden
+losborst, poogde hij haar te doen begrijpen dat zij allen met
+verduldigheid zich onderwerpen moesten aan den onverbiddelijken plicht.
+Hij, Robrecht, mocht nu met Dakerlia niet meer spreken. Jonkver Wulf zou
+dit zelve wel erkennen. Witta zou haar gaan zeggen dat alle hoop was
+verloren. Zij beloofde, op het dringend verzoek haars broeders, alles
+aan te wenden wat mogelijk was om hem bij Dakerlia te verontschuldigen
+en hare arme vriendin te troosten.
+
+Mher Sneloghe stak de juweeldoos in de tasch die hem aan den gordel hing
+en verliet zijnen Steen met opgehouden tranen in de oogen.
+
+Hij stapte haastig voort tot op de Markt. Hier bleef hij staan en wreef
+zich met kracht over het voorhoofd, als om de volle bewustheid van
+zijnen toestand te bekomen. Na eene wijl overwogen te hebben mompelde
+hij treurig in zich zelven:
+
+"Vaarwel, vaarwel, o schoone droom die den hemel voor mijne oogen had
+geopend! Een enkel uur hebt gij geduurd ... om mij de slachtoffering
+bitter en schrikkelijk te maken! Het is gedaan: uwe herinnering zelve
+wil ik uit mijne hersens vagen. Ach, het lot is mij wreed; maar de
+plicht is eene stalen wet. Ik ben man en Kerel; geene zwakheid!"
+
+En na het uitspreken dezer woorden, stapte hij langzaam en immer denkend
+over de Markt, en verdween achter St-Christoffels-kapelle.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 16: Deze oude toren is ingestort ten jare 1316. Zie DESPARS,
+_cronycke_, enz., I, pag. 395.]
+
+[Voetnoot 17: "Burchard, die wreede, woedende, onversaagde krijgsman,
+begaafd met eene wonderlijke lichaamskracht."
+
+GALBERTUS, uitgegeven door Guizot, _Collection des Mem. rel. a l'hist.
+de Fr._, tom. VIII, pag. 314.]
+
+[Voetnoot 18: Over dezen krijgstocht van den graaf van Vlaanderen in
+Aquitanie met den koning van Frankrijk, zie SUGER, _Vie de
+Louis-le-Gros_, uitgegeven door Guizot, tome VIII, pag. 132.]
+
+[Voetnoot 19: Thor, de krijgsgod der Romeinen, werd verbeeld met eenen
+zwaren hamer in de hand. Men zegt daarvan nog in Brabant, van iemand die
+zeer verbaasd of verbluft is: _hij staat als van den hamer geslagen_.]
+
+[Voetnoot 20: "De tol der dienstbaarheid, gezegd _half have_ en
+_Balfaert_, ook geheeten _beste hooft_."
+
+VICTOR DE RODE, _Ann. du Comite Fl. de Fr._, t. VIII, pag. 145.]
+
+[Voetnoot 21: Deze Willem Van Loo, burggraaf, dit is kastelein van
+Yperen, was kleinzoon van Robrecht-de-Vries door Philips; Karel van
+Denemarken was dit insgelijks, doch door Adela. Men vindt den volledigen
+geslachtsboom in _Vie de Charles-le-Bon par le Dr. Wagner, trad. du
+Danois par un Bollandiste._]
+
+[Voetnoot 22: Tancmar had een landgoed te Straten en Burchard eene
+woning te Bethferkerke. Beide deze plaatsen lagen op het gebied der
+tegenwoordige parochie St-Andries, op eene mijl van Brugge.]
+
+[Voetnoot 23: Bij het ontstaan der steden of vrije gemeenten was een
+slaaf vrij als hij ongestoord een jaar en eenen dag in de stad had
+gewoond."
+
+P. BLOMMAERT, _Aloude Gesch. der Belgen_, pag. 175.]
+
+[Voetnoot 24: Die vorm _Sher_ of _Ser_, alsdan gebruikt, is de genitivus
+van _heer_; het is alsof er stond: _des heeren Rijkaards steen_.]
+
+
+
+
+III
+
+
+Ten einde der Kuiperstraat verhief zich, verre boven de poortershuizen,
+de achtkantige toren van sher Rijkaards Steen.
+
+Deze aanzienlijke woning bestond uit verschillige gebouwen, rondom een
+vierkante neerhof, en uit eenen tuin, waarvan de gekanteelde
+omheiningsmuur met zijne schietgaten op St-Pieters voorgeborchte uitzag.
+Zij was van alle zijden omringd met water, en eene ophaalbrug onderbrak
+des nachts of in tijden van gevaar hare gemeenschap met de stad.
+
+De wijde tuin was overlommerd met hooge boomen, welker gebladerte in dit
+gevorderde jaargetijde zich reeds begon te sieren met de veelkleurige
+tinten die den komenden winter aankondigen. Dien morgen echter stond de
+zon glanzend aan den hemel, en de wind was even zoel en even verheugend
+als op eenen lentedag.
+
+Onder de boomen, rondom eene tafel, zaten drie vrouwen te arbeiden aan
+zekere kostbare kleedingstukken. Eene der jongsten verwerkte zelfs
+goud-en zilverdraad in een zijden hoofdhulsel.
+
+De oudste, wier haar reeds begon te vergrijzen, sloeg nu en dan eenen
+blik op den arbeid harer twee gezellinnen en wees hen terecht en gaf hun
+raad, als ware zij hier de meesteresse.
+
+Evenwel, het was genoegkennelijk aan het eenvoudig linnen kleedsel dezer
+vrouwen, dat zij allen dienstmeiden waren; ja, eene zilveren schaar
+naast een fraai naaischrijn op de tafel en een stoel van gesneden
+eikenhout met een gebloemd zitkussen konden doen vermoeden dat de ware
+meesteresse onlangs was opgestaan en den tuin had verlaten.
+
+Eene der beide jongere vrouwen moest geweend hebben; want zij hield
+mismoedig het hoofd over haar werk gebogen en hare oogen waren nog
+vochtig.
+
+"Kom, Brigitta, denk niet meer aan het voorval", zeide de oudere
+troostend. "Gij zijt te gevoelig; en daarbij, onze jonkvrouw heeft
+gelijk: wij arme dienaars mogen ons met de zaken onzer meesters niet
+bemoeien, zooals gij het soms doet."
+
+"Het is alweder voorbij, Martha", antwoordde het treurige meisje. "Onze
+jonkvrouw toont zich hard voor mij. Wat kwaad bestaat daarin dat ik mher
+Robrecht Sneloghe roemde?"
+
+"Geen, inderdaad; maar waarom spraakt gij van mehr Ghijselbrecht Tancmar
+zonder den verschuldigden eerbied? Mher Ghijselbrecht is ridder; wij
+zijn lijfeigene lieden,--slaven."
+
+"Ja, ja, slaven!" herhaalde de jonge Brigitta met eenen diepen zucht.
+
+"En omdat gij zoo stout van eenen edelgeboren man durft spreken, heeft
+uwe taal jonkver Placida diep gekwetst. Zij bestrafte u met bitterheid;
+gij moet het ootmoedig verdragen."
+
+Brigitta bedwong hare stem, als vreesde zij van uit den Steen gehoord te
+kunnen worden. Fluisterend zeide zij:
+
+"Weet gij wat ik denk, Martha? Ik denk dat onze jonkvrouw liever mher
+Ghijselbrecht tot bruidegom zou hebben en dat zij nu de hand van
+Robrecht Sneloghe slechts aanvaardt omdat hare ouders het zoo willen;
+want ziet gij niet...."
+
+"Spreek stiller nog!" onderbrak de oude vrouw, met een gebaar van angst.
+"Indien men u hoorde, ongelukkige!"
+
+"Meent gij dat ik mij misgrijp? Wat denkt gij er over, Amelberga?"
+
+"Ik, ik?" stamelde het andere jonge meisje. "Ik denk dat wij beter doen
+met hoegenaamd niets te denken."
+
+"Zijn wij dan geene menschen meer?" vroeg Brigitta met eene soort van
+verontwaardiging in de oogen.
+
+"Eilaas, ja", was het antwoord, "maar ik weet nog dat ik, voor drie
+jaren, eens door eenige stoute woorden liet hooren dat ik zulks
+geloofde. Ik zeide tot onze jonkvrouw, die mij al te ruw toesprak, dat
+ik mensch en Christen was evenals zij. Weet gij welk antwoord zij mij
+gaf?"
+
+"Geen minzaam antwoord, dit is begrijpelijk."
+
+"Zij deed mij door de schalken op den Neerhof zoo wreedelijk met roeden
+geeselen, dat het bloed mij van de schouders liep."
+
+"Wee, wee, moest mij zulken hoon geschieden", kreet Brigitta
+
+"Gij zoudt het verdragen evenals Amelberga", bemerkte de oude vrouw.
+
+"Maar wat zoudt gij doen, Brigitta?"
+
+"Ik zou alle voedsel weigeren totdat de honger of de schaamte mij deed
+sterven. Reeds meer dan eens heb ik er aan gedacht. Wees zeker, ik zou
+zulke mishandeling niet lang overleven."
+
+"Nu, nu, dit is al grootspraak", schertste Amelberga, "zulke taal in den
+mond eener lijfeigene!"
+
+"Ja, gij kunt het niet begrijpen", wedervoer Brigitta. "Beiden zijt gij
+in slavernij geboren, op een leen dat onze heer omtrent Aalst in
+Zeizers-Vlaanderen bezit; maar ik kwam ter wereld omtrent Loo, in het
+Land der Kerels, en ik ben eene Kerlinne geweest."
+
+"Wat doet het, vermits er insgelijks dienstbare Kerels zijn?"
+
+"Die zijn er niet, Martha. Wie zijne vrijheid verliest houdt op Kerel te
+zijn."
+
+"Dan heeft waarschijnlijk uw vader zich verkocht, of de straf eener
+misdaad bracht hem in slavernij", bemerkte Amelberga met eenen
+twijfellach op de lippen.
+
+"Ik vergeef u den spot, omdat gij onzer gewoonten onwetend zijt",
+wedervoer Brigitta. "Vermits wij hier nu alleen zijn en vrij kunnen
+kouten tusschen den arbeid, laat mij u de zaak uitleggen en gij zult
+begrijpen waarom er nog eenige fierheid in mijn bloed overblijft. Mijn
+vader heette Warnfried; hij woonde in Kerlingaland en was een vrij man;
+als eigenaar van eene hut en van eenen akker, was hij lid van het Gilde
+en had stemrecht in de vergadering van het Ambacht. Voor alle maagschap
+had hij eenen neef, evenals hij. Deze neef werd de oorzaak van ons aller
+ongeluk. Op een plechtig Gildenmaal te Loo, door het drinken van
+hoppebier verhit, geraakte hij in twist met eenen anderen Kerel en
+bracht met zijne schermzeis--dit is een zwaard--zijnen tegenstrever
+eenen zoo noodlottigen slag toe dat hij er van stierf. De talrijke
+bloedverwanten van den overledene zouden onzen neef en mijnen vader
+gedood hebben, zooals het recht en de plicht der _Veete_ het hun
+oplegden. Evenwel, zij gaven ons vrede en aanvaardden den zoen; maar het
+zoengeld dat zij eischten was zoo aanzienlijk, dat alwat mijn vader en
+zijn neef bezaten nauwelijks toereikend was om het te betalen[25]. Mijn
+vader bleef dan zijne hut bewonen, niet meer als eigenaar, maar als
+vrijlaat, zittende op een anders goed. Weinig tijds daarna, in den
+Houthulst op jacht zijnde, werd hij, eilaas, door een everzwijn zoo
+deerlijk gewond, dat men hem ter plaatse dood vond. Nu bleef mijne
+moeder alleen met drie onmondige meisjes, zonder maagschap en zonder
+eenen enkelen verdediger. Door wanhoop gedreven, reisde zij met mij en
+mijne kleine zusters naar het klooster ten Nonnenbosch, bij Yperen, en
+gaf zich zelve en hare kinderen tot lijfeigenen van het klooster aan de
+Priorine[26]. Zoo ben ik, zonder mijn toedoen, van vrijgeborene Kerlinne
+in eeuwige dienstbaarheid vervallen. Ten Nonnenbossche heeft men mij wel
+behandeld en mij veel schoon werk geleerd. Mijne arme moeder, die nu bij
+den Heer is, beschuldig ik insgelijks niet; maar de vrijheid, ziet gij,
+is een kostbaardere schat dan het leven; en wat moeite ik er ook toe
+inspanne, ik kan mij aan de dienstbaarheid niet gewennen."
+
+Er bleef eene wijl stilte.
+
+"Alzoo, gij zijt waarlijk vrij geweest?" murmelde Martha.
+
+"Gij hoort het wel. Wat ik zeg is enkel waarheid. Toen onze jonkver
+Placida den wensch had uitgedrukt om eene jonge huismeid te vinden die
+handig was in naai- en stikwerk, heeft haar heer vader mij afgekocht van
+het klooster ten Nonnenbosche, en zoo ben ik nu zijne lijfeigene
+geworden."
+
+"Maar wat kon uwe moeder anders doen?" bemerkte Amelberga. "In alle
+geval zoudt gij de dienaresse van vreemden geworden zijn en uwe vrijheid
+verloren hebben."
+
+"Daarin bedriegt gij u", was het antwoord. "Zijn er onvrije menschen in
+Kerlingaland, dezen wonen op de leenen der heeren. De Kerels in de
+Ambachten kennen geene slaven. Hunne huisdienaars zijn ook vrije
+menschen die aan denzelfden disch eten met degenen voor wie zij werken.
+Men noemt ze niet dienaars of schalken, maar _gezellen_, en zij gaan en
+komen en verhuren hunnen arbeid waar en aan wien zij willen. Het eenig
+onderscheid bestaat daarin dat men een grondeigendom, hoe gering ook,
+moet bezitten om stemrecht in de vergadering te hebben[27]. Ware ik vrij
+gebleven, ik hadde gemakkelijk eenen Kerel tot bruidegom gevonden.
+Indien mijn man geen stuk grond bezat, zouden wij jaren gearbeid hebben
+om er een te koopen. Dan hadde ik gewoond in onze eigene hut, op onze
+eigene aarde, vrij en trotsch als de edelste jonkvrouw van Vlaanderen.
+Begrijpt gij dat ik de noodlottige daad mijner moeder betreur, en
+moeilijk de schaamte verkrop wanneer men mij toespreekt alsof ik zelf
+geen mensch was?"
+
+"Ja, en nu begrijp ik insgelijks waarom gij zulke voorliefde voor mher
+Robrecht Sneloghe toont, terwijl gij van mher Ghijselbrecht Tancmar met
+weinig eerbied spreekt", zeide de oude Martha.
+
+"Is het niet met reden?" antwoordde Brigitta. "Mher Robrecht is veel
+rijker dan mher Ghijselbrecht; hij is schooner van gelaat, zachter van
+gemoed en daarbij minzaam met iedereen, zelfs met ons. Hij is slechts
+driemaal hier geweest en heeft telkens ons gegroet. Zou Ghijselbrecht
+Tancmar zulks doen?"
+
+"Dit is evenwel niet wat ik wil zeggen, Brigitta."
+
+"Wat dan, Martha?"
+
+"Het bloed spreekt in u."
+
+"Ik begrijp u niet."
+
+"Ik zal u dan iets zeggen, Brigitta, dat gij niet weet. Robrecht
+Sneloghe is een Kerel geweest."
+
+"Onmogelijk. Wie Kerel geboren is blijft het zoolang hij zijne vrijheid
+behoudt."
+
+"En wanneer men wil ophouden Kerel te zijn?"
+
+"Men kan dit niet, Martha. Men is door eenen onverbreekbaren band aan
+het Gilde verbonden."
+
+"Welnu, zijn vader, vroeger kastelein van Brugge, was een Kerel, in het
+Veurne-Ambacht geboren. Mher Robrecht zelf, meen ik, kwam ter wereld te
+Eggewaardskapelle, waar hij nu nog vele goederen bezit."
+
+"Dan is mher Robrecht insgelijks een Kerel!" riep Brigitta met
+blijdschap uit.
+
+"Dat hij het nog is, geloof ik zeker niet", ging Martha voort, "maar
+indien gij dit alles niet wist, dan heeft wel werkelijk het bloed in u
+gesproken, Brigitta."
+
+"Inderdaad, het is wel mogelijk.... Ach, Martha, ik smeek u, beloof mij
+iets! Gij kunt veel op onze jonkvrouw. Raad haar aan mij met zich te
+nemen als zij, na haar huwelijk, dezen Steen verlaat. Wie weet of zij
+niet in Kerlingaland zal wonen? Zoo, met mher Robrecht, met eenen Kerel
+tot meester, zal ik mij gelukkig achten; de dienstbaarheid zal mij
+lichter wezen en ik zal mij misschien in mijn lot.... Stil! daar is onze
+jonkvrouw met mher Robrecht...."
+
+De vrouwen stonden op en bogen ten teeken van eerbied het hoofd, doch
+schouwden tersluips naar hunne naderende meesters.
+
+Bovenal hielden zij met bewondering en nieuwsgierigheid den blik
+gevestigd op een kostbaar juweel van Oostersche parelen en groene
+smaragden, dat aan den hals der jonkvrouw glinsterde en, met een kruis
+van vuurroode robijnen, tot op hare borst nederhing. Zij twijfelden niet
+of dit moest de aanvaarde gift van haren verloofde zijn. Het huwelijk
+zou dus binnen eenige weken worden gevierd!
+
+Placida Van Woumen kon twintig jaar oud zijn. Zij was rijzig van
+gestalte en hield hals en hoofd zeer rechtop. Dit gaf haar een voorkomen
+van trotschheid, dat nog versterkt werd door den tragen, statigen blik
+harer oogen. Het blonde haar dat, evenals bij alle ongehuwde vrouwen,
+haar in lange lokken over de schouders golfde, was boven haar hoofd met
+eenen gouden band bevestigd. Gansch in witte zijde was zij gekleed.
+
+Men zou gezegd hebben dat zij insgelijks tot het aanvaarden van dit
+huwelijk zekeren dwang onderging, of, ten minste, met volledige
+onverschilligheid zich aan den wensch harer ouders had onderworpen; want
+zij antwoordde slechts met korte bevestigende woorden op de hoofsche
+gezegden van Robrecht, en haar gelaat, alhoewel het geene teekens van
+ontevredenheid toonde, bleef onbewogen en koel.
+
+Achter de jongelieden kwam Rijkaard Van Woumen met zijne echtgenoote,
+Ver Aldegunda.
+
+Eenige dienaars of schalken volgden hen met leunstoelen.
+
+Op een teeken van mher Rijkaard verliet de oude Martha met hare beide
+gezellinnen den tuin.
+
+De leunstoelen werden onder eenen hoogen lindeboom geschikt. Elk nam
+plaats, en men zettede het afgesproken gesprek voort, terwijl een oude
+schalk en een jonge knaap bij de achterdeur van den Steen bleven staan
+om elk bevel der meesters te ontvangen.
+
+"Alzoo, mher Sneloghe", vroeg Placida's vader, "het is wel besloten,
+niet waar, dat gij Ravenschoot tot zomerverblijf zult kiezen? Deze
+burcht staat niet verre van Brugge. Het zou ons pijnlijk vallen van onze
+eenige dochter door eenen grooten afstand gescheiden te blijven; maar op
+zulke wijze zal het zijn alsof zij ons niet had verlaten."
+
+"O, mijne lieve Placida", riep Ver Aldegunda uit, als wilde zij hare
+dochter tot blijdschap opwekken, "Ravenschoot is zulk schoon landgoed,
+dat het geroemd wordt in gansch Vlaanderen om zijne lustige boomgaarden,
+waranden en tuinen! Het is tevens zeer uitgestrekt en heeft groene
+weiden en wildrijke bosschen. Ik ken het wel: toen mher Robrechts moeder
+en ik nog kinderen waren, heb ik dikwijls op Ravenschoot gespeeld. Wie
+hadde dan kunnen denken dat mijne dochter, mijne lieve Placida, eens
+daar als meesteresse den sleutelbosch zou dragen! Zijt gij niet
+vroolijk daarom, Placida?"
+
+"Ja, moeder", antwoordde de jonkvrouw. "Ik weet sedert lang dat geen
+landgoed zoo schoon als Ravenschoot rondom Brugge ligt; maar wat mij
+meest verheugd is toch dat ik u bijna dagelijks zal kunnen zien en
+omhelzen."
+
+"Die goede Placida!" zuchtte Ver Aldegunda ontroerd.
+
+"Ik had een oogenblik gevreesd", zeide mher Rijkaard tot zijnen
+toekomenden schoonzoon, "dat gij lust kondet hebben om van het landgoed
+te Houthem uw zomerverblijf te maken. Het is wel een aanzienlijk
+eigendom, maar veel minder toch dan Ravenschoot, en het ligt bij Veurne,
+zoo verre van Brugge!"
+
+Robrecht had het hoofd gebogen en scheen in gepeinzen verzonken.
+Daarover verwonderd, aanschouwden Rijkaard en zijne vrouw den jongen
+ridder met kommer.
+
+Na eene korte stilte vroeg Placida's vader:
+
+"Gij zijt zoo droomachtig, mher Sneloghe?"
+
+Robrecht hief het hoofd op, sloeg met eenen glimlach den blik op Placida
+en zeide:
+
+"Ja, mij boezemt de Heer eene goede gedachte in. Ik meende ze verborgen
+te houden tot den dag na ons huwelijk; maar dewijl jonkver Placida zoo
+minzaam mijne beloftegift heeft aanvaard, voel ik mij aangedreven tot
+onbescheidenheid. Volgens de overeenkomst tusschen u, mher Van Woumen,
+en mijnen oom, den proost van St-Donaas, gesloten, zal ik mijner bruid
+het landgoed te Houthem als morgengave[28] in vollen eigendom schenken,
+niet waar?"
+
+"Zoo is het inderdaad tusschen ons bepaald geworden."
+
+"Welnu, ik ben overtuigd dat de heer proost en geheel mijne maagschap
+mijn nieuw besluit zullen goedkeuren. Niet Houthem, maar wel het schoone
+Ravenschoot zal de morgengave mijner bruid zijn. Zoo wone dan mijne
+echtgenoote met mij op haar persoonlijk eigendom."
+
+Placida's oogen glansden van ware blijdschap en van hoogmoed; hare
+ouders juichten luid. Ravenschoot was inderdaad zulk uitgestrekt goed,
+dat het alleen den rijkdom van een ridderlijk huisgezin kon uitmaken.
+
+Terwijl men nog bezig was met Eobrecht om zijne vrijgevigheid te roemen
+en hij betuigde dat hij, zooveel het hem mogelijk was, alles wilde
+inspannen om zijne vrouw gelukkig te maken en vereerd te zien, naderde
+de knaap die tot dan bij de deur had gestaan.
+
+
+[Illustratie: ... Robrecht hief het hoofd op. (bladz. 64)]
+
+
+"Heer", zeide hij tot Van Woumen, "er is een ridder in de zaal; hij
+verlangt u te spreken."
+
+"Ik heb nu geenen tijd", mompelde Rijkaard ontevreden. "Verzoek hem na
+den middag te willen wederkeeren."
+
+De knaap trok de schouders op, als wilde hij betuigen dat zulke
+boodschap moeilijk was.
+
+"Wie is dan deze ontijdige bezoeker?" vroeg zijn meester.
+
+"De hofraadsheer Tancmar Van Straten", was het antwoord.
+
+Mher Rijkaard stond met verrassing op.
+
+"Tancmar? 's Graven raadsheer?" herhaalde hij. Zou hij waarlijk van het
+leger teruggekeerd zijn? Zeker, hij brengt belangrijk nieuws.... Nu,
+Aldegunda, blijf intusschen met onze jongelieden nog wat kouten. Ik keer
+zoo spoedig mogelijk tot u weder."
+
+Deze woorden sprekende, begaf hij zich naar den Steen en trad in eene
+groote zaal, waar hij een reeds bejaarden ridder, die hem met bewijzen
+van vriendschap te gemoet kwam, de handen hartelijk drukte.
+
+Na de eerste grotenissen gewisseld te hebben, zeide Rijkaard:
+
+"Zoo, zoo, mher Tancmar, gij zijt terug van den oorlog?"
+
+"Niet voor goed, vriend Van Woumen", was het antwoord. "Ons leger blijft
+nog te Atrecht; maar de graaf komt overmorgen naar Brugge."
+
+"Onze graaf komt overmorgen te Brugge?"
+
+"Ja. Op mijn verzoek heeft hij mij met Walter Van Lokeren afgezonden om
+zijnen voornamen leenhouders de tijding zijner komst te brengen; want
+hij verlangt met plecht te worden onthaald, om reden dat eenige Fransche
+ridders hem zullen vergezellen, onder anderen de jonge Willem van
+Normandie, 's konings gunsteling. Gij zult niet nalaten, mher Rijkaard,
+onzen graaf te gemoet te gaan?"
+
+"Zeker niet; ik zal mijnen plicht als trouw vazal met blijdschap
+vervullen. Maar hoe komt het dat gij zoo onverwachts uit Frankrijk
+terugkeert? Is de oorlog ten einde?"
+
+"De vrede is gesloten."
+
+"En zal onze heer graaf nu voor goed in Brugge blijven?"
+
+"Nog niet. Hij zal insgelijks te Yperen eene plechtige intrede doen en
+keert dan onmiddellijk weder naar het leger.... Maar zeg mij, mher Van
+Woumen, ik heb in Brugge iets vernomen, zoo verrassend en zoo
+ongeloofelijk, dat ik nog zou twijfelen, al verzekerdet gij zelf het
+mij...."
+
+Het gelaat van Rijkaard werd streng en mistrouwend. Hij voorzag waarover
+Tancmar hem ging onderhouden.
+
+"Aangaande mher Robrecht Sneloghe?" murmelde hij.
+
+"Inderdaad; men zeide mij dat er spraak is van een huwelijk tusschen
+uwe dochter en mher Sneloghe."
+
+"Men heeft u niet bedrogen", wedervoer Bijkaard met fierheid, als
+wapende hij zich op voorhand tegen eene waarschijnlijke aanvechting.
+"Dit huwelijk is besloten."
+
+"Besloten?" riep Tancmar.
+
+"De beloftegift is dezen morgen aanvaard; nog eene maand en het zal
+voltrokken worden."
+
+"Ik geloof het niet, mehr Van Woumen."
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat de graaf zelf desnoods het u zal afraden; en gij, vriend
+Rijkaard, zoudt wel zeker zijnen raad volgen, tenzij gij voorgenomen
+haddet, evenals de Kerels, juist dat te doen wat den vorst kan
+mishagen."
+
+"De graaf weet niets van het ontworpen huwelijk. Gij zijt het dus die
+hem daartoe zoudt aandrijven?"
+
+"Ik of anderen uwer vrienden, uit genegenheid voor u, in het belang uwer
+dochter en voor de eer van uwen naam."
+
+"Waarlijk, ik begrijp niet wat gij wilt zeggen", riep Rijkaard met
+spijtig ongeduld. "Robrecht Sneloghe is uiterst rijk, een volmaakt
+ridder, hoofsch, edelmoedig, goed van harte en door iedereen geacht en
+bemind. Zijn vader, die met onzen heer graaf ter kruisvaart trok, heeft
+zich in het Heilige Land door zijne dapperheid vermaard gemaakt."
+
+"Sneloghe is een Erembald, mijn vriend."
+
+"Welnu, wat geeft dit?"
+
+"De Erembalds zijn Kerels."
+
+"Meent gij dan dat ik zulks niet weet?" morde Rijkaard Van Woumen.
+
+"Eilaas, eenen goeden vriend blindelings de oneer voor zijn geslacht
+zien aanvaarden, het is pijnlijk!" zuchtte Tancmar.
+
+"Maar welke oneer toch? Omdat Robrecht een Kerel is? Ik weet het, mher
+Tancmar, gij haat de Kerels en bovenal de Erembalds. Mij verwondert het
+dat gij Robrecht Sneloghe niet reeds een Blauwvoet hebt genoemd; maar
+Blauwvoet, Isegrim, het zijn scheldwoorden, die niets voortbrengen dan
+haat en twist. Mij is een vrije Kerel even waardig als een edelgeboren
+ridder."
+
+"Maar de Kerels kunnen niet vrij blijven", wedersprak de hofraadsheer
+met nadruk. "Niets kan hen tegen de dienstbaarheid behoeden; het is
+slechts eene zaak van tijd."
+
+"Hoe meent gij het?"
+
+"Wel ja, mijn vriend; laat ons vooronderstellen dat de Kerels, van de
+barbaarsche tijden af, vrije lieden zijn geweest, zooals overigens al de
+barbaren, die naar het zuiden afzakken, de Romeinen uit Gallie, dat is
+uit Frankrijk, hebben verdreven. Nu toch, door verloop der eeuwen en
+door de meerdere beschaving der wereld, heeft in Frankrijk, in
+Duitschland, in Italie en zelfs in het grootste gedeelte van Vlaanderen
+het volk zijne vrijheid verloren en zijn de dorpers, arbeiders en alle
+laaggeboren lieden den heeren en edelen ondergeschikt en dienstbaar
+gemaakt. Meent gij dat de Kerels, zoo weinig sterk als afzonderlijk
+volk, alleen wetten en inrichtingen zouden kunnen behouden, die de
+gansche ridderschap moet aanzien als eene inbreuk op de vorstelijke
+macht en op de overheid die den edelgeborenen toebehoort?"
+
+"Maar het is nu misschien sedert twee eeuwen dat de Kerels hunne
+vrijheid te verdedigen hadden", bemerkte Rijkaard. "Mij dunkt, dat ze
+daardoor niet zijn verzwakt."
+
+"Inderdaad, maar nu nadert wel zeker hun einde. Tot den dag van heden
+bestond onder de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen veel
+verdeeldheid. Zij hadden geen hoofd, dat hen kon leiden en gebieden. Dit
+hoofd is nu de machtige en gevreesde koning van Frankrijk. Zoo, aan een
+opperhoofd gehoorzamende, zal de ridderschap, door hare eendracht
+alleen, elke zucht naar onafhankelijkheid verstikken, die ergens uit den
+schoot van het dorpere volk mocht opstijgen; en waar nog iets van de
+oude vrijheid der onedelgeborenen overblijft, daar zullen wij deze
+laatste sporen der barbaarsche wetten onmeedoogend vernietigen. Het is
+te zeggen dat de Kerels welhaast tot de dienstbaarheid zullen worden
+gedwongen."
+
+"En zijt gij voornemens dit doel met geweld pogen te bereiken?"
+
+"Met list en geweld."
+
+"Maar het is eene schandelijke valschheid!" riep Rijkaard met
+verontwaardiging uit. "Gij en de andere ridders, de graaf zelf, hebt
+voor uw vertrek de Kerels laten gelooven dat men hun voortaan hunne
+vrijheid niet meer zou betwisten!"
+
+"Wanneer men naar verre streken ten oorlog trekt, moet men den vrede
+achter zich in het land laten", antwoordde Tancmar met eenen slimmen
+glimlach.
+
+"En nu zou onze heer graaf de Kerels bedriegen?"
+
+"Neen; dat zulks voor alsnu ten minste zijn inzicht zij, zou ik niet
+durven beweren. Maar vergeet niet dat onze heer graaf eenen heimelijken
+wrok tegen de Kerels in het hart draagt, omdat vele Ambachten en zelfs
+eenige Erembalds, in den oorlog voor de Kroon, Willem van Loo tegen hem
+hebben geholpen. Hij wenscht daarom insgelijks de Kerels onderjukt te
+zien; maar hij hoopt mettertijd en zonder bloedstorting allengs dit doel
+te bereiken. Laat de Kerels iets bedrijven dat onzen graaf bijzonder
+mishaagt,--wij zullen er voor zorgen,--dan zal hij onmiddellijk doen wat
+de koning van Frankrijk en wat al de ridders hem raden, dit is te zeggen
+de Kerels verpletten en voor altijd in dienstbaarheid slaan."
+
+"De Kerels verpletten?" herhaalde Rijkaard. "Het is zoo gemakkelijk
+niet. Welk ijselijk bloedbad!"
+
+"Neen, geen bloedbad, mijn vriend. Weet gij wel dat wij, Vlaamsche
+ridders, met onze wapenknechten, in het Fransche leger wel tienduizend
+sterk zijn[29]? Wat zouden de Kerels kunnen doen, indien eene macht van
+tienduizend krijgslieden in de Ambachten verscheen, om daar al te
+verpletteren wat weerstand zou durven bieden? En ware dit ontoereikend,
+is geheel het Fransche leger niet daar om ons te helpen."
+
+"Het Fransche leger zou u helpen tegen de Kerels?"
+
+"Ja, zeker."
+
+"Maar onze heer graaf zou het beletten."
+
+"Nu misschien, inderdaad; maar wij kennen zoovele middelen om de Kerels
+tot onvoorzichtigheid aan te drijven en den graaf tegen hen verbolgen te
+maken!... Kom, kom, mijn vriend Rijkaard, het is ten einde met de
+Kerels. Geen grond zonder heer. De Kerels zullen den graaf dienstbaar
+gemaakt worden, en willen die vermaledijde Blauwvoeten den nek onder het
+juk niet buigen, welnu, dan zal men ze vernietigen en hun land met een
+min onplooibaar ras bevolken."
+
+Rijkaard Van Woumen schouwde ten gronde en schudde kommervol het hoofd.
+
+"Ha, ik wist wel dat gij eindelijk den afgrond zoudt erkennen waarin
+gij, door onwetendheid der zaken, u en uw onnoozel kind ging storten!"
+riep Tancmar zegevierend uit. "Laat ons nu vooronderstellen dat jonkver
+Placida met Robrecht Sneloghe getrouwd zij, op het oogenblik dat de
+Kerels tot den staat van onvrije lieden worden verlaagd. Uwe dochter zou
+dus het lot van het veroordeeld geslacht moeten deelen? Gij zelf zoudt
+in dezen strijd de zijde der Kerels moeten kiezen tegen den graaf en
+tegen de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen. De banden des bloeds
+zouden u er toe verplichten; want gij zoudt van der Keerlen maagschap
+zijn."
+
+"Veroordeeld geslacht? De Erembalds?" mompelde Rijkaard verschrikt.
+"Meent gij macht genoeg op den graaf te hebben om hem de Erembalds in de
+vervolving te doen begrijpen?"
+
+"Ik twijfel er niet aan", was het vaste antwoord. "Er is in alle
+gebeurtenissen eene natuurlijke volgorde die mij het recht geeft te
+denken dat de Erembalds in den val der Kerels zullen begrepen worden."
+
+"Gij brengt mij in erge verlegenheid, mehr Tancmar."
+
+"Maar neen, de zaak is eenvoudig. Zoek het een of ander voorwendsel om
+mehr Sneloghe af te wijzen. Willen de Erembalds zich daarover wreken, ik
+beloof u niet alleen de hulp van al de ridders, maar tevens de
+bijzondere bescherming van den graaf. Gij zult gemakkelijk eenen even
+voordeeligen bruidegom voor uwe dochter vinden ... Mijnen zoon
+Ghijselbrecht, bijvoorbeeld. Hij geniet 's vorsten gunst in hooge maat."
+
+"Ghijselbrecht, uwen zoon?" herhaalde Rijkaard met eenen schertsenden
+glimlach.
+
+"Ik weet dat gij hem niet genegen zijt", zeide Tancmar, "maar bij
+bemint jonkver Placida en zij zou hem gewillig tot echtgenoot
+aanvaarden."
+
+"Is het daarom dat gij hare huwelijksbelofte met Sneloghe poogt te
+verbreken?" morde Van Woumen.
+
+"Ho, neen, spreken wij er niet meer van. Later zult gij rechtvaardiger
+jegens hem worden. Nu, zeg mij, vriend Rijkaard, blijft gij waarlijk bij
+uw voornemen uwe dochter in een geslacht te doen treden dat eerlang tot
+den slavenstaat kan gedompeld worden?"
+
+"Het is eene erge zaak!" zuchtte Van Woumen. "Ik wil daarover nu niets
+beslissen. Er blijft nog tijds genoeg over ons er op na te denken."
+
+"Inderdaad; maar ik ben toch zeker van uw besluit. Overmorgen zullen
+velen uwer beste vrienden met den graaf in Brugge komen. Ondervraag hen;
+gij zult overtuigd worden dat ik uit plichtgevoel nog veel van de
+waarheid u heb verzwegen ... Nu moet ik u verlaten; mijn tijd is
+kostelijk: ik heb nog veel te bezorgen. Indien gij onzen vriend Walter
+Van Lokeren wenscht te zien, gij zult hem ten mijnent vinden tot verre
+op den namiddag."
+
+"Ik zal komen", murmelde Rijkaard in gedachten, "ja, ik zal komen."
+
+Beiden verlieten de zaal en stapten over den neerhof.
+
+Tancmar bleef eene wijl staan en zeide tot Rijkaard met teruggehouden
+stem:
+
+"Als de Kerels onderjukt zijn, worden al hunne eigendommen tot gronden
+der kroon verklaard. Overweeg, mijn vriend, dat, buiten eenige leenen,
+de Kerels geheel het land der Ambachten bezitten, van Grevelinghe af tot
+op de eilanden in de mondingen der Schelde. Dit schoon en rijk gewest
+zal dus door den graaf in leenen worden verdeeld en weggeschonken aan de
+ridders die 's vorsten gunst genieten. Onze graaf bemint u zeer
+uithoofde der vorige diensten welke gij hem hebt bewezen. Gij zult toch
+de kans om uwe erfgoederen aanzienlijk te vergrooten niet willen
+vernietigen ... Nu, vaarwel, tot dezen namiddag. Overweeg met wijsheid;
+want het lot uwer eenige dochter en de eer van uw geslacht hangen van de
+beslissing die gij zult nemen." Onder het uitspreken dezer woorden was
+hij tot de poort genaderd. Hij drukte nu de hand van zijnen gezel en
+verliet sher Rijkaards Steen.
+
+Placida's vader keerde terug tot de zaal en liet zich daar op eenen
+stoel nederzakken. Hij legde zich de hand op het voorhoofd schouwde eene
+wijl denkend ten gronde en murmelde dan:
+
+"Arme Kerels! Zij arbeiden in vertrouwen, zij bevaren de zee, zij
+beploegen den grond, zij weven, zij drijven handel, zij openen zoo voor
+Vlaanderen de bronnen van welvaart en rijkdom, terwijl heerschzuchtige
+lieden hunnen ondergang smeden!... Tancmar is de geboren vijand der
+Erembalds en, om dezer macht te breken wenscht hij de Kerels onderjukt
+te zien. Maar onze graaf zal zijne kroon aan de uitvoering dezer
+onrechtvaardige ontwerpen niet gaan wagen. Hij is een wijs en edelmoedig
+vorst ... Evenwel, wie weet, eilaas, welke gedachten de koning hem kan
+hebben ingeboezemd De Fransche ridders begrijpen niet dat geheel een
+volk uit vrije mannen kan bestaan. De geest van onafhankelijkheid, dien
+de Kerels tegenover elkeen, zelfs tegenover den vorst toonen behaagt
+onzen graaf niet ... Zoo Tancmar mij de waarheid had gezegd? Ik ben
+vader: mijn kind mag ik niet opofferen ... Maar indien Tancmar mij had
+bedrogen? Droeve onzekerheid!"
+
+Hij stond op en begaf zich met tragen stap naar den tuin, intusschen
+zeer bezorgd om te weten welke houding hij nu jegens Robrecht Sneloghe
+zou aannemen; maar bij geluk vond hij den jongen ridder bezig met eene
+groetenis uit te spreken, om voor dien dag afscheid van zijne verloofde
+te nemen. Hij meende te bemerken dat, terwijl Robrecht tot vaarwel
+Placida de hand drukte, zijne dochter haren toekomenden echtgenoot eenen
+blik toestuurde vol teedere minzaamheid. Dit gezicht bedroefde hem nu,
+om reden dat de liefde, indien zij met zekere innigheid tusschen de
+jongelieden ontstond, hem het te nemen besluit oneindig moeielijker zou
+maken, in geval hij zich gedwongen zag voor het geluk van zijn kind bet
+ontworpen huwelijk te breken.
+
+Tot Robrecht naderende, zeide hij:
+
+"Gij verlaat ons, mijn vriend? Het is waar, gij zijt reeds een paar uren
+hier, en er zijn tijdingen gekomen die van elk onzer eenige werkzaamheid
+eischen. Gij weet ongetwijfeld reeds dat onze heer graaf overmorgen in
+Brugge komt?"
+
+"Ja, mher Van Woumen, ik weet het", was bet antwoord. "Zooals gij zegt,
+deze komst legt ons zekere plichten op die niemand onzer mag verzuimen.
+Wij moeten onzen vorst eene schitterende intrede bereiden."
+
+Op de vraag van Placida en hare moeder, gaf Rijkaard eenige uitleggingen
+over het bericht dat des graven raadsheer hem had gebracht. Dan zeide
+hij:
+
+"Ik moet ten gevolge dezer tijding onmiddellijk uitgaan. Indien Robrecht
+mij een eind weegs wil vergezellen?"
+
+De jonge ridder herhaalde zijnen afscheidsgroet en volgde, zonder meer
+te spreken, Rijkaard Van Woumen tot in de Naaldestraat.
+
+Dit stilzwijgen scheen Placida's vader te hinderen. Hij vroeg dan, als
+om toch iets te zeggen:
+
+"Wat benevelt dan uwen geest, mijn vriend? Gij zijt zwaarmoedig"
+
+"Ik zwaarmoedig?" mompelde Robrecht, uit eene diepe mijmering
+opschietende. "Ho neen, heer, ik dacht aan de onverwachte terugkomst van
+onzen heer graaf."
+
+"Indien ik wel onderricht ben, dan zou inderdaad de terugkeer van onzen
+vorst niet even verblijdend zijn voor al de lieden van Vlaanderen. Weet
+gij iets van zekere onrustwekkende geruchten?"
+
+En onder het uiten dezer woorden bezag hij mher Sneloghe aandachtig.
+
+"Onrustwekkende geruchten?" herhaalde deze, in twijfel het hoofd
+schuddende.
+
+"Ah, God dank, men zal mij bedrogen hebben!" juichte Rijkaard.
+
+"Meent gij misschien de geruchten volgens welke de Isegrims zouden
+voornemens zijn de Kerels opnieuw te verontrusten en te vervolgen,
+zoohaast het leger in Vlaanderen wederkeert?"
+
+"Ja, mijn vriend."
+
+"Mijn oom, de proost, moet er iets van weten; want hij sprak mij er van
+met treurnis en spijt."
+
+"Het zou dus waar zijn?" kreet Rijkaard. "De proost sprak er van met
+treurnis? Hij vreest dus dat men er in gelukke den Kerels het juk der
+dienstbaarheid op te leggen?"
+
+"Ho, neen, dit kan een Erembald niet vreezen", wedervoer Robrecht met
+fierheid. "Niemand zal Kerlingaland onderjukken; maar mijn oom treurt
+bij het gepeins dat alweder duizenden Christenen gaan sterven om hunne
+bedreigde vrijheid te verdedigen."
+
+"Zouden de Erembalds zich waarlijk de zaak der Kerels aantrekken?"
+
+"Daaraan kunt gij niet twijfelen, heer. Wij, zonen van Erembald zijn
+Kerels zoowel als de vrije lieden der Ambachten, en wij zullen tegen het
+onrecht blijven worstelen ten koste van goed en bloed, al moest ook de
+laatste onzer in dien strijd bezwijken."
+
+Deze bevestiging van Tancmars voorspelling verschrikte Rijkaard. Hij
+zeide dat hij naar de Zilverstraat moest gaan, drukte Robrecht ontsteld
+de hand en verwijderde zich.
+
+De jongeling zette met zekeren haast zijnen weg huiswaarts voort, door
+de St-Jacobsstraat; maar na eene korte wijl begon allengs zijn stap meer
+en meer te vertragen en zijn hoofd voorover te hellen, als wierd zijn
+geest bezwaard door duistere gedachten.
+
+Toen hij achter St-Christoffelskapelle kwam, bleef hij staan en keek
+aarzelend in het ronde, als wist hij niet meer welken weg hij zou
+inslaan om zich naar zijnen Steen te begeven.
+
+In stede van de Markt over te gaan, keerde hij ter linkerhand, stapte
+over de Kraanbrug en daalde eene nauwe straat af, totdat hij de
+Spiegelrei bereikte.
+
+Hier naderde hij den boord der vliet, staarde eene lange wijl in de
+diepte van het heldere water en zette dan zijne droomachtige wandeling
+voort onder de hooge olmen die de kade overlommerden.
+
+Eindelijk liet hij zich, als afgemat van denken, op eene steenen bank
+nederzakken, en bleef daar met den blik ten gronde zitten.
+
+Zijn lot was dus beslist, afdoende en voor altijd beslist! Hij had zich
+onderworpen aan de onverbiddelijke wet des plichts; hij had moed en wil
+getoond en zich jegens Palcida en hare ouders op zulke wijze gedragen
+dat zijn oom over hem moest tevreden zijn. In den eerste had deze
+overtuiging hem verblijd en getroost: maar nu die eerste worsteling was
+doorgestreden en hij zich alleen bevond met zijne gedachten, was allengs
+weder het beeld van Dakerlia in zijnen geest opgestaan. Zijne droomen
+schetsten hem nu voor de oogen het stil en gelukkig leven dat hij hadde
+gesleten indien hij tot aan het graf had mogen vereenigd blijven met de
+zoete speelgenoote zijner eerste jaren, met de teedere maagd wier beeld
+zijn hart gansch had ingenomen en het nog onverwinbaar beheerschte, hoe
+hij ook poogde, in het gevoel des plichts, krachten te vinden om het te
+verjagen. Ach, nu hij eeuwig vaarwel aan den schoonsten droom zijner
+ziel had gezegd, nu las hij met klaarheid in zijnen eigen boezem, nu kon
+hij afmeten wat hij had verloren en welke schrikkelijke opoffering het
+noodlot hem had afgedwongen! Zijne goede zuster Witta, de arme weeze,
+welk zou voortaan haar lot zijn? Met de trotsche Placida zou zij niet
+lang kunnen wonen zonder zich vernederd te gevoelen. Zij zou dus
+heengaan en bij magen of vreemden eene toevlucht tegen de droeve
+eenzaamheid moeten zoeken. Met Dakerlia hadde zij aan de zijde eener
+zoete vriendin, eener teedere zuster geleefd. Welk huisgezin ware op de
+gansche wereld gelukkiger geweest? Een hemel van genegenheid, van
+vriendschap en van liefde! En nu, wat zou het zijn?... Maar er was niet
+op terug te keeren. Zijn hart bloedde en stortte nog eens zijne treurnis
+uit. Voor de laatste maal! Hij was man en zou zijnen plicht vervullen.
+Het beeld van Dakerlia zou hij uit zijn hart rukken, zijn vorig leven
+vergeten, en pogen gansch en oprecht de echtgenoote te beminnen die het
+lot hem had gegeven.
+
+Dit waren de gepeinzen van den lijdenden jongeling, daar hij onder de
+boomen, op de steenen bank, gansch bewusteloos van het overige der
+wereld, eenen smartelijken strijd tegen zijn eigen hart voerde.
+
+Bij het einde dezer overweging ontsnapte hem een diepe zucht, en nog
+meer helde zijn hoofd voorover onder het gewicht der smart.
+
+Terwijl hij daar beweegloos zat, naderde van den kant der Engelsche
+straat een ander ridder. Zoohaast deze mher Sneloghe herkende, bleef hij
+verrast staan en beschouwde hem met oogen waarin haat en nijd schenen te
+vlammen. Van dit bitter gevoel moest zijn hart overstorten; want zijne
+scherpe lippen trokken bevend tot eenen grijns te zamen.
+
+Na eene wijl dus met eene soort van booze vreugde op Robrecht te hebben
+gestaard, gaf hij zijn gelaat eene treurige, doch minzame uitdrukking en
+trad langzaam tot de steenen bank.
+
+Onder het murmelen eener groetenis zette hij zich neder met eenen diepen
+zucht en zeide:
+
+"God zij dank dat Hij mij den eenigen mensch laat ontmoeten die mij kan
+troosten. Robrecht, ik ben ongelukkig, diep ongelukkig O, mocht ik door
+u vernemen dat alle hoop mij niet is ontnomen!"
+
+"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet", mompelde mher Sneloghe.
+
+"Robrecht, wij zijn vrienden. Laat gij mij toe u iets te vragen?"
+
+"Waarom niet? Spreek vrij, Disdir."
+
+"Robrecht, Dakerlia is schoon, niet waar?"
+
+"Welke vraag! Dit weet toch iedereen."
+
+"Ik bemin haar uit al de kracht mijner ziel; zonder hare wederliefde kan
+ik niet leven."
+
+Mher Sneloghe zag hem verwonderd aan.
+
+"En Dakerlia bemint u niet?" murmelde hij. "Het is pijnlijk inderdaad."
+
+"Ha, zij zou zoo koel en zoo wreed niet voor mij blijven", kreet Disdir
+Vos met eene nijdigheid welke hij poogde te bedwingen "maar, eilaas, zij
+bemint iemand anders! Kent gij dien gelukkigen sterveling, Robrecht?"
+
+"Kom, kom, mijn vriend Disdir", antwoordde mher Sneloghe, treurig
+glimlachende, "waarom dus met linksche omwegen mij ondervragen? Wees
+openhartig. Gij wilt zeggen dat ik bet beletsel ben tot uw geluk? Heeft
+jonkver Dakerlia dit verklaard?"
+
+"Ho, neen, maar ik meende het uit hare woorden te verstaan. Zij bemint u
+wel zeker. Beken het mij, ik smeek u!"
+
+"Wat daarvan zij, Disdir, het is haar geheim."
+
+Eene zenuwtrekking schokte Disdirs leden, en een zucht ontsnapte hem.
+
+"Dit behoefde ik u niet te vragen, Robrecht", zeide hij, "ik wist het
+sedert lang. Het is eene andere vrees die mij als een venijnige worm aan
+het harte knaagt. Indien gij, Robrecht, voor Dakerlia hetzelfde gevoel
+koestert, ben ik veroordeeld tot levenslange hopeloosheid. Indien gij,
+integendeel, haar niet bemint, dan zal ik hare koelheid jegens mij wel
+overwinnen. Wees edelmoedig ik zal, indien gij het eischt, alle hoop
+verzaken en mijne liefde voor jonkver Wulf in mijnen boezem versmachten;
+maar zeg het mij oprecht: bemint gij Dakerlia, Robrecht?"
+
+Zonder het zelf te weten, knikte mher Sneloghe met het hoofd.
+
+Een somber gegrol van wanhoop ontsnapte Disdir; hij stak de hand in zijn
+kleed en neep zich de borst ten bloede, terwijl een traan van afgunst of
+van smart in zijne oogen blikkerde.
+
+"Gij hebt mij niet begrepen, Disdir", zeide Robrecht, door medelijden
+ontroerd.
+
+"Aldus gij bemint haar niet?" kreet mher Vos.
+
+"Ik heb haar inderdaad bemind ..."
+
+"O, hemel! En nu?"
+
+"Nu is die liefde door den plicht en door God zelf mij verboden Ik ga
+trouwen-"
+
+"Trouwen?"
+
+"Met Placida Van Woumen. Ik kom van sher Rijkaards Steen. Jonkver
+Placida heeft dezen morgen mijne beloftegift aanvaard. Binnen eene maand
+zal ik haar echtgenoot zijn. Mijn oom de proost heeft dit huwelijk
+bereid."
+
+"Ha, dank, dank!" murmelde Disdir. "Gij ontlast mijn hart van een
+versmachtend gewicht."
+
+"Ik geloof inderdaad, Disdir, dat mijn huwelijk met jonkver Van Woumen
+het u gemakkelijker zal maken de hand van Dakerlia te bekomen. Dit
+gezegde kwetse u niet. Gij weet dat Dakerlia bijna van kindsbeen af met
+mijne zuster Witta is opgevoed geworden. Geen wonder diensvolgens dat er
+allengs een gevoel van wederzijdsche genegenheid in ons is ontstaan,
+zonder dat wij het zelven wisten ..."
+
+"Zonder dat gij het wist?" onderbrak Disdir met eenen glim van
+blijdschap.
+
+"Slechts dezen morgen, bij de aankondiging van mijn huwelijk ontsnapte
+ons dit geheim."
+
+"En gij hadt nooit te voren uwe liefde bekend?"
+
+"Noch ik, noch zij. Geen woord had ooit deze geheime zucht onzer harten
+verraden."
+
+"Ach, bedriegt gij mij niet, Robrecht?"
+
+"Wanneer heb ik iemand bedrogen? Ik ben niet verplicht u dit alles te
+zeggen; maar ik gevoel te diep in mijnen eigen boezem wat gij moet
+lijden. Daarom poog ik u te troosten."
+
+"O, heb dank!" riep Disdir Vos, zijnen vriend de hand drukkende "Het is
+als gaaft gij mij, met de verlorene hoop, een nieuw leven weder. Durfde
+ik van uwe edelmoedige vriendschap eene weldaad afsmeeken ..."
+
+"Spreek; wat mogelijk is zal ik gaarne doen."
+
+"Indien gij bij jonkver Dakerlia eenige goede woorden ten mijnen
+voordeele wildet spreken? Naar u zal zij luisteren-"
+
+"Onmogelijk!" antwoordde Robrecht met eenen zucht, "Gij begrijpt het,
+niet waar? Als eerlijk ridder moet ik mijne toekomende echtgenoote
+eerbiedigen en mijnen plicht jegens haar vervullen Tusschen jonkver
+Dakerlia en mij mogen geene betrekkingen meer bestaan. Kan ik haar naar
+mijnen wensch geheel ontwijken, dan zal ik haar zelfs in vele maanden
+niet meer zien."
+
+"Gij hebt gelijk, ja, gij hebt groot gelijk!" juichte Disdir.
+
+Na eene wijl vroeg hij, alsof hij eene overweging voortzette:
+
+"En is uw huwelijk wel zeker vastgesteld? Er is niet meer op terug te
+komen?"
+
+"Onverbrekelijk vastgesteld, vermits jonkver Van Woumen daarop mijne
+beloftegift heeft ontvangen."
+
+"En gij verzaakt Dakerlia voor immer?"
+
+"Uwe vragen zijn stout en indringend", antwoordde Robrecht met lichte
+spijtigheid. "Ware ik nog vrij, dan zeker zou ik aan geen mensch ter
+wereld de hand van Dakerlia afstaan. Nu even wel kost het mij niets u te
+bevredigen door u te zeggen dat ik desaangaande alle hoop heb verzaakt.
+Ik wensch uiterharte dat gij gelukket; geloof mij, ik zou Dakerlia
+willen getrouwd zien."
+
+Robrecht stond op en, de hand drukkende die hem werd toegereikt zeide
+hij nog met eene uiterste goedheid:
+
+"Nu, Disdir, heb moed. Ik zal mijne zuster aanraden in uw voordeel te
+pleiten, als zij jonkver Wulf gaat bezoeken. Wat mij betreft, ik herhaal
+het u, met Dakerlia wil nog mag ik voortaan spreken. Nu, vaarwel, en
+blijf hopen."
+
+Hij verwijderde zich tusschen de boomen. Disdir Vos zag hem achterna
+met een zuren lach op de lippen.
+
+"Hij heeft haar bemind! Hij bemint haar nog!" morde hij binnensmonds.
+"En voor hem alleen klopt haar hart ... Wreede minnenijd, die mij den
+boezem verscheurt!"
+
+Robrecht verliet welhaast de Spiegelrei en trad in de Ridderstrate, ten
+einde derwelke de gulden weerhaan boven den toren van zijn Steen hem in
+de oogen blonk.
+
+Al gaande overwoog hij eerst wat Disdir hem had gezegd, doch even ras
+keerden zijne gedachten op zijn eigen lot en op het verlies van alle
+levenshoop voor hem zelven. Weder werd hij treurig, bovenal toen hij
+voorbij sher Wulfs Steen moest en het hoofd afkeerde om het gevaar te
+voorkomen van Dakerlia's blik te ontmoeten.
+
+Toen hij zijne woning had bereikt en in de zaal trad, vond hij zijne
+zuster met de handen voor de oogen zitten. Hij zag dat hare borst hijgde
+en glinsterende tranen van hare vingeren rolden.
+
+"Mijne zuster, mijne goede Witta", vroeg hij, "hoe zijt gij zoo
+bedroefd? Wat is de reden uwer smart?"
+
+"Ach, Robrecht", kreet zij, "die arme ongelukkige Dakerlia!"
+
+"Welnu? Dakerlia? Wat is haar geschied?" morde de jongeling verschrikt.
+
+"Ik heb haar de pijnlijke boodschap gebracht. Zij heeft nog niets gedaan
+dan weenen, zij gaat te werk als eene zinnelooze. Nu ligt zij te bed.
+Haar vader is niet te huis; maar de kamermeid heeft in aller haast
+gezonden om den geneesheer te halen. Zij meent dat men Dakerlia zal
+moeten aderlaten. Ik ben weggevlucht bij de komst van den geneesheer.
+Bloed, bloed van die arme Dakerlia? Ik stierve moest ik het zien!"
+
+Een traan wilde in des jongelings oogen opwellen; maar hij bedwong dit
+teeken zijner ontroering met geweld.
+
+"Ach, het is wel wreed, het lot dat ons allen treft!" klaagde Witta. "Nu
+zal Dakerlia nooit meer in onzen Steen mogen komen. Dit is de belooning
+voor hare teedere vriendschap, voor hare liefde! Eilaas, ik bezwijk van
+wanhoop bij het verlies mijner goede zuster!"
+
+"Luister, Witta", sprak Robrecht op ernstigen toon. "Het huwelijk is een
+band door God geheiligd en dien wij als Christenen verplicht zijn, tot
+in den grond van ons hart te eerbiedigen. Ik ga trouwen, Placida Van
+Woumen wordt mijne echtgenoote. Van dit oogenblik af mag ik aan Dakerlia
+niet meer denken en gij, zuster, gij moogt haren naam voor mij niet meer
+uitspreken. Begrijpt gij mij, Witta?"
+
+"Ik begrijp u, broeder", was het treurig antwoord. "Pijnlijk is de
+plicht, maar toch, gij hebt gelijk. Zwijgen zal ik. Eilaas, indien die
+arme ... Bloed laten! Het is schromelijk!"
+
+"Houd u sterk, Witta", zeide Robrecht met eene stemme die door den angst
+was verdoofd. "Ga naar sher Wulfs Steen, verneem wat daar geschiedt,
+opdat gij ten minste van de onrust wordet verlost. Ik ga op mijne kamer;
+ik heb eenzaamheid noodig. Men store mij niet, ik smeek u, zuster lief."
+
+De smart overwon hem plotseling; hij sloeg de handen voor de oogen en
+verliet met haast de zaal.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 25: Eenen moord kon men afkoopen van de erfgenamen of naaste
+bloedverwanten des vermoorden, betalende eene zekere vergoeding, welke
+men het _zoengeld_ noemde.]
+
+[Voetnoot 26: Er bestaan van dien tijd nog vele oorkonden waarbij zekere
+vrije personen zich de eene of andere abdij dienstbaar maken om hare
+bescherming te genieten.]
+
+[Voetnoot 27: Bij de Germaansche stammen moest men een grondeigendom
+bezitten om stemrecht in de vergaderingen te hebben. Dit eigendom noemde
+men eene _were_ en den bezitter eenen _weerman_.]
+
+[Voetnoot 28: _Morgengave_ was de gift welke de bruidegom zijne bruid
+moest schenken den morgen na zijn huwelijk; het was de eigenlijke
+bruidschat.]
+
+[Voetnoot 29: Zie aangaande de Vlaamsche strijdmacht, in het Fransche
+leger: SUGER, _vie de Louis V, le gros,_ in de Coll. des memoires rel. a
+l'hist. de Fr., tome VIII, pag. 126.]
+
+
+
+
+IV
+
+
+Karel van Denemarken, komende van Atrecht, over Rijssel en Kortrijk, had
+met zijn gevolg den nacht te Thourout doorgebracht, waar hem de
+gastvrijheid in het machtige klooster van St-Pieter was aangeboden
+geworden.
+
+Vele Vlaamsche ridders, waaronder ook wel eenige Erembalds of voorname
+Kerels van Brugge, waren hem hier komen vervoegen en hadden hem reeds
+hunne hulde bewezen.
+
+Wat dezen hem hadden gezegd aangaande de volstrekte rust die gedurende
+zijne lange afwezigheid in het Westelijk Vlaanderen had geheerscht, was
+hem eene bron van voldoening, en hij toonde zich zeer minzaam met
+elkeen, zelfs jegens zulke Kerels die vroeger, in den oorlog voor de
+kroon, zijnen medestrever Willem Van Loo hadden geholpen.
+
+Dien dag nog zou hij te Brugge aankomen en, volgens de hem gebrachte
+berichten, er met alle mogelijke pracht en onder de oprechtste en
+warmste toejuichingen des volks worden onthaald. Daar hij innig wenschte
+aan de Fransche ridders, die hem vergezelden, te kunnen toonen dat hij
+in zijn graafschap hoog was geeerd en algemeen bemind, stemde de
+zekerheid van zulk schitterend onthaal hem gunstig. Het was met
+zichtbare teekens van welgemoedheid dat hij, na een hartelijk ontbijt,
+te paard steeg, om aan het hoofd van zijn gevolg den weg naar Brugge in
+te slaan.
+
+De ridders en wapenlieden, die al te zamen eene tamelijk sterke bende
+vormden, hielden zich uit eerbied op eenigen afstand achter den graaf.
+Deze reed alleen aan het hoofd van den stoet met Willem, den jongsten
+hertog van Normandie, welke ditzelfde jaar met eene zuster der koningin
+van Frankrijk was getrouwd en, als gunsteling des konings, zeer werd
+vereerd en ontzien.
+
+Beide vorsten spraken vroolijk en vertrouwelijk van allerlei dingen;
+maar het onthaal dat hem te Brugge was bereid, scheen graaf Karel meest
+bezig te houden, want hij keerde er telkens op terug, wanneer zijn
+gezel, door eenige bemerkingen over de landstreek, hem er af had geleid.
+
+Langen tijd hadden zij op matigen stap tusschen dichte bosschen gereden,
+en slechts van verre eenige lieden gezien; maar nu kwamen zij eensklaps
+in eene vlakte van bebouwde velden waar, om zoo te zeggen, de wegenissen
+van Aartrijke, Ruddervoorde, Wardamme en andere dorpen te zamen liepen.
+
+Hier bemerkten zij dat de groote baan naar Brugge aan wederzijde bezet
+was door eenen grooten toevloed van hoogstaltige mannen met lange
+baarden[30], en bijna even hoogstaltige vrouwen.
+
+De hertog van Normandie, toen zij meer genaderd waren, keek met eene
+bijzondere aandacht en met nieuwsgierigheid naar deze lieden, die hem
+voorkwamen als een vreemd en hem nog onbekend volk.
+
+"Het zijn de Kerels waarvan men u reeds dikwijls heeft gesproken",
+zeide de graaf.
+
+"Ha, dit zijn nu Kerels!" murmelde Willem van Normandie. "Zij hebben
+waarlijk het voorkomen van halve wilden met die leelijke baarden!"
+
+In de kleeding dezer Kerels heerschte vooral de blauwe verf[31]; ook der
+vrouwen optooi was geheel blauw, behalve dat hun lijnwaden kapmanteltje
+bezaaid scheen met witte bloemstippen op donkerblauwen grond. Maar wat
+aan de welhebbende Kerlinnen, nu zij hun feestgewaad hadden aangetogen,
+het opmerkelijkste voorkwam, was de groote hoeveelheid goud en zilver
+waarmede zij waren behangen: hoofd, hals, borst, ooren, handen
+glinsterden bij hen met voorwerpen van kostelijk metaal. Ja, zelfs de
+vele kinderen, die hen volgden, droegen insgelijks zulke kostbare
+versiersels.
+
+Elke Kerel voerde aan zijne zijde een krom zwaard, dat hij zijne
+scarmsax of schermzeis noemde, en waarvan het gevest bij sommigen met
+zilveren drijfwerk was opgeluisterd.
+
+Toen de vorsten hen gingen naderen zwaaiden de Kerels en hunne vrouwen
+hoeden en handen, en deden de lucht onder eenen machtigen welkomsgroet
+hergalmen. Graaf Karel scheen gevoelig aan deze hartelijke uitdrukking
+hunner hulde en groette meermalen met minzaamheid onder het
+voorbijrijden.
+
+"Maar het zijn boeren, niet waar?" vroeg de hertog van Normandie
+verwonderd. "Waarom dan voeren zij zwaarden, als waren zij
+edelgeborenen?"
+
+"Ja, landbouwers zijn zij", antwoordde de graaf, "maar niet zooals men
+dit in Frankrijk verstaat. Deze Kerels beweren van oude tijden af vrij
+te zijn, evenals de beste ridder. Eenen Kerel zonder zwaard ontmoet men
+nooit. Mijne voorgangers en ik zelf hebben vele pogingen aangewend om
+het recht tot het dragen van wapens hun te ontnemen; maar dewijl zij
+zeer manhaftig zijn en zij dit recht als een teeken hunner vrije
+geboorte aanzien, zouden zij veeleer zich tot den laatste toe laten
+dooden dan hun zwaard af te leggen."
+
+"En is het waar, heer graaf, zooals uw hofraadsheer mij zeide, dat zij
+weigeren u eenige schatting te betalen?"
+
+"Inderdaad, het betalen eener schatting aanzien zij als het teeken der
+dienstbaarheid; als vrije mannen willen zij zich daar niet aan
+onderwerpen; maar wanneer ik hun verzoek mij eene hoeveelheid marken
+zilvers te leveren, als hun deel in de kosten van 's lands bestuur of
+van den oorlog, dan beraadslagen zij onder elkander daarover en schenken
+mij de gevraagde hulp uit gelden die zij te zamen brengen en hunnen
+Gildenschat noemen."
+
+"En zij zouden kunnen weigeren?"
+
+"Zeker, dewijl zij het aanschouwen als eene vrijwillige gift."
+
+"Men zegt dat deze Kerels niemand gehoorzamen, noch u, heer graaf, noch
+uwe ambtenaars, noch hunne leenheeren."
+
+"Zij doen mij hulde als vorst en achten zich slechts verplicht mij in
+geval van oorlog met wapenen te dienen. Heeren hebben zij niet. Zij
+verwerpen allen invloed eener hoogere overheid in het bestuur hunner
+zaken."
+
+"Maar uwe kasteleins hebben dan volstrekt niets te gebieden?"
+
+"De overheid mijner kasteleins strekt, in dit gedeelte van mijn
+graafschap, niet verder dan het gebied der bemuurde steden. Daar benoem
+ik de schepenen; maar de Kerels, in het veld en in de opene steden,
+hebben hun land in zekere kringen verdeeld. Elke kring vormt een
+rechtsgebied, dat zij een _Ambacht_[32] noemen, en de bewoners van zulk
+Ambacht kiezen zelven, bij meerderheid van stemmen, hunne oversten en
+hunne rechters. Zij leven waarlijk in eene bijna volledige
+onafhankelijkheid van de kroon, en weigeren zelfs mij rekening te geven
+van hetgeen zij aangaande het bestier hunner zaken beslissen of
+verrichten."
+
+"En gij kunt zulken toestand van zaken dulden, heer graaf?" riep Willem
+van Normandie, met eene verontwaardiging welke hij niet geheel kon
+bedwingen. "Mher Tancmar heeft gelijk, het is eene miskenning uwer
+overheid en eene bloedige vernedering voor alle ridders die gedwongen
+zijn zulke grove boeren als hunne gelijken te erkennen. In welk oord der
+wereld vindt men nog zulke monsterachtige inrichting?"
+
+"Ja, ja, ik denk er dikwijls aan", mompelde de graaf, "maar de Kerels
+hebben een geschreven recht dat ik, bij mijne troonsbeklimming, heb
+gezworen te eerbiedigen."
+
+"Wat doet het? Is alles op aarde niet van natuur veranderlijk? En zou
+een vorst gedwongen zijn te eerbiedigen wat schadelijk is voor zijn land
+of wat inbreuk doet op zijne wettige overheid?"
+
+"Het is eene zaak van tijd, heer hertog", antwoordde de graaf zeer
+bedaard. "De wetten van het zoogenaamd Kerlingaland zal ik veranderd
+krijgen; het is zelfs, ik beken het, een voornaam doel van mijn streven;
+maar ik wil mijn gansche graafschap niet overdekken met bloed. De zaak
+is moeielijker dan gij meent. Misschien zal ik door geduld en
+voorzichtigheid meer bekomen dan door geweld."
+
+"De koning, mijn broeder, heeft u de hulp van zijn leger aangeboden. Men
+kon dit trotsche gebroed in weinige dagen verpletten en voor altoos
+terugwerpen in de dienstbaarheid, waar het nooit hadde mogen uit
+opstaan."
+
+"Dit is de groote vraag", mompelde graaf Karel in zich zelven. "Zijn de
+Kerels van Vlaanderen wel ooit dienstbaar geweest?"
+
+"Maar wat slag van volk is dit dan, en van waar zijn ze hier te lande
+gekomen?"
+
+"Daarover zou de oude Littra, een geleerd kanunnik van St-Donaas te
+Brugge, u beter dan ik bescheid kunnen geven," antwoordde de graaf. "Hij
+weet uit de oude kronieken wat er in vroegere eeuwen is geschied.
+Volgens hem wonen de Kerels reeds van den tijd der Romeinen in
+Vlaanderen, en zijn hetzelfde volk als de Angelsaksen, die eertijds
+onder hunne aanleiders Hengist en Horsa het Britsche eiland, dat is
+Engeland, veroverden."
+
+"In uw graafschap vindt men dus volkeren van verschillig geslacht?"
+
+"Toch niet, heer hertog: al de bewoners van Vlaanderen zijn van
+Germaanschen oorsprong; en is er eenig plaatselijk verschil in hunne
+spraak, zij hebben toch eene gemeene taal, welke zij Dietsch noemen en
+die in al de landen langs de zee wordt gebezigd, van Denemarken af tot
+op de grenzen van uw hertogdom Normandie."
+
+"Dus zouden de Kerels van hetzelfde volk zijn als de Saksische bewoners
+van Engeland?"
+
+"Het moet zijn, hertog; want de taal, de zeden en de wetten der Kerels
+hebben nog eene opmerkelijke gelijkenis met hetgeen men desaangaande in
+Engeland vindt."
+
+"Maar zijn ze dan nog zoo machtig en talrijk dat gij vreest ze tot
+onderwerping te dwingen, heer graaf?"
+
+"Machtig, ja, in zeker opzicht, vooral door hunne onverschrokkenheid en
+den rijkdom van sommige geslachten. Vroeger waren het al Kerels, die
+gansch het Westelijk Vlaanderen bewoonden, van de stad Boulogne af tot
+Kortrijk, en zoo naar de Zeeuwsche eilanden op tot over de kust van
+Holland en Friesland. Door verloop des tijds hebben vele streken reeds
+zich aan de algemeene wetten van het Frankische rijk onderworpen, en
+dezen noemen zelfs zich geene Kerels meer; maar de bewoners der
+Vlaamsche zeekust, tot voorbij Yperen, Thourout en Brugge, hebben hunne
+oorspronkelijke zeden en wetten met hardnekkigheid verdedigd en ze tot
+nu toe behouden, ondanks de onophoudende pogingen van vorsten en
+ridders."
+
+"En zijn er geene edelen onder hen?"
+
+"Neen; maar, zooals ik u zeide, hertog, onder hen heeft men zekere
+voorname lieden die eenen grooten invloed op de menigte uitoefenen. Zoo
+hebben wij in Brugge een Kerlengeslacht dat uitnemend rijk en machtig
+is, en welks leden men de Erembalds noemt. Deze zijn zeer hoog geacht en
+zoo invloedrijk, dat het waarlijk, zooals gij ten onrechte meent, een
+hoon voor mij en voor mijne edelen is, door hen eene overheid te zien
+uitoefenen die mij en mijnen ridders wordt ontzegd."
+
+"Maar die schreeuwende schennis uwer kroon kan niet voortduren, heer
+graaf!" kreet Willem van Normandie. "De gansche ridderschap zal u
+betichten van zwakheid!"
+
+"Ik herhaal het u", zeide de graaf, het hoofd schuddende, "die toestand
+zal veranderen; maar ik moet tijd en gelegenheid afwachten om dit doel
+te kunnen bereiken zonder groote bloedstorting. Ik wil mijne kroon aan
+dit gevaarlijk spel niet wagen. Wat mij tot geduld aandrijft is de goede
+wil dien sedert eenigen tijd de Kerels mij betoonen; ik heb de hoop dat
+ik, zonder geweld, hen zal kunnen doen toestemmen in het vrijwillig
+overeenbrengen hunner wetten met de algemeene wetten van Vlaanderen. De
+Kerels, ziet gij, heer hertog, zijn de beste en nijverigste landbouwers,
+werklieden, koophandelaars en zeevaarders die men vinden kan. Een oorlog
+tegen hen zou voor langen tijd de openbare welvaart in Vlaanderen
+vernietigen."
+
+"Maar, heer graaf!" bemerkte Willem van Normandie verwonderd, "gij
+spreekt zoo welwillend van deze Kerels! Uw hofraadsheer Tancmar
+schilderde ze mij af als een verachtelijk ras van grove dorpers, van
+moordenaars en dieven."
+
+"Mijn hofraadsheer overdrijft. Hij haat de Kerels onzeglijk. Het
+schijnt, dat het eene oude veete van zijn geslacht tegen het geslacht
+der Erembalds is."
+
+"Toch niet, heer graaf, gij misgrijpt u daarover", wedervoer Willem;
+"mher Tancmar verfoeit de Kerels met recht, omdat zij uwe overheid
+miskennen. Wat gij zijnen haat noemt, is niet anders dan de
+verontwaardiging hem ingeboezemd door zijne eindelooze verkleefdheid aan
+zijnen vorst."
+
+"Inderdaad, Tancmar is mij zeer verkleefd, en ik ben hem er dankbaar
+voor; maar ik wil mij door zijnen raad tot geene onvoorzichtigheid laten
+drijven. Niet alles, wat hij over de Kerels zegt, is gegrond."
+
+Willem van Normandie wenkte den hofraadsheer Tancmar. Deze bracht zijn
+paard nevens de vorsten.
+
+"Het schijnt, mher Tancmar", zeide hij, "dat gij de Kerels bij mij hebt
+gelasterd, of ten minste hunne ondeugden zeer hebt overdreven. Uw heer
+graaf meent dat een bijzonder gevoel van haat u verblindt."
+
+"Geliefde mijn heer graaf het mij toe te laten", antwoordde de
+hofraadsheer op eerbiedvollen toon, "dan zou ik durven beweren dat zijne
+al te groote goedhartigheid hem verblindt. De Kerels zijn godvergetene,
+woeste, schaamtelooze lieden, die de overheid van onzen vorst met
+schuldige trotschheid miskennen en verachten. Ik wil het bewijzen ..."
+
+"Nu, nu, raadsheer, laat die bewijzen achter; wij kennen ze sedert
+lang", morde de vorst met zichtbare ontevredenheid. "Het lust mij heden
+niet den bedroevenden kant der dingen te zien. Doe mij het vermaak voor
+alsnu daarvan te zwijgen."
+
+"Naar uw believen, heer graaf", murmelde Tancmar, het hoofd buigende,
+terwijl hij den toom van zijn paard spande en daardoor het dier dwong
+achteruit te blijven.
+
+Op dit oogenblik kwam een ridder van den kant van Brugge gereden en deze
+meende de vorsten, onder het uitspreken eener eerbiedvolle groetenis,
+voorbij te gaan om de ridders van het gevolg te vervoegen; maar graaf
+Karel reikte hem glimlachend de hand toe, vraagde hem minzaam hoe het
+hem ging, en liet hem niet doorrijden dan na met hem eenige vriendelijke
+woorden te hebben gewisseld.
+
+"Een schoon jonkman, een zeer hoofsch ridder", bemerkte Willem van
+Normandie.
+
+"Hij is een Kerel", zeide de graaf.
+
+"Een Kerel? Onmogelijk!"
+
+"Ja, een Erembald van Brugge; zijn naam is Robrecht Sneloghe. Zijn
+vader, zaliger gedachtenis, was kastelein van Brugge en mijn bijzondere
+vriend en wapenmakker, van voor den tijd dat ik tot het graafschap werd
+verheven. Ik draag daarom dezen jongen ridder zekere genegenheid toe.
+Men zou het niet vermoeden, heer hertog, maar deze Kerel is misschien
+wel de rijkste man van geheel mijn graafschap."
+
+Zoo over de Kerels koutende, vervorderden de beide vorsten hunnen weg.
+Zij waren Zedelghem voorbij en zouden in min dan een uur de stad Brugge
+bereiken ...
+
+Zeer lang reeds, ja van in den vroegen morgen zelfs, werden zij
+afgewacht door de bevolking van Brugge en der omstreken, die vroolijk en
+luidruchtig over de Markt krielde waar de graaf met plechtigheid en met
+vreugdebewijzen zou worden onthaald. Bovenal verdrong zich de menigte
+rondom eene houten stelling die men te midden van het plein had
+opgetimmerd.
+
+Vele werklieden waren nog druk bezig aan de laatste versiering van
+dezen hoogen vloer, waarop de graaf van Vlaanderen de hulde zijner
+leenmannen en der stadsbestuurders zou ontvangen. Men bracht kostelijke
+zetels uit den Burg, men spreidde bonte tapijten uit, men hechtte
+kleurige baanders en vlaggen aan hooge stijlen.
+
+De gevels der huizen rondom de Markt waren overdekt met groene twijgen
+en met bloemen; uit vele vensters hingen roode lakens; zelfs hadden
+sommige poorters voor hunne deuren looverrijke boomkens geplant en
+daaraan schilden gehangen waarop de letter K, de vorstelijke kroon en de
+leeuw van Vlaanderen ter eere van graaf Karel zeer dikwijls waren
+herhaald.
+
+Boven elken ridderlijken Steen, op de torenspits of op het dak, waaide
+een standaard met de wapenteekens van den bewoner.
+
+Om al deze toebereidselen van naderbij te kunnen zien, vlotte het volk
+van de eene zijde der Markt naar de andere. Er heerschte voortdurend een
+dof gerucht als het gebruis eener verre zee, slechts nu en dan
+onderbroken door eenige luidruchtige vreugdekreten. Op aller gelaat
+blonk een heldere lach, en het was zichtbaar dat de plechtige terugkomst
+des graven met blijdschap werd afgewacht.
+
+De rondstroomende menigte bestond grootendeels uit Brugsche poorters,
+reeds uit de verte herkennelijk aan de zwarte of bruine verf hunner
+kleederen, welke op alle boorden omzet waren met donker pelswerk. Zij
+droegen het haar kort, en hun baard was geheel geschoren. Door deze
+beide laatste omstandigheden onderscheidden zij zich terzelfder tijd van
+de leenheeren of edelen, wier haar in lokken op de schouders daalde, en
+van de Kerels uit de Ambachten, die hunne baarden lieten groeien.
+
+Vele lijfeigenen of dienaars, zeer armelijk in ongebleekt linnen
+gekleed, liepen met houten schoenen of blootsvoets. Zij hielden zich
+meest stil en ingetogen bij en rondom de St-Christoffelskapelle.
+
+De Kerels uit de naaste Ambachten hadden de uitnoodiging hunner Brugsche
+beschermers in groot getal beantwoord; zij stonden in groepen verspreid
+met hunne vrouwen en kinderen, en men kon ze van zeer verre herkennen
+aan hunne blauwe kleeding en hunne kromme zwaarden.
+
+Op eenige stappen van de houten stelling stond een Kerel die, alhoewel
+niet bijzonder groot, om de sterkte zijner leden vele poorters
+verwonderd deed opkijken. De dikke baard die hem op de borst hing begon
+reeds te vergrijzen; zijn aangezicht was getaand en rimpelig als van
+iemand die in zijn leven veel en zwaar heeft gewerkt.
+
+Op elk zijner breede schouders zat een jongsken van zeven of acht jaar.
+Hij had zijne kinderen dus opgeheven om hun toe te laten over de hoofden
+der omstanders te zien wat de arbeiders op den verheven vloer doende
+waren. Onderwijl koutte hij met zijne vrouw, die nevens hem zich hield.
+
+"Maar Arnulf", bemerkte zij op dit oogenblik, "de graaf laat zich
+zoolang wachten; zijt gij zeker dat hij voor den middag nog zal komen?"
+
+"Gansch zeker, Strena", was het antwoord. "Gij hebt wel gezien dat de
+proost en de kanunniken van St-Donaas, met de ridders en met schepenen
+van Brugge, door de Steenstraat hem zijn te gemoet gegaan?"
+
+"Het is meer dan een uur geleden, Arnulf. Moeten zij nog van zooverre
+terugkeeren, dan zullen zij ongetwijfeld tot den middag en langer
+uitblijven."
+
+"Neen, gij bedriegt u, Strena: zij bevinden zich allen wachtend op het
+Zand. Gij weet wel, het groote onbebouwde plein, even buiten de poort
+die naar Thourout leidt? Van daar zullen zij al te zamen den graaf tot
+op deze stelling geleiden."
+
+"Laat ons dan naar het Zand gaan", zeide de vrouw. "De kinderen zouden
+zoo het gezicht van gansch de feestelijkheid kunnen genieten."
+
+"Integendeel, Strena, op zulke wijze zouden zij de bijzonderste
+plechtigheid missen. Het Zand krielt waarschijnlijk van volk. Wanneer de
+graaf nu de stad binnenrijdt, zullen al deze menschen hem willen volgen.
+De Steenstraat is niet breed; er zullen vele paarden zijn. In dit
+gedrang met kleine kinderen zich begeven ..."
+
+Hij zweeg eensklaps, zette met eene haastige beweging de beide kinderen
+ten gronde, en verhief zich op de teenen en rekte den hals om over de
+menigte te kunnen heenzien.
+
+Zijne vrouw aanschouwde hem verwonderd.
+
+"Wat bemerkt gij zoo verrassends, Arnulf?" vroeg zij. "Komt de graaf?"
+
+De Kerel greep zijne vrouw de hand, trok haar tot zich en, met den
+vinger in eene zekere richting naar het volk wijzende, zeide hij zeer
+stil:
+
+"Strena, ziet gij, ginder verre tegen dien hoogen Steen, den man met
+zwarten baard?"
+
+"Ja, zeer wel", antwoordde zij.
+
+"Herkent gij hem?"
+
+"Neen, Arnulf, ik heb hem nooit ontmoet, dat ik wete."
+
+"Is het niet Warad Valk, van Dudzeele?"
+
+"Wat? de moordenaar uws broeders?" kreet de vrouw verschrikt. "Gij
+misgrijpt u: die man is Warad niet."
+
+"Hij is het, zeg ik u, Strena."
+
+"Neen, neen, dit verhoede de hemel!" zuchtte de vrouw. "Zulke ontmoeting
+op dezen dag? Het ware een noodlottig toeval!"
+
+"Ongelukkig toeval, inderdaad; maar ik mag den dood van mijnen armen
+broeder niet ongewroken laten."
+
+"Wat gaat gij doen, Arnulf?" morde zij, hem angstig bij den arm
+vattende.
+
+"Gij kunt het vermoeden", antwoordde hij op somberen toon. "Plicht is
+plicht; weerhoud mij niet; blijf stil en waak over de kinderen. Gebaar u
+alsof gij niets had bemerkt. Heb ik mij misgrepen is die man Warad niet,
+dan kom ik onmiddellijk bij u terug."
+
+Hij drong vooruit en verdween tusschen de menigte.
+
+De verschrikte moeder omarmde hare kinderen en sloot ze met teekens van
+angstige liefde tegen hare borst. Eilaas, wat ging er geschieden?
+Misschien glinsterden reeds ginder de zwaarden, misschien vloeide reeds
+daar een duurbaar bloed! Zij was zoo welgemoed en zoo vroolijk aan de
+hand van haren man in Brugge getreden. Hoe zou zij nu naar hare hofstede
+te Moerkerke wederkeeren Als weduwe, met vaderlooze kinderen? Wie kon
+het weten?
+
+Door deze angstige gepeinzen neergedrukt had zij het hoofd gebogen en
+blikte ten gronde. Zij ontwaakte echter met eenen blijden kreet uit
+dezen naren droom: haar echtgenoot stond nevens haar.
+
+"De man dien ik had gezien was verdwenen", zeide hij. "Nergens kon ik
+hem nog bespeuren. Misschien was het inderdaad Warad Valk niet. Gij moet
+het weten, Strena, uw gezicht is sterker dan het mijne."
+
+"Geloof mij, Arnulf", antwoordde zij, "zeker, gij hebt u bedrogen."
+
+"Des te beter, Strena. Ik zou niet gaarne heden wraak te plegen hebben;
+maar, zage ik bij geval de moordenaar mijns broeders, ik zou wel moeten
+gehoorzamen; Waarad heeft den vrede verbroken en den zoen geweigerd."
+
+"Maar indien gij evenwel de vervulling van uwen plicht uitsteldet tot op
+eenen anderen dag?"
+
+"Onmogelijk! ik ware onteerd voor gansch mijn leven; elk vrij man zou
+mij als eenen lafaard verachten, gij weet het wel, Strena. Danken wij
+God dat ik mij heb misgrepen. Laat ons nu weder vroolijk met de kinderen
+... Geef acht! Die beweging bij den ingang der Steenstraat! Daar komt
+ongetwijfeld de stoet!... Blijf immer dicht bij mij, Strena. Komt,
+kinderen, geeft mij elk eene hand. Wij zullen het dringen zooveel
+mogelijk wederstaan; dan zien wij de plechtigheid van nabij."
+
+Uit de Steenstraat stroomde allereerst een golvende volksvloed over de
+Markt. Men hoorde in de verte de scherpe of zware tonen van trompen en
+bazuinen tusschen de herhaalde welkomskreten der menigte hergalmen, en
+welhaast vertoonde het hoofd van den stoet zich op het plein.
+
+Vooraan ging de proost van St-Donaas met zijne kanunniken en de overige
+geestelijkheid der stad. Bij tusschenpoozen zongen zij gebeden en
+lofpsalmen, terwijl vele koorknapen hunne wierookvaten zwaaiden en
+geurige wolken in de hoogte deden stijgen.
+
+Hierop volgden de voorschepen en de twaalf andere schepen van Brugge,
+vergezeld van een twintigtal klerken en andere bedienden.
+
+Achter hen, tusschen twee trompers, stapte een man die een rood
+fluweelen kussen droeg, waarop men de sleutels der stad voor deze
+plechtige omstandigheid verguld, zag blikkeren.
+
+Dan kwamen vijf wapenboden te paard, met lange bazuinen, en in hun
+midden een ridder die den baander of standaard van Vlaanderen opgeheven
+hield.
+
+Onmiddellijk na zijne wapenboden verscheen de graaf van Vlaanderen,
+gezeten op een moedig wit paard, dat bijna geheel met een dekkleed van
+goudlaken was behangen.
+
+Graaf Karel kon de veertig jaar bereikt hebben. Zijne statige
+wezenstrekken droegen den stempel van strenge fierheid en wilskracht
+alhoewel tevens de zachtere, ja zelfs de fijne teekening zijner lippen
+liet vermoeden dat zijn hart met goedheid en vriendelijkheid moest
+begaafd zijn. Dit stemde overeen met het gevoelen dat ridders en
+poorters over hem hadden, aangezien zij gewoon waren te zeggen: "graaf
+Karel is uiterst goed en minzaam voor wie hem bevalt, maar streng en
+onverbiddelijk voor wie hem mishaagt".
+
+Om zijne plechtige intrede op dezen dag te doen, had de vorst zijne
+oorlogskleeding gedeeltelijk afgelegd. Wel zag men nog aan zijne armen
+en beenen de duizenden ringen van zijn maliehemd glinsteren; maar
+daarboven had hij een overkleed van rood fluweel aangetogen. Zijn gulden
+helm blonk in het zonnelicht; rondom zijnen hals en op zijne borst hing
+een zwaar snoer van veelkleurig gesteente, waaraan een kruis van
+gewrocht goud en diamanten glinsterde. De graaf toonde dit kostbaar
+kleinood gaarne in het openbaar, omdat hij de gesteenten er van gewonnen
+had in Palestina tegen de Saracenen, en het hem een dierbaar aandenken
+was van zijne tochten in het Heilig Land.
+
+Aan de eene zijde van den vorst reed de jonge hertog Willem van
+Normandie. Aan de andere zijde hield zich Gervaas van Praet, kamerheer
+van den graaf, en geroemd als een wijs, moedig en verkleefd ridder.
+
+Achter de vorsten kwamen Tancmar Van Straten, de raadsheer; Walter Van
+Lokeren, de hofbottelier; Frumold, 's graven schrijver en rekenmeester;
+Hacket, de kastelein van Brugge; Eijkaard Van Woumen, Baudewijn van
+Aelst en Daniel Van Dendermonde.
+
+De andere Fransche of Vlaamsche ridders, die den graaf op de reis hadden
+vergezeld of hem nu te gemoet gekomen waren, volgden allen zonder
+herkenbare schikking. Zelfs bevonden zich in dit gedeelte van den
+ruiterstoet vele Kerels; en men kon ook hier bemerken dat er geene
+vriendschap tusschen deze laatsten en de leenheeren bestond, want zij
+reden zichtbaar van elkander gescheiden.
+
+Nauwelijks had de menigte, die krielend de Markt overdekte, den vorst
+ontwaard, of er verhief zich een algemeen gejuich dat meermaals met
+vernieuwde kracht werd herhaald, naarmate de stoet over het plein
+vooruitkwam. Bovenal gaf de vreugde der menigte zich lucht in machtige
+galmen, toen de vorst met zijn gevolg de houten trede had beklommen en
+daar het volk zijnen groet toestuurde.
+
+Ridders, poorters, Kerels, allen wedijverden om door luid geroep, door
+het zwaaien der hoeden of door het opheffen der handen hunne blijdschap
+te betuigen en den graaf te verwelkomen.
+
+Terwijl men bezig was met de menigte van de stelling te ver wijderen, om
+eenige ruimte te maken, terwijl de laatste ridders afstegen en de
+schalken hunne paarden op eenigen afstand wegleidden stuurde de graaf
+zijnen blik over de Markt. Hij staarde met bijzondere aandacht op de
+talrijke groepen der Kerels, die luidruchtiger en driftiger dan alle
+anderen, hem toejuichten en dikwijls de oorzaak waren dat de volksschaar
+hare blijde kreten herhaalde.
+
+De vorst scheen tevreden; het was met eenen helderen glimlach dat hij in
+stilte nu en dan een woord wisselde met Willem van Normandie, wanneer
+deze hem geluk wenschte over de liefde welke het Vlaamsche volk hem
+betuigde.
+
+Op een teeken van den voorschepen hieven de trompen en bazuinen een
+feestgeschal aan. De leden van den stadsraad beklommen de trede en bogen
+voor den vorst, totdat hij den voorschepen de hand bood. Dan naderde de
+man met het fluweelen kussen.
+
+De voorschepen, na den graaf de sleutels der poorten te hebben
+aangeboden, begon eene lange redevoering waarin hij den vorst, in naam
+der stad, hulde bewees en verkleefdheid beloofde, evenwel in
+eerbiedvolle woorden zijne bescherming inroepende tegen degenen die de
+vrijheden of de rechten der poorters van Brugge zouden willen schenden.
+
+De graaf gaf hem een minzaam antwoord en behandigde hem opnieuw de
+sleutels die toch, zeide hij, aan niemand beter konden worden
+toevertrouwd dan aan de bestuurders zijner beminde en verkleefde stad
+Brugge zelve; maar aangaande de zinspeling op het eerbiedigen der
+rechten en vrijheden antwoordde hij niets en deed alsof hij dit gedeelte
+der redevoering niet had gehoord.
+
+De schepenen bemerkten deze achterhoudendheid met zekere treurnis, en
+zij daalden half mismoedig de trede af.
+
+Dan verschenen de leden der geestelijkheid voor den vorst. Op de
+aanspraak, hem door den proost van St-Donaas toegericht, betuigde hij
+zijnen innigen wensch om in alle omstandigheden de Kerk en hare dienaars
+niet alleen te beschermen maar tevens hoog te vereeren en mildelijk te
+begiftigen.
+
+Na den proost van St-Donaas, bood de abt van het klooster Ten Eeckhout
+zich aan om den graaf hulde te bewijzen en zijne goedwilligheid voor dit
+belangrijk gesticht in te roepen.
+
+Graaf Karel, die het klooster Ten Eeckhout eene bijzondere gunst
+toedroeg, onderhield zich lang met den abt en hij was nog bezig met
+spreken toen, eensklaps, een hevig en vreemd gerucht hem kwam
+onderbreken en hem met verstoorden blik deed rondkijken Wie was er
+vermetel genoeg om in zijne tegenwoordigheid zulk oneerbiediglijk
+geschreeuw aan te heffen of te veroorzaken?
+
+Hij zag aan de eene zijde der Markt, niet verre van de trede, eenige
+poorters verschrikt wegvluchten, terwijl daar ter plaatse vele Kerels
+tot eenen hoop te zamen liepen. Twee naakte zwaarden glinsterden hem in
+de oogen. Hij zag eenen man wien bloed van de wang afliep en die met
+eene reuzenstem den noodkreet "haarop! haarop! hulp! hulp!" over de
+Markt deed hergalmen[33].
+
+Onmiddellijk waren eenige ridders toegesneld om de ruststoorders tot
+stilte te dwingen; maar de Kerels hielden hen terug met de woorden
+"kamp! kamp!" waardoor zij wilden betuigen dat daar een twist werd
+beslecht waarmede niemand zich te bemoeien had.
+
+Vooraleer de graaf, die van gramschap sidderde, eenige bevelen kon
+geven, bliksemden de uitgetogen zwaarden door de lucht en een der beide
+kampers viel met gekloofd hoofd ten gronde.
+
+"Men vange den snooden moordenaar!" riep de graaf. "Men brenge hem
+levend of dood voor mij! Ik wil, tot een voorbeeld, in het aanschijn des
+volks kort recht doen over zulke verfoeilijke misdaad!"
+
+Een tiental ridders sprongen te gelijk van de trede en liepen ter plaats
+waar de manslag was geschied; zij meenden de hand aan den plichtige te
+leggen, maar deze hield zijn bloot zwaard tot slaan gereed, roepende dat
+hij den eerste die hem raken dorst voor zijne voeten zou nedervellen.
+Velen der omstaande Kerels hadden insgelijks hunne zwaarden getrokken en
+betuigden dat zij hunnen makker zouden verdedigen, indien iemand hem
+geweld aandeed.
+
+Hacket, de kastelein van Brugge, die nu kwam toegeloopen, herkende den
+woedenden Kerel en zeide hem op spijtigen toon:
+
+"Eilaas, Arnulf, wat hebt gij gedaan?"
+
+"Mijnen plicht heb ik gedaan", antwoordde de andere, "Hij is de
+moordenaar mijns broeders en hij heeft den zoen geweigerd. Gij, heer
+kastelein, kent de wet beter dan ik[34]."
+
+"Maar de graaf is buiten zich zelven van toorn! Onderwerp u, om grooter
+kwaad te vermijden."
+
+"De hand aan mij leggen?" kreet de Kerel, "Ik ben een vrij man en zal
+mijne daad verantwoorden waar en wanneer men het moge eischen."
+
+"De graaf wil dat gij onmiddellijk voor hem verschijnt, Arnulf. Toon u
+onderdanig uit voorzichtigheid."
+
+"Het zij zoo, kastelein; leid mij tot den graaf, maar behoed mij voor
+hoon en onrecht," mompelde Arnulf, terwijl hij zijn swaard in de schede
+stak en, door wel vijftig Kerels gevolgd, naar de stelling
+vooruitstapte.
+
+Hij klom alleen met den kastelein op de trede en bood zich voor den
+vorst aan, wel met eene diepe buiging en ontdekten hoofde, doch fier en
+beraden als ontstelde hem niet de minste vrees.
+
+"Verwaten woestaard!" viel de vertoornde vorst uit. "Hoe durft gij dezen
+plechtigen dag door zulke gruwelijke misdaad bezoedelen? Gij zult de
+straf uwer boosheid ondergaan: nog heden zal de beul u op het galgeveld,
+ten voorbeeld aller moordenaars en ruststoorders, aan eenen strop ten
+toon hangen!"
+
+Arnulf aanschouwde den vorst met zulke zonderlinge en diepe verwondering
+in de oogen, dat deze verrast murmelde:
+
+"Vermetele, gij gelooft het niet?"
+
+"Waar in de wereld het recht heerscht", antwoordde de Kerel, "wordt
+niemand veroordeeld zonder dat men hem tot zijne verdediging gehoord
+hebbe. Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?"
+
+"Spreek", morde de vorst met ongeduld.
+
+"Ziehier de zaak die u ten onrechte tegen mij verbolgen doet zijn, heer
+graaf", begon de Kerel. "Ik had eenen broeder, een goedhartig man, door
+iedereen bemind en geacht. Een zekere Warad Valk, van Dudzeele, geraakte
+in twist met hem aangaande het gebruik eener schapenweide, en bracht hem
+eenen doodelijken slag toe. Ik, de naaste bloedverwant, erfde, krachtens
+onze wetten en onze gewoonten, niet alleen den plicht om voor zijne
+weduwe en kinderen te zorgen, maar tevens om de veete te vervolgen en
+wraak te nemen. In de meening dat de doodslag het gevolg van een
+onvrijwillig toeval kon zijn, bood ik den moordenaar den vrede, en liet
+scheidsmannen het zoengeld bepalen, dat Warad Valk ten voordeele der
+weduwe mijns broeders zou te betalen hebben. Wat deed hij? Op den
+zoendag verscheen hij niet voor de Keurmannen[35] en misprees aldus het
+gerecht. Ondanks den vrede hoonde hij nog de arme weduwe en dreigde hare
+hofstede in brand te steken. Sedert dan is hij uit het Ambacht
+verdwenen. Ik ontmoette hem hier en deed mijnen plicht."
+
+"En moest gij daarom bloed in mijne tegenwoordigheid vergieten? Eenen
+afschuwelijken moord plegen?" riep de vorst, die eerder door de koele
+woorden van den Kerel was verbitterd geworden dan gestild.
+
+
+[Illustratie: ...viel met gekloofd hoofd ten gronde. (Bladz. 95.)]
+
+
+"De wet gebood het mij" wedervoer Arnulf. "Zij heeft geene bijzondere
+gevallen voorzien. Wie den gebannen vrede breekt mag overal aangevallen
+en gestraft worden. Ik kon Warad Valk zonder verwittiging doodslaan, en
+evenwel heb ik hem tot zelfverdediging uitgedaagd en hem ten kamp
+geroepen. Hadde ik mijnen broeder niet gewroken, ik ware als lafaard
+onteerd gebleven Iedereen moet mij prijzen omdat ik mijnen plicht heb
+gedaan."
+
+"Ha, dit zullen wij zien!" kreet graaf Karel, over zooveel stoutheid
+verbaasd. "Kastelein, men leide dien man naar het Gijselhuis op den
+Burg. Hij blijve gevangen totdat wij zijn vonnis hebben uitgesproken."
+
+"Ik in de gevangenis?" mompelde de Kerel, met eenen ongeloovigen lach op
+de lippen. "Ik ben een vrij man; ik heb geenen lust tot vluchten; ik zal
+komen op de eerste dagvaarding, maar in de gevangenis wil ik niet! Geen
+der Kerels die daarbeneden staan zal dulden dat men mij, schuldeloos als
+ik ben, naar de gevangenis voere. Stroomt er meer bloed, God zal weten
+wie het deed vergieten!"
+
+Een honderdtal Kerels, die aan den voet der trap stonden en dit tooneel
+met angst en klimmende verontwaardiging volgden, getuigden door hun
+dreigend gemor dat zij waarlijk bekwaam waren om hunnen makker ook
+gewelddadig ter hulp te komen, indien men onrecht jegens hem pleegde.
+
+De dreigende houding der Kerels verbitterde den graaf nog meer; want in
+tegenwoordigheid der Fransche ridders, die hunne verbaasdheid over zijne
+aarzeling betuigden, was zijn toestand zeer onaangenaam en schier
+belachelijk.
+
+"Gij zult in de gevangenis!" riep hij. "Indien de kastelein van Brugge
+de macht niet heeft om mijn bevel uit te doen voeren, zullen mijne
+ridders of hunne wapenlieden u wel dwingen."
+
+Arnulf, die zag dat er waarlijk eene beweging onder de ridders ontstond,
+sprong een paar stappen achteruit en sloeg de vuist aan het gevest van
+zijn zwaard.
+
+"Men voere dan mijn lijk naar de gevangenis!" gromde hij, terwijl zijne
+oogen zoo bloedig werden en zoo dreigend vlamden dat elkeen aarzelde om
+hem te naderen.
+
+Terwijl de kastelein Arnulf poogde te bedaren, was Robrecht Sneloghe te
+midden der Kerels geloopen en verkreeg van hen door vriendelijke woorden
+en gebeden dat zij zich nog stilhielden.
+
+Arnulf wilde naar niets luisteren en weigerde zich naar de gevangenis te
+laten leiden. Maar nu beklom de proost van St-Donaas de stelling,
+naderde den vertoornden Kerel en zeide aan zijn oor:
+
+"Volg den kastelein naar het Gijselhuis, Arnulf. Doet gij het niet, gij
+brengt waarschijnlijk de vrijheid van gansch Kerlingaland in gevaar.
+Wij zullen over u waken en zorgen dat u geschiede volgens wet en recht.
+Ik smeek u, gehoorzaam den graaf ... Desnoods gebied ik het u op uwen
+gilden-eed!"
+
+"Welaan, heer vorst, ik onderwerp mij aan uwen wil", zeide de Kerel,
+eensklaps met eene diepe buiging vooruittredende. "Naar de gevangenis
+zal ik mij begeven met het vertrouwen dat men mij, als vrij man, in de
+vierschaar zal hooren en rechters zal geven zooals het behoort."
+
+"Rechters? Gij hebt gelijk", antwoordde de graaf met bittere scherts.
+"Gij zult ze hebben. Voor den avond zult gij ter hooger vierschaar
+verschijnen om uw vonnis te hooren uitspreken."
+
+De Kerel daalde met den kastelein van de trede, omarmde eene vrouw en
+twee weenende kinderen, drukte eenigen vrienden de hand en verdween uit
+het gezicht der ridders tusschen de menigte, die als een rollende stroom
+op zijne baan over en weder golfde. Vele Kerels volgden hem, luidop
+morrend tegen het onrecht dat hem werd aangedaan; maar hij zelf zeide
+dat hij zich vrijwillig naar het gevang begaf, en zoo bracht hij zijne
+vrienden tot bedaren.
+
+Graaf Karel, door het gebeurde diep ontsteld en wel bemerkende dat de
+plechtigheid zijner intrede beslissend was gestoord, gaf bevel om de
+paarden bij te brengen en den stoet te vormen.
+
+Terwijl men daarmede bezig was, zat hij beweegloos, met strakke oogen,
+welker scherpe blik de verbolgenheid zijns harten verried.
+
+Even ontroerd en verontwaardigd waren de ridders. Zij durfden den graaf
+in zijne stilzwijgendheid niet storen. De eenige, die niet bedroefd
+scheen, was de raadsheer Tancmar Van Straten. Hij wisselde zelfs in het
+verborgen eenen glimlach met den hofbottelier Walter Van Lokeren. In
+zijne oogen glinsterde eene geheime blijdschap; want hij twijfelde niet
+of dit voorval zou den graaf onverzoenbaar tegen de Kerels verbitteren.
+De vorst weigerde nog altijd den Kerels met geweld het juk der
+dienstbaarheid op te leggen; maar nu zou zijne gramschap in hunne
+vernedering wraak zoeken voor den hoon hem heden aangedaan.
+
+Toen de paarden bijgebracht waren en de kamerheer Gervaas Van Praet den
+vorst had verwittigd dat alles gereed was, daalde deze met zijn gansch
+gevolg van de trede.
+
+Men steeg te paard, en de stoet begaf zich op weg over de Markt in
+dezelfde schikking als bij zijne komst. Weder hergalmden de schelle
+tonen van bazuinen en trompen; weder hieven de kanunniken in de
+tusschenpoozingen plechtige lofzangen aan; maar de menigte, nog ontroerd
+en treurig over het gebeurde, bleef koel en betuigde slechts haren
+eerbied door zich, bij het voorbijrijden van den vorst, diep te buigen.
+Karel zelf was nog verslonden in spijtige gepeinzen en reed over de
+markt en door de Hofstraat, zonder schijnbaar acht te geven op hetgeen
+rondom hem geschiedde.
+
+Zoo kwam de stoet op den Burg.
+
+Hier stonden voor het Gijselhuis misschien tweehonderd Kerels, waar
+tusschen ook eenige vrouwen en kinderen. Zoohaast zij den graaf
+bemerkten hieven zij den roep: "recht! recht!" zoo luidruchtig aan dat
+het middenplein van den Burg er van hergalmde.
+
+Dit herhaalde geschreeuw kwetste den graaf; want hij aanzag het als eene
+poging om hem tot het vrijlaten van den gevangene te dwingen.
+
+Nauwelijks was hij afgestegen, of hij wenkte den kastelein van Brugge
+tot zich en vroeg met dreigenden blik:
+
+"Zit de uitzinnige Kerel in de gevangenis?"
+
+"Ja, heer graaf", was het antwoord, "hij zal er blijven totdat het u
+gelieve hem te ontslaan."
+
+"Ontslaan?" herhaalde de vorst, bitter spottende. "Heeft men hem in den
+moordenaarskuil geketend?"
+
+"Neen, heer".
+
+"Waarom niet, kastelein?"
+
+"Hij is een vrij man, heer graaf."
+
+"Vrij man? die grove woestaard? Ah, mijn geduld is ten einde: ik wil
+gehoorzaamd worden! Gij blijft verantwoordelijk voor den gevangene. Houd
+u gereed om op het eerste bevel hem in mijne tegenwoordigheid te doen
+voeren."
+
+De graaf, door al de ridders van zijn hof gevolgd, trad in de groote
+zaal van zijn paleis. Iedereen aanschouwde hem in stilte, want men
+begreep dat hij zeer vergramd en bedroefd moest zijn. Bovenal waren de
+Fransche ridders verontwaardigd over de voorbeeldelooze stoutheid der
+Kerels en de oneerbiedige houding van gansch het volk, dat zich den
+moordenaar veeleer gunstig dan vijandig had getoond.
+
+Graaf Karel keerde zich tot de vergadering en zeide:
+
+"Heeren, gij zult mijn verdriet en mijne ontsteltenis begrijpen na de
+ongehoorde dingen die heden zijn voorgevallen. Niet alleenlijk ben ik
+vermoeid en behoef een weinig rust; maar ik wil tevens zonder uitstel
+overwegen wat mijn plicht, als graaf van Vlaanderen mij gebiedt te doen
+om den schuldige te straffen en door een streng voorbeeld anderen te
+beletten mijne overheid nog te miskennen. Binnen een paar uren zal ik u
+aan het middagmaal wedervinden. Gelieft intusschen u niet te
+verwijderen, aangezien uwe tegenwoodigheid mij noodig kan zijn.... De
+leden van mijnen bijzonderen raad volgen mij!"
+
+Hij bood zijnen arm aan Willem van Normandie, stapte door eene
+zuilengang en trad in eene zaal waar eenige zetels rondom eene breede
+tafel geschikt stonden. Hij nam plaats aan het hooger einde der tafel en
+toonde Willem van Normandie eenen zetel nevens zich.
+
+Hier waren nog tegenwoordig Tancmar Van Straten, Walter Van Lokeren,
+Gervaas Van Praet, benevens de oude Frumold en zijn neef, rekenmeesters
+en schrijvers des graven, en twee of drie andere ridders.
+
+Toen allen gezeten waren, vroeg de vorst:
+
+"Welnu, heeren, wat zegt gij van zulke schennis onzer overheid?"
+
+"Verfoeilijk, snood, ongehoord; hij verdient den dood!" morden meest al
+de raadsheeren.
+
+"Ja, eenen onmiddellijken dood!" zeide Tancmar Van Straten. "Maar dit is
+niet genoeg. De verwaande Kerels en hunne aanleiders de Erembalds, die
+door hunne dreigende houding onzen goeden vorst nog dieper hoonen,
+moeten insgelijks worden gestraft Het zal niemand der heeren ontsnapt
+zijn, hoe de moordenaar hardnekkig weigerde het gebod van onzen heer
+graaf te gehoorzamen en hoe een enkel woord door den proost van
+St-Donaas aan zijn oor gesproken, hem gedwee maakte als een lam. Het is
+dus de proost, het zijn dus de Erembalds die over de Ambachten en over
+de Kerels gebieden! Zij ontrooven aan den vorst zijne wettig overheid en
+maken er dan nog gebruik van om de Kerels tot hoovaardigheid en tot
+opstand aan te drijven, niet alleen tegen den graaf, maar tegen al wat
+edel is in Vlaanderen ..."
+
+"Elkeen zal, op tijd en plaats, krijgen wat hij verdient", onderbrak de
+graaf. "Spreken wij van den moordenaar. Onze waardigheid eischt dat hij
+sterve; maar men kan hem toch niet veroordeelen zonder hem te hooren.
+Wie zal zijn vonnis uitspreken?"
+
+"Een woord van u, heer graaf, is voldoende", antwoordde Walter Van
+Lokeren. "Wie zou zich tegen uw besluit durven verzetten?"
+
+"Inderdaad", bemerkte Willem van Normandie, "mij dunkt dat er reeds te
+veel is geaarzeld. Indien zulke zaak in Frankrijk ware voorgevallen, de
+plichtige hinge reeds aan de galg."
+
+"Ja, maar, heer, in Vlaanderen zijn wij nog zooverre niet", antwoordde
+de graaf. "Mijn voornemen is den plichtige rechters te geven en hem in
+zijne verdediging te hooren. Het vonnis kan niet twijfelachtig zijn,
+aangezien ik den Kerel voor het hoogerhof der ridders wil doen
+verschijnen. Zoo ten minste zal het volk mij niet kunnen beschuldigen
+van willekeur of dwingelandij. Ziet gij eenige redenen, heeren, om niet
+onmiddellijk het hooge hof der ridders te doen vergaderen?"
+
+"Geene de minste", zeide Tancmar Van Straten. "Er zijn ridders genoeg in
+het paleis tegenwoordig, en allen wenschen den dood des moordenaars als
+een noodig voorbeeld.... Luistert, heeren, hoe die schaamtelooze
+Blauwvoeten daarbuiten roepen 'recht! recht!', zonder eerbied voor den
+vorst. Men geve hun dus wat zij eischen. Een bevel van u, heer graaf, en
+ik zal oogenblikkelijk het hoogerhof doen vergaderen."
+
+"Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?" zeide de kamerheer,
+Gervaas Van Praet. "Zeker, wat heden op de Markt voorviel is eene
+wraakroepende miskenning van den eerbied dien men onzen vorst
+verschuldigd is. Wij zullen later, op behoorlijken tijd en door
+doelmatige middelen, het trotsche geslacht verpletten dat zich dus tegen
+alle wettelijke overheid durft opwerpen. Maar wat kan ons nu het
+straffen van eenen enkelen man baten? Men neme in acht dat de
+beschuldigde Kerel, volgens de wetten der Ambachten, in zijn recht was
+en niets gedaan heeft dan zijnen plicht."
+
+"Daarover zal het hoogerhof der ridderen uitspraak doen", wedervoer
+Tancmar met eenige bitterheid.
+
+"Het hoogerhof der ridderen?" hernam Gervaas Van Praet. "Dit hof is
+ingesteld om in zaken van edelen, ridders en vrije lieden uitspraak te
+doen. De gevangen Kerel is een dorper, een landbouwer. Zult gij, door
+hem voor het hooge ridderhof te brengen, zijne vrije geboorte erkennen?
+Begrijpt gij niet dat zulks den hoogmoed der Kerels nog zou vermeerderen
+en ons in den weg zou staan, als wij later hun deze vrijheid willen
+ontkennen?"
+
+"Het is waar, daaraan hadden wij niet gedacht", mompelde Tancmar. "Beter
+ware het dat de heer graaf, door een besluit van zijnen vorstelijken
+wil, den schuldigen Kerel tot de galg verwees."
+
+"Even onvoorzichtig ware dit", wedersprak hem Gervaas Van Praet. "Wilt
+gij heden nog de Kerels, die in Brugge zich bevinden, tot gewelddaden
+aandrijven? Wie zal met ons zijn als wij de poorters oproepen om te
+verdedigen wat zij een onrecht meenen te zijn? En indien hier bloed
+vergoten werd in eenen nutteloozen strijd, zou dan niet het geheele
+Kerlingaland in opstand kunnen komen? Ons leger is te Atrecht. Vergeet
+niet dat, indien wij in zulk geval tot den laatste toe ons leven gaven
+om den persoon van onzen welbeminden vorst te verdedigen, die opoffering
+misschien niet toereikend zou zijn. En daarbij, waar bleve dan het
+ontwerp om de Kerels der Ambachten tot onderwerping te dwingen zoohaast
+wij het met zekerheid kunnen doen?"
+
+"De kamerheer heeft gelijk", bemerkte de oude Frumold. "Ik ken de
+poorters van Brugge: het onrecht zullen zij niet verdedigen. Zonder
+hunne hulp zijn wij in de macht der Kerels."
+
+"Het schijnt dat ik van de overheid niets dan de schaduw bezit!"
+schertste de graaf spijtig. "Ja, ja, ik heb het te lang geduld: dit moet
+en zal veranderen! In afwachting geloof ik dat de kamerheer gelijk
+heeft. Het kwetst mij diep, dit te moeten erkennen. De Kerel blijve dus
+in de gevangenis ..."
+
+"Gelieft de heer graaf mij nog eene bemerking toe te laten?" vroeg
+Gervaas Van Praet. "Indien men den Kerel in de gevangenis houdt heeft
+men hetzelfde kwaad te vreezen. Volgens de wet mag niemand een vrijen
+Kerel in hechtenis houden zonder toelating der Keurmans, die
+onmiddellijk de zaak moeten onderzoeken,--en, willen andere begoede
+Kerels borg voor hem blijven, dan mag men hem hoegenaamd niet kerkeren.
+Het onrecht zou dus blijven bestaan en het aangewezen gevaar
+insgelijks."
+
+De vorst toonde zich zeer ontevreden, niet over de woorden van zijnen
+kamerheer, wiens trouw en verkleefdheid hij kende, maar over zijne
+onmacht als vorst en over den tergenden toestand waarin hij zich bevond.
+
+"Ik zou dus den hoon moeten verkroppen en den moordenaar laten loopen?"
+kreet hij. "Zulke vernedering!"
+
+"Het is een ondraaglijke hoon voor al wie edel bloed in de aderen heeft!
+Er moet een einde aan onze schandelijke lijdzaamheid komen!"
+
+"Inderdaad", bevestigde Gervaas, "er moet en er zal een einde aan den
+overmoed der Kerels gesteld worden; maar wie een doel beoogt aanvaarde
+de middelen om het te bereiken. Ik ben van gevoelen dat men de gevangen
+Kerel in vrijheid moet laten gaan. Is hij plichtig, de Keurmans van zijn
+Ambacht zullen hem oordeelen."
+
+"Maar zijt gij zinneloos, mijn goede heer Van Praet?" riep de graaf.
+"Zal uwe zwakheid mij niet een voorwerp van spot maken in de oogen der
+hoogmoedige Kerels zelven? is de moordenaar, volgens de wetten der
+Ambachten, niet voor zijne misdaad strafbaar, hij is toch schuldig van
+oneerbiedigheid jegens mijnen persoon en van openbaren opstand tegen
+mijnen wil."
+
+"Ja, heer graaf, en hij verdient den dood; maar het groote doel,
+waarnaar onze plicht als ridders ons oplegt te streven, eischt dat wij
+voor alsnu dit doel niet in gevaar brengen door eene afzonderlijke wraak
+op eenen enkelen persoon te plegen."
+
+De ouden Frumold, wiens woord de graaf gewoon was aan te hooren, stond
+op en sprak:
+
+"Heer vorst, ik weet een middel waardoor niet alleen uwe overheid tegen
+alle schennis zal gewaarborgd blijven, maar deze droeve zaak nog ter
+uwer meerdere eere zal worden geeindigd. Laat den Kerel u verschooning
+en vergiffenis vragen, omdat hij op zulken dag en in uwe
+tegenwoordigheid wraak pleegde, en schenk hem dan door eigene beweging
+de vrijheid. Men zal deze daad onthalen als eene hulde aan het recht,
+zoolang dit recht bestaat, en men zal u roemen als een grootmoedig
+vorst."
+
+Velen, over dezen wijzen vond verwonderd en verblijd, knikten
+bevestigend.
+
+"Maar zal de hardnekkige Blauwvoet zich wel voor den graaf willen
+vernederen?" vroeg Tancmar. "Ik twijfel er aan. De Kerels buigen niet;
+men moet ze breken."
+
+"De heer graaf late mij toe het te beproeven", sprak de oude Frumold.
+"Met goedheid kan men veel van de Kerels bekomen."
+
+"Nu, ga, en beproef het", beval de vorst. "Mij bedroeft en verveelt die
+zaak uitermate. Later zal men weten wie ik ben!"
+
+Frumold verliet de zaal en zocht naar den kastelein Hacket. Hij vond hem
+onder de Loove, met de kommervolle oogen naar het gijselhuis gericht,
+waar eene gansche schaar Kerels, hetzij staande, hetzij ten gronde
+zittende, afwachtte wat men in het paleis aangaande hunnen gevangen
+vriend zou beslissen.
+
+"Heer kastelein", sprak hij, "gelief mij te volgen; ik heb u iets
+belangrijks mede te deelen."
+
+Hij leidde hem eenige stappen verre op het binnenplein, hield hem dan
+staan en zeide hem dat de graaf den gevangen Kerel in vrijheid zou laten
+gaan op voorwaarde dat deze hem verschooning vroege, niet aangaande het
+feit van den doodslag zelven, maar nopens den tijd en de plaats waarop
+de wraakneming was geschied.
+
+Alhoewel de kastelein sterk twijfelde of Arnulf, dien hij kende als een
+vastberaden man zonder vrees, wel tot zulk iets kon toestemmen, beloofde
+hij al het mogelijke aan te wenden om hem er toe over te halen.
+
+Hij riep vijf of zes wapenmannen tot zich en richtte zich naar het
+Gijselhuis waar hij, om de onrustige Kerels te stillen, verplicht was
+hun te zeggen dat hun vriend waarschijnlijk binnen een half uur zijne
+vrijheid zou terugbekomen.
+
+Deze aankondiging werd door een algemeen gejuich van blijdschap begroet.
+
+Om meerdere kans tot welgelukken zijner zending te hebben, verzocht de
+kastelein de weenende vrouw en twee kinderen van Arnulf hem in de
+gevangenis te volgen.
+
+De oude Frumold bleef te midden van het plein staan, afwachtende wat de
+uitslag van des kasteleins poging zou zijn.
+
+Het duurde niet zeer lang of een vreugdekreet ontsnapte hem; want hij
+zag den kastelein met den Kerel uit het Gijselhuis komen. De laatste
+moest dus toegestemd hebben tot het afsmeeken van des graven
+vergiffenis.
+
+Al de verzamelde Kerels vergezelden hunnen makker tot voor de Loove, en
+begroetten hem en moedigden hem aan totdat hij onder de poort van het
+paleis verdween. Eenigen der stoutsten volgden hem zelfs tot binnen het
+hof.
+
+De kastelein verscheen met zijnen gevangene bij den ingang der raadzaal
+en wachtte daar een verder bevel.
+
+"Treed nader!" gebood de vorst.
+
+Met eene diepe buiging doch met helderen, onbevreesden blik stapte de
+Kerel vooruit.
+
+"Men heeft ons gemeld dat gij ons vergiffenis wilt vragen en onze
+grootmoedigheid afsmeeken", zeide de graaf. "Is dit waar, zoo spreek!"
+
+"Wie schuldig is, vraagt vergiffenis", antwoordde Arnulf. "Ik heb mijnen
+plicht gedaan."
+
+"Versteende trotschaard!" gromde de vorst, van ongeduld ter tafel
+slaande.
+
+"Gelief mij te hooren, heer graaf", hernam de Kerel, even onbewogen,
+"Toen ik eerst op de Markt den moordenaar mijns broeders meende te
+herkennen, zeide ik tot mijne vrouw dat deze ontmoeting, op zulken dag
+en in uwe tegenwoordigheid, een ongeluk zou zijn, hetwelk ik diep zou
+betreuren. Het heeft mij leed gedaan, heer graaf, door het vervullen van
+eenen onverbiddelijken plicht de plechtigheid uwer blijde intrede te
+hebben gestoord. Het grieft mij nog en ik smeek u, aangaande deze
+omstandigheid, die onafhankelijk was van mijnen wil, mij uwe
+grootmoedige verschooning te gunnen."
+
+"Het is wel", sprak de graaf, in schijn tevreden over deze ootmoedige
+woorden, die hem gelegenheid gaven om uit den neteligen toestand te
+geraken, "Ik schenk u vergiffenis; ga in vrijheid en in vrede!"
+
+Onmiddellijk verhief zich een gejuich dat door gangen en zalen voortliep
+en welhaast tot op het middenplein hergalmde.
+
+Meer nog werden de Kerels met blijdschap vervuld toen Arnulf buiten kwam
+en zijne vrouw en kinderen omhelsde. Een schallend triumfkreet bonsde
+tegen de muren van het paleis; en de vorst kon van in de raadzaal hooren
+hoe daarbuiten hem ten lof wel twintigmaal opnieuw de schreeuw: "Heil
+onze vorst! Leve de graaf van Vlaanderen!" werd aangeheven.
+
+Dit gejuich deed den proost van St-Donaas en eenigen zijner vrienden,
+die met groote bekommerdheid in de proostdij den loop der zaak
+afwachtten, buiten komen. Met teekens van blijdschap liep de kastelein
+tot hen en vertelde hun hoe deze erge zaak gelukkig was afgeloopen.
+Allen betuigden hunne tevredenheid en drukten elkaar de handen; want zij
+hadden zich zelven niet ontveinsd dat de gramschap des graven de
+vijanden der Kerels in de hand kon werken, ja, zij hadden zelfs gevreesd
+dat zij het sein tot eene erge en noodlottige vervolging kon worden.
+Hunne vrees was geheel ongegrond geweest, meenden zij; want indien de
+vorst den Kerel in vrijheid liet gaan, dit was wel een bewijs dat hij
+niet voornemens was de wetten van Kerlingaland te veranderen, aangezien
+hij nu daartoe eene schijnbare reden had, en deze niet gebruikte.
+Diensvolgens waren de kwaadvoorspellende berichten, die Isaac Van
+Reninghe aangaande de vermoedelijke inzichten des graven hun had
+gebracht, van allen grond ontbloot.
+
+De kastelein noodigde hen uit om op dezen verblijdenden uitslag eener
+dreigende zaak met hem eenen beker Cyperwijn te gaan ledigen.
+
+Allen volgden hem in den Steen.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 30: "De Kerels droegen het haar kort en den baard lang ... de
+ridders droegen het haar lang en schoren hunne kin."
+
+_Ann. du Com. fl. de Fr.,_ tome VIII, pag. 68.]
+
+[Voetnoot 31: Zie daarover VICTOR DE RODE, pag. 147.]
+
+[Voetnoot 32: Het woord _Ambacht_ is later te zamen getrokken tot_Ambt_
+en in het Duitsch tot _Amt._ Zie J. CRIMM, _Worterbuch_ bij _Amt._
+
+LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_, t. I. pag. 583, zegt: "Tot de
+oudste districts-benamingen, die het Engelsche _Shire_ voorafgingen,
+behoorde nog _maegthe_, een land, dat de leden van een geslacht of van
+ene _maegschap_, gelijk zij in den oorlog te zamen gestreden en veroverd
+hadden, ook in den vrede te zamen bezaten."
+
+Dan zal wel het woord Ambacht niets zijn dan het oud-Saksische _maegt_,
+met het samenvoegend voorzetsel _an_ of _am_, dus _Ammaegt,_ waarvan
+_Ambacht_.]
+
+[Voetnoot 33: _Harop, Harop,_ voces Belgicae quae et clamorem ob crimen
+perpetram, DUCANCE, _Gloss._
+
+"Convictus ex _dousslach et harop_ emendabit comiti III libras"
+
+_Keure van Veurne van 1240._]
+
+[Voetnoot 34: "Van eenen min begrijpelijken aard was de wederzijdsche
+verantwoordelijkheid der leden van eene maagschap (_de mageborge,
+maegburh_), dat voornamelijk de verplichting begreep tot het wreken der
+moorden, de bescherming der weezen, enz."
+
+LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_, vertaald door Thorpe. t. II, pag.
+332.]
+
+[Voetnoot 35: _Keurmans, Keurlieden, Keurheers_, waren bij de Kerels de
+bestierders en rechters, die door _Keure_ of kiezing werden aangesteld.]
+
+
+
+
+V
+
+
+Dakerlia Wulf, de schoone Kerlinne, zat in haars vaders Steen, bij een
+venster, met een borduurwerk op den schoot.
+
+Wel hing nog de gulden draad aan hare vingeren, doch de naald was haar
+ontglipt. Zij arbeidde niet en scheen geheel verslonden in diepe
+gepeinzen. Haar gelaat was bleek en de droefheid had nevens hare wangen
+eenen lichten rimpel geplooid.
+
+Nu en dan ontsnapte haar een zucht en murmelde zij eenige afgebrokene
+woorden, waartusschen de namen van Placida en Robrecht alleen met eenige
+duidelijkheid waren uitgesproken; maar die namen, als stonden zij tegen
+haren wil op haren mond, deden haar telkens spijtig het hoofd schudden,
+en dan slechts verroerden hare leden met eene korte doch krachtige
+beweging van ongeduld.
+
+Langen tijd was zij weder in stille mijmering bedolven gebleven toen de
+deur der kamer werd geopend en eene jonge maagd met uitgestrekte armen
+tot haar kwam.
+
+Zij stond op en zeide na eene blijde omhelzing:
+
+"Ach, Witta lief, hoevele uren wacht ik reeds op u! Allerlei angstvolle
+gedachten bestormen mij. Ik vreesde dat gij ziek geworden waart.
+Gisteren heb ik u van den gansenen dag niet gezien, en nu is het reeds
+middag!"
+
+"Veel bezigheid ... een onverwacht geval hield mij terug, Dakerlia",
+antwoordde jonkver Sneloghe, als aarzelde zij om eene klaardere
+uitlegging te geven. "Maar laat ons nederzitten en spreken wij van u,
+vriendinne. Hoe gaat het heden met u?"
+
+"Wel genoeg, gij ziet het."
+
+"Nog zoo bleek! Gij hebt alweder geweend!" bemerkte Witta verwijtend.
+
+"Gij bedriegt u", zeide Dakerlia met eenen pijnlijken glimlach, "ik heb
+niet geweend; maar droef was ik toch onuitsprekelijk. De mensch,
+vriendinne, is zoo zwak in den strijd tegen zijn eigen hart!"
+
+"Maar, Dakerlia, gij moet verduldig u onderwerpen aan het lot. Zoudt
+gij dus jaren lang gaan treuren over iets dat niet te veranderen is?"
+
+"Neen, neen, niet jaren, niet maanden. Een ongeluk dat nog moet komen
+verschrikt ons en ontrooft ons allen moed; een ongeluk dat geheel en al
+onwederroepelijk is volbracht, geeft ons kracht en moed terug ..."
+
+En zij voegde daarbij op den toon der diepste wanhoop:
+
+"Eilaas, nog drie weken, eene eeuw van smart en angst!"
+
+Witta greep hare hand en zeide troostend:
+
+"Kom, vriendinne, wees redelijk. Gij weet dat ik even droef ben als gij.
+Het zoet en vroolijk leven dat wij sedert onze kindsheid te zamen
+genoten, is voor altijd verloren. Ik zit nu alleen, immer alleen in
+mijne kamer ... maar, hoe het zij, er is niets aan te doen. Wees gij
+insgelijks verduldig, Dakerlia, anders zult gij u zeker ernstig ziek
+maken, en hoe ongelukkig zou dan uw arme vader niet zijn, indien hij
+zijn eenig kind zag verkwijnen? Eergisteren toen ik u verlaten had,
+sprak hij mij over uwe onpasselijkheid met de tranen in de oogen. Hij
+wilde van mij weten wat toch de reden van uw onbegrijpelijk verdriet kon
+zijn; maar ik heb ze hem niet durven openbaren ..."
+
+"Ik zelve heb ze hem geopenbaard, Witta."
+
+"Gij hebt de reden uwer smart hem bekend?"
+
+"Ja, geheel en zonder de minste terughouding."
+
+"Zoo? en wat heeft hij gezegd, Dakerlia?"
+
+"Het heeft hem verblijd; hij heeft met mijn verdriet gelachen."
+
+"Dit kan ik niet gelooven! Uw vader bemint u te veel om bij uw lijden
+ongevoelig te blijven."
+
+"Het is te begrijpen, Witta. Hij vreesde dat eene erge ziekte mij
+bedreigde en was daarom, uit liefde tot mij, zeer bekommerd; maar nu hij
+weet wat mij ontstelt, is hij geheel gerust. Liefdezaken? Men sterft
+daar niet van, zegt hij."
+
+"Hij heeft gelijk, meen ik, Dakerlia."
+
+"Ik heb hem niet tegengesproken; het hadde hem te veel leed gedaan!"
+zeide jonkver Wulf op zonderlingen toon.
+
+Robrechts zuster aanschouwde haar verschrikt en murmelde: "O, Hemel,
+Dakerlia, gij, die zoo sterk zijt, gelooft gij inderdaad, dat men van
+zulk verdriet kan sterven?"
+
+Jonkver Wulf legde zich de hand op het hart, terwijl zij eenen klagenden
+blik ten hemel stuurde.
+
+"De sterkste zielen", zeide zij, "lijden het wreedelijkst, omdat zij
+dieper gevoelen en niet zoo spoedig onder het gewicht der smart
+ontspannen. Maar wees om mij niet bekommerd, Witta. Nog drie weken!
+Wanneer dan alles onherroepelijk is volbracht, zal ik de kracht vinden
+om mij in de uitspraak van het lot te getroosten."
+
+Er heerschte eene wijl stilte. Dakerlia zag hare vriendin in de oogen en
+scheen iets te vragen, doch daar zij geen antwoord bekwam, zuchtte zij:
+
+"Kom, Witta, spreek mij toch van hem. Hoe gaat het met hem?"
+
+"Tamelijk wel. Hij aanvaardt verduldig het lot."
+
+"Ja, hij is man, Witta; de mannen zijn niet, als wij, slaven van het
+hart. Hij heeft het gezegd: Placida is schoon; hij zal hopen haar te
+beminnen en hij zal er in gelukken. De arme Dakerlia zal vergeten
+worden, zooals het behoort ... en ze zal verkwijnen misschien in den
+harden, nutteloozen strijd om te kunnen vergeten!"
+
+Zij sloeg zich de handen voor het aangezicht en verborg dus de tranen
+die haar in de oogen schoten.
+
+"Gij zijt onrechtvardig, Dakerlia", morde Robrechts zuster verwijtend.
+"Mijn arme broeder is treuriger nog dan gij."
+
+"Ja, troost mij", antwoordde Dakerlia met droeve scherts. "Het is soms
+edelmoedig bedrukte lieden te bedriegen. Gisteren heb ik den ganschen
+dag nutteloos op u gewacht, gehoopt, gebeefd geleden; maar gij hadt
+niets mij te zeggen ... en zoo zal het in de toekomst gaan. Tusschen u
+en mij en uwen broeder zal het lot eenen afgrond delven; en zij die aan
+de eene zijde van de kolk staan, zullen voor immer vergeten wie er aan
+de andere zijde treurt en verkwijnt."
+
+"Mijn broeder heeft mij gebeden hier van hem nooit te spreken", zeide
+Witta, "en ik gevoel wel dat de plicht mij het insgelijks gebiedt: maar
+uw bitter lijden, Dakerlia, uwe sombere wanhoop, die ik wel doorgrond,
+dwingen mij tot zondige onbescheidenheid."
+
+"O, spreek, spreek uit medelijden!" smeekte jonkver Wulf.
+
+"Welnu, hoor dus wat ik u meende te verzwijgen. Mijn broeder heeft, met
+vele andere ridders, onzen heer graaf uitgeleide gedaan tot Yperen, en
+is daar zelfs gebleven tot des vorsten vertrek naar het leger.
+Gisterenmorgen, bij zijne terugkomst, moest mijn broeder onmiddellijk
+naar Placida Van Woumen gaan. Het was zijn plicht, en ik raadde hem aan
+dien te vervullen. Hij was zoo ontmoedigd en zoo treurig, dat hij op
+zijne kamer is gegaan en langen tijd daar in eenzaamheid bleef zitten.
+Dan heeft hij eenen bode naar sher Rijkaards Steen gezonden om jonkver
+Placida te melden dat hij onpasselijk was en niet kon uitgaan.
+Inderdaad, hij is den ganschen dag te bed gebleven. Ik was zeer angstig
+bij de gedachte dat eene erge ziekte hem bedreigde ..."
+
+"Ziek? hij ziek? O hemel!" kreet Dakerlia met den glimlach der
+blijdschap op de lippen en tevens den strakken blik der verschriktheid
+in de oogen.
+
+"Ik geloofde dat eene zware ziekte hem had overvallen", hernam Witta.
+"Verre in den avond, toen hij hoorbaar sliep ging ik vol kommer nevens
+zijn bed zitten, om te waken en bidden. Hij heeft gedroomd, luidop
+gedroomd. Wat hij zeide verstond ik niet; maar van tijd tot tijd zweefde
+uw naam Dakerlia op zijne lippen, en dan lachte hij zoo zoet in zijnen
+slaap, dat mij het hart van ontroering klopte. Ook morde hij wel eens
+den naam van jonkver Placida, en dan trok zijn mond tot eenen grijns van
+smart te zamen en zwoegde zijne borst en stak hij de handen vooruit als
+om iets te verwijderen dat hem verschrikte ..."
+
+Dakerlia slaakte eenen blijden kreet.
+
+"Ach, dank! dank!" zuchtte zij. "Zulke woorden alleen kunnen mijne smart
+verlichten."
+
+"Blijf bedaard, vriendinne", zeide Witta.
+
+"Neen, laat mij dien troost genieten. Ik meende alleen, gansch alleen te
+lijden, en hij, hij tevens bezwijkt onder het gewicht der treurnis!"
+
+"Maar, Dakerlia, gij verbaast mij! Hebt gij dan nog de hoop behouden dat
+Placida Van Woumen zijne echtgenoote niet zal worden?"
+
+"Of ik nog eenige hoop heb behouden?" herhaalde jonkver Wulf met
+plotselijke ontmoediging. "Eilaas, neen, vriendinne, niet de minste
+hoop. Verschoon mij: mijne hersens zijn ontsteld, ik ben
+zinneloos,--zinneloos genoeg om mij in de ziekte van Robrecht te
+verblijden ... ik, die al mijn bloed zou geven om hem gelukkig te weten!
+Moge de barmhartige God mijne schuldige ontsteltenis mij vergeven en hem
+spoedig laten genezen!"
+
+"Maar hij is niet ernstig ziek, Dakerlia."
+
+"Ha, ik begrijp: het hart alleen doet hem wee, niet waar? Schromelijk is
+die ziekte der ziel!"
+
+"Heden is hij opgestaan en heeft mij gezegd dat hij na den middag
+jonkver Placida een bezoek zal brengen. Ik hoor wel aan den treurigen
+toon zijner stem dat dit bezoek hem onaangenaam is; maar hij kan het
+niet uitstellen. Mher Rijkaard Van Woumen, die onzen heer graaf tot
+Rijssel heeft vergezeld, moet dezen morgen teruggekeerd zijn; en gij
+begrijpt wel, Dakerlia, dat Robrecht niet mag nalaten hem te gaan
+begroeten. Nu zou ik moeten huiswaarts keeren; ik ben slechts gekomen om
+te vernemen hoe het met u gaat."
+
+"Gij verlaat mij reeds? Ach, Witta, dan ben ik weder zoo gansch alleen!
+Blijf, ik smeek u!"
+
+"Onmogelijk, mijn broeder staat gansch gereed om zijn bezoek bij mher
+Rijkaard te brengen."
+
+"Wat doet het? Hij zal daarom niet laten uit te gaan. Heb medelijden met
+mij!"
+
+"Ik kan niet blijven, Dakerlia. Mijn broeder wacht mij."
+
+"O, God!" riep jonkver Wulf eensklaps met blijdschap, "het is dus
+Robrecht die u tot mij gezonden heeft? Gij zeidet dat hij nooit meer van
+mij spreekt ... en hij wacht om te weten hoe het met mij gaat! O,
+bevestig mij in die hoop!"
+
+"Welaan, ja, hij is bekommerd over uwe gezondheid. Laat mij nu
+vertrekken: ik zal in den morgen hier wederkeeren."
+
+"Ga, ga, spoedig!" murmelde Dakerlia, hare vriendin bij de hand tot de
+deur lijdende. "Stel hem gerust; verzeker hem dat mijne gezondheid niet
+in het minste is bedreigd. Dat ik droef ben en onder eene diepe smart
+gebukt lig, zeg hem dit niet; hij zal het wel voelen aan zijn eigen
+hart. Tot straks, tot straks!"
+
+Jonkver Sneloghe haastte zich naar hare woning.
+
+Toen zij binnentrad, vond zij haren broeder in de zaal zitten, met den
+blik nederwaarts en zoo diep in zijne overweging bedolven dat hij het
+hoofd slechts ophief toen zij voor hem stond.
+
+"Welnu, zuster?" vroeg hij.
+
+"Zij is veel beter, broeder; zij zal niet ziek worden."
+
+"De goede God zij er om geloofd!" murmelde Robrecht.
+
+Na een oogenblik stilte zeide hij, als sprake hij tot zich zelven:
+
+"Wel gebiedt de plicht mij nimmermeer aan haar nog te denken; maar ik
+ben toch mensch en heb geen steenen hart. Vreezen dat de trouwe vriendin
+onzer kindsheid van treurnis kan verkwijnen, en alle medelijden in onzen
+boezem moeten versmachten, het is iets dat mijne krachten te boven gaat.
+Is deze zwakheid een zondig vergeten van den plicht, de hemel zal mij
+vergiffenis schenken in aanzien mijner onderwerping aan zijn besluit."
+
+Robrecht had deze woorden op zulken lijdzamen, smartelijken toon
+gesproken, dat Witta de handen voor de oogen had geslagen en luidop
+snikte.
+
+"Ween niet, zuster lief", zeide hij, "er is niets aan te doen. Het lot
+is wreed jegens mij; maar in het gevoel van den plicht vindt een man
+eindelijk de kracht om het leven te dragen, hoe bitter het zij."
+
+Met eenen zucht voegde hij er bij:
+
+"Eilaas, ik waande mij zelven sterker: ik hoopte dat ik allengs mijne
+vroegere gedachten geheel zou hebben overwonnen; maar mijne ziel dwaalt
+immer weg in treurige droomen ... in de pijnlijke beschouwing van het
+verloren geluk ..."
+
+Hij blikte in stilte ten gronde en scheen diep neerslachtig; doch bijna
+onmiddellijk hief hij het hoofd weder op en morde met treurig ongeduld:
+
+"Ach, wat geschiedt mij? Is alle gemoedskracht mij ontvallen? Vergeet ik
+dat Kerlingaland, dat de vrijheid van mijn geslacht dit offer van mij
+vergt? Weg, weg, die aarzeling! De plicht is de opperste wet. Zal ik tot
+eenen lafaard ontaarden? Neen, neen, gehoorzamen wij, en weze dit de
+laatste klacht die mijnen boezem ontsnapt!"
+
+Hij omhelsde zijne weenende zuster, zeide nog eenige geruststellende
+woorden om haar te troosten, verliet in allerhaast zijnen Steen en
+keerde om den hoek der Ridderstraat.
+
+Onder den invloed der gepeinzen vertraagde allengs zijn stap; hij bleef
+zelfs, onder de boomen der Spiegelrei, een oogenblik staan en schudde
+zuchtend het hoofd, waarna hij even mijmerend weder zijnen weg
+vervorderde.
+
+Hij kon niet begrijpen hoe, ondanks zijnen vasten wil en zijne heldere
+rede, eene geheimzinnige macht hem beheerschte. Wist hij niet dat dit
+huwelijk hem was opgelegd als eene opoffering die de vrijheid van
+Kerlingaland kon redden? Was hij niet overtuigd dat het voltrokken moest
+worden en niets op aarde het nog kon beletten? Hij had die verbintenis
+aanvaard en zich met goeden wil aan het onverbiddelijk lot onderworpen;
+ja, hij had gehoopt dat allengs in zijn hart eenige genegenheid voor de
+schoone Placida Van Woumen zou zijn ontstaan. En nu? Nu boezemde Placida
+hem afschrik in, nu deed het gepeins dat hij in hare tegenwoordigheid
+ging verschijnen hem sidderen! Nu liep er koude door zijne aderen,
+wanneer hij in de verbeelding haar helder oog op zich gevestigd zag! En
+hij gevoelde geenen haat voor haar; niets dan een onuitlegbaar gevoel
+van vrees, eenen ziekelijken schrik ... Maar het mocht daarbinnen in
+zijn hart gaan zooals het kon, hij moest toch uit dezen strijd opstaan
+met de noodige gemoedskracht om zijnen plicht te volbrengen ...
+
+Zoo vervuld met onverwinnelijke droefheid, doch welberaden om niets te
+zeggen of te doen dat Placida of hare ouders kon kwetsen, bereikte hij
+sher Rijkaards Steen.
+
+Op zijne vraag zeide hem de schalk, die de poort opende, dat mher Van
+Woumen sedert gisterenavond was teruggekeerd, maar nu daareven den Steen
+had verlaten. Jonkver Placida was te huis en wachtte zelfs op mher
+Robrecht, meende de schalk.
+
+Hij leidde den jongen ridder over den neerhof en opende voor hem de deur
+eener kamer, waar Placida bij het venster was gezeten met hare oude
+dienstmeid Martha.
+
+Op de tafel bemerkte hij met verwondering de dooze die zijne beloftegift
+bevatte. Placida had het juweel nog onlangs in de hand genomen,
+misschien had zij zich er mede versierd?
+
+Hij keerde zijn oog van de dooze om zijne verloofde te groeten; maar de
+jonkvrouw richtte op hem eenen bijzonderen strengen blik verwijtend en
+zoo zonderling diep, dat Robrecht er gansch van ontstelde.
+
+Hij boog zich voor de maagd en murmelde:
+
+"Jonkver Van Woumen, ik bid u om verschooning. Zeker, mijn eerste plicht
+en mijn eerste wensch na mijnen terugkeer van Yperen, moesten zijn u een
+bezoek te brengen; maar zooals mijn bode u gemeld heeft, ik was gisteren
+onpasselijk, zeer ziek zelfs."
+
+De jonkvrouw deed hare dienstmeid een teeken dat zij de kamer zou
+verlaten. Dan wendde zij zich tot haren verloofde.
+
+"En mher Sneloghe is heden gansch genezen?" vroeg zij op eenen toon van
+half verborgen spot en met eene spijtigheid die Robrecht verbaasde. Hij
+aanschouwde haar zwijgend.
+
+"Waarom mij bedriegen?" zeide zij. "Gij waart niet ziek, heer. Iemand
+anders moest gij bezoeken, niet waar?"
+
+"Ik begrijp u niet, Placida", mompelde Robrecht. "Geloof mij, ik was
+gisteren zoo onpasselijk dat ik van den ganschen dag mijn bed niet kon
+verlaten."
+
+"En niemand hebt gij gezien of gesproken?"
+
+"Niemand dan mijne zuster."
+
+Jonkver Van Woumen schudde ongeloovig het hoofd, terwijl een vinnige
+glimlach op hare lippen sidderde.
+
+"Uw strenge blik beschuldigt mij", stamelde Robrecht. "Heb ik iets
+gedaan dat u op mij kon verbitteren, het was dan onwetend; want
+waarlijk, Placida, ik wensch niets meer dan al wat in mijne macht is aan
+te wenden om u te behagen."
+
+"Ah, daarin juist bestaat uwe valschheid", zeide de jonkvrouw met eene
+gramschap die zij niet poogde te bedwingen.
+
+"Mijne valschheid!" herhaalde Robrecht, wiens oog plotselijk eene
+genster van verontwaardiging uitschoot.
+
+Maar hij bedaarde even spoedig en sprak:
+
+"Placida, een man zou mij die beschuldiging niet ongestraft toesturen;
+in u evenwel eerbiedig ik niet alleen mijne verloofde, maar tevens de
+vrouw. Men heeft u bedrogen, ongetwijfeld; men heeft kwaad van mij
+gesproken en gij, gij hebt het geloofd! Ik had recht op meer vertrouwen
+van uwentwege. Mijne valschheid! Gij acht mij valsch?"
+
+Jonkver Van Woumen bleef eene korte wijl stilzwijgend, als raapte zij
+hare stoutheid of hare gemoedskracht te zamen tot het uitvoeren van een
+gewichtig besluit.
+
+"Neen, beweer niet, heer, dat gij u oprecht jegens mij gedraagt", zeide
+zij. "Hoe? gij laat mij gelooven dat ik uwe genegenheid geheel zal
+bezitten? Ik aanvaard uwe hand.--Ah, dit zou men geene valschheid moge
+noemen?--Wetens en willens veroordeelt gij mij om mijn treurig leven te
+slijten met eenen echtgenoot wiens gedachten verre van mij zijn en die
+het mij nimmer vergeven zou aan zijne zijde de plaats eener andere vrouw
+te hebben ingenomen. Het is zulk lot dat gij mij wilt bereiden?"
+
+Robrecht werd door deze onverwachte aantijging diep getroffen. Hij zag
+de jonkvrouw zwijgend en met verbaasden blik aan.
+
+"Het is dus waar! Gij bekent het!" kreet zij met eenen spotlach.
+
+Eenen geweldigen strijd doorstond de jonge ridder. Hij voelde zich
+bloedig gekwetst en worstelde tegen zijne mannelijke waardigheid die hem
+aandreef om den hoon af te weren; maar dan overwoog hij hoe zijn oom en
+al de zijnen hem zouden beschuldigen van lafheid of van zelfzucht,
+indien hij eenige redenen gaf tot het verbreken der huwelijksbelofte.
+Dan zouden de Erembalds in Rijkaard Van Woumen niet eenen machtigen
+vriend, maar eenen onverzoenbaren vijand vinden, en hij, Robrecht, zou
+misschien de schuld van der Keerlen verderf zijn. Deze gepeinzen sloegen
+hem met droefheid en spoorden hem aan tot eindeloos geduld.
+
+"Jonkver Placida", zeide hij zonder driftigheid, "onze ouders hebben
+geoordeeld dat een huwelijk tusschen ons wenschelijk was voor het
+welzijn van beide geslachten. Zij hebben onze harten niet geraadpleegd;
+zij konden het niet doen, wij kenden elkander nauwelijks. Wat mij
+betreft, ik heb uit plichtgevoel die verbintenis aanvaard met de hoop,
+bijna met de zekerheid dat ik u zou beminnen. God heeft u begaafd met
+schoonheid ..."
+
+"Hoe kondet gij dit hopen, heer?" onderbrak Placida, "dewijl uw hart
+geheel is ingenomen door hetzelfde gevoel voor eene andere vrouw?"
+
+Robrecht, gemarteld door eene pijnlijke verlegenheid, murmelde eene
+onverstaanbare terechtwijzing.
+
+"Wie toch kon weten", schertste Placida met misprijzen op de lippen,
+"dat gij u vereerd zoudt achten met de hand eener edelgeborene
+jonkvrouw? Gij zijt een Kerel; een Kerlinne alleen is uwer liefde
+waardig! Dakerlia wone dus op Ravenschoot! Wees zeker, heer, ik benijd
+de dochter van Segher Wulf dit geluk niet!"
+
+"O, ik smeek u", riep Robrecht met sombere ontstelde stem, "hoon jonkver
+Dakerlia Wulf niet in mijne tegenwoordigheid! Laat mij bedaard blijven.
+Ik zal alles verdragen, alles lijden, maar eerbiedig Dakerlia!"
+
+"Genoeg, ik weet genoeg", wedervoer Placida. "Nu ben ik overtuigd dat
+men mij de waarheid heeft gezegd. Gij zelf, heer, ontkent het niet.
+Alles zij dus gedaan tusschen ons. Neem uwe beloftegift terug ..."
+
+"Eilaas, jonkver Placida, wat doet gij?"
+
+"Neem uwe gift terug; ik ontsla u van uwe belofte: gij zijt vrij."
+
+"Maar wat zal uw heer vader zeggen?"
+
+"Mijn vader weet wat ik voornemens was heden te doen. Hij betreurt mijn
+besluit, doch wil mij niet dwingen."
+
+"En hij zal ons ten vijand worden?"
+
+"In het geheel niet. Neem uwe beloftegift terug, heer!"
+
+"Maar berekent gij dan niet, Placida, dat mijne maagschap, dat de
+Erembalds het breken dezer verbintenis als eenen bloedigen hoon zullen
+beschouwen? Wat al ongelukken kunnen daaruit ontstaan!"
+
+"Gij bedriegt u, heer. Mijn vader zal uwen oom, den proost, gaan spreken
+en hem doen begrijpen dat ik alleen de schuld ben van alles; dat ik dit
+huwelijk van de hand wijs, ondanks den wensch mijner ouders. Uw oom en
+uwe magen zullen, meen ik, den wil eener vrouw eerbiedigen, en mijnen
+vader daarom niet haten ... Neem uwe beloftegift terug, heer!"
+
+"Eilaas, het zij zoo!" zuchtte Robrecht, de juweeldoos van de tafel
+nemende.
+
+"Alles is dus tusschen ons verbroken?" vroeg hij droef.
+
+"Alles", was het koele antwoord.
+
+"Onherroepelijk en voor altijd?"
+
+"Voor altijd!"
+
+"Blijf dus met God, jonkver Van Woumen. Hij late u gelukkig zijn, dit is
+mijn oprechte wensch", murmelde Robrecht, terwijl hij de doos in zijne
+tassche stak en aarzelend nog bleef staan.
+
+"Geene hoop meer?" zuchtte hij.
+
+"Geene. Vaarwel!"
+
+Robrecht groette nog diep en verliet sher Rijkaards Steen.
+
+Toen hij in de straat kwam, helde zijn hoofd voorover en hij stapte eene
+lange wijl als bewusteloos voort; maar dan verhelderde allengs zijn
+blik, totdat hij eensklaps het hoofd ophief en met eenen begeesterden
+lach op het gelaat in zich zelven mompelde:
+
+"Vrij? vrij? Ik heb mijnen plicht betracht, hoon en laster verdragen, de
+slachtoffering verduldig aanvaard tot het uiterst einde ... en toch ben
+ik vrij! Ha, dank, o God, dat gij mij dit leven van eeuwige treurnis
+hebt gespaard ... Dakerlia! Dakerlia!"
+
+En onder den invloed dezer blijde gedachten verhaastte hij zoodanig
+zijnen stap dat hij weinige oogenblikken daarna de Spiegelrei bereikte.
+
+Hier zag hij tusschen de boomen eene vrouw wier nederige kleeding eene
+dienstmeid scheen aan te kondigen. Zij trad in zijne baan, als wachtte
+zij hem af, liet hem nader komen, schikte zich nevens hem en vroeg met
+verdoofde stem:
+
+"Heer, herkent gij mij niet?"
+
+"Ja, gij zijt Brigitta, de dienstmeid van jonkver Placida", mompelde
+Robrecht, haar beziende.
+
+"Ik heb u iets te zeggen, heer. Verraad mij nimmer. Wat ik doe is uit
+eerbied, uit liefde tot u, en ik waag er misschien mijn leven aan ...
+Mijne jonkvrouw heeft uwe beloftegift u teruggegeven niet waar? Heeft
+zij u niet beschuldigd eene andere vrouw, eene Kerlinne, uwe liefde te
+hebben geschonken?"
+
+"Hoe weet gij dit? Gij waart niet tegenwoordig!" vroeg Robrecht
+verwonderd.
+
+"Dit is wat ik u wilde verklaren, heer. Gisterenavond is mijn meester
+van de reis te huis gekomen. Hij heeft zich met jonkver Van Woumen in
+eene kamer opgesloten om haar over iets gewichtigs te onderhouden. Ik
+heb schier alles gehoord. Mher Van Woumen zeide dat gij eene andere
+jonkvrouw bemint en bijna al uwen tijd in haar gezelschap slijt. Hij
+noemde daarbij vele malen eenen mher Tancmar en andere ridders, die hem
+te Rijssel dringend aangeraden hebben de huwelijksbelofte zijner dochter
+te breken. Men besloot het te beproeven, maar dewijl mher Van Woumen de
+wraak uwer bloedverwanten niet op zich wilde laden, zou men jonkver
+Placida pogen over te halen om uit eigene beweging het huwelijk af te
+wijzen. Daarom moest men haar tegen u verbitteren. Men deed mijne
+jonkvrouw roepen en men overtuigde haar dat gij sedert lang eene zekere
+Dakerlia Wulf bemint. Mijne jonkvrouw, door deze lasterlijke aantijging
+bedrogen, stemde in alles toe. Gij ziet het dus wel, heer, men heeft
+eenen verraderlijken aanslag tegen u gesmeed en mijne jonkvrouw
+bedrogen. Alle hoop is niet verloren. Bewijs uwe onschuld: het moet u
+gemakkelijk zijn; jonkver Placida zal terugkomen op haar besluit ... Nu
+keer ik spoedig weder naar onzen Steen. Bedank mij niet: ik ben nu eene
+slavinne, maar mijne ouders waren vrije Kerels. God geleide u, heer!"
+
+Robrecht zag haar eene wijl denkend achterna. Dan keerde hij zich om,
+vervorderde haastig zijnen weg, en zeide in zich zelven, met eenen
+helderen glimlach op het gelaat:
+
+"Ha, ha, het is te Rijssel dat men besloten heeft dit huwelijk te
+beletten! Ik heb er dus geene de minste schuld aan. Mijn geweten is
+onbeladen en mijn oom kan mij niets verwijten. Tancmar, altijd die
+Tancmar! Hij vervolgt ons zonder verpoozing. Die bloedvijand van ons
+geslacht heeft nu toch zijn doel gemist. Hij meende mij diep te honen en
+doodelijk te bedroeven ... en hij maakt mij den gelukkigste der
+menschen! Nu heb ik mijne vrijheid weder. Er is niet meer op terug te
+komen. Geene macht op aarde kan mij nog dwingen mij voor Placida Van
+Woumen te vernederen. Dakerlia, Dakerlia zal mijne levensgezellinne
+zijn!"
+
+En nog meer zijnen stap bespoedigende, bereikte hij welhaast het einde
+der Ridderstrate.
+
+Hij klopte aan de poort van zijnen Steen, ging den schalk zonder
+spreken voorbij en liep tot in de zaal waar zijne zuster, voor een
+kruisbeeld geknield, in een innig gebed was verslonden.
+
+Zijne verwarde zegekreten deden haar verbaasd opspringen, en zij wilde
+hem vragen wat hem dus was overkomen; maar hij sloot haar in zijne armen
+en zeide:
+
+"Witta, de Hemel is ons barmhartig! Ik trouw niet met Placida; zij zelve
+heeft onze belofte verbroken en mijne gift mij doen terugnemen. Het is
+onherroepelijk. Ik ben vrij, Dakerlia zal met ons wonen, zij zal mijne
+bruid en uwe zuster zijn, totdat de dood ons scheide!"
+
+Het jonge meisje, door deze tijding gansch buiten zich zelve van
+gelukkige verrassing, hief de handen in de hoogte en riep uit:
+
+"O, dank, dank, God, Gij hebt mijn gebed verhoord!"
+
+Maar Robrecht greep haar den arm en trok haar naar de deur, terwijl hij
+haastig zeide:
+
+"Kom, kom, zuster: Dakerlia moet het weten."
+
+Het meisje weerstond hem eensklaps.
+
+"Dakerlia?" morde zij, "o, neen, nog niet!"
+
+"Zij is droef, zij lijdt, Witta."
+
+"Ja maar, die onverwachte tijding ..."
+
+"Welnu?"
+
+"Die onverwachte tijding zou haar kunnen ziek maken, haar kunnen doen
+sterven. Zij is zoo uiterst gevoelig."
+
+"Gij verschrikt mij! inderdaad ..."
+
+"Laat mij alleen tot haar gaan", zeide Witta. "Ik zal het haar
+voorzichtig bekend maken. Eenige woorden zijn genoeg om haar te behoeden
+voor eene plotselijke ontsteltenis. Kom gij dan straks."
+
+"Ga, ga, zuster, uw raad is wijs en goed; maar haast u toch, ik smeek
+u!"
+
+Het meisje begaf zich naar sher Wulfs Steen.
+
+Toen zij de achterzaal binnentrad, zag zij Dakerlia met eenen witten
+doek in de hand voor het venster zitten. De hopelooze had waarschijnlijk
+in hare droeve eenzaamheid alweder tranen gestort.
+
+Robrechts zuster meende tot haar te loopen en hare treurnis door eene
+onmiddellijke veropenbaring van het gelukkig nieuws te verdrijven; maar
+zij weerhield zich, naderde tot Dakerlia, nam haar de hand en zeide:
+
+"Nu, ween niet meer, vriendinne ..."
+
+"Ach, ik kan mijne smart niet bedwingen; ik zal zeker ziek worden, ik
+gevoel het wel!" riep jonkver Wulf.
+
+
+[Illustratie: "Aanvaard het uit mijne hand." (Bladz. 123.)]
+
+
+"Ik kom om u iets te zeggen, Dakerlia ..."
+
+"Gij hebt nooit afgunst gevoeld, Witta; de minnenijd heeft nooit u den
+boezem verteerd.
+
+O, behoede de barmhartige God u voor zulk akelig lijden! Het is eene
+slang die om ons hart gekronkeld ligt en het vezel voor vezel verbijt en
+verscheurt."
+
+"Maar laat mij spreken", morde Witta, hare klacht onderbrekende. "Ik heb
+eene verrassende tijding u mede te deelen. Het schijnt dat het huwelijk
+mijns broeders met Placida Van Woumen eenig beletsel ontmoet."
+
+Dakerlia zag haar als verschrikt aan en begon te sidderen.
+
+"O, hemel, wat zegt gij?" mompelde zij schier onverstaanbaar. "Spreek,
+spreek!"
+
+"Gij zijt zoo ontsteld, vriendinne; ik zeg immers niet dat dit huwelijk
+verbroken is?"
+
+Eenen zwaren zucht slakende, riep Dakerlia klagend uit:
+
+"Ach, Witta, Witta, waarom pijnigt gij mij zoo wreedelijk?"
+
+Jonkver Sneloghe verkeerde in eene lastige verlegenheid. Haar broeder
+ging komen; zij moest zich haasten en de groote ontstelbaarheid van
+Dakerlia maakte hare taak zoo moeilijk! Tot een besluit gedwongen,
+verzamelde zij haren moed en zeide:
+
+"Dakerlia, ik heb gewichtige dingen u te openbaren: maar gij moet
+bedaard blijven of ik verlaat u oogenblikkelijk ... Het is
+waarschijnlijk dat de huwelijksbelofte mijns broeders zal verbroken
+worden."
+
+"Waarschijnlijk?" herhaalde Dakerlia, met eenen hoopvollen lach van
+haren zetel opstaande.
+
+"Bijna zeker."
+
+"Ach, mocht dit geschieden, hoe zou ik God zegenen!"
+
+"Het is geschied, Dakerlia: het huwelijk is verbroken."
+
+Jonkver Wulf vloog hare vriendin aan den hals en lachte en stortte
+tranen, als hadde deze tijding haar van blijdschap zinneloos gemaakt.
+
+De deur werd geopend, en Robrecht trad binnen.
+
+Een kreet ontsnapte Dakerlia; zij rukte zich los uit de armen harer
+vriendin en meende met uitgestrekte handen Robrecht te gemoet te loopen;
+maar een hevig schaamrood klom op haar voorhoofd en zij bleef, met
+neergeslagen blik, te midden der kamer staan.
+
+Dezelfde ontsteltenis had den jongeling getroffen; maar hij, het eerst
+de bewegingen van zijn hart bedwingende, ging tot haar, nam haar de hand
+en sprak op schier plechtigen toon:
+
+"Dakerlia, mijne zuster heeft u gezegd, niet waar, dat ik verlost ben
+van den dwang die mij ongelukkig maakte. De wreede beproeving, welke wij
+moesten onderstaan, heeft ons toegelaten in elkanders hart te lezen. Na
+zulke bekentenis hoef ik u niet te vragen, Dakerlia, of uwe ziel
+dezelfde wenschen voedt als de mijne. Ik kan niet meer leven zonder u
+te zien, zonder uwe stem te hooren, zonder mijn heil uit uwen zoeten
+blik te putten. Vrienden als te voren kunnen wij niet meer zijn. Wij
+moeten iets anders voor elkander worden. Stemt gij toe?"
+
+Dakerlia wilde antwoorden; maar de spraak verstikte in hare keel en zij
+begon overvloedig te weenen. Deze onverwachte vraag had haar zoodanig
+ontsteld, dat zij wankelend tot haren zetel liep en met de handen voor
+de oogen er zich op liet nedervallen. Maar de stilte die haar omringde
+riep haar tot bewustzijn terug.
+
+"Ach, Robrecht, Witta, vergeeft het mij!" kreet zij. "Er is een geluk
+zoo eindeloos groot dat het ons verplettert. Komt, komt hier bij mij,
+geeft mij de hand ... Laat mij ademhalen. Waarom stort de genadige God
+... dus in eens over mij ... al de zaligheden van een gansch leven
+uit?... Zoo, zit zoo nevens mij!"
+
+"Bedaar toch, lieve Dakerlia", murmelde mher Sneloghe.
+
+"Ach, hoe duister mijne hersens! Alles draait in mijn hoofd. Gij hebt
+mij iets gevraagd, Robrecht. Zou ik wel begrepen hebben? Is het eene
+begoocheling mijner zinnen?"
+
+"Wilt gij mijne bruid worden?" vroeg de jonge ridder.
+
+"Ik uwe bruid? Onmogelijk! Het is een droom!"
+
+"Ja, ja, Dakerlia, het is de zoete droom onzer harten die zich
+verwezenlijken gaat."
+
+"Het zou waar zijn? Ik, Dakerlia, ik zou uwe echtgenoote worden? Ik zou
+met u leven, u nimmer verlaten, uwe vreugde, uwe smarten deelen, nevens
+uwe zijde staan tot aan het graf? Ach, ik kan aan zooveel geluk niet
+gelooven!"
+
+Robrecht nam de juweeldoos uit zijne tasch, opende ze en reikte de
+jonkvrouw het kostbare halssnoer.
+
+"Dakerlia", zeide hij, "gij weet tot welk einde mijne moeder op haar
+sterfbed mij dit juweel heeft geschonken. Aanvaard het uit mijne hand."
+
+De dwalende maagd greep het glinsterende snoer en drukte het aan hare
+lippen en op haar hart, terwijl zij hijgend uitriep:
+
+"Het is waar, het is waar, ik kan niet meer twijfelen! Hoe looft mijne
+ziel, o, God! Aan mij dit pand, aan mij voor altijd!"
+
+En Witta opnieuw in hare armen sluitende, begon zij te juichen van het
+geluk dat hen allen wachtte, van de eeuwige vriendschap, van de
+onverstoorbare liefde waarin zij te zamen zouden leven als in eenen
+immer wolkenloozen hemel. Robrechts zuster en hij zelf voegden nu en dan
+een woord bij hare verblindend schoone schildering der toekomst, maar
+zij liet hun niet veel zeggen en kon geen oogenblik zwijgen, zoo zeer
+gevoelde zij den dringenden nood tot uitstorting haars harten.
+
+Robrecht stond op en zeide:
+
+"Dakerlia, de zorg voor ons geluk dwingt mij u te verlaten. De dag zal
+niet lang meer duren. Mijn oom moet weten wat er is geschied; uit mijnen
+mond slechts mag hij vernemen aan wie ik nu mijne beloftegift heb
+aangeboden. Vrees niet meer. Uw vader zal mijn besluit toejuichen. Ik
+zal komen om mijnen plicht jegens hem te vervullen. Geene menschelijke
+macht kan ons nog van elkander scheiden. Blijf met mijne goede
+zuster.--Later zullen wij met meer bedaardheid doch met evenveel
+blijdschap ons toekomend leven overwegen."
+
+Hij drukte Dakerlia teederlijk de handen en terwijl de verrukte maagd
+met tranende oogen zijnen naam liefdevol herhaalde, ging hij ter zaal
+uit.
+
+Hij stapte met haast door de Hoogstraat en richtte zich naar den Burg.
+
+Hier vond hij zijne ooms Bertulf, den proost van St-Donaas, en Hacket,
+den kastelein van Brugge, te zamen in eene kamer der proostdij. Zij
+schenen tevreden en welgemoed.
+
+"Ah, goeden dag, mijne lieve neef", riep Bertulf. "U zijn wij
+dankbaarheid verschuldigd. Uwe opoffering heeft hare vruchten reeds
+gedragen. Ik heb tijdingen van Yperen. Mher Van Woumen heeft ons bij den
+graaf verdedigd en velen onzer vijanden tot zwijgen gebracht. Uw
+huwelijk met de dochter van dien machtigen ridder is een onschatbaar
+geluk voor ons en voor geheel Kerlingaland!"
+
+"Mijn huwelijk? Mijn huwelijk is verbroken, heer proost", stamelde
+Robrecht, die wel voorzag welken pijnlijken indruk deze tijding zou
+doen.
+
+"Verbroken? Uw huwelijk met jonkver Placida verbroken?" kreten zijne
+beide ooms.
+
+"Ja, onherroepelijk verbroken; jonkver Van Woumen zelve dwong mij tot
+het terugnemen mijner beloftegift."
+
+"Dan heeft het u aan moed of aan goeden wil gefaald", viel Bertulf
+beschuldigend uit. "Ik heb het gevreesd!"
+
+"Uwe vrees was onrechtvaardig en ongegrond, oom", wedervoer Robrecht met
+stille fierheid. "Ik heb mij laten vernederen en honen met een geduld
+dat aan lafheid grensde, alleenlijk om in mijn geweten de overtuiging te
+hebben dat ik tot het einde mijnen plicht heb betracht, ten minste tot
+zooverre de menschelijke krachten reiken. Deze overtuiging heb ik."
+
+"Maar welke reden gaf dan mher Van Woumen tot zulk onverwacht besluit?"
+vroeg de kastelein.
+
+"Mher Rijkaard was niet tegenwoordig", antwoordde Robrecht. "Men had het
+zoo geschikt dat ik mij alleen met jonkver Placida bevond. Zij brak onze
+huwelijksbelofte, mij beschuldigende haar niet te beminnen en mijn hart
+eene andere vrouw te hebben geschonken."
+
+"Valsche uitvindingen onzer vijanden!" morde de oude Bertulf. "Hoe komt
+het dat gij dien laster niet oogenblikkelijk hebt vernietigd?"
+
+"Het was geen laster; ik kan niet liegen", antwoordde Robrecht. "Gij
+vergeet, heer oom, dat ik u aangaande jonkver Dakerlia Wulf heb gezegd
+..."
+
+"Maar hadt gij mij niet beloofd aan deze neiging uws harten te
+verzaken?"
+
+"Inderdaad, en ik heb met oprechtheid en vasten wil deze belofte pogen
+te vervullen. Sedert mijn eerste bezoek bij jonkver Placida heb ik
+Dakerlia niet meer gezien; en ik wilde zelfs haren naam niet meer hooren
+uitspreken. Ik had besloten mij op te offeren voor het heil van
+Kerlingaland en, wat het mij ook moest kosten, ik zou de opoffering
+trouw volvoerd hebben. Nu dank ik den barmhartiger God, die mij verlost
+heeft van een pijnlijk leven; want, oom, men overwint zijn hart niet in
+eenen dag. Integendeel, de dwang doet het sluimerend gevoel tot eene
+beheerschende drift ontvlammen, evenals de wind de smeulende kolen tot
+een verterenden gloed aanblaast. Ik bemin Dakerlia Wulf uit al de
+krachten mijner ziel ..."
+
+"Zwijg, zwijg", onderbrak hem de oude Bertulf met spijt, "Wilt gij dan
+de vijanden van Kerlingaland de zegepraal verzekeren? Ach, ik heb dit
+ongeluk gevreesd van het oogenblik af dat de arglistige Tancmar in de
+stad was verschenen!"
+
+"Nu begrijp ik", zeide de kastelein, "waarom Rambold, Tancmars neef, zoo
+vol vertrouwen overal verzekerde dat Robrechts huwelijk met jonkver Van
+Woumen niet zou voltrokken worden. Hij wist het dus op voorhand!"
+
+"Daarin misgrijpt zich mijn oom, de kastelein", zeide de jonge ridder.
+"Het is te Rijssel dat het verbreken van onze huwelijksbelofte werd
+besloten, en het is de hofraadsheer Tancmar met de Isegrims van 's
+graven gevolg, die Placida's vader er toe hebben overgehaald. Hoe het
+zij, ooms, nu het lot mij de vrijheid heeft teruggeschonken, moet ik het
+u verklaren: ik bemin Dakerlia Wulf, en geene andere vrouw op aarde
+wordt ooit mijne bruid!"
+
+"Maar, maar het afbreken met jonkver Placida, met het machtige huis der
+Van Woumen kan niet beslissend zijn", morde de proost, spijtig het hoofd
+schuddende.
+
+"Het is beslissend en onherroepelijk", bevestigde Robrecht.
+
+"Wij zullen mher Van Woumen gaan spreken", zeide de kastelein. "Hij zal
+erkennen dat hij de speelbal is van arglistige vijanden der Kerels en
+dat men hem heeft bedrogen."
+
+"Nutteloos, nutteloos", wedervoer Robrecht. "Wat men te Rijssel heeft
+besloten zal men hier niet veranderen. Daarenboven, ik weiger volstrekt
+alle nieuwe poging. Er is voor den man die zich zelven eerbiedigt een
+grenspaal aan het geduld en aan de vrijwillige vernedering. Men verwijt
+mij in sher Rijkaards Steen dat ik een Kerel ben. Welnu, deze Kerel
+buigt het hoofd niet voor trotschaards die zijn geslacht misprijzen!"
+
+"Het wordt duister in onze toekomst!" zuchtte de proost met mismoed. "Ik
+had op onze verbintenis met het machtige geslacht der Van Woumens mijne
+schoonste hoop gebouwd. Tancmar zegeviert alweder over al mijne
+berekeningen, over al mijne moeite! Nu zal Rijkaard Van Woumen ons zeker
+een onverzoenbare vijand worden?"
+
+"Toch niet, heer oom", antwoordde Robrecht. "Men heeft jonkver Placida
+doen veinzen dat zij dit huwelijk door eigene beweging verbreekt, om ons
+geene redenen tot vijandschap tegen mher Van Woumen te geven. Placida
+heeft mij zelfs verzekerd dat haar vader u zal komen spreken om zich bij
+u te verschoonen."
+
+"Maar is het zoo, mijn neef, laat mij nog eene poging bij hem
+beproeven."
+
+"Neen, neen, oom, ik heb u gehoorzaamd en mijnen plicht gedaan. Nu wil
+ik van dit huwelijk niet meer hooren en ik bevestig het u nog eens:
+Dakerlia Wulf wordt mijne bruid!"
+
+"Eilaas, kan het anders niet!... Wij zullen zien nochtans."
+
+"Ik heb haar reeds mijne beloftegift aangeboden."
+
+"Hoe? wat zegt gij? En zij heeft ze aanvaard?"
+
+Mher Sneloghe knikte bevestigend.
+
+"Alles, alles mislukt ons!" klaagde de oude Bertulf. "Er drijft een
+onweder boven onze hoofden te zamen. Wanneer zal het losbarsten? Ik weet
+het niet. Misschien is het nog af te keeren, ondanks wederwaardigheid en
+tegenspoed. Voorzichtig moeten wij zijn en waakzaam als de zeeman die
+zijn schip door golven en klippen in de haven hoopt te brengen. Daarom,
+Robrecht, beloof mij dat gij uw voornemen om Dakerlia Wulf tot bruid te
+nemen niet openbaar zult maken voordat ik mher Van Woumen heb
+gesproken."
+
+"Uwe hoop is ijdel, heer oom: ik blijf onplooibaar in mijn besluit."
+
+"Beloof mij dat gij het evenwel nog eenige dagen zult geheimhouden."
+
+"Daarin ben ik bereid mij volgens uwen wensch te gedragen."
+
+De kletterende stappen van een dravend paard hergalmden tot in de zaal.
+
+"Daar is nu onze neef Burchard!" zuchtte de proost ontevreden. "Wat zal
+dien onbedwingbare woestaard ons te melden hebben?"
+
+Hij had deze woorden niet geheel geeindigd, toen Burchard binnentrad en
+zijne ooms en Robrecht met eenen glimlach groette.
+
+De reusachtige Kerel liet zich op eenen stoel vallen en zeide vroolijk:
+
+"Ha, ik breng goede tijding."
+
+"Zoo! het is een wonder", mompelde de kastelein.
+
+"Ja; ik ben te Oudenburg, te Ghistel, te Moere en in de omstreken
+geweest. Gij hadt moeten zien en hooren hoe de Kerels daar om wraak
+riepen en naar eenen onmiddellijken oorlog wenschten, zoohaast ik hun
+had gezegd dat de Isegrims zich bereiden om hun den balfaart op te
+dringen. Zij zijn moedig, onze Kerels der Ambachten; zij snakken naar
+het oogenblik dat het hun toegelaten worde de burchten der Isegrims af
+te branden en te verdelgen tot in den grond. Laat onze vijanden maar
+komen! Al stond de graaf zelf aan hun hoofd, geen enkele zal levend
+terugkeeren uit Kerlingaland!"
+
+"En gij noemt dit eene goede tijding?" schertste de kastelein. "Beter en
+wijzer ware het dat gij u stilhieldet. Wij hebben moeite genoeg om den
+landsvrede in de Ambachten te doen eerbiedigen. Door uwe roekeloosheid
+zult gij den graaf aandrijven om den raad onzer vijanden te volgen."
+
+"Zoo, zoo! Meer zou het u behagen misschien dat ik u kwame zeggen: de
+Kerels hebben den moed verloren en zullen als lafaards met het hoofd in
+den schoot de slavernij aanvaarden? Gij gelooft dat alles met
+lijdzaamheid en geduld te winnen is? Gij zult het zien. Laat den boog
+maar plooien, altijd plooien, en als het oogenblik komt dat gij hem moet
+gebruiken zal hij zijne laatste veerkracht verloren hebben. Wat mij
+betreft, liever breken: anderen breken of zelf breken; maar niet
+laffelijk buigen, als waren wij vreesachtige vrouwen! Ha, was ik
+meester!"
+
+"Gij zoudt onfeilbaar ons de ongelukken op den hals halen die wij reeds
+zoolang door voorzichtigheid hebben afgeweerd", bemerkte de kastelein.
+"Met wijsheid kunnen wij misschien Kerlingaland beslissend tegen de
+aanslagen onzer vijanden behoeden."
+
+"Ja, ja, mijne ooms, gij zijt de verduldigheid zelve", lachte Burchard.
+"Blijft maar op den edelmoed der Isegrims hopen, en den eenen of anderen
+dag zullen de Kerels ontwaken met de keten der slavernij aan de beenen.
+Gij zult verwonderd staan, woedend worden misschien; maar dan zal uw
+beschuldigend geweten u toeroepen: te laat! te laat!"
+
+"Burchard heeft gelijk!" riep Robrecht Sneloghe met eene uitdrukking van
+verontwaardiging. "Wij zijn te lijdzaam; men zal haast gaan denken dat
+de Kerels niets dan melk in de aderen hebben!..."
+
+"Gij ook, mijn neef!" viel de proost half spottend hem in de rede. "Hoe
+laat gij u toch zoo spoedig verleiden door de grootspraak van Burchard?
+Het zijn al dwaasheden die hij uitkraamt. Wij zullen wachten en
+voorzichtig toezien totdat de graaf van het leger zij teruggekeerd.
+Zoolang de vorst afwezig blijft, hebben wij niets te vreezen. Wij kunnen
+zijne eindelijke beslissing niet vooruitzien. Zouden wij door
+gewelddadigheid hem redenen geven tot wettige verbittering tegen ons?"
+
+"Welnu, ooms, blijf bij uw gevoelen", zeide Burchard. "De toekomst zal
+bewijzen wie er gelijk had."
+
+De hand tot Robrecht reikende, sprak hij:
+
+"Ha, mher Sneloghe, laat mij toe u geluk te wenschen over uw schitterend
+huwelijk met jonkver Van Woumen."
+
+"Mijn huwelijk is verbroken", antwoordde de jonge ridder. "Gij schudt
+het hoofd en gelooft mij niet, Burchard? Placida heeft mij mijne
+beloftegift teruggegeven."
+
+"Doemenis, ik heb gedacht dat het zoo zou eindigen!" kreet Burchard met
+plotselijke woede. "Waar een Tancmar omtrent kan mag een Erembald zich
+aan hoon of onheil verwachten. Gij zijt het slachtoffer eener snoode
+kuiperij, Robrecht. Misschien wist gij het niet; maar Ghyselbrecht
+Tancmar heeft insgelijks naar de hand van jonkver Placida gestaan. Van
+daar komt u deze vernedering."
+
+"Inderdaad, het is op den raad van mher Tancmar dat de huwelijksbelofte
+werd verbroken."
+
+"Dien hatelijken Ghyselbrecht zal ik wel vinden", gromde Burchard. "Wees
+zeker, hij zal sterven door mijne handen!"
+
+"Bah, bah, het is altijd hetzelfde met u", schertste de kastelein.
+
+"Ik zal hem vermoorden zeg ik u!" bulderde Burchard. "De tijd der wraak
+zal wel eens verschijnen. Rust zal ik toch in mijn leven niet meer
+vinden voordat ik den laatste dezer booze Tancmars het hoofd gekloofd
+hebbe!"
+
+"Gij spreekt als een redelooze woestaard", bemerkte de proost. "Al wat
+men uit uwen mond hoort is vermoorden, verdelgen, verpletteren. Wat
+recht hebben wij om over onze vijanden te klagen indien wij wreeder,
+boozer en gewelddadiger zijn dan zij?
+
+Indien gij zoo blijft voortgaan, zult gij ons groote onheilen op den
+hals halen en, wat het ergste is, wij zullen ze verdiend hebben."
+
+"Gij hoeft over het verbreken mijner huwelijksbelofte geene wraak te
+zoeken", zeide Robrecht. "Is Ghyselbrecht Tancmar er de oorzaak van, ik
+ben hem zeer dankbaar; want hij heeft mij eenen onschatbaren dienst
+bewezen en mij gelukkig gemaakt."
+
+Burchard zweeg eene wijl en zeide dan eensklaps, zich met de hand op het
+voorhoofd slaande:
+
+"Ik ging het vergeten; maar de nieuwe snoodheid der Tancmars doet er mij
+aan denken. Het is eene zaak die mij geheel persoonlijk is en dus
+niemand anders aangaat; maar ik wilde er u van spreken om u niet te
+laten denken dat ik ze met inzicht u heb verzwegen."
+
+"Wat zal het nu weder zijn?" mompelde de proost met kommer.
+
+"Gij weet het niet", ging Burchard voort. "Sedert het laatste bezoek van
+den graaf te Brugge, is Rambold Tancmar met zijnen vader den burcht te
+Straten komen bewonen. Daar stak iets achter dat zich welhaast zou
+openbaren. Men moest mij honen en mij tergen. Terwijl ik naar Rodenburg
+was gegaan, om mijnen vader te bezoeken, is Rambold Tancmar met vele
+werklieden te Bethferkerke verschenen en heeft begonnen den grond die
+mij ten onrechte wordt betwist, met paalwerk te omsluiten. Mijne
+gezellen wilden zich tegen die aanmatiging verzetten, maar zij werden
+mishandeld en moesten onderdoen voor de overmacht, bovenal omdat ik hun
+wel strengelijk had verboden zich tot geweldige twisten met Tancmars
+lieden te laten verlokken. Gij weet dat ik een zoontje van mijn zuster
+zaliger met mij te Bethferkerke heb. Een onnoozel kind van veertien
+jaar, met Kerlenbloed in de aderen toch; want hij weerstond het langste
+aan Tancmars lieden. Men heeft den kleinen Eric zoo onmenschelijk
+geslagen, dat hij er van te bedde ligt."
+
+"Laffe wreedheid!" riep Robrecht. "Ha, gij hebt het arme kind gewroken,
+niet waar?"
+
+"Hemel! en wat hebt gij gedaan?" zuchtten terzelfder tijd de proost en
+de kastelein.
+
+"Gij gelooft", antwoordde Burchard, "dat ik ginder te Straten al
+degenen verpletterd heb die zich met de zaak hadden bemoeid. Ik beken
+dat het gedurende een geheel uur mijn voornemen was, maar ik heb het
+gelaten uit ontzag voor u, mijne ooms."
+
+"Ah, God dank!" riep de proost. "Gij deedt mij beven van schrik."
+
+"En gij hebt van alle wraak afgezien?" vroeg Robrecht Sneloghe
+verwonderd.
+
+"Ik heb eenvoudig Tancmars lieden verjaagd, het paalwerk omvergeworpen,
+opnieuw bezit van mijn land genomen, er een twintigtal gewapende
+gezellen op gesteld en Rambold Tancmar eenen bode gestuurd om hem te
+zeggen dat ik voortaan mijn eigendom met geweld zal verdedigen."
+
+"Gij hebt wel gedaan", zeide Robrecht.
+
+"Maar dit is eene oorlogsverklaring!" riep de kastelein.
+
+"Welnu, Rambold mag het nemen zooals hij wil: ik ben bereid."
+
+Er heerschte eene wijl stilte. Wat Burchard had gezegd, vervulde
+zichtbaar zijne beide ooms met vrees.
+
+"Eilaas! En wat heeft Rambold Tancmar geantwoord?" vroeg Bertulf.
+
+"Niets; ik heb van hem niets meer gehoord. Gij ziet wel, heer proost,
+dat er met lankmoedigheid niets is te winnen. Eene enkele stoute daad
+brengt deze in schijn zoo trotsche Isegrims tot zwijgen."
+
+"Het is onnatuurlijk; daar moet eene list onder verborgen liggen",
+bemerkte de kastelein.
+
+"Die Tancmars zijn voor ons ongeluk geboren", morde de proost. "Zij
+zoeken met eene helsche spitsvondigheid alle gelegenheden op om ons tot
+ongeduld en geweld te drijven. Die gelegenheid hebben zij nu gevonden.
+Gij meent dat zij ze zullen verzuimen of laten ontsnappen? Gij verlaat
+uw landgoed te Bethferkerke alsof gij den terugkeer van Rambold
+onmogelijk geloofdet!"
+
+"Mijn eigendom is goed bewaard", zeide Burchard met fieren glimlach. "Ik
+vrees Rambold Tancmar niet meer."
+
+"Maar indien hij met overmacht komt? Wat is twintig man? De ondadigheid
+van uwen vijand verontrust mij als de kwaadvoorspellende stilte die een
+onweder voorafgaat ..."
+
+De deur werd geopend en een huisschalk verscheen bij den ingang der
+zaal met eenen zwaren korf aan de hand.
+
+"Mher Burchard", zeide hij, "er is een bode van St-Andries gekomen met
+dezen korf. Hij verzocht mij hem u onmiddellijk te behandigen. Het is
+een geschenk van Mher Rambold Tancmar, heeft hij gezegd, vruchten van
+een nieuwen grond, waarvan het gezicht u zal verblijden."
+
+"Van Rambold Tancmar!" riepen allen verbaasd. "Wat mag het zijn?"
+
+"Wij gaan het weten", morde Burchard, naar de deur stappende.
+
+Hij bracht den korf bij de tafel en terwijl de anderen waren opgestaan
+en hunne oogen op zijne handen gevestigd hielden, rukte hij de banden en
+den doek van den korf.
+
+"Appelen, schoone appelen, ik ken dit ooft, het is op mijnen grond
+gegroeid", sprak Burchard schertsend.
+
+Maar eensklaps bemerkte hij iets dat hem eenen schreeuw van afgrijzen
+ontrukte en de anderen deed verbleeken en beven.
+
+Onder deze eerste laag appelen vertoonde zich een afgehakte
+menschenvoet, met verkrampte teenen en nog bevlekt met bloed.
+
+Burchard stortte de appelen ten gronde ... nog meer afgehakte yoeten
+bevatte de nootlottige korf![36]
+
+Zwijgend en als versteend staarden allen op deze teekens eener
+afschuwelijke wraak.
+
+Onderwijl gromde Burchard onverstaanbare vermaledijdingen en, alsof hij
+zich zelven wilde tergen, nam hij de loodvervige roeten een voor een bij
+de teenen, hief ze uit den korf en telde: een, twee, drie, vier ...
+
+Al deze voeten waren naakt; maar nu haalde Burchard, van den grond der
+mande, eenen kleineren voet op die nog een blauw schoeisel droeg.
+
+Een akelige noodkreet bonsde door de zaal; Burchard, de harde de
+sterkmoedige Kerel, liet zich op eenen zetel vallen en begon overvloedig
+te weenen.
+
+"Eric! Eric! Het kind mijner zuster!" klaagde hij. "Dood, dood! En hem
+niet weder levend kunnen maken, zelfs niet in stroomen bloed!"
+
+"Ho, het is gruwelijk!" morde Robrecht, sidderende van verontwaardiging
+en toorn. "Bij zulke heuveldaad wordt de wraak een plicht. Geschiedde
+wat wil, geduld is hier lafheid!"
+
+De proost en de kastelein hadden Burchards handen gegrepen en poogden
+hem te stillen en te troosten.
+
+"Welnu, ooms, wat denkt gij?" zuchtte Burchard met heesche stem. "Nu is
+al mijn moed gestorven; maar indien mij nog kracht overbleef, zoudt gij
+zeggen: geef toe, wees voorzichtig, verdraag alles?"
+
+"Neen, neen, het is te veel!" antwoordde de oude Bertulf. "Rambold
+Tancmar moet zijne wreedheid boeten; maar laat u niet aldus door uwe
+wettige woede tot uitzinnigheid vervoeren; in alles moet de mensch met
+beradenheid te werk gaan."
+
+Burchard bleef eene wijl hoorbaar hijgen. Dan sprong hij eensklaps
+recht, dreef zijne ooms van zich weg en liep buiten de zaal.
+
+"Mijn paard, mijn paard!" klonk het op den neerhof met zooveel kracht,
+dat de andere gebouwen van den burg er van weergalmden.
+
+De kastelein was Burchard achterna geloopen en bracht hem nu terug in de
+zaal, hem smeekende zich niet zoo in het openbaar ten schouwspel te
+geven. Men mocht vreezen dat, indien de misdaad bekend werd, er een
+volksoploop zou geschieden en dit moest men, als een even groot ongeluk,
+voorkomen.
+
+Hem nogmaals met medelijden de hand nemende, poogde de proost hem te
+doen begrijpen dat men, om der wraak zeker te zijn, eenige voorzorgen
+moest nemen en niet dwaselijk mocht te werk gaan. Hij zou zijnen neef
+helpen, hem de middelen bezorgen om de Tancmars te straffen. Nu was het
+te laat voor heden: de avond begon reeds te vallen.
+
+Maar Burchard hoorde niets; hij hield, met eenen lach als een
+tijgergrijns op den mond, zijnen blik naar de deur ...
+
+"Nu, Burchard, blijf moedig; wees getroost", zeide hem Robrecht
+Sneloghe. "Ik zal mijne mannen van Ravenschoot halen; wij zullen te
+zamen naar Straten gaan. Gij zult gewroken worden ..."
+
+Maar Burchard, als antwoordde hij zich zelven, gromde verwardelijk:
+
+"Neen, neen, gij zijt niet wreed genoeg; gij zoudt mijne wraak
+wederhouden ... Alleen, alleen ... geene voorzichtigheid ... andere
+mannen: Blauwvoeten met baarden! Ha, ik hoor ... daar is mijn paard!"
+
+Hij liep naar den korf, raapte den kleinen voet met blauw schoeisel van
+den grond op, stak hem met koortsige haast in zijne gordeltasch en ijlde
+dan, door zijne verschrikte ooms gevolgd, naar buiten.
+
+Hier sprong hij op zijn brieschend paard en drukte het de spoor door de
+huid. Het dier huilde van pijn en schoot als de pijl uit den boog over
+het binnenplein van den burg.
+
+Burchards ooms hadden hem gevolgd tot buiten de proostdij; zij stonden
+daar nu klagend en met de armen opgeheven, en riepen hem nog bij zijnen
+naam; maar hij hoorde hen niet en verdween uit hun gezicht onder de
+hofpoort.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 36: KERVYN DE LETTENHOVE. Histoire de FL, t. I, pag. 369.]
+
+
+
+
+VI
+
+
+Ten zuiden en ten oosten van Brugge was het land weleer gansch overdekt
+geweest met een enkel oorspronkelijk woud, slechts hier en daar
+onderbroken door zandige moerassen en turfachtige poelen.
+
+Een taaie, werkzame volkstam had voor eeuwen bezit van dien verlaten
+grond genomen, vele bosschen uitgeroeid en tot vruchtbare akkers
+herschapen, de lage boorden der beken van alle houtgewas gezuiverd, de
+staande wateren door dijken en grachten afwatering bezorgd en zoo, door
+geduld en arbeid, de woestijn gedwongen tot het voeden van talrijke
+bewoners.
+
+De reizende koopman, die het waagde in het gunstige jaargetijde deze
+streken te doorloopen, keek verwonderd op, wanner hij eensklaps, in den
+schoot van het bosch zelf, of langs de grasrijke boorden der beken een
+ontelbaar hoornvee of groote kudden schapen ganzen en zwijnen zag
+grazen.
+
+Zoo werd de grond bebouwd tot aan den voet der eeuwenheugende wouden,
+overal waar het zonnelicht eene vlakte kon beschijnen. Alles was
+benuttigd: de waterloopen tot het bewegen van molens, de poelen tot het
+kweeken van visch, de bosschen tot het hakken van brand- en timmerhout,
+ja, de moerassen zelve tot het baggeren van derring of turf.
+
+Het bedrijvige volk, dat deze wonderen had gewrocht, woonde niet in
+dorpen; zijne huizen of hutten stonden eenzaam en als bij geval gezaaid
+langs de beken of de boorden der bosschen. Enkele zelfs waren verdoken
+in het diepste van het woud.
+
+Hierom noemden de lieden van meer vlakke gewesten deze uitroeiers der
+bosschen de Houtkerels[37].
+
+Weinig in aanraking komende met de poorters der steden of met
+vreemdelingen, hadden de Houtkerels meer nog dan de overige bewoners van
+Kerlingaland hunne voorvaderlijke gewoonten schier onveranderd behouden.
+Alhoewel zij Christenen waren en des Zondags in de naastgelegen dorp ter
+misse gingen, oefenden zij nog vele gebruiken die klaarblijkend
+heidensch waren, en vermengden dus, soms zonder het te weten, de
+plechtigheden van den Christenen-godsdienst met de overblijfselen der
+vroegere vereering van Wodan, Thor en Freya.
+
+Dewijl zij niet gaarne in de dorpen of steden zich begaven en zeer
+verspreid leefden, zouden zij, bij gebrek aan middelpunt, weinig verkeer
+met elkanderen gehad hebben; maar daarin waren zij voorzien.
+
+Al de bewoners eener beperkte streek vormden eene gemeente welke zij
+_Minne_ noemden, dat is _vriendschap_[38].
+
+In het midden dezer Minne, dikwijls bij eenen waterloop, stond een
+groot huis, bewoond door eenen bierbrouwer, waarnevens eene zeer wijde
+schuur was getimmerd, die men _zale_ of _zele_ heette. Hier hielden zij
+hunne vergaderingen van allen aard. Men koos er, bij meerderheid van
+stemmen, de Keurmans of bestierders en rechters; men beraadslaagde er
+over de gemeene zaken, men bracht er zijnen jaar- of maandpenning in den
+Gildenschat, men vierde er doopen, huwelijken en uitvaarten.
+
+Voor de deur, te midden van een grasplein, stond de hooge wip, om met
+hand- of kruisboog naar den gaai te schieten.
+
+Een weinig terzijde, tusschen eene groene haag, die eenen halven kring
+vormde, kon men vier zodenbanken zien. Dit was de plaats waar de
+Keurmans, volgens oud Germaansch gebruik, de misdadigers veroordeelden
+of boeten uitspraken tegen degenen die de wet van het Gilde of der Minne
+hadden overtreden; en dewijl eene bank bij hen den naam van _scarne_
+droeg, noemden zij dit rechtsbeluik _vierscarne_ of vierschaar[39].
+
+Onder deze Houtkerels waren geene onvrije menschen; allen waren gelijk,
+met dit eenige onderscheid dat men eigenaar van eenen akker moest zijn
+om stemrecht in de vergaderingen te hebben. Om deze reden zelve was de
+grond zeer verdeeld, en bijna ieder weerbaar man bezat er in vollen
+eigendom een gedeelte lands.
+
+Tusschen Zedelghem en Aartryke stond zulke groote brouwerij, die de naam
+van Krekaarzele droeg.
+
+Op zekeren avond waren vele Houtkerels daar vergaderd tot het vieren van
+een huwelijk. De groote schuur was er geheel opgevuld met mannen van
+allerlei ouderdom, met vrouwen en kinderen. Hier en daar hingen steenen
+lampen, uit welker dikke lemmers, zwemmende te midden van drabbige olie,
+het roet in smookige kronkels opklom. Langs de wanden liep een houten
+bank, waarboven een schab of berd vooruitstak, om er de stoopen en
+drinkkannen op te zetten.
+
+Al de lieden die hier tegenwoordig waren droegen hunne beste
+feestkleederen. De mannen hadden voor deze omstandigheid hunne lange
+baarden zorgvuldig gewasschen, gekamd en geglimd; de vrouwen en meisjes
+hadden zich vol goud en zilver gehangen.
+
+De bruid herkende men aan haar wit gewaad, dat zacht en sneeuwig
+uitloste op al het blauw dat haar omringde; daarenboven terwijl bij de
+ongehuwde meisjes het haar tot op den rug nederviel, had de bruid, ten
+teeken dat zij geene dochter meer was, het haar zeer gekort. Zij droeg
+eene kroon van wit gebloemte; hare jonge gezellinnen hadden integendeel
+hunne vlottende haren met eenen groenen krans van maagdenpalm[40]
+bevestigd.
+
+Aan de eene einde der zaal, op eene tafel, zaten drie speellieden: twee
+doedelpijpers[41] en een bommelaar.
+
+Een dans was geeindigd: men genoot een oogenblik rust. Gasten en
+speellieden hijgden naar hunnen adem. Jonge gezellen liepen met groote
+stoopen door de schuur en vulden alle kannen met schuimend gerstebier.
+Maar nauwelijks had elk zijnen dorst door eenen teug gelescht, of de
+doedelpijpers en de bommelaar begonnen een aanjagend deuntje, en gaven
+dus het sein tot nieuw vermaak.
+
+Al de aanwezigen sprongen recht, liepen bij paren te midden der zaal en
+begonnen te dansen, te wiegelen en te draaien met zulke snelheid dat het
+gezicht van dit driftig gewoel eenen koelen aanschouwer het hoofd
+duizelig zou gemaakt hebben. Evenwel was er zekere orde in dezen woesten
+dans. Bij tusschenpoozen hielden al de paren stil op eenen vasteren slag
+der maat, om oogenblikkelijk weder met vernieuwde kracht dooreen te
+springen en te zwieren ... Men lachte, men juichte, men zong; en zelfs
+de kinderen huppelden dooreen aan het einde der schuur, even vroolijk en
+even uitgelaten als hunne ouders ...
+
+De dansers hadden tusschen al het gerucht der doedelzakken en der bommel
+niet gehoord dat een dravend paard voor de deur van het huis had
+stilgehouden ... maar nu klonk, eensklaps, boven het geluid der
+speeltuigen en boven de galmen hunner vroolijkheid, een machtige stem
+en de kwaad voorspellende roep: "Harop! Harop!" die aan elk het
+voorgevoel gaf van een onverwacht gevaar.
+
+De dans hield op; de mannen sprongen naar hunne zwaarden, die zij hier
+en daar op de houten bank hadden neergelegd; de vrouwen slaakten een
+angstgeschreeuw, de kinderen liepen te hoop in eenen hoek; maar allen
+hielden het oog naar de deur, waar nu een hoogstaltig man zich
+vertoonde. Bij zijne verschijning riep elkeen met verwondering:
+
+"Mher Burchard Knap!"
+
+Velen gingen naar hem toe om te vernemen waarom hij zoo onverwachts
+hunne hulp eischte; maar hij deed een teeken met de hand dat hij spreken
+wilde, stapte dan te midden der zaal, haalde uit zijne tasch eenen
+kleinen menschenvoet waaraan nog bloed kleefde en toonde dien met eenen
+pijnlijken spotlach op de lippen. Hij meende te spreken, doch de tranen
+borsten hem uit de oogen.
+
+Velen der omstanders waren bij het gezicht van den bebloeden voet
+teruggeweken; doch de smart van Burchard, wiens sterkmoedigheid zij
+kenden, deed hun voorgevoelen dat hem een groot ongeluk moest gebeurd
+zijn. Meer tot hem naderende, ondervroegen zij hem, ongeduldig en reeds
+in toorn ontvlammende.
+
+Burchard, door eene geweldige beweging der hand, wreef de tranen uit
+zijne oogen en zeide hun op heeschen toon:
+
+"Gezellen, ik ben doodelijk in het hart getroffen. Gij kent Eric, het
+schoone kind dat mij somtijds hier ter jacht vergezelde. Hoe dikwijls
+heeft hij de warme melk onder uw gastvrij dak gedronken! Gij hadt hem
+lief om zijne geestigheid. Ik beminde hem als mijnen zoon, niet slechts
+omdat hij het kind mijner zuster zaliger was, maar bovenal omdat het
+Kerlenbloed zoo zuiver door zijne aderen vloeide en er uit hem een
+wondersterke man moest groeien. Eilaas, mijn arme Eric! hij is dood, dit
+is zijn voet!"
+
+"Dood!" riepen al de omstanders.
+
+"De kleine Eric dood!" klaagden de vrouwen met opgeheven armen.
+
+"Wie? wie?" gromden de mannen.
+
+"De Isegrims!" antwoordde Burchard.
+
+Gedurende eene wijle tijds zag men niets dan vuisten wringen en zwaarden
+opsteken, hoorde men niets dan wraakkreten en knarsing der tanden. Maar
+Burchard verhief de stem en zeide:
+
+"Vrienden, gij hebt meer dan eens mij uwe hulp aangeboden; die hulp kom
+ik nu eischen, niet alleen van u, maar van al de Houtkerels die tot onze
+Gilde van Krekaarzele behooren. Dat degenen die last van vrouw of
+kinderen hebben te huis blijven; jonge mannen zoek ik, en die zijn er
+genoeg. Gaat nu naar huis, wekt onderwege de Kerels en zendt ze
+herwaarts. Zegt hun dat zij hunne korenwannen medebrengen. De Isegrims,
+die mijnen armen Eric vermoord hebben, wonen op eenen sterken burcht.
+Dit nest moeten wij bestormen om er het wolvengebroed in te verpletten.
+Ladders en boomen, tot beukrammen, zullen wij ginder gereed vinden.
+Haast u; wie zich lust gevoelt keere hier weder. Wij gaan het noodvuur
+opsteken en den hoorn blazen. Tot straks, gezellen!"
+
+Door al de bijzijnde lieden gevolgd, stapte hij buiten de schuur. Hier
+verspreidden zich de Kerels met hunne vrouwen en kinderen door
+verschillige wegen. Men hoorde reeds in de bosschen den diepen,
+klagenden toon van den noodhoorn hergalmen.
+
+Burchard naderde tot de wip, die men had neergehaald. Drie of vier jonge
+mannen waren bezig met aan de ijzeren stangen groote vlokken kemp te
+hechten, die vroeger reeds in gesmolten harst waren gedoopt geworden.
+
+"Nog niet vaardig, Wijgbert?" vroeg Burchard.
+
+"Het gaat zoo spoedig niet", was het antwoord. "Om het wel te doen, moet
+men wat tijd gebruiken; maar wees gerust, mher Knap; als onze Houtkerels
+dit noodvuur zoo hoog in de lucht zien vlammen, zullen ze welhaast hier
+zijn."
+
+"Luister, Wijgbert", zeide Burchard, "ik bezwijk schier van
+vermoeidheid; de smart heeft mij mijne krachten benomen. Ik moet wat
+rusten. Verzoek onze gezellen in de schuur te gaan; doe hun te drinken
+geven naar hunnen lust, en kom mij roepen wanneer zij in genoegzaam
+getal te zamen zijn."
+
+Hij richtte zich naar het huis en trad in de woonkamer, waar hij zich op
+eenen stoel liet nederzakken.
+
+Niemand bevond zich hier dan des brouwers vrouw met drie kinderen, die
+bezig waren eene soort van melkpap uit eenen aarden schotel te eten.
+
+De vrouw, die reeds bij de komst van Burchard uit zijnen mond den
+wreeden dood van den jongen Eric had vernomen, wilde hem nu eenige
+woorden van troost toesturen, doch daar zij zag dat hij ongaarne
+antwoordde, stoorde zij hem in zijne zwaarmoedigheid niet meer.
+
+Zij wendde zich tot hare kinderen, die gedaan hadden met eten en zeide:
+
+"Nu, kinderen, vergeet den Drolle niet. Gij moet gaan slapen."
+
+Een der kinderen nam eenen lepel pap en stortte dien bij druppelen ten
+gronde in eenen hoek van den schoorsteen waar, op mannenhoogte, in den
+muur eene kleine holte als een kapelleken was uitgespaard. Nu stond daar
+een Lieve-Vrouwebeeldje, maar het was in vroeger tijd waarschijnlijk de
+plaats geweest der heidensche huisgoden, want de vrouw zeide tot de
+kinderen:
+
+"Nu zal de Drolle u geen kwaad doen of uwen slaap storen. Bidt nu ook uw
+avondgebed."
+
+De kinderen maakten het teeken des kruises en prevelden zeer godvruchtig
+het Vader-ons, waarna ze door hunne moeder uit de kamer werden geleid.
+
+Toen de vrouw wederkwam, scheen Burchard een weinig van zijne
+vermoeidheid hersteld.
+
+"Vrouw Moerinck", vroeg hij, "waar is uw man?"
+
+"Hij is met den noodhoorn uitgereden, op den weg van Eeneghem om de
+Kerels te wekken", antwoordde zij. "Hij moest reeds terug zijn."
+
+"En uw vader, de oude Balderic Wisman?"
+
+"Ja, die loopt altijd in de bosschen, bij het minste dat er voorvalt. Ik
+hoor hem hoesten, meen ik. Daar is hij."
+
+Een zeer oud man, met eenen langen witten baard, trad binnen. Hij
+naderde tot Burchard, zette zich op eenen stoel nevens hem, en zeide:
+
+"Men heeft beelden van heiligen of van Christen-martelaars aan al onze
+wijboomen gehangen, en dus de goden onzer vaderen verjaagd; maar ik weet
+nog eenen boom, eenen eik, die gespaard is gebleven. Het is de boom van
+Thor, den machtigen God der wraak. Ik heb hem de wreedheid en de
+boosheid der Isegrims geklaagd. Hij zal u bijstaan en u de overwinning
+geven."
+
+"Gij meent het, Balderik?" mompelde Burchard met eenen glim van
+ongeloof.
+
+"Ik ben er zeker van. Wilt gij dat ik de Runen[42] voor u werpe?"
+
+Burchard haalde de schouders op; maar de grijsaard, die ontevreden
+scheen over zijn twijfel, stond op en nam eenen lijnwaden zak uit eene
+kas. Hij keerde terug, schudde den zak en stortte op de tafel een zeker
+getal kleine houten stokjes, in ieder derwelke een zonderling teeken was
+gesneden.
+
+"Zie, zie", riep hij, "of het lot u niet gunstig is!"
+
+Op dit oogenblik trad de brouwer binnen. Hij was een man van ongeveer
+veertig jaar, tamelijk zwaarlijvig en hooggekleurd van wangen.
+
+"Zijt gij weder bezig, grootvader, met die oude bijgeloovigheden?"
+schertste hij. "Kom, kom, doe uwe stokjes weg. Zij zullen den zwakken of
+lafhartigen de zegepraal niet geven: de beste Runnen zijne sterke leden
+en mannelijken moed ... Mher Burchard, ik moet u melden dat er in de
+schuur wel vijftig of zestig Kerels reeds vergaderd zijn. Zij gloeien
+allen van wraakzucht; want zij vertellen elkander den ongelukkigen dood
+van Eric, dien iedereen hier liefhad. Elstrunc en Everslag, onze
+Keurmans en uwe goede vrienden, willen u volgen en zullen u te paard
+vergezellen. Hoort het gerucht. Het krielt daarbinnen van Kerels. Nu zal
+het wel tijd zijn om te vertrekken, meen ik."
+
+Burchard stond op en begaf zich naar de schuur, die gansch opgevuld was
+met mannen, meest langgebaard, waartusschen evenwel ook jongelieden zich
+bevonden, wier kin nauwelijks door eenige donzige haren was beschaduwd.
+Het grootste getal was voorzien van eenen zwaren kruisboog, eenigen
+droegen lange handbogen. Volgens de aanbeveling die hun was gedaan
+geworden hadden zij hunne dorschwannen medegebracht, om zich daarvan
+als van beukelaars of schilden bij de bestorming van eenen burcht te
+bedienen. Allen zonder uitzondering voerden aan de linkerzijde een groot
+krom zwaard, de scherpsnijdende schermzeis.
+
+Burchard blikte in het ronde, drukte eenigen zijner bijzondere vrienden
+de hand, en sprak dan met luider stemme:
+
+"Gezellen, men heeft u gemeld, niet waar, dat ik u den noodkreet van
+_Harop_ heb toegericht, opdat gij mij den dood van den armen Eric helpt
+wreken. Tegen de Isegrims, der Kerlen bloedvijanden trekken wij ten
+strijde. Het is Rambold, de neef van den hofraadsheer Tancmar, die niet
+alleen het kind mijner zuster heeft vermoord, maar daarbij nog een
+tiental vrije Kerels. Hij woont nu op den burcht te Straten, en verwacht
+zich waarschijnlijk niet aan onze komst. Hoe het zij, moet er bloed
+vlieten, wij zullen het geven en hier niet terugkeeren zoolang er een
+steen van het vermaledijde Isegrimsnest rechtstaat."
+
+"Wij zullen het afbranden en verdelgen tot in den grond!" kreten de
+Kerels, hunne wapens in de hoogte zwaaiend.
+
+"Welaan, gezellen", zeide Burchard, "reizen wij in stilte; pogen wij
+onze vijanden te verrassen. Onverwachts, als de pletterende slag van
+Thors hamer, treffe hen onze wraak!"
+
+"Wie moeten wij sparen?" vroeg een jongeling.
+
+"Sparen? Hebben zij een arm, onschuldig kind gespaard?"
+
+"Niemand! niemand!" kreten de gezellen.
+
+"Rambold Tancmar bovenal mag ons niet ontsnappen", bevestigde Burchard.
+"Indien hij eenen zoon had! Maar hij heeft geene kinderen. Vooruit nu,
+gezellen! vooruit naar den burcht te Straten. Het is bijna twee uren van
+hier. Wij zullen niet te haastig gaan, om onze krachten tot den storm te
+sparen."
+
+De Kerels traden allen buiten de schuur, hingen de korenwannen aan
+lederen riemkens op hunnen rug en schikten zich in zekere orde. Burchard
+en de twee Keurmans sprongen te paard,--en de bende, wel honderd sterk,
+begaf zich door de duisternis op weg.
+
+Langen tijd liep de baan door dichte bosschen, en konden de Kerels
+moeilijk te zamen blijven; maar eindelijk geraakten zij in het vlakke
+veld op eene breede zandige straat.
+
+Hier reden de twee Keurmans zonder beletsel aan Burchards zijde, en
+vroegen hem eenige nauwere bijzonderheden over het gebeurde.
+
+Hij gaf hun de volgende uitlegging:
+
+"Mij behoort te Straten, als deelmakende van mijne moederlijke erfenis,
+een boomgaard en eene paarden weide. Onze graaf, als naar gewoonte door
+de Isegrims tot het vergeten van het recht der vrije Kerels aangedreven,
+heeft dien grond, mijn eigendom, aan Tancmar Van Straten in leen
+geschonken. Ik heb natuurlijk mij tegen zulke berooving willen verzetten
+met woorden en met geweld. Maar toen de graaf naar Frankrijk ten oorlog
+zou trekken, heeft hij, zooals gij weet, eenen algemeenen landsvrede
+afgekondigd en mijne ooms, de proost van St-Donaas en den kastelein van
+Brugge, in het bijzonder verantwoordelijk gemaakt voor het behoud van
+dien vrede. Op hun verzoek heb ik toegestemd den bedoelden grond
+ongebruikt te laten totdat de graaf, bij zijne terugkomst, over den
+twist kon oordeelen en zijne onrechtvaardige gift herroepen. Maar de
+Tancmars, die niets zoeken dan de Kerels tot geweld aan te hitsen, om ze
+dus bij den graaf gehaat te maken, hebben den vrede niet geeerbiedigd en
+mij dagelijks met zooveel boosheid getergd en vernederd, dat ik
+eindelijk, bij die laffe verduldigheid, mij zelven begon te verachten.
+Nu laatst, na vele andere uitdagingen, hadden zij mijnen grond met
+paalwerk omsloten en mijne gezellen mishandeld. Ik heb het paalwerk
+omverre geworpen en een twintigtal gewapende mannen op den grond gezet,
+om hem te bewaken. Rambold Tancmar heeft eenige dagen zich stilgehouden,
+alsof hij van alle verdere aanspraak op mijn eigendom hadde afgezien.
+Maar hij is eensklaps met groote macht verschenen, heeft mijne gezellen
+overrompeld,--en gekwetsten en gevangenen den rechtervoet doen afhakken,
+om mij deze bloedige teekens zijner wreedheid ten geschenke te zenden
+... Helsche uitvinding! Wist hij dan, de afschuwelijke moordenaar, dat
+ik al mijne genegenheid, al mijne hoop op het kind mijner zuster had
+verzameld? Eilaas, de lieve, zoete Eric! Hoe kan ik hem en mijne doode
+gezellen wreken?"
+
+"Wij zullen doen wat Rambold heeft gedaan", gromde een Keurman. "Hun de
+voeten afsnijden en ze den hofraadsheer Tancmar toezenden, al bevond de
+hatelijke Isegrim zich ook met den graaf."
+
+"Neen, neen", zeide de andere knarsetandende, "wij zullen ze altemaal
+binnen den burcht op eenen hoop leggen, ze doormengen met stroo en hout
+op zulke wijze, dat ze tot pulver verteerd worden in den brandenden
+gloed. De puinen van den burcht zullen nederstortend hunne asch
+verstrooien of begraven, en zoo zal zelfs geene gedachtenis van die
+snoode Isegrims meer overblijven."
+
+"Maar Rambold, Rambold!" morde Burchard. "Zijnen rechtervoet moet ik
+hebben: zijn oom de raadsheer wacht mijn geschenk ..."
+
+En dus tegen de Isegrims bulderende en elkander tot eene bloedige wraak
+aanmanende, geraakten zij eindelijk in de nabijheid van Bethferkerke.
+
+Hier steeg Burchard met de Keurmans af en deed de Kerels stilhouden. De
+paarden werden toevertrouwd aan gezellen, die ze door het Frinte-bosch
+moesten leiden.
+
+"Volgt mij nu, een voor een, en op zekeren afstand, vrienden", zeide
+Burchard. "Weest zeer stil; en waar men u zou kunnen zien, buigt u of
+stapt verborgen in het kreupelhout. Hier omtrent staan hofsteden en
+hutten van Tancmars lieden. Indien men onze tegenwoordigheid op deze
+baan bemerkte, zouden de wachten van den burcht onmiddellijk verwittigd
+worden. Volgt mij voorzichtig en langzaam."
+
+Door de duisternis slopen al deze mannen achter elkander voort, de
+schaduw en de diepten zoekende en met de korenwannen op den rug over de
+baan slingerende als eene reuzenslang, wier geelachtige schubben den
+zwakken nachtelijken schemer nog herkaatsten.
+
+Eensklaps bleven, bij het hoofd der bende, eenige gezellen verrast
+staan; zij meenden eenen man tusschen het kreupelhout te hebben
+bespeurd; het geritsel der bladeren bevestigde hun vermoeden.
+
+"Vliegt de Blauwvoet?" riep een der Kerels.
+
+Maar dewijl hij geen antwoord bekwam, spande hij zijnen boog en stuurde
+eenen pijl door de heesters. Drie of vier gezellen volgden hem hierin
+na. Uit den schoot van het gebladerte ging een smartkreet in de hoogte
+en men hoorde de haastige stappen van iemand die vluchtte.
+
+Burchard kwam nader en vroeg wat hen had aangedreven om te dezer plaatse
+gebruik van hunne bogen te maken.
+
+Bij de verklaring der Kerels schuddde hij het hoofd met spijt en zeide:
+
+"Wij zijn verraden. Het was een schildwacht of bespieder. Men waakt op
+den burcht!"
+
+"De man zal niet verre loopen", bemerkte degene die het laatste schot
+gelost had. "Mijn pijl is hem waarschijnlijk door de borst gegaan."
+
+"Daarin bedriegt gij u", zeide een andere. "Hij zal waarschijnlijk
+slechts aan den arm gekwetst zijn; ik ken dit: zijne klacht was een
+smartkreet, maar geen doodsschreeuw. Daarenboven, gij hebt hem hooren
+wegloopen, zooverre dat het gerucht zijner stappen geheel en zachtjes
+uitstierf. Wie leert zulke dingen aan mij, Ivo-den-wolvenjager?"
+
+"Laat ons zwijgen", onderbrak Burchard. "Hoe het zij, gaan wij met
+voorzichtigheid en in stilte!"
+
+Hij stapte hen vooruit en bracht hen door eenen afgelegen weg aan zijn
+landgoed, dat wel geen eigenlijke burcht was, doch waarvan het voorname
+gebouw eveneens met eenen hoogen muur en met eene diepe gracht was
+omsloten.
+
+Gansch alleen begaf hij zich over de brug tot bij de poort, en klopte
+daar op der Kerlen wijze, dit is te zeggen twee slagen en dan, na eene
+rust, nog een derden, hard en kort.
+
+"Vliegt de Blauwvoet?" vroeg eene stem van binnen.
+
+"Storm op zee!" antwoordde Burchard. "Doe open, Alijn, ik ben het."
+
+De poort draaide krijschend op hare hengels en al de Kerels traden
+binnen den ringmuur op den wijden neerhof.
+
+Hier werden een paar toortsen ontstoken en alles tot den aanval tegen
+den burcht van Straten in gereedheid gebracht.
+
+Te midden van den neerhof lagen drie zeer hooge ladders nevens eenen
+zwaren eiken balk, aan welks einde een ijzeren ramshoofd met dikke
+banden was vastgesmeed. Een weinig verder had men vele in olie gedoopte
+kempbundels en toortsen van pijnharst in eenen hoop te zamen gelegd, en
+daarnevens houwelen, hamers, haken en koorden.
+
+Burchard verdeelde zijne mannen in kleine benden en schikte ze op den
+neerhof in eene soort van stoet.
+
+Vooraan stonden vele kruisboogschutters, gansch onbeladen en gereed tot
+onmiddellijke verdediging; achter dezen de dragers der drie groote
+ladders, dan de twintig man op wier schouders de eiken balk rustte, en
+eindelijk degenen die de koorden, houwelen en brandstoffen aanbrengen
+zouden, allen nog opgevolgd door eene bende handboogschutters als
+achterhoede.
+
+Zoohaast alles vaardig was, werden de toortsen uitgedoofd en de stoet
+trok in de diepste stilte door de duisternis over de brug.
+
+Burchard leidde hen langs eenen verborgen weg door dicht geboomte, beval
+nog meer stilte en bracht hen eindelijk tot bij den uitersten boord van
+het bosch. Hier toonde hij hun den burcht van Straten die, op een goed
+boogschot van daar, als een logge steenberg met zijne torens tegen den
+donkeren hemel nog donkerder uitloste.
+
+"Legt uwen last ter aarde, rust een weinig en verzamelt uwe krachten",
+fluisterde Burchard, terwijl hij van de eene bende naar de andere ging.
+
+Hij keerde terug tot den boord van het bosch, waar zijne vrienden de
+Keurmans, met Ivo-den-wolvenjager het oog bespiedend op den burcht
+hielden gericht.
+
+"Men waakt ginder", murmelde een hunner. "Zie daar, boven den muur,
+nevens de poort, die bewegende vlekken. Zijn het geene menschenhoofden?"
+
+"Zeker", bevestigde Ivo. "Donker is de nacht, maar staal glinstert nog
+in de duisternis: het zijn stormhoeden of zwaarden."
+
+Burchard overspande een wijl zijne gezichtskracht en zeide dan:
+
+"Ja, men waakt; men weet van onze komst. De bespieder, dien wij onderweg
+met eenen pijl troffen, heeft ons verraden ... Zij zijn talrijk en pogen
+zich voor ons te verbergen. Het spel zal hard zijn. Des te beter, ik zal
+mijne vermoorde gezellen in ruime maat kunnen wreken. Ziehier wat wij
+gaan beproeven: de twee minst zware ladders zullen wij over de gracht
+tot voor de ophaalbrug leggen om de ketens te bereiken en ze te
+verbrijzelen. Dan zullen wij met den stormram tegen de poort beuken en
+zoo den burcht binnen dringen. Gaat nu bij onze gezellen en deelt hun
+dit inzicht mede, elk voor het zijne. Zegt den ouden Lambrecht dat hij
+met een tiental mannen in het bosch blijve om de gekwetsten te
+verzorgen."
+
+Een weinig later was alles gereed tot den aanval. Bij elken ladderdrager
+stond een gezel die hem eene korenwan boven het hoofd moest houden.
+
+Daar de wannen van wederzijde dus opgeheven waren, vormden deze
+beschutsels boven elk ladder een voortloopend dak, waaronder dragers en
+strijders tegen pijlen en steenen, ja, zelfs tegen werpvuur waren
+beveiligd.
+
+Men verliet langzaam het bosch, met de hoop dat men bij eene volledige
+stilte misschien de aandacht der wakers zou ontsnappen.
+
+Alles ging naar wensch, totdat de Kerels de gracht van den burcht zouden
+naderen. Dan vertoonden zich eensklaps vele hoofden boven den hoogen
+muur; de boogpezen klonken en de pijlen snorden door de lucht, terwijl
+een schaterende spotlach binnen den burcht hergalmde.
+
+"Vooruit, vooruit de ladders!" kreet Burchard. "Schutters, mikt daar
+boven de poort. Geeft dien lachers spel, totdat wij hunne hoonende
+vreugd in hun bloed versmachten. Vooruit, vooruit!"
+
+Burchard aanjagend bevel was volbracht geworden. Men had de ladders over
+de gracht gelegd, en was nu bezig met mokers, tangen en hefboomen op de
+ketens der valbruggen te slaan en ze zoo geweldig te wringen dat het
+ijzer schreeuwde en huilde als hadde het pijn gevoeld.
+
+De beide Keurmans en Burchard stonden niet verre van daar onder twee
+breede wannen, waarop des vijands pijlen nu en dan als hamerslagen
+nedervielen en afbotsten.
+
+Reeds een Kerel lag dood voor de brug en men had er drie anderen, zwaar
+gewond, het bosch ingedragen, toen een der Keurmans, eene beweging
+terzijde doende, zich gedeeltelijk ontblootte.
+
+Een versmachte kreet ontsnapte hem; hij greep Burchard den arm en zeide:
+
+"Ondersteun mij, ik ga vallen."
+
+"Wat, wat is u geschied?" vroeg zijn gezel.
+
+"Ik heb mijn deel ... hier een pijl, dwars door mijne borst ... het is
+gedaan met mij."
+
+"O, God!" kreet Burchard. "Gij, Elstrunc, mijn vriend, gij zoudt
+sterven? Neen, neen, heb moed, geloof het niet!"
+
+"Moed?" schertste de bezwijmende Elstrunc.
+
+"Moed? Ben ik hier gekomen met de vrees des doods?"
+
+Burchard greep zijnen gewonden vriend om de middel, hief hem met eene
+plotselijke inspanning van krachten op zijnen schouder en liep met dien
+last het bosch in waar hij hem bij de andere gekwetsten neder legde.
+
+Hij knielde aan zijne zijde en meende hem te troosten; maar de andere,
+ofschoon reeds op den boord van het graf, dacht slechts aan de
+overwinning en aan de wraak, en deed Burchard begrijpen dat hij tot den
+storm moest terugkeeren, wilde hij den aanval niet doen mislukken.
+
+Inderdaad, toen Burchard uit het bosch trad zag hij dat men van boven de
+poort zijne mannen niet alleen bevocht met pijlen en steenen, maar
+tevens met vlammend werpvuur, en dat de Kerels, die de keten der
+ophaalbrug moesten breken, schier werkeloos onder de opgeheven wannen
+zich hielden verborgen.
+
+Dit gezicht vervoerde hem in razernij en ontrukte hem eenen schreeuw die
+als een leeuwengebrul over den burcht heenklonk. Hij dreef de wannen weg
+van boven zijn hoofd, liep vooruit over de ladder, greep eenen grooten
+ijzeren hefboom uit de hand van eenen der gezellen, stak dien met het
+einde door enen schakel en begon de keten te draaien en te wringen met
+zulke woestheid, dat glinsterende vonken het knarsend metaal
+ontsprongen.
+
+Een steen viel hem op den schouder en bonsde terug, als hadde hij eene
+rots getroffen; eene vlok vuur zengde hem de haren, maar hij wrong immer
+voort, boog zich, kronkelde zich en spande zijne leden, totdat de ketens
+braken en de ophaalbrug onder het gejuich zijner gezellen nederplofte.
+
+Een zegevierende schreeuw kondigde dit eerste voordeel aan. Nu was de
+baan tot aan de poort geheel vrij en, kon men die insgelijks
+verbrijzelen, dan zou niets weerstaan aan hunne woede en aan hunne
+wraak.
+
+Wel vijftig man, met den vreeselijken stormram op de armen, liepen over
+de brug en beukten zoo geweldig tegen de poort, dat de holle klank van
+den slag als de donder over bosch en velden hergalmde.
+
+De eerste stoot scheen geen uitwerksel te hebben. De Kerels verwijderden
+zich van de poort, namen eenen nieuwen loop en beukten met meerdere
+kracht nog, maar de poort bleef onwrikbaar. Pijlen, steenen en vuur
+vielen als hagel op de wannen, en troffen nu en dan eenen Kerel, die den
+storm moest verlaten of door anderen in het bosch werd gedragen.
+
+Boven den muur lachte men nog spottend, maar daar moest evenwel meer dan
+een man door de pijlen van buiten zijn getroffen geworden, dewijl nu en
+dan een scherpere kreet of een noodgehuil tusschen het tergend lachen
+opsteeg.
+
+De Kerels, door de moeilijkheid van den aanval verwoed geworden,
+herhaalden menigmaal hunnen loop en hitsten elkander aan door een
+koortsig strijdgeschreeuw. Burchard zelf had zich nu aan den stormram
+gesteld; en, of zijne kracht waarlijk overmatig was, en of zijne
+tegenwoordigheid de kracht zijner mannen had verdubbeld, van den eersten
+stoot waartoe hij had geholpen, had de poort een rinkelend geluid
+gegeven, alsof zij gedeeltelijk van hare hengsels was losgeraakt.
+
+"Terug, terug!" riep Burchard. "Nog eene goede poging en zij stort
+neder! Aan ons de overwinning!"
+
+Toen zijne mannen met den balk op eenigen afstand van de brug onder de
+opgehevene wannen veilig stonden, zeide hij hun op blijden toon:
+
+"Haalt adem, rust een oogenblik. Werken wij met vereende kracht, het is
+de laatste stoot ... Maar wat drijft daarginder langs den muur? Mannen
+die zich verwijderen van de poort! Zouden zij onze wraak willen
+ontvluchten? Op, op, de stormram! Vooruit, vooruit!"
+
+Een oogenblik daarna sidderde de lucht onder eenen dubbelen dondergalm,
+en de poort viel achterover ten gronde.
+
+"Wannen weg! De zwaarden nu!" huilde Burchard, terwijl hij met zijne
+gezellen als een onweerstaanbare vloed ten burcht instroomde.
+
+Slechts gedurende eenen korten tijd boden hunne verraste vijanden
+eenigen tegenstand en vloden dan weg in het gebouw of in duistere hoeken
+en kanten om, ware het mogelijk, nog een uitkomen te vinden; maar de
+Kerels vervolgden hen, speurden hen na en hakten alwat leven had
+onmeedoogend neder.
+
+Burchard, die slechts een doel voor oogen had, namelijk zijne wraak op
+Rambold Tancmar te koelen, deed drie of vier toortsen ontsteken, en liep
+op en af de verdiepen van den burcht, alles doorsnuffelende wat maar
+eene schuilplaats verschaffen kon. Ook de andere gebouwen onderzocht
+hij, koortsig, spijtig en met heesch keelgeluid grommend:
+
+"Hij alleen zou mij ontsnappen! Onmogelijk. Hij is in den burcht, de
+vuige moordenaar van mijnen armen Eric! Ah, ik zal hem vinden, ik moet
+hem hebben!"
+
+Maar wanneer hij alles had doorzocht, en de Kerels van moorden moede en
+met bloed bedekt, hem omringden, stond hij daar, grijnzend het hoofd
+schuddende en als ontmoedigd.
+
+"Rambold ontsnapt mij!" zuchtte hij herhaalde malen.
+
+"Hij is gevlucht met een groot gedeelte zijner mannen", zeide een Kerel.
+"Ik heb aan den voet van den achtermuur eenen Isegrim doodelijk
+getroffen. Die heeft mij, om zijn leven smeekend, mij verklaard dat zijn
+meester langs eene ladder is afgedaald en over deze ladder den anderen
+boord der gracht heeft bereikt."
+
+"Doemenis!" kreet Burchard. "Zijn mijne gezellen gewroken, de moord van
+mijnen armen Eric blijft onbetaald! Hadden wij hier dan slechts iemand
+van Rambolds maagschap gevonden, iemand dien hij bemint!..."
+
+Er naderde een Kerel die, de laatste klacht van Burchard hoorende, hem
+zeide:
+
+"Iemand van Rambolds maagschap? Wees tevreden, mher Burchard:
+daarbeneden, in den kelder, ligt het lijk zijner zuster."
+
+"Het lijk zijner zuster? Ah!" kreet Burchard, eene toorts grijpende.
+
+Door de Kerels gevolgd, daalde hij eene steenen trap af en kwam in eenen
+overwelfden gang waar inderdaad het lijk eener jonkvrouw op de zijde ten
+gronde lag.
+
+Eene wijl staarde Burchard stom en beweegloos op het doode lichaam.
+
+"Het is Rambolds zuster", morde hij. "Nu zal ook de smart, nu zal ook
+de rouw hem in het hart bijten. Eric is gewroken!"
+
+"Zal ik haar den voet afhakken?" vroeg een Kerel, zijn zwaard tot slaan
+gereedhoudende.
+
+"Neen, neen, eene vrouw ... Ik ben voldaan, het is genoeg ", antwoordde
+hij. "Men drage nu de lijken te zamen in den burcht en steke het vuur
+aan al de gebouwen en op honderd plaatsen te gelijk!"
+
+Hij stapte uit den burcht op den neerhof en bleef daar staan, met de
+armen overeen gevouwen.
+
+Schier onmiddellijk begonnen de vlammen hier en daar hunne roode tongen
+te vertoonen, en het vuur liep voort en verhief zich en kronkelde
+allengs om muren en torens, totdat eindelijk de burcht, aan eenen
+vulkaan gelijk, den donkeren hemel verfde met eenen bloedigen gloed[43].
+
+De Kerels juichten dit schouwspel toe, als hadden zij zich vermaakt bij
+een feestelijk vreugdevuur, totdat het halfverteerde dakwerk met
+ijselijk gekraak nederstortte en hun een laatst en machtiger gejubel
+deed aanheffen.
+
+"Het werk der wraak is volbracht", zeide Burchard. "Nu de gekwetsten
+verzorgd, en huiswaarts gekeerd!"
+
+Eenigen tijd daarna hoorde men der Kerlen zegelied in de verte nog
+hergalmen, en eindelijk achter de bosschen geheel in de nachtelijke
+stilte wegsterven ... Zij zongen:
+
+ Doedele, bommele, romdomdom,
+ Houd u recht en sie niet om!
+
+ Gi, rudders, dwingers, maect u van cant,
+ Hier sijn de Kerels van Vlanderlant!
+ Gi, Isegrims, hoedt u vor den Blauvoet,
+ Of gi selt voelen wat sine clau doet.
+ Onse vaderen waren vri,
+ En vri so bliven wi,
+ So lanc een hert, dat lafheid haet,
+ In enen Keerlenboesem slaet.
+
+ Doedele, bommele, romdomdom,
+ Houd u recht en sie niet om!
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 37: Men noemt heden nog, In eenige streken van Vlaanderen, de
+bewoners der bosschen _Boschkerels_ of _Houtkeerlen_.
+
+Zie J. HUYTTENS, _messager des Sc. etc. de Gand_, 1860, pp. 215 et 420.]
+
+[Voetnoot 38: "Le mot _Commune_ (gemeente) est relativement moderne;
+ceste chose s'appelait _minne_ (amitie), _gilde_, association."
+
+V. DE RODE, _Ann. du Com. Pl. de Pr._, t. VIII, p. 96.]
+
+[Voetnoot 39: WARNKOENIG, _Hist. de Fl., traduct. de Gheldorf_, t. II,
+pag. 123.]
+
+[Voetnoot 40: Vinca pervinca.]
+
+[Voetnoot 41: "La cornemuse (doedelzak), instrument national des Kerls."
+VICTOR DE RODE, _Ann. du Com. Fl. de Fr._, t. VIII, pag. 75.]
+
+[Voetnoot 42: De _Runen_ waren de letterteekens van het oudste
+Germaansch schrift; zij dienden later tot zoogezegde tooverij of
+waarzeggerij.]
+
+[Voetnoot 43: Zie aangaande de verdelging van Tancmars burcht, te
+Straten, door Burchard, KERVYN DE LETTENHOVE, _Hist. de Fl._, I, 370.]
+
+
+
+
+VII
+
+
+Toen de gevluchte Rambold Van Straten te Atrecht kwam, en met groot
+misbaar den graaf de verwoesting van zijnen burcht en den wreeden moord
+zijner zuster en zijner dienaars klaagde, ontvlamde de vorst in eenen
+onuitsprekelijken toorn.
+
+Terwijl Rambold zijne eigene gewelddadigheden verzweeg of verbloemde,
+lieten Tancmar en zijne vrienden niet na de Erembalds en de Kerels in
+het algemeen van medeplichtigheid aan deze euveldaad te beschuldigen.
+Zij poogden de verontwaardiging des vorsten tot het uiterste aan te
+vuren en hem over te halen om onmiddellijk met een sterk gedeelte des
+legers verdelgend in de vrije Ambachten te vallen. De gelegenheid was nu
+gunstig, meenden zij: niemand zou de Kerels helpen of beklagen; en, kon
+men ze dwingen eens voor goed den nek onder het juk der dienstbaarheid
+te buigen, dan ware het voor eeuwig met dit wreed en overmoedig ras
+gedaan.
+
+Graaf Karel, alhoewel hij niet gewoon was zonder lange overweging eenig
+gewichtig besluit te nemen, had hun laten denken dat hij, ditmaal ten
+minste, gansch hunne woede deelde en hunnen raad zou volgen.
+
+Maar nog denzelfden dag had de proost van St-Donaas eenen bode naar
+Atrecht afgezonden met eenen langen brief waarin hij den graaf het
+gebeurde verhaalde van zijnen eersten oorsprong af en Rambold Tancmar
+beschuldigde den bloedigen twist te hebben begonnen door het vermoorden
+van Burchards gezellen. De proost, in zijnen brief, betreurde diep wat
+er voorgevallen was en drukte de vaste hoop uit dat de vorst, in zijne
+wijsheid, uitspraak zou doen tusschen de beide vijanden, volgens rede en
+recht, opdat verder bloedvergieten mocht worden voorkomen.
+
+Dit schrijven deed den vorst wankelen. Ofschoon zeer trotsch van gemoed,
+wist hij zich zelven genoeg te bedwingen. Daarenboven hield hij er aan
+door het Vlaamsche volk als rechtvaardig te worden geacht. Ook kwam hij
+allengs tot het besluit Rambold Tancmar en Burchard Knap voor het
+hooger ridderhof te dagen, en dus over dit schuldig verbreken van den
+landsvrede in het openbaar een plechtig en onpartijdig vonnis te doen
+vellen.
+
+
+[Illustratie: "Het is Rambolds zuster." (Bladz 151)]
+
+
+De Tancmars toonden zich bedroefd en ontevreden over dit besluit en
+klaagden dat de graaf, in zijne overdrevene zucht tot rechtvaardigheid,
+weigerde tusschen den schuldige en zijn slachtoffer eenig onderscheid te
+maken. Het was list en veinzerij van hunnentwege; want zij wisten dat
+zij, door zulke eerbiedige tegenstreving, den vorst in zijn genomen
+besluit konden bevestigen. Zij waren wel overtuigd dat een rechtbank
+die, als het ridderhof, geheel uit vijanden der Erembalds en der Kerels
+was samengesteld, niets anders kon doen dan Burchard veroordeelen, hij
+mocht dan al zijne wraakpleging kunnen verrechtvaardigen of niet.
+
+Daarop werden naar Brugge en naar andere steden boden gezonden, dragers
+van 's graven bevelbrieven, waarbij afgekondigd werd dat, vijf dagen
+later, het hooge ridderhof onder het voorzitterschap des vorsten te
+Yperen zou vergaderen, om Rambold Tancmar en Burchard Knap aangaande de
+gepleegde moorderijen te hooren en te vonnissen.
+
+De gestelde dag was nu verschenen; te twee uren namiddag zou te Yperen,
+in de zaal op den Burg, de vorstelijke vierschaar worden geopend.
+
+Volgens de gewoonte van dien tijd, zouden de bloedverwanten en
+bijzonderste vrienden der beschudigden dezen ter vierschaar vergezellen,
+hetzij om hen desnoods voor het gerecht te verdedigen, hetzij om, door
+hunne tegenwoordigheid, te betuigen dat zij de achting veler lieden
+genoten of tot eene machtige maagschap behoorden.
+
+Zoo kwam het dat op dien dag, in den morgen, de Erembalds van Brugge,
+ten getalle van wel dertig, omtrent Staden, op de baan naar Yperen
+voorbijreden.
+
+Zij hadden den nacht te Thorhout doorgebracht en waren laat genoeg te
+paard gestegen om niet voor het bepaald uur te Yperen aan te komen.
+Bertulf, de proost van St-Donaas, had het dus goedgevonden om reden dat
+hij het oploopend gemoed van Burchard vreesde, en zooveel mogelijk hem
+de aanraking met zijne vijanden, de Tancmars, wilde doen vermijden.
+
+Wel is waar dat, door de dagvaarding voor 's vorsten rechtbank, er
+tusschen de belanghebbenden en hunne vrienden een plechtige vrede was
+gebannen, dien men op de doodstraf moest eerbiedigen; maar Burchard had
+reeds zoovele blijken van ontembaarheid en van blinde gramschap gegeven,
+dat de oude Bertulf alle vertrouwen in zijnen woesten neef had verloren.
+
+Alhoewel de proost in den grond zijns harten bekende dat Rambold Tancmar
+de eerste oorzaak der betreurlijke moorderijen was geweest en Burchard
+eene wettige wraak had uitgeoefend, beschuldigde hij niettemin zijnen
+neef van onvoorzichtigheid en wreedheid. Zulks was insgelijks het
+gevoelen van Hacket, den kastelein, en van vele andere leden van hunne
+maagschap.
+
+Waarschijnlijk hadden zij gedurende hunne reis deze meening herhaalde
+malen uitgedrukt; want nu waren zij sedert een uur opnieuw daarover in
+een hevig gesprek met Burchard, wier onverduldigheid zooverre ging, dat
+hij den proost en al wie zijne zienswijze deelde van lafheid durfde
+beschuldigen.
+
+Door eene strenge vermaning zijner ooms gekwetst, hield Burchard zijn
+paard terug en betuigde in toornige woorden het inzicht voortaan op
+eenigen afstand achteruit te blijven om zulke bewijzen van
+kleinhartigheid niet meer te moeten hooren.
+
+Nauwelijks was hij eenige oogenblikken alleen, of een ander ridder
+vertraagde insgelijks den stap van zijn paard totdat hij zich terzijde
+van Burchard bevond. Dan zeide hij met eene stem die versomberd scheen
+door een diep gevoel van verontwaardiging:
+
+"Het is om rood te worden van schaamte, bij elk woord dat ze ginder
+spreken! Ha, mher Burchard, de Erembalds, behalve gij en een paar
+anderen misschien, zijn geene Kerels meer!"
+
+"Gij hebt wel gelijk, mher Disdir Vos", antwoordde Burchard. "Het leven
+in de stad, het genot van hooge ambachten heeft hen bedorven. Zij
+stellen de Romaansche voorzichtigheid boven de Germaansche koenheid."
+
+"Gave God dat zij u geleken, Burchard, dan zouden de Isegrims het niet
+durven bestaan de Kerels te hoonen of te bedreigen. Ik heb hier niet
+veel te zeggen, dewijl ik geen Erembald ben en slechts naar Yperen ga
+uit achting, ja, uit bewondering voor u; maar gij hebt gehoord hoe ik
+evenwel uw recht tegen den proost verdedigde?"
+
+"Ja, en ik ben er u dankbaar voor, het heeft mij verheugd omtrent mij
+toch eenen Kerel te vinden die zich nog den mannelijken trots der
+vaderen in het harte voelt."
+
+Disdir Vos scheen eene wijl te overwegen.
+
+"Het is pijnlijk zulk iets te moeten denken, Burchard", zeide hij, "maar
+het zou mij niet verwonderen indien sommige Erembalds u op het oogenblik
+van gevaar verzaakten en verlieten, om zich aan de zijde uwer vijanden
+te schikken."
+
+"Neen, neen, dit toch niet!" kreet Burchard, "uwe vrees is overdreven."
+
+"Gij meent het?" wedervoer Disdir Vos, die ongetwijfeld met verborgen
+inzicht den gramstorigen Kerel tegen zijne magen aanhitste. "Bemerkt gij
+dan niet dat er reeds zekeren uwer naaste bloedverwanten van nu af u
+verlaten?"
+
+"Wie zou dit zijn?" vroeg Burchard verwonderd.
+
+"Waarom is mher Sneloghe niet in uw gezelschap?"
+
+"De proost heeft mij gezegd dat hij gisteren te Brugge moest blijven om
+eene gewichtige zaak af te doen; maar dat hij heden evenwel intijds te
+Yperen zal aankomen."
+
+Disdir Vos schudde het hoofd met eenen scherpen spotlach op de lippen.
+
+"Sa, Disdir", morde Burchard, "ik meende dat gij een vriend van Robrecht
+waart, en gij beticht hem van ontrouw en lafheid! Wat doet u denken dat
+hij niet zal komen?"
+
+"God gave dat ik mij bedroge! Maar ziet gij niet, Burchard, hoe Robrecht
+alle moeite aanwendt om door prachtige kleeding, door overdrevene
+heuschheid en door verfijnde spreekwijze zelfs aan de leenheeren te
+gelijken? Hij snakt om tusschen de Isegrims als een hunner te worden
+aanvaard. Zal een echte Kerel kruipen en vleien, zooals hij gedaan
+heeft, om de hand eener edele jonkvrouw te bekomen?"
+
+"Bij Loki![44] gij zijt zinneloos, Disdir, en weet niet wat ge zegt!"
+viel Burchard met ongeduld uit. "Robrecht zou de Isegrims vleien en voor
+hen kruipen? Wat domheid toch! Ja, hij luistert te veel naar zijn oom;
+maar, wees zeker, het Kerlenhart klopt hem op de goede plaats. Waren al
+de Erembalds hem gelijk, er kwame spoedig een einde aan den overmoed
+onzer vijanden. Het is mher Sneloghe niet die de hand van jonkver
+Placida heeft gevraagd; het is zijn oom de proost. Zijne
+huwelijksbelofte met Placida is verbroken. Hij gaat trouwen met Dakerlia
+Wulf. Gij moet het weten."
+
+"Eilaas, ja, ik weet het tot mijn ongeluk!" zuchtte Disdir. "Snode spot!
+Robrecht had de wreedheid zelf mij zijn huwelijk met Dakerlia aan te
+kondigen, ofschoon hij wist dat zulke tijding als een moordpriem mij
+door het hart moest gaan."
+
+"Versta ik wel? Gij insgelijks bemindet jonkver Wulf?"
+
+"Ach, meer dan mijn leven!"
+
+"Dan beklaag ik u, mijn arme Disdir. Het bij eene vrouw op mher Sneloghe
+te winnen, dit hebt gij wel zeker nooit gehoopt?"
+
+"Doemenis, doemenis! Robrecht heeft mij snood bedrogen", klaagde Disdir
+Vos met versmachte woede. "Ik maak u rechter tusschen ons beiden,
+Burchard. Oordeel of ik niet het slachtoffer eener hatelijke kuiperij
+mij mag noemen. Het is reeds lang dat ik jonkver Wulf bemin. Zeker, zij
+hadde mijne hulde aanvaard indien Robrecht mij dit geluk niet had
+benijd. In alle geval, hij heeft, toen er spraak was van zijn huwelijk
+met Placida, mij verklaard dat hij beslissend van Dakerlia's hand
+afzag."
+
+"Ik geloof het wel", bemerkte Burchard. "Men trouwt niet met twee
+vrouwen te gelijk."
+
+"Neen, zoo eenvoudig was zijne verklaring niet. Hij beloofde mij zelf
+ten mijnen gunste bij Dakerlia te pleiten. Nu breekt hij, als een
+valschaard, zijne plechtige belofte en vernietigt mijne levenshoop voor
+altijd. Ho, beken het, Burchard, het is een wraakroepend verraad."
+
+"De minnenijd berooft den mensch van zijn verstand, ik zie het",
+schertste Burchard. "Wel, wel, mijn arme Disdir, het zijn dwaasheden die
+gij uitkraamt, dunkt mij. Dakerlia Wulf is geen kind meer, en ik ken
+haar genoeg om te weten dat zij, minder nog dan een man misschien, in de
+beschikking over haar hart zich zou laten dwingen. Bemint zij u? Dit is
+de vraag ... Gij antwoordt niet? Zij bemint dus Robrecht. Gij moet hare
+beslissing eerbiedigen."
+
+"Robrecht is een veinsaard; hij heeft mij laffelijk bedrogen; ik zal mij
+wreken!" riep Disdir, knarsetandend van spijt en woede.
+
+"Gij zult u wreken? op Robrecht?" herhaalde Burchard glimlachende. "Het
+is uwe zaak, maar uit vriendschap tot u kan ik niet nalaten u van twee
+dingen te verwittigen. Ten eerste, Robrecht is sterker dan gij en wordt
+geroemd om zijne bedrevenheid in het behandelen der wapenen. Hij zal
+geenen hoon verdragen. Ten tweede, hij wordt zoo algemeen geacht en
+bemind dat, indien het u gelukte hem in eenen kamp te treffen, twintig
+anderen u opvolgend zouden uitdagen. Ik zelf zou naar uw bloed moeten
+staan. Gij begrijpt, het is alsof gij reeds dood waart ..."
+
+"En toch zal ik mij wreken!" gromde Disdir Vos.
+
+"Kom, kom, gij droomt. Uwe spijt zal bedaren. Wat onzin Gij zoudt u
+wreken over een ongelijk dat niemand u aandoet. Overweeg toch: wie ter
+wereld die eene vrouw bemint en zich door haar bemint weet zal deze
+vrouw verzaken uit toegevendheid voor eenen anderen man? Zoudt gij het
+doen? Waarom verlangt gij het dan van mher Sneloghe?"
+
+Eene stem riep nu van de andere zijde der baan Burchard eenen goeden dag
+toe.
+
+"Doemenis, daar is hij!" zuchtte Disdir Vos bevend van angst of van
+toorn.
+
+Inderdaad, Robrecht en Dakerlia's vader reden hen voorbij, om den proost
+en den kastelein, die vooruit waren, hunne groetenissen te brengen. Na
+eene lange wijl de oogen met nijdigen blik op Robrecht te hebben
+gehouden, zeide Disdir tot Burchard:
+
+"Gij ziet wel hoe hij u ontwijkt. Nauwelijks gunt hij u eenen korten
+groet, en vervordert zijnen weg, schier zonder u te bezien."
+
+"Neen, neen", antwoordde Burchard, "ik ken Robrecht beter ... Daar keert
+hij reeds zijn paard om tot ons te komen."
+
+Mher Sneloghe naderde inderdaad tot Burchard, drukte hem de hand en
+wisselde eenige woorden met hem over het geding dat ging geopend worden.
+Hij drukte de vaste hoop uit dat Rambold Tancmar zou veroordeeld worden;
+want, volgens zijn gevoelen, had Burchard niets gedaan dan eene wettige
+wraak uitgeoefend. Wel was deze wraak bloedig geweest, maar wreeder toch
+niet dan de onmenschelijke moord door Rambold op den kleinen Eric en op
+de Kerels van Bethferkerke gepleegd.
+
+Burchard zeide, spottende, dat hij naar Yperen ging om zijne ooms deze
+bevrediging te geven; maar dat hij het deed met de vaste overtuiging dat
+de ridders hem zouden veroordeelen. Welke rechtvaardigheid mocht een
+Kerel toch verwachten in eene vierschaar die slechts samengesteld was
+uit de heetste Isegrims, en voorgezeten door Karel van Denemarken, den
+huichelenden en valschen vijand der Kerels en der Erembalds?
+
+Disdir Vos scheen in gedachten verslonden en bemoeide zich met de
+samenspraak niet.
+
+Eene nauwe brug over eenen waterloop dwong hen welhaast hunne paarden
+het eene achter het andere vooruit te laten stappen Deze omstandigheid
+waarnemende, zeide Robrecht tot Disdir: "Ik wenschte wel een ogenblik
+alleen met u te kunnen spreken, mher Vos. Verleen mij een kort
+onderhoud, ik bid u."
+
+"Onmiddellijk, als gij wilt", was het antwoord.
+
+Nu kwam Burchard hen weder terzijde. Robrecht verzocht hem om
+verschooning, zeggende dat hij met Disdir eene wijl achteruit zou
+blijven, om met hem over iets bijzonders te kouten.
+
+"Ik weet wel wat gij samen te verhandelen hebt", zeide Burchard
+glimlachend. "Liefdezaken, uw huwelijk met Dakerlia, niet waar?"
+
+"Hoe? Heeft mher Disdir u daarvan gesproken?"
+
+"Ja, het schijnt dat hij wel gaarne in uwe plaats zou zijn."
+
+"Is het zoo, dan behoef ik hem niet alleen te spreken, en gij moogt het
+wel hooren, Burchard, wat ik hem te zeggen heb. Het zal kort zijn."
+
+Hij wendde zich tot Disdir en zeide hem op kalmen, doch nadrukvollen
+toon: "Mher Vos, ik heb u plechtiglijk mijn aanstaande huwelijk met
+jonkver Wulf aangekondigd. Na onze woordenwisseling over deze zaak hebt
+gij, in schijn ten minste, als vriend afscheid van mij genomen. Waarom
+veinst gij nu te vergeten wat ik u heb gezegd?"
+
+"Is het om dus hoonend mij te ondervragen dat gij mij alleen moest
+onderhouden?" gromde Disdir. "Ik ben onbedreven in het oplossen van
+raadsels."
+
+"Welnu, ja, laat ons klaar zijn. Mher Vos, zoolang gij niet wist dat er
+tusschen jonkver Wulf en mij eene huwelijksbelofte bestaat kondet gij u
+vrij achten tot het aanwenden van pogingen om, ware het mogelijk, u door
+Dakerlia te doen beminnen. Nu is u daartoe het recht benomen. Dakerlia
+heeft mij geklaagd dat gij haar vervolgt, dat gij haar afspiedt als zij
+ter kerke gaat of er van terugkeert, en dat gij, ondanks hare herhaalde
+afwijzing, haar lastig valt met de betuigingen uwer liefde. Mij is het
+nu een plicht geworden mijne bruid te doen eerbiedigen. Ik hoop, mher
+Vos, dat deze weinige worden voldoende zullen zijn om u insgelijks uwen
+plicht jegens Dakerlia en jegens mij te doen begrijpen."
+
+"Wat wilt gij zeggen?" vroeg Disdir.
+
+"Dat gij jonkver Dakerlia voortaan met vrede zult laten."
+
+"Ik heb van niemand bevelen te ontvangen."
+
+"Aldus, gij zijt voornemens voort te gaan met mijne bruid te hoonen?"
+
+"Ik zal doen wat mij goeddunkt."
+
+"Het zij dan zoo, vermits gij het verlangt", zeide Robrecht. "Mij spijt
+het zeer eenen vriend dus toe te spreken, maar gij dwingt er mij toe.
+Wordt er bloed tusschen ons gestort, het valle dan op u, mher Disdir.
+Daar, aanvaard dit pand!"
+
+En dit zeggende, bood Robrecht zijnen handschoen aan Disdir Vos. Deze
+verbleekte en aanschouwde zijnen uitdager met scherpen blik.
+
+"Gij aarzelt?" kreet Robrecht verbaasd.
+
+Maar Burchard, die de weigering van Disdir gansch goedkeurde en hem
+daarom uit de pijnlijke verlegenheid wilde redden, greep den handschoen.
+
+"Hier is een misverstand; gij zult niet strijden!" riep hij.
+
+"Maar weigert Disdir den aangeboden kamp? Ik moet het weten!"
+
+"Bloed tusschen vrienden!" zuchtte mher Vos met eenen geveinsden afkeer.
+"Voor een ongeluk waaraan het lot alleen schuld heeft ..."
+
+"Kom, Robrecht, wees redelijk", viel Burchard in. "Dat Disdir droef en
+spijtig is, zult gij hem daarom gaan haten? Indien Dakerlia u verstiet,
+zoudt gij niet treuren?"
+
+"Zeker, zeker", antwoordde Robrecht getroffen. "Dat Disdir belove mijne
+bruid te eerbiedigen, en ik wil alles vergeten."
+
+"Ik zal ze eerbiedigen", stamelde Disdir. "Deze verzekering hadde ik u
+gewillig gegeven, hadde gij niet, op eenen kwetsenden toon van bevel,
+mij ze hadt willen afdwingen. Ik ben ridder, ik ben ongelukkig, gij
+behandelt mij zonder achting, zonder medelijden. Waart gij in mijne
+plaats en ik in de uwe, wees zeker, ik zou beter dan gij toonen dat ik
+gevoelig ben aan de wettige smart van eenen vriend."
+
+Deze woorden, oprecht of geveinsd, hadden Disdir een pijnlijk geweld op
+zich zelven gekost. Tranen glinsterden in zijne oogen; hij scheen
+vernederd en beschaamd.
+
+Mher Sneloghe, door deze teekens van diepe droefheid getroffen, reikte
+hem de hand en zeide met minzaamheid in de stem:
+
+"Nu, Disdir, het is een misverstaan, inderdaad. Laat ons vrienden
+blijven. Geloof mij, had jonkver Wulf u hare genegenheid geschonken, ik
+hadde hare beslissing geeerbiedigd. Evenals gij zou ik daarover getreurd
+hebben; maar daarom toch zou ik u niet vijandig geworden zijn."
+
+Zij drukten elkaar de hand. In Disdirs oogen fonkelde nog de nijd, en
+zijne lippen waren scherp gesloten; maar Robrecht en Burchard meenden te
+mogen denken dat deze zure uitdrukking slechts het gevolg was van het
+geweld dat hij op zijn hart deed, om zoo beslissend eene lange hoop te
+verzaken. Zij mistrouwden zijne oprechtheid niet en prezen hem
+integendeel om zijn moedig besluit.
+
+Robrecht verschoonde zich bij Burchard omdat hij niet langer zoo van de
+anderen afgescheiden met hen kon blijven, aangezien hij
+beleefdheidshalve zijne ooms en zijnen schoonvader gezelschap moest
+houden. Hij dreef daarom zijn paard vooruit en begaf zich naar het hoofd
+van den stoet.
+
+Eenigen tijd daarna bereikten de Erembalds de stad Yperen.
+
+Zij reden de Thorhoutsche poort binnen en namen hunnen intrek in de
+groote afspanning de Gouden Liebaart, om eene wijl te rusten en hunne
+kleederen van stof te zuiveren.
+
+De stad Yperen, door zich zelve reeds volkrijk, had nog gansche benden
+bezoekers van Veurne, Dixmude, Roesbrugge, Steenvoorde Poperinghe en
+andere naastgelegene Ambachten ontvangen. Daarenboven, de gansche
+hofhouding des graven, benevens een honderdtal ridders met hunne
+talrijke wapenknechten, waren er dien morgen aangekomen, zoodat het in
+de straten krielde van allerlei lieden, en de stad een voorkomen aanbood
+alsof een leger er zich, te midden eener kermis, tot den oorlog
+bereidde.
+
+Naarmate het uur van het vorstelijk geding naderde, drong de menigte
+meer en meer te zamen op het voorplein van den burg, om van de eene
+zijde de Tancmars, en van de andere de Erembalds te zien voorbijgaan.
+Hoezeer ook sommige Kerels of poorters lust hadden om een der beide
+geslachten toe te juichen of uit te jouwen, en dus hunnen haat of hunne
+genegenheid te betuigen, zij durfden het niet doen, omdat zulks door den
+gebannen vrede was verboden, en de wapenlieden met uitgetogen zwaard
+genoeg in machte daar stonden om de wet en des vorsten wil te doen
+eerbiedigen.
+
+Nauwelijks was het bepaalde uur verschenen of de trompers gingen rond en
+daagden bij name Rambold Tancmar en Burchard Knap voor het hooger
+ridderhof.
+
+De geroepenen, door hunne bijzonderste bloedverwanten gevolgd, traden in
+de groote zaal van den burg. Hun werden, elk langs eene zijde, banken
+aangewezen, ten dien einde te midden der zaal gesteld.
+
+De graaf zat op eene verhevenheid, onder eene soort van troon en achter
+eene breede tafel, waar rondom de leden van het hof, de maarschalk en de
+schrijvers plaats genomen hadden.
+
+Al de leden van het hof waren vijanden der Erembalds, ten minste zij
+stonden bekend als Isegrims, dit is te zeggen als zulke lieden die den
+leenheeren alle macht en alle recht wilden toegekend zien, ten koste van
+het recht en van de vrijheid der poorters en der Kerels.
+
+Eenen enkelen ridder, den kastelein of burggraaf van Yperen, die nevens
+den vorst zat, meende Burchard als eenen vriend en verdediger te mogen
+beschouwen. Het was Willem van Loo, afstammeling der graven van
+Vlaanderen, en die slechts na eenen ongelukkigen oorlog zich gedwongen
+had gezien de kroon aan Karel van Denemarken af te staan. Hij alleen had
+Burchard met een teeken des hoofds en eenen minzamen glimlach gegroet.
+Zijne tegenwoordigheid tusschen de rechters verheugde de Erembalds,
+ofschoon de proost Bertulf wel wist dat Willem van Loo eenen geheimen
+wrok tegen hem had, omdat hij, in den oorlog voor de kroon, zich ten
+voordeele van Karel van Denemarken had verklaard.
+
+Nog werden de trompen aangeheven en eenige afkondigingen gedaan, waarna
+de maarschalk, woordvoerder des vorsten, Rambold Tancmar als aanklager
+opriep en hem vroeg waarover hij recht eischte.
+
+Rambold verhaalde met berekende bedaardheid en geveinsde droefheid wat
+er te Straten was geschied. De graaf had uit grootmoedigheid zijnen
+raadsheer Tancmar eenige gronden, die de kroon toebehoorden, ter leen
+geschonken. Burchard Knap had beweerd dat de graaf geen recht had om
+over deze gronden te beschikken en had er zijne lieden op gesteld, om
+Tancmar den eigendom er van met geweld van wapenen te betwisten.
+Rambold, die door zijnen oom belast was geworden, gedurende zijne
+tegenwoordigheid in het leger zijne goederen te Straten te bewaren en te
+verdedigen, had zich verplicht gezien geweld tegen geweld te stellen en
+Burchards lieden van den bedoelden grond te verjagen. Wat Burchard dan
+had gedaan: hoe hij Tancmars lieden had neergehakt, hoe hij eene
+edelgeborene maagd, eene onschuldige jonkvrouw had vermoord, hoe hij al
+de lijken zijner slachtoffers en den burcht zei ven had verbrand, dit
+wist iedereen. De droeve mare zijner gruwelijke gewelddaden had geheel
+Vlaanderen met verontwaardiging vervuld; en uit alle burchten, uit elk
+ridderlijk hart steeg eene stem op tot den troon om recht en om wraak.
+Op den ijselijken dood zijner arme zuster wilde hij nu niet aandringen,
+om den vorst niet pijnlijk te ontroeren en zelf niet in rouwtranen te
+smelten. Hij putte sterkte en troost in de overtuiging dat de graaf
+recht zou doen met al de strengheid die zulke voorbeeldelooze wreedheid
+eischte.
+
+Burchard, die met diepe aandacht de rede van zijnen vijand had
+afgeluisterd, en bij elk woord had gevoeld hoe deze, door het verzwijgen
+of verdraaien der omstandigheden, al de schuld hem op den hals poogde te
+schuiven, wrong zijne vuisten, trappelde met de voeten en morde hoorbaar
+vermaledijdingen tegen zijnen aanklager.
+
+Bertulf en Hacket, zijne ooms, spanden alle moeite in om hem tot bedaren
+te brengen; doch de stem van Rambold, die hij zoolang had moeten hooren,
+was alleen toereikend geweest om zijn geduld te vernietigen en hem in
+woede te doen ontvlammen.
+
+Nu werd hij zelf opgeroepen en de maarschalk vroeg wat hij tegen
+Rambolds aantijgingen in te brengen had.
+
+Burchard trad met fierheid en zichtbaar toornig voor het hof.
+
+"Wat die listige mensch u zegt is valsch, geheel valsch!" riep nij met
+kracht. "De grond was mijn eigendom; ik heb hem geerfd van mijne moeder
+zaliger. Men heeft u bedrogen, heer graaf. Haddet gij geweten dat de
+weide en de boomgaard te Straten u niet toebehoorde, gij zoudt deze
+goederen zeker niet weggeschonken hebben, want ook de vorst moet elks
+recht eerbiedigen...."
+
+Een afkeurend gemor, dat onder de Tancmars en zelfs onder eenige leden
+der rechtbank opsteeg, onderbrak zijne rede.
+
+Hij, daarover gekwetst, hief het hoofd met trotschheid op, stuurde
+fonkelende blikken tot de bank zijner vijanden, en riep uit:
+
+"Vleiers en valschaards zijn zij die alle mannelijke openhartigheid
+terzijde stellen en hier durven beweren dat de vorst het recht bezit om
+onrechtvaardig te zijn, daar de God des hemels zelf dit recht niet
+heeft!"
+
+Deze vermetele worden ontrukten al den ridders eenen kreet van
+verontwaardiging; het gelaat des graven was versomberd door eene
+uitdrukking van beklemden toorn.
+
+Bertulf, de proost van St-Donaas, die het gevaar merkte, stond op en
+naderde tot zijnen neef, met wien hij in stilte eenige haastige en
+driftige woorden wisselde. Burchard keerde onwillig naar zijne plaats op
+de bank terug. De oude Bertulf wendde zich met eene diepe buiging tot
+het hof en zeide:
+
+"Genadige heer graaf, en gij, heeren rechters, de beschuldigde gevoelt
+wel dat hij, ondanks zijnen eerbied voor het hof, door ontsteltenis in
+gevaar zou komen van dingen te zeggen welke hem niet zoo in het gemoed
+liggen. Hij heeft mij, zijnen oom, aangesteld als zijnen woordvoerder,
+en in deze hoedanigheid zal ik spreken, indien de vorst en de heeren
+rechters gelieven mij aan te hooren."
+
+Er werd over deze vraag eene wijl in stilte beraadslaagd. Vele rechters
+getuigden door ontkennend schudden des hoof dat, dat zij van gedachte
+waren den woordvoerder van Burchard niet te aanvaarden en deze te
+dwingen zijne eigene verdediging voor te dragen. Dit was inderdaad een
+onfeilbaar middel, niet alleen om hem te doen veroordeelen, maar tevens
+om den graaf tot eene strenge en onmiddellijke straf pleging aan te
+drijven. Maar Willem, de burggraaf van Yperen, deed den vorst begrijpen
+dat men den beschuldigde de gewone middelen tot verdediging niet mocht
+ontzeggen.
+
+Men besliste dus dat men de vraag van den proost van St-Donaas zou
+inwilligen.
+
+De maarschalk stond op en riep:
+
+"Onze genadige heer graaf en het hof stemmen er in toe den woordvoerder
+van Burchard Knap te hooren. Dat hij spreke!"
+
+"Heeren", begon Bertulf op zeer kalmen toon, "om te kunnen oordeelen wie
+hier de ware plichtige is, hoeft men niet te onderzoeken wien de
+boomgaard en de weide te Straten toebehoorden. Het is genoeg te weten
+dat de heer graaf bevolen had dat men, tot zijnen terugkeer van den
+oorlog, desaangaande alles zou laten in den toestand waarin het bij zijn
+vertrek zich bevond. Wie heeft allereerst dit hoog bevel overtreden? Is
+het niet Rambold Tancmar die nog onlangs dien grond met paalwerk deed
+omsluiten? Heeft mijn neef iets gepleegd dat buiten zijn recht was, toen
+hij de palen uitwierp en den grond in den staat herstelde waarin onze
+genadige heer graaf had bevolen hem te laten?"
+
+"Hij heeft er gewapende lieden op gezet en mijnen neef eene
+oorlogsverklaring toegezonden", onderbrak de raadsheer Tancmar.
+
+"Maar had mher Rambold niet reeds gewapenderhand de gezellen van mijnen
+neef mishandeld en verjaagd?" wedervoer Bertulf. "Dan, tot dit oogenblik
+was er nog niets geschied, dat de gewelddaden, die wij allen in het
+diepste van ons hart betreuren, kon veroorzaken. Maar Rambold, den
+landsvrede op eene bloedige wijze willende breken, is met macht van
+wapenen op de gezellen van mijnen neef gevallen, heeft er een gedeelte
+van vermoord, en dooden en gevangenen den rechtervoet afgehakt. Deze
+voeten heeft hij in eenen korf gelegd en ze, in de proostdij te Brugge,
+mijnen neef Burchard als een geschenk toegestuurd, den bode de
+gruwelijke woorden in den mond leggende: 'Rambold Tancmar zendt Burchard
+Knap deze vruchten van eenen nieuwen grond; hij hoopt dat het gezicht
+daarvan hem zal verblijden.' In dezen korf vond mijn neef insgelijks den
+voet van den zoon zijner zuster zaliger, een kind van veertien jaar, dat
+hij beminde als het licht zijner oogen. Ik beroep mij op uw hart, heer
+graaf, en ik spreek tot uw gemoed, heeren. Wat zoudt gij bij zulke
+ijselijke wreedheid, bij zulken helschen spot hebben gedaan? Recht
+geeischt bij onzen genadigen heer graaf, zult gij zeggen? Inderdaad,
+maar vergeet niet dat mijn neef mensch is, en meer dan mensch zou moeten
+zijn om bij zulken bloedigen hoon niet onder zijne wettige wraakzucht te
+bezwijken."
+
+"Het hof late mij toe eenige woorden tot terechtwijzing te spreken",
+zeide de hofraadsheer Tancmar. "Zeker, hadde mijn neef Rambold de voeten
+van mher Burchards lieden afgesneden zonder daartoe uitgedaagd te zijn
+geworden, het ware eene onmenschelijke wreedheid en eene helsche spot
+geweest, zooals de heer proost zegt. Maar hier valt aan te merken dat
+Burchard Knap in het openbaar mijnen neef gedreigd had zulks aan zijne
+lieden, ja, aan hem zelven te doen, indien iemand hunner den voet op den
+betwisten grond durfde zetten."
+
+"Wie dit gezegd heeft is een valschaard: hij liegt!" riep Burchard
+rechtspringende.
+
+Een strenge oogslag van den proost dwong hem echter weder tot stilte.
+
+"Heeren, de wraak die mijn neef Burchard te Straten gepleegd heeft",
+hernam Bertulf, "is wreed en bloedig geweest. Mij doet het pijn, ja, mij
+grieft het diep dit te moeten bekennen. Maar was zij wreeder dan de
+moorderij door Rambold vroeger aangericht, en welker ijselijkheid hij
+zelfs niet onder den naam van wraak kan pogen te verminderen? Rambold
+heeft de gezellen van mijnen neef vermoord en het kind zijner zuster van
+het leven beroofd na het onmenschelijk te hebben verminkt. Burchard
+heeft de lieden van Rambold vermoord, en in de woestheid der
+wraakpleging heeft men Rambolds zuster insgelijks het leven benomen.
+Wanneer men alleenlijk de daden beschouwt, dan zouden zij beiden even
+plichtig zijn; want wat de tweede deed is de herhaling van wat de eerste
+had gedaan. Evenwel, de rechters verzuimen nooit de oorzaak der dingen
+te onderzoeken om te weten wie de stichter was van het kwaad en dus met
+vrijen, onbelemmerden wil heeft gehandeld, niet om wraak te plegen, maar
+uit enkele nijging tot vijandschap en tot wreedheid. Wie was hier de
+eerste stichter van de afschuwelijke gewelddaden welke het geheele land
+met ons betreurt? Uw antwoord kan niet twijfelachtig zijn, heeren
+rechters. De overtuiging welke mijn neef, omdat hij niet gewoon is in
+het openbaar te spreken, verkeerdelijk heeft uitgedrukt, ligt ook in
+onze harten: Onze heer graaf kan niet onrechtvaardig zijn, omdat zijne
+wijsheid, zijne grootmoedigheid en zijne vaderlijke bezorgdheid voor het
+welzijn van zijn volk zulks onmogelijk maken. Daarom, wij berusten in
+het recht onzer zaak en zien met vertrouwen een gunstig vonnis te
+gemoet."
+
+Rambold Tancmar hield daarop eene tegenrede; de proost van St-Donaas
+antwoordde hem eene tweede maal; de hofraadsheer poogde nog van tijd tot
+tijd door eene onderbreking zijnen neef behulpzaam te zijn; ook Burchard
+riep nog twee- of driemaal dat de Tancmars wetens en willens logen; maar
+al deze pleitredenen en woordenwisselingen brachten niets nieuws aan den
+dag, en lieten de zaak zooals zij zich van den beginne had voorgedaan.
+
+Op deze wijze liep het geding ten einde. De graaf en de leden van het
+hof verlieten de zaal, om in een ander vertrek over het vonnis te
+raadplegen.
+
+Intusschen bleven de Tancmars en de Erembalds op hunne plaatsen zitten
+en koutten met hunne vrienden, en berekenden de kansen eener gunstige
+uitspraak.
+
+Terwijl de meeste Erembalds den glimlach op de lippen hadden en luidop
+spraken, fluisterden de Tancmars in stilte. De eersten, door de
+welsprekendheid van Bertulfs pleitrede aangemoedigd, twijfelden niet aan
+den goeden uitslag hunner zaak; de vrienden van Rambold vreesden
+integendeel dat hij, als stichter en als eerste oorzaak van het kwaad,
+zou worden veroordeeld. Wel hielden zij zich overtuigd dat de graaf de
+Erembalds haatte en tegen de Kerels in het algemeen was verbitterd; maar
+hij was zoo zonderling en zoo ondoorgrondelijk van gemoed. Daarenboven,
+iedereen wist dat graaf Karel zijnen hoogmoed stelde in de faam van een
+streng, doch rechvaardig vorst te zijn. Zou hij nu niet terugwijken voor
+eene veroordeeling van Burchard, indien de welberekende pleitrede van
+den proost hem deed vreezen dat zulke veroordeeling als een onrecht zou
+worden aangezien?
+
+Het hof bleef zeer lang in beraadslaging.
+
+Naarmate de tijd verliep, groeide de hoop op eenen goeden uitslag onder
+de Erembalds aan, omdat zij elkander moed inspraken en door allerlei
+gunstige vooruitzichten Burchard poogden te bedaren.
+
+De Tancmars, integendeel, door het gevoel van Rambolds plichtigheid
+reeds in twijfel gebracht, verloren bij het gezicht der welgemoedheid
+hunner vijanden bijna alle hoop.
+
+De oude Bertulf, die de ridders als vijanden der Erembalds mistrouwde
+en de mogelijkheid der veroordeeling zijns neefs in zijn gemoed erkende,
+nam den tijd waar om Burchard tot het aanvaarden van het vonnis te
+bereiden, hoe het ook mocht zijn. Hij deed hem begrijpen dat alle
+opstand, alle oneerbiedig geschreeuw den graaf slechts kon verbitteren
+en hunne zaak bederven. Hij bezwoer hem uit liefde, uit opoffering voor
+zijn geslacht en voor Kerlingaland, met verduldigheid des vorsten
+uitspraak aan te hooren en, al ware het slechts in schijn, zich er aan
+te onderwerpen Hij verkreeg door welsprekendheid en door lang aandringen
+zooveel op zijnen neef, dat deze beloofde zijnen raad te volgen.
+
+Eindelijk verscheen weder het hof in de zaal. De graaf en de rechters
+gingen tot hunne vorige plaatsen; de trompers hieven een kort geschal
+aan; de jonge Frumold, als schrijver van het hof, kwam vooruit en las,
+met luider stemme, terwijl de diepste stilte in de zaal heerschte, het
+uitgesproken vonnis.
+
+Dit stuk was zeer lang. Het verhaalde, tot in de minste bijzonderheden
+al de feiten die zoowel door Rambold Tancmar als door Burchard Knap
+waren gepleegd geworden, zonder dat men uit deze bloote beschrijving der
+voorvallen kon opmaken wat het besluit van het vonnis kon zijn.
+
+Ook luisterden de aanwezigen met overspannen aandacht en veler hart
+popelde van vrees of van ongeduldige verwachting, totdat eindelijk een
+zegevierende lach op de aangezichten der Tancmars verscheen en de oude
+proost van St-Donaas, met eenen kreet van angst en medelijden, zijnen
+neef omhelsde en hem, bij al wat hem duurbaar was, bezwoer zijne
+verontwaardiging te bedwingen.
+
+Burchard Knap was schuldig verklaard en veroordeeld; Rambold Tancmar
+kwam er niet alleen gansch ongestraft van af, maar hem werd nog
+daarenboven schadevergoeding toegekend!
+
+Wel liet Burchard een versmacht gegrom hooren als van eenen getergden
+leeuw, maar hij hield het hoofd gebogen en roerde zich niet, terwijl de
+schrijver dus voortlas.
+
+"Ten eerste, wij bevelen dat de burcht te Straten, ten koste van den
+veroordeelden Burchard Knap, weder zal worden opgebouwd zooals hij te
+voren was.
+
+Ten tweede, wij bevelen, omdat de veroordeelde den landsvrede heeft
+gebroken, dat zijn huis te Bethferkerke zal worden afgebrand en
+vernietigd, hem verbiedend, op lijfstraffe, voortaan in het Ambacht van
+Brugge eene woning op te richten of te hebben[45].
+
+Ten derde, wij bevelen dat de veroordeelde Burchard Knap uit onzen Lande
+van Vlaanderen blijve gebannen, gedurende den tijd van tien
+achtereenvolgende jaren. Wij willen en bevelen dat hij, te beginnen van
+heden met zonneondergang onze stad Yperen ontruime en voorts den grond
+van ons graafschap na den derden dag, gevende al onzen ridders,
+kasteleins, wapenlieden, poorters en laten recht en bevel hem aan den
+lijve te gaan en hem te dooden, indien hij ooit, in miskenning van dit
+ons vonnis, voor den gemelden tijd van tien jaren, binnen de palen van
+ons graafschap zich durfde vertoonen."
+
+Burchard, die tot dan, door zijne gemoedssterkte te overspannen zich had
+kunnen bedwingen, sprong nu eensklaps recht en bief de dreigende vuist
+tegen den graaf op, terwijl uit zijne borst onverstaanbare
+vermaledijdingen opstegen: maar de proost, de kastelein, Robrecht,
+Segher Wulf, Yorg Koevoet, Matfried Wezel en andere vrienden omringden
+hem, biddend en smeekend, of omarmden en weerhielden hem met geweld.
+
+Eindelijk rukten zij hem uit de zaal, terwijl de trompers de opheffing
+der rechtbank verkondigden.
+
+Hem omringende en het nieuwsgierige volk terugdrijvende, sleurden zij
+hem met groote haast tot in de herberg de Gulden Liebaart, en brachten
+hem hier in eene zaal waarvan zij de deuren toesloten.
+
+Burchard, uitzinnig van woede over het schreeuwend onrecht dat, volgens
+zijne meening, hem was aangedaan, bulderde van niets min dan van den
+graaf en al de rechters die hem veroordeeld hadden te vermoorden en hun
+de meineedige tong uit den mond te rukken.
+
+Disdir Vos gaf hem gelijk en ging zelfs nog verder: hij was van gedachte
+dat men den nacht moest afwachten en het vuur aan de vier hoeken van den
+burg steken, om den graaf en de hatelijke Isegrims, die hem het onrecht
+geraden hadden, te verbranden en onder de puinen van den burg te
+begraven.
+
+Alhoewel van zulke gewelddaden niet sprekende, beklaagde Robrecht
+Sneloghe met ware deelneming het onrechtvaardig vonnis en drukte de
+meening uit dat het waarlijk tijd was om geweld tegen geweld te stellen,
+wilde men niet door de Isegrims zelven worden aangezien als lafaards,
+die men zonder vrees van tegenstand mag vervolgen en verdrukken.
+
+Segher Wulf sprak in denzelfden zin, en was zeer verbolgen over eene
+veroordeeling welke hij aanschouwde als eene daad van wraakroepende
+dwingelandij.
+
+De oude Bertulf riep zijne overheid in, als hoofd der Erembalds, om zich
+te doen aanhooren, en wendde al zijne welsprekendheid aan om zijnen neef
+en de anderen tot eene kalme overweging van hunnen toestand te brengen.
+Volgens hem had men door kuiperijen en bedrog den graaf verrast en hem
+dit onbegrijpelijk vonnis doen bezegelen. Men moest de gemoederen
+slechts tijd geven om een weinig te bedaren, en door onderwerping den
+vorst laten gelooven dat men zijne besluiten wilde eerbiedigen. Hij,
+proost van St-Donaas, zou persoonlijke pogingen bij het hof doen. De
+graaf zou voor eenige dagen te Brugge komen verblijven; dan konden de
+Erembalds en hunne vrienden bijna dagelijks den vorst naderen. Men mocht
+de hoop voeden, men mocht bijna zeker zijn dat de graaf de
+ongerechtigheid van zijn vonnis zou erkennen en het zou herroepen.
+
+Burchard viel in nieuwe wraakreten uit, beschuldigde zijne ooms van
+lafheid en riep dat hij niemands hulp noodig had om de Kerels te wapen
+te doen loopen. Men zou het wel zien eer acht dagen voorbij waren, hoe
+de burchten der Isegrims over geheel Kerlingaland in vuur en vlam zouden
+staan, en hoe de kroon, welke de graaf slechts droeg om onrecht te
+plegen, hem van het hoofd zou worden gerukt.
+
+Maar de proost verloor zijn geduld niet en zette onverstoord zijne
+bedarende rede voort. Hij deed elk begrijpen dat men niet om het kwaad
+dat een enkel persoon werd aangedaan, het geheele Kerlingaland tot een
+bloedbad mocht maken, niet alleenlijk omdat zulks in zich zelven eene
+onrechtvaardigheid was, maar bovenal omdat de wetten der Gilden
+verboden iets gewichtigs te ondernemen zonder eerst hunne
+vertegenwoordigers te hebben geraadpleegd. Binnen drie weken zou te
+Veurne de jaarlijksche _Hoop_ der Gilden van Kerlingaland te zamen
+komen. Gunstiger omstandigheid kon zich niet voordoen. Men zou in de
+Hoop kennis geven van het gebeurde en van den ergen toestand der zaken,
+en dan, na rijp beraad, de afgevaardigden laten oordeelen wat de Kerels
+behoorden te doen. Besliste men daar tot den opstand en tot den oorlog,
+welnu de proost, de kastelein en alwie het met hem hield, zouden de
+besluiten van den Hoop aanvaarden en ze helpen uitvoeren, ten koste van
+goed en bloed. Burchard kon in afwachting eene schuilplaats bij zijnen
+vader te Rodenburg vinden. Niemand zou hem daar durven opzoeken en veel
+min vervolgen. Hij, de proost, zijn oom, zou hem nu en dan gaan bezoeken
+om hem kennis van den gang der zaken te brengen.
+
+Eindelijk door de vereenigde pogingen zijner magen en vrienden
+overwonnen, of eerder vermoeid van hen tegen te spreken, scheen Burchard
+eenigszins gestild en stemde er in toe, dewijl het daglicht verzwakte,
+met hen Yperen te verlaten, volgens het bevel des graven.
+
+Men hoorde de opgezadelde paarden in de straat trappelen en hinniken, en
+reeds opende de proost de deur om de zaal te verlaten, toen een ridder
+binnentrad en, recht tot Burchard gaande, hem met een woord van troost
+de hand drukte.
+
+"Mher Willem Van Loo, burggraaf van Yperen, wilt gij graaf van
+Vlaanderen zijn?" riep Burchard.
+
+"Ik graaf van Vlaanderen?" stamelde Willem verwonderd.
+
+"Zijt gij niet de wettige erfgenaam onzer vorsten?" vroeg Burchard, zeer
+aangejaagd en als door eene hevige blijdschap ontroerd. "Heeft niet deze
+Karel van Denemarken u de kroon ontroofd?"
+
+Willem van Yperen deed een teeken dat men de deur der zaal zou sluiten;
+dan zeide hij tot Burchard:
+
+"Mher Knap, spreek toch hier van zulke dingen niet. De graaf is in
+Yperen met vele ridders en wapenlieden; hij kan met u doen wat hij wil.
+Zeker, indien men het recht had geeerbiedigd, zou ik nu op den
+grafelijken troon zitten en zulke ongehoorde wetsverkrachting, als wij
+heden hebben bijgewoond, zou op Vlaanderens grond niet geschieden; maar
+het lot heeft zich tegen mij verklaard en ik heb mij gebogen onder het
+geweld der wapenen ..."
+
+"De tijden zijn veranderd", viel Burchard ongeduldig in zijne rede. "De
+maat der ongerechtigheid is vol. Wilt gij graaf van Vlaanderen zijn,
+mher Willem? Zeg een woord!"
+
+"Eilaas, wie kan mij mijn erfdeel terugschenken?" zuchtte Willem Van Loo
+met een moedeloozen glimlach.
+
+"Wie? Ik!" riep Burchard.
+
+"Maar welke middelen meent gij te hebben?"
+
+"Ha, dit is mijn geheim", morde Burchard, zich met de vuist op het
+voorhoofd slaande.
+
+"Kom, kom, dit zijn droomen, onmogelijke droomen", zeide Willem. "Ik ben
+u dankbaar voor uwen goeden wil ten mijnen opzichte; maar, gekwetst en
+verbitterd als gij nu zijt acht gij mogelijk wat geheel onmogelijk is."
+
+De proost had reeds tusschen deze zonderlinge samenspraak eenige
+bemerkingen geworpen, om te doen gevoelen hoe zinneloos en hoe
+gevaarlijk zulke bedreigingen tegen den vorst waren, en hij drong weder
+met kracht op het vertrek aan. De zon zou welhaast onder den
+gezichteinder wegzinken, en wie kon verzekeren dat niet de eene of
+andere ridder of dienaar des graven op het leven van Burchard zou
+toeleggen, aangezien het gevelde vonnis zulks iedereen ten plichte
+maakte?
+
+Allen verlieten op zijnen raad de zaal en gingen buiten de herberg.
+
+Willem van Yperen had Burchard gevolgd.
+
+Op het oogenblik dat deze te paard zou steigen, neigde hij zich naar
+mher Willem en fluisterde aan zijn oor:
+
+"Burggraaf, wij zien elkander spoedig weder."
+
+"Maar gij zijt gebannen!" bemerkte de andere, niet zonder
+verschriktheid. "Ik mag u niet onder mijn dak onthalen."
+
+"Als de graaf vertrokken is. Des nachts. Vrees niet. Ik heb gewichtige
+zaken u mede te deelen: uw geluk en onze vrijheid hangen er van af."
+
+En na het uitspreken dezer woorden sprong hij te paard en volgde de
+andere Erembalds die reeds vooruit waren, als hadden zij groote haast om
+de poort te bereiken en de stad te verlaten.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 44: _Loki_ is de duivel der oud-Germaansche godenleer.]
+
+[Voetnoot 45: Zie over het vonnis tegen Burchard, door den graaf te
+Yperen uitgesproken, KERVYN DE LETTENHOVE, _Hist. de F._, t. #I#, 371.]
+
+
+
+
+VIII
+
+
+Dakerlia Wulf stond alleen in eene groote kamer van haar vaders woning,
+voor eene tafel die beladen was met velerlei kostbare voorwerpen, als
+gebeeldhouwde schrijnen en doozen, vergulde lampen, kristallen
+drinkvaten, zilveren dischgerief, een kruisbeeld van elpenbeen; alles
+zoo kunstrijk, zoo zeldzaam en zoo prachtig dat, hoe weinig plaats het
+ook besloeg, men het evenwel als eenen aanzienlijken schat moest
+beschouwen.
+
+Met den glans des geluks in de oogen en den glimlach der bewondering op
+de lippen, staarde Dakerlia droomend op deze tafel, nam het een of ander
+voorwerp in de hand, keerde het om, bezag het langs alle zijden en hief
+dan, als aangedreven door een gevoel van dankbaarheid, den blik tot God.
+
+Het gerucht van stappen in den gang stoorde haar eindelijk in zulk
+dankgebed. Een blijde kreet ontsnapte haar; met de handen uitgestrekt,
+keerde zij zich naar de deur en murmelde:
+
+"Ha, hij is daar ... mijn verloofde!"
+
+Robrecht en zijne zuster vertoonden zich bij den ingang der kamer. Zij
+waren gevolgd door eenen schalk die een zwaar kunstvoorwerp op den arm
+droeg. Het geleek aan eene kerk, met vensters en torens, gansch van
+glinsterend goud, en hier en daar opgeluisterd met een fonkelend
+gesteente.
+
+De schalk zette, naar aanwijzing zijns meesters, het gulden kerkje op de
+tafel en verliet de kamer.
+
+Dan eerst greep Dakerlia ontroerd den jongeling de beide handen en riep:
+
+"Ach, Robrecht, wilt gij mij dan zinneloos maken van geluk en fierheid?
+Is die wonderschoone kapelle voor mij?"
+
+"Alweder een geschenk voor u, lieve Dakerlia,", antwoordde mher
+Sneloghe.
+
+"Hoe zal ik ooit uwe goedheid, uwe liefde kunnen erkennen?"
+
+"Uwe tevredenheid, uwe blijdschap alleen, Dakerlia, is mij eene
+voldoende belooning ... Maar ken mij toch "de verdienste van dit echt
+vorstelijk geschenk niet toe. Het is eene gift van mijnen oom, den
+proost. Zie, Dakerlia, de dubbele poort van het kerkje kan men openen.
+Hierbinnen, op eene soort van altaar, staat een zilveren doosje. Wist
+gij, lieve, wat het bevat, het geschenk zou honderdmaal meer prijs nog
+in uwe oogen hebben...."
+
+"Welnu? Een heiligdom?"
+
+"Ja, een vingerbeen van den grooten heiligen Donaas, patroon van
+Brugge."
+
+"Dank, dank zij den heer proost! St-Donaas zal ons beschermen!"
+
+"Gij moet de kostbare reliquiekas in uwe slaapkamer zetten", bemerkte
+Witta, "dan zal de booze geest onmachtig zijn ooit uwen slaap te
+storen."
+
+"En wij zullen te zamen er voor knielen en God en zijnen dienaar
+St-Donaas dagelijks loven en danken, niet waar, Robrecht?"
+
+"Zonder twijfel, Dakerlia. In onze slaapkamer, op Ravenschoot, is eene
+breede schoorsteentafel. Daarop zullen wij het zetten, nevens dit
+schoone kruisbeeld, tusschen gene twee albasten vaten, die ik zal doen
+vullen met geurige bloemen. Het zal zijn als een autaar, Dakerlia,
+waarvan het gezicht uw godvruchtig hart immer zal verblijden."
+
+Nadat zij dus nog eene korte wijl hunne bewondering voor het kostbaar
+geschenk en hunne innige vreugde hadden uitgestort, greep de jonge
+ridder zijne verloofde de hand en leidde haar tot eenen leunstoel; hij
+zette zich nevens haar, schouwde haar diep in hare oogen en zuchtte met
+het licht der zielsvreugde op het gelaat:
+
+"Ha, Dakerlia, nog acht dagen, en de hemel opent zich voor ons!"
+
+"Nog acht dagen!" herhaalde jonkver Wulf, blozend van maagdelijke
+schuchterheid.
+
+Witta, die aan hare andere zijde was gezeten, legde den arm over haren
+hals, trok haar tegen haar hart en riep tusschen een zoeten kus:
+
+"Ja, ja, nog acht dagen, dan wordt gij mij een onafscheidbare zuster!"
+
+Toen jonkver Sneloghe haren arm van den hals harer vriendin terugtrok,
+rolden twee dikke tranen, als glinsterende parelen, op Dakerlia's
+wangen.
+
+"Welk kommervol gepeins schiet u dus eensklaps door den geest?" vroeg
+Robrecht verwonderd.
+
+"Welk kommervol gepeins?" herhaalde de maagd met eenen blik, die
+straalde van blijdschap. "Neen, neen, het zijn tranen van dankbaarheid.
+Robrecht, ik herdenk dat ik veroordeeld was tot eeuwige treurnis; dat
+ik, tot bij het graf, eene andere vrouw haar geluk moest benijden ... en
+nu, zoo onverwachts zal ik uwe bruid worden; geenen enkelen dag zonder u
+te zien, u te hooren ... leven in uwe zoete liefde!...Soms nog beef ik.
+Ach, zooveel geluk in eens, het verschrikt mij! Indien eens, even
+onverwachts, eene wolk onzen helderen hemel kwam verduisteren!"
+
+"Neen, vrees dit niet meer, mijne lieve", zeide Robrecht, haar opnieuw
+de hand nemende. "Ik weet wel wat u bekommert, maar gij hebt ongelijk.
+Sedert de graaf nu weder in Brugge is, ondervinden mijne ooms dat zijn
+toorn geheel is bedaard. Burchard Knap is gestraft geworden,
+onrechtvaardig gestraft, zeker; maar hij heeft zich onderworpen, en deze
+gehoorzaamheid van den ontembaren Kerel schijnt onzen heer graaf te
+hebben verzoend. Hoe het zij, acht dagen zijn zoo ras verloopen; en,
+moest er nog iets gebeuren, ons huwelijk zal gevierd zijn, voordat eenig
+nieuw gevaar de Kerels kome bedreigen. Aldus, lever u gansch over aan
+het geluk en laat ..."
+
+Hij werd onderbroken door de komst van mher Segher Wulf, die, in
+plechtgewaad, met het zwaard aan de zijde in de zaal verscheen.
+
+Hij lachte de jongelieden toe en deed hun teeken dat zij zouden blijven
+zitten; maar Dakerlia liep tot hem, leidde hem bij de tafel en toonde
+hem met blijden hoogmoed de gulden reliquiekas, de nieuwe prachtige gift
+van den proost van St-Donaas.
+
+Na het schoone kunstwerk te hebben bewonderd, zeide mher Wulf:
+
+"De heer graaf houdt heden open hof. Het is onze plicht hem door onze
+tegenwoordigheid hulde te brengen. Zult gij niet naar den burg gaan,
+Robrecht? Gij schudt het hoofd?"
+
+"Maar, vader", bemerkte Dakerlia met eenige spijt, "Robrecht is daar
+even eerst gekomen. De groote dag nadert zoo snel! Wij hebben nog van
+honderden dingen te spreken en voor honderden dingen te zorgen."
+
+"Ja, Dakerlia", morde haar vader met eenen glimlach, "gij zorgt maar al
+te wel. Ik heb uw huwelijkskleed gezien bij Janne Elshout, en uw kanten
+hulsel bij Aleide Stierzeel. Ik ben de rijkste man van Vlaanderen niet
+en gij geene vorstin, mijn kind."
+
+"Ik wil schoon zijn, vader!" antwoordde de maagd.
+
+"Maar zijt gij niet schoon genoeg, mijne zoete Dakerlia?" vroeg
+Robrecht. "Heeft de blanke lelie, heeft de frissche lenteroos vreemde
+praal te ontleenen om bewonderd te worden en elkeen te bekoren?"
+
+"Vleitaal spreekt gij. Ik wil schoon zijn", herhaalde de jonkvrouw.
+"Schoon en prachtig opdat mijn bruidegom trotsch weze over mij! Niets is
+mij kostbaar genoeg."
+
+"Het zij zoo: vrouwenwil, Gods wil!" zeide Segher Wulf, de schouders
+ophalende. "En toch, ik heb maar een kind en moet mij al eene groote
+opoffering getroosten. Doe dus naar uwen lust, Dakerlia; gij zult er
+mij, hoop ik, des te meer en te langer blijven om beminnen."
+
+"Altijd, altijd even vurig, vader lief!" riep zij uit, terwijl zij hem
+aan den hals vloog en hem teederlijk omhelsde.
+
+"Alzoo, gij gaat niet mede naar den burg?" vroeg mher Wulf, zich tot
+Robrecht wendende.
+
+"Men zal mijne afwezigheid tusschen zoovele heeren niet opmerken",
+antwoordde de jonge ridder. "Daarbij, de gemoederen zijn nu weder
+gestild, en voor het oogenblik, ten minste, moeten wij voor niets
+bezorgd zijn."
+
+"Dit is te zeggen", wedersprak hem Segher Wulf, "dat wij daarvan niet
+gansch zeker zijn. Sedert Burchard Knap werd gebannen, sedert zijn huis
+te Bethferkerke werd afgebrand, verspreid men zonderlinge geruchten. Er
+zijn er die beweren dat Burchard des nachts bedektelijk in de bosschen
+rondreist en de Houtkerels tot eenen opstand aanvuurt. Een van 's graven
+laten, die buiten Yperen woont, meent Burchard omtrent Loo in de
+duisternis op een reusachtig paard te hebben ontmoet en herkend.
+Burchard zou dus in geheime betrekkingen staan met Willem Van Loo? Wat
+beramen zij? Onze heer graaf, wien deze samenkomsten van Willem Van Loo
+met Burchard moeten bekend zijn, zal in woede ontvlammen; want Willem,
+alhoewel hij zich in schijn heeft onderworpen, is hem een bloedvijand,
+en de graaf weet het wel. Ach, het is eene ongelukkige verwikkeling! Men
+zal aan het hof de Kerels voor het gedrag van Burchard verantwoordelijk
+maken; en wie kan voorzien welke nieuwe vervolgingen er voor ons zullen
+uit ontstaan?"
+
+"Maar, mher Wulf, mijn oom, de proost, zeide mij, dat hij de vaste hoop
+heeft van onzen vorst genade voor Burchard te bekomen. Hij en de
+kastelein zullen dan het huis te Bethferkerke op hunne kosten doen
+herbouwen. Zoo zal alles bijgelegd zijn, en Burchard zal in vrede naar
+Bethferkerke wederkeeren."
+
+"Neen, neen, mijn vriend, de toekomst is zoo helder niet als gij het
+schijnt te gelooven. Wat zal de Hoop der Ambachten, die binnen veertien
+dagen te Veurne vergadert, over onze zaken beslissen?... Dankt God,
+mijne kinderen, dat gij dan reeds zult getrouwd zijn, anders mocht nog
+wel eenig toeval uw geluk komen vertragen. Blijf dus, Robrecht; desnoods
+zal ik u over uwe afwezigheid verontschuldigen. Vaarwel, tot straks!"
+
+Segher Wulf drukte den jongelieden nog de hand, verliet zijnen Steen en
+begaf zich naar den burg.
+
+Toen hij het paleis binnentrad, vond hij in de groote plechtzaal wel een
+honderdtal ridders die, bij groepen verdeeld, stonden te kouten, in
+afwachting van des graven verschijning.
+
+Hij ging eenigen tijd van den eenen hoop tot den anderen, drukte hier en
+daar eenen vriend de hand, en bleef eindelijk met den proost en den
+kastelein in gesprek, totdat een luidere woordenstrijd, die uit den hoek
+der zaal opsteeg, zijne aandacht vestigde.
+
+De hofraadsheer Tancmar was met zijnen oudsten zoon Ghyselbrecht uit
+eene binnendeur in de zaal getreden en deze laatste had onmiddellijk tot
+de nastaande ridders iets gezegd dat niet allen even goed beviel, want
+Eustaas Van Steenvoorde, een Kerel en een vriend der Erembalds, had met
+zekere driftigheid op zijne gezegden geantwoord.
+
+Segher Wulf en andere ridders naderden tot de plaats waar Tancmar stond,
+om de reden van dien twist te vernemen. Hier hoorde mher Wulf met
+verontwaardiging dat de zoon van den hofraadsheer driftig zeide:
+
+"Zij zullen den balfaart betalen: elk jaar eenen denier, vier deniers
+bij hun huwelijk, en vier deniers bij hunnen dood of het beste hoofd ten
+voordeele des graven!"
+
+"Van wie spreekt men?" vroeg Segher Wulf zeer stil aan Eustaas Van
+Steenvoorde.
+
+Maar Ghyselbrecht, die het had gehoord, antwoordde op tergenden toon:
+
+"Vraag niet naar bekende dingen, mher Wulf. Van de Kerels spreek ik, en
+gij weet het wel."
+
+"De Kerels zijn vrij geborene lieden; men heeft het recht niet om hun
+den tol der dienstbaarheid op te leggen!" wedervoer Segher Wulf.
+
+"Vrijgeborene lieden? De Kerels, ha, ha!" schertste Ghyselbrecht, als
+hadde hij het vast inzicht om hier eenig gerucht te doen ontstaan, dat
+de Erembalds bij den graaf mocht benadeelen. "Hoe zullen de Kerels hunne
+vrije geboorte bewijzen?"
+
+"Bewijst men den oorsprong van dingen die altijd hebben bestaan?"
+wedervoer Segher Wulf. "De Kerels zijn de eerste bewoners dezer landen
+geweest. Hunne vaderen waren trotsch op hunne nooit geschondene
+vrijheid, en deze vrijheid hebben hunne zonen tot nu toe even
+ongeschonden behouden."
+
+"Men levere onzen heer graaf de oorkonden, de bewijzen daarvan!" zeide
+Ghyselbrecht zegevierend. "Men kan het niet. Voordat onze vorsten, ter
+verlossing van Jeruzalem, naar Palestina togen, betaalden de Kerels den
+balfaart ..."
+
+"Valsch, het is valsch!" riepen eenige stemmen.
+
+"En gedurende de afwezigheid onzer graven en hunner leenhouders hebben
+de Kerels zich eene vrijheid aangematigd die zij nooit te voren hadden
+genoten."
+
+In het hart van Segher Wulf gloeide verontwaardiging en toorn; maar hij
+bedwong zijne ontsteltenis met geweld en sprak op treurigen toon:
+
+"O, heeren, die hier tegenwoordig zijt, getuigt ten minste dat ik heb
+voorspeld welke beklaaglijke onheilen zij ons arm Vlaanderen bereiden,
+zij, die onzen vorst aldus het geweld en het onrecht aanraden. De
+Tancmars misleiden u. Ik bezweer u, leent hun de hand niet; laadt niet
+op u de schuld van Vlaanderens ondergang! De Kerels vragen van u niets
+dan vrede; zij willen ongestoord werken en rijkdom scheppen voor vorst
+en land. Waarom ze onrechtvaardig dwingen tot het vergieten van stroomen
+bloeds voor het behoud hunner oude vrijheid?"
+
+Eenige andere Erembalds en tevens een tiental ridders traden er
+tusschen, hetzij om de bedaardheid aan te raden, hetzij om door even
+driftige woorden den twist nog aan te vuren.
+
+Het was zichtbaar dat de hofraadsheer en zijn zoon een beraamd ontwerp
+uitvoerden; want Walter Van Lokeren en Raes Van Gaveren, hunne
+bijzonderste vrienden, stonden lachend nevens hen en fluisterden soms
+stille woorden aan hun oor, als om hen aan te moedigen, terwijl vele
+ridders waakzaam hen omringden, gereed tot hunne verdediging, indien de
+gehoonde Erembalds tot geweld mochten overslaan.
+
+Segher Wulf behoefde al zijne gemoedskracht om niet in woede los te
+barsten; de gedachte dat de graaf alle oogenblikken kon verschijnen,
+weerhield hem evenwel.
+
+"De Kerels zijn altijd dienstbare lieden geweest!" riep Ghyselbrecht,
+"onvrijen, dorpers, slaven, en zij zijn het nog! Het moge den Erembalds
+niet behagen, dat deze waarheid worde verkondigd. Het is te begrijpen,
+zij zijn zelven van Kerlenbloede. En gij, mher Wulf, waarom trekt gij
+hunne zaak u zoo vurig aan? Is het misschien omdat gij vreest dat men
+later ook u de bewijzen uwer vrije geboorte zou kunnen vragen?"
+
+"Het is te veel!" schreeuwde Segher Wulf boven al de kreten zijner
+vrienden uit. "Mher Ghyselbrecht, gij zijt een valschaard, een
+lasteraar, gij liegt! Ik daag u uit tot eenen kamp op leven of dood. De
+God des hemels beslisse tusschen de Kerels en hunne vervolgers! Daar
+ligt mijn handschoen: zijt gij niet zoo laf als boos, raap hem op!"
+
+Maar Ghyselbrecht, die nu waarschijnlijk zijn verborgen doel had
+bereikt, aanschouwde spotlachend zijnen getergden vijand en schudde
+ontkennend het hoofd.
+
+"Gij weigert? Gij bekent dus dat gij een lafaard zijt?" gromde Segher
+Wulf.
+
+"Deze heeren zullen oordeelen", wedervoer Ghyselbrecht zeer koel. "Het
+is een ridder op schande verboden in eenen gesloten kamp te treden met
+iemand die niet vrijgeboren is. De vrije geboorte van mher Segher Wulf
+is mij niet bewezen, ja, ik loochen ze. Het is mij dus een onmiskenbare
+plicht de uitdaging af te wijzen[46]."
+
+Segher Wulf wrong zijne vuisten van woede, en verweet Ghyselbrecht zijne
+bloohartigheid in diep kwetsende woorden, met de hoop dat hij hem dus
+tot ongeduld zou drijven. Hij noemde hem schijnheilige lasteraar,
+onverzadelijk van heerschzucht, vol boosheid en venijn, laf en kruipend
+als eene slang.
+
+Dit alles vermocht niets op het gemoed van Ghyselbrecht, die meer dan
+eens herhaalde dat hij tegen geen onvrij man wilde kampen.
+
+Er ontstond een groot gerucht, doordien de andere Erembalds zich bij
+Segher Wulf voegden en men mocht vreezen dat eindelijk deze woordentwist
+in een bloedig tooneel zou veranderen, des te meer daar de aanjagende
+woorden Isegrim en Blauwvoet nu insgelijks werden uitgesproken.
+
+Er naderde een ridder, gebouwd als een reus, die tot dan, van in eenen
+hoek der zaal, alles onbewogen had aangehoord. Hij drong door den
+vlottenden hoop, raapte den handschoen van den grond en sprak:
+
+"Ik, Jakob Van Waesten, bijgenaamd de Leeuw, van edele geboorte en
+ridder, ik aanvaard den handschoen en den kamp totterdood! Ik verdedig
+de eer van hen die men hier Isegrims durft noemen."
+
+Tancmar en zijne vrienden poogden Jacob de Leeuw het aanvaarden van den
+kamp af te raden. Hun doel was geweest den strijd door allen edelgeboren
+man te doen weigeren en dus voor het land te doen verkondigen dat men de
+Erembalds als onvrije lieden aanzag. Jacob Van Waesten wilde evenwel
+hunne spitsvondige redenen niet aanhooren, en behield den handschoen.
+Hij meende juist met kalme woorden Segher Wulf aan te spreken om met hem
+tijd en plaats voor den kamp te bepalen,--maar nu werd eene dubbele deur
+opengeworpen, en de graaf verscheen in de zaal.
+
+Al de ridders schikten zich van wederzijde langs de wanden en boden met
+gebukten hoofde eenen doorgang aan den vorst, die langzaam tusschen hen
+voorbij stapte en eene hoogte in het diepe der zaal beklom. Hier zette
+hij zich neder onder een kostbaar verhemelte en sprak op spijtigen toon:
+
+"Heeren, zal ik dan nimmer den voet in Brugge kunnen zetten zonder in
+mijnen persoon den eerbied miskent te zien welken men den vorst
+verschuldigd is? Dat grove dorpers, onbeschaafde lieden zich aan zulk
+verbreken plichtig maken, dit laat zich eenigszins begrijpen; maar
+ridders, mannen van edelen bloede!... Nu, welke is de reden van den
+twist die tot in het diepste van ons paleis onze ooren heeft getroffen?"
+
+"Gelieft onze genadige heer graaf mij het woord te verleenen?" vroeg
+Tancmar.
+
+"Dat onze hofraadsheer spreke!" zeide de vorst.
+
+De listige Tancmar begon het voorgevallene te verklaren, in schijn met
+rechtzinnigheid; maar hij drukte met zulke welberekende kracht op de
+ontkenning van der Kerlen vrijheid en op de redenen van de weigering
+zijns zoons, dat de Erembalds hem knarsetandend aanhoorden. Door de
+tegenwoordigheid van den graaf bedwongen, verkropten zij echter in
+stilte den hoon en de schande die hun hier werden aangedaan.
+
+Insgelijks bekwam Segher Wulf het woord om zijne uitdaging te
+verechtvaardigen, en na hem sprak Jacob de Leeuw, om den graaf te
+verzoeken den kamp te willen goedkeuren en zelf tijd en plaats te
+bepalen opdat het ingeroepen oordeel Gods in de tegenwoordigheid des
+vorsten en der ridderen zich mocht verklaren.
+
+Wel wilde Tancmar, immer om dezelfde reden, den graaf overhalen tot het
+afwijzen en verbieden van den kamp; maar Jakob de Leeuw wedersprak hem
+met veel vuur en eischte des vorsten goedkeuring, als eene genade en als
+en recht.
+
+Onderwijl staken de voornaamste Isegrims de hoofden te zamen en
+fluisterden elkander geheime woorden in de ooren.
+
+Dan veranderde Tancmar geheel van taal. Wel wilden de ridders niet als
+bewezen aanvaarden dat de Erembalds vrijgeborene lieden waren; maar
+dewijl Segher Wulf in hunnen naam het oordeel Gods inriep en een ridder
+den handschoen had opgeraapt raadde hij den vorst dezen beslissenden
+kamp toe te staan, in de hoop dat de hemel zelf, met de overwinning aan
+den kampioen der waarheid te gunnen, voor altijd over het hangend
+geschil zou uitspraak doen.
+
+De Isegrims steunden zijnen raad en keurden zijne redenen goed. Zij
+achtten zich verzekerd dat de reusachtige Jakob Van Waesten zijnen min
+sterken tegenkamper wel ras zou dooden.
+
+Graaf Karel had tot dan in stilte op deze woordenwisseling geluisterd.
+Nu stond hij op en sprak met luider stem:
+
+"Wij keuren goed en veroorloven dat onze leenhouder, mher Jakob Van
+Waesten in het strijdperk trede tegen mher Segher Wulf Van Lampernisse,
+en stellen den kamp vast op heden, te twee uren namiddag, in den _Krijt_
+binnen onzen burg van Brugge. Wij gelasten den kastelein en onze overige
+ambtenaars de krijtwaarders[47] te verwittigen en te zorgen voor al wat
+er, volgens de gewoonten der ridderschap, tot dezen kamp behoeft.
+Daarenboven, omdat wij met u in de kalmte des gemoeds over ernstige
+zaken hebben te kouten, verzoeken en bevelen wij de twee kampers zich
+uit ons paleis te verwijderen totdat het bepaalde uur hen ten strijde
+roepe."
+
+Segher Wulf en Jakob de Leeuw, door weinige vrienden gevolgd, verlieten
+de zaal.
+
+Bij de poort onder de Loove, drukten de proost en de kastelein hunnen
+vriend mistroostig de handen; zij klaagden over de booze listigheid
+hunner vijanden, die dezen twist hadden doen ontstaan om het gemoed des
+graven opnieuw tegen de Kerels te ontsteken en gelegenheid te vinden om
+zelfs de vrije geboorte der Erembalds te loochenen. Had Ghyselbrecht
+Tancmar het gevoelen des vorsten uitgedrukt? Hadden de Erembalds zich
+bedrogen over de schijnbare bevrediging des graven? Ging het
+langgevreesde onweder losbreken? Zou nu hun trouwe, goede vriend Segher
+Wulf niet bezwijken in zijnen vermetelen kamp tegen Jakob de Leeuw, die
+om zijne reuzensterkte gansch Vlaanderen door was beroemd?
+
+De tranen stonden den ouden Bertulf bij al deze erge vooruitzichten in
+de oogen; maar Segher Wulf deed hun begrijpen dat zij binnen de zaal
+zich moesten begeven om te weten wat men daar tegen de Kerels kon
+zeggen. Hij zelf had rust noodig en wilde naar huis gaan, om zich tot
+den kamp te bereiden.
+
+Toen Segher Wulf den burg had verlaten en de Hoogstraat instapte,
+vertraagde hij zijnen gang, als vreesde hij zijne woning te naderen; hij
+bleef zelf een oogenblik staan om na te denken.
+
+Hoe zou zijne arme Dakerlia verschrikken bij de aankondiging van eenen
+strijd die haar eenen beminden vader kon ontrooven! Dit huwelijk, zoo
+vurig gewenscht, zou het niet uitgesteld moeten worden, zelfs al wierd
+hij slechts ernstig gekwetst? En indien dan intusschen het geduchte
+onweder losbrak en de Kerels ten koste van stroomen bloeds hunne
+vrijheid hadden te verdedigen, zou dan niet dit noodlottig toeval het
+geluk van zijn kind voor altijd kunnen vernietigen?
+
+Onder den druk zulker bedroevende overwegingen stapte hij langzaam
+voort, zich op voorhand geweld aandoende om zijne treurigheid voor
+Dakerlia te kunnen verbergen.
+
+Ook, toen hij zijne woning had bereikt en in de zaal trad waar zijne
+dochter met Robrecht en zijne zuster zich nog bevonden, speelde hem een
+glimlach op de lippen, en hij beantwoordde hunnen blijden groet, alsof
+niets hem bekommerde.
+
+Maar Dakerlia staarde hem aan en zeide:
+
+"Heer vader, gij zijt ontsteld; u is iets onaangenaams geschied."
+
+"Iets onaangenaams? Wie heeft u dit gezegd?" mompelde Segher Wulf
+verwonderd.
+
+"Mijn hart beeft; ik zie het in den grond uwer oogen, vader."
+
+"Welnu, ja, mijne lieve Dakerlia. Mher Tancmars zoon, de arglistige
+Ghyselbrecht, durfde in tegenwoordigheid der ridderen beweren dat de
+Kerels niet vrij geboren zijn en altijd slaven zijn geweest."
+
+"Onmogelijk!" kreet Dakerlia met eene vonk van verontwaardiging in den
+blik.
+
+"Ja, het is zoo, mijn kind; en hij ging zooverre in zijnen
+onbeschaamden overmoed dat hij ook den Erembalds en zelfs uwen vader
+hunne vrije geboorte durfde ontloochenen."
+
+"De booze valschaard! Was er dan geen ridder, geen Erembald daar om hem
+den lasterenden mond te sluiten?"
+
+"Gij wilt zeggen, mijn kind, dat ik onmiddellijk de eer van ons had
+moeten wreken?"
+
+"Neen, gij niet, vader", antwoordde Dakerlia, eensklaps bedarende, "gij
+zijt te oud; maar hebben onze jonge ridders dan geen Kerlenbloed meer in
+de aderen?"
+
+"Ah, Dakerlia", riep Bobrecht, "wees zeker, ware ik heden ten hove
+geweest, ik hadde den onbeschaamden Isegrim mijnen handschoen in het
+aangezicht gesmeten!"
+
+"Het is juist wat ik heb gedaan", zeide Segher Wulf ... "Nu, Dakerlia,
+waarom verbleekt gij dus? Indien een ander ridder, zonder wraak te
+eischen, ons geslacht zoo diep had laten hoonen, gij zoudt hem lafaard
+noemen en hem minachten. Wees dus rechtvaardig voor uwen vader en prijs
+hem, omdat hij zijnen plicht getrouw bleef."
+
+"O, God, de wolk, de duistere wolk aan onzen schoonen hemel!" klaagde
+Dakerlia met de handen opgeheven.
+
+"En heeft Ghyselbrecht uwen handschoen opgeraapt?" vroeg Robrecht.
+
+"Neen, de lafaard zocht een uitvlucht in de bewering dat ik, als Kerel,
+geen vrij man zou zijn en hij, edel geboren, dus dezen kamp niet mag
+aanvaarden."
+
+"Ach, vader, hoe hebt gij mij doodelijk verschrikt!" zuchtte Dakerlia,
+met oogen die van plotselijke blijdschap straalden. "Ghyselbrecht heeft
+geweigerd? Ik voel mij genijgd om onzen boozen vijand daarvoor te
+zegenen."
+
+"Gij vreest dus uitermate mij ten kamp te zien gaan, Dakerlia? Hoe
+dikwijls nochtans heb ik in mijn leven de eer van mijnen eigen naam of
+de eer van ons geslacht te verdedigen gehad? God heeft mij tot nu toe
+het leven laten behouden. Waarom zou Hij heden mij Zijne bescherming
+onttrekken?"
+
+Dakerlia wierp hare armen om zijnen hals en zeide, hem teederlijk
+zoenende:
+
+"Ja, ja, vader lief, gij hebt gelijk: de hemel zou, evenals vroeger,
+dengenen bijstaan die het recht verdedigt. Gij hebt wel gedaan en uwen
+plicht vervuld, met de lasteraars der Kerels tot zwijgen te brengen,
+maar ik ben toch zoo gelukkig dat Ghyselbrecht den kamp heeft geweigerd!
+Mijnen vader, mijnen goeden vader blootgesteld weten aan gevaar, aan
+doodsgevaar, ach, de gedachte alleen doet mij sidderen als een riet!"
+
+"En toch moet ik vechten, mijn kind."
+
+"Hemel, gij moet vechten?"
+
+"Dezen namiddag, te twee uren."
+
+"Neen, o neen, Ghyselbrecht heeft geweigerd!"
+
+"Ja, maar een ander ridder heeft mijnen handschoen opgeraapt en den kamp
+aanvaard."
+
+Dakerlia sloeg zich de handen voor de oogen en begon te weenen.
+
+"Maar, mijne lieve Dakerlia, waarom zulke bittere tranen te storten?"
+zeide Robrecht. "Uw heer vader zal niet strijden. Ik neem zijne plaats
+in en zal kampen tegen zijnen vijand. Ik ben jong en sterk."
+
+"Gij, Robrecht, gij vechten in den krijt!" riep Dakerlia met nog
+meerdere verschriktheid.
+
+"Ik of uw vader; een onzer moet toch den geworpen handschoen lossen."
+
+"Zwijgt, zwijgt beiden; gij doet mij sterven van angst!"
+
+"Wat gij mij voorstelt is onmogelijk, mher Sneloghe", zeide Segher Wulf.
+
+Dakerlia slaakte eenen luiden gil. Haar vader vatte hare hand en sprak
+troostend:
+
+"Nu, mijn kind, ontstel u niet zoozeer over een voorval dat een ridder
+elk oogenblik in zijn leven kan ontmoeten. Gij, zoo moedig en zoo fier,
+zoud nu misschien gaan wenchen dat ik laffelijk den wreedsten hoon
+verdrage? Ik begrijp: het geluk dat u zoo mild toelachte is bedreigd,
+niet waar? Uw huwelijk ..."
+
+De maagd legde, met eenen pijnlijken kreet, de hand op den mond haars
+vaders en versmachtte dus het woord dat haar kwetste.
+
+"Mijn huwelijk, mijn huwelijk?" morde zij. "Zie, ja, mijn geluk was te
+groot, het moest gestoord worden; ik heb het voorgevoeld, ik heb het
+gedroomd ... maar indien mijne smart en mijn schrik eene andere bron
+hebben dan de liefde tot u, mijnen vader, dat de alziende God mij
+terugwerpe voor altijd in het ijselijk verdriet dat mijnen boezem heeft
+verknaagd!"
+
+"Ik bid u, mher Wulf, laat mij voor u in het strijdperk treden", zeide
+Robrecht. "Niemand kan twijfelen aan uwen moed. Gij hebt zoovele
+schitterende bewijzen uwer onversaagdheid gegeven. Nu zijt gij reeds
+oud. Ik ben behendig en sterk. Stem toe; laat mij de eer van Dakerlia's
+vader wreken!"
+
+"Ik dank u om uwe dienstvaardigheid, mijn vriend Sneloghe", sprak mher
+Wulf. "Al wilde ik u mijne plaats overlaten, het ware onmogelijk: de
+graaf zelf heeft de beide kampers bij name aangewezen. Wat zou men
+denken, indien ik terugtrad, ik, die den handschoen heb geworpen? Mij
+ontbreekt de mannelijke kracht nog niet, en ik zal toonen dat de oude
+Wulf Van Lampernisse nog de sterkte, de behendige kamper is van vroeger
+dagen. Dakerlia heeft ongelijk zich zoo diep te ontstellen. God zal mij
+helpen; Hij zal in mij het recht laten overwinnen ... Wees toch
+redelijk, jonkver Witta; gij insgelijks, gij weent en snikt? Wilt gij
+beiden mij allen moed ontrooven?"
+
+"Maar wie is dan uw tegenkamper?" vroeg Robrecht.
+
+"Gij kent hem waarschijnlijk niet", antwoordde Segher Wulf aarzelende.
+
+"Zijn naam is?..."
+
+"Jakob ... van Waesten, meen ik."
+
+"Jakob? De Leeuw van Waesten! O, hemel!"
+
+"De Leeuw, de reusachtige ridder, voor wiens blik elkeen beeft? Hij, uw
+tegenkamper?" kreet Dakerlia op den toon der diepste wanhoop, "o, mijn
+arme vader! Wee mij, wee mij!"
+
+En zij verborg haar aangezicht op haars vaders hart, legde haren arm om
+zijnen hals, stortte tranen op zijne borst en bleef zoo ontroosbaar
+weenen en snikken, welke pogingen men ook aanwendde om eenige
+verlichting in haren verschrikten geest te brengen.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 46: Zulke weigering van een tweegevecht door eenen ridder
+jegens eenen Kerel, om dezelfde reden, vindt men aangeteekend bij
+GALBERTUS, _Mem. rel. a l'hist. de Fr._, t. VIII, 252.]
+
+[Voetnoot 47: Het strijdperk noemde men _Krijt_ (Krettz).
+
+
+ "Doe gingen sie uten _Crite_ keren
+ Metten Crytwaerders totden Coninc."
+
+ _Reinaert de Vos_, vers 7450 en 7451.
+
+
+]
+
+
+
+
+IX
+
+
+De tijding, dat er dien namiddag tusschen twee ridders een kamp om leven
+en dood zou worden gestreden, had zich wondersnel tot in de uiterste
+hoeken der stad verspreid.
+
+Ook reeds lang voor het gestelde uur verdrong zich de menigte niet
+alleen op den burg, maar zelfs in de aanpalende straten.
+
+Volgens het bevel des graven, had men op het binnenplein van den burg
+den _krijt_ gesteld, dit is eene vierkante omheining van houten palen
+met dikke koorden, die niemand mocht overschrijden en waarbinnen de kamp
+moest geschieden.
+
+Aan elk der beide uiteinden van het vierkant, langswaar de strijders
+binnen het perk zouden treden, stonden vier krijtwaarders en twee
+trompers of bazuinblazers.
+
+Achter hen, binnen een insgelijks voorbehouden omtrek, hielden zich de
+twee kampers nevens hun strijdpaard, in afwachting dat het sein tot den
+aanval wierd gegeven.
+
+Jakob de Leeuw stond aan den kant die naar 's graven hof zich verlengde;
+Segher Wulf naar de zijde van St-Donaas.
+
+Beiden waren omring van eenige vrienden en van schalken, om hun paard te
+bedwingen en hunne wapens te dragen.
+
+Rondom den krijt en drukkend op de koorden, ondanks de pogingen der
+schildwachten, stond de volksschaar zoo dicht opeengepakt, dat men niets
+zag dan eene zee van hoofden, zich nu en dan golvend bewegende onder het
+machtig gedrang van andere nieuwsgierigen, die bij de poorten van den
+burg vooruitwoelden om nog plaats te vinden.
+
+Alle gebouwen, die uitzicht hadden op het strijdperk, krielden van
+menschen; de vensters waren vervuld met vrouwen; het mindere volk, de
+schalken en onvrijen zaten op daken en torens.
+
+Alleen de breede gaanderij, boven de Loove van het paleis, was nog
+geheel ledig. Wel stonden daar, rondom eene soort van troongestoelte,
+eenige zetels voor de kamprechters; maar dezen zouden slechts
+verschijnen op het bepaalde uur.
+
+In afwachting waren de beide kampers bezig met de laatste stukken
+hunner wapenrusting zich aan de leden te bevestigen.
+
+Segher Wulf werd hierin geholpen door Robrecht Sneloghe en door Eustaas
+Van Steenvoorde. Allereerst gespte men hem het harnas voor de borst,
+boven zijn maliehemd van ijzeren ringen; dan den halsberg, de arm- en
+bilplaten, de knieschijven en eindelijk den vergulden helm met het
+neergelaten vizier, waardoor men niets kon zien dan de oogen van den
+kamper.
+
+Zoo stond hij daar nu, van hoofd tot voeten overdekt met ijzer en staal,
+nevens zijn reusachtig paard, dat insgelijks op hoofd, borst en rug door
+metalen platen was beschut.
+
+Zijne strijdwapens, die een paar schildknapen achter hem gereed hielden,
+bestonden in eene lange speer of lans, in een breed zwaard en in een
+vierkant schild.
+
+Volgens de wetten van den krijt moesten de kampers eerst elkander te
+paard en met de speer aanvallen. Leverde deze proeve geenen beslissenden
+uitslag op of werd een van beiden uit den zadel gelicht zonder doodelijk
+te zijn gewond, dan zou men den kamp te voet en met het zwaard
+voortzetten, totdat een hunner om genade smeekte of den geest gaf.
+
+Reeds alsdan lag in de menschelijke natuur de onuitlegbare lust, de
+hatelijke nieuwsgierigheid om bloedige, om zielverschrikkende tooneelen
+bij te wonen. Men wist nu dat de strijd om leven of dood zou zijn en dat
+dus een dezer moedige ridders onder de oogen der menigte ging sterven;
+en evenwel heerschte er tusschen de saamgedrongene volksschaar een luid
+geschater, een bruisend gemor, dat slechts van het vroolijk ongeduld der
+toeschouwers getuigde.
+
+Eensklaps veranderde dit verward gerucht in een lang gejuich, in eenen
+galmenden zegekreet, waarboven de roep: "Leve de graaf! Heil graaf
+Karel!" met meer kracht zich verhief.
+
+De vorst was boven de Love van zijn paleis verschenen en had plaats
+genomen onder het verhemelte van rood brocade, dat daar was opgericht.
+Nevens hem stonden twee wapenboden met gevlagde bazuinen; van wederzijde
+zaten de kamprechters; en verder op deze verhevene gaanderij hielden
+zich de ridders van 's graven hof.
+
+Het sein zou welhaast worden gegeven.
+
+Segher Wulf moest dan een oogenblik van mismoed of van angst ondergaan;
+want hij sloot mher Sneloghe in zijne armen en zeide hem met ontroerde
+stem:
+
+"Robrecht, mijn zoon, niemand weet wat God zal beslissen. Heden kan mijn
+laatste dag zijn. Een oud krijgsman als ik vreest den dood niet; maar ik
+ben vader, mij beeft het hart bij de gedachte dat mijne lieve Dakerlia
+alleen op de wereld zou blijven. Ach, ik smeek u, doe mij de belofte dat
+gij haar, indien ik bezwijk, uw leven lang zult blijven beminnen; dat
+gij haar een trouwe echtgenoot zult zijn, een goede broeder, een
+liefderijke beschermer!"
+
+"De hemel zal het recht de overwinning gunnen", antwoordde Robrecht,
+"maar, hoe het zij, mher Wulf, elke klop van mijn hart zal toegwijd
+blijven aan het geluk van uw kind."
+
+"Dit is mij genoeg: ik heb vertrouwen in uwe oprechtheid, mijn zoon.
+Vergeten wij nu dat wij vader zijn om nog eens de onverschrokken
+krijgsman te worden dien men vroeger roemde om zijne behendigheid. Keert
+het lot der wapens tegen mij, ik sterf voor de eer van mijn geslacht en
+voor de vrijheid van mijn land!"
+
+Een eerste bazuingeschal verwittigde de kampers dat zij zich tot den
+aanval moesten bereiden.
+
+Men hield hen te paard en gaf hun de lange speer in de hand. Zij
+naderden tot de koorden van den krijt.
+
+Eene doodsche stilte heerschte tusschen de menigte.
+
+Nu de toeschouwers de kampers op hunne paarden konden zien zitten, drong
+een gevoel van medelijden in veler harten voor Segher Wulf. Hij scheen
+wel sterk gebouwd; maar zijn tegenstrever geleek een reus en was een
+gansch hoofd grooter dan hij.
+
+"Heb betrouwen in Gods bescherming!" zeide Robrecht, die nevens het
+paard van Segher Wulf stond. "Heb goede hoop: Dakerlia zit geknield voor
+het kruisbeeld en bidt voor u."
+
+"Ach, spreek mij niet van Dakerlia!" zuchtte mher Wulf.
+
+"Denk veeleer aan uw kind; houd uwe welbeminde Dakerlia voor oogen",
+sprak Robrecht met geestdrift. "Het zal u sterk maken en uwen moed
+verdubbelen."
+
+"Inderdaad", kreet de oude krijgsman, "voor haar moet ik overwinnen,
+voor haar moet ik leven!"
+
+De bazuinen op de Loove hergalmden eenmaal; dan nog eens ... Bij het
+derde sein wierpen de krijtwaarders de koorden der twee ingangen ter
+aarde ... en geen hinderpaal belette nog den aanval.
+
+De kampers staken de lans aan hunnen zadel, dreven de spoor in de lenden
+hunner dravers en renden met speer en schild vooruit, naar elkander toe.
+
+Deze eerste schok had geen merkbaar gevolg; de beide lansen waren
+afgeschampt op de schilden.
+
+Weder hernamen de moedige ridders hunnen loop en vernieuwden zulke
+pogingen nog meermaals.
+
+De speren bonsden als hamerslagen op de schilden, het staal krijschte op
+het ijzer der harnassen, de paarden huilden onder den slag der spoor,
+die het bloed hun uit de zijde drukte. De menigte liet nu en dan een
+goedkeurend gejuich hooren, of getuigde door een hol gemor het ongeduld,
+wanneer een steek, die een der strijders scheen te moeten doorboren,
+zijn doel miste.
+
+Robrecht en de overige Erembalds begonnen meer vertrouwen in den uitslag
+van het gevecht te krijgen; want het was zichtbaar dat Segher Wulf,
+indien hij min sterk dan zijn vijand was, dit gebrek aan lichaamskracht
+door zijne behendigheid ruimschoots vergoedde. Inderdaad, hij had al de
+steken, die hem waren toegebracht geworden, afgeweerd, terwijl hij meer
+dan eens zijnen tegenhanger zoo hard op het volle harnas had getroffen,
+dat deze reeds tweemaal in den zadel had gewankeld.
+
+Maar dit vertrouwen begaf hen bij den zesden loop. Het paard van Segher
+Wulf viel op de knieen, en scheen ijdele pogingen in te spannen om weder
+op te staan.
+
+De toejuichingen der Isegrims weergalmden boven de Love.
+
+Gelukkig dat Jakob de Leeuw, door den begonnen loop voortgerukt zich
+niet kon omkeeren, vooraleer het paard van Segher Wulf zich had
+opgericht, en deze tot het andere einde van den krijt was gereden, om
+afstand voor eenen nieuwen en felleren aanval te nemen.
+
+Weder stormden zij op elkander los. Segher Wulf trof Jakob de Leeuw zoo
+geweldig voor de borst op den halsberg, dat zijne speer plooide en aan
+twee stuken brak; maar mher Jakob boog zich als uitgeput over het hoofd
+van zijn paard, terwijl, van den harden schok, het bloed hem uit neus en
+mond vloeide.
+
+Een bazuingeschal hergalmde. Volgens de wetten van den krijt mocht men
+nu het gevecht te paard niet meer voortzetten. Men zou den kampers
+eenige rust gunnen en dan het sein geven tot de beslissende worsteling
+te voet en met het zwaard.
+
+Jakob de Leeuw ging buiten het perk bij zijne vrienden, die hem den helm
+afnamen, hem te drinken gaven en zijn aangezicht met frisch water van
+zweet en bloed reinigden.
+
+Deze hulp en lafenis boden de Erembalds insgelijks hunnen moedigen
+vriend Segher Wulf. Zij juichten reeds over zijne waarschijnlijke
+overwinning, want tot nu toe waren al de kansen hem voordeelig geweest.
+
+Robrecht omhelsde hem met blijdschap en murmelde nog den naam van
+Dakerlia aan zijn oor, in de overtuiging dat het denken aan zijn kind
+hem dus behendig en machtig had gemaakt.
+
+De oude kampioen had evenwel geene aanmoediging noodig; de strijd zelf
+had hem aangevuurd en hem weder jong gemaakt. Hij scheen nu met ongeduld
+naar het hervatten der worsteling te snakken, en sprak woorden die van
+zijn eindeloos vertrouwen in eene beslissende zegepraal getuigden.
+
+Ook toen het sein zich liet hooren, greep hij zijn breed zwaard in de
+beide banden en sprong juichend in den krijt.
+
+Nu begon er een akelig gevecht. De zwaarden draaiden onverpoosd door de
+lucht en vormden bliksemende kringen boven de hoofden der strijders, nu
+en dan als hamers nederbonzend op schild of helm of schouderplaat, met
+zulke reuzenkracht, dat zij niet alleen de kampers van pijn en woede
+deden huilen, maar zelfs meer dan eens het krijschend staal vurige
+vonken ontlokten.
+
+Het was hier eveneens zooveel om behendigheid als om lichaamsmacht te
+doen; hij, die door eene vlugge beweging zijnen tegenstrever kon
+verrassen, om hem tusschen de voegen zijner wapenrusting te treffen, zou
+waarschijnlijk overwinnen.
+
+Ook liepen de kampers rondom elkander, bleven staan, sloegen toe, weken
+terzijde, weerden het vijandelijk zwaard af, bukten zich, mikten,
+sprongen vooruit, staken en hakten zonder eenige verpoozing, zoodat de
+toeschouwers zelven het hoofd draaide bij het gezicht zulker snelle
+bewegingen en zulker reusachtige inspanning van krachten.
+
+Het zweet moest onder den geblutsten helm van der strijders voorhoofd
+stroomen; want een heete damp steeg zichtbaar uit al de voegen hunner
+wapenrusting op. Menige slag had wellicht hun het vleesch onder de
+ijzeren platen verpletterd of erg gekneusd. Zeker hadden zij reeds door
+de ringen van hun maliehemd opene wonden ontvangen, want het bloed droop
+Segher Wulf op den halsberg, en bloed vloeide mher Jakob van de vingeren
+zijner ijzeren handschoen.
+
+En evenwel gingen zij voort met immer even woedend te kampen; men hoorde
+ze schelden en elkander hoonen, men hoorde ze juichen en
+vermaledijden....
+
+Er kwam echter een oogenblik dat de adem hun ontbrak en de borst hun
+gloeide, als wierde zij door een vlammend vuur verteerd.
+
+"Rust! een weinig rust!" morde Jakob de Leeuw.
+
+"Ja, rust, een oogenblik", antwoordde mher Wulf.
+
+En de kampers, bij gemeene overeenkomst, traden eenige stappen terug en
+bleven, met opgeheven zwaard en tot onmiddellijke verdediging gereed,
+daar staan hijgen, zoo geweldig en zoo snel dat men de borstplaat van
+hun harnas als de tafel van een blaasbalg zag op- en neergaan.
+
+Dit lang en wreed gevecht had de menigte met ontzag en bewondering
+getroffen. Er heerschte een diepe stilte; want elkeen gevoelde dat het
+einde dezer bloedige worsteilng naderde en het lot der wapenen over het
+leven van een der heldhaftige strijders ging beslissen? De onzekerheid,
+de twijfel deed het hart der toeschouwers angstig kloppen; de meesten
+nog wenschten de zege toe aan den behendigen ridder die, ondanks zijne
+mindere gestalte, tot dan met ongeloofelijke kunde en sterkmoedigheid
+weerstand had kunnen bieden aan zijnen reusachtigen tegenkamper.
+
+"Het moet eindigen tusschen ons, vermaledijde Blauwvoet!" riep Jakob de
+Leeuw zijnen vijand toe.
+
+"Welnu, dat het eindige, valsche Isegrim! Geene schilden meer!"
+antwoordde hem Segher Wulf.
+
+"Het zij zoo, geene schilden meer; elke slag bijte in het vleesch!"
+kreet de Leeuw, terwijl hij, door mher Wulf hierin nagevolgd, zijnen
+beukelaar verre in den krijt wegsmeet. "Zijt gij bereid, Blauwvoet?"
+
+"Ik heb dorst naar uw bloed, Isegrim! Achteruit, tot bij de
+krijtkoorde!"
+
+"Welaan!"
+
+
+[Illustratie: "Mijn vader, mijn arme vader!" kreet zij. (Bladz. 196)]
+
+
+Zij weken elk tot bij den tegenovergestelden kant van het perk, hieven
+hun zwaard op, mikten op hunnen vijand met vlammende oogen, berekenden
+hunnen slag en riepen:
+
+"Totterdood!"
+
+"Totterdood!"
+
+En zij stormden razend en huilend op elkander los. De zwaarden
+bliksemden door de lucht en vielen neder met zulke ontzettende kracht,
+dat de dubbele slag, hol en scherp tevens, tegen de omstaande gebouwen
+hergalmde.
+
+Een schreeuw van angst, een gehuil van afgrijzen doorliep de menigte.
+
+Daar lagen de beide kampers doodelijk getroffen ten gronde; mher Jakobs
+helm was gekloofd; zijne hersens moesten hem onder het bekkeneel zijn
+verpletterd. Segher Wulf had eene breede wonde over hals en schouder;
+het bloed stroomde onder zijn hoofd tot eenen rooden plas te zamen.
+
+Een bazuingeschal verkondigde dat de kamp was gesloten.
+
+Op dit sein liepen de magen en bekenden der kampers met de heelmeesters
+binnen den krijt om hulp te brengen of om het lijk van hunnen
+ongelukkigen vriend voor schennis te behoeden en het met de
+verschuldigde eer van daar te doen wegvoeren. Reeds kwamen de
+krijtdienaars met twee draagbaren toegeloopen.
+
+Wat Jakob de Leeuw betreft, die had wel waarlijk den geest gegeven; want
+men bespeurde zijne bloote hersens door de klove van zijnen helm.
+
+Segher Wulf leefde nog; alhoewel zijne oogen gesloten waren en zijn
+gelaat met de lijkachtige loodverf des doods was overtogen, verroerde
+hij nu en dan nog krampachtig handen en voeten.
+
+De Erembalds stonden stom en verpletterd rondom hem; eenigen hielpen den
+heelmeester in het ontgespen der wapenrusting. Allen echter zagen in
+deze sidderende beweging der leden van hunnen gewonden vriend niets dan
+de laatste kramp der zieltoging.
+
+Robrecht Sneloghe zat geknield bij het hoofd van Segher Wulf, den hemel
+het schrikkelijk onheil klagende en zijne tranen mengende met het bloed
+van den armen ridder. Ach, wat zou de liefderijke Dakerlia gebeuren? Zou
+haar hart niet breken, zou zij niet sterven van rouw en smart?
+
+Dit schromelijk gepeins ontrukte telkens den jongeling eenen nieuwen
+angstschreeuw, en hij sloeg zich de handen voor de oogen als om het
+spookgezicht te verjagen dat hem de ijskoude des doods door de aderen
+deed vlieten.
+
+Intusschentijd had de heelmeester, door zijne dienaars en door eenige
+Erembalds geholpen, Segher Wulf van al de stukken zijner wapenrusting
+ontdaan, en door een eerste verband zijne wonde zoo goed mogelijk
+gesloten. Hij scheen zeer voldaan over zijnen arbeid en toonde den
+omstanders met zekere fierheid dat het bloed nog slechts bij druppels
+tusschen de opgelegde pleisters en doeken doorsijpelde.
+
+Men had, op zijn bevel, een pluimenbed aangebracht en het met eenige
+kussens op de draagbaar uitgespreid.
+
+"Heeren", zeide hij tot de omstaande vrienden van Segher Wulf, "de wonde
+is verschrikkelijk, inderdaad; maar alle hoop is niet volstrekt
+verloren. In mijne meening is geen edel lichaamsdeel gekwetst. Wel is
+het sleutelbeen verbrijzeld, maar dit kan genezen. Indien hij geen bloed
+meer verliest en het vuur zich niet in de wonde zet, zouden wij hem nog
+het leven kunnen behouden. Hebt aldus goeden moed, gij vooral, mher
+Sneloghe, die van schrik en treurnis schijnt te willen bezwijken. Helpt
+ons nu, heeren, den armen ridder zachtjes, voorzichtig, zeer voorzichtig
+op de baar te leggen. De minste beweging kan zijne wonde weder openen,
+het ware hem een onherroepelijk doodvonnis. Wij zullen hem naar zijnen
+Steen dragen; de opene lucht doet hem kwaad."
+
+Men gelukte er in het beweeglooze lichaam van Segher Wulf op de baar te
+leggen, zonder het verband zijner wonde te hebben ontschikt; en zoo
+begaf men zich, stap voor stap, naar den kant der Hoogpoort.
+
+De Erembalds volgden treurig en met vochtige oogen, als vergezelden zij
+eene lijkbaar naar het kerkhof. Robrecht Sneloghe weende, maar scheen
+anders alle bewustheid te hebben verloren; want hij hield den blik ten
+gronde en stapte wankelend voort, als een dronken mensch. In zijne
+overtuiging was Segher Wulf dood, of de laatste levensvonk zou in hem
+uitgedoofd zijn vooraleer men den Steen zou bereiken. Dakerlia! Welk
+akelig oogenblik! En hoe de gedachte aan dit zielscheurend tooneel hem
+ook deed terugijzen, hij mocht het niet ontwijken; hij had eenen
+heiligen plicht te vervullen: Dakerlia steunen, troosten en haar sterk
+maken, om zonder sterven den vervaarlijken slag te doorstaan.
+
+Terwijl hij eenige klaarte in zijnen geest poogde op te roepen en zijne
+krachten tot het vervullen der pijnlijke taak verzamelde, was de
+treurige stoet dwars door de menigte in de Hoogstraat geraakt.
+
+Reeds zag men in de verte den toren van sher Wulfs Steen, toen voor het
+hoofd van den stoet de volksschaar eensklaps vlottend bewoog, als week
+zij terug voor eenen onverwachten drang.
+
+Daar sprong eene kermende jonkvrouw met de armen in de hoogte van
+tusschen de menigte ... Waarlijk had iemand de arme Dakerlia verwittigd
+van het schromelijk onheil dat haar dien dag had getroffen.
+
+Zij liep tot de draagbaar, staarde bleek en bevend op het levenloos
+gelaat haars vaders, slaakte eenen grievenden noodkreet en viel zonder
+gevoel achterover in de armen van Robrecht en van den proost van
+St-Donaas.
+
+Het was een oogenblik van onuitsprekelijken angst ... Het hoofd van het
+arme meisje hing ontzenuwd op haren schouder; hare oogen waren gesloten,
+de bleekheid des doods ontverfde haar gelaat.
+
+Op de wangen aller omstanders vloeiden tranen van deernis.
+
+Robrecht, door smart en medelijden weggerukt, legde zijne lippen op het
+bleeke voorhoofd zijner verloofde. Hem bleef slechts de kracht om in
+onduidelijke woorden den hemel de wreedheid van het lot te klagen.
+
+"Dakerlia, arme Dakerlia!" murmelde hij. "God, o God! Wee, wee!"
+
+Op raad van den heelmeester, had de stoet zich vooruitbegeven, ten einde
+aan Dakerlia, als zij tot bewustzijn zou komen, het gezicht van haren
+gekwetsten vader te onttrekken.
+
+Reeds moest de draagbaar sher Wulfs Steen bereikt hebben, vooraleer de
+lieden, die men uitgezonden had, met koud water en edik terugkeerden.
+
+Nauwelijks had men Dakerlia's voorhoofd en wangen bevochtigd, of zij
+opende de oogen, staarde eene wijl als zinneloos op degenen die haar
+omringden, sprong dan recht en zocht de draagbaar met den blik.
+
+"Mijn vader, mijn arme vader!" kreet zij. "Dood, o God! En ik leef
+nog!... Ik wil niet leven, ik wil hem volgen in het graf!"
+
+En zij begon zich de borst met hare nagels te verscheuren, als hadde de
+wanhoop haar waarlijk met zinsverbijstering geslagen. Intusschen
+worstelde zij om los te raken uit de vriendenhanden die haar poogden te
+wederhouden: naar huis wilde zij loopen om daar, op het lijk haars
+vaders, te sterven, ten einde hunne zielen te zamen de reis naar de
+eeuwigheid mochten aanvaarden.
+
+Robrecht poogde haar te bedaren en sprak allerlei zoete, troostende
+woorden tot haar; maar zij hoorde hem in het eerst niet.
+
+Eindelijk scheen zij, door uitputting van krachten, zelve tot eenige
+aandacht bekwaam geworden, want zij riep eensklaps uit:
+
+"Robrecht, wat zegt gij? O, bedrieg mij niet! Mijn vader is niet dood?
+Wiens lijk was het dan dat voor mijne oogen heeft gespookt? Ben ik
+zinneloos? Heb ik gedroomd? Waarom liegen bij een graf?"
+
+"Ach, uit medelijden met mij, Dakerlia lief, hoor mij aan! Uw vader
+leeft; hij is wel erg gewond, maar er is nog hoop. De heelmeester zegt
+dat hij kan genezen. Waarom dus vertwijfelen, alsof gij geen geloof meer
+hadt in Gods goedheid?"
+
+"Gij bedriegt mij niet, Robrecht?"
+
+"Neen, Dakerlia. Kom nu stil aan, naar huis, en houd u sterk. Wees
+zeker, uw vader kan genezen; mijne bedrukte ziel roept mij toe dat hij
+zal genezen."
+
+"Eilaas, eilaas! Kom; ik wil hem zien, hem troosten of bidden nevens
+zijn doodbed!" zuchtte Dakerlia, die voelde dat hare krachten haar weder
+dreigden te begeven.
+
+Zij leunde zwaar op den arm van Robrecht en op den arm van den ouden
+Bertulf. Hare stappen waren wankelend en zij liet het hoofd op de borst
+hangen. Dan eerst ontstroomde haar een tranenvloed, en hijgde en snikte
+zij met krampachtige bewegingen der borst.
+
+Zonder nog een woord te spreken, zonder in schijn acht te geven op de
+vertroostingen van Robrecht, liet zij zich tot in de groote zaal harer
+woning leiden.
+
+Hier drukte zij den wensch uit om haren vader te zien, maar men deed
+haar begrijpen dat de heelmeesters bezig waren met hem te ontkleeden, en
+daarna een nieuw vast verband op zijne wonden zouden leggen. Zij moest
+geduld hebben; de kastelein Hacket zou zich naar haars vaders kamer
+begeven en haar komen verwittigen zoohaast het haar zou toegelaten
+worden bij hem te gaan.
+
+Door dit beletsel in hare smart getergd, borst Dakerlia in nieuwe tranen
+los. Zij zakte neder in eenen leunstoel en weende en snikte sprakeloos,
+zonder acht te slaan op de troostende woorden van Robrecht die, aan hare
+zijde zittende, een harer handen in de zijne hield gedrukt.
+
+Zoo, in eene doodsche smart verslonden, bleef zij wel een half uur
+beweegloos zitten, totdat eindelijk de kastelein Hacket in de zaal trad
+en haar zeide:
+
+"Jonkver Wulf, gij moogt nu tot uwen vader gaan. Voor een oogenblik
+slechts. Hij is nog buiten bewustheid, maar hij geeft nu en dan
+zichtbare teekens van leven. De geneesheer heeft veel hoop."
+
+"Kom, kom, ik vlieg", kreet Dakerlia, rechtspringende.
+
+"Zoo niet, jonkvrouw", bemerkte de kastelein, haar wederhoudende. "Ik
+bid u, wees redelijk en hoor wat ik u zeg. Gij moogt bij het bed uwe
+vaders niet spreken, geen enkel woord; ook niet zuchten of klagen. Het
+minste gerucht kan den armen zieke schadelijk, ja, doodelijk worden."
+
+"Ik zal stil zijn, mijnen schrik, mijn verdriet met geweld bedwingen",
+murmelde het meisje.
+
+"Welaan dan, volg mij."
+
+Allen verlieten de zaal en traden ten einde van den gang in eene kamer
+welker beide vensters op de straat uitzagen.
+
+Hier lag Segher Wulf nog met geslotene oogen en paarse wangen op een bed
+uitgestrekt.
+
+Dakerlia, door den proost en door Robrecht bewaakt, ging bij het
+hoofdeneinde van het bed en staarde in stilte op het levensloos gelaat
+haars vaders. Hare lippen beefden; haar strakke blik scheen door ijzing
+en door angst met beweegloosheid geslagen.
+
+Gevoelde het hart des vaders de nabijheid van zijn kind, of was het een
+bloot toeval? Althans, hij ontwaakte uit de diepe bewusteloosheid, zijne
+wimpers hieven zich op, en hij keek zijne bevende dochter eerst verbaasd
+en dan met eenen klaren blik van teederheid aan. Ten minste zoo dacht
+Dakerlia; het scheen haar zelfs dat zijne lippen eene beweging deden,
+als poogde hij haar toe te lachen.
+
+Alhoewel Dakerlia vast besloten had het bevel der geneesheeren te
+gehoorzamen, kon zij de uitzinnige blijdschap, die haar bij het gezicht
+dezer onverhoopte verrijzing kwam treffen, niet wederstaan. Onder hare
+ontsteltenis bezwijkende, boog zij zich over haren vader, zoende hem de
+wangen, stortte eenige heete tranen op zijn voorhoofd en murmelde aan
+zijn oor:
+
+"Vader lief, vader lief, heb moed: gij zult genezen!"
+
+Maar de heelmeester en de geneesheer grepen haar bij de armen en
+trokken haar, hoe zij ook stilzwijgend worstelde, met vereende kracht
+tot in de gang.
+
+"Ongelukkige jonkvrouw", sprak de oude geneesheer verwijtend, "zoo zoudt
+gij in eens uwen armen vader kunnen dooden! Zijn bloed mag niet
+aangejaagd worden; het moet traag en rustig in de aderen rondvloeien,
+anders zou het zijne wonde openen of ontsteken."
+
+"Ach, laat mij tot hem wederkeeren!" zuchtte Dakerlia met saamgevoegde
+handen.
+
+"Neen, neen, gij moet in eene andere kamer gaan, achter in het gebouw,
+verre van den zieke", zeide de geneesheer op strengen toon.
+
+Maar Dakerlia, die bij dit bevel als bij een doodvonnis verschrikte,
+liet zich geknield voor de voeten van den geneesheer vallen, hief de
+armen tot hem op en riep:
+
+"O, wees medelijdend met mijne smart! Vergiffenis! vergiffenis!
+Verwijder mij niet van mijnen vader! Ik wil hem bewaken, hem verplegen,
+nacht en dag. Ik zal zwijgen als eene stomme, mij stilhouden als eene
+slapende, geenen zucht over mijne lippen laten stijgen. Zie, ik kruip
+voor uw aanschijn, ik zaai mijne tranen voor uwe voeten!"
+
+"Om Gods wil, laat zulke ijselijke smart u vermurwen, heer!" smeekte
+Robrecht, die achter Dakerlia uit de kamer was gegaan. "Verstoot toch
+hare bede niet!"
+
+Door deernis getroffen, hief de geneesheer de maagd van den grond en
+sprak:
+
+"Welaan, jonkvrouw, beproeven wij het nog eens! Maar weet wel dat,
+indien gij nog, al ware het slechts door een teeken, in gevaar komt van
+uwen zieken vader te ontroeren, ik u onverbiddelijk uit zijne kamer zal
+verwijderen, al moest men daartoe geweld gebruiken. Ik ben
+verantwoordelijk en ik zal mijnen plicht vervullen."
+
+Dakerlia ging op de punten harer voeten binnen; zij sloeg nog eenen blik
+op haren vader, wiens oogen weder gesloten waren ...
+
+Dan vatte zij Robrecht de hand, leidde hem tot in het diepe der kamer,
+toonde hem sprakeloos de knielbank voor het groote kruisbeeld dat aan
+den muur hing en liet zich er op nedergaan.
+
+De jongeling zette zich nevens haar; beiden bogen het hoofd in een vurig
+gebed.
+
+Eene stilte, zoo diep en zoo volledig als de sombere ledigheid van een
+gesloten graf, bleef uren en uren lang in de kamer heerschen.
+
+
+
+
+X
+
+
+Het weder was sedert eenige dagen regenachtig en koud geweest; maar
+dezen morgen had de zon zich aan eenen zuiver-blauwen hemel verheven en
+de lucht was voor het jaargetijde uitnemend zoel en verkwikkend.
+
+In de Zuidzandstraat, omtrent St-Salvators kerk, wandelde een ridder met
+langzame stappen over en weder. Hij scheen in diepe overwegingen
+verslonden, want alhoewel hij meesttijds met eenen somberen, strakken
+blik de oogen ten gronde hield gericht, hief hij nu en dan het hoofd op
+en glimlachte, alsof eene verblijdende gedachte hem door den geest
+schoot.
+
+Van uit de Steenstraat kwam, zonder dat hij het bemerkte, een ander
+ridder hem te gemoet. Deze, hem bereikt hebbende, klopte hem gemeenzaam
+op den schouder en zeide:
+
+"Nu, mijn vriend Disdir, wat benevelt toch uw gemoed zoo uitermate, dat
+gij bij dage dwaalt en droomt als een slaapwandelaar?"
+
+"Ha, wees gegroet, mher Willem Van Wervick", antwoordde Disdir. "Ik ben
+ziek geweest en kom mij nu een weinig in den zonneschijn verwarmen."
+
+"Ziek geweest, mher Vos? Daarvan zijt gij nog bleek? Men heeft u sinds
+weken niet meer gezien. De koude koorts?"
+
+"Neen pijn in het hoofd, steken aan het hart."
+
+"Gij hebt evenwel vernomen wat er is geschied en hoe Segher Wulf in den
+krijt Jakob de Leeuw het hoofd heeft gekloofd?"
+
+"Ja, Willem, en tevens hoe Segher Wulf, doodelijk gewond, uit den kamp
+werd gedragen. Hoe gaat het nu met mher Wulf, weet gij het?"
+
+"Gisterennammiddag nog ben ik hem gaan bezoeken. Hij is zes dagen
+blijven liggen zonder spreken, en schier zonder bewustheid. Nu houdt hij
+veeltijds de oogen geopend en zou wel eenige stille woorden met de
+bezoekers wisselen, maar de geneesheeren, die immer bij zijn bed staan,
+verbieden hem alle beweging en zelfs de minste spanning des geestes."
+
+"Arme Dakerlia, wat moet zij verdriet hebben!" zuchtte Disdir. "Zij die
+haren vader zoo teederlijk bemint."
+
+"Gij kunt het denken, mher Vos. Zij is schrikkelijk vermagerd en
+vervallen. Het mag niet lang zoo voortduren, of de gevoelige jonkvrouw
+wordt zelve erg ziek."
+
+Eene lichte spotgrijns trok Disdirs lippen te zamen.
+
+"Robrecht Sneloghe was zeker in sher Wulfs Steen, toen gij er kwaamt?"
+vroeg hij.
+
+"Inderdaad, het is niet verwonderlijk."
+
+"En hij houdt zich veel meer bezig met Dakerlia dan met haren
+ongelukkigen vader? Hij troost haar?"
+
+"Zooals gij zegt, Disdir; toen ik in de ziekenkamer trad, hield Robrecht
+eene van Dakerlia's handen en ik zag dat hem van medelijden de tranen in
+de oogen stonden."
+
+"De lafaard! Een man weenen als een meisje!" gromde Disdir Vos op
+zonderling nijdigen toon.
+
+"Lafaard? Robrecht Sneloghe een lafaard?" herhaalde Willem Van Wervick
+verbaasd. "Omdat hij deernis heeft met ...?"
+
+Maar hij werd onderbroken door het voorbijrijden van eenen grooten
+wagen, die hem dwong terzijde te gaan.
+
+Toen zij wat verder bij den kerkhofmuur stonden, zeide Disdir, die zich
+intusschen had bedwongen:
+
+"Mij vloog de overweging door den geest dat het eenen man, eenen ridder,
+niet betaamt zoo weemoedig en zoo flauwhartig te zijn ... Nu zal toch
+Robrechts huwelijk voor langen tijd uitgesteld moeten blijven?"
+
+"Zeker; geneest Segher Wulf, hij zal slechts na verloop van vele
+maanden het ziekbed kunnen verlaten."
+
+"En sterft hij, dan volgt er een gansch rouwjaar."
+
+"Dit schijnt u te verblijden?" vroeg mher Willem, hem scherp in de oogen
+ziende.
+
+Disdir Vos trok zwijgend de schouders op.
+
+"Ik begrijp", morde zijn gezel, "gij insgelijks hebt Dakerlia bemind en
+naar hare hand gestaan? Gij moet u het lot getroosten. Dakerlia zal wel
+zeker Robrechts echtgenoote worden."
+
+"Dit huwelijk is nog niet voltrokken!" gromde Disdir Vos met eene vonk
+van zegevierende blijdschap in de oogen.
+
+"Maar zijt gij zinneloos, mijn goede Disdir?" schertste Willem Van
+Wervick. "Alzoo, gij meent het nog mogelijk dat Dakerlia Wulf uwe vrouw
+worde?"
+
+"Wie weet? Er loopt op een jaar zooveel water door de Reije. Laat het
+oorlog worden in Vlaanderen, laat de Kerels te wapen loopen tegen den
+graaf en de Isegrims ... Bij den vrede kunnen zaken en menschen groote
+veranderingen ondergaan hebben."
+
+"Ongetwijfeld, Disdir, indien het oorlog werd, maar dit is nu niet meer
+waarschijnlijk. De graaf heeft het oordeel Gods aanvaard. Segher Wulf
+heeft dus, door zijne overwinning, Kerlingaland voor groote
+bloedstorting behoed."
+
+"Gij meent het, mher Willem?" wedervoer Disdir Vos. "Alhoewel ik ziek
+ben geweest, weet ik misschien beter dan gij wat er omgaat. Is het niet
+waar dat de Isegrims van 's graven hof sedert den kamp stilzwijgend en
+achterhoudend zijn geworden, en elkander geheimzinniglijk de woorden in
+de ooren fluisteren, uit vrees dat een Erembald of een andere Kerel iets
+verrasse van hetgeen er in 's vorsten raad gebrouwen wordt?"
+
+Willem Van Wervick knikte bevestigend.
+
+"Welnu, het kwaad dat men daar in het verborgen tegen de Kerels smeedt
+zal onverwachts uitbreken. De proost van St-Donaas, de kastelein,
+Robrecht Sneloghe en wie hunnen raad of hunne zienswijze volgen, zijn
+blind. Zij willen niet zien wat er geschiedt; zij zenden boden uit om de
+Kerels te doen stil blijven; al wat zij zeggen is: geduld, geduld. De
+bloodaards! Zij zullen ontwaken als Kerlingaland zal verloren zijn.
+Burchard Knap, ziedaar de man, die alleen misschien nog onze vrijheid
+kon redden ... En zij hebben hem onrechtvaardig laten veroordeelen,
+zonder iets te hebben gepoogd tot zijne verdediging of zijne wraak!"
+
+"Gij hebt wel gelijk", bevestigde Willem, "de proost van St-Donaas is
+lijdzamer dan eene vrouw. Men noemt hem wijs; maar met zulke wijsheid
+loopt men recht in de slavernij. Laat ons echter niet denken dat de
+Kerels ondadig zullen blijven. Nog zes dagen en de Hoop der Ambachten
+vergadert te Veurne. Daar zal men over het lot van Kerlingaland
+beslissen en de Erembalds zullen er niet alleen meester zijn. Ik zal er
+mij bevinden als afgevaardigde van Proven, waar ik vele goederen heb."
+
+"En ik insgelijks zal er tegenwoordig zijn, als gekozen om
+Bekeghem-Ambacht te vertegenwoordigen ..."
+
+"Zie, wie daar uit de Zuidzandstraat tot ons komt!" riep Willem. "Als
+men van Loki spreekt ..."
+
+"Robrecht Sneloghe!" mompelde Disdir Vos, met somberen haat in de stem.
+
+Maar dewijl hij bemerkte dat Robrecht naderde om hen te groeten, bedwong
+hij zijne ontsteltenis en zag mher Sneloghe stil glimlachende te gemoet.
+
+Nadat zij eenige woorden hadden gewisseld over het zoele weder en over
+den toestand van Segher Wulf, zeide Disdir Vos:
+
+"Mag ik mher Snelogde vragen, hoe het met zijne verloofde gaat? Wat moet
+toch die arme Dakerlia lijden!"
+
+"Het is onbeschrijfelijk!" antwoordde Robrecht diep ontroerd. "Sedert
+acht dagen heeft zij de kamer haars vaders nog niet willen verlaten: zij
+rust des nachts bij zijn bed, met het hoofd op eene tafel; maar slapen
+doet zij toch niet, want bij den minsten zucht, bij de minste beweging
+haars vaders springt zij recht. Hoe een meisje de krachten kan hebben om
+bij zulk leven niet van uitgeputheid te bezwijken is onbegrijpelijk. Ook
+is zij, och arme, zoo bleek en zoo mager geworden van dit lange waken en
+van het overvloedig weenen, dat men ze niet meer zal herkennen, de
+eerste maal dat zij zal uitgaan."
+
+"En nu is uw huwelijk onbepaald verschoven?" vroeg Disdir.
+
+"Eilaas, daaraan denken wij niet meer", zuchtte Robrecht. "Late de goede
+God Dakerlia's vader genezen! Andere wenschen voeden wij niet; anders
+vragen wij niet in onze gebeden."
+
+Er lichtte eene vonk van blijdschap in Disdirs oogen; want de treurige
+woorden van Robrecht bevestigden de verborgene hoop zijns harten.
+
+"Ik twijfel niet, of wij zullen u binnen acht dagen te Veurne zien",
+zeide hij. "Houthem kiest u gewoonlijk tot zijnen vertegenwoordiger."
+
+"Waarschijnlijk zal ik de vergadering van den Hoop niet kunnen
+bijwonen", antwoordde mher Sneloghe. "Het spijt mij grootelijks; maar
+gij begrijpt, vrienden, de erge toestand van Segher Wulf? De arme
+Dakerlia....?"
+
+"En indien men daar tot den oorlog besluit?"
+
+"Dan zullen wij onzen plicht doen, en goed en bloed ten beste geven voor
+de vrijheid van Kerlingaland", antwoordde Robrecht. "Hopen wij evenwel
+dat de wijsheid van onzen graaf dit ongeluk zal voorkomen."
+
+"Is het waar", vroeg Willem Van Wervick, "dat gij Ghyselbrecht Tancmar
+ten hove uwen handschoen in het aangezicht hebt gesmeten?"
+
+"Het is waar", antwoordde Robrecht.
+
+"En hij heeft den kamp tegen u geweigerd?"
+
+"Ja, onder voorwendsel dat hij, edelgeboren man, niet mag strijden tegen
+eenen Kerel, wiens vrije geboorte hem niet is bewezen."
+
+"Welke lafheid!" gromde mher Willem.
+
+"Lafheid niet, huichelarij en boosheid. Het is om ons tot
+gewelddadigheid aan te drijven en den graaf tegen ons te verbitteren."
+
+"En gij hebt hem uw zwaard niet in de borst gestooten?" kreet Disdir
+Vos.
+
+"De heer graaf kwam in de zaal, waar de twist gebeurde. Hij bande den
+vrede tusschen ons. Ik moest gehoorzamen; maar, wat zeker is, ik zal
+vroeg of laat het verdriet van Dakerlia Wulf op Ghyselbrecht wreken!"
+
+"Ware mij den kamp geweigerd, ik sloege den valschaard dood, ondanks den
+vrede!" morde Disdir Vos.
+
+"Neen, neen, zoo niet", wedervoer Robrecht met zeker misprijzen in de
+stem. "Ik zal Ghyselbrecht wel tot een kamp weten te dwingen; een
+eerlijk ridder wreekt zich niet door eenen moord ... Nu, heeren,
+verontschuldigt mij, dat ik uwe samenspraak heb gestoord. Vaartwel."
+
+Mher Sneloghe vervorderde zijnen weg door de Steenstraat tot op de
+Markt, waar hij vele lieden bemerkte die, om het fraaie weder te
+genieten, op dit breede plein rondwandelden.
+
+Hij meende, zonder stil te houden, naar de Hofstraat zich te richten en
+door den burg te gaan om zijne woning te bereiken; maar nu ontsnapte hem
+eensklaps een kreet van blijde verrassing en hij stapte haastig naar het
+midden der Markt, terwijl hij in zich zelven murmelde:
+
+"Dakerlia met mijne zuster! Wat wil dit zeggen? Zij schijnen wel te
+moede!"
+
+"Jonkvrouwen, zal ik mijne oogen gelooven?" riep hij glimlachend uit.
+"Is onze heer vader genezen?"
+
+"Ter goeder ure dat wij u ontmoeten!" zeide Dakerlia. "Nu hebben wij
+eenen ridder om ons op de wandeling te geleiden. Verliezen wij geenen
+tijd; stel u tusschen ons beiden en laat ons voortstappen; wij zullen al
+gaande kouten. O, Robrecht, ik ben zoo gelukkig!"
+
+"Mij dunkt het, de blijdschap straalt uit uwe oogen. Vertel mij toch wat
+u dus verheugt."
+
+"Gij zijt dezen morgen vroeg gekomen", antwoordde Dakerlia. "Mijn vader
+was dan nog bezwaard van den nacht en hij scheen niet veel beter dan
+gisteren; maar sedert dan is hij ontwaakt. Zijne oogen waren helder; hij
+vroeg eten, voor de eerste maal zijner erge ziekte. De geneesheeren
+hebben hem, alhoewel met vrees, eenige lepels hoendersoep doen
+toedienen. Het deed hem zoo goed! Hij keerde als het ware tot het leven
+weder en begon te spreken, wel zeer stil, maar met eene klaarheid des
+geestes die, ons allen verbaasde. Hij sprak van u, Robrecht."
+
+"Van mij, Dakerlia?"
+
+"Ja, het is onbegrijpelijk. Hij moet gedurende al den tijd, dat hij daar
+beweegloos heeft gelegen, gehoord en opgemerkt hebben wat rondom hem
+geschiedde; want hij weet alles. Ach, Robrecht, haddet gij kunnen hooren
+hoe hij u bemint en u dankbaar is voor uwe goede zorgen!"
+
+"En u Dakerlia, heeft hij u niet gedankt? Gij toch hebt meer gedaan dan
+men van de menschelijke krachten kan eischen."
+
+"Ik durf het bijna niet zeggen", stamelde Dakerlia ontroerd, "Hij heeft
+mij de hand op het hoofd gelegd, en zoo, met den blik ten hemel, mij
+gezegend ... Spreken wij daar niet van; ik was zoodanig ontroerd dat nu,
+bij herdenken zijner liefderijke woorden mij nog de tranen in de oogen
+schieten."
+
+Zij vervorderden eene wijl in stilte hunne wandeling.
+
+"Geen wonder", zeide Witta, "dat wij zoo blijde zijn. De geneesheeren,
+die tot nu toe achterhoudend bleven en ons geene hoop durfden geven,
+hebben dezen morgen verklaard dat zij niet twijfelen of mher Wulf zal
+genezen. Zijne wonde, die nog altijd was ontstoken, is nu gesloten."
+
+"God zij geloofd!" riep de jonge ridder, "dit is eene gelukkige
+tijding."
+
+"De proost en de kastelein zijn gekomen; zij hebben met mher Wulf
+gesproken en zij, insgelijks, zeiden ons dat wij niet meer mogen
+vreezen."
+
+"Ja, Robrecht", bevestigde Dakerlia, "en uw oom de proost heeft mijnen
+vader doen begrijpen dat hij waarschijnlijk, door het vergieten van zijn
+bloed, de vrijheid van Kerlingaland heeft gered, of ten minste
+Vlaanderen heeft behoed voor een rampspoedigen oorlog. Dit heeft mijnen
+armen vader zoo gelukkig gemaakt, dat zijne oogen van trotschheid
+glinsterden."
+
+"Maar dit alles verklaart mij niet hoe het komt dat ik u hier ontmoet",
+bemerkte de jonge ridder.
+
+"Uwe ooms zijn daar de oorzaak van", antwoordde Dakerlia. "Zij beweerden
+dat ik zeker ziek zou worden, indien ik langer zoo in eene altijd
+geslotene kamer bleef zitten. Het was zulk zoet weder; ik moest uitgaan
+en wandelen. De geneesheeren hielpen hen. Om mijnen tegenstand te
+overwinnen, zeiden uwe ooms dat zij een paar uren in mijne plaats bij
+het bed mijns vaders zouden waken. Ik heb toegestemd voor een enkel uur.
+Zij hadden gelijk, uwe goede ooms: de zonneschijn, nog meer dan de
+blijdschap, doet mij herleven; de zoete lucht vloeit mij als een
+verkwikkende balsem door de longen."
+
+Zoo vroolijk koutende en dankbaar juichende over de onverwachte
+verbetering van den toestand des zieken ridders, wandelden zij eenige
+malen rondom de Markt, totdat Dakerlia, ondanks het aandringen van
+Robrecht, huiswaarts wilde keeren.
+
+Zij richtten zich dus naar de Hofstraat, maar werden eensklaps
+teruggehouden door eenen hoop volks, die achter twee bazuinblazers van
+den burg op de Markt kwam gestroomd.
+
+Van alle kanten liepen nog vele menschen toe; want men herkende de
+bazuinblazers als gewone wapenboden des graven, en men voorzag dat zij
+een vorstelijk besluit gingen afkondigen.
+
+Even nieuwsgierig als de anderen om te weten wat men hier ten poorters
+van Brugge ging bekend maken, bleef Robrecht met zijne gezellinnen
+omtrent de wapenboden staan.
+
+De bazuinblazers hieven eenige tonen aan, en zoohaast het volk genoeg
+rondom hen was verzameld, trad een klerk vooruit met een vel perkament
+in de hand. Hij ontrolde het blad op zulke wijze, dat men de groote
+groene zegels er van kon zien nederhangen en begon dan met luide, klare
+stem aldus zijne afkondiging:
+
+ "Wij Karel, graaf van Vlaanderen, al degenen die deze letteren
+ lezen of hooren lezen, heil in Gode!
+
+ Alzoo er in zekere gewesten van onzen lande van Vlaanderen een slag
+ van lieden wonen, zich noemende Kerels, die, zonder gezeten te zijn
+ op vrije erven, gezegd _Allodii_, beweren vrij te zijn in hunnen
+ persoon en hunne goederen, en tot groote inbreuk op den openbaren
+ vrede zich vermeten wapens te dragen, niettegenstaande het herhaald
+ verbod, door onze voorgangers en door ons uitgevaardigd;
+
+ Aangezien deze lieden, zich noemende Kerels, tot geene erkende
+ leenen behooren en onder zulke zich weigeren te schikken;
+
+ Overwegende dat dergelijke toestand slechts het gevolg eener
+ onwettige aanmatiging kan zijn, strijdig met de rechten onzer kroon
+ en met den vrede des graafschaps;
+
+ Maken kond, dat wij, na rijp beraad en onderzoek van elks recht,
+ hebben besloten en besluiten wat volgt:
+
+ Ten eerste. Elk ingezetene dezer landen van Vlaanderen, die niet
+ toebehoort tot een onzer leenen of tot eene abdij, of niet
+ eigenaar is eener erkende vrije erve, gezegd _Allodium_, anders
+ _Boekland_[48], of niet het poortersrecht in eene onzer goede
+ steden geniet, zal voortaan een man onzer kroon zijn."
+
+Tot dan had de menigte, waaronder waarschijnlijk zich geene of weinige
+Kerels bevonden, stom en gapend den klerk de woorden uit den mond
+geluisterd; maar nu ontstond er zulk luid gemor van verbaasdheid, dat
+men de stem van den afkondiger niet meer kon hooren.
+
+"Stil! stil!" riepen vele der omstanders, die zich misschien de zaak der
+Kerels weinig aantrokken.
+
+De klerk zette zijne lezing voort.
+
+ "Ten tweede. Al zulke mannen der kroon zullen in handen der
+ ontvangers onzer burgen en kasteleinen den tol, gezegd _balfaart_,
+ betalen, dit is een denier jaarlijks, vier deniers op den dag van
+ hun huwelijk en vier deniers bij hun afsterven, of anders het
+ beste hoofd ter keuze des heeren.
+
+ Ten derde. Het blijft allen dienstbaren lieden verboden, wapens te
+ dragen, als daar zijn schermzeisen, zwaarden, staven, knijven,
+ kolven, op lijf straffe of op boete, zooals bepaald is bij de
+ besluiten der graven, onze voorgangers, en der onze."
+
+Het overige der afkondiging bestond slechts in eenige voorschriften tot
+de uitvoering van het zwaarwichtig besluit.
+
+Met groot geschater van stemmen begonnen de poorters elkander hun
+gevoelen over dit edict tegen de Kerels mede te deelen; maar dewijl de
+bazuinblazers de plaats verlieten en naar de Steenstraat opgingen, om
+daar en elders hunne zending te vervullen, volgden hen de meeste
+aanhoorders. Andere liepen in allerijl over de Markt, om het verrassende
+nieuws aan vrienden of bekenden te gaan mededeelen.
+
+Robrecht en Dakerlia, getroffen met eenen diepen schrik, aanschouwden
+elkander eene wijl zonder spreken.
+
+"Eilaas", zuchtte Dakerlia, "daar breekt het langgevreesde onweder over
+Vlaanderen los! Het bloed mijns vaders heeft nutteloos gevloeid. Arm
+Kerlingaland!"
+
+"Arm Kerlingaland?" herhaalde Robrecht. "Neen, neen, het recht zal
+zegepralen! Men heeft met ons gehuicheld. Wij zijn verraden, snood
+verraden. Ha, nu is alle geduld lafheid, alle toegevendheid misdaad!
+Wanhoop niet van onze zaak. Meent gij dan dat de Kerels zich zullen
+laten binden als kalveren op de markt? De nootkreet gaat hergalmen over
+Kerlingaland. Wie overwinnen zal, dit weet God alleen; maar wij zullen
+den strijd niet opgeven, al eischte de verdediging der vrijheid onzen
+laatsten druppel bloed!"
+
+"Ramp, ramp!" klaagde Witta, "wie er ook overwinne, Vlaanderen zal
+overdekt worden met lijken ..."
+
+"O, mijn God!" kreet eensklaps Dakerlia verbleekend.
+
+"Wat geschiedt u? Wat ziet gij?" vroegen Robrecht en zijne zuster
+verbaasd.
+
+Maar Dakerlia greep haren verloofde de hand, trok hem naar de Hofstraat
+en antwoordde haastig:
+
+"Kom, kom, loopen wij naar huis. Mijn arme vader! Indien iemand hem deze
+tijding bracht, het zou hem zoo diep bedroeven, hem eenen noodlottigen
+slag toebrengen misschien! Kom, wij zullen verbieden dat iemand van
+buiten hem nadere, wie het ook weze!"
+
+"Maar bedwing toch uwe ontsteltenis, Dakerlia", zeide Robrecht "Uw vader
+zou bemerken dat gij hem iets verbergt ..."
+
+"Neen, neen, hij zal het niet zien; ik ben sterk, ik zal welgemoedheid
+veinzen."
+
+Inderdaad, toen zij het bed haars vaders naderde, zweefde er een stille
+glimlach op haar gelaat; maar dewijl hij met de oogen gesloten lag, en
+de geneesheeren haar teeken deden dat hij rustte, hield zij zich stil en
+zette zich bij het hoofdeneinde op eenen stoel.
+
+Robrecht murmelde iets aan het oor van den proost, wenkte den kastelein
+met den vinger en verliet de kamer met zijne beide ooms, die,
+nieuwsgierig geworden door zijne geheimzinnigheid, hem vragend aanzagen.
+
+Hij bracht hen in eene zaal en zeide hun met de handen opgeheven:
+
+"Schrikkelijk nieuws! Er loopt een klerk in de stad rond, die een
+besluit van onsen graaf tegen de Kerels afkondigt. De Kerels zijn
+voortaan dienstbaar aan de kroon, evenals waren zij in slavernij
+geboren!"
+
+De proost verbleekte; eene siddering doorliep de leden des kasteleins;
+beiden bleven stom, als konden zij de onverwachte tijding niet gelooven.
+
+"Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?" vroeg de oude Bertulf.
+
+"Gansch zeker; ik heb het besluit hooren afkondigen."
+
+"Waar?"
+
+"Op de Markt, in tegenwoordigheid van eenen grooten hoop volks."
+
+"En hoe luidde dit besluit?"
+
+"Het verklaarde dat de Kerels ten onrechte zich vrij wanen; het legt hun
+den balfaart der dienstbaarheid op en verbiedt hun, op lijfstraf en op
+boete, eenige hoegenaamde wapens te dragen."
+
+"Eilaas, welke onheilen dreigen Vlaanderen!" zuchtte de kastelein
+Hacket. "De valsche Isegrims zegevieren!"
+
+"Bekent het nu, mijne ooms", bemerkte Robrecht, "al ons geduld, al onze
+toegevendheid heeft tot niets gediend dan om den hoogmoed onzer vijanden
+aan te vuren. Het is misschien nog tijd. Geef een teeken, heer proost;
+help gij er toe, heer kastelein, en morgen staat geheel Kerlingaland
+onder de wapens!"
+
+"Met zulk voorbarig besluit ware alles verloren", antwoordde Bertulf,
+zich op het voorhoofd wrijvend om een klaar en diep besef van den
+toestand in zijne hersens op te wekken. "Onze vijanden moeten hetzelfde
+wenschen als gij, Robrecht. Zulke onvoorbereide opstand kan slechts
+gedeeltelijk zijn. Vergeet het leger niet dat te Atrecht ons bewaakt. De
+opstand der Kerels, indien men verplicht wordt tot zulk uiterst middel
+zijne toevlucht te nemen, mag slechts algemeen zijn, en onze
+heirkrachten moeten tot eenen langen oorlog worden ingericht."
+
+"Maar, oom lief, is de maat niet vol genoeg?" wedervoer Robrecht, met
+eene verontwaardiging die hij uit ontzag voor den ouden proost poogde te
+bedwingen. "De tijding van dit hoonend besluit zal de Kerels, de
+Houtkerels vooral, verwoed maken."
+
+"Inderdaad", bemerkte de kastelein, "mij zou het niet verwonderen dat
+zij onmiddellijk de wapens opnamen en de burchten der leenheeren
+begonnen te bestormen en af te branden."
+
+"En ware het niet beter het sein tot den algemeenen opstand te geven?"
+vroeg Robrecht. "Wees zeker, oom, uw lankmoedigheid zal het ongeluk van
+Kerlingaland zijn!"
+
+"Bedwing uwe jonge drift, mijn neef", sprak Bertulf op strengen toon.
+"Met zulke overijling verderft men de beste zaak. Hebt gij dan geen
+vertrouwen meer in mijne oude ondervinding?"
+
+"Zeker, oom; maar, met uw oorlof, mij dunkt, dat krachtdadigheid en
+moed, in dringende omstandigheden, meer zijn dan wijsheid."
+
+"Ik geloof dat gij gelijk hebt, broeder", zeide de kastelein, "maar
+werkeloos kunnen wij niet blijven. Wat gaan wij doen?"
+
+"Wij moeten alle beweging in de Ambachten voorkomen", antwoordde de
+proost. "De Kerels doen stil blijven totdat de Hoop over de erge zaak
+beslist hebbe. Wat is zes dagen? Wil de Hoop het lot der wapens
+beproeven, men zal daar de afgevaardigden van al de Ambachten onder de
+hand hebben en dus, moet het zijn, met een enkel woord gansch
+Kerlingaland als een man doen opstaan."
+
+"Maar, heer oom", bemerkte Robrecht, "gij vergeet Burchard Knap, uwen
+neef. Als die de mare zal vernemen!"
+
+"Ik weet waar hij zich ophoudt: hij zal een bijzonderen brief van mij
+ontvangen en in vrede blijven, ten minste tot den dag van den Hoop. Hij
+heeft mij dit reeds plechtig beloofd."
+
+"Alzoo, wij hoeven ons te bereiden tot den oorlog?" vroeg de kastelein.
+
+"Bereiden, voorzeker", antwoordde hem zijn broeder de proost, "maar die
+noodlottige worsteling is nog niet volstrekt onvermijdelijk. Wie zegt
+ons dat, indien onze graaf het oor aan den raad onzer vijanden heeft
+geleend, het niet alleenlijk is, omdat de oorlog in Aquitanie, en nu op
+de grenzen van Normandie, hem dwingt naar middelen uit te zien om zich
+eene groote hoeveelheid gelds te bezorgen? Indien de Kerels hem eene
+bede toestonden van eenige duizende marken zilvers?"
+
+"Alweder toegevendheid en gebeden?" morde Robrecht; "kunnen wij dan
+niets meer dan smeeken? Gij weet, oom, hoe ik onzen graaf verkleefd
+was, ondanks het onrecht dat ons werd aangedaan. Vorst Karel had mijnen
+vader zaliger vereerd en bemind. Ik was hem daarvoor dankbaar. Nu moet
+ik die dankbaarheid in mijn hart versmachten. Ik heb te kiezen tusschen
+den oorlog tegen den graaf en de vernedering van mijn vaderland, het
+verlies onzer vrijheid. De overtuiging dat onze vorst door de booze
+Isegrims is misleid maakte mij die keus nog pijnlijk, ik beken het; maar
+de stem van mijn geweten ..."
+
+"Zwijg toch", onderbrak hem de proost, "Gij wordt even voorbarig en
+oploopend als de woeste Burchard. Luister toch eerst naar de kalme rede.
+Indien wij door zulke geldelijke opoffering het edict en de
+schrikkelijke rampen afweren, die ons geslacht en ons vaderland
+bedreigen, zoudt gij mij laken den raad daartoe te hebben gegeven?"
+
+"Neen, neen, oom; maar alle hoop op rechtvaardigheid, alle hoop op vrede
+is dood in mij!"
+
+"Welnu, ik zal pogen te weten wat zulk aanbod bij den graaf vermag. In
+alle geval, de Hoop te Veurne zal over de zaak beraadslagen; en wij
+allen, onzen Gilden-eed getrouw, zullen ons aan zijne beslissing
+onderwerpen. Laat ons nu naar de proostdij gaan, Hacket; de tijd is ons
+kostelijk; wij moeten met spoed onze voorzorgen nemen om, tot de
+beslissing van den Hoop, alle beroerte in de Ambachten te beletten."
+
+In den gang zeide de proost nog:
+
+"Wij zullen terloops Segher Wulf vaarwel wenschen; hij zal misschien
+ontwaakt zijn."
+
+Robrecht hield hen terug en deed hun begrijpen dat zij in
+tegenwoordigheid des zieken van het afgekondigde besluit niet mochten
+gewagen. Segher Wulf, die zich gelukkig achtte, zijn leven te hebben
+gewaagd, in de gedachte dat hij door het storten van zijn bloed de
+vrijheid der Kerels tegen allen nieuwen aanval had behoed, kon een
+noodlottigen slag ontvangen, indien hij nu vernam dat de Isegrims zelfs
+het oordeel Gods niet hadden geeerbiedigd.
+
+Zijne ooms erkenden de gegrondheid dezer bemerkingen en beloofden den
+zieke van niets te spreken.
+
+Alzoo zij nu door de gang traden, hoorden zij eensklaps op eenigen
+afstand bazuintonen hergalmen.
+
+"O! mijn God!" kreet Robrecht verschrikt, "daar komt men nu in deze
+straat het noodlottig besluit afkondigen. Mher Wulf zal het hooren. Wat
+schromelijke slag!"
+
+"De snoodaards!" morde de kastelein. "Wie weet, hebben zij de wapenboden
+daartoe geen bijzonder bevel gegeven? Onverbiddelijk zijn de Tancmars in
+hunnen haat."
+
+"Maar neen, de wapenboden zijn nog verre; mher Wulf kan niets van de
+afkondiging verstaan", bemerkte de proost.
+
+"Ach, hij hoort zoo verwonderlijk scherp, en hij ligt onder het venster
+bij de straat", klaagde Robrecht.
+
+"Kom, kom, gij bekommert u ten onrechte", zeide de proost, terwijl hij
+de deur der ziekenkamer opende.
+
+Segher Wulf lag nog met geslotene oogen, en nevens hem stond Dakerlia
+met angst en vervaardheid op het gelaat; want zij insgelijks had de
+bazuintonen gehoord.
+
+"Ontstel u niet zoozeer, jonkvrouw; uw vader slaapt en de bazuinblazers
+zijn weg", fluisterde de proost aan haar oor.
+
+Maar nauwelijks waren deze stille woorden zijnen mond ontglipt of de
+stem van den afkondiger verhief zich onder het venster zelf.
+
+Een pijnlijke kreet ontsnapte Dakerlia, terwijl zij de bevende handen
+over haren vader uitstrekte, als poogde zij de noodlottige klanken te
+onderscheppen.
+
+De zieke opende de oogen wijd en luisterde. Hij bleef rustig; geene
+plooi op zijn gelaat duidde aan dat hij verstond wat men daarbuiten zoo
+luid afriep.
+
+Reeds was de klerk zeer verre in het lezen van het besluit gevorderd, en
+nog had Segher Wulf geen teeken van ontroering gegeven. De omstanders
+meenden te mogen hopen, dat hij niets van het besluit zou verstaan.
+
+Maar toen de afkondiger het tweede punt van het noodlottig edict
+bereikte, werd de zieke eensklaps als door eenen geweldigen slag
+getroffen: al zijne leden trokken zich krampachtig te zamen en, ofschoon
+de klagende Dakerlia en de verschrikte geneesheeren hem poogden te
+bedwingen, duwde hij zijne twee armen op het bed, spande al zijne
+zenuwen en riep uit, terwijl hij zich met verwonderlijke kracht in de
+hoogte hief:
+
+"Slaven! De Kerels slaven! Wraak, wraak, o, mijn God!"
+
+Eilaas! Zijn slecht geheeld sleutelbeen brak opnieuw, zijne wond
+scheurde open, het bloed golfde hem over de borst en hij viel met eenen
+akeligen noodkreet achterover ...
+
+"Het is niets, geen gejammer, geen gekerm!" riep een der geneesheeren,
+den proost haastige teekens doende, dat men de jonkvrouw zou
+verwijderen.
+
+Allen verstonden hem. Robrecht en zijne ooms grepen Dakerlia bij de
+armen en schouders, en hoe zij ook als zinneloos worstelde, zij leidden
+ze met geweld in eene ver afgelegene kamer. Daar poogde men haar te doen
+gelooven dat het ongeval geene erge gevolgen zou hebben. De geneesheer
+had immers zelf gezegd dat men niet mocht bekommerd zijn? Een nieuw
+verband zou alles weer herstellen.
+
+Maar Dakerlia, door eenen doodelijken schrik aangejaagd, was niet te
+bedaren.
+
+"De wreedaards, de Isegrims!" riep zij uit, terwijl men haar poogde van
+de deur terug te houden. "Zij hebben hem in den kamp niet kunnen
+overwinnen. Vermoorden moesten zij hem, met valschheid, met
+lafhartigheid! O, mijn vader, mijn arme vader, wie zal u wreken? Wie zal
+het edel bloed herkoopen, dat gij voor de vrijheid van Kerlingaland hebt
+vergoten?"
+
+"Wees gerust, Dakerlia", antwoordde Robrecht Sneloghe. "De noodhoorns
+gaan galmen over Kerlingaland. Het is een oorlog om leven en dood. Ik
+zal te midden des gevechts de vijanden uws vaders opzoeken en ze
+treffen, zoolang mijn arm de macht heeft tot het verheffen van een
+zwaard."
+
+De maagd slaakte eenen angstkreet, legde zich de handen voor de oogen en
+begon overvloedig te weenen; maar zij was zoo aangejaagd dat zij bijna
+onmiddellijk weder naar den ingang der kamer sprong en zich de handen
+ten bloede werkte om de geslotene deur open te rukken.
+
+Zij viel op de knieen voor den proost en kermde en bad met saamgevoegde
+handen, om tot haren vader te mogen gaan. Hij kon sterven, haar
+verkrampend hart riep het luid. Mocht zij hem dan niet een laatst
+vaarwel wenschen en hem de oogen sluiten? Zou hij ten hemel varen zonder
+zijn kind aan zijne zijde te zien?
+
+Eindelijk door medelijden overwonnen, zeide de proost tot haar, dat hij
+den kastelein zou verzoeken naar de ziekenkamer te gaan om het oorlof
+der geneesheeren af te smeeken, indien Dakerlia toestemde bedaard te
+wachten op de tijding welke hij hun zou brengen.
+
+Men opende met voorzorg de deur en Hacket begaf zich naar de kamer aan
+de straat.
+
+Hier ontvloog hem een kreet van schrik, ofschoon de geneesheer door zich
+den vinger aan den mond te leggen, hem tot stilte aanmaande.
+
+Segher Wulf lag uitgestrekt op het bed, met een kruisbeeld op de borst.
+Zijn gelaat was loodvervig en toonde de doorschijnende tint der
+bloedeloosheid. Witta zat ten gronde geknield en weende bitter.
+
+De kastelein naderde met kloppend hart en aanschouwde den geneesheer.
+
+"Niets meer dan een lijk!" murmelde deze.
+
+"Wel zeker?"
+
+"Hoe anders? Al zijn bloed is hem ontloopen."
+
+"Wat akelige ramp!"
+
+"Ja, een ijselijk voorval; maar klagen kan hier niet helpen, heer
+kastelein. Gij moet tot de jonkvrouw gaan; haar eerst met halve woorden
+een ongeluk doen voorgevoelen, haar dan van een groot gevaar spreken en
+zoo allengs haar den dood haars vaders melden, opdat de slag haar niet
+plotselijk treffe."
+
+De kastelein verwijderde zich stilzwijgend, om de droeve zending te gaan
+vervullen; maar nauwelijks was hij eenige oogenblikken weg, of men horde
+in den gang eenige wanhopige klachten hergalmen.
+
+Dakerlia stortte in de kamer en liep tot bij het bed. Een eerste blik
+zeide haar alles: zij slaakte eenen machtigen schreeuw, eenen noodkreet,
+die het gansche huis doorschalde, en viel gevoelloos met het hoofd op de
+borst haars vaders.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 48: Bij de Angel-Saksen noemde men het Gemeentegoed of vrij
+geweide _folcland_ (ager publicus), een land, waarvan het bezit door
+eene geschrevene oorkonde vanwege den vorst was toegestaan of bevestigd,
+_bocland_ (geboekt land).
+
+Zie LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_ t. I, pp. 578 en 579.]
+
+
+
+
+XI
+
+
+De dag waarop de Hoop[49] zou gehouden worden, was verschenen.
+
+Reeds van in den vroegen morgen krielde de stad Veurne met lieden die
+zich uit alle gewesten van Kerlingaland zich derwaarts hadden begeven,
+en nog zag men elk oogenblik groote overdekte wagens voor de
+bijzonderste herbergen stilhouden.
+
+Niet al deze bezoekers waren geroepen, om als afgevaardigden der
+Ambachten in den Hoop te zetelen. Eenigen moesten zich aanbieden voor
+het beroepsgerecht of _jaarwaarhede_, anderen zouden zekere zaken
+aangaande hunne betrekkingen met het Gilde vereffenen; de meesten
+evenwel hadden de reis ondernomen uit enkele nieuwsgierigheid of om
+vrienden of bekenden te ontmoeten.
+
+Rondom den Kerkhofsmuur van St-Walburgis stonden kramen met eetwaren,
+met fruit en lekkernijen, met landbouwgereedschap, met huisgerief en
+kleederstoffen, zoodat de plaats naar die zijde geheel het voorkomen had
+eener jaarmarkt of eener kermis.
+
+Daar was groote toeloop van volk. De Kerels herkende men aan hunne lange
+baarden en aan hun breed zwaard of schermzeis. Tusschen hen kon men de
+Houtkerels onderscheiden aan het diepere blauw hunner kleeding en aan
+hunne hoeden, waarvan de randen achter en terzijde in vorm eener klak
+waren opgeslagen, terwijl de Veld- en Duinkerels breedgerande hoeden
+droegen, die met eene veder van den Blauwvoet of Zeearend waren gesierd.
+
+Men bemerkte zelfs hier en daar eenen Kolvekerel uit het graafschap
+Gwynen, die gansch in kleeding en voorkomen aan de andere Kerels
+geleek, tenzij dat hij tot eenig wapen eenen houten kolf of knots in de
+hand of op den schouder droeg.
+
+De poorters of burgers van Veurne hadden geenen baard, en slechts de
+bijzondersten onder hen droegen een kort mes boven de lederen tassche
+aan hunnen gordel. Zij lieten zich niet veel in met de Kerels, die
+overigens hen met hoogmoed bejegenden en zorgvuldig vermeden over de
+zaken der Ambachten in hunne tegenwoordigheid te spreken.
+
+Inderdaad, de Kerels zagen de poorters der steden als lieden aan die
+hunne onafhankelijkheid hadden verloren en van de voorvaderlijke
+vrijheden niets meer bezaten dan wat de vorst hun willekeurig en uit
+genade had laten behouden.
+
+Vroeger genoten al de gedeelten van Kerlingaland dezelfde
+onafhankelijkheid, en hadden geenen anderen dienstplicht jegens den
+graaf dan het leveren van krijgslieden tot 's lands verdediging Zij
+betaalden gewilliglijk alle tollen van doorvaart op koopwaren,
+havenrechten en burggelden aan 's gravens ambtenaars, voor zooveel deze
+belastingen niet als een persoonlijke hoofdtol konden worden beschouwd.
+Daarenboven, in oorlogstijd of in andere gewichtige omstandigheden,
+wanneer de vorst hun eene _bede_ toerichtte, verleenden zij hem
+vrijwilliglijk aanzienlijke hulpgelden uit den gildeschat.
+
+Maar voor twee eeuwen hadden de graven van Vlaanderen, om het land tegen
+de invallen der Noormannen te kunnen verdedigen, met de toestemming der
+Kerels zelven, verschillende steden met muren omsingeld en er een sterk
+kastel of burg gebouwd, waarin een ambtenaar, door den vorst aangesteld,
+als kastelein of burggraaf het bevel voerde.
+
+Van dit oogenblik af zag de graaf het gebied van den burg als een leen
+der Kroon aan, en werden de inwoners der steden zijne leenmannen, met de
+uitzondering nochtans, dat hij hun zekere vrijheden liet behouden, en
+deze bevestigde door eene vorstelijke vergunning. Hij gaf zulke
+_gemeente_ bestierders of _schepenen_ en liet er het recht uitoefenen in
+zijnen naam, onder de hooge bewaking van den kastelein.
+
+Geheel anders was het met de Kerels buiten de bemuurde steden gesteld.
+Dezen hadden nog hunne voorvaderlijke inrichtingen behouden en
+bestierden zich zelven en oefenden den rechtspleging zonder de minste
+tusschenkomst eener hoogere overheid. Een of meer dorpen, onder een
+gemeenschappelijk bestier, noemden zij eene _minne_, en verscheidene
+zulker _minnen_ vormden een Ambacht. Schepenen hadden zij niet; hunne
+bestierders, jaarlijks door hen gekozen, noemden zij Keurmans. Dezen
+waren belast met het beredderen der openbare belangen van de minne, en
+zetelden in de vierschaar en vonnisten, zoowel over stoffelijke gedingen
+als over wetsovertredingen en misdaden.
+
+Binnen de stad Veurne zelve, naar eenen hoek der Markt, was er nog eene
+vrije plek grond, die niet aan de overheid van den kastelein was
+onderworpen. Daarop hadden de machtige Kerels van Veurne-Ambacht hunne
+groote Gildehalle gebouwd, om er hunne gemeene zaken te behandelen en er
+de wekelijksche rechtspleging te oefenen.
+
+Van buiten beschouwd, had deze Halle het voorkomen van een onmatig lang
+en breed huis, zonder verdiep, welks eenvormige lijnen slechts
+onderbroken waren door een hoog torentje, waarin twee klokken hingen van
+verschillende grootte. De vensters waren zeer hoog boven den grond en
+met ijzeren staven gesloten.
+
+Nu stonden voor de ingangspoort tien of twaalf langgebaarde mannen, met
+uitgetogen schermzeis, die de poorters en vreemdelingen van de Halle
+hielden verwijderd.
+
+Dit opzicht van ongastvrijheid en van verborgenheid moest doen denken
+dat de Kerels, bij den bouw der Gildehalle, voor doel hadden gehad, alle
+bespieding van buiten af te weren en het geheim hunner beraadslagingen
+te vrijwaren tegen de nieuwsgierigheid zulker lieden, die niet door den
+Gildeneed met hen waren verbonden.
+
+Van binnen was de Halle niet zoo somber; want de vensters, die op den
+neerhof uitzagen, waren zeer breed, en geen traliewerk onderschepte er
+het daglicht. Hare grootste uitgestrektheid was ingenomen door eene
+lange zaal, waarvan het gewelf, met zijne veelvuldige graten, op twee
+rijen lage pijlers rustte, die met zonderlinge beeldsieraden waren
+overdekt.
+
+Men had nu, tot het houden van den Hoop, in deze zaal eene verhevendheid
+getimmerd en er talrijke banken gezet.
+
+Nog vele min wijde vertrekken, elk tot een bijzonder gebruik bestemd,
+lagen achter de groote zaal en hadden eenen gemeenen uitgang op den
+neerhof, niet verre van de plaats waar, onder de opene lucht, de vier
+banken der _vierschaar_ tusschen eene ringvormige haag waren geschikt.
+
+Tot dan hadden de Kerels rondom het kerkhof gewandeld of in groepen op
+de Markt over de zaken van Kerlingaland gekout en getwist, immer
+zorgende dat zij niet door de poorters werden gehoord.
+
+In de Halle bevonden zich geene andere personen dan eenige Keurlieden en
+klerken, die alles in gereedheid brachten tot den dienst waarmede elk
+hunner belast was.
+
+Nu evenwel werd op het torentje de kleinste klok geluid. Vele Kerels
+traden in de Halle, en begaven zich in verschillende vertrekken, volgens
+de zaken welke zij te bezorgen hadden.
+
+In eene groote kamer zaten de ontvangers van den gildeschat met hunne
+klerken. Hier kwamen opvolgend de afgevaardigden der Ambachten het geld
+storten dat zij voor elk lid van het Gilde als jaarlijksche bijdrage
+waren verschuldigd.
+
+Daarnevens en van de ontvangers gescheiden, zaten de betaalders die, op
+vertoon van oorkonden, door aangestelde opzichters en schatters
+afgeleverd, de hulpgelden uitdeelden voor brand van huizen of vergaan
+van schepen of schuiten; want de gildeschat was voor de Kerels tevens
+eene kas van onderlinge verzekering.[50]
+
+In een ander vertrek zaten de beheerders van wegenissen en van water- en
+dijkwerken, die ten laste van meer dan een Ambacht moesten worden
+onderhouden.
+
+Maar de toevloed van volk was het grootst op den neerhof, in en rondom
+de vierschaar.
+
+Hier zetelden afgevaardigde Keurmans van de groote Ambachten, ondere
+anderen van Veurne, Capellebrouck, Berg, Brouckburg, Hazebrouck en
+Duinkerke. Te zamen vormden zij een gerechtshof, dat elken Kerel moest
+aanhooren die beweerde dat hem, in zijn Ambacht, onrecht was gedaan of
+recht was geweigerd. Deze vierschare, die men _jaarwaarhede_ noemde,
+vonniste diensvolgens als een hof van beroep; zij was onafhankelijk van
+den Hoop en zetelde verscheidene dagen.
+
+Al deze bijzondere verrichtingen namen den ganschen morgen in, en het
+was slechts ten een uur namiddag, na men den afgevaardigden den tijd had
+gegund om te eten, dat de groote klok de opening van den Hoop
+aankondigde.
+
+Men had eenigen tijd te voren iedereen, wie hij ook ware, de Halle doen
+ontruimen. Nu werd niemand toegelaten, tenzij na onderzoek der volmacht,
+hem afgeleverd door de Keurlieden van het Ambacht, dat hem als zijnen
+vertegenwoordiger had gekozen.
+
+De groote zaal geraakte allengs vol. Elk nam plaats naar zijne geliefte,
+nevens zijne vrienden of bekenden.
+
+Hacket, de kastelein van Brugge, bevond zich daar als afgevaardigde van
+het Brugsche Vrije; nevens hem, Robrecht Sneloghe, als vertegenwoordiger
+van Houthem; en, meer naar achter in de zaal, Disdir Vos, Willem Van
+Wervick en Ingelram Van Eessen en andere ridders, door verschillige
+Ambachten afgevaardigd.
+
+Dewijl de Hoop nog niet was geopend, en de Kerels met luider stemme hun
+gevoelen uitdrukten over de zaak van den balfaart en over hetgeen men in
+deze erge tijdsomstandigheden te doen had, heerschte er in de gansche
+zaal een verward gerucht als van eenen ronkenden bijenzwerm ... Maar
+daar verschenen nu de afgevaardigden der groote Ambachten op de
+verhevenheid en, terwijl zij plaats namen in de leunstoelen, die men
+daar voor hen had geschikt, zetteden al de aanwezigen zich op de banken
+neder.
+
+Het gedruisch begon echter opnieuw, totdat de Voorman of voorzitter met
+eenen zwaren houten hamer zoo hard op de eiken tafel sloeg, dat de galm
+als een donder door de zaal dreunde.
+
+Elk zweeg en de diepste stilte verving het gerucht.
+
+De Voorman of de voorzitter was een Keurman van Hazebrouck met eenen
+langen sneeuwwitten baard. Hij wierp eenen tragen blik door de zaal,
+klopte dan nog eens met den hamer, stond op en sprak:
+
+"Gezellen, Gildebroeders, toen wij, uwe zaakgelastigden, voor eenige
+weken ons wilden bereiden tot het houden van den Hoop, hadden wij eenige
+min of meer belangrijke voorwerpen uitgekozen om aan uwe beraadslaging
+te worden onderworpen. Sedert dan heeft onze heer graaf tegen de Kerels
+een edict uitgevaardigd dat, moest het van kracht blijven, ons en onze
+kinderen in eeuwige slavernij zou dompelen. Zoo zwaarwichtig is voor ons
+deze zaak, dat ik ze alle andere doen voorafgaan. Ik hoop dat gij niet
+alleen met de verontwaardiging van diepgehoonde, maar tevens met de
+bedaardheid van wijze en bezadigde lieden zult onderzoeken en overwegen
+wat ons te doen staat om de vrijheid van Kerlingaland te redden en
+ongeschonden te behouden. En, ten einde het rechtverkrachtend besluit
+van onzen heer graaf iedereen geheel bekend zij, zal ik den klerk
+verzoeken het u voor te lezen."
+
+De klerk stond op en begon de lezing van het edict. Schier bij elken
+regel werd zijne stem verdoofd door het toornig gemor der vergadering;
+maar wanneer iets bijzonder kwetsends in het besluit voorkwam, ontstond
+uit al de hoeken der zaal een onweder van wraakkreten en
+vermaledijdingen.
+
+"Te wapen, te wapen! Sla dood de Isegrims! Stroome ons bloed voor de
+vrijheid! Heden nog! Gevloekt, gevloekt de balfaart der slavernij!"
+galmden de driftigsten.
+
+"Stil! Stil! Laat af met dit woest geschreeuw: wij hooren niet!" riepen
+eenige anderen.
+
+Zoo ging de lezing van het besluit met vele onderbrekingen tot het einde
+voort.
+
+Nu nog heviger dan te voren, zou de meerderheid der aanwezigen hare
+verontwaardiging en hare woede door verwarde kreten lucht geven, maar de
+Voorman klopte zoo geweldig met den hamer, dat hij iedereen tot zwijgen
+dwong.
+
+Hij zeide, dat hij de diepe onsteltenis der vergadering wel begreep, en
+daarom gedacht had de stilte niet streng te moeten handhaven. Nu evenwel
+verzocht hij zijne gezellen hun gevoel van wettige verontwaardiging te
+bedwingen, opdat de beraadslaging, die nu ging aanvangen, behoorlijk en
+met eerbied voor elke gedachte kon worden voortgezet. Hij zou van nu af
+geene onderbrekingen meer dulden, en niemand zou spreken dan met zijne
+toelating en op beurt.
+
+Daarop vroeg hij of een der aanwezigen het woord verlangde; doch zoovele
+handen gingen terzelfder tijd in de hoogte en zoovele namen werden hem
+toegeroepen dat hij niet wist wien uit te kiezen tusschen al de sprekers
+die zich aanboden.
+
+Op dit oogenblik werd de deur der zaal geopend.
+
+Er trad een hoogstaltig man binnen, wiens fiere houding en stoute blik
+ook degenen met ontzag troffen die hem niet kenden. Hij was gekleed als
+een ridder en aan het gevest van zijn zwaard glinsterde eenig
+edelgesteente.
+
+Zijne verschijning deed een algemeen gemor van verbaasdheid ontstaan,
+bovenal toen degenen, die hem herkenden, zijnen naam noemden.
+
+"Burchard Knap! Hij is een banneling. Iedereen mag hem dooden! Hoe durft
+hij bij kiaren dage hier verschijnen? Heeft hij recht om in den Hoop te
+zitten?" vroeg men elkander.
+
+Dit ongunstig gemompel scheen Burchard Knap te kwetsen. Met spijt in de
+stem riep hij uit:
+
+"Gezellen, is het zoo dat gij een slachtoffer der dwingelandij begroet?
+Had iemand onzer gevreesd zich door de Isegrims te doen bannen,
+Kerlingaland zou nu niet op den boord des afgronds staan. Elkeen mag mij
+dooden. De minste schalk kan mij eenen pijl door rug en lenden drijven,
+ik weet het; maar, hoe de dood mij ook bedreige, hij kan mij niet
+weerhouden van hier mijnen plicht te komen vervullen. Ik ben
+afgevaardigde van Rodenburg en, als zulks, zal ik in den Hoop zetelen
+met evenveel recht als de beste die hier tegenwoordig is."
+
+"Maar gij zijt gebannen!" riep eene stem.
+
+"Wie heeft daar gesproken?" wedervoer Burchard met bedwongene gramschap.
+"Dat hij rechtsta en zich toone. Ik wil weten welke vrije Kerel zich
+hier aanstelt tot uitvoerder der vonnissen die onze verdrukkers tegen
+zijne broeders hebben uitgesproken."
+
+"Niemand, niemand! Leve Burchard Knap!" klonk het door de zaal.
+
+De slag van den hamer weergalmde.
+
+"Gezellen", zeide de Voorman, "mher Burchard Knap van Bethferkerke is
+als ridder door het hooger hof der baroenen tot ballingschap verwezen.
+Als Kerel kon hij slechts door de Aldermans van zijn Ambacht worden
+gevonnist; als Kerel bevindt hij zich tusschen ons, niet als ridder. Wij
+aanvaarden dus in hem den vertegenwoordiger van Rodenburg."
+
+Een bijna algemeen handgeklap juichte deze verklaring toe.
+
+Burchard, hierdoor aangemoedigd en verstout, begon weder tot de
+vergadering te spreken; maar de Voorman onderbrak hem door herhaalde
+hamerslagen, en verzocht hem zich neder te zetten, hem zeggende dat hij
+stellig en streng hem verbood het woord te voeren voordat zijne beurt
+kwam. De onverduldige Kerel moest gehoorzamen en nam grommend plaats op
+de bank nevens Disdir Vos.
+
+"Dat mher Hacket, kastelein van Brugge, spreke!" zeide de Voorman.
+
+Hacket begon eene rede, waarin hij de vergadering aanraadde de zaak wel
+en met bedaarden geest te overwegen, vooraleer eene misschien overijlde
+beslissing te nemen. Het was telkens een groot ongeluk wanneer een volk
+gedwongen was op te staan tegen zijnen wettigen vorst, en eene misdaad
+wanneer zulken opstand gebeurde zonder dat men alle middelen had
+uitgeput om hem te ontwijken. Men mocht niet vergeten dat graaf Karel in
+den grond een edelmoedig vorst was. Hij had het genoeg bewezen tijdens
+den laatsten hongersnood, toen hij zijnen ganschen schat had uitgeput om
+de noodlijdenden te spijzen, zonder eenig onderscheid te maken tusschen
+de lieden der kroonsleenen en de lieden van Kerlingaland. De kastelein
+scheen te worstelen tegen een voorstel dat nog niet gedaan was. In alle
+geval moest hij voorzien dat zijn neef Burchard of anderen den graaf met
+hevigheid zouden beschuldigen; want hij haalde vele redenen aan, om te
+bewijzen dat de Isegrims alleen schuld hadden aan de grieven der Kerels
+en vorst Karel, zonder het te weten, door hen was bedrogen en misleid.
+Dan schilderde hij af hoe het geheele land, indien men den oorlog moest
+beginnen, met bloed en puinhoopen zou overdekt worden en alle welvaart
+voor vele jaren vernietigd. Bestonden er middelen om dit onheil nog af
+te keeren, het was de plicht der vergadering zulke middelen te
+beproeven. Na deze voorbereiding sprak hij van de hoop die men nog moest
+koesteren dat de graaf, indien men hem een aanzienlijk getal marken
+zilvers uit den gildeschat toestond, het noodlottig besluit zou
+intrekken. Wat was toch eene geldelijke opoffering, die in alle geval
+nog het tiende gedeelte van de kosten des oorlogs niet zou bereiken? Hij
+deed kennen dat de proost van St-Donaas in dien zin pogingen bij het hof
+had begonnen, en hij eindigde met het voorstel, hier slechts een
+voorwaardelijk besluit te nemen en de wapens niet op te vatten voordat
+men zeker ware van de mislukking aller min geweldige middelen.
+
+Deze vreedzame redevoering werd met een hevig gemor van afkeuring
+begroet.
+
+"Altijd dezelfde vrouwentaal!" riep Burchard. "Wij hebben reeds den
+strop aan den nek; geeft onzen vijanden dan den tijd om ons geheel te
+verworgen!"
+
+"Onze flauwheid stort Kerlingaland in het verderf. De vrijheid eischt
+bloed, geven wij ons bloed!" schreeuwde Disdir Vos, harder nog dan
+Burchard, die hem daarom de handen drukte.
+
+"De beurt is aan Alyn Van Ghistel", zeide de Voorman.
+
+Een zeer oud man stond op. Zijne gedachten, die hij zeer onduidelijk
+voordroeg, kwamen hierop uit, dat men zich wel in allerhaast ten oorlog
+hoefde te bereiden, doch niet nalaten mocht het middel tot verzoening te
+beproeven dat door den vorigen spreker was aangeduid.
+
+De vergadering hoorde zijne rede met onverschilligheid aan.
+
+"Mher Robrecht Sneloghe van Houthem mag spreken" riep de Voorman.
+
+Robrecht begon dus zijne rede:
+
+"Gezellen, velen uwer weten dat ik nauw vermaagdschapt ben met den
+kastelein van Brugge en den proost van St-Donaas. Zij zijn mijne ooms.
+Ik huldig hier in het openbaar hunne oprechte en vurige verkleefdheid
+aan de belangen van Kerlingaland; maar, hoe het mij ook leed doe, in de
+gewichtige zaak waarover wij beraadslagen, kan ik hun niet terzijde
+blijven. Integendeel, de plicht, de diepgevoelde plicht dwingt mij
+dezelfde overtuiging uit te drukken als mijn vriend Disdir Vos van
+Bekeghem, en met hem te roepen: Ja, onze lankmoedigheid stort
+Kerlingaland in slavernij! Niet meer gewacht, niet meer geaarzeld; de
+verdediging der vrijheid eischt bloed, geven wij zonder dralen ons
+bloed!"
+
+Deze laatste woorden werden luidruchtig toegejuicht, en menige kreet van
+"leve Robrecht Sneloghe!" liet zich hooren; want de jonge ridder was in
+de Ambachten algemeen gekend en door iedereen bemind.
+
+Hij hernam zijne rede:
+
+"Neen, gezellen, laat u niet verleiden door de hoop op vrede. De
+Isegrims hebben gezworen dat zij hunne kuiperijen niet zullen staken
+voordat de Kerels machteloos en gedwee onder het slavenjuk gebogen
+liggen. Doet opofferingen van schatten gelds, verkropt hoon en onrecht,
+het kan niet helpen. Indien wij langer terugdeinzen voor eenen oorlog,
+die toch niet te ontwijken is, smeden wij zelven, als dwazen en als
+lafaards, de ketens die ons aan het juk der dienstbaarheid moeten
+vastklinken. Daarom met voorvaderlijke trotschheid opgestaan en met het
+zwaard het edict der slavernij verscheurd! Ja, ja, loopen wij te wapen,
+veeleer heden dan morgen! Wie aarzelt is half verwonnen.--Wat hebben wij
+te vreezen? Indien al de weerbare mannen van Kerlingaland te velde
+komen, wie zou ons dwingen? Ontbreekt het ons aan geld, aan wapens of
+aan moed?... Ziehier mijn voorstel, gezellen. Dat dezen nacht en morgen
+overal, waar de beslissing van den Hoop bekend wordt, het noodvuur
+vlamme en de noodhoorns galmen! Verkondigen wij den landstorm; bepalen
+wij eene vergaderplaats, hetzij Diksmuide, Ghistel of Oudenburg;
+benoemen wij in dezen Hoop zelven eenen ervaren veldheer en eenen
+krijgsraad. Onmiddellijk zullen wij eene aanzienlijke macht te wapen
+hebben. Met deze eerste benden zouden wij de versterkte burgen in
+Kerlingaland overrompelen en, zonder ernstigen tegenstand te ontmoeten,
+in bezit nemen. Tegen deze vestingen gesteund zouden wij in allerhaast
+ons leger tot eenen beslissenden oorlog inrichten, van daar in
+ontzaglijke drommen onze vijanden te gemoet trekken en Kerlingaland en
+de vrijheid wreken in het terugvinden dan nadat graaf Karel onze
+vrijheid opnieuw hebbe bezworen en gewaarborgd, en wij de vaste
+verzekering hebben bekomen, dat hij de Isegrims uit zijnen raad zal
+verwijderen en ons een rechtvaardig vorst wil zijn. Wat gij ook over
+deze voorstellen denkt, gezellen, gelooft mij, wachten, aarzelen is hier
+eene lafheid en eene misdaad. Gansch Kerlingaland loope te wapen als een
+enkel man, en verrassen en verbazen wij onze vijanden door plotselijke
+ontwikkeling van al onze macht!"
+
+Er volgde eene lange en donderende toejuiching; vele stemmen zelfs
+schreeuwden luid dat men mher Sneloghe tot veldheer moest kiezen; maar
+Robrecht beriep zich op zijne jonkheid en onervarendheid en verklaarde
+dat hij deze zending niet kon of wilde aanvaarden.
+
+Burchard Knap sprong recht en poogde te spreken; maar de Voorman ontnam
+hem onmiddellijk het woord en deed hem zitten, voor reden gevende dat,
+eer zijne beurt verschene, nog menig ander gezel moest worden gehoord.
+
+Inderdaad, verscheidene afgevaardigden drukten, de eene na den andere,
+hun gevoelen uit. Een of twee rieden met weinig aandringen de
+voorzichtigheid aan en wilden het middel, waarvan de kastelein Hacket
+gesproken had, beproefd zien; al de anderen vielen met woede tegen de
+Isegrims uit, noemde alle lankmoedigheid verraad en lafhartigheid, en
+stemden voor het onmiddellijk beginnen van eenen oorlog zonder genade.
+
+Eindelijk bekwam Burchard Knap het woord. Hij stond op en zeide met eene
+holle en krachtige stem, waarvan de ontzaggelijke toon alleen indruk
+deed op zijne aanhoorders.
+
+"Gezellen, ik had honderd redenen gereed, om u tot eenen onmiddellijken
+oorlog te doen besluiten; maar dewijl ik zie dat het Kerlenbloed in uwe
+aderen niet min kookt dan in de mijne, zal ik u van wat anders, even
+gewichtig spreken. Heeft het u niet verbaasd dat men in deze vergadering
+den lof komt verkondigen van Karel van Denemarken, den huichelenden
+vijand der Kerels, die met zijne Isegrims in het donker onzen ondergang
+beraamt, en dan eensklaps voor den dag komt met het vloekbaar edict dat
+ons allen tot slavernij veroordeelt? Het spijt mij dat ik mijnen oom
+Hacket moet tegenspreken; maar de vrijheid voor alles en boven alles!
+Eerbied voor Karel van Denemarken? Was die vreemdeling niet van den dag
+zijner troonsbeklimming ons een gezworen vijand? Wat deed hij
+onmiddellijk? Hij vaardigde een edict uit dat hij den _Heerliken vrede_
+noemde, waarbij hij allen onvrij geboren man op lijfstraffe verbood
+wapens te dragen. Heeft hij niet jaren lang gepoogd u tot het nakomen
+van dit edict te dwingen, alsof de Kerels zonder uitzondering in
+slavernij waren geboren? Heeft hij niet vrijgeweiden en vrijbosschen,
+die den armen lieden onzer Minnen of onzer Ambachten sedert eeuwen
+toebehoorden, aan leenheeren en abdijen weggeschonken, zonder eerbied
+voor ons recht van eigendom? Gelooft mij, de haat voor de Kerels, dien
+men aan het hof zoo openlijk toont, ligt niet alleen in het hart der
+raadsheeren van Karel van Denemarken, maar vuriger nog in zijn eigen
+hart ..."
+
+Mher Hacket en eenige anderen morden luid en riepen zelfs dat Burchard
+de dingen overdreef en den graaf ten onrechte beschuldigde; maar de
+overige leden der vergadering juichten den redenaar toe, en zoo ontstond
+er een groot gerucht in de zaal.
+
+De stem verheffende, overneerschte Burchard al het gedruisch en sprak:
+
+"Ik ben in het bezit van het woord en zal het behouden totdat ik gedaan
+heb!... Karel van Denemarken is ons vreemd; al zijne gedachten zijn
+Romaansch. Voor hem zijn er op de wereld slechts twee soorten van
+menschen mogelijk, dit is beheerders die gebieden en slaven die onder
+den stok der meesterschalken in het juk loopen. Dat er vrije menschen
+kunnen bestaan die ploegen, weven, handel drijven of de zee bevaren, dit
+begrijpt hij niet; ja, hij ziet het als eenen bloedigen hoon aan voor
+allen ridder van zoogezegde edele geboorte, dat nog anderen dan zij op
+persoonlijke vrijheid zich beroemen ..."
+
+"Gij spreekt van de Isegrims en niet van den vorst!" onderbrak Robrecht.
+
+"Ja, wij weten waarom mher Sneloghe den graaf wil sparen", wedervoer
+Burchard. "Het is ter gedachtenis van zijnen vader zaliger, die een
+vriend van Karel was. Ik zie het aan als eene slecht begrepene
+dankbaarheid, en herhaal hier met eene vaste overtuiging: die Karel van
+Denemarken is een bedrieger, een valschaard. Hij veinsde inderdaad veel
+prijs te hechten aan de faam van streng en rechtvaardig te zijn; maar,
+zegt het mij: heeft hij onder dien gehuichelden schijn ooit eenen Kerel
+recht laten wedervaren? Of willen wij nu het bloed bij stroomen gaan
+vergieten omdat wij den graaf te danken hebben voor zijne
+rechtvaardigheid? Dat de leenheeren hem prijzen en zijnen lof
+uitbazuinen, wat wonder? Hij is in alles hun beschermer en dus de
+natuurlijke vijand des volks ... Ja, betwist het zooveel gij wilt, mher
+Sneloghe, zelfs de poorters van Brugge, die van zijne willekeur
+afhangen, poogt hij te verdrukken. Gaat hij niet een groot gedeelte
+hunner nu den balfaart opleggen, alhoewel zij reeds hun deel in de
+lasten der poort betalen?... Wil ik u het eenige middel aanwijzen om
+onze vrijheid te behouden en zelfs in de toekomst tegen alle vervolging
+en alle verdrukking verzekerd te zijn? Wij moeten den graaf der Isegrims
+verloochenen en ons eenen graaf kiezen die geen vijand, maar wel een
+vriend der Kerels zij!"
+
+Dit onverwacht voorstel trof de aanwezigen met verbaasdheid, en er bleef
+eene wijl eene betrekkelijke stilte heerschen, alhoewel eenige leden der
+vergadering met luider stemme tegen den vermetelen redenaar uitvielen.
+
+"Ik heb niet gedaan", zeide deze, "maar ik wil toelaten dat mijne
+wederstrevers nu spreken, op voorwaarde dat mij het woord teruggegeven
+worde, zoohaast wij hunne opmerkingen zullen gehoord hebben."
+
+Een algemeen handgeklap betuigde dat men dit voorstel goedkeurde.
+
+Hierop stonden Hacket en nog twee of drie anderen beurtelings op en
+deden rechtzinnige pogingen, niet om den graaf te verrechtvaardigen,
+maar slechts om hem te verschoonen, als zijnde de grieven der Kerels
+hoofdzakelijk te wijten aan de Isegrims, die den graaf uitsluitend
+omringden en allen anderen invloed van hem hadden verwijderd.
+
+Robrecht Sneloghe riep eene andere reden in, om het voorstel van
+Burchard als ontijdig en schadelijk te doen verwerpen. Hij wees op de
+beroering, welke het verloochenen van den graaf door de vrije Ambachten
+in gansch Vlaanderen en zelfs tot in het hart van Frankrijk, waar Karel
+van Denemarken vele vrienden telde, zou veroorzaken. Zou men dus de
+Kerels blootstellen aan den haat van gansch de Westerwereld? En zouden
+zij niet onfeilbaar bezwijken, indien men hun zoovele vijanden te gelijk
+op den hals trok? Zij wilden hunne vrijheid en hun recht verdedigen;
+maar moesten zij daarom, zelfs voor het begin van den oorlog, den graaf
+van zijne kroon berooven?
+
+Burchard antwoordde hierop, dat hij zich om de goedkeuring der Franschen
+niet bekreunde, die wel genoeg te doen hadden om zich tegen de
+Engelschen in Normandie te verdedigen. En wat de overige gewesten van
+Vlaanderen betrof, hij poogde te bewijzen dat de gemoederen daar niet
+minder ontevreden waren dan in Kerlingaland.
+
+Wat konden de Kerels bij eene eindelijke zegepraal winnen, indien hun
+grootste vijand, indien Karel van Denemarken de kroon bleef dragen?
+Volgens hem moest men in dezen oorlog, wilde men een beslissend einde
+aan de vervolging zien, alles op het spel zetten en den graaf dwingen
+zijne kroon tegen de vrijheid der Kerels te wagen. Alle halve middelen
+doemde hij als ingesproken door vreesachtigheid en lage aarzeling.
+
+Volgens de gewoonte zulker vergaderingen werden de woorden van Burchard
+het meest toegejuicht, alleenlijk omdat hij de geweldigste middelen
+voorstelde.
+
+Willem Van Wervick en Ingelram Van Eessen hadden al zijne woorden met
+geestdrift toegejuicht, en nu en dan vuriger nog dan hij, hunnen haat
+voor graaf Karel uitgedrukt.
+
+Na eenige wederspraak van beider zijde, staakten Hacket en Robrecht
+hunne vruchtelooze pogingen, daar de meerderheid hen met onwil aanhoorde
+en luidruchtig riep dat men tot de stemming zou overgaan.
+
+De Voorman herhaalde in een kort begrip, wat de verschillende redenaars
+het gewichtigst over de hangende zaak hadden doen gelden.
+
+Dan zeide hij:
+
+"Gezellen, vooraleer tot de stemming over te gaan, meen ik u te mogen
+herinneren dat elk onzer door zijnen gildeneed verbonden is de besluiten
+van den Hoop te aanvaarden en rechtzinnig en trouw tot hunne uitvoering
+mede te werken, welke ook zijne bijzondere meening over deze besluiten
+zij. Wie deze verplichting niet geheel aanvaardt, dat hij opsta en het
+verklare!... Niemand antwoordt, het is wel. Nu zal ik de voorstellen u,
+onder vorm van vragen, toerichten. Wie de hand in de hoogte steekt
+antwoordt bevestigend, wie dit niet doe, stemt tegen het voorstel ... Ik
+vraag u dus ten eerste: zullen de vrije Ambachten van Kerlingaland de
+wapens opvatten en oorlog voeren tegen den graaf!"
+
+De gansche vergadering sprong recht met de handen opgeheven.
+
+En toen de Voorman uitriep:
+
+"De Hoop besluit eenparig tot den oorlog!" volgde er onmiddellijk een
+langdurig gejuich, vermengd met blijde kreten en met woeste bedreigingen
+tegen de Isegrims.
+
+De hamerslag hergalmde driemaal.
+
+"Nu de tweede vraag", zeide de Voorman, "Verloochenen de vrije Ambachten
+Karel van Denemarken als graaf van Vlaanderen?"
+
+Bij dit voorstel werd het noodig geoordeeld de stemmen te tellen; want
+een zeker getal afgevaardigden hadden de handen niet opgestoken.
+
+Evenwel, men bevond dat de grootste meerderheid het voorstel aanvaardde,
+en de Voorman kondigde dus den uitslag af:
+
+"De Hoop besluit dat de vrije Ambachten Karel van Denemarken niet meer
+als graaf van Vlaanderen erkennen."
+
+Weder werd deze beslissing door luid gejuich begroet.
+
+Eenigen der aanwezigen nochtans waren droef of schrikten terug van den
+gevaarlijken stap dien men hier zoo lichtvaardig waagde. Robrecht
+Snelooghe schudde het hoofd in diepe overweging; op het gelaat van
+Hacket stond eene zure grijns van ontevredenheid.
+
+"Ik vraag het woord!" riep Burchard Knap.
+
+En zoohaast de Voorman toestemmend hem had geantwoord, sprak hij:
+
+"Gezellen, ik wensch u geluk over uwe manmoedige besluiten. Gelooft mij,
+gij hebt gedaan wat Kerlingaland van zijne vrije, van zijne onversaagde
+zonen mocht verwachten. Nu hebben wij geenen vorst meer. Ik raad u aan,
+zonder deze zaal te verlaten, eenen anderen graaf te kiezen en uwe
+stemmen op zulken persoon te richten die als opperveldheer ons ten
+oorlog kan geleiden. Wij mogen geenen tijd verliezen om ons zulken
+leidsman te geven. Ik zal mij verstouten iemand aan uwe keus voor te
+stellen. Een afstammeling onzer wettige graven is mher Willem Van
+Loo...."
+
+"Willem Van Loo, leve Willem Van Loo!" riepen velen der aanhoorders;
+maar de Voorman klopte met den hamer, en Burchard hernam:
+
+"Laat mij voortgaan, gezellen: mher Willem Van Loo, thans burggraaf van
+Yperen, is een kleinzoon van onzen beroemden graaf Robrecht De Vries. De
+moeder van mher Willem was eene vrije Kerlinne; hem vloeit dus
+Kerlenbloed in de aderen. Hij kent ons en heeft zijn gansch leven in ons
+midden gesleten. Hij heeft reeds als veldheer groote legers aangevoerd
+en is een beroemd krijgsman. Schijnt het niet dat God zelf dezen telg
+van onzen ouden grafelijken stam heeft gespaard, om ons ter zegepraal te
+leiden? Welaan, roepen wij mher Willem Van Loo met eenparige stemmen tot
+graaf van Vlaanderen uit."
+
+De kreten: "Leve Willem, graaf van Vlaanderen! Heil, heil onzen graaf!"
+weergalmden zeer lang en zoo algemeen dat niemand het nuttig achtte de
+stemming door het opsteken der handen te bevestigen.
+
+Toen het mogelijk was zich weder te doen hooren, vroeg iemand of men
+zich mocht verzekerd houden dat Willem van Loo uit de handen der Kerels
+de kroon van Vlaanderen zou willen aanvaarden. Deze kroon moest nog ten
+prijze van veel bloed misschien, en door zegepralen gewonnen worden. Zou
+mher Willem toestemmen om deze kans te wagen?
+
+"Twijfel er niet aan", antwoordde Burchard. "Willem Van Loo stemt toe om
+zijn lot aan het lot der Kerels te verbinden; met ons zal hij overwinnen
+of bezwijken ... En, wil de vergadering mij oorlof geven om deze zaal
+eenige oogenblikken te verlaten, ik zal terugkeeren met mher Willem Van
+Loo, en hij zelf zal u van zijne aanvaarding verzekeren."
+
+
+"Hoe? Wat beduidt dit? Hij kende dus op voorhand onze beslissing?" riep
+eene stem.
+
+"Neen", wedervoer Burchard, "ik ben naar Yperen gegaan en heb hem
+medegedeeld welke voorstellen ik hier wilde doen. Ten volle zeker van uw
+besluit, omdat het alleen Kerlingaland kan redden, heb ik hem verzocht
+mij naar Veurne te vergezellen. Zoo spaar ik u veel verlies van tijd en
+langdradig gaan en komen. Heb ik onze taak daarmede niet eenen goeden
+dienst bewezen?"
+
+"Ja, ja, eenen grooten dienst!" riep men van alle kanten.
+
+"Welnu", zeide Burchard, "de Voorman geve aan de wachten en klerken, bij
+de deur der zaal en bij de poort der Halle, bevel om eenen ridder, die
+tot de Hoop niet toebehoort, met mij in de zaal te laten treden,"
+
+Hierop verliet hij de Halle.
+
+De vergadering bleef met groot gerucht over deze haastige keus twisten
+en kouten, totdat de deur weder werd geopend en mher Willem Van Loo
+waarlijk in de zaal trad.
+
+Hij werd onder het herhaald gejubel van: "Leve Willem, graaf van
+Vlaanderen! Heil, heil onzen graaf!" door Burchard op de verhevenheid
+geleid, waar de Voorman, met eenige woorden van hulde en gelukwensching,
+hem den middelzetel aanbood.
+
+Willem Van Loo was een ridder van meer dan gewone gestalte en
+lichaamskracht. Zijn blik was trotsch en indrukwekkend, doch zijne
+lippen waren dun, en rondom zijnen mond liepen twee zonderlinge rimpels,
+die zijn gelaat een voorkomen van list of van achterdocht gaven.
+
+Terwijl men nog immer voortging met hem als graaf van Vlaanderen toe te
+juichen, zette Willem zich neder; en toen hij bespeurde dat de
+welkomskreten verminderden, stond hij op en sprak dus tot de
+vergadering:
+
+"Vrienden van Kerlingaland, gij biedt mij de kroon van Vlaanderen aan,
+die mijne voorvaderen zoo roemrijk hebben gedragen. Ik aanvaard ze uit
+uwe handen, dit is te zeggen, dat wij te zamen goed en bloed gaan wagen
+om ze den vreemden overweldiger te ontrukken. Elk uwer doe zijnen plicht
+als vrij man en als Kerel; ik zal den mijnen doen als uw aanleider en uw
+vorst. Eischt gij van mij eene belofte of eenen eed, ik zweer u dat ik
+uw recht en uwe vrijheid zal eerbiedigen; maar mij insgelijks zult mij
+beloven gedurende dezen oorlog mij in alles te gehoorzamen en mij
+willekeurig onze krijgsverrichtingen te laten leiden, zooals ik het goed
+zal vinden. Ik eisch deze belofte van u niet als vorst, maar als
+legeroverste. Zonder een eenig hoofd kan men in den oorlog niets ... Nu,
+belooft uwen veldheer deze gehoorzaamheid."
+
+Al de handen gingen in de hoogte en de kreten: "Ja, ja, wij beloven
+het, wij zullen u gehoorzamen!" versmolten tot een verward en
+luidruchtig geraas.
+
+Willem Van Loo moest reeds op voorhand overwogen hebben wat hij hier zou
+zeggen; want hij hernam onmiddellijk het woord.
+
+
+[Illustratie: Vrienden van Kerlingaland (Bladz 232.)]
+
+
+"Welaan dan, gezellen", sprak hij, "ziehier mijne eerste bevelen. Zooals
+gij het hebt besloten, zal gansch Kerlingaland zijne weerbare mannen te
+wapen roepen en ze tot mijne beschikking stellen, opdat ik ze aanvoere
+tegen den vijand. Het is niet raadzaam dat onze gewapende Kerels eenzaam
+of bij kleine benden de Ambachten doorkruisen, vooraleer wij eene zekere
+macht hebben verzameld. Daarom, bereidt alles metterhaast en in stilte,
+opdat uwe mannen allen te gelijk zich op weg kunnen begeven in den nacht
+van Maandag tot Dinsdag toekomende, dat is binnen zes dagen, op zulke
+wijze dat zij bij zonsopgang ter vergaderplaats des legers verschijnen.
+Deze vergaderplaats is het Wolvennestbosch boven Koyhem. Mijn ontwerp is
+gemaakt; het berust op mijne lange ondervinding van den oorlog in deze
+gewesten. Allereerst zullen wij in het vlakke veld ons leger goed
+inrichten, met den burg van Yperen, die in mijn bezit is, tot steunpunt
+en voorraadstapel. Men houde zich in de overige burgen, alsof men geheel
+vreemd was aan den opstand. Wanneer ik later met ons zegevierend leger
+opvolgend voor elken burg verschijn, zal het tijd genoeg zijn om van
+binnen ons te helpen. Onze macht mogen wij niet verstrooien: blijven wij
+overwinnaars in het open veld, dan zullen de burgen van zelf hunne
+poorten voor ons openen. Dit is voor alsnu mijn ontwerp; maar deden de
+voorvallen mijne gedachten desaangaande veranderen, gij zoudt allen
+zonder onderzoek en zonder vertraging mijne bevelen uit te voeren
+hebben. Van de macht, welke gij mij heden hebt toegekend, zal ik gebruik
+maken met onverbiddelijke strengheid, en degenen die mij gehoorzaamheid
+weigeren de straf der landverraders doen onderstaan. Het is noodig tot
+het bereiken van ons doel. Zoolang deze oorlog duurt, is uw veldheer
+alleen meester ..."
+
+Eenig gemor liet zich hooren.
+
+"Mishaagt u deze wet?" vroeg Willem ontevreden. "De vergadering zegge
+het mij, en ik verzaak onmiddellijk de zware taak die ik had aanvaard."
+
+"Neen, neen; leve Willem, onze graaf!" riep men met herhaald gejuich.
+
+"Wel zoo, gezellen", zeide Willem. "Doen wij nu allen onzen plicht met
+vastberadenheid en trouw ... Ik zie in de vergadering velen mijner
+vrienden, wien ik te dezer gelegenheid gaarne de hand zou drukken, en
+andere gezellen, met welke ik wensch kennis te maken. De Voorman hebbe
+de goedheid mij tot hen te geleiden en mij hunne namen te noemen, opdat
+ik ze herkenne, als wij te zamen tegenover den gemeenen vijand zullen
+staan."
+
+Na deze woorden daalde hij met den Voorman van de verhevenheid en ging
+tusschen de banken, hier minzaam groetende, daar handen drukkende,
+overal vriendelijke woorden sprekende en elkeen door eenige aangename
+woorden gunstig stemmende. Deze verbroedering tusschen den nieuwen vorst
+en de afgevaardigden der Ambachten eenigen tijd geduurd hebbende,
+beklom Willem Van Loo opnieuw de trede en sprak:
+
+"Vrienden, om redenen, welke gij licht zult begrijpen, acht ik het
+noodig nu deze vergadering en zelfs de stad Veurne te verlaten In het
+Wolvennest-bosch zullen wij elkander wederzien. Daar zullen wij uwe keus
+met veel plecht, in tegenwoordigheid van het vergaderde leger,
+afkondigen; want dan eerst zullen wij de macht hebben om haar tegen
+andersdenkenden te verdedigen. Tot dan houdt alles, wat hier beslist is
+geworden, zoo geheim mogelijk. In het Wolvennest zullen wij te zamen
+regelen wat nog te regelen is. Hebt betrouwen in onze zaak, gezellen. Ik
+heb reeds jaren lang oorlog gevoerd tegen Karel van Denemarken, en hem
+bijna overwonnen, alhoewel ik mij slechts door een gering gedeelte der
+Kerels geholpen zag. Nu gaat gansch Kerlingaland opstaan tot het
+verdedigen zijner vrijheid. Sterk door zulke eendracht, wat zouden wij
+vreezen? Wij zijn onverwinnelijk!"
+
+"Ja, ja, onverwinnelijk! Leve Willem Van Loo, onze graaf!" riep men met
+geestdrift van alle kanten.
+
+"Ik herhaal u nog eens mijne oprechte dankbetuiging voor uw vertrouwen
+in mij", zeide Willem. "Blijft in deze zaal, vrienden, en zet vreedzaam
+uwe beraadslagingen voort; doch haast u, na afgedane zaken naar uwe
+Ambachten weder te keeren, om daar zonder tijdverlies alles te bereiden.
+Vaartwel, tot wederziens in het Wolvennest!"
+
+Eene laatste toejuiching dreunde hem achterna, toen hij de zaal verliet.
+
+Burchard, die hem alleen volgen zou, doch niet met hem in de straten van
+Veurne wilde gezien worden, bleef nog eene wijl met Disdir Vos in stilte
+kouten. Dan, naar de deur stappende, ging hij tot Robrecht Sneloghe en
+zeide hem met eenen glimlach:
+
+"De zaken zijn hier niet afgeloopen naar uwen wensch?"
+
+"Niet gansch, inderdaad", antwoordde Robrecht. "Wat beslist is eerbiedig
+ik evenwel en onderwerp er mij aan."
+
+"En gij zult den nieuwen graaf verkleefd zijn en gehoorzamen?"
+
+"Zeker, hij is der Kerlen vorst."
+
+"En gij zult zijne bevelen volbrengen zonder onwil?"
+
+"Blindelings. Het is mijn plicht. De uitspraak van den Hoop aanvaard ik
+als eene onverbrekelijke wet."
+
+"Alzoo, wij mogen u in het Wolvennest verwachten met de mannen van
+Houthem?"
+
+"En met de mannen van Ravenschoot en nog anderen: te zamen meer dan
+vijfhonderd man."
+
+"Gij zijt een eerlijk en edelmoedig ridder", zeide Burchard, hem de hand
+reikende. "Ik zal u in de gunst van onzen graaf bevelen. Nu vaarwel!"
+
+"Gij ziet wel dat gij u over Robrecht misgrijpt", murmelde hij aan het
+oor van Disdir Vos, die deze samenspraak had afgeluisterd "Hij is bereid
+om mher Van Loo in alles zelfs blindelings te gehoorzamen."
+
+Disdir Vos schudde zwijgend het hoofd.
+
+Na eenen handdruk met hem te hebben gewisseld, verliet Burchard de zaal
+en haastte zich, in eene herberg aan het uiteinde der stad, Willem Van
+Loo te gaan vervoegen.
+
+Deze zat reeds te paard met vier andere ruiters, die hem als lijfwacht
+hadden vergezeld. Een der ruiters hield een los paard voor Burchard Knap
+gereed.
+
+Zoohaast deze laatste opgestegen was, reed het gezelschap de stadspoort
+uit en vervorderde zijnen weg op eenen goeden draf, totdat men Bulscamp
+voorbij was en Wulveringhem ging naderen.
+
+Dan vertraagde Willem den gang van zijn paard en gaf den wapenlieden
+bevel om op eenigen afstand achteruit te blijven.
+
+Hij begon in vol vertrouwen met Burchard te kouten over zijne kiezing
+door den Hoop, over den oorlog en over zijne uitzichten voor de
+toekomst. Dat de koning van Frankrijk zich met de zaak zou willen
+bemoeien en zich in dit geval tegen de Kerels zou verklaren, dit moest
+men als mogelijk aanzien; maar Willem Van Loo zou onmiddellijk boden
+uitzenden om de hulp des konings van Engeland te verzoeken, en men mocht
+verhopen dat er zoohaast mogelijk eene Engelsche vloot in het Swin zou
+verschijnen om de Kerels te ondersteunen. De twijfel aangaande de vraag,
+welk gedrag de koning van Frankrijk in dezen strijd voor de kroon van
+Vlaanderen zou houden, bekommerde mher Willem evenwel zeer. Het Fransche
+leger was toch zoo dicht bij de grenzen van Kerlingaland! En
+daarenboven, Karel van Denemarken was door vleierij en door slaafsche
+onderwerping den koning niet alleen een knecht, maar tevens een
+lieveling geworden.
+
+Ter gelegenheid dezer bedenking, stortte Burchard geheel zijnen haat
+tegen Karel van Denemarken uit; hij noemde hem huichelaar, valschaard,
+bedrieger en dief; ja, hij zeide dat de gelukkigste dag zijns levens die
+zou zijn waarop hij zou vernemen dat die verachtelijke Karel gestorven
+of gesneuveld was, en dus eindelijk zijne ziel der helle, waaraan zij
+toebehoorde, had overgeleverd.
+
+Deze taal behaagde Willem Van Loo ten uiterste; want in zijn hart lag
+evenveel haat tegen graaf Karel, iets dat genoeg te begrijpen was,
+aangezien hij hem kon beschuldigen de kroon van Vlaanderen hem te hebben
+ontroofd.
+
+Nadat zij dus langen tijd waren voortgegaan met gal tegen hunnen
+gemeenen vijand te spuwen, zagen zij van verre twee ruiters in vollen
+draf hen te gemoet komen.
+
+Het verwonderde hen in het eerst, maar toen zij meer genaderd waren,
+herkende Willem eenen der beide ruiters als zijnen dienaar.
+
+Deze hield zijn paard voor zijnen meester staan en zeide:
+
+"Heer burggraaf, ziehier een man die u zoekt; hij komt van Atrecht en
+heeft eene haastige boodschap van mher Godevaart Van Belle voor u."
+
+"Komt gij van het leger? En weet gij wat uwe boodschap behelst?" vroeg
+mher Willem.
+
+"Ik kom van het leger, heer", antwoordde de bode, "maar de tijding die
+ik u breng is mij onbekend."
+
+Dit zeggende, haalde hij eenen gesloten brief van onder zijn kleed, en
+reikte hem mher Willem toe, die hem met zekere bekommerdheid opende.
+
+Wat daarin te lezen stond, moest hem onaangenaam verassen, want hij
+scheen te verbleeken. Hij bedwong evenwel onmiddellijk zijne
+ontsteltenis en stak den brief in zijne tasch, terwijl hij tot zijnen
+dienaar zeide:
+
+"Rijdt in allerhaast terug naar Loo met den bode; geef hem eten en
+drinken. Hij wachte mij daar; ik moet hem spreken."
+
+Hij deed teeken tot zijne wapenlieden, dat zij achteruit zouden
+blijven, zette zijn paard op eenen langzamen stap en sprak dan met eenen
+diepen zucht tot Burchard:
+
+"Noodlottige tijding, mijn vriend: de kroon die ik reeds op mijn hoofd
+voelde, ontsnapt mij!"
+
+"Wat wilt gij zeggen, heer graaf?" mompelde Burchard verschrikt.
+
+"Weet gij wat dien brief mij meldt? Morgen zal er een leger ridders, met
+hunne wapenlieden tweeduizend sterk, allen Isegrims, uit Atrecht
+vertrekken, om de Kerels tot het eerbiedigen van het edict over den
+balfaart te komen dwingen. Zij zullen onmiddellijk door talrijke benden
+wapenlieden te voet worden opgevolgd; met hoe weinig spoed deze ridders
+ook reizen, zullen zij in Kerlingaland verschijnen voordat ons leger
+vergaderd zij."
+
+"Maar laat ons in allerijl naar Veurne terugrijden en bevelen dat men de
+mannen der Ambachten onmiddellijk tot u zende", antwoordde Burchard.
+"Zoo zouden de ridders eenen krachtigen wederstand ontmoeten, en wij
+zouden tijd winnen tot het verzamelen onzer heirkrachten."
+
+"Onmogelijk. De meeste leden van den Hoop hebben Veurne reeds verlaten;
+het daglicht vermindert, de avond zal welhaast vallen. En daarbij, wat
+zou het helpen? Meent gij dat ik met eenige bijeengeraapte mannen de
+kans zou wagen tegen tweeduizend ridders? Eilaas, de hemel is ons niet
+gunstig! De Isegrims zullen metterhaast alle burgen en kasteelen
+bezetten, en dan zijn onze pogingen op voorhand verijdeld. Ik ben reeds
+in zulken ongelukkigen oorlog bezweken. Nu wil ik het zwaarwichtig spel
+niet meer wagen, zonder eenige kans op overwinning. Wij moeten plooien
+en betere tijden afwachten. Ik zal boden naar alle Ambachten sturen om
+voorloopig eene lijdzame onderwerping te doen veinzen."
+
+Burchard gromde wel in zich zelven en knarste de tanden; maar hij zeide
+niets: de erge tijding vervulde hem met angst.
+
+"De listige, booze Karel van Denemarken!" morde hij eindelijk "Dit
+geheele spel van rechtsverkrachting en huichelarij was op voorhand
+bestoken!"
+
+"Ja, Karel van Denemarken is ons te slim!" zeide Willem met eenen
+zucht. "Mocht hij van zijn paard storten of op eene andere wijze den
+hals breken, dan waren wij van den dwingeland verlost, en de ridders
+zelven zouden mij als graaf van Vlaanderen erkennen. Maar dit is eene
+ijdele wensch. Het staat daarboven geschreven, dat ik nimmer den troon
+mijner vaderen zal beklimmen Waarom langer worstelen tegen het
+onverbiddelijk noodlot? Onderwerpen wij ons verduldig. Anders blijft mij
+niet meer over ..."
+
+Beiden zwegen eene wijl, als neergedrukt onder de overtuiging hunner
+onmacht.
+
+Eensklaps slaakte Burchard eenen zonderlingen kreet. Mher Willem zag hem
+verwonderd aan.
+
+"Indien iemand u kwam zeggen: Karel van Denemarken is dood", vroeg
+Burchard met verdoofde stem, "zoudt gij den bode gunstig onthalen?"
+
+"Ik ware bekwaam om hem op mijn hart te drukken!"
+
+"En zoudt gij hem vragen op welke wijze Karel van Denemarken is
+gestorven?"
+
+"Wat geeft het mij, indien Vlaanderen slechts van den vreemden
+overweldiger wordt verlost?"
+
+"Hoor mij aan met aandacht, heer graaf", sprak Burchard, "en heb
+vertrouwen in mij. Vraag mij niets meer, geen enkel woord; laat de
+Kerels binnen zes dagen vergaderen op de aangewezene plaats, en wacht op
+eene ontzettende tijding van mij. Ik hoop dat gij mij hebt begrepen? Uw
+handdruk is mij daarvan een bewijs. Welnu, laat mij vertrekken; ik wil
+over Beerst en Thourout naar Aartryke. Daar moet ik zekere Houtkerels
+spreken. Morgennacht ben ik in Brugge. Wederhoud mij niet, graaf, het is
+nu bijna duister: alles begunstigt mij. Vaarwel!"
+
+En zonder eenigen anderen uitleg dreef hij zijn paard in eenen aardeweg.
+Willem Van Loo, ontsteld en stom, schouwde hem achterna, totdat hij
+tusschen de eerste boomen van een klein bosch uit zijn gezicht verdween.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 49: "De _Hoop_ was eene volksvergadering waar men over de
+staatsbelangen der bevolking van de Vlaamsche zeegewesten
+beraadslaagde."
+
+VICTOR DE RODE. _Ann. Fl. de Fr._, t. VIII, p. 113.]
+
+[Voetnoot 50: Dat niemand zich verstoute den eed te zweren, waarmede men
+zich pleegt aan de gilden te verbinden. Welke ook de voorwaarden zijn,
+dat niemand zich bij eede verplichte tot geldelijke bijdrage, aangaande
+de gevallen van schipbreuk of van brand.
+
+_Capit. Caroli Magni_ a. 779, art. XIV.]
+
+
+
+
+XII
+
+
+Het was reeds lang duister; in de straten der stad Brugge heerschte eene
+volledige stilte.
+
+Dakerlia, gansch in rouwgewaad, zat voor eene tafel in haren Steen. Bij
+de smokige vlam der koperen lamp loste haar bleek gelaat zonderling op
+haar zwart kleedsel uit. Van tijd tot tijd rolden er nog eenige tranen
+op hare wangen; want ondanks de pogingen harer vriendin Witta, die
+nevens haar was gezeten, ontstond het beeld haars vader immer opnieuw
+voor hare oogen. Zij hoorde zijnen laatsten noodkreet in hare ooren
+klinken; zij zag hem met de doodkramp op de lippen en het kruis op de
+borst uitgestrekt liggen; zij zag hoe men te midden van het Mariakerkhof
+zijn lijk in het graf nederliet; in haar sidderend hart hergalmde nog
+het doffe gebons der aarde, door magen en vrienden als een laatste
+vaarwel op de lijkbaar geworpen ...
+
+Maar hare bedruktheid was rustig geworden en in eene lijdzame mijmerij
+veranderd.
+
+Op eene vertroosting van Witta antwoordde zij met gelatenheid:
+
+"Lieve vriendinne, waarom toch vermoeit gij u, om mijne droeve gedachten
+af te keeren? Het is vruchteloos. Zou ik nu een enkel oogenblik mijnen
+armen vader kunnen vergeten? Hem, die mij zoo beminde! Toen op den
+noodlottigen dag der afkondiging zijne wonde openscheurde, stuurde hij
+mij nog eenen blik toe, zoo vol eindelooze liefde, zoo vol treurnis ...
+En ik zou er niet aan mogen denken?"
+
+"Daar weent gij nu alweder", zeide Witta. "Gij zijt niet redelijk,
+Dakerlia. Uw vader is daarboven bij den Heer. Hij ziet ons ongetwijfeld.
+Meent gij dat het zijne zalige ziel verblijden kan dat gij u ziek
+maakt?"
+
+"Eilaas, ik weet het wel, Witta, en ik zeg het mij zelve genoeg, dat
+tranen dit schromelijk ongeluk niet kunnen herstellen; maar tranen
+verlichten mijne smart. Mettertijd zal ik allengs wat moed
+terugvinden.... Morgen, niet waar? Morgen zeer vroeg zullen wij naar het
+kerkhof gaan en langer nog dan heden op zijn graf bidden?"
+
+"Zoolang gij wilt, Dakerlia; maar spreken wij nu van andere dingen."
+
+
+[Illustratie: Willem Van Loo ontsteld en stom schouwde hem achterna]
+
+
+"Van wat kunnen wij spreken?"
+
+"Van mijnen broeder."
+
+"Ja, van Robrecht. Hij insgelijks is ontroostbaar. Zijn medelijden met
+mijne smart is oneindig. Toen hij dezen namiddag hier met u was, kon hij
+nauwelijks spreken, omdat ik mij door de smart liet overwinnen. Hij zou
+mij willen troosten en schijnt geene rust meer te hebben ..."
+
+"Zeker, zijn verdriet is groot; maar dit is het niet", bemerkte Witta
+met verdoofde stem. "Wat hem onrustig maakt en hem aanjaagt is een
+geheim, dat hem op het hart ligt."
+
+"Een geheim?"
+
+"Ziet gij, Dakerlia, hij is dezen nacht van Veurne wedergekeerd Toen ik
+in den vroegen morgen, zonder u te wekken, dezen Steen verliet, om ten
+onzent bevelen tot den huisdienst te gaan geven, vond ik mijnen broeder
+reeds beneden met het hoofd in de handen en diep in gedachten verzonken.
+Ik vroeg hem wat men in den Hoop te Veurne heeft verricht; maar hij gaf
+mij afwijkende antwoorden. Ik ken hem, en het was mij gemakkelijk te
+raden dat eene zeer gewichtige zaak hem bezighoudt ... Gij luistert
+niet, Dakerlia; gij denkt weer aan droeve dingen ..."
+
+"Ach, neen", zuchtte jonkver Wulf, "ik luister ... Welke zaak zou hem
+bezighouden? Het is te vermoeden, Witta. De Hoop te Veurne heeft kennis
+genomen van het edict op den balfaart. Misschien heeft men daar
+besloten, zooals de kastelein Hacket het moest voorstellen, nederige
+pogingen bij den graaf aan te wenden om het onrechtvaardig edict te doen
+intrekken. Dit slaat Robrecht met spijt en droefheid; want zoo leidt men
+de Kerels naar de eindelijke slavernij. Het is zijn gevoelen, en hij
+heeft gelijk."
+
+"Ik geloof dat gij u misgrijpt", wedervoer jonkver Sneloghe, "want toen
+ik hem dezen morgen van den balfaart sprak en de Kerels beklaagde,
+ontschoot eensklaps eene vonk van verontwaardiging zijnen oogen, en met
+eenen spotlach op de lippen, riep hij uit: "De balfaart? Nooit, nooit!"
+Hij bedwong zich even ras en ging morrend uit de kamer, alsof hij
+onwillig iets van het groote geheim had laten ontsnappen ... Gij zwijgt,
+Dakerlia. Begrijpt gij niet wat ik zeg? Immer dit treurig droomen!"
+
+"Ik begrijp", antwoordde jonkver Wulf. "Ach, indien mijn goede vader nog
+leefde! Hij wiens heldenmoed men roemde! Maar hij kan de vrijheid niet
+meer verdedigen; hij ligt in het koude graf."
+
+"Wees zeker, Dakerlia, het gaat oorlog worden."
+
+"Misschien."
+
+"Neen, twijfel er niet aan: mijn broeder heeft heden zijne beste
+wapenrusting overzien, en ze op eenen wagen bedektelijk naar Ravenschoot
+doen voeren. Dit beduidt toch wel iets, meent gij het niet?"
+
+En zoo, waarschijnlijk haar eigen vermoeden overdrijvend, spande de
+goede Witta alle mogelijke pogingen in om de gepeinzen harer vriendin
+van den dood haars vaders af te wenden. Het gelukte haar slechts bij
+poozen de aandacht van Dakerlia voor een oogenblik te vestigen, doch zij
+hield niet op en zette met vindingrijken geest hare liefdetaak voort,
+totdat het uur om ter rust te gaan was verschenen. Sedert het overlijden
+van Segher Wulf, sliep zij in Dakerlia's woning, om hare arme vriendin
+nimmer alleen aan hare treurnis overgeleverd te laten.
+
+Zij ontstak eene kaars en zeide:
+
+"Nu, Dakerlia, wij hebben lang genoeg gewaakt. De nachtrust versterkt
+den mensch. Wij zullen boven nog wat bidden."
+
+Maar nu werd de deur der kamer geopend, en Robrecht Sneloghe trad
+binnen.
+
+Hij ging tot zijne verloofde, drukte haar teederlijk de handen en sprak
+eenige zoete troostende woorden tot haar.
+
+Na eene wijl stilte zeide hij zeer ernstig:
+
+"Dakerlia, en gij, mijne zuster, ik bid u, luistert met aandacht op wat
+ik u ga melden. Morgen vroeg vertrek ik uit Brugge. Het is mogelijk dat
+er vele dagen, dat er weken verloopen voordat gij mij wederziet."
+
+"O, hemel, gij verlaat ons!" kreten de beide jonkvrouwen te gelijk, met
+angstige verrassing.
+
+"Blijft zonder de minste vrees", ging Kobrecht voort. "Ik heb alles
+voorzien en geschikt, opdat geen gevaar in mijn afwezen u bedreige.
+Trouwe, verkleefde dienaars zullen waken over uwe rust. Gebeurde er iets
+in de stad of in het land, dat u om meerderen steun of om eene veiligere
+schuilplaats deed wenschen, gaat naar den burg. In den Steen van mijnen
+oom Hacket zijn kamers voor u en voor uwe dienstmeiden in gereedheid
+gebracht. De proost van St-Donaas zal u onder zijne bescherming nemen en
+u dagelijks meer dan eens bezoeken."
+
+De beide jonkvrouwen zagen hem met verschriktheid aan.
+
+"Het wordt dus oorlog?" vroeg Dakerlia.
+
+"Het geheim van den Hoop moet elkeen heilig zijn, die het kent",
+antwoordde Robrecht. "Poog dus niet van mij te weten waarom ik u ga
+verlaten."
+
+Dakerlia en Witta begonnen te weenen, doch zonder klagen.
+
+"Ik begrijp en ik gevoel wel aan mijn eigen hart dat dit onverwacht
+vaarwel u moet bedroeven", zeide Robrecht, "maar troosten wij ons, in de
+gedachte dat ik waarschijnlijk binnen weinige dagen hier reeds terug zal
+zijn. Hoe het weze, in deze erge tijden, moet elk onzer zijne rust en
+zijne pogingen ten offer brengen voor de vrijheid. Aarzelen is eene
+lafheid, weigeren, zelfs door eenen geheimen wensch des harten, is eene
+misdaad. Ik mag dus met recht verwachten dat noch mijne verloofde, noch
+mijne zuster het zullen afkeuren dat ik, als trouw lid van het Gilde,
+mijnen plicht vervul. Gij zijt Kerlinnen en gij bemint uw land!"
+
+Deze strenge woorden brachten eenen plotselijken ommekeer in het gemoed
+der jonkvrouwen. Witta stortte nog eenige tranen, ofschoon zij zichtbaar
+geweld deed om haren angst te bedwingen. Dakerlia hief het hoofd met
+fierheid op, en terwijl een vreemde glimlach op hare lippen verscheen,
+zeide zij:
+
+"God dank, ja, wij zijn Kerlinnen, en zullen toonen dat zelfs de diepste
+smart ons het niet kan doen vergeten! Ga, Robrecht, ga waar de plicht u
+roept. Wij zullen bidden voor u en voor Kerlingaland en met vertrouwen
+afwachten wat het lot zal beslissen ... Gij vertrekt morgen zeer vroeg!
+Voor zonsopgang?"
+
+"Neen, ik zal den klaren dag afwachten; mijn vertrek is niet zoo
+haastig."
+
+"Welnu dan, mijn vriend, waarom zoudt gij nog dezen avond afscheid van
+ons nemen? Is er iets dat u belet ons morgen vaarwel te komen wenschen,
+wij onderwerpen ons gereedelijk; maar anders zullen wij zeer vroeg
+opstaan. Kan het zijn, gun ons nog dit geluk."
+
+"Het zij zoo, Dakerlia", antwoordde de jonge ridder. "Blijft dus met God
+tot morgen."
+
+Door zijne verloofde gevolgd, richtte hij zich naar de deur.
+
+Hier drukte hij nog teederlijk hare handen, neigde zijn hoofd over haren
+schouder en murmelde aan haar oor:
+
+"Wees tevreden, Dakerlia, wij gaan uwen vader wreken! Ik zal aan u
+denken altoos; uw beeld zal mijne star zijn; de vijand, terwijl hij valt
+onder mijn zwaard, zal terzelfdertijd uwen naam en den naam uws vaders
+hooren. Houd dit geheim!"
+
+De maagd wierp eenen diepen blik in zijne oogen en antwoordde:
+
+"Dank, dank, mijn vriend, doe uwen plicht!"
+
+"Goeden nacht, zuster, tot morgen."
+
+Met deze woorden verliet hij de zaal.
+
+Toen hij op het neerhof kwam, vroeg de schalk, die hem de poort opende,
+of hij mher Sneloghe niet met licht zou vergezellen; want het was zoo
+donker op de straat dat men de huizen niet kon ontwaren.
+
+Robrecht weigerde dezen dienst; zijn Steen toch was slechts eenige
+stappen verwijderd.
+
+De schalk sloot dus de poort achter hem en stak de grendels in.
+
+Terwijl Robrecht nu over de straat stapte en zijne woning naderde,
+scheen het hem dat eene menschenschaduw langs den muur voortsloop en
+naar hem toekwam. Hierover verwonderd, bleef hij staan, legde de hand
+aan het gevest van zijn zwaard, liet den onbekende naderen en vroeg dan
+met verdoofde stem:
+
+"Vliegt de Blauwvoet?"
+
+"Storm op zee!" antwoordde de schaduw zonder aarzelen.
+
+"Mijn oom Hacket! Gij hier op dit uur?"
+
+"Stil!" fluisterde de kastelein, "ik kwam u opzoeken in uwen Steen. Ik
+heb eene boodschap u te vertrouwen."
+
+"Het is een wonder dat ik nog niet slapen ben."
+
+"Ik hadde bevel gegeven om u te wekken, mijn neef. Nu, doe de poort
+openen."
+
+Robrecht klopte op eene hem gewone wijze, en schier onmiddellijk kwam er
+een schalk achter de poort staan.
+
+"Zijt gij het, mher Sneloghe?" vroeg hij.
+
+Op het bevestigend antwoord werd Robrecht met zijnen oom binnengelaten.
+
+Beiden begaven zich in eene zaal, waar eene brandende lamp aan het
+gewelf hing. De kastelein sloot de deur langs binnen, trok eenen
+gezegelden brief uit zijne tasch, en dien den jongen ridder toereikende,
+zeide hij:
+
+"De proost is niet van zijn voornemen af te brengen. Nadat gij ons hadt
+verlaten, is hij er weder op teruggekomen en heeft eindelijk, ondanks
+mijnen raad, besloten toch eenen brief aan Willem Van Loo te schrijven.
+Dien brief zult gij hem overhandigen De proost verzoekt u de boodschap
+op uwe borst te verbergen; want, werd zij door 's graven lieden verrast,
+onze vijanden zouden het geheim van den Hoop geheel kennen."
+
+"Heb geene vrees: ik zal de boodschap trouw volbrengen. Mag ik weten,
+oom, wat de brief behelst?"
+
+"Gij kunt het wel vermoeden. Mijn broeder dringt bij Willem Van Loo op
+alle wijzen aan, om hem de vijandelijkheden te doen uitstellen, zelfs
+dan nog wanneer het Kerlenleger zal vergaderd zijn. Hij laat hem weten
+dat onze graaf Karel het oor schijnt te willen leenen aan het voorstel
+om hem eene aanzienlijke bede uit den Gildenschat toe te staan."
+
+"Maar mijn oom de proost bedriegt zich!" riep Robrecht met ongeduld.
+"Veinst men aan het hof van goeden wil te zijn, het is slechts om tijd
+te winnen en ons in slaap te wiegen!"
+
+"Zoo denk ik er nu insgelijks over, gij weet het, neef. Daarom evenwel
+moogt gij mij niet weigeren den brief aan Willem Van Loo af te geven.
+Hij kan dan nog beslissen wat hij wil."
+
+"Inderdaad, oom. Ik zal doen wat de heer proost verlangt."
+
+"Hij verzoekt u daarenboven zijne voorstellen bij Willem te ondersteunen
+en alle mogelijke pogingen aan te wenden om hem te doen aanvaarden."
+
+"Dit kan ik niet", zeide Robrecht ontevreden. "Ik weiger volstrekt deze
+zending. Volgens mijne vaste overtuiging valt er niet meer te aarzelen.
+De omstandigheden schijnen ons zeer gunstig; men moet zonder omzien er
+gebruik van maken. Bij al dit omzien en dralen verliezen wij den moed en
+worden de Kerels hunnen vijand ten spot. Mijn oom de proost weet wel dat
+ik daarover van een geheel ander gevoelen ben dan hij."
+
+"Doe naar uw goeddunken, neef."
+
+"Maar zeg mij, ik bid u, kastelein, kent gij den inhoud van den brief
+dien ik dragen ga?"
+
+"Ja, ik heb hem gelezen."
+
+"Hoe noemt de proost daarin mher Willem?"
+
+"Hij noemt hem burggraaf."
+
+"Maar het is gevaarlijk; met allen eerbied voor mijnen oom zou ik schier
+durven zeggen dat hij zijnen gildeneed ontrouw is. De Hoop heeft te
+Veurne beslist dat al de Kerels Willem Van Loo als graaf van Vlaanderen
+zullen erkennen. Waarom weigert de proost hem graaf te noemen?"
+
+"Gij weet het, Robrecht," antwoordde de kastelein, de schouders
+ophalende. "Mijn broeder heeft zich, in den vorigen oorlog voor de
+kroon, tegen mher Willem verklaard. Er bestaat tusschen hen, van
+wederzijde, een verborgene, doch diepe wrok. Het bedroeft hem oneindig
+dat men in den Hoop zulke gevaarlijke beslissing heeft genomen."
+
+"En bedroeft het mij niet, oom? Maar de onderwerping aan de besluiten
+van den Hoop is eene heilige wet, waarvoor alle Kerels, grooten en
+kleinen, moeten bukken. Mher Willem, de graaf van Vlaanderen,--zoo noem
+ik hem--zal, bij het lezen van den brief, verbitteren, wanneer hij zal
+zien dat de proost weigert hem als graaf te erkennen."
+
+"Ik heb er geene schuld aan, Robrecht; de proost heeft mijnen raad niet
+willen volgen. Hij kan er niet toe besluiten, mher Willem nu reeds als
+vorst te begroeten. Hij zal het later doen. Gij kondet de graaf
+uitleggen dat de proost nog geene bijzondere tijding over de
+verrichtingen van den Hoop heeft ontvangen."
+
+"Het zij zoo, ik zal mijnen oom pogen te verontschuldigen ... Maar
+indien graaf Willem den proost eenige bevelen zendt, zal hij
+gehoorzamen?"
+
+"Zonder twijfel, Robrecht. Wat mij betreft, ik verzoek u, mher Willem te
+melden, dat ik alles geheimelijk in gereedheid breng om den burg van
+Brugge voor de Kerels te behouden, en ik zijne bevelen afwacht om, waar
+het zijn kan, ze getrouwelijk te volbrengen. Blijf nu in vrede, mijn
+neef, en vergeet niet, wanneer gij in het leger zijt, ons zoo dikwijls
+als het mogelijk is tijding van u te zenden. Goeden nacht en goede
+reis!"
+
+Robrecht vergezelde zijnen oom tot buiten de poort van den Steen. Dan
+keerde hij terug naar de zaal, legde zijn zwaard af en zette zich neder,
+met den elleboog rustend op de tafel en de oogen onvast in de ruimte
+gericht.
+
+Hij overwoog het zonderling gedrag van zijnen oom Bertulf en voorzag dat
+uit den verborgen haat, dien hij en Willem Van Loo elkander toedroegen,
+nog ongelukkige verwikkelingen voor de Erembalds en misschien voor
+Kerlingaland konden ontstaan.
+
+Dien dag was Disdir Vos op den burg gekomen en had lang met den proost
+over de beslissingen van den Hoop gesproken. De oude Bertulf had zijne
+ontevredenheid en zijnen afkeer van mher Willem niet verborgen. Indien
+de nieuwe graaf door Disdir Vos of door iemand anders daarvan kennis
+kreeg, zou hij dan niet de Erembalds vijandig worden? De proost, anders
+zoo wijs en zoo voorzichtig, liet zich nu door een gevoel van haat
+verblinden.
+
+Terwijl mher Sneloghe daar bij de tafel zat en in verslondenheid den
+gevaarlijken toestand der zaken overdacht, stonden achter St-Janskapelle
+twee mannen, die in stilte doch met zekere driftigheid van hem spraken.
+
+Nevens den muur der kapelle, was de duisternis nog dikker; geen mensch
+hadde kunnen zien dat iemand zich daar bevond; evenwel hadde men ze
+kunnen hooren, want zij spraken zeer stil.
+
+"Nu, waarom wijkt gij terzijde? Waarom blijft gij staan?" vroeg de eene.
+
+"Zeg wat gij wilt", antwoordde de andere, "zoo sla mij Thors hamer,
+indien gij ons niet eene gevaarlijke dwaasheid doet begaan!"
+
+"Maar, neen", wedervoer de eerste fluisterende. "Het is tot het bereiken
+van ons doel volstrekt noodig dat Robrecht Sneloghe ons helpe."
+
+"Hij zal weigeren."
+
+"Geenszins."
+
+"Hij eerbiedigt te veel zijne ooms, en dezen schrikken terug van alle
+krachtdadigheid."
+
+"Dit is grondig veranderd. Robrecht staat op tegen zijne ooms en
+beschuldigt ze van lauwheid en ontrouw. Ik heb hem dezen morgen luidop
+tegen den proost hooren roepen dat hij, Robrecht, voor niets meer
+achteruitwijken wil en bereid is, met blinde onderwerping onzen nieuwen
+graaf te gehoorzamen; ja, dat hij voor hem zonder aarzelen goed en bloed
+zal ten offer brengen."
+
+"En evenwel kan ik het niet uit mijn hoofd krijgen dat wij eene domheid
+begaan."
+
+"Gij hebt mijne redenen goedgekeurd, gij en onze vrienden. Waarom dwingt
+gij mij nu ze alweder te herhalen? Wat wij gaan ondernemen belaadt ons
+met eene schromelijke verantwoordelijkheid. Om te beletten dat de
+proost en de kastelein zich tegen ons keeren, moeten wij mher Sneloghe
+met ons doen samenspannen en samenwerken. Zoo zullen dan de hoofden der
+Erembalds, uit verkleefdheid en liefde voor hem, ons allen beschermen en
+verdedigen Zeg Robrecht, dat onze graaf het beveelt of verlangt, en gij
+zult zien dat hij onmiddellijk zal toestemmen. Of twijfelt gij daaraan?"
+
+"Ik weet waarlijk niet", gromde de andere, half schertsende, "waarom gij
+zoo vurig en zoo onverwinnelijk aandringt om Robrecht deel aan onze
+onderneming te geven. Ik zou haast gaan denken dat gij de zaak voor eene
+gevaarlijke halsbrekerij aanziet, en daarom mher Sneloghe het spel wilt
+doen wagen. Uit genegenheid zeker niet, gij haat hem."
+
+"Neen, ik heb alle vijandschap afgelegd. Geene andere beweegreden drijft
+mij aan dan alleenlijk de voorzorg om het gelukken onzer poging, ook na
+den slag, te verzekeren."
+
+"Welaan, het zij dan zoo. Wij zullen zien hoe hij het voorstel onthaalt.
+Aanvaardt hij het, hij zal zijn woord getrouw blijven tot het einde.
+Daarvan ten minste mogen wij zeker zijn. Gedragen wij ons evenwel
+voorzichtig met hem. In zijnen Steen zullen wij hem het ontwerp niet te
+kennen geven. Als hij Willem Van Wervick, Isaac Van Reninghe en Ingelram
+Van Eessen ziet, zal hij beter gelooven dat de zaak niet roekeloos door
+mij wordt gewaagd ... Kom nu, laat ons gaan, maar zwijgen wij!"
+
+Zij stapten met looze treden de St-Jansstraat in, keerden achter den
+hoek der Ridderstraat, en slopen dan voort door de onpeilbare duisternis
+tot voor de poort van sher Robrechts Steen.
+
+Een hunner liet den ijzeren klopper driemaal met zekere berekende
+tusschenpoozen nedervallen.
+
+Dewijl men daarbinnen nog waakte, kwam schier onmiddellijk een schalk
+achter de poort staan.
+
+"Wie daar?" riep hij door het kijkgat.
+
+"Spreek stil", werd hem geantwoord. "Ga, zeg uwen meester dat vrienden
+hem wenschen te spreken. Hij kome zelf om ons te herkennen."
+
+Na eene korte wijl vroeg hem eene andere stem:
+
+"Vliegt de Blauwvoet?"
+
+"Storm op zee!" antwoordde een hunner. "Doe ons open, Robrecht."
+
+"O, mijn God, Burchard!" morde iemand achter het kijkgat.
+
+"Stil, stil, en ontsluit de poort!"
+
+Robrecht opende metterhaast en leidde de twee ontijdige bezoekers zonder
+spreken tot in de zaal, welke hij zooeven had verlaten. Hij sloot de
+deur en zeide met verrassing:
+
+"Burchard, gij hier! Vreest gij dan niet voor uw leven? Indien men u
+herkende!"
+
+Burchard antwoordde schertsend:
+
+"Zonderlinge vraag op het oogenblik dat wij allen lijf en have voor de
+vrijheid van Kerlingaland gaan wagen! Vreest mijn vriend Disdir Vos
+eenen banneling in de straten van Brugge te vergezellen? De tijd is
+gekomen dat elke Kerel moet spotten met den dood!"
+
+"Het is waar", bevestigde Robrecht. "Gij hebt mij ongetwijfeld iets
+bijzonders te melden, heeren; want zoo, te midden van den nacht, bezoekt
+men toch zijne vrienden niet zonder gewichtige redenen."
+
+"Ik kom vanwege den graaf van Vlaanderen tot u."
+
+"Vanwege graaf Willem!" kreet Robrecht twijfelende.
+
+"Vanwege den eenig wettigen graaf van Vlaanderen", herhaalde Burchard
+met nadruk. "Gij weet het, of anders maak ik het u bekend, ik geniet
+gansch zijne gunst en ben zijn vertrouweling. Hij heeft mij met eene
+moeilijke onderneming belast. Wat ik u kom vragen, Robrecht, is of gij
+bereid zijt, op mijn verzoek en ten dienste van Kerlingaland, alles te
+wagen, zelfs uw leven."
+
+"De vraag is kwetsend!" morde de jongeling.
+
+"Hij heeft gelijk", zeide Disdir Vos. "Gaf mher Sneloghe ooit iemand
+recht om aan zijne onversaagdheid te twijfelen? In deze zaak is eer en
+roem te behalen. Hoe zou hij kunnen weigeren?"
+
+"Nu, laat ons klaar zijn; de tijd is kostelijk", viel Burchard hem in de
+rede. "Ziehier, Robrecht, waarom wij tot u gekomen zijn. Iemand heeft
+onzen graaf Willem een ontwerp medegedeeld dat, kan het uitgevoerd
+worden, de vrijheid der Kerels voor altijd moet redden en waarschijnlijk
+den oorlog nog zal voorkomen. In alle geval zal het de macht onzer
+vijanden eenen ontzaglijken slag toebrengen. De graaf heeft dit ontwerp
+goedgekeurd en mij belast in Brugge eenige moedige ridders op te zoeken
+om het uit te voeren. Het is een moeilijk waagspel, dit wil ik u niet
+verbergen; er is onversaagdheid, zelfs vermetelheid toe noodig. Ik heb
+gedacht, Robrecht, dat ik, naar manhaftige ridders zoekende, het recht
+niet had u te vergeten."
+
+Robrecht stapte naar eenen hoek der zaal en zeide:
+
+"Ik trek mijn maliehemd aan; want men kan ..."
+
+"Neen, neen, nuttelooze voorzorg", onderbrak hem Burchard; "de
+onderneming is niet voor heden. Nu gaan wij slechts naar eene
+vergadering van vrienden, die op u wachten om te beraadslagen over de
+beste middelen tot gelukken. Daar zal men u kennis geven van het
+ontwerp. Binnen een uur zijt gij hier terug."
+
+"Welaan, ik volg u, heeren", zeide Robrecht, terwijl hij zrijn zwaard
+aangordde. "Gij twijfeldet aan mijne bereidwilligheid? Is er waarlijk
+eene poging, hoe vermetel ook, ten voordeele van Kerlingaland te
+beproeven, ik zal u toonen dat niets mij kan doen aarzelen; integendeel,
+ik ben u innig dankbaar omdat gij in zulke omstandigheid aan mij hebt
+gedacht."
+
+"De graaf weet dat gij van de onzen zult zijn. Hij zelf duidde u aan."
+
+"Hoe is het mogelijk, Burchard? Kent hij mij?"
+
+"Wie kent u niet onder de ridders van Kerlingaland?"
+
+"In alle geval, ik zal bewijzen dat ik zijn vertrouwen waardig ben.
+Vertrekken wij!"
+
+Toen zij bij de poort waren en in de straat zouden stappen, fluisterde
+Burchard:
+
+"Zwijgt nu en volgt mij. Langs de St-Jansstraat mogen wij niet gaan.
+Laat ons afdalen tot op de Spiegelrei: daar is de weg gansch eenzaam."
+
+Na eenigen tijd door de duisternis te hebben voortgeslopen, kwamen zij
+in de Grauwwerkersstraat voor eenen grooten Steen, waarvan de poort op
+een enkel teeken van Burchard werd geopend.
+
+Men leidde Robrecht over den neerhof tot in eene zaal, die in de diepte
+van het gebouw was gelegen.
+
+Burchard sloot de deur en stak bedektelijk den sleutel in zijne tassche.
+
+Hier zaten rondom eene tafel drie ridders, die Robrecht kende als zeer
+manhaftige Kerels, en wier ouderdom en goede faam hem een vol betrouwen
+in hunne oprechtheid moesten inboezemen. Het waren Ingelram Van Eessen,
+Isaac Van Reninghe en Willem Van Wervick.
+
+Deze ridders betuigden eene groote blijdschap bij de intrede van
+Robrecht; zij stonden van hunne zetels op, gingen hem te gemoet en
+drukten hem de handen, met allerlei vleiende bewoordingen hem lovende
+voor zijne bereidwilligheid.
+
+Het was bovenal Isaac Van Reninghe, die meer dan anderen prijs aan de
+tegenwoordigheid van mher Sneloghe scheen te hechten.
+
+"Maar, heeren", vroeg Robrecht met eenige spijt in de stem "twijfeldet
+gij aan mijnen moed?"
+
+"In het geheel niet", antwoordde Willem Van Wervick, "maar het ontijdig
+uur, de bijzondere, de ongewone aard onzer onderneming ..."
+
+"Hoe het zij, heeren", morde Robrecht, "ik zal mij wreken over uw
+mistrouwen, door u te toonen dat ik niet gierig ben op mijn bloed."
+
+"Het is Burchard die ons wilde doen gelooven dat gij niet zoudt komen",
+bemerkte Isaac.
+
+"Mher Sneloghe is tot nu toe toe min of meer van het gevoelen zijner
+ooms geweest", zeide Burchard, "die gelooven dat men Kerlingaland kan
+redden met voor zijne dwingelanden te knielen en om genade te smeeken.
+Heb ik mij aangaande mijnen vriend Robrecht misgrepen, het verheugt mij,
+en ik wensch hem uiterharte geluk. Nooit heb ik aan zijne dapperheid
+getwijfeld."
+
+"Mij toch kan mher Sneloghe niet beschuldigen", riep Disdir Vos.
+"Getuigt het, heeren, dat ik van den beginne af mij borg heb gesteld
+voor zijnen moed en zijne bereidwilligheid."
+
+"Ik dank u, Disdir", murmelde Robrecht, zonder eenig mistrouwen de hand
+van zijnen geheimen bloedvijand drukkende.
+
+"Nu, zitten wij neder, heeren", sprak Ingelram Van Eessen. "Deze
+betwisting is overbodig: onze blijdschap over de tegenwoordigheid van
+mher Sneloghe moet hem bewijzen hoe wij allen hem liefhebben en
+eerbiedigen. Gaan wij over tot de zaak welke ons hier doet vergaderen."
+
+En toen allen gezeten waren, hernam hij:
+
+"Is mher Sneloghe bereid om met ons de handen te zamen te leggen, als
+eenen eed van getrouwheid jegens elkander, en als eene belofte dat hij
+verborgen zal houden wat hij hier gaat vernemen?"
+
+"Ik ben er toe bereid", antwoordde Robrecht. "Ziedaar mijne hand,
+heeren; ik beloof u te helpen als een trouw gezel, en verbind mij tot
+het geheimhouden van alwat ik hier kan vernemen."
+
+Allen stonden op en traden in het midden der kamer, waar zij met
+Robrecht de handen te zamen legden. Dit was onder de Kerels de vorm van
+den duursten eed, en daardoor verbonden zij zich te gader en elk jegens
+al de anderen tot het trouw vervullen der aldus bezworene beloften.
+
+Ieder nam weder zijne plaats bij de tafel.
+
+"Nu gaat gij alles weten, mher Sneloghe", zeide Ingelram Van Eessen. "De
+verklaring der zaak eischt niet veel woorden. Tweeduizend ridders,
+gevolgd door talrijke benden wapenknechten zijn uit Atrecht vertrokken
+om ons het slavenjuk te komen opdwingen. Dit leger zal te Yperen zijn
+voordat de Kerels der Ambachten in het Wolvennestbosch kunnen
+vergaderen. Kerlingaland is dus beslissend verloren, indien wij het niet
+redden door eenen stouten slag. Met goedkeuring van onzen graaf en
+veldheer Willem Van Loo, gaan wij dien slag wagen. Overmorgen, in den
+namiddag, geeft Karel van Denemarken eenen grooten maaltijd ter eere der
+twee gezanten, die vanwege den Keizer aan zijn hof zijn gekomen.
+Natuurlijk zullen de voornaamste Isegrims, de gezworene vijanden der
+Kerels, aan den disch zitten. Het feestmaal zal lang duren; de dagen
+zijn kort; het wordt vroeg donker. Welnu, een vijftigtal onbevreesde
+Houtkerels, meer, indien het noodig is, wachten slechts een bevel van
+ons, om bedektelijk in de stad te vergaderen. Wij stellen ons aan hun
+hoofd, sluipen, door de duisternis begunstigd, op den burg, stormen in
+de feestzaal, vallen op de Isegrims en dooden al de dischgenooten,
+behalve de afgezanten des Keizers ..."
+
+"En de graaf?" morde Robrecht ontsteld.
+
+"Onze eerste slag is voor Karel van Denemarken; hij vooral moet sterven,
+de dwingeland!"
+
+Mher Sneloghe sprong recht; hij was bleek en scheen te beven.
+
+"Maar het is een sluipmoord, eene afschuwelijke misdaad!" riep hij uit.
+"En gij hoopt dat ik mijne handen zal doopen in het bloed van vorst
+Karel? Bij verrassing? als een struikroover die nederstort op een
+weerloos slachtoffer? Nooit! nooit!"
+
+"Uw eed; gij zijt verbonden!" kreet Burchard.
+
+"Gij hebt mij bedrogen, door listige woorden mij verleid", wedervoer
+Robrecht. "Het is eene snoodheid. Ik moodenaar? Ha, nu begrijp ik uw
+mistrouwen en ik roem er op! Ja, heeren, gij waart rechtvaardig jegens
+mij, toen gij vreesdet dat ik zou weigeren deel te maken van zulk
+gruwelijk verbond."
+
+"Gij hebt gezworen en zijt slaaf van uwen eed!" zeide Ingelram Van
+Eessen.
+
+"Dien eed hebt gij door vuige list mij ontrukt. Ik verbreek hem. Hoe?
+Gij komt mij vragen of ik bereid ben mijn leven voor de vrijheid van
+Kerlingaland te wagen ... en nu eischt gij dat ik het helpe vermoorden
+door de schandelijkste euveldaad?... Ja, vermoorden! De gansche wereld
+zal tegen ons opstaan; de Kerels der Ambachten zelven zullen
+terugschrikken; de wapens zullen hunne handen ontvallen; uit schaamte
+zullen zij het hoofd buigen en moedeloos het juk aanvaarden, als eene
+rechtvaardige straf der ijselijke misdaad!..."
+
+"Gij hebt te Veurne onzen graaf Willem eene blinde gehoorzaamheid
+beloofd", zeide Burchard.
+
+"Ha, daarin bestaat vooral uw bedrog", wedervoer Robrecht met
+verontwaardiging. "Gij wilt mij doen gelooven dat graaf Willem dezen
+moord goedkeurt? Welnu, het is niet waar, het kan niet waar zijn! Gij
+lastert hem. Hij zou u geboden hebben Karel van Denemarken te dooden?
+bij verrassing? als laffe sluipmoordenaars?"
+
+"Het vonnis is geveld, Karel moet sterven!" gromde Willem Van Wervick.
+
+"Welnu, neen, hij zal niet sterven!" riep Robrecht met kracht. "Uw
+afschuwelijk opzet wil ik beletten. Morgen vroeg reeds zal de proost van
+St-Donaas weten wat hier is beraamd ... en, moest ik zelf tot graaf
+Karel gaan om hem te waarschuwen, ik zou niet terugtreden voor zulke
+daad!"
+
+Isaac Van Reninghe was opgestaan en legde nu den arm over Robrechts
+schouder.
+
+"Kom, mijn vriend, bedaar toch; gij dwaalt", zeide hij. "Er is geen
+ander middel meer om Kerlingaland voor eeuwige slavernij te behoeden.
+Karel van Denemarken is de valschte mensch der wereld, hij verdient
+honderdmaal den dood. Wees beter beraden; aanvaard de dwingende
+noodzakelijkheid."
+
+Robrecht, door eene plotselijke gemoedsomkeering ontroerd, stiet
+langzaam den arm van sher Ingelram terug, aanschouwde met diepe
+droefheid de andere ridders en hief de handen als eene klacht ten hemel.
+
+"Wat? Tranen in zijne oogen!" schertste Willem Van Wervick "Hij bemint
+wel vurig den dwingeland, dat de gedachte zijns aanstaanden doods hem
+doet weenen[51]!"
+
+"Ik ween, ja", antwoordde Robrecht, "van afgrijzen, van medelijden!
+Mijne tranen vlieten over Kerlingaland, dat gij ten prooi gaat geven aan
+de vermaledijding der gansche Christenheid; over u, die u zelven en de
+Kerels gaat bevlekken met eeuwige schande ..."
+
+Hij meende te bemerken dat Disdir Vos en Isaak Van Reninghe hem met min
+onwil dan hunne gezellen aanhoorden. Dit boezemde hem eenige hoop in.
+Hij trad een paar stappen vooruit en sprak biddende:
+
+"Ach, vrienden, hoort mijnen raad aan! Gij zijt de speelbal van den
+boozen geest, die u met verblindheid slaat. Karel van Denemarken eenen
+koningszoon, eenen telg onzer graven, vermoorden laffelijk, bij verraad?
+O, ik smeek u, doet het niet! Het is nog tijd; keert terug op uw
+noodlottig besluit. Ik bezweer u, doodt toch niet zoo uitzinnig onze
+vrijheid en ons vaderland!"
+
+"IJdele woorden, wat besloten is zal uitgevoerd worden!" antwoordde
+Ingelram met somberen toon. "Al haddet gij gelijk in uwe voorspelling,
+Kerlingaland is toch verloren. Welnu, het verga veeleer gewroken dan
+machteloos en vernederd. Noodlottige gedachte die ons deed besluiten de
+hulp te vragen van iemand wien de sterkmoedigheid ontbreekt om den
+reddenden slag te wagen!"
+
+"Alles wil ik wagen, alles wil ik opofferen voor de vrijheid", sprak
+Robrecht, fier het hoofd verheffende, "Met blijdschap zou ik sterven
+voor Kerlingaland ... in den oorlog, tegen gewapende vijanden, als een
+man, als een ridder. Maar weerlooze menschen gaan vermoorden, terwijl
+zij aan tafel zijn gezeten? Het denkbeeld zulker lafheid alleen doet mij
+sidderen van schaamte ... Gij blijft bij uw afschuwelijk besluit? Welnu,
+worstelt dan tegen mij; ik ben uw vijand, ik zal uw verfoeilijk opzet
+verijdelen! Neen, neen, gij zult ons dierbaar Kerlingaland niet met u
+nederstorten in eenen afgrond van vermaledijding en schande. Hoopt niet
+Karel van Denemarken te treffen: Kerels, zoo onversaagd als gij, zullen
+waken rondom hem. Vaartwel, ik wil niets gemeens meer hebben met
+moordenaars!"
+
+Deze stoute taal trof al de aanhoorders met verbaasdheid. Ingelram Van
+Eessen raasde als een dolzinnige, en sprak van niets min dan van
+Robrecht het hoofd te klooven, om hem te beletten zijne eedgenooten te
+verraden. Isaac Van Beninghe had veel moeite om hem te wederhouden van
+zijn zwaard te trekken. Wat Burchard Knap betreft, wonderlijk genoeg,
+die scheen te droomen en zeide niets.
+
+Onderwijl was mher Sneloghe naar de deur der zaal gegaan en meende deze
+te openen; maar hij vond ze gesloten.
+
+Daar stond hij nu, de andere ridders met vlammende oogen en met eenen
+grijns van misprijzen te bezien.
+
+"Beloof ons ten minste dat gij ons geheim zult bewaren", zeide Isaac Van
+Reninghe.
+
+"Neen, neen", kreet Robrecht zeer aangejaagd, "integendeel, ik zal het
+openbaren! Uwe namen zal ik verzwijgen; maar vorst Karel doen
+verwittigen, daarvan weerhoudt mij niemand!"
+
+"Zijt gij dan een verrader? een verborgen vijand der Kerels?" vroeg
+Willem Van Wervick.
+
+"De vijanden der Kerels zijn degenen die ons arm vaderland het brandmerk
+van den sluipmoord op het voorhoofd willen drukken!"
+
+"Maar, vermetele", bulderde Ingelram, "weet gij niet waartoe uw eed ons
+recht geeft? Gij zijt in onze macht. Zoo het ons lustte in uw bloed het
+geheim te versmachten dat wij u hebben toevertrouwd?"
+
+"Wat doet mij zulke bedreiging?" wedervoer Robrecht met eenen zuren
+spotlach. "Al spookte de dood voor mijne oogen, hij deed mij niet
+terugwijken voor het vervullen van mijnen plicht."
+
+"Heeren", zeide Disdir Vos, als hadde hij iets uitgevonden dat alle
+moeilijkheid uit den weg kon ruimen, "ik bid u, blijft eene korte wijl
+nog bedaard en laat mij toe eenige woorden alleen met mher Sneloghe te
+wisselen."
+
+Na een oogenblik wederstand te hebben geboden, gaf Robrecht toe aan zijn
+dringend verzoek en volgde hem tot in eenen hoek der zaal, waar beiden
+begonnen te kouten, Disdir ernstig en vleiend, Robrecht met onwil en
+spijtige gebaren.
+
+Ondertusschen staken de anderen bij de tafel, op eenen wenk van
+Burchard, de hoofden bijeen en beraadslaagden geheimelijk over hetgeen
+hun te doen stond; want dat mher Sneloghe zou weigeren, daarvan achtten
+allen zich zeker.
+
+Disdir Vos keerde tot zijne makkers en zeide:
+
+"Vergeefsche moeite, heeren. Ik zelf begin te twijfelen of onze vriend
+Robrecht niet zou kunnen gelijk hebben. Ware het inderdaad niet
+raadzamer dat wij met gemeene toestemming van de gevaarlijke onderneming
+afzagen?"
+
+En daar hij bemerkte hoe een glimlach van misprijzen Burchards lippen
+samentrok, haastte hij zich er bij te voegen:
+
+"De verwijdering van mher Sneloghe bedroeft mij, ik beken het: maar ik
+wil evenwel mijnen eed getrouw blijven."
+
+"Welnu, heeren, opent men mij de deur, of niet?" vroeg Robrecht
+dreigende. "Moet ik met mijn zwaard het slot verbrijzelen en mij door
+geweld eenen vrijen weg banen?"
+
+"Nutteloos, gansch nuttelloos, mijn vriend Sneloghe", zeide Burchard,
+opstaande. "Ik heb den sleutel en zal de deur openen, niet voor u
+alleen, maar voor ons allen, ongetwijfeld; en gij, Robrecht, zult des te
+geruster kunnen slapen, daar gij u zult mogen beroemen ons door uwe
+redenen te hebben overwonnen. Bezie mij zoo zonderling niet. Wat ik zeg,
+is waarheid. Ik heb op uwe woorden diep nagedacht. Gij hebt mij
+overtuigd dat zulke aanval bij verrassing, al gelukte hij ten volle,
+meer kwaad dan goed aan onze zaak zou kunnen doen. Waarschijnlijk is
+mher Isaac insgelijks van deze meening?"
+
+"Inderdaad", antwoordde Isaac Van Reninghe.
+
+"En indien mher Ingelram wil toestemmen om van de uitvoering van ons
+ontwerp af te zien?"
+
+"Alleen kan ik niets ondernemen", morde Ingelram, in schijn verstoord.
+
+"Wat Disdir Vos betreft, die heeft reeds zijnen twijfel bekend", hernam
+Burchard. "Aldus vriend Sneloghe, gij ziet het, wij laten op uwen raad
+de voorgenomen poging varen. Wees gedankt, gij hebt ons teruggehouden
+van eene onvoorzichtige daad. Dat Karel van Denemarken, als verdrukker
+der Kerels, den dood verdient, wie zou dit durven loochenen? Maar gij
+hebt gelijk, het is niet zoo dat wij zijn bloed moeten vergieten. Laat
+ons nu dezen Steen verlaten, heeren, en ieder rustig zijnen weg gaan.
+Het is reeds diep in den nacht."
+
+Allen begaven zich naar de deur en verlieten de zaal.
+
+Robrecht sprak niet. Hem verwonderde de plotselijke ommekeer in de
+gemoedsstemming zijner gezellen. Lag daaronder eene list verborgen?
+Zouden de eedgenooten evenwel den beraamden moord pogen te plegen? Hij
+kon het beletten en zou niet nalaten dezen plicht te vervullen. Hij
+behoefde slechts, zonder iemand te noemen, den kastelein Hacket te
+verwittigen van het gevaar dat graaf Karel gedurende het feestmaal kon
+bedreigen. Daartoe had hij tijd genoeg, en hij was zelfs niet verplicht
+de nachtrust zijner ooms te gaan storen, vermits het bedoelde feestmaal
+slechts overmorgen moest gehouden worden. De kastelein zou alle wegen
+tot den burg doen bewaken en al de toegangen der Loove met genoegzame
+macht bezetten. Indien dan de saamgezworenen op den burg traden, zouden
+zij wel bemerken dat hun aanslag was bekend en op voorhand verijdeld.
+
+Maar toen Robrecht in de straat door zijne gezellen nogmaals in schijn
+rechtzinnig werd bedankt, en hij hen, na het murmelen van eenen goeden
+nacht, ieder zijnen weg hoorde gaan, begon hij meer en meer te denken
+dat zij waarlijk door zijne redenen waren overwonnen geworden. Alhoewel
+hij nog eenigszins twijfelde, verheugde hem dit gepeins; want hij achtte
+zich overtuigd dat hij in dit geval zijn land en zijn geslacht eenen
+onschatbaren dienst had bewezen.
+
+Disdir Vos, na afscheid van de anderen te hebben genomen, volgde
+Robrecht en ging twee straten verre aan zijne zijde, hem vleiende en hem
+prijzende over zijnen wijzen raad en over zijne standvastigheid; maar
+mher Sneloghe antwoordde hem niet veel. Sedert dien avond toch was in
+hem een onuitlegbaar, doch diep gevoel van afkeer tegen Disdir Vos
+ontstaan. Waarom, dit wist hij niet wel; maar er groeide in zijn hart
+een vermoeden van valschheid tegen Disdir.
+
+Het was zelfs met eene soort van blijdschap dat hij bij de
+St-Janskapelle afscheid nam van zijnen gezel en alleen zijnen weg
+vervorderde, om over den Maalberg de Hoogstraat en zijnen steen te
+bereiken.
+
+Disdir Vos ging terug over de Kranebrug, maar nauwelijks had hij eenige
+stappen in de enge Robijnstraat gedaan, of hij bleef staan en keerde
+zich om; zijne gedachten veranderden echter weder en hij zette, in zich
+zelven sprekende, zijnen weg voort.
+
+"Ja, dat Burchard en de anderen weder te zamen zijn, daarvan ben ik
+zeker", mompelde hij. "Zij hebben zich willen ontdoen van Robrecht en
+van mij, die inderdaad nooit den minsten lust had om aan dit helsche
+waagspel deel te nemen. Eilaas, ik heb mijnen slag gemist! Hij was zoo
+goed berekend nochtans! Had Robrecht tot den moord des graven
+toegestemd, ik hadde hem in eenen strik doen vallen, waaruit hij niet
+levend zou losgeraakt zijn ... Maar wij zijn nog niet dood ... tijd
+genoeg om mij te wreken ... zijn huwelijk is nog niet voltrokken ..."
+
+Terwijl Disdir dus denkend en mijmerend voortstapte, wandelde er op den
+Dyver, niet verre van de Eeckhoutstraat, een man over en weder, die met
+inspanning zijner gezichtskracht door de duisternis poogde te dringen om
+te zien of niemand in de verte naderde.
+
+Hij had reeds eene lange wijl gewacht, toen hij meende een gerucht van
+stappen te hooren. Sluipend week hij terug tot tegen de poort van eenen
+Steen, op den hoek der Eeckhoutstraat.
+
+Iemand naderde hem.
+
+"Vliegt de Blauwvoet?" murmelde hij.
+
+"Storm op zee!" antwoordde eene grove stem.
+
+Hij duwde de poort open, trad met zijnen gezel binnen en sloot ze weder.
+
+"De vrienden zijn reeds hier", morde de eene. "Wij gingen haast vreezen
+dat u een ongeval was geschied."
+
+"Ik dwaalde van mijne baan", antwoordde de andere. "Om de Markt te
+ontwijken, sloeg ik het Palmstraatje in. Daar hoorde ik stappen van
+menschen. Eene wacht misschien. Ik heb eenen langen omweg gedaan.--Nu,
+geenen tijd meer verloren! Leid mij tot de vrienden."
+
+Zij traden schuins door den neerhof en gingen in eene kamer, waar eene
+kleine lamp brandde.
+
+"De schalken zouden ons kunnen afspieden", zeide degene die den andere
+had ingeleid. "Ik doof het licht uit.--Spreek zeer stil![52]"
+
+Daar zaten zij nu in eene zoo volledige duisternis dat zij elkaar niet
+konden zien.
+
+"Gelukkiglijk zijn wij van de twijfelaars verlost", murmelde er een met
+verdoofde stem. "Niets kan ons nog verhinderen ons besluit uit te
+voeren. Haast gemaakt dus, en geene overbodige woorden."
+
+"Maar de zaak van het feestmaal is verloren. Wat gaan wij doen?" vroeg
+iemand.
+
+"Ik heb tijd gehad, om alles te overwegen", antwoordde de man met de
+zware stem. "Ziehier mijne meening. Wij moeten ons eerste ontwerp
+hervatten. Karel van Denemarken, zijt des zeker, gaat alle dagen ter
+vroegmis in de bovenkerk van St-Donaas. Iedereen mag er de mis bijwonen.
+Het is met deze korte dagen dan nog bijna donker. Mijn paard staat
+buiten de Zandpoort. Ik zal mij haasten naar Bethferkerke. Daar heb ik
+eene bende onverschrokken Houtkerels onder de hand. Komt morgen in de
+vroegmis op den burg; gij zult mij en mijne mannen daar, verspreid zien
+onder de beuken en tusschen de geloovigen; misschien zult gij ons niet
+herkennen. Het is gelijk, ik zal het sein geven door den dwingeland te
+treffen. Op den roep van 'Harop! Harop!' sluit gij alle uitgangen af.
+Geen Isegrim mag ontsnappen. Aanvaardt gij het voorstel, leggen wij dan
+nog eens daarop de handen te zamen[53]."
+
+Zij zochten tastend elkander en zwoeren zwijgende den gruwelijken eed.
+
+"Op weg nu! Verlaten wij, de eene na den andere, dezen Steen. Ik vertrek
+eerst; want mij is de tijd het kostelijkst. Tot morgen, heeren; ik
+betrouw op u als op mij zelven."
+
+Hij werd door een der aanwezigen tot buiten de poort geleid en liep met
+lichte doch haastige stappen vooruit in de duisternis.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 51: "Isaac, Burchard, Willem Van Wervick, Ingelram en hunne
+medeplichtigen ... riepen tot dien eed den jongen Robrecht; maar de
+edele jonkman, verschrikt en tranen stortende, zeide: verre van mij het
+inzicht onzen vorst te verraden! Indien gij van uw opzet niet afziet,
+zal ik uw verraad den graaf openbaren."
+
+GALBERTUS. in de _Mem rel. a l'hist. de France,_ tom. VIII, p. 258.]
+
+[Voetnoot 52: "Binnentredende, doofden zij hunne vuren uit, opdat
+degenen, die in het huis waakten, hen niet zouden herkennen."
+
+GALBERTUS, p 259.]
+
+
+
+
+XIII
+
+
+De kerk van St-Donaas, binnen den burg, was een schoone, groote tempel
+van Romaansche bouwstijl.
+
+Hare middelbeuk was zeer verheven; maar van wederzijde verlengde zich
+eene lage, donkere nevenbeuk, waarvan het neergedrukte welfsel op korte
+pijlers rustte. Daarboven liep, rondom de geheele kerk, eene opene
+gaanderij, vanwaar de geloovigen even goed als beneden de priesters aan
+den autaar konden zien en de goddelijke diensten bijwonen.
+
+De Zuidelijke zijde dezer gaanderij had men van het overige gedeelte
+afgescheiden, en tot eene kapelle voor den graaf van Vlaanderen
+ingericht.
+
+Zij was versierd met een prachtig altaar en met schoone
+heiligenbeelden. Een kostbaar gesnedene knielbank voor den graaf prijkte
+in haar midden, bijna aan den voet des altaars. Er stonden aan beide
+zijden gestoelten voor de lieden van het hof en, meer naar den gemeenen
+ingang, vele rijen houten banken voor de geloovigen, die 's graven misse
+wilden bijwonen; maar vooral voor de arme menschen, die gewoon waren
+hier in menigte te komen, met de hoop van den vorsten aalmoezen te
+genieten.
+
+Deze verhevene kapelle, die men de opperkerk noemde, had eenen ingang
+voor het volk, die met eenen engen steenen trap onder de lage beuk der
+benedenkerk uitkwam; maar dicht bij het altaar was eene tweede deur,
+uitsluitelijk bestemd ten gebruike des graven. Een gewelfde gang liep
+van daar over de Hoogpoort naar het paleis, op zulke wijze dat vorst
+Karel, uit zijne slaapkamer tredende, zich ter kerk kon begeven zonder
+het plein van den burg te moeten overstappen.
+
+De nacht was ongewoon donker geweest, ter oorzake van eenen dikken mist,
+die reeds van den avond te voren als een somber baarkleed over de aarde
+was nedergezakt.
+
+Nu ging de morgenstond aanbreken; maar nog was de nevel zoo dik, dat men
+nauwelijks op een paar stappen verre de voorwerpen als onduidelijke
+schaduwen kon onderscheiden.
+
+In de opperkerk van St-Donaan hadden de broeders en klerken van het
+klooster een aantal waskaarsen op en nevens het altaar aangestoken, in
+afwachting dat het uur der vroegmis verscheen.
+
+Vele geloovigen,--poorters uit de naburige straten, of arme menschen,
+waartusschen ook eenige vrouwen,--traden onder de donkere poort der kerk
+en beklommen langzaam den steenen trap, om in 's graven kapelle de misse
+te gaan hooren.
+
+Maar wat niemand bemerkte was, dat nu en dan vele mannen met bruine
+mantels en breede hoeden den steenen trap voorbijstapten om zich in de
+duisternis onder de lage nevenbeuk der benedenkerk te gaan verbergen.
+
+Eenigen dezer scheidden zich echter zonder spreken bij de groote
+ingangpoort van hunne makkers en bestegen den trap. Onder het opklimmen
+fluisterden zij nog elkander geheime woorden toe, doch zoohaast zij de
+deur der opperkerk bereikten, hielden zij zich alsof zij elkander
+geheel vreemd waren, en stapten stil en met zedige houding, ieder in
+eene verschillende richting, door de geloovigen, om plaats op eene der
+knielbanken te zoeken.
+
+Zoo naderde er nu een man, die op eenen stok leunde, tot eene der
+voorste banken en knielde neder tusschen twee vrouwen. Zij bezagen hem,
+voor zooveel het schemerlicht der waskaarsen het hun toeliet; zijne
+hooge gestalte verwonderde hen. Maar de man moest ziek of zeer oud zijn;
+want hij ging diep gebogen, en dat hij noodlijdend was, kon men genoeg
+bemerken aan zijnen gelapten en gescheurden mantel. Ongetwijfeld kwam
+hij, evenals vele andere arme lieden, in de kapelle om deelachtig te
+worden aan de aalmoezen welke de graaf gewoon was in de vroegmis uit te
+deelen.
+
+Van zulke zonderlinge arme lieden bevonden er zich nu een zeker getal in
+de kapelle tusschen de geloovigen verspreid; maar alhoewel de eerste
+dagschemering als een flauwe melkachtige schijn zich aan de
+buitenvensters vertoonde, was het nog zoo donker in het diepe der
+kapelle, dat men zelfs de lieden, nevens wie men onmiddellijk was
+gezeten, niet duidelijk kon onderscheiden.
+
+Het uur der vroegmis moest verschenen zijn; want alles was gereed op het
+altaar. Een koorknaap hield zelfs de hand aan het zeel eener klok, om op
+het eerste sein te kleppen; ja, in de opene deur van het sakristijn,
+vertoonde zich nu en dan een priester in plechtgewaad, die als met
+ongeduld naar de deur blikte, om te zien of de graaf nog niet kwam.
+
+Ook de arme man met den gescheurden mantel scheen door ongeduld
+aangejaagd; want, ofschoon hij diep voorover op zijne knielbank gebogen
+lag, hief hij bij het minste gerucht het hoofd op en liet het dan weer
+nederzakken, onder het slaken van een versmacht gemor. De nevenszittende
+vrouwen meenden, dat hij zuchtte van verdriet, omdat degene, van wien
+hij hulp voor zijnen nood verhoopte, zoolang zich liet wachten.
+
+Maar zij bedrogen zich in hun medelijden; want in het hart, dat onder
+den gescheurden mantel onstuimig klopte, woelde de vurigste haat en
+gloeide de dorst naar bloed. Indien de graaf, door Robrecht Sneloghe
+gewaarschuwd, of door onpasselijkheid belet, in de vroegmis niet
+verscheen, dan ontsnapte hij aan de wraakzucht van zijnen vijand, en
+verijdeld werd de zoo wel beraamde aanslag! Alle hoop was dan voor
+Burchard verloren; want het leger van Atrecbt was misschien reeds in
+Vlaanderen, en graaf Karel, door zulke macht van ridders omringd en
+beschut, zou niet meer naakbaar zijn voor een balling, die in het diepe
+van Kerlingaland eene schuilplaats zou moeten zoeken.
+
+Terwijl de moordzuchtige Burchard dus in zich zelven het dreigend lot
+vermaledijdde en eene klimmende hopeloosheid in zijn hart voelde zinken,
+kwam er uit het sakristijn een priester, dien hij voor den hofkapelaan
+herkende. Deze verdween in de deur welke toegang gaf tot het paleis.
+Burchard twijfelde niet of hij wilde naar de reden van des graven
+afwezigheid gaan vernemen. En inderdaad, hij misgreep zich niet; want de
+priester begaf zich voor de gang naar de nachtvertrekken des vorsten. In
+eene voorzaal ontmoette hij Jan Cauwenoghe, den kamerdienaar des graven,
+die op zijne vraag antwoordde:
+
+"Onze heer graaf heeft zeer slecht geslapen dezen nacht: hij gevoelt
+zich niet wel en is later dan naar gewoonte opgestaan; maar nu is hij
+gekleed en komt oogenblikkelijk. Er is geen belet: ga maar binnen, heer
+kanunnik."
+
+De priester klopte en opende de deur. Hij vond den graaf staande te
+midden der kamer, terwijl een andere dienaar hem hielp om de kap op zijn
+hoofd te schikken.
+
+"Ik vraag u verschooning, kapelaan", zeide de vorst. "Laat ik u wachten,
+het is mijne schuld niet. Nog een paar minuten."
+
+"Maar indien Uwe Hoogheid onpasselijk is", bemerkte de priester, "ware
+het beter nog wat te bedde te blijven en te rusten."
+
+"Neen, neen, heer kanunnik, ik voel heden, meer dan andere dagen den
+nood om God te bidden. Ik heb zoo slecht geslapen, den gansenen nacht
+gedroomd van ijselijke dingen, koortsig geweest en gewoeld, als ware het
+bed mij eene pijnbank geworden[54]. Kanunnik, gij kent de Kerels, gij;
+zouden zij inderdaad bekwaam zijn om mij bij verrassing te dooden?"
+
+"U dooden?" herhaalde de priester verschrikt. "Vreest gij dit, heer
+graaf?"
+
+"Men heeft het mij gezegd; nu heb ik herhaalde malen er van gedroomd."
+
+
+[Illustratie: ...Met gekloofd hoofd op den vloer der kerk ... (Bladz.
+267.)]
+
+
+"Het is misschien eene waarschuwing des hemels!" zuchtte de kanunnik.
+"Blijf in uwe kamer, heer vorst, de kapel is vol volk. Wie weet?"
+
+"Is er niet dagelijks volk in de kapelle? God houdt mijn leven in Zijne
+handen", zeide graaf Karel met eenen glimlach. "Heeft Hij er over
+beschikt, dan kan een moordenaar mij even goed hier treffen als in de
+kerk. Zou ik nalaten mijne Christelijke plichten te vervullen, omdat een
+zwarte droom mijne nachtrust heeft gestoord Ik volg u, kapelaan."
+
+Hij duwde eene andere deur open en zeide tot de ridders die daar op
+zijne bevelen stonden te wachten:
+
+"Heeren, wij zijn gereed en gaan ter misse. Gelieft ons te volgen."
+
+Hierop trad hij met den kapelaan uit de kamer. Na hem kwamen de volgende
+personen: Tancmar Van Straten, zijn geheimraadsheer; Gervaas Van Praet,
+zijn opperkamerling; Walter Van Lokeren, zijn hofbottelier, met dezes
+broeder Eustaas Frumold, Arnold en Ogier, zijne schrijvers en
+rekenmeesters met nog vier of vijf andere hofbedienden.
+
+Toen de graaf in de kapelle verscheen, klepte men het klokje, dat bij
+het sakristijn hing.... Een onwillige kreet ontsnapte den man met den
+gescheurden mantel; maar hij boog onmiddellijk het hoofd zoo diep dat,
+al hadde er meer licht in de kapelle geheerscht, men toch zijne
+wezenstrekken niet zou herkend hebben.
+
+Graaf Karel knielde neder op weinig afstand van het altaar; de lieden
+van zijn gevolg namen plaats in het gestoelte. De mis begon....
+
+De priesters zongen de morgengebeden, en de vorst, zijne stem met de
+hunne parende, zeide de psalmen Davids op, terwijl in het overige der
+kerk de diepste stilte heerschte. Toen de misse eenigszins gevorderd was
+en graaf Karel met luider stemme den _pater_ opzeide, verliet Tancmar
+Van Straten het gestoelte, haalde eene zijden beurs uit zijne tasch en
+legde, volgens de dagelijksche gewoonte, eene handvol deniers op het
+rustbord van 's vorsten knielbank.
+
+Dit was een teeken voor de arme lieden, die nu van tusschen de banken en
+zoo stil mogelijk den graaf naderden om eene aalmoes uit zijne hand te
+ontvangen.
+
+Ook de hoogstaltige man met den gescheurden mantel stond op. Zich diep
+gebogen houdende en leunende op eenen staf, als hadde hij moeite om
+zijne verstijfde beenen te sleepen, stapte hij langzaam vooruit en
+schikte zich tusschen andere noodlijdenden, achter des graven rug.
+
+Eene zieke vrouw, met een kind op den arm, stak het eerste hare hand
+uit, om den denier te ontvangen, dien graaf Karel haar toereikte....
+Maar op dit oogenblik wierp Burchard den gescheurden mantel zich van de
+schouders; een zwaard bliksemde in zijne handen, en hij sloeg het neder
+met zulk wreed geweld, dat de arme graaf, zonder zelfs eene klacht te
+kunnen uiten, met gekloofd hoofd op den vloer der kerk achterover
+stortte ...[55]
+
+De arme lieden vluchtten weg van het autaar en vervulden de kapelle met
+den weekreet: "Wacharm! Wacharm! Wacharm!"
+
+Maar boven dit noodgekerm heerschte de machtige stem van Burchard, die
+schreeuwde:
+
+"Harop! Harop! Leve Willem Van Loo, graaf van Vlaanderen! Heil Willem!
+Heil! Heil!"
+
+In de benedenkerk hergalmden even ras dezelfde kreten, alsof van daar
+honderd verwarde stemmen het akelig moordgeroep hadden beantwoord.
+
+Door de afschuwelijkheid zelve der ongehoorde misdaad verstomd dachten
+de ridders des graven in den eerste op geene tegenweer welke zij
+overigens als onmogelijk aanzagen. Zij waren terzijde gesprongen, om de
+slingeringen van Burchards zwaard te ontwijken; twee of drie waren zelfs
+langs de naaste deur in bet paleis gevloden om daar hulp te zoeken.
+
+Tancmar Van Straten wilde hen volgen; maar Ingelram Van Eessen, die nu
+met vijf of zes man toeschoot, gaf hem eenen wreeden zwaardslag. Met
+geopenden schouder viel de hofraadsheer levenloos in zijn bloed ten
+gronde[56].
+
+De geloovigen liepen kermend naar den uitgang en verpletterden elkander
+bij de nauwe deur om te ontvluchten. Velen waren reeds op den steenen
+trap geraakt; maar daar ontmoetten zij de mannen van Burchard die, als
+een woeste drom, de vliedenden terug naar boven dreven en achter hen met
+woedend wraakgeschreeuw de kapelle binnenstormden.
+
+In deze drukke verwarring was het onmogelijk iemand te herkennen of te
+vervolgen; de moordenaars zelven werden voortgewoeld en onweerstaanbaar
+tot tegen den autaar gedrongen. Dit gaf den meesten van 's graven lieden
+tijd en middel om te ontkomen; doch, dewijl Ingelram Van Eessen de deur
+naar het paleis hield bezet, zagen zij zich gedwongen een anderen weg te
+zoeken of zich te verbergen. Dan eerst werd de uitgang naar de
+benedenkerk vrij; ook bleef er, een oogenblik daarna, niemand meer in de
+bovenkerk dan de moordenaars en drie of vier priesters, die bevend en
+weenend op het bloedige lijk van Karel staarden, zonder het evenwel te
+durven raken.
+
+De moordenaars, vreugdedronken over hunne gemakkelijke zegepraal, deden
+niets dan juichen en schreeuwen:
+
+"Heil Willem, heil den nieuwen graaf van Vlaanderen! Heil! heil!"
+
+Maar Burchard, door eenen schallenden klank zijner stem, gebood hun de
+stilte en zeide:
+
+"Zwijgt, mannen, ons werk is niet volvoerd. Met den graaf waren hier een
+tiental vermaledijde Isegrims. Zij kunnen niet ontvlucht zijn; de
+uitgangen der kapelle waren bezet; zij zijn dus verborgen. Doorzoekt
+alle hoeken en kanten; en, vindt gij iemand, brengt hem hier voor mij.
+Wie mij Walter Van Lokeren levert, of Gervaas Van Praet, of den
+schrijver Frumold, dien geef ik drie marken zilvers!"
+
+Zijne mannen, door het gezicht van twee lijken en van plassen bloed
+aangehitst, en door de hoop op de aanzienlijke belooning verlokt,
+begonnen hunne opzoekingen niet alleen in de kapelle, maar tevens in de
+benedenkerk.
+
+Walter Van Lokeren, na Tancmar de heetste vijand der Kerels, hield zich
+verborgen achter het orgel. Een kerkdienaar had eenen mantel over hem
+geworpen, en hij zat, op den houten vloer ineengekropen, onder dit wijde
+kleedsel.
+
+Hij hoorde hoe men zijnen naam uitriep en hem eenen ijselijken dood
+toezwoer; het hart klopte hem van angst, en het koude zweet brak hem
+uit. Alle hoop had hem echter niet begeven, want tot dan had geen zijner
+vijanden er aan gedacht deze schuilplaats te doorzoeken.
+
+Maar nu hoorde hij eene bende woedende mannen naderen. Welhaast beukten
+zij zoo geweldig met hunne zwaarden op de orgelkas, dat elke slag als
+een doodvonnis in de ooren van den armen ridder hergalmde.
+
+Zeker dat zij hem gingen ontdekken, sprong hij op en liep dwars door
+zijne vervolgers in de kapelle, met opgeheven armen tot God om hulp
+roepende en zijne vijanden om levensgenade smeekende.
+
+Burchard en Ingelram herkenden hem. Zij liepen hem achterna en huilden
+als bloedzuchtige tijgers:
+
+"Sla dood, sla dood, den snooden Isegrim!"
+
+Walter Van Lokeren viel geknield voor den autaar, op het oogenblik dat
+Burchard hem bereikte en hem met de eene hand bij het haar greep,
+terwijl hij met de andere zijn zwaard ophief om hem den doodslag te
+geven.
+
+Een priester hield evenwel zijnen arm terug en smeekte, met tranen in de
+oogen, om genade voor den ongelukkigen ridder; en, toen hij op het
+wraakzuchtig antwoord van Burchard wel merkte dat het leven van den
+hofbottelier niet te redden was, verzocht hij den moordenaar toch niet
+langer aldus de kapelle met bloed te besmetten en het huis Gods te
+ontheiligen.
+
+Burchard en zijne beide eedgenooten, Ingelram en Isaac sleurden den
+ridder bij het haar over den vloer der kapelle naar de uitgangdeur.
+
+"O, mijn God, mijn God, erbarm u mijner!" kermde Walter Van Lokeren.
+"Spaart mij, spaart mij!"
+
+"Wij zullen u sparen zooals gij ons bij den graaf heb gespaard, valsche
+lasteraar![57]" antwoordde hem Burchard.
+
+Zij rukten hem van de trap, brachten hem voor de deur der kerk en hakten
+daar allen te gelijk op hem, met zooveel woede, dat zijn lichaam schier
+onkennelijk was, toen zij het verlieten om in de benedenkerk naar nieuwe
+slachtoffers te zoeken.
+
+Onderwijl hadden hunne mannen in de kapelle, achter den autaar de ware
+schuilplaats der gevluchte ridders en hofbedienden ontdekt. Opvolgend
+hadden zij uit dit donker hol, waarin men gewoon was de minst kostbare
+sieraden der kerk te bergen, zeven of acht personen gerukt en ze te
+midden der kapelle gesleurd, om te herkennen of er tusschen hen zich
+niet een der ridders bevond voor wie Burchard de marken zilvers had
+beloofd.
+
+Deze ongelukkigen stonden daar nu bevend, met den doodsangst op het
+gelaat, en schouwend op het lijk van hunnen vorst, dat nevens hen in
+zijn bloed lag uitgestrekt. Zij twijfelden niet aan het wreede lot dat
+hun was beschoren; de eenen knielden neder, de anderen vouwden de
+handen, eenigen smeekten de priesters, die bij het sakristijn stonden,
+hunne biecht te willen hooren; allen spraken met misbaar en tranen van
+hunne kinderen of van hunne ouders ...
+
+Onder hen bevonden zich Arnold en Ogier, des graven schrijvers; Bertyn
+en Baldwyn, zijne kamerdienaars; Godbert, zijn schenker, en de jonge
+Frumold, zijn schatbewaarder.
+
+Deze laatste was een dergenen, voor wier levering Burchard drie marken
+zilvers had beloofd; maar de moordenaars kenden hem niet. Daarom,
+alhoewel zij hunne zwaarden en knijven boven de hoofden der gevangenen
+zwaaiden, sloegen zij hen niet. Zij wilden op de komst hunnen aanleiders
+wachten, opdat zij hun aanwezen wie van dezen hun onbekende lieden moest
+vermoord of behouden worden.
+
+Frumold, die zich op de knieen had laten vallen, sprak met luider stemme
+zijne biecht, en bekwam dan ook de vergiffenis zijner zonden van eenen
+priester.
+
+Den ring van zijnen vinger trekkende, bood hij dien den geestelijke en
+zuchtte:
+
+"O, vader, ik smeek u, geef deze laatste herinnering aan mijne dochter
+Aleidis! Zeg het ongelukkig kind dat ik haar zegen, dat ik daarboven God
+voor haar zal bidden. Weze zij de arme ziel haars vaders gedachtig ..."
+
+En na deze woorden deed hij vruchteloos geweld om nog te spreken: tranen
+en snikken versmachtten zijne stem.
+
+De priester, door medelijden geroerd, veinsde de ontvangene boodschap
+onmiddellijk te willen volbrengen, en begaf zich naar de deur van den
+trap, zonder dat iemand der moordenaars hem belette uit te gaan. Hij had
+nog eenige hoop den schatmeester des graven te kunnen redden, en liep
+met dat inzicht naar de proostdij, om Bertulf te gaan verwittigen en
+zijne hulp in te roepen.
+
+Al deze dingen waren geschied op minder tijd dan er noodig is om ze te
+verhalen. Nog altoos heerschte er eene halve schemering in de kapelle,
+alhoewel er reeds eene grijze klaarheid in de benedenkerk zich
+verspreidde.
+
+Nu kwam Burchard met zijne bloeddorstige vrienden terug in de kapelle.
+
+Isaac Van Reninghe herkende des graven schatmeester. Hij sprong op hem
+toe, rukte hem, onder het bulderen van schromelijke vermaledijdingen, de
+kappe van het hoofd, greep hem bij het haar en sleepte hem over den
+vloer, om hem buiten de kerk te gaan vermoorden.
+
+Maar daar trad de proost Bertulf hem te gemoet, met den ouden Frumold,
+des schatmeesters oom, die, ondanks zijne zwakheid, Isaac om de lenden
+vatte en hem dwong zijn slachtoffer los te laten.
+
+Burchard kwam toegeloopen. De proost zeide hem met tranen in de oogen:
+
+"Neef, neef, wat hebt gij gedaan? Vreest gij dan niet dat de wrake Gods
+om zulke misdaad ons geslacht verdelge als een ras van Cain?"
+
+"Geene laffe woorden!" riep Burchard zeer trotsch. "Willem Van Loo is
+graaf van Vlaanderen. Aan hem alleen heb ik rekening mijner daden te
+geven en, keurt hij goed wat ik doe, wie zou mij durven laken?"
+
+"De dooden zijn noch door klachten noch door gebeden op te wekken",
+zuchtte de oude Bertulf, "maar uit liefde tot uwen grijzen oom, spaar
+het leven dezer arme lieden!"
+
+"Frumold moet sterven!" gromde Ingelram Van Eessen.
+
+"Ach, Isaac, mijn vriend", smeekte Frumold, "heb deernis met mij,
+ontferm u mijner arme kinderkens, die op de wereld zullen blijven zonder
+steun!"
+
+"Hoe? medelijden met u?" schreeuwde Isaac Van Reninghe, spotlachend.
+"Zijt gij het niet, die, meer nog dan anderen, ons bij den graaf hebt
+gelasterd? Gij zult sterven, al boodt gij ons zooveel goud aan als de
+kapelle kan bevatten. Kom, kom, naar de deur der kerk; ik alleen kloof u
+het hoofd!"
+
+Onderwijl had de proost nog eenige woorden met zijnen neef gewisseld.
+Deze verhief de stem en, als een veldheer gebiedende, riep hij:
+
+"Stil! Men zal hier doen wat ik beveel."
+
+En zich tot Frumold keerende, die nog biddend op de knieen zat, vroeg
+hij, in schijn meer bedaard:
+
+"Gij hebt de sleutels van des graven schat in uw bezit?"
+
+"Hier zijn ze", antwoordde Frumold, eenen reesel sleutels uit zijne
+tasch halende.
+
+"Er moeten verborgene schatten zijn?" mompelde Burchard.
+
+"Ja, zulke zijn er", bevestigde Frumold, die begon te hopen dat de
+tusschenkomst van den proost hem misschien nog het leven zou redden.
+
+"Zult gij ons die verborgene schatten toonen?" vroeg hem Burchard.
+
+"Ik zal ze u aanwijzen, zonder iets te verzwijgen."
+
+"Welnu", zeide Burchard op eenen toon, die geene wederspraak duldde, "ik
+vertrouw de sleutels aan mijnen oom, den proost, die ze zal bewaren. Wij
+hebben nu geenen tijd ons daarmede lang bezig te houden. Al deze
+gevangene stel ik insgelijks onder de bewaking van den proost van
+St-Donaas. Hij blijft jegens ons en jegens den graaf van Vlaanderen
+borg, dat geene hunner zonder mijn bevel uit de proostdij zal gaan[58]."
+
+De gevangenen dankten en juichten; want zij waren nu aan eenen
+onmiddellijken dood ontsnapt en twijfelden niet of de proost, wiens
+overheid groot was, zou hen blijven beschermen, totdat de woede hunner
+wreede vijanden was gekoeld. Zij volgden hunnen redder naar de trap der
+kapelle.
+
+Wel morden en gromden Burchards gezellen; maar hij zeide hun:
+
+"Geen tegenstand! Wij moeten 's graven schat hebben. Willem Van Loo zal
+hem gebruiken om den oorlog tegen onze vijanden te voeren. Wij kunnen
+later even goed over het lot van Frumold en van de anderen beslissen. Nu
+moeten wij het paleis gaan doorzoeken om te zien of daar geene onzer
+vijanden meer te ontdekken zijn. Gervaas Van Praet is ons ontsnapt; de
+beide zonen van den snooden Tancmar leven nog! Komt met haast; wij
+moeten den ganschen dag arbeiden ..."
+
+Zij liepen door de gang over de Hoogpoort en kwamen in het paleis; maar,
+hoe zij zochten in kamers, in zalen en in kelders, zij vonden er geen
+levend wezen.
+
+Slechts toen zij het paleis meenden te verlaten, troffen zij in de
+voorzaal, tegen het plein, den kastelein Hacket aan, met Hendrik Van
+Roesbrugge, eenen ridder van 's graven hof, en Eustaas, den broeder van
+den vermoorden Walter Van Lokeren.
+
+Zoohaast zij dezen laatste bemerkten, hieven zij hunne zwaarden op, om
+hem onmiddellijk neer te hakken; want hier niet op gewijden grond
+zijnde, hadden zij geene reden om hun slachtoffer naar buiten te
+sleuren.
+
+Maar Hacket, die hun inzicht bespeurde, sprong voor de twee ridders,
+beschutte ze met zijn lijf en riep:
+
+"Zij zijn mijne gevangenen! Niemand raakt een haar van hun hoofd zonder
+mij eerst te dooden!"
+
+Hetzij de woede van Burchard was gekoeld, of dat hij zijnen oom niet op
+eene bloedige wijze wilde wederstreven, hij gebood zijnen mannen, deze
+ridders, die zich toch den Kerels niet bijzonder vijandig getoond
+hadden, vooralsnu ongehinderd te laten; en hij stelde ze, evenals hij
+met de anderen had gedaan, in bewaring van den proost en van den
+kastelein, die voor hunne gevangenhouding verantwoordelijk zouden
+blijven.
+
+Op dit oogenblik haalden eenige gezellen van Burchard eenen ouden man
+uit eene schuilplaats nevens de poort.
+
+Deze beweerde dat hij zich niet had verborgen. Wie zou Eggard, den
+grijzen deurwaarder der Loove, toch willen kwaad doen, hem, die niets
+dan vrienden telde in Brugge?
+
+Inderdaad, Burchard lachte over den vond zijner mannen en verbood dat
+men den halfzinneloozen poortbewaarder eenig kwaad deed.
+
+"Welnu, Eggard", vroeg hij, "hebt gij altoos bij de poort gestaan,
+sedert dezen vroegen morgen?"
+
+"Reeds van vier uren", was het antwoord.
+
+"Gij hebt dan wel lieden zien vluchten, dienaars en ridders?"
+
+"Velen."
+
+"Ook mher Gervaas Van Praet?"
+
+"Ja, die is in den stal op een paard gesprongen en is langs de Hoogpoort
+weggereden, als hadde hij den duivel achter zich[59]."
+
+"Zoo, zoo! En de zonen van mher Tancmar?"
+
+"Die zijn beiden niet in het paleis geweest en slapen waarschijnlijk
+nog, indien de helsche storm, die er op den burg heerscht, hen niet
+heeft gewekt."
+
+"Volgt mij, gezellen!" kreet Burchard. "De zonen van Tancmar zijn onze
+grootste vijanden. Wij gaan ze verrassen. Zij moeten sterven!"
+
+Zij liepen in allerhaast over het middelplein en door de Hofpoort.
+
+Nu begon het klaar dag te worden. Ongetwijfeld had de schromelijke mare
+zich gedeeltelijk door de stad verspreid; want er was reeds volk op de
+straten, meest gemeene lieden en schalken.
+
+Waar de woeste bende voorbijging en den zegevierenden schreeuw: "Leve
+Willem Van Loo, graaf van Vlaanderen!" tot boven de huizen deed
+hergalmen, juichte het volk hen toe en herhaalde hunnen roep.
+
+Nergens een teeken van afkeuring, nergens een traan over het lot van den
+vorst, die zoo ellendig onder den slag van sluipmoordenaars den dood had
+gevonden.
+
+Graaf Karel was in Brugge niet algemeen bemind, hoe milddadig hij zich
+ook jegens de noodlijdenden toonde. Alhoewel de poorters van Brugge
+sedert lang aan eene bijna geheele afhankelijkheid gewend waren, vloeide
+hun toch Kerlenbloed in de aderen, en poogden zij met ijverzucht de
+weinige vrijheden te bewaren, welke de vorige graven hun had laten
+behouden. Omdat Karel van Denemarken, door de Isegrims geraden,
+aangaande het bestier des lands meer zuidelijke gedachten koesterde, en
+alle macht in zijnen persoon alleen scheen te willen samentrekken,
+zonder acht op de bestaande vrijheden te slaan, hadden zij eenen wrok
+tegen hem. Dat hij het niet oprecht met zijne onderdanen meende, daarvan
+beschuldigde men hem niet; maar het was genoeg dat hij niet zelden
+zijnen eigen wil in de plaats van het recht stelde, om hem de
+genegenheid der poorters te ontrooven.
+
+Hoe het zij, zeker bevonden zich tevens in de straten vele menschen, die
+den moord van vorst Karel als een gruwel laakten of betreurden; maar zij
+durfden het niet toonen, uit schrik voor de wreede Houtkerels, tusschen
+welke zij er sommigen bemerkten wier handen gansch met bloed waren
+geverfd.
+
+Over de St-Salvatorskerk, op den hoek der Zilverstraat, stond de
+prachtige steen, door het huisgezin van Tancmar bewoond.
+
+Burchard en zijne mannen, toen zij voor dezen sterken Steen kwamen,
+begonnen met hunne zwaarden op de poort te slaan en te schreeuwen dat
+men zou openen; maar zij bekwamen geen antwoord, en het bleef binnen in
+het huis zoo stil alsof geen levend wezen zich er had bevonden.
+
+Geen middel was er om in den Steen te dringen. Dit onverwacht beletsel
+voerde hunne woede ten top, en zij poogden hunne spijt lucht te geven
+door het bulderen van allerlei vermaledijdingen.
+
+Maar Ingelram Van Eessen bemerkte eenen balk, die wat verder voor de
+deur van eenen wagenmaker ten gronde lag. Hij riep eenige mannen tot
+zich en dezen keerden welhaast weder met den vreeselijken stormram op de
+armen.
+
+Achteruitgaande, liepen zij tegen de poort en beukten zoo geweldig, dat
+de slag als een donder binnen den Steen hergalmde.
+
+De poort was zeer sterk; zij weerstond aan vijf herhaalde botsingen,
+zonder te breken of te bewegen; maar bij den zesden slag sprong een der
+bovenste hengsels uit den muur en eene zijde der poort neigde
+achterover. De aanvallers hieven zegevierende kreten aan. Nog een loop,
+en de poort zou onfeilbaar nederstorten.
+
+Men was met den stormram achteruitgeweken, om met verdubbelde kracht
+tegen de poort te beuken. Burchard en zijne gezellen hieven hunne
+zwaarden in de hoogte, gereed om den Steen binnen te stormen en hunne
+vijanden neder te hakken ... toen eensklaps twee personen over den
+achtermuur van den Steen in de Zilverstraat sprongen en met ongemeene
+snelheid hun behoud in de vlucht zochten.
+
+"Zij zijn het, Tanemars zonen! Slaat dood, slaat dood! Drie marken
+zilvers voor elk!" riep Burchard, terwijl hij, door al zijne mannen
+gevolgd, de vluchtelingen achternaliep.
+
+Maar dezen waren te verre vooruit en zouden waarschijnlijk ontsnapt zijn
+aan degenen die dorst hadden naar hun bloed, indien niet een onverwacht
+beletsel hun den weg had versperd.
+
+Zoo vervolgd door hunne wraakzuchtige vijanden, waren zij het
+Giststraatje ingevlucht en zouden welhaast de Noordzandstraat bereiken.
+Zij zagen reeds van verre de stadspoort; het open veld zou hun middel
+geven om tusschen de boomen te ontsnappen ...
+
+Maar daar sprong eensklaps een poorter, Berakin genaamd, met eene bijl
+hun tegemoet, en hij zwaaide deze boven zijn hoofd om hen er mede te
+treffen. Zij deinsden terug om den slag van het moordtuig te ontwijken:
+doch, ziende achter zich de huilende drom hunner vijanden naderen,
+sprongen zij kermend en hopeloos weder vooruit. Berakin trof een hunner
+zoo wreedelijk, dat hij hem met eenen slag den rechterarm bij den
+schouder afhakte.
+
+De ongelukkige ridder viel neder en riep zijnen vliedenden broeder nog
+een laatst en grievend vaarwel toe.
+
+Eenige mannen bleven staan en verminkten het slachtoffer met wreed
+vermaak, terwijl de overigen immer vooruitliepen om den tweeden ridder
+niet te laten ontkomen.
+
+Burchard wierp eenen blik op den stervende, wiens bloed uit eene breede
+wonde stroomde.
+
+"Dit is er een!" riep hij. "Het is Walter: hij heeft zijne rekening
+Ghyselbrecht nu! vooruit! vooruit!"
+
+En zijnen loop hernemende, zette hij de vervolging met nieuwe woede
+voort.
+
+Mher Ghyselbrecht had inderdaad de stadspoort bereikt en liep nu over
+het groote plein, dat men het Zand noemde. Alhoewel een twintigtal
+vijanden hem op de hielen waren, zou hij misschien nog den dood ontsnapt
+zijn; maar op het oogenblik dat hij meende in een kreupelhout te
+springen, stiet hij met den voet tegen den wortel ens booms en viel ter
+aarde.
+
+Vooraleer hij zich kon oprichten, was hij door twintig handen te gelijk
+aangegrepen; en, hoe hij kermde en om genade smeekte, men sleurde hem
+verder op het plein.
+
+Daar wilde men hem oogenblikkelijk het hoofd kloven; maar degene, die
+beweerde hem allereerst te hebben aangevat, stelde zich tegen dit
+voornemen en dreigde de anderen met zijn zwaard. Hij had, zeide hij, de
+beloofde marken zilvers verdiend en wilde den gevangene aan Burchard
+Knap overleveren, die hem dan ook de toegezegde belooning niet zou
+weigeren.
+
+Terwijl zij nog daarover aan het twisten waren, kwam Burchard met de
+geheele bende op het plein en naderde degenen die den ridder omringden.
+
+"Ik, Batulf Merlaan, heb hem gevat: mij de marken zilvers!" riep hem een
+gezel toe.
+
+"Gij zult ze krijgen, wees gerust", antwoordde Burchard.
+
+"Ha, ha, daar heb ik u in mijne klauwen, gij snoodste aller Isegrims!"
+viel hij met bloedzuchtigen spotlach tegen Ghyselbrecht Tancmar uit.
+"Beveel uwe ziel aan God, gij gaat sterven! Ik wil, dat men uwe
+afgerukte leden rondom dit plein zaaie, zooals men met lafaards en
+verraders doet!"
+
+Ghyselbrecht kroop op de knieen voor hem en hief de bevende handen in de
+hoogte, met overvloedige tranen om genade smeekende en schatten gouds
+hem belovende.
+
+"Gij zijt zinneloos!" bulderde Burchard. "U het leven schenken? U, den
+boozen, den valschen, den meedoogenloozen vijand der Kerels? Wie heeft
+mher Robrecht Sneloghe bij jonkver Van Woumen gelasterd en ons eenen
+bloedigen hoon doen toebrengen? Ha, gij moest de bruidegom van jonkver
+Placida worden? Gij gaat trouwen met den dood!"
+
+"Genade, genade, ik verzaak de hand van Placida!"
+
+Maar Burchard hoorde hem niet aan en ging voort:
+
+"Wie heeft aan het hof zelfs de vrije geboorte der Erembalds durven
+loochenen? Wie is daardoor de schuld geworden des doods van den edelen
+Kerel Segher Wulf? Wie heeft Karel van Denemarken het edict op den
+balfaart ingeboezemd? Ha, ha, ik zou u sparen? Zeg vaarwel aan het
+leven: uw uur is gekomen!"
+
+"Bij de passie onzes Heeren, heb medelijden, o, dood mij niet!" kermde
+Ghyselbrecht.
+
+"Ik zal u niet dooden", schertste Burchard, als hadde hij vermaak
+gevonden in de zieltoging van zijn slachtoffer te verlengen. "Neen, ik
+wil mijne handen aan uw bloed niet bevuilen; maar gij zult gaan zien of
+gij iets daarbij kunt winnen."
+
+Hij gaf den armen ridder zulken geweldigen schop in de lenden, dat hij
+ter zijde viel; en dan, een teeken tot zijne mannen doende, zeide hij
+hun zeer koel:
+
+"Verplettert de slang die zoovele jaren de Kerels met haar gif heeft
+bespuwd!"
+
+Tien zwaarden vielen te gelijk op mher Ghyselbrecht die, zonder nog
+eenen zucht te kunnen slaken, den geest gaf. Welhaast waren zijne
+overblijfsels onkennelijk en lagen zijne leden, zooals zijn vijand het
+had voorspeld, over het plein verspreid[60].
+
+Burchard gunde zijne bende eene korte wijl rust; want, afgemat van de
+drukke vervolging, hijgden vele mannen naar hunnen adem.
+
+Hij verzamelde ze welhaast en zeide hun, dat hij onmiddellijk met hen
+naar Straten wilde gaan, om daar Rambold Tancmar te verrassen in den
+burcht, die nu reeds gedeeltelijk weder was opgebouwd. Van daar zou men
+naar Snelleghem loopen, met de hoop er Gervaas Van Praet, des graven
+kamerheer, te vinden. Men zou de burchten der ridders onderwege bezoeken
+en wapens verzamelen. Er was veel te rapen, en zoo zouden zijne mannen
+eene belooning vinden voor hunnen moed en hunne verkleefdheid.
+
+Een schallend gejuich begroette zijne woorden. Met den zegevierenden
+schreeuw: "Heil, heil Willem Van Loo, onzen graaf! Leve Burchard Knap!"
+verliet de bende, die door bijgekomene poorters zeer was gegroeid, het
+plein en verdween kort daarop in de baan naar St-Andries.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 53: "Dus gerust in de duisternis, besloten zij hunne misdaad
+den volgenden dag bij de eerste morgenschemering uit te voeren."
+
+GALB., p. 259.]
+
+[Voetnoot 54: GALBERTUS, p. 260.]
+
+[Voetnoot 55: "Het Jaar 1127, den tweeden dag van Maart ... vermoordden
+de verraders den graaf, terwijl hij bad en aalmoezen uitdeelde,
+ootmoedig geknield voor God."
+
+GALE., p. 266]
+
+[Voetnoot 56: Zie GALBERTUS, p. 267]
+
+[Voetnoot 57: "Walter, dus gevangen en zeker dat hij moest sterven,
+riep: "God, hebt medelijden met mij!" en zij antwoordden hem: "wij
+zullen u betalen met hetzelfde medelijden dat gij jegens ons hebt
+getoond."
+
+"Zij haatten hem uitermate; want hij was van 's graven raad, en had in
+elke gelegenheid hen benadeeld en den graaf aangehitst, om de gansche
+maagschap van den proost in dienstbaarheid (servage) te brengen."
+
+GALBERTUS, pp. 271 en 270.]
+
+[Voetnoot 58: Aangaande dit gansche tooneel en het behoud der gevangenen
+door tusschenkomst van den proost Bertulf, zie GALB, pp. 272 tot 275.]
+
+[Voetnoot 59: "Gervaas, kamerdienaar des graven, ontvlood te paard."
+
+GALB., p. 269.]
+
+[Voetnoot 60: Zie aangaande dezen moord der twee zonen van Tancmar.
+GALB., p. 268.]
+
+
+
+
+XIV
+
+
+Robrecht Sneloghe lag nog te bed. De ontsteltenis zijns gemoeds,
+tengevolge der afschuwelijke voorstellen van Burchard, had hem in het
+midden van den nacht langen tijd belet te slapen; maar eindelijk toch,
+onder de vermoeidheid bezwijkende, was hij in eenen loomen sluimer
+weggezonken. Reeds begon het morgenlicht in zijne kamer te dringen, toen
+hij eensklaps ontwaakte en de oogen luisterend hield geopend.
+
+Er heerschte in de verte een onduidelijk gebruis, als de suizende
+branding eener verre zee, waartusschen bijwijlen een machtiger gerucht,
+even versmoord, opsteeg. In zijne zware slaperigheid kon hij zich geen
+helder denkbeeld vormen van wat hij hoorde; hij meende dat het weder
+stormig was geworden en dat nu en dan een rukwind zuchtend tegen de
+torens der Steenen aansloeg.
+
+Het gebruis scheen echter te vergaan. Robrecht liet zijn hoofd terzijde
+op het kussen vallen en sloot de oogen.
+
+Maar welhaast hoorde hij in de straat eenige stemmen van lieden die in
+twist waren, die klaagden of elkander riepen. Dewijl zijne slaapkamer in
+het diepe zijner woning was gelegen, onderscheidde hij niets dan doffe
+klanken; hij zou misschien opnieuw ingesluimerd zijn, indien niet op dit
+oogenblik de stappen van een snel voorbijdravend paard voor zijnen Steen
+hadden hergalmd.
+
+Alhoewel hij in zich zelven deze geruchten verklaarde door de meening
+dat het eerste veroorzaakt was door lieden die naar den burg ter
+vroegmis gingen, en het andere door eenen bode des graven, zooals er
+dikwijls bij het aanbreken van den dag uitgezonden werden, ontstond er
+niettemin een angstige twijfel in zijnen geest.
+
+De slaap was hem beslissend ontvloden, en vermits het nu reeds licht
+begon te worden, stond hij op en kleedde zich met haast. Hoe het ware,
+hij had beloofd, voor zijne afreis naar Houthem, Dakerlia en zijne
+zuster nog tot vaarwel de hand te gaan drukken. Zij zouden
+waarschijnlijk reeds op hem wachten.
+
+Na eene korte wijle tijds was hij gansch gekleed, daalde den trap af en
+ging naar de voorzaal om daar zijn zwaard te nemen.
+
+Nauwelijks had hij den gordelriem zich om de lenden gegespt, of Dakerlia
+en Witta stormden klagend en met opgeheven handen de zaal binnen.
+
+"Wach arme! Wach arme!" kermden zij, "God behoede Kerlingaland!"
+
+"Wat is er geschied?" mompelde Robrecht verschrikt.
+
+"Wee, wee, de graaf is vermoord!" kreten zij.
+
+"De graaf vermoord? Graaf Karel?"
+
+"Hij ligt in St-Donaas met gekloofd hoofd!"
+
+"Wie, wie zijn de moordenaars?"
+
+"Eilaas, het is gruwelijk! Houtkerels van Eerneghem ..."
+
+"En Burchard Knap?"
+
+"Ja, Burchard ... Wat schromelijk ongeluk!"
+
+"Hemel, ik wist het!" zuchtte Robrecht met gebogen hoofde.
+
+"Gij wist het?" herhaalde Dakerlia, eenen stap achteruitwijkende als
+hadde het verdenken van Robrechts medeplichtigheid haar doen
+terugschrikken.
+
+"Neen, neen", zeide hij, het hoofd opheffende. "Ik wist dat de woeste
+Burchard het voornemen van dien ijselijken moord had opgevat. Mijne
+verontwaardiging, mijne bedreigingen, mijne gebeden troffen hem, en hij
+verzekerde mij dat hij van den misdadigen aanslag beslissend had
+afgezien. O, die ellendeling, wat al vermaledijdingen, wat al rampen
+roept hij niet over Kerlingaland en over geheel Vlaanderen!"
+
+"Onuitwischbare schande voor ons geslacht!" klaagde Dakerlia
+
+"Ons wacht de rechtvaardige wraak des hemels!" murmelde Witta snikkende.
+
+"Ja, ja, men zou zich den naam van Kerel schamen", gromde Robrecht met
+toorn. "Ach, ik verbrijzel veel liever mijn zwaard dan het aan de zijde
+van moordenaars te moeten voeren!"
+
+En onder het uitspreken dezer woorden trok hij zijn zwaard uit de
+scheede; doch, eensklaps zich bedenkende, stak hij het weder in en zeide
+op droeven toon:
+
+"Mijne ooms! ik mag ze niet verlaten; ik moet ze steunen, beschermen
+misschien. Hoe zullen zij bedrukt zijn en schrikken, zij, de hoofden van
+ons geslacht! Men zal hen verantwoordelijk maken, de misdaad op hen
+wreken, op hen, die onschuldig zijn.... Keer terug naar huis, Dakerlia,
+of blijf hier met mijne zuster. Ik moet mij haasten naar den burg. Mijne
+ooms zullen zich tegen Burchards gewelddadigheid verzetten. Hij is in
+zijne blinde woede bekwaam om hen te mishandelen...."
+
+De beide jonkvrouwen, in de gedachte dat Robrechts leven kon bedreigd
+zijn, wilden hem wederhouden; maar roepend dat het niet op zulk
+gevaarvol oogenblik was dat hij de vervulling van zijnen plicht zou
+verzaken, rukte hij zich los uit hunne armen en verliet de zaal, ondanks
+hun gekerm.
+
+In de Hoogstraat zag hij vele lieden, die met gebaren van ontsteltenis
+en schrik van den kant van den burg kwamen. Onder hen bemerkte hij eenen
+poorter die hem goed bekend was. Dezen staande houdende, vroeg hij:
+
+"Nu, Thiebald, wat geschiedt er op den burg?"
+
+"O, mher Sneloghe, het is afgrijselijk! De graaf is vermoord in de
+vroegmis; zijn lijk ligt nog in zijn bloed op den vloer der kapelle!"
+antwoordde de poorter.
+
+"Ik weet het. Waart gij er tegenwoordig?"
+
+"Ja, ik sidder er nog van in al mijne leden."
+
+"Ik bid u, Thiebald, zeg mij in eenige woorden: hoe is dit schromelijk
+ongeluk gebeurd?"
+
+"De graaf zat geknield voor het autaar. Burchard Knap is genaderd en
+heeft hem met eenen enkelen slag het hoofd gekloofd. Ingelram Van Eessen
+heeft den hofraadsheer Tancmar den schouder afgehakt; Isaac Van Eeninghe
+heeft den hofbottelier bij de poort der kerk vermoord...."
+
+"IJselijk, ijselijk!" morde Robrecht, de handen met wanhoop wringende.
+
+"Kent gij niet mher Disdir Vos?" vroeg hij.
+
+"Zeker, heer, ik ken hem wel."
+
+"Was hij in de kapelle met de moordenaars?"
+
+"Neen, hij was er niet, anders hadde ik hem gezien."
+
+"En is Burchard Knap nog op den burg?"
+
+"Neen, hij is daareven met zijne bende Houtkerels de stad ingeloopen,
+om Tancmars zonen te gaan dooden. Wee, wee ons, mher Sneloghe! de wrake
+Gods gaat nederstorten op onze stad, die besmet werd met zulke
+euveldaad."
+
+Vier of vijf andere poorters waren genaderd; een hunner, die de laatste
+klacht had gehoord, riep dreigend uit:
+
+"Wat raast gij daar, Thiebald? Dat gij een bloodaard zijt, weet
+iedereen. Hoe? gij beklaagt de dwingelanden? Gave God dat al de Isegrims
+dus naar de helle werden gezonden; dan zou Vlaanderen van zijne booze
+verdrukkers voor eeuwig zijn bevrijd!"
+
+"Zinnelooze, gij weet niet wat gij zegt", morde Robrecht met eenen blik
+van misprijzen, doch hij liet de poorters staan twisten en haastte zich
+naar den burg.
+
+Voor de poort der kerk greep hem eene ijskoude siddering aan en hij
+weerhield zijnen stap, als dede iets akeligs hem twijfelen of hij wel
+verder zou gaan. Daar lag een groote plas bloed, ter plaatse waar men
+den hofbottelier had gemarteld.
+
+Zijnen moed te zamen rapende, sprong Robrecht met eene breede schrede
+over de gruwelijke vlek, beklom de trap en ging in de kapelle. Hier zag
+hij niemand dan eenige mannen, die met bloote zwaarden bij de deur van
+de gang naar het paleis op wacht schenen te staan, vijf of zes
+priesters, die met diep gebogen hoofde in de gestoelten zaten te bidden,
+en drie vrouwen, bij het altaar ten gronde geknield, die nevens het lijk
+weenden.
+
+Akelig en doodsch was het hier als in een graf; slechts nu en dan werd
+de stilte door eenen pijnlijken snik der treurende vrouwen onderbroken.
+
+Mher Sneloghe naderde tot het altaar en blikte lang met stommen schrik
+op het lijk van vorst Karel, dat daar nog in zijn bloed lag uitgestrekt,
+zooals het onder den slag van Burchards zwaard was neergestort[61].
+
+De jonge ridder kon zijn medelijden niet bedwingen; hem borsten de
+tranen uit de oogen; maar welhaast ontstond er een grijns van diepe
+verontwaardiging op zijn gelaat, en hij dreef zijne tranen met geweld
+terug.
+
+Tot de priesters gaande, zeide hij hun:
+
+"Maar, eerwaarde heeren, waarom laat men het lijk van onzen armen vorst
+dus schandelijk liggen? Bewijst hem ten minste de eer die men allen
+dooden schuldig is."
+
+De priesters schenen verwonderd over deze taal.
+
+"Ach, mher Sneloghe, wij durven niet", antwoordde de kanunnik Ludgard,
+die hem een vriend was. "De moordenaars hebben gedreigd de kerk van
+St-Donaas te verdelgen, indien wij het lichaam van graaf Karel eenige
+eer bewijzen. Zij zwoeren bij duren eede, den eerste die zijnen dood
+durft beklagen, zonder genade neder te hakken. Zij gaan wederkeeren ..."
+
+"En toch, wij mogen geenen godsdienst oefenen, geene plechtigheden
+vervullen in eenen tempel die door eenen moord ontheiligd is", bemerkte
+de oude kanunnik Littra.
+
+"Het zij zoo", antwoordde Robrecht, "maar roept eenige broeders, doet
+het lijk zooveel mogelijk van bloed reinigen, legt het op eene baar en
+verbergt zijn hoofd en zijne gruwelijke wonde met een linnen kleed."
+
+"Wij zijn u dankbaar, mher Sneloghe, voor uw Christelijk medelijden",
+zeide Ludgard. "Wij zullen gelukkig zijn dezen plicht jegens de
+stoffelijke overblijfsels van onzen vorst te mogen vervullen; maar wie
+zal den tempel en wie zal ons tegen de wraak zijner wreede moordenaars
+beschermen?"
+
+"Wie, heeren? Ik zal u behoeden, al ware het zelfs ten koste van mijn
+leven. Zegt dat de proost het u heeft bevolen."
+
+"De proost!" herhaalde de priester op eenen zonderlingen toon, die
+Robrecht verbaasde en verschrikte.
+
+"O, mijn God!" kreet hij, "spreek toch duidelijk. Wat wilt gij zeggen?
+Beschuldigt gij den proost?..."
+
+"Neen; maar hij is oom van Burchard. De ijselijke misdaad heeft hem
+zoodanig ontsteld, dat hij van moed en wil is beroofd. Hij bemoeit zich
+met niets meer, zegt hij. Hem ontbreekt de macht om ons te beschermen."
+
+"Welnu, heeren, doet alles op mijn bevel, ik blijf verantwoordelijk.
+Wil iemand u hinderen, men roepe mij in de proostdij; ik zal
+onmiddellijk komen en verantwoorden wat ik u heb geraden."
+
+Dit zeggende verliet hij de kapelle en ging over het middelplein van den
+burg, om zijnen oom te gaan spreken.
+
+Een huisschalk hield hem terug, onder voorwendsel dat de heer proost
+bevolen had niemand tot hem toe te laten, wie het ook ware. Hij was zeer
+aangedaan en bedrukt, en wilde alleen zijn.
+
+Maar Robrecht, daarop geene acht slaande, stiet de deur eener zaal open
+en verraste zijnen oom, waar hij met het hoofd op de beide handen voor
+eene tafel zat. Een open zakdoek, die nevens hem lag, scheen te getuigen
+dat hij tranen had gestort.
+
+Robrecht en de proost aanschouwden elkander een oogenblik zonder
+spreken.
+
+"Oom, wat afschuwelijke misdaad!" riep mher Sneloghe.
+
+"Ja, ja, Robrecht", zuchtte de oude Bertulf, moedeloos het hoofd
+schuddende, "Het is misschien ons aller doodvonnis! Onze vijanden zullen
+de kans niet laten ontsnappen, om al de Erembalds van medeplichtigheid
+aan dezen moord te beschuldigen. Gansch Vlaanderen zal ons vervolgen en
+ons verderf najagen als eene rechtvaardige wraak!"
+
+"De dood is niets, oom, wanneer men onschuldig sterft", zeide Robrecht
+met beklemden toorn, "maar de schande! Wij beweren ridders te zijn,
+ridders en vrije mannen, en daar gedragen voorname leden van ons
+geslacht zich als laffe sluipmoordenaars! Ach, het is eene vlek die in
+de verre toekomst nog op onzen naam zal kleven. Weerhield de plicht
+jegens u en jegens Kerlingaland mij niet, ik verzaakte van heden af
+eenen naam die met wraakroepend bloed is besmeurd!"
+
+"Weze God ons barmhartig, Robrecht, anders is deze gruweldaad de
+slavernij voor de Kerels en de marteldood voor uwe ooms!"
+
+"En waar is nu Burchard?" vroeg Robrecht.
+
+"Men heeft mij daareven geboodschapt dat hij met zijne woeste Houtkerels
+naar Straten is geloopen om Rambold Tancmar te gaan verrassen. Eilaas,
+hij heeft in de stad de beide zonen van den hofraadsheer vermoord!
+Zeker, zij waren ons booze, onmeedoogende vijanden; maar zoo toch
+moesten wij ons niet verdedigen. Dit bloed zullen wij duur betalen...."
+
+"Oom, vergeef mij mijne vraag", onderbrak hem Robrecht. "Hebt gij dan
+niets gedaan om Burchard het moorddadig zwaard uit de handen te rukken?
+Uwe overheid op hem is groot; uw gebod ..."
+
+"Neen, wees niet wreed voor mij, mijn goede neef", antwoordde Bertulf
+bijna smeekende. "Ik gevoelde mij niet wel en lag nog te bed, toen reeds
+de graaf en zijne twee raadslieden van het leven waren beroofd. Ik heb
+het beproefd, Burchard van verder bloedvergieten te wederhouden; maar
+hij noemde mijne vermaningen laffe woorden en weigerde mij aan te
+hooren. Hij handelt op bevel en met goedkeuring van Willem Van Loo, zegt
+hij, en indien dit waar is, wat kunnen wij tegen den wil van dengenen
+die in den Hoop tot graaf van Vlaanderen werd verheven?"
+
+"Maar het is niet waar, het is eene snoode logen!" kreet Robrecht met
+verontwaardiging. "Burchard bedriegt ons."
+
+"Hoe kunt gij het weten, neef?" antwoordde de proost met een treurig
+schokschouderen. "Kent gij den burggraaf van Yperen? Zijne ziel is diep
+verbitterd; hij haat Karel van Denemarken ontzeglijk, sedert deze, in
+zijne plaats, zoo hij meent, den troon van Vlaanderen beklom. De
+heerschzucht, mijn zoon, maakt den mensch tot alle euveldaden bekwaam;
+de geschiedenissen, oude en nieuwe, krielen van bewijzen."
+
+"Schromelijk!" morde mher Sneloghe, "gij waant Willem Van Loo uitzinnig
+of boos genoeg, om door plassen bloed, laffelijk en snood gestort, den
+troon zijner vaderen te beklimmen? En hij zou eenen Erembald, hij zou
+Burchard Knap deze gruwelijke misdaad bevolen hebben?"
+
+"Ik weet het niet, neef; maar gij zelf hebt mij gezegd, dat Burchard te
+Veurne zich aanstelde als een gunsteling van mher Willem en zichtbaar
+zijn bijzonder vertrouwen genoot."
+
+"Het is waar!" bevestigde Robrecht, met eenen zucht van moedeloosheid.
+"En zouden wij hem nog als graaf erkennen, den valschen en wreeden
+mensch, die zijn rijk met eenen eerloozen sluipmoord begint?"
+
+"Spreek zulke onvoorzichtige woorden niet, mijn neef", bemerkte de
+proost. "Wij moeten de voorvallen afwachten en zien wat ons eigen behoud
+en de verdediging van Kerlingaland van ons eischen. Wij zijn gebonden
+door onzen gildeneed. Vergeet dit niet."
+
+"Waar is mijn oom Hacket?" vroeg mher Sneloghe.
+
+"Die is in het Gijselhuis en bewaart daar den schatmeester Frumold en
+andere hofbedienden des graven, die Burchard aan onze wacht heeft
+toevertrouwd."
+
+"Oom, ik heb bevolen dat men het lijk des graven wassche en het op eene
+baar legge. Het volk gaat komen; dit bebloede lichaam, indien wij het
+zonder eenig bewijs van eerbied op den vloer lieten liggen, zou den
+poorters afgrijzen inboezemen en hun erg verdenken tegen u en den
+kastelein doen opvatten. Daarenboven, men is allen dooden eerbied
+verschuldigd, en Karel van Denemarken was toch voor Vlaanderen nog de
+wettige graaf."
+
+"Ik dank u voor uwe goede zorg; gij hebt wel gedaan, mijn neef ... Ik
+was door dezen ijselijken moord zoo diep ontsteld, zoo verpletterd, dat
+het gansch duister in mijnen geest was geworden; nu klaart mijn verstand
+een weinig op. Ik ga metterhaast brieven schrijven: naar Willem Van Loo,
+om hem te melden wat hier is geschied en zijne hulp in te roepen; naar
+de bischoppen van Terouaen en van Noyon, om hun te bewijzen dat ik
+onschuldig ben aan deze schromelijke voorvallen en hun te verzoeken de
+ontheiligde kerk te komen herwijden. Ja, Robrecht, gij zult het zien, de
+Isegrims zullen al de Erembalds, en mij meer dan anderen betichten van
+aan dezen moord te hebben deelgenomen of hem te hebben aangeraden.
+Burchard is mijn neef; met weet dat ik alleen invloed op hem bezat, en
+men zal beweren dat ik zijnen arm hadde kunnen weerhouden, indien ik den
+ijselijken aanslag niet had goedgekeurd. De schijn is tegen ons. Niemand
+toch kan vermoeden dat eene hoogere overheid dan de mijne dezen moord
+heeft bevolen."
+
+"Ik zelf, oom, ik kan nog niet gelooven dat mher Willem Van Loo zulk
+bevel heeft gegeven. Hij is toch ridder!"
+
+"Geve God dat gij u bedrieget; anders valt de pletterende
+verantwoordelijkheid geheel op ons. Laat mij nu alleen, Robrecht; ik zal
+metterhaast mijne brieven voor Willem Van Loo en de bisschoppen gaan
+schrijven."
+
+"Kan ik hier niet van eenigen dienst zijn, heer oom?" vroeg Robrecht.
+
+"Ja, zeker, van grooten dienst; ik dacht er niet aan. Hoe verward zijn
+toch mijne zinnen!" antwoordde de oude Bertulf. "Ga naar de kapelle en
+blijf daar waken over het lijk des graven. Ik heb reeds vijf of zes
+wapenlieden er naartoe gezonden; maar zij hebben geenen overste. Ik zal
+uwen oom Hacket verzoeken er u nog anderen te sturen. Welhaast zal de
+gansche bevolking van Brugge te been zijn. De menigte zal uit
+nieuwsgierigheid naar St-Donaas komen gestroomd. Niet alleen moet men
+daar het gewoel en het gedrang beletten, maar tevens het lijk tegen
+allen hoon beschermen; want de woeste gezellen van Burchard kunnen
+terugkeeren, en zij zouden hun slachtoffer niet eerbiedigen.
+Daarenboven, vele poorters koesterden eenen even vurigen haat tegen
+graaf Karel. Er zijn ijselijkheden genoeg gepleegd. Ga, mijn neef, en
+behoed ten minste het doode lichaam tegen alle schennis en tegen alle
+oneerbiedigheid."
+
+"Het is wel, oom", antwoordde Robrecht, met eenen groet. "Wees gerust;
+al moest mijn bloed zich mengen met het bloed van den ongelukkigen vorst
+Karel, niemand zal ongestraft zijn lichaam hoonen."
+
+Hij verliet de proostdij en keerde terug naar de kapelle, waar zich een
+twintigtal nieuwsgierigen bevonden, die in stilte op de banken geknield
+zaten en, met schrik op het gelaat, naar het altaar blikten.
+
+Het lijk lag nu op eene soort van tafel en was overdekt met een wit
+linnen. Rondom deze baar brandden een zeker getal waskaarsen Men had den
+vloer van bloed gereinigd en alles, wat in de kapelle door de woeling
+was overhoop gesmeten geworden, weder geschikt en gezuiverd.
+
+Door de woorden van mher Sneloghe aangemoedigd, hadden de priesters
+hunne genooten en klerken verwittigd, zoodat nu bij de baar en in de
+gestoelten vele geestelijken en broeders van St-Donaasklooster in stilte
+zaten te bidden. Maar hun plechtgewaad hadden zij afgelegd, en de gewone
+gebeden voor de dooden lazen zij niet; want dit was hun verboden door de
+kerkelijke wetten, zoolang de ontheiligde tempel niet door eenen
+bisschop zou herwijd zijn.
+
+Robrecht sprak eene wijl met den kanunnik Ludgard, schikte dan de
+gewapende wachten op eenigen afstand rondom de baar en beval hun niemand
+het lijk te laten naderen, en al degenen die zich oneerbiedig zouden
+toonen zonder eenig ontzag terug te drijven. Hij zou in de kapelle
+blijven en op het minste gerucht hun terzijde komen, om hun hulp te
+bieden, indien het noodig werd.
+
+Na dus zijne onderrichtingen te hebben gegeven, trok hij eenen bidstoel
+tot bij de deur van de gang naar het paleis, en zette zich daar geknield
+en met gebogen hoofd neder.
+
+Allengs kwam er meer en meer volk in de kapelle, en na een uur tijds
+begon men er zoo dicht opeen te staan, dat de wachten, alhoewel zij nu
+wel twaalf in getal waren, moeite hadden om de lieden te beletten
+elkander tot tegen het lijk te dringen.
+
+Daaruit ontstond verwarring, en nu en dan een hevig gemor, dat waarlijk
+inbreuk maakte op den eerbied dien men deze plaats en bovenal het doode
+lichaam des graven was verschuldigd.
+
+Robrecht stond op en beval dreigend de diepste stilte. Dan stelde hij
+vier gewapende mannen bij de deur, aan de trap, en legde hun ten plicht
+op niemand meer toe te laten dan wanneer de kapelle door een zeker getal
+bezoekers zou ontruimd zijn.
+
+Toen hij naar zijnen bidstoel meende terug te keeren, hoorde hij eenen
+poorter luidop zeggen dat Karel van Denemarken niet meer had dan wat hij
+verdiende; hij noemde hem valschaard, dwingeland en huichelaar.
+
+Robrecht zag hem met vertoornden blik aan en beval hem te zwijgen; maar
+de poorter, die verblind was door zijnen haat tegen den doode, sprak
+eene grove vermaledijding uit.
+
+Robrecht deed geweld om zijne verontwaardiging te bedwingen; hij ging
+tot twee zijner wachten, zeide hun eenige stille woorden en naderde
+weder met hen tot den oneerbiedigen poorter.
+
+"Wilt gij zwijgen of oogenblikkelijk deze kapelle verlaten?" vroeg hem
+mher Sneloghe.
+
+De poorter toonde zich nog onwillig.
+
+Op een teeken van Robrecht grepen de beide wapenlieden te gelijk hem
+aan en rukten hem naar de deur, ondanks zijnen tegenstand.
+
+"Weigert hij den burg te verlaten, men voere hem naar het Gijselhuis in
+den kerker!" riep Robrecht.
+
+De rust, een oogenblik door dit voorval gestoord, was welhaast geheel
+hersteld. Dit bewijs van krachtdadigheid boezemde de menigte ontzag in,
+en ieder hield zich stil.
+
+
+[Illustratie: En zette zich daar geknield en met gebogen hoofd neder
+(Bladz. 288)]
+
+
+Robrecht keerde terug naar zijnen stoel. Uren verliepen er, zonder dat
+zijne tusschenkomst nog noodig werd; want, dank aan den wijzen maatregel
+door hem voorgeschreven, het men slechts opvolgend een beperkt getal
+nieuwsgierigen de kapelle binnentreden.
+
+Weinig tijds voor den middag, terwijl hij in diepe verslondenheid zat te
+bidden of te overwegen, werd zijn naam zeer zachtjes achter hem
+uitgesproken. Hij hief het hoofd op en zag met verrassing Dakerlia en
+Witta aan zijne zijde staan.
+
+Hij sprak met hen door treurige blikken en stomme gebaren, want, om de
+stilte niet te storen, durfde niemand hunner iets zeggen.
+
+Robrecht trok twee stoelen bij, en Dakerlia en zijne zuster knielden
+nevens hem met saamgevoegde handen. Tusschen het prevelend gebed der
+jonkvrouwen werd nu en dan een doffe snik hoorbaar. Zij weenden over de
+misdaad en over het arm slachtoffer.
+
+Wel een half uur hadden zij daar voor de ziel van graaf Karel en voor
+het bedreigde Kerlingaland gebeden, toen mher Eggard Van Ysendijke, een
+vriend van Robrecht, in de kapel trad en eenige woorden aan zijn oor
+fluisterde. Robrecht stond op en deed Dakerlia en zijne zuster teeken
+dat zij hem zouden volgen.
+
+Zij zwegen totdat zij buiten de kerk op het plein waren.
+
+Hier begonnen de ontstelde jonkvrouwen, onder het storten van nieuwe
+tranen, hun medelijden met het doorluchtige slachtoffer uit te storten
+en hunnen afschrik van den ijselijken moord te betuigen; maar Robrecht
+troostte en versterkte hen, zoo hij best kon, en deed hun begrijpen dat
+zij huiswaarts moesten keeren en daar gerust op hem wachten. Hij zou hen
+gaan vervoegen zoohaast hem dit mogelijk zou zijn. Nu moest hij nog op
+den burg blijven, om in de kapelle over het doode lichaam te waken. Wel
+had de proost hem door Eggard Van Ysendijke doen aflossen; maar het was
+slechts om hem toe te laten in de proostdij metterhaast en weinig
+voedsel te nuttigen. Dan moest hij weder in de kerk zijne wacht gaan
+hernemen. Overigens wist hij niet met welken anderen dienst men hem zou
+kunnen belasten. Zijne ooms waren, om zoo te zeggen, gansch alleen en
+zonder hulp; zijn plicht gebood hem met hen te blijven zoolang zijne
+tegenwoordigheid hun van eenig nut kon zijn. Tot nu toe bestond er voor
+de poorters der stad geen het minste gevaar. Dakerlia en Witta konden
+dus in volle gerustheid naar huis gaan, en daar onbekommerd op hem
+wachten.
+
+Zou koutende en moeite doende om hun moed in te spreken, leidde hij hen
+door de Hoogpoort en bijna tot voor zijnen Steen. Hier nam hij echter
+afscheid van hen en keerde terug naar den burg.
+
+Toen hij op het plein trad, zag hij eenen ganschen stoet geladene wagens
+de Hofpoort binnenrijden. Daarop lagen in groote verwarring allerlei
+wapens opgehoopt: helmen, harnassen, maliehemden zwaarden, kruisbogen,
+speren, en zelfs werptuigen die men in belegerde plaatsen gebruikt om
+eenen stormloop af te weren. Rondom en tusschen de wagens reden vele
+Houtkerels, aan hunne diepblauwe kleeding en lange baarden kennelijk.
+Dat zij deze paarden in het veld of op de ridderburchten hadden geroofd
+bleek genoeg daaruit dat de meeste dezer dieren ongezadeld waren en
+sommige met een zeel bij de hand werden geleid. Een gansche drom
+Houtkerels te voet kwamen achter de wagens aangestapt Velen hunner
+droegen kostbare voorwerpen op hunne armen of op hunne schouders: gouden
+lakens, rijke kleederen, ingelegde wapens, zilveren schotels, die zij
+ongetwijfeld op hunnen tocht tot buit hadden gemaakt.
+
+Bij hunne intrede binnen den burg zongen zij met verwarde galmen:
+
+ "Gi, rudders, dwingers, maect u van cant,
+ Hier zyn de Kerels van Vlaenderlant!
+ Gi, Isegrim, hoed u vor den Blauwvoet
+ Of gi selt voelen wat sine clau doet.
+ Onse vorderen waren vri,
+ En vri so bliven wi,
+ So lanc een hart, dat lafheid haat,
+ In eenen Kerlenboesem slaat!
+
+ Doedele, bommele, rondomdom,
+ Houd u recht en sie niet om!"
+
+En na dezen zang deden zij den schreeuw: "Heil Willem Van Loo, graaf van
+Vlaanderen! Heil, heil!" als een donder over den burg schallen, terwijl
+vele poorters dien kreet met evenveel drift herhaalden.
+
+Het pijnigde mher Sneloghe zeer diep, het lied der Kerels bij zulke
+beklaaglijke gelegenheid in den mond te hooren van lieden die hij als
+laffe moordenaars aanschouwde. Het scheen hem eene ontheiliging van den
+vaderlandschen krijgszang; hij sidderde van verontwaardiging bij het
+gepeins dat ditzelfde lied ook in den oorlog, welke er ongetwijfeld ging
+ontstaan, der Kerlen scharen ten strijde zou voeren. Het was hem nu
+hatelijk geworden, het zou hem voortaan ontmoedigen en beschamen,
+telkens dat het in zijn oor zou hergalmen.
+
+Daar zag hij eensklaps Disdir Vos tusschen de Houtkerels. Deze ridder
+moest een hunner oversten zijn, want hij deelde zichtbaar bevelen uit
+tot het ontladen der wagens en tot het bergen der wapens in de
+stapelhuizen.
+
+Disdir Vos bemerkte Robrecht en kwam tot hem.
+
+"Hoe staat gij daar werkeloos en onverschillig, mher Sneloghe?" vroeg
+hij. "Wij gaan straks om nieuwen buit naar de burchten der omstreken.
+Ditmaal zullen wij allen te paard zijn. Gaat gij niet mede?"
+
+"Ik wil niets gemeens hebben met lieden die eenen afschuwelijken
+sluipmoord hebben gepleegd", antwoordde Robrecht zeer koel.
+
+"Maar de slag is nu toch gegeven. Uwe treurnis zal den dwingeland niet
+opwekken."
+
+"Kleve de wrake Gods en de vermaledijding der wereld op degenen die het
+bloed van Karel hebben vergoten! Ik, Robrecht, wil ten minste voor mijn
+eigen geweten onschuldig blijven van alle medeplichtigheid aan dien
+gruwel."
+
+Mher Vos veranderde eensklaps van toon, en het was met zekere
+bekommerdheid, dat hij zeide:
+
+"Ik was niet tegenwoordig bij den moord; toen men mij de erge
+gebeurtenis kwam melden, lag ik nog te bed, wees daarvan zeker."
+
+"Ik weet het", mompelde Robrecht. "Misschien hebt gij Tancmars zonen
+zien dooden?"
+
+"Neen, neen, in mij bijzijn is er geen druppel bloed gestort. Uit enkel
+nieuwsgierigheid ben ik Burchard achternagereden naar Straten. Ik heb
+hem vergezeld naar Snelleghem, Lophem, Oostcamp en Assebroeck. Overal
+waren de lieden gevlucht en niemand bood ons wederstand. Burchard meende
+ten minste Rambold Tancmar te verrassen; het nest was ledig en de vogel
+ontvlogen ... Kom straks met ons, Robrecht. Burchard handelt op bevel
+van graaf Willem; hij is zijn gunsteling en hij zal den graaf laten
+weten wie in deze gewichtige omstandigheid hem bewijzen van
+verkleefdheid gaven."
+
+Mher Sneloghe glimlachte met misprijzen.
+
+"Gij begrijpt", ging Disdir met vleiend aandringen voort, "dat vele
+leenen der Isegrims zullen verbeurd worden. De graaf zal deze leenen
+uitdeelen aan de ridders die hem door openbare daden van moed en
+opoffering hebben geholpen. Uw deel zal groot zijn, indien gij nu zonder
+aarzeling u aan de zijde van Burchard schikt en niet ten onrechte laat
+denken dat het u aan stoutheid faalt."
+
+"Ik heul niet met lieden aan wier handen nog het bloed van den
+sluipmoord kleeft! Op tijd en plaats, in eenen open en eerlijken oorlog,
+zal ik toonen dat ik niet weiger mijn leven voor het heil van
+Kerlingaland te wagen. Nu blijf ik op den burg."
+
+Disdir Vos scheen verdrietig over het mislukken zijner poging.
+
+"Denk toch niet, mher Sneloghe", zeide hij, "dat ik juich over den
+ellendigen dood van graaf Karel; maar, al weende ik nu ook in mijn
+binnenste over het bloedig voorval, wat zou het er aan helpen? Is onze
+plicht niet ons te wapenen tegen onze vijanden, die op de stad Brugge en
+op Kerlingaland het verlies van den graaf zullen willen wreken? Wij
+kunnen ons toch niet als kalveren door de Isegrims laten doodslaan?"
+
+"Het is waar", zuchtte Robrecht, "maar tusschen moordenaars? Nooit,
+nooit!"
+
+Disdir Vos keerde zich om met eenen korten groet; een dof gemor rolde
+van zijne lippen en hij verwijderde zich, knarsetandend van geheime
+spijt.
+
+Robrecht richtte zich naar de proostdij. Een schalk leidde hem in eene
+kamer en bracht hem een stuk gebraden vleesch en eene flesch wijn.
+
+Hij begon te eten zonder veel lust, ofschoon hij wel gevoelde dat zijn
+lichaam nood had tot herstelling van krachten.
+
+Spoedig had hij met zijnen maaltijd gedaan, en meende zich weder naar de
+kapelle te begeven, toen zijn oom Bertulf bij hem in de kamer trad. De
+oude proost scheen minder neerslachtig; ja, eene uitdrukking als een
+glimlach verhelderde zijn gelaat.
+
+"Kom, mijn goede Robrecht", zeide hij, o wat geschied is kan niet
+hersteld worden. Wij moeten het lot aanvaarden zooals het zich voordoet,
+en met beradenheid de middelen verzamelen om ons tegen de wraakzucht
+onzer onmeedoogende vijanden te kunnen verdedigen. Burchard is toch van
+ons maagschap. Hoe schromelijk ook de daad zij, die door hem is
+gepleegd geworden, wij moeten hem bijstaan."
+
+"Ach, oom, spreek zoo niet!" zuchtte Robrecht met afgrijzen. "Burchard
+is eene afschuwelijke moordenaar. Ik hem helpen? Eischt gij dat van
+mij?"
+
+"Het is een bloedplicht, mijn neef, gij weet het wel. Ik heb lang met
+Burchard gesproken; hij is in de proostdij en rust nu een weinig ...
+Indien het waar is, zooals hij het verzekert, dat Willem Van Loo hem
+last heeft gegeven om den graaf te dooden ..."
+
+"Dit is onmogelijk!" kreet Robrecht met driftigheid.
+
+"Gij kent Willem niet, mijn neef. Uw edelmoedig hart begrijpt niet dat
+een ridder tot zulke gruwelen kan besluiten, al moest ook de kroon van
+Vlaanderen de prijs van den sluipmoord worden. Gij bedriegt u; de tijd
+zal het u leeren. In alle geval, Burchard toont zich bereid om voor den
+nieuwen graaf, wie hij ook weze, zijne daden te verrechtvaardigen. Laat
+hem dan verantwoordelijk blijven voor den moord, en pogen wij, van onze
+zijde te beletten dat onze vijanden deze gelegenheid waarnemen om het
+geslacht der Erembalds te verderven en Kerlingaland in eeuwige slavernij
+te dompelen."
+
+"Ik ben bereid tot alles, heer oom", antwoordde Robrecht, "maar aan de
+zijde van Burchard niet. Sedert dezen morgen is hij een wangedrocht in
+mijne oogen; mijn afkeer voor hem is onuitsprekelijk"
+
+"Dit gevoel begrijp ik, Robrecht; maar het zal verzwakken. Kom, wees
+beter beraden; men moet ook zedelijke opofferingen voor zijn land kunnen
+doen ... Ik heb daar straks eene bijeenkomst gehad met de schepenen van
+Brugge ..."
+
+"Ha, zij insgelijks beven van verontwaardiging en van afschuw niet
+waar?"
+
+"Inderdaad; maar als wijze mannen denken zij aan de verdediging der stad
+en aan het behoud hunner vrijheden. Wij hebben gezamenlijk besloten dat
+men, met den grootsten spoed de grachten zal uitdelven, waar ze door
+verloop van tijd ondiep zijn geworden. De paalwerken zullen wij
+herstellen, de zwakste plaatsen der omheining met aarden wallen
+versterken, de torens en poorten met allerlei wapens voorzien.
+Verschijnen dan de Isegrims voor de stad, wij zullen ze kunnen afweren
+en terughouden totdat Willem Van Loo met het Kerlenleger hun den strijd
+komt bieden. Zijn de Kerels overwinnaars, Burchard zal voor hem en zijne
+ridders terechtstaan en zich volgens hun vonnis gedragen. Gij ziet wel,
+mijn goede neef, dat alles nog zoo erg niet is als wij meenden."
+
+Robrecht schudde zwijgend het hoofd, ofschoon hij innerlijk niet
+ontkende dat zijn oom gelijk had, ten minste wanneer hij aanried zich
+tot verdediging tegen de Isegrims te bereiden.
+
+Daar hoorde men in de proostdij een gerucht van stappen.
+
+"Hemel, zou hij het zijn?" kreet Robrecht als verschrikt.
+
+"Burchard?" antwoordde de proost, "ja, ik geloof dat hij het is."
+
+Mher Sneloghe sprong recht en zocht met de oogen eene deur om de kamer
+te verlaten.
+
+"Bij uwe liefde tot mij en tot Kerlingaland", zeide de oude Bertulf, hem
+de hand grijpende, "ik bezweer u, Robrecht, toon niet zoo openlijk uwen
+afkeer voor Burchard; het zou hem diep kwetsen ... en wie weet? Ach,
+indien gij elkander op zulk oogenblik naar het leven moest staan, waar
+bleef onze verdediging?"
+
+"Laat mij gaan", smeekte mher Sneloghe, "ik zal het gezicht van den
+moordenaar niet kunnen verdragen; nu nog niet, later; maar nimmer toch
+zal ik zonder blozen...."
+
+"Wij bedrogen ons, het is Burchard niet!" riep de proost met blijdschap.
+
+De kanunnik Ludgard was in de kamer getreden en zeide met groote haast:
+
+"De schalken wilden mij beletten tot u te naderen, heeren; ik heb uw
+bevel niet geeerbiedigd ... Mher Sneloghe, kom toch zonder uitstel naar
+de kerk! Daar zijn Houtkerels die het lijk van graaf Karel allen smaad
+aandoen; zij hebben den doek er af getrokken, de lichten uitgedoofd, de
+geloovigen verjaagd en ons, dienaars des Heeren, gehoond en bespot."
+
+Robrecht sloeg, van verontwaardiging sidderend, de hand aan zijn zwaard
+en, terwijl hij zich naar de deur richtte, morde hij, dat hij een einde
+aan de baldadigheid der Houtkerels zou stellen, al moest hij ook dien
+goddeloozen het hoofd klooven ... maar hij deinsde eensklaps terug, als
+hadde een onverwacht gezicht hem met verschriktheid geslagen.
+
+Burchard Knap vertoonde zich glimlachende in de deur. Hem hing een
+zilveren jachthoorn aan de zijde.
+
+"Wat komt kanunnik Ludgard hier van mijne Houtkerels vertellen oom?"
+vroeg hij den proost, die uit voorzorg zich tusschen Robrecht en
+Burchard had gesteld.
+
+"Hij komt hulp vragen tegen uwe mannen, die in de kapelle het doode
+lichaam van vorst Karel hoonen en mijne priesters smaad aandoen",
+antwoordde de proost toornig. "Ik zal niet langer dulden dat de kerk van
+St-Donaas zoo wraakroepend worde ontheiligd!"
+
+"Is het anders niet?" schertste Burchard, zijnen zilveren hoorn
+aangrijpende. "Gij zult gaan zien hoe mijne Houtkerels den overste
+gehoorzamen, die in naam van graaf Willem over hen gebied. Hier is de
+jachthoorn van den valschen Rambold Tancmaar; zij kennen dien klank."
+
+En dit zeggende, stapte hij, door de anderen gevolgd, uit de proostdij
+en deed op het plein eenige schelle tonen hergalmen.
+
+Even ras antwoordden van alle kanten verwarde stemmen op dit geluid, en
+men zag uit de stapelhuizen en uit de kerk vele Kerels en ook poorters,
+die zich in hunne bende hadden geschikt, met haast naar Burchard komen
+geloopen.
+
+"Vrees nu niet meer voor uwe kerk, heer oom", zeide deze. "Ik ga weder
+met mijne mannen het veld in, om wapens te verzamelen en buit te maken
+op onze vijanden ... Ginder bij de kerk staat mher Sneloghe. Hij
+ontwijkt mij; ik begrijp het en vergeef hem zijne teergevoeligheid; maar
+zeg hem, oom, dat hij zich niet verstoute in het openbaar mij te hoonen,
+of, bij Thors hamer, hij zal slaan met mij!"
+
+"Wat? woestaard!" gromde de proost vergramd, o gij zoudt Robrecht durven
+uitdagen? Mij zoudt gij moeten dooden, vooraleer ik zulken broederstrijd
+toeliete!"
+
+"Welaan, hij bedwinge zich dan! Zijne vriendschap behoef ik niet, maar
+zijn misprijzen zal ik niet dulden, in geener wijze!"
+
+"Maar wie zegt u dat Robrecht u misprijst?"
+
+"Ik heb er een staal van gehad dezen nacht; er zijn geene scheldwoorden
+die den trotsaard mij niet naar het hoofd wierp."
+
+"Dezen nacht?" vroeg Bertulf verwonderd.
+
+"Ik zal het u later uitleggen. Nu heb ik geenen tijd. Vaarwel, oom, tot
+onzen terugkeer."
+
+De proost ging naar de kapelle, waar hij Robrecht reeds werkzaam vond
+aan het doen herstellen van wat de woeste Houtkerels hadden ontschikt.
+Een nieuw linnen werd over het lijk gelegd; men ontstak nog meer
+waskaarsen en nam eenige maatregels om alle verdere ontheiliging der
+kapelle te voorkomen.
+
+Toen men hiermede gedaan had, wenkte de proost zijnen neef. Beiden
+gingen tot op het middelplein. Daar zeide de oude Bertulf:
+
+"Robrecht, wij kunnen zoo niet blootgesteld blijven aan de baldadigheid
+van Burchards gezellen, zonder eenige hulp om desnoods hen in bedwang te
+houden. Hoevele gewapende mannen zoudt gij op uw landgoed Ravenschoot
+kunnen verzamelen?"
+
+"Onmiddellijk, oom?"
+
+"Voor den avond."
+
+"In zoo korten tijd? Zeker vijftig of zestig, indien niet meer."
+
+"Het is genoeg. Wij zullen hun de wacht van den burg toevertrouwen, en
+gij zult hun overste zijn. Kunt gij zonder uitstel u naar Ravenschoot
+begeven?"
+
+"Ja, ik zal naar huis gaan om een paard te nemen. Dit zal mij
+gelegenheid geven om mijne zuster en jonkver Wulf over mijne afwezigheid
+gerust te stellen. Ik vertrek, heer oom, en zal mij spoeden, om met al
+de mannen, die ik kan vergaderen, voor het einde van den dag terug te
+zijn."
+
+Hij meende zich naar de Hoogpoort te richten; maar de proost weerhield
+hem.
+
+"Nog een woord, mijn goede neef", zeide hij, "en ik smeek u, ik bezweer
+u, hoor mijnen vaderlijken raad aan! Het kan zijn, het is zelfs
+waarschijnlijk dat gij in aanraking zult komen met Burchard Knap. Uit
+opoffering voor uw geslacht, uit liefde voor Kerlingaland verberg uwen
+afkeer voor hem. Indien gij beiden in twist geraaktet, er zou tusschen
+de mannen, die ons moeten verdedigen, eene noodlottige, eene
+onherstelbare verdeeldheid ontstaan. Genoeg ware dit om onze kracht te
+verlammen en al onze pogingen op voorhand te verijdelen. Beloof mij,
+Robrecht, dat gij geweld op u zelven zult doen om geene reden tot zulke
+splitsing te geven."
+
+"Maar ik gevoel eenen onverwinnelijken afkeer voor hem", mompelde
+Robrecht.
+
+"Hij weet het; gij hoeft het hem dus niet meer te betuigen. Ik zal hem
+aanraden, in uwe tegenwoordigheid, van Karels dood niet meer te gewagen.
+Zwijg gij insgelijks daarover."
+
+"Ik zal het beproeven, oom: uw raad is wijs, ik beken het gaarne."
+
+"Welnu, ga dan, mijn zoon, en ontvang met mijnen zegen al mijnen dank
+voor uwen goeden wil."
+
+Hij drukte nog tot vaarwel de hand van mher Sneloghe, die met haastige
+stappen zich verwijderde, om de hem opgelegde boodschap te gaan
+volbrengen.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 61: "Gedurende al dien tijd liet men daar het lichaam des
+graven liggen ... zoodat zijn bloedig en verlaten lijk nog in denzelfden
+toestand was als op het oogenblik dat hij den doodslag ontving."
+
+GALBERTUS, p. 277.]
+
+
+
+
+XV
+
+
+Reeds vier dagen waren er verloopen sedert den moord van graaf Karel,
+zonder dat er eenige gewapende macht voor Brugge was verschenen om
+zijnen dood te wreken.
+
+De Erembalds wisten echter, door hun toegezonden berichten, dat de
+ridders, gansch Vlaanderen door, zich bereidden om met vereende kracht
+tegen Brugge op te trekken. Zij hadden zelfs van eenigen hunner heetste
+vijanden, onder anderen van Tancmars neven, brieven ontvangen, waarin
+men hun toezwoer dat zij allen, als medeplichtig aan den gruwelijken
+moord, tot den laatste toe zouden worden uitgeroeid.
+
+Evenwel, deze bedreigingen boezemden hun niet veel bekommerdheid in.
+Vooraleer het leger der ridders zich voor Brugge kon aanbieden, zou de
+stad ruimschoots voorzien zijn van alles wat er noodig was om ook de
+geweldigste aanvallen zegevierend af te weren. Daarenboven, morgen was
+de vastgestelde dag voor de vergadering van het Kerlenleger in het
+Wolvennest-bosch. Men mocht met recht zich zeker achten dat de ridders,
+hoe machtig ook, weinig tegen Brugge zouden verrichten, indien zij tot
+daar konden geraken, aangezien zij spels genoeg zouden hebben om niet
+door Willem Van Loo in het open veld verpletterd te worden.
+
+Deze bloedige bedreigingen der Isegrims hadden zelfs eenen voor de
+Erembalds voordeeligen invloed uitgeoefend, dewijl zij Robrecht Sneloghe
+en anderen, die met hem de moordenaars verfoeiden hadden doen besluiten
+dit gevoel te verbergen of te versmachten om aan niets meer te denken
+dan aan zelfverdediging en aan het behoud van hun geslacht.
+
+Het was kort na den middag. Bertulf, de proost van St-Donaas, stond op
+het binnenplein van den burg en wandelde daar langzaam over en weder, in
+gepeinzen starende op hetgeen rondom hem geschiedde.
+
+Er heerschte eene koortsige bedrijvigheid op het plein. Honderden
+arbeiders krielden er dooreen; men hoorde er den bevelroep der oversten,
+den zang der werkers, het gekrijsch der katrollen den zweepslag der
+voerlieden.
+
+Alle oogenblikken kwamen er wagens en karren op den burg. De eene,
+geladen met koren, boonen, gezouten vleesch of andere nooddruft, werden
+bij verschillende stapelhuizen of kelders gelost; de andere, plooiend
+onder den last van balken en berderen, van steenen en keien, voerde men
+tot aan den voet der muren en torens. Hier werd hunne vracht op ladders
+naarboven gedragen of bij middel van katrollen of gewerken omhoog
+geheschen. Ja, men zag er harst, vet en olie in vaten aanbrengen om
+desnoods zelfs door vlammend vuur den vijand af te slaan, indien ooit
+den burg door hem werd aangevallen. Zooverre zelfs had men de voorzorg
+gedreven, dat men nevens de Hofpoort eenen stal had ingericht om er
+eenige melkgevende koeien te zetten.
+
+Alzoo Bertulf nu het oog gericht hield op een twintigtal arbeiders die
+met inspanning van krachten een zwaren balk van den grond poogden te
+heffen, naderde hem een kanunnik.
+
+"Heer proost", zeide hem deze, "wij verzoeken u naar 's graven kapelle
+te willen komen. Het graf is geheel afgewerkt; alles is gereed om de
+kist er in te laten nederzakken en de steenen tafel er op te leggen. Gij
+hebt den wensch uitgedrukt om bij het sluiten van het graf tegenwoordig
+te zijn."
+
+"Inderdaad, heer Ludgard; ik verwachtte uw bericht dezen morgen",
+antwoordde de proost, zich naar de kerk wendende. "Kom, ik volg u."
+
+In de kapelle, ter plaatse zelve waar graaf Karel was gevallen, had men
+eene diepte gedolven en er een graf gemetst, dat aan de vier zijden drie
+voet boven den vloer zich verhief.
+
+Het lijk van graaf Karel was, op verzoek van Robrecht en op bevel van
+den proost, gebalsemd en in eene dubbele kist van eikenhout en lood
+gesloten geworden.
+
+Toen Bertulf met den kanunnik Ludgard in de kapelle trad, hing de kist
+boven de grafstede in twee gewerken van windassen. Een tiental arbeiders
+hielden zich gereed om ze te laten nederdalen. Vele priesters zonder
+plechtgewaad omringden de laatste overblijfsels van den ongelukkigen
+graaf.
+
+De proost naderde tot de kist, verzekerde zich door een vluchtig
+onderzoek dat zij ongeschonden was, murmelde eenige woorden binnensmonds
+en deed dan een teeken tot de arbeiders.
+
+Langzaam daalde de kist in het graf[62].
+
+De priesters bogen het hoofd en baden ongetwijfeld; maar hunne lippen
+verroerden niet, en geen het minste geprevel stoorde de doodsche stilte.
+
+"Het is deerniswaardig en beklaaglijk", zeide kanunnik Ludgard tot den
+proost, "dat wij den armen vorst zoo moeten begraven, zonder de minste
+plechtigheid, als een verlaten mensch of als een dier!"
+
+"Het is mijne schuld niet", antwoordde Bertulf met eenen zucht. "Ik
+wilde dat het anders mogelijk ware; maar in eene ontheiligde kerk...."
+
+"Hebt gij nog geene tijding van de komst des bisschops, heer proost?"
+
+"Geene. Mijne brieven zullen onderschept zijn geworden. In alle geval,
+kanunnik, men heeft in St-Pieterskapelle eene plechtige uitvaart
+gezongen, en in de kerk van St-Salvator leest men nog dagelijks de
+gebeden voor de dooden. Wij moeten den tijd nemen zooals hij is."
+
+De arbeiders hadden nu de haken der gewerken aan de zeelen gehecht,
+waarmede de groote steenen tafel was omringd.
+
+Het duurde niet lang of dit deksel zonk neder op de grafstede, welke
+aldus beslissend werd gesloten.
+
+Nog eene wijl bleef de proost, op eenen stoel knielend, voor het graf
+zitten, waarna hij de kanunikken eenen stillen groet toestuurde en de
+kapelle verliet.
+
+Hij daalde weder op het plein. Daar vond hij zijnen broeder Hacket.
+
+"Welnu, kastelein", vroeg hij hem, "gaat het werk goed voort aan de
+vesten? Wij moeten ons haasten; want wie weet wat er kan gebeuren?"
+
+"Wees niet bekommerd, broeder", antwoordde de kastelein. "Het is een
+wonder, met hoeveel ijver men ginder arbeidt. Van nu af zijn wij tot
+verdediging gereed."
+
+"En hoe toonen zich de poorters?"
+
+"Ja, gij weet het wel, velen zijn onwillig en houden zich verwijderd,
+uit schrik van als medeplichtig aan den moord des graven te worden
+beschouwd; maar het getal dergenen, die met ons zijn, is zoo groot, dat
+wij de hulp der anderen wel kunnen missen."
+
+Bertulf schudde het hoofd.
+
+"Zijt gij over iets bekommerd?" vroeg Hacket.
+
+"Niet zonder reden", morde Bertulf. "Wij hebben brief op brief en bode
+op bode tot Willem Van Loo gezonden; wij hebben hem gesmeekt zich aan
+ons hoofd te komen stellen; hem verzekerende dat de poorterij hem hier
+als graaf van Vlaanderen zou uitroepen. Geen antwoord, geen het minste
+bericht van hem!"
+
+"Maar de tijd was kort."
+
+"Indien Willem Van Loo ons ging verraden, Hacket?"
+
+"Ons verraden? Hoe meent gij het?"
+
+"Indien hij ons zonder hulp liet en ons overleverde aan de wraak onzer
+vijanden, om te doen gelooven dat hij geheel vreemd is aan den moord
+van graaf Karel: hij is een zelfzuchtig en arglistig man."
+
+"Gij zijt hem altijd vijandig gebleven sedert den laatsten oorlog",
+bemerkte de kastelein. "Nu nog maakt uw wantrouwen u onrechtvaardig
+jegens hem. Het is eerst morgen dat Willem Van Loo aan het hoofd eener
+heirkracht zal staan. Wie weet of hij overmorgen niet reeds met gansch
+zijn leger voor Brugge zal verschijnen?"
+
+"Ja, ja, maar waarom geen antwoord op onze brieven?"
+
+"Misschien zijn de wegen niet vrij. Kom, kom, Bertulf, geenen moed
+verloren: de zaken staan allerbest. Wees zeker, dat de Isegrims niet
+binnen Brugge zullen geraken, al bestormen zij het met al hunne macht.
+Er ontbreken ons noch mannen, noch krijgsbehoeften. Wat mij betreft, ik
+beken dat de moord van Karel mij gansch ter neder had geslagen; maar nu
+heb ik daarover mijn besluit genomen. Vermits de Isegrims ons allen den
+dood hebben toegezworen, verdedigen wij ons leven met blinde
+hardnekkigheid. Ik zal toonen dat de oude Hacket nog Kerlenbloed in de
+aderen heeft!"
+
+De proost scheen een weinig gerustgesteld door de moedige woorden zijns
+broeders.
+
+"Is Burchard nog verbitterd tegen mij?" vroeg hij.
+
+"Neen, het is gedaan. Ik heb hem doen begrijpen dat wij den verborgen
+schat van graaf Karel niet anders konden bekomen, dan door het in
+vrijheid stellen van den jongen Frumold, en dat wij dien schat noodig
+hebben om Willem Van Loo de kosten des oorlogs te helpen dragen. Wat de
+andere gevangenen betreft, aan dezen hechtte hij niet den minsten prijs,
+en hij keurt het goed dat wij hun oorlof gaven om de stad te verlaten."
+
+"En hoe gedragen Robrecht en Burchard zich jegens elkander?"
+
+"Tot nu toe zeer wel, Bertulf", was het antwoord. "Beiden hebben mij
+beloofd zich te houden alsof zij geene redenen hadden om tegen elkander
+verstoord te zijn."
+
+"Maar Burchard is zoo onvoorzichtig. Indien hij Robrecht ging kwetsen!"
+
+"Vrees het niet, broeder; mijne voorzorgen zijn genomen. Burchard wilde
+inderdaad den meester spelen en iedereen gebieden; maar ik heb hem
+uitdrukkelijk doen verstaan dat, zoolang ik kastelein des graven ben,
+niemand aangaande de verdediging van Brugge iets te bevelen heeft dan ik
+alleen. Ik heb onder mijn opperbestier onze krachten in drie scharen
+verdeeld, en Robrecht en Burchard elk aan het hoofd van eene dezer
+scharen gesteld. Zoo zullen zij elkander niet dikwijls ontmoeten. De
+derde schaar staat onder mher Disdir Vos...."
+
+"Disdir Vos?" mompelde de proost. "Het schijnt dat hij, meer dan
+anderen, door zijnen raad schuld heeft aan den moord, alhoewel hij, uit
+list misschien, zich op het beslissend oogenblik afwezig maakte. Hebben
+wij nog niet genoeg aan Burchard? Waarom eenen zijner medeplichtigen aan
+het hoofd onzer mannen stellen? Het is gevaarlijk."
+
+"Neen, broeder, gij bedriegt u. Wij zijn door het noodlot zelf gedwongen
+te handelen alsof wij aan den moord in het geheel niet meer dachten.
+Ieder zal later zijne zaak verantwoorden. Disdir Vos toont zich zeer
+ijverig en onversaagd. Hoe schuldiger hij is, hoe hardnekkiger hij zal
+strijden, om niet in handen der Isegrims te vallen. Burchard verlangde
+voor Disdir een bevelhebberschap. Ik heb onze neef die voldoening
+gegeven."
+
+"Gistermorgen zijn Ingelram Van Eessen, Willem Van Wervick en Isaac Van
+Reninghe met eenigen onzer mannen naar het Noord-Vrije gegaan, om daar
+eene bende Kerels te verzamelen. Zijn zij nog niet terug?"
+
+"Neen, broeder, wij verwachten ze heden avond. Mistrouwt gij hen
+insgelijks?"
+
+"Geloof mij, Hacket, ik wenschte dat zij niet meer in Brugge
+terugkeerden. Hoe minder moordenaars van graaf Karel wij tusschen ons
+hebben, hoe beter het zal zijn voor onze zaak."
+
+"Gij zijt niet al te wel gestemd vandaag", zeide de kastelein met eenen
+glimlach. "Kom, kom, Bertulf, houd goeden moed. Ik was hier bevelen
+komen geven om paarden en karren naar de Kathelijnepoort te doen zenden.
+Men wacht mij op de vesten; mijne tegenwoordigheid is daar voortdurend
+noodig. Tot dezen avond!"
+
+De kastelein richtte zijne stappen naar de Hofpoort; Bertulf trad in de
+proostdij en zette zich daar in eene kamer voor eene tafel waarop eenig
+schrijfgerief lag.
+
+Hij bleef lang, met den blik in de ruimte, den toestand der zaken
+overwegen. Het volledig stilzwijgen van Willem Van Loo moest inderdaad
+zijnen geest bekommeren; want hij schudde soms het hoofd, terwijl hij
+den naam van den nieuwen graaf morrend uitsprak.
+
+Eindelijk had hij eene pen gegrepen, en wilde zich aan het schrijven
+zetten, toen de kastelein Hacket, door twee ridders gevolgd, in de kamer
+trad.
+
+"Mijn broeder", zeide hij, de ridders voorstellende, "ziehier mher
+Godschalk Tayhals en mher Baldwin Spegel, die, als gezanten van onzen
+graaf Willem, u het antwoord op onze brieven brengen."
+
+Deze aankondiging moest den proost zeer verblijden; want hij sprong
+recht, ging met eenen minzamen glimlach de afgevaardigden te gemoet en
+drukte hun de handen.
+
+Na eenige woorden tot groetenis en verwelkoming met hen te hebben
+gewisseld, betuigde Bertulf den wensch om hunne boodschap te kennen.
+
+"Onze graaf Willem", sprak Godschalk Tayhals, "doet u door onzen mond
+zeggen dat gij den moed niet zoudt laten zakken, en vertrouwen hebben op
+zijnen bijstand. Zoohaast het hem mogelijk is, zal hij met zijn gansch
+leger naar Brugge komen[63]. Al de macht, waarover hij nu kon
+beschikken, heeft hij u tot hulp afgezonden. Wij hebben vierhonderd
+dappere kerels met ons gebracht. Dewijl wij te paard waren, hebben wij
+hen omtrent Zedelghem verlaten. Binnen iets meer dan een uur zullen ze
+te Brugge aankomen."
+
+"Ha, het is eene goede tijding!" riep Bertulf.
+
+"Ja, heer proost", bemerkte Baldwin Spegel, "en gij moogt gelooven dat
+wij de bloem der Kerels tot u hebben geleid; want deze vierhonderd man
+waren reeds in het Wolvennest voor den gestelden tijd. Men is dus
+verplicht te denken dat het hun aan geenen strijdlust ontbreekt.
+
+"Dankt in onzen naam den heer graaf voor zijnen goeden bijstand", zeide
+de proost. "Wij hebben wel juist geene behoefte aan strijdvaardige
+mannen; maar op de poorters kunnen wij toch niet al te vast betrouwen.
+Velen twijfelen of zij zich wel voor ons willen verklaren. De minste
+tegenspoed zou de anderen eveneens aan het wankelen kunnen brengen. Met
+Kerels zijn wij zeker dat men Brugge zal verdedigen totterdood, en de
+Isegrims er niet zullen in geraken dan over puinhoopen en lijken."
+
+"Alzoo, gij meent sterk genoeg te zijn om de stad te behouden totdat het
+leger u ter hulp komt? De heer graaf richt u door mij deze vraag toe",
+zeide Godschalk.
+
+"Voor het behoud der stad stel ik mij verantwoordelijk!" riep de
+kastelein.
+
+"Wij weten, heeren, dat een leger Vlaamsche ridders en wapenlieden
+Atrecht heeft verlaten en door Rijssel is getrokken. Dezen zullen
+waarschijnlijk over Kortrijk en Thourout naar Brugge komen. Morgen reeds
+zouden ze voor uwe wallen kunnen verschijnen. Zijt gij zeker de stad
+gedurende eenige dagen te kunnen verdedigen?"
+
+"Gedurende weken en maanden", antwoorden de proost en zijn broeder.
+
+"Morgen eerst vergaderen de Kerels in bet Wolvennest-bosch. Een paar
+dagen zal onze heer graaf bestellen aan het haastig inrichten van zijn
+leger. Dan zakt hij met al onze heirkracht naar Brugge af om u te
+ontzetten, indien gij inderdaad waart belegerd. Hebben wij dus goeden
+moed: voor het behoud van Brugge is niets te vreezen."
+
+De proost bood den afgevaardigden eenige ververschingen aan; maar zij
+drukten den wensch uit om daarmede te wachten tot het avondmaal, dewijl
+zij naar de Smedepoort zich wilden begeven, om bij de aankomst hunner
+mannen tegenwoordig te zijn.
+
+Hacket zeide dat hij hen zou vergezellen en, indien hem tijd daartoe
+overbleef, de gelegenheid zou waarnemen om hun eenige der
+verdedigingswerken te toonen, waaraan men nu met allen spoed de laatste
+hand legde.
+
+Bertulf zou in de proostdij blijven om te zorgen voor de slaapsteden en
+het voedsel der vierhonderd Kerels, en tevens de noodige bevelen te
+geven om den afgvaardigden des graven een behoorlijk avondmaal te
+bereiden.
+
+Toen de kastelein met de beide ridders aan de Ezelpoort kwam, toonde hij
+hun, niet zonder fierheid, hoe honderden en honderden poorters daar aan
+het arbeiden waren om balken te richten en aarde aan te voeren. Hij
+leidde hen langs de vesten naar de Smedepoort. Onderweg zagen zij overal
+dezelfde bedrijvigheid: hier metselde men, daar timmerde men, verder
+droeg men steenen op waltorens en op vestingmuren[64].
+
+Bij de Smedepoort ontmoetten zij Robrecht Sneloghe, die daar den arbeid
+van zijne zestig Ravenschootsche Kerels bestierde. Dezen waren druk
+bezig met achter een gedeelte van den muur, dat onsterk scheen, eenen
+hoogen wal op te werpen, en zij brachten de aarde met kruiwagens van het
+plein, dat buiten de poort was gelegen.
+
+Juist had Hacket zijnen neef Robrecht aan de afgezanten des graven
+voorgesteld, toen men in de verte een bazuingeschal hoorde hergalmen.
+
+Daar de arbeiders niet wisten wat dit krijgsgerucht te beduiden had,
+lieten zij allen hun gereedschap of hunne werktuigen staan, en klommen
+op de muren om in het veld te kijken.
+
+Alhoewel Godschalk Tayhals en zijn makker verzekerden dat de naderende
+bende geene andere kon zijn dan degene welke zij tot hulp nadden
+aangebracht, riep mher Sneloghe uit voorzichtigheid zijne mannen onder
+de wapens.
+
+Zoohaast echter de vierhonderd Kerels op het plein, dat men het Zand
+noemde, zichtbaar werden, herkenden hen de arbeiders aan hun blauw
+kleedsel en aan hunne baarden. Een lang vreugdegeroep ontstond boven de
+wallen en klonk hun reeds van verre als een gulhartig welkom tegen.
+
+De Kerels trokken de poort binnen, onder het geschal der bazuinen en
+onder de aanjagende galmen van der Kerlen krijgslied. Zij werden door
+hunne Brugsche vrienden met gejuich, met handgeklap en met het zwaaien
+der hoeden onthaald.
+
+Deze mannen schenen in het geheel niet vreemd aan het voeren van
+oorlogswapenen; want zij gingen in geslotene gelederen en waren verdeeld
+in zekere kleine benden, waarvan elke was voorafgegaan door eenen Kerel
+die over haar gebood.
+
+Aan het hoofd van allen stapte Benkin, een beroemd schutter. Hij was een
+man van middelmatige gestalte, maar met zulke breede schouders en
+struische leden, dat men van hem met reden zeide, dat hij sterk scheen
+als een beer. Op zijnen rug hing een groote kruisboog, met eene breede
+stalen lat. Zulke bogen droegen tevens de meesten zijner gezellen.
+
+Hier en daar achter de gelederen stapten een tiental gehuwde vrouwen,
+even sterk van leden en even fier van houding als mannen, die eetwaren
+droegen of met eenig klein gepak waren beladen.
+
+De kastelein en de afgezondenen des graven volgden de Kerels in de
+Noordzandstraat.
+
+Nog eenigen tijd na hunnen doortocht bleef het gejuich der arbeiders
+aanhouden. Men wenschte elkander geluk over de komst van zulke schoone
+bende mannen, wier trotsche houding ontzag inboezemde en wier oogen van
+onversaagdheid gloeiden. Maar Robrecht en de mindere oversten
+herinnerden hun dat de tijd te kostelijk was om hem aan vreugdegeroep te
+verspillen. Allen hernamen weder met nieuwe drift hun werk.
+
+Ongeveer een uur daarna kwamen eenige landlieden met snelheid over het
+Zand naar de poort geloopen. Van verre riepen zij reeds uit al hunne
+macht:
+
+"Harop, harop! De vijand, de vijand!"
+
+Robrecht ging hun te gemoet.
+
+"Gauw, heer, te wapen!" zeiden zij hem. "De baan naar Thourout, zooverre
+het gezicht reiken kan, is overdekt met ridders, met wapenlieden en met
+wagens. Gansch een machtig leger!"
+
+"Het is wel", antwoordde hun Robrecht. "Komt nu binnen de stad en maakt
+geen gekerm!"
+
+Hij deed de poort sluiten en de egge nederlaten, en vergaderde met haast
+zijne mannen. Vier of vijf hunner, op wier behendigheid hij vertrouwen
+kon, zond hij naar den burg, om de kastelein te verwittigen, en naar de
+andere poorten, om den oversten kennis te geven van des vijands
+waarschijnlijke nadering.
+
+De werklieden wierpen hun gereedschap neder, en beklommen de wallen,
+daar zich gereed houdende om den vijand, ook van verre, met pijlen of
+slingersteenen te treffen.
+
+Weinig tijds daarna zag Robrecht, die boven de poort op eenen der torens
+geklommen was, ten einde van het uitgestrekte plein inderdaad eene
+schaar ruiters opdagen. Vele andere scharen vertoonden zich opvolgend.
+Daarna kwam een machtige drom voetvolk, en eindelijk eene reeks wagens
+en karren, van welke de meeste, voor zooveel hij het onderscheiden kon,
+met zakken meel en sommige met lange ladders waren beladen.
+
+Deze krijgsmacht, die volgens zijne berekening wel tot twee of
+drieduizend man kon beloopen, schikte zich gansch ten einde van het
+plein en buiten bereik der schutters in eenen dichten hoop. Het dacht
+Robrecht dat men zich bij de achterhoede bezig hield met de ladders van
+de wagens te lossen. Was de vijand dan voornemens onmiddellijk eenen
+stormloop te beproeven? Wie kon het weten? Misschien hoopte hij door
+dezen onverwachten aanval de Bruggelingen te verrassen en te
+overrompelen.
+
+Robrecht liep naar beneden en zond in allerhaast nog eenigen zijner
+mannen in verschillende richtingen. Hij ging op de wallen, onderzocht
+alles, om zich te verzekeren dat men in alle geval gereed was om de
+Isegrims duchtig te onthalen, en moedigde iedereen door eenige
+vertrouwvolle woorden aan.
+
+De kastelein Hacket, die hier bij hem kwam, verhaalde hij wat hij van
+boven den toren had bemerkt. Hij drukte de overtuiging uit, dat men zich
+aan eene onmiddellijke bestorming te wachten had, en, aangezien de
+Isegrims waarschijnlijk de Smedepoort of de Bouverypoort zouden
+aanvallen, vroeg hij of het niet raadzaam was mannen van de andere
+poorten te roepen om den bedreigden kant der stad te versterken.
+
+Maar de kastelein zeide hem, dat de vierhonderd Kerels des graven
+onmiddellijk ter Smedepoort zouden komen. Deze versterking was
+voldoende. Men kon niet vast weten welke de inzichten van den vijand
+waren, en men mocht de verdediging der andere poorten niet ontijdig
+verzwakken.
+
+Hacket gebood beneden de muren het vuur onder de ketels te ontsteken en
+met spoed pek, olie en vet aan het zieden te brengen, om daarmede den
+vijand te onthalen, indien hij waarlijk tot aan den voet der wallen
+dorst naderen.
+
+Dan klom hij met Robrecht naarboven op den toren der poort en stuurde
+zijn gezicht over het plein.
+
+Wel zag hij den dikken drom der vijanden als eene zwarte wolk tegen het
+verre geboomte krielen; maar zijne oogen hadden de kracht der jeugd niet
+meer, om te onderscheiden wat men daar verrichtte.
+
+"Vele ridders zijn van hunne paarden gestegen", zeide hem Robrecht. "Men
+heeft al de ladders van de wagens genomen. Nu is men bezig, op vijftig
+plaatsen te gelijk, met de zakken meel te lossen; het zijn kleine zakken
+... want elk man loopt weg met zulke zakken op de schouders. Wat mag dit
+beduiden?"
+
+"Weet gij het niet?" kreet Hacket. "Het zijn zakjes aarde om de grachten
+te vullen. Kom, kom, Robrecht! Geen twijfel meer. Wij zijn bedreigd met
+eene geweldige bestorming. Beneden, beneden, en elk aangemoedigd om
+zijnen plicht te doen!"
+
+Zij daalden haastig van den toren, liepen op de wallen, kondigden den
+onmiddellijken strijd aan en bezwoeren door vurige woorden hunne mannen,
+bij den eersten aanval te toonen dat men poorters en vrije Kerels niet
+zoo gemakkelijk over het lijf loopt als de Isegrims het schenen te
+gelooven.
+
+De vierhonderd man van graaf Willem waren intusschen op den wal gekomen.
+Zij werden met de andere boogschutters, in twee of drie gelederen diep,
+achter de kanteelen van den muur geschikt, om allereerst den vijand van
+verre te begroeten. Degenen, die de zware steenen, de kokende olie of
+het brandend pek zouden werpen, hielden zich gereed beneden den wal.
+
+Boven den muur, nevens de Smedepoort, stond Hacket met mher Sneloghe de
+bewegingen van het vijandelijk leger gadeslaande. Het oogenblik van den
+aanval scheen eindelijk te naderen.
+
+"Robrecht, ziet gij nog de ridders, die van hunne paarden gestegen
+zijn?" vroeg Hacket.
+
+"Ja, zij hebben breede beukelaars", was het antwoord. "Zij zijn het die
+zullen pogen onze wallen te beklimmen. De mannen met de ladders staan
+hen terzijde, niet waar?"
+
+"Zooals gij zegt, oom; en aan de andere zijde staat een gansche hoop
+mannen, waarvan elk eenen zak aarde op den schouder heeft ... Maar zie
+nu! Daar treedt een dichte schaar boogschutters vooruit en verbergt het
+overige des legers voor mijn gezicht!"
+
+"Geeft acht, geeft acht, mannen, het spel gaat aan den gang!" riep de
+kastelein, die zulke bestormingen ongetwijfeld meer dan eens had
+bijgewoond.
+
+En inderdaad, nauwelijks had hij deze verwittiging uitgesproken of de
+bazuinen hergalmden op het plein, en een gedeelte van het vijandelijk
+leger, met de schuttersbenden aan het hoofd, kwam vooruit naar de stad.
+
+Duizenden pijlen en schichten snorden eensklaps door de lucht en kwamen
+zich tegen den muur verbrijzelen of vlogen over de kanteelen. Uit de
+stad antwoordde men even overvloedig; en dewijl de Bruggelingen hunne
+pijlen op dichte gelederen zonder beschutting zonden, troffen meest
+allen het doel. Men zag onder de vijandelijke schutters vele mannen ter
+aarde storten.
+
+Ook op de wallen werden eenige mannen achter de kanteelen door pijlen
+geraakt en doodelijk aan het hoofd gewond.
+
+Alhoewel het verlies des vijands meer en meer aangroeide naarmate hij de
+vesting naderde, onderbrak hij zijnen gang niet. Men zou gezegd hebben,
+dat zijne voorste gelederen onweerstaanbaar door andere scharen werden
+voortgestuwd.
+
+Eensklaps opende de schuttersbende zich in haar midden, en een donderend
+krijgsgeschreeuw galmde over het plein.
+
+Vele honderden mannen met zakken op de schouders, en achter hen eene
+schaar ridders met den beukelaar aan den arm kwamen juichend
+vooruitgestroomd, ondanks de pijlen, die velen hunner doodelijk troffen.
+
+De mannen met de zakken smeten hunnen last nevens de Smedepoort in het
+water, zoolang en zooveel dat de gracht op die plaats er eindelijk
+gansch mede was opgevuld. Lijken en gewonden lagen er bij hoopen op den
+boord des waters.
+
+Dan, onder het aanheffen van nieuwe oorlogskreten, naderden andere
+mannen den wal en stelden hunne ladders tegen den muur. De ridders
+stormden vooruit en klommen op de ladders ...
+
+Maar de Kerels hielden zich gereed om hun deze blinde vermetelheid duur
+te doen boeten. Van boven wierp met groote steenen, kokende olie en
+vlammend pek op de bestormers. Allen vielen opvolgend met verpletterend
+hoofd of verbrande ledematen naar beneden.
+
+Evenwel, hoe meer hunner gezellen zij zagen nederstorten, hoe heviger
+zij elkander aanmoedigden om den storm niet op te geven. Zij zouden het
+moordenaarsnest rooven en de snoode Blauwvoeten tot den laatste toe
+vernietigen, hoeveel edel bloed daar ook voor moest opgeofferd worden.
+
+Robrecht Sneloghe toonde eene verwonderlijke onversaagdheid. Niet alleen
+stond hij immer geheel recht op den wal, zonder zich voor des vijands
+pijlen te beschutten, en vuurde onophoudend den moed zijner mannen aan;
+maar toen eens een zeker getal ridders er in gelukten boven den muur te
+geraken, en de toestand voor de Kerels gevaarlijk scheen te worden,
+sprong Robrecht met zijne dapperste gezellen toe en doodde, na eenen
+heldhaftigen strijd, de aanvallers, of dreef ze van den wal in de
+gracht.
+
+Hij was zelfs aan de wang gekwetst geworden; maar hij gaf er geene acht
+op, want alhoewel hem bloed in den hals liep, had hij slechts eene
+ondiepe snede bekomen.
+
+Burchard en Disdir Vos waren met een gedeelte hunner mannen komen
+toegeloopen; maar hunne hulp was overbodig, dewijl er boven den wal
+geene ruimte was om nog meer strijders toe te laten.
+
+Er kwam eindelijk een oogenblik dat de vijand, door groote verliezen
+uitgeput, begon te beseffen dat hij iets onmogelijks had ondernomen.
+Zijn stormloop scheen te verzwakken ...
+
+Dan klonken uit de verte eenige schelle bazuintonen. De ridders, op dit
+sein, zagen van den aanval af, hieven onder eenen hagel pijlen met allen
+spoed hunne gekwetste makkers van den grond en verwijderden zich van
+het plein, om het grootere gedeelte van hun leger te gaan vervoegen.
+
+Een tiental herhaalde zegekreten en hoonend schaterlachen klonken hun
+van de stadswallen ten spot achterna.
+
+Evenwel bleef de bezetting boven den muur gereed staan om eenen tweeden
+aanval af te weren; want men was overtuigd dat de ridders niet zoo met
+schaamte de bestorming zouden verzaken, zonder eene nieuwe poging te
+beproeven. Men zag evenwel schier onmiddellijk de ridders te paard
+springen en het leger zich bewegen, om het plein te verlaten.
+
+Robrecht en de Kerels des graven wilden de poort geopend hebben om de
+Isegrims achterna te zetten en ze in het open veld aan te vallen; maar
+de kastelein deed hun begrijpen hoe onvoorzichtig het was, met geringe
+macht den strijd te bieden aan een gansch leger ridders, wier paarden
+alleen voldoende waren om vijf- of zeshonderd man te verpletten.
+
+Na verloop van eenigen tijd, toen men verzekerd was dat de vijand zich
+beslissend had verwijderd, deed de kastelein de poort openen en zond een
+groot getal arbeiders naar buiten met spaden, houweelen en draagbaren,
+om de dooden te begraven en de gekwetsten binnen de stad te brengen.
+Anderen gelastte hij met lange haken de zakken aarde uit de vest op te
+halen.
+
+Van eenen gekwetsten ridder, dien Hacket goed kende, vernam hij de ware
+macht en de inzichten des vijands. Wel met zesduizend sterk, de
+wapenlieden er onder begrepen, hadden de ridders Atrecht verlaten. Hier,
+voor Brugge, waren zij ongeveer drieduizend sterk, onder bevel van den
+kamerheer Gervaas Van Praet. Het andere gedeelte had zich over St-Omaers
+gericht om in Veurne-Ambacht te vallen. Eenige ridders hadden te
+Kortrijk het voornemen opgevat eene vermetele poging te beproeven om
+Brugge bij verrassing te winnen. Gervaas Van Praet had dit waagspel ten
+sterkste afgekeurd, te meer daar hij besloten had Brugge slechts te
+bewaken, om te beletten dat het hulp uit Kerlingaland krege, totdat de
+Gentenaars met de beloofde stormtuigen zouden aankomen. Ongelukkiglijk
+had mher Gervaas de drift en de strijdlust zijner ridders niet kunnen
+bedwingen, en eindelijk hun toegelaten den noodlottigen stormloop te
+beproeven. Nu zou mher Gervaas ongetwijfeld zijn eerste ontwerp
+hervatten, dit is te zeggen, dat hij zijn leger ergens in de omstreken
+van Brugge zou nederslaan om daar, zonder iets meer te ondernemen, de
+komst af te wachten van de Gentsche ridders, die hem allerlei
+stormtuigen moesten aanvoeren.
+
+Het nieuws dezer eerste overwinning had zich met groote snelheid door de
+stad verspreid. Vele lieden, die gedurende de bestorming zich hadden
+verschuild gehouden, kwamen nu naar de wallen geloopen, om daar met de
+gewapende poorters en met de Kerels over de behaalde zegepraal te
+juichen, of om zich te verzekeren dat hunne bloedverwanten of vrienden
+niet in den strijd gesneuveld waren.
+
+Welhaast was de menigte bij de Smedepoort zoo groot, dat men elkander
+daar verdrong, en zeker, het waren de vrouwen en de kinderen niet die
+het minst uitgelaten schenen en door luidruchtig gejubel hunne
+blijdschap betuigden.
+
+De proost was insgelijks, met eenigen zijner kanunniken en met de
+afgevaardigden van graaf Willem naar de plaats der bestorming gekomen.
+Hij en zijne gezellen omringden Robrecht Sneloghe en overlaadden hem met
+gelukwenschen over zijne onversaagdheid. Men had zijne wonde met eene
+enkele kleefpleister gesloten; doch het bovenste gedeelte van zijnen
+kolder was nog bevlekt met bloed. Mher Sneloghe riep lachend dat men
+ongelijk had hem voor zulke onbeduidende daden te prijzen; de proost,
+die hem zeer liefhad, sprak uitbundig zijnen lof.
+
+Disdir Vos stond op een paar stappen terzijde, en luisterde met verkropt
+gemoed en nijdig hart op hetgeen men rondom Robrecht zeide. Hij hield in
+schijn de oogen in eene andere richting; maar een aandachtig toeschouwer
+hadde wel aan den zuren grijns zijner lippen bemerkt dat elk woord van
+lof hem als een pijl door den boezem boorde.
+
+Eensklaps trof hem eene zonderlinge ontroering; hij sidderde en
+verbleekte ... Daar zag hij Dakerlia en Witta door de menigte dringen,
+reeds van verre de handen tot Robrecht uitsteken, en een oogenblik later
+hem met kreten van blijdschap aan den hals vliegen.
+
+Zijn hart verkrampte, terwijl hij den blik op Dakerlia hield gevestigd
+en zien moest met welke onverborgene teederheid zij hem gelukwenschte en
+God dankte om zijn behoud. Dakerlia, zoo op de borst van Robrecht tranen
+van liefde stortende? Het deed hem sterven van minnenijd en haat. Een
+somber gegrol ratelde in zijne keel; hij verwijderde zich tusschen de
+menigte, en vluchtte verre van daar, om niet langer door het
+zielverscheurende schouwspel te worden gemarteld.
+
+Het behaagde den proost niet de poorters en Kerels met verwonderde
+blikken te zien staren op de bewijzen van genegenheid en liefde, welke
+Dakerlia en Witta niet ophielden Robrecht te geven.
+
+"De dag loopt ten einde, mijne kinderen", zeide de oude Bertulf. "Ik zal
+den kastelein Hacket verzoeken mijnen neef aan de Smedepoort gedurende
+een paar uren te doen vervangen; en ik noodig u allen om met mij en de
+heeren gezanten des graven het avondmaal in de proostdij te komen nemen.
+Gij zult aldus tijd genoeg en eene betere gelegenheid hebben om uwe
+vreugde over onze eerste zegepraal uit te storten."
+
+Deze uitnoodiging werd dankbaar aanvaard. De proost verliet met zijn
+gezelschap de plaats van den strijd en verwijderde zich door de
+Noordzandstraat.
+
+De kastelein Hacket bleef nog, om de goede uitvoering zijner bevelen te
+verzekeren.
+
+Twee uren later was de opgelegde arbeid verricht: de dooden waren
+begraven, de gekwetsten naar de ziekenhuizen gevoerd, de aarde uit de
+gracht opgehaald.
+
+Men had boven de wallen sterke wachten gesteld en aan de overige mannen
+toegelaten gansch gekleed in de gebouwen van den burg te gaan slapen,
+ten einde bij den eersten Harop-kreet te been te zijn.
+
+Slechts nog eene enkele maal werd de rust der wachten gestoord, en riep
+men de bezetting der Smedepoort onder de wapens. Het was ter oorzake der
+terugkomst van mher Ingelram Van Eessen en zijne gezellen, die naar het
+Noordvrije waren gegaan om er hulp te zoeken. Zij traden in de stad aan
+het hoofd van een honderdtal Kerels, en begaven zich naar den burg.
+
+Alles werd weder stil bij de poorten en op de vesten. Het was zeer
+duister en er heerschte eene diepe stilte over de stad. Slechts nu en
+dan hoorde men omtrent de wallen de stappen van kleine benden hergalmen,
+wanneer het uur tot het aflossen der wachten was verschenen.
+
+Disdir Vos voerde het bevel over de vijftig Kerels die met de bewaking
+der Kathelynepoort waren belast..
+
+Terwijl zijne mannen, in de beide wachthuizen van wederzijde der poort,
+zich met dobbelen vermaakten of op bossen stroo lagen te slapen, zat hij
+in het oppervertrek van een der torens bij eene tafel, waarop een smokig
+lampje brandde.
+
+Met het hoofd op de hand schouwde hij denkend in de half-donkere ruimte.
+Nu en dan verkrampte zijn gelaat of deed hij een gebaar van gramschap.
+Het moest stormen in zijn hart, want zijne wezenstrekken bewogen
+geweldig onder den slag zijner akelige gepeinzen, en niet zelden
+ontsnapte hem een holle zucht.
+
+Hij stond op, wandelde eene wijl over en weder en morde dan in zich
+zelven:
+
+"Het is gedaan: geene hoop meer! De Kerels zullen zegepralen; Willem Van
+Loo zal graaf van Vlaanderen zijn; Robrecht, mijn vijand, zal de
+bruidegom van Dakerlia worden ... en ik, ik zal van nijd en wanhoop mij
+het hart opvreten ... Doemenis! mijn ontwerp was zoo goed berekend.
+Hadde ik hem slechts tot deelneming aan den moord van graaf Karel kunnen
+verleiden. Ik hadde wel gemaakt dat zijn hoofd de prijs wierde der
+misdaad. Hij verdwenen, dan zou Dakerlia mijne vrouw worden. Maar wat
+nu? Eilaas, eilaas, wat nu? Ach, hadde ik hem dezen namiddag kunnen
+doorsteken met mijne oogen!"
+
+Er werd op de deur geklopt en de Kerel, die onder hem over de wacht der
+poort gebood, trad binnen.
+
+"Mher Vos", zeide hij, "hebt gij niet gehoord dat er iemand buiten voor
+de poort staat, die vraagt om te worden binnengelaten? Hij beweert
+gewichtige tijdingen voor den kastelein te brengen."
+
+"Wie is hij?"
+
+"Hij zegt dat hij Lambrecht Ploegijzer heet en te Bethferkerke woont."
+
+"Ha, ik ken hem; het is een van mher Burchards lieden. Doe uwe mannen
+onder de wapens komen, Landfried; open de poort met voorzichtigheid en
+geleid den bode tot mij."
+
+Landfried ging ter kamer uit.
+
+Eene wijl daarna keerde hij weder met eenen man, die wel in blauw linnen
+gekleed was, doch geenen baard droeg.
+
+Zoohaast Landfried zich weder had verwijderd, zeide Disdir Vos:
+
+"Gij zijt Lambrecht Ploegijzer, een vrijlaat van Bethferkerke, niet
+waar? Ik herken u. Zijt gij niet eens met mher Burchard Knap en met mij
+ter jacht geweest in het Merleijtebosch, bij Bekeghem?"
+
+"Inderdaad, heer", antwoordde de bode, "het is niet zeer lang geleden."
+
+"Gij brengt berichten voor den kastelein. Zijn zij geheimen, Lambrecht?"
+
+"Voor u niet, heer. Indien gij het verlangt, ben ik bereid u te zeggen
+wat ik weet."
+
+"Zeker. Gij zult mij vermaak doen", bevestigde Disdir Vos.
+
+"Welnu, heer, ik breng slecht nieuws."
+
+"Slecht nieuws? Voor de Kerels?"
+
+"Voor Brugge en voor de Kerels."
+
+"Laat hooren, Lambrecht."
+
+"Ziehier de zaak. De Isegrims hebben mij gedwongen, met eene kar en twee
+paarden hen te volgen, om gekwetsten te vervoeren. Ik heb gedurende drie
+uren afgeluisterd wat er rondom mij werd gezegd, en alles wel in mijn
+geheugen gedrukt. Het mislukken van den stormloop tegen Brugge heeft
+noch den ridders, noch den wapenlieden den moed benomen. Integendeel,
+zij lachen er mede als met een verloren waagspel zonder gewicht, en zij
+spreken zonder vrees en drukken pochende de vaste overtuiging uit dat,
+eer eene week verloopen zij, niet alleen Brugge in hunne macht zal zijn,
+maar tevens geheel Kerlingaland voor altijd onder het juk der
+dienstbaarheid zal gebukt liggen."
+
+"Ijdele bedreigingen van verwaande lieden!" mompelde Disdir.
+
+"Neen, neen, heer; hunne woorden deden mij beven; want, indien het waar
+is wat zij als bewijzen hunner overtuiging doen gelden, dan blijft er
+weinig hoop voor Brugge en voor de Kerels."
+
+"Welke bewijzen?"
+
+"Deze ridders zijn slechts eene zwakke voorhoede van een ontzaglijk
+leger, heer. Gansch de Vlaamsche heirkracht, die te Atrecht is, zal
+opvolgend naar Kerlingaland afzakken. Binnen weinige dagen, overmorgen
+misschien, komen de ridders van Keizers-Vlaanderen met al de stormtuigen
+die de burg van Gent zoo overvloedig bezit, en met ontellijke
+wapenlieden. Men heeft tot in Holland en Friesland toe ridders gezonden,
+om daar huurbenden te gaan halen. Men schat aldus, binnen zeer korten
+tijd, twintigduizend man in Kerlingaland te kunnen brengen. Aan zulke
+macht, door de stormtuigen van Gent geholpen, kan Brugge geene twee
+dagen weerstand bieden, ten minste zoo beweren zij het met eenen grooten
+schijn van reden."
+
+"Maar gij vergeet het Kerlenleger", bemerkte Disdir Vos. "En indien men
+den landstorm in Kerlingaland uitroept, zullen wij dan niet insgelijks
+een even ontzaglijk leger in het veld brengen?"
+
+De bode trok de schouders op.
+
+"Ja, hadden wij tegen de Isegrims alleen te staan, misschien ware alle
+hoop niet verloren", antwoordde hij, "maar weet gij, heer, wat ik eenen
+gekwetsten ridder heb hooren zeggen? De koning van Frankrijk heeft te
+Atrecht gezworen dat, indien de Vlaamsche ridders niet onmiddellijk den
+moord van graaf Karel kunnen wreken, hij zelf met het geheele Fransche
+leger in Vlaanderen zal vallen. Hij heeft daarbij nog zijn koninklijk
+woord verpand dat de moordenaars des graven en alwie hen, van dicht of
+van bij, met raad of daad hebben geholpen, zonder genade eenen
+schrikkelijken dood zullen onderstaan. De Fransche vorst was vriend en
+bloedverwant van graaf Karel, en hij heeft zich aangesteld als
+wraakeischer over zijnen moord."
+
+Disdir Vos zag eene wijl ten gronde.
+
+Het hoofd weder opheffende, vroeg hij, in gedachten:
+
+"Waar zijn nu de ridders? Weet gij het?"
+
+"Ja, heer, mijn wagen en paarden zijn er nog De zieken liggen in de
+huizen van het dorp Oostcamp; de wapenlieden legeren tegen het
+Balanderbosch; de oversten bevinden zich op den burcht van mher Van
+Gruuthuse."
+
+"En gelooft gij niet dat men, zoo in den duisteren juicht, ze
+gemakkelijk zou kunnen verrassen en overhoop slaan?"
+
+"Het schijnt mij geheel onmogelijk, heer", antwoordde de bode. "Ik
+verwittig u dat zij overal, tot zeer verre in het veld, sterke wachten
+hebben uitgezet en op hunne hoede zijn."
+
+"Het is wel; ik dank u. Ga nu tot den heer kastelein en draag hem uwe
+boodschap."
+
+De bode verliet de kamer met eenen groet en daalde de trappen af. Disdir
+Vos luisterde eene wijl op het gerucht van zijnen stap, duwde dan de
+deur toe en liet zich, onder het slaken van eenen versmachten kreet, bij
+de tafel op eenen stoel vallen. Hij legde de beide handen aan het hoofd,
+boog zich voorover en staarde op den vloer.
+
+"Ja, ja, de Kerels zijn veroordeeld; zij zullen bezwijken!" morde hij.
+"Wat kunnen zij tegen de ridders, tegen gansch Vlaanderen, tegen het
+overmachtig Fransch leger? De koning heeft zich opgeworpen tot
+wraakeischer; wie tot den moord van graaf Karel heeft geholpen, door
+raad of daad, zal eenen schromelijke dood sterven. Ik insgelijks ... En
+Robrecht? Hij is een Erembald. Sterven, ik? O, neen, neen, Robrecht zal
+in het graf; ik moet leven!"
+
+Langen tijd bleef hij beweegloos zitten, zonder dat zijne wezenstrekken
+iets anders uitdrukten dan verbazing en diepe verslondenheid.
+
+Allengs nochtans kwam een lach van blijdschap zijn gelaat beglanzen.
+
+Eensklaps sprong hij op en liep naar de deur; maar hij bleef staan en
+begon te beven, alsof eene plotselijke vrees hem had aangegrepen.
+
+Zuchtend keerde hij terug naar de tafel en zonk opnieuw in gedachten
+weg.
+
+"Ik ben een lafaard! Het moet geschieden!" morde hij welhaast. "O,
+Dakerlia! Dakerlia!"
+
+En hij sloeg met het gevest van zijn zwaard driemaal op de tafel.
+
+Onmiddellijk hoorde hij iemand den trap beklimmen. Hij bedwong zijne
+ontsteltenis met geweld en gaf zijn gelaat eene ernstige of
+onverschillige uitdrukking.
+
+"Vriend Landfried", zeide hij tot den Kerel, die in de kamer verscheen,
+"ik moet oogenblikkelijk tot den heer kastelein gaan, om hem van een
+gewichtig ontwerp te spreken, dat door de woorden van den bode in mijnen
+geest is opgestaan. Neem het bevel over de mannen, wees mijn stedehouder
+en stel goede wacht bij de poort.--Vaarwel, tot straks."
+
+Hij drukte zijnen gezel Landfried met ongewone vriendelijkheid de hand,
+daalde den trap af, en ging voorbij de Mariakerk; maar instede van zich
+naar den burg te richten, sloeg hij ter linkerhand de Heiliggeeststraat
+in en vertraagde meer en meer zijnen gang, als iemand die in het geheel
+geene haast heeft.
+
+Zoo stapte hij voorbij St-Salvators, door het Giststraatje en door de
+Meerstraat. Dan keerde hij langs andere omwegen terug naar de
+Kathelijnepoort, riep Landfried buiten het wachthuis en zeide hem met
+verdoofde stem:
+
+"Landfried, mijn vriend, ik moet oogenblikkelijk de stad uit, om eene
+zwaarwichtige boodschap vanwege den heer kastelein te vervullen."
+
+"Zoo gansch alleen, heer!" mompelde zijn gezel verbaasd. "Vreest gij
+niet dat de vijand ..."
+
+"Gansch alleen. Het is geheime zending", antwoordde Disdir. "Om de
+vrijheid van Kerlingaland te redden, ontziet men geene gevaren. Ik zal
+terugkeeren binnen een paar uren, later misschien, in alle geval voordat
+het dag worde. Let wel op dat men mij niet te lang voor de poort late
+staan. Ik zal driemaal kloppen op der Kerlen wijze en zeggen "Wolf en
+Vos". Dit is het woord. Deel het uwe mannen mede ... Nu, doe de egge
+ophalen en open mij de poort."
+
+Landfried gehoorzaamde, zonder nog eene bemerking te wagen. Disdir Vos
+drukte hem de hand, liep over de brug en verdween in de duisternis.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 62: De graaf werd gelegd in een graf, zoo goed gemetseld als
+de tijd het had toegelaten. GALB., p. 283.]
+
+[Voetnoot 63: Gottschalk De Thaihals kwam als bode van Yperen naar
+Brugge bij den proost, en zeide: "Heil en vriendschap vanwege mijnen
+heer en uwen goeden vriend Willem Van Loo, die u openbaarlijk, voor
+zooveel het in zijne macht is, eenen zeer spoedigen bijstand belooft aan
+u en aan de uwen."
+
+GALB., p. 285.]
+
+[Voetnoot 64: Zi gunden zich geene rust, den nacht doorbrengende met
+waken, en den dag met arbeiden, totdat de versterkingen der stad geheel
+voltrokken waren.
+
+GALB. p. 288.]
+
+
+
+
+XVI
+
+
+Na den mislukten aanslag tegen Brugge waren de ridders teruggetogen naar
+het dorp Oostcamp[65], waar zij, tegen het Balanderbosch steunende, zich
+hadden nedergeslagen, om op de komst der Gentenaars te wachten, die hun
+vele machtige stormtuigen moesten aanbrengen.
+
+In het dorp zelf waren de meeste ridders geherbergd, en werden de
+gekwetsten en zieken verpleegd. De wapenlieden lagen onder de open lucht
+op den zoom van het bosch, waar zij de waak hielden over de talrijke
+paarden, die men niet in het kleine dorp had kunnen stallen.
+
+Van de lange dagreis vermoeid of van den geweddigen stormloop afgemat,
+hadden allen zoo goed mogelijk eene plaats gezocht om te rusten,--en nu
+sluimerden ridders en wapenlieden den eersten, loomen slaap, alhoewel
+het slechts negen uren in den avond kon zijn.
+
+Ware het niet geweest dat het gehinnik der paarden of het geroep der
+schildwachten nu en dan de nachtelijke stilte kwam storen, men hadde
+niet kunnen vermoeden dat daar, in de dikke duisternis, meer dan
+drieduizend krijgslieden waren gelegerd.
+
+Zoo stil en rustig was het echter niet op den burcht van Oostcamp, een
+groot en schoon kasteel, door mher Halewijn Van Gruuthuse bewoond.
+
+Deze ridder was vroeger geen Isegrim geweest; hij had integendeel zeer
+dikwijls de gevaarlijke ontwerpen der Tancmars afgekeurd en zelfs de
+Kerels ten hove verdedigd; maar, zooals het nu bij velen het geval was,
+de moord des graven had hem met verontwaardiging vervuld, en hij
+wenschte niets meer dan tot de wraakneming over de afschuwelijke
+euveldaad te mogen medewerken.
+
+Ook had hij gulhartig den oversten en voornaamste ridders de
+herbergzaamheid op zijnen burcht aangeboden, en geene moeite gespaard
+om hen wel en prachtig te onthalen.
+
+Zij zaten nu in eene zaal van den burcht, rondom eene lange tafel, nog
+beladen met de overblijfsels van smakelijke gerechten; want het
+avondmaal was ten einde. Maar des te overvloediger werden de
+kostelijkste wijnen rondgeschonken, en het klinken der bekers en het
+geschater der hartelijke samenspraak vervulden de zaal met een vroolijk
+en verward gebruis.
+
+Ter rechterzijde van den gastheer zaten mher Gervaas Van Praet, de
+veldheer van het ridderleger, en Raas Van Gaveren, Jan Van Nevele en
+Alyn Van Bouchante, die onder hem het bevel over de scharen voerden. Ter
+linkerzijde bevonden zich Gerhart Van Audenaarde, Diederik Van Ter
+Beerst en Arnold Van Beveren De overige dischgenoten hadden, volgens
+hunne eigen keus, nevens hunne vrienden rondom de tafel plaats genomen.
+
+Nu de wijn het gezelschap begon te verhitten, spraken allen luidruchtig
+en met opgevoerdheid van de glansrijke wapenfeiten die elk hunner wilde
+bedrijven, en van de meedoogenlooze wraak welke zij op de moordenaars
+van graaf Karel zouden uitoefenen. Al de Kerels waren, volgens hen,
+medeplichtig aan de ijselijke misdaad; men zou ze uitroeien tot den
+laatste toe, hunne hofsteden afbranden, hunne velden verwoesten en zelfs
+hunne vrouwen en kinderen dooden, opdat de herinnering aan het
+vermaledijd geslacht wierd vernietigd.
+
+Waren er ook al eenige meer bedaarde ridders, zooals Gervaas Van Praet,
+die zich tegen zulke algemeene verdelging der inwoners van een groot
+gedeelte des lands verklaarden, allen waren het evenwel eens, dat van de
+Erembalds en hunne aanhangers en vrienden geen enkele mocht gespaard
+worden.
+
+In hunne aangejaagdheid, verbonden zij zich met duren eede niet toe te
+laten dat er een Erembald, op welke voorwaarden of door wien ook,
+lijfsgenade werd verleend. Zoo zou het ridderschap voor immer verlost
+worden van den hoon, dien men zoolang had te lijden gehad, door den
+overdreven rijkdom en door den onwettigen invloed dezer trotsche Kerels.
+
+Terwijl zij nog bezig waren met dus hunne vijanden tot eene volstrekte
+vernietiging te doemen, en reeds poogden te berekenen welk gedeelte zij
+van de uitgestrekte grondbezittingen der Erembalds ten leen zouden
+krijgen, traden er eensklaps een tiental minstreelen of speellieden in
+de zaal.
+
+Deze minstreelen behoorden zichtbaar tot twee verschillige
+gezelschappen; want elk dezer bestond uit eenen doedelpijper, eenen
+schalmeier, eenen bommelaar en twee zangers.
+
+Zulke gezelschappen volgden gewoonlijk de legers. Gedurende den rusttijd
+en bij lange avondstonden vermaakten zij de ridders, die hunne kunst
+zeer vrijgevig loonden.
+
+Nu kwamen zij gewis ter goeder ure; want bij het klinken der bekers
+behooren muziek en zang.
+
+Het eerste gezelschap zong een minnelied in de Walsche of Fransche taal.
+Zeer geestig waren de rijmen en trippelend en vroolijk het deuntje; maar
+evenwel, zoohaast het ten einde was, ontstond van alle kanten, tusschen
+de toejuichingen zelve, de roep:
+
+"Van de Kerels! van de Kerels! Laat hooren het lied der Isegrims!"
+
+Nu trad het tweede gezelschap vooruit. Begeleid door doedelzak en
+schalmei, en bij het referein door den bommel, verhieven de beide
+minstreelen de stem en zongen het volgende lied:
+
+ Wij willen van den Kerel singen;
+ Si sijn van quader aert,
+ Si willen die rudders dwingen,
+ Si dragen enen langen baert.
+ Haer cleedren die sijn al ontnayt,
+ Een hoedekin op haer hooft gecapt,
+ 't Caproen staet al verdrayt;
+ Haer cousen en haer scoen gelapt.
+ Wrongele ende wei, broot ende caes.
+ Dat eet hi al den dach;
+ Daerom es de Kerel so dwaes,
+ Hi eets meer dan hi mach.
+
+Deze vier laatste verzen, die als referein dikwijls met geweldige
+begeleiding des bommels werden herhaald, deden de ridders in handgeklap
+en schaterlachen losbarsten. Slechts na eene wijl onderbreking konden de
+minstreelen hun lied dus voortzetten:
+
+ Een groten ruggenen cant
+ Es harde wel genouch;
+ Dien neemt hi in sijn hant
+ Als hi wil gaen ter plouch.
+ Dan comt hem tot sijn wijf, de vule,
+ Spinnende mit enen rocke;
+ Een sleter omtrent haer mule;
+ Ende gaet syn sceutele broeken.
+ Wrongele ende wei, enz.
+
+ Ter kermesse wil hi gaen;
+ Hem dinct dat hi es een grave;
+ Daer wil hij 't al omme slaen
+ Met sinen verroesten stave.
+ Dan gaet hi drincken van den wine,
+ Stappans es hi versmoort;
+ Dan es al die werelt sine,
+ Stede, land ende poort.
+ Wrongele ende wei, enz.
+
+ Met enen Zeeuwschen knive
+ Soo gaet hi deur sijn tassche.
+ Hi comt tot sinen wive;
+ Al vul brinct hi sine flassche.
+ Dan geeft si hem vele quader vloucke.
+ Als haer die Kerel genaect;
+ Dan geeft hi haer van den lyscoucke,
+ Dan es die pays gemaect.
+ Wrongele ende wei, enz.
+
+ Dan comt die grote cornemuse
+ Ende pijpt hem turelureluut.
+ Ai, hoor van desen abuse!
+ Dan maact si groot geluut,
+ Dan springt si al overhoop,
+ Dan lacht haer lange baert;
+ Si maken groot geloop.
+ Gode geve hen quade vaert!
+ Wrongele ende wei, enz.
+
+ Wi willen de Kerels doen greinsen
+ Al dravende over dat velt;
+ Hets al quaet dat si peinsen,
+ Ie weetse wel bestelt.
+ Men sal se slepen ende hangen,
+ Haer baert es al te lanc.
+ Si ne connens niet ontgangen,
+ Si ne dogen niet sonder bedwanc.
+ Wrongele ende wei, enz.
+ Dat eet hi al den dach;
+ Hi eets meer dan hi mach[66]
+ Daerom is de Kerel so dwaes,
+
+De ridders werden in hunne luidruchtige goedkeuring en in hun spottend
+lachen gestoord door de komst van eenen wapenknecht, die ongeroepen in
+de zaal trad en groetende voor den veldheer kwam staan, als iemand die
+eene haastige boodschap brengt.
+
+"Nu, spreek, wat hebt gij mij te melden?" vroeg mher Gervaas Van Praet.
+
+"Heer, een Brugsch ridder heeft zich bij de brandwacht aangeboden om in
+het leger te worden toegelaten. Hij moet u onmiddellijk spreken, zegt
+hij, om u iets van het grootste gewicht mede te deelen."
+
+"Een ridder? Wie is hij?"
+
+"Zijn naam wil hij voor ons verborgen houden. De veldheer kent hem zeer
+wel, zegt hij."
+
+"Breng hem in deze zaal."
+
+"Alleen moet hij u spreken, heer; het is een geheim. Ik heb hem onder
+bewaking mijner gezellen in eene kamer van dezen burcht geleid."
+
+Mher Gervaas richtte eenige woorden tot zijne makkers, om hun te
+verzekeren dat hij slechts eenige oogenblikken afwezig zou blijven, en
+hen aan te manen hunne vroolijkheid onafgebroken voort te zetten. Dan
+volgde hij den wapenknecht naar eene bijgelegene kamer van den burcht.
+
+Nauwelijks had hij, onder den schijn der eenige lamp, die hier brandde,
+den ridder beschouwd, of hij riep met verwondering uit:
+
+"Mher Disdir Vos! Gij hier? Welke is de reden uwer komst?"
+
+Disdir Vos gaf hem door een teeken te verstaan dat hij in
+tegenwoordigheid der wapenlieden niet vrij kon spreken.
+
+De veldheer deed de wachten buiten de kamer gaan, bood Disdir eenen
+stoel aan en zeide:
+
+"U zoo te midden van den nacht in mijn leger te zien, daaraan had ik mij
+zeker nimmer verwacht, mher Vos. Zenden de Kerels of de poorters van
+Brugge u tot mij? Ik verwittig u dat ik de stad op genade wil
+overgegeven hebben."
+
+"Gij misgrijpt u over het doel van mijn bezoek, mher Van Praet",
+antwoordde Disdir met eenen scherpen glimlach. "De Bruggelingen noch de
+Kerels zijn voornemens de stad over te geven. Integendeel, zij hebben
+besloten ze tot den laatsten man te verdedigen, zelfs al kwam de koning
+van Frankrijk met al zijne macht hen belegeren. Zij zijn ruimschoots
+voorzien van alwat er noodig is om maanden lang tegenstand te bieden."
+
+"Ha, ha", spotte mher Gervaas, "laat onze stormtuigen aankomen en Brugge
+bezwijkt in de eerste week?"
+
+"Maar, heer, duid het mij niet ten kwade, indien ik u de waarheid onder
+de oogen leg, Morgen loopt gansch Kerlingaland te wapen en treedt Willem
+Van Loo, dien de Kerels tot graaf van Vlaanderen hebben verkozen, met
+een ontzaglijk leger in het veld. Wel verre van Brugge zoo gemakkelijk
+te krijgen, zult gij wonderen van dapperheid moeten doen, om niet zelf
+overrompeld te worden en onder de overmacht te bezwijken."
+
+"Morgen loopt gansch Kerlingaland te wapen?" mompelde de veldheer
+bekommerd. "Zijt gij daar zeker van?"
+
+"Het is zoo sedert lang besloten, heer", antwoordde Disdir. "Wat meer
+is, nu Kerlingaland door uwe tegenwoordigheid is bedreigd, zal de
+landstorm verkondigd worden, en alwie slechts eenen boog of eene
+schermzeis voeren kan, zal zich rondom Willem Van Loo komen scharen.
+Indien gij aangevallen werdt door twintig duizend verwoede Kerels, zoudt
+gij niet bezwijken, vooraleer eenige hulp u van elders kon toekomen?"
+
+Mher Gervaas schouwde Disdir in de oogen en schudde kommervol het hoofd.
+
+"Ik betwijfel den moed, ja, de onverschrokkenheid uwer ridders niet",
+zeide Disdir Vos, "maar het onmogelijke kan niemand"
+
+"Inderdaad", mompelde de veldheer in zich zelven, "het ware voorzichtig
+op den weg naar Gent terug te wijken en mijn leger in veiligheid te
+brengen, totdat wij met meerdere macht kunnen terugkeeren ... Ik dank u,
+mher Vos, voor uw bericht ... Maar laat mij toe u iets te vragen. Gij
+zijt een Blauwvoet en waart een aanhanger der Erembalds. Hoe komt het nu
+dat gij hun vijandig zijt geworden?"
+
+"Hoe? dit verwondert u, heer?" antwoordde Disdir, in schijn met
+gekwetste fierheid. "Welk eerlijk hart zou de Erembalds niet haten na
+den gruwelijken moord van graaf Karel?"
+
+"Gij haat de Erembalds?"
+
+"Diep en onverzoenbaar!"
+
+"Hoe wilt gij dat ik geloove? Welk bewijs kunt gij mij daarvan geven?"
+
+"Gij zult het vernemen, heer. Dit is juist het doel mijner komst. Nu
+verre van Brugge trekken na den mislukten aanval, dit zal u en uwen
+ridders niet behagen. Indien gij de sterke stad kondet veroveren, zelfs
+zonder de hulp der Gentenaars te moeten afwachten, ware het niet voor uw
+leger en bovenal voor u een wonderlijk wapenfeit, dat men zelfs in
+Frankrijk zou roemen?"
+
+"Inderdaad; maar zulke hoop is een droom", schertste mher Gervaas.
+
+"Welnu, die droom kan ik verwezenlijken, nog dezen nacht ... Gij
+twijfelt, heer? Ik stel mijn hoofd ten pande voor de waarheid mijner
+woorden."
+
+"Gij zoudt mij Brugge leveren?" kreet de veldheer verbaasd. "Nog dezen
+nacht?"
+
+"Ja, dezen nacht; en waarschijnlijk zonder veel bloedvergieten"
+
+"Nu, ik bid u, mher Vos, laat hooren uwe middelen. O, kondet gij uwe
+belofte volvoeren, ik en al de ridders, mijne gezellen, bleven u eeuwig
+dankbaar voor dezen onschatbaren dienst!"
+
+"Ik heb voorwaarden te stellen, heer." "Alwat mogelijk is, wil ik u
+verspreken, mher Vos."
+
+"Ik vraag slechts weinig. De Erembalds, als zij zullen weten dat ik
+hunne vijanden in de stad heb gebracht, zullen mij pogen te lasteren; en
+wie weet of ze niet zullen beweren dat ik deel heb genomen aan hun
+verfoeielijk eedgenootschap tegen graaf Karel. Uw woord eisch ik, mher
+Van Praet, dat gij tegen al zulke lasteraars wie ze ook zijn mogen, mij
+zult verdedigen."
+
+"Het is wel zeker toch dat gij hoegenaamd niet hebt geraden of geholpen
+tot den moord des graven?" mompelde de veldheer twijfelend.
+
+"Geheel zeker", antwoordde Disdir. "Robrecht Sneloghe heeft mij in het
+eedgenootschap willen trekken ..."
+
+"Mher Robrecht Sneloghe? Hoe is dit mogelijk?" kreet Van Praet. "De
+eenige Erembald dien ik hadde willen sparen!"
+
+"De hevigste en schuldigste is Robrecht", ging Disdir voort. Hij is het
+die onder een geveinsd voorwendsel mij in de geheime vergadering bracht,
+waar de moordenaars te zamen waren. Maar ik heb met verontwaardiging
+hunne voorstellen verstooten, en zelfs met tranen hen bezworen hun
+gruwelijk opzet te verzaken. Zij beloofden het mij, in schijn met
+oprechtheid. Eilaas, en toen ik nog gerust in mijnen Steen lag te
+slapen, doopten zij hunne misdadige handen in het bloed van graaf
+Karel!"
+
+"Is het zoo, geene genade voor de Erembalds; zij zullen sterven tot den
+laatsten toe!" gromde de veldheer verbolgen.
+
+"Ja, zij zijn allen schuldig", bevestigde Disdir, "en allen verdienen
+den dood.--Nu, heer, geeft mij uw woord, dat gij mij tegen alle
+beschuldiging van medeplichtigheid met de hatelijke Erembalds zult
+verdedigen?"
+
+"En gij zult de stad Brugge in mijne handen leveren?"
+
+"Indien ik het niet doe, dezen nacht, zijt gij vrij jegens mij te
+handelen zooals u goeddunkt[67]".
+
+"Welaan, daar is mijne hand; ik geef u mijn plechtig woord, mher Vos."
+
+"Nog eene voorwaarde", zeide Disdir.
+
+"Zoo?"
+
+"Het heeft geen belang voor u, heer. Weet dat ik vroeger naar de hand
+heb gestaan van jonkver Dakerlia, de dochter van mher Segher Wulf.
+Dakerlia was mij niet ongunstig, en haar vader stemde toe in ons
+huwelijk. Robrecht Sneloghe heeft mij mijn geluk benijd, en heeft zelf
+de hand van Dakerlia gevraagd. Gij kent de macht der Erembalds, heer; en
+het is wel onnoodig u te zeggen dat ik onmeedoogend werd geslachtofferd.
+Nu is mijne voorwaarde, dat gij mij helpet om jonkver Dakerlia uit de
+macht der Erembalds te verlossen, en mij toelatet, niet alleen haar te
+beschermen, maar tevens jegens haar te handelen zooals ik doelmatig zal
+oordeelen om hare hand te bekomen."
+
+"Eene liefdezaak?" schertste de veldheer. "Is het anders niet? Dit heeft
+geene zwarigheid in, mijn goede Disdir. Desaangaande beloof ik u alwat
+gij kunt verlangen."
+
+"Welnu dan, heer, ziehier mijn voorstel. De Kathelijnepoort is slechts
+bewaakt door een vijftigtal Kerels. Deze poort, langswaar ik de stad heb
+verlaten, kan ik op het uitspreken van een enkel woord doen openen,
+dewijl de wacht bevel heeft mij op mijnen eersten roep binnen te laten.
+Breng uw leger in stilte onder de wapenen; laat de paarden hier blijven,
+leid uwe scharen door de duisternis tot op eenigen afstand van de
+Kathelijnepoort. Van daar zal ik met een toereikend getal der stoutsten,
+ridders of wapenlieden, vooruitgaan en de poort doen openen. Wij stormen
+de stad binnen en overrompelen de wacht der poort. Op ons geschreeuw
+komt gij met gansch uw leger toegeloopen. De Kerels en poorters slapen;
+wie zich toont wordt verpletterd eer hij op verdediging kan denken; wij
+overdekken welhaast de Markt als een dichte drom; geen tegenstand is
+mogelijk, en schier zonder slag of stoot krijgt gij Brugge in uw bezit."
+
+Er verliepen eenige oogenblikken, vooraleer Gervaas Van Praet zijn
+gevoelen over dit ontwerp te kennen gaf.
+
+"Wonder, wonder! Eenvoudig maar wel berekend!" riep hij na eene diepe
+overweging. "En ik mag op u betrouwen? Het is geen strik dien gij ons
+spant?"
+
+"Hebt gij mijn leven niet in uwe handen, heer? Doe mij dooden indien gij
+bevindt dat ik u verraad."
+
+"Ik geloof dat gij oprecht zijt", zeide mber Gervaas, "maar duidt het
+mij niet ten kwade dat ik, als veldheer, eenige maatregelen tegen alle
+verrassing neem. Stemt gij toe dat ik u door twee trouwe en onversaagde
+mannen doe bewaken?"
+
+"Waarom niet, heer? Ben ik niet zeker van mij zelven?"
+
+
+[Illustratie: Eene groote kan wijn en drie bekers op de tafel ...
+(Bladz. 330.)]
+
+
+"Bij het minste verraad, bij de minste poging om ons zonder oorlof te
+verlaten, klooft men u het hoofd."
+
+"Het zij zoo, ik begrijp dat gij deze voorzorg neemt."
+
+"Des te meer dankbaarheid zal ik u bewijzen na het welgelukken onzer
+poging."
+
+"Anders vraag ik niet, heer."
+
+"Welnu, men zal u hier wijn brengen", zeide de veldheer. "Verveel u
+niet, mher Vos, terwijl ik alles ga bereiden tot onzen geheimen optocht
+naar Brugge."
+
+Met deze woorden verliet hij de kamer, bij welker deur onmiddellijk
+eenige wapenlieden verschenen.
+
+Disdir zette zich dichter bij de tafel en legde het hoofd op de handen.
+Een glimlach speelde op zijne lippen; hij zegevierde! Zeker, zijn
+aanslag zou gelukken. Daardoor zou hij niet alleenlijk bij de vervolging
+en de wraak tegen de moordenaars van graaf Karel uitgezonderd blijven;
+maar hij zou invloed en geloof genoeg bij den veldheer en zijne ridders
+verkrijgen, om Robrecht Sneloghe zonder genade ter dood te doen brengen.
+Dan bleef Dakerlia alleen; dan verviel zij geheel in zijne macht. En wie
+weet? Misschien zou het gunstig gevoel dat zij, zooals hij meende, hem
+vroeger had toegedragen, weder in haar hart ontwaken. Wat hij deed was
+wel iets schromelijks, iets, dat zijn geweten hem innerlijk verweet als
+een snood verraad; maar zoolang reeds verzamelde de gal der wraakzucht
+zich in zijnen boezem! Robrecht Sneloghe in het verderf storten,
+Dakerlia tot vrouw bekomen; voor dit dubbele geluk hadde hij zijne ziel
+den booze zelven verpand.
+
+Hij werd in zijne zoete droomerij gestoord door het gerucht van stappen
+en van wapengeklingel, dat zich eensklaps door den ganschen burcht liet
+vernemen. Ongetwijfeld had de veldheer zijne ridders het ontwerp
+medegedeeld, en nu begaven zij zich allen naar de legerplaats, om er
+zijne bevelen te gaan uitvoeren.
+
+Nog lang bleef Disdir alleen. Eindelijk trad er een schalk in de kamer.
+Deze zette eene groote kan wijn en drie bekers op de tafel en schonk in.
+
+"Voor wie?" vroeg Disdir.
+
+Maar vooraleer de schalk hem kon antwoorden, verschenen er twee ridders
+in de deur. Dezen kwamen glimlachend tot hem, terwijl een hunner hem
+zeide:
+
+"Mher Disdir Vos, wij zijn door den veldheer belast, in afwachting dat
+hij ons roepe, u gezelschap te houden. Wij nemen de vrijheid ons bij u
+neder te zetten en, indien het u aangenaam is, met u eenen dronk op de
+gewichtige onderneming te ledigen."
+
+"Dit gaat u, mher Gheldorf van Stalhille", antwoordde Disdir zijnen
+beker verheffende.
+
+"Ik drink insgelijks ter eere van ..."
+
+"Van mher Hugo Van Rolleghem, mijnen vriend en wapenmakker"
+
+De bekers nedergezet zijnde, vroeg Gheldorf met eenigen twijfel in de
+stem:
+
+"Het zou dus inderdaad waar zijn, mher Vos, dat gij ons de stad Brugge
+leveren gaat?"
+
+"Gij zult het zien."
+
+"Maar gij zijt een Kerel. Voor hooveel marken zilvers hebt gij uwe
+broeders verkocht?"
+
+Disdir Vos aanschouwde hem met vlammende oogen en riep uit:
+
+"Mher Gheldolf, gij hoont mij onverdiend. Ware uw veldheer hier, ik zou
+hem zeggen dat ik van mijn voorstel afzie, en nimmer zoudt gij de stad
+Brugge krijgen!"
+
+"Nu, nu, mher Vos, vergram u niet", sprak de andere onbewogen. "Men ziet
+toch zelden dat iemand zijn eigen geslacht verraadt, zonder dat hij wete
+tot welken prijs."
+
+"Dit is waar", voegde Hugo Van Rolleghem er bij, "maar deze ridder heeft
+gewis redenen van eenen anderen aard."
+
+"Zooals gij zegt, heer", bevestigde Disdir. "Mijn geslacht verraad ik
+niet; maar ik wil medewerken tot het wreken eener euveldaad die mij met
+verontwaardiging en afgrijzen heeft vervuld."
+
+"En zijn het de Kerels niet die onzen armen graaf hebben vermoord?"
+vroeg Gheldolf.
+
+"Neen, de Kerels niet."
+
+"Wie dan?"
+
+"De Erembalds."
+
+"De proost van St-Donaas en de kastelein?"
+
+"Ja, ja, en Burchard Knap en Robrecht Sneloghe."
+
+"Ingelram Van Bessen en Isaac Van Reninghe, die den hofsraadsheer en den
+hofbottelier zoo wreedelijk hebben neergeveld, zijn toch geene
+Erembalds?"
+
+"Neen, maar het zijn hunne vrienden. Door mher Robrecht Sneloghe zijn
+zij in het vloekbaar eedgenootschap getrokken."
+
+"Wat gij zegt! Het is schier ongeloofelijk. Wij hebben berichten van
+lieden die ooggetuigen van alles waren. Mher Sneloghe was niet bij den
+moord aanwezig. Hij heeft geweend over het lijk, het eere bewezen en het
+verdedigd tegen schennis, zoo ten minste verklaarde ons de oude kanunnik
+Littra, die hier met ons in het leger is."
+
+"Mher Robrecht is de grootste huichelaar der wereld", antwoordde
+Disdir. "Hij is de aanstoker der misdaad geweest. Zijn schijnheilig
+gedrag heeft den kanunnik Littra bedrogen. Ik zal, op tijd en plaats
+daarvan ontegensprekelijke bewijzen leveren."
+
+"Op mijn riddereer!" riep Gheldolf uit, "ik had veel achting voor mher
+Sneloghe; maar nu, wees zeker, indien ik hem ontmoet zal ik hem met
+blijdschap het hoofd klooven!"
+
+"Dan zult gij u mogen beroemen hem te hebben gestraft die de eerste en
+ware oorzaak van des graven beklaaglijken dood was", bevestigde Disdir.
+
+Er trad een zeer jong ridder of schildknaap in de kamer, en deze sprak
+in stilte eenige woorden tot sher Gheldolf, waarna hij even ras vertrok.
+
+"Mher Vos", zeide deze laatste, opstaande, "de veldheer verzoekt ons hem
+voorbij Oostcamp op de baan naar Brugge te gaan vervoegen. Hij heeft ons
+belast op u te waken en ons verantwoordelijk gemaakt voor uw behoud. Gij
+zult het dus niet vreemd vinden dat wij u overal evenals uwe schaduw
+vergezellen. Gelief ons nu te volgen."
+
+Zij gingen door het dorp Oostcamp en kwamen welhaast op de groote baan
+van Kortrijk naar Brugge.
+
+Hier vonden zij het grootste gedeelte des legers, dat in dichte
+gelederen geschaard, op de baan stond. Volgens het ontvangen bevel
+hielden de wapenlieden zich zoo stil, dat men in de duisternis slechts
+van zeer nabij hunne tegenwoordigheid kon bemerken.
+
+Aan het hoofd dezer scharen, en wel een boogschot vooruit, hield zich
+mher Gervaas Van Praet met een honderdtal mannen, door hem onder de
+onversaagsten uitgekozen. Wel de helft dezer waren ridders, die gesmeekt
+hadden om van de voorwacht te mogen deel maken, en evenals de
+wapenlieden hunne harnassen en ijzeren wapening hadden afgelegd om geen
+het minste gerucht te maken. Slechts de helm en de ijzeren handschoenen
+hadden zij behouden.
+
+Toen Disdir Vos den veldheer was genaderd en zich door hem had doen
+herkennen, zeide hem deze aan het oor:
+
+"Alles is gereed; gij gaat vooruittreden met uwe beide gezellen,
+langzaam en voorzichtig. Honderd man zullen u volgen tot bij de brug
+achternakruipen. Doe nu wat gij mij hebt beloofd. Gelukken wij, ik zal u
+niet alleen beschermen, maar nog u doen beloonen door alles wat den
+hoogmoed van eenen ridder kan streelen."
+
+"Het is wel, men volge mij!" mompelde Disdir Vos, zich met loozen,
+tragen stap vooruit begevende.
+
+Het was zoo donker dat de beide ridders, die Disdir vergezelden, hem
+zelfs van nabij niet konden zien, en hem aan wederzijde bij den arm
+hielden om zijn spoor niet te verliezen.
+
+Zij kwamen tot op de brug, zonder dat de schildwachten boven den muur
+eenig gerucht hadden gehoord; maar nu klonk door de duisternis, op
+dreigenden toon, de roep:
+
+"Wie daar?"
+
+"Storm op zee! Wolf en Vos!" antwoordde Disdir. "Open mij de poort en
+haast u!"
+
+"Te wapen, te wapen!" klonk het schier onmiddellijk achter de poort.
+
+Disdir herkende de stem van Landfried, zijnen stedehouder, die bezig was
+met zijne mannen te wekken. Deze voorzorg kon het gelukken van zijn
+verraad moeielijker maken, doch het geheel beletten, daarvoor was,
+meende hij, niets te vreezen.
+
+"Zijt gij het, mher Disdir Vos?" vroeg Landfried door het kijkgat der
+poort.
+
+"Ik ben het, doe open", morde Disdir. "Waarom laat gij mij zoolang in de
+duisternis staan wachten?"
+
+"Een oogenblik, heer; ik haal de egge naarboven", antwoordde Landfried.
+
+Ondertusschen waren de honderd man, die den eersten aanval zouden wagen,
+op handen en voeten over de brug nader gekropen, en lagen nu stil en met
+opgehouden adem ter aarde, op eenige stappen achter Disdir Vos en zijne
+gezellen.
+
+De poort krijschte in hare hengels ... maar nauwelijks was zij half
+geopend, of de honderd mannen sprongen recht, drongen de beide deuren
+onweerstaanbaar open en stormden als een vloed met groot geschreeuw en
+gejuich er binnen.
+
+Hier trokken zij hunne zwaarden en vielen op de vijftig Kerels der wacht
+die, verrast en overrompeld, een oogenblik aarzelden; maar, door
+Landfried aangemoedigd, schier onmiddellijk in de nauwe Mariastraat
+eene onverwachte tegenweer boden, terwijl zij uit al hunne kracht om
+hulp riepen en de lucht deden hergalmen onder den noodkreet: "Verraad!
+verraad! Harop! harop!"
+
+Van boven de muren kwamen in korten tijd vele Kerels toegeloopen en het
+gelukte hun de Isegrims eenigen tijd terug te houden; maar dewijl deze
+laatsten meester van de poort waren, vonden hunne makkers van buiten
+geen beletsel om in de stad te komen.
+
+Welhaast was het hoofd van het ridderleger de poort genaderd, en nu
+drongen de Isegrims met weergalmend geschreeuw door de Mariastraat
+vooruit.
+
+Zoohaast een duizendtal ridders en wapenlieden de poort binnen waren,
+kon niets meer aan hunnen drang wederstaan, en zij stormden, elkander
+omverre loopende, naar de Markt.
+
+De noodkreet der aangevallen wacht was tot in den burg gehoord geworden.
+In minder dan eenen oogwenk waren al de Kerels te been; en, zonder goed
+te weten welk gevaar hen bedreigde, richtten zij zich naar de plaats der
+stad vanwaar de haropschreeuw in de hoogte steeg.
+
+Reeds toen de dikke drom der Isegrims den ingang van de Oudebrugstraat
+bereikte, werden zij van terzijde met woede aangevallen en boorden de
+Kerels eene breede klove in hunne schaar.
+
+Om elkander in de duisternis te kunnen herkennen, begonnen de Kerels
+elkander toe te roepen met het woord: "Blauwvoet! Blauwvoet!" En, hen
+daarin navolgende, riepen hunne vijanden: "Isegrim! Isegrim!"
+
+Geene dapperheid, geen geweld kon echter het ridderleger wederhouden van
+op de Markt zich te ontplooien; en daar begon dan eindelijk de
+afgrijselijke menschenslachting te midden eener duisternis die niemand
+toeliet vriend of vijand te onderscheiden.
+
+Men hoorde er niets anders dan het wraakgehuil der strijders, het
+noodgekerm der stervenden, het geknars der zwaarden en boven dit alles
+het aanhitsend geschreeuw: "Blauwvoet! Blauwvoet! Isegrim! Isegrim!" dat
+onophoudend door duizenden monden ten hemel werd geworpen, en als het
+gebruis eener stormachtige zee met klimmende en dalende kracht over de
+Markt heen en weder golfde. Men struikelde er over lijken, men
+vertrappelde er gekwetsten, men waadde er door plassen bloed, men viel
+er neder met gekloofd hoofd of doorboorde borst, zonder dat men zelfs
+de schaduw zijns vijands had kunnen zien.
+
+Wel waren er vele honderden Kerels en poorters uit den burg en van de
+stadswallen komen toegeloopen; maar de Steenstraat spuwde nog immer
+nieuwe gedeelten van het ridderleger op de Markt.
+
+Niemand kon oordeelen over den gang of over de kansen van den akeligen
+nachtstrijd. De eenige en onzekere maatstaf waren de oorlogskreten
+"Blauwvoet! Isegrim!" maar tot nu toe galmden ze beide met evenveel
+kracht en hevigheid.
+
+De kastelein Hacket, die te midden der Kerels had gevochten, meende dan
+te bemerken dat zijne mannen, onder den druk eener onweerstaanbare
+overmacht, allengs achteruitweken. Door een angstig gepeins aangegrepen,
+verliet hij den strijd en ging terug tot bij de Hofstraat, om over den
+toestand te kunnen oordeelen. Hier bekwam hij, na eenige oogenblikken te
+hebben geluisterd, de droeve overtuiging dat het krijgsgeroep der Kerels
+verzwakte, terwijl integendeel het geschreeuw der Isegrims meer en meer
+in kracht verdubbelde.
+
+Hij liep achter de schaar zijner mannen en kreet daar uit al zijne
+macht:
+
+"Wijkt naar den burg! Kerels, naar den burg! Langzaam, langzaam naar den
+burg!"
+
+Men herkende zijne stem, en zijn bevel werd door vele Kerels herhaald.
+
+Het was tijd; want op dit oogenblik boorde eene machtige bende Isegrims
+van terzijde door den vijand en sneed aldus meer dan de helft der Kerels
+van hunne gemeenschap met den burg af.
+
+Aan het ontvangen bevel gehoorzamende, weken de Kerels, wien de baan nog
+vrijstond, al vechtende door de Hofstraat naar den burg, en een groot
+getal hunner geraakte er nog behouden binnen.
+
+Men had even de egge neergelaten en de poort gesloten, toen de Isegrims,
+onder het bulderen van vermaledijdingen en zegevierend geschreeuw, met
+hunne zwaarden er begonnen op te beuken. Maar hier werden zij van boven
+de poort en van boven de wallen zoo overvloedig en zoo woedend met
+steenbonken, met balken, met pijlen en met allerlei werptuig onthaald,
+dat elke Isegrim, die dorst naderen, even ras verpletterd nederviel[68].
+
+Het was als lage daar voor de poort een bodemloos graf, in welks
+gewapenden muil honderden ridders en wapenlieden werden verzwolgen; want
+dewijl van op de Markt immer nieuwe Isegrims in de nauwe straat
+vooruitdrongen, werden de voorsten onweerstaanbaar tot voor de poort
+gedreven, waar zij onder den hagel steenen en pijlen onmiddellijk werden
+verpletterd.
+
+In weinige oogenblikken was de gansche brug zoodanig met hoopen dooden
+overdekt, dat de opgestapelde lijken zelven een onoverstapbaar beletsel
+werden om nog de poort te naderen.
+
+Onderwijl werd de akelige strijd nog op de Markt voortgezet door de
+Kerels die van de gemeenschap met den burg waren afgescheiden geworden.
+Zij vochten als verwoede leeuwen en zaaiden rondom zich dood en
+vernieling in de schaar hunner vijanden, zoolang totdat, hun getal
+schier geheel weggesmolten zijnde, hun geene hoop meer overbleef om te
+kunnen overwinnen.
+
+Dan, op de stem van Ingelram Van Eessen, drongen zij met eene laatste
+inspanning van krachten door den drom hunner vijanden en weken, altijd
+strijdende, in de St-Jakobsstraat.
+
+Zoo geraakten zij, alhoewel aanzienlijk in getal verminderd, buiten de
+Ezelpoort, en vonden hun behoud in het vrije veld.
+
+Mher Gervaas Van Praet, die den noodlottigen toestand zijner mannen voor
+de poort van den burg zelf had gaan erkennen, en de duizenden pijlen der
+Kerels tot op het midden der Markt door de lucht hoorde snorren, deed de
+trompers blazen en riep zijn leger naar den kant der
+St-Christoffelskapelle te zamen.
+
+Hier verhief zich een zoo lange en zoo dikwijls herhaalde zegeschreeuw,
+dat de veldheer in langen tijd zich door niemand kon doen verstaan of
+hooren.
+
+Eindelijk gelukte het hem zijne bevelen aan eenige oversten mede te
+deelen. Men moest bezit nemen van al de huizen rondom den burg en de
+uitgangen dezer vesting met sterke wachten bezetten, opdat niemand der
+Kerels, die er zich bevonden, mocht ontsnappen. De overige benden, de
+wapenlieden bovenal, zouden bij De Christoffelskapelle gelegerd blijven,
+en niemand hoegenaamd zou zich tot slapen begeven, aangezien men niet
+twijfelen kon of de Kerels van den burg zouden nog eenen uitval
+beproeven.
+
+
+[Illustratie: ... De egge neergelaten en de poort gesloten....]
+
+
+Daarom tevens verbood hij dat iemand zich tot plunderen begave. Wel was
+hij voornemens de woningen der Erembalds te laten verdelgen en hunne
+goederen den wapenlieden tot buit te geven; maar daarover wilde hij,
+zooals de voorzichtigheid het gebood, slechts morgen bij klaren dag
+beslissen.
+
+Nauwelijks had hij dus zijne bevelen uitgedeeld, of hij trad nevens de
+kapelle in een openstaand poortershuis, waar hij licht bemerkte. Hoe hij
+ook riep, niemand antwoordde hem; de bewoners, door het akelig
+nachtgevecht verrast en verschrikt, waren gevlucht.
+
+Mher Van Praet zette zich neder op eenen stoel en veegde zijn zweet af.
+
+Daar verscheen voor hem Disdir Vos, die met eenen zegevierenden lach op
+het gelaat hem vroeg:
+
+"Welnu, veldheer, heb ik mijn woord gehouden, of niet?"
+
+"Ja, mher Vos", antwoordde Gervaas, "het kostte evenwel veel, veel
+bloed."
+
+"Maar zooveel te meer gerucht zal deze overwinning maken, zooveel te
+grooter zal de roem zijn voor u en uwe ridders, die de sterke stad
+Brugge hebt gewonnen zonder hulp der Gentenaars."
+
+"Het is waar, mher Vos; ik ben u dankbaar en zal mijne belofte jegens u
+vervullen, wees des zeker."
+
+"Ik kom u reeds iets vragen", zeide Disdir.
+
+"Spreek stoutelijk."
+
+"Mij zou het vermaak doen, veldheer, dat gij een twintigtal trouwe,
+moedige wapenlieden onder mijn bevel steldet. De jonkvrouw, waarvan ik u
+heb gesproken, Dakerlia Wulf, zou ik zoowel tegen mishandeling door uwe
+wapenknechten als tegen ontvoering vanwege de Erembalds willen
+behoeden."
+
+"Doe naar uw goeddunken, mher Vos. De twintig wapenlieden zullen u
+worden gegeven."
+
+"Er is nog eene andere jonkvrouw, de eigen zuster van Robrecht Sneloghe.
+Indien ik deze terzelfder tijd onder mijne bewaking nam, zou zij u
+kunnen dienen als gijzelaresse. Ik zal de beide jonkvrouwen naar mijnen
+Steen in de Moerstrate leiden. Zult gij gelieven bevelen te geven, opdat
+iedereen dien Steen eerbiedige?"
+
+"Onmiddellijk. Roep, bid ik u, mher Raas Van Gaveren, die in de kamer
+aan de straat met eenigen zijner gezellen zich bevindt."
+
+Toen Disdir Vos deze boodschap had vervuld en met den aangewezen ridder
+was teruggekeerd, zeide de veldheer:
+
+"Mher Van Gaveren, ik verzoek u onder uwe wapenlieden er twintig uit te
+kiezen en dezen ter beschikking van onzen vriend Disdir Vos te stellen.
+Zij zullen onder zijn bevel staan en hem gehoorzamen totdat zij door
+anderen worden vervangen."
+
+Disdir verliet het huis met mher Van Gaveren, die de twintig man onder
+de wapens riep en hun het bevel van den veldheer mededeelde.
+
+Zij volgden zonder spreken den nieuwen overste die hun was gegeven.
+
+Disdir Vos leidde hen door de St-Jansstraat, om de nabijheid van den
+burg te ontwijken, en bracht hen zoo voor sher Wulfs Steen.
+
+Hier klopte hij op de poort en riep dat men zou openen. Daar hij na lang
+wachten geen antwoord bekwam, klopte hij nog eens met dreigend geweld,
+en meende juist terug te wijken om naar hamers of naar eenen balk uit te
+zien, ten einde de poort te verbrijzelen; maar nu liet zich achter het
+kijkgat eene verschrikte stem hooren, die vroeg:
+
+"Wie zijt gij? Wat wilt gij? Er is niemand te huis."
+
+"Ik ben Disdir Vos, en gij kent mij wel, Peter. Open onmiddellijk: ik
+kom uwe jonkvrouw redden."
+
+Een oude schalk ontsloot de poort.
+
+"Ach, mher Disdir, wat akelige dingen gebeuren er toch? Vergaat de
+wereld?" kermde hij. "God zegene u, mher Vos, die ons ter hulpe komt in
+onzen nood.--Al de andere huisbedienden zijn gevlucht...."
+
+"Zwijg. Waar is uwe meesteresse?"
+
+"Achter, in de zaal. Zij bidt."
+
+"Is zij alleen?"
+
+"Jonkver Sneloghe is met haar."
+
+"Houd u stil en blijf hier, totdat ik wederkeer."
+
+Hij deed de twintig wapenlieden binnen de poort treden, koos er vier
+uit, die hem zouden volgen, en ging met dezen over den neerhof naar de
+aangewezene zaal, waar hij door het venster bemerkte dat er licht
+brandde.
+
+Bij zijne verschijning in de zaal zag hij de beide jonkvrouwen nog
+geknield, maar met den angstigen blik naar de deur gekeerd.
+
+Hem herkennende, sprongen zij met eenen noodkreet recht en vluchtten tot
+in het diepe einde des vertreks.
+
+Dit bewijs van afkeer en mistrouwen kwetste Disdir zeer diep; maar hij
+bedwong zijne spijt en poogde zijn gelaat eene uitdrukking van droefheid
+en tevens van vriendschap te geven.
+
+Hij gebood den wapenlieden, die hem vergezeld hadden, op den neerhof
+terug te keeren, sloot de deur der zaal, en dan tot de bevende
+jonkvrouwen gaande, zeide hij:
+
+"Hebt vertrouwen in mij, ik kom u het leven redden. Ach, de Kerels zijn
+bezweken; onze vijanden, de Isegrims, hebben de stad Brugge verrast en
+ingenomen. De Markt is overdekt met de lijken onzer ongelukkige
+vrienden!"
+
+"O, God, en mijn arme broeder?" kreet Witta.
+
+"Wie kan het weten?" antwoordde Disdir op treurigen toon. "Een gedeelte
+onzer mannen zijn op den burg gevlucht. Of Robrecht behouden is of dood,
+dit is het geheim der duisternis."
+
+Witta begon luid te kermen; Dakerlia stortte stille tranen.
+
+"Gij moet mij volgen, jonkvrouwen; ik wil u in eene veilige schuilplaats
+brengen."
+
+Maar deze woorden ontrukten de wanhopige meisjes eenen nieuwen
+angstkreet, en zij sprongen terzijde, als boezemde Disdir Vos hun eene
+diepe vervaardheid in.
+
+"Ik begrijp", zeide hij, "dat gij liever in dezen Steen zoudt blijven;
+maar het is onmogelijk. Morgen, bij het eerste daglicht, zal men al de
+woningen der Erembalds en hunner vrienden aan de plundering der woeste
+wapenlieden overleveren. Wie er zich in bevindt, zal men vermoorden en
+martelen. Hier blijven is u zelven veroordeelen tot den ijselijksten
+dood. Beeft niet; ik zal u redden."
+
+"O, dank, dank, mher Vos", riep Witta met opgehevene handen. "Dit zal
+God u loonen in zijnen hemel!"
+
+En zij meende tot Disdir te gaan; maar Dakerlia greep haren arm en hield
+ze met koortsig geweld terug, terwijl zij haar zeide:
+
+"Onnoozele! Het is een strik; hij komt hier met Isegrims!"
+
+Disdir Vos trad nader en zeide, in schijn kalm en treurig:
+
+"Dakerlia, gij zijt onrechtvaardig jegens mij; ik vergeef het u. Mijne
+eenige belooning zal zijn u te hebben gered ondanks u zelve. Ja, ik kom
+hier met Isegrims. Verwijt het mij niet; want daarin bestaat juist het
+hoogste bewijs van opoffering dat ik u kan geven. Toen ik te midden van
+het gevecht mij bevond en aan de zijde van mher Sneloghe den vijand
+hopeloozen weerstand bood, bemerkte ik alras dat de Kerels zouden
+bezwijken. Dan dacht ik aan u, Dakerlia; voor mijne oogen ontstond, als
+een akelige droom, uwe marteling en uw vervaarlijke dood. God zelf
+boezemde mij eene plotselijke gedachte in. Ik liep in de gelederen der
+vijanden, huilde tegen de Kerels en veinsde hen te bevechten. Na den
+slag vleide ik de Isegrims, spuwde venijn tegen onze arme broeders, en
+won zoo het vertrouwen van mher Gervaas Van Praet, den veldheer. Wat zal
+daarvan voor mij het gevolg zijn? Door de Kerels als een verrader
+verfoeid, door de Isegrims als een lafaard veracht. Ik verlies aan dit
+spel meer dan mijn leven; ik verlies er mijne faam en mijne eer aan.
+Voor u alleen, Dakerlia, om u te redden, om u tegen de wreede
+mishandelingen der wapenknechten en tegen eenen ijselijken dood te
+behouden, heb ik deze eeuwige schande aanvaard. De veldheer, die meent
+dat ik rechtzinnig mijn zwaard tegen mijn geslacht heb gekeerd, vroeg
+mij welken prijs ik voor mijn verraad eischte. Weet gij wat ik hem met
+saamgevoegde handen heb toegeroepen? "O, schenk mij het leven van
+jonkver Wulf; anders wil ik niet, anders verlang ik niet!" Uwe oogen
+vragen mij wat mij tot zulke slachtoffering van mij zelven aandrijft?
+Gij weet het. Het is mijne schuld niet en ik spreek er niet van. In mijn
+geweten en in mijn hart ligt mijne belooning."
+
+Hij had deze reden op zulken toon van oprechtheid gesproken, er was
+zooveel medelijden en treurnis in zijne stem, dat Dakerlia haar
+mistrouwen geheel voelde vergaan. Ja, door eene plotselijke omkeering
+haars gemoeds, bewonderde zij nu den man die haar tot dan eenen diepen
+afkeer had ingeboezemd. Het was toch wel eene daad van ongehoorde
+opoffering, zich dus der eeuwige oneer toe te wijden, om twee
+ongelukkige meisjes te kunnen redden.
+
+Dakerlia trad vooruit en reikte Disdir te hand.
+
+"Heer, ik geloof in uwe edelmoedigheid", zeide zij. "Ik heb u miskend;
+vergeef het mij. Beschik over ons lot: wij volgen u."
+
+Disdir leidde de jonkvrouwen over den donkeren neerhof. Hier voelde
+Dakerlia dat de hand van Disdir gloeide en hij hare hand koortsig
+drukte. Zij poogde zachtjes zich los te rukken; maar hij hield haar vast
+totdat hij de bende wapenknechten had bereikt.
+
+"Ho, Dakerlia, Dakerlia, gij zijt ondankbaar en wreed!" gromde hij. "Ik
+geef u meer dan mijn leven, en gij mistrouwt mij, als ware ik uw
+vijand."
+
+Dakerlia slaakte eenen zucht, doch antwoordde niet.
+
+"Eerbiedigt en bewaakt deze jonkvrouwen", gebood Disdir Vos. "Men volge
+mij!"
+
+Allen verlieten den Steen en daalden door de duisternis naar de
+Spiegelrei.
+
+De oude schalk Peter, zonder er zelfs aan te denken de poort te sluiten,
+ging naar de zaal, waar zijne jonge meesteresse daareven nog had
+geknield. Hij liet zich op eenen stoel vallen en begon haar lot te
+beklagen en overvloedige tranen te storten.
+
+Reeds een half uur zat hij daar, schier bewusteloos in zijne droefheid
+verslonden, toen hij, het gerucht van sluipende mannenstappen meenende
+te hooren, het hoofd ophief.
+
+Inderdaad, door de opene deur der zaal zag hij in de halve duisternis
+menschenschaduwen bewegen en zwaarden glinsteren.
+
+Hij liet zich op de knieen vallen en smeekte reeds om genade; maar toen
+hij den ridder herkende, die tot teeken van geheim met den vinger op de
+lippen tot hem kwam, sprong hij op en riep met verdoofde stem:
+
+"Mher Sneloghe, gij hier, o, hemel! Vlucht, vlucht, de Isegrims hebben
+de stad overrompeld. Zij zullen de Erembalds vermoorden. Wapenknechten
+hebben het mij gezworen...."
+
+Een tweede ridder, die met Robrecht in de zaal was getreden, legde hem
+de hand op den mond en brak zijn gekerm af.
+
+"Peter, waar is Dakerlia? Waar is mijne zuster?" vroeg Robrecht.
+
+De schalk verhaalde hem hoe Disdir Vos met een bende Isegrims was
+gekomen, en hoe dezen de beide jonkvrouwen hadden weggeleid.
+
+Een sombere kreet van angst en afgrijzen bonsde op uit Robrechts borst.
+
+"Waar? Waar naartoe?" riep hij.
+
+"Ja, heer, ik weet het niet. Naar de Isegrims zeker, naar de gevangenis
+misschien."
+
+Mher Sneloghe wrong zich de vuisten en sloeg zich de borst met teekens
+der diepste vertwijfeling.
+
+"Te laat, te laat!" zuchtte hij. "Dakerlia, mijne zuster in handen van
+Disdir Vos! O, mijn God, wat akelig lot hebt Gij die onnoozele
+slachtoffers voorbewaard? Zij insgelijks moeten boeten voor den
+gruwelijken moord? En niets, niets kunnen doen voor hunne verlossing!"
+
+De andere ridder greep hem bij den arm en zeide:
+
+"Robrecht, wij moeten met haast deze plaats verlaten. Het is een groot
+ongeluk dat u treft; maar hier kunnen wij niets nuttigs meer
+verrichten."
+
+"Deze plaats verlaten zonder Dakerlia, zonder mijne zuster?" kermde mher
+Sneloghe. "Ach, hadde de dood mij getroffen dezen nacht!"
+
+"De vijanden kunnen komen; wij zouden bezwijken. Ons leven behoort toe
+aan de verdediging van den burg; het hier langer nutteloos wagen, ware
+verraad."
+
+"Verraad, verraad?" mompelde Robrecht, terwijl hij zijnen gezel lijdzaam
+volgde. "Ja, Eggard, verraad! Nu begrijp ik alles. Disdir Vos had de
+wacht bij de Kathelijnepoort. Zoo had Burchard het gewild. Disdir heeft
+ons verkocht en den Isegrims de poort geopend...."
+
+"Zwijg, zwijg", mompelde zijn gezel, "stap zacht, buk neder en ga langs
+de huizen."
+
+Zij slopen met looze stappen door de duisternis, tot bij den hoek der
+Hoogstraat.
+
+Hier werden zij uit een nevensstaand huis door Isegrims bemerkt of
+gehoord; want men riep hun dreigend het: "Wie daar?" toe, en
+onmiddellijk snorden drie of vier pijlen boven hunne hoofden voorbij.
+
+Zij liepen op de brug van den burg. Daar stonden voor de poort een
+twintigtal Kerels op hen te wachten.
+
+De poort werd voor hen en hunne gezellen geopend, en dan weder gesloten.
+
+De egge daalde neder, en de diepste stilte verving het lichte gerucht,
+dat hunne komst had veroorzaakt.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 65: Eene mijl van Brugge, op de baan naar Kortryk.]
+
+[Voetnoot 66: Dit oud lied, in 1847 ontdekt en uitgegeven, is te vinden
+In de Nederlandsche Dichterhalle, van prof. Heremans, in de Nederl.
+Geschiedzangen van Dr.J.Van Vloten en in Trois chants historiques, van
+De Coussemaker.]
+
+[Voetnoot 67: "Het verhaal van Galbertus (zegt de hr. KERVYN DE
+LETTENHOVE, t. I, p. 389) laat toe te gelooven dat de eedgenooten werden
+verraden door Disdir ... Hij hoopte daardoor te doen vergeten welk deel
+hij genomen had aan de misdaad."]
+
+[Voetnoot 68: Zie het verhaal van dit gevecht en de vlucht der Kerels op
+den burg bij GALBERTUS, pp. 293 en 294.]
+
+
+
+
+XVII
+
+
+Des anderen daags, zoohaast het klaar dag was geworden, had de kastelein
+Hacket aan alle kanten boven de muren een zeker getal schildwachten
+gesteld, en dan de horens doen blazen en bevel rondgezonden, dat alwie
+zich binnen den burg bevond, op het plein zou vergaderen.
+
+Hij wilde door dezen oogenschouw het verlies afmeten dat zij in het
+noodlottig nachtgevecht hadden geleden, en tevens zijne overblijvende
+macht berekenen.
+
+Daar stonden nu de Kerels en hunne oversten in gelederen geschaard, te
+midden van den burg. Zij konden ten hoogste nog vierhonderd in getal
+zijn. Achter hen hielden zich de tien of twaalf Kerlinnen, die met hunne
+mannen binnen Brugge gekomen waren. Eene geringe bende gewapende
+poorters vormde den linkervleugel.
+
+Verder, naar den kant van het Gyselhuis, stond een groote hoop
+ongewapende poorters, waartusschen insgelijks vele vrouwen. Dezen waren
+op den burg gekomen als arbeiders of handelaars, om een hoog dagloon te
+verdienen of door het verkoopen van drank of eetwaren winst te doen.
+
+Voor de deur van het kloostergebouw zag men eenige kanunniken en klerken
+die, ofschoon niet geroepen, buiten waren gekomen om te zien wat er op
+het plein geschiedde.
+
+Zeer verschillend was de houding van al deze lieden. De Kerels, alhoewel
+hunne kleederen waren gescheurd of doorhakt en velen een verband aan
+hoofd of arm droegen, zagen er moedig en trotsch uit. Het ongeluk van
+dezen nacht, door het verraad van eenen valschen broeder hun berokkend,
+had hen diep verbitterd en met wraakzucht vervuld; doch hun vertrouwen
+in eene eindelijke zegepraal was er niet door verminderd. Zij wisten dat
+op dien dag het groote Kerlenleger in het Wolvennest-bosch vergaderen
+zou. Morgen reeds misschien zou graaf Willem Van Loo naar Brugge komen
+afgezakt, en zouden dan vijftien- of twintigduizend Kerels eenige moeite
+hebben om de Isegrims te verpletten of te verstrooien, als de rukwind
+het stof?
+
+Zoo gerust en zoo vertrouwend waren de Brugsche arbeiders, zoetelaars en
+vrouwen niet. De mannen keken treurig en met den schrik op het
+aangezicht naar de Kerels, in de zwakke hoop dat dezen iets ten hunnen
+gunste zouden beslissen; de vrouwen weenden en hieven biddend de handen
+in de hoogte, God de wreede ramp klagende die hen zoo onverwachts van
+hunne kinderen had gescheiden om hen toe te wijden aan eenen
+schrikkelijken dood.
+
+Zij wisten dat men bij het aanbreken van den dag eenen bode naar den
+vijand had gezonden, met den last om oorlof te verzoeken om de
+onschuldige poorters en vrouwen uit den burg te laten gaan; maar,
+eilaas, hij was wedergekeerd met het droevig antwoord dat de ridders al
+degenen die met de moordenaars van graaf Karel zich op den burg
+bevonden, als medeplichtig aan de gruwelijke misdaad beschouwden, en
+zonder genade zouden dooden en martelen wie, om den burg te verlaten,
+zich buiten eene poort durfde vertoonen. Zelfs hadden de ridders
+geweigerd de kanunniken en leekebroeders van St-Donaas bij het vellen
+van dit vonnis uit te zonderen zoolang de bisschop over hun lot niet zou
+hebben beslist, dewijl men in het leger wel meende te weten dat sommige
+kanunniken het met den proost van St-Donaas hielden.
+
+Robrecht Snelooghe stond voor de gelederen zijner Ravenschootsche
+Kerels. Hij liet het hoofd hangen en scheen onverschillig aan hetgeen er
+rondom hem geschiedde. Dakerlia, zijne verloofde, Witta, zijne zuster,
+in de macht van zijnen vijand, van den snoodaard, die zoo laf zijn
+geslacht en zijn vaderland had verraden! Dit schromelijk gepeins
+vervolgde hem als eene nachtmare en hield zijne geestkracht verslonden.
+In zijne ooren bromde de schaamtelooze taal van Disdir Vos, daar hij
+Dakerlia bedreigde en haar zijne liefde aanbood! Voor zijne oogen
+spookte het tooneel van den smaad en de mishandelingen waarmede hij de
+arme Witta bejegende! Dakerlia, de moedige, fiere Dakerlia zou hem
+verstooten en verachten, en hij, de booze, wat zou hij doen? Was het een
+voorspellend gezicht, de gemartelde lijken die in het verschiet voor
+zijne blikken heendreven?
+
+Hij was wel ongelukkig, de arme ridder. Waar bevonden zich Dakerlia en
+zijne zuster? Welk was hun lot? Zou hij hen nog ooit wederzien? Deze
+onzekerheid pijnigde hem verschrikkelijk, en deed zijn minnend hart
+bloeden.
+
+De andere oversten en de Kerels eerbiedigden Robrechts smart, waarvan de
+bron hun bekend was; zij staarden soms ontroerd op hem en schudden
+medelijdend het hoofd.
+
+Slechts een enkele Kerel aanschouwde hem half spottend en met eenen
+glimlach van misprijzen. Het was Burchard, die in zich zelven mompelde
+dat het eene lafheid was over het lot van vrouwen te treuren en den moed
+te laten zakken, wanneer land en vrijheid in gevaar verkeerden.
+
+Burchard was woedend en verbitterd; een gevoel van verdriet of van nijd
+ontstelde hem. In het nachtgevecht had hij meer dan de helft zijner
+Houtkerels verloren, terwijl integendeel de bende van Ravenschoot bijna
+geheel door het lot was gespaard geworden. Ingelram Van Eessen en zijne
+gezellen, die Burchard den moord hadden helpen plegen, waren niet in den
+burg. Hunne meeste mannen uit het Noord-Vrije vermiste men insgelijks.
+Waren zij in den nachtelijken strijd gesneuveld, of hadden zij hun
+behoud in de vlucht gevonden?
+
+Zoo was Burchards macht veel verminderd, en zoo bekwam de invloed van
+Robrecht, dien hij bedektelijk als zijnen vijand beschouwde, op de
+bezetting het overwicht. Deze gedachte kwetste en vernederde hem.
+
+Toen de oogenschouw was geeindigd en de optelling gedaan, deelde de
+kastelein Hacket verschillige bevelen uit, tot het goed bewaken der
+wallen en tot het versterken van zekere zwakke plaatsen van den burg.
+Hij gebood dat men in allernaast twee der poorten van achter met eenen
+aarden dijk zou afsluiten, opdat men, in geval van bestorming, al de
+beschikbare macht tot de verdediging der andere twee poorten zou kunnen
+aanwenden. Het was te vermoeden, dacht hij, dat de Isegrims, door hunne
+overwinning aangemoedigd, nog dien dag eenen aanval tegen den burg
+zouden wagen. Daarom moest men zooveel steenen mogelijk boven de muren
+dragen, en het vuur onder de ketels met ziedende olie immer onderhouden.
+Hij eindigde met elkeen tot onversaagdheid en vertrouwen aan te manen,
+en gaf hun de verzekering dat morgen of overmorgen, in alle geval binnen
+weinige dagen, het groote Kerlenleger hunne vijanden zou komen
+verstrooien.
+
+Dan deed hij nog eens de horens blazen en zond allen naar hunne wacht
+boven de wallen, of naar den hun opgelegden arbeid.
+
+Hij zelf begaf zich naar de proostdij om zijnen broeder Bertulf den
+uitslag der optelling te gaan mededeelen.
+
+Robrecht bleef op het plein om den arbeid zijner mannen te bestieren,
+die belast waren achter de poort, die nevens des kasteleins Steen
+uitgang naar de Vischmarkt gaf, eenen dijk van aarde en steenen op te
+werpen.
+
+Hij wandelde in treurige mijmerij over en weder, aan niets denkende dan
+aan Dakerlia en aan zijne zuster, gaf nu en dan in verstrooidheid een
+bevel aan de arbeiders, doch liet even ras weder het hoofd op de borst
+zakken, om zijne pijnlijke droomen voort te zetten.
+
+De dijk achter de Hoogpoort was bijna voltooid, toen de jonge kanunnik
+Ludgard, die Robrecht een vriend was, hem naderde en op troostenden toon
+zeide:
+
+"Mher Sneloghe, ik heb van den heer proost de reden uwer droefheid
+vernomen. Gij zijt wel ongelukkig, inderdaad; uw lot boezemt mij een
+diep medelijden in."
+
+"Eilaas", zuchtte Robrecht, "zoo, door eenen enkelen slag mijne zuster
+en mijne bruid verliezen! alwat mij dierbaar was op aarde!"
+
+"Maar, vriend Sneloghe, wanhopen moogt gij toch niet", murmelde Ludgard.
+
+"O, mijn God!" kreet Robrecht, zich de hand aan het voorhoofd slaande,
+"niets, niets kunnen doen tot hunne verlossing! Dakerlia in de macht van
+Disdir Vos! Het hart verkrampt mij van schrik.... De snoode verrader is
+tot alles bekwaam. Neen, de lafaard zou niet terugwijken voor de
+gruwelijkste euveldaad.... En ik, ik weet het; ik zou mijnen laatsten
+druppel bloed willen storten om haar uit zijne klauwen te redden, en,
+ach, ik ben machteloos als een kind, ik kan niets, niets!"
+
+Bij deze woorden wrong hij de vuisten zoo geweldig, dat zijne vingeren
+hoorbaar kraakten; hij scheen inderdaad aan de diepste wanhoop
+overgeleverd.
+
+"Nu, Robrecht", sprak de kanunnik, "gij moogt uw ongeluk niet
+overdrijven; het is door zich zelf reeds groot genoeg. Waarom denkt gij
+dat Dakerlia Wulf en uwe zuster in de macht van Disdir Vos zich
+bevinden?"
+
+"Heeft hij ze niet uit hunne woning gerukt?"
+
+"Inderdaad, de heer proost heeft het mij gezegd; maar Disdir Vos is aan
+het hoofd van wapenknechten in sher Wulfs Steen gekomen. Hij handelde
+dus op bevel van mher Gervaas Van Praet. Acht gij dezen ridder bekwaam
+om vrouwen te laten mishandelen? Neen, niet waar? Gij kent hem genoeg om
+te weten dat hij het Disdir Vos evenmin zou toelaten? Mijne meening is
+dat de verrader Disdir Vos, om zich op u te wreken, Dakerlia en uwe
+zuster den veldheer heeft aangewezen als kunnende hem in zekere gevallen
+tot gijzelaressen verstrekken. Hij heeft de beide jonkvrouwen aan mher
+Gervaas overgeleverd, en nu zitten zij waarschijnlijk ergens gevangen.
+Misschien zijn zij buiten Brugge gevoerd, om u en uwe vrienden te
+beletten eenige poging tot hunne verlossing te beproeven."
+
+Robrecht had zich een oogenblik door deze troostende overwegingen laten
+verleiden. Nu echter schudde hij moedeloos het hoofd.
+
+"Ik hoop niets", zeide hij, "het ergste moet mij gebeuren."
+
+"Hoe? Ik begrijp u niet."
+
+"Het is de straf der gruwelijke misdaad. Zij begint met mij."
+
+"Maar wat schuld hebt gij aan den moord des graven, Robrecht?"
+
+"Ach, ik heb er den gansenen nacht wakende aan gedroomd", zuchtte mher
+Sneloghe. "Wat schuld, Ludgard? Is de moordenaar Burchard niet van het
+bloed der Erembalds, evenals ik? Is het daarom niet dat de proost, dat
+de kastelein en ik gedwongen zijn hem te verdedigen? De bloedplicht
+maakt ons verantwoordelijk voor zijne daden...."
+
+"Maar, Robrecht, God, die de hoogste rechtvaardigheid is, oordeelt zoo
+niet. Hij loont ieder volgens zijne werken. Binnen weinige dagen zal de
+nieuwe graaf met het Kerlenleger voor Brugge verschijnen. Hij zal uwe
+verloofde en uwe zuster tegen gevangene ridders uitwisselen.... Kom,
+mijn vriend, heb moed!"
+
+Een soort van spotgrijns trok Robrechts lippen te zamen.
+
+"Moed?" schertste hij. "De wanhoop is ook moed, en zij maakt mij bekwaam
+tot blinde onversaagdheid. Kome de vijand, hij bestorme den burg, ik
+weet wel wie met vurige begeerte den dood zal zoeken...."
+
+Na eene wijl stilte greep de kanunnik mher Sneloghe de hand en zeide:
+
+"Neen, Robrecht, weersta de sombere vertwijfeling. Hare voorname bron is
+de onzekerheid waarin gij u aangaande het lot uwer zuster en uwer
+verloofde bevindt; ik begrijp het wel."
+
+De jonge ridder knikte bevestigend.
+
+"Welnu, vertrouw dan op mijne hulp, om dit lot te kennen."
+
+"Op uwe hulp?" mompelde Robrecht verbaasd. "Hoopt gij den burg te kunnen
+verlaten?"
+
+"Luister, het is nog een geheim. Wij kunnen den proost, noch den Kerels
+hier van eenig nut zijn. Wij hebben brieven aan pijlen gehecht en deze
+langs verschillige zijden in de stad doen schieten. Op dezelfde wijze is
+ons reeds antwoord toegekomen. De abt van het klooster te Eeckhout zal
+zich tot den veldheer begeven, om voor ons oorlof te bekomen tot het
+verlaten van den burg met de reliquieen en gewijde vaten. Hij kan dit
+oorlof niet blijven weigeren. Zoohaast ik in de stad ben, zal ik naar de
+plaats vernemen waar jonkver Wulf en uwe zuster zich bevinden, en ik zal
+wel eenig middel uitvinden om er u van te berichten. Ik ken vele ridders
+en bezit invloed genoeg bij mher Gervaas om de arme jonkvrouwen tegen
+den verrader Disdir Vos te beschermen."
+
+Robrecht greep de beide handen van den kanunnik en drukte ze dankbaar.
+Hij glimlachte; het scheen dat deze weinige woorden hem hadden getroost
+en eenen helderen straal van hoop in zijn hart hadden geworpen.
+
+Nog gedurende eenigen tijd koutte hij meer opgeruimd met den kanunnik;
+dan ziende dat zijne mannen hunnen arbeid hadden voltooid, zeide hij dat
+hij op de wallen moest gaan om te zien of alles aan de zijde naar de
+Markt, met welker verdediging hij was belast, tot het afweren van eenen
+storm in gereedheid was.
+
+Hij dankte nog eens den kanunnik voor zijne troostende belofte, en
+beklom dan, door zijne mannen gevolgd, den hoogen vestingmuur.
+
+Nadat hij zijne bevelen had uitgedeeld, wandelde hij achter de kanteelen
+over en weder en schouwde over de Markt naar den vijand, die buiten het
+bereik der pijlen in en voor de huizen zich hield.
+
+Veel bedrijvigheid bemerkte hij niet tusschen hen; zij schenen te
+rusten, en waarschijnlijk zouden zij dien dag niets ondernemen.
+
+In dit vermoeden werd hij bevestigd door den kastelein Hacket, die hier
+bij hem kwam en zeide:
+
+"De vijand zal heden geenen aanval wagen, en misschien morgen evenmin."
+
+"Mij dunkt insgelijks dat zij ginder gansch ondadig zijn", antwoordde
+Robrecht; "maar, oom, hoe kunt gij hunne inzichten kennen?"
+
+"Ik weet het door eenen brief dien men in den burg geschoten heeft. De
+brief zegt dat de Isegrims niets zullen ondernemen voordat de Gentenaars
+met de groote stormtuigen aankomen?"
+
+"De Gentenaars?" herhaalde Robrecht, het hoofd ontevreden schuddende.
+"De poorters van Gent waren onze vrienden, en zij insgelijks haatten de
+Isegrims, die hunne reeds ingekorte vrijheden bedreigden. Eilaas, de
+moord van graaf Karel heeft hen nu vijanden der Kerels gemaakt!"
+
+"Toch niet; gij misgrijpt u. Geen enkel poorter zal tegen ons willen
+optrekken; maar de stormtuigen behooren tot den burg van Gent, en de
+kastelein dier stad heeft al de mannen der kroon tot zijne beschikking.
+Dezen zijn het die de stormtuigen zullen aanvoeren. Zij kunnen zich nog
+eenige dagen laten wachten; in dit geval beklaag ik hen: zij zullen hier
+het groote Kerlenleger vinden en al hun stormtuig verliezen."
+
+"Maar, oom, is het bericht dat gij hebt ontvangen geene list om onze
+waakzaamheid te doen verslappen?"
+
+"Neen; ik meen het schrift te herkennen. Het is van eenen verkleefden
+vriend der Kerels. Zie, de brief is onderteekend."
+
+Hij reikte zijnen neef een geopend stukje perkament. Deze bestaarde het
+eene wijl en mompelde:
+
+"Wat beduidt het beeld van eenen rooster, dat men onder de letter E
+heeft geteekend?"
+
+"Begrijpt gij het niet? Elfrid Rooster, den graankoopman die bij den
+Maalberg woont. Van op zijn dak kan hij in den burg schieten. Hij is
+poorter van Brugge, alhoewel een trouwe Kerel. Wij mogen geloof hechten
+aan zijn bericht. Nu ben ik voornemens de meeste mannen naar beneden te
+zenden om te gaan rusten...."
+
+"Zie, zie!" kreet Robrecht eensklaps, "wat geschiedt ginder, bij de
+St-Christoffelskapelle? Een groote toeloop van ridders en
+wapenknechten!"
+
+"Mij dunkt", murmelde de kastelein, "dat ik twee bazuinblazers bemerk."
+
+"Inderdaad, en eenen wapenbode. Zij zullen ongetwijfeld naar den burg
+komen, om ons eene boodschap te brengen."
+
+"Zij heffen eene witte baander in de hoogte, om ons het opschorsen der
+vijandelijkheden te vragen. Hijsch ten teeken van toestemming de
+vredevlag in de hoogte."
+
+Mher Sneloghe volvoerde dit bevel, keerde terug bij zijnen oom en
+schouwde weder over de Markt.
+
+"Wat mag dit beteekenen?" zeide hij. "Vijf of zes priesters achter den
+wapenbode! Misschien een antwoord van den bisschop op des proosts
+brieven? Nu is het wapenstilstand; wij hebben niets van den vijand te
+vreezen. Ik loop haastig mijnen oom, den proost, verwittigen."
+
+De tijding van de komst der priesters verspreidde zich onmiddellijk door
+den burg, en iedereen kwam buiten op het plein; zelfs de Kerels, die op
+de muren geene vaste wacht hadden, daalden naar beneden.
+
+Welhaast werd de poort geopend en de wapenbode met zijn gevolg
+binnengelaten.
+
+De proost en de kanunniken herkenden in dengene die de aanleider der
+priesters scheen, den abt van St-Pietersklooster, te Thourout. Zij
+stuurden hem hunne groetenissen toe, poogden het doel zijner komst te
+vernemen, en noodigden hem uit om in de proostdij te treden. Zij hadden
+eerst de vaste hoop gehad dat hij gezonden was om, in naam van den
+bisschop, de ontheiligde kerk te herwijden; maar zijne
+kwaadvoorspellende houding en zijn stilzwijgen boezemden hun nu eenige
+vrees in.
+
+De abt, zonder iemand te hebben geantwoord, bleef op het midden van het
+plein staan, en las met luider stemme eenen Latijnschen brief af,
+waarbij door Simon, bisschop van Noyon, al degenen die tot den moord van
+graaf Karel hadden geraden of geholpen, of de wapens hadden opgenomen om
+de moordenaars te verdedigen, in den ban der heilige Kerk geslagen
+werden en van de gemeenschap der Christenen afgezonderd.
+
+Onmiddellijk daarop verhief hij de stem nog meer, opdat elk hem mocht
+verstaan, en zeide in de Dietsche taal tot de omstaande menigte:
+
+"Het zij u kond dat de bisschop Simon, van Noyon, al degenen die zich in
+dezen burg ter verdediging der moordenaars van graaf Karel van
+Denemarken bevinden, alsook de plaats waar de gruwelijke misdaad werd
+gepleegd, met den kerkelijken banvloek slaat. Geene godsdienstige
+plechtigheden mogen hier nog geschieden, noch mis gelezen, noch biecht
+gehoord. Niemand heeft hier nog deel aan de verdiensten der heiligen of
+aan het gebed der Christenen; en wie er sneuvelt of sterft, is gedoemd
+tot het eeuwige vuur der helle[69]!"
+
+De vrouwen en poorters, die zich tegen hunnen wil in den burg bevonden,
+hieven de armen klagend in de hoogte of huilden van angst en
+vervaardheid, bij het schromelijk oordeel dat de abt over hen had
+uitgebliksemd.
+
+Op de Kerels deed deze afkondiging eenen min diepen indruk. Zij zagen er
+somber en verstoord uit en mompelden bittere woorden, doch luisterden
+met ontzag naar des bisschops vonnis, dat zij ontvingen als eenen harden
+slag, doch waaronder zij evenwel niet plooiden. De abt verklaarde dat
+hij van den veldheer oorlof had bekomen om de kanunniken en andere
+geestelijke lieden den burg te doen verlaten, de proost Bertulf alleen
+daarvan uitgezonderd. Hij eischte als een recht dat men de kanunniken al
+de gewijde vaten, kerksieraden en wat meer tot het uitoefenen van den
+godsdienst behoorde, liete medenemen.
+
+Toen de vrouwen en ongewapende poorters hoorden dat de geestelijken uit
+den burg mochten gaan, vielen zij geknield neder en kropen voor des abts
+voeten, zijne bescherming bij den veldheer afbiddende. Zij toch waren
+tegen hunnen wil en door verrassing op den burg gesloten geworden. Zij
+waren onschuldig aan alle kwaad. Men kon toch niet onrechtvaardig en
+wreed genoeg zijn om hen in den banvloek te begrijpen en hen de wettige
+wraak der ridders over te leveren, als hadden zij schuld aan den moord
+des graven. Hunne vrouwen, hunne ouders weenden over hun lot. Zij zouden
+hun leven lang den abt zegenen, indien hij bij den veldheer de
+verlossing van zoovele goede, maar ongelukkige Christenen wilde
+bewerken.
+
+De abt beloofde hun eene poging ten hunnen voordeele te beproeven; en
+toen hij van den proost en van de oversten der Kerels de verzekering had
+bekomen dat zij het wegdragen der gewijde zaken niet zouden beletten,
+verliet hij den burg met zijn gevolg.
+
+De kanunniken en de kloosterbroeders begonnen onmiddellijk de gewijde
+vaten, kruisen, kazuifels, kandelaars en al de kostbaarste kerksieraden
+van de autaars en uit de sakristijnen weg te nemen, en buiten den burg
+naar de St-Christoffelskapelle te dragen[70].
+
+Boven de Hofpoort en den muur van wederzijde had de kastelein Hacket een
+honderdtal Kerels gesteld, die daar met den boog geschouderd, tegen alle
+verrassing van buiten moesten waken.
+
+Op de Markt, voor den uitgang der Hofstraat, hielden zich eenige
+Brugsche ridders, gesteund door eene bende wapenknechten, dermate
+geschikt, dat al wie den burg verliet of er binnen wilde gaan, te midden
+door deze wacht moest stappen. Diensvolgens was het onmogelijk dat een
+enkele Kerel ontsnapte, aangezien de wakende ridders met al de Erembalds
+persoonlijk in betrekking waren geweest, en de Kerels aan hunne lange
+baarden en blauwe kleeding herkennelijk waren.
+
+Robrecht, die op het plein stond en het gaan en komen der priesters in
+gedachten gadesloeg, zag Ludgard met eene vracht autaarkleederen op de
+armen uit de kerk komen. De jonge ridder herinnerde den priester door
+een gebaar de belofte welke hij hem aangaande zijne zuster en zijne
+verloofde had gedaan, en Ludgard bevestigde hem door het knikken des
+hoofds, dat hij de aanvaarde zending met ijver en liefde zou vervullen.
+
+Eenigen der ongewapende poorters en vrouwen waren tusschen of achter de
+priesters buiten den burg geslopen; maar niet zoohaast hadden de ridders
+en de wapenknechten hen bemerkt, of men had pijlen op hen gemikt,
+zwaarden tegen hen opgeheven en hen onder schrikkelijke bedreigingen
+terug binnen den burg gejaagd.
+
+Intusschen deed de kastelein eenen der poorters, Jan Harinc genaamd, met
+hem geheimelijk in de proostdij treden. Hij raadde hem aan den burg te
+verlaten met de andere poorters, die ongetwijfeld, op verzoek van den
+abt en als waarlijk onschuldig, oorlof zouden bekomen om naar huis te
+gaan.
+
+In den eerste wilde Jan Harinc daarin niet toestemmen; hij had, zeide
+hij, de zijde der Kerels gekozen, en zou nu lief en leed met hen deelen,
+totdat de nieuwe graaf hen kwame verlossen. Maar toen de kastelein hem
+deed begrijpen dat hij buiten den burg hun grootere, ja, onschatbare
+diensten kon bewijzen, waarvoor men hem na den oorlog zeer mild zou
+beloonen, gaf hij eindelijk zijne toestemming.
+
+Hierop gelastte hem de kastelein, de verrichtingen des vijands
+geheimelijk te bewaken en zijne ontwerpen af te spieden. Hij moest de
+berichtingen, welke hij kon verzamelen, aan den graankoopman Elfrid
+Rooster overbrengen. Deze kon goed schrijven en, daar hij op den hoek
+van den Maalberg woonde, was het hem gemakkelijk, zonder door den vijand
+gezien te worden, pijlen met brieven tegen den hoogen muur van St-Donaas
+te schieten, en van deze pijlen kon geen enkele zijn doel missen of
+verloren gaan, dewijl zij onfeilbaar op het kerkhof moesten vallen.
+
+De Bruggeling legde zijne wapens af en begaf zich tusschen de groep met
+treurende poorters, die nog immer, bevend van angst, op den uitslag
+wachtten der poging welke de abt had beloofd ten hunnen voordeele bij
+den veldheer te beproeven.
+
+Er kwam geene tijding; de wanhoop greep de arme poorters aan; de
+vrouwen klaagden en kermden luid, als zagen zij reeds den dood voor
+hunne oogen spoken.
+
+Nog altijd gingen de priesters en kloosterbroeders, met kostbare
+voorwerpen beladen, uit en in den burg. De overvoering, die nu reeds een
+paar uren had geduurd, ging ten einde loopen; want reeds waren eenigen
+der dragers met ledige handen uit kerk en klooster gekomen.
+
+De vertwijfeling der onschuldige poorters vermeerderde bij de
+overtuiging dat de veldheer de bede des abts had verworpen; eenige
+vrouwen rukten zich de haren uit, anderen lieten zich huilende ten
+gronde vallen.
+
+Terwijl Robrecht verstrooid doch met medelijden het tooneel hunner
+verschriktheid aanschouwde, trad de kanunnik Ludgard, die nog niet eens
+was teruggekeerd, de Hof poort binnen en deed reeds van verre tot mher
+Sneloghe een teeken, dat hij hem zou volgen.
+
+Robrecht ging hem achterna tot op het midden van het plein.
+
+"Welnu, kanunnik, brengt gij mij eenige tijding?" vroeg hij met
+verdoofde stem, om niet door de over en weder gaande Kerels te worden
+gehoord.
+
+Ludgard knikte bevestigend.
+
+"Gij weet waar zij zijn?"
+
+"Ja; men heeft hen opgesloten; en men houdt hen gevangen in eene
+benedenkamer van sher Disdirs Steen, in de Moerstraat."
+
+"Hemel! zij zijn dus waarlijk in de macht van Disdir Vos!" kreet
+Robrecht.
+
+"Eilaas, ja!"
+
+"Heeft hij hen mishandeld?"
+
+"Ik weet het niet; zij weenen en kermen den ganschen dag."
+
+"Zij weenen en kermen? O, de booze lafaard!"
+
+"Misschien, Robrecht, heeft mher Vos hen evenwel niet mishandeld; hunne
+wanhoop schijnt eene andere oorzaak te hebben. Zij gelooven dat gij in
+het nachtgevecht gesneuveld zijt."
+
+"Ha, de verrader! Ik begrijp kanunnik: hij heeft Dakerlia mijnen dood
+aangekondigd, in de hoop dat hij haar dus zal kunnen overhalen om hem
+hare hand te schenken. Maar hij kent Dakerlia niet! Gij hebt haar
+gezegd, niet waar, dat ik leef en onverpoosd aan haar denk?"
+
+"Gij misgrijpt u, Robrecht", antwoordde de kanunnik op haastigen toon.
+"Ik heb uwe zuster noch jonkver Dakerlia gezien. Luister en onderbreek
+mij niet; het kon voor mij gevaarlijk worden, indien men bemerkte dat ik
+zoolang in geheime samenspraak met u blijf. Onmiddellijk nadat ik uit
+den burg was gegaan, hield ik mij bezig met het vervullen mijner
+belofte. Natuurlijk richtte ik mij naar sher Disdirs Steen. Daar woont
+eene oude meid, die mijn biechtkind is. Van haar vernam ik wat ik u heb
+gezegd. De jonkvrouwen kon ik niet naderen. Zij worden bewaakt door
+twintig wapenknechten, die allen toegang tot hen afgesloten houden....
+Nu, wat beduidt dit blij gejuich? Ha, de arme poorters mogen den burg
+verlaten!"
+
+Inderdaad, er was een wapenbode verschenen die vanwege den veldheer de
+toelating had gebracht om de poorters van Brugge uit den burg te laten
+gaan. Zijne afkondiging was onthaald geworden met vreugdekreten,
+dankzeggingen en gejubel. Hadde hij niet het bevel medegedeeld dat de
+poorters en hunne vrouwen slechts stil en met tragen stap over de brug
+mochten gaan, zij zouden waarlijk door de Hoogpoort zingend en juichend
+op de Markt gestroomd zijn.
+
+Nu verlieten zij den burg bij kleine groepen en stapten langzaam
+tusschen de wapenknechten en ridders door, die hen wel nauwkeurig
+bekeken, doch niemand terugdreven.
+
+De bode verklaarde in naam van mher Gervaas Van Praet, dat de
+wapenstilstand ging ophouden en voortaan elkeen, wie hij ook waren, die
+den burg poogde te verlaten, zou worden gedood of gehalsrecht, als
+medeplichtig aan den moord des graven.
+
+"Ik moet u in allerhaast verlaten, Robrecht", zeide de kanunnik, hem
+bedektelijk de hand drukkende. "Blijf welgemoed; ik zal zooveel mogelijk
+over jonkver Dakerlia en over uwe zuster waken...."
+
+"Heb dank om uwe edelmoedige vriendschap, kanunnik; mijne droeve ziel
+overlaadt u met zegeningen; mijn gansch leven blijf ik u dankbaar."
+
+Ludgaard verwijderde zich met den wapenbode.
+
+Achter hen werd de Hofpoort gesloten en de stormegge nedergelaten.
+
+Robrecht legde zich de hand aan het voorhoofd en bleef lang te midden
+van het plein staan, zoo diep in gedachten verslonden en zoo beweegloos
+dat hij, voor degenen die hem zagen, het voorkomen had van een steenen
+beeld.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 69: De bisschop Simon sloeg met het zwaard des bans de
+heiligschenners en verraders, verbood alle geloovigen hen te helpen, en
+bliksemde den kerkelijken banvloek uit over al degenen die hen tot het
+plegen hunner misdaad hadden geholpen.
+
+GALB., p. 279.]
+
+[Voetnoot 70: GALBERTUS, p. 302.]
+
+
+
+
+XVIII
+
+
+Het was avond. De oude Bertulf zat in eene kamer der proostdij voor eene
+tafel waarop vele gouden muntstukken, eenige kostbare juweelen en zelfs
+eene vorstenkroon lagen geschikt. In groote verslondenheid vergeleek de
+proost deze voorwerpen met de aanteekeningen eener lijst, welke hij uit
+een ijzeren koffertje had genomen; en hij schreef den uitslag van zijn
+onderzoek op een blad perkament.
+
+Ongetwijfeld was de proost bezig met den schat des graven, welke hem
+door den jongen Frumold was overgeleverd, na te zien en zijne waarde te
+berekenen, opdat noch graaf Willem, noch wie het ook ware, de Kerels zou
+kunnen betichten daarvan het minste gedeelte te hebben achtergehouden of
+vervreemd.
+
+Sedert lang stoorde een ver gerucht hem in zijne berekening, en hij hief
+dikwijls luisterende het hoofd op. Hij meende verwarde stemmen te hooren
+galmen, een geraas doormengd met luidere klanken, als ware er tusschen
+de Kerels der bezetting een twist opgerezen.
+
+Telkens had hij echter zijn onderzoek hernomen en voortgezet. Nu was het
+gerucht geheel vergaan; de proost laadde het geld en de juweelen in den
+koffer en greep eenen gesloten zak, om den inhoud er van op de tafel uit
+te storten, toen Hacket, zijn broeder, morrende en zichtbaar spijtig in
+de kamer trad.
+
+"Welnu, kastelein", vroeg Bertulf, "wat geschied daarbuiten? Ik zou
+hebben gaan denken dat de Isegrims den burg hadden aangevallen...."
+
+"Aan een erger gevaar zijn wij ontsnapt, broeder", antwoordde Hacket.
+
+"Inderdaad, gij ziet er gansch ontsteld uit. Welk gevaar?"
+
+"Gij weet, Bertulf, dat onze neef Robrecht het ontwerp heeft opgevat om
+eenen nachtelijken uitval te wagen, in de hoop dat hij zijne zuster en
+jonkvrouw Dakerlia uit des vijands macht zou kunnen verlossen."
+
+"Ja, ja, kastelein, het is een gevaarlijk spel; maar vermits wij er
+hebben in toegestemd, is er niet meer op terug te komen. Robrecht mag
+niemand dwingen; slechts mannen van goeden wil mag hij tot zijne
+vermetele poging medenemen. Heeft hij misschien deze voorwaarde
+miskend?"
+
+"Neen, dit is het niet. Wij hebben ongelijk gehad Burchard niet over
+dien gevaarlijken uitval te raadplegen. Robrecht heeft zijn voornemen
+insgelijks voor Burchard verborgen gehouden; en, toen deze laatste aan
+de beweging der Ravenschootsche Kerels bemerkte dat er iets ophanden
+was, en dan ook Robrechts inzicht vernam, is hij begonnen den uitval als
+eene zinneloosheid te laken. Robrecht heeft zijn ontwerp verdedigd;
+Burchard is woedend geworden en heeft gescholden, omdat men het behoud
+van den burg wil op bet spel zetten ten gunste van twee vrouwen. Door
+Robrechts trotsche tegenwerpingen aangehitst, heeft hij gespot en zich
+kwetsende scherts over jonkver Wulf veroorloofd. Robrecht heeft hem dan
+beschuldigd door den moord des graven de Kerels te hebben verraden en de
+vrijheid des vaderlands aan zijnen persoonlijken haat tegen Karel van
+Denemarken te hebben geslachtofferd. Van woord tot woord is de twist zoo
+hevig geworden, dat onze beide neven hun zwaard hebben getrokken en
+elkander tot een gevecht om leven of dood uitdaagden. Zij waren gereed
+om waarlijk den gruwelijken broederstrijd te beginnen. Ik sprong vooruit
+en sloot Burchard in mijne armen; Eggard Van IJzendijke wederhield
+Robrecht. Onderwijl bedreigden de Houtkerels de mannen van Ravenschoot
+en ik zag met doodelijken angst het oogenblik naderen, dat onze Kerels
+elkander onderling zouden hebben vermoord. Dit gevaar zelf bracht onze
+neven tot inkeer, en deed hen naar den raad en de gebeden hunner
+vrienden luisteren. Het dreigend tooneel is geeindigd door eene
+overeenkomst. Zoohaast de burg ontzet is, zullen onze neven in
+tweegevecht gaan, totdat een hunner in het strijdperk sterve...."
+
+"Onmogelijk, kastelein, zulke broedermoord!" riep de oude Bertulf.
+
+"Spreek er niet meer van en wees niet bekommerd. Wij hebben tijd en
+zullen pogingen aanwenden om onze neven van hun gruwelijk opzet te doen
+afzien. Ik beloof u dat hun twist geene erge gevolgen zal hebben."
+
+"Zal Robrecht evenwel den uitval wagen?"
+
+"Zeker; hij is nu bezig met de mannen op te zoeken en te verzamelen, die
+hem tot zijne gevaarvolle onderneming willen helpen. Eggard Van
+IJzendijk en Yorg Koevoet zullen hem vergezellen."
+
+"En Burchard?"
+
+"Die is bulderend naar boven op den wal geloopen, roepende dat hij zich
+met niets meer bemoeit."
+
+De proost schudde verdrietig het hoofd, overwoog eene wijl en zeide dan:
+
+"Hacket, ik verzoek u, ga, boodschap Robrecht dat ik hem aanstonds wil
+spreken. Mij zal hij aanhooren. Uit liefde, uit eerbied tot mij zal hij
+zijnen wrok tegen Burchard afleggen of ten minste verborgen houden.
+Misschien is er nog middel om Robrecht den vermetelen uitval te doen
+verzaken, en zoo den woesten Burchard te bevredigen. Ga, broeder, zeg
+onzen neef dat ik hem hier verwacht."
+
+Hacket verliet de kamer en stapte door de duisternis naar den overkant
+van het plein, waar, tegen het Gyselhuis, een dof gerucht van verwarde
+stemmen ruischte.
+
+Hij vond Robrecht sprekende met zijnen vriend Yorg Koevoet, en deelde
+hem het dringend verzoek van den proost mede.
+
+De jonge ridder antwoordde hem met ontevredenheid:
+
+"Ja, ik weet wat mijn oom mij zal zeggen. Ik moet bedaard zijn en de
+berispingen van eenen Burchard met geduld onderstaan. Mijne lijdzaamheid
+is ten einde; geen woord, geen enkel woord verdraag ik nog van hem. Hij
+is de moordenaar van ons vaderland; ik veracht hem en zal mij wreken,
+bloedig wreken over den minsten hoon dien hij mij nog zou durven
+toebrengen!"
+
+"Weigert gij dan aan het vriendelijk verzoek van den proost te voldoen?"
+
+"Neen, oom, ik zal tot hem gaan.... Gij, mijne goede vrienden, Yorg en
+Eggard, bereidt alles zooveel mogelijk; vergadert onze mannen en
+onderricht elk van hetgeen hij te doen heeft. Gij kent mijne inzichten.
+Gelooft niet dat ik mijn ontwerp kan laten varen. Indien uwe hulp mij
+niet ontbreekt, zal de uitval gewaagd worden, wat mijn oom de proost ook
+zegge."
+
+Onder het uitspreken dezer woorden verwijderde hij zich met den
+kastelein door de duisternis....
+
+Dienzelfden avond en bijna op hetzelfde uur, zaten Dakerlia en Witta
+nevens elkander in eene kamer van sher Disdirs Steen.
+
+Hunne oogen waren rood van weenen; de lange treurnis moest hunne
+krachten uitgeput hebben, want zij zaten daar met hangend hoofd,
+beweegloos en zwijgend.
+
+Slechts van tijd tot tijd scheen eene siddering de leden van Dakerlia te
+doorloopen, wanneer de galmen van grove of dreigende stemmen meer
+duidelijk haar oor troffen, doch zij liet even ras weder het hoofd
+nederzakken, onder het slaken van eenen angstigen zucht.
+
+Nevens deze kamer, in een ander vertrek, bevonden zich de wapenlieden,
+die hier gesteld waren om de gevangene jonkvrouwen te bewaken. Dien dag
+moesten onder hen vele Fransche krijgsknechten zich bevinden; want
+Dakerlia hoorde de schetterende galmen der Walsche taal onophoudend
+klinken. Misschien waren deze lieden door het gebruiken van drank
+aangehitst. Zij spraken veel en lachten soms luidruchtig.
+
+Getroffen door het gerucht van zware stappen in den gang, riep Dakerlia
+bevende:
+
+"Witta, o Witta, daar is hij!"
+
+Zij bleven beiden angstig naar de deur kijken, totdat het gerucht in de
+wachtkamer verging, en zij den intredende door zijne gezellen hoorden
+verwelkomen met den roep:
+
+"Vive Dieu, voici Raoul!"
+
+"Maar, Dakerlia", zeide Witta na eene wijl, "waarom toont gij u zoo
+bitter en zoo onverbiddelijk hard voor mher Vos? Hij heeft ons toch
+gered, niet waar, en zijne eer en zijn leven voor ons gewaagd? Nu nog
+verdedigt hij ons dagelijks tegen de Isegrims, die ons in een somberen
+kerker willen gevangen zetten."
+
+
+[Illustratie: ... zullen onze neven in tweegevecht gaan....]
+
+
+"Het is mij onmogelijk, vriendinne", antwoordde Dakerlia treurig; "ik
+zou hem dankbaarheid willen betoonen, maar mijn hart mistrouwt zijne
+oprechtheid, en mijne ziel haat en verfoeit hem tegen mijnen wil."
+
+"Ja, ik begrijp, Dakerlia; maar nu mijn arme broeder wel zeker dood
+is...."
+
+Zij borst in tranen los en begon luide te snikken.
+
+Alhoewel Dakerlia bij de woorden van Witta door diepe smart werd
+aangedaan, meende zij evenwel hare arme vriendin te troosten; maar nu
+hief zij, eensklaps getroffen, het hoofd op en overspande hare
+gehoorkracht, om de klanken op te vatten van een gesprek dat in de
+wachtzaal met ongewone drift werd gehouden.
+
+Wat vertelde toch de Fransche wapenknecht? Wat zeide hij van de _Porte
+de Ste-Catherine_ en van _le chevalier de Vos_?
+
+Verstond Dakerlia het gedeeltelijk of vermoedde zij slechts dat de
+praatzieke wapenknecht ook voor haar belangrijke dingen ging openbaren?
+
+"Stil, stil!" murmelde zij met haast aan Witta's oor. "Blijf, laat mij
+luisteren!"
+
+En met loozen stap tot het ander einde der kamer gaande, legde gij het
+hoofd tegen het paneel der deur. Wat zij hoorde moest haar zeer
+verrassen en ontroeren; want de uitdrukking haars gelaats veranderde
+veelmalen. Nu verkrampten hare lippen van verachting of van haat, dan
+glinsterden hare oogen van verwondering, dan weder glimlachte zij bitter
+of deed met de handen een gebaar van gramschap.
+
+Na eene lange wijl eindigde daarbuiten het gesprek met eenen schaterlach
+en met het klinken der bekers.
+
+Dakerlia keerde terug nevens Witta en zeide met ontstelde stemme:
+
+"IJselijk! Wat monster! Hoe kan God zulken valschaard onder zijnen hemel
+dulden! Waarom verbliksemt Hij de venijnige slange niet?"
+
+"Wat is het? Wat hebt gij gehoord?" vroeg Witta, verschrikt door de
+fonkelende oogen harer vriendin.
+
+"Wat ik heb gehoord, Witta? Het is een gruwel. Daar sprak een
+wapenknecht; hij beroemde zich, bij de inneming van Brugge een van de
+eersten binnen de Kathelijnepoort te zijn gedrongen; en, om zijne
+gezellen te overtuigen, dat hij er inderdaad tegenwoordig was, legde hij
+uit hoe de zaak was toegegaan. Weet gij wie onze stad aan de Isegrims
+heeft verkocht? wie, als een godverlaten moedermoorder, de vijanden
+binnen Brugge heeft geleid? Wie? Disdir Vos!--O, het wangedrocht! Hij is
+de schuld van den dood onzer arme Kerels, de schuld van Robrechts dood.
+Hij kome, hij hoone mij nog door zijne laffe liefdewoorden!"
+
+Zij sprong in vervoering recht en, terwijl zij met de oogen rondom de
+kamer iets scheen te zoeken, ging zij voort:
+
+"Ik, zwakke vrouw, ik voel mij bekwaam om het vaderland op den snooden
+verrader te wreken! Ik ben eene Kerlinne; de haat maakt mij sterk....
+Maar geen wapen, geen wapen! De booswicht heeft alles weggenomen; hij
+vreest! Ha, hij kent mij. Mijn vader dood, mijn bruidegom dood, wat
+geldt mij nog het leven!..."
+
+Door de zenuwontsteltenis uitgeput, liet zij zich nevens Witta op den
+zetel zakken en bleef hijgend allerlei onduidelijke bedreigingen tegen
+Disdir Vos mompelen.
+
+Witta greep haar de hand en zeide bevende:
+
+"O, Dakerlia, ik smeek u, bedaar. Gij doet mij bezwijken van schrik.
+Mher Vos gaat komen waarschijnlijk. Indien gij hem zijne schandelijke
+daad verwijt en hem bedreigt, zal hij ons aan de Isegrims overleveren.
+Wij zullen zonder bescherming aan de wacht der grove wapenknechten
+overgeleverd worden. Mijn God, mijn God, dan worden wij de slachtoffers
+hunner woeste baldadigheid! Dakerlia, vreest gij dit ijselijk lot niet?
+Ach, het is honderdmaal schromelijker dan de marteldood! Ik bid u, ik
+bezweer u, Dakerlia, bij de liefde die mijn zalige broeder u toedroeg,
+bij uwe vriendschap voor mij, word kalm, bedwing uwe rechtvaardigen haat
+voor den verrader.... Ho, de hemel bescherme ons, daar komt hij!"
+
+Inderdaad, de deur werd geopend en Disdir Vos, met den helm op het hoofd
+en het harnas aan de leden, trad in de kamer.
+
+De beide jonkvrouwen, bij zijne komst met schrik geslagen, kropen
+dichter bijeen; Witta verborg haar aangezicht met de handen; Dakerlia
+hield eenen blik vol misprijzen op Disdir Vos gericht.
+
+"Gij ziet het, jonkvrouwen", zeide Disdir, "ik kom gansch uitgerust tot
+u. Daareven verlaat ik den veldheer, om u eene haastige, eene droeve
+tijding te brengen. De raad der ridders is vergaderd geweest om over uw
+lot te beslissen. Gij weet het, ik heb het u reeds gezegd, dat al onze
+broeders, die levend in de handen der Isegrims vallen, als verdacht van
+medeplichtigheid aan des graven moord, zonder genade ter dood worden
+veroordeeld. Dezen morgen nog heeft men er wel twintig op het Zand
+gemarteld en aan stukken gehakt. De krijgsraad heeft, eilaas, nu
+insgelijks uitspraak over uw lot gedaan. Als zuster en als verloofde van
+eenen Erembald, van eenen Kerel, die, volgens hunne meening, tot den
+moord van graaf Karel heeft medegeholpen, zijt gij beiden veroordeeld om
+door den beul onthoofd te worden...."
+
+Hij zweeg en speurde na welken indruk deze schrikkelijke tijding op de
+beide jonkvrouwen zou uitoefenen.
+
+Een scherpe angstkreet ontsnapte de bevende Witta. Jonkver Wulf
+aanschouwde hem integendeel met eenen tergenden twijfellach op de
+lippen.
+
+"Er is slechts een middel voor u om uw leven nog te redden", hernam
+Disdir Vos. "Dat Dakerlia mijne hand aanvaarde, en de veldheer schenkt u
+beiden genade. Anders wordt gij morgen, voor den middag, naar het Zand
+gesleurd en zal uw hoofd, ten aanzien der menigte, van het bloedige
+kapblok rollen. Nu, Dakerlia, wilt gij niets doen voor uw eigen behoud,
+heb toch deernis met uwe arme vriendin. Red haar van den ijselijken
+marteldood door eene kleine opoffering. Zoolang Robrecht Sneloghe
+leefde, kon ik uwe weigering begrijpen. Nu hij in het graf is gedaald,
+ziet wel zeker zijne ziel uit den hemel op u neder, wachtende op uwe
+beslissing. Zult gij wreed en onmenschelijk genoeg zijn om zijne zuster,
+om u zelven eenen schandelijken dood toe te wijden? Gij antwoordt niets,
+in uwe oogen fonkelt de spot, zinnelooze? Gelooft gij mij dan niet?"
+
+Door haar hardnekkig stilzwijgen en door hare misprijzende uitdrukking
+verbolgen, stapte Disdir dreigend tot haar, en meende haar bij den arm
+te grijpen; maar zij sprong recht, stiet hem met kracht achteruit en
+riep:
+
+"U gelooven? Uit den mond van hem die de valschheid zelf is vloeit niets
+dan logen. Weg van mij, raak mij niet; uwe handen besmetten! Uwe bruid?
+Ik? Zeidet gij de waarheid, dan zou mijne hand de prijs van uw verraad
+worden? Dakerlia Wulf zou haar leven slijten in de armen van het
+wangedrocht dat onze stad Brugge aan de Isegrims heeft overgeleverd?
+Neen, sterven, liever honderdmaal sterven. Achteruit, verrader, niets in
+mijn hart voor u dan afkeer, misprijzen en haat!"
+
+"Hemel, wat beteekenen uwe woorden?" gromde Disdir Vos, als verpletterd
+door de openbaring der vertoornde maagd. "Gij spreekt van verraad? Gij
+zegt dat ik den vijand onze stad Brugge heb overgeleverd?"
+
+"Ja, veins, huichel de onschuld", schertste Dakerlia, "ik weet alles!
+Ha, gij zijt in den nacht tot mher Gervaas gegaan, gij hebt hem de stad
+verkocht, en waarschijnlijk was mijne hand in den prijs der misdaad
+begrepen. Zoo, zoo, gij dwaze snoodaard, gij meendet dat ik den moord
+der Kerels, dat ik den dood van Robrecht u zou betalen! Ga, roep de
+beulen; ik zal sterven met eene vermaledijding tegen u op den mond. Tot
+in het graf zal ik hem haten, den laffen verkooper van Kerlingaland!"
+
+Disdir scheen te beven onder den indruk van Dakerlia's ontzagwekkende
+houding en vurige woorden. Hij was eenige stappen in de kamer
+teruggeweken en bulderde daar onverstaanbare bedreigingen.
+
+Eindelijk, als hadde hij een opperst besluit genomen, zeide hij:
+
+"Ha, het is zoo? Gij laat mij niet de minste hoop, zelfs niet in eene
+verwijderde toekomst? Gij worstelt en vecht tegen mij, en gij vindt
+vermaak in mij uit te dagen? Roekelooze, gij zult mij kennen! Ik keer
+terug naar den veldheer; ik lever u over aan uw lot; bereid u tot den
+dood; de zon van morgen zal uwe beider lijken beschijnen!"
+
+Onder het slaken van eenen noodkreet, liet Witta zich geknield ten
+gronde vallen, kroop tot voor Disdir Vos, hief hare handen smeekend tot
+hem op en riep om genade.
+
+Het scheen dat Disdir niet gewillig alle hoop, om Dakerlia nog te
+overwinnen, verzaakte; want hij hief Witta met eene hand op, en zeide
+haar:
+
+"Arme jonkvrouw, hoe ontstelt u de vrees des doods! Ik heb deernis met u
+en zou u willen redden. Beproef of gij uwe vriendin betere gedachten
+kunt inboezemen. Ik gun u twee uren, nog twee uren tijds zal ik van den
+veldheer afbidden. Dan keer ik terug. Weigert Dakerlia mijne hand, dan
+wordt haar noodlottig "neen" u beider een onherroepelijk doodvonnis.
+Kiest geluk en rijkdom of schavot en graf."
+
+Hij stapte haastig ter zaal uit en sloeg de deur geweldig toe.
+
+Witta voegde de handen te zamen en riep tusschen overvloedige tranen:
+
+"O, Dakerlia, heb medelijden met mij! Sterven, sterven, op het schavot,
+zoo jong! Ik ben vervaard, ik bezwijk van schrik. Wees niet zoo wreed!
+Zie mijne tranen aan, geef mher Disdir een goed woord!"
+
+"Ik laffelijk terugwijken voor den dood, die mij moet verlossen?" riep
+Dakerlia met opgewondenheid. "Ik de bruid worden van dengene, die door
+zijn snood verraad uwen armen broeder heeft vermoord; ik vriendschap
+bewijzen aan den verkooper van mijn land? Nimmer, nimmer! Kome de dood;
+hij zal mij opvoeren bij mijnen vader, bij mijnen bruidegom, in den
+schoot van God!"
+
+Overtuigd dat hare smeekingen niets op hare vriendin zouden vermogen,
+erkennende misschien wat er wangedrochtelijks zou zijn in een huwelijk
+tusschen Dakerlia en den vijand van Robrecht, sloeg Witta, met eene
+grievende klacht, de armen om den hals der sterkmoedige maagd, en legde
+dan snikkende het hoofd tegen hare borst....
+
+ * * * * *
+
+Terwijl dit tooneel tusschen Disdir Vos en de beide ongelukkige
+jonkvrouwen plaats greep, was Robrecht Sneloghe bij zijnen oom, den
+proost, die vele moeite inspande om hem van den ontworpen uitval te doen
+afzien. Maar de jonge ridder weerstond zijne vermaningen en gebeden, en
+verliet hem eindelijk met de woorden:
+
+"Bid intusschen voor mij, oom lief. God is vergramd op ons; maar dat Hij
+nog eens, eene enkele maal nog, mij Zijne bescherming gunne! Ach, hoe
+zou ik Hem zegenen tot aan het graf, indien Hij mij de genade gunde, u
+te mogen toeroepen: "Zege, zege, verlost is mijne arme zuster, verlost
+is Dakerlia!"
+
+Hij haastte zich over het plein. Zijn vriend Eggard Van IJsendijke zeide
+hem:
+
+"Alles is gereed; wij wachten uw bevel."
+
+"Weet ieder wat hij te doen heeft?"
+
+"Ja; Yorg Koevoet zal de voorhoede houden. Degenen die u niet mogen
+verlaten en, in geval wij gelukken, uwe zuster en jonkvrouw Dakerlia
+moeten beschutten, staan in het midden. Met de anderen zal ik u volgen
+en, waar eenig gevaar u dreigt, zal ik stand houden en den vijand werk
+geven, om uwe vlucht te beschermen."
+
+"En de mannen met den beukram?"
+
+"Zij hebben hem reeds op de schouders."
+
+"Het is wel Eggard, beveel de stilte. Eens buiten de poort zullen wij
+weinig acht op de pijlen slaan, vooruitloopen, immer vooruit over den
+Maalberg en door de Wapenmakersstraat. Men volge mij zonder gerucht!"
+
+De gansche bende, misschien wel honderd man sterk, bewoog zich door de
+duisternis en stapte tot achter de Hoogpoort, die zeer langzaam en
+zachtjes werd geopend.
+
+Robrecht, die al de anderen vooraf was, gaf met verdoofde stem het sein
+tot het vertrek.
+
+Eerst slopen de Kerels, gebukt en met looze stappen, over de brug; maar
+nu werden zij door de schildwachten des vijands bemerkt, en van vier of
+vijf kanten tegelijk werden hun pijlen toegestuurd, terwijl de verraste
+wapenknechten de lucht onder hunne noodkreten deden hergalmen.
+
+"Vooruit, vooruit, loopt, loopt!" riep Robrecht.
+
+De Kerels, zijn bevel gehoorzamende, smeten eenige vijanden overhoop,
+die hun den weg wilden versperren, en stormden dan over den Maalberg de
+Wapenmakersstraat in.
+
+Zonder nog eenen ernstigen tegenstand te ontmoeten, geraakten zij voor
+den Steen van Disdir Vos; en dewijl men weigerde hun de poort te openen,
+begonnen zij onmiddellijk met den ram zoo geweldig er tegen te beuken,
+dat het was alsof de gansche stad er van dreunde.
+
+Het was geen gemakkelijk werk; de poort weerstond de herhaalde slagen en
+bleef onwrikbaar, als hadde men ze van achter met eenen aarden wal
+bedijkt.
+
+Welke schrik, welk lijden verscheurden Robrechts hart! Hoe stond hem,
+bij die vergeefsche krachtinspanningen, het angstzweet op het
+aangezicht! Zijne poging zou mislukken; het bloed zijner moedige
+gezellen zou nutteloos vergoten worden. Zijne arme zuster, zijne
+ongelukkige verloofde zouden in de macht van den snooden verrader
+blijven. Ja, want de noodhoorns hergalmden op de Markt. Reeds waren vele
+vijanden op het gedonder der ramslagen komen toegeloopen; Eggard en Yorg
+waren in eenen drukken strijd gewikkeld; pijlen snorden door de straat,
+en reeds waren eenige Kerels met verbrijzelden schedel of met doorboorde
+borst nedergevallen.
+
+Robrecht stelde zelf zich aan den ram en vuurde de kracht der beukers
+aan door koortsige uitroepingen; hij beloofde hun zelfs eene
+aanzienlijke belooning indien zij de poort ten gronde konden werpen.
+
+Een zegevierende kreet, een gehuil van blijdschap ontsnapte hun: het
+slot der poort was gesprongen, en hare beide deuren waren wagenwijd
+opengevlogen.
+
+Door zijne mannen gevolgd, stormde Robrecht in den Steen. Op den voorhof
+stieten zij wel op de twintig wapenknechten, aan wie de wacht was
+toevertrouwd, maar Robrecht, door de woeste slingeringen van zijn
+zwaard, smeet er twee of drie omverre en liep, zonder nog om te zien,
+naar het achtergebouw, waar hij in eene verlichte kamer de schaduw van
+Disdir Vos meende te zien wemelen.
+
+Hij beukte met eenen ontzaglijken druk van zijnen schouder de deur open
+en hief zijn zwaard in de hoogte, om zijnen bloedvijand het hoofd te
+klooven; maar een dubbele noodkreet klonk hem tegen, en hij zag zijne
+verloofde en zijne zuster, die in eenen hoek der kamer elkander angstig
+hielden omarmd.
+
+"O, Witta, Dakerlia", riep hij, "staat op, volgt mij, ik kom u redden!"
+
+"Dank, o hemel, hij leeft, mijn broeder leeft! Robrecht, Robrecht!"
+galmden de jonkvrouwen, hem met zinnelooze blijdschap aan den hals
+vliegende. "Gij leeft, Disdir heeft ons bedrogen? Welk geluk!"
+
+"Geen woord, geen woord!" beval de jonge ridder met vurige haast, "Komt,
+komt!"
+
+En dewijl zij, door blijdschap te diep ontroerd, hem niet schenen te
+begrijpen, sloeg hij zijne armen hun om het lichaam en dreef ze met
+geweld naar buiten.
+
+"Hier, hier, mijne mannen! Beschut, beschermt de vrouwen!" riep hij.
+
+Zijn bevel werd gehoord en volvoerd. Een dertigtal Kerels omringden hem,
+terwijl de anderen, door Eggard Van IJsendijke en Yorg Koevoet
+aangevoerd, langs beide zijden in de straat zich verdedigden tegen eenen
+dikken drom vijanden.
+
+"Nu vooruit, vooruit naar den burg!" gebood Robrecht met eene stem die
+door den toon der uiterste blijdschap was versterkt en begeesterd.
+
+De Kerels drongen strijdend voorwaarts en poogden zich met hunne
+zwaarden ter redding der jonkvrouwen eenen vrijen weg door de
+toeloopende vijanden te banen. Zij vonden een hardnekkigen tegenstand en
+vorderden, bij het verliezen van velen hunner gezellen, slechts
+langzaam. Weder begon Robrechts hart zich met doodelijken angst te
+vervullen. Zou hij nu met zijne dappere Kerels bezwijken op het
+oogenblik zelf dat hij God had gedankt om Zijnen bijstand? Zouden zijne
+zuster en zijne verloofde terugvallen in de macht van Disdir Vos? Hoorde
+hij niet in de verte op de Markt een gebruis als van eenen nakenden
+orkaan? Gingen duizenden vijanden hem bespringen?
+
+Tot dan had hij zonder strijden over zijne zuster en Dakerlia van nabij
+gewaakt; maar deze pijnlijke gedachten ontrukten hem eenen schreeuw van
+wanhoop. Hij hief zijn zwaard in de hoogte, sprong vooruit aan het hoofd
+zijner mannen en ontvlamde hunnen moed en hunne krachten door zijn
+voorbeeld en door zijn vurig woord.
+
+De vijanden werden teruggedreven, omvergeworpen en verstrooid.
+
+De Kerels, zonder dat nog iets hunne vaart kon stuiten, liepen over den
+Maalberg en in den burg, waarvan de poort, bij hunne komst geopend,
+onmiddellijk weder werd gesloten.
+
+De lucht hergalmde eenigen tijd van zegevierend gejuich en van
+schaterend gejubel.
+
+Robrecht zelf hief de handen ten hemel en zegende God over het
+welgelukken zijner vermetele poging. Hij sprong beurtelings Yorg Koevoet
+en Eggard Van IJsendijke aan den hals, drukte in de duisternis de handen
+zijner moedige gezellen, dankte hen met uitgelaten blijdschap en riep,
+dat hij hen allen mildelijk zou beloonen.
+
+Dan greep hij zijne zuster en zijne verloofde bij de armen en trok hen
+naar de proostdij.
+
+"Komt, komt, bij mijne ooms!" zeide hij, "ach, hoe gelukkig zullen zij
+zijn, u behouden weder te zien!"
+
+Hij wierp de deur eener zaal open; Witta viel juichend den proost aan
+den hals, en Robrecht riep met geestdrift uit:
+
+"God heeft mij beschermd. Verlost is mijne goede zuster, verlost is onze
+lieve Dakerlia"
+
+
+
+
+XIX
+
+
+Eenige dagen na hunne verlossing, in den vroegen morgen, zaten Dakerlia
+en Witta in eene benedenzaal van des kasteleins Steen, waar Hacket hen
+had geherbergd, terwijl Robrecht integendeel binnen de proostdij zijn
+verblijf had.
+
+Eggard Van IJsendijke, de jonge en dappere vriend van mher Sneloghe,
+hield de jonkvrouwen gezelschap en koutte vroolijk met hen. Hij wendde
+zich bij voorkeur tot Witta, die een groot vermaak in zijne samenspraak
+scheen te vinden en niet naliet bij elke gelegenheid hem te loven en te
+danken voor de krachtdadige hulp welke hij tot hunne redding had
+geleend. Ja, zij getuigde dikwijls dat zijne edelmoedige opoffering en
+zijne onversaagdheid alleen het welgelukken dezer vermetele onderneming
+hadden mogelijk gemaakt.
+
+Nu antwoordde Eggard op eene bemerking van Dakerlia:
+
+"Ja, jonkver Wulf, het is zoo, men heeft gisteren nog op bet kerkhof van
+St-Donaas eenen pijl gevonden met eenen brief waarin men ons, namens den
+graaf Willem Van Loo, tot standvastigheid aanmoedigt en ons laat weten
+dat het Kerlenleger welhaast naar Brugge zal komen om ons te verlossen.
+Onze graaf Willem Van Loo zal zeker wat tijds behoeven om zijne
+heirkracht in te richten; hij is een ervaren en voorzichtig krijgsman,
+die niets onzekers wil wagen. Men handelt niet met een talrijk leger als
+met eene geringe bende. Gij ziet wel dat de Gentenaars, die door de
+Isegrims sedert acht dagen worden verwacht, nog niet verschenen zijn."
+
+"En zoohaast de Gentenaars aankomen, zal men den burg bestormen?" vroeg
+Robrechts zuster met eenen zucht.
+
+"Ongetwijfeld, jonkver Sneloghe."
+
+"Ach, en dan zal mijn broeder en dan zult gij, mher Eggard, alweder
+moeten strijden!"
+
+"Tenzij het Kerlenleger eerder dan de Gentenaars binnen Brugge trede. In
+alle geval, jonkvrouwen, weest niet bekommerd: de burg is sterk, en de
+Isegrims zullen er niet in geraken voor de komst van ons leger, al
+moesten wij zelfs weken lang op ontzet wachten."
+
+"En indien er nog een verrader tusschen u zich bevond?" bemerkte
+Dakerlia.
+
+"Neen, zulke wangedrochten zijn zeldzaam. In den burg tellen wij slechts
+trouwe en beproefde gezellen."
+
+Er trad eene hoogstaltige vrouw met helgekleurd aangezicht en mannelijke
+trekken in de kamer. Het was eene der twee Kerlinnen, die toegestemd
+hadden om de jonkvrouwen als _gezellinnen_ behulpzaam te zijn. Zoo ten
+minste kenmerkten zij zelven den last dien zij hadden aanvaard; want de
+woorden _dienen_ en _dienstmeid_ wilde men onder de vrije Kerels niet
+kennen.
+
+Zij legde een wit ammelaken op de tafel en schikte er eenige borden en
+drinkschalen op.
+
+"Jonkvrouwen, het ontbijt is gereed", zeide zij. "Gelieft het u dat ik
+het opbrenge?"
+
+"Ja, Elswinde", antwoordde Witta, "maar wees zoo goed mijnen broeder
+door iemand te doen roepen. Hij is waarschijnlijk in de proostdij."
+
+"Hij wandelt op den wal, boven de Hoogpoort", bemerkte Elswinde, "ik heb
+hem daar straks van verre gezien."
+
+Zij stapte ter zaal uit en keerde eene wijl daarna met eene andere vrouw
+terug. Beiden droegen spijzen aan en gingen voort met de tafel tot het
+ontbijt te schikken.
+
+Mher Sneloghe kwam binnen, drukte Dakerlia met teederheid de handen en
+omhelsde zijne zuster, onder het murmelen van eenen blijden morgengroet.
+Nadat hij insgelijks zijnen vriend Eggard de hand had gedrukt, zette
+hij zich bij de tafel nevens Dakerlia. Allen bogen het hoofd en
+murmelden een dankgebed.
+
+Op de tafel stonden kannen met warme melk en eene kom met gortebrij.
+
+Onder het nuttigen dezer lichte morgenspijzen, zeide Robrecht tot zijnen
+vriend:
+
+"Wij hebben vanwege den graankoopman Elfrid Rooster en van anderen nog,
+brieven ontvangen nopens zekere verrassende tijdingen, die gisteren in
+de stad zijn aangekomen. De koning van Frankrijk heeft boden aan mher
+Gervaas Van Praet en aan de schepenen van Brugge gezonden, om hun te
+gebieden, zonder uitstel tot het kiezen van eenen nieuwen graaf over te
+gaan. De stad Gent heeft insgelijks zulk bevel ontvangen."
+
+"Wat beteekent dit?" riep Eggard spottend. "Meent de koning van
+Frankrijk nu dat hij zich met de zaken van Vlaanderen te bemoeien
+heeft?"
+
+"Het is in den beklaaglijken moord des graven dat hij ongetwijfeld
+beweert dit recht te putten", antwoordde mher Sneloghe. "Gij weet dat
+hij zich als wraakeischer van graaf Karel aanstelt. Hij was zijn neef;
+de bloedplicht gebied hem zijne moordenaars te vervolgen."
+
+"Maar de schepenen en de poorters van Brugge zullen wel zeker weigeren
+tot zulke keus over te gaan, op bevel of op verzoek van eenen vreemden
+vorst?"
+
+"Neen, Eggard, daarin bedriegt gij u. Binnen drie dagen zullen de
+poorters op het Zand vergaderen, om eenen nieuwen graaf te kiezen."
+
+"Ik begrijp het wel", bemerkte Dakerlia, "de schepenen en poorters
+zullen voor Willem Van Loo stemmen; en zoo zal de koning van Frankrijk
+in zijne verwachting teleurgesteld worden."
+
+"Hopen wij het!" zeide Robrecht. "Er is evenwel, denk ik, eene groote
+verdeeldheid over deze zaak onder de poorters. De moord des graven heeft
+ons meer dan de helft der Bruggelingen vijandig gemaakt. Anderen zullen
+misschien in de keus een middel zoeken, om eenen langen en verdelgenden
+oorlog te voorkomen. Er zijn reeds drie vorsten die afgezanten naar
+Brugge hebben gezonden om zich aan de keus der ridders en der poorters
+voor te stellen. De eene is Diederik van den Elzas, de tweede is de
+graaf van Henegouwen en de derde is zoon der gravin van Holland, die
+allen afstammen van onze vorige graven en beweren recht te hebben tot
+het erven der kroon van Vlaanderen."
+
+"De eenige die kans heeft op het bekomen van een zeker getal stemmen is
+Diederik van den Elzas", bemerkte Eggard. "Hij staat bekend als een
+dapper en vrijheidlievend vorst. Indien hij gekozen werd, zou daaruit
+wel eene erge verwikkeling voor onze zaak kunnen ontstaan."
+
+"Toch niet, Eggard. Deze keus is geheel onverschillig voor ons. Wat er
+ook geschiede, Willem Van Loo moet zijne kroon door veldslagen en
+zegepralen winnen. Ongelukkiglijk heeft Burchard door zijne vloekbare
+misdaad de eensgezindheid, welke tusschen de poorters en de Kerels
+bestond, geheel vernietigd. Anders ware de zaak reeds beslist en
+afgedaan. Gansch Vlaanderen hadde Willem Van Loo als graaf toegejuicht.
+Hoe deze worsteling nu voor hem zal eindigen, dit weet God alleen!"
+
+Terwijl hij deze laatste woorden uitsprak, trad Yorg Koevoet in de
+kamer.
+
+Na de jonkvrouwen minzaam te hebben gegroet, zeide hij:
+
+"Vrienden, komt toch kijken. De Gentenaars zijn aangekomen. Van boven
+den wal kan men ze zien voorbijtrekken. Zij zijn zeer talrijk. Het spel
+gaat nu eens voor goed beginnen!"
+
+Robrecht en Eggard stonden op om Yorg naar buiten te volgen. Door
+nieuwsgierigheid aangedreven, betuigden de jonkvrouwen den wensch om
+mede op den wal te gaan; maar Eggard en Robrecht deden hun begrijpen dat
+de vijand nu en dan met pijlen schoot en het immer gevaarlijk was achter
+de kanteelen te wandelen.
+
+Zij lieten zich raden en bleven in de kamer, de ridders tot
+voorzichtigheid aanmanende.
+
+Robrecht wilde den wal aan den linkerkant der Hofpoort beklimmen; maar
+Yorg Koevoet hield hem terug en zeide:
+
+"Neen, niet langs dezen kant; daar staat Burchard. Ontwijken wij den
+norschen woestaard. Nu ongeveer een half uur geleden, heb ik nog eenen
+hevigen twist met hem gehad."
+
+"Zoo? Waarover?"
+
+"Hij was alweder bezig met u te beschuldigen, Robrecht, omdat gij
+volgens hem bij den nachtelijken uitval meer dan dertig dappere gezellen
+hebt opgeofferd tot eene poging die voor der Kerlen verdediging geen het
+minste belang had."
+
+Robrecht liet een gemor van gramschap hooren en deed eenen stap om tot
+Burchard op te klimmen; maar Yorg Koevoet greep hem den arm en zeide
+lachend:
+
+"Kom, kom, mher Sneloghe, stoor u niet in de spijtige woorden van
+Burchard. Laat hem over aan zijn lot. Hij wordt nu meestal door onze
+gezellen gevlucht, en dwaalt grommend en met sombere blikken rondom de
+wallen. De boete der misdaad begint reeds voor hem."
+
+"Gij hebt gelijk, mijn vriend", sprak Robrecht, het hoofd schuddende.
+"Ik moet de belofte vervullen welke ik mijnen ooms heb gedaan. Het kost
+mij veel.... Kom, wij zullen nevens de proostdij op den muur gaan."
+
+Toen zij boven achter de kanteelen stonden, hielden zij met verwondering
+de oogen op de voorbijtrekkende scharen hunner nieuwe vijanden gericht.
+
+De Gentenaars, om eene breede baan te vinden, waren van de Gentpoort
+naar de Steenstraat afgedaald, en hunne eerste benden trokken nu langs
+de oostelijke zijde der Markt, voorbij de St-Christoffelskapelle, de
+St-Jacobsstraat in, om plaats te maken voor degenen die moesten volgen.
+
+Aan hun hoofd reden: Segher, kastelein van Gent, hun bevelvoerder, Ivan
+Van Aalst, Daniel van Dendermonde, Balder Van Deinze, Walter Van Lillers
+en nog eenige andere Vlaamsche ridders.
+
+Gedurende langen tijd zag men slechts kruisboogschutters, speerdragers
+en knotsvoerders voorbijtrekken; maar dan verschenen eindelijk de
+beruchte stormgewerken van den burg van Gent.
+
+Wel zestig wagens en zware voertuigen van alle slag volgden elkander op,
+en schikten zich in twee rijen langs de huizen der Markt.
+
+Alhoewel vele stormgestellen uiteen op de wagens lagen, kon men toch de
+meeste nog herkennen. Vooraan reden de Springhalen, die bij elke
+ontspanning veertig of vijftig groote pijlen over de muren der
+belegerde sterkte schoten; dan de Blijden, waarmede men groote steenen
+en rotsblokken den vijand toezond; dan stormtorens met valbruggen, om op
+de wallen der burgen over te loopen; dan een honderdtal Schildpadden of
+groote beukelaars, van sterke wissen gevlochten en overdekt met
+ossenleder; verder vele wagens met ladders van alle grootte: de eenen
+reusachtig van gestalte en zestig voet lang, de anderen licht en door
+weinige mannen draagbaar. Eindelijk volgden nog een aantal wagens,
+geladen met balken, haken, mokers, bijlen, hefboomen, spaden, koorden,
+katrollen en wat meer nog tot beleg eener sterke stad of burg kon
+behoeven.
+
+Deze nieuwe heirkracht kon wel tweeduizend man sterk zijn. Of onder hen
+wel vele Gentsche poorters zich bevonden, dit was zeer te betwijfelen;
+want het grootste gedeelte droeg vuile, gescheurde kleederen van
+vreemden vorm, en geleek aan eenen zwerm landloopers of bedelaars.
+Eveneens kon men benden herkennen, samengesteld uit mannen die men
+tusschen de oud-Friesche bevolking van het Waasland had aangeworven en
+bijeengeraapt[71].
+
+Het was te denken dat de Gentsche poorters, die wel wisten dat de Kerels
+de algemeene volkszaak van Vlaanderen tegen de dwingende heerschzucht
+der leenheeren verdedigden, geweigerd hadden tegen hen op te trekken. De
+kastelein van Gent beschikte over de stormtuigen en over al de mannen,
+die tot leenen der kroon behoorden. Waarschijnlijk had hij ook door
+groote beloften een zeker getal poorters overgehaald om hem naar Brugge
+te volgen.
+
+Hoe het zij, al deze mannen schenen door eenen hevigen strijdlust
+bezield; want zij deden de Markt onder hunne zegekreten hergalmen,
+terwijl zij tusschen het bulderen der grofste vermaledijdingen hunne
+vuisten of hunne zwaarden dreigende naar den burg uitstaken.
+
+Uit hun verward gejuich was te verstaan dat zij den burg opgevuld
+meenden met onschatbare rijkdommen, aldaar door de Kerels verzameld; ja,
+sommigen beweerden dat er kelders waren op welker vloer men de marken
+zilvers met de spade kon opscheppen. Zeker, het was veel meer de
+hebzucht en de begeerte naar deze schatten dan de haat tegen de Kerels
+die hunnen moed ontvlamden en hen naar den strijd deden snakken.
+
+Zoohaast zijne mannen eenigszins op de Markt geschikt waren, trad de
+kastelein van Gent met eenigen der ridders, zijne gezellen, in een huis
+omtrent de St-Christoffelskapelle, dat men hem aangeduid had als het
+verblijf van mher Gervaas Van Praet.
+
+Na den veldheer de hand te hebben gedrukt en eene vriendelijke groetenis
+met hem te hebben gewisseld, zeide hij:
+
+"Wij zijn wat lang achterwege gebleven, niet waar, veldheer? De banen
+zijn slecht, en wij vorderden moeielijk met de zware stormtuigen. Heden
+hebben wij zelfs weinig meer dan een uur gaans afgelegd. Onze paarden
+hebben het lastig genoeg gehad; maar mijne mannen zijn frisch en licht,
+als stonden zij eerst van hun nachtleger op. Zij hijgen naar den strijd,
+en willen oogenblikkelijk alles tot eenen beslissenden stormloop
+bereiden."
+
+"Hoeveel tijds is daartoe noodig?" vroeg de veldheer.
+
+"Drie of vier uren. Korts na den middag kunnen wij vaardig zijn."
+
+"Welnu, mijne ridders en wapenknechten betreuren reeds vele dagen de
+werkeloosheid waartoe zij zich veroordeeld zagen. Doe alles bereiden,
+kastelein. Wij zullen den burg met gansch onze macht en van alle zijden
+te gelijk aangrijpen. Heden zullen de moordenaars des graven levend of
+dood in onze handen vallen. Ik zal met u uitgaan om te beramen waar men
+best de Springhalen en Blijden kan stellen."
+
+"Ik moet u iets zeggen, veldheer", bemerkte Segher, de kastelein, "opdat
+er geen misverstaan tusschen ons rijze. Wij, ridders, die al deze benden
+van woeste doch onversaagde lieden met groote haast moesten
+bijeenbrengen, hebben hun beloofd dat de burg en wat hij bevat, hun ter
+plundering zal worden overgelaten. Het is welbegrepen, niet waar, dat
+niemand de plundering zal pogen te beletten?"
+
+Deze vraag scheen den veldheer en bovenal den ridders van zijn
+gezelschap zeer te mishagen. Mher Gervaas schudde denkend het hoofd.
+
+
+[Illustratie: ... klommen zij inderdaad op de ladders....]
+
+
+"Maar, heeren", riep de kastelein ontevreden, "de mannen die ons gevolgd
+hebben, zijn meerendeels zelf geene Vlamingen. Wij moesten hun toch
+eenig lokkend voordeel beloven. Wilt gij de plundering niet toestaan,
+het is uwe zaak; zij zal evenwel geschieden; want ik geloof niet dat gij
+machtig genoeg zoudt zijn om ze te beletten."
+
+"Welnu, dat uwe mannen in den burg vrij plunderen!" zeide mher Gervaas,
+"op voorwaarde dat gij, heer kastelein, hen de poorters van Brugge en
+hunne eigendommen doet eerbiedigen."
+
+Een ridder gromde verstoord:
+
+"Maar, veldheer, indien men dus allen buit den Gentenaren toekent, wat
+zal er dan voor ons en onze wapenknechten overblijven?"
+
+"Onze wapenknechten, indien zij met de Gentenaars in den burg dringen,
+zullen recht tot plunderen hebben, evenals zij. Wat ons betreft, wij
+zullen in de verdeeling van der Kerlen groote landeigendommen eene
+toereikende belooning vinden.... Kom nu, kastelein, en verhaasten wij
+zooveel mogelijk den arbeid uwer mannen."
+
+Toen zij op de Markt kwamen, deelden zij, na eene korte beraadslaging,
+hunne bevelen uit. Eenige wagens zouden naar den Maalberg en naar de
+Hoogstraat gevoerd worden; andere naar de Vischmarkt, om zoo den burg
+van alle kanten met stormtuigen te omringen, en den Kerels, aangezien
+hun klein getal, de verdediging onmogelijk te maken.
+
+Niet lang daarna hoorde men, op de Markt en achter den burg, tusschen
+het aanhitsend geroep der arbeiders, den fellen slag der hamers en het
+snerpe geknars der schroeven, en zag men allengs de reusachtige
+stormgewerken eenen herkennelijken vorm bekomen en hier en daar zich in
+de hoogte verheffen. Ladders en schildpadden werden van de wagens
+genomen en in verschillende richtingen rondom den burg gedragen.
+
+In de aanpalende straten schikten de oversten hunne ridders en
+wapenknechten in gelederen, gereed om vooruit te stormen en den wal te
+beklimmen, zoohaast de Gentsche benden de ladders zouden hebben gerecht.
+
+Men kon wel van verre bespeuren dat de Kerels binnen den burg, bij het
+gezicht dezer ontzaglijke toebereidsels, niet ondadig bleven en als een
+zwerm boven de muren over en weder krielden, met steenen en balken
+sleurden, en overal achter de kanteelen lange speren en ijzeren haken en
+klauwers aanbrachten, om den vijand van de ladders te smijten en den
+storm af te slaan.
+
+De zwarte rook, die op vele plaatsen boven den wal steeg, getuigde dat
+het vuur onder de ketels met pek en olie reeds was ontstoken. Dat de
+tegenstand hevig zou zijn, dit kon men daaruit besluiten dat zelfs een
+tiental vrouwen zich achter de kanteelen vertoonden en daar, evenals de
+mannen, druk aan het dragen van steenen arbeidden.
+
+Kort na den middag was alles tot den aanval gereed.
+
+Dan, op een bevel van den veldheer, dat door het geschal der bazuinen
+werd herhaald, begonnen de Springhalen en Blijden van alle kanten
+honderden groote pijlen en zware steenen over den muur in den burg te
+werpen. Daarbij drongen nu insgelijks gansche scharen kruisboogschutters
+vooruit, zoodat na weinig tijds, de lucht op de Markt en over den burg
+door eene wolk pijlen, schichten en rotsbonken scheen verduisterd.
+
+Al de Kerels waren van de wallen verdwenen of hielden zich achter de
+kanteelen nauw verborgen. Inderdaad, geen enkel mensch kon boven den
+muur van den burg van buiten zichtbaar worden of hij werd onmiddellijk
+door een werptuig getroffen.
+
+Deze geweldige beschieting werd meer dan een uur zonder verpoozing
+voortgezet; en dewijl door haar het den Kerels onmogelijk was gemaakt
+zich te verdedigen, konden de aanvoerders der ladders deze nader bij den
+burg brengen en alles zonder beletsel tot den stormloop gereedmaken.
+
+Eindelijk gaven de bazuinen een sein tot het staken der beschieting.
+
+Van alle kanten, onder het aanheffen van een donderend krijgsgeroep,
+werden de ladders gerecht en stormden ridders en wapenknechten vooruit
+om den wal te beklimmen.
+
+De eerste aanval zou echter door Gentsche benden gewaagd worden. Bedekt
+en beschut door de schildpadden of beukelaars, klommen zij inderdaad op
+de ladders. Uit het gansche leger steeg een weergalmende zegekreet in de
+hoogte; want niemand twijfelde, of de burg, aldus aan de vier zijden te
+gelijk besprongen, zou bij dezen eersten storm bezwijken.
+
+Hoe vonden zij zich echter in hunne verwachting bedrogen! De Kerels
+hadden nu geene pijlen van buiten meer te vreezen; want de vijand kon
+niet schieten zonder zijne eigene mannen te treffen, terwijl integendeel
+de bezetting van den burg nu vrij hare pijlen en schichten in zulken
+dikken drom ongeharnaste menschen kon zenden, dat elk schot onfeilbaar
+een slachtoffer moest nedervellen. Ook schenen de Kerels zich boven den
+muur te vermenigvuldigen; alhoewel slechts gering in getal, krielden
+zij op de weinige plaatsen welke de vijand rechtstreeks kon aanvallen.
+
+De eenen trokken met de lange haken de ladders omverre, anderen rukten
+de aanvallers met de krauwels in de vesten, velen goten kokend pek, olie
+of vlammend vuur op den vijand, de meesten schoten met pijlen. Waar het
+echter eenigen ridders of wapenknechten gelukte boven den wal te
+geraken, daar hieven zich even ras twintig zwaarden in de hoogte om hen
+te verpletteren.
+
+Na een half uur dezer koortsige bestorming, lagen er reeds vele
+honderden lijken of gekwetsten in de vesten of op de bruggen, en elk
+oogenblik zag men er bij hoopen van de ladders nedertuimelen.
+
+De Gentenaars huilden van woede en wraakzucht, en vernieuwden telkens
+den aanval met verdubbelde kracht; de ridders, die niet minder
+onversaagdheid dan deze dorpers en landloopers zouden hebben willen
+toonen, sprongen met even blinden moed tegen de ladders op, doch werden
+telkens afgeslagen of boven den wal aan stukken gehakt.
+
+De zijde van den burg, die naar de Hofbrug en de Markt uitzag, was voor
+de aanvallers de gevaarlijkste plaats. Daar stonden de tien of twaalf
+Kerlinnen, die niet ophielden eenen vloed kokende olie op den vijand te
+gieten. Ook lagen daar op de Hofbrug, tusschen halfverkoolde lijken,
+vele ridders en wapenknechten met verbrande leden te spartelen en akelig
+te kermen om deernis en om hulp.
+
+Den ganschen namiddag duurde de schrikkelijke bestorming voort, nu voor
+eene wijl opgeschorst, dan weder met nieuw geweld hernomen, nogmaals
+onderbroken, om nieuwe werktuigen aan te voeren, doch nimmer opgegeven.
+
+De grachten van den burg schenen opgevuld met bloed; hun water, bijna
+geheel overdekt met lijken, was donkerrood geworden.
+
+Er kwam een oogenblik dat ook de onversaagdsten de onmogelijkheid om op
+zulke wijze den burg in te nemen, erkenden; en alhoewel zij van spijt
+schier razend waren, gaven zij gehoor aan het bazuingeschal, dat hen uit
+de bestorming riep, en weken terug op de Markt tot buiten het bereik der
+pijlen.
+
+De aanval scheen opgegeven, want geen enkel Isegrim was aan den voet
+der vesting gebleven, en de ladders, meest aan brand gestoken door het
+vlammend pik, stonden daar gansch verlaten.
+
+Van op de muren zonden de Kerels zulke machtige zegeschreeuwen, zulk
+donderend triomfgejubel in de hoogte, dat de galmen er van als een
+rollende donder over de gansche stad herklonken.
+
+De veldheer Gervaas Van Praet en zijne ridders waren van gevoelen dat
+men voor dien dag de bestorming hoefde te staken; maar de Gentenaars,
+beschaamd over hunne vruchtelooze poging of verwoed over het verlies van
+den hun beloofden buit, wilden van geen terugwijken hooren. Volgens hen
+moest men den houten toren, die in de Hoogstraat stond, tot bij den wal
+van den burg voeren en dan, terwijl men nog eenen algemeenen aanval zou
+wagen, langs de valbrug van den toren op de muren springen. De Kerels
+waren vermoeid en hadden insgelijks vele mannen verloren. Aan deze
+uiterste bestorming zouden zij niet kunnen weerstaan.
+
+De ridders stemden in dezen laatsten aanval toe, en de veldheer begaf
+zich met de dappersten zijner gezellen naar de Hoogstraat, om bij de
+aanvoering van den toren en de beklimming van den muur langs dien kant
+tegenwoordig te zijn.
+
+Na een half uur verpoozing, gedurende welken tijd de benden opnieuw tot
+den aanval werden ingericht en alles ten beste geschikt, gaf mher
+Gervaas Van Praet, door het herhaald geschal der bazuinen, het sein tot
+den algemeenen stormloop.
+
+Terwijl langs alle kanten de ladders weder werden gerecht en de
+aanvallers met evenveel woede doch even vruchteloos den muur poogden te
+beklimmen, hadden honderden mannen zich in de Hoogstraat aan den
+stormtoren gespannen of stieten met hunne schouders er tegen, om hem op
+zijne rollen vooruit te stuwen.
+
+De Kerels, die wel bemerkten wat de vijand voornemens was te beproeven,
+waren intusschen niet werkeloos gebleven. Boven de Hoogpoort en er
+nevens hadden zij velerlei brandstof vergaderd; en aan den rook, die
+daar ter plaatse opsteeg, en aan de Kerlinnen, aan de struische, moedige
+vrouwen, die met lange ijzeren lepels daar gereedstonden, konden de
+Isegrims wel bespeuren met welke vreeselijke wapens men hier hen zou
+onthalen.
+
+De toren werd zoo dicht bij den burg gevoerd, dat men de valbrug op den
+muur zou kunnen laten zakken.
+
+Honderden Gentenaars en tevens eenige ridders liepen binnen in den
+toren en beklommen de trappen, maar vooraleer zij de bovenste gaanderij
+konden bereiken, hadden de Kerels het logge houten gevaarte zoodanig met
+vlammend pik, harst en olie, met brandend stroo en met bundels vlas
+overdekt, dat het was alsof een vloeibaar vuur langs zijne wanden
+nederstroomde.
+
+Door hunnen strijdlust en hunne drift aangevuurd, poogden de Gentenaars
+evenwel naar boven te klimmen; zij gelukten er zelfs in de valbrug neder
+te laten en vochten waarlijk eene wijl met de Kerels op de muren; maar
+welhaast had het brandend pik het vuur in den toren gestoken, en nu rees
+onmiddellijk de vlam tot boven zijne gaanderij.
+
+De Gentenaars die op den muur geraakt waren konden nu geene hulp meer
+bekomen en werden neergehakt; de anderen verstikten of verbrandden meest
+allen binnen den toren.
+
+Dit was de laatste poging welke de vijand tegen den burg zou wagen.
+Overal afgeslagen en door het verlies van wel duizend man verzwakt, gaf
+hij de bestorming eindelijk beslissend op[72].
+
+Al de benden werden teruggeroepen tot buiten het bereik der pijlen, die
+de onvermoeibare Kerels niet ophielden uit den burg te schieten, terwijl
+zij de lucht met hun herhaald jubelgeschreeuw en met de galmen van hun
+krijgslied vervulden. Tot aan de andere zijde der Markt klonk duidelijk
+hun tergend lied, dat zij met de klanken der hoorns en met het slaan
+hunner zwaarden op de schilden begeleidden:
+
+ Gi, rudders, dwingers, maect u van cant,
+ Hier syn de Kerels van Vlanderlant!
+ Gi, Isegrms, hoedt u voor den Blauwvoet,
+ Of gi selt voelen wat sine clau doet.
+ Onze vorderen waren vri,
+ En vri so bliven wi,
+ So lanc een hert, dat lafheid haet,
+ In eenen Kerlenboesem slaet!
+
+ Doedele, bommele, romdomdom,
+ Houd u recht en sie niet om!
+
+Zoolang had de bestorming geduurd, dat kort na den aftocht der
+aanvallers het daglicht zichtbaar begon te verzwakken.
+
+Mher Gervaas Van Praet zond eenen wapenbode naar den burg om den Kerels
+eene opschorsing der vijandelijkheden tot morgen bij zonsopgang te
+verzoeken, ten einde men de gekwetsten mocht opnemen en de dooden
+begraven.
+
+Deze vraag werd ingewilligd, en de Kerels staken boven de Hofpoort de
+witte vredevlag uit.
+
+Binnen den burg had men insgelijks een zeker getal dooden en gekwetsten.
+De eersten begroef men op het kleine kerkhof nevens St-Donaas; de
+anderen verzorgde men in het klooster.
+
+De avond was reeds gevallen, toen men de dooden ter aarde besteld en
+alles op de wallen tot de afwering van eenen nieuwen stormloop had in
+gereedheid gebracht.
+
+Hacket, de kastelein, stelde eenige geringe wachten boven de muren, en
+gaf den overigen mannen oorlof te gaan rusten in de kloostergebouwen en
+in de Love, waar men groote vuren had ontstoken, aangezien er een koude
+gure wind was ontstaan.
+
+Dewijl het nu wapenstilstand was tot den volgenden morgen, konden de
+mannen die de wacht niet hadden eenige rust na de vermoeienis van den
+druk doorgestreden dag genieten.
+
+In den eerste hadden de Kerels, rondom de vuren gezeten, hunne
+schitterende zegepraal geroemd of den dood van velen hunner gezellen
+door eenige woorden van treurnis beklaagd; maar welhaast deed de warmte
+hen onder eene onweerstaanbare sluimerigheid bezwijken, en zij legden
+zich langs de wanden der kamers gansch gekleed te slapen.
+
+Alles werd doodstil op den burg.
+
+Zelfs de schildwachten boven de wallen wankelden in hunnen stap of
+zwijmelden, met gesloten oogen, achter de kanteelen voort.
+
+Zij waren toch zoo moede van eenen ganschen dag hevig strijden; al hunne
+gewrichten deden hun zeer, en de afgematheid beroofde hen schier van
+gevoel en besef. Daarbuiten, op de Markt en in de straten rondom den
+burg, was het even stil. Men zou gemeend hebben dat in gansch Brugge
+geen enkel mensch meer waakte. Zeker, de Isegrims, na een zoo
+schrikkelijk verlies, konden dien nacht niets tegen den burg meer
+ondernemen. Daarenboven, het was wapenstilstand tot het rijzen der zon.
+
+Door dergelijke overwegingen gansch gerustgesteld, sloten de
+schildwachten allengs de oogen en vielen in slaap achter de kanteelen,
+of daalden van den muur om zich bij de vuren te gaan warmen.
+
+Toen het uur van middernacht naderde, was een groot gedeelte van den wal
+door de schildwachten verlaten.
+
+In de kamer van des kasteleins Steen zat Robrecht in eenen leunstoel;
+hij had het hoofd achterover tegen den rug van den zetel laten vallen en
+sliep met hoorbare hijgingen.
+
+Tegen den wand der kamer, op een bed, lag Eggard Van IJsendijke
+uitgestrekt. De arme ridder had in de bestorming eene ijselijke wonde
+ontvangen; zijn hoofd was schier geheel bedekt met bebloede doeken, en
+men zou hem dood gemeend hebben, indien niet de zwoeging zijner borst en
+bijwijlen de krampachtige beweging zijner lippen hadden komen getuigen
+dat hij nog leefde.
+
+Dakerlia en Witta zaten nevens hem, met verkropt hart en tranende oogen
+zijn lijden afspiedende. Robrechts zuster scheen bovenal bedrukt en
+wanhopig. Zij hield eene hand van den gekwetste, en wanneer hij door de
+krampachtige trekking zijner leden eenen aanval van hevige smart
+verried, murmelde zij woorden van troost en medelijden aan zijn oor of
+verfrischte zijne dorre lippen met eenige druppels water.
+
+Er kwam een oogenblik, dat de ongelukkige Eggard, door de hersenpijn
+aangejaagd, schrikkelijk begon te woelen en den naam van Robrecht als
+eene bede tot hulp en lafenis uitsprak.
+
+Witta, verschrikt en vreezende dat Eggards laatste stond was verschenen,
+wekte haren broeder.
+
+Mher Sneloghe rekte zich de leden, ging nog gansch verdwaasd van den
+loomen slaap tot zijnen vriend en beschouwde hem eene wijl.
+
+"Arme Eggard!" zuchtte hij, o wat moet hij lijden! Waarom roept gij mij,
+zuster?"
+
+"Ach, ik beef er nog van," antwoordde Witta. "Hij scheen te willen
+sterven in eene schromelijke kramp en murmelde uwen naam, als wenschte
+hij u een laatst vaarwel toe. God zij er om gezegend, nu is het weder
+voorbij!"
+
+"Gij weet wel, Dakerlia, wat de heelmeester heeft bevolen", zeide
+Robrecht berispend. "Men mag omtrent den zieke niet spreken, en buiten
+het bevochtigen zijner lippen, moet men beweegloos en stil hem bewaken.
+Doe mijne zuster bedaard blijven. Hier is ons medelijden, hier is onze
+hulp machteloos. God alleen beschikt over het leven van onzen armen
+vriend. Bidden is alwat gij voor hem kunt doen. Morgen zal hij misschien
+beter zijn. Wie kan het weten? Wellicht zal hij nog genezen. Hopen wij
+het...."
+
+Onder het mompelen dezer laatste woorden was hij tot zijnen zetel
+wedergekeerd. Nog eene wijl bleef hij van daar met de uitdrukking der
+diepste droefheid op den gekwetste staren; doch allengs zakte het hoofd
+hem op den schouder, en hij sloot de oogen. Weinig tijds daarna kwam de
+zwoegende hijging zijner borst getuigen dat hij opnieuw in eenen diepen
+slaap was weggezonken....
+
+Had Robrecht, hadden de Kerels binnen den burg geweten wat daarbuiten in
+de stad geschiedde, zij zouden zeker zich niet zoo ongekommerd
+overgeleverd hebben aan het genot der rust.
+
+Terwijl alles sliep, waren eenigen der stoutste Gentenaars op de
+gedachte gekomen, in het midden van den nacht nog eene poging tot het
+innemen van den burg te beproeven. Zij zouden met twee of drie der
+lichtste ladders geheimelijk en zonder hunne nadering door het minste
+gerucht te verraden, naar den wal kruipen en den muur nevens de Hofpoort
+beklimmen. Waren daar, volgens hun vermoeden, de schildwachten afwezig
+of ingeslapen, dan zouden zij zich boven den muur stilhouden, totdat een
+zeker getal hunner gezellen hen kon vervoegen. Eens sterk genoeg, zouden
+zij van den wal dalen en bij middel van door hen medegebrachte
+werktuigen de Hofpoort openen, om het overige hunner mannen een vrijen
+doorgang te bieden.
+
+Gelukte die list, zooals zij haar hadden berekend, dan viel de burg nog
+voor den morgen in hunne macht en werden de slapende Kerels verrast en
+verplet.
+
+Toen men den veldheer Gervaas Van Praet van dit ontwerp kennis gaf,
+keurde hij het af en wilde de Gentenaars beletten dus verraderlijk den
+aanvaarden wapenstilstand te breken; doch de ridders zelven laakten
+zijne teergevoelige eerlijkheid jegens moordenaars die in den ban der
+kerk lagen.
+
+En daar hij nog wederstand bood, verklaarden hem de oversten der
+Gentenaars, dat zij en hunne mannen alleen den slag zouden wagen, de
+veldheer mocht hun voornemen goedkeuren of niet.
+
+Mher Gervaas, om de verdeeldheid niet in het leger te brengen, gaf met
+onwil en spijt zijne toestemming, doch zou niet zelf deelnemen aan deze
+poging.
+
+Onmiddellijk hadden de Gentenaars in stilte begonnen hunne toebereidsels
+te maken. Een uur na middernacht slopen ongeveer honderd man, tusschen
+hen uitgekozen als de behendigsten en stoutsten, met slechts twee der
+lichtste ladders door de duisternis over de Hofbrug.
+
+Dewijl boven den muur geene schildwachten meer tegenwoordig waren, werd
+hunne nadering niet opgemerkt....
+
+Het was op dit oogenblik dat Robrecht Sneloghe voor de tweede maal in
+zijnen zetel door den slaap was overwonnen geworden.
+
+Reeds sluimerde hij nu weder zeer diep sedert een goed kwart uurs, toen
+eensklaps de kreet "Harop! Harop!" met bijzondere haast en kracht uit
+alle hoeken van den burg ontstond en hem verrast uit den slaap deed
+opschieten.
+
+Eer hij gansch was ontwaakt, hoorde hij het gedonder van zware
+hamersslagen, het geklingel van wapenen, het noodgeroep der Kerels en de
+zegekreten der Isegrims.
+
+"Blijft, blijft!" zeide hij tot de verschrikte jonkvrouwen. "Wij worden
+aangevallen, valsch, verraderlijk. Het zal niets zijn. Wacht op mijne
+terugkomst. Houdt u stil...."
+
+En met uitgetogen zwaard sprong hij naar buiten.
+
+Hier vond hij zijne gezellen naar den kant der Hofpoort in eenen
+schrikkelijken strijd gewikkeld. De vijand was binnen den burg!
+
+Aan het geroep "Isegrim, Isegrim!" "Blauwvoet, Blauwvoet!" dat tot
+herkenningsteeken in de duisternis van wederzijde werd aangeheven,
+meende Robrecht te kunnen oordeelen dat de vijand niet overmachtig was
+en door de Kerels, die nu uit al de gebouwen kwamen gestormd, wel ras
+zou verplet zijn.
+
+Onder het uitgalmen van den kreet: "Ravenschoot, Ravenschoot met mij!"
+wierp hij zich vooruit en hakte links en rechts op den vijand.
+
+Maar alhoewel het grootste getal der Gentenaars, die over den wal
+geklommen waren, reeds in hun bloed lagen te spartelen en door de Kerels
+werden vertreden, gelukte het den overblijvenden op dit oogenblik de
+poort te openen.
+
+Dan drong zulke machtige vloed van strijdzuchtige en plunderzieke mannen
+den burg binnen, dat de Kerels, na eenen langen en hardnekkigen
+wederstand, gedwongen werden te wijken, en zij stap voor stap den grond
+zich voelden ontnemen[73].
+
+Robrecht Sneloghe dacht aan Dakerlia en aan zijne zuster. Hem schoot als
+een bliksem de overweging door den geest, dat zij in des kasteleins
+Steen niet veilig waren en onmiddellijk in des vijands handen zouden
+vallen.
+
+Hij liep uit het gevecht, sprong in de kamer, waar de jonkvrouwen zich
+bevonden, en riep:
+
+"Gauw, gauw, volgt mij! Spoedig, of het is te laat!"
+
+"Ach, de arme Eggard, onze beschermer, onze verlosser!" riep Witta.
+"Verlaat gij hem zonder medelijden, Robrecht? Zij zullen hem ijselijk
+martelen!"
+
+Op dit oogenblik woelde de gekwetste, hief de handen in de hoogte en
+murmelde op klagenden toon:
+
+"Robrecht, Robrecht!"
+
+Mher Sneloghe, tot in het diepste der ziel geroerd door zijnen roep,
+dien hij als een gebed tot bijstand aanzag, omvatte het lichaam van
+zijnen gekwetsten vriend, hief door eene geweldige krachtinspanning hem
+op den schouder en liep naar de deur, terwijl hij met koortsigen klem
+tot de jonkvrouwen zeide:
+
+"Volgt mij van nabij, verlaat mij niet! In het klooster, in de proostdij
+zijn wij niet veilig! Komt, komt!"
+
+Buiten, langs den kant der Love, vond hij nog eene talrijke schaar
+Kerels, die zich woedend verdedigden, alhoewel het plein schier op zijne
+gansche uitgestrektheid weergalmde van den roep "Isegrim, Isegrim!"
+
+Het gelukte Robrecht, immer door de jonkvrouwen van nabij gevolgd,
+voorbij de Loove te geraken. Nog een tiental stappen, en hij zou de enge
+poort van het klooster bereiken. Eens binnen de geestelijke gestichten,
+dan was hij veilig; want deze gebouwen waren omvangen door eene
+afzonderlijke versterking, die na het verlies van den burg nog eene
+lange belegering kon doorstaan.
+
+Reeds juichte de jonge ridder, want hij raakte schier de poort des
+kloosters; maar nu werden eensklaps de nog strijdende Kerels door eenen
+woedenden aanval van duizenden vijanden overrompeld en tegen den gevel
+der Loove verpletterd.
+
+Degenen, die nog vrij in hunne beweging waren, stroomden vluchtend, en
+met den vijand vermengd, als een stortvloed naar het klooster, en zoo
+drongen zij Robrecht met zijnen last er insgelijks binnen.
+
+Onmiddellijk werd deze poort verbalkt en van achter met allerlei
+voorwerpen versterkt en bedijkt.
+
+Robrecht liep tot in eene der kloosterkamers en legde zijnen gekwetsten
+vriend Eggard Van IJsendijke op een bed. Dan keerde hij, als uitzinnig
+van schrik, terug tot achter de poort.
+
+"Ha, God dank, Dakerlia, gij zijt gered!" kreet hij, zijne verloofde aan
+den hals vliegend.
+
+Maar even ras stuurde hij zijne blikken kommervol in het ronde.
+
+"Dakerlia, waar, waar is mijne zuster?" vroeg hij. "Gij weent, o hemel!"
+
+"Arme Witta, arme Witta!" zuchtte jonkver Wulf.
+
+"Zij is niet met u!" kreet Robrecht, sidderend van schrik. "Zij is
+buiten gebleven? Eilaas, eilaas!"
+
+En hij zakte, door de wanhoop verpletterd, op eene bank neder.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 71: "Segher, kastelein van Gent, kwam toegeloopen met al zijne
+macht.... De burgers van Gent, met eenen hoop _brigands_ uit hunne
+omstreken, zeer dorstig naar buit, vergaderden om in het beleg te komen,
+als mannen befaamd in den oorlog en behendig tot het innemen en
+verdelgen van sterke vestingen."
+
+GALB., p. 299; zie ook KERVYN DE LETTENHOVE, I, p. 391.]
+
+[Voetnoot 72: "Den Zaterdag bevalen de oversten eenen algemeenen
+aanval.... Het gevecht duurde tot den avond, en de aanvallers, na groote
+schade en verlies, verwijderden zich van de muren van den burg, beducht
+voor de gevaren van den nacht."
+
+GALBERTUS, pp. 298 en 299.]
+
+[Voetnoot 73: Zie het verhaal dezer nachtelijke overrompeling en der
+plundering van den burg bij GALBERTUS, p. 315.]
+
+
+
+
+XX
+
+
+De poorters van Brugge, te zamen geroepen, om bij openbare stemming
+eenen nieuwen graaf te kiezen, overdekten in onderscheidene groepen of
+scharen het groote plein buiten de Smedepoort dat men het Zand noemde.
+
+In het midden dezer vlakte had men eene breede stelling getimmerd waarop
+nu de schepenen der stad en de voornaamste Vlaamsche ridders met hunnen
+veldheer, mher Van Praet, zich hielden, zoowel om hunne stem te geven,
+als om de plechtigheid te bestieren en over de oprechtheid der kiezing
+te waken.
+
+Disdir Vos, de verrader, die sedert de nachtelijke overrompeling der
+stad het bijzondere vertrouwen van den veldheer scheen te genieten,
+stond nu insgelijks achter hem.
+
+Voor de stelling waren een groot getal poorters, meest bejaard en met
+zekere pracht gekleed, in eenen afzonderlijken hoop vergaderd Het waren
+de hoofdmannen der wijken en der gilden of neringen, die hier kwamen
+hooren wat de schepenen of ridders het volk te zeggen hadden. Zij zouden
+dan tot hunne mannen gaan, die wat verder op het plein langs alle zijden
+waren geschaard hun de woorden der overheden mededeelen, hunne stemmen
+opnemen en den uitslag der kiezing naar de schepenen brengen.
+
+Deze hoofdmannen spraken in afwachting zeer luid en vurig over de zaak,
+die hen hier te zamen riep. Eenigen wilden de stemming geweigerd hebben,
+om reden dat de koning van Frankrijk zich in geenen deele met het
+bestuur van Vlaanderen te bemoeien had, en hij het was die de Brugsche
+poorters niet alleen den raad, maar zelfs het bevel had gezonden tot het
+kiezen van eenen nieuwen graaf.
+
+De meesten waren van gevoelen, dat men zonder tegenwerping en in
+allerhaast des konings bevel moest volbrengen, uit vreeze dat hij, beter
+beraden, het nog zou kunnen intrekken. In oude tijden hadden hunne
+voorouders het recht genoten tot het kiezen hunner vorsten. Nu werd dit
+recht, dat eeuwen lang hun ontroofd was gebleven, hun werkelijk
+teruggeschonken. Zouden zij dwaas genoeg zijn om het te verwerpen,
+alleenlijk omdat zij het bekwamen door toedoen van eenen vreemden vorst?
+Waarom toonden de poorters, die voornemens waren ten gunste van Willem
+Van Loo te stemmen, zich zoo ontevreden? Waren zij niet even vrij in
+hunne keus als de aanhangers van Diederik van den Elsas of van den
+jongen graaf van Holland?
+
+Deze en andere zulke redenen hadden de meest ontevredene hoofdmannen
+eenigszins tot bedaren gebracht; evenwel bleef het gerucht der driftige
+samenspraak tusschen hen voortduren, dewijl elk nu groote pogingen
+inspande om de anderen tot het stemmen voor dezen of genen vorst over te
+halen.
+
+Op dit oogenblik bracht een wapenbode de bazuin aan den mond en gebood
+door eenige scherpe galmen de stilte en de aandacht.
+
+De veldheer Gervaas Van Praet trad vooruit op de stelling, met een
+bezegeld perkament in de hand, en, zich tot de hoofdmannen wendende,
+zeide hij:
+
+"Ziet hier, vrienden, wat Lodewijk, de machtige koning van het Fransche
+rijk, aan de ridders van Vlaanderen en aan de inwoners der goede steden
+schrijft."
+
+Hij vestigde zijne oogen op het perkament en las:
+
+"Beminden en getrouwen, ridders en burgers van het graafschap
+Vlaanderen. Het schijnt mij nu niet raadzaam u te gaan bezoeken. Ik zal
+met eenigen mijner lieden tot u komen, zoohaast ik den uitslag van het
+beleg van den burg van Brugge zal kennen. Want volgens mijn gevoelen zou
+ik niet wijselijk handelen met mij in de handen der verraders van uw
+land te gaan werpen, wel wetende dat er nog velen zijn die het lot der
+belegerde moordenaars betreuren, hunne misdaden verdedigen en op alle
+wijze werkzaam zijn tot hunne verlossing. Uw ongelukkig land is in
+verwarring. Reeds zijn er samenspanningen gesmeed om de grafelijke kroon
+met geweld voor Willem Van Loo te bekomen; maar meest al de inwoners der
+steden hebben gezworen nooit dezen Willem voor graaf te aanvaarden,
+omdat hij van onedele geboorte is, dit is te zeggen, geboren van eenen
+edelen vader en van eene onvrije moeder die, zoolang zij leefde, niet
+heeft opgehouden schapenwol te kaarden. Ik wil en ik beveel dat de
+ridders en burgers van Vlaanderen zonder uitstel vergaderen om eenen
+bekwamen graaf te kiezen. Het land zou niet langer van eenen wettigen
+vorst kunnen beroofd blijven, zonder blootgesteld te zijn aan grootere
+gevaren dan degene waarmede het nu wordt bedreigd.
+
+ Heil in Gode. LODEWIJK[74]
+
+Deze brief verwekte eene korte opschudding onder de hoofdmannen. Het
+waren de aanhangers van Willem Van Loo, die luidop riepen, dat de koning
+zich door lasteraars had laten bedriegen. Willem was niet van onechten
+bloede; zijne moeder zaliger was eene Kerlinne, en dus geene onvrij
+geborene, zooals de brief het valschelijk beweerde. Al de Kerlinnen,
+buiten de steden, waren zij ook edel en rijk als vorstinnen, hadden de
+gewoonte en den plicht te werken; en, omdat de moeder van Willem Van Loo
+schapen wol had gekaard, was zij niet min edel dan of zij haar leven in
+ijdele werkeloosheid had gesleten.
+
+Mher Gervaas Van Pract en de voorschepen daalden van de stelling
+tusschen de hoofdmannen. Zij maanden hen aan, de brieven des konings te
+eerbiedigen, en deden hen begrijpen dat, indien iets daarin hun niet
+gegrond voorkwam, zij desniettemin vrij in hunne keus bleven en zelfs
+voor Willem Van Loo konden stemmen, indien zij zulks goed vonden.
+
+Min of meer bevredigd, gingen de hoofdmannen tot hunne gezellen om de
+stemming te doen beginnen.
+
+Men hoorde welhaast ten allen kant op het plein een groot geraas en
+geroep ontstaan, naarmate de hoofdmannen aan de menigte mededeelden wat
+de veldheer hun vanwege den koning had voorgelezen.
+
+Ondertusschen begon de stemming, en deze werkzaamheid duurde zeer lang
+voort.
+
+Terwijl men er nog mede bezig was, galmden eensklaps, in de baan naar
+Thourout, de klanken van eenige hoorns, als wierd de nadering van
+krijgslieden aangekondigd.
+
+Even ras zag men een twintigtal ridders te paard, door eene tamelijke
+sterke bende wapenknechten gevolgd, op het plein treden en zich naar de
+stelling richten. Iedereen keek met nieuwsgierigheid deze ridders
+achterna; doch in de meening dat zij, evenals vele anderen, die
+dagelijks in Brugge kwamen, slechts hier verschenen om deel aan het
+beleg te nemen, zette men, na eene korte onderbreking, het opnemen der
+stemmen weder voort.
+
+De aangekomene ridders beklommen de stelling. Baudewijn Van Aelst, die
+hun aanleider scheen, begon in stilte met mher Gervaas Van Praet en met
+den voorschepen te spreken.
+
+Ongetwijfeld deelde hij hun gewichtige dingen mede; want de veldheer
+scheen spijtig en betuigde zijne ontevredenheid door bittere woorden.
+
+"Zouden wij klagen, veldheer", zeide hem Baudewijn Van Aelst, "omdat de
+koning de poorters van den balfaart en van eenige andere schattingen wil
+ontslaan? Hij en de nieuwe graaf, van eenen anderen kant, beloven, dat
+zij al de eigendommen der Erembalds en hunner aanhangers aan de ridders
+tot belooning zullen schenken. Daarin zult gij eene ruime vergoeding
+vinden voor het verlies van uw recht op sommige poorters. Komt, heeren,
+de zaak eischt spoed; eerbiedigen wij den wil des konings. Geef den
+bazuinblazers bevel om de hoofdmannen te zamen te roepen. De stemming is
+gelukkiglijk nog niet afgeloopen; anders mochten wij moeielijkheden
+ontmoeten, welke het onze plicht is te voorkomen."
+
+Eene wijl daarna stonden de geroepene hoofdmannen weder voor de stelling
+en keken verwonderd op, elkander vragende wat zwaarwichtige tijding er
+toch mocht gekomen zijn, daar men de kiezing opschorste om hun iets
+nieuws mede te deelen.
+
+Baudewijn Van Aelst trad vooruit en, na de stilte door eenige
+bazuinklanken was bevolen geworden, zeide hij tot de hoofdmannen:
+"Poorters van Brugge, ik ben tot u gezonden door den koning van
+Frankrijk. Hoort, wat hij u schrijft."
+
+Een perkament ontplooid hebbende, las hij den volgenden brief, hem bij
+de lezing in het Dietsch vertalende:
+
+"Lodewijk, de koning van Frankrijk, groet minnelijk al zijne goede
+zonen, de inwoners van het graafschap Vlaanderen, en kondigt hun aan dat
+hij van Atrecht is vertrokken om tot hen te komen, aan het hoofd zijner
+koninklijke legers, vervuld met dapperheid en met de kracht Gods, zijne
+onverwinnelijke hulp. Bedroefd omdat wij voorzagen dat de moord des
+graven uw land in het verderf zou storten, hebben wij besloten onze
+wraak uit te oefenen met eene onverbiddelijke strengheid en door
+lijfstraffen, tot nog toe ongehoord. Wij hebben, om uw land voor
+grootere onheilen te behoeden, u eenen graaf gekozen. Opdat dezen den
+vrede in het graafschap zou kunnen herstellen en den verloren voorspoed
+doen herbloeien, gehoorzaamt en doet wat mher Baudewijn Van Aelst, mijn
+bode en uw vriend, ingevolge mijnen wil, dien hij kent, u zal raden en
+gebieden[75]."
+
+Er heerschte eene groote stilte onder de luisterende hoofdmannen Zij
+hielden zwijgend de oogen op den koninklijken bode, van wien zij eene
+uitlegging over de zonderlinge tijding schenen te vragen.
+
+Baudewijn Van Aelst nam het woord en sprak:
+
+"Hoort, poorters van Brugge, wat de koning van Frankrijk mij belast
+heeft u te boodschappen. De ridders van Frankrijk en de ridders van
+Vlaanderen hebben, op raad en bevel des konings, tot graaf van
+Vlaanderen gekozen en verheven Willem, den jongen hertog van Normandie."
+
+Er rees een hevig gemor en ook wel hier en daar een luid geroep van
+ontevredenheid tusschen de hoofdmannen.
+
+Een hunner zeide zelfs verstaanbaar:
+
+"Wat? Een Normandier graaf van Vlaanderen? De Isegrims hebben ons weder
+verraden. Het was te voorzien: zij zijn altoos de dienaars en vleiers
+der vreemdelingen geweest!"
+
+Een nieuw bazuingeschal herstelde de stilte, en Baudewijn Van Aelst
+zette dus zijne rede voort:
+
+"Wij allen, ridders, die nu tot u gekomen zijn, en vele anderen nog,
+hebben Willem van Normandie tot graaf gekozen en hem als zulken eed
+gezworen en hulde bewezen. Hij, tot onze belooning, heeft den ridderen
+van Vlaanderen al de landen en eigendommen geschonken die tot nu toe
+hebben toebehoord aan de moordenaars van graaf Karel en aan degenen die
+hen aanhangen of verdedigen. De verraders zijn door den koning
+veroordeeld tot den wreedsten en schandelijksten dood, en geen hunner
+zal worden gespaard. Ik, in naam des konings, gebied en raad u, poorters
+van Brugge, en al wie hier tegenwoordig zijn, voor uwen wettigen vorst
+te aanvaarden Willem van Normandie, die door ons is gekozen en door den
+koning met de grafelijke kroon is begiftigd."
+
+Weder ontstond er luid gemor en driftig gewoel onder de hoofdmannen;
+maar Baudewijn Van Aelst verhief de stem en ging voort:
+
+"De koning en de nieuwe graaf, om den lieden van Brugge hunnen goeden
+wil te betuigen, hebben besloten dat voortaan geen poorter nog eenige
+persoonlijke schatting zal betalen. Alle belastingen hoegenaamd ook, of
+balfaart of beste hoofd, of staande op huizen of op neringen, zijn en
+blijven afgeschaft ten eeuwigen dage. Daarenboven zullen de burgers van
+Vlaanderen voortaan macht en vrijheid hebben om hunne eigene wetten en
+gebruiken te behouden, of ze te veranderen volgens hun goeddunken[76]."
+
+Zulke volledige vrijmaking van alle schatting en dus ook van de teekens
+der dientsbaarheid, was eene gift en eene weldaad, waaraan de poorters
+zich des te minder vanwege den koning konden verwachten, daar hunne
+eigene graven sedert langen tijd nooit opgehouden hadden pogingen te
+doen om het volk der steden dieper en dieper in slavernij te dompelen.
+Ook werd dit besluit door de meeste hoofdmannen met onverborgene vreugd
+en zelfs met luid gejubel onthaald.
+
+Er waren evenwel nog eenigen die zich ontevreden toonden en luidop
+riepen dat zij in zulke beloften niet geloofden, aangezien de koning en
+de graaf, die willekeurig hun dit recht toestonden, even willekeurig het
+hun konden ontnemen.
+
+Baudewijn Van Aelst, om deze laatste tegenwerpingen te versmachten
+gebood nog eens de stilte en sprak:
+
+"De koning van Frankrijk is nu op reis naar Vlaanderen, aan het hoofd
+van twintigduizend uitgelezene krijgslieden. Binnen eenige dagen zal hij
+zelf met den nieuwen graaf te Brugge komen, en zijne beloften u in het
+openbaar bij eede bezweren. Wie zich tegen zijnen wil opwerpt en weigert
+Willem van Normandie als vorst te erkennen, zal aanschouwd werden als
+een aanhanger der moordenaars en dezelfde straf onderstaan, dit is te
+zeggen dat hij zal worden ter dood gebracht en zijne goederen verbeurd.
+Gaat nu, deelt uwen mannen mede wat de koning u door mij heeft
+geboodschapt. Beveelt hun zich vreedzaam naar huis te begeven. Gij, als
+overheid op hen hebbende, blijft verantwoordelijk voor de rust der stad,
+die, werd ze gestoord, op uitdrukkelijk bevel des konings, door het
+geweld der wapenen zou worden hersteld."
+
+De gedane beloften van den eenen kant en de schrikkelijke bedreigingen
+van den anderen hadden voor gevolg, dat de hoofdmannen stilzwijgende
+zich van de stelling verwijderden, om hunnen gezellen de verrassende
+tijding der benoeming van eenen nieuwen graaf te gaan mededeelen.
+
+De ridders bleven op de stelling staan en keken in het ronde. Zij
+wilden, vooraleer deze plaats te verlaten, naspeuren welke de houding
+der poorters en ambachtslieden zou zijn bij het vernemen van 's konings
+boodschap.
+
+In den eersten bemerkten zij wel eenig gewoel en hoorden zij hier en
+daar afkeurend gemompel; maar het duurde evenwel niet lang, of zij zagen
+de poorters en ambachtslieden in scharen over het plein trekken en bij
+gedeelten juichend de poort ingaan.
+
+Dan daalden de ridders insgelijks van de stelling, om zich naar de stad
+te begeven.
+
+De veldheer, die alleen met Baudewijn Van Aelst de anderen
+vooruitstapte, zeide, na eene wijl in stille overweging te zijn
+verslonden gebleven, tot zijnen gezel:
+
+"Onder ons durf ik het u wel bekennen, mher Baudewijn, 's konings
+boodschap bedroeft mij diep."
+
+"Betreurt gij den keus die wij hebben gedaan?" morde Baudewijn
+
+"Neen; mher Willem van Normandie is een jong vorst, die de eer van het
+ridderschap zal staande houden. Daarom verwondert het mij des te meer,
+dat hij nu den poorters der steden eene volledige vrijheid vergunt. Weet
+hij dan niet, dat onze goede graaf Karel is vermoord geworden,
+alleenlijk omdat hij de ridderschap wilde verheffen en de onedele
+menigte in dienstbaarheid houden? Ha, kon Karel van Denemarken uit zijn
+graf opstaan, hoe zou hij klagen over de zonderlinge wijze waarop de
+koning zijne gedachtenis meent te wreken!"
+
+"Zulke overweging is insgelijks in mij opgestaan", zeide mher Baudewijn,
+"en ik heb mij zelfs verstout bij den koning eenige opmerkingen in dien
+zin te wagen. Hij heeft mij doen begrijpen dat men iets moet opofferen
+om de poorters der steden van Vlaanderen gunstig te stemmen. Wat het
+verlies betreft van den balfaart dien de ridders op vele poorters van
+Brugge beweren te mogen heffen, dit zal na onderzoek tiendubbel vergoed
+worden, bij middel der uitdeeling van de verbeurde rijkdommen en
+grondbezittingen der Erembalds en hunner aanhangers. Daarenboven, mher
+Gervaas, wat is gemakkelijker, indien de poorters een slecht gebruik van
+de hun verleende rechten maken, dan hun die rechten weder te ontnemen?"
+
+De veldheer stapte mijmerend voort.
+
+"Maar zeg eens, mher Gervaas", vroeg Baudewijn Van Aelst, "mij heeft de
+koning nog eenen anderen last opgelegd. Ik ging het haast vergeten.
+Karel van Denemarken was rijk. Waar is zijn schat gebleven?"
+
+"De Kerels hebben 's graven rekenmeester gedwongen hun dien schat ter
+hand te stellen."
+
+"En zij bezitten hem nog?"
+
+"Zeker: vele duizenden marken zilvers en kostbare juweelen."
+
+"De koning eischt dat die schat hem overgeleverd worde."
+
+"Met den besten wil der wereld is het ons vooralsnu onmogelijk den
+koning hierin te gehoorzamen. Hij zal moeten wachten totdat wij de
+Kerels, die nog op den burg zijn, geheel hebben overwonnen."
+
+"Wel hoe? Men heeft mij daar, op het plein, gezegd, dat gij den burg na
+eene hevige bestorming hebt ingenomen!"
+
+"Inderdaad, mher Baudewijn, maar wij krijgen hem niet geheel. De Kerels
+bezetten op den burg nog de proostdij, het klooster en de kerk van
+St-Donaas."
+
+"Dit verwondert mij!" mompelde mher Baudewijn. "Indien gij zegevierend
+binnen den burg kondet dringen, waarom hebt gij uwe overwinning dan niet
+voortgedreven? Wat kon u daarin beletten?"
+
+"Gij hebt gelijk", antwoordde de veldheer, "eene beklaaglijke
+omstandigheid heeft ons te midden der overwinning teruggehouden Men had
+den Gentenaars en onze wapenknechten beloofd hun den burg ter plundering
+over te geven. Zoohaast waren wij er niet binnen, of al onze mannen, in
+stede van de Kerels te vervolgen en tot het einde toe te bestrijden,
+zijn in verwarring en door de gierigheid verblind, naar de veroverde
+gebouwen geloopen en hebben beginnen te plunderen. Het was ons,
+ridderen, niet meer mogelijk iets gedaan te krijgen van mannen, die tot
+bezwijkens toe beladen waren met buitgemaakte voorwerpen. Onderwijl
+hebben de Kerels zich binnen de geestelijke gestichten van den burg
+opnieuw versterkt. Deze gestichten zijn omringd met wallen, gaanderijen
+en torens, als eene afzonderlijke vesting."
+
+"Maar indien gij nu opnieuw eenen algemeenen storm geboodt?"
+
+"Onmogelijk, mher Baudewijn. Wij hebben schrikkelijke verliezen geleden.
+Mijne mannen moeten rusten; de stormtuigen en ladders kunnen zonder
+herstelling niet meer dienen."
+
+"De koning heeft mij nochtans gelast u te zeggen dat gij zonder verwijl
+alle mogelijke pogingen hoeft te beproeven om den schat des graven uit
+de handen der moordenaars te krijgen. Hij weet, door mher Frumold
+zelven, dat zij hem bezitten, en vreest dat zij hem bedektelijk naar den
+zeekant zullen zenden of, vooraleer te bezwijken, hem op eene andere
+wijze zullen doen verdwijnen. De koning belooft u door mij niet alleen
+het kasteleinschap van Brugge, maar nog uitgestrekte leenen, indien hij
+door uw toedoen 's graven schat bekomt."
+
+"Het onmogelijke kan ik evenwel niet!" zuchtte de veldheer.
+
+Na eenige oogenblikken de zaak bedacht te hebben, zeide mher Baudewijn:
+
+"Die hardnekkige Blauwvoeten, wat hopen zij? Hebben zij nog niet de
+minste neiging getoond om zich over te geven?"
+
+"Zich overgeven? De Kerels? Het zijn ontembare leeuwen Zij zullen zich
+tot den laatste toe op hunne wallen laten doodslaan. Van hen is er niets
+te verhopen dan door geweld!"
+
+"En indien gij hun de vrijheid aanboodt, op voorwaarde dat zij u des
+graven schat geheel en volledig ter hand stellen?"
+
+"Dit is onmogelijk; al wilde ik het doen, ik zou niet kunnen",
+antwoordde mher Van Praet. "Oordeel zelf: wij, ridders, die allereerst
+te wapen geloopen zijn om den dood van onzen graaf te wreken, hebben
+elkander met duren eede toegezworen niet te dulden dat een der
+moordenaars of hunner vrienden, in een woord, dat een der Erembalds
+gespaard worde of hem genade des levens worde verleend. Allen moeten
+sterven!"
+
+"Maar, veldheer, de koning wenscht zoo vurig des graven schat te
+bezitten, dat hij u zeker zou goedkeuren en mild beloonen, indien gij,
+om den schat hem te kunnen leveren, deze weinige Kerels in vrijheid liet
+gaan."
+
+"Onmogelijk, ik herhaal het u, mher Baudewijn; mijne ridders zouden
+tegen mij opstaan, en ik geloof zelfs niet dat de koning in persoon,
+hoezeer wij hem ook eerbiedigen, machtig genoeg zou zijn om hen daarin
+te doen toestemmen."
+
+Zij waren nu tot op de Groote Markt gekomen en naderden het huis, dat de
+veldheer sedert de overrompeling der stad tot zijn verblijf had gekozen.
+
+"Ziedaar mijne woning", zeide mher Van Praet. "Gelief mij te volgen,
+mher Baudewijn. Het middaguur is reeds voorbij. Gij moet vermoeid en
+hongerig zijn. Wees mijn gast."
+
+Baudewijn hield hem staan en zeide in gedachten, als hadde hij geene
+acht op deze uitnoodiging geslagen:
+
+"Er moet evenwel een middel zijn om 's graven schat uit hunne handen te
+krijgen! Om den wensch des konings te volbrengen zou men hemel en aarde
+willen verroeren."
+
+"Welk middel? Ik weet er geen."
+
+"Wij zullen er nog eens goed over nadenken, veldheer. Men heeft mij een
+uwer ridders, die hier achter ons komt, aangewezen als een doortrapt en
+spitsvondig man ..."
+
+"Mher Disdir Vos?"
+
+"Ja, geloof ik. Die weet misschien raad ... Kom, ik aanvaard uwe minzame
+uitnoodiging; want waarlijk, ik gevoel eenen koortsigen eetlust na de
+reis."
+
+Door eenige andere ridders gevolgd, traden zij in de woning des
+veldheers ...
+
+Een paar uren later verliet Disdir Vos dit huis. Hij keerde welhaast
+terug met eenen wapenbode en twee bazuinblazers.
+
+Baudewijn Van Aelst, vergezeld door vijf of zes ridders, kwam hem
+vervoegen; en na de veldheer hun geluk had gewenscht in hunne
+onderneming, gingen zij te midden der Markt en deden de bazuinen
+aanheffen en eenen witten wimpel in de hoogte steken.
+
+De Kerels liepen te zamen boven den vestingmuur en toonden kort daarop
+eene vredevlag, om te betuigen dat zij in de opschorsing der
+vijandelijkheden toestemden en den bode zouden aanhooren.
+
+Baudewijn Van Aelst, Disdir Vos en hunne gezellen begaven zich naar den
+kant der Hofstraat en traden welhaast op het plein van den burg.
+
+Hier hadden de Gentenaars, om den vijand van nabij te kunnen
+bewaken,--zonder gevaar te loopen van door zijne pijlen te worden
+getroffen--eenen langen dam opgeworpen, schier van manshoogte en als met
+een dak tegen alle werptuigen beschut. Dus konden zij op het plein over
+en weder gaan, zoo dicht bij den muur der proostdij, dat zij, door de
+stem te verheffen, met de Kerels uitdagingen en scheldwoorden konden
+wisselen.
+
+De ridders gingen op raad van Disdir Vos eerst achter den dam. De
+verrader zeide hun dat de Kerels valsche lieden waren en men niet
+roekeloos zich aan hunne wraak mocht blootstellen.
+
+Zijne woorden deden de ridders glimlachen. De vervaardheid van Disdir
+Vos scheen hun natuurlijk, en zij erkenden in hun gemoed dat, indien de
+Kerels, zelfs verraderlijkerwijze, hem eenen pijl door den boezem dreven
+of hem het hoofd met eenen steen verpletterden, hij slechts zou hebben
+wat hij ten minste jegens hen verdiende.
+
+Baudewijn Van Aelst gaf den wapenbode bevel om, buiten den dam, tot aan
+den voet van den muur der proostdij te naderen en daar de bazuin te
+blazen. Hij volgde hem zonder vrees met twee andere ridders.
+
+Na eene wijl verschenen de oversten der Kerels boven den muur: Bertulf
+de proost, zijn broeder de kastelein, zijn neef Burchard Knap, Yorg
+Koevoet en eenige anderen. Robrecht Sneloghe was niet met hen, alhoewel
+men hem de komst van den wapenbode had gemeld.
+
+De jonge ridder was sedert het verlies zijner zuster, wier lot hij niet
+kende, zeer treurig en in schijn aan alles onverschillig geworden. Wel
+hield hij zich gereed om, bij het eerste sein, naar de wallen te vliegen
+en zijn leven te wagen; maar zoohaast zijne tegenwoordigheid niet op de
+muren werd vereischt, ging hij naar de kamer waar Dakerlia den
+gekwetsten Eggard verzorgde, en bleef daar uren lang over zijne zuster
+spreken of bad met zijne verloofde voor de ziel van het arme meisje,
+wanneer de gedachte, dat zij waarlijk dood was, zijn lijdend hart kwam
+bestormen.
+
+Toen de kastelein Hacket den ridders vroeg wat de reden hunner komst
+was, riep Baudewijn Van Aelst hem toe:
+
+"Ik spreek tot u als afgezant des konings van Frankrijk, die met een
+leger van twintigduizend man op weg is om naar Brugge te komen. Mij
+heeft hij belast van u de teruggaaf van 's graven schat te vragen, en
+mij gemachtigd u daartoe al zulke voorwaarden aan te bieden als ik zal
+goedvinden. Ontsluit eene der poorten en laat mij binnen, opdat ik met u
+over mijne zending onderhandele."
+
+De Kerels antwoordden hem van boven dat zij wel wilden aanhooren wat hij
+hun te zeggen had, doch het hun volstrekt onmogelijk was eene poort te
+openen, aangezien alle uitgangen zoodanig van binnen waren gebalkt en
+met steenen bedamd, dat een gansche dag arbeid ontoereikend zou zijn om
+zelfs den minsten toegang vrij te maken. Had 's konings bode hun iets
+bijzonders te melden, zij konden niet anders dan van boven den muur hem
+aanhooren.
+
+"Het zij zoo!" riep mher Baudewijn. "Hebt gij des graven schat met u?"
+
+"Ja, wij hebben hem hier met ons", werd hem geantwoord.
+
+"Geheel?"
+
+"Ongeschonden en geheel, zooals Frumold, des graven rekenmeester hem
+volgens eene door hem geteekende lijst ons heeft ter hand gesteld."
+
+"Welnu", zeide mher Baudewijn, "luistert wat ik u voorstel als
+gemachtigd door den koning van Frankrijk en door den nieuwen graaf,
+dien hij heeft verheven. Indien gij mij des graven schat overlevert,
+zonder er iets van achter te houden, zult gij allen in vrijheid dezen
+burg en de stad mogen verlaten, met de eenige verplichting u na den
+oorlog voor het wettelijk gerecht aan te bieden, wanneer gij daartoe
+wordt gedagvaard."
+
+Dit voorstel verraste en verwonderde de Kerels zoodanig, dat zij
+elkander een oogenblik zwijgend aanzagen. Zoohaast zij echter een klaar
+denkbeeld van de zaak zich hadden gevormd, borsten eenigen in eenen
+schaterlach uit, en de anderen morden eene grammoedige weigering; maar
+de proost Bertulf gebood zijnen gezellen de stilte, en vroeg aan 's
+konings bode:
+
+"Sluit gij niemand uit? Zijn wij allen in uw voorstel begrepen?"
+
+"Allen."
+
+"En mher Burchard Knap?"
+
+"Hij insgelijks. Wil hij het land van Vlaanderen ten eeuwigen dage
+ontruimen, het staat hem vrij. Anders zal hij voor zijne daden na den
+oorlog verantwoorden."
+
+"Wij zullen uw voorstel onderzoeken en er over raadplegen; gun ons den
+tijd daartoe!" riep Bertulf.
+
+"Ik zal wachten. Overweegt dat binnen eenige dagen het Fransche leger te
+Brugge komt en er voor u geen ander uitzicht overblijft dan eene
+onmiddelijke nederlaag en de schrikkelijkste dood!"
+
+Mher Baudewijn verwijderde zich met zijne gezellen achter den dam.
+
+De Kerels, boven den muur, begonnen het voorstel van 's konings bode te
+overwegen. Velen spotteden er mede als met iets belachelijks, anderen
+wilden de zaak in ernst onderzocht hebben, ofschoon zij geneigd waren om
+te denken dat er bedrog onder dit verrassend aanbod schuilde.
+
+Bertulf was van een geheel ander gevoelen. Bedrog vermoedde hij in het
+geheel niet; want het was volgens zijne meening onmogelijk dat de
+Fransche koning, in aanzien der gansche wereld, zijn gegeven woord zou
+breken. Zou deze machtige vorst, met tot zulke vuige listen zijne
+toevlucht te nemen, zijnen naam van eerlijk en trouw ridder willen
+schenden? Zeker, indien men eenige kans zag, om het gedeelte van den
+burg, dat zij nog bezaten, tot de komst van Willem Van Loo te behouden,
+dan zou hij, Bertulf, zelf het volstrekt verwerpen van alle voorstellen
+aanraden; maar die kans zag hij niet. Hij had reeds bericht ontvangen
+over hetgeen er dien morgen op het Zand was geschied, en hij wist voor
+waar dat er inderdaad een Fransch leger van twintigduizend man op gang
+was om naar Brugge te komen. Door zulke macht aangevallen zouden de
+Kerels in den burg wel zeker bezwijken en tot den laatste toe worden
+vermoord. Wat nut kon hunne dood op zulke wijze Kerlingaland toebrengen?
+Geen het minste. Bijaldien zij integendeel den burg nu verlieten, konden
+zij zich in het leger van mher Willem Van Loo begeven; en wie, zooals
+hij en zijn broeder en neven, uitgestrekte landgoederen bezat, kon de
+Ambachten doorloopen en overal de lieden tot den algemeenen landstorm
+opwekken.
+
+In den eerste werden zijne redenen door gemor en tegenspraak onthaald;
+de gedachte, dus de proostdij en het klooster den vijand te leveren,
+kwetste den hoogmoed der Kerels.
+
+Burchard bovenal gromde en tierde; maar de proost schetste hem met
+schrikkelijke kleuren den marteldood af, die hem wachtte, indien zij,
+zooals het zeker was, onder den aanval van het Fransche leger bezweken.
+Hij deed hem insgelijks begrijpen dat hij aan de zijde van mher Willem
+Van Loo, in het open veld, zijn land en de vrijheid meer ware diensten
+kon bewijzen dan besloten achter muren, die bestemd waren om onder de
+aanvechting des vijands te vallen.
+
+Eindelijk stemde Burchard Knap in alles toe, en zoo deden insgelijks de
+meesten zijner gezellen.
+
+Op dit oogenblik naderde Robrecht Sneloghe, dien de proost had doen
+roepen.
+
+Men deelde hem mede wat hier was verhandeld. Hij verwierp het voorstel
+met verontwaardiging, en betuigde dat hij liever op de muren van den
+burg sneuvelde dan door eene daad van zwakmoedigheid ja van lafheid den
+naam der Erembalds te onteeren. Indien mher Willem Van Loo nu met het
+Kerlenleger voor Brugge kwam, en vernam dat zij den vijand den burg
+hadden geleverd, wat zou hij van hen zeggen?
+
+Bertulf en Hacket vereenigden hunne pogingen om Robrecht in hun
+gevoelen te doen deelen. Zij herhaalden de redenen welke zij reeds
+hadden doen gelden en beriepen zich beurtelings op zijne vriendschap
+voor hen, op hunne overheid en op het belang van Kerlingaland en van de
+vrijheid, voor welker heil en behoud men zelfs de menschelijke eer ten
+offer moest brengen.
+
+Zooverre brachten zij het, dat Robrecht Sneloghe hun antwoordde:
+
+"Ik ben niet machtig genoeg op mijn gemoed om het voorstel goed te
+keuren en vrijwillig de schande te aanvaarden; maar, ooms, vermits gij
+meent dat ik ongelijk heb, laat mij mijn gevoelen behouden en handelt
+volgens uw goeddunken: ik zal mij onderwerpen, ofschoon met schaamte en
+verdriet."
+
+Dan wendden de proost en de kastelein zich weder tot andere Kerels, die
+opnieuw zich onwillig toonden en tegenwerpingen maakten.
+
+Robrecht, in gedachten naar beneden kijkende, bemerkte en herkende den
+verrader Disdir Vos die, eenigszins verstout, bij eenen doorgang van den
+dam een paar stappen was vooruitgetreden en spotlachend tot hem opzag.
+
+"Ha, daar zijt gij, Disdir Vos, valsche verkooper van uw land!" riep hij
+hem toe. "Gij zijt het die den raad tot het vermoorden des graven hebt
+gegeven; en nu, nu gij ons in den nood ziet, nu verblijdt gij u over ons
+ongeluk! Gave de hemel dat ik u kon bereiken! Ik zou u dwingen tot een
+gevecht om leven en dood; en, wees zeker, ik zou haar het hoofd
+verpletten, de vuige slang die ons arm Kerlingaland bezoedelt met haar
+venijn. God zelf roep ik hier tot getuige, dat gij een verachtelijk
+booswicht zijt; want eerst hebt gij uw vorst verraden, en nu verraadt
+gij uw eigen geslacht en uw vaderland!"
+
+Deze bloedige verwijten werden door iedereen gehoord, en vele ridders en
+wapenknechten zagen Disdir Vos met eenen blik van misprijzen aan. Hij
+scheen er geene acht op te slaan, en antwoordde door eenige
+scheldwoorden en bespottingen, waarin hij den naam van Robrechts zuster
+mengde.
+
+Mher Sneloghe, die den zin zijner onduidelijke bedreigingen niet had
+verstaan, werd door eenen hevigen angst getroffen, en kreet met de
+handen opgeheven:
+
+"Mijne zuster, mijne arme, onnoozele zuster, hij heeft ze vermoord! O,
+God, rechtvaardige God, waarom verbliksemt Gij het monster niet!"
+
+"Neen, neen, gij bedriegt u, mher Robrecht!" riep van beneden een
+ridder, ongetwijfeld door een gevoel van medelijden gedreven. "Wanhoop
+zoo niet: uwe zuster zit gevangen in sher Jacobs Steen; haar is niets!"
+
+"Zij leeft, mijne zuster leeft!" galmde Robrecht, terwijl hij, door
+blijdschap uitzinnig, zijnen vriend Yorg Koevoet juichend aan den hals
+vloog.
+
+De oude Bertulf had gedeeltelijk deze laatste uitroepingen gehoord. Een
+heldere glimlach kwam nu eensklaps zijn gelaat verlichten, en, als hadde
+hij een plotselijk voornemen opgevat, gaf hij eenen Kerel, die nevens
+hem stond, bevel om den hoorn te blazen.
+
+Toen Bandewijn Van Aelst weder aan den voet van den muur stond, riep de
+proost:
+
+"De veldheer houdt eene jonkvrouw gevangen, die Witta Sneloghe heet en
+mijne nicht is. Neemt gij als voorwaarde onzer overgaaf aan dat zij
+insgelijks in vrijheid zal worden gesteld?"
+
+Mher Baudewijn begon in schijn over deze vraag met zijne ridders te
+spreken. Men kon zien dat Disdir Vos met grammoedigheid zich tegen het
+aanvaarden van dezen nieuwen eisch verklaarde maar waarschijnlijk liet
+hij zich door des konings afgezant overreden; want deze riep tot den
+proost:
+
+"Ja, wij nemen de verbintenis aan de jonkvrouw, uwe nicht, in vrijheid
+te stellen en u toe te laten ze met u uit de stad te leiden."
+
+Robrecht drukte zijnen oom met ontroering de handen en dankte hem vurig.
+
+Zich weder tot mher Baudewijn wendende, vroeg de proost:
+
+"Zult gij, voordat wij dezen burg verlaten, ons een vrijgeleide ter hand
+stellen, door u geteekend in naam des konings van Frankrijk en in naam
+van al de ridders van Vlaanderen?"
+
+"Levert ons des graven schat zonder achterhouding. Zoohaast wij zullen
+bevonden hebben dat er niets aan ontbreekt, zal men u zulk vrijgeleide,
+onderteekend en bezegeld, doen toekomen, en gij zult vrij, met al wat u
+persoonlijk toebehoort, den burg en de stad mogen verlaten."
+
+De Kerels, op bevel van den proost, brachten eenige koffers, schrijnen
+en balen boven den muur, en lieten ze bij middel van touwen opvolgend
+naar beneden zakken.
+
+Wanneer dus een twintigtal zware kisten en pakken aan den voet van den
+muur lagen, riep de proost Bertulf, dat daarin de geheele schat des
+graven was besloten. Ten bewijze der waarheid zijner woorden liet hij
+allerhaast een perkament nederzakken, waarop eene lijst, door 's graven
+rekenmeester onderteekend, de voorwerpen aanwees welke hij den proost
+van St-Donaas had ter hand gesteld.
+
+"Het is wel!" riep mher Baudewijn. "Ik zal den schat naar des veldheers
+woning doen dragen; wij zullen de voorwerpen met de lijst vergelijken
+en, bevinden wij dat er niets achtergehouden is, dan keer ik tot u terug
+met het vrijgeleide. Wacht aldus met eenig geduld; wij zullen ons
+zooveel mogelijk haasten."
+
+Robrecht daalde van den muur en liep naar de kamer, waar Dakerlia bij
+het bed van den gekwetsten Eggard Van IJsendijke waakte.
+
+"Dakerlia, o Dakerlia!" riep hij, "goed nieuws: mijne zuster leeft!"
+
+"Lieve hemel, wat zegt gij daar! Heb ik het wel verstaan? Onze arme
+Witta leeft?"
+
+"Ja, ja, en ongedeerd."
+
+"Daarom weze de barmhartige God eeuwig gezegend!" riep Dakerlia, met de
+handen in de hoogte, "Waar is zij?"
+
+"Zij zit gevangen in sher Jacobs Steen."
+
+"Gevangen, eilaas!"
+
+"Ja, maar zij gaat verlost worden, heden nog!"
+
+"Wie bracht u dit gelukkig nieuws?"
+
+"Dakerlia", zeide Robrecht op treurigen toon, "ik heb nog eene andere
+tijding, min goed en wel pijnlijk voor mijn Kerlenhart maar het is nu
+zoo beslist. Dakerlia, wij gaan straks dezen burg in vrijheid verlaten."
+
+"Mher Yorg is hier geweest; ik weet wat men daarboven heeft verricht",
+antwoordde Dakerlia met eenen zucht. "Het doet mij blozen, Robrecht.
+Ach, indien morgen onze graaf Willem Van Loo zich voor Brugge met het
+Kerlenleger aanbood, zou hij degenen niet veroordeelen die den vijand
+dezen burg hebben overgeleverd, wanneer zij hem nog weken lang konden
+verdedigen?" "Ja, gij hebt gelijk, vriendinne; maar de proost en de
+kastelein hebben het zoo gewild. Gij zult naar Lampernisse of naar
+Houthem vertrekken; ik zal mij in het leger te Yperen begeven." "En die
+ongelukkige ridder Eggard?" vroeg Dakerlia met medelijden.
+
+"Kan hij vervoerd worden, wij zullen hem medenemen naar Yperen. Is dit
+onmogelijk, dan zal ik hier in Brugge eenen poorter zoeken die zich
+verbinde hem goed te verplegen. Nu, Dakerlia, maak intusschen u gereed
+voor het vertrek; mijne tegenwoordigheid kan boven op den muur noodig
+zijn: ik keer terug bij mijne ooms."
+
+Toen hij den muur had beklommen langs de zijde der Hofpoort, waar nu
+zijne ooms stonden, zag hij op de Markt eene groote menigte
+wapenknechten en ridders staan die, omdat de vredevlag waaide, uit
+nieuwsgierigheid den burg waren genaderd of met poorters vermengd aan
+het twisten en aan het kouten waren over des graven schat en over de
+vrijlating der Kerels.
+
+Wat den proost Bertulf vreemd voorkwam was, dat men, naar den kant van
+St-Christoffelskapelle, eene lange schaar schutters in geslotene
+gelederen zag staan, met hunne bogen op de schouders als gingen zij ten
+strijd trekken.
+
+Eindelijk hoorden de Kerels een bevel herklinken, en de boogschutters,
+met mher Baudewijn Van Aelst en eenige ridders vooraan, kwamen verder op
+de Markt tot op eenigen afstand van den muur der proostdij.
+
+Een bazuingeschal kondigde aan dat des konings afgezant tol de Kerels
+wilde spreken.
+
+Misschien had men den schat des graven niet volledig bevonden en wilde
+men hen daarover ondervragen.
+
+Baudewijn Van Aelst, de stem verheffende zooveel hij kon, riep tot de
+Kerels:
+
+"Voor u geene genade, moordenaars! Gij hebt op u de eeuwige
+vermaledijding der gansche Christenheid geladen; gij zult sterven tot
+den laatste. Men is booswichten geene trouw verschuldigd. Wij breken dus
+met recht onze belofte, en zullen u bevechten zonder rust, totdat gij
+allen de straf der afschuwelijke misdaad hebt onderstaan. Niets, niets
+voor u, verwatene Blauwvoeten, dan de wreedste, de schandelijkste dood!"
+
+En de daad bij het woord voegende, gaf hij de schaar der boogschutters
+bevel om hunne pijlen naar de Kerels te schieten.
+
+Dit was evenwel slechts eene betooging, want onmiddellijk deed hij ze
+verre op de Markt en tot buiten net bereik der Kerels achteruitgaan.
+
+Hier raapte hij eenen stroohalm van den grond en brak hem aan twee
+stukken. Zoo deden insgelijks de ridders en wapenknechten. Dit was een
+teeken dat zij voortaan alle vriendschap, alle betrekking met de Kerels
+afbraken, hun eene eeuwige vijandschap toezwoeren en zonder genade naar
+hun leven zouden staan[77].
+
+Bij het gezicht van dit snood verraad hadden de Kerels eene wijl
+verbluft gestaan, als konden zij niet aan zulke verregaande valschheid
+gelooven.
+
+De proost en de kastelein schenen er door verpletterd; maar even ras was
+in het hart der anderen de wraakzucht ontvlamd, en zij riepen luid dat
+zij zich over dien uitslag verblijdden en hun leven duur, zeer duur aan
+die trouwelooze Isegrims wilden verkoopen.
+
+"Welaan, ooms", riep Robrecht, "nu weten wij dat wij op niets mogen
+hopen dan op onze eigene kracht en moed. Het lot is geworpen: de vijand
+zal hier niet binnentreden dan door plassen van zijn eigen bloed en op
+der Kerlen laatste lijk!"
+
+Bn om den Isegrims te toonen dat hunne bedreigingen hun geene vrees
+inboezemden, hieven de Kerels hun strijdlied aan en deden het zoo
+machtig klinken, dat het over de gansche stad weergalmde.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 74: Deze brief bevindt zich bij GALBERTUS, p. 325 en 326.]
+
+[Voetnoot 75: Zie den tekst van dezen brief bij GALB., p. 333.]
+
+[Voetnoot 76: Zie deze boodschap van den koning van Frankrijk, waarbij
+hij Willem van Normandie als graaf van Vlaanderen opdringt en den
+poorters de aangehaalde vrijheden schenkt, bij GALBERTUS, p. 415.]
+
+[Voetnoot 77: Maar de oversten lieten zich weinig gelegen aan de
+beloften en aan de eeden welke zij den belegerden deden; want het was
+slechts een middel om het geld en den schat van den graaf uit hunne
+handen te krijgen." GALBERTUS. p 296]
+
+
+
+
+XXI
+
+
+Sedert men de Kerels had bedrogen, om hen tot afleveren van 's graven
+schat over te halen, was er bijna eene gansche week verloopen, zonder
+dat de Isegrims de schuilplaats hunner vijanden nog met macht hadden
+bedreigd.
+
+Zij bepaalden zich met nu en dan de Kerels door eenen geveinsden aanval
+te verontrusten en de gebouwen der proostdij nauw omzet te houden, opdat
+niemand er uit mocht ontsnappen.
+
+Onderwijl maakten de Gentenaars en de ridders evenwel groote
+toebereidselen om eenen nieuwen en beslissenden stormloop te wagen; want
+op de Markt, onder het gezicht der Kerels zelven, bouwden zij eenen
+houten toren, ladders en beukgestellen.
+
+De kastelein Hacket had deze dagen van rust niet werkeloos laten
+voorbijgaan. Integendeel, men had binnen de proostdij onophoudend
+gearbeid en gezwoegd, om allerlei middelen tot verdediging in gereedheid
+te brengen. Zelfs had men in het klooster twee binnenmuren uitgebroken,
+om achter de kanteelen en op de gaanderijen der torens geheele hoopen
+steenblokken te kunnen verzamelen.
+
+Overal op de wallen stonden de ketels met ziedend pik en olie, bewaakt
+door lieden die belast waren de vuren te onderhouden.
+
+De dienst der schildwachten was derwijze ingericht geworden dat dag en
+nacht immer de eene helft der Kerels op de wallen zich bevond en men
+geene verrassing meer had te vreezen.
+
+Aangezien de kloostergebouwen en zelfs de proostdij niet al de
+voorwaarden tot eene lange verdediging aanboden, terwijl integendeel de
+kerk schier oninnemelijk was, had men den meesten voorraad van
+levensmiddelen en van wapenen in den tempel gedragen.
+
+Alhoewel ze bij de inneming van den burg wel honderddertig gezellen
+hadden verloren, en hun getal nu tot ongeveer tweehonderd weerbare
+mannen was verminderd, hadden zij nog de hoop zich te kunnen verdedigen
+totdat zij door het groote Kerlenleger wierden ontzet.
+
+De vijand mocht nu hunne schuilplaats komen bestormen. Zij waren gereed
+en wachtten hem af met koele beradenheid en vasten moed; zij zouden hem
+zijne vermetelheid zoo duur doen betalen, dat, indien hij de proostdij
+overweldigde, de Isegrims hunne zegepraal zelve als eene bloedige ramp
+zouden beweenen ...
+
+De namiddag was reeds ver gevorderd.
+
+Bertulf, de proost, zijn broeder Hacket, Robrecht en de andere oversten
+stonden boven de muren en keken nieuwsgierig over de Markt, als
+verwachtten zij zich aan iets van dien kant.
+
+Er was dien dag een brief op het kerkhof geschoten geworden, waarin men
+den proost Bertulf verwittigde, dat een ridder zich met eenen wapenbode
+zou aanbieden, om opnieuw met de Kerels aangaande de overgaaf der
+proostdij en der kerk te onderhandelen. De brief eindigde met deze
+woorden:
+
+"Weigert niet dezen ridder te hooren. Hij is altijd een goed en trouw
+vriend geweest. Laat hem tot u opklimmen; hij heeft u eene gewichtige
+zaak te openbaren en wenscht u te redden. Zijn leven stelt hij ten pande
+voor zijne oprechtheid."
+
+Wat zouden zij nu doen? Was dit schrift niet weder bedrog en valschheid?
+Een vijand binnen de proostdij laten? Misschien eenen bespieder, die
+hunne middelen tot verdediging kwam afmeten of den weg zoeken om hen te
+overrompelen?
+
+Maar het kon insgelijks een oprechte vriend zijn, die hun gewichtige
+tijdingen bracht, misschien vanwege mher Willem Van Loo? Men kon hem
+boven den muur doen blijven; daar toch zou hij niets zien dan de
+ontzaglijke toebereidsels, die men voor het afslaan van eenen stormloop
+had gemaakt. Zooals nu de meeste Kerels boven den wal gereedstonden om
+alle pogingen tot verrassing of verraad oogenblikkelijk te verijdelen,
+mocht de komst van eenen enkelen ridder hun geene vrees inboezemen.
+
+Zij hadden dus besloten den wensch, hun door den brief uitgedrukt in te
+willigen, en zagen nu naar de woning van den veldheer uit, of de
+aangekondigde ridder zich niet vertoonde.
+
+Na eene lange wijl nog, naderde inderdaad een wapenbode; maar deze was
+door vele ridders gevolgd, en de Kerels konden dienvolgens niet
+herkennen wie hunner hun het bericht had toegezonden.
+
+Toen de bode door bazuingeschal den wapenstilstand had gevraagd, en men
+tot antwoord op den wal der proostdij de vredevlag had opgestoken,
+traden de gezondenen op het binnenplein van den burg; een hunner naderde
+meer tot den voet van den muur en riep den Kerels toe:
+
+"Vanwege den gezant des konings, mher Baudewijn Van Aelst, kom ik tot u
+om u nieuwe voorwaarden tot overgaaf der proostdij en der kerk aan te
+bieden. Van hier is het mij moeilijk met u te spreken. Onze
+onderhandeling kan lang en moeielijk zijn. Ware ik met u daarboven, wij
+zouden beter over de hangende zaak kunnen beraadslagen. Ik vertrouw mij
+op uwe eerlijkheid en zou tot u willen opklimmen. Stemt gij toe?"
+
+"Het is Walter Van Lillers!" zeide de proost tot zijnen broeder Hacket.
+"Hij was inderdaad vroeger een verkleefde vriend."
+
+"Ja, wij stemmen toe", werd den ridder geantwoord, "maar voor u, voor u
+alleen!"
+
+Walter Van Lillers deed eene lange ladder aanbrengen; en eenige
+oogenblikken daarna bereikte hij de kruin van den muur en stapte
+tusschen de oversten der Kerels op den wal.
+
+Daar zij hem omringden en hem vroegen wat hij hun te zeggen had,
+betuigde hij den wensch om beneden in de proostdij te worden geleid;
+maar men deed hem verstaan dat men zijne boodschap hier wilde hooren.
+
+Walter Van Lillers, min of meer verlegen en zonderling glimlachende als
+wilde hij beduiden dat hij aan zijne eigene woorden niet geloofde, zeide
+hun:
+
+"Ziehier de zaak, heeren: heeft 's konings bode geweigerd u in vrijheid
+te laten gaan na de overlevering van 's graven schat, dan is het niet
+door berekende trouweloosheid, zooals gij waarschijnlijk meent. Neen,
+het is omdat gij zelven, volgens zijne meening, hebt gepoogd hem te
+bedriegen. Er ontbraken toch kostbare voorwerpen aan dien schat, onder
+anderen een drinkkelk van zeven marken gouds en een gedreven vat van
+eenentwintig marken zilvers. Wilt gij deze beide voorwerpen mij ter hand
+stellen, dan zal mher Baudewijn Van Aelst, zooals hij mij gelast heeft u
+te beloven, de voorwaarden der overgaaf aanvaarden en vervullen."
+
+De omstanders lieten een hevig gemor hooren en betuigden luid dat zij
+geen het minste vertrouwen meer in de beloften der Isegrims hadden en in
+deze boodschap niets zagen dan eene nieuwe poging tot verraad.
+
+In stede van zich daarover verwonderd of spijtig te toonen, haalde
+Walter Van Lillers twijfelend de schouders op, als wilde hij zeggen:
+
+"Dit raakt mij niet; gelooft er van wat gij wilt."
+
+"De voorwerpen door u aangeduid als ontbrekende, mher Walter",
+antwoordde de proost, "heb ik, omdat ze tot den dienst van 's graven
+kapelle werden gebezigd en dus de kerk zijn toegewijd, aan den
+pastoor-deken Helias gegeven, en hij heeft ze waarschijnlijk in
+St-Christoffelskapelle geborgen. Wil s' konings bode ze bezitten, hij
+vrage ze den deken."
+
+Maar Walter Van Lillers scheen weinig acht op deze uitlegging te slaan,
+en poogde door velerlei gebaren en oogwenken den proost te doen verstaan
+dat hij iets geheims aan hem alleen te veropenbaren had.
+
+Eindelijk herhaalde hij zijne vraag om beneden in de proostdij te worden
+geleid; men mocht hem eenen doek voor de oogen binden en hem dus
+beletten iets te zien. Eenige woorden slechts wenschte hij met den
+proost te verwisselen. Dan zou hij onmiddellijk naar mher Baudewijn Van
+Aelst terugkeeren, en hem boodschappen wat men hem aangaande den gouden
+kelk en het zilveren vat had gezegd.
+
+Op aandringen van Bertulf stemden de anderen toe. Mher Walter werd met
+eenen doek geblind en naar beneden geleid. Hier vatte de proost hem bij
+de hand, bracht hem in eene kamer, nam den doek van voor zijne oogen weg
+en vroeg:
+
+"Nu, mher Walter Van Lillers, welk geheim hebt gij mij mede te deelen?"
+
+"Luister, heer proost", zeide deze, "ik heb weinig tijds; want mijne
+gezellen, indien ik lang met u bleef, zouden mij mistrouwen Ik begin met
+u eenen raad te geven. Welke voorstellen tot overgaaf men u ook doe,
+verwerp ze hardnekkig: zij kunnen niets zijn dan bedrog. De koning van
+Frankrijk en al de ridders die in het beleg zijn, hebben gezworen dat de
+Erembalds tot den laatste toe den schrikkelijksten dood zullen sterven.
+Had onze veldheer niet met groote krachtdadigheid mher Baudewijn Van
+Aelst belet de trouweloosheid tot het uiterste te drijven, geen uwer zou
+heden nog leven. Men hadde u, na de aflevering van 's graven schat, uit
+den burg laten gaan, u verraderlijk aangevat en u allen denzelfden dag
+vermoord."
+
+"Gruwelijk, gruwelijk!" zuchtte Bertulf. "Ik dank u voor uwen raad, mher
+Walter. Zal men dan in deze verdorvene wereld zelfs aan het woord der
+koningen niet meer mogen gelooven?"
+
+"Ik ben van meening dat de koning van Frankrijk van dit verraad niet
+weet."
+
+"Was de goede raad, dien gij mij gegeven hebt, de eenige veropenbaring
+welke gij mij wildet doen?"
+
+"Neen, heer proost; nu ga ik u het ware doel mijner komst mededeelen.
+Toen mher Baudewijn van de achterhouding der twee kostbare vaten sprak
+en het verlies dezer voorwerpen betreurde, maakte ik mij sterk ze u door
+een nieuw bedrog te ontrukken; en het is zoo dat ik belast werd als bode
+tot u te komen. Mijn doel was u te redden, heer proost. Gij weet dat ik
+altijd u veel vriendschap en eerbied heb toegedragen; van den eersten
+dag des belegs ben ik er op bedacht geweest, ten minste u van den
+wreeden dood te verlossen, en nu ben ik alleenlijk hier om u te vragen
+of gij door mij behouden uit den burg en uit de stad wilt geleid
+worden."
+
+"Zoo in vollen dag, dwars door de Isegrims?" schertste de proost met
+eenen twijfellach.
+
+"Neen, in den nacht."
+
+"Onmogelijk; tienmaal wierd ik ontdekt en aangevat."
+
+"Daarin bedriegt gij u: ik ben niet alleen om u te redden. De zaak is
+goed ontworpen. Wij komen te elf uren juist, onder voorwendsel van
+rondom den burg te waken, met eene kleine bende Gentenaars nevens den
+achtermuur van het klooster voorbij en zwaaien tot sein eene ontstoken
+lantaarn over en weder. Op dit oogenblik laat gij u, bij middel van eene
+koord, van den muur dalen. Wij, zonder gerucht te maken, vatten u aan en
+leiden u naar de gevangenis ... dit is te zeggen buiten de Smedepoort,
+die dezen nacht zal bewaakt worden door een mijner vrienden. Ik vergezel
+u totdat gij geheel buiten de legerwachten zijt en niets meer hebt te
+vreezen. Dan gaat gij een gedeelte van den nacht. Des anderen daags
+bevindt gij u te midden der Kerels, buiten het bereik uwer vijanden. Wat
+zegt gij van dit ontwerp?"
+
+"Het is waarlijk niet slecht beraamd", antwoordde Bertulf, na eene korte
+overweging. "Ik ben u uiterharte dankbaar voor dit bewijs uwer
+vriendschap; doch ik kan uw voorstel niet aanvaarden Hier zal ik blijven
+met mijne magen en gezellen."
+
+"Maar er is geene hoop voor u. De koning van Frankrijk nadert met een
+ontzaglijk leger. Men zal u martelen, u doen sterven in de akeligste
+pijnen!"
+
+"Eilaas!" zuchtte Bertulf, "gij zegt misschien de waarheid, mher Walter;
+maar zulke vlucht ware een verraad jegens mijnen broeder en jegens mijne
+neven. Liever nog deel ik hun lot en sterf met hen."
+
+"Gij zijt verbitterd en verblind door de wanhoop", wedervoer Walter Van
+Lillers met ongeduld, "Waartoe kunt gij den uwen hier nuttig zijn, gij,
+die waarschijnlijk nooit de wapens hebt behandeld? Het verwonderd ons,
+ridders, dat; Willem Van Loo, die toch aan het hoofd van een leger staat
+en het veld houdt, u nog niet ter hulp is gekomen. Verwondert u dit
+niet?"
+
+"Inderdaad."
+
+"Weet gij de redenen van zijn wegblijven, heer proost?"
+
+"Neen."
+
+"Wij evenmin; ja, wij hebben dagelijks zijne nadering verwacht en onze
+voorzorgen tegen hem genomen. Indien hij u ter hulp snelde, voordat de
+koning te Brugge komt, dan zou er voor u misschien nog hoop op ontzet
+blijven."
+
+"Hoe verstaat gij het, mher Walter?"
+
+"Het is eenvoudig: Willem Van Loo weet waarschijnlijk niet dat gij reeds
+een gedeelte van den burg hebt verloren. Hij meent u sterk genoeg om in
+veiligheid op hem te wachten. Waart gij vrij, gij kondet tot hem gaan,
+hem den waren toestand onder de oogen leggen en hem overhalen om
+onmiddellijk met al zijne macht naar Brugge te komen."
+
+"Het is waar, gij hebt gelijk", bevestigde de proost. "Ik zou over dit
+gewichtig voorstel mijnen broeder en mijne neven moeten raadplegen. Gunt
+gij mij den raad daartoe?"
+
+"Ja, maar er is eene omstandigheid welke ik u niet eerder kon te kennen
+geven", antwoordde sher Walter. "Ik, die vroeger u een vriend was,
+handel belangeloos in deze zaak. Gij begrijpt evenwel, heer proost, dat
+ik, om eene bende Gentenaars en hunne oversten tot verraad over te
+halen,--want wat gij gaan doen is verraad,--om dus eenige ridders en
+vele wapenknechten om te koopen, hun groote sommen gelds heb moeten
+beloven."
+
+"Groote sommen gelds?" herhaalde de proost met eenig mistrouwen.
+
+"Ja, niet minder dan vierhonderd marken zilvers;--en, wil een tweede
+persoon u vergezellen, dan nog honderd marken meer."
+
+De oude Bertulf schrikte terug bij de gedachte van zulke aanzienlijke
+hoeveelheid gelds voor zijne vrijheid te moeten betalen; maar mher
+Walter deed hem begrijpen dat, in den neteligen toestand waarin de
+Kerels zich bevonden, het geld niet veel prijs meer in hunne oogen kon
+hebben. Wat was nu een klein gedeelte hunner ontzaglijke rijkdommen,
+wanneer men, door het op te offeren, misschien de schier hopelooze zaak
+van Kerlingaland nog kon redden?"
+
+De proost kwam eindelijk met hem overeen, dat hij het voorstel zijnen
+broeder en zijnen neven zou mededeelen, en, stemden zij toe, dan zouden
+de Kerels langs den kant der Markt eene banier uit St-Donaastoren
+steken. Dit zou voor Walter van Lillers een teeken zijn dat men zijne
+voorwaarden had aanvaard en de proost zich in den nacht boven den muur
+gereed zou houden om tot hem af te dalen.
+
+Mher Walter zou 's konings gezant zeggen, in wiens handen de twee
+kostbare vaten zich bevonden, en, daarover zeer tevreden, zou deze geen
+hoegenaamd vermoeden van verstandhouding met de Kerels tegen hem
+opvatten.
+
+Bertulf bond Walter opnieuw den blinddoek voor de oogen en leidde hem
+tot boven den muur. Zonder groetenis daalde mher Walter naar beneden. De
+ladder werd weggenomen en de vredevlag ingetrokken.
+
+Dan wenkte Bertulf zijnen broeder en eenige oversten en verzocht hun met
+hem binnen de proostdij te gaan, om daar te vernemen wat de bode hem had
+geopenbaard.
+
+Toen hij hun het ontwerp had medegedeeld, vroeg hij hun gevoelen er
+over.
+
+Allen, behalve Burchard Knap, toonden zich zeer verheugd en juichten
+mher Walters voorstel toe. Zij eerbiedigden en beminden den ouden
+Bertulf zeer. Het was toch hier zijne plaats niet. Van welk nut kon het
+hun zijn dat de proost met hen in gevaar des levens bleef verkeeren?
+Neen, neen, hij moest gered worden, welke groote hoeveelheid gelds men
+ook voor zijne verlossing eischte.
+
+Daarenboven, hij zou tot Willem Van Loo gaan en hem overtuigen dat hij
+onmiddellijk met het Kerlenleger naar Brugge moest komen afgezakt. Zoo
+was er dan voor hen allen nog hoop op ontzet, en voor Kerlingaland nog
+hoop op zegepraal.
+
+Door deze overwegingen verblijd, juichten zij het ontwerp toe. Burchard
+alleen morde en gromde, dat men elkander had toegezworen tot het einde
+te zamen te blijven. Zulke nachtelijke vlucht was een bewijs van vrees,
+dat de Kerels zou ontmoedigen. In alle geval, door het voorstel te
+aanvaarden, beging men eene domheid; want zeker, Walter Van Lillers was
+een Isegrim, en dus een bedrieger; zijn eenig doel kon slechts zijn den
+proost in de handen des veldheers te leveren.
+
+De anderen bestreden zijn gevoelen, en betuigden een volledig vertrouwen
+in Walters oprechtheid. Zij wilden deze gunstige gelegenheid om Willem
+Van Loo eenen invloedrijken bode te sturen, niet laten ontsnappen.
+
+Dewijl de proost meende de geheime rede van Burchards tegenstand te
+doorgronden, zeide hij:
+
+"Nog iets heb ik vergeten u mede te deelen. Mher Walter stemt er in toe
+met mij eenen tweeden persoon buiten de stad te brengen, tegen eene
+belooning van honderd marken zilvers. Ik doe mijnen neef Burchard het
+voorstel, mij dezen nacht te volgen; ik zal de gevraagde marken zilvers
+voor hem betalen."
+
+"Ja, ja, dit is goed!" riepen de anderen, verheugd bij de gedachte dat
+zij zouden verlost worden van den somberen en woesten Burchard, van den
+moordenaar des graven, wiens tegenwoordigheid in hun midden hen
+bedroefde en kwetste.
+
+Maar Burchard verwierp dit voorstel met misprijzen; en dewijl men hevig
+bij hem aandrong, en hem ter dier gelegenheid de onaangename woorden
+niet spaarde, liep hij scheldend en bulderend de kamer uit.
+
+Sedert een oogenblik was Robrecht Sneloghe in eene diepe overweging
+weggezonken. Nu zeide hij met eenen blijden lach op de lippen:
+
+"Ach, mijne ooms, ach, mijne vrienden, bewijst mij eene gunst! Laat
+jonkver Dakerlia Wulf dezen nacht met den heer proost den burg
+verlaten!"
+
+Deze onverwachte vraag verraste iedereen.
+
+"De honderd marken zilvers zal ik betalen, driemaal zooveel, indien het
+noodig is!" voegde Robrecht er bij.
+
+"Eene vrouw, is dit wel mogelijk?" mompelde Hacket. "Hare witte
+kleederen? Men zal ze zelfs in de duisternis herkennen ..."
+
+"Neen, neen, in eenen zwarten mantel gewikkeld, in donkere stoffen
+gekleed ... O, weigert niet! Een arm meisje zoo binnen eene belegerde
+sterkte besloten, alle oogenblikken bedreigd niet alleen met den dood,
+maar nog met de gruwelijkste mishandeling der zegevierende
+wapenknechten! Neen, dit kan, dit mag niet langer blijven duren. Ik
+smeek u, vermits de barmhartige God haar die eenige kans aanbiedt, geeft
+uwe toestemming; ik zal er u eeuwig dankbaar om zijn."
+
+Zijne ooms en de andere oversten betuigden dat, indien hij zijn ontwerp
+goed en uitvoerbaar oordeelde, zij gereedelijk hunne volle toestemming
+gaven en niets meer wenschten dan jonkver Dakerlia den burg te zien
+verlaten, in de hoop dat de arme maagd behouden het nog vrije
+Kerlingaland zou bereiken.
+
+Mher Sneloghe verzocht zijne ooms met hem naar Dakerlia te gaan, om haar
+deze goede tijding mede te deelen en desnoods haar te overtuigen dat zij
+deze poging om haar te redden moest aanvaarden.
+
+Zij vonden Dakerlia geknield en biddend tusschen de Kerlinnen die
+weenden rondom het lijk van Eggard Van IJsendijke. Deze jonge ridder was
+den dag te voren aan zijne wonde bezweken, en zou den anderen morgen op
+het kerkhof van St-Donaas ter aarde worden besteld.
+
+Robrechts gelaat was bij zijne intrede door zulke heldere blijdschap
+verlicht, dat Dakerlia eenen kreet van verrassing slaakte en met
+glinsterenden blik opsprong, als om eene gelukkige tijding te ontvangen;
+maar de proost deed haar een teeken, dat zij hen in de naastgelegene
+kamer zou volgen.
+
+Hier zeide Robrecht haar met eene stem die door eene koortsige vreugde
+was ontsteld:
+
+"Dakerlia, gij gaat vrij zijn, vrij en buiten alle gevaar! Dezen nacht
+zal mijn oom de proost door eenige goede, trouwe vrienden uit den burg
+en uit de stad geleid worden en naar Yperen gaan. Gij moogt hem
+vergezellen!"
+
+
+[Illustratie: ...tot aan den voet van den muur. (Bladz. 423.)]
+
+
+De jonkvrouw keek hem verwonderd aan, als verstond zij hem niet.
+
+"Vrees niet, Dakerlia", ging hij voort, "gij zult in gezelschap van
+mijnen oom het vrije Kerlingaland bereiken. Gij begeeft u naar Veurne,
+naar Lampernisse, en blijft daar in veiligheid te midden uwer magen
+wonen, totdat betere tijdsomstandigheden mij toelaten u te gaan
+vervoegen ... Ach, u verlost weten, het verheugt mij ontzeglijk! Wees
+gij ook blijde, Dakerlia!"
+
+"Ik zou u verlaten?" mompelde de jonkvrouw met eenen lichten spotlach
+op de lippen. "Verre van u gaan, u niet meer zien, duizend dooden
+sterven in de onzekerheid van uw lot? O, Robrecht, gij kent Dakerlia nog
+niet!"
+
+"Hemel, weigert gij dan dit eenig middel om aan eenen bijna zekeren dood
+te ontsnappen?"
+
+"Ja, ja; ik weiger", antwoordde de maagd met vast besluit. "Waar gij
+zijt, wil ik zijn: de dood zelf zal ons niet scheiden. Indien God over
+uw leven had beschikt, dan wierd uw graf het mijne. Alleen ben ik nu op
+de wereld met u; gij zijt mij alles en, wat er ook geschiede, Dakerlia
+verlaat u niet!"
+
+Een angstkreet ontsnapte Robrechts borst. Hij had wel eenigszins den
+tegenstand zijner moedige verloofde voorzien; doch had tevens gehoopt
+dien te kunnen overwinnen. Hare koele beradenheid ontnam hem deze hoop
+schier geheel.
+
+Zijn oom de proost kwam hem nu ter hulp en poogde door velerlei redenen
+jonkver Wulf te doen begrijpen dat zij ongelijk had dit eenig middel tot
+verlossing, dat God in Zijne goedheid haar aanbood, zoo vermetel te
+weigeren. Zij kon het zich niet ontveinzen dat de Kerels, in den burg,
+elk oogenblik met eene beslissende overrompeling waren bedreigd. Nu de
+koning van Frankrijk met zijn leger te Brugge ging komen, zouden zij
+misschien bezwijken. Dan stond hun allen niets te wachten dan een
+ijselijke dood. Wat nut kon zij, door de opoffering van haar leven, het
+vaderland toebrengen? Indien zij weigerde met hem den burg te verlaten,
+zou zij zich voor God niet schuldig maken aan eenen roekeloozen
+zelfmoord? Daarenboven, was zulke belegerde vesting wel de plaats waar
+het eene jonkvrouw betaamde te blijven? Moest haar gevoel van
+eerbaarheid haar niet zeggen dat bij de inneming van den burg door de
+Fransche wapenknechten, een veel ijselijker gevaar dan de dood haar kon
+bedreigen?
+
+De kastelein Hacket voegde zijne pogingen bij die zijns broeders; doch
+welke moeite ze beiden ook inspanden of wat ze deden gelden, jonkver
+Wulf wilde naar niets luisteren en betuigde dat zij tot het einde toe
+het lot van Robrecht zou deelen.
+
+Mher Sneloghe greep haar de handen en zeide op smartelijken toon:
+
+"Dakerlia, ik bid u, wees beter beraden! Uit liefde, uit verkleefdheid
+voor mij wilt gij u opofferen; maar, dierbare, gij bedriegt u in uwen
+edelmoed. Uwe tegenwoordigheid in dezen burg is mij geen troost;
+integendeel, zij maakt mij diep ongelukkig."
+
+"Ongelukkig?" herhaalde de jonkvrouw.
+
+"Ja, Dakerlia; gij hebt het gezien, hoe ik sedert vele dagen onder
+treurnis en verdriet gebogen ga; hoe de moedeloosheid mij bestormt en
+dreigt geheel te overwinnen. Gij meent, dat het verlies mijnes arme
+zuster de eenige oorzaak was? Neen, uwe tegenwoordigheid in deze plaats,
+het lot dat u beschoren schijnt, zijn de voorname bronnen mijner smart.
+Ach, ik bemin u, gij weet het, uit al de krachten mijner ziel. Moeten
+vreezen, bijna zeker zijn dat gij hier eenen akeligen dood zult vinden,
+uwe verlossing, uwe vrijheid in handen hebben, en ze u zien weigeren!
+Begrijpt gij niet, Dakerlia, dat zulke overwegingen mij wreedelijk
+martelen? Ach, wees goed, geef mij het liefdebewijs dat ik u smeekend
+afbid! Volg mijnen oom en ga naar Lampernisse. O, ik bezweer u, schenk
+mij dus, met de zekerheid uwer behoudenis, den verloren moed terug!"
+
+Dakerlia schudde weigerend het hoofd.
+
+"Gij blijft ongevoelig voor mijne bede?" zuchtte mher Sneloghe pijnlijk.
+
+"Maar, Robrecht, en gij, heeren", zeide Dakerlia met eene verrassende
+bedaardheid, "hebt gij wel waarlijk de minste hoop gevoed dat ik kon
+toestemmen den burg te verlaten en mijnen verloofde een koel en
+eigenzuchtig vaarwel te zeggen? Gij doet allerlei gevaren voor mijne
+oogen spoken? Maar bestonden deze gevaren niet, dan slechts zou ik doen
+wat gij van mij eischt. Nu wil en moet ik blijven. Hoe? Gij voorzegt mij
+de komst van een Fransch leger en geweldige aanvallen des vijands?
+Robrecht, dien God behoede, kan gekwetst worden. Wie zal hem verzorgen
+en troosten! De Kerlinnen die daar binnen zijn? Zal ik, Dakerlia. deze
+zending aan vreemde handen overlaten, en rust en vrijheid te Lampernisse
+gaan zoeken, terwijl mijn verloofde hier stervend misschien ligt
+uitgestrekt en om hulp en lafenis kermt? Neen, neen, wat gij vraagt is
+onmogelijk. Het denkbeeld zulker lafheid alleen brengt mijne
+verontwaardigde ziel in opstand, en ik bid u, ik bezweer u, heeren,
+spreekt mij er niet meer van!"
+
+Allen erkenden innerlijk dat men te vergeefs zou pogen de sterkmoedige
+maagd van besluit te doen veranderen. Robrecht, die diep was bedroefd
+bij de gedachte dat Dakerlia, door te weigeren, alle hoop op redding
+verloor, zeide haar nog met aangejaagdheid:
+
+"Maar, vriendinne, verschrikt het beeld van den pijnlijksten dood u
+niet, er is toch iets, iets schromelijks, dat uw fier en kuisch gemoed
+kan doen terugdeinzen. Vooronderstel dat de Kerels hier bezwijken en de
+burg worde ingenomen. Dan zegeviert de verrader Disdir Vos, hij vat u
+aan, rukt u naar zijne woning ... Ach, de booswicht is bekwaam tot de
+gruwelijkste misdaad!"
+
+Terwijl hij deze woorden sprak, was Dakerlia's blik fonkelend geworden;
+ja, hare oogen vlamden, toen hij door de bedreiging van een grooter
+ongeluk dan de marteldood zelf, haar met angst en vervaardheid had
+geslagen.
+
+Robrecht en zijne ooms zagen haar aan met de twijfelachtige hoop dat zij
+door het denkbeeld van zulk vreeswekkend gevaar overwonnen, tot de
+vlucht ging toestemmen.
+
+"Welnu, welnu, Dakerlia?" murmelde mher Sneloghe.
+
+"Welnu?" herhaalde zij met sombere stemme. "Disdir Vos, de verrader, de
+lafaard? Ik kan terug in zijne handen vallen? Ja, ik heb er aan
+gedacht...."
+
+En zij stak langzaam de hand in hare borst en trok er eenen
+glinsterenden moordpriem uit, dien zij stilzwijgend toonde.
+
+De anderen deinsden met eenen angstkreet terug.
+
+Het staal in de vuist wringende, zeide Dakerlia, zonder de minste drift:
+
+"Zoolang Robrecht nevens mij staat, zal hij mij verdedigen; beschikt God
+over zijn leven, dan wordt deze moordpriem mijn beschermer. Disdir Vos?
+Wat kan hij tegen mij? Ik ben eene Kerlinne! Tusschen den dwingeland en
+het slachtoffer graaft de dood in een oogenblik eenen onoverschrijdbaren
+afgrond."
+
+Vooraleer de anderen van hunne verbaasdheid konden bekomen, verborg zij
+het wapen weder in hare borst en zeide met eenen stillen glimlach:
+
+"Robrecht, uit liefde tot mij, wilt gij mij van hier verwijderd zien;
+ik, uit liefde tot u, wil u niet verlaten. Het is dus eene worsteling
+tusschen ons beiden. Wie van ons volhoudt en verwint, toont de grootste
+liefde. Meent gij dat ik, in dit gevecht der ziel, u de zegepraal zal
+gunnen? Verzaakt dus uwe pogingen, heeren; zij zijn volstrekt onmachtig
+en nutteloos."
+
+Robrecht greep Dakerlia's handen en drukte vurig in de zijne, terwijl
+tranen uit zijne oogen rolden. Hij bewonderde de sterkmoedigheid en de
+eindelooze liefde der maagd, ofschoon hare noodlottige weigering hem het
+hart met droefheid en schrik vervulde. Er was echter niets aan te doen;
+hij moest zich onderwerpen en alle verdere poging opgeven; want dat
+Dakerlia onplooibaar zou blijven, daaraan kon hij niet meer twijfelen.
+
+Hij trad met haar en zijne ooms in de andere kamer, waar het lijk van
+mher Eggard, gansch gekleed en met een zwaard in de hand, op eene soort
+van rusttafel lag uitgestrekt. Hier brandden wel waskaarsen nevens een
+kruisbeeld, maar aan de voeten van den dooden stonden insgelijks kommen
+met gortebrij en eene kruik bier, zoodat hier, evenals onder de Kerels
+der Ambachten, terzelfder tijd Christelijke en Heidensche plechtigheden
+werden geoefend.
+
+Om eenige oogenblikken te bidden, knielde Robrecht met Dakerlia op eene
+bank en boog in stilte het hoofd.
+
+De proost verliet de kamer met zijnen broeder. Het was tijd dat hij de
+noodige maatregelen name, om zijne vlucht te bereiden; want de dag begon
+zichtbaar te dalen, en welhaast zou de duisternis invallen.
+
+Opgesloten in eene zaal der proostdij, wogen en wikten zij goud en
+gesteenten, om het geld, dat zij Walter Van Lillers beloofd hadden,
+onder het minste gewicht bijeen te brengen. Dan overwogen zij welke
+kleederen de proost zou aantrekken, opdat hij min herkennelijk ware, en
+hoe hij zijne pogingen bij Willem Van Loo zou berekenen om zeker te zijn
+dat hij onmiddellijk naar Brugge zou komen.
+
+Toen zij eindelijk onderzochten welke baan hij volgen zou om zonder
+ongeval het vrije Kerlingaland te bereiken, stieten zij tegen eene
+groote moeielijkheid. Rondom Brugge mocht men de groote wegen niet
+volgen, dewijl men daar reizende ridders of wapenknechten kon ontmoeten.
+Om met eenige kans op veiligheid te kunnen reizen, moest Bertulf de
+afgelegene voetpaden door velden en door bosschen volgen; maar dewijl
+hij nooit te voet deze streek des lands had doorkruist, was hij met de
+kleine wegenissen in het minste niet bekend.
+
+Zeker, zonder leidsman en zoo gansch alleen, zou hij in de duisternis
+verdwalen en misschien in de handen der Isegrims vallen!
+
+In hunne verlegenheid herinnerden zij zich dat er tusschen de mannen,
+welke hun door Willem Van Loo waren toegezonden geworden, een Houtkerel
+zich bevond, die men den wolvenjager noemde. Deze had zijne gansche
+jeugd in de velden en bosschen zwervend doorgebracht, en moest
+diensvolgens beter dan iemand de afgelegene wegenissen en doorgangen
+kennen. Hij was daarenboven onversaagd, verstandig en verkleefd, en kon
+den proost niet alleen een leidsman zijn, maar nog desnoods hem
+verdedigen tegen allen aanval.
+
+Zij deden Ivo-den-wolvenjager roepen en gaven hem te kennen wat zij van
+hem verlangden. In den eerste verraste hun voorstel den Houtkerel, die
+in het geheel geenen lust gevoelde om uit den burg te vluchten, zooals
+hij het noemde; maar hunne beloften en hunne smeekingen overwonnen na
+lange moeite zijnen tegenstand en hij stemde toe den proost te volgen.
+
+Toen eindelijk het uur zou naderen, riep Bertulf zijne neven en de
+bijzonderste oversten te zamen, om afscheid van hen te nemen. Hij
+beloofde hun dat hij rechtstreeks naar de legerplaats van Willem Van Loo
+zou gaan, en door onweerstaanbare redenen, zelfs door het aanbod van
+aanzienlijke hulpgelden, hem zou overhalen om onmiddellijk met gansch
+zijne macht naar Brugge te komen. Hij poogde zijne magen en vrienden
+vertrouwen in te boezemen, en moedigde hen aan om den burg met
+hardnekkigheid te verdedigen, in de zekerheid dat een spoedig ontzet hen
+allen uit hunnen gevaarlijken toestand zou komen verlossen.
+
+Hun beurtelings de handen gedrukt hebbende, verzocht hij hun hier in de
+benedenzaal der proostdij te blijven; want, indien zij hem op den muur
+volgden, ter plaatse waar hij zou nederdalen, dan, ongetwijfeld, zouden
+de schildwachten der Isegrims argwaan opvatten en hunne gezellen te
+wapen roepen. Niemand zou met hem daarboven gaan dan zijn broeder
+Hacket, zijn neef Robrecht en vier sterke Kerels, die hem en zijnen
+leidsman zouden aflaten.
+
+Na het uitspreken van een laatst vaarwel, en onder de gelukwenschen
+zijner vrienden, verliet hij de gebouwen der proostdij en beklom den wal
+nevens het klooster.
+
+Hier stond hij achter de kanteelen met degenen die aangewezen waren om
+tot zijne vlucht te helpen. De kastelein, Robrecht Sneloghe en
+Ivo-de-wolvenjager waren insgelijks met hem.
+
+Zij zwegen en ontweken zooveel mogelijk alle bewegingen, om niet door de
+wakende schildwachten des vijands opgemerkt te worden.
+
+Eens toch fluisterde Robrecht aan het oor van den proost:
+
+"Ik weet niet, oom, mij ontstelt een zonderlinge schrik. Indien gij het
+slachtoffer werdt van bedrog en verraad?"
+
+"Stil, stil, gij hebt ongelijk", suisde Bertulf. "In alle geval, het lot
+is nu geworpen!"
+
+Reeds hadden zij zeer lang gewacht, en sommigen hunner begonnen te
+denken dat het ontwerp door een of ander beletsel was mislukt; want het
+vastgestelde uur was reeds voorbij.
+
+Maar daar hoorden zij in de verte de zware stappen van eene bende
+wapenknechten, en zelfs de galmen van verwarde stemmen. Zij bogen zich
+dieper achter de kanteelen en keken bespiedend door de schietgaten,
+terwijl de bende meer en meer naderde.
+
+Eensklaps zagen zij iemand eene ontstoken lantaarn over- en
+wederzwaaien. Het zwakke licht werd onmiddellijk uitgedoofd.
+
+Op dit sein omhelsde Bertulf in stilte zijnen broeder en zijnen neef.
+
+Allen sprongen haastig boven den wal; de proost en Ivo-de-wolvenjager
+zetteden den voet in eenen strop, grepen een dik touw met beide handen
+aan en daalden neder tot aan den voet van den muur.
+
+Hier werden zij zeer ruw aangegrepen, vastgehouden en weg gerukt als
+echte gevangenen. Zij begonnen te vreezen, en zouden zich zeker verraden
+gewaand hebben, had niet de waarschijnlijk berekende stilte der
+wapenknechten hun nog eenig vertrouwen ingeboezemd.
+
+Walter Van Lillers, die den proost bij den schouder hield en hem
+voortstuwde, fluisterde aan zijn oor:
+
+"Laat u doen en wees stom; niet al mijne mannen zijn met ons. Een
+gedeelte slechts kent geheel het ontwerp; de anderen meenen dat wij u in
+eenen strik hebben gelokt. Veins evenals wij."
+
+Omtrent de St-Janskapelle hield Walter Van Lillers zijne bende staan en
+sprak:
+
+"Wij hoeven niet zoo sterk te zijn om deze twee Kerels naar de
+gevangenis te leiden. Meester Daneel, ga met tien wapenknechten terug
+naar den burg, langs den kant van den Maalberg; daar zullen, zooals ik u
+heb gezegd, nog andere van die vermaledijde Blauwvoeten u in de handen
+vallen."
+
+Mher Daneel moest wel van de zaak weten; want hij koos, niet zonder
+geheim inzicht, onder zijne mannen er tien uit, en keerde met hen terug
+in de Wapenmakersstraat.
+
+Dan begaf mher Walter zich met zijne gevangenen op weg door afgelegene
+straten, totdat zij de Smedepoort gingen naderen.
+
+Hij deed zijne gezellen achter eenen hoek blijven staan, en zeide tot
+den proost en zijnen leidsman:
+
+"Neemt nu eene losse, onbekommerde houding; spreekt luid en gebaart u
+alsof gij niet in het minste op eenig gevaar bedacht waart."
+
+Na deze woorden stapte hij met hen naar de poort, waar de overste hem
+scheen af te wachten.
+
+"Mher Ogier", zeide hij, "ziehier twee poorters die met mij uit de stad
+moeten gaan. De veldheer...."
+
+"Ik weet het; mij zijn daarover bevelen toegekomen", onderbrak de
+overste. "De stormegge is reeds opgehaald. Zie, daar opent men de poort.
+Vaarwel en goede reis!"
+
+Eenige oogenblikken daarna bevonden zij zich in het open veld. Weder had
+Walter Van Lillers hun de stilte bevolen, en zij volgden hem zwijgend
+gedurende schier eene halve mijl.
+
+Hier bleef hij staan en zeide hun:
+
+"Nu zijt gij verre buiten den kring der brandwachten. Ik ga u verlaten
+en naar de stad terugkeeren. Mijne belofte heb ik gansch vervuld; geef
+mij nu het geld, om mijne vrienden en de wapenknechten te betalen[78]."
+
+Bertulf ontgespte de lederen tassche, die hem aan den gordel hing en
+reikte ze aan Walter.
+
+"Zij weegt inderdaad zwaar", mompelde deze verheugd. "Hoeveel bevat ze?"
+
+"Vijfhonderd marken."
+
+"In goud."
+
+"In goud en in kostbare juweelen."
+
+"De rekening is zeker juist."
+
+"Er is meer in waarde, mher Walter; maar om u geen mistrouwen te laten,
+beloof ik u, indien ik het leven behoud, u in betere tijden en op uwe
+eerste vraag, nog vijftig marken zilvers te schenken als bewijs mijner
+dankbaarheid."
+
+"Nu dan, ik druk u de hand, heer proost, en wensch u alle geluk."
+
+Hij verwijderde zich in de baan naar Brugge.
+
+"Langswaar nu onze stappen gewend?" vroeg Bertulf aan zijnen leidsman.
+"In dien pikdonkeren nacht kan men zelfs den weg niet zien."
+
+"Nog twee boogschoten verder", antwoordde Ivo-de-wolvenjager, "komen wij
+aan eene zandbaan die dwars door het Frinte-bosch loopt, tot aan
+Aertryke toe. Daar wenden wij ons links af naar Thourout en zonder deze
+stad te naderen, bereiken wij de baan naar Staden en naar Yperen....
+Geef mij de hand, heer proost; want hier is eene drooge gracht die wij
+overstappen moeten. Wij verlaten de groote baan."
+
+De proost liet zich leiden. Hij drong aan de hand van Ivo in een dicht
+bosch.
+
+Daar eerst achtte hij zich in veiligheid; het was hem alsof een steen
+hem van de benauwde borst viel.
+
+"Ha, God zij geloofd!" riep hij uit. "Ik vreesde nog verraad, maar hij
+was oprecht en trouw. Verlost! Verlost!"
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 78: "Bertulf, geld gegeven hebbende aan Walter, tot de som van
+100 mark, liet zich af aan een touw."
+
+GALB., p. 316.]
+
+
+
+
+XXII
+
+
+Den dag Na de ontsnapping van den ouden Bertulf hadden de Kerels, van op
+de wallen der proostdij, eene ongemeene beweging van poorters, ridders
+en wapenknechten in de stad opgemerkt. Terzelfder tijd hadden zij verre
+bazuingeschal en dof gedruis gehoord, als van reizende legerbenden.
+
+Zij meenden te mogen vermoeden dat Willem Van Loo met zijne heirkracht
+de stad was genaderd, en de Isegrims buiten Brugge togen om hem te gaan
+bestrijden.
+
+Hunne dwaling desaangaande duurde echter niet lang. Zij telden vele
+vrienden onder de poorters van Brugge, zelfs onder degenen die, door
+Gervaas Van Praet gedwongen, nu met de Isegrims hen bestreden. Dezen,
+uit eigen beweging of door Jan Haring en Elfried Rooster er toe
+aangespoord, schoten hun zeer dikwijls pijlen met geheime berichten toe.
+
+Zoo vernamen zij al spoedig dat de koning van Frankrijk en Willem van
+Normandie, met de voorhoede van hun leger, te Brugge waren aangekomen,
+en men poorters en ridders buiten de stadsvesten op het Zand had doen
+vergaderen, om den koning en den nieuwen graaf hulde te bewijzen en
+trouw te zweren[79].
+
+Men zeide hun insgelijks dat men de bestorminng der proostdij had
+uitgesteld om het Fransche leger af te wachten; maar dat men nu, binnen
+weinige dagen, eenen geweldigen en waarschijnlijk beslissenden aanval
+zou doen.
+
+Deze berichten onstelden de Kerels niet zeer. Vanwege Walter Van Lillers
+was hun een bericht toegekomen, waardoor men hun de verzekering had
+gegeven dat de proost behouden buiten de stad was geraakt en zijne reis
+naar Yperen in volle vrijheid had begonnen.
+
+Bertulf was diensvolgens ongetwijfeld op dit oogenblik reeds in
+tegenwoordigheid van Willem Van Loo, en zij mochten hopen dat het groote
+Kerlenleger morgen of overmorgen voor Brugge zou verschijnen.
+
+In alle geval, zij waren bereid om de bestorming moedig en hardnekkig af
+te slaan, en dus de proostdij en de kerk tot de komst van Willem Van Loo
+te behouden. Wel waren zij niet meer boven de tweehonderd man sterk;
+maar dewijl de genaakbare plaatsen van den muur niet veel
+uitgestrektheid hadden, waren zij talrijk genoeg om eenen voor den
+vijand vreeselijken tegenstand te bieden.
+
+Dien dag hadden zij tot den avond op de wallen gestaan, en zij hadden
+gedeeltelijk zelfs den gansehen nacht gewaakt; maar de vijand had zich
+niet vertoond.
+
+Nauwelijks was echter de zon boven den gezichteinder gerezen of alles
+voorzeide hun dat zij dien dag eene algemeene bestorming zouden te
+doorstaan hebben.
+
+Inderdaad, er kwam allengs eene ongewone bedrijvigheid onder den vijand.
+Niet alleen trokken alle oogenblikken aanzienlijke legerbenden, meest
+van Fransche wapenknechten, over de Markt voorbij, om stand te gaan
+nemen op de plaatsen en in de straten rondom den burg; maar de
+Gentenaars waren tevens langs alle kanten bezig met hunne stormtuigen te
+stellen of ze nader bij den burg te voeren.
+
+Een groot gedeelte van den morgen verliep aan deze ontzaglijke
+toebereidsels.
+
+De Kerels lieten intusschen niet na alles aan te brengen wat hun tot
+eene hardnekkige verdediging van dienst kon zijn. Overal boven den burg
+stegen zwarte rookwolken in de hoogte, als wilde men den vijand
+verwittigen dat men zich gereed hield om hem met kokend pik en olie te
+begroeten.
+
+Terwijl de Kerels als eene uitdaging hun lied over de Markt deden
+schallen, zagen de Fransche ridders en wapenknechten verwonderd op naar
+deze handvol mannen, die zoo onbevreesd en vroolijk schenen, een
+oogenblik zelfs voor hunne nederlaag en hunnen dood. Wat hun nog
+onbegrijpelijker voorkwam, was de tegenwoordigheid boven de muren van
+eenige hoogstaltige vrouwen, die lachend en dreigend hun onverstaanbare
+scheldwoorden toeriepen.
+
+Eensklaps vertoonde zich bij den ingang der Steenstraat eene bende
+ridders te paard, allen zeer rijk gekleed en overdekt met wapenrustingen
+welke blonken van zilver en van goud.
+
+Deze ridders keerden den hoek om en reden voort langs de huizen der
+Markt, buiten het bereik van der Kerlen pijlen. Zij waren eene lijfwacht
+of eene voorhoede; want onmiddellijk achter hen kwam de koning van
+Frankrijk, op een groot en sterk strijdpaard gezeten.
+
+Deze vorst, Lodewijk, bijgenaamd de dikke, was inderdaad zoo zwaarlijvig
+en zoo vet, dat de aanschouwers verwonderd zich afvroegen hoe zulk
+wanstaltig dik mensch wel te paard kon stijgen. Evenwel, ondanks zijne
+zwaarlijvigheid, zag de koning er tamelijk rap en levendig uit, en
+getuigden zijne gebaren en bewegingen niet van de minste loomheid.
+
+Nevens hem reed de nieuwe graaf Willem van Normandie, wiens jonkheid en
+tengere leden hem nevens den Franschen vorst bijna als een kind deden
+voorkomen.
+
+De koning, met zijn gevolg, begaf zich in de straten rondom den burg,
+onderzocht met den blik de sterkte der wallen, verzekerde zich dat alles
+doelmatig was bereid, gaf hier en daar nog eenige bevelen en keerde dan
+terug op de Markt.
+
+Hier vergaderde hij de oversten der Vlaamsche en Fransche strijdmacht
+rondom zich, sprak eene wijl met hen en zond ze dan terug, elk naar
+zijne standplaats, om op het sein tot den algemeenen aanval te wachten.
+
+Eindelijk werd door den koning het bevel gegeven om den stormloop te
+beginnen. De bazuinen en hoorns herhaalden tot in de verre straten hun
+aanhitsend geschal....
+
+Langs alle kanten van het gedeelte van den burg, dat nog in bezit der
+Kerels was, werden de ladders gerecht en klommen ridders en
+wapenknechten, door hunne beukelaars beschut, naar boven.
+
+Maar eer zij de kruin van den muur konden bereiken, waren zij of door
+steenen verpletterd of door pijlen getroffen of door kokende olie
+verbrand of door lange haken naar beneden geworpen. Hoevelen er ook
+sneuvelden, hoe velen er met verbrijzelde of verzengde leden
+nedervielen, hoe de gekwetsten en de dooden zich bij den voet van den
+muur ook ophoopten, de moed en de woede der aanvallers verminderden
+niet. Integendeel, de gedachte dat zoo weinig mannen weerstand konden
+bieden aan twee legers, aan de bloem van Frankrijks krijgslieden,
+strijdende onder de oogen des konings zelven, dreef hen tot razernij en
+tot blinde strijdzucht.
+
+Ook verdrongen zij, om de ladders te kunnen beklimmen, elkander zoo
+woest en zoo vurig, dat deze groote drift zelve hun schadelijk werd. Nu
+zij beneden den muur als een zwoegende zwerm krielden, konden de Kerels
+geenen pijl schieten, geen steenblok werpen, geene vlammende olie
+storten, of zij troffen onder den dichten hoop en maakten slachtoffers
+in verbazend getal.
+
+Na een half uur dezer geweldige bestorming lagen er honderden en
+honderden dooden en gekwetsten rondom de wallen der proostdij en der
+kerk.
+
+Het leger des konings, evenmin als het leger der Vlaamsche ridders
+scheen eenig voordeel te hebben behaald. Wel hadden hier en daar
+verscheidene ridders de kruin van den wal bereikt, en waren onder
+daverende toejuichingen hunner makkers op den muur gesprongen; maar even
+ras hadden de Kerels hen neergehakt of met hamerslagen hun den schedel
+gebroken en tot antwoord hunne lijken naar beneden geslingerd.
+
+De Fransche oversten moedigden hunne mannen aan door hunne woorden en
+door hun geroep, en deden hun begrijpen welke schande het zou zijn,
+indien zij dezen strijd tegen eenen zoo zwakken vijand slechts eenige
+oogenblikken moesten opgeven.
+
+Immer duurde de moorddadige bestorming voort, en immer sneuvelden
+ridders en wapenknechten bij hoopen onder de muren, terwijl de Kerels al
+strijdend zegekreten lieten hooren of met afgebrokene galmen deze verzen
+van hun lied herhaalden:
+
+ "Gi ridders, dwingers, maect u van cant,
+ Hier syn de Kerels van Vlanderlant!
+ Ja, Isegrims, hoedt u voor den Blauvoet
+ Of gi selt voelen wat sine clau doet!"
+
+Misschien wel zou de Fransche vorst, in aanzien van het groote verlies,
+dat zijn leger onderstond, den storm hebben doen opschorsen, om andere
+middelen te bedenken; maar nu geschiedde er in den burg zelve iets dat
+de verdediging voor de Kerels schier onmogelijk moest maken.
+
+Terwijl er buiten de vesting zoo hevig werd gevochten, was een gedeelte
+der Gentenaars met allerlei machtige gereedschappen in het paleis des
+graven gegaan, om te beproeven of men den binnenmuur, tusschen dit
+paleis en het klooster, niet zou kunnen doorboren of omverre werpen.
+
+Zij hadden den bedoelden muur zeer onsterk bevonden, en waren er
+eindelijk in gelukt daar eene wijde opening te maken, die hun eenen
+vrijen ingang gaf tot het klooster en de gebouwen die nog in bezit der
+Kerels waren.
+
+Dewijl dezen boven de muren in eenen drukken strijd waren gewikkeld,
+konden de Gentenaars, door een gedeelte der Fransche wapenknechtcn
+gevolgd, in het klooster sluipen, zonder eenigen tegenstand te
+ontmoeten.
+
+Toen zij in genoegzaam getal door den muur gedrongen waren, vertoonden
+zij zich en begonnen "zege! zege!" te roepen.
+
+Het gezicht dezer nieuwe vijanden, binnen hunne vesting zelve, ontrukte
+den Kerels eenen langen noodkreet, en velen liepen van den muur om, ware
+het mogelijk, deze indringelingen te verpletten.
+
+Zij wierpen zich als woedende leeuwen op Gentenaars en Franschen, en
+dreven ze inderdaad terug tot bij den uitgebroken muur; maar dewijl de
+bestormers van buiten nu op den wal geene genoegzame tegenweer meer
+vonden, gelukte het den Franschen ridders in groot getal boven den muur
+te geraken en de Kerels naar beneden te stuwen.
+
+Welhaast zagen dezen zich langs alle kanten omringd door eene menigte
+vijanden, wier getal zeer snel en ontzaglijk aangroeide; want nu kwamen,
+zoowel van boven de wallen als door den uitgebroken muur, wolken
+vijanden toegestroomd.
+
+Nog eenigen tijd verdedigden zich de Kerels met ontplooibaren moed,
+slechts de eene kamer na de andere verlatende, totdat de kastelein
+Hacket wel bemerkte dat het volstrekt onmogelijk was geworden het
+klooster en de proostdij te behouden.
+
+Op zijn bevel staakten de overblijvende Kerels dit hopeloos gevecht en
+weken op een gegeven teeken altezamen binnen de kerk, waarvan de groote
+deur reeds van achter was bedamd.
+
+Hier viel Dakerlia haren verloofde aan den hals en juichte en dankte
+God, dat Hij hen beiden in dit schrikkelijk en rampspoedig gevecht had
+behouden.
+
+Maar Robrecht, door de overtuiging van het gevaar dat hen bedreigde,
+schier gevoelloos voor hare blijdschap, maakte zich uit hare armen los
+en riep tot de Kerels:
+
+"Stopt, verbalkt, bedamt de deur ... en dan naar boven, naar boven, op
+den toren!"
+
+Zij verbalkten onmiddellijk de deur van het sakristijn, langswaar zij
+binnengevlucht waren, en vulden zelfs dit laatste vertrek met steenen,
+hout en aarde en met alles wat hun op dit hachelijk oogenblik onder de
+hand viel.
+
+In de kerk hadden zij eenen grooten voorraad van eetwaren en bovenal van
+wapens en werptuigen. Onmiddellijk deden zij van deze laatste geheele
+vrachten naar boven dragen.
+
+Zoohaast zij zich zeker mochten achten, dat men niet meer van beneden in
+den tempel kon dringen, klommen zij op naar de gaanderijen in den toren,
+en begonnen van daar met nieuwe woede met pijlen te schieten en
+steenbrokken te werpen, zoodat nog voortdurend velen hunner vijanden
+werden doorboord of verpletterd.
+
+Intusschen hadden de Gentenaars met hunne gehuurde hulpbenden, en op hun
+voorbeeld ook vele Franschen, de bestorming verlaten om de proostdij en
+het klooster uit te plunderen.
+
+De ridders zagen, voor dien dag ten minst, geen middel om de kerk in te
+nemen; want de toren was zoo hoog, dat geene der beschikbare ladders
+zijne gaanderijen kon bereiken. En wat de muren der kerk betrof, deze
+waren, volgens de gewoonte des tijds, gebouwd uit rotsbrokken, zoo dik
+en zoo hecht, dat men ze niet dan na langen arbeid zou hebben kunnen
+doorboren, zelfs dan wanneer de vijand niet door zijne werptuigen alle
+nadering hadde belet.
+
+Dewijl er nog voortdurend vele ridders en wapenknechten nutteloos werden
+gedood of gekwetst, boodschapte men den koning dezen nadeeligen
+toestand; en de vorst gaf daarop bevel om de bestorming te staken.
+
+De Fransche benden verlieten de omgeving van den burg en trokken dieper
+in de stad of naar de naastliggende dorpen, waar zij geherbergd waren.
+Zoo deden insgelijks de Vlaamsche ridders en wapenlieden; er bleven in
+en rondom den burg niet meer krijgsknechten dan er noodig geacht waren
+tot het bewaken des vijands en het verdedigen der reeds ingenomene
+gebouwen.
+
+Dan konden de Kerels met eenige bedaardheid hun verlies afmeten en
+voorzorgen nemen tegen eenen nieuwen aanval.
+
+Zij bevonden dat zij ongeveer zestig man vermisten, er onder gerekend
+een tiental gekwetsten, die beneden in de kerk onder eene zijbeuk lagen
+en daar werden verpleegd.
+
+Na zulke lange bestorming en zulken geweldigen strijd binnen het
+klooster, mocht dit verlies als gering aangezien worden; maar voor hen
+was het echter zeer groot, dewijl zij hunne macht allengs zagen
+wegsmelten en geen middel bezaten om ze te vernieuwen of te herstellen.
+
+Zij waren dus nog honderdveertig man. Alles wel berekend was dit getal
+toereikend om de kerk van boven den toren nog lang te verdedigen.
+
+In deze overtuiging moedigden zij elkander tot onversaagdheid en tot
+volharding aan. Zeker, het Kerlenleger zou hun te hulp komen; hun
+heldhaftige tegenstand zou hun een eeuwigen roem en hunne vijanden eene
+eeuwige schaamte zijn.
+
+Ondanks de trotsche woorden, door Robrecht, Hacket en Burchard hun
+toegestuurd, lieten sommige Kerels in stomme somberheid het hoofd
+hangen. Zij gevoelden wel dat hier schier geene hoop op verlossing meer
+overbleef: de dood, de ijselijkste marteldood spookte voor hunne oogen.
+Evenwel, na zulke angstige overweging kwam telkens hun mannelijk gemoed
+in opstand tegen die opwelling der ingeborene levensliefde, en zij,
+heviger nog dan de anderen, zwoeren, zonder wankelen tot den laatste toe
+met het zwaard in de vuist te sterven.
+
+Na eene lange geheime beraadslaging besloten de oversten der Kerels
+hunne middelen tot verdediging te berekenen, alsof men de benedenkerk
+nog kon verliezen voordat hun hulp van buiten toekwam Dienvolgens zou
+men de bovenkerk, dit is te zeggen de hooge gaanderij, die vroeger den
+graaf tot hofkapelle had gediend, zooveel mogelijk versterken en er
+eenen toereikenden voorraad van werptuigen en van levensmiddelen
+verzamelen.
+
+
+[Illustratie: ...mannen van vermoeidheid in slaap gevallen. (Bladz.
+437.)]
+
+
+In eenen hoek der kapelle bevond zich eene zeer nauwe deur, de eenige
+langswaar men tot den toren kon opklimmen en, aangezien men allerlei
+middelen tot verbalking en tot bedamming dezer deur en tevens der
+kapeldeur ging bijbrengen, zouden de Kerels, zelfs indien zij bij elken
+aanval de nederlaag kregen, nog drie bestormingen kunnen doorstaan
+vooraleer geheel te bezwijken."
+
+Zoohaast de bevelen tot deze nieuwe werkzaamheden waren uitgedeeld,
+begon mher Sneloghe te zorgen voor iets dat hem persoonlijk aan het hart
+lag. Hij onderzocht de kapelle en de twee verdiepen van den toren, om
+daar vertrekken of afgezonderde plaatsen te vinden, waar Dakerlia en de
+vier of vijf vrouwen, die nog met de Kerels waren, konden wonen en
+slapen. Deze plaatsen deed hij van beddegoed en van eenig huisraad
+voorzien en daalde dan naar beneden, in gezelschap van Dakerlia, die hem
+in deze toebereidsels immer was terzijde gebleven.
+
+Wel had Robrecbt meer dan eens zijne verloofde zijn diep verdriet
+betuigd, omdat zij geweigerd had met den ouden Bertulf naar Kerlingaland
+te vluchten. Hem deed het niets, dat zij dus in het nauw gebracht waren
+en gevaar liepen van in de handen hunner wreede vijanden te vallen; maar
+dat Dakerlia, zoo jong nog, blootgesteld bleef om dit akelig lot te
+moeten deelen, die gedachte knaagde hem als een wreede worm aan het hart
+en liet hem geene rust.
+
+Dakerlia betoonde slechts eenige treurnis, omdat Robrecht in al deze
+bloedige gevechten kon gekwetst of gedood worden. Wat haar zelve betrof,
+het was haar een geluk en eene bron van trotschheid met hem te mogen
+blijven. Moesten zij bezwijken, zij zouden te zamen opklimmen tot God,
+en zoo zou de dood zelf niet machtig genoeg zijn om te scheiden wat de
+liefde had vereenigd.
+
+Hare woorden waren zoo vol geestdrift; er lag zulke ware blijdschap in
+den toon harer stem, dat zij Robrecht eindelijk geheel troostte en hem
+weder opvoerde tot helder vertrouwen en tot grenzenloozen moed.
+
+Toen zij in de kerk kwamen, vonden zij den kastelein Hacket omringd van
+vele Kerels, die allen te gelijk spraken om hem van iets te overtuigen
+waaraan hij geen geloof wilde hechten.
+
+Eenigen dergenen die vroeger in Brugge hadden gewoond bevestigden
+namelijk dat, bij het terugwijken uit het klooster in de kerk, een
+poorter met hen was binnengedrongen; dat zij, na de deur van het
+sakristijn te hebben verbalkt, overal in de kerk en tot op den toren
+hadden gezocht, doch den poorter niet meer hadden gevonden. Men mocht
+niet twijfelen aan de waarheid hunner woorden: zij hadden den
+indringeling herkend: het was niemand anders dan David Snoek, de bode
+van het grauwwerkersgilde die in de gansche stad befaamd was als de
+ronddrager van tijdingen en nieuwmaren.
+
+De kastelein, alhoewel hij weinig geloof of weinig belang aan deze
+beweringen hechtte, gaf bevel om nog alle schuilhoeken te doorzoeken en
+den poorter, indien men hem vond, ongehinderd in zijne tegenwoordigheid
+te brengen.
+
+Hij meende zich naar den kant der kerk te richten, waar de gekwetsten
+lagen; maar nu kwam een Kerel van den toren geloopen en deze riep met
+luider stem en akelig kermend, dat men op den Maalberg bezig was met al
+hunne gevangene broeders deerlijk te martelen en te vermoorden.
+
+Al degenen die niet als wachten beneden moesten blijven, liepen naar
+boven.
+
+Zij zagen op de Markt, die men den Maalberg noemde en die zich tot aan
+den muur van den burg uitstrekte, eenige benden wapenknechten geschikt,
+en te midden dezer een vijftigtal Kerels, aan hunne lange baarden en
+blauwe kleeding herkennelijk, die, met de handen op den rug gebonden,
+door beulen, met uitgetogen slagzwaard, waren omringd, als om te worden
+gehalsrecht.
+
+Inderdaad, reeds drie of vier verminkte lijken lagen daar in eenen plas
+bloed, en de beulen stonden nevens de anderen gereed om op het minste
+teeken toe te slaan.
+
+Nu evenwel scheen er eene opschorsing in het werk der beulen te zijn
+gekomen; want reeds eene wijl hadden zij beweegloos gewacht.
+
+Daar bracht men nu twee ridders vooruit, en men sleurde en rukte ze met
+baldadig geweld dichter naar den burg, opdat de Kerels beter zouden zien
+wat hier ging geschieden.
+
+"O, hemel, Ingelram Van Eessen en Willem Van Wervick!" kreet Burchard
+met angst, en voor de eerste maal, sedert den moord des graven, eenige
+smart betuigende. "Mijne arme vrienden! Zulke dood!"
+
+"Eilaas, eilaas, God is rechtvaardig!" fluisterde Dakerlia aan Robrechts
+oor. "Zijne straffende hand heeft zich uitgestrekt over de moordenaars
+van graaf Karel!"
+
+Robrecht knikte bevestigend, doch slaakte eenen kreet van afgrijzen bij
+het schrikkelijk schouwspel dat nu onder zijnen strakken blik aanvang
+nam.
+
+Eerst hakten de beulen Ingelram en Willem de handen af, dan doorstaken
+zij hunne lichamen met honderd kleine wonden, en martelden onmenschelijk
+hunne slachtoffers, totdat zij eindelijk; gansch doorkerfd nedervielen
+en hunne lijken onder de voeten van honderden wapenknechten werden
+vertreden en verpletterd.
+
+De Kerels staarden van den toren in stommen angst op dit ijselijk
+tooneel, en menigeen ontvielen tranen van medelijden. Burchard Knap
+gromde met schorre stem en bulderde vermaledijdingen maar hij was bleek
+en scheen te beven.
+
+Een wapenbode trad vooruit naar den burg en riep uit al zijne macht tot
+de Kerels:
+
+"Ziedaar 's konings en 's graven gerechtigheid! Zoo en schrikkelijker
+nog zult gij allen sterven, verwaten Blauwvoeten, die uwen wettigen
+vorst hebt vermoord of den moordenaars hulp hebt gebracht. Geene genade
+voor u: allen wacht zoo de schandelijkste marteldood!"
+
+Terwijl hij deze woorden verkondigde, hadden de beulen op den Maalberg
+hun bloedig werk voortgezet en waren nu bezig met den gevangenen Kerels
+de handen af te houwen en het hoofd in te slaan.
+
+Zoo zagen de Kerels, die op de gaanderijen van den toren stonden hunne
+vijftig broeders, waaronder zij er velen herkenden, den een na den ander
+ter dood brengen en, tot teeken van verachting met voeten trappen.
+
+Het verstroostte hen misschien een weinig te mogen bemerken dat ten
+minste geen hunner eenen enkelen kreet of eene klacht slaakte; maar bij
+het gezicht van dit groot getal lijken, door de wapenknechten zelven zoo
+wreedelijk vertreden, konden zij hunne tranen niet wederhouden, en allen
+beweenden zuchtend en kermend het akelige lot hunner arme gezellen.
+
+Zij bleven op den toren, totdat de lijken waren weggenomen en het
+vertrek der wapenknechten hen kwam overtuigen, dat des konings wraak,
+voor dien dag, bij gebrek aan slachtoffers was gestaakt.
+
+Nog weenden velen in stilte, zelfs toen zij reeds de gaanderijen des
+torens hadden verlaten en ter kerke waren afgedaald.
+
+Hunne eigene smart onderdrukkende, deden de oversten vele moeite om het
+neerslachtig gemoed hunner mannen weder op te beuren; maar welke
+pogingen zij ook inspanden, van dit oogenblik af bleef onder de Kerels
+eene sombere treurigheid heerschen. Velen hunner toch hadden eenen
+vader, eenen broeder of eenen vriend zien martelen, en dit schouwspel
+spookte als eene onverwinnelijke nachtmare voor hunne oogen. Wel
+zwoeren zij daarom niet min onversaagd te zullen strijden, ja, zelfs
+hunne dierbare dooden op den vijand te willen wreken; maar hun hart was
+vervuld met deernis en verdriet, en hun ontsprongen tranen ondanks
+hunnen wil.
+
+Zoo kwam eindelijk de nacht. De Kerels zaten hier en daar in de kapelle
+of in de benedenkerk bij groepen ten gronde, rondom eenige ontstokene
+kaarsen, en schouwden met somberen blik in de donkere ruimte der kerk of
+spraken treurig van hunne doode vrienden.
+
+Mher Sneloghe en Dakerlia bevonden zich bij de gekwetsten; deze laatste
+raadde en hielp de Kerlinnen in het verplegen der arme gezellen, die
+door het zwaard des vijands waren getroffen geworden.
+
+Hacket, de kastelein, hield zich in de kapelle, waar hij een weinig
+poogde te rusten.
+
+Wat Burchard Knap betreft, die zat waarschijnlijk, zooals naar gewoonte,
+ergens in eenen duisteren hoek, alleen met zijn knagend geweten of in
+gezelschap van eenigen zijner woeste Houtkerels.
+
+Het kon ongeveer tien uren zijn, en ondanks hunne ontsteltenis en
+droefheid waren vele mannen van vermoeidheid in slaap gevallen toen
+eensklaps achter den autaar, in de benedenkerk, een geraas van stemmen
+zich liet hooren, alsof daar een twist opgerezen was.
+
+Het gerucht naderde onmiddellijk naar het midden der kerk, en vele
+Kerels grepen hunne wapenen en liepen toe, om te vernemen wat er
+geschiedde.
+
+Het was David Snoek, de bode van het grauwwerkersgilde, die, door de
+nachtelijke stilte uitgelokt, zijne verborgene schuilplaats had
+verlaten, in de hoop dat hij door de vlucht zou kunnen ontkomen; maar
+eenig gerucht door hem gemaakt, had hem verraden.
+
+Men had hem aangegrepen en rukte hem nu vooruit, hem beschuldigende van
+verraad en hem eenen onmiddellijken dood toezeggende.
+
+De arme man, die er zeer eenvoudig uitzag, beefde in al zijne leden en
+smeekte met gevouwen handen om genade.
+
+Toen Robrecht Sneloghe hem genaderd was en hem vroeg met welk doel hij
+binnen de kerk was gedrongen, stotterde David Snoek eenige verwarde
+woorden, waaruit men niets kon begrijpen. Robrecht gebood den Kerels
+hunne zwaarden in te steken en den man los te laten. Hij verzekerde deze
+tevens dat, indien hij onschuldig was aan verraad, hem geen leed zou
+gedaan worden.
+
+Dit stelde David Snoek eenigszins gerust. Dan kwam de spraak hem weder.
+
+"God zal u daarvoor zegenen, mher Sneloghe", zeide hij, "dat gij deernis
+hebt met mij, ongelukkige. Gij weet het allen, heeren, die mij kent, dat
+de arme David Snoek vroeger een goede vriend der Kerels was, en dat hij
+in het schromelijk nachtgevecht nog met u tegen de Isegrims heeft
+gestreden."
+
+"Nu, bloodaard, zoovele domme woorden niet!" gromde Burchard die
+genaderd was. "Zeg, wat kwaamt gij hier doen? Ons bespieden, ons
+verraden?"
+
+"Neen, neen, heeren, hoort mij aan zonder gramschap!" smeekte de
+gevangene. "Hoe ik mij hier tusschen u bevind, dit weet ik, eilaas, zelf
+niet wel. Toen men in de stad de mare verspreidde, dat het Fransch
+leger, geholpen door de Gentenaars en door de poorters van Brugge, de
+proostdij, het klooster en de kerk ging innemen, sprak iedereen van den
+rijken buit welke men daar zou vinden. Ik, die arm ben, liet mij
+verleiden door de hoop dat ik in de plundering wel een of ander voorwerp
+van hooge waarde zou bekomen, en zoo drong ik met de Gentenaars in het
+klooster. Wat er dan geschied is, draait mij als een molen in het hoofd.
+De Kerels zijn gekomen en hebben ons teruggedreven, de Franschen zijn
+gekomen en hebben ons weder vooruitgestuwd, en zoo in de hoogte gewoeld,
+gekneusd, gepletterd, ben ik, zonder het te weten, binnen de kerk
+gestooten. En dan, schier dood van schrik, ben ik achter den altaar
+gevlucht en heb mij verborgen onder eenen hoop balken, welke daar in
+verwarring opeengestapeld lagen. Dit is, heeren, de loutere waarheid.
+Doet nu met mij naar uwen wil; maar wees mij toch barmhartig: want, wel
+verre van u te verraden, zou ik, indien het mij mogelijk was, u willen
+verlossen van den schrikkelijken dood die, eilaas, u bedreigt!"
+
+"De heer kastelein heeft bevolen den gevangene onmiddellijk in zijne
+tegenwoordigheid te brengen", bemerkte een Kerel.
+
+"Welnu, doet hem geen leed en leidt hem naarboven in de kapelle."
+
+"In de kapelle? Ik?" riep David Snoek, eenen stap terugspringende "o,
+mijn God, daar ligt het lijk van den graaf! Neen, neen, ik bid u, doodt
+mij liever!"
+
+Hij beefde zoodanig en zulke diepe verschriktheid verried de holle toon
+zijner stem, dat de Kerels gansch ontsteld hem aanzagen.
+
+"Meent gij dan dat de vervloekte Denemarker uit zijn graf zal opstaan om
+u den nek te breken?" spotte Burchard Knap, tot groote ergernis zijner
+gezellen.
+
+De gevangene knikte bevestigend, terwijl hij zuchtend een kruis maakte.
+
+"Maar wees duidelijk; wat wilt gij zeggen?" mompelden vele Kerels, door
+zijne vreemde houding en eindelooze vervaardheid getroffen.
+
+"Ach, heeren", zeide David Snoek, de handen samenvoegende, "gij weet
+niet wat er in de stad geschiedt. Het is ijselijk; en sedert ik het weet
+durf ik des nachts niet meer slapen. Zou ik het u durven openbaren? Zult
+gij niet tegen mij vergammen?"
+
+"Spreek, spreek!" riep men hem toe.
+
+"Welnu, de geest van graaf Karel waart alle nachten in de stad en spookt
+in de Steenen waar de ridders geherbergd zijn, niet anders roepende dan
+"wraak, wraak, wraak!"
+
+De Kerels luisterden met jagenden boezem; twee of drie slechts
+beantwoordden deze openbaring met eenen spotlach.
+
+"Om Gods wil, lacht niet, heeren", hernam de gevangene; "wat ik zeg is
+enkel waarheid. Nu twee dagen geleden, is de geest van Karel bij het bed
+des konings verschenen en heeft zoo lang om wraak geroepen, totdat de
+koning beloofd had al degenen ter dood te brengen, die tot zijnen moord
+hebben geholpen. Den nacht daarna heeft de nieuwe graaf Willem van
+Normandie het spook insgelijks bij zijn bed gezien en gehoord, en
+dezelfde belofte gedaan Daarom heeft men heden u zoo geweldig bestormd,
+en daarom ook heeft men heden de gevangene Kerels zoo onmenschelijk
+gemarteld. De geest van graaf Karel heeft zelf die marteling der Kerels
+van den nieuwen graaf geeischt."
+
+Toen hij dus zijne veropenbaring had geeindigd en door schijnbare
+feiten bevestigd, sprak er niemand meer: al deze harde, moedige Kerels,
+die weinig vatbaar waren voor vrees, zoolang het slechts stoffelijke
+gevaren gold, beefden nu bij de bedreiging der wraak van een
+ontstoffelijk wezen, aan welks verschijning hunne bijgeloovigheid hun
+niet toeliet te twijfelen.
+
+Dat de onverzoende of onbevredigde geesten van vermoorde menschen op
+aarde konden rondwaren, om wraak op hunne moordenaars te eischen, dit
+was zoowel volgens de Christelijke als volgens de Heidensche begrippen
+onbetwistbaar.
+
+Het verhaal van David Snoek kon waar zijn, ja, het moest waar zijn,
+dachten zij, aangezien men bij het lijk van graaf Karel de vormen der
+verzoening niet had in acht genomen, en zelfs de Christelijke
+plechtigheden niet had vervuld.
+
+Na lang met klimmenden angst en benauwdheid deze erge zaak te hebben
+overwogen, kwamen de meesten tot het besluit zich met den geest van
+graaf Karel te verzoenen, om hem de vervolging tegen hen te doen staken.
+Zij zouden dus, op het uur van middernacht dat nu aanstaande was, de
+Heidensche plechtigheden vieren die men Dodsiras noemde.
+
+Daar Robrecht Sneloghe en eenige anderen zich tegen dit opzet
+verklaarden en beweerden dat het beter was, volgens de gebruiken der
+Kerk den nacht in gebeden voor de ziel van den doode door te brengen,
+besliste men, dat elkeen te dier gelegenheid zou handelen volgens zijn
+geloof en volgens de inspraak van zijn geweten. David Snoek zou bij de
+gekwetsten blijven en aan hunne verzorging helpen tot morgen. Vond men
+een middel om hem aan een touw af te laten, en wilde hij het wagen, men
+zou hem oorlof geven om zich te redden.
+
+Op het uur van middernacht bood de kapelle een vreemd schouwspel aan. De
+gansche beuk was verlicht met een zeker getal smokende lampen, die langs
+de muren waren opgehangen. Rondom de steenen tafel der grafstede, waarin
+het lijk van graaf Karel rustte, brandden vele kaarsen van geel was, die
+men evenwel zoo had geschikt dat het benedeneinde der tafel, die zeer
+lang en breed was, gansch vrij bleef. Aan het boveneinde stond een
+kruisbeeld en een vat met wijwater, waarin een droge palmtak rustte. Uit
+een koperen bekken walmden wierookgeuren op.
+
+Langs deze opperzijden hielden zich de kastelein Hacket, Robrecht
+Sneloghe, Yorg Koevoet, Dakerlia Wulf en vele Kerels.
+
+Zij zaten met gebogen hoofd en gevouwen handen nevens het graf geknield
+en baden in stilte, geen hoegenaamd deel nemende aan de Heidensche
+plechtigheden, welke men aan het nedereinde der grafstede ging vieren.
+
+Hier hielden zich Burchard met de grootere helft der andere Kerels, die
+meer vertrouwen schenen te hebben in de Heidensche gebruiken dan in de
+Christelijke gebeden.
+
+Toen alles gereed was, brachten zij op de graftafel vele schotels met
+spijzen: brood, koud vleesch, gedroogde visschen en gortebrij, en
+stelden daarnevens eenige flesschen wijn en kruiken bier. Burchard Knap,
+hier het ambt van priester of wichelaar vervullende, sprak eenige
+woorden, die het inzicht der tegenwoordigen deden kennen, en noodigde
+dan bij name de ziel van graaf Karel uit om het _doodenmaal_ bij te
+wonen, dat ter harer eere werd gevierd.
+
+Hierop brak hij het brood, en gaf elken zijner makkers een stuk. Allen
+begonnen te eten, en van alwat zij nuttigden, legden zij een brok of
+eenen lepel vol op den steen der grafstede.
+
+Robrecht Sneloghe, van zijnen kant, doopte den palmtak in het wijwater,
+en besprengde daarmede het oppereinde der tafel, met Dakerlia, zooveel
+het hun mogelijk was, daarbij de gewone gebeden der Kerk murmelende.
+
+Het doodenmaal geeindigd zijne, schonk Burchard eerst bier in eenen
+grooten hoorn, stortte daarvan een gedeelte op het graf en liet dan den
+hoorn tusschen zijne mannen rondgaan, die elk opvolgend vooraleer de
+lippen aan het vocht te brengen, luidop zeiden:
+
+"Met dit hoppebier drink ik de _doodenminne_ ter eere van Karel van
+Denemarken."
+
+Deze plechtigheid werd ten tweeden male herhaald met den wijn. Ook
+zegende Robrecht ten tweeden male de grafstede met wijwater.
+
+Ten laatste boog Burchard Knap zich over het graf en, terwijl hij den
+steen met de lippen raakte, zeide hij:
+
+"Ik kus den _doodenzoen_ ter eere van Karel van Denemarken. Weze aldus
+zijne schimme bevredigd, en verzake zij jegens mij aan vijandschap en
+aan wraak!"
+
+Al zijne mannen kwamen beurtelings, onder het uitspreken derzelfde
+woorden, dus eenen kus op de steenen tafel nederleggen.
+
+Ondertusschen besprengde Robrecht het graf voor de derde maal, schudde
+het bekken met wierook rondom de tafel en murmelde op plechtigen toon:
+
+"Requiescat in pace!"
+
+De Christelijke doodendienst en de Heidensche Dodsisas waren beide ten
+einde[80].
+
+Men doofde de lichten uit, en, alsof de Kerels door deze plechtigheden
+van hunnen angst verlost en gansch gerust van gemoed waren geworden, zij
+gingen naar beneden om eene rustplaats te zoeken, of legden zich zelfs
+rondom de grafstede neder.
+
+Een uur later waren zij allen ingeslapen, en hoorde men niets meer in de
+kerk dan den eentonigen stap der schildwachten of eene stille klacht der
+gekwetsten.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 79: Den Dinsdag 5 April, _aqua sapientia_, kwamen de koning en
+de nieuwe graaf Willem te Brugge.
+
+GALB., p. 336]
+
+[Voetnoot 80: Allen waren afgemat, en terwijl de eenen de _dadsisa_ op
+het graf van Karel vierden, hadden anderen, die de kracht van het bloed
+der martelaars niet meer loochenden, eene toorts ter eere van Karel
+ontstoken. KERVYN DE LETTENHOVE, I, 410.
+
+Over de beteekenis van dit woord _dadsisa_ raadpleegde ik mijnen
+geleerden vriend prof. J. F. J. Heremans. Zijn brief daarover aan mij
+geschreven schijnt mij belangrijk genoeg om hier te worden medegedeeld.
+
+"Waarde vriend. Het woord, waarover gij verleden Zondag inlichtingen
+vroegt, luidt _dad-sisas,_ niet _dadsisa_. Het komt voor in het
+_Indiculus superstitionem et paganiarum_ (uit de achtste eeuw): _de
+sacrilegio super defunctos, id est dad-sisas._ Dit _dad_, dat gewoonlijk
+in het Saksisch _dod_ wordt geschreven, is stellig ons _dood_, en
+_sisas_ is de nominatief meervoud van _sisu._ Maar wat beteekent _sisu?_
+J. Grim vermoedt _kuil, graf._ Anderen verklaren het door _treurzang_.
+Er bestaat in het oud-Hoogduitsch een woord _sisesang_, dat ook de
+beteekenis heeft van _treurzang, doodenzang_. Ook de Angel-Saksen kenden
+dit woord, dat ik zou verkiezen boven dodsisu, waarvan het laatste deel
+toch steeds een raadsel blijft. Wil men J. Grimm gelooven, dan is
+_dadsisu_ hetzelfde als _doodenkuil_ en komt het begrip van zang in die
+samenstelling niet voor. In _sisesang_ is dit begrip stellig
+voorhanden." Gent, 26 Januari 1870, J.W. HEREMANS.]
+
+
+
+
+XXIII
+
+
+De Kerels verwachten zich des anderen daags aan het voortzetten der
+bestorming; ook stonden zij bij de eerste morgenschemering reeds
+strijdvaardig, om de aanvallen des vijands met onverzwakten moed af te
+weren of hem ten minste elken stap voorwaarts duur te doen betalen.
+
+Maar dien dag, en insgelijks de twee volgende dagen, werden zij niets
+anders verontrust dan door pijlen, welke de wapenknechten nu en dan naar
+den toren schoten, en die de schildwachten der Kerels verplichtten zich
+achter de kanteelen verborgen te houden.
+
+Zij hadden door eenen hun toegeschoten brief de reden van deze
+opschorsing der aanvallen tegen de kerk vernomen. De koning van
+Frankrijk, wien waarschijnlijk was bericht geworden dat het Kerlenleger
+Brugge naderde, was met het grootste gedeelte zijner heirkracht in de
+richting naar Yperen getogen, om Willem Van Loo op te zoeken en hem den
+veldslag aan te bieden.
+
+Het heil van Kerlingaland en de redding der belegerden hingen dus af van
+het lot eener enkele worsteling! Bleef Willem Van Loo in dezen eersten
+schok der beide legers overwinnaar, dan zou niets meer aan de dappere en
+verbitterde Kerels kunnen wederstaan; zij zouden de Franschen dwingen
+Vlaanderen te verlaten en zouden dan onmiddellijk zegevierend naar
+Brugge komen afgezakt, de Isegrims verpletten of verstrooien en hunne
+broeders verlossen, die zoolang reeds schier zonder hoop, doch met
+onplooibaren heldenmoed zich tegen twee legers hadden verdedigd.
+
+Het bericht van des konings veldtocht in Kerlingaland had hun eenig
+vertrouwen teruggeschonken. Dewijl men hun tevens had laten weten dat de
+Isegrims waarschijnlijk gedurende de afwezigheid des konings geenen
+ernstigen aanval tegen hen zouden beproeven, was hun de tijd gegund om
+te rusten, ten einde weder krachten te verzamelen tot latere
+worstelingen; maar zij lieten integendeel geen oogenblik voorbijgaan
+zonder aan het scheppen van nieuwe verdedigingsmiddelen te arbeiden.
+
+In de vrees dat de Isegrims misschien zouden pogen de vensters der kerk
+te beklimmen, bouwden zij achter elk venster eene poort van stelling,
+waarop een tiental mannen de wacht konden houden, niet alleen om de
+bewegingen des vijands te bewaken en zijne inzichten af te spieden, maar
+tevens om den wapenknechten door het schieten van pijlen alle nadering
+te beletten.
+
+Onder de vensters, op den vloer der kerk, legden zij vele balken, waarin
+puntige houten, stalen pennen, zwaarden en moordpriemen bevestigd waren,
+zoodat deze altezamen, als een gebosch van dreigende lansen, in de
+hoogte staken en onfeilbaar elken ridder of wapenknecht, die door het
+venster in de kerk wilde dalen, moesten doorboren.
+
+De buitenpoort des tempels was zeer zwaar. Om echter te beletten dat ze
+door den beukram wierd ingeworpen, vulden de Kerels het nauwe
+voorportaal tusschen de twee deuren geheel met steenen en met alle zware
+voorwerpen, welke in hun bereik waren; ja, zij braken met dit inzicht in
+den tempel zelven zekere binnenmuren uit, waarvan zij tevens de minst
+zware steenblokken in de kapelle en op den toren droegen, om ook van
+daar den vijand te kunnen treffen.
+
+Zij hadden, zonder ernstig te zijn gestoord geworden, aan deze
+toebereidsels drie of vier dagen besteed, toen zij in den nacht van den
+vijfden dag verontrust werden door een dof en verwijderd gerucht, als
+het gebons van zware mokers en den scherpen slag van den hamer op
+ijzeren keggen.
+
+Dit gerucht vernamen zij op de hoogte der kapelle, in de richting van
+den gang, langs waar graaf Karel gewoon was geweest van zijn paleis ter
+kerk te komen.
+
+Het scheen hun duidelijk dat men ergens, langs den kant van het
+klooster, bezig was met pogingen te doen om eenen muur te doorboren en
+zoo op de gaanderij der opperkerk hen aan te vallen.
+
+De kastelein Hacket en Robrecht Sneloghe deden al hunne beschikbare
+mannen in de kapelle te zamen komen; en, terwijl zij immer de doffe
+galmen van den geheimzinnigen arbeid des vijands afluisterden, hielden
+zij zich gereed om hem duchtig te onthalen, indien hij er werkelijk in
+gelukte eene opening in den muur te maken.
+
+Den ganschen nacht hoorden zij den slag der hamers. Het werk der
+Isegrims moest evenwel zwaar en moeielijk zijn en scheen weinig te
+vorderen; want het gerucht bleef even verwijderd en onduidelijk tot den
+morgen, en hield dan geheel op.
+
+De Kerels meenden zelfs te mogen gelooven dat de vijand zijne poging had
+opgegeven, en zij waren gereed, nu de eerste dag-klaarte zich vertoonde,
+om beneden in de kerk hunnen arbeid tot verdediging te gaan hernemen,
+toen een schildwacht van den toren daalde en hun kwam boodschappen dat
+zwarte rookwolken tot hen opklommen en zij vreesden dat de vijand de
+kerk aan brand gestoken had.
+
+De oversten der Kerels liepen op de torengaanderij, en keken bekommerd
+naar beneden.
+
+Was het slaan der hamers eene list geweest om hunne aandacht af te
+keeren, terwijl men langs eenen anderen kant de middelen tot eenen
+aanval bereidde? Waarschijnlijk, want zij zagen nu dat men, gedurende
+den nacht, voor de buitendeur der kerk, met dikke balken een soort van
+dak had getimmerd, waarop de zwaarste steenbonken onmachtig afbotsten.
+Daaronder hielden zich vele vijanden ongetwijfeld? Maar wat deden ze in
+deze schuilplaats? En wat beduidde de rookwolk die kronkelend van daar
+langs den toren opsteeg? De morgenschemering en de mistige lucht
+beletteden de Kerels duidelijk te onderscheiden welk nieuw gevaar hen
+bedreigde.
+
+Bij zijn vertrek had de koning van Frankrijk den veldheer Gervaas Van
+Praet gelast de belegering voort te zetten, en de vaste hoop uitgedrukt
+dat, eer eene week verloopen ware, alles te Brugge zou gedaan zijn en de
+Vlamingen hem in Kerlingaland zouden komen vervoegen, indien de oorlog
+daar niet met eenen enkelen slag wierd beslist en gesloten.
+
+Na zijne mannen eenige dagen te hebben laten rusten en den nieuwen
+aanval rijpelijk te hebben berekend, had de veldheer de noodige bevelen
+gegeven om de kerk van St-Donaas te bestormen en kost wat kost in te
+nemen.
+
+Terwijl een gedeelte der Gentenaars zouden arbeiden, om dwars door
+eenige muren de opperste gaanderij des tempels te bereiken, zou een
+ander gedeelte, door de wapenknechten en ridders ondersteund beproeven
+of men de groote buitenpoort niet bij middel van vuur zou kunnen
+vernietigen, en dus eenen vrijen doorgang bekomen om de Kerels in de
+kerk zelve aan te tasten.
+
+Om dit te bewerkstelligen, hadden zij in de duisternis de poort der kerk
+met eene dikke laag vet en teer bedekt, en pik en harst en hout tot
+eenen hoop er voor te zamen gedragen.
+
+Intusschen hadden zij hunne mannen in al de omliggende gebouwen
+vergaderd en hun de noodige bevelen gegeven, om op het eerste sein de
+kerk binnen te stormen.
+
+Nu de dag ging aanbreken, hadden zij het vuur aan de licht ontbrandbare
+stoffen gestoken, en smeten nog immer, van uit hunne sterke
+schuilplaats, olie en pik in den gloed, om de verterende vlammen te
+voeden.
+
+Wel wierpen de Kerels van boven onophoudelijk zware steenbonken brandend
+stroo en kokende olie op het dak; maar de dikke balken waaruit het was
+samengesteld, en de versche ossenhuiden waarmede men het overdekt had,
+verijdelden al hunne pogingen.
+
+Intusschen verslond het vuur de deur wel langzaam doch voortdurend en de
+vlammen knaagden zoo onweerstaanbaar in het eikenhout, dat het, na een
+uur tijds, gansch verkoold bij brokken nederviel, en de steenen en de
+aarde ontdekte, waarmede de Kerels het voorportaal hadden opgevuld.
+
+Deze dam, geenen steun meer hebbende, rolde gedeeltelijk naar beneden;
+en het overige was in korten tijd geheel weggeruimd door eene bende
+Gentenaars, welke men tot dit einde had doen naderen.
+
+Dan bracht men in het voorportaal eenen draagbaren beukram, en begon
+daarmede zoo hevig tegen de binnendeur in te loopen, dat de gansche kerk
+er van dreunde.
+
+Dewijl het hout dezer deur niet dik was, kon zij niet lang aan het
+geweldig bonzen wederstaan en viel welhaast verbrijzeld neder.
+
+De Gentenaars, die in het voorportaal stonden, zonden eenen schallenden
+zegekreet in de hoogte en sprongen de kerk in; maar het gejuich was van
+korten duur. Daar stonden een honderdtal Kerels gereed om hen te
+onthalen, en nauwelijks hadden deze roekelooze Gentenaars hun zwaard
+kunnen verheffen, of zij lagen allen met gekloofd hoofd of afgehakte
+leden op den vloer.
+
+Nu galmden de bazuinen op het plein van den burg, en een zwerm vijanden
+liep uit al de omliggende gebouwen naar de kerk om de Kerels te
+verpletten. Zij vervulden de lucht met vroolijk krijgsgeschreeuw, en
+meenden als een onweerstaanbare vloed de kerk binnen te stormen; maar,
+hoe zij ook elkander verdrongen en vooruitstuwden, zij werden in hunne
+woeste vaart gestuit door den hardnekkigen tegenstand der Kerels, die
+als een ondoordringbare muur den nauwen ingang afsloten en alles
+nederhakten wat hen naderde.
+
+Na eene wijl lag het voorportaal vol lijken, en vloeide het bloed in
+beken onder de voeten der aanvallers.
+
+Zij, die nog op het plein zich bevonden en poogden vooruit te dringen,
+wisten niet hoevelen hunner makkers in deze enge plaats reeds het leven
+hadden verloren. Zij juichten, hitsten elkander aan en deden niets dan
+roepen:
+
+"Vooruit! Vooruit! Zege! Zege!"
+
+Hun onweerstaanbaar gedrang had dan eindelijk voor gevolg dat de Kerels,
+hoe schrikkelijk zij ook onder de Isegrims hakten, voor den druk der
+aanvallers moesten wijken en dus gedwongen werden hunnen vijand den
+vrijen doorgang te bieden.
+
+Zij hadden alles voorzien en de kansen hunner verdediging sedert lang
+berekend. Nu deinsden zij door eene eenparige beweging als op een geheim
+bevel, tot onder de zijbeuk der kerk, met den rug tegen de deur van den
+nauwen trap, langswaar men tot de kapelle opklom. Zij zouden dus dezen
+weg naar de opperkerk zoolang mogelijk verdedigen en, moesten zij den
+strijd opgeven, langs daar de gaanderij bereiken, waar zij nieuwe
+middelen tot wederstand moesten vinden.
+
+Ridders en wapenknechten waren nu, onder het aanheffen van triumfkreten
+en wraakgeroep, den tempel binnengestroomd; en wie plaats kon vinden om
+de Kerels te naderen, had hen met woede aangevallen.
+
+Het ging er lijf om lijf; men zag hier en daar zelfs Kerels en
+Isegrims, door het gedrang belet hun zwaard te nemen, elkander
+aangrijpen en, ten gronde rollende, ijselijke pogingen doen om hunnen
+vijand te versmachten, totdat ze beiden werden verpletterd of doorboord.
+
+Dewijl de Kerels in eenen dichten hoop stonden en van alle kanten eene
+heldhaftige tegenweer boden, was het den aanvallers niet mogelijk hunne
+gelederen te breken. Nog een ander en even groot voordeel had voor hen
+deze wijze van strijden; want zoo beletteden zij het grootste gedeelte
+der Isegrims werkelijk aan de worsteling deel te nemen.
+
+Dit schromelijk gevecht in de kerk duurde bijna een half uur voort, met
+immer klimmende woede en wreedheid. De vloer des tempels lag bezaaid met
+honderden lijken, en de strijdenden plasten hier en daar tot aan de
+knoesels in het gestorte bloed[81].
+
+Bij dezen onverwachten tegenstand en bij het gezicht van zulk verlies
+aan dooden en gekwetsten, huilden ridders en wapenknechten van razernij
+en wraakzucht, en drongen telkens met nieuwe drift elkander naar den
+hardnekkigen vijand vooruit.
+
+Hoe de Kerels ook de Isegrims bij hoopen nedervelden, zij zelven zagen
+insgelijks velen hunner gezellen onder de slagen des vijands bezwijken,
+en hun getal was eindelijk zoozeer verminderd dat men niet kon twijfelen
+of zij zouden welhaast geheel worden verpletterd.
+
+Op een bevel van den kastelein Hacket weken zij langzaam en even moedig
+strijdend naar den trap der gaanderij, sprongen allen te gelijk naar
+boven en wierpen de trapdeur toe.
+
+Terwijl eenigen hunner, die men op voorhand had aangewezen, den ganschen
+trap opvulden en verstopten met daartoe gereedgelegde steenen en zakken
+aarde, liepen de anderen naar de kapelle.
+
+Hier op de verhevene gaanderij staande, begonnen zij in den dichten
+drom hunner vijanden zoodanig met steenbonken te werpen, met pijlen te
+schieten en met kokende olie, die de Kerlinnen hadden bereid, in het
+ronde te gieten, dat de Isegrims binnen eene korte wijle tijds meer
+hunner makkers zagen vallen dan zij er gedurende de lange en bloedige
+worsteling hadden verloren. De plaats was voor hen niet langer te
+behouden, wilden zij zich niet nutteloos aan eene geheele verdelging
+blootstellen.
+
+Een bazuingalm riep hen terug onder de tegenoverstaande zijbeuk der
+kerk, waar de werptuigen hunner vijanden hen niet konden bereiken.
+
+Intusschen bleven de Kerels boven de gaanderij waakzaam om alwie zich
+langs dien kant der kerk dorst wagen neer te schieten of te
+verpletteren; maar de Isegrims hielden zich schuil onder de zijbeuk en
+schenen daar onder elkander over iets te raadplegen.
+
+Dakerlia kwam met uitgestrekte armen tot Robrecht geloopen en juichte
+over zijne behoudenis; maar een grievende angstschreeuw ontvloog de
+ontstelde jonkvrouw, toen haar verloofde, stom en met eenen traan in de
+oogen, den vinger naar de benedenkerk richtte en daar op een lijk wees
+dat met verpletterd hoofd ten gronde lag uitgestrekt.
+
+"Wee, wee, Yorg Koevoet!" zuchtte Dakerlia. "Hij heeft Kerlingaland, hij
+heeft onze vrijheid zijne heldenbloed gegeven! De goede God weze zijne
+arme ziel genadig!"
+
+Robrecht durfde nauwelijks in de kapelle rondzien; want zeker, vele
+vrienden vermisten zij, en de berekening van hun verlies zou hen met
+eene eindelooze droefheid slaan. De kastelein was aan het hoofd gekwetst
+en verzekerde nu glimlachend zijnen makkers dat zijne wonde slechts
+oppervlakkig en niet erg was.
+
+Eensklaps traden van onder de zijbeuk een bazuinblazer en een wapenbode
+vooruit. Deze laatste stelde den Kerels eenen wapenstilstand tot den
+avond voor, om de gekwetsten te kunnen oprapen en de dooden buiten de
+kerk te voeren. Hij beloofde hun, in naam van sher Baudewijn Van Aelst,
+die als overste hier gebood, dat men, zoolang de dag duurde, geene de
+minste daad van vijandelijkheid tegen hen zou plegen.
+
+De Kerels gaven hunne toestemming, op voorwaarde dat slechts eenige
+wapenknechten vrij door de kerk zouden mogen gaan om de lijken weg te
+nemen. Al de anderen zouden onder de zijbeuk blijven of, wilden zij de
+kerk verlaten, nevens den muur naar de poort stappen. Wie langs de
+zijde, waarboven de kapelle was, zich waagde, zou oogenblikkelijk van
+boven worden nedergeschoten of met steenen verpletterd.
+
+Deze overeenkomst aldus gesloten en aanvaard zijnde, begonnen de
+Isegrims hun werk, en voerden dooden en gekwetsten buiten den tempel.
+
+Zich in het geheel niet op de beloften hunner vijanden betrouwende,
+hielden de Kerels nauwe wacht op hun gaan en komen en bleven den
+ganschen dag gereed om allen aanval af te slaan, intusschen immer
+werkzaam om op de gaanderij allerlei werptuig bijeen te dragen.
+
+Toen de avond was gevallen, zaten zij bijna allen te zamen in de
+kapelle, waar eenige lampen brandden, of lagen hier en daar, in hoeken
+of op banken, worstelende tegen den slaaplust en denkend aan den
+noodlottigen strijd van dien rampspoedigen dag.
+
+Zij hadden hunne overblijvende mannen geteld. Eilaas, meer dan de helft
+hunner trouwe makkers hadden den dood in de bloedige worsteling
+gevonden! Van de vijfhonderd Kerels en poorters die met hen de
+verdediging van den burg hadden begonnen, leefden er nog zeventig!
+
+De kastelein Hacket was zeer bleek ten gevolge van het bloed dat hij had
+verloren, en scheen afgemat en mismoedig.
+
+Burchard Knap zat met het hoofd op de handen in eenen halfduisteren hoek
+en bulderde schrikkelijke vermaledijdingen tegen Willem Van Loo en tegen
+de Kerels, die hun niet ter hulp kwamen, maar bovenal tegen Disdir Vos,
+den verrader, zonder wiens hulp de vijand nooit binnen Brugge zou
+geraakt zijn. Hij zwoer bij duren eede dat, indien hij ooit zijne
+vrijheid terugbekwam, hij geene rust zou genieten voordat hij Disdir Vos
+het valsche hart uit den boezem hadde gerukt.
+
+Terwijl hij dus in zich zelven morde en gromde, wierp hij sombere
+blikken in het ronde, als waande hij in zijne makkers zelven vijanden te
+zien. En waarlijk, daarin bedroog hij zich niet geheel; want buiten
+eenige Houtkerels beschouwden allen hem in hun gemoed als de oorzaak der
+ongelukken die hen zelven en Kerlingaland bedreigden.
+
+Robrecht Sneloghe alleen poogde door zijne woorden den Kerels nog
+vertrouwen op redding in te boezemen. De veldslag tusschen den koning
+van Frankrijk en Willem Van Loo moest nu geleverd zijn of ging geleverd
+worden. Niet van hunne verdediging te dezer plaatse hing hun lot af;
+maar van dien beslissenden strijd in het open veld. Alle uren konden zij
+de zegepraal van het groote Kerlenleger vernemen, en die zegepraal moest
+ook het einde zijn van hunne gevaren en van hun lijden.
+
+Zoo bleven degenen, die niet onder de vermoeidheid en onder den
+slapensnood bezweken, elkander troosten en aanmoedigen tot diep in den
+nacht.
+
+Dan hoorden zij eensklaps eene stem die van buiten de gaanderij tot hen
+scheen te komen en op versmachten toon hun toeriep:
+
+"Storm op zee! Stil, stil, ik ben een vriend, een Blauwvoet!"
+
+Robrecht deed zijnen makkers een teeken dat zij beweegloos zouden
+blijven.
+
+Hij zag een menschenhoofd boven de gaanderij opdagen.
+
+"Hemel!" mompelde hij, "bedriegen mij mijne oogen? Ivo-de-wolvenjager!
+Zonder baard? Gekleed als een wapenknecht?..."
+
+Ivo legde zich den vinger op den mond en stapte over de leuning der
+gaanderij.
+
+Terwijl de Kerels hem met verbaasdheid bezagen, trok hij met dezelfde
+geheimzinnige stilte eene lichte ladder in de hoogte en legde ze ten
+gronde.
+
+Dan liet hij zich op eene bank nedervallen en zeide op treurigen toon:
+
+"Vrienden, laat mij ademscheppen.... Ik heb mij als een wapenknecht
+verkleed en vele gevaren getrotst om tot u te komen. Ach, mijne arme
+gezellen, ik vervul eenen droeven plicht.... Ik ben een ongeluksbode....
+De oude Bertulf de proost is dood...."
+
+"Dood! De proost van St-Donaas?" kreten allen te gelijk door eenen
+plotselijken angst aangegrepen.
+
+"Ja, dood; gemarteld, ijselijk gemarteld!"
+
+Degenen die in de verre hoeken zaten, naderden den bode; men wekte zelfs
+de slapenden, en allen omringden Ivo-den-wolvenjager en overlaadden hem
+met vragen. Hacket stortte tranen over zijnen ongelukkigen broeder,
+Robrecht beweende zijnen oom; bleek en met kloppend hart hielden zij de
+oogen gericht op Ivo-den-wolvenjager, die zijne verklaring aanving en ze
+met eenige onderbrekingen dus voortzette:
+
+"Wij zijn door Walter Van Lillers behouden buiten de stad geleid, en
+ondernamen met moed en met vertrouwen onze lange reis door de
+nachtelijke duisternis. De oude proost, die niet gewoon was te voet te
+gaan en elk oogenblik struikelde, bezeerde zich dikwijls en begon al
+spoedig van vermoeidheid te klagen. Wij mochten echter niet rusten;
+want, bereikten wij voor den morgenstond het leger der Kerels niet, dan
+liepen wij groot gevaar van in handen der Fransche krijgsknechten te
+vallen. Ik ondersteunde den heer proost zooveel ik kon, ja, droeg hem,
+om zoo te zeggen, gedurende de twee laatste uren, want zijne voeten
+waren gewond en bloedend.... Toen de eerste dagschemering zich aan den
+hemel begon te vertoonen, verlieten wij de baan omtrent Roozebeke, en
+traden op eene hofstede waar een goed vriend van mij woont. Zeker, de
+man zou naar het leger zich begeven hebben; hij is een onversaagde
+Kerel, een verkleefde Blauwvoet, die vurig wenschte zijn bloed voor de
+verdediging onzer vrijheid te mogen vergieten; maar zijne vrouw en
+kinderen zouden op de hofstede zijn. Daar zou de heer proost kunnen
+rusten en eenig voedsel tot versterking gebruiken. Tot mijne groote
+verwondering vond ik den Kerel te huis. Toen ik hem zeide dat mijn oude
+gezel niemand anders was dan de proost van St-Donaas te Brugge, deinsde
+de Kerel met eene grijns van gramschap en misprijzen terug en mompelde:
+"Een Erembald, een moordenaar, een verrader van Kerlingaland!"--Door
+goede woorden wekte ik zijn medelijden op en bracht hem tot bedaren.
+Terwijl de proost, door dit slecht onthaal mismoedig, wat brood en melk
+poogde te nuttigen, vernam ik over den toestand der zaken in
+Kerlingaland zeer bedroevende dingen. De tijding van den moord des
+graven heeft de tweespalt tusschen de Ambachten gezaaid, waarvan velen
+geweigerd hebben te wapen te komen, om de verantwoordelijkheid der
+misdaad zelfs niet in schijn te aanvaarden. Men beschuldigt algemeen de
+Erembalds van Brugge onze vrijheid en Kerlingaland te hebben verraden;
+want door den moord hebben zij de beslissingen, die in den Hoop te
+Veurne genomen waren, onuitvoerbaar gemaakt en op voorhand
+verijdeld.--Het zijn de woorden van mijnen vriend.--In de Ambachten
+zelve, die hunne mannen ter beschikking van Willem Van Loo hebben
+gesteld, zijn vele Kerels te huis gebleven; en zij, die opgetrokken zijn
+en zich in het leger bevinden, vermaledijden niet min de Erembalds als
+de oorzaak van 's lands ongeluk."
+
+"Door elkeen gehaat, door de gansche wereld vervloekt als laffe
+moordenaars!" zuchtte Robrecht.
+
+"Ga voort, laat al dien praat van bloode lieden achter en zeg ons wat
+mijnen oom den proost is geschied!" gromde Burchard Knap met beklemde
+woede.
+
+De anderen, zeer ontsteld en nieuwsgierig om het einde dezer verklaring
+te hooren, luisterden in stilte.
+
+Ivo-de-wolvenjager hernam:
+
+"De woorden van mijnen vriend deden ons twijfelen aan den goeden uitslag
+onzer zending. Er was echter niet te aarzelen, en alhoewel de arme heer
+proost schier niet meer kon gaan, wilde hij toch de pijnlijke reis
+voortzetten.--Wij geraakten, met overspanning onzer krachten, eindelijk
+in den morgen te Zonnebeke. De heer proost kon niet verder en viel daar
+in eene herberg bijna machteloos op eene banke neder. Al de paarden,
+karren en voertuigen der omstreken waren in het leger, dat binnen en
+rondom Yperen zich bevond. Ik besloot dan alleen naar deze stad te gaan,
+om mher Willem de komst van den proost bekend te maken en hem te
+verzoeken mij een rijtuig te doen geven om hem naar Yperen te doen
+voeren. Ik volbracht mijne boodschap. Een wagen, door een twintigtal
+Kerels, met eenen overste vergezeld, volgden mij naar Zonnebeke.--Daar
+vielen de Kerels op mij en ontrukten mij mijn zwaard. Terwijl men mij
+vasthield om mij alle beweging onmogelijk te maken, greep men, onder het
+bulderen van allerlei smaadwoorden, den ouden proost aan, bond hem de
+armen op den rug en smeet hem barschelijk op den wagen. De zweep werd op
+de paarden gelegd, en wij vertrokken naar Yperen. Mij had men insgelijks
+gebonden; maar de overste, die mij goed kende, zeide mij dat men mij van
+niets beschuldigde. Indien ik mijn woord wilde geven dat ik mij zou
+stilhouden en niet pogen te ontvluchten, zou men mij zonder banden den
+gevangen proost laten vergezellen. Ik aanvaardde.--Toen wij Yperen
+gingen naderen, vonden wij, zelfs buiten de stad, eene menigte poorters
+en Kerels, die nevens de baan op ons schenen te wachten. Ach, hoe zal ik
+het u zeggen, wat den armen proost daar en tot op de Markt van Yperen
+wedervoer? Eerst overlaadde men hem met vermaledijdingen en riep men
+onophoudelijk, zoo luid en zoo woedend, dat het over de velden
+hergalmde: "Ter dood, ter dood, de laffe moordenaar! Versmoort hem in
+het slijk, den verrader van Kerlingaland!"--Bij de poort der stad rukte
+de razende menigte den proost van den wagen en dwong hem te voet te
+gaan. Dan begon men hem met modder en met steenen te werpen ..."
+
+Een gemor van ijzing en angst vervulde de kapelle; de kastelein Hacket,
+door het akelig lot zijns broeders verpletterd, had het hoofd gebogen en
+de handen voor de oogen gelegd. Robrecht en Dakerlia hielden hunne
+strakke blikken op Burchard gevestigd en schenen hem te verwijten dat
+hij de schuld was van Bertulfs ongeluk.
+
+Zoo ontsteld en aangegrepen door het verhaal van Ivo, hoorden de Kerels
+niet dat de doffe hamerslagen, naar de zijde van het klooster, weder
+waren hervat. Misschien meenden zij het gevaar dezer poging niet nabij
+genoeg, om er nu eene bijzondere acht op te slaan.
+
+De wolvenjager ging voort:
+
+"De proost, alhoewel ziek en uitgeput, stapte met opgeheven hoofd
+tusschen den razenden volkshoop; hij had, zooveel zijne banden het hem
+toelieten, de handen samengevoegd en scheen te bidden. Wij kwamen te
+midden der Markt, en vonden daar Willem Van Loo met de oversten der
+Kerels. Mher Willem verweet den proost met hevige gramschap, dat hij tot
+den moord van graaf Karel had geholpen, en door deze afschuwelijke daad
+der Kerlen macht had gebroken. De proost beschuldigde integendeel mher
+Willem en beweerde dat hij zelf aan zijnen neef Burchard bevel had
+gegeven om Karel van Denemarken te dooden. Mher Willem loochende en
+zwoer dat hij niets er van had geweten; maar dewijl de proost zijn
+gezegde staan hield en de waarheid er van poogde te bewijzen, werd mher
+Willem zoo woedend, dat hij luidop bevel gaf om den ouden proost ter
+dood te brengen ... Mocht ik hier mijne openbaring eindigen! Mijn hart
+beeft en mij spookt nog het ijselijk schouwspel voor de oogen ... Op een
+kruis genageld, met ijzeren tangen verscheurd, door de menigte met
+modder overdekt, gehoond, bespot, vermaledijd, de oogen tot God en voor
+zijne beulen biddend ... zoo is de oude proost van St-Donaas
+gestorven[82] ."
+
+Ivo-de-wolvenjager borst in tranen. Er bleef gedurende eene wijl eene
+doodsche stilte heerschen, zoo diep waren allen onder schrik en
+droefheid neergedrukt.
+
+"Ach, Burchard, ongelukkige, wat hebt gij gedaan!" riep de kastelein.
+"Gij zijt niet alleen de schuld van mijns broeders gruwelijken dood,
+maar tevens van het verderf uws vaderlands! Geheel uw geslacht zal
+vernietigd worden tot straf uwer misdaad. Waarom zeidet zij ons dat mher
+Willem u had bevolen den graaf te dooden?"
+
+"Willem Van Loo is een snoodaard; hij liegt!" schreeuwde Burchard. "Hij
+was de eerste wien het ontwerp werd bekend gemaakt, en hij heeft het
+goedgekeurd. Is hij nu valsch genoeg om het pak zich van de schouders te
+schudden, ik veracht hem als een lafaard die hij is. Men beticht mij de
+zaak van Kerlingaland te hebben verdorven? Het is belachelijk! Neen, wie
+onze vijand heeft vermoord, wie ons machteloos ten prooi der Isegrims
+heeft geleverd, is niemand dan de proost Bertulf zelf ..."
+
+"O, mijn God, dat gaat te verre! Zijnen armen oom, zijn slachtoffer
+hoonen tot in het graf!" galmde Robrecht, de verkrampte vuist tot
+Burchard vooruitstekende.
+
+"Ha, ik vrees uwe bedreigingen niet!" zeide deze. "Het zijn de
+toegevingen, de aarzelingen, de vreesachtigheid, de traagheid van den
+proost, die de zaak van Kerlingaland hebben verloren."
+
+"Neen", kreet Robrecht, "gij alleen hebt ons verraden; gij alleen hebt
+onze vrijheid en ons vaderland vermoord. Indien de gansche wereld ons
+vermaledijdt, dan is het omdat gij uwe misdadige handen in het bloed van
+graaf Karel hebt gedoopt. Ha, ha, zeg wat gij wilt, maar op uw graf
+kleeft nog na vele eeuwen Vlaanderens onuitwischbare vloek!... Laffe,
+valsche moordenaar!"
+
+Burchard had zijn zwaard opgeheven en riep bulderend dat hij mher
+Sneloghe het hoofd wilde klooven. Robrecht, niet min door woede
+ontsteld, wilde insgelijks met uitgetogen wapen naar Burchard springen.
+Beiden, door hunne verschrikte gezellen met geweld wederhouden,
+worstelden om elkander te kunnen naderen. Maar op dit oogenblik hoorden
+zij achter den autaar der kapelle een bonzend gerucht als van eenen hoop
+nederrollende steenen, en onmiddellijk daarop den korten toon van eenen
+hoorn, die door de donkere kerk weergalmde.
+
+"Harop, harop! De vijand, de vijand!" schreeuwden de Kerels, terwijl
+zij, alles vergetend, naar den autaar vooruitsprongen om hun leven te
+verdedigen.
+
+Hier begon alweder eene bloedige worsteling. De Gentenaars waren door
+den uitgebroken muur in groot getal binnen de kapel gedrongen, en onder
+een luid krijgsgeschreeuw vielen zij de verraste Kerels met groote woede
+aan. Zij bekochten echter hunne vermetelheid zeer duur: want de eersten
+werden onmiddellijk neergehakt en degenen die na hen in de nauwe opening
+zich vertoonden smaakten den dood vooraleer zij den voet op den vloer
+der kapelle konden zetten.
+
+Gewis, de Kerels zouden het hier zeer lang volgehouden hebben en
+misschien des vijands poging geheel verijdeld; want, daar de Gentenaars
+door eene lange gang moesten komen om tot hen te naderen, was het hun
+gemakkelijk ze allen opvolgend te verpletten Maar terwijl zij door dit
+gevecht naar de andere zijde der kapel waren gelokt, kwamen de ridders
+en wapenknechten in de kerk met lichte ladders toegeloopen, en beklommen
+zonder eenig beletsel te ontmoeten de gaanderij.
+
+Onder het aanheffen van zegevierend krijgsgeschreeuw vielen zij in
+groote menigte de Kerels van achter op het lijf; en dezen, dus geheel
+ingesloten, moesten onfeilbaar in korten tijd bezwijken. Nog eene wijl
+hielden zij het vol en weerden zich met leeuwenmoed, den vloer bezaaiend
+met de verminkte lichamen hunner vijanden en met hunne eigene lijken,
+totdat de overblijvenden, hun klein getal bemerkende, alle hoop opgaven,
+immer strijdend naar eenen kleinen trap weken en hun heil op den toren
+zochten[83].
+
+Dewijl zij ook de mogelijkheid zulker vlucht hadden berekend, en op
+voorhand de middelen tot redding hadden bereid, was de toegang naarboven
+in een oogenblik verbalkt en de enge trap met steenbonken opgevuld.
+
+
+[Illustratie: "Ha, ik vrees uwe bedreiging niet!" (Bladz. 453.)]
+
+
+Toen zij op de gaanderij van den toren kwamen en elkander met wanhoop
+riepen, bevonden zij dat zij slechts nog veertig in getal waren;
+zevenendertig man en drie vrouwen!
+
+De kastelein Hacket was niet meer met hen!
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 81: "In de kerk vocht men met de hevigste vurigheid, en bij
+den toren was er zulke groote bloedstorting en menschenslachting, dat ik
+het niet zou kunnen beschrijven, noch het getal uitdrukken dergenen die
+werden gedood of gewond."
+
+GALB., p. 380.]
+
+[Voetnoot 82: Zie het verhaal van Bertulfs schrikkelijke folteringen en
+dood, op bevel van Willem Van Loo, bij GALBERTUS, p. 341.]
+
+[Voetnoot 83: Volgens GALBERTUS (p. 353) werden de Kerels den 14 April,
+na een bloedig gevecht, uit de opperkerk op den toren gedreven.]
+
+
+
+
+XXIV
+
+
+Er gloeide in Robrechts hart een diepe haat tegen den moordenaar
+Burchard, die, wel zeker de oorzaak van al hunne ongelukken zijnde,
+echter boos genoeg was geweest om de schuld op zijnen armen oom Bertulf
+te leggen en hem zelfs na zijnen ijselijken marteldood nog te hoonen.
+
+Van zijnen kant, was Burchard zoo verbolgen dat hij geenen blik op mher
+Sneloghe of op Dakerlia kon werpen, of hij sidderde van woede en
+wraakzucht.
+
+Zij hadden op den toren nog hevige verwijten en uitdagingen gewisseld;
+maar de krachtdadige tusschenkomst hunner gezellen en de zekerheid dat
+zij bij het eerste morgenlicht weder zouden worden aangevallen, brachten
+hen, in schijn ten minste, tot bedaren.
+
+Te zamen konden zij evenwel niet blijven; want bij het minste woord
+zouden zij elkander aan het lijf willen, en dan werden de Kerels
+blootgesteld aan het gevaar van elkander in eenen gruwelijken
+broederstrijd te vernielen.
+
+Het verlies van den kastelein liet de Kerels zonder opperhoofd. Wie zou
+nu over hen gebieden? Robrecht? Burchard? Geen van beiden zou de bevelen
+van den anderen aanvaarden. Ja, zij konden elkander niet meer naderen
+zonder in gramschap te ontvlammen.
+
+Toen de dag reeds lang was aangebroken en men geene beweging onder de
+vijanden opmerkte, brachten de algemene vermoeidheid en de nood tot
+rusten, als van zelf de oplossing van het lastig raadsel.
+
+Op den toren der kerk waren twee gaanderijen. De laagste was groot en
+breed; de opperste, die wel vijftig voet boven de eerste was verheven,
+had eenen minderen omvang. Zoo was insgelijks het binnenste van den
+toren in twee verdiepen gedeeld, welke ruimte genoeg aanboden om zoo
+weinig menschen tot woning te verstrekken.
+
+Burchard, met een twaalftal Houtkerels, die uit plichtgevoel hem nog
+bijbleven, klom naarboven en nam bezit van de opperste gaanderij. Hij
+zou tot de verdediging medewerken zonder echter iemands bevel te
+erkennen.
+
+Opmerkelijk was het,--en Burchard bevond het nu met spijt en
+schrik,---dat van al de Houtkerels die op den morgen van den moord met
+hem in de kerk geslopen waren, geen enkele meer op den toren was. Allen
+waren gesneuveld of gevangen.
+
+De overige mannen bleven met Robrecht op de groote gaanderij waar zij,
+binnen den toren, in allernaast met planken en tapijten eene soort van
+kamer timmerden, om den drie vrouwen eene behoorlijke slaapstede te
+bezorgen.
+
+Na langs de vier zijden des torens schildwachten te hebben gezet, met
+den last bij den minsten schijn van aanval hen door den Harop-kreet te
+wekken, gingen de overige Kerels binnen den toren en legden, zoo zij
+best konden, zich hier of daar ter rust.
+
+Van de hoogte waarop zij stonden zagen de schildwachten over de gansche
+stad heen en niets van alwat op de Markt, op den Maalberg of in de
+naastbijgelegene straten gebeurde, kon hunne aandacht ontsnappen.
+
+Wel bespeurden zij dien ganschen morgen eene groote beweging van
+poorters en wapenknechten in de stad; maar dezen volgden allen de
+richting naar St-Salvators, alsof zij daar eenen plechtigen kerkdienst
+gingen bijwonen.
+
+Een weinig voor elf uur werd hun de reden dier beweging verklaard
+
+Uit de kerk stroomde alsdan een groote toevloed van lieden, die de
+Steenstraat geheel overdekte en langzaam naar de Markt vooruitkwam. Hij
+was samengesteld uit ridders, poorters en wapenknechten klaarblijkend
+niet op vijandelijkheden bedacht, aangezien zij met elkander waren
+vermengd en nu pogingen deden om zich in eenen stoet te schikken.
+
+Na eene wijl traden uit de kerk een groot getal priesters, diakens en
+zangers, met vanen, standaarden en wierookvaten. Dezen stelden zich aan
+het hoofd van den stoet en gaven, door het aanheffen van een treurigen
+lijkzang, het sein tot den optocht.
+
+In den eerste wisten de schildwachten op den toren niet wat deze
+plechtigheid te beduiden had; maar toen de zingende priesters met hun
+gevolg over de Markt kwamen en de Hofstraat insloegen, twijfelden zij
+niet meer, of hun doel moest zijn het lijk van Karel van Denemarken uit
+St-Donaas weg te halen en het op niet ontwijde aarde en in eene betere
+grafstede te leggen.
+
+Zij wekten hunne gezellen en zeiden hun wat er geschiedde, en hoe
+duizenden menschen in den burg gingen treden; maar dewijl de Kerels
+uiterst vermoeid en slaperig waren, wilden de meesten hunne rust niet
+laten, om naar iets te gaan kijken dat hun als geen gevaar aanbiedende,
+geheel onverschillig was.
+
+Robrecht, met vier of vijf zijner gezellen, kwam op de gaanderij en
+schouwde neder op den stoet die nu binnen den burg trad en, zonder der
+Kerlen pijlen of hunne steenen te vreezen, tot aan den voet van den
+toren zelven vooruitstapte, om in de kerk te gaan. Mher Sneloghe
+begreep dat de priesters vertrouwen genoeg in der Kerlen godvruchtigheid
+hadden gehad om te denken dat zij deze lijkplechtigheid niet door het
+plegen van vijandelijkheden zouden storen. Hij gebood zijne mannen hunne
+bogen neder te leggen om in stilte te aanschouwen wat daarbeneden
+geschiedde.
+
+De stoet bleef weinigen tijd in de ontheiligde kerk.
+
+Eerst traden de priesters, zingend en in wolken wierook gehuld, er uit.
+Achter hen kwamen eenige ridders met eene lijkbaar waarop, onder een
+zwart kleed met zilveren kronen, de doodkist, die het lichaam van graaf
+Karel bevatte, werd gedragen.
+
+Al de poorters volgden met ontdekten hoofde. Velen weenden zichtbaar, en
+het klagen en jammeren der vrouwen klom, als een beschuldigend gebruis,
+tot op de gaanderij waar de Kerels zich bevonden.
+
+Tot alsdan was alles stil en vreedzaam toegegaan; maar nu werden er
+eensklaps door de Houtkerels der bovenste gaanderij eenige pijlen onder
+den dichten stoet geschoten, en drie of vier poorters vielen gewond
+neder.
+
+Dan rees er een lange en schallende wraakkreet onder de menigte op, en
+terwijl velen der tegenwoordig zijnde lieden den burg afvloden, staken
+de anderen de gebalde vuisten dreigend tegen de Kerels op en stuurde hun
+de schrikkelijkste vermaledijdingen toe.
+
+Aangezien het voorste gedeelte van den stoet reeds in de Hofstraat was
+getreden en buiten het bereik der Kerels zich bevond, stoorde deze
+vijandelijke aanval de plechtigheid niet ernstigerwijze.
+
+Eenige oogenblikken daarna hadden al de poorters het plein van den burg
+verlaten en, ofschoon nog immer van verre de Kerels bedreigende, volgden
+zij de priesters naar de St-Christoffelskapelle waar men, in afwachting
+van 's konings terugkomst, het lijk des graven zou nederzetten.
+
+Het geschreeuw en gedruisch der vluchtende menigte had al de Kerels op
+de gaanderij gelokt.
+
+Robrecht, ten uiterste verbitterd over den aanval door de Houtkerels
+tegen den lijkstoet gepleegd, meende naarboven te loopen om Burchard
+rekening over deze nuttelooze baldadigheid te vragen maar zijne gezellen
+en Dakerlia wederhielden hem door hunne gebeden ...
+
+In den namiddag stond Robrecht met Dakerlia op de gaanderij. Hij poogde
+zijnen mannen nog eenige hoop in te boezemen. Het Kerlenleger kon in den
+eersten veldslag tegen den koning van Frankrijk de overwinning behalen.
+Dan werden zij verlost; en vermits zij allen hunne onschuld aan den
+moord des graven konden bewijzen, zouden zij hunne vrijheid bekomen en
+ongehinderd naar Kerlingaland mogen terugkeeren.
+
+Terwijl hij nog sprekende was, werd hij in zijne rede onderbroken door
+eenen Kerel die over de Markt wees en zeide:
+
+"Ziet, ziet, ginder ten einde der Markt! Men gaat ons aanvallen! Vele
+benden wapenknechten, boogschutters ..."
+
+Inderdaad, uit de St-Jacobsstraat kwam op dit oogenblik, met ontrolde
+banieren en klinkende bazuinen, eene talrijke schaar krijgslieden over
+de Markt en richtte zich naar den burg.
+
+Op Robrechts bevel werd in allerhaast het vuur onder de ketels met olie
+ontstoken en steenen naar den Zuiderkant des torens in hoopen
+bijeengedragen.
+
+De wapenknechten traden op het middenplein van den burg, en terwijl zij
+zich daar langs de Loove en het Gijselhuis in een vierkant schikten,
+stapte uit hun midden een bazuinblazer met eenen wapenbode vooruit. Deze
+riep den Kerels toe dat hun een wapenstilstand tot het einde van den
+dag werd voorgesteld, opdat zij zouden kunnen aanhooren wat de veldheer
+door zijne zaakgelastigden hun wilde zeggen.
+
+Ten teeken van toestemming hingen de Kerels eene witte vlag buiten de
+gaanderij. Den wapenbode aansprekende, vroegen zij hem wat hij hun
+vanwege den veldheer te melden had; maar hij gaf hun te kennen dat zij
+een weinig op de boodschap moesten wachten.
+
+Over dit antwoord verwonderd, keken de Kerels met overspannen
+nieuwsgierigheid naar den kant der Markt, waar des veldheers woning
+stond. Wat ging men hun voorstellen? De vrijheid? de gevangenis? den
+dood? Hadden de Kerels over het Fransche leger gezegepraald?
+
+Eensklaps werd hunne aandacht opgewekt door eenen verwarden volksdrom,
+die van uit de Steenstraat over de Markt kwam gevloeid en eenige
+wapenknechten scheen te omringen.
+
+"Wat mag dit zonderling gewoel toch beduiden?" morde Robrecht.
+
+"Eilaas!" zuchtte Dakerlia, de handen klagende opheffende, "de Isegrims,
+over de bloedige storing der lijkplecht verbitterd, komen zich wreken."
+
+"Die wanordelijke volkshoop?" vroeg Robrecht verwonderd.
+
+"Akelig, akelig! Zij zullen hier, onder onze oogen, iemand martelen!"
+
+"Wie zou het zijn, meent gij?"
+
+"Gave God, Robrecht, dat mijne vrees ongegrond ware. Arme Hacket!"
+
+"Mijn oom, zij zouden mijnen armen oom onder ons gezicht vermoorden?
+Kom, Dakerlia, zulk schouwspel is te gruwelijk; ik zou het niet kunnen
+zien; treden wij binnen den toren."
+
+En dit zeggende, verliet hij de gaanderij met zijne verloofde; maar
+nauwelijks had hij eenige stappen gedaan, of een Kerel kwam hem
+achternageloopen en riep hem toe:
+
+"Mher Sneloghe, gij bedriegt u: het is onze kastelein Hacket niet, dien
+zij naar hier brengen. Neen, het is eene vrouw ..."
+
+Robrecht en Dakerlia slaakten terzelfder tijd eenen grievenden
+noodkreet.
+
+"Eene vrouw? O, hemel, eene vrouw!"
+
+Meer zeiden zij niet: hun vervaarde blik en de ontsteltenis huns gelaats
+toonden genoeg dat zij door eene schrikwekkende gedachte waren
+aangegrepen.
+
+Zij liepen terug naar de gaanderij en poogden, door het overspannen
+hunner gezichtskracht, te herkennen of de Kerel hun de waarheid had
+gezegd; doch nu de menigte zich verdrong om de Hof straat in te
+stroomen, was het hun onmogelijk iets te onderscheiden.
+
+Welhaast bereikte deze verwarde stoet de Hofpoort en trad op het
+middelplein van den burg.
+
+Dakerlia vloog haren verloofde met eenen angstschreeuw aan den hals.
+
+"Arme Robrecht!" zuchtte zij. "Wee, wee ons, het is Witta, de goede
+Witta! Gruwelijk, Disdir Vos, de valsche verrader, stoot haar voort en
+mishandelt haar!"
+
+"Mijne zuster? Zij ook, zij zou boeten voor de misdaad! O, neen, mijn
+God, laat mij sterven; maar behoed een arm, onschuldig kind!"
+
+Witta Sneloghe stapte tusschen een twintigtal wapenknechten die haar nu
+en dan barschelijk bij den schouder namen of haar voortstuwden. Disdir
+Vos was niet meer met haar; ongetwijfeld had hij zich achter den dam of
+onder het kerkportaal verscholen in de gegronde vrees dat zijne
+tegenwoordigheid sommige Kerels kon aandrijven om hem eenen pijl door
+het lichaam te schieten.
+
+Van zoohaast Witta op den burg was verschenen, had zij oogen en handen
+tot haren broeder en tot Dakerlia opgeheven, als wilde zij haar
+schrikkelijk lot hun klagen of hunne hulp afsmeeken. Tranen rolden de
+ongelukkige maagd over de wangen.
+
+Het was Robrecht zoo bang om het hart, dat hij sidderend naar beneden
+schouwde en geene andere klacht deed hooren dan een heesch en somber
+keelgeluid.
+
+Dakerlia, door zijnen angst en zijn lijden verschrikt, overwon hare
+eigene smart, om hem te steunen en te troosten. Zij zeide hem dat alle
+hoop niet was verloren. Misschien vreesden zij ten onrechte een ijselijk
+ongeluk. Zij kenden immers de inzichten des vijands niet ...
+
+Maar nu trad een wapenbode dichter bij den toren en riep hun toe:
+
+"In name van mher Gervaas Van Praet, veldheer der Vlaamsche heirkracht,
+spreek ik tot u. Hoort, wat hij u meldt. Geeft u over in zijne handen,
+opdat hij over het lot van elk uwer beschikke naar zijnen wil. Een half
+uur gunt hij u om tot deze overgaaf te besluiten. Indien gij voor het
+verloop van dien tijd u niet in zijne genade hebt overgegeven, zal, tot
+een voorbeeld en tot wraak over den moord van graaf Karel, deze
+jonkvrouw, Witta Sneloghe, zuster van een der moordenaars, onder uwe
+oogen door den beul het hoofd worden afgeslagen. Ziet aldus wat u te
+doen staat; wij wachten uw antwoord."
+
+Robrecht slaakte eenen schreeuw en beefde in al zijne ledematen; hij was
+schier ijlhoofdig en kon zijnen blik niet afwenden van zijne arme
+zuster, die biddend en smeekend immer de handen tot hem ophief.
+
+Dakerlia, door bedruktheid en schrik overstelpt, had de handen voor de
+oogen geslagen en weende bitter.
+
+De eindeloosheid van het ongeluk dat hem bedreigde en de akeligheid van
+zijnen toestand deden Robrecht een uiterst geweld inspannen om zijne
+smart te bedwingen. Er was geen tijd te verliezen; wat doodelijke angst
+hem ook folterde, hij was man en moest zelfs te midden der gruwelijkste
+gevaren sterkmoedig blijven.
+
+Zich tot zijne gezellen keerende, zeide hij haastig:
+
+"Vrienden, wat gaan wij doen? Weigeren wij ons over te geven, dan
+vermoordt men mijne zuster,--onnoozel kind, zoet en argloos als een
+lam!--Geven wij ons over zonder voorwaarden, zooals men het eischt, dan
+dreigt ons een onvermijdelijke dood. Wat gedaan? O, hemel, geeft mij
+raad! Wat gedaan?"
+
+De Kerels zwegen of morden binnensmonds. Het was klaarblijkend dat zij
+geenen lust gevoelden om zich weerloos in de handen hunner wreede
+vijanden te leveren; evenwel, uit medelijden voor den hachelijken
+toestand van hunnen overste, drukten zij hunne weigering niet door
+woorden uit.
+
+"Ach, nog eene zwakke hoop!" kreet Robrecht, "misschien zullen onze
+vijanden niet onverbiddelijk zijn en ons de voorwaarden toestaan die
+mijn oom Hacket hun vroeger heeft uitgedrukt. Wat voordeel brengt het
+toch Kerlingaland toe, dat wij nog eenige dagen op dezen toren blijven?
+Sterven,--indien dit lot ons door God is voorbeschikt,--sterven moeten
+wij allen. Waarom mijne zuster, waarom een onnoozel kind nutteloos
+geslachtofferd? Laat mij het beproeven: wil men ons beloven ons
+onmiddellijk te dooden en ons toe te laten onze onschuld aan den moord
+te bewijzen, dan, vrienden, ik smeek u, geven wij ons over! Mijne arme
+zuster zal gered zijn en wij, misschien, zullen worden gespaard ..."
+
+Burchard Knap die, om beter te hooren wat des veldheers bode zeide op de
+groote gaanderij was gekomen, viel Robrecht hier met eenen spotlach in
+de rede, en riep:
+
+"Zinnelooze woorden! Ziet gij niet dat de Isegrims deze nieuwe list
+uitgevonden hebben om ons in handen te krijgen en ons te martelen,
+zooals zij onze ongelukkige broeders hebben gemarteld? Al wat zij zeggen
+is bedrog en valschheid. Zoohaast gij beneden zijt zal men u doodslaan
+en uwe lijken met voeten treden. Wat mij betreft, ik geef mij niet over.
+Moet ik sterven, het zij dan met met zwaard in de vuist!"
+
+"Maar, maar, om Gods wille, Burchard", smeekte mher Sneloghe, "beneem
+mij dit laatste middel niet! Veroordeel mijne rampzalige zuster niet tot
+eenen gruwelijken dood!"
+
+"Te veel reeds hebben vrouwen onze verdediging gehinderd", gromde
+Burchard. "Voor het behoud van het leven uwer zuster zoudt gij het leven
+van al deze dappere mannen gaan opofferen? Het is belachelijk!"
+
+Robrecht meende tegen den barschen Burchard met woede uit te vallen;
+maar nu galmde hem van beneden eenen angstkreet in de ooren, die hem
+naar den boord der gaanderij deed springen. Hij zag de arme Wtta
+tusschen ridders en wapenknechten ten gronde geknield, terwijl een beul
+met uitgetogen zwaard nevens haar gereed stond om op het eerste sein
+haar het hoofd af te slaan.
+
+Bevend als een riet en schier zinneloos van verschriktheid, deed
+Robrecht een teeken dat hij wilde spreken. De wapenbode naderde en mher
+Sneloghe gaf hem te kennen dat de Kerels er in toestemden den toren te
+verlaten en zich in des veldheers handen over te geven op voorwaarde dat
+men hen allen in de gevangenis zou leiden en men hen door een
+gerechtshof zou doen oordeelen, opdat elk hunner gestraft wierde in de
+maat zijner schuldigheid.
+
+De wapenbode keerde terug naar de ridders die onder elkander met zekere
+hevigheid over deze voorstellen begonnen te raadplegen.
+
+Intusschen was Disdir Vos, door den gang der onderhandelingen verstout,
+uit zijne schuilplaats getreden en stond nu nevens de geknielde Witta,
+waar hij met eenen ridder, die de overste der wapenknechten scheen,
+begon te spreken.
+
+Burchard bemerkte den verrader van op den toren. Hij nam, zonder iets te
+zeggen, den boog uit de handen van eenen zijner mannen, legde er eenen
+pijl op en mikte ...
+
+Met eenen angstigen gil sprong Dakerlia naar hem toe en wilde hem den
+boog uit de handen rukken, terwijl zij riep:
+
+"Houd op, laat af, uw pijl is een doodvonnis voor de ongelukkige Witta!"
+
+Maar hij, met eenen enkelen zwaai zijner linkerhand, wierp de smeekende
+maagd zoo geweldig achteruit dat zij tegen den kerkmuur viel.
+
+De pijl snorde door de lucht en trof in eene schuinsche richting Disdir
+Vos op de schouderplaat; maar hier schampte hij af, verhief zich weder
+en doorboorde den hals van den overste der wapenknechten. Deze, zich
+doodelijk gekwetst voelende, begon te wankelen doch had nog, terwijl hij
+ineenzakte, de kracht om te roepen:
+
+"Sla toe! Sla toe!"
+
+De beul, op dit bevel, slingerde zijn bliksemend zwaard door de lucht
+... en het hoofd der arme Witta rolde ten gronde ...
+
+Een lange angstschreeuw, een akelige noodkreet weergalmde terzelfder
+tijd op het plein en op den toren.
+
+Robrecht Sneloghe, als hadde het gezicht van het bloedend lijk zijner
+zuster hem met versteendheid en verbijstering geslagen, lag beweegloos
+over de gaanderij en hield den strakken blik naar beneden. Hij sprak
+geen woord, en welke pogingen de weenende Dakerlia ook inspande om hem
+uit den afgrond zijner smart op te heffen, hij antwoordde haar niet.
+
+Eensklaps toch scheen de bewustheid van wat er was geschied in hem
+terug te keeren. Hij sprong achteruit, trok zij'n zwaard en riep tot
+Burchard, terwijl vele Kerels, die zijn inzicht begrepen, hem wilden
+weerhouden:
+
+"Moordenaar van den graaf, moordenaar van Bertulf, moordenaar mijner
+zuster, moordenaar van Kerlingaland, uw bloed moet ik hebben! Weze mijn
+arm de uitvoerder van Gods wraak! Het hoofd zal ik u klooven, vervloekte
+duivel, geboren tot ramp en schand van uw geslacht!"
+
+Hij was zoodanig door woede vervoerd, dat hij eenigen zijner gezellen
+overhoop smeet, zelfs Dakerlia met geweld terugdreef en bulderend
+vooruit liep naar Burchard die, met het zwaard in de vuist en eenen
+spotlach op de lippen, hem verwachtte.
+
+Nog immer poogden hunne gezellen hen van elkander verwijderd te houden;
+maar Robrecht riep op eenen toon, die geene wederspraak meer toeliet:
+
+"Kamp! Kamp! Wilt gij mij niet dwingen een moordenaar te worden, laat
+mij strijden tegen het wangedrocht! Achteruit, achteruit! Hij verdedige
+zich, of ik vel hem, onmensen die hij is, voor mijne voeten neder!"
+
+Door den kreet "kamp! kamp!" welken de beide vijanden terzelfder tijd
+aanhieven, zagen de Kerels zich gedwongen hen in vrijheid elkander te
+laten bevechten.
+
+Stervende van schrik en hare onmacht voelende, was Dakerlia op beide
+knieen nedergezonken en hield nu de handen ten hemel en bad God om
+bescherming.
+
+De zwaarden slingerden door de lucht en vielen nu en dan bonzend of
+knarsend op pantser of op helm. De uiterste woede zelve der strijders
+maakte hunne slagen onzeker. Na eene korte wijl echter bekwam mher
+Sneloghe zulken harden slag op den schouder dat hij er onder bukte en
+met eene knie ten gronde zonk. Een gil van doodelijken angst ontsnapte
+Dakerlia, die haren verloofde reeds dood waande; maar vooraleer Burchard
+opnieuw zijn zwaard kon verheffen, was Robrecht opgesprongen en
+achteruitgeweken.
+
+Onder het bulderen van sombere wraakkreten, liep hij weder tegen zijnen
+vijand in en trof hem zoo geweldig terzijde onder zijnen helm dat hij
+hem den hals half doorhakte.
+
+Eene onduidbare vermaledijding bonsde op uit Burchards borst; het bloed
+ontsprong hem in eenen dikken straal, en hij viel zonder beweging
+achterover.
+
+De Houtkerels naderden hunnen overste om zijnen helm te ontgespen en hem
+hulp te brengen; maar zijne wijde wonde en de doodverf op zijn gelaat
+lieten hun slechts weinig hoop--Burchard Knap had het leven verloren, en
+zijne ziel was opgeklommen tot God, om daar te verantwoorden over
+hetgeen hij op de wereld had gedaan.
+
+In den eerste had Robrecht met eenen glim van voldoening op zijnen
+gevallen vijand gestaard, doch na een kort oogenblik keerde het gevoel
+eener akelige zekerheid in hem terug, en hij sprong met eenen scherpen
+kreet naar de gaanderij.
+
+Over de leuning gebogen, schouwde hij naar beneden ... Hij zag hoe men
+het bloedig lijk zijner zuster van den grond ophief om het elders te
+voeren, en hoe een wapenknecht het afgehakte hoofd bij de haren hield en
+het zoo de arme doode achternadroeg ...
+
+Dit gezicht doorboorde hem het hart als een moordpriem. Hij viel
+ontzenuwd en vertwijfelend op de leuning der gaanderij, en begon te
+weenen en te snikken als een kind:
+
+"Dood, dood, mijne arme Witta!... Onschuldig en rein als een offerlam!
+God, o, God, Gij hebt ons vermaledijd!... maar waarom mijne arme
+zuster?... Wee, wee; mocht ik sterven!..."
+
+En overvloediger nog stroomden hem de tranen langs de wangen
+
+Dakerlia, niet min ontsteld en door droefheid verpletterd, poogde
+evenwel hem nog te troosten. Hij scheen haar niet te hooren en bleef in
+stomme hopeloosheid verslonden, totdat zij eindelijk, als laatste
+toevlucht, zijne mannelijke fierheid aanriep en hem deed begrijpen dat
+het gezicht zijner tranen de Kerels verschrikte en hun den moed geheel
+zou benemen.
+
+Hetzij de storm zijner smart een weinig was bedaard of dat hij eenige
+schaamte gevoelde over zijne weekhartigheid, hij luisterde naar de
+liefderijke vermaningen van Dakerlia, stond op, vatte haar de hand en
+stapte met haar in den toren, om daar in eenzaamheid zijne tranen te
+verbergen en zonder stoornis den dood zijner zuster te betreuren.
+
+Onderwijl waren de meeste Kerels bij het lijk van Burchard gebleven, en
+hadden hem helm en harnas ontgespt en hem de hand op het hart gehouden,
+om zich te verzekeren dat geen spoor van leven meer in hem overbleef.
+
+Dan zeide Ivo-de-wolvenjager tot hen:
+
+"Hij is dood, gansch dood!--Hij is het die graaf Karel heeft vermoord.
+Geen onzer heeft werkelijk deel aan deze misdaad genomen. De gezellen,
+die Burchard tot den noodlottigen slag hebben geholpen, zijn allen
+gesneuveld. De Isegrims wilden ons martelen alleenlijk omdat mher
+Burchard zich met ons bevond. Laat ons nu den wapenbode den dood van den
+moordenaar melden; en wellicht zullen de Isegrims ons dan gunstige
+voorwaarden tot onze overgaaf toestaan."
+
+Eenigen morden tegen dit voorstel; maar de meesten keurden het goed.
+
+Ivo-de-wolvenjager stapte naar den zuiderkant der gaanderij en riep uit
+al zijne macht tot de ridders:
+
+"Heeren, onder ons allen bleef nog slechts een man die schuldig was aan
+des graven moord, namelijk Burchard Knap. Ik maak u kond dat hij niet
+meer leeft; Robrecht Sneloghe heeft hem daareven in eenen kamp gedood!"
+
+Een gemompel van verbaasdheid of van twijfel ontstond tusschen de
+ridders.
+
+"Wij willen ons in uwe handen overgeven", zeide Ivo, "op de voorwaarden
+welke daar straks door mher Sneloghe, onzen overste, u zijn bekend
+gemaakt. Wij zijn niet plichtig en zullen onze onschuld voor de rechters
+bewijzen."
+
+"Het is eene list! Gij poogt ons te bedriegen! De moordenaar van graaf
+Karel is niet dood!" riep men verwardelijk van alle kanten hem toe.
+
+"Welnu, heeren, gij zult overtuigd worden van de waarheid mijner
+woorden", riep Ivo. "Wij gaan het lijk van Burchard tot u aflaten. Doe
+het bezichtigen door ridders die Burchard in zijn leven hebben gekend.
+Beraadslaagt dan over bet besluit dat gij ten onzen opzichte wilt nemen.
+Wij wachten uw antwoord met vertrouwen."
+
+Hij trad terug op de gaanderij en haalde een lang touw, zooals er vele
+in de nabijheid gereed lagen. Door zijne makkers geholpen, bond hij het
+einde aan Burchards lijk en droeg dit op den boord der ganderij.
+
+"Geeft acht, heeren", riep hij, "daar daalt het doode lichaam van
+Burchard Knap tot u af!"
+
+En onder het uitspreken dezer verwittiging, lieten zij hunnen last tot
+op het plein van den burg nederzakken, en wierpen zelfs het touw naar
+beneden.
+
+Onmiddellijk stroomde eene menigte ridders, poorters en wapenknechten
+naar den voet des torens om eenen blik te werpen op het lijk van den
+booswicht, wiens misdadige handen graaf Karel voor Gods altaar het hoofd
+hadden gekloofd.
+
+Langen tijd heerschte daar een verward gewoel en gedrang en tevens een
+schaterend gedruisch, waaruit men niets duidelijks hoorde opgaan dan de
+kreten:
+
+"Hij is het! Ik ken hem. Hij is het niet! Zij willen ons bedriegen. Het
+is een Kerel die hem gelijkt. Zeker, het is de barsche, de wreede
+Burchard wel![84]"
+
+Maar wat ook het gevoelen was, dat hier de bovenhand behield, niet lang
+bleef de menigte zoo twisten. Welhaast begonnen poorters en
+wapenknechten hunnen haat en hunne wraakzucht op het lijk te koelen. Zij
+doorstaken het eerst met honderd wonden, en traden het met de voeten,
+totdat eene machtige stem zich verhief en uitriep:
+
+"Naar het galgeveld, de moordenaar! Op het rad het kreng! Naar de galg
+het monster, naar de galg! naar de galg!"
+
+En op zijn voorbeeld grepen eene menigte lieden het touw aan, sleepten
+juichend en schreeuwend het lijk over het plein, stroomden als een
+rollende vloed er mede door de Hof straat en verdwenen achter den hoek
+der Markt.
+
+Er kwam dan weder eene betrekkelijke stilte op den burg.
+
+Ivo-de-wolvenjager zag van boven de gaanderij dat de oversten der
+Isegrims onder elkander beraadslaagden, en hij twijfelde niet of zij
+waren bezig met de voorstellen der Kerels te overwegen.
+
+Na eenigen tijd te hebben gewacht, riep hij:
+
+"Welnu, heeren, wat is uw besluit? Geeft ons een antwoord?"
+
+De ridders gingen uiteen. Velen hunner schreeuwden tot de Kerels:
+
+"Sterven, sterven! voor u allen niets dan de dood!"
+
+Onmiddellijk klonken eenige bazuintonen en galmde de stem van mher
+Gervaas bevelend over het plein.
+
+De duizenden wapenknechten spanden hunne bogen en een oogenblik daarna
+vlogen zoovele pijlen naar den toren, dat de lucht als door eene wolk
+werd verduisterd.
+
+Dewijl de Kerels het inzicht des vijands hadden bemerkt, konden zij zich
+intijds achter de kanteelen der gaanderij verbergen, en zoo kwam het dat
+buiten eenen Kerel, die eene wonde aan de wang bekwam, niemand hunner
+werd getroffen.
+
+Zij hielden zich reeds lang op deze wijze schuil, en de vijand ging nog
+immer voort met schieten, zonder dat de Kerels er op bedacht waren
+eenige tegenweer te bieden.
+
+Dan trad Robrecht Sneloghe op de gaanderij. Hij scheen kalm en er
+fonkelde eene genster van trotschheid in zijne oogen, alhoewel zijn
+aangezicht nog de sporen van gestorte tranen toonde.
+
+Hij wierp eenen blik over het plein en riep dan met eene bittere grijns
+op de lippen tot zijne gezellen:
+
+"Op, Kerels! Zijn wij waarlijk veroordeeld tot den dood, sterven wij ten
+minste gewroken! Welke gunstige gelegenheid! Eisenen wij van deze wreede
+beulen den prijs van den akeligen dood mijner zuster, den prijs van
+onzer broederen bloed! Haastig, pijlen, steenen, kokende olie! Zij zijn
+onverbiddelijk voor ons: geene genade meer voor hen!"
+
+En het voorbeeld bij het woord voegende, slingerde hij eenen zwaren
+steen naar beneden en verpletterde eenen ridder het hoofd.
+
+Zijne mannen sprongen allen te gelijk recht en schoten pijlen en smeten
+steenen met razende woede en overspannen kracht. De vrouwen zelven
+kwamen vooruit en sproeiden, met groote ijzeren lepels, vlammend pik en
+olie over het plein.
+
+In min dan eenige oogenblikken lagen er vele poorters, wapenknechten en
+ridders met verpletterd hoofd, verbrande leden of doorboorde borst ten
+gronde.
+
+De veldheer Gervaas Van Praet, die zich niet op zulke moorddadige
+tegenweer had verwacht, schrikte bij de gedachte dat hij hier nutteloos
+een aanzienlijk getal mannen zou verliezen. Hij deed de bazuin aanheffen
+en den aftocht blazen.
+
+De wapenknechten liepen te zamen en weken schier in wanorde door de
+Hofstraat.
+
+Eene wijl daarna was het op den burg zoo stil als ware er niets
+geschied.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 84: "De belegerden kondigden ... den dood van Burchard aan,
+roepende dat een twist tusschen hem en den jongen Robrecht was
+opgerezen, en deze hem had nedergeveld en met zijn zwaard doorstoken."
+GALB., p. 551.]
+
+
+
+
+XXV
+
+
+Er waren vijf of zes dagen verloopen sedert den dood van Witta en van
+Burchard Knap, zonder dat de Kerels op den toren eenige tijding van
+buiten hadden vernomen.
+
+De Isegrims hadden bemerkt dat er uit een huis op den hoek van den
+Maalberg pijlen met brieven naar de Kerels werden geschoten Zij hadden
+daarop den graankoopman Elfrid Rooster, als plichtig aan verstandhouding
+met den vijand, uit zijne woning gerukt en in de gevangenis gezet.
+Tevens hadden zij rondom de kerk en den burg de schildwachten verdubbeld
+en doen afkondigen dat elk poorter, wapenknecht of ridder die tot de
+Kerels sprak of hun eenig bericht toestuurde, de straf der landverraders
+zou onderstaan.
+
+Van dan af bleven de Kerels geheel zonder kennis van hetgeen er in de
+stad of elders geschiedde.
+
+Het verwonderde hun dat men reeds bijna gedurende eene gansche week hen
+met rust had gelaten en geenen nieuwen aanval tegen hen had beproefd.
+Misschien had men besloten hen van honger op den toren te laten
+sterven? Dit was geheel onwaarschijnlijk. Wel bezaten de Kerels nog
+eenigen voorraad aan levensbehoeften maar zij voorzagen dat deze
+welhaast ontoereikend zou worden en zij hun dagelijksch voedsel moesten
+verminderen, wilden zij niet door gebrek gedwongen worden zich in de
+handen hunner vijanden over te leveren.
+
+Intusschen poogden zij allerlei middelen tot de hardnekkigste
+verdediging bijeen te dragen. Zelfs braken zij steenen en balken uit den
+toren, om daarmede bij eenen ernstigen aanval den vijand duchtig te
+treffen.
+
+Dat de Franschen of de Isegrims langs de trap eene bestorming zouden
+wagen, dit was niet te gelooven. Inderdaad, deze toegang, die als eene
+kreukel binnen den toren naar de hoogte draaide, was zoo nauw dat geene
+twee menschen te gelijk hem konden beklimmen Kwamen er vijanden langs
+daar, dan zou het den Kerels gemakkelijk zijn ze een voor een te dooden,
+naarmate hunne hoofden opvolgend uit de trapval opdaagden.
+
+Evenwel, om tegen alle verrassing te zijn beveiligd, hadden da Kerels
+den mond van de trap, waar deze zich op de gaanderij opende, met balken
+en zware steenen overdekt en beladen.
+
+Robrecht Sneloghe had nog meer dan eens, wanneer hij zich alleen binnen
+den toren bevond, tranen gestort over het beklaaglijk einde zijner
+zuster en ongetwijfeld tevens over het schrikkelijk lot dat zijne
+verloofde te wachten stond. Maar hetzij de krachtige woorden van
+Dakerlia hem moed inboezemden, of dat de onvermijdelijkheid van den dood
+zelven hem tegen den rampspoed deed opstaan, hij ademde niets meer dan
+wraak en hield zijne gezellen geen ander doel meer voor oogen dan hun
+leven duur te verkoopen en dus de Isegrims te dwingen zelfs bij hunne
+zegepraal nog de onversaagdheid en de onplooibaarheid der Kerels te
+bewonderen.
+
+Weinigen onder hen behielden nog eene zwakke hoop op verlossing Wat zou
+de uitslag zijn van den eersten strijd tusschen het Fransche leger en
+der Kerlen heirkracht? Wel scheen Willem Van Loo de Erembalds te haten;
+maar indien hij overwinnaar bleef, zou toch de vijand Brugge verlaten,
+en zij zouden zonder eenig beletsel van den toren komen en in vrijheid
+naar huis gaan.
+
+In den morgen van den zesden dag trad de veldheer Gervaas Van Praet
+zelf met eenigen zijner voornaamste ridders op den burg, en deed den
+Kerels door eenen wapenbode hunne overgaaf afeischen, hen bedreigende
+met den schromelijksten marteldood indien zij nog langer weigerig
+bleven.
+
+De Kerels herhaalden hunne vorige voorstellen, maar wilden van geene
+overgaaf op genade hooren.
+
+Het verbitterde den veldheer ten hoogste zich dus onmachtig tegen eene
+handvol mannen te gevoelen; ja, het vernederde hem te moeten denken dat
+zij den toren wellicht zouden behouden tot den terugkeer des konings van
+Frankrijk, die ongetwijfeld daarover zeer ontevreden zou zijn.
+
+Zijne ridders spoorden hem aan om, in schijn ten minste, de voorwaarden
+der Kerels aan te nemen; maar dezen eischten een vrijgeleide door den
+veldheer onderteekend en bezegeld, en Gervaas Van Praet was te eerlijk
+ridder om dus een verraad te plegen dat als eene eeuwige vlek, meende
+hij, op zijnen naam zou kleven.
+
+Terwijl hij nog daarover met zijne ridders in beraadslaging was, kwam
+een overste van de Markt geloopen en zeide hem dat er een bode met eenen
+brief van 's konings wege was gekomen met zeer haastig nieuws. Deze bode
+wachtte hem in zijne woning.
+
+Hij voegde er met luider stemme bij:
+
+"Verheugt u, heeren, de koning heeft de Kerels overwonnen! Yperen is
+bezweken en Willem Van Loo is in 's konings macht!"
+
+Een groot gejuich ontstond onder de ridders; en dewijl zij den veldheer
+zich zagen verwijderen, liepen zij insgelijks van den burg om de blijde
+tijding overal te gaan verspreiden.
+
+De veldheer vond des konings bode in zijne woning. Zeer nieuwsgierig,
+opende hij den brief dien hij hem had gebracht. Dit schrijven behelsde
+in slechts weinige woorden de aankondiging der nederlaag van Willem Van
+Loo, maar meldde tevens dat de ridder Pierre de Bohain, drager des
+briefs, hem verdere bijzonderheden zou doen kennen.
+
+"Aldus, uw heer koning heeft de Kerels verwonnen? God zij dank! Ik
+vreesde dat het zoo gemakkelijk niet zou gaan", zeide Gervaas Van Praet.
+"Het is te Yperen dat de slag werd geleverd?"
+
+"Ja, veldheer, te Yperen", antwoordde de bode, "maar dat het eene
+gemakkelijke zaak was, daarin bedriegt gij u. Die Kerels zijn eene soort
+van reuzen of van duivels: zij strijden als dolle leeuwen, en laten zich
+liever tot den laatste toe doodslaan dan eenen voet te wijken.
+Gelukkiglijk waren zij niet talrijk, en daarenboven, zij werden verraden
+door hunne eigene landslieden."
+
+"Verraden? Ik bid u, heer Van Bohain, heb de goedheid en vertel mij toch
+hoe de gansche zaak is toegegaan."
+
+"Het is mijne zending dit te doen, veldheer. Luister dan; ik zal pogen
+kort en duidelijk te zijn. Wij waren met den koning en den graaf van
+Vlaanderen opgetrokken naar het land der Kerels. Slechts omtrent een
+open vlek, dat men Staden noemt, vonden wij eerst een duizendtal
+vijanden, en tastten hen onmiddellijk aan met al onze macht. Het is
+onbegrijpelijk welken hardnekkigen tegenstand deze lieden ons boden. Wij
+moesten elk huis van Staden elke plooi des gronds, elke gracht, eiken
+boom stormenderhand innemen. Het bloedig gevecht duurde tot den avond,
+en het eindigde slechts toen ook de laatste dezer wilde Kerels was
+verpletterd. Wij bleven daar den volgenden dag, om onze dooden te
+begraven en onze gekwetsten te verzorgen; want, veldheer, wij hadden
+zulke groote verliezen geleden, dat de koning een oogenblik aarzelde om
+zijn leger verder te leiden in eene onbekende streek, door zulke
+sterkmoedige en strijdbare lieden bewoond.--Hier kwam ons het bericht
+toe dat de valsche graaf Willem Van Loo, met een weinig machtig leger,
+zich voor Yperen had nedergeslagen, en voornemens was deze stad tegen
+den koning te verdedigen. Het bevel tot den optocht werd ons
+gegeven.--Voor Yperen hadden wij een even lang en hardnekkig gevecht te
+leveren en de avondduisternis kwam zelfs ons dwingen den veldslag te
+onderbreken, met de zekerheid dat de akelige bloedstorting des anderen
+daags bij het opgaan der zon met meer woede nog zou beginnen."
+
+"Die onplooibare Kerels!" zuchtte Gervaas. "Het zijn manhaftige lieden,
+heer ridder, en zij zouden een beter lot verdienen, indien zij niet wars
+waren van alle overheid en van allen dwang. Eilaas, waarom willen zij
+zich niet onderwerpen! Nu moeten wij ze vernietigen, het sterkste en
+dapperste volksras van Vlaanderen!... En den dag daarna hebt gij de
+Kerels beslissend overwonnen?"
+
+"Vooraleer ik mijn verhaal voortzet, is het noodig dat ik u iets
+zegge", antwoordde de ridder Van Bohain. "Gij moet weten dat binnen
+Yperen meer dan de helft der poorters, sedert den moord van graaf Karel,
+vijanden der Kerels geworden zijn; want alhoewel Willem Van Loo en zijne
+gezellen beweren van dezen aanslag niet te hebben geweten, blijven de
+poorters denken dat Willem Van Loo en andere machtige lieden van het
+land de Kerels tot den moord hebben geraden of geholpen.--Wij waren dus
+in de nabijheid van Yperen gelegerd, ons voorbereidende tot den strijd
+van morgen, toen eenige burgers geheimelijk tot ons kwamen en den koning
+aanboden eene poort der stad en den burg in onze macht te leveren. Zij
+zouden, terwijl wij de Kerels aanvielen, de wapens opnemen en dezen van
+achter aanvallen, onderwijl eene poort openen en den burg, waar zij de
+wacht hielden, aan de Fransche krijgsknechten overleveren.--Ofschoon wij
+niet veel vertrouwen in deze lieden hadden, aanvaardden wij hunne
+voorstellen. De zaken gebeurden echter zooals zij ons hadden
+beloofd.--Bij de eerste morgenschemering werd de strijd hervat, en wel
+gedurende twee uren met veel woede voortgezet; maar dan wierpen de
+gewapende poorters zich langs achter op de Kerels; en dezen, dus van
+alle kanten ingesloten en bevochten, en daarenboven afgesneden van hun
+steunpunt, den burg, verzwakten allengs en bezweken eindelijk geheel, in
+onze handen slechts een vijftigtal gevangenen latende, waaronder de
+valsche graaf zich bevond.[85]"
+
+"Willem Van Loo is waarlijk 's konings krijgsgevangene!"
+
+"Ja, veldheer, gij zult hem ongetwijfeld heden nog zien."
+
+"Voert men hem dan naar Brugge?"
+
+"De koning komt naar Brugge met een klein gedeelte des legers. Uw graaf
+Willem van Normandie zal met de meeste macht door het land der Kerels
+trekken; want het schijnt dat Willem Van Loo reeds vele sterke steden
+en burchten had ingenomen. Zijn onze berichten echt, dan bezetten de
+Kerels Veurne, Vormezeele, Cassel, Arien, Berghe, Bodenburg en andere
+vestingen nog; maar, nu hun hoofdleger is verpletterd, kunnen zij echter
+geenen ernstigen tegenstand meer bieden. Het schijnt daarenboven dat er
+veel verdeeldheid onder hen heerscht en zij elkander den moord van graaf
+Karel verwijten."
+
+"Maar, heer Van Bohain, indien de koning u heeft gezonden om mij zijne
+komst te boodschappen, verlangt hij wellicht als overwinnaar met
+plechtigheid te worden ingehaald. Ik moet daartoe in allernaast bevelen
+geven en de schepenen en de geestelijkheid verwittigen."
+
+"Neen, veldheer, dit wenscht onze koning niet. Het zal voldoende zijn,
+het nieuws zijner overwinning door de stad te verkondigen Hij heeft
+liever, aangezien de oorlog nog niet is geeindigd dat men het volk de
+vrije uitboezeming zijner hulde en zijner blijdschap late. Wilt gij,
+veldheer, met een twintigtal uwer voornaamste ridders den koning te
+gemoet rijden, het zal hem genoegen doen. Geef mij nu oorlof om u te
+verlaten; ik keer terug op de baan naar Yperen."
+
+"Eenige oogenblikken!" riep Gervaas Van Praet. "Ik haast mij de noodige
+bevelen te geven en mijne ridders te doen verwittigen; dan vertrek ik
+met u. Gelief mij nu te volgen, heer Van Bohain; ik vraag u slechts een
+klein half uur."
+
+"Het zij zoo, ik zal mij gelukkig achten, in uw vereerend gezelschap te
+reizen", antwoordde 's konings bode, terwijl hij met den veldheer de
+zaal verliet.
+
+Het nieuws van des konings overwinning en van zijnen terugkeer te Brugge
+verspreidde zich met wonderlijke snelheid door de stad. Welhaast zagen
+de Kerels van boven den toren hoe vele poorters, gewapend en ongewapend,
+zelfs vrouwen en kinderen, van alle kanten zich naar de Steenstraat en
+naar de St-Amandsstraat spoedden, ongetwijfeld om op het Zand eene of
+andere plechtigheid te gaan bijwonen.
+
+Alhoewel men uit de nevenstraten nu en dan zonderlinge teekens tot de
+Kerels deed, en door de handen in de hoogte te heffen hen scheen te
+beklagen of hun te willen berichten dat een groot ongeluk hen
+bedreigde, verstonden zij echter niet wat men hun wilde zeggen.
+
+In de verwachting van eenen mogelijken aanval, maakten zij hunne
+werptuigen gereed en ontstaken het vuur onder de ketels met pik en olie.
+
+Er verliep een goed gedeelte van den dag zonder dat zij werden
+verontrust; ja, het was zelfs zoo stil in de stad en in den burg
+geworden, alsof poorters en Isegrims meest allen buiten de vesting waren
+gegaan.
+
+Slechts toen het ongeveer twee uren na middag was, hoorden zij in de
+verte een hevig bazuingeschal en daartusschen een galmend gejuich dat,
+onduidelijk nog, met korte onderbrekingen over de stad weergalmde.
+
+Dit gerucht groeide aan en naderde immer, totdat de volksvloed uit welke
+schoot het opklom, zich bij den ingang der Steenstraat en op de Markt
+vertoonde.
+
+Wat dit gewoel en deze luidruchtige verwelkomingen te beduiden hadden,
+konden de Kerels niet raden. Wel zagen zij eindelijk den koning van
+Frankrijk, op een wit paard gezeten, van eenen prachtigen ridderstoet
+omringd en door de wapenknechten en een gedeelte des volks toegejuicht;
+wel bemerkten zij achter den koning eenen open wagen, waarop een ridder,
+dien men hoonde en met vuisten dreigde, gebonden lag; maar de stoet, die
+aan de overzijde der Markt voorbijtrok, was nog te zeer verwijdert om
+hun toe te laten duidelijk te zien wat er geschiedde.
+
+Het was hun klaarblijkend dat de toejuichingen op des konings baan
+werden aangeheven door wapenknechten, schalken en mindere lieden,
+waartusschen slechts weinige poorters zich bevonden. De groote
+meerderheid der welhebbende of der neringdoende Bruggelingen hield zich
+stil langs de huizen, en bepaalde hare betuiging bij eenen eerbiedigen
+groet.
+
+Maar telkens wanneer de koning eenige stappen voorbij was, ontstond er
+onder deze poorters een afkeurend gemor, en velen waren zelfs stout
+genoeg om openlijk door uitroepingen of door gebaren hunne gramschap en
+hunne verontwaardiging te betuigen.
+
+De oorzaak dezer ontevredenheid wae, dat Rambold Tancmar en andere
+neven of magen van den hofraadsheer, die met graaf Karel was vermoord
+geworden, den koning volgden. Tot nu toe had geen hunner binnen Brugge
+zich durven vertoonen; maar sedert de nederlaag van het Kerlenleger
+vreesden zij niets meer, en tergden nu zelfs de verbitterde poorters
+door spottende blikken en hoogmoedig lachen.
+
+Zoo trok de stoet, bij den klank van bazuinen en trompers, nevens de
+St-Christoffelskapelle voorbij, en begaf zich naar den Maalberg, alsof
+des konings doel ware geweest de Kerels van boven den toren zijnen
+zegevierenden intocht te doen aanschouwen.
+
+Op den Maalberg hield de stoet stil, en men voerde, met een bepaald
+inzicht ongetwijfeld, den open wagen zoo dicht mogelijk naar den toren.
+
+De ridder, die op den wagen gebonden lag, woelde zich om en wrong zijne
+leden, als wierd hij door de stuiptrekking eener vurige woede geschokt.
+Zoo geraakte hij half opgericht en schreeuwde met eene machtige stem tot
+de Kerels:
+
+"Moordenaars, vuige, laffe moordenaars, gij hebt Kerlingaland en mij in
+het verderf gestort! Wees vermaledijd!"
+
+Dan herkenden de Kerels in den gevangen ridder Willem Van Loo, dien zij
+te Veurne in de Hoop tot graaf van Vlaanderen hadden gekozen.
+
+Hij lag gebonden op eenen wagen en werd in eenen zegevierenden optocht,
+ter eere des konings van Frankrijk, rondgevoerd! Het Kerlenleger was dus
+overwonnen; niet alleen was alle hoop op behoudenis des levens hun
+ontnomen, maar zelfs hun vaderland was verloren!
+
+Deze overtuiging trof hen met zulken diepen angst, dat zij in den eerste
+geene acht op des ridders woorden gaven; maar dewijl hij zijne
+beschuldiging meer dan eens herhaalde, ontvlamden zij in toorn en riepen
+hem toe:
+
+"De lafaard, de verrader zijt gij, valsche ridder, die den moord des
+graven hebt bevolen, en dan den onschuldigen proost van St-Donaas hebt
+doen martelen en ons zonder hulp hebt gelaten, om de wereld te doen
+gelooven dat gij vreemd waart aan de misdaad! Ja, de gruwelijke moord,
+door Burchard Knap gepleegd, is de oorzaak van Gods toorn tegen ons
+geslacht; maar gij, gij hebt den wreeden arm van Burchard bestierd ...
+Wees vermaledijd, valschaard, vermaledijd tot in den dood!"
+
+Misschien verstond Willem Van Loo de bittere verwijten niet welke de
+Kerels hem toestuurden; want zij spraken verscheidene te gelijk, en
+daarenboven was reeds de wagen omgewend geworden en voerde men hem nu
+verder het plein op, om hem buiten het bereik van der Kerlen pijlen te
+stellen.
+
+Intusschen had de koning zijn gevolg van ridders en wapenknechten den
+ruststand bevolen, en was zelf van paard gestegen, om van zoo dichtbij
+als mogelijk de kerk en den toren te bezichtigen.
+
+Hij deed nu eenige stappen vooruit met den veldheer der Isegrims en met
+Baudewijn Van Aelst, die zich gereed hielden om hem desnoods de
+uitleggingen te geven, welke hij zou kunnen verlangen.
+
+Eene wijl bleef de koning in stilte naar den toren blikken. Dan, zich
+tot Gervaas Van Praet wendende, vroeg hij:
+
+"Men heeft mij daar straks gezegd dat zij nog wel met hun honderd
+daarboven zijn? Zij schijnen mij zoo talrijk niet!"
+
+"Uwe gissing is gegrond, heer koning", antwoordde de veldheer "zij
+kunnen, volgens de nauwste berekening, niet meer boven de vijftig sterk
+zijn. Maar wanneer onze mannen, om hen te verontrusten, eenen aanval
+veinzen, weren zij zich zoo hardnekkig en zoo krachtig, dat men
+inderdaad wel zou denken dat zij nog met honderden te zamen zijn."
+
+"En zij dooden u vele mannen?"
+
+"Ja, heer koning, zij deden ons aanzienlijke verliezen onderstaan Daarom
+hebben wij, sedert eenige dagen, van alle vijandelijkheid tegen hen
+afgezien, totdat wij uwe hooge bevelen mochten ontvangen."
+
+"Het zijn dus verwoede, zinnelooze lieden, die Kerels? Wat hopen zij?"
+
+Mher Gervaas haalde twijfelend de schouders op.
+
+"Maar, veldheer", zeide de koning, op eenigszins strengen toon, "het is
+u mogelijk geweest de kerk en de kapelle stormenderhand te winnen.
+Waarom hebt gij niets tegen den toren beproefd? Mij dunkt het
+gemakkelijk deze handvol uitgeputte mannen met geweld van daarboven af
+te rukken."
+
+
+[Illustratie: "Moordenaars, vuige, laffe moordenaars!" (Bladz. 479.)]
+
+
+"Veroorlove mij de heer koning hem eenige uitleggingen over den toestand
+der zaken te geven", antwoordde de veldheer. "Men kan de gaanderij van
+den toren niet bereiken dan langs eenen wenteltrap die zoo nauw is dat
+men haar man voor man moet beklimmen. De heer koning begrijpt dat bij
+eenen aanval langs dezen weg de Kerels den tijd zouden hebben om
+duizenden ridders en wapenknechten opvolgend het hoofd te klooven of den
+hals af te snijden ... Beter dunkt het mij onze vijanden daarboven van
+honger en gebrek te laten bezwijken, dan nutteloos zoovele dierbare
+menschenlevens op te offeren."
+
+"Maar zij willen zich overgeven", bemerkte Baudewijn Van Aalst.
+
+"Ja, op voorwaarde dat men hun het leven laat behouden", antwoordde de
+veldheer.
+
+"Welnu, waarom aanvaardt gij dit niet?" vroeg de koning; "gij hebt mij
+daar straks gezegd dat de moordenaar des graven dood is en men zijn lijk
+door de straten heeft gesleurd totdat het ontkennelijk geworden was."
+
+"Maar, heer koning, wij, ridders van Vlaanderen, hebben gezworen dat
+geen enkele Erembald,--dit is het geslacht waaraan de moordenaar
+toebehoort,--genade des levens zou bekomen. Daarenboven op den toren
+bevinden zich nog Erembalds; onder anderen de rijkste en machtigste
+Kerel, Robrecht Sneloghe. Gelieve de heer koning zich te herinneren dat
+onze nieuwe graaf Willem van Normandie beloofd heeft de groote
+grondbezittingen van dezen Kerel tot belooning aan de Vlaamsche ridders
+uit te deelen. Werd Robrecht Sneloghe gespaard, de vervulling van des
+graven belofte wierd onmogelijk. Daarenboven, deze jonge ridder Robrecht
+is onder de Kerels zeer geacht en bemind; hij zou onfeilbaar door hen
+tot opperhoofd worden gekozen; en nauwelijks zou onze graaf Willem bezit
+van den troon genomen hebben, of een nieuwe en misschien gevaarlijkere
+opstand zou hem bedreigen."
+
+"Ware het mijne zaak", zeide Baudewijn Van Aelst, "ik zou er spoedig
+mede gedaan hebben!"
+
+"Door welk middel?" vroeg de koning.
+
+"Het is door de goddelijke en menschelijke wetten toegelaten verraders
+te verraden. Men aanvaarde hunne voorstellen ... en zoohaast ze beneden
+komen, vatte men de schelmen aan en brenge ze ter dood!"
+
+"Aan zulk bedrog weiger ik deel te nemen", morde de veldheer "Men zal
+van mij niet verhalen dat ik, aan het hoofd van een machtig leger
+staande, vijftig ellendige vijanden door list en valschheid heb verrast
+en doen vermoorden!"
+
+"Gij hebt gelijk zoo teergevoelig op uwe krijgseer te zijn", viel de
+koning met ongeduld uit, "maar het is eene even groote schande voor u,
+veldheer, en voor mij, koning van Frankrijk, dat wij met twee legers
+voor dezen toren staan en gedurende dagen en weken onmachtig zouden
+blijven om vijftig ellendige vijanden, zooals gij hen noemt, in handen
+te krijgen."
+
+De veldheer boog het hoofd en zweeg.
+
+"Indien wij het klooster en de kerk in brand deden steken?" mompelde de
+vorst. "De dolle Kerels zouden zich overgeven of door het vuur worden
+vernield?"
+
+"O, heer koning, denk daar niet aan!" zeide Gervaas Van Praet, schier
+smeekende. "De Bruggelingen zouden hun bloed vergieten om den oudsten
+tempel hunner stad te verdedigen of zijne verdelging te wreken. Ook de
+geestelijkheid van Vlaanderen zou dit verlies als een schrikkelijk
+onheil beklagen."
+
+"Maar, veldheer, ik wil niet dat de Kerels nog langer van daarboven mij
+en mijne ridders blijven hoonen! Er moet een middel zijn om een einde
+aan hunne trotschheid te stellen. Al moest ik den toren omverre werpen,
+zij zullen er af voordat de week verloopen zij! Mijne gewerkmeesters en
+mijngravers zijn ongelukkiglijk in het leger met Willem van Normandie.
+Zonder dit toeval ..."
+
+"Dat de heer koning zich daarom niet bedroeve", zeide Baudewijn Van
+Aelst. "Onder de lieden van Gent zijn behendige gewerkmeesters, een
+onder anderen, meester Arnold, die om zijne spitsvondigheid befaamd is
+door geheel Vlaanderen en tot in Duitschland toe."
+
+De koning wendde zich om en deed een teeken tot de oversten die op zijn
+bevel stonden te wachten.
+
+Eene groote beweging liet zich oogenblikkelijk tusschen de ridders en
+wapenknechten opmerken. Ieder steeg te paard of schikte zich in zijn
+gelid.
+
+Insgelijks naar zijn paard stappende, vroeg de koning aan mher Van
+Praet:
+
+"Veldheer, heeft men nu eene betere herberg voor mij doen bereiden?"
+
+"Ja, heer koning", was het antwoord, "De schepenen hebben eene woning
+als een paleis in gereedheid gebracht. Zij is niet verre van de Markt
+gelegen en men noemt ze sher Gherwijns Steen."
+
+"Het is wel, veldheer; heb de goedheid te bevelen dat men dezen namiddag
+den Gentschen gewerkmeester Arnold tot mij leide. Ik wil met hem
+spreken."
+
+Onder het uiten dezer laatste woorden was hij te paard gestegen. Hij
+gaf nog een sein met de hand; de bazuinen werden aangeheven, de stoet
+bewoog zich en zakte den Maalberg af.
+
+De Kerels keken hem zwijgend achterna, totdat hij voorbij de
+St-Janskapelle uit hun gezicht verdween.
+
+Dan begonnen zij onder elkander over de waarschijnlijke nederlaag van
+het leger der Kerels en over de gevangenneming van Willem Van Loo te
+kouten. Hun lot was schrikkelijk, geene de minste hoop bleef hun over.
+Had God waarlijk hen vervloekt en tot eenen ijselijken dood gedoemd, om
+voor den moord des graven te boeten? Volgens de wetten en gebruiken der
+Kerels waren alle magen en vrienden van eenen moordenaar mede
+verantwoordelijk voor de misdaad. Zij vroegen in zich zelven, waarom het
+daarboven in den hemel met insgelijks zoo zou zijn. Ja, er was niet aan
+het hoogere vonnis te ontsnappen; zij zouden sterven tot den laatste
+toe!
+
+In den eerste versomberde deze mistroostige overweging hunne gemoederen;
+maar welhaast stonden zij weder met nieuwe hardnekkigheid uit de
+hopeloosheid op en maanden elkander aan om geen het minste teeken van
+zwakheid te geven en als onversaagde mannen te volharden, tot onder het
+zwaard des vijands zelven, opdat hun dood getuigenis gave van der Kerlen
+onverwinbaren heldenmoed.
+
+Daar hoorden zij onverwachts weder bazuingeschal hergalmen, en zagen van
+den kant der Markt een tiental ridders en eene bende wapenknechten door
+de Hofstraat den burg naderen. De standaard, die men voor de
+bazuinblazers hield opgeheven, verklaarde hun wie deze lieden waren.
+
+Inderdaad, de standaard droeg de wapenteekens der Tancmars, Het
+geslachtszinnebeeld van de bloedvijanden der Erembalds!
+
+Wat kwamen deze booze vervolgers der Kerels op den burg doen? Ha, indien
+zij tot onder het bereik der pijlen durfden naderen, met welke vreugd
+zouden Robrecht en zijne gezellen de vernedering van Kerlingaland op hen
+wreken!
+
+Maar de Tancmars keerden ter rechterzijde en gingen achter den
+opgeworpen dam tot bij de Hoogpoort. Hier traden zij met hunne
+wapenknechten in de gebouwen van het klooster.
+
+Vele poorters hadden hen tot daar gevolgd, onder het uitspreken van
+afkeurende woorden en zelfs met dreigende gebaren; maar de Tancmars,
+zich door 's konings bescherming sterk wanende, hadden nu en dan de
+verbitterde poorters door de wapenknechten doen terugdrijven, zonder
+eenige acht op hunne vijandige houding te slaan.
+
+Terwijl de volkshoop steeds voor het klooster aangroeide en men elkander
+tegen Rambold aanhitste, als zijnde hij de oorzaak van des graven
+beklaaglijken dood, werd eensklaps de standaard der Tancmars uit het
+bovenste venster van den gevel der proostdij gestoken.
+
+Dan begrepen de poorters en tevens de Kerels boven op den toren wat er
+geschiedde: de Tancmars namen bezit van de proostdij als van hunnen
+eigendom. Had de koning hun dit toegelaten of was het enkel eene daad
+van zwetserij en overmoed?
+
+De Kerels toonden de gebalde vuisten en deden de lucht onder hunne
+verontwaardigingskreten weergalmen; de poorters morden en schreeuwden,
+en wierpen de Tancmars scheldwoorden toe.
+
+Dan verscheen Rambold Tancmar voor de deur des kloosters en gebood
+zijnen wapenlieden deze grove, vermetele lieden met geweld uiteen te
+drijven.
+
+Het volk week morrend achteruit. Een enkel poorter weigerde eenen voet
+te verzetten, en kwetste zelfs een der wapenknechten met zijn mes. Hij
+werd doorstoken en viel neder in zijn bloed.
+
+Toen de andere poorters dit zagen, vloden zij allen met groot gekerm van
+den burg en liepen op de Markt en door de straten, met de handen in de
+hoogte, schreeuwende:
+
+"Wacharm! Wacharm! De Tancmars zijn in de proostdij! Zij hebben den
+beenhouwer Han Bout vermoord! Harop, harop!"
+
+Op dit oogenblik keerden juist de Bruggelingen, die des konings stoet
+gevolgd hadden, naar hunne woningen terug; de straten krielden van volk,
+dat eveneens als de vluchtelingen van den burg: "Wee! Wee! Wacharm!
+Harop! Harop! Harop!" begon te roepen.
+
+Zoo weergalmde onmiddellijk de gansche stad van den honderdmaal
+herhaalden noodkreet, en weinig tijds daarna stroomden van alle kanten
+gewapende poorters en ambachtslieden te zamen op de Markt, rondom de
+standaarden der neringen en der gilden.
+
+Men zou gezegd hebben dat deze lieden elkander lang op voorhand verstaan
+hadden, om op dezen dag allen te gelijk onder de wapens te komen. Het
+was echter niet zoo. Hun haat tegen de Tancmars was alleen de oorzaak
+dezer eensgezindheid. Zoolang de Kerels machtig waren en konden laten
+hopen dat zij zich zelven zouden verdedigen, hadden de meeste poorters
+het inwendig goedgekeurd, dat men tegen hen wraak name over des graven
+moord; maar nu de Kerels voor goed waren bezweken, gevoelden de poorters
+dat zij voortaan hunne vrijheden alleen en zonder hulp tegen de
+dwingelandij en de verdrukking der leenheeren zouden te verdedigen
+hebben en waarschijnlijk in deze ongelijke worsteling zouden bezwijken.
+Zij waren door het gevoel van dit gevaar verbitterd. Tegen den koning en
+tegen het ridderleger konden zij niets. De Tancmars, welken zij reeds
+sedert jaren eenen diepen haat hadden toegedragen, boden zich nu van
+zelven tot doel hunner gramschap aan.
+
+Nauwelijks waren zij op de Markt ten getalle van eenige honderden te
+zamen, of zij liepen naar den burg en bestormden daar de deur van het
+klooster, en schoten de wapenknechten neder, evenals in eenen waren
+oorlog.
+
+De Kerels, van boven de toren, zagen niet alleen dit gevecht, maar
+bemerkten nog met groote vreugde hoe uit al de straten der stad een
+ontelbare vloed gewapende poorters naar den burg kwam gestroomd. In de
+meening dat het Brugsche volk, tegen de Franschen en tegen de Isegrims
+in opstand was gekomen, om hen te verlossen, moedigden zij de
+strijdenden aan en riepen zelfs de poorters bij hunnen naam, hen met
+vurige woorden tegen de Tancmars en tegen de wapenknechten ophitsende.
+
+Eensklaps verscheen de veldheer Gervaas Van Praet met eenige Vlaamsche
+ridders op den burg. Zonder acht te slaan op het gevaar, wierp hij zich
+met zijne gezellen voor de poort van het klooster en bezwoer, schier met
+tranen in de oogen, de poorters deze bloedige worsteling te staken. Wat
+was de oorzaak dezer beroerte? Wat eischten zij? Men zou hun bevrediging
+geven.
+
+Door de woede van den strijd verhit, wilden de poorters in den eerste op
+zijne stem niet luisteren, en dreigden zelfs den veldheer en zijne
+ridders te doorsteken, indien hij de booze en verfoeilijke Tancmars
+tegen hunne woede wilde beschermen; maar eindelijk toch bedaarde het
+gewoel en geschreeuw een weinig, en dan traden eenige oversten der
+neringen vooruit, om den veldheer de eischen der poorters te doen
+begrijpen.
+
+"Mher Van Praet", zeide een hunner, nog zeer door toorn ontsteld, "de
+Tancmars zijn de schuld van des graven ellendigen dood en van al de
+ongelukken die ons arm Vlaanderen daarom bedreigen. Zij hebben
+onophoudelijk den vorst aangeraden den Kerels en tevens den poorters der
+steden hunne vrijheden te ontnemen. Wanneer alles rustig was, en wij den
+vorst over onzen vrede en onzen voorspoed zegenden, dan waren de
+Tancmars nacht en dag er op bedacht om door listen en lagen de
+Erembalds, de Kerels en de poorters te verbitteren, en zoo 's lands rust
+te storen. Zij hebben den graaf verleid tot onrecht en verdrukking en
+zij zijn dus de ware moordenaars van onzen armen vorst ..."
+
+"Wat wilt gij van hen?" vroeg de veldheer verschrikt, "gij eischt toch
+hun leven niet?"
+
+"Ja, ja, hun leven!" kreet de menigte.
+
+"Maar het is onmogelijk, vrienden", zeide de veldheer treurig. "Gij
+dwaalt. Vergeet niet dat de koning van Frankrijk te Brugge is, en dat ik
+een machtig leger tot mijne beschikking heb. Wilt gij mij dan dwingen u
+allen te vermoorden? Ach, ik bid u, bedaart en weest redelijk!"
+
+"Neen, neen, veldheer", hernam de overste, die eerst gesproken had, "het
+leven van deze booze vijanden des volks eischen wij niet. Zij zijn met
+uitdagenden overmoed in Brugge verschenen, hebben bezit der proostdij
+genomen en eenen poorter doen doorsteken ..."
+
+"Een wapenknecht, die zich verdedigde; het is een ongeluk!" mompelde
+Gervaas.
+
+"Inderdaad; maar wij willen niet vernederd of getergd worden door
+degenen die de schuld zijn van des graven dood. Wij eischen dat de
+Tancmars oogenblikkenlijk niet alleen den burg, maar onze stad verlaten.
+En geeft men ons niet zonder uitstel deze bevrediging dan geschiede wat
+kan, zij geraken niet levend uit onze handen!"
+
+De veldheer verzocht den poorters eene wijl zijn antwoord te wachten, en
+trad in het klooster.
+
+Toen hij terugkwam, zeide hij tot den overste:
+
+"Ik zal de Tancmars gebieden de stad Brugge te verlaten. Stemt gij toe
+om hun met hunne wapenknechten eenen vrijen doorgang te bieden?"
+
+"Wij stemmen toe", was het antwoord.
+
+"Maar zult gij hen niet volgen?"
+
+"Tot bij de stadspoort, ja."
+
+"En niet er buiten?"
+
+"Neen, niet daarbuiten."
+
+"Gaat dan achteruit en laat ons den weg vrij!"
+
+De oversten der neringen en gilden dreven hunne mannen terug en spanden
+al hunne pogingen in, om hen tot bedaren te brengen. Meer dan de
+verwijdering, om zoo te zeggen de ballingschap der Tancmars konden zij
+nu niet eischen. Was hier noch bedrog noch list in het spel, en schonk
+men de poorterij deze bevrediging, dan moesten zij zich stilhouden en
+geene reden geven tot nuttelooze bloedstorting.[86]
+
+De Tancmars, beschaamd en verschrikt, kwamen uit het klooster en
+schikten zich elk tusschen twee ridders, om tegen de woede des volks
+beveiligd te zijn.
+
+Men leidde hen over de Markt, in de richting der Bouverypoort.
+
+Wel werden zij onderwege nog met scheldwoorden en dreigende gebaren
+bejegend, maar toen het volk hen ter poort had zien uitstappen, en van
+op de vestingen hen eene wijl had achternagekeken ging elkeen juichend
+en bevredigd naar huis.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 85: "De koning en de graaf belegerden Yperen. Een hardnekkig
+gevecht had plaats tusschen de beide legers ... Booze inwoners van
+Yperen, hebbende een verbond met den koning gesloten, brachten hem en
+zijn ontelbaar leger in de stad ... Willem, niet wetende dat hij
+verraden was, kwam toegeloopen. De koning en de graaf maakten hem
+krijgsgevangen." GALBERTUS, p. 377.]
+
+[Voetnoot 86: Zie het verhaal dezer volksberoerte en de uitdrijving der
+Tancmars, bij GALBERTDS, p. 322.]
+
+
+
+
+XXVI
+
+
+De koning van Frankrijk was lang met den Gentschen gewerkmeester Arnold
+in samenspraak gebleven, en had met hem overwogen welke middelen men zou
+kunnen uitdenken om de Kerels, die nog op den toren waren, levend of
+dood in handen te krijgen, zonder tot dit einde een al te groot getal
+zijner ridders en wapenknechten te moeten opofferen.
+
+De uitslag dezer beraadslaging was, dat er geen ander middel bestond dan
+de toren te doen vallen, of ten minste de Kerels met dien val tot
+zooverre te dreigen dat zij, in de zekerheid van onder de puinen te
+worden verpletterd, zich in de genade des konings overgaven.
+
+Men zou den voet van den toren ondermijnen, en daartoe eenen ontzaglijk
+zwaren beukram bouwen. Om de arbeiders en wapenknechten tegen de steenen
+en pijlen der Kerels te beschutten, kon men het groote werktuig binnen
+in het klooster stellen, daar, waar de refter van achter tegen den toren
+raakte. Dus onder dak staande, zouden degenen, die den beukram moesten
+bewegen of bestieren, geheel buiten bereik des vijands blijven, en men
+zou geene of zeer weinige mannen verliezen.
+
+Dit ontwerp bekwam des konings goedkeuring. Hij gelastte meester Arnold
+een groot getal timmerlieden en smeden aan het werk te stellen, opdat de
+ram binnen eenige dagen vaardig ware. Bleven de Kerels weigeren zich op
+genade over te geven, welnu, de toren zou dan nederstorten en deze
+hardnekkige, verstokte lieden onder zijne puinen begraven!
+
+Meester Arnold had na weinige dagen de balken en gebinten van zijn
+gestel in gereedheid gebracht, en deed ze stuk voor stuk in het klooster
+dragen.
+
+Toen eindelijk de reusachtige balk met het ijzeren ramshoofd werd
+aangevoerd, bemerkten de Kerels, ofschoon nog onduidelijk, wat de vijand
+voornemens was tegen hen te beproeven. Dat men den toren wilde doen
+vallen, of dat die val mogelijk ware, zulke gedachte was zoo
+buitengewoon en zoo ongegrond, meenden zij, dat ze eenen glimlach op
+hunne lippen verwekte. Wat was dan het doel hunner vijanden? Zouden zij
+op zekere hoogte in den toren een gat boren, om de trap te bereiken en
+dus tot hen op te klimmen? Maar deze vooronderstelling was even
+onwaarschijnlijk.
+
+In deze onzekerheid moedigden zij elkander aan om voor niets te
+zwichten. Zij hadden het nu reeds zoolang volgehouden, twee machtige
+legers getrotst en hunne vijanden beschaamd; het was toch oneindig
+schooner en heerlijker tot den laatste toe vrij en met het zwaard in de
+vuist te bezwijken, dan gemarteld en door de Isegrims vertreden en
+bespot, te moeten sterven.
+
+Alhoewel zij slechts weinige pijlen nog bezaten en reeds groote holten
+in den toren hadden gebroken, om zich werptuigen te verschaffen poogden
+zij elken vijand, die onder hun bereik kwam, met steenen of schichten te
+treffen.
+
+Dagelijks sneuvelden er dus eenige Franschen en Vlamingen, ridders en
+wapenknechten. Dit verlies vergramde den koning uitermate en vuurde
+dusdanig zijn ongeduld aan dat hij bij dag zijn intrek in de Loove nam
+en niet zelden binnen het klooster ging om de arbeiders tot vlijt en
+haast aan te drijven.
+
+Nu was hij weder met eenige ridders in het klooster getreden, omdat men
+hem de voltooiing van den grooten beukram was komen aankondigen. Met
+genoegen beschouwde hij het ontzaglijk gestel, dat waarschijnlijk in
+weinig tijd de Kerels tot overgaaf zou dwingen of door den akeligsten
+dood een einde aan hunnen onbeschaamden trots zou maken.
+
+De refter van het klooster was bijna hoog als de beuk eener kerk. Daar
+hing nu, in evenwicht tusschen eene timmering van opgaande balken, een
+zware eikeboom, nauwelijks van zijne schors ontbloot en vooraan met een
+ijzeren ramshoofd beslagen.
+
+Aan het achterst einde waren vele zelen gehecht en aan elk dezer zelen
+stonden vele arbeiders en wapenknechten. Om te beuken, moesten deze
+lieden achteruitloopen, den balk hoog uit zijn evenwicht trekken en dan,
+op een sein of een woord, allen te gelijk de zelen loslaten. Dan schoot
+de balk, om zijn evenwicht te zoeken, vooruit tegen den torenmuur en
+verbrijzelde de steenen en schokte het gebouw tot in zijne grondvesten.
+
+Toen alles gereed was, gaf de koning zelf het eerste sein. Wel was de
+schok geweldig en sprong het vuur uit den verstaalden ramskop; maar de
+brokkelingen, welke hij van den muur deed vallen, waren zoo weinig
+aanzienlijk, dat de koning met ongeduld en mismoed het hoofd schudde.
+Nog drie of vier schokken deed hij in zijne tegenwoordigheid beproeven,
+met even geringen uitslag.
+
+Dan betuigde hij zijne ontevredenheid aan meester Arnold; maar deze,
+door zijne eerbiedige uitleggingen, deed den vorst begrijpen dat de
+steen van den toren uitnemend hard was en daarom de ram, ondanks zijne
+zwaarte, bij elken afzonderlijken slag zoo weinig uitwerksel had. Het
+was evenwel slechts eene zaak van tijd, en hij kon de verzekering geven,
+dat na twee of drie dagen arbeids, de toren zou ten gronde liggen,
+indien de Kerels zich niet vroeger in 's konings genade overgaven.
+
+De vorst verwijderde zich half tevreden over deze verklaring, en meester
+Arnold zette met ijver het begonnen werk voort; ja, om zijne mannen moed
+in te boezemen, deed hij hun wijn bij volle kannen schenken, en zong
+onder den arbeid een zeker lied, waarvan de maat de bewegingen der
+beukers eenstemmig regelde. Gansch door het dak van den refter beschut
+en door den wijn aangejaagd zongen zij welhaast allen te samen en waren
+vroolijk als op eene kermis.
+
+Evenwel in den namiddag werd hunne vreugde eensklaps op eene bloedige
+wijze gestoord ... Een geweldige slag en een schrikkelijk gekraak liet
+zich hooren, en er viel een zwaar voorwerp, als een rotsbonk, door het
+dak en door het welfsel.
+
+Toen de verschrikte arbeiders door de stofwolk konden heenzien bevonden
+zij dat drie hunner makkers verpletterd dood lagen en vier of vijf met
+gebroken leden om hulp kermden.
+
+Terwijl men naderde, om de dooden en gekwetsten op te rapen, viel weder
+zulk voorwerp met ijselijk gebons op het dak, doch ditmaal weerstond het
+welfsel, en het voorwerp rolde neder op een keukendak, dat onder den
+slag instortte en een tiental wapenknechten verpletterde of verwondde.
+
+Er rees een algemeen noodgeroep in het klooster op, en al de ridders en
+wapenknechten, die zich daar of in de Loove bevonden, grepen naar hunne
+wapens en liepen dooreen, als waanden zij zich door eenen machtigen
+vijand verrast of bedreigd.
+
+Na eene wijl kwam de veldheer Gervaas Van Praet in het klooster, om te
+vernemen wat er geschiedde. Hij vond meester Arnold, met de armen
+overeen en als verbaasd nederziende op een groot brok metaal, dat ten
+gronde lag.
+
+Op des veldheer ondervraging, zeide Arnold:
+
+"Het zijn ware duivels daarboven, mher Van Praet. Daar hebben zij nu met
+mokers eene klok uit den toren aan twee stukken geslagen en deze als
+dondersteenen ons op het lijf geworpen! Zie het gat daar in het welfsel!
+Hoe zij zulke bonken metaal over de gaanderij kunnen porren, dit weet
+God![87]"
+
+"En wat gaat gij nu beginnen?"
+
+"Ha, veldheer, het voorzichtigste is ons werk voor heden te laten
+steken, en gedurende den nacht naar middelen uit te zien om het dak met
+balken te sluiten."
+
+"Het is om schaamrood van te worden!" mompelde de veldheer "Vijftig man
+die ons blijven tergen en ons zooveel spels leveren als een groot leger!
+De koning zal wel ontevreden zijn, meester Arnold, indien hij verneemt
+dat gij het beuken wilt staken."
+
+"Wat mij betreft, ik ben bereid om het werk voort te zetten, veldheer;
+maar de heer koning heeft mij bevolen de mannen zoo weinig mogelijk in
+gevaar te brengen."
+
+Er kwam een overste geloopen, en deze riep op verstoorden toon tot
+Arnold:
+
+"Welnu, meester, waarom staakt gij het werk? Ga voort, ga poort, kost
+wat kost, de koning wil het zoo! Men zal u nog meer wapenknechten
+zenden: de ram moet beuken, nacht en dag![88]"
+
+"'s Konings wil zal geschieden", antwoordde meester Arnold.
+
+Hij verliet de ridders, vergaderde de arbeiders en zeide hun hoe zij
+den ram wat zijdelings zouden trekken, om niet onder de opening van het
+dak te staan.
+
+Eene wijl daarna waren zij weder aan het werk, en beukte de ram opnieuw
+met korte tusschenpoozen tegen den toren.
+
+Waarschijnlijk hadden de Kerels geene klokken meer om naar beneden te
+werpen, of waren deze te zwaar om te worden verbrijzeld of verplet.
+Althans er verliepen ten minste twee uren zonder dat de beukers door
+iets werden gestoord of bedreigd.
+
+Wel was iemand hun komen zeggen dat men boven op de gaanderij van den
+toren veel rook zag opgaan en vuren zag vlammen; maar dewijl men niet
+raden kon wat de vijand daarmede in den zin had, onderbrak men het werk
+van den ram daarom niet.
+
+Buiten het klooster was men min gerust. De ridders die in de Love waren,
+en zelfs de koning zagen met zekere bekommerheid naar den toren en
+vroegen elkander wat toch die razende en onuitputtelijke Kerels nu weder
+aan het uitvinden waren om hunnen beslissenden val te vertragen.
+
+De zaak was echter zeer eenvoudig. Toen de Kerels, na het werpen der
+klok, den ram zijn werk hoorde hervatten, begrepen zij dat zij door dit
+middel het dak, dat de Isegrims voor hunne pijlen beschutte en aan hun
+gezicht onttrok, niet zouden kunnen verbrijzelen. Na eenige overweging
+waren zij dan op de gedachte gekomen eene poging te doen om dit dak door
+het vuur te vernietigen.
+
+Zij brachten daartoe al het was, al het vet en zelfs de weinige boter
+die hun overbleef te zamen. De zelen der klokken hakten zij aan stukken
+en ontwonden en openden ze; lijnwaad, zakken en zeildoeken werden
+bijgehaald.
+
+Dan begonnen zij met hout, dat zij uit den toren braken, vuren te stoken
+en de vette stoffen in ketels te smelten. Hierin doopten zij al de
+bijgebrachte brandstoffen en legden ze terzijde, totdat alles klaar zou
+zijn.
+
+Het waren deze vuren en al deze bewegingen die de ridders en den koning
+door het voorgevoel van eenig groot gevaar bekommerden.
+
+Nu waren de Kerels gereed tot het uitvoeren van hun ontwerp.
+
+Allen te gelijk hieven zij de ingevette brandstoffen boven de vuren,
+lieten ze goed vlammen en wierpen ze dan naar beneden op het dak van het
+klooster, in zulke hoeveelheid, dat ze daar in hoopen op elkander vielen
+en een groot gedeelte van het dak met golvende vlammen overdekten.
+
+Dan begrepen de ridders ten volle het inzicht en het doel hunner
+hardnekkige vijanden: zij wilden al de geestelijke gebouwen door den
+brand vernielen en dus de beukers en de wapenknechten van alle
+beschutting berooven.
+
+Een groot geroep rees op; de bevelen klonken verward door elkander, en
+de oversten der Isegrims en der Franschen poogden hunnen mannen het
+gevoel in te drukken dat men, ondanks alle gevaar, moest pogen den brand
+te blusschen, wilde men niet den ganschen burg in asch te zien vergaan.
+
+De wapenknechten, evenals hadden zij op het slagveld tegen den vijand te
+strijden, liepen in menigte naar boven met al wat water kon bevatten, en
+sprongen door de zoldervensters op de daken.
+
+Maar de Kerels, die zulks wel hadden voorzien, wierpen zoo duchtig met
+steenen en schoten zoo onophoudend met hunne laatste pijlen, dat een
+groot getal wapenknechten doorboord of verpletterd werden en onder het
+slaken van doodskreten nedervielen in het vuur zelf dat zij wilden
+blusschen.
+
+De wind blies tamelijk sterk en hitste de vlammen aan[89].
+
+Dank aan wanhopige pogingen en ten prijze van vele menschenlevens
+gelukten de wapenknechten er in den brand boven den refter uit te
+dooven; maar op hetzelfde oogenblik sloegen de vlammen met nieuw geweld
+uit het dak van een ander gedeelte des kloosters ...
+
+Dit geschiedde nog herhaalde malen. Toen men eindelijk den brand geheel
+meester was geworden, lagen verscheidene daken neergevallen; maar de
+Kerels hadden evenwel hun voornaam doel gemist, aangezien het dak boven
+den beukram, dat men allereerst had gebluscht, was behouden gebleven.
+
+De koning van Frankrijk had dit gansche schouwspel, van uit een venster
+der Love, met diepe verbittering gevolgd. Hoe werd hij nu tegen de
+Kerels verbolgen, toen hij onder zijne oogen zoovele gekwetsten zag
+wegdragen, alsof men tegen een vijandelijk leger had slag geleverd! Hij
+zwoer zich op die uitzinnige Kerels wreedelijk te wreken. Geen enkele
+zou het schromelijkste lot ontsnappen: allen zouden den marteldood
+sterven!
+
+Toen hij de Loove tegen den avond verliet, herhaalde hij nog deze
+onmeedoogende veroordeeling tot groote vreugd der Isegrims, die aldus de
+verzekering kregen dat al de grondbezittingen, zoowel van Robrecht
+Sneloghe als van de andere Erembalds, hun tot belooning zouden worden
+uitgedeeld.
+
+Den ganschen nacht bleven de Franschen en de Isegrims werkzaam om de
+geledene schade zooveel mogelijk te herstellen en nieuwe gevaren van
+dien aard te voorkomen. Het dak van den refter werd overdekt met versche
+of natgemaakte ossenhuiden, en hier en daar van binnen met balkwerk
+versterkt. Nog werden vele mannen door de steenen of de pijlen der
+Kerels getroffen; maar het was een waar gevecht, en niemand meende het
+te mogen ontwijken.
+
+Reeds des anderen daags in den vroegen morgen begon de ram zijn werk
+opnieuw.
+
+Nog poogden de Kerels hunne vijanden door het werpen van zware steenen
+of van brandstoffen te verontrusten; maar alles botste op de vochtige
+ossenhuiden af, of verteerde zonder eenig uitwerksel. Eindelijk, na alle
+mogelijke middelen te hebben beproefd erkenden zij hunne onmacht en
+staakten hunne pogingen. Buiten vier of vijf, die de wacht hielden, om
+nog de ridders en de wapenknechten te treffen, die zich roekeloos onder
+hun bereik waagden, bleven de Kerels van dan af gansch ondadig. Zij
+legden zich hier en daar binnen ten toren ter ruste of luisterden in
+sombere stilzwijgendheid op de holle slagen van den beukram, of keken
+mijmerend in de verte over burg en stad naar het betreurde Kerlingaland,
+als waanden zij nog dat van daar verlossing kon komen.
+
+Den derden dag moest het werk der beukers reeds verre gevorderd zijn,
+want bij elken stoot van den ram beefde de toren nu op zijne
+grondvesten; schouwde men in de hoogte, dan zag men op zulk oogenblik
+hoe het kruis en de haan op de torenspits over en weder waggelden.
+
+Nu begonnen de Kerels te vermoeden wat hunner vijanden inzicht was. De
+schrikkelijke gedachte, dat men den toren kon doen nederstorten, om hen
+allen onder de puinen te verpletteren, ontstelde hen in den eerste; maar
+zij twijfelden nog aan de mogelijkheid van zulk ontwerp; en moest het
+zich verwezenlijken, welnu, zij waren bereid om dezen gruwelijken dood
+zonder klagen te aanvaarden. Allen te zamen sterven, was in hunnen
+hachelijken toestand nog een geluk.
+
+Toen de avond van dien dag zichtbaar begon te dalen, werden zij door den
+vijand zelven uit hunne onzekerheid getrokken. Een wapenbode stuurde
+hun, in name des konings van Frankrijk, het woord toe. Hij zeide hun,
+met vele bedreigingen, dat de ram reeds bijna de helft van des torens
+voet had uitgebeukt, en dit gebouw welhaast in gruis zou nederstorten.
+Al de Kerels zouden onder zijne puinen worden begraven. Wilden zij zich
+op genade des konings overgeven, men zou hen beneden laten komen;
+weigerden zij, de beukram zou onmeedoogend zijn werk voltrekken. Men
+gunde hun een vierendeel uurs.
+
+Op dit voorstel antwoordden de Kerels met koele fierheid, dat zij
+volstrekt weigerden zich over te geven, tenzij de koning en de ridders
+hun de reeds meermaals uitgedrukte voorwaarden toestonden. Weigerde men
+dit voorstel, het was een bewijs dat men voornemens was, zonder vonnis
+hen te dooden, en in dit geval stierven zij nog liever als vrije Kerels
+onder de puinen van den toren.
+
+De wapenbode sprak in naam des konings eene vermaledijding en een
+doodvonnis tegen hen uit, en keerde dan terug naar de Loove.
+
+Onmiddellijk daarop begon men in het klooster met nieuwe kracht te
+beuken, tot verre in den avond. Dan echter werd het werk der vernieling
+gestaakt, ongetwijfeld omdat men vreesde den toren onverwachts te zien
+instorten, en men wilde vermijden dat zulks gedurende den nacht
+geschiedde.
+
+Ondanks de ijselijkheid van het lot dat hen dreigde, begaven de Kerels
+zich ter rust; en dewijl nu het bonzen van den beukram hen niet stoorde,
+sliepen er velen zeer vast tot in den morgen van den volgenden dag.
+
+
+[Illustratie: ...het hoofd op de leuning der gaanderij gelegd. (Bladz.
+497.)]
+
+
+De zon was reeds sedert een goed uur boven de kim gerezen, toen Robrecht
+ontwaakte. Hij voelde zijnen geest verzwaard door den langen, loomen
+slaap, en stapte naar buiten, om op de gaanderij eene verfrissching voor
+zijn neergedrukt gemoed te zoeken.
+
+Daar zag hij eensklaps aan den zuiderkant des torens Dakerlia op eene
+houten bank in het stralend morgenlicht zitten. De maagd had het hoofd
+op de leuning der gaanderij gelegd en hield de oogen gesloten. Was zij
+onder de koesterende warmte der zon ingesluimerd of mijmerde zij in
+vergetelheid van het verloren geluk en van den akeligen dood die haar
+jong leven ging verslinden?
+
+Mher Sneloghe naderde tot op twee stappen van haar, bleef daar staan,
+vouwde de armen over de borst en staarde zuchtend op zijne verloofde.
+
+Welke eindelooze wereld van gedachten en herinneringen stormde hem op
+dit oogenblik door de hersens! Alwat hij had gedroomd, gehoopt,
+gevreesd, geleden, warrelde als een spokig gezicht hem voor de oogen.
+Wat was toch de mensch in de handen Gods? Zandkorrel dien het lot mede
+voert, evenals de wind een vlokje stof! Hij, Robrecht, was de rijkste
+ridder van geheel West-Vlaanderen geweest, hij had toebehoord aan een
+vrij land en een edel geslacht. Hij was schoon en sterk geweest als man,
+geacht en bemind als mensch. Hij had eene zuster gehad, zoet, eenvoudig
+en lieftallig als eene duive. Zijne ziel had eene zuivere, beminnende
+ziel ontmoet; de huwelijkszegen moest hen onafscheidbaar vereenigen en
+hun leven tot een paradijs van liefde en zoet genot herscheppen ...
+Eenige sombere dagen slechts waren voorbij--en van dit alles bestond
+niets,--niets meer! Kerlingaland was bezweken, de vrijheid, het erfdeel
+der edele voorvaderen, verloren! Hij, die de gelukkige bruidegom der
+aangebeden maagd moest worden, ging den dood vinden onder de puinen van
+St-Donaastoren ... Van de Erembalds zou zelf in 's lands geschiedenis
+niets overblijven dan eene gevloekte gedachtenis! en dit alles tot boete
+eener afschuwelijke misdaad, waaraan zij vreemd gebleven waren,--tot
+betaling der bloedschuld van den moordenaar Burchard Knap!
+
+Eene wijl bleef nog de blik des jongelings strak en dof, als ware de
+denkingskracht in hem opgeschorst geweest.
+
+Allengs nochtans vormde zich op zijne lippen een onduidelijke glimlach,
+en hij hield de oogen met eene soort van treurige bewondering op het
+gelaat van Dakerlia gevestigd.
+
+Zij was toch zoo schoon en zoo ontzagwekkend, zijne verloofde, die daar
+op den rand van den waggelenden toren lag te slapen als een onnoozel
+kind dat sluimerd op de kruin van eenen vulkaan.
+
+Waren Robrecht en zijne gezellen bleek, vermagerd, gekwetst, vuil en
+gescheurd, Dakerlia had geheel het voorkomen der gezondheid van den
+zielevrede en der zindelijkheid behouden. Iedereen toch had gewedijverd
+om haar tegen de ongemakken van hunnen schrikkelijken toestand te
+behoeden; en, hoe zij ook wederstand had geboden, haar voedsel toch was
+niet verminderd geworden, en zelfs had men veel van het kostbare
+drinkwater opgeofferd, om de Kerlinnen toe te laten, haar met al de
+zorgen der netheid te omringen.
+
+Dakerlia's wangen hadden nog iets van hunnen vorigen blos behouden, haar
+aangezicht was zuiver en frisch gebleven. Haar zoo op de leuning der
+gaanderij onder het zonnelicht ziende rusten, zou men gewaand hebben
+eene teeder gekleurde roze te beschouwen, die even door een storm uit
+het dal was gerukt geworden en boven op eene naakte rots gevoerd.
+
+Robrechts hart popelde van bewondering en liefde, terwijl hij, van het
+gevoel der wezenlijkheid verdwaald, den blik op het zoet gelaat zijner
+verloofde hield gevestigd; maar eindelijk toch ontviel hem de
+tooversluier der begoocheling, en welhaast sidderde hij onder den slag
+van bedroevende gepeinzen.
+
+Zij ook, zij, Dakerlia, ging eenen akeligen dood sterven! Van die
+schoonheid, van dat jong leven, van al die hoop op geluk zou niets
+overblijven dan ... dan een verpletterd en verminkt lichaam ...
+ijselijk, gruwelijk!
+
+Tranen schoten den ontroerden ridder in de oogen; maar hij bedwong deze
+teekens der smart met geweld, en zette zich in stilte nevens zijne
+verloofde.
+
+Dakerlia ontwaakte en opende de oogen; zij aanschouwde Robrecht eene
+wijl met eene soort van onbewustheid en glimlachte dan helder, als stond
+er eene verheugende herinnering in haren geest op.
+
+"Gij lacht, Dakerlia?" murmelde de jonge ridder verbaasd, "Uwe sterke
+ziel is dus boven alle vrees verheven?"
+
+"Wat schoon, wat heerlijk gezicht!" riep de maagd met begeestering uit.
+"Robrecht, ik heb mijn vader en uwe zuster gezien ... gezien en omhelsd
+en gesproken!"
+
+"Een droom, lieve, eene begoocheling ..."
+
+"Neen, neen, meer dan dat; eene inspraak van God, een troost in ons
+lijden, eene voorspelling van toekomende dingen!"
+
+Robrecht haalde mismoedig de schouders op en zeide met eenen zucht:
+
+"Luister, luister, hoe de ram daarbeneden beukt; voel, Dakerlia, hoe de
+toren siddert. Ziedaar, arme vriendinne, de droeve wezenlijkheid!"
+
+"Gij gelooft mij niet?" sprak de maagd, met een gelaat dat van vreugde
+straalde, "Ik heb den toren reeds zien vallen ... Zoo zat ik hier bij
+den rand der gaanderij: de ram beukte geweldiger nog dan nu, de toren
+waggelde op zijne grondvesten en ging nederstorten. Ik was vervaard en
+hief de handen biddend ten hemel. Een Engel verscheen aan mijne zijde.
+"Vrees niet, Dakerlia," zeide hij; "voor wie ongelukkig is of onrecht
+lijdt, is de dood eene verlossing, een nieuw en beter leven." De goede
+geest gaf mij moed en versterkte mij tegen den hachelijken stond. Daar
+viel de toren met ijselijk gekraak; maar terwijl ik met de puinen naar
+beneden stortte, greep de engel mij in zijne armen en vloog met mij naar
+den hemel. In eene zaal, die verblindend glansde van goud en licht,
+kwamen mijn vader en uwe zuster juichend mij te gemoet geloopen en
+omhelsden mij met uitstorting eener onzeglijke blijdschap. Tranen van
+geluk ontrolden onzen oogen bij dit vroolijk wederzien. Onze vrienden
+Eggard Van IJsendijke, Yorg Koevoet, uw oude oom, de proost, en nog
+velen van de dappere gezellen die gesneuveld zijn, kwamen mij omringen
+en drukten mij de handen. Eene treurnis slechts benevelde onze vreugd;
+allen riepen wij: "Waar is Robrecht? Waar blijft de edele Robrecht?" Ha,
+er ging tusschen ons een schallende jubelkreet op. Daar kwaamt gij! Wij
+liepen met uitgestrekte handen u toe en sloten u in de armen ... Dan
+overstroomde ons eensklaps een stralend licht, en uit den schoot van
+dien gloed sprak de stemme Gods zelve tot ons: "Robrecht, Dakerlia,
+zielen die op aarde hebt bemind en geleden, weest vereenigd en gelukkig
+tot het einde der eeuwen!" En dan, Robrecht, dan ben ik ontwaakt en heb
+u nevens mij zien zitten. Het is een droom; ja, ja, een droom; maar hij
+zal waarheid worden. Daarboven zullen wij eeuwig te zamen leven, met
+mijnen vader, met uwe zuster, in Gods aanschijn!"
+
+De jonge ridder had zich door de begeesterde taal van Dakerlia tot
+begoocheling laten verleiden, en ook op zijne lippen was een zoete
+glimlach verschenen; maar zoohaast zij ophield van spreken, keerde hij
+tot het gevoel der wezenlijkheid terug en schudde met treurigheid het
+hoofd.
+
+"Die schoone voorspelling kan u niet verblijden?" murmelde de maagd.
+"Zoudt gij den dood vreezen, Robrecht?"
+
+"Voor mij niet, gij weet het wel", antwoordde hij. "Maar u te zien
+sterven, Dakerlia, u, zoo jong, zoo onschuldig, zoo schoon! Eilaas, het
+is eene ijselijke gedachte!"
+
+"Vermits ik dit lot zonder beven aanvaard ..."
+
+"Er is nog een middel, Dakerlia; en onze arme gezellen zouden, uit
+liefde tot mij en tot u, er in toestemmen."
+
+"Alweder het voorstel dat ik reeds tienmaal heb verstooten?"
+
+"Inderdaad, lieve; maar ik smeek u, aanvaard het, uit medelijden met
+mijne smart! Indien ik u gered mocht weten, ik stierve met een gevoel
+van geluk, en ik zegende dan den dood als eene weldaad. Laat mij doen:
+ik zal den koning onze overgaaf op zijne genade voorstellen, indien hij
+zijn vorstelijk woord wil verpanden dat men u in volle vrijheid naar
+Kerlingaland zal laten vertrekken."
+
+"Nimmer, nimmer! Ik weiger ..."
+
+"Dakerlia!"
+
+"Met u wil ik leven en sterven. Mijn droom zal waarheid blijven."
+
+"Wees niet onmeedoogend; uwe weigering maakt mij den dood tot eenen
+galbeker."
+
+"Ha, Robrecht, hoe is het mogelijk!" kreet het meisje met
+verontwaardiging. "Gij wilt dat ik op aarde blijve na uw vertrek? Bemint
+gij mij? Waarom dan wenscht gij dat ik blootgesteld worde aan de
+vervolgingen van den verrader Disdir Vos? En wierd ik het slachtoffer
+zijner boosheid, hoe zou uwe ziel zich beschuldigen de oorzaak te zijn
+geweest mijner onzaligheid en mijner schande! Ik ben eene Kerlinne:
+zuiver zal ik voor God verschijnen; ik wil het recht behouden mijnen
+vader, uwe zuster en u zelven daarboven in de armen te drukken ..."
+
+Tot dan hadden de Kerels, die zich op de gaanderij bevonden, volgens
+hunne gewoonte de samenspraak van hunnen overste met jonkver Wulf
+geerbiedigd, en waren zij aan de andere zijden van den toren gebleven;
+maar nu kwam Ivo-de-Wolvenjager nader en zeide:
+
+"Mher Sneloghe, indien ik mij niet bedrieg, gaat daar beneden iets
+gewichtigs gebeuren. In de Hofstraat komen een groot getal voorname
+poorters. Zij begeven zich in stoet naar den burg, ongetwijfeld om den
+koning te spreken. Wat hun inzicht is kunnen wij niet raden; maar zij
+doen verstaan dat zij over ons gaan handelen."
+
+Op dit oogenblik bereikten de poorters het middelplein van den burg, en
+Robrecht hoefde slechts het hoofd over de leuning der, gaanderij te
+buigen, om op den stoet neder te zien. Hem werden insgelijks teekens
+gedaan, doch hij kon er geene andere beduidenis aan toekennen, dan dat
+men waarschijnlijk eene laatste poging bij den koning wilde wagen om
+levensgenade te bekomen voor de arme Kerels, die andere door den val van
+den toren ellendig zouden worden verpletterd.
+
+Inderdaad, hij misgreep zich niet. De schepenen der stad, vergezeld van
+wel veertig oversten der gilden en neringen, boden zich op dit oogenblik
+voor de poort der Loove aan en verzochten den koning te mogen spreken.
+
+In de tegenwoordigheid des vorsten toegelaten en over de reden hunner
+komst ondervraagd, zeide de voorschepen:
+
+"Heer koning, de droeve mare dat men den toren van St-Donaas gaat doen
+vallen heeft onze poorters zeer ontroerd. Op hun aandringen komen wij
+uwe goedheid afsmeeken en, voor uwe voeten neergebogen, u bidden dit
+oudste kerkelijk gebouw onzer stad te willen sparen. Valt deze logge
+toren, dan zal hij niet alleen de kerk en de proostdij verpletteren,
+maar nog daarenboven zonder twijfel vele menschen dooden."
+
+"Wij begrijpen wel, heeren, dat gij liever den toren zoudt gespaard
+zien", antwoordde de vorst. "Maar gij hoopt zeker niet 'dat wij, koning
+van Frankrijk, ongestraft onze macht zullen laten hoonen, of van hier
+zouden kunnen vertrekken zonder die slechte, hardnekkige lieden tot
+overgaaf te hebben gedwongen? Te lang heeft dit belachelijk spel
+geduurd; en, vermits er geen ander middel is om die razende Kerels te
+doen bezwijken, zal de toren vallen!"
+
+"Gelieve de heer koning mij oorlof te geven om eene overweging ootmoedig
+hem te onderwerpen", hernam de voorschepen. "Het getal der Kerels op den
+toren is niet vijftig; wij meenen ons overtuigd te kunnen houden, dat
+zij niet boven de dertig sterk meer kunnen zijn. Deze arme lieden zijn
+in den oorlog gewikkeld geworden ten gevolge van eenen gruwelijken moord
+waaraan geen hunner persoonlijk schuldig was."
+
+"En Robrecht Sneloghe dan?" riep Disdir Vos, die met den veldheer
+Grervaas en met andere ridders achter den koning stond.
+
+"De koning late mij toe het te zeggen", antwoordde de voorschepen "mher
+Robrecht Sneloghe heeft door al zijne daden bewezen dat hij vreemd is
+gebleven aan de misdaad en deze dieper betreurt dan wie het zij; ja, hij
+heeft in het openbaar tranen van deernis en rouw op het lijk van graaf
+Karel gestort en het met gevaar des levens tegen schennis verdedigd. Is
+hij het niet die den moordenaar heeft gedood[90]?
+
+Van allen die bekend zijn als hebbende deel aan de misdaad genomen, is
+geen enkele meer op den toren; zij zijn gesneuveld, gemarteld of
+gevlucht ... O, machtige koning van Frankrijk, kan de onmiddellijke dood
+dezer ellendige lieden eenigen luister voegen bij den glans van uwen
+roem? Zeker, de moord van onzen graaf is een afschuwelijke aanslag;
+maar, heer koning, in uw grootmoedig hart kan het gevoel der wraak
+slechts toegang vinden, voor zooveel het nuttig of geheel rechtvaardig
+zij...."
+
+"Hoe?" morde de vorst verwonderd. "Onze wraak tegen deze overmoedige
+lieden zou niet rechtvaardig zijn? Hebben zij niet genoeg onzer ridders
+en wapenknechten gedood of gekwetst?"
+
+"Inderdaad, heer koning, en het is wel te betreuren; maar indien uw
+edelmoedig hart het wilde aanzien als enkelijk geschied tot hunne
+verdediging ..."
+
+"Sa, begrijp ik het wel", viel de koning half vergramd uit, "dan zoudt
+gij vermetel genoeg zijn om te wenschen en te verwachten dat wij genade
+schenken aan deze lieden die ten minste vrienden en handlangers der
+moordenaars zijn?"
+
+"Neen, heer koning, genade niet; maar wij durven u smeeken hun de
+voorwaarden toe te staan welke zij op hunne overgaaf stellen. Zij
+willen zich in de gevangenis begeven en onderwerpen zich op voorhand aan
+de straf welke de rechters, na hen gehoord te hebben, over elk hunner
+zullen uitspreken. Zij vragen geene genade, zij eischen slechts
+rechtvaardigheid. Zeker, grootmoedige vorst, zij zijn in dezen oorlog
+uwe vijanden; hun lot is in uwe handen, en, wat gij ook over hen gelieve
+te beslissen, elkeen moet met eerbied zich onderwerpen aan uwen wil.
+Maar, hebben zij geen recht op uwe genadigheid, wees dan toch den
+poorters dezer goede stad Brugge goedgunstig en doe, op hun gebed, wat
+gij den Kerels zoudt weigeren. Wij smeeken op de knieen uwe koninklijke
+grootmoedigheid af! Spaar, spaar den toren en den tempel van onzen
+grooten heiligen Donaas!"
+
+Bij deze laatste aanroeping zonken al de schepenen en poorters geknield
+ten gronde en bleven zoo, met neergeslagen blik, voor den koning
+gebogen.
+
+De vorst scheen gevoelig aan hunne hulde en aan hunne bede. Hij keerde
+zich tot de ridders, waarschijnlijk om hen te raadplegen over de
+beslissing welke hij geneigd was te nemen. De Isegrims morden hevig;
+hunne gebaren konden laten gissen dat zij den koning poogden over te
+halen tot het volstrekt verwerpen van het verzoek der poorters.
+
+Wat ook de indruk dezer korte samenspraak op des vorsten gemoed ware
+geweest, hij wendde zich weder tot de schepenen en zeide op minzamen
+toon:
+
+"Staat op, heeren. Wat gij van ons vraagt is moeilijk toe te staan. De
+Kerels sparen? Zouden dan al onze mannen, die zij gedood hebben,
+ongewroken moeten blijven? Evenwel, wij zouden indien het ons mogelijk
+ware den toren te behouden, ons gelukkig achten, deze gelegenheid te
+vinden om den goeden lieden der stad Brugge een hoog bewijs onzer
+bijzondere welwillendheid te geven. Gaat tot uwe mannen, stelt ze gerust
+en zegt hun dat wij het werk van den beukram zullen doen opschorsen,
+totdat wij met rijp beraad hebben overwogen wat ons mogelijk is, ten
+believe der poorters dezer goede stad Brugge te doen. Hebt vertrouwen ik
+hoop dat wij den toren van St-Donaas zullen kunnen behouden."
+
+Onder het uiten van dankzeggingen en met blij gemoed, verlieten de
+schepenen en hun gevolg de Loove.
+
+Het middelplein van den burg krielde van volk, zelfs tot aan den voet
+van den toren; want ieder wist dat de Kerels, sedert den dood van
+Burchard Knap, nooit meer op ongewapende poorters schoten.
+
+De schepenen deelden aan de menigte de goede woorden des konings mede.
+Dit bericht ontlokte het volk een schallend gejuich en, terwijl menige
+kreet van "Leve de koning!" in de hoogte steeg, poogden eenige stoutere
+lieden met de Kerels te spreken en hun door sterk roepen te doen
+verstaan dat er nog groote hoop op verlossing voor hen was.
+
+Maar nu traden eenige wapenknechten op het plein en dreigden de poorters
+met gevangenis indien zij, tot de Kerels sprekende, het gebod des
+konings overtraden.
+
+Het duurde zeer lang eer men iets nieuws vernam. De toevloed der menigte
+groeide immer aan, en met ongeduld wachtte een ieder op het besluit des
+konings.
+
+Eindelijk liep een blij gemor door het volk, dat zich opende om eenen
+wapenbode en eenen bazuinblazer door te laten.
+
+De bode, nadat men de aandacht der Kerels door een kort geschal had
+opgewekt, riep hun toe:
+
+"Op de bede der poorters van deze goede stad Brugge en om den toren van
+St-Donaas te sparen, vergunt onze heer, de koning van Frankrijk, u de
+voorwaarden op welke gij aangeboden hebt u over te geven. Gij zult in de
+gevangenis geleid worden en daar afwachten totdat rechters over uw lot
+uitspraak hebben gedaan. Laat mij weten of gij deze gunst aanvaardt: ik
+wacht uw antwoord."
+
+Na eene wijl onder elkander te hebben geraadpleegd, riepen de
+Kerels[91]:
+
+"Wij aanvaarden met vertrouwen in 's konings woord!"
+
+"Komt dan beneden!" zeide de bode. "Men zal den uitgang van den trap
+vrijmaken en u in de kerk uwe wapens afnemen!"
+
+"Het zij zoo!" antwoordden de Kerels.
+
+Een lang gejubel klonk over het plein, en herhaalde malen weergalmden er
+kreten ter eere van den Franschen vorst.
+
+Ongetwijfeld hadden de Kerels nog druk te arbeiden om zich eenen
+doorgang te banen tusschen al de hindernissen waarmede zij tot hunne
+verdediging de torentrap hadden versperd.
+
+Schier een uur verliep er, vooraleer een dof gebruis en een koortsig
+gewoel onder de menigte aankondigden dat de Kerels gingen verschijnen.
+
+Inderdaad, uit de kerkpoort trad nu eene sterke wacht van wapenknechten;
+daarachter stapten de Kerels, ten getalle van slechts zevenentwintig man
+en drie vrouwen.--Zij waren sedert meer dan veertig dagen in den burg
+opgesloten gebleven, en hadden daarvan zestien dagen op den toren
+doorgebracht! Gedurende deze lange tijdruimte hadden zij met
+onplooibaren heldenmoed zich verdedigd tegen twee legers en tegen al de
+befaamde stormtuigen van den burg van Gent!
+
+Ook was het wel aan hun ellendig opzicht te zien wat zij hadden
+doorstaan en geleden. Allen waren geel en mager, met ingevallen wangen
+en weggezonken oogen. Velen droegen op aangezicht en handen de roode
+litteekens van slecht geslotene wonden; hunne kleederen waren vuil en
+hingen aan flarden. Ware het niet hunne trotsche houding geweest, hadde
+niet uit hun somber oog nog de vonk der onplooibare trotschheid
+ontschoten, men zou voorzeker gewaand hebben eene bende verhongerde
+bedelaars te zien.
+
+Dakerlia alleen, met hare rijzige gestalte, hare bekoorlijke
+wezenstrekken en reine, nette kleeding scheen eene koningin tusschen
+eenen hoop noodlijdenden. Zij stapte aan Robrechts zijde en verbaasde
+elkeen door den stillen, zoeten glimlach en door den glans van fierheid
+die haar schoon gelaat verlichtte.
+
+Ridders en wapenknechten boden als met eerbied eenen vrijen doorgang aan
+deze heldhaftige vijanden, en bekeken hen zonder een enkel hoonend woord
+te laten hooren of door eenig zegevierend gebaar hen in hun ongeluk te
+bespotten.
+
+Menig poorter, terwijl de arme Kerels hen voorbijgingen, wischte zich
+eenen traan van medelijden en bewondering uit de oogen.
+
+Verre hoefden de gevangenen niet te gaan: het Gyselhuis, in welks kerker
+men ze ging opsluiten, stond op den burg, schuins over de proostdij.
+
+Toen de Kerels binnen in het Gyselhuis gekomen waren, gebood de overste
+der wachten, dat men de mannen in den grooten kerker ter rechterzijde,
+en de vrouwen in de cellen ter linkerzijde zou opsluiten.
+
+Een angstschreeuw ontsnapte terzelfdertijd aan Dakerlia en Robrecht en,
+als vreesden zij dat dit afscheid eeuwig zou zijn, sprongen hun beiden
+de tranen uit de oogen.
+
+Dakerlia hief met een plechtig gebaar den vinger ten hemel, wees dus aan
+haren verloofde de baak der hoop en riep:
+
+"Robrecht, Robrecht, er is een beter leven. Vaarwel, tot wederziens
+daarboven ... mijn vader, Witta!"
+
+"Vaarwel, dat God u bescherme!" murmelde de jonge ridder, schier
+bezwijkende van smart.
+
+De wapenknechten grepen de Kerels en de vrouwen bij de armen en leidden
+ze naar de kerkers die hun waren toegekend.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 87: "Zij sloegen de klokken aan stukken om daarmede hunne
+vijanden te verpletten." GALB., p. 319.]
+
+[Voetnoot 88: "In zijne gramschap gebood de koning den toren spoedig
+omverre te doen storten ... Onmiddellijk begonnen zij met ijzeren
+werktuigen den toren van onderen uit te breken." GALB., p. 370.]
+
+[Voetnoot 89: "Zij wierpen kolen, gedoopt in pik, in was en in boter.
+Deze kolen, zich hechtende aan de daken, deden vlammen ontstaan, welke
+de wind aanblies, en die, zich uitbreidende, het dak naar alle kanten
+verslonden." GALB., p. 354.]
+
+[Voetnoot 90: Den Maandag, 18 April, wierpen onze burgers zich weder
+geknield voor den koning neder, en smeekten om genade voor Robrecht.
+GALB., p. 370.]
+
+[Voetnoot 91: "De koning verleende aan de belegerden, volgens hunne
+vraag, oorlof om van den toren te komen, dewijl het voordeeliger was dat
+zij zich zelven overgaven zonder de belegeraars aan de gevaren der
+Instorting bloot te stellen."
+
+GALB., p. 371.
+
+"Zij kwamen dus uit de kerk ten getalle van zevenentwintig."
+
+GALB., p. 371.
+
+Volgens Galbertus werd de stad Brugge bij verraad ingenomen den 9en
+Maart, en gaven de Kerels zich over den 19en April. Het beleg had
+dienvolgens tweeenveertig dagen geduurd]
+
+
+
+
+XXVII.
+
+
+Dakerlia zat gevangen in het Gyselhuis op den burg. Een enkel verheven
+venstertje liet in haren engen kerker eenen flauwen lichtstraal
+nederdalen, en men moest zijne oogen aan den twijfelachtigen schemer,
+die er heerschte, gewend hebben, vooraleer er de voorwerpen duidelijk te
+kunnen onderscheiden.
+
+Ongetwijfeld wilden de vorsten of de ridders, die over het lot der jonge
+Kerlinne beschikten, haar niet met de uiterste strengheid behandelen;
+misschien was er iemand die haar geheimelijk beschermde, want in haren
+kerker stonden een paar stoelen en eene tafel en, in den duisteren hoek,
+verre van het licht, had men eene soort van bed geschikt, om haar eene
+gemakkelijke rustplaats te bezorgen.
+
+Het was de vierde dag, nadat de Kerels van den toren waren gedaald en
+zich in de handen hunner vijanden hadden overgegeven op voorwaarde dat
+men hen door eene wettelijke rechtbank zou doen onderhooren en
+vonnissen.
+
+Dakerlia zat op haren stoel nevens de tafel en, met het hoofd op de hand
+rustende, schouwde zij droomend in de ruimte.
+
+De bewegingen haars gelaats getuigden dat velerlei gedachten haar door
+den geest stroomden. Nu zweefde er een glimlach op hare lippen, dan liep
+er eene angstige siddering haar door de leden of bevochtigde een traan
+haar oog; dan weder hief zij den blik ten hemel en vouwde de handen tot
+een gebed.
+
+Wie haar dus gezien hadde, zou geraden hebben dat haar hart over en
+weder vlotte tusschen hoop, schrik en medelijden. Waren de rechters
+onpartijdige lieden,--mijmerde zij in zich zelve,--dan zouden zij
+Robrecht wel eene straf opleggen, omdat hij, ter vervulling van eenen
+onverbiddelijken bloedplicht, den moordenaar Burchard had helpen
+verdedigen; zij zouden misschien zijne goederen verbeurd verklaren, om
+de gierigheid en den haat der Isegrims te bevredigen; maar zijne dood
+zouden zij niet eischen, en hem in vrijheid laten gaan of hem uit het
+graafschap bannen. Was de rijkdom wel noodig tot hun geluk? Hoe arm
+Robrecht mocht worden en waar hij zich ook bevonde, zij zou zijne
+echtgenoote zijn en haar leven toewijden aan het verzachten, aan het
+verhelderen van zijn lot. Misschien zou zij hem dan den geleden
+rampspoed kunnen doen vergeten, misschien waren hun door den
+barmhartigen God nog schoone, vreedzame dagen voorbewaard?
+
+Bij zulke gepeinzen rees er een stille glimlach op hare lippen en
+ontschoot eene vonk van vertrouwen aan hare vochtige oogen; maar weldra
+versomberde eene kommervolle overweging haren geest. Zouden de
+valschhartige Isegrims, in hunnen onverbiddelijken wrok, de rechtbank
+niet doen samenstellen uit vijanden der Kerels? Eilaas, dan zou een
+doodvonnis den armen Robrecht treffen, en het zwaard des beuls zou dit
+edel en dierbaar hoofd van het bloedige kapblok doen rollen!
+
+Schrikkelijke gedachte, die Dakerlia deed ijzen en haar eenen angstkreet
+ontrukte ... Evenwel, haar beweegbaar en sterk gemoed kwam onmiddellijk
+in opstand tegen de wanhoop; en dan bief zij de oogen ten hemel, als om
+de plaats te zoeken waar hare ziel welhaast met de ziel van Robrecht en
+met andere dierbare zielen zou vereenigd zijn.
+
+Zij bedwong op dit oogenblik hare ontsteltenis, en eene uitdrukking van
+blijde verwachting beglansde haar gelaat. Het gerucht van sleutels en
+zware stappen in den gang kondigde haar aan dat Reinbert, de
+gevangenbewaarder, haar met het morgeneten tijding van Robrecht ging
+brengen.
+
+Reinbert, die nu de deur des kerkers opende en met eene kruik en een
+weitebroodje in de hand binnentrad, was een reeds bejaarde man, wiens
+gelaat niet van gevoeligheid getuigde; maar hij had vroeger in den
+oorlog onder het bevel van mher Wulf gestaan, en herinnerde zich met
+erkentenis den heldenmoed en de goedheid van zijnen overste. Daarom
+behandelde hij nu zijne dochter in het ongeluk met eerbied en
+genegenheid, en verschafte haar, niet zonder gevaar voor zich zelven,
+wat haar lot in deze treurige plaats kon verzachten.
+
+"Jonkver Wulf", zeide hij bij zijne intrede, "ik heb hier warme melk en
+van het fijnste brood dat er in Brugge te vinden is. Dezen middag zal ik
+..."
+
+Maar Dakerlia, door haar ongeduld aangejaagd, onderbrak zijne
+vriendelijke rede:
+
+"Dank, dank; God zegene u, Reinbert, voor uwe goedhartigheid! Hebt gij
+heden reeds mher Sneloghe gezien?"
+
+"Ik heb hem gezien, jonkvrouw."
+
+"En hoe vaart hij?"
+
+"Wel, tamelijk wel."
+
+"Gij zegt het zoo twijfelachtig! Treurt hij?"
+
+"Ja en neen, jonkvrouw. Als hij tot zijne gezellen spreekt, glanzen
+zijne oogen van mannelijke trotschheid, en hij boezemt allen de
+verachting des doods in, met eene onweerstaanbare welsprekendheid
+Sterven op zulke wijze dat men den onplooibaren heldenmoed der Kerels
+tot den einde toe bewondere, schijnt zijn eenige droom en zijn eenig
+doel; maar zoohaast hij het woord tot mij richt, wordt hij droefgeestig,
+en niet zelden schieten hem dan tranen in de oogen."
+
+"Waarom toch? Zegt gij hem bedroevende dingen, Reinbert?"
+
+"Neen, jonkvrouw; maar mij spreekt hij immer van u, van u alleen. Uw
+tegenwoordig lot, het lot dat u nog te wachten staat, verschrikt hem. De
+tranen, welke hij met zooveel geweld op zich zelven poogt te bedwingen,
+zijn tranen van medelijden en van liefde."
+
+Dakerlia zweeg eene wijl; een zucht ontsnapte haar en hare oogen
+glinsterden van ontroering.
+
+"Maar, Reinbert", vroeg zij in gedachten, "gelooft dan mher Sneloghe,
+gelooven de andere Kerels dat men de doodstraf tegen hen zal
+uitspreken?"
+
+"Zij schijnen inderdaad weinig hoop op het behoud des levens te
+koesteren", antwoordde de gevangenbewaarder, "en zij hebben wel reden,
+dunkt mij, om zich vanwege hunne vijanden aan het ergste lot te
+verwachten. Arme Kerels, hunne onzekerheid zal niet lang meer duren!"
+
+Door deze koele bevesting harer vrees verschrikt, hief Dakerlia de
+handen in de hoogte en riep kermend uit:
+
+"Genade, genade voor hem, almachtige God! Hij is onschuldig. Ach, wreek
+den gruwelijken moord niet op hem. Laat hem leven, ik zegen Uwen
+heiligen naam tot mijnen laatsten snik!"
+
+"Jonkver Wulf, vertwijfel zoo niet", zeide de gevangenbewaarder "Hoor
+mij aan, ik bid u. Worden de andere Kerels ter dood veroordeeld, men zal
+naar alle waarschijnlijkheid mher Sneloghe het leven sparen."
+
+"Gij wilt mij troosten en poogt mij te bedriegen, uit goedheid des
+harten!" murmelde Dakerlia ongeloovig.
+
+"Neen, jonkvrouw, ik heb u reeds gezegd dat de schepenen en voorname
+poorters niet ophouden bij den koning allerlei pogingen aan te wenden om
+genade voor mher Sneloghe te bekomen. Gisterenavond heb ik hier, in de
+groote zaal van het Gyselhuis, twee ridders,--mher Gervaas Van Praet,
+die nu kastelein van Brugge is geworden, en een Fransch overste van 's
+konings raad over deze zaak hooren spreken en twisten. Uit hunne
+woorden kon ik verstaan dat de koning geneigd is om mher Sneloghe in
+genade te ontvangen, en hij het reeds zou hebben gedaan, indien de
+Isegrims hem tot nu toe niet hadden wederhouden. Wie zal hier overwinnen
+de poorters of de Isegrims?"
+
+"De rechtvaardigheid of de haat?" mompelde Dakerlia.
+
+"Men zal het waarschijnlijk heden nog weten, jonkvrouw."
+
+"Heden?"
+
+"Het gerucht loopt dat dezen morgen een gerechtshof van daartoe door den
+koning aangewezen ridders in de Loove zal vergaderen om de Kerels te
+vonnissen. Het is zeker dat er iets gewichtigs gaat geschieden: de burg
+is sedert een paar uren vol wapenknechten en eene menigte ridders hebben
+zich in de Loove begeven Zelfs de Markt is overdekt met Fransche benden,
+die gisteren met den nieuwen graaf uit Kerlingaland zijn teruggekeerd
+..."
+
+"Ons arm Kerlingaland is gansch onderjukt!" zuchtte de maagd.
+
+"Dit kon men wel voorzien, jonkvrouw. Zoo aangevallen door de
+krijgsknechten van gansch Vlaanderen en van het groote Frankrijk ..."
+
+"Ja, ja, en van God verlaten tot boete eener afschuwelijke misdaad ..."
+
+"Kon Kerlingaland slechts zijnen heldenmoed betoonen en dan bezwijken
+... Maar, wat mher Sneloghe betreft, jonkvrouw, hebt gij alle redenen om
+te hopen. Hij zal ongetwijfeld voor het gerechtshof der ridders zijne
+onschuld bewijzen, en de koning, door de smeekingen der poorters tot
+mildheid gestemd, zal hem genade schenken. Wie kan het weten? Misschien
+zult gij nog met Sneloghe vreedzame en gelukkige dagen slijten ...
+Vaarwel, jonkver Wulf; verneem ik iets gewichtigs, ik zal pogen een
+oogenblik te vinden om het u te komen zeggen."
+
+Onder het uitspreken der vurigste dankbetuigingen vergezelde Dakerlia
+hem tot bij de deur.
+
+Toen deze weder gesloten was, bleef de maagd langen tijd te midden van
+den kerker staan, en overwoog wat de gevangenbewaarder haar had gezegd.
+Zij kwam door hare gepeinzen tot het besluit dat er inderdaad nog veel
+hoop op eenen gunstigen uitslag bestond; haar gemoed was verlicht.
+
+Zij ging tot de tafel, schonk de melk in eene kleine kom en begon van
+het brood te eten ...
+
+Daar hoorde zij weder den sleutel in de deur steken. Zij stond met
+blijdschap op en trad eenige stappen vooruit, in de verwachting dat
+Reinbert terugkeerde, om haar eenig belangrijk nieuws van Robrecht te
+brengen.
+
+Toen de deur werd geopend, ontsnapte haar een kreet van verschriktheid,
+en zij deinsde met eene uitdrukking van afkeer terug naar de tafel, waar
+zij zich op den stoel liet nederzakken.
+
+Disdir Vos stond voor haar.
+
+Op een teeken van hem ging de gevangenbewaarder uit den kerker.
+
+Haar met eenen bitteren grimlach in de oogen starende, zeide Disdir Vos:
+
+"Ik kom tot u uit edelmoed, uit medelijden; en gij, Dakerlia, ik zie het
+wel, gij haat hem altijd even vurig, den mensch, die, door loutere
+liefde tot u vervoerd, zich in gevaar bracht zijn leven en zijne eer te
+verliezen."
+
+"Verrader, verkooper van Kerlingaland!" morde de maagd. "Voltrek uw
+verfoeilijk werk: doe hem sterven, den Kerel, wiens edelheid, wiens
+trouw aan land en vrijheid uwe lage ziel moeten beschamen!"
+
+"Het is hij, het is Robrecht, niet waar", wedervoer Disdir Vos met
+spottende koelheid, "die mij dus bij u heeft beschuldigd? Niets kon
+Kerlingaland van den val behoeden. De ware oorzaak dezer ramp is de
+langwijligheid, de lijdzame traagheid van den proost Bertulf, van den
+kastelein Hacket, van Robrecht Sneloghe en van alwie met hem den Kerels
+hebben belet tegen de Isegrims en tegen den graaf het geweld der wapenen
+in te roepen, toen het nog tijd was."
+
+"Valsch, valsch!" kreet Dakerlia verontwaardigd. "De ware oorzaak is de
+moord van graaf Karel, afschuwelijke misdaad, waartoe gij, door uwen
+raad, hebt geholpen, en die ons God en de gansche wereld tot vijanden
+heeft gemaakt!"
+
+"Ik ben niet gekomen om daarover te twisten", zeide Disdir, zich op
+eenen stoel nederzettende. "Mijn tijd is kort; hoor met aandacht,
+jonkver Wulf, wat ik u te melden heb ... De ridders, door den koning
+benoemd om mher Sneloghe en zijne gezellen te vonnissen, gaan in de
+Loove vergaderen. Het is slechts veinzerij, om in schijn ten minste te
+voldoen aan de voorwaarde door de Kerels op hunne overgaaf gesteld. Men
+zal zelfs zich niet gewaardigen de Kerels te onderhooren. Allen zullen
+worden veroordeeld tot den schrikkelijksten marteldood. Gij schijnt mij
+niet te gelooven?"
+
+"Ware het zoo, welnu, zij zouden sterven zonder beven!" antwoordde
+Dakerlia. "Maar zulk vonnis is niet zeker; gij zoudt nog kunnen bedrogen
+worden in uwen onverbiddelijken haat. Indien de koning van Frankrijk
+genade wil schenken aan Robrecht?"
+
+"De koning van Frankrijk?"
+
+"Ja, de koning."
+
+"Aldus, men heeft u hier veropenbaard wat er in de Loove geschiedt?"
+mompelde Disdir Vos, het hoofd schuddende. "Gij streelt u met eene
+ijdele hoop, Dakerlia. Wel schijnt de koning geneigd om toe te geven aan
+de smeekingen der schepenen; maar de veldheer, Gervaas Van Praet, in
+naam van al ds Vlaamsche ridders, eischt den dood van mher Sneloghe, en
+de koning zelf heeft betuigd dat hij zonder hunne toestemming geenen
+enkelen Kerel het leven zal laten behouden. Hij is daartoe door zijnen
+eigen eed verbonden. Robrecht zal dus sterven in de wreedste
+martelpijnen, en zijn lijk zal onder de voeten der wapenknechten worden
+vertreden ..."
+
+"Mijn God, mijn God, zulk akelig lijden, zulke vernedering in den dood!"
+kreet de maagd terugschrikkende. "Ach, kan niets, niets het gruwelijk
+noodlot dan verbidden?"
+
+"Ja, Dakerlia, gij alleen op aarde kunt Robrecht nog het leven redden."
+
+"Ik, o hemel!"
+
+"Hem redden en hem de vrijheid terugschenken."
+
+"Eilaas, gij bedriegt mij door eene valsche hoop; gij wilt mij
+verrassen!" zuchtte de maagd, terwijl zij, gansch ontmoedigd, het hoofd
+op de borst liet vallen.
+
+"Ziet gij, Dakerlia", sprak Disdir Vos, "ik heb den veldheer Gervaas Van
+Praet groote diensten bewezen. Hij is mij nog daarvoor eene uitstekende
+belooning schuldig. Vraag ik van hem, als kwijtschelding zijner belofte
+jegens mij, levensgenade voor mher Sneloghe, dan zal hij zonder twijfel
+mij mijne bede toestaan en den koning de goedwilligheid jegens Robrecht
+aanraden. Zoudt gij mij dankbaar zijn, indien ik, alle andere gunsten
+verzakende, de verlossing van Robrecht Sneloghe als het eenige loon
+mijner zelfopoffering eischte?"
+
+Dakerlia stond op en trad eenen stap vooruit; zij zag Disdir aan met
+eenen smeekenden glimlach, die vriendschap of erkentenis scheen te
+ademen.
+
+Hij, door dien eersten straal van mogelijke genegenheid tot hem verrast
+en ontroerd, greep Dakerlia's hand; maar als hadde deze aanraking haar
+door een gevoel van afschuw tot bewustheid van haren toestand
+teruggeroepen, de jonkvrouw ontrukte hem sidderend hare hand.
+
+"Gij blijft onverbiddelijk voor mij!" gromde Disdir gekwetst. "Het zij
+dan zoo, vergiet gij zelve het bloed van Robrecht uit haat tegen mij. Ik
+vertrek en ga het woord uitspreken dat hem een doodvonnis moet zijn. Nog
+een uur en zijn trillend lijk zal op het Zand, verminkt en verpletterd,
+door de wapenknechten met voeten worden getreden ..."
+
+Hij meende den kerker te verlaten; maar Dakerlia liep tot hem en
+weerhield hem, terwijl zij bevend kermde:
+
+"Disdir, Disdir, ach, wees barmhartig! Genade, genade voor hem!"
+
+"Genade voor hem?" morde mher Vos, zich omkeerende. "Gij alleen,
+Dakerlia, kunt hem het leven nog redden; een enkel woord van u is
+daartoe genoeg."
+
+"Een enkel woord? Welk woord?" stamelde de maagd met angstig
+vooruitzicht.
+
+"Zeg, dat gij na het vertrek van Robrecht,--want indien men hem het
+leven spaart, zal hij zeker gebannen worden,--zeg, dat gij toestemt mij
+tot echtgenoot te aanvaarden."
+
+Een doffe schreeuw van afgrijzen ontsprong uit Dakerlia's benauwde
+borst, en zij deinsde wankelend naar de tafel, waar zij met de hand
+eenen steun zocht.
+
+"Ik eisch niet", ging Disdir voort, "dat dit huwelijk in de eerste
+maand voltrokken worde. Ik wil u den tijd gunnen om u aan de gedachte
+van dit nieuw lot te gewennen. Beloof mij slechts op dit oogenblik, dat
+gij aan uwe liefde voor mher Sneloghe verzaakt en laat mij de hoop dat
+ik u ten altaar zal mogen leiden, zoohaast de herinnering aan uwe
+tegenwoordige beproevingen genoeg zal verzwakt zijn, om in uw hart
+plaats voor een ander gevoel te maken. Gij ziet het, ik ben toegevend
+tot het uiterste; maar langer kan ik in dezen kerker niet blijven. Neem
+een besluit: van dit opperst ja of neen hangt het leven van Robrecht af.
+Zult gij mijne vrouw worden of niet?"
+
+Dakerlia staarde hem aan met eenen zuren spotlach en met oogen die
+eensklaps van heldhaftige trotschheid blonken.
+
+"Gij antwoordt niet?" vroeg bij. "Gij veroordeelt dus Robrecht tot den
+schandelijksten marteldood?"
+
+"Uwe vrouw?" antwoordde de maagd. "Ik, Dakerlia Wulf, ik, eene Kerlinne,
+uwe vrouw? Nooit, nooit! Doe ons allen sterven. God zal mij daarboven
+met Robrecht, mijnen bruidegom, voor eeuwig vereenigen. Ha, gij meent
+mij vatbaar voor vrees? Neen, neen, onze onplooibare standvastigheid tot
+op het kapblok zal onze vijanden nog verbazen en de verraders van
+Kerlingaland beschamen!"
+
+"Gij bedriegt u in uwe zinnelooze hoop, jonkvrouw", schertste Disdir,
+wiens hart met woede en spijt was vervuld. "Men heeft mij reeds uwe
+genade toegestaan; noch gij noch de andere gevangene Kerlinnen zult
+sterven. Gij moet leven, leven om mijne vrouw te worden!"
+
+"Nooit, nooit!"
+
+"Gij blijft in mijne macht; worstel zooveel gij wilt tegen een
+onvermijdelijk noodlot, gij zult het onderstaan, met goeden wil of tegen
+dank, ik heb het gezworen en ik herhaal u dien eed. Vaarwel, Dakerlia;
+het bloed van mher Sneloghe valle terug op haar die weigert hem door een
+enkel goed woord te redden. Ziet gij mij hier terug, het zal zijn om u
+den dood van Robrecht aan te kondigen."
+
+Hij stapte uit den kerker, en zelfs toen de deur was gesloten, hoorde
+hij nog het woord "nooit! nooit!" hem achternaklinken.
+
+Eene uitdrukking van haat en gramschap deed zijne scherpe lippen beven
+en, terwijl hij over het plein van den burg stapte, mompelde hij sombere
+bedreigingen tegen Robrecht en zelfs tegen Dakerlia.
+
+Voor de poort der Loove trok Disdir Vos zijn zwaard en meende zich als
+overste aan het hoofd van een gedeelte der wacht te stellen; maar zijn
+plaatsvervanger zeide hem dat het gerechtshof reeds sedert eenigen tijd
+was vergaderd en de koning zelf daar zooeven mher Gerhard Van Audenaarde
+met eenige wapenknechten had gezonden om den gevangen Robrecht Sneloghe
+voor de rechtbank te brengen.
+
+Deze tijding bekommerde Disdir. Zou men de Kerels onderhooren? Was de
+koning voornemens Robrecht genade te schenken en hoopte hij, in de
+woorden van den jongen ridder het middel te vinden om aan de smeekingen
+der poorters toe te geven? In alle geval, er moest in de besluiten der
+ridders eene verandering gekomen zijn. Indien men Robrecht Sneloghe ging
+sparen!
+
+Disdir stak zijn zwaard in, gaf het bevel aan zijnen plaatsvervanger
+over en trad binnen de Loove.
+
+In de groote zaal, waar het gerechtshof zetelde, was een gedeelte
+voorbehouden om den ridders toe te laten het uitspreken van het vonnis
+bij te wonen.
+
+Het was Disdir Vos gemakkelijk tot tegen de balie door te dringen; maar
+hier dwong de tegenwoordigheid des konings hem tot eerbied en tot
+stilte; en, hoe hij het ook vurig wenschte, hij kon den veldheer Gervaas
+Van Praet, die tusschen de rechters zetelde, niet naderen, en moest zich
+vergenoegen met hem, door herhaalde wenken en door gebaren, tot
+onverbiddelijke strengheid aan te drijven.
+
+In het diepe der zaal, onder een kostbaar verhemelte van roode zijde,
+zat de koning van Frankrijk, Lodewijk de Dikke; nevens hem, aan de eene
+zijde, Willem van Normandie, de nieuwe graaf, door hem benoemd, en aan
+de andere Gervaas Van Praet, die om zijne uitstekende diensten tot de
+waardigheid van kastelein van Brugge was verheven geworden.
+
+Van wederkanten des troons zaten de rechters. Tusschen hen kon men de
+heetste Isegrims, die onverbiddelijkste vijanden der Kerels; ja zelfs
+Rambold Tancmar die, door den koning geroepen, in Brugge was
+teruggekeerd.
+
+Van zulke rechters was zeker geen onpartijdig vonnis voor de Kerels te
+verwachten; tenzij nochtans in geval de wil des konings, stellig
+uitgedrukt, hen tot toegevendheid had overgehaald; want zij waren den
+Franschen vorst genoeg onderworpen om, zelfs tegen dank, een in schijn
+zachtmoedig oordeel uit te brengen.
+
+Op dit oogenblik doorliep eene siddering de leden van Disdir Vos. Zijne
+herhaalde wenken en gebaren had mher Gervaas Van Praet nu door een
+droevig schokschouderen beantwoord, als wilde hij beduiden dat de zaak
+eene ongunstige wending had genomen, maar dat hij zich onmachtig
+gevoelde om den wensch des konings langer te weder streven.
+
+Disdir meende door nieuwe teekens zijne afkeuring te betuigen en den
+veldheer tot krachtdadigheid aan te manen; maar nu werd er eene zijdeur
+geopend, en Robrecht Sneloghe, door eenige wapenknechten geleid,
+verscheen te midden der zaal.
+
+Elkeen aanschouwde in stilte den jongen ridder, wiens gescheurde
+kleederen en uitgeholde wangen getuigden van alwat hij had geleden
+gedurende het beleg der kerk en des torens.
+
+Hij hield het hoofd rechtop en aanschouwde den koning en de ridders met
+eenen rustigen blik die, alhoewel trotsch en ontzagwekkend, toch niet
+van zekere zachte verduldigheid was beroofd.
+
+Een ridder, die nevens den graaf van Vlaanderen was gezeten en hier het
+ambt van maarschalk vervulde, begon op een teeken des konings den
+beschuldigde dus te ondervragen:
+
+"Uw naam is Robrecht Sneloghe?"
+
+De jonge ridder knikte bevestigend.
+
+"Gij zijt een Kerel?"
+
+"Ja, ik ben een Kerel!" antwoordde Robrecht, de stem met fierheid
+verheffende.
+
+"En gij beweert een vrij man te zijn?"
+
+"Onze voorvaderen waren vrijgeboren lieden, en evenals zij komen hunne
+zonen vrij ter wereld."
+
+"Gij hoort toe aan het maagschap der Erembalds?"
+
+"De proost van St-Donaas was mijn oom."
+
+"Een Erembald, Burchard Knap, heeft den gruwelijksten moord gepleegd op
+den wettigen graaf van Vlaanderen, Karel van Denemarken?"
+
+"Het is waar."
+
+"Gij zijt beschuldigd, ten minste door uwen raad tot de ijselijke
+misdaad te hebben geholpen."
+
+"Wie tegen mij getuigt is een valschaard", antwoordde Robrecht. "Ik
+eerbiedigde graaf Karel als eenen vriend mijns vaders zaliger, en had
+nooit de hoop verloren dat hij den Kerels rechtvaardigheid zou laten
+wedervaren. Bij zijnen dood heb ik tranen van rouw en medelijden
+gestort, en ik heb niet opgehouden mijnen afschuw voor zijne moordenaars
+te betuigen."
+
+"Gij hebt integendeel den moordenaar tegen de Vlaamsche ridders en zelfs
+tegen den koning van Frankrijk verdedigd."
+
+"Inderdaad; maar het is voor de Kerels een bloedplicht, hunne magen bij
+te staan en tegen alle geweld te verdedigen, zoolang niet eene
+wettelijke vierschaar over het verbreken heeft gevonnist."
+
+"Dit is alles wat gij tot uwe verdediging hebt in te brengen?"
+
+"Anders niet dan dat ik onschuldig ben aan den moord van graaf Karel en
+zelfs ten prijze van al mijn bloed de afschuwelijke misdaad, die den val
+van mijn vaderland heeft veroorzaakt, hadde willen beletten."
+
+De maarschalk zag op naar den koning om hem te berichten dat de
+ondervraging was geeindigd en zijne bevelen in te roepen.
+
+Na eenige woorden met den graaf en met Gervaas Van Praet te hebben
+gewisseld, verhief de Fransche vorst de stem en richtte zich tot
+Robrecht Sneloghe.
+
+"Gij hebt tienmaal den dood verdiend", zeide hij. "Te Veurne naamt gij
+als aanleider een werkelijk deel aan eene samenspanning tot opstand
+tegen uwen wettigen graaf; in dezen burg hebt gij weken lang den
+moordenaar en zijne aanhangers verdedigd, en gij zijt meer dan anderen
+de schuld dat er zooveel kostbaar bloed is moeten vergoten worden, om
+wraak te nemen over den dood van graaf Karel. Gaven wij slechts gehoor
+aan onzen plicht, wij zouden u onmiddellijk tot den pijnlijksten dood
+moeten veroordeelen; maar de gebeden en smeekingen der goede lieden van
+Brugge doen ons tot zachtmoedigheid jegens u overhellen. Wij zijn bereid
+u het leven te schenken, op voorwaarde dat gij hier in het openbaar
+erkennet dat de Kerels geene vrijgeboren lieden zijn, en gij verklaret
+in alle geval, voor u en uw geslacht de vrijheid te verzaken[92]".
+
+Een stille glimlach bewoog Robrechts lippen.
+
+"Ik mij dienstbaar erkennen? Het juk der slavernij voor mij en mijn
+geslacht aanvaarden? Onmogelijk, heer koning, liever twintigmaal den
+dood dan zulke vernedering, dan zulke schande. Mijne voorvaderen zien
+uit den hemel op mij neder; zij zullen daar niet te blozen hebben over
+de lafhartigheid van hunnen zoon."
+
+"Zinnelooze!" riep de koning, over zulke koele hardnekkigheid verbaasd,
+"gij wilt mij dus dwingen u in de handen der beulen te leveren?"
+
+Robrecht zweeg.
+
+"Spreek een goed woord; de koning wenscht u het leven te sparen", zeide
+hem Willem van Normandie.
+
+"De koning kan mij niet redden", antwoordde Robrecht. "Er is eene
+hoogere macht dan de zijne."
+
+"Waarom? Wat wilt gij zeggen?" vroeg de graaf met verwondering.
+
+"Omdat God zelf heeft beslist dat ik en mijne dappere gezellen moeten
+sterven tot boete voor de snoode misdaad van Burchard Knap. Na onzen
+dood zal de Heer des hemels misschien verzoend worden en zijne wrekende
+hand oplichten van Kerlingaland."
+
+"Kerlingaland heeft zijne vrijheid beslissend verloren en zal nimmer
+opstaan uit de dienstbaarheid!" morde Rambold Tancmar, met eenen
+zegevierenden spotlach.
+
+Robrecht hief eensklaps het hoofd op en, terwijl zijne oogen van
+ontroering glansden, sprak hij met luider stemme:
+
+"Menschen kunnen bezwijken, een volk kan neergedrukt worden voor eenigen
+tijd;--wij Kerels hebben dit lot reeds dikwijls onderstaan,--maar wat
+niet kan versmacht worden, wat niet kan sterven, is de vrijheid. Wat gij
+ook aanwendet om die ingeboren zucht der bewoners van Vlaanderen uit te
+roeien, zij zal immer, als een onuitdoofbaar vuur opnieuw ontvlammen en
+eindelijk hare vijanden verslinden. Uit het bloed der martelaars zelven
+zal de verlossing opdagen, en eens zullen de zonen van het volk, dat gij
+nu met voeten treedt, u dwingen tot eerbied voor zijn aangeboren recht
+... Doet met mij naar uwen wil, ik ben bereid!"
+
+Vooraleer hij deze laatste woorden had kunnen uitspreken, waren van alle
+kanten wraakkreten tegen hem opgegaan, en de meeste ridders riepen
+woedend:
+
+"Ter dood, ter dood, de onbeschaamde!"
+
+Maar de koning, door een teeken zijner hand, legde hun de stilte op en
+zeide:
+
+"Heeren, mij behoort het na beraadslaging der rechtbank over het lot van
+den beschuldigde te beslissen. Men voere hem terug naar de gevangenis!"
+
+Mher Sneloghe werd ter zaal uitgeleid en door de wapenknechten in den
+grooten kerker gebracht, waar de andere Kerels, sedert zijn vertrek,
+niet zonder angstige nieuwsgierigheid zich vroegen wat toch zijn
+wedervaren voor het gerechtshof zou zijn.
+
+Hij verhaalde hun hoe de koning van Frankrijk hem de genade des levens
+had aangeboden, op de enkele voorwaarde dat hij de Kerels als in
+dienstbaarheid geboren erkende, en verklaarde voor zijn geslacht alle
+aanspraak op vrijheid te verzaken.
+
+"Het is dus de dood ... de onvermijdelijke dood!" mompelden zijne
+gezellen.
+
+De meesten schenen bij deze schrikkelijke overtuiging geenszins
+ontsteld. Slechts eenigen, die ongetwijfeld eene vrouw of kinderen of
+andere geliefde wezens zouden achterlaten, bogen het hoofd en zonken weg
+in eene sombere mijmering.
+
+Het bleek evenwel schier onmiddellijk dat geen hunner, ware het zelfs om
+meer dan een dierbaar leven te redden, zich bekwaam gevoelde tot het
+aanvaarden der eeuwige slavernij. Werden zij voor de rechtbank geroepen,
+zij zouden den koning en den Isegrims hetzelfde koel en trotsch antwoord
+geven, dat zij uit den mond van mher Sneloghe hadden bekomen. Zij
+wisten wel dat dit waarschijnlijk hun doodvonnis zou zijn; maar, zooals
+Robrecht het zeide, hun bloed moest vlieten als een boetoffer, om den
+vertoornden God met Kerlingaland te verzoenen.
+
+[Illustratie: Robrecht hief eensklaps het hoofd op ... (Bladz. 519.)]
+
+Zij besloten, als ware Kerels, onverschrokken en met eenen glim van
+misprijzen op de lippen, alles te onderstaan, zelfs de wreedste
+martelingen. Niemand hunner zou de minste klacht slaken, noch eenige
+acht op de scheldwoorden of verwijten hunner vijanden slaan. Ja, zij
+verbonden zich jegens elkander door eene plechtige belofte, in het uur
+des doods zich gansch gevoelloos te toonen en geen enkel woord te
+spreken, ten einde de verdrukkers van Kerlingaland door hunne koele
+hardnekkigheid te beschamen. Zij zouden zelfs niet hoorbaar bidden, en
+slechts op het laatste oogenblik hunne ziel in den grond des harten Gods
+bevelen, voor hem getuigende, dat zij wilden sterven als zoenoffers
+voor het heil en de vrijheid van Kerlingaland.
+
+Met ongeduld wachtten zij nu dat men hen voor de rechtbank riepe; maar
+wel een gansch uur ging er voorbij zonder dat zij iemand zagen
+verschijnen.
+
+Robrecht Sneloghe stapte met aangejaagdheid over en weder, om de wreede
+ontroering zijns harten meester te blijven. Dakerlia zweefde voor zijne
+oogen; zijne lippen murmelden een treurig en pijnlijk vaarwel. Hij zou
+haar wellicht niet meer zien op aarde! Maar bij zulk gepeins voelde hij
+dat er tranen in zijne oogen wilden opwellen, en hij sprak eene vuriger
+taal nog tot zijne makkers, opdat de invloed zijner eigene woorden zijne
+treurende ziele de macht leende om niet onder het gewicht der smart te
+bezwijken.
+
+De kerker werd eindelijk geopend, en een overste, door wapenknechten
+vergezeld, riep bij name Ivo-den-wolvenjager en Benkin-den-schutter op,
+om hem voor de rechtbank te volgen.
+
+Men drukte den geroepenen de handen en herinnerde hun de gedane belofte
+tot onplooibaren moed.
+
+Ivo en Benkin volgden de wapenknechten, wel besloten den koning en den
+Isegrims door hunne manhaftige taal te toonen dat tusschen den dood en
+de slavernij een Kerel niet in zijne keus kon aarzelen.
+
+Buiten het Gyselhuis gekomen, vonden zij daar nog andere wapenknechten,
+aan wier hoofd Disdir Vos als overste zich bevond. Zij werden te midden
+der wacht gesteld en over het plein geleid.
+
+Hun scheen het zonderling dat de poorten van den burg gesloten waren en
+men geenen enkelen poorter bemerkte. Bijna gansch het plein was overdekt
+met gewapende benden.
+
+Wat ging hier geschieden? Zou men, nog denzelfden dag en binnen den burg
+hen ter dood brengen? Alles kondigde het hun aan. Deze gedachte deed hen
+zwijgen en, zelfs toen Disdir Vos met barschheid Ivo-den-wolvenjager
+voortstuwde, sprak deze geen woord, ofschoon hij den verkooper van
+Kerlingaland kende en zijn hart van spijt en verontwaardiging
+overstroomde.
+
+Men bracht de twee gevangenen in de kerk van St-Donaas; zij meenden,
+zooals het in dien tijd nog geschiedde, dat de koning en de ridders in
+den tempel zouden vergaderd zijn; maar nauwelijks waren zij onder de
+poort doorgetreden, of op een sein van Disdir Vos grepen een tiental
+wapenknechten hen aan en bonden hun de handen op den rug.
+
+Daar traden van onder de zijbeuk vier ongewapende mannen, wier
+opgestroopte mouwen en gespierde armen getuigden dat zij gereed waren
+tot het volvoeren van een werk dat lastig kon zijn en geweld vorderen.
+Waren zij de beulen, die de Kerels moesten martelen?
+
+Inderdaad, degene die onder hen de meester scheen, vatte
+Ivo-den-wolvenjager bij den schouder en duwde hem naar de trap van den
+toren, terwijl hij zeide:
+
+"Makkers, alle tegenstand is nutteloos; gij zijt veroordeeld tot den
+dood en moet sterven."
+
+Een scherpe glimlach van misprijzen was het eenige antwoord der Kerels,
+en zij volgden hunne beulen op de trap zonder den minsten onwil te
+toonen.
+
+Toen zij de groote gaanderij hadden bereikt, leidde men hen tegen de
+leuning naar den kant die over de opene achterplaats van het klooster
+uitzag.
+
+"Beveelt uwe ziel aan God", morde de beul, "en haast u!"
+
+Hij wees naar beneden en zeide:
+
+"Ziedaar voor u de weg der eeuwigheid!"
+
+Men zou dus de arme Kerels van den toren naar beneden werpen en zij
+zouden daar op de vloersteenen, met hoofd en leden verbrijzeld, een
+akelig einde vinden!
+
+Wel doorliep eene ijskoude siddering de aders der gevangenen, toen zij
+den blik nederstuurden in den afgrond die hen aangrijnsde als een
+hongerig graf; maar zij bedwongen den opstand hunner menschelijke natuur
+tegen den dood, hieven de handen tot God en spraken in stilte het gebed,
+waardoor zij Hem hun bloed en hun lijden tot zoenoffer voor hun
+vaderland en voor de vrijheid aanboden.
+
+De beul boog zich over de leuning der gaanderij en blikte naar beneden.
+Waarschijnlijk zag hij daar eenige wapenknechten over en weder loopen;
+want hij riep uit al zijne kracht:
+
+"Van onder! van onder!"
+
+Dan, door zijne drie struische makkers geholpen, greep hij
+Benkin-den-schutter om de lenden, hief hem boven de leuning en smeet hem
+in de ruimte ...
+
+"Nu gij!" morde hij, de handen tot Ivo-den-wolvenjager uitstekende om
+hem te grijpen; maar Ivo sprong met eenen schaterlach over de leuning en
+riep, terwijl hij reeds in de ledige ruimte nederzonk:
+
+"Vrij, vrij tot in den dood!"
+
+Disdir Vos, die tot dan een weinig terzijde was gebleven en de wreede
+strafpleging had bijgewoond zonder er eenig werkelijk deel aan te nemen,
+naderde nu tot den rand der gaanderij en schouwde op de opene plaats van
+het klooster. De lijken der twee Kerels lagen daar verbrijzeld; geen lid
+verroerde nog aan hen ..., de beulenknechts, die de verminkte lichamen
+kwamen wegnemen, sleepten er mede langs den grond als met voorwerpen
+waarin nooit eenig leven had gewoond.
+
+Een verwijderd gebruis en onduidelijke galmen deden hem den blik over de
+stad richten. Hij zag de markt en alle omliggende straten overdekt met
+Fransche krijgsknechten en, daarachter in de verte, de poorters, die de
+handen ophieven, als riepen zij nog om genade voor de ongelukkige
+Kerels, manhaftige verdedigers der bedreigde volksvrijheid.
+
+Nauwelijks waren er eenige minuten verloopen, of men bracht twee andere
+Kerels op den toren en smeet ze, zonder hun meer dan een oogenblik tot
+bidden te gunnen, over de leuning ... en daarna weder twee, en nog twee,
+en zoo voorts, totdat er reeds twintig den vloer der opene plaats van
+het klooster met hun bloed hadden geverfd[93].
+
+Allen waren gestorven zooals zij het hunnen gezellen hadden beloofd:
+zonder tegenstand, zwijgend en onverschrokken en met eenen koelen
+glimlach op den mond. Hadden sommigen geweend bij de gedachtenis aan
+vrouw of kinderen, hunne tranen hadden in het binnenste van hun
+verscheurd hart gevloeid, en niets had hunne ontroering voor het oog
+hunner beulen verraden.
+
+Op dit oogenblik kwam er een dienaar van den gevangenbewaarder op de
+gaanderij. Tot Disdir Vos naderende, fluisterde hij hem iets in het oor
+dat hem scheen te verrassen en diep te treffen; ja, het lokte eenen
+blijden glimlach op zijne lippen.
+
+Disdir wenkte eenen overste, die onder hem de wacht gebood, en zeide hem
+iets aangaande Robrecht Sneloghe. Dan volgde hij den dienaar, daalde met
+hem de trap af en begaf zich met groote stappen naar het Gyselhuis, waar
+hij den kerker van Dakerlia deed openen.
+
+"Gij hebt mij doen roepen, jonkvrouw?" zeide hij.
+
+De maagd, wier oogen rood waren van tranen, kwam hem te gemoet geloopen
+en kreet met saamgevoegde handen:
+
+"Disdir, Disdir, hij is dood?"
+
+"Nog niet, jonkvrouw", was het antwoord.
+
+"O, red hem, red hem!"
+
+"Onmogelijk, het vonnis is geveld, ik ben onmachtig."
+
+"Hij moet sterven?"
+
+"Straks."
+
+"Mijn God, mijn God, men zal hem van den toren werpen, niet waar?"
+
+"Wie heeft u dit gezegd, jonkvrouw?"
+
+"Ach, ik weet het; reeds tien onzer arme broeders zijn dood."
+
+"Reeds twintig, Dakerlia. Het is te laat!"
+
+"Dus geene genade meer voor hem?"
+
+"Geene; de koning zelf heeft hem veroordeeld."
+
+Dakerlia deinsde een paar stappen achteruit; de bleekheid des doods
+ontverfde haar gelaat en zij sidderde in al hare leden, als hadde eene
+diepe vrees haar aangegrepen. Misschien schrikte zij terug van hare
+eigene gedachten; want zij deed zichtbaar geweld om hare ontsteltenis te
+bedwingen.
+
+Eensklaps viel zij geknield neder en, de handen tot Disdir Vos
+opheffende, kreet zij:
+
+"O, ik smeek u, wees medelijdend voor mij! Gun mij eene genade, eene
+enkele; ik zal u daarvoor dankbaar zijn mijn leven lang!"
+
+"Welke genade? Het is te laat, zeg ik u!"
+
+"Neen, neen; hij sterve, vermits het wreede noodlot zijnen dood eischt;
+maar, Disdir, laat mij hem vergezellen, hem troosten tot het einde!"
+
+Verwonderd over deze zonderlinge vraag, schudde Disdir weigerend het
+hoofd.
+
+"Ach, dat het mij vergund weze jegens hem ook dezen laatsten plicht der
+liefde te vervullen!" riep Dakerlia, tot Disdir op de knieen
+voortkruipende. "Ik zal u dankbaar blijven voor deze weldaad ... en, wie
+weet, wie weet?... indien ik daardoor de overtuiging kon bekomen dat er
+goedheid in uw harte ligt!"
+
+Bij het uitspreken dezer woorden schouwde zij Disdir in de oogen met
+eenen blik zoo biddend en zoo vriendelijk, dat hij er tot in de ziel
+door werd ontroerd. Dakerlia zou hem kunnen beminnen? Gaven niet hare
+woorden hem die hoop? Straalde niet uit hare oogen de belofte dat zij
+zou pogen hare dankbaarheid tot een zoeter gevoel te laten vergroeien?
+
+Hij reikte de maagd de hand, hief haar op en zeide:
+
+"Dakerlia, ik wil, ofschoon het gevaarlijk voor mij kan worden, u de
+genade toestaan die gij zoo verleidend van mij afsmeekt."
+
+"Dank, dank, Disdir!" murmelde zij.
+
+"Maar op de strenge voorwaarde dat gij u stil houdet en geen gerucht
+maket. Vergezel Robrecht tot op den toren, vermits gij het zoo vurig
+wenscht; spreek hem aan, steun zijnen moed; maar blijf bedaard en wek
+niet te veel de aandacht der wapenknechten op. Bij de minste
+ontstuimigheid in de uitstorting uwer droefheid, zal ik mij verplicht
+zien u naar den kerker te doen terugleiden."
+
+"Ik zal bedaard blijven. O, dank, Disdir, voor uw medelijden, voor uwe
+toegevendheid!"
+
+"Volg mij dus, Dakerlia, en wees uwe belofte getrouw, heden en in de
+toekomst."
+
+De maagd stapte achter hem uit den kerker. Was haar uiterste droefheid
+veinzerij geweest? Nu glimlachte zij geheimelijk, en eene vonk van
+zegevierende blijdschap glinsterde in hare oogen.
+
+Evenwel, toen zij op het plein trad, ontsnapte haar een versmachte
+angstkreet en zij verbleekte van schrik.
+
+Daar zag zij haren verloofde, met de armen op den rug gebonden tusschen
+eenige wapenknechten staan. Zij ging met wankelende stappen tot hem,
+blikte hem diep in de oogen en meende te spreken, doch de stem verkropte
+in hare keel.
+
+"Dakerlia, o, Dakerlia", zuchtte Robrecht, "ik smeek u, spaar mij het
+gezicht uwer smart! Laat mij den moed om als een Kerel te sterven!
+Vaarwel, mijn uur is gekomen ..."
+
+De maagd liet haar hoofd op zijne borst vallen en murmelde zoo zacht,
+dat hij alleen het kon hooren:
+
+"Blijf sterk, Robrecht. Sterven is voor ons geboren worden tot een nieuw
+leven. Heden nog zullen wij vereenigd zijn voor eeuwig in Gods schoot.
+Ik wil u volgen tot het laatste oogenblik. Stel u niet tegen mijnen
+wensch ... Moed, moed! Der Kerlen vijanden moeten u bewonderen tot in
+den dood!"
+
+Zij deed eenen stap terug; want op een bevel van Disdir Vos hadden de
+wapenknechten mher Sneloghe bij den schouder gegrepen en stuwden hem nu
+over het plein voort.
+
+Dakerlia ging nevens hem, en wanneer hij een treurigen blik tot haar
+richtte, hief zij hare vochtige oogen met eene genster van begeestering
+ten hemel, als om het vrije vaderland der zielen aan te wijzen.
+
+Te midden zijner wacht stapte Robrecht met opgeheven hoofd en koele
+beradenheid voort. Zijn blik was evenwel onvast en wijfelend, en zoozeer
+scheen hij vreemd aan alles wat rondom hem geschiedde, dat hij niet meer
+acht op de tegenwoordigheid van Disdir Vos scheen te slaan, dan of hij
+hem ooit hadde gekend. Al zijne denkingskracht was in een enkel gevoel
+verslonden. Dakerlia had gezegd: "heden nog zullen wij daarboven
+vereenigd zijn." De arme maagd wilde dus sterven uit liefde tot hem? Hij
+zag in den geest hoe zij den moordpriem, dien zij op zich droeg om zich
+desnoods tegen Disdir Vos te verdedigen, in haren eigen boezem plofte.
+Hij meende zelfs, toen men hem in de kerk had gebracht, Dakerlia dien
+wreeden aanslag op zich zelven af te raden en haar te bidden haar
+dierbaar leven te sparen; maar nu rukten de wapenknechten hem met barsch
+geweld naar de trap van den toren en stuwden en trokken hem naar boven.
+
+Terwijl men hem bij de leuning der gaanderij bracht, en de beulen hem
+aankondigden dat zijn laatste uur gekomen was, deed Disdir Vos de maagd
+op eenige stappen blijven staan.
+
+Dakerlia, nu de akelige stond nader was, liet zich geknield nedervallen
+en, alsof zij terugschrikte van het ijswekkend gezicht van Robrechts
+dood, sloeg zij de handen met eenen versmoorden kreet voor de oogen.
+
+"Spreek uw laatst gebed; gij gaat sterven", morde de beul tot den
+veroordeelden Kerel.
+
+Robrecht hief de oogen ten hemel en bad:
+
+"Barmhartige God, in uwe handen beveel ik mijnen geest. Aanvaard mijn
+lijden en mijn bloed als een zoenoffer. O, laat de vrijheid niet vergaan
+in Vlaanderen. Bescherm, bescherm Kerlingaland!"
+
+De naam van den dierbaren geboortegrond was niet gansch van zijne lippen
+opgestegen, toen reeds de handen der beulen hem in de hoogte hadden
+geheven en zijn lichaam in de ruimte smeten ...
+
+Dakerlia, nog even stil en immer met de handen voor het aangezicht,
+hoorde slechts aan het gerucht van den val en aan het zegevierend
+gejuich, waardoor men van beneden er op antwoordde, dat de
+slachtoffering was volbracht.
+
+Zij ontdekte hare oogen en zag hoe Disdir over de leuning gebogen lag,
+waarschijnlijk om vreugde te putten uit de overtuiging dat Robrecht niet
+meer leefde.
+
+Opspringend, opende zij de armen als tot eene omhelzing en riep met
+blijdschap en begeestering in de stem:
+
+"Disdir, Disdir, ontvang uw loon; ik wil uwe gezellinne zijn. De dood
+zelf kan ons niet meer scheiden!"
+
+Hij hief het hoofd op en zag haar aan met eenen glimlach van hoopvolle
+verrassing.
+
+Maar de maagd sloeg hem hare armen als twee stalen banden rondom het
+lichaam, en hoe hij ook worstelde en om hulp schreeuwde, zij hief hem
+door eene overmatige krachtinspanning van den grond, en sprong met hem
+over de leuning, terwijl zij uitriep:
+
+"Zoo wreekt eene Kerlinne haar vaderland! God zal ons oordeelen!"
+
+Een schallende angstschreeuw weergalmde op den toren, en beulen en
+schildwachten bogen sidderend zich over de leuning, om neder te blikken
+op drie lijken ...
+
+Dan werd het op den toren en op de ganschen burg doodstil, als hadde het
+gezicht van het gruwelijk schouwspel iedereen met afgrijzen en met
+verstomdheid geslagen.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 92: Op zulke voorwaarde zou graaf Karel zelfs aan Burchard, na
+zijne veroordeeling te Yperen, genade hebben aangeboden. (Quae ergo
+injuste rapuit, juste restituat, et conditionem sui generis agnoscat, et
+sic misericordiam quam querit inveniat).
+
+Aanhaling uit het werk van GUALTERUS, bij den graaf Van der
+Straten-Ponthoz _Charles-le-Bon_, etc., p. 29.]
+
+[Voetnoot 93: Zie bij GALBERTUS, p. 3880, het verhaal dezer wreede
+strafpleging, dat hij eindigt met deze woorden: "om ze niet allen in de
+volgorde huns doods te moeten noemen, zal ik zeggen dat de anderen, ten
+getalle van achtentwintig, op dezelfde wijs van den toren werden
+gesmeten."]
+
+
+
+
+Vervolg van de Geschiedenis der Kerels
+
+
+De tot dan onplooibare Kerels van Vlaanderen waren nu overwonnen; hunne
+machtigste beschermers, hunne natuurlijke opperhoofden, de Erembalds,
+had men wreedelijk doen sterven onder het valsche voorwendsel dat zij
+allen medeplichtig aan den moord van graaf Karel waren.
+
+"Men heeft hunne verrechtvaardiging belet", zegt de geleerde abbe
+Carton, "door hen uit te roeien; en dit middel was het zekerste, want de
+dooden spreken niet. Toen zij nog leefden, weigerde men hen te
+verhooren; zij vroegen rechters, en men gaf hun beulen[94]."
+
+De Isegrims mochten dus tevreden zijn, want het leenheerschap zegevierde
+in Vlaanderen, en zij hadden nu eenen vorst die, gansch met hunne
+heerschzuchtige gedachten doordrongen, niet zou dulden dat het volk nog
+ergens het hoofd ophief.
+
+Inderdaad, Willem van Normandie begon bloedige vervolgingen in te
+spannen tegen de Kerels en tegen al wie verdacht was van toegenegenheid
+voor hunne zaak. Niet slechts op het platte land, maar in de steden
+zelven zocht hij zijne slachtoffers: binnen Brugge alleen werden dus
+honderdvijfentwintig burgers als medeplichtigen der Kerels veroordeeld.
+
+
+
+Zich machtig genoeg wanende, om niets meer te ontzien, herstelde Willem
+van Normandie den tol der dienstbaarheid, _den balfaart_, alhoewel hij
+bij zijne inhuldiging plechtiglijk had gezworen dat deze gehate
+belasting nimmermeer zou worden geeischt.
+
+Hij toonde zich overigens in alle zaken van bestuur als een vorst die
+beweerde naar willekeur te mogen heerschen, zonder acht te slaan op de
+rechten en gebruiken van het volk.
+
+Nauwelijks waren er eenige maanden verloopen sedert dat Willem van
+Normandie de graaflijke kroon uit de handen des konings van Frankrijk
+had ontvangen, of gansch Vlaanderen stond tegen hem op.
+
+Diederik van den Elzas werd door het Vlaamsche volk tot graaf
+uitgeroepen, en stelde zich aan het hoofd der opstandelingen.
+
+Er begon een bloedige oorlog, die met wisselvallige kansen voortduurde,
+totdat Willem van Normandie, bij het beleg van Aelst, door eenen burger
+gewond, het leven verloor.
+
+Diederik van den Elzas bestierde Vlaanderen gedurende bijna vijftig
+jaren, in voorspoed en in vrede. Hij was de beschermer der
+volksvrijheden, en liet niet alleenlijk de Kerels hunne instellingen
+behouden, maar verleende tevens aan vele steden hunne eerste geschrevene
+voorrechten of _keuren_. Aan hem zijn de Vlaamsche gemeenten, zoo niet
+hunnen oorsprong, dan toch hunne wonderlijke ontwikkeling en hunne
+latere macht verschuldigd.
+
+Hier dient eene opmerkingswaardige bijzonderheid aangeteekend te worden,
+die de nagedachtenis der Kerels den Vlamingen dierbaar moet maken. Het
+zijn de Kerels die allereerst geeischt hebben dat de keuren en
+stadsschriften, hen betrekkelijk, in de moedertaal, dat is te zeggen in
+het Vlaamsch wierden opgesteld[95].
+
+Wie zou beweren dat Vlaanderen het behoud zijner Germaansche volkstaal
+niet grootendeels aan deze fiere Kerels is verschuldigd?
+
+In het jaar 1204 bezat de gravin Machteld, weduwe van Philips van den
+Elzas, als bijleving of _duwarie_ een groot gedeelte van Kerlingaland.
+
+Zij wilde den vrijen bewoners drukkende belastingen opleggen, waaronder
+ongetwijfeld de zoo diep gehate balfaart.
+
+De Kerels stonden tegen haar op en er volgde een oorlog, welke Lambertus
+Ardensis dus in zijne kroniek verhaalt: "daarom vergaderde Machteld een
+groot leger, waarmede zij het land van Veurne en Brouckburg en het volk
+aldaar meende te verwoesten en te verdelgen. Door hare woede aangevuurd,
+trok zij met al hare macht op het grondgebied van Veurne; maar de
+Blauwvoeten, onder bevel van zekeren Herbert van Wulveringhem, kwamen
+haar te gemoet en vielen haar met zulke dapperheid aan, dat zij haar
+leger overhoop sloegen en al degenen neerhakten die zich niet door eene
+spoedige vlucht konden redden. Tot zooverre, dat de arme gravin niet
+weinige harer lieden ternauwernood haar kasteel te Veurne kon bereiken,
+van waar zij des nachts naar Duinkerke vlood[96]."
+
+Vijf jaar later begon de oorlog opnieuw. De Kerels belegerden de stad
+Berghen. Eene aanzienlijke heirkracht, onder bevel van Christiaan Van
+Praet, kwam hen aanvallen. Zij verloren den slag en aanvaardden den
+vrede, op zekere niet ongunstige voorwaarden welke men hun door
+tusschenkomst van Arnold van Gwijnen toestond.
+
+In 1302 waren de Kerels ongetwijfeld in groot getal naar Kortrijk
+getogen, om de onafhankelijkheid van Vlaanderen tegen een overmachtig
+Fransch leger te verdedigen. Dat zij aan den beruchten slag der Gulden
+Sporen een aanzienlijk deel genomen hebben, blijkt uit eene oude
+Vlaamsche kroniek, door ons reeds aangehaald, waarin Robert d'Artois, de
+Fransche veldheer, al de Vlamingen, welke hij bij Kortrijk gereed ziet
+om hem slag te leveren, Kerels noemt.
+
+In 1322, had de graaf van Vlaanderen de stad Sluis aan zijnen oom, Jan
+van Namen, gegeven. Sluis lag aan het Swin en was voor Brugge de sleutel
+der zeevaart.
+
+Jan van Namen begon den koophandel door het willekeurig heffen van
+tollen te benadeelen. Daaruit ontstond eene groote ontevredenheid onder
+de Bruggelingen; en, om hen tegen den verdrukker te helpen, liepen de
+Kerels aller Ambachten te wapen.
+
+Met de lieden van Brugge vereenigd, en aangevoerd door den Kerel Niklaas
+Zannekin, van Lampernisse, veroverden zij de stad Sluis en namen Jan van
+Namen gevangen.
+
+Deze oorlog duurde jaren voort, met groote verwoestingen en wreedheden
+van wederzijde. In den loop van het jaar 1325, voegden de Kortrijkers
+zich bij den opstand en, leverden den graaf van Vlaanderen (Lodewijk van
+Crecy) in handen der Kerels, die den vorst naar Brugge voerden, waar hij
+langen tijd gevangen bleef.
+
+Toen graaf Lodewijk eindelijk, op zekere voorwaarden, zijne vrijheid
+bekwam, liep hij naar Frankrijk en smeekte des konings hulp af, om de
+wederspannige Kerels met geweld van wapenen tot onderdanigheid te
+dwingen.
+
+Een machtig Fransch leger zakte welhaast naar Kerlingaland af. De Kerels
+en hunne bondgenooten, van de komst der Franschen verwittigd, hadden
+zich volgens hunne gewoonte nedergeslagen en versterkt op den
+Casselberg, tusschen Yperen en St-Omaers.
+
+Niet slechts de Fransche heirkracht hadden zij te bestrijden; de graaf
+van Vlaanderen naderde met een sterk leger, dat hij op het grondgebied
+van Gent en Audenaerde had verzameld; Jan van Namen kwam toegeloopen met
+eene aanzienlijke hulp; Robrecht van Cassel voerde de ridders van
+Vlaanderen aan.
+
+Deze vereenigde macht was meer dan voldoende om de Kerels te verpletten.
+Desniettemin lieten de onverschrokken Vlamingen den moed niet zinken;
+integendeel, zij waren nog trotsch genoeg om den koning van Frankrijk
+door hoonende spotwoorden uit te dagen[97].
+
+De veldslag, die hier werd geleverd, was noodlottig voor de Kerels. Wel
+vochten zij als leeuwen en deden langen tijd, door hunne wonderlijke
+heldhaftigheid, de kansen wankelen; maar eindelijk bezweken zij onder de
+overmacht des vijands. Meer dan dertienduizend hunner lijken overdekten
+het slagveld, en getuigden door hun verbazend getal, met welke
+hardnekkigheid de arme Kerels hadden gevochten[98].
+
+Deze bloedige nederlaag moet de Kerels gedurende vele jaren machteloos
+gemaakt hebben, om nog wederstand te bieden aan de leenheeren, die immer
+voortijverden om de volksrechten te vernietigen.
+
+Maar andere verdedigers vond de vrijheid welhaast in de groote steden
+van Vlaanderen, welke door de nijverheid hunner inwoners eenen hoogen
+trap van voorspoed en rijkdom hadden bereikt.
+
+Elkeen in ons land kent nu de geschiedenis van Jacob Van Artevelde, en
+weet, hoe onder zijne leiding de Vlaamsche gemeenten gansch Europa
+verwonderden door de ontwikkeling eener tot dan ongekende volksmacht.
+
+Maar het lag in het lot der wereld, dat de volkeren van Europa nog diep
+en langdurig zouden verdrukt blijven vooraleer de verlorene vrijheid der
+vaderen gedeeltelijk te herwinnen.
+
+Toen Philips Van Artevelde, Jacobs zoon, in 1382, op het slagveld van
+Roozebeke, met meer dan twintigduizend Vlamingen sneuvelde, verduisterde
+de zon der onafhankelijke gemeenten, en de eeuwenheugende worsteling was
+ten einde, hoe dikwijls ook vruchtelooze pogingen nog kwamen bewijzen
+dat Vlaanderen het juk met ongeduld en geheime woede droeg.
+
+Een ander tijdvak was aangebroken en eene nieuwe staatsinrichting ging
+zich over de beschaafde wereld spreiden. Het leenheerschap dat berustte
+op de algemeen onderschikking, bij trappen opklimmende van den slaaf
+tot den vorst, was door zijne eigene grondbeginsel ondermijnd geworden.
+De koningen en vorsten, instede van de onmiddellijke overheid op het
+volk tusschen de leenheeren verdeeld te laten, hadden alle macht en
+allen invloed op hunnen persoon samengetrokken, en dus de giftige vrucht
+van het leenheerschap, de _Centralisatie_, tot rijpheid gebracht.
+
+In de tweede helft der veertiende eeuw verviel de kroon van Vlaanderen,
+door een huwelijk, op de hertogen van Bourgondie.
+
+Van dit oogenblik af werd er door trotsche en heerschzuchtige vorsten,
+ons geheel vreemd van afkomst en zeden, een openlijke strijd gevoerd
+tegen de rechten, de taal en den eigen aard van het Vlaamsche volk.
+
+De mannen der gemeenten vergoten nog hun bloed in eervolle pogingen, om
+zich uit de verdrukking los te woelen; doch het lot had beslist: de
+vorstelijke macht zou voortaan geene andere wet erkennen dan de
+willekeur, en de _staatsreden_ zou zelfs het aangeboren menschelijk
+recht verzwelgen.
+
+Nog eens liepen de Kerels te wapen en durfden het wagen eene ongelijke
+worsteling tegen het machtig huis van Bourgondie te beproeven.
+
+De hertog Philips, spottenderwijze bijgenaamd _de Goede_, wilde den
+bewoners der Ambachten nieuwe wetten opdringen, die geheel met hunne
+oude rechten in strijd waren. Na eenige vruchtelooze pogingen tot
+overeenkomst, besloten de Kerels uit tweeenvijftig dorpen tot den
+opstand en brachten meer dan 8000 man te velde, onder bevel van Hanne
+Mettenbaerde (Jan met den baard) en Arnold Kieken.
+
+De hertog zond 5000 man tegen hen af, doch zij sloegen dit kleine leger
+op de vlucht en veroverden de stad Cassel en het sterke slot Reneschure.
+
+Over deze nederlaag zijner lieden verbolgen, bracht de hertog een zoo
+machtig leger te been, dat de Kerels, overtuigd dat alle wederstand
+onmogelijk was geworden, zich onderwierpen en hunne wetten volgens 's
+vorsten wil lieten wijzigen[99].
+
+Na dit tijdstip gewaagt de geschiedenis niet meer van gebeurtenissen
+waarin de Kerels eene bijzondere rol vervullen. Wel bleven de Ambachten
+bestaan, wel behielden de bewoners der omstreken van Brugge een eigen
+bestuur; maar de weinige rechten, welke zij tot het einde der achttiende
+eeuw bleven genieten, werden hun door de vorsten toegestaan en, volgens
+hunne willekeur ingekort en gewijzigd.
+
+Ziedaar de gansche geschiedenis der Kerels, van hunne eerste
+verschijning op den bodem onzes vaderlands, totdat zij, evenals gansch
+Europa, onder het juk der _centralisatie_ moeten buigen en, met hunne
+nationale instellingen, ook hunne kenmerken als bijzonderen stam
+verliezen.
+
+Hoe is het mogelijk dat de daden en het lot van dit dapper Vlaamsch
+geslacht tot voor eenige jaren ons gansch onbekend konden blijven?
+
+Schrikkelijk, doch niet verwonderlijk!... De vijanden van het volksrecht
+hebben gedurende zeshonderd jaren al hunne pogingen vereenigd, om de
+nakomelingschap de voorvaderlijke vrijheidszucht en den voorvaderlijken
+roem te doen vergeten. Zij hebben de verdrukte menigte der vorige eeuwen
+misprijzen en verachting ingeboezemd voor de sterke mannen van
+Kerlingaland en voor de heldhaftige burgers der gemeenten.
+
+Hebben wij niet tot op onze dagen moeten wachten om in den _Wijzen man_
+van Gent, in Jacob Van Artevelde, iets anders te zien dan eenen
+oproerigen brouwer en overmoedigen volksleider?[100] Worstelt de
+nagedachtenis van den Brusselschen martelaar Anneessens niet immer nog
+tegen miskenning, twijfel of kleinachting?
+
+Zoo insgelijks hebben zij de nagedachtenis der Kerels of geheel
+uitgedoofd, of slechts verduisterd en bevlekt tot ons laten komen.
+
+Maar wij, Vlamingen, die nu ijveren om den roem der vaderen weder uit de
+verdonkerde kronieken op te graven, zouden wij niet met eerbied en
+dankbaarheid de kloeke mannen van Vlaanderen gedenken, wier bloed zoo
+overvloedig en eeuwen lang heeft gestroomd voor 's volks ontslaving en
+voor 's lands onafhankelijkheid?
+
+Zijn wij niet de zonen, de rechtstreeksche erfgenamen dier taaie Kerels
+van Vlaanderen? En strijden wij niet, evenals zij deden, met zwakke
+krachten misschien, maar toch met oud-Germaansche volharding, voor het
+behoud van onzen eigen aard, van ons volksrecht en van onze moedertaal?
+
+
+EINDE.
+
+
+VOETNOTEN:
+
+[Voetnoot 94: "On a prevenu leur justification en les exterminant, et
+cette voie est la plus sure pour avoir raison; les morts ne parlent pas.
+Vivant, on n'a pas voulu l'entendre; il a demande des juges et on lui a
+donne des bourreaux."
+
+ABBE C. CARTON, _Bertulf et sa famille. Annales de la soc. d'emul. de
+Bruges_, t. I, 2e serie, p. 303.]
+
+[Voetnoot 95: "Le triomphe des Kerles dans la lutte prolongee, ce fut de
+faire admettre le Flamand dans les chartes publlques."
+
+Victore Derode, _Annales des Flamands de France_, t. VIII, p. 69.]
+
+[Voetnoot 96: Uitgave van _le Mis Godefroy de Menilglaise_, p. 382.]
+
+[Voetnoot 97: Zij staken geschilderde hanen uit, met dit opschrift:
+
+ _Quand ce cocq icy chantera_
+ _Le roy trouve cy entrera._
+
+Oudegherst, p. 416.]
+
+[Voetnoot 98: "Et en laquelle bataille lesdicts Flamans rebelles se
+porterent sy vaillamment qu'ils faysoyent plusieurs fois doubter leurs
+ennemys de l'evenement de la bataille ... Les Flamans laissant la plaine
+couverte de plus de treize mille de leurs compagnons, quy lors finirent
+miserablement leurs jours."
+
+Oudegerst, pp. 417 et 418.]
+
+[Voetnoot 99: Zie over dezen laatsten opstand der Kerels een schoon
+opstel door A. Desplanque, _Annales du comite flamand de France_, t.
+VIII, p. 218.]
+
+[Voetnoot 100: "C'est un tyran qui, pour satisfaire de viles passions,
+la soif de l'or et la haine contre tout ce qui est noble, s'entoure de
+brigands et d'assassins et ne se plait qu'au milieu du pillage et des
+massacres." Tel est et en resume le jugement porte pendant des siecles
+sur Jacques Van Artevelde.
+
+_Jacques Van Artevelde_, par P. A. Lentz, professeur a l'Universite de
+Gand, pp. 3 et 4.]
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Kerels van Vlaanderen, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KERELS VAN VLAANDEREN ***
+
+***** This file should be named 13625.txt or 13625.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/6/2/13625/
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
+Distributed Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.