summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/17304-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '17304-8.txt')
-rw-r--r--17304-8.txt2520
1 files changed, 2520 insertions, 0 deletions
diff --git a/17304-8.txt b/17304-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..dc340e2
--- /dev/null
+++ b/17304-8.txt
@@ -0,0 +1,2520 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Deel 1. Hoofdstuk 2: De Halfapen; Hoofdstuk 3: De De Vleermuizen
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: December 14, 2005 [EBook #17304]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+Tweede Orde.
+
+De Halfapen (_Prosimii_).
+
+
+De meeste natuuronderzoekers van vroegeren tijd beschouwden de dieren,
+welker bouw en levenswijze ons nu zal bezighouden, als echte Apen,
+en plaatsten ze daarom in dezelfde orde (die der Vierhandigen);
+thans echter worden de Halfapen volkomen gescheiden van de eigenlijke
+Apen en in een afzonderlijke orde vereenigd. Bij nader inzien is
+het n.l. gebleken, dat de overeenkomst van de Halfapen met de Apen
+gering is. Hun lichaamsbouw is anders; hun gebit verschilt bijna in
+alle opzichten van dat der Apen. De naam Vierhandigen, die thans niet
+meer als naam van een orde geldt, komt aan de Halfapen eerder toe
+dan aan de Apen, daar bij deze het onderscheid tusschen hand en voet
+het duidelijkst zichtbaar is. Men moge de Halfapen beschouwen als een
+schakel, die de Apen met de Buideldieren verbindt, als nakomelingen van
+onbekende, met de Buidelratten verwante dieren,--Apen zijn zij niet.
+
+Het ontwerpen van een algemeen beeld van de Halfapen is niet
+gemakkelijk. Grootte, lichaamsbouw, ledematen, gebit, geraamte
+verschillen bij hen zeer. De grootte wisselt af tusschen die van een
+flinke Kat en die van een Relmuis. Bij de meeste soorten is het lichaam
+slank, bij eenige zelfs buitengewoon schraal; bij genen herinnert de
+kop door de lengte van den snuit eenigszins aan dien van een Hond of
+Vos, bij dezen heeft hij iets eigenaardigs dat alleen bij nachtdieren
+aangetroffen wordt, b.v. bij Relmuizen, Vliegende Eekhoorns, Nachtapen
+of Uilen. Meestal bestaat er een merkbaar, dikwijls een aanzienlijk
+verschil in lengte tusschen de achterste en de voorste ledematen, en
+wel zoo, dat deze steeds de kortste zijn. Bij één afdeeling onzer orde
+is de voetwortel betrekkelijk kort, bij een andere daarentegen tamelijk
+lang. De lengte van den staart verschilt zeer; bij vele is hij langer
+dan het overige lichaam; bij andere is hij tot een uitwendig niet of
+bijna niet zichtbaar stompje ontaard; bij deze is hij ruig behaard,
+bij gene voor een deel althans bijna kaal. Aan de groote nachtoogen
+en aan de steeds goed ontwikkelde ooren, met soms haarlooze, soms
+behaarde oorschelp, als ook aan de zachte, dichte, wollige, slechts
+bij uitzondering stijvere beharing kunnen de Halfapen gemakkelijk
+als schemering- of nachtdieren herkend worden. Het gebit biedt, wat
+de rangschikking, den vorm en het aantal der tanden betreft, grooter
+afwisseling aan dan bij de Apen. De schedel onderscheidt zich door de
+sterke afronding van het achterhoofd, door den smallen, korten snuit
+en de groote oogholten, die van voren zeer dicht bij elkander liggen
+en een hoogen oogkasrand hebben, doch niet volledig begrensd zijn
+door een beenigen wand en dus met de slaapholten in verbinding staan.
+
+Afrika,--vooral Madagaskar en de naburige eilanden--alsmede Indië en
+de groote eilanden van Zuid-Azië zijn het woongebied van onze dieren,
+die dichte, veel vruchten voortbrengende bosschen tot verblijfplaats
+hebben. Alle soorten zijn boomdieren, verscheidene van hen zijn zoo
+goed als vreemdelingen op den bodem. Een buitengewone behendigheid
+en vlugheid van beweging te midden van het twijgendoolhof kenmerkt
+eenige; terwijl andere daarentegen zich door een langzame,
+veilige, bedachtzame, spookachtig zachte en onhoorbare beweging
+onderscheiden. Sommige zijn ook bij dag nu en dan werkzaam; de meeste
+echter beginnen hun leven eerst na het invallen van den nacht,
+en liggen voor het aanbreken van den dag reeds weder in diepe
+rust. Van eenige bestaat het voedsel hoofdzakelijk uit allerlei
+soorten van vruchten, knoppen en jonge bladeren, terwijl de overige
+behalve plantaardige spijzen ook Insecten en kleine Gewervelde dieren
+eten. In de gevangenschap geraken deze zoowel als gene aan allerlei
+voedsel gewoon. Noemenswaarde schade richten zij niet aan, belangrijke
+diensten bewijzen zij ons evenmin. Toch beschouwt de inboorling ze
+nergens met onverschilligheid; integendeel, hij houdt eenige van
+hen voor heilige en onschendbare, andere voor onheil aanbrengende,
+gevaarlijke wezens, en tracht daarom niet zelden door woorden of door
+daden den weetgierigen onderzoeker van de jacht op deze dieren en soms
+zelfs van het nagaan hunner eigenaardigheden terug te houden. Dit zal
+wel een van de redenen zijn, waarom wij zelfs van die soorten, welke
+in groote troepen bijeen leven en veelvuldig voorkomen, betrekkelijk
+zelden vertegenwoordigers in onze diergaarden zien. Hun vangst levert
+geen bijzondere moeielijkheden op, hun verzorging is gemakkelijk en
+eenvoudig; de meeste soorten verdragen de gevangenschap ook veel
+beter dan de Apen, zoodat bij eenigszins doelmatige behandeling
+ook de voortplanting zonder bezwaren in het hok plaats heeft. Het
+best ontwikkeld zijn de geestvermogens bij die soorten, welker
+vertegenwoordigers zich over 't algemeen door vlugge bewegingen
+en een opgewekten aard onderscheiden; deze geraken gemakkelijk aan
+hunne verzorgers gewoon; sommige kunnen zelfs leeren hun diensten
+te bewijzen. Die Halfapen echter, welke in den volsten zin van het
+woord nachtdieren zijn, blijven voortdurend droefgeestig en slaperig;
+zelfs de meest zorgvuldige verpleging wordt door hen slechts zeer
+zelden beantwoord met bewijzen van erkentelijkheid.
+
+
+
+_Lemuren_ waren volgens de denkbeelden der Romeinen zielen van
+afgestorvenen; de goeden beschermden als "laren" het huis en de
+familie, de boozen werden kwaadwillige spoken, die rondzwierven om
+de arme stervelingen te verontrusten. De zoöloog, die bij het geven
+van namen aan de ontzaglijk menigvuldige voortbrengselen der natuur
+dikwijls om een naam verlegen is, heeft zich ook van dit woord meester
+gemaakt. Hij gebruikt het niet tot aanduiding van ontastbare wezens,
+maar voor schepsels met vleesch en bloed, die wel is waar 's nachts
+rondzwerven en leven maken, maar toch een min of meer bevallige
+gestalte en een lief uiterlijk hebben. De Lemuren zijn de kern van
+de orde, waarmede wij ons nu bezig houden; zij vormen een familie,
+waartoe verreweg de meeste soorten van Halfapen behooren; daar deze
+soorten zeer verschillende vormen vertoonen, zijn zij over verscheidene
+geslachten verdeeld.
+
+De hierboven medegedeelde kenmerken van de Halfapen in 't algemeen
+zijn op de familie der _Lemuren_ (_Lemuridae_) meer in 't bijzonder
+toepasselijk; deze verschilt van de beide overige familiën der
+Halfapen in hoofdzaak slechts door het gebit, den bouw van hand en
+voet, alsmede door de beharingswijze harer vertegenwoordigers.
+
+Het door de Lemuren bewoonde gebied omvat in de eerste plaats het
+eiland Madagaskar en de naburige eilanden; bovendien komen deze
+dieren op het vaste land van Afrika voor en verbreiden zich over het
+geheele middelste gedeelte van dit werelddeel, van de oostkust tot
+de westkust; eindelijk zijn er ook nog enkele soorten, die in Indië
+en op de Zuid-Aziatische eilanden leven. Alle zonder uitzondering
+bewonen bosschen; aan de ondoordringbare oerwouden, die rijk zijn aan
+vruchten en Insecten, geven zij de voorkeur. Zij zoeken de nabuurschap
+van den mensch niet op, maar mijden haar ook niet. Daar zij alle
+in meer of mindere mate nachtdieren zijn, evenals de overige leden
+der orde, zoeken zij de donkerste plaatsen van het woud of holten
+in boomen op, om daar neergehurkt of ineengerold te slapen. Zij
+nemen hierbij zeer eigenaardige houdingen aan. Sommige zitten op
+hun achterwerk, klemmen zich met de handen vast, laten den kop diep
+naar beneden zakken tusschen de tegen het lichaam teruggetrokken
+voorste ledematen en omwikkelen deze en de schouder ten overvloede
+nog met den staart. Andere rollen zich dicht bij elkander ineen,
+soms zelfs zoo, dat zij twee aan twee één kogel vormen, die door de
+gezamenlijke staarten omwikkeld is; bij het aanraken van zulk een
+haarbol, ziet men er plotseling twee koppen uit te voorschijn komen,
+die met verwonderde oogen den onwelkomen porder aankijken.
+
+De slaap van de Lemuren is zeer licht. Vele van hen worden reeds
+gewekt door het gonzen van een voorbijschietende Vlieg of door het
+gekrieuwel van een over hun lichaam loopende Kever: de ooren worden
+gespitst en de groote oogen spieden als 't ware droomerig rond, maar
+slechts voor een oogenblik. Hun lichtschuwheid is buitengewoon groot
+en hunne oogen schijnen voor het licht gevoeliger te zijn dan die
+van alle overige Zoogdieren. Voor het daglicht zijn zij dood; de in
+vrijheid verkeerende Lemuren ontwaken eerst met de duisternis. (Die
+welke in gevangenschap leven, wijken soms van dezen regel af.)
+
+Als de schemering invalt, worden de Lemuren wakker, poetsen en
+glanzen hun vel, laten hun meestal tamelijk luide en onaangename
+stem hooren, en beginnen hun gewonen zwerftocht door hun luchtig
+jachtgebied. De wijze waarop zij zich hierbij gedragen, is bij de
+verschillende soorten, al naar hun aard, zeer ongelijk. De meeste
+soorten van Lemuren--de Indri's en Maki's--achten het hun eerste
+plicht, den demonischen naam dien zij dragen, eer aan te doen, door
+gemeenschappelijk een geschreeuw aan te heffen, dat wel geschikt is
+om hun, die het voor de eerste maal hooren, een rilling op het lijf
+te jagen; niet alleen omdat het een onbeschrijflijk en waarlijk
+helsch geraas veroorzaakt, maar ook, omdat het eenigszins op het
+gebrul van gevaarlijke Roofdieren, van Leeuwen b.v., gelijkt. Dit
+gemeenschappelijk, grommend gebrul schijnt bij hen, evenals bij
+vele andere dieren, aan het begin van de werkzaamheden vooraf te
+moeten gaan; onmiddellijk daarna doorkruisen zij hun jachtgebied of
+liever hun weide, waarbij zij een bewegelijkheid, een vlugheid en een
+behendigheid openbaren, die men, wegens hun slaperigheid gedurende
+den dag, bij hen niet verwacht zou hebben. Alle forsche toeren op
+dit gebied van klimmen en springen, alle kapriolen die de Apen kunnen
+uitvoeren--en betere nog misschien--, worden door hen verricht.
+
+De inborst, de handelingen en de bewegingen van andere Lemuren--van
+de Lori's--zijn geheel tegenovergesteld aan die der zooeven
+bedoelde. Tersluiks en met onhoorbare schreden sluipen zij langzaam van
+tak tot tak. Hunne groote, ronde oogen schitteren in het schemerlicht
+als vuurbollen; hunne bewegingen geschieden zoo bedachtzaam en stil,
+dat geen enkel geluid aan het luisterende oor de aanwezigheid van een
+levend dier verraadt. Wee den zorgloos slapenden Vogel, op wien een
+blik van deze vurige oogen valt! Nog minder hoorbaar dan de Indiaan
+op zijn krijgspad, en met niet minder vreeselijke bedoelingen dan deze
+bloeddorstige wilde, nadert de Lori zijn slapenden buit. Zonder eenig
+gedruisch, met bijna onzichtbare bewegingen doet hij den eenen stap
+na den anderen; langzaam sluipt hij nader, tot hij zijn slachtoffer
+bereikt heeft. Met dezelfde doodsche stilte en voorzichtigheid licht
+hij de eene hand op en steekt haar zachtjes uit, totdat zij den slaper
+bijna aanraakt. Daarop volgt een beweging zoo snel, dat het oog haar
+niet volgen kan, en vóórdat de sluimerende Vogel eenig vermoeden
+heeft van zijn vreeselijken vijand, is hij bij den strot gegrepen en
+geworgd. Met een voorbeeldelooze begeerigheid wordt na het plegen van
+den moord het slachtoffer van den zooeven zoo zachtaardig schijnende
+Lori door den bloeddorstigen Vierhandigen verslonden. Het lot van den
+slapenden Vogel is ook beschoren aan de jongen en de eieren in zijn
+nest, zoodra dit door den Lori wordt ontdekt. Alle tot deze groep
+behoorende soorten zijn uiterst voorzichtig. Zij bewegen zich op
+de boomen langzaam maar zeker. Vóórdat zij den eenen tak loslaten,
+hebben zij zich vergewist, dat een andere tak hun een betrouwbaar
+steunpunt zal verschaffen.
+
+Een gelijkmatige en vrij hooge warmtegraad is een behoefte voor alle
+Lemuren; de koude maakt hen mismoedig en ziek.
+
+De geestvermogens van de Lemuren zijn gering; slechts weinige soorten
+maken hierop een uitzondering. Alle zijn schuw en vreesachtig van
+aard, ofschoon zij zich moedig verdedigen, zoodra men ze tracht te
+vangen. Nadat zij aan den mensch gewoon zijn geraakt, betoonen zij
+hem een zekeren, graad van vertrouwelijkheid en worden zachtaardig,
+vreedzaam en vriendelijk van gedrag; hun vreesachtigheid laten zij
+echter slechts zelden varen. Eenige soorten van deze familie schikken
+zich intusschen recht goed in het verlies van hun vrijheid en in
+de ondergeschiktheid aan den mensch, laten zich zelfs africhten tot
+het verrichten van sommige diensten, b.v. het jacht maken op andere
+dieren. De staartlooze soorten (de Lori's) echter behouden meestal ook
+in de gevangenschap hun stil, zwaarmoedig voorkomen, trachten wrevelig
+iedereen af te weren, die hen komt storen en leeren waarschijnlijk
+niet eens hun verzorger van andere personen te onderscheiden; zij
+behandelen alle menschen ten naastenbij op gelijke wijze.
+
+De grootste en hoogst ontwikkelde van alle Lemuren zijn de Indri's
+(_Lichanotus_), door de Madagassen _Babakoto_ genoemd. De meest
+bekende van de beide tot dusver ontdekte soorten (_L. brevicaudatus_)
+bereikt een lengte van 85 cM. met inbegrip van het 2 1/2 cM. lange
+staartstompje; de middelmatig groote kop heeft een spitsen snuit,
+kleine oogen en even kleine, bijna in de vacht verborgen ooren; de
+krachtige romp is met een dichte, wollige vacht bekleed, evenals ook
+de ledematen, die alle vier in groote, voor 't omklemmen van takken
+geschikte handen eindigen. Het voorhoofd, de slapen, de keel, de
+borst, het kruis, de staart, de onderzijde van dij en scheen en de
+zijden van de romp zijn wit; de ooren, de achterkop, de schouders,
+de armen en de handen zijn zwart; het achterste gedeelte van den rug
+en het bovenbeen zijn bruin; terwijl de voorzijde van de achterste
+ledematen zwartachtig bruin is.
+
+_Sonnerat_, die ons met den Babakoto bekend maakte, verhaalt, dat
+dit dier evenals zijne verwanten, zich behendig en flink beweegt,
+buitengewoon snel van den eenen boom op den anderen overspringt,
+bij het eten rechtop zit als een Eekhoorntje, en zijn voedsel,
+dat hoofdzakelijk uit vruchten bestaat, met de handen naar den mond
+brengt; zijn stem gelijkt op het weenen van een kind; het is zeer
+zachtmoedig en goedaardig en kan derhalve gemakkelijk getemd worden; in
+de zuidelijke districten van het eiland wordt het door de inboorlingen
+als huisdier gehouden en, evenals onze Honden, voor de jacht afgericht.
+
+"In sommige gedeelten van Madagaskar", verhaalt _Pollen_, "richt men
+den Babakoto voor de vogeljacht af. Naar men zegt, bewijst hij hierbij
+even goede diensten als de beste Hond; want, hoewel hij hoofdzakelijk
+vruchten eet, is hij volstrekt niet afkeerig van kleine Vogels; hij
+vangt deze op zeer behendige wijze, met de bedoeling om de hersenen,
+die een lekkernij voor hem zijn, buit te maken."
+
+Voor zoover mij bekend, werd de Babakoto of een der andere Indris tot
+dusver nog niet levend naar Europa gebracht. Dit is te vreemder, daar
+de eerstgenoemde op Madagaskar in zekeren zin een huisdier is geworden,
+en het dus niet moeilijk kan zijn hem in 't leven te behouden.
+
+Naar het schijnt, is de naam _Maki_ een klanknabootsing van
+het geschreeuw der vertegenwoordigers van het soortenrijkste en
+veelvuldigst voorkomende geslacht van de familie; de wetenschappelijke
+benaming _Lemur_, waarmede vroeger alle Lemuriden aangeduid werden, is
+tegenwoordig beperkt tot het geslacht der Maki's. Deze onderscheiden
+zich van bijna al hunne verwanten door een langwerpigen vossekop met
+matig groote oogen en middelmatig lange, dikwijls ruig behaarde ooren;
+hunne goed gevormde ledematen komen nagenoeg in lengte overeen, en
+eindigen in handen, die aan de bovenzijde niet met een vacht bedekt,
+maar zwak behaard zijn; de lengte van den staart bedraagt meer dan
+de helft van die van 't lichaam, dat met een zeer zachte en fijne,
+bij uitzondering ook wel wollige vacht bekleed is.
+
+
+
+Men heeft in deze groep vele soorten onderscheiden; latere
+onderzoekingen hebben echter geleerd, dat vele van deze
+onderscheidingen op verschil van sekse berusten, of niet belangrijk
+genoeg zijn om de vorming van nieuwe soorten te wettigen. Een der
+meest bekende Maki's is de _Vari_ (_Lemur varius_), gekenmerkt door
+een met groote vlekken geteekende, deels zwarte, deels witte vacht;
+bijna bij ieder exemplaar komt een andere kleurenverdeeling voor; bij
+het eene heeft de zwarte, bij het andere de witte kleur de overhand.
+
+De _Vari_, een van de grootste Maki's, komt in grootte ongeveer gelijk
+aan een flink uitgegroeide Kat; zijne overige verwanten staan trouwens
+weinig bij hem achter. De _Catta_ (_L. catta_) onderscheidt zich door
+de sierlijkheid van zijn gestalte en door den langen, met zwarte en
+witte ringen geteekenden staart; de hoofdkleur van zijn dichte, fijne,
+zachte en wollige vacht is grijs, nu eens zweemend naar aschgrauw,
+dan weer naar roestrood; het aangezicht, de ooren en de onderdeelen
+zijn witachtig; een vlek onder het oog en het bovenste gedeelte van
+den snuit zijn zwart. Andere soorten, die dikwijls in diergaarden
+aangetroffen worden, zijn de _Mongoz_ (_L. mongoz_) en de _Moor-maki_
+(_L. macaco_). Opmerkelijk is het, dat bij den laatstgenoemden vorm het
+mannetje bijna zuiver zwart, het wijfje echter, dat een tijd lang voor
+een andere soort gehouden werd, lichter of donkerder rooskleurig is.
+
+Aan de uitstekende onderzoekingen van den Nederlandschen onderzoeker
+_Pollen_ danken wij onze bekendheid met de levenswijze van de Maki's in
+vrijen toestand. Alle soorten van dit geslacht bewonen de bosschen van
+Madagaskar en van de naburige eilanden. Over dag houden zij zich in het
+dichtste takkenlabyrinth van de bosschen schuil, des nachts gaan zij
+onder vlugge bewegingen en luid geschreeuw hun voedsel zoeken. Deze
+dieren leven, tot troepen van 6 à 12 individuën vereenigd, in de
+ongerepte wouden van het groote eiland; zij voeden zich vooral met
+de vruchten van de wilde dadelboomen en begeven zich daartoe van het
+eene deel van het woud naar het andere. Men ziet ze zoowel over dag
+als des nachts. Nauwelijks is de zon ondergegaan, of men verneemt hun
+klagend geschreeuw; gewoonlijk jammeren alle leden van den troep te
+gelijker tijd. Hunne bewegingen zijn, evenals die van hunne verwanten,
+buitengewoon sierlijk, behendig en vlug: als zij maar eerst wakker
+geworden zijn, vliegen zij als 't ware door de kronen der boomen heen,
+en doen daarbij sprongen van buitengewone wijdte, om van den eenen
+tak op den anderen te komen. Als zij door de Honden vervolgd worden,
+vluchten zij naar de hoogste toppen der boomen, en kijken knorrend en
+met den staart zwaaiend naar den vijand; zoodra zij echter den jager in
+'t oog krijgen, vluchten zij ijlings naar het dichtst van het woud.
+
+De geestvermogens van de Maki's verheffen hen niet boven hunne
+verwanten; toch brengen zij een aangenamen indruk teweeg. Gewoonlijk
+zijn zij zachtaardig en vreedzaam; soms treft men er echter koppige,
+wilde en bijtlustige individuën onder aan.
+
+Vele soorten van Maki's worden dikwijls naar Europa overgebracht en
+houden het in de gevangenschap lang uit. Dit bewees b.v. een Vari,
+die 19 jaar te Parijs in leven bleef. De meeste worden spoedig tam
+en aan den mensch gehecht. Hun voeding levert geen bezwaren op, daar
+zij schielijk aan allerlei spijzen gewend geraken. Gewoonlijk nemen
+zij het voedsel met de voorhanden aan; soms echter vatten zij het
+direct met den mond op. Als zij zich wel gevoelen, geven zij door
+een knorrend geluid hun tevredenheid te kennen; in den regel zingen
+zij zich op deze wijze in slaap.
+
+_Buffon_ bezat een mannelijke Maki, die door zijne behendige,
+snelle en sierlijke bewegingen de toeschouwers vermaakte, door
+zijne onzindelijkheid en uitgelatenheid echter even dikwijls lastig
+werd. Voor koude en vochtigheid was hij zeer bang; hij bleef daarom
+gedurende den winter altijd in de nabijheid van het vuur, en ging er
+ook vaak rechtop bij staan, om zich beter te kunnen warmen.
+
+De Maki, die zoo lang in den Parijschen dierentuin geleefd heeft, hield
+evenveel van 't vuur en plaatste zich geregeld in de onmiddellijke
+nabijheid van den haard; zelfs hield deze arme bewoner van een tropisch
+gewest, niet alleen de handen, maar ook het gelaat zoo dicht bij de
+vlam, dat hij zich meer dan eens den snorrebaard gezengd heeft. Hij
+was zindelijk, glom over zijn geheele lichaam, en paste zorgvuldig op,
+dat hij zijn vacht niet vuil maakte. Bovendien was hij even druk en
+beweeglijk als nieuwsgierig. Hij onderzocht alle dingen, maar smeet ze
+tevens om, of verscheurde ze en verspreidde ze over den grond. Voor
+alle personen die hem liefkoosden, was hij vriendelijk; ook bij
+wildvreemde menschen sprong hij zonder complimenten op den schoot.
+
+
+
+Terwijl de _Maki_'s alle zonder uitzondering, althans op sommige
+tijden van den dag, een groote werkzaamheid en beweeglijkheid aan
+den dag leggen, onderscheiden de _Lori_'s (_Stenops_) zich door
+tegenovergestelde eigenschappen. Zij zijn in zekeren zin de Luiaards
+van deze orde, en worden daarom ook wel "_Luie Apen_" genoemd. Deze
+groep omvat kleine, sierlijke Halfapen met schraal, staartloos lichaam,
+grooten, rondachtigen kop en dunne, slanke ledematen, waarvan het
+achterste paar iets langer is dan het voorste. De snuit is spits,
+maar kort; de ooren zijn middelmatig groot en behaard. Aan de handen
+is de wijsvinger zeer verkort, de vierde vinger echter verlengd en
+de vijfde met een scherpen en langen klauw voorzien.
+
+De weinig talrijke soorten van dit geslacht bewonen Voor- en
+Achter-Indië en de naburige eilanden; van hun levenswijze in de vrije
+natuur is nog zoo goed als niets bekend. Deze Zuid-Aziatische Lemuriden
+komen in lichaamsbouw met hunne vroolijke Afrikaansche neven overeen,
+maar hebben geheel andere gewoonten.
+
+
+
+Een bekoorlijk lid van dit geslacht is de _Slanke Lori_ (_Stenops
+gracilis_), een diertje nauwelijks zoo groot als een Eekhoorntje
+(slechts 25 cM. lang), met een schralen romp, een kop met groote
+oogen en een spitsen snuit, dunne ledematen en een lange, op pluche
+gelijkende vacht, welker kleur aan de bovendeelen roodachtig vaalgrijs
+en geelachtig bruin, aan de onderzijde echter grijsachtig of licht
+geelachtig is. De huid rondom de noot-bruine oogen is donkerder en
+steekt daarom sterk bij den lichtkleurigen bovensnuit af.
+
+Dit allerliefste wezen, dat door de inboorlingen _Tevangoe en Oena
+happolava_ wordt genoemd, bewoont de wouden van Ceylon en van de
+lage landen van Zuid-Indië, bij Godovari te beginnen. Den dag brengt
+hij slapend in holle boomen door; hij komt eerst 's avonds daaruit
+te voorschijn. Zijn leven in de vrije natuur is nog door niemand
+beschreven, hoewel over het dier zelf reeds voor lang mededeelingen
+gedaan zijn.
+
+Tot mijn groote verwondering en vreugde vond ik een levenden Slanken
+Lori in 't bezit van een eigenaar van een beestenspel. Het tengere dier
+was vier jaren geleden met drie andere van dezelfde soort in Europa
+aangekomen en door een onzer eerste groothandelaars aan bedoelden man
+verkocht; het had dus niet alleen de reis naar Europa, maar ook de
+gevangenschap in het koudere land uitmuntend doorgestaan. Ik kocht
+het diertje voor een handvol geld om het naar het leven te laten
+uitteekenen en om het te kunnen waarnemen; het werd met zorg verpleegd.
+
+Over dag ligt of, juister gezegd, hangt de Slanke Lori aan een van de
+dwarshouten van zijn kooi en slaapt, zonder zich door de buitenwereld
+en haar rumoer ook maar in het allerminst te laten storen. Nadat
+de schemering is ingevallen, ontrolt hij zich, rekt en strekt, nog
+eenigszins slaapdronken, de lange, slanke ledematen, en stapt nu
+langzaam en onhoorbaar op den zitstang van zijn kooi heen en weer,
+of klautert bij de dwarsstangen van het hok op en neer. Op een
+stang of op een tak beweegt hij zich met opmerkelijke behendigheid,
+onderzoekt echter bij elken stap, dien hij doet, zijn nieuw steunpunt,
+strekt daarom de pooten dikwijls veel verder uit, dan men voor mogelijk
+gehouden zou hebben, en grijpt, met hen evenals met de armen tastend,
+op een afstand in de lucht, als het hem er om te doen is van den
+eenen tak op een anderen over te gaan. Het beweeglijkste deel van
+zijn lichaam is de kop, dien hij plotseling en bliksemsnel weet te
+draaien en te wenden, terwijl hij met hand en arm slechts zelden zulk
+een snelle beweging maakt. Zijne oogen glinsteren in 't halfdonker in
+den letterlijken zin van 't woord als gloeiende kolen, en dit maakt,
+daar zij zeer dicht bij elkander staan en slechts door een witte bles
+van elkander gescheiden zijn, een hoogst eigenaardigen indruk.
+
+De Slanke Lori laat, als hij gepleegd wordt, een scherp gesnork hooren,
+dat het meest aan het geluid van den Hamster of Aardwolf herinnert,
+maar veel zwakker is. Op deze wijze is hij gewoon zijn hevigsten
+toorn te kennen te geven. Zijn prikkelbaarheid schijnt trouwens
+vrij gering te zijn, want het kost moeite hem zijne bedaardheid en
+gelijkmoedigheid te doen verliezen. Naar het schijnt, vindt hij het
+aangenaam, zachtjes geaaid te worden; als men hem zachtjes op den
+kop krabt, sluit hij de oogen.
+
+Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit in melk geweekt brood. Vruchten
+versmaadt hij bijna geheel, vleesch en eieren eveneens; ook levende
+Vogels heeft hij tot nu toe niet willen aanraken. Daarentegen houdt
+hij bijzonder veel van Insecten, vooral van Meelwormen; hij is echter
+te onhandig of te traag om deze dieren zelf aan te vatten; alleen
+wanneer zijn oppasser hem deze lekkernij vlak voor den mond houdt,
+hapt hij toe.
+
+De _Plompe Lori_, de _Scharmindi billi_ of "schaamachtige Kat" van
+de Indiërs, de _Moeka_ ("het aangezicht") van de Javanen (_Stenops
+tardigradus_) is een weinig meer bekend geworden, waarschijnlijk omdat
+hij talrijker voorkomt en een grooter verbreidingsgebied heeft dan
+zijn slanke neef. De westelijke grens van dit gebied wordt ongeveer
+door den benedenloop van den Brahmapoetra gevormd. In den Himalaja
+werd hij niet gevonden, wel echter in Assam en alle meer zuid- en
+zuid-oostwaarts gelegen landen, alsmede op de eilanden Sumatra, Java
+en Borneo. Hij is grooter en van meer ineengedrongen lichaamsbouw dan
+zijn stamverwant. Bij deze soort komen velerlei afwijkingen van grootte
+en kleur voor, die echter, naar het schijnt, niet bestendig zijn. De
+hoofdkleur is een helderder of donkerder aschgrauw of zilvergrijs
+aan de bovenzijde, dikwijls met een roodachtig waas overtogen; naar
+onderen wordt de kleur bleeker; over den rug loopt in de richting
+der lengte een meer of minder donkere, kastanjebruine streep, die
+aan de kruin vervloeit, of daar in een breede, menigmaal tot aan de
+ooren reikende vlek eindigt, of zich in twee banden tot aan de oogen,
+of in vier banden tot aan de oogen en ooren voortzet. De oogen zijn
+steeds met bruine ringen omgeven, ook daar waar geen strepen het
+aangezicht versieren. De onbehaarde gedeelten van de zolen en den
+neus zijn vleeschkleurig. De lichaamslengte bedraagt 32 à 37 cM.,
+die van den staart 1 1/2 tot krap 2 cM.
+
+De Plompe Lori, een woudbewoner, welks levenswijze in de vrije
+natuur zeer moeilijk is na te gaan, leeft vereenigd tot familiën,
+die den dag slapend doorbrengen in holle boomen, na het invallen van
+de schemering wakker worden en dan uitgaan om voedsel te zoeken. In
+de vrije natuur hebben Europeanen het dier bijna nog niet waargenomen.
+
+Bij de Javanen staat het in zeer slechten reuk. "Zijn nabijheid brengt
+gevaar, ziekte, dood of een ongeluk", en wordt daarom door iedereen
+zooveel mogelijk gesmeden. _Haszkarl_, aan wien ik bovenstaande
+mededeelingen verschuldigd ben, schrijft mij: "Toen ik zulk een gast
+in mijn huis opnam, werd ik door iedereen gewaarschuwd, en gewezen op
+allerlei gevaren, waaraan ik mij blootstelde. Lang heb ik mijn Lori
+niet kunnen behouden, waarschijnlijk werd hij door mijne bedienden,
+die zeer bang voor hem waren, en een hekel hadden aan den onaangenamen
+reuk, dien hij verbreidde, door het een of ander middel gedood.
+
+"In de gevangenschap zijn de Lori's stil, geduldig en
+zwaarmoedig. Ineengehurkt zitten zij den geheelen dag te slapen, en
+laten daarbij den kop op de samengevoegde handen rusten. Een dezer
+dieren, dat aanvankelijk aan een touw vastgelegd was, lichtte dit
+herhaaldelijk met een droefgeestig gebaar op, alsof het zich over
+zijne kluisters beklaagde; het deed echter geen pogingen om ze te
+verbreken. In den eersten tijd trachtte deze Lori zijn oppasser te
+bijten, eenige kleine kastijdingen waren echter voldoende om zulke
+opwellingen van toorn te onderdrukken. Als men hem streelde, vatte hij
+de hand, die hem liefkoosde, drukte haar aan zijn borst en richtte de
+half geopende oogen op zijn verzorger. Bij het invallen van den nacht
+werd hij wakker. Eerst wreef hij zich de oogen als een slaapdronken
+mensch, keek daarna rond en begon zijn nachtelijke wandeling. Hij liep
+dan ook behendig langs de touwen, die men voor hem gespannen had. Hij
+hield zeer veel van vruchten en melk, maar was nog meer verlekkerd op
+Vogels en Insecten. Hield men hem zulk een prooi voor, dan kwam hij
+er met voorzichtige schreden op af, dikwijls de geheele kamer door,
+evenals iemand, die op de teenen gaat om een ander te verrassen. Op
+een afstand van ongeveer één voet van zijn slachtoffer, maakte hij
+halt, richtte zich op, deed in deze houding nog een stap vooruit en
+strekte stil de armen, om eindelijk bliksemsnel zijn buit te grijpen
+en in weinige oogenblikken dood te drukken."
+
+Tot dusver heb ik slechts twee Plompe Lori's gezien en waargenomen. Den
+eersten zag ik alleen over dag in den Amsterdamschen dierentuin. Hij
+was niet zoo vriendelijk, als ik op grond van de bovenstaande
+berichten verwacht had. 't Zij, dat hij ontstemd was over het
+verstoren van zijn rust, of een ongewoon prikkelbaar gestel had,
+hij was klaarblijkelijk zeer ontevreden over de wijze waarop wij hem
+bejegenden. Zeer duidelijk drukte hij dit gevoel uit door te blazen als
+een Kat en door te trachten de hem wekkende hand van zijn oppasser te
+bijten, wat hij reeds vroeger eenige malen met succes gedaan had. Nu
+gelukte deze wraakoefening niet; verdrietig hierover ging hij langzaam
+achteruit. Dit deed hij op een wijze, die mij zeer verraste. Met
+zijne groote oogen ons voortdurend aanstarend, verwijderde hij zich
+uiterst langzaam, voetje voor voetje, _ruggelings_ van ons, en wel
+_naar boven_ langs een paal, die weinig van den loodrechten stand
+afweek. Hij klautert dus in sommige gevallen van onderen naar boven,
+terwijl zijn aangezicht naar onderen gericht is. Voor zoover ik weet,
+kan geen ander Zoogdier dit doen!
+
+Een tweeden Plompen Lori heb ik zelf gedurende geruimen tijd onder
+mijn hoede gehad. Den slanken Lori, die in een ander hok opgesloten
+was, beschouwde hij met zichtbare belangstelling, toen hij voor de
+eerste maal in zijn nabijheid werd gebracht; hij deed echter geen
+pogingen tot verdere toenadering; later was zijn stamgenoot hem even
+onverschillig, als andere dieren, met uitzondering natuurlijk van die,
+welke hem eetbaar toeschenen. Uit alle proeven en waarnemingen, die tot
+dusver gedaan zijn, schijnt te blijken, dat het verstand van dit dier
+even gering is als zijn belangstelling in de buitenwereld; blijkbaar
+beweegt zijn gedachtengang zich binnen een zeer beperkt kringetje.
+
+
+
+Tot de Halfapen die ons het best bekend zijn, behooren de _Langoorige
+Maki's_ of _Galago's_, over welker handel en wandel ook reeds door
+reizigers uit vroegeren tijd berichten zijn gegeven. Bij hen heeft
+het gehoorzintuig de overhand, hetgeen in overeenstemming is met de
+zeer groote vliezige ooren, welke aan die van sommige Vleermuizen
+herinneren. Het lichaam van de Galago's is eer schraal dan plomp;
+wegens de overvloedige beharing ziet het er echter voller uit
+dan het is. De betrekkelijk groote kop onderscheidt zich, behalve
+door de buitengewoon sterk ontwikkelde, naakte ooren, door de dicht
+bijeengeplaatste oogen. Zoowel de voorste als de achterste ledematen
+zijn middelmatig van lengte, de handen en voeten goed gevormd; de
+wijsvinger en de tweede teen, bij enkele ook de middelste vinger en
+de middelste teen, zijn met klauwachtige, de andere vingers en teenen
+met platte nagels voorzien.
+
+De Galago's bewonen Afrika en eenige eilanden ten westen en ten oosten
+van dit werelddeel. In tegenstelling met de Maki's moeten zij beschouwd
+worden als roofdieren, die slechts af en toe vruchten gebruiken. Om ze
+te beschrijven, wil ik hier de woorden herhalen, die ik in gemeenschap
+met _Kersten_ volgens zijne opgaven en mijne eigene waarnemingen in
+de reisbeschrijving van _Von der Decken_ gebruikt heb: "De Galago's
+zijn nachtdieren in den volsten zin van 't woord: de maan vervangt voor
+hen de zon; de dag gaat voor hen spoorloos voorbij. Nog slaperiger dan
+de Slaapmuizen liggen zij gedurende alle uren van den dag ineengerold
+in den een of anderen hiervoor geschikten schuilhoek; wanneer men ze
+verhindert zulk een schuilplaats op te zoeken, trachten zij door het
+angstvallig verbergen van den kop zich te beveiligen voor het gehate
+zonlicht; zelfs doen zij hun best om zich door het ineenrollen van
+de ooren, voor ieder gedruisch te vrijwaren. Als zij door de een
+of andere oorzaak met geweld uit hun vasten slaap gewekt worden,
+staren zij aanvankelijk droomerig in de verte, ontwaken allengs uit
+dezen slaapdronken toestand en geven nu door afwerende bewegingen te
+kennen, hoe onaangenaam hun deze storing is.--Geheel anders gedragen
+deze dieren zich na zonsondergang. Zoodra de schemering in het woud
+aanbreekt, ontwaakt de Galago (misschien omdat hij de avondkoelte
+begint te voelen); hij buigt den over den kop ineengekronkelden staart
+terug, opent de oogen, en ontvouwt de vliezige ooren, die tot dusver
+ineengerold of liever ineengeschrompeld waren tot een goed sluitend
+deksel van het gehoororgaan; hij poetst en lekt zich, verlaat den
+schuilhoek en begint nu zijn spookachtige werkzaamheid, die bij
+'t licht bezien een rooversleven is in den volsten zin van 't woord.
+
+"De onverzadelijke bloeddorst en moordlust, die de Galago hierbij
+openbaart, zou men bij zulk een hoog ontwikkeld Handdier niet
+verwacht hebben. Hij is even goed begaafd als eenig ander roofdier:
+scherp van gezicht als een Losch, fijn van gehoor als een Vleermuis,
+geschikt om een spoor te volgen als een Vos, en, hoewel niet zoo
+verstandig als deze, toch wel degelijk listig. De Galago vereenigt de
+behendigheid van een Aap met die van een Slaapmuis; hij vergroot door
+stoutmoedigheid de onfeilbaarheid van zijn aanval, en wordt hierdoor
+tot een vreeselijken vijand van alle kleine dieren; in deze opzichten
+onderscheidt hij zich in hooge mate van de meeste zijner verwanten".
+
+Deze woorden bevatten bijna al wat tot dusver bekend geworden is
+over het leven der Langoorige Maki's in de vrije natuur; het zal niet
+gemakkelijk zijn, hierover meer te ervaren, daar het waarnemen van de
+handelingen en bewegingen van deze dieren gedurende den nacht groote
+moeielijkheden aanbiedt.
+
+Van de Langoorige Maki's kent men tot dusver slechts een gering
+aantal soorten; de reuzen van dit geslacht komen in grootte met een
+bijna volwassen Konijn overeen, terwijl de kleinste soort in dit
+opzicht een matig groote Muis slechts weinig overtreft. De _Galago_
+(_Otolicnus galago_), die wij in de eerste plaats zullen behandelen,
+is een sierlijk diertje van de grootte van een Eekhoorn. Zijn korte,
+maar dichte en zijdeachtig zachte vacht is aan de bovenzijde vaalgrijs,
+aan den kop en op den rug zwak roodachtig, aan de binnenzijde van de
+ledematen en aan den buik geelachtig wit van kleur; een dergelijke
+kleur hebben de wangen en een tusschen de oogen beginnende overlangsche
+streep, die zich tot aan den top van den neus uitstrekt. De ooren
+zijn vleeschkleurig, de oogen bruin.
+
+Deze Halfaap is in een groot deel van Afrika inheemsch. _Adanson_
+ontdekte hem in de bosschen langs de oevers van de Senegambische
+rivieren; de reizigers van lateren tijd merkten hem in Zuid-Afrika
+en in Soedan op. Hier vond ook ik hem verscheidene malen, steeds
+echter ten westen van den Witten Nijl en vooral in Kordofan. Den
+inboorlingen is het onder den naam _Tendj_ welbekend; zij gelooven,
+dat hij oorspronkelijk een Aap was en door zijn slaapzucht zoozeer
+ontaard is. Wij troffen den Tendj alleen in mimosa-bosschen aan en
+wel in den regel paarsgewijs. De dieren zaten op dikke takken zeer
+dicht bij den stam te slapen, werden echter oogenblikkelijk wakker,
+toen zij onze voetstappen vernamen. Als zij overdag opgejaagd werden,
+klauterden zij schielijk en behendig in de takken rond, namen echter
+nooit de vlucht, maar gingen steeds na verloop van korten tijd weer
+rustig zitten om te luisteren en door het dichte gebladerte naar ons
+in de diepte te kijken. Zij wisten zeer behendig tusschen de vele
+scherpe stekels van de mimosas door te dringen, en konden ook groote
+sprongen maken van den eenen boom naar den anderen. De inboorlingen
+verhaalden, dat deze dieren des nachts Insecten vangen of vruchten
+plukken, en dit zonder gedruisch doen, hoeveel zij zich ook bewegen;
+hunne oogen schitteren dan "als het brandende vuur". Ook zeiden zij
+ons, dat het zeer gemakkelijk is deze dieren in strikken te vangen;
+over dag kunnen goede klimmers ze wel met de hand grijpen; als zij den
+tak waarop de Tendj zit, duchtig schudden, klemt deze zich, om niet
+naar beneden te vallen, stevig vast en laat zich grijpen. Ik geloof
+gaarne, dat deze wijze van vangen goede uitkomsten oplevert, ik zelf
+heb haar dikwijls met goed gevolg op jonge Eekhoorntjes toegepast.
+
+De koopman _Bacle_, die in het begin van deze eeuw Senegambië
+bereisde, kreeg een paar Galago's van een neger, die ze gevangen
+had in de acacia-bosschen, die de Arabische gom leveren. Hij noemde
+deze wezens "Gomdieren", en verzekerde, dat zij zeer graag mimosahars
+eten. Het gevangen paar bevestigde deze mededeeling door de daad; het
+gaf echter de voorkeur aan Insecten boven ieder ander voedsel. Door
+hun gedrag herinnerden deze dieren evenzeer aan de Maki's als aan de
+Vledermuizen. Hunne kapriolen en andere vlugge bewegingen, maar vooral
+de reusachtige sprongen, die zij maken, vervulden alle reizigers
+met verbazing; het merkwaardigst verschijnsel bij hen is echter de
+beweeglijkheid van hunne ooren. Zij kunnen, als zij slapen willen,
+hunne gehooropeningen geheel afsluiten. Het eerst rimpelt en verkort
+zich het onderste gedeelte van de oorschelp, daarna wordt het bovenste
+gedeelte naar binnen omgeslagen, zoodat men dan nagenoeg niets meer
+dan het oor kan zien. Bij het geringste gedruisch echter ontrolt
+de oorspits zich en wordt de geheele oorschelp weder gespannen en
+glad. Sommige Vleermuizen handelen geheel op dezelfde wijze, als
+zij hun zoo buitengewoon gevoelig gehoororgaan willen verzwakken,
+en gedurende het geraas van den dag rustig willen slapen.
+
+
+
+De op Zanzibar levende Langoorige Maki, de _Komba_ van de
+Suaheli (_Otolicnus agisymbanus_), is grooter dan de Galago; zijn
+lichaamslengte bedraagt 20 à 30, de staartlengte 22 à 25 cM. De
+hoofdkleur van het vel is geelachtig grijs of bruinachtig grijs. De
+achterste helft van den overigens bruinrooden staart is zwartbruin. De
+groote, bijna kale ooren zien er aschgrauw uit.
+
+Op Zanzibar heeft men, volgens _Kersten_, een zeer eenvoudig middel
+om den Komba te vangen, zonder eigenlijk jacht op hem te maken:
+zijn snoepzucht brengt hem in 't verderf. Hoe begeerig de Komba ook
+is naar het warme bloed van Zoogdieren en Vogels, is hij toch ook
+niet afkeerig van zoete genietingen; hij houdt er zelfs zooveel van,
+dat men alleen in de levensgeschiedenis van de Apen en van enkele
+Knaagdieren staaltjes aantreft van een dergelijken hartstochtelijken
+trek in zoetigheid. "Als het sap van den palmboom, dat door gisting
+wijn zal leveren, afgetapt wordt," zoo verhaalt de genoemde reiziger,
+"komt de Langoorige Maki niet zelden als ongenoode gast partij trekken
+van een bedrijf, dat in zoo hooge mate zijn belangstelling wekt; hij
+vergast zich aan het zoete sap en leert door eigen ervaring de waarheid
+erkennen van het gezegde, dat te veel "geest" den geest benevelt. Want
+het prijzenswaardige vocht, dat eenigen tijd geleden uit den eindknop
+van den palm vloeide, is wel is waar zoet gebleven, maar toch ook
+bedwelmend geworden en dit te meer, naarmate het langer met de lucht
+in aanraking was. De dorstige pooieraar in Lemuren-gedaante verliest
+het bewustzijn en valt uit den hoogen boom, waar hij veilig was,
+naar beneden op den bodem, en blijft daar smoordronken liggen. Hier
+wordt hij 's morgens gevonden door den neger, die den uitgevloeiden
+palmwijn komt halen; deze neemt den bewegingloozen droomer op, zet
+hem voorloopig in een eenvoudig hok gevangen, of bindt hem een touw
+om den middel, waarna hij hem naar de stad brengt en aan een der op
+deze dieren vlassende Europeanen verkoopt.
+
+"Na eenigen tijd beloont de Komba de zorg, die aan hem besteed werd,
+door goede diensten. In het vertrek waar hij huist, heeft de Muis geen
+muis-waardig leven meer; ook vervolgt hij met onvermoeiden ijver de
+zoo lastige, groote Kakkerlakken in het huis of op het schip, waar hij
+gastvrijheid geniet. Een aangename herinnering hebben wij behouden van
+een voorval, dat gedurende de vervelende zeereis plaats had. Het groot
+aantal Kakkerlakken op ons schip noodzaakte ons van tijd tot tijd de
+kisten te doorzoeken, waarin onze kleedingstukken geborgen waren. De
+door dit ongedierte veroorzaakte stank, die ons bij 't openen van
+de kisten tegemoet kwam, lokte onzen tammen Langoor aan. De voor hem
+ongeschikte tijd van den dag verhinderde hem niet den inhoud van den
+kist te onderzoeken; zeer spoedig bleek het, met welk doel hij gekomen
+was; de door ons gestoorde tallooze legerscharen van Kakkerlakken
+verschaften hem volop bezigheid. Met verrassende behendigheid greep
+hij nu eens naar deze dan weer naar een andere plaats, pakte hier een
+volwassen Insekt, ginds een jonger dier, en terwijl hij met de eene
+hand de zooeven gevangen prooi vóór den kauwenden mond vasthield,
+was de andere bezig nieuw wild op te sporen. Zoo speurde, luisterde,
+werkte en smulde hij, totdat wij onzen arbeid verricht hadden."
+
+
+
+Een groote, ronde, tusschen de schouders gezeten kop met een echt
+kikvorschengezicht, korte voorste en lange achterste ledematen benevens
+een staart langer dan het lichaam zijn de uitwendige kenmerken van
+een Halfaap, die reeds sedert geruimen tijd als vertegenwoordiger
+van een afzonderlijk geslacht, sedert kort echter met het volste
+recht als type van een afzonderlijke familie wordt aangemerkt. De
+belangrijkste kenteekenen van deze dieren leveren de zeer vreemdsoortig
+gevormde tanden, welke op die van de Insecteneters gelijken. Wegens
+den buitengewoon langen voetwortel heeft men aan deze familie den
+naam van _Voetworteldieren_ (_Tarsidae_) gegeven; vroeger werden zij
+door sommige natuuronderzoekers voor Springmuizen, door andere voor
+Buideldieren, door nog andere eindelijk voor Lemuren gehouden. Daar
+men tot dusver slechts één goed omschreven soort (of hoogstens twee
+soorten) kent, die hiertoe gerekend kan worden, gelden de kenmerken
+van deze ook voor de familie.
+
+
+
+Het _Spookdiertje_ (_Tarsius spectrum_) bereikt een lengte van 40 cM.,
+waarvan 23 à 24 cM. op den staart komen. Het haar is bruinachtig grijs,
+de ooren zijn naakt, de oogen buitengewoon groot, naar verhouding de
+grootste, die bij een Zoogdier voorkomen. De vingertoppen zijn aan de
+onderzijde kussenvormig vergroot, evenals bij den Boomkikvorsch. Het
+Spookdiertje is een tamelijk zeldzame bewoner van de bosschen van
+Sumatra, Banca en Borneo, het wordt echter ook gevonden in sommige
+gedeelten van Celebes (en de Philippijnen). De inboorlingen van
+Sumatra noemen hem _Singapoa_. Volgens een hunner overleveringen
+was hij oorspronkelijk zoo groot als een Leeuw (Singa), maar is
+allengs ingekrompen tot zijn tegenwoordige gestalte. Misschien
+is dit de reden van de vrees, die zij voor hem koesteren. Hoe dit
+ook zij, zijn tegenwoordigheid wordt door hen als een voorbode van
+ongeluk beschouwd. Van zijne gevangene Spookdiertjes deelt _Jagor_
+het volgende mede: "In Loquilocun en Boranjen" (op de Philippijnen)
+"was ik in de gelegenheid twee Spookdiertjes (hier _Majo_ genaamd)
+te koopen. Deze uiterst sierlijke, zeldzame beestjes, komen, naar
+men mij op Luçon verzekerde, slecht op Samar voor. Mijn eerste Majo
+moest in 't eerst een weinig honger lijden, omdat hij plantenkost
+versmaadde; later verslond hij echter levende Sprinkhanen met den
+grootsten smaak. Het was een zeer grappig schouwspel, het diertje,
+wanneer het overdag gevoederd wordt, rechtop staand, op zijne beide
+dunne pootjes en den kalen staart steunend, den grooten kogelronden
+kop met de beide merkwaardig groote oogen naar alle richtingen te zien
+draaien, evenals een dievenlantaarn op een drievoet met kogelgeleding
+zich draait. Het duurde eenigen tijd, voordat hij er in slaagde,
+de oogen juist te richten op het hem aangeboden voorwerp; zoodra dit
+hem gelukte, strekte hij plotseling zijne beide armpjes zijwaarts en
+een weinig achterwaarts als een kind, dat zijne blijdschap te kennen
+geeft, greep dan schielijk met de handen en den bek den buit, en at
+deze bedachtzaam op.
+
+"Over dag was de Majo slaperig, zwak van gezicht en, als men hem
+stoorde, ook brommig; als het daglicht verflauwde, werd hij echter
+wakker en vergrootte zich zijn pupil. Des nachts bewoog hij zich
+vlug en behendig met onhoorbare sprongen, liefst in zijdelingsche
+richting. Hij werd spoedig tam, stierf echter reeds na weinige dagen;
+ook het tweede diertje kon ik niet lang in 't leven houden."
+
+
+
+Voor ruim honderd jaar kreeg de reiziger _Sonnerat_ uit een bosch van
+Madagaskars westkust twee hoogst zonderlinge dieren, van welker bestaan
+niemand tot dusver kennis droeg. Zelfs op de tegenovergestelde kust
+waren zij volkomen onbekend; de daar levende Madagassen zeiden althans,
+dat zij nu voor 't eerst zulke dieren zagen; om hunne verwondering
+te kennen te geven, riepen zij luid: "Aï, Aï", welke uitroep door
+_Sonnerat_ als naam voor het dier werd gekozen.
+
+Gedurende meer dan 60 jaren bleef de door _Sonnerat_ naar Europa
+gebrachte _Aï-aï_ de eenige, dien men kende, en was de in het jaar
+1782 opgemaakte beschrijving van dit zeldzame dier, de eenige bron
+voor de kennis hiervan. Men dacht er reeds aan, het als uitgestorven
+te beschouwen, toen in 1844 _De Castelle_ opnieuw berichten over
+dit wezen gaf. Deze reiziger slaagde er in, een jongen levenden
+Aï-aï te verwerven, en besloot, hem aan den Parijschen "Jardin des
+plantes" te schenken. Ongelukkig stierf dit exemplaar, voordat het
+in Europa was aangekomen; zijn vel en zijn geraamte werden echter
+aan de verzameling van de genoemde inrichting toegevoegd; het bleek
+toen, dat het nieuwe dier tot de door _Sonnerat_ ontdekte soort
+behoorde. Nieuw materiaal om haar nader te leeren kennen ontving hem
+echter eerst in 1862. Toen werd de Dierkundige Vereeniging te Londen
+verblijd door het bericht, dat twee "_Vingerdieren_" of "Naaktvingers",
+zooals men dezen overgangsvorm intusschen had genoemd, op Madagaskar
+gevangen en naar de Diergaarde in Regentspark onderweg waren. Een van
+deze kwam gelukkig levend, het andere als spiritus-preparaat op de
+plaats van bestemming. Eenigen tijd daarna werden nog meer exemplaren
+overgezonden, waarvan drie voor het Berlijnsche museum.
+
+Nu eerst konden de dierkundigen de verwantschap van den Aï-aï met
+zekerheid bepalen en hem een plaats in het stelsel aanwijzen.
+
+Volgens de onderzoekingen van _Owen_ en _Peters_ vormt de Aï-aï--het
+_Vingerdier_ (_Chiromys madagascariensis_)--niet slechts een
+afzonderlijk geslacht, maar ook een nieuwe familie in de orde der
+Halfapen.
+
+De Aï-aï, die eenige jaren lang te Londen heeft geleefd, heb ik leeren
+kennen; ongelukkig was de duur van mijn verblijf aldaar zoo kort, dat
+ik slechts één avond aan dit dier kon wijden. Deze tijd was echter
+voldoende om mij te doen inzien, dat de beschrijving van _Sonnerat_
+niet alleen aanvulling, maar ook verbetering eischt. Ik zal daarom hier
+van de uitkomsten van mijn vluchtig onderzoek, vermeerderd met hetgeen
+ik van de oppassers van het dier vernam, een kort overzicht geven.
+
+Het vertoont letterlijk met geen enkel Zoogdier een eenigszins
+belangrijke overeenstemming. In sommige opzichten herinnert het aan
+de Galago's; geen dierkundige zal hierin echter een motief vinden om
+het met deze dieren tot één familie te vereenigen. De dikke, breede
+kop, die wegens de groote ooren nog breeder schijnt, de kleine,
+eenigszins uitpuilende, starende, beweginglooze, maar vurige oogen,
+die een veel kleiner pupil hebben dan de oogen van den Nachtaap,
+de mond, die werkelijk eenigszins gelijkt op een papegaaien-snavel,
+de aanzienlijke grootte van het lichaam en de lange staart, die,
+evenals het geheele lichaam, met dun gezaaide, maar lange, stijve,
+bijna borstelachtige bovenharen bezet is, en de zoo merkwaardige
+handen eindelijk, waarvan de middelvinger er uitziet, alsof hij
+uitgedroogd is: al deze kenmerken te zamen genomen verschaffen het
+dier zulk een eigenaardig voorkomen, dat men onwillekeurig zich het
+hoofd breekt met vruchtelooze pogingen om een schepsel te vinden,
+dat aan dit dier verwant is.
+
+Voor den deskundige, die dit dier levend voor zich ziet, kan er geen
+twijfel aan bestaan, dat hij hier een echten nachtwandelaar voor zich
+heeft. De _Aï-aï_ is lichtschuwer dan eenig mij bekend Zoogdier. Een
+Nachtaap kan nog wakker gemaakt worden, waggelt rond, kijkt verwonderd
+naar de hem onbekende wereld vol zonneschijn en warmte, luistert met
+belangstelling naar het gonzen van een Insect, lekt en poetst zich: de
+Aï-aï daarentegen schijnt overdag, als men hem met veel moeite wakker
+geschud heeft, volkomen bewusteloos te zijn. Als een automaat keert
+hij weer terug in zijn donker hoekje, rolt zich hier ineen, en bedekt
+met den dikken staart, dien hij zich als een hoepel om den kop slaat,
+zijn aangezicht. Bij iedere beweging, elke handeling geeft hij de
+bewijzen van een onvergelijkelijke traagheid en langzaamheid. Eerst
+als de ware, donkere nacht ingevallen is, lang na de schemering,
+herkrijgt hij zijn opgewektheid en komt uit zijn "donkere kamer"
+te voorschijn, schijnbaar nog steeds vervuld van den angst, dat de
+een of andere lichtstraal hem zou kunnen treffen. Het schijnsel van
+een kaars, dat andere nachtdieren niet de minste bekommering baart,
+doet hem snel terugvluchten.
+
+Als de waarnemingen van _Sonnerat_ juist geweest zijn, heeft hij met
+een bijzonder goedaardigen Aï-aï te doen gehad. Die, welke ik zag,
+was niets minder dan zachtmoedig, integendeel, zeer prikkelbaar
+en ongezellig. Als men hem naderde, blies hij als een Kat; als men
+hem de hand voorhield, schoot hij, dezelfde geluiden voortbrengend,
+woedend en zeer snel er op los, en trachtte de hand met zijne beide
+voorpooten te pakken.
+
+Het eenige voedsel, dat men dit dier geeft, is versche melk,
+waarmede men de gekookte en fijn gewreven dooier van een ei vermengd
+heeft. Een kleine schotel vol hiervan is voldoende voor één dag. Bij
+het eten maakt de Aï-aï van zijne beide handen gebruik: hiermede
+werpt hij zich de vloeibare spijs in den mond. Vleeschkost heeft hij
+tot dusver hardnekkig versmaad; of men getracht heeft, hem ook aan
+andere voedingsmiddelen te gewennen, weet ik niet.
+
+Aan deze in 't jaar 1863 geschreven opmerkingen wil ik _Pollen_'s later
+(1868) openbaar gemaakte mededeelingen toevoegen, vooral omdat zij onze
+kennis van het leven van den Aï-aï in de vrije natuur aanvullen. "Dit
+in wetenschappelijk opzicht zoo belangrijk dier," zegt de genoemde
+onderzoeker, "bewoont bij voorkeur de bamboesbosschen van het groote
+eiland. Het voedt zich met het merg van bamboes en van suikerriet,
+maar ook met Kevers en hunne larven. Zoowel om het binnenste gedeelte
+van den riethalm te verkrijgen als om Insecten te vangen, knaagt
+het met zijne krachtige snijtanden in den stengel een opening en
+steekt hierin zijn dunnen middelvinger, waarmede hij zich van het
+merg of van het Insect meester maakt. Zoo slaperig het over dag is,
+zoo vlug beweegt het zich gedurende den nacht. Het slapen vangt aan
+bij 't opgaan der zon; het dier verbergt daarbij den kop tusschen de
+pooten en omgeeft hem bovendien met den langen staart; bij 't begin
+van den nacht ontwaakt het uit zijn slaapdronken toestand, klimt bij
+de boomen op en neer, en springt met de behendigheid van de Maki's
+van tak tot tak; intusschen onderzoekt het zorgvuldig alle openingen,
+reten en gaten van de oude boomen, om Insecten buit te maken; door
+het eerste schijnsel van 't morgenrood wordt onze insectenjager naar
+'t binnenste van 't woud teruggedreven. Gedurende den nacht verneemt
+men dikwijls zijn krachtig geknor."
+
+
+
+
+
+
+Derde Orde.
+
+De Vleermuizen (_Chiroptera_).
+
+
+Nog voordat op een mooien zomeravond de zon onder de kim gezonken
+is, vangen de leden van een der merkwaardigste orden van de
+Zoogdierenklasse hun eigenaardigen arbeid aan. Uit alle spleten, holen
+en gaten ontwijkt de sombere, nachtelijke schaar der Vledermuizen,
+die zich gedurende den dag schuw teruggetrokken had, alsof zij zich
+in het licht der zon niet durfde vertoonen, en maakt zich gereed
+voor hare nachtelijke zwerftochten. Hoe meer de schemering valt,
+des te grooter wordt het aantal dezer donkere gezellen, totdat met
+het begin van den nacht _alle_ wakker geworden zijn en in de lucht
+haar bedrijf uitoefenen. Ons vaderland ligt evenwel aan de grens van
+het verbreidingsgebied der Vledermuizen; het herbergt alleen kleine,
+tengere en zwakke soorten. In het Zuiden is het anders gesteld.
+
+Hoe meer men den warmen aardgordel nadert, des te grooter wordt
+het aantal Vleermuizen, en met het aantal individuën neemt ook de
+verscheidenheid van vormen toe. Het Zuiden is het vaderland van de
+meeste dieren dezer orde. Reeds in Italië, Griekenland en Spanje is
+haar aantal in 't oogloopend groot. Als daar de avond nadert, komen zij
+niet bij honderden, maar bij duizenden uit hare schuilhoeken opdagen,
+zoodat de lucht er van wemelt. Uit ieder huis, uit elke ruïne, uit
+iedere rotsspleet fladderen zij naar buiten, alsof een groot leger
+zijn uittocht gaat houden; reeds gedurende de schemering is letterlijk
+de geheele gezichtskring door haar ingenomen. De veelvuldigheid der
+Vleermuizen in warme landen is werkelijk verrassend. Zij leveren
+een uiterst aantrekkelijk en onderhoudend schouwspel op voor hem,
+die vóór de poorten van een groote stad in het Oosten den avond
+doorbrengt. De zwermen, die daar door den avond gewekt worden,
+verduisteren de lucht in den letterlijken zin van 't woord. Zeer
+spoedig wordt het onmogelijk, haar aantal te schatten, want allerwege
+ziet men massa's van donkere gedaanten door de lucht zwermen. Overal
+is leven en beweging; tusschen de boomen van de tuinen, bosschen
+en wouden snorren zij door: over de velden fladderen zij, deels
+laag bij den grond langs, deels op aanzienlijke hoogte; door de
+straten der stad, over de binnenplaatsen en zelfs door de kamers der
+woningen beweegt zich het vliegende leger. Honderden komen, honderden
+verdwijnen. Voortdurend omringt ons een fladderende schare.
+
+De Vleermuizen of _Handvleugelingen_ zijn onmiddellijk kenbaar aan
+uitwendig zichtbare eigenaardigheden van den lichaamsbouw. Zij hebben
+over 't algemeen een ineengedrongen gestalte, een korten hals en een
+dikken, langwerpigen kop met groote mondspleet. Hoewel de beide tepels
+bij de Vleermuizen aan de borst geplaatst zijn en deze dieren ook in
+andere opzichten nog het meest met de Apen overeenstemmen, bestaat er
+echter een in 't oogloopend verschil tusschen de beide diergroepen. De
+handen zijn n.l. bij de Vleermuizen vliegwerktuigen geworden, en om
+deze reden reusachtig vergroot, daarentegen is de stam van 't lichaam
+zoo klein mogelijk. Dit maakt, dat zij grooter schijnen, dan zij zijn;
+in werkelijkheid behooren zij tot de kleinste der Zoogdieren. Ook het
+inwendige van haar lichaam vertoont vele eigenaardige kenmerken. Haar
+geraamte is licht, maar stevig gebouwd, hoewel de beenderen geen met
+lucht gevulde holten bevatten, zooals die der Vogels. Kenschetsend
+voor de Vleermuizen is het maaksel der voorste ledematen. De boven-
+en de benedenarm en de middelhand met de vingers zijn buitengewoon
+lang; vooral geldt dit voor de drie buitenste of achterste vingers,
+die den bovenarm in lengte overtreffen. Hierdoor worden de op
+baleinen van een parapluie gelijkende vingers tot het uitspannen van
+de hen vereenigde vlieghuid zeer geschikt, maar tevens voor andere
+dienstverrichtingen onbruikbaar. Alleen de duim, die aan de vorming
+van den voor 't vliegen dienenden waaier geen deel neemt, gelijkt
+nog eenigszins op de vingers der overige Zoogdieren: als gewoonlijk
+is hij tweeledig en kort; hij is met een scherpen klauw voorzien, die
+bij het klimmen en zich vasthouden de geheele hand vervangen moet. Het
+dijbeen is veel korter en zwakker dan het opperarmbeen; alle beenderen
+van de als pooten ontwikkelde achterste ledematen zijn trouwens in
+'t oogloopend zwakker dan die van de voorste. Deze pooten wijken niet
+veel van den algemeenen regel af; ook hier heeft de voet vijf teenen,
+en is iedere teen met een klauw voorzien. Toch heeft ook de voet iets
+eigenaardigs: van den hiel gaat n.l. een slechts bij de Vleermuizen
+voorkomend been--het _spoorbeen_--uit; het dient voor het spannen van
+de vlieghuid tusschen de pooten en den staart. Door den bouw van haar
+geraamte herinneren de Vleermuizen niet zoo zeer aan de Vogels, als aan
+de voorwereldlijke Vliegende Hagedissen. Van de spieren verdienen de
+buitengewoon krachtige borstspieren een afzonderlijke vermelding, en
+bovendien een bij de overige Zoogdieren in 't geheel niet voorkomende
+spier, die, aan den schedel ontspringend, met zijn andere uiteinde
+aan de hand verbonden is, en de vlieghuid helpt spannen. Het gebit
+gelijkt op dat van Insecteneters; het bevat alle drie soorten van
+tanden in reeksen, die geen tusschenruimten overlaten; het aantal
+en de vorm der tanden zijn echter bij de verschillende soorten van
+Vleermuizen zeer ongelijk.
+
+De merkwaardigste eigenschap van deze dieren is ongetwijfeld de
+vreemdsoortige uitbreiding van de huid, die niet alleen de gedaante van
+het geheele lichaam, maar ook de uitdrukking van het gelaat bepaalt,
+en aanleiding geeft tot het werkelijk monsterachtig voorkomen van
+vele Vleermuis-aangezichten. De met een breede mondspleet voorziene
+snuit draagt ook wel iets bij tot de zeer eigenaardige physionomie
+van deze dieren; het zijn echter de huidwoekeringen aan de ooren
+en aan den neus, die aan het gelaat zijn eigenaardig voorkomen en
+(volgens het oordeel van de meeste menschen althans) zijn leelijkheid
+verschaffen. "Geen enkele diergroep," zegt _Blasius_, "kan op zulk een
+ontwikkeling van het huidsysteem bogen, als zich in den vorm van de
+ooren, van den neus en van de vlieghuid der Vleermuizen openbaart. De
+ooren, die bij alle soorten merkwaardig groot zijn, bereiken bij
+eenige nagenoeg de lengte van het lichaam; in enkele gevallen breiden
+zij zich ook in de breedte uit, totdat zij op de kruin elkander raken
+en hier aaneengroeien. Bij sommige soorten is ook de huid rondom de
+neusgaten en van den rug van den neus tot vreemdsoortige aanhangsels
+uitgegroeid. Hierdoor ontstaan aangezichtsvormen zoo zonderling,
+als bij geen andere dieren voorkomen. Deze eigenaardigheden, die
+in nauw verband staan met de wijze van beweging en de levenswijze,
+brengen een in 't oog loopend verschil teweeg tusschen de Orde der
+Handvleugeligen en de overige Zoogdieren-orden."
+
+Door haar samenstelling is de vlieghuid uitnemend geschikt voor haar
+hoofdverrichting. Zij bevat een zeer rekbare en veerkrachtige huidlaag;
+de lagen, die aan hare oppervlakte gelegen zijn, worden zacht gehouden
+door inwrijving met een olieachtig vocht, afkomstig uit klieren,
+die zich aan het aangezicht bevinden. Zeer merkwaardig is ook de bouw
+van de haren der Vleermuizen. De microscoop leert, dat zij zich van
+de haren der andere dieren onderscheiden door het opgericht zijn van
+de gewoonlijk aanliggende schubben, die het zoogenaamde opperhuidje
+van het haar vormen. Hierdoor ontstaan op het haar schroefvormige
+windingen, waardoor het als 't ware in leden verdeeld is. _Altum_
+telde aan een haar van den rug van de Dwerg-Vledermuis 926 zulke
+leden. Dat een uit zulke haren samengestelde vacht uitstekend in
+staat is om het dier tegen afkoeling te beschutten, en het daardoor
+beter geschikt maakt om 's nacht rond te vliegen, ligt voor de hand.
+
+Sommige zintuigen zijn bij de Vleermuizen uitstekend, andere veel
+minder goed ontwikkeld. Het minst volkomen is waarschijnlijk de
+smaakzin; dat hij echter niet ontbreekt, zou men reeds dadelijk kunnen
+afleiden uit het maaksel van de tong, de zachtheid van den lippen
+en de buitengewoon talrijke zenuwen in deze lichaamsdeelen. Het
+bestaan van den smaakzin is trouwens proefondervindelijk gebleken
+uit waarnemingen bij Vleermuizen, die in den winterslaap verkeerden
+en dus half bewusteloos waren. Giet men zulk een dier een druppel
+water in den met geweld geopenden bek, dan slikken zij dezen door
+zonder bezwaar te maken. Brandewijn, inkt of dergelijke wansmakelijke
+vloeistoffen worden daarentegen standvastig uitgespuwd.
+
+Het oog is klein in verhouding tot den lichaamsomvang, maar bezit
+een pupil, die zich sterk verwijden kan. Sommige soorten hebben
+buitengewoon kleine oogen; deze zijn, zooals _Carl Koch_ doet opmerken
+bij eenige zoo zeer verborgen te midden van de dichte beharing van
+het aangezicht, dat zij onmogelijk als gezichtsorganen dienst kunnen
+doen. En nu jagen juist deze kleinoogige dieren over dag, en hebben
+de 's nachts vliegende Vleermuizen daarentegen grootere en meer
+vrij liggende oogen. Maar ook bij deze kan het oog buiten werking
+gesteld worden, zonder dat dit haar merkbaar hindert. Hieruit blijkt,
+dat het gezichtszintuig bij het doen van waarnemingen krachtdadig
+ondersteund wordt door de zintuigen van den reuk, het gehoor en
+het tastgevoel. Om Vleermuizen tijdelijk blind te maken, plakte men
+haar eenvoudig een stukje Engelsche pleister over de oogen. Ondanks
+haar blindheid vlogen zulke dieren nog even behendig door de kamer,
+als toen zij zien konden. Allerlei hindernissen, b.v. draden, die
+in verschillende richtingen door het vertrek waren gespannen, wisten
+zij zeer goed te ontwijken. Hiermede staat in verband het eigenaardig
+verschil, dat men opmerkt tusschen Vleermuizen en Vogels of Insecten,
+wanneer beide zich voor 't eerst vrij in een vertrek bevinden,
+waarvan de ramen gesloten zijn. De Vogels en Insecten zullen tegen de
+ruiten vliegen en zich hierdoor soms ernstig bezeeren; de Vleermuizen
+daarentegen zullen van de aanwezigheid van de ook voor hen onzichtbare
+ruiten onderricht worden, doordat deze de lucht terugkaatsen, die
+door de vlieghuid sterk in beweging wordt gebracht. Vermoedelijk is
+de vlieghuid het voornaamste orgaan voor den tastzin.--Veel beter
+ontwikkeld dan het gezicht zijn de reuk en het gehoor. De neus is
+bij alle Vleermuizen een zeer volkomen orgaan. De groote neusgaten
+kunnen door hiervoor bestemde spieren verwijd, vernauwd en zelfs
+geheel gesloten worden. Verscheidene soorten bezitten bovendien
+groote, bladvormige aanhangsels aan den neus, die zeer zeker
+gedeeltelijk ten doel hebben om de scherpte van het reukzintuig te
+vermeerderen.--De oorschelp, die op soortgelijke wijze als de neus,
+een hoogeren graad van volkomenheid heeft verkregen, is zoo groot, dat
+zij zich dikwijls tot in de nabijheid van den mondhoek uitstrekt: zij
+vertoont eigenaardige uitwassen, plooien en insnijdingen, en kan door
+een zeer samengesteld spierstelsel, zoowel geheel als gedeeltelijk,
+uiterst gemakkelijk bewogen worden. Een groote, beweegbare klep,
+het oordeksel, welker vorm bij verschillende soorten zeer ongelijk
+kan zijn, heeft ten doel de gehooropening af te sluiten, wanneer
+een geluid te sterk is om door de Vleermuis verdragen te worden,
+haar met een onaangename gewaarwording bedreigt. Ook bevordert dit
+aanhangsel het opvangen van zeer zwakke geluiden. Het is n.l. gebleken,
+dat Vleermuizen voorbijvliegende Insecten reeds op tamelijk grooten
+afstand _hooren_ kunnen, en dat zij zich bij haar beweging in de lucht
+voornamelijk door het gehoor laten leiden. Daarom worden zij door het
+afknippen van stukken van de oorschelp en van het oordeksel buiten
+staat gesteld om bij 't vliegen een goede richting te behouden. Op
+deze wijze verminkt, stooten zij zich overal aan.
+
+De geestvermogens van de Vleermuizen zijn volstrekt niet zoo
+gering, als vaak op grond van de geringe ontwikkeling hunner groote
+hersenen en van het gering aantal windingen hierop wordt beweerd; zij
+logenstraffen de uitdrukking van het gelaat, dat armoede van geest
+te kennen geeft. Alle Vleermuizen onderscheiden zich door een vrij
+goed ontwikkeld herinneringsvermogen, eenige geven zelfs bewijzen
+van verstandelijk overleg.
+
+Zoo verhaalt _Kolenati_, dat een Vleermuis, die in een lindenlaan op de
+jacht was, het wijfje van een Vlinder niet aanroerde, omdat het vele
+mannetjes tot zich lokte, die het roofdier nu achtereenvolgens kon
+ophappen. Als men om Vleermuizen te vangen een Vlinder aan den haak
+slaat, die aan een paardehaar bevestigd is, zal men zich tevergeefs
+moeite geven. Zij komen naderbij, onderzoeken het zwevende Insect,
+bemerken echter spoedig het haar dreigende gevaar, en laten het
+lokaas onaangeroerd, zelfs als zij slechts weinig voedsel kunnen
+vinden. Dat de Vleermuizen bij goede behandeling zeer tam en aan haar
+meester gehecht kunnen worden, is door vele geleerden en vrienden
+der natuur opgemerkt. Enkele onderzoekers slaagden er spoedig in,
+deze dieren te leeren haar voedsel uit de hand van haar meester te
+nemen of uit glazen te halen; zoodra zij begrepen hadden, waar het om
+te doen was, deden zij dit telkens. Mijn broeder had een Grootoorige
+Vleermuis zoover getemd, dat zij hem door alle vertrekken volgde,
+en, als hij haar een Vlieg voorhield, oogenblikkelijk op zijn hand
+ging zitten om de aangeboden prooi op te eten. De groote soorten van
+Vleermuizen gedragen zich werkelijk aardig gedurende de gevangenschap;
+zij worden zeer tam en geven vele bewijzen van verstand.
+
+"Met den vorm van de vlieghuid," zegt _Blasius_, "hangen de
+geschiktheid tot vliegen en de verschillende eigenaardigheden van
+de vliegbeweging ten nauwste samen. Hij die verschillende soorten
+van Vleermuizen in de vrije natuur heeft waargenomen, zal moeten
+erkennen, dat er een in 't oog loopende evenredigheid bestaat tusschen
+deze verschillen van vorm aan de eene zijde en de snelheid en de
+behendigheid van de vliegbeweging aan den anderen kant. De grootste
+behendigheid en snelheid bij 't vliegen heeft onder de inheemsche
+soorten zonder twijfel de Vroegvliegende Vleermuis (p. 77). Men
+ziet haar soms reeds vóór zonsondergang torenhoog in rassche,
+koene wendingen met de Zwaluwen wedijveren; juist deze soort heeft
+naar verhouding de slankste en langste vliegwerktuigen, maar dan
+driemaal zoolang als breed. Alle soorten, die soortgelijk gevormde
+vliegwerktuigen hebben als de zooeven genoemde, vliegen snel en hoog,
+maken de menigvuldigste wendingen, en doen dit dikwijls plotseling;
+zij zijn zoo zeker in hare bewegingen, dat men ze zelfs bij storm en
+onweder buiten ziet. De vleugel beschrijft gedurende het vliegen in
+den regel een kleinen scherpen hoek; alleen bij plotselinge wendingen
+is de slagwijdte grooter; zoo kan de vlucht sterk gevarieerd worden;
+zij geschiedt snel, hoewel de beweging van de vleugels licht is,
+geringe inspanning vereischt.
+
+"Het minst ontwikkeld is het vliegvermogen bij de soorten, die tot de
+geslachten _Vespertilio_ (p. 75) en _Rhinolophus_ (p. 80) behooren. Met
+de andere vergeleken, hebben zij de breedste en kortste vleugels,
+meestal ternauwernood twee en een half maal zoo lang als breed. De
+vleugel beschrijft bij deze soorten een grooten, meestal stompen
+hoek. De vlucht is fladderend, langzaam en onzeker. Gewoonlijk vliegen
+zij laag, eenige zelfs op een afstand van slechts weinige duimen van
+den bodem of van den waterspiegel. In rechtlijnige richting volgen zij
+straten en lanen, zonder snelle krommingen en zijwaartsche bewegingen
+in haar baan te maken.
+
+"Het is niet moeilijk, uit de hoogte waarop de Vleermuizen vliegen,
+de wijze waarop zij dit doen en de grootte van het dier, af te leiden,
+tot welke soort zij behooren. Men kan zich niet vergissen, als men
+uit den bouw van den vleugel een besluit trekt ten aanzien van het
+vliegvermogen."
+
+Over 't algemeen zijn de Handvleugeligen niet in staat om geruimen
+tijd achtereen te vliegen; altijd door moeten zij bij 't vliegen
+hunne armen bewegen; de Vogel kan _zweven_, de Vleermuis alleen
+_fladderen_. Toch bezit zij door dit fladderen of met gedruisch vliegen
+boven de overige Zoogdieren een merkwaardig voorrecht. De krachtige
+ontwikkeling van het voorste gedeelte van den romp met zijne dikke
+borstspieren, het lichte en dunne achterlijf, de tot drievoudige
+lichaamslengte uitgegroeide voorste ledematen met hunne reusachtige
+vingers, de veerkrachtige vlieghuid, die vooral tusschen de vingers en
+den voorarm uitgespannen is, bevorderen deze wijze van beweging. Tot
+zweven is de Vleermuis niet in staat, omdat geen harer beenderen
+luchthoudend is, omdat haar lichaamsholte de groote luchtzakken mist,
+die bij de Vogels voorkomen, en vooral, omdat het fladderende dier
+geen slagpennen bezit. Haar vliegen vereischt een aanhoudend slaan
+op de lucht, nooit kan zij, als de Vogel, gedurende geruimen tijd
+door de lucht glijden of schieten zonder de vleugels te bewegen.
+
+Om gemakkelijker haar vlieghuid te kunnen uitbreiden en omhoog te
+fladderen, haken alle Handvleugeligen, als zij gaan rusten, zich met
+de klauwen van de achterste ledematen aan een hoog geplaatst voorwerp
+vast en laten haar geheele lichaam naar beneden hangen.
+
+Van den bodem kunnen zij zich niet zeer gemakkelijk verheffen; zij
+weten zich echter ook hier te redden, door in de eerste plaats de armen
+en de vlieghuid uit te breiden en het lichaam op de achterste ledematen
+een weinig opterichten, daarna éénmaal of meermalen omhoog te springen,
+om eindelijk fladderend weg te vliegen. Nadat hun dit gelukt is, komen
+zij tamelijk snel vooruit. Hoe vermoeiend deze wijze van voortbeweging
+is, blijkt het best hieruit, dat de Vleermuis, dikwijls reeds na zeer
+kort gevlogen te hebben, aan boomtakken, vooruitstekende gedeelten
+van muren en dergelijke voorwerpen gaat hangen, en eerst na eenigen
+tijd gerust te hebben de reis voortzet. Geen Vleermuis zou in staat
+zijn om zoo lang achtereen zonder tusschenpoozing te vliegen, als vele
+Vogels, b.v. de Muurzwaluwen, doen. Daarom kunnen de Handvleugeligen
+bij het naderen van den winter niet zulke verre reizen ondernemen
+als de trekvogels.
+
+De handen dienen der Vleermuis trouwens niet uitsluitend voor het
+fladderen, maar ook voor het loopen op den grond. Niet bij alle soorten
+is de gang zoo onbeholpen, als men na het bovenstaande zou verwachten;
+toch brengen zij het nooit verder dan tot een erbarmelijk gehompel. Zij
+trekken daartoe de achterpooten naar voren onder den romp en lichten
+intusschen het achterlijf op, waardoor het geheele lichaam een stoot
+naar voren ontvangt; de handwortel en vooral de klauw van den duim
+doen hierbij geen anderen dienst, dan dat zij het voorste gedeelte van
+'t lichaam ondersteunen. Toch kunnen eenige soorten bijna zoo snel
+vooruit komen als een Rat.
+
+Alle Vleermuizen slapen over dag en gaan 's nachts om voedsel uit. De
+meeste komen eerst bij 't begin van de avondschemering uit hunne
+schuilhoeken te voorschijn, en keeren reeds lang vóór zonsondergang er
+in terug; enkele soorten echter vertoonen zich veel vroeger, sommige
+reeds des namiddags tusschen 3 en 5 uur, en zwermen in weerwil van
+den heldersten zonneschijn vroolijk rond.
+
+Iedere soort heeft haar eigen jachtgebied in bosschen, boomgaarden,
+lanen en straten, boven langzaam stroomend of stilstaand water enz.,
+minder dikwijls in het vrije veld, om de zeer eenvoudige reden,
+dat hier niets voor hen te jagen valt. In de aan Insecten rijkere,
+zuidelijke landen komen zij ook _daar_ voor, vooral boven de maïs- en
+rijstvelden, omdat deze steeds aan een menigte Insecten tot woonplaats
+dienen, en aan de Vleermuizen dus een goeden buit leveren. Gewoonlijk
+zweven zij slechts over een klein gebied van misschien 1000 schreden
+middellijn. De grootere soorten hebben een uitgestrekter jachtveld,
+welks afmetingen wel een half uur gaans bedragen; van de grootste, in
+tropische gewesten levende Vleermuizen, de _Vliegende Honden_ (p. 72),
+weet men evenwel, dat zij verscheidene mijlen ver kunnen vliegen
+zonder rust te nemen; daar zij achtereenvolgens verscheidene eilanden
+bezoeken, welker kusten mijlen ver van elkander verwijderd zijn.
+
+Over dag blijven alle Vleermuizen verborgen in de meest verschillende
+schuilhoeken. Hier te lande zijn holle boomen en onbewoonde gebouwen
+of gedeelten van huizen (zeer zelden holen of rotsspleten) hare gewone
+slaapplaatsen. In de keerkringslanden gaan vele soorten eenvoudig aan
+boomtakken hangen, indien deze een dicht dak vormen. Een enkele maal
+komt dit ook wel hier te lande voor. Verreweg de meeste Vleermuizen
+echter verschuilen zich op meer verborgen plaatsen, eenige soorten
+kiezen hiervoor holten onder de schors of in het hout van boomen,
+andere de ruimten tusschen de pannen en de daaronder liggende
+dakbekleeding; de meeste echter zoeken hun toevlucht in door de natuur
+gevormde holen van rotsen, in gaten van muren, onder gewelven van
+bouwvallige of weinig bezochte gebouwen, in diepe bronnen, mijnputten,
+mijngangen en dergelijke plaatsen.
+
+De Vleermuizen zijn gezellig, doch slechts in bepaalde
+omstandigheden. Sommige soorten haten elkander en vreten elkander
+op, als de gelegenheid hiervoor zich voordoet. De bloedzuigende
+_Bladneuzen_ b.v. vallen de _grootoorige Vleermuizen_ gedurende den
+slaap aan om hun bloed uit te zuigen, en deze wreken zich door hare
+vijanden op te eten (p. 80).
+
+De Vleermuizen voeden zich met vruchten, Insecten, soms ook
+met kleine Gewervelde Dieren en met het bloed, dat zij grootere
+Gewervelde Dieren afzuigen. Verreweg de meeste in Europa wonende
+Handvleugeligen--n.l. die welke tot de Gladneuzige Vleermuizen (p. 70)
+behooren--eten alleen Insecten, vooral Nachtvlinders, Kevers, Vliegen
+en Muggen. Haar eetlust is verbazend groot, de grootste soorten kunnen
+best een dozijn Meikevers op, de kleinste een handvol Vliegen, zonder
+verzadigd te zijn. Hoe vlugger zij zich bewegen, des te meer voedsel
+hebben zij noodig; om deze reden zijn zij voor ons buitengewoon nuttig,
+en verdienen zij zooveel mogelijk gespaard te worden. Anders is het
+gesteld met de Bloedzuigende Vleermuizen (p. 77), die soms veel
+schade kunnen aanrichten, en met de Vruchteneters van deze orde
+(p. 72), die niet zelden geheele aanplantingen van vruchtboomen,
+vooral wijngaarden, vernielen.
+
+Een opmerkelijk feit, dat door _Heuglin_ werd opgemerkt, is,
+dat de Afrikaansche Vleermuizen om voedsel te verkrijgen de kudden
+volgen. "In de Bogos-landen", zegt deze onderzoeker, "wordt zeer veel
+vee gefokt, en de kudden blijven, als afgelegen landstreken betere
+weiden en meer drinkwater opleveren, soms maanden lang verwijderd
+van de woningen der eigenaars. Bij onze aankomst in Keren waren
+alle runderkudden met de myriaden van Vliegen, die hen overal heen
+vergezellen in de laagvlakten van den Barka; zeer zelden zagen wij
+destijds Vleermuizen. Tegen het einde van den regentijd kwamen in een
+tijdsverloop van ongeveer een maand alle kudden van de hier wonende
+Bogos in de onmiddellijke nabijheid van de plaats terug; tegelijkertijd
+verschenen de insectenetende Schemering- en Nacht-Vleermuizen in
+waarlijk ongeloofelijk aantal; toen de laatste kudde vertrokken was,
+waren ook zij spoorloos verdwenen. In den nacht van 30 September tot
+1 October hadden wij ons kamp opgeslagen op een hoogvlakte, die 3 uur
+gaans ten zuiden van Keren gelegen is, in de nabijheid van omtuiningen,
+die voor het bergen van rundvee bestemd waren. Daar de kudden zich
+in andere gedeelten van het gebergte bevonden, zagen wij slechts
+1 of 2 Vleermuizen op deze voor haar zoo uiterst gunstig gelegen
+plaats. Den daarop volgenden dag keerden de kudden naar de genoemde
+plaats terug, en reeds denzelfden avond had het aantal Vleermuizen
+een in 't oogloopende vermeerdering ondergaan".
+
+Ik acht het in 't geheel niet onwaarschijnlijk meer, dat het trekken,
+hoewel dit op beperktere wijze geschiedt dan bij de Vogels, bij de
+Vleermuizen veel meer voorkomt, dan gewoonlijk wordt aangenomen.
+
+Voor alle Vleermuizen is warmte een noodzakelijke levensvoorwaarde,
+niet alleen, omdat door haar de Insecten herleven, maar ook, omdat de
+bedoelde insecteneters zelf van koude een afkeer hebben. Het veelvuldig
+voorkomen van Handvleugeligen op lagere breedtegraden hangt voorzeker
+samen met den grooteren rijkdom aan Insecten van deze gewesten, maar
+bovendien schijnt de hier heerschende warmte de ontwikkeling van de
+Vleermuizen in hooge mate te bevorderen. De meeste soorten worden
+door ruw weder, regen of wind, in hare schuilhoeken teruggehouden;
+andere vliegen wel is waar op koele avonden, maar doen dit slechts
+gedurende korten tijd, en keeren zoo schielijk mogelijk weer naar hare
+slaapplaatsen terug. Een andere reden hiervoor is trouwens te vinden
+in het feit, dat op onstuimige avonden de Insecten verborgen blijven
+en het rondvliegen der Vleermuizen dus min of meer nutteloos zou zijn,
+terwijl bovendien de wind haar het vliegen zeer bemoeilijkt; alleen de
+smalvleugelige soorten n.l. (p. 76) kunnen, zooals reeds werd opgemerkt
+(p. 70), aan eenigszins krachtige luchtstroomingen weerstand bieden.
+
+Als het koud wordt, vervallen alle Vleermuizen, die niet trekken, in
+een meer of minder vasten winterslaap. Iedere soort kiest hiervoor
+een schuilhoek, die zooveel mogelijk beschut is tegen den invloed
+van het weder: holen, keldergewelven, warme daken, daksparren in
+de nabijheid van schoorsteenen en dergelijke. Hier vindt men ze,
+aan de achterpooten hangend en dicht opeengedrongen, dikwijls
+bij honderdtallen verzameld. Soms vindt men vertegenwoordigers van
+verschillende soorten op deze wijze vereenigd; natuurlijk alleen zulke,
+die elkander vriendschappelijk gezind zijn. Hoogst zelden komen hierbij
+ook individuën voor, behoorende tot soorten, die gewoonlijk elkander
+vijandig zijn. Naarmate de temperatuur van de omgevende lucht daalt,
+vermindert ook de bloedwarmte, niet zelden neemt zij af tot 5, ja
+zelfs, naar men zegt, tot 1 1/4 graad Celsius, terwijl zij gewoonlijk
+31° C. bedraagt. In deze omstandigheden verkeeren de Vleermuizen in
+een toestand van verstijving. Als de koude zoo fel wordt, dat het toch
+reeds zeer weinig verwarmde bloed hieraan geen weerstand kan bieden,
+ontwaken de Vleermuizen en beginnen zich te bewegen. Niet zelden
+gebeurt het echter, dat zij doodvriezen; vooral komt dit voor bij
+gevangen dieren, die men aan een strenge koude blootstelt. Zoo lang
+de koude duurt, blijven de dieren rustig hangen; op warme winterdagen
+echter beginnen zij zich te bewegen; sommige soorten vliegen wel eens
+midden in den winter bij dooiweder uit, hoewel de bodem dan nog met
+sneeuw bedekt is.
+
+De wijfjes van alle Handvleugeligen dragen hare jongen gedurende het
+vliegen met zich mede, zelfs dan nog, als de kleine dieren zelf reeds
+aardig fladderen kunnen en van tijd tot tijd de borst van de moeder
+verlaten. Voorbeelden van 't laatstgenoemde feit heb ik waargenomen
+bij Vleermuizen, die ik in de oerwouden van Afrika aan de boomen vond
+hangen.--Als de jongen 5 à 6 weken oud zijn, hebben zij hun vollen
+wasdom bereikt.
+
+Wegens hun vreemdsoortige en nachtelijke levenswijze werden de
+Handvleugeligen sinds overouden tijd met bijgeloovigen afschuw
+beschouwd; om dezelfde redenen hebben deze dieren, die geen mensch
+eenig kwaad doen, ook nu nog veel te lijden van de vooroordeelen en
+den afkeer van het groote publiek. De tallooze fabelen, die van de
+Vleermuizen verteld worden, en waarvan sommige, zooals het "spek-eten"
+en het "vliegen in iemands hoofdhaar", ook thans nog door velen
+geloofd worden, zullen wij niet nader bespreken. Wij willen echter
+op de nadrukkelijkste wijze herhalen, dat de Vleermuizen ten zeerste
+aanspraak hebben op de bescherming van den mensch; zij verdienen
+gespaard te worden wegens haar hoogst nuttige werkzaamheid. Alle
+inheemsche Vleermuizen zijn zonder voorbehoud als zeer nuttige dieren
+te beschouwen op grond van haar kolossale vraatzucht, waardoor zij ons
+krachtdadig helpen bij het verdelgen van de zoo talrijke schadelijke
+Insecten. De weinig talrijke soorten van Vruchtenetende Vleermuizen
+zijn niet inheemsch, en de schadelijkheid van de enkele hier te lande
+voorkomende Bloedzuigende soorten is veel geringer, dan men vroeger
+meende. De geheele orde moet dus als een voor ons zeer nuttige schakel
+in de reeks der levende wezens beschouwd worden.
+
+Het aantal tot dusver bekende, voorwereldlijke Vleermuizen is zeer
+gering. In het barnsteen heeft men haren van Vledermuizen en in
+verscheidene steengroeven versteende overblijfselen van beenderen
+van Handvleugeligen gevonden. Vooral de holen van Lagoa Santa in
+de Braziliaansche provincie Minas Geraes zijn zeer talrijk aan
+dergelijke fossielen. Het aantal goed gekarakteriseerde, levende
+soorten bedraagt ongeveer 300, waarvan er ongeveer 35 in Europa
+thuis behooren. De rangschikking en bepaling van deze dieren levert
+zelfs aan den deskundige vaak groote moeielijkheden op, omdat zij een
+buitengewoon groote verscheidenheid van vormen vertoonen, in weerwil
+van de groote overeenstemming, die er in sommige zeer belangrijke
+opzichten tusschen hen bestaat.
+
+
+
+Deze orde wordt in drie groepen verdeeld, waarvan de eerste--die der
+_Vruchtenetende Vleermuizen_--slechts één familie bevat, n.l. die
+der _Vliegende Honden_ (_Pteropina_).
+
+Alle tot deze groep behoorende Handvleugeligen zijn zonder uitzondering
+bewoners van de warme gewesten der Oude Wereld, vooral van Zuid-Azië en
+zijne eilanden, Middel- en Zuid-Afrika, Australië en Oceanië. Wegens
+hun grootte zijn zij sinds overouden tijd voor gevaarlijke monsters
+uitgekreten. Deze onschadelijke en vreedzame dieren werden als
+afschuwelijke Harpijen en vreeselijke Vampiers beschreven; men
+vereenzelvigde hen met de griezelige spookgestalten, die, volgens
+de ouden, menschen gedurende den slaap bezoeken om hun het bloed uit
+te zuigen.
+
+De Vliegende Honden of Vliegende Vossen komen in vele opzichten
+met onze Vleermuizen, overeen, maar hebben een veel aanzienlijker
+grootte en een minder vreemdsoortigen kop, aan welks vorm zij hun
+naam te danken hebben. Door de vlieghuid en dus ook door den bouw
+van de voorste en van de achterste ledematen gelijken zij op de
+andere Vleermuizen. Behalve de duim heeft echter ook de wijsvinger
+een klauw. De bij andere Vleermuizen zoo lange staart is bij hen
+een onbeduidend, uitwendig niet waarneembaar stompje; in verband
+hiermede is ook de staartvlieghuid ingekrompen tot een tamelijk smallen
+huidzoom langs het onderbeen, het bovenbeen en het achterste gedeelte
+van den romp. De neus heeft geen bladvormige aanhangsels en het oor
+geen oordeksel. Deze eigenaardigheden zijn voldoende om de Vliegende
+Honden van alle overige Vleermuizen te onderscheiden.
+
+Zij bewonen bij voorkeur donkere bosschen; over dag rusten zij, en
+bedekken, bij reeksen aan de takken hangend, in ontelbare menigte de
+boomen: terwijl zij zich met de achterpooten vasthouden, zijn de romp
+en de kop door de vlieghuid omhuld. Ook verschuilen zij zich wel in
+holle boomen: soms vindt men verscheidene honderden individuën in
+één boom bijeen. In donkere, ongerepte wouden vliegen zij ook wel
+over dag rond; in den regel echter beginnen zij, evenals de overige
+Handvleugeligen, in de schemering eerst recht te leven. Hun scherp
+gezicht en fijn ontwikkelde reuk stellen hen in staat de boomen te
+vinden, die sappige, rijpe vruchten dragen; een voor een vliegen
+zij naar die boomen, waarop zij zich weldra weer tot groote troepen
+vereenigen om ze in korten tijd geheel kaal te vreten. Ook in de
+wijnbergen komen zij niet zelden in grooten getale en richten er groote
+schade aan; zij nemen alleen de rijpste en zoetste vruchten; de overige
+laten zij achter voor andere vruchteneters. De vruchten worden door hen
+veel eer uitgezogen, dan opgegeten; het vezelig gedeelte van de vrucht
+wordt uitgespuwd. Daar zij aan de zoetste en geurigste vruchten de
+voorkeur geven, maken bananen, vijgen en druiven hun liefste voedsel
+uit. In den boomgaard waar zij eens zijn neergestreken, laten zij
+niet veel over; zij eten den geheelen nacht door, en maken daarbij
+een gedruisch, dat op grooten afstand hoorbaar is. Door schoten en
+dergelijke verschrikkingsmiddelen laten zij zich niet verdrijven;
+zij die op deze wijze opgejaagd zijn, vliegen hoogstens van den eenen
+boom naar een anderen, en zetten daar hun maal voort.
+
+Soms ondernemen zij verre tochten, en vliegen van het eene eiland
+naar het andere, al zijn deze door breede zeearmen gescheiden.
+
+Zij schreeuwen veel, ook wanneer zij rustig aan de boomen hangen;
+zij maken dan een eigenaardig knarsend en krijschend geluid, ook
+blazen zij soms als Ganzen.
+
+Het wijfje brengt éénmaal per jaar 1 of 2 jongen ter wereld, die zich
+aan de tepels vasthouden, om door de moeder, die hun zeer veel liefde
+toont, meegedragen te worden.
+
+In de gevangenschap worden zij mettertijd tam, gewennen zich aan de
+personen, die hen verzorgen en betoonen hun zelfs een zekere maten
+van gehechtheid.
+
+Het nut, dat deze dieren aanbrengen, kan niet opwegen tegen de door hen
+teweeg gebrachte schade, die echter in hun vruchtenrijk vaderland niet
+veel gewicht in de schaal legt. Hunne nuttige eigenschappen beteekenen
+trouwens ook niet veel, daar zij zich bepalen tot de eetbaarheid van
+hun vleesch, dat, naar _Haacke_ zegt, wat den smaak betreft, op dat
+van Konijnen of Hoenderen gelijkt, en tot de bruikbaarheid van hun vel.
+
+De grootste van alle bekende soorten, de _Kalong_ of _Vliegende Hond_
+(_Pteropus edulis_, p. 73), heeft bij een lichaamslengte van 40 cM. een
+vlucht van ongeveer 1.5 M. De kleur van den rug is donker zwart, die
+van den buik roestkleurig zwart; de hals en de kop zijn roestkleurig
+geelrood, de vlieghuid is bruinachtig zwart.
+
+De Kalong is inheemsch op de Oost-Indische eilanden, vooral op Java,
+Sumatra, Banda en Timor; hij leeft hetzij in groote wouden, òf in de
+vruchtboomboschjes die alle dorpen van Java omgeven; hier kiest hij
+bij voorkeur de horizontale takken als rustplaats uit; deze zijn soms
+zoo dicht met Kalongs bedekt, dat men den tak zelf nauwelijks meer
+zien kon. Op enkele boomen vindt men er honderden en duizenden, die
+hier zoolang zij met vrede gelaten worden, hun dagslaap houden, doch
+bij troepen in de lucht rondzweven, zoodra men hun rust stoort. Tegen
+den avond zet zich de geheele massa in beweging en ieder hunner vliegt
+op eenigen afstand achter zijn voorganger aan.
+
+Over _Sumatra_ schrijvend, zegt _Rosenberg_: "De Kalong is een
+der veelvuldigst voorkomende dieren, zoowel aan de kust als in het
+binnenland. Hij leeft gezellig, dikwijls groote troepen vormend,
+en verlaat met zonsondergang zijn rustplaats om zich naar zijn
+voederingsplaats te begeven, die soms ver weg in het woud gelegen
+is. Zoo trok gedurende mijn verblijf te Loemoet iederen avond een
+vlucht Kalongs vrij hoog over de kleine vesting heen, in de richting
+van zuidwest naar noordoost, om voor zonsopgang in tegenovergestelde
+richting terug te keeren naar het eiland Masallar, waar hun rustplaats
+was. Eens, toen ik een schot loste op een wijfje, dat bij uitzondering
+vrij laag vloog, viel een aan de tepels hangend jong uit de lucht
+naar beneden, doch voordat het den bodem bereikte, had de moeder,
+die het kleintje bliksemsnel gevolgd was, het met de tanden gegrepen;
+zij steeg met het geredde jong weer omhoog en vloog verder."
+
+Hun voedsel bestaat uit zeer verschillende soorten van vruchten, vooral
+uit allerlei soorten van vijgen en uit mango's; om deze te verkrijgen
+overvallen zij soms in groote menigte de boomgaarden op Java en richten
+daar dikwijls aanzienlijke schade aan. Zij zijn echter volstrekt
+niet met plantaardig voedsel alleen tevreden, maar maken ook jacht op
+verschillende Insecten en zelfs op kleine Gewervelde Dieren. Zoo heeft
+_Shortt_ ze eenige jaren geleden tot zijn verrassing als vischdieven
+leeren kennen. "Toen ik," zeide hij, "mij te Konlieveram ophield,
+werd mijn aandacht getrokken door een vijver, die haar ontstaan te
+danken had aan een regenbui, welke korten tijd geleden gevallen was,
+en waarin het letterlijk wemelde van kleine vischjes, die in het water
+speelden en boven den waterspiegel opsprongen. Dit verschijnsel--het
+plotseling verschijnen van Visschen in van tijd tot tijd uitdrogende
+en daarna zich weder met water vullende regenvijvers--was voor mij
+niets nieuws; ik werd echter opmerkzaam, toen ik een aantal groote,
+eenigszins plomp vliegende "vogels" zag, die over het water scheerden,
+nu en dan met hunne pooten een Visch grepen en zich vervolgens met hun
+buit naar eenige nabij gelegene tamarindeboomen begaven, waar zij de
+Visschen verslonden. Bij nader inzien bleek het mij, dat de gewaande
+"vogels" Kalongs waren."
+
+Hier en daar worden de Kalongs vervolgd, niet zoozeer wegens de door
+hen aangerichte schade, als wel om ze in de keuken te gebruiken. De
+Maleier bezigt, om jacht op hen te maken, in den regel een blaaspijp,
+en mikt op de vlieghuid, het gevoeligste deel van hun lichaam; hierdoor
+bedwelmd kunnen zij gemakkelijk gevangen worden. De Europeaan gebruikt
+voor dit doel met meer succes het geweer. De gevangene Kalong berust
+schielijk in het verlies van zijn vrijheid, wordt merkwaardig tam en
+kan ook gemakkelijk in 't leven gehouden worden. Hoe kieschkeurig
+hij ook zijn moge in de vrije natuur, waar hij alleen de sappigste
+vruchten opeet, bescheiden is hij in de gevangenschap; daar hij iedere
+vrucht eet, die men hem aanbiedt; bijzonder graag eet hij dan vleesch.
+
+Ongelukkig kan men de gevangene Kalongs ook bij de beste verzorging
+niet zeer lang in 't leven houden. Men kan hun vergoeden,
+al wat zij missen, behalve de voor hun welzijn zoo noodige
+vliegbeweging. Dientengevolge ontstaan na verloop van tijd op
+verschillende gedeelten van hun vlieghuid verzweringen, waaraan zij
+ten slotte sterven.
+
+
+
+Tot het geslacht der _Nachthonden_ (_Cynonycteris_) behoort de
+_Egyptische Vliegende Hond_ (_C. aegyptiacus_), die over geheel Egypte
+en Nubië verbreid is, in de nabijheid van sycomorenbosschen geregeld
+voorkomt, en ook reeds in de Delta volstrekt niet zeldzaam is. In
+enkele natuurhistorische werken wordt vermeld, dat hij over dag een
+schuilplaats zoekt in de gewelven der Pyramiden. Dit is beslist onwaar:
+hij slaapt, evenals zijne stamgenooten, op boomen.
+
+Mijne gevangenen stierven na korten tijd; andere onderzoekers hebben
+dit dier dikwijls lang in 't leven gehouden en het zeer tam en
+gemeenzaam gemaakt. _Zelebor_ bracht een paartje van deze soort naar
+Schönbrunn en had beide zoo aan zich gewend, dat zij oogenblikkelijk
+kwamen aanvliegen, als hij hun een dadel voorhield. Ook door vreemden
+lieten zij zich liefkoozen en het vel krauwen.
+
+Oude volwassene Vliegende Honden van deze soort bereiken een
+lichaamslengte van omstreeks 16 cM. en een vlucht van 90 à 95 cM.
+
+
+
+Een tweede groep van de Orde der Handvleugeligen is die der
+_Gladneuzen_ (_Gymnorhina_).
+
+Bij hen is de neus glad, d.w.z. zonder bladvormig aanhangsel;
+het oordeksel is in meer of minder ontwikkelden toestand steeds
+aanwezig. Tusschen de beide bovenkaakshelften blijft aan de voorzijde
+een ruimte over, veroorzaakt door het onderling niet vereenigd zijn der
+tusschenkaaksbeenderen, die daarentegen wel op de gewone wijze met de
+bovenkaaksbeenderen een geheel vormen. Bij eenige groepen zijn de ooren
+op de kruin met elkander vergroeid, bij andere blijven zij gescheiden;
+bij sommige openen de neusgaten zich boven op de spits van den snuit,
+bij andere aan de voorzijde onder de spits van den snuit; de altijd
+lange staart steekt bij sommige een eind voorbij de vlieghuid uit,
+bij andere is dit niet of nagenoeg niet het geval enz.--Deze groep
+is over de geheele wereld verbreid, de koude aardgordels alleen
+uitgesloten. Zij omvat een buitengewoon groot aantal soorten; nagenoeg
+alle inheemsche behooren er toe. Nog talrijker komen de Gladneuzen
+in de zuidelijkere gewesten voor. De meeste vereenigingen zich tot
+groote gezelschappen, vooral tegen den tijd waarin de winterslaap zal
+aanvangen. Men vindt niet zelden honderden, ja zelfs duizenden van deze
+dieren in één gebouw bijeen. Vele soorten leven met andere soorten
+in de grootste eendracht; waarschijnlijk zijn er maar zeer weinige
+eenzaam levende dieren in deze groep. Alle zijn min of meer gevoelig
+voor ongunstige weersgesteldheid en zoeken in den herfst reeds vroeg
+hunne winterverblijven op, waaruit zij om dezelfde reden in de lente
+eerst laat te voorschijn komen. Slechts weinige soorten verlaten hun
+slaapplaats reeds, voordat de schemering invalt; de meeste vliegen
+alleen gedurende de schemering en de eerste uren van den nacht; des
+middernachts gaan zij rusten, om eenigen tijd vóór den morgen opnieuw
+uit te vliegen, en kort vóór of na het opgaan der zon den dagslaap te
+beginnen. In 't vliegen zijn zij goed ervaren; door de zonderlinge
+wendingen die zij maken, is het den Roofvogels bijna onmogelijk,
+ze gedurende het vliegen te vangen. Als zij gaan rusten, nemen zij
+de reeds vroeger (p. 72) aangeduide houding aan. Hun beweging op den
+bodem is zeer onbeholpen; zij klimmen echter behendig en vlug. Hun
+voedsel bestaat uitsluitend uit Insecten, n.l. allerlei soorten van
+Nachtvlinders, Nachtmuggen, Nachtlibellen, Eendagsvliegen, Watermotten,
+Nachtkevers enz., voor 't meerendeel dus uit dieren, die voor ons zeer
+schadelijk zijn. Hun stem bestaat uit een sterk, fluitend gekwetter.
+
+
+
+Een van de meest bekende inheemsche Gladneuzen is de _Gewone Grootoor_
+(_Plecotus auritus_), die, evenals zijne weinig talrijke verwanten,
+zich van alle overige Vleermuizen zoo zeer onderscheidt door de
+aanzienlijke lengte der ooren, dat hij met deze niet verward kan
+worden. Bovendien raken de ooren elkander op het voorhoofd en zijn daar
+van onderen aaneengegroeid. Hij is een van de grootste Europeesche
+Handvleugeligen; zijn lichaamslengte bedraagt 8.4 cM., waarvan 4
+cM. op den staart komen, de vluchtwijdte is 24 cM. Zijn oor is 3.3
+cM. lang, vertoont veel meer dwarsplooien dan bij eenige andere soort
+(meer dan 20), en is met de spits een weinig naar achteren gekromd;
+aan zijn binnenrand bevindt zich een vliezig, tongvormig oordeksel, dat
+1,4 cM. lang is. De onderdeelen van het oor zijn zeer beweeglijk. De
+beharing is aan de bovenzijde grijsachtig bruin, aan de onderzijde iets
+lichter. In het eerste levensjaar zijn de jongen donkerder van kleur
+dan de ouden. Het aangezicht is tot aan den achterrand der neusgaten
+en om de oogen met lange haren begroeid; witachtige baardharen hangen
+over den rand van de bovenlip naar beneden.
+
+De Gewone Grootoor is over geheel Europa verbreid, met uitzondering
+van het deel, dat noordelijker dan 60° N.B. gelegen is. Bovendien is
+hij in Noord-Afrika, West-Azië en Oost-Indië gevonden. In geen dezer
+landen is hij zeldzaam, ook over ons geheele land is hij verspreid;
+men ziet hem echter bij ons veel minder algemeen rondvliegen,
+dan de Dwerg-Vledermuis (p. 76), den Laatvlieger (p. 76) en de
+Rosse Vledermuis (p. 77). Steeds leeft hij eenzaam, niet tot groote
+gezelschappen vereenigd. De meeste exemplaren, die men hier gevangen
+heeft, werden uit hunne schuilhoeken te voorschijn gebracht. Overal
+leeft hij bij voorkeur op niet te grooten afstand van menschelijke
+woningen: in den zomer slaapt hij even vaak onder daken van gebouwen
+(vooral van kerken en torens), als in holle boomen. Op dezelfde
+plaatsen houdt hij gewoonlijk ook zijn winterslaap. Het liefst vliegt
+hij rond in boomgaarden en groote lanen, langs boschkanten en boven
+open plaatsen in de bosschen. In de stad zoekt hij steeds vrije, met
+boomen en struiken begroeide plaatsen op, en dringt daarom niet zelden
+in tuinkamers door. In de bergstreken, in den Harz en de Alpen b.v.,
+blijft hij beneden de hoogten, waar de boomgroei ophoudt.
+
+De Grootoor blijft, wanneer hij van zijn vrijheid beroofd is,
+langer in leven dan de meeste van hare verwanten; hij verdraagt
+de gevangenschap verscheidene maanden of jaren, wanneer men hem
+uitmuntend verzorgt. Om deze reden wordt hij gewoonlijk gekozen,
+wanneer men aan gevangene Vleermuizen waarnemingen wil doen. Men kan
+hem eenigszins temmen. _Faber_ heeft er gedurende verscheidene weken
+één gehad en zijn levenswijze nagegaan. Hij was zeer vlug vooral
+gedurende de avondschemering, vloog trouwens dikwijls ook over dag,
+maar sliep in de uren vóór en na middernacht. In de kamer vloog hij
+met het grootste gemak voortdurend rond, meestal zonder vleugelslag;
+hij kon de vlieghuid ook gedurende het vliegen samentrekken en weer
+uitbreiden. Als hij uitwijken moest voor het een of ander voorwerp,
+beschreef hij een boog, vloog snel bij den vloer langs, en verhief
+zich zonder moeite weer in de lucht. Bij de muren klauterde hij met
+behulp van zijne duimen vlug op en neer. Bij het geringste gedruisch
+bewoog en spitste hij de ooren, zooals Paarden doen, of kromde ze als
+ramshorens, als het gedruisch aanhield of sterk werd. Als hij sliep,
+sloot hij de ooren steeds af. Dikwijls draaide hij den kop om, lekte
+met de tong of snuffelde met den neus. Evenals alle Vleermuizen,
+werd hij veel geplaagd door ongedierte en krabde zich dikwijls de
+zijden van den kop met de nagels.
+
+De Handvleugeligen, die het geslacht _Nachtvleermuis_ (_Vespertilio_)
+vormen, zijn gekenmerkt door hunne onderling niet vergroeide,
+langwerpig ronde ooren, die maar weinig korter, bij sommigen (de
+Langooren) zelfs iets langer zijn dan de kop; het oordeksel heeft
+een toegespitsten, buitenwaarts gebogen of nagenoeg rechten top. De
+vleugels zijn betrekkelijk breed en kort (Breedvleugelige Vleermuizen
+p. 70). De staart is iets korter dan of hoogstens even lang als
+het lichaam.
+
+Tot dit geslacht behooren behalve de reeds genoemde
+_Langooren_--bij ons vertegenwoordigd door de Vale Vleermuis--ook
+de _Franjestaarten_--zoogenoemd, omdat de staartvlieghuid aan den
+achterrand dicht behaard, als 't ware met franje bezet is--en de
+_Watervleermuizen_--welker ooren korter zijn dan de kop en die geen
+wimpers aan de staartvlieghuid hebben.
+
+
+
+Van de Franjestaarten vindt men hier te lande één soort (_Vespertilio
+nattereri_); zij is echter zeldzaam; ook in vele andere gedeelten
+van haar verbreidingsgebied (Middel-Europa en Zweden) is zij
+niet veelvuldig. Zij vliegt, volgens _Van Bemmelen_, des avonds
+laat, tamelijk laag en langzaam over wegen en bosschen en groote
+boomgaarden. Met inbegrip van den 4.4 cM. langen staart is het lichaam
+9 cM. lang; het dier heeft 24.3 cM. vlucht.
+
+
+
+De inheemsche Watervleermuizen zijn de _Meervleermuis_ (_Vespertilio
+dasycneme_) en de _Behaarde Watervleermuis_ (_V. mystacinus_), terwijl
+in 't zuiden van Limburg (en misschien ook in andere deelen van ons
+land) _Daubenton's Watervleermuis_ (_V. daubentoni_) aangetroffen
+wordt. Alle vliegen kort na zonsondergang, tamelijk snel, niet ver
+boven de oppervlakte van het water. De eerste is de kleinste (totale
+lengte 8, vlucht 21 1/2 cM.), de tweede de grootste (totale lengte 11,
+vlucht 30 cM.) De eerste en laatste zoeken bijna uitsluitend boven
+'t water hun voedsel; de Behaarde Vleermuis echter (die wegens haar
+langere beharing zoo heet) zoekt het nu en dan ook wel boven weiden
+en wegen. Hare gewone verblijfplaatsen zijn niet zelden een kwartier
+van haar jachtgebied verwijderd. Daarom maken zij ook wel van boomen
+aan den waterkant gebruik als tijdelijke rustplaats; men ziet ze hier
+naast elkander aan de achterpooten hangen.
+
+
+
+Veel vaker dan de vier laatstgenoemde soorten ontmoet men, althans in
+sommige gedeelten van ons land, de _Vale Vledermuis_ (_Vespertilio
+murinus_). Deze bewoont geheel Middel-Europa, te beginnen bij
+Engeland, Denemarken en het midden van Rusland, voorts het zuiden
+van ons werelddeel, het noorden van Afrika en het grootste deel van
+Azië tot aan den Himalaja. Zij schijnt in ons land meer bepaaldelijk
+tot de grensprovinciën beperkt zijn. Zij is de grootste, inheemsche
+Vleermuis; daar zij een lengte van 12 à 13 cM. bereikt (waarbij 5.3
+cM. voor den staart) en 37 cM. vlucht heeft. Haar bovenzijde is vaal
+en licht roetbruin met een roestroodachtig waas, de onderzijde vuil
+witachtig; de betrekkelijk dunne, vliezige en doorschijnende ooren,
+alsmede de vlieghuid, zijn licht grijsachtig bruin; de jonge dieren
+zijn meer aschgrauw van kleur.
+
+De Vale Vleermuis jaagt van het begin van Maart tot het einde
+van October; zij komt eerst 's avonds laat te voorschijn en is
+gemakkelijk te herkennen aan haar logge, fladderende wijze van
+vliegen; meestal vliegt zij laag en rechtuit, en verandert niet,
+evenals hare verwanten, telkens zigzagswijs van richting. Zij komt
+ook in het gebergte voor. Over dag rust zij gaarne onder daken van
+oude gebouwen. In groote gebouwen, vooral kerktorens, vindt men
+deze dieren niet zelden in menigte naast elkander hangen, zoo dicht
+opeengedrongen, dat zij als 't ware één kluit vormen. Door hare
+bijtlust en twistgierigheid verdrijven zij in den regel de kleinere
+Vleermuizen (met uitzondering van de bloedzuigende soorten) uit hare
+schuilplaatsen. Deze hebben alle reden om de Vale Vleermuis te mijden;
+daar dit dier, zooals _Koch_ aan gevangene exemplaren opmerkte,
+hare kleinere stamverwanten doodbijt en gedeeltelijk verslindt.
+
+
+
+De _Avondvleermuizen_ (_Vesperugo_) hebben, evenals de
+Nachtvleermuizen, vrije, van elkander gescheiden ooren; deze
+zijn steeds korter dan de kop, en hebben den vorm van een ruit of
+trapezium met afgeronde hoeken; het oordeksel is met den afgeronden
+top binnenwaarts gebogen. De vleugels zijn smal en betrekkelijk lang
+(Smalvleugelige Vleermuizen, p. 70). Het spoorbeen, dat gelijk reeds
+gezegd werd (p. 68), den achterrand van de staartvlieghuid steunt,
+is voorzien met een (bij het vorige geslacht ontbrekend) vliezig
+uitwasje, dat zijwaarts en buitenwaarts gericht is. Ook zijn de ooren
+en de vlieghuid hier donkerder (zwartachtig bruin) en dikker dan bij
+de Nachtvleermuizen, waar zij een lichtgrijsachtig bruine kleur hebben.
+
+De Avondvleermuizen zijn de vlugste en krachtigste dieren van
+de geheele groep; zij vliegen hoog en snel en maken allerlei
+wendingen, komen 's avonds het vroegst uit hare schuilhoeken te
+voorschijn, eenige soms reeds vóór zonsondergang en schuwen regen
+noch storm; vele soorten zijn betrekkelijk goed bestand tegen een
+lage temperatuur. Wat deze eigenschappen betreft, merkt men echter
+allerlei overgangen tot het vorige geslacht op. De talrijke soorten
+worden, voornamelijk naar het aantal kiezen en naar den vorm van het
+oordeksel, in vijf groepen verdeeld, waarvan er hier te lande drie,
+ieder door één soort, vertegenwoordigd zijn: de _Laatvliegers_, de
+_Dwergvleermuizen_ en de _Boschvleermuizen_. De beide andere groepen
+leven in bergachtige streken.
+
+
+
+De _Laatvlieger_ (_Vesperugo serotinus_) verdient zijn naam, niet
+alleen omdat hij 's avonds eerst laat, wanneer het reeds donker is,
+zijn slaapplaats verlaat, maar ook omdat hij in de lente, eerst wanneer
+het warme weder aanhoudt, zijn winterverblijf verlaat. Door een enkelen
+warmen dag wordt hij niet zoo licht gewekt, als de Dwergvleermuis;
+wanneer hij vroeg in 't voorjaar uitvliegt, zal hij toch op den
+eerstvolgenden kouden dag naar zijn winterkwartier terugkeeren, om
+misschien eerst twee maanden later weer te verschijnen; daar hij in
+tegenstelling met andere soorten van zijn geslacht voor koude zeer
+gevoelig is. Met de Dwergvleermuis is hij de gemeenste, met de Vale en
+de Rosse Vleermuis de grootste, inheemsche soort. Met inbegrip van den
+5 1/2 cM. langen staart bedraagt zijn lichaamslengte 12 cM.; hij heeft
+35 cM. vlucht. Van de Rosse Vleermuis verschilt hij o.a. door de iets
+langere ooren en de veel langere en smallere oordeksels. De vlieghuid
+is breeder, van onderen langs den arm niet behaard; de vacht is aan
+de bovenzijde roetbruin, van onderen lichter. Hij vliegt laag en niet
+snel over wegen, in de tuinen en boven de met boomen beplante straten
+en grachten der steden. Hij verschuilt zich over dag en gedurende den
+winter in holle boomen, ook op zolders en in oude torens. Men vindt
+hem in geheel Middel-Europa.
+
+
+
+De _Dwerg-Vledermuis_ (_Vesperugo pipistrellus_) is de kleinste
+en algemeenste soort van ons land. Haar lichaamslengte bedraagt
+slechts 7 cM., waarvan afgaat voor den staart 3.3 cM.; zij heeft
+18 cM. vlucht. Hare ooren zijn een weinig korter dan de kop, de
+oordeksels zijn aan het einde afgerond en bereiken de helft van de
+lengte der ooren, die van 4 dwarsplooien zijn voorzien. De kleur van
+de vacht wisselt af van donkerbruin tot geelachtig roestbruin, aan de
+onderdeelen is zij lichter en zweemt zij steeds naar geelachtig bruin.
+
+De Dwerg-Vledermuis bewoont bijna geheel Europa en het grootste
+deel van Noord- en Middel-Azië; haar verbreidingsgebied reikt van
+Skandinavië, Engeland en Spanje tot Japan. In Rusland en Skandinavië
+vindt men haar, volgens _Blasius_, nog op 60° N.B. In bergstreken
+begeeft zij zich tot aan de bovenste grens van de woud-zone, in de
+Alpen tot op ongeveer 2000 M. hoogte.
+
+Over dag slaapt zij in zeer verschillende schuilhoeken: onder daken,
+in de spleten van muren en balken, onder gewelven, in gaten en onder
+de schors van oude boomen, zelfs hangend aan de takken van dicht
+bebladerde boomen, achter klimopranken, kortom in iedere plaats,
+die haar een toevlucht kan verschaffen. In den winter zoekt zij deze
+zelfde plaatsen op; zij is hierin niet kieschkeurig, daar zij beter
+dan hare verwanten tegen ongunstig weder bestand is. Later dan alle
+andere inheemsche Vleermuizen vangt zij haar winterslaap aan, en
+vroeger dan deze vliegt zij weder uit; zeer dikwijls verlaat zij haar
+slaapplaats reeds in den winter bij invallend dooiweder, en vliegt
+dan in beschutte ruimten of in de vrije natuur jagend rond. In alle
+tijden van het jaar gezellig, vindt men deze dieren in den winter
+soms bij honderden en duizenden in dezelfde ruimte en dan tot groote
+klompen vereenigd; ook komen zij wel bij andere soorten voor, zelfs
+bij zulke, die grooter en sterker zijn dan zij.
+
+Dadelijk na zonsondergang vliegt zij uit en keert eerst met
+zonsopgang in haar schuilplaats terug. Zij vliegt zeer behendig en
+op verschillende hoogten. Laag vliegt zij over kleine plassen, in de
+stad ongeveer ter hoogte van de tweede verdieping, buiten boven open
+plaatsen, vooral gedurende heldere avonden, op een hoogte van 15 à
+20 M. In de straten fladdert zij liefst bij de huizen op en neer;
+op het land doorzoekt zij de hoeken der gebouwen, de openstaande
+stallen en zolders, niet zelden dringt zij door de openstaande ramen
+in helder verlichte kamers door. Daarentegen vermijdt zij boomlooze,
+vrij plaatsen, of vliegt slechts in 't voorbijgaan hierover heen.
+
+
+
+De _Rosse Vleermuis_ (_Vesperugo noctula_), wegens hare gewoonten ook
+wel _Vroegvlieger_ genoemd, heeft een lichaamslengte van 11 en een
+vlucht van 37 cM., een roodachtig bruine pels met zwartbruine ooren
+en vlieghuid. Van alle inheemsche Vleermuizen is zij de krachtigste;
+zij vliegt het hoogst en doet dit zeer behendig en vlug bij wijze van
+de Zwaluwen; zij laat zich 's avonds vroeger zien dan eenige andere
+inheemsche soort, dikwijls, vooral in den herfst, reeds eenige uren
+vóór zonsondergang. Haar eigenlijk jachtgebied zijn de bosschen,
+waar zij ter hoogte van de kruinen der hoogste boomen of nog hooger
+vliegt. Niet zelden wordt zij daar vervolgd door Roofvogels, aan welker
+aanslagen zij echter door hare snelle wendingen in den regel weet te
+ontkomen. Zelfs de vlugge Boomvalk (_Falco subbuteo_), die toch ook
+Zwaluwen vangt, maakt niet zelden tevergeefs jacht op onze vleermuis.
+
+Het geslacht _Dwarsoor_ (_Synotus_) vormt in sommige opzichten
+een overgang tusschen de Gladneuzen en de Bladneuzen; tusschen
+neusgaten en oogen komen opzwellingen voor, die zich boven den daar
+tusschen liggenden rug van den neus verheffen. Hierdoor en door hare
+dwars over het voorhoofd heen reikende, van onderen aaneengegroeide
+ooren hebben deze Vleermuizen een bijna even vreemd voorkomen als de
+Bladneuzen. Zijne vleugels onderscheiden zich door smalheid en lengte;
+de staart is nog een weinig langer dan het overige lichaam.
+
+
+
+De inheemsche _Dwarsoor_ (_Synotus barbastellus_), ook wel
+_Mopsvleermuis_ genoemd, omdat de uitdrukking van zijn gelaat
+aan die van een Mopshond doet denken, is 9 cM. lang, waarbij 5
+cM. staartlengte; zijn vlucht bedraagt 26 cM. De bovenzijde van
+het lichaam heeft een donkere, zwartbruine kleur, de onderzijde is
+iets lichter, grijsbruin; de dik-vliezige vlieghuid en ooren zijn
+zwartbruin.
+
+In de meeste landen van Midden- en Zuid-Europa werd dit diertje
+gevonden; in den regel noemt men het hier, evenals in Nederland,
+zeldzaam, wat echter, volgens _Altum_, voor Munsterland en andere
+gedeelten van Duitschland onjuist is. Ook in de Alpen, den Harz en
+andere gebergten komt het, volgens _Blasius_, zelfs op de hoogst
+gelegene bewoonde plaatsen niet zelden voor.
+
+In den zomer vliegt de Dwarsoor uit, wanneer de schemering nauwelijks
+begonnen is, bij goed weder, zoowel als bij storm en regen; meestal
+vliegt hij dan aan boschkanten en in boomgaarden, zeldzamer tusschen
+de huizen der dorpen rond en maakt voornamelijk jacht op kleine
+Vlinders. Hij vliegt snel en hoog en maakt met gemak allerlei bochten
+en plotselinge zwenkingen.
+
+
+
+De leden van de laatste groep der Handvleugeligen heeten _Bladneuzen_
+of _Bloedzuigende Vleermuizen_ (_Istiophora_). Alle hiertoe behoorende
+soorten onderscheiden zich van de overige leden der orde door vliezige
+uitwassen aan den neus, welker vorm zeer verschillend is.
+
+De Bladneuzen zijn over alle werelddeelen verbreid; in grooten getale
+treft men ze echter alleen in de tropische gewesten en in de warmste
+landen van den gematigden aardgordel aan, waar men ook de meeste en
+grootste soorten vindt. Slechts vier tot één geslacht behoorende,
+voor 't meerendeel kleine soorten zijn in de warme landen van Europa
+inheemsch, waarvan er twee ook in Middel-Europa (tot in Engeland)
+gevonden worden (in ons vaderland alleen in Limburg). De meeste
+verschuilen zich over dag in rotsholen, in oude, vervallen gebouwen,
+in donkere gewelven of aan het houtwerk van daken. Andere soorten
+houden zich in de donkerste gedeelten van groote wouden op en slapen
+in holle boomen of tusschen de breede bladeren van palmen en andere
+grootbladerige planten.
+
+Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten, vooral Avond- en
+Nachtvlinders, Kevers, Haften, Muggen; de meeste Bladneuzen zijn echter
+tevens bloedzuigers, die Vogels en Zoogdieren, zelfs menschen gedurende
+den slaap bloed ontnemen. Ofschoon vele onderzoekers aan deze zaak hun
+aandacht gewijd hebben, zweeft er toch nog steeds een eigenaardige
+nevel, iets wat juist bij de Vampier-sage behoort, over deze
+opmerkelijke verrichting van de bedoelde Vleermuizen. Waarschijnlijk
+zijn alle Bladneuzen bloedzuigers; zij zijn dit echter alleen in
+bepaalde omstandigheden; hierdoor komt het, dat er zooveel verschil
+bestaat tusschen de berichten, waarin melding gemaakt wordt van hun
+handelwijze, die trouwens niet gemakkelijk kan worden nagegaan. Het
+zal het beste zijn, hier enige mededeelingen van reizigers over het
+bloedzuigen van de Bladneuzen te laten volgen. Hierbij moet er op
+bedacht zijn, dat de meeste reizigers geen voldoende redenen hadden
+om deze in 't duister verrichte daden aan een bepaalde soort toe te
+schrijven. Hunne mededeelingen hierover zijn in vele opzichten met
+elkander in tegenspraak, en onder alle, die mij bekend zijn, is er
+geen enkele, die een door onomstootelijke bewijsgronden gestaafde
+beschuldiging tegen een bepaalde soort van uitheemsche Bladneuzen
+bevat.
+
+De Spanjaard _Azaba_, die de Bloedzuigende Vleermuizen "Mordedor"
+noemt, hetwelk "Bijters" beteekent, bericht o.a. het volgende: "Soms
+bijten zij in den kam en de lellen van slapende Hoenderen om hen het
+bloed uit te zuigen; gewoonlijk sterven de Hoenderen hieraan, vooral
+als de wonden ontstoken geraken, wat bijna altijd geschiedt. Met
+hetzelfde doel bijten zij de Paarden, muildieren en koeien--altijd
+in de zijden, de schoften en den hals, waar zij zich gemakkelijk
+vasthouden kunnen. Hetzelfde doen zij met de menschen, zooals ik
+getuigen kan, daar ik zelf viermaal in de teenen werd gebeten, terwijl
+ik onder den vrijen hemel of onder een afdak sliep. De wonde, die zij
+mij toebrachten, zonder dat ik het voelde, was rond of langwerpig rond
+en had een middellijn van 2 1/2 mM., maar zulk een geringe diepte, dat
+zij nauwelijks door de geheele huid heendrong. Zij was kenbaar aan de
+gezwollen randen. Volgens mijn schatting bedroeg de hoeveelheid bloed,
+die na den beet uit de wonde vloeide, ongeveer 2 1/2 ons" (70 gram);
+"bij Paarden en andere dieren kan deze hoeveelheid omstreeks 3 ons"
+(85 gram) "bedragen; ik geloof, dat zij hun, wegens hun dikker vel,
+grootere en diepere wonden toebrengen."
+
+_Rengger_ voegt aan deze mededeelingen van _Azaba_ het volgende toe:
+"Ik heb wel honderdmaal de wonden van muilezels, Paarden en Runderen
+onderzocht, zonder tot zekerheid te geraken over de wijze, waarop zij
+toegebracht werden. De bijna trechtervormige wonde heeft gewoonlijk 6
+mM. middellijn (soms iets meer) en, al naar het getroffen lichaamsdeel,
+een diepte van 2 à 5 mM. Zij gaat nimmer door de huid heen tot op de
+spieren. Men bemerkt er geen indruksels van tanden aan, zooals bij
+bijtwonden, daarentegen zijn de randen van de wonde altijd zeer los
+en opgezwollen. Ik kan daarom niet gelooven, dat de Bloedzuigende
+Vleermuizen onmiddellijk door een beet deze wonden bij de trekdieren
+veroorzaken; bovendien zou ieder slapend dier hierdoor ontwaken en zijn
+vijand verjagen. Veeleer vermoed ik, dat zij eerst door met de lippen
+te zuigen de huid ongevoelig maken, zooals dit bij het koppenzetten
+geschiedt, en daarna, als de huid gezwollen is, er met de tanden een
+kleine opening in prikken. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat zij
+vervolgens door deze opening hun rekbare, eveneens voor 't zuigen
+dienende tong langzamerhand door borende bewegingen in de huid doen
+doordringen, waardoor de trechtervormige uitholling ontstaat. Dat
+het de Vleermuizen niet mogelijk is om te gelijkertijd te zuigen en
+de vleugels te bewegen, is mij na het onderzoek van de inrichting der
+vleugels duidelijk geworden. Ik zag, dat de Vleermuizen altijd op de
+Paarden gingen _zitten_, waarbij zij noodzakelijkerwijs de vlieghuid
+moeten opvouwen. Ook kiezen zij, om zich beter te kunnen vasthouden,
+steeds de behaarde of vlakke lichaamsdeelen van de dieren uit, en
+maken de wonde daarom bij de Paarden aan den hals, op de schoften
+en aan den wortel van den staart, bij de muilezels aan den hals
+en aan de schoften, bij de Runderen op de schouderbladen en aan
+de halskwabben. Op zich zelf biedt deze wonde geen gevaar aan;
+daar echter soms 4, 5, 6 of nog meer Vleermuizen in één zelfden
+nacht aan één zelfde lastdier zuigen, en dit niet zelden gedurende
+verscheidene, opeenvolgende nachten geschiedt, worden de dieren door
+het bloedverlies zeer verzwakt, en dit des te meer, daar behalve het
+bloed, dat de Vleermuis opzuigt, altijd nog 2 à 3 onsen" (60 à 90 gram)
+"uit iedere wonde wegvloeien."
+
+Behalve _Azara_ zijn trouwens ook nog andere reizigers door
+Bloedzuigende Vleermuizen gebeten en gelaten, o.a. _Bates_, die 11
+jaren lang in Brazilië heeft doorgebracht. Gedurende zijn verblijf
+in Caripe bewoonde hij een kamer, die sedert maanden ongebruikt
+was gebleven en op verscheidene plaatsen open was. "In den eersten
+nacht," verhaalt hij, "sliep ik vast en bemerkte niets ongewoons,
+in den tweeden echter werd ik omstreeks middernacht gewekt door het
+gedruisch van een talrijke, in mijn kamer heen en weer vliegende
+zwerm Vleermuizen. Zij hadden mijn lamp uitgedoofd; toen ik deze
+weer aangestoken had, bemerkte ik, dat het in mijne kamer krioelde
+van Vleermuizen, en dat de geheele ruimte letterlijk zwart was door
+de menigte, die onophoudelijk om mij heen zwermde. Nadat ik eenige
+minuten lang met een stok tegen hen te keer was gegaan, verdwenen zij
+tusschen de dakpannen; nauwelijks echter was ik in mijn bed terug,
+of zij verschenen opnieuw en doofden nogmaals het licht uit. Ik
+bekommerde mij niet meer om hen en sliep door. In den volgenden
+nacht kwamen verscheidene van deze dieren in mijn hangmat; ik greep
+er eenige van, die op mij rondkropen, en wierp ze tegen den muur van
+het vertrek. Bij 't aanbreken van den dag vond ik aan mijn heup een
+wonde, die mij ongetwijfeld door een Vleermuis was toegebracht. Nu
+werd het mij dan toch te erg; ik ging daarom met de negers aan 't
+werk om de dieren te verdrijven; ik schoot er een vrij groot aantal
+van, die aan de balken hingen, liet de negers van buiten op het dak
+klimmen en door hen verscheidene honderden Vleermuizen, ouden zoowel
+als jongen, om 't leven brengen."
+
+_Hensel_ en _Kappler_ hebben in lateren tijd soortgelijke ervaringen
+opgedaan, waaruit ook nog blijkt, dat vele soorten van Bladneuzen bloed
+zuigen, dat menschen over 't geheel genomen zelden door hen gebeten
+worden, en dat naar gelang van plaats en tijd de Vleermuizenplaag
+een zeer verschillenden omvang heeft.
+
+
+
+De Bladneuzen worden in een viertal groepen verdeeld (Vampiers,
+Hoefijzerneuzen, Pronkneuzen en Klapneuzen), die o.a. van elkander
+verschillen door de neusaanhangsels. Deze zijn bij de Hoefijzerneuzen
+zeer volledig ontwikkeld (fig. p. 80). Zijn bestaan hier uit drie
+afdeelingen; het deel dat de neusgaten omgeeft, en zich daaronder
+en daarnaast over de spits van den snuit uitbreidt, heet, naar zijn
+vorm, _hoefijzer_; daartusschen ligt het _zadel_, een overlangsche
+kam op den rug van den neus; dit eindigt in een vrij, uitstekend,
+lancetvormig blad (het _lancet_), dat aan weerszijden van zijn plaats
+van aanhechting drie door huidplooien begrensde kuiltjes vertoont.
+
+De _Vampier_ (_Phyllostoma spectrum_), de grootste van alle
+Zuid-Amerikaansche Bladneuzen, verdient een afzonderlijke vermelding
+wegens den kwaden reuk, waarin hij ten onrechte staat. Hij is ruim 16
+cM. lang en heeft 70 cM. vlucht. De dikke en lange kop heeft een sterk
+vooruitstekenden snuit en lange ooren met oordeksel. In verhouding
+tot de grootte van het dier zijn de neusaanhangsels klein; van de
+twee hier aanwezige afdeelingen valt het "lancet" het meest in 't
+oog. De zachtharige pels is aan de rugzijde donker kastanjebruin, aan
+de buikzijde geelachtig bruin; de vlieghuid en de overige onbehaarde
+lichaamsdeelen zijn bruin.
+
+De Vampier bewoont het noorden van Brazilië en Guyana, hij komt
+zoowel in de oerwouden als in de huizen voor. "Men kan zich," zegt
+_Bates_, "niets leelijkers voorstellen dan de uitdrukking van het
+gelaat van dit dier, als men het van voren beschouwt. De groote,
+leerachtige, ver zijwaarts gerichte ooren, het op een speer gelijkend,
+rechtopstaand neusaanhangsel, de fonkelende en schitterende, zwarte
+oogen, dit alles vormt een geheel, dat aan een kabouter uit de
+fabelleer doet denken. Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen,
+dat de phantasie van het volk aan een dier met een zoo terugstootend
+uiterlijk demonische verrichtingen heeft toegedicht. Toch is de Vampier
+een der onschadelijkste Vleermuizen, zooals aan alle bewoners van
+de oevers van den Amazonenstroom wel bekend is."--Alle berichten van
+geloofwaardige natuuronderzoekers uit vroegeren en lateren tijd stemmen
+hierin overeen, dat deze zoo erg slecht befaamde Vleermuis wel tot de
+Bladneuzen behoort, maar, in plaats van bloed te zuigen, des nachts
+ijverig jacht maakt op Insecten en af en toe ook vruchten eet. "Bij
+helder maanlicht," zegt _Waterton_, "kon ik zien, dat de Vampier
+naar een met rijpe vruchten overladen boom vloog en van deze vruchten
+at. Eens zag ik 's nachts, toen de maan helder scheen, verscheidene
+Vampiers rondom de kruinen van de sawarri-noteboomen fladderen, en
+merkte op, dat er nu en dan een bloem in 't water viel. Bij toeval
+gebeurde dit stellig niet, want alle bloemen, die ik onderzocht,
+waren gaaf en ongeschonden. Ik maakte hieruit op, dat zij door de
+Vampiers geplukt werden, hetzij om het vruchtbeginsel op te eten of
+om de Insecten te vangen, die zoo dikwijls in bloemen voorkomen."
+
+
+
+In Europa zijn de Bladneuzen vertegenwoordigd door de groep der
+_Hoefijzerneuzen_. Het neusaanhangsel, dat het geheele gelaat, van het
+puntje van den snuit tot aan het voorhoofd, bedekt, is zeer zeker het
+merkwaardigste deel van het geheele dier (zie p. 79), gelijk het oor
+dit is van de vroeger beschrevene Gladneuzen (pp. 69, 74, 77). De
+vlieghuid is breed en betrekkelijk kort; zij vliegen daarom niet
+zeer behendig; ook zijn zij, evenals de Breedvleugelige Gladneuzen
+(p. 74), minder goed tegen de koude bestand. Als zij slapen gaan,
+wikkelen zij zich in hun vlieghuid als in een mantel, zoodat alleen
+het aangezicht onbedekt blijft. De staartvlieghuid wordt dan naar de
+rugzijde, en niet, zooals bij de andere Vleermuizen, naar de buikzijde
+omgeslagen. Het oordeksel ontbreekt. Bij nagenoeg alle soorten is de
+vacht licht van kleur.
+
+Van deze groep zijn vier Europeesche soorten bekend, van welke er
+twee ook in ons land, en wel in het zuiden van Limburg, gevonden
+worden. De zeldzaamste van deze twee is de _Kleine Hoefijzerneus_
+(_Rhinolophus hippocrepis_) Hij is 6 cM. lang (waarbij 2 1/2 cM. voor
+den staart) en heeft 22 cM. vlucht. De vacht is grijsachtig wit, aan
+de bovenzijde een weinig donkerder dan van onderen. In Middel-Europa
+komt hij bijna overal voor; ook in Zuid-Europa is hij algemeen. Aan
+heuvelachtige gewesten en bergstreken geeft hij de voorkeur boven
+lage landen. In de gebergten stijgt hij op tot boven de met bosch
+begroeide zone. Bewoonde gebouwen schijnt hij te vermijden. Overal waar
+rotsholen, oude mijngangen of ruïnes met onderaardsche gewelven zijn,
+treft men hem veelvuldig aan. Zij rusten daar, tot groote gezelschappen
+vereenigd, vrij hangend aan het gewelf, zoodat zij door de bezoekers
+vaak niet opgemerkt worden.
+
+Het voedsel van de Hoefijzerneuzen bestaat hoofdzakelijk uit Insecten,
+die een niet zeer hard uitwendig geraamte hebben, vooral kleine
+Nachtvlinders, Vliegen enz. Zij zijn echter ook echte bloedzuigers,
+zooals duidelijk blijkt uit waarnemingen, die door _Kolenati_
+gedaan zijn. Deze onderzoeker vond 's winters in een kalksteengrot
+in Moravië 45 stuks slapende Vleermuizen, grootendeels Grootooren
+(p. 74) en Kleine Hoefijzerneuzen; hij nam ze mede naar Brünn
+en liet ze alle te zamen vrij rondvliegen in een groote kamer,
+waarin zijn verzameling naturaliën was geborgen; daar zochten zij
+zich een rustplaats. Toen onze natuuronderzoeker eenige dagen later
+de Vleermuizen aan een zijner vrienden wilde toonen, vond hij tot
+zijn niet geringe verwondering zes Hoefijzerneuzen op de klauwen en
+vlieghuidspitsen na opgevreten, terwijl van een ander dezer dieren
+de kop op de vreeselijkste wijze verminkt was. De talrijke sporen van
+bloed, de bloedige snuit en de gezwollen buik van de Grootooren alsook
+de vele drekhoopjes deden de verdenking vallen op de nog voltallige
+Gladneuzen; het onderzoek van de maag van een dezer dieren, dat gedood
+werd, bevestigde de juistheid van dit vermoeden. Daarentegen bemerkte
+men op de vlieghuid van de Grootooren dicht bij het lichaam versche
+wonden met sponsachtig gezwollen randen; ook hadden deze dieren zich
+tot een kluit vereenigd, bij wijze van dakpannen over elkander heen;
+de Hoefijzerneuzen daarentegen sliepen altijd ieder afzonderlijk en
+hadden de verborgenste schuilhoeken als slaapplaatsen gekozen. De
+gevolgtrekkingen die hieruit afgeleid werden, luiden als volgt: De
+beide elkander vijandig gezinde Vleermuis-soorten hadden gedurende
+den nacht strijd gevoerd. Toen de Grootooren hun nachtslaapje hielden,
+waren de Hoefijzerneuzen op hen afgekomen, hadden hen gewond en haar
+bloed gezogen; voor deze schanddaad waren zij echter gestraft door
+de Grootooren, die gedurende hun tweeden fladdertijd de onruststokers
+eenvoudig opgevreten hadden!
+
+Een duivenliefhebber verhaalde aan _Kolenati_, dat de Duiven dikwijls
+gedurende den nacht kleine wonden kregen, waarvan hij de oorzaak
+niet kende; onze onderzoeker schrijft ze (vermoedelijk te recht)
+aan de beten van den Hoefijzerneus toe.
+
+In Europa leven dus echte Vampiers; het moet echter gezegd worden,
+dat deze in den regel hun bloeddorst weten te beheerschen, en dat
+zij in geen geval ons aanleiding kunnen geven tot vrees of afschuw.
+
+
+
+Veelvuldiger dan de Kleine komt in ons land, n.l. in Limburg, de
+_Groote Hoefijzerneus_ (_Rhinolophus ferrum-equinum_) voor. Deze
+is 9 cM. lang (hiervan komen op den staart 3 1/2 cM.) en heeft 33
+cM. vlucht. Hij bewoont het grootste deel van Middel- en Zuid-Europa,
+ook vond men haar in Azië in den Libanon. In de gebergten komt hij des
+zomers voor tot op een hoogte van 2000 M. _Kolenati_ meent, dat ook
+hij bloed zuigt. Des nachts fladderen deze dieren rond in bergkloven
+(vermoedelijk om Reeën en Gemzen uit te zuigen) en omzwerven de
+rustplaatsen der Eekhoorntjes. Hoewel hun Vampieraard nog niet
+duidelijk is gebleken, bestaan er toch redenen om hen te verdenken.
+
+
+
+Ook in de overige groepen van de Bladneuzen komen eenige merkwaardige
+diervormen voor.
+
+Zoo bevat de groep der _Pronkneuzen_ (_Megaderma_) een soort, die niet
+alleen bloed zuigt, maar, naar gezegd wordt, ook kleine Kikvorschen
+eet. De tot deze groep behoorende Vleermuizen zijn gekenmerkt door
+een uit drie afdeelingen samengesteld neusaanhangsel (p. 79), door
+groote, boven het voorhoofd met elkander vergroeide ooren en een
+lang oordeksel. Bij den _Lierneus_ (_Megaderma lyra_) bereikt de
+huidwoekering aan den neus, die men met een lier vergeleken heeft,
+haar hoogste ontwikkeling.
+
+
+
+Een vierde groep bevat de _Klapneuzen_ (_Rhinopoma_). Bij hen is
+slechts één afdeeling van het neusaanhangsel aanwezig, n.l. een
+lancetvormig, overeindstaand blad. De ooren, die eveneens op
+het voorhoofd vergroeid zijn, hebben een middelmatige lengte, de
+staart is echter voor Vledermuizen buitengewoon lang. Tot deze groep
+behoort o.a. de _Egyptische Klapneus_ (_Rhinopoma microphyllum_), een
+klein dier, waaraan de zeer lange en dunne staart ontegenzeggelijk
+het merkwaardigste verschijnsel is. Hij bestaat uit 11 wervels, en
+strekt zich tot ver voorbij de staartvlieghuid uit. In buitengewoon
+groot aantal komen deze dieren in Egypte voor, hoofdzakelijk in oude
+gedenkteekenen, b.v. in de gangen der Pyramiden doch ook wel in holen,
+die door de natuur gevormd zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 17304-8.txt or 17304-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/3/0/17304/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.