diff options
Diffstat (limited to '17304-8.txt')
| -rw-r--r-- | 17304-8.txt | 2520 |
1 files changed, 2520 insertions, 0 deletions
diff --git a/17304-8.txt b/17304-8.txt new file mode 100644 index 0000000..dc340e2 --- /dev/null +++ b/17304-8.txt @@ -0,0 +1,2520 @@ +The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Leven der Dieren + Deel 1. Hoofdstuk 2: De Halfapen; Hoofdstuk 3: De De Vleermuizen + +Author: A. E. Brehm + +Release Date: December 14, 2005 [EBook #17304] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + + +Tweede Orde. + +De Halfapen (_Prosimii_). + + +De meeste natuuronderzoekers van vroegeren tijd beschouwden de dieren, +welker bouw en levenswijze ons nu zal bezighouden, als echte Apen, +en plaatsten ze daarom in dezelfde orde (die der Vierhandigen); +thans echter worden de Halfapen volkomen gescheiden van de eigenlijke +Apen en in een afzonderlijke orde vereenigd. Bij nader inzien is +het n.l. gebleken, dat de overeenkomst van de Halfapen met de Apen +gering is. Hun lichaamsbouw is anders; hun gebit verschilt bijna in +alle opzichten van dat der Apen. De naam Vierhandigen, die thans niet +meer als naam van een orde geldt, komt aan de Halfapen eerder toe +dan aan de Apen, daar bij deze het onderscheid tusschen hand en voet +het duidelijkst zichtbaar is. Men moge de Halfapen beschouwen als een +schakel, die de Apen met de Buideldieren verbindt, als nakomelingen van +onbekende, met de Buidelratten verwante dieren,--Apen zijn zij niet. + +Het ontwerpen van een algemeen beeld van de Halfapen is niet +gemakkelijk. Grootte, lichaamsbouw, ledematen, gebit, geraamte +verschillen bij hen zeer. De grootte wisselt af tusschen die van een +flinke Kat en die van een Relmuis. Bij de meeste soorten is het lichaam +slank, bij eenige zelfs buitengewoon schraal; bij genen herinnert de +kop door de lengte van den snuit eenigszins aan dien van een Hond of +Vos, bij dezen heeft hij iets eigenaardigs dat alleen bij nachtdieren +aangetroffen wordt, b.v. bij Relmuizen, Vliegende Eekhoorns, Nachtapen +of Uilen. Meestal bestaat er een merkbaar, dikwijls een aanzienlijk +verschil in lengte tusschen de achterste en de voorste ledematen, en +wel zoo, dat deze steeds de kortste zijn. Bij één afdeeling onzer orde +is de voetwortel betrekkelijk kort, bij een andere daarentegen tamelijk +lang. De lengte van den staart verschilt zeer; bij vele is hij langer +dan het overige lichaam; bij andere is hij tot een uitwendig niet of +bijna niet zichtbaar stompje ontaard; bij deze is hij ruig behaard, +bij gene voor een deel althans bijna kaal. Aan de groote nachtoogen +en aan de steeds goed ontwikkelde ooren, met soms haarlooze, soms +behaarde oorschelp, als ook aan de zachte, dichte, wollige, slechts +bij uitzondering stijvere beharing kunnen de Halfapen gemakkelijk +als schemering- of nachtdieren herkend worden. Het gebit biedt, wat +de rangschikking, den vorm en het aantal der tanden betreft, grooter +afwisseling aan dan bij de Apen. De schedel onderscheidt zich door de +sterke afronding van het achterhoofd, door den smallen, korten snuit +en de groote oogholten, die van voren zeer dicht bij elkander liggen +en een hoogen oogkasrand hebben, doch niet volledig begrensd zijn +door een beenigen wand en dus met de slaapholten in verbinding staan. + +Afrika,--vooral Madagaskar en de naburige eilanden--alsmede Indië en +de groote eilanden van Zuid-Azië zijn het woongebied van onze dieren, +die dichte, veel vruchten voortbrengende bosschen tot verblijfplaats +hebben. Alle soorten zijn boomdieren, verscheidene van hen zijn zoo +goed als vreemdelingen op den bodem. Een buitengewone behendigheid +en vlugheid van beweging te midden van het twijgendoolhof kenmerkt +eenige; terwijl andere daarentegen zich door een langzame, +veilige, bedachtzame, spookachtig zachte en onhoorbare beweging +onderscheiden. Sommige zijn ook bij dag nu en dan werkzaam; de meeste +echter beginnen hun leven eerst na het invallen van den nacht, +en liggen voor het aanbreken van den dag reeds weder in diepe +rust. Van eenige bestaat het voedsel hoofdzakelijk uit allerlei +soorten van vruchten, knoppen en jonge bladeren, terwijl de overige +behalve plantaardige spijzen ook Insecten en kleine Gewervelde dieren +eten. In de gevangenschap geraken deze zoowel als gene aan allerlei +voedsel gewoon. Noemenswaarde schade richten zij niet aan, belangrijke +diensten bewijzen zij ons evenmin. Toch beschouwt de inboorling ze +nergens met onverschilligheid; integendeel, hij houdt eenige van +hen voor heilige en onschendbare, andere voor onheil aanbrengende, +gevaarlijke wezens, en tracht daarom niet zelden door woorden of door +daden den weetgierigen onderzoeker van de jacht op deze dieren en soms +zelfs van het nagaan hunner eigenaardigheden terug te houden. Dit zal +wel een van de redenen zijn, waarom wij zelfs van die soorten, welke +in groote troepen bijeen leven en veelvuldig voorkomen, betrekkelijk +zelden vertegenwoordigers in onze diergaarden zien. Hun vangst levert +geen bijzondere moeielijkheden op, hun verzorging is gemakkelijk en +eenvoudig; de meeste soorten verdragen de gevangenschap ook veel +beter dan de Apen, zoodat bij eenigszins doelmatige behandeling +ook de voortplanting zonder bezwaren in het hok plaats heeft. Het +best ontwikkeld zijn de geestvermogens bij die soorten, welker +vertegenwoordigers zich over 't algemeen door vlugge bewegingen +en een opgewekten aard onderscheiden; deze geraken gemakkelijk aan +hunne verzorgers gewoon; sommige kunnen zelfs leeren hun diensten +te bewijzen. Die Halfapen echter, welke in den volsten zin van het +woord nachtdieren zijn, blijven voortdurend droefgeestig en slaperig; +zelfs de meest zorgvuldige verpleging wordt door hen slechts zeer +zelden beantwoord met bewijzen van erkentelijkheid. + + + +_Lemuren_ waren volgens de denkbeelden der Romeinen zielen van +afgestorvenen; de goeden beschermden als "laren" het huis en de +familie, de boozen werden kwaadwillige spoken, die rondzwierven om +de arme stervelingen te verontrusten. De zoöloog, die bij het geven +van namen aan de ontzaglijk menigvuldige voortbrengselen der natuur +dikwijls om een naam verlegen is, heeft zich ook van dit woord meester +gemaakt. Hij gebruikt het niet tot aanduiding van ontastbare wezens, +maar voor schepsels met vleesch en bloed, die wel is waar 's nachts +rondzwerven en leven maken, maar toch een min of meer bevallige +gestalte en een lief uiterlijk hebben. De Lemuren zijn de kern van +de orde, waarmede wij ons nu bezig houden; zij vormen een familie, +waartoe verreweg de meeste soorten van Halfapen behooren; daar deze +soorten zeer verschillende vormen vertoonen, zijn zij over verscheidene +geslachten verdeeld. + +De hierboven medegedeelde kenmerken van de Halfapen in 't algemeen +zijn op de familie der _Lemuren_ (_Lemuridae_) meer in 't bijzonder +toepasselijk; deze verschilt van de beide overige familiën der +Halfapen in hoofdzaak slechts door het gebit, den bouw van hand en +voet, alsmede door de beharingswijze harer vertegenwoordigers. + +Het door de Lemuren bewoonde gebied omvat in de eerste plaats het +eiland Madagaskar en de naburige eilanden; bovendien komen deze +dieren op het vaste land van Afrika voor en verbreiden zich over het +geheele middelste gedeelte van dit werelddeel, van de oostkust tot +de westkust; eindelijk zijn er ook nog enkele soorten, die in Indië +en op de Zuid-Aziatische eilanden leven. Alle zonder uitzondering +bewonen bosschen; aan de ondoordringbare oerwouden, die rijk zijn aan +vruchten en Insecten, geven zij de voorkeur. Zij zoeken de nabuurschap +van den mensch niet op, maar mijden haar ook niet. Daar zij alle +in meer of mindere mate nachtdieren zijn, evenals de overige leden +der orde, zoeken zij de donkerste plaatsen van het woud of holten +in boomen op, om daar neergehurkt of ineengerold te slapen. Zij +nemen hierbij zeer eigenaardige houdingen aan. Sommige zitten op +hun achterwerk, klemmen zich met de handen vast, laten den kop diep +naar beneden zakken tusschen de tegen het lichaam teruggetrokken +voorste ledematen en omwikkelen deze en de schouder ten overvloede +nog met den staart. Andere rollen zich dicht bij elkander ineen, +soms zelfs zoo, dat zij twee aan twee één kogel vormen, die door de +gezamenlijke staarten omwikkeld is; bij het aanraken van zulk een +haarbol, ziet men er plotseling twee koppen uit te voorschijn komen, +die met verwonderde oogen den onwelkomen porder aankijken. + +De slaap van de Lemuren is zeer licht. Vele van hen worden reeds +gewekt door het gonzen van een voorbijschietende Vlieg of door het +gekrieuwel van een over hun lichaam loopende Kever: de ooren worden +gespitst en de groote oogen spieden als 't ware droomerig rond, maar +slechts voor een oogenblik. Hun lichtschuwheid is buitengewoon groot +en hunne oogen schijnen voor het licht gevoeliger te zijn dan die +van alle overige Zoogdieren. Voor het daglicht zijn zij dood; de in +vrijheid verkeerende Lemuren ontwaken eerst met de duisternis. (Die +welke in gevangenschap leven, wijken soms van dezen regel af.) + +Als de schemering invalt, worden de Lemuren wakker, poetsen en +glanzen hun vel, laten hun meestal tamelijk luide en onaangename +stem hooren, en beginnen hun gewonen zwerftocht door hun luchtig +jachtgebied. De wijze waarop zij zich hierbij gedragen, is bij de +verschillende soorten, al naar hun aard, zeer ongelijk. De meeste +soorten van Lemuren--de Indri's en Maki's--achten het hun eerste +plicht, den demonischen naam dien zij dragen, eer aan te doen, door +gemeenschappelijk een geschreeuw aan te heffen, dat wel geschikt is +om hun, die het voor de eerste maal hooren, een rilling op het lijf +te jagen; niet alleen omdat het een onbeschrijflijk en waarlijk +helsch geraas veroorzaakt, maar ook, omdat het eenigszins op het +gebrul van gevaarlijke Roofdieren, van Leeuwen b.v., gelijkt. Dit +gemeenschappelijk, grommend gebrul schijnt bij hen, evenals bij +vele andere dieren, aan het begin van de werkzaamheden vooraf te +moeten gaan; onmiddellijk daarna doorkruisen zij hun jachtgebied of +liever hun weide, waarbij zij een bewegelijkheid, een vlugheid en een +behendigheid openbaren, die men, wegens hun slaperigheid gedurende +den dag, bij hen niet verwacht zou hebben. Alle forsche toeren op +dit gebied van klimmen en springen, alle kapriolen die de Apen kunnen +uitvoeren--en betere nog misschien--, worden door hen verricht. + +De inborst, de handelingen en de bewegingen van andere Lemuren--van +de Lori's--zijn geheel tegenovergesteld aan die der zooeven +bedoelde. Tersluiks en met onhoorbare schreden sluipen zij langzaam van +tak tot tak. Hunne groote, ronde oogen schitteren in het schemerlicht +als vuurbollen; hunne bewegingen geschieden zoo bedachtzaam en stil, +dat geen enkel geluid aan het luisterende oor de aanwezigheid van een +levend dier verraadt. Wee den zorgloos slapenden Vogel, op wien een +blik van deze vurige oogen valt! Nog minder hoorbaar dan de Indiaan +op zijn krijgspad, en met niet minder vreeselijke bedoelingen dan deze +bloeddorstige wilde, nadert de Lori zijn slapenden buit. Zonder eenig +gedruisch, met bijna onzichtbare bewegingen doet hij den eenen stap +na den anderen; langzaam sluipt hij nader, tot hij zijn slachtoffer +bereikt heeft. Met dezelfde doodsche stilte en voorzichtigheid licht +hij de eene hand op en steekt haar zachtjes uit, totdat zij den slaper +bijna aanraakt. Daarop volgt een beweging zoo snel, dat het oog haar +niet volgen kan, en vóórdat de sluimerende Vogel eenig vermoeden +heeft van zijn vreeselijken vijand, is hij bij den strot gegrepen en +geworgd. Met een voorbeeldelooze begeerigheid wordt na het plegen van +den moord het slachtoffer van den zooeven zoo zachtaardig schijnende +Lori door den bloeddorstigen Vierhandigen verslonden. Het lot van den +slapenden Vogel is ook beschoren aan de jongen en de eieren in zijn +nest, zoodra dit door den Lori wordt ontdekt. Alle tot deze groep +behoorende soorten zijn uiterst voorzichtig. Zij bewegen zich op +de boomen langzaam maar zeker. Vóórdat zij den eenen tak loslaten, +hebben zij zich vergewist, dat een andere tak hun een betrouwbaar +steunpunt zal verschaffen. + +Een gelijkmatige en vrij hooge warmtegraad is een behoefte voor alle +Lemuren; de koude maakt hen mismoedig en ziek. + +De geestvermogens van de Lemuren zijn gering; slechts weinige soorten +maken hierop een uitzondering. Alle zijn schuw en vreesachtig van +aard, ofschoon zij zich moedig verdedigen, zoodra men ze tracht te +vangen. Nadat zij aan den mensch gewoon zijn geraakt, betoonen zij +hem een zekeren, graad van vertrouwelijkheid en worden zachtaardig, +vreedzaam en vriendelijk van gedrag; hun vreesachtigheid laten zij +echter slechts zelden varen. Eenige soorten van deze familie schikken +zich intusschen recht goed in het verlies van hun vrijheid en in +de ondergeschiktheid aan den mensch, laten zich zelfs africhten tot +het verrichten van sommige diensten, b.v. het jacht maken op andere +dieren. De staartlooze soorten (de Lori's) echter behouden meestal ook +in de gevangenschap hun stil, zwaarmoedig voorkomen, trachten wrevelig +iedereen af te weren, die hen komt storen en leeren waarschijnlijk +niet eens hun verzorger van andere personen te onderscheiden; zij +behandelen alle menschen ten naastenbij op gelijke wijze. + +De grootste en hoogst ontwikkelde van alle Lemuren zijn de Indri's +(_Lichanotus_), door de Madagassen _Babakoto_ genoemd. De meest +bekende van de beide tot dusver ontdekte soorten (_L. brevicaudatus_) +bereikt een lengte van 85 cM. met inbegrip van het 2 1/2 cM. lange +staartstompje; de middelmatig groote kop heeft een spitsen snuit, +kleine oogen en even kleine, bijna in de vacht verborgen ooren; de +krachtige romp is met een dichte, wollige vacht bekleed, evenals ook +de ledematen, die alle vier in groote, voor 't omklemmen van takken +geschikte handen eindigen. Het voorhoofd, de slapen, de keel, de +borst, het kruis, de staart, de onderzijde van dij en scheen en de +zijden van de romp zijn wit; de ooren, de achterkop, de schouders, +de armen en de handen zijn zwart; het achterste gedeelte van den rug +en het bovenbeen zijn bruin; terwijl de voorzijde van de achterste +ledematen zwartachtig bruin is. + +_Sonnerat_, die ons met den Babakoto bekend maakte, verhaalt, dat +dit dier evenals zijne verwanten, zich behendig en flink beweegt, +buitengewoon snel van den eenen boom op den anderen overspringt, +bij het eten rechtop zit als een Eekhoorntje, en zijn voedsel, +dat hoofdzakelijk uit vruchten bestaat, met de handen naar den mond +brengt; zijn stem gelijkt op het weenen van een kind; het is zeer +zachtmoedig en goedaardig en kan derhalve gemakkelijk getemd worden; in +de zuidelijke districten van het eiland wordt het door de inboorlingen +als huisdier gehouden en, evenals onze Honden, voor de jacht afgericht. + +"In sommige gedeelten van Madagaskar", verhaalt _Pollen_, "richt men +den Babakoto voor de vogeljacht af. Naar men zegt, bewijst hij hierbij +even goede diensten als de beste Hond; want, hoewel hij hoofdzakelijk +vruchten eet, is hij volstrekt niet afkeerig van kleine Vogels; hij +vangt deze op zeer behendige wijze, met de bedoeling om de hersenen, +die een lekkernij voor hem zijn, buit te maken." + +Voor zoover mij bekend, werd de Babakoto of een der andere Indris tot +dusver nog niet levend naar Europa gebracht. Dit is te vreemder, daar +de eerstgenoemde op Madagaskar in zekeren zin een huisdier is geworden, +en het dus niet moeilijk kan zijn hem in 't leven te behouden. + +Naar het schijnt, is de naam _Maki_ een klanknabootsing van +het geschreeuw der vertegenwoordigers van het soortenrijkste en +veelvuldigst voorkomende geslacht van de familie; de wetenschappelijke +benaming _Lemur_, waarmede vroeger alle Lemuriden aangeduid werden, is +tegenwoordig beperkt tot het geslacht der Maki's. Deze onderscheiden +zich van bijna al hunne verwanten door een langwerpigen vossekop met +matig groote oogen en middelmatig lange, dikwijls ruig behaarde ooren; +hunne goed gevormde ledematen komen nagenoeg in lengte overeen, en +eindigen in handen, die aan de bovenzijde niet met een vacht bedekt, +maar zwak behaard zijn; de lengte van den staart bedraagt meer dan +de helft van die van 't lichaam, dat met een zeer zachte en fijne, +bij uitzondering ook wel wollige vacht bekleed is. + + + +Men heeft in deze groep vele soorten onderscheiden; latere +onderzoekingen hebben echter geleerd, dat vele van deze +onderscheidingen op verschil van sekse berusten, of niet belangrijk +genoeg zijn om de vorming van nieuwe soorten te wettigen. Een der +meest bekende Maki's is de _Vari_ (_Lemur varius_), gekenmerkt door +een met groote vlekken geteekende, deels zwarte, deels witte vacht; +bijna bij ieder exemplaar komt een andere kleurenverdeeling voor; bij +het eene heeft de zwarte, bij het andere de witte kleur de overhand. + +De _Vari_, een van de grootste Maki's, komt in grootte ongeveer gelijk +aan een flink uitgegroeide Kat; zijne overige verwanten staan trouwens +weinig bij hem achter. De _Catta_ (_L. catta_) onderscheidt zich door +de sierlijkheid van zijn gestalte en door den langen, met zwarte en +witte ringen geteekenden staart; de hoofdkleur van zijn dichte, fijne, +zachte en wollige vacht is grijs, nu eens zweemend naar aschgrauw, +dan weer naar roestrood; het aangezicht, de ooren en de onderdeelen +zijn witachtig; een vlek onder het oog en het bovenste gedeelte van +den snuit zijn zwart. Andere soorten, die dikwijls in diergaarden +aangetroffen worden, zijn de _Mongoz_ (_L. mongoz_) en de _Moor-maki_ +(_L. macaco_). Opmerkelijk is het, dat bij den laatstgenoemden vorm het +mannetje bijna zuiver zwart, het wijfje echter, dat een tijd lang voor +een andere soort gehouden werd, lichter of donkerder rooskleurig is. + +Aan de uitstekende onderzoekingen van den Nederlandschen onderzoeker +_Pollen_ danken wij onze bekendheid met de levenswijze van de Maki's in +vrijen toestand. Alle soorten van dit geslacht bewonen de bosschen van +Madagaskar en van de naburige eilanden. Over dag houden zij zich in het +dichtste takkenlabyrinth van de bosschen schuil, des nachts gaan zij +onder vlugge bewegingen en luid geschreeuw hun voedsel zoeken. Deze +dieren leven, tot troepen van 6 à 12 individuën vereenigd, in de +ongerepte wouden van het groote eiland; zij voeden zich vooral met +de vruchten van de wilde dadelboomen en begeven zich daartoe van het +eene deel van het woud naar het andere. Men ziet ze zoowel over dag +als des nachts. Nauwelijks is de zon ondergegaan, of men verneemt hun +klagend geschreeuw; gewoonlijk jammeren alle leden van den troep te +gelijker tijd. Hunne bewegingen zijn, evenals die van hunne verwanten, +buitengewoon sierlijk, behendig en vlug: als zij maar eerst wakker +geworden zijn, vliegen zij als 't ware door de kronen der boomen heen, +en doen daarbij sprongen van buitengewone wijdte, om van den eenen +tak op den anderen te komen. Als zij door de Honden vervolgd worden, +vluchten zij naar de hoogste toppen der boomen, en kijken knorrend en +met den staart zwaaiend naar den vijand; zoodra zij echter den jager in +'t oog krijgen, vluchten zij ijlings naar het dichtst van het woud. + +De geestvermogens van de Maki's verheffen hen niet boven hunne +verwanten; toch brengen zij een aangenamen indruk teweeg. Gewoonlijk +zijn zij zachtaardig en vreedzaam; soms treft men er echter koppige, +wilde en bijtlustige individuën onder aan. + +Vele soorten van Maki's worden dikwijls naar Europa overgebracht en +houden het in de gevangenschap lang uit. Dit bewees b.v. een Vari, +die 19 jaar te Parijs in leven bleef. De meeste worden spoedig tam +en aan den mensch gehecht. Hun voeding levert geen bezwaren op, daar +zij schielijk aan allerlei spijzen gewend geraken. Gewoonlijk nemen +zij het voedsel met de voorhanden aan; soms echter vatten zij het +direct met den mond op. Als zij zich wel gevoelen, geven zij door +een knorrend geluid hun tevredenheid te kennen; in den regel zingen +zij zich op deze wijze in slaap. + +_Buffon_ bezat een mannelijke Maki, die door zijne behendige, +snelle en sierlijke bewegingen de toeschouwers vermaakte, door +zijne onzindelijkheid en uitgelatenheid echter even dikwijls lastig +werd. Voor koude en vochtigheid was hij zeer bang; hij bleef daarom +gedurende den winter altijd in de nabijheid van het vuur, en ging er +ook vaak rechtop bij staan, om zich beter te kunnen warmen. + +De Maki, die zoo lang in den Parijschen dierentuin geleefd heeft, hield +evenveel van 't vuur en plaatste zich geregeld in de onmiddellijke +nabijheid van den haard; zelfs hield deze arme bewoner van een tropisch +gewest, niet alleen de handen, maar ook het gelaat zoo dicht bij de +vlam, dat hij zich meer dan eens den snorrebaard gezengd heeft. Hij +was zindelijk, glom over zijn geheele lichaam, en paste zorgvuldig op, +dat hij zijn vacht niet vuil maakte. Bovendien was hij even druk en +beweeglijk als nieuwsgierig. Hij onderzocht alle dingen, maar smeet ze +tevens om, of verscheurde ze en verspreidde ze over den grond. Voor +alle personen die hem liefkoosden, was hij vriendelijk; ook bij +wildvreemde menschen sprong hij zonder complimenten op den schoot. + + + +Terwijl de _Maki_'s alle zonder uitzondering, althans op sommige +tijden van den dag, een groote werkzaamheid en beweeglijkheid aan +den dag leggen, onderscheiden de _Lori_'s (_Stenops_) zich door +tegenovergestelde eigenschappen. Zij zijn in zekeren zin de Luiaards +van deze orde, en worden daarom ook wel "_Luie Apen_" genoemd. Deze +groep omvat kleine, sierlijke Halfapen met schraal, staartloos lichaam, +grooten, rondachtigen kop en dunne, slanke ledematen, waarvan het +achterste paar iets langer is dan het voorste. De snuit is spits, +maar kort; de ooren zijn middelmatig groot en behaard. Aan de handen +is de wijsvinger zeer verkort, de vierde vinger echter verlengd en +de vijfde met een scherpen en langen klauw voorzien. + +De weinig talrijke soorten van dit geslacht bewonen Voor- en +Achter-Indië en de naburige eilanden; van hun levenswijze in de vrije +natuur is nog zoo goed als niets bekend. Deze Zuid-Aziatische Lemuriden +komen in lichaamsbouw met hunne vroolijke Afrikaansche neven overeen, +maar hebben geheel andere gewoonten. + + + +Een bekoorlijk lid van dit geslacht is de _Slanke Lori_ (_Stenops +gracilis_), een diertje nauwelijks zoo groot als een Eekhoorntje +(slechts 25 cM. lang), met een schralen romp, een kop met groote +oogen en een spitsen snuit, dunne ledematen en een lange, op pluche +gelijkende vacht, welker kleur aan de bovendeelen roodachtig vaalgrijs +en geelachtig bruin, aan de onderzijde echter grijsachtig of licht +geelachtig is. De huid rondom de noot-bruine oogen is donkerder en +steekt daarom sterk bij den lichtkleurigen bovensnuit af. + +Dit allerliefste wezen, dat door de inboorlingen _Tevangoe en Oena +happolava_ wordt genoemd, bewoont de wouden van Ceylon en van de +lage landen van Zuid-Indië, bij Godovari te beginnen. Den dag brengt +hij slapend in holle boomen door; hij komt eerst 's avonds daaruit +te voorschijn. Zijn leven in de vrije natuur is nog door niemand +beschreven, hoewel over het dier zelf reeds voor lang mededeelingen +gedaan zijn. + +Tot mijn groote verwondering en vreugde vond ik een levenden Slanken +Lori in 't bezit van een eigenaar van een beestenspel. Het tengere dier +was vier jaren geleden met drie andere van dezelfde soort in Europa +aangekomen en door een onzer eerste groothandelaars aan bedoelden man +verkocht; het had dus niet alleen de reis naar Europa, maar ook de +gevangenschap in het koudere land uitmuntend doorgestaan. Ik kocht +het diertje voor een handvol geld om het naar het leven te laten +uitteekenen en om het te kunnen waarnemen; het werd met zorg verpleegd. + +Over dag ligt of, juister gezegd, hangt de Slanke Lori aan een van de +dwarshouten van zijn kooi en slaapt, zonder zich door de buitenwereld +en haar rumoer ook maar in het allerminst te laten storen. Nadat +de schemering is ingevallen, ontrolt hij zich, rekt en strekt, nog +eenigszins slaapdronken, de lange, slanke ledematen, en stapt nu +langzaam en onhoorbaar op den zitstang van zijn kooi heen en weer, +of klautert bij de dwarsstangen van het hok op en neer. Op een +stang of op een tak beweegt hij zich met opmerkelijke behendigheid, +onderzoekt echter bij elken stap, dien hij doet, zijn nieuw steunpunt, +strekt daarom de pooten dikwijls veel verder uit, dan men voor mogelijk +gehouden zou hebben, en grijpt, met hen evenals met de armen tastend, +op een afstand in de lucht, als het hem er om te doen is van den +eenen tak op een anderen over te gaan. Het beweeglijkste deel van +zijn lichaam is de kop, dien hij plotseling en bliksemsnel weet te +draaien en te wenden, terwijl hij met hand en arm slechts zelden zulk +een snelle beweging maakt. Zijne oogen glinsteren in 't halfdonker in +den letterlijken zin van 't woord als gloeiende kolen, en dit maakt, +daar zij zeer dicht bij elkander staan en slechts door een witte bles +van elkander gescheiden zijn, een hoogst eigenaardigen indruk. + +De Slanke Lori laat, als hij gepleegd wordt, een scherp gesnork hooren, +dat het meest aan het geluid van den Hamster of Aardwolf herinnert, +maar veel zwakker is. Op deze wijze is hij gewoon zijn hevigsten +toorn te kennen te geven. Zijn prikkelbaarheid schijnt trouwens +vrij gering te zijn, want het kost moeite hem zijne bedaardheid en +gelijkmoedigheid te doen verliezen. Naar het schijnt, vindt hij het +aangenaam, zachtjes geaaid te worden; als men hem zachtjes op den +kop krabt, sluit hij de oogen. + +Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit in melk geweekt brood. Vruchten +versmaadt hij bijna geheel, vleesch en eieren eveneens; ook levende +Vogels heeft hij tot nu toe niet willen aanraken. Daarentegen houdt +hij bijzonder veel van Insecten, vooral van Meelwormen; hij is echter +te onhandig of te traag om deze dieren zelf aan te vatten; alleen +wanneer zijn oppasser hem deze lekkernij vlak voor den mond houdt, +hapt hij toe. + +De _Plompe Lori_, de _Scharmindi billi_ of "schaamachtige Kat" van +de Indiërs, de _Moeka_ ("het aangezicht") van de Javanen (_Stenops +tardigradus_) is een weinig meer bekend geworden, waarschijnlijk omdat +hij talrijker voorkomt en een grooter verbreidingsgebied heeft dan +zijn slanke neef. De westelijke grens van dit gebied wordt ongeveer +door den benedenloop van den Brahmapoetra gevormd. In den Himalaja +werd hij niet gevonden, wel echter in Assam en alle meer zuid- en +zuid-oostwaarts gelegen landen, alsmede op de eilanden Sumatra, Java +en Borneo. Hij is grooter en van meer ineengedrongen lichaamsbouw dan +zijn stamverwant. Bij deze soort komen velerlei afwijkingen van grootte +en kleur voor, die echter, naar het schijnt, niet bestendig zijn. De +hoofdkleur is een helderder of donkerder aschgrauw of zilvergrijs +aan de bovenzijde, dikwijls met een roodachtig waas overtogen; naar +onderen wordt de kleur bleeker; over den rug loopt in de richting +der lengte een meer of minder donkere, kastanjebruine streep, die +aan de kruin vervloeit, of daar in een breede, menigmaal tot aan de +ooren reikende vlek eindigt, of zich in twee banden tot aan de oogen, +of in vier banden tot aan de oogen en ooren voortzet. De oogen zijn +steeds met bruine ringen omgeven, ook daar waar geen strepen het +aangezicht versieren. De onbehaarde gedeelten van de zolen en den +neus zijn vleeschkleurig. De lichaamslengte bedraagt 32 à 37 cM., +die van den staart 1 1/2 tot krap 2 cM. + +De Plompe Lori, een woudbewoner, welks levenswijze in de vrije +natuur zeer moeilijk is na te gaan, leeft vereenigd tot familiën, +die den dag slapend doorbrengen in holle boomen, na het invallen van +de schemering wakker worden en dan uitgaan om voedsel te zoeken. In +de vrije natuur hebben Europeanen het dier bijna nog niet waargenomen. + +Bij de Javanen staat het in zeer slechten reuk. "Zijn nabijheid brengt +gevaar, ziekte, dood of een ongeluk", en wordt daarom door iedereen +zooveel mogelijk gesmeden. _Haszkarl_, aan wien ik bovenstaande +mededeelingen verschuldigd ben, schrijft mij: "Toen ik zulk een gast +in mijn huis opnam, werd ik door iedereen gewaarschuwd, en gewezen op +allerlei gevaren, waaraan ik mij blootstelde. Lang heb ik mijn Lori +niet kunnen behouden, waarschijnlijk werd hij door mijne bedienden, +die zeer bang voor hem waren, en een hekel hadden aan den onaangenamen +reuk, dien hij verbreidde, door het een of ander middel gedood. + +"In de gevangenschap zijn de Lori's stil, geduldig en +zwaarmoedig. Ineengehurkt zitten zij den geheelen dag te slapen, en +laten daarbij den kop op de samengevoegde handen rusten. Een dezer +dieren, dat aanvankelijk aan een touw vastgelegd was, lichtte dit +herhaaldelijk met een droefgeestig gebaar op, alsof het zich over +zijne kluisters beklaagde; het deed echter geen pogingen om ze te +verbreken. In den eersten tijd trachtte deze Lori zijn oppasser te +bijten, eenige kleine kastijdingen waren echter voldoende om zulke +opwellingen van toorn te onderdrukken. Als men hem streelde, vatte hij +de hand, die hem liefkoosde, drukte haar aan zijn borst en richtte de +half geopende oogen op zijn verzorger. Bij het invallen van den nacht +werd hij wakker. Eerst wreef hij zich de oogen als een slaapdronken +mensch, keek daarna rond en begon zijn nachtelijke wandeling. Hij liep +dan ook behendig langs de touwen, die men voor hem gespannen had. Hij +hield zeer veel van vruchten en melk, maar was nog meer verlekkerd op +Vogels en Insecten. Hield men hem zulk een prooi voor, dan kwam hij +er met voorzichtige schreden op af, dikwijls de geheele kamer door, +evenals iemand, die op de teenen gaat om een ander te verrassen. Op +een afstand van ongeveer één voet van zijn slachtoffer, maakte hij +halt, richtte zich op, deed in deze houding nog een stap vooruit en +strekte stil de armen, om eindelijk bliksemsnel zijn buit te grijpen +en in weinige oogenblikken dood te drukken." + +Tot dusver heb ik slechts twee Plompe Lori's gezien en waargenomen. Den +eersten zag ik alleen over dag in den Amsterdamschen dierentuin. Hij +was niet zoo vriendelijk, als ik op grond van de bovenstaande +berichten verwacht had. 't Zij, dat hij ontstemd was over het +verstoren van zijn rust, of een ongewoon prikkelbaar gestel had, +hij was klaarblijkelijk zeer ontevreden over de wijze waarop wij hem +bejegenden. Zeer duidelijk drukte hij dit gevoel uit door te blazen als +een Kat en door te trachten de hem wekkende hand van zijn oppasser te +bijten, wat hij reeds vroeger eenige malen met succes gedaan had. Nu +gelukte deze wraakoefening niet; verdrietig hierover ging hij langzaam +achteruit. Dit deed hij op een wijze, die mij zeer verraste. Met +zijne groote oogen ons voortdurend aanstarend, verwijderde hij zich +uiterst langzaam, voetje voor voetje, _ruggelings_ van ons, en wel +_naar boven_ langs een paal, die weinig van den loodrechten stand +afweek. Hij klautert dus in sommige gevallen van onderen naar boven, +terwijl zijn aangezicht naar onderen gericht is. Voor zoover ik weet, +kan geen ander Zoogdier dit doen! + +Een tweeden Plompen Lori heb ik zelf gedurende geruimen tijd onder +mijn hoede gehad. Den slanken Lori, die in een ander hok opgesloten +was, beschouwde hij met zichtbare belangstelling, toen hij voor de +eerste maal in zijn nabijheid werd gebracht; hij deed echter geen +pogingen tot verdere toenadering; later was zijn stamgenoot hem even +onverschillig, als andere dieren, met uitzondering natuurlijk van die, +welke hem eetbaar toeschenen. Uit alle proeven en waarnemingen, die tot +dusver gedaan zijn, schijnt te blijken, dat het verstand van dit dier +even gering is als zijn belangstelling in de buitenwereld; blijkbaar +beweegt zijn gedachtengang zich binnen een zeer beperkt kringetje. + + + +Tot de Halfapen die ons het best bekend zijn, behooren de _Langoorige +Maki's_ of _Galago's_, over welker handel en wandel ook reeds door +reizigers uit vroegeren tijd berichten zijn gegeven. Bij hen heeft +het gehoorzintuig de overhand, hetgeen in overeenstemming is met de +zeer groote vliezige ooren, welke aan die van sommige Vleermuizen +herinneren. Het lichaam van de Galago's is eer schraal dan plomp; +wegens de overvloedige beharing ziet het er echter voller uit +dan het is. De betrekkelijk groote kop onderscheidt zich, behalve +door de buitengewoon sterk ontwikkelde, naakte ooren, door de dicht +bijeengeplaatste oogen. Zoowel de voorste als de achterste ledematen +zijn middelmatig van lengte, de handen en voeten goed gevormd; de +wijsvinger en de tweede teen, bij enkele ook de middelste vinger en +de middelste teen, zijn met klauwachtige, de andere vingers en teenen +met platte nagels voorzien. + +De Galago's bewonen Afrika en eenige eilanden ten westen en ten oosten +van dit werelddeel. In tegenstelling met de Maki's moeten zij beschouwd +worden als roofdieren, die slechts af en toe vruchten gebruiken. Om ze +te beschrijven, wil ik hier de woorden herhalen, die ik in gemeenschap +met _Kersten_ volgens zijne opgaven en mijne eigene waarnemingen in +de reisbeschrijving van _Von der Decken_ gebruikt heb: "De Galago's +zijn nachtdieren in den volsten zin van 't woord: de maan vervangt voor +hen de zon; de dag gaat voor hen spoorloos voorbij. Nog slaperiger dan +de Slaapmuizen liggen zij gedurende alle uren van den dag ineengerold +in den een of anderen hiervoor geschikten schuilhoek; wanneer men ze +verhindert zulk een schuilplaats op te zoeken, trachten zij door het +angstvallig verbergen van den kop zich te beveiligen voor het gehate +zonlicht; zelfs doen zij hun best om zich door het ineenrollen van +de ooren, voor ieder gedruisch te vrijwaren. Als zij door de een +of andere oorzaak met geweld uit hun vasten slaap gewekt worden, +staren zij aanvankelijk droomerig in de verte, ontwaken allengs uit +dezen slaapdronken toestand en geven nu door afwerende bewegingen te +kennen, hoe onaangenaam hun deze storing is.--Geheel anders gedragen +deze dieren zich na zonsondergang. Zoodra de schemering in het woud +aanbreekt, ontwaakt de Galago (misschien omdat hij de avondkoelte +begint te voelen); hij buigt den over den kop ineengekronkelden staart +terug, opent de oogen, en ontvouwt de vliezige ooren, die tot dusver +ineengerold of liever ineengeschrompeld waren tot een goed sluitend +deksel van het gehoororgaan; hij poetst en lekt zich, verlaat den +schuilhoek en begint nu zijn spookachtige werkzaamheid, die bij +'t licht bezien een rooversleven is in den volsten zin van 't woord. + +"De onverzadelijke bloeddorst en moordlust, die de Galago hierbij +openbaart, zou men bij zulk een hoog ontwikkeld Handdier niet +verwacht hebben. Hij is even goed begaafd als eenig ander roofdier: +scherp van gezicht als een Losch, fijn van gehoor als een Vleermuis, +geschikt om een spoor te volgen als een Vos, en, hoewel niet zoo +verstandig als deze, toch wel degelijk listig. De Galago vereenigt de +behendigheid van een Aap met die van een Slaapmuis; hij vergroot door +stoutmoedigheid de onfeilbaarheid van zijn aanval, en wordt hierdoor +tot een vreeselijken vijand van alle kleine dieren; in deze opzichten +onderscheidt hij zich in hooge mate van de meeste zijner verwanten". + +Deze woorden bevatten bijna al wat tot dusver bekend geworden is +over het leven der Langoorige Maki's in de vrije natuur; het zal niet +gemakkelijk zijn, hierover meer te ervaren, daar het waarnemen van de +handelingen en bewegingen van deze dieren gedurende den nacht groote +moeielijkheden aanbiedt. + +Van de Langoorige Maki's kent men tot dusver slechts een gering +aantal soorten; de reuzen van dit geslacht komen in grootte met een +bijna volwassen Konijn overeen, terwijl de kleinste soort in dit +opzicht een matig groote Muis slechts weinig overtreft. De _Galago_ +(_Otolicnus galago_), die wij in de eerste plaats zullen behandelen, +is een sierlijk diertje van de grootte van een Eekhoorn. Zijn korte, +maar dichte en zijdeachtig zachte vacht is aan de bovenzijde vaalgrijs, +aan den kop en op den rug zwak roodachtig, aan de binnenzijde van de +ledematen en aan den buik geelachtig wit van kleur; een dergelijke +kleur hebben de wangen en een tusschen de oogen beginnende overlangsche +streep, die zich tot aan den top van den neus uitstrekt. De ooren +zijn vleeschkleurig, de oogen bruin. + +Deze Halfaap is in een groot deel van Afrika inheemsch. _Adanson_ +ontdekte hem in de bosschen langs de oevers van de Senegambische +rivieren; de reizigers van lateren tijd merkten hem in Zuid-Afrika +en in Soedan op. Hier vond ook ik hem verscheidene malen, steeds +echter ten westen van den Witten Nijl en vooral in Kordofan. Den +inboorlingen is het onder den naam _Tendj_ welbekend; zij gelooven, +dat hij oorspronkelijk een Aap was en door zijn slaapzucht zoozeer +ontaard is. Wij troffen den Tendj alleen in mimosa-bosschen aan en +wel in den regel paarsgewijs. De dieren zaten op dikke takken zeer +dicht bij den stam te slapen, werden echter oogenblikkelijk wakker, +toen zij onze voetstappen vernamen. Als zij overdag opgejaagd werden, +klauterden zij schielijk en behendig in de takken rond, namen echter +nooit de vlucht, maar gingen steeds na verloop van korten tijd weer +rustig zitten om te luisteren en door het dichte gebladerte naar ons +in de diepte te kijken. Zij wisten zeer behendig tusschen de vele +scherpe stekels van de mimosas door te dringen, en konden ook groote +sprongen maken van den eenen boom naar den anderen. De inboorlingen +verhaalden, dat deze dieren des nachts Insecten vangen of vruchten +plukken, en dit zonder gedruisch doen, hoeveel zij zich ook bewegen; +hunne oogen schitteren dan "als het brandende vuur". Ook zeiden zij +ons, dat het zeer gemakkelijk is deze dieren in strikken te vangen; +over dag kunnen goede klimmers ze wel met de hand grijpen; als zij den +tak waarop de Tendj zit, duchtig schudden, klemt deze zich, om niet +naar beneden te vallen, stevig vast en laat zich grijpen. Ik geloof +gaarne, dat deze wijze van vangen goede uitkomsten oplevert, ik zelf +heb haar dikwijls met goed gevolg op jonge Eekhoorntjes toegepast. + +De koopman _Bacle_, die in het begin van deze eeuw Senegambië +bereisde, kreeg een paar Galago's van een neger, die ze gevangen +had in de acacia-bosschen, die de Arabische gom leveren. Hij noemde +deze wezens "Gomdieren", en verzekerde, dat zij zeer graag mimosahars +eten. Het gevangen paar bevestigde deze mededeeling door de daad; het +gaf echter de voorkeur aan Insecten boven ieder ander voedsel. Door +hun gedrag herinnerden deze dieren evenzeer aan de Maki's als aan de +Vledermuizen. Hunne kapriolen en andere vlugge bewegingen, maar vooral +de reusachtige sprongen, die zij maken, vervulden alle reizigers +met verbazing; het merkwaardigst verschijnsel bij hen is echter de +beweeglijkheid van hunne ooren. Zij kunnen, als zij slapen willen, +hunne gehooropeningen geheel afsluiten. Het eerst rimpelt en verkort +zich het onderste gedeelte van de oorschelp, daarna wordt het bovenste +gedeelte naar binnen omgeslagen, zoodat men dan nagenoeg niets meer +dan het oor kan zien. Bij het geringste gedruisch echter ontrolt +de oorspits zich en wordt de geheele oorschelp weder gespannen en +glad. Sommige Vleermuizen handelen geheel op dezelfde wijze, als +zij hun zoo buitengewoon gevoelig gehoororgaan willen verzwakken, +en gedurende het geraas van den dag rustig willen slapen. + + + +De op Zanzibar levende Langoorige Maki, de _Komba_ van de +Suaheli (_Otolicnus agisymbanus_), is grooter dan de Galago; zijn +lichaamslengte bedraagt 20 à 30, de staartlengte 22 à 25 cM. De +hoofdkleur van het vel is geelachtig grijs of bruinachtig grijs. De +achterste helft van den overigens bruinrooden staart is zwartbruin. De +groote, bijna kale ooren zien er aschgrauw uit. + +Op Zanzibar heeft men, volgens _Kersten_, een zeer eenvoudig middel +om den Komba te vangen, zonder eigenlijk jacht op hem te maken: +zijn snoepzucht brengt hem in 't verderf. Hoe begeerig de Komba ook +is naar het warme bloed van Zoogdieren en Vogels, is hij toch ook +niet afkeerig van zoete genietingen; hij houdt er zelfs zooveel van, +dat men alleen in de levensgeschiedenis van de Apen en van enkele +Knaagdieren staaltjes aantreft van een dergelijken hartstochtelijken +trek in zoetigheid. "Als het sap van den palmboom, dat door gisting +wijn zal leveren, afgetapt wordt," zoo verhaalt de genoemde reiziger, +"komt de Langoorige Maki niet zelden als ongenoode gast partij trekken +van een bedrijf, dat in zoo hooge mate zijn belangstelling wekt; hij +vergast zich aan het zoete sap en leert door eigen ervaring de waarheid +erkennen van het gezegde, dat te veel "geest" den geest benevelt. Want +het prijzenswaardige vocht, dat eenigen tijd geleden uit den eindknop +van den palm vloeide, is wel is waar zoet gebleven, maar toch ook +bedwelmend geworden en dit te meer, naarmate het langer met de lucht +in aanraking was. De dorstige pooieraar in Lemuren-gedaante verliest +het bewustzijn en valt uit den hoogen boom, waar hij veilig was, +naar beneden op den bodem, en blijft daar smoordronken liggen. Hier +wordt hij 's morgens gevonden door den neger, die den uitgevloeiden +palmwijn komt halen; deze neemt den bewegingloozen droomer op, zet +hem voorloopig in een eenvoudig hok gevangen, of bindt hem een touw +om den middel, waarna hij hem naar de stad brengt en aan een der op +deze dieren vlassende Europeanen verkoopt. + +"Na eenigen tijd beloont de Komba de zorg, die aan hem besteed werd, +door goede diensten. In het vertrek waar hij huist, heeft de Muis geen +muis-waardig leven meer; ook vervolgt hij met onvermoeiden ijver de +zoo lastige, groote Kakkerlakken in het huis of op het schip, waar hij +gastvrijheid geniet. Een aangename herinnering hebben wij behouden van +een voorval, dat gedurende de vervelende zeereis plaats had. Het groot +aantal Kakkerlakken op ons schip noodzaakte ons van tijd tot tijd de +kisten te doorzoeken, waarin onze kleedingstukken geborgen waren. De +door dit ongedierte veroorzaakte stank, die ons bij 't openen van +de kisten tegemoet kwam, lokte onzen tammen Langoor aan. De voor hem +ongeschikte tijd van den dag verhinderde hem niet den inhoud van den +kist te onderzoeken; zeer spoedig bleek het, met welk doel hij gekomen +was; de door ons gestoorde tallooze legerscharen van Kakkerlakken +verschaften hem volop bezigheid. Met verrassende behendigheid greep +hij nu eens naar deze dan weer naar een andere plaats, pakte hier een +volwassen Insekt, ginds een jonger dier, en terwijl hij met de eene +hand de zooeven gevangen prooi vóór den kauwenden mond vasthield, +was de andere bezig nieuw wild op te sporen. Zoo speurde, luisterde, +werkte en smulde hij, totdat wij onzen arbeid verricht hadden." + + + +Een groote, ronde, tusschen de schouders gezeten kop met een echt +kikvorschengezicht, korte voorste en lange achterste ledematen benevens +een staart langer dan het lichaam zijn de uitwendige kenmerken van +een Halfaap, die reeds sedert geruimen tijd als vertegenwoordiger +van een afzonderlijk geslacht, sedert kort echter met het volste +recht als type van een afzonderlijke familie wordt aangemerkt. De +belangrijkste kenteekenen van deze dieren leveren de zeer vreemdsoortig +gevormde tanden, welke op die van de Insecteneters gelijken. Wegens +den buitengewoon langen voetwortel heeft men aan deze familie den +naam van _Voetworteldieren_ (_Tarsidae_) gegeven; vroeger werden zij +door sommige natuuronderzoekers voor Springmuizen, door andere voor +Buideldieren, door nog andere eindelijk voor Lemuren gehouden. Daar +men tot dusver slechts één goed omschreven soort (of hoogstens twee +soorten) kent, die hiertoe gerekend kan worden, gelden de kenmerken +van deze ook voor de familie. + + + +Het _Spookdiertje_ (_Tarsius spectrum_) bereikt een lengte van 40 cM., +waarvan 23 à 24 cM. op den staart komen. Het haar is bruinachtig grijs, +de ooren zijn naakt, de oogen buitengewoon groot, naar verhouding de +grootste, die bij een Zoogdier voorkomen. De vingertoppen zijn aan de +onderzijde kussenvormig vergroot, evenals bij den Boomkikvorsch. Het +Spookdiertje is een tamelijk zeldzame bewoner van de bosschen van +Sumatra, Banca en Borneo, het wordt echter ook gevonden in sommige +gedeelten van Celebes (en de Philippijnen). De inboorlingen van +Sumatra noemen hem _Singapoa_. Volgens een hunner overleveringen +was hij oorspronkelijk zoo groot als een Leeuw (Singa), maar is +allengs ingekrompen tot zijn tegenwoordige gestalte. Misschien +is dit de reden van de vrees, die zij voor hem koesteren. Hoe dit +ook zij, zijn tegenwoordigheid wordt door hen als een voorbode van +ongeluk beschouwd. Van zijne gevangene Spookdiertjes deelt _Jagor_ +het volgende mede: "In Loquilocun en Boranjen" (op de Philippijnen) +"was ik in de gelegenheid twee Spookdiertjes (hier _Majo_ genaamd) +te koopen. Deze uiterst sierlijke, zeldzame beestjes, komen, naar +men mij op Luçon verzekerde, slecht op Samar voor. Mijn eerste Majo +moest in 't eerst een weinig honger lijden, omdat hij plantenkost +versmaadde; later verslond hij echter levende Sprinkhanen met den +grootsten smaak. Het was een zeer grappig schouwspel, het diertje, +wanneer het overdag gevoederd wordt, rechtop staand, op zijne beide +dunne pootjes en den kalen staart steunend, den grooten kogelronden +kop met de beide merkwaardig groote oogen naar alle richtingen te zien +draaien, evenals een dievenlantaarn op een drievoet met kogelgeleding +zich draait. Het duurde eenigen tijd, voordat hij er in slaagde, +de oogen juist te richten op het hem aangeboden voorwerp; zoodra dit +hem gelukte, strekte hij plotseling zijne beide armpjes zijwaarts en +een weinig achterwaarts als een kind, dat zijne blijdschap te kennen +geeft, greep dan schielijk met de handen en den bek den buit, en at +deze bedachtzaam op. + +"Over dag was de Majo slaperig, zwak van gezicht en, als men hem +stoorde, ook brommig; als het daglicht verflauwde, werd hij echter +wakker en vergrootte zich zijn pupil. Des nachts bewoog hij zich +vlug en behendig met onhoorbare sprongen, liefst in zijdelingsche +richting. Hij werd spoedig tam, stierf echter reeds na weinige dagen; +ook het tweede diertje kon ik niet lang in 't leven houden." + + + +Voor ruim honderd jaar kreeg de reiziger _Sonnerat_ uit een bosch van +Madagaskars westkust twee hoogst zonderlinge dieren, van welker bestaan +niemand tot dusver kennis droeg. Zelfs op de tegenovergestelde kust +waren zij volkomen onbekend; de daar levende Madagassen zeiden althans, +dat zij nu voor 't eerst zulke dieren zagen; om hunne verwondering +te kennen te geven, riepen zij luid: "Aï, Aï", welke uitroep door +_Sonnerat_ als naam voor het dier werd gekozen. + +Gedurende meer dan 60 jaren bleef de door _Sonnerat_ naar Europa +gebrachte _Aï-aï_ de eenige, dien men kende, en was de in het jaar +1782 opgemaakte beschrijving van dit zeldzame dier, de eenige bron +voor de kennis hiervan. Men dacht er reeds aan, het als uitgestorven +te beschouwen, toen in 1844 _De Castelle_ opnieuw berichten over +dit wezen gaf. Deze reiziger slaagde er in, een jongen levenden +Aï-aï te verwerven, en besloot, hem aan den Parijschen "Jardin des +plantes" te schenken. Ongelukkig stierf dit exemplaar, voordat het +in Europa was aangekomen; zijn vel en zijn geraamte werden echter +aan de verzameling van de genoemde inrichting toegevoegd; het bleek +toen, dat het nieuwe dier tot de door _Sonnerat_ ontdekte soort +behoorde. Nieuw materiaal om haar nader te leeren kennen ontving hem +echter eerst in 1862. Toen werd de Dierkundige Vereeniging te Londen +verblijd door het bericht, dat twee "_Vingerdieren_" of "Naaktvingers", +zooals men dezen overgangsvorm intusschen had genoemd, op Madagaskar +gevangen en naar de Diergaarde in Regentspark onderweg waren. Een van +deze kwam gelukkig levend, het andere als spiritus-preparaat op de +plaats van bestemming. Eenigen tijd daarna werden nog meer exemplaren +overgezonden, waarvan drie voor het Berlijnsche museum. + +Nu eerst konden de dierkundigen de verwantschap van den Aï-aï met +zekerheid bepalen en hem een plaats in het stelsel aanwijzen. + +Volgens de onderzoekingen van _Owen_ en _Peters_ vormt de Aï-aï--het +_Vingerdier_ (_Chiromys madagascariensis_)--niet slechts een +afzonderlijk geslacht, maar ook een nieuwe familie in de orde der +Halfapen. + +De Aï-aï, die eenige jaren lang te Londen heeft geleefd, heb ik leeren +kennen; ongelukkig was de duur van mijn verblijf aldaar zoo kort, dat +ik slechts één avond aan dit dier kon wijden. Deze tijd was echter +voldoende om mij te doen inzien, dat de beschrijving van _Sonnerat_ +niet alleen aanvulling, maar ook verbetering eischt. Ik zal daarom hier +van de uitkomsten van mijn vluchtig onderzoek, vermeerderd met hetgeen +ik van de oppassers van het dier vernam, een kort overzicht geven. + +Het vertoont letterlijk met geen enkel Zoogdier een eenigszins +belangrijke overeenstemming. In sommige opzichten herinnert het aan +de Galago's; geen dierkundige zal hierin echter een motief vinden om +het met deze dieren tot één familie te vereenigen. De dikke, breede +kop, die wegens de groote ooren nog breeder schijnt, de kleine, +eenigszins uitpuilende, starende, beweginglooze, maar vurige oogen, +die een veel kleiner pupil hebben dan de oogen van den Nachtaap, +de mond, die werkelijk eenigszins gelijkt op een papegaaien-snavel, +de aanzienlijke grootte van het lichaam en de lange staart, die, +evenals het geheele lichaam, met dun gezaaide, maar lange, stijve, +bijna borstelachtige bovenharen bezet is, en de zoo merkwaardige +handen eindelijk, waarvan de middelvinger er uitziet, alsof hij +uitgedroogd is: al deze kenmerken te zamen genomen verschaffen het +dier zulk een eigenaardig voorkomen, dat men onwillekeurig zich het +hoofd breekt met vruchtelooze pogingen om een schepsel te vinden, +dat aan dit dier verwant is. + +Voor den deskundige, die dit dier levend voor zich ziet, kan er geen +twijfel aan bestaan, dat hij hier een echten nachtwandelaar voor zich +heeft. De _Aï-aï_ is lichtschuwer dan eenig mij bekend Zoogdier. Een +Nachtaap kan nog wakker gemaakt worden, waggelt rond, kijkt verwonderd +naar de hem onbekende wereld vol zonneschijn en warmte, luistert met +belangstelling naar het gonzen van een Insect, lekt en poetst zich: de +Aï-aï daarentegen schijnt overdag, als men hem met veel moeite wakker +geschud heeft, volkomen bewusteloos te zijn. Als een automaat keert +hij weer terug in zijn donker hoekje, rolt zich hier ineen, en bedekt +met den dikken staart, dien hij zich als een hoepel om den kop slaat, +zijn aangezicht. Bij iedere beweging, elke handeling geeft hij de +bewijzen van een onvergelijkelijke traagheid en langzaamheid. Eerst +als de ware, donkere nacht ingevallen is, lang na de schemering, +herkrijgt hij zijn opgewektheid en komt uit zijn "donkere kamer" +te voorschijn, schijnbaar nog steeds vervuld van den angst, dat de +een of andere lichtstraal hem zou kunnen treffen. Het schijnsel van +een kaars, dat andere nachtdieren niet de minste bekommering baart, +doet hem snel terugvluchten. + +Als de waarnemingen van _Sonnerat_ juist geweest zijn, heeft hij met +een bijzonder goedaardigen Aï-aï te doen gehad. Die, welke ik zag, +was niets minder dan zachtmoedig, integendeel, zeer prikkelbaar +en ongezellig. Als men hem naderde, blies hij als een Kat; als men +hem de hand voorhield, schoot hij, dezelfde geluiden voortbrengend, +woedend en zeer snel er op los, en trachtte de hand met zijne beide +voorpooten te pakken. + +Het eenige voedsel, dat men dit dier geeft, is versche melk, +waarmede men de gekookte en fijn gewreven dooier van een ei vermengd +heeft. Een kleine schotel vol hiervan is voldoende voor één dag. Bij +het eten maakt de Aï-aï van zijne beide handen gebruik: hiermede +werpt hij zich de vloeibare spijs in den mond. Vleeschkost heeft hij +tot dusver hardnekkig versmaad; of men getracht heeft, hem ook aan +andere voedingsmiddelen te gewennen, weet ik niet. + +Aan deze in 't jaar 1863 geschreven opmerkingen wil ik _Pollen_'s later +(1868) openbaar gemaakte mededeelingen toevoegen, vooral omdat zij onze +kennis van het leven van den Aï-aï in de vrije natuur aanvullen. "Dit +in wetenschappelijk opzicht zoo belangrijk dier," zegt de genoemde +onderzoeker, "bewoont bij voorkeur de bamboesbosschen van het groote +eiland. Het voedt zich met het merg van bamboes en van suikerriet, +maar ook met Kevers en hunne larven. Zoowel om het binnenste gedeelte +van den riethalm te verkrijgen als om Insecten te vangen, knaagt +het met zijne krachtige snijtanden in den stengel een opening en +steekt hierin zijn dunnen middelvinger, waarmede hij zich van het +merg of van het Insect meester maakt. Zoo slaperig het over dag is, +zoo vlug beweegt het zich gedurende den nacht. Het slapen vangt aan +bij 't opgaan der zon; het dier verbergt daarbij den kop tusschen de +pooten en omgeeft hem bovendien met den langen staart; bij 't begin +van den nacht ontwaakt het uit zijn slaapdronken toestand, klimt bij +de boomen op en neer, en springt met de behendigheid van de Maki's +van tak tot tak; intusschen onderzoekt het zorgvuldig alle openingen, +reten en gaten van de oude boomen, om Insecten buit te maken; door +het eerste schijnsel van 't morgenrood wordt onze insectenjager naar +'t binnenste van 't woud teruggedreven. Gedurende den nacht verneemt +men dikwijls zijn krachtig geknor." + + + + + + +Derde Orde. + +De Vleermuizen (_Chiroptera_). + + +Nog voordat op een mooien zomeravond de zon onder de kim gezonken +is, vangen de leden van een der merkwaardigste orden van de +Zoogdierenklasse hun eigenaardigen arbeid aan. Uit alle spleten, holen +en gaten ontwijkt de sombere, nachtelijke schaar der Vledermuizen, +die zich gedurende den dag schuw teruggetrokken had, alsof zij zich +in het licht der zon niet durfde vertoonen, en maakt zich gereed +voor hare nachtelijke zwerftochten. Hoe meer de schemering valt, +des te grooter wordt het aantal dezer donkere gezellen, totdat met +het begin van den nacht _alle_ wakker geworden zijn en in de lucht +haar bedrijf uitoefenen. Ons vaderland ligt evenwel aan de grens van +het verbreidingsgebied der Vledermuizen; het herbergt alleen kleine, +tengere en zwakke soorten. In het Zuiden is het anders gesteld. + +Hoe meer men den warmen aardgordel nadert, des te grooter wordt +het aantal Vleermuizen, en met het aantal individuën neemt ook de +verscheidenheid van vormen toe. Het Zuiden is het vaderland van de +meeste dieren dezer orde. Reeds in Italië, Griekenland en Spanje is +haar aantal in 't oogloopend groot. Als daar de avond nadert, komen zij +niet bij honderden, maar bij duizenden uit hare schuilhoeken opdagen, +zoodat de lucht er van wemelt. Uit ieder huis, uit elke ruïne, uit +iedere rotsspleet fladderen zij naar buiten, alsof een groot leger +zijn uittocht gaat houden; reeds gedurende de schemering is letterlijk +de geheele gezichtskring door haar ingenomen. De veelvuldigheid der +Vleermuizen in warme landen is werkelijk verrassend. Zij leveren +een uiterst aantrekkelijk en onderhoudend schouwspel op voor hem, +die vóór de poorten van een groote stad in het Oosten den avond +doorbrengt. De zwermen, die daar door den avond gewekt worden, +verduisteren de lucht in den letterlijken zin van 't woord. Zeer +spoedig wordt het onmogelijk, haar aantal te schatten, want allerwege +ziet men massa's van donkere gedaanten door de lucht zwermen. Overal +is leven en beweging; tusschen de boomen van de tuinen, bosschen +en wouden snorren zij door: over de velden fladderen zij, deels +laag bij den grond langs, deels op aanzienlijke hoogte; door de +straten der stad, over de binnenplaatsen en zelfs door de kamers der +woningen beweegt zich het vliegende leger. Honderden komen, honderden +verdwijnen. Voortdurend omringt ons een fladderende schare. + +De Vleermuizen of _Handvleugelingen_ zijn onmiddellijk kenbaar aan +uitwendig zichtbare eigenaardigheden van den lichaamsbouw. Zij hebben +over 't algemeen een ineengedrongen gestalte, een korten hals en een +dikken, langwerpigen kop met groote mondspleet. Hoewel de beide tepels +bij de Vleermuizen aan de borst geplaatst zijn en deze dieren ook in +andere opzichten nog het meest met de Apen overeenstemmen, bestaat er +echter een in 't oogloopend verschil tusschen de beide diergroepen. De +handen zijn n.l. bij de Vleermuizen vliegwerktuigen geworden, en om +deze reden reusachtig vergroot, daarentegen is de stam van 't lichaam +zoo klein mogelijk. Dit maakt, dat zij grooter schijnen, dan zij zijn; +in werkelijkheid behooren zij tot de kleinste der Zoogdieren. Ook het +inwendige van haar lichaam vertoont vele eigenaardige kenmerken. Haar +geraamte is licht, maar stevig gebouwd, hoewel de beenderen geen met +lucht gevulde holten bevatten, zooals die der Vogels. Kenschetsend +voor de Vleermuizen is het maaksel der voorste ledematen. De boven- +en de benedenarm en de middelhand met de vingers zijn buitengewoon +lang; vooral geldt dit voor de drie buitenste of achterste vingers, +die den bovenarm in lengte overtreffen. Hierdoor worden de op +baleinen van een parapluie gelijkende vingers tot het uitspannen van +de hen vereenigde vlieghuid zeer geschikt, maar tevens voor andere +dienstverrichtingen onbruikbaar. Alleen de duim, die aan de vorming +van den voor 't vliegen dienenden waaier geen deel neemt, gelijkt +nog eenigszins op de vingers der overige Zoogdieren: als gewoonlijk +is hij tweeledig en kort; hij is met een scherpen klauw voorzien, die +bij het klimmen en zich vasthouden de geheele hand vervangen moet. Het +dijbeen is veel korter en zwakker dan het opperarmbeen; alle beenderen +van de als pooten ontwikkelde achterste ledematen zijn trouwens in +'t oogloopend zwakker dan die van de voorste. Deze pooten wijken niet +veel van den algemeenen regel af; ook hier heeft de voet vijf teenen, +en is iedere teen met een klauw voorzien. Toch heeft ook de voet iets +eigenaardigs: van den hiel gaat n.l. een slechts bij de Vleermuizen +voorkomend been--het _spoorbeen_--uit; het dient voor het spannen van +de vlieghuid tusschen de pooten en den staart. Door den bouw van haar +geraamte herinneren de Vleermuizen niet zoo zeer aan de Vogels, als aan +de voorwereldlijke Vliegende Hagedissen. Van de spieren verdienen de +buitengewoon krachtige borstspieren een afzonderlijke vermelding, en +bovendien een bij de overige Zoogdieren in 't geheel niet voorkomende +spier, die, aan den schedel ontspringend, met zijn andere uiteinde +aan de hand verbonden is, en de vlieghuid helpt spannen. Het gebit +gelijkt op dat van Insecteneters; het bevat alle drie soorten van +tanden in reeksen, die geen tusschenruimten overlaten; het aantal +en de vorm der tanden zijn echter bij de verschillende soorten van +Vleermuizen zeer ongelijk. + +De merkwaardigste eigenschap van deze dieren is ongetwijfeld de +vreemdsoortige uitbreiding van de huid, die niet alleen de gedaante van +het geheele lichaam, maar ook de uitdrukking van het gelaat bepaalt, +en aanleiding geeft tot het werkelijk monsterachtig voorkomen van +vele Vleermuis-aangezichten. De met een breede mondspleet voorziene +snuit draagt ook wel iets bij tot de zeer eigenaardige physionomie +van deze dieren; het zijn echter de huidwoekeringen aan de ooren +en aan den neus, die aan het gelaat zijn eigenaardig voorkomen en +(volgens het oordeel van de meeste menschen althans) zijn leelijkheid +verschaffen. "Geen enkele diergroep," zegt _Blasius_, "kan op zulk een +ontwikkeling van het huidsysteem bogen, als zich in den vorm van de +ooren, van den neus en van de vlieghuid der Vleermuizen openbaart. De +ooren, die bij alle soorten merkwaardig groot zijn, bereiken bij +eenige nagenoeg de lengte van het lichaam; in enkele gevallen breiden +zij zich ook in de breedte uit, totdat zij op de kruin elkander raken +en hier aaneengroeien. Bij sommige soorten is ook de huid rondom de +neusgaten en van den rug van den neus tot vreemdsoortige aanhangsels +uitgegroeid. Hierdoor ontstaan aangezichtsvormen zoo zonderling, +als bij geen andere dieren voorkomen. Deze eigenaardigheden, die +in nauw verband staan met de wijze van beweging en de levenswijze, +brengen een in 't oog loopend verschil teweeg tusschen de Orde der +Handvleugeligen en de overige Zoogdieren-orden." + +Door haar samenstelling is de vlieghuid uitnemend geschikt voor haar +hoofdverrichting. Zij bevat een zeer rekbare en veerkrachtige huidlaag; +de lagen, die aan hare oppervlakte gelegen zijn, worden zacht gehouden +door inwrijving met een olieachtig vocht, afkomstig uit klieren, +die zich aan het aangezicht bevinden. Zeer merkwaardig is ook de bouw +van de haren der Vleermuizen. De microscoop leert, dat zij zich van +de haren der andere dieren onderscheiden door het opgericht zijn van +de gewoonlijk aanliggende schubben, die het zoogenaamde opperhuidje +van het haar vormen. Hierdoor ontstaan op het haar schroefvormige +windingen, waardoor het als 't ware in leden verdeeld is. _Altum_ +telde aan een haar van den rug van de Dwerg-Vledermuis 926 zulke +leden. Dat een uit zulke haren samengestelde vacht uitstekend in +staat is om het dier tegen afkoeling te beschutten, en het daardoor +beter geschikt maakt om 's nacht rond te vliegen, ligt voor de hand. + +Sommige zintuigen zijn bij de Vleermuizen uitstekend, andere veel +minder goed ontwikkeld. Het minst volkomen is waarschijnlijk de +smaakzin; dat hij echter niet ontbreekt, zou men reeds dadelijk kunnen +afleiden uit het maaksel van de tong, de zachtheid van den lippen +en de buitengewoon talrijke zenuwen in deze lichaamsdeelen. Het +bestaan van den smaakzin is trouwens proefondervindelijk gebleken +uit waarnemingen bij Vleermuizen, die in den winterslaap verkeerden +en dus half bewusteloos waren. Giet men zulk een dier een druppel +water in den met geweld geopenden bek, dan slikken zij dezen door +zonder bezwaar te maken. Brandewijn, inkt of dergelijke wansmakelijke +vloeistoffen worden daarentegen standvastig uitgespuwd. + +Het oog is klein in verhouding tot den lichaamsomvang, maar bezit +een pupil, die zich sterk verwijden kan. Sommige soorten hebben +buitengewoon kleine oogen; deze zijn, zooals _Carl Koch_ doet opmerken +bij eenige zoo zeer verborgen te midden van de dichte beharing van +het aangezicht, dat zij onmogelijk als gezichtsorganen dienst kunnen +doen. En nu jagen juist deze kleinoogige dieren over dag, en hebben +de 's nachts vliegende Vleermuizen daarentegen grootere en meer +vrij liggende oogen. Maar ook bij deze kan het oog buiten werking +gesteld worden, zonder dat dit haar merkbaar hindert. Hieruit blijkt, +dat het gezichtszintuig bij het doen van waarnemingen krachtdadig +ondersteund wordt door de zintuigen van den reuk, het gehoor en +het tastgevoel. Om Vleermuizen tijdelijk blind te maken, plakte men +haar eenvoudig een stukje Engelsche pleister over de oogen. Ondanks +haar blindheid vlogen zulke dieren nog even behendig door de kamer, +als toen zij zien konden. Allerlei hindernissen, b.v. draden, die +in verschillende richtingen door het vertrek waren gespannen, wisten +zij zeer goed te ontwijken. Hiermede staat in verband het eigenaardig +verschil, dat men opmerkt tusschen Vleermuizen en Vogels of Insecten, +wanneer beide zich voor 't eerst vrij in een vertrek bevinden, +waarvan de ramen gesloten zijn. De Vogels en Insecten zullen tegen de +ruiten vliegen en zich hierdoor soms ernstig bezeeren; de Vleermuizen +daarentegen zullen van de aanwezigheid van de ook voor hen onzichtbare +ruiten onderricht worden, doordat deze de lucht terugkaatsen, die +door de vlieghuid sterk in beweging wordt gebracht. Vermoedelijk is +de vlieghuid het voornaamste orgaan voor den tastzin.--Veel beter +ontwikkeld dan het gezicht zijn de reuk en het gehoor. De neus is +bij alle Vleermuizen een zeer volkomen orgaan. De groote neusgaten +kunnen door hiervoor bestemde spieren verwijd, vernauwd en zelfs +geheel gesloten worden. Verscheidene soorten bezitten bovendien +groote, bladvormige aanhangsels aan den neus, die zeer zeker +gedeeltelijk ten doel hebben om de scherpte van het reukzintuig te +vermeerderen.--De oorschelp, die op soortgelijke wijze als de neus, +een hoogeren graad van volkomenheid heeft verkregen, is zoo groot, dat +zij zich dikwijls tot in de nabijheid van den mondhoek uitstrekt: zij +vertoont eigenaardige uitwassen, plooien en insnijdingen, en kan door +een zeer samengesteld spierstelsel, zoowel geheel als gedeeltelijk, +uiterst gemakkelijk bewogen worden. Een groote, beweegbare klep, +het oordeksel, welker vorm bij verschillende soorten zeer ongelijk +kan zijn, heeft ten doel de gehooropening af te sluiten, wanneer +een geluid te sterk is om door de Vleermuis verdragen te worden, +haar met een onaangename gewaarwording bedreigt. Ook bevordert dit +aanhangsel het opvangen van zeer zwakke geluiden. Het is n.l. gebleken, +dat Vleermuizen voorbijvliegende Insecten reeds op tamelijk grooten +afstand _hooren_ kunnen, en dat zij zich bij haar beweging in de lucht +voornamelijk door het gehoor laten leiden. Daarom worden zij door het +afknippen van stukken van de oorschelp en van het oordeksel buiten +staat gesteld om bij 't vliegen een goede richting te behouden. Op +deze wijze verminkt, stooten zij zich overal aan. + +De geestvermogens van de Vleermuizen zijn volstrekt niet zoo +gering, als vaak op grond van de geringe ontwikkeling hunner groote +hersenen en van het gering aantal windingen hierop wordt beweerd; zij +logenstraffen de uitdrukking van het gelaat, dat armoede van geest +te kennen geeft. Alle Vleermuizen onderscheiden zich door een vrij +goed ontwikkeld herinneringsvermogen, eenige geven zelfs bewijzen +van verstandelijk overleg. + +Zoo verhaalt _Kolenati_, dat een Vleermuis, die in een lindenlaan op de +jacht was, het wijfje van een Vlinder niet aanroerde, omdat het vele +mannetjes tot zich lokte, die het roofdier nu achtereenvolgens kon +ophappen. Als men om Vleermuizen te vangen een Vlinder aan den haak +slaat, die aan een paardehaar bevestigd is, zal men zich tevergeefs +moeite geven. Zij komen naderbij, onderzoeken het zwevende Insect, +bemerken echter spoedig het haar dreigende gevaar, en laten het +lokaas onaangeroerd, zelfs als zij slechts weinig voedsel kunnen +vinden. Dat de Vleermuizen bij goede behandeling zeer tam en aan haar +meester gehecht kunnen worden, is door vele geleerden en vrienden +der natuur opgemerkt. Enkele onderzoekers slaagden er spoedig in, +deze dieren te leeren haar voedsel uit de hand van haar meester te +nemen of uit glazen te halen; zoodra zij begrepen hadden, waar het om +te doen was, deden zij dit telkens. Mijn broeder had een Grootoorige +Vleermuis zoover getemd, dat zij hem door alle vertrekken volgde, +en, als hij haar een Vlieg voorhield, oogenblikkelijk op zijn hand +ging zitten om de aangeboden prooi op te eten. De groote soorten van +Vleermuizen gedragen zich werkelijk aardig gedurende de gevangenschap; +zij worden zeer tam en geven vele bewijzen van verstand. + +"Met den vorm van de vlieghuid," zegt _Blasius_, "hangen de +geschiktheid tot vliegen en de verschillende eigenaardigheden van +de vliegbeweging ten nauwste samen. Hij die verschillende soorten +van Vleermuizen in de vrije natuur heeft waargenomen, zal moeten +erkennen, dat er een in 't oog loopende evenredigheid bestaat tusschen +deze verschillen van vorm aan de eene zijde en de snelheid en de +behendigheid van de vliegbeweging aan den anderen kant. De grootste +behendigheid en snelheid bij 't vliegen heeft onder de inheemsche +soorten zonder twijfel de Vroegvliegende Vleermuis (p. 77). Men +ziet haar soms reeds vóór zonsondergang torenhoog in rassche, +koene wendingen met de Zwaluwen wedijveren; juist deze soort heeft +naar verhouding de slankste en langste vliegwerktuigen, maar dan +driemaal zoolang als breed. Alle soorten, die soortgelijk gevormde +vliegwerktuigen hebben als de zooeven genoemde, vliegen snel en hoog, +maken de menigvuldigste wendingen, en doen dit dikwijls plotseling; +zij zijn zoo zeker in hare bewegingen, dat men ze zelfs bij storm en +onweder buiten ziet. De vleugel beschrijft gedurende het vliegen in +den regel een kleinen scherpen hoek; alleen bij plotselinge wendingen +is de slagwijdte grooter; zoo kan de vlucht sterk gevarieerd worden; +zij geschiedt snel, hoewel de beweging van de vleugels licht is, +geringe inspanning vereischt. + +"Het minst ontwikkeld is het vliegvermogen bij de soorten, die tot de +geslachten _Vespertilio_ (p. 75) en _Rhinolophus_ (p. 80) behooren. Met +de andere vergeleken, hebben zij de breedste en kortste vleugels, +meestal ternauwernood twee en een half maal zoo lang als breed. De +vleugel beschrijft bij deze soorten een grooten, meestal stompen +hoek. De vlucht is fladderend, langzaam en onzeker. Gewoonlijk vliegen +zij laag, eenige zelfs op een afstand van slechts weinige duimen van +den bodem of van den waterspiegel. In rechtlijnige richting volgen zij +straten en lanen, zonder snelle krommingen en zijwaartsche bewegingen +in haar baan te maken. + +"Het is niet moeilijk, uit de hoogte waarop de Vleermuizen vliegen, +de wijze waarop zij dit doen en de grootte van het dier, af te leiden, +tot welke soort zij behooren. Men kan zich niet vergissen, als men +uit den bouw van den vleugel een besluit trekt ten aanzien van het +vliegvermogen." + +Over 't algemeen zijn de Handvleugeligen niet in staat om geruimen +tijd achtereen te vliegen; altijd door moeten zij bij 't vliegen +hunne armen bewegen; de Vogel kan _zweven_, de Vleermuis alleen +_fladderen_. Toch bezit zij door dit fladderen of met gedruisch vliegen +boven de overige Zoogdieren een merkwaardig voorrecht. De krachtige +ontwikkeling van het voorste gedeelte van den romp met zijne dikke +borstspieren, het lichte en dunne achterlijf, de tot drievoudige +lichaamslengte uitgegroeide voorste ledematen met hunne reusachtige +vingers, de veerkrachtige vlieghuid, die vooral tusschen de vingers en +den voorarm uitgespannen is, bevorderen deze wijze van beweging. Tot +zweven is de Vleermuis niet in staat, omdat geen harer beenderen +luchthoudend is, omdat haar lichaamsholte de groote luchtzakken mist, +die bij de Vogels voorkomen, en vooral, omdat het fladderende dier +geen slagpennen bezit. Haar vliegen vereischt een aanhoudend slaan +op de lucht, nooit kan zij, als de Vogel, gedurende geruimen tijd +door de lucht glijden of schieten zonder de vleugels te bewegen. + +Om gemakkelijker haar vlieghuid te kunnen uitbreiden en omhoog te +fladderen, haken alle Handvleugeligen, als zij gaan rusten, zich met +de klauwen van de achterste ledematen aan een hoog geplaatst voorwerp +vast en laten haar geheele lichaam naar beneden hangen. + +Van den bodem kunnen zij zich niet zeer gemakkelijk verheffen; zij +weten zich echter ook hier te redden, door in de eerste plaats de armen +en de vlieghuid uit te breiden en het lichaam op de achterste ledematen +een weinig opterichten, daarna éénmaal of meermalen omhoog te springen, +om eindelijk fladderend weg te vliegen. Nadat hun dit gelukt is, komen +zij tamelijk snel vooruit. Hoe vermoeiend deze wijze van voortbeweging +is, blijkt het best hieruit, dat de Vleermuis, dikwijls reeds na zeer +kort gevlogen te hebben, aan boomtakken, vooruitstekende gedeelten +van muren en dergelijke voorwerpen gaat hangen, en eerst na eenigen +tijd gerust te hebben de reis voortzet. Geen Vleermuis zou in staat +zijn om zoo lang achtereen zonder tusschenpoozing te vliegen, als vele +Vogels, b.v. de Muurzwaluwen, doen. Daarom kunnen de Handvleugeligen +bij het naderen van den winter niet zulke verre reizen ondernemen +als de trekvogels. + +De handen dienen der Vleermuis trouwens niet uitsluitend voor het +fladderen, maar ook voor het loopen op den grond. Niet bij alle soorten +is de gang zoo onbeholpen, als men na het bovenstaande zou verwachten; +toch brengen zij het nooit verder dan tot een erbarmelijk gehompel. Zij +trekken daartoe de achterpooten naar voren onder den romp en lichten +intusschen het achterlijf op, waardoor het geheele lichaam een stoot +naar voren ontvangt; de handwortel en vooral de klauw van den duim +doen hierbij geen anderen dienst, dan dat zij het voorste gedeelte van +'t lichaam ondersteunen. Toch kunnen eenige soorten bijna zoo snel +vooruit komen als een Rat. + +Alle Vleermuizen slapen over dag en gaan 's nachts om voedsel uit. De +meeste komen eerst bij 't begin van de avondschemering uit hunne +schuilhoeken te voorschijn, en keeren reeds lang vóór zonsondergang er +in terug; enkele soorten echter vertoonen zich veel vroeger, sommige +reeds des namiddags tusschen 3 en 5 uur, en zwermen in weerwil van +den heldersten zonneschijn vroolijk rond. + +Iedere soort heeft haar eigen jachtgebied in bosschen, boomgaarden, +lanen en straten, boven langzaam stroomend of stilstaand water enz., +minder dikwijls in het vrije veld, om de zeer eenvoudige reden, +dat hier niets voor hen te jagen valt. In de aan Insecten rijkere, +zuidelijke landen komen zij ook _daar_ voor, vooral boven de maïs- en +rijstvelden, omdat deze steeds aan een menigte Insecten tot woonplaats +dienen, en aan de Vleermuizen dus een goeden buit leveren. Gewoonlijk +zweven zij slechts over een klein gebied van misschien 1000 schreden +middellijn. De grootere soorten hebben een uitgestrekter jachtveld, +welks afmetingen wel een half uur gaans bedragen; van de grootste, in +tropische gewesten levende Vleermuizen, de _Vliegende Honden_ (p. 72), +weet men evenwel, dat zij verscheidene mijlen ver kunnen vliegen +zonder rust te nemen; daar zij achtereenvolgens verscheidene eilanden +bezoeken, welker kusten mijlen ver van elkander verwijderd zijn. + +Over dag blijven alle Vleermuizen verborgen in de meest verschillende +schuilhoeken. Hier te lande zijn holle boomen en onbewoonde gebouwen +of gedeelten van huizen (zeer zelden holen of rotsspleten) hare gewone +slaapplaatsen. In de keerkringslanden gaan vele soorten eenvoudig aan +boomtakken hangen, indien deze een dicht dak vormen. Een enkele maal +komt dit ook wel hier te lande voor. Verreweg de meeste Vleermuizen +echter verschuilen zich op meer verborgen plaatsen, eenige soorten +kiezen hiervoor holten onder de schors of in het hout van boomen, +andere de ruimten tusschen de pannen en de daaronder liggende +dakbekleeding; de meeste echter zoeken hun toevlucht in door de natuur +gevormde holen van rotsen, in gaten van muren, onder gewelven van +bouwvallige of weinig bezochte gebouwen, in diepe bronnen, mijnputten, +mijngangen en dergelijke plaatsen. + +De Vleermuizen zijn gezellig, doch slechts in bepaalde +omstandigheden. Sommige soorten haten elkander en vreten elkander +op, als de gelegenheid hiervoor zich voordoet. De bloedzuigende +_Bladneuzen_ b.v. vallen de _grootoorige Vleermuizen_ gedurende den +slaap aan om hun bloed uit te zuigen, en deze wreken zich door hare +vijanden op te eten (p. 80). + +De Vleermuizen voeden zich met vruchten, Insecten, soms ook +met kleine Gewervelde Dieren en met het bloed, dat zij grootere +Gewervelde Dieren afzuigen. Verreweg de meeste in Europa wonende +Handvleugeligen--n.l. die welke tot de Gladneuzige Vleermuizen (p. 70) +behooren--eten alleen Insecten, vooral Nachtvlinders, Kevers, Vliegen +en Muggen. Haar eetlust is verbazend groot, de grootste soorten kunnen +best een dozijn Meikevers op, de kleinste een handvol Vliegen, zonder +verzadigd te zijn. Hoe vlugger zij zich bewegen, des te meer voedsel +hebben zij noodig; om deze reden zijn zij voor ons buitengewoon nuttig, +en verdienen zij zooveel mogelijk gespaard te worden. Anders is het +gesteld met de Bloedzuigende Vleermuizen (p. 77), die soms veel +schade kunnen aanrichten, en met de Vruchteneters van deze orde +(p. 72), die niet zelden geheele aanplantingen van vruchtboomen, +vooral wijngaarden, vernielen. + +Een opmerkelijk feit, dat door _Heuglin_ werd opgemerkt, is, +dat de Afrikaansche Vleermuizen om voedsel te verkrijgen de kudden +volgen. "In de Bogos-landen", zegt deze onderzoeker, "wordt zeer veel +vee gefokt, en de kudden blijven, als afgelegen landstreken betere +weiden en meer drinkwater opleveren, soms maanden lang verwijderd +van de woningen der eigenaars. Bij onze aankomst in Keren waren +alle runderkudden met de myriaden van Vliegen, die hen overal heen +vergezellen in de laagvlakten van den Barka; zeer zelden zagen wij +destijds Vleermuizen. Tegen het einde van den regentijd kwamen in een +tijdsverloop van ongeveer een maand alle kudden van de hier wonende +Bogos in de onmiddellijke nabijheid van de plaats terug; tegelijkertijd +verschenen de insectenetende Schemering- en Nacht-Vleermuizen in +waarlijk ongeloofelijk aantal; toen de laatste kudde vertrokken was, +waren ook zij spoorloos verdwenen. In den nacht van 30 September tot +1 October hadden wij ons kamp opgeslagen op een hoogvlakte, die 3 uur +gaans ten zuiden van Keren gelegen is, in de nabijheid van omtuiningen, +die voor het bergen van rundvee bestemd waren. Daar de kudden zich +in andere gedeelten van het gebergte bevonden, zagen wij slechts +1 of 2 Vleermuizen op deze voor haar zoo uiterst gunstig gelegen +plaats. Den daarop volgenden dag keerden de kudden naar de genoemde +plaats terug, en reeds denzelfden avond had het aantal Vleermuizen +een in 't oogloopende vermeerdering ondergaan". + +Ik acht het in 't geheel niet onwaarschijnlijk meer, dat het trekken, +hoewel dit op beperktere wijze geschiedt dan bij de Vogels, bij de +Vleermuizen veel meer voorkomt, dan gewoonlijk wordt aangenomen. + +Voor alle Vleermuizen is warmte een noodzakelijke levensvoorwaarde, +niet alleen, omdat door haar de Insecten herleven, maar ook, omdat de +bedoelde insecteneters zelf van koude een afkeer hebben. Het veelvuldig +voorkomen van Handvleugeligen op lagere breedtegraden hangt voorzeker +samen met den grooteren rijkdom aan Insecten van deze gewesten, maar +bovendien schijnt de hier heerschende warmte de ontwikkeling van de +Vleermuizen in hooge mate te bevorderen. De meeste soorten worden +door ruw weder, regen of wind, in hare schuilhoeken teruggehouden; +andere vliegen wel is waar op koele avonden, maar doen dit slechts +gedurende korten tijd, en keeren zoo schielijk mogelijk weer naar hare +slaapplaatsen terug. Een andere reden hiervoor is trouwens te vinden +in het feit, dat op onstuimige avonden de Insecten verborgen blijven +en het rondvliegen der Vleermuizen dus min of meer nutteloos zou zijn, +terwijl bovendien de wind haar het vliegen zeer bemoeilijkt; alleen de +smalvleugelige soorten n.l. (p. 76) kunnen, zooals reeds werd opgemerkt +(p. 70), aan eenigszins krachtige luchtstroomingen weerstand bieden. + +Als het koud wordt, vervallen alle Vleermuizen, die niet trekken, in +een meer of minder vasten winterslaap. Iedere soort kiest hiervoor +een schuilhoek, die zooveel mogelijk beschut is tegen den invloed +van het weder: holen, keldergewelven, warme daken, daksparren in +de nabijheid van schoorsteenen en dergelijke. Hier vindt men ze, +aan de achterpooten hangend en dicht opeengedrongen, dikwijls +bij honderdtallen verzameld. Soms vindt men vertegenwoordigers van +verschillende soorten op deze wijze vereenigd; natuurlijk alleen zulke, +die elkander vriendschappelijk gezind zijn. Hoogst zelden komen hierbij +ook individuën voor, behoorende tot soorten, die gewoonlijk elkander +vijandig zijn. Naarmate de temperatuur van de omgevende lucht daalt, +vermindert ook de bloedwarmte, niet zelden neemt zij af tot 5, ja +zelfs, naar men zegt, tot 1 1/4 graad Celsius, terwijl zij gewoonlijk +31° C. bedraagt. In deze omstandigheden verkeeren de Vleermuizen in +een toestand van verstijving. Als de koude zoo fel wordt, dat het toch +reeds zeer weinig verwarmde bloed hieraan geen weerstand kan bieden, +ontwaken de Vleermuizen en beginnen zich te bewegen. Niet zelden +gebeurt het echter, dat zij doodvriezen; vooral komt dit voor bij +gevangen dieren, die men aan een strenge koude blootstelt. Zoo lang +de koude duurt, blijven de dieren rustig hangen; op warme winterdagen +echter beginnen zij zich te bewegen; sommige soorten vliegen wel eens +midden in den winter bij dooiweder uit, hoewel de bodem dan nog met +sneeuw bedekt is. + +De wijfjes van alle Handvleugeligen dragen hare jongen gedurende het +vliegen met zich mede, zelfs dan nog, als de kleine dieren zelf reeds +aardig fladderen kunnen en van tijd tot tijd de borst van de moeder +verlaten. Voorbeelden van 't laatstgenoemde feit heb ik waargenomen +bij Vleermuizen, die ik in de oerwouden van Afrika aan de boomen vond +hangen.--Als de jongen 5 à 6 weken oud zijn, hebben zij hun vollen +wasdom bereikt. + +Wegens hun vreemdsoortige en nachtelijke levenswijze werden de +Handvleugeligen sinds overouden tijd met bijgeloovigen afschuw +beschouwd; om dezelfde redenen hebben deze dieren, die geen mensch +eenig kwaad doen, ook nu nog veel te lijden van de vooroordeelen en +den afkeer van het groote publiek. De tallooze fabelen, die van de +Vleermuizen verteld worden, en waarvan sommige, zooals het "spek-eten" +en het "vliegen in iemands hoofdhaar", ook thans nog door velen +geloofd worden, zullen wij niet nader bespreken. Wij willen echter +op de nadrukkelijkste wijze herhalen, dat de Vleermuizen ten zeerste +aanspraak hebben op de bescherming van den mensch; zij verdienen +gespaard te worden wegens haar hoogst nuttige werkzaamheid. Alle +inheemsche Vleermuizen zijn zonder voorbehoud als zeer nuttige dieren +te beschouwen op grond van haar kolossale vraatzucht, waardoor zij ons +krachtdadig helpen bij het verdelgen van de zoo talrijke schadelijke +Insecten. De weinig talrijke soorten van Vruchtenetende Vleermuizen +zijn niet inheemsch, en de schadelijkheid van de enkele hier te lande +voorkomende Bloedzuigende soorten is veel geringer, dan men vroeger +meende. De geheele orde moet dus als een voor ons zeer nuttige schakel +in de reeks der levende wezens beschouwd worden. + +Het aantal tot dusver bekende, voorwereldlijke Vleermuizen is zeer +gering. In het barnsteen heeft men haren van Vledermuizen en in +verscheidene steengroeven versteende overblijfselen van beenderen +van Handvleugeligen gevonden. Vooral de holen van Lagoa Santa in +de Braziliaansche provincie Minas Geraes zijn zeer talrijk aan +dergelijke fossielen. Het aantal goed gekarakteriseerde, levende +soorten bedraagt ongeveer 300, waarvan er ongeveer 35 in Europa +thuis behooren. De rangschikking en bepaling van deze dieren levert +zelfs aan den deskundige vaak groote moeielijkheden op, omdat zij een +buitengewoon groote verscheidenheid van vormen vertoonen, in weerwil +van de groote overeenstemming, die er in sommige zeer belangrijke +opzichten tusschen hen bestaat. + + + +Deze orde wordt in drie groepen verdeeld, waarvan de eerste--die der +_Vruchtenetende Vleermuizen_--slechts één familie bevat, n.l. die +der _Vliegende Honden_ (_Pteropina_). + +Alle tot deze groep behoorende Handvleugeligen zijn zonder uitzondering +bewoners van de warme gewesten der Oude Wereld, vooral van Zuid-Azië en +zijne eilanden, Middel- en Zuid-Afrika, Australië en Oceanië. Wegens +hun grootte zijn zij sinds overouden tijd voor gevaarlijke monsters +uitgekreten. Deze onschadelijke en vreedzame dieren werden als +afschuwelijke Harpijen en vreeselijke Vampiers beschreven; men +vereenzelvigde hen met de griezelige spookgestalten, die, volgens +de ouden, menschen gedurende den slaap bezoeken om hun het bloed uit +te zuigen. + +De Vliegende Honden of Vliegende Vossen komen in vele opzichten +met onze Vleermuizen, overeen, maar hebben een veel aanzienlijker +grootte en een minder vreemdsoortigen kop, aan welks vorm zij hun +naam te danken hebben. Door de vlieghuid en dus ook door den bouw +van de voorste en van de achterste ledematen gelijken zij op de +andere Vleermuizen. Behalve de duim heeft echter ook de wijsvinger +een klauw. De bij andere Vleermuizen zoo lange staart is bij hen +een onbeduidend, uitwendig niet waarneembaar stompje; in verband +hiermede is ook de staartvlieghuid ingekrompen tot een tamelijk smallen +huidzoom langs het onderbeen, het bovenbeen en het achterste gedeelte +van den romp. De neus heeft geen bladvormige aanhangsels en het oor +geen oordeksel. Deze eigenaardigheden zijn voldoende om de Vliegende +Honden van alle overige Vleermuizen te onderscheiden. + +Zij bewonen bij voorkeur donkere bosschen; over dag rusten zij, en +bedekken, bij reeksen aan de takken hangend, in ontelbare menigte de +boomen: terwijl zij zich met de achterpooten vasthouden, zijn de romp +en de kop door de vlieghuid omhuld. Ook verschuilen zij zich wel in +holle boomen: soms vindt men verscheidene honderden individuën in +één boom bijeen. In donkere, ongerepte wouden vliegen zij ook wel +over dag rond; in den regel echter beginnen zij, evenals de overige +Handvleugeligen, in de schemering eerst recht te leven. Hun scherp +gezicht en fijn ontwikkelde reuk stellen hen in staat de boomen te +vinden, die sappige, rijpe vruchten dragen; een voor een vliegen +zij naar die boomen, waarop zij zich weldra weer tot groote troepen +vereenigen om ze in korten tijd geheel kaal te vreten. Ook in de +wijnbergen komen zij niet zelden in grooten getale en richten er groote +schade aan; zij nemen alleen de rijpste en zoetste vruchten; de overige +laten zij achter voor andere vruchteneters. De vruchten worden door hen +veel eer uitgezogen, dan opgegeten; het vezelig gedeelte van de vrucht +wordt uitgespuwd. Daar zij aan de zoetste en geurigste vruchten de +voorkeur geven, maken bananen, vijgen en druiven hun liefste voedsel +uit. In den boomgaard waar zij eens zijn neergestreken, laten zij +niet veel over; zij eten den geheelen nacht door, en maken daarbij +een gedruisch, dat op grooten afstand hoorbaar is. Door schoten en +dergelijke verschrikkingsmiddelen laten zij zich niet verdrijven; +zij die op deze wijze opgejaagd zijn, vliegen hoogstens van den eenen +boom naar een anderen, en zetten daar hun maal voort. + +Soms ondernemen zij verre tochten, en vliegen van het eene eiland +naar het andere, al zijn deze door breede zeearmen gescheiden. + +Zij schreeuwen veel, ook wanneer zij rustig aan de boomen hangen; +zij maken dan een eigenaardig knarsend en krijschend geluid, ook +blazen zij soms als Ganzen. + +Het wijfje brengt éénmaal per jaar 1 of 2 jongen ter wereld, die zich +aan de tepels vasthouden, om door de moeder, die hun zeer veel liefde +toont, meegedragen te worden. + +In de gevangenschap worden zij mettertijd tam, gewennen zich aan de +personen, die hen verzorgen en betoonen hun zelfs een zekere maten +van gehechtheid. + +Het nut, dat deze dieren aanbrengen, kan niet opwegen tegen de door hen +teweeg gebrachte schade, die echter in hun vruchtenrijk vaderland niet +veel gewicht in de schaal legt. Hunne nuttige eigenschappen beteekenen +trouwens ook niet veel, daar zij zich bepalen tot de eetbaarheid van +hun vleesch, dat, naar _Haacke_ zegt, wat den smaak betreft, op dat +van Konijnen of Hoenderen gelijkt, en tot de bruikbaarheid van hun vel. + +De grootste van alle bekende soorten, de _Kalong_ of _Vliegende Hond_ +(_Pteropus edulis_, p. 73), heeft bij een lichaamslengte van 40 cM. een +vlucht van ongeveer 1.5 M. De kleur van den rug is donker zwart, die +van den buik roestkleurig zwart; de hals en de kop zijn roestkleurig +geelrood, de vlieghuid is bruinachtig zwart. + +De Kalong is inheemsch op de Oost-Indische eilanden, vooral op Java, +Sumatra, Banda en Timor; hij leeft hetzij in groote wouden, òf in de +vruchtboomboschjes die alle dorpen van Java omgeven; hier kiest hij +bij voorkeur de horizontale takken als rustplaats uit; deze zijn soms +zoo dicht met Kalongs bedekt, dat men den tak zelf nauwelijks meer +zien kon. Op enkele boomen vindt men er honderden en duizenden, die +hier zoolang zij met vrede gelaten worden, hun dagslaap houden, doch +bij troepen in de lucht rondzweven, zoodra men hun rust stoort. Tegen +den avond zet zich de geheele massa in beweging en ieder hunner vliegt +op eenigen afstand achter zijn voorganger aan. + +Over _Sumatra_ schrijvend, zegt _Rosenberg_: "De Kalong is een +der veelvuldigst voorkomende dieren, zoowel aan de kust als in het +binnenland. Hij leeft gezellig, dikwijls groote troepen vormend, +en verlaat met zonsondergang zijn rustplaats om zich naar zijn +voederingsplaats te begeven, die soms ver weg in het woud gelegen +is. Zoo trok gedurende mijn verblijf te Loemoet iederen avond een +vlucht Kalongs vrij hoog over de kleine vesting heen, in de richting +van zuidwest naar noordoost, om voor zonsopgang in tegenovergestelde +richting terug te keeren naar het eiland Masallar, waar hun rustplaats +was. Eens, toen ik een schot loste op een wijfje, dat bij uitzondering +vrij laag vloog, viel een aan de tepels hangend jong uit de lucht +naar beneden, doch voordat het den bodem bereikte, had de moeder, +die het kleintje bliksemsnel gevolgd was, het met de tanden gegrepen; +zij steeg met het geredde jong weer omhoog en vloog verder." + +Hun voedsel bestaat uit zeer verschillende soorten van vruchten, vooral +uit allerlei soorten van vijgen en uit mango's; om deze te verkrijgen +overvallen zij soms in groote menigte de boomgaarden op Java en richten +daar dikwijls aanzienlijke schade aan. Zij zijn echter volstrekt +niet met plantaardig voedsel alleen tevreden, maar maken ook jacht op +verschillende Insecten en zelfs op kleine Gewervelde Dieren. Zoo heeft +_Shortt_ ze eenige jaren geleden tot zijn verrassing als vischdieven +leeren kennen. "Toen ik," zeide hij, "mij te Konlieveram ophield, +werd mijn aandacht getrokken door een vijver, die haar ontstaan te +danken had aan een regenbui, welke korten tijd geleden gevallen was, +en waarin het letterlijk wemelde van kleine vischjes, die in het water +speelden en boven den waterspiegel opsprongen. Dit verschijnsel--het +plotseling verschijnen van Visschen in van tijd tot tijd uitdrogende +en daarna zich weder met water vullende regenvijvers--was voor mij +niets nieuws; ik werd echter opmerkzaam, toen ik een aantal groote, +eenigszins plomp vliegende "vogels" zag, die over het water scheerden, +nu en dan met hunne pooten een Visch grepen en zich vervolgens met hun +buit naar eenige nabij gelegene tamarindeboomen begaven, waar zij de +Visschen verslonden. Bij nader inzien bleek het mij, dat de gewaande +"vogels" Kalongs waren." + +Hier en daar worden de Kalongs vervolgd, niet zoozeer wegens de door +hen aangerichte schade, als wel om ze in de keuken te gebruiken. De +Maleier bezigt, om jacht op hen te maken, in den regel een blaaspijp, +en mikt op de vlieghuid, het gevoeligste deel van hun lichaam; hierdoor +bedwelmd kunnen zij gemakkelijk gevangen worden. De Europeaan gebruikt +voor dit doel met meer succes het geweer. De gevangene Kalong berust +schielijk in het verlies van zijn vrijheid, wordt merkwaardig tam en +kan ook gemakkelijk in 't leven gehouden worden. Hoe kieschkeurig +hij ook zijn moge in de vrije natuur, waar hij alleen de sappigste +vruchten opeet, bescheiden is hij in de gevangenschap; daar hij iedere +vrucht eet, die men hem aanbiedt; bijzonder graag eet hij dan vleesch. + +Ongelukkig kan men de gevangene Kalongs ook bij de beste verzorging +niet zeer lang in 't leven houden. Men kan hun vergoeden, +al wat zij missen, behalve de voor hun welzijn zoo noodige +vliegbeweging. Dientengevolge ontstaan na verloop van tijd op +verschillende gedeelten van hun vlieghuid verzweringen, waaraan zij +ten slotte sterven. + + + +Tot het geslacht der _Nachthonden_ (_Cynonycteris_) behoort de +_Egyptische Vliegende Hond_ (_C. aegyptiacus_), die over geheel Egypte +en Nubië verbreid is, in de nabijheid van sycomorenbosschen geregeld +voorkomt, en ook reeds in de Delta volstrekt niet zeldzaam is. In +enkele natuurhistorische werken wordt vermeld, dat hij over dag een +schuilplaats zoekt in de gewelven der Pyramiden. Dit is beslist onwaar: +hij slaapt, evenals zijne stamgenooten, op boomen. + +Mijne gevangenen stierven na korten tijd; andere onderzoekers hebben +dit dier dikwijls lang in 't leven gehouden en het zeer tam en +gemeenzaam gemaakt. _Zelebor_ bracht een paartje van deze soort naar +Schönbrunn en had beide zoo aan zich gewend, dat zij oogenblikkelijk +kwamen aanvliegen, als hij hun een dadel voorhield. Ook door vreemden +lieten zij zich liefkoozen en het vel krauwen. + +Oude volwassene Vliegende Honden van deze soort bereiken een +lichaamslengte van omstreeks 16 cM. en een vlucht van 90 à 95 cM. + + + +Een tweede groep van de Orde der Handvleugeligen is die der +_Gladneuzen_ (_Gymnorhina_). + +Bij hen is de neus glad, d.w.z. zonder bladvormig aanhangsel; +het oordeksel is in meer of minder ontwikkelden toestand steeds +aanwezig. Tusschen de beide bovenkaakshelften blijft aan de voorzijde +een ruimte over, veroorzaakt door het onderling niet vereenigd zijn der +tusschenkaaksbeenderen, die daarentegen wel op de gewone wijze met de +bovenkaaksbeenderen een geheel vormen. Bij eenige groepen zijn de ooren +op de kruin met elkander vergroeid, bij andere blijven zij gescheiden; +bij sommige openen de neusgaten zich boven op de spits van den snuit, +bij andere aan de voorzijde onder de spits van den snuit; de altijd +lange staart steekt bij sommige een eind voorbij de vlieghuid uit, +bij andere is dit niet of nagenoeg niet het geval enz.--Deze groep +is over de geheele wereld verbreid, de koude aardgordels alleen +uitgesloten. Zij omvat een buitengewoon groot aantal soorten; nagenoeg +alle inheemsche behooren er toe. Nog talrijker komen de Gladneuzen +in de zuidelijkere gewesten voor. De meeste vereenigingen zich tot +groote gezelschappen, vooral tegen den tijd waarin de winterslaap zal +aanvangen. Men vindt niet zelden honderden, ja zelfs duizenden van deze +dieren in één gebouw bijeen. Vele soorten leven met andere soorten +in de grootste eendracht; waarschijnlijk zijn er maar zeer weinige +eenzaam levende dieren in deze groep. Alle zijn min of meer gevoelig +voor ongunstige weersgesteldheid en zoeken in den herfst reeds vroeg +hunne winterverblijven op, waaruit zij om dezelfde reden in de lente +eerst laat te voorschijn komen. Slechts weinige soorten verlaten hun +slaapplaats reeds, voordat de schemering invalt; de meeste vliegen +alleen gedurende de schemering en de eerste uren van den nacht; des +middernachts gaan zij rusten, om eenigen tijd vóór den morgen opnieuw +uit te vliegen, en kort vóór of na het opgaan der zon den dagslaap te +beginnen. In 't vliegen zijn zij goed ervaren; door de zonderlinge +wendingen die zij maken, is het den Roofvogels bijna onmogelijk, +ze gedurende het vliegen te vangen. Als zij gaan rusten, nemen zij +de reeds vroeger (p. 72) aangeduide houding aan. Hun beweging op den +bodem is zeer onbeholpen; zij klimmen echter behendig en vlug. Hun +voedsel bestaat uitsluitend uit Insecten, n.l. allerlei soorten van +Nachtvlinders, Nachtmuggen, Nachtlibellen, Eendagsvliegen, Watermotten, +Nachtkevers enz., voor 't meerendeel dus uit dieren, die voor ons zeer +schadelijk zijn. Hun stem bestaat uit een sterk, fluitend gekwetter. + + + +Een van de meest bekende inheemsche Gladneuzen is de _Gewone Grootoor_ +(_Plecotus auritus_), die, evenals zijne weinig talrijke verwanten, +zich van alle overige Vleermuizen zoo zeer onderscheidt door de +aanzienlijke lengte der ooren, dat hij met deze niet verward kan +worden. Bovendien raken de ooren elkander op het voorhoofd en zijn daar +van onderen aaneengegroeid. Hij is een van de grootste Europeesche +Handvleugeligen; zijn lichaamslengte bedraagt 8.4 cM., waarvan 4 +cM. op den staart komen, de vluchtwijdte is 24 cM. Zijn oor is 3.3 +cM. lang, vertoont veel meer dwarsplooien dan bij eenige andere soort +(meer dan 20), en is met de spits een weinig naar achteren gekromd; +aan zijn binnenrand bevindt zich een vliezig, tongvormig oordeksel, dat +1,4 cM. lang is. De onderdeelen van het oor zijn zeer beweeglijk. De +beharing is aan de bovenzijde grijsachtig bruin, aan de onderzijde iets +lichter. In het eerste levensjaar zijn de jongen donkerder van kleur +dan de ouden. Het aangezicht is tot aan den achterrand der neusgaten +en om de oogen met lange haren begroeid; witachtige baardharen hangen +over den rand van de bovenlip naar beneden. + +De Gewone Grootoor is over geheel Europa verbreid, met uitzondering +van het deel, dat noordelijker dan 60° N.B. gelegen is. Bovendien is +hij in Noord-Afrika, West-Azië en Oost-Indië gevonden. In geen dezer +landen is hij zeldzaam, ook over ons geheele land is hij verspreid; +men ziet hem echter bij ons veel minder algemeen rondvliegen, +dan de Dwerg-Vledermuis (p. 76), den Laatvlieger (p. 76) en de +Rosse Vledermuis (p. 77). Steeds leeft hij eenzaam, niet tot groote +gezelschappen vereenigd. De meeste exemplaren, die men hier gevangen +heeft, werden uit hunne schuilhoeken te voorschijn gebracht. Overal +leeft hij bij voorkeur op niet te grooten afstand van menschelijke +woningen: in den zomer slaapt hij even vaak onder daken van gebouwen +(vooral van kerken en torens), als in holle boomen. Op dezelfde +plaatsen houdt hij gewoonlijk ook zijn winterslaap. Het liefst vliegt +hij rond in boomgaarden en groote lanen, langs boschkanten en boven +open plaatsen in de bosschen. In de stad zoekt hij steeds vrije, met +boomen en struiken begroeide plaatsen op, en dringt daarom niet zelden +in tuinkamers door. In de bergstreken, in den Harz en de Alpen b.v., +blijft hij beneden de hoogten, waar de boomgroei ophoudt. + +De Grootoor blijft, wanneer hij van zijn vrijheid beroofd is, +langer in leven dan de meeste van hare verwanten; hij verdraagt +de gevangenschap verscheidene maanden of jaren, wanneer men hem +uitmuntend verzorgt. Om deze reden wordt hij gewoonlijk gekozen, +wanneer men aan gevangene Vleermuizen waarnemingen wil doen. Men kan +hem eenigszins temmen. _Faber_ heeft er gedurende verscheidene weken +één gehad en zijn levenswijze nagegaan. Hij was zeer vlug vooral +gedurende de avondschemering, vloog trouwens dikwijls ook over dag, +maar sliep in de uren vóór en na middernacht. In de kamer vloog hij +met het grootste gemak voortdurend rond, meestal zonder vleugelslag; +hij kon de vlieghuid ook gedurende het vliegen samentrekken en weer +uitbreiden. Als hij uitwijken moest voor het een of ander voorwerp, +beschreef hij een boog, vloog snel bij den vloer langs, en verhief +zich zonder moeite weer in de lucht. Bij de muren klauterde hij met +behulp van zijne duimen vlug op en neer. Bij het geringste gedruisch +bewoog en spitste hij de ooren, zooals Paarden doen, of kromde ze als +ramshorens, als het gedruisch aanhield of sterk werd. Als hij sliep, +sloot hij de ooren steeds af. Dikwijls draaide hij den kop om, lekte +met de tong of snuffelde met den neus. Evenals alle Vleermuizen, +werd hij veel geplaagd door ongedierte en krabde zich dikwijls de +zijden van den kop met de nagels. + +De Handvleugeligen, die het geslacht _Nachtvleermuis_ (_Vespertilio_) +vormen, zijn gekenmerkt door hunne onderling niet vergroeide, +langwerpig ronde ooren, die maar weinig korter, bij sommigen (de +Langooren) zelfs iets langer zijn dan de kop; het oordeksel heeft +een toegespitsten, buitenwaarts gebogen of nagenoeg rechten top. De +vleugels zijn betrekkelijk breed en kort (Breedvleugelige Vleermuizen +p. 70). De staart is iets korter dan of hoogstens even lang als +het lichaam. + +Tot dit geslacht behooren behalve de reeds genoemde +_Langooren_--bij ons vertegenwoordigd door de Vale Vleermuis--ook +de _Franjestaarten_--zoogenoemd, omdat de staartvlieghuid aan den +achterrand dicht behaard, als 't ware met franje bezet is--en de +_Watervleermuizen_--welker ooren korter zijn dan de kop en die geen +wimpers aan de staartvlieghuid hebben. + + + +Van de Franjestaarten vindt men hier te lande één soort (_Vespertilio +nattereri_); zij is echter zeldzaam; ook in vele andere gedeelten +van haar verbreidingsgebied (Middel-Europa en Zweden) is zij +niet veelvuldig. Zij vliegt, volgens _Van Bemmelen_, des avonds +laat, tamelijk laag en langzaam over wegen en bosschen en groote +boomgaarden. Met inbegrip van den 4.4 cM. langen staart is het lichaam +9 cM. lang; het dier heeft 24.3 cM. vlucht. + + + +De inheemsche Watervleermuizen zijn de _Meervleermuis_ (_Vespertilio +dasycneme_) en de _Behaarde Watervleermuis_ (_V. mystacinus_), terwijl +in 't zuiden van Limburg (en misschien ook in andere deelen van ons +land) _Daubenton's Watervleermuis_ (_V. daubentoni_) aangetroffen +wordt. Alle vliegen kort na zonsondergang, tamelijk snel, niet ver +boven de oppervlakte van het water. De eerste is de kleinste (totale +lengte 8, vlucht 21 1/2 cM.), de tweede de grootste (totale lengte 11, +vlucht 30 cM.) De eerste en laatste zoeken bijna uitsluitend boven +'t water hun voedsel; de Behaarde Vleermuis echter (die wegens haar +langere beharing zoo heet) zoekt het nu en dan ook wel boven weiden +en wegen. Hare gewone verblijfplaatsen zijn niet zelden een kwartier +van haar jachtgebied verwijderd. Daarom maken zij ook wel van boomen +aan den waterkant gebruik als tijdelijke rustplaats; men ziet ze hier +naast elkander aan de achterpooten hangen. + + + +Veel vaker dan de vier laatstgenoemde soorten ontmoet men, althans in +sommige gedeelten van ons land, de _Vale Vledermuis_ (_Vespertilio +murinus_). Deze bewoont geheel Middel-Europa, te beginnen bij +Engeland, Denemarken en het midden van Rusland, voorts het zuiden +van ons werelddeel, het noorden van Afrika en het grootste deel van +Azië tot aan den Himalaja. Zij schijnt in ons land meer bepaaldelijk +tot de grensprovinciën beperkt zijn. Zij is de grootste, inheemsche +Vleermuis; daar zij een lengte van 12 à 13 cM. bereikt (waarbij 5.3 +cM. voor den staart) en 37 cM. vlucht heeft. Haar bovenzijde is vaal +en licht roetbruin met een roestroodachtig waas, de onderzijde vuil +witachtig; de betrekkelijk dunne, vliezige en doorschijnende ooren, +alsmede de vlieghuid, zijn licht grijsachtig bruin; de jonge dieren +zijn meer aschgrauw van kleur. + +De Vale Vleermuis jaagt van het begin van Maart tot het einde +van October; zij komt eerst 's avonds laat te voorschijn en is +gemakkelijk te herkennen aan haar logge, fladderende wijze van +vliegen; meestal vliegt zij laag en rechtuit, en verandert niet, +evenals hare verwanten, telkens zigzagswijs van richting. Zij komt +ook in het gebergte voor. Over dag rust zij gaarne onder daken van +oude gebouwen. In groote gebouwen, vooral kerktorens, vindt men +deze dieren niet zelden in menigte naast elkander hangen, zoo dicht +opeengedrongen, dat zij als 't ware één kluit vormen. Door hare +bijtlust en twistgierigheid verdrijven zij in den regel de kleinere +Vleermuizen (met uitzondering van de bloedzuigende soorten) uit hare +schuilplaatsen. Deze hebben alle reden om de Vale Vleermuis te mijden; +daar dit dier, zooals _Koch_ aan gevangene exemplaren opmerkte, +hare kleinere stamverwanten doodbijt en gedeeltelijk verslindt. + + + +De _Avondvleermuizen_ (_Vesperugo_) hebben, evenals de +Nachtvleermuizen, vrije, van elkander gescheiden ooren; deze +zijn steeds korter dan de kop, en hebben den vorm van een ruit of +trapezium met afgeronde hoeken; het oordeksel is met den afgeronden +top binnenwaarts gebogen. De vleugels zijn smal en betrekkelijk lang +(Smalvleugelige Vleermuizen, p. 70). Het spoorbeen, dat gelijk reeds +gezegd werd (p. 68), den achterrand van de staartvlieghuid steunt, +is voorzien met een (bij het vorige geslacht ontbrekend) vliezig +uitwasje, dat zijwaarts en buitenwaarts gericht is. Ook zijn de ooren +en de vlieghuid hier donkerder (zwartachtig bruin) en dikker dan bij +de Nachtvleermuizen, waar zij een lichtgrijsachtig bruine kleur hebben. + +De Avondvleermuizen zijn de vlugste en krachtigste dieren van +de geheele groep; zij vliegen hoog en snel en maken allerlei +wendingen, komen 's avonds het vroegst uit hare schuilhoeken te +voorschijn, eenige soms reeds vóór zonsondergang en schuwen regen +noch storm; vele soorten zijn betrekkelijk goed bestand tegen een +lage temperatuur. Wat deze eigenschappen betreft, merkt men echter +allerlei overgangen tot het vorige geslacht op. De talrijke soorten +worden, voornamelijk naar het aantal kiezen en naar den vorm van het +oordeksel, in vijf groepen verdeeld, waarvan er hier te lande drie, +ieder door één soort, vertegenwoordigd zijn: de _Laatvliegers_, de +_Dwergvleermuizen_ en de _Boschvleermuizen_. De beide andere groepen +leven in bergachtige streken. + + + +De _Laatvlieger_ (_Vesperugo serotinus_) verdient zijn naam, niet +alleen omdat hij 's avonds eerst laat, wanneer het reeds donker is, +zijn slaapplaats verlaat, maar ook omdat hij in de lente, eerst wanneer +het warme weder aanhoudt, zijn winterverblijf verlaat. Door een enkelen +warmen dag wordt hij niet zoo licht gewekt, als de Dwergvleermuis; +wanneer hij vroeg in 't voorjaar uitvliegt, zal hij toch op den +eerstvolgenden kouden dag naar zijn winterkwartier terugkeeren, om +misschien eerst twee maanden later weer te verschijnen; daar hij in +tegenstelling met andere soorten van zijn geslacht voor koude zeer +gevoelig is. Met de Dwergvleermuis is hij de gemeenste, met de Vale en +de Rosse Vleermuis de grootste, inheemsche soort. Met inbegrip van den +5 1/2 cM. langen staart bedraagt zijn lichaamslengte 12 cM.; hij heeft +35 cM. vlucht. Van de Rosse Vleermuis verschilt hij o.a. door de iets +langere ooren en de veel langere en smallere oordeksels. De vlieghuid +is breeder, van onderen langs den arm niet behaard; de vacht is aan +de bovenzijde roetbruin, van onderen lichter. Hij vliegt laag en niet +snel over wegen, in de tuinen en boven de met boomen beplante straten +en grachten der steden. Hij verschuilt zich over dag en gedurende den +winter in holle boomen, ook op zolders en in oude torens. Men vindt +hem in geheel Middel-Europa. + + + +De _Dwerg-Vledermuis_ (_Vesperugo pipistrellus_) is de kleinste +en algemeenste soort van ons land. Haar lichaamslengte bedraagt +slechts 7 cM., waarvan afgaat voor den staart 3.3 cM.; zij heeft +18 cM. vlucht. Hare ooren zijn een weinig korter dan de kop, de +oordeksels zijn aan het einde afgerond en bereiken de helft van de +lengte der ooren, die van 4 dwarsplooien zijn voorzien. De kleur van +de vacht wisselt af van donkerbruin tot geelachtig roestbruin, aan de +onderdeelen is zij lichter en zweemt zij steeds naar geelachtig bruin. + +De Dwerg-Vledermuis bewoont bijna geheel Europa en het grootste +deel van Noord- en Middel-Azië; haar verbreidingsgebied reikt van +Skandinavië, Engeland en Spanje tot Japan. In Rusland en Skandinavië +vindt men haar, volgens _Blasius_, nog op 60° N.B. In bergstreken +begeeft zij zich tot aan de bovenste grens van de woud-zone, in de +Alpen tot op ongeveer 2000 M. hoogte. + +Over dag slaapt zij in zeer verschillende schuilhoeken: onder daken, +in de spleten van muren en balken, onder gewelven, in gaten en onder +de schors van oude boomen, zelfs hangend aan de takken van dicht +bebladerde boomen, achter klimopranken, kortom in iedere plaats, +die haar een toevlucht kan verschaffen. In den winter zoekt zij deze +zelfde plaatsen op; zij is hierin niet kieschkeurig, daar zij beter +dan hare verwanten tegen ongunstig weder bestand is. Later dan alle +andere inheemsche Vleermuizen vangt zij haar winterslaap aan, en +vroeger dan deze vliegt zij weder uit; zeer dikwijls verlaat zij haar +slaapplaats reeds in den winter bij invallend dooiweder, en vliegt +dan in beschutte ruimten of in de vrije natuur jagend rond. In alle +tijden van het jaar gezellig, vindt men deze dieren in den winter +soms bij honderden en duizenden in dezelfde ruimte en dan tot groote +klompen vereenigd; ook komen zij wel bij andere soorten voor, zelfs +bij zulke, die grooter en sterker zijn dan zij. + +Dadelijk na zonsondergang vliegt zij uit en keert eerst met +zonsopgang in haar schuilplaats terug. Zij vliegt zeer behendig en +op verschillende hoogten. Laag vliegt zij over kleine plassen, in de +stad ongeveer ter hoogte van de tweede verdieping, buiten boven open +plaatsen, vooral gedurende heldere avonden, op een hoogte van 15 à +20 M. In de straten fladdert zij liefst bij de huizen op en neer; +op het land doorzoekt zij de hoeken der gebouwen, de openstaande +stallen en zolders, niet zelden dringt zij door de openstaande ramen +in helder verlichte kamers door. Daarentegen vermijdt zij boomlooze, +vrij plaatsen, of vliegt slechts in 't voorbijgaan hierover heen. + + + +De _Rosse Vleermuis_ (_Vesperugo noctula_), wegens hare gewoonten ook +wel _Vroegvlieger_ genoemd, heeft een lichaamslengte van 11 en een +vlucht van 37 cM., een roodachtig bruine pels met zwartbruine ooren +en vlieghuid. Van alle inheemsche Vleermuizen is zij de krachtigste; +zij vliegt het hoogst en doet dit zeer behendig en vlug bij wijze van +de Zwaluwen; zij laat zich 's avonds vroeger zien dan eenige andere +inheemsche soort, dikwijls, vooral in den herfst, reeds eenige uren +vóór zonsondergang. Haar eigenlijk jachtgebied zijn de bosschen, +waar zij ter hoogte van de kruinen der hoogste boomen of nog hooger +vliegt. Niet zelden wordt zij daar vervolgd door Roofvogels, aan welker +aanslagen zij echter door hare snelle wendingen in den regel weet te +ontkomen. Zelfs de vlugge Boomvalk (_Falco subbuteo_), die toch ook +Zwaluwen vangt, maakt niet zelden tevergeefs jacht op onze vleermuis. + +Het geslacht _Dwarsoor_ (_Synotus_) vormt in sommige opzichten +een overgang tusschen de Gladneuzen en de Bladneuzen; tusschen +neusgaten en oogen komen opzwellingen voor, die zich boven den daar +tusschen liggenden rug van den neus verheffen. Hierdoor en door hare +dwars over het voorhoofd heen reikende, van onderen aaneengegroeide +ooren hebben deze Vleermuizen een bijna even vreemd voorkomen als de +Bladneuzen. Zijne vleugels onderscheiden zich door smalheid en lengte; +de staart is nog een weinig langer dan het overige lichaam. + + + +De inheemsche _Dwarsoor_ (_Synotus barbastellus_), ook wel +_Mopsvleermuis_ genoemd, omdat de uitdrukking van zijn gelaat +aan die van een Mopshond doet denken, is 9 cM. lang, waarbij 5 +cM. staartlengte; zijn vlucht bedraagt 26 cM. De bovenzijde van +het lichaam heeft een donkere, zwartbruine kleur, de onderzijde is +iets lichter, grijsbruin; de dik-vliezige vlieghuid en ooren zijn +zwartbruin. + +In de meeste landen van Midden- en Zuid-Europa werd dit diertje +gevonden; in den regel noemt men het hier, evenals in Nederland, +zeldzaam, wat echter, volgens _Altum_, voor Munsterland en andere +gedeelten van Duitschland onjuist is. Ook in de Alpen, den Harz en +andere gebergten komt het, volgens _Blasius_, zelfs op de hoogst +gelegene bewoonde plaatsen niet zelden voor. + +In den zomer vliegt de Dwarsoor uit, wanneer de schemering nauwelijks +begonnen is, bij goed weder, zoowel als bij storm en regen; meestal +vliegt hij dan aan boschkanten en in boomgaarden, zeldzamer tusschen +de huizen der dorpen rond en maakt voornamelijk jacht op kleine +Vlinders. Hij vliegt snel en hoog en maakt met gemak allerlei bochten +en plotselinge zwenkingen. + + + +De leden van de laatste groep der Handvleugeligen heeten _Bladneuzen_ +of _Bloedzuigende Vleermuizen_ (_Istiophora_). Alle hiertoe behoorende +soorten onderscheiden zich van de overige leden der orde door vliezige +uitwassen aan den neus, welker vorm zeer verschillend is. + +De Bladneuzen zijn over alle werelddeelen verbreid; in grooten getale +treft men ze echter alleen in de tropische gewesten en in de warmste +landen van den gematigden aardgordel aan, waar men ook de meeste en +grootste soorten vindt. Slechts vier tot één geslacht behoorende, +voor 't meerendeel kleine soorten zijn in de warme landen van Europa +inheemsch, waarvan er twee ook in Middel-Europa (tot in Engeland) +gevonden worden (in ons vaderland alleen in Limburg). De meeste +verschuilen zich over dag in rotsholen, in oude, vervallen gebouwen, +in donkere gewelven of aan het houtwerk van daken. Andere soorten +houden zich in de donkerste gedeelten van groote wouden op en slapen +in holle boomen of tusschen de breede bladeren van palmen en andere +grootbladerige planten. + +Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten, vooral Avond- en +Nachtvlinders, Kevers, Haften, Muggen; de meeste Bladneuzen zijn echter +tevens bloedzuigers, die Vogels en Zoogdieren, zelfs menschen gedurende +den slaap bloed ontnemen. Ofschoon vele onderzoekers aan deze zaak hun +aandacht gewijd hebben, zweeft er toch nog steeds een eigenaardige +nevel, iets wat juist bij de Vampier-sage behoort, over deze +opmerkelijke verrichting van de bedoelde Vleermuizen. Waarschijnlijk +zijn alle Bladneuzen bloedzuigers; zij zijn dit echter alleen in +bepaalde omstandigheden; hierdoor komt het, dat er zooveel verschil +bestaat tusschen de berichten, waarin melding gemaakt wordt van hun +handelwijze, die trouwens niet gemakkelijk kan worden nagegaan. Het +zal het beste zijn, hier enige mededeelingen van reizigers over het +bloedzuigen van de Bladneuzen te laten volgen. Hierbij moet er op +bedacht zijn, dat de meeste reizigers geen voldoende redenen hadden +om deze in 't duister verrichte daden aan een bepaalde soort toe te +schrijven. Hunne mededeelingen hierover zijn in vele opzichten met +elkander in tegenspraak, en onder alle, die mij bekend zijn, is er +geen enkele, die een door onomstootelijke bewijsgronden gestaafde +beschuldiging tegen een bepaalde soort van uitheemsche Bladneuzen +bevat. + +De Spanjaard _Azaba_, die de Bloedzuigende Vleermuizen "Mordedor" +noemt, hetwelk "Bijters" beteekent, bericht o.a. het volgende: "Soms +bijten zij in den kam en de lellen van slapende Hoenderen om hen het +bloed uit te zuigen; gewoonlijk sterven de Hoenderen hieraan, vooral +als de wonden ontstoken geraken, wat bijna altijd geschiedt. Met +hetzelfde doel bijten zij de Paarden, muildieren en koeien--altijd +in de zijden, de schoften en den hals, waar zij zich gemakkelijk +vasthouden kunnen. Hetzelfde doen zij met de menschen, zooals ik +getuigen kan, daar ik zelf viermaal in de teenen werd gebeten, terwijl +ik onder den vrijen hemel of onder een afdak sliep. De wonde, die zij +mij toebrachten, zonder dat ik het voelde, was rond of langwerpig rond +en had een middellijn van 2 1/2 mM., maar zulk een geringe diepte, dat +zij nauwelijks door de geheele huid heendrong. Zij was kenbaar aan de +gezwollen randen. Volgens mijn schatting bedroeg de hoeveelheid bloed, +die na den beet uit de wonde vloeide, ongeveer 2 1/2 ons" (70 gram); +"bij Paarden en andere dieren kan deze hoeveelheid omstreeks 3 ons" +(85 gram) "bedragen; ik geloof, dat zij hun, wegens hun dikker vel, +grootere en diepere wonden toebrengen." + +_Rengger_ voegt aan deze mededeelingen van _Azaba_ het volgende toe: +"Ik heb wel honderdmaal de wonden van muilezels, Paarden en Runderen +onderzocht, zonder tot zekerheid te geraken over de wijze, waarop zij +toegebracht werden. De bijna trechtervormige wonde heeft gewoonlijk 6 +mM. middellijn (soms iets meer) en, al naar het getroffen lichaamsdeel, +een diepte van 2 à 5 mM. Zij gaat nimmer door de huid heen tot op de +spieren. Men bemerkt er geen indruksels van tanden aan, zooals bij +bijtwonden, daarentegen zijn de randen van de wonde altijd zeer los +en opgezwollen. Ik kan daarom niet gelooven, dat de Bloedzuigende +Vleermuizen onmiddellijk door een beet deze wonden bij de trekdieren +veroorzaken; bovendien zou ieder slapend dier hierdoor ontwaken en zijn +vijand verjagen. Veeleer vermoed ik, dat zij eerst door met de lippen +te zuigen de huid ongevoelig maken, zooals dit bij het koppenzetten +geschiedt, en daarna, als de huid gezwollen is, er met de tanden een +kleine opening in prikken. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat zij +vervolgens door deze opening hun rekbare, eveneens voor 't zuigen +dienende tong langzamerhand door borende bewegingen in de huid doen +doordringen, waardoor de trechtervormige uitholling ontstaat. Dat +het de Vleermuizen niet mogelijk is om te gelijkertijd te zuigen en +de vleugels te bewegen, is mij na het onderzoek van de inrichting der +vleugels duidelijk geworden. Ik zag, dat de Vleermuizen altijd op de +Paarden gingen _zitten_, waarbij zij noodzakelijkerwijs de vlieghuid +moeten opvouwen. Ook kiezen zij, om zich beter te kunnen vasthouden, +steeds de behaarde of vlakke lichaamsdeelen van de dieren uit, en +maken de wonde daarom bij de Paarden aan den hals, op de schoften +en aan den wortel van den staart, bij de muilezels aan den hals +en aan de schoften, bij de Runderen op de schouderbladen en aan +de halskwabben. Op zich zelf biedt deze wonde geen gevaar aan; +daar echter soms 4, 5, 6 of nog meer Vleermuizen in één zelfden +nacht aan één zelfde lastdier zuigen, en dit niet zelden gedurende +verscheidene, opeenvolgende nachten geschiedt, worden de dieren door +het bloedverlies zeer verzwakt, en dit des te meer, daar behalve het +bloed, dat de Vleermuis opzuigt, altijd nog 2 à 3 onsen" (60 à 90 gram) +"uit iedere wonde wegvloeien." + +Behalve _Azara_ zijn trouwens ook nog andere reizigers door +Bloedzuigende Vleermuizen gebeten en gelaten, o.a. _Bates_, die 11 +jaren lang in Brazilië heeft doorgebracht. Gedurende zijn verblijf +in Caripe bewoonde hij een kamer, die sedert maanden ongebruikt +was gebleven en op verscheidene plaatsen open was. "In den eersten +nacht," verhaalt hij, "sliep ik vast en bemerkte niets ongewoons, +in den tweeden echter werd ik omstreeks middernacht gewekt door het +gedruisch van een talrijke, in mijn kamer heen en weer vliegende +zwerm Vleermuizen. Zij hadden mijn lamp uitgedoofd; toen ik deze +weer aangestoken had, bemerkte ik, dat het in mijne kamer krioelde +van Vleermuizen, en dat de geheele ruimte letterlijk zwart was door +de menigte, die onophoudelijk om mij heen zwermde. Nadat ik eenige +minuten lang met een stok tegen hen te keer was gegaan, verdwenen zij +tusschen de dakpannen; nauwelijks echter was ik in mijn bed terug, +of zij verschenen opnieuw en doofden nogmaals het licht uit. Ik +bekommerde mij niet meer om hen en sliep door. In den volgenden +nacht kwamen verscheidene van deze dieren in mijn hangmat; ik greep +er eenige van, die op mij rondkropen, en wierp ze tegen den muur van +het vertrek. Bij 't aanbreken van den dag vond ik aan mijn heup een +wonde, die mij ongetwijfeld door een Vleermuis was toegebracht. Nu +werd het mij dan toch te erg; ik ging daarom met de negers aan 't +werk om de dieren te verdrijven; ik schoot er een vrij groot aantal +van, die aan de balken hingen, liet de negers van buiten op het dak +klimmen en door hen verscheidene honderden Vleermuizen, ouden zoowel +als jongen, om 't leven brengen." + +_Hensel_ en _Kappler_ hebben in lateren tijd soortgelijke ervaringen +opgedaan, waaruit ook nog blijkt, dat vele soorten van Bladneuzen bloed +zuigen, dat menschen over 't geheel genomen zelden door hen gebeten +worden, en dat naar gelang van plaats en tijd de Vleermuizenplaag +een zeer verschillenden omvang heeft. + + + +De Bladneuzen worden in een viertal groepen verdeeld (Vampiers, +Hoefijzerneuzen, Pronkneuzen en Klapneuzen), die o.a. van elkander +verschillen door de neusaanhangsels. Deze zijn bij de Hoefijzerneuzen +zeer volledig ontwikkeld (fig. p. 80). Zijn bestaan hier uit drie +afdeelingen; het deel dat de neusgaten omgeeft, en zich daaronder +en daarnaast over de spits van den snuit uitbreidt, heet, naar zijn +vorm, _hoefijzer_; daartusschen ligt het _zadel_, een overlangsche +kam op den rug van den neus; dit eindigt in een vrij, uitstekend, +lancetvormig blad (het _lancet_), dat aan weerszijden van zijn plaats +van aanhechting drie door huidplooien begrensde kuiltjes vertoont. + +De _Vampier_ (_Phyllostoma spectrum_), de grootste van alle +Zuid-Amerikaansche Bladneuzen, verdient een afzonderlijke vermelding +wegens den kwaden reuk, waarin hij ten onrechte staat. Hij is ruim 16 +cM. lang en heeft 70 cM. vlucht. De dikke en lange kop heeft een sterk +vooruitstekenden snuit en lange ooren met oordeksel. In verhouding +tot de grootte van het dier zijn de neusaanhangsels klein; van de +twee hier aanwezige afdeelingen valt het "lancet" het meest in 't +oog. De zachtharige pels is aan de rugzijde donker kastanjebruin, aan +de buikzijde geelachtig bruin; de vlieghuid en de overige onbehaarde +lichaamsdeelen zijn bruin. + +De Vampier bewoont het noorden van Brazilië en Guyana, hij komt +zoowel in de oerwouden als in de huizen voor. "Men kan zich," zegt +_Bates_, "niets leelijkers voorstellen dan de uitdrukking van het +gelaat van dit dier, als men het van voren beschouwt. De groote, +leerachtige, ver zijwaarts gerichte ooren, het op een speer gelijkend, +rechtopstaand neusaanhangsel, de fonkelende en schitterende, zwarte +oogen, dit alles vormt een geheel, dat aan een kabouter uit de +fabelleer doet denken. Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, +dat de phantasie van het volk aan een dier met een zoo terugstootend +uiterlijk demonische verrichtingen heeft toegedicht. Toch is de Vampier +een der onschadelijkste Vleermuizen, zooals aan alle bewoners van +de oevers van den Amazonenstroom wel bekend is."--Alle berichten van +geloofwaardige natuuronderzoekers uit vroegeren en lateren tijd stemmen +hierin overeen, dat deze zoo erg slecht befaamde Vleermuis wel tot de +Bladneuzen behoort, maar, in plaats van bloed te zuigen, des nachts +ijverig jacht maakt op Insecten en af en toe ook vruchten eet. "Bij +helder maanlicht," zegt _Waterton_, "kon ik zien, dat de Vampier +naar een met rijpe vruchten overladen boom vloog en van deze vruchten +at. Eens zag ik 's nachts, toen de maan helder scheen, verscheidene +Vampiers rondom de kruinen van de sawarri-noteboomen fladderen, en +merkte op, dat er nu en dan een bloem in 't water viel. Bij toeval +gebeurde dit stellig niet, want alle bloemen, die ik onderzocht, +waren gaaf en ongeschonden. Ik maakte hieruit op, dat zij door de +Vampiers geplukt werden, hetzij om het vruchtbeginsel op te eten of +om de Insecten te vangen, die zoo dikwijls in bloemen voorkomen." + + + +In Europa zijn de Bladneuzen vertegenwoordigd door de groep der +_Hoefijzerneuzen_. Het neusaanhangsel, dat het geheele gelaat, van het +puntje van den snuit tot aan het voorhoofd, bedekt, is zeer zeker het +merkwaardigste deel van het geheele dier (zie p. 79), gelijk het oor +dit is van de vroeger beschrevene Gladneuzen (pp. 69, 74, 77). De +vlieghuid is breed en betrekkelijk kort; zij vliegen daarom niet +zeer behendig; ook zijn zij, evenals de Breedvleugelige Gladneuzen +(p. 74), minder goed tegen de koude bestand. Als zij slapen gaan, +wikkelen zij zich in hun vlieghuid als in een mantel, zoodat alleen +het aangezicht onbedekt blijft. De staartvlieghuid wordt dan naar de +rugzijde, en niet, zooals bij de andere Vleermuizen, naar de buikzijde +omgeslagen. Het oordeksel ontbreekt. Bij nagenoeg alle soorten is de +vacht licht van kleur. + +Van deze groep zijn vier Europeesche soorten bekend, van welke er +twee ook in ons land, en wel in het zuiden van Limburg, gevonden +worden. De zeldzaamste van deze twee is de _Kleine Hoefijzerneus_ +(_Rhinolophus hippocrepis_) Hij is 6 cM. lang (waarbij 2 1/2 cM. voor +den staart) en heeft 22 cM. vlucht. De vacht is grijsachtig wit, aan +de bovenzijde een weinig donkerder dan van onderen. In Middel-Europa +komt hij bijna overal voor; ook in Zuid-Europa is hij algemeen. Aan +heuvelachtige gewesten en bergstreken geeft hij de voorkeur boven +lage landen. In de gebergten stijgt hij op tot boven de met bosch +begroeide zone. Bewoonde gebouwen schijnt hij te vermijden. Overal waar +rotsholen, oude mijngangen of ruïnes met onderaardsche gewelven zijn, +treft men hem veelvuldig aan. Zij rusten daar, tot groote gezelschappen +vereenigd, vrij hangend aan het gewelf, zoodat zij door de bezoekers +vaak niet opgemerkt worden. + +Het voedsel van de Hoefijzerneuzen bestaat hoofdzakelijk uit Insecten, +die een niet zeer hard uitwendig geraamte hebben, vooral kleine +Nachtvlinders, Vliegen enz. Zij zijn echter ook echte bloedzuigers, +zooals duidelijk blijkt uit waarnemingen, die door _Kolenati_ +gedaan zijn. Deze onderzoeker vond 's winters in een kalksteengrot +in Moravië 45 stuks slapende Vleermuizen, grootendeels Grootooren +(p. 74) en Kleine Hoefijzerneuzen; hij nam ze mede naar Brünn +en liet ze alle te zamen vrij rondvliegen in een groote kamer, +waarin zijn verzameling naturaliën was geborgen; daar zochten zij +zich een rustplaats. Toen onze natuuronderzoeker eenige dagen later +de Vleermuizen aan een zijner vrienden wilde toonen, vond hij tot +zijn niet geringe verwondering zes Hoefijzerneuzen op de klauwen en +vlieghuidspitsen na opgevreten, terwijl van een ander dezer dieren +de kop op de vreeselijkste wijze verminkt was. De talrijke sporen van +bloed, de bloedige snuit en de gezwollen buik van de Grootooren alsook +de vele drekhoopjes deden de verdenking vallen op de nog voltallige +Gladneuzen; het onderzoek van de maag van een dezer dieren, dat gedood +werd, bevestigde de juistheid van dit vermoeden. Daarentegen bemerkte +men op de vlieghuid van de Grootooren dicht bij het lichaam versche +wonden met sponsachtig gezwollen randen; ook hadden deze dieren zich +tot een kluit vereenigd, bij wijze van dakpannen over elkander heen; +de Hoefijzerneuzen daarentegen sliepen altijd ieder afzonderlijk en +hadden de verborgenste schuilhoeken als slaapplaatsen gekozen. De +gevolgtrekkingen die hieruit afgeleid werden, luiden als volgt: De +beide elkander vijandig gezinde Vleermuis-soorten hadden gedurende +den nacht strijd gevoerd. Toen de Grootooren hun nachtslaapje hielden, +waren de Hoefijzerneuzen op hen afgekomen, hadden hen gewond en haar +bloed gezogen; voor deze schanddaad waren zij echter gestraft door +de Grootooren, die gedurende hun tweeden fladdertijd de onruststokers +eenvoudig opgevreten hadden! + +Een duivenliefhebber verhaalde aan _Kolenati_, dat de Duiven dikwijls +gedurende den nacht kleine wonden kregen, waarvan hij de oorzaak +niet kende; onze onderzoeker schrijft ze (vermoedelijk te recht) +aan de beten van den Hoefijzerneus toe. + +In Europa leven dus echte Vampiers; het moet echter gezegd worden, +dat deze in den regel hun bloeddorst weten te beheerschen, en dat +zij in geen geval ons aanleiding kunnen geven tot vrees of afschuw. + + + +Veelvuldiger dan de Kleine komt in ons land, n.l. in Limburg, de +_Groote Hoefijzerneus_ (_Rhinolophus ferrum-equinum_) voor. Deze +is 9 cM. lang (hiervan komen op den staart 3 1/2 cM.) en heeft 33 +cM. vlucht. Hij bewoont het grootste deel van Middel- en Zuid-Europa, +ook vond men haar in Azië in den Libanon. In de gebergten komt hij des +zomers voor tot op een hoogte van 2000 M. _Kolenati_ meent, dat ook +hij bloed zuigt. Des nachts fladderen deze dieren rond in bergkloven +(vermoedelijk om Reeën en Gemzen uit te zuigen) en omzwerven de +rustplaatsen der Eekhoorntjes. Hoewel hun Vampieraard nog niet +duidelijk is gebleken, bestaan er toch redenen om hen te verdenken. + + + +Ook in de overige groepen van de Bladneuzen komen eenige merkwaardige +diervormen voor. + +Zoo bevat de groep der _Pronkneuzen_ (_Megaderma_) een soort, die niet +alleen bloed zuigt, maar, naar gezegd wordt, ook kleine Kikvorschen +eet. De tot deze groep behoorende Vleermuizen zijn gekenmerkt door +een uit drie afdeelingen samengesteld neusaanhangsel (p. 79), door +groote, boven het voorhoofd met elkander vergroeide ooren en een +lang oordeksel. Bij den _Lierneus_ (_Megaderma lyra_) bereikt de +huidwoekering aan den neus, die men met een lier vergeleken heeft, +haar hoogste ontwikkeling. + + + +Een vierde groep bevat de _Klapneuzen_ (_Rhinopoma_). Bij hen is +slechts één afdeeling van het neusaanhangsel aanwezig, n.l. een +lancetvormig, overeindstaand blad. De ooren, die eveneens op +het voorhoofd vergroeid zijn, hebben een middelmatige lengte, de +staart is echter voor Vledermuizen buitengewoon lang. Tot deze groep +behoort o.a. de _Egyptische Klapneus_ (_Rhinopoma microphyllum_), een +klein dier, waaraan de zeer lange en dunne staart ontegenzeggelijk +het merkwaardigste verschijnsel is. Hij bestaat uit 11 wervels, en +strekt zich tot ver voorbij de staartvlieghuid uit. In buitengewoon +groot aantal komen deze dieren in Egypte voor, hoofdzakelijk in oude +gedenkteekenen, b.v. in de gangen der Pyramiden doch ook wel in holen, +die door de natuur gevormd zijn. + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + +***** This file should be named 17304-8.txt or 17304-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/7/3/0/17304/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
