diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:51:22 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:51:22 -0700 |
| commit | 1d03ce96ec5e2312b88083df61994d7c754c4385 (patch) | |
| tree | 4938b353d840a4865d4baad3f5fb8bf14879086a /17549-8.txt | |
Diffstat (limited to '17549-8.txt')
| -rw-r--r-- | 17549-8.txt | 10137 |
1 files changed, 10137 insertions, 0 deletions
diff --git a/17549-8.txt b/17549-8.txt new file mode 100644 index 0000000..ca4f0d5 --- /dev/null +++ b/17549-8.txt @@ -0,0 +1,10137 @@ +The Project Gutenberg EBook of Krates, by Justus van Maurik Jr. + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Krates + Een Levensbeeld + +Author: Justus van Maurik Jr. + +Illustrator: Johan Braakensiek + +Release Date: January 19, 2006 [EBook #17549] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KRATES *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Krates + + Een levensbeeld + + Door + + Justus van Maurik Jr. + + + + + + + + Bertha: "Weg, Bultenaar!" + + Arnold: "'k Werd zoo geboren, moeder." + + _Byron_. + + + + + + + + +I. + +EEN DRAMA BINNENSHUIS. + + +'t Heeft er jaren lang gestaan: "_Philip Strijkman koopt alle soorten +van kleederen en andere artikelen in, tot den hoogsten prijs_," en +'t zou er misschen nog even duidelijk met zwarte letters op 't witte +bord te lezen staan, wanneer niet sedert ettelijke jaren de eigenaar +tot zijn vaderen vergaderd was. + +Aan de geschiedenis, die ik wil vertellen, hindert het evenwel in +het minst niet, want op het oogenblik, dat mijn verhaal begint, +pronkt het bordje nog in volle fleur boven tegen het snijraam der +smalle deur van het ouderwetsche huis in de Egelantiersdwarsstraat, +dat ik met u wil binnengaan. + +'t Ziet er niet zeer aanlokkelijk uit, dat smalle perceel; de verf +van het houtwerk is langzamerhand door weer en wind ontbonden en +overgegaan tot een schilferige korst van een onmogelijke kleur. De +steenen der pui zijn sinds onheuglijken tijd niet geolied en hier en +daar laat de kalk los uit de voegen, die nattig en vuil u aangapen. De +nok van het huis hangt treurig voorover en de vermolmde hijschbalk +steekt er als een ontvleesde arm uit. + +Let eens op de scheeve kozijnen der vensters, waarvan twee breedere aan +elke boven-, twee smallere aan iedere onderverdieping, door de kleine +groenachtige ruitjes een karig licht laten vallen in de vertrekken, +die van achteren geen ramen hebben, maar een beplakt schotwerk, +dat hen van de achterkamer scheidt. + +Naast de deur bemerkt ge een gelijkvormige dito, die toegang geeft +tot de trap, welke naar de bovenwoningen leidt. + +Even verveloos en verwaarloosd als haar buurvrouw, onderscheidt zich +die deur alleen door een papier, dat boven tegen de gebarsten ruitjes +van het snijraam geplakt is en den voorbijganger vertelt, dat op de +onderste voorkamer woont: + + _N. Makko. Scheerdt en kureerdt honden en neemt dezelfde in + de kost._ + +Voordat wij die trap opgaan, willen we eens even met de woning van +den pandjeshuishouder Philip Strijkman kennis maken. + +Ga met mij het smalle gangetje door en pas op dat ge uw hoogen hoed +niet deukt, als ge het lage deurtje binnentreedt, dat naar de zijkamer +voert, waar de winkel, of eigenlijk het pandjeshuis wordt gehouden. + +Voorzichtig! want het is donker, als ge binnenkomt; de eene helft der +vensters wordt in beslag genomen door een dichte groene hor, en de +andere wordt verduisterd door het dikke geelkatoenen valgordijn, dat +vingerdik stof in zijn plooien heeft en daardoor nog ondoorschijnender +is. + +Er heerscht een zekere nevelachtige toon in die kamer, en juist +dat grauwe duister is in overeenstemming met de plaats, waar wij +ons bevinden; want in de woning van Strijkman heerscht de geest des +woekers, en die schuw het licht, evenzeer als zijn slachtoffers, die +hem gewoonlijk tusschen licht en donker of des avonds hun schatting +komen brengen. + +Neem u in acht en struikel niet tegen de lage balie, die u belet verder +in de kamer te komen dan een voet of vier: leun met uw ellebogen op de +plank, die boven op die leuning is aangebracht, en zie oplettend rond. + +Langs den muur, naast en boven de deur, die naar het achterkamertje +leidt, ziet ge vakken, ruw van withouten planken getimmerd en gevuld +met bundels en pakken van allerlei grootte en kleur, alle voorzien van +briefjes en nummers. Recht tegenover u is een groot vak vrijgebleven: +daar hangen winterjassen en parapluies, die dikwijls gehaald en +gebracht worden en daarom voor de hand moeten blijven. Iets meer +links zijn weer andere vakken, met doozen en kistjes, waarin allerlei +artikelen van kleinere afmetingen, alle genummerd, bijeenliggen; +rechts ontdekt ge een hoogen lessenaar met een groengazen scherm aan +de eene zijde en een hooge kantoorkruk er voor. Een paar liassen zijn +aan het scherm opgehangen. + +Onder dat meubelstuk eindelijk zoudt ge tal van laden kunnen zien, +die, steeds gesloten, de voorwerpen van meer waarde, zooals horloges, +ringen, halskettingen en ander klein goud- en zilverwerk herbergen. Op +het oogenblik, dat mijn verhaal begint, zit de eigenaar van het +pandjeshuis in de achterkamer bij de tafel in een groot, dik boek +te schrijven. + +'t Is er zoo donker, dat hij, hoewel 't pas vier uren in den namiddag +is, zijn olielamp reeds heeft opgestoken. Haar rosachtig schijnsel +steekt onaangenaam af bij 't vale, doffe licht, dat door de vervuilde, +hoornachtige ruitjes van het eenige venster, een zoogenaamd hooglicht, +binnenvalt. Het kleurt Strijkmans voorovergebogen gestalte en zijn +naaste omgeving met een zonderlinge tint. Een groote grijze pet met +een groen lichtscherm er aan dekt zijn hoofd en beschut zijn kalen, +slechts hier en daar met dunne vlokken lang grijs haar beplanten +schedel voor koude en warmte. + +De diep in hun kassen gezonken, sluwe, grijze oogen, ontsierd door +roodgerande oogleden, zijn thans strak op het voor hem liggende boek +gevestigd. De dunne bloedelooze lippen, vast op elkander gedrukt, +doen den tandeloozen ingevallen mond nog breeder schijnen dan hij +in werkelijkheid is, terwijl de spitse kin en de kromme neus aan het +geheele gelaat iets havikachtigs geven. Ongeschoren en onzindelijk, +met scherp geteekende lijnen langs neus en wangen doorgroefd, is zijn +geheele gelaat terugstootend en geven de diepe plooien tusschen de +wenkbrauwen, gevoegd bij een zekere trilling der mondhoeken en der +dunne lippen, er een uitdrukking van boosaardigheid aan, wanneer +hij spreekt. + +Een versleten grijze jas en een vest, dat slechts met een paar +knoopen wordt dicht gehouden, doen een oud blauw-baaien hemd zien, +dat hem tevens als borstrok dient. Een geruite pantalon, die eenmaal +voornamer beenen omkleedde, hangt slordig op de verschoten pantoffels, +waarin zijn groote met wollen kousen bekleede voeten steken. + +Voor hem op tafel zit een magere zwarte kat zich te koesteren in de +warmtestralen der lamp. Nu en dan likt zij aan haar poot en wascht +zich daarmede over den neus, terwijl ze de groenachtig grijze oogen +dichtknijpt, om ze een volgend oogenblik op haar meester te vestigen, +die onafgebroken zit te rekenen. + +Gedurende geruimen tijd telt de pandjesbaas ongestoord verder. + +"Achthonderd zesenvijftig en vijftien is achthonderd éénenzeventig, +en twaalf is achthonderd drieëntachtig. Hè! hè! hè! hè! 't is van +deze drie maanden nog al aardig aangeloopen. Er zullen een heele boel +pandjes moeten verkocht worden. Hè! hè! hè! dat geeft beter dan die +miserale percenten. Verkoopen maar, dat's de baas, daar draai ik het +altijd naar toe," zegt Strijkman, als tot zichzelf, terwijl hij zijn +magere, klauwachtige handen wrijft. + +"Achthonderd drieëntachtig, daar kan wel eens een traktatie op staan +vandaag, hé poes?" De oude man zet eerst zijn pet, dan zijn bril af, +wrijft met den rug der hand over zijn oogen, trekt de wenkbrauwen +een paar malen op en neer en herhaalt: + +"Daar kan wel wat lekkers af, hé poes?" + +"Maauw!" zegt de kat, terwijl zij een hoogen rug trekt, als haar +meester haar aanspreekt. + +"Ja! ja! jij krijgt ook wat, poes; als 't op den eenen regent, druipt +het op den anderen," vervolgt de oude man opstaande. Hij sloft langzaam +naar een hoekkastje, grabbelt in zijn diepen jaszak naar den sleutel +en ontsluit eindelijk de deur er van. + +Een vieze, bedompte lucht komt hem te gemoet, als hij de kast opent. + +Zijn neusgaten worden wijder, als hij die lucht opsnuift en grinnekend +zegt: "Lekker! hm! lekker, hé poes? Ja, jij krijgt ook wat;" en als de +kat met hoogen rug en opgeheven staart langs zijn beenen strijkt, voegt +hij er bij: "Zoete poes, jij krijgt de korstjes; wees jij maar gerust." + +Uit een hoek der kast brengt hij, in een krant gewikkeld, een vrij +groot stuk kaas te voorschijn, dat hier en daar reeds groenachtig +is uitgeslagen door 't lange liggen. Hij ruikt er aan en meesmuilt: +"Lekker, lekker!" + +Voorzichtig snijdt hij er een gedeelte van af en bergt de +rest zorgvuldig weer in 't papier en in de kast, waaruit hij +achtereenvolgens een stuk brood, wat boter, een flesch met brandewijn +en een glas neemt. + +Met welgevallen beschouwt hij de flesch tegen het licht der lamp, +en terwijl hij met zijn duim en voorvinger tegen den buitenkant der +flesch een zekere hoeveelheid van den inhoud afmeet, schenkt hij het +vocht in het glas en kurkt de flesch weder dicht, nadat hij met zijn +tong den druppel, die aan den hals bleef hangen, heeft verwijderd. + +Hij snijdt een stuk brood af en legt dat bij de kaas en 't glas op +een stuk papier, dat dienst doet als bord. + +Als de rest der kostbare artikelen weer opgeborgen is, slaat Strijkman +zijn boek dicht en zet zijn bril weer op, voordat hij gaat eten; +waarschijnlijk omdat door 't brillenglas de hoeveelheid brood en kaas +grooter schijnt. + +Met de eene hand onder het hoofd gesteund zit hij bij de tafel en +eet langzaam zijn traktatie. + +"Hè! dat doet een oud mensch goed. Ja, poes, kaas is een heerlijke +kost, maar te duur, eigenlijk veel te duur voor een burgermensch. Dáár, +poes, dat is voor jou," en na zooveel mogelijk het weeke gedeelte er +van te hebben afgebeten, met de enkele stompjes tand die hem resten, +legt hij het korstje voor de kat, die het even besnuffelt en dan met +scheef gehouden kop opknauwt. Met uiterst langzame teugjes drinkt +hij het glaasje brandewijn ledig, smakt een paar malen met de dunne +lippen en strijkt liefkoozend met de rechterhand over zijn maag, +terwijl hij mompelt: + +"Dat's warm, dat's lekker, dat brandt op je hart, dat doet goed,--maar +'t is te duur, veel te duur. Voor een enkele maal kan het er door, +maar 't is eigenlijk zonde van 't geld." + +De kat kijkt hem met haar groene oogen aan en miaauwt zachtjes, +als wilde zij zeggen: krijg ik niemendal? + +"Wou jij ook wat hebben, hè! hè! hè! Lust jij ook brandewijn?" In +Strijkmans oogen vlamt het boosaardig. + +"Miaauw!" + +"Wou je 't ook eens proeven, hè, poes?" + +"Miaauw!" + +Eensklaps pakt Strijkman de kat bij haar nekvel, trekt haar op den +schoot en laat de paar laatste druppels uit het glaasje op haar neus +en in den halfgeopenden bek loopen. + +De kat schreeuwt angstig en wringt zich onmachtig onder de handen +van haar pijniger. + +Proestend en met den kop schuddend springt het dier van zijn schoot, +als hij 't eindelijk loslaat; het blaast nijdig tegen zijn meester, +die grijnzend zegt: "Lekker, hé? Hè! hè, hè! hè! Heb ik je nou +getrakteerd, heb je 't goed bij den baas? Hè! hè! hè!" 't Arme dier +schudt en proest voortdurend door 't sterke vocht, en de pandjesbaas +ziet met duivelachtige vreugde, hoe de kat eindelijk, onder de kast +kruipend, een schuilplaats zoekt. Hij lacht totdat de tranen hem in +de roode oogen komen, bukt zich om onder de kast te kijken en roept: +"Hè! hè! hè! poes! poes!" + +De kat houdt zich schuil en de oude woekeraar mompelt in zichzelf, +terwijl hij zich weer aan tafel zet en een paar overgebleven +broodkruimels met de toppen der vingers opneemt en in den mond steekt: +"'k Lust'm beter dan hij." + +Een hevig gestommel op de trap, die onmiddellijk aan zijn kamertje +grenst, doet hem opschrikken. + +Een verward gedruisch van stemmen en eenige luide vloeken geven hem +de zekerheid, dat er bij de buren iets buitengewoons voorvalt. + +"Wat is dat voor een spektakel?" vraagt hij in zichzelven, en terwijl +hij naar de deur gaat om te zien wat er gebeurt, voegt hij er bij: +"Dat's zeker weer Claas Makko, dien ze dronken thuis brengen." + +Nog voor hij de deur bereikt heeft, komt hem een buurvrouw te gemoet, +met de woorden: "O! heere! buurman, wat een geval! Ga gauw ereis mee +naar boven; zóó erg heeft hij 't nog nooit gehad ..." + +"Is 't al weer zóó-laat met Makko?" + +Strijkman gaat even terug, sluit zijn winkeldeur dicht en staat nu +met de vrouw op straat. Beiden zien naar boven. + +"Is hij erg dronken?" vraagt de pandjesbaas. + +"Veel erger, buurman; hij heeft op straat het lirium gekregen; de +kruier van den hoek en de man van de groenvrouw hebben hem hierheen +gebracht; hij slaat met handen en voeten als een razende en ... Hoor +eens, hoe hij aangaat! Allemachtig! net een dier ... O! wat een beest +van een vent; en hoor die honden eens," de vrouw houdt de handen voor +de ooren. + +"'t Is verschrikkelijk, juffrouw Ram," antwoordt Strijkman, als +eensklaps van boven een gebrul klinkt, dat niets menschelijks heeft +en dat zelfs 't hevig hondengeblaf overstemt. + +"Heere! heere! wat gaat hij te keer ... Hoor eens! ... Mooi! de boel +gaat kort en klein, hij slaat de glazen in, God bewaar me, dat was +bijna raak. Mensch! 't schiet me in mijn knieën," zegt, bleek wordend, +de juffrouw, als een stuk glas en een gebroken aarden schotel rakelings +langs haar heen op straat vallen. + +Met de woorden: "Ik zal toch eens even gaan kijken," slaat Strijkman +zijn loshangende jas dicht en strompelt, zoo spoedig zijn neergetrapte +pantoffels het toelaten, de trap op naar de onderste voorkamer, +gevolgd door de vrouw, die telkens herhaalt: + +"O! genade! O, Heere! zoo erg heeft hij 't nooit gehad." + +De voorkamer, die door Makko den hondenscheerder bewoond wordt, is +een beeld van de meest onbeschrijfelijke verwarring. Vastgehouden +door de twee mannen, die hem tehuis brachten, staat de dronkaard +midden in de kamer en schopt zoo ver hij kan om zich heen. Doodsbleek, +met stukgebeten lippen en 't schuim op den mond, de oogen met bloed +beloopen, brult hij als een bezetene. Met de kracht van den waanzin +tracht hij zich los te rukken uit de handen der mannen, die hem met +de grootste inspanning vasthouden. Zijn haren hangen verwilderd over +zijn voorhoofd en zijn kleederen zijn bijna aan flarden gescheurd. + +Eensklaps staat hij als aan den grond genageld, de oogen puilen hem +schier uit het hoofd en onafgebroken staart hij naar een hoek der +kamer, terwijl een siddering door zijn lichaam vaart. Met heesche +stem roept hij: + +"Weg, daar!--Vervloekt! dat beest vliegt mij aan. Draai hem zijn nek +om. Geef hem een doodschop! Hij komt, hij komt!" + +"Hou hem goed vast, Manus," roept de kruier tot zijn makker, die, +evenals hij, niet dan met de grootste moeite de armen van den +hondenkoopman in bedwang kan houden. + +"Wees nou een beetje bedaard, Makko! Je verbeeldt het je eigen maar; +er is geen bulhond, waarachtig niet,..." + +"Daar! daar! Zie je hem dan niet ... Daar vliegt hij op me aan ... Hou +hem weg! Verd..md hij is dol," en geweldig schopt hij voor zich uit, +als wilde hij het denkbeeldige dier van zich afweren. "Daar! daar! Hij +komt weer," gilt de door den drank waanzinnige man, als het gehuil en +geblaf der honden, die in de kamer in hokjes zitten of aan kettingen +liggen, heviger dan te voren weerklinkt. + +Met Strijkman en de buurvrouw zijn intusschen tal van andere buren +nieuwsgierig in het portaaltje, op de trap en in de kamer gekomen, +om het akelige schouwspel te genieten. + +Allerlei stemmen spreken te gelijk. + +"Makko is weer dol," roept de één. + +"Wat wonder! Hij is drie dagen onder water geweest," verzekert +een ander. + +"Laten we hem naar 't gasthuis brengen," zegt een derde. + +"Wat is er aan de hand?" vraagt een buurvrouw, die, achter de anderen +staande in de kamer, met uitgerekten hals over hun schouders tracht +te zien. + +"Makko heeft 't op zijn zenuwen," grinnikt iemand uit den hoop. + +"Daar blijft hij in," zegt verschrikt een der vooraanstaanden tot +zijn achterbuur. + +"Och, ben je mal, hij komt wel weer bij zijn positieven," schreeuwt +een vrouw terug. + +"'t Is al voor den vijfden of zesden keer dat hij lirium heeft, +maar zoo erg als vandaag heeft hij 't nog niet gehad," merkt +juffrouw Ram aan, die na Strijkman in de kamer is gedrongen en zich, +met hem, angstig in een hoek bij de armoedige bedstede verscholen +houdt. Binnensmonds mompelt de pandjesbaas: "Hij ruïneert mijn boel, +alles gaat stuk; nu moet hij er bepaald af; ik kan die kamer wel +zesmaal, en beter verhuren." + +"Laat dan toch iemand om een dokter of een meester gaan," roept een +der mannen, die hem vasthouden. "Gauw dan toch: de kerel is razend,--ik +kan hem niet houden.--Gauw dan! ..." + +De verwarring neemt met elk oogenblik toe: een paar van de honden zijn +losgebroken en loopen blaffend en huilend, verschrikt door 't rumoer, +door de kamer, of janken erbarmelijk, als zij door de vechtenden nu +en dan getrapt en geschopt worden. Enkele vrouwen beginnen luidkeels +te gillen, en daartusschen klinkt een grove mannenstem, die schreeuwt: +"Hou toch jelui snaters ..." + +"Moord!" roept op gesmoorden toon een der mannen, de kruier, als +plotseling, met een verraderlijken ruk, de honden-koopman zijn +rechterhand bevrijdt en hem daarmede de keel dichtknijpt. + +Strijkman siddert van angst; terug kan hij niet, want de opening +der deur en ook 't portaal is door de aangroeiende burenmassa geheel +ingenomen. + +"Moord!" rochelt nogmaals de aangevallene, als de ijzeren greep van +den waanzinnige hem de keel toeschroeft. + +Eenige mannen dringen nu de kamer binnen en komen den kruier te +hulp, die eindelijk bleek en ontdaan, half gewurgd, met de bloedige +indruksels van Makko's nagels aan den hals tegen den wand tuimelt, +met de woorden: "Hij is dol. Haal den meester! Haal den meester!" + +Op eens houdt het gebrul op; de handen van den hondenkoopman worden +slap, hij biedt geen tegenstand meer, zijn hoofd zinkt voorover, +en terwijl een zucht snerpend en schel zijn borst ontvlucht, zakt +hij ineen. Nog een paar malen trilt zijn geheele lichaam; de oogen +dringen bloedig uit hun kassen; de tong, blauwachtig opgezwollen, +hangt een eind over de onderlip; de neusvleugels verwijden zich een +oogenblik, om dadelijk daarna weer samen te trekken en aan den neus +den eigenaardigen spitsen vorm te geven, die de voorbode is van den +dood. Al de wezenstrekken worden slap, de oogen breken; rochelend +blaast hij den laatsten adem uit en de vale doodskleur trekt over +zijn gelaat, terwijl zijn geheele lichaam zich op den grond uitrekt +en daarna roerloos blijft liggen. + +De omstanders dringen met ingehouden adem hoe langer hoe meer +vooruit. Zonderling steekt de plotselinge, akelige stilte, die nu in +het vertrek heerscht, af bij het ontzettende geweld van zoo even. "Ik +geloof, dat oom Kool er geweest is," zegt de groenboer, zich met de +hemdsmouw het zweet van 't voorhoofd wisschend. "Sakkerloot, wat was +dat een toer!" + +"Daar is de meester!" klinkt een stem onder aan de trap, en eenige +oogenblikken daarna maakt men ruimte bij de deur der kamer om een +chirurgijn binnen te laten, die inderhaast door een der buren is +opgezocht. In een oogenblik is nu de kamer overvol. Allen verdringen +zich om den medicus, die bij het lichaam van den hondenscheerder +neerknielt, diens oogleden omhoogheft en, na 't hart betast te hebben, +kortweg zegt: "Hij is dood. Jeneverberoerte!" + +"Ja, dat dacht ik wel: hij heeft van morgen ook beestachtig gedronken," +zegt de kruier, die weer wat van zijn schrik bekomen is. "Kijk eens, +meneer, hij had mij bijna ook om gaies [1] geholpen," en hij toont +de krabben aan zijn hals. + +"Doe er maar wat azijn en water op; en haal een raderbaar, dan kan +dat lijk naar 't politiebureau gebracht worden. Of heeft de man hier +familie?" vraagt de chirurgijn. + +"Fermielie?" antwoordt juffrouw Ram. "Och neen, meneer, de man leefde +hier alleenig met zijn kleinen jongen, een bocheltje van een jaar of +elf, een rakkerd van een jongen, 'n plaaggeest voor de heele buurt." + +"Had hij geen vrouw?" + +"Dood, meneer, voor drie jaar geleden. Een zegen voor 't mensch! De +juffrouw was goed, zachtzinnig; ze had dan erg het water, daar +laboreerde ze lang aan. O! meneer een lichaam als drie, en dikke +beenen, o! je werdt er akelig van, en dan ..." + +"Dank je voor de rest, juffrouw. En 't kind?" + +"Zooals ik uwé zei, een rakkerd." + +"Waar is het?" + +"Och, die zwerft zeker ergens in de buurt; of misschien zit hij +wel hier of daar verstopt; dat levert hij meer. Zoo ga je zonder +erg de trap op: flap! dan vliegt je op eens die "krates" tegen je +beenen. Een plaag voor de buren, maar een stumperd; ik geef hem wel +af en toe ereis een boterham of een kliekje, omdat hij er soms zoo +akelig hongerig uitziet; maar ...." + +"Al goed, vrouwtje," en tot de omstanders gewend, vervolgt de medicus: +"Laat het lijk dadelijk naar 't politiebureau brengen; over een half +uur ben ik er zelf." + +Vijf, zes stemmen verzekeren den meester, dat er niets aan mankeeren +zal. Een kwartier later is de raderbaar voor de deur en wordt het +lichaam van den gestorvene er in gelegd en, begeleid door jongens, +straatslijpers en buren, die nieuwsgierig medeloopen, weggebracht. + +Nog een kwartier later is de kamer ontruimd en gaat ieder der buren +zijns weegs, alsof er niets gebeurd was. + + + +Een menschenziel is de eeuwigheid ingegaan en niemand van de +overgeblevenen vraagt zich af: hoe? of waarheen? Zij dolen verder door +het leven, tot ook het raadsel van 't sterven voor hen wordt opgelost. + +Strijkman heeft den kamersleutel tot zich genomen en eigent +zich reeds in gedachten de honden of liever de opbrengst er van +toe. Handenwrijvend denkt hij: "Er is toch niemand, die er gading +naar kan maken. Hè! hè! hè! ik ruk 't boeltje in;--wat er van komt +is pure winst." + + + + + +II. + +"KRATES." + + +'t Is geheel donker geworden in de verlaten kamer; alles is er in rust, +zelfs de honden zijn bedaard en liggen met hun kop op de voorpooten te +soezen. Beneden in den winkel staat Strijkman nog met juffrouw Ram over +het geval te praten en vertelt, dat hij de honden naar de Botermarkt +zal laten brengen, om ze daar te verkoopen. "'k Moet toch zien, dat zij +mij voor de achterstallige huur wat opbrengen; en als er wat over is, +kan ik het met een gerust geweten houden voor al wat hij op mijn kamer +bedorven en gebroken heeft," zegt hij meesmuilend, want hij berekent, +dat hij nog met eenig profijt van een onaangenamen huurder afkomt. + +"En wat zal er nu van dien krates worden?" vraagt juffrouw Ram. + +"Dat weet ik niet. 't Gaat mij ook niet aan, buurvrouw." + +"'t Is een gare rot, een jongen, die, zoo klein als hij is, toch slim +is voor drie." + +"Ja, goochem is hij." + +"Misschien nog goochemer dan jij, Strijkman." + +De oude man ziet haar aan met dichtgeknepen oogjes, glimlacht alsof +hij denkt: "dat kon je nog tegenvallen," en antwoordt: "Neem jij hem +bij je in huis, juffrouw Ram; hij kan je al gauw in de hand komen +met boodschappen doen." + +"Ik? Geen gedachte. Mijn eigen jongens worden haast groot +genoeg. Waarom neem jij hem niet, Strijkman? Je hebt kind noch kraai; +en heb je me laatst niet gezegd, dat je wel zoo'n soortement bediende +kondt gebruiken? Nou kun je er goedkoop aankomen; voor den kost en +een paar stukjes kleeren ben je klaar. 't Is wel geen mooi gezicht, +zoo'n bult in je kantoortje, maar ..." + +"Dat zou me een zorg wezen! Maar ik heb geen lust om een andermans +kind te eten te geven; 'k heb zelf werk, dat ik rondkom." + +"Jij? Laat naar je kijken!" + +"Hoe zoo?" + +"Jij hebt ze, Strijkman,"--juffrouw Ram maakt de beweging van geld +tellen,--"en dik ook, dat weet de heele buurt." + +Met een zijdelingschen, min of meer angstigen blik naar het +binnenvertrek antwoordt de pandjesbaas: "Praatjes, allemaal +praatjes!--'k Zou misschien wat over kunnen hebben, wanneer ik minder +voor de panden gaf; want gewoonlijk ..." + +"Nou, 't is goed, 'k zal je voor dezen keer gelooven", grinnikt +juffrouw Ram en vervolgt: "Het zou nog zoo gek niet zijn, als je den +jongen naamt. Je hebt er hulp van en je kunt hem heelemaal naar je +hand zetten. Een krates is hij en een rakkerd ook, maar eerlijk er +bij. Hij heeft me een veertien dagen geleden mijn knipje, dat ik hier +in de straat verloren had, teruggebracht, en er was geen cent uit." + +"Hoe wist hij, dat het jouw knipje was?" + +"Er zat toevallig een briefje in, waar mijn naam op stond". + +"Zoo, hm! dus hij kan lezen?" + +"Ja, en schrijven ook, wat netjes," antwoordt snel de juffrouw, +die innerlijk een zeker medelijken gevoelt met den stumperd, die +anders naar het _gesticht_ moet, zooals zij het noemt en, evenals +de meeste vrouwen van haar stand, het _gesticht_ [2] als het toppunt +van ellende beschouwt. + +Strijkman weifelt een oogenblik; hij denkt na: "Als ik den jongen +neem, laat ik hem alles doen; dan kan ik vrouw Sabel" (een oude +schoonmaakster, die zijn boeltje zoo wat aan kant houdt) "missen; +dat zou een gulden in de week gespaard zijn. Hm, de jongen eet +misschien voor drie ... En dan zoo'n kijk-in-den-pot ... Neen, +'k zal vrouw Sabel maar houden." + +"Nou, Strijkman, hoe denk je er over?" + +"'k Wil hem niet hebben, juffrouw Ram.--Waar zit die jongen?" + +"'k Weet het niet, Strijkman; maar als ik hem ergens zie, zal ik hem +bij je sturen," antwoordt de juffrouw zich verwijderend. + + + +Waar zit die jongen? + +Boven op de donkere kamer, in een hoek der bedstede hurkt een mismaakt +kind, een jongen van ongeveer elf jaren. + +Een kleine, tengere gestalte met een vergroeide ruggegraat, bleek van +tint, met sproetachtige wangen en blauw-geaderd doorzichtig vel aan +de slapen. Een vrij groot hoofd, met dun rosachtig blond haar bedekt, +rust op een korten hals en nijgt ietwat scheef naar de zijde, waar de +ruggegraat het kromst is. Alleen de oogen, groot, bruin en zwaarmoedig, +zijn niet onaangenaam van uitdrukking, en om zijn mond, goed gevormd +en met schitterend witte tanden voorzien, speelt een innemende trek, +iets wat men evenwel eerst bij nadere beschouwing opmerkt. Als allen +de kamer verlaten hebben, is het kind, dat verschrikt door al het +rumoer zich in de bedstede heeft schuilgehouden, voor den dag gekomen +en zit nu op den rand van het bed. In zijn armen houdt hij een hondje, +een mank, ongelukkig dier, met afgesneden ooren en een akelig stompje +staart, dat rusteloos heen en weer gaat. + +Met zijn lange, tengere vingers strijkt de knaap over de borstelige +haren van het hondje en brengt zijn mond dicht bij de korte oortjes. + +"Ze bennen weg; jij was ook bang voor 't leven. Hu! wat was dat +akelig! Jij blijft bij me, hé, Boppie? Van jou hou ik, omdat jij mank +bent en leelijk; jou schoppen ze ook. Ja, hé! net als mij ... En jij +kunt ook nog niet erg bijten, omdat je nog te klein bent; maar ik +zal je te eten geven, en als je dan groeit en groot bent, dan kun je +van je af bijten. Ze wouen je verdrinken, omdat je mank loopt, maar +ik heb je verstopt ... en nou hou je van mij, hé, Boppie? Jij likt +me, ja! goeie hond, jij zoent den baas, ja! ja! lik me maar. Jij +roept niet: Kriek! of Krates! tegen me. Nu, nu, Boppie, niet zoo +erg. Koest dan, hond! Ze hebben hem weggebracht, hij heeft z'n eigen +dood gedronken; 't is wel m'n vader, maar ik hield niet van hem, hij +kon mij ook niet uitstaan ... 'k Heb niets geen spijt, dat hij dood +is. 't Is wel goed, hé, nou hoef ik je niet eens meer te verstoppen." + +"St! stil! niet blaffen, hoor je! dan beginnen de anderen ook. De +oude baas van beneden wil je verkoopen; ik heb gehoord, dat hij +'t tegen juffrouw Ram zei. Ha! ha! ha! ha! ik zal hem eens lekker +beetnemen; hij noemt mij ook rakkerd en kriek. Stil! blijf zitten, +koest dan! Ik zal ze er uit laten; die stomme dieren krijgen niet +eens eten vandaag. Koest dan, Boppie!" + +Voorzichtig laat de knaap zich van den rand der bedstede glijden en +gaat voelend en tastend naar de deur. + +"Gesloten," mompelt hij. "O! maar dat's niet erg, ik weet wel raad," +en naar de vervelooze latafel gaande--de duisternis hindert hem niet, +hij kent elken hoek van 't vertrek--haalt hij uit de bovenste lade +een ouden, roestigen sleutel te voorschijn en opent daarmede de deur, +terwijl hij grinnikt: "Dat weet de ouwe niet; vader wist het ook niet, +en ik heb hem toch zoo dikwijls gebruikt, als hij me opsloot." + +"Komt, jongens!" fluistert de bultenaar, terwijl hij in het duister de +honden losmaakt, die, even hun hals en kop schuddend, een kort blaffen +doen hooren. "Zoo! nu maar vooruit." Hij zet de deur wagenwijd open +en met een paar schoppen van zijn korte, magere beentjes jaagt hij +het zevental honden de kamer uit. + +Onder luid geblaf rennen de dieren de trap af en de straat op. In +een oogwenk zijn ze uit het gezicht en is Strijkman, die beneden het +blaffen en 't leven op de trap heeft gehoord, met een lamp in de hand +naar boven gesneld, om te zien wat er voorvalt. + +Als hij de deur geopend vindt en de afwezigheid der honden bemerkt, +vloekt hij binnensmonds en zet de lamp op den houten schoorsteenrand. + +De jongen is weer in de bedstede gekropen en houdt zich stil. + +"Niets, niemendal!" bromt Strijkman. "Hoe komt die deur +open?--Waarachtig! al de honden weg; dat is een gemeene streek; +ik ben bestolen. Wie heeft ..." + +Een onderdrukt lachen klinkt uit de bedstede. + +"Dat is zeker die satansche bult, die mij dat gebakken heeft." Met +die woorden nadert de pandjesbaas het bed en schuift de gordijnen open. + +"'n Avond, baas Strijkman," grinnikt de jongen, die met zijn beenen +tegen het houten beschot trommelt. + +"Satanskind! heb jij die honden losgelaten?" + +"Jawel, baas Strijkman. Wat liepen ze! Ha! ha! ha!" + +"Vervloekte kriek, dat zal ik je inpeperen!" + +Met de ellebogen op de knieën en de handen onder het hoofd, ziet de +knaap doodkalm den ouden man in 't gelaat, terwijl hij antwoordt: + +"Ze waren toch niet van jou, wel?" + +"Wel wis en waarachtig waren ze van mij, voor de huur en..." + +"Vader heeft verleden week toch de huur betaald...." + +"Hou je mond, krates, en kom van dat bed af." + +"Neen." + +"Waarom niet?" + +"Omdat je "krates" tegen me zegt; ik weet het wel, dat ik een bochel +heb, maar jij hoeft het mij niet te zeggen." + +"Hè! hè! hè! Meneer is op zijn teentjes getrapt.--Allo, gauw! kom +er af." + +"Neen." + +"Wil je niet?--Wacht ik zal je beenen maken." Strijkman grijpt een +hondenzweep, die naast de bedstede hangt, en heft ze dreigend op. + +"Sla maar toe, als je durft, maar als je 't doet, bijt ik je," en +evenals een dier blikkert de jongen met de witte tanden;--"ik ben +niet bang voor slaag. Vader sloeg me ook, maar altijd alleen als hij +me krijgen kon. Ha! ha! ha!" + +Voordat de pandjesbaas recht weet wat er gebeurt, is de bultenaar van +'t bed gesprongen, langs hem heen gegleden en heeft zich verschanst +achter twee kisten, die als hondenhokken dienst hebben gedaan, +terwijl hij nog eens sarrend herhaalt: + +"Sla nou maar toe, als je kunt." + +"Kom er uit, bochel, ik zal je niets doen; ik wil een paar woorden +met je spreken," zegt Strijkman, met ingehouden drift. + +"Leg dan eerst die zweep weg en noem me geen krates of bochel." + +"Hoe heet je dan eigenlijk?" + +"Dorus." + +"Kom er maar gerust uit, Dorus! Ik zal je niets doen." + +"Gooi eerst die zweep in den hoek, dáár, ver weg!" + +"Nu goed dan. Ben je nu tevreden?" De zweep vliegt in een hoek. + +Met een sprong is de knaap tusschen de kisten uit en bij de zweep, +die hij stevig in de handen neemt, terwijl hij brutaal vraagt: "Nou, +wat moet je dan?" + +"Bijdehand genoeg," mompelt Strijkman en luid laat hij er op volgen: + +"Waar moet je naar toe?" + +"Weet ik het!" + +"Heb je geen oom of tante?" + +"Neen." + +"Geen andere familie?" + +"Neen." + +"Dan moet je naar 't Gesticht?" + +"Mij een zorg," bromt Dorus, terwijl hij met de zweep op een der +kisten slaat; "in 't gesticht krijgen ze eten genoeg...." + +"Zou je denken?" grinnikt Strijkman. + +De jongen ziet den pandjesbaas met zijne groote donkere oogen eensklaps +onderzoekend aan en vraagt, terwijl hij met de zweep op de bedstede +wijst: + +"Mag ik _hem_ daar meenemen?" + +"Wie?" Onwillekeurig volgen Strijkmans oogen de aangewezen richting. + +"Boppie?" + +"Wie is dat? Je broertje?" + +"'k Heb geen broertje,--nooit gehad," antwoordt de knaap, die aanstonds +daarop even fluit en met de vingers knipt. + +Een kort blaffen en 't slaan van Boppie's staartje tegen de beddeplank +doet den ouden man verwonderd vragen: + +"Een hond? Dat kun je begrijpen! Ze hebben daar doodeters genoeg." + +"Dan wil ik er ook niet heen.--Pst! hier Boppie, kom bij den baas." + +'t Hondje springt, uit de bedstede en nadert den jongen. + +"Ba! wat een mormeldier!" + +"Vind je, baas?" Dorus neemt het hondje op, en terwijl hij het in zijn +armen en tegen zijn lippen drukt, zegt hij: "Wij blijven bij mekaar, +hé Boppie!" en hij maakt zich gereed om de deur uit te gaan. + +Strijkman verspert hem den weg en draait het slot dicht, terwijl +hij vraagt: + +"Hoe kom jij aan dien sleutel?" + +"Die lag altijd in de latafel, dáár!" + +Oogenblikkelijk begeeft de pandjesbaas zich met de lamp in de hand +naar het aangewezen meubelstuk, grabbelt in de laden en haalt er +uit wat slechts eenigszins waarde heeft; eenige papieren, die in de +bovenste lade bij elkander liggen, trekken zijn aandacht. Vluchtig +ziet hij ze door en mompelt: "Trouwakte, geboortebewijs.--Jij heet +Theodorus Johan, hé?" + +"Dorus heet ik.--Laat je me nu haast de deur uit?" + +"Brieven, een portret in een lijstje.... Hé! 't lijkt wel een broer +van Makko.--Had je nog een oom?" + +"Ja! maar wat gaat jou dat aan?" + +Voorzichtig legt Strijkman de papieren weer bijeen, omwikkelt ze met +een stukje touw en steekt ze in zijn borstzak, terwijl hij denkt: +"'k Zal ze meenemen; je kunt nooit weten, waar het goed voor is." + +De kleedingstukken, die hij uit de latafel heeft gehaald, hangt hij +over den arm en werpt den jongen een overjasje toe, met de woorden: +"Daar, neem dat maar mee; daar heb ik toch niets aan. Dat past alleen +op jou kriek." + +"Dief!" schreeuwt Dorus hem, heesch van kwaadheid, toe, en rakelings +vliegt de hondenzweep Strijkmans hoofd voorbij. + +Boppie blaft uit alle macht, en de oude man keert zich om, raapt de +zweep op en slaat er Dorus een paar malen mee over den rug, met de +woorden: "Satansche bochel! ik zal je die kuren wel afleeren." + +De jongen heeft uit een hoek een flesch gegrepen en schreeuwt: +"Laat me er uit! Laat me er uit! of..." + +De pandjesbaas ziet de saamgeknepen lippen van den knaap en een zeker +iets in zijn oogen, dat hem doet denken: de flesch kan gevaarlijk +worden, en daarom opent hij de deur, hem toesnauwend: "Allo! marsch +dan!" + +"Dief, dief!" gilt Dorus, terwijl hij zich ijlings uit de voeten +maakt, en rinkelend vallen de scherven der flesch op het portaal voor +Strijkmans voeten. + +"En zoo'n jongen zou ik in huis nemen," mompelt Strijkman, terwijl +hij de hondenhokken in oogenschouw neemt en oppervlakkig berekent, +hoeveel brandhout ze hem zullen opleveren. + + + +Met zijn hondje in het jasje gewikkeld onder den arm, rent Dorus de +straat op; waarheen weet hij zelf niet. + +'t Is donker; 't is koud en nat in de straten, maar hij merkt het +niet. In zijn jeugdig brein warrelen allerlei gedachten dooreen en +draaien zich om één hoofddenkbeeld: "Niet weer terug naar die akelige +kamer en niet naar het Gesticht." + +Werktuigelijk loopt hij voort; even werktuigelijk blijft hij nu en dan +voor een helder verlichten winkel staan kijken, om dan weer opnieuw +zijn wandeling voort te zetten. Bijna zonder het zelf te weten is +hij de Kalverstraat genaderd. De woelige drukte, het vroolijke licht, +dat uit de winkels en magazijnen straalt, trekt hem onweerstaanbaar +aan. Hij drentelt langzaam verder. Voor een oogenblik vergeet hij +zijn toestand, kijkt in de koffiehuizen en drukt zijn neus tegen de +vensterruiten van een bakkerswinkel. Hij heeft honger gekregen, en +het gezicht van het uitgestalde brood maakt zijn eetlust meer en meer +gaande. Half onwillekeurig voelt hij in zijn broekzak. Een eindje +touw, een pijpensteel en een knikker zijn de eenige voorwerpen, +die hij ontmoet. Nog een begeerigen blik in den winkel en hij +gaat verder. "Hè! 'k wou, dat ik zoo'n broodje had," zucht hij in +stilte en gaat, als om niet meer het tergende gezicht van voor hem +onbereikbare weelde te moeten verduren, een zijstraat in, 't Spui op +en naar het Koningsplein. Zijn rug doet hem pijn, de striemen van +Strijkmans zweepslagen gloeien en branden. Hij wrijft met de hand +over de pijnlijke plaats en mompelt: "Wacht maar; als ik groot ben, +zal ik het hem betaald zetten! Zoo'n leelijke dief! Hé, Boppie, +'t is toch een dief, want het was toch goed van vader! Nou, koest +dan, hondje. Kijk!" hij raapt een paar koude aardappels op, die bij +een stoep liggen, "dat is voor jou, hond!" En op de vlakke hand houdt +hij ze het hondje voor, dat ze gulzig ophapt. "Dat is lekker, hé? Ja, +smul jij maar, ga je gang maar. Had de baas nu ook maar wat. O! wat +doet mijn rug zeer." Hij gaat op een stoep zitten en staart nadenkend +de voorbijgangers en de heen en weer rijdende vigilantes en wagens aan. + +"Loop jij ook met lucifers?" vraagt plotseling een opgeschoten jongen +met een brutaal, van de pokken geschonden gezicht, die naast hem +op de stoep is komen zitten, terwijl hij hem een bakje met doosjes +waslichtjes toont. + +"Neen." + +"Zoo! 't is je ook geraden: er is hier al konkerrensie genoeg; +er is geen droog zout meer aan te verdienen. 'k Geef ze nou al +voor een halven cent winst over, omdat de anderen het ook doen +... Waslucifers,--waslucifers! allemaal zonder vergif.--Waslucifers, +heeren! ... Loop jij met een marmotje?" + +"Neen." + +"Wat heb je daar dan?" + +"Een hondje." + +"Verdien je daar centen mee?" + +"Neen." + +"Loop je dan niet om centen?" + +"Neen." + +"Heb jij je tong doorgeslikt? Kom, spreek eens een spreek! Wat doe +jij voor den kost?" + +"Niets. Ik wou, dat ik wat doen kon." + +"Waar woon je?" + +"Nergens." + +"Heb je dan geen vader of moeder?" + +"Allebei dood." + +"Heb je dan geen ooms of tantes, of iemand waar je bij woont ?" + +"Neen. 'k Weet niet eens, waar ik van nacht slapen zal." + +"Dan ben jij een zwerver." De jongen wacht even, ziet Dorus opmerkzaam +aan en zegt dan: "Zeg! je hebt een bochel." + +"Dat weet ik wel." + +"Daar kun je geld mee verdienen." + +"Hoe zoo?" + +"Laat hem kijken voor een cent. Ha! ha! ha! ... Waslucifers, +heeren! Allemaal goed, vijf centen 'n doos!"--De jongen staat op en +gaat haastig een paar aankomende heeren te gemoet. + +"Zeg, jongen! hei! ho! kom eens hier!" roept Dorus den jongen achterna, +terwijl hij hem een pakje doosjes toont, dat onder het spreken uit +zijn bakje is gevallen. "Je hebt een pakje doosjes verloren." Hij +staat op, loopt hem te gemoet en zegt: "Daar heb je ze terug." + +"Dat is mooi van je," antwoordt de knaap, terwijl hij ze weer +opbergt. Daar heb je twee centen." + +"Dank je, houd ze maar." + +"Neen, neem ze maar gerust. Je zult toch wel een broodje lusten?" Dorus +aarzelt. "Pak aan dan!--Als jij de lucifers verloren hadt, had ik ze +gehouden; 'k had ze verpast, hoor!" + +Dorus steekt de centen in den zak. + +"Ik woon in den Duivelshoek," vervolgt de jongen, "in een gang; +in 't huis naast ons, onder de trap, is een hok; daar ligt hooi in +van den baas uit het _Kraaiende Haantje_, daar kun je van nacht in +slapen. Je slaapt er wat goed in; maar als de baas het merkt, krijg +je een pak ransel." + +"Ik ben niet bang voor slaag." + + + + + +III. + +BIJ SIGNOR CARLO. + + +Even buiten de Weteringpoort, op een stukje grond, dat behalve eenige +magere en dun gezaaide grasspieten meer steenen en zand vertoonde, +dan voor den voet des wandelaars aangenaam was, stond een wagen, +van de soort, die men gewoonlijk met den naam van kermiswagen +bestempelt. Heldergroen geschilderd, met schel rood afgezet, aan +elke zijde voorzien van drie kleine raampjes, waarvoor bontgebloemde +meubelsitsen gordijntjes hingen, was het rijtuig in zijn soort +een prachtstuk te noemen en werd dag aan dag door de jeugd uit de +naastbijliggende straten met onverdeelde bewondering aangegaapt. De +groote gele letters met zwarte randen maakten aan het "gedistingeerde +publiek" kenbaar, dat deze wagen het verblijf was van Signor Carlo's +honden- en apentheater. De dubbele deur, aan den achterkant van het +voertuig aangebracht, verleende toegang tot het binnenste van den +wagen, dat met de meest uiteenloopende zaken was gevuld. Rechts, +vlak bij den ingang, bevond zich een klein ijzeren kookfornuis, +waarop in een pan het middagmaal van den directeur en zijn gezin, +bestaande uit uien en aardappelen met een stuk rookspek, stond te +braden en een twijfelachtigen geur verspreidde. Links zag men aan +den wand eenige planken, waarop in bonte wanorde een koffiekan en +kopjes, aarden schotels en een schaaltje met boter stonden. Een paar +ineengerolde tricots, een roodfluweelen manteltje, eenige apenrokjes, +een hondenzweep en een trompet lagen er naast. Tegenover de deur rustte +de blik op een vormeloozen berg van beddegoed, kussens met rood- en +witgestreepte tijken, een paar katoenen en een wollen deken. Stoelen +stonden er niet in, maar in plaats daarvan, aan beide zijden langs de +wanden, vierkante hokken, waarin de viervoetige artisten van Signor +Carlo verblijf hielden. + +Het rook er naar menschen, apen, uien, honden en naar vet, ongeveer +alsof ransige haarolie op een gloeiende plaat lag te snerken. Een +benauwde, bedompte hitte vervulde het geheele voertuig, en daarom +waarschijnlijk hadden de eigenaar en zijn vrouw met hun dochtertje en +de twee mannelijke telgen van hun echt buiten op het grasveld of liever +op en bij het trapje, dat naar de deur leidde, een toevluchtsoord +gezocht. + +De directrice zat op de bovenste sport, met een rooden doek om het +hoofd geknoopt, een verschoten fluweelen jacquet en een zwarten wollen +rok aan, met een bak op de hoog opgetrokken knieën aardappelen te +schillen. De jongejuffrouw, gewoonlijk bij het publiek door haar vader +voorgesteld als "het wonderkind Miss Betty," balanceerde half in de +deur staande twee ledige flesschen op elkander. Haar magere beentjes +waren in een veel te ruim vleeschkleurig tricot schuilgegaan en een +kruiselings om het bovenlijf geknoopte wollen doek van helderblauwe +kleur, deed haar bleek en sproetachtig gezichtje, omgeven door een +aureool van papillotten, alleronvoordeeligst uitkomen. + +"Kijk dan toch uit, Betty!" riep vrij knorrig de jongenheer Carlo +junior, die op de onderste trede van de trap zich oefende in het op +het hoofd staan. "Schei er liever uit, als je die flesschen telkens +laat vallen; je gooit me nog een gat in het hoofd." + +"Dat zou jammer wezen," antwoordde zijn broer Paulo, die een eind +verder op den grond zat en bezig was met het scheren van een witten +poedel. + +"Stilte! Dat eeuwige gekibbel verveelt me!" riep de heer Carlo zijn +geslacht op tamelijk barschen toon toe. "Zoolang ik aan mijn toilet +bezig ben, wil ik rust hebben." + +De directeur stond namelijk aan de eene zijde van den wagen voor een +spiegeltje zich te scheren en bracht zijn vettig glimmende haarlokken +in den bevalligen vorm, dien men gewoonlijk polka-haar noemt. Zijn +kaalgeschoren nek, de gouden ringetjes in de ooren, de scherp gepunte +knevels en de spitse kinbaard, gevoegd bij de hoogroode, verweerde +en door de zon verbrande gelaatskleur, deden in hem, ondanks zijn +schoonklinkenden vreemden naam, den proletariër-saltimbanque op het +eerste gezicht herkennen. De breede nek, de vierkante schouders en +de sterkgespierde armen en beenen wezen er op, dat hij weleer tot +het gild der acrobaten behoord had. Hij had vroeger aan den rekstok +gewerkt, met gewichten en kogels gejongleerd, maar was door een val +voor die kunstverrichtingen ongeschikt geworden en bepaalde zich nu +uitsluitend tot het africhten van honden en apen en tot "productiën" +in het vuur eten, steen verbrijzelen en het jongleeren met messen. + +Carlo was tot zoover met zijn toilet gereed, strikte zich een +veelkleurige das om, trok een grijs jasje met groene opslagen en dito +kraag aan, knoopte het met een der groote hertshoornen knoopen dicht, +dekte zijn kunstenaarshoofd met een flambard en zag er nu, met zijn +geruite pantalon, zooals hij het noemde "sjiek" uit. + +"Allo!" riep hij met zijn min of meer schorre stem Carlo junior toe, +"laat eens een paar van de artisten buiten komen." + +"Wie?" klonk het terug. + +"Eerst Jack, dan Minca en Tom." + +In den wagen blafte een hond; 't was Tom, hij had zijn naam +gehoord. Een oogenblik later sprongen twee keesapen en een zwarte +poedel van het trapje hem te gemoet. De apen gingen op hun achterste +pooten staan en grijnsden, als wilden ze zeggen: wat heeft onze +directeur te bevelen? De poedel kroop bij het zien van het mattenrietje +dat de baas uit handen van zijn zoon ontving, met den staart tusschen +de beenen, op zijn buik tot voor Carlo's voeten en keek hem toen aan +met een blik, waarin een bede om genade opgesloten scheen. + +"Allo! hier, Tom! Jij hebt gisteren driemaal je sprong gemist. Weet +jij dat wel, hè?" Het rietje zwiepte door de lucht. "Je moest strieps +hebben.--Rechtop, Minca!--Hier Jack! Moet ik je afstraffen?" + +Tom blafte binnensmonds en wuifde met zijn pluimstaart. + +"Nou! kom dan maar hier, bij den baas! Je bent anders de kwaadste +ook niet." Tom sprong op, blafte luid, ging met zijn voorpooten tegen +Carlo opstaan en lekte hem het gelaat, dat deze naar hem overboog. + +"We zullen eens even repeteeren. Hier, Minca! Op je plaats, Jack." De +twee apen werden een eind verder aan hun kettingen door Carlo's zoon +vastgehouden; hij gaf hun een hoepel in de pooten en Toms evolutiën +begonnen. + +"Allo! Hoepla, hoepla! Hooger! Ferm zoo! Mooi zoo, Tom! Nog +eens! Hoepla! hoepla!--Daar heb je het waarachtig weer, net als +gisterenavond! Allo, hier, Tom!" Angstig kwam de hond nader; hij trok +met zijn linker achterpoot. De directeur betastte met zaakkundige hand +het dier, wreef met zijn breeden duim langs den poot, mompelde! "Ik +voel toch niets verkeerds," gaf Tom een klein tikje en riep nogmaals: +"Allo! Hoepla! Vooruit!" + +Gewillig rende Tom een paar malen in de rondte, maar toen hij zijn +sprong moest nemen, kreunde hij van pijn en viel over eene zijde vlak +voor den hoepel neer. + +"Kom hier!" Carlo ging op den grond zitten, nam den hond op zijn +schoot en onderzocht hem nogmaals, terwijl hij zijn zoon toeriep: + +"Zie jij ook eens. Ik begrijp er niets van; er moet iets met hem +niet in den haak zijn, maar wat het is, snap ik niet. 't Zou wat +moois wezen, als we hem niet meer konden gebruiken; 't is de beste +van den heelen troep.--Kijk! nu is hij weer in orde, alsof er niets +is gebeurd; ik vat het niet...." + +"Ik wel!" klonk plotseling een stem uit den drom van jongens, die zich +langzaam, aan bij en om den wagen en op het grasveld had verzameld. + +"Verwonderd keek Carlo op en vroeg: "Wie zegt dat daar?" + +"Hier, baas, deze jongen heeft het geroepen, die met zijn bochel," +riepen twee of drie jongens te gelijk en duwden Dorus, want hij was +het, vooruit. + +"Kom jij eens hier! Wat weet jij wel?" zei de directeur en wenkte +Dorus tot zich. + +Met Boppie nog steeds in den arm naderde de knaap vrijmoedig Signor +Carlo en zei, op den poedel wijzend: "Zie je, daar begint 't weer, +dat's kramp op de pezen. Wij hadden ook een hond, die 't gedurig +weeromkreeg, totdat vader het overmaakte met een smeersel." + +"Had jou vader er dan verstand van?" + +"Nou! En hij kon ze ook nog wel andere kunsten leeren dan jij." + +"Ei!" + +"Zeker! We hadden er twee, die konden tellen en op de klok kijken." + +"Wat was je vader?" + +"Hondenkoopman en dresseerder. Maar ik kan het ze ook leeren!" + +"Kom eens hier, bochel! en vertel mij eens ..." + +"Als je bochel zegt, vertel ik niets!" + +Dorus draaide zich knorrig om en wilde heengaan. + +"Sakkerloot, jij bent kort aangebonden, maar dat mag ik wel; kom eens +dichter bij, ventje." + +Dorus bleef staan en schudde het hoofd. + +Carlo gaf zijn zoon, die met de armen over elkander stond te kijken, +een oogje en wenkte bijna onmerkbaar met het hoofd. + +Plotseling voelde de knaap zich door een paar krachtige handen +aangegrepen en opgetild en, trots zijn tegenstribbelen, vlak voor +den kunstenmaker neergezet. + +"Dat's valsch!" gilde hij. + +Een gelach en een hoera van de straatjongens en de overige omstanders +begeleidde zijn kreet. Dorus keek onbevreesd met een hoogroode kleur +en een vreemde tinteling in zijn groote oogen den directeur en zijn +gezin, dat zich nieuwsgierig had vereenigd, aan en zei: "Nu zeg ik +heelemaal niets." + +"Daar zit ras in," mompelde Carlo, en terwijl hij het rietje door de +lucht liet zwiepen, vatte hij Dorus bij zijn kraag, met de woorden: +"'k Zal je wel eens even bijlichten!" + +"Sla me niet!" riep het kind. "'k Heb je toch niets gedaan; ik hoef +toch niet te spreken, als ik niet wil! Als je 't me vriendelijk +gevraagd hadt, had ik het je al lang gezegd ..." + +Een hand werd op den opgeheven arm van den kunstenmaker gelegd; 't +was zijn vrouw, die hem vroeg: "Laat mij eens met den jongen praten; +met slaan kom je niet verder. Zie je niet, hoe bleek en akelig de +stumper er uitziet?" + +Carlo liet den jongen los en bromde: "Je kunt het probeeren, Keetje, +maar een beetje rottingolie zou hem anders geen kwaad hebben gedaan." + +Vrouw Keetje nam Dorus bij de hand en zei op vriendelijken toon: "Je +hebt zeker nog geen eten gehad van morgen, hé? Je ziet er slapjes uit; +kom maar eens mee in den wagen. Och, kind! wat zie je er uit, wat ben +je smerig!--Kom dan! Mijn man zal je niets doen. Maar jij bent ook een +stijfkop, weet je dat wel?... Zóó, wil je het wel mij zeggen? Dat valt +me mee van je.... Ja, je hondje kun je meenemen.... Heb je drie dagen +rondgeloopen? Och! ... Wel! wel! hebben ze je uit het stroo gejaagd, +en heb je niet gebedeld?.... Ga nu maar eens zitten; brand je niet, +'t is heet. Dat is lekker, hé, dat zal je goeddoen. Och, stumperd wat +zijn je schoenen en kousen doornat! Kom hier, ik zal ze uittrekken. Nu, +nu! wees maar niet bleu! Och, God! wat heb je magere beenen.... Zijn +achterpoot? Wrijven? Met speekolie? Ja, goed hoor! Eet nu maar eerst +je bekomst en vertel dan." + +Dorus at met smaak, wat vrouw Keetje hem had voorgezet. Terwijl +zij in den wagen eenige oude kleedingstukken opzocht, volgde hij +haar met de oogen, en toen zij weer bij hem kwam en hem, in plaats +van zijn doorweekte kousen en afgedragen schoeisel, een halfsleten +tricot en een paar lage schoenen van het wonderkind aantrok, greep +hij eensklaps hare hand en zei: "Juffrouw, ik zal u alles vertellen, +en ook hoe of je ze op de klok leert kijken." + +Onwillekeurig drukte hij zich tegen de vrouw van der kunstenmaker +aan en lachte haar toe; 't was ook sinds langen tijd de eerste maal, +dat iemand een vriendelijk woord tot hem richtte. + + + +Van dien dag af bleef hij deel uitmaken van Signor Carlo's +gezelschap. De acrobaat, die wel is waar onbeschaafd, en ruw, maar +toch niet kwaad was, had den jongen, omdat er ras in zat, zooals hij +zei, bij zich gehouden en al spoedig de ontdekking gedaan, dat Dorus +van hondendressuur op zijn minst evenveel, zoo niet meer wist dan hij +zelf. Tom was, dank zij het smeersel van wijlen Klaas Makko, weer even +rap en vlug als vroeger, terwijl onder Dorus' leiding een der andere +honden in de kunst van het tellen en op de klok kijken werd onderwezen. + +Het scheen wel alsof de jongen in de omgeving, waarin hij zich +thans bevond, iets van zijn koppigen aard begon te verliezen. Met +de jongeheeren Carlo verdroeg hij zich vrij wel; deels omdat hij +voor hunne evolutiën en luchtsprongen, hunne vaardigheid in het +op het hoofd staan of op de handen loopen een zekere bewondering +gevoelde, deels omdat zij van hunnen kant voor zijne bekendheid +met de dressuur van het hondengeslacht eerbied hadden en, toen +zij tot de ontdekking kwamen, dat hij vrij goed lezen en schrijven +kon, hem als een soort van geleerde beschouwden. De eenige van het +gezin, waarmede hij het minder goed kon vinden, was miss Betty, het +wonderkind. Hoogstwaarschijnlijk omdat zij, die tot dusverre als +de parel van het gezelschap was beschouwd, vreesde, dat de bochel +een schaduw op haren glans zou werpen. Dikwijls zaten ze elkaar in +het vaarwater, en soms flikkerde plotseling in Dorus' oog een vonk +van toorn, als Betty hem na een kibbelpartij verachtelijk over den +schouder aankeek, terwijl ze onverstaanbaar iets mompelde. + +Aan juffrouw Keetje had hij zich volkomen gehecht. De goedige, +vriendelijke vrouw, die, waar het noodig was, in hare ruwe, +onbeschaafde omgeving te rechter tijd door een kalm, bemiddelend woord +of verzoek, als instinctmatig vrede wist te stichten, was voor hem +een geheel nieuwe verschijning. Tot dusverre had Dorus in een wereld +geleefd, die voor hem weinig anders dan scheldwoorden, het uitzicht op +slaag of mishandeling had. Zijne moeder was reeds lang dood en toch +herinnerde hij zich nu de dagen van weleer, toen moeders zachte hand +hem, haar ongelukkig mismaakt kind, tegen de woeste uitvallen van den +vader beschermde. De knaap, die eigenlijk zacht van inborst was en +behoefte had aan een liefderijk woord, was door de omstandigheden +verbitterd geworden, en toen hij nu in vrouw Keetje iemand vond, +die bij machte was de zachtere snaren in zijn gemoed te doen trillen, +gevoelde hij voor haar een zeker ontzag, maar tevens een genegenheid, +die aan liefde grensde. + +Hij zou voor haar, zooals men het noemt, door het vuur zijn geloopen; +menigmaal naderde hij haar, wanneer zij alleen waren, en zei, terwijl +hij zijn tengere hand op haren arm legde: "Juffrouw Keetje, laat me +nu eens iets voor u doen, maar... heelemaal apart voor u." + +"Gekke jongen," zei vrouw Keetje dan, terwijl zij hem het haar uit +de oogen streek en medelijdend aanzag, "weet je wat je voor me doen +kunt? Vrede houden met Betty." + +Dorus beet op zijn lippen, als hij antwoordde: "'k Beloof het u", +en hij deed zijn best om zich in te houden, als het wonderkind, +om hem te plagen, een hoogen rug trok of kromme beenen maakte. + +Vrouw Keetje was een dier stille naturen, wier onverstoorbaar goed +humeur, gevoegd bij een aangeboren gezond verstand en een zachte +inborst, ze voorbeschikt maakt, om, in welke klasse of stand der +maatschappij het lot haar ook een plaats moge hebben gegeven, tot +een zegen te zijn, voor hare omgeving. Zij was de dochter van een +dorpskastelein, eenvoudig opgevoed en nooit buiten haar dorp geweest; +ze had in haar vaders herberg kennis gemaakt met den acrobaat, die +'t jonge onervaren meisje wist te bekoren. Keetje had nog zoo weinig +van de wereld gezien, dat 't Carlo weinig moeite had gekost haar +argeloos hart te veroveren, en trots vaders en moeders tegenstand, +was zij op jeugdigen leeftijd met hem gehuwd. Al spoedig kwam zij tot +de wetenschap, dat niet enkel rozen op hymens paden groeien; maar al +kwetsten haar ook de doornen, toch hield zij moed en wist door geduld +en kalmte den sterken man, den hercules, die vaak der menigte een +uitroep van bewondering voor zijne lichaamskracht afdwong, zooals men +het noemt, onder den duim te krijgen; maar 't was een bijna onmerkbare +druk, dien zij met oordeel en verstand uitoefende. Niemand zou hebben +kunnen vermoeden, wanneer hij het kleine, tengere vrouwtje zag, +dat zij het nekje was, waarop Signor Carlo's acrobatenhoofd draaide. + +Wanneer men echter haar nog altijd frisch en prettig gelaat opmerkzaam +beschouwde, loste eene uitdrukking van kalme vastberadenheid in haar +helder, blauw oog het raadsel op en niemand zou geloofd hebben, +dat de welbesneden mond, die zoo vriendelijk lachen kon, eenmaal +aan Carlo de woorden had toegevoegd: "Kies!--de flesch of mij." Het +was kort na de geboorte van hun eerste kind, dat vrouw Keetje zoo +tot haren man sprak. Hij had gekozen--gelukkig voor hem--niet de +flesch, en van dat oogenblik af liet de forsche man zich leiden +door haar, die verstand genoeg had om daar, waar het noodig was, +een oogje dicht te doen en het spreekwoord: "Langzaam gaat zeker," +altijd in praktijk te brengen. Zij kende haar man door en door, en +het geheele geheim, waardoor zij hem wist te leiden, bestond daarin, +dat Signor Carlo steeds geloofde zijn eigen zin en wil te volgen, +terwijl hij in werkelijkheid slechts den haren deed. Carlo van zijn +kant gevoelde, zonder het zelf te weten, dat zij boven hem stond, +en het was vermakelijk hem tot anderen te hooren zeggen: "'k Heb een +best wijf, die den boel bij mekaar houdt; voor de kinderen kan het +niet beter, maar er zit niet veel bij: artistenbloed heeft ze niet, +en dat is het eenigste wat me hindert." + +Door vrouw Keetje's invloed heerschte er dan ook in het gezin van den +kunstenmaker meer orde en een fatsoenlijker toon, dan men oppervlakkig +zou verwacht hebben. + +Hoewel hun bedrijf het meebracht, dat zij als het ware een nomadenleven +leidden en nu hier, dan daar hunne tent opsloegen, vond Dorus in Signor +Carlo's gezin een tehuis, zooals hij vroeger nooit had gekend; hij werd +minder stug en terughoudend en lette er soms zelfs niet op, dat iemand +hem "krates" of "bochel" noemde. Enkele malen slechts vlamde het oude +toornige vuur in zijn oogen op, maar verdoofde meestal oogenblikkelijk +door een vriendelijken blik of een kalm woord van juffrouw Keetje. + + + +Geruimen tijd was het honden- en apentheater, zooals men het noemt, +den boer op geweest; in alle mogelijke plaatsen in ons vaderland waren +voorstellingen gegeven, en nu en dan was Dorus met zijn hondje Bop en +een paar andere honden, die hij in eenige maanden tijds gedresseerd +had, bij wijze van proef, met goed gevolg opgetreden, zoodat Signor +Carlo er schik in kreeg en op zekeren dag, na overleg met de overige +familieleden zei: "Je bent nu ruim zes maanden bij ons, Dorus, en we +mogen je allemaal goed lijden. Wil je graag voorgoed bij ons blijven?" + +Dorus knikte van ja, terwijl zijn groote bruine oogen van blijdschap +straalden. + +"Goed! maar dan moet je mee den kost verdienen; wij zullen je een +pakje maken; ik zal je een paar loopjes van het vak leeren, en dan +ben jij de hansworst van het gezelschap. Ik heb idee om een nieuwe +productie met de honden en apen te vertoonen; wij zullen ze samen +aan het gedistingeerd publiek presenteeren." + +"'k Zal je een mooi kostuum maken," zei juffrouw Keetje; en terwijl +zij hem goed aankeek, vervolgde zij: "Jongens, Dorus, je zult er zelf +schik in hebben, dat je mee helpt verdienen." + +Verheugd greep de knaap haar hand, terwijl hij uitriep: "Voor u ook, +juffrouw! Ik zal mijn best doen, dat beloof ik je."--Hij dacht een +oogenblik na en zei: "Juffrouw!" + +"Dorus?" + +"Kan u er niet van achteren iets in maken, dat mijn bochel nog eens +zoo groot lijkt?" + +"Waarom?" + +"Omdat de menschen dan nog meer zullen lachen," antwoordde de jongen +losjes weg, maar met een zwaarmoedige uitdrukking op zijn gelaat. + +Een week of wat later debuteerde Dorus als hansworst bij Signor Carlo's +troep. Overal waar het honden- en apentheater speelde, oogstte de +hansworst den meesten bijval; zoo'n grappigen bochel had men ook nog +nimmer gezien. + + + + + +IV. + +PALJAS. + + +Ruim anderhalf jaar later bevond het gezelschap van Signor Carlo +zich in een klein Geldersch stadje op de kermis. De directeur had +zich sedert eenigen tijd geassocieerd met een zekeren Hermans, den +bezitter van een houten kermistent, waarin, behalve een cyclorama, +koordedanserskunsten, wilde menschen en meer dergelijke wonderen +werden vertoond. Carlo's troep had nooit eigen muzikanten gehad, maar +de kunstverrichtingen steeds met een groot draaiorgel begeleid; daarom +voelden de leden er van, sedert de vereeniging met het cyclorama, dat +behalve een trombone, twee trompetten, een keteltrom en een klarinet +bezat, zich als 't ware in een hoogere artistenklasse verplaatst +en hieven zij fier het hoofd op. Hermans had na de associatie zijn +koordedansers ontslagen, omdat de familie Carlo door hunne veelzijdige +talenten in alle behoeften van het theater voorzag. Hij wreef zich in +de handen over den goeden ruil, dien hij gedaan had, en kon het met +allen goed vinden. De twee compagnons waren derhalve beiden tevreden +en maakten doorééngenomen vrij goede zaken. + + + + +De kermis was in vollen gang; op de markt van het plaatsje +stonden kramen met allerlei koopwaar en tentjes met zeemeerminnen +en kalveren met twee koppen, dikke dames en kijkspellen. Wafel- +en broedertjeskramen waren overal, waar slechts een plaatsje was, +opgezet. En midden tusschen al die kleinere heerlijkheden, verhief +zich de vrij groote tent, waarin het _Théatre des Nouveautés_ onder +directie van Carlo & Hermans speelde, alleen geëvenaard door een +"Groot Amerikaansch Circus," waarin op acht magere knollen drie +schoone écuyères en drie heeren met spitse snorren en geblankette +wangen hunne kunstverrichtingen voor enkele stuivers lieten bewonderen. + +Tusschen al die kramen en tenten met bontgekleurde zeilen en tableaux +bewoog zich de vroolijke menigte, lachend en stoeiend, noten krakend, +koek hakkend en etend, heen en weer. In de herbergen klonk vedel en bas +en zongen de meisjes bij den vroolijken dans, terwijl de boerenjongens +de biervaten ledigden en het "slukske" ook niet onaangeroerd lieten. + +Buiten op het kermisterrein schetterde de trompet van 't paardenspel +en trommelde de witgeblanklette clown met groote vaardigheid op +een ouden soldatentrommel, terwijl hij onophoudelijk: "Er in! er +in! Allo! allo! aan 't bureau!" schreeuwde. De directie van het +"Théatre des Nouveautés" zette haar beste beentje vooruit. De +"spelrecommandeerder" deed zijn welsprekende taal steeds luider hooren. + +"Boeren en burgers!" schreeuwde hij, "omstanders en liefhebbers van +iets schoons en remarkabels, van iets wat ge nog nimmer hebt gezien +op eenige kermis in ons dierbaar vaderland, staat niet te weifelen +voor de deur, maar voorziet u van kaartjes. Ik zijn overtuigd, dat +een elk en een iedereen, die onzen kunstacademie heeft bezocht, ten +volle content zal zijn over datgenige wat hij heeft aanschouwd. Vraagt +'t aan de menschen, die er uitkomen, of ze content zijn of niet. Ge +ziet hier primus, nommero één, miss Betty, bijgenaamd het wonderkind, +in haar onvergelijkelijke equilibritische toeren en het jongleeren +met diverse artikelen; tweedens, de Icarische spelen, voorgesteld +door den directeur Carlo en deszelfs zonen. Een cyclorama van de +schoonste beelden uit alle windstreken: de St. Pieterskerk te Rome +bij nacht en de slag bij de Balaklawa; het vergaan van een storm op +zee en een schip in nood. Men ziet geheel naturel de sloeproeiers +van de reddingsboot bewegelijk voorgesteld. De heilige familie naar +den beroemden Franschen schilder Correggio; een jacht op nijlpaarden +in den stillen Oceaan en Simeon in den tempel; den keizer van Solo +en de huwelijksplechtigheid van Napoleon III met keizerin Eugénie; +den Vesuvius bij maanlicht en het opkomen der sterren.--Voorziet +u van plaatsen! De groote geregeleerde avondvoorstelling zal een +aanvang nemen. Plaatsen van twaalf, acht, zes en vier stuivers en nog +beste staanplaatsen van een dubbeltje! Allo! Allo! Allo! Allo! Aan 't +bureau! Gij ziet hier verder de hoogere dressuur van honden en apen, +in vrijheid gedresseerd door den directeur Carlo en den weergaloozen +Engelschen clown, den jongeheer Theodorus. Deze productiën alleen zijn +ruimschoots de entrée waard, maar bovendien wordt de representatie +besloten door een stille pantomine, waarin al de leden van het +gezelschap zullen optreden, terwijl de jeugdige clown Theodorus in +dezelve nogmaals zich produceert met zijn geleerde honden. We zullen +eenige van de artisten laten buiten komen, ten einde zich aan het +gedistingeerde publiek te presenteeren, terwijl de muzikanten de +laatste waarschuwing spelen." + +Eenige boeren en boerinnen, die met open mond en oogen de aanspraak +van den spellebaas hebben aangehoord, steken de hoofden bijeen en +overleggen: "Kom, loaten we ook èns goan kieken; ik hê zoo'n spul nog +nooit 'ezien; 't kost wel veul, moar 't mot er nou moar deur! 't Is +moar èns karmis!" + +"Toe, Jan, jij veuruut." + +"Nou, Bert, wacht en hortje! Loat me erst èns kieken wat ze buuten +veur'n spektoakel moaken, 't is nog tied's genog; ze begint nog lange +niet binnen." + +"Och jong! zoanik toch niet--toe moar--der in moar, anders kommen we +zoo achteraf te zitten." + +"Alla dan moar!" + +Het spreekwoord, dat zegt: "Als één schaap over den dam is, volgen +er meer," wordt hier bewaarheid; want aangemoedigd door het voorbeeld +van het jolige groepje, stroomt weldra jong en oud de tent binnen. + +Tsching taterata. Boem! la, la--Tsching, taterata +boem! boem! boem! Tèttètterêtetê Tsching, boem! + +Oorverdoovend klinken groote trom en bekkens. Merg en been doordringend +schettert de trompet en oorverscheurend gilt de klarinet, terwijl de +schuiftrompet haar zware klanken onophoudelijk laat hooren. + +De artisten zijn buiten gekomen; zij vertoonen zich op een soort van +stellage, die boven den ingang is aangebracht. Signor Carlo schittert +in een fluweelen wambuis met pailletten bezaaid; zijn beenen zijn in +hoogroode tricots gestoken en om de bloote armen, die uit de korte +mouwtjes steken, draagt hij aan de polsen manchetten van fluweel met +gouden belegsels, terwijl zijn polka-haar door een rood lint om het +hoofd in bedwang wordt gehouden. Zijn twee zoons, eveneens gekleed +als hij, vormen met hem een kunstvolle groep, terwijl het wonderkind +in een soort van paardrijdsterskostuum uitgedost, met een overvloed +van krullende lokken en een lustelooze uitdrukking in hare fletsche +oogen, het publiek aanstaart en met een onverschillig lachje nu en +dan een paar koperen ballen met ééne hand opwerpt en vangt. Aan de +andere zijde van de stellage staat Carlo's compagnon in een Duitsche +huzarenuniform, en naast hem een ondergeschikt lid van het gezelschap, +die in een berenvel gestoken, niet zonder verdienste "Bruin" voorstelt. + +"Zou dat nou en aèchten beer zin? Hij duut er lêlijk genogt veur," +zegt fluisterend een der boerenmeisjes tot een andere, die met haar +voor de tent staat. + +"Zij de gek, deêrn, 't is en mins in en bêrevel; houd, em moar èns +en borrel veur, dan zulde èns kieken!" antwoordt een jonkman, die +achter haar staande, plotseling zijn arm om haar middel slaat en, +terwijl hij een kus op haar frissche koonen drukt, vraagt: + +"Goa-de mee der in, Leen? Ik betoal." + +"Ik wil wel meegoan, moar dat gekus kun-de wel loaten; +'t is nog veuls te vroeg." + +"Kiek, daar kumt wat moois oan! Da's kemiek! hè, hè, hè, hè!" + +Een schaterend gelach gaat onder de menigte op, als de jeugdige +Theodorus te voorschijn treedt in een pakje, half rood, half geel en +met een groote roode pruik op, waarvan de blauwe kuif spits en statig +omhoogsteekt. Een zwarte poedel, met een rood rokje aan en een steek +op, volgt hem op de achterpooten loopend. Een klein hondje, evenals +hij in een half rood, half geel pakje, dribbelt er achteraan. + +"Jandozie! kiek den dieën èns, wat hévt die en alleminschelijken +bult! Doar kunnen der wel twee uut, en wat is ie mooi +toegetoakeld!" roept er één. + +"'t Is allemoal noamoak," zegt een ander. + +"Zij-de gek, ie is zoo gegreuid!" schreeuwt een derde. + +"Nou, maar dan is 't en stumper, dan mot je er meêlije mee hebben." + +"Paljas! maak je compliment voor het geëerde publiek!" roept Signor +Carlo, terwijl hij met het rechterbeen vooruit en de linkerhand op +de heup, met een sierlijke beweging der rechterhand op de omstanders +wijst. + +De hansworst knikt tegen de menigte en geeft een tikje tegen zijn +achterhoofd, waardoor zijn kuif in beweging komt. + +"Paljas! vertel jij nu nog eens aan het gezelschap, wat hier in dit +gerenommeerd theater wordt vertoond." + +De clown buigt zich over de lage leuning, beweegt de lippen, trekt +zijn mond in allerlei vreemde plooien, verdraait de oogen en beweegt +de handen heen en weer, alsof hij een redevoering uitspreekt. + +Het publiek wordt kalmer, en hier en daar hoort men een: +"Ssst! sst! houd oe toch stille doar! Loat wie èns heuren wat ie zegt." + +"Hie zegt niks, niemendal." + +"Joawel! moar ie kunt hem niet verstoan van de hurrie." + +"Paljas! De heeren en dames kunnen je niet verstaan; ik zal de +vrijigheid nemen om je mijn zondagsche stem te verleenen." De +directeur overhandigt hem een reusachtigen scheepsroeper, die door +den clown met een dwaze beweging wordt aangenomen en aan den mond +gebracht. Hilariteit onder het publiek.--Hij beweegt het instrument +omlaag, omhoog, rechts en links, heen en weer. De vroolijkheid der +menigte wordt grooter, als men na een oogenblik van stilte tot de +overtuiging komt, dat paljas geen enkelen toon doet hooren. + +"Koezijn!" schreeuwt Carlo, "je verdient hier alle gulden zes weken, +den kost als je ze krijgt, en vrij licht over dag, en je doet er +niets voor. Je hebt een stem als een garnaal; ik geloof, dat je +hondjes het nog beter kunnen." + +"Woef, woef!" blaft Tom, terwijl hij kwispelstaartend naar den +directeur loopt. Het kleinste hondje gaat opzitten en ziet den +hansworst aan. + +De vroolijkheid van het publiek stijgt ten top, als de jeugdige clown, +na een bankje gehaald te hebben, den poedel een bijna onmerkbaar teeken +geeft en deze met één sprong er op wipt en gaat zitten. Hij houdt +hem den roeper voor, en dadelijk laat Tom een schel en aanhoudend +geblaf hooren. Nu wipt ook de kleine hond op het bankje, staat op +zijn achterpooten en beweegt de voorpooten al smeekend heen en weer. + +"Koezijn! de jongeheer Bop wil ook een woordje meepraten." + +"Waf, waf! waf!" keft de kleine door den roeper, en als de hansworst +het instrument wegneemt, staat de groote hond op en maakt dezelfde +beweging met de voorpooten. + +"Paljas! ze kunnen er niet genoeg van krijgen, om met het +geachte publiek te spreken. Ga jij maar heen; ik kan jou niet meer +gebruiken. Laat de lichten opsteken, want de muzikanten gaan aanstonds +naar binnen." + +De hansworst verdwijnt en de honden blijven zitten. + +Opnieuw gaan eenige bezoekers de tent binnen, en nogmaals spreekt de +"spelrecommandeerder" op hoogdravenden toon het geachte gezelschap +aan. De muziek geeft ten tweeden male de laatste waarschuwing, +en de jongeheeren Carlo voeren met Bruin, den beer, een soort van +horlepijp op de stellage uit, terwijl Signor Carlo met vaderlijk +welgevallen zijn geslacht ziet dansen en in stilte denkt: "'t Gaat +nog maar slapjes vandaag; we zullen straks de muzikanten _nog_ een +laatste waarschuwing moeten laten geven." + + + +In de tent zelf is het nog vrij donker. Een enkele olielamp, hier en +daar aan den wand opgehangen, verlicht de bezoekers, die vol ongeduld +naar de voorstelling uitzien. + +"Doar gaot de pias! roepen een paar van hen, als zij Dorus langs de +banken, het trapje op, dat naar het tooneel leidt, zien naderen. + +"Nu zal het beginnen!" denken zij, als ze zien, hoe hij het grof +geschilderde, door den tijd en door lekkage onoogelijk geworden +voorscherm ter zijde duwt en er achter verdwijnt. De knaap loopt over +het tooneel en de achterdeur van de tent uit. Zijn pruik heeft hij +afgezet en in de zak van zijn hansworstenkleed gestoken, als hij den +ons bekenden wagen, die vlak achter de tent staat, nadert. + +Behoedzaam gaat hij het trapje op, opent de deur, kijkt naar binnen +en luistert. + +"Zou ze slapen?" zegt hij zacht en gaat op de teenen naar het +achtereind, waar in de slaapplaats vrouw Keetje onder een wollen +deken ligt. Een hanglamp, waarvan de pit is neergedraaid, verlicht +flauw het binnenste van den wagen en het bleeke gelaat der vrouw, +als zij haar hoofd omwendt en op zwakken toon vraagt: "Is daar iemand?" + +"Ik ben het, juffrouw! Heb je ook iets noodig? Wil je ook eens +drinken?" + +"O, ben jij het, Dorus? Loopt het druk vandaag? Je hebt het warm, kind; +'k zie het aan je voorhoofd; die pruik is te benauwd voor je. Neen, +neen! 'k heb geen koorts meer, geloof ik, maar hoofdpijn." + +Dorus opent een van de raampjes, blijft er een oogenblik voor +staan, om te voelen of het ook tocht, en nadert de zieke met een +apothekersfleschje en een lepel in de hand. + +"'t Is tijd om in te nemen. Leelijk, hé! Hier, drink maar gauw op, +juffrouw! Zoo; neem dit na! Toe, hap dan op!" en hij steekt haar een +stuk chocolaad in den mond. + +"Wat is dat? Chocolaad? Hoe kom je daar aan, Dorus? Van je zakcenten +gekocht? Je bent toch een goeie jongen. Neen, gerust niet, ik voel geen +koorts meer," en zachtjens strijkt zij met de hand over Dorus' hoofd, +dat deze tot haar overbuigt met de woorden: "'k Zal je straks weer +komen ingeven, hoor! Hij grijpt haar hand tusschen de zijne, streelt +ze herhaaldelijk, en vraagt: "Kan ik ook nog iets voor je doen?" + +"Neen, kind! ik dank je! Laat me nu maar liggen; 'k zal zien of +ik slapen kan, want ik ben zoo moe, zoo erg moe." De knaap schikt +zorgvuldig haar kussens terecht, trekt de wollen deken over haar +voeten en buigt zich nogmaals over juffrouw Keetje, die hij op innigen +toon toefluistert: "Je moet gauw weer beter worden! Zul je niet lang +ziek blijven? Ligt je hoofd wel goed? Als je goed inneemt, gaat het +over. Wel te rusten, juffrouw!" + +Even zacht en voorzichtig als hij gekomen is, gaat de knaap weer +uit den wagen. Bij de deur keert hij zich nog even om en fluistert: +"Genacht!"--Een vriendelijk licht blinkt in zijn oogen, als hij het +trapje afgaat. + +Een half uur later schatert het publiek het uit bij de "productiën" +van den onvergetelijken hansworst Theodorus, die dezen keer zichzelven +overtreft; en als hij, ouder gewoonte, aan het slot der voorstelling +rondgaat, om een "douceur of drinkgeld voor den paljas", valt menig +cent en ook een enkel zilverstukje in de bus en verschaft hem na de +deeling eenig zakgeld, dat hij aanstonds in een kous wegstopt in een +hoekje van den wagen, aan hem alleen bekend. + +Bijna twee jaren was Dorus nu reeds bij Carlo's gezelschap geweest +en met den tijd een bruikbaar lid er van geworden, want niemand kon +zoo snel en goed als hij de honden africhten, niemand wist zoo als +hij partij te trekken van alle kleinigheden en zoo goed een nieuwe +vertooning met de honden en apen te bedenken en uit te voeren. Over +'t algemeen mocht iedereen hem gaarne lijden, omdat hij gedienstig +was en voor een vriendelijk woord alles deed, wat van hem verlangd +werd. Het was onmiskenbaar, dat allen hem, niettegenstaande zijn +jeugdigen leeftijd,--hij telde even dertien jaren--met een weinig +meer onderscheiding behandelden dan de anderen. Hij was een stille +knaap geworden, die, als hij niets te doen had, kon zitten mijmeren +en droomen, terwijl hij met de handen om zijne knieën geslagen, +strak voor zich heen keek. Bedaard ging hij zijn weg, deed wat hij +te doen had en bemoeide zich overigens weinig met de anderen. + +Na de associatie met Hermans waren er muzikanten gekomen en met hen +een verandering in Dorus' wezen. Hoe slecht en valsch de muziek, die +de vijf blazers maakten, ook klonk, toch was Dorus in den eersten tijd, +zooals men het noemt, niet van de muzikanten weg te slaan. + +Een van hen, de eerste trompetter, een Hanoveraan, was weldra +zijn vriend geworden en bij hem bracht hij gewoonlijk zijne vrije +oogenblikken door. Löbell was vroeger huzaar geweest, en na met een +stijve knie afscheid van den dienst te hebben genomen, rondreizend +muzikant geworden en eindelijk bij Hermans' gezelschap zooveel als +muziekdirecteur. + +De reeds bejaarde man speelde behalve trompet ook nog viool en +begeleidde op dat instrument de evolutiën van miss Betty, die zich +verbeeldde zwakke zenuwen te hebben en daarom minder goed tegen de +schelle tonen van het blaasorkest te kunnen. + +"Zou jij mij niet kunnen leeren trompet blazen," vroeg Dorus op +zekeren dag, toen Löbell na de voorstelling zijn instrument in den +groensaaien zak pakte, die voor dat doel bestemd was. + +Lachend antwoordde de Duitscher, terwijl hij zijn dikken grijzen knevel +opstreek, een groote zoogenaamde moffenpijp opstak en als een stoomboot +begon te dampen: "Kottbewahre, was wol jij? Daar ist jouw broest nicht +voor, daar hèv jij kein aassem voor, kleiner kerl.--Trompete blasen, +das ist nicht iederein sein werk; ich hèv ze noe al dreissig jaar +keblazen, maar ich hèv ooch eine broest als wie ein schmied." + +"O! ik kan ook blazen," antwoordde Dorus, terwijl hij een langwerpig +houten fluitje te voorschijn haalde en eene vroolijke melodie begon +te spelen. + +"Ei! sieh' mal, soo ein sakkermenter! Wie hèvt jou die walzer geleerd?" + +"Niemand, Löbell!" + +"Was?--Wie kommen jij dan so akkerat an die melodie, oend..." + +"Afgeluisterd, als jelui ze speelde." + +"Das ist ja ganz nett.--Gib das ding mal her."--Hij bracht het aan +den mond, probeerde om er op te blazen, maar wierp het verachtelijk +neer, met de woorden: "Das blaas ich kapoet: das ist spielerij, niks +weerdig. Donnerwetter, jonge, hoe bring jij het fertig om da dr'op +zoe spielen?--'s Ist jammerschade, dat jij zoo'n schwache broest hebt, +want jij soll het wol leeren, jij hèvt ein besonders goed gehör..." + +"Kun je me dan niet leeren viool spelen, Löbell?" + +"Violin? Ach Gott, joenge, das ist das miserabelste instrument was +existirt; ich hèv't geleerd, oend noe ich es kenne, is 't goed, maar +'t ist kein instrument mit ehren. 's Ist der reinste quinkelierkasten; +daar sitst keine kraft in. Goed voor zoo'n schmachtriemen von 'm +schoelmeister oem sein leege maag damit zoesamen zoe schnoeren, +weiter nichts."--De brave Löbell zag als een echte, trompetter met +verheven minachting op elk strijkinstrument neer. "Lern jij maar eins +erst goed trommelen." + +"O ho! dat ken ik lang." + +"Auch den roffel?" + +"Wat best! Toe, Löbell, leer mij een beetje viool; 'k zal je de helft +van mijn aandeel in 't douceur geven." + +"Teufelskerl," bromde de Duitscher, terwijl hij den knaap, die op zijn +fluitje eenige snelle loopjes blies, van ter zijde aanzag. "Sakkerment, +wenn daar kein moesikant d'rin steckt, will ich ein hondsfott sein." + +"Nu, Löbell, wil je? 'k Deel tusschenbeide wel een halven gulden; +dat zou dan een kwartje voor jou wezen." + +"Was, was! ein kwartje, bin jij toll? Wenn ich je was leer, versta je, +dan ist et aus vrindjap, omdat jij zoo'n boeckelorum bint,--maar eine +violinstunde voor 'n kwartje geef ik niet, das ist kein honorar!" + + + +'t Duurde niet lang, of Dorus kende de grepen van de viool. Wel is +waar had hij verschrikkelijk veel onaangenaamheden ondervonden van +het geslacht Carlo, dat niet de minste sympathie koesterde voor zijn +muzikale studiën, en de directeur Hermans had hem reeds herhaaldelijk +over dag uit de tent gejaagd, als hij de gamma's studeerde; maar Dorus +hield vol, en eer drie maanden verloopen waren, speelde hij allerlei +deuntjes en wijsjes, en toen nogmaals een halfjaar was verstreken, +zei Löbell: "Kottorie, hij spielt bijna zoo goed wie ik! Maar 's +ist oend bleibt toch ein schwaches miserabeles quinkelierinstrument: +da lob ich mir die trompete, da steekt moesik d'rin." + +De directeur Hermans, die eerst zijn best had gedaan om den jeugdigen +violist tegen te werken, liet hem nu stil begaan, want een kostelooze +versterking van zijn orkest was een vooruitzicht, dat hem aanlokte; +ook de familie Carlo begon er schik in te krijgen, dat haar Dorus zoo +knap werd, en juffrouw Keetje, die reeds langer dan zeven maanden +sukkelde en voortdurend aan hoofdpijn leed, vroeg dikwijls: "Toe, +Dorus, speel eens wat voor mij; dat fleurt me op." + +De oude viool, die Löbell voor een beetje geld voor Dorus van een +vakgenoot had overgenomen, was nog zoo slecht niet en de knaap wist +er tonen uit te halen, waarover iedereen verstomd stond. + +Wanneer hij eens of tweemaal iets hoorde, speelde hij het onmiddellijk +na, en dikwijls varieerde hij het stuk zonder 't bijna zelf te +weten. Het was alsof een nieuw leven voor den knaap begon; wanneer +hij zijn viool in handen had gevoelde hij zich gelukkig en elke +dag bracht hem eene schrede verder in de techniek, hoe gebrekkig de +grondslag er toe ook gelegd was. Zonder moeite, als instinctmatig, +vond hij grepen en positiën en soms verbaasde hij zichzelf over de +tonen, die zijn vingers aan de snaren ontlokten. + +Eens op een Zondag--de tent was in een klein stadje opgeslagen, waar +op den sabbat niet gespeeld mocht worden--stond Dorus alleen op het +ledige tooneel en speelde. Zijn vingers drukten werktuiglijk de snaren +en even werktuiglijk liet hij dus den strijkstok op en neer gaan. Hij +begon met eene bekende melodie, die hij ergens gehoord had; vaster en +vaster werd zijn streek, en eindelijk phantaseerde de knaap. Zijn oogen +schitterden, zijn borst zwoegde en het zweet parelde op zijn voorhoofd. + +Dorus droomde op de viool. Nu eens smeltend en zacht,. als een beeld +van zijne eerste kindsheid, toen moederliefde hem koesterde, dan weer +woest en wild, als jammerde het in de snaren van weedom en smart, +eindelijk melancholisch en zacht, klonken de tonen, die hij aan zijn +instrument ontlokte. Hij speelde voort, terwijl tranen hem over de +wangen liepen, maar hij merkte het niet, evenmin als hij gewaarwerd, +dat Löbell achter op het tooneel was gekomen. Een schelle dissonant, +als de laatste kreet van een gewonde ziel, brak zijn droomerij af; +langzaam liet hij de viool zakken en staarde doelloos voor zich uit. + +"Kratz noer weiter, kerlchen, kratz noer weiter!" riep eensklaps +Löbell, maar met een stem zoo week, alsof 't eene moeder was, die +tot haar kind sprak, en terstond daarop liet hij met zijn gewone +ruwe stem volgen: "Jij bint ein schwerenöther, ein teufelskerl; +daar sitzt doch wahrhaftig beina soviel musik d'rin, wie in meine +trompete! Sakkerments kerl! wo hèv jou das keleerd?" + +"Van jou, Löbell," antwoordde Dorus lachende, terwijl hij met +welgevallen zijn viool beschouwde. + +"Von mir--das soll der teufel! Ich wol, dat ich 't zoo kon, versta je?" + +"Och kom, Löbell!" + +"Waar hèv je die noten van dat schtuk?" + +"De noten?--Wat bedoel je?" + +"Ich betoel die moesiek. Ist es gedruckt?" + +"Wel neen!" antwoordde Dorus verwonderd. "Ik speelde maar zoo wat +uit het hoofd, wat me zoo in de gedachten kwam." + +"Donneroenddoria? waar das fantasie,--alles aus de kànes +gespielt?--Waarhaftig?" + +"Natuurlijk, Löbell." + +"Dan zeg ik, dat het sjande oend sünde ist, wenn jij nog langer den +hanswoerscht macht. Jij moet stoedeeren oend dan wird der ouwe Löbell +nog beleven, dat jij een virtuoos wirst." + +"Een virtuoos, wat is dat?" + +"Das?"--De oude trompetter streek verlegen zijn knevel.--"Das? Das +ist ein kerl, die zóó moesiek macht, das die menschen sich de handen +kapoet schlagen, bei 'm applaudiren, oend der liebe herr Kott das +herz im leibe lacht." + + + +Er was in Dorus' geheele zijn en wezen verandering gekomen. Hij +werd stiller en teruggetrokkener dan ooit, zijn viool was zijn +alles geworden en het hansworstenpak, dat hij eenmaal verheugd had +aangetrokken, begon hem tegen te staan. Wel deed hij zijn plicht +en werkte op de voorstellingen naar behooren mede, maar het ging +niet van harte zooals vroeger, en niet ten onrechte maakte Signor +Carlo de opmerking: "Die viool is het bederf van Dorus' productiën; +hij heeft er zijn hoofd niet meer bij, en de honden vernegligeert hij +ook; ik zal er hem eens over onderhanden nemen. Ik heb er niet tegen, +dat hij speelt, maar de zaak moet er niet onder lijden." + +Hij nam Dorus onderhanden, en al wat deze op de tot hem gerichte +verwijten antwoordde, was: "Ik kan het niet laten, maar ik zal +mijn best doen om mijn werk niet te bederven." Toen, als door een +plotselinge gedachte getroffen, vroeg hij: "Laat me het hansworstenpak +uittrekken, Carlo, en in het orkest spelen, dag en nacht, als je wilt." + +"Waarachtig niet; ik heb nog nooit zoo'n paljas gehad! 't Publiek lacht +al, zoodra het je maar ziet, en bovendien je bent een geboren paljas: +'t zou zonde en jammer wezen, als je voor de kunst verloren gingt. Nu, +zet maar zoo'n ongelukkig gezicht niet; je hebt het toch goed, en ik +mag je graag lijden. Weet je wat, als je dan zoo graag spelen wilt, +speel dan op de avondrepresentatie in je hansworstenpak een paar +mopjes, dan zal ik je op het programma den "muzikalen clown" noemen". + +"Maar, Carlo!" + +"Wil je, of wil je niet?" + +"In dat leelijke pak?" vroeg Dorus met een zucht. + +"Ja, en anders ruk ik je viool in. Begrepen?" + +"In Gods naam, ik zal spelen." + + + + + +V. + +BIJ DOKTER ABELS. + + +'t Is een heerlijke zoele zomerdag; de lucht is vol zonneschijn, +helder en blauw is de wolkelooze hemel. In de zonnestralen dartelen +duizenden insecten; alles is vol warmte, leven, glans en gloed. De +geur van jasmijn en kamperfoelie vervluchtigt zich in de warmte der +zon. Krachtig slaat de vink in den beukeboom; vroolijk wiegt zich +het roodborstje in de twijgen van het vlierbosch in den tuin. + +Vol en prachtig staan de rozen in het bed te bloeien, en schitterend +vereenigen verbena's en geraniums haar kleuren tot een heerlijk +schoonen krans. + +'t Zoele windje suizelt zachtkens door de bladeren en draagt den +vlinder voort, die een oogenblik in 't zonnelicht drijft, en blaast +zelfs geen enkel stofje van zijn vlerkjes, die blinken als lichtgeel +goud, met purperen glans overtogen. + +Een waas van bloemenlucht en warmte drijft tusschen de bladeren der +kastanjeboomen, of zweeft er doorheen tot in de openstaande ramen van +het zacht rose getinte heerenhuis. In de ruime, sierlijk gemeubelde +tuinkamer staat dokter Abels voor de opengeslagen vensters. + +"Heerlijk weer, goddelijk!" zegt hij zacht en kijkt naar de lucht, +naar de bloemen en den tuin. Met welgevallen ademt hij de frissche +geuren van het groen in. + +Buiten slaat de dorpsklok negen uren. De dokter verlaat het venster en +nadert de ontbijttafel, die in het midden der kamer gereedstaat. Het +keurig fijne porselein, het zilveren theeservies met de Chineesche +kopjes noodigen tot aanzitten uit. + +De versche eieren in het Sèvres eierenstel zien er uitlokkend uit +en het sardijntje in zijn blikken doosje biedt zijn zilverkleurige +lekkernij vrijmoedig aan. + +De met zorg gekozen meubelen, de prachtige vleugel van Erard, de +harmonische overeenstemming der kleuren van behangsel, overgordijnen +en tapijt, de algeheele afwezigheid van overladen pracht, wijzen er +op, dat wij ons in de woning van een ontwikkeld man van smaak bevinden. + +"Reeds negen uur; Albertine is laat vandaag," zegt de dokter, terwijl +hij in afwachting, dat zijne dochter de thee voor hem zal komen +schenken, het fijn damasten servet, dat, in zilveren ring gerold op +zijn bord ligt, ontvouwt en over de knieën legt. Hij neemt zijn mes +op en draait het werktuigelijk in de hand heen en weer, terwijl hij +achterover in zijn stoel ligt. Zijn vriendelijke oogen rusten daarbij +als vanzelf op een vrouwenportret in crayon, dat tegenover hem in +een zwarthouten lijst aan den wand hangt. + +Hij zucht onhoorbaar, en het is alsof zijn oogleden rood en de hoekjes +vochtig worden, terwijl, hij achterover in den stoel leunend fluistert: +"Arme vrouw, je bent te vroeg heengegaan. En jij ook, Henri, mijn +jongen, mijn stamhouder," voegt hij er bij; terwijl hij het grijze +hoofd omwendt om naar een schuins achter hem hangende photographie +te zien. Een immortellenkrans om het kleine lijstje toont aan, +dat Henri de laatste was, die hem verliet. Nog een blik vol weemoed +werpt hij op de beide portretten en staart dan doelloos in den tuin, +waarin de vlinder in de zonnestralen dartelt, als het beeld van het +herboren leven. + + + Feldeinwärts flog ein Vögelein + Und sang im munteren Sonnenschein + Mit süssem, wunderbaren Ton: + Adé--ich fliege nun davon! + Weit! weit! weit! + Reis' ich noch heut! + + +zingt een glasheldere meisjesstem in den tuin. De dokter heft eensklaps +het hoofd op, en een gelukkige lach speelt om zijn lippen, als hij +de slanke gestalte zijner dochter voor het huis ziet verschijnen. + + + Weit! weit! weit! + Flieg' ich noch heut! + + +klinkt het weer, terwijl Albertine nadert en nog buiten haar vader +toeroept: "Goede morgen, papaatje! Goed geslapen?" + +Met den wijsvinger dreigend, antwoordt hij: "Tientje, Tientje! wat +ben je laat; ik heb op je gewacht." + +Het bevallige meisje, nog steeds in de deur staande, lacht vroolijk, +heft op haar beurt het fijne vingertje omhoog en antwoordt schalks: +"Papaatje, papaatje! wat is u laat! Ik heb al wel een uur op u +gewacht. 'k Heb de kippen gevoerd, de duiven hun eten gegeven en ik heb +bloemen geplukt." Zij toont een paar rozenknoppen met een takje jasmijn +en nadert met luchtigen tred haar vader, die het hoofd achteroverbuigt +en zoo zijn morgenkus in ontvangst neemt. Zij steekt een rozenknopje +in zijn knoopsgat, kust hem nogmaals op beide wangen en zegt lachend: +"Dat is voor mijn knorrigen papa, omdat hij te laat is opgestaan." + +"Je weet je aardig uit de klem te redden, Albertientje!" + +"Neen, heusch, papa, ik ben al een uur op." + +"Nu goed, kind, ik zal je voor dezen keer gelooven. Schenk me maar +gauw een kopje thee in." + +"Dadelijk, papa." + +Met ongedwongen bevalligheid plaatst het meisje zich aan de +tafel. Terwijl zij thee inschenkt en het ontbijt verder gereedmaakt, +slaat haar vader met welgevallen elke harer bewegingen gade en denkt: +"Wat ziet ze er toch lief uit; ze heeft juist de oogen van haar moeder +en hetzelfde weelderige, blonde haar; 't is alsof ik mijn goede Anna +verjongd en frisch weer voor me zie!" En nogmaals richt zich zijn +blik op het portret tegenover hem. + +Albertine ziet er werkelijk allerbekoorlijkst uit; hare rijzige +gestalte komt in den met kant omzetten witten peignoir geheel tot haar +recht. Op haar fijn besneden gelaat strijdt het dons van de perzik +met de kleur der meiroos en der lelie om den voorrang. Achttien +zomers lachen u aan uit haar groote, donkere oogen, die, door fijn +gebogen wenkbrauwen overschaduwd, eenigszins vreemd afsteken bij den +overvloed van aschblond haar, dat zich noode in de sierlijk gewonden +wrong laat bedwingen. De wijde mouwen van den peignoir gunnen een +onbescheiden blik op den poezelen ronden arm en het coquette muiltje, +dat zich even van onder de plooien van haar kleed laat zien, schijnt +voor een kindervoetje berekend. + +"Nog een kopje, papa?" vraagt het meisje, terwijl zij met een sierlijke +beweging het zilveren trekpotje opneemt. + +"Zeker; en je kunt me ook nog een broodje geven." + +Terwijl zij het een en ander gereedmaakt, ziet haar vader op zijn +horloge en zegt: "'t Is al bijna weer tijd om uit te rijden, Tientje; +nog een klein kwartiertje en..." + +"En nog juist tijd genoeg om u even een wals van Chopin voor te +spelen," en opstaande voegt zij er bij: "Ja, ja! ik ken mijn vadertje: +zijn muziekstuk moet hij hebben voor hij uitrijdt, niet waar?" + +"Kind! je bederft me!" + +"Of u mij, papa!" Albertine staat op een slaat het kostbare instrument +open. "Chopin, papa?" + +"Neen, Tientje, speel liever iets van Mendelsohn; ik weet niet, +hoe het komt, maar ik ben vandaag niet opgewekt." + +"Niet; scheelt er wat aan, papa?" Het meisje wipt vlug van de pianokruk +op, vat haar vaders hoofd tusschen haar beide handen en, terwijl zij +hem in de oogen ziet, vraagt ze: "U is immers toch wel?" + +Glimlachend ziet dokter Abels haar aan en antwoordt: "Zeker, kind ; +'t is maar een van mijn mistroostige buien. Kom, speel nu, kind!" + +"Zal u dan weer vroolijk worden, lieve, beste, oude papa?" + +"Ja, ja, malle meid!" + +Albertine preludeert even, en weldra ruischen de toonen, die haar +geoefende vingers aan het schoone instrument ontlokken, door de +kamer. Plotseling houdt het meisje op met spelen en vraagt: + +"Papa, waarom speelt u toch nooit meer op de viool? U speelt zoo goed!" + +"Och, kind!" + +"En u heeft zoo'n prachtig instrument." + +"'k Heb er geen tijd meer voor, Albertientje, en bovendien, sedert je +moeder dood is, heb ik er den rechten lust niet meer in; wij maakten +altijd samen muziek en..." + +"Mama is nu al bijna twee jaren dood, is 't niet zoo papa?" + +"Ja, kind, en Henri al anderhalf jaar." + +'t Is een oogenblik stil, doodstil in de kamer. De dokter staat +langzaam op. en strijkt zich een paar malen met de hand over het +voorhoofd. Albertines vingers dwalen over de toetsen. Zacht en innig +klinkt de melodie van "_Es ist bestimmt in Gottes Rath_," uit den +vleugel. Pianissimo eindigt zij, springt plotseling van haar zitplaats +op en valt haar vader om den hals, terwijl zij haar hoofd aan zijn +borst verbergt en zachtjes zegt: "Maar wij hebben elkaar toch nog, +niet waar?" + +"Ja, mijn schat, ja!" + +"Mijnheer, het rijtuig is voor!" roept de knecht, die in de tuindeur +verschijnt. + +"Ik kom, Jakob. Adieu Tientje!" + +"Dag, papa!" + +Dokter Abels werpt haar, in de tuindeur staande, nog een kushand +toe en begeeft zich door den tuin naar het koetshuis, waar onder de +porte-cochère zijn rijtuig gereedstaat. Terwijl hij instapt, wendt +hij zich tot den huisknecht, met de woorden: "Jacob, denk er om, dat +je van middag wat soep brengt aan vrouw Teunissen en de flesch wijn, +die in de eetkamer op het buffet staat, bij den ouden Stoffels in +het Hanenstraatje. Je weet wel, waar het is?" + +"Jawel, dokter, waar ik laatst dat mandje en die kleeren..." + +"Juist." + +Het portier valt met een slag dicht; Barend de Koetsier klapt even met +de tong, de twee bruinen trekken aan, stappen de poort uit en weldra +rolt het rijtuig in snelle vaart den weg op. Jacob ziet het na, en +terwijl hij de groote staldeuren sluit, zegt hij bij zichzelven: "'t +Is toch een goed man, die een boel voor een ander overheeft. Jammer, +dat hij zoo mankeliek is tusschenbeide." + +Albertine is weer aan de piano gaan zitten. Haar kleine handen glijden +vaardig en snel over de toetsen; ze speelt een concertstuk. Breed en +vol ruischen de accoorden der introductie en als een zoetvloeiende +stroom van harmonie volgt een adagio, dat als een lied van liefde +en lust tot het hart spreekt en doordringt tot het diepst der ziel; +nu eens jubelen de tonen, dan weer klagen zij vol weemoed en smart. + +Het meisje gevoelt, wat ze speelt; haar onberispelijke aanslag en +hare vaardigheid komen heerlijk uit, als zij bij het scherzo met het +meeste gemak de zwaarste passages overwint. Als een vogel, verscholen +in het gebladert, juicht de discant en de basnoten klinken als een +menschenstem, die zingt van weelde en van geluk.--Zij speelt voort, +terwijl haar oogen schitteren en haar wangen zich hooger kleuren. Alles +om haar heen heeft zij vergeten; op dit oogenblik leeft zij alleen in +de muziek. Daardoor bemerkt ze ook niet, dat zij een toehoorder heeft; +'t is een knaap die tegen de openstaande tuindeur geleund, ademloos +toeluistert. Zijn oogen zijn strak op de liefelijke verschijning +vóór hem gevestigd en met gevouwen handen luistert hij toe; geen +enkele toon ontsnapt hem. Het is alsof hij de muziek, die hij hoort, +in zich opneemt; alsof elke noot, elk accoord in zijn ziel weerklank +vindt. Bleekheid en blos wisselen snel op zijn gelaat, zenuwachtig +trillen zijne lippen en plooien zijn mond tot een weemoedigen lach of +sluiten zich een seconde later weder vast op elkaar. Onbeweeglijk staat +hij daar, totdat het meisje ophoudt met spelen; en alsof hij uit een +betoovering ontwaakt, strekt hij de handen verlangend naar haar uit. + +"Wat doe jij daar? Wat voer je daar uit?" klinkt plotseling Jakobs +stem in den tuin en doet hem tot de werkelijkheid terugkeeren; maar +nog is hij te zeer onder den indruk van het gehoorde, om dadelijk +antwoord te kunnen geven. + +De huisknecht nadert, en met de barsche woorden: "Kun jij geen antwoord +geven, leelijke bochel?" vat hij hem bij den kraag en trekt hem een +eind den tuin in. + +Al het bloed stijgt in één oogenblik naar het hoofd van den jongen; +hij rukt zich los, bukt zich en grijpt bliksemsnel een handvol zand, +dat hij den knecht in het gezicht werpt. + +"Vervloekte jongen!" roept Jakob, terwijl hij met een pijnlijk gelaat +de eene hand naar de oogen brengt en met de andere tevergeefs hem +weer poogt te grijpen. "Houd hem vast!" roept hij den tuinman toe, +die het geval heeft gezien en, ijlings toegeschoten, den bultenaar +stevig bij den arm neemt en heen en weer schudt. + +"Laat me los!" gilt de knaap, terwijl hij vruchteloos zich aan de +handen van den tuinman poogt te ontwringen. + +Albertine is op het hooren van het geschreeuw in den tuin opgevlogen +en staat nu tusschen de beide mannen, terwijl zij vraagt: "Wat is +hier te doen, Jakob? Waarom schreeuw jelui zoo?" + +Bedeesd slaat de jongen de oogen neer en doet geen verdere poging om +te ontkomen, als Jakob antwoordt: + +"Ik was zoo even in den stal, juffrouw, en zag hoe die gemeene +bochel...." Een toornige blik van den aangewezene treft hem en ontlokt +hem de woorden: "Kijk me maar zoo valsch niet aan; 'k zal je straks +wel nader spreken.--'k Zag hem door de kleine deur sluipen en in +den tuin gaan; er is hier dezer dagen veel slecht volk in de buurt, +want met de kermis te Groenendaal zwerft allerlei gespuis rond, en ik +dacht: die komt eens kijken, of hij hier wat op den kop kan tikken, +'t Is zeker een jongen van een spel of zoo, dat kun je wel aan zijn +plunje zien. Ik prakkezeerde zoo bij mezelven: ik zal hem stil zijn +gang laten gaan en zien wat hij uitvoert. Ik zag hem langs het huis +gaan en door de ramen kijken. U was net aan 't spelen, juffrouw; +toen bleef hij aan de open deur staan en loerde om het hoekje naar +binnen. Hij keek zeker, of er wat van zijn gading was." + +"Dat lieg je." + +"Houd je mond, kwajongen; ik weet, wat ik gezien heb. Toen wilde hij +naar binnen gaan." + +"'t Is een leugen, juffrouw, 't is een leugen!" roept hartstochtelijk +de jongen, terwijl de tranen hem met kracht uit de oogen springen +en over zijn bleeke wangen rollen. "Ik luisterde naar de muziek, +anders niet. Laat me toch los!" + +Albertine ziet hem medelijdend aan en zegt: "Laat hem maar los, +Pieter." + +"Dan gaot ie er vandeur, juffer!" + +"Neen, neen! 'k zal niet wegloopen, 'k hoef het niet te doen, want +ik heb niets kwaads gedaan." + +Op een wenk van het meisje laat de tuinman den arm, dien hij vastgreep, +vrij, en de knaap blijft bedaard staan, terwijl hij met een blik vol +haat op Jakob zegt: "'k Kwam niet om te stelen, juffrouw; hij liegt +het. Dat ik hem zand in de oogen heb gegooid, is waar, maar dat deed +ik, omdat hij me uitschold en omdat ik op dat oogenblik mijzelf niet +was door de muziek, die ik hoorde." + +"Een mooi praatje," bromt Jakob. + +"Daar mot-de niks van geleuven, juffer, dat bennen allemoal +proatjes. As 'k 'em goed oankiek, dan geleuf ik, dâ 'k 'em al eerder +gezien heb, eergiesteren, toen 'k op de kârmis gewêst bin, moar toen +zag ie anders uit. Zinen bult was wel êns zoo groot en ie had zoo'n +potsenmoakers pak an.--Zeg, hed-de gij niet in 't thrioater met +hundjes gespeuld?" + +"Dat heb ik," klonk het bedaard terug. + +"En hed-de gij niet op de fidel gespeuld?" + +"Dat is ook waar." + +"Zie-de wel, juffer, dat 't der een van 'n spul is? Dâ's allemoal +schunnig volk, doar mot-de veurzichtig mee wêzen. G'leuf me, loat 'k +em noar den veldwachter brengen, dan bint wie der af, en dan kriegt +ie wat 'em toekumt." Pieter grijpt den arm van den jongen weer vast. + +"Wacht eens even, Pieter, ik geloof dat je overdrijft; de jongen ziet +er niet uit, alsof hij kwam stelen," zegt Albertine, terwijl zij, +een stap voorwaarts doende, vraagt: + +"Waarom kwam je hier? Zeg me de waarheid." + +"Ik wou den dokter spreken, juffrouw." + +"Mooi smoesje!" pruttelt Jacob. "Dan kost ge toch oan de veurdeur +gebeld hebben. Een fatsoenleke mins kruupt toch niet 't achterhuus in." + +"Ja, dat is waar. Waarom heb je niet gescheld?" vraagt het meisje. + +"Ik hoorde u spelen en toen vergat ik verder te gaan." + +"Allemaal gekheid, juffrouw, u moet het niet gelooven," bromt Jakob. + +"Ben jij dan zelf zoo'n leugenaar, dat je niemand anders gelooft?" bijt +de knaap hem toe, en tot Albertine gewend vervolgt hij : "'k Heb u +de waarheid gezegd, juffrouw. 'k Zal u alles vertellen; maar laat +hen heengaan." + +"Nu, goed dan. Ga maar aan je werk, Pieter; en jij, Jakob, laat mij +met den jongen alleen." Knorrig verwijdert zich de laatste, en de +tuinman gaat weer naar zijn bloembedden, echter niet dan nadat hij +gezegd heeft: + +"'k Goai, moar rêken der op, da 'k oe in de goaten houw!" + +Albertine neemt op een bank bij het huis plaats en wenkt den jongen +nader te komen. Vriendelijk ziet zij hem aan, als ze vraagt: + +"Zeg me nu eens de waarheid. Wat kwam je hier doen?" + +"Ik kwam den dokter zoeken, juffrouw." + +"Zoo! Hoe heet je?" + +"Dorus." + +"Ben je dan ziek ?" + +"Neen, ik niet," en nu verhaalt Dorus haar, wie en wat hij is; hoe +juffrouw Keetje reeds maanden lang erge koorts heeft en dag aan dag +zwakker wordt; hoe hij gehoord heeft, dat dokter Abels als de knapste +geneesheer van den omtrek bekendstaat; en hoe hij hoopt, dat hij de +juffrouw kan genezen. + +"En het is niet je moeder?" + +"Neen, juffrouw, mijn moeder en mijn vader zijn allebei dood." + +"Al lang?--En hield je veel van je moeder?" + +"Ik herinner mij van mijne moeder alleen nog maar, dat ze me 's avonds +op haar schoot nam en me zoende, vóór ik ging slapen. 'k Weet niet +anders meer van haar, dan dat ze lief en goed voor me was en me nooit +"krates" of "bochel" noemde. Maar juffrouw Keetje is net even goed; +ze is altijd vriendelijk en ze is de eenigste, die van me houdt. Daarom +zou ik voor haar door het vuur loopen en daarom houd ik me in, als de +anderen me schelden of plagen. Och, juffrouw, ze is zoo ziek, en alles +wat ze haar gegeven hebben helpt niet. Als de dokter maar eens kwam, +zou ze wel weer beter worden; hij is zoo geleerd, zeggen ze allemaal; +daarom ben ik van morgen van Groenendaal hierheen geloopen." + +"Maar dat is ruim twee uren gaans!" zegt Albertine verwonderd. + +"O, dat is minder, al was het nog eens zoo ver. Zou u denken, dat de +dokter zou willen?" En terwijl hij haar eenigszins verlegen aanziet, +grabbelt hij in den diepen zak van zijn wijde pantalon en haalt een +toegevouwen papier te voorschijn, dat hij opent, en waarvan hij haar +op de vlakke hand den inhoud toont, bij de woorden: "Zou hij komen +voor drie gulden? Meer heb ik niet." + +Een zonderling gemengd gevoel van medelijden en sympathie doorstroomt +het meisje, als zij vraagt: "Hoe kom je aan dat geld?" + +Dorus' oogen staren haar vrijmoedig en schitterend aan, bij het +antwoord: "Eerlijk verdiend, juffrouw! Opgespaard van mijn douceurs." + +"De dokter zal komen, dat beloof ik je; steek je geld maar weer bij +je," zegt Albertine met een zweem van aandoening in haar stem. + +"Zal hij, juffrouw?" + +"Je kunt er op rekenen. Maar, waar staat de tent?" + +"De tent, juffrouw? Die is al lang vooruit naar Westwijk, met +Hermans en de anderen. Wij, Signor Carlo en ik, zijn met den wagen te +Groenendaal achtergebleven, omdat juffrouw Keetje het rijden, door de +erge hoofdpijn, niet langer verdragen kon; maar morgenochtend moeten +we vroeg weer op weg, om 's avonds in Westwijk te kunnen spelen." + +"Speel jij ook mee? En als wat?" + +Een sterke blos kleurt Dorus' wangen. Waarom, weet hij zelf niet recht, +maar 't is alsof het woord "hansworst" hem niet van de lippen wil, +en hij stottert bij het antwoord: "'k Presenteer gedresseerde honden, +juffrouw! en 'k speel viool." + +"Nu, daarvoor hoef je je niet te schamen. Waarom krijg je zoo'n +kleur? 'k Geloof, dat je mij wat wilt wijsmaken." + +"'k Ben ook de paljas," antwoordt hij min of meer verlegen. + +"Paljas! En vind je dat aardig?" + +"Neen, juffrouw, maar ik moet wel.--Zal ik nu maar gaan? 'k Wou graag +weer terug.--Komt de dokter gauw?" + +"'k Hoop van middag." + +Dorus stottert een paar malen een bedankje en verlaat den tuin. Jakob +ziet hem heengaan en pruttelt: + +"'k Zou hem anders getrakteerd hebben, zoo'n rakker!" En de tuinman +roept hem, met zijn hark dreigend, na: + +"As ge 't hart hêt om ooit weer hier te kommen, dan sloa 'k oe de been' +stuk, begriept-de?" en in zichzelven zegt hij: "De jongejuffer is veuls +te goed om met zoo'n jong nog proatjes te maken;"--en Dorus naziende: +"'t Is toch en miserable bult, as je 'em goed bekiekt." + + + + + +VI. + +IN DEN KERMISWAGEN. + + +In den groenen wagen van Signor Carlo is het benauwd; de zon heeft +den geheelen dag met kracht op het rijtuig geschenen, en daardoor is +de temperatuur daarbinnen buitengewoon hoog. + +Niettegenstaande die bijna ondraaglijke hitte ligt vrouw Keetje in het +bed, met een wollen deken dicht tot aan den hals toegedekt. De koorts +is weer aan 't opkomen en doet haar onophoudelijk rillen en huiveren, +terwijl haar hoofd gloeit, de tong droog is en de slapen kloppen. + +Met een bezorgd gelaat staat Carlo bij zijn vrouw en tracht haar een +lepel vol medicijn in te geven. + +"Ik kan het niet meer nemen, Carlo, 't walgt me zoo," zegt de zieke, +die de hand aan het brandende voorhoofd brengt en herhaaldelijk naar +adem hijgt. + +"Maar 't is toch zoo goed voor je, Keetje; 't is tegen de +koorts. Hermans heeft het ook gebruikt, 't zijn alsem-knoppen op +brandewijn." + +"Laat mij met rust: ik _kan_ het niet innemen." + +"Wil je drinken?" + +"Ja! geef mij water, veel water! En dan wil ik slapen." + +Voorzichtig licht de acrobaat het hoofd der zieke op en brengt haar +een glas aan de lippen. Eenigen tijd ligt zij roerloos, en alleen aan +het hijgen, dat ze doet, is het merkbaar dat zij lijdt. Carlo zit op +de trap van den wagen en staart naar den straatweg. + +De avond valt en in het westen kleurt zich de gezichteinder met een +bloedroode tint. Het scheidend licht der zon verft de toppen der +boomen met een gulden gloed. + +De schaduwen worden al langer en zwakker, vervloeien al meer en meer, +en de schemering begint. Allengs wordt aarde en hemel grauw: in het +zwerk pakken zich de wolken tot een donkere massa samen, en hier en +daar steken lichtere, rotsachtige koppen uit de wolkenmassa op; 't +wordt nu eens donkerder, dan weer iets lichter. Meer en meer verdikken +zich de wolken, flauwer wordt de roode tint aan den horizont, grauwer +de kleur van het loof der boomen en geler hun kruin en toppen. Een +broeiende, matte, loodzware hitte, angstig voor het gevoel, belemmert +den adem. De amechtige natuur smacht naar verfrissching. + +'t Stof warrelt eensklaps, door een plotselingen windstoot gezweept, +omhoog. In een kring, als dansten zij een heksendans, vliegen enkele +afgevallen bladeren en verdorde grasscheuten op den straatweg rond. De +wind vaart spookachtig door de kruinen der boomen en gaat dan weer +liggen, als loerde hij op een geschikt oogenblik om zijn prooi, +de aarde, te bespringen. + +'t Is zonderling geheimzinnig stil. In het noordoosten hangt de +bui,--'t rommelt in de verte. 't Suist in de lucht, enkele dikke +druppels beginnen te vallen; 't wordt een oogenblik nog drukkender, nog +benauwder en donkerder; weer rommelt het onheilspellend in het zwerk. + +Daar schittert op eens een felle bliksemstraal. De enkele boer, die +nog op den weg is, ziet angstig omhoog en telt zachtkens "een, twee, +drie, vier," tot zestien, dan ratelt de slag. "'t Is nog veraf!" Hij +kijkt naar de lucht en haast zich naar huis. + +Een tweede lichtstraal volgt, en bijna zonder tusschenpoos een +donderslag, die aarde en hemel doet sidderen. + +"Carlo! Carlo!" roept op eens de zieke in den kermiswagen. "Carlo! kom +hier; 'k heb zoo'n angst." + +"Wees maar bedaard, Keetje; 't zal wel zoo gedaan zijn." + +"O God! wat een slag, en wat is het donker! Waar is Dorus?" + +"Hij is den straatweg op geloopen, om te zien... Hè! dat's vreeselijk; +dat slaat zeker ergens in." + +Bevend klemt vrouw Keetje zich aan den arm van haar man. "Goddank! 't +begint harder te regenen, dat 's goed. Heb je 't paard bezorgd?" + +"'t Stalt aan de herberg." + +"Och! als die Dorus maar terugkwam. O! wat een licht, en de slag er +dadelijk bovenop; o God, mijn hoofd!" + +"Wees toch niet zoo bang: 't heeft niets geen nood, de bui trekt +al over." + +Een zonderling vuur schittert in Keetjes oogen; haar lippen zijn droog; +in haar slapen tintelt en klopt het onuitstaanbaar. + +"Daar is Dorus," zegt de zieke eensklaps op droevigen toon. + +"Waar?" Carlo wendt het hoofd om, maar ziet niemand. + +"Ha! ha! ha! wat staat hem dat pakje grappig. Speel nog eens voor me; +toe, laat ik nog eens wat hooren, maar niet dat treurige, dat van +laatst, hoor!" + +"Mijn God! Keetje, wat zeg je?" + +"Stil! je moet Betty niet wakker maken! Ze slaapt nog, ze heeft +gisteren te veel gewerkt. Wat een leven is er buiten. God! wat een +geweld." + +"'t Dondert nog: het ontweert, en...." + +"Waarom sta jij hier? Waar is Carlo?" + +"Hier ben ik, vrouw!" + +"Ik ken jou niet; 'k wil mijn man zien; roep hem dan toch.--Spelen, +Dorus! spelen; tralalala! la! la! tralala." + +De zieke ijlt verschrikkelijk, ze wil met alle geweld het bed uit, +en de sterke acrobaat heeft moeite om haar in bedwang te houden. + +"Je doet me pijn; ik wil er uit!" + +'t Angstzweet parelt hem op het voorhoofd; hij weet niet wat aan +te vangen, neemt werktuigelijk een bak met water, die bij 't bed +staat en doopt er een doek in, dien hij op 't brandende voorhoofd +van Keetje legt. + +"Dat's koud, hu! dat's koud." + +"'t Zal je goed doen." + +"Daar komt hij! Daar komt hij!" roept nog op den weg eensklaps Dorus, +die, zoo snel zijn reeds vermoeide beenen het hem veroorloven, komt +aanrennen. Ademloos bereikt hij den wagen en herhaalt: "Dokter Abels +komt er aan, Carlo! Hoe is 't er mee?" + +"Bitter naar, ze is heelemaal buiten westen." + +'t Gromt, rommelt en dondert nog onophoudelijk, dan in de verte, dan +van nabij, maar toch trekt het onweer over, het wordt iets lichter +en de stortbui maakt plaats voor een zachten, milden regen. De droge, +harde grond heeft gretig het vallende water verzwolgen, maar op enkele +plaatsen is de toevoer te groot geweest en hebben zich plassen gevormd, +waarin de bliksem, als hij neerschiet, een ondeelbaar oogenblik +weerkaatst. Rondom den kermiswagen heeft zich een soort van meertje +gevormd; de zandweg is in een poel van leem en modder veranderd. + +Het rijtuig van dokter Abels heeft de plek, waar Carlo's wagen staat, +bereikt. + +"Hierheen, dokter!" roept Dorus hem te gemoet. "Hierheen! Kom langs +den berm, want 't is alles modder dáár. O! dokter, wat is u goed, +dat u komt." + +"Waar is de zieke? Nog in den wagen?" + +"Ja, dokter.--Pas op! daar is een plas.--Hier is het droog.--Zoo! nu +het trapje op." + +De medicus treedt den wagen binnen, waar Carlo hem met een stroom +van dankbetuigingen ontvangt. + +"Kun je geen licht maken? 't Wordt al zoo donker." + +"Zeker, dokter, dadelijk." + +Terwijl Carlo de hanglamp aansteekt, beven zijn handen. Zachtkens +murmelt de zieke: + +"Ze zullen tweemaal repeteeren.--Wat brandt die kachel +fel.--Dorus! Dorus!" + +"Wat blieft u, juffrouw!" + +"Stil! zij schijnt te ijlen," zegt de dokter. + +"Dorus! Dorus! speel dan toch voor mij, toe dan." + +"Houd het licht eens vast, mijn jongen, dat ik haar goed zien kan." + +De knaap neemt de lamp en licht den dokter bij. + +"Kun je niet wat lucht maken, want het is hier om te stikken. 't Is +voor een gezond mensch om ziek te worden." + +Carlo opent een paar van de raampjes en een luikje boven in de kap +van den wagen. Wel vallen eenige regendruppels naar binnen, maar de +drukkende, benauwde lucht vermindert, en de zieke haalt gemakkelijker +adem. + +De dokter buigt zich over de lijderes, spreekt haar zacht en +vriendelijk toe, luistert op haar borst en naar den hartslag en tracht +zich door haar te doen begrijpen. Tevergeefs; zij antwoordt niet, of +verward. Een vlammend rood kleurt haar gelaat, de met bloed beloopen +oogen rollen woest heen en weer; zij vliegt van haar legerstede op, +hevig benauwd, en met de armen om zich slaande, zinkt ze terug op +het bed. Een oogenblik wordt haar gelaat kalmer en doodsbleek; zij +beweegt de lippen en zegt nogmaals: "Speel dan, Dorus, speel dan!" + +"Wat bedoelt ze toch?" vraagt de dokter aan Carlo, die bij het bed +geknield, eenige doeken in den bak met water legt. + +"Zij wil muziek hooren, dokter. Dorus zijn viool ... Hij moet dikwijls +voor haar spelen." + +"Zonderling," mompelt de medicus. "Probeer het eens; misschien wordt +ze dan kalmer." + +"Dat kan ik nu niet, onmogelijk!" antwoordt de knaap, die aan het +hoofdeneinde staande, nu en dan zijn hand op het voorhoofd der vrouw +legt, of haar de wangen streelt. "Niet waar, juffrouw Keetje," zegt +hij zacht, "nu kan ik niet spelen?" + +"Speel dan toch," herhaalt zij. + +Dorus neemt, zonder meer te zeggen, zijn viool van de plank en verlaat +den wagen. Als hij in de deur staat, vraagt de dokter: "Ga je heen?" + +"Hier kan ik niet, 'k zou geen toon uitbrengen, maar ik zal probeeren +of ik het buiten kan; dan klinkt het ook niet zoo hard." + +Op de onderste trede van het trapje gaat de knaap zitten, brengt zijn +instrument aan de kin en zet den strijkstok aan; deze beeft in zijn +hand. Onzeker klinken de eerste tonen, maar langzamerhand herkrijgt +hij kalmte en vastheid. Wat hij speelt, weet hij zelf niet: hij +phantaseert. Week en mollig klinken de tonen in een langzaam tempo, +als wilden zij een schreiend kind in slaap wiegen; allengs versnelt +de maat, glijdt de strijkstok luchtiger over de snaren, en eindelijk +zingt de viool een zachte, opwekkende melodie. + +De zieke wordt rustiger; 't is in werkelijkheid alsof de tonen der +muziek haar verademing geven. Zij blijft nu stilliggen, met de handen +onder het hoofd. Over haar gelaat verspreidt zich een uitdrukking +van kalmte. Carlo legt haar een natten doek op het hoofd, maar zij +weert hem zachtjes af en fluistert: "Hoor! hoor!" + +Dorus speelt voort, en de dokter, die tot dusver zijn patiënt +geen oogenblik uit het oog heeft verloren, staat op en gaat naar de +geopende deur. Aandachtig luistert hij toe, en als de knaap eindelijk +met een wegsmeltend akkoord zijn spel besluit, kan hij een halfluid +"bravo!" niet onderdrukken. + +'t Regent nog buiten, maar zachtjes en afgebroken, want het onweer is +voorbij en slechts enkele wolken, die door het uitspansel trekken, +ontlasten zich over de aarde. Heel in de verte rommelt het nog dof +en in het zuiden flikkert enkele oogenblikken het weerlicht. + +Dorus zit nog altijd op de onderste trede der trap, met het hoofd +voorovergebogen. Hij schreit. Arme knaap! Angst voor het leven van +haar, die hij liefheeft, omdat zij goed voor hem is, perst hem heete +tranen uit de oogen. Hij hoort het "bravo!" van den dokter niet; +zijn geest dwaalt af.--Waarheen? Hij kan er zich geen rekenschap van +geven. Hij gevoelt iets in zijn binnenste, dat hij niet onder woorden +kan brengen. Hij kent er geen uiting voor, dan in de tonen, die hij, +plotseling de viool weer aanzettend, aan het speeltuig ontlokt. + +"Luister, luister!" zegt de zieke, terwijl zij zich opricht en met +onnatuurlijk schitterende oogen voor zich uit staart. + +"Waar heeft die jongen dat geleerd?" vraagt de medicus. "'t Is +buitengewoon--zeer buitengewoon--geniaal!" + +"Hij heeft 't zichzelf geleerd," antwoordt Signor Carlo zachtkens; +"maar," voegt hij er bij, "zóó heb ik hem ook nog nooit hooren spelen; +daar word je koud van." + +De dokter wenkt met de hand, dat hij zwijgen moet, en luistert met +ingehouden adem. + +"Dorus, Dorus!" roept vrouw Keetje, als de viool verstomt. + +In een oogwenk staat de knaap naast haar, vat haar hand en vraagt: +"Is het nu goed? Heb je 't minder benauwd?" + +Als uit een zwaren slaap ontwakend, zucht zij diep, ligt een paar +minuten doodstil en zegt dan fluisterend: "'k Ben zoo koud, en toch +brandt het daarboven in mijne hersens." + +"Een zonderlinge toestand," denkt de dokter, als hij het bed weer +nadert en de zieke nauwkeurig gadeslaat. + +Met een angstig bevenden toon in zijne anders zoo ruwe stem, vraagt +de kunstenaar, den geneesheer ter zijde nemende: "Wat dunkt u er van, +dokter? Zou ze beter worden?" + +"Dat kan niemand zeggen; ze is gevaarlijk ziek, zeer gevaarlijk. Gij +kunt haar onmogelijk langer in den wagen laten en in geen geval kun +je haar meenemen naar Westwijk." + +"Waar moet ze dan heen? In de herberg te Groenendaal zal men haar +niet willen opnemen. En hoe zou ik er haar krijgen?" + +Een oogenblik denkt de dokter na, vóór hij antwoordt: "Ik zal je +helpen. Wikkel haar in een deken en draag haar in mijn rijtuig. 'k +Zal zelf meegaan en zorgen, dat ze onder dak komt. De knaap kan wel +hier bij den wagen blijven." + +"Och, laat me ook meegaan!" roept Dorus. + +"Dat kan niet; er moet hier iemand bij den boel blijven," antwoordt +Carlo, terwijl hij, geholpen door den dokter, de zieke vrouw een +deken omslaat, haar, als ware zij een kind, in zijn armen neemt en +naar het rijtuig van den dokter draagt. + +Barend, de koetsier, die in zijn glimmende regenjas naast de paarden +staat, ziet hen aankomen en neemt de dekens van de bruinen, terwijl +hij in zijn baard bromt: "Dat is bepoald weer zoo'n akkefietje, +zooals ie er al veul hêt gehad. Afijn, ie is altied zoo; ie moet het +moar eiges weten." + +Met zorg wordt vrouw Keetje in de kussens van het rijtuig +geplaatst. Carlo ondersteunt haar; dokter Abels neemt tegenover hem +plaats en doet haar voeten op zijn knieën rusten. + +"Naar Groenendaal, in 't Moortje. Vooruit, Barend; stapvoets!" + + + +Dank zij dokter Abel's bemiddeling lag vrouw Keetje sedert acht +dagen in een frissche, ruime bovenkamer van de herberg het Moortje +te Groenendaal. Aanvankelijk scheen de ziekte een gunstiger keer +genomen te hebben, want de wilde, ijlende vlagen hadden opgehouden +en de lijderes was kalmer, maar doodelijk zwak. + +De vrouw uit de herberg bezocht haar gedurig, toen Carlo genoodzaakt +was, wilde hij zijn mede-directeur niet in den steek laten, zich naar +de tent, die te Westwijk opgeslagen stond, te begeven. Elk oogenblik +kwam zij boven, om de zieke in te geven, of het een of ander te doen. + +"Hed-de gij 't wel goed genogt?" vroeg zij dikwijls. "Zie-de! onzen +dokter hêt oe an ons anrekommediert en nou zul-de gij 't ook zoo goed +meugelijk hebben. Och erm! ge zult verlangst hebben noar oe kienders, +hè; ge ligt toch zoo alleinig ; zoo niks geen oansproak. 'k Heb êrst +gedocht, dat dien bult ók een kiend van oe was. 't Het er veul van +alsof ge nog meer van hum holdt als van de anderen; 't liekt ook zoo'n +bedoard, stil jeungske," zoo snapte de kasteleines, als zij haar gast +bezocht. Gewoonlijk echter gaf vrouw Keetje weinig antwoord; zij was +met alles tevreden, voor alles dankbaar, en daarom ook verzekerde +de herbergierster aan den dokter, "dat 't en fersoendelik mins was, +dat ze in huus had; heel anders as gemeinlijk dat spullevolk." + +Een paar malen hadden de kinderen van vrouw Keetje hunne moeder +bezocht, maar 't was in 't drukst van den kermistijd en daarom +konden zij, evenmin als hun vader of Dorus, voortdurend bij de zieke +blijven. Wie van hen even kon, zocht haar op, wanneer de afstand niet +al te groot was; maar telkens zei de zieke: "Je moet om mij niets +verzuimen; ik zal wel weer beter worden. Als ik maar niet zoo moe en +zoo zwak was!" + + + +"Dokter, wat zeg-de er van?" vroeg de kasteleinsche op een avond, +toen de geneesheer, die vrouw Keetje bezocht had, weer in zijn +rijtuig stapte. + +"'t Is een langzaam heengaan, vrouw Carels." + +"Och erm!" + +Dienzelfden nacht bleef het licht veel langer dan gewoonlijk branden in +de bovenkamer van de herberg. Den vorigen dag waren Carlo en zijn zoons +nog bij de zieke geweest en had zij hun bij 't vertrekken gevraagd: +"Waarom is Dorus niet meegekomen?" + +"Hij moest spelen." + +"Zoo. Maar morgen of overmorgen komt hij toch even?" + +"Als 't niet te ver is." + +Een van de zoons had het aan Dorus verteld, en hoewel het plaatsje, +waar zij voorstellingen gaven, bijna drie uren van Groenendaal +verwijderd lag, was hij twee dagen later, na de voorstelling, zoo +spoedig hij kon, op weg gegaan. Een medelijdend koetsier, die met +een eigen rijtuig denzelfden weg opreed, zag den bultenaar, die zoo +haastig zijn beenen repte en nam hem een eind weegs mede; maar toch +had 't reeds lang elf uren geslagen, eer hij zijn bestemming bereikte. + +In de herberg zelf was 't al donker, maar op de bovenkamer brandde +nog licht. + +Hij klopte; men hoorde hem niet. Hij klopte nogmaals. Eindelijk +verscheen vrouw Carels en vroeg van binnen: "Wie is doar?" + +"Ik ben het; Dorus!" + +Zij opende de deur met een licht in de hand. "O! zij-de gij 't; kom der +in. 't Is goed, dâ ge der zijt; ze is zoo miseroabel benauwd gewêst; +'k geloof nooit, dâ ze 't lange mêr moaken zal; 'k ben blied, dâ +ge der bint, want 'k bin zelfs niet als te fiksch en kost toch niet +sloapen goan, veur..." + +"Is zij zooveel erger geworden?" vroeg Dorus angstig. + +"Ge zult 't wel zien; 't goeie mins is zwoar ziek. As ge me neudig +hebt, môt-de moar gelieks roepen." + +Toen Dorus boven kwam, lag vrouw Keetje afgemat en hijgend in de +kussens. Zij stak hem de hand toe en zei: "'t Is goed, dat je mij +nog eens komt zien, Dorus, want ik geloof, dat het niet lang meer +met mij duren zal." + +"Zoo moet je niet spreken, juffrouw!" + +"'k Heb sedert van middag zoo'n vreemd gevoel, wat, weet ik niet, +maar ik denk, dat ik sterven ga. Ben jij daar nog, Dorus?" + +"Ja, juffrouw!" + +"Kom wat dichter bij; ik zie je niet goed, draai de lamp wat op. Zijn +ze allemaal wel,--en is Betty's knie weer beter?" + +"Ze moesten van avond tot over tienen spelen, maar ik was voor negenen +klaar en toen ben ik hierheen gegaan." + +"Ik ben blij, dat ik ze eergisteren nog heb gezien en jou +vandaag. Luister eens, Dorus!--Kom heel dicht bij mij; 't spreken is +mij zoo moeielijk.--Als ik dood ben..." + +"O neen! spreek zoo niet: je zult beter worden." + +"Wanneer ik er niet meer ben, zul je dan ook goede vrienden met Betsy +blijven--je bent soms nog zoo driftig--beloof je 't me? Hu! wat ben +ik koud; dek mij wat beter toe.--Goeie jongen, zoo'n eind voor mij +te komen loopen! Laat mij eens drinken; 't begint weer te gloeien in +mijn hoofd." + +"Zou je niet wat gaan slapen, juffrouw?" + +"Ja! Geef mij je hand, Dorus; laat ik die vasthouden. Misschien slaap +ik zóó in." + +Onbeweeglijk blijft de jongen zitten, met haar hand in de zijne. Met +de andere onder het hoofd zit hij peinzend op den stoel voor het bed +en staart naar de vlam der lamp, die op de tafel staat. Buiten is het +doodelijk stil, de natuur is in de rust, alles slaapt, geen windje +suizelt door de boomen. + +"Kri! kri! krikri! kri! krikri!" zingt de krekel, beneden achter den +haard; 't is zoo stil in huis, dat men op de bovenkamer het geluid +vernemen kan. Vermoeidheid en slaap overweldigen den knaap, en 't +hoofd zinkt hem eindelijk op de borst. + +De zieke droomt. Kille druppels parelen op haar voorhoofd en moeielijk +haalt zij adem. Langzamerhand worden haar trekken kalmer. In den droom +ziet zij een engel, die over haar sponde zweeft; zacht glanzen zijn +vleugels, kalm en rustig is zijn aangezicht. In 't schitterend witte +kleed, omstraald door zacht en liefelijk licht, nadert hij en raakt +met zijn vingers haar voorhoofd aan. Met zijn vleugelen overschaduwt +hij haar lichaam, en eensklaps is alle pijn en angst geweken. Een +wonderzalig gevoel van rust en vrede doorstroomt haar geheele zijn; +met zachte hand wischt hij haar de parels van de slapen en met +den frisschen palmtak, dien hij draagt, wuift hij haar koelte toe, +terwijl hij haar in 't oor fluistert: + +"Heb geen angst! Ik ga u voor in 't rijk van 't eeuwig licht.... Ik +ben de dood, maar ook het leven; 'k doe u inslapen, opdat gij ontwaken +kunt in het onbegrepen oord, dat niemand zonder mij binnentreedt...." + + + +Een beweging der kranke doet Dorus opschrikken en vragen: + +"Wilt ge iets?" + +Vrouw Keetje heeft geen herinnering van haar droom, maar als ze +ontwaakt, is een weldadig, kalm gevoel haar bijgebleven. + +"Kun je bidden, Dorus?" + +"Bidden...? Neen!..." Ontsteld ziet hij haar aan. Bidden! wie zou +'t hem hebben geleerd? + +"Ik wil bidden, Dorus." + +De knaap vouwt werktuigelijk de handen, als vrouw Keetje fluistert: +"Onze vader, die in de Hemelen zijt"... Die in de Hemelen zijt," +herhaalt onwillekeurig Dorus. Zij kent het Onze Vader niet meer, maar +toch bidt zij verder: "Wees mij genadig, want Uwer is de macht........" + +"Uwer is de macht," fluistert Dorus eerbiedig mede. + +"....En de heerlijkheid tot in eeuwigheid, amen," + +"....In eeuwigheid, amen." + +'t Daagt in het oosten, 't gloort aan de kim, langzaam overwint de dag +den nacht en het ruischt in de boomen als een zucht bij 't ontwaken. De +eerste grijs schemerende lichtstralen dringen door het venster. De +lamp op de tafel brandt flauw, de olie is verteerd; al zwakker en +doffer wordt haar schijnsel; eindelijk gloeit nog slechts een randje +licht aan de pit. Ook dat verdwijnt, eerst aan de eene zijde, daarna +aan de andere; één vonkje nog, en dan stijgt een draaiend, lichtblauw, +teringachtig rookzuiltje uit het glas omhoog. De lamp is uitgegaan. + +Nog bewegen zich Keetjes lippen, maar Dorus hoort geen woorden meer; +de ademhaling wordt korter en korter. Zij ziet hem nog even aan, +als hij zich angstig over haar heen buigt en sidderend vraagt: +"Ben je zoo benauwd?" Even beweegt zij ontkennend het hoofd, bijna +onmerkbaar, dan komt de adem nog hooger; het gorgelt en borrelt in +haar keel en een klein, heel klein luchtblaasje hecht zich aan een +der mondhoeken. Onzichtbaar nadert de engel des doods en neemt den +laatsten adem van haar trillende lippen, die hij tot een vriendelijken, +gelukkigen glimlach plooit. En als hij haar zijn kus op 't voorhoofd +drukt, glijdt over het geheele gelaat der vrouw een uitdrukking +van oneindig kalmen vrede, die er op blijft rusten, zelfs als het +marmerkoud zal geworden zijn. + +Vrouw Keetje is dood! + +Arme Dorus! ge weet het nog niet, ge begrijpt nog niet, dat zij, +die u liefhad, is heengegaan.--Ge kust haar beide wangen, maar zij +voelt het niet meer.--Ge legt uw hand op haar voorhoofd, en 't is nog +warm. Schijnt het niet alsof zij u nog aanziet met die halfgesloten +oogen? Maar 't is geen licht meer, dat er uit straalt.... Druk haar de +oogen toe, Dorus! 't Is de laatste dienst, dien ge haar bewijzen kunt. + +Bevend staat hij bij de doode; de herinnering aan het sterven van +zijn vader komt een oogenblik in zijn geest op; hij huivert, als +hij er aan terugdenkt, en werktuigelijk ziet hij naar den grond, +als zag hij daar nog die akelig verwrongen trekken. En als hij dan +de kalme uitdrukking op 't vriendelijke gelaat der vrouw ziet, barst +hij eensklaps in tranen uit. + + + +'t Wordt lichter buiten. Zilveren strepen vervangen het karmozijn aan +den horizont. Violette wolkjes drijven voort of smelten samen met +het azuur en tintelend trilt het licht door hun floers, totdat het +plotseling scheurt. Schitterend breken de zonnestralen zich baan en +spiegelen zich triomfeerend in den dauwdroppel, die op de grasscheuten +en bladeren beeft. + +Eindelijk is het dag. De morgenwind wuift de kruinen der boomen +zachtkens heen en weer, uit het gras stijgt de leeuwerik omhoog en +zijn lied juicht door de lucht als een groet aan de ontwakende natuur, +als een hulde aan het licht, dat alles bezielt en verwarmt. + +Maar daarbinnen in de kamer luistert niemand er naar. De gestorvene +hoort het niet. De knaap ligt met de handen voor het gelaat op de +knieën voor het bed; hij schreit en snikt hartverscheurend. + +Nog nooit heeft hij zóó geschreid, maar hij heeft ook nog nooit iemand +verloren, die hem--die hij liefhad; zij was de eenigste--en nu.... hij +wou, dat hij ook dood was. + +"Bim Bam!--Bim Bam!" men luidt voor de vroegmis. + +De vrouw in de herberg is reeds op; zij zal naar de kerk +gaan... Wacht! eerst nog even naar de zieke kijken. + +Met 't kerkboek in de hand gaat zij naar boven. + +"Bim Bam!--Bim Bam!" + +"Zou ze nog sloapen? 's Is zoo arg stille doarbinnen; dien bult is +zêker ôk in in sloap gevallen. Loat ik gauw êns kiêken...." + +"Bim Bam!--Bim Bam!" + +"Zij de al wakker, juffer?--Za'k moar êns bie oe kommen?--'k Hè moar +'n hortjen tied!" + +"Bim Bam!--Bim Bam!" + +Vrouw Carels opent eindelijk de deur; zij heeft haar tijd noodig, +als zij de mis niet verzuimen wil. + +Ontzet treedt zij terug, wanneer zij binnenkomend de treurige groep +ontwaart; en met medelijdende stem zegt ze: + +"Och erm! is ze uut den tied?--Och erm! doar zul-de ôk weet af hebben, +jeungske. 't Was krek 'n moeder veur oe,--niewoar?" + +"Bim Bam!--Bim Bam!" + +Vrouw Carels verzuimt de mis. + + + + + +VII. + +HET PROCUREURSKANTOOR. + + +"Sakkerloot! wat is het koud vandaag, ik kan mijn vingers maar +niet warm krijgen, en die miserabele kachel wil niet trekken; 'k +geloof, dat de wind op den schoorsteen staat." Met die woorden nam de +eerste klerk op het procureurskantoor van den heer Verhagen den pook +uit het haardstel, begon met een ontzettend geweld de ouderwetsche +kolomkachel op te poken en veroorzaakte daardoor een geraas zoo sterk, +dat de jongste bediende, die met opgetrokken knieën en de handen +in de zakken op een hooge kantoorkruk zat, ongestraft het miauwen +van een kat nadeed, tot groot vermaak van den tweeden klerk, die, +tegenover hem zittend, op zijn vingers blies en met de voeten op zijn +bankje trappelde, om ze eenigermate warm te krijgen. Mijnheer Krasser +bukte zich met den pook in de hand voorover, zoodat de panden van zijn +belijdenisrok, dien hij sedert onheuglijken tijd van staatsiekleed tot +kantoorjas had gedegradeerd, als een zwaluwstaart achteruitstonden, +waardoor zijn korte pantalon nog korter scheen en het bewijs leverde, +dat het lappertje, 't welk voor hem werkte, bij het verstellen met +de harmonie der kleuren geen rekening hield. + +De kachel begon te snorren. Nog een paar geweldige aanvallen met +den pook, en mijnheer Krasser richtte zich in zijn volle lengte op, +plaatste zich met de handen op den rug voor de kachel en vestigde +zijn groenachtige oogjes, die onder een paar reeds naar het grijze +zweemende wenkbrauwen uitkeken, op Keesje den jongsten bediende, +terwijl hij hem met een verkouden neusklank in zijn stem toevoegde: + +"Jij schijnt te rentenieren vandaag!" + +"Mijn vingers zijn zoo koud, mijnheer Krasser." + +"Ga er op zitten, dan worden ze warm," antwoordde de eerste klerk, +terwijl hij met zijn magere, stokkerige vingers de dunne, bruingrijze +haarlokken, die spaarzaam op zijn hoekigen schedel verspreid lagen, +bij elkander zocht; om zich daarna te overtuigen, dat het half dozijn +haartjes, 't welk onder zijn kin uitbotte, nog niet afgevroren was. + +"Heeft u die scheiding van tafel en bed van De Witt onderhanden?" vroeg +Krasser aan Van Blaak, zijn collega, die juist begonnen was om +met een houtje den inkt in den koker tot den gewenschten staat van +vloeibaarheid te brengen. + +"Ik dacht er juist aan te beginnen." + +"En jij, Cornelis, als nu je handen eindelijk warm zijn, kunt die +wisselprotesten overschrijven." + +"Akkoord Van Putten," bromde binnensmonds Keesje, die intusschen bezig +was met een radeermesje een inktvlak van een protocol, dat voor hem +lag, af te schaven. + + + +Het kantoor van den procureur Verhagen was in de zijkamer van zijn +huis op de Heerengracht gevestigd; de oostenwind, die vlak op de ramen +stond, hield de bloemen, die de wintervorst op de ruiten had getooverd, +in stand, niettegenstaande de kachel bloosde van inspanning om ze te +doen verdwijnen. Waarschijnlijk was ook de wind oorzaak, dat mijnheer +Krasser, wiens lessenaar vlak bij de ramen stond, nog geen roeping +gevoelde om zijn warm plaatsje te verlaten. + +Het cylinderbureau van den procureur was gesloten; de lederen +armstoel er voor stond nog ledig, en deze omstandigheid, gevoegd bij +de gehoorigheid van het huis, bracht het drietal er waarschijnlijk toe, +het goddelijke _festina lente_ in eere te houden. + +Van Blaak geeuwde heimelijk, terwijl hij uit een doosje pennen na +langdurig onderzoek een driegaatjes-pen nam en, na herhaaldelijk +de deugd van het staal op den nagel van zijn linkerduim te hebben +beproefd, er toe overging een houder te nemen, waar die in paste. + +Keesje had een sandrakdoosje eenige malen open- en dichtgeschroefd +en, na door het deksel te hebben geblazen, weer voor zich gezet, +omdat hij voor die geradeerden vlek, bij rijpelijk indenken, geen +sandrak noodig had. Krasser inspecteerde de kachelpijp en de schuif, +keek in den kolenemmer, deed den turfbak open, overtuigde zich +van den voorraad turf en blokjes, nam uit zijn hoornen doos een +snuifje en maakte de geestige opmerking, "dat het geen zomer was," +een aardigheid, die bij van Blaak een gegrinnik uitlokte en Keesje de +gedenkwaardige woorden deed fluisteren: "Als hij van achteren braadt, +is hij van voren nog koud." + +De groote ouderwetsche hangklok met beweegbare scheepjes, die in de +gang stond, liet tienmaal zijn klassieken slag hooren. + +Met drie stappen van zijn ooievaarsbeenen begaf Krasser zich naar +zijn lessenaar. + +Van Blaak's pen dook in den den zwarten poel van den inktpot en op +Keesjes zegel verscheen als met een tooverslag het woord "protest." + +In de huisgang klonk een voetstap: de kantoordeur werd geopend en met +een deftig: "goeden morgen, heeren!" verscheen de procureur Verhagen +op den drempel. + +Een heilige stilte heerscht in dezen tempel van Themis, als de +procureur zijn schrijfbureau opent en eenige papieren ordent; zij +duurt voort; totdat hij het eerwaardig grijze hoofd halverwege omwendt +en met de hand langs de onberispelijk geschoren kin strijkend aan +Krasser vraagt: "Wil u zoo goed zijn om mij eens even den brief uit +New-York te geven; hij ligt op de G.; u weet wel, het is die brief, +waarin Galway schrijft over de nalatenschap van een zekeren Makko; +'k meen, dat hij Adriaan heet." + +Krasser heeft reeds bij de eerste woorden van zijn chef den brief +uit het loket genomen en reikt hem nu over, terwijl hij er een +Handelsblad bijvoegt. + +"Hier is de brief en de krant, waarin de oproeping is geplaatst." + +"Dank u." De procureur kijkt den brief even in en ontvouwt daarna de +krant. Na een oogenblik zoekens legt hij het blad voor zich en leest +overluid: "_Oproeping. Zij, die nabestaanden of erfgenamen zijn van +Adriaan Makko, in leven handelaar in leder en huiden te Klengstown +(Massachusets), overleden te New-York op den 17den_ April 1865, +worden uitgenoodigd zich in hun belang aan te melden ten kantore van +den procureur C.D. Verhagen te Amsterdam.--Hm, hm! we zullen haar +nog eens laten plaatsen. Meneer Van Blaak, wil u die oproeping even +overschrijven, met deze verandering--"_erfgenamen zijn of kunnen +aanwijzen_." + +De tweede klerk overtreft zichzelven in vlugheid, als hij schrijft, +en de procureur vervolgt tot Krasser: "Heeft u onderzoek gedaan aan +het stadhuis en bij de buurtsecretarissen?" + +"Om u te dienen, mijnheer, maar't heeft tot niets geleid." + +"Dus er schijnt niemand van dien naam hier in de stad te wonen. We +zullen de oproeping nog eens plaatsen, en leidt dat tot geen resultaat, +dan zullen we den brief ad acta leggen en aan Galway antwoorden, +dat ..." + +Een kloppen op de deur breekt zijn woorden af en doet hem "binnen" +roepen. + +'t Is Janus, de kantoorlooper, die met den hoed in de hand +binnentreedt. Hij legt eenige dossiers op mijnheer Verhagen's +schrijftafel, met de woorden: _Gerhard versus Kist_--koud +weertje, meneer,--_Legalisatie Schomberg_--hè! mijn vingers +vallen haast af.--_Agema_ aanstaande week voor het hof.--Zes gulden +vijf-en-veertig en een kleinen cent van Hopkamp--een brutale snuiter, +meneer.--Een-en-dertig gulden zestig centen van den betaalmeester; +vier-en-dertig centen af voor zegel.--Is het zoo niet akkoord, meneer?" + +"In orde, Janus. Niets nieuws?" + +"Neen, meneer. Ja toch; 'k heb casuweel gehoord, alsdat er voor een +jaar of wat geleden in de Egelantiersdwarsstraat een zekere Klaas +Makko heeft gewoond." + +"Zoo; en waar?" + +"Dat dacht ik wel, dat u dat vragen zou, en daarom ben ik er meteen +maar op uitgesnoven en heb eens geïnformeerd. De buren wisten er mij +niets anders van te vertellen, dan dat hij boven het pandjeshuis van +een zekeren Strijkman een kamer had bewoond, en dat hij het lirium +had gehad en daarin gebleven was." + +"Zoo; dus overleden." + +"Toen ben ik bij den pandjesbaas gegaan,--Och, meneer, wat een +droogstok van een vent, daar is meneer Krasser, met verlof gezegd, +nog vet bij." + +Een onverstaanbaar gebrom en een toornige blik van den aldus gevleiden +doen Keesje op zijn kruk heen en weer schudden, terwijl Van Blaak in +zichzelven grinnikt: "die is goed." + +Met onverstoorbare kalmte vervolgt Janus: + +"De pandjesbaas woont in het benedenhuis; het ziet er daar nog +al wonderlijk uit; zoo'n echte hurriewinkel--een pan, zooals ze +hier zeggen--van alles door elkaar. Afijn, dat hinderde mij niet: +ik maakte een praatje en zei: "Rappeleert u je, dat hier een zekere +Makko heeft gewoond?"--"Jawel," zei hij; "'t was wat een likkebroer; +'k ben nog geld aan hem te kort gekomen." Toen vroeg ik: "Weet je ook +of hij permetasie in Amerika had?" Hij dacht, dat het wel kon wezen, +maar sekuur wist hij het niet.--Ziet u, meneer, die pandjesbaas bevalt +me niet: hij heeft zoo iets raars in zijn oogen." + +"Dat interesseert me niet, Janus." + +"Dat interesseert uwé wel, met verlof; want ik geloof, dat die +Strijkman er meer van weet, maar het niet zeggen wil." + +"Hoe bedoel je dat?" + +"Nou, meneer, ik kon niks meer uit hem krijgen en daarom liep ik +de trap eens op en vroeg bij een paar van de buren. Niemand wist +er iets van; het waren allemaal menschen, die er nog zoo lang niet +woonden. Maar casuweel liep ik een juffrouw tegen het lijf, die me zei: +"Ik ben er toevallig bij geweest, toen op de voorkamer de meester +bij den dooie kwam, maar gekend heb ik hem niet; als je er meer van +weten wilt, moet je maar eens naar juffrouw Ram gaan; een huis of +drie verder in de straat heeft zij een winkeltje."--Toen daar heen." + +"Maak een beetje voort, Janus! Je vertelt erg langzaam.--Cornelis, +bemoei je met je werk." + +"'t Protest is af, meneer!" + +"Zeg dat dan," bromt Van Blaak, als hij hem over den lessenaar heen +een ander blad ter overschrijving toereikt. + +"Die juffrouw Ram wist er meer van en zei, dat die Makko een +hondenscheerder was geweest en dat hij een heele knappe vrouw had +gehad, maar dat die vóór hem gestorven was en dat hij later alleen +met zijn zoontje had gewoond." + +"Hm! zoo; en dat zoontje?" + +"Dat noemden ze in de buurt "krates", omdat hij een bochel +had. Juffrouw Ram zei, dat die jongen op den dag, waarop zijn vader +stierf, was weggeloopen, en dat niemand wist waar hij gestoven of +gevlogen was; en dat 't wel apparentie had, dat de jongen te water +was geraakt of zoo." + +"'t Is wel, dank je!... Je weet dus, summa summarum, nog niets." + +"Met uw verlof, meneer, dat is wat kras gezegd ; ik dacht nogal, +dat ik..." + +"Neem deze stukken en breng die naar den ontvanger van de registratie, +dadelijk." + +Brommend keert Janus zich om, neemt zijn rosachtig schemerend +hoofddeksel in de hand en vraagt bij de deur staande: "Nog iets van +uw orders, meneer?" + +"Dank je." + +Als hij de deur uitgaat, grijpt Keesje de gelegenheid aan om, +onopgemerkt door zijn patroon, een leeg pennendoosje naar Janus' +hoofd te slingeren; het projectiel mist zijn doel niet; Janus steekt +hem dreigend de vuist toe, Keesje toont Janus zijn tong en met een +slag valt de deur dicht, zoodat Krasser een inktvlak uit zijn pen laat +vallen en de procureur, het hoofd omwendend, "lomperd" zegt. Gedurende +eenigen tijd krabben de pennen over het papier. Mijnheer Krasser +heeft nu en dan een fluisterend onderhoud met zijn patroon en af en +toe wordt Van Blaak in het gesprek gemengd. Van tijd tot tijd komen +cliënten, die de kantoorschel in beweging brengen en daardoor aan +Keesje de gelegenheid geven voor een oogenblik zijne zitplaats te +verlaten, langer in het spreekkamertje te blijven dan noodig is en +met een onverschillig gezicht de daardoor uitgelokte verwijten van +Van Blaak aan te hooren. + +De hangklok slaat het middaguur; de procureur staat van zijn +schrijfbureau op en vraagt: "Is er nog iemand in de spreekkamer, +Cornelis?" + +"Neen, mijnheer." + +"Dan kunnen de heeren gaan koffie drinken." + +Bedaard verlaat hij het vertrek, en als zijn voetstappen niet meer +in de gang klinken, staat Keesje bij de deur, zet de borst vooruit, +trekt zijn mond in een deftige plooi, en met onmiskenbaar talent +zijns meesters spraak nabootsend, zegt hij tot de anderen: + +"Dan kunnen de heeren gaan koffie drinken." + +Van Blaak lacht luidkeels en zelfs Krasser grijnst. + +De bloemen op de ruiten zijn èn door de heldere winterzon èn door de +warmte van de kachel ontdooid en als door een vloeibaren sluier zijn de +dik berijpte boomen en de besneeuwde huizen van den overkant der gracht +zichtbaar geworden. 't Is minder ongezellig in het kantoor en het +wordt er zelfs behaaglijk, als juffrouw Bekker, de huishoudster, met +een blad, waarop bordjes met brood en kommen koffie staan, verschijnt. + +De geur der koffie verspreidt zich door het vertrek en werkt zoo +opwekkend op Keesje, dat deze met één sprong de juffrouw nadert en +haar de woorden ontlokt: "Je bent toch een akeligheid: altijd moet +je iemand aan het schrikken maken." + +"Je hebt er geen suiker ingedaan. Waarom geef je de anderen suiker +en mij niet? ..." + +"Zeur niet, Keesje; neem nu je kop van het blad; er is suiker in." + +"Zoo? Nu, geef dien kop dan maar aan Van Blaak." + +"Zeg, wil jij wel van mijn koffie afblijven!" + +"Cornelis geef me mijn broodje en mijn kop koffie, en houd de juffrouw +niet langer op." + +"Och, meneer Krasser, die jongen is een plaag; 't is iederen dag weer +hetzelfde gezanik. Een mensch staat hier net voor mal." + +"Kijk dan toch uit, je morst er de helft weer overheen, ezel!" pruttelt +Krasser, als Keesje het hem gevraagde in een behoorlijk hellenden +stand toereikt. + +"Is het nu gedaan? 'k Zal het aan meneer zeggen, hoor, naarheid!" knort +juffrouw Bekker, als Keesje, na zich van het zijne te hebben voorzien, +onder tegen het blad een slag geeft. + +"Dag, juffrouw!" + +Bons! de deur valt dicht. + +"Je bent toch een traiter," zegt lachend Van Blaak, intusschen zijn +broodje verorberend. Krasser staat voor het venster en ziet naar +buiten; met de eene hand brengt hij zijn kop koffie aan den mond en +met de andere trommelt hij op de ruit. Keesje staat voor het andere +raam en zegt eensklaps met vollen mond: + +"Dat is een mooie jongen!" Snel veegt hij met de hand op het glas +een plek schoon en herhaalt: + +"Kijk eens, Van Blaak, wat een uitgedroogde stokvisch staat hier op +de stoep." + +"Die man kijkt zeer onwelvoegelijk en brutaal naar binnen," merkt +Krasser aan. + +"Ik geloof waarachtig, dat hij hier moet wezen.... Jawel, hij leest +het naamplaatje." + +In de gang klinkt de huisschel. Keesje stormt naar voren en komt een +oogenblik later weer binnen, terwijl hij neuriet: "Toen Pierlala lag +in de kist.... Ik heb hem in het spreekkamertje gelaten; 't is net +de huisbaas uit de poppenkast." + +"Cornelis, ik verzoek je die onbetamelijke aardigheden op de cliënten +van mijn patroon achterwege te laten; bovendien kan iemand aan zijn +uiterlijk iets toe- of afdoen?" + +"Ik kan het niet helpen, mijnheer Krasser; 't is ook zoo'n grappige +vent, en ik laat me villen, als het niet die pandjesbaas is, waar +Janus van morgen van vertelde. U is er nog vet ..." + +"Ga op je plaats en gedraag je behoorlijk." + +Cornelis had goed gezien: 't was Philip Strijkman, die nu bij den +procureur in het spreekkamertje zat te wachten. Toen den vorigen +dag de kantoorlooper Janus in de buurt, waar de pandjesbaas woonde, +onderzoek had gedaan, begreep de slimme vogel, dat er allicht op de een +of andere wijze een sommetje uit te halen zou zijn. Hij had daarom met +de meeste omzichtigheid op de tot hem gerichte vragen geantwoord en +vermoedde niet, dat Janus bij juffrouw Ram was geweest. Het kwam hem +hoogst gelegen, dat er 's avonds iemand in het kantoortje verscheen, +die nieuwsgierig vroeg: "Zeg eens, Strijkman, wat deed van morgen +die looper van procureur Verhagen bij jou?" + +"O! zoo, is 't de looper van procureur Verhagen? Ik ken hem niet." + +"Hebben ze je nou eindelijk eens bij de kladden? Heb je misschien +een pandje genomen, daar een luchtje aan is?" + +"Neen," was 't antwoord, "'t is een particuliere zaak..." en Strijkman +had zich meteen voorgenomen zoo spoedig mogelijk naar den procureur +te gaan, om te weten wat er eigenlijk aan de hand was. + +Toen hij 's avonds alleen in de binnenkamer zat, kwam hem de dood +van den hondenkoopman voor den geest. Hij zocht een kistje, waarin +hij allerlei papieren en kleinere voorwerpen van waarde had geborgen, +en dat hij met zijn opgepotte geld zorgvuldig in een kleine ijzeren +kist, in het zoogenaamde keldertje onder zijn kamer, weggesloten +hield. Bij het schijnsel van de lamp spreidde hij den inhoud voor +zich op tafel uit. + +"Ha! daar hebben wij de paperassen," mompelde hij, terwijl +hij de papieren, die hij eenmaal uit Makko's latafel had +genomen, met oplettendheid bekeek. "Dat is de trouwakte--hier +'t geboortebewijs.--Hm! wie weet, wie weet! daar is misschien een +aardig stuivertje aan te verdienen. Ik heb zoo'n idee, dat ze dien +Makko zoeken, omdat er hier of daar vandaan duiten voor hem losgekomen +zijn. Hè, hè, hè, hij zal er niet veel aan hebben, als het zoo is. Daar +is de brief en het portretje; nu zal ik hem toch eens even lezen: +'t is altijd goed om op de hoogte te zijn; en het portretje,"--hij +hield het bij 't licht--"nogal een goed gezicht: hij lijkt wel wat op +Makko. Waarachtig! hij lijkt er veel op; alleen schijnt hij donkerder +van haar te zijn. 't Kan best een broer zijn, best." Hij draaide +het portretje om. "'t Lijstje is geen cent waard. Hé! daar staat +iets achterop; 't lijkt wel, of het door een kind is geschreven; +'t is onduidelijk. O,--o--oome!--ja dat staat er: "Oome." + +Met de handen onder het hoofd las hij met ingespannen aandacht: +"Klengstown, 14 Mei 1860.... Hm! Klengstown? Waar ligt dat! Zeker in +Amerika.--Waarde broeder!... Dat is allemaal gezanik, daar ik toch +niets van begrijp. Wacht! nu zal het komen: 't Is mij voor den wind +gegaan, geld ontbreekt mij niet, ofschoon ik voor mijn zaken steeds +meer noodig heb... Mijn vrouw is ziekelijk, teringachtig. Zooals gij +weet, stierf mijn dochtertje verleden voorjaar." + +"Ha!, ik begrijp het al, zeker die vrouw toen doodgegaan, toen hij +zelf doodgegaan,--de heele boel dood; en nu, als Makko niet dood was, +kwam hij aan het erven. Wie weet wat een kluit geld zoo'n man heeft +nagelaten!" + +Hij las verder: "'t Is altijd jammer, dat je niet mee bent gekomen; +hier in Amerika is nog wel geld te verdienen... Schrijf mij toch eens +terug; je hebt mij ook niet geantwoord op mijn brief, waarbij ik je +vijftig dollars zond. Ik wil je nog wel eens wat zenden, maar ik ken +je zwak en zeg nogmaals: den drank moet je laten, anders wordt die je +ongeluk... Jawel, jawel, dat is net zoo. Wacht, hier onderaan"--hij +leest: "Hoe gaat het met Dorus? Geef hem bijgaand portret; dan kan +hij zien, hoe zijn oom er uitziet; ik houd van het ventje; hij zal +zich mij wel niet herinneren, want hij was maar vijf jaar, toen ik +hem het laatst zag... Hm!--Vijf jaar.--Dus zes jaren lang was hij +toen al weg.--Uw broeder Adriaan." + +Strijkman legde het papier op tafel, vouwde het weer in de plooien en +zei in zichzelven: "De zaak is zoo klaar als een klontje; er zit een +erfenis in Amerika; Makko is dood en niemand anders dan de "krates" +zal er recht op hebben. Jongens, jongens, Strijkman! daar is in allen +gevalle voor jou wat van te halen, als je het slim overlegt. Had +ik het vooruit kunnen weten, dan zou ik dien jongen bij me hebben +gehouden. Wat drommel! waar zou hij zitten? Op avontuur is hij +dood.--Hè, als ik dat eens zeker wist." Hij stond op, slofte met zijn +handen in de zakken het kleine vertrek op en neer en begon te fluiten: + +"Malbroek die vaart ten oorlog, en hij komt nooit weerom." Kwam hij +maar nooit weerom, dan was de zaak gezond; maar"--hij dacht na--"als +de jongen nog leeft, gaat het niet. Hm! hm!... dan zit er toch nog +wat voor je op, ouwe Philip!" Hij ging naar de tafel, trommelde +met de vingers op de papieren, neuriede: "tiromtom tomme tomtijne, +tiromtom tomme tomtom" en zei in zichzelf: "Hè, hè, hè! Dit is Dorus +Makko, deze twee stukjes papier en deze brief zijn Theodorus Johan +Makko, geboren te Amsterdam, op den 12den Januari 1849, en "krates" +is niemand, hè, hè hè, hè, hè." Hij lachte tot zijn roode oogen er van +overliepen en wreef zich de knokkelige vingers, terwijl hij nogmaals +de melodie van Malbroek floot. + +"Jongens, jongens, Dorus! wat zul je moeten bloeden om die drie stukjes +papier terug te krijgen, altijd als je nog leeft. Hoeveel zou zoo'n +erfenis wel kunnen bedragen? Als het eens een ton was, hè! 'k Zal +morgen dadelijk eens naar dien procureur gaan; 'k moet er het mijne +van hebben; 'k zal het goochem aanleggen om wat te weten te komen, +dat beloof ik je! En nu eerst die lieve papiertjes weer bij mekaar +gedaan en den boel weer goed achter slot.--Tiromtom tomme tomtom!" + +De oude pandjesbaas droomde dien nacht van een groote massa goud, +die uit Amerika was gekomen. Tot aan zijn ellebogen woelde hij in de +dollars, en "krates" stond er bij en kreeg niets,... niemendal! + +Den volgenden morgen zocht hij zijn grijze overjas en een hoed +van lage drukking op, deed, hetgeen voor hem een zeldzaamheid was, +een halfhemdje voor; nam, hoewel het heerlijk droog winterweer was, +een van de in pand gegeven parapluies onder den arm en begaf zich +naar het kantoor van den procureur Verhagen, waar we hem hebben +zien binnentreden. + +Geruimen tijd heeft Strijkman in het spreekkamertje zitten wachten; +hij heeft in zichzelven nog eens goed overdacht, wat hij doen en +zeggen zal, en ziet eindelijk tot zijne vreugde de deur van de +wachtkamer openen. + +Keesje verschijnt, en met de woorden: "Wilt u maar binnenkomen," +gaat hij hem voor naar het kantoor. + +De koffie is gedronken, de broodjes zijn verorberd en de pennen +krassen weer over het papier. + +Als hij binnentreedt, wendt de heer Verhagen even het hoofd om en zegt: +"Cornelis, geef mijnheer een stoel!" + +"O, dank u, meneer, het is niet noodig; doet uwé geen moeite, +jongeheer!" antwoordt de oude man, maar neemt toch op den aangeboden +stoel plaats. + +"U heeft verlangd mij te spreken?" + +"Om u te dienen, meneer de avekaat." + +"U is mijnheer Philip Strijkman?" + +"Zooals u zegt." + +"Pandjeshuishouder in de Egelantiersdwarsstraat?" + +"Met uw welnemen, dat is het woord niet. Ik heb een huis van verkoop +met recht van wederinkoop." + +"Maar u leent toch geld op pand?" + +"Tegen een zeer matige rente, meneer de avekaat." + +"Hm, hm!" + +"'t Is een karig stukje brood. Wanneer men medelijdend van aard is, +zooals ik, is het tegenwoordig geen winstgevende zaak." + +Cornelis ziet Van Blaak aan en lacht; zelfs Krasser kijkt even op, +om kennis te maken met een medelijdenden pandjesbaas. + +"Waarover wenschte u mij te spreken?" + +Eenigszins verlegen antwoordt Strijkman: "Er is gisteren iemand +vanwegens uw kantoor bij mij geweest, om naar een zekeren Makko, +die op een bovenkamer bij mij in huis heeft gewoond, te informeeren." + +"Juist! En wat weet u van dien Makko?" + +De kalme bedaardheid van den procureur doet Strijkman niet op zijn +gemak zijn; hij antwoordt dus eenigszins haperend: "Ik, ik, hm! weet +alleen, dat hij dood is." + +"Dat is niet veel. Heeft u den man goed gekend?" + +"Jawel, meneer de avekaat; hij kwam zoo 's avonds wel, eens bij me +inloopen--'t was nogal een conversabel man--en dan rookten we samen +een pijpje en..." + +"En dronken samen een glas." + +"Excuseer, meneer! Ik gebruik hoogst zelden iets." + +"Die Makko anders wel, niet waar? Ik meen te hebben gehoord, dat hij +zelfs in een aanval van delirium gebleven is." + +Daar had ik me bijna vergaloppeerd, denkt Strijkman: hij schijnt +goed op de hoogte te zijn; ik moet uit een ander vaatje tappen. Hij +vervolgt: "Och! meneer, omdat 't zoo'n goeie vrind van me was, sprak ik +er niet over--ja! dat was treurig; die drank, die drank weet wat! Ik +heb hem wat dikwijls gewaarschuwd en gezegd: "Klaassie, Klaassie, dat +gaat den verkeerden weg op met jou, man!" Maar 't hielp niet.--'t Was +anders een goede vent, meneer; hartelijk en vriendschaphoudend; hij +heeft me wat dikwijls gezegd: "Strijkman, als jij zoo vaderlijk met +me spreekt, dan ben ik een heel ander mensch." O! meneer de avekaat, +ik heb er zoo'n hartzeer van gehad, dat hij nog zoo akelig aan zijn +eind is gekomen." Hier haalt de pandjesbaas zijn bonten zakdoek uit +en wischt zich de roode oogen. + +"U schijnt dus nogal met hem bevriend te zijn geweest?" + +"We waren, om zoo te zeggen, als twee broers. Kort voor zijn dood liet +hij me een brief zien van zijn broer Janus uit Amerika; die schreef +er ook nog over, en toen zei hij : "Strijkman, ik wou, dat ik het +laten kon; ik wou, dat ik zoo matig was als jij."--Die broer van hem, +meneer de avekaat, dat was een net mensch." + +"Heeft u dien ook gekend?" + +"Nog beter dan Klaas, meneer! Hij was een jaar of zeven in Amerika, +toen de andere stierf. Ja! dat was een werkezel! Jammer, dat hij +zoo'n teringachtige vrouw had en geen kinderen." + +De procureur ziet hem van ter zijde aan en denkt: "Je schijnt met al +de omstandigheden goed bekend"; maar toch vraagt hij met een zeker +wantrouwen in zijn stem: "Heeft u de oproeping in het _Handelsblad_ +gelezen?" + +Strijkman spert zóó verwonderd zijn oogen open en zet zoo'n dom +eerlijk gezicht, dat Verhagen oogenblikkelijk overtuigd is; dat hij +de oproeping niet kent. Daarom zegt hij tot Van Baak: "Wil u die +oproeping even voorlezen." + +Terwijl Van Baak leest, glijdt een bijna onmerkbare vreugdetrek over +Strijkmans gelaat. Niemand bemerkt het, en meewarig klinkt zijn stem, +als hij antwoordt: "Och, is die goede Janus dood? Och! en kinderloos +overleden. Dus het is zeker een erfenis, die Klaas zou gekregen +hebben, als...." + +De procureur valt hem in de rede door te zeggen: "Maar uw vriend +Nicolaas Makko had toch kinderen?" + +"Een zoontje meneer! Och! een hart van een jongen, maar een beetje +speelsch en wild. Hij is op straat geloopen juist dien dag, waarop +zijn vader stierf; en waar hij gebleven is, weet niemand. 'k Ben +nog dikwijls heen en weer door de buurt gesjouwd om het kind te +zoeken. Overal heb ik naar hem gevraagd, want ik had zoo'n medelijden +met den stumper; ik was, om u de waarheid te zeggen, van plan geweest +den jongen te benaderen." + +"Zoo, ei! was u dat van plan geweest?" + +"Ja, meneer! en ik heb waarachtig alles gedaan wat ik kon om hem weerom +te vinden; maar u begrijpt, zoo'n kind van elf jaar loopt weg--vindt +zijn huis niet weerom--zwerft rond, en de goede God weet"--hier +begint Strijkman weer te huilen--"of het arme schaap niet in het +water is geloopen! Ach God, mijnheer, 't was zoo'n lief jongetje, +het is toch zonde!" + +"En heb je nooit meer iets van hem gehoord?" + +"Geen taal of teeken, meneer." + +"En heeft die Makko niets nagelaten, geen papieren?" + +"Neen, meneer de avekaat. 't Was bij hem, 't spijt me dat ik het +zeggen moet, een nakende boel; hij had in den laatsten tijd, zonder +dat iemand het wist, alles zijn huis uitgebracht. O die ongelukkige +drank! Voordat er iemand van de buren kwam, heb ik nog gekeken of +er ook iets van waarde was in de oude latafel, die er nog stond, +want ik dacht: "Je kunt nooit weten, als er onbetrouwbare handen +aankomen..." maar er was niets in en op de kamer, anders niet dan een +paar hondenhokken, die we tot brandhout hebben geslagen. Hij was van +zijn vak hondendresseerder, weet u! De oude stoelen, die er waren, +en het beddegoed heb ik maar gehouden voor de achterstallige huur." + +"Zoo! dus hij was u nog iets schuldig?" + +"Afijn, meneer, laten we daar maar niet over spreken: de man is dood, +en ik zal er zonder het geleende geld, dat hij mij nooit teruggegeven +heeft, ook nog wel komen. Wat een jammer, dat die ongelukkige jongen +niet te vinden is, want nu zou hij toch zeker moeten erven." + +"Waarschijnlijk." + +Een zonderlinge trek speelt om Strijkmans ingevallen mond en in +zijn oogen gloeit een hebzuchtige vonk, als hij op schijnbaar +onverschilligen toon de vraag doet: + +"En is het nogal van belang, wat hij erven moet?" + +Mijnheer Verhagen ziet hem met een heel klein, bijna onmerkbaar lachje +om de lippen aan, terwijl hij antwoordt: "Mag ik u wel zeer bedanken +voor de gegeven inlichtingen, mijnheer Strijkman? Ik ben u verplicht +voor de moeite, om hier te komen, maar ik mag nu niet langer uw tijd +in beslag nemen.--Cornelis, wil je mijnheer even uitlaten!" + +Werktuigelijk staat de pandjesbaas bij deze kalme woorden op, neemt +zijn hoofddeksel en verlaat het kantoor. + +Terwijl hij de gang doorloopt, denkt hij: "Nu ben ik nog even wijs; +die man laat niets los." 't Prikkelt hem verschrikkelijk, dat hij +niets te weten is gekomen, en hij waagt pogingen om Keesje uit te +hooren, door te zeggen: + +"Dat geeft zeker veel drukte, hé, jongeheer, zoo'n erfenishistorie?" + +"Pas op het treedje in de gang. Ja, vooral als het zoo'n groote +is," antwoordt Keesje, die den lust niet bedwingen kan om den ouden +droogstok, zooals hij hem in gedachten noemt, eens beet te nemen. + +"Zoo! is 't zoo'n groote?" vraagt Strijkman, met den deurknop in +de hand. + +Geheimzinnig steekt Keesje het hoofd vooruit en fluistert: "Een ton +of vier!--Dag meneer!"--Strijkman staat op straat. Halfluid herhaalt +hij in zichzelf vol verbazing: "Vier ton!" + + + + + +VIII. + +PLANNEN. + + +"Vier ton!" Onophoudelijk herhaalde Strijkman die twee woorden in +zichzelf, toen hij, weer te huis gekomen, in zijn achterkamertje zat. + +"Krates! met vier ton!" altijd door klonken hem die woorden in de +ooren. Hij dacht er dag en nacht over na, hoe hij destijds zoo dom had +kunnen zijn den jongen niet bij zich in huis te nemen, en stelde zich +levendig voor, hoe alles zou gegaan zijn, als hij het wel had gedaan. + +"Je bent een ezel geweest," zij hij tot zichzelf; "had je toenmaals +dien Dorus bij je in huis genomen, dan was 't zoo klaar als een klontje +geweest, dat je een goede portie van die vier ton hadt ingepalmd. Ik +zou wel gezorgd hebben, dat ik voogd over dien jongen geworden was, +en dan..." + +Strijkman dacht over het _hoe_ niet na; hij was bij al zijn +geslepenheid en geldzucht toch een weinig ontwikkeld man, verblind +door zijn begeerigheid en dom genoeg om geen rekening te houden +met de maatschappelijke verhoudingen en wettelijke bepalingen. 't +Scheen hem genoeg te weten, dat Dorus een rijke erfgenaam was en +minderjarig. Zooveel wist hij van het Burgerlijk Wetboek wel af, dat +elke minderjarige een voogd moet hebben; en naar zijne meening had hij, +indien hij de verpleger van den knaap was geworden, op de voogdijschap +het meest onbetwistbare recht gehad. Niet de minste twijfel kwam bij +hem op, dat de kantonrechter in dit geval met hem wel eens van meening +had kunnen verschillen. Hij geloofde, dat, als Dorus er maar was, de +erfenis zoo al niet dadelijk geheel, dan toch voor een groot gedeelte +onder zijn beheer zou komen; en daarom bleef het hem een voortdurende +kwelling, dat hij indertijd juffrouw Ram's raad niet had opgevolgd en +"Krates" had opgenomen.--Waar zou hij zijn? Zou hij nog leven? Die +twee vragen hielden hem voortdurend bezig. Hij had zich vroeger nooit +om den jongen of diens lot bekommerd of er over nagedacht. Nu evenwel +was de knaap hem geen oogenblik uit de gedachten. + +Dorus was na den dag, waarop zijn vader stierf, niet weer in de +Egelantiersdwarsstraat of daaromtrent gezien. Niemand had ooit +meer naar hem gevraagd. Men was hem vergeten, gelijk zooveel andere +ongelukkigen vóór hem. 't Was tien tegen een, dat hij ooit weer te +voorschijn kwam; er sterven gewoonlijk zooveel kinderen tusschen +de 10 en 12 jaren; waarom zou Dorus ook niet... Hij kon immers +in 't water zijn geloopen, overreden of gestorven zijn van gebrek +en... 't Warrelde in Strijkmans brein, wanneer hij al die mogelijkheden +overdacht. Langzaam aan maakte hij zichzelven wijs, dat het niet anders +mogelijk kon zijn, en eindelijk stond het bij hem vast: Dorus was dood! + +"Zóóveel geld!" steunde hij, "en geen cent zal ik er van +zien. Ach! ach! wat een jammer! 'k Zou Dorusje op mijn handen hebben +gedragen, als ik zijn voogd was geworden." + +'t Werd bij Strijkman een zeker soort van manie om er over te tobben; +hij dacht over niets anders meer; hij treurde bepaald over het verlies +van den kleinen bochel. + +Nog een paar malen was hij bij den procureur Verhagen geweest, om +nadere inlichtingen in te winnen omtrent de erfenis en te vernemen, +of de oproepingen in de dagbladen ook gevolg hadden gehad, maar +ongetroost was hij weer thuis gekomen, want.... Verhagen was zoo +dicht als een pot en Dorus was en bleef verdwenen. 't Eenige wat hij +van den rechtsgeleerde herhaaldelijk had vernomen, waren de woorden: + +"Wij kunnen niets zeggen of doen, vóórdat de jongen zelf gevonden is." + + + +Ruim een half jaar is voorbijgegaan; 't is zomer geweest, en de herfst +is gekomen met zijn onvermijdelijk gevolg van wind en regen. Kil +klettert de regen tegen de beslagen ruiten van het oude vervelooze +huis in de Egelantiersdwarsstraat; 't is guur en winderig buiten, +somber en ongezellig daarbinnen. De pandjeshuishouder zit op zijn hooge +kantoorkruk aan zijn lessenaar, met eenige kleine pandjes en een hoop +briefjes van in- en verkoop vóór zich, als een havik bij zijn prooi. + +Terwijl hij daar zoo met alle aandacht de pas ontvangen zaken nog eens +beziet, komt een vrouw met een jongen den winkel binnen en blijft voor +de lage balie staan. Het licht der lamp, die op den lessenaar staat, +wordt gedeeltelijk door het groene gazen scherm onderschept en werpt +een schaduw op de binnengetredene en den naast haar staanden knaap. + +Strijkman is zoo verdiept in het beschouwen der voorwerpen, dat hij +niet oogenblikkelijk bemerkt, dat er iemand in den winkel is gekomen en +eerst door een met gedempte stem geuit "goeden avond" opmerkzaam wordt. + +"Wat wil u?" vraagt hij, even opziende. + +"'k Wou vier gulden hebben op een doekspeld." + +"Zoo! Ik zal je helpen.--Hm! vier gulden? Dan moet 't al een mooie +speld zijn." Hij neemt de lamp, draait de pit ietwat op en plaatst +haar op het tafeltje naast zijn lessenaar met de woorden: + +"Laat 'k nu eens kijken!" + +Als het licht op de vrouw en den jongen valt, deinst Strijkman +onwillekeurig terug; zijn oogen worden onnatuurlijk groot en vestigen +zich op den knaap, die hem onnoozel aanziet. + +"Krates!" zegt Strijkman vrij luid, terwijl hij de lamp grijpt en +omhooghoudt, om den jongen beter te kunnen zien. + +"Je hoeft mijn jongen niet uit te schelden, hoor! 't Kind doet je +immers niets," bromt de vrouw en ontevreden laat zij er op volgen: +"Ouwe kerel, je moest je schamen; dank God, dat jij geen bochel hebt." + +De pandjesbaas herstelt zich en antwoordt: "Word maar niet boos, +juffrouw; ik schrikte van den jongen, omdat..." Hij voleindigt niet; +want met de snelheid des lichts schiet hem nogmaals de gedachte door +het hoofd: "Die jongen lijkt als twee druppels water op Krates." + +"Kom! 'k heb geen uren den tijd; wil je nou 't speldje zien of niet?" + +"Dadelijk, juffrouw!" + +De oude man is van zijn verbazing eenigermate bekomen en neemt +werktuigelijk het aangeboden voorwerp in de hand, beschouwt het +opmerkzaam bij het lamplicht en vraagt: "Vier gulden, zei uwé?" Zijn +oogen vestigen zich, terwijl hij spreekt, voortdurend op den jongen. + +"Kun je vijf geven, des te beter!" + +"Vijf? 'k Zou je danken; geen rijksdaalder." + +"Geef dan maar weer hier; 't is een mooie doekspeld met een echt +steentje." + +"Hm! hm! echt, dat is nog de vraag." De pandjesbaas laat het kleine +juweeltje, dat in den doekspeld gevat is, in het licht fonkelen, +brengt het aan de punt van zijn tong, wrijft er mede over zijn mouw, +neemt een loep en bekijkt het nog eens aandachtig. "Hm! 't kon toch wel +een echt steentje wezen." Zijn gedachten verdeelen zich weer tusschen +het speldje en den jongen. "'t Is ordinair goud.--Is dat je zoontje?" + +"Ja! en wat zou dat?" + +"'n Aardige jongen. Hoe oud?" + +"Zestien jaar.--Hoe is 't, geef je nou vijf gulden?" + +"Vijf gulden? 't Is te veel, moeder, ik kan 't niet doen.--Hoe +heet hij?" + +"Kobus! Maar wat gaat dat jou eigenlijk aan?" + +"Och! 'k vraag 't maar zoo, juffrouw; ik houd zooveel van jongelui, +weet u. 'k Zal je drie gulden vijftig geven, geen cent meer." + +"Leg toch niet te zeuren, baas: 'k moet vier gulden hebben op een +maand terugkoop." + +"'t Kan niet! Ik geef al veel te veel, waarachtig!" + +"Geef dan mijn speldje maar weerom, dan verpas ik het; ik kan bij +den goudsmid elk oogenblik acht gulden krijgen." + +"Gaan we nou haast heen, moeder?" vraagt de knaap, die tot nog +toe gezwegen heeft, op zoo doffen, onnoozelen toon, dat Strijkman +onwillekeurig den jongen scherp aanziet en aan de vrouw vraagt: +"Is die jongen doof?" + +"Doof? Nou, niet zoo'n klein beetje.--Hoe is 't, moet ik nog langer +wachten? Je bent erg taai van avond." + +"In Gods naam dan, daar heb je vier gulden op een maand, met terugkoop +voor vier-gulden-vijftig;--'k zal even het briefje schrijven." + +Terwijl hij aan het lessenaartje het bewijs van recht tot wederinkoop +schrijft, vraagt de oude man: "Hoe heet je?" + +"Weduwe Juttner, Goudsbloemdwarsstraat, boven 't water- en vuurhuis." + +"Zoo, ben je weduwe?" + +"Al zeven jaar.--Maak toch voort." + +"Is dat je eenigst kind?" + +"Ja! Kristenenzielen, wat ben jij nieuwsgierig," antwoordt de vrouw +op onwilligen toon. + +"Kom! kom! word nu niet knorrig, juffrouw! Ik vraag het maar alleen, +omdat ik een jongen gekend heb, die sprekend op je zoontje geleek; +de stakker had ook zoo'n bochel. 't Arme kind is weggeloopen..." + +"'t Is wat te zeggen om zoo'n zoontje te hebben," bromt de vrouw +met een ontevreden blik op den knaap, die vadsig met de handen onder +de kin op de balie leunt. "Hij is van zijn tweede jaar af zoo krom +gegroeid,--er was niets aan te doen,--en hij is er onnoozel bij; +verstand zit er niet in. Ach God, 't is zoo'n stumperd, niet waar +Kobus? Hij weet kwalijk, hoe hij heet." + +Die laatste woorden vóóral treffen Strijkman. In één minuut rijpt in +zijn ziel een plan en bijna ontsnapt hem een kreet van blijdschap, +als hij antwoordt: "Och, is hij onnoozel; dat is jammer!" + +"'t Is een bezoeking! Wat moet je met zoo'n wurm beginnen? Hij deugt +nergens voor. Je zoudt zoo zeggen, 't is een doodeter. Och, voor een +ander is hij niets, niemendal, maar voor mij is hij erg aanhalig, +dat is waar, hoor. + +--Heb je nu mijn briefje?" + +"Ziedaar, juffrouw." + +"Goeien avond.--Zeg goeien avond, Kobus." + +De knaap hoort het niet en verlaat met zijn moeder Strijkmans winkel. + + + +Dien nacht kon de oude pandjesbaas weer geen oog dichtdoen; onrustig +woelde hij in zijn bedstede heen en weer, een paar malen zelfs +stond hij op om water te drinken, want zijn tong was droog en een +zenuwachtige aandoening deed zijn verhemelte branden. + +'t Was immers als twee druppels water Dorus. De jongen van vrouw +Juttner had juist zoo'n bochel, ongeveer hetzelfde rosachtig-blonde +haar.... En zestien jaren! de ouderdom zelfs kwam uit,--en dan +onnoozel en doof er bij. "'t Kan niet mooier," dacht Strijkman, +terwijl hij rechtop in zijn bed met de hand onder het hoofd zat te +soezen... 't Warrelde in zijn brein; hij overlegde: "Die vrouw schijnt +wel handelbaar te zijn. "Sakkerloot! wat een bestiering, dat die +jongen juist hier moest komen; de echte "krates" is dood;--natuurlijk +is hij dood, anders was hij toch wel door de oproeping in de kranten +te voorschijn gekomen. We kunnen niets doen, voordat de jongen zelf +gevonden is, heeft de procureur gezegd. Wel, 't kan niet mooier: +de jongen _is_ gevonden. Kobus heet hij, doof is hij, Dorus-Kobus, +Kobus-Dorus, 't heeft allemachtig veel van mekaar, hij zal evengoed +op den roep "Dorus!" luisteren. Hè, hè, hè! oude Philip, dat is een +buitenkansje. Met de papieren van den "krates" maken we van Kobus +Juttner--Dorus Makko... Hè, hè, hè, hè! Dan worden we voogd en dan +krijgen we geld, hè, hè, hè, hè!" Hij grinnikte van pleizier en sloeg +met beide handen op zijn deken. + +Eindelijk sliep Strijkman met het hoofd vol plannen in, en toen hij +den volgenden morgen ontwaakte, meende hij nog, dat hij droomde, +als hij aan het gebeurde van den vorigen avond dacht. + +Gedurende een paar dagen overlegde de oude vrek, wat hij doen zou, +en toen zijn plan geheel tot rijpheid was gekomen, zocht hij vrouw +Juttner op. + +De weduwe, wier zoontje Strijkmans gedachten zoozéér vervulde, was +een vrouw van min of meer verdachte reputatie. Vroeger te Rotterdam +gehuwd met een sjouwerman, was zij, na diens dood, gedurende eenige +jaren in verschillende gezinnen als schoonmaakster werkzaam geweest, +evenwel zonder ooit ergens lang of vast te blijven. + +Hoogstwaarschijnlijk was dit te wijten aan haar weinig ontwikkeld +begrip van het mijn en dijn. Een en ander had haar genoopt Rotterdam te +verlaten en sedert eenige maanden woonde zij in de hoofdstad. Waarvan +zij nu eigenlijk leefde, wist niemand; bedelen deed zij niet, +ofschoon zij, zooals een van haar vroegere buurvrouwen aanmerkte: +"een gezegend kind had, om bliefje-wat-te-geven mee te spelen." + +"Met zoo'n kind is je kost gekocht," hadden de bedelaars van beroep, +die in haar straat woonden, dikwijls met een soort van naijver gezegd, +als zij den jongen zagen; maar ofschoon zij slim en sluw genoeg was +om deze aanduiding te begrijpen, was zij er tot nog toe niet toe +overgegaan om haar Kobus tot broodwinning te gebruiken. Misschien +was er in haar ziel, hoe bedorven ook, nog een sprankje gevoel van +eigenwaarde overgebleven; wellicht was het ook alleen de band van +moeder tot kind, die nog niet rekbaar genoeg was geworden om haar te +doen besluiten den ongelukkige te exploiteeren. + +Er trilt in elke ziel, hoe laag de snaren daarvan ook gestemd mogen +zijn, altijd nog een enkele, die schooner toon voortbrengen kan, +als zij te rechter tijd bewogen wordt. + +'t Was een ellendig klein vertrekje, met een bedstede aan het eene +eind en een schoorsteen met een vuurpot er onder aan den anderen +kant. Een oude kist, een gebroken tafel en een paar manke stoelen +maakten met eenig ander huisraad op den bezoeker den indruk, dat +verval, slordigheid en verwaarloozing hier woonden. + +Vrouw Juttner zat, bij een eindje kaars, het buisje van haar zoon +Kobus te verstellen, toen de pandjesbaas binnentrad. + +Zij schrikte, toen zij hem zag, en voordat hij iets gezegd had, +stond zij op en vroeg met eenigen angst in haar stem: + +"Is er wat met het speldje?" + +Ieder ander, minder gejaagd en zenuwachtig dan Strijkman op dit +oogenblik was, zou onwillekeurig door dat gezegde op de gedachte +gekomen zijn, dat vrouw Juttner reden had om de wijze, waarop zij aan +het speldje gekomen was, geheim te houden. De oude man was nu echter +te zeer vervuld met zijn plan, dan dat hij door den uitroep der weduwe +achterdocht kreeg, en antwoordde haastig: "Neen! neen! maar ik moet +je eens spreken, juffrouw. Zijn we hier alleen?" + +"Kobus ligt in de bedstee en slaapt." + +"Hm! en als hij eens wakker werd?" + +"Dan hoort de stumperd nog niets." + +"Zoo!--En de buren kunnen die niets verstaan, of...?" + +"Als je zoetjes spreekt, niet. Maar, baas, wat wil je eigenlijk? Ik +heb het speldje nog van mijn overleden man, en dus..." + +"Ik praat niet van dat lor," antwoordde Strijkman gejaagd, terwijl +hij den minst gebrekkigen stoel nam en tegenover de vrouw aan tafel +ging zitten. "Ik heb wat voor jou te verdienen!" + +"Zoo! Nou dat zal wat wezen! Jij bent de rechte er voor. Ja, je kijkt +naar die flesch, hé? Er is een drupje in geweest. Ik heb last van +kramp op de maag, begrijp je? 't Zal wat moois wezen, wat je hebt." + +"Dat zal je meevallen, juffrouw. Wat zou je zeggen, als ik je vertelde, +dat je voor je heele leven bezorgd kunt zijn?" + +"Hè?" + +"Kun jij je mond houden?" + +"Als 't moet, ja; anders niet te best..." + +Strijkman dacht een oogenblik na, voor hij verder sprak; het denkbeeld +kwam bij hem op: "Gesteld eens, dat vrouw Juttner niet wil, dan +weet zij...." + +"Nou, waar prakkezeer je over? Vertrouw je me niet?'" + +"Jawel, maar...." + +"Als 't zoo mooi is wat je te zeggen hebt, hou dan je mond maar; 'k wil +mijn vingers niet branden, versta je. 'k Verdien graag geld, maar...." + +"Wat zou je zeggen, juffrouw, als ik jou jongen, Kobus, eens een +groote erfenis bezorgde; misschien wel zooveel, dat hij al zijn leven +geborgen was, en jij er bij...?" + +"Ben je gek, baas Strijkman? Hoe zou jij..." + +"Jij weet nog niet wat ik kan," grinnikte de oude, terwijl hij zijn +magere knokkels wreef. + +"Praatjes maken, dat kun je!" + +"Hè, hè, hè, hè!.... Kijk me maar niet zoo gluiperig aan; ik loop er +zoo gemakkelijk niet in; uithooren laat ik mij niet, en als ik niets +zeggen _wil_...." + +"Hou je je mond, dat begrijp ik wel. Hoor eens baas, ik ken je nog +maar pas; maar ik heb genoeg van je gehoord, om te weten, dat jij +niets doet, of je moet er aan verdienen." + +"Hè, hè, hè! dacht je, dat ik niet royaal kon zijn?" + +"Kom, zeur nou maar niet: jou royaligheid en de duivel z'n +barmhartigheid is van één soort; kom nou maar in eens voor den dag +met wat je wilt. Wat moet je met Kobus?" + +"Hij is onnoozel, hé?" + +"Ongelukkig, ja!" + +"Zou hij--hm! zou hij zijn naam kunnen vergeten...?" + +"Wat bazel je toch?" + +"Ik heb het in mijn hand juffrouw, om te maken, dat Kobus een rijke +jongen wordt, en...." + +Een oogenblik tintelde een vonk van vreugde in het gelaat der vrouw +en richtte zij haar blik op de bedstede, waar de gebrekkige knaap +sliep; in het volgende zag zij Strijkman wantrouwend aan, terwijl +zij fluisterend zei: + +"Daar spin jij toch het meeste zij bij, ouwe duitendief!" + +"Natuurlijk, ik wil er ook wat aan verdienen." + +"En zeker alles en nog wat.... Wou jij mijn armen wurm gebruiken +om jou rijk te maken, en hem dan misschien later met een kluitje in +'t riet sturen? Ik dank je; ik moet er niets van hebben." + +"Wees niet gek, mensch; wij zijn alle drie uit den brand, als jij +goochem bent en meedoet...." + +"Nou, spreek dan ronduit: wat wil je?" + +Nog een oogenblik aarzelde de oude man, voor hij er toe overging +zijn plannen aan de weduwe te vertellen, maar toch behaalde zijn +begeerigheid de overwinning en vertelde hij haar de geschiedenis van +Dorus Makko en de Amerikaansche erfenis, evenwel voorzichtigheidshalve +verzwijgend welke papieren hij in handen had. + +Vrouw Juttner's oogen schitterden, terwijl Strijkman vertelde, en +toen hij geëindigd had, stak zij hem over de tafel de hand toe en zei: + +"Sla toe, ouwe slimmerd, ik doe mee; maar als er wat van komt, zorg +je dat ik vrijloop, en Kobus ook." + +"Wat zou er van komen?" + +"Je kunt niet weten: als 't gesnapt wordt, dat wij--jij," verbeterde +zij snel,--"den jongen, mijn Kobus, ondergeschoven hebt, zit er +misschien wat op; en daar zou ik voor passen...." + +"Als jij zorgt, dat hij gelooft dat hij Dorus heet, en als hij zelf +zijn mond maar dicht houdt, is er geen kwaad bij." + +"Dat's gemakkelijk genoeg: de stumperd ziet bijna nooit wat." + +"Des te beter.--Hm! 't zou ook niet kwaad zijn, als je verhuisde; +om de buren, weet je!" + +"Misschien." + +"Ergens naar toe, waar niemand je kent." + +"Dat kost geld...." + +"Dan moet je hem wennen aan den naam van Dorus. Kan hij lezen of +schrijven?" + +"Wel neen, hij is nooit op school geweest." + +"Zoo! dat is goed,--hè hè hè! heel goed." Strijkman wreef zich in +de handen. + +"Dan moet hij er verder wat knapper uitzien...." + +"Mooie dingen: waar haal ik 't geld er voor vandaan ?" + +"Ja, hm, dat's lastig...." + +"Niets lastig: jij hebt geld genoeg. Geef me een gulden of twintig +op hand, dan steek ik hem wat beter in zijn plunje, en...." + +"Ho! ho! 't geld groeit me niet op den rug." + +"En ik heb het niet. Zeg! er is nog een druppeltje in de flesch, +'t is lavas.... Wil je ? + +"'k Dank je.--Hm! dus ik zou moeten beginnen met een twintig guldens +te wagen." + +"Die niet waagt, die niet wint." + +"Je hebt gelijk, het kan niet anders, maar het is veel geld.--Och! God, +zooveel geld." + +Zuchtend besloot de pandjesbaas zich deze opoffering te getroosten en +haalde uit zijn vest een zeemlederen zakje te voorschijn, waaruit hij +zes rijksdaalders en vijf guldens nam en die aan de weduwe overreikte +met de woorden: + +"Daar dan, maar wees er in Gods naam zuinig mee." + +Tot laat in den nacht zat het tweetal bijeen en besprak de wijze, +waarop zij zouden samenwerken om Kobus Juttner voor Dorus Makko te +doen doorgaan. + +Zelden was een paar meer aan elkander gewaagd dan dit. Vrouw Juttner +dacht kalmer na dan Strijkman en menigmaal gedurende hun gesprek +toonde zij, dat ze voor hem niet onderdeed in sluwheid. + +Ze werden 't spoedig eens, hoe zij het zouden aanleggen om aan de +fabel, die zij samen bedachten, allen schijn van waarheid te geven. De +slotsom hunner overleggingen kwam hierop neer, dat Strijkman eerst +alleen en dan met de weduwe en den knaap den procureur Verhagen zou +gaan opzoeken en hem zou trachten wijs te maken, dat Dorus Makko na +den dood zijns vaders geruimen tijd door de stad had gezworven en +eindelijk door vrouw Juttner uit medelijden was opgenomen. De papieren +zouden volgens de meening van den ouden man het verdere wel doen. + +Allerlei zwarigheden kwamen hun echter, toen zij het plan bespraken, +voor den geest. Wat zouden zij zeggen, indien een der vroegere buren +van Dorus Makko toevallig den pseudo-Dorus zag en zich herinnerde, +dat "Krates" volstrekt geen idioot was geweest? + +"Hij is gevallen en suf geworden," zei Strijkman. + +"Dat is te casuweel," antwoordde vrouw Juttner; "ik weet beter: +hersenziekte gehad, zenuwzinkingkoorts of zoo iets; laat dat maar aan +mij over... 't Treft goed, dat ik pas een maand of drie hier in de +stad woon; afijn, ik zal wel zorgen, dat ik er een mouw aan pas.--En +nou wat anders, baas Strijkman. Wat geef je wel aan mij en Kobus, +als alles goed afloopt? Ik hou van spijkers met koppen," zeide de +weduwe ten slotte, terwijl zij met de ellebogen op de tafel steunde +en, met de handen onder de kin, haar overbuur strak aanzag. + +"Dat zullen we later zien, juffrouw!" + +"Neen, neen! vaderlief, zóó zijn we niet geschapen; eerst zeggen, +hoeveel." + +"Hm, hm! hoeveel dacht je?" + +"Wat dacht jij?" + +"Nou, ik wil 't royaal behandelen; je zult van elke honderd gulden +er twintig hebben." + +"Och, kom! dacht jij dat? Jongens, jongens! dat's te scheutig, +Strijkman, dat neem ik niet aan." + +"Niet?" vroeg de pandjesbaas verwonderd. + +"Waarachtig niet, dat doe ik niet." + +"Wat dacht jij dan, juffrouw?" + +"We zullen eerlijk deelen, jij de helft en ik de helft, +annemekannememeesamen, [3] hoor!" + +"Hè? Je dolt met me." + +"Waarempel niet; en als je niet gauw toehapt, dan zeg ik: jij één +derde part en ik twee derde parten, want wij zijn met ons beiden." + +"Dat kun je begrijpen. De helft, ik denk er niet aan..." + +"Hè, hè, hè! jij kunt zonder mijn jongen niets krijgen, sliep uit!" + +"Vervloekte feeks," bromde Strijkman tusschen de tanden; "als ik niet +meedoe, krijg je niemendal." + +"Nou, hoe denk je er over, ouwe heer: de helft of een derde? Gauw +antwoord! + +"En als ik niet wil, blijf jij er nuchter van." + +"Och kom, denk je? Dan zal de procureur Verhagen er nog wel een +aardigheidje voor overhebben om..." + +"Hou je mond, vrouw Juttner," riep Strijkman verschrikt uit; "'t is +goed, om de helft dan..." + +"'k Dacht wel, dat je toe zoudt happen, ouwe zondaar!" + +Strijkman beet zich op de lippen en vertrok. Toen hij weer op straat +stond, mompelde hij: "Ze is waarachtig nog goochemer dan ik; maar +wacht maar, als ik de duiten eerst heb, dan..." + +Toen vrouw Juttner alleen was, bleef ze nog een oogenblik in de vlam +der kaars staren en overdacht al wat zij gezegd en gehoord had. + +"Een gare rot," zei ze binnensmonds; "maar ik ben ook niet van +gisteren, 'k hou hem in de gaten, en afschuiven moet hij in ieder +geval, al komt er niets van de zaak; 'k houd hem toch aan 't lijntje;" +en terwijl zij de kaars opnam, ging zij naar de bedstede, waar haar +zoon sliep. + +De mismaakte knaap lag met zijn mond open te snorken. Zijn wezenlooze +trekken schenen daardoor nog slapper en onaangenamer; 't weinige +rosachtige haar kleefde vochtig aan zijn voorhoofd en slapen, en de +rimpelige hals was nog meer in de schouders gezonken dan anders. + +Met het licht in de hand stond vrouw Juttner voor het armoedige bed; +zij fronste de wenkbrauwen en haar mond vertrok zich minachtend; + +"'t Is toch een leelijk kind, als je hem zoo ziet," zei ze. "Was hij +toch maar doodgegaan, toen hij kwam." + +Zij raakte met vinger en duim zijn mond aan om dien te sluiten. De +slapende jongen keerde zich om, sloeg half de oogleden open zei in +zijn slaap: "Moeder." + +"'t Is toch een ongelukkige, akelige stumperd, en wurm!" Zij trok +de rafelende deken wat hooger om zijn schouders. "Moeder" fluisterde +hij nogmaals. + +"Hij is toch erg op mij gesteld. Arm schaap!" Zij schoof een +stuk karpet, dat opgerold onder 't getornde hoofdkussen lag, wat +dieper. "Geld zul je hebben; geld, veel geld, Kobus." + +Toen haalde zij onder de bedstede vandaan een stroozak en een paar +andere stukken karpetgoed, legde een er van onder haar hoofd, dekte +zich met het tweede toe, blies het licht uit en sliep weldra op den +grond uitgestrekt in. + + + + + +IX. + +BIJ TOURNEL. + + +Wat was er van Dorus geworden, sedert den treurigen morgen, waarop +hij bij juffrouw Keetje's sterfbed knielde? + +De arme knaap, die op dien ochtend alles verloren had wat hem lief en +dierbaar was op de wijde wereld, was instinctmatig naar dokter Abels' +woning gesneld. + +Plotseling stond hij met bleeke wangen en ontdaan gelaat voor +Albertine, die met haar vader in den tuin een morgenwandeling deed. + +"Ze is dood, van morgen gestorven!" was alles wat hij uitbrengen kon, +terwijl hij met de handen voor het gelaat op de tuinbank neerviel. + +Medelijdend zagen dokter Abels en zijn dochter den armen jongen aan, +die, overweldigd door zijn smart, zijn tranen hun vrijen loop liet +en op niets en niemand scheen te letten. + +"'k Zal wat voor dien jongen doen", zei de dokter tot Albertine, +terwijl hij zijn rijtuig liet inspannen om naar de herberg te +Groenendaal te rijden. + + + +Juffrouw Keetje was begraven. Het was een aandoenlijk tooneel geweest, +toen de acrobaat Carlo en de zijnen aan de afgestorvene de laatste +eer bewezen. De sterke man beefde als een riet en weende luid, toen +de kist in den schoot der aarde wegzonk... + +"Dat is mijn ondergang," mompelde hij herhaaldelijk, toen ze van de +begrafenis terugkwamen. "Dat's mijn ondergang," herhaalde hij een paar +dagen later met zware tong, toen hij weer in de tent moest optreden +en niet kon, omdat hij... te veel gedronken had. + +Arme Carlo! ongelukkige, zwakke sterke man, te zwak om alleen te +staan, uw steun, het tengere, vrouwtje is van u weggenomen en 't +verdriet om haar gemis doet u terugkeeren op het pad, dat ge, door +haar zachte hand geleid, zoo lang gemeden hadt. Wat Dorus betreft, hij +kon niet meer in zijn hansworstenpak optreden, 't was hem onmogelijk, +en trots de dreigementen van Carlo's mededirecteur Hermans bleef hij +weigeren. Viool spelen wilde hij wel, maar toen Hermans 's avonds +zijn spel hoorde, riep hij kwaad en driftig: "'t Lijkt wel een +treurzang. Als jij zoo speelt, jaag je het publiek mijn tent uit; +kijk naar Carlo, dat is eerst een kerel. Wel drinkt hij een borrel +en was een paar dagen in de war, maar hij heeft toch nooit zoo goed +gewerkt als nu; jij bent een sentimenteele stumperd, een huilebalk; +je hadt aanspreker moeten worden." + +Alleen de oude Löbell nam hem 's avonds na de voorstelling ter +zijde en vroeg medelijdend: "Bin jij nou nog zoo schwermoedig, +Boeckelorum? Je hebt gespielt, das ich, weiss Gott, de thränen in +de augen kreeg. Jongens, wat een schade oend jammer, dat jij nicht +voor de moeziek wordt opgebracht; 'k wol, dat ik geld had; ich liet +je stoedeeren, wenn's auch op das jammerholz ist." + +Gelukkig voor Dorus was Löbell niet de eenige, die er zoo over dacht, +en had dokter Abels hetzelfde denkbeeld gekregen. + +Korten tijd na Keetjes dood had hij opzettelijk in gezelschap van +Albertines muziekmeester in een naburige plaats eene voorstelling +van het _Théatre des Nouveautés_ bijgewoond en Dorus nogmaals hooren +spelen. + +De oude muziekmeester was geheel en al oor geweest, en toen hij +eindelijk verrukt zei: "Die jongen kan een groot man worden; 't +is een talent, zooals ik zelden heb gehoord," stond dokter Abels' +besluit vast om den knaap uit de hem onwaardige omgeving te verlossen +en voor de kunst te behouden. + + + +Dorus wist niet wat hij antwoorden moest, toen de dokter hem vroeg: +"Heb je lust om te studeeren voor musicus? Wil je van Carlo +vandaan?" De knaap stond sprakeloos van vreugdevolle, dankbare +verbazing, keek met groote verwonderde oogen dokter Abels aan, greep +eensklaps zijn handen, kuste die en stotterde : "Ik kan niets meer +zeggen, meneer!" + +Met leedwezen zag de directie van het _Théâtre des Nouveautés_ hun +hansworst vertrekken. Carlo bromde: "Dat heb je er nu van, als je een +jongen van de straat opneemt; als hij wat kan, snijdt hij uit." Hermans +beweerde : "Sedert hij op de viool krast, is hij voor paljas toch niet +meer te gebruiken." Maar de oude Löbell zei, terwijl hij Dorus met +het mondstuk van zijn pijp op 't hoofd tikte: "Doe schwerenöther! noe +kann noch 'mal was rechtes aus jou werden; schade oend jammer, dat +jij kein broest voor die trompete hévt! Adjé! kerlchen, mach's goed." + +Het kostte Dorus weinig moeite om afscheid te nemen van het geslacht +Carlo en de overige leden van het gezelschap. De toekomst lachte +hem rooskleurig tegen; zijn hoogste wensch zou vervuld worden; hij +zou muziek leeren! Nauwelijks kon hij aan zooveel geluk gelooven; 't +overstelpte hem; hij was zenuwachtig en gejaagd, en eerst toen hij in +den postwagen zat, die hem naar de stad zou brengen, werd hij kalmer. + +'s Avonds laat kwam hij in het huis van den muziekmeester Tournel, +aan wiens zorgen zijn beschermer hem had toevertrouwd, aan, en toen +hij in het kleine kamertje, dat hem als verblijf werd aangewezen, +ter ruste zou gaan, zuchtte hij: "Als het maar geen droom is." + + + +Neen! 't was geen droom; daar lag immers zijn viool op tafel; daar +stond in den hoek een muzieklessenaar en daar, op den stoel, hing +een nieuw pak kleeren, zoo goed als hij er nog nooit een had aangehad. + +Toen hij den volgenden morgen vroeg ontwaakte, scheen de zon warm en +vriendelijk in zijn kamertje, blonk glinsterend op de daken en speelde +met het loof der boomen van het kleine tuintje achter het huis. Zijn +oude viool scheen hem op tafel toe te lachen, 't Was alsof zij hem +toeriep: "Goeden morgen! Zie je me niet? Hier ben ik." + +'t Was nog doodstil in huis. Hij luisterde; niets bewoog zich. Zonder +gedruisch opende hij het venster; zoel en geurig stroomde de frissche +morgenlucht in het vertrekje, een vogel zong in den tuin en een bij +gonsde naar binnen. + +Hij ademde met wellust de heerlijke lucht in. Snel kleedde hij zich +aan en keek met aandacht naar de bij, die vergeefsche pogingen deed +om weer naar buiten te komen. + +"Szoemm! szoemm!" gonsde het insect en stootte tegen de vensterruit. + +"Wou je er uit, kameraad?" + +"Waf! waf! waf!" klonk een kort blaffen buiten. + +"Boppie!" Dorus boog zich uit het venster. + +"Waf! waf!" + +"Ouwe jongen, ben jij daar? Hoe kom je hier? Ben je mij nageloopen?" + +"Waf!" + +"Koest dan! Boppie, koest dan, spring niet zoo op; je kunt toch niet +bij mij; koest, dan, Bop!" + +'t Blaffen buiten ging over in een zacht gejank. 't Werd weer stil +in den tuin. + +"Dat's aardig," lachte Dorus in zichzelf, "hij is me nageloopen. Goed +beest!" Hij zag naar buiten. Boppie lag rustig in 't grasperk en keek +omhoog naar 't openstaande venster. Zijn stompje staart kwispelde +onophoudelijk heen en weer, en toen hij Dorus weer aan 't raam zag, +blafte hij zachtjes. + +"Koest!" + +"De viool op tafel ziet er vandaag heel anders uit dan gewoonlijk," +dacht de knaap. "Ze is veel glimmender dan vroeger; ik wou wel eens +hooren, of ze ook mooier klinkt. Ze slapen hier nog allemaal in huis; +ik durf niet, ze zullen wakker worden." Hij nadert de tafel. "Zouden +ze het beneden hooren?--Kijk daar zit een vezeltje aan de kwint; +dat moet er toch af." + +"Ting!" kwam de snaar, toen hij haar aanraakte. Dat "ting" was +beslissend; hij nam de viool op en speelde pizzicato zachtjes een +paar noten. De strijkstok lag nog op tafel, het zonlicht tintelde in +het paarlmoeren belegsel van den stok. + +"'t Is toch een mooi stokje," dacht hij. Hij greep er naar en woog +het in de hand. "Hè! licht als een veer en toch sterk...." Beneden +in de huisgang sloeg de klok zeven uren. "'t Is nog te vroeg om te +spelen. Och, maar als ik 't heel zachtjes doe, dan hooren ze het niet." + +Luchtig en licht gleed de strijkstok over de snaren; 't was een +vluchtige, oppervlakkige melodie, die zachtjes door het vertrekje +klonk. + +Dorus speelde en vergat allengs, dat hij niet alleen in huis was; +hij speelde voort,--het heerlijke zonlicht, de frissche morgenlucht +bezielden hem. + +"Waf! waf! waf!" blafte Boppie in den tuin; hij herkende de zangerige +stem daarboven. + +Dorus hoorde het niet en phantaseerde verder. "Bravo! Bravo! mijn +jongen," klonk eensklaps de stem van Dorus' mentor, den muziekmeester +Tournel, die zachtjes was binnengekomen. + +"Bravo!" herhaalde hij, "heel aardig gespeeld; maar 't is wildzang, +en als je daarmee doorgaat, komt er niets van je terecht." Verwonderd +zag Dorus den heer Tournel aan, die hem een muziekboek voorhield +en vervolgde: "Als je dit hebt doorgestudeerd, moog je weer eens +phantaseeren. Voorloopig moet je er mee ophouden. Beloof je me dat?" + +"Als het noodig is, zeker." + +"Goed! berg dan nu je instrument maar op;--laat 'k het eens zien." De +muziekmeester hield de viool schuins voor het venster, zoodat het +licht door de S-gaten viel, zag opmerkzaam binnen in de kast en +mompelde, een paar akkoorden grijpende: "'t Is een aardige viool; +'t lijkt mij een Kuyper te zijn, en zij klinkt goed op de D en de +G. Kom, vriendje, nu ontbijten. Augusta en Barbara wachten op ons." + +"Waf! waf!" klonk het buiten. + +"Dat is Boppie, mijnheer!" + +Verwonderd keek de muziekmeester op, terwijl hij vroeg: + +"Wat bedoel je?" + +"Hij is me nageloopen." + +"Wie?" + +"Mijn hondje; Boppie! Mag ik hem hier bij mij houden?" + +"Hm! 'k houd niet veel van honden. Ze kunnen zoo slecht tegen muziek; +dat's lastig." + +"O! hij niet, hij jankt nooit. Toe, meneer! laat 'k hem maar +houden. Al joeg ik hem ook weg, hij zou toch iederen keer weeromkomen, +en...." Dorus keek vriendelijk lachend, maar met een zweem van trots +den heer Tournel aan, "'t is geen gewoon dier; hij kan op de klok zien, +domino spelen en tellen." + +"Dus een professor onder 't hondengeslacht," lachte Tournel. + +"Waf! waf!" + +Eensklaps boog Dorus zich uit het venster en riep: "Bop!" + +"Waf!" + +"Geef attentie, Bop! Hoeveel is tweemaal twee?" Dorus maakte een +bijna onmerkbaar teeken met de hand en sprak op den echten kermistoon. + +"Waf! waf! waf! waf!" blafte Bop. + +"Hoort u 't?" + +"Heel aardig! Nu houd hem dan maar bij je, maar je moet je afwennen +om zoo raar met hem te spreken." + +"Ja, meneer!" + + + +De oude heer Tournel, aan wien voorloopig door dokter Abels Dorus' +opleiding was toevertrouwd, leefde stil en bedaard met Augusta, zijn +kleindochter, een wees, in de provinciestad, aan welker uiteinde de +villa van den dokter stond. 't Was een vriendelijk man en een type +in zijn soort: als leeraar der muziek uitstekend, als executant niet +boven het middelmatige zich verheffend. + +In het kleine stadje evenwel beschouwde men hem als een soort van +phenomeen, want Tournel arrangeerde bij elke gelegenheid toepasselijke +stukken. + +Voor de zangvereeniging Polyhymnia schreef hij koren en soli, voor de +gymnastiekvereeniging Hercules een feestmarsch en voor het zangkoor +in de Luthersche kerk kerstliederen en paaschgezangen. Behalve +orgel, Zondags in de Groote kerk, speelde hij viool en dirigeerde +de orkestvereeniging Orpheus en het zanggezelschap Polyhymnia, +gaf pianolessen aan de jonge dames, onderwees violoncel en leerde +klarinet spelen aan den eenigen dilettant, die zich in het stadje +aan dat instrument waagde. + +"Methode," was zijn geliefkoosd stopwoord,--"School," het tweede, +wat hij gebruikte. 't Was geheel een musicus van den ouden stempel; +hij dweepte met Bach en Beethoven, vereerde Mozart, Meyerbeer en +Mendelsohn, en zag met eenige minachting neer op den in de mode +komenden Offenbach en andere dergelijke "muziekfabrikanten", zooals +hij ze noemde. + +Er lag over zijn geheele persoon een waas van klassieke waardigheid, +dat bijna op de grenzen van het vermakelijke kwam. Geen zweem van +artistieke losheid lag er in den vorm van zijn hoofdhaar, dat geheel +achterover gekamd als door een grijzen sluier de schedelhuid liet +doorschemeren. Zijn diepliggende grijsblauwe oogen zagen eenigszins +mat de wereld in en met zorg gekweekte bakkebaarden, steeds kort +geknipt, begrensden een paar bleeke wangen, die zich alleen dan +hooger kleurden, als hij zich in Polyhymnia ergerde over de sopranen +of alten, die geen maat wisten te houden, hoezeer hij ook met zijn +schepter zwaaide of met den rechtervoet stampte. In zijn mond, die +goed besneden, meestal vriendelijk lachte, stonden een paar tanden te +veel vooruit en gaven daardoor iets zonderlings aan het overigens vrij +regelmatige gelaat. Hij was gewoon een pince-nez te dragen, die hem, +zoodra hij op repetitiën in vuur kwam, regelmatig van den neus viel, +en hij dweepte met lange gekleede jassen, die door een staanden boord +en een zwarte halsdas waardig werden ter zijde gestaan, om aan zijn +geheelen persoon een deftig uiterlijk te geven. Zijne kleine handen +waren bijzonder zorgvuldig verpleegd en zijn voeten staken altijd in +keurig net schoeisel. Hij was van Fransche afkomst, en zij, die dit +wisten, verklaarden dat hij de voorliefde en zorg voor zijn handen +en voeten daaraan dankte. + +Zijn kleindochter Augusta, die sedert den dood harer ouders bij +hem woonde, was het zonnetje in huis; hij had zijn kleinkind, dat +zoo vroeg reeds wees werd, afgodisch lief, en als het bruingelokte +hoofdje van het bijna veertienjarige meisje zich vertrouwelijk tegen +zijn arm legde en het fijne handje zijn wangen liefkoosde, terwijl +de donkere fluweelige oogen zoo innig hartelijk in de zijne keken, +was er niet veel wat de oude aan zijn kleinkind weigeren kon. + +Augusta was niet bepaald mooi te noemen; het krullend, bruine haar +en de prachtige oogen waren haar grootste sieraad; voor het overige +was haar gezichtje goed besneden, ofschoon de ietwat te groote mond +er iets onregelmatigs aan gaf. + +De nog weinig ontwikkelde vormen en de eigenaardige onbeholpenheid +aan haar leeftijd eigen, maakten, dat haar vrij lang opgeschoten +gestalte bij den eersten indruk weinig aantrekkelijks had; bij nadere +kennismaking en opmerkzame beschouwing echter was het aan te nemen, +dat zich uit de nog slechts half ontloken knop weldra een schoone +frissche bloem ontwikkelen zou. + +Iets was er, wat iedereen aangenaam bij haar aandeed, namelijk haar +melodieuse stem, en grootvader Tournel was er trotsch op als kenner te +kunnen zeggen: "Augusta zal eenmaal een sieraad van Polyhymnia worden, +zoodra ze wat meer "school" heeft." + +Een nicht van Tournel, juffrouw Barbara, bestuurde het kleine +huishouden en hield rekening met de inkomsten, iets wat de +muziekmeester zelf niet deed. In dat opzicht was hij artistiek en +had geen "school". Ware Barbara er niet geweest om, zooals zij het +noemde "den duim op 't laadgat te houden", Tournel zou het lot gedeeld +hebben van velen zijner kunstbroeders, die meer schulden hebben dan +contanten en die van de hand in den tand leven. Nu echter heerschte +er een zekere mate van welgesteldheid in het gezin, en al wees de +huishoudelijke balans gewoonlijk geen batig saldo aan, toch sloten +Debet en Credit op weinig na. + +'t Was niet tegen te spreken, dat juffrouw Barbara, al was 't dan +ook maar zachtjes, de pantoffel hanteerde, maar zij deed het met +verstand en overleg, en ofschoon de toon van haar humeur enkele malen +"in mineur" klonk, zooals Tournel beweerde, was zij toch goedhartig +en braaf, ja zelfs te braaf, te vroom naar den zin van haar neef, +die, volstrekt niet kerksch, zich met Barbara's begrippen over den +godsdienst niet vereenigen kon en beweerde, dat zij alleen de dominees +naliep, omdat het zoo de mode was. + +Toch was het niet zoo. Juffrouw Barbara was een nauwgezet mensch, +die de uiterlijke vormen van den godsdienst in eere hield, haar +lievelingspredikant had, getrouw elken Zondag naar de kerk en viermaal +'s jaars naar 't avondmaal ging. Zij bad voor het eten lang, at gauw +en dankte weer lang. Hoekig en beenig van gestalte, met een grof tanig +gelaat, kleine, scherpe, donkere oogjes en een weinig vaalbruin haar, +droeg zij haar muts en haar vijf-en-veertig-jarigen maagdelijken +staat met gelatenheid. + +Toen Tournel haar den voorslag van dokter Abels, om Dorus in huis te +nemen, mededeelde, had zij haar wenkbrauwen gefronst en gezegd: "Als je +er wat mee verdient, Tournel, is 't goed, maar anders zou ik er niet +op gesteld zijn zoo'n kermisklant in huis te nemen. 't Is gewoonlijk +raar soort, halve heidens, die van God, noch zijn gebod weten; als ik +last van den jongen krijg, moet hij de deur uit. 'n Virtuoos steekt in +dien jongen, zeg je? 't Zal wat wezen, als 't voor de heeren komt..." + +Augusta daarentegen had zich op de komst van Dorus verheugd. Vooral de +omstandigheid, dat de knaap "kermisklant" was geweest, maakte hem in +haar jeugdig oog belangwekkend en haar levendige verbeelding tooverde +haar een vluggen clown, vol jolige grappen en kuren, voor de oogen. + +Tournel, geheel vervuld met de gedachte aan het onmiskenbaar talent van +den jongen, had met geen enkel woord van zijn mismaaktheid gesproken; +hij zag in hem alleen den muzikant, niet den bultenaar. + +'t Was dus geen wonder, dat op den avond, toen Dorus voor 't eerst +de woning van den muziekmeester binnentrad, Augusta een kreet van +teleurstelling niet kon onderdrukken en halfluid uitriep: + +"Ba! een bochel!" + +Juffrouw Barbara zei: "Wat een ongelukkige kromme krates", en Tournel +antwoordde: "Dat doet er niet toe; hij heeft talent." + + + +Nog nooit had Dorus zich zoo vreemd en onbehaaglijk gevoeld als in +den eersten tijd, toen hij bij Tournel was. Hij had een gewaarwording, +alsof men hem in een kooi had opgesloten! Instinctmatig gevoelde hij, +dat hij er misplaatst was; maar vlug van begrip en bevattelijk als +hij was, opmerkende en in zijn brein verwerkend wat hij zag, hoorde en +ondervond, verdween dat gevoel van dwang en gedruktheid spoedig genoeg. + +Hij lette op, hoe de anderen deden, als zij aan tafel zaten; en +juffrouw Barbara zelfs zeide: "Hij merkt goed op en neemt aan; hij +zit nu al fatsoenlijker bij 't eten en dat is al veel, want je kunt +aan iemand zien van welken komaf hij is, naarmate hij aan tafel zit." + +Augusta riep nu niet meer: "Ba! een bochel," want eenige maanden waren +voldoende geweest om haar een zekere genegenheid voor den knaap in +te boezemen en hem zelfs tegen de soms vrij heftige uitvallen van +nicht Barbara te beschermen. + +Dorus van zijn kant deed alles wat mogelijk was om zich aangenaam te +maken; hij bewees duizend kleine diensten in het huishouden, zonder +dat men er hem om vroeg en zijn oogen glinsterden van vreugde, als +Augusta hem met een vriendelijken blik er voor dankte. + +Met juffrouw Barbara stond hij soms op niet al te goeden voet; +haar meestal knorrige toon van spreken hinderde hem, en als haar +humeur in "mineur" gestemd was, stond het zijne in denzelfden toon: +eenmaal zelfs, toen zij om de een of andere kleinigheid boos geworden, +zich het woord "kermisklant" liet ontvallen, vergat hij zich zoover, +dat hij haar "een serpent" noemde. + +Bijna had dat woord aan zijn verblijf bij Tournel een plotseling +einde gemaakt, en 't was Augusta, die hem overreedde om aan nicht +Barbara vergiffenis te vragen voor dit woord. + +Trouwhartig zei Dorus: "'k Doe het, omdat u het hebben wilt, +jongejuffrouw, en ik zal haar zeggen, dat 't mij spijt, maar dat ze +toch een serp...." + +"Stil, Dorus! zoo moog je niet spreken; je hebt ongelijk," antwoordde +Augusta, terwijl ze haar hand op zijn arm lei. + +"Ben ik dan nu nog een kermisklant?" + +"Neen, dat niet, maar je bent somtijds wel wat ruw." + +"Ben ik dan een heiden, zooals zij zegt, omdat ik me in de kerk +verveel en liever thuis viool studeer?" + +"En waarom ga je er dan naar toe?" + +"Omdat u het graag heeft; om juffrouw Barbara doe ik 't waarachtig +niet." + +"Zoo; maar je moet er om je zelf heen gaan." + +"Om mij zelf?" + +"Ja, omdat God 't wil." + +"Hm! 't zal God wat kunnen schelen, of een jongen als ik in de +kerk komt." + +"Foei, Dorus, je moogt niet spotten." Augusta kon nauwelijks een +lach bedwingen. + +"Ik spot niet." + +"Dat doe je wel. Je bent ook nog wel een beetje heiden want als wij +aan tafel 's middags bidden, dan...." + +"Dat is ook geen bidden, jongejuffrouw." + +"Niet? Wat is dan bidden?" + +"Dat weet ik zelf niet recht." + +"Heb je dan nooit gebeden, wezenlijk gebeden?" + +"Ja, éénmaal." Plotseling werd Dorus' gelaat ernstig en bleek, zijn +oogen vestigden zich een oogenblik als op iets, dat in de verte alleen +voor hem zichtbaar was, en hij herhaalde zachtjes: "Ja, éénmaal, +toen heb ik geloof ik, wezenlijk gebeden." + +Verwonderd keek Augusta hem aan, terwijl zij vroeg: "Wanneer, Dorus?" + +"Toen _zij_ stierf, daar 's morgens vroeg in de herberg te +Groenendaal. Ziet u, jongejuffrouw, destijds wist ik het zelf niet, +maar nu geloof ik, dat ik toen gebeden heb; en zóó bidden ze in de +kerk niet, ook niet op de catechisatie, waar ik naar toe moet." + +"Moet?" + +"Nu, waar ik naar toe ga, als u dat liever hoort; juffrouw Barbara +heeft 't mij gebakken, dat ik er heen moet, om...." + +"Ha, ha, Dorus, wat sla je weer door," lachte Augusta. "Dokter Abels +vond het ook goed, en daarom .... Zie je wel, dat je nog een heiden +bent en ruw; wie zegt er nu "gebakken". + +"Ik zal het niet meer zeggen, jongejuffrouw." + + + +Langzamerhand veranderde Dorus zoowel innerlijk als uiterlijk De +invloed van de beschaafde omgeving, waarin hij zich bevond, deed zich +duidelijk merkbaar gevoelen. Ontsnapte hem nu en dan nog eens een ruw +woord of een onhebbelijke uitdrukking, dan was een verwijtende blik +van Augusta, of een fronsen der wenkbrauwen van Tournel voldoende +om hem te doen begrijpen, dat hij verkeerd had gedaan. Met ijver +en lust had hij zich op de studie van zijn viool-methode toegelegd, +en als hij voor zijn lessenaar stond met het instrument onder de kin +en den strijkstok in de hand, netjes en eenvoudig gekleed, zag hij +er niettegenstaande zijne mismaakte gestalte fatsoenlijk uit. + +'t Kostte hem geen geringe inspanning om weer van voren af aan de +geheele _Violinschule_ van Kreutzer door te studeeren, maar Tournel +hield niet op om hem het groote nut van die studie voor oogen te +houden, en toen een half jaar verloopen was, zei de oude muziekmeester, +hem goedkeurend de hand op het hoofd leggend: "Je gaat goed vooruit, +Dorus; je stand is goed, de stokvoering wordt beter en je toon is +veel krachtiger. Wanneer je zóó je best blijft doen, dan kun je al +gauwer dan ik dacht naar een conservatoire gaan". + +Hoe glinsterden de bruine oogen van den knaap bij zulk een loftuiting, +en hoe vriendelijk vroeg hij dan: "Mag ik nu ook nog eens een half +uurtje phantaseeren?" Niet al te dikwijls stond Tournel het hem +toe, en deed hij het, dan zei hij met een barsch gezicht: "Nu, een +kwartiertje dan, maar langer niet; je speelt toch nog niets degelijks." + +Dorus had eens moeten weten, dat, iederen keer als hij zijn phantasie +op de viool den vrijen teugel liet, zijn mentor in de kamer beneden +of er naast zat te luisteren en dat hij dikwijls Augusta riep, om met +hem te hooren naar "dien wildzang", die hem herhaaldelijk de woorden +ontlokte: "'t Is bepaald eenig; dat's een discipel, daar ik plezier +van zal hebben." + +Gedurende den tijd, dat Dorus bij Tournel in huis was, kreeg +hij behalve muziek, dank zij de vrijgevigheid van dokter Abels, +in allerlei andere vakken les. 't Was ongeloofelijk welke moeite +de jongen zich gaf om te leeren. Het had er iets van alsof men een +uitgehongerd mensch plotseling een rijk maal had voorgezet en deze +alles op eens trachtte in te zwelgen. + +In korten tijd maakte Dorus groote vorderingen, hij verslond boeken +en noten om 't hardst; maar evenals de onverzadelijke, die te snel +eet en te veel op eens, zich de maag overlaadt en onpasselijk wordt, +zóó ging het ook hem. Hij zag er bleek, afgemat en zwak uit. Niemand +had 't evenwel opgemerkt dan juffrouw Barbara, die niettegenstaande +zij dikwijls om allerlei kleinigheden met Dorus kibbelde, den knaap +toch gaarne mocht lijden en hem even goed, zoo niet beter dan een +der andere huisgenooten, verpleegde en bewaakte. Zij merkte ook het +eerst op, hoe Dorus begon te hoesten en te kuchen, hoe zijn eetlust +verdween, en hoe zijn groote oogen mat van uitdrukking werden en diep +in de kassen lagen. + +"'t Is net of de jongen langer en magerder wordt," zei ze tot Tournel. + +"Hij groeit, Barbara!" + +"Jij laat hem te hard werken, Tournel." + +"Ik?" + +"Ja, jij! Je moet zoo'n jongen ook wat rust gunnen. Maar je bent +altijd zoo geweest; men kan nooit genoeg doen naar jou zin; 't is +jagen, jagen, jagen!" + +"O, zoo, heb ik het weer gedaan?" pruttelde de musicus. + +"O! dacht jij dan soms, dat ik dien jongen zoo aanzette om te +studeeren? Zet nu maar zoo'n onnoozel gezicht niet; je weet heel +goed, dat...." + +"Dat jij vandaag weer in de "kleine terts" bent gestemd. Adieu!" + +"Ja, daarmee zou jij je wel van alles willen afmaken, met dat adieu; +ik zeg je, Tournel, dat ik den jongen zoo niet langer in huis wil +houden. Ik bedank er voor om voor ziekenoppaster te moeten spelen." + +"Maar, Barbara! de jongen studeert uit eigen beweging zooveel en...." + +"Wel zeker, veeg jij je pad maar schoon; nu heeft de stakker 't zelf +gedaan, hé?" + +"Natuurlijk, 't is zijn eigen wil...." + +"Zet jij hem dan niet elken dag meer en meer aan? 'k Word naar van +dat onophoudelijke gezaag daarboven; ik hoor tegenwoordig niet anders +dan études." + +"Mijn goeie Barbara, bemoei jij je nu asjeblieft met de keuken en +kom weer in "majeur"; wil je?" + +"Die flauwe oudbakken aardigheid van je kan ik missen; begrepen?" + +"Ze gaat over met een dissonant, die zich niet oplost," pruttelde +Tournel, terwijl hij de deur uitging. + +"Drink jij dat eens op, Dorus," zei Barbara een half uur daarna, +terwijl zij hem een kop bouillon, waarin zij een ei gemengd had, +voorhield; je ziet er slapjes uit. Je bent toch wel?" + +"U is wel goed, juffrouw Barbara, maar ik kan het heusch niet drinken; +'t staat me tegen," antwoordde de knaap, terwijl hij moede en mat op +een stoel bleef zitten. + +Een dag of wat later had Dorus een hevige koorts, die hem noodzaakte in +bed te blijven; de koorts hield aan en een zware drukkende hoofdpijn +deed hem voortdurend kreunen, terwijl hij nu en dan onverstaanbare +woorden mompelde. + +Dokter Abels, aan wien men kennis had gegeven, dat zijn beschermeling +ongesteld was, kwam dadelijk en verklaarde, dat de knaap zich overwerkt +had en dringend rust behoefde. + +"Ik zal hem eens een dag of veertien bij mij buiten nemen; dat zal +hem goeddoen." + +Dorus hield rust, en toen de koorts voorgoed verdwenen was, bracht hem +het rijtuig van dokter Abels naar diens villa. Zwak en zenuwachtig kwam +hij er aan, tot ergenis van den tuinman, die bij zijn aankomst zei: +"'k Kan maar niet begriepen, wat de dokter veur oarigheid an zoo'n +jong hêt." + + + + + +X. + +OP "MON REPOS". + + +Dorus staat voor den spiegel in de logeerkamer van dokter Abels' villa +"Mon Repos". Hij is ruim zestien jaren oud, en pas uit de ziekte, +die hem vrij hevig heeft aangegrepen, hersteld. + +Met de handen op de marmeren penanttafel geleund, ziet hij aandachtig +naar zijn spiegelbeeld. + +"'k Ben toch erg leelijk; een leelijke bochel," zegt hij met een +zucht, terwijl hij zich langzaam met de hand over het voorhoofd +strijkt. "Ach! ik wou, dat ik anders was..." Een oogenblik blijft +hij nog in gedachten verzonken naar zijn beeld staren, glimlacht +bitter en wendt zich dan af, terwijl hij in zichzelven herhaalt: +"Ach God! waarom ben ik toch zoo,--'k wou, dat ik anders was." + +'t Venster van de net gemeubeleerde kamer staat open en de frissche, +gezonde, geurige lucht dringt er in breede stroomen naar binnen. + +'t Is reeds najaar; de boomen en heesters van den tuin bieden aan +'t oog een aangenaam rustpunt door de zachte herfstkleuren, die het +groen schakeeren. De bloemperken zien er nog meestal kleurig en frisch +uit, en 't gras heeft een fluweelachtige tint. Hij nadert het raam +en buigt zich over de vensterbank, als hij beneden de stem van den +tuinman hoort, die luide roept: "Allo vort! Wil-de wel moaken, dâ' +je wegkumt, miseroabele hond; allo! vort dan!" + +'t Is Boppie, die des tuinmans toorn heeft opgewekt, door in de +bloembedden de aard om te krabben. + +Jacob, de huisknecht, staat met de handen op den rug bij de veranda +en fluit schel en aanhoudend, maar tevergeefs! + +Boppie amuseert zich kostelijk in de rulle aarde, rolt heen en weder, +blaft en keft, en zet het eerst op een loopen, als Pieter hem een +paar kiezelsteenen uit het pad achternagooit. + +"Ik kan oe verzekeren, Joacob, dat ik best die'n hond nekken kos, +als juffer Albertine niet zooveul op hem gesteld woar." + +'t Is stil in den tuin, geen windje beweegt de bladeren, en duidelijk +verstaat Dorus zelfs de vrij zacht gesproken woorden van Jacob, +als hij tot Pieter zegt: + +"De juffrouw is net zoo gek op dat mormeldier als die jongen met zijn +bochel op de juffrouw is." + +"Wat meen ie, Joacob?" + +"Wel, heb je nog niet gemerkt, dat hij dol op onze Albertientje is?" + +"Wat zeg ie doar?" vraagt de tuinman verwonderd terug. "Minsch, minsch, +'t is toch niet woar? Hie is nog 'n kiend!" + +"Heb jij dan nooit gezien, hoe hij haar aankijkt? 'k Wil er een +daalder onder verwedden, dat hij smoorlijk van haar is." + +"Zij-de gek, Joacob, zoo'n kwoajongen, kwoalijk zestien joar old; +'t om oe eiges 'n bult te lachen. Kom! de juffer is wel een joar of +vief older, geleuf ik." + +"Dat zou ook wat. Ik verzeker je, Pieter, dat hij haar aankijkt met +een paar oogen--hmmm!--en juist altijd, als zij niet naar hem kijkt." + +"Wel! wel! Harrejennig!" + +"Die jongen is niet van haar af te slaan; als hij 't maar eenigszins +kan, is hij bij haar. Hij loopt haar als een hond na en is zoo verliefd +als een groot mensch." + +"Nou ge 't zegt, hed-de geliek, dat hê 'k ook gezien, ze bent altied +soamen. Ha! ha! ha! 'k zal mien eigen nog ziek lachen, als ik bedenke, +dat zoo'nen bult zich wat verbeeldt. Moar ie kunt nooit wèten, +meiskes hebben al roare grillen; 't kan best zîn, dat de juffer +angehoald wil wezen deur...." + +Meer hoort Dorus niet, want eensklaps treedt hij terug van 't +venster. Bleek, met starende oogen en vast opééngeklemde lippen, +staat hij een oogenblik midden in de kamer stil. De aderen aan zijn +slapen zwellen op en schemeren blauwachtig door de bleeke huid; +eindelijk opent zijn mond zich voor een diepen zucht. Hij grijpt +werktuiglijk naar een stoel en laat er zich op neervallen. Roerloos, +met de armen slap langs het lijf hangend en 't hoofd voorovergebogen, +blijft hij zitten. + +Wat ging daar om in dat jeugdige brein? + +Hij wist het zelf niet. 't Was alsof een koude, harde hand hem uit een +schoonen droom had wakker geschud; alsof, een ruwe stem hem had doen +ontwaken uit een heerlijken slaap. Zonder zelf te weten welk gevoel +hem bezielde, was hij van het oogenblik, dat hij weder in dokter +Abels' huis kwam, gelukkig geweest in de nabijheid van Albertine, +tot wie hij opzag als tot eene heilige. Zonder zich rekenschap te +kunnen geven van zijne gewaarwordingen, had hij den invloed gevoeld +van haar reine maagdelijke schoonheid, de weldadige uitwerking van +haar zachte manieren en vriendelijke belangstelling op zijn geheele +persoonlijkheid ondervonden. + +Onwillekeurig had hij geluisterd naar de innerlijke stem, die zwakker +of sterker zich vroeg of laat doet hooren in ieder hart. Zijn +hartstochten evenwel sluimerden nog; 't was alleen het onbekende +gevoel van sympathie, dat hem onweerstaanbaar tot Albertine had +getrokken. Dat gevoel, uit dankbaarheid en bewondering geboren, +was nog onvermengd en zuiver. + +Het denkbeeld van verliefd te zijn, was nooit bij hem opgekomen; hij +had alleen met schroomvalligen eerbied opgezien tot zijn weldoenster +en aan 't woord liefde hij geen oogenblik gedacht. Hij was ook nog +zoo jong. + +'t Is waar, een goedkeurende blik, een vriendelijk aanmoedigend +woord van Albertine maakte hem onuitsprekelijk gelukkig en zijn oogen +lazen als het ware elken wensch van hare lippen, nog vóór zij dien +uitgesproken had. + +Hij wilde slechts bij haar zijn, haar zien en hooren spreken; verder +had hij ook niet gedacht of gewenscht. Zijn gedachten wijlden ook +slechts dan bij haar, wanneer zij in zijne nabijheid was,--en dat +hij haar gezelschap zocht, was geheel natuurlijk. 't Was voornamelijk +door Albertines invloed dat hij al meer en meer beschaafd werd, maar +evenmin als hij zelf het wist, vermoedde het meisje er iets van, +dat zij zoo krachtig medewerkte om Dorus' geestes- en gemoedsleven +te ontwikkelen. Zij van haar kant beschouwde hem met medelijdende +belangstelling en verheugde zich even hartelijk in zijn herstel als +in zijn ontwikkeling. + +Het belang, dat haar vader in het lot van den knaap stelde, was de +eenige drijfveer geweest, die haar tot hem had gebracht, maar toch was +er iets in Dorus, wat haar, niettegenstaande zijn mismaakt figuur, +tot hem trok. Waren het de zwaarmoedige bruine oogen, die, als zij +tot haar opzagen, zoo kinderlijk vertrouwelijk blikten? Was het de +innemende trek om den mond, of waren het de parelwitte tanden, die +tusschen de welgevormde lippen schitterden? Misschien! maar zeker was +het de vereeniging van een en ander met het geniale, dat, zonder dat +Dorus zelf het wist, op zijn voorhoofd en in zijn oogen te lezen was. + +Er ligt in den blik, in de uitdrukking der oogen van sommige menschen +iets vreemds, onverklaarbaars en wonderlijks, dat aantrekt en sympathie +inboezemt, ook dan zelfs, wanneer de uiterlijke lichaamsvorm in +alle opzichten veel te wenschen overlaat. Soms schijnt het genie +bij voorkeur krachtig en breed zijn stempel te hebben gedrukt op een +gelaat, dat zonder dien afdruk onmogelijk, zelfs niet voor een kort +oogenblik, de aandacht van anderen zou kunnen wekken. + +Toen Dorus overwerkt en moede, bleek en koortsig op "Mon Repos" kwam, +had Albertine dadelijk opgemerkt hoe groot de verandering was, die hij +reeds had ondergaan. De ruwe, opvliegende knaap was zacht en gedwee +geworden; zijn taal was die van een fatsoenlijk mensch, en al ontvielen +hem nu en dan nog enkele uitdrukkingen, die aan zijn vroeger beroep +of stand herinnerden, toch zou niemand aan hem gezegd hebben, dat +hij voor nog geen jaar geleden als kermisklant in een tent meereisde. + +Enkele malen was Dorus, gedurende zijn verblijf bij Tournel, op +dokter Abels' villa te gast geweest, en elken keer als hij na een +afwezigheid terugkwam, kon men zien welke vorderingen hij in alles +maakte. Er woonde in dat wanschapen lichaam een krachtige geest, +vatbaar voor elken indruk, zoowel ten goede als ten kwade, een +geest, begaafd met een opmerkingsvermogen, zoo volledig en fijn, als +slechts weinigen bezitten, juist en te rechter tijd onderscheidende, +instinctmatig goed en kwaad schiftende, eenvoudig, natuurlijk en waar, +maar gevoelig en prikkelbaar in de hoogste mate. Die prikkelbaarheid, +aan alle artistieke naturen eigen, uitte zich nu eens door een snel +gesproken, scherp en snijdend woord, dan weer door een zenuwachtigen +lach of een traan, die, niet te weerhouden, zijn oog ontsprong. In dat +jeudige gemoed trilde een snaar, die zachtkens bewogen een heerlijken +toon voortbracht, maar een schrille dissonant liet hooren, zoodra +zij ruw werd aangeraakt. + +Hoe meer hij werkte, des te meer wilde en kon hij werken; hoe meer de +factoren van zijn geest arbeidden, des te sneller en onvermoeider +spanden zij zich in om alles in zich op te nemen, wat nieuw en +belangrijk was. + +Dorus' lichaam evenwel leed er onder. In zijn vollen groei--hij +was langer en magerder geworden--stond de werkzaamheid van geest +en lichaam niet in goede evenredigheid, en daarom was het juist te +rechter tijd, dat dokter Abels hem noodzaakte eenige rust te nemen, +door hem een kamer in zijn villa af te staan en hem het "dolce far +niente" te leeren. Rust, naar lichaam en geest, was alles wat hij +behoefde; hij vond beide op "Mon Repos". + +'t Was zoo heerlijk kalm daarbuiten en de menschen waren er zoo +vriendelijk. Dokter Abels was voor hem zoo vaderlijk goed en zorgend, +Albertine zoo schoon en lief; en toch was Dorus niet volmaakt gelukkig: +iets ontbrak hem,--zijn viool! + +"Drie weken lang mag je geen streek doen," had de dokter +bevolen. "Maar, dokter," zei Dorus, "dat zal ik niet uithouden." + +"Zou je denken? Probeer 't maar. Alles kan, als 't moet, als men +'t ernstig wil." + +"Dat zal hem in de techniek achteruitzetten", bromde Tournel. + +Onverbiddelijk bleef de medicus bij zijn besluit. "Muziek hooren moog +je, zooveel als je wilt. Albertine zal je alle dagen wat voorspelen, +maar zelf muziek maken, niet. Zoodra je wat aangesterkt zult zijn, +zal ik je viool weer uit den ban doen.--Leeren moog je ook niet." + +"Maar, dokter, wat mag ik dan ?" + +"Wandelen, lucht happen, naar de wolken, de bloemen, de vogels kijken, +desnoods in den moestuin werken." + +"En lezen, dokter?" + +"Hm! van tijd tot tijd, maar alleen wat ik je geef." + +"Als ik dat maar uithouden kan; ik word juist ziek, als ik niet spelen +mag. Och toe, dokter, laat mij..." + +"Stil! ik weet beter wat nuttig en noodig voor je is." + +Dorus boog het hoofd en zweeg. + +Hij dacht, dat hij 't nooit zou kunnen volhouden; maar de veranderde +omgeving, de zon, de bloemen, de tuin, de gezellige toon in dokter +Albels' huis deden het hunne er toe om de drie weken, die op raad +van den geneesheer verdubbeld waren, te doen voorbijgaan, voordat +hij het eigenlijk wist. + +Tournel en Augusta waren herhaaldelijk op "Mon Repos" geweest, juffrouw +Barbara een paar malen, en allen waren het eens, dat de jongen er veel +beter en gezonder uitzag, minder zenuwachtig en prikkelbaar was. Tot +aller verwondering was Dorus zelfs niet boos geworden, toen juffrouw +Barbara, zonder hem evenwel te willen kwetsen, onnadenkend vroeg: +"Vind je 't hier niet vrij wat plezieriger dan in zoo'n kermistent?" + +Slechts eenmaal was Dorus weer zenuwachtig en gejaagd geweest, +namelijk op een avond dat Augusta met Albertine zong. + +De twee frissche meisjesstemmen klonken harmonisch en liefelijk +in 't eenvoudig schoone duët: _Ich wollt' meine Liebe ergösse +sich_. Eensklaps was Dorus de kamer uitgesneld en in den tuin in +snikken uitgebarsten. Juffrouw Barbara, die hem was nageloopen, had +hem met het hoofd voorover op de tafel in 't prieel vinden liggen en +gezegd: "Ben je gek, Dorus, ga je nu grienen; foei, dat is laf voor +zoo'n grooten jongen!"--en hij had haar toegevoegd: "Jij hebt geen +hart in 't lijf, ouwe heks!" Maar toen hij, een kwartier daarna, +haar wederzag, had hij haar hand gegrepen, die gedrukt en gevraagd: + +"Ben je nog boos, juffrouw Barbara?" + +"Ja, kwaje jongen!" + +"Kom! word maar weer goed. 'k Heb er spijt van, dat ik 't gezegd heb; +ik meen het niet zoo kwaad; ik kon 't alleen maar niet velen, omdat +ik die muziek had gehoord; ze was mij in mijn ziel gegaan, en toen +u dat zei, was 't mij net alsof er iets in mijn binnenste brak." + +"Rare jongen, je moest liever geen muzikant worden, als je zoo'n +kruidje-roer-mij-niet bent." + +"'t Zal wel beter met mij worden, als u maar dikwijls een schietgebedje +voor mij doet." Dorus trok een vroom gezicht. + +"Als je spot, worden we weer kwade vrienden; pas op!" + +"Zijn we dan nu weer goede vrienden?" en hij keek haar vleiend lachend, +maar toch ietwat ironisch aan. + +"Ja, kwaje jongen!" + + + +"'t Is een wonderlijke jongen," zei 's avonds onder het naar huis gaan +juffrouw Barbara tot Tournel; "je kunt niet kwaad op hem blijven. Als +hij je zoo aankijkt, is hij in 't geheel niet leelijk; je vergeet, +dat hij een bochel heeft, en ik zou hem heusch een zoen hebben +kunnen geven." + +"Daar zou je hem zeker erg veel pleizier mee hebben gedaan," +antwoordde Tournel, terwijl hij zijn wenkbrauwen vertrok en de +onderlip vooruitstak. + +"Akeligheid!" bromde de matrone en zei geen woord meer, totdat ze +thuis waren. + + + +Nog zat Dorus in gepeins verzonken in de kamer en keek doelloos voor +zich uit: de woorden van Jacob en de schampere lach van Pieter den +tuinman klonken hem nog in de ooren. + +Verliefd? Was dat dan liefde, wat hij voor Albertine gevoelde? Hij +wist het niet. Een gloeiende blos overtoog zijn gelaat, terwijl hij +er over dacht, dat anderen zijn voorkeur voor de dochter van zijn +beschermer hadden opgemerkt, en hij had een gevoel, als zou hij haar +niet meer onder de oogen durven komen. Als Albertine het ook eens had +gedacht en hem innerlijk uitlachte, evenals de tuinman deed!--Neen, +dat kon toch niet! Zij was immers altijd zoo vriendelijk en lief, +zij was vroolijk, opgeruimd en lachte, maar niet om hem, neen, +neen!... Foei, wat een akelig gevoel hadden hem die spottende woorden +bezorgd. Tot nog toe was hij zoo vrij en onbevangen mogelijk geweest in +Albertines nabijheid. Het scheen hem nu toe, alsof hij haar niet meer +zonder te kleuren in het gelaat zou durven zien; alsof haar oogen, +als zij op hem rustten, hem zouden zeggen... Ja, wat zouden zij hem +eigenlijk zeggen? Hij wist het niet, hij gevoelde alleen maar, dat +zijn onbevangenheid voorgoed weg was. In een oogwenk vloog hem al het +bloed naar 't hoofd; hij beefde van drift. Die lompe tuinman! de oude +wijsneuzige Jacob, hij zou ze wel inpeperen, dacht hij. Onwillekeurig +stond hij op, om te zien of zij nog in den tuin stonden. In zijn +oog flikkerde de oude toornige vonk, toen hij Pieter ontdekte, die +doodbedaard de tuinpaden opharkte en een deuntje floot. Werktuigelijk +greep hij naar een looden presse-papier, die naast het raam op eene +étagère stond, maar zijn hand bereikte het voorwerp niet;--hij hoorde +Albertines stem, die den tuinman toeriep: + +"Pieter, doe eens gauw het tuinhek open! Gauw! daar is neef Otto!" + +De tuinman liep haastig heen. Een paar seconden later zag hij een +jongmensch door den tuin komen en met veerkrachtigen vluggen tred +naar het huis snellen. + +Albertine vloog hem te gemoet, halverwege den tuin, reikte hem haar +beide handen, stond even stil en wandelde toen, arm in arm, met den +nieuwaangekomene naar de veranda. Dorus merkte op, hoe gelukkig zij +er uitzag, hoe haar gelaat straalde, terwijl zij naar hem opkeek. Zij +hield vertrouwelijk haar arm in den zijnen en vouwde de handen over +zijn arm samen. Hij keek haar aan met een paar glanzende oogen en +fluisterde haar iets in 't oor. Zij lachte hem toe.--Wat ze spraken, +kon hij niet hooren, maar hij zag, hoe hij haar onder 't wandelen +een kus gaf op de frissche roode lippen, die zij hem lachend bood. + +De tuinman keek het paartje uit de verte na en hield de hand boven +de oogen, om 't zonlicht af te weren. Jacob kwam juist uit het +koetshuis en vertrok zijn breeden mond tot een lach, terwijl hij den +tuinman toewenkte en met den duim over zijn schouder heen, op de twee +jongelieden wees. + +Dat alles zag Dorus, terwijl hij voor het raam stond en hij mompelde +in zichzelf: "Wat een knap man, wat een mooi gezicht, wat een flinke +houding; hoe innig keek hij haar aan, en hoe gelukkig zag zij er +uit. Wat zullen die twee elkaar liefhebben!" + +'t Was hem plotseling duidelijk geworden, dat Albertine haar neef +Otto liefhad. Hij zag het, neen, hij gevoelde het, hoe of waardoor, +dat begreep hijzelf niet, maar hij was er zeker van en.... hij was er +niet ongelukkig door, hij leed er niet door, integendeel het deed hem +goed te weten, dat zij, die hij vereerde, nu niet langer zou kunnen +blootstaan aan de ruwe of spottende opmerkingen van anderen. Hij +gevoelde als het ware een soort van verlichting en toch.... hij wou +liever, dat Otto niet gekomen was.... Zonderlinge tegenstrijdigheid +in zijn binnenste, waarvan hij niets begreep, dan dat zij bestond. + +Toen hij 's middags beneden in de kamer kwam tegen 't etensuur, +zaten neef Otto en Albertine vertrouwelijk pratend op de canapé en +dokter Abels in een leunstoel bij hen. + +Otto had zijn rechterhand op Albertines schouder geslagen en hield +met de andere hand de hare vast. + +Een oogenblik bleef Dorus in de geopende deur staan. "Daar heb je +nu Dorus, onzen logé," zei vroolijk dokter Abels, hem ziende, tot +neef Otto. "Kom eens hier, vriendlief, en maak je compliment aan de +jongelui. 't Is vandaag een feestdag, want mijn dochter heeft zich +geëngageerd met haar neef Otto Van Vliet." + +Dorus zweeg en boog even het hoofd. + +Otto stond op en reikte hem de hand, terwijl hij vroeg: "Ben je weer +beter? Ik hoorde van Albertine, dat je lang ongesteld waart." + +"O ja! meneer," stotterde Dorus, en eensklaps zich tot Albertine +wendend, zei hij, met een lichten blos op de wangen: "Juffrouw, ik +hoop, dat u gelukkig wordt, heel erg gelukkig;" en toen Albertine hem +de hand toestak, drukte hij die zoo hartelijk, dat zij een kleinen +kreet van pijn niet onderdrukken kon. + +"En wat zeg je daar nu wel van, Dorus?" vroeg dokter Abels, +achteroverleunend in zijn stoel en met welgevallen het tweetal vóór +hem beschouwend. "Vind je dat niet aardig om zoo'n jong paartje te +zien, he? Misschien kom ik ook nog eens bij jou feliciteeren, als +jij de bruigom bent. Je ziet vandaag weer wat bleeker dan anders; +voel je je niet wel? 'n Beetje geïrriteerd? Heb je hoofdpijn?" + +"Neen, dokter." + +"Dus je voelt je goed, evenals gisteren, normaal? Niet zoo zenuwachtig +meer?" + +"Neen, meneer!" + +"Best, dan zal 't voor jou vandaag ook een feestdag zijn." + +Vragend vestigden zich de groote bruine oogen op des dokters gelaat. + +"Je moogt vandaag weer eens spelen, phantaseeren zelfs, ter eere van +mijn aanstaanden schoonzoon. Otto, je zult pleizier in mijn jongen +hofmusicus hebben," lachte dokter Abels. + +"'k Ben er zeer verlangend naar; 'k heb er al zooveel van gehoord +door Albertine." + +"Altijd weer Albertine," dacht Dorus, terwijl hij, den dokter +aanziende, zei: "Maar mijn viool is niet hier." + +"Dat's minder, Dorus; je zult toch kunnen spelen." + +"Hoe dan, mijnheer?" + +"Op mijn viool; ze is in orde gebracht, en..." hij lachte erg +vriendelijk, "je moogt haar behouden ook. 't Is een echte Cremona; +ik geef ze je als aandenken aan dezen dag... den verlovingsdag van +mijn kind, dat ik zoo graag gelukkig zie." + +"Lieve, beste papa!" zeide Albertine. + +"Och! dat had je goede moeder nog moeten beleven." + + + +De viool van dokter Abels was een prachtig instrument, en toen Dorus +'s avonds, na langen tijd zijn vriendin te hebben ontbeerd, haar in +de armen hield en de snaren geheimzinnig fluisterend tot hem spraken, +speelde hij, phantaseerde hij en liefkoosde hij zijn instrument als +een minnaar zijne geliefde. Hij was naar zijn kamer gegaan, hij wilde +alleen zijn; er lag egoïsme in dien wensch, maar ook poëzie. + +Hoe zong die viool, hoe heerlijk golfde de toon uit de bruine, schoone +Cremona. Alles vergat hij om zich heen. 't Was hem alsof hij droomde, +droomde van zijn idealen, idealen, die hij nog niet anders dan in +onbestemde vormen kende; en toen hij eindelijk den strijkstok neerlei, +hoorde hij onder zich in den tuin Otto's stem, die verrukt uitriep: + +"Dat is heerlijk, verrukkelijk! Ik gaf er alles om, als ik zoo kon +spelen." + +"Mij ook?" vroeg Albertine lachend. + +"Neen, jou niet, liefste, jou niet!" + + + +Een paar dagen later vertrok Dorus weder naar Tournels woning, en de +oude muziekmeester zag met vreugd zijn leerling terugkeeren. + +Augusta toonde hem een vroolijk gelaat en drukte hem hartelijk de hand, +maar juffrouw Barbara zei: + +"Nu begint het spektakel weer; maar als hij 't me te bont maakt, +dan moet hij de deur uit." + +"Dat heb je al zoo dikwijls gezegd, Barbara," riep Tournel lachend, +"dat we best weten, hoe je 't meent." + +De nieuwe viool was een welkome gast. Tournel werd niet moede den lof +er van te bezingen. "Jongens, jongens! Dorus, je bent zeker onder een +gelukkig gesternte geboren. Een viool met dien toon is alles voor je +waard. 't Is een lot uit de loterij." + +Opnieuw begon Dorus nu te leeren en te werken. Het verblijf en de rust +op "Mon Repos" hadden hem goedgedaan; met kracht zette hij zijn studiën +voort, en toen nogmaals een jaar verstreken was, zei de heer Tournel: + +"Beste jongen, nu is het tijd, dat je naar het conservatoire gaat; +ik zal er met dokter Abels over spreken." + +'t Was voor Dorus een groot geluk, dat de dokter nooit iets ten halve +deed en rijk genoeg was om wat hij wilde geheel en ten volle te kunnen +doen. Daardoor werd het hem mogelijk gemaakt op het conservatoire te +Brussel een plaats te vinden. + +Tournel zelf bracht hem er heen, en toen zij te zamen vertrokken waren, +schreide Augusta, en juffrouw Barbara zei: + +"Huil je, omdat die kromme krates weg is, malle meid?--Ja? Mocht je +hem zoo graag lijden?--En hij plaagde je zoo dikwijls.--O, zoo! vond +je dat wel aardig?--Nu, huil maar niet meer: hij komt terug.--Ja, +'t was wel een driftkop, maar toch een erg goedige jongen, en 't +spijt mij ook, dat hij gaat: ik begon nu juist aan hem te wennen." + + + + + + +XI. + +ROOFVOGELS. + + +In de spreekkamer bij den procureur Verhagen zit de oude Philip +Strijkman in zijn zondagsche jas met een groote ouderwetsche groene +parapluie tusschen de knieën, op welker knop zijn hoed hangt, te +wachten; tegenover hem zit vrouw Juttner en naast haar de ongelukkige, +gebochelde Kobus. De onnoozele knaap ziet er nu vrij fatsoenlijk +gekleed uit, en zijn moeder, die men vroeger niet anders dan als +schoonmaakster met jak en rok gekleed kende, heeft thans een groene +japon aan, een omslagdoek met palmen om en een hoed op, waarvan de +bruinroode keelbanden onder de kin zijn vastgestrikt. Haar handen +steken in garen handschoenen, waarvan de vingers te lang zijn en die +de grove knokkels van haar werkhanden doen doorschemeren. Het drietal +spreekt geen woord, maar de sluwe, groenachtige oogjes van Strijkman +gaan rusteloos rond of vestigen zich nu en dan op de mismaakte gestalte +van den knaap, die onophoudelijk de hand in zijn broekzak steekt om er +een paar rozijnen uit te nemen, die hij blijkbaar met smaak verorbert. + +Vrouw Juttner wisselt af en toe een blik van verstandhouding met den +pandjesbaas en trekt zwijgend Kobus' buisje terecht of strijkt hem +het haar uit de oogen. + +Geruimen tijd hebben zij zitten wachten, als eindelijk Keesje, de +jongste bediende, binnentreedt en kortaf zegt: + +"U kunt binnenkomen." + +Langzaam staat Strijkman op en begeeft zich, gevolgd door vrouw +Juttner, die haar zoon aan de hand medetrekt, naar het kantoor, waar de +heeren Krasser en Van Blaak ijverig zitten te schrijven en tersluiks +van hun werk opzien, als het drietal de deur binnenkomt. Bij het +binnengaan fluistert Strijkman nog even: "Hou je nou goed, mensch!" De +procureur, die als naar gewoonte voor zijn schrijfbureau plaats +heeft genomen, draait half het hoofd om en knikt, terwijl hij zegt: +"Gaat zitten!" + +Keesje schuift een paar stoelen bij de tafel, wijst ze zwijgend +den binnengetredenen aan en wipt daarna vlug op zijn hooge kruk, +terwijl hij tegen Van Blaak een vies gezicht trekt en met de oogen +knipt naar den kant, waar Strijkman zit. Een oogenblik heerscht er +algemeene stilte op het kantoor, alleen afgebroken door het krassen +der pennen en het kuchje van Strijkman, die zich de keel schraapt om +beter te kunnen antwoorden op de vragen, welke hij verwacht, dat de +heer Verhagen tot hem richten zal. + +Deze wendt zich eindelijk om, schuift zijn stoel een eind achteruit, +en den blik vast op zijn bezoekers vestigend, vraagt hij: "En wat +kwam u nu eigenlijk hier weer doen?" + +Eenigermate van streek gebracht door deze kalme vraag, antwoordt +Strijkman zachtjes: "We kwamen eens hooren, hoe 't er nu mee staat, +vanwegens de erfenis, weet u?" + +"We wouen er met uwés permissie nou wel ereis haring of kuit van +hebben," voegt vrouw Juttner er bij. + +"Zoo!" Mijnheer Verhagen ziet den knaap strak aan, die zonder zich om +iets of iemand te bekommeren zijn rozijntjes eet en onnoozel rondziet. + +"We zouden nu graag willen weten, of we niet alvast voor den jongen een +duizend gulden of wat voorschot konden krijgen op de erfenis," zegt +Philip, terwijl hij er aanstonds op laat volgen: "Juffrouw Blommers +kan het zóó niet langer uithouden; ze heeft al haar spaarduitjes er +al aan gespendeerd. Is 't niet waar, juffrouw?" + +"Och ja!" antwoordt temend vrouw Juttner, die met onderling goedvinden +en tot meerdere veiligheid van haar persoon, den naam van Blommers +heeft aangenomen, "ik heb zoo gaandeweg alles bijgebrokkeld wat ik +kon en voor dien jongen gedaan, wat menschen-mogelijk was.--Dorus, +kind! schei nou uit met rozijnen eten; je zult misselijk worden," +en luider roept zij: "Hou nou op met eten, Dorus!" + +"Och, moeder!" zegt de knaap onwillig. + +"Dat is nou aardig, meneer de avekaat: die jongen heeft van het eerste +oogenblik af aan, dat ik hem van straat heb opgenomen "moeder" tegen me +gezeid; afijn, ik mocht het wel lijden. En dat is hij blijven zeggen +nadat hij de hersenziekte heeft gehad... 'k Heb wat met den stumperd +uitgehouwen, meneer; altijd door maar kouwe doeken op het hoofd en...." + +"Ter zake juffrouw. Nu dan, na dien tijd?" + +"Zeit hij nog altijd moeder en 't is hem niet meer uit het hoofd te +praten. Casuweel hé, meneer?" + +"Ik heb u reeds de laatste maal, dat u hier was, doen opmerken, +dat er van voorschot geen sprake kon zijn," antwoordt de procureur. + +"'t Is toch wat te zeggen," herneemt Strijkman met een zucht. "Juffrouw +Blommers en ik, we hebben al heel wat geld aan dien jongen uitgegeven, +meneer! Niet dat we 't niet voor hem overhebben, och God! neen, dat is +'t niet, niet waar Dorus?" De pandjesbaas kijkt met zijn gluiperige +oogen naar den knaap, die zeer ongegeneerd op den rand van het +kopieertafeltje is gaan zitten en met beide handen over de voorpanden +van zijn buisje strijkt, terwijl hij grinnikt en op eigenaardig doffen +toon zegt "Dorus!...Dorus, heet ik... Oome, is 't nou goed?" + +Even kleurt een verraderlijk blosje vrouw Juttner's hoekig gelaat en +Strijkman verschiet van kleur, maar beiden herstellen zich dadelijk +en wisselen een voor de anderen onmerkbaren blik van verstandhouding. + +"'t Is zoo'n hartelijke jongen, meneer, hij zeit altijd "oome." Och, +uwé had hem vroeger moeten kennen, toen hij nog alle vijf goed bij +mekaar had," zegt de oude man, grinnikend. + +Vrouw Juttner werpt een boozen blik op Strijkman, terwijl ze hem in +de rede valt met de woorden: + +"Nou, zoo erg is 't nog niet: alle vijf! Zeg, de jongen is niet +gek!" en plotseling bemerkende, dat zij op het punt is om zich te +verspreken, voegt zij er bij: "Hij is alleen maar wat sufferig, nou +en dan; is het niet zoo, m'n kind?" De pseudo-Dorus kijkt haar strak +aan en herhaalt als voor zichzelf. "Dorus!--Kobus! Kobus!--Dorus! Hè, +hè, hè, hè," en luider: "Gaan we nou heen, moeder?" + +De schrik slaat Strijkman om 't hart, als hij die woorden hoort, en de +procureur ziet beiden bijzonder doordringend aan. Zoo verbeeldt zich +ten minste het edele tweetal, dat, als door een gemeenschappelijke +ingeving gedreven, opstaat en aanstalten maakt om te vertrekken. In +waarheid heeft de procureur slechts een min of meer wantrouwenden +blik op de lieden vóór hem geworpen, maar zonder nog in 't minst te +vermoeden welk bedrog er door hen gepleegd wordt. + +"Kom eens hier, Dorus," zegt de heer Verhagen. + +De jongen blijft staan, waar hij staat, en zoekt in zijn zakken, +of hij nog rozijnen heeft. + +"Kom eens hier, ventje!" + +"Och, meneer! de stumperd hoort het niet; hij is doof, erg doof." + +"Dat merk ik!" + +"Dorus!" roept juffrouw Juttner luid, "ga eens naar meneer,--gauw, +en steek je vingers niet in je neus." + +De knaap doet een paar stappen vooruit en reikt den procureur de hand, +die deze niet aanneemt. + +"Hoe oud ben je?" + +"Hè! hè! hè! hè!" + +"Hij is nou zestien jaar, meneer! Den 12den Januari geweest." + +"Hm! zoo; maar weet je wel zeker, juffrouw, dat deze jongen Dorus +Makko is, de zoon van den hondenscheerder?" + +"Heerem-ensch, meneer!" + +Strijkman kucht bedenkelijk en snuit herhaaldelijk zijn neus. + +"Meneer de avekaat, kijkt uwé dien jongen eens goed aan, en zie +dan eens, of een mensch zich daarmee vergissen kan. Zoo'n bult vind +je niet alle dagen, en dan zoo'n fyselomie. Bovendien, ik heb hem +immers van klein kind af gekend, en hij mij ook ook; ik was temet +de eenige, dien hij nog na zijn ziekte herkende. Is 't niet zoo, +beste jongen?" Strijkman spreekt luid en gejaagd. + +"Ja, oome,.... Dorus heet ik, Kobus en Dorus!" + +Vrouw Juttner krijgt het benauwd, en Strijkman wischt zich tersluiks +een paar kille druppels van de slapen. + +"Kan hij zich niets meer van zijn vader herinneren?" + +"Niemendal, meneer, en van de pampieren ook niet: ik heb ze maar +eens weer meegebracht. Wil u ze nog eens zien?" vraagt Strijkman, +om aan des procureurs gedachten een andere wending te geven. + +"Dank je, 't heeft voorloopig volstrekt geen nut." + +"Och, kijkt u maar eens; 'k heb nu 't portretje ook meegenomen." Hij +neemt den brief van Adriaan Makko uit den zak en reikt dien met het +portret aan den procureur over. + +Als de jongen het photographietje ziet, strekt hij de hand er naar +uit en zegt dof: "Daar moet ik ook "oome" tegen zeggen, is 't niet, +moeder?" + +Een nauw bedwongen grimlach omspeelt Strijkmans' dunne lippen, en +vrouw Juttner ziet welgevallig verwonderd haar zoon aan, die op het +portretje wijzend, herhaalt: "Oome! hé, moeder?" + +"Ziet u, meneer de avekaat, dat herkent hij," zegt op min of meer +triomfantelijken toon de oude man, en aanstonds laat hij er op volgen: +"Zou er nou geen mogelijkheid op wezen, dat we ten minste alvast iets +voor hem kregen?" + +"Mijn goeie menschen, ik heb je reeds gezegd, dat ik er niets aan +doen kan. Er is naar Amerika geschreven, en zoodra we bericht hebben, +zal de rechter in deze zaak gekend moeten worden." + +Bij het woord "rechter" zien de twee roofvogels elkander tersluiks +min of meer angstig aan. + +"Dan moet er een voogd voor hem"--Verhagen wijst op den knaap--"benoemd +worden, altijd wanneer zijn identiteit voldoende te bewijzen is." + +"Identerteit, zeit uwé?" + +"Ja, juffrouw! Ik bedoel, als het bewijs geleverd wordt, dat hij +werkelijk de jongen is, dien wij zoeken." + +"Mij dunkt, meneer, dat's toch duidelijk genoeg, uwé kan er gerust +op wezen; ik zal geen gezond oogenblik meer hebben, als...." + +"Goeie vriend, mijn tijd is te kostbaar om langer met je te +praten. Laat die papieren maar hier; dan zal ik je later wel bericht +zenden, hoever de zaak is, en...." + +"Ik zal de pampiertjes liever maar weer meenemen," zegt Philip. + +"Neem me niet kwalijk, meneer, maar uwè heeft ons nu al ruim drie +verrel-jaars op sleeptouw gehouden, en onze lieve Heer weet hoe lang +of 't nog duren kan; ik ben een weduwvrouw, die moeite genoeg heeft +om aan den kost te komen;"--vrouw Juttner trekt een armoedig gezicht +gezicht--"ik kan toch voor niemendal zoo'n jongen niet eeuwig houden." + +"'t Spijt mij voor u, juffrouw, maar u zult geduld moeten hebben." + +"En hoe lang kan het nog duren?" vraagt Strijkman, terwijl hij de +papieren en 't portret weer bij zich steekt. + +"Niet te bepalen. De rechter zal...." + +'t Woord "rechter" bevalt den pandjesbaas in 't geheel niet, en vrouw +Juttner voelt zich niets op haar gemak. + +'t Is dus eenigermate voor haar een uitkomst, als de procureur zegt: +"Cornelis, laat deze heer en juffrouw uit." + +Als zij vertrokken zijn, keert de heer Verhagen zich half om naar +Krasser en zegt: "Er is mij iets niet klaar in deze zaak; wat, weet +ik niet recht, maar je moest eens laten informeeren, wie die juffrouw +Blommers eigenlijk is." + +"Best, meneer!" + +Op straat gekomen, valt Strijkman nijdig tegen zijn gezellin, die op +een sukkeldrafje naast hem loopt, uit: + +"'t Is een nare jongen, dat hij nog altijd Kobus zeit; dat moet je +hem afleeren, versta je?" + +"Leer jij 't hem af, als je kunt, ouwe gek. Kom hier, Kobu... Dorus!" + +"'k Wou, dat die procureur met zijn securigheid naar den duivel liep." + +"'t Gaat niet zoo gemakkelijk, als je dacht, hé, Strijkkie?" hoont +vrouw Juttner, terwijl zij er bijvoegt: "Je kunt me wel eens weer +een paar rijksdaaldertjes geven, hoor! 'k Moet huur betalen." + +"Alweer geld? Je hebt pas gehad...." + +"Pas! Noem jij dat pas? Al veertien dagen geleden.." + +"Acht dagen!" + +"Dat lieg je; 't is veertien dagen!" + +"Wat, wou jij 't me heeten liegen; heb ik je niet verleden week nog +zeventien gulden gegeven,--zeventien mooie ronde guldentjes?" Strijkman +zucht. + +"'t Is wel mogelijk, maar 't is alweer op; ik kan toch van den wind +niet leven. Bovendien, wat ik doe, doe ik toch allemaal voor jou +pleizier...." + +"Voor _mijn_ plezier?" + +"Ja, natuurlijk. Denk je, dat _ik_ 't liefhebberijwerk vind zoo'n +jongen te...." + +"Hou je mond; je doet 't toch ook om de duiten." + +"Waarachtig wel! Maar 'k wou er eerst niet aan, dat weet je toch +heel goed. En heb ik niet de meeste moeite en last er van gehad, +om dien stumperd wijs te maken, dat hij Dorus heet?" + +"'t Is wat moois; hij zeit er nog altijd Kobus bij." + +"Kan ik dat helpen?" + +"Is 't dan _mijn_ schuld? Ben je gek: jij moet hem leeren, wat hij +te zeggen heeft; dat's afspraak." + +"'t Is wat lekkers! Je laat mij de kastanjes uit het vuur halen, +en jij...." + +"Nou! wees maar niet boos. En heeft hij 't dan niet goed gezeid van +'t portretje?--Ja, kind, we gaan naar huis.--Ik heb er een dag aan +besteed om hem te leeren, dat hij er "oome" tegen zeggen zou; maar +jij bent nooit tevreden, ouwe suffer.... Loop niet zoo ver weg, +Kobus. Hier! hier!" + +"Daar zeg je nou waarachtig zelf Kobus; je bent 'n uilskuiken. Zoo +zullen we er nooit komen, als jij zelf je vergist...." + +"Och! maak je niet moeielijk; ik weet wat best, wanneer ik op moet +passen of niet. Wil ik maar even met je meeloopen naar huis om +de centen?" + +"'k Heb geen geld!" + +"Och! dat's aardig, dan hebben wij ze alle twee niet... en nou liegt +een van ons beiden, maar ik niet. 'k Zei daar straks immers vijf +gulden; maar wel bekeken, is dat te weinig, oude heer! Je moest maar +liever vier riksen geven, dan kan ik meteen voor den jongen een paar +nieuwe schoenen koopen." + +"Wat zeg je daar, tien gulden? 't Is een schandaal; je wilt zeker +weer snoepen, hé?" + +"Wil je er een dozijntje van maken, des te beter; dan los ik mijn +oorbellen, die nog achter de schuine deur staan." + +"Jou oorbellen! Zeker net zoo gekregen als dat speldje?" + +"Je begint me te vervelen met je aardigheden.--Kobus! Kobus! loop niet +zoo aan den waterkant.--Hier zijn we aan de Prinsensluis. Geef nou +'t geld maar hier... of zal ik meegaan?" Zij blijft vlak voor hem +staan bij de brugleuning. + +De oude vrek wordt beurtelings geel en rood van ergernis en herhaalt +zijn poging om uit de handen van zijn kwelgeest te komen, door te +zeggen: "Ik heb geen geld, waarachtig niet." + +"Ook niets meer in je ijzeren kistje, hè!" + +Zijn gelaat wordt valer dan ooit, als hij stotterend vraagt: "M.m.mijn +ijzeren k.k.kist?" + +"Dacht je, dat ik niet wist, waar je den aap in bewaarde? Och, m'n +lieve Strijkkie! vrouw Juttner heeft zulke goeie oogen en ze kan zoo +zachtjes loopen. Dacht jij, dat ik verleden 's avonds niets gezien +had? Hè, hè, hè!" + +Strijkman heeft zich hersteld en zegt ruw: "Je zeurt." + +"Dacht je, dat ik niet gesnapt had, dat jij laatst, toen je de deur had +opengelaten en ik onverwachts binnenkwam, in eens je kistje onder de +tafel hebt gestopt? Meen je, dat ik niet begreep, dat je daarom zei, +dat je niet op kondt staan van de rimmetiek?" + +De oogen van den pandjesbaas vestigen zich met een moordlustige +uitdrukking op de vrouw, als hij met saamgeknepen lippen zwijgt. + +"Heb je wel gehoord, dat de avekaat van den "rechter" sprak? Daar +moet ik niets van hebben, versta je?" + +"Serpent!" sist Strijkman. + +"Heb je lust om een poos in de gribus [4] te zitten? Ik niet. Ik +geloof, dat ik het wijste doe om naar dien avekaat te gaan en hem +te zeggen, hoe de vork in den steel zit; dat jij me hebt overgehaald +om...." + +"Wijf, hou je stil, of...." De oude maakt een dreigend gebaar. + +"Poeh! poeh! wat een drukte: wees kalm, man, dan krijg je geen dikke +beenen. Hè! hè! hè! Dok nou maar gauw een dozijntje guldens... Nou doe +ik 't geen cent minder.... Zie je, Strijkkie, _ik_ zou wel vrijloopen, +als ik sprak. 'k Ging weer uit schoonmaken; 'k zou m'n kost wel weer +ophalen, maar jij was er bij, ha! ha! gloeiend bij, hoor!" + +"Moeder, ik heb zoo'n honger." + +"Hij heeft trek in zijn eten, Strijkman.--Ja, Kobus, we gaan naar +huis!--Kom, zanik nou niet langer en geef het geld." + +"'k Heb 't niet bij mij; kom dan morgenavond maar na tienen." + +"Nou, goed dan! 'k Zal zoolang wachten, maar om tien uur precies sta +ik op je stoep. Dag, Strijkkie!--Kom, jongen!" + +De pandjeshuisbaas draait zich nijdig om en zegt iets tusschen de +lippen, dat allesbehalve een zegenwensch is. + + + +Strijkmans winkel is gesloten, vrouw Juttner is prompt om tien uren +gekomen, en zuchtend heeft de oude man aan zijn kwelgeest twaalf +gulden uitbetaald. Als zij vertrokken is, neemt hij een boekje en +noteert er in: "f 12.- aan de weduwe Juttner." De lamp staat op tafel +en de zwarte kat ligt er als naar gewoonte onder. + +"Satansche feeks," mompelt de pandjesbaas, terwijl hij nijdig +naar de deur ziet, waardoor de vrouw verdwenen is. "Zij ruïneert me +heelemaal. 't Is God geklaagd. Laat eens zien... 't Is nu," hij telt de +cijfers, die in het boekje staan, op, "twee honderd zestig... negentig, +drie honderd... Wel vervloekt!" roept hij hardop... Miauw, zegt de +poes, die de slaperige oogen opent. + +"Daar!"--nijdig prikt de vrek de kat met zijn pen in den neus, zoodat +zij blazend van de tafel springt. + +"Drie honderd zestig--'t is om te huilen--zeven-en-zeventig, +transporteere:--drie honderd een-en-negentig--'k ga op de +flesch--vier honderd zes en veertien, is vier honderd twintig--zes +en dertig.--Satansch wijf!--vier honderd acht-en-zeventig +gulden! Allemachtig! en dat in nog geen tien maanden!" + +Hij smijt woedend de pen op tafel, staat op en loopt in 't kleine +kamertje op en neer. Zijn roode oogen doen hem pijn van 't kijken. + +Met zijn bril op den neus beziet hij nogmaals de cijfers, telt, +hertelt en ziet dat het eindcijfer juist is. Weer gaat hij aan +tafel zitten en pruttelt in zichzelven: "Zoo gaat het niet langer; +'t is niet om uit te houden,--ze melkt me uit als een koe. Was ik +het maar nooit begonnen. Maar 't is toch ook vier ton! Als ik die +kluit uitbetaald krijg, kan 't er wel af. Hm! die procureur is niet +scheutig. God weet, hoe lang 't nog duren kan, eer... En 't is niet +sekuur ook. Vrouw Juttner is te goochem. O! Philip, wat ben je een +ouwe ezel geweest! Ja, maar ik moest toch een jongen hebben. Dat +die Kobus, die krates, ook juist zoo'n moeder heeft.--Zij laat me +geen rust. 't Is om dol te worden, en ik durf haar waarachtig niet +aan. Ze is in staat om den heelen boel in de war te gooien, en als +ik niet meer geef... Hè! 'k zou wel trek hebben om iets te eten, +maar ik moet zuinig wezen tegenwoordig." + +Hij gaat naar het hoekkastje, opent het en kijkt er in. "'k Heb +niets meer in huis; dat beetje bitter, zou ik dat nemen? Maar dan +heb ik morgen niets." Hij ruikt aan de flesch. "Hè! dat 's toch +erg lekker. Kom! één slokje. Hmm...! 'k zal de helft nemen.--Vier +honderd acht-en-zeventig gulden naar de maan; als 't zoo doorgaat, +maakt ze me heelemaal op." Hij houdt de flesch tegen het licht, na +gedronken te hebben, en smakt met de lippen. "'t Doet me goed; 'k +was zoo rillerig. Och! 'k zal 't maar uitdrinken en dan morgen niets +nemen, dan komt het overeen uit." Hij drinkt met kleine teugjes, en +als de flesch leeg is, zet hij ze weer weg, na zorgvuldig de laatste +droppels op zijn nagel te hebben laten loopen. + +De genoten spiritus, hoe weinig 't betrekkelijk ook zij, geeft aan +zijn wangen een hooger tint en zijn oogen beginnen te glimmen. "Ik +wou, dat ik haar nu hier had," zegt hij binnensmonds; "'k zou +haar knijpen, ranselen. Hm! dat 's ook al strafbaar. Tegenwoordig +is alles strafbaar. Zoo'n afzetster: bij de vijf honderd gulden; +'k zou haar kunnen vernielen." Hij slaat met de rimpelige vuist op +tafel. "En hoe kom ik van haar af?--Als zij mij t'avond of te morgen +maar niet besteelt; daar is ze niets te goed voor." Hij bukt zich +naar 't luik in den vloer. "Zou ze weten, dat hij dáár staat? Neen, +dat heeft ze toch niet afgeloerd; maar..." Hij is op 't punt het luik +te openen! als een kloppen op de voordeur hem doet opschrikken. + +"Wat is dat? Zoo laat nog iemand; wie kan dat wezen?" + +Met de lamp in de hand sloft hij naar voren. + +"Wie is daar?" + +"Ikke!" + +"Wie is ikke?" + +"Doe maar open, Strijkkie! Ik ben 't maar!" + +"God zegen me, zij is 't waarachtig! Wat zou ze nu weer willen +hebben?" Met onzekere hand schuift hij den grendel van de deur, opent +het slot en laat vrouw Juttner binnen, die zonder plichtplegingen in +'t kamertje gaat, op zijn stoel plaats neemt en zegt: + +"Dat dacht je niet, dat ik van avond nog zou terugkomen, hè? Ja! hoe +later op den avond, hoe schooner volk." + +"Wat moet je?" + +"Jongens, wat ben jij beleefd! En ik kom je nogal' waarschuwen." + +"Waarvoor?" + +"Om op je tellen te passen. Toen ik van avond op mijn kamer kwam, +zeiden de buren, dat er iemand geweest was, zooveel als een rechercheur +van de politie, zoo'n stille, weet je... Hij kwam om naar mij te +informeeren en had vaa alles gevraagd, en..." + +"Nou, en?" Strijkman ziet haar angstig aan. + +"Zij wisten niets; daarom konden ze niemendal zeggen..." + +"En wat zou 't dan verder?" + +"Ze zeien, dat hij gevraagd had, of ik de moeder was van Kobus of +z'n pleegmoeder, en of jij ook al vroeger kennis aan mij had gehad, +en zoo al meer." + +"God bewaar me!" + +"En dat er sprake van was, dat jij op een erfenis loerdet... Afijn, +de man wist zoo wat den heelen boel, naar 't scheen..." + +Natuurlijk loog vrouw Juttner ongeveer alles, wat zij' zeide. De +waarheid was, dat er iemand van Verhagens kantoor was geweest, om naar +juffrouw Blommers te informeeren: wie zij eigenlijk was, of zij er +reeds lang woonde, enz. De buren hadden hem, zooals vanzelf spreekt, +weinig inlichtingen kunnen geven, en de man was onverrichter zake +weer vertrokken. + +De slimme weduwe evenwel besloot dadelijk van deze omstandigheid +tot haar voordeel partij te trekken, door Strijkman een schrik +aan te jagen en hem zoodoende hoe langer hoe meer in haar macht +te krijgen. De vrek was allesbehalve op zijn gemak en antwoordde: +"'t Is een ellendig ding. Hoe komt zoo'n stille op 't idee; ik heb +nooit wat met de politie uitstaande gehad." + +"Niet? Och kom!" + +"Waarachtig niet!" + +"Nou 'k heb 't dan wel eens anders gehoord: ze hebben me ereis verteld, +dat jij er niet vies van bent om goed te koopen, dat op den kop is +getikt. De juffrouw, die beneden me woont, zei ten minste: "Ik heb +uwé met dien ouwen Strijkman zien loopen; hoe je aan dien vent komt, +begrijp ik niet: uwé is zoo'n bedaard, stil, ordentelijk mensch, +en hij..." + +"Ze kent me niet eens!" + +"Of ze je kent!--"'t Is een ouwe, vrekkige duitendief, die al lang op +'t rooie dorp moest zitten",--zei ze." + +"Dat zal ze me waar maken!" + +"Bedaar nou, Strijkkie. 't Mensch had het zelf van een inspecteur, +dien langen blonden, je weet wel, die laatst bij je geweest is om...." + +"Jawel, ik weet, wien je meent." + +"Nou, dat is een verre neef van haar en die zei: "We loeren al lang op +dien ouwen pandjeshuisbaas; hij zet de menschen af, neemt woekerwinst, +en... op een goeien dag rukken we hem in," + +"Maar mensch, je bazelt; ik heb nooit met de..." + +"Hou je gemak; ik zeg 't immers alleen om je te waarschuwen. Nou +weet je, dat ze op je vigileeren," herhaalde vrouw Juttner, aan wie +de angstige uitdrukking van Strijkmans gelaat en het beven van zijn +handen niet ontgaan was. + +"Ze kunnen me niets maken, niets, niemendal!" + +"Dat moet je nou niet zoo zeggen, vaderlief; je zult wel wat op je +boekje hebben, en als zij een hond willen slaan, kunnen ze wel een +stok vinden. Maar wees maar bedaard: ik zal je wel op de hoogte +houden, hoor!... Je begrijpt, ik ben wat erg op je gesteld, en 'k +heb veel liever, dat ze jou niet in de doos stoppen; want 'k moet +je eerlijk zeggen, 't leven bevalt me zoo een boel beter, dan uit +schoonmaken te gaan. Ja, of jij nou al in je eigen moppert, dat hoor +ik niet eens meer.... Zeg! nou ik toch hier ben, kijk eens eventjes, +of je niet een halfsleten broek voor Kobus hebt; de zijne wordt dun, +en je begrijpt van die paar centen, die je mij geeft, kan dat niet af." + +Een violetkleurige tint verft Strijkmans gelaat, en de vuisten ballend +vlak voor haar oogen, roept hij eensklaps: "Dier! wat let me of...." + +"Ga je gang maar, als je 't hart hebt." Zij ziet hem sarrend aan. + +"Mijn deur uit!" + +"Zeg, 't hoeft geen mooie broek te zijn," antwoordt zij, kalm zitten +blijvend. + +"Er uit, of....!" + +"Nou! voor van avond zal ik je zin eens doen; schreeuw maar zoo niet, +ik ben slaperig!" Ze staat op en gaat langzaam naar de deur. Tegen +den deurpost staat een parapluie; vrouw Juttner bemerkt haar, en met +de woorden: "'k Zal die parapluie maar meenemen, de mijne is weg," +neemt zij het regenscherm onder den arm. + +"Slaap wel, Strijkkie! Droom ereis van me." + +"Geef m'n parapluie op, gauw!"--hij grijpt tevergeefs naar zijn +eigendom. + +"Mis, poes! Zul je om 't broekie denken, ouwe heer! Wel te rusten;" +en met een grijnzenden lach gaat zij de deur uit, die Strijkman +werktuiglijk heeft geopend. "n'Avend, Strijkman!--Kijk! 't regent." + + + +Op straat gekomen, lacht zij er heimelijk om, dat zij den ouden vrek +zoo heeft beetgehad, en denkt er over na, hoe zij 't aanleggen zal +om haar prooi altijd zekerder en vaster te verstrikken. + +Strijkman is na haar vertrek moedeloos op zijn stoel neergevallen en +zucht: "'k Ga op de flesch; wat moet ik beginnen, 'k heb niets geen +recht tegen haar." Hij schreit van woede en spijt en slaat de magere, +knokkelige handen herhaaldelijk tegen zijn voorhoofd. "Wat te doen, +wat te doen?" + +Boven in huis op een der kamers is het onrustig geworden. Er is +ruzie, hevige ruzie, allerlei verwarde stemmen schreeuwen dooreen, +en duidelijk verstaat hij de woorden: "Vrouwenbeul! je moest je +schamen je vrouw zoo te slaan." + +"Ik kan mijn eigen vrouw slaan, als ik wil; ze moet doen, wat ik zeg, +en anders...." + +Strijkman luistert, aan de trapdeur staande. Wederom hoort hij die +schrille stemmen. Ze klinken akelig door den nacht; hij hoort, hoe +de vrouw gilt en huilt, hoe de basstem van den man zich telkens weer +verheft, en eindelijk, hoe er opnieuw klappen vallen. + +Op zijn gelaat komt een duivelachtige uitdrukking: er is bij hem +een gedachte opgekomen, die hem doet glimlachen als een sater. "Als +ik haar eens trouwde, dan had ik recht! Hm!... dien suffen bochel +heb ik dan op den koop toe; maar 't is misschien toch de wijste weg, +hè! hè! hè! hè!" Hij lacht en schurkt zijn schouders heen en weer. "Ik +trouwen. 't Is zot, erg zot, maar toch de beste weg; ik heb meteen +iemand, die den boel aan kant kan houden; en als zij sporreling maakt, +dan..." hij slaat met de hand door de lucht. "Hè! hè! hè! hè!--'t is +een goed idee. Den jongen heb ik altijd bij de hand, het wijf kan +mij niets meer maken--ze kan toch haar eigen man niet aangeven--en +de rest zal ik wel met haar vinden. Hè! hè! hè!" nogmaals klieft hij +de lucht, ditmaal met den pook, dien hij van de kachel heeft genomen, +"'k zal haar trouwen, hè! hè! hè! en dan...!" + + + + + +XII. + +BIJ OUDE VRIENDEN. + + +............................................................"'t Wordt +mij hoe langer hoe duidelijker, beste vriend, dat ik nog in heel veel +zaken bij anderen achtersta. Hoewel ik mijn best doe om in te halen, +wat ik in mijn kinderjaren heb verzuimd, of niet kon aanleeren, toch +schijnt het mij alsof ik er nooit zal komen. Soms bekruipt mij een +gevoel van moedeloosheid, als ik hier de andere jongelui zie, die +reeds zoo vroeg ruimschoots zijn voorzien geworden van alles wat ik +mis, en 't kost mij inspanning om niet jaloersch te zijn. Ik troost +mij met de gedachte: langzaam gaat zeker. Hier op 't conservatoire +heb ik veel gestudeerd om nog meer te studeeren, maar ik ga vooruit, +en ge zoudt er u over verwonderen, als gij mij hoordet spelen, +hoeveel beschaafder en rijker mijn toon is geworden. Mijn Cremona +is heerlijk en wekt de afgunst van het halve conservatoire op. Wat +heeft die beste dokter Abels mij daar toch een heerlijk geschenk mee +gemaakt! A propos, heb ik u reeds medegedeeld, dat juffrouw Albertine +mij met haar man op haar huwelijksreisje heeft bezocht? 'k Was blij +haar te zien en te vernemen, dat zij gelukkig is. Haar vader schreef +mij ook dezer dagen. De goede man blijft steeds mijn beschermgeest; +ik wou maar, dat ik bij machte was hem te bewijzen, hoezeer ik gevoel, +welke verplichtingen ik aan hem heb...." + +"Zie je, Augusta, dat doet me genoegen, als ik zoo iets lees. Die +jongen is dankbaar en hartelijk; ik verlang er zeer naar om hem weer +te zien," zegt de heer Tournel, die in zijn huiskamer zit en een +brief van Dorus hardop voorleest. + +"Schrijft hij niet, of hij spoedig komt, grootpapa?" vraagt het meisje, +dat, met eenig borduurwerk bezig, bij 't venster plaats heeft genomen +en aandachtig luistert. + +"Zeker! zoo dadelijk zul je 't hooren." Tournel vervolgt met lezen: +"... Ik verlang er ook naar u allen weer te zien en voor u te +spelen. Juffrouw Barbara zal..." + +"Wat zal juffrouw Barbara?" vraagt eensklaps de huisgeest van den +muziekmeester, met een stapel borden in de handen en een paar opgerolde +servetten onder den arm binnenkomend. + +"Stoor me niet." Tournel vervolgt: "...Juffrouw Barbara zal nu niet +meer over mijn _gezaag_ te klagen hebben; zelfs mijn phantaseeren zal, +hoop ik, nu genade vinden in haar oogen." + +"Zoo, denkt hij dat?" pruttelt de matrone. "Hm! hij kon zich wel eens +vergissen; wat wordt die jongen pedant!" + +"Pedant? Geen zweem er van, Barbara!" + +"Ja, jij kunt geen kwaad van hem hooren; maar je zult zien, 't wordt +later een kwast;--dat zijn die artisten toch allemaal!" + +"Zoo! dank je voor het compliment." + +"Niet te danken, Tournel, 't is tot je dienst." + +"Grootpapa! lees verder, als 't u belieft." + +"Mijn professeur, monsieur Vianol, heeft zich onlangs met lof over +een phantasie, die ik gecomponeerd heb, uitgelaten. Hij zei: _C'est +fort bien; ça parle au coeur_ (wat zegt gij van mijn Fransch?). Ja, +ik _moet_ het hier wel leeren, er wordt niets anders gesproken.--Ik +heb ook een kleine burlesque geschreven, die in zijn smaak viel. + +"Wat is die compositieleer toch moeielijk en streng; ik leg er nog +dikwijls mede overhoop, maar ik gevoel en begrijp gemakkelijk, en +dat helpt. Ik wou, dat u eens hoorde wat ik geschreven heb; 'k zal +u hierbij een afschrift zenden, dan kunt ge 't eens spelen en mij uw +oordeel zeggen...." + +"Heeft u die kopie al?" + +"Ja, kind." + +"En is 't mooi?" + +"'t Ziet er goed uit, maar ronduit gezegd: 'k waag er mij niet +aan." Tournel leest verder: + +"....De dubbele flageoletten liggen niet gemakkelijk, maar ik kon ze +niet anders maken; daarom schreef ik er een "ossia" bij." + +"Een ossia, wat is dat, Tournel?" + +"Een andere, gemakkelijker passage, Barbara." + +"Zie je nu wel, dat hij pedant is? Begrijp je niet, Tournel, dat het +zooveel beduidt als: "dat kun jij toch niet spelen en daarom...." + +"Daarom! daarom! Jij moet je niet bemoeien met zaken, die je niet +aangaan; 't is bovendien de waarheid. Dorus speelt met virtuositeit, +en ik niet. Stoor me toch niet telkens in mijn lectuur; dek jij de +tafel maar verder en zorg, dat we iets te eten krijgen... "Gij hebt +mij in uw laatsten brief gevraagd, beste vriend, of ik 't nu beter +met de jongelui hier kon vinden? Hebt ge me dan verkeerd begrepen? 'k +Heb nooit onaangenaamheden gehad; ik sloot mij alleen maar bij niemand +aan, omdat ik gevoelde, dat... Enfin, 't gaat me nu uitstekend, en ik +heb een viertal vrienden, die mij aanstaan. Dat is volkomen genoeg; +wij hebben een clubje gevormd, dat soms allergezelligst vergadert. Ze +noemen mij in de wandeling: Triangle, driehoek. Drie namen voor één +bochel! Krates, Boeckelorum, Driehoek; 't is immers veel meer, dan +ik verlangen kan." + +"Dat is aardig gezegd, grootpapa." + +"'t Is toch zonderling, dat hij zelf altijd over zijn hoogen rug lacht +en spot, en toch niet velen kan, dat anderen 't doen; daar ligt eene +inconsequentie in..." + +"Vindt u?" + +"Ja zeker!" + +"Ik niet; zelf er om lachen is heel iets anders dan uitgelachen +worden. Uitlachen is kwetsend, zelf lachen verstandig." + +"Nu, uitlachen is het woord, niet bepaald; belachelijk is Dorus in +'t geheel niet, zóó mismaakt is hij niet." + +"Neen! hij is mooi... Zijn eene schouder is wel een handbreed hooger +dan de andere; 't is een koning onder de bochels, hoor!" + +"Barbara, wat overdrijf je! Vind je het ook niet, Augusta?" + +"Ik vind Dorus in 't geheel niet leelijk, wat zijn gezicht betreft; +zijn bult, ja! natuurlijk, die is ongelukkig om te zien, maar...." + +"Nu, goed dan, 't is een Adonis.--Ben je nu klaar met lezen, +Tournel? De tafel is gedekt." + +"Op 't oogenblik. Waar waren we ook weer? O, ja!" + +"...'t Is meer dan ik verlangen kan, en waarlijk, als ik in den +spiegel zie, schijnt mij die laatste naam "Triangle" bepaald geestig." + +"Ha! ha! ha! ha!" + +"Lach je daarom, Augusta?" + +"Ja, hij schrijft dat zoo aardig." + +"...'t Is nu reeds bijna twee jaren, dat ik hier ben, zonder in Holland +te zijn geweest; waar blijft de tijd! Ik verheug er mij op, dat ik u +allen tegen het einde van 't jaar zal terugzien, want ik heb plan om +met Kerstmis over te komen. Dr. Abels schreef, dat hij er bepaald op +gesteld was. Mag ik dan ook een paar dagen bij u blijven? Als juffrouw +Barbara mijn kamertje nog niet tot provisiekamer heeft bevorderd, +zou 't wellicht gaan." + +Dat is nog al aardig, dat hij zich dat herinnert. 't Is waar, ik zei +dikwijls, dat ik er een proviandkamertje van wou maken! Maar dààr +kunnen we hem niet hebben, Tournel!" + +"Waarom niet?" + +"'t Is nu geen jongen meer; 't zal wel een verwend heertje geworden +zijn, daar in Brussel. Weet je wat, Augusta, ga jij dan zoolang in +'t kleine kamertje slapen; dan kan hij, als hij komt, in jou kamer +logeeren." + +"Heel goed, nicht." + +"Gekheid, Barbara, hij moet 't nemen, zooals 't hier is, en...." + +"En ik zeg je, dat het niet gebeurt; in huis ben ik de baas, in het +orkest jij,--begrepen?" + +"Goed, goed, kom asjeblieft niet in een anderen toonaard, en luister." + +".....Ik beloof algeheele onderwerping aan al haar schikkingen, mits +zij mij maar niet wegstuurt; want ik beschouw uw huis, beste vriend, +als mijn tehuis...." + +"Hij is toch niet erg pedant geworden, Tournel." + +"Zie je wel, Barbara, dat je te voorbarig was... Luister verder... Hoe +heerlijk, prachtig en rijk het ook bij dokter Abels moge zijn, hoe +hartelijk en vriendelijk iedereen voor mij is, toch gevoel ik mij +dáár niet zoo op mijn gemak, als bij u. Mag ik komen?" + +"Wat dunkt je, Barbara?" + +"Zou je vóór Kerstmis Augusta's kamertje niet kunnen laten behangen, +Tournel?" + +"Hoe zou hij er nu uitzien, grootpapa?" + +"Dokter Abels zei laatst, dat hij veel knapper is geworden; hij is wat +gegroeid, en daardoor schijnt hij niet zoo erg krom als vroeger...." + +"Je moet hem eens vragen, als je schrijft, of hij daar gewend is op +een bed of op een matras te slapen...." + +"'k Zal er om denken, Barbara." + +"Wat schrijft hij gemakkelijk, grootpapa! 't Is net alsof ik hem hoor +praten; ik ben ijselijk nieuwsgierig om hem weer te zien. Zou hij mij +nog herkennen? Neen, hé? Ik ben zoo lang geworden en veranderd, zegt +iedereen. Of hij mij nog altijd met jongejuffrouw zal aanspreken? Mij +dunkt, hij moest me maar Augusta noemen, dat klinkt veel prettiger." + +"Zeker, kind. Heb jelui elkaar dan vroeger niet bij den naam genoemd?" + +"Wel neen, ik noemde hem Dorus, maar hij mij niet Augusta." + +"Zoo!" + +"Wat zal 't mij een genot zijn om U weer de hand te drukken, beste +vriend, en U te hooren zeggen: "Je hebt nu methode en school genoeg. Ga +nu je gang maar: je wildzang is kamerzang geworden." O! ik verdiep me +nog zoo graag in den tijd, toen ik bij U was; spoedig hoop ik allen +in gezondheid weer te zien. Mijn beleefde groeten aan juffrouw Barbara +en uw dochter." + +"Ha! ha! ha! wat klinkt dat deftig, grootpapa!" + +"Vind je?"... "Postcriptum. Maakt Boppie 't goed?" + +"Bop! Bop!" + +"Waf! waf!" + +"Compliment van den baas." + +"Malle meid!" + +"De soep staat op tafel, Tournel." + + + +'t Is nacht! + +De torenklok slaat twaalf; dof en zwaar dreunen de slagen, alsof er +sneeuw in de lucht ligt. Langzaam valt de hamer twaalf malen op de +klok, hoog boven in den toren. Over de huizen en het dak der kerk +ligt zwart en ondoordringbaar de nacht en daardoor schijnt het bijna +alsof de toren vrij in de lucht zweeft. + +Bij elken klokslag beven de oude steenen muren, de balken en binten, +en valt langzaam een weinig stof naar beneden tot onder in den toren; +zóó gaat het jaren lang, altijd door, altijd een weinig, totdat +eenmaal de muren zelf ineenstorten en alles stof wordt. + +De klok slaat en het geluid zweeft over alle daken; zachtjes, bijna +onmerkbaar trillen overal de vensterruiten. Hoe weinigen hooren het +uur van middernacht. Wie bekommert zich om het beetje stof, dat van de +muren valt? Wie denkt er aan, dat elk uur een stofdeel van uw eigen +heerlijkheid schudt? Zorgelooze mensch! ge voelt het niet. Morgen +vroeg ziet ge in den spiegel en vindt uw aangezicht onveranderd, +evenals den kerktoren vóór u,--en toch valt er stof bij elken klokslag! + +De nachtwacht hoort de torenklok. Twaalf uur! Brrr!! 't wordt koud, +bitter koud; hij trekt zijn jaskraag omhoog, zijn muts dieper over +de ooren. Onverschillig ziet hij rond; zijn blikken dwalen langs de +donkere vensters, totdat hij er een bemerkt, waar achter de gordijnen +nog een nachtlichtje brandt. Daar sluimert een jong meisje. Straks, +als de dag door de ruiten dringt, kust hij een paar oogen wakker, +die nog nooit een morgen zagen zonder frisscher te glanzen dan den +dag te voren en die aan den ontwakenden morgen trots mogen vragen: +"Wie is schooner, gij of ik?" Als het dag wordt, schijnt het bijna +alsof alle bloesems, die de tijd op het gelaat van anderen ontbladerde, +op dit gezichtje werden uitgestrooid, midden in den nacht, terwijl +buiten de winterstorm huilde in de duisternis. + +De nachtwacht gaat verder: "Twaalf uur heeft de klok; bewaar je vuur +en licht!" klinkt zijn eentonige roep.--Nog is de klank van zijn +stem niet uitgestorven in den stillen nacht, als in een huis naast +dat andere een licht wordt gebluscht. Er is daar iemand gestorven, +en een doode heeft geen licht meer noodig. Een menschenziel is van +de aarde verdwenen. Een tempel is ineengestort, gebouwd van hoop en +wenschen, van vreugde en leed, teleurstelling en verwachting. + +De nachtwacht gaat verder.... + +Gij jong en zorgeloos meisje, dat daar sluimert in het vriendelijke +huis, als morgen de jonge dag uw jeugd met nieuwe bekoorlijkheden +tooit, zie dan naar het huis naast u! Weldra zal daar een lijk, eenmaal +jong en stralend van leven evenals gij, worden uitgedragend,--slechts +één polsslag vroeger van de eeuwigheid. Zie naar den toren tegenover +u! Schoon ge het niet ziet, toch is het zoo: er valt stof, altijd +door, gestadig! + +Maar 't is nog geen morgen; de wind fluit ijskoud verstijvend langs +de daken en door de straten. In de tuinen trekt en rukt hij aan de +takken der boomen, met doelloos brutaal geweld, evenals een vagebond. + +Nu beproeft hij zijn kracht aan de schoorsteenen, als wilde hij +ze omverwerpen. Zijn ze te hecht en te sterk, dan blaast hij er +nijdig doorheen, zoodat de warme asch in den haard uiteenstuift en +de sluimerende vonken opnieuw ontgloeien. Als een deugniet voert hij +midden in den nacht allerlei kattekwaad uit. + +Buiten bij de gracht staat een hooge populier, die zich den geheelen +zomer in het water spiegelde, van 's morgens tot 's avonds. Nog +gisteren keek hij er in, dor en bladerloos, stroef en ernstig, als +telde hij de naden en strepen van zijn schors.--Daar komt de wind, +schudt hem ruw heen en weer, blaast met kracht zijn spiegel, zijn +eenige vreugde, mat en trekt een ijsvlies over het water. Gewoonlijk +echter doet hij dit eerst tegen den morgen, als hij uitrust van +het geweld, dat hij in de duisternis maakte. Hij rammelt met de +zolderluiken, fluit een snerpend lied op een gebroken vensterruit of +draait den windwijzer op het dak van de kerk heen en weer, tot hij +steunt en knarst, zoodat de kraaien in den toren onrustig worden en +eindelijk angstig heen en weer vliegen. + +Eén uur slaat de klok; de dikke, zware toon hangt zich in den ruwen +wind en vliegt er mede voort, totdat hij eindelijk in de verte +verdwijnt en sterft. + +De wind is bedaard, de nevel trekt op en de nacht verschuilt zich +in de kelders, om plaats te maken voor een helderen frisschen +Kerstmorgen. Het licht tintelt in duizend heerlijke kleuren op de +berijpte boomen, en vroolijk schijnt de zon op de van de koude blozende +wangen der menschen, die door de straten van het stadje heen en weer +loopen, trappelende met de voeten en met de tintelende vingers in de +zakken, in handschoenen of in bonte moffen. + + + +De ochtendbeurt is gedaan. Met blauwe neuzen en strakke koonen keeren +de vrome kerkgangers naar hunne huizen terug of zoeken vrienden en +bekenden op, bij wie zij den Kerstdag zullen doorbrengen. + +Voor 't venster der woning van den muziekmeester staat Augusta en +wischt met haar zakdoek een plek schoon op een glasruit, waar de +ijsbloemen den strijd om haar leven moeten opgeven, want de kachel +is haar moordenaar. + +Barbara loopt van de keuken naar de kamer, en van de kamer weer naar +de keuken, keurt de koffie, die geurige dampen verspreidt, en warmt de +boter, die zij met bekwame hand sierlijk in het vlootje terechtschikt. + +"Daar komen ze, daar komen ze!" roept het meisje op eens en snelt de +kamer uit naar de voordeur, opent die en laat met een blijden groet +en hartelijken handdruk Dorus en Tournel, die hem van den postwagen +heeft gehaald, binnen. Juffrouw Barbara komt, ijlings haar boezelaar +afdoende en achter de keukendeur werpend, nader, en als zij Dorus +ziet, reikt ze hem de hand, met de woorden: "Komaan! ben je daar +weer? Dat's nu eens goed. Je bent gegroeid; je ziet er goed uit. Ga +maar eens gauw zitten; je zult wel koud zijn." + +"Waf! waf! waf!" + +"Ben jij daar, Boppie? Ken jij den baas nog, goeie hond?" + +"Waf!" + +Augusta ziet hem met verwondering aan. + +'t Is Dorus, en toch is het juist alsof het een ander is, denkt het +meisje, als zij hem, terwijl de anderen druk en levendig praten, +in stilte opmerkzaam gadeslaat. Wat er aan hem veranderd is, weet +zij niet recht, want zijn gezicht is, schoon iets minder bleek dan +vroeger, toch hetzelfde gebleven. De oogen zijn even groot en bruin, +maar--ja! dat zal het zijn,--er is een geheel andere uitdrukking in +gekomen: 't is alsof ze nog verstandiger en zwaarmoediger rondzien; de +mond lacht vriendelijk, en toch is er een trek van vastheid en rust om +de lippen gekomen, dien zij vroeger niet kende. Onwillekeurig bloost +zij, als Dorus na de eerste begroeting het woord tot haar richt en +op vroolijken toon zegt: "'k Zou je--pardon! U--haast niet herkend +hebben, want...." + +"Och zeg liever je, als je wilt; 't klinkt veel beter." + +"Mag ik?" Dorus ziet Tournel glimlachend aan. + +"Natuurlijk; kort voordat je kwaamt, zei ze nog, dat 't haar pleizier +zou doen, indien je haar Augusta wildet noemen." + +"Is 't heusch?" + +'t Meisje bloost sterker, maar ziet hem flink in de oogen, als zij +antwoordt: "Zeker; dat jongejuffrouw is zoo stijf." + +"Wil je mij dan ook weer als vanouds Dorus noemen? Of zeg je soms +liever Triangel?" + +"Foei! wat een vraag." + +Dorus reikt haar de hand, terwijl hij zegt: + +"Zooals je wilt; Augusta dan,--maar 'k mocht toch waarlijk wel juffrouw +zeggen tegen een dame als jij." + +"Och kom!" + +"Zeker!" In stilte denkt hij, terwijl hij haar bewonderend aanziet: +"Wat is zij mooi geworden! Welk een lieve uitdrukking hebben die +oogen!" + +Juffrouw Barbara leest op Dorus' gelaat den indruk, dien Augusta op +hem maakt, en zegt vrij scherp: "In mijn tijd werd men eerst een dame, +als men meerderjarig was; ik ten minste was op dien leeftijd...." + +"'k Geloof het graag, juffrouw Barbara," valt Dorus min of meer +onbescheiden in. + +Tournel, die aan het gelaat van zijn nicht ziet, dat er slecht weer op +komst is, mengt zich in het gesprek door te vragen: "En mij, vind je +mij niet veranderd, grijzer geworden? Maar Barbara heeft de eeuwige +jeugd, is't niet zoo?" + +Ondeugend glimlachend antwoordt de jonkman: "Ik vind u niets verouderd, +maar vooral jùffrouw Barbara niet. De last der jaren drukt u beiden in +'t minst niet." + +"De last der jaren," pruttelt de matrone, onaangenaam getroffen +door dit woord, en zij denkt er bij: "Wie weet, voor hoe oud hij mij +aanziet, zoo'n akeligheid!" + +Weldra zitten allen in de gezellige kamer bijeen, en zelfs Barbara's +humeur is niet bestand tegen de bedarende macht van de snorrende +kachel, de dampende koffie en van het kerstbrood, dat zoo uitlokkend +met krentenoogen tot eten uitnoodigt. Dorus' blikken vestigen zich +als vanzelf op het tegenover hem zittende meisje, dat hem vroolijk, +als oude bekende, toelacht en vrij en frank hem aankijkt, als zij +zegt: "Toe, Dorus, doe alsof je thuis waart. Mag ik je nog eens +even bedienen?" + +Wat is zij veranderd; hoe groot en zacht zijn die oogen geworden! Als +zij spreekt, lachen ze zoo vriendelijk, en de hagelwitte tanden kijken +zoo vroolijk tusschen de kersroode lippen uit. Bewonderend volgt hij +haar bewegingen; er ligt een natuurlijke gratie in alles wat zij doet, +en haar buigzame, maar toch gevulde en sierlijke gestalte steekt zoo +voordeelig af bij de stokkerige vormen en hoekige bewegingen van +juffrouw Barbara, dat hij onwillekeurig medelijden met de matrone +krijgt. + +Ongedwongen is alles wat zij doet; vrij, zonder bazig of onvrouwelijk +te zijn, gezellig pratend, zonder te ratelen of te babbelen, is Augusta +inderdaad eene allerliefste jonge dame geworden. Dorus merkt het met +vreugde op; zijn blikken wenden zich niet van haar af, en zijn oor gaat +te gast, als hij de muziek harer stem hoort. En niet alleen Dorus denkt +er zoo over, neen! al de heeren leden van Polyhymnia zijn het er vrij +wel over eens, dat juffrouw Tournel's stem geheel in overeenstemming is +met haar uiterlijk. Sommige dames uit het stadje, die meer of minder +jaloersch zijn op Augusta's aantrekkelijke verschijning, beweren wel +is waar, dat zij minder mooi dan wel interessant is en dat men te +veel ophef van haar zang maakt, maar moeten toch erkennen, dat zij, +zooals men 't noemt, _à la mode_ is; en menig dilettant-bariton, +bas of tenor, dingt naar de eer om haar balboekje, bij 't jaarlijksch +bal der zangvereeniging, in handen te krijgen. Zooals zij daar nu zit +in 't eenvoudige huisjaponnetje, smaakvol maar bescheiden gekleed, +boeit zij door ongekunstelde en natuurlijke vroolijkheid. + + + +De koffie is gedronken, het kerstbrood een ruïne geworden, en +nog zitten allen rondom de tafel. Van lieverlede is Dorus aan het +vertellen geraakt. Hij spreekt over Brussel, over zijn ervaringen aan +het conservatoire, vertelt van zijn vrienden en bekenden, en doet dat +zoo levendig en aangenaam, op zoo beschaafden, soms geestigen toon, +dat hij, zonder 't zelf te weten, het drietal, dat aandachtig toehoort, +aan zijn lippen kluistert. + +Augusta lacht nu en dan luid en hartelijk en wendt geen oog van hem +af. Zij verwondert er zich over, dat hij zoo vroolijk vertellen kan, +en denkt herhaaldelijk in zichzelve: "Hoe is 't mogelijk, dat een +paar jaren iemand zoo veranderen kunnen." + +Dorus denkt juist hetzelfde van haar. + +"En nu moet Augusta eens voor je zingen, Dorus. Je zult erg aan haar +zang gewonnen hebben; ze heeft nu voldoende school en--ja! schrik +niet--coloratuur ook!" zegt Tournel, als men eindelijk van tafel +is opgestaan. + +"Ei, ei! coloratuurzangeres?" + +"Och, grootpapa," antwoordt het meisje even kleurend, "'k ben nu niet +bij stem...." + +"Moet ik deftig worden, Augusta: laat je je bidden, of is 't nog +als vroeger?" + +"Heb ik me ooit laten bidden, Dorus?" Haar stem klinkt een weinig +geraakt. + +"Ben je boos?" vraagt Tournel. + +Zonder antwoord op deze laatste woorden te geven, zet Augusta zich +aan de piano, preludeert even en slaat dan met vaste hand eenige +akkoorden aan. + +Genoeglijk glimlachend knikt Tournel zijn ouden leerling toe, als het +meisje met haar krachtige altstem begint te zingen: _Ich grolle nicht_. + +Even ziet zij om en lacht naar Dorus bij deze woorden. + +"'t Past er niet precies op, Augusta, maar 't is toch aardig gevonden." + +Zuiver als glas, krachtig als metaal, maar innig en gevoelvol klinkt +haar geluid door de kamer. Tournel knikt herhaaldelijk tevreden met +het hoofd en ziet Dorus aan, als wilde hij zeggen: "Zie je, dat is +'t gevolg van mijn methode, daar zit school in..." _Ich grolle nicht, +Wenn mir das Herz auch bricht..._ Met een onbeschrijfelijk weemoedige +uitdrukking zingt het meisje de slotwoorden, en Dorus, die zwijgend +heeft zitten luisteren, springt eensklaps op. De tranen staan hem +in de oogen en de stem stokt hem in de keel, als hij "bravo!" roept, +terwijl hij haar zijn beide handen toesteekt. + +"Dat is zingen! Augusta, ik dank je...." + +"Au! je doet me pijn, Dorus!" + +"O! pardon. Och! neem me niet kwalijk, 't kwam door je eigen schuld; +waarom zing je ook zóó!--Ja, juffrouw Barbara! lach me maar gerust uit, +geneer je niet; ik zie toch wel, dat je 't doet." + +"Ik denk er plotseling aan, dat ik je eens zag grienen in 't prieel." + +"Grienen?" + +"Wel ja, toen de twee meisjes dat duet zongen. Weet je 't niet meer?" + +"O, ja! nu herinner ik 't mij. Op "Mon repos..."" + +"Juist! Je bent nog niets veranderd; ik dacht, dat je nu niet meer +zoo'n otje-buiskruit was." + +"Otje--wat?" + +"Zoo'n buskruitvaatje. Poeff!! dat vliegt me op als pulver bij +'t minste of geringste, en dan op eens paf! neergeslagen als een +pannekoek, en grienen er bij. Wat was je toen laf!" + +"Artistenbloed, Barbara!" + +"Och, loop heen! Artistenbloed is evenals alle overig bloed, geen +zier anders, Tournel!" + +"Dat's niet waar, nicht Barbara!" + +"Kijk me zoo'n wijsheid eens aan. De jongejuffrouw wil ook een duit in +'t zakje gooien." + +Met een verhoogden blos op de wangen antwoordt Augusta: "Een artist +heeft geen visschenbloed, zooals zoovelen, die met niets dwepen, +wie niets in verukking kan brengen en die voor niets gevoel hebben, +dan voor 't alledaagsche. Bah! ik heb een hekel aan menschen, die +nooit in vuur kunnen raken, die nooit warm worden, die nooit boos +zijn óf driftig!" + +Dorus verslindt haar als 't ware met de oogen, als zij vervolgt: + +"Neen, dan heb ik liever iemand, die opvliegt of een traan in de +oogen krijgt; die voelt en begrijpt, wat hij hoort.." + +"Maar, Guustje!" + +"'t Is niet laf, als een man schreit van aandoening; 't is alleen +een bewijs, dat hij een hart heeft en geen stokvisch is." + +"Maar, kind, wat mankeert je?" + +"Niets, nicht Barbara! maar ik word boos, als ik zoo iets hoor, +en dan kan ik niet zwijgen." + +"Artistenbloed!" zegt Dorus, op haar toe gaande en haar de hand +toestekend. + +"_Mijn_ bloed!" roept Tournel verheugd. + +Barbara trekt de wenkbrauwen omhoog, en zich omdraaiend bij de deur, +tikt ze even met den voorvinger tegen het voorhoofd, terwijl ze onder +'t heengaan mompelt: "Alle drie." + +Gelukkig heeft geen van 't drietal de vleiende pantomine van nicht +Barbara opgemerkt, en als zij vertrokken is, zegt Dorus: "Augusta, +ik dank je; dat was ferm gesproken." + +Nog schitteren de oogen van het meisje, nog kleurt een donker rood +haar wangen, en de lieve, vriendelijke mond heeft een ernstiger plooi +gekregen, als zij antwoordt: "Misschien heb ik te veel gezegd voor een +meisje, maar ik kan het niet helpen; ik ben nu eenmaal zoo, ik zou...." + +"Jij zoudt iemand vurig kunnen lief hebben, maar ook fel kunnen haten, +geloof ik." + +"Haten? Dat is 't woord niet." + +"Ik wel!" In Dorus' oogen flikkert een oogenblik het oude, +onbluschbare, wilde vuur. "Ik heb lief,--of ik haat, onverdeeld. Een +middenweg is er niet!" + +Bijna beangst ziet het meisje hem aan, als zij antwoordt: "Dat meen +je niet..." + +"Waarlijk wel!" + +"Maar iemand kan je toch ook onverschillig zijn." + +"Ja, misschien heb je toch gelijk, Augusta; maar met menschen, die +mij onverschillig zijn, bemoei ik mij ook niet." + +"Zoo!... Maar ik vind dat woord haten van jou verschrikkelijk." + +"Kinderen, windt elkaar niet noodeloos op. Vooral heb jij, Dorus, nog +geen oorzaak om iemand te haten; en jij, Augusta, zult nog dikwijls +genoeg met hem kunnen kibbelen. Dus daarom...." + +"Maar wij kibbelen volstrekt niet, grootvadertje! Is 't wel, Dorus?" + +"Integendeel, wij sympathiseeren?" + +"Zij sympathiseeren!" lacht Tournel, met welgevallen de twee +jongelieden vóór hem beschouwend. + +"We zullen bepaald goede vrienden zijn, Augusta!" + +"Dat zijn we immers altijd geweest." + +"Heb jij nog wel eens gedacht aan den tijd, toen ik nog hier +woonde? Weet je nog, dat je mij een heiden noemdet?" + +"Ik, Dorus? Tante deed het!" + +"Wel neen! Jij ook." + +"Ja, maar dat was alleen uit gekheid. En jij noemdet mij de kleine +kat." + +"Dat was ook gekheid, natuurlijk; want je was volstrekt niet kattig, +nooit!" + +"Maar 'k ben 't nu geworden, Dorus! Dat heb je zoo even wel gemerkt!" + +"Je vischt!" + +"Wà-blief?" + +"Je vischt!" + +"'k Begrijp je niet." + +"Och kom!" + +"Heusch niet!" + +"Papa Tournel, je kleindochterje is coquet geworden." + +"Vind je, Dorus?" + +"Zeker!" + +"Coquet? Daar protesteer ik tegen; 't is volstrekt niet waar." + +"Nu! nu! word maar niet boos." + +"Ik ben niet boos, maar ik vind je akelig." + +"'t Spijt me voor jou!" + +"Voor mij?" + +"Ja, want 't is niet aangenaam om met iemand, dien je akelig vindt, +te sympathiseeren." + +"Nu vind ik je nog akeliger." + +"Des te erger voor je!" + +"Ik sympathiseer volstrekt niet met je, hoor je wel?" + +"Ich grolle nicht!" + +"Ba! je zingt valsch en leelijk." + +"Dat is waar, volkomen waar; we zijn 't alweer eens." + +"Ik vind je onuitstaanbaar." + +"En ik vind jou allerliefst en mijzelven heel akelig. Zie je wel, +Augusta, dat we toch sympathiseeren?" + +"Plaaggeest!" + +"Ha! ha! ha! 't is curieus om te hooren." + +"Help me liever tegen hem, grootpapa; ik houd het niet uit." + +"Dat's te bescheiden, dat meen je niet!" + +"Foei! je maakt het te erg; ik ga heen...." + +"Kom niet te gauw terug!" + +"Waarom niet?" + +"Omdat we 't dan te spoedig eens zouden zijn." + +Lachend verwijdert zich het meisje, en Tournel klopt Dorus op +den schouder, terwijl hij zegt: "Je hebt er goed slag van om +te plagen.--Maar gekheid apart, wat zeg je van haar?--Een dot, +hé? Kerel! 't is mijn schat, mijn oogappel, mijn trots. Wat een +stem! Ze zingt _f_ kruis, de lage _g_, kolossaal voor een alt!--Wat +een taille, 't is een volwassen vrouw,--en nog pas achttien..... Keek +je niet op, toen je haar terugzaagt? Zeg, Dorus, is 't niet een meisje +om op te verlieven?" + +De oude muziekmeester geraakt in vuur, als hij over zijn kleinkind +spreekt, en wordt niet moede al haar deugden en voortreffelijke +hoedanigheden op te sommen. En als hij eindelijk zegt: + +"Ja, ja! ze is nu geen kind meer, al wil Barbara haar ook nog zoo graag +klein houden. Wil ik je eens wat vertellen? Maar geheel _entre-nous_ +hoor! Ze heeft al aanzoek gehad, dat wil zeggen, ik voor haar, zie je; +zij wist er niets van, geen jota; 't was iemand, die haar herhaaldelijk +op Polyhymnia ontmoet had, en je begrijpt...." + +Als Tournel dat zegt, begrijpt Dorus plotseling, dat ook hijzelf +geen kind meer is en dat het meer dan vriendschap is, wat hij voor +Augusta gevoelt. Zóó plotseling, zoo spontaan evenwel overkomt hem +dat gevoel, dat hij er, ondanks zichzelven, van schrikt. Hij merkt, +dat hij eerst bleek wordt en dan weer rood, en ziet met eenigen angst +naar Tournels gelaat, of daarop ook te lezen staat, dat deze zijn +ontroering bemerkt. Maar neen! de oude man is veel te veel met zijn +eigen gedachten bezig om op Dorus te letten. + +"Ze is nog wat jong om.... enfin dat wordt alle dagen beter--en hij +is nog maar candidaat-notaris; dat is een treurig baantje, als je geen +protectie hebt. Ik heb 't vooreerst afgewimpeld, maar.... hij houdt aan +en ik geloof, dat Guustje hem gaarne ziet; 't is ook een aardig mensch, +een knappe jongen, 'n mooie krullekop, een figuur als een prins en...." + +Een pijnlijke trek vliegt over Dorus' gelaat, als hij onwillekeurig +in den spiegel ziet, die achter Tournels stoel hangt, en in gedachten +de woorden herhaalt: "Een figuur als een prins...." + +Een zucht ontsnapt onhoorbaar zijn borst, hij zwijgt en buigt even +het hoofd. + +"Wil ik nu eens voor u spelen?" + +"Graag, daar verlang ik naar. Je viool is hiernaast; ik heb ze +opgeborgen. Wacht! ik zal ze halen;" en opstaande, verlaat de oude +heer even het vertrek. + +Als hij alleen gebleven is, slaat Dorus nogmaals een blik in den +spiegel; 't is een weemoedige blik, die, door 't glas weerkaatst, +hem eensklaps doet zeggen: "Triangel! Krates!" + +Dorus speelt. 't Is zijn eigen compositie, de _Burlesque_, die hij +te Brussel schreef. Tournel zit achterover in zijn stoel geleund, +met de beenen over elkaar geslagen en de rechterhand onder 't +grijze hoofd, aandachtig te luisteren. Soms trekt hij plotseling de +wenkbrauwen omhoog en spitst hij de lippen, als wilde hij daardoor +zijn verwondering te kennen geven over 't geen hij hoort; en zachtkens +wiegt hij het hoofd heen en weer, als een thema uit de _burlesqe_, +dat eenigszins den rhytmus van een wiegeliedje heeft, zijn ooren +streelt. In de gang bij de half geopende deur staat Augusta met de +handen gevouwen te luisteren; 't is koud in de gang, maar zij merkt +het nauwelijks en ongeduldig wenkt zij achterwaarts met de hand tot +zwijgen, als Barbara, het hoofd uit de keuken stekend, haar toeroept: +"Ga toch naar binnen, je krijgt het anders beet..." + +De _burlesque_ is geëindigd met een schitterende variatie en een +finale, die een volkomen meesterschap der techniek vordert. + +"Bravo! Bravissimo! dat heb je ontzaglijk goed gespeeld," roept +Tournel vol verrukking uit, als Dorus den strijkstok laat zinken. + +Augusta is naar haar kamertje gegaan en blijft daar een oogenblik in +gepeins voor 't venster staan; zij merkt niet, dat de glasruit bevroren +is en dat ze niet naar buiten ziet. Zij denkt aan 't geen zij hoorde en +tracht zichzelf rekenschap te geven van wat zij ondervindt. In langen +tijd heeft zij zich niet zoo tevreden en gelukkig gevoeld als nu. Zou +'t kunnen komen, omdat Dorus terug is? Zij weet het niet recht en +blijft een poosje staan denken. + +Eindelijk merkt ze, dat het vinnig koud is, en gaat terug naar de +huiskamer, waar zij door Tournel ontvangen wordt met de woorden: +"Jammer, dat je niet hier waart, Augusta; Dorus heeft gespeeld, en..." + +"Ik heb de _burlesque_ gehoord grootvader;" en tot Dorus zich wendend: +"Ik maak je wel zeer mijn compliment". + +Er trekt een wolk over 't voorhoofd van den jonkman bij die woorden, +en bijna geraakt antwoordt hij: + +"Dank je! Maar 'k wou liever dat _jij_ 't minder deftig hadt gezegd." + +"Hoe zoo?" + +"Voel je dat niet?" + +Augusta kleurt even, als zij zachtjes antwoordt: "Neen!" + +"Dat spijt mij." + +"Dorus! nu moet je mij, mij in 't bijzonder, een groot genoegen doen," +zegt Tournel, eensklaps het gesprek afbrekend. + +"Waarmee? Als ik 't kan, gaarne, dat weet u wel." + +"Aanstaanden Maandag over acht dagen hebben wij een groote uitvoering +van Polyhymnia; doe mij het pleizier en speel één nommer, bij voorbeeld +deze _burlesque_." + +"Twee, als ge wilt, beste vriend! Maar zal dokter Abels 't goedvinden?" + +"Waarom niet? En bovendien, je kunt het hem immers vragen...." + +"Dorus!" zegt op eens Augusta, die een oogenblik heeft staan nadenken. + +"Wat is er, Augusta?" + +"Je bent toch niet boos op me, wel?" + +"Zeker niet; maar...." + +"Dacht je, dat ik je spel niet mooi vond?" + +"Hoe zoo?" + +"Omdat ik zoo koel zei: "Ik maak je zeer mijn compliment." + +"Hm! dat niet; maar ik had toch liever gehad, dat..." + +"Ik wist op 't oogenblik niets anders te zeggen, omdat, omdat--nu, +omdat ik geen woorden had om te zeggen, _hoe_ mooi ik 't vond..." + +Met kracht vliegt het onstuimige bloed den jongen kunstenaar naar 't +hoofd en kleurt zijn wangen; het tintelt en glinstert in zijn oogen; +hij wil iets zeggen, maar hij kan niet, 't is hem alsof zijn keel +wordt dichtgeschroefd. + +'t Meisje staat vriendelijk lachend voor hem en biedt hem haar handje, +zacht vleiend herhalend: + +"Je bent toch niet boos op me?" + +Snel grijpt Dorus de hem toegestoken vingers en drukt er even zijn +lippen op. Een lichte siddering vaart hem door de leden, als hij +'t warme, zachte handje met zijn lippen aanraakt, en zij trekt het +haastig terug, terwijl een vluchtig rood haar gelaat bedekt. + + + + + +XIII. + +POLYHYMNIA. + + +Wat was het druk in het kleine stadje! Schier in elk fatsoenlijk +huis was alles in de weer. De dochters van den burgemeester liepen +naar de jonge dames van den notaris, en de jeugdige schoonen, die den +rijksontvanger tot vader hadden, vergaderden met de meisjes van een +der wethouders. Waarom? Natuurlijk, omdat de groote uitvoering van +Polyhymnia met een bal besloten zou worden, en omdat een bal voor +alle jonge meisjes in een kleine stad het summum van genot is. + +De groote societeitszaal, door het bestuur nu, evenals alle jaren, +welwillend afgestaan voor de uitvoering, werd gelucht, gewit, +geschrobd, gespoeld, dagen lang, en de kastelein liet door den +timmerman achter in de zaal een verhooging opslaan, die als orkest +dienen moest. Er werd gepast, gemeten en met elken centimeter +gewoekerd, omdat er meer dan veertig executanten, dames en heeren, +waren, en omdat er genoeg ruimte moest overblijven, om te kunnen +dansen. + +"Jansen, denk er om, 't dansen is eigenlijk de hoofdzaak," riep de +kastelein herhaaldelijk tot den timmerman, die, met zijn duimstok in +de hand, beweerde, dat hij nog vijftig centimeters meer noodig had. + +"'k Zal oe zeggen, Boakels, de doames en heeren kunt toch niet als +hoaring in 'n tunneke stoan. Zie-de, doar kun-de de pigano rèkenen, en +doar den lessenaar veur den olden heer Tournel; doar mô je riekelijk +ruumte veur nèmen, want ie wèt wel, Boakels, hie sloat met de erm en +de been, as ie oan den gang is...." + +"Nou, jij moet 't weten Jansen, als je 't maar precies doet zooals +verleden jaar." + +"Loat 't moar oan mien òver! Joa, wâ 'k nog zeggen wou, den dansekoater +hêt mien ezegd, dat 'k hier en doar den vloer zal afschoaven en dâ +'k 's oavonds hier wèzen mos, om er schuufpoeier over te strooien." + +"Als meneer Davids 't gezegd heeft, is 't goed; die zal 't wel met +het bestuur besproken hebben." + +Overal in het stadje waren de naalden in beweging, want de dames hadden +elkaar op de repetitiën beloofd om "doodeenvoudig" te komen, 'tgeen +gelijkstond met een wedstrijd om elkaar de loef af te steken door een +schitterend toilet. Menig vader zuchtte in stilte over de aderlating, +die zijn beurs onderging, en menige moeder, die in 't bezit was van een +stel dochters, dat onwederlegbaar den huwbaren leeftijd had bereikt, +vestigde in stilte haar laatste hoop op den gewichtigen avond. + +Jujubes en pâte-pectorale werden door den apotheker bij doozen vol +verkocht. De tenoren en baritons moesten gorgelen, om den invloed +van Boreas op hun stembanden te niet te doen. + +Dagen van te voren werden de vigilanten van de twee stalhouders, +die 't stadje rijk was, reeds besproken, en honderden malen werd hun +op het hart gedrukt toch vooral op den tijd te passen en niemand te +laten wachten. + +Levison, de kapper--_coiffeur de dames et perruquier_ noemde hij +zich--had een lijstje gemaakt van al de dames, die hij moest bedienen, +en rekende uit, dat hij, wilde hij aan alle aanvragen voldoen, +minstens 's middags om twaalf uren moest beginnen en een helper uit +de hoofdplaats diende te laten komen; anders kwam hij nog niet gereed. + +Davids, de bejaarde dansmeester, zat met zijn vrouw en dochter in +de stilte van zijn binnenkamer mutsen van vloeipapier te maken en +vlaggen van bonte sitsjes aan verzilverde matten rietjes te plakken, +omdat het bestuur een cotillon met verschillende figuren wilde hebben. + +Onophoudelijk repeteerden de solisten te huis bij hun respectieve +pianino's en de solisten en de koristen verzamelden zich 's avonds +in de kleine societeitszaal, om nog eens te oefenen. + +De bewoners der villa's in de onmiddellijke nabijheid van het stadje +keken in den almanak, of het volle maan zou zijn op den avond, die +voor de groote uitvoering bestemd was, en verheugden zich, toen zij +bemerkten, dat het volijverige bestuur van 't zanggezelschap zelfs +daarmede rekening had gehouden. + +Nieuwjaarsdag kwam eerst, en den daarop volgenden dag was het bal en +de uitvoering. De jonge dames en heeren hadden op den eersten dag +des jaars nog nooit zooveel te praten gehad. Feliciteeren, geluk, +heil en zegen wenschen, voor dansen engageeren en geëngageerd worden, +'t was waarlijk haast al te veel voor één dag! + +Tournel was zenuwachtig en opgewonden en zwaaide met onverbiddelijke +gestrengheid op de laatste repetitie zijn ebbenhouten schepter. Met +veel zelfvoldoening had hij aan de dames en heeren de verblijdende +mededeeling gedaan, dat zijn vroegere leerling, nu élève van het +conservatoire te Brussel, de soirée zou opluisteren door zijn spel, +en als een vuurtje had zich het nieuwtje door de stad verspreid. Men +was uiterst nieuwsgierig om te hooren, of Tournel niet overdreven +had door te beweren, dat Dorus een bijzonder talent was. + +De beweeglijke tongen der kleinstedelingen kwamen in vollen gang, +en voordat nog 't nieuwejaar geboren was, wist reeds iedereen, dat de +viool-solist van dien avond een kermisjongen was, dien dokter Abels uit +medelijden had opgenomen en op zijn kosten liet studeeren. Ware dokter +Abels niet zoo algemeen geacht en bemind geweest, waarschijnlijk zou +men over Dorus' afkomst en verleden nog meer den neus hebben opgehaald, +dan nu het geval was. + +De burgermeesterszoon, een fatterig jongmensch, die op de piano +zonder haperen "Il Baccio" kon spelen en een sonate van Beethoven +meesterlijk wist te verknoeien, had zich bij den notaris aan huis er +over uitgelaten, "dat 't eigenlijk een décline voor Polyhymnia was, dat +men iemand van zoo obscure extractie introduceerde," maar de jongste +dochter des huizes, die een mager sopraantje zong, had gezegd, dat men +'t geen introduceeren noemen kon. "Men liet hem voor de leden spelen; +_voilà tout_." + +Met een gevoel van nijd had op de sociëteit de apotheker Vroom gezegd: +"We hadden best in eigen boezem een violist kunnen vinden," waarop +de ontvanger antwoordde: "Daar heb je gelijk in, Vroom, ze hebben +jou gepasseerd." + +Met spanning zag iedereen den 2den Januari te gemoet. + + + +De zaal is schitterend verlicht, er zijn hier en daar groote +spiegels aan de wanden aangebracht, waardoor èn licht èn publiek +worden weerkaatst. Een groot aantal dames en heeren is opgekomen, +rijke baltoiletten, ruischende zijden japonnen, witte sorties +en eenvoudige tarlatan-kleedjes wisselen af met zwarte rokken en +gekleede jassen. Hier en daar ziet men een officiersuniform, en op +enkele plaatsen een gekleurde of grijze jas van niet dansende of +oudere heeren, die 't zoo nauw niet met de étiquette nemen. + +De élite van het stadje is verzameld. Een gonzend geluid treft het oor +bij het binnenkomen der zaal; gesmoord lachen, fluisterende stemmen, +halfluide opmerkingen en begroetingen van dezen en genen wisselen +elkander af. + +'t Slaat acht uren! + +De deur achter in de zaal opent zich en een vriendelijke, maar min +of meer zenuwachtige en daardoor ernstig blikkende jonge-damesschaar +treedt binnen, gevolgd door een ongeveer gelijk aantal jonge en oudere +heeren, die begrafenisgezichten zetten. Allen nemen hunne plaatsen op +het orkest in: de sopranen en alten links en rechts van den directeur, +de bassen en tenoren daarachter. + +Een zacht fluisteren ruischt nog door de zaal, totdat Tournel zijn +dirigeerstok opheft en het sein tot den aanvang geeft. + +_"Waldesrauschen"_ voor gemengd koor is 't eerste nummer, dat ten +gehoore wordt gebracht. Tournel spant zich in om de uitvoering +niet slechter te doen zijn dan de laatste repetitie, en 't gelukt +hem. Allen doen hun best; 't publiek is zeer voldaan en geeft door +donderend applaus zijn tevredenheid te kennen. Verschillende nummers +volgen en eindelijk is het solo voor viool aan de beurt. Dokter Abels, +voor deze gelegenheid in de stad gekomen, is onder 't zingen van een +der laatste stukken binnengetreden en onderhoudt zich zachtjes met een +paar heeren, die evenals hij geen zitplaats hebben kunnen veroveren. + +Daar verschijnt Dorus op het orkest. + +Een gesmoorde lach op enkele plaatsen in de zaal begroet zijn komst. Al +de lorgnetten, die aanwezig zijn, richten zich op de kromme gestalte +voor hen. + +"Wat een hooge rug!" zegt medelijdend een oudere dame. + +"Een bochel," fluistert haar dochter. + +"'t Is het type van een proletariër," merkt lachend de +burgemeesterszoon op, tot de naast hem zittende schoone. + +"Vindt u? Mij dunkt, hij heeft een fatsoenlijk gezicht." + +"Comment, fatsoenlijk? 't Is al bourgeois wat er aan is." + +"Hij heeft mooie oogen en fijne trekken. Jammer van dien man, dat +hij contrefait is." + +"Zegt u maar gerust: gebocheld! 't Is ongepermitteerd zoo'n figuur +te hebben. Parole d'honneur, 't is een phantasierug, hè! hè! hè!" + +Dokter Abels, die zijn protégé op 't orkest gadeslaat, zegt tot een +naast hem staanden vriend: "Je hebt hem vroeger gezien, Dankelaar; +vind je niet, dat hij opgeknapt is?" + +"Waarlijk, hij is gegroeid, dokter;" en zich tot een naast hem +zittenden heer wendend, zegt de heer Dankelaar: "Dat jongmensch is een +protégé van dokter Abels; hij heeft zijn opvoeding aan onzen goeden +vriend te danken.--Och, dokter, mag ik u even in kennis brengen +met mijn oom Verhagen, uit Amsterdam, die een paar dagen bij ons +gelogeerd is." + +"Aangenaam kennis te maken, dokter." + +"Insgelijks, mijnheer Verhagen." + +Het gesprek wordt afgebroken, want Tournel, die voor den vleugel +heeft plaats genomen, slaat een paar akkoorden aan. + +Dorus heeft als eerste nummer een _Nocturne_ van De Bériot gekozen; +zijn leermeester accompagneert. 't Elégische van het stuk harmonieert +op 't oogenblik met zijn stemming; want scherp opmerker als hij +is, zijn hem de spotachtige lachjes en blikken van het auditorium +niet ontgaan. Hij heeft, als hij begint te spelen, de lorgnetten op +zich zien richten en de hoofden waargenomen, die bij elkaar worden +gestoken, terwijl zich de blikken zijdelings naar hem wenden. 't +Is hem, als heeft hij het fluisteren verstaan en alsof 't woord: +"bochel" onophoudelijk zijn oor treft. Nog fluistert hier en daar +een enkele stem, maar reeds na eenige streken verstomt ook de meest +praatgrage toehoorder; 't wordt doodstil, men kan, zooals men 't +noemt, een speld hooren vallen in de zaal, waardoor de heerlijke +tonen ruischen, die Dorus aan zijn Cremona ontlokt. + +Vol, breed en krachtig, beschaafd en edel is zijn toon, meesterlijk +zijn techniek, en ademloos luisteren allen. + +Augusta ziet van haar plaats in 't koor hem aan; hij haar, en 't is +alsof haar aanblik hem inspireert, alsof zijn toon nog krachtiger, +zijn spel nog bezielder wordt. + +Nu lacht niemand meer, alles luistert met inspanning en menig oog +tintelt van genot; veler wang kleurt zich hooger door den invloed +van de zangrijke stem, die uit de snaren spreekt tot het hart en +doordringt tot de ziel. + +Hij speelt voort! + +'t Is de triomf van den kunstenaar. + +Niemand, tenzij misschien een enkele hartelooze, ongevoelige mensch, +ziet meer de mismaakte gestalte daar voor zich, niemand let meer op +den hoogen schouder. Men luistert alleen naar die tonen, zoo volmaakt +en schoon, zoo roerend meesleepend en weldadig tevens. + +De _Nocturne_ is uit. Tournel slaat de slotakkoorden aan en wendt +even het hoofd om naar Dorus, die nog steeds met de viool aan de kin +is blijven staan, als dacht hij na, zonder het publiek vóór zich +te zien. Daverend zijn de toejuichingen, die de wanden der zaal +doen dreunen. + +"Da capo! Bravo! Da capo! Bis! bis!" roepen allen +als om strijd. + +"Buig dan toch! Buig dan!" roept Tournel Dorus zachtjes toe, als hij +ziet, dat deze stokstijf blijft staan. + +"Bravo! Da capo!--Da capo!" + +Augusta's oogen glinsteren van trots en vreugde over het succes van +haar vriend. + +Hij ziet slechts die twee bruine sterren vóór zich, en als werktuiglijk +brengt hij den strijkstok weer omhoog.--Tournel ziet verwonderd op +en blijft voor den vleugel afwachtend zitten. Weer wordt het doodstil +in de zaal; nogmaals gevoelen allen den invloed en de macht der kunst. + +Met een krachtig akkoord begint hij opnieuw zijn spel; zijn oogen +glinsteren, zijn geheele gelaat is bezield en beurtelings wisselen +blos en bleekheid op zijn wangen. De Cremona zingt een lied van liefde +en lijden, van lust en leven. + +Wat denkt Dorus op dat oogenblik bij die phantasie? + +Als een herinnering aan vorige dagen klinkt zijn spel. Ziet hij zich +in den geest terug op dien lentemorgen aan 't sterfbed van die goede, +zachtmoedige vrouw? Doemt in zijn ziel een onbestemd beeld op van +zijn moeder, van zijn kindsheid, toen hij, nauw bewust te leven, +aan haar liefdevolle borst lag, toen de goede vrouw haar arm om het +ongelukkige wanschapen kind sloeg, om hem voor den ruwen vader te +beschermen? Wie weet, wat hij gevoelt, nu hij speelt? + +Luister, hoe de tonen klagen! Is 't niet alsof hij aan de wereld +wil vertellen, hoe zij zonder erbarmen is geweest voor den armen +knaap?--Is de dissonant, die zich schril tusschen de andere tonen als +een kreet van smart doet hooren, niet als een weerspiegeling van zijn +eigen gemoed? + +Maar hoor! de melodie wordt zachter, dan vroolijker, eindelijk +jubelend, als de zang van den opstijgenden leeuwerik. 't Juicht in de +snaren: "Geduld! Geduld! Eens zult ge meer zijn dan zij, dan allen, +die u bespotten om uw lichaam. Geduld!" + + + +Het niet te weerhouden applaus rukt den spelenden Dorus uit zijn +droomerijen. Hij ziet Augusta's vochtige oogen en Tournels bewonderende +blikken. + +Met een krachtige, korte finale besluit hij zijn phantasie. Nu buigt +hij en verlaat het orkest. + +In de kleine kamer achter de zaal laat hij zich op een stoel neervallen +en wischt zich vermoeid de slapen. + +Goddank! hij is een oogenblik alléén. + + + +"Verrukkelijk! Heerlijk! Onverbeterlijk!" hoort men van alle kanten +uit de opgetogen monden. + +"'t Is incroyable, dat zoo'n mismaakte sinjeur zoo aardig spelen +kan..." + +"Foei, mijnheer! dat's ongevoelig van u... 't Was goddelijk; zóó te +kunnen spelen is een gave, die..." + +"Ha! ha! ha! is u er sentimenteel van geworden, juffrouw?" + +De verontwaardigde jonge dame spreekt niet meer tegen den +burgemeesterszoon, die na afloop van 't concert woedend tot een zijner +vrienden zegt: "Zoo'n miserabele kromme speelman zou me waarachtig mijn +heele succes bij juffrouw Masthoven bederven; ze is, parole d'honneur, +épris van dien bochel! Ha! ha! ha! wat zoo'n beetje muziek al niet +doet, hé? Zeg! willen we nog een toddy nemen; ik heb mijn bekomst al +van 't concert. Goddank! nog maar drie nommers en dan: En avant la +danse!--Vive la polka!" + +'t Concert is afgeloopen; in de zaal worden de stoelen verzet en +alles maakt zich gereed tot den dans. + +In de koffiekamer staan verschillende clubjes heeren te praten: +dokter Abels en Dorus met de heeren Verhagen en Dankerlaar. + +"Is u tevreden, dokter?" vraagt Dorus bescheiden. + +"Uitmuntend, mijn jongen; 'k heb eer met je ingelegd." + +Hij klopt Dorus vertrouwelijk op den schouder. + +"Mag ik u wel mijn compliment maken, mijnheer.... pardon uw naam is +mij nog niet genoemd; op 't programma staat alleen ***" zegt de heer +Verhagen, Dorus naderend. + +"Makko, mijnheer!" + +"Makko?" + +"Makko, juist mijnheer. Verwondert u dat?" + +"Makko! Makko!" De heer Verhagen ziet hem oplettend aan en neemt een +visitekaartje uit den zak, met de woorden: "Doe mij een pleizier en +kom dezer dagen even bij mij. Ik ben de procureur Verhagen; ik logeer +een dag of wat bij mijn neef Dankelaar: waarschijnlijk heb ik u iets +zeer belangrijks mede te deelen.--Dokter Abels! kan ik u strakjes +even alleen spreken?" + + + +"En valse, messieurs et mesdames! La polonaise et en valse," roept +Davids, de dansmeester. + +"Hoor eens! daar begint de muziek. Gaat u niet eens kijken? Danst u +niet?" vraagt Dankelaar, als hij eenige oogenblikken later alleen is +gebleven met Dorus. + +"Ik dansen? U maakt toch zeker een grap. Ik dansen, met mijn figuur?" + +"Ah ja! pardon, u doet er zeker niet aan. Excuseer mij een +oogenblik." Dankelaar verlaat de zaal, en Dorus ziet de bonte schaar +voor zich met sombere blikken aan. + + + +"Rêve, doux rêve!" speelt een zestal muzikanten. + +"En valse, mesdames et messieurs!" + +Arm in arm wandelen de paren door de zaal. Davids regelt den +dans. Onvermoeid dribbelt de kleine oude man heen en weer. "Cinq, six, +sept, huit paires" zegt hij, met zijn witte handschoenen de schouders +der heeren even aanrakend; "s'il vous plait, en valse." De aangewezen +paren zweven lustig door de zaal, totdat Davids, in de handen klappend, +roept: "En place", en acht nieuwe paren gelukkig maakt door zijn: +"En valse, mesdames!" Nu en dan ontglipt een ongeduldig paartje aan het +waakzame oog van den dansmeester en maakt vóór zijn beurt een toertje +door de zaal; maar 't is met angst en beven, want Davids is _ad-rem_ +en weet zeer beleefd aan de voorbarige paren de onregelmatigheid van +hun gedrag onder 't oog te brengen. De dames worden allengs min of +meer opgewonden, de heeren krijgen 't warm en de burgemeesterszoon +wischt zich het voorhoofd af, want onvermoeid danser als hij is en +"chéri des dames", zooals hij zich verbeeldt te zijn, maakt hij +tallooze extra-toertjes. + +Als Dorus een poosje in de zaal is, ontneemt een stoffige, benauwde +warmte hem bijna den adem. Eenige jonge dames, die geen danser hebben, +zien hem medelijdend aan, als wilden zij zeggen: "'t Gaat u als ons; +gij danst zeker ook niet van avond;" en een paar oudere heeren maken +plaats voor hem, terwijl zij onder 't voorbijgaan iets vleiends +zeggen over "zijn talentvol spel." De jonkman slaat er nauwelijks +acht op, want zoo even is Augusta hem voorbijgevlogen in den arm van +een vluggen danser, een knap jongmensch met een frisch gelaat en een +blonden krullebol. + +"Hoe sierlijk danst zij," denkt Dorus, "haar voeten schijnen nauw +den grond te raken." + +Zeer vertrouwelijk babbelt zij met haar danser, die geheel "aux +petits soins" is. Haar boezem zwoegt en haar oogen schitteren van +genot. Nauwelijks is zij weer in de rij der wachtende paren getreden, +of de burgemeesterszoon nadert haar en verzoekt beleefd om een +extra-toertje. 't Wordt hem toegestaan en opnieuw walst Augusta op de +maat der muziek door de zaal. Ademloos laat zij zich eindelijk op een +stoel nedervallen; haar cavalier buigt allerliefst en verwijdert zich, +om zijn plaats weder af te staan aan den eersten danser. Lachend en +hijgend waait zij zich koelte toe met haar waaier. + +In een hoekje der zaal slaat Dorus, onopgemerkt door de overigen, +Augusta gade. + +Er is op dit oogenblik bitterheid in zijn hart. "Waarom ben ik niet +zooals anderen? Waarom is mij het geluk ontzegd haar thans in mijn +armen te drukken, haar hoofd tegen mijn schouder te voelen rusten, +met haar door de zaal te zweven? Waarom?--Omdat ik een geteekende ben, +een misbaksel, een bult!" In stilte balt hij de vuisten en bijt zijn +lippen bijna aan 't bloeden. Weer, en nog eens weer zweeft Augusta hem +in den dans voorbij; zij ziet hem niet, ze denkt niet eens aan hem; +haar eenige gedachte op dat oogenblik is de dans. + +Arme Dorus! de liefde is in uw hart ontwaakt en te gelijk ook de +jaloezie. Ge weet nog niet, dat gij, als ge iemand lief hebt, haar +de macht geeft, maar tevens het recht ontneemt u te doen lijden. + +"Zoo'n laffe kwast," mompelt hij, als hij eenige gezegden van den +burgemeesterszoon, die in zijn onmiddellijke nabijheid met een ander +staat te praten, opvangt; maar een toornige vonk flikkert in zijn oog, +als hij de woorden hoort: "Die kleine Tournel danst als een engel, +parole d'honneur; 't is een allerliefst kindje. Jammer dat ze van +geen betere familie is: ik zou haar anders bepaald 't hof maken, +misschien trouwen..." + +"Ze is charmant, dat geef ik je gewonnen, maar geen partij." + +"Daarom: pour le badinage bon, pour le mariage non!" + +"Pour le badinage," sist Dorus onwillekeurig tusschen de tanden +"zoo'n vlegel!" Hij is op 't punt zich in 't gesprek te mengen, +maar hij bedenkt zich nog bijtijds. + +"Wat zou 't een gekke sensatie maken, als ik, een bult, partij trok +voor Augusta; ze werd zeker om zoo'n ridder uitgelachen of geplaagd, +en dat wil ik niet; de kwâjongen is ook niet waard, dat men zich boos +op hem maakt. Gelukkig is zij er 't meisje niet naar, om iets voor +zoo'n kwast te voelen." + +Hij wordt kalmer. + +Zie! daar wandelt Augusta, arm in arm met den blonden krullebol. Ze +gaat rakelings Dorus voorbij, maar zij ziet hem niet. Ze praat zoo +vroolijk en druk met haar cavalier, en toevallig houdt zij den waaier +voor 't gelaat juist aan den kant waar Dorus staat. + +Zou zij 't met opzet doen? Och neen! dat kan zij toch niet, daarvoor +is zij veel te eenvoudig en te goed. + +"Dat zij zelfs geen enkelen blik voor mij overheeft! Zou ze mij +niet opmerken? Zij weet toch, dat ik hier ben," denkt de jonkman, +terwijl hij steeds meer en meer ontstemd en droevig wordt. Hij wil +de zaal verlaten, maar dicht bij de deur ontmoet hij Tournel, die +hem staande houdt: + +"Waar wil je heen? Er is in de koffiekamer niets te doen, alleen een +paar oude heeren die een sigaar rooken." + +"'k Ben moe; 'k wil naar huis." + +"Wat een succes heb je gehad! Dorus! jongen, wat was ik grootsch op +je. Hoe voel je je nu wel. Gelukkig, hè!" + +Gelukkig? Een diep zwaarmoedige blik uit de donkere oogen ontgaat +den ouden muziekmeester, die opgetogen vervolgt: + +"Er is maar één roep over. Vooral die phantasie was uitmuntend; die +moet je opschrijven.--Kerel! waar haal je die tonen vandaan?--Mij +dunkt, zoo'n succes moet je onbeschrijfelijk goeddoen. Hoor +me die eerste viool eens krassen,--groote goedheid, dat's een +bolleboos!--Wat! zijn ze nu al aan de quadrille?--A propos, heb je +Guusje zien dansen?" + +"Ja!" + +"Elegant, hé?" + +"O ja!" + +"'t Is een lust om 't kind te zien: ze is er zoo met hart en ziel bij; +ze is er dol op.--Heb je hoofdpijn. Dorus? Je ziet er wat vermoeid uit, +'n beetje bleek. Ja, 't is hier benauwd.--Hoe zoo'n meisje 't uithoudt, +begrijp ik niet: onvermoeid zou ze zoo'n geheelen nacht door dansen, +als ik er geen stokje voor stak. Och! 'k ben ook zoo geweest in +mijn jonge jaren.--Heb jij wel eens gedanst? Hm! neen! dat zal wel +niet; misschien zou je er niet eens van houden... Dag, kind! dag, +Guusje!" zegt Tournel eensklaps vrij luid. Het meisje is op een +kleinen afstand, aan den arm van den blonden heer voorbijgewandeld +en heeft haar grootvader toegeknikt. "Daar danst ze weer met hem." + +"Met wien?" + +"Heb je haar straks niet zien walsen, Dorus? Met den jongen Brouwer, +dien blonden krullebol. 'n Knappe jongen, hé? Dat is hij nu,--die, +waarover ik je sprak. Ik moet zeggen, 't is een man van zijn woord; +'k heb hem verleden jaar gezegd: "Beste jongen, 't meisje is nog te +jong, je moet nog een jaartje geduld hebben en over niets spreken; +dan zullen we eens zien." Och! weet je, Dorus, als zij er eenmaal +haar zinnen op zet, is er toch niets aan te doen. Maar..... willen +we liever naar beneden gaan? Je ziet er bepaald ongesteld uit; +'t is ook veel te stoffig en te warm hier.--Ja! als hij een vaste +positie had... Maar zoolang hij nog alleen candidaat-notaris is, komt +er toch niets van; die candidaten moeten soms eeuwig lang wachten, +eer zij benoemd worden... En zelf geen fortuin. 'k Zou wel eens willen +weten, of zij hem graag lijden mag,.. Zeg! dat kun jij, zoo langs je +neus weg, haar wel eens vragen; morgen spreekt ze toch allicht over +'t bal en dan... Plaag haar maar eens met hem... begrijp je?" + +De oude man praat nog eenigen tijd voort en bemerkt niet, dat Dorus +hoe langer hoe bleeker wordt; en zonder het zelf te weten martelt hij +den jonkman, totdat hij hem eindelijk den genadeslag geeft door te +zeggen: Daar komen ze recht op ons aan; nu moet je eens goed opletten, +hoe hun verhouding is; twee zien meer dan één." + +Eensklaps verlaat Dorus de zaal, zonder verder een woord te +spreken. Hoofdschuddend ziet Tournel hem na en mompelt: "Hij is toch +niet sterk. Wat zag hij bleek; 't is en blijft een zwak manneke!" + +'t Is koud buiten. Dorus bespeurt het niet, als hij doelloos door +de stille, donkere straten van het stadje loopt; 't is bitter koud +en de gure wind jaagt hem scherpe, ijzige vlokken in 't gelaat. Hij +voelt ze niet, tranen besproeien zijn wangen en smartelijk zucht hij: +"Verloren! voor altijd." Hij heeft genoeg gezien: hij begrijpt, dat +er voor hem geen hoop meer is..... En toch, was zij niet verheugd, +ja opgetogen geweest, toen zij hem terugzag? Had ze niet gebloosd, +toen hij met haar sprak?--Wat was dat dan?--Zou ze behaagziek +zijn?--Neen! Neen! dat was toch zoo niet. Maar wat dan..? Wat +dan....? Killer wordt de wind, dichter jagen de vlokken. Hij +bemerkt er niets van; zijn gedachten houden hem geheel en al +bezig. "Zou zij dien man liefhebben?" denkt hij. "Waarom? Alleen +omdat hij schoon van uiterlijk is. En ik... O God! o God! waarom +ben ik, zooals ik ben...? Ik begrijp, zij ziet in mij alleen den +kunstenaar, misschien een vriend; ze gevoelt alleen sympathie voor +mij, omdat zij eigenlijk zelf artiste is.--Maar ben ik dan zoo +afschrikwekkend? Ha! ha! ha! ha!" Zenuwachtig en luid lacht hij, +en akelig klinkt dat geluid door de ledige straten. "Een bochel, +een krates! 't Is ook wat moois voor een jong meisje, om er mee voor +den dag te komen. Ha! Ha! Ha! Mag ik u mijn galant voorstellen: hij +heeft een eenigszins hoogen rug, een beetje erg, een beetje heel erg, +ha! ha! ha!... O! God! ik wou, dat ik nooit geboren was..." + +Werktuiglijk heeft hij den weg naar Tournels huis ingeslagen; daar +brandt nog licht. Barbara is opgebleven; zij zit bij de kachel te +dommelen en hoort de voetstappen. Hol klinken ze in de straat. Dat +geluid doet haar naar beneden gaan, met een licht in de hand opent +zij de deur. + +"Ben jij daar al terug? Dorus? Waar zijn de anderen? Nog op 't bal +zeker? Je hebt gelijk, dat je maar thuis komt, want dat dansen is toch +niets voor jou. Wat scheelt je? Goeie hemel wat zie je er naar uit, +waar is je overjas? Je lijkt wel gek, met zoo'n kou zoo te loopen!" + +Dorus wankelt haar voorbij en uit een paar onverstaanbare +woorden. Terwijl hij de trap naar 't kamertje, waar hij slaapt, +opgaat, tracht hij te zeggen: "Goeden nacht!" maar 't is alsof zijn +tong bezwaard is; de woorden klinken onduidelijk en vreemd. + +"Goeie hemel! hij is dronken," denkt Barbara, als zij hem vol verbazing +nakijkt. Hoofdschuddend gaat zij weer naar binnen bij het vuur zitten +en pruttelt in stilte: "Daar heb 't 't nu al weer; dat zal wel een +aardje naar zijn vaartje zijn. Jammer van den jongen, jammer!" + +De societeit straalt van licht, alles is nog vol beweging en leven; in +de koffiekamer zit dokter Abels in druk gesprek met de heeren Verhagen +en Dankelaar, en herhaaldelijk noemen zij den naam van Dorus Makko, +den zoon van den hondenscheerder.... + +In de groote zaal is het bal in vollen gang; dáár gloeien de wangen +steeds hooger rood, en levenslustig tintelen de oogen der dansende +paren bij de opwekkende tonen der muziek. + +Augusta danst onvermoeid en geniet haar jeugd... En in het kamertje, +boven in Tournels bescheiden woning, is het donker en kil; daar ligt +Dorus voorover, met het hoofd op het bed; in het kussen smoort hij +zijn tranen en snikken. Hij is nog jong, nog geen twintig jaren, +en toch heeft hij geen jeugd. Er overvalt hem een gevoel, alsof hij +oud is, heel oud! te oud voor de wereld. + +Hoe onstuimig klopt zijn hart, en hoe wild jaagt hem het bloed door +de aderen! In gedachten hoort hij de wals _"rêve, viens encore!"_ +en in den geest ziet hij, hoe Augusta in de armen van dien anderen +rondzweeft. Hij haat dien man, hij zou hem kunnen vernielen en toch +kent hij hem niet, toch heeft die man hem nooit eenig leed gedaan +voor dezen; maar nu in dit oogenblik ontneemt hij hem ook alles. + +"_Rêve, viens encore!_" zegt hij in gedachten, als hij zich voorstelt, +hoe hij een kort oogenblik gedroomd heeft, dat Augusta hem liefhad. Zij +is reeds als knaap zijn droombeeld geweest, zonder dat hij er eigenlijk +besef van had: dat merkt hij, dat gevoelt hij eerst nu; juist nu, +omdat hij haar verloren heeft, op het oogenblik, waarop hij haar +meende te vinden. + +Dorus is alleen, niemand bekommert zich over hem. Ja toch wel! die +kleine hond, Boppie. Tevergeefs springt hij tegen Dorus op, krabbelt +aan het bed en kwispelt met zijn stompje staart. 't Helpt hem niet; +zijns meesters gedachten toeven elders, en hij let niet op 't trouwe +dier, dat eerst gaat opzitten om aandacht te wekken, dan zachtjes jankt +en eindelijk, moede van 't vruchteloos pogen, zich aan de voeten van +"den baas" neervlijt. + + + +De ijzige wind daarbuiten is bedaard en de witte ijskristallen en +vlokken liggen rustig op de daken of samengewaaid en opgestapeld in +vensterhoeken en kozijnen, als rustten zij uit van hun dwarrelenden +tocht. De oude torenklok slaat "drie". Dorus hoort het niet! Helder +schijnt de maan op de bevrozen ruiten van 't venster, maar hij ziet +de ijsbloemen niet op het glas, beschenen door het koele licht der +maan. Toch zijn zij in vele opzichten het beeld van hetgeen het +leven biedt. + +Bloemen geeft hem de kunst door zijn talent. Schoon zijn ze, +schitterend en blinkend als de ijskristallen, koel en koud; het +kalme licht der maan doodt ze niet, maar voor den warmen zonneschijn +verdwijnen ze en komen niet terug. Arme Dorus, warmte en zonneschijn, +liefde en geluk, dat is het wat gij zoekt, wat gij mist, waar ge +thans om schreit en snikt, als wilde het hart u breken; waarom ge nu +wenscht te mogen, te kunnen sterven. + + + +Den volgenden dag sliepen allen in Tournels huis buitengewoon lang, en +toen eindelijk Dorus niet aan de ontbijttafel verscheen, ging Tournel +naar zijn kamer, om te zien, of hij soms ongesteld was geworden, maar +kwam eenige oogenblikken later verwonderd terug met een beschreven +papier in de hand. + +"Zoo iets heb ik nog nooit beleefd. Wat een wonderlijke gril is dat +nu!--Dorus is vertrokken!" + +"Wat zeg je, Tournel, is hij weg?" + +"Waarom, grootvader?" + +"Daar, lees, of neen, luister!" + + Beste vrienden! + + "Verwondert u niet, dat ik vertrokken ben; ik moest weg, + en ga naar 't conservatoire terug. 'k Heb gisterenavond + gemerkt, wat mij ontbreekt: 't is onnoemelijk veel; ik ga weer + studeeren. Hartelijk dank voor alles, wat ik bij u genoten heb; + ik zal deze dagen nooit vergeten, nooit en nimmer! Vaartwel + en leeft gelukkig. + + Dorus." + +"Heb je nu ooit zoo iets beleefd?" + +"Wil ik je eens wat zeggen, Tournel, hij schaamt zich." + +"Hij zich schamen! Waarom?" + +"Omdat hij gisterenavond, of liever van nacht, dronken, thuis is +gekomen." + +"Wat zeg je daar, Barbara, hij, Dorus, dronken?" + +"Hij kon niet eens goed loopen, zeg ik je." + +"Dat's niet waar, nicht Barbara, dat is onmogelijk waar, dat geloof +ik nooit!" + +"Kijk eens aan, hoe je partij voor hem trekt. Wel! wel! men zou haast +zeggen, dat je...." + +"Nu, wat dan?" Augusta's oogen fonkelen, en zij kleurt even. + +"Dat je wat voor hem voelde." + +"Dat doe ik ook." + +"Ei! ei!" + +"Ik beschouw hem als een broer, als een besten vriend, van wien ik +heel veel houd, en daarom wil ik niets hooren, dat...." + +"O, zoo!" + +Hoofdschuddend zegt de grijze Tournel: + +"Dronken! Ik kan het haast niet gelooven; 't zou verschrikkelijk zijn." + + + + + +XIV. + +NOG EENS ROOFVOGELS. + + +"Dus je wilt met mij trouwen, Strijkman?" + +"Zooals ik zei." + +"Is 't waarachtig? Kom je daar nu weer mee aan? Voor anderhalf jaar +geleden heb ik immers al gezegd, dat ik volstrekt geen idee in je +heb. Begin je nu weer?" + +"Wat ik zeg, meen ik." + +"Ha! ha! ha! ha!" + +"Lach je daarom?" + +"Hè! hè! hè! hè! hij vraagt me voor den tweeden keer! Hè! hè! hè!" + +"'t Is niet om te lachen, vrouw Juttner!" + +"Neen, 't is om te huilen! Och, Strijkman, hou as-je-blieft op, +ik zou me een ongeluk lachen." En herhaaldelijk met de handen op de +knieën slaande, giert de weduwe het uit van pret, terwijl zij den +tegenover haar zittenden pandjesbaas aanziet. + +"Je lijkt wel mal!" + +"Ha! ha! ha! wat verbeeld jij je wel, oud, leelijk mirakel!" De vrouw +lacht tranen. + +"Zeg ereis, 't kan wel minder." + +"Ha! ha! ha!" + +Met een zonderlinge uitdrukking van dwaze verwondering ziet Strijkman +vrouw Juttner aan, die onbedaarlijk lacht, nu en dan naar haar zoon +Kobus, die bij het venster staat, kijkt en, op hem wijzend, giegelend +zegt: "Wou je zijn stiefvader worden? God beware hem er voor!" + +De kamer, waar het tweetal roofvogels zich nu bevindt, is een +achterkamer met het uitzicht op een plat; zij is schamel gemeubeld, +maar een vorstelijk verblijf in vergelijking met het armoedige +vertrekje, vroeger door de weduwe bewoond. + +De onnoozele Kobus ziet door het venster naar een loerende kat, die op +het plat een paar rondhuppelende musschen belaagt. Nu en dan verheldert +een domme lach zijn wezen en roept hij op een doffen toon, zich half +omdraaiend: "Moeder, hij loert er op! maar hij krijgt ze toch niet..." + +"Kom eens hier, Kobus!" + +Langzaam nadert de idioot, en als hij bij de tafel staat, zegt zijn +moeder, op den pandjesbaas wijzend: "Hij wil je vader worden. Hoe +vind je hem?" + +"Vader is dood, ik heet Dorus.--Dorus,--is 't zoo goed?" + +"Schei maar uit met je geleerde les; je kent haar toch niet van +buiten," pruttelt Strijkman nijdig. + +"Hij doet zijn best, en dat's meer dan je verlangen kunt." + +"'t Is wat moois! 'k Wou, dat ik nooit..." + +"Begonnen was. Och, Strijkkie, dat liedje kennen we. Ja! veel gaan we +niet vooruit met de erfenis, maar _wij_", zij drukt op dat woord wij, +"hebben geen haast, niet waar, Kobus? Wij leven zoo stilletjes voort; +we konden het wel wat breeder hebben, als jij maar wat meer woudt +afschuiven, maar jij bent nou eens niet scheutig; anders..." + +"Wou je me nog gauwer doodarm maken?" + +"Waarachtig niet, Strijkkie, we moeten langer pleizier van je geld +hebben dan vandaag of morgen; daarom doen we langzaam aan, dan breekt +het lijntje niet." + +"Zanik nu maar niet langer. Wil je of wil je niet?" + +"Trouwen?" + +"Ja, wat anders?" + +"Hoor eens, beste man, 'k ben net zoo gaar als jij. Dacht je nou, +dat ik niet snapte, waarom je me trouwen wilt? Och! zie je me voor +zóó dom aan? Wil ik je ereis wat zeggen? Als ik jou vrouw was, dan +kon ik mijn keel wel aan den kapstok hangen, dan moest ik naar jou +pijpen dansen en dan kon jij met me doen wat je woudt. Maar nou doe +ik met jou wat ik wil. Begrepen? En daarom trouw ik je niet. Je bent +me ook nog al een lief mannetje! Zoo'n uitgedroogde stokvisch mankeert +me nog voor mijn dood. Ha! ha! ha!" + +Woedend staat Strijkman op van zijn stoel. + +"Hou je gemak, vader! Maak je niet dik; dun is de mode. Wij kunnen +immers goede vrinden blijven, al trouwen we niet... Zeg! zul je eens om +'t geld voor de huur denken?" + +"Je krijgt geen cent meer." + +"Och, geloof je dat waarachtig? Kom, kom! hou je maar zoo niet; +ik weet het wel anders, m'n engel." + +"Ik ben niet bang meer voor jou dreigementen, versta je?" + +"Heel goed, des te beter voor jou, Strijkkie!--Maar laten we nu eens +verstandig met mekaar praten. Je wilt graag van me af, hé?" + +"Dat is te zeggen..." De oude man gaat weer zitten. + +"Je ziet wel, dat er van de erfenis niets komt. Hoe lang ben je er +nu al over bezig?" + +"Over de vier jaren, God beter 't. Jij kost me al een kapitaal aan +geld; en jou suffe jongen..." + +"Zeg, niet schelden, hoor! Die stumper is ongelukkig genoeg, en dat +hij niet dol op je is, is waarachtig geen wonder..." + +"Die procureur Verhagen is eigenlijk de schuld van alles. 'k Wou, +dat ik nooit iets van hem had gezien of gehoord en dat jij naar de..." + +"Begin je weer? Laten we de zaak afmaken: ik wil schappelijk met je +handelen; je kunt me afkoopen." + +"Zoo, dat zou je wel willen." Strijkman brengt werktuiglijk de hand +naar zijn borstzak. + +"Dat spreekt vanzelf. Denk je, dat ik jou gezelschap zoo aardig +vind? 'k Zie liever je rug dan je gezicht, maar je duiten zijn goed, +o! zoo goed, net zoo goed als die van een ander. Luister eens, +Strijkkie!" + +"Nou?" + +"Je bulkt van het geld en ik leef van..." + +"Van _mijn_ duiten..." + +"Nou ja dan, als je zoo wilt, maar armoedig. Ik wil 't beter hebben: +ik heb idee om een winkelnering op te zetten, zoo'n winkeltje van +alles en nog wat. In de Rozenstraat is een huisje te koop met een +stand. Wat het huis kost, weet ik niet, maar voor den stand en den +winkel, met wat er in is, vragen ze zestien honderd gulden." + +"Wat zeg je! Zooveel geld voor een...?" + +"Ja, 't is een koopje. Voor een winkel met nering." + +"Een mooi koopje!" + +"Koop jij nou dat huisje, betaal de zestien honderd gulden; dan zit +ik in een winkel en dan zal ik mijn kost wel ophalen. 't Huis blijft +jou eigendom, maar huur en belasting betaal ik niet." + +«Jongens, jongens, wat ben je aardig. Heb je soms nog iets?" + +"Neen, alleen van tijd tot tijd eens een nieuw pak voor Kobus, anders +niet. Je zult er bepaald een goed werk mee doen, en komt er te avond +of te morgen nog iets van die Amerikaander erfenis, dan is de jongen +altijd tot je dienst. Wat zeg je nou, ben ik niet schappelijk? Wat +kan het je kosten? Een paar duizend gulden op z'n hoogst; dat is voor +jou niemendal." + +"Ei!" + +"Je krijgt van mij de pampiertjes met den brief en het portretje +terug en..." + +"Die komen mij toe, die heb jij gegapt!" + +"Hè, wat ben je ordinair: "gegapt!" Je hebt ze me gegeven." + +"Dat lieg je!" + +"Nou goed dan: ik heb ze genomen, omdat ze bij Dorus hooren. 't Was +noodig, dat ik ze bewaarde, omdat..." + +"Omdat je een serpent bent. Ik ben gek geweest, toen ik met jou en je +lummel van een jongen begon, maar ik ben nog zóó gek niet om zooveel +geld te vermorsen, en ik heb het ook niet; 'k ben arm. Jij hebt mij +arm gemaakt." + +"Wat praat je toch van gek; als je me trouwde, dan was je gek; want +zou je nou waarachtig denken, dat _ik_ me maar goedsmoeds onder den +duim zou laten krijgen? Strijkkie, ventje, je bent dom; ik doe je een +weldaad, dat ik _niet_ met je trouw, dat moet je alleen wel zestien +honderd gulden waard zijn... Kom hier, Kobus, je ligt zoo ver uit +het raam, kind!" + +"Ik heb het niet, ik doe het niet en ik wil het niet." + +"Dat laatste wat je zegt is waar. Nou afijn, mij ook goed; dan blijft +het zooals het nu is, maar in allen geval moet je een gulden of vier, +vijf meer in de week geven, en..." + +"'t Is om een beroerte te krijgen; ik ga heen...." + +"Beslaap je er maar eens op.--Dag, Strijkkie! pas op, dat je niet +van de trappen valt. Ha! ha! ha!" + +Bij de deur staande, neemt het gelaat van den pandjeshuishouder een +afschuwelijk dreigende uitdrukking aan, terwijl hij zegt: "Wacht maar, +beest! ik zal je wel helpen!" + +"Doe dat, vadertje! Dat is juist, wat ik wil; help me aan zestien +honderd gulden: dan laat ik je met rust." + +Tegen deze kalme woorden is Strijkman niet bestand; woedend verlaat hij +de kamer en strompelt naar beneden, de deur uit, en naar zijn woning. + +In zijne woning teruggekomen, geeft Strijkman zijn gemoed lucht door +met zijn magere knoken op de tafel te slaan en alle mogelijke soorten +van verwenschingen tegen vrouw Juttner uit te braken. Niemand hoort +ze dan de zwarte kat, die verwonderd zit rond te kijken, totdat een +nijdige schop haar de vlucht doet nemen onder het kastje. + +"Als ik maar durfde," mompelt hij, herhaaldelijk met de vuist dreigend, +"als er maar geen vijftien of twintig jaren op stond, dan zou ik haar +nekken. Als ze maar met me trouwde! Ik had haar in een half jaar, +neen, in drie maanden mak gemaakt. Maar ze is te goochem! Zoo'n +vervloekte feeks." + +Daar klinkt het winkelschelletje. + +"Hé, wat is dat? Op Zondag iemand voor!" Verwonderd ziet de pandjebaas +naar zijn kantoortje; hij is niet gewend in zijn sabbatsrust te worden +gestoord; Zondags is het pandjeshuis gesloten, van één uur 's middags, +en hoogst zelden gebeurt het, dat iemand na dien tijd hem bezoekt. + +"Wat kan dat wezen?" Voorzichtig gluurt hij door de reet der +tusschendeur. + +"Vollek!" roept een ongeduldige stem. + +"'t Is een brievenbesteller. Wat moet die hier?" denkt de oude man, +terwijl hij naar voren komt. + +"Philip Strijkman?" + +"Die ben ik!" + +"Asjeblief, een brief; goeden dag!" + +"Een brief voor mij," denkt Strijkman, "van wien kan die zijn?" Hij +draait den brief om en om, voor hij hem opent, breekt eindelijk het +lak los, en als hij kennis van den inhoudt neemt, krijgt hij plotseling +een kleur, voor zoover zijn taaie opperhuid daarvoor vatbaar is. + +Halfluid herleest hij: + + + "Mijnheer! + + "Eindelijk is er licht gekomen in de erfenisaangelegenheid van + wijlen Adriaan Makko. Wees zoo goed om aanstaanden Donderdag + tegen elf uren ten mijnen kantore te compareeren, met den + door u aangewezen erfgenaam en zijn pleegmoeder, ten einde + met mij tot een regeling der zaak over te gaan. Gaarne had ik, + dat u de onder uwe berusting zijnde papieren meebracht. + + + "Met achting, + + UEd. Dw. Dienaar + _Verhagen_, Procureur." + + +"Met achting Uedeles dienstwillige dienaar," juicht de oude man bijna +luid. "Dat zou hij niet schrijven, als hij geen dubbeltjes voor +mij had gekregen. Vier ton! Halt! misschien is het enkel maar een +voorschot! Dat doet er niet toe. In allen gevalle is het iets." Hij +sloft heen en weder door het kleine kamertje en wrijft zich in de +magere handen, zoodat de dorre gewrichten knappen en kraken. + +"Jongens, jongens, wat een zegen, dat ik nog niet met dat serpent +getrouwd ben! Hè! hè! hè! hè! hè! wat zal ik haar nu het land +aanjagen. Al ging ze nu ook op haar knieën voor mij liggen, ik zou haar +niet nemen. "Tirom tomtommetomtijne! tirom tomtommetomtom," neuriet +Strijkman, terwijl hij zijn stijve beenen op de maat van het bekende: +_Marborough s'en va t'en guerre_ beurtelings opheft en weer neerzet, +zoodat de vermolmde vloerplanken steunen. + +Hij fluit, neuriet en bromt tusschen de tanden zijn lijfdeuntje en +verkneukelt zich in de gedachte, dat hij eindelijk zijn doel heeft +bereikt. + +"Tiromtomtommetomtom! 't Zal me benieuwen, hoeveel er losgekomen +is.--Tiromtomtom!--Zou ik vrouw Juttner dadelijk 't briefje laten +lezen?... Blikslagers! als de jongen nu maar op zijn tellen past; +hij zeit nog zoo dikwijls Kobus... Zij moet hem voor Donderdag nog +eens goed onderhanden nemen.--Tirommetomtijne,--Als ik de duiten in +handen heb, dan koop ik een huis--hm! altijd voor Dorus natuurlijk--op +de Keizersgracht. Tirommetom.." + +"Miauw! miauw!" + +"Zoo, poes! ben jij daar weer? Heb je honger? Ja, je krijgt ook wat +van den baas. Daar dan, daar heb je een beetje water en wat brood, +poes! Ja, jij krijgt ook wat van de erfenis, hè! Een halsband met +belletjes." Handenwrijvend gaat hij op zijn hurken zitten en kijkt +de kat grijnzend aan. De pandjesbaas is geheel en al vervuld met het +denkbeeld van de vier ton, die hem volgens zijn meening nu niet meer +ontgaan kunnen. Hij maakt in gedachten allerlei plannen, en het komt +zelfs niet bij hem op, dat de echte Dorus Makko wel eens kon zijn te +voorschijn gekomen. + + + +De procureur Verhagen, die door de toevallige ontmoeting met Dorus op +het concert van Polyhymnia den naam Makko had gehoord, was door het +daaropvolgend gesprek met dokter Abels tot de overtuiging gekomen, +dat de ware erfgenaam de jonkman was, dien hij op dien avond had +hooren spelen. Alles, wat hij van dokter Abels vernomen had, kwam +overeen met hetgeen Strijkman hem had verteld, tot op één punt na, +namelijk de verdwijning van den knaap en zijn opneming door vrouw +Juttner. Er was voor den procureur weinig scherpzinnigheid toe noodig +om te begrijpen, dat hij met een paar oplichters te doen had, en +'t kostte geringe moeite om te doorzien, welken weg het tweetal op +wilde. In overleg met dokter Abels had hij besloten den pandjesbaas +nogmaals te ontbieden, om hem de papieren van Dorus afhandig te maken. + +Zedelijk waren zoowel Verhagen als dokter Abels overtuigd, dat Dorus +de ware erfgenaam was, maar wettig was het niet te bewijzen, evenmin +als het overtuigend bewijs kon geleverd worden, dat de papieren, +die Strijkman onder zich had, aan Dorus toebehoorden. + +In allen gevalle moest de identiteit van Dorus Makko voldoende bewezen +worden. Maar door wien? De eenige, die dit kon, was Strijkman zelf, en +natuurlijk zou deze zijn best doen om het tegendeel vol te houden. Er +moest dus met overleg en slimheid gehandeld worden. Dokter Abels had +zich bereid verklaard als voogd van Dorus op te treden en de erfenis, +die in waarheid slechts een kleine twintig duizend gulden bedroeg, +te beheeren, totdat Dorus meerderjarig zou zijn. + +Een confrontatie van Strijkman met Dorus was het eenige middel om +tot den gewenschten uitslag te komen, en derhalve had de procureur +aan dokter Abels voorgesteld op den bepaalden Donderdag ten zijnen +kantore de komst van den pandjeshuishouder en zijn medeplichtigen +aan het bedrog vrouw Juttner en haar zoon, af te wachten. + +Dorus' overhaast vertrek uit Tournels woning, waarvan hij zijn +beschermer slechts met een paar haastig geschreven regelen had kennis +gegeven, hadden dit plan evenwel doen uitstellen, totdat de jonkman +weer uit Brussel zou zijn teruggekomen. + +De dokter, die volstrekt niet vermoeden kon, waarom zijn jeugdige +beschermeling zoo eensklaps was vertrokken, had naar Brussel geschreven +en den stelligen wensch uitgedrukt, Dorus op den bepaalden dag +te Amsterdam te ontmoeten, evenwel zonder eigenlijk de redenen te +vermelden, waarom hij hem wenschte te spreken. + +"Ik begrijp niets van uw overhaast vertrek, nu drie weken geleden," +schreef hij: "gij zijt mij daaromtrent nog altijd eene opheldering +schuldig, die ik u verzoek mij dan te komen geven. Ik zal u aanstaanden +Woensdag in het _Hôtel des Pays-Bas_ verwachten. Reken er op, dat gij +een paar dagen, misschien langer, zult moeten blijven, in uw eigen +belang; uw toekomst hangt er gedeeltelijk van af..." + +Toen Dorus dien brief ontving, kwamen hem de woorden uw "toekomst +hangt er gedeeltelijk van af," geheel en al duister voor. In den +gemoedstoestand, waarin hij zich op dat oogenblik bevond, werd hij +door allerlei denkbeelden bestormd. Zou Tournel geraden hebben, dat +hij Augusta liefhad? Was het mogelijk, dat zij voor hem gevoelde, +zooals hij voor haar? Zou hij verkeerd hebben gezien, dat die blonde +jonkman haar hart bezat? Zijn hoofd duizelde. 't Warrelde in zijn brein +en de hoop streed in zijn ziel tegen zijn verstand. Hij schaamde zich +nu, dat hij zoo onbekookt en onnadenkend had gehandeld, en durfde +nauwelijks zijn weldoener onder de oogen komen. + +Wat zou deze hem wel zeggen, hoe zou hij hem ontvangen en wat moest +hij wel antwoorden aan den man, aan wien hij zoo oneindig veel +verschuldigd was? + +Gedurende den langen weg van Brussel aan Amsterdam maakte hij honderd +plannen. Nu eens besloot hij ronduit alles aan dokter Abels te zeggen, +dan weer zocht hij een geldige reden voor zijn verdwijnen te vinden, +maar telkens stuitte hij daarbij op onoverkomelijke moeielijkheden. + +Eindelijk stond toch het besluit bij hem vast, alles ronduit te zeggen, +hoe moeielijk 't hem ook vallen zou. + + + +'t Is Woensdagavond. In een der ruime kamers van het _Hôtel des +Pays-Bas_ brandt een knappend vuur in den open haard; een carcel-lamp +verspreidt een aangenaam zacht licht door het vertrek en over de tafel, +waarop een flesch wijn en een paar glazen staan. + +In een gemakkelijken fauteuil zit dokter Abels; tegenover hem, met +de handen op de leuning van een stoel gesteund, staat Dorus. Hij is +bleek en zenuwachtig. + +Vriendelijk vraagt dokter Abels: "Je bent dus zoo even aangekomen?" + +"Ja, dokter!" + +"Je bent vermoeid, dat kan ik aan je zien; ga zitten." + +Dorus plaatst zich zwijgend tegenover hem in een stoel. + +De vriendelijke oogen van den dokter vestigen zich met een ernstige +uitdrukking op Dorus' gelaat. Er ligt in den blik, waarmede hij zijn +beschermeling aanziet, een zacht verwijt, als hij vraagt: + +"Wat heb ik gedaan, Dorus, dat ik je vertrouwen niet meer bezit?" + +"U, dokter?" + +"Ja, ik. Luister eens, beste jongen. Je hebt me gegriefd door die +plotselinge vlucht; ik gebruik met opzet dat woord, want je overhaast +vertrek mag bijna dien naam hebben. Waarom ben je niet bij mij gekomen, +om mij te zeggen, wat er gebeurd is, op of na het bal van Polyhymnia?" + +Dorus zwijgt verlegen. + +"Is 't waar, Dorus, wat juffrouw Barbara zegt: Ben je toen 's nachts +dronken tehuis gekomen, en is 't omdat je je daarvoor schaamdet, +dat...?" + +"Dronken, dokter, ik? Dat's onwaar, geheel onwaar." Een gloeiend rood +van verontwaardiging kleurt zijn wangen. Als een weerlicht vliegt hem +de gedachte door 't hoofd: "Ook dat nog: dronken! denken ze--en Augusta +zal 't gelooven!" Met vaste stem herhaalt hij: "Dat is gelogen!" + +"Ik geloof je; 't doet me genoegen, dat 't niet zoo is. Maar wat +bewoog je dan, om...." + +"Om zoo overhaast heen te gaan? Och, dokter, zie mij niet zoo +uitvorschend aan; ik wil u, hoe moeielijk 't mij ook valt, alles +zeggen;--maar lach mij niet uit." + +"Waarom zou ik je uitlachen?" + +"Omdat!... Omdat!... Ik weet het niet..." en plotseling zijn stoel met +een ruk naar dien van den dokter schuivend, vat Dorus met beide handen +de rechterhand van zijn beschermer, en terwijl hij die krampachtig +drukt, zegt hij dof: "Omdat ik zoo diep ongelukkig was en nog ben..." + +"Wat zeg je daar: diep ongelukkig, jij, en dat na 't succes van dien +avond? Ik begrijp je niet!" + +Een oogenblik zwijgt de jongeling, maar een aanmoedigend: "Kom jongen, +spreek! Wat drukt je?" doet hem moed vatten en blozend zeggen: +"Augusta!" + +Even, bijna onmerkbaar, glijdt een fijn lachje over het gelaat van +den dokter en een zeer zacht "Aha!" ontglipt zijn mond. + +"'k Heb haar lief, o, zoo lief!" zucht Dorus, en droef laat hij er op +volgen: "maar zij mij niet. Hoe zou ze ook, mij een.... bochel, een..." + +"O, wringt de schoen daar!.. Maar vriendlief, _hoe_ kon je zoo dwaas +zijn om...?" + +"Om te denken, dat zij...?" + +"Neen! om heen te gaan....?" + +"Om heen te gaan? Och, dokter, nu voel ik, dat 't een dwaasheid was, +maar ik had ook zooveel geleden in dien nacht; ik zag, dat zij een +ander liefheeft en...." + +Medelijdend ziet dokter Abels hem aan, als hij antwoordt: + +"Er zijn meer lieve meisjes in de wereld, Dorus. Troost je; je bent +nog zoo jong, dat...." + +"Hoe kunt u dat zeggen, dokter! Moet men dan eerst oud zijn om lief +te hebben?" + +"Dat niet, Dorus, maar..." + +"Maar ik zal nooit meer eene andere kunnen lief hebben, nooit! dat +weet ik zeker." + +"Wees kalm en redeneer." + +"Liefde redeneert niet, dokter; dan is het geen liefde. Ze is +plotseling in mij ontgloeid, ontvlamd als een vuur, en ik voel, +dat het mij verteert, maar..." + +"Denk eens bedaard na." + +"Dat kan ik niet! ik heb nog nooit iemand zoo liefgehad, nog nooit +heb ik zoo iets ondervonden; ik zou alles kunnen opofferen, alleen om +haar mijn vrouw te mogen noemen. En toch kan dat niet! kan dat nooit!" + +Dorus begint hartstochtelijk te weenen, hij houdt de handen voor +het gelaat en bemerkt dus niet, dat dokter Abels hem medelijdend +glimlachend aanziet. + +"En dan te moeten zien, dat een ander die gelukkige is; te moeten zien, +hoe zij... O! ik zou dien man kunnen vernielen!" Plotseling balt hij +de vuisten, heft ze omhoog en schudt ze zoo dreigend, dat de dokter +hem verschrikt aanziet en zegt: "Je bent jaloersch, arme Dorus!" In +zichzelven denkt hij: "Welk een hartstocht!" + +"Ik kon het niet langer aanzien; ik zag, dat hij gelukkig was, en +ik... ik stond daar en mij zag men hoogstens meelijdend aan. Vervloekte +bochel!... Toen ben ik heengegaan, noem het gevlucht, als u wilt; +gevlucht, ja, maar voor mijzelven." + +Weer slaat Dorus een oogenblik de hand voor de oogen; hijgend ontsnapt +de adem aan zijn borst en afgemat leunt hij eindelijk in den stoel, +waarin hij bij de laatste woorden weer heeft plaats genomen. + +Oplettend slaat de dokter elk zijner bewegingen gade en onwillekeurig +komt de gedachte in hem op: die vulkaan moet gebluscht worden, anders +verteert hij hem zonder genade, lichamelijk en geestelijk. Hij +wacht een oogenblik voor hij opstaat en, vriendelijk de hand op +Dorus' schouder leggend, tot hem zegt: "Je bent nu niet vatbaar +voor redeneering." + +"Neen! o, neen." + +"Luister eens, mijn jongen. Ik ben ook zoo geweest als jij, ik heb ook +geleden, gehoopt en gewanhoopt, evenals iedereen dat op zijn beurt doet +in het leven: maar mijn goede vader, heeft mij steeds weer tot kalmte +gebracht door zijn bedaardheid. Zie! ik wou, dat ik dat bij jou ook +kon. Mijn jongen is dood, Dorus; ik beschouw jou als mijn zoon, niet +waar, dat weet je wel? En daarom _moet_ je naar mij luisteren. Kom, +word nu eens bedaard. Je houdt immers van me, je vertrouwt me. En..." + +Eensklaps grijpt Dorus met beide handen die van den dokter en drukt +er zijn lippen op. Een diepe zucht ontsnapt zijn borst; hij buigt +even het hoofd en richt het daarna met een ruk op, als schudde hij +iets van zich af. + +Een oogenblik ziet hij dokter Abels met vochtige oogen aan, en deze +laat hem tijd om tot bedaren te komen. + +"Tracht je nu te beheerschen, want ik moet je over een andere, voor +jou zeer gewichtige zaak spreken. Kom, wees man en luister oplettend +naar 't geen ik je zeggen zal." + +"Dokter, ik ben bedaard." + +"Goed! ga dan rustig zitten en vertel mij eens: wat kun je je +herinneren uit je eerste jeugd, van je vader, van je moeder, van je +huis? Herinner je je den ouden Strijkman nog?" + +Deze vragen geven afleiding aan Dorus' gedachten. Hij ziet verwonderd +zijn ondervrager aan en antwoordt: + +"Zeker, ik herinner mij alles." + +"Ook dat je een oom hebt in Amerika?" + +"In Amerika? Een broer van vader?" + +"Juist." + +"Dat weet ik niet zeker meer.--Maar wacht eens!.. Ja! ik herinner +mij toch wel, dat ik eenmaal een brief heb gezien, die..." + +"Heb je nooit papieren gehad? Weet je niet, of je vader ze had?" + +"Papieren? Wel zeker, nu komt het mij op eens in de gedachten: er waren +verschillende papieren, die... O, nu staat het mij in eens duidelijk +voor den geest, ze waren in de latafel; Strijkman nam ze mee.--Maar, +dokter, wat beteekenen die vragen? Wat wil men van mij?" + +"Die oom van je in Amerika is gestorven en heeft geld nagelaten aan +je vader." + +"Mijn vader is immers dood!" + +"Maar jij bent zijn erfgenaam en daarom komt dat geld jou toe! 't Is +een kapitaaltje, dat..." + +"Dus zou ik rijk worden, ik?" + +"Rijk, neen, dat is het woord niet, maar..." + +"Wat zou ik ook met veel geld doen," zegt Dorus weemoedig +glimlachend. Mijn brood kan ik overal verdienen, dank zij uwe goedheid, +en meer heb ik toch niet noodig." + +In korte woorden verhaalt dokter Abels aan Dorus wat de procureur +Verhagen met hem heeft besproken; hoe de vrekkige pandjesbaas alle +mogelijke moeite aanwendt om de erfenis machtig te worden, en hij +eindigt met de woorden: + +"We zullen in de eerste plaats zien, of we jou identiteit voldoende +kunnen bewijzen, en ten tweede, of we dien ouden schurk en zijne dame +een poosje vrij logies kunnen verschaffen." + +Intusschen is voor Dorus' geest het beeld van zijne kindsche jaren +opgerezen en 't is hem alsof hij weer de striemen, die Strijkman hem +eenmaal met de hondenzweep sloeg, voelt branden. Geheel zijn droevig +verleden komt hem in de gedachten en met vaste stem zegt hij tot +dokter Abels: "Stel mij tegenover Strijkman, dokter, en gij zult zien, +dat ik hem klein krijg; we hebben nog een oude rekening te vereffenen." + + + +De Donderdagmorgen is daar. Op het kantoor van den procureur Verhagen +krassen de pennen niet sneller of langzamer dan gewoonlijk. De +heeren Krasser en Van Blaak zijn even te voren door hun patroon +genoegzaam ingelicht over hetgeen weldra gebeuren zal, en Keesje, +die intusschen van jongsten bediende klerk werd, is er trotsch op, +dat ook hij deelgenoot is geworden van het plan, dat de heer Verhagen +en dokter Abels, ingelicht door Dorus zelven, maakten om Philip +Strijkman c. s. in de val te krijgen. Hij zit op zijn hooge kruk te +popelen van ongeduld. + +"'t Is juist een kolfje naar mijn hand," denkt hij, "en als hij +door de mand valt, zal ik hem nog eens ferm de huid volschelden," +zegt hij in stilte. + +"Laat Janus eens even hier komen; waar is hij?" zegt de heer Verhagen, +die voor zijn bureau zit. + +"Hij zit in de keuken zijn boterham te eten, meneer." + +"Roep hem hier!" + +Een oogenblik later staat de looper, met den hoed in de hand, voor +zijn patroon. + +"Wat is er van uw orders, meneer?" + +"Heb je die juffrouw Ram nu gevonden?" + +"Jawel, mijnheer; 't is een heele toer geweest: ze woont al sedert +een jaar of derdehalf niet meer in de buurt, en.." + +"'t Is goed. Zal ze komen?" + +"Jawel, meneer; ze had er eerst geen fiducie in. "Ik heb nooit iets +met de heeren van 't gerecht te doen gehad," zei ze, en ze begreep +niet, wat u van haar wou; maar toen ik haar vertelde, dat er..." + +"Dank je voor 't overige. Ga, voor meerdere zekerheid dat zij komt, +nog eens naar haar toe, om haar te herinneren, dat ze tegen halftwaalf +hier dient te zijn." + +"Bestig, meneer!" + +"Je hebt gisteren bij dokter Abels een paar malen boodschappen gedaan +en dien jongenheer gezien, die bij hem logeert niet waar?" + +"Om u te dienen, meneer!" + +"Heb je in zijn tegenwoordigheid ook iets van juffrouw Ram gezegd, +of haar naam genoemd?" + +"In 't geheel niet!" + +"Goed; je kunt gaan." + +"Morgen, meneer!" + +Tot Van Blaak en Keesje zich wendend, vervolgt de procureur: "Wanneer +dokter Abels en dat jongmensch komen, verzoekt u hen beleefd zoolang op +de bovenvoorkamer te wachten. Als juffrouw Ram komt, laat u haar in 't +spreekkamertje en zorgt, dat zij alleen blijft. Hebt ge dat begrepen?" + +Van Blaak en Cornelis antwoorden bevestigend. + +"Meneer Krasser, wil u zorgen, dat wij niet gestoord worden. U kunt +alles behandelen, wat er komt." Krasser draait zijn hoofd om en knikt +met de pen tusschen de lippen, terwijl hij een brief dichtlakt. + + + +In juffrouw Juttner's kamertje zit Strijkman in zijn gewone zondagsche +pak met zijn onafscheidelijke parapluie tusschen de knieën, en de +weduwe, alias juffrouw Blommers, geeft haar zoon Kobus nog, zooals +zij het noemt, een pil in, door te zeggen: + +"Nou niets vragen of zeggen, alleen antwoorden, hoor je?" + +"Ook niet zeggen van Dorus, moeder?" + +"Dorus, zoo heet je immers. En hoe nog meer?" vraagt Strijkman. + +"Makko." + +"Goed, heel goed." + +"Maar waarom heet ik nou Makko?" + +"O, kristenzielen! wat een os, wat een stommerd. Als hij dat dáár zegt, +loopt alles mis." + +"Hij zal z'n eigen wel stilhouden, Strijkman, maak je maar niet +benauwd. Wat ben jij toch voor een kerel, ba!..." + +"'t Is kwart voor elf... we moeten gaan. Zeg, Dorus, zul je je +goed houden?" vraagt Strijkman nog eens. De parels van angst en +zenuwachtigheid staan op zijn voorhoofd. + +De onnoozele jongen ziet hem wezenloos aan en vraagt: "Niemendal +zeggen?" + +"Hou nou asjeblieft op met zeuren, Strijkman; je bederft er meer mee +dan je goedmaakt," zegt vrouw Juttner, terwijl zij met de anderen de +straat opgaat. + +Onder weg bespreken zij nog het een en ander en staan eindelijk op +de stoep bij Verhagen. + +'t Slaat elf uren. "Ringelinggeling," klinkt de huisschel. + +Keesje springt op van zijn kruk en fluistert nog even tegen Van Blaak: +"Daar zullen ze zijn." + +De procureur, die het schellen eveneens heeft gehoord, staakt de +lectuur van het stuk, dat hij onder handen heeft, en zegt. "Laat ze +op het zaaltje en blijf in het kamertje er naast, totdat ik schel..." + +"Best, meneer!" + +"Ga nu maar opendoen!" + +Uitermate beleefd en vriendelijk wordt het drietal door Keesje aan +de deur ontvangen en met de woorden: "Wilt u maar zoo goed zijn en +op het zaaltje komen; mag ik u maar voorgaan?" wijst hij hun den weg +naar de opkamer achter de gang. + +Strijkman en vrouw Juttner wisselen een veelbeteekenenden blik, +als zij binnentreden. Keesje geeft hun stoelen. + +"Neemt u zoolang plaats, asjeblieft; ik zal mijnheer dadelijk +waarschuwen, dat u er is." + +Als de klerk zich verwijderd heef, ziet Strijkman om naar de deur, +staat op, opent die op een kiertje en ziet oplettend in de gang; +niemand ziende gaat hij weer zitten en fluistert: "Zeg! dat's andere +thee, hoor! Zoo heeft hij ons nog nooit ontvangen!" + +"'k Weet niet, Strijkman, maar ik ben niets op mijn gemak: 't is me +nu al te mooi." + +"Ben je dol. Waarom?" + +"Dat weet ik niet, maar ik heb zoo'n idee, dat...." Verder komt zij +niet, want de procureur treedt binnen, legt het dossier, dat hij +in de hand houdt, op tafel en neemt met een kort "goeden morgen" +tegenover hen in een armstoel plaats. + +Allen zwijgen, alleen Strijkman schraapt zich de keel en hoest achter +zijn rooden zakdoek. + +"Ik heb u verzocht hier te komen, ten einde nog eens over de erfenis +van Dorus Makko te spreken." + +"Juist, meneer." + +"Er is lang en breed overleg toe noodig geweest, om in deze zaak eenig +licht te verkrijgen. We hebben dat nu, en alles kan geregeld worden, +wanneer u voldoende de identiteit kunt bewijzen van dit jongmensch, +dien u noemt Dorus Makko, den wettigen zoon van Nicolaas Makko, +in leven hondenkoopman te Amsterdam." + +Strijkman heeft reeds de hand in den zak gestoken en grijpt uit +gewoonte naar de papieren, maar hij trekt haar ledig terug, en op de +weduwe Juttner wijzend, zegt hij: "Juffrouw Blommers heeft ze." + +"Wat?" + +"De pampieren, de bewijzen, meneer!" + +"O ja, daar wilde ik u juist om verzoeken. Heeft u alles bij u, +juffrouw?" + +"Jawel, meneer de avekaat. Ziet uwé, hier is het geboortebewijs; dat +is de trouwakte, en hier heb ik den brief en 't portretje. Asjeblieft." + +"Dank u." De heer Verhagen neemt de papieren aan, ziet ze vluchtig +in en legt ze onder zijn bereik, naast zich, op tafel. + +"Is 't zoo in orde, meneer?" vraagt Strijkman. + +"Die papieren, ja,--de zaak, neen. Zou u er een eed op kunnen doen, +dat dit jongmensch de zoon is van Nicolaas Makko?" + +Met het vroomste gelaat van de wereld antwoordt de pandjesbaas: +"Een eed? Met liefde, meneer! Met liefde! Twee zelfs!" + +"Dus u is er volkomen zeker van?" Verhagen fronst even de wenkbrauwen. + +"'k Wou, dat ik zoo zeker was van de honderdduizend, meneer." + +"En u, juffrouw, zou u er ook een eed op kunnen doen?" vraagt de +procureur met nadruk. + +Eenigszins verward door de omgeving, de strenge blikken van den +procureur en vooral door de woorden van Kobus, die juist "moeder, +mooi hier, hé?" zegt, stottert zij: "Ja, ja, ziet u-u uwé, een +eed..." En zich herstellend, vervolgt zij op vaster toon: "'k Heb +'t kind zoo van de straat opgenomen, en ik ga alleen op hem af, weet +u. Strijkman heeft de pampieren gehad en herkon dadelijk den jongen, +begrijpt u? Dus... die... pampieren..." + +"Die papieren zijn volstrekt geen bewijzen, in 't minst niet." + +"Wâblief?" vraagt Strijkman verschrikt. + +"Een geboortebewijs en een trouwakte kan iedereen op het stadhuis doen +lichten. Alleen de brief zou een bewijsstuk kunnen worden, wanneer..." + +"Ja juist, die brief en 't portretje," grinnikt de pandjesbaas. + +"Is er niemand buiten u, die den zoon van Makko zou kunnen +herkennen? Een van de vroegere buren bij voorbeeld?" + +"Och, meneer! wie zou dat moeten zijn! En bovendien als ik uwé nou op +mijn woord van eerlijk, braaf mensch verzeker, dat hij het is... Ik +zal me toch zoo niet bezondigen, meneer, om een valschen eed te willen +doen." Strijkman verdraait zijn oogen, zucht en zet een gezicht als +een catechiseermeester. + +"Men heeft mij verteld, juffrouw, dat dit ongelukkig jongmensch niet +de zoon van Makko, maar uw eigen zoon is." Verhagen ziet juffrouw +Blommers scherp en uitvorschend aan. + +"Wa-wa-wa-t-zz-zegt u daar?" De weduwe verschiet van schrik, maar +herstelt zich spoedig en lacht. "Hè! hè! hè! dat 's grappig; nou +zouën ze mij nog een kind willen oplasteren; hè hè! hè!" Zij wischt +zich van angst haar slapen en voorhoofd. + +Strijkman is eveneens hevig geschrikt, maar begint ook quasi hartelijk +te lachen en grinnikt: "Waar halen de menschen de leugens vandaan! En +wie heeft dat gezegd, meneer de avekaat?" + +De heer Verhagen ziet het tweetal eenige oogenblikken doordringend +en zwijgend aan, vóór hij, op elk woord nadruk leggend, antwoordt: +"Wie? Eenvoudig een jongmensch, iemand die zich bij mij heeft aangemeld +als rechthebbende op de erfenis van..." + +Een vale bleekheid verspreidt zich eensklaps over Strijkmans gelaat, +zijn lippen beven en zijn oogen gaan rusteloos heen en weer. "Dorus is +niet dood, maar teruggekomen", die gedachte schiet hem bliksemsnel door +'t hoofd. Een siddering gaat door zijn geheele lichaam, en hoewel hij +zit, knikken zijn knieën en zwikken zijn enkels, terwijl zijn handen +zich zenuwachtig openen en sluiten. + +Als een jammerlijke verschijning, die in elken gelaatstrek schuld +verraadt, zit hij daar, en juffrouw Juttner tegenover hem denkt: +"Hij krijgt er wat van! Hij krijgt er wat van!" Ook haar is een +rilling door de leden gevaren, maar zij houdt zich goed en tracht +zelfs te glimlachen. + +Intusschen heeft Strijkman zijn zelfbeheersching teruggekregen. Hoewel +nog bleek en eenigszins onvast van stem, antwoordt hij, zich tot +een heesch lachen dwingend: "Hè! hè! hè! hè! dat is wel aardig, +dat is casuweel." + +"Moeder," vraagt fluisterend Kobus, die al dien tijd stil op zijn +stoel is blijven zitten: "Moeder, heet ik nou Makko?" + +"Stil toch," antwoordt vrouw Juttner even zacht, maar uiterst angstig, +dat hij nog meer zal zeggen. "Hou je mond dan toch." + +Hoe zacht die woorden ook gesproken zijn, toch heeft de procureur +ze verstaan, en daarom richt hij nu 't woord tot den ongelukkigen +idioot. "Wat zei je daar?--O ja, 't is waar, hij is immers doof?" + +"Och heere ja, meneer!" + +"Kom eens bij mij." De procureur wenkt hem tot zich. + +"Kobus gaat om de tafel heen en staat nu naast den heer Verhagen, +die hem zeer luid vraagt: "Jij heet Dorus, is 't niet zoo?" + +"Makko." + +"Zoo!" + +Vrouw Juttner en Strijkman herademen op dat woord. + +"Dorus Makko?" + +Zijne moeder vragend aanziende, zegt de aangesprokene op doffen toon: +"Nou niets zeggen, hé?" + +"Ga jij maar weer zitten; ik begrijp genoeg.--Hoor eens, baas +Strijkman, ik zal maar niet langer omwegen maken; jij bent een oude +schurk, en zij is je medeplichtige. Je zoekt mij met je beiden een +rad voor de oogen te draaien. Deze jongen is _niet_ de zoon van den +hondenkoopman, maar.." + +Strijkman heeft intusschen al zijn kalmte teruggekregen, neemt zijn +toevlucht tot onbeschaamdheid en antwoordt: + +"Dat zal u me dienen waar te maken, meneer de avekaat; al ben ik maar +een burgerman, daarom ben ik toch niet in de wereld om mij te laten +uitschelden voor schurk; en ik zal het verder zoeken om..." + +"Wees bedaard, goede vrind: ik weet zeer goed, wat ik zeg. Ik herhaal: +de echte Dorus Makko is gevonden en..." + +"Och! wat uwè zeit! Kan hij dat bewijzen? Heeft hij pampieren?" + +"Neen." + +"Nou, dan staat het nog te bezien, wie liegt: hij of ik. + +"Ik zou wel eens willen zien, wie de brutaligheid heeft om te zeggen, +dat deze jongen niet Makko's zoon is." + +"Daar zal ik je dadelijk gelegenheid toe geven." De procureur schelt +en onmiddellijk daarop verschijnt Keesje in de geopende deur. + +"Verzoek de heeren binnen te komen." + +"Best, meneer!" + +Vrouw Juttner tracht tevergeefs met Strijkman een paar woorden te +wisselen, want onafgebroken vestigen de oogen van den procureur zich +op haar en op haar zoon. + +Strijkman ziet strak voor zich, totdat de deur weder geopend wordt +en dokter Abels gevolgd door Dorus, binnentreedt. + +Als deze Strijkman ziet, glijdt een bijna onmerkbaar lachje over +zijn trekken, maar het verdwijnt, als hij Kobus Juttner bemerkt, +die hem nieuwsgierig en onnoozel aankijkt. + +Dorus ziet den dubbelganger medelijdend aan. De weduwe begrijpt +plotseling, dat alles reddeloos verloren is, en staat op, als wilde +zij heengaan. Zij wenkt haar zoon, om ook op te staan. + +"Blijf zitten, juffrouw!" + +Strijkman ziet Dorus onbeschaamd aan en zegt plotseling: + +"Je kunt zeggen, wat je wilt, maar bewijzen kun je niets." + +"Misschien toch wel," zegt Dorus glimlachend. + +"Waar zijn je pampieren?" vraagt Strijkman brutaal en verward tevens. + +"Die zul jij wel hebben met het goed van vader, dat je uit de latafel +hebt genomen op dien avond." + +"Ik weet van geen latafel." + +Het is alsof door den aanblik van den ouden pandjeshuishouder de +herinnering bij Dorus hoe langer hoe levendiger wordt, en de dag, +waarop zijn vader stierf, komt hem akelig duidelijk voor den geest. + +"Jij hebt mijn papieren, en niemand anders!" + +"Zijn ze dit?" vraagt de procureur, terwijl hij Dorus de stukken, +die op tafel liggen toereikt. + +Dorus ziet ze in en antwoordt: "Ja, meneer! dit is mijn geboortebewijs +en de trouwakte van mijn ouders. Dien brief ken ik niet; ten minste +ik herinner mij den inhoud niet." + +"Aha!" waagt Strijkman te zeggen. + +"En dit portretje," vraagt de heer Verhagen, hem de photographie +voorhoudend. + +"Dat ken ik wel, dat is van mijn oom, vaders broer." + +Als de onnoozele Kobus, die tot dusverre, schijnbaar zonder deel te +nemen in 't geen voorvalt, is blijven zitten, het portretje ziet, +staat hij op en zegt, er op wijzend: "Oome, oome!" en fluisterend: +"Is 't zoo goed, moeder?" + +Bij het woord "oome" is het alsof Dorus zich plotseling iets herinnert; +hij brengt de rechterhand aan zijn hoofd, denkt een oogenblik na, +als zocht hij in 't vèr verleden, en zegt dan: "Ja! zoo is 't: _Oome_!" + +Verwonderd ziet de procureur hem aan. Hij houdt nog altijd het +portretje in de hand en keert het om, als Dorus zegt: "'k Herinner +'t mij, meneer! Dat staat er op; ik heb er als jongen met potlood +'t woord "_oome_" op geschreven." + +"Dat's sterk!" Verhagen beziet aandachtig de rugzijde van het +lijstje en het blauwe papier, waarmee het beplakt is. "Het staat er, +je hebt gelijk. Zie, dokter, dáár, met potlood; bijna uitgewischt, +maar 't is toch nog te lezen." + +"Wat zeg je _nu_, baas Strijkman?" + +Deze haalt de schouders op en zwijgt; maar dat zwijgen is een halve +bekentenis, want hij siddert en zijn knieën knikken. + +"Komaan, baas Strijkman, ik zou in uw plaats maar de waarheid bekennen; +je ziet, het helpt je niet om te willen volhouden, dat..." + +Een kloppen op de deur doet den procureur even ophouden en "binnen" +roepen. + +"Meneer, de juffrouw beneden heeft haast; zij verzoekt beleefd, +of u haar ook te woord kunt staan?" + +"Laat haar binnenkomen." En weder 't woord tot Strijkman richtend, +vervolgt de heer Verhagen: + +"Wij hebben medelijden met u, omdat ge een oud man zijt, en geven u +de gelegenheid, om hier, zonder met het gerecht kennis te maken, de +waarheid te bekennen. Of wilt ge soms liever, dat wij er den officier +van justitie in mengen?" + +Vrouw Juttner zit op heete kolen en is op 't punt om iets te zeggen. + +"Weet u wel, dat er eenige artikelen in ons strafwetboek zijn, gericht +tegen poging tot bedrog en oplichting, tegen 't wederrechtelijk zich +meester maken van eens anders naam of goed?" + +Opnieuw klopt men aan de deur, en als zij op het "binnen" van den +procureur geopend wordt, verschijnt juffrouw Ram op den drempel. + +Nauwelijks heeft Dorus haar gezien, of hij herinnert zich ook haar +persoon en naam; en op haar toetredende zegt hij: "Dat is juffrouw Ram, +als ik mij niet vergis." + +Allen zwijgen. Verwonderd blijft de vrouw staan, ziet hem oplettend +aan en verbreekt de stilte door te zeggen: "Krates!--Och, neem me niet +kwalijk, meneer, dat viel daar zoo klakkeloos uit mijn mond. Uwé is +Dorus, Dorus Makko, is 't niet zoo? Heere! heere! wat ben je veranderd, +maar ik ken je toch direct weer...." + +"Door mijn bochel, hé?" Glimlachend ziet Dorus haar aan en voegt er +bij: "Daar is hij toch goed voor." + +Juffrouw Ram knikt en laat er op volgen: "Ik dacht, dat je al lang +dood was.--Hé! daar is Strijkman ook." + +Wil u even gaan zitten, juffrouw?" En tot dokter Abels zich wendend, +zegt de procureur zachtjes: "Ziezoo, dat was het bewijs, dat ik voor +mezelf noodig had; nu is de zaak gezond!" + +Juffrouw Ram's woorden en haar tegenwoordigheid hebben den pandjesbaas +geheel en al van zijn stuk gebracht, en vrouw Juttner, die begrijpt +dat alles verloren is, begint onder een vloed van tranen de toedracht +der zaak te verhalen. Zij bekent alles en eindigt met te zeggen: +"Ach God! meneer de avekaat, ik heb 't waarachtig alleen gedaan, +omdat ik voor dien stakker een onbezorgd bestaan dacht te krijgen; +die ouwe schelm hield niet op, omdat mijn Kobus zoo op dien daar leek." + +"Niet huilen, moeder, niet huilen," roept eensklaps de onnoozele. + +"Serpent," sist Strijkman binnensmonds. + +"We zullen nu verder de zaak maar in handen der politie geven, dunkt +u niet, dokter?" + +"Och, neen, meneer, kijk eens naar dien ongelukkigen jongen en heb +medelijden!" smeekt de weduwe. + +"Politie?" vraagt juffrouw Ram verwonderd. + +"En wat zeg jij nu, baas Strijkman?" + +"Doe wat je niet laten kunt, meneer!" Bevend laat hij zich op zijn +stoel vallen. + +"Mijnheer Verhagen, mag ik u een verzoek doen?" vraagt Dorus. + +"Zeker!" + +"Laat de politie en het gerecht buiten spel,--niet om dien ouden +schelm, maar om hem;" hij wijst op Kobus. + +"Wil je een verklaring onderteekenen, dat je dit jongmensch herkent +als Dorus Makko, den zoon van Nicolaas Makko, en dat deze papieren +zijn wettig eigendom zijn?" + +"Ben ik dan van alles af?" + +"Wanneer hier dokter Abels, die als voogd voor den minderjarige zal +optreden, de zaak niet verder wil zoeken, ja! Anders...." + +"Nou, anders?" + +"Zal ik het gerecht in den arm nemen, en...." + +"Geef maar hier, ik zal teekenen." + +"En u, juffrouw Ram, kan u ook in gemoede, desnoods door een eed +bevestigen, dat deze hier Dorus Makko is?" + +"Met pleizier, meneer. Maar ik begrijp er eigenlijk niets van, en als u +'t niet kwalijk neemt, zou ik wel willen, dat...." + +"Dus u teekent ook?" + +"Graag, meneer; maar ik wou wel eens hooren, wat..." + +"Later, juffrouw, later!" + + + +Met verbeten woede, maar angstig en bevend onderteekende Strijkman de +verlangde verklaring. En toen hij eindelijk uit des procureurs mond +de woorden: "Nu kun je heengaan; bedank de heeren, dat zij geen gevolg +aan de zaak geven," vernam, greep hij zijn hoed en verliet zonder een +woord te zeggen de kamer, gevolgd door vrouw Juttner en haar zoon, +die, omdat zijn moeder huilde, het van den weeromstuit ook deed. + +Toen Keesje hen uitliet, kon hij niet nalaten hem toe te voegen: +"Dat is je niet meegevallen, ouwe droogstok!" + +Op straat gekomen, gaf de pandjesbaas zijn hart lucht door een stroom +van verwenschingen tegen den procureur en Krates. + +De weduwe Juttner liep met hem mede, totdat hij, zich nijdig tot haar +wendend, vroeg: "En wat moet jij?" + +"Wat ik moet? Denk je me nu zoo aan mijn lot over te laten?" + +"Wel wis en waarachtig." + +"Kun je dat over je hart verkrijgen; ik heb je toch trouw geholpen." + +"Loop naar de hel!" + +"Strijkman!" + +"'k Heb niets meer met je te maken." + +"Strijkman! ik waarschuw je...." + +"Jou dreigementen gaan mij niets meer aan. Ruk uit!' Je hebt me geld +genoeg gekost voor niemendal. Hè! hè! hè! hè! dat heb ik er ten minste +bij gewonnen: van jou ben ik af; jij maakt mij niets, niemendal meer, +geen lor!" + +"Och! och! had ik hem toch maar getrouwd," zuchtte vrouw Juttner, toen +zij weer op haar kamer was. "Ik zou hem wel kleingekregen hebben. Kom +hier, Kobus ; kom hier, stumper. Doe je nog maar eens te goed, voordat +alles op is; daar heb je een stuk koek... Arme stakker, wat moet ik +nou met je beginnen? Ach! ach! 't eindje zal de Ommerschans nog wezen!" + + + +Na het gebeurde ten huize van den procureur Verhagen had het weinig +moeite gekost om de zaak der erfenis voor Dorus in orde te brengen. + +Toen alle formaliteiten vervuld waren en dokter Abels tot voogd was +benoemd, bleek de erfenis de som van ongeveer negentien duizend gulden +te bedragen. + +"'t Is een mooi kapitaaltje," zei de dokter tot Dorus, vóór deze weer +naar 't conservatoire vertrok; "zoodra ik het geld in handen heb, +zal ik 't zoo goed en zeker mogelijk voor je beleggen." + +Zwaarmoedig en droef gestemd nam Dorus afscheid van dokter Abels. De +Tournels had hij niet weergezien; over Augusta sprak hij niet, en +toch dacht hij meer dan ooit aan haar, maar als aan een verloren geluk. + + + + + +XV. + +VIER JAREN LATER. + + +Vier jaren zijn vervlogen, met al hun lief en leed. + +Dorus was, na zijn studiën op het conservatoire te Brussel te hebben +voleindigd, op reis gegaan, om iets van de wereld te zien. 't Geërfde +kapitaaltje, dat dokter Abels voor hem beheerde, stelde hem in staat +zich onafhankelijk en vrij te kunnen bewegen, en 't was in 't bijzonder +voor zijn verdere ontwikkeling als kunstenaar van groot belang, dat +hij zich niet bepaald aan ééne plaats bond, of in ééne richting bewoog. + +Hoewel hij intusschen meerderjarig geworden was, had hij aan dokter +Abels verzocht zijn geld te willen blijven beheeren, en deze had zich +gaarne daartoe bereid verklaard. + +Ofschoon dokter Abels zijn beschermeling in de vier jaren, die na het +voorgevallene op het kantoor van den heer Verhagen verloopen waren, +niet had gezien, was hij met hem in voortdurende briefwisseling geweest +en daardoor op de hoogte gebleven van al zijn doen en laten. Dorus' +brieven ademden steeds een geest van dankbaarheid jegens zijn +weldoener, maar waren meestal zwaarmoedig getint, terwijl nu en dan een +aardige zet of een satirieke zinsnede bewezen, dat hij fijn opmerkte +en geestig wist weer te geven wat hij ondervond en zag. "Hooggeschatte +dokter," schreef hij in een van zijn laatste brieven, "ik schrijf +u dezen uit Berlijn, zooals u aan het postmerk reeds gezien zult +hebben. Waarschijnlijk verwondert het u, want nog kort geleden had ik +het genoegen, uit Parijs, u over mijne omstandigheden een en ander te +berichten. De reden, waarom ik mij thans te Berlijn bevind, is deze: +ik ben op weg naar Rusland, naar de stad der Czaren. Mij dunkt, ik +zie u verwonderd opkijken en hoor u in gedachten zeggen: wat moet hij +dáár doen? Ik zal 't met korte woorden uitleggen. Zooals u weet, was +ik, nadat mijn contract met den Kur-director van Homburg afgeloopen +was, een tijdlang bij het orkest van den impressario Dubillard als +concertmeester geëngageerd. Het toeval wilde, dat op een avond onze +solist Majôsz, een Hongaar, ongesteld werd en zijn solo, die herhaalde +malen geannonceerd was, niet kon spelen. + +"Dubillard was woedend, ongelukkig, radeloos, zooals alleen een +opgewonden Franschman, vooral een _chef d'orchestre_, die zijn publiek +ongaarne teleurstelt, kan zijn. + +"Je suis au comble du désespoir," riep hij uit; "il me faut absolument +ce solo!..." + +"Geef iets anders," zei ik. + +"Mais nom d'un nom! quoi donc; le public ne vient que pour ce solo,--le +solo de Majósz!" + +"Misschien verwondert het u te lezen: "Le solo de Majôsz." Laat ik +u even uitleggen, wat hij eigenlijk daarmede bedoelde. De Hongaar, +ontegenzeglijk in de techniek een meester van den eersten rang, +speelde namelijk Hongaarsche volksmelodieën, waarop hij _ad libitum_ +phantaseerde. Gewoonlijk droeg hij zijn eigen compositie voor, +maar meestal hield hij zich niet bepaald aan de geschreven noten en +improviseerde naar hartelust. Zijn spel had iets wilds, phantastisch +en melancholisch,--men zou 't kunnen noemen iets zigeunerachtigs,--dat +vooral den Parijzenaars scheen te bevallen en _the great attraction_ +van Dubillard's concerten was. Geen wonder dus, dat onze impressario +zich diep ongelukkig gevoelde. + +"Ik moest waarlijk lachen om de ongelukkige uitdrukking van zijn +gezicht en stelde hem voor in plaats van den Hongaar te spelen. + +""Et vous pensez, que vous en viendrez à bout?" + +""Je m'en flatte," antwoordde ik. + +""Mais il me faut le solo de Majôsz." Hij stampvoette, om klem aan +zijn woorden te geven. + +""Je le jouerai!" + +""Tiens! c'est trop fort ça," de man keek mij aan alsof hij zeggen +wilde: "Wat verbeeld jij je wel?" + +""Enfin," zei hij, "essayez!" + +"Om kort te gaan, ik speelde, en... beste dokter! ik durf zeggen, +ik speelde goed; ik had reeds herhaalde malen Majôsz hooren spelen en +kende de Hongaarsche melodieën, waarop hij improviseerde en varieerde, +vrij wel van buiten. Ik zal dien avond nooit, nooit vergeten; +mijn ijdelheid was geprikkeld; het publiek, dat ik voor mij had, +inspireerde mij, en ik liet mijn phantasie den vrijen teugel. U weet +het, dokter, ik heb van die oogenblikken, dat ik gelukkig speel; +welnu, zulk een oogenblik had ik op dien avond. Men applaudisseerde +en juichte mij toe, en... Dubillard riep: "C'est piramidal! Il faut, +que je vous embrasse, jeune homme!" + +"Ik schonk hem volgaarne die omhelzing en keerde tevreden en gelukkig +naar mijn logies terug. + +"Gelukkig!" schreef ik daar. Mijn beste, vaderlijke vriend; +u weet het best, hoe ik dat bedoel: mijn kunst is mijn geluk, +en door haar zoek ik te vergeten, dat ik niet anders gelukkig mag +zijn. Wonderlijk! Altijd wanneer ik aan u schrijf, is het mij alsof +er een inwendige drang in mij is om nog eens en nog eens weer naar +haar te vragen, die altijd in mijn gedachten leeft. Is zij reeds +getrouwd? Gelukkig getrouwd? Vergeef mij, dat ik u telkens weer over +haar schrijf, maar gij zijt ook de eenige, die mij begrijpt, die fijn +genoeg voelt, om te weten, dat ik niet vergeten kan. Van u hoorde ik, +dat zij geëngageerd was en dat zij misschien spoedig een gelukkige +vrouw zou zijn. De gedachte daaraan is mij ondraaglijk, en het is +mij onmogelijk die te verbannen. Ik weet, dokter, gij lacht niet om +mijn woorden, want gij gevoelt, dat er oogenblikken zijn, waarin men +behoefte heeft om over een verloren geluk te spreken; 't is alsof dat +verlichting geeft en de herinnering er aan minder bitter wordt. Ik +heb na mijn vertrek niets anders van haar gehoord, dan hetgeen u +mij over haar schreef. Alleen verleden jaar, in December, berichtte +mij Tournel het overlijden van juffrouw Barbara. Zij ruste in vrede, +een verdiende rust, omdat zij die op aarde niet vond, evenmin als den +vrede, die nooit haar element was. Wanneer u mij weer eens schrijft, +zult u mij genoegen doen, door mij iets omtrent de Tournels te melden. + +"Mais revenons à nos moutons.... Majôsz' solo is nu _mijn_ solo +geworden, want de prikkelbare Hongaar verklaarde, na mijn optreden, +zijn engagement met Dubillard als geëindigd te beschouwen. + +"Terrèmtètè!" vloekte hij, "chamais moi chouer encore pour fous après +le solo du possu!" + +"Ge ziet het! zelfs een Hongaar kan ik mijn rug niet laten zien, +zonder dat hij nijdig wordt. Wonderlijke speling der natuur, die mij +te veel ruggegraat voor mijn lengte gaf! + +"Dubillard, die misschien anders zou gesproken hebben, wanneer ik +niet geslaagd was, zei nu: "A bas la Hongrie! Vive la Hollande!" en +engageerde mij in plaats van Majôsz. Hij heeft verbintenissen aangegaan +te Petersburg, Moskou, en verder te Berlijn en te Weenen. Mij dunkt, +het zal uwe goedkeuring wegdragen, dat ik zijn voorslag heb aangenomen +om mede te gaan; ik zal u op de hoogte houden van mijn reizen en +trekken, en hoop u, wanneer mijn engagement bij hem afgeloopen is, +persoonlijk te komen overtuigen, dat ik, hoewel ik voor de muzikale +wereld en het publiek thans Monsieur Makkoszch heet (Dubillard maakte +de _szch_ tot een der voorwaarden van het contract) voor u steeds +ben en blijf.... uw dankbare beschermeling, Dorus Makko." + + + +Dorus was dus de wereld in. Dokter Abels zag met zelfvoldoening op +zijn werk, want herhaaldelijk bleek het uit de nieuwsbladen, die de +jonge kunstenaar hem uit den vreemde toezond, dat "Théodore Makkoszch" +opgang maakte; en Tournel ontving geregeld van den dokter dezelfde +kranten, die telkenmale den ouden muziekmeester trots deden zeggen: +"Dat's een leerling van mij, Guustje; wat zeg je ervan? Die Dorus +wordt nog een beroemd man." + +Bij Tournel in huis was niet veel veranderd. Sedert Barbara's dood +had Augusta de teugels van het huiselijk bewind in handen genomen, +en al trok zij ze misschien minder strak aan dan de overledene, +toch ging alles even geregeld als vroeger zijn gang. Reeds twee +jaren lang was zij geëngageerd met den candidaat-notaris Brouwer, +"den blonden krullebol", zooals Tournel op den avond van Polyhymnia's +uitvoering hem noemde. + +Of Augusta in haar engagement gelukkig was? + +Wie kan zeggen, wat een meisjeshart gevoelt, welke voorwaarden en +welke eischen het stelt aan het geluk; en wie kan bepalen, welke +idealen het zich schept? + +Ware Brouwer een man geweest, die in ontwikkeling en verstand +boven Augusta stond, dan zou zij gevonden hebben, wat zij zich had +voorgesteld. Maar!.... hij was een goede jongen, die zonder eigen +oordeel, met veel vooroordeel, bureaucratisch opgevoed en gevormd, +zich als vanzelf richtte naar de openbare meening en 't onuitstaanbaar +vond, dat men hem op de sociëteit herhaaldelijk vroeg: "Hoe is 't, +Brouwer, wanneer hooren we nu eindelijk wat van je?" of: "Zal het nu +haast gebeuren?" + +Augusta daarentegen had een gemoed, vatbaar voor plotselinge indrukken, +een artistieke natuur, aangeboren talent en een vlug begrip. Zij had +zich aangetrokken gevoeld door Brouwers hoffelijke manieren, zijn +goed uiterlijk en de voorkeur, die hij haar boven anderen schonk: +'t prikkelde haar ijdelheid, dat zij de uitverkorene was. Hij had +haar gevraagd, en zij had "ja" gezegd.--Zij had zich geëngageerd, +en haar vriendinnen hadden haar onder elkander, op de kleinsteedsche +reputatiemoordende theekransjes, luide beklaagd, omdat er geen +vooruitzichten waren, maar haar in stilte benijd, totdat ook bij +haar iemand kwam, die 't jawoord vroeg en kreeg, met of zonder +vooruitzichten. + +Al spoedig werd het Augusta duidelijk, dat zij in Brouwer niet vond, +wat zij in den man harer keuze dacht te vinden. + +Zij kon niet tot hem opzien, hij stond met haar op gelijken trap, +neen! zelfs een trede lager in geestesontwikkeling. Zij kon met +hem dansen,--voortreffelijk dansen,--met hem lachen, gekscheren en +babbelen; hij sloeg alleraardigste complimentjes; maar met hem spreken, +van gedachten wisselen, kon zij niet. Idealen schiep hij zich niet; +'t was een proza-mensch van de ergste soort; hij ontgloeide voor +niets, maar werd ook over niets boos. Zijn humeur was uitmuntend, +en grootvader Tournel vond hem "een charmanten jongen." + +"'t Zal een model huisvader en echtgenoot zijn, Guustje," zei Tournel +herhaaldelijk tot zijn kleinkind, dat dikwijls een licht geeuwen niet +kon onderdrukken, als Brouwer 's avonds afscheid had genomen. Guustje +zweeg dan en zuchtte. + +Twee jaren duren lang, maar dubbel lang, wanneer de strengste aller +tijdmeters "de verveling" den maatstaf begint aan te leggen. + +Reeds herhaalde malen had Augusta het voornemen gehad, om met Brouwer +te breken, maar eensdeels zag zij op tegen de klepperende tongen +der bemoeizieke kleinstedelingen, anderdeels vond zij geen eigenlijk +geldige reden. 't Was duidelijk te bemerken, dat zij er onder leed; +zij werd stiller en meer in zichzelve gekeerd dan vroeger, enkele +malen zelfs kregel en ontevreden van humeur, zoodat haar grootvader +bezorgd vroeg: "Scheelt er wat aan, mijn kind? Hindert je iets?" + +Met kracht poogde zij zich tegen het onaangename gevoel te verzetten, +dat haar meestal ontstemde, als Brouwer er was, maar tevergeefs, +'t werd al sterker en sterker en eindelijk geheel ondragelijk. + +Brouwer was meer egoïst, dan hij zelf wel geloofde, en beschouwde +misschien zonder het eigenlijk te weten zijn meisje en haar "tehuis" +als zijn toevluchtsoord! Hij begon langzaam aan zijn omgang met +Augusta als een gewoonte te beschouwen en kon er zich uitmuntend in +schikken, dat zij nu en dan een avondje bij vriendinnen doorbracht, +terwijl hij den ouden grootpapa gezelschap hield. + +Men sprak er in 't stadje over, dat Brouwer en Augusta zoo koeltjes en +kalmpjes waren als een paar, dat hun koperen bruiloft al lang achter +den rug heeft. + +"Veel liefde en weinig trek," zei menig ervaren huismoeder, als zij +het paar te zamen zag; maar niemand sprak luid zijn meening uit, +omdat het in een kleine stad veelal de gewoonte is te fluisteren en +men elkander daarom toch evengoed hoort. + +Eindelijk brak Augusta het ijs, dat tusschen haar en Brouwer lag, +door te zeggen: + +"Grootpapa, ik houd het niet langer uit!" + +"Wat niet, Guustje?" + +"Mijn engagement!" + +"Groote goedheid! kind, wat zeg je?" + +"Ik _kan_ niet met hem trouwen." + +"Maar, Guustje!" + +"Ik sterf van verveling! 't Is me een schrikbeeld, dat hij 's avonds +komt." + +"Hoe is 't mogelijk, zoo'n knappe jongen, zoo'n lief uiterlijk!" + +"Grootpapa! ik wou, dat hij leelijk was, maar... verstandiger..." + +"Dat meen je niet!" + +"In vollen ernst; ik merk dagelijks, dat wij niet voor elkander +passen: hij is een goed, braaf mensch; 'k geef gaarne toe, dat hij +alle deugden heeft, die een goed echtgenoot moet hebben, maar..." + +"Wat wil je dan nog meer? Hij is niet opvliegend... niet +driftig... niet slecht van humeur... niet..." + +"Hij is vervelend, grootvader, een man zonder eigen oordeel, zonder +doorzicht en geest, en dit is erger dan alles... Wij vervelen elkander, +dat is duidelijk en klaar. O God! o God! wat voel ik mij ongelukkig." + +"Maar, beste meid, wat wil je dan doen?" + +"En te denken, dat men zijn geheele leven zoo zou moeten +voortsukkelen,--Ja! voortsukkelen! anders is het niet... Ik wil liever +alles doen wat ik kan, mijn eigen brood verdienen, les geven, dan met +hem trouwen.. Och, grootpapa! geef mij raad: hoe zeg ik hem het best, +dat ik...?" + +"Dat je van hem afziet... Hm! ja, dat is een onaangenaam geval; +'t zal hem verschrikkelijk spijten. Hij was hier nu zoo heelemaal +thuis en burger. Ik zal hem ook missen: hij speelt perfect écarté, +bepaald fijn; hij is een nette jongen en...." + +"Wel mogelijk, grootpapa, en misschien ben ik in uw oogen wispelturig +of vreemd, maar ik kan niet, waarlijk niet. Beter ten halve gekeerd, +dan geheel gedwaald. Ik heb het twee jaren lang uitgehouden... een +eeuwigheid is 't geweest...." + +"Wat zullen de vrienden en bekenden er van zeggen?" + +"Dat is mij onverschillig; daar ben ik al overheen. Misschien zal 't +mij eerst onaangenaam zijn, hun spotachtige lachjes te moeten zien, +maar ik weet wat ik doe... Wanneer Brouwer en ik trouwen, worden twee +menschen doodongelukkig!" + +"Je was toch eens erg verliefd op hem, Augusta." + +"'k Zal niet ontkennen, grootpapa, dat ik in den beginne hem graag +mocht lijden; ik geloofde zelfs, dat ik hem liefhad; nu begrijp ik, +dat tusschen liefhebben en _verliefd_ zijn een hemelsbreed onderscheid +ligt." + +"'t Is jammer! doodjammer! Zoo'n knappe man! Hij heeft bepaald een +aristocratisch gezicht en een mooi figuur en..." + +"Maar hij is dom! Ziedaar! dat is het, wat mij hindert." + +"Dom? Nu, nu!" + +"Onbeduidend dan, als ge dat beter vindt. Ik zou hem nooit kunnen +liefhebben als mijn man, omdat ik hem niet achten kan als mijn +meerdere, omdat ik mij niet zwak en nietig gevoel tegenover hem. Dat +gevoel wil _ik_ hebben tegenover den man, dien ik voor mijn leven moet +kiezen. Hij moet mijn steun zijn, ik moet tot hem opzien, ik wil mij +klein gevoelen, niet boven, zelfs niet met hem gelijkstaan. Wanneer +ik dat gevoel bij Brouwer ondervond, grootpapa dan zou ik met vreugde +zijn vrouw worden, al was hij ook zoo leelijk als de nacht, of al +was hij mismaakt, een bult.." + +"Als Dorus!" viel de oude heer Tournel eensklaps in. + +Plotseling overtoog een purperen gloed Augusta's gelaat. Die woorden: +"als Dorus", deden haar in den geest de groote, bruine, zwaarmoedige +oogen van Dorus zien, die haar menigmaal zoo verstandig en innig +hadden aangekeken. Zij herinnerde zich op eens dien balavond: ze had +met echt vrouwelijk instinct destijds dadelijk begrepen, waarom hij zoo +overhaast haar woning had verlaten. Toen had zij een oogenblik gevoeld, +dat hij haar liefhad, en zij was er van geschrikt, omdat zij wist, +dat Dorus begrepen had dat zijn mismaaktheid hem in den weg stond. + +Het speet haar voor hem, 't deed haar leed, maar zij trachtte +zichzelve wijs te maken, dat zij er onverschillig onder was. Toen +Brouwer geruimen tijd daarna met haar geëngageerd was, ondervond zij +een teleurstelling door de ervaring dat haar uitverkorene eigenlijk +niets meer was dan een schoon gevormd, oppervlakkig beschaafd, +alledaagsch mensch. + +De herinnering aan Dorus werd hoe langer hoe levendiger, en menigmaal +had zij reeds in stilte vergelijkingen gemaakt tusschen Brouwer en +hem. Vergelijkingen, die wel is waar in den beginne ten voordeele +van den lichamelijk beter door de schikgodinnen bedeelden uitvielen, +maar die later, en misschien ook al spoediger dan zij zichzelve wilde +bekennen, niet in Dorus' nadeel waren. + +Maar een bult! En bovendien... hij had immers nooit iets gezegd en er +zelfs nooit op gezinspeeld, dat hij haar liefhad!--Toch wist Augusta, +dat 't zoo was, ten minste dat het zoo geweest was, en daarom kleurde +zij zoo sterk bij Tournels woorden. + +"Dus je besluit staat vast om met hem te breken?" vervolgde deze. + +"Ja, grootvader!" + +"Bedenk wat je doet; ik word oud, ik voel mij in den laatsten tijd +zwak en weinig opgewekt; de lessen worden minder; de menschen zeggen: +"Tournel raakt op," en ze hebben gelijk," zei de oude man, weemoedig +glimlachend. "Wanneer ik er niet meer ben, sta je alleen op de wereld, +en..." + +"En kan, Goddank, met les geven mijn brood verdienen. Heb ik nu al niet +een goed aantal élèves, en...? Och grootvader! martel mij niet langer +met al die tegenwerpingen. Ik heb alles overwogen en gewikt, en ben +besloten mijzelf niet ongelukkig te maken. Ach! leefde nicht Barbara +nu nog maar! Die zou mij wel geholpen hebben om het hem te zeggen." + +"Dat zou ze zeker, maar ik zal het ook; van avond nog zal ik met +Brouwer spreken." + +Tournel deed, zooals hij beloofd had, en maakte zich van te voren +reeds zenuwachtig, omdat hij de uitwerking van zijn woorden op Brouwer +vreesde; maar 't ging veel beter en gemakkelijker dan hij gedacht had, +want de candidaat-notaris antwoordde doodkalm op hetgeen Tournel zei: + +"'k Heb het wel zien aankomen; wij passen niet zoo recht bij elkaar, +maar _ik_ wilde de eerste niet zijn en geen aanleiding geven, dat +men later zou kunnen zeggen: hij heeft haar als passe-temps gehad, +zoolang hij daar in dat stille stadje was.--Ik hoop, dat zij later +iemand vindt, die haar beter past." + +De grijze muziekmeester was verontwaardigd. "Als passe-temps!" dat +was te erg; hij bleef bedaard, maar kon zijn toorn niet bedwingen. + +Brouwers koelheid en kalmte evenaarden, neen overtroffen die van +Augusta; en toen zij van elkander afscheid namen, scheidden zij als +goede vrienden, zonder den minsten wrok. Zij waren elkander vreemd +gebleven, en daarom ontknoopte zich zonder smart of lijden een band, +die slechts schijnbaar twee harten had verbonden, omdat de ziel den +knoop niet had gelegd. + +"Je hebt toch gelijk, Augusta," zeide de oude man, "je hebt gelijk! Ik +heb hem nooit goed gekend..." + +Natuurlijk was het verbroken engagement van Augusta Tournel een +alleraangenaamste stof voor de babbelende burgers. Men beklaagde +haar, men beoordeelde of veroordeelde haar, al naarmate men tot haar +vrienden of niet behoorde. Brouwer had een paar ellendige dagen op +de sociëteit, en daarna ging alles zijn gewonen gang in het kleine +stadje, totdat een halfjaar daarna de praatgragen en bemoeizieken +weer rijke stof tot onderhoud vonden in de omstandigheid dat Brouwer, +na het verbreken van zijn eerste engagement, een tweede aanging met +de reeds niet meer schoone of jonge, maar eenige dochter van een rijk +geworden koffiehuishouder, die in den omtrek rentenierde en, met de +hand op den broekzak slaande, verklaarde: "'t Komt er bij mij niet +op aan of mijn aanstaande schoonzoon een betrekking heeft of niet; +hier zitten de muzikanten!" + + + +Polyhymnia was in rouwgewaad; het bestuur en de werkende leden, allen +in zwarten rok en witten das, waren gedeeltelijk in en voor het huis +van Tournel verzameld. Hun geachte directeur was gestorven, en zij +stonden gereed hem de laatste eer te bewijzen, door zijn stoffelijk +overschot naar het kerkhof te volgen. + +Tusschen de neergelaten gordijnen door zag Augusta, voor 't venster +staande, den somberen stoet vertrekken en oogde hem na, zoolang +zij kon. Het deed haar goed te zien, hoe haar grootvader bij zijn +stadgenooten geacht en bemind was geweest, en het temperde haar +droefheid en 't gevoel van verlatenheid, dat zich van haar meester +had gemaakt, toen de goede, eenvoudige man gestorven was. + +Nu was hij heengegaan, de brave, geduldige, vriendelijke oude man, +die haar zoo innig liefhad. Zijn ziekbed was kort geweest: een +hevige koorts, gevolgd door longontsteking, overviel hem op een +avond, nadat hij van de koorrepetitie van 't zanggezelschap was +thuis gekomen, en sleepte hem een paar weken later ten grave. De +laatste dagen van zijn leven waren kalm en zonder pijn, en Augusta +had zich daardoor met de hoop gevleid, dat de hoogbejaarde man nog +voor haar zou gespaard blijven; maar dokter Abels, die hem behandelde, +had haar alleen geroepen in de kleine voorkamer en gezegd: "Augusta, +er is niets meer aan te doen, de goede man gaat sterven; wees kalm, +dan zal hij 't ook zijn, totdat het einde daar is." + +Zij had zich goed gehouden, zij was bedaard gebleven, en de oude +muziekmeester was zacht en stil ontslapen. + +Nu alles voorbij was, kwam de terugwerking; de overspannen zenuwen +eischten haar recht en een vloed van tranen schonk verlichting aan +haar gemoed. + +Daar stond zij aan 't venster en zag in de verte den lijkstoet den +hoek omrijden, terwijl de heeren in 't zwart er zwijgend achter +liepen. Toen zij de laatsten had zien verdwijnen, zuchtte zij diep +en liet zich in de halfdonkere kamer op een stoel nedervallen. + +"Alleen op de wereld!" die woorden ontglipten onwillekeurig haar mond. + +Zij had behoefte aan een hart, aan een gemoed, dat haar begreep, +dat haar toebehoorde, geheel alleen en onverdeeld,--waaraan het hare +zich hechten kon, met al de kracht, innigheid en warmte van haar rijk +gemoed. Zij gevoelde, hoeveel zij zou kunnen geven, wanneer zij ontving +wat zij wenschte, verwachtte en zocht: een ziel, die met haar één was +in denken en gevoelen, als het ware een beter deel van haar eigen ik. + +Haar geheele karakter had in de laatste jaren een meer ernstige +richting aangenomen; zij gevoelde dieper en verstandiger, maar daarom +niet minder innig en warm dan voorheen. Veel wat haar vroeger het +toppunt van geluk had toegeschenen, beschouwde zij nu met andere oogen, +en haar oordeel was minder haastig en oppervlakkig geworden: + +"Waarheen nu?" dacht zij, terwijl zij peinzend voor zich uit zag in de +sombere kamer. "Hier blijven? Alléén in dit huis, dat voor mij geen +_tehuis_ meer is?" 't Kwam haar bijna onmogelijk voor. "Bij andere +menschen binnenshuis op kamers?" 't Scheen haar verschrikkelijk. Zij +kon niet dadelijk een besluit nemen. De laatste woorden van grootvader +kwamen haar in de gedachten: "Guustje, kind," had de oude man gezegd, +terwijl hij reeds bijna stervende was, "kind! waar moet gij nu +heen? Dat is nu nog mijn eenige zorg. 'k Wou, dat ik 't had mogen +beleven je gelukkig getrouwd te zien, maar 't heeft niet zoo mogen +wezen,--en 't is misschien beter zoo. Je zult wel in dokter Abels, +zoolang hij leeft, een vriend hebben; dat heeft hij mij beloofd, +en daar ga ik gerust de eeuwigheid op in. Maar...." + +Terwijl zij zoo zat na te denken en zich de weldadige, verlichting +brengende tranen van de wangen wischte, hoorde zij den lichten tred +niet, die door de gang klonk, en zag niet, dat de deur werd geopend. + +"Albertine!--Mevrouw!" riep Augusta, half verwonderd, half verlegen, +terwijl zij opstond en, door haar tranen heen glimlachend, verwonderd +de smaakvol gekleede dame beschouwde, die als 't ware zoo plotseling +uit den grond verrezen voor haar stond. + +"Mevrouw?" klonk 't eenigszins verwijtend terug. + +"Albertine, 'k ben dankbaar, dat je komt!" + +"Ik kom eens met je schreien, Guustje, over je goeien, besten +grootvader," zei Albertine Abels, nu mevrouw Van Vliet, terwijl +zij naast Augusta plaats nemend, den arm om haar schouders sloeg +en haar hoofd tot het hare boog.--"Die goeie, lieve, oude man! wat +was hij altijd tevreden en opgeruimd!--Lucht het je zoo op, om eens +te schreien?--Ja? Schrei dan maar eens goed uit, hoor! Geneer je +maar niet! Je ziet er betrokken uit, arme meid!--Papa zei: ga jij +er van morgen eens naar toe; een vrouw kan in zulke oogenblikken +zooveel beter troosten dan een dokter."--Doet het je zoo goed, +dat ik er ben? Och! dat dacht ik wel.--Neem eens een beetje eau de +cologne! zoo! en leg je hoofd nu maar eens goed tegen mij aan. Arme +Guustje! wat snik je zenuwachtig. 't Was ook zoo alles wat je +hadt, hé?--Ja! je hebt gelijk, wij hebben elkaar in zoolang niet +gezien;--maar je begrijpt immers wel, dat 't geen onhartelijkheid van +mij is. Je kunt ook niet denken, Augusta, hoeveel drukte zoo'n klein +kind medebrengt. Otto is er zoo gelukkig mee; 't zegt al zoo aardig: +Dada! en Mama! En 't is zoo vlug als water. Aardig hé?--Ben je nu al +wat bedaard? Goed! heel goed!... Dat hij zoo bemind was? Ja, dat wist +ik wel; ik heb den stoet gezien. Een treffend gezicht.--Neen! begin +nu niet weer te schreien. Papa komt strakjes ook, om de heeren uit +jou naam te bedanken; hij dacht, dat zou je genoegen doen. En als +alles afgeloopen is, dan ga je met ons mee, niet waar?" + +De hartelijke woorden van Albertine misten hun weldadigen invloed +niet en een straal van blijdschap brak door den vochtigen sluier van +Augusta's oogen. "Met u mee?" vroeg zij verbaasd. + +"Ja! naar "Mon Repos!" Daar logeeren wij met de kleine. O! je zult +daar zoo rustig en kalm zijn. Papa is er bepaald op gesteld en rekent +er op, dat je komt. Wij zullen het je daar zoo aangenaam mogelijk +maken; je hebt behoefte aan rust, en je zult eens zien, hoe goed het +je doet. Bij ons ben je immers _tehuis_!" + +Augusta vond geen woorden om uit te drukken wat zij gevoelde, +maar zij zag de schoone jonge vrouw naast haar aan met een blik, +die welsprekender was dan alles wat zij zou hebben kunnen zeggen. + +Er zijn oogenblikken in het leven, waarin het hart te vol is om te +kunnen spreken, of waarin de taal te arm is om uiting te geven aan +de weelde, die 't hart gevoelt: dan spreekt de ziel door het oog met +paarlen- of fonkelend diamantenschrift. + + + + + +XVI. + +TERUGGEKEERD. + + +"Hier ben je _te huis_." Met die woorden had dokter Abels voor Augusta +het hek van zijn buitenverblijf geopend, en als muziek klonk haar +die welkomstgroet in de ooren. + +In overleg met dokter Abels had zij de huur van Tournels huis opgezegd +en bij een familie in de stad een paar geschikte kamers gevonden, +waar zij haar intrek nam, toen zij "Mon Repos" verliet. + +De muzieklessen van juffrouw Tournel werden meer en meer gezocht en +vrij goed gehonoreerd, zoodat zij op voldoende wijze in haar onderhoud +kon voorzien. + +Van Dorus had zij na het overlijden van haar vader een kort, maar +hartelijk briefje ontvangen, uit Weenen gedateerd. Hij schreef: + +"Ik gevoel met u, wat gij in den goeden ouden man verliest; ik +treur met u, want hij was mij lief als een oprecht en onbaatzuchtig +vriend.... Over eenige maanden hoop ik weer in Holland te zijn en u +de hand te drukken." + +Aan dokter Abels had hij te gelijker tijd geschreven: + +"Mijn kunstreis spoedt ten einde; 't zijn nu bijna zes volle jaren, +dat ik rondgezworven heb, en het denkbeeld lacht mij toe om u en de +uwen spoedig weer te ontmoeten. Ik zie er nu ook niet meer tegen op, +beste vriend! Ik geloof, dat mijn wond genezen is en dat ik zonder +gevaar Augusta kan terugzien. Zonder gevaar voor mij zelven, bedoel ik, +want--vergeef mij mijne, misschien naar uwe meening ietwat te romaneske +ideeën--tot dusverre was ik nog niet genezen van de dwaasheid om te +gelooven, dat men, een vrouw namelijk, hetgeen ik achter den rug heb, +zou kunnen voorbijzien. De muze is in dat opzicht inschikkelijker, +hoewel niet overal evenzeer. Bijgaand blad zal u doen zien, dat +hier te Weenen bij voorbeeld nog kunstkenners zijn, die beweren: +"_Mann soll die Augen schliessen, wenn Makkoszch spielt, denn nur +dan ist er ein Titane!_" + +".... Het doodsbericht van mijn goeden Tournel heeft mij doen +ontstellen. Augusta is nu alleen. Hoe blijft zij achter?... Doch wat +vraag ik! Zij heeft immers u tot vriend, en dat zegt alles...." + + + +'t Is schemeravond; de dag was warm en zonnig, en nog is de lucht +zoel en warm onder de boomen, maar 't lichte koeltje, dat nauwelijks +ritselend door de bladeren vaart, verfrischt de natuur, die ter +ruste neigt. + +De wolken, wollig gevlokt, kleuren zich met kleine schubbige rosse +randen, waartusschen hier en daar een gulden boordsel schittert. 't +Azuur schemert door het fijne parelmoer der nevelachtige massa's, +die oprijzen aan den gezichteinder; 't scheidend licht vlamt om de +onderste wolken en de gouden schijf der zon daalt langzaam onder +de kim. De wind wordt iets sterker en zachtkens wuiven de kruinen +der boomen hun afscheidsgroet aan den dag. 't Wordt donker onder de +zware boomen, die langs den weg staan, welke naar "Mon Repos" voert; +'t klingelend belletje aan den hals der koe, die door de boerenmeid +langs den berm naar den stal wordt geleid, weerkaatst nog even den +gulden glans van 't zonnelicht, en dan wordt alles vaal en onbestemd +van kleur. De laatste schaduwen verdwijnen, maar hoog in 't uitspansel +is 't nog blauw en vlokkig wit. + +Het groen der boomen wordt donkergrauw en over het gras der weide hangt +een lichte sluier van dauw, nu en dan bewogen door den zwakken wind. + +'t Is avond geworden. + +Een enkele ster schittert reeds aan den hemel, die zich effen en +donkerblauw over de aarde welft. + +In de tuinkamer van dokter Abels' villa is licht, en ruischend +klinken de akkoorden van den vleugel door de opengeslagen deuren in +den stillen avond. + + + "Ich grolle nicht, + Wenn mir das Herz auch bricht!" + + +zingt een melodieuse, krachtige altstem. + + + "Wenn mir das Herz auch bricht!" + + +herhaalt op zachten toon een jonkman, die, met de eene hand tegen +het hek der villa leunend, is blijven staan. Een boerenjongen, +die een valiesje en een vioolkist draagt, staat naast hem en ziet +met verwondering, dat de heer, dien hij van den postwagen hierheen +heeft geleid om het een en ander voor hem te dragen, plotseling is +blijven stilstaan. + +"Ie kunt wel noar binnen gaan, m'neer! Wie bint hier terecht bie den +dokter. Heur ie wel? Zie speult en zingt doarbinnen." + +De vreemde blijft staan en antwoordt niet. + +"Die doar speult, is de jonge mevrouw, en die doar zingt, is de juffer +uut de stad, van den olden heer Tournel, die...." + +"Daar heb je iets voor je moeite. Zet die bagage maar neer; 'k zal +ze zelf mee naar binnen nemen...." + +"Zâ'k 't niet efkes veur oe naar 't huus brengen, m'neer?" vraagt de +jongen, die verheugd is over het kwartje, dat hij gekregen heeft. + +"Niet noodig; dank je. Ga heen." + +"Nou, m'neer mòt 't eiges weten; anders...." + +"Ga dan toch heen!" klinkt ongeduldig het antwoord. + +"Wat 'n roare, kribberige vent," pruttelt de jongen, terwijl hij zich +zich verwijdert. + + + "Ich sah dich ja im Traume; + Ich sah die Nacht in deines Herzens Raume + Und sah die Schlang', die dir am Herzen frisst; + Ich sah mein Lieb, wie sehr du elend bist. + Ich grolle nicht!--Ich grolle nicht!" + + +Onbeweeglijk blijft Dorus bij het hek staan; die stem dringt hem +door zijn geheele ziel. Hij leeft in het verleden door dat lied, +en ontroering grijpt hem aan bij het hooren van dat krachtige geluid, +zoo innig zacht en melodisch in zijn kracht. Zijn oogen worden vochtig; +het hart klopt hem in de keel. + +"Ik geloof, dat ik nu genezen ben," schreef hij eenige maanden geleden +aan dokter Abels; en nu....? + +Neen! hij is niet genezen; de wond wordt onbarmhartig weder opengereten +door die stem; zij bloedt opnieuw, heviger dan ooit. Hij dacht sterk +te zijn, toen hij den weg insloeg naar 't kleine stadje; hij is zwak, +nu hij er is, en bezwijkt bijna, als hij zich in de onmiddellijke +nabijheid weet van haar, die hem nog boven alles dierbaar is. + +Weifelend staat hij tegen het hek geleund. Zal hij weer +terugkeeren? Zal hij verder gaan en haar nu in dit oogenblik +terugzien? Hij vreest voor zichzelven.--Waarom? Omdat hij een gevoel +heeft, alsof hij, zoodra hij Augusta terugziet, haar hand moet grijpen +en uitroepen: "Augusta, ik heb je niet vergeten, ik heb je lief, ik +kan zonder jou niet leven." Omdat hij vreest, dat zij hem medelijdend +zal aanzien en zeggen... Ja, wat zal ze eigenlijk zeggen? Dat weet +hij niet, maar hij gevoelt, dat zij zonder woorden, alleen door een +enkelen blik, hem zou kunnen afwijzen. + +"_Ich grolle nicht_," ruischt het nogmaals en voor 't laatst door de +geopende deuren; 't geluid sterft weg, en duidelijk hoort hij dokter +Abels' stem, die "bravo" roept. + +Hij denkt niet meer na, hij overlegt niet meer, maar een oogenblik +later staat hij in de kamer en drukt hartelijk des dokters handen. + +Augusta staat ietwat bleek en bevend bij den vleugel en mevrouw +Van Vliet begroet hem met de woorden: "Dat is een groote, aangename +verrassing voor ons allen. Hoe jammer, dat mijn man juist op reis is." + +Augusta nadert en reikt hem de hand, die hij even hartelijk drukt en +dadelijk weer loslaat, met de woorden: "En jij, Augusta?" + +Het rouwgewaad, dat zij draagt, kleedt haar uitmuntend, en zij schijnt +hem schooner toe dan ooit; maar hij waagt het nauwelijks haar aan +te zien. + +Het is alsof beiden gevoelen, dat er tusschen hen, belemmerend, een +onuitgesproken woord ligt; de gedachte daaraan doet hen beurtelings +bleek worden en blozen, terwijl zij eenige alledaagsche woorden +wisselen. + +"En nu blijf je voorloopig mijn gast, niet waar?" + +"Wanneer ik mag, gaarne!" + +"Of je moogt? Nu, dat is ook een vraag; ik heb er zeer naar verlangd je +weer te zien, en zij ook," zegt dokter Abels, op de dames wijzend. De +goede man laat zich op zijn gemakkelijken leunstoel achterovervallen +en vervolgt: "Laat me je nu eens aanzien. Hm! die blonde baard staat +je goed, Dorus; je ziet er best uit,--gezond; 't reizen heeft je +geen kwaad gedaan.--Je kunstreis is dus geëindigd; en wat zijn nu +je plannen?" + +Weldra zitten allen onder de veranda bijeen; de avond is verrukkelijk +schoon en koel en 't maanlicht is zoo klaar en helder, dat men er +niet aan denkt licht op te steken. + +Hoe levendig en bezield verhaalt hij van zijn reizen; hoe schildert hij +zijn kleine wederwaardigheden en lotgevallen. Soms klinkt een heldere +lach van Albertines of Augusta's lippen, als hij vertelt van Majôsz +en zijn impressario, of den indruk weergeeft, dien de verschillende +menschen, steden en landen op hem maakten. + +"Hij is bepaald geestig," zegt fluisterend Albertine tot Augusta, +als Dorus een alleraardigste beschrijving geeft van een concertavond +te Weenen. + +"Hij is goed, nog evenals vroeger," denkt Augusta, als hij in den loop +van het gesprek met groote achting en genegenheid over haar gestorven +grootvader spreekt; en dokter Abels verwondert zich in stilte over +de ontwikkeling en beschaving, die doorstralen in elk woord, dat +hij zegt. De avond is omgevlogen, eer men er aan heeft gedacht, en +'t is reeds laat, als Dorus het verhaal van zijn kunstreis eindigt +met te zeggen: + +"Wat nu mijn plannen zijn, vraagt ge, dokter?" + +"Ja! Ga je weer een nieuwe reis ondernemen?" + +"Ja en neen!" + +"Hoe zoo?" + +"Men heeft mij een vast engagement te Hanover aangeboden, een zeer +goede plaats. Wat dunkt u, zal ik die aannemen?" + +"Zonder twijfel! Ge kunt in 't buitenland beter carrière maken dan +in ons kleine Holland." + +"Misschien wel." + +"Meneer, 't rijtuig voor de juffrouw is voor!" klinkt eensklaps +Jakobs stem. + +"Is 't al zoo laat, dokter?" + +Allen geleiden Augusta naar het gereedstaande rijtuig, en na een +kort afscheid en een "wel thuis" rolt het den weg op, die daghelder +verlicht is door de maan. + +"Ik dacht, dat zij hier logeerde," zegt Dorus met een zweem van +teleurstelling in zijn stem. + +"Ze komt alleen Zondags hier; in de week heeft zij het te druk met +haar lessen." + +Nogmaals kon Dorus op de logeerkamer van "Mon Repos" niet slapen. Hij +opende het venster en zag naar buiten in den stillen nacht. + +Het maanlicht droomde op de boomen en liet de boschjes en bloembedden +in den tuin phantastisch gevormd uit het duister te voorschijn +komen. Hier en daar blonk het op de kiezelsteenen van het pad, met +een twijfelachtig, geheimzinnig licht. De late rozen bloeiden nog en +het zuchtje, dat over den tuin streek en zachtjes fluisterde in de +toppen der boomen, koelde zijn brandend voorhoofd en vulde de kamer +met een zachte, geurige lucht. + +Geen mensch was meer in den omtrek te zien; geen licht scheen meer +uit de tuinmanswoning aan het einde van de laan; geen geluid kwam uit +de stad tot hem over dan het slaan van een torenklok en nu en dan het +geblaf van een enkelen hofhond, die aansloeg, verschrikt door de een +of andere nietige oorzaak. + +Twaalf malen sloeg de klok in den ouden toren. Dorus telde de slagen, +die de avondkoelte uit de verte tot hem overbracht als een oude bekende +stem. Hij wist, dat het de toren was, die dicht bij Tournels huis +stond, de oude toren, dien hij zoo dikwijls van uit zijn kamertje +had gezien. Peinzend zat hij voor het open venster; alles kwam hem +weer zoo levendig voor den geest, als ware het pas heden gebeurd, +en toch lagen veel lange jaren tusschen het heden en het verleden. + +Hij zag nu zijn dwaasheid in, om destijds zoo overhaast uit het +vriendelijke huis te vluchten. "Wie weet!" zuchtte hij, "wie weet, +als ik destijds gesproken had!"--"Neen! Neen!" riep een stem in zijn +binnenste, "toen kon zij mij niet liefhebben.--En nu? O, God! als +zij het _nu_ kon, wat zou ik gelukkig zijn; maar..." + +De maan wierp haar schaduw op het witte behangsel, en onwillekeurig +riep hij, haar ziende: "Ach neen! nooit zal zij kunnen." + +Hatelijke schaduw! Onvriendelijke maan, waarom verstoort gij op eens +al zijn illusiën? Ziet gij dan niet, dat uw licht weerkaatst in een +paar dikke druppels, die langs zijn wangen in zijn baard rollen? + +Maar gij zult geen eer hebben van uw vernielingswerk; als gij u achter +de wolken verschuilt, zal zijn blik niet meer omsluierd zijn en de +troostende stem in zijn binnenste zich weer doen hooren. Zij zal hem +toefluisteren: "_Toen_ kon zij niet. Maar nu?--Misschien!--Misschien!" + + + +Toen Augusta in haar kamer was teruggekeerd, kwam het haar voor, +alsof er met haar iets wonderlijks was gebeurd, alsof een innerlijke +stem haar toeriep: "Hij staat boven u tot hem kunt ge opzien, hij is +verstandig, hij is goed en... hij heeft je nog lief." Ze schrikte +van die gedachten en trachtte zich rekenschap te geven, hoe ze wel +ontstonden. Ze wist het niet. Toen vroeg zij zichzelf af, of zij hem, +Dorus, liefhad, of zij in hem zou vinden, wat zij zocht: een man, +wiens arm haar een steun zou zijn, wiens geest voedsel was voor den +haren. Ze beefde en was boos op zichzelf, dat zij zoo dacht. Zij +wilde slapen, maar zij kon niet, zoo bonsde haar hart. Zij wilde +over iets anders denken, maar vermocht het niet. Telkens en telkens +weer zag zij de groote donkere oogen van Dorus op zich gevestigd en +hoorde zij zijn vraag: "En _jij_, Augusta?" Was het niet geweest, +als wilde hij vragen: "Ben je ook verheugd mij weer te zien, of is +het je onverschillig?"--Hoe het mogelijk was, dat zij destijds dien +Brouwer had kunnen liefhebben, begreep zij nu niet. Hoe onbeduidend +en oppervlakkig, hoe gemaakt, egoïst en gedwongen kwam haar zijn +geheele zijn en persoonlijkheid voor, als zij hem vergeleek bij Dorus' +levendige natuur, goedhartigen eenvoud en bescheidenheid. Het scheen +haar toe, als had zij den hoogen rug, die haar vroeger zoo akelig +misvormd voorkwam, niet meer gezien. + +"Wonderlijk!" dacht zij, hij heeft toch nog hetzelfde figuur... maar +als hij spreekt, vergeet men dat door 't geen hij zegt..." Toen +dacht zij er over na, dat Dorus koeler en beleefder was geweest +dan vroeger, en dat hinderde haar. Zij wilde hem hebben, zooals hij +destijds was. Maar waarom? Waarom? Hij was voor haar toch niets meer +dan een broer; had zij 't niet zelf gezegd? Of kon hij haar eenmaal +meer zijn?--Misschien! Misschien!" fluisterde de geheimzinnige stem +in haar binnenste. + +'t Was dezelfde stem, die Dorus hoorde in zijn kamer en die hem ijlings +het venster deed sluiten en 't gordijn neerlaten, opdat het maanlicht +hem niet langer zou ontstemmen. + + + +Weer is het Zondag geworden; de kerkklok luidt: "Bim-Bam! Bim-Bam!" + +'t Zonlicht gloort en glinstert door de twijgen, de dauw tintelt op +het vochtige gras als diamanten en juweelen, de vogels kweelen in de +boomen een jubelend lied, en 't krekeltje in 't gras zingt hen na, +zoo goed als het kan: "Het is Zondag! Het is rustdag." + +Dokter Abels is met zijn dochter naar de kerk gereden, en Dorus +wandelt, met zijn gedachten alleen, door den tuin en eindelijk, zonder +'t eigenlijk zelf te weten, dèn weg op naar de stad. + +Hij loopt peinzend voort tot aan een kromming van den weg, en als hij +den hoek omslaat, kleurt plotseling een vuurroode blos zijn gelaat: +hij staat tegenover Augusta, aan wie hij in dit oogenblik denkt. + +Zij is even verlegen als hij; zij bloost nog sterker; 't karmozijn +kleurt zelfs haar hals. + +In hun wederkeerige verlegenheid vergeten zij den gewonen groet te +wisselen en staan een oogenblik vlak voor elkander, zien elkaar met +groote oogen aan en zwijgen, totdat Augusta begint te lachen. + +"Ik dacht niet je _hier_ te zullen ontmoeten." + +"En ik liep juist aan je te denken, Augusta!" + +"Aan mij?" + +"Ja! Als je 't goedvindt, ga ik met je mee terug naar "Mon Repos," +want dat is toch zeker 't doel van je wandeling, Dokter Abels is met +mevrouw Van Vliet naar de kerk, en ik geloof, dat zij dan plan hebben +om je af te halen." + +"Och! dat zou mij spijten. 't Was van morgen zulk prachtig weer, +en ik had behoefte eens een wandeling te doen; daarom ging ik zoo +vroeg op weg hierheen..." + +"Ik ben blij, dat ik je ontmoet heb, want..." + +"Nu, want...?" + +"Ik zou anders die ontmoeting gezocht, je om een onderhoud gevraagd +hebben; 'k heb iets ernstigs, zeer ernstigs voor mijzelf met je +te bespreken." + +"Zoo, Dorus!" Augusta's stem beeft een klein weinig, als zij die +woorden zegt. + +"Wanneer je niet te moe bent, zou je dan met mij een wandeling in +den tuin willen doen? We kunnen ook een oogenblikje in het prieel +bij den vijver gaan zitten. Wil je?" + +De doordringende, warme toon, waarop Dorus spreekt, maakt haar verlegen +en stil. Zij spreekt niet meer, maar gaat zwijgend naast hem voort, +totdat zij den vijver van "Mon Repos" en het priëel bereikt hebben. Als +zij daar gezeten zijn, vat Dorus eensklaps haar hand, drukt die aan +zijn lippen en zegt innig, maar fluisterend: + +"Ik kan niet langer zwijgen, Augusta! Zeg mij één ding: _mag_ ik +spreken?--Neen, antwoord mij nog niet. Denk eerst nog na, voor je +iets zegt. Zie mij eens goed aan, en zeg 't mij dan.--Mag ik spreken?" + +"Ja, Dorus, ja!" + + + +"Toe, Joakob! Kom nou ens hier, dan zâ'k oe ens 'n grap loaten zien," +zegt Pieter de tuinman, tegen Jakob, die tegen het inrijhek zijn +pijpje staat te rooken en in 't zonlicht zijn rug baadt. + +"Wat dan?" + +"Dat gèf ik oe in tien moal te roaien! Ik hê 't doar net bie toeval +'ezien." + +"Nu, wat is 't dan? Ik raad niet graag." + +"Goai es mee! Dan kunde de juffer van Tournel in 't priëel oan den +viever zien zitten met den muzikant, onzen losé; en ze kussen mekôar, +dat 't zoo klapt." + +"Wat zeg je, Pieter?" + +"Goa maar ens kieken, of 't nie woar is.--Zeg! kunde gij 't nou +begriepen van zoo'n mooie frissche dèrn, dat ze zoo'n lèliken bult +nèmt?" + +"'n Mensch z'n zin, 'n mensch z'n leven, Pieter!" + + + + + +XVII. + +SLOT. + + +Vóór de stad Hanover, ver van de hoofdstraten, waar het drukke verkeer +der bevolking een onrustigen en woeligen indruk maakt, staan eenige +huizen, verscholen in tuinen en plantsoen. Men nadert ze, door tusschen +tuinmuren en schuttingen een klein pad te volgen, of van den anderen +kant door een met boomen beplante chaussée. Aan den ingang van het +smalle paadje is een bordje aangeslagen met den naam: "Blumenstrasse." + +'t Is er zonnig, warm en stil; zóó stil, dat men haast zou gelooven, +dat er niemand in die huizen met neergelaten jaloezieën woonde, +indien niet het tegenbewijs werd geleverd door een melkwagentje, +dat bij een der tuindeuren staat. + +De hond, het trekdier en nu te gelijk de wachter er van, heeft zich, +met de roode tong uit den bek, een plaatsje veroverd in de schaduw van +een paar schuttingplanken, waarover bloeiende vliertakken en seringen +hangen. Een zwerm muggen danst en gonst er onder, en een kever bromt +zijn eentonig lied er tusschendoor. + +Verder van de stad afgaande, daar waar de straatweg zich om de +tuinen kromt, steken de daken en gevels boven de groene omgeving +uit. Hoe verder men ziet, hoe dichter ze opeen schijnen te staan; +nadert men evenwel, dan bemerkt men zijne vergissing, want bij ieder +huis is een tuin van vrij groote afmeting, die het van het naburige +scheidt, zoodat het schijnt, als verdroegen zij zich onderling niet +goed,--niet beter dan de menschen, die elkander uitmuntend verstaan, +zoolang de een den ander noodig heeft, evenals de huizen in de groote +stad, die dikwijls tegen elkander aanleunen om niet te vallen. + +Uit het laatste, met klimop en wilden wingerd begroeide, huis klinken +de tonen van een piano. De vensters staan open en als luisterend buigen +zich de sierlijke ranken naar binnen. Twee witte vlinders dartelen in +de zoele lucht; nu eens schijnen zij rose, dan weer blauw, al naarmate +ze in de zon of in de schaduw op en neer dansen. Of zij naar de tonen +luisteren?--Neen! die zijn reeds eenige minuten lang verstomd.--Of +zij merken, dat men naar hen ziet?--'t is bijna niet aan te nemen, +want 't is moeielijk om van uit het heldere licht naar binnen in de +meer donkere kamer te zien. + +Toch zijn zij de oorzaak, dat het lied, dat met zachte stem bij de +piano-forte werd gezongen, plotseling is verstomd, want een paar +kleine, mollige kinderhandjes grijpen van uit de verte naar de twee +spelende vlinders. + +"Heb je al weer genoeg van de muziek, kleine dwingeland?" zegt +een vriendelijke vrouwenstem tot een allerliefst tweejarig blond +krullebolletje, dat op moeders schoot op en neer danst en zijn handjes +uitstrekt naar het licht, de bloemen en 't groen. + +"Da! Da! Da!" roept de kleine, als de vlinders nu eens binnen, +dan buiten het venster elkander najagen, een oogenblik hoog op, +voorbij den gevel vliegen, om elkander heen dartelen en immer weer +terugkeeren op het plekje voor het geopende venster. + +De jonge vrouw volgt evenals het kind met de oogen het spel dier +vlinders; 't is het beeld van haar gedachten, die nu eens hier, dan +weer daar ronddwalen, maar toch telkens weer terugkeeren op één punt: +den kleinen blonden wereldburger op haar schoot. + +Een koele luchtstroom, die langs haar lokken strijkt, doet de +wingerdranken voor het venster ombuigen en dan weer nieuwsgierig naar +binnen zien, om te weten, wie daar door de deur in de kamer is gekomen. + +"Papa! papa!" roept de kleine. + +"Dag, jongen; dag, Frits! Dag Augusta!" zegt een vriendelijke +mannenstem; en als de jonge vrouw met het kind in de omhooggehouden +armen, het hoofd achter over de leuning van haar stoel buigt, kust +haar echtgenoot haar hartelijk op het voorhoofd. + +"Dorus! wat kom je laat; we hebben al zoo naar je verlangd, niet +waar, Fritsje?" + +"Papa!" kraait de kleine. + +"'k Heb het druk gehad, van morgen; knor maar niet op me; ik breng +ook wat mee, dat je genoegen zal doen." + +"Wat dan?" + +"Een brief van dokter Abels. Hij komt." + +Eens glans van genoegen verheldert Augusta's gelaat, als zij haar +kind omhoogheffend zegt: "Je peetoom komt. kleine man! Wat zal hij +een schik in je hebben.--Ik vind het allerliefst van hem, dat hij de +reis maakt alleen om ons.--Geef papa een kusje! Goed gedaan, ventje!" + +Intusschen heeft Dorus het zich gemakkelijk gemaakt op een +chaise-longue voor het raam; hij leest dokter Abels' brief, en nu en +dan speelt een glimlach om zijn lippen. + +Augusta ziet hem eenige oogenblikken zwijgend aan en zegt dan, het +kind vóór zich op den grond plaatsend: + +"Egoïst!" + +"Wat blief je?" vraagt haar echtgenoot, verwonderd opziende. + +"Kun je mij niet eens voorlezen, wat dokter Abels je schrijft?" + +"Kun je luisteren, als Fritsje hier is?" + +"Natuurlijk!--Stil, kindje, wees nu maar eens een oogenblik rustig.--'t +Is toch zoo'n wilde baas, Dorus. Ja! goed, speel dan maar met mama's +pantoffel, maar stil zijn, hoor!--Ik luister." Zij buigt zich over +de leuning van den stoel, waarop haar man zit, en als haar glanzig +haar zijn wangen raakt, draait hij even het hoofd om en steelt een +kus van de frissche roode lippen, die zoo verlokkend dicht in zijn +nabijheid komen. + +"Gekke man!" meesmuilt Augusta, "lees nu liever." + +"'t Begin heb je zeker al gezien, nieuwsgierige vrouw!" en lachend +knikt hij haar toe, als hij lezend vervolgt:.... + +"uit uw laatsten brief, beste Dorus, heb ik gezien, dat ge zoo +recht gelukkig zijt. Dat Augusta voor u een uitmuntende vrouw zou +zijn, wist ik immers wel vooruit.--De kleine Frits, mijn petekind, +groeit dus goed; dat verheugt mij bijzonder! 't Is schande, dat ik +hem nog niet heb gezien, maar binnenkort hoop ik mijn schade in te +halen. Tegen het begin der volgende maand denk ik u allen weer te +zien; ik heb plan om over Hanover naar Berlijn te gaan en vraag bij +u een dag of wat belet. Ik word oud en een paar dagen rust op reis +zullen wel noodig voor mij zijn. Schrijf mij spoedig eens terug, +of gij mij afwachten kunt...." + +"Wat een vraag, manlief!" + +"....Verder nieuws, wat uwe belangstelling wekken kan, weet ik niet. Ja +toch, iets is er wel, wat u misschien zal interesseeren, namelijk dit: +ik las onlangs in de krant, dat de pandjeshuishouder Philip Strijkman +in arrest is genomen wegens het opkoopen van gestolen goederen. Boontje +komt om zijn loontje..." + +"Ha! ha! ha! ha! ha!" + +"Lach je daarom, Dorus?" + +"Ja, kind! ik herinner mij op eens zijn verbluft gezicht toen hij +mij weerzag." + +"O, zoo!" + +"...En nu, beste vrienden, leeft wel. Tot ziens; in gedachten +omhels ik mijn petekind en Augusta, altijd als haar echtgenoot het +permitteert..." + +"'t Is toch een vroolijk oud man! Ho! ho! wat is dat, +Fritsje?--Augusta, pas op! hij dribbelt de tuindeur uit." + +"Tatateratata! tateratatata!" schettert uit een trompet. Er roffelt +een trom en aanstonds daarop klinkt een vroolijke marsch, geblazen +door een zestal vagebondeerende muzikanten, met oude uniformjassen +aan en petten met verschoten galons er om, op 't hoofd. + +"Hier, Fritsje! hier blijven!" Augusta snelt den kleine achterna, +die, aangelokt door de tonen van de blaasinstrumenten, naar buiten +is geloopen. + +Met het jonkske op den arm blijft zij staan luisteren bij het tuinhek, +waarnaast de zes muzikanten een plekje schaduw gevonden hebben en in +het zweet huns aanschijns blazen en trommelen, om een bescheiden loon +te verdienen. + +Dorus is haar gevolgd en merkt met verrukking op, hoe de kleine Frits +zijn hoofdje op de maat der muziek heen en weer beweegt en met de +armpjes zwaait, als dirigeerde hij een orkest. Als hij genaderd is +en naast Augusta staat, ziet hij de muzikanten scherp aan, en voor +hij er zelf aan heeft gedacht, ontsnapt de naam "Löbell!" luide zijn +lippen. Verwonderd kijkt de trommelslager van den troep op en staart +Dorus onderzoekend aan. De andere musici staken hun spel en blijven +doodstil en verbluft zwijgen, als de trommel op eens een harden slag, +met beide stokken te gelijk, krijgt en zij de wonderlijke woorden +vernemen: + +"Kottorie, das ist ja der Boeckeloroem! Potz Blitz, wie kommt der +hier?" + +Lachend antwoordt Dorus: "Goed gezien, Löbell! Ik ben het. Ziedaar, +laten je vrienden zich hiervoor eens te goed doen in de herberg, +en kom jij eens even bij ons in den tuin." + +Een oogenblik later zit de oude Löbell op de tuinbank en Dorus +tegenover hem op een stoel. Glimlachend luistert hij naar 't geen +de grijze muzikant hem vertelt; en Augusta lacht hartelijk mede, +als Löbell eindelijk zegt: + +"Schwerenoth, noch einmal, ich hèv 't damals wol gezegd: der +Boeckeloroem, da wird noch mal was rechtes draus. Noen! hèv ich nicht +gelijk gehad?..." + +"En blaas je geen trompet meer, Löbell?" + +"'t Gaat nicht mehr; ich hèv 't asthma; die broest ist kapoet, der +blasebalg taugt nicht mehr; daroem bin ich weer nach meine Heimath +gezogen oend trommele mir noen mein bischen brot zoesammen." + +"Arme kerel!" + +"Noe! 's ist mir doch noch besser gegangen wie oenserm frühern +Prinzipal Carlo." + +"Hoe zoo?" + +"Wel, wissen sie dass nicht: die hèvt zich voor een paar Jahren den +nek gebrochen bij 't opschlaan von die tent. Es war da in die laatste +Jahren auch nichts mehr los, nachdem joeffrouw Keetje todt war, lief +die boel durch mekanderen.... Aber noe bitte, Herr....? Ich durf wol +nicht mehr so famieljaar Doroes zeggen?" + +"Zeg jij maar gerust Dorus, Löbell!" + +"Herr Doroes dann! ist das je vrouw?" + +"Juist!" + +Plotseling staat de oude trompetter op, slaat zijn stramme beenen +met de hielen tegen elkaar en zegt, de hand met militair saluut aan +de muts brengend: + +"Alle achtung! Oend vor dem kleinen, dicken prachtkerl da, ein +donnerendes hoch! dreimal hoch!" + +"Boeckeloroem!--Boeckeloroem!--Ach! entschuldige, ich meine Herr +Doroes, jij hèvt een paradies gevonden. Aber," hij bukt zich en ziet +naar iets, wat aan zijn voeten krabbelt, "zoo'n blinde lahme Köter +von ein hoend möchte ich er doch nicht in hebben" Maar 't oude hondje +goed bekijkend, roept hij eensklaps luid: "Nein! schwerenoth! ich +hèv nichts gezegd, hoor!--'s Ist ja der Boppie. Noe! die hèvt zich +sein Gnadenbrot wol verdiend." + + + + + +AANTEEKENINGEN. + + +[1] Amsterdamsche volksuitdrukking voor _dood_. + +[2] Veenhuizen. + +[3] Bargoensche uitdrukking voor gelijk- op deelen. + +[4] Bargoensch voor gevangenis. + + + + + +INHOUD. + + +Een drama binnenshuis +"Krates" +Bij Signor Carlo +Paljas +Bij dokter Abels +In den kermiswagen +Het procureurskantoor +Plannen +Bij Tournel +Op "Mon Repos" +Roofvogels +Bij oude vrienden +Polyhymnia +Nog eens roofvogels +Vier jaren later +Teruggekeerd +Slot + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Krates, by Justus van Maurik Jr. + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KRATES *** + +***** This file should be named 17549-8.txt or 17549-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/7/5/4/17549/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
