summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/17549-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:51:22 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:51:22 -0700
commit1d03ce96ec5e2312b88083df61994d7c754c4385 (patch)
tree4938b353d840a4865d4baad3f5fb8bf14879086a /17549-8.txt
initial commit of ebook 17549HEADmain
Diffstat (limited to '17549-8.txt')
-rw-r--r--17549-8.txt10137
1 files changed, 10137 insertions, 0 deletions
diff --git a/17549-8.txt b/17549-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..ca4f0d5
--- /dev/null
+++ b/17549-8.txt
@@ -0,0 +1,10137 @@
+The Project Gutenberg EBook of Krates, by Justus van Maurik Jr.
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Krates
+ Een Levensbeeld
+
+Author: Justus van Maurik Jr.
+
+Illustrator: Johan Braakensiek
+
+Release Date: January 19, 2006 [EBook #17549]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KRATES ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Krates
+
+ Een levensbeeld
+
+ Door
+
+ Justus van Maurik Jr.
+
+
+
+
+
+
+
+ Bertha: "Weg, Bultenaar!"
+
+ Arnold: "'k Werd zoo geboren, moeder."
+
+ _Byron_.
+
+
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+EEN DRAMA BINNENSHUIS.
+
+
+'t Heeft er jaren lang gestaan: "_Philip Strijkman koopt alle soorten
+van kleederen en andere artikelen in, tot den hoogsten prijs_," en
+'t zou er misschen nog even duidelijk met zwarte letters op 't witte
+bord te lezen staan, wanneer niet sedert ettelijke jaren de eigenaar
+tot zijn vaderen vergaderd was.
+
+Aan de geschiedenis, die ik wil vertellen, hindert het evenwel in
+het minst niet, want op het oogenblik, dat mijn verhaal begint,
+pronkt het bordje nog in volle fleur boven tegen het snijraam der
+smalle deur van het ouderwetsche huis in de Egelantiersdwarsstraat,
+dat ik met u wil binnengaan.
+
+'t Ziet er niet zeer aanlokkelijk uit, dat smalle perceel; de verf
+van het houtwerk is langzamerhand door weer en wind ontbonden en
+overgegaan tot een schilferige korst van een onmogelijke kleur. De
+steenen der pui zijn sinds onheuglijken tijd niet geolied en hier en
+daar laat de kalk los uit de voegen, die nattig en vuil u aangapen. De
+nok van het huis hangt treurig voorover en de vermolmde hijschbalk
+steekt er als een ontvleesde arm uit.
+
+Let eens op de scheeve kozijnen der vensters, waarvan twee breedere aan
+elke boven-, twee smallere aan iedere onderverdieping, door de kleine
+groenachtige ruitjes een karig licht laten vallen in de vertrekken,
+die van achteren geen ramen hebben, maar een beplakt schotwerk,
+dat hen van de achterkamer scheidt.
+
+Naast de deur bemerkt ge een gelijkvormige dito, die toegang geeft
+tot de trap, welke naar de bovenwoningen leidt.
+
+Even verveloos en verwaarloosd als haar buurvrouw, onderscheidt zich
+die deur alleen door een papier, dat boven tegen de gebarsten ruitjes
+van het snijraam geplakt is en den voorbijganger vertelt, dat op de
+onderste voorkamer woont:
+
+ _N. Makko. Scheerdt en kureerdt honden en neemt dezelfde in
+ de kost._
+
+Voordat wij die trap opgaan, willen we eens even met de woning van
+den pandjeshuishouder Philip Strijkman kennis maken.
+
+Ga met mij het smalle gangetje door en pas op dat ge uw hoogen hoed
+niet deukt, als ge het lage deurtje binnentreedt, dat naar de zijkamer
+voert, waar de winkel, of eigenlijk het pandjeshuis wordt gehouden.
+
+Voorzichtig! want het is donker, als ge binnenkomt; de eene helft der
+vensters wordt in beslag genomen door een dichte groene hor, en de
+andere wordt verduisterd door het dikke geelkatoenen valgordijn, dat
+vingerdik stof in zijn plooien heeft en daardoor nog ondoorschijnender
+is.
+
+Er heerscht een zekere nevelachtige toon in die kamer, en juist
+dat grauwe duister is in overeenstemming met de plaats, waar wij
+ons bevinden; want in de woning van Strijkman heerscht de geest des
+woekers, en die schuw het licht, evenzeer als zijn slachtoffers, die
+hem gewoonlijk tusschen licht en donker of des avonds hun schatting
+komen brengen.
+
+Neem u in acht en struikel niet tegen de lage balie, die u belet verder
+in de kamer te komen dan een voet of vier: leun met uw ellebogen op de
+plank, die boven op die leuning is aangebracht, en zie oplettend rond.
+
+Langs den muur, naast en boven de deur, die naar het achterkamertje
+leidt, ziet ge vakken, ruw van withouten planken getimmerd en gevuld
+met bundels en pakken van allerlei grootte en kleur, alle voorzien van
+briefjes en nummers. Recht tegenover u is een groot vak vrijgebleven:
+daar hangen winterjassen en parapluies, die dikwijls gehaald en
+gebracht worden en daarom voor de hand moeten blijven. Iets meer
+links zijn weer andere vakken, met doozen en kistjes, waarin allerlei
+artikelen van kleinere afmetingen, alle genummerd, bijeenliggen;
+rechts ontdekt ge een hoogen lessenaar met een groengazen scherm aan
+de eene zijde en een hooge kantoorkruk er voor. Een paar liassen zijn
+aan het scherm opgehangen.
+
+Onder dat meubelstuk eindelijk zoudt ge tal van laden kunnen zien,
+die, steeds gesloten, de voorwerpen van meer waarde, zooals horloges,
+ringen, halskettingen en ander klein goud- en zilverwerk herbergen. Op
+het oogenblik, dat mijn verhaal begint, zit de eigenaar van het
+pandjeshuis in de achterkamer bij de tafel in een groot, dik boek
+te schrijven.
+
+'t Is er zoo donker, dat hij, hoewel 't pas vier uren in den namiddag
+is, zijn olielamp reeds heeft opgestoken. Haar rosachtig schijnsel
+steekt onaangenaam af bij 't vale, doffe licht, dat door de vervuilde,
+hoornachtige ruitjes van het eenige venster, een zoogenaamd hooglicht,
+binnenvalt. Het kleurt Strijkmans voorovergebogen gestalte en zijn
+naaste omgeving met een zonderlinge tint. Een groote grijze pet met
+een groen lichtscherm er aan dekt zijn hoofd en beschut zijn kalen,
+slechts hier en daar met dunne vlokken lang grijs haar beplanten
+schedel voor koude en warmte.
+
+De diep in hun kassen gezonken, sluwe, grijze oogen, ontsierd door
+roodgerande oogleden, zijn thans strak op het voor hem liggende boek
+gevestigd. De dunne bloedelooze lippen, vast op elkander gedrukt,
+doen den tandeloozen ingevallen mond nog breeder schijnen dan hij
+in werkelijkheid is, terwijl de spitse kin en de kromme neus aan het
+geheele gelaat iets havikachtigs geven. Ongeschoren en onzindelijk,
+met scherp geteekende lijnen langs neus en wangen doorgroefd, is zijn
+geheele gelaat terugstootend en geven de diepe plooien tusschen de
+wenkbrauwen, gevoegd bij een zekere trilling der mondhoeken en der
+dunne lippen, er een uitdrukking van boosaardigheid aan, wanneer
+hij spreekt.
+
+Een versleten grijze jas en een vest, dat slechts met een paar
+knoopen wordt dicht gehouden, doen een oud blauw-baaien hemd zien,
+dat hem tevens als borstrok dient. Een geruite pantalon, die eenmaal
+voornamer beenen omkleedde, hangt slordig op de verschoten pantoffels,
+waarin zijn groote met wollen kousen bekleede voeten steken.
+
+Voor hem op tafel zit een magere zwarte kat zich te koesteren in de
+warmtestralen der lamp. Nu en dan likt zij aan haar poot en wascht
+zich daarmede over den neus, terwijl ze de groenachtig grijze oogen
+dichtknijpt, om ze een volgend oogenblik op haar meester te vestigen,
+die onafgebroken zit te rekenen.
+
+Gedurende geruimen tijd telt de pandjesbaas ongestoord verder.
+
+"Achthonderd zesenvijftig en vijftien is achthonderd éénenzeventig,
+en twaalf is achthonderd drieëntachtig. Hè! hè! hè! hè! 't is van
+deze drie maanden nog al aardig aangeloopen. Er zullen een heele boel
+pandjes moeten verkocht worden. Hè! hè! hè! dat geeft beter dan die
+miserale percenten. Verkoopen maar, dat's de baas, daar draai ik het
+altijd naar toe," zegt Strijkman, als tot zichzelf, terwijl hij zijn
+magere, klauwachtige handen wrijft.
+
+"Achthonderd drieëntachtig, daar kan wel eens een traktatie op staan
+vandaag, hé poes?" De oude man zet eerst zijn pet, dan zijn bril af,
+wrijft met den rug der hand over zijn oogen, trekt de wenkbrauwen
+een paar malen op en neer en herhaalt:
+
+"Daar kan wel wat lekkers af, hé poes?"
+
+"Maauw!" zegt de kat, terwijl zij een hoogen rug trekt, als haar
+meester haar aanspreekt.
+
+"Ja! ja! jij krijgt ook wat, poes; als 't op den eenen regent, druipt
+het op den anderen," vervolgt de oude man opstaande. Hij sloft langzaam
+naar een hoekkastje, grabbelt in zijn diepen jaszak naar den sleutel
+en ontsluit eindelijk de deur er van.
+
+Een vieze, bedompte lucht komt hem te gemoet, als hij de kast opent.
+
+Zijn neusgaten worden wijder, als hij die lucht opsnuift en grinnekend
+zegt: "Lekker! hm! lekker, hé poes? Ja, jij krijgt ook wat;" en als de
+kat met hoogen rug en opgeheven staart langs zijn beenen strijkt, voegt
+hij er bij: "Zoete poes, jij krijgt de korstjes; wees jij maar gerust."
+
+Uit een hoek der kast brengt hij, in een krant gewikkeld, een vrij
+groot stuk kaas te voorschijn, dat hier en daar reeds groenachtig
+is uitgeslagen door 't lange liggen. Hij ruikt er aan en meesmuilt:
+"Lekker, lekker!"
+
+Voorzichtig snijdt hij er een gedeelte van af en bergt de
+rest zorgvuldig weer in 't papier en in de kast, waaruit hij
+achtereenvolgens een stuk brood, wat boter, een flesch met brandewijn
+en een glas neemt.
+
+Met welgevallen beschouwt hij de flesch tegen het licht der lamp,
+en terwijl hij met zijn duim en voorvinger tegen den buitenkant der
+flesch een zekere hoeveelheid van den inhoud afmeet, schenkt hij het
+vocht in het glas en kurkt de flesch weder dicht, nadat hij met zijn
+tong den druppel, die aan den hals bleef hangen, heeft verwijderd.
+
+Hij snijdt een stuk brood af en legt dat bij de kaas en 't glas op
+een stuk papier, dat dienst doet als bord.
+
+Als de rest der kostbare artikelen weer opgeborgen is, slaat Strijkman
+zijn boek dicht en zet zijn bril weer op, voordat hij gaat eten;
+waarschijnlijk omdat door 't brillenglas de hoeveelheid brood en kaas
+grooter schijnt.
+
+Met de eene hand onder het hoofd gesteund zit hij bij de tafel en
+eet langzaam zijn traktatie.
+
+"Hè! dat doet een oud mensch goed. Ja, poes, kaas is een heerlijke
+kost, maar te duur, eigenlijk veel te duur voor een burgermensch. Dáár,
+poes, dat is voor jou," en na zooveel mogelijk het weeke gedeelte er
+van te hebben afgebeten, met de enkele stompjes tand die hem resten,
+legt hij het korstje voor de kat, die het even besnuffelt en dan met
+scheef gehouden kop opknauwt. Met uiterst langzame teugjes drinkt
+hij het glaasje brandewijn ledig, smakt een paar malen met de dunne
+lippen en strijkt liefkoozend met de rechterhand over zijn maag,
+terwijl hij mompelt:
+
+"Dat's warm, dat's lekker, dat brandt op je hart, dat doet goed,--maar
+'t is te duur, veel te duur. Voor een enkele maal kan het er door,
+maar 't is eigenlijk zonde van 't geld."
+
+De kat kijkt hem met haar groene oogen aan en miaauwt zachtjes,
+als wilde zij zeggen: krijg ik niemendal?
+
+"Wou jij ook wat hebben, hè! hè! hè! Lust jij ook brandewijn?" In
+Strijkmans oogen vlamt het boosaardig.
+
+"Miaauw!"
+
+"Wou je 't ook eens proeven, hè, poes?"
+
+"Miaauw!"
+
+Eensklaps pakt Strijkman de kat bij haar nekvel, trekt haar op den
+schoot en laat de paar laatste druppels uit het glaasje op haar neus
+en in den halfgeopenden bek loopen.
+
+De kat schreeuwt angstig en wringt zich onmachtig onder de handen
+van haar pijniger.
+
+Proestend en met den kop schuddend springt het dier van zijn schoot,
+als hij 't eindelijk loslaat; het blaast nijdig tegen zijn meester,
+die grijnzend zegt: "Lekker, hé? Hè! hè, hè! hè! Heb ik je nou
+getrakteerd, heb je 't goed bij den baas? Hè! hè! hè!" 't Arme dier
+schudt en proest voortdurend door 't sterke vocht, en de pandjesbaas
+ziet met duivelachtige vreugde, hoe de kat eindelijk, onder de kast
+kruipend, een schuilplaats zoekt. Hij lacht totdat de tranen hem in
+de roode oogen komen, bukt zich om onder de kast te kijken en roept:
+"Hè! hè! hè! poes! poes!"
+
+De kat houdt zich schuil en de oude woekeraar mompelt in zichzelf,
+terwijl hij zich weer aan tafel zet en een paar overgebleven
+broodkruimels met de toppen der vingers opneemt en in den mond steekt:
+"'k Lust'm beter dan hij."
+
+Een hevig gestommel op de trap, die onmiddellijk aan zijn kamertje
+grenst, doet hem opschrikken.
+
+Een verward gedruisch van stemmen en eenige luide vloeken geven hem
+de zekerheid, dat er bij de buren iets buitengewoons voorvalt.
+
+"Wat is dat voor een spektakel?" vraagt hij in zichzelven, en terwijl
+hij naar de deur gaat om te zien wat er gebeurt, voegt hij er bij:
+"Dat's zeker weer Claas Makko, dien ze dronken thuis brengen."
+
+Nog voor hij de deur bereikt heeft, komt hem een buurvrouw te gemoet,
+met de woorden: "O! heere! buurman, wat een geval! Ga gauw ereis mee
+naar boven; zóó erg heeft hij 't nog nooit gehad ..."
+
+"Is 't al weer zóó-laat met Makko?"
+
+Strijkman gaat even terug, sluit zijn winkeldeur dicht en staat nu
+met de vrouw op straat. Beiden zien naar boven.
+
+"Is hij erg dronken?" vraagt de pandjesbaas.
+
+"Veel erger, buurman; hij heeft op straat het lirium gekregen; de
+kruier van den hoek en de man van de groenvrouw hebben hem hierheen
+gebracht; hij slaat met handen en voeten als een razende en ... Hoor
+eens, hoe hij aangaat! Allemachtig! net een dier ... O! wat een beest
+van een vent; en hoor die honden eens," de vrouw houdt de handen voor
+de ooren.
+
+"'t Is verschrikkelijk, juffrouw Ram," antwoordt Strijkman, als
+eensklaps van boven een gebrul klinkt, dat niets menschelijks heeft
+en dat zelfs 't hevig hondengeblaf overstemt.
+
+"Heere! heere! wat gaat hij te keer ... Hoor eens! ... Mooi! de boel
+gaat kort en klein, hij slaat de glazen in, God bewaar me, dat was
+bijna raak. Mensch! 't schiet me in mijn knieën," zegt, bleek wordend,
+de juffrouw, als een stuk glas en een gebroken aarden schotel rakelings
+langs haar heen op straat vallen.
+
+Met de woorden: "Ik zal toch eens even gaan kijken," slaat Strijkman
+zijn loshangende jas dicht en strompelt, zoo spoedig zijn neergetrapte
+pantoffels het toelaten, de trap op naar de onderste voorkamer,
+gevolgd door de vrouw, die telkens herhaalt:
+
+"O! genade! O, Heere! zoo erg heeft hij 't nooit gehad."
+
+De voorkamer, die door Makko den hondenscheerder bewoond wordt, is
+een beeld van de meest onbeschrijfelijke verwarring. Vastgehouden
+door de twee mannen, die hem tehuis brachten, staat de dronkaard
+midden in de kamer en schopt zoo ver hij kan om zich heen. Doodsbleek,
+met stukgebeten lippen en 't schuim op den mond, de oogen met bloed
+beloopen, brult hij als een bezetene. Met de kracht van den waanzin
+tracht hij zich los te rukken uit de handen der mannen, die hem met
+de grootste inspanning vasthouden. Zijn haren hangen verwilderd over
+zijn voorhoofd en zijn kleederen zijn bijna aan flarden gescheurd.
+
+Eensklaps staat hij als aan den grond genageld, de oogen puilen hem
+schier uit het hoofd en onafgebroken staart hij naar een hoek der
+kamer, terwijl een siddering door zijn lichaam vaart. Met heesche
+stem roept hij:
+
+"Weg, daar!--Vervloekt! dat beest vliegt mij aan. Draai hem zijn nek
+om. Geef hem een doodschop! Hij komt, hij komt!"
+
+"Hou hem goed vast, Manus," roept de kruier tot zijn makker, die,
+evenals hij, niet dan met de grootste moeite de armen van den
+hondenkoopman in bedwang kan houden.
+
+"Wees nou een beetje bedaard, Makko! Je verbeeldt het je eigen maar;
+er is geen bulhond, waarachtig niet,..."
+
+"Daar! daar! Zie je hem dan niet ... Daar vliegt hij op me aan ... Hou
+hem weg! Verd..md hij is dol," en geweldig schopt hij voor zich uit,
+als wilde hij het denkbeeldige dier van zich afweren. "Daar! daar! Hij
+komt weer," gilt de door den drank waanzinnige man, als het gehuil en
+geblaf der honden, die in de kamer in hokjes zitten of aan kettingen
+liggen, heviger dan te voren weerklinkt.
+
+Met Strijkman en de buurvrouw zijn intusschen tal van andere buren
+nieuwsgierig in het portaaltje, op de trap en in de kamer gekomen,
+om het akelige schouwspel te genieten.
+
+Allerlei stemmen spreken te gelijk.
+
+"Makko is weer dol," roept de één.
+
+"Wat wonder! Hij is drie dagen onder water geweest," verzekert
+een ander.
+
+"Laten we hem naar 't gasthuis brengen," zegt een derde.
+
+"Wat is er aan de hand?" vraagt een buurvrouw, die, achter de anderen
+staande in de kamer, met uitgerekten hals over hun schouders tracht
+te zien.
+
+"Makko heeft 't op zijn zenuwen," grinnikt iemand uit den hoop.
+
+"Daar blijft hij in," zegt verschrikt een der vooraanstaanden tot
+zijn achterbuur.
+
+"Och, ben je mal, hij komt wel weer bij zijn positieven," schreeuwt
+een vrouw terug.
+
+"'t Is al voor den vijfden of zesden keer dat hij lirium heeft,
+maar zoo erg als vandaag heeft hij 't nog niet gehad," merkt
+juffrouw Ram aan, die na Strijkman in de kamer is gedrongen en zich,
+met hem, angstig in een hoek bij de armoedige bedstede verscholen
+houdt. Binnensmonds mompelt de pandjesbaas: "Hij ruïneert mijn boel,
+alles gaat stuk; nu moet hij er bepaald af; ik kan die kamer wel
+zesmaal, en beter verhuren."
+
+"Laat dan toch iemand om een dokter of een meester gaan," roept een
+der mannen, die hem vasthouden. "Gauw dan toch: de kerel is razend,--ik
+kan hem niet houden.--Gauw dan! ..."
+
+De verwarring neemt met elk oogenblik toe: een paar van de honden zijn
+losgebroken en loopen blaffend en huilend, verschrikt door 't rumoer,
+door de kamer, of janken erbarmelijk, als zij door de vechtenden nu
+en dan getrapt en geschopt worden. Enkele vrouwen beginnen luidkeels
+te gillen, en daartusschen klinkt een grove mannenstem, die schreeuwt:
+"Hou toch jelui snaters ..."
+
+"Moord!" roept op gesmoorden toon een der mannen, de kruier, als
+plotseling, met een verraderlijken ruk, de honden-koopman zijn
+rechterhand bevrijdt en hem daarmede de keel dichtknijpt.
+
+Strijkman siddert van angst; terug kan hij niet, want de opening
+der deur en ook 't portaal is door de aangroeiende burenmassa geheel
+ingenomen.
+
+"Moord!" rochelt nogmaals de aangevallene, als de ijzeren greep van
+den waanzinnige hem de keel toeschroeft.
+
+Eenige mannen dringen nu de kamer binnen en komen den kruier te
+hulp, die eindelijk bleek en ontdaan, half gewurgd, met de bloedige
+indruksels van Makko's nagels aan den hals tegen den wand tuimelt,
+met de woorden: "Hij is dol. Haal den meester! Haal den meester!"
+
+Op eens houdt het gebrul op; de handen van den hondenkoopman worden
+slap, hij biedt geen tegenstand meer, zijn hoofd zinkt voorover,
+en terwijl een zucht snerpend en schel zijn borst ontvlucht, zakt
+hij ineen. Nog een paar malen trilt zijn geheele lichaam; de oogen
+dringen bloedig uit hun kassen; de tong, blauwachtig opgezwollen,
+hangt een eind over de onderlip; de neusvleugels verwijden zich een
+oogenblik, om dadelijk daarna weer samen te trekken en aan den neus
+den eigenaardigen spitsen vorm te geven, die de voorbode is van den
+dood. Al de wezenstrekken worden slap, de oogen breken; rochelend
+blaast hij den laatsten adem uit en de vale doodskleur trekt over
+zijn gelaat, terwijl zijn geheele lichaam zich op den grond uitrekt
+en daarna roerloos blijft liggen.
+
+De omstanders dringen met ingehouden adem hoe langer hoe meer
+vooruit. Zonderling steekt de plotselinge, akelige stilte, die nu in
+het vertrek heerscht, af bij het ontzettende geweld van zoo even. "Ik
+geloof, dat oom Kool er geweest is," zegt de groenboer, zich met de
+hemdsmouw het zweet van 't voorhoofd wisschend. "Sakkerloot, wat was
+dat een toer!"
+
+"Daar is de meester!" klinkt een stem onder aan de trap, en eenige
+oogenblikken daarna maakt men ruimte bij de deur der kamer om een
+chirurgijn binnen te laten, die inderhaast door een der buren is
+opgezocht. In een oogenblik is nu de kamer overvol. Allen verdringen
+zich om den medicus, die bij het lichaam van den hondenscheerder
+neerknielt, diens oogleden omhoogheft en, na 't hart betast te hebben,
+kortweg zegt: "Hij is dood. Jeneverberoerte!"
+
+"Ja, dat dacht ik wel: hij heeft van morgen ook beestachtig gedronken,"
+zegt de kruier, die weer wat van zijn schrik bekomen is. "Kijk eens,
+meneer, hij had mij bijna ook om gaies [1] geholpen," en hij toont
+de krabben aan zijn hals.
+
+"Doe er maar wat azijn en water op; en haal een raderbaar, dan kan
+dat lijk naar 't politiebureau gebracht worden. Of heeft de man hier
+familie?" vraagt de chirurgijn.
+
+"Fermielie?" antwoordt juffrouw Ram. "Och neen, meneer, de man leefde
+hier alleenig met zijn kleinen jongen, een bocheltje van een jaar of
+elf, een rakkerd van een jongen, 'n plaaggeest voor de heele buurt."
+
+"Had hij geen vrouw?"
+
+"Dood, meneer, voor drie jaar geleden. Een zegen voor 't mensch! De
+juffrouw was goed, zachtzinnig; ze had dan erg het water, daar
+laboreerde ze lang aan. O! meneer een lichaam als drie, en dikke
+beenen, o! je werdt er akelig van, en dan ..."
+
+"Dank je voor de rest, juffrouw. En 't kind?"
+
+"Zooals ik uwé zei, een rakkerd."
+
+"Waar is het?"
+
+"Och, die zwerft zeker ergens in de buurt; of misschien zit hij
+wel hier of daar verstopt; dat levert hij meer. Zoo ga je zonder
+erg de trap op: flap! dan vliegt je op eens die "krates" tegen je
+beenen. Een plaag voor de buren, maar een stumperd; ik geef hem wel
+af en toe ereis een boterham of een kliekje, omdat hij er soms zoo
+akelig hongerig uitziet; maar ...."
+
+"Al goed, vrouwtje," en tot de omstanders gewend, vervolgt de medicus:
+"Laat het lijk dadelijk naar 't politiebureau brengen; over een half
+uur ben ik er zelf."
+
+Vijf, zes stemmen verzekeren den meester, dat er niets aan mankeeren
+zal. Een kwartier later is de raderbaar voor de deur en wordt het
+lichaam van den gestorvene er in gelegd en, begeleid door jongens,
+straatslijpers en buren, die nieuwsgierig medeloopen, weggebracht.
+
+Nog een kwartier later is de kamer ontruimd en gaat ieder der buren
+zijns weegs, alsof er niets gebeurd was.
+
+
+
+Een menschenziel is de eeuwigheid ingegaan en niemand van de
+overgeblevenen vraagt zich af: hoe? of waarheen? Zij dolen verder door
+het leven, tot ook het raadsel van 't sterven voor hen wordt opgelost.
+
+Strijkman heeft den kamersleutel tot zich genomen en eigent
+zich reeds in gedachten de honden of liever de opbrengst er van
+toe. Handenwrijvend denkt hij: "Er is toch niemand, die er gading
+naar kan maken. Hè! hè! hè! ik ruk 't boeltje in;--wat er van komt
+is pure winst."
+
+
+
+
+
+II.
+
+"KRATES."
+
+
+'t Is geheel donker geworden in de verlaten kamer; alles is er in rust,
+zelfs de honden zijn bedaard en liggen met hun kop op de voorpooten te
+soezen. Beneden in den winkel staat Strijkman nog met juffrouw Ram over
+het geval te praten en vertelt, dat hij de honden naar de Botermarkt
+zal laten brengen, om ze daar te verkoopen. "'k Moet toch zien, dat zij
+mij voor de achterstallige huur wat opbrengen; en als er wat over is,
+kan ik het met een gerust geweten houden voor al wat hij op mijn kamer
+bedorven en gebroken heeft," zegt hij meesmuilend, want hij berekent,
+dat hij nog met eenig profijt van een onaangenamen huurder afkomt.
+
+"En wat zal er nu van dien krates worden?" vraagt juffrouw Ram.
+
+"Dat weet ik niet. 't Gaat mij ook niet aan, buurvrouw."
+
+"'t Is een gare rot, een jongen, die, zoo klein als hij is, toch slim
+is voor drie."
+
+"Ja, goochem is hij."
+
+"Misschien nog goochemer dan jij, Strijkman."
+
+De oude man ziet haar aan met dichtgeknepen oogjes, glimlacht alsof
+hij denkt: "dat kon je nog tegenvallen," en antwoordt: "Neem jij hem
+bij je in huis, juffrouw Ram; hij kan je al gauw in de hand komen
+met boodschappen doen."
+
+"Ik? Geen gedachte. Mijn eigen jongens worden haast groot
+genoeg. Waarom neem jij hem niet, Strijkman? Je hebt kind noch kraai;
+en heb je me laatst niet gezegd, dat je wel zoo'n soortement bediende
+kondt gebruiken? Nou kun je er goedkoop aankomen; voor den kost en
+een paar stukjes kleeren ben je klaar. 't Is wel geen mooi gezicht,
+zoo'n bult in je kantoortje, maar ..."
+
+"Dat zou me een zorg wezen! Maar ik heb geen lust om een andermans
+kind te eten te geven; 'k heb zelf werk, dat ik rondkom."
+
+"Jij? Laat naar je kijken!"
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Jij hebt ze, Strijkman,"--juffrouw Ram maakt de beweging van geld
+tellen,--"en dik ook, dat weet de heele buurt."
+
+Met een zijdelingschen, min of meer angstigen blik naar het
+binnenvertrek antwoordt de pandjesbaas: "Praatjes, allemaal
+praatjes!--'k Zou misschien wat over kunnen hebben, wanneer ik minder
+voor de panden gaf; want gewoonlijk ..."
+
+"Nou, 't is goed, 'k zal je voor dezen keer gelooven", grinnikt
+juffrouw Ram en vervolgt: "Het zou nog zoo gek niet zijn, als je den
+jongen naamt. Je hebt er hulp van en je kunt hem heelemaal naar je
+hand zetten. Een krates is hij en een rakkerd ook, maar eerlijk er
+bij. Hij heeft me een veertien dagen geleden mijn knipje, dat ik hier
+in de straat verloren had, teruggebracht, en er was geen cent uit."
+
+"Hoe wist hij, dat het jouw knipje was?"
+
+"Er zat toevallig een briefje in, waar mijn naam op stond".
+
+"Zoo, hm! dus hij kan lezen?"
+
+"Ja, en schrijven ook, wat netjes," antwoordt snel de juffrouw,
+die innerlijk een zeker medelijken gevoelt met den stumperd, die
+anders naar het _gesticht_ moet, zooals zij het noemt en, evenals
+de meeste vrouwen van haar stand, het _gesticht_ [2] als het toppunt
+van ellende beschouwt.
+
+Strijkman weifelt een oogenblik; hij denkt na: "Als ik den jongen
+neem, laat ik hem alles doen; dan kan ik vrouw Sabel" (een oude
+schoonmaakster, die zijn boeltje zoo wat aan kant houdt) "missen;
+dat zou een gulden in de week gespaard zijn. Hm, de jongen eet
+misschien voor drie ... En dan zoo'n kijk-in-den-pot ... Neen,
+'k zal vrouw Sabel maar houden."
+
+"Nou, Strijkman, hoe denk je er over?"
+
+"'k Wil hem niet hebben, juffrouw Ram.--Waar zit die jongen?"
+
+"'k Weet het niet, Strijkman; maar als ik hem ergens zie, zal ik hem
+bij je sturen," antwoordt de juffrouw zich verwijderend.
+
+
+
+Waar zit die jongen?
+
+Boven op de donkere kamer, in een hoek der bedstede hurkt een mismaakt
+kind, een jongen van ongeveer elf jaren.
+
+Een kleine, tengere gestalte met een vergroeide ruggegraat, bleek van
+tint, met sproetachtige wangen en blauw-geaderd doorzichtig vel aan
+de slapen. Een vrij groot hoofd, met dun rosachtig blond haar bedekt,
+rust op een korten hals en nijgt ietwat scheef naar de zijde, waar de
+ruggegraat het kromst is. Alleen de oogen, groot, bruin en zwaarmoedig,
+zijn niet onaangenaam van uitdrukking, en om zijn mond, goed gevormd
+en met schitterend witte tanden voorzien, speelt een innemende trek,
+iets wat men evenwel eerst bij nadere beschouwing opmerkt. Als allen
+de kamer verlaten hebben, is het kind, dat verschrikt door al het
+rumoer zich in de bedstede heeft schuilgehouden, voor den dag gekomen
+en zit nu op den rand van het bed. In zijn armen houdt hij een hondje,
+een mank, ongelukkig dier, met afgesneden ooren en een akelig stompje
+staart, dat rusteloos heen en weer gaat.
+
+Met zijn lange, tengere vingers strijkt de knaap over de borstelige
+haren van het hondje en brengt zijn mond dicht bij de korte oortjes.
+
+"Ze bennen weg; jij was ook bang voor 't leven. Hu! wat was dat
+akelig! Jij blijft bij me, hé, Boppie? Van jou hou ik, omdat jij mank
+bent en leelijk; jou schoppen ze ook. Ja, hé! net als mij ... En jij
+kunt ook nog niet erg bijten, omdat je nog te klein bent; maar ik
+zal je te eten geven, en als je dan groeit en groot bent, dan kun je
+van je af bijten. Ze wouen je verdrinken, omdat je mank loopt, maar
+ik heb je verstopt ... en nou hou je van mij, hé, Boppie? Jij likt
+me, ja! goeie hond, jij zoent den baas, ja! ja! lik me maar. Jij
+roept niet: Kriek! of Krates! tegen me. Nu, nu, Boppie, niet zoo
+erg. Koest dan, hond! Ze hebben hem weggebracht, hij heeft z'n eigen
+dood gedronken; 't is wel m'n vader, maar ik hield niet van hem, hij
+kon mij ook niet uitstaan ... 'k Heb niets geen spijt, dat hij dood
+is. 't Is wel goed, hé, nou hoef ik je niet eens meer te verstoppen."
+
+"St! stil! niet blaffen, hoor je! dan beginnen de anderen ook. De
+oude baas van beneden wil je verkoopen; ik heb gehoord, dat hij
+'t tegen juffrouw Ram zei. Ha! ha! ha! ha! ik zal hem eens lekker
+beetnemen; hij noemt mij ook rakkerd en kriek. Stil! blijf zitten,
+koest dan! Ik zal ze er uit laten; die stomme dieren krijgen niet
+eens eten vandaag. Koest dan, Boppie!"
+
+Voorzichtig laat de knaap zich van den rand der bedstede glijden en
+gaat voelend en tastend naar de deur.
+
+"Gesloten," mompelt hij. "O! maar dat's niet erg, ik weet wel raad,"
+en naar de vervelooze latafel gaande--de duisternis hindert hem niet,
+hij kent elken hoek van 't vertrek--haalt hij uit de bovenste lade
+een ouden, roestigen sleutel te voorschijn en opent daarmede de deur,
+terwijl hij grinnikt: "Dat weet de ouwe niet; vader wist het ook niet,
+en ik heb hem toch zoo dikwijls gebruikt, als hij me opsloot."
+
+"Komt, jongens!" fluistert de bultenaar, terwijl hij in het duister de
+honden losmaakt, die, even hun hals en kop schuddend, een kort blaffen
+doen hooren. "Zoo! nu maar vooruit." Hij zet de deur wagenwijd open
+en met een paar schoppen van zijn korte, magere beentjes jaagt hij
+het zevental honden de kamer uit.
+
+Onder luid geblaf rennen de dieren de trap af en de straat op. In
+een oogwenk zijn ze uit het gezicht en is Strijkman, die beneden het
+blaffen en 't leven op de trap heeft gehoord, met een lamp in de hand
+naar boven gesneld, om te zien wat er voorvalt.
+
+Als hij de deur geopend vindt en de afwezigheid der honden bemerkt,
+vloekt hij binnensmonds en zet de lamp op den houten schoorsteenrand.
+
+De jongen is weer in de bedstede gekropen en houdt zich stil.
+
+"Niets, niemendal!" bromt Strijkman. "Hoe komt die deur
+open?--Waarachtig! al de honden weg; dat is een gemeene streek;
+ik ben bestolen. Wie heeft ..."
+
+Een onderdrukt lachen klinkt uit de bedstede.
+
+"Dat is zeker die satansche bult, die mij dat gebakken heeft." Met
+die woorden nadert de pandjesbaas het bed en schuift de gordijnen open.
+
+"'n Avond, baas Strijkman," grinnikt de jongen, die met zijn beenen
+tegen het houten beschot trommelt.
+
+"Satanskind! heb jij die honden losgelaten?"
+
+"Jawel, baas Strijkman. Wat liepen ze! Ha! ha! ha!"
+
+"Vervloekte kriek, dat zal ik je inpeperen!"
+
+Met de ellebogen op de knieën en de handen onder het hoofd, ziet de
+knaap doodkalm den ouden man in 't gelaat, terwijl hij antwoordt:
+
+"Ze waren toch niet van jou, wel?"
+
+"Wel wis en waarachtig waren ze van mij, voor de huur en..."
+
+"Vader heeft verleden week toch de huur betaald...."
+
+"Hou je mond, krates, en kom van dat bed af."
+
+"Neen."
+
+"Waarom niet?"
+
+"Omdat je "krates" tegen me zegt; ik weet het wel, dat ik een bochel
+heb, maar jij hoeft het mij niet te zeggen."
+
+"Hè! hè! hè! Meneer is op zijn teentjes getrapt.--Allo, gauw! kom
+er af."
+
+"Neen."
+
+"Wil je niet?--Wacht ik zal je beenen maken." Strijkman grijpt een
+hondenzweep, die naast de bedstede hangt, en heft ze dreigend op.
+
+"Sla maar toe, als je durft, maar als je 't doet, bijt ik je," en
+evenals een dier blikkert de jongen met de witte tanden;--"ik ben
+niet bang voor slaag. Vader sloeg me ook, maar altijd alleen als hij
+me krijgen kon. Ha! ha! ha!"
+
+Voordat de pandjesbaas recht weet wat er gebeurt, is de bultenaar van
+'t bed gesprongen, langs hem heen gegleden en heeft zich verschanst
+achter twee kisten, die als hondenhokken dienst hebben gedaan,
+terwijl hij nog eens sarrend herhaalt:
+
+"Sla nou maar toe, als je kunt."
+
+"Kom er uit, bochel, ik zal je niets doen; ik wil een paar woorden
+met je spreken," zegt Strijkman, met ingehouden drift.
+
+"Leg dan eerst die zweep weg en noem me geen krates of bochel."
+
+"Hoe heet je dan eigenlijk?"
+
+"Dorus."
+
+"Kom er maar gerust uit, Dorus! Ik zal je niets doen."
+
+"Gooi eerst die zweep in den hoek, dáár, ver weg!"
+
+"Nu goed dan. Ben je nu tevreden?" De zweep vliegt in een hoek.
+
+Met een sprong is de knaap tusschen de kisten uit en bij de zweep,
+die hij stevig in de handen neemt, terwijl hij brutaal vraagt: "Nou,
+wat moet je dan?"
+
+"Bijdehand genoeg," mompelt Strijkman en luid laat hij er op volgen:
+
+"Waar moet je naar toe?"
+
+"Weet ik het!"
+
+"Heb je geen oom of tante?"
+
+"Neen."
+
+"Geen andere familie?"
+
+"Neen."
+
+"Dan moet je naar 't Gesticht?"
+
+"Mij een zorg," bromt Dorus, terwijl hij met de zweep op een der
+kisten slaat; "in 't gesticht krijgen ze eten genoeg...."
+
+"Zou je denken?" grinnikt Strijkman.
+
+De jongen ziet den pandjesbaas met zijne groote donkere oogen eensklaps
+onderzoekend aan en vraagt, terwijl hij met de zweep op de bedstede
+wijst:
+
+"Mag ik _hem_ daar meenemen?"
+
+"Wie?" Onwillekeurig volgen Strijkmans oogen de aangewezen richting.
+
+"Boppie?"
+
+"Wie is dat? Je broertje?"
+
+"'k Heb geen broertje,--nooit gehad," antwoordt de knaap, die aanstonds
+daarop even fluit en met de vingers knipt.
+
+Een kort blaffen en 't slaan van Boppie's staartje tegen de beddeplank
+doet den ouden man verwonderd vragen:
+
+"Een hond? Dat kun je begrijpen! Ze hebben daar doodeters genoeg."
+
+"Dan wil ik er ook niet heen.--Pst! hier Boppie, kom bij den baas."
+
+'t Hondje springt, uit de bedstede en nadert den jongen.
+
+"Ba! wat een mormeldier!"
+
+"Vind je, baas?" Dorus neemt het hondje op, en terwijl hij het in zijn
+armen en tegen zijn lippen drukt, zegt hij: "Wij blijven bij mekaar,
+hé Boppie!" en hij maakt zich gereed om de deur uit te gaan.
+
+Strijkman verspert hem den weg en draait het slot dicht, terwijl
+hij vraagt:
+
+"Hoe kom jij aan dien sleutel?"
+
+"Die lag altijd in de latafel, dáár!"
+
+Oogenblikkelijk begeeft de pandjesbaas zich met de lamp in de hand
+naar het aangewezen meubelstuk, grabbelt in de laden en haalt er
+uit wat slechts eenigszins waarde heeft; eenige papieren, die in de
+bovenste lade bij elkander liggen, trekken zijn aandacht. Vluchtig
+ziet hij ze door en mompelt: "Trouwakte, geboortebewijs.--Jij heet
+Theodorus Johan, hé?"
+
+"Dorus heet ik.--Laat je me nu haast de deur uit?"
+
+"Brieven, een portret in een lijstje.... Hé! 't lijkt wel een broer
+van Makko.--Had je nog een oom?"
+
+"Ja! maar wat gaat jou dat aan?"
+
+Voorzichtig legt Strijkman de papieren weer bijeen, omwikkelt ze met
+een stukje touw en steekt ze in zijn borstzak, terwijl hij denkt:
+"'k Zal ze meenemen; je kunt nooit weten, waar het goed voor is."
+
+De kleedingstukken, die hij uit de latafel heeft gehaald, hangt hij
+over den arm en werpt den jongen een overjasje toe, met de woorden:
+"Daar, neem dat maar mee; daar heb ik toch niets aan. Dat past alleen
+op jou kriek."
+
+"Dief!" schreeuwt Dorus hem, heesch van kwaadheid, toe, en rakelings
+vliegt de hondenzweep Strijkmans hoofd voorbij.
+
+Boppie blaft uit alle macht, en de oude man keert zich om, raapt de
+zweep op en slaat er Dorus een paar malen mee over den rug, met de
+woorden: "Satansche bochel! ik zal je die kuren wel afleeren."
+
+De jongen heeft uit een hoek een flesch gegrepen en schreeuwt:
+"Laat me er uit! Laat me er uit! of..."
+
+De pandjesbaas ziet de saamgeknepen lippen van den knaap en een zeker
+iets in zijn oogen, dat hem doet denken: de flesch kan gevaarlijk
+worden, en daarom opent hij de deur, hem toesnauwend: "Allo! marsch
+dan!"
+
+"Dief, dief!" gilt Dorus, terwijl hij zich ijlings uit de voeten
+maakt, en rinkelend vallen de scherven der flesch op het portaal voor
+Strijkmans voeten.
+
+"En zoo'n jongen zou ik in huis nemen," mompelt Strijkman, terwijl
+hij de hondenhokken in oogenschouw neemt en oppervlakkig berekent,
+hoeveel brandhout ze hem zullen opleveren.
+
+
+
+Met zijn hondje in het jasje gewikkeld onder den arm, rent Dorus de
+straat op; waarheen weet hij zelf niet.
+
+'t Is donker; 't is koud en nat in de straten, maar hij merkt het
+niet. In zijn jeugdig brein warrelen allerlei gedachten dooreen en
+draaien zich om één hoofddenkbeeld: "Niet weer terug naar die akelige
+kamer en niet naar het Gesticht."
+
+Werktuigelijk loopt hij voort; even werktuigelijk blijft hij nu en dan
+voor een helder verlichten winkel staan kijken, om dan weer opnieuw
+zijn wandeling voort te zetten. Bijna zonder het zelf te weten is
+hij de Kalverstraat genaderd. De woelige drukte, het vroolijke licht,
+dat uit de winkels en magazijnen straalt, trekt hem onweerstaanbaar
+aan. Hij drentelt langzaam verder. Voor een oogenblik vergeet hij
+zijn toestand, kijkt in de koffiehuizen en drukt zijn neus tegen de
+vensterruiten van een bakkerswinkel. Hij heeft honger gekregen, en
+het gezicht van het uitgestalde brood maakt zijn eetlust meer en meer
+gaande. Half onwillekeurig voelt hij in zijn broekzak. Een eindje
+touw, een pijpensteel en een knikker zijn de eenige voorwerpen,
+die hij ontmoet. Nog een begeerigen blik in den winkel en hij
+gaat verder. "Hè! 'k wou, dat ik zoo'n broodje had," zucht hij in
+stilte en gaat, als om niet meer het tergende gezicht van voor hem
+onbereikbare weelde te moeten verduren, een zijstraat in, 't Spui op
+en naar het Koningsplein. Zijn rug doet hem pijn, de striemen van
+Strijkmans zweepslagen gloeien en branden. Hij wrijft met de hand
+over de pijnlijke plaats en mompelt: "Wacht maar; als ik groot ben,
+zal ik het hem betaald zetten! Zoo'n leelijke dief! Hé, Boppie,
+'t is toch een dief, want het was toch goed van vader! Nou, koest
+dan, hondje. Kijk!" hij raapt een paar koude aardappels op, die bij
+een stoep liggen, "dat is voor jou, hond!" En op de vlakke hand houdt
+hij ze het hondje voor, dat ze gulzig ophapt. "Dat is lekker, hé? Ja,
+smul jij maar, ga je gang maar. Had de baas nu ook maar wat. O! wat
+doet mijn rug zeer." Hij gaat op een stoep zitten en staart nadenkend
+de voorbijgangers en de heen en weer rijdende vigilantes en wagens aan.
+
+"Loop jij ook met lucifers?" vraagt plotseling een opgeschoten jongen
+met een brutaal, van de pokken geschonden gezicht, die naast hem
+op de stoep is komen zitten, terwijl hij hem een bakje met doosjes
+waslichtjes toont.
+
+"Neen."
+
+"Zoo! 't is je ook geraden: er is hier al konkerrensie genoeg;
+er is geen droog zout meer aan te verdienen. 'k Geef ze nou al
+voor een halven cent winst over, omdat de anderen het ook doen
+... Waslucifers,--waslucifers! allemaal zonder vergif.--Waslucifers,
+heeren! ... Loop jij met een marmotje?"
+
+"Neen."
+
+"Wat heb je daar dan?"
+
+"Een hondje."
+
+"Verdien je daar centen mee?"
+
+"Neen."
+
+"Loop je dan niet om centen?"
+
+"Neen."
+
+"Heb jij je tong doorgeslikt? Kom, spreek eens een spreek! Wat doe
+jij voor den kost?"
+
+"Niets. Ik wou, dat ik wat doen kon."
+
+"Waar woon je?"
+
+"Nergens."
+
+"Heb je dan geen vader of moeder?"
+
+"Allebei dood."
+
+"Heb je dan geen ooms of tantes, of iemand waar je bij woont ?"
+
+"Neen. 'k Weet niet eens, waar ik van nacht slapen zal."
+
+"Dan ben jij een zwerver." De jongen wacht even, ziet Dorus opmerkzaam
+aan en zegt dan: "Zeg! je hebt een bochel."
+
+"Dat weet ik wel."
+
+"Daar kun je geld mee verdienen."
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Laat hem kijken voor een cent. Ha! ha! ha! ... Waslucifers,
+heeren! Allemaal goed, vijf centen 'n doos!"--De jongen staat op en
+gaat haastig een paar aankomende heeren te gemoet.
+
+"Zeg, jongen! hei! ho! kom eens hier!" roept Dorus den jongen achterna,
+terwijl hij hem een pakje doosjes toont, dat onder het spreken uit
+zijn bakje is gevallen. "Je hebt een pakje doosjes verloren." Hij
+staat op, loopt hem te gemoet en zegt: "Daar heb je ze terug."
+
+"Dat is mooi van je," antwoordt de knaap, terwijl hij ze weer
+opbergt. Daar heb je twee centen."
+
+"Dank je, houd ze maar."
+
+"Neen, neem ze maar gerust. Je zult toch wel een broodje lusten?" Dorus
+aarzelt. "Pak aan dan!--Als jij de lucifers verloren hadt, had ik ze
+gehouden; 'k had ze verpast, hoor!"
+
+Dorus steekt de centen in den zak.
+
+"Ik woon in den Duivelshoek," vervolgt de jongen, "in een gang;
+in 't huis naast ons, onder de trap, is een hok; daar ligt hooi in
+van den baas uit het _Kraaiende Haantje_, daar kun je van nacht in
+slapen. Je slaapt er wat goed in; maar als de baas het merkt, krijg
+je een pak ransel."
+
+"Ik ben niet bang voor slaag."
+
+
+
+
+
+III.
+
+BIJ SIGNOR CARLO.
+
+
+Even buiten de Weteringpoort, op een stukje grond, dat behalve eenige
+magere en dun gezaaide grasspieten meer steenen en zand vertoonde,
+dan voor den voet des wandelaars aangenaam was, stond een wagen,
+van de soort, die men gewoonlijk met den naam van kermiswagen
+bestempelt. Heldergroen geschilderd, met schel rood afgezet, aan
+elke zijde voorzien van drie kleine raampjes, waarvoor bontgebloemde
+meubelsitsen gordijntjes hingen, was het rijtuig in zijn soort
+een prachtstuk te noemen en werd dag aan dag door de jeugd uit de
+naastbijliggende straten met onverdeelde bewondering aangegaapt. De
+groote gele letters met zwarte randen maakten aan het "gedistingeerde
+publiek" kenbaar, dat deze wagen het verblijf was van Signor Carlo's
+honden- en apentheater. De dubbele deur, aan den achterkant van het
+voertuig aangebracht, verleende toegang tot het binnenste van den
+wagen, dat met de meest uiteenloopende zaken was gevuld. Rechts,
+vlak bij den ingang, bevond zich een klein ijzeren kookfornuis,
+waarop in een pan het middagmaal van den directeur en zijn gezin,
+bestaande uit uien en aardappelen met een stuk rookspek, stond te
+braden en een twijfelachtigen geur verspreidde. Links zag men aan
+den wand eenige planken, waarop in bonte wanorde een koffiekan en
+kopjes, aarden schotels en een schaaltje met boter stonden. Een paar
+ineengerolde tricots, een roodfluweelen manteltje, eenige apenrokjes,
+een hondenzweep en een trompet lagen er naast. Tegenover de deur rustte
+de blik op een vormeloozen berg van beddegoed, kussens met rood- en
+witgestreepte tijken, een paar katoenen en een wollen deken. Stoelen
+stonden er niet in, maar in plaats daarvan, aan beide zijden langs de
+wanden, vierkante hokken, waarin de viervoetige artisten van Signor
+Carlo verblijf hielden.
+
+Het rook er naar menschen, apen, uien, honden en naar vet, ongeveer
+alsof ransige haarolie op een gloeiende plaat lag te snerken. Een
+benauwde, bedompte hitte vervulde het geheele voertuig, en daarom
+waarschijnlijk hadden de eigenaar en zijn vrouw met hun dochtertje en
+de twee mannelijke telgen van hun echt buiten op het grasveld of liever
+op en bij het trapje, dat naar de deur leidde, een toevluchtsoord
+gezocht.
+
+De directrice zat op de bovenste sport, met een rooden doek om het
+hoofd geknoopt, een verschoten fluweelen jacquet en een zwarten wollen
+rok aan, met een bak op de hoog opgetrokken knieën aardappelen te
+schillen. De jongejuffrouw, gewoonlijk bij het publiek door haar vader
+voorgesteld als "het wonderkind Miss Betty," balanceerde half in de
+deur staande twee ledige flesschen op elkander. Haar magere beentjes
+waren in een veel te ruim vleeschkleurig tricot schuilgegaan en een
+kruiselings om het bovenlijf geknoopte wollen doek van helderblauwe
+kleur, deed haar bleek en sproetachtig gezichtje, omgeven door een
+aureool van papillotten, alleronvoordeeligst uitkomen.
+
+"Kijk dan toch uit, Betty!" riep vrij knorrig de jongenheer Carlo
+junior, die op de onderste trede van de trap zich oefende in het op
+het hoofd staan. "Schei er liever uit, als je die flesschen telkens
+laat vallen; je gooit me nog een gat in het hoofd."
+
+"Dat zou jammer wezen," antwoordde zijn broer Paulo, die een eind
+verder op den grond zat en bezig was met het scheren van een witten
+poedel.
+
+"Stilte! Dat eeuwige gekibbel verveelt me!" riep de heer Carlo zijn
+geslacht op tamelijk barschen toon toe. "Zoolang ik aan mijn toilet
+bezig ben, wil ik rust hebben."
+
+De directeur stond namelijk aan de eene zijde van den wagen voor een
+spiegeltje zich te scheren en bracht zijn vettig glimmende haarlokken
+in den bevalligen vorm, dien men gewoonlijk polka-haar noemt. Zijn
+kaalgeschoren nek, de gouden ringetjes in de ooren, de scherp gepunte
+knevels en de spitse kinbaard, gevoegd bij de hoogroode, verweerde
+en door de zon verbrande gelaatskleur, deden in hem, ondanks zijn
+schoonklinkenden vreemden naam, den proletariër-saltimbanque op het
+eerste gezicht herkennen. De breede nek, de vierkante schouders en
+de sterkgespierde armen en beenen wezen er op, dat hij weleer tot
+het gild der acrobaten behoord had. Hij had vroeger aan den rekstok
+gewerkt, met gewichten en kogels gejongleerd, maar was door een val
+voor die kunstverrichtingen ongeschikt geworden en bepaalde zich nu
+uitsluitend tot het africhten van honden en apen en tot "productiën"
+in het vuur eten, steen verbrijzelen en het jongleeren met messen.
+
+Carlo was tot zoover met zijn toilet gereed, strikte zich een
+veelkleurige das om, trok een grijs jasje met groene opslagen en dito
+kraag aan, knoopte het met een der groote hertshoornen knoopen dicht,
+dekte zijn kunstenaarshoofd met een flambard en zag er nu, met zijn
+geruite pantalon, zooals hij het noemde "sjiek" uit.
+
+"Allo!" riep hij met zijn min of meer schorre stem Carlo junior toe,
+"laat eens een paar van de artisten buiten komen."
+
+"Wie?" klonk het terug.
+
+"Eerst Jack, dan Minca en Tom."
+
+In den wagen blafte een hond; 't was Tom, hij had zijn naam
+gehoord. Een oogenblik later sprongen twee keesapen en een zwarte
+poedel van het trapje hem te gemoet. De apen gingen op hun achterste
+pooten staan en grijnsden, als wilden ze zeggen: wat heeft onze
+directeur te bevelen? De poedel kroop bij het zien van het mattenrietje
+dat de baas uit handen van zijn zoon ontving, met den staart tusschen
+de beenen, op zijn buik tot voor Carlo's voeten en keek hem toen aan
+met een blik, waarin een bede om genade opgesloten scheen.
+
+"Allo! hier, Tom! Jij hebt gisteren driemaal je sprong gemist. Weet
+jij dat wel, hè?" Het rietje zwiepte door de lucht. "Je moest strieps
+hebben.--Rechtop, Minca!--Hier Jack! Moet ik je afstraffen?"
+
+Tom blafte binnensmonds en wuifde met zijn pluimstaart.
+
+"Nou! kom dan maar hier, bij den baas! Je bent anders de kwaadste
+ook niet." Tom sprong op, blafte luid, ging met zijn voorpooten tegen
+Carlo opstaan en lekte hem het gelaat, dat deze naar hem overboog.
+
+"We zullen eens even repeteeren. Hier, Minca! Op je plaats, Jack." De
+twee apen werden een eind verder aan hun kettingen door Carlo's zoon
+vastgehouden; hij gaf hun een hoepel in de pooten en Toms evolutiën
+begonnen.
+
+"Allo! Hoepla, hoepla! Hooger! Ferm zoo! Mooi zoo, Tom! Nog
+eens! Hoepla! hoepla!--Daar heb je het waarachtig weer, net als
+gisterenavond! Allo, hier, Tom!" Angstig kwam de hond nader; hij trok
+met zijn linker achterpoot. De directeur betastte met zaakkundige hand
+het dier, wreef met zijn breeden duim langs den poot, mompelde! "Ik
+voel toch niets verkeerds," gaf Tom een klein tikje en riep nogmaals:
+"Allo! Hoepla! Vooruit!"
+
+Gewillig rende Tom een paar malen in de rondte, maar toen hij zijn
+sprong moest nemen, kreunde hij van pijn en viel over eene zijde vlak
+voor den hoepel neer.
+
+"Kom hier!" Carlo ging op den grond zitten, nam den hond op zijn
+schoot en onderzocht hem nogmaals, terwijl hij zijn zoon toeriep:
+
+"Zie jij ook eens. Ik begrijp er niets van; er moet iets met hem
+niet in den haak zijn, maar wat het is, snap ik niet. 't Zou wat
+moois wezen, als we hem niet meer konden gebruiken; 't is de beste
+van den heelen troep.--Kijk! nu is hij weer in orde, alsof er niets
+is gebeurd; ik vat het niet...."
+
+"Ik wel!" klonk plotseling een stem uit den drom van jongens, die zich
+langzaam, aan bij en om den wagen en op het grasveld had verzameld.
+
+"Verwonderd keek Carlo op en vroeg: "Wie zegt dat daar?"
+
+"Hier, baas, deze jongen heeft het geroepen, die met zijn bochel,"
+riepen twee of drie jongens te gelijk en duwden Dorus, want hij was
+het, vooruit.
+
+"Kom jij eens hier! Wat weet jij wel?" zei de directeur en wenkte
+Dorus tot zich.
+
+Met Boppie nog steeds in den arm naderde de knaap vrijmoedig Signor
+Carlo en zei, op den poedel wijzend: "Zie je, daar begint 't weer,
+dat's kramp op de pezen. Wij hadden ook een hond, die 't gedurig
+weeromkreeg, totdat vader het overmaakte met een smeersel."
+
+"Had jou vader er dan verstand van?"
+
+"Nou! En hij kon ze ook nog wel andere kunsten leeren dan jij."
+
+"Ei!"
+
+"Zeker! We hadden er twee, die konden tellen en op de klok kijken."
+
+"Wat was je vader?"
+
+"Hondenkoopman en dresseerder. Maar ik kan het ze ook leeren!"
+
+"Kom eens hier, bochel! en vertel mij eens ..."
+
+"Als je bochel zegt, vertel ik niets!"
+
+Dorus draaide zich knorrig om en wilde heengaan.
+
+"Sakkerloot, jij bent kort aangebonden, maar dat mag ik wel; kom eens
+dichter bij, ventje."
+
+Dorus bleef staan en schudde het hoofd.
+
+Carlo gaf zijn zoon, die met de armen over elkander stond te kijken,
+een oogje en wenkte bijna onmerkbaar met het hoofd.
+
+Plotseling voelde de knaap zich door een paar krachtige handen
+aangegrepen en opgetild en, trots zijn tegenstribbelen, vlak voor
+den kunstenmaker neergezet.
+
+"Dat's valsch!" gilde hij.
+
+Een gelach en een hoera van de straatjongens en de overige omstanders
+begeleidde zijn kreet. Dorus keek onbevreesd met een hoogroode kleur
+en een vreemde tinteling in zijn groote oogen den directeur en zijn
+gezin, dat zich nieuwsgierig had vereenigd, aan en zei: "Nu zeg ik
+heelemaal niets."
+
+"Daar zit ras in," mompelde Carlo, en terwijl hij het rietje door de
+lucht liet zwiepen, vatte hij Dorus bij zijn kraag, met de woorden:
+"'k Zal je wel eens even bijlichten!"
+
+"Sla me niet!" riep het kind. "'k Heb je toch niets gedaan; ik hoef
+toch niet te spreken, als ik niet wil! Als je 't me vriendelijk
+gevraagd hadt, had ik het je al lang gezegd ..."
+
+Een hand werd op den opgeheven arm van den kunstenmaker gelegd; 't
+was zijn vrouw, die hem vroeg: "Laat mij eens met den jongen praten;
+met slaan kom je niet verder. Zie je niet, hoe bleek en akelig de
+stumper er uitziet?"
+
+Carlo liet den jongen los en bromde: "Je kunt het probeeren, Keetje,
+maar een beetje rottingolie zou hem anders geen kwaad hebben gedaan."
+
+Vrouw Keetje nam Dorus bij de hand en zei op vriendelijken toon: "Je
+hebt zeker nog geen eten gehad van morgen, hé? Je ziet er slapjes uit;
+kom maar eens mee in den wagen. Och, kind! wat zie je er uit, wat ben
+je smerig!--Kom dan! Mijn man zal je niets doen. Maar jij bent ook een
+stijfkop, weet je dat wel?... Zóó, wil je het wel mij zeggen? Dat valt
+me mee van je.... Ja, je hondje kun je meenemen.... Heb je drie dagen
+rondgeloopen? Och! ... Wel! wel! hebben ze je uit het stroo gejaagd,
+en heb je niet gebedeld?.... Ga nu maar eens zitten; brand je niet,
+'t is heet. Dat is lekker, hé, dat zal je goeddoen. Och, stumperd wat
+zijn je schoenen en kousen doornat! Kom hier, ik zal ze uittrekken. Nu,
+nu! wees maar niet bleu! Och, God! wat heb je magere beenen.... Zijn
+achterpoot? Wrijven? Met speekolie? Ja, goed hoor! Eet nu maar eerst
+je bekomst en vertel dan."
+
+Dorus at met smaak, wat vrouw Keetje hem had voorgezet. Terwijl
+zij in den wagen eenige oude kleedingstukken opzocht, volgde hij
+haar met de oogen, en toen zij weer bij hem kwam en hem, in plaats
+van zijn doorweekte kousen en afgedragen schoeisel, een halfsleten
+tricot en een paar lage schoenen van het wonderkind aantrok, greep
+hij eensklaps hare hand en zei: "Juffrouw, ik zal u alles vertellen,
+en ook hoe of je ze op de klok leert kijken."
+
+Onwillekeurig drukte hij zich tegen de vrouw van der kunstenmaker
+aan en lachte haar toe; 't was ook sinds langen tijd de eerste maal,
+dat iemand een vriendelijk woord tot hem richtte.
+
+
+
+Van dien dag af bleef hij deel uitmaken van Signor Carlo's
+gezelschap. De acrobaat, die wel is waar onbeschaafd, en ruw, maar
+toch niet kwaad was, had den jongen, omdat er ras in zat, zooals hij
+zei, bij zich gehouden en al spoedig de ontdekking gedaan, dat Dorus
+van hondendressuur op zijn minst evenveel, zoo niet meer wist dan hij
+zelf. Tom was, dank zij het smeersel van wijlen Klaas Makko, weer even
+rap en vlug als vroeger, terwijl onder Dorus' leiding een der andere
+honden in de kunst van het tellen en op de klok kijken werd onderwezen.
+
+Het scheen wel alsof de jongen in de omgeving, waarin hij zich
+thans bevond, iets van zijn koppigen aard begon te verliezen. Met
+de jongeheeren Carlo verdroeg hij zich vrij wel; deels omdat hij
+voor hunne evolutiën en luchtsprongen, hunne vaardigheid in het
+op het hoofd staan of op de handen loopen een zekere bewondering
+gevoelde, deels omdat zij van hunnen kant voor zijne bekendheid
+met de dressuur van het hondengeslacht eerbied hadden en, toen
+zij tot de ontdekking kwamen, dat hij vrij goed lezen en schrijven
+kon, hem als een soort van geleerde beschouwden. De eenige van het
+gezin, waarmede hij het minder goed kon vinden, was miss Betty, het
+wonderkind. Hoogstwaarschijnlijk omdat zij, die tot dusverre als
+de parel van het gezelschap was beschouwd, vreesde, dat de bochel
+een schaduw op haren glans zou werpen. Dikwijls zaten ze elkaar in
+het vaarwater, en soms flikkerde plotseling in Dorus' oog een vonk
+van toorn, als Betty hem na een kibbelpartij verachtelijk over den
+schouder aankeek, terwijl ze onverstaanbaar iets mompelde.
+
+Aan juffrouw Keetje had hij zich volkomen gehecht. De goedige,
+vriendelijke vrouw, die, waar het noodig was, in hare ruwe,
+onbeschaafde omgeving te rechter tijd door een kalm, bemiddelend woord
+of verzoek, als instinctmatig vrede wist te stichten, was voor hem
+een geheel nieuwe verschijning. Tot dusverre had Dorus in een wereld
+geleefd, die voor hem weinig anders dan scheldwoorden, het uitzicht op
+slaag of mishandeling had. Zijne moeder was reeds lang dood en toch
+herinnerde hij zich nu de dagen van weleer, toen moeders zachte hand
+hem, haar ongelukkig mismaakt kind, tegen de woeste uitvallen van den
+vader beschermde. De knaap, die eigenlijk zacht van inborst was en
+behoefte had aan een liefderijk woord, was door de omstandigheden
+verbitterd geworden, en toen hij nu in vrouw Keetje iemand vond,
+die bij machte was de zachtere snaren in zijn gemoed te doen trillen,
+gevoelde hij voor haar een zeker ontzag, maar tevens een genegenheid,
+die aan liefde grensde.
+
+Hij zou voor haar, zooals men het noemt, door het vuur zijn geloopen;
+menigmaal naderde hij haar, wanneer zij alleen waren, en zei, terwijl
+hij zijn tengere hand op haren arm legde: "Juffrouw Keetje, laat me
+nu eens iets voor u doen, maar... heelemaal apart voor u."
+
+"Gekke jongen," zei vrouw Keetje dan, terwijl zij hem het haar uit
+de oogen streek en medelijdend aanzag, "weet je wat je voor me doen
+kunt? Vrede houden met Betty."
+
+Dorus beet op zijn lippen, als hij antwoordde: "'k Beloof het u",
+en hij deed zijn best om zich in te houden, als het wonderkind,
+om hem te plagen, een hoogen rug trok of kromme beenen maakte.
+
+Vrouw Keetje was een dier stille naturen, wier onverstoorbaar goed
+humeur, gevoegd bij een aangeboren gezond verstand en een zachte
+inborst, ze voorbeschikt maakt, om, in welke klasse of stand der
+maatschappij het lot haar ook een plaats moge hebben gegeven, tot
+een zegen te zijn, voor hare omgeving. Zij was de dochter van een
+dorpskastelein, eenvoudig opgevoed en nooit buiten haar dorp geweest;
+ze had in haar vaders herberg kennis gemaakt met den acrobaat, die
+'t jonge onervaren meisje wist te bekoren. Keetje had nog zoo weinig
+van de wereld gezien, dat 't Carlo weinig moeite had gekost haar
+argeloos hart te veroveren, en trots vaders en moeders tegenstand,
+was zij op jeugdigen leeftijd met hem gehuwd. Al spoedig kwam zij tot
+de wetenschap, dat niet enkel rozen op hymens paden groeien; maar al
+kwetsten haar ook de doornen, toch hield zij moed en wist door geduld
+en kalmte den sterken man, den hercules, die vaak der menigte een
+uitroep van bewondering voor zijne lichaamskracht afdwong, zooals men
+het noemt, onder den duim te krijgen; maar 't was een bijna onmerkbare
+druk, dien zij met oordeel en verstand uitoefende. Niemand zou hebben
+kunnen vermoeden, wanneer hij het kleine, tengere vrouwtje zag,
+dat zij het nekje was, waarop Signor Carlo's acrobatenhoofd draaide.
+
+Wanneer men echter haar nog altijd frisch en prettig gelaat opmerkzaam
+beschouwde, loste eene uitdrukking van kalme vastberadenheid in haar
+helder, blauw oog het raadsel op en niemand zou geloofd hebben,
+dat de welbesneden mond, die zoo vriendelijk lachen kon, eenmaal
+aan Carlo de woorden had toegevoegd: "Kies!--de flesch of mij." Het
+was kort na de geboorte van hun eerste kind, dat vrouw Keetje zoo
+tot haren man sprak. Hij had gekozen--gelukkig voor hem--niet de
+flesch, en van dat oogenblik af liet de forsche man zich leiden
+door haar, die verstand genoeg had om daar, waar het noodig was,
+een oogje dicht te doen en het spreekwoord: "Langzaam gaat zeker,"
+altijd in praktijk te brengen. Zij kende haar man door en door, en
+het geheele geheim, waardoor zij hem wist te leiden, bestond daarin,
+dat Signor Carlo steeds geloofde zijn eigen zin en wil te volgen,
+terwijl hij in werkelijkheid slechts den haren deed. Carlo van zijn
+kant gevoelde, zonder het zelf te weten, dat zij boven hem stond,
+en het was vermakelijk hem tot anderen te hooren zeggen: "'k Heb een
+best wijf, die den boel bij mekaar houdt; voor de kinderen kan het
+niet beter, maar er zit niet veel bij: artistenbloed heeft ze niet,
+en dat is het eenigste wat me hindert."
+
+Door vrouw Keetje's invloed heerschte er dan ook in het gezin van den
+kunstenmaker meer orde en een fatsoenlijker toon, dan men oppervlakkig
+zou verwacht hebben.
+
+Hoewel hun bedrijf het meebracht, dat zij als het ware een nomadenleven
+leidden en nu hier, dan daar hunne tent opsloegen, vond Dorus in Signor
+Carlo's gezin een tehuis, zooals hij vroeger nooit had gekend; hij werd
+minder stug en terughoudend en lette er soms zelfs niet op, dat iemand
+hem "krates" of "bochel" noemde. Enkele malen slechts vlamde het oude
+toornige vuur in zijn oogen op, maar verdoofde meestal oogenblikkelijk
+door een vriendelijken blik of een kalm woord van juffrouw Keetje.
+
+
+
+Geruimen tijd was het honden- en apentheater, zooals men het noemt,
+den boer op geweest; in alle mogelijke plaatsen in ons vaderland waren
+voorstellingen gegeven, en nu en dan was Dorus met zijn hondje Bop en
+een paar andere honden, die hij in eenige maanden tijds gedresseerd
+had, bij wijze van proef, met goed gevolg opgetreden, zoodat Signor
+Carlo er schik in kreeg en op zekeren dag, na overleg met de overige
+familieleden zei: "Je bent nu ruim zes maanden bij ons, Dorus, en we
+mogen je allemaal goed lijden. Wil je graag voorgoed bij ons blijven?"
+
+Dorus knikte van ja, terwijl zijn groote bruine oogen van blijdschap
+straalden.
+
+"Goed! maar dan moet je mee den kost verdienen; wij zullen je een
+pakje maken; ik zal je een paar loopjes van het vak leeren, en dan
+ben jij de hansworst van het gezelschap. Ik heb idee om een nieuwe
+productie met de honden en apen te vertoonen; wij zullen ze samen
+aan het gedistingeerd publiek presenteeren."
+
+"'k Zal je een mooi kostuum maken," zei juffrouw Keetje; en terwijl
+zij hem goed aankeek, vervolgde zij: "Jongens, Dorus, je zult er zelf
+schik in hebben, dat je mee helpt verdienen."
+
+Verheugd greep de knaap haar hand, terwijl hij uitriep: "Voor u ook,
+juffrouw! Ik zal mijn best doen, dat beloof ik je."--Hij dacht een
+oogenblik na en zei: "Juffrouw!"
+
+"Dorus?"
+
+"Kan u er niet van achteren iets in maken, dat mijn bochel nog eens
+zoo groot lijkt?"
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat de menschen dan nog meer zullen lachen," antwoordde de jongen
+losjes weg, maar met een zwaarmoedige uitdrukking op zijn gelaat.
+
+Een week of wat later debuteerde Dorus als hansworst bij Signor Carlo's
+troep. Overal waar het honden- en apentheater speelde, oogstte de
+hansworst den meesten bijval; zoo'n grappigen bochel had men ook nog
+nimmer gezien.
+
+
+
+
+
+IV.
+
+PALJAS.
+
+
+Ruim anderhalf jaar later bevond het gezelschap van Signor Carlo
+zich in een klein Geldersch stadje op de kermis. De directeur had
+zich sedert eenigen tijd geassocieerd met een zekeren Hermans, den
+bezitter van een houten kermistent, waarin, behalve een cyclorama,
+koordedanserskunsten, wilde menschen en meer dergelijke wonderen
+werden vertoond. Carlo's troep had nooit eigen muzikanten gehad, maar
+de kunstverrichtingen steeds met een groot draaiorgel begeleid; daarom
+voelden de leden er van, sedert de vereeniging met het cyclorama, dat
+behalve een trombone, twee trompetten, een keteltrom en een klarinet
+bezat, zich als 't ware in een hoogere artistenklasse verplaatst
+en hieven zij fier het hoofd op. Hermans had na de associatie zijn
+koordedansers ontslagen, omdat de familie Carlo door hunne veelzijdige
+talenten in alle behoeften van het theater voorzag. Hij wreef zich in
+de handen over den goeden ruil, dien hij gedaan had, en kon het met
+allen goed vinden. De twee compagnons waren derhalve beiden tevreden
+en maakten doorééngenomen vrij goede zaken.
+
+
+
+
+De kermis was in vollen gang; op de markt van het plaatsje
+stonden kramen met allerlei koopwaar en tentjes met zeemeerminnen
+en kalveren met twee koppen, dikke dames en kijkspellen. Wafel-
+en broedertjeskramen waren overal, waar slechts een plaatsje was,
+opgezet. En midden tusschen al die kleinere heerlijkheden, verhief
+zich de vrij groote tent, waarin het _Théatre des Nouveautés_ onder
+directie van Carlo & Hermans speelde, alleen geëvenaard door een
+"Groot Amerikaansch Circus," waarin op acht magere knollen drie
+schoone écuyères en drie heeren met spitse snorren en geblankette
+wangen hunne kunstverrichtingen voor enkele stuivers lieten bewonderen.
+
+Tusschen al die kramen en tenten met bontgekleurde zeilen en tableaux
+bewoog zich de vroolijke menigte, lachend en stoeiend, noten krakend,
+koek hakkend en etend, heen en weer. In de herbergen klonk vedel en bas
+en zongen de meisjes bij den vroolijken dans, terwijl de boerenjongens
+de biervaten ledigden en het "slukske" ook niet onaangeroerd lieten.
+
+Buiten op het kermisterrein schetterde de trompet van 't paardenspel
+en trommelde de witgeblanklette clown met groote vaardigheid op
+een ouden soldatentrommel, terwijl hij onophoudelijk: "Er in! er
+in! Allo! allo! aan 't bureau!" schreeuwde. De directie van het
+"Théatre des Nouveautés" zette haar beste beentje vooruit. De
+"spelrecommandeerder" deed zijn welsprekende taal steeds luider hooren.
+
+"Boeren en burgers!" schreeuwde hij, "omstanders en liefhebbers van
+iets schoons en remarkabels, van iets wat ge nog nimmer hebt gezien
+op eenige kermis in ons dierbaar vaderland, staat niet te weifelen
+voor de deur, maar voorziet u van kaartjes. Ik zijn overtuigd, dat
+een elk en een iedereen, die onzen kunstacademie heeft bezocht, ten
+volle content zal zijn over datgenige wat hij heeft aanschouwd. Vraagt
+'t aan de menschen, die er uitkomen, of ze content zijn of niet. Ge
+ziet hier primus, nommero één, miss Betty, bijgenaamd het wonderkind,
+in haar onvergelijkelijke equilibritische toeren en het jongleeren
+met diverse artikelen; tweedens, de Icarische spelen, voorgesteld
+door den directeur Carlo en deszelfs zonen. Een cyclorama van de
+schoonste beelden uit alle windstreken: de St. Pieterskerk te Rome
+bij nacht en de slag bij de Balaklawa; het vergaan van een storm op
+zee en een schip in nood. Men ziet geheel naturel de sloeproeiers
+van de reddingsboot bewegelijk voorgesteld. De heilige familie naar
+den beroemden Franschen schilder Correggio; een jacht op nijlpaarden
+in den stillen Oceaan en Simeon in den tempel; den keizer van Solo
+en de huwelijksplechtigheid van Napoleon III met keizerin Eugénie;
+den Vesuvius bij maanlicht en het opkomen der sterren.--Voorziet
+u van plaatsen! De groote geregeleerde avondvoorstelling zal een
+aanvang nemen. Plaatsen van twaalf, acht, zes en vier stuivers en nog
+beste staanplaatsen van een dubbeltje! Allo! Allo! Allo! Allo! Aan 't
+bureau! Gij ziet hier verder de hoogere dressuur van honden en apen,
+in vrijheid gedresseerd door den directeur Carlo en den weergaloozen
+Engelschen clown, den jongeheer Theodorus. Deze productiën alleen zijn
+ruimschoots de entrée waard, maar bovendien wordt de representatie
+besloten door een stille pantomine, waarin al de leden van het
+gezelschap zullen optreden, terwijl de jeugdige clown Theodorus in
+dezelve nogmaals zich produceert met zijn geleerde honden. We zullen
+eenige van de artisten laten buiten komen, ten einde zich aan het
+gedistingeerde publiek te presenteeren, terwijl de muzikanten de
+laatste waarschuwing spelen."
+
+Eenige boeren en boerinnen, die met open mond en oogen de aanspraak
+van den spellebaas hebben aangehoord, steken de hoofden bijeen en
+overleggen: "Kom, loaten we ook èns goan kieken; ik hê zoo'n spul nog
+nooit 'ezien; 't kost wel veul, moar 't mot er nou moar deur! 't Is
+moar èns karmis!"
+
+"Toe, Jan, jij veuruut."
+
+"Nou, Bert, wacht en hortje! Loat me erst èns kieken wat ze buuten
+veur'n spektoakel moaken, 't is nog tied's genog; ze begint nog lange
+niet binnen."
+
+"Och jong! zoanik toch niet--toe moar--der in moar, anders kommen we
+zoo achteraf te zitten."
+
+"Alla dan moar!"
+
+Het spreekwoord, dat zegt: "Als één schaap over den dam is, volgen
+er meer," wordt hier bewaarheid; want aangemoedigd door het voorbeeld
+van het jolige groepje, stroomt weldra jong en oud de tent binnen.
+
+Tsching taterata. Boem! la, la--Tsching, taterata
+boem! boem! boem! Tèttètterêtetê Tsching, boem!
+
+Oorverdoovend klinken groote trom en bekkens. Merg en been doordringend
+schettert de trompet en oorverscheurend gilt de klarinet, terwijl de
+schuiftrompet haar zware klanken onophoudelijk laat hooren.
+
+De artisten zijn buiten gekomen; zij vertoonen zich op een soort van
+stellage, die boven den ingang is aangebracht. Signor Carlo schittert
+in een fluweelen wambuis met pailletten bezaaid; zijn beenen zijn in
+hoogroode tricots gestoken en om de bloote armen, die uit de korte
+mouwtjes steken, draagt hij aan de polsen manchetten van fluweel met
+gouden belegsels, terwijl zijn polka-haar door een rood lint om het
+hoofd in bedwang wordt gehouden. Zijn twee zoons, eveneens gekleed
+als hij, vormen met hem een kunstvolle groep, terwijl het wonderkind
+in een soort van paardrijdsterskostuum uitgedost, met een overvloed
+van krullende lokken en een lustelooze uitdrukking in hare fletsche
+oogen, het publiek aanstaart en met een onverschillig lachje nu en
+dan een paar koperen ballen met ééne hand opwerpt en vangt. Aan de
+andere zijde van de stellage staat Carlo's compagnon in een Duitsche
+huzarenuniform, en naast hem een ondergeschikt lid van het gezelschap,
+die in een berenvel gestoken, niet zonder verdienste "Bruin" voorstelt.
+
+"Zou dat nou en aèchten beer zin? Hij duut er lêlijk genogt veur,"
+zegt fluisterend een der boerenmeisjes tot een andere, die met haar
+voor de tent staat.
+
+"Zij de gek, deêrn, 't is en mins in en bêrevel; houd, em moar èns
+en borrel veur, dan zulde èns kieken!" antwoordt een jonkman, die
+achter haar staande, plotseling zijn arm om haar middel slaat en,
+terwijl hij een kus op haar frissche koonen drukt, vraagt:
+
+"Goa-de mee der in, Leen? Ik betoal."
+
+"Ik wil wel meegoan, moar dat gekus kun-de wel loaten;
+'t is nog veuls te vroeg."
+
+"Kiek, daar kumt wat moois oan! Da's kemiek! hè, hè, hè, hè!"
+
+Een schaterend gelach gaat onder de menigte op, als de jeugdige
+Theodorus te voorschijn treedt in een pakje, half rood, half geel en
+met een groote roode pruik op, waarvan de blauwe kuif spits en statig
+omhoogsteekt. Een zwarte poedel, met een rood rokje aan en een steek
+op, volgt hem op de achterpooten loopend. Een klein hondje, evenals
+hij in een half rood, half geel pakje, dribbelt er achteraan.
+
+"Jandozie! kiek den dieën èns, wat hévt die en alleminschelijken
+bult! Doar kunnen der wel twee uut, en wat is ie mooi
+toegetoakeld!" roept er één.
+
+"'t Is allemoal noamoak," zegt een ander.
+
+"Zij-de gek, ie is zoo gegreuid!" schreeuwt een derde.
+
+"Nou, maar dan is 't en stumper, dan mot je er meêlije mee hebben."
+
+"Paljas! maak je compliment voor het geëerde publiek!" roept Signor
+Carlo, terwijl hij met het rechterbeen vooruit en de linkerhand op
+de heup, met een sierlijke beweging der rechterhand op de omstanders
+wijst.
+
+De hansworst knikt tegen de menigte en geeft een tikje tegen zijn
+achterhoofd, waardoor zijn kuif in beweging komt.
+
+"Paljas! vertel jij nu nog eens aan het gezelschap, wat hier in dit
+gerenommeerd theater wordt vertoond."
+
+De clown buigt zich over de lage leuning, beweegt de lippen, trekt
+zijn mond in allerlei vreemde plooien, verdraait de oogen en beweegt
+de handen heen en weer, alsof hij een redevoering uitspreekt.
+
+Het publiek wordt kalmer, en hier en daar hoort men een:
+"Ssst! sst! houd oe toch stille doar! Loat wie èns heuren wat ie zegt."
+
+"Hie zegt niks, niemendal."
+
+"Joawel! moar ie kunt hem niet verstoan van de hurrie."
+
+"Paljas! De heeren en dames kunnen je niet verstaan; ik zal de
+vrijigheid nemen om je mijn zondagsche stem te verleenen." De
+directeur overhandigt hem een reusachtigen scheepsroeper, die door
+den clown met een dwaze beweging wordt aangenomen en aan den mond
+gebracht. Hilariteit onder het publiek.--Hij beweegt het instrument
+omlaag, omhoog, rechts en links, heen en weer. De vroolijkheid der
+menigte wordt grooter, als men na een oogenblik van stilte tot de
+overtuiging komt, dat paljas geen enkelen toon doet hooren.
+
+"Koezijn!" schreeuwt Carlo, "je verdient hier alle gulden zes weken,
+den kost als je ze krijgt, en vrij licht over dag, en je doet er
+niets voor. Je hebt een stem als een garnaal; ik geloof, dat je
+hondjes het nog beter kunnen."
+
+"Woef, woef!" blaft Tom, terwijl hij kwispelstaartend naar den
+directeur loopt. Het kleinste hondje gaat opzitten en ziet den
+hansworst aan.
+
+De vroolijkheid van het publiek stijgt ten top, als de jeugdige clown,
+na een bankje gehaald te hebben, den poedel een bijna onmerkbaar teeken
+geeft en deze met één sprong er op wipt en gaat zitten. Hij houdt
+hem den roeper voor, en dadelijk laat Tom een schel en aanhoudend
+geblaf hooren. Nu wipt ook de kleine hond op het bankje, staat op
+zijn achterpooten en beweegt de voorpooten al smeekend heen en weer.
+
+"Koezijn! de jongeheer Bop wil ook een woordje meepraten."
+
+"Waf, waf! waf!" keft de kleine door den roeper, en als de hansworst
+het instrument wegneemt, staat de groote hond op en maakt dezelfde
+beweging met de voorpooten.
+
+"Paljas! ze kunnen er niet genoeg van krijgen, om met het
+geachte publiek te spreken. Ga jij maar heen; ik kan jou niet meer
+gebruiken. Laat de lichten opsteken, want de muzikanten gaan aanstonds
+naar binnen."
+
+De hansworst verdwijnt en de honden blijven zitten.
+
+Opnieuw gaan eenige bezoekers de tent binnen, en nogmaals spreekt de
+"spelrecommandeerder" op hoogdravenden toon het geachte gezelschap
+aan. De muziek geeft ten tweeden male de laatste waarschuwing,
+en de jongeheeren Carlo voeren met Bruin, den beer, een soort van
+horlepijp op de stellage uit, terwijl Signor Carlo met vaderlijk
+welgevallen zijn geslacht ziet dansen en in stilte denkt: "'t Gaat
+nog maar slapjes vandaag; we zullen straks de muzikanten _nog_ een
+laatste waarschuwing moeten laten geven."
+
+
+
+In de tent zelf is het nog vrij donker. Een enkele olielamp, hier en
+daar aan den wand opgehangen, verlicht de bezoekers, die vol ongeduld
+naar de voorstelling uitzien.
+
+"Doar gaot de pias! roepen een paar van hen, als zij Dorus langs de
+banken, het trapje op, dat naar het tooneel leidt, zien naderen.
+
+"Nu zal het beginnen!" denken zij, als ze zien, hoe hij het grof
+geschilderde, door den tijd en door lekkage onoogelijk geworden
+voorscherm ter zijde duwt en er achter verdwijnt. De knaap loopt over
+het tooneel en de achterdeur van de tent uit. Zijn pruik heeft hij
+afgezet en in de zak van zijn hansworstenkleed gestoken, als hij den
+ons bekenden wagen, die vlak achter de tent staat, nadert.
+
+Behoedzaam gaat hij het trapje op, opent de deur, kijkt naar binnen
+en luistert.
+
+"Zou ze slapen?" zegt hij zacht en gaat op de teenen naar het
+achtereind, waar in de slaapplaats vrouw Keetje onder een wollen
+deken ligt. Een hanglamp, waarvan de pit is neergedraaid, verlicht
+flauw het binnenste van den wagen en het bleeke gelaat der vrouw,
+als zij haar hoofd omwendt en op zwakken toon vraagt: "Is daar iemand?"
+
+"Ik ben het, juffrouw! Heb je ook iets noodig? Wil je ook eens
+drinken?"
+
+"O, ben jij het, Dorus? Loopt het druk vandaag? Je hebt het warm, kind;
+'k zie het aan je voorhoofd; die pruik is te benauwd voor je. Neen,
+neen! 'k heb geen koorts meer, geloof ik, maar hoofdpijn."
+
+Dorus opent een van de raampjes, blijft er een oogenblik voor
+staan, om te voelen of het ook tocht, en nadert de zieke met een
+apothekersfleschje en een lepel in de hand.
+
+"'t Is tijd om in te nemen. Leelijk, hé! Hier, drink maar gauw op,
+juffrouw! Zoo; neem dit na! Toe, hap dan op!" en hij steekt haar een
+stuk chocolaad in den mond.
+
+"Wat is dat? Chocolaad? Hoe kom je daar aan, Dorus? Van je zakcenten
+gekocht? Je bent toch een goeie jongen. Neen, gerust niet, ik voel geen
+koorts meer," en zachtjens strijkt zij met de hand over Dorus' hoofd,
+dat deze tot haar overbuigt met de woorden: "'k Zal je straks weer
+komen ingeven, hoor! Hij grijpt haar hand tusschen de zijne, streelt
+ze herhaaldelijk, en vraagt: "Kan ik ook nog iets voor je doen?"
+
+"Neen, kind! ik dank je! Laat me nu maar liggen; 'k zal zien of
+ik slapen kan, want ik ben zoo moe, zoo erg moe." De knaap schikt
+zorgvuldig haar kussens terecht, trekt de wollen deken over haar
+voeten en buigt zich nogmaals over juffrouw Keetje, die hij op innigen
+toon toefluistert: "Je moet gauw weer beter worden! Zul je niet lang
+ziek blijven? Ligt je hoofd wel goed? Als je goed inneemt, gaat het
+over. Wel te rusten, juffrouw!"
+
+Even zacht en voorzichtig als hij gekomen is, gaat de knaap weer
+uit den wagen. Bij de deur keert hij zich nog even om en fluistert:
+"Genacht!"--Een vriendelijk licht blinkt in zijn oogen, als hij het
+trapje afgaat.
+
+Een half uur later schatert het publiek het uit bij de "productiën"
+van den onvergetelijken hansworst Theodorus, die dezen keer zichzelven
+overtreft; en als hij, ouder gewoonte, aan het slot der voorstelling
+rondgaat, om een "douceur of drinkgeld voor den paljas", valt menig
+cent en ook een enkel zilverstukje in de bus en verschaft hem na de
+deeling eenig zakgeld, dat hij aanstonds in een kous wegstopt in een
+hoekje van den wagen, aan hem alleen bekend.
+
+Bijna twee jaren was Dorus nu reeds bij Carlo's gezelschap geweest
+en met den tijd een bruikbaar lid er van geworden, want niemand kon
+zoo snel en goed als hij de honden africhten, niemand wist zoo als
+hij partij te trekken van alle kleinigheden en zoo goed een nieuwe
+vertooning met de honden en apen te bedenken en uit te voeren. Over
+'t algemeen mocht iedereen hem gaarne lijden, omdat hij gedienstig
+was en voor een vriendelijk woord alles deed, wat van hem verlangd
+werd. Het was onmiskenbaar, dat allen hem, niettegenstaande zijn
+jeugdigen leeftijd,--hij telde even dertien jaren--met een weinig
+meer onderscheiding behandelden dan de anderen. Hij was een stille
+knaap geworden, die, als hij niets te doen had, kon zitten mijmeren
+en droomen, terwijl hij met de handen om zijne knieën geslagen,
+strak voor zich heen keek. Bedaard ging hij zijn weg, deed wat hij
+te doen had en bemoeide zich overigens weinig met de anderen.
+
+Na de associatie met Hermans waren er muzikanten gekomen en met hen
+een verandering in Dorus' wezen. Hoe slecht en valsch de muziek, die
+de vijf blazers maakten, ook klonk, toch was Dorus in den eersten tijd,
+zooals men het noemt, niet van de muzikanten weg te slaan.
+
+Een van hen, de eerste trompetter, een Hanoveraan, was weldra
+zijn vriend geworden en bij hem bracht hij gewoonlijk zijne vrije
+oogenblikken door. Löbell was vroeger huzaar geweest, en na met een
+stijve knie afscheid van den dienst te hebben genomen, rondreizend
+muzikant geworden en eindelijk bij Hermans' gezelschap zooveel als
+muziekdirecteur.
+
+De reeds bejaarde man speelde behalve trompet ook nog viool en
+begeleidde op dat instrument de evolutiën van miss Betty, die zich
+verbeeldde zwakke zenuwen te hebben en daarom minder goed tegen de
+schelle tonen van het blaasorkest te kunnen.
+
+"Zou jij mij niet kunnen leeren trompet blazen," vroeg Dorus op
+zekeren dag, toen Löbell na de voorstelling zijn instrument in den
+groensaaien zak pakte, die voor dat doel bestemd was.
+
+Lachend antwoordde de Duitscher, terwijl hij zijn dikken grijzen knevel
+opstreek, een groote zoogenaamde moffenpijp opstak en als een stoomboot
+begon te dampen: "Kottbewahre, was wol jij? Daar ist jouw broest nicht
+voor, daar hèv jij kein aassem voor, kleiner kerl.--Trompete blasen,
+das ist nicht iederein sein werk; ich hèv ze noe al dreissig jaar
+keblazen, maar ich hèv ooch eine broest als wie ein schmied."
+
+"O! ik kan ook blazen," antwoordde Dorus, terwijl hij een langwerpig
+houten fluitje te voorschijn haalde en eene vroolijke melodie begon
+te spelen.
+
+"Ei! sieh' mal, soo ein sakkermenter! Wie hèvt jou die walzer geleerd?"
+
+"Niemand, Löbell!"
+
+"Was?--Wie kommen jij dan so akkerat an die melodie, oend..."
+
+"Afgeluisterd, als jelui ze speelde."
+
+"Das ist ja ganz nett.--Gib das ding mal her."--Hij bracht het aan
+den mond, probeerde om er op te blazen, maar wierp het verachtelijk
+neer, met de woorden: "Das blaas ich kapoet: das ist spielerij, niks
+weerdig. Donnerwetter, jonge, hoe bring jij het fertig om da dr'op
+zoe spielen?--'s Ist jammerschade, dat jij zoo'n schwache broest hebt,
+want jij soll het wol leeren, jij hèvt ein besonders goed gehör..."
+
+"Kun je me dan niet leeren viool spelen, Löbell?"
+
+"Violin? Ach Gott, joenge, das ist das miserabelste instrument was
+existirt; ich hèv't geleerd, oend noe ich es kenne, is 't goed, maar
+'t ist kein instrument mit ehren. 's Ist der reinste quinkelierkasten;
+daar sitst keine kraft in. Goed voor zoo'n schmachtriemen von 'm
+schoelmeister oem sein leege maag damit zoesamen zoe schnoeren,
+weiter nichts."--De brave Löbell zag als een echte, trompetter met
+verheven minachting op elk strijkinstrument neer. "Lern jij maar eins
+erst goed trommelen."
+
+"O ho! dat ken ik lang."
+
+"Auch den roffel?"
+
+"Wat best! Toe, Löbell, leer mij een beetje viool; 'k zal je de helft
+van mijn aandeel in 't douceur geven."
+
+"Teufelskerl," bromde de Duitscher, terwijl hij den knaap, die op zijn
+fluitje eenige snelle loopjes blies, van ter zijde aanzag. "Sakkerment,
+wenn daar kein moesikant d'rin steckt, will ich ein hondsfott sein."
+
+"Nu, Löbell, wil je? 'k Deel tusschenbeide wel een halven gulden;
+dat zou dan een kwartje voor jou wezen."
+
+"Was, was! ein kwartje, bin jij toll? Wenn ich je was leer, versta je,
+dan ist et aus vrindjap, omdat jij zoo'n boeckelorum bint,--maar eine
+violinstunde voor 'n kwartje geef ik niet, das ist kein honorar!"
+
+
+
+'t Duurde niet lang, of Dorus kende de grepen van de viool. Wel is
+waar had hij verschrikkelijk veel onaangenaamheden ondervonden van
+het geslacht Carlo, dat niet de minste sympathie koesterde voor zijn
+muzikale studiën, en de directeur Hermans had hem reeds herhaaldelijk
+over dag uit de tent gejaagd, als hij de gamma's studeerde; maar Dorus
+hield vol, en eer drie maanden verloopen waren, speelde hij allerlei
+deuntjes en wijsjes, en toen nogmaals een halfjaar was verstreken,
+zei Löbell: "Kottorie, hij spielt bijna zoo goed wie ik! Maar 's
+ist oend bleibt toch ein schwaches miserabeles quinkelierinstrument:
+da lob ich mir die trompete, da steekt moesik d'rin."
+
+De directeur Hermans, die eerst zijn best had gedaan om den jeugdigen
+violist tegen te werken, liet hem nu stil begaan, want een kostelooze
+versterking van zijn orkest was een vooruitzicht, dat hem aanlokte;
+ook de familie Carlo begon er schik in te krijgen, dat haar Dorus zoo
+knap werd, en juffrouw Keetje, die reeds langer dan zeven maanden
+sukkelde en voortdurend aan hoofdpijn leed, vroeg dikwijls: "Toe,
+Dorus, speel eens wat voor mij; dat fleurt me op."
+
+De oude viool, die Löbell voor een beetje geld voor Dorus van een
+vakgenoot had overgenomen, was nog zoo slecht niet en de knaap wist
+er tonen uit te halen, waarover iedereen verstomd stond.
+
+Wanneer hij eens of tweemaal iets hoorde, speelde hij het onmiddellijk
+na, en dikwijls varieerde hij het stuk zonder 't bijna zelf te
+weten. Het was alsof een nieuw leven voor den knaap begon; wanneer
+hij zijn viool in handen had gevoelde hij zich gelukkig en elke
+dag bracht hem eene schrede verder in de techniek, hoe gebrekkig de
+grondslag er toe ook gelegd was. Zonder moeite, als instinctmatig,
+vond hij grepen en positiën en soms verbaasde hij zichzelf over de
+tonen, die zijn vingers aan de snaren ontlokten.
+
+Eens op een Zondag--de tent was in een klein stadje opgeslagen, waar
+op den sabbat niet gespeeld mocht worden--stond Dorus alleen op het
+ledige tooneel en speelde. Zijn vingers drukten werktuiglijk de snaren
+en even werktuiglijk liet hij dus den strijkstok op en neer gaan. Hij
+begon met eene bekende melodie, die hij ergens gehoord had; vaster en
+vaster werd zijn streek, en eindelijk phantaseerde de knaap. Zijn oogen
+schitterden, zijn borst zwoegde en het zweet parelde op zijn voorhoofd.
+
+Dorus droomde op de viool. Nu eens smeltend en zacht,. als een beeld
+van zijne eerste kindsheid, toen moederliefde hem koesterde, dan weer
+woest en wild, als jammerde het in de snaren van weedom en smart,
+eindelijk melancholisch en zacht, klonken de tonen, die hij aan zijn
+instrument ontlokte. Hij speelde voort, terwijl tranen hem over de
+wangen liepen, maar hij merkte het niet, evenmin als hij gewaarwerd,
+dat Löbell achter op het tooneel was gekomen. Een schelle dissonant,
+als de laatste kreet van een gewonde ziel, brak zijn droomerij af;
+langzaam liet hij de viool zakken en staarde doelloos voor zich uit.
+
+"Kratz noer weiter, kerlchen, kratz noer weiter!" riep eensklaps
+Löbell, maar met een stem zoo week, alsof 't eene moeder was, die
+tot haar kind sprak, en terstond daarop liet hij met zijn gewone
+ruwe stem volgen: "Jij bint ein schwerenöther, ein teufelskerl;
+daar sitzt doch wahrhaftig beina soviel musik d'rin, wie in meine
+trompete! Sakkerments kerl! wo hèv jou das keleerd?"
+
+"Van jou, Löbell," antwoordde Dorus lachende, terwijl hij met
+welgevallen zijn viool beschouwde.
+
+"Von mir--das soll der teufel! Ich wol, dat ich 't zoo kon, versta je?"
+
+"Och kom, Löbell!"
+
+"Waar hèv je die noten van dat schtuk?"
+
+"De noten?--Wat bedoel je?"
+
+"Ich betoel die moesiek. Ist es gedruckt?"
+
+"Wel neen!" antwoordde Dorus verwonderd. "Ik speelde maar zoo wat
+uit het hoofd, wat me zoo in de gedachten kwam."
+
+"Donneroenddoria? waar das fantasie,--alles aus de kànes
+gespielt?--Waarhaftig?"
+
+"Natuurlijk, Löbell."
+
+"Dan zeg ik, dat het sjande oend sünde ist, wenn jij nog langer den
+hanswoerscht macht. Jij moet stoedeeren oend dan wird der ouwe Löbell
+nog beleven, dat jij een virtuoos wirst."
+
+"Een virtuoos, wat is dat?"
+
+"Das?"--De oude trompetter streek verlegen zijn knevel.--"Das? Das
+ist ein kerl, die zóó moesiek macht, das die menschen sich de handen
+kapoet schlagen, bei 'm applaudiren, oend der liebe herr Kott das
+herz im leibe lacht."
+
+
+
+Er was in Dorus' geheele zijn en wezen verandering gekomen. Hij
+werd stiller en teruggetrokkener dan ooit, zijn viool was zijn
+alles geworden en het hansworstenpak, dat hij eenmaal verheugd had
+aangetrokken, begon hem tegen te staan. Wel deed hij zijn plicht
+en werkte op de voorstellingen naar behooren mede, maar het ging
+niet van harte zooals vroeger, en niet ten onrechte maakte Signor
+Carlo de opmerking: "Die viool is het bederf van Dorus' productiën;
+hij heeft er zijn hoofd niet meer bij, en de honden vernegligeert hij
+ook; ik zal er hem eens over onderhanden nemen. Ik heb er niet tegen,
+dat hij speelt, maar de zaak moet er niet onder lijden."
+
+Hij nam Dorus onderhanden, en al wat deze op de tot hem gerichte
+verwijten antwoordde, was: "Ik kan het niet laten, maar ik zal
+mijn best doen om mijn werk niet te bederven." Toen, als door een
+plotselinge gedachte getroffen, vroeg hij: "Laat me het hansworstenpak
+uittrekken, Carlo, en in het orkest spelen, dag en nacht, als je wilt."
+
+"Waarachtig niet; ik heb nog nooit zoo'n paljas gehad! 't Publiek lacht
+al, zoodra het je maar ziet, en bovendien je bent een geboren paljas:
+'t zou zonde en jammer wezen, als je voor de kunst verloren gingt. Nu,
+zet maar zoo'n ongelukkig gezicht niet; je hebt het toch goed, en ik
+mag je graag lijden. Weet je wat, als je dan zoo graag spelen wilt,
+speel dan op de avondrepresentatie in je hansworstenpak een paar
+mopjes, dan zal ik je op het programma den "muzikalen clown" noemen".
+
+"Maar, Carlo!"
+
+"Wil je, of wil je niet?"
+
+"In dat leelijke pak?" vroeg Dorus met een zucht.
+
+"Ja, en anders ruk ik je viool in. Begrepen?"
+
+"In Gods naam, ik zal spelen."
+
+
+
+
+
+V.
+
+BIJ DOKTER ABELS.
+
+
+'t Is een heerlijke zoele zomerdag; de lucht is vol zonneschijn,
+helder en blauw is de wolkelooze hemel. In de zonnestralen dartelen
+duizenden insecten; alles is vol warmte, leven, glans en gloed. De
+geur van jasmijn en kamperfoelie vervluchtigt zich in de warmte der
+zon. Krachtig slaat de vink in den beukeboom; vroolijk wiegt zich
+het roodborstje in de twijgen van het vlierbosch in den tuin.
+
+Vol en prachtig staan de rozen in het bed te bloeien, en schitterend
+vereenigen verbena's en geraniums haar kleuren tot een heerlijk
+schoonen krans.
+
+'t Zoele windje suizelt zachtkens door de bladeren en draagt den
+vlinder voort, die een oogenblik in 't zonnelicht drijft, en blaast
+zelfs geen enkel stofje van zijn vlerkjes, die blinken als lichtgeel
+goud, met purperen glans overtogen.
+
+Een waas van bloemenlucht en warmte drijft tusschen de bladeren der
+kastanjeboomen, of zweeft er doorheen tot in de openstaande ramen van
+het zacht rose getinte heerenhuis. In de ruime, sierlijk gemeubelde
+tuinkamer staat dokter Abels voor de opengeslagen vensters.
+
+"Heerlijk weer, goddelijk!" zegt hij zacht en kijkt naar de lucht,
+naar de bloemen en den tuin. Met welgevallen ademt hij de frissche
+geuren van het groen in.
+
+Buiten slaat de dorpsklok negen uren. De dokter verlaat het venster en
+nadert de ontbijttafel, die in het midden der kamer gereedstaat. Het
+keurig fijne porselein, het zilveren theeservies met de Chineesche
+kopjes noodigen tot aanzitten uit.
+
+De versche eieren in het Sèvres eierenstel zien er uitlokkend uit
+en het sardijntje in zijn blikken doosje biedt zijn zilverkleurige
+lekkernij vrijmoedig aan.
+
+De met zorg gekozen meubelen, de prachtige vleugel van Erard, de
+harmonische overeenstemming der kleuren van behangsel, overgordijnen
+en tapijt, de algeheele afwezigheid van overladen pracht, wijzen er
+op, dat wij ons in de woning van een ontwikkeld man van smaak bevinden.
+
+"Reeds negen uur; Albertine is laat vandaag," zegt de dokter, terwijl
+hij in afwachting, dat zijne dochter de thee voor hem zal komen
+schenken, het fijn damasten servet, dat, in zilveren ring gerold op
+zijn bord ligt, ontvouwt en over de knieën legt. Hij neemt zijn mes
+op en draait het werktuigelijk in de hand heen en weer, terwijl hij
+achterover in zijn stoel ligt. Zijn vriendelijke oogen rusten daarbij
+als vanzelf op een vrouwenportret in crayon, dat tegenover hem in
+een zwarthouten lijst aan den wand hangt.
+
+Hij zucht onhoorbaar, en het is alsof zijn oogleden rood en de hoekjes
+vochtig worden, terwijl, hij achterover in den stoel leunend fluistert:
+"Arme vrouw, je bent te vroeg heengegaan. En jij ook, Henri, mijn
+jongen, mijn stamhouder," voegt hij er bij; terwijl hij het grijze
+hoofd omwendt om naar een schuins achter hem hangende photographie
+te zien. Een immortellenkrans om het kleine lijstje toont aan,
+dat Henri de laatste was, die hem verliet. Nog een blik vol weemoed
+werpt hij op de beide portretten en staart dan doelloos in den tuin,
+waarin de vlinder in de zonnestralen dartelt, als het beeld van het
+herboren leven.
+
+
+ Feldeinwärts flog ein Vögelein
+ Und sang im munteren Sonnenschein
+ Mit süssem, wunderbaren Ton:
+ Adé--ich fliege nun davon!
+ Weit! weit! weit!
+ Reis' ich noch heut!
+
+
+zingt een glasheldere meisjesstem in den tuin. De dokter heft eensklaps
+het hoofd op, en een gelukkige lach speelt om zijn lippen, als hij
+de slanke gestalte zijner dochter voor het huis ziet verschijnen.
+
+
+ Weit! weit! weit!
+ Flieg' ich noch heut!
+
+
+klinkt het weer, terwijl Albertine nadert en nog buiten haar vader
+toeroept: "Goede morgen, papaatje! Goed geslapen?"
+
+Met den wijsvinger dreigend, antwoordt hij: "Tientje, Tientje! wat
+ben je laat; ik heb op je gewacht."
+
+Het bevallige meisje, nog steeds in de deur staande, lacht vroolijk,
+heft op haar beurt het fijne vingertje omhoog en antwoordt schalks:
+"Papaatje, papaatje! wat is u laat! Ik heb al wel een uur op u
+gewacht. 'k Heb de kippen gevoerd, de duiven hun eten gegeven en ik heb
+bloemen geplukt." Zij toont een paar rozenknoppen met een takje jasmijn
+en nadert met luchtigen tred haar vader, die het hoofd achteroverbuigt
+en zoo zijn morgenkus in ontvangst neemt. Zij steekt een rozenknopje
+in zijn knoopsgat, kust hem nogmaals op beide wangen en zegt lachend:
+"Dat is voor mijn knorrigen papa, omdat hij te laat is opgestaan."
+
+"Je weet je aardig uit de klem te redden, Albertientje!"
+
+"Neen, heusch, papa, ik ben al een uur op."
+
+"Nu goed, kind, ik zal je voor dezen keer gelooven. Schenk me maar
+gauw een kopje thee in."
+
+"Dadelijk, papa."
+
+Met ongedwongen bevalligheid plaatst het meisje zich aan de
+tafel. Terwijl zij thee inschenkt en het ontbijt verder gereedmaakt,
+slaat haar vader met welgevallen elke harer bewegingen gade en denkt:
+"Wat ziet ze er toch lief uit; ze heeft juist de oogen van haar moeder
+en hetzelfde weelderige, blonde haar; 't is alsof ik mijn goede Anna
+verjongd en frisch weer voor me zie!" En nogmaals richt zich zijn
+blik op het portret tegenover hem.
+
+Albertine ziet er werkelijk allerbekoorlijkst uit; hare rijzige
+gestalte komt in den met kant omzetten witten peignoir geheel tot haar
+recht. Op haar fijn besneden gelaat strijdt het dons van de perzik
+met de kleur der meiroos en der lelie om den voorrang. Achttien
+zomers lachen u aan uit haar groote, donkere oogen, die, door fijn
+gebogen wenkbrauwen overschaduwd, eenigszins vreemd afsteken bij den
+overvloed van aschblond haar, dat zich noode in de sierlijk gewonden
+wrong laat bedwingen. De wijde mouwen van den peignoir gunnen een
+onbescheiden blik op den poezelen ronden arm en het coquette muiltje,
+dat zich even van onder de plooien van haar kleed laat zien, schijnt
+voor een kindervoetje berekend.
+
+"Nog een kopje, papa?" vraagt het meisje, terwijl zij met een sierlijke
+beweging het zilveren trekpotje opneemt.
+
+"Zeker; en je kunt me ook nog een broodje geven."
+
+Terwijl zij het een en ander gereedmaakt, ziet haar vader op zijn
+horloge en zegt: "'t Is al bijna weer tijd om uit te rijden, Tientje;
+nog een klein kwartiertje en..."
+
+"En nog juist tijd genoeg om u even een wals van Chopin voor te
+spelen," en opstaande voegt zij er bij: "Ja, ja! ik ken mijn vadertje:
+zijn muziekstuk moet hij hebben voor hij uitrijdt, niet waar?"
+
+"Kind! je bederft me!"
+
+"Of u mij, papa!" Albertine staat op een slaat het kostbare instrument
+open. "Chopin, papa?"
+
+"Neen, Tientje, speel liever iets van Mendelsohn; ik weet niet,
+hoe het komt, maar ik ben vandaag niet opgewekt."
+
+"Niet; scheelt er wat aan, papa?" Het meisje wipt vlug van de pianokruk
+op, vat haar vaders hoofd tusschen haar beide handen en, terwijl zij
+hem in de oogen ziet, vraagt ze: "U is immers toch wel?"
+
+Glimlachend ziet dokter Abels haar aan en antwoordt: "Zeker, kind ;
+'t is maar een van mijn mistroostige buien. Kom, speel nu, kind!"
+
+"Zal u dan weer vroolijk worden, lieve, beste, oude papa?"
+
+"Ja, ja, malle meid!"
+
+Albertine preludeert even, en weldra ruischen de toonen, die haar
+geoefende vingers aan het schoone instrument ontlokken, door de
+kamer. Plotseling houdt het meisje op met spelen en vraagt:
+
+"Papa, waarom speelt u toch nooit meer op de viool? U speelt zoo goed!"
+
+"Och, kind!"
+
+"En u heeft zoo'n prachtig instrument."
+
+"'k Heb er geen tijd meer voor, Albertientje, en bovendien, sedert je
+moeder dood is, heb ik er den rechten lust niet meer in; wij maakten
+altijd samen muziek en..."
+
+"Mama is nu al bijna twee jaren dood, is 't niet zoo papa?"
+
+"Ja, kind, en Henri al anderhalf jaar."
+
+'t Is een oogenblik stil, doodstil in de kamer. De dokter staat
+langzaam op. en strijkt zich een paar malen met de hand over het
+voorhoofd. Albertines vingers dwalen over de toetsen. Zacht en innig
+klinkt de melodie van "_Es ist bestimmt in Gottes Rath_," uit den
+vleugel. Pianissimo eindigt zij, springt plotseling van haar zitplaats
+op en valt haar vader om den hals, terwijl zij haar hoofd aan zijn
+borst verbergt en zachtjes zegt: "Maar wij hebben elkaar toch nog,
+niet waar?"
+
+"Ja, mijn schat, ja!"
+
+"Mijnheer, het rijtuig is voor!" roept de knecht, die in de tuindeur
+verschijnt.
+
+"Ik kom, Jakob. Adieu Tientje!"
+
+"Dag, papa!"
+
+Dokter Abels werpt haar, in de tuindeur staande, nog een kushand
+toe en begeeft zich door den tuin naar het koetshuis, waar onder de
+porte-cochère zijn rijtuig gereedstaat. Terwijl hij instapt, wendt
+hij zich tot den huisknecht, met de woorden: "Jacob, denk er om, dat
+je van middag wat soep brengt aan vrouw Teunissen en de flesch wijn,
+die in de eetkamer op het buffet staat, bij den ouden Stoffels in
+het Hanenstraatje. Je weet wel, waar het is?"
+
+"Jawel, dokter, waar ik laatst dat mandje en die kleeren..."
+
+"Juist."
+
+Het portier valt met een slag dicht; Barend de Koetsier klapt even met
+de tong, de twee bruinen trekken aan, stappen de poort uit en weldra
+rolt het rijtuig in snelle vaart den weg op. Jacob ziet het na, en
+terwijl hij de groote staldeuren sluit, zegt hij bij zichzelven: "'t
+Is toch een goed man, die een boel voor een ander overheeft. Jammer,
+dat hij zoo mankeliek is tusschenbeide."
+
+Albertine is weer aan de piano gaan zitten. Haar kleine handen glijden
+vaardig en snel over de toetsen; ze speelt een concertstuk. Breed en
+vol ruischen de accoorden der introductie en als een zoetvloeiende
+stroom van harmonie volgt een adagio, dat als een lied van liefde
+en lust tot het hart spreekt en doordringt tot het diepst der ziel;
+nu eens jubelen de tonen, dan weer klagen zij vol weemoed en smart.
+
+Het meisje gevoelt, wat ze speelt; haar onberispelijke aanslag en
+hare vaardigheid komen heerlijk uit, als zij bij het scherzo met het
+meeste gemak de zwaarste passages overwint. Als een vogel, verscholen
+in het gebladert, juicht de discant en de basnoten klinken als een
+menschenstem, die zingt van weelde en van geluk.--Zij speelt voort,
+terwijl haar oogen schitteren en haar wangen zich hooger kleuren. Alles
+om haar heen heeft zij vergeten; op dit oogenblik leeft zij alleen in
+de muziek. Daardoor bemerkt ze ook niet, dat zij een toehoorder heeft;
+'t is een knaap die tegen de openstaande tuindeur geleund, ademloos
+toeluistert. Zijn oogen zijn strak op de liefelijke verschijning
+vóór hem gevestigd en met gevouwen handen luistert hij toe; geen
+enkele toon ontsnapt hem. Het is alsof hij de muziek, die hij hoort,
+in zich opneemt; alsof elke noot, elk accoord in zijn ziel weerklank
+vindt. Bleekheid en blos wisselen snel op zijn gelaat, zenuwachtig
+trillen zijne lippen en plooien zijn mond tot een weemoedigen lach of
+sluiten zich een seconde later weder vast op elkaar. Onbeweeglijk staat
+hij daar, totdat het meisje ophoudt met spelen; en alsof hij uit een
+betoovering ontwaakt, strekt hij de handen verlangend naar haar uit.
+
+"Wat doe jij daar? Wat voer je daar uit?" klinkt plotseling Jakobs
+stem in den tuin en doet hem tot de werkelijkheid terugkeeren; maar
+nog is hij te zeer onder den indruk van het gehoorde, om dadelijk
+antwoord te kunnen geven.
+
+De huisknecht nadert, en met de barsche woorden: "Kun jij geen antwoord
+geven, leelijke bochel?" vat hij hem bij den kraag en trekt hem een
+eind den tuin in.
+
+Al het bloed stijgt in één oogenblik naar het hoofd van den jongen;
+hij rukt zich los, bukt zich en grijpt bliksemsnel een handvol zand,
+dat hij den knecht in het gezicht werpt.
+
+"Vervloekte jongen!" roept Jakob, terwijl hij met een pijnlijk gelaat
+de eene hand naar de oogen brengt en met de andere tevergeefs hem
+weer poogt te grijpen. "Houd hem vast!" roept hij den tuinman toe,
+die het geval heeft gezien en, ijlings toegeschoten, den bultenaar
+stevig bij den arm neemt en heen en weer schudt.
+
+"Laat me los!" gilt de knaap, terwijl hij vruchteloos zich aan de
+handen van den tuinman poogt te ontwringen.
+
+Albertine is op het hooren van het geschreeuw in den tuin opgevlogen
+en staat nu tusschen de beide mannen, terwijl zij vraagt: "Wat is
+hier te doen, Jakob? Waarom schreeuw jelui zoo?"
+
+Bedeesd slaat de jongen de oogen neer en doet geen verdere poging om
+te ontkomen, als Jakob antwoordt:
+
+"Ik was zoo even in den stal, juffrouw, en zag hoe die gemeene
+bochel...." Een toornige blik van den aangewezene treft hem en ontlokt
+hem de woorden: "Kijk me maar zoo valsch niet aan; 'k zal je straks
+wel nader spreken.--'k Zag hem door de kleine deur sluipen en in
+den tuin gaan; er is hier dezer dagen veel slecht volk in de buurt,
+want met de kermis te Groenendaal zwerft allerlei gespuis rond, en ik
+dacht: die komt eens kijken, of hij hier wat op den kop kan tikken,
+'t Is zeker een jongen van een spel of zoo, dat kun je wel aan zijn
+plunje zien. Ik prakkezeerde zoo bij mezelven: ik zal hem stil zijn
+gang laten gaan en zien wat hij uitvoert. Ik zag hem langs het huis
+gaan en door de ramen kijken. U was net aan 't spelen, juffrouw;
+toen bleef hij aan de open deur staan en loerde om het hoekje naar
+binnen. Hij keek zeker, of er wat van zijn gading was."
+
+"Dat lieg je."
+
+"Houd je mond, kwajongen; ik weet, wat ik gezien heb. Toen wilde hij
+naar binnen gaan."
+
+"'t Is een leugen, juffrouw, 't is een leugen!" roept hartstochtelijk
+de jongen, terwijl de tranen hem met kracht uit de oogen springen
+en over zijn bleeke wangen rollen. "Ik luisterde naar de muziek,
+anders niet. Laat me toch los!"
+
+Albertine ziet hem medelijdend aan en zegt: "Laat hem maar los,
+Pieter."
+
+"Dan gaot ie er vandeur, juffer!"
+
+"Neen, neen! 'k zal niet wegloopen, 'k hoef het niet te doen, want
+ik heb niets kwaads gedaan."
+
+Op een wenk van het meisje laat de tuinman den arm, dien hij vastgreep,
+vrij, en de knaap blijft bedaard staan, terwijl hij met een blik vol
+haat op Jakob zegt: "'k Kwam niet om te stelen, juffrouw; hij liegt
+het. Dat ik hem zand in de oogen heb gegooid, is waar, maar dat deed
+ik, omdat hij me uitschold en omdat ik op dat oogenblik mijzelf niet
+was door de muziek, die ik hoorde."
+
+"Een mooi praatje," bromt Jakob.
+
+"Daar mot-de niks van geleuven, juffer, dat bennen allemoal
+proatjes. As 'k 'em goed oankiek, dan geleuf ik, dâ 'k 'em al eerder
+gezien heb, eergiesteren, toen 'k op de kârmis gewêst bin, moar toen
+zag ie anders uit. Zinen bult was wel êns zoo groot en ie had zoo'n
+potsenmoakers pak an.--Zeg, hed-de gij niet in 't thrioater met
+hundjes gespeuld?"
+
+"Dat heb ik," klonk het bedaard terug.
+
+"En hed-de gij niet op de fidel gespeuld?"
+
+"Dat is ook waar."
+
+"Zie-de wel, juffer, dat 't der een van 'n spul is? Dâ's allemoal
+schunnig volk, doar mot-de veurzichtig mee wêzen. G'leuf me, loat 'k
+em noar den veldwachter brengen, dan bint wie der af, en dan kriegt
+ie wat 'em toekumt." Pieter grijpt den arm van den jongen weer vast.
+
+"Wacht eens even, Pieter, ik geloof dat je overdrijft; de jongen ziet
+er niet uit, alsof hij kwam stelen," zegt Albertine, terwijl zij,
+een stap voorwaarts doende, vraagt:
+
+"Waarom kwam je hier? Zeg me de waarheid."
+
+"Ik wou den dokter spreken, juffrouw."
+
+"Mooi smoesje!" pruttelt Jacob. "Dan kost ge toch oan de veurdeur
+gebeld hebben. Een fatsoenleke mins kruupt toch niet 't achterhuus in."
+
+"Ja, dat is waar. Waarom heb je niet gescheld?" vraagt het meisje.
+
+"Ik hoorde u spelen en toen vergat ik verder te gaan."
+
+"Allemaal gekheid, juffrouw, u moet het niet gelooven," bromt Jakob.
+
+"Ben jij dan zelf zoo'n leugenaar, dat je niemand anders gelooft?" bijt
+de knaap hem toe, en tot Albertine gewend vervolgt hij : "'k Heb u
+de waarheid gezegd, juffrouw. 'k Zal u alles vertellen; maar laat
+hen heengaan."
+
+"Nu, goed dan. Ga maar aan je werk, Pieter; en jij, Jakob, laat mij
+met den jongen alleen." Knorrig verwijdert zich de laatste, en de
+tuinman gaat weer naar zijn bloembedden, echter niet dan nadat hij
+gezegd heeft:
+
+"'k Goai, moar rêken der op, da 'k oe in de goaten houw!"
+
+Albertine neemt op een bank bij het huis plaats en wenkt den jongen
+nader te komen. Vriendelijk ziet zij hem aan, als ze vraagt:
+
+"Zeg me nu eens de waarheid. Wat kwam je hier doen?"
+
+"Ik kwam den dokter zoeken, juffrouw."
+
+"Zoo! Hoe heet je?"
+
+"Dorus."
+
+"Ben je dan ziek ?"
+
+"Neen, ik niet," en nu verhaalt Dorus haar, wie en wat hij is; hoe
+juffrouw Keetje reeds maanden lang erge koorts heeft en dag aan dag
+zwakker wordt; hoe hij gehoord heeft, dat dokter Abels als de knapste
+geneesheer van den omtrek bekendstaat; en hoe hij hoopt, dat hij de
+juffrouw kan genezen.
+
+"En het is niet je moeder?"
+
+"Neen, juffrouw, mijn moeder en mijn vader zijn allebei dood."
+
+"Al lang?--En hield je veel van je moeder?"
+
+"Ik herinner mij van mijne moeder alleen nog maar, dat ze me 's avonds
+op haar schoot nam en me zoende, vóór ik ging slapen. 'k Weet niet
+anders meer van haar, dan dat ze lief en goed voor me was en me nooit
+"krates" of "bochel" noemde. Maar juffrouw Keetje is net even goed;
+ze is altijd vriendelijk en ze is de eenigste, die van me houdt. Daarom
+zou ik voor haar door het vuur loopen en daarom houd ik me in, als de
+anderen me schelden of plagen. Och, juffrouw, ze is zoo ziek, en alles
+wat ze haar gegeven hebben helpt niet. Als de dokter maar eens kwam,
+zou ze wel weer beter worden; hij is zoo geleerd, zeggen ze allemaal;
+daarom ben ik van morgen van Groenendaal hierheen geloopen."
+
+"Maar dat is ruim twee uren gaans!" zegt Albertine verwonderd.
+
+"O, dat is minder, al was het nog eens zoo ver. Zou u denken, dat de
+dokter zou willen?" En terwijl hij haar eenigszins verlegen aanziet,
+grabbelt hij in den diepen zak van zijn wijde pantalon en haalt een
+toegevouwen papier te voorschijn, dat hij opent, en waarvan hij haar
+op de vlakke hand den inhoud toont, bij de woorden: "Zou hij komen
+voor drie gulden? Meer heb ik niet."
+
+Een zonderling gemengd gevoel van medelijden en sympathie doorstroomt
+het meisje, als zij vraagt: "Hoe kom je aan dat geld?"
+
+Dorus' oogen staren haar vrijmoedig en schitterend aan, bij het
+antwoord: "Eerlijk verdiend, juffrouw! Opgespaard van mijn douceurs."
+
+"De dokter zal komen, dat beloof ik je; steek je geld maar weer bij
+je," zegt Albertine met een zweem van aandoening in haar stem.
+
+"Zal hij, juffrouw?"
+
+"Je kunt er op rekenen. Maar, waar staat de tent?"
+
+"De tent, juffrouw? Die is al lang vooruit naar Westwijk, met
+Hermans en de anderen. Wij, Signor Carlo en ik, zijn met den wagen te
+Groenendaal achtergebleven, omdat juffrouw Keetje het rijden, door de
+erge hoofdpijn, niet langer verdragen kon; maar morgenochtend moeten
+we vroeg weer op weg, om 's avonds in Westwijk te kunnen spelen."
+
+"Speel jij ook mee? En als wat?"
+
+Een sterke blos kleurt Dorus' wangen. Waarom, weet hij zelf niet recht,
+maar 't is alsof het woord "hansworst" hem niet van de lippen wil,
+en hij stottert bij het antwoord: "'k Presenteer gedresseerde honden,
+juffrouw! en 'k speel viool."
+
+"Nu, daarvoor hoef je je niet te schamen. Waarom krijg je zoo'n
+kleur? 'k Geloof, dat je mij wat wilt wijsmaken."
+
+"'k Ben ook de paljas," antwoordt hij min of meer verlegen.
+
+"Paljas! En vind je dat aardig?"
+
+"Neen, juffrouw, maar ik moet wel.--Zal ik nu maar gaan? 'k Wou graag
+weer terug.--Komt de dokter gauw?"
+
+"'k Hoop van middag."
+
+Dorus stottert een paar malen een bedankje en verlaat den tuin. Jakob
+ziet hem heengaan en pruttelt:
+
+"'k Zou hem anders getrakteerd hebben, zoo'n rakker!" En de tuinman
+roept hem, met zijn hark dreigend, na:
+
+"As ge 't hart hêt om ooit weer hier te kommen, dan sloa 'k oe de been'
+stuk, begriept-de?" en in zichzelven zegt hij: "De jongejuffer is veuls
+te goed om met zoo'n jong nog proatjes te maken;"--en Dorus naziende:
+"'t Is toch en miserable bult, as je 'em goed bekiekt."
+
+
+
+
+
+VI.
+
+IN DEN KERMISWAGEN.
+
+
+In den groenen wagen van Signor Carlo is het benauwd; de zon heeft
+den geheelen dag met kracht op het rijtuig geschenen, en daardoor is
+de temperatuur daarbinnen buitengewoon hoog.
+
+Niettegenstaande die bijna ondraaglijke hitte ligt vrouw Keetje in het
+bed, met een wollen deken dicht tot aan den hals toegedekt. De koorts
+is weer aan 't opkomen en doet haar onophoudelijk rillen en huiveren,
+terwijl haar hoofd gloeit, de tong droog is en de slapen kloppen.
+
+Met een bezorgd gelaat staat Carlo bij zijn vrouw en tracht haar een
+lepel vol medicijn in te geven.
+
+"Ik kan het niet meer nemen, Carlo, 't walgt me zoo," zegt de zieke,
+die de hand aan het brandende voorhoofd brengt en herhaaldelijk naar
+adem hijgt.
+
+"Maar 't is toch zoo goed voor je, Keetje; 't is tegen de
+koorts. Hermans heeft het ook gebruikt, 't zijn alsem-knoppen op
+brandewijn."
+
+"Laat mij met rust: ik _kan_ het niet innemen."
+
+"Wil je drinken?"
+
+"Ja! geef mij water, veel water! En dan wil ik slapen."
+
+Voorzichtig licht de acrobaat het hoofd der zieke op en brengt haar
+een glas aan de lippen. Eenigen tijd ligt zij roerloos, en alleen aan
+het hijgen, dat ze doet, is het merkbaar dat zij lijdt. Carlo zit op
+de trap van den wagen en staart naar den straatweg.
+
+De avond valt en in het westen kleurt zich de gezichteinder met een
+bloedroode tint. Het scheidend licht der zon verft de toppen der
+boomen met een gulden gloed.
+
+De schaduwen worden al langer en zwakker, vervloeien al meer en meer,
+en de schemering begint. Allengs wordt aarde en hemel grauw: in het
+zwerk pakken zich de wolken tot een donkere massa samen, en hier en
+daar steken lichtere, rotsachtige koppen uit de wolkenmassa op; 't
+wordt nu eens donkerder, dan weer iets lichter. Meer en meer verdikken
+zich de wolken, flauwer wordt de roode tint aan den horizont, grauwer
+de kleur van het loof der boomen en geler hun kruin en toppen. Een
+broeiende, matte, loodzware hitte, angstig voor het gevoel, belemmert
+den adem. De amechtige natuur smacht naar verfrissching.
+
+'t Stof warrelt eensklaps, door een plotselingen windstoot gezweept,
+omhoog. In een kring, als dansten zij een heksendans, vliegen enkele
+afgevallen bladeren en verdorde grasscheuten op den straatweg rond. De
+wind vaart spookachtig door de kruinen der boomen en gaat dan weer
+liggen, als loerde hij op een geschikt oogenblik om zijn prooi,
+de aarde, te bespringen.
+
+'t Is zonderling geheimzinnig stil. In het noordoosten hangt de
+bui,--'t rommelt in de verte. 't Suist in de lucht, enkele dikke
+druppels beginnen te vallen; 't wordt een oogenblik nog drukkender, nog
+benauwder en donkerder; weer rommelt het onheilspellend in het zwerk.
+
+Daar schittert op eens een felle bliksemstraal. De enkele boer, die
+nog op den weg is, ziet angstig omhoog en telt zachtkens "een, twee,
+drie, vier," tot zestien, dan ratelt de slag. "'t Is nog veraf!" Hij
+kijkt naar de lucht en haast zich naar huis.
+
+Een tweede lichtstraal volgt, en bijna zonder tusschenpoos een
+donderslag, die aarde en hemel doet sidderen.
+
+"Carlo! Carlo!" roept op eens de zieke in den kermiswagen. "Carlo! kom
+hier; 'k heb zoo'n angst."
+
+"Wees maar bedaard, Keetje; 't zal wel zoo gedaan zijn."
+
+"O God! wat een slag, en wat is het donker! Waar is Dorus?"
+
+"Hij is den straatweg op geloopen, om te zien... Hè! dat's vreeselijk;
+dat slaat zeker ergens in."
+
+Bevend klemt vrouw Keetje zich aan den arm van haar man. "Goddank! 't
+begint harder te regenen, dat 's goed. Heb je 't paard bezorgd?"
+
+"'t Stalt aan de herberg."
+
+"Och! als die Dorus maar terugkwam. O! wat een licht, en de slag er
+dadelijk bovenop; o God, mijn hoofd!"
+
+"Wees toch niet zoo bang: 't heeft niets geen nood, de bui trekt
+al over."
+
+Een zonderling vuur schittert in Keetjes oogen; haar lippen zijn droog;
+in haar slapen tintelt en klopt het onuitstaanbaar.
+
+"Daar is Dorus," zegt de zieke eensklaps op droevigen toon.
+
+"Waar?" Carlo wendt het hoofd om, maar ziet niemand.
+
+"Ha! ha! ha! wat staat hem dat pakje grappig. Speel nog eens voor me;
+toe, laat ik nog eens wat hooren, maar niet dat treurige, dat van
+laatst, hoor!"
+
+"Mijn God! Keetje, wat zeg je?"
+
+"Stil! je moet Betty niet wakker maken! Ze slaapt nog, ze heeft
+gisteren te veel gewerkt. Wat een leven is er buiten. God! wat een
+geweld."
+
+"'t Dondert nog: het ontweert, en...."
+
+"Waarom sta jij hier? Waar is Carlo?"
+
+"Hier ben ik, vrouw!"
+
+"Ik ken jou niet; 'k wil mijn man zien; roep hem dan toch.--Spelen,
+Dorus! spelen; tralalala! la! la! tralala."
+
+De zieke ijlt verschrikkelijk, ze wil met alle geweld het bed uit,
+en de sterke acrobaat heeft moeite om haar in bedwang te houden.
+
+"Je doet me pijn; ik wil er uit!"
+
+'t Angstzweet parelt hem op het voorhoofd; hij weet niet wat aan
+te vangen, neemt werktuigelijk een bak met water, die bij 't bed
+staat en doopt er een doek in, dien hij op 't brandende voorhoofd
+van Keetje legt.
+
+"Dat's koud, hu! dat's koud."
+
+"'t Zal je goed doen."
+
+"Daar komt hij! Daar komt hij!" roept nog op den weg eensklaps Dorus,
+die, zoo snel zijn reeds vermoeide beenen het hem veroorloven, komt
+aanrennen. Ademloos bereikt hij den wagen en herhaalt: "Dokter Abels
+komt er aan, Carlo! Hoe is 't er mee?"
+
+"Bitter naar, ze is heelemaal buiten westen."
+
+'t Gromt, rommelt en dondert nog onophoudelijk, dan in de verte, dan
+van nabij, maar toch trekt het onweer over, het wordt iets lichter
+en de stortbui maakt plaats voor een zachten, milden regen. De droge,
+harde grond heeft gretig het vallende water verzwolgen, maar op enkele
+plaatsen is de toevoer te groot geweest en hebben zich plassen gevormd,
+waarin de bliksem, als hij neerschiet, een ondeelbaar oogenblik
+weerkaatst. Rondom den kermiswagen heeft zich een soort van meertje
+gevormd; de zandweg is in een poel van leem en modder veranderd.
+
+Het rijtuig van dokter Abels heeft de plek, waar Carlo's wagen staat,
+bereikt.
+
+"Hierheen, dokter!" roept Dorus hem te gemoet. "Hierheen! Kom langs
+den berm, want 't is alles modder dáár. O! dokter, wat is u goed,
+dat u komt."
+
+"Waar is de zieke? Nog in den wagen?"
+
+"Ja, dokter.--Pas op! daar is een plas.--Hier is het droog.--Zoo! nu
+het trapje op."
+
+De medicus treedt den wagen binnen, waar Carlo hem met een stroom
+van dankbetuigingen ontvangt.
+
+"Kun je geen licht maken? 't Wordt al zoo donker."
+
+"Zeker, dokter, dadelijk."
+
+Terwijl Carlo de hanglamp aansteekt, beven zijn handen. Zachtkens
+murmelt de zieke:
+
+"Ze zullen tweemaal repeteeren.--Wat brandt die kachel
+fel.--Dorus! Dorus!"
+
+"Wat blieft u, juffrouw!"
+
+"Stil! zij schijnt te ijlen," zegt de dokter.
+
+"Dorus! Dorus! speel dan toch voor mij, toe dan."
+
+"Houd het licht eens vast, mijn jongen, dat ik haar goed zien kan."
+
+De knaap neemt de lamp en licht den dokter bij.
+
+"Kun je niet wat lucht maken, want het is hier om te stikken. 't Is
+voor een gezond mensch om ziek te worden."
+
+Carlo opent een paar van de raampjes en een luikje boven in de kap
+van den wagen. Wel vallen eenige regendruppels naar binnen, maar de
+drukkende, benauwde lucht vermindert, en de zieke haalt gemakkelijker
+adem.
+
+De dokter buigt zich over de lijderes, spreekt haar zacht en
+vriendelijk toe, luistert op haar borst en naar den hartslag en tracht
+zich door haar te doen begrijpen. Tevergeefs; zij antwoordt niet, of
+verward. Een vlammend rood kleurt haar gelaat, de met bloed beloopen
+oogen rollen woest heen en weer; zij vliegt van haar legerstede op,
+hevig benauwd, en met de armen om zich slaande, zinkt ze terug op
+het bed. Een oogenblik wordt haar gelaat kalmer en doodsbleek; zij
+beweegt de lippen en zegt nogmaals: "Speel dan, Dorus, speel dan!"
+
+"Wat bedoelt ze toch?" vraagt de dokter aan Carlo, die bij het bed
+geknield, eenige doeken in den bak met water legt.
+
+"Zij wil muziek hooren, dokter. Dorus zijn viool ... Hij moet dikwijls
+voor haar spelen."
+
+"Zonderling," mompelt de medicus. "Probeer het eens; misschien wordt
+ze dan kalmer."
+
+"Dat kan ik nu niet, onmogelijk!" antwoordt de knaap, die aan het
+hoofdeneinde staande, nu en dan zijn hand op het voorhoofd der vrouw
+legt, of haar de wangen streelt. "Niet waar, juffrouw Keetje," zegt
+hij zacht, "nu kan ik niet spelen?"
+
+"Speel dan toch," herhaalt zij.
+
+Dorus neemt, zonder meer te zeggen, zijn viool van de plank en verlaat
+den wagen. Als hij in de deur staat, vraagt de dokter: "Ga je heen?"
+
+"Hier kan ik niet, 'k zou geen toon uitbrengen, maar ik zal probeeren
+of ik het buiten kan; dan klinkt het ook niet zoo hard."
+
+Op de onderste trede van het trapje gaat de knaap zitten, brengt zijn
+instrument aan de kin en zet den strijkstok aan; deze beeft in zijn
+hand. Onzeker klinken de eerste tonen, maar langzamerhand herkrijgt
+hij kalmte en vastheid. Wat hij speelt, weet hij zelf niet: hij
+phantaseert. Week en mollig klinken de tonen in een langzaam tempo,
+als wilden zij een schreiend kind in slaap wiegen; allengs versnelt
+de maat, glijdt de strijkstok luchtiger over de snaren, en eindelijk
+zingt de viool een zachte, opwekkende melodie.
+
+De zieke wordt rustiger; 't is in werkelijkheid alsof de tonen der
+muziek haar verademing geven. Zij blijft nu stilliggen, met de handen
+onder het hoofd. Over haar gelaat verspreidt zich een uitdrukking
+van kalmte. Carlo legt haar een natten doek op het hoofd, maar zij
+weert hem zachtjes af en fluistert: "Hoor! hoor!"
+
+Dorus speelt voort, en de dokter, die tot dusver zijn patiënt
+geen oogenblik uit het oog heeft verloren, staat op en gaat naar de
+geopende deur. Aandachtig luistert hij toe, en als de knaap eindelijk
+met een wegsmeltend akkoord zijn spel besluit, kan hij een halfluid
+"bravo!" niet onderdrukken.
+
+'t Regent nog buiten, maar zachtjes en afgebroken, want het onweer is
+voorbij en slechts enkele wolken, die door het uitspansel trekken,
+ontlasten zich over de aarde. Heel in de verte rommelt het nog dof
+en in het zuiden flikkert enkele oogenblikken het weerlicht.
+
+Dorus zit nog altijd op de onderste trede der trap, met het hoofd
+voorovergebogen. Hij schreit. Arme knaap! Angst voor het leven van
+haar, die hij liefheeft, omdat zij goed voor hem is, perst hem heete
+tranen uit de oogen. Hij hoort het "bravo!" van den dokter niet;
+zijn geest dwaalt af.--Waarheen? Hij kan er zich geen rekenschap van
+geven. Hij gevoelt iets in zijn binnenste, dat hij niet onder woorden
+kan brengen. Hij kent er geen uiting voor, dan in de tonen, die hij,
+plotseling de viool weer aanzettend, aan het speeltuig ontlokt.
+
+"Luister, luister!" zegt de zieke, terwijl zij zich opricht en met
+onnatuurlijk schitterende oogen voor zich uit staart.
+
+"Waar heeft die jongen dat geleerd?" vraagt de medicus. "'t Is
+buitengewoon--zeer buitengewoon--geniaal!"
+
+"Hij heeft 't zichzelf geleerd," antwoordt Signor Carlo zachtkens;
+"maar," voegt hij er bij, "zóó heb ik hem ook nog nooit hooren spelen;
+daar word je koud van."
+
+De dokter wenkt met de hand, dat hij zwijgen moet, en luistert met
+ingehouden adem.
+
+"Dorus, Dorus!" roept vrouw Keetje, als de viool verstomt.
+
+In een oogwenk staat de knaap naast haar, vat haar hand en vraagt:
+"Is het nu goed? Heb je 't minder benauwd?"
+
+Als uit een zwaren slaap ontwakend, zucht zij diep, ligt een paar
+minuten doodstil en zegt dan fluisterend: "'k Ben zoo koud, en toch
+brandt het daarboven in mijne hersens."
+
+"Een zonderlinge toestand," denkt de dokter, als hij het bed weer
+nadert en de zieke nauwkeurig gadeslaat.
+
+Met een angstig bevenden toon in zijne anders zoo ruwe stem, vraagt
+de kunstenaar, den geneesheer ter zijde nemende: "Wat dunkt u er van,
+dokter? Zou ze beter worden?"
+
+"Dat kan niemand zeggen; ze is gevaarlijk ziek, zeer gevaarlijk. Gij
+kunt haar onmogelijk langer in den wagen laten en in geen geval kun
+je haar meenemen naar Westwijk."
+
+"Waar moet ze dan heen? In de herberg te Groenendaal zal men haar
+niet willen opnemen. En hoe zou ik er haar krijgen?"
+
+Een oogenblik denkt de dokter na, vóór hij antwoordt: "Ik zal je
+helpen. Wikkel haar in een deken en draag haar in mijn rijtuig. 'k
+Zal zelf meegaan en zorgen, dat ze onder dak komt. De knaap kan wel
+hier bij den wagen blijven."
+
+"Och, laat me ook meegaan!" roept Dorus.
+
+"Dat kan niet; er moet hier iemand bij den boel blijven," antwoordt
+Carlo, terwijl hij, geholpen door den dokter, de zieke vrouw een
+deken omslaat, haar, als ware zij een kind, in zijn armen neemt en
+naar het rijtuig van den dokter draagt.
+
+Barend, de koetsier, die in zijn glimmende regenjas naast de paarden
+staat, ziet hen aankomen en neemt de dekens van de bruinen, terwijl
+hij in zijn baard bromt: "Dat is bepoald weer zoo'n akkefietje,
+zooals ie er al veul hêt gehad. Afijn, ie is altied zoo; ie moet het
+moar eiges weten."
+
+Met zorg wordt vrouw Keetje in de kussens van het rijtuig
+geplaatst. Carlo ondersteunt haar; dokter Abels neemt tegenover hem
+plaats en doet haar voeten op zijn knieën rusten.
+
+"Naar Groenendaal, in 't Moortje. Vooruit, Barend; stapvoets!"
+
+
+
+Dank zij dokter Abel's bemiddeling lag vrouw Keetje sedert acht
+dagen in een frissche, ruime bovenkamer van de herberg het Moortje
+te Groenendaal. Aanvankelijk scheen de ziekte een gunstiger keer
+genomen te hebben, want de wilde, ijlende vlagen hadden opgehouden
+en de lijderes was kalmer, maar doodelijk zwak.
+
+De vrouw uit de herberg bezocht haar gedurig, toen Carlo genoodzaakt
+was, wilde hij zijn mede-directeur niet in den steek laten, zich naar
+de tent, die te Westwijk opgeslagen stond, te begeven. Elk oogenblik
+kwam zij boven, om de zieke in te geven, of het een of ander te doen.
+
+"Hed-de gij 't wel goed genogt?" vroeg zij dikwijls. "Zie-de! onzen
+dokter hêt oe an ons anrekommediert en nou zul-de gij 't ook zoo goed
+meugelijk hebben. Och erm! ge zult verlangst hebben noar oe kienders,
+hè; ge ligt toch zoo alleinig ; zoo niks geen oansproak. 'k Heb êrst
+gedocht, dat dien bult ók een kiend van oe was. 't Het er veul van
+alsof ge nog meer van hum holdt als van de anderen; 't liekt ook zoo'n
+bedoard, stil jeungske," zoo snapte de kasteleines, als zij haar gast
+bezocht. Gewoonlijk echter gaf vrouw Keetje weinig antwoord; zij was
+met alles tevreden, voor alles dankbaar, en daarom ook verzekerde
+de herbergierster aan den dokter, "dat 't en fersoendelik mins was,
+dat ze in huus had; heel anders as gemeinlijk dat spullevolk."
+
+Een paar malen hadden de kinderen van vrouw Keetje hunne moeder
+bezocht, maar 't was in 't drukst van den kermistijd en daarom
+konden zij, evenmin als hun vader of Dorus, voortdurend bij de zieke
+blijven. Wie van hen even kon, zocht haar op, wanneer de afstand niet
+al te groot was; maar telkens zei de zieke: "Je moet om mij niets
+verzuimen; ik zal wel weer beter worden. Als ik maar niet zoo moe en
+zoo zwak was!"
+
+
+
+"Dokter, wat zeg-de er van?" vroeg de kasteleinsche op een avond,
+toen de geneesheer, die vrouw Keetje bezocht had, weer in zijn
+rijtuig stapte.
+
+"'t Is een langzaam heengaan, vrouw Carels."
+
+"Och erm!"
+
+Dienzelfden nacht bleef het licht veel langer dan gewoonlijk branden in
+de bovenkamer van de herberg. Den vorigen dag waren Carlo en zijn zoons
+nog bij de zieke geweest en had zij hun bij 't vertrekken gevraagd:
+"Waarom is Dorus niet meegekomen?"
+
+"Hij moest spelen."
+
+"Zoo. Maar morgen of overmorgen komt hij toch even?"
+
+"Als 't niet te ver is."
+
+Een van de zoons had het aan Dorus verteld, en hoewel het plaatsje,
+waar zij voorstellingen gaven, bijna drie uren van Groenendaal
+verwijderd lag, was hij twee dagen later, na de voorstelling, zoo
+spoedig hij kon, op weg gegaan. Een medelijdend koetsier, die met
+een eigen rijtuig denzelfden weg opreed, zag den bultenaar, die zoo
+haastig zijn beenen repte en nam hem een eind weegs mede; maar toch
+had 't reeds lang elf uren geslagen, eer hij zijn bestemming bereikte.
+
+In de herberg zelf was 't al donker, maar op de bovenkamer brandde
+nog licht.
+
+Hij klopte; men hoorde hem niet. Hij klopte nogmaals. Eindelijk
+verscheen vrouw Carels en vroeg van binnen: "Wie is doar?"
+
+"Ik ben het; Dorus!"
+
+Zij opende de deur met een licht in de hand. "O! zij-de gij 't; kom der
+in. 't Is goed, dâ ge der zijt; ze is zoo miseroabel benauwd gewêst;
+'k geloof nooit, dâ ze 't lange mêr moaken zal; 'k ben blied, dâ
+ge der bint, want 'k bin zelfs niet als te fiksch en kost toch niet
+sloapen goan, veur..."
+
+"Is zij zooveel erger geworden?" vroeg Dorus angstig.
+
+"Ge zult 't wel zien; 't goeie mins is zwoar ziek. As ge me neudig
+hebt, môt-de moar gelieks roepen."
+
+Toen Dorus boven kwam, lag vrouw Keetje afgemat en hijgend in de
+kussens. Zij stak hem de hand toe en zei: "'t Is goed, dat je mij
+nog eens komt zien, Dorus, want ik geloof, dat het niet lang meer
+met mij duren zal."
+
+"Zoo moet je niet spreken, juffrouw!"
+
+"'k Heb sedert van middag zoo'n vreemd gevoel, wat, weet ik niet,
+maar ik denk, dat ik sterven ga. Ben jij daar nog, Dorus?"
+
+"Ja, juffrouw!"
+
+"Kom wat dichter bij; ik zie je niet goed, draai de lamp wat op. Zijn
+ze allemaal wel,--en is Betty's knie weer beter?"
+
+"Ze moesten van avond tot over tienen spelen, maar ik was voor negenen
+klaar en toen ben ik hierheen gegaan."
+
+"Ik ben blij, dat ik ze eergisteren nog heb gezien en jou
+vandaag. Luister eens, Dorus!--Kom heel dicht bij mij; 't spreken is
+mij zoo moeielijk.--Als ik dood ben..."
+
+"O neen! spreek zoo niet: je zult beter worden."
+
+"Wanneer ik er niet meer ben, zul je dan ook goede vrienden met Betsy
+blijven--je bent soms nog zoo driftig--beloof je 't me? Hu! wat ben
+ik koud; dek mij wat beter toe.--Goeie jongen, zoo'n eind voor mij
+te komen loopen! Laat mij eens drinken; 't begint weer te gloeien in
+mijn hoofd."
+
+"Zou je niet wat gaan slapen, juffrouw?"
+
+"Ja! Geef mij je hand, Dorus; laat ik die vasthouden. Misschien slaap
+ik zóó in."
+
+Onbeweeglijk blijft de jongen zitten, met haar hand in de zijne. Met
+de andere onder het hoofd zit hij peinzend op den stoel voor het bed
+en staart naar de vlam der lamp, die op de tafel staat. Buiten is het
+doodelijk stil, de natuur is in de rust, alles slaapt, geen windje
+suizelt door de boomen.
+
+"Kri! kri! krikri! kri! krikri!" zingt de krekel, beneden achter den
+haard; 't is zoo stil in huis, dat men op de bovenkamer het geluid
+vernemen kan. Vermoeidheid en slaap overweldigen den knaap, en 't
+hoofd zinkt hem eindelijk op de borst.
+
+De zieke droomt. Kille druppels parelen op haar voorhoofd en moeielijk
+haalt zij adem. Langzamerhand worden haar trekken kalmer. In den droom
+ziet zij een engel, die over haar sponde zweeft; zacht glanzen zijn
+vleugels, kalm en rustig is zijn aangezicht. In 't schitterend witte
+kleed, omstraald door zacht en liefelijk licht, nadert hij en raakt
+met zijn vingers haar voorhoofd aan. Met zijn vleugelen overschaduwt
+hij haar lichaam, en eensklaps is alle pijn en angst geweken. Een
+wonderzalig gevoel van rust en vrede doorstroomt haar geheele zijn;
+met zachte hand wischt hij haar de parels van de slapen en met
+den frisschen palmtak, dien hij draagt, wuift hij haar koelte toe,
+terwijl hij haar in 't oor fluistert:
+
+"Heb geen angst! Ik ga u voor in 't rijk van 't eeuwig licht.... Ik
+ben de dood, maar ook het leven; 'k doe u inslapen, opdat gij ontwaken
+kunt in het onbegrepen oord, dat niemand zonder mij binnentreedt...."
+
+
+
+Een beweging der kranke doet Dorus opschrikken en vragen:
+
+"Wilt ge iets?"
+
+Vrouw Keetje heeft geen herinnering van haar droom, maar als ze
+ontwaakt, is een weldadig, kalm gevoel haar bijgebleven.
+
+"Kun je bidden, Dorus?"
+
+"Bidden...? Neen!..." Ontsteld ziet hij haar aan. Bidden! wie zou
+'t hem hebben geleerd?
+
+"Ik wil bidden, Dorus."
+
+De knaap vouwt werktuigelijk de handen, als vrouw Keetje fluistert:
+"Onze vader, die in de Hemelen zijt"... Die in de Hemelen zijt,"
+herhaalt onwillekeurig Dorus. Zij kent het Onze Vader niet meer, maar
+toch bidt zij verder: "Wees mij genadig, want Uwer is de macht........"
+
+"Uwer is de macht," fluistert Dorus eerbiedig mede.
+
+"....En de heerlijkheid tot in eeuwigheid, amen,"
+
+"....In eeuwigheid, amen."
+
+'t Daagt in het oosten, 't gloort aan de kim, langzaam overwint de dag
+den nacht en het ruischt in de boomen als een zucht bij 't ontwaken. De
+eerste grijs schemerende lichtstralen dringen door het venster. De
+lamp op de tafel brandt flauw, de olie is verteerd; al zwakker en
+doffer wordt haar schijnsel; eindelijk gloeit nog slechts een randje
+licht aan de pit. Ook dat verdwijnt, eerst aan de eene zijde, daarna
+aan de andere; één vonkje nog, en dan stijgt een draaiend, lichtblauw,
+teringachtig rookzuiltje uit het glas omhoog. De lamp is uitgegaan.
+
+Nog bewegen zich Keetjes lippen, maar Dorus hoort geen woorden meer;
+de ademhaling wordt korter en korter. Zij ziet hem nog even aan,
+als hij zich angstig over haar heen buigt en sidderend vraagt:
+"Ben je zoo benauwd?" Even beweegt zij ontkennend het hoofd, bijna
+onmerkbaar, dan komt de adem nog hooger; het gorgelt en borrelt in
+haar keel en een klein, heel klein luchtblaasje hecht zich aan een
+der mondhoeken. Onzichtbaar nadert de engel des doods en neemt den
+laatsten adem van haar trillende lippen, die hij tot een vriendelijken,
+gelukkigen glimlach plooit. En als hij haar zijn kus op 't voorhoofd
+drukt, glijdt over het geheele gelaat der vrouw een uitdrukking
+van oneindig kalmen vrede, die er op blijft rusten, zelfs als het
+marmerkoud zal geworden zijn.
+
+Vrouw Keetje is dood!
+
+Arme Dorus! ge weet het nog niet, ge begrijpt nog niet, dat zij,
+die u liefhad, is heengegaan.--Ge kust haar beide wangen, maar zij
+voelt het niet meer.--Ge legt uw hand op haar voorhoofd, en 't is nog
+warm. Schijnt het niet alsof zij u nog aanziet met die halfgesloten
+oogen? Maar 't is geen licht meer, dat er uit straalt.... Druk haar de
+oogen toe, Dorus! 't Is de laatste dienst, dien ge haar bewijzen kunt.
+
+Bevend staat hij bij de doode; de herinnering aan het sterven van
+zijn vader komt een oogenblik in zijn geest op; hij huivert, als
+hij er aan terugdenkt, en werktuigelijk ziet hij naar den grond,
+als zag hij daar nog die akelig verwrongen trekken. En als hij dan
+de kalme uitdrukking op 't vriendelijke gelaat der vrouw ziet, barst
+hij eensklaps in tranen uit.
+
+
+
+'t Wordt lichter buiten. Zilveren strepen vervangen het karmozijn aan
+den horizont. Violette wolkjes drijven voort of smelten samen met
+het azuur en tintelend trilt het licht door hun floers, totdat het
+plotseling scheurt. Schitterend breken de zonnestralen zich baan en
+spiegelen zich triomfeerend in den dauwdroppel, die op de grasscheuten
+en bladeren beeft.
+
+Eindelijk is het dag. De morgenwind wuift de kruinen der boomen
+zachtkens heen en weer, uit het gras stijgt de leeuwerik omhoog en
+zijn lied juicht door de lucht als een groet aan de ontwakende natuur,
+als een hulde aan het licht, dat alles bezielt en verwarmt.
+
+Maar daarbinnen in de kamer luistert niemand er naar. De gestorvene
+hoort het niet. De knaap ligt met de handen voor het gelaat op de
+knieën voor het bed; hij schreit en snikt hartverscheurend.
+
+Nog nooit heeft hij zóó geschreid, maar hij heeft ook nog nooit iemand
+verloren, die hem--die hij liefhad; zij was de eenigste--en nu.... hij
+wou, dat hij ook dood was.
+
+"Bim Bam!--Bim Bam!" men luidt voor de vroegmis.
+
+De vrouw in de herberg is reeds op; zij zal naar de kerk
+gaan... Wacht! eerst nog even naar de zieke kijken.
+
+Met 't kerkboek in de hand gaat zij naar boven.
+
+"Bim Bam!--Bim Bam!"
+
+"Zou ze nog sloapen? 's Is zoo arg stille doarbinnen; dien bult is
+zêker ôk in in sloap gevallen. Loat ik gauw êns kiêken...."
+
+"Bim Bam!--Bim Bam!"
+
+"Zij de al wakker, juffer?--Za'k moar êns bie oe kommen?--'k Hè moar
+'n hortjen tied!"
+
+"Bim Bam!--Bim Bam!"
+
+Vrouw Carels opent eindelijk de deur; zij heeft haar tijd noodig,
+als zij de mis niet verzuimen wil.
+
+Ontzet treedt zij terug, wanneer zij binnenkomend de treurige groep
+ontwaart; en met medelijdende stem zegt ze:
+
+"Och erm! is ze uut den tied?--Och erm! doar zul-de ôk weet af hebben,
+jeungske. 't Was krek 'n moeder veur oe,--niewoar?"
+
+"Bim Bam!--Bim Bam!"
+
+Vrouw Carels verzuimt de mis.
+
+
+
+
+
+VII.
+
+HET PROCUREURSKANTOOR.
+
+
+"Sakkerloot! wat is het koud vandaag, ik kan mijn vingers maar
+niet warm krijgen, en die miserabele kachel wil niet trekken; 'k
+geloof, dat de wind op den schoorsteen staat." Met die woorden nam de
+eerste klerk op het procureurskantoor van den heer Verhagen den pook
+uit het haardstel, begon met een ontzettend geweld de ouderwetsche
+kolomkachel op te poken en veroorzaakte daardoor een geraas zoo sterk,
+dat de jongste bediende, die met opgetrokken knieën en de handen
+in de zakken op een hooge kantoorkruk zat, ongestraft het miauwen
+van een kat nadeed, tot groot vermaak van den tweeden klerk, die,
+tegenover hem zittend, op zijn vingers blies en met de voeten op zijn
+bankje trappelde, om ze eenigermate warm te krijgen. Mijnheer Krasser
+bukte zich met den pook in de hand voorover, zoodat de panden van zijn
+belijdenisrok, dien hij sedert onheuglijken tijd van staatsiekleed tot
+kantoorjas had gedegradeerd, als een zwaluwstaart achteruitstonden,
+waardoor zijn korte pantalon nog korter scheen en het bewijs leverde,
+dat het lappertje, 't welk voor hem werkte, bij het verstellen met
+de harmonie der kleuren geen rekening hield.
+
+De kachel begon te snorren. Nog een paar geweldige aanvallen met
+den pook, en mijnheer Krasser richtte zich in zijn volle lengte op,
+plaatste zich met de handen op den rug voor de kachel en vestigde
+zijn groenachtige oogjes, die onder een paar reeds naar het grijze
+zweemende wenkbrauwen uitkeken, op Keesje den jongsten bediende,
+terwijl hij hem met een verkouden neusklank in zijn stem toevoegde:
+
+"Jij schijnt te rentenieren vandaag!"
+
+"Mijn vingers zijn zoo koud, mijnheer Krasser."
+
+"Ga er op zitten, dan worden ze warm," antwoordde de eerste klerk,
+terwijl hij met zijn magere, stokkerige vingers de dunne, bruingrijze
+haarlokken, die spaarzaam op zijn hoekigen schedel verspreid lagen,
+bij elkander zocht; om zich daarna te overtuigen, dat het half dozijn
+haartjes, 't welk onder zijn kin uitbotte, nog niet afgevroren was.
+
+"Heeft u die scheiding van tafel en bed van De Witt onderhanden?" vroeg
+Krasser aan Van Blaak, zijn collega, die juist begonnen was om
+met een houtje den inkt in den koker tot den gewenschten staat van
+vloeibaarheid te brengen.
+
+"Ik dacht er juist aan te beginnen."
+
+"En jij, Cornelis, als nu je handen eindelijk warm zijn, kunt die
+wisselprotesten overschrijven."
+
+"Akkoord Van Putten," bromde binnensmonds Keesje, die intusschen bezig
+was met een radeermesje een inktvlak van een protocol, dat voor hem
+lag, af te schaven.
+
+
+
+Het kantoor van den procureur Verhagen was in de zijkamer van zijn
+huis op de Heerengracht gevestigd; de oostenwind, die vlak op de ramen
+stond, hield de bloemen, die de wintervorst op de ruiten had getooverd,
+in stand, niettegenstaande de kachel bloosde van inspanning om ze te
+doen verdwijnen. Waarschijnlijk was ook de wind oorzaak, dat mijnheer
+Krasser, wiens lessenaar vlak bij de ramen stond, nog geen roeping
+gevoelde om zijn warm plaatsje te verlaten.
+
+Het cylinderbureau van den procureur was gesloten; de lederen
+armstoel er voor stond nog ledig, en deze omstandigheid, gevoegd bij
+de gehoorigheid van het huis, bracht het drietal er waarschijnlijk toe,
+het goddelijke _festina lente_ in eere te houden.
+
+Van Blaak geeuwde heimelijk, terwijl hij uit een doosje pennen na
+langdurig onderzoek een driegaatjes-pen nam en, na herhaaldelijk
+de deugd van het staal op den nagel van zijn linkerduim te hebben
+beproefd, er toe overging een houder te nemen, waar die in paste.
+
+Keesje had een sandrakdoosje eenige malen open- en dichtgeschroefd
+en, na door het deksel te hebben geblazen, weer voor zich gezet,
+omdat hij voor die geradeerden vlek, bij rijpelijk indenken, geen
+sandrak noodig had. Krasser inspecteerde de kachelpijp en de schuif,
+keek in den kolenemmer, deed den turfbak open, overtuigde zich
+van den voorraad turf en blokjes, nam uit zijn hoornen doos een
+snuifje en maakte de geestige opmerking, "dat het geen zomer was,"
+een aardigheid, die bij van Blaak een gegrinnik uitlokte en Keesje de
+gedenkwaardige woorden deed fluisteren: "Als hij van achteren braadt,
+is hij van voren nog koud."
+
+De groote ouderwetsche hangklok met beweegbare scheepjes, die in de
+gang stond, liet tienmaal zijn klassieken slag hooren.
+
+Met drie stappen van zijn ooievaarsbeenen begaf Krasser zich naar
+zijn lessenaar.
+
+Van Blaak's pen dook in den den zwarten poel van den inktpot en op
+Keesjes zegel verscheen als met een tooverslag het woord "protest."
+
+In de huisgang klonk een voetstap: de kantoordeur werd geopend en met
+een deftig: "goeden morgen, heeren!" verscheen de procureur Verhagen
+op den drempel.
+
+Een heilige stilte heerscht in dezen tempel van Themis, als de
+procureur zijn schrijfbureau opent en eenige papieren ordent; zij
+duurt voort; totdat hij het eerwaardig grijze hoofd halverwege omwendt
+en met de hand langs de onberispelijk geschoren kin strijkend aan
+Krasser vraagt: "Wil u zoo goed zijn om mij eens even den brief uit
+New-York te geven; hij ligt op de G.; u weet wel, het is die brief,
+waarin Galway schrijft over de nalatenschap van een zekeren Makko;
+'k meen, dat hij Adriaan heet."
+
+Krasser heeft reeds bij de eerste woorden van zijn chef den brief
+uit het loket genomen en reikt hem nu over, terwijl hij er een
+Handelsblad bijvoegt.
+
+"Hier is de brief en de krant, waarin de oproeping is geplaatst."
+
+"Dank u." De procureur kijkt den brief even in en ontvouwt daarna de
+krant. Na een oogenblik zoekens legt hij het blad voor zich en leest
+overluid: "_Oproeping. Zij, die nabestaanden of erfgenamen zijn van
+Adriaan Makko, in leven handelaar in leder en huiden te Klengstown
+(Massachusets), overleden te New-York op den 17den_ April 1865,
+worden uitgenoodigd zich in hun belang aan te melden ten kantore van
+den procureur C.D. Verhagen te Amsterdam.--Hm, hm! we zullen haar
+nog eens laten plaatsen. Meneer Van Blaak, wil u die oproeping even
+overschrijven, met deze verandering--"_erfgenamen zijn of kunnen
+aanwijzen_."
+
+De tweede klerk overtreft zichzelven in vlugheid, als hij schrijft,
+en de procureur vervolgt tot Krasser: "Heeft u onderzoek gedaan aan
+het stadhuis en bij de buurtsecretarissen?"
+
+"Om u te dienen, mijnheer, maar't heeft tot niets geleid."
+
+"Dus er schijnt niemand van dien naam hier in de stad te wonen. We
+zullen de oproeping nog eens plaatsen, en leidt dat tot geen resultaat,
+dan zullen we den brief ad acta leggen en aan Galway antwoorden,
+dat ..."
+
+Een kloppen op de deur breekt zijn woorden af en doet hem "binnen"
+roepen.
+
+'t Is Janus, de kantoorlooper, die met den hoed in de hand
+binnentreedt. Hij legt eenige dossiers op mijnheer Verhagen's
+schrijftafel, met de woorden: _Gerhard versus Kist_--koud
+weertje, meneer,--_Legalisatie Schomberg_--hè! mijn vingers
+vallen haast af.--_Agema_ aanstaande week voor het hof.--Zes gulden
+vijf-en-veertig en een kleinen cent van Hopkamp--een brutale snuiter,
+meneer.--Een-en-dertig gulden zestig centen van den betaalmeester;
+vier-en-dertig centen af voor zegel.--Is het zoo niet akkoord, meneer?"
+
+"In orde, Janus. Niets nieuws?"
+
+"Neen, meneer. Ja toch; 'k heb casuweel gehoord, alsdat er voor een
+jaar of wat geleden in de Egelantiersdwarsstraat een zekere Klaas
+Makko heeft gewoond."
+
+"Zoo; en waar?"
+
+"Dat dacht ik wel, dat u dat vragen zou, en daarom ben ik er meteen
+maar op uitgesnoven en heb eens geïnformeerd. De buren wisten er mij
+niets anders van te vertellen, dan dat hij boven het pandjeshuis van
+een zekeren Strijkman een kamer had bewoond, en dat hij het lirium
+had gehad en daarin gebleven was."
+
+"Zoo; dus overleden."
+
+"Toen ben ik bij den pandjesbaas gegaan,--Och, meneer, wat een
+droogstok van een vent, daar is meneer Krasser, met verlof gezegd,
+nog vet bij."
+
+Een onverstaanbaar gebrom en een toornige blik van den aldus gevleiden
+doen Keesje op zijn kruk heen en weer schudden, terwijl Van Blaak in
+zichzelven grinnikt: "die is goed."
+
+Met onverstoorbare kalmte vervolgt Janus:
+
+"De pandjesbaas woont in het benedenhuis; het ziet er daar nog
+al wonderlijk uit; zoo'n echte hurriewinkel--een pan, zooals ze
+hier zeggen--van alles door elkaar. Afijn, dat hinderde mij niet:
+ik maakte een praatje en zei: "Rappeleert u je, dat hier een zekere
+Makko heeft gewoond?"--"Jawel," zei hij; "'t was wat een likkebroer;
+'k ben nog geld aan hem te kort gekomen." Toen vroeg ik: "Weet je ook
+of hij permetasie in Amerika had?" Hij dacht, dat het wel kon wezen,
+maar sekuur wist hij het niet.--Ziet u, meneer, die pandjesbaas bevalt
+me niet: hij heeft zoo iets raars in zijn oogen."
+
+"Dat interesseert me niet, Janus."
+
+"Dat interesseert uwé wel, met verlof; want ik geloof, dat die
+Strijkman er meer van weet, maar het niet zeggen wil."
+
+"Hoe bedoel je dat?"
+
+"Nou, meneer, ik kon niks meer uit hem krijgen en daarom liep ik
+de trap eens op en vroeg bij een paar van de buren. Niemand wist
+er iets van; het waren allemaal menschen, die er nog zoo lang niet
+woonden. Maar casuweel liep ik een juffrouw tegen het lijf, die me zei:
+"Ik ben er toevallig bij geweest, toen op de voorkamer de meester
+bij den dooie kwam, maar gekend heb ik hem niet; als je er meer van
+weten wilt, moet je maar eens naar juffrouw Ram gaan; een huis of
+drie verder in de straat heeft zij een winkeltje."--Toen daar heen."
+
+"Maak een beetje voort, Janus! Je vertelt erg langzaam.--Cornelis,
+bemoei je met je werk."
+
+"'t Protest is af, meneer!"
+
+"Zeg dat dan," bromt Van Blaak, als hij hem over den lessenaar heen
+een ander blad ter overschrijving toereikt.
+
+"Die juffrouw Ram wist er meer van en zei, dat die Makko een
+hondenscheerder was geweest en dat hij een heele knappe vrouw had
+gehad, maar dat die vóór hem gestorven was en dat hij later alleen
+met zijn zoontje had gewoond."
+
+"Hm! zoo; en dat zoontje?"
+
+"Dat noemden ze in de buurt "krates", omdat hij een bochel
+had. Juffrouw Ram zei, dat die jongen op den dag, waarop zijn vader
+stierf, was weggeloopen, en dat niemand wist waar hij gestoven of
+gevlogen was; en dat 't wel apparentie had, dat de jongen te water
+was geraakt of zoo."
+
+"'t Is wel, dank je!... Je weet dus, summa summarum, nog niets."
+
+"Met uw verlof, meneer, dat is wat kras gezegd ; ik dacht nogal,
+dat ik..."
+
+"Neem deze stukken en breng die naar den ontvanger van de registratie,
+dadelijk."
+
+Brommend keert Janus zich om, neemt zijn rosachtig schemerend
+hoofddeksel in de hand en vraagt bij de deur staande: "Nog iets van
+uw orders, meneer?"
+
+"Dank je."
+
+Als hij de deur uitgaat, grijpt Keesje de gelegenheid aan om,
+onopgemerkt door zijn patroon, een leeg pennendoosje naar Janus'
+hoofd te slingeren; het projectiel mist zijn doel niet; Janus steekt
+hem dreigend de vuist toe, Keesje toont Janus zijn tong en met een
+slag valt de deur dicht, zoodat Krasser een inktvlak uit zijn pen laat
+vallen en de procureur, het hoofd omwendend, "lomperd" zegt. Gedurende
+eenigen tijd krabben de pennen over het papier. Mijnheer Krasser
+heeft nu en dan een fluisterend onderhoud met zijn patroon en af en
+toe wordt Van Blaak in het gesprek gemengd. Van tijd tot tijd komen
+cliënten, die de kantoorschel in beweging brengen en daardoor aan
+Keesje de gelegenheid geven voor een oogenblik zijne zitplaats te
+verlaten, langer in het spreekkamertje te blijven dan noodig is en
+met een onverschillig gezicht de daardoor uitgelokte verwijten van
+Van Blaak aan te hooren.
+
+De hangklok slaat het middaguur; de procureur staat van zijn
+schrijfbureau op en vraagt: "Is er nog iemand in de spreekkamer,
+Cornelis?"
+
+"Neen, mijnheer."
+
+"Dan kunnen de heeren gaan koffie drinken."
+
+Bedaard verlaat hij het vertrek, en als zijn voetstappen niet meer
+in de gang klinken, staat Keesje bij de deur, zet de borst vooruit,
+trekt zijn mond in een deftige plooi, en met onmiskenbaar talent
+zijns meesters spraak nabootsend, zegt hij tot de anderen:
+
+"Dan kunnen de heeren gaan koffie drinken."
+
+Van Blaak lacht luidkeels en zelfs Krasser grijnst.
+
+De bloemen op de ruiten zijn èn door de heldere winterzon èn door de
+warmte van de kachel ontdooid en als door een vloeibaren sluier zijn de
+dik berijpte boomen en de besneeuwde huizen van den overkant der gracht
+zichtbaar geworden. 't Is minder ongezellig in het kantoor en het
+wordt er zelfs behaaglijk, als juffrouw Bekker, de huishoudster, met
+een blad, waarop bordjes met brood en kommen koffie staan, verschijnt.
+
+De geur der koffie verspreidt zich door het vertrek en werkt zoo
+opwekkend op Keesje, dat deze met één sprong de juffrouw nadert en
+haar de woorden ontlokt: "Je bent toch een akeligheid: altijd moet
+je iemand aan het schrikken maken."
+
+"Je hebt er geen suiker ingedaan. Waarom geef je de anderen suiker
+en mij niet? ..."
+
+"Zeur niet, Keesje; neem nu je kop van het blad; er is suiker in."
+
+"Zoo? Nu, geef dien kop dan maar aan Van Blaak."
+
+"Zeg, wil jij wel van mijn koffie afblijven!"
+
+"Cornelis geef me mijn broodje en mijn kop koffie, en houd de juffrouw
+niet langer op."
+
+"Och, meneer Krasser, die jongen is een plaag; 't is iederen dag weer
+hetzelfde gezanik. Een mensch staat hier net voor mal."
+
+"Kijk dan toch uit, je morst er de helft weer overheen, ezel!" pruttelt
+Krasser, als Keesje het hem gevraagde in een behoorlijk hellenden
+stand toereikt.
+
+"Is het nu gedaan? 'k Zal het aan meneer zeggen, hoor, naarheid!" knort
+juffrouw Bekker, als Keesje, na zich van het zijne te hebben voorzien,
+onder tegen het blad een slag geeft.
+
+"Dag, juffrouw!"
+
+Bons! de deur valt dicht.
+
+"Je bent toch een traiter," zegt lachend Van Blaak, intusschen zijn
+broodje verorberend. Krasser staat voor het venster en ziet naar
+buiten; met de eene hand brengt hij zijn kop koffie aan den mond en
+met de andere trommelt hij op de ruit. Keesje staat voor het andere
+raam en zegt eensklaps met vollen mond:
+
+"Dat is een mooie jongen!" Snel veegt hij met de hand op het glas
+een plek schoon en herhaalt:
+
+"Kijk eens, Van Blaak, wat een uitgedroogde stokvisch staat hier op
+de stoep."
+
+"Die man kijkt zeer onwelvoegelijk en brutaal naar binnen," merkt
+Krasser aan.
+
+"Ik geloof waarachtig, dat hij hier moet wezen.... Jawel, hij leest
+het naamplaatje."
+
+In de gang klinkt de huisschel. Keesje stormt naar voren en komt een
+oogenblik later weer binnen, terwijl hij neuriet: "Toen Pierlala lag
+in de kist.... Ik heb hem in het spreekkamertje gelaten; 't is net
+de huisbaas uit de poppenkast."
+
+"Cornelis, ik verzoek je die onbetamelijke aardigheden op de cliënten
+van mijn patroon achterwege te laten; bovendien kan iemand aan zijn
+uiterlijk iets toe- of afdoen?"
+
+"Ik kan het niet helpen, mijnheer Krasser; 't is ook zoo'n grappige
+vent, en ik laat me villen, als het niet die pandjesbaas is, waar
+Janus van morgen van vertelde. U is er nog vet ..."
+
+"Ga op je plaats en gedraag je behoorlijk."
+
+Cornelis had goed gezien: 't was Philip Strijkman, die nu bij den
+procureur in het spreekkamertje zat te wachten. Toen den vorigen
+dag de kantoorlooper Janus in de buurt, waar de pandjesbaas woonde,
+onderzoek had gedaan, begreep de slimme vogel, dat er allicht op de een
+of andere wijze een sommetje uit te halen zou zijn. Hij had daarom met
+de meeste omzichtigheid op de tot hem gerichte vragen geantwoord en
+vermoedde niet, dat Janus bij juffrouw Ram was geweest. Het kwam hem
+hoogst gelegen, dat er 's avonds iemand in het kantoortje verscheen,
+die nieuwsgierig vroeg: "Zeg eens, Strijkman, wat deed van morgen
+die looper van procureur Verhagen bij jou?"
+
+"O! zoo, is 't de looper van procureur Verhagen? Ik ken hem niet."
+
+"Hebben ze je nou eindelijk eens bij de kladden? Heb je misschien
+een pandje genomen, daar een luchtje aan is?"
+
+"Neen," was 't antwoord, "'t is een particuliere zaak..." en Strijkman
+had zich meteen voorgenomen zoo spoedig mogelijk naar den procureur
+te gaan, om te weten wat er eigenlijk aan de hand was.
+
+Toen hij 's avonds alleen in de binnenkamer zat, kwam hem de dood
+van den hondenkoopman voor den geest. Hij zocht een kistje, waarin
+hij allerlei papieren en kleinere voorwerpen van waarde had geborgen,
+en dat hij met zijn opgepotte geld zorgvuldig in een kleine ijzeren
+kist, in het zoogenaamde keldertje onder zijn kamer, weggesloten
+hield. Bij het schijnsel van de lamp spreidde hij den inhoud voor
+zich op tafel uit.
+
+"Ha! daar hebben wij de paperassen," mompelde hij, terwijl
+hij de papieren, die hij eenmaal uit Makko's latafel had
+genomen, met oplettendheid bekeek. "Dat is de trouwakte--hier
+'t geboortebewijs.--Hm! wie weet, wie weet! daar is misschien een
+aardig stuivertje aan te verdienen. Ik heb zoo'n idee, dat ze dien
+Makko zoeken, omdat er hier of daar vandaan duiten voor hem losgekomen
+zijn. Hè, hè, hè, hij zal er niet veel aan hebben, als het zoo is. Daar
+is de brief en het portretje; nu zal ik hem toch eens even lezen:
+'t is altijd goed om op de hoogte te zijn; en het portretje,"--hij
+hield het bij 't licht--"nogal een goed gezicht: hij lijkt wel wat op
+Makko. Waarachtig! hij lijkt er veel op; alleen schijnt hij donkerder
+van haar te zijn. 't Kan best een broer zijn, best." Hij draaide
+het portretje om. "'t Lijstje is geen cent waard. Hé! daar staat
+iets achterop; 't lijkt wel, of het door een kind is geschreven;
+'t is onduidelijk. O,--o--oome!--ja dat staat er: "Oome."
+
+Met de handen onder het hoofd las hij met ingespannen aandacht:
+"Klengstown, 14 Mei 1860.... Hm! Klengstown? Waar ligt dat! Zeker in
+Amerika.--Waarde broeder!... Dat is allemaal gezanik, daar ik toch
+niets van begrijp. Wacht! nu zal het komen: 't Is mij voor den wind
+gegaan, geld ontbreekt mij niet, ofschoon ik voor mijn zaken steeds
+meer noodig heb... Mijn vrouw is ziekelijk, teringachtig. Zooals gij
+weet, stierf mijn dochtertje verleden voorjaar."
+
+"Ha!, ik begrijp het al, zeker die vrouw toen doodgegaan, toen hij
+zelf doodgegaan,--de heele boel dood; en nu, als Makko niet dood was,
+kwam hij aan het erven. Wie weet wat een kluit geld zoo'n man heeft
+nagelaten!"
+
+Hij las verder: "'t Is altijd jammer, dat je niet mee bent gekomen;
+hier in Amerika is nog wel geld te verdienen... Schrijf mij toch eens
+terug; je hebt mij ook niet geantwoord op mijn brief, waarbij ik je
+vijftig dollars zond. Ik wil je nog wel eens wat zenden, maar ik ken
+je zwak en zeg nogmaals: den drank moet je laten, anders wordt die je
+ongeluk... Jawel, jawel, dat is net zoo. Wacht, hier onderaan"--hij
+leest: "Hoe gaat het met Dorus? Geef hem bijgaand portret; dan kan
+hij zien, hoe zijn oom er uitziet; ik houd van het ventje; hij zal
+zich mij wel niet herinneren, want hij was maar vijf jaar, toen ik
+hem het laatst zag... Hm!--Vijf jaar.--Dus zes jaren lang was hij
+toen al weg.--Uw broeder Adriaan."
+
+Strijkman legde het papier op tafel, vouwde het weer in de plooien en
+zei in zichzelven: "De zaak is zoo klaar als een klontje; er zit een
+erfenis in Amerika; Makko is dood en niemand anders dan de "krates"
+zal er recht op hebben. Jongens, jongens, Strijkman! daar is in allen
+gevalle voor jou wat van te halen, als je het slim overlegt. Had
+ik het vooruit kunnen weten, dan zou ik dien jongen bij me hebben
+gehouden. Wat drommel! waar zou hij zitten? Op avontuur is hij
+dood.--Hè, als ik dat eens zeker wist." Hij stond op, slofte met zijn
+handen in de zakken het kleine vertrek op en neer en begon te fluiten:
+
+"Malbroek die vaart ten oorlog, en hij komt nooit weerom." Kwam hij
+maar nooit weerom, dan was de zaak gezond; maar"--hij dacht na--"als
+de jongen nog leeft, gaat het niet. Hm! hm!... dan zit er toch nog
+wat voor je op, ouwe Philip!" Hij ging naar de tafel, trommelde
+met de vingers op de papieren, neuriede: "tiromtom tomme tomtijne,
+tiromtom tomme tomtom" en zei in zichzelf: "Hè, hè, hè! Dit is Dorus
+Makko, deze twee stukjes papier en deze brief zijn Theodorus Johan
+Makko, geboren te Amsterdam, op den 12den Januari 1849, en "krates"
+is niemand, hè, hè hè, hè, hè." Hij lachte tot zijn roode oogen er van
+overliepen en wreef zich de knokkelige vingers, terwijl hij nogmaals
+de melodie van Malbroek floot.
+
+"Jongens, jongens, Dorus! wat zul je moeten bloeden om die drie stukjes
+papier terug te krijgen, altijd als je nog leeft. Hoeveel zou zoo'n
+erfenis wel kunnen bedragen? Als het eens een ton was, hè! 'k Zal
+morgen dadelijk eens naar dien procureur gaan; 'k moet er het mijne
+van hebben; 'k zal het goochem aanleggen om wat te weten te komen,
+dat beloof ik je! En nu eerst die lieve papiertjes weer bij mekaar
+gedaan en den boel weer goed achter slot.--Tiromtom tomme tomtom!"
+
+De oude pandjesbaas droomde dien nacht van een groote massa goud,
+die uit Amerika was gekomen. Tot aan zijn ellebogen woelde hij in de
+dollars, en "krates" stond er bij en kreeg niets,... niemendal!
+
+Den volgenden morgen zocht hij zijn grijze overjas en een hoed
+van lage drukking op, deed, hetgeen voor hem een zeldzaamheid was,
+een halfhemdje voor; nam, hoewel het heerlijk droog winterweer was,
+een van de in pand gegeven parapluies onder den arm en begaf zich
+naar het kantoor van den procureur Verhagen, waar we hem hebben
+zien binnentreden.
+
+Geruimen tijd heeft Strijkman in het spreekkamertje zitten wachten;
+hij heeft in zichzelven nog eens goed overdacht, wat hij doen en
+zeggen zal, en ziet eindelijk tot zijne vreugde de deur van de
+wachtkamer openen.
+
+Keesje verschijnt, en met de woorden: "Wilt u maar binnenkomen,"
+gaat hij hem voor naar het kantoor.
+
+De koffie is gedronken, de broodjes zijn verorberd en de pennen
+krassen weer over het papier.
+
+Als hij binnentreedt, wendt de heer Verhagen even het hoofd om en zegt:
+"Cornelis, geef mijnheer een stoel!"
+
+"O, dank u, meneer, het is niet noodig; doet uwé geen moeite,
+jongeheer!" antwoordt de oude man, maar neemt toch op den aangeboden
+stoel plaats.
+
+"U heeft verlangd mij te spreken?"
+
+"Om u te dienen, meneer de avekaat."
+
+"U is mijnheer Philip Strijkman?"
+
+"Zooals u zegt."
+
+"Pandjeshuishouder in de Egelantiersdwarsstraat?"
+
+"Met uw welnemen, dat is het woord niet. Ik heb een huis van verkoop
+met recht van wederinkoop."
+
+"Maar u leent toch geld op pand?"
+
+"Tegen een zeer matige rente, meneer de avekaat."
+
+"Hm, hm!"
+
+"'t Is een karig stukje brood. Wanneer men medelijdend van aard is,
+zooals ik, is het tegenwoordig geen winstgevende zaak."
+
+Cornelis ziet Van Blaak aan en lacht; zelfs Krasser kijkt even op,
+om kennis te maken met een medelijdenden pandjesbaas.
+
+"Waarover wenschte u mij te spreken?"
+
+Eenigszins verlegen antwoordt Strijkman: "Er is gisteren iemand
+vanwegens uw kantoor bij mij geweest, om naar een zekeren Makko,
+die op een bovenkamer bij mij in huis heeft gewoond, te informeeren."
+
+"Juist! En wat weet u van dien Makko?"
+
+De kalme bedaardheid van den procureur doet Strijkman niet op zijn
+gemak zijn; hij antwoordt dus eenigszins haperend: "Ik, ik, hm! weet
+alleen, dat hij dood is."
+
+"Dat is niet veel. Heeft u den man goed gekend?"
+
+"Jawel, meneer de avekaat; hij kwam zoo 's avonds wel, eens bij me
+inloopen--'t was nogal een conversabel man--en dan rookten we samen
+een pijpje en..."
+
+"En dronken samen een glas."
+
+"Excuseer, meneer! Ik gebruik hoogst zelden iets."
+
+"Die Makko anders wel, niet waar? Ik meen te hebben gehoord, dat hij
+zelfs in een aanval van delirium gebleven is."
+
+Daar had ik me bijna vergaloppeerd, denkt Strijkman: hij schijnt
+goed op de hoogte te zijn; ik moet uit een ander vaatje tappen. Hij
+vervolgt: "Och! meneer, omdat 't zoo'n goeie vrind van me was, sprak ik
+er niet over--ja! dat was treurig; die drank, die drank weet wat! Ik
+heb hem wat dikwijls gewaarschuwd en gezegd: "Klaassie, Klaassie, dat
+gaat den verkeerden weg op met jou, man!" Maar 't hielp niet.--'t Was
+anders een goede vent, meneer; hartelijk en vriendschaphoudend; hij
+heeft me wat dikwijls gezegd: "Strijkman, als jij zoo vaderlijk met
+me spreekt, dan ben ik een heel ander mensch." O! meneer de avekaat,
+ik heb er zoo'n hartzeer van gehad, dat hij nog zoo akelig aan zijn
+eind is gekomen." Hier haalt de pandjesbaas zijn bonten zakdoek uit
+en wischt zich de roode oogen.
+
+"U schijnt dus nogal met hem bevriend te zijn geweest?"
+
+"We waren, om zoo te zeggen, als twee broers. Kort voor zijn dood liet
+hij me een brief zien van zijn broer Janus uit Amerika; die schreef
+er ook nog over, en toen zei hij : "Strijkman, ik wou, dat ik het
+laten kon; ik wou, dat ik zoo matig was als jij."--Die broer van hem,
+meneer de avekaat, dat was een net mensch."
+
+"Heeft u dien ook gekend?"
+
+"Nog beter dan Klaas, meneer! Hij was een jaar of zeven in Amerika,
+toen de andere stierf. Ja! dat was een werkezel! Jammer, dat hij
+zoo'n teringachtige vrouw had en geen kinderen."
+
+De procureur ziet hem van ter zijde aan en denkt: "Je schijnt met al
+de omstandigheden goed bekend"; maar toch vraagt hij met een zeker
+wantrouwen in zijn stem: "Heeft u de oproeping in het _Handelsblad_
+gelezen?"
+
+Strijkman spert zóó verwonderd zijn oogen open en zet zoo'n dom
+eerlijk gezicht, dat Verhagen oogenblikkelijk overtuigd is; dat hij
+de oproeping niet kent. Daarom zegt hij tot Van Baak: "Wil u die
+oproeping even voorlezen."
+
+Terwijl Van Baak leest, glijdt een bijna onmerkbare vreugdetrek over
+Strijkmans gelaat. Niemand bemerkt het, en meewarig klinkt zijn stem,
+als hij antwoordt: "Och, is die goede Janus dood? Och! en kinderloos
+overleden. Dus het is zeker een erfenis, die Klaas zou gekregen
+hebben, als...."
+
+De procureur valt hem in de rede door te zeggen: "Maar uw vriend
+Nicolaas Makko had toch kinderen?"
+
+"Een zoontje meneer! Och! een hart van een jongen, maar een beetje
+speelsch en wild. Hij is op straat geloopen juist dien dag, waarop
+zijn vader stierf; en waar hij gebleven is, weet niemand. 'k Ben
+nog dikwijls heen en weer door de buurt gesjouwd om het kind te
+zoeken. Overal heb ik naar hem gevraagd, want ik had zoo'n medelijden
+met den stumper; ik was, om u de waarheid te zeggen, van plan geweest
+den jongen te benaderen."
+
+"Zoo, ei! was u dat van plan geweest?"
+
+"Ja, meneer! en ik heb waarachtig alles gedaan wat ik kon om hem weerom
+te vinden; maar u begrijpt, zoo'n kind van elf jaar loopt weg--vindt
+zijn huis niet weerom--zwerft rond, en de goede God weet"--hier
+begint Strijkman weer te huilen--"of het arme schaap niet in het
+water is geloopen! Ach God, mijnheer, 't was zoo'n lief jongetje,
+het is toch zonde!"
+
+"En heb je nooit meer iets van hem gehoord?"
+
+"Geen taal of teeken, meneer."
+
+"En heeft die Makko niets nagelaten, geen papieren?"
+
+"Neen, meneer de avekaat. 't Was bij hem, 't spijt me dat ik het
+zeggen moet, een nakende boel; hij had in den laatsten tijd, zonder
+dat iemand het wist, alles zijn huis uitgebracht. O die ongelukkige
+drank! Voordat er iemand van de buren kwam, heb ik nog gekeken of
+er ook iets van waarde was in de oude latafel, die er nog stond,
+want ik dacht: "Je kunt nooit weten, als er onbetrouwbare handen
+aankomen..." maar er was niets in en op de kamer, anders niet dan een
+paar hondenhokken, die we tot brandhout hebben geslagen. Hij was van
+zijn vak hondendresseerder, weet u! De oude stoelen, die er waren,
+en het beddegoed heb ik maar gehouden voor de achterstallige huur."
+
+"Zoo! dus hij was u nog iets schuldig?"
+
+"Afijn, meneer, laten we daar maar niet over spreken: de man is dood,
+en ik zal er zonder het geleende geld, dat hij mij nooit teruggegeven
+heeft, ook nog wel komen. Wat een jammer, dat die ongelukkige jongen
+niet te vinden is, want nu zou hij toch zeker moeten erven."
+
+"Waarschijnlijk."
+
+Een zonderlinge trek speelt om Strijkmans ingevallen mond en in
+zijn oogen gloeit een hebzuchtige vonk, als hij op schijnbaar
+onverschilligen toon de vraag doet:
+
+"En is het nogal van belang, wat hij erven moet?"
+
+Mijnheer Verhagen ziet hem met een heel klein, bijna onmerkbaar lachje
+om de lippen aan, terwijl hij antwoordt: "Mag ik u wel zeer bedanken
+voor de gegeven inlichtingen, mijnheer Strijkman? Ik ben u verplicht
+voor de moeite, om hier te komen, maar ik mag nu niet langer uw tijd
+in beslag nemen.--Cornelis, wil je mijnheer even uitlaten!"
+
+Werktuigelijk staat de pandjesbaas bij deze kalme woorden op, neemt
+zijn hoofddeksel en verlaat het kantoor.
+
+Terwijl hij de gang doorloopt, denkt hij: "Nu ben ik nog even wijs;
+die man laat niets los." 't Prikkelt hem verschrikkelijk, dat hij
+niets te weten is gekomen, en hij waagt pogingen om Keesje uit te
+hooren, door te zeggen:
+
+"Dat geeft zeker veel drukte, hé, jongeheer, zoo'n erfenishistorie?"
+
+"Pas op het treedje in de gang. Ja, vooral als het zoo'n groote
+is," antwoordt Keesje, die den lust niet bedwingen kan om den ouden
+droogstok, zooals hij hem in gedachten noemt, eens beet te nemen.
+
+"Zoo! is 't zoo'n groote?" vraagt Strijkman, met den deurknop in
+de hand.
+
+Geheimzinnig steekt Keesje het hoofd vooruit en fluistert: "Een ton
+of vier!--Dag meneer!"--Strijkman staat op straat. Halfluid herhaalt
+hij in zichzelf vol verbazing: "Vier ton!"
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+PLANNEN.
+
+
+"Vier ton!" Onophoudelijk herhaalde Strijkman die twee woorden in
+zichzelf, toen hij, weer te huis gekomen, in zijn achterkamertje zat.
+
+"Krates! met vier ton!" altijd door klonken hem die woorden in de
+ooren. Hij dacht er dag en nacht over na, hoe hij destijds zoo dom had
+kunnen zijn den jongen niet bij zich in huis te nemen, en stelde zich
+levendig voor, hoe alles zou gegaan zijn, als hij het wel had gedaan.
+
+"Je bent een ezel geweest," zij hij tot zichzelf; "had je toenmaals
+dien Dorus bij je in huis genomen, dan was 't zoo klaar als een klontje
+geweest, dat je een goede portie van die vier ton hadt ingepalmd. Ik
+zou wel gezorgd hebben, dat ik voogd over dien jongen geworden was,
+en dan..."
+
+Strijkman dacht over het _hoe_ niet na; hij was bij al zijn
+geslepenheid en geldzucht toch een weinig ontwikkeld man, verblind
+door zijn begeerigheid en dom genoeg om geen rekening te houden
+met de maatschappelijke verhoudingen en wettelijke bepalingen. 't
+Scheen hem genoeg te weten, dat Dorus een rijke erfgenaam was en
+minderjarig. Zooveel wist hij van het Burgerlijk Wetboek wel af, dat
+elke minderjarige een voogd moet hebben; en naar zijne meening had hij,
+indien hij de verpleger van den knaap was geworden, op de voogdijschap
+het meest onbetwistbare recht gehad. Niet de minste twijfel kwam bij
+hem op, dat de kantonrechter in dit geval met hem wel eens van meening
+had kunnen verschillen. Hij geloofde, dat, als Dorus er maar was, de
+erfenis zoo al niet dadelijk geheel, dan toch voor een groot gedeelte
+onder zijn beheer zou komen; en daarom bleef het hem een voortdurende
+kwelling, dat hij indertijd juffrouw Ram's raad niet had opgevolgd en
+"Krates" had opgenomen.--Waar zou hij zijn? Zou hij nog leven? Die
+twee vragen hielden hem voortdurend bezig. Hij had zich vroeger nooit
+om den jongen of diens lot bekommerd of er over nagedacht. Nu evenwel
+was de knaap hem geen oogenblik uit de gedachten.
+
+Dorus was na den dag, waarop zijn vader stierf, niet weer in de
+Egelantiersdwarsstraat of daaromtrent gezien. Niemand had ooit
+meer naar hem gevraagd. Men was hem vergeten, gelijk zooveel andere
+ongelukkigen vóór hem. 't Was tien tegen een, dat hij ooit weer te
+voorschijn kwam; er sterven gewoonlijk zooveel kinderen tusschen
+de 10 en 12 jaren; waarom zou Dorus ook niet... Hij kon immers
+in 't water zijn geloopen, overreden of gestorven zijn van gebrek
+en... 't Warrelde in Strijkmans brein, wanneer hij al die mogelijkheden
+overdacht. Langzaam aan maakte hij zichzelven wijs, dat het niet anders
+mogelijk kon zijn, en eindelijk stond het bij hem vast: Dorus was dood!
+
+"Zóóveel geld!" steunde hij, "en geen cent zal ik er van
+zien. Ach! ach! wat een jammer! 'k Zou Dorusje op mijn handen hebben
+gedragen, als ik zijn voogd was geworden."
+
+'t Werd bij Strijkman een zeker soort van manie om er over te tobben;
+hij dacht over niets anders meer; hij treurde bepaald over het verlies
+van den kleinen bochel.
+
+Nog een paar malen was hij bij den procureur Verhagen geweest, om
+nadere inlichtingen in te winnen omtrent de erfenis en te vernemen,
+of de oproepingen in de dagbladen ook gevolg hadden gehad, maar
+ongetroost was hij weer thuis gekomen, want.... Verhagen was zoo
+dicht als een pot en Dorus was en bleef verdwenen. 't Eenige wat hij
+van den rechtsgeleerde herhaaldelijk had vernomen, waren de woorden:
+
+"Wij kunnen niets zeggen of doen, vóórdat de jongen zelf gevonden is."
+
+
+
+Ruim een half jaar is voorbijgegaan; 't is zomer geweest, en de herfst
+is gekomen met zijn onvermijdelijk gevolg van wind en regen. Kil
+klettert de regen tegen de beslagen ruiten van het oude vervelooze
+huis in de Egelantiersdwarsstraat; 't is guur en winderig buiten,
+somber en ongezellig daarbinnen. De pandjeshuishouder zit op zijn hooge
+kantoorkruk aan zijn lessenaar, met eenige kleine pandjes en een hoop
+briefjes van in- en verkoop vóór zich, als een havik bij zijn prooi.
+
+Terwijl hij daar zoo met alle aandacht de pas ontvangen zaken nog eens
+beziet, komt een vrouw met een jongen den winkel binnen en blijft voor
+de lage balie staan. Het licht der lamp, die op den lessenaar staat,
+wordt gedeeltelijk door het groene gazen scherm onderschept en werpt
+een schaduw op de binnengetredene en den naast haar staanden knaap.
+
+Strijkman is zoo verdiept in het beschouwen der voorwerpen, dat hij
+niet oogenblikkelijk bemerkt, dat er iemand in den winkel is gekomen en
+eerst door een met gedempte stem geuit "goeden avond" opmerkzaam wordt.
+
+"Wat wil u?" vraagt hij, even opziende.
+
+"'k Wou vier gulden hebben op een doekspeld."
+
+"Zoo! Ik zal je helpen.--Hm! vier gulden? Dan moet 't al een mooie
+speld zijn." Hij neemt de lamp, draait de pit ietwat op en plaatst
+haar op het tafeltje naast zijn lessenaar met de woorden:
+
+"Laat 'k nu eens kijken!"
+
+Als het licht op de vrouw en den jongen valt, deinst Strijkman
+onwillekeurig terug; zijn oogen worden onnatuurlijk groot en vestigen
+zich op den knaap, die hem onnoozel aanziet.
+
+"Krates!" zegt Strijkman vrij luid, terwijl hij de lamp grijpt en
+omhooghoudt, om den jongen beter te kunnen zien.
+
+"Je hoeft mijn jongen niet uit te schelden, hoor! 't Kind doet je
+immers niets," bromt de vrouw en ontevreden laat zij er op volgen:
+"Ouwe kerel, je moest je schamen; dank God, dat jij geen bochel hebt."
+
+De pandjesbaas herstelt zich en antwoordt: "Word maar niet boos,
+juffrouw; ik schrikte van den jongen, omdat..." Hij voleindigt niet;
+want met de snelheid des lichts schiet hem nogmaals de gedachte door
+het hoofd: "Die jongen lijkt als twee druppels water op Krates."
+
+"Kom! 'k heb geen uren den tijd; wil je nou 't speldje zien of niet?"
+
+"Dadelijk, juffrouw!"
+
+De oude man is van zijn verbazing eenigermate bekomen en neemt
+werktuigelijk het aangeboden voorwerp in de hand, beschouwt het
+opmerkzaam bij het lamplicht en vraagt: "Vier gulden, zei uwé?" Zijn
+oogen vestigen zich, terwijl hij spreekt, voortdurend op den jongen.
+
+"Kun je vijf geven, des te beter!"
+
+"Vijf? 'k Zou je danken; geen rijksdaalder."
+
+"Geef dan maar weer hier; 't is een mooie doekspeld met een echt
+steentje."
+
+"Hm! hm! echt, dat is nog de vraag." De pandjesbaas laat het kleine
+juweeltje, dat in den doekspeld gevat is, in het licht fonkelen,
+brengt het aan de punt van zijn tong, wrijft er mede over zijn mouw,
+neemt een loep en bekijkt het nog eens aandachtig. "Hm! 't kon toch wel
+een echt steentje wezen." Zijn gedachten verdeelen zich weer tusschen
+het speldje en den jongen. "'t Is ordinair goud.--Is dat je zoontje?"
+
+"Ja! en wat zou dat?"
+
+"'n Aardige jongen. Hoe oud?"
+
+"Zestien jaar.--Hoe is 't, geef je nou vijf gulden?"
+
+"Vijf gulden? 't Is te veel, moeder, ik kan 't niet doen.--Hoe
+heet hij?"
+
+"Kobus! Maar wat gaat dat jou eigenlijk aan?"
+
+"Och! 'k vraag 't maar zoo, juffrouw; ik houd zooveel van jongelui,
+weet u. 'k Zal je drie gulden vijftig geven, geen cent meer."
+
+"Leg toch niet te zeuren, baas: 'k moet vier gulden hebben op een
+maand terugkoop."
+
+"'t Kan niet! Ik geef al veel te veel, waarachtig!"
+
+"Geef dan mijn speldje maar weerom, dan verpas ik het; ik kan bij
+den goudsmid elk oogenblik acht gulden krijgen."
+
+"Gaan we nou haast heen, moeder?" vraagt de knaap, die tot nog
+toe gezwegen heeft, op zoo doffen, onnoozelen toon, dat Strijkman
+onwillekeurig den jongen scherp aanziet en aan de vrouw vraagt:
+"Is die jongen doof?"
+
+"Doof? Nou, niet zoo'n klein beetje.--Hoe is 't, moet ik nog langer
+wachten? Je bent erg taai van avond."
+
+"In Gods naam dan, daar heb je vier gulden op een maand, met terugkoop
+voor vier-gulden-vijftig;--'k zal even het briefje schrijven."
+
+Terwijl hij aan het lessenaartje het bewijs van recht tot wederinkoop
+schrijft, vraagt de oude man: "Hoe heet je?"
+
+"Weduwe Juttner, Goudsbloemdwarsstraat, boven 't water- en vuurhuis."
+
+"Zoo, ben je weduwe?"
+
+"Al zeven jaar.--Maak toch voort."
+
+"Is dat je eenigst kind?"
+
+"Ja! Kristenenzielen, wat ben jij nieuwsgierig," antwoordt de vrouw
+op onwilligen toon.
+
+"Kom! kom! word nu niet knorrig, juffrouw! Ik vraag het maar alleen,
+omdat ik een jongen gekend heb, die sprekend op je zoontje geleek;
+de stakker had ook zoo'n bochel. 't Arme kind is weggeloopen..."
+
+"'t Is wat te zeggen om zoo'n zoontje te hebben," bromt de vrouw
+met een ontevreden blik op den knaap, die vadsig met de handen onder
+de kin op de balie leunt. "Hij is van zijn tweede jaar af zoo krom
+gegroeid,--er was niets aan te doen,--en hij is er onnoozel bij;
+verstand zit er niet in. Ach God, 't is zoo'n stumperd, niet waar
+Kobus? Hij weet kwalijk, hoe hij heet."
+
+Die laatste woorden vóóral treffen Strijkman. In één minuut rijpt in
+zijn ziel een plan en bijna ontsnapt hem een kreet van blijdschap,
+als hij antwoordt: "Och, is hij onnoozel; dat is jammer!"
+
+"'t Is een bezoeking! Wat moet je met zoo'n wurm beginnen? Hij deugt
+nergens voor. Je zoudt zoo zeggen, 't is een doodeter. Och, voor een
+ander is hij niets, niemendal, maar voor mij is hij erg aanhalig,
+dat is waar, hoor.
+
+--Heb je nu mijn briefje?"
+
+"Ziedaar, juffrouw."
+
+"Goeien avond.--Zeg goeien avond, Kobus."
+
+De knaap hoort het niet en verlaat met zijn moeder Strijkmans winkel.
+
+
+
+Dien nacht kon de oude pandjesbaas weer geen oog dichtdoen; onrustig
+woelde hij in zijn bedstede heen en weer, een paar malen zelfs
+stond hij op om water te drinken, want zijn tong was droog en een
+zenuwachtige aandoening deed zijn verhemelte branden.
+
+'t Was immers als twee druppels water Dorus. De jongen van vrouw
+Juttner had juist zoo'n bochel, ongeveer hetzelfde rosachtig-blonde
+haar.... En zestien jaren! de ouderdom zelfs kwam uit,--en dan
+onnoozel en doof er bij. "'t Kan niet mooier," dacht Strijkman,
+terwijl hij rechtop in zijn bed met de hand onder het hoofd zat te
+soezen... 't Warrelde in zijn brein; hij overlegde: "Die vrouw schijnt
+wel handelbaar te zijn. "Sakkerloot! wat een bestiering, dat die
+jongen juist hier moest komen; de echte "krates" is dood;--natuurlijk
+is hij dood, anders was hij toch wel door de oproeping in de kranten
+te voorschijn gekomen. We kunnen niets doen, voordat de jongen zelf
+gevonden is, heeft de procureur gezegd. Wel, 't kan niet mooier:
+de jongen _is_ gevonden. Kobus heet hij, doof is hij, Dorus-Kobus,
+Kobus-Dorus, 't heeft allemachtig veel van mekaar, hij zal evengoed
+op den roep "Dorus!" luisteren. Hè, hè, hè! oude Philip, dat is een
+buitenkansje. Met de papieren van den "krates" maken we van Kobus
+Juttner--Dorus Makko... Hè, hè, hè, hè! Dan worden we voogd en dan
+krijgen we geld, hè, hè, hè, hè!" Hij grinnikte van pleizier en sloeg
+met beide handen op zijn deken.
+
+Eindelijk sliep Strijkman met het hoofd vol plannen in, en toen hij
+den volgenden morgen ontwaakte, meende hij nog, dat hij droomde,
+als hij aan het gebeurde van den vorigen avond dacht.
+
+Gedurende een paar dagen overlegde de oude vrek, wat hij doen zou,
+en toen zijn plan geheel tot rijpheid was gekomen, zocht hij vrouw
+Juttner op.
+
+De weduwe, wier zoontje Strijkmans gedachten zoozéér vervulde, was
+een vrouw van min of meer verdachte reputatie. Vroeger te Rotterdam
+gehuwd met een sjouwerman, was zij, na diens dood, gedurende eenige
+jaren in verschillende gezinnen als schoonmaakster werkzaam geweest,
+evenwel zonder ooit ergens lang of vast te blijven.
+
+Hoogstwaarschijnlijk was dit te wijten aan haar weinig ontwikkeld
+begrip van het mijn en dijn. Een en ander had haar genoopt Rotterdam te
+verlaten en sedert eenige maanden woonde zij in de hoofdstad. Waarvan
+zij nu eigenlijk leefde, wist niemand; bedelen deed zij niet,
+ofschoon zij, zooals een van haar vroegere buurvrouwen aanmerkte:
+"een gezegend kind had, om bliefje-wat-te-geven mee te spelen."
+
+"Met zoo'n kind is je kost gekocht," hadden de bedelaars van beroep,
+die in haar straat woonden, dikwijls met een soort van naijver gezegd,
+als zij den jongen zagen; maar ofschoon zij slim en sluw genoeg was
+om deze aanduiding te begrijpen, was zij er tot nog toe niet toe
+overgegaan om haar Kobus tot broodwinning te gebruiken. Misschien
+was er in haar ziel, hoe bedorven ook, nog een sprankje gevoel van
+eigenwaarde overgebleven; wellicht was het ook alleen de band van
+moeder tot kind, die nog niet rekbaar genoeg was geworden om haar te
+doen besluiten den ongelukkige te exploiteeren.
+
+Er trilt in elke ziel, hoe laag de snaren daarvan ook gestemd mogen
+zijn, altijd nog een enkele, die schooner toon voortbrengen kan,
+als zij te rechter tijd bewogen wordt.
+
+'t Was een ellendig klein vertrekje, met een bedstede aan het eene
+eind en een schoorsteen met een vuurpot er onder aan den anderen
+kant. Een oude kist, een gebroken tafel en een paar manke stoelen
+maakten met eenig ander huisraad op den bezoeker den indruk, dat
+verval, slordigheid en verwaarloozing hier woonden.
+
+Vrouw Juttner zat, bij een eindje kaars, het buisje van haar zoon
+Kobus te verstellen, toen de pandjesbaas binnentrad.
+
+Zij schrikte, toen zij hem zag, en voordat hij iets gezegd had,
+stond zij op en vroeg met eenigen angst in haar stem:
+
+"Is er wat met het speldje?"
+
+Ieder ander, minder gejaagd en zenuwachtig dan Strijkman op dit
+oogenblik was, zou onwillekeurig door dat gezegde op de gedachte
+gekomen zijn, dat vrouw Juttner reden had om de wijze, waarop zij aan
+het speldje gekomen was, geheim te houden. De oude man was nu echter
+te zeer vervuld met zijn plan, dan dat hij door den uitroep der weduwe
+achterdocht kreeg, en antwoordde haastig: "Neen! neen! maar ik moet
+je eens spreken, juffrouw. Zijn we hier alleen?"
+
+"Kobus ligt in de bedstee en slaapt."
+
+"Hm! en als hij eens wakker werd?"
+
+"Dan hoort de stumperd nog niets."
+
+"Zoo!--En de buren kunnen die niets verstaan, of...?"
+
+"Als je zoetjes spreekt, niet. Maar, baas, wat wil je eigenlijk? Ik
+heb het speldje nog van mijn overleden man, en dus..."
+
+"Ik praat niet van dat lor," antwoordde Strijkman gejaagd, terwijl
+hij den minst gebrekkigen stoel nam en tegenover de vrouw aan tafel
+ging zitten. "Ik heb wat voor jou te verdienen!"
+
+"Zoo! Nou dat zal wat wezen! Jij bent de rechte er voor. Ja, je kijkt
+naar die flesch, hé? Er is een drupje in geweest. Ik heb last van
+kramp op de maag, begrijp je? 't Zal wat moois wezen, wat je hebt."
+
+"Dat zal je meevallen, juffrouw. Wat zou je zeggen, als ik je vertelde,
+dat je voor je heele leven bezorgd kunt zijn?"
+
+"Hè?"
+
+"Kun jij je mond houden?"
+
+"Als 't moet, ja; anders niet te best..."
+
+Strijkman dacht een oogenblik na, voor hij verder sprak; het denkbeeld
+kwam bij hem op: "Gesteld eens, dat vrouw Juttner niet wil, dan
+weet zij...."
+
+"Nou, waar prakkezeer je over? Vertrouw je me niet?'"
+
+"Jawel, maar...."
+
+"Als 't zoo mooi is wat je te zeggen hebt, hou dan je mond maar; 'k wil
+mijn vingers niet branden, versta je. 'k Verdien graag geld, maar...."
+
+"Wat zou je zeggen, juffrouw, als ik jou jongen, Kobus, eens een
+groote erfenis bezorgde; misschien wel zooveel, dat hij al zijn leven
+geborgen was, en jij er bij...?"
+
+"Ben je gek, baas Strijkman? Hoe zou jij..."
+
+"Jij weet nog niet wat ik kan," grinnikte de oude, terwijl hij zijn
+magere knokkels wreef.
+
+"Praatjes maken, dat kun je!"
+
+"Hè, hè, hè, hè!.... Kijk me maar niet zoo gluiperig aan; ik loop er
+zoo gemakkelijk niet in; uithooren laat ik mij niet, en als ik niets
+zeggen _wil_...."
+
+"Hou je je mond, dat begrijp ik wel. Hoor eens baas, ik ken je nog
+maar pas; maar ik heb genoeg van je gehoord, om te weten, dat jij
+niets doet, of je moet er aan verdienen."
+
+"Hè, hè, hè! dacht je, dat ik niet royaal kon zijn?"
+
+"Kom, zeur nou maar niet: jou royaligheid en de duivel z'n
+barmhartigheid is van één soort; kom nou maar in eens voor den dag
+met wat je wilt. Wat moet je met Kobus?"
+
+"Hij is onnoozel, hé?"
+
+"Ongelukkig, ja!"
+
+"Zou hij--hm! zou hij zijn naam kunnen vergeten...?"
+
+"Wat bazel je toch?"
+
+"Ik heb het in mijn hand juffrouw, om te maken, dat Kobus een rijke
+jongen wordt, en...."
+
+Een oogenblik tintelde een vonk van vreugde in het gelaat der vrouw
+en richtte zij haar blik op de bedstede, waar de gebrekkige knaap
+sliep; in het volgende zag zij Strijkman wantrouwend aan, terwijl
+zij fluisterend zei:
+
+"Daar spin jij toch het meeste zij bij, ouwe duitendief!"
+
+"Natuurlijk, ik wil er ook wat aan verdienen."
+
+"En zeker alles en nog wat.... Wou jij mijn armen wurm gebruiken
+om jou rijk te maken, en hem dan misschien later met een kluitje in
+'t riet sturen? Ik dank je; ik moet er niets van hebben."
+
+"Wees niet gek, mensch; wij zijn alle drie uit den brand, als jij
+goochem bent en meedoet...."
+
+"Nou, spreek dan ronduit: wat wil je?"
+
+Nog een oogenblik aarzelde de oude man, voor hij er toe overging
+zijn plannen aan de weduwe te vertellen, maar toch behaalde zijn
+begeerigheid de overwinning en vertelde hij haar de geschiedenis van
+Dorus Makko en de Amerikaansche erfenis, evenwel voorzichtigheidshalve
+verzwijgend welke papieren hij in handen had.
+
+Vrouw Juttner's oogen schitterden, terwijl Strijkman vertelde, en
+toen hij geëindigd had, stak zij hem over de tafel de hand toe en zei:
+
+"Sla toe, ouwe slimmerd, ik doe mee; maar als er wat van komt, zorg
+je dat ik vrijloop, en Kobus ook."
+
+"Wat zou er van komen?"
+
+"Je kunt niet weten: als 't gesnapt wordt, dat wij--jij," verbeterde
+zij snel,--"den jongen, mijn Kobus, ondergeschoven hebt, zit er
+misschien wat op; en daar zou ik voor passen...."
+
+"Als jij zorgt, dat hij gelooft dat hij Dorus heet, en als hij zelf
+zijn mond maar dicht houdt, is er geen kwaad bij."
+
+"Dat's gemakkelijk genoeg: de stumperd ziet bijna nooit wat."
+
+"Des te beter.--Hm! 't zou ook niet kwaad zijn, als je verhuisde;
+om de buren, weet je!"
+
+"Misschien."
+
+"Ergens naar toe, waar niemand je kent."
+
+"Dat kost geld...."
+
+"Dan moet je hem wennen aan den naam van Dorus. Kan hij lezen of
+schrijven?"
+
+"Wel neen, hij is nooit op school geweest."
+
+"Zoo! dat is goed,--hè hè hè! heel goed." Strijkman wreef zich in
+de handen.
+
+"Dan moet hij er verder wat knapper uitzien...."
+
+"Mooie dingen: waar haal ik 't geld er voor vandaan ?"
+
+"Ja, hm, dat's lastig...."
+
+"Niets lastig: jij hebt geld genoeg. Geef me een gulden of twintig
+op hand, dan steek ik hem wat beter in zijn plunje, en...."
+
+"Ho! ho! 't geld groeit me niet op den rug."
+
+"En ik heb het niet. Zeg! er is nog een druppeltje in de flesch,
+'t is lavas.... Wil je ?
+
+"'k Dank je.--Hm! dus ik zou moeten beginnen met een twintig guldens
+te wagen."
+
+"Die niet waagt, die niet wint."
+
+"Je hebt gelijk, het kan niet anders, maar het is veel geld.--Och! God,
+zooveel geld."
+
+Zuchtend besloot de pandjesbaas zich deze opoffering te getroosten en
+haalde uit zijn vest een zeemlederen zakje te voorschijn, waaruit hij
+zes rijksdaalders en vijf guldens nam en die aan de weduwe overreikte
+met de woorden:
+
+"Daar dan, maar wees er in Gods naam zuinig mee."
+
+Tot laat in den nacht zat het tweetal bijeen en besprak de wijze,
+waarop zij zouden samenwerken om Kobus Juttner voor Dorus Makko te
+doen doorgaan.
+
+Zelden was een paar meer aan elkander gewaagd dan dit. Vrouw Juttner
+dacht kalmer na dan Strijkman en menigmaal gedurende hun gesprek
+toonde zij, dat ze voor hem niet onderdeed in sluwheid.
+
+Ze werden 't spoedig eens, hoe zij het zouden aanleggen om aan de
+fabel, die zij samen bedachten, allen schijn van waarheid te geven. De
+slotsom hunner overleggingen kwam hierop neer, dat Strijkman eerst
+alleen en dan met de weduwe en den knaap den procureur Verhagen zou
+gaan opzoeken en hem zou trachten wijs te maken, dat Dorus Makko na
+den dood zijns vaders geruimen tijd door de stad had gezworven en
+eindelijk door vrouw Juttner uit medelijden was opgenomen. De papieren
+zouden volgens de meening van den ouden man het verdere wel doen.
+
+Allerlei zwarigheden kwamen hun echter, toen zij het plan bespraken,
+voor den geest. Wat zouden zij zeggen, indien een der vroegere buren
+van Dorus Makko toevallig den pseudo-Dorus zag en zich herinnerde,
+dat "Krates" volstrekt geen idioot was geweest?
+
+"Hij is gevallen en suf geworden," zei Strijkman.
+
+"Dat is te casuweel," antwoordde vrouw Juttner; "ik weet beter:
+hersenziekte gehad, zenuwzinkingkoorts of zoo iets; laat dat maar aan
+mij over... 't Treft goed, dat ik pas een maand of drie hier in de
+stad woon; afijn, ik zal wel zorgen, dat ik er een mouw aan pas.--En
+nou wat anders, baas Strijkman. Wat geef je wel aan mij en Kobus,
+als alles goed afloopt? Ik hou van spijkers met koppen," zeide de
+weduwe ten slotte, terwijl zij met de ellebogen op de tafel steunde
+en, met de handen onder de kin, haar overbuur strak aanzag.
+
+"Dat zullen we later zien, juffrouw!"
+
+"Neen, neen! vaderlief, zóó zijn we niet geschapen; eerst zeggen,
+hoeveel."
+
+"Hm, hm! hoeveel dacht je?"
+
+"Wat dacht jij?"
+
+"Nou, ik wil 't royaal behandelen; je zult van elke honderd gulden
+er twintig hebben."
+
+"Och, kom! dacht jij dat? Jongens, jongens! dat's te scheutig,
+Strijkman, dat neem ik niet aan."
+
+"Niet?" vroeg de pandjesbaas verwonderd.
+
+"Waarachtig niet, dat doe ik niet."
+
+"Wat dacht jij dan, juffrouw?"
+
+"We zullen eerlijk deelen, jij de helft en ik de helft,
+annemekannememeesamen, [3] hoor!"
+
+"Hè? Je dolt met me."
+
+"Waarempel niet; en als je niet gauw toehapt, dan zeg ik: jij één
+derde part en ik twee derde parten, want wij zijn met ons beiden."
+
+"Dat kun je begrijpen. De helft, ik denk er niet aan..."
+
+"Hè, hè, hè! jij kunt zonder mijn jongen niets krijgen, sliep uit!"
+
+"Vervloekte feeks," bromde Strijkman tusschen de tanden; "als ik niet
+meedoe, krijg je niemendal."
+
+"Nou, hoe denk je er over, ouwe heer: de helft of een derde? Gauw
+antwoord!
+
+"En als ik niet wil, blijf jij er nuchter van."
+
+"Och kom, denk je? Dan zal de procureur Verhagen er nog wel een
+aardigheidje voor overhebben om..."
+
+"Hou je mond, vrouw Juttner," riep Strijkman verschrikt uit; "'t is
+goed, om de helft dan..."
+
+"'k Dacht wel, dat je toe zoudt happen, ouwe zondaar!"
+
+Strijkman beet zich op de lippen en vertrok. Toen hij weer op straat
+stond, mompelde hij: "Ze is waarachtig nog goochemer dan ik; maar
+wacht maar, als ik de duiten eerst heb, dan..."
+
+Toen vrouw Juttner alleen was, bleef ze nog een oogenblik in de vlam
+der kaars staren en overdacht al wat zij gezegd en gehoord had.
+
+"Een gare rot," zei ze binnensmonds; "maar ik ben ook niet van
+gisteren, 'k hou hem in de gaten, en afschuiven moet hij in ieder
+geval, al komt er niets van de zaak; 'k houd hem toch aan 't lijntje;"
+en terwijl zij de kaars opnam, ging zij naar de bedstede, waar haar
+zoon sliep.
+
+De mismaakte knaap lag met zijn mond open te snorken. Zijn wezenlooze
+trekken schenen daardoor nog slapper en onaangenamer; 't weinige
+rosachtige haar kleefde vochtig aan zijn voorhoofd en slapen, en de
+rimpelige hals was nog meer in de schouders gezonken dan anders.
+
+Met het licht in de hand stond vrouw Juttner voor het armoedige bed;
+zij fronste de wenkbrauwen en haar mond vertrok zich minachtend;
+
+"'t Is toch een leelijk kind, als je hem zoo ziet," zei ze. "Was hij
+toch maar doodgegaan, toen hij kwam."
+
+Zij raakte met vinger en duim zijn mond aan om dien te sluiten. De
+slapende jongen keerde zich om, sloeg half de oogleden open zei in
+zijn slaap: "Moeder."
+
+"'t Is toch een ongelukkige, akelige stumperd, en wurm!" Zij trok
+de rafelende deken wat hooger om zijn schouders. "Moeder" fluisterde
+hij nogmaals.
+
+"Hij is toch erg op mij gesteld. Arm schaap!" Zij schoof een
+stuk karpet, dat opgerold onder 't getornde hoofdkussen lag, wat
+dieper. "Geld zul je hebben; geld, veel geld, Kobus."
+
+Toen haalde zij onder de bedstede vandaan een stroozak en een paar
+andere stukken karpetgoed, legde een er van onder haar hoofd, dekte
+zich met het tweede toe, blies het licht uit en sliep weldra op den
+grond uitgestrekt in.
+
+
+
+
+
+IX.
+
+BIJ TOURNEL.
+
+
+Wat was er van Dorus geworden, sedert den treurigen morgen, waarop
+hij bij juffrouw Keetje's sterfbed knielde?
+
+De arme knaap, die op dien ochtend alles verloren had wat hem lief en
+dierbaar was op de wijde wereld, was instinctmatig naar dokter Abels'
+woning gesneld.
+
+Plotseling stond hij met bleeke wangen en ontdaan gelaat voor
+Albertine, die met haar vader in den tuin een morgenwandeling deed.
+
+"Ze is dood, van morgen gestorven!" was alles wat hij uitbrengen kon,
+terwijl hij met de handen voor het gelaat op de tuinbank neerviel.
+
+Medelijdend zagen dokter Abels en zijn dochter den armen jongen aan,
+die, overweldigd door zijn smart, zijn tranen hun vrijen loop liet
+en op niets en niemand scheen te letten.
+
+"'k Zal wat voor dien jongen doen", zei de dokter tot Albertine,
+terwijl hij zijn rijtuig liet inspannen om naar de herberg te
+Groenendaal te rijden.
+
+
+
+Juffrouw Keetje was begraven. Het was een aandoenlijk tooneel geweest,
+toen de acrobaat Carlo en de zijnen aan de afgestorvene de laatste
+eer bewezen. De sterke man beefde als een riet en weende luid, toen
+de kist in den schoot der aarde wegzonk...
+
+"Dat is mijn ondergang," mompelde hij herhaaldelijk, toen ze van de
+begrafenis terugkwamen. "Dat's mijn ondergang," herhaalde hij een paar
+dagen later met zware tong, toen hij weer in de tent moest optreden
+en niet kon, omdat hij... te veel gedronken had.
+
+Arme Carlo! ongelukkige, zwakke sterke man, te zwak om alleen te
+staan, uw steun, het tengere, vrouwtje is van u weggenomen en 't
+verdriet om haar gemis doet u terugkeeren op het pad, dat ge, door
+haar zachte hand geleid, zoo lang gemeden hadt. Wat Dorus betreft, hij
+kon niet meer in zijn hansworstenpak optreden, 't was hem onmogelijk,
+en trots de dreigementen van Carlo's mededirecteur Hermans bleef hij
+weigeren. Viool spelen wilde hij wel, maar toen Hermans 's avonds
+zijn spel hoorde, riep hij kwaad en driftig: "'t Lijkt wel een
+treurzang. Als jij zoo speelt, jaag je het publiek mijn tent uit;
+kijk naar Carlo, dat is eerst een kerel. Wel drinkt hij een borrel
+en was een paar dagen in de war, maar hij heeft toch nooit zoo goed
+gewerkt als nu; jij bent een sentimenteele stumperd, een huilebalk;
+je hadt aanspreker moeten worden."
+
+Alleen de oude Löbell nam hem 's avonds na de voorstelling ter
+zijde en vroeg medelijdend: "Bin jij nou nog zoo schwermoedig,
+Boeckelorum? Je hebt gespielt, das ich, weiss Gott, de thränen in
+de augen kreeg. Jongens, wat een schade oend jammer, dat jij nicht
+voor de moeziek wordt opgebracht; 'k wol, dat ik geld had; ich liet
+je stoedeeren, wenn's auch op das jammerholz ist."
+
+Gelukkig voor Dorus was Löbell niet de eenige, die er zoo over dacht,
+en had dokter Abels hetzelfde denkbeeld gekregen.
+
+Korten tijd na Keetjes dood had hij opzettelijk in gezelschap van
+Albertines muziekmeester in een naburige plaats eene voorstelling
+van het _Théatre des Nouveautés_ bijgewoond en Dorus nogmaals hooren
+spelen.
+
+De oude muziekmeester was geheel en al oor geweest, en toen hij
+eindelijk verrukt zei: "Die jongen kan een groot man worden; 't
+is een talent, zooals ik zelden heb gehoord," stond dokter Abels'
+besluit vast om den knaap uit de hem onwaardige omgeving te verlossen
+en voor de kunst te behouden.
+
+
+
+Dorus wist niet wat hij antwoorden moest, toen de dokter hem vroeg:
+"Heb je lust om te studeeren voor musicus? Wil je van Carlo
+vandaan?" De knaap stond sprakeloos van vreugdevolle, dankbare
+verbazing, keek met groote verwonderde oogen dokter Abels aan, greep
+eensklaps zijn handen, kuste die en stotterde : "Ik kan niets meer
+zeggen, meneer!"
+
+Met leedwezen zag de directie van het _Théâtre des Nouveautés_ hun
+hansworst vertrekken. Carlo bromde: "Dat heb je er nu van, als je een
+jongen van de straat opneemt; als hij wat kan, snijdt hij uit." Hermans
+beweerde : "Sedert hij op de viool krast, is hij voor paljas toch niet
+meer te gebruiken." Maar de oude Löbell zei, terwijl hij Dorus met
+het mondstuk van zijn pijp op 't hoofd tikte: "Doe schwerenöther! noe
+kann noch 'mal was rechtes aus jou werden; schade oend jammer, dat
+jij kein broest voor die trompete hévt! Adjé! kerlchen, mach's goed."
+
+Het kostte Dorus weinig moeite om afscheid te nemen van het geslacht
+Carlo en de overige leden van het gezelschap. De toekomst lachte
+hem rooskleurig tegen; zijn hoogste wensch zou vervuld worden; hij
+zou muziek leeren! Nauwelijks kon hij aan zooveel geluk gelooven; 't
+overstelpte hem; hij was zenuwachtig en gejaagd, en eerst toen hij in
+den postwagen zat, die hem naar de stad zou brengen, werd hij kalmer.
+
+'s Avonds laat kwam hij in het huis van den muziekmeester Tournel,
+aan wiens zorgen zijn beschermer hem had toevertrouwd, aan, en toen
+hij in het kleine kamertje, dat hem als verblijf werd aangewezen,
+ter ruste zou gaan, zuchtte hij: "Als het maar geen droom is."
+
+
+
+Neen! 't was geen droom; daar lag immers zijn viool op tafel; daar
+stond in den hoek een muzieklessenaar en daar, op den stoel, hing
+een nieuw pak kleeren, zoo goed als hij er nog nooit een had aangehad.
+
+Toen hij den volgenden morgen vroeg ontwaakte, scheen de zon warm en
+vriendelijk in zijn kamertje, blonk glinsterend op de daken en speelde
+met het loof der boomen van het kleine tuintje achter het huis. Zijn
+oude viool scheen hem op tafel toe te lachen, 't Was alsof zij hem
+toeriep: "Goeden morgen! Zie je me niet? Hier ben ik."
+
+'t Was nog doodstil in huis. Hij luisterde; niets bewoog zich. Zonder
+gedruisch opende hij het venster; zoel en geurig stroomde de frissche
+morgenlucht in het vertrekje, een vogel zong in den tuin en een bij
+gonsde naar binnen.
+
+Hij ademde met wellust de heerlijke lucht in. Snel kleedde hij zich
+aan en keek met aandacht naar de bij, die vergeefsche pogingen deed
+om weer naar buiten te komen.
+
+"Szoemm! szoemm!" gonsde het insect en stootte tegen de vensterruit.
+
+"Wou je er uit, kameraad?"
+
+"Waf! waf! waf!" klonk een kort blaffen buiten.
+
+"Boppie!" Dorus boog zich uit het venster.
+
+"Waf! waf!"
+
+"Ouwe jongen, ben jij daar? Hoe kom je hier? Ben je mij nageloopen?"
+
+"Waf!"
+
+"Koest dan! Boppie, koest dan, spring niet zoo op; je kunt toch niet
+bij mij; koest, dan, Bop!"
+
+'t Blaffen buiten ging over in een zacht gejank. 't Werd weer stil
+in den tuin.
+
+"Dat's aardig," lachte Dorus in zichzelf, "hij is me nageloopen. Goed
+beest!" Hij zag naar buiten. Boppie lag rustig in 't grasperk en keek
+omhoog naar 't openstaande venster. Zijn stompje staart kwispelde
+onophoudelijk heen en weer, en toen hij Dorus weer aan 't raam zag,
+blafte hij zachtjes.
+
+"Koest!"
+
+"De viool op tafel ziet er vandaag heel anders uit dan gewoonlijk,"
+dacht de knaap. "Ze is veel glimmender dan vroeger; ik wou wel eens
+hooren, of ze ook mooier klinkt. Ze slapen hier nog allemaal in huis;
+ik durf niet, ze zullen wakker worden." Hij nadert de tafel. "Zouden
+ze het beneden hooren?--Kijk daar zit een vezeltje aan de kwint;
+dat moet er toch af."
+
+"Ting!" kwam de snaar, toen hij haar aanraakte. Dat "ting" was
+beslissend; hij nam de viool op en speelde pizzicato zachtjes een
+paar noten. De strijkstok lag nog op tafel, het zonlicht tintelde in
+het paarlmoeren belegsel van den stok.
+
+"'t Is toch een mooi stokje," dacht hij. Hij greep er naar en woog
+het in de hand. "Hè! licht als een veer en toch sterk...." Beneden
+in de huisgang sloeg de klok zeven uren. "'t Is nog te vroeg om te
+spelen. Och, maar als ik 't heel zachtjes doe, dan hooren ze het niet."
+
+Luchtig en licht gleed de strijkstok over de snaren; 't was een
+vluchtige, oppervlakkige melodie, die zachtjes door het vertrekje
+klonk.
+
+Dorus speelde en vergat allengs, dat hij niet alleen in huis was;
+hij speelde voort,--het heerlijke zonlicht, de frissche morgenlucht
+bezielden hem.
+
+"Waf! waf! waf!" blafte Boppie in den tuin; hij herkende de zangerige
+stem daarboven.
+
+Dorus hoorde het niet en phantaseerde verder. "Bravo! Bravo! mijn
+jongen," klonk eensklaps de stem van Dorus' mentor, den muziekmeester
+Tournel, die zachtjes was binnengekomen.
+
+"Bravo!" herhaalde hij, "heel aardig gespeeld; maar 't is wildzang,
+en als je daarmee doorgaat, komt er niets van je terecht." Verwonderd
+zag Dorus den heer Tournel aan, die hem een muziekboek voorhield
+en vervolgde: "Als je dit hebt doorgestudeerd, moog je weer eens
+phantaseeren. Voorloopig moet je er mee ophouden. Beloof je me dat?"
+
+"Als het noodig is, zeker."
+
+"Goed! berg dan nu je instrument maar op;--laat 'k het eens zien." De
+muziekmeester hield de viool schuins voor het venster, zoodat het
+licht door de S-gaten viel, zag opmerkzaam binnen in de kast en
+mompelde, een paar akkoorden grijpende: "'t Is een aardige viool;
+'t lijkt mij een Kuyper te zijn, en zij klinkt goed op de D en de
+G. Kom, vriendje, nu ontbijten. Augusta en Barbara wachten op ons."
+
+"Waf! waf!" klonk het buiten.
+
+"Dat is Boppie, mijnheer!"
+
+Verwonderd keek de muziekmeester op, terwijl hij vroeg:
+
+"Wat bedoel je?"
+
+"Hij is me nageloopen."
+
+"Wie?"
+
+"Mijn hondje; Boppie! Mag ik hem hier bij mij houden?"
+
+"Hm! 'k houd niet veel van honden. Ze kunnen zoo slecht tegen muziek;
+dat's lastig."
+
+"O! hij niet, hij jankt nooit. Toe, meneer! laat 'k hem maar
+houden. Al joeg ik hem ook weg, hij zou toch iederen keer weeromkomen,
+en...." Dorus keek vriendelijk lachend, maar met een zweem van trots
+den heer Tournel aan, "'t is geen gewoon dier; hij kan op de klok zien,
+domino spelen en tellen."
+
+"Dus een professor onder 't hondengeslacht," lachte Tournel.
+
+"Waf! waf!"
+
+Eensklaps boog Dorus zich uit het venster en riep: "Bop!"
+
+"Waf!"
+
+"Geef attentie, Bop! Hoeveel is tweemaal twee?" Dorus maakte een
+bijna onmerkbaar teeken met de hand en sprak op den echten kermistoon.
+
+"Waf! waf! waf! waf!" blafte Bop.
+
+"Hoort u 't?"
+
+"Heel aardig! Nu houd hem dan maar bij je, maar je moet je afwennen
+om zoo raar met hem te spreken."
+
+"Ja, meneer!"
+
+
+
+De oude heer Tournel, aan wien voorloopig door dokter Abels Dorus'
+opleiding was toevertrouwd, leefde stil en bedaard met Augusta, zijn
+kleindochter, een wees, in de provinciestad, aan welker uiteinde de
+villa van den dokter stond. 't Was een vriendelijk man en een type
+in zijn soort: als leeraar der muziek uitstekend, als executant niet
+boven het middelmatige zich verheffend.
+
+In het kleine stadje evenwel beschouwde men hem als een soort van
+phenomeen, want Tournel arrangeerde bij elke gelegenheid toepasselijke
+stukken.
+
+Voor de zangvereeniging Polyhymnia schreef hij koren en soli, voor de
+gymnastiekvereeniging Hercules een feestmarsch en voor het zangkoor
+in de Luthersche kerk kerstliederen en paaschgezangen. Behalve
+orgel, Zondags in de Groote kerk, speelde hij viool en dirigeerde
+de orkestvereeniging Orpheus en het zanggezelschap Polyhymnia,
+gaf pianolessen aan de jonge dames, onderwees violoncel en leerde
+klarinet spelen aan den eenigen dilettant, die zich in het stadje
+aan dat instrument waagde.
+
+"Methode," was zijn geliefkoosd stopwoord,--"School," het tweede,
+wat hij gebruikte. 't Was geheel een musicus van den ouden stempel;
+hij dweepte met Bach en Beethoven, vereerde Mozart, Meyerbeer en
+Mendelsohn, en zag met eenige minachting neer op den in de mode
+komenden Offenbach en andere dergelijke "muziekfabrikanten", zooals
+hij ze noemde.
+
+Er lag over zijn geheele persoon een waas van klassieke waardigheid,
+dat bijna op de grenzen van het vermakelijke kwam. Geen zweem van
+artistieke losheid lag er in den vorm van zijn hoofdhaar, dat geheel
+achterover gekamd als door een grijzen sluier de schedelhuid liet
+doorschemeren. Zijn diepliggende grijsblauwe oogen zagen eenigszins
+mat de wereld in en met zorg gekweekte bakkebaarden, steeds kort
+geknipt, begrensden een paar bleeke wangen, die zich alleen dan
+hooger kleurden, als hij zich in Polyhymnia ergerde over de sopranen
+of alten, die geen maat wisten te houden, hoezeer hij ook met zijn
+schepter zwaaide of met den rechtervoet stampte. In zijn mond, die
+goed besneden, meestal vriendelijk lachte, stonden een paar tanden te
+veel vooruit en gaven daardoor iets zonderlings aan het overigens vrij
+regelmatige gelaat. Hij was gewoon een pince-nez te dragen, die hem,
+zoodra hij op repetitiën in vuur kwam, regelmatig van den neus viel,
+en hij dweepte met lange gekleede jassen, die door een staanden boord
+en een zwarte halsdas waardig werden ter zijde gestaan, om aan zijn
+geheelen persoon een deftig uiterlijk te geven. Zijne kleine handen
+waren bijzonder zorgvuldig verpleegd en zijn voeten staken altijd in
+keurig net schoeisel. Hij was van Fransche afkomst, en zij, die dit
+wisten, verklaarden dat hij de voorliefde en zorg voor zijn handen
+en voeten daaraan dankte.
+
+Zijn kleindochter Augusta, die sedert den dood harer ouders bij
+hem woonde, was het zonnetje in huis; hij had zijn kleinkind, dat
+zoo vroeg reeds wees werd, afgodisch lief, en als het bruingelokte
+hoofdje van het bijna veertienjarige meisje zich vertrouwelijk tegen
+zijn arm legde en het fijne handje zijn wangen liefkoosde, terwijl
+de donkere fluweelige oogen zoo innig hartelijk in de zijne keken,
+was er niet veel wat de oude aan zijn kleinkind weigeren kon.
+
+Augusta was niet bepaald mooi te noemen; het krullend, bruine haar
+en de prachtige oogen waren haar grootste sieraad; voor het overige
+was haar gezichtje goed besneden, ofschoon de ietwat te groote mond
+er iets onregelmatigs aan gaf.
+
+De nog weinig ontwikkelde vormen en de eigenaardige onbeholpenheid
+aan haar leeftijd eigen, maakten, dat haar vrij lang opgeschoten
+gestalte bij den eersten indruk weinig aantrekkelijks had; bij nadere
+kennismaking en opmerkzame beschouwing echter was het aan te nemen,
+dat zich uit de nog slechts half ontloken knop weldra een schoone
+frissche bloem ontwikkelen zou.
+
+Iets was er, wat iedereen aangenaam bij haar aandeed, namelijk haar
+melodieuse stem, en grootvader Tournel was er trotsch op als kenner te
+kunnen zeggen: "Augusta zal eenmaal een sieraad van Polyhymnia worden,
+zoodra ze wat meer "school" heeft."
+
+Een nicht van Tournel, juffrouw Barbara, bestuurde het kleine
+huishouden en hield rekening met de inkomsten, iets wat de
+muziekmeester zelf niet deed. In dat opzicht was hij artistiek en
+had geen "school". Ware Barbara er niet geweest om, zooals zij het
+noemde "den duim op 't laadgat te houden", Tournel zou het lot gedeeld
+hebben van velen zijner kunstbroeders, die meer schulden hebben dan
+contanten en die van de hand in den tand leven. Nu echter heerschte
+er een zekere mate van welgesteldheid in het gezin, en al wees de
+huishoudelijke balans gewoonlijk geen batig saldo aan, toch sloten
+Debet en Credit op weinig na.
+
+'t Was niet tegen te spreken, dat juffrouw Barbara, al was 't dan
+ook maar zachtjes, de pantoffel hanteerde, maar zij deed het met
+verstand en overleg, en ofschoon de toon van haar humeur enkele malen
+"in mineur" klonk, zooals Tournel beweerde, was zij toch goedhartig
+en braaf, ja zelfs te braaf, te vroom naar den zin van haar neef,
+die, volstrekt niet kerksch, zich met Barbara's begrippen over den
+godsdienst niet vereenigen kon en beweerde, dat zij alleen de dominees
+naliep, omdat het zoo de mode was.
+
+Toch was het niet zoo. Juffrouw Barbara was een nauwgezet mensch,
+die de uiterlijke vormen van den godsdienst in eere hield, haar
+lievelingspredikant had, getrouw elken Zondag naar de kerk en viermaal
+'s jaars naar 't avondmaal ging. Zij bad voor het eten lang, at gauw
+en dankte weer lang. Hoekig en beenig van gestalte, met een grof tanig
+gelaat, kleine, scherpe, donkere oogjes en een weinig vaalbruin haar,
+droeg zij haar muts en haar vijf-en-veertig-jarigen maagdelijken
+staat met gelatenheid.
+
+Toen Tournel haar den voorslag van dokter Abels, om Dorus in huis te
+nemen, mededeelde, had zij haar wenkbrauwen gefronst en gezegd: "Als je
+er wat mee verdient, Tournel, is 't goed, maar anders zou ik er niet
+op gesteld zijn zoo'n kermisklant in huis te nemen. 't Is gewoonlijk
+raar soort, halve heidens, die van God, noch zijn gebod weten; als ik
+last van den jongen krijg, moet hij de deur uit. 'n Virtuoos steekt in
+dien jongen, zeg je? 't Zal wat wezen, als 't voor de heeren komt..."
+
+Augusta daarentegen had zich op de komst van Dorus verheugd. Vooral de
+omstandigheid, dat de knaap "kermisklant" was geweest, maakte hem in
+haar jeugdig oog belangwekkend en haar levendige verbeelding tooverde
+haar een vluggen clown, vol jolige grappen en kuren, voor de oogen.
+
+Tournel, geheel vervuld met de gedachte aan het onmiskenbaar talent van
+den jongen, had met geen enkel woord van zijn mismaaktheid gesproken;
+hij zag in hem alleen den muzikant, niet den bultenaar.
+
+'t Was dus geen wonder, dat op den avond, toen Dorus voor 't eerst
+de woning van den muziekmeester binnentrad, Augusta een kreet van
+teleurstelling niet kon onderdrukken en halfluid uitriep:
+
+"Ba! een bochel!"
+
+Juffrouw Barbara zei: "Wat een ongelukkige kromme krates", en Tournel
+antwoordde: "Dat doet er niet toe; hij heeft talent."
+
+
+
+Nog nooit had Dorus zich zoo vreemd en onbehaaglijk gevoeld als in
+den eersten tijd, toen hij bij Tournel was. Hij had een gewaarwording,
+alsof men hem in een kooi had opgesloten! Instinctmatig gevoelde hij,
+dat hij er misplaatst was; maar vlug van begrip en bevattelijk als
+hij was, opmerkende en in zijn brein verwerkend wat hij zag, hoorde en
+ondervond, verdween dat gevoel van dwang en gedruktheid spoedig genoeg.
+
+Hij lette op, hoe de anderen deden, als zij aan tafel zaten; en
+juffrouw Barbara zelfs zeide: "Hij merkt goed op en neemt aan; hij
+zit nu al fatsoenlijker bij 't eten en dat is al veel, want je kunt
+aan iemand zien van welken komaf hij is, naarmate hij aan tafel zit."
+
+Augusta riep nu niet meer: "Ba! een bochel," want eenige maanden waren
+voldoende geweest om haar een zekere genegenheid voor den knaap in
+te boezemen en hem zelfs tegen de soms vrij heftige uitvallen van
+nicht Barbara te beschermen.
+
+Dorus van zijn kant deed alles wat mogelijk was om zich aangenaam te
+maken; hij bewees duizend kleine diensten in het huishouden, zonder
+dat men er hem om vroeg en zijn oogen glinsterden van vreugde, als
+Augusta hem met een vriendelijken blik er voor dankte.
+
+Met juffrouw Barbara stond hij soms op niet al te goeden voet;
+haar meestal knorrige toon van spreken hinderde hem, en als haar
+humeur in "mineur" gestemd was, stond het zijne in denzelfden toon:
+eenmaal zelfs, toen zij om de een of andere kleinigheid boos geworden,
+zich het woord "kermisklant" liet ontvallen, vergat hij zich zoover,
+dat hij haar "een serpent" noemde.
+
+Bijna had dat woord aan zijn verblijf bij Tournel een plotseling
+einde gemaakt, en 't was Augusta, die hem overreedde om aan nicht
+Barbara vergiffenis te vragen voor dit woord.
+
+Trouwhartig zei Dorus: "'k Doe het, omdat u het hebben wilt,
+jongejuffrouw, en ik zal haar zeggen, dat 't mij spijt, maar dat ze
+toch een serp...."
+
+"Stil, Dorus! zoo moog je niet spreken; je hebt ongelijk," antwoordde
+Augusta, terwijl ze haar hand op zijn arm lei.
+
+"Ben ik dan nu nog een kermisklant?"
+
+"Neen, dat niet, maar je bent somtijds wel wat ruw."
+
+"Ben ik dan een heiden, zooals zij zegt, omdat ik me in de kerk
+verveel en liever thuis viool studeer?"
+
+"En waarom ga je er dan naar toe?"
+
+"Omdat u het graag heeft; om juffrouw Barbara doe ik 't waarachtig
+niet."
+
+"Zoo; maar je moet er om je zelf heen gaan."
+
+"Om mij zelf?"
+
+"Ja, omdat God 't wil."
+
+"Hm! 't zal God wat kunnen schelen, of een jongen als ik in de
+kerk komt."
+
+"Foei, Dorus, je moogt niet spotten." Augusta kon nauwelijks een
+lach bedwingen.
+
+"Ik spot niet."
+
+"Dat doe je wel. Je bent ook nog wel een beetje heiden want als wij
+aan tafel 's middags bidden, dan...."
+
+"Dat is ook geen bidden, jongejuffrouw."
+
+"Niet? Wat is dan bidden?"
+
+"Dat weet ik zelf niet recht."
+
+"Heb je dan nooit gebeden, wezenlijk gebeden?"
+
+"Ja, éénmaal." Plotseling werd Dorus' gelaat ernstig en bleek, zijn
+oogen vestigden zich een oogenblik als op iets, dat in de verte alleen
+voor hem zichtbaar was, en hij herhaalde zachtjes: "Ja, éénmaal,
+toen heb ik geloof ik, wezenlijk gebeden."
+
+Verwonderd keek Augusta hem aan, terwijl zij vroeg: "Wanneer, Dorus?"
+
+"Toen _zij_ stierf, daar 's morgens vroeg in de herberg te
+Groenendaal. Ziet u, jongejuffrouw, destijds wist ik het zelf niet,
+maar nu geloof ik, dat ik toen gebeden heb; en zóó bidden ze in de
+kerk niet, ook niet op de catechisatie, waar ik naar toe moet."
+
+"Moet?"
+
+"Nu, waar ik naar toe ga, als u dat liever hoort; juffrouw Barbara
+heeft 't mij gebakken, dat ik er heen moet, om...."
+
+"Ha, ha, Dorus, wat sla je weer door," lachte Augusta. "Dokter Abels
+vond het ook goed, en daarom .... Zie je wel, dat je nog een heiden
+bent en ruw; wie zegt er nu "gebakken".
+
+"Ik zal het niet meer zeggen, jongejuffrouw."
+
+
+
+Langzamerhand veranderde Dorus zoowel innerlijk als uiterlijk De
+invloed van de beschaafde omgeving, waarin hij zich bevond, deed zich
+duidelijk merkbaar gevoelen. Ontsnapte hem nu en dan nog eens een ruw
+woord of een onhebbelijke uitdrukking, dan was een verwijtende blik
+van Augusta, of een fronsen der wenkbrauwen van Tournel voldoende
+om hem te doen begrijpen, dat hij verkeerd had gedaan. Met ijver
+en lust had hij zich op de studie van zijn viool-methode toegelegd,
+en als hij voor zijn lessenaar stond met het instrument onder de kin
+en den strijkstok in de hand, netjes en eenvoudig gekleed, zag hij
+er niettegenstaande zijne mismaakte gestalte fatsoenlijk uit.
+
+'t Kostte hem geen geringe inspanning om weer van voren af aan de
+geheele _Violinschule_ van Kreutzer door te studeeren, maar Tournel
+hield niet op om hem het groote nut van die studie voor oogen te
+houden, en toen een half jaar verloopen was, zei de oude muziekmeester,
+hem goedkeurend de hand op het hoofd leggend: "Je gaat goed vooruit,
+Dorus; je stand is goed, de stokvoering wordt beter en je toon is
+veel krachtiger. Wanneer je zóó je best blijft doen, dan kun je al
+gauwer dan ik dacht naar een conservatoire gaan".
+
+Hoe glinsterden de bruine oogen van den knaap bij zulk een loftuiting,
+en hoe vriendelijk vroeg hij dan: "Mag ik nu ook nog eens een half
+uurtje phantaseeren?" Niet al te dikwijls stond Tournel het hem
+toe, en deed hij het, dan zei hij met een barsch gezicht: "Nu, een
+kwartiertje dan, maar langer niet; je speelt toch nog niets degelijks."
+
+Dorus had eens moeten weten, dat, iederen keer als hij zijn phantasie
+op de viool den vrijen teugel liet, zijn mentor in de kamer beneden
+of er naast zat te luisteren en dat hij dikwijls Augusta riep, om met
+hem te hooren naar "dien wildzang", die hem herhaaldelijk de woorden
+ontlokte: "'t Is bepaald eenig; dat's een discipel, daar ik plezier
+van zal hebben."
+
+Gedurende den tijd, dat Dorus bij Tournel in huis was, kreeg
+hij behalve muziek, dank zij de vrijgevigheid van dokter Abels,
+in allerlei andere vakken les. 't Was ongeloofelijk welke moeite
+de jongen zich gaf om te leeren. Het had er iets van alsof men een
+uitgehongerd mensch plotseling een rijk maal had voorgezet en deze
+alles op eens trachtte in te zwelgen.
+
+In korten tijd maakte Dorus groote vorderingen, hij verslond boeken
+en noten om 't hardst; maar evenals de onverzadelijke, die te snel
+eet en te veel op eens, zich de maag overlaadt en onpasselijk wordt,
+zóó ging het ook hem. Hij zag er bleek, afgemat en zwak uit. Niemand
+had 't evenwel opgemerkt dan juffrouw Barbara, die niettegenstaande
+zij dikwijls om allerlei kleinigheden met Dorus kibbelde, den knaap
+toch gaarne mocht lijden en hem even goed, zoo niet beter dan een
+der andere huisgenooten, verpleegde en bewaakte. Zij merkte ook het
+eerst op, hoe Dorus begon te hoesten en te kuchen, hoe zijn eetlust
+verdween, en hoe zijn groote oogen mat van uitdrukking werden en diep
+in de kassen lagen.
+
+"'t Is net of de jongen langer en magerder wordt," zei ze tot Tournel.
+
+"Hij groeit, Barbara!"
+
+"Jij laat hem te hard werken, Tournel."
+
+"Ik?"
+
+"Ja, jij! Je moet zoo'n jongen ook wat rust gunnen. Maar je bent
+altijd zoo geweest; men kan nooit genoeg doen naar jou zin; 't is
+jagen, jagen, jagen!"
+
+"O, zoo, heb ik het weer gedaan?" pruttelde de musicus.
+
+"O! dacht jij dan soms, dat ik dien jongen zoo aanzette om te
+studeeren? Zet nu maar zoo'n onnoozel gezicht niet; je weet heel
+goed, dat...."
+
+"Dat jij vandaag weer in de "kleine terts" bent gestemd. Adieu!"
+
+"Ja, daarmee zou jij je wel van alles willen afmaken, met dat adieu;
+ik zeg je, Tournel, dat ik den jongen zoo niet langer in huis wil
+houden. Ik bedank er voor om voor ziekenoppaster te moeten spelen."
+
+"Maar, Barbara! de jongen studeert uit eigen beweging zooveel en...."
+
+"Wel zeker, veeg jij je pad maar schoon; nu heeft de stakker 't zelf
+gedaan, hé?"
+
+"Natuurlijk, 't is zijn eigen wil...."
+
+"Zet jij hem dan niet elken dag meer en meer aan? 'k Word naar van
+dat onophoudelijke gezaag daarboven; ik hoor tegenwoordig niet anders
+dan études."
+
+"Mijn goeie Barbara, bemoei jij je nu asjeblieft met de keuken en
+kom weer in "majeur"; wil je?"
+
+"Die flauwe oudbakken aardigheid van je kan ik missen; begrepen?"
+
+"Ze gaat over met een dissonant, die zich niet oplost," pruttelde
+Tournel, terwijl hij de deur uitging.
+
+"Drink jij dat eens op, Dorus," zei Barbara een half uur daarna,
+terwijl zij hem een kop bouillon, waarin zij een ei gemengd had,
+voorhield; je ziet er slapjes uit. Je bent toch wel?"
+
+"U is wel goed, juffrouw Barbara, maar ik kan het heusch niet drinken;
+'t staat me tegen," antwoordde de knaap, terwijl hij moede en mat op
+een stoel bleef zitten.
+
+Een dag of wat later had Dorus een hevige koorts, die hem noodzaakte in
+bed te blijven; de koorts hield aan en een zware drukkende hoofdpijn
+deed hem voortdurend kreunen, terwijl hij nu en dan onverstaanbare
+woorden mompelde.
+
+Dokter Abels, aan wien men kennis had gegeven, dat zijn beschermeling
+ongesteld was, kwam dadelijk en verklaarde, dat de knaap zich overwerkt
+had en dringend rust behoefde.
+
+"Ik zal hem eens een dag of veertien bij mij buiten nemen; dat zal
+hem goeddoen."
+
+Dorus hield rust, en toen de koorts voorgoed verdwenen was, bracht hem
+het rijtuig van dokter Abels naar diens villa. Zwak en zenuwachtig kwam
+hij er aan, tot ergenis van den tuinman, die bij zijn aankomst zei:
+"'k Kan maar niet begriepen, wat de dokter veur oarigheid an zoo'n
+jong hêt."
+
+
+
+
+
+X.
+
+OP "MON REPOS".
+
+
+Dorus staat voor den spiegel in de logeerkamer van dokter Abels' villa
+"Mon Repos". Hij is ruim zestien jaren oud, en pas uit de ziekte,
+die hem vrij hevig heeft aangegrepen, hersteld.
+
+Met de handen op de marmeren penanttafel geleund, ziet hij aandachtig
+naar zijn spiegelbeeld.
+
+"'k Ben toch erg leelijk; een leelijke bochel," zegt hij met een
+zucht, terwijl hij zich langzaam met de hand over het voorhoofd
+strijkt. "Ach! ik wou, dat ik anders was..." Een oogenblik blijft
+hij nog in gedachten verzonken naar zijn beeld staren, glimlacht
+bitter en wendt zich dan af, terwijl hij in zichzelven herhaalt:
+"Ach God! waarom ben ik toch zoo,--'k wou, dat ik anders was."
+
+'t Venster van de net gemeubeleerde kamer staat open en de frissche,
+gezonde, geurige lucht dringt er in breede stroomen naar binnen.
+
+'t Is reeds najaar; de boomen en heesters van den tuin bieden aan
+'t oog een aangenaam rustpunt door de zachte herfstkleuren, die het
+groen schakeeren. De bloemperken zien er nog meestal kleurig en frisch
+uit, en 't gras heeft een fluweelachtige tint. Hij nadert het raam
+en buigt zich over de vensterbank, als hij beneden de stem van den
+tuinman hoort, die luide roept: "Allo vort! Wil-de wel moaken, dâ'
+je wegkumt, miseroabele hond; allo! vort dan!"
+
+'t Is Boppie, die des tuinmans toorn heeft opgewekt, door in de
+bloembedden de aard om te krabben.
+
+Jacob, de huisknecht, staat met de handen op den rug bij de veranda
+en fluit schel en aanhoudend, maar tevergeefs!
+
+Boppie amuseert zich kostelijk in de rulle aarde, rolt heen en weder,
+blaft en keft, en zet het eerst op een loopen, als Pieter hem een
+paar kiezelsteenen uit het pad achternagooit.
+
+"Ik kan oe verzekeren, Joacob, dat ik best die'n hond nekken kos,
+als juffer Albertine niet zooveul op hem gesteld woar."
+
+'t Is stil in den tuin, geen windje beweegt de bladeren, en duidelijk
+verstaat Dorus zelfs de vrij zacht gesproken woorden van Jacob,
+als hij tot Pieter zegt:
+
+"De juffrouw is net zoo gek op dat mormeldier als die jongen met zijn
+bochel op de juffrouw is."
+
+"Wat meen ie, Joacob?"
+
+"Wel, heb je nog niet gemerkt, dat hij dol op onze Albertientje is?"
+
+"Wat zeg ie doar?" vraagt de tuinman verwonderd terug. "Minsch, minsch,
+'t is toch niet woar? Hie is nog 'n kiend!"
+
+"Heb jij dan nooit gezien, hoe hij haar aankijkt? 'k Wil er een
+daalder onder verwedden, dat hij smoorlijk van haar is."
+
+"Zij-de gek, Joacob, zoo'n kwoajongen, kwoalijk zestien joar old;
+'t om oe eiges 'n bult te lachen. Kom! de juffer is wel een joar of
+vief older, geleuf ik."
+
+"Dat zou ook wat. Ik verzeker je, Pieter, dat hij haar aankijkt met
+een paar oogen--hmmm!--en juist altijd, als zij niet naar hem kijkt."
+
+"Wel! wel! Harrejennig!"
+
+"Die jongen is niet van haar af te slaan; als hij 't maar eenigszins
+kan, is hij bij haar. Hij loopt haar als een hond na en is zoo verliefd
+als een groot mensch."
+
+"Nou ge 't zegt, hed-de geliek, dat hê 'k ook gezien, ze bent altied
+soamen. Ha! ha! ha! 'k zal mien eigen nog ziek lachen, als ik bedenke,
+dat zoo'nen bult zich wat verbeeldt. Moar ie kunt nooit wèten,
+meiskes hebben al roare grillen; 't kan best zîn, dat de juffer
+angehoald wil wezen deur...."
+
+Meer hoort Dorus niet, want eensklaps treedt hij terug van 't
+venster. Bleek, met starende oogen en vast opééngeklemde lippen,
+staat hij een oogenblik midden in de kamer stil. De aderen aan zijn
+slapen zwellen op en schemeren blauwachtig door de bleeke huid;
+eindelijk opent zijn mond zich voor een diepen zucht. Hij grijpt
+werktuiglijk naar een stoel en laat er zich op neervallen. Roerloos,
+met de armen slap langs het lijf hangend en 't hoofd voorovergebogen,
+blijft hij zitten.
+
+Wat ging daar om in dat jeugdige brein?
+
+Hij wist het zelf niet. 't Was alsof een koude, harde hand hem uit een
+schoonen droom had wakker geschud; alsof, een ruwe stem hem had doen
+ontwaken uit een heerlijken slaap. Zonder zelf te weten welk gevoel
+hem bezielde, was hij van het oogenblik, dat hij weder in dokter
+Abels' huis kwam, gelukkig geweest in de nabijheid van Albertine,
+tot wie hij opzag als tot eene heilige. Zonder zich rekenschap te
+kunnen geven van zijne gewaarwordingen, had hij den invloed gevoeld
+van haar reine maagdelijke schoonheid, de weldadige uitwerking van
+haar zachte manieren en vriendelijke belangstelling op zijn geheele
+persoonlijkheid ondervonden.
+
+Onwillekeurig had hij geluisterd naar de innerlijke stem, die zwakker
+of sterker zich vroeg of laat doet hooren in ieder hart. Zijn
+hartstochten evenwel sluimerden nog; 't was alleen het onbekende
+gevoel van sympathie, dat hem onweerstaanbaar tot Albertine had
+getrokken. Dat gevoel, uit dankbaarheid en bewondering geboren,
+was nog onvermengd en zuiver.
+
+Het denkbeeld van verliefd te zijn, was nooit bij hem opgekomen; hij
+had alleen met schroomvalligen eerbied opgezien tot zijn weldoenster
+en aan 't woord liefde hij geen oogenblik gedacht. Hij was ook nog
+zoo jong.
+
+'t Is waar, een goedkeurende blik, een vriendelijk aanmoedigend
+woord van Albertine maakte hem onuitsprekelijk gelukkig en zijn oogen
+lazen als het ware elken wensch van hare lippen, nog vóór zij dien
+uitgesproken had.
+
+Hij wilde slechts bij haar zijn, haar zien en hooren spreken; verder
+had hij ook niet gedacht of gewenscht. Zijn gedachten wijlden ook
+slechts dan bij haar, wanneer zij in zijne nabijheid was,--en dat
+hij haar gezelschap zocht, was geheel natuurlijk. 't Was voornamelijk
+door Albertines invloed dat hij al meer en meer beschaafd werd, maar
+evenmin als hij zelf het wist, vermoedde het meisje er iets van,
+dat zij zoo krachtig medewerkte om Dorus' geestes- en gemoedsleven
+te ontwikkelen. Zij van haar kant beschouwde hem met medelijdende
+belangstelling en verheugde zich even hartelijk in zijn herstel als
+in zijn ontwikkeling.
+
+Het belang, dat haar vader in het lot van den knaap stelde, was de
+eenige drijfveer geweest, die haar tot hem had gebracht, maar toch was
+er iets in Dorus, wat haar, niettegenstaande zijn mismaakt figuur,
+tot hem trok. Waren het de zwaarmoedige bruine oogen, die, als zij
+tot haar opzagen, zoo kinderlijk vertrouwelijk blikten? Was het de
+innemende trek om den mond, of waren het de parelwitte tanden, die
+tusschen de welgevormde lippen schitterden? Misschien! maar zeker was
+het de vereeniging van een en ander met het geniale, dat, zonder dat
+Dorus zelf het wist, op zijn voorhoofd en in zijn oogen te lezen was.
+
+Er ligt in den blik, in de uitdrukking der oogen van sommige menschen
+iets vreemds, onverklaarbaars en wonderlijks, dat aantrekt en sympathie
+inboezemt, ook dan zelfs, wanneer de uiterlijke lichaamsvorm in
+alle opzichten veel te wenschen overlaat. Soms schijnt het genie
+bij voorkeur krachtig en breed zijn stempel te hebben gedrukt op een
+gelaat, dat zonder dien afdruk onmogelijk, zelfs niet voor een kort
+oogenblik, de aandacht van anderen zou kunnen wekken.
+
+Toen Dorus overwerkt en moede, bleek en koortsig op "Mon Repos" kwam,
+had Albertine dadelijk opgemerkt hoe groot de verandering was, die hij
+reeds had ondergaan. De ruwe, opvliegende knaap was zacht en gedwee
+geworden; zijn taal was die van een fatsoenlijk mensch, en al ontvielen
+hem nu en dan nog enkele uitdrukkingen, die aan zijn vroeger beroep
+of stand herinnerden, toch zou niemand aan hem gezegd hebben, dat
+hij voor nog geen jaar geleden als kermisklant in een tent meereisde.
+
+Enkele malen was Dorus, gedurende zijn verblijf bij Tournel, op
+dokter Abels' villa te gast geweest, en elken keer als hij na een
+afwezigheid terugkwam, kon men zien welke vorderingen hij in alles
+maakte. Er woonde in dat wanschapen lichaam een krachtige geest,
+vatbaar voor elken indruk, zoowel ten goede als ten kwade, een
+geest, begaafd met een opmerkingsvermogen, zoo volledig en fijn, als
+slechts weinigen bezitten, juist en te rechter tijd onderscheidende,
+instinctmatig goed en kwaad schiftende, eenvoudig, natuurlijk en waar,
+maar gevoelig en prikkelbaar in de hoogste mate. Die prikkelbaarheid,
+aan alle artistieke naturen eigen, uitte zich nu eens door een snel
+gesproken, scherp en snijdend woord, dan weer door een zenuwachtigen
+lach of een traan, die, niet te weerhouden, zijn oog ontsprong. In dat
+jeudige gemoed trilde een snaar, die zachtkens bewogen een heerlijken
+toon voortbracht, maar een schrille dissonant liet hooren, zoodra
+zij ruw werd aangeraakt.
+
+Hoe meer hij werkte, des te meer wilde en kon hij werken; hoe meer de
+factoren van zijn geest arbeidden, des te sneller en onvermoeider
+spanden zij zich in om alles in zich op te nemen, wat nieuw en
+belangrijk was.
+
+Dorus' lichaam evenwel leed er onder. In zijn vollen groei--hij
+was langer en magerder geworden--stond de werkzaamheid van geest
+en lichaam niet in goede evenredigheid, en daarom was het juist te
+rechter tijd, dat dokter Abels hem noodzaakte eenige rust te nemen,
+door hem een kamer in zijn villa af te staan en hem het "dolce far
+niente" te leeren. Rust, naar lichaam en geest, was alles wat hij
+behoefde; hij vond beide op "Mon Repos".
+
+'t Was zoo heerlijk kalm daarbuiten en de menschen waren er zoo
+vriendelijk. Dokter Abels was voor hem zoo vaderlijk goed en zorgend,
+Albertine zoo schoon en lief; en toch was Dorus niet volmaakt gelukkig:
+iets ontbrak hem,--zijn viool!
+
+"Drie weken lang mag je geen streek doen," had de dokter
+bevolen. "Maar, dokter," zei Dorus, "dat zal ik niet uithouden."
+
+"Zou je denken? Probeer 't maar. Alles kan, als 't moet, als men
+'t ernstig wil."
+
+"Dat zal hem in de techniek achteruitzetten", bromde Tournel.
+
+Onverbiddelijk bleef de medicus bij zijn besluit. "Muziek hooren moog
+je, zooveel als je wilt. Albertine zal je alle dagen wat voorspelen,
+maar zelf muziek maken, niet. Zoodra je wat aangesterkt zult zijn,
+zal ik je viool weer uit den ban doen.--Leeren moog je ook niet."
+
+"Maar, dokter, wat mag ik dan ?"
+
+"Wandelen, lucht happen, naar de wolken, de bloemen, de vogels kijken,
+desnoods in den moestuin werken."
+
+"En lezen, dokter?"
+
+"Hm! van tijd tot tijd, maar alleen wat ik je geef."
+
+"Als ik dat maar uithouden kan; ik word juist ziek, als ik niet spelen
+mag. Och toe, dokter, laat mij..."
+
+"Stil! ik weet beter wat nuttig en noodig voor je is."
+
+Dorus boog het hoofd en zweeg.
+
+Hij dacht, dat hij 't nooit zou kunnen volhouden; maar de veranderde
+omgeving, de zon, de bloemen, de tuin, de gezellige toon in dokter
+Albels' huis deden het hunne er toe om de drie weken, die op raad
+van den geneesheer verdubbeld waren, te doen voorbijgaan, voordat
+hij het eigenlijk wist.
+
+Tournel en Augusta waren herhaaldelijk op "Mon Repos" geweest, juffrouw
+Barbara een paar malen, en allen waren het eens, dat de jongen er veel
+beter en gezonder uitzag, minder zenuwachtig en prikkelbaar was. Tot
+aller verwondering was Dorus zelfs niet boos geworden, toen juffrouw
+Barbara, zonder hem evenwel te willen kwetsen, onnadenkend vroeg:
+"Vind je 't hier niet vrij wat plezieriger dan in zoo'n kermistent?"
+
+Slechts eenmaal was Dorus weer zenuwachtig en gejaagd geweest,
+namelijk op een avond dat Augusta met Albertine zong.
+
+De twee frissche meisjesstemmen klonken harmonisch en liefelijk
+in 't eenvoudig schoone duët: _Ich wollt' meine Liebe ergösse
+sich_. Eensklaps was Dorus de kamer uitgesneld en in den tuin in
+snikken uitgebarsten. Juffrouw Barbara, die hem was nageloopen, had
+hem met het hoofd voorover op de tafel in 't prieel vinden liggen en
+gezegd: "Ben je gek, Dorus, ga je nu grienen; foei, dat is laf voor
+zoo'n grooten jongen!"--en hij had haar toegevoegd: "Jij hebt geen
+hart in 't lijf, ouwe heks!" Maar toen hij, een kwartier daarna,
+haar wederzag, had hij haar hand gegrepen, die gedrukt en gevraagd:
+
+"Ben je nog boos, juffrouw Barbara?"
+
+"Ja, kwaje jongen!"
+
+"Kom! word maar weer goed. 'k Heb er spijt van, dat ik 't gezegd heb;
+ik meen het niet zoo kwaad; ik kon 't alleen maar niet velen, omdat
+ik die muziek had gehoord; ze was mij in mijn ziel gegaan, en toen
+u dat zei, was 't mij net alsof er iets in mijn binnenste brak."
+
+"Rare jongen, je moest liever geen muzikant worden, als je zoo'n
+kruidje-roer-mij-niet bent."
+
+"'t Zal wel beter met mij worden, als u maar dikwijls een schietgebedje
+voor mij doet." Dorus trok een vroom gezicht.
+
+"Als je spot, worden we weer kwade vrienden; pas op!"
+
+"Zijn we dan nu weer goede vrienden?" en hij keek haar vleiend lachend,
+maar toch ietwat ironisch aan.
+
+"Ja, kwaje jongen!"
+
+
+
+"'t Is een wonderlijke jongen," zei 's avonds onder het naar huis gaan
+juffrouw Barbara tot Tournel; "je kunt niet kwaad op hem blijven. Als
+hij je zoo aankijkt, is hij in 't geheel niet leelijk; je vergeet,
+dat hij een bochel heeft, en ik zou hem heusch een zoen hebben
+kunnen geven."
+
+"Daar zou je hem zeker erg veel pleizier mee hebben gedaan,"
+antwoordde Tournel, terwijl hij zijn wenkbrauwen vertrok en de
+onderlip vooruitstak.
+
+"Akeligheid!" bromde de matrone en zei geen woord meer, totdat ze
+thuis waren.
+
+
+
+Nog zat Dorus in gepeins verzonken in de kamer en keek doelloos voor
+zich uit: de woorden van Jacob en de schampere lach van Pieter den
+tuinman klonken hem nog in de ooren.
+
+Verliefd? Was dat dan liefde, wat hij voor Albertine gevoelde? Hij
+wist het niet. Een gloeiende blos overtoog zijn gelaat, terwijl hij
+er over dacht, dat anderen zijn voorkeur voor de dochter van zijn
+beschermer hadden opgemerkt, en hij had een gevoel, als zou hij haar
+niet meer onder de oogen durven komen. Als Albertine het ook eens had
+gedacht en hem innerlijk uitlachte, evenals de tuinman deed!--Neen,
+dat kon toch niet! Zij was immers altijd zoo vriendelijk en lief,
+zij was vroolijk, opgeruimd en lachte, maar niet om hem, neen,
+neen!... Foei, wat een akelig gevoel hadden hem die spottende woorden
+bezorgd. Tot nog toe was hij zoo vrij en onbevangen mogelijk geweest in
+Albertines nabijheid. Het scheen hem nu toe, alsof hij haar niet meer
+zonder te kleuren in het gelaat zou durven zien; alsof haar oogen,
+als zij op hem rustten, hem zouden zeggen... Ja, wat zouden zij hem
+eigenlijk zeggen? Hij wist het niet, hij gevoelde alleen maar, dat
+zijn onbevangenheid voorgoed weg was. In een oogwenk vloog hem al het
+bloed naar 't hoofd; hij beefde van drift. Die lompe tuinman! de oude
+wijsneuzige Jacob, hij zou ze wel inpeperen, dacht hij. Onwillekeurig
+stond hij op, om te zien of zij nog in den tuin stonden. In zijn
+oog flikkerde de oude toornige vonk, toen hij Pieter ontdekte, die
+doodbedaard de tuinpaden opharkte en een deuntje floot. Werktuigelijk
+greep hij naar een looden presse-papier, die naast het raam op eene
+étagère stond, maar zijn hand bereikte het voorwerp niet;--hij hoorde
+Albertines stem, die den tuinman toeriep:
+
+"Pieter, doe eens gauw het tuinhek open! Gauw! daar is neef Otto!"
+
+De tuinman liep haastig heen. Een paar seconden later zag hij een
+jongmensch door den tuin komen en met veerkrachtigen vluggen tred
+naar het huis snellen.
+
+Albertine vloog hem te gemoet, halverwege den tuin, reikte hem haar
+beide handen, stond even stil en wandelde toen, arm in arm, met den
+nieuwaangekomene naar de veranda. Dorus merkte op, hoe gelukkig zij
+er uitzag, hoe haar gelaat straalde, terwijl zij naar hem opkeek. Zij
+hield vertrouwelijk haar arm in den zijnen en vouwde de handen over
+zijn arm samen. Hij keek haar aan met een paar glanzende oogen en
+fluisterde haar iets in 't oor. Zij lachte hem toe.--Wat ze spraken,
+kon hij niet hooren, maar hij zag, hoe hij haar onder 't wandelen
+een kus gaf op de frissche roode lippen, die zij hem lachend bood.
+
+De tuinman keek het paartje uit de verte na en hield de hand boven
+de oogen, om 't zonlicht af te weren. Jacob kwam juist uit het
+koetshuis en vertrok zijn breeden mond tot een lach, terwijl hij den
+tuinman toewenkte en met den duim over zijn schouder heen, op de twee
+jongelieden wees.
+
+Dat alles zag Dorus, terwijl hij voor het raam stond en hij mompelde
+in zichzelf: "Wat een knap man, wat een mooi gezicht, wat een flinke
+houding; hoe innig keek hij haar aan, en hoe gelukkig zag zij er
+uit. Wat zullen die twee elkaar liefhebben!"
+
+'t Was hem plotseling duidelijk geworden, dat Albertine haar neef
+Otto liefhad. Hij zag het, neen, hij gevoelde het, hoe of waardoor,
+dat begreep hijzelf niet, maar hij was er zeker van en.... hij was er
+niet ongelukkig door, hij leed er niet door, integendeel het deed hem
+goed te weten, dat zij, die hij vereerde, nu niet langer zou kunnen
+blootstaan aan de ruwe of spottende opmerkingen van anderen. Hij
+gevoelde als het ware een soort van verlichting en toch.... hij wou
+liever, dat Otto niet gekomen was.... Zonderlinge tegenstrijdigheid
+in zijn binnenste, waarvan hij niets begreep, dan dat zij bestond.
+
+Toen hij 's middags beneden in de kamer kwam tegen 't etensuur,
+zaten neef Otto en Albertine vertrouwelijk pratend op de canapé en
+dokter Abels in een leunstoel bij hen.
+
+Otto had zijn rechterhand op Albertines schouder geslagen en hield
+met de andere hand de hare vast.
+
+Een oogenblik bleef Dorus in de geopende deur staan. "Daar heb je
+nu Dorus, onzen logé," zei vroolijk dokter Abels, hem ziende, tot
+neef Otto. "Kom eens hier, vriendlief, en maak je compliment aan de
+jongelui. 't Is vandaag een feestdag, want mijn dochter heeft zich
+geëngageerd met haar neef Otto Van Vliet."
+
+Dorus zweeg en boog even het hoofd.
+
+Otto stond op en reikte hem de hand, terwijl hij vroeg: "Ben je weer
+beter? Ik hoorde van Albertine, dat je lang ongesteld waart."
+
+"O ja! meneer," stotterde Dorus, en eensklaps zich tot Albertine
+wendend, zei hij, met een lichten blos op de wangen: "Juffrouw, ik
+hoop, dat u gelukkig wordt, heel erg gelukkig;" en toen Albertine hem
+de hand toestak, drukte hij die zoo hartelijk, dat zij een kleinen
+kreet van pijn niet onderdrukken kon.
+
+"En wat zeg je daar nu wel van, Dorus?" vroeg dokter Abels,
+achteroverleunend in zijn stoel en met welgevallen het tweetal vóór
+hem beschouwend. "Vind je dat niet aardig om zoo'n jong paartje te
+zien, he? Misschien kom ik ook nog eens bij jou feliciteeren, als
+jij de bruigom bent. Je ziet vandaag weer wat bleeker dan anders;
+voel je je niet wel? 'n Beetje geïrriteerd? Heb je hoofdpijn?"
+
+"Neen, dokter."
+
+"Dus je voelt je goed, evenals gisteren, normaal? Niet zoo zenuwachtig
+meer?"
+
+"Neen, meneer!"
+
+"Best, dan zal 't voor jou vandaag ook een feestdag zijn."
+
+Vragend vestigden zich de groote bruine oogen op des dokters gelaat.
+
+"Je moogt vandaag weer eens spelen, phantaseeren zelfs, ter eere van
+mijn aanstaanden schoonzoon. Otto, je zult pleizier in mijn jongen
+hofmusicus hebben," lachte dokter Abels.
+
+"'k Ben er zeer verlangend naar; 'k heb er al zooveel van gehoord
+door Albertine."
+
+"Altijd weer Albertine," dacht Dorus, terwijl hij, den dokter
+aanziende, zei: "Maar mijn viool is niet hier."
+
+"Dat's minder, Dorus; je zult toch kunnen spelen."
+
+"Hoe dan, mijnheer?"
+
+"Op mijn viool; ze is in orde gebracht, en..." hij lachte erg
+vriendelijk, "je moogt haar behouden ook. 't Is een echte Cremona;
+ik geef ze je als aandenken aan dezen dag... den verlovingsdag van
+mijn kind, dat ik zoo graag gelukkig zie."
+
+"Lieve, beste papa!" zeide Albertine.
+
+"Och! dat had je goede moeder nog moeten beleven."
+
+
+
+De viool van dokter Abels was een prachtig instrument, en toen Dorus
+'s avonds, na langen tijd zijn vriendin te hebben ontbeerd, haar in
+de armen hield en de snaren geheimzinnig fluisterend tot hem spraken,
+speelde hij, phantaseerde hij en liefkoosde hij zijn instrument als
+een minnaar zijne geliefde. Hij was naar zijn kamer gegaan, hij wilde
+alleen zijn; er lag egoïsme in dien wensch, maar ook poëzie.
+
+Hoe zong die viool, hoe heerlijk golfde de toon uit de bruine, schoone
+Cremona. Alles vergat hij om zich heen. 't Was hem alsof hij droomde,
+droomde van zijn idealen, idealen, die hij nog niet anders dan in
+onbestemde vormen kende; en toen hij eindelijk den strijkstok neerlei,
+hoorde hij onder zich in den tuin Otto's stem, die verrukt uitriep:
+
+"Dat is heerlijk, verrukkelijk! Ik gaf er alles om, als ik zoo kon
+spelen."
+
+"Mij ook?" vroeg Albertine lachend.
+
+"Neen, jou niet, liefste, jou niet!"
+
+
+
+Een paar dagen later vertrok Dorus weder naar Tournels woning, en de
+oude muziekmeester zag met vreugd zijn leerling terugkeeren.
+
+Augusta toonde hem een vroolijk gelaat en drukte hem hartelijk de hand,
+maar juffrouw Barbara zei:
+
+"Nu begint het spektakel weer; maar als hij 't me te bont maakt,
+dan moet hij de deur uit."
+
+"Dat heb je al zoo dikwijls gezegd, Barbara," riep Tournel lachend,
+"dat we best weten, hoe je 't meent."
+
+De nieuwe viool was een welkome gast. Tournel werd niet moede den lof
+er van te bezingen. "Jongens, jongens! Dorus, je bent zeker onder een
+gelukkig gesternte geboren. Een viool met dien toon is alles voor je
+waard. 't Is een lot uit de loterij."
+
+Opnieuw begon Dorus nu te leeren en te werken. Het verblijf en de rust
+op "Mon Repos" hadden hem goedgedaan; met kracht zette hij zijn studiën
+voort, en toen nogmaals een jaar verstreken was, zei de heer Tournel:
+
+"Beste jongen, nu is het tijd, dat je naar het conservatoire gaat;
+ik zal er met dokter Abels over spreken."
+
+'t Was voor Dorus een groot geluk, dat de dokter nooit iets ten halve
+deed en rijk genoeg was om wat hij wilde geheel en ten volle te kunnen
+doen. Daardoor werd het hem mogelijk gemaakt op het conservatoire te
+Brussel een plaats te vinden.
+
+Tournel zelf bracht hem er heen, en toen zij te zamen vertrokken waren,
+schreide Augusta, en juffrouw Barbara zei:
+
+"Huil je, omdat die kromme krates weg is, malle meid?--Ja? Mocht je
+hem zoo graag lijden?--En hij plaagde je zoo dikwijls.--O, zoo! vond
+je dat wel aardig?--Nu, huil maar niet meer: hij komt terug.--Ja,
+'t was wel een driftkop, maar toch een erg goedige jongen, en 't
+spijt mij ook, dat hij gaat: ik begon nu juist aan hem te wennen."
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+ROOFVOGELS.
+
+
+In de spreekkamer bij den procureur Verhagen zit de oude Philip
+Strijkman in zijn zondagsche jas met een groote ouderwetsche groene
+parapluie tusschen de knieën, op welker knop zijn hoed hangt, te
+wachten; tegenover hem zit vrouw Juttner en naast haar de ongelukkige,
+gebochelde Kobus. De onnoozele knaap ziet er nu vrij fatsoenlijk
+gekleed uit, en zijn moeder, die men vroeger niet anders dan als
+schoonmaakster met jak en rok gekleed kende, heeft thans een groene
+japon aan, een omslagdoek met palmen om en een hoed op, waarvan de
+bruinroode keelbanden onder de kin zijn vastgestrikt. Haar handen
+steken in garen handschoenen, waarvan de vingers te lang zijn en die
+de grove knokkels van haar werkhanden doen doorschemeren. Het drietal
+spreekt geen woord, maar de sluwe, groenachtige oogjes van Strijkman
+gaan rusteloos rond of vestigen zich nu en dan op de mismaakte gestalte
+van den knaap, die onophoudelijk de hand in zijn broekzak steekt om er
+een paar rozijnen uit te nemen, die hij blijkbaar met smaak verorbert.
+
+Vrouw Juttner wisselt af en toe een blik van verstandhouding met den
+pandjesbaas en trekt zwijgend Kobus' buisje terecht of strijkt hem
+het haar uit de oogen.
+
+Geruimen tijd hebben zij zitten wachten, als eindelijk Keesje, de
+jongste bediende, binnentreedt en kortaf zegt:
+
+"U kunt binnenkomen."
+
+Langzaam staat Strijkman op en begeeft zich, gevolgd door vrouw
+Juttner, die haar zoon aan de hand medetrekt, naar het kantoor, waar de
+heeren Krasser en Van Blaak ijverig zitten te schrijven en tersluiks
+van hun werk opzien, als het drietal de deur binnenkomt. Bij het
+binnengaan fluistert Strijkman nog even: "Hou je nou goed, mensch!" De
+procureur, die als naar gewoonte voor zijn schrijfbureau plaats
+heeft genomen, draait half het hoofd om en knikt, terwijl hij zegt:
+"Gaat zitten!"
+
+Keesje schuift een paar stoelen bij de tafel, wijst ze zwijgend
+den binnengetredenen aan en wipt daarna vlug op zijn hooge kruk,
+terwijl hij tegen Van Blaak een vies gezicht trekt en met de oogen
+knipt naar den kant, waar Strijkman zit. Een oogenblik heerscht er
+algemeene stilte op het kantoor, alleen afgebroken door het krassen
+der pennen en het kuchje van Strijkman, die zich de keel schraapt om
+beter te kunnen antwoorden op de vragen, welke hij verwacht, dat de
+heer Verhagen tot hem richten zal.
+
+Deze wendt zich eindelijk om, schuift zijn stoel een eind achteruit,
+en den blik vast op zijn bezoekers vestigend, vraagt hij: "En wat
+kwam u nu eigenlijk hier weer doen?"
+
+Eenigermate van streek gebracht door deze kalme vraag, antwoordt
+Strijkman zachtjes: "We kwamen eens hooren, hoe 't er nu mee staat,
+vanwegens de erfenis, weet u?"
+
+"We wouen er met uwés permissie nou wel ereis haring of kuit van
+hebben," voegt vrouw Juttner er bij.
+
+"Zoo!" Mijnheer Verhagen ziet den knaap strak aan, die zonder zich om
+iets of iemand te bekommeren zijn rozijntjes eet en onnoozel rondziet.
+
+"We zouden nu graag willen weten, of we niet alvast voor den jongen een
+duizend gulden of wat voorschot konden krijgen op de erfenis," zegt
+Philip, terwijl hij er aanstonds op laat volgen: "Juffrouw Blommers
+kan het zóó niet langer uithouden; ze heeft al haar spaarduitjes er
+al aan gespendeerd. Is 't niet waar, juffrouw?"
+
+"Och ja!" antwoordt temend vrouw Juttner, die met onderling goedvinden
+en tot meerdere veiligheid van haar persoon, den naam van Blommers
+heeft aangenomen, "ik heb zoo gaandeweg alles bijgebrokkeld wat ik
+kon en voor dien jongen gedaan, wat menschen-mogelijk was.--Dorus,
+kind! schei nou uit met rozijnen eten; je zult misselijk worden,"
+en luider roept zij: "Hou nou op met eten, Dorus!"
+
+"Och, moeder!" zegt de knaap onwillig.
+
+"Dat is nou aardig, meneer de avekaat: die jongen heeft van het eerste
+oogenblik af aan, dat ik hem van straat heb opgenomen "moeder" tegen me
+gezeid; afijn, ik mocht het wel lijden. En dat is hij blijven zeggen
+nadat hij de hersenziekte heeft gehad... 'k Heb wat met den stumperd
+uitgehouwen, meneer; altijd door maar kouwe doeken op het hoofd en...."
+
+"Ter zake juffrouw. Nu dan, na dien tijd?"
+
+"Zeit hij nog altijd moeder en 't is hem niet meer uit het hoofd te
+praten. Casuweel hé, meneer?"
+
+"Ik heb u reeds de laatste maal, dat u hier was, doen opmerken,
+dat er van voorschot geen sprake kon zijn," antwoordt de procureur.
+
+"'t Is toch wat te zeggen," herneemt Strijkman met een zucht. "Juffrouw
+Blommers en ik, we hebben al heel wat geld aan dien jongen uitgegeven,
+meneer! Niet dat we 't niet voor hem overhebben, och God! neen, dat is
+'t niet, niet waar Dorus?" De pandjesbaas kijkt met zijn gluiperige
+oogen naar den knaap, die zeer ongegeneerd op den rand van het
+kopieertafeltje is gaan zitten en met beide handen over de voorpanden
+van zijn buisje strijkt, terwijl hij grinnikt en op eigenaardig doffen
+toon zegt "Dorus!...Dorus, heet ik... Oome, is 't nou goed?"
+
+Even kleurt een verraderlijk blosje vrouw Juttner's hoekig gelaat en
+Strijkman verschiet van kleur, maar beiden herstellen zich dadelijk
+en wisselen een voor de anderen onmerkbaren blik van verstandhouding.
+
+"'t Is zoo'n hartelijke jongen, meneer, hij zeit altijd "oome." Och,
+uwé had hem vroeger moeten kennen, toen hij nog alle vijf goed bij
+mekaar had," zegt de oude man, grinnikend.
+
+Vrouw Juttner werpt een boozen blik op Strijkman, terwijl ze hem in
+de rede valt met de woorden:
+
+"Nou, zoo erg is 't nog niet: alle vijf! Zeg, de jongen is niet
+gek!" en plotseling bemerkende, dat zij op het punt is om zich te
+verspreken, voegt zij er bij: "Hij is alleen maar wat sufferig, nou
+en dan; is het niet zoo, m'n kind?" De pseudo-Dorus kijkt haar strak
+aan en herhaalt als voor zichzelf. "Dorus!--Kobus! Kobus!--Dorus! Hè,
+hè, hè, hè," en luider: "Gaan we nou heen, moeder?"
+
+De schrik slaat Strijkman om 't hart, als hij die woorden hoort, en de
+procureur ziet beiden bijzonder doordringend aan. Zoo verbeeldt zich
+ten minste het edele tweetal, dat, als door een gemeenschappelijke
+ingeving gedreven, opstaat en aanstalten maakt om te vertrekken. In
+waarheid heeft de procureur slechts een min of meer wantrouwenden
+blik op de lieden vóór hem geworpen, maar zonder nog in 't minst te
+vermoeden welk bedrog er door hen gepleegd wordt.
+
+"Kom eens hier, Dorus," zegt de heer Verhagen.
+
+De jongen blijft staan, waar hij staat, en zoekt in zijn zakken,
+of hij nog rozijnen heeft.
+
+"Kom eens hier, ventje!"
+
+"Och, meneer! de stumperd hoort het niet; hij is doof, erg doof."
+
+"Dat merk ik!"
+
+"Dorus!" roept juffrouw Juttner luid, "ga eens naar meneer,--gauw,
+en steek je vingers niet in je neus."
+
+De knaap doet een paar stappen vooruit en reikt den procureur de hand,
+die deze niet aanneemt.
+
+"Hoe oud ben je?"
+
+"Hè! hè! hè! hè!"
+
+"Hij is nou zestien jaar, meneer! Den 12den Januari geweest."
+
+"Hm! zoo; maar weet je wel zeker, juffrouw, dat deze jongen Dorus
+Makko is, de zoon van den hondenscheerder?"
+
+"Heerem-ensch, meneer!"
+
+Strijkman kucht bedenkelijk en snuit herhaaldelijk zijn neus.
+
+"Meneer de avekaat, kijkt uwé dien jongen eens goed aan, en zie
+dan eens, of een mensch zich daarmee vergissen kan. Zoo'n bult vind
+je niet alle dagen, en dan zoo'n fyselomie. Bovendien, ik heb hem
+immers van klein kind af gekend, en hij mij ook ook; ik was temet
+de eenige, dien hij nog na zijn ziekte herkende. Is 't niet zoo,
+beste jongen?" Strijkman spreekt luid en gejaagd.
+
+"Ja, oome,.... Dorus heet ik, Kobus en Dorus!"
+
+Vrouw Juttner krijgt het benauwd, en Strijkman wischt zich tersluiks
+een paar kille druppels van de slapen.
+
+"Kan hij zich niets meer van zijn vader herinneren?"
+
+"Niemendal, meneer, en van de pampieren ook niet: ik heb ze maar
+eens weer meegebracht. Wil u ze nog eens zien?" vraagt Strijkman,
+om aan des procureurs gedachten een andere wending te geven.
+
+"Dank je, 't heeft voorloopig volstrekt geen nut."
+
+"Och, kijkt u maar eens; 'k heb nu 't portretje ook meegenomen." Hij
+neemt den brief van Adriaan Makko uit den zak en reikt dien met het
+portret aan den procureur over.
+
+Als de jongen het photographietje ziet, strekt hij de hand er naar
+uit en zegt dof: "Daar moet ik ook "oome" tegen zeggen, is 't niet,
+moeder?"
+
+Een nauw bedwongen grimlach omspeelt Strijkmans' dunne lippen, en
+vrouw Juttner ziet welgevallig verwonderd haar zoon aan, die op het
+portretje wijzend, herhaalt: "Oome! hé, moeder?"
+
+"Ziet u, meneer de avekaat, dat herkent hij," zegt op min of meer
+triomfantelijken toon de oude man, en aanstonds laat hij er op volgen:
+"Zou er nou geen mogelijkheid op wezen, dat we ten minste alvast iets
+voor hem kregen?"
+
+"Mijn goeie menschen, ik heb je reeds gezegd, dat ik er niets aan
+doen kan. Er is naar Amerika geschreven, en zoodra we bericht hebben,
+zal de rechter in deze zaak gekend moeten worden."
+
+Bij het woord "rechter" zien de twee roofvogels elkander tersluiks
+min of meer angstig aan.
+
+"Dan moet er een voogd voor hem"--Verhagen wijst op den knaap--"benoemd
+worden, altijd wanneer zijn identiteit voldoende te bewijzen is."
+
+"Identerteit, zeit uwé?"
+
+"Ja, juffrouw! Ik bedoel, als het bewijs geleverd wordt, dat hij
+werkelijk de jongen is, dien wij zoeken."
+
+"Mij dunkt, meneer, dat's toch duidelijk genoeg, uwé kan er gerust
+op wezen; ik zal geen gezond oogenblik meer hebben, als...."
+
+"Goeie vriend, mijn tijd is te kostbaar om langer met je te
+praten. Laat die papieren maar hier; dan zal ik je later wel bericht
+zenden, hoever de zaak is, en...."
+
+"Ik zal de pampiertjes liever maar weer meenemen," zegt Philip.
+
+"Neem me niet kwalijk, meneer, maar uwè heeft ons nu al ruim drie
+verrel-jaars op sleeptouw gehouden, en onze lieve Heer weet hoe lang
+of 't nog duren kan; ik ben een weduwvrouw, die moeite genoeg heeft
+om aan den kost te komen;"--vrouw Juttner trekt een armoedig gezicht
+gezicht--"ik kan toch voor niemendal zoo'n jongen niet eeuwig houden."
+
+"'t Spijt mij voor u, juffrouw, maar u zult geduld moeten hebben."
+
+"En hoe lang kan het nog duren?" vraagt Strijkman, terwijl hij de
+papieren en 't portret weer bij zich steekt.
+
+"Niet te bepalen. De rechter zal...."
+
+'t Woord "rechter" bevalt den pandjesbaas in 't geheel niet, en vrouw
+Juttner voelt zich niets op haar gemak.
+
+'t Is dus eenigermate voor haar een uitkomst, als de procureur zegt:
+"Cornelis, laat deze heer en juffrouw uit."
+
+Als zij vertrokken zijn, keert de heer Verhagen zich half om naar
+Krasser en zegt: "Er is mij iets niet klaar in deze zaak; wat, weet
+ik niet recht, maar je moest eens laten informeeren, wie die juffrouw
+Blommers eigenlijk is."
+
+"Best, meneer!"
+
+Op straat gekomen, valt Strijkman nijdig tegen zijn gezellin, die op
+een sukkeldrafje naast hem loopt, uit:
+
+"'t Is een nare jongen, dat hij nog altijd Kobus zeit; dat moet je
+hem afleeren, versta je?"
+
+"Leer jij 't hem af, als je kunt, ouwe gek. Kom hier, Kobu... Dorus!"
+
+"'k Wou, dat die procureur met zijn securigheid naar den duivel liep."
+
+"'t Gaat niet zoo gemakkelijk, als je dacht, hé, Strijkkie?" hoont
+vrouw Juttner, terwijl zij er bijvoegt: "Je kunt me wel eens weer
+een paar rijksdaaldertjes geven, hoor! 'k Moet huur betalen."
+
+"Alweer geld? Je hebt pas gehad...."
+
+"Pas! Noem jij dat pas? Al veertien dagen geleden.."
+
+"Acht dagen!"
+
+"Dat lieg je; 't is veertien dagen!"
+
+"Wat, wou jij 't me heeten liegen; heb ik je niet verleden week nog
+zeventien gulden gegeven,--zeventien mooie ronde guldentjes?" Strijkman
+zucht.
+
+"'t Is wel mogelijk, maar 't is alweer op; ik kan toch van den wind
+niet leven. Bovendien, wat ik doe, doe ik toch allemaal voor jou
+pleizier...."
+
+"Voor _mijn_ plezier?"
+
+"Ja, natuurlijk. Denk je, dat _ik_ 't liefhebberijwerk vind zoo'n
+jongen te...."
+
+"Hou je mond; je doet 't toch ook om de duiten."
+
+"Waarachtig wel! Maar 'k wou er eerst niet aan, dat weet je toch
+heel goed. En heb ik niet de meeste moeite en last er van gehad,
+om dien stumperd wijs te maken, dat hij Dorus heet?"
+
+"'t Is wat moois; hij zeit er nog altijd Kobus bij."
+
+"Kan ik dat helpen?"
+
+"Is 't dan _mijn_ schuld? Ben je gek: jij moet hem leeren, wat hij
+te zeggen heeft; dat's afspraak."
+
+"'t Is wat lekkers! Je laat mij de kastanjes uit het vuur halen,
+en jij...."
+
+"Nou! wees maar niet boos. En heeft hij 't dan niet goed gezeid van
+'t portretje?--Ja, kind, we gaan naar huis.--Ik heb er een dag aan
+besteed om hem te leeren, dat hij er "oome" tegen zeggen zou; maar
+jij bent nooit tevreden, ouwe suffer.... Loop niet zoo ver weg,
+Kobus. Hier! hier!"
+
+"Daar zeg je nou waarachtig zelf Kobus; je bent 'n uilskuiken. Zoo
+zullen we er nooit komen, als jij zelf je vergist...."
+
+"Och! maak je niet moeielijk; ik weet wat best, wanneer ik op moet
+passen of niet. Wil ik maar even met je meeloopen naar huis om
+de centen?"
+
+"'k Heb geen geld!"
+
+"Och! dat's aardig, dan hebben wij ze alle twee niet... en nou liegt
+een van ons beiden, maar ik niet. 'k Zei daar straks immers vijf
+gulden; maar wel bekeken, is dat te weinig, oude heer! Je moest maar
+liever vier riksen geven, dan kan ik meteen voor den jongen een paar
+nieuwe schoenen koopen."
+
+"Wat zeg je daar, tien gulden? 't Is een schandaal; je wilt zeker
+weer snoepen, hé?"
+
+"Wil je er een dozijntje van maken, des te beter; dan los ik mijn
+oorbellen, die nog achter de schuine deur staan."
+
+"Jou oorbellen! Zeker net zoo gekregen als dat speldje?"
+
+"Je begint me te vervelen met je aardigheden.--Kobus! Kobus! loop niet
+zoo aan den waterkant.--Hier zijn we aan de Prinsensluis. Geef nou
+'t geld maar hier... of zal ik meegaan?" Zij blijft vlak voor hem
+staan bij de brugleuning.
+
+De oude vrek wordt beurtelings geel en rood van ergernis en herhaalt
+zijn poging om uit de handen van zijn kwelgeest te komen, door te
+zeggen: "Ik heb geen geld, waarachtig niet."
+
+"Ook niets meer in je ijzeren kistje, hè!"
+
+Zijn gelaat wordt valer dan ooit, als hij stotterend vraagt: "M.m.mijn
+ijzeren k.k.kist?"
+
+"Dacht je, dat ik niet wist, waar je den aap in bewaarde? Och, m'n
+lieve Strijkkie! vrouw Juttner heeft zulke goeie oogen en ze kan zoo
+zachtjes loopen. Dacht jij, dat ik verleden 's avonds niets gezien
+had? Hè, hè, hè!"
+
+Strijkman heeft zich hersteld en zegt ruw: "Je zeurt."
+
+"Dacht je, dat ik niet gesnapt had, dat jij laatst, toen je de deur had
+opengelaten en ik onverwachts binnenkwam, in eens je kistje onder de
+tafel hebt gestopt? Meen je, dat ik niet begreep, dat je daarom zei,
+dat je niet op kondt staan van de rimmetiek?"
+
+De oogen van den pandjesbaas vestigen zich met een moordlustige
+uitdrukking op de vrouw, als hij met saamgeknepen lippen zwijgt.
+
+"Heb je wel gehoord, dat de avekaat van den "rechter" sprak? Daar
+moet ik niets van hebben, versta je?"
+
+"Serpent!" sist Strijkman.
+
+"Heb je lust om een poos in de gribus [4] te zitten? Ik niet. Ik
+geloof, dat ik het wijste doe om naar dien avekaat te gaan en hem
+te zeggen, hoe de vork in den steel zit; dat jij me hebt overgehaald
+om...."
+
+"Wijf, hou je stil, of...." De oude maakt een dreigend gebaar.
+
+"Poeh! poeh! wat een drukte: wees kalm, man, dan krijg je geen dikke
+beenen. Hè! hè! hè! Dok nou maar gauw een dozijntje guldens... Nou doe
+ik 't geen cent minder.... Zie je, Strijkkie, _ik_ zou wel vrijloopen,
+als ik sprak. 'k Ging weer uit schoonmaken; 'k zou m'n kost wel weer
+ophalen, maar jij was er bij, ha! ha! gloeiend bij, hoor!"
+
+"Moeder, ik heb zoo'n honger."
+
+"Hij heeft trek in zijn eten, Strijkman.--Ja, Kobus, we gaan naar
+huis!--Kom, zanik nou niet langer en geef het geld."
+
+"'k Heb 't niet bij mij; kom dan morgenavond maar na tienen."
+
+"Nou, goed dan! 'k Zal zoolang wachten, maar om tien uur precies sta
+ik op je stoep. Dag, Strijkkie!--Kom, jongen!"
+
+De pandjeshuisbaas draait zich nijdig om en zegt iets tusschen de
+lippen, dat allesbehalve een zegenwensch is.
+
+
+
+Strijkmans winkel is gesloten, vrouw Juttner is prompt om tien uren
+gekomen, en zuchtend heeft de oude man aan zijn kwelgeest twaalf
+gulden uitbetaald. Als zij vertrokken is, neemt hij een boekje en
+noteert er in: "f 12.- aan de weduwe Juttner." De lamp staat op tafel
+en de zwarte kat ligt er als naar gewoonte onder.
+
+"Satansche feeks," mompelt de pandjesbaas, terwijl hij nijdig
+naar de deur ziet, waardoor de vrouw verdwenen is. "Zij ruïneert me
+heelemaal. 't Is God geklaagd. Laat eens zien... 't Is nu," hij telt de
+cijfers, die in het boekje staan, op, "twee honderd zestig... negentig,
+drie honderd... Wel vervloekt!" roept hij hardop... Miauw, zegt de
+poes, die de slaperige oogen opent.
+
+"Daar!"--nijdig prikt de vrek de kat met zijn pen in den neus, zoodat
+zij blazend van de tafel springt.
+
+"Drie honderd zestig--'t is om te huilen--zeven-en-zeventig,
+transporteere:--drie honderd een-en-negentig--'k ga op de
+flesch--vier honderd zes en veertien, is vier honderd twintig--zes
+en dertig.--Satansch wijf!--vier honderd acht-en-zeventig
+gulden! Allemachtig! en dat in nog geen tien maanden!"
+
+Hij smijt woedend de pen op tafel, staat op en loopt in 't kleine
+kamertje op en neer. Zijn roode oogen doen hem pijn van 't kijken.
+
+Met zijn bril op den neus beziet hij nogmaals de cijfers, telt,
+hertelt en ziet dat het eindcijfer juist is. Weer gaat hij aan
+tafel zitten en pruttelt in zichzelven: "Zoo gaat het niet langer;
+'t is niet om uit te houden,--ze melkt me uit als een koe. Was ik
+het maar nooit begonnen. Maar 't is toch ook vier ton! Als ik die
+kluit uitbetaald krijg, kan 't er wel af. Hm! die procureur is niet
+scheutig. God weet, hoe lang 't nog duren kan, eer... En 't is niet
+sekuur ook. Vrouw Juttner is te goochem. O! Philip, wat ben je een
+ouwe ezel geweest! Ja, maar ik moest toch een jongen hebben. Dat
+die Kobus, die krates, ook juist zoo'n moeder heeft.--Zij laat me
+geen rust. 't Is om dol te worden, en ik durf haar waarachtig niet
+aan. Ze is in staat om den heelen boel in de war te gooien, en als
+ik niet meer geef... Hè! 'k zou wel trek hebben om iets te eten,
+maar ik moet zuinig wezen tegenwoordig."
+
+Hij gaat naar het hoekkastje, opent het en kijkt er in. "'k Heb
+niets meer in huis; dat beetje bitter, zou ik dat nemen? Maar dan
+heb ik morgen niets." Hij ruikt aan de flesch. "Hè! dat 's toch
+erg lekker. Kom! één slokje. Hmm...! 'k zal de helft nemen.--Vier
+honderd acht-en-zeventig gulden naar de maan; als 't zoo doorgaat,
+maakt ze me heelemaal op." Hij houdt de flesch tegen het licht, na
+gedronken te hebben, en smakt met de lippen. "'t Doet me goed; 'k
+was zoo rillerig. Och! 'k zal 't maar uitdrinken en dan morgen niets
+nemen, dan komt het overeen uit." Hij drinkt met kleine teugjes, en
+als de flesch leeg is, zet hij ze weer weg, na zorgvuldig de laatste
+droppels op zijn nagel te hebben laten loopen.
+
+De genoten spiritus, hoe weinig 't betrekkelijk ook zij, geeft aan
+zijn wangen een hooger tint en zijn oogen beginnen te glimmen. "Ik
+wou, dat ik haar nu hier had," zegt hij binnensmonds; "'k zou
+haar knijpen, ranselen. Hm! dat 's ook al strafbaar. Tegenwoordig
+is alles strafbaar. Zoo'n afzetster: bij de vijf honderd gulden;
+'k zou haar kunnen vernielen." Hij slaat met de rimpelige vuist op
+tafel. "En hoe kom ik van haar af?--Als zij mij t'avond of te morgen
+maar niet besteelt; daar is ze niets te goed voor." Hij bukt zich
+naar 't luik in den vloer. "Zou ze weten, dat hij dáár staat? Neen,
+dat heeft ze toch niet afgeloerd; maar..." Hij is op 't punt het luik
+te openen! als een kloppen op de voordeur hem doet opschrikken.
+
+"Wat is dat? Zoo laat nog iemand; wie kan dat wezen?"
+
+Met de lamp in de hand sloft hij naar voren.
+
+"Wie is daar?"
+
+"Ikke!"
+
+"Wie is ikke?"
+
+"Doe maar open, Strijkkie! Ik ben 't maar!"
+
+"God zegen me, zij is 't waarachtig! Wat zou ze nu weer willen
+hebben?" Met onzekere hand schuift hij den grendel van de deur, opent
+het slot en laat vrouw Juttner binnen, die zonder plichtplegingen in
+'t kamertje gaat, op zijn stoel plaats neemt en zegt:
+
+"Dat dacht je niet, dat ik van avond nog zou terugkomen, hè? Ja! hoe
+later op den avond, hoe schooner volk."
+
+"Wat moet je?"
+
+"Jongens, wat ben jij beleefd! En ik kom je nogal' waarschuwen."
+
+"Waarvoor?"
+
+"Om op je tellen te passen. Toen ik van avond op mijn kamer kwam,
+zeiden de buren, dat er iemand geweest was, zooveel als een rechercheur
+van de politie, zoo'n stille, weet je... Hij kwam om naar mij te
+informeeren en had vaa alles gevraagd, en..."
+
+"Nou, en?" Strijkman ziet haar angstig aan.
+
+"Zij wisten niets; daarom konden ze niemendal zeggen..."
+
+"En wat zou 't dan verder?"
+
+"Ze zeien, dat hij gevraagd had, of ik de moeder was van Kobus of
+z'n pleegmoeder, en of jij ook al vroeger kennis aan mij had gehad,
+en zoo al meer."
+
+"God bewaar me!"
+
+"En dat er sprake van was, dat jij op een erfenis loerdet... Afijn,
+de man wist zoo wat den heelen boel, naar 't scheen..."
+
+Natuurlijk loog vrouw Juttner ongeveer alles, wat zij' zeide. De
+waarheid was, dat er iemand van Verhagens kantoor was geweest, om naar
+juffrouw Blommers te informeeren: wie zij eigenlijk was, of zij er
+reeds lang woonde, enz. De buren hadden hem, zooals vanzelf spreekt,
+weinig inlichtingen kunnen geven, en de man was onverrichter zake
+weer vertrokken.
+
+De slimme weduwe evenwel besloot dadelijk van deze omstandigheid
+tot haar voordeel partij te trekken, door Strijkman een schrik
+aan te jagen en hem zoodoende hoe langer hoe meer in haar macht
+te krijgen. De vrek was allesbehalve op zijn gemak en antwoordde:
+"'t Is een ellendig ding. Hoe komt zoo'n stille op 't idee; ik heb
+nooit wat met de politie uitstaande gehad."
+
+"Niet? Och kom!"
+
+"Waarachtig niet!"
+
+"Nou 'k heb 't dan wel eens anders gehoord: ze hebben me ereis verteld,
+dat jij er niet vies van bent om goed te koopen, dat op den kop is
+getikt. De juffrouw, die beneden me woont, zei ten minste: "Ik heb
+uwé met dien ouwen Strijkman zien loopen; hoe je aan dien vent komt,
+begrijp ik niet: uwé is zoo'n bedaard, stil, ordentelijk mensch,
+en hij..."
+
+"Ze kent me niet eens!"
+
+"Of ze je kent!--"'t Is een ouwe, vrekkige duitendief, die al lang op
+'t rooie dorp moest zitten",--zei ze."
+
+"Dat zal ze me waar maken!"
+
+"Bedaar nou, Strijkkie. 't Mensch had het zelf van een inspecteur,
+dien langen blonden, je weet wel, die laatst bij je geweest is om...."
+
+"Jawel, ik weet, wien je meent."
+
+"Nou, dat is een verre neef van haar en die zei: "We loeren al lang op
+dien ouwen pandjeshuisbaas; hij zet de menschen af, neemt woekerwinst,
+en... op een goeien dag rukken we hem in,"
+
+"Maar mensch, je bazelt; ik heb nooit met de..."
+
+"Hou je gemak; ik zeg 't immers alleen om je te waarschuwen. Nou
+weet je, dat ze op je vigileeren," herhaalde vrouw Juttner, aan wie
+de angstige uitdrukking van Strijkmans gelaat en het beven van zijn
+handen niet ontgaan was.
+
+"Ze kunnen me niets maken, niets, niemendal!"
+
+"Dat moet je nou niet zoo zeggen, vaderlief; je zult wel wat op je
+boekje hebben, en als zij een hond willen slaan, kunnen ze wel een
+stok vinden. Maar wees maar bedaard: ik zal je wel op de hoogte
+houden, hoor!... Je begrijpt, ik ben wat erg op je gesteld, en 'k
+heb veel liever, dat ze jou niet in de doos stoppen; want 'k moet
+je eerlijk zeggen, 't leven bevalt me zoo een boel beter, dan uit
+schoonmaken te gaan. Ja, of jij nou al in je eigen moppert, dat hoor
+ik niet eens meer.... Zeg! nou ik toch hier ben, kijk eens eventjes,
+of je niet een halfsleten broek voor Kobus hebt; de zijne wordt dun,
+en je begrijpt van die paar centen, die je mij geeft, kan dat niet af."
+
+Een violetkleurige tint verft Strijkmans gelaat, en de vuisten ballend
+vlak voor haar oogen, roept hij eensklaps: "Dier! wat let me of...."
+
+"Ga je gang maar, als je 't hart hebt." Zij ziet hem sarrend aan.
+
+"Mijn deur uit!"
+
+"Zeg, 't hoeft geen mooie broek te zijn," antwoordt zij, kalm zitten
+blijvend.
+
+"Er uit, of....!"
+
+"Nou! voor van avond zal ik je zin eens doen; schreeuw maar zoo niet,
+ik ben slaperig!" Ze staat op en gaat langzaam naar de deur. Tegen
+den deurpost staat een parapluie; vrouw Juttner bemerkt haar, en met
+de woorden: "'k Zal die parapluie maar meenemen, de mijne is weg,"
+neemt zij het regenscherm onder den arm.
+
+"Slaap wel, Strijkkie! Droom ereis van me."
+
+"Geef m'n parapluie op, gauw!"--hij grijpt tevergeefs naar zijn
+eigendom.
+
+"Mis, poes! Zul je om 't broekie denken, ouwe heer! Wel te rusten;"
+en met een grijnzenden lach gaat zij de deur uit, die Strijkman
+werktuiglijk heeft geopend. "n'Avend, Strijkman!--Kijk! 't regent."
+
+
+
+Op straat gekomen, lacht zij er heimelijk om, dat zij den ouden vrek
+zoo heeft beetgehad, en denkt er over na, hoe zij 't aanleggen zal
+om haar prooi altijd zekerder en vaster te verstrikken.
+
+Strijkman is na haar vertrek moedeloos op zijn stoel neergevallen en
+zucht: "'k Ga op de flesch; wat moet ik beginnen, 'k heb niets geen
+recht tegen haar." Hij schreit van woede en spijt en slaat de magere,
+knokkelige handen herhaaldelijk tegen zijn voorhoofd. "Wat te doen,
+wat te doen?"
+
+Boven in huis op een der kamers is het onrustig geworden. Er is
+ruzie, hevige ruzie, allerlei verwarde stemmen schreeuwen dooreen,
+en duidelijk verstaat hij de woorden: "Vrouwenbeul! je moest je
+schamen je vrouw zoo te slaan."
+
+"Ik kan mijn eigen vrouw slaan, als ik wil; ze moet doen, wat ik zeg,
+en anders...."
+
+Strijkman luistert, aan de trapdeur staande. Wederom hoort hij die
+schrille stemmen. Ze klinken akelig door den nacht; hij hoort, hoe
+de vrouw gilt en huilt, hoe de basstem van den man zich telkens weer
+verheft, en eindelijk, hoe er opnieuw klappen vallen.
+
+Op zijn gelaat komt een duivelachtige uitdrukking: er is bij hem
+een gedachte opgekomen, die hem doet glimlachen als een sater. "Als
+ik haar eens trouwde, dan had ik recht! Hm!... dien suffen bochel
+heb ik dan op den koop toe; maar 't is misschien toch de wijste weg,
+hè! hè! hè! hè!" Hij lacht en schurkt zijn schouders heen en weer. "Ik
+trouwen. 't Is zot, erg zot, maar toch de beste weg; ik heb meteen
+iemand, die den boel aan kant kan houden; en als zij sporreling maakt,
+dan..." hij slaat met de hand door de lucht. "Hè! hè! hè! hè!--'t is
+een goed idee. Den jongen heb ik altijd bij de hand, het wijf kan
+mij niets meer maken--ze kan toch haar eigen man niet aangeven--en
+de rest zal ik wel met haar vinden. Hè! hè! hè!" nogmaals klieft hij
+de lucht, ditmaal met den pook, dien hij van de kachel heeft genomen,
+"'k zal haar trouwen, hè! hè! hè! en dan...!"
+
+
+
+
+
+XII.
+
+BIJ OUDE VRIENDEN.
+
+
+............................................................"'t Wordt
+mij hoe langer hoe duidelijker, beste vriend, dat ik nog in heel veel
+zaken bij anderen achtersta. Hoewel ik mijn best doe om in te halen,
+wat ik in mijn kinderjaren heb verzuimd, of niet kon aanleeren, toch
+schijnt het mij alsof ik er nooit zal komen. Soms bekruipt mij een
+gevoel van moedeloosheid, als ik hier de andere jongelui zie, die
+reeds zoo vroeg ruimschoots zijn voorzien geworden van alles wat ik
+mis, en 't kost mij inspanning om niet jaloersch te zijn. Ik troost
+mij met de gedachte: langzaam gaat zeker. Hier op 't conservatoire
+heb ik veel gestudeerd om nog meer te studeeren, maar ik ga vooruit,
+en ge zoudt er u over verwonderen, als gij mij hoordet spelen,
+hoeveel beschaafder en rijker mijn toon is geworden. Mijn Cremona
+is heerlijk en wekt de afgunst van het halve conservatoire op. Wat
+heeft die beste dokter Abels mij daar toch een heerlijk geschenk mee
+gemaakt! A propos, heb ik u reeds medegedeeld, dat juffrouw Albertine
+mij met haar man op haar huwelijksreisje heeft bezocht? 'k Was blij
+haar te zien en te vernemen, dat zij gelukkig is. Haar vader schreef
+mij ook dezer dagen. De goede man blijft steeds mijn beschermgeest;
+ik wou maar, dat ik bij machte was hem te bewijzen, hoezeer ik gevoel,
+welke verplichtingen ik aan hem heb...."
+
+"Zie je, Augusta, dat doet me genoegen, als ik zoo iets lees. Die
+jongen is dankbaar en hartelijk; ik verlang er zeer naar om hem weer
+te zien," zegt de heer Tournel, die in zijn huiskamer zit en een
+brief van Dorus hardop voorleest.
+
+"Schrijft hij niet, of hij spoedig komt, grootpapa?" vraagt het meisje,
+dat, met eenig borduurwerk bezig, bij 't venster plaats heeft genomen
+en aandachtig luistert.
+
+"Zeker! zoo dadelijk zul je 't hooren." Tournel vervolgt met lezen:
+"... Ik verlang er ook naar u allen weer te zien en voor u te
+spelen. Juffrouw Barbara zal..."
+
+"Wat zal juffrouw Barbara?" vraagt eensklaps de huisgeest van den
+muziekmeester, met een stapel borden in de handen en een paar opgerolde
+servetten onder den arm binnenkomend.
+
+"Stoor me niet." Tournel vervolgt: "...Juffrouw Barbara zal nu niet
+meer over mijn _gezaag_ te klagen hebben; zelfs mijn phantaseeren zal,
+hoop ik, nu genade vinden in haar oogen."
+
+"Zoo, denkt hij dat?" pruttelt de matrone. "Hm! hij kon zich wel eens
+vergissen; wat wordt die jongen pedant!"
+
+"Pedant? Geen zweem er van, Barbara!"
+
+"Ja, jij kunt geen kwaad van hem hooren; maar je zult zien, 't wordt
+later een kwast;--dat zijn die artisten toch allemaal!"
+
+"Zoo! dank je voor het compliment."
+
+"Niet te danken, Tournel, 't is tot je dienst."
+
+"Grootpapa! lees verder, als 't u belieft."
+
+"Mijn professeur, monsieur Vianol, heeft zich onlangs met lof over
+een phantasie, die ik gecomponeerd heb, uitgelaten. Hij zei: _C'est
+fort bien; ça parle au coeur_ (wat zegt gij van mijn Fransch?). Ja,
+ik _moet_ het hier wel leeren, er wordt niets anders gesproken.--Ik
+heb ook een kleine burlesque geschreven, die in zijn smaak viel.
+
+"Wat is die compositieleer toch moeielijk en streng; ik leg er nog
+dikwijls mede overhoop, maar ik gevoel en begrijp gemakkelijk, en
+dat helpt. Ik wou, dat u eens hoorde wat ik geschreven heb; 'k zal
+u hierbij een afschrift zenden, dan kunt ge 't eens spelen en mij uw
+oordeel zeggen...."
+
+"Heeft u die kopie al?"
+
+"Ja, kind."
+
+"En is 't mooi?"
+
+"'t Ziet er goed uit, maar ronduit gezegd: 'k waag er mij niet
+aan." Tournel leest verder:
+
+"....De dubbele flageoletten liggen niet gemakkelijk, maar ik kon ze
+niet anders maken; daarom schreef ik er een "ossia" bij."
+
+"Een ossia, wat is dat, Tournel?"
+
+"Een andere, gemakkelijker passage, Barbara."
+
+"Zie je nu wel, dat hij pedant is? Begrijp je niet, Tournel, dat het
+zooveel beduidt als: "dat kun jij toch niet spelen en daarom...."
+
+"Daarom! daarom! Jij moet je niet bemoeien met zaken, die je niet
+aangaan; 't is bovendien de waarheid. Dorus speelt met virtuositeit,
+en ik niet. Stoor me toch niet telkens in mijn lectuur; dek jij de
+tafel maar verder en zorg, dat we iets te eten krijgen... "Gij hebt
+mij in uw laatsten brief gevraagd, beste vriend, of ik 't nu beter
+met de jongelui hier kon vinden? Hebt ge me dan verkeerd begrepen? 'k
+Heb nooit onaangenaamheden gehad; ik sloot mij alleen maar bij niemand
+aan, omdat ik gevoelde, dat... Enfin, 't gaat me nu uitstekend, en ik
+heb een viertal vrienden, die mij aanstaan. Dat is volkomen genoeg;
+wij hebben een clubje gevormd, dat soms allergezelligst vergadert. Ze
+noemen mij in de wandeling: Triangle, driehoek. Drie namen voor één
+bochel! Krates, Boeckelorum, Driehoek; 't is immers veel meer, dan
+ik verlangen kan."
+
+"Dat is aardig gezegd, grootpapa."
+
+"'t Is toch zonderling, dat hij zelf altijd over zijn hoogen rug lacht
+en spot, en toch niet velen kan, dat anderen 't doen; daar ligt eene
+inconsequentie in..."
+
+"Vindt u?"
+
+"Ja zeker!"
+
+"Ik niet; zelf er om lachen is heel iets anders dan uitgelachen
+worden. Uitlachen is kwetsend, zelf lachen verstandig."
+
+"Nu, uitlachen is het woord, niet bepaald; belachelijk is Dorus in
+'t geheel niet, zóó mismaakt is hij niet."
+
+"Neen! hij is mooi... Zijn eene schouder is wel een handbreed hooger
+dan de andere; 't is een koning onder de bochels, hoor!"
+
+"Barbara, wat overdrijf je! Vind je het ook niet, Augusta?"
+
+"Ik vind Dorus in 't geheel niet leelijk, wat zijn gezicht betreft;
+zijn bult, ja! natuurlijk, die is ongelukkig om te zien, maar...."
+
+"Nu, goed dan, 't is een Adonis.--Ben je nu klaar met lezen,
+Tournel? De tafel is gedekt."
+
+"Op 't oogenblik. Waar waren we ook weer? O, ja!"
+
+"...'t Is meer dan ik verlangen kan, en waarlijk, als ik in den
+spiegel zie, schijnt mij die laatste naam "Triangle" bepaald geestig."
+
+"Ha! ha! ha! ha!"
+
+"Lach je daarom, Augusta?"
+
+"Ja, hij schrijft dat zoo aardig."
+
+"...'t Is nu reeds bijna twee jaren, dat ik hier ben, zonder in Holland
+te zijn geweest; waar blijft de tijd! Ik verheug er mij op, dat ik u
+allen tegen het einde van 't jaar zal terugzien, want ik heb plan om
+met Kerstmis over te komen. Dr. Abels schreef, dat hij er bepaald op
+gesteld was. Mag ik dan ook een paar dagen bij u blijven? Als juffrouw
+Barbara mijn kamertje nog niet tot provisiekamer heeft bevorderd,
+zou 't wellicht gaan."
+
+Dat is nog al aardig, dat hij zich dat herinnert. 't Is waar, ik zei
+dikwijls, dat ik er een proviandkamertje van wou maken! Maar dààr
+kunnen we hem niet hebben, Tournel!"
+
+"Waarom niet?"
+
+"'t Is nu geen jongen meer; 't zal wel een verwend heertje geworden
+zijn, daar in Brussel. Weet je wat, Augusta, ga jij dan zoolang in
+'t kleine kamertje slapen; dan kan hij, als hij komt, in jou kamer
+logeeren."
+
+"Heel goed, nicht."
+
+"Gekheid, Barbara, hij moet 't nemen, zooals 't hier is, en...."
+
+"En ik zeg je, dat het niet gebeurt; in huis ben ik de baas, in het
+orkest jij,--begrepen?"
+
+"Goed, goed, kom asjeblieft niet in een anderen toonaard, en luister."
+
+".....Ik beloof algeheele onderwerping aan al haar schikkingen, mits
+zij mij maar niet wegstuurt; want ik beschouw uw huis, beste vriend,
+als mijn tehuis...."
+
+"Hij is toch niet erg pedant geworden, Tournel."
+
+"Zie je wel, Barbara, dat je te voorbarig was... Luister verder... Hoe
+heerlijk, prachtig en rijk het ook bij dokter Abels moge zijn, hoe
+hartelijk en vriendelijk iedereen voor mij is, toch gevoel ik mij
+dáár niet zoo op mijn gemak, als bij u. Mag ik komen?"
+
+"Wat dunkt je, Barbara?"
+
+"Zou je vóór Kerstmis Augusta's kamertje niet kunnen laten behangen,
+Tournel?"
+
+"Hoe zou hij er nu uitzien, grootpapa?"
+
+"Dokter Abels zei laatst, dat hij veel knapper is geworden; hij is wat
+gegroeid, en daardoor schijnt hij niet zoo erg krom als vroeger...."
+
+"Je moet hem eens vragen, als je schrijft, of hij daar gewend is op
+een bed of op een matras te slapen...."
+
+"'k Zal er om denken, Barbara."
+
+"Wat schrijft hij gemakkelijk, grootpapa! 't Is net alsof ik hem hoor
+praten; ik ben ijselijk nieuwsgierig om hem weer te zien. Zou hij mij
+nog herkennen? Neen, hé? Ik ben zoo lang geworden en veranderd, zegt
+iedereen. Of hij mij nog altijd met jongejuffrouw zal aanspreken? Mij
+dunkt, hij moest me maar Augusta noemen, dat klinkt veel prettiger."
+
+"Zeker, kind. Heb jelui elkaar dan vroeger niet bij den naam genoemd?"
+
+"Wel neen, ik noemde hem Dorus, maar hij mij niet Augusta."
+
+"Zoo!"
+
+"Wat zal 't mij een genot zijn om U weer de hand te drukken, beste
+vriend, en U te hooren zeggen: "Je hebt nu methode en school genoeg. Ga
+nu je gang maar: je wildzang is kamerzang geworden." O! ik verdiep me
+nog zoo graag in den tijd, toen ik bij U was; spoedig hoop ik allen
+in gezondheid weer te zien. Mijn beleefde groeten aan juffrouw Barbara
+en uw dochter."
+
+"Ha! ha! ha! wat klinkt dat deftig, grootpapa!"
+
+"Vind je?"... "Postcriptum. Maakt Boppie 't goed?"
+
+"Bop! Bop!"
+
+"Waf! waf!"
+
+"Compliment van den baas."
+
+"Malle meid!"
+
+"De soep staat op tafel, Tournel."
+
+
+
+'t Is nacht!
+
+De torenklok slaat twaalf; dof en zwaar dreunen de slagen, alsof er
+sneeuw in de lucht ligt. Langzaam valt de hamer twaalf malen op de
+klok, hoog boven in den toren. Over de huizen en het dak der kerk
+ligt zwart en ondoordringbaar de nacht en daardoor schijnt het bijna
+alsof de toren vrij in de lucht zweeft.
+
+Bij elken klokslag beven de oude steenen muren, de balken en binten,
+en valt langzaam een weinig stof naar beneden tot onder in den toren;
+zóó gaat het jaren lang, altijd door, altijd een weinig, totdat
+eenmaal de muren zelf ineenstorten en alles stof wordt.
+
+De klok slaat en het geluid zweeft over alle daken; zachtjes, bijna
+onmerkbaar trillen overal de vensterruiten. Hoe weinigen hooren het
+uur van middernacht. Wie bekommert zich om het beetje stof, dat van de
+muren valt? Wie denkt er aan, dat elk uur een stofdeel van uw eigen
+heerlijkheid schudt? Zorgelooze mensch! ge voelt het niet. Morgen
+vroeg ziet ge in den spiegel en vindt uw aangezicht onveranderd,
+evenals den kerktoren vóór u,--en toch valt er stof bij elken klokslag!
+
+De nachtwacht hoort de torenklok. Twaalf uur! Brrr!! 't wordt koud,
+bitter koud; hij trekt zijn jaskraag omhoog, zijn muts dieper over
+de ooren. Onverschillig ziet hij rond; zijn blikken dwalen langs de
+donkere vensters, totdat hij er een bemerkt, waar achter de gordijnen
+nog een nachtlichtje brandt. Daar sluimert een jong meisje. Straks,
+als de dag door de ruiten dringt, kust hij een paar oogen wakker,
+die nog nooit een morgen zagen zonder frisscher te glanzen dan den
+dag te voren en die aan den ontwakenden morgen trots mogen vragen:
+"Wie is schooner, gij of ik?" Als het dag wordt, schijnt het bijna
+alsof alle bloesems, die de tijd op het gelaat van anderen ontbladerde,
+op dit gezichtje werden uitgestrooid, midden in den nacht, terwijl
+buiten de winterstorm huilde in de duisternis.
+
+De nachtwacht gaat verder: "Twaalf uur heeft de klok; bewaar je vuur
+en licht!" klinkt zijn eentonige roep.--Nog is de klank van zijn
+stem niet uitgestorven in den stillen nacht, als in een huis naast
+dat andere een licht wordt gebluscht. Er is daar iemand gestorven,
+en een doode heeft geen licht meer noodig. Een menschenziel is van
+de aarde verdwenen. Een tempel is ineengestort, gebouwd van hoop en
+wenschen, van vreugde en leed, teleurstelling en verwachting.
+
+De nachtwacht gaat verder....
+
+Gij jong en zorgeloos meisje, dat daar sluimert in het vriendelijke
+huis, als morgen de jonge dag uw jeugd met nieuwe bekoorlijkheden
+tooit, zie dan naar het huis naast u! Weldra zal daar een lijk, eenmaal
+jong en stralend van leven evenals gij, worden uitgedragend,--slechts
+één polsslag vroeger van de eeuwigheid. Zie naar den toren tegenover
+u! Schoon ge het niet ziet, toch is het zoo: er valt stof, altijd
+door, gestadig!
+
+Maar 't is nog geen morgen; de wind fluit ijskoud verstijvend langs
+de daken en door de straten. In de tuinen trekt en rukt hij aan de
+takken der boomen, met doelloos brutaal geweld, evenals een vagebond.
+
+Nu beproeft hij zijn kracht aan de schoorsteenen, als wilde hij
+ze omverwerpen. Zijn ze te hecht en te sterk, dan blaast hij er
+nijdig doorheen, zoodat de warme asch in den haard uiteenstuift en
+de sluimerende vonken opnieuw ontgloeien. Als een deugniet voert hij
+midden in den nacht allerlei kattekwaad uit.
+
+Buiten bij de gracht staat een hooge populier, die zich den geheelen
+zomer in het water spiegelde, van 's morgens tot 's avonds. Nog
+gisteren keek hij er in, dor en bladerloos, stroef en ernstig, als
+telde hij de naden en strepen van zijn schors.--Daar komt de wind,
+schudt hem ruw heen en weer, blaast met kracht zijn spiegel, zijn
+eenige vreugde, mat en trekt een ijsvlies over het water. Gewoonlijk
+echter doet hij dit eerst tegen den morgen, als hij uitrust van
+het geweld, dat hij in de duisternis maakte. Hij rammelt met de
+zolderluiken, fluit een snerpend lied op een gebroken vensterruit of
+draait den windwijzer op het dak van de kerk heen en weer, tot hij
+steunt en knarst, zoodat de kraaien in den toren onrustig worden en
+eindelijk angstig heen en weer vliegen.
+
+Eén uur slaat de klok; de dikke, zware toon hangt zich in den ruwen
+wind en vliegt er mede voort, totdat hij eindelijk in de verte
+verdwijnt en sterft.
+
+De wind is bedaard, de nevel trekt op en de nacht verschuilt zich
+in de kelders, om plaats te maken voor een helderen frisschen
+Kerstmorgen. Het licht tintelt in duizend heerlijke kleuren op de
+berijpte boomen, en vroolijk schijnt de zon op de van de koude blozende
+wangen der menschen, die door de straten van het stadje heen en weer
+loopen, trappelende met de voeten en met de tintelende vingers in de
+zakken, in handschoenen of in bonte moffen.
+
+
+
+De ochtendbeurt is gedaan. Met blauwe neuzen en strakke koonen keeren
+de vrome kerkgangers naar hunne huizen terug of zoeken vrienden en
+bekenden op, bij wie zij den Kerstdag zullen doorbrengen.
+
+Voor 't venster der woning van den muziekmeester staat Augusta en
+wischt met haar zakdoek een plek schoon op een glasruit, waar de
+ijsbloemen den strijd om haar leven moeten opgeven, want de kachel
+is haar moordenaar.
+
+Barbara loopt van de keuken naar de kamer, en van de kamer weer naar
+de keuken, keurt de koffie, die geurige dampen verspreidt, en warmt de
+boter, die zij met bekwame hand sierlijk in het vlootje terechtschikt.
+
+"Daar komen ze, daar komen ze!" roept het meisje op eens en snelt de
+kamer uit naar de voordeur, opent die en laat met een blijden groet
+en hartelijken handdruk Dorus en Tournel, die hem van den postwagen
+heeft gehaald, binnen. Juffrouw Barbara komt, ijlings haar boezelaar
+afdoende en achter de keukendeur werpend, nader, en als zij Dorus
+ziet, reikt ze hem de hand, met de woorden: "Komaan! ben je daar
+weer? Dat's nu eens goed. Je bent gegroeid; je ziet er goed uit. Ga
+maar eens gauw zitten; je zult wel koud zijn."
+
+"Waf! waf! waf!"
+
+"Ben jij daar, Boppie? Ken jij den baas nog, goeie hond?"
+
+"Waf!"
+
+Augusta ziet hem met verwondering aan.
+
+'t Is Dorus, en toch is het juist alsof het een ander is, denkt het
+meisje, als zij hem, terwijl de anderen druk en levendig praten,
+in stilte opmerkzaam gadeslaat. Wat er aan hem veranderd is, weet
+zij niet recht, want zijn gezicht is, schoon iets minder bleek dan
+vroeger, toch hetzelfde gebleven. De oogen zijn even groot en bruin,
+maar--ja! dat zal het zijn,--er is een geheel andere uitdrukking in
+gekomen: 't is alsof ze nog verstandiger en zwaarmoediger rondzien; de
+mond lacht vriendelijk, en toch is er een trek van vastheid en rust om
+de lippen gekomen, dien zij vroeger niet kende. Onwillekeurig bloost
+zij, als Dorus na de eerste begroeting het woord tot haar richt en
+op vroolijken toon zegt: "'k Zou je--pardon! U--haast niet herkend
+hebben, want...."
+
+"Och zeg liever je, als je wilt; 't klinkt veel beter."
+
+"Mag ik?" Dorus ziet Tournel glimlachend aan.
+
+"Natuurlijk; kort voordat je kwaamt, zei ze nog, dat 't haar pleizier
+zou doen, indien je haar Augusta wildet noemen."
+
+"Is 't heusch?"
+
+'t Meisje bloost sterker, maar ziet hem flink in de oogen, als zij
+antwoordt: "Zeker; dat jongejuffrouw is zoo stijf."
+
+"Wil je mij dan ook weer als vanouds Dorus noemen? Of zeg je soms
+liever Triangel?"
+
+"Foei! wat een vraag."
+
+Dorus reikt haar de hand, terwijl hij zegt:
+
+"Zooals je wilt; Augusta dan,--maar 'k mocht toch waarlijk wel juffrouw
+zeggen tegen een dame als jij."
+
+"Och kom!"
+
+"Zeker!" In stilte denkt hij, terwijl hij haar bewonderend aanziet:
+"Wat is zij mooi geworden! Welk een lieve uitdrukking hebben die
+oogen!"
+
+Juffrouw Barbara leest op Dorus' gelaat den indruk, dien Augusta op
+hem maakt, en zegt vrij scherp: "In mijn tijd werd men eerst een dame,
+als men meerderjarig was; ik ten minste was op dien leeftijd...."
+
+"'k Geloof het graag, juffrouw Barbara," valt Dorus min of meer
+onbescheiden in.
+
+Tournel, die aan het gelaat van zijn nicht ziet, dat er slecht weer op
+komst is, mengt zich in het gesprek door te vragen: "En mij, vind je
+mij niet veranderd, grijzer geworden? Maar Barbara heeft de eeuwige
+jeugd, is't niet zoo?"
+
+Ondeugend glimlachend antwoordt de jonkman: "Ik vind u niets verouderd,
+maar vooral jùffrouw Barbara niet. De last der jaren drukt u beiden in
+'t minst niet."
+
+"De last der jaren," pruttelt de matrone, onaangenaam getroffen
+door dit woord, en zij denkt er bij: "Wie weet, voor hoe oud hij mij
+aanziet, zoo'n akeligheid!"
+
+Weldra zitten allen in de gezellige kamer bijeen, en zelfs Barbara's
+humeur is niet bestand tegen de bedarende macht van de snorrende
+kachel, de dampende koffie en van het kerstbrood, dat zoo uitlokkend
+met krentenoogen tot eten uitnoodigt. Dorus' blikken vestigen zich
+als vanzelf op het tegenover hem zittende meisje, dat hem vroolijk,
+als oude bekende, toelacht en vrij en frank hem aankijkt, als zij
+zegt: "Toe, Dorus, doe alsof je thuis waart. Mag ik je nog eens
+even bedienen?"
+
+Wat is zij veranderd; hoe groot en zacht zijn die oogen geworden! Als
+zij spreekt, lachen ze zoo vriendelijk, en de hagelwitte tanden kijken
+zoo vroolijk tusschen de kersroode lippen uit. Bewonderend volgt hij
+haar bewegingen; er ligt een natuurlijke gratie in alles wat zij doet,
+en haar buigzame, maar toch gevulde en sierlijke gestalte steekt zoo
+voordeelig af bij de stokkerige vormen en hoekige bewegingen van
+juffrouw Barbara, dat hij onwillekeurig medelijden met de matrone
+krijgt.
+
+Ongedwongen is alles wat zij doet; vrij, zonder bazig of onvrouwelijk
+te zijn, gezellig pratend, zonder te ratelen of te babbelen, is Augusta
+inderdaad eene allerliefste jonge dame geworden. Dorus merkt het met
+vreugde op; zijn blikken wenden zich niet van haar af, en zijn oor gaat
+te gast, als hij de muziek harer stem hoort. En niet alleen Dorus denkt
+er zoo over, neen! al de heeren leden van Polyhymnia zijn het er vrij
+wel over eens, dat juffrouw Tournel's stem geheel in overeenstemming is
+met haar uiterlijk. Sommige dames uit het stadje, die meer of minder
+jaloersch zijn op Augusta's aantrekkelijke verschijning, beweren wel
+is waar, dat zij minder mooi dan wel interessant is en dat men te
+veel ophef van haar zang maakt, maar moeten toch erkennen, dat zij,
+zooals men 't noemt, _à la mode_ is; en menig dilettant-bariton,
+bas of tenor, dingt naar de eer om haar balboekje, bij 't jaarlijksch
+bal der zangvereeniging, in handen te krijgen. Zooals zij daar nu zit
+in 't eenvoudige huisjaponnetje, smaakvol maar bescheiden gekleed,
+boeit zij door ongekunstelde en natuurlijke vroolijkheid.
+
+
+
+De koffie is gedronken, het kerstbrood een ruïne geworden, en
+nog zitten allen rondom de tafel. Van lieverlede is Dorus aan het
+vertellen geraakt. Hij spreekt over Brussel, over zijn ervaringen aan
+het conservatoire, vertelt van zijn vrienden en bekenden, en doet dat
+zoo levendig en aangenaam, op zoo beschaafden, soms geestigen toon,
+dat hij, zonder 't zelf te weten, het drietal, dat aandachtig toehoort,
+aan zijn lippen kluistert.
+
+Augusta lacht nu en dan luid en hartelijk en wendt geen oog van hem
+af. Zij verwondert er zich over, dat hij zoo vroolijk vertellen kan,
+en denkt herhaaldelijk in zichzelve: "Hoe is 't mogelijk, dat een
+paar jaren iemand zoo veranderen kunnen."
+
+Dorus denkt juist hetzelfde van haar.
+
+"En nu moet Augusta eens voor je zingen, Dorus. Je zult erg aan haar
+zang gewonnen hebben; ze heeft nu voldoende school en--ja! schrik
+niet--coloratuur ook!" zegt Tournel, als men eindelijk van tafel
+is opgestaan.
+
+"Ei, ei! coloratuurzangeres?"
+
+"Och, grootpapa," antwoordt het meisje even kleurend, "'k ben nu niet
+bij stem...."
+
+"Moet ik deftig worden, Augusta: laat je je bidden, of is 't nog
+als vroeger?"
+
+"Heb ik me ooit laten bidden, Dorus?" Haar stem klinkt een weinig
+geraakt.
+
+"Ben je boos?" vraagt Tournel.
+
+Zonder antwoord op deze laatste woorden te geven, zet Augusta zich
+aan de piano, preludeert even en slaat dan met vaste hand eenige
+akkoorden aan.
+
+Genoeglijk glimlachend knikt Tournel zijn ouden leerling toe, als het
+meisje met haar krachtige altstem begint te zingen: _Ich grolle nicht_.
+
+Even ziet zij om en lacht naar Dorus bij deze woorden.
+
+"'t Past er niet precies op, Augusta, maar 't is toch aardig gevonden."
+
+Zuiver als glas, krachtig als metaal, maar innig en gevoelvol klinkt
+haar geluid door de kamer. Tournel knikt herhaaldelijk tevreden met
+het hoofd en ziet Dorus aan, als wilde hij zeggen: "Zie je, dat is
+'t gevolg van mijn methode, daar zit school in..." _Ich grolle nicht,
+Wenn mir das Herz auch bricht..._ Met een onbeschrijfelijk weemoedige
+uitdrukking zingt het meisje de slotwoorden, en Dorus, die zwijgend
+heeft zitten luisteren, springt eensklaps op. De tranen staan hem
+in de oogen en de stem stokt hem in de keel, als hij "bravo!" roept,
+terwijl hij haar zijn beide handen toesteekt.
+
+"Dat is zingen! Augusta, ik dank je...."
+
+"Au! je doet me pijn, Dorus!"
+
+"O! pardon. Och! neem me niet kwalijk, 't kwam door je eigen schuld;
+waarom zing je ook zóó!--Ja, juffrouw Barbara! lach me maar gerust uit,
+geneer je niet; ik zie toch wel, dat je 't doet."
+
+"Ik denk er plotseling aan, dat ik je eens zag grienen in 't prieel."
+
+"Grienen?"
+
+"Wel ja, toen de twee meisjes dat duet zongen. Weet je 't niet meer?"
+
+"O, ja! nu herinner ik 't mij. Op "Mon repos...""
+
+"Juist! Je bent nog niets veranderd; ik dacht, dat je nu niet meer
+zoo'n otje-buiskruit was."
+
+"Otje--wat?"
+
+"Zoo'n buskruitvaatje. Poeff!! dat vliegt me op als pulver bij
+'t minste of geringste, en dan op eens paf! neergeslagen als een
+pannekoek, en grienen er bij. Wat was je toen laf!"
+
+"Artistenbloed, Barbara!"
+
+"Och, loop heen! Artistenbloed is evenals alle overig bloed, geen
+zier anders, Tournel!"
+
+"Dat's niet waar, nicht Barbara!"
+
+"Kijk me zoo'n wijsheid eens aan. De jongejuffrouw wil ook een duit in
+'t zakje gooien."
+
+Met een verhoogden blos op de wangen antwoordt Augusta: "Een artist
+heeft geen visschenbloed, zooals zoovelen, die met niets dwepen,
+wie niets in verukking kan brengen en die voor niets gevoel hebben,
+dan voor 't alledaagsche. Bah! ik heb een hekel aan menschen, die
+nooit in vuur kunnen raken, die nooit warm worden, die nooit boos
+zijn óf driftig!"
+
+Dorus verslindt haar als 't ware met de oogen, als zij vervolgt:
+
+"Neen, dan heb ik liever iemand, die opvliegt of een traan in de
+oogen krijgt; die voelt en begrijpt, wat hij hoort.."
+
+"Maar, Guustje!"
+
+"'t Is niet laf, als een man schreit van aandoening; 't is alleen
+een bewijs, dat hij een hart heeft en geen stokvisch is."
+
+"Maar, kind, wat mankeert je?"
+
+"Niets, nicht Barbara! maar ik word boos, als ik zoo iets hoor,
+en dan kan ik niet zwijgen."
+
+"Artistenbloed!" zegt Dorus, op haar toe gaande en haar de hand
+toestekend.
+
+"_Mijn_ bloed!" roept Tournel verheugd.
+
+Barbara trekt de wenkbrauwen omhoog, en zich omdraaiend bij de deur,
+tikt ze even met den voorvinger tegen het voorhoofd, terwijl ze onder
+'t heengaan mompelt: "Alle drie."
+
+Gelukkig heeft geen van 't drietal de vleiende pantomine van nicht
+Barbara opgemerkt, en als zij vertrokken is, zegt Dorus: "Augusta,
+ik dank je; dat was ferm gesproken."
+
+Nog schitteren de oogen van het meisje, nog kleurt een donker rood
+haar wangen, en de lieve, vriendelijke mond heeft een ernstiger plooi
+gekregen, als zij antwoordt: "Misschien heb ik te veel gezegd voor een
+meisje, maar ik kan het niet helpen; ik ben nu eenmaal zoo, ik zou...."
+
+"Jij zoudt iemand vurig kunnen lief hebben, maar ook fel kunnen haten,
+geloof ik."
+
+"Haten? Dat is 't woord niet."
+
+"Ik wel!" In Dorus' oogen flikkert een oogenblik het oude,
+onbluschbare, wilde vuur. "Ik heb lief,--of ik haat, onverdeeld. Een
+middenweg is er niet!"
+
+Bijna beangst ziet het meisje hem aan, als zij antwoordt: "Dat meen
+je niet..."
+
+"Waarlijk wel!"
+
+"Maar iemand kan je toch ook onverschillig zijn."
+
+"Ja, misschien heb je toch gelijk, Augusta; maar met menschen, die
+mij onverschillig zijn, bemoei ik mij ook niet."
+
+"Zoo!... Maar ik vind dat woord haten van jou verschrikkelijk."
+
+"Kinderen, windt elkaar niet noodeloos op. Vooral heb jij, Dorus, nog
+geen oorzaak om iemand te haten; en jij, Augusta, zult nog dikwijls
+genoeg met hem kunnen kibbelen. Dus daarom...."
+
+"Maar wij kibbelen volstrekt niet, grootvadertje! Is 't wel, Dorus?"
+
+"Integendeel, wij sympathiseeren?"
+
+"Zij sympathiseeren!" lacht Tournel, met welgevallen de twee
+jongelieden vóór hem beschouwend.
+
+"We zullen bepaald goede vrienden zijn, Augusta!"
+
+"Dat zijn we immers altijd geweest."
+
+"Heb jij nog wel eens gedacht aan den tijd, toen ik nog hier
+woonde? Weet je nog, dat je mij een heiden noemdet?"
+
+"Ik, Dorus? Tante deed het!"
+
+"Wel neen! Jij ook."
+
+"Ja, maar dat was alleen uit gekheid. En jij noemdet mij de kleine
+kat."
+
+"Dat was ook gekheid, natuurlijk; want je was volstrekt niet kattig,
+nooit!"
+
+"Maar 'k ben 't nu geworden, Dorus! Dat heb je zoo even wel gemerkt!"
+
+"Je vischt!"
+
+"Wà-blief?"
+
+"Je vischt!"
+
+"'k Begrijp je niet."
+
+"Och kom!"
+
+"Heusch niet!"
+
+"Papa Tournel, je kleindochterje is coquet geworden."
+
+"Vind je, Dorus?"
+
+"Zeker!"
+
+"Coquet? Daar protesteer ik tegen; 't is volstrekt niet waar."
+
+"Nu! nu! word maar niet boos."
+
+"Ik ben niet boos, maar ik vind je akelig."
+
+"'t Spijt me voor jou!"
+
+"Voor mij?"
+
+"Ja, want 't is niet aangenaam om met iemand, dien je akelig vindt,
+te sympathiseeren."
+
+"Nu vind ik je nog akeliger."
+
+"Des te erger voor je!"
+
+"Ik sympathiseer volstrekt niet met je, hoor je wel?"
+
+"Ich grolle nicht!"
+
+"Ba! je zingt valsch en leelijk."
+
+"Dat is waar, volkomen waar; we zijn 't alweer eens."
+
+"Ik vind je onuitstaanbaar."
+
+"En ik vind jou allerliefst en mijzelven heel akelig. Zie je wel,
+Augusta, dat we toch sympathiseeren?"
+
+"Plaaggeest!"
+
+"Ha! ha! ha! 't is curieus om te hooren."
+
+"Help me liever tegen hem, grootpapa; ik houd het niet uit."
+
+"Dat's te bescheiden, dat meen je niet!"
+
+"Foei! je maakt het te erg; ik ga heen...."
+
+"Kom niet te gauw terug!"
+
+"Waarom niet?"
+
+"Omdat we 't dan te spoedig eens zouden zijn."
+
+Lachend verwijdert zich het meisje, en Tournel klopt Dorus op
+den schouder, terwijl hij zegt: "Je hebt er goed slag van om
+te plagen.--Maar gekheid apart, wat zeg je van haar?--Een dot,
+hé? Kerel! 't is mijn schat, mijn oogappel, mijn trots. Wat een
+stem! Ze zingt _f_ kruis, de lage _g_, kolossaal voor een alt!--Wat
+een taille, 't is een volwassen vrouw,--en nog pas achttien..... Keek
+je niet op, toen je haar terugzaagt? Zeg, Dorus, is 't niet een meisje
+om op te verlieven?"
+
+De oude muziekmeester geraakt in vuur, als hij over zijn kleinkind
+spreekt, en wordt niet moede al haar deugden en voortreffelijke
+hoedanigheden op te sommen. En als hij eindelijk zegt:
+
+"Ja, ja! ze is nu geen kind meer, al wil Barbara haar ook nog zoo graag
+klein houden. Wil ik je eens wat vertellen? Maar geheel _entre-nous_
+hoor! Ze heeft al aanzoek gehad, dat wil zeggen, ik voor haar, zie je;
+zij wist er niets van, geen jota; 't was iemand, die haar herhaaldelijk
+op Polyhymnia ontmoet had, en je begrijpt...."
+
+Als Tournel dat zegt, begrijpt Dorus plotseling, dat ook hijzelf
+geen kind meer is en dat het meer dan vriendschap is, wat hij voor
+Augusta gevoelt. Zóó plotseling, zoo spontaan evenwel overkomt hem
+dat gevoel, dat hij er, ondanks zichzelven, van schrikt. Hij merkt,
+dat hij eerst bleek wordt en dan weer rood, en ziet met eenigen angst
+naar Tournels gelaat, of daarop ook te lezen staat, dat deze zijn
+ontroering bemerkt. Maar neen! de oude man is veel te veel met zijn
+eigen gedachten bezig om op Dorus te letten.
+
+"Ze is nog wat jong om.... enfin dat wordt alle dagen beter--en hij
+is nog maar candidaat-notaris; dat is een treurig baantje, als je geen
+protectie hebt. Ik heb 't vooreerst afgewimpeld, maar.... hij houdt aan
+en ik geloof, dat Guustje hem gaarne ziet; 't is ook een aardig mensch,
+een knappe jongen, 'n mooie krullekop, een figuur als een prins en...."
+
+Een pijnlijke trek vliegt over Dorus' gelaat, als hij onwillekeurig
+in den spiegel ziet, die achter Tournels stoel hangt, en in gedachten
+de woorden herhaalt: "Een figuur als een prins...."
+
+Een zucht ontsnapt onhoorbaar zijn borst, hij zwijgt en buigt even
+het hoofd.
+
+"Wil ik nu eens voor u spelen?"
+
+"Graag, daar verlang ik naar. Je viool is hiernaast; ik heb ze
+opgeborgen. Wacht! ik zal ze halen;" en opstaande, verlaat de oude
+heer even het vertrek.
+
+Als hij alleen gebleven is, slaat Dorus nogmaals een blik in den
+spiegel; 't is een weemoedige blik, die, door 't glas weerkaatst,
+hem eensklaps doet zeggen: "Triangel! Krates!"
+
+Dorus speelt. 't Is zijn eigen compositie, de _Burlesque_, die hij
+te Brussel schreef. Tournel zit achterover in zijn stoel geleund,
+met de beenen over elkaar geslagen en de rechterhand onder 't
+grijze hoofd, aandachtig te luisteren. Soms trekt hij plotseling de
+wenkbrauwen omhoog en spitst hij de lippen, als wilde hij daardoor
+zijn verwondering te kennen geven over 't geen hij hoort; en zachtkens
+wiegt hij het hoofd heen en weer, als een thema uit de _burlesqe_,
+dat eenigszins den rhytmus van een wiegeliedje heeft, zijn ooren
+streelt. In de gang bij de half geopende deur staat Augusta met de
+handen gevouwen te luisteren; 't is koud in de gang, maar zij merkt
+het nauwelijks en ongeduldig wenkt zij achterwaarts met de hand tot
+zwijgen, als Barbara, het hoofd uit de keuken stekend, haar toeroept:
+"Ga toch naar binnen, je krijgt het anders beet..."
+
+De _burlesque_ is geëindigd met een schitterende variatie en een
+finale, die een volkomen meesterschap der techniek vordert.
+
+"Bravo! Bravissimo! dat heb je ontzaglijk goed gespeeld," roept
+Tournel vol verrukking uit, als Dorus den strijkstok laat zinken.
+
+Augusta is naar haar kamertje gegaan en blijft daar een oogenblik in
+gepeins voor 't venster staan; zij merkt niet, dat de glasruit bevroren
+is en dat ze niet naar buiten ziet. Zij denkt aan 't geen zij hoorde en
+tracht zichzelf rekenschap te geven van wat zij ondervindt. In langen
+tijd heeft zij zich niet zoo tevreden en gelukkig gevoeld als nu. Zou
+'t kunnen komen, omdat Dorus terug is? Zij weet het niet recht en
+blijft een poosje staan denken.
+
+Eindelijk merkt ze, dat het vinnig koud is, en gaat terug naar de
+huiskamer, waar zij door Tournel ontvangen wordt met de woorden:
+"Jammer, dat je niet hier waart, Augusta; Dorus heeft gespeeld, en..."
+
+"Ik heb de _burlesque_ gehoord grootvader;" en tot Dorus zich wendend:
+"Ik maak je wel zeer mijn compliment".
+
+Er trekt een wolk over 't voorhoofd van den jonkman bij die woorden,
+en bijna geraakt antwoordt hij:
+
+"Dank je! Maar 'k wou liever dat _jij_ 't minder deftig hadt gezegd."
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Voel je dat niet?"
+
+Augusta kleurt even, als zij zachtjes antwoordt: "Neen!"
+
+"Dat spijt mij."
+
+"Dorus! nu moet je mij, mij in 't bijzonder, een groot genoegen doen,"
+zegt Tournel, eensklaps het gesprek afbrekend.
+
+"Waarmee? Als ik 't kan, gaarne, dat weet u wel."
+
+"Aanstaanden Maandag over acht dagen hebben wij een groote uitvoering
+van Polyhymnia; doe mij het pleizier en speel één nommer, bij voorbeeld
+deze _burlesque_."
+
+"Twee, als ge wilt, beste vriend! Maar zal dokter Abels 't goedvinden?"
+
+"Waarom niet? En bovendien, je kunt het hem immers vragen...."
+
+"Dorus!" zegt op eens Augusta, die een oogenblik heeft staan nadenken.
+
+"Wat is er, Augusta?"
+
+"Je bent toch niet boos op me, wel?"
+
+"Zeker niet; maar...."
+
+"Dacht je, dat ik je spel niet mooi vond?"
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Omdat ik zoo koel zei: "Ik maak je zeer mijn compliment."
+
+"Hm! dat niet; maar ik had toch liever gehad, dat..."
+
+"Ik wist op 't oogenblik niets anders te zeggen, omdat, omdat--nu,
+omdat ik geen woorden had om te zeggen, _hoe_ mooi ik 't vond..."
+
+Met kracht vliegt het onstuimige bloed den jongen kunstenaar naar 't
+hoofd en kleurt zijn wangen; het tintelt en glinstert in zijn oogen;
+hij wil iets zeggen, maar hij kan niet, 't is hem alsof zijn keel
+wordt dichtgeschroefd.
+
+'t Meisje staat vriendelijk lachend voor hem en biedt hem haar handje,
+zacht vleiend herhalend:
+
+"Je bent toch niet boos op me?"
+
+Snel grijpt Dorus de hem toegestoken vingers en drukt er even zijn
+lippen op. Een lichte siddering vaart hem door de leden, als hij
+'t warme, zachte handje met zijn lippen aanraakt, en zij trekt het
+haastig terug, terwijl een vluchtig rood haar gelaat bedekt.
+
+
+
+
+
+XIII.
+
+POLYHYMNIA.
+
+
+Wat was het druk in het kleine stadje! Schier in elk fatsoenlijk
+huis was alles in de weer. De dochters van den burgemeester liepen
+naar de jonge dames van den notaris, en de jeugdige schoonen, die den
+rijksontvanger tot vader hadden, vergaderden met de meisjes van een
+der wethouders. Waarom? Natuurlijk, omdat de groote uitvoering van
+Polyhymnia met een bal besloten zou worden, en omdat een bal voor
+alle jonge meisjes in een kleine stad het summum van genot is.
+
+De groote societeitszaal, door het bestuur nu, evenals alle jaren,
+welwillend afgestaan voor de uitvoering, werd gelucht, gewit,
+geschrobd, gespoeld, dagen lang, en de kastelein liet door den
+timmerman achter in de zaal een verhooging opslaan, die als orkest
+dienen moest. Er werd gepast, gemeten en met elken centimeter
+gewoekerd, omdat er meer dan veertig executanten, dames en heeren,
+waren, en omdat er genoeg ruimte moest overblijven, om te kunnen
+dansen.
+
+"Jansen, denk er om, 't dansen is eigenlijk de hoofdzaak," riep de
+kastelein herhaaldelijk tot den timmerman, die, met zijn duimstok in
+de hand, beweerde, dat hij nog vijftig centimeters meer noodig had.
+
+"'k Zal oe zeggen, Boakels, de doames en heeren kunt toch niet als
+hoaring in 'n tunneke stoan. Zie-de, doar kun-de de pigano rèkenen, en
+doar den lessenaar veur den olden heer Tournel; doar mô je riekelijk
+ruumte veur nèmen, want ie wèt wel, Boakels, hie sloat met de erm en
+de been, as ie oan den gang is...."
+
+"Nou, jij moet 't weten Jansen, als je 't maar precies doet zooals
+verleden jaar."
+
+"Loat 't moar oan mien òver! Joa, wâ 'k nog zeggen wou, den dansekoater
+hêt mien ezegd, dat 'k hier en doar den vloer zal afschoaven en dâ
+'k 's oavonds hier wèzen mos, om er schuufpoeier over te strooien."
+
+"Als meneer Davids 't gezegd heeft, is 't goed; die zal 't wel met
+het bestuur besproken hebben."
+
+Overal in het stadje waren de naalden in beweging, want de dames hadden
+elkaar op de repetitiën beloofd om "doodeenvoudig" te komen, 'tgeen
+gelijkstond met een wedstrijd om elkaar de loef af te steken door een
+schitterend toilet. Menig vader zuchtte in stilte over de aderlating,
+die zijn beurs onderging, en menige moeder, die in 't bezit was van een
+stel dochters, dat onwederlegbaar den huwbaren leeftijd had bereikt,
+vestigde in stilte haar laatste hoop op den gewichtigen avond.
+
+Jujubes en pâte-pectorale werden door den apotheker bij doozen vol
+verkocht. De tenoren en baritons moesten gorgelen, om den invloed
+van Boreas op hun stembanden te niet te doen.
+
+Dagen van te voren werden de vigilanten van de twee stalhouders,
+die 't stadje rijk was, reeds besproken, en honderden malen werd hun
+op het hart gedrukt toch vooral op den tijd te passen en niemand te
+laten wachten.
+
+Levison, de kapper--_coiffeur de dames et perruquier_ noemde hij
+zich--had een lijstje gemaakt van al de dames, die hij moest bedienen,
+en rekende uit, dat hij, wilde hij aan alle aanvragen voldoen,
+minstens 's middags om twaalf uren moest beginnen en een helper uit
+de hoofdplaats diende te laten komen; anders kwam hij nog niet gereed.
+
+Davids, de bejaarde dansmeester, zat met zijn vrouw en dochter in
+de stilte van zijn binnenkamer mutsen van vloeipapier te maken en
+vlaggen van bonte sitsjes aan verzilverde matten rietjes te plakken,
+omdat het bestuur een cotillon met verschillende figuren wilde hebben.
+
+Onophoudelijk repeteerden de solisten te huis bij hun respectieve
+pianino's en de solisten en de koristen verzamelden zich 's avonds
+in de kleine societeitszaal, om nog eens te oefenen.
+
+De bewoners der villa's in de onmiddellijke nabijheid van het stadje
+keken in den almanak, of het volle maan zou zijn op den avond, die
+voor de groote uitvoering bestemd was, en verheugden zich, toen zij
+bemerkten, dat het volijverige bestuur van 't zanggezelschap zelfs
+daarmede rekening had gehouden.
+
+Nieuwjaarsdag kwam eerst, en den daarop volgenden dag was het bal en
+de uitvoering. De jonge dames en heeren hadden op den eersten dag
+des jaars nog nooit zooveel te praten gehad. Feliciteeren, geluk,
+heil en zegen wenschen, voor dansen engageeren en geëngageerd worden,
+'t was waarlijk haast al te veel voor één dag!
+
+Tournel was zenuwachtig en opgewonden en zwaaide met onverbiddelijke
+gestrengheid op de laatste repetitie zijn ebbenhouten schepter. Met
+veel zelfvoldoening had hij aan de dames en heeren de verblijdende
+mededeeling gedaan, dat zijn vroegere leerling, nu élève van het
+conservatoire te Brussel, de soirée zou opluisteren door zijn spel,
+en als een vuurtje had zich het nieuwtje door de stad verspreid. Men
+was uiterst nieuwsgierig om te hooren, of Tournel niet overdreven
+had door te beweren, dat Dorus een bijzonder talent was.
+
+De beweeglijke tongen der kleinstedelingen kwamen in vollen gang,
+en voordat nog 't nieuwejaar geboren was, wist reeds iedereen, dat de
+viool-solist van dien avond een kermisjongen was, dien dokter Abels uit
+medelijden had opgenomen en op zijn kosten liet studeeren. Ware dokter
+Abels niet zoo algemeen geacht en bemind geweest, waarschijnlijk zou
+men over Dorus' afkomst en verleden nog meer den neus hebben opgehaald,
+dan nu het geval was.
+
+De burgermeesterszoon, een fatterig jongmensch, die op de piano
+zonder haperen "Il Baccio" kon spelen en een sonate van Beethoven
+meesterlijk wist te verknoeien, had zich bij den notaris aan huis er
+over uitgelaten, "dat 't eigenlijk een décline voor Polyhymnia was, dat
+men iemand van zoo obscure extractie introduceerde," maar de jongste
+dochter des huizes, die een mager sopraantje zong, had gezegd, dat men
+'t geen introduceeren noemen kon. "Men liet hem voor de leden spelen;
+_voilà tout_."
+
+Met een gevoel van nijd had op de sociëteit de apotheker Vroom gezegd:
+"We hadden best in eigen boezem een violist kunnen vinden," waarop
+de ontvanger antwoordde: "Daar heb je gelijk in, Vroom, ze hebben
+jou gepasseerd."
+
+Met spanning zag iedereen den 2den Januari te gemoet.
+
+
+
+De zaal is schitterend verlicht, er zijn hier en daar groote
+spiegels aan de wanden aangebracht, waardoor èn licht èn publiek
+worden weerkaatst. Een groot aantal dames en heeren is opgekomen,
+rijke baltoiletten, ruischende zijden japonnen, witte sorties
+en eenvoudige tarlatan-kleedjes wisselen af met zwarte rokken en
+gekleede jassen. Hier en daar ziet men een officiersuniform, en op
+enkele plaatsen een gekleurde of grijze jas van niet dansende of
+oudere heeren, die 't zoo nauw niet met de étiquette nemen.
+
+De élite van het stadje is verzameld. Een gonzend geluid treft het oor
+bij het binnenkomen der zaal; gesmoord lachen, fluisterende stemmen,
+halfluide opmerkingen en begroetingen van dezen en genen wisselen
+elkander af.
+
+'t Slaat acht uren!
+
+De deur achter in de zaal opent zich en een vriendelijke, maar min
+of meer zenuwachtige en daardoor ernstig blikkende jonge-damesschaar
+treedt binnen, gevolgd door een ongeveer gelijk aantal jonge en oudere
+heeren, die begrafenisgezichten zetten. Allen nemen hunne plaatsen op
+het orkest in: de sopranen en alten links en rechts van den directeur,
+de bassen en tenoren daarachter.
+
+Een zacht fluisteren ruischt nog door de zaal, totdat Tournel zijn
+dirigeerstok opheft en het sein tot den aanvang geeft.
+
+_"Waldesrauschen"_ voor gemengd koor is 't eerste nummer, dat ten
+gehoore wordt gebracht. Tournel spant zich in om de uitvoering
+niet slechter te doen zijn dan de laatste repetitie, en 't gelukt
+hem. Allen doen hun best; 't publiek is zeer voldaan en geeft door
+donderend applaus zijn tevredenheid te kennen. Verschillende nummers
+volgen en eindelijk is het solo voor viool aan de beurt. Dokter Abels,
+voor deze gelegenheid in de stad gekomen, is onder 't zingen van een
+der laatste stukken binnengetreden en onderhoudt zich zachtjes met een
+paar heeren, die evenals hij geen zitplaats hebben kunnen veroveren.
+
+Daar verschijnt Dorus op het orkest.
+
+Een gesmoorde lach op enkele plaatsen in de zaal begroet zijn komst. Al
+de lorgnetten, die aanwezig zijn, richten zich op de kromme gestalte
+voor hen.
+
+"Wat een hooge rug!" zegt medelijdend een oudere dame.
+
+"Een bochel," fluistert haar dochter.
+
+"'t Is het type van een proletariër," merkt lachend de
+burgemeesterszoon op, tot de naast hem zittende schoone.
+
+"Vindt u? Mij dunkt, hij heeft een fatsoenlijk gezicht."
+
+"Comment, fatsoenlijk? 't Is al bourgeois wat er aan is."
+
+"Hij heeft mooie oogen en fijne trekken. Jammer van dien man, dat
+hij contrefait is."
+
+"Zegt u maar gerust: gebocheld! 't Is ongepermitteerd zoo'n figuur
+te hebben. Parole d'honneur, 't is een phantasierug, hè! hè! hè!"
+
+Dokter Abels, die zijn protégé op 't orkest gadeslaat, zegt tot een
+naast hem staanden vriend: "Je hebt hem vroeger gezien, Dankelaar;
+vind je niet, dat hij opgeknapt is?"
+
+"Waarlijk, hij is gegroeid, dokter;" en zich tot een naast hem
+zittenden heer wendend, zegt de heer Dankelaar: "Dat jongmensch is een
+protégé van dokter Abels; hij heeft zijn opvoeding aan onzen goeden
+vriend te danken.--Och, dokter, mag ik u even in kennis brengen
+met mijn oom Verhagen, uit Amsterdam, die een paar dagen bij ons
+gelogeerd is."
+
+"Aangenaam kennis te maken, dokter."
+
+"Insgelijks, mijnheer Verhagen."
+
+Het gesprek wordt afgebroken, want Tournel, die voor den vleugel
+heeft plaats genomen, slaat een paar akkoorden aan.
+
+Dorus heeft als eerste nummer een _Nocturne_ van De Bériot gekozen;
+zijn leermeester accompagneert. 't Elégische van het stuk harmonieert
+op 't oogenblik met zijn stemming; want scherp opmerker als hij
+is, zijn hem de spotachtige lachjes en blikken van het auditorium
+niet ontgaan. Hij heeft, als hij begint te spelen, de lorgnetten op
+zich zien richten en de hoofden waargenomen, die bij elkaar worden
+gestoken, terwijl zich de blikken zijdelings naar hem wenden. 't
+Is hem, als heeft hij het fluisteren verstaan en alsof 't woord:
+"bochel" onophoudelijk zijn oor treft. Nog fluistert hier en daar
+een enkele stem, maar reeds na eenige streken verstomt ook de meest
+praatgrage toehoorder; 't wordt doodstil, men kan, zooals men 't
+noemt, een speld hooren vallen in de zaal, waardoor de heerlijke
+tonen ruischen, die Dorus aan zijn Cremona ontlokt.
+
+Vol, breed en krachtig, beschaafd en edel is zijn toon, meesterlijk
+zijn techniek, en ademloos luisteren allen.
+
+Augusta ziet van haar plaats in 't koor hem aan; hij haar, en 't is
+alsof haar aanblik hem inspireert, alsof zijn toon nog krachtiger,
+zijn spel nog bezielder wordt.
+
+Nu lacht niemand meer, alles luistert met inspanning en menig oog
+tintelt van genot; veler wang kleurt zich hooger door den invloed
+van de zangrijke stem, die uit de snaren spreekt tot het hart en
+doordringt tot de ziel.
+
+Hij speelt voort!
+
+'t Is de triomf van den kunstenaar.
+
+Niemand, tenzij misschien een enkele hartelooze, ongevoelige mensch,
+ziet meer de mismaakte gestalte daar voor zich, niemand let meer op
+den hoogen schouder. Men luistert alleen naar die tonen, zoo volmaakt
+en schoon, zoo roerend meesleepend en weldadig tevens.
+
+De _Nocturne_ is uit. Tournel slaat de slotakkoorden aan en wendt
+even het hoofd om naar Dorus, die nog steeds met de viool aan de kin
+is blijven staan, als dacht hij na, zonder het publiek vóór zich
+te zien. Daverend zijn de toejuichingen, die de wanden der zaal
+doen dreunen.
+
+"Da capo! Bravo! Da capo! Bis! bis!" roepen allen
+als om strijd.
+
+"Buig dan toch! Buig dan!" roept Tournel Dorus zachtjes toe, als hij
+ziet, dat deze stokstijf blijft staan.
+
+"Bravo! Da capo!--Da capo!"
+
+Augusta's oogen glinsteren van trots en vreugde over het succes van
+haar vriend.
+
+Hij ziet slechts die twee bruine sterren vóór zich, en als werktuiglijk
+brengt hij den strijkstok weer omhoog.--Tournel ziet verwonderd op
+en blijft voor den vleugel afwachtend zitten. Weer wordt het doodstil
+in de zaal; nogmaals gevoelen allen den invloed en de macht der kunst.
+
+Met een krachtig akkoord begint hij opnieuw zijn spel; zijn oogen
+glinsteren, zijn geheele gelaat is bezield en beurtelings wisselen
+blos en bleekheid op zijn wangen. De Cremona zingt een lied van liefde
+en lijden, van lust en leven.
+
+Wat denkt Dorus op dat oogenblik bij die phantasie?
+
+Als een herinnering aan vorige dagen klinkt zijn spel. Ziet hij zich
+in den geest terug op dien lentemorgen aan 't sterfbed van die goede,
+zachtmoedige vrouw? Doemt in zijn ziel een onbestemd beeld op van
+zijn moeder, van zijn kindsheid, toen hij, nauw bewust te leven,
+aan haar liefdevolle borst lag, toen de goede vrouw haar arm om het
+ongelukkige wanschapen kind sloeg, om hem voor den ruwen vader te
+beschermen? Wie weet, wat hij gevoelt, nu hij speelt?
+
+Luister, hoe de tonen klagen! Is 't niet alsof hij aan de wereld
+wil vertellen, hoe zij zonder erbarmen is geweest voor den armen
+knaap?--Is de dissonant, die zich schril tusschen de andere tonen als
+een kreet van smart doet hooren, niet als een weerspiegeling van zijn
+eigen gemoed?
+
+Maar hoor! de melodie wordt zachter, dan vroolijker, eindelijk
+jubelend, als de zang van den opstijgenden leeuwerik. 't Juicht in de
+snaren: "Geduld! Geduld! Eens zult ge meer zijn dan zij, dan allen,
+die u bespotten om uw lichaam. Geduld!"
+
+
+
+Het niet te weerhouden applaus rukt den spelenden Dorus uit zijn
+droomerijen. Hij ziet Augusta's vochtige oogen en Tournels bewonderende
+blikken.
+
+Met een krachtige, korte finale besluit hij zijn phantasie. Nu buigt
+hij en verlaat het orkest.
+
+In de kleine kamer achter de zaal laat hij zich op een stoel neervallen
+en wischt zich vermoeid de slapen.
+
+Goddank! hij is een oogenblik alléén.
+
+
+
+"Verrukkelijk! Heerlijk! Onverbeterlijk!" hoort men van alle kanten
+uit de opgetogen monden.
+
+"'t Is incroyable, dat zoo'n mismaakte sinjeur zoo aardig spelen
+kan..."
+
+"Foei, mijnheer! dat's ongevoelig van u... 't Was goddelijk; zóó te
+kunnen spelen is een gave, die..."
+
+"Ha! ha! ha! is u er sentimenteel van geworden, juffrouw?"
+
+De verontwaardigde jonge dame spreekt niet meer tegen den
+burgemeesterszoon, die na afloop van 't concert woedend tot een zijner
+vrienden zegt: "Zoo'n miserabele kromme speelman zou me waarachtig mijn
+heele succes bij juffrouw Masthoven bederven; ze is, parole d'honneur,
+épris van dien bochel! Ha! ha! ha! wat zoo'n beetje muziek al niet
+doet, hé? Zeg! willen we nog een toddy nemen; ik heb mijn bekomst al
+van 't concert. Goddank! nog maar drie nommers en dan: En avant la
+danse!--Vive la polka!"
+
+'t Concert is afgeloopen; in de zaal worden de stoelen verzet en
+alles maakt zich gereed tot den dans.
+
+In de koffiekamer staan verschillende clubjes heeren te praten:
+dokter Abels en Dorus met de heeren Verhagen en Dankerlaar.
+
+"Is u tevreden, dokter?" vraagt Dorus bescheiden.
+
+"Uitmuntend, mijn jongen; 'k heb eer met je ingelegd."
+
+Hij klopt Dorus vertrouwelijk op den schouder.
+
+"Mag ik u wel mijn compliment maken, mijnheer.... pardon uw naam is
+mij nog niet genoemd; op 't programma staat alleen ***" zegt de heer
+Verhagen, Dorus naderend.
+
+"Makko, mijnheer!"
+
+"Makko?"
+
+"Makko, juist mijnheer. Verwondert u dat?"
+
+"Makko! Makko!" De heer Verhagen ziet hem oplettend aan en neemt een
+visitekaartje uit den zak, met de woorden: "Doe mij een pleizier en
+kom dezer dagen even bij mij. Ik ben de procureur Verhagen; ik logeer
+een dag of wat bij mijn neef Dankelaar: waarschijnlijk heb ik u iets
+zeer belangrijks mede te deelen.--Dokter Abels! kan ik u strakjes
+even alleen spreken?"
+
+
+
+"En valse, messieurs et mesdames! La polonaise et en valse," roept
+Davids, de dansmeester.
+
+"Hoor eens! daar begint de muziek. Gaat u niet eens kijken? Danst u
+niet?" vraagt Dankelaar, als hij eenige oogenblikken later alleen is
+gebleven met Dorus.
+
+"Ik dansen? U maakt toch zeker een grap. Ik dansen, met mijn figuur?"
+
+"Ah ja! pardon, u doet er zeker niet aan. Excuseer mij een
+oogenblik." Dankelaar verlaat de zaal, en Dorus ziet de bonte schaar
+voor zich met sombere blikken aan.
+
+
+
+"Rêve, doux rêve!" speelt een zestal muzikanten.
+
+"En valse, mesdames et messieurs!"
+
+Arm in arm wandelen de paren door de zaal. Davids regelt den
+dans. Onvermoeid dribbelt de kleine oude man heen en weer. "Cinq, six,
+sept, huit paires" zegt hij, met zijn witte handschoenen de schouders
+der heeren even aanrakend; "s'il vous plait, en valse." De aangewezen
+paren zweven lustig door de zaal, totdat Davids, in de handen klappend,
+roept: "En place", en acht nieuwe paren gelukkig maakt door zijn:
+"En valse, mesdames!" Nu en dan ontglipt een ongeduldig paartje aan het
+waakzame oog van den dansmeester en maakt vóór zijn beurt een toertje
+door de zaal; maar 't is met angst en beven, want Davids is _ad-rem_
+en weet zeer beleefd aan de voorbarige paren de onregelmatigheid van
+hun gedrag onder 't oog te brengen. De dames worden allengs min of
+meer opgewonden, de heeren krijgen 't warm en de burgemeesterszoon
+wischt zich het voorhoofd af, want onvermoeid danser als hij is en
+"chéri des dames", zooals hij zich verbeeldt te zijn, maakt hij
+tallooze extra-toertjes.
+
+Als Dorus een poosje in de zaal is, ontneemt een stoffige, benauwde
+warmte hem bijna den adem. Eenige jonge dames, die geen danser hebben,
+zien hem medelijdend aan, als wilden zij zeggen: "'t Gaat u als ons;
+gij danst zeker ook niet van avond;" en een paar oudere heeren maken
+plaats voor hem, terwijl zij onder 't voorbijgaan iets vleiends
+zeggen over "zijn talentvol spel." De jonkman slaat er nauwelijks
+acht op, want zoo even is Augusta hem voorbijgevlogen in den arm van
+een vluggen danser, een knap jongmensch met een frisch gelaat en een
+blonden krullebol.
+
+"Hoe sierlijk danst zij," denkt Dorus, "haar voeten schijnen nauw
+den grond te raken."
+
+Zeer vertrouwelijk babbelt zij met haar danser, die geheel "aux
+petits soins" is. Haar boezem zwoegt en haar oogen schitteren van
+genot. Nauwelijks is zij weer in de rij der wachtende paren getreden,
+of de burgemeesterszoon nadert haar en verzoekt beleefd om een
+extra-toertje. 't Wordt hem toegestaan en opnieuw walst Augusta op de
+maat der muziek door de zaal. Ademloos laat zij zich eindelijk op een
+stoel nedervallen; haar cavalier buigt allerliefst en verwijdert zich,
+om zijn plaats weder af te staan aan den eersten danser. Lachend en
+hijgend waait zij zich koelte toe met haar waaier.
+
+In een hoekje der zaal slaat Dorus, onopgemerkt door de overigen,
+Augusta gade.
+
+Er is op dit oogenblik bitterheid in zijn hart. "Waarom ben ik niet
+zooals anderen? Waarom is mij het geluk ontzegd haar thans in mijn
+armen te drukken, haar hoofd tegen mijn schouder te voelen rusten,
+met haar door de zaal te zweven? Waarom?--Omdat ik een geteekende ben,
+een misbaksel, een bult!" In stilte balt hij de vuisten en bijt zijn
+lippen bijna aan 't bloeden. Weer, en nog eens weer zweeft Augusta hem
+in den dans voorbij; zij ziet hem niet, ze denkt niet eens aan hem;
+haar eenige gedachte op dat oogenblik is de dans.
+
+Arme Dorus! de liefde is in uw hart ontwaakt en te gelijk ook de
+jaloezie. Ge weet nog niet, dat gij, als ge iemand lief hebt, haar
+de macht geeft, maar tevens het recht ontneemt u te doen lijden.
+
+"Zoo'n laffe kwast," mompelt hij, als hij eenige gezegden van den
+burgemeesterszoon, die in zijn onmiddellijke nabijheid met een ander
+staat te praten, opvangt; maar een toornige vonk flikkert in zijn oog,
+als hij de woorden hoort: "Die kleine Tournel danst als een engel,
+parole d'honneur; 't is een allerliefst kindje. Jammer dat ze van
+geen betere familie is: ik zou haar anders bepaald 't hof maken,
+misschien trouwen..."
+
+"Ze is charmant, dat geef ik je gewonnen, maar geen partij."
+
+"Daarom: pour le badinage bon, pour le mariage non!"
+
+"Pour le badinage," sist Dorus onwillekeurig tusschen de tanden
+"zoo'n vlegel!" Hij is op 't punt zich in 't gesprek te mengen,
+maar hij bedenkt zich nog bijtijds.
+
+"Wat zou 't een gekke sensatie maken, als ik, een bult, partij trok
+voor Augusta; ze werd zeker om zoo'n ridder uitgelachen of geplaagd,
+en dat wil ik niet; de kwâjongen is ook niet waard, dat men zich boos
+op hem maakt. Gelukkig is zij er 't meisje niet naar, om iets voor
+zoo'n kwast te voelen."
+
+Hij wordt kalmer.
+
+Zie! daar wandelt Augusta, arm in arm met den blonden krullebol. Ze
+gaat rakelings Dorus voorbij, maar zij ziet hem niet. Ze praat zoo
+vroolijk en druk met haar cavalier, en toevallig houdt zij den waaier
+voor 't gelaat juist aan den kant waar Dorus staat.
+
+Zou zij 't met opzet doen? Och neen! dat kan zij toch niet, daarvoor
+is zij veel te eenvoudig en te goed.
+
+"Dat zij zelfs geen enkelen blik voor mij overheeft! Zou ze mij
+niet opmerken? Zij weet toch, dat ik hier ben," denkt de jonkman,
+terwijl hij steeds meer en meer ontstemd en droevig wordt. Hij wil
+de zaal verlaten, maar dicht bij de deur ontmoet hij Tournel, die
+hem staande houdt:
+
+"Waar wil je heen? Er is in de koffiekamer niets te doen, alleen een
+paar oude heeren die een sigaar rooken."
+
+"'k Ben moe; 'k wil naar huis."
+
+"Wat een succes heb je gehad! Dorus! jongen, wat was ik grootsch op
+je. Hoe voel je je nu wel. Gelukkig, hè!"
+
+Gelukkig? Een diep zwaarmoedige blik uit de donkere oogen ontgaat
+den ouden muziekmeester, die opgetogen vervolgt:
+
+"Er is maar één roep over. Vooral die phantasie was uitmuntend; die
+moet je opschrijven.--Kerel! waar haal je die tonen vandaan?--Mij
+dunkt, zoo'n succes moet je onbeschrijfelijk goeddoen. Hoor
+me die eerste viool eens krassen,--groote goedheid, dat's een
+bolleboos!--Wat! zijn ze nu al aan de quadrille?--A propos, heb je
+Guusje zien dansen?"
+
+"Ja!"
+
+"Elegant, hé?"
+
+"O ja!"
+
+"'t Is een lust om 't kind te zien: ze is er zoo met hart en ziel bij;
+ze is er dol op.--Heb je hoofdpijn. Dorus? Je ziet er wat vermoeid uit,
+'n beetje bleek. Ja, 't is hier benauwd.--Hoe zoo'n meisje 't uithoudt,
+begrijp ik niet: onvermoeid zou ze zoo'n geheelen nacht door dansen,
+als ik er geen stokje voor stak. Och! 'k ben ook zoo geweest in
+mijn jonge jaren.--Heb jij wel eens gedanst? Hm! neen! dat zal wel
+niet; misschien zou je er niet eens van houden... Dag, kind! dag,
+Guusje!" zegt Tournel eensklaps vrij luid. Het meisje is op een
+kleinen afstand, aan den arm van den blonden heer voorbijgewandeld
+en heeft haar grootvader toegeknikt. "Daar danst ze weer met hem."
+
+"Met wien?"
+
+"Heb je haar straks niet zien walsen, Dorus? Met den jongen Brouwer,
+dien blonden krullebol. 'n Knappe jongen, hé? Dat is hij nu,--die,
+waarover ik je sprak. Ik moet zeggen, 't is een man van zijn woord;
+'k heb hem verleden jaar gezegd: "Beste jongen, 't meisje is nog te
+jong, je moet nog een jaartje geduld hebben en over niets spreken;
+dan zullen we eens zien." Och! weet je, Dorus, als zij er eenmaal
+haar zinnen op zet, is er toch niets aan te doen. Maar..... willen
+we liever naar beneden gaan? Je ziet er bepaald ongesteld uit;
+'t is ook veel te stoffig en te warm hier.--Ja! als hij een vaste
+positie had... Maar zoolang hij nog alleen candidaat-notaris is, komt
+er toch niets van; die candidaten moeten soms eeuwig lang wachten,
+eer zij benoemd worden... En zelf geen fortuin. 'k Zou wel eens willen
+weten, of zij hem graag lijden mag,.. Zeg! dat kun jij, zoo langs je
+neus weg, haar wel eens vragen; morgen spreekt ze toch allicht over
+'t bal en dan... Plaag haar maar eens met hem... begrijp je?"
+
+De oude man praat nog eenigen tijd voort en bemerkt niet, dat Dorus
+hoe langer hoe bleeker wordt; en zonder het zelf te weten martelt hij
+den jonkman, totdat hij hem eindelijk den genadeslag geeft door te
+zeggen: Daar komen ze recht op ons aan; nu moet je eens goed opletten,
+hoe hun verhouding is; twee zien meer dan één."
+
+Eensklaps verlaat Dorus de zaal, zonder verder een woord te
+spreken. Hoofdschuddend ziet Tournel hem na en mompelt: "Hij is toch
+niet sterk. Wat zag hij bleek; 't is en blijft een zwak manneke!"
+
+'t Is koud buiten. Dorus bespeurt het niet, als hij doelloos door
+de stille, donkere straten van het stadje loopt; 't is bitter koud
+en de gure wind jaagt hem scherpe, ijzige vlokken in 't gelaat. Hij
+voelt ze niet, tranen besproeien zijn wangen en smartelijk zucht hij:
+"Verloren! voor altijd." Hij heeft genoeg gezien: hij begrijpt, dat
+er voor hem geen hoop meer is..... En toch, was zij niet verheugd,
+ja opgetogen geweest, toen zij hem terugzag? Had ze niet gebloosd,
+toen hij met haar sprak?--Wat was dat dan?--Zou ze behaagziek
+zijn?--Neen! Neen! dat was toch zoo niet. Maar wat dan..? Wat
+dan....? Killer wordt de wind, dichter jagen de vlokken. Hij
+bemerkt er niets van; zijn gedachten houden hem geheel en al
+bezig. "Zou zij dien man liefhebben?" denkt hij. "Waarom? Alleen
+omdat hij schoon van uiterlijk is. En ik... O God! o God! waarom
+ben ik, zooals ik ben...? Ik begrijp, zij ziet in mij alleen den
+kunstenaar, misschien een vriend; ze gevoelt alleen sympathie voor
+mij, omdat zij eigenlijk zelf artiste is.--Maar ben ik dan zoo
+afschrikwekkend? Ha! ha! ha! ha!" Zenuwachtig en luid lacht hij,
+en akelig klinkt dat geluid door de ledige straten. "Een bochel,
+een krates! 't Is ook wat moois voor een jong meisje, om er mee voor
+den dag te komen. Ha! Ha! Ha! Mag ik u mijn galant voorstellen: hij
+heeft een eenigszins hoogen rug, een beetje erg, een beetje heel erg,
+ha! ha! ha!... O! God! ik wou, dat ik nooit geboren was..."
+
+Werktuiglijk heeft hij den weg naar Tournels huis ingeslagen; daar
+brandt nog licht. Barbara is opgebleven; zij zit bij de kachel te
+dommelen en hoort de voetstappen. Hol klinken ze in de straat. Dat
+geluid doet haar naar beneden gaan, met een licht in de hand opent
+zij de deur.
+
+"Ben jij daar al terug? Dorus? Waar zijn de anderen? Nog op 't bal
+zeker? Je hebt gelijk, dat je maar thuis komt, want dat dansen is toch
+niets voor jou. Wat scheelt je? Goeie hemel wat zie je er naar uit,
+waar is je overjas? Je lijkt wel gek, met zoo'n kou zoo te loopen!"
+
+Dorus wankelt haar voorbij en uit een paar onverstaanbare
+woorden. Terwijl hij de trap naar 't kamertje, waar hij slaapt,
+opgaat, tracht hij te zeggen: "Goeden nacht!" maar 't is alsof zijn
+tong bezwaard is; de woorden klinken onduidelijk en vreemd.
+
+"Goeie hemel! hij is dronken," denkt Barbara, als zij hem vol verbazing
+nakijkt. Hoofdschuddend gaat zij weer naar binnen bij het vuur zitten
+en pruttelt in stilte: "Daar heb 't 't nu al weer; dat zal wel een
+aardje naar zijn vaartje zijn. Jammer van den jongen, jammer!"
+
+De societeit straalt van licht, alles is nog vol beweging en leven; in
+de koffiekamer zit dokter Abels in druk gesprek met de heeren Verhagen
+en Dankelaar, en herhaaldelijk noemen zij den naam van Dorus Makko,
+den zoon van den hondenscheerder....
+
+In de groote zaal is het bal in vollen gang; dáár gloeien de wangen
+steeds hooger rood, en levenslustig tintelen de oogen der dansende
+paren bij de opwekkende tonen der muziek.
+
+Augusta danst onvermoeid en geniet haar jeugd... En in het kamertje,
+boven in Tournels bescheiden woning, is het donker en kil; daar ligt
+Dorus voorover, met het hoofd op het bed; in het kussen smoort hij
+zijn tranen en snikken. Hij is nog jong, nog geen twintig jaren,
+en toch heeft hij geen jeugd. Er overvalt hem een gevoel, alsof hij
+oud is, heel oud! te oud voor de wereld.
+
+Hoe onstuimig klopt zijn hart, en hoe wild jaagt hem het bloed door
+de aderen! In gedachten hoort hij de wals _"rêve, viens encore!"_
+en in den geest ziet hij, hoe Augusta in de armen van dien anderen
+rondzweeft. Hij haat dien man, hij zou hem kunnen vernielen en toch
+kent hij hem niet, toch heeft die man hem nooit eenig leed gedaan
+voor dezen; maar nu in dit oogenblik ontneemt hij hem ook alles.
+
+"_Rêve, viens encore!_" zegt hij in gedachten, als hij zich voorstelt,
+hoe hij een kort oogenblik gedroomd heeft, dat Augusta hem liefhad. Zij
+is reeds als knaap zijn droombeeld geweest, zonder dat hij er eigenlijk
+besef van had: dat merkt hij, dat gevoelt hij eerst nu; juist nu,
+omdat hij haar verloren heeft, op het oogenblik, waarop hij haar
+meende te vinden.
+
+Dorus is alleen, niemand bekommert zich over hem. Ja toch wel! die
+kleine hond, Boppie. Tevergeefs springt hij tegen Dorus op, krabbelt
+aan het bed en kwispelt met zijn stompje staart. 't Helpt hem niet;
+zijns meesters gedachten toeven elders, en hij let niet op 't trouwe
+dier, dat eerst gaat opzitten om aandacht te wekken, dan zachtjes jankt
+en eindelijk, moede van 't vruchteloos pogen, zich aan de voeten van
+"den baas" neervlijt.
+
+
+
+De ijzige wind daarbuiten is bedaard en de witte ijskristallen en
+vlokken liggen rustig op de daken of samengewaaid en opgestapeld in
+vensterhoeken en kozijnen, als rustten zij uit van hun dwarrelenden
+tocht. De oude torenklok slaat "drie". Dorus hoort het niet! Helder
+schijnt de maan op de bevrozen ruiten van 't venster, maar hij ziet
+de ijsbloemen niet op het glas, beschenen door het koele licht der
+maan. Toch zijn zij in vele opzichten het beeld van hetgeen het
+leven biedt.
+
+Bloemen geeft hem de kunst door zijn talent. Schoon zijn ze,
+schitterend en blinkend als de ijskristallen, koel en koud; het
+kalme licht der maan doodt ze niet, maar voor den warmen zonneschijn
+verdwijnen ze en komen niet terug. Arme Dorus, warmte en zonneschijn,
+liefde en geluk, dat is het wat gij zoekt, wat gij mist, waar ge
+thans om schreit en snikt, als wilde het hart u breken; waarom ge nu
+wenscht te mogen, te kunnen sterven.
+
+
+
+Den volgenden dag sliepen allen in Tournels huis buitengewoon lang, en
+toen eindelijk Dorus niet aan de ontbijttafel verscheen, ging Tournel
+naar zijn kamer, om te zien, of hij soms ongesteld was geworden, maar
+kwam eenige oogenblikken later verwonderd terug met een beschreven
+papier in de hand.
+
+"Zoo iets heb ik nog nooit beleefd. Wat een wonderlijke gril is dat
+nu!--Dorus is vertrokken!"
+
+"Wat zeg je, Tournel, is hij weg?"
+
+"Waarom, grootvader?"
+
+"Daar, lees, of neen, luister!"
+
+ Beste vrienden!
+
+ "Verwondert u niet, dat ik vertrokken ben; ik moest weg,
+ en ga naar 't conservatoire terug. 'k Heb gisterenavond
+ gemerkt, wat mij ontbreekt: 't is onnoemelijk veel; ik ga weer
+ studeeren. Hartelijk dank voor alles, wat ik bij u genoten heb;
+ ik zal deze dagen nooit vergeten, nooit en nimmer! Vaartwel
+ en leeft gelukkig.
+
+ Dorus."
+
+"Heb je nu ooit zoo iets beleefd?"
+
+"Wil ik je eens wat zeggen, Tournel, hij schaamt zich."
+
+"Hij zich schamen! Waarom?"
+
+"Omdat hij gisterenavond, of liever van nacht, dronken, thuis is
+gekomen."
+
+"Wat zeg je daar, Barbara, hij, Dorus, dronken?"
+
+"Hij kon niet eens goed loopen, zeg ik je."
+
+"Dat's niet waar, nicht Barbara, dat is onmogelijk waar, dat geloof
+ik nooit!"
+
+"Kijk eens aan, hoe je partij voor hem trekt. Wel! wel! men zou haast
+zeggen, dat je...."
+
+"Nu, wat dan?" Augusta's oogen fonkelen, en zij kleurt even.
+
+"Dat je wat voor hem voelde."
+
+"Dat doe ik ook."
+
+"Ei! ei!"
+
+"Ik beschouw hem als een broer, als een besten vriend, van wien ik
+heel veel houd, en daarom wil ik niets hooren, dat...."
+
+"O, zoo!"
+
+Hoofdschuddend zegt de grijze Tournel:
+
+"Dronken! Ik kan het haast niet gelooven; 't zou verschrikkelijk zijn."
+
+
+
+
+
+XIV.
+
+NOG EENS ROOFVOGELS.
+
+
+"Dus je wilt met mij trouwen, Strijkman?"
+
+"Zooals ik zei."
+
+"Is 't waarachtig? Kom je daar nu weer mee aan? Voor anderhalf jaar
+geleden heb ik immers al gezegd, dat ik volstrekt geen idee in je
+heb. Begin je nu weer?"
+
+"Wat ik zeg, meen ik."
+
+"Ha! ha! ha! ha!"
+
+"Lach je daarom?"
+
+"Hè! hè! hè! hè! hij vraagt me voor den tweeden keer! Hè! hè! hè!"
+
+"'t Is niet om te lachen, vrouw Juttner!"
+
+"Neen, 't is om te huilen! Och, Strijkman, hou as-je-blieft op,
+ik zou me een ongeluk lachen." En herhaaldelijk met de handen op de
+knieën slaande, giert de weduwe het uit van pret, terwijl zij den
+tegenover haar zittenden pandjesbaas aanziet.
+
+"Je lijkt wel mal!"
+
+"Ha! ha! ha! wat verbeeld jij je wel, oud, leelijk mirakel!" De vrouw
+lacht tranen.
+
+"Zeg ereis, 't kan wel minder."
+
+"Ha! ha! ha!"
+
+Met een zonderlinge uitdrukking van dwaze verwondering ziet Strijkman
+vrouw Juttner aan, die onbedaarlijk lacht, nu en dan naar haar zoon
+Kobus, die bij het venster staat, kijkt en, op hem wijzend, giegelend
+zegt: "Wou je zijn stiefvader worden? God beware hem er voor!"
+
+De kamer, waar het tweetal roofvogels zich nu bevindt, is een
+achterkamer met het uitzicht op een plat; zij is schamel gemeubeld,
+maar een vorstelijk verblijf in vergelijking met het armoedige
+vertrekje, vroeger door de weduwe bewoond.
+
+De onnoozele Kobus ziet door het venster naar een loerende kat, die op
+het plat een paar rondhuppelende musschen belaagt. Nu en dan verheldert
+een domme lach zijn wezen en roept hij op een doffen toon, zich half
+omdraaiend: "Moeder, hij loert er op! maar hij krijgt ze toch niet..."
+
+"Kom eens hier, Kobus!"
+
+Langzaam nadert de idioot, en als hij bij de tafel staat, zegt zijn
+moeder, op den pandjesbaas wijzend: "Hij wil je vader worden. Hoe
+vind je hem?"
+
+"Vader is dood, ik heet Dorus.--Dorus,--is 't zoo goed?"
+
+"Schei maar uit met je geleerde les; je kent haar toch niet van
+buiten," pruttelt Strijkman nijdig.
+
+"Hij doet zijn best, en dat's meer dan je verlangen kunt."
+
+"'t Is wat moois! 'k Wou, dat ik nooit..."
+
+"Begonnen was. Och, Strijkkie, dat liedje kennen we. Ja! veel gaan we
+niet vooruit met de erfenis, maar _wij_", zij drukt op dat woord wij,
+"hebben geen haast, niet waar, Kobus? Wij leven zoo stilletjes voort;
+we konden het wel wat breeder hebben, als jij maar wat meer woudt
+afschuiven, maar jij bent nou eens niet scheutig; anders..."
+
+"Wou je me nog gauwer doodarm maken?"
+
+"Waarachtig niet, Strijkkie, we moeten langer pleizier van je geld
+hebben dan vandaag of morgen; daarom doen we langzaam aan, dan breekt
+het lijntje niet."
+
+"Zanik nu maar niet langer. Wil je of wil je niet?"
+
+"Trouwen?"
+
+"Ja, wat anders?"
+
+"Hoor eens, beste man, 'k ben net zoo gaar als jij. Dacht je nou,
+dat ik niet snapte, waarom je me trouwen wilt? Och! zie je me voor
+zóó dom aan? Wil ik je ereis wat zeggen? Als ik jou vrouw was, dan
+kon ik mijn keel wel aan den kapstok hangen, dan moest ik naar jou
+pijpen dansen en dan kon jij met me doen wat je woudt. Maar nou doe
+ik met jou wat ik wil. Begrepen? En daarom trouw ik je niet. Je bent
+me ook nog al een lief mannetje! Zoo'n uitgedroogde stokvisch mankeert
+me nog voor mijn dood. Ha! ha! ha!"
+
+Woedend staat Strijkman op van zijn stoel.
+
+"Hou je gemak, vader! Maak je niet dik; dun is de mode. Wij kunnen
+immers goede vrinden blijven, al trouwen we niet... Zeg! zul je eens om
+'t geld voor de huur denken?"
+
+"Je krijgt geen cent meer."
+
+"Och, geloof je dat waarachtig? Kom, kom! hou je maar zoo niet;
+ik weet het wel anders, m'n engel."
+
+"Ik ben niet bang meer voor jou dreigementen, versta je?"
+
+"Heel goed, des te beter voor jou, Strijkkie!--Maar laten we nu eens
+verstandig met mekaar praten. Je wilt graag van me af, hé?"
+
+"Dat is te zeggen..." De oude man gaat weer zitten.
+
+"Je ziet wel, dat er van de erfenis niets komt. Hoe lang ben je er
+nu al over bezig?"
+
+"Over de vier jaren, God beter 't. Jij kost me al een kapitaal aan
+geld; en jou suffe jongen..."
+
+"Zeg, niet schelden, hoor! Die stumper is ongelukkig genoeg, en dat
+hij niet dol op je is, is waarachtig geen wonder..."
+
+"Die procureur Verhagen is eigenlijk de schuld van alles. 'k Wou,
+dat ik nooit iets van hem had gezien of gehoord en dat jij naar de..."
+
+"Begin je weer? Laten we de zaak afmaken: ik wil schappelijk met je
+handelen; je kunt me afkoopen."
+
+"Zoo, dat zou je wel willen." Strijkman brengt werktuiglijk de hand
+naar zijn borstzak.
+
+"Dat spreekt vanzelf. Denk je, dat ik jou gezelschap zoo aardig
+vind? 'k Zie liever je rug dan je gezicht, maar je duiten zijn goed,
+o! zoo goed, net zoo goed als die van een ander. Luister eens,
+Strijkkie!"
+
+"Nou?"
+
+"Je bulkt van het geld en ik leef van..."
+
+"Van _mijn_ duiten..."
+
+"Nou ja dan, als je zoo wilt, maar armoedig. Ik wil 't beter hebben:
+ik heb idee om een winkelnering op te zetten, zoo'n winkeltje van
+alles en nog wat. In de Rozenstraat is een huisje te koop met een
+stand. Wat het huis kost, weet ik niet, maar voor den stand en den
+winkel, met wat er in is, vragen ze zestien honderd gulden."
+
+"Wat zeg je! Zooveel geld voor een...?"
+
+"Ja, 't is een koopje. Voor een winkel met nering."
+
+"Een mooi koopje!"
+
+"Koop jij nou dat huisje, betaal de zestien honderd gulden; dan zit
+ik in een winkel en dan zal ik mijn kost wel ophalen. 't Huis blijft
+jou eigendom, maar huur en belasting betaal ik niet."
+
+«Jongens, jongens, wat ben je aardig. Heb je soms nog iets?"
+
+"Neen, alleen van tijd tot tijd eens een nieuw pak voor Kobus, anders
+niet. Je zult er bepaald een goed werk mee doen, en komt er te avond
+of te morgen nog iets van die Amerikaander erfenis, dan is de jongen
+altijd tot je dienst. Wat zeg je nou, ben ik niet schappelijk? Wat
+kan het je kosten? Een paar duizend gulden op z'n hoogst; dat is voor
+jou niemendal."
+
+"Ei!"
+
+"Je krijgt van mij de pampiertjes met den brief en het portretje
+terug en..."
+
+"Die komen mij toe, die heb jij gegapt!"
+
+"Hè, wat ben je ordinair: "gegapt!" Je hebt ze me gegeven."
+
+"Dat lieg je!"
+
+"Nou goed dan: ik heb ze genomen, omdat ze bij Dorus hooren. 't Was
+noodig, dat ik ze bewaarde, omdat..."
+
+"Omdat je een serpent bent. Ik ben gek geweest, toen ik met jou en je
+lummel van een jongen begon, maar ik ben nog zóó gek niet om zooveel
+geld te vermorsen, en ik heb het ook niet; 'k ben arm. Jij hebt mij
+arm gemaakt."
+
+"Wat praat je toch van gek; als je me trouwde, dan was je gek; want
+zou je nou waarachtig denken, dat _ik_ me maar goedsmoeds onder den
+duim zou laten krijgen? Strijkkie, ventje, je bent dom; ik doe je een
+weldaad, dat ik _niet_ met je trouw, dat moet je alleen wel zestien
+honderd gulden waard zijn... Kom hier, Kobus, je ligt zoo ver uit
+het raam, kind!"
+
+"Ik heb het niet, ik doe het niet en ik wil het niet."
+
+"Dat laatste wat je zegt is waar. Nou afijn, mij ook goed; dan blijft
+het zooals het nu is, maar in allen geval moet je een gulden of vier,
+vijf meer in de week geven, en..."
+
+"'t Is om een beroerte te krijgen; ik ga heen...."
+
+"Beslaap je er maar eens op.--Dag, Strijkkie! pas op, dat je niet
+van de trappen valt. Ha! ha! ha!"
+
+Bij de deur staande, neemt het gelaat van den pandjeshuishouder een
+afschuwelijk dreigende uitdrukking aan, terwijl hij zegt: "Wacht maar,
+beest! ik zal je wel helpen!"
+
+"Doe dat, vadertje! Dat is juist, wat ik wil; help me aan zestien
+honderd gulden: dan laat ik je met rust."
+
+Tegen deze kalme woorden is Strijkman niet bestand; woedend verlaat hij
+de kamer en strompelt naar beneden, de deur uit, en naar zijn woning.
+
+In zijne woning teruggekomen, geeft Strijkman zijn gemoed lucht door
+met zijn magere knoken op de tafel te slaan en alle mogelijke soorten
+van verwenschingen tegen vrouw Juttner uit te braken. Niemand hoort
+ze dan de zwarte kat, die verwonderd zit rond te kijken, totdat een
+nijdige schop haar de vlucht doet nemen onder het kastje.
+
+"Als ik maar durfde," mompelt hij, herhaaldelijk met de vuist dreigend,
+"als er maar geen vijftien of twintig jaren op stond, dan zou ik haar
+nekken. Als ze maar met me trouwde! Ik had haar in een half jaar,
+neen, in drie maanden mak gemaakt. Maar ze is te goochem! Zoo'n
+vervloekte feeks."
+
+Daar klinkt het winkelschelletje.
+
+"Hé, wat is dat? Op Zondag iemand voor!" Verwonderd ziet de pandjebaas
+naar zijn kantoortje; hij is niet gewend in zijn sabbatsrust te worden
+gestoord; Zondags is het pandjeshuis gesloten, van één uur 's middags,
+en hoogst zelden gebeurt het, dat iemand na dien tijd hem bezoekt.
+
+"Wat kan dat wezen?" Voorzichtig gluurt hij door de reet der
+tusschendeur.
+
+"Vollek!" roept een ongeduldige stem.
+
+"'t Is een brievenbesteller. Wat moet die hier?" denkt de oude man,
+terwijl hij naar voren komt.
+
+"Philip Strijkman?"
+
+"Die ben ik!"
+
+"Asjeblief, een brief; goeden dag!"
+
+"Een brief voor mij," denkt Strijkman, "van wien kan die zijn?" Hij
+draait den brief om en om, voor hij hem opent, breekt eindelijk het
+lak los, en als hij kennis van den inhoudt neemt, krijgt hij plotseling
+een kleur, voor zoover zijn taaie opperhuid daarvoor vatbaar is.
+
+Halfluid herleest hij:
+
+
+ "Mijnheer!
+
+ "Eindelijk is er licht gekomen in de erfenisaangelegenheid van
+ wijlen Adriaan Makko. Wees zoo goed om aanstaanden Donderdag
+ tegen elf uren ten mijnen kantore te compareeren, met den
+ door u aangewezen erfgenaam en zijn pleegmoeder, ten einde
+ met mij tot een regeling der zaak over te gaan. Gaarne had ik,
+ dat u de onder uwe berusting zijnde papieren meebracht.
+
+
+ "Met achting,
+
+ UEd. Dw. Dienaar
+ _Verhagen_, Procureur."
+
+
+"Met achting Uedeles dienstwillige dienaar," juicht de oude man bijna
+luid. "Dat zou hij niet schrijven, als hij geen dubbeltjes voor
+mij had gekregen. Vier ton! Halt! misschien is het enkel maar een
+voorschot! Dat doet er niet toe. In allen gevalle is het iets." Hij
+sloft heen en weder door het kleine kamertje en wrijft zich in de
+magere handen, zoodat de dorre gewrichten knappen en kraken.
+
+"Jongens, jongens, wat een zegen, dat ik nog niet met dat serpent
+getrouwd ben! Hè! hè! hè! hè! hè! wat zal ik haar nu het land
+aanjagen. Al ging ze nu ook op haar knieën voor mij liggen, ik zou haar
+niet nemen. "Tirom tomtommetomtijne! tirom tomtommetomtom," neuriet
+Strijkman, terwijl hij zijn stijve beenen op de maat van het bekende:
+_Marborough s'en va t'en guerre_ beurtelings opheft en weer neerzet,
+zoodat de vermolmde vloerplanken steunen.
+
+Hij fluit, neuriet en bromt tusschen de tanden zijn lijfdeuntje en
+verkneukelt zich in de gedachte, dat hij eindelijk zijn doel heeft
+bereikt.
+
+"Tiromtomtommetomtom! 't Zal me benieuwen, hoeveel er losgekomen
+is.--Tiromtomtom!--Zou ik vrouw Juttner dadelijk 't briefje laten
+lezen?... Blikslagers! als de jongen nu maar op zijn tellen past;
+hij zeit nog zoo dikwijls Kobus... Zij moet hem voor Donderdag nog
+eens goed onderhanden nemen.--Tirommetomtijne,--Als ik de duiten in
+handen heb, dan koop ik een huis--hm! altijd voor Dorus natuurlijk--op
+de Keizersgracht. Tirommetom.."
+
+"Miauw! miauw!"
+
+"Zoo, poes! ben jij daar weer? Heb je honger? Ja, je krijgt ook wat
+van den baas. Daar dan, daar heb je een beetje water en wat brood,
+poes! Ja, jij krijgt ook wat van de erfenis, hè! Een halsband met
+belletjes." Handenwrijvend gaat hij op zijn hurken zitten en kijkt
+de kat grijnzend aan. De pandjesbaas is geheel en al vervuld met het
+denkbeeld van de vier ton, die hem volgens zijn meening nu niet meer
+ontgaan kunnen. Hij maakt in gedachten allerlei plannen, en het komt
+zelfs niet bij hem op, dat de echte Dorus Makko wel eens kon zijn te
+voorschijn gekomen.
+
+
+
+De procureur Verhagen, die door de toevallige ontmoeting met Dorus op
+het concert van Polyhymnia den naam Makko had gehoord, was door het
+daaropvolgend gesprek met dokter Abels tot de overtuiging gekomen,
+dat de ware erfgenaam de jonkman was, dien hij op dien avond had
+hooren spelen. Alles, wat hij van dokter Abels vernomen had, kwam
+overeen met hetgeen Strijkman hem had verteld, tot op één punt na,
+namelijk de verdwijning van den knaap en zijn opneming door vrouw
+Juttner. Er was voor den procureur weinig scherpzinnigheid toe noodig
+om te begrijpen, dat hij met een paar oplichters te doen had, en
+'t kostte geringe moeite om te doorzien, welken weg het tweetal op
+wilde. In overleg met dokter Abels had hij besloten den pandjesbaas
+nogmaals te ontbieden, om hem de papieren van Dorus afhandig te maken.
+
+Zedelijk waren zoowel Verhagen als dokter Abels overtuigd, dat Dorus
+de ware erfgenaam was, maar wettig was het niet te bewijzen, evenmin
+als het overtuigend bewijs kon geleverd worden, dat de papieren,
+die Strijkman onder zich had, aan Dorus toebehoorden.
+
+In allen gevalle moest de identiteit van Dorus Makko voldoende bewezen
+worden. Maar door wien? De eenige, die dit kon, was Strijkman zelf, en
+natuurlijk zou deze zijn best doen om het tegendeel vol te houden. Er
+moest dus met overleg en slimheid gehandeld worden. Dokter Abels had
+zich bereid verklaard als voogd van Dorus op te treden en de erfenis,
+die in waarheid slechts een kleine twintig duizend gulden bedroeg,
+te beheeren, totdat Dorus meerderjarig zou zijn.
+
+Een confrontatie van Strijkman met Dorus was het eenige middel om
+tot den gewenschten uitslag te komen, en derhalve had de procureur
+aan dokter Abels voorgesteld op den bepaalden Donderdag ten zijnen
+kantore de komst van den pandjeshuishouder en zijn medeplichtigen
+aan het bedrog vrouw Juttner en haar zoon, af te wachten.
+
+Dorus' overhaast vertrek uit Tournels woning, waarvan hij zijn
+beschermer slechts met een paar haastig geschreven regelen had kennis
+gegeven, hadden dit plan evenwel doen uitstellen, totdat de jonkman
+weer uit Brussel zou zijn teruggekomen.
+
+De dokter, die volstrekt niet vermoeden kon, waarom zijn jeugdige
+beschermeling zoo eensklaps was vertrokken, had naar Brussel geschreven
+en den stelligen wensch uitgedrukt, Dorus op den bepaalden dag
+te Amsterdam te ontmoeten, evenwel zonder eigenlijk de redenen te
+vermelden, waarom hij hem wenschte te spreken.
+
+"Ik begrijp niets van uw overhaast vertrek, nu drie weken geleden,"
+schreef hij: "gij zijt mij daaromtrent nog altijd eene opheldering
+schuldig, die ik u verzoek mij dan te komen geven. Ik zal u aanstaanden
+Woensdag in het _Hôtel des Pays-Bas_ verwachten. Reken er op, dat gij
+een paar dagen, misschien langer, zult moeten blijven, in uw eigen
+belang; uw toekomst hangt er gedeeltelijk van af..."
+
+Toen Dorus dien brief ontving, kwamen hem de woorden uw "toekomst
+hangt er gedeeltelijk van af," geheel en al duister voor. In den
+gemoedstoestand, waarin hij zich op dat oogenblik bevond, werd hij
+door allerlei denkbeelden bestormd. Zou Tournel geraden hebben, dat
+hij Augusta liefhad? Was het mogelijk, dat zij voor hem gevoelde,
+zooals hij voor haar? Zou hij verkeerd hebben gezien, dat die blonde
+jonkman haar hart bezat? Zijn hoofd duizelde. 't Warrelde in zijn brein
+en de hoop streed in zijn ziel tegen zijn verstand. Hij schaamde zich
+nu, dat hij zoo onbekookt en onnadenkend had gehandeld, en durfde
+nauwelijks zijn weldoener onder de oogen komen.
+
+Wat zou deze hem wel zeggen, hoe zou hij hem ontvangen en wat moest
+hij wel antwoorden aan den man, aan wien hij zoo oneindig veel
+verschuldigd was?
+
+Gedurende den langen weg van Brussel aan Amsterdam maakte hij honderd
+plannen. Nu eens besloot hij ronduit alles aan dokter Abels te zeggen,
+dan weer zocht hij een geldige reden voor zijn verdwijnen te vinden,
+maar telkens stuitte hij daarbij op onoverkomelijke moeielijkheden.
+
+Eindelijk stond toch het besluit bij hem vast, alles ronduit te zeggen,
+hoe moeielijk 't hem ook vallen zou.
+
+
+
+'t Is Woensdagavond. In een der ruime kamers van het _Hôtel des
+Pays-Bas_ brandt een knappend vuur in den open haard; een carcel-lamp
+verspreidt een aangenaam zacht licht door het vertrek en over de tafel,
+waarop een flesch wijn en een paar glazen staan.
+
+In een gemakkelijken fauteuil zit dokter Abels; tegenover hem, met
+de handen op de leuning van een stoel gesteund, staat Dorus. Hij is
+bleek en zenuwachtig.
+
+Vriendelijk vraagt dokter Abels: "Je bent dus zoo even aangekomen?"
+
+"Ja, dokter!"
+
+"Je bent vermoeid, dat kan ik aan je zien; ga zitten."
+
+Dorus plaatst zich zwijgend tegenover hem in een stoel.
+
+De vriendelijke oogen van den dokter vestigen zich met een ernstige
+uitdrukking op Dorus' gelaat. Er ligt in den blik, waarmede hij zijn
+beschermeling aanziet, een zacht verwijt, als hij vraagt:
+
+"Wat heb ik gedaan, Dorus, dat ik je vertrouwen niet meer bezit?"
+
+"U, dokter?"
+
+"Ja, ik. Luister eens, beste jongen. Je hebt me gegriefd door die
+plotselinge vlucht; ik gebruik met opzet dat woord, want je overhaast
+vertrek mag bijna dien naam hebben. Waarom ben je niet bij mij gekomen,
+om mij te zeggen, wat er gebeurd is, op of na het bal van Polyhymnia?"
+
+Dorus zwijgt verlegen.
+
+"Is 't waar, Dorus, wat juffrouw Barbara zegt: Ben je toen 's nachts
+dronken tehuis gekomen, en is 't omdat je je daarvoor schaamdet,
+dat...?"
+
+"Dronken, dokter, ik? Dat's onwaar, geheel onwaar." Een gloeiend rood
+van verontwaardiging kleurt zijn wangen. Als een weerlicht vliegt hem
+de gedachte door 't hoofd: "Ook dat nog: dronken! denken ze--en Augusta
+zal 't gelooven!" Met vaste stem herhaalt hij: "Dat is gelogen!"
+
+"Ik geloof je; 't doet me genoegen, dat 't niet zoo is. Maar wat
+bewoog je dan, om...."
+
+"Om zoo overhaast heen te gaan? Och, dokter, zie mij niet zoo
+uitvorschend aan; ik wil u, hoe moeielijk 't mij ook valt, alles
+zeggen;--maar lach mij niet uit."
+
+"Waarom zou ik je uitlachen?"
+
+"Omdat!... Omdat!... Ik weet het niet..." en plotseling zijn stoel met
+een ruk naar dien van den dokter schuivend, vat Dorus met beide handen
+de rechterhand van zijn beschermer, en terwijl hij die krampachtig
+drukt, zegt hij dof: "Omdat ik zoo diep ongelukkig was en nog ben..."
+
+"Wat zeg je daar: diep ongelukkig, jij, en dat na 't succes van dien
+avond? Ik begrijp je niet!"
+
+Een oogenblik zwijgt de jongeling, maar een aanmoedigend: "Kom jongen,
+spreek! Wat drukt je?" doet hem moed vatten en blozend zeggen:
+"Augusta!"
+
+Even, bijna onmerkbaar, glijdt een fijn lachje over het gelaat van
+den dokter en een zeer zacht "Aha!" ontglipt zijn mond.
+
+"'k Heb haar lief, o, zoo lief!" zucht Dorus, en droef laat hij er op
+volgen: "maar zij mij niet. Hoe zou ze ook, mij een.... bochel, een..."
+
+"O, wringt de schoen daar!.. Maar vriendlief, _hoe_ kon je zoo dwaas
+zijn om...?"
+
+"Om te denken, dat zij...?"
+
+"Neen! om heen te gaan....?"
+
+"Om heen te gaan? Och, dokter, nu voel ik, dat 't een dwaasheid was,
+maar ik had ook zooveel geleden in dien nacht; ik zag, dat zij een
+ander liefheeft en...."
+
+Medelijdend ziet dokter Abels hem aan, als hij antwoordt:
+
+"Er zijn meer lieve meisjes in de wereld, Dorus. Troost je; je bent
+nog zoo jong, dat...."
+
+"Hoe kunt u dat zeggen, dokter! Moet men dan eerst oud zijn om lief
+te hebben?"
+
+"Dat niet, Dorus, maar..."
+
+"Maar ik zal nooit meer eene andere kunnen lief hebben, nooit! dat
+weet ik zeker."
+
+"Wees kalm en redeneer."
+
+"Liefde redeneert niet, dokter; dan is het geen liefde. Ze is
+plotseling in mij ontgloeid, ontvlamd als een vuur, en ik voel,
+dat het mij verteert, maar..."
+
+"Denk eens bedaard na."
+
+"Dat kan ik niet! ik heb nog nooit iemand zoo liefgehad, nog nooit
+heb ik zoo iets ondervonden; ik zou alles kunnen opofferen, alleen om
+haar mijn vrouw te mogen noemen. En toch kan dat niet! kan dat nooit!"
+
+Dorus begint hartstochtelijk te weenen, hij houdt de handen voor
+het gelaat en bemerkt dus niet, dat dokter Abels hem medelijdend
+glimlachend aanziet.
+
+"En dan te moeten zien, dat een ander die gelukkige is; te moeten zien,
+hoe zij... O! ik zou dien man kunnen vernielen!" Plotseling balt hij
+de vuisten, heft ze omhoog en schudt ze zoo dreigend, dat de dokter
+hem verschrikt aanziet en zegt: "Je bent jaloersch, arme Dorus!" In
+zichzelven denkt hij: "Welk een hartstocht!"
+
+"Ik kon het niet langer aanzien; ik zag, dat hij gelukkig was, en
+ik... ik stond daar en mij zag men hoogstens meelijdend aan. Vervloekte
+bochel!... Toen ben ik heengegaan, noem het gevlucht, als u wilt;
+gevlucht, ja, maar voor mijzelven."
+
+Weer slaat Dorus een oogenblik de hand voor de oogen; hijgend ontsnapt
+de adem aan zijn borst en afgemat leunt hij eindelijk in den stoel,
+waarin hij bij de laatste woorden weer heeft plaats genomen.
+
+Oplettend slaat de dokter elk zijner bewegingen gade en onwillekeurig
+komt de gedachte in hem op: die vulkaan moet gebluscht worden, anders
+verteert hij hem zonder genade, lichamelijk en geestelijk. Hij
+wacht een oogenblik voor hij opstaat en, vriendelijk de hand op
+Dorus' schouder leggend, tot hem zegt: "Je bent nu niet vatbaar
+voor redeneering."
+
+"Neen! o, neen."
+
+"Luister eens, mijn jongen. Ik ben ook zoo geweest als jij, ik heb ook
+geleden, gehoopt en gewanhoopt, evenals iedereen dat op zijn beurt doet
+in het leven: maar mijn goede vader, heeft mij steeds weer tot kalmte
+gebracht door zijn bedaardheid. Zie! ik wou, dat ik dat bij jou ook
+kon. Mijn jongen is dood, Dorus; ik beschouw jou als mijn zoon, niet
+waar, dat weet je wel? En daarom _moet_ je naar mij luisteren. Kom,
+word nu eens bedaard. Je houdt immers van me, je vertrouwt me. En..."
+
+Eensklaps grijpt Dorus met beide handen die van den dokter en drukt
+er zijn lippen op. Een diepe zucht ontsnapt zijn borst; hij buigt
+even het hoofd en richt het daarna met een ruk op, als schudde hij
+iets van zich af.
+
+Een oogenblik ziet hij dokter Abels met vochtige oogen aan, en deze
+laat hem tijd om tot bedaren te komen.
+
+"Tracht je nu te beheerschen, want ik moet je over een andere, voor
+jou zeer gewichtige zaak spreken. Kom, wees man en luister oplettend
+naar 't geen ik je zeggen zal."
+
+"Dokter, ik ben bedaard."
+
+"Goed! ga dan rustig zitten en vertel mij eens: wat kun je je
+herinneren uit je eerste jeugd, van je vader, van je moeder, van je
+huis? Herinner je je den ouden Strijkman nog?"
+
+Deze vragen geven afleiding aan Dorus' gedachten. Hij ziet verwonderd
+zijn ondervrager aan en antwoordt:
+
+"Zeker, ik herinner mij alles."
+
+"Ook dat je een oom hebt in Amerika?"
+
+"In Amerika? Een broer van vader?"
+
+"Juist."
+
+"Dat weet ik niet zeker meer.--Maar wacht eens!.. Ja! ik herinner
+mij toch wel, dat ik eenmaal een brief heb gezien, die..."
+
+"Heb je nooit papieren gehad? Weet je niet, of je vader ze had?"
+
+"Papieren? Wel zeker, nu komt het mij op eens in de gedachten: er waren
+verschillende papieren, die... O, nu staat het mij in eens duidelijk
+voor den geest, ze waren in de latafel; Strijkman nam ze mee.--Maar,
+dokter, wat beteekenen die vragen? Wat wil men van mij?"
+
+"Die oom van je in Amerika is gestorven en heeft geld nagelaten aan
+je vader."
+
+"Mijn vader is immers dood!"
+
+"Maar jij bent zijn erfgenaam en daarom komt dat geld jou toe! 't Is
+een kapitaaltje, dat..."
+
+"Dus zou ik rijk worden, ik?"
+
+"Rijk, neen, dat is het woord niet, maar..."
+
+"Wat zou ik ook met veel geld doen," zegt Dorus weemoedig
+glimlachend. Mijn brood kan ik overal verdienen, dank zij uwe goedheid,
+en meer heb ik toch niet noodig."
+
+In korte woorden verhaalt dokter Abels aan Dorus wat de procureur
+Verhagen met hem heeft besproken; hoe de vrekkige pandjesbaas alle
+mogelijke moeite aanwendt om de erfenis machtig te worden, en hij
+eindigt met de woorden:
+
+"We zullen in de eerste plaats zien, of we jou identiteit voldoende
+kunnen bewijzen, en ten tweede, of we dien ouden schurk en zijne dame
+een poosje vrij logies kunnen verschaffen."
+
+Intusschen is voor Dorus' geest het beeld van zijne kindsche jaren
+opgerezen en 't is hem alsof hij weer de striemen, die Strijkman hem
+eenmaal met de hondenzweep sloeg, voelt branden. Geheel zijn droevig
+verleden komt hem in de gedachten en met vaste stem zegt hij tot
+dokter Abels: "Stel mij tegenover Strijkman, dokter, en gij zult zien,
+dat ik hem klein krijg; we hebben nog een oude rekening te vereffenen."
+
+
+
+De Donderdagmorgen is daar. Op het kantoor van den procureur Verhagen
+krassen de pennen niet sneller of langzamer dan gewoonlijk. De
+heeren Krasser en Van Blaak zijn even te voren door hun patroon
+genoegzaam ingelicht over hetgeen weldra gebeuren zal, en Keesje,
+die intusschen van jongsten bediende klerk werd, is er trotsch op,
+dat ook hij deelgenoot is geworden van het plan, dat de heer Verhagen
+en dokter Abels, ingelicht door Dorus zelven, maakten om Philip
+Strijkman c. s. in de val te krijgen. Hij zit op zijn hooge kruk te
+popelen van ongeduld.
+
+"'t Is juist een kolfje naar mijn hand," denkt hij, "en als hij
+door de mand valt, zal ik hem nog eens ferm de huid volschelden,"
+zegt hij in stilte.
+
+"Laat Janus eens even hier komen; waar is hij?" zegt de heer Verhagen,
+die voor zijn bureau zit.
+
+"Hij zit in de keuken zijn boterham te eten, meneer."
+
+"Roep hem hier!"
+
+Een oogenblik later staat de looper, met den hoed in de hand, voor
+zijn patroon.
+
+"Wat is er van uw orders, meneer?"
+
+"Heb je die juffrouw Ram nu gevonden?"
+
+"Jawel, mijnheer; 't is een heele toer geweest: ze woont al sedert
+een jaar of derdehalf niet meer in de buurt, en.."
+
+"'t Is goed. Zal ze komen?"
+
+"Jawel, meneer; ze had er eerst geen fiducie in. "Ik heb nooit iets
+met de heeren van 't gerecht te doen gehad," zei ze, en ze begreep
+niet, wat u van haar wou; maar toen ik haar vertelde, dat er..."
+
+"Dank je voor 't overige. Ga, voor meerdere zekerheid dat zij komt,
+nog eens naar haar toe, om haar te herinneren, dat ze tegen halftwaalf
+hier dient te zijn."
+
+"Bestig, meneer!"
+
+"Je hebt gisteren bij dokter Abels een paar malen boodschappen gedaan
+en dien jongenheer gezien, die bij hem logeert niet waar?"
+
+"Om u te dienen, meneer!"
+
+"Heb je in zijn tegenwoordigheid ook iets van juffrouw Ram gezegd,
+of haar naam genoemd?"
+
+"In 't geheel niet!"
+
+"Goed; je kunt gaan."
+
+"Morgen, meneer!"
+
+Tot Van Blaak en Keesje zich wendend, vervolgt de procureur: "Wanneer
+dokter Abels en dat jongmensch komen, verzoekt u hen beleefd zoolang op
+de bovenvoorkamer te wachten. Als juffrouw Ram komt, laat u haar in 't
+spreekkamertje en zorgt, dat zij alleen blijft. Hebt ge dat begrepen?"
+
+Van Blaak en Cornelis antwoorden bevestigend.
+
+"Meneer Krasser, wil u zorgen, dat wij niet gestoord worden. U kunt
+alles behandelen, wat er komt." Krasser draait zijn hoofd om en knikt
+met de pen tusschen de lippen, terwijl hij een brief dichtlakt.
+
+
+
+In juffrouw Juttner's kamertje zit Strijkman in zijn gewone zondagsche
+pak met zijn onafscheidelijke parapluie tusschen de knieën, en de
+weduwe, alias juffrouw Blommers, geeft haar zoon Kobus nog, zooals
+zij het noemt, een pil in, door te zeggen:
+
+"Nou niets vragen of zeggen, alleen antwoorden, hoor je?"
+
+"Ook niet zeggen van Dorus, moeder?"
+
+"Dorus, zoo heet je immers. En hoe nog meer?" vraagt Strijkman.
+
+"Makko."
+
+"Goed, heel goed."
+
+"Maar waarom heet ik nou Makko?"
+
+"O, kristenzielen! wat een os, wat een stommerd. Als hij dat dáár zegt,
+loopt alles mis."
+
+"Hij zal z'n eigen wel stilhouden, Strijkman, maak je maar niet
+benauwd. Wat ben jij toch voor een kerel, ba!..."
+
+"'t Is kwart voor elf... we moeten gaan. Zeg, Dorus, zul je je
+goed houden?" vraagt Strijkman nog eens. De parels van angst en
+zenuwachtigheid staan op zijn voorhoofd.
+
+De onnoozele jongen ziet hem wezenloos aan en vraagt: "Niemendal
+zeggen?"
+
+"Hou nou asjeblieft op met zeuren, Strijkman; je bederft er meer mee
+dan je goedmaakt," zegt vrouw Juttner, terwijl zij met de anderen de
+straat opgaat.
+
+Onder weg bespreken zij nog het een en ander en staan eindelijk op
+de stoep bij Verhagen.
+
+'t Slaat elf uren. "Ringelinggeling," klinkt de huisschel.
+
+Keesje springt op van zijn kruk en fluistert nog even tegen Van Blaak:
+"Daar zullen ze zijn."
+
+De procureur, die het schellen eveneens heeft gehoord, staakt de
+lectuur van het stuk, dat hij onder handen heeft, en zegt. "Laat ze
+op het zaaltje en blijf in het kamertje er naast, totdat ik schel..."
+
+"Best, meneer!"
+
+"Ga nu maar opendoen!"
+
+Uitermate beleefd en vriendelijk wordt het drietal door Keesje aan
+de deur ontvangen en met de woorden: "Wilt u maar zoo goed zijn en
+op het zaaltje komen; mag ik u maar voorgaan?" wijst hij hun den weg
+naar de opkamer achter de gang.
+
+Strijkman en vrouw Juttner wisselen een veelbeteekenenden blik,
+als zij binnentreden. Keesje geeft hun stoelen.
+
+"Neemt u zoolang plaats, asjeblieft; ik zal mijnheer dadelijk
+waarschuwen, dat u er is."
+
+Als de klerk zich verwijderd heef, ziet Strijkman om naar de deur,
+staat op, opent die op een kiertje en ziet oplettend in de gang;
+niemand ziende gaat hij weer zitten en fluistert: "Zeg! dat's andere
+thee, hoor! Zoo heeft hij ons nog nooit ontvangen!"
+
+"'k Weet niet, Strijkman, maar ik ben niets op mijn gemak: 't is me
+nu al te mooi."
+
+"Ben je dol. Waarom?"
+
+"Dat weet ik niet, maar ik heb zoo'n idee, dat...." Verder komt zij
+niet, want de procureur treedt binnen, legt het dossier, dat hij
+in de hand houdt, op tafel en neemt met een kort "goeden morgen"
+tegenover hen in een armstoel plaats.
+
+Allen zwijgen, alleen Strijkman schraapt zich de keel en hoest achter
+zijn rooden zakdoek.
+
+"Ik heb u verzocht hier te komen, ten einde nog eens over de erfenis
+van Dorus Makko te spreken."
+
+"Juist, meneer."
+
+"Er is lang en breed overleg toe noodig geweest, om in deze zaak eenig
+licht te verkrijgen. We hebben dat nu, en alles kan geregeld worden,
+wanneer u voldoende de identiteit kunt bewijzen van dit jongmensch,
+dien u noemt Dorus Makko, den wettigen zoon van Nicolaas Makko,
+in leven hondenkoopman te Amsterdam."
+
+Strijkman heeft reeds de hand in den zak gestoken en grijpt uit
+gewoonte naar de papieren, maar hij trekt haar ledig terug, en op de
+weduwe Juttner wijzend, zegt hij: "Juffrouw Blommers heeft ze."
+
+"Wat?"
+
+"De pampieren, de bewijzen, meneer!"
+
+"O ja, daar wilde ik u juist om verzoeken. Heeft u alles bij u,
+juffrouw?"
+
+"Jawel, meneer de avekaat. Ziet uwé, hier is het geboortebewijs; dat
+is de trouwakte, en hier heb ik den brief en 't portretje. Asjeblieft."
+
+"Dank u." De heer Verhagen neemt de papieren aan, ziet ze vluchtig
+in en legt ze onder zijn bereik, naast zich, op tafel.
+
+"Is 't zoo in orde, meneer?" vraagt Strijkman.
+
+"Die papieren, ja,--de zaak, neen. Zou u er een eed op kunnen doen,
+dat dit jongmensch de zoon is van Nicolaas Makko?"
+
+Met het vroomste gelaat van de wereld antwoordt de pandjesbaas:
+"Een eed? Met liefde, meneer! Met liefde! Twee zelfs!"
+
+"Dus u is er volkomen zeker van?" Verhagen fronst even de wenkbrauwen.
+
+"'k Wou, dat ik zoo zeker was van de honderdduizend, meneer."
+
+"En u, juffrouw, zou u er ook een eed op kunnen doen?" vraagt de
+procureur met nadruk.
+
+Eenigszins verward door de omgeving, de strenge blikken van den
+procureur en vooral door de woorden van Kobus, die juist "moeder,
+mooi hier, hé?" zegt, stottert zij: "Ja, ja, ziet u-u uwé, een
+eed..." En zich herstellend, vervolgt zij op vaster toon: "'k Heb
+'t kind zoo van de straat opgenomen, en ik ga alleen op hem af, weet
+u. Strijkman heeft de pampieren gehad en herkon dadelijk den jongen,
+begrijpt u? Dus... die... pampieren..."
+
+"Die papieren zijn volstrekt geen bewijzen, in 't minst niet."
+
+"Wâblief?" vraagt Strijkman verschrikt.
+
+"Een geboortebewijs en een trouwakte kan iedereen op het stadhuis doen
+lichten. Alleen de brief zou een bewijsstuk kunnen worden, wanneer..."
+
+"Ja juist, die brief en 't portretje," grinnikt de pandjesbaas.
+
+"Is er niemand buiten u, die den zoon van Makko zou kunnen
+herkennen? Een van de vroegere buren bij voorbeeld?"
+
+"Och, meneer! wie zou dat moeten zijn! En bovendien als ik uwé nou op
+mijn woord van eerlijk, braaf mensch verzeker, dat hij het is... Ik
+zal me toch zoo niet bezondigen, meneer, om een valschen eed te willen
+doen." Strijkman verdraait zijn oogen, zucht en zet een gezicht als
+een catechiseermeester.
+
+"Men heeft mij verteld, juffrouw, dat dit ongelukkig jongmensch niet
+de zoon van Makko, maar uw eigen zoon is." Verhagen ziet juffrouw
+Blommers scherp en uitvorschend aan.
+
+"Wa-wa-wa-t-zz-zegt u daar?" De weduwe verschiet van schrik, maar
+herstelt zich spoedig en lacht. "Hè! hè! hè! dat 's grappig; nou
+zouën ze mij nog een kind willen oplasteren; hè hè! hè!" Zij wischt
+zich van angst haar slapen en voorhoofd.
+
+Strijkman is eveneens hevig geschrikt, maar begint ook quasi hartelijk
+te lachen en grinnikt: "Waar halen de menschen de leugens vandaan! En
+wie heeft dat gezegd, meneer de avekaat?"
+
+De heer Verhagen ziet het tweetal eenige oogenblikken doordringend
+en zwijgend aan, vóór hij, op elk woord nadruk leggend, antwoordt:
+"Wie? Eenvoudig een jongmensch, iemand die zich bij mij heeft aangemeld
+als rechthebbende op de erfenis van..."
+
+Een vale bleekheid verspreidt zich eensklaps over Strijkmans gelaat,
+zijn lippen beven en zijn oogen gaan rusteloos heen en weer. "Dorus is
+niet dood, maar teruggekomen", die gedachte schiet hem bliksemsnel door
+'t hoofd. Een siddering gaat door zijn geheele lichaam, en hoewel hij
+zit, knikken zijn knieën en zwikken zijn enkels, terwijl zijn handen
+zich zenuwachtig openen en sluiten.
+
+Als een jammerlijke verschijning, die in elken gelaatstrek schuld
+verraadt, zit hij daar, en juffrouw Juttner tegenover hem denkt:
+"Hij krijgt er wat van! Hij krijgt er wat van!" Ook haar is een
+rilling door de leden gevaren, maar zij houdt zich goed en tracht
+zelfs te glimlachen.
+
+Intusschen heeft Strijkman zijn zelfbeheersching teruggekregen. Hoewel
+nog bleek en eenigszins onvast van stem, antwoordt hij, zich tot
+een heesch lachen dwingend: "Hè! hè! hè! hè! dat is wel aardig,
+dat is casuweel."
+
+"Moeder," vraagt fluisterend Kobus, die al dien tijd stil op zijn
+stoel is blijven zitten: "Moeder, heet ik nou Makko?"
+
+"Stil toch," antwoordt vrouw Juttner even zacht, maar uiterst angstig,
+dat hij nog meer zal zeggen. "Hou je mond dan toch."
+
+Hoe zacht die woorden ook gesproken zijn, toch heeft de procureur
+ze verstaan, en daarom richt hij nu 't woord tot den ongelukkigen
+idioot. "Wat zei je daar?--O ja, 't is waar, hij is immers doof?"
+
+"Och heere ja, meneer!"
+
+"Kom eens bij mij." De procureur wenkt hem tot zich.
+
+"Kobus gaat om de tafel heen en staat nu naast den heer Verhagen,
+die hem zeer luid vraagt: "Jij heet Dorus, is 't niet zoo?"
+
+"Makko."
+
+"Zoo!"
+
+Vrouw Juttner en Strijkman herademen op dat woord.
+
+"Dorus Makko?"
+
+Zijne moeder vragend aanziende, zegt de aangesprokene op doffen toon:
+"Nou niets zeggen, hé?"
+
+"Ga jij maar weer zitten; ik begrijp genoeg.--Hoor eens, baas
+Strijkman, ik zal maar niet langer omwegen maken; jij bent een oude
+schurk, en zij is je medeplichtige. Je zoekt mij met je beiden een
+rad voor de oogen te draaien. Deze jongen is _niet_ de zoon van den
+hondenkoopman, maar.."
+
+Strijkman heeft intusschen al zijn kalmte teruggekregen, neemt zijn
+toevlucht tot onbeschaamdheid en antwoordt:
+
+"Dat zal u me dienen waar te maken, meneer de avekaat; al ben ik maar
+een burgerman, daarom ben ik toch niet in de wereld om mij te laten
+uitschelden voor schurk; en ik zal het verder zoeken om..."
+
+"Wees bedaard, goede vrind: ik weet zeer goed, wat ik zeg. Ik herhaal:
+de echte Dorus Makko is gevonden en..."
+
+"Och! wat uwè zeit! Kan hij dat bewijzen? Heeft hij pampieren?"
+
+"Neen."
+
+"Nou, dan staat het nog te bezien, wie liegt: hij of ik.
+
+"Ik zou wel eens willen zien, wie de brutaligheid heeft om te zeggen,
+dat deze jongen niet Makko's zoon is."
+
+"Daar zal ik je dadelijk gelegenheid toe geven." De procureur schelt
+en onmiddellijk daarop verschijnt Keesje in de geopende deur.
+
+"Verzoek de heeren binnen te komen."
+
+"Best, meneer!"
+
+Vrouw Juttner tracht tevergeefs met Strijkman een paar woorden te
+wisselen, want onafgebroken vestigen de oogen van den procureur zich
+op haar en op haar zoon.
+
+Strijkman ziet strak voor zich, totdat de deur weder geopend wordt
+en dokter Abels gevolgd door Dorus, binnentreedt.
+
+Als deze Strijkman ziet, glijdt een bijna onmerkbaar lachje over
+zijn trekken, maar het verdwijnt, als hij Kobus Juttner bemerkt,
+die hem nieuwsgierig en onnoozel aankijkt.
+
+Dorus ziet den dubbelganger medelijdend aan. De weduwe begrijpt
+plotseling, dat alles reddeloos verloren is, en staat op, als wilde
+zij heengaan. Zij wenkt haar zoon, om ook op te staan.
+
+"Blijf zitten, juffrouw!"
+
+Strijkman ziet Dorus onbeschaamd aan en zegt plotseling:
+
+"Je kunt zeggen, wat je wilt, maar bewijzen kun je niets."
+
+"Misschien toch wel," zegt Dorus glimlachend.
+
+"Waar zijn je pampieren?" vraagt Strijkman brutaal en verward tevens.
+
+"Die zul jij wel hebben met het goed van vader, dat je uit de latafel
+hebt genomen op dien avond."
+
+"Ik weet van geen latafel."
+
+Het is alsof door den aanblik van den ouden pandjeshuishouder de
+herinnering bij Dorus hoe langer hoe levendiger wordt, en de dag,
+waarop zijn vader stierf, komt hem akelig duidelijk voor den geest.
+
+"Jij hebt mijn papieren, en niemand anders!"
+
+"Zijn ze dit?" vraagt de procureur, terwijl hij Dorus de stukken,
+die op tafel liggen toereikt.
+
+Dorus ziet ze in en antwoordt: "Ja, meneer! dit is mijn geboortebewijs
+en de trouwakte van mijn ouders. Dien brief ken ik niet; ten minste
+ik herinner mij den inhoud niet."
+
+"Aha!" waagt Strijkman te zeggen.
+
+"En dit portretje," vraagt de heer Verhagen, hem de photographie
+voorhoudend.
+
+"Dat ken ik wel, dat is van mijn oom, vaders broer."
+
+Als de onnoozele Kobus, die tot dusverre, schijnbaar zonder deel te
+nemen in 't geen voorvalt, is blijven zitten, het portretje ziet,
+staat hij op en zegt, er op wijzend: "Oome, oome!" en fluisterend:
+"Is 't zoo goed, moeder?"
+
+Bij het woord "oome" is het alsof Dorus zich plotseling iets herinnert;
+hij brengt de rechterhand aan zijn hoofd, denkt een oogenblik na,
+als zocht hij in 't vèr verleden, en zegt dan: "Ja! zoo is 't: _Oome_!"
+
+Verwonderd ziet de procureur hem aan. Hij houdt nog altijd het
+portretje in de hand en keert het om, als Dorus zegt: "'k Herinner
+'t mij, meneer! Dat staat er op; ik heb er als jongen met potlood
+'t woord "_oome_" op geschreven."
+
+"Dat's sterk!" Verhagen beziet aandachtig de rugzijde van het
+lijstje en het blauwe papier, waarmee het beplakt is. "Het staat er,
+je hebt gelijk. Zie, dokter, dáár, met potlood; bijna uitgewischt,
+maar 't is toch nog te lezen."
+
+"Wat zeg je _nu_, baas Strijkman?"
+
+Deze haalt de schouders op en zwijgt; maar dat zwijgen is een halve
+bekentenis, want hij siddert en zijn knieën knikken.
+
+"Komaan, baas Strijkman, ik zou in uw plaats maar de waarheid bekennen;
+je ziet, het helpt je niet om te willen volhouden, dat..."
+
+Een kloppen op de deur doet den procureur even ophouden en "binnen"
+roepen.
+
+"Meneer, de juffrouw beneden heeft haast; zij verzoekt beleefd,
+of u haar ook te woord kunt staan?"
+
+"Laat haar binnenkomen." En weder 't woord tot Strijkman richtend,
+vervolgt de heer Verhagen:
+
+"Wij hebben medelijden met u, omdat ge een oud man zijt, en geven u
+de gelegenheid, om hier, zonder met het gerecht kennis te maken, de
+waarheid te bekennen. Of wilt ge soms liever, dat wij er den officier
+van justitie in mengen?"
+
+Vrouw Juttner zit op heete kolen en is op 't punt om iets te zeggen.
+
+"Weet u wel, dat er eenige artikelen in ons strafwetboek zijn, gericht
+tegen poging tot bedrog en oplichting, tegen 't wederrechtelijk zich
+meester maken van eens anders naam of goed?"
+
+Opnieuw klopt men aan de deur, en als zij op het "binnen" van den
+procureur geopend wordt, verschijnt juffrouw Ram op den drempel.
+
+Nauwelijks heeft Dorus haar gezien, of hij herinnert zich ook haar
+persoon en naam; en op haar toetredende zegt hij: "Dat is juffrouw Ram,
+als ik mij niet vergis."
+
+Allen zwijgen. Verwonderd blijft de vrouw staan, ziet hem oplettend
+aan en verbreekt de stilte door te zeggen: "Krates!--Och, neem me niet
+kwalijk, meneer, dat viel daar zoo klakkeloos uit mijn mond. Uwé is
+Dorus, Dorus Makko, is 't niet zoo? Heere! heere! wat ben je veranderd,
+maar ik ken je toch direct weer...."
+
+"Door mijn bochel, hé?" Glimlachend ziet Dorus haar aan en voegt er
+bij: "Daar is hij toch goed voor."
+
+Juffrouw Ram knikt en laat er op volgen: "Ik dacht, dat je al lang
+dood was.--Hé! daar is Strijkman ook."
+
+Wil u even gaan zitten, juffrouw?" En tot dokter Abels zich wendend,
+zegt de procureur zachtjes: "Ziezoo, dat was het bewijs, dat ik voor
+mezelf noodig had; nu is de zaak gezond!"
+
+Juffrouw Ram's woorden en haar tegenwoordigheid hebben den pandjesbaas
+geheel en al van zijn stuk gebracht, en vrouw Juttner, die begrijpt
+dat alles verloren is, begint onder een vloed van tranen de toedracht
+der zaak te verhalen. Zij bekent alles en eindigt met te zeggen:
+"Ach God! meneer de avekaat, ik heb 't waarachtig alleen gedaan,
+omdat ik voor dien stakker een onbezorgd bestaan dacht te krijgen;
+die ouwe schelm hield niet op, omdat mijn Kobus zoo op dien daar leek."
+
+"Niet huilen, moeder, niet huilen," roept eensklaps de onnoozele.
+
+"Serpent," sist Strijkman binnensmonds.
+
+"We zullen nu verder de zaak maar in handen der politie geven, dunkt
+u niet, dokter?"
+
+"Och, neen, meneer, kijk eens naar dien ongelukkigen jongen en heb
+medelijden!" smeekt de weduwe.
+
+"Politie?" vraagt juffrouw Ram verwonderd.
+
+"En wat zeg jij nu, baas Strijkman?"
+
+"Doe wat je niet laten kunt, meneer!" Bevend laat hij zich op zijn
+stoel vallen.
+
+"Mijnheer Verhagen, mag ik u een verzoek doen?" vraagt Dorus.
+
+"Zeker!"
+
+"Laat de politie en het gerecht buiten spel,--niet om dien ouden
+schelm, maar om hem;" hij wijst op Kobus.
+
+"Wil je een verklaring onderteekenen, dat je dit jongmensch herkent
+als Dorus Makko, den zoon van Nicolaas Makko, en dat deze papieren
+zijn wettig eigendom zijn?"
+
+"Ben ik dan van alles af?"
+
+"Wanneer hier dokter Abels, die als voogd voor den minderjarige zal
+optreden, de zaak niet verder wil zoeken, ja! Anders...."
+
+"Nou, anders?"
+
+"Zal ik het gerecht in den arm nemen, en...."
+
+"Geef maar hier, ik zal teekenen."
+
+"En u, juffrouw Ram, kan u ook in gemoede, desnoods door een eed
+bevestigen, dat deze hier Dorus Makko is?"
+
+"Met pleizier, meneer. Maar ik begrijp er eigenlijk niets van, en als u
+'t niet kwalijk neemt, zou ik wel willen, dat...."
+
+"Dus u teekent ook?"
+
+"Graag, meneer; maar ik wou wel eens hooren, wat..."
+
+"Later, juffrouw, later!"
+
+
+
+Met verbeten woede, maar angstig en bevend onderteekende Strijkman de
+verlangde verklaring. En toen hij eindelijk uit des procureurs mond
+de woorden: "Nu kun je heengaan; bedank de heeren, dat zij geen gevolg
+aan de zaak geven," vernam, greep hij zijn hoed en verliet zonder een
+woord te zeggen de kamer, gevolgd door vrouw Juttner en haar zoon,
+die, omdat zijn moeder huilde, het van den weeromstuit ook deed.
+
+Toen Keesje hen uitliet, kon hij niet nalaten hem toe te voegen:
+"Dat is je niet meegevallen, ouwe droogstok!"
+
+Op straat gekomen, gaf de pandjesbaas zijn hart lucht door een stroom
+van verwenschingen tegen den procureur en Krates.
+
+De weduwe Juttner liep met hem mede, totdat hij, zich nijdig tot haar
+wendend, vroeg: "En wat moet jij?"
+
+"Wat ik moet? Denk je me nu zoo aan mijn lot over te laten?"
+
+"Wel wis en waarachtig."
+
+"Kun je dat over je hart verkrijgen; ik heb je toch trouw geholpen."
+
+"Loop naar de hel!"
+
+"Strijkman!"
+
+"'k Heb niets meer met je te maken."
+
+"Strijkman! ik waarschuw je...."
+
+"Jou dreigementen gaan mij niets meer aan. Ruk uit!' Je hebt me geld
+genoeg gekost voor niemendal. Hè! hè! hè! hè! dat heb ik er ten minste
+bij gewonnen: van jou ben ik af; jij maakt mij niets, niemendal meer,
+geen lor!"
+
+"Och! och! had ik hem toch maar getrouwd," zuchtte vrouw Juttner, toen
+zij weer op haar kamer was. "Ik zou hem wel kleingekregen hebben. Kom
+hier, Kobus ; kom hier, stumper. Doe je nog maar eens te goed, voordat
+alles op is; daar heb je een stuk koek... Arme stakker, wat moet ik
+nou met je beginnen? Ach! ach! 't eindje zal de Ommerschans nog wezen!"
+
+
+
+Na het gebeurde ten huize van den procureur Verhagen had het weinig
+moeite gekost om de zaak der erfenis voor Dorus in orde te brengen.
+
+Toen alle formaliteiten vervuld waren en dokter Abels tot voogd was
+benoemd, bleek de erfenis de som van ongeveer negentien duizend gulden
+te bedragen.
+
+"'t Is een mooi kapitaaltje," zei de dokter tot Dorus, vóór deze weer
+naar 't conservatoire vertrok; "zoodra ik het geld in handen heb,
+zal ik 't zoo goed en zeker mogelijk voor je beleggen."
+
+Zwaarmoedig en droef gestemd nam Dorus afscheid van dokter Abels. De
+Tournels had hij niet weergezien; over Augusta sprak hij niet, en
+toch dacht hij meer dan ooit aan haar, maar als aan een verloren geluk.
+
+
+
+
+
+XV.
+
+VIER JAREN LATER.
+
+
+Vier jaren zijn vervlogen, met al hun lief en leed.
+
+Dorus was, na zijn studiën op het conservatoire te Brussel te hebben
+voleindigd, op reis gegaan, om iets van de wereld te zien. 't Geërfde
+kapitaaltje, dat dokter Abels voor hem beheerde, stelde hem in staat
+zich onafhankelijk en vrij te kunnen bewegen, en 't was in 't bijzonder
+voor zijn verdere ontwikkeling als kunstenaar van groot belang, dat
+hij zich niet bepaald aan ééne plaats bond, of in ééne richting bewoog.
+
+Hoewel hij intusschen meerderjarig geworden was, had hij aan dokter
+Abels verzocht zijn geld te willen blijven beheeren, en deze had zich
+gaarne daartoe bereid verklaard.
+
+Ofschoon dokter Abels zijn beschermeling in de vier jaren, die na het
+voorgevallene op het kantoor van den heer Verhagen verloopen waren,
+niet had gezien, was hij met hem in voortdurende briefwisseling geweest
+en daardoor op de hoogte gebleven van al zijn doen en laten. Dorus'
+brieven ademden steeds een geest van dankbaarheid jegens zijn
+weldoener, maar waren meestal zwaarmoedig getint, terwijl nu en dan een
+aardige zet of een satirieke zinsnede bewezen, dat hij fijn opmerkte
+en geestig wist weer te geven wat hij ondervond en zag. "Hooggeschatte
+dokter," schreef hij in een van zijn laatste brieven, "ik schrijf
+u dezen uit Berlijn, zooals u aan het postmerk reeds gezien zult
+hebben. Waarschijnlijk verwondert het u, want nog kort geleden had ik
+het genoegen, uit Parijs, u over mijne omstandigheden een en ander te
+berichten. De reden, waarom ik mij thans te Berlijn bevind, is deze:
+ik ben op weg naar Rusland, naar de stad der Czaren. Mij dunkt, ik
+zie u verwonderd opkijken en hoor u in gedachten zeggen: wat moet hij
+dáár doen? Ik zal 't met korte woorden uitleggen. Zooals u weet, was
+ik, nadat mijn contract met den Kur-director van Homburg afgeloopen
+was, een tijdlang bij het orkest van den impressario Dubillard als
+concertmeester geëngageerd. Het toeval wilde, dat op een avond onze
+solist Majôsz, een Hongaar, ongesteld werd en zijn solo, die herhaalde
+malen geannonceerd was, niet kon spelen.
+
+"Dubillard was woedend, ongelukkig, radeloos, zooals alleen een
+opgewonden Franschman, vooral een _chef d'orchestre_, die zijn publiek
+ongaarne teleurstelt, kan zijn.
+
+"Je suis au comble du désespoir," riep hij uit; "il me faut absolument
+ce solo!..."
+
+"Geef iets anders," zei ik.
+
+"Mais nom d'un nom! quoi donc; le public ne vient que pour ce solo,--le
+solo de Majósz!"
+
+"Misschien verwondert het u te lezen: "Le solo de Majôsz." Laat ik
+u even uitleggen, wat hij eigenlijk daarmede bedoelde. De Hongaar,
+ontegenzeglijk in de techniek een meester van den eersten rang,
+speelde namelijk Hongaarsche volksmelodieën, waarop hij _ad libitum_
+phantaseerde. Gewoonlijk droeg hij zijn eigen compositie voor,
+maar meestal hield hij zich niet bepaald aan de geschreven noten en
+improviseerde naar hartelust. Zijn spel had iets wilds, phantastisch
+en melancholisch,--men zou 't kunnen noemen iets zigeunerachtigs,--dat
+vooral den Parijzenaars scheen te bevallen en _the great attraction_
+van Dubillard's concerten was. Geen wonder dus, dat onze impressario
+zich diep ongelukkig gevoelde.
+
+"Ik moest waarlijk lachen om de ongelukkige uitdrukking van zijn
+gezicht en stelde hem voor in plaats van den Hongaar te spelen.
+
+""Et vous pensez, que vous en viendrez à bout?"
+
+""Je m'en flatte," antwoordde ik.
+
+""Mais il me faut le solo de Majôsz." Hij stampvoette, om klem aan
+zijn woorden te geven.
+
+""Je le jouerai!"
+
+""Tiens! c'est trop fort ça," de man keek mij aan alsof hij zeggen
+wilde: "Wat verbeeld jij je wel?"
+
+""Enfin," zei hij, "essayez!"
+
+"Om kort te gaan, ik speelde, en... beste dokter! ik durf zeggen,
+ik speelde goed; ik had reeds herhaalde malen Majôsz hooren spelen en
+kende de Hongaarsche melodieën, waarop hij improviseerde en varieerde,
+vrij wel van buiten. Ik zal dien avond nooit, nooit vergeten;
+mijn ijdelheid was geprikkeld; het publiek, dat ik voor mij had,
+inspireerde mij, en ik liet mijn phantasie den vrijen teugel. U weet
+het, dokter, ik heb van die oogenblikken, dat ik gelukkig speel;
+welnu, zulk een oogenblik had ik op dien avond. Men applaudisseerde
+en juichte mij toe, en... Dubillard riep: "C'est piramidal! Il faut,
+que je vous embrasse, jeune homme!"
+
+"Ik schonk hem volgaarne die omhelzing en keerde tevreden en gelukkig
+naar mijn logies terug.
+
+"Gelukkig!" schreef ik daar. Mijn beste, vaderlijke vriend;
+u weet het best, hoe ik dat bedoel: mijn kunst is mijn geluk,
+en door haar zoek ik te vergeten, dat ik niet anders gelukkig mag
+zijn. Wonderlijk! Altijd wanneer ik aan u schrijf, is het mij alsof
+er een inwendige drang in mij is om nog eens en nog eens weer naar
+haar te vragen, die altijd in mijn gedachten leeft. Is zij reeds
+getrouwd? Gelukkig getrouwd? Vergeef mij, dat ik u telkens weer over
+haar schrijf, maar gij zijt ook de eenige, die mij begrijpt, die fijn
+genoeg voelt, om te weten, dat ik niet vergeten kan. Van u hoorde ik,
+dat zij geëngageerd was en dat zij misschien spoedig een gelukkige
+vrouw zou zijn. De gedachte daaraan is mij ondraaglijk, en het is
+mij onmogelijk die te verbannen. Ik weet, dokter, gij lacht niet om
+mijn woorden, want gij gevoelt, dat er oogenblikken zijn, waarin men
+behoefte heeft om over een verloren geluk te spreken; 't is alsof dat
+verlichting geeft en de herinnering er aan minder bitter wordt. Ik
+heb na mijn vertrek niets anders van haar gehoord, dan hetgeen u
+mij over haar schreef. Alleen verleden jaar, in December, berichtte
+mij Tournel het overlijden van juffrouw Barbara. Zij ruste in vrede,
+een verdiende rust, omdat zij die op aarde niet vond, evenmin als den
+vrede, die nooit haar element was. Wanneer u mij weer eens schrijft,
+zult u mij genoegen doen, door mij iets omtrent de Tournels te melden.
+
+"Mais revenons à nos moutons.... Majôsz' solo is nu _mijn_ solo
+geworden, want de prikkelbare Hongaar verklaarde, na mijn optreden,
+zijn engagement met Dubillard als geëindigd te beschouwen.
+
+"Terrèmtètè!" vloekte hij, "chamais moi chouer encore pour fous après
+le solo du possu!"
+
+"Ge ziet het! zelfs een Hongaar kan ik mijn rug niet laten zien,
+zonder dat hij nijdig wordt. Wonderlijke speling der natuur, die mij
+te veel ruggegraat voor mijn lengte gaf!
+
+"Dubillard, die misschien anders zou gesproken hebben, wanneer ik
+niet geslaagd was, zei nu: "A bas la Hongrie! Vive la Hollande!" en
+engageerde mij in plaats van Majôsz. Hij heeft verbintenissen aangegaan
+te Petersburg, Moskou, en verder te Berlijn en te Weenen. Mij dunkt,
+het zal uwe goedkeuring wegdragen, dat ik zijn voorslag heb aangenomen
+om mede te gaan; ik zal u op de hoogte houden van mijn reizen en
+trekken, en hoop u, wanneer mijn engagement bij hem afgeloopen is,
+persoonlijk te komen overtuigen, dat ik, hoewel ik voor de muzikale
+wereld en het publiek thans Monsieur Makkoszch heet (Dubillard maakte
+de _szch_ tot een der voorwaarden van het contract) voor u steeds
+ben en blijf.... uw dankbare beschermeling, Dorus Makko."
+
+
+
+Dorus was dus de wereld in. Dokter Abels zag met zelfvoldoening op
+zijn werk, want herhaaldelijk bleek het uit de nieuwsbladen, die de
+jonge kunstenaar hem uit den vreemde toezond, dat "Théodore Makkoszch"
+opgang maakte; en Tournel ontving geregeld van den dokter dezelfde
+kranten, die telkenmale den ouden muziekmeester trots deden zeggen:
+"Dat's een leerling van mij, Guustje; wat zeg je ervan? Die Dorus
+wordt nog een beroemd man."
+
+Bij Tournel in huis was niet veel veranderd. Sedert Barbara's dood
+had Augusta de teugels van het huiselijk bewind in handen genomen,
+en al trok zij ze misschien minder strak aan dan de overledene,
+toch ging alles even geregeld als vroeger zijn gang. Reeds twee
+jaren lang was zij geëngageerd met den candidaat-notaris Brouwer,
+"den blonden krullebol", zooals Tournel op den avond van Polyhymnia's
+uitvoering hem noemde.
+
+Of Augusta in haar engagement gelukkig was?
+
+Wie kan zeggen, wat een meisjeshart gevoelt, welke voorwaarden en
+welke eischen het stelt aan het geluk; en wie kan bepalen, welke
+idealen het zich schept?
+
+Ware Brouwer een man geweest, die in ontwikkeling en verstand
+boven Augusta stond, dan zou zij gevonden hebben, wat zij zich had
+voorgesteld. Maar!.... hij was een goede jongen, die zonder eigen
+oordeel, met veel vooroordeel, bureaucratisch opgevoed en gevormd,
+zich als vanzelf richtte naar de openbare meening en 't onuitstaanbaar
+vond, dat men hem op de sociëteit herhaaldelijk vroeg: "Hoe is 't,
+Brouwer, wanneer hooren we nu eindelijk wat van je?" of: "Zal het nu
+haast gebeuren?"
+
+Augusta daarentegen had een gemoed, vatbaar voor plotselinge indrukken,
+een artistieke natuur, aangeboren talent en een vlug begrip. Zij had
+zich aangetrokken gevoeld door Brouwers hoffelijke manieren, zijn
+goed uiterlijk en de voorkeur, die hij haar boven anderen schonk:
+'t prikkelde haar ijdelheid, dat zij de uitverkorene was. Hij had
+haar gevraagd, en zij had "ja" gezegd.--Zij had zich geëngageerd,
+en haar vriendinnen hadden haar onder elkander, op de kleinsteedsche
+reputatiemoordende theekransjes, luide beklaagd, omdat er geen
+vooruitzichten waren, maar haar in stilte benijd, totdat ook bij
+haar iemand kwam, die 't jawoord vroeg en kreeg, met of zonder
+vooruitzichten.
+
+Al spoedig werd het Augusta duidelijk, dat zij in Brouwer niet vond,
+wat zij in den man harer keuze dacht te vinden.
+
+Zij kon niet tot hem opzien, hij stond met haar op gelijken trap,
+neen! zelfs een trede lager in geestesontwikkeling. Zij kon met
+hem dansen,--voortreffelijk dansen,--met hem lachen, gekscheren en
+babbelen; hij sloeg alleraardigste complimentjes; maar met hem spreken,
+van gedachten wisselen, kon zij niet. Idealen schiep hij zich niet;
+'t was een proza-mensch van de ergste soort; hij ontgloeide voor
+niets, maar werd ook over niets boos. Zijn humeur was uitmuntend,
+en grootvader Tournel vond hem "een charmanten jongen."
+
+"'t Zal een model huisvader en echtgenoot zijn, Guustje," zei Tournel
+herhaaldelijk tot zijn kleinkind, dat dikwijls een licht geeuwen niet
+kon onderdrukken, als Brouwer 's avonds afscheid had genomen. Guustje
+zweeg dan en zuchtte.
+
+Twee jaren duren lang, maar dubbel lang, wanneer de strengste aller
+tijdmeters "de verveling" den maatstaf begint aan te leggen.
+
+Reeds herhaalde malen had Augusta het voornemen gehad, om met Brouwer
+te breken, maar eensdeels zag zij op tegen de klepperende tongen
+der bemoeizieke kleinstedelingen, anderdeels vond zij geen eigenlijk
+geldige reden. 't Was duidelijk te bemerken, dat zij er onder leed;
+zij werd stiller en meer in zichzelve gekeerd dan vroeger, enkele
+malen zelfs kregel en ontevreden van humeur, zoodat haar grootvader
+bezorgd vroeg: "Scheelt er wat aan, mijn kind? Hindert je iets?"
+
+Met kracht poogde zij zich tegen het onaangename gevoel te verzetten,
+dat haar meestal ontstemde, als Brouwer er was, maar tevergeefs,
+'t werd al sterker en sterker en eindelijk geheel ondragelijk.
+
+Brouwer was meer egoïst, dan hij zelf wel geloofde, en beschouwde
+misschien zonder het eigenlijk te weten zijn meisje en haar "tehuis"
+als zijn toevluchtsoord! Hij begon langzaam aan zijn omgang met
+Augusta als een gewoonte te beschouwen en kon er zich uitmuntend in
+schikken, dat zij nu en dan een avondje bij vriendinnen doorbracht,
+terwijl hij den ouden grootpapa gezelschap hield.
+
+Men sprak er in 't stadje over, dat Brouwer en Augusta zoo koeltjes en
+kalmpjes waren als een paar, dat hun koperen bruiloft al lang achter
+den rug heeft.
+
+"Veel liefde en weinig trek," zei menig ervaren huismoeder, als zij
+het paar te zamen zag; maar niemand sprak luid zijn meening uit,
+omdat het in een kleine stad veelal de gewoonte is te fluisteren en
+men elkander daarom toch evengoed hoort.
+
+Eindelijk brak Augusta het ijs, dat tusschen haar en Brouwer lag,
+door te zeggen:
+
+"Grootpapa, ik houd het niet langer uit!"
+
+"Wat niet, Guustje?"
+
+"Mijn engagement!"
+
+"Groote goedheid! kind, wat zeg je?"
+
+"Ik _kan_ niet met hem trouwen."
+
+"Maar, Guustje!"
+
+"Ik sterf van verveling! 't Is me een schrikbeeld, dat hij 's avonds
+komt."
+
+"Hoe is 't mogelijk, zoo'n knappe jongen, zoo'n lief uiterlijk!"
+
+"Grootpapa! ik wou, dat hij leelijk was, maar... verstandiger..."
+
+"Dat meen je niet!"
+
+"In vollen ernst; ik merk dagelijks, dat wij niet voor elkander
+passen: hij is een goed, braaf mensch; 'k geef gaarne toe, dat hij
+alle deugden heeft, die een goed echtgenoot moet hebben, maar..."
+
+"Wat wil je dan nog meer? Hij is niet opvliegend... niet
+driftig... niet slecht van humeur... niet..."
+
+"Hij is vervelend, grootvader, een man zonder eigen oordeel, zonder
+doorzicht en geest, en dit is erger dan alles... Wij vervelen elkander,
+dat is duidelijk en klaar. O God! o God! wat voel ik mij ongelukkig."
+
+"Maar, beste meid, wat wil je dan doen?"
+
+"En te denken, dat men zijn geheele leven zoo zou moeten
+voortsukkelen,--Ja! voortsukkelen! anders is het niet... Ik wil liever
+alles doen wat ik kan, mijn eigen brood verdienen, les geven, dan met
+hem trouwen.. Och, grootpapa! geef mij raad: hoe zeg ik hem het best,
+dat ik...?"
+
+"Dat je van hem afziet... Hm! ja, dat is een onaangenaam geval;
+'t zal hem verschrikkelijk spijten. Hij was hier nu zoo heelemaal
+thuis en burger. Ik zal hem ook missen: hij speelt perfect écarté,
+bepaald fijn; hij is een nette jongen en...."
+
+"Wel mogelijk, grootpapa, en misschien ben ik in uw oogen wispelturig
+of vreemd, maar ik kan niet, waarlijk niet. Beter ten halve gekeerd,
+dan geheel gedwaald. Ik heb het twee jaren lang uitgehouden... een
+eeuwigheid is 't geweest...."
+
+"Wat zullen de vrienden en bekenden er van zeggen?"
+
+"Dat is mij onverschillig; daar ben ik al overheen. Misschien zal 't
+mij eerst onaangenaam zijn, hun spotachtige lachjes te moeten zien,
+maar ik weet wat ik doe... Wanneer Brouwer en ik trouwen, worden twee
+menschen doodongelukkig!"
+
+"Je was toch eens erg verliefd op hem, Augusta."
+
+"'k Zal niet ontkennen, grootpapa, dat ik in den beginne hem graag
+mocht lijden; ik geloofde zelfs, dat ik hem liefhad; nu begrijp ik,
+dat tusschen liefhebben en _verliefd_ zijn een hemelsbreed onderscheid
+ligt."
+
+"'t Is jammer! doodjammer! Zoo'n knappe man! Hij heeft bepaald een
+aristocratisch gezicht en een mooi figuur en..."
+
+"Maar hij is dom! Ziedaar! dat is het, wat mij hindert."
+
+"Dom? Nu, nu!"
+
+"Onbeduidend dan, als ge dat beter vindt. Ik zou hem nooit kunnen
+liefhebben als mijn man, omdat ik hem niet achten kan als mijn
+meerdere, omdat ik mij niet zwak en nietig gevoel tegenover hem. Dat
+gevoel wil _ik_ hebben tegenover den man, dien ik voor mijn leven moet
+kiezen. Hij moet mijn steun zijn, ik moet tot hem opzien, ik wil mij
+klein gevoelen, niet boven, zelfs niet met hem gelijkstaan. Wanneer
+ik dat gevoel bij Brouwer ondervond, grootpapa dan zou ik met vreugde
+zijn vrouw worden, al was hij ook zoo leelijk als de nacht, of al
+was hij mismaakt, een bult.."
+
+"Als Dorus!" viel de oude heer Tournel eensklaps in.
+
+Plotseling overtoog een purperen gloed Augusta's gelaat. Die woorden:
+"als Dorus", deden haar in den geest de groote, bruine, zwaarmoedige
+oogen van Dorus zien, die haar menigmaal zoo verstandig en innig
+hadden aangekeken. Zij herinnerde zich op eens dien balavond: ze had
+met echt vrouwelijk instinct destijds dadelijk begrepen, waarom hij zoo
+overhaast haar woning had verlaten. Toen had zij een oogenblik gevoeld,
+dat hij haar liefhad, en zij was er van geschrikt, omdat zij wist,
+dat Dorus begrepen had dat zijn mismaaktheid hem in den weg stond.
+
+Het speet haar voor hem, 't deed haar leed, maar zij trachtte
+zichzelve wijs te maken, dat zij er onverschillig onder was. Toen
+Brouwer geruimen tijd daarna met haar geëngageerd was, ondervond zij
+een teleurstelling door de ervaring dat haar uitverkorene eigenlijk
+niets meer was dan een schoon gevormd, oppervlakkig beschaafd,
+alledaagsch mensch.
+
+De herinnering aan Dorus werd hoe langer hoe levendiger, en menigmaal
+had zij reeds in stilte vergelijkingen gemaakt tusschen Brouwer en
+hem. Vergelijkingen, die wel is waar in den beginne ten voordeele
+van den lichamelijk beter door de schikgodinnen bedeelden uitvielen,
+maar die later, en misschien ook al spoediger dan zij zichzelve wilde
+bekennen, niet in Dorus' nadeel waren.
+
+Maar een bult! En bovendien... hij had immers nooit iets gezegd en er
+zelfs nooit op gezinspeeld, dat hij haar liefhad!--Toch wist Augusta,
+dat 't zoo was, ten minste dat het zoo geweest was, en daarom kleurde
+zij zoo sterk bij Tournels woorden.
+
+"Dus je besluit staat vast om met hem te breken?" vervolgde deze.
+
+"Ja, grootvader!"
+
+"Bedenk wat je doet; ik word oud, ik voel mij in den laatsten tijd
+zwak en weinig opgewekt; de lessen worden minder; de menschen zeggen:
+"Tournel raakt op," en ze hebben gelijk," zei de oude man, weemoedig
+glimlachend. "Wanneer ik er niet meer ben, sta je alleen op de wereld,
+en..."
+
+"En kan, Goddank, met les geven mijn brood verdienen. Heb ik nu al niet
+een goed aantal élèves, en...? Och grootvader! martel mij niet langer
+met al die tegenwerpingen. Ik heb alles overwogen en gewikt, en ben
+besloten mijzelf niet ongelukkig te maken. Ach! leefde nicht Barbara
+nu nog maar! Die zou mij wel geholpen hebben om het hem te zeggen."
+
+"Dat zou ze zeker, maar ik zal het ook; van avond nog zal ik met
+Brouwer spreken."
+
+Tournel deed, zooals hij beloofd had, en maakte zich van te voren
+reeds zenuwachtig, omdat hij de uitwerking van zijn woorden op Brouwer
+vreesde; maar 't ging veel beter en gemakkelijker dan hij gedacht had,
+want de candidaat-notaris antwoordde doodkalm op hetgeen Tournel zei:
+
+"'k Heb het wel zien aankomen; wij passen niet zoo recht bij elkaar,
+maar _ik_ wilde de eerste niet zijn en geen aanleiding geven, dat
+men later zou kunnen zeggen: hij heeft haar als passe-temps gehad,
+zoolang hij daar in dat stille stadje was.--Ik hoop, dat zij later
+iemand vindt, die haar beter past."
+
+De grijze muziekmeester was verontwaardigd. "Als passe-temps!" dat
+was te erg; hij bleef bedaard, maar kon zijn toorn niet bedwingen.
+
+Brouwers koelheid en kalmte evenaarden, neen overtroffen die van
+Augusta; en toen zij van elkander afscheid namen, scheidden zij als
+goede vrienden, zonder den minsten wrok. Zij waren elkander vreemd
+gebleven, en daarom ontknoopte zich zonder smart of lijden een band,
+die slechts schijnbaar twee harten had verbonden, omdat de ziel den
+knoop niet had gelegd.
+
+"Je hebt toch gelijk, Augusta," zeide de oude man, "je hebt gelijk! Ik
+heb hem nooit goed gekend..."
+
+Natuurlijk was het verbroken engagement van Augusta Tournel een
+alleraangenaamste stof voor de babbelende burgers. Men beklaagde
+haar, men beoordeelde of veroordeelde haar, al naarmate men tot haar
+vrienden of niet behoorde. Brouwer had een paar ellendige dagen op
+de sociëteit, en daarna ging alles zijn gewonen gang in het kleine
+stadje, totdat een halfjaar daarna de praatgragen en bemoeizieken
+weer rijke stof tot onderhoud vonden in de omstandigheid dat Brouwer,
+na het verbreken van zijn eerste engagement, een tweede aanging met
+de reeds niet meer schoone of jonge, maar eenige dochter van een rijk
+geworden koffiehuishouder, die in den omtrek rentenierde en, met de
+hand op den broekzak slaande, verklaarde: "'t Komt er bij mij niet
+op aan of mijn aanstaande schoonzoon een betrekking heeft of niet;
+hier zitten de muzikanten!"
+
+
+
+Polyhymnia was in rouwgewaad; het bestuur en de werkende leden, allen
+in zwarten rok en witten das, waren gedeeltelijk in en voor het huis
+van Tournel verzameld. Hun geachte directeur was gestorven, en zij
+stonden gereed hem de laatste eer te bewijzen, door zijn stoffelijk
+overschot naar het kerkhof te volgen.
+
+Tusschen de neergelaten gordijnen door zag Augusta, voor 't venster
+staande, den somberen stoet vertrekken en oogde hem na, zoolang
+zij kon. Het deed haar goed te zien, hoe haar grootvader bij zijn
+stadgenooten geacht en bemind was geweest, en het temperde haar
+droefheid en 't gevoel van verlatenheid, dat zich van haar meester
+had gemaakt, toen de goede, eenvoudige man gestorven was.
+
+Nu was hij heengegaan, de brave, geduldige, vriendelijke oude man,
+die haar zoo innig liefhad. Zijn ziekbed was kort geweest: een
+hevige koorts, gevolgd door longontsteking, overviel hem op een
+avond, nadat hij van de koorrepetitie van 't zanggezelschap was
+thuis gekomen, en sleepte hem een paar weken later ten grave. De
+laatste dagen van zijn leven waren kalm en zonder pijn, en Augusta
+had zich daardoor met de hoop gevleid, dat de hoogbejaarde man nog
+voor haar zou gespaard blijven; maar dokter Abels, die hem behandelde,
+had haar alleen geroepen in de kleine voorkamer en gezegd: "Augusta,
+er is niets meer aan te doen, de goede man gaat sterven; wees kalm,
+dan zal hij 't ook zijn, totdat het einde daar is."
+
+Zij had zich goed gehouden, zij was bedaard gebleven, en de oude
+muziekmeester was zacht en stil ontslapen.
+
+Nu alles voorbij was, kwam de terugwerking; de overspannen zenuwen
+eischten haar recht en een vloed van tranen schonk verlichting aan
+haar gemoed.
+
+Daar stond zij aan 't venster en zag in de verte den lijkstoet den
+hoek omrijden, terwijl de heeren in 't zwart er zwijgend achter
+liepen. Toen zij de laatsten had zien verdwijnen, zuchtte zij diep
+en liet zich in de halfdonkere kamer op een stoel nedervallen.
+
+"Alleen op de wereld!" die woorden ontglipten onwillekeurig haar mond.
+
+Zij had behoefte aan een hart, aan een gemoed, dat haar begreep,
+dat haar toebehoorde, geheel alleen en onverdeeld,--waaraan het hare
+zich hechten kon, met al de kracht, innigheid en warmte van haar rijk
+gemoed. Zij gevoelde, hoeveel zij zou kunnen geven, wanneer zij ontving
+wat zij wenschte, verwachtte en zocht: een ziel, die met haar één was
+in denken en gevoelen, als het ware een beter deel van haar eigen ik.
+
+Haar geheele karakter had in de laatste jaren een meer ernstige
+richting aangenomen; zij gevoelde dieper en verstandiger, maar daarom
+niet minder innig en warm dan voorheen. Veel wat haar vroeger het
+toppunt van geluk had toegeschenen, beschouwde zij nu met andere oogen,
+en haar oordeel was minder haastig en oppervlakkig geworden:
+
+"Waarheen nu?" dacht zij, terwijl zij peinzend voor zich uit zag in de
+sombere kamer. "Hier blijven? Alléén in dit huis, dat voor mij geen
+_tehuis_ meer is?" 't Kwam haar bijna onmogelijk voor. "Bij andere
+menschen binnenshuis op kamers?" 't Scheen haar verschrikkelijk. Zij
+kon niet dadelijk een besluit nemen. De laatste woorden van grootvader
+kwamen haar in de gedachten: "Guustje, kind," had de oude man gezegd,
+terwijl hij reeds bijna stervende was, "kind! waar moet gij nu
+heen? Dat is nu nog mijn eenige zorg. 'k Wou, dat ik 't had mogen
+beleven je gelukkig getrouwd te zien, maar 't heeft niet zoo mogen
+wezen,--en 't is misschien beter zoo. Je zult wel in dokter Abels,
+zoolang hij leeft, een vriend hebben; dat heeft hij mij beloofd,
+en daar ga ik gerust de eeuwigheid op in. Maar...."
+
+Terwijl zij zoo zat na te denken en zich de weldadige, verlichting
+brengende tranen van de wangen wischte, hoorde zij den lichten tred
+niet, die door de gang klonk, en zag niet, dat de deur werd geopend.
+
+"Albertine!--Mevrouw!" riep Augusta, half verwonderd, half verlegen,
+terwijl zij opstond en, door haar tranen heen glimlachend, verwonderd
+de smaakvol gekleede dame beschouwde, die als 't ware zoo plotseling
+uit den grond verrezen voor haar stond.
+
+"Mevrouw?" klonk 't eenigszins verwijtend terug.
+
+"Albertine, 'k ben dankbaar, dat je komt!"
+
+"Ik kom eens met je schreien, Guustje, over je goeien, besten
+grootvader," zei Albertine Abels, nu mevrouw Van Vliet, terwijl
+zij naast Augusta plaats nemend, den arm om haar schouders sloeg
+en haar hoofd tot het hare boog.--"Die goeie, lieve, oude man! wat
+was hij altijd tevreden en opgeruimd!--Lucht het je zoo op, om eens
+te schreien?--Ja? Schrei dan maar eens goed uit, hoor! Geneer je
+maar niet! Je ziet er betrokken uit, arme meid!--Papa zei: ga jij
+er van morgen eens naar toe; een vrouw kan in zulke oogenblikken
+zooveel beter troosten dan een dokter."--Doet het je zoo goed,
+dat ik er ben? Och! dat dacht ik wel.--Neem eens een beetje eau de
+cologne! zoo! en leg je hoofd nu maar eens goed tegen mij aan. Arme
+Guustje! wat snik je zenuwachtig. 't Was ook zoo alles wat je
+hadt, hé?--Ja! je hebt gelijk, wij hebben elkaar in zoolang niet
+gezien;--maar je begrijpt immers wel, dat 't geen onhartelijkheid van
+mij is. Je kunt ook niet denken, Augusta, hoeveel drukte zoo'n klein
+kind medebrengt. Otto is er zoo gelukkig mee; 't zegt al zoo aardig:
+Dada! en Mama! En 't is zoo vlug als water. Aardig hé?--Ben je nu al
+wat bedaard? Goed! heel goed!... Dat hij zoo bemind was? Ja, dat wist
+ik wel; ik heb den stoet gezien. Een treffend gezicht.--Neen! begin
+nu niet weer te schreien. Papa komt strakjes ook, om de heeren uit
+jou naam te bedanken; hij dacht, dat zou je genoegen doen. En als
+alles afgeloopen is, dan ga je met ons mee, niet waar?"
+
+De hartelijke woorden van Albertine misten hun weldadigen invloed
+niet en een straal van blijdschap brak door den vochtigen sluier van
+Augusta's oogen. "Met u mee?" vroeg zij verbaasd.
+
+"Ja! naar "Mon Repos!" Daar logeeren wij met de kleine. O! je zult
+daar zoo rustig en kalm zijn. Papa is er bepaald op gesteld en rekent
+er op, dat je komt. Wij zullen het je daar zoo aangenaam mogelijk
+maken; je hebt behoefte aan rust, en je zult eens zien, hoe goed het
+je doet. Bij ons ben je immers _tehuis_!"
+
+Augusta vond geen woorden om uit te drukken wat zij gevoelde,
+maar zij zag de schoone jonge vrouw naast haar aan met een blik,
+die welsprekender was dan alles wat zij zou hebben kunnen zeggen.
+
+Er zijn oogenblikken in het leven, waarin het hart te vol is om te
+kunnen spreken, of waarin de taal te arm is om uiting te geven aan
+de weelde, die 't hart gevoelt: dan spreekt de ziel door het oog met
+paarlen- of fonkelend diamantenschrift.
+
+
+
+
+
+XVI.
+
+TERUGGEKEERD.
+
+
+"Hier ben je _te huis_." Met die woorden had dokter Abels voor Augusta
+het hek van zijn buitenverblijf geopend, en als muziek klonk haar
+die welkomstgroet in de ooren.
+
+In overleg met dokter Abels had zij de huur van Tournels huis opgezegd
+en bij een familie in de stad een paar geschikte kamers gevonden,
+waar zij haar intrek nam, toen zij "Mon Repos" verliet.
+
+De muzieklessen van juffrouw Tournel werden meer en meer gezocht en
+vrij goed gehonoreerd, zoodat zij op voldoende wijze in haar onderhoud
+kon voorzien.
+
+Van Dorus had zij na het overlijden van haar vader een kort, maar
+hartelijk briefje ontvangen, uit Weenen gedateerd. Hij schreef:
+
+"Ik gevoel met u, wat gij in den goeden ouden man verliest; ik
+treur met u, want hij was mij lief als een oprecht en onbaatzuchtig
+vriend.... Over eenige maanden hoop ik weer in Holland te zijn en u
+de hand te drukken."
+
+Aan dokter Abels had hij te gelijker tijd geschreven:
+
+"Mijn kunstreis spoedt ten einde; 't zijn nu bijna zes volle jaren,
+dat ik rondgezworven heb, en het denkbeeld lacht mij toe om u en de
+uwen spoedig weer te ontmoeten. Ik zie er nu ook niet meer tegen op,
+beste vriend! Ik geloof, dat mijn wond genezen is en dat ik zonder
+gevaar Augusta kan terugzien. Zonder gevaar voor mij zelven, bedoel ik,
+want--vergeef mij mijne, misschien naar uwe meening ietwat te romaneske
+ideeën--tot dusverre was ik nog niet genezen van de dwaasheid om te
+gelooven, dat men, een vrouw namelijk, hetgeen ik achter den rug heb,
+zou kunnen voorbijzien. De muze is in dat opzicht inschikkelijker,
+hoewel niet overal evenzeer. Bijgaand blad zal u doen zien, dat
+hier te Weenen bij voorbeeld nog kunstkenners zijn, die beweren:
+"_Mann soll die Augen schliessen, wenn Makkoszch spielt, denn nur
+dan ist er ein Titane!_"
+
+".... Het doodsbericht van mijn goeden Tournel heeft mij doen
+ontstellen. Augusta is nu alleen. Hoe blijft zij achter?... Doch wat
+vraag ik! Zij heeft immers u tot vriend, en dat zegt alles...."
+
+
+
+'t Is schemeravond; de dag was warm en zonnig, en nog is de lucht
+zoel en warm onder de boomen, maar 't lichte koeltje, dat nauwelijks
+ritselend door de bladeren vaart, verfrischt de natuur, die ter
+ruste neigt.
+
+De wolken, wollig gevlokt, kleuren zich met kleine schubbige rosse
+randen, waartusschen hier en daar een gulden boordsel schittert. 't
+Azuur schemert door het fijne parelmoer der nevelachtige massa's,
+die oprijzen aan den gezichteinder; 't scheidend licht vlamt om de
+onderste wolken en de gouden schijf der zon daalt langzaam onder
+de kim. De wind wordt iets sterker en zachtkens wuiven de kruinen
+der boomen hun afscheidsgroet aan den dag. 't Wordt donker onder de
+zware boomen, die langs den weg staan, welke naar "Mon Repos" voert;
+'t klingelend belletje aan den hals der koe, die door de boerenmeid
+langs den berm naar den stal wordt geleid, weerkaatst nog even den
+gulden glans van 't zonnelicht, en dan wordt alles vaal en onbestemd
+van kleur. De laatste schaduwen verdwijnen, maar hoog in 't uitspansel
+is 't nog blauw en vlokkig wit.
+
+Het groen der boomen wordt donkergrauw en over het gras der weide hangt
+een lichte sluier van dauw, nu en dan bewogen door den zwakken wind.
+
+'t Is avond geworden.
+
+Een enkele ster schittert reeds aan den hemel, die zich effen en
+donkerblauw over de aarde welft.
+
+In de tuinkamer van dokter Abels' villa is licht, en ruischend
+klinken de akkoorden van den vleugel door de opengeslagen deuren in
+den stillen avond.
+
+
+ "Ich grolle nicht,
+ Wenn mir das Herz auch bricht!"
+
+
+zingt een melodieuse, krachtige altstem.
+
+
+ "Wenn mir das Herz auch bricht!"
+
+
+herhaalt op zachten toon een jonkman, die, met de eene hand tegen
+het hek der villa leunend, is blijven staan. Een boerenjongen,
+die een valiesje en een vioolkist draagt, staat naast hem en ziet
+met verwondering, dat de heer, dien hij van den postwagen hierheen
+heeft geleid om het een en ander voor hem te dragen, plotseling is
+blijven stilstaan.
+
+"Ie kunt wel noar binnen gaan, m'neer! Wie bint hier terecht bie den
+dokter. Heur ie wel? Zie speult en zingt doarbinnen."
+
+De vreemde blijft staan en antwoordt niet.
+
+"Die doar speult, is de jonge mevrouw, en die doar zingt, is de juffer
+uut de stad, van den olden heer Tournel, die...."
+
+"Daar heb je iets voor je moeite. Zet die bagage maar neer; 'k zal
+ze zelf mee naar binnen nemen...."
+
+"Zâ'k 't niet efkes veur oe naar 't huus brengen, m'neer?" vraagt de
+jongen, die verheugd is over het kwartje, dat hij gekregen heeft.
+
+"Niet noodig; dank je. Ga heen."
+
+"Nou, m'neer mòt 't eiges weten; anders...."
+
+"Ga dan toch heen!" klinkt ongeduldig het antwoord.
+
+"Wat 'n roare, kribberige vent," pruttelt de jongen, terwijl hij zich
+zich verwijdert.
+
+
+ "Ich sah dich ja im Traume;
+ Ich sah die Nacht in deines Herzens Raume
+ Und sah die Schlang', die dir am Herzen frisst;
+ Ich sah mein Lieb, wie sehr du elend bist.
+ Ich grolle nicht!--Ich grolle nicht!"
+
+
+Onbeweeglijk blijft Dorus bij het hek staan; die stem dringt hem
+door zijn geheele ziel. Hij leeft in het verleden door dat lied,
+en ontroering grijpt hem aan bij het hooren van dat krachtige geluid,
+zoo innig zacht en melodisch in zijn kracht. Zijn oogen worden vochtig;
+het hart klopt hem in de keel.
+
+"Ik geloof, dat ik nu genezen ben," schreef hij eenige maanden geleden
+aan dokter Abels; en nu....?
+
+Neen! hij is niet genezen; de wond wordt onbarmhartig weder opengereten
+door die stem; zij bloedt opnieuw, heviger dan ooit. Hij dacht sterk
+te zijn, toen hij den weg insloeg naar 't kleine stadje; hij is zwak,
+nu hij er is, en bezwijkt bijna, als hij zich in de onmiddellijke
+nabijheid weet van haar, die hem nog boven alles dierbaar is.
+
+Weifelend staat hij tegen het hek geleund. Zal hij weer
+terugkeeren? Zal hij verder gaan en haar nu in dit oogenblik
+terugzien? Hij vreest voor zichzelven.--Waarom? Omdat hij een gevoel
+heeft, alsof hij, zoodra hij Augusta terugziet, haar hand moet grijpen
+en uitroepen: "Augusta, ik heb je niet vergeten, ik heb je lief, ik
+kan zonder jou niet leven." Omdat hij vreest, dat zij hem medelijdend
+zal aanzien en zeggen... Ja, wat zal ze eigenlijk zeggen? Dat weet
+hij niet, maar hij gevoelt, dat zij zonder woorden, alleen door een
+enkelen blik, hem zou kunnen afwijzen.
+
+"_Ich grolle nicht_," ruischt het nogmaals en voor 't laatst door de
+geopende deuren; 't geluid sterft weg, en duidelijk hoort hij dokter
+Abels' stem, die "bravo" roept.
+
+Hij denkt niet meer na, hij overlegt niet meer, maar een oogenblik
+later staat hij in de kamer en drukt hartelijk des dokters handen.
+
+Augusta staat ietwat bleek en bevend bij den vleugel en mevrouw
+Van Vliet begroet hem met de woorden: "Dat is een groote, aangename
+verrassing voor ons allen. Hoe jammer, dat mijn man juist op reis is."
+
+Augusta nadert en reikt hem de hand, die hij even hartelijk drukt en
+dadelijk weer loslaat, met de woorden: "En jij, Augusta?"
+
+Het rouwgewaad, dat zij draagt, kleedt haar uitmuntend, en zij schijnt
+hem schooner toe dan ooit; maar hij waagt het nauwelijks haar aan
+te zien.
+
+Het is alsof beiden gevoelen, dat er tusschen hen, belemmerend, een
+onuitgesproken woord ligt; de gedachte daaraan doet hen beurtelings
+bleek worden en blozen, terwijl zij eenige alledaagsche woorden
+wisselen.
+
+"En nu blijf je voorloopig mijn gast, niet waar?"
+
+"Wanneer ik mag, gaarne!"
+
+"Of je moogt? Nu, dat is ook een vraag; ik heb er zeer naar verlangd je
+weer te zien, en zij ook," zegt dokter Abels, op de dames wijzend. De
+goede man laat zich op zijn gemakkelijken leunstoel achterovervallen
+en vervolgt: "Laat me je nu eens aanzien. Hm! die blonde baard staat
+je goed, Dorus; je ziet er best uit,--gezond; 't reizen heeft je
+geen kwaad gedaan.--Je kunstreis is dus geëindigd; en wat zijn nu
+je plannen?"
+
+Weldra zitten allen onder de veranda bijeen; de avond is verrukkelijk
+schoon en koel en 't maanlicht is zoo klaar en helder, dat men er
+niet aan denkt licht op te steken.
+
+Hoe levendig en bezield verhaalt hij van zijn reizen; hoe schildert hij
+zijn kleine wederwaardigheden en lotgevallen. Soms klinkt een heldere
+lach van Albertines of Augusta's lippen, als hij vertelt van Majôsz
+en zijn impressario, of den indruk weergeeft, dien de verschillende
+menschen, steden en landen op hem maakten.
+
+"Hij is bepaald geestig," zegt fluisterend Albertine tot Augusta,
+als Dorus een alleraardigste beschrijving geeft van een concertavond
+te Weenen.
+
+"Hij is goed, nog evenals vroeger," denkt Augusta, als hij in den loop
+van het gesprek met groote achting en genegenheid over haar gestorven
+grootvader spreekt; en dokter Abels verwondert zich in stilte over
+de ontwikkeling en beschaving, die doorstralen in elk woord, dat
+hij zegt. De avond is omgevlogen, eer men er aan heeft gedacht, en
+'t is reeds laat, als Dorus het verhaal van zijn kunstreis eindigt
+met te zeggen:
+
+"Wat nu mijn plannen zijn, vraagt ge, dokter?"
+
+"Ja! Ga je weer een nieuwe reis ondernemen?"
+
+"Ja en neen!"
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Men heeft mij een vast engagement te Hanover aangeboden, een zeer
+goede plaats. Wat dunkt u, zal ik die aannemen?"
+
+"Zonder twijfel! Ge kunt in 't buitenland beter carrière maken dan
+in ons kleine Holland."
+
+"Misschien wel."
+
+"Meneer, 't rijtuig voor de juffrouw is voor!" klinkt eensklaps
+Jakobs stem.
+
+"Is 't al zoo laat, dokter?"
+
+Allen geleiden Augusta naar het gereedstaande rijtuig, en na een
+kort afscheid en een "wel thuis" rolt het den weg op, die daghelder
+verlicht is door de maan.
+
+"Ik dacht, dat zij hier logeerde," zegt Dorus met een zweem van
+teleurstelling in zijn stem.
+
+"Ze komt alleen Zondags hier; in de week heeft zij het te druk met
+haar lessen."
+
+Nogmaals kon Dorus op de logeerkamer van "Mon Repos" niet slapen. Hij
+opende het venster en zag naar buiten in den stillen nacht.
+
+Het maanlicht droomde op de boomen en liet de boschjes en bloembedden
+in den tuin phantastisch gevormd uit het duister te voorschijn
+komen. Hier en daar blonk het op de kiezelsteenen van het pad, met
+een twijfelachtig, geheimzinnig licht. De late rozen bloeiden nog en
+het zuchtje, dat over den tuin streek en zachtjes fluisterde in de
+toppen der boomen, koelde zijn brandend voorhoofd en vulde de kamer
+met een zachte, geurige lucht.
+
+Geen mensch was meer in den omtrek te zien; geen licht scheen meer
+uit de tuinmanswoning aan het einde van de laan; geen geluid kwam uit
+de stad tot hem over dan het slaan van een torenklok en nu en dan het
+geblaf van een enkelen hofhond, die aansloeg, verschrikt door de een
+of andere nietige oorzaak.
+
+Twaalf malen sloeg de klok in den ouden toren. Dorus telde de slagen,
+die de avondkoelte uit de verte tot hem overbracht als een oude bekende
+stem. Hij wist, dat het de toren was, die dicht bij Tournels huis
+stond, de oude toren, dien hij zoo dikwijls van uit zijn kamertje
+had gezien. Peinzend zat hij voor het open venster; alles kwam hem
+weer zoo levendig voor den geest, als ware het pas heden gebeurd,
+en toch lagen veel lange jaren tusschen het heden en het verleden.
+
+Hij zag nu zijn dwaasheid in, om destijds zoo overhaast uit het
+vriendelijke huis te vluchten. "Wie weet!" zuchtte hij, "wie weet,
+als ik destijds gesproken had!"--"Neen! Neen!" riep een stem in zijn
+binnenste, "toen kon zij mij niet liefhebben.--En nu? O, God! als
+zij het _nu_ kon, wat zou ik gelukkig zijn; maar..."
+
+De maan wierp haar schaduw op het witte behangsel, en onwillekeurig
+riep hij, haar ziende: "Ach neen! nooit zal zij kunnen."
+
+Hatelijke schaduw! Onvriendelijke maan, waarom verstoort gij op eens
+al zijn illusiën? Ziet gij dan niet, dat uw licht weerkaatst in een
+paar dikke druppels, die langs zijn wangen in zijn baard rollen?
+
+Maar gij zult geen eer hebben van uw vernielingswerk; als gij u achter
+de wolken verschuilt, zal zijn blik niet meer omsluierd zijn en de
+troostende stem in zijn binnenste zich weer doen hooren. Zij zal hem
+toefluisteren: "_Toen_ kon zij niet. Maar nu?--Misschien!--Misschien!"
+
+
+
+Toen Augusta in haar kamer was teruggekeerd, kwam het haar voor,
+alsof er met haar iets wonderlijks was gebeurd, alsof een innerlijke
+stem haar toeriep: "Hij staat boven u tot hem kunt ge opzien, hij is
+verstandig, hij is goed en... hij heeft je nog lief." Ze schrikte
+van die gedachten en trachtte zich rekenschap te geven, hoe ze wel
+ontstonden. Ze wist het niet. Toen vroeg zij zichzelf af, of zij hem,
+Dorus, liefhad, of zij in hem zou vinden, wat zij zocht: een man,
+wiens arm haar een steun zou zijn, wiens geest voedsel was voor den
+haren. Ze beefde en was boos op zichzelf, dat zij zoo dacht. Zij
+wilde slapen, maar zij kon niet, zoo bonsde haar hart. Zij wilde
+over iets anders denken, maar vermocht het niet. Telkens en telkens
+weer zag zij de groote donkere oogen van Dorus op zich gevestigd en
+hoorde zij zijn vraag: "En _jij_, Augusta?" Was het niet geweest,
+als wilde hij vragen: "Ben je ook verheugd mij weer te zien, of is
+het je onverschillig?"--Hoe het mogelijk was, dat zij destijds dien
+Brouwer had kunnen liefhebben, begreep zij nu niet. Hoe onbeduidend
+en oppervlakkig, hoe gemaakt, egoïst en gedwongen kwam haar zijn
+geheele zijn en persoonlijkheid voor, als zij hem vergeleek bij Dorus'
+levendige natuur, goedhartigen eenvoud en bescheidenheid. Het scheen
+haar toe, als had zij den hoogen rug, die haar vroeger zoo akelig
+misvormd voorkwam, niet meer gezien.
+
+"Wonderlijk!" dacht zij, hij heeft toch nog hetzelfde figuur... maar
+als hij spreekt, vergeet men dat door 't geen hij zegt..." Toen
+dacht zij er over na, dat Dorus koeler en beleefder was geweest
+dan vroeger, en dat hinderde haar. Zij wilde hem hebben, zooals hij
+destijds was. Maar waarom? Waarom? Hij was voor haar toch niets meer
+dan een broer; had zij 't niet zelf gezegd? Of kon hij haar eenmaal
+meer zijn?--Misschien! Misschien!" fluisterde de geheimzinnige stem
+in haar binnenste.
+
+'t Was dezelfde stem, die Dorus hoorde in zijn kamer en die hem ijlings
+het venster deed sluiten en 't gordijn neerlaten, opdat het maanlicht
+hem niet langer zou ontstemmen.
+
+
+
+Weer is het Zondag geworden; de kerkklok luidt: "Bim-Bam! Bim-Bam!"
+
+'t Zonlicht gloort en glinstert door de twijgen, de dauw tintelt op
+het vochtige gras als diamanten en juweelen, de vogels kweelen in de
+boomen een jubelend lied, en 't krekeltje in 't gras zingt hen na,
+zoo goed als het kan: "Het is Zondag! Het is rustdag."
+
+Dokter Abels is met zijn dochter naar de kerk gereden, en Dorus
+wandelt, met zijn gedachten alleen, door den tuin en eindelijk, zonder
+'t eigenlijk zelf te weten, dèn weg op naar de stad.
+
+Hij loopt peinzend voort tot aan een kromming van den weg, en als hij
+den hoek omslaat, kleurt plotseling een vuurroode blos zijn gelaat:
+hij staat tegenover Augusta, aan wie hij in dit oogenblik denkt.
+
+Zij is even verlegen als hij; zij bloost nog sterker; 't karmozijn
+kleurt zelfs haar hals.
+
+In hun wederkeerige verlegenheid vergeten zij den gewonen groet te
+wisselen en staan een oogenblik vlak voor elkander, zien elkaar met
+groote oogen aan en zwijgen, totdat Augusta begint te lachen.
+
+"Ik dacht niet je _hier_ te zullen ontmoeten."
+
+"En ik liep juist aan je te denken, Augusta!"
+
+"Aan mij?"
+
+"Ja! Als je 't goedvindt, ga ik met je mee terug naar "Mon Repos,"
+want dat is toch zeker 't doel van je wandeling, Dokter Abels is met
+mevrouw Van Vliet naar de kerk, en ik geloof, dat zij dan plan hebben
+om je af te halen."
+
+"Och! dat zou mij spijten. 't Was van morgen zulk prachtig weer,
+en ik had behoefte eens een wandeling te doen; daarom ging ik zoo
+vroeg op weg hierheen..."
+
+"Ik ben blij, dat ik je ontmoet heb, want..."
+
+"Nu, want...?"
+
+"Ik zou anders die ontmoeting gezocht, je om een onderhoud gevraagd
+hebben; 'k heb iets ernstigs, zeer ernstigs voor mijzelf met je
+te bespreken."
+
+"Zoo, Dorus!" Augusta's stem beeft een klein weinig, als zij die
+woorden zegt.
+
+"Wanneer je niet te moe bent, zou je dan met mij een wandeling in
+den tuin willen doen? We kunnen ook een oogenblikje in het prieel
+bij den vijver gaan zitten. Wil je?"
+
+De doordringende, warme toon, waarop Dorus spreekt, maakt haar verlegen
+en stil. Zij spreekt niet meer, maar gaat zwijgend naast hem voort,
+totdat zij den vijver van "Mon Repos" en het priëel bereikt hebben. Als
+zij daar gezeten zijn, vat Dorus eensklaps haar hand, drukt die aan
+zijn lippen en zegt innig, maar fluisterend:
+
+"Ik kan niet langer zwijgen, Augusta! Zeg mij één ding: _mag_ ik
+spreken?--Neen, antwoord mij nog niet. Denk eerst nog na, voor je
+iets zegt. Zie mij eens goed aan, en zeg 't mij dan.--Mag ik spreken?"
+
+"Ja, Dorus, ja!"
+
+
+
+"Toe, Joakob! Kom nou ens hier, dan zâ'k oe ens 'n grap loaten zien,"
+zegt Pieter de tuinman, tegen Jakob, die tegen het inrijhek zijn
+pijpje staat te rooken en in 't zonlicht zijn rug baadt.
+
+"Wat dan?"
+
+"Dat gèf ik oe in tien moal te roaien! Ik hê 't doar net bie toeval
+'ezien."
+
+"Nu, wat is 't dan? Ik raad niet graag."
+
+"Goai es mee! Dan kunde de juffer van Tournel in 't priëel oan den
+viever zien zitten met den muzikant, onzen losé; en ze kussen mekôar,
+dat 't zoo klapt."
+
+"Wat zeg je, Pieter?"
+
+"Goa maar ens kieken, of 't nie woar is.--Zeg! kunde gij 't nou
+begriepen van zoo'n mooie frissche dèrn, dat ze zoo'n lèliken bult
+nèmt?"
+
+"'n Mensch z'n zin, 'n mensch z'n leven, Pieter!"
+
+
+
+
+
+XVII.
+
+SLOT.
+
+
+Vóór de stad Hanover, ver van de hoofdstraten, waar het drukke verkeer
+der bevolking een onrustigen en woeligen indruk maakt, staan eenige
+huizen, verscholen in tuinen en plantsoen. Men nadert ze, door tusschen
+tuinmuren en schuttingen een klein pad te volgen, of van den anderen
+kant door een met boomen beplante chaussée. Aan den ingang van het
+smalle paadje is een bordje aangeslagen met den naam: "Blumenstrasse."
+
+'t Is er zonnig, warm en stil; zóó stil, dat men haast zou gelooven,
+dat er niemand in die huizen met neergelaten jaloezieën woonde,
+indien niet het tegenbewijs werd geleverd door een melkwagentje,
+dat bij een der tuindeuren staat.
+
+De hond, het trekdier en nu te gelijk de wachter er van, heeft zich,
+met de roode tong uit den bek, een plaatsje veroverd in de schaduw van
+een paar schuttingplanken, waarover bloeiende vliertakken en seringen
+hangen. Een zwerm muggen danst en gonst er onder, en een kever bromt
+zijn eentonig lied er tusschendoor.
+
+Verder van de stad afgaande, daar waar de straatweg zich om de
+tuinen kromt, steken de daken en gevels boven de groene omgeving
+uit. Hoe verder men ziet, hoe dichter ze opeen schijnen te staan;
+nadert men evenwel, dan bemerkt men zijne vergissing, want bij ieder
+huis is een tuin van vrij groote afmeting, die het van het naburige
+scheidt, zoodat het schijnt, als verdroegen zij zich onderling niet
+goed,--niet beter dan de menschen, die elkander uitmuntend verstaan,
+zoolang de een den ander noodig heeft, evenals de huizen in de groote
+stad, die dikwijls tegen elkander aanleunen om niet te vallen.
+
+Uit het laatste, met klimop en wilden wingerd begroeide, huis klinken
+de tonen van een piano. De vensters staan open en als luisterend buigen
+zich de sierlijke ranken naar binnen. Twee witte vlinders dartelen in
+de zoele lucht; nu eens schijnen zij rose, dan weer blauw, al naarmate
+ze in de zon of in de schaduw op en neer dansen. Of zij naar de tonen
+luisteren?--Neen! die zijn reeds eenige minuten lang verstomd.--Of
+zij merken, dat men naar hen ziet?--'t is bijna niet aan te nemen,
+want 't is moeielijk om van uit het heldere licht naar binnen in de
+meer donkere kamer te zien.
+
+Toch zijn zij de oorzaak, dat het lied, dat met zachte stem bij de
+piano-forte werd gezongen, plotseling is verstomd, want een paar
+kleine, mollige kinderhandjes grijpen van uit de verte naar de twee
+spelende vlinders.
+
+"Heb je al weer genoeg van de muziek, kleine dwingeland?" zegt
+een vriendelijke vrouwenstem tot een allerliefst tweejarig blond
+krullebolletje, dat op moeders schoot op en neer danst en zijn handjes
+uitstrekt naar het licht, de bloemen en 't groen.
+
+"Da! Da! Da!" roept de kleine, als de vlinders nu eens binnen,
+dan buiten het venster elkander najagen, een oogenblik hoog op,
+voorbij den gevel vliegen, om elkander heen dartelen en immer weer
+terugkeeren op het plekje voor het geopende venster.
+
+De jonge vrouw volgt evenals het kind met de oogen het spel dier
+vlinders; 't is het beeld van haar gedachten, die nu eens hier, dan
+weer daar ronddwalen, maar toch telkens weer terugkeeren op één punt:
+den kleinen blonden wereldburger op haar schoot.
+
+Een koele luchtstroom, die langs haar lokken strijkt, doet de
+wingerdranken voor het venster ombuigen en dan weer nieuwsgierig naar
+binnen zien, om te weten, wie daar door de deur in de kamer is gekomen.
+
+"Papa! papa!" roept de kleine.
+
+"Dag, jongen; dag, Frits! Dag Augusta!" zegt een vriendelijke
+mannenstem; en als de jonge vrouw met het kind in de omhooggehouden
+armen, het hoofd achter over de leuning van haar stoel buigt, kust
+haar echtgenoot haar hartelijk op het voorhoofd.
+
+"Dorus! wat kom je laat; we hebben al zoo naar je verlangd, niet
+waar, Fritsje?"
+
+"Papa!" kraait de kleine.
+
+"'k Heb het druk gehad, van morgen; knor maar niet op me; ik breng
+ook wat mee, dat je genoegen zal doen."
+
+"Wat dan?"
+
+"Een brief van dokter Abels. Hij komt."
+
+Eens glans van genoegen verheldert Augusta's gelaat, als zij haar
+kind omhoogheffend zegt: "Je peetoom komt. kleine man! Wat zal hij
+een schik in je hebben.--Ik vind het allerliefst van hem, dat hij de
+reis maakt alleen om ons.--Geef papa een kusje! Goed gedaan, ventje!"
+
+Intusschen heeft Dorus het zich gemakkelijk gemaakt op een
+chaise-longue voor het raam; hij leest dokter Abels' brief, en nu en
+dan speelt een glimlach om zijn lippen.
+
+Augusta ziet hem eenige oogenblikken zwijgend aan en zegt dan, het
+kind vóór zich op den grond plaatsend:
+
+"Egoïst!"
+
+"Wat blief je?" vraagt haar echtgenoot, verwonderd opziende.
+
+"Kun je mij niet eens voorlezen, wat dokter Abels je schrijft?"
+
+"Kun je luisteren, als Fritsje hier is?"
+
+"Natuurlijk!--Stil, kindje, wees nu maar eens een oogenblik rustig.--'t
+Is toch zoo'n wilde baas, Dorus. Ja! goed, speel dan maar met mama's
+pantoffel, maar stil zijn, hoor!--Ik luister." Zij buigt zich over
+de leuning van den stoel, waarop haar man zit, en als haar glanzig
+haar zijn wangen raakt, draait hij even het hoofd om en steelt een
+kus van de frissche roode lippen, die zoo verlokkend dicht in zijn
+nabijheid komen.
+
+"Gekke man!" meesmuilt Augusta, "lees nu liever."
+
+"'t Begin heb je zeker al gezien, nieuwsgierige vrouw!" en lachend
+knikt hij haar toe, als hij lezend vervolgt:....
+
+"uit uw laatsten brief, beste Dorus, heb ik gezien, dat ge zoo
+recht gelukkig zijt. Dat Augusta voor u een uitmuntende vrouw zou
+zijn, wist ik immers wel vooruit.--De kleine Frits, mijn petekind,
+groeit dus goed; dat verheugt mij bijzonder! 't Is schande, dat ik
+hem nog niet heb gezien, maar binnenkort hoop ik mijn schade in te
+halen. Tegen het begin der volgende maand denk ik u allen weer te
+zien; ik heb plan om over Hanover naar Berlijn te gaan en vraag bij
+u een dag of wat belet. Ik word oud en een paar dagen rust op reis
+zullen wel noodig voor mij zijn. Schrijf mij spoedig eens terug,
+of gij mij afwachten kunt...."
+
+"Wat een vraag, manlief!"
+
+"....Verder nieuws, wat uwe belangstelling wekken kan, weet ik niet. Ja
+toch, iets is er wel, wat u misschien zal interesseeren, namelijk dit:
+ik las onlangs in de krant, dat de pandjeshuishouder Philip Strijkman
+in arrest is genomen wegens het opkoopen van gestolen goederen. Boontje
+komt om zijn loontje..."
+
+"Ha! ha! ha! ha! ha!"
+
+"Lach je daarom, Dorus?"
+
+"Ja, kind! ik herinner mij op eens zijn verbluft gezicht toen hij
+mij weerzag."
+
+"O, zoo!"
+
+"...En nu, beste vrienden, leeft wel. Tot ziens; in gedachten
+omhels ik mijn petekind en Augusta, altijd als haar echtgenoot het
+permitteert..."
+
+"'t Is toch een vroolijk oud man! Ho! ho! wat is dat,
+Fritsje?--Augusta, pas op! hij dribbelt de tuindeur uit."
+
+"Tatateratata! tateratatata!" schettert uit een trompet. Er roffelt
+een trom en aanstonds daarop klinkt een vroolijke marsch, geblazen
+door een zestal vagebondeerende muzikanten, met oude uniformjassen
+aan en petten met verschoten galons er om, op 't hoofd.
+
+"Hier, Fritsje! hier blijven!" Augusta snelt den kleine achterna,
+die, aangelokt door de tonen van de blaasinstrumenten, naar buiten
+is geloopen.
+
+Met het jonkske op den arm blijft zij staan luisteren bij het tuinhek,
+waarnaast de zes muzikanten een plekje schaduw gevonden hebben en in
+het zweet huns aanschijns blazen en trommelen, om een bescheiden loon
+te verdienen.
+
+Dorus is haar gevolgd en merkt met verrukking op, hoe de kleine Frits
+zijn hoofdje op de maat der muziek heen en weer beweegt en met de
+armpjes zwaait, als dirigeerde hij een orkest. Als hij genaderd is
+en naast Augusta staat, ziet hij de muzikanten scherp aan, en voor
+hij er zelf aan heeft gedacht, ontsnapt de naam "Löbell!" luide zijn
+lippen. Verwonderd kijkt de trommelslager van den troep op en staart
+Dorus onderzoekend aan. De andere musici staken hun spel en blijven
+doodstil en verbluft zwijgen, als de trommel op eens een harden slag,
+met beide stokken te gelijk, krijgt en zij de wonderlijke woorden
+vernemen:
+
+"Kottorie, das ist ja der Boeckeloroem! Potz Blitz, wie kommt der
+hier?"
+
+Lachend antwoordt Dorus: "Goed gezien, Löbell! Ik ben het. Ziedaar,
+laten je vrienden zich hiervoor eens te goed doen in de herberg,
+en kom jij eens even bij ons in den tuin."
+
+Een oogenblik later zit de oude Löbell op de tuinbank en Dorus
+tegenover hem op een stoel. Glimlachend luistert hij naar 't geen
+de grijze muzikant hem vertelt; en Augusta lacht hartelijk mede,
+als Löbell eindelijk zegt:
+
+"Schwerenoth, noch einmal, ich hèv 't damals wol gezegd: der
+Boeckeloroem, da wird noch mal was rechtes draus. Noen! hèv ich nicht
+gelijk gehad?..."
+
+"En blaas je geen trompet meer, Löbell?"
+
+"'t Gaat nicht mehr; ich hèv 't asthma; die broest ist kapoet, der
+blasebalg taugt nicht mehr; daroem bin ich weer nach meine Heimath
+gezogen oend trommele mir noen mein bischen brot zoesammen."
+
+"Arme kerel!"
+
+"Noe! 's ist mir doch noch besser gegangen wie oenserm frühern
+Prinzipal Carlo."
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Wel, wissen sie dass nicht: die hèvt zich voor een paar Jahren den
+nek gebrochen bij 't opschlaan von die tent. Es war da in die laatste
+Jahren auch nichts mehr los, nachdem joeffrouw Keetje todt war, lief
+die boel durch mekanderen.... Aber noe bitte, Herr....? Ich durf wol
+nicht mehr so famieljaar Doroes zeggen?"
+
+"Zeg jij maar gerust Dorus, Löbell!"
+
+"Herr Doroes dann! ist das je vrouw?"
+
+"Juist!"
+
+Plotseling staat de oude trompetter op, slaat zijn stramme beenen
+met de hielen tegen elkaar en zegt, de hand met militair saluut aan
+de muts brengend:
+
+"Alle achtung! Oend vor dem kleinen, dicken prachtkerl da, ein
+donnerendes hoch! dreimal hoch!"
+
+"Boeckeloroem!--Boeckeloroem!--Ach! entschuldige, ich meine Herr
+Doroes, jij hèvt een paradies gevonden. Aber," hij bukt zich en ziet
+naar iets, wat aan zijn voeten krabbelt, "zoo'n blinde lahme Köter
+von ein hoend möchte ich er doch nicht in hebben" Maar 't oude hondje
+goed bekijkend, roept hij eensklaps luid: "Nein! schwerenoth! ich
+hèv nichts gezegd, hoor!--'s Ist ja der Boppie. Noe! die hèvt zich
+sein Gnadenbrot wol verdiend."
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+
+[1] Amsterdamsche volksuitdrukking voor _dood_.
+
+[2] Veenhuizen.
+
+[3] Bargoensche uitdrukking voor gelijk- op deelen.
+
+[4] Bargoensch voor gevangenis.
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+Een drama binnenshuis
+"Krates"
+Bij Signor Carlo
+Paljas
+Bij dokter Abels
+In den kermiswagen
+Het procureurskantoor
+Plannen
+Bij Tournel
+Op "Mon Repos"
+Roofvogels
+Bij oude vrienden
+Polyhymnia
+Nog eens roofvogels
+Vier jaren later
+Teruggekeerd
+Slot
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Krates, by Justus van Maurik Jr.
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KRATES ***
+
+***** This file should be named 17549-8.txt or 17549-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/7/5/4/17549/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.