summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/18532-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '18532-8.txt')
-rw-r--r--18532-8.txt6438
1 files changed, 6438 insertions, 0 deletions
diff --git a/18532-8.txt b/18532-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..aeeeb90
--- /dev/null
+++ b/18532-8.txt
@@ -0,0 +1,6438 @@
+The Project Gutenberg EBook of Verhalen van de Zuidzee, by Jack London
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Verhalen van de Zuidzee
+
+Author: Jack London
+
+Translator: Leo Leclercq
+
+Release Date: June 7, 2006 [EBook #18532]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERHALEN VAN DE ZUIDZEE ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Verhalen van de Zuidzee
+
+ Uit het Engelsch van
+
+ Jack London
+
+ Vertaald door
+
+ Leo Leclercq
+
+
+
+
+ Amsterdam 1922
+
+ Boekhandel en Uitgevers Maatschappij Johannes Müller
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+Mapoehi's Huis ... 7
+De Walvischtand ... 38
+Maoeki ... 52
+"Jah! Jah! Jah!" ... 74
+De Heiden ... 91
+De Vreeselijke Eilanden ... 119
+Het Onvermijdelijke Blanke Ras ... 140
+Het Nageslacht van McCoy ... 153
+
+
+
+
+ Dit eene zal altijd en altijd blijven:
+ Zij hebben geleefd en de kansen aanvaard.
+ Zoo veel van het koninklijk spel zal winst zijn,
+ Al bleef ook het goud in hun beurs niet gespaard.
+
+
+
+
+MAPOEHI'S HUIS.
+
+
+Ondanks de zware logheid van haar vormen, liep de _Aorai_ gemakkelijk
+met de lichte bries, en de kapitein bracht het schip vlak onder de
+wal voordat hij bijdraaide juist buiten den trek van de branding. De
+atol Hikoe-eroe lag laag op het water: een cirkel van fijngestampt
+koraalzand honderd meter breed, twintig mijlen in omtrek, en van drie
+tot vijf voet boven hoog-water peil. Op den bodem van de groote, effen
+lagune leefden veel pareloesters, en vanaf het dek van den schoener,
+achter den smallen ring van de atol, kon men de duikers aan het werk
+zien. Maar de lagune had zelfs voor een koopvaardij-schoener geen
+invaart. Kotters konden met een gunstige bries wel binnen komen door
+de kronkelende, ondiepe vaargeul, maar de schoeners bleven buiten op
+en neer houden en stuurden hun kleine booten.
+
+De _Aorai_ zwaaide vlug en netjes een boot buiten boord, en een
+half dozijn bruine matrozen, met niets anders aan dan een vuurrooden
+lendendoek, sprongen er in en namen de riemen. Achter in de boot, aan
+den stuurriem, stond een jonge man, gekleed in het tropisch wit dat
+den Europeaan kenmerkt. Maar hij was niet heelemaal Europeaan. Het
+gouden ras van Polynesië verraadde zich in het zonnebrons van zijn
+blanke huid en schoot gouden glansen en lichtflitsen door het schemerig
+blauw van zijn oogen. Het was Raoul, Alexandre Raoul, de jongste zoon
+van Marie Raoul, de rijke halfbloed, eigenares en exploitante van
+een stuk of zes koopvaardij-schoeners gelijk aan de _Aorai_. Over
+den terugslag van het water even buiten de invaart, en in en door
+en over een kolkenden vloedstroom, zocht de boot haar weg naar de
+spiegelende kalmte van de lagune. Raoul sprong er uit, op het witte
+zand, en schudde een grooten inlander de hand. 's Mans schouders en
+borst waren prachtig, maar zijn rechter arm was een stompje, waar
+het been, wit van ouderdom, nog verscheiden centimeter uitstak. Een
+ontmoeting met een haai had een eind gemaakt aan zijn duikerstijd,
+en nu moest hij bedelen en vleien om kleine gunsten.
+
+"Heb je gehoord, Alex?" waren zijn eerste woorden. "Mapoehi heeft
+een parel gevonden--zóó'n parel! Nog nooit is er zóó een opgevischt,
+niet op Hikoe-eroe, niet in de Paoemotoe's, in de heele wereld
+niet. Koop het ding van hem. Hij heeft het nu. En vergeet niet,
+dat ik het je het eerst gezegd heb. Hij is een dwaas, en je kunt het
+goedkoop krijgen. Heb je soms tabak?"
+
+Recht vooruit liep Raoul, het strand op, en naar een hut onder een
+pandanus-boom. Hij was ladingmeester van zijn moeder, en zijn werk
+was de heele Paoemotoe's af te zoeken naar de rijkdommen van kopra,
+parelmoer en parels die zij voortbrachten.
+
+Hij was nog maar een jonge ladingmeester, dit was zijn tweede reis
+in die hoedanigheid, en in stilte tobde hij veel over zijn gebrek
+aan ervaring in de waardebepaling van parels. Maar toen Mapoehi hem
+de parel voorhield, zag hij toch kans om den schok dien hij kreeg
+te onderdrukken, en een onverschillige koopmans-uitdrukking op zijn
+gezicht te houden. Want de parel had hem een schok gegeven. Hij was
+zoo groot als een duiven-ei, een volmaakte bol, van een blankheid
+die opalen glansen terugwierp van alle kleuren er om heen. Hij
+leefde. Nooit had Raoul zoo iets gezien. Toen Mapoehi hem in zijn
+hand liet vallen, was hij verrast door het gewicht. Dat bewees,
+dat het een goede parel was. Hij onderzocht hem nauwkeurig, door een
+zak-vergrootglas. De parel was zonder barst of vlek. Zijn zuiverheid
+scheen smeltend uit te vloeien in de atmosfeer, uit zijn handen. In de
+schaduw lichtte hij zacht, glanzend als een jonge maan. Zóó doorzichtig
+was hij, dat Raoul, toen hij hem in een glas water liet vallen, moeite
+had hem te vinden. Snel en recht was hij naar den bodem gezonken,
+en Raoul wist dat het gewicht niet beter zou kunnen zijn.
+
+"Nu, wat moet je er voor hebben?" vroeg hij, en de achteloosheid van
+zijn houding was buitengewoon goed.
+
+"Ik wil--" begon Mapoehi, en achter hem, als een lijst om zijn eigen
+donker gezicht, knikten de donkere gezichten van twee vrouwen en een
+meisje instemming met wat hij wilde. Hun hoofden staken naar voren, er
+leefde een onderdrukte begeerte in, hun oogen schitterden hebzuchtig.
+
+"Ik wil een huis hebben", ging Mapoehi door. "Het moet een dak hebben
+van gegalvaniseerd ijzer en een achthoekige klok. Het moet zes vadem
+lang zijn, met een galerij er rondom heen. In het midden moet een
+groote kamer zijn met een ronde tafel er in en de achthoekige klok aan
+den muur. Er moeten vier slaapkamers zijn, twee aan iederen kant van
+de groote kamer, en in iedere slaapkamer moet een ijzeren bed zijn,
+twee stoelen en een waschtafel. En achter het huis moet een keuken
+zijn, een goede keuken, met potten en pannen en een fornuis. En je
+moet het huis bouwen op mijn eiland, op Fakarava."
+
+"Is dat alles?" vroeg Raoul ongeloovig.
+
+"Er moet een naaimachine zijn", deed Tefara, Mapoehi's vrouw,
+zich hooien.
+
+"En de achthoekige klok niet te vergeten," voegde Naoeri, Mapoehi's
+moeder er bij.
+
+"Ja, dat is alles", zei Mapoehi.
+
+Raoul lachte. Hij lachte lang en hartelijk. Maar terwijl hij lachte,
+loste hij in stilte vele problemen van hoofdrekenen op. Hij had nog
+nooit in zijn leven een huis gebouwd, en zijn ideeën omtrent huizen
+bouwen waren vaag. Terwijl hij lachte, berekende hij de kosten van
+de reis naar Tahiti om het materiaal te halen, van het materiaal
+zelf, van de reis terug naar Fakarava, en de kosten van het landen
+van het materiaal en het bouwen van het huis. Het zou komen op
+vierduizend Fransche dollars, ruim gerekend om heelemaal zeker te
+zijn--vierduizend Fransche dollars stonden gelijk met twintigduizend
+francs. Het was onmogelijk. Hoe kon hij de waarde van zulk een parel
+kennen? Twintigduizend francs was een massa geld--en een massa van
+zijn moeder's geld bovendien.
+
+"Mapoehi," zei hij, "je bent een groote dwaas. Noem een prijs in geld."
+
+Maar Mapoehi schudde zijn hoofd, en de drie hoofden achter hem
+schudden mee.
+
+"Ik wil het huis hebben", zei hij. "Het moet zes vadem lang zijn met
+een galerij er rondom heen--."
+
+"Ja, ja," onderbrak Raoul. "ik weet alles van je huis, maar dat gaat
+niet door, hoor. Ik zal je duizend Chileensche dollars geven."
+
+De vier hoofden schudden in zwijgend afwijzen.
+
+"En honderd dollars Chili crediet."
+
+"Ik wil het huis", begon Mapoehi.
+
+"Wat zou je aan dat huis hebben?" vroeg Raoul ongeduldig. "De eerste
+de beste cycloon die langs komt spoelt het weg. Dat weet je zelf ook
+wel. Het heeft er nu al veel van dat we een cycloon zullen krijgen,
+zegt kapitein Raffy."
+
+"Niet op Fakarava", zei Mapoehi. "Het land is daar veel hooger. Op
+dit eiland, ja. Iedere cycloon kan over Hikoe-eroe heen slaan. Ik
+wil het huis op Fakarava hebben. Het moet zes vadem lang zijn met
+een galerij er rondom heen--."
+
+En weer aanhoorde Raoul het verhaal van het huis. Verscheiden
+uren bracht hij door met te trachten de obsessie van het huis uit
+Mapoehi's hoofd te hameren; maar Mapoehi's moeder en echtgenoote,
+en Ngakoera, Mapoehi's dochter, stijfden hem in zijn voornemen een
+huis te hebben. Door de deuropening, terwijl hij voor den twintigsten
+keer luisterde naar de gedetailleerde beschrijving van het huis dat
+begeerd werd, zag Raoul de tweede boot van zijn schoener op het strand
+loopen. De matrozen bleven rusten op de riemen, hetgeen een teeken was
+van haast om weg te komen. De eerste stuurman van de _Aorai_ sprong
+aan land, wisselde een paar woorden met den éénarmigen inlander,
+haastte zich toen naar Raoul. Een regenvlaag bedekte het gezicht van
+de zon, en het werd plotseling donker.
+
+Raoul kon de dreigende lijn van de windhoos zien naderen over het
+water van de lagune.
+
+"Kapitein Raffy zegt dat u als de bliksem moet maken dat u hier
+vandaan komt," was de begroeting van den stuurman. "Als er parels
+zijn, moeten we het maar riskeeren en ze later oppikken--zegt-ie. De
+barometer is gedaald tot negenentwintig-zeventig."
+
+De windvlaag sloeg tegen den pandanus-boom boven hen, en streek door
+de palmen verderop. Een half dozijn kokosnoten vielen zwaar poffend
+op den grond. Toen kwam de regen aanzetten uit de verte, naderend met
+het geluid van een stormwind, en met zulk een geweld sloeg hij neer
+in de lagune, dat het stuifwater ronddreef als rook. Men hoorde het
+scherpe kletteren van de eerste droppels op de bladeren, toen Raoul
+overeind sprong.
+
+"Duizend dollar Chili, contant betaald, Mapoehi," riep hij. "En
+tweehonderd Chili crediet."
+
+"Ik wil een huis"--begon de ander.
+
+"Mapoehi!" Raoul gilde om zich verstaanbaar te maken. "Je bent
+een dwaas!"
+
+Hij vloog het huis uit, en, zij aan zij met den stuurman, vocht hij
+zijn weg het strand af naar de boot. Zij konden de boot niet zien. De
+tropische regen viel in dichte stroomen om hen heen zoodat ze alleen
+het strand onder hun voeten zagen en de nijdige golfjes van de lagune
+die hapten en beten naar het zand.
+
+Een gestalte werd zichtbaar in den zondvloed. Het was Hoeroe-hoeroe,
+de man met den eenen arm.
+
+"Heb je de parel gekregen?" gilde hij in Raoul's oor.
+
+"Mapoehi is een idioot!" was de schreeuw die hem antwoordde, en het
+volgende oogenblik waren zij elkaar kwijt in het neerstroomend water.
+
+Een half uur later zag Hoeroe-hoeroe, op den uitkijk aan den
+zeekant van de atol, dat de twee booten binnen boord waren en dat
+de _Aorai_ den steven naar zee richtte. En dicht bij haar, juist
+uit zee binnengekomen op de vleugels van de bui, zag hij een anderen
+schoener die bijgedraaid lag en een boot neerliet in het water. Hij
+kende het schip. Het was de _Orohena_, eigendom van Toriki, den
+halfbloed koopman, die dienst deed als zijn eigen ladingmeester,
+en die zonder twijfel op dat moment in den stuurstoel van de boot
+zat. Hoeroe-hoeroe grinnikte. Hij wist dat Mapoehi bij Toriki in de
+schuld stond voor ruil-artikelen het vorig jaar op crediet geleverd.
+
+De bui was voorbij gedreven. De heete zon vlamde neer, en de lagune
+was opnieuw een spiegel. Maar de lucht was zwaar en dicht als slijm,
+en het gewicht ervan scheen te drukken op de longen en maakte de
+ademhaling moeilijk.
+
+"Heb je het nieuws gehoord, Toriki?" vroeg Hoeroe-hoeroe. "Mapoehi
+heeft een parel gevonden. Nog nooit is er zóó'n parel opgevischt, niet
+op Hikoe-eroe, niet in de Paoemotoe's, in de heele wereld niet. Mapoehi
+is een dwaas. Bovendien is hij je geld schuldig. Vergeet niet dat ik
+het je het eerst gezegd heb. Heb je soms tabak?"
+
+En naar de grashut van Mapoehi toog Toriki. Hij was een brutale kerel,
+die van optreden hield, maar niettemin tamelijk dom. Achteloos keek
+hij naar de prachtige parel--keek maar een oogenblik; en achteloos
+liet hij hem in zijn zak vallen.
+
+"Je hebt geluk," zei hij. "Het is een aardige parel. Ik zal je crediet
+geven in de boeken."
+
+"Ik wil een huis," begon Mapoehi, hevig ontdaan, "Het moet zes vadem--"
+
+"Zes vadem je grootmoeder!" riep de koopman ruw. "Je wilt graag
+je schulden afbetalen, dat wil je, en anders niets. Je was mij
+twaalfhonderd dollar Chili schuldig. Best; die schenk ik je. De
+schuld is afgelost. Bovendien zal ik je crediet geven voor tweehonderd
+Chili. Als de parel flink opbrengt, wanneer ik op Tahiti kom, zal ik
+je crediet geven voor nog honderd er bij--dat is dan driehonderd. Maar
+denk er wel aan, alleen als de opbrengst goed is. Het kan best zijn
+dat ik er nog op verlies."
+
+Mapoehi kruiste zijn armen in droefenis en zat daar met gebogen
+hoofd. Zijn parel was hem afhandig gemaakt. In de plaats van het huis
+had hij een schuld betaald. Hij kon niets laten zien wat hij voor de
+parel in de plaats had gekregen.
+
+"Je bent een dwaas", zei Tefara.
+
+"Je bent een dwaas", zei Naoeri, zijn moeder. "Waarom heb je hem de
+parel in zijn hand gegeven?"
+
+"Wat kon ik doen?" protesteerde Mapoehi. "Ik was hem het geld
+schuldig. Hij wist dat ik de parel had. U hebt zelf gehoord dat hij
+er naar vroeg. Ik had het hem niet gezegd. Hij wist het. Iemand anders
+heeft het hem gezegd. En ik was hem het geld schuldig."
+
+"Mapoehi is een dwaas," bootste Ngakoera na.
+
+Zij was twaalf jaren oud en wist niet beter. Mapoehi luchtte zijn
+hart door haar een geweldige oorvijg toe te dienen; terwijl Tefara
+en Naoeri in tranen uitbarstten en voorgingen hem allerlei dingen te
+verwijten, zooals vrouwen plegen te doen.
+
+Hoeroe-hoeroe, op den uitkijk aan het strand, zag een derden schoener
+dien hij kende buiten de invaart bijdraaien en een boot strijken. Het
+was de _Hira_, en het schip droeg zijn naam met eere, want zijn reeder
+was Levy, de Duitsche Jood, de grootste parelkooper van hen allen,
+en, zooals bekend was, op Tahiti was Hira de god van de visschers en
+de dieven.
+
+"Heb je het nieuws gehoord?" vroeg Hoeroe-hoeroe, toen Levy, een dikke
+man met massieve, onregelmatige trekken, op het strand stapte. "Mapoehi
+heeft een parel gevonden. Nog nooit is er zóó'n parel gevonden op
+Hikoe-eroe, in de heele Paoemotoe's, in de heele wereld niet. Mapoehi
+is een dwaas. Hij heeft hem aan Toriki verkocht voor veertien honderd
+Chili--ik heb buiten staan luisteren en ik weet het. Toriki is ook
+een dwaas. Je kunt hem goedkoop van hem koopen. Denk er aan dat ik
+het je het eerst heb gezegd. Heb je soms tabak?"
+
+"Waar is Toriki?"
+
+"In het huis van kapitein Lynch. Hij is daar al een uur."
+
+En terwijl Levy en Toriki absinth dronken en sjacherden over de parel
+stond Hoeroe-hoeroe te luisteren en hoorde dat zij overeenkwamen voor
+den ongehoorden prijs van vijfentwintig duizend francs.
+
+Het was op dit oogenblik, dat de _Orohena_ en de _Hira_, dicht onder de
+wal komend, als krankzinnig schoten begonnen te lossen en signalen te
+geven. De drie mannen kwamen naar buiten, en konden nog juist zien hoe
+de twee schoeners haastig door den wind gingen en uit de wal staken,
+grootzeilen en buitenkluivers met een vaartje strijkend onder den
+druk van de bui die hen ver deed overhellen op het wit-schuimende
+water. Toen werden ze uitgewischt door den regen.
+
+"Ze zullen wel terugkomen als het voorbij is", zei Toriki. "We konden
+hier beter weggaan."
+
+"Ik denk dat het glas nog wel een eindje gedaald zal zijn", zei
+kapitein Lynch.
+
+Lynch was een witgebaarde scheepskapitein, te oud om nog te varen,
+die ondervonden had dat Hikoe-eroe de eenige plek op de wereld was,
+waar hij in een dragelijke verhouding met zijn asthma kon leven. Hij
+ging naar binnen om op den barometer te kijken.
+
+"Groote goden!" hoorden ze hem roepen, en ze renden in huis om
+met hem te komen staren naar een wijzer die negenentwintig-twintig
+aanwees. Opnieuw kwamen ze naar buiten, dezen keer in groote haast
+om zee en lucht te raadplegen. De bui was weggedreven, maar de lucht
+bleef bedekt. Zij konden de twee schoeners zien terugkomen, vol van
+top, en in gezelschap van een derden. Een plotseling omloopen van den
+wind dwong hen de schooten te vieren, en vijf minuten later sloeg een
+windstoot uit de tegenovergestelde richting alle drie de schepen terug;
+en van de wal af kon men zien hoe de giektalies met een vaartje werden
+afgevierd of losgegooid. Het geluid van de branding was hol en luid
+en dreigend, en er liep een zware deining landwaarts. Een vreeselijke
+vlam weerlicht barstte voor hun oogen en verlichtte den donkeren dag,
+en de donder gromde woest overal om hen heen.
+
+Toriki en Levy zetten het op een loopen naar hun booten, de laatste
+hobbelend over het strand als een doodelijk-verschrikt nijlpaard. Toen
+hun twee booten de invaart uit schoten, passeerden ze de boot van
+de _Aorai_ die binnen kwam. Achterin, de roeiers aanmoedigend, stond
+Raoul: niet in staat om het visioen van die parel uit zijn hoofd te
+zetten, kwam hij terug om Mapoehi's prijs van een huis te aanvaarden.
+
+Hij landde op het strand in het dichtst van een gietende donderbui,
+en zóó dicht stroomde het water neer, dat hij tegen Hoeroe-hoeroe
+aan botste vóórdat hij hem gezien had.
+
+"Te laat", gilde Hoeroe-hoeroe. "Mapoehi heeft hem aan Toriki verkocht
+voor veertienhonderd Chili, en Toriki heeft hem aan Levy verkocht voor
+vijfentwintig duizend francs. En Levy zal hem in Frankrijk verkoopen
+voor honderd duizend francs. Heb je soms tabak?"
+
+Raoul voelde zich verlicht. Zijn zorgen over de parel waren
+voorbij. Hij behoefde er niet meer over te tobben, al had hij dan de
+parel niet gekregen. Maar hij geloofde Hoeroe-hoeroe niet. Mapoehi kon
+hem wel verkocht hebben voor veertienhonderd Chili, maar dat Levy,
+die verstand had van parels, vijfentwintig duizend francs betaald
+zou hebben, zóó had hij 't nog nooit gegeten. Raoul besloot kapitein
+Lynch eens over het onderwerp te polsen, maar toen hij in het huis
+van dien ouden zeevaarder kwam, zag hij hem met groote oogen staan
+kijken naar den barometer.
+
+"Hoe hoog zie jij hem?" vroeg kapitein Lynch, erg benieuwd, en hij
+wreef zijn bril af en staarde weer naar het instrument.
+
+"Negenentwintig-tien," zei Raoul. "Ik heb hem nog nooit zoo laag
+gezien."
+
+"Geloof ik graag!" snoof de kapitein. "Vijftig jaar lang jongen en man
+op alle zeeën, en ik heb hem nog nooit zoo ver gedaald gezien. Stil!"
+
+Zij bleven een oogenblik stil staan, terwijl de branding donderde
+en het huis deed schudden. Toen gingen ze naar buiten. De bui was
+voorbij. Zij konden de _Aorai_ zien liggen, een mijl uit de wal en
+overvallen door de windstilte. Het schip stampte en steigerde als
+bezeten in de geweldige zeeën die in statige stoeten aanrolden uit
+het noordoosten en zich woedend op het koraalstrand stortten. Een van
+de matrozen uit de boot wees naar den mond van de invaart en schudde
+zijn hoofd. Raoul keek en zag een witten chaos van schuim en golven.
+
+"Ik denk dat ik vannacht maar bij u blijf, kapitein," zei hij; toen
+wendde hij zich naar den matroos en zei hem de boot op de wal te halen
+en te zien dat hij en zijn kameraden ergens veilig onder dak kwamen.
+
+"Negenentwintig precies," berichtte kapitein Lynch, die met een stoel
+in zijn hand naar buiten kwam, terug van een hernieuwd bezoek aan
+den barometer.
+
+Hij ging zitten en staarde naar het schouwspel van de zee. De zon kwam
+te voorschijn en maakte de atmosfeer nog zwoeler, terwijl de windstilte
+nog steeds aanhield. De zeeën namen voortdurend toe in grootte.
+
+"Waar die zee vandaan komt, gaat boven mijn petje," bromde Raoul
+ongeduldig. "Er is geen wind, en kijk eens, kijk eens dien kerel daar!"
+
+Mijlen lang, met een gewicht van tienduizenden tonnen, deed hij de
+brooze atol schudden als door een aardbeving. Kapitein Lynch stond
+versteld.
+
+"Groote genade!" riep hij, half-opstaand van zijn stoel, toen weer
+terugzinkend.
+
+"Maar er is geen wind," hield Raoul aan. "Ik zou het kunnen snappen
+als er wind bij was."
+
+"Je zult den wind gauw genoeg krijgen, maak je daar maar geen zorg
+over," was het grimmige antwoord.
+
+De twee mannen zeiden niets meer. Het zweet stond op hun huid in
+myriaden kleine druppeltjes die samen liepen en plasjes vocht vormden,
+die op hun beurt weer groeiden tot kleine beekjes, neerdroppend op
+den grond. Zij hijgden naar adem, en vooral de pogingen van den ouden
+man waren pijnlijk. Een zee kwam het strand op rollen, spoelde om de
+stammen van de kokospalmen, en week terug, bijna voor hun voeten.
+
+"Stuk boven hoog-water peil", merkte kapitein Lynch op; "en ik ben
+hier al elf jaar." Hij keek op zijn horloge. "Het is drie uur."
+
+Een man en een vrouw, met een bont gevolg van vuile kinderen en
+honden achter zich aan, trokken mistroostig voorbij. Een eind verder
+kwamen ze tot stilstand, en gingen, na lang weifelen, in het zand
+zitten. Een paar minuten later kwam er een andere familie uit de
+tegenovergestelde richting aanslenteren. Mannen en vrouwen droegen
+een heterogene collectie van bezittingen. En weldra waren er een paar
+honderd menschen van alle leeftijden en geslachten bij elkaar vóór
+de woning van den kapitein. Hij riep een van de pas aangekomenen aan,
+een vrouw met een zuigend kind in haar armen, en ontving als antwoord
+de mededeeling dat haar huis een paar minuten geleden de lagune in
+geveegd was.
+
+Het was hier de hoogste plek land over een afstand van mijlen, en
+op verschillende punten, links en rechts, sloeg de zee al schoon
+over den smallen land-ring heen en golfde de lagune binnen. Twintig
+mijlen in het rond spande de cirkel van de atol, en op geen enkel
+punt was hij breeder dan vijftig vadem. Het was het hoogtepunt van
+het duikersseizoen, en van al de eilanden er omheen, zelfs van het
+verre Tahiti, waren de inlanders hier bijeen gekomen.
+
+"Er zijn twaalfhonderd mannen, vrouwen en kinderen hier," zei kapitein
+Lynch. "Ik ben benieuwd hoeveel er morgen vroeg nog zullen zijn."
+
+"Maar waarom waait het niet? dat wou ik wel eens weten," vroeg Raoul
+driftig.
+
+"Maak je niet druk, jonge man, maak je niet druk; je zult gauw genoeg
+meer wind hebben dan je lief is."
+
+Terwijl kapitein Lynch nog sprak, sloeg een geweldige watermassa tegen
+de atol. Het zeewater kolkte om hen heen, drie duim diep onder hun
+stoelen. Er kwam een zachte kreet van ontzetting van de vrouwen. De
+kinderen stonden met samengeklemde handen te staren naar de reusachtige
+brekers en huilden jammerlijk. Kuikens en katten, die verschrikt in
+het water rondliepen, namen als bij onderlinge afspraak fladderend
+en klauterend de vlucht op het dak van het huis. Een inboorling van
+de Paoemotoe's, met een nest pas geboren honden in een mand, klom in
+een kokospalm en maakte de mand twintig voet van den grond vast. De
+moeder spartelde jankend en keffend rond in het water er onder.
+
+En nog steeds scheen de zon helder en duurde de windstilte voort. De
+twee mannen zaten daar en keken naar de zeeën en naar het krankzinnige
+stampen van de _Aorai_. Kapitein Lynch staarde naar de geweldige bergen
+van water die landwaarts rolden tot hij niet meer staren kon. Hij
+bedekte zijn gezicht met zijn handen om het niet meer te zien; toen
+ging hij het huis binnen.
+
+"Achtentwintig-zestig", zei hij rustig toen hij terugkeerde.
+
+Onder zijn arm was een rol touw. Hij sneed het in stukken van twee
+vadem, gaf er een aan Raoul, hield er zelf een, en verdeelde de rest
+onder de vrouwen, met den raad om een boom uit te zoeken en er in
+te klimmen.
+
+Er begon een licht koeltje te blazen uit het noordoosten, en het zachte
+waaieren op zijn wang scheen Raoul op te vroolijken. Hij zag hoe de
+_Aorai_ de zeilen kant naar den wind zette en uit de wal stevende,
+en hij had spijt dat hij niet aan boord was. Het schip zou er in
+ieder geval doorheen komen, maar de atol---Een zee sloeg er over heen,
+trok hem bijna van de been; en hij koos een boom uit. Toen dacht hij
+aan den barometer en liep terug naar het huis. Hij ontmoette kapitein
+Lynch, die denzelfden tocht ondernam, en samen gingen zij naar binnen.
+
+"Achtentwintig-twintig", zei de oude zeevaarder. "Het zal hier aardig
+gaan spoken--wat was dat?"
+
+De lucht scheen gevuld met iets dat met een geweldige vaart
+voortvloog. Het huis trilde en sidderde, en ze hoorden het zoemen van
+een machtig geluid. De ramen rammelden. Twee ruiten sprongen stuk;
+een geweldige tocht trok naar binnen en sloeg tegen hen aan en deed
+hen wankelen. De deur aan den anderen kant vloog met een slag dicht,
+het slot verbrijzelend. De witte deurknop brokkelde in stukjes
+op den vloer. De muren van de kamer puilden uit als een gasballon
+die opgeblazen wordt. Toen kwam er een nieuw geluid dat leek op het
+ratelen van geweervuur: het vliegend schuim van de zee dat tegen den
+buitenmuur sloeg. Kapitein Lynch keek op zijn horloge. Het was vier
+uur. Hij trok een jas van blauw zeemanslaken aan, haakte den barometer
+van den wand en stopte hem weg in een van zijn ruime zakken. Weer
+sloeg er een zee dreunend tegen het huis, en het lichte gebouwtje
+helde over, draaide een kwartslag op zijn fundamenten, en zakte neer,
+de vloer in een hoek van tien graden met den beganen grond.
+
+Raoul ging het eerst naar buiten. De wind greep hem en sleurde
+hem weg. Raoul merkte dat hij omgeloopen was naar het oosten. Met
+inspanning van al zijn krachten gooide hij zich in het zand, en hield
+zich plat tegen den grond gedrukt. Kapitein Lynch, weggewaaid als
+een halmpje stroo, struikelde over hem heen. Twee matrozen van de
+_Aorai_ verlieten den kokospalm waaraan ze zich vastgeklemd hadden en
+kwamen hen te hulp. Zij leunden tegen den wind in onmogelijke hoeken,
+en zwoegden en vochten om iedere duimbreed van den afstand. De oude
+man was stijf in zijn gewrichten en hij kon niet klimmen, dus heschen
+de matrozen hem met behulp van korte eindjes touw, die ze aan elkaar
+bonden, langs den stam omhoog, telkens een paar voet, totdat ze hem
+vast konden binden, boven in den boom, vijftig voet van den grond
+af. Raoul sloeg zijn eindje touw om den voet van een boom er naast
+en bleef staan kijken. De wind was ontzettend. Hij had nooit gedroomd
+dat het zóó hard kon waaien. Een zee schuimde over de atol en maakte
+hem nat tot aan zijn knieeën voordat ze terug week in de lagune. De
+zon was verdwenen, en een loodkleurige schemering spreidde zich over
+alles. Een paar druppels regen, horizontaal door de lucht vliegend,
+troffen hem als looden kogeltjes. Een vlok zilt schuim en zeewater
+spatte om zijn ooren. Het was als een klap in zijn gezicht. Zijn
+wangen prikten pijnlijk, en tegen wil en dank kwamen er tranen in
+zijn stekende oogen. Een paar honderd inlanders waren de boomen in
+gevlucht, en hij had kunnen lachen om de trossen menschelijk fruit die
+in de kruinen hingen. Toen, want hij was een geboren Tahiti-eilander,
+vouwde hij zijn lichaam dubbel, omgreep den stam van den boom met zijn
+handen, drukte zijn voetzolen tegen de oppervlakte van den stam, en
+begon tegen den boom op te loopen. In de kruin vond hij twee vrouwen,
+twee kinderen en een man. Een van de kinderen, een meisje, hield een
+kat in haar armen geklemd.
+
+Vanuit zijn hooge zitplaats wuifde hij met de hand naar kapitein Lynch,
+en die manhaftige patriarch wuifde terug. Raoul stond versteld over
+de lucht. Het wolkendek was veel dichterbij gekomen--ja, het leek
+vlak boven zijn hoofd te hangen; en het was van loodkleurig zwart
+geworden. Er waren nog veel menschen op den beganen grond. Ze stonden
+in groepjes bijeen om den voet van de boomen en hielden zich vast met
+alle macht. Verschillende van die groepjes waren bezig te bidden, en
+in één ervan hield de Mormoonsche zendeling een preek. Raoul hoorde
+een vreemd geluid, rhythmisch, zwak als het zwakste gesjirp van een
+verren krekel. Het duurde maar een oogenblik, maar in dat oogenblik
+deed het hem vaag denken aan den hemel en aan engelen muziek. Hij keek
+om zich heen, en zag, aan den voet van een anderen boom, een groote
+groep menschen, die zich vasthielden met touwen en aan elkander. Hij
+kon zien hoe ze in koor hun gezichten vertrokken en hun lippen
+bewogen. Het geluid was weg, maar hij wist dat zij hymnen zongen.
+
+De wind bleef voortdurend harder blazen. Hij kon dit toenemen
+in kracht niet meten door een bewust proces van zijn hersenen,
+want deze storm was veel erger den al zijn ondervinding van wind;
+maar niettemin was het hem duidelijk, hoe wist hij niet, dat het
+steeds harder stormde. Dichtbij werd een boom ontworteld en zijn
+vracht menschelijke wezens viel op den grond. Een zee spoelde over
+het reepje land, en ze waren weg. Alles gebeurde met verwonderlijke
+snelheid. Hij zag een bruinen schouder en een zwart hoofd, scherp
+afstekend tegen het kolkend wit van de lagune. Het volgend oogenblik
+was ook dat verdwenen. Andere boomen gingen tegen den grond, vielen
+kris en kras door elkaar als lucifers. Hij stond versteld over de
+kracht van den wind. Zijn eigen boom zwaaide gevaarlijk; een van
+de vrouwen jammerde voortdurend en klemde het meisje in haar armen,
+dat op haar beurt de kat weer vast hield.
+
+De man, die het andere kind op zijn arm had, tikte Raoul op den
+schouder en wees. Hij keek, en zag een honderd meter verder de
+Mormoonsche kerk als een dronken man over het eiland zwaaien. Het
+gebouw was van zijn fundamenten gescheurd, en wind en zee stuwden en
+schoven het in de richting van de lagune. Een ontzettende muur van
+water smakte er tegen aan, deed het kantelen, en gooide het tegen
+een half dozijn kokospalmen. De trossen menschelijk fruit vielen
+als rijpe kokosnoten. Bij het terugloopen van de golf zag hij hen
+op den grond liggen, sommigen bewegingloos, anderen zich krommend
+en wringend. Zij deden hem wonderlijk sterk denken aan mieren. Het
+ontroerde hem niet. Hij was boven de verschrikkingen uit. Alsof het
+iets heel gewoons was zag hij hoe de volgende zee het menschelijk
+wrakhout van het zand wegveegde. Een derde zee, geweldiger dan alle
+andere die hij tot dan toe gezien had, gooide de kerk in de lagune,
+en ze dreef weg naar lij, de duisternis in, half onder water. Ze deed
+hem werkelijk denken aan de ark van Noah.
+
+Hij keek rond om het huis om kapitein Lynch te zoeken, en merkte tot
+zijn verrassing dat het weg was. Waarlijk, alles gebeurde snel. Hij
+zag dat veel van de menschen in de boomen die nog hielden, naar den
+beganen grond waren afgedaald. De wind nam nog steeds toe. Hij kon
+dat zien aan zijn eigen boom. Die zwaaide en boog niet meer heen
+en weer. In de plaats daarvan bleef hij in denzelfden stand, in een
+scherpen hoek van den wind af gebogen, en trilde alleen maar. Maar
+dat trillen was iets afschuwelijks. Het was als van een stemvork of
+van de tong van een mondtrom. De snelheid van de trilling maakte het
+zoo vreeselijk. Zelfs al hielden de wortels van den boom, hij zou die
+spanning niet lang kunnen weerstaan. Er moest ten slotte iets breken.
+
+Ah, daar was er al een die het opgegeven had. Hij had hem niet
+zien gaan, maar daar stond het overblijfsel, halverwege den
+stam afgebroken. Men wist niet wat er gebeurde als men het niet
+zag. Kleinigheden als het kraken van boomen en het jammeren van
+menschelijke wanhoop namen geen plaats in in die machtige massa van
+geluid. Toevallig keek hij in de richting van kapitein Lynch toen
+het gebeurde. Hij zag den stam van den boom op de helft splinterend
+afknappen, zonder geluid. De kruin van den boom, met drie matrozen van
+de _Aorai_ en den ouden kapitein, zeilde weg over de lagune. Het ding
+viel niet op den grond, maar vloog door de lucht als een kafje. Raoul
+volgde het op zijn vlucht een honderd meter ver, toen stoof het in
+het water. Hij spande zijn oogen in, en was er zeker van dat hij
+kapitein Lynch vaarwel zag wuiven.
+
+Raoul wachtte niet op wat er verder zou gebeuren. Hij tikte den
+inlander op den schouder en beduidde hem naar beneden te gaan. De
+man wilde wel, maar zijn vrouwen waren verlamd van angst, en hij
+bleef liever bij hen. Raoul sloeg zijn touw om den boomstam en gleed
+omlaag. Een vloed van zout water bruiste over hem heen. Hij hield zijn
+adem in en hield zich wanhopig vast aan het touw. Het water vloeide
+terug, en in de beschutting van den stam kon hij weer ademen. Hij
+maakte het touw steviger vast, en werd toen onder water gezet door
+een tweede zee. Een van de vrouwen gleed naar beneden en kwam bij hem
+staan, maar de inlander bleef boven bij de vrouw, de twee kinderen en
+de kat. De ladingmeester had opgemerkt, dat de troepjes menschen die
+zich vasthielden aan de andere boomen voortdurend kleiner werden. Nu
+zag hij van dichtbij hoe het proces in zijn werk ging.
+
+Al zijn kracht werd vereischt om zich vast te houden, en de vrouw
+die bij hem was gekomen raakte al uitgeput, Iederen keer dat hij te
+voorschijn kwam uit een zee was hij verbaasd zichzelf nog op dezelfde
+plek te vinden, en dan, verbaasd dat de vrouw er nog was. Ten slotte
+vond hij alleen zichzelf terug. Hij keek naar boven. De kruin van den
+boom was ook verdwenen. Op de helft van zijn oorspronkelijke lengte
+trilde een versplinterd uiteinde. Hij was veilig. De wortels hielden
+nog, terwijl de boom geen wind meer ving. Hij begon naar boven te
+klimmen. Hij was zóó uitgeput dat het heel langzaam ging, en zee na
+zee spoelde over hem heen vóórdat hij er boven uit was. Toen bond
+hij zich vast aan den stam en sterkte zich tegen den komenden nacht
+en tegen hij wist niet wat.
+
+Hij voelde zich erg eenzaam in de duisternis. Af en toe scheen het
+hem toe, dat dit het einde van de wereld was, en hij de eenige die
+nog leefde. Nog steeds nam de wind toe. Ieder uur nam hij toe. Toen
+Raoul berekende dat het ongeveer elf uur moest zijn, was de wind
+ongeloofelijk geworden. Het was een vreeselijk, monsterachtig iets,
+een gillende woede, een muur die tegen hem aan sloeg en verder ging,
+maar die voortging met slaan en verder gaan--een muur zonder eind. Het
+scheen hem toe dat hij licht en etherisch was geworden; dat hij
+het was die zich voortbewoog; dat hij met onbegrijpelijke snelheid
+voortgedreven werd door een eindelooze vaste massa. De wind was niet
+meer lucht in beweging. Hij was vast en tastbaar geworden als water of
+kwik. Raoul had een gevoel alsof hij zijn hand er in kon steken en er
+brokken uit kon scheuren, zooals men zou doen met het vleesch in het
+karkas van een stier; dat hij den wind kon grijpen en er zich aan vast
+kon houden zooals men zich vasthoudt aan den wand van de steile rots.
+
+Hij werd er bijna door geworgd. Hij kon niet ademhalen als hij
+zijn gezicht er recht tegen in hield, want de wind spoot naar
+binnen door zijn mond en neusgaten en zette zijn longen uit als een
+varkensblaas. Op zulke oogenblikken scheen zijn lichaam opgezwollen
+en volgestopt met vaste aarde. Alleen door zijn lippen tegen den
+boomstam te drukken kon hij ademhalen. Ook raakte hij uitgeput door
+den onophoudelijken druk van den wind. Lichaam en geest werden moe. Hij
+merkte niets meer op, hij dacht niet meer, en was half bewusteloos. Eén
+gedachte maakte zijn heele bewustheid uit: _Dit was dus een cycloon._
+Die eene gedachte kwam met onregelmatige tusschenpoozen terug. Het was
+als een zwak vlammetje dat af en toe opflikkerde. Telkens, ontwakend
+uit een periode van verdooving, kwam hij daarbij terug: _Dit was dus
+een cycloon._ Dan zakte hij weer weg in een nieuwe verdooving.
+
+Het hoogtepunt van den wervelstorm duurde van elf uur 's avonds tot
+drie uur in den morgen, en het was om elf uur dat de boom waarin
+Mapoehi en zijn familie zich vastklemden, afknapte. Mapoehi kwam aan
+de oppervlakte van de lagune, met zijn dochter Ngakoera nog steeds
+in zijn armen. Alleen een Zuidzee-eilander kon blijven leven in een
+dergelijken chaos van water. De pandanusboom waaraan hij zich had
+vastgegrepen rolde om en om in het kolkend schuim, en alleen door
+zich nu weer eens vast te houden en te wachten, en dan weer zijn
+greep vlug te veranderen, zag hij kans om zijn eigen hoofd en dat
+van Ngakoera aan de oppervlakte te krijgen met tusschenpoozen die
+voldoende dicht op elkaar volgden om den adem in hun lichamen te
+houden. Maar de lucht was hoofdzakelijk water, door het vliegend
+schuim en den dichten regen die in horizontale richting langs stormden.
+
+Het was tien mijlen naar den overkant van de lagune. Hier, op den
+tweeden zandring, werden negen op de tien ongelukkige schepsels
+die den overtocht over de lagune te boven kwamen, gedood door heen
+en weer geworpen boomstammen, balken, wrakken van kotters en van
+huizen. Uitgeput en half verdronken, werden ze geslingerd in dezen
+krankzinnigen vijzel van de elementen en tot vormeloos vleesch
+gebeukt. Maar Mapoehi had geluk. Hij kreeg de eene kans van de tien,
+en ze viel hem ten deel door een puren gril van het noodlot. Hij
+kwam uit den chaos te voorschijn op het strand, bloedend uit een
+twintigtal wonden. Ngakoeri's linkerarm was gebroken; de vingers van
+haar rechterhand waren verbrijzeld, en haar wang en voorhoofd lagen
+open tot op het been. Hij greep een boom die nog stond en klemde zich
+vast, met het meisje nog steeds in zijn armen, happend naar lucht,
+terwijl het water van de lagune ter hoogte van zijn knieeën, en soms
+ter hoogte van zijn middel, voorbij spoelde.
+
+Om drie uur in den morgen was de grootste kracht van den orkaan
+gebroken. Om vijf uur woei er nog slechts een stijve bries. En om
+zes was het blakstil en scheen de zon. De zee was kalm geworden. Aan
+den nog rusteloozen rand van de lagune zag Mapoehi de vernielde
+lichamen van hen die het land niet hadden kunnen bereiken. Zonder
+eenigen twijfel waren Tefara en Naoeri daar bij. Hij ondernam een
+onderzoekingstocht langs het strand, en vond zijn vrouw, die half in
+en half uit het water lag. Hij ging zitten en schreide, zijn smart
+uitend in schorre dierengeluiden, zooals primitieve wilden doen. Toen
+bewoog zij zich onrustig, en kreunde. Hij keek nauwkeuriger toe. Niet
+alleen leefde zij, maar zij was zelfs ongedeerd. Zij sliep slechts. Zij
+had ook de eene kans van de tien gehad.
+
+Van de twaalfhonderd menschen die den vorigen avond nog leefden, waren
+er driehonderd over. De Mormoonsche zendeling en een gendarme hielden
+de telling. De lagune was één verwarring van ronddrijvende lijken. Er
+stond geen huis, geen hut meer. Op de heele atol waren geen twee
+steenen op elkaar gebleven. Van de kokospalmen stonden er nog ongeveer
+één op de vijftig, en ook daar was niet veel meer van over, terwijl
+aan niet één boom ook maar een enkele noot was overgebleven. Er was
+geen zoet water. De ondiepe putten die het doorsijpelende regenwater
+verzamelden waren vol met zout. Uit de lagune werden nog een paar
+doordrenkte zakken meel gered. De overlevenden sneden het binnenste
+uit de kokospalmen en aten het op. Hier en daar kropen ze in kleine
+hutjes, gemaakt door het zand uit te graven en daar stukken metalen
+dakbedekking overheen te leggen.
+
+De zendeling maakte een primitieve distilleer-inrichting, maar hij
+kon geen water distilleeren voor driehonderd menschen. Tegen het
+einde van den tweeden dag ontdekte Raoul, toen hij een bad nam in de
+lagune, dat zijn dorst wat minder werd. Hij riep het nieuws naar de
+anderen, en daarop had men driehonderd mannen, vrouwen en kinderen
+kunnen zien, die tot hun buik in de lagune stonden en door hun huid
+water trachtten in te drinken. Hun dooden dreven overal om hen heen,
+of ze trapten er op waar ze nog op den bodem lagen. Den derden dag
+begroef het volk zijn dooden en ging zitten wachten op de stoomschepen,
+die hulp moesten brengen.
+
+Ondertusschen was Naoeri, van haar familie losgescheurd door den
+orkaan, op eigen gelegenheid verder gedreven, en beleefde haar eigen
+avonturen. Zich vastklemmend aan een ruwe plank die haar wondde
+en kneusde en haar lichaam vol splinters sloeg, werd zij heelemaal
+over de atol heen geslingerd en weggevoerd naar zee. Hier, onder het
+vreeselijk beuken van bergen water, raakte ze haar plank kwijt. Zij
+was een oude vrouw, bijna zestig, maar geboren en getogen in de
+Paoemotoe's, en ze was nooit in haar leven buiten het gezicht van de
+zee geweest. Terwijl zij voortzwom in de duisternis, half verdronken,
+hijgend, vechtend om lucht, kreeg ze een zwaren slag tegen haar
+schouder van een kokosnoot. Op hetzelfde oogenblik was haar plan
+gevormd, en ze greep de noot. In het uur dat volgde bemachtigde zij
+er nog zeven. Samengebonden vormde ze een reddingboei die haar in
+het leven hield, maar die tegelijkertijd dreigde haar tot gelei te
+slaan. Zij was een dikke, zware vrouw en liep gauw kneuzingen op,
+maar ze had veel ervaring met cyclonen, en ze wachtte geduldig tot
+de wind zou afnemen, steeds biddend tot haar haai-god om bescherming
+tegen de haaien. Maar om drie uur was zij zoo verdoofd dat ze het
+verminderen van den wind niet bemerkte.
+
+Ook merkte zij om zes uur niets van de windstilte. Zij schokte weer
+tot bewustzijn toen ze op het strand werd gegooid. Zij groef haar
+bloedende, open handen en voeten in het zand en klauwde tegen het
+terugloopende water in, totdat ze buiten het bereik van de golven was.
+
+Zij wist waar zij was. Dit land kon geen ander zijn dan het
+kleine eilandje Takokota. Het had geen lagune. Niemand woonde er
+op. Hikoe-eroe was vijftien mijlen weg. Zij kon het niet zien,
+maar zij wist dat het in het zuiden lag. De dagen gingen voorbij,
+en ze leefde van de kokosnoten die haar drijvende hadden gehonden.
+
+Ze voorzagen haar van drinkwater en van voedsel. Maar zij dronk
+of at niet zoo veel als ze maar wilde. Haar redding was hoogst
+problematiek. Zij zag den rook van de stoomschepen die kwamen helpen
+aan den horizon, maar zij kon niet verwachten dat er een schip zou
+komen naar het eenzame onbewoonde Takokota.
+
+Van het eerste oogenblik af had zij vreeselijken last van de
+lijken. Voortdurend wierp de zee ze op haar stukje grond, en
+voortdurend schoof zij ze terug in zee, waar de haaien er aan rukten
+en ze verslonden, tot dat haar kracht haar begaf. Toen ze niet meer
+kon, versierden de lijken haar strand met afschuwelijke, walgelijke
+guirlandes, en zij ging van hen weg zoo ver als ze kon, hetgeen niet
+ver was.
+
+Op den tienden dag was haar laatste kokosnoot op, en ze verschrompelde
+van dorst. Ze sleepte zich voort naar het strand, zoekend naar
+kokosnoten. Het was vreemd dat er zooveel lijken aanspoelden en
+geen noten. Er dreven toch zeker meer kokosnoten dan doode menschen
+rond! Ten slotte gaf ze het op, en bleef uitgeput liggen. Het einde
+was gekomen. Er bleef niets meer over dan te wachten op den dood.
+
+Toen zij wat later bijkwam uit de verdooving, werd zij zich langzaam
+bewust dat ze lag te staren naar een bos rossig rood haar op het
+hoofd van een dooden man. De zee wierp het lijk in haar richting,
+trok het toen weer terug. Het rolde een halven slag om, en zij zag dat
+het geen gezicht had. Toch was er iets bekends in dien bos rossig-rood
+haar. Een uur ging voorbij. Zij spande zich niet in om te trachten het
+te herkennen. Zij wachtte op den dood, en het kon haar weinig schelen,
+welke man dat vreeselijke ding eens geweest was. Maar toen het uur
+voorbij was, ging ze langzaam zitten en staarde naar het lijk. Een
+ongewoon groote golf had het buiten het bereik van de kleinere golven
+geworpen. Ja, ze had toch gelijk; die bos rood haar kon maar aan één
+man in de Paoemotoe's toebehooren. Het was Levy, de Duitsche Jood, de
+man die de parel gekocht en meegenomen had op de _Hira_. Nu, één ding
+was duidelijk, de _Hira_ was vergaan. De parelkooper was ten slotte
+nog bedrogen uit gekomen met zijn god van de visschers en de dieven.
+
+Zij kroop naar den dooden man. Zijn hemd was van zijn lichaam
+af gescheurd, en zij kon den leeren geldgordel zien die om zijn
+middel zat. Zij hield haar adem in en rukte aan de gespen. Ze gaven
+gemakkelijker mee dan zij gedacht had, en ze kroop weer haastig weg
+over het zand, den gordel achter zich aan sleepend. Het eene zakje
+na het andere gespte ze los, maar alles was leeg. Waar zou hij de
+parel gestopt hebben? Tenslotte vond zij hem in het laatste zakje, de
+eerste en eenige parel die hij op die reis had gekocht. Zij kroop een
+paar voet verder weg om te ontkomen aan de walgelijke lucht van den
+gordel, en bekeek de parel nauwkeurig. Het was de parel die Mapoehi
+had gevonden en die Toriki hem afhandig had gemaakt. Zij voelde zijn
+gewicht in haar hand en liet hem liefkoozend heen en weer rollen. Maar
+in de parel zelf zag zij geen schoonheid. Wat zij zag was het huis
+dat Mapoehi en Tefara en zij met zooveel zorg hadden gebouwd in hun
+geest. Telkens als ze naar de parel keek, zag zij het huis in al zijn
+bijzonderheden, de achthoekige klok incluis. Dat was iets om voor te
+blijven leven.
+
+Zij scheurde een reep van haar _ahoe_ af en bond de parel stevig om
+haar hals. Toen kroop zij verder langs het strand, hijgend en kreunend,
+maar vastbesloten zoekend naar kokosnoten. Zij vond er gauw een,
+en, toen ze rondkeek, nog een. Zij brak er een open, dronk de melk,
+die schimmelig was, en at het vleesch tot het laatste stukje.
+
+Een beetje later vond zij een verbrijzelde boom-kano. De vlerken ervan
+waren weg, maar zij had nieuwe hoop, en vóórdat de dag gedaan was vond
+ze ook de vlerken. Iedere vondst was een goed voorteeken. De parel was
+een talisman. Laat in den middag zag zij een houten kist die diep in
+het water dreef. Toen zij het ding op het strand sleepte, hoorde ze
+den inhoud rammelen, en ze vond er tien blikken zalm in. Zij maakte
+er een open door er mee tegen de kano aan te hameren. Toen er een lek
+in het blik was dronk ze het leeg. Daarna bracht zij verscheiden uren
+door met de zalm er uit te halen. Bij stukjes en beetjes hamerde en
+kneep ze het kostbare voedsel er uit.
+
+Acht dagen nog wachtte zij op redding. Ondertusschen bevestigde zij de
+vlerken weer aan de kano; voor sjorrings gebruikte ze alles wat ze aan
+kokosvezels vinden kon en ook wat er nog over was van haar _ahoe_. De
+kano was leelijk gekraakt, en zij kon haar niet waterdicht maken,
+maar zij borg een halve kokosnoten-schaal aan boord als hoosvat. Zij
+was erg verlegen om een pagaai. Met een stukje blik zaagde zij al
+haar haren vlak bij den wortel af. Van het haar vlocht zij een koord,
+en met behulp van het koord maakte zij een stuk bezemsteel van drie
+voet vast aan een plank van de zalmkist. Zij knaagde wiggen met haar
+tanden en spande daarmee de sjorring.
+
+Den achttienden dag, te middernacht, bracht zij de kano door
+de branding en begon de terugreis naar Hikoe-eroe. Zij was een
+oude vrouw. De ontberingen hadden haar vet doen verdwijnen tot
+er nauwelijks meer overbleef dan vel en been en een beetje pezige
+spieren. De kano was groot en behoorde eigenlijk gepagaaid te worden
+door drie sterke mannen.
+
+Maar zij deed het alleen met een surrogaat-pagaai. Ook lekte de kano
+leelijk, en een derde van haar tijd wijdde ze aan hoozen. Toen het
+helder dag was zocht zij nog steeds tevergeefs naar Hikoe-eroe. Achter
+haar was Takokota weggezonken onder den rand van de zee. De zon brandde
+neer op haar naaktheid en trok al het vocht uit haar lichaam. Er waren
+nog twee blikken zalm over, en in den loop van den dag rammeide zij
+er gaten in een dronk wat er van te drinken was. Zij had geen tijd
+om het vleesch er uit te halen. Er liep een strooming die haar naar
+het westen zette of zij zuidwaarts pagaaide of niet.
+
+Vroeg in den middag, rechtop staand in de kano, kreeg zij Hikoe-eroe
+in 't zicht. Zijn rijkdom van kokospalmen was verdwenen. Hier en daar
+slechts, met groote tusschenruimten, kon zij de de ruige resten van
+boomen zien. Het gezicht wekte haar op. Zij was dichter bij dan zij
+gedacht had. De strooming dreef haar naar het westen. Zij zette haar
+koers pal er tegen in en pagaaide verder. De wiggen in de sjorring
+van haar pagaai gingen los zitten, en zij verloor veel tijd met ze
+vast te slaan. Zij was gedwongen om dat dikwijls te doen. Dan was er
+het hoozen. Eén uur van de drie moest zij ophouden met pagaaien om
+te hoozen. En al dien tijd zakte ze af naar het westen.
+
+Bij zonsondergang lag Hikoe-eroe zuidoostelijk van haar, drie mijlen
+ver. Er was een volle maan, en om acht uur lag het land pal oost en
+twee mijlen van haar af. Zij worstelde nog een uur lang, maar het land
+bleef even ver. Zij was midden in de strooming; de kano was te groot;
+de pagaai was te gebrekkig; en zij verloor te veel tijd en kracht met
+hoozen. Bovendien raakte zij uitgeput. Ondanks al haar pogen dreef
+de kano af naar het westen.
+
+Zij mompelde een gebed tot haar haai-god, gleed overboord en begon te
+zwemmen. Het water verfrischte haar en zij liet de kano snel achter
+zich. Na een uur was het land merkbaar dichter bij. Toen kwam haar
+schrik. Recht vóór haar, geen twintig voet verder, sneed een groote
+vin door het water. Met vasten slag zwom zij er heen, en langzaam gleed
+hij weg, boog af naar rechts, en bleef om haar heen cirkelen. Zij hield
+haar blikken op de vin gericht én zwom verder. Als de vin verdween ging
+zij met haar gezicht op het water liggen en keek uit. Als de vin weer
+te voorschijn kwam, begon zij weer te zwemmen. Het monster was lui,
+dat zag zij wel. Hij had zeker goed te eten gehad na dien cycloon. Als
+hij erg hongerig was geweest, zou hij niet geaarzeld hebben op haar
+af te schieten, dat wist ze. Hij was vijftien voet lang, en met één
+hap kon hij haar in tweeën bijten.
+
+Maar zij had geen tijd aan hem te verspillen. Of zij zwom of niet, de
+strooming liep even goed van het land af. Een half uur ging voorbij,
+en de haai begon driester te worden. Hij zag dat zij niets deed, en
+kwam dichter bij, in steeds kleiner kringen om haar heen zwemmend en
+brutaal zijn oogen naar haar toe-draaiend als hij voorbijgleed. Vroeg
+of laat, dat wist ze, zou hij genoeg moed bijeen hebben om haar aan te
+vallen. Zij besloot zelf het eerst uit te spelen. Het was een wanhopige
+daad die zij overwoog. Zij was een oude vrouw, alleen in de zee, en
+zwak door honger en vermoeienis; en toch moest zij, tegenover dezen
+zee-tijger, zijn aanval voorkomen en hem zelf het eerst aanvallen. Zij
+zwom verder, wachtend op haar kans. Ten slotte kwam er een oogenblik
+dat hij lui voorbij gleed, nauwelijks acht voet van haar af. Plotseling
+schoot ze op hem los, alsof ze hem wilde aanvallen. Hij gaf een wilden
+slag met zijn staart toen hij wegvluchtte, en zijn schuurpapieren huid
+ritste het vel van haar arm van den elleboog tot den schouder. Hij
+zwom snel, in steeds wijder wordende cirkels, en verdween ten slotte.
+
+In het gat in het zand, overhuifd met stukken metalen dakbedekking,
+lagen Mapoehi en Tefara te kijven.
+
+"Als je had gedaan zooals ik zei," viel Tefara aan, voor den
+duizendsten keer, "en de parel verborgen had, en het aan niemand had
+verteld, dan zou je hem nu nog hebben."
+
+"Maar Hoeroe-hoeroe stond er bij toen ik de oester openmaakte--heb
+ik je dat nu niet al honderd keer verteld?"
+
+"En nu zullen wij geen huis hebben. Raoul zei mij vandaag dat als je
+de parel niet aan Toriki verkocht had----"
+
+"Ik heb hem niet verkocht. Toriki heeft hem me afgenomen."
+
+"----dat als je de parel niet aan Toriki verkocht had, hij je
+vijfduizend Fransche dollars zou geven, en dat is tienduizend Chili."
+
+"Hij heeft met zijn moeder gepraat." legde Mapoehi uit. "Zij heeft
+verstand van parels."
+
+"En nu is de parel weg," beklaagde Tefara zich.
+
+"Hij heeft mijn schuld aan Toriki betaald. In ieder geval heb ik er
+toch twaalfhonderd Chili mee verdiend."
+
+"Toriki is dood", riep zij. "Ze hebben geen bericht gekregen
+van zijn schoener. Het schip is vergaan, net als de _Aorai_ en de
+_Hira_. Zal Toriki je de driehonderd crediet betalen die hij je beloofd
+heeft? Neen, want Toriki is dood. En als je geen parel had gevonden,
+zou je dan vandaag nog twaalfhonderd schuld hebben aan Toriki? Neen,
+want Toriki is dood, en doode menschen kun je niet betalen."
+
+"Maar Levy heeft Toriki niet betaald", zei Mapoehi. "Hij heeft hem een
+stuk papier gegeven waar hij het geld voor kon krijgen in Papeete;
+en nu is Levy dood en kan niet betalen; en Toriki is dood, en het
+papier is met hem vergaan, en de parel is vergaan met Levy. Je hebt
+gelijk, Tefara. Ik ben de parel kwijt, en ik heb er niets voor in de
+plaats gekregen. Laten we nu gaan slapen."
+
+Hij stak plotseling zijn hand omhoog, en luisterde. Van buiten kwam
+een geluid als van iemand die zwaar en pijnlijk ademhaalde. Een hand
+zocht tastend langs de mat die dienst deed als deur.
+
+"Wie is daar?" riep Mapoehi.
+
+"Naoeri," kwam het antwoord. "Kun je me niet zeggen waar mijn zoon
+Mapoehi is?"
+
+Tefara gilde en greep den arm van haar man.
+
+"Een spook!" klappertandde ze. "Een spook!"
+
+Mapoehi's gezicht was afschuwelijk geel. Hij klemde zich beverig vast
+aan zijn vrouw.
+
+"Goede vrouw," stamelde hij, trachtend zijn stem een anderen klank
+te geven. "Ik ken uw zoon goed. Hij woont aan den oostelijken oever
+van de lagune."
+
+Van buiten kwam het geluid van een zucht. Mapoehi begon zich verlicht
+te voelen. Hij had het spook misleid.
+
+"Maar waar kom je vandaan, oude vrouw?" informeerde hij.
+
+"Van de zee", was het mistroostig antwoord.
+
+"Ik wist het wel! Ik wist het wel!" gilde Tefara, en ze wiegde haar
+bovenlijf heen en weer.
+
+"Sinds wanneer heeft Tefara in een vreemd huis geslapen?" kwam de
+stem van Naoeri door het vlechtwerk.
+
+Mapoehi blikte vrees en verwijten naar zijn vrouw. Haar stem had
+hen verraden.
+
+"En sinds wanneer heeft Mapoehi, mijn zoon, zijn moeder
+verloochend?" ging de stem door.
+
+"Neen, neen, dat heb ik niet gedaan--Mapoehi heeft je niet
+verloochend," riep hij. "Ik ben Mapoehi niet. Hij is aan den oostkant
+van de lagune, zeg ik je toch!"
+
+Ngakoera ging rechtop in haar bed zitten en begon te huilen. Het
+vlechtwerk kwam in beweging.
+
+"Wat doe je?" vroeg Mapoehi streng.
+
+"Ik kom binnen", zei de stem van Naoeri.
+
+Eén hoek van de mat werd opgelicht. Tefara trachte onder de dekens te
+duiken, maar Mapoehi hield zich aan haar vast. Hij moest zich ergens
+aan vasthouden. Samen, vechtend met elkaar, met bevende lichamen en
+klapperende tanden, staarden zij met uitpuilende oogen naar de mat
+die omhoog ging. Zij zagen Naoeri binnen kruipen, zonder _ahoe_,
+en druipend van het zeewater. Zij rolden zich om, van haar weg, en
+vochten om de deken van Ngakoera, om daarmee hun hoofden te bedekken.
+
+"Je mocht je oude moeder wel wat te drinken geven", zei het spook
+klagelijk.
+
+"Geef haar wat te drinken", beval Tefara met trillende stem.
+
+"Geef haar wat te drinken", gaf Mapoehi het bevel door naar
+Ngakoera. En samen schopten zij Ngakoera onder de dekens uit. Een
+minuut later durfde Mapoehi even te gluren, en hij zag het spook
+drinken. Toen het een levende hand uitstak en die op de zijne legde,
+voelde hij het gewicht ervan, en was overtuigd dat het geen spook
+was. Toen kwam hij te voorschijn, Tefara achter zich aan sleepend,
+en een paar minuten later zaten ze allemaal te luisteren naar het
+verhaal van Naoeri. Een toen zij vertelde van Levy, en de parel in
+Tefara's hand liet glijden, werd zelfs zij bekeerd tot het geloof in
+de realiteit van haar schoonmoeder.
+
+"Morgen vroeg", zei Tefara, "zul je de parel aan Raoul verkoopen voor
+vijfduizend Fransch."
+
+"Het huis?" wierp Naoeri tegen.
+
+"Hij zal het huis bouwen", antwoordde Tefara. "Hij zegt dat het
+vierduizend Fransch zal kosten. En bij zal ook nog duizend Fransch
+crediet geven, en dat is tweeduizend Chili."
+
+"En het zal zes vadem lang zijn?" vroeg Naoeri.
+
+"Ja" antwoordde Mapoehi, "zes vadem."
+
+"En zal de achthoekige klok in de middelste kamer zijn?"
+
+"Ja, en de ronde tafel ook."
+
+"Geef me dan wat te eten, want ik heb honger" zei Naoeri voldaan. "En
+daarna zullen we slapen, want ik ben moe. En morgen zullen we verder
+praten over het huis, vóórdat we de parel verkoopen. Het zal beter
+zijn als we de duizend Fransch contant nemen. Geld is altijd beter
+dan crediet in het koopen van goederen van de kooplui."
+
+
+
+
+DE WALVISCHTAND.
+
+
+Het was in de eerste dagen op Fidzji, dat John Starhurst opstond
+in het missie-huis bij het dorp Rewa en kond deed van zijn plan het
+Evangelie te brengen in heel Viti Levoe. Viti Levoe nu beteekent het
+"Groote Land", omdat het het grootste eiland is in een groep die
+uit veel groote eilanden bestaat, om van honderden kleine nog maar
+te zwijgen. Hier en daar waren de kusten als het ware besprenkeld
+met een schaarsche bevolking van zendelingen, handels-agenten,
+tripang-visschers, en gedroste matrozen, die daar een hoogst onzeker
+leven leidden. De rook van de heete ovens steeg op onder hun ramen,
+en de lichamen van de gesneuvelden werden langs hun deuren gesleept,
+op weg naar het feestmaal.
+
+De Lotoe, of de Aanbidding, vorderde slechts langzaam, en, dikwijls, op
+de manier der kreeften. Opperhoofden die zich Christenen verklaarden
+en verwelkomd werden in het heiligste der heiligen van de kapel,
+hadden een ontmoedigende hebbelijkheid om terug te vallen in hun
+oude gewoonte, om deel te kunnen hebben aan het vleesch van den een
+of anderen geliefkoosden vijand. Eet of word gegeten was de wet van
+het land geweest; en eet of word gegeten scheen de wet van het land
+te zullen blijven nog voor langen tijd. Er waren opperhoofden, zooals
+Tanoa Toeiveikoso, en Toekilakila, die honderden van hun medemenschen
+hadden opgegeten, in den letterlijken zin van het woord. Maar onder al
+die lekkerbekken stond Ra Oendre-oendre het hoogst. Ra Oendre-oendre
+woonde in Takiraki. Hij hield een register van zijn culinaire
+prestaties. Een rij steenen vóór zijn huis gaf het aantal menschen
+aan dat hij had opgegeten. Die rij was tweehonderd en dertig schreden
+lang, en het aantal steenen dat er in was bedroeg achthonderd en twee
+en zeventig. Iedere steen beteekende een opgegeten mensch. Die rij
+steenen zou misschien nog langer zijn geweest, had Ra Oendre-oendre
+niet het ongeluk gehad een speer in het onderste gedeelte van zijn
+rug te krijgen bij een schermutseling in het oerwoud van Somo-Somo,
+en opgediend te worden op de tafel van Naoengavoeli, wiens zeer
+middelmatige steenenrij slechts achtenveertig exemplaren telde.
+
+De overwerkte zendelingen, uitgebrand door de koorts, volhardden
+koppig bij hun taak, soms alle hoop opgevend en vooruitziend naar een
+bijzonder teeken van Gods macht, een uitbarsting van Pinkster-vuur,
+die een prachtigen oogst van zielen zou brengen. Maar menschenetend
+Fidzji was verstokt gebleven in de boosheid. De krulharige kannibalen
+hadden weinig zin om hun vleeschpotten in den steek te laten zoolang
+de oogst van menschelijke lichamen nog overvloedig was. Soms, als de
+oogst al te overvloedig was, maakten zij misbruik van de goedheid der
+zendelingen en lieten uitlekken dat er op dien en dien dag een groot
+volksfeest plaats zou hebben, ter gelegenheid waarvan er geslacht zou
+worden. Direct kochten dan de zendelingen de levens van de slachtoffers
+met stokken tabak, vadems calico, en pinten glazen kralen. Zoo dreven
+de opperhoofden een mooien handel met hun overcompleet aan levend
+vleesch. Bovendien konden zij er altijd op uit trekken en nieuw halen.
+
+Het was in dit tijdsgewricht dat John Starhurst luide verkondigde dat
+hij het Evangelie zou brengen van kust tot kust van het Groote Land,
+en dat hij zou beginnen met door te dringen in de bergvestingen aan
+de bronnen van de Rewa. Zijn woorden werden met ontsteltenis ontvangen.
+
+De inlandsche hulppredikers schreiden zacht. Zijn twee collega's
+trachtten het hem te ontraden. De Koning van Rewa waarschuwde hem
+dat de bergbewoners hem zeker zouden kai-kai-en--kai-kai beteekende
+eten--en dat hij, de Koning van Rewa, omdat hij Lotoe geworden was,
+zich genoodzaakt zou zien oorlog te gaan voeren met de bergbewoners.
+
+Hij wist heel goed dat hij hen niet kon onderwerpen. Hij wist eveneens
+heel goed dat zij in staat waren de rivier af te komen en Rewa te
+verwoesten. Maar wat kon hij doen? Als John Starhurst volhardde bij
+zijn plan om er op uit te trekken en opgegeten te worden, zou er een
+oorlog komen die honderden levens zou kosten.
+
+Later op den dag kwam er een deputatie van de hoofden van Rewa bij John
+Starhurst. Hij hoorde hen geduldig aan, en redeneerde geduldig met
+hen, maar week geen duimbreed van zijn plan af. Aan zijn collega's
+legde hij uit dat hij niet streefde naar het martelaarschap; dat
+de roep tot hem gekomen was het Evangelie te brengen op Viti Levoe,
+en dat hij slechts gevolg gaf aan den wensch van den Heer.
+
+Tegen de handels-agenten, die bij hem kwamen en zich het hevigst
+van allen verzetten, zei hij: "Uw bezwaren zijn zonder waarde. Zij
+bestaan alleen in het nadeel dat misschien zal worden toegebracht
+aan uw zaken. Uw werk is geld verdienen, maar mijn werk is zielen
+redden. De heiden van dit duistere land moet bekeerd worden."
+
+John Starhurst was geen dweeper. Hij zou de eerste geweest zijn om
+die aantijging van de hand te wijzen. Hij was bij uitstek praktisch
+en gezond. Hij was er van overtuigd dat zijn zending goede resultaten
+zou hebben, en hij had zijn eigen vizioenen van hoe hij de vonk van
+Pinkstervuur in de harten der bergbewoners zou doen opvlammen en
+hoe een nieuw, krachtig leven zou ontstaan dat zou neerdalen uit de
+bergen over de lengte en breedte van het Groote Land, van zee naar zee,
+en over de eilandjes te midden van de zee.
+
+Er lichtten geen wilde glansen in zijn zachte grijze oogen, slechts
+kalme vastbeslotenheid en een onwrikbaar vertrouwen in de Hoogere
+Macht die hem leidde.
+
+Eén man slechts vond hij die instemde in zijn plan, en dat was Ra
+Vatoe, die hem in het geheim aanmoedigde en aanbood hem gidsen te
+leenen tot aan de eerste uitloopers van de bergen. John Starhurst, op
+zijn beurt, schepte groot behagen in het gedrag van Ra Vatoe. Vroeger
+een onverbeterlijke heiden, met een ziel die even zwart was als
+zijn daden, begon Ra Vatoe licht uit te stralen. Hij sprak zelfs van
+Lotoe worden. Het is waar, drie jaren geleden had hij een dergelijk
+verlangen te kennen gegeven, en hij zou de kerk zijn binnengetreden,
+als John Starhurst geen bezwaar had gemaakt tegen de vier vrouwen
+die hij met zich meebracht.
+
+Ra Vatoe had economische en ethische bezwaren tegen de
+monogamie. Bovendien had de spitsvondige tegenwerping van den zendeling
+hem beleedigd; en om te toonen dat hij een vrij man was en een man
+van eer bovendien, had hij zijn geweldige oorlogsknots gezwaaid boven
+Starhurst's hoofd. Starhurst ontkwam door onder de knots door op hem
+af te springen en hem vast te houden tot er hulp naderde. Maar dat
+was nu allemaal vergeven en vergeten. Ra Vatoe zou in de kerk komen,
+niet alleen als bekeerd heiden, maar ook als bekeerd polygamist. Hij
+wachtte nog slechts, verzekerde hij Starhurst, tot zijn oudste vrouw,
+die erg ziek was, zou sterven.
+
+John Starhurst voer de traag-stroomende Rewa op in een van de kano's
+van Ra Vatoe. Die kano zou hem twee dagen ver brengen, en daarna, als
+het eind van het bevaarbaar gedeelte bereikt was, terugkeeren. Heel
+in de verte kon men de groote, wazige bergen zien, die, hoog zich
+heffend in de lucht, den ruggegraat vormden van het Groote Land. Den
+geheelen dag staarde John Starhurst er naar met ongeduldig verlangen.
+
+Soms bad hij in stilte. Ook vereenigde hij zich wel in gebed met
+Naraoe, een inlandschen hulpprediker, die zeven jaren lang Lotoe
+geweest was, aan één stuk door sinds den dag dat hij van den heeten
+oven gered was door Dr. James Ellery Brown, voor den geringen prijs
+van honderd stokken tabak, twee katoenen dekens, en een groote flesch
+pijndooder. Op het laatste oogenblik, na twintig uren in de eenzaamheid
+gesmeekt en gebeden te hebben, hadden Naraoe's ooren de stem gehoord
+die hem zeide te gaan met John Starhurst tot de bekeering der menschen
+in de bergen.
+
+"Meester, ik zal zeker met u mee gaan," had hij verklaard.
+
+John Starhurst had hem begroet met kalme vreugde. Voorwaar, de Heer
+was met hem, dat Hij een zwak, gebroken schepsel als Naraoe zóó tot
+daden wekte.
+
+"Maar ik ben zonder kracht en geest, de zwakste van 's Heeren vaten,"
+legde Naraoe uit, den eersten dag in de kano.
+
+"Je moet geloof hebben, meer geloof," berispte de zendeling hem.
+
+Er voer nog een andere kano de Rewa op dien dag. Maar ze bleef een
+uur achter, en zorgde dat ze niet gezien werd. Deze kano was ook
+eigendom van Ra Vatoe. In die kano was Erirola, de neef en vertrouwde
+schildknaap van Ra Vatoe; en in het kleine mandje dat nooit uit zijn
+hand kwam, was een walvischtand. Het was een prachtige tand, volle
+vijftien duim lang, en mooi evenredig gevormd; en het ivoor was geel
+en paars geworden van ouderdom. Die tand was eveneens eigendom van Ra
+Vatoe; en wanneer er op Fidzji een dergelijke tand rond gaat, gebeurt
+er gewoonlijk iets. Want dit is de kracht van den walvischtand: Al wie
+hem aanneemt kan het verzoek dat er mee gepaard gaat of er op volgt
+niet weigeren. Het verzoek kan alles zijn, van een menschenleven tot
+een stamverbond, en geen Fidzji-eilander is zóó dood voor eergevoel
+om het verzoek te weigeren als de tand eenmaal is aangenomen. Soms
+heeft het verzoek geen succes, of wordt de voldoening uitgesteld,
+met onaangename gevolgen.
+
+Aan het einde van den tweeden dag van zijn tocht, rustte John Starhurst
+in het dorp van een opperhoofd, Mongondro genaamd, aan den bovenloop
+van de Rewa. Hij dacht den volgenden morgen te voet verder te gaan,
+vergezeld door Naraoe, naar de wazige bergen, die nu, dichterbij
+gekomen, groen en fluweelig waren. Mongondro was een zacht gehumeurd
+klein oud kereltje die zich rustig bewoog.
+
+Hij was bijziende en lijdend aan elephantiasis, en voelde geen neiging
+meer tot de beroering van den oorlog. Hij ontving den zendeling
+met warme gastvrijheid, gaf hem te eten van zijn eigen tafel, en
+voerde zelfs gesprekken over den godsdienst met hem. Mongondro was
+nieuwsgierig aangelegd, en wilde graag alles weten, en het verheugde
+John Starhurst zeer dat hij hem vroeg om een verklaring van het
+bestaan en het ontstaan der dingen. Toen de zendeling klaar was met
+zijn korte samenvatting van de Schepping volgens Genesis, zag hij
+dat Mongondro diep geroerd was. Het kleine oude dorpshoofd zat een
+tijdlang zwijgend te rooken. Toen nam hij de pijp uit zijn mond en
+schudde droevig zijn hoofd.
+
+"Het kan niet zijn", zei hij. "Ik, Mongondro, was in mijn jeugd een
+goed werkman met de dissel. En toch had ik drie maanden noodig om
+een kano te maken, een kleine kano, een heele kleine kano. En jij
+zegt dat al dit land en water gemaakt is door één man--"
+
+"Neen, gemaakt is door één God, den eenig waren God," onderbrak
+de zendeling.
+
+"Het is hetzelfde", ging Mongondro door, "dat al het land en al het
+water, de boomen, de visschen, de bosschen, de bergen, de zon, de
+maan, en de sterren in zes dagen gemaakt zijn! Neen, neen. Ik zeg je
+dat ik een bekwaam man was in mijn jeugd, en toch had ik drie maanden
+noodig voor één kleine kano. Het is een verhaaltje om kinderen mee
+bang te maken; maar geen man kan het gelooven."
+
+"Ik ben een man", zei de zendeling.
+
+"Zeker, jij bent een man. Maar het is mijn duister begrip niet gegeven
+om te weten wat jij gelooft."
+
+"Ik zeg u, ik geloof dat alles gemaakt is in zes dagen."
+
+"Dat zeg je nu wel, dat zeg je nu wel," mompelde de oude kannibaal
+sussend.
+
+Niet dan nadat John Starhurst en Naraoe naar bed waren gegaan kroop
+Erirola het huis van het dorpshoofd binnen, en overhandigde hem,
+na een diplomatieke redevoering, den walvischtand.
+
+Het oude dorpshoofd hield den tand heel lang in zijn handen. Het was
+een mooie tand, en hij wilde hem erg graag hebben. Ook raadde hij het
+verzoek dat er achter zat. "Neen, neen; walvischtanden waren mooi,"
+en het water kwam hem in zijn mond, maar hij gaf hem onder veel
+verontschuldigingen terug aan Erirola.
+
+Vroeg in de morgenschemering was John Starhurst op de been, schrijdend
+over het boschpad in zijn groote leeren laarzen, achter hem aan de
+trouwe Naraoe, hij zelf achter een naakten gids aan, die hem geleend
+was door Mongondro om den weg te wijzen naar het volgende dorp, dat om
+twaalf uur bereikt werd. Hier kwam een nieuwe gids den weg wijzen. Een
+mijl achter hem aan zwoegde Erirola, de walvischtand in het mandje
+over zijn schouder geslagen. Twee dagen volgde hij den zendeling,
+en bood den tand aan de verschillende dorpshoofden aan. Maar dorp
+na dorp weigerde den tand. Hij volgde zóó snel op de aankomst van
+den zendeling dat zij het verzoek raadden dat er gedaan zou worden,
+en zij wilden er niets mee te maken hebben.
+
+Zij kwamen langzamerhand diep in de bergen, en Erirola nam een geheim
+pad, sneed den zendeling den pas af, en bereikte vóór hem de vesting
+van den Boeli van Gatoka. De Boeli nu wist niet van John Starhurst's
+naderende komst. Bovendien was de tand mooi--een buitengewoon
+exemplaar, en de kleur was van de zeldzaamste hoedanigheid. De tand
+werd in het openbaar aangeboden. De Boeli van Gatoka, zittend op zijn
+beste mat, omgeven door zijn hoplieden, drie vliegenjagers achter
+hem aan het werk, verwaardigde zich uit de hand van zijn heraut
+den walvischtand te ontvangen, die hem werd aangeboden door Ra
+Vatoe en die in de bergen was gebracht door zijn neef Erirola. Een
+geweldig handgeklap weerklonk toen het geschenk werd aanvaard, en
+de vergaderde hoplieden, herauten en vliegenjagers riepen in koor:
+A! woi! woi! woi! A! woi! woi! woi! A taboea levoe! Woi! woi! A
+moedoea, moedoea, moedoea!
+
+"Weldra zal er een man komen, een blanke man," begon Erirola, na de
+vereischte pauze. "Het is een zendeling, en hij zal vandaag komen. Het
+behaagt Ra Vatoe zijn laarzen te begeeren. Hij wenscht ze ten geschenke
+te geven aan zijn goeden vriend Mongondro, en het is zijn plan om ze
+te sturen met de voeten er in, want Mongondro is een oud man en zijn
+tanden zijn niet goed meer. Zorg er voor, o Boeli, dat de voeten mee
+gaan in de laarzen. Wat de rest van hem betreft, die mag hier blijven."
+
+De verrukking over den walvischtand verdween uit de oogen van den
+Boeli, en hij keek aarzelend om zich heen. Maar hij had den tand
+aangenomen.
+
+"Een kleinigheid als een zendeling komt er niet op aan", bemoedigde
+Erirola.
+
+"Neen, een kleinigheid als een zendeling komt er niet op aan,"
+antwoordde de Boeli, die zichzelf weer was. "Mongondro zal de laarzen
+hebben. Vlug, jonge mannen, ga den zendeling tegemoet op het pad. Drie
+of vier is genoeg. Zorg dat je de laarzen ook meebrengt."
+
+"Het is te laat", zei Erirola. "Luister! Hij komt er aan."
+
+John Starhurst, met Naraoe dicht op zijn hielen, brak door het dichte
+hout, en verscheen met groote schreden op het tooneel. De bewuste
+laarzen waren volgeloopen bij het doorwaden van den stroom en spoten
+fijne straaltjes water uit bij iederen stap. Starhurst keek om zich
+heen met schitterende oogen. Gesteund door een onwankelbaar vertrouwen,
+ontoegankelijk voor twijfel of vrees, juichte hij innerlijk over
+alles wat hij zag. Hij wist dat hij sinds het begin der tijden de
+eerste blanke was die de bergvesting Gatoka betrad.
+
+De gras-hutten stonden tegen den steilen bergwand geklemd of hingen
+boven de wild-stroomende Rewa. Aan beide kanten torende een machtige
+rotsmuur. Drie uren zonlicht op zijn best konden er doordringen in die
+nauwe spleet. Er waren geen kokospalmen of bananen te zien, ofschoon
+dichte, tropische plantengroei zich over alles heen stortte, druipend
+in lichte slingers van den hoogen rand der bergwanden, en in weligen
+overvloed stroomend uit al de spleten en uitstekende randen. Aan het
+verre einde van de kloof sprong de Rewa achthonderd voet omlaag in
+één enkelen boog, en de atmosfeer in de rotsvesting trilde mee met
+den rhythmischen donder van den waterval.
+
+Uit het huis van den Boeli zag John Starhurst den Boeli en zijn gevolg
+te voorschijn komen.
+
+"Ik breng u goede tijding", was de begroeting van den zendeling.
+
+"Wie heeft je gestuurd?" repliceerde de Boeli rustig.
+
+"God."
+
+"Het is een nieuwe naam op Viti Levoe", grijnsde de Boeli. "Van welke
+eilanden, dorpen, of bergpassen is hij het opperhoofd?"
+
+"Hij is het opperhoofd van alle landen, alle dorpen, alle bergpassen,"
+antwoordde John Starhurst plechtig. "Hij is de Heer van hemel en aarde,
+en ik ben gekomen om u Zijn woord te brengen."
+
+"Heeft hij walvischtanden gestuurd?" was de onbeschaamde vraag.
+
+"Neen, maar kostbaarder dan walvischtanden is de--"
+
+"Het is gewoonte tusschen opperhoofden om walvischtanden te sturen,"
+onderbrak de Boeli. "Je opperhoofd is òf een gierigaard, óf jij
+bent een dwaas, om met leege handen in de bergen te komen. Zie,
+een grootmoediger mensch is je vóór."
+
+Terwijl hij dat zei, liet hij den walvischtand zien dien hij had
+aangenomen van Erirola.
+
+Naraoe kreunde.
+
+"Het is de walvischtand van Ra Vatoe," fluisterde hij Starhurst
+in. "Ik ken hem goed. Nu is het met ons gedaan."
+
+"Dat is gunstig," antwoordde de zendeling, en hij haalde zijn hand
+door zijn langen baard en zette zijn bril recht. "Ra Vatoe heeft
+gezorgd dat wij goed ontvangen zouden worden."
+
+Maar Naraoe kreunde opnieuw, en schoof weg van de hielen waar hij
+zoo trouw achter aan had geloopen.
+
+"Ra Vatoe zal spoedig Lotoe worden", legde Starhurst uit, "en ik ben
+gekomen om u de Lotoe te brengen."
+
+"Ik wil niet met je Lotoe te maken hebben", zei de Boeli trotsch. "En
+het is mijn plan je vandaag nog te laten dood slaan."
+
+De Boeli wenkte een van zijn groote bergbewoners, en de man trad naar
+voren, een geweldige knots zwaaiend. Naraoe vloog het naaste huis
+binnen, trachtend zich te verbergen tusschen de vrouwen en de matten;
+maar John Starhurst sprong onder de knots door en sloeg zijn armen
+om den hals van zijn beul. Van uit dit strategisch punt begon hij te
+betoogen. Hij betoogde om zijn leven, en hij wist het; maar hij was
+niet ontdaan of bang.
+
+"Het zou niet goed voor u zijn mij te dooden", zei hij tegen den
+wilde. "Ik heb u geen kwaad gedaan, en ik heb den Boeli geen kwaad
+gedaan."
+
+Zóó goed klemde hij zich vast aan den hals van den kerel, dat zij
+niet durfden toeslaan met hun knotsen. En hij hield vol en bleef
+zich vastklemmen en redeneeren om zijn leven met hen die riepen om
+zijn dood.
+
+"Ik ben John Starhurst", ging hij kalm verder. "Ik heb drie jaren
+lang gewerkt op Fidzji, en ik heb het niet gedaan om er voordeel mee
+te behalen. Ik ben hier onder u om uw bestwil. Waarom zou iemand mij
+dooden? Niemand zal daar voordeel van hebben."
+
+De Boeli keek eens naar den walvischtand. Hij was goed betaald voor
+de daad.
+
+De zendeling was omringd door een dichte massa naakte wilden, die
+allen vochten om hem te pakken te krijgen. De doodszang, die is de
+zang van den oven, werd aangeheven, en zijn vermaningen waren niet
+hoorbaar meer. Maar zóó handig wond en kronkelde hij zijn lichaam om
+den man die hem vasthield, dat ze den doodelijken slag niet konden
+toebrengen. Erirola glimlachte, en de Boeli werd boos.
+
+"Weg met jullie", riep hij. "Goed nieuws voor de bewoners van de
+kust--een dozijn groote kerels en één zendeling, zonder wapens,
+zwak als een vrouw, die jullie allemaal de baas is."
+
+"Wacht, o Boeli," riep John Starhurst vanuit het dichtst van de
+verwarring, "en ik zal zelfs u overwinnen. Want mijn wapenen zijn
+Waarheid en Rechtvaardigheid, en geen mensch kan hen weerstaan."
+
+"Kom dan hier," antwoordde de Boeli, "want mijn wapen is maar een
+onnoozele, armzalige knots en, zooals je zegt, hij kan jou niet
+weerstaan."
+
+De troep wilden week terug, en John Starhurst stond daar alleen,
+tegenover den Boeli, die leunde op een reusachtige, knoestige
+oorlogsknots.
+
+"Kom hier, zendeling, en overwin mij," daagde de Boeli uit.
+
+"Zóó, zonder wapens, zal ik komen en u overwinnen," was John Starhurst
+'s antwoord, en na zijn bril afgeveegd en recht gezet te hebben,
+kwam hij naar voren.
+
+De Boeli hief zijn knots omhoog, en wachtte.
+
+"In de eerste plaats, mijn dood zal u geen enkel voordeel brengen,"
+begon het betoog.
+
+"Ik laat het antwoord aan mijn knots", was de repliek van den Boeli. En
+op ieder punt van het betoog antwoordde hij hetzelfde, terwijl hij
+den zendeling voortdurend scherp gadesloeg om dat handige inloopen
+onder de geheven knots te voorkomen. Toen, en toen voor het eerst,
+wist John Starhurst dat zijn dood naderde. Hij deed geen poging om in
+te loopen. Blootshoofds stond hij daar in de zon en bad met luider
+stem--de mysterieuze gestalte van den onvermijdelijken blanke,
+die, met Bijbel, kogel, of rumflesch, den verbaasden wilde heeft
+opgezocht in al zijn bolwerken. Zóó ook stond daar John Starhurst in
+de rotsvesting van den Boeli van Gatoka.
+
+"Vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen," bad hij. "O, Heer! heb
+medelijden met Fidzji. Zie genadig neer op Fidzji. O Jehova, hoor ons
+om Zijnentwil, Uw Zoon, dien Gij gegeven hebt, opdat door Hem alle
+menschen zouden worden tot Uw kinderen. Uit U zijn wij voortgekomen,
+en onze bestemming is weder tot U terug te keeren. Het land is duister,
+o Heer, het land is duister, maar Gij hebt de macht om te redden. Strek
+Uw hand uit, o Heer, en red Fidzji, arm kannibalen-Fidzji."
+
+De Boeli werd ongeduldig.
+
+"Nu zal ik je antwoorden", mompelde hij, en tegelijkertijd zwaaide
+hij zijn knots met beide handen.
+
+Naraoe, verborgen tusschen de vrouwen en de matten, hoorden den slag
+vallen, en huiverde. Toen rees de doodszang, en hij wist, dat het
+lichaam van zijn beminden zendeling naar den oven gesleept werd toen
+hij hoorde zingen:
+
+"Sleep mij zachtjes. Sleep mij zachtjes."
+
+"Want ik ben de voorvechter van mijn land."
+
+"Dank! Dank! Dank!"
+
+Daarna steeg er een enkele stem op uit het lawaai, die vroeg:
+
+"Waar is de dappere man?"
+
+Een honderd stemmen brulden het antwoord:
+
+"Hij wordt naar den oven gesleept om gekookt te worden."
+
+"Waar is de lafaard?" vroeg de enkele stem.
+
+"Hij gaat het vertellen!" brulden de honderd stemmen terug. "Hij gaat
+het vertellen!"
+
+Naraoe kreunde onder de wroeging en de verwijten die hij zichzelf
+deed. De woorden van het oude lied spraken de waarheid. Hij was de
+lafaard, en voor hem bleef er niets over dan te gaan vertellen wat
+er gebeurd was.
+
+
+
+
+MAOEKI.
+
+
+Hij woog honderd en tien pond. Zijn haar was kroezig als van een neger,
+en hij was zwart. Hij was eigenaardig zwart. Hij was niet blauw-zwart
+of paars-zwart, maar pik-zwart. Hij heette Maoeki, en hij was de zoon
+van een dorpshoofd. Hij had drie _tambo's._ Tambo is Melanesisch voor
+_taboe_ en volle neef van dat Polynesische woord. De drie _tambo's_
+van Maoeki waren als volgt: ten eerste, hij mocht nooit een vrouw een
+hand geven en geen vrouwenhand mocht hem of een van zijn persoonlijke
+eigendommen ooit aanraken; ten tweede mocht hij nooit mosselen eten
+noch ander voedsel dat gekookt was op een vuur waar ook mosselen op
+gekookt waren; ten derde mocht bij nooit een krokodil aanraken noch
+varen in een kano waarin zich een gedeelte van een krokodil bevond
+al was het maar zooveel als een tand.
+
+Van een andere kleur zwart waren zijn tanden, die diep-zwart, of
+misschien beter, roet-zwart waren. Zij waren zoo gemaakt in één
+enkelen nacht, door zijn moeder, die er een verband met een zeker
+tot poeder gestampt gesteente om heen had gelegd. Dat gesteente werd
+opgegraven uit de grond-afschuiving achter Port Adams. Port Adams is
+een zee-dorp op Malaita, en Malaita is het meest barbaarsche eiland
+in de Salomon-groep--zóó barbaarsch, dat kooplui of planters er nog
+geen vasten voet hebben kunnen krijgen; en vanaf den tijd van de
+eerste tripangvisschers en sandelhoutvaarders tot op de meest moderne
+koelie-wervers, uitgerust met automatische geweren en benzine-motoren,
+zijn honderden blanke avonturiers hier aan hun eind gekomen door
+tomahawks en stomp-neuzige Snider-kogels. Zoo is Malaita ook nu nog,
+in de twintigste eeuw, vruchtbaar terrein voor de koelie-wervers,
+die zijn kusten afzoeken naar koelies die zich bij contract verbinden
+om te zwoegen op de plantages van de meer beschaafde eilanden in de
+buurt, voor een loon van dertig dollar in het jaar. De inboorlingen
+van de meer beschaafde eilanden zijn zelf te beschaafd geworden om
+op plantages te werken.
+
+Maoeki's ooren waren doorboord, niet op één plaats, ook niet op
+twee, maar op een paar dozijn plaatsen. In een van de kleinere
+gaten droeg hij een aarden pijp. De grootere gaten waren te wijd
+om ze daar voor te gebruiken. De kop van de pijp zou er doorheen
+gevallen zijn. In het grootste gat van elk oor droeg hij gewoonlijk
+ronde houten stoppen die een flinke tien duim middellijn hadden. Ruw
+berekend, was de omtrek van gezegde gaten dertig duim. Maoeki was
+universeel in zijn voorliefdes. In de verschillende gaten droeg hij
+zeer verschillende dingen, als leege hulzen van geweerpatronen,
+hoefnagels, koperen schroeven, eindjes touw, strengen gevlochten
+platting, reepen groen blad, en, zoolang de dag nog koel was, vuurroode
+hibiscus-bloemen. Hieruit ziet men dat zakken geen onmisbaar vereischte
+voor zijn welzijn waren. Bovendien, zakken waren onmogelijk, want zijn
+eenig kleedingstuk bestond in een stuk calico ter breedte van een paar
+duim. Een zakmes droeg hij in zijn haar, het lemmet dicht geklapt op
+een kroezigen lok. Zijn meest gewaardeerde bezitting was het oor van
+een porseleinen kopje, dat hij had opgehangen aan een schildpadden
+ring, die op zijn beurt weer door zijn neus-tusschenschot was gehaald.
+
+Maar al deze verfraaiingen ten spijt, had Maoeki een aardig
+gezicht. Het was werkelijk een knap gezicht, van welk standpunt ook
+bezien, en voor een Melanesiër was het een merkwaardig knap gezicht.
+
+Het eenige gebrek ervan was gemis aan kracht. Het was zacht en
+vrouwelijk, bijna meisjesachtig. De trekken waren klein, regelmatig
+en fijn. De kin was zwak, en de mond was zwak. Er was geen kracht
+en geen karakter in kaken, neus en voorhoofd. Alleen in de oogen
+kon men nu en dan een glimp zien van de verborgen eigenschappen die
+zoo'n groot deel vormden van zijn karakter en die andere menschen niet
+konden begrijpen. Die verborgen eigenschappen waren durf, volharding,
+onbevreesdheid, fantazie, en handigheid; en als zij uitdrukking vonden
+in de een of andere opvallende daad, met verrassende vastberadenheid
+verricht, stonden de menschen om hem heen verbaasd.
+
+Maoeki's vader was dorpshoofd van Port Adams, en zoo kwam het dat
+Maoeki, geboren kustbewoner, half amphibie en half mensch was. Hij
+kende de gewoonten van visschen en oesters, en het rif was hem een open
+boek. Van kano's had hij ook verstand. Hij leerde zwemmen toen hij
+een jaar oud was. Op zijn zevende jaar kon hij een volle minuut lang
+zijn adem inhouden, en recht naar den bodem zwemmen door dertig voet
+water. En op zijn zevende jaar werd hij gestolen door de boschbewoners,
+die zelfs niet zwemmen kunnen en die bang zijn voor zout water. Daarna
+zag Maoeki de zee nog slechts van uit de verte, door scheuren in
+het oerwoud en vanaf open plekken op de hooge berghellingen. Hij
+werd de slaaf van Fanfoa, opperhoofd van een twintigtal boschdorpen,
+overal verspreid over de randen van Malaita's bergketens, waarvan de
+rook, op kalme morgens, ongeveer het eenig zichtbaar teeken is dat
+de zeevarende blanken hebben van de overvloedige bevolking in het
+binnenland. Want de blanken dringen niet door tot in het binnenland
+van Malaita. Eéns hebben ze het geprobeerd, in de dagen dat er goud
+werd gezocht, maar altijd lieten zij er hun hoofden achter, die nu
+naar omlaag grijnzen vanaf de berookte daksparren van de boschhutten.
+
+Toen Maoeki een jonge man van zeventien jaren was, kreeg Fanfoa
+gebrek aan tabak. Hij kreeg vreeselijk gebrek aan tabak. Het was
+een harde tijd in al zijn dorpen. Hij had een fout begaan. Soe-o was
+een haven, zóó klein dat een groote schoener er niet op zijn anker
+kon zwaaien. Het werd omringd door mangroven die tot boven het diepe
+water hingen. Het was een val, en in de val zeilden op een goeden dag
+twee blanken in een kleine kits. Zij waren op inlandsche koelies uit,
+en ze hadden veel tabak en ruil-artikelen, om maar te zwijgen van
+drie geweren en ammunitie in overvloed. Nu woonden er op Soe-o geen
+kustbewoners, en het was daar dat de boschbewoners konden afdalen naar
+de zee. De kits maakte prachtige zaken. Den eersten dag teekenden er
+twintig koelies. Zelfs de oude Fanfoa teekende. En dienzelfden dag
+hakten de twintig nieuwe koelies de hoofden van de twee blanken af,
+vermoordden de zwarte bemanning, en staken de kits in brand. Daarna,
+en drie maanden lang, was er meer dan volop tabak en ruil-artikelen
+in al de boschdorpen. Toen kwam het oorlogsschip, dat granaten wierp,
+mijlen ver de heuvels in, en de bevolking uit de dorpen opschrikte, het
+diepere oerwoud in. Toen stuurde het oorlogsschip landingsafdeelingen
+aan wal. De dorpen werden alle in brand gestoken, te zamen met de tabak
+en het ruil-goed. De kokospalmen en pisang-boomen werden omgehakt,
+de taro-tuinen omgewoeld, en de varkens en kippen doodgeschoten.
+
+Het was een lesje voor Fanfoa, maar ondertusschen zat hij zonder
+tabak. Ook waren zijn jonge mannen te bang geworden om te gaan teekenen
+op de wervings-schepen. Daarom beval Fanfoa dat zijn slaaf, Maoeki,
+naar beneden gebracht en aangeworven zou worden voor een halve kist
+tabak, bij vooruitbetaling te voldoen, en voor wat messen, bijlen,
+calico, en kralen, waarvoor hij moest betalen met zwaren arbeid op
+de plantages.
+
+Maoeki stond doodsangsten uit toen ze hem aan boord van den schoener
+brachten. Hij was een lam dat ter slachtbank geleid wordt. Blanke
+waren woeste, wreede wezens. Zij moesten dat wel zijn, anders zouden
+zij er hun beroep niet van maken zich te wagen langs de kusten en in
+alle havens van Malaita, twee op een schoener, als iedere schoener van
+vijftien tot twintig zwarten voer als bemanning en dikwijls zooveel
+als zestig of zeventig zwarte koelies. Behalve dat, was er altijd het
+gevaar van de bevolking, de plotselinge aanval en het buitmaken van
+den schoener met alle hens. Waarlijk, de blanken moesten vreeselijke
+menschen zijn. Bovendien hadden zij zulke machtige duvel-duvels in
+hun bezit--geweren die heel snel en veel keeren achtereen schoten,
+dingen van ijzer en koper die de schoeners deden varen wanneer er geen
+wind was, en kisten die praatten en lachten juist zooals menschen
+praatten en lachten. Ja, en hij had gehoord van een blanke die een
+speciale duvel-duvel had, zóó machtig, dat hij al zijn tanden uit
+zijn mond kon nemen en ze weer terug kon leggen wanneer hij maar wilde.
+
+Ze namen Maoeki mee naar beneden, in de kajuit. Aan dek hield de eene
+blanke wacht met twee revolvers in zijn gordel. In de kajuit zat de
+andere blanke met een boek voor zich, waarin hij vreemde teekens en
+lijnen schreef. Hij monsterde Maoeki alsof hij een varken of een kip
+was, keek in de holten onder zijn armen, en schreef in het boek. Toen
+hield hij hem den schrijfstok voor, en Maoeki raakte er even aan
+met zijn hand en verbond zich door die daad tot drie jaren zwoegen
+op de plantages van de Moongleam Zeepmaatschappij. Er werd hem niet
+uitgelegd dat de wil van de wreede blanken daar was om de uitvoering
+der verbintenis af te dwingen, en dat achter alles, met hetzelfde doel,
+de macht stond van al de oorlogsschepen van Groot-Britannië.
+
+Er waren nog meer zwarten aan boord, uit ongehoord verre plaatsen,
+en toen de blanke iets tegen hen zei, rukten ze de lange veder uit
+Maoeki's haar, knipten datzelfde haar kort af, en wikkelden een
+lava-lava van helder geel calico om zijn lendenen.
+
+Na veel lange dagen op den schoener, en nadat hij meer land en eilanden
+had gezien dan waar hij ooit van gedroomd had, werd hij aan wal gezet
+op Nieuw-Georgië, en moest aan het werk op het veld, oerwoud kappen
+en bamboe snijden. Voor den eersten keer in zijn leven wist hij wat
+werken was. Zelfs als slaaf van Fanfoa had hij nooit gewerkt zooals
+nu. En hij hield niet van werken. Het was opstaan als het licht werd
+en slapen gaan als het donker werd, op twee maaltijden per dag. En
+het eten was altijd hetzelfde. Weken achtereen kregen ze niets dan
+aardappelen; en weken achtereen was het niets dan rijst. Dag in dag
+uit sneed hij het vleesch uit de kokosdoppen; en lange dagen en weken
+voedde hij de vuren die de kopra rookten, tot hij ontstoken oogen
+kreeg en aan het boomen vellen werd gezet. Hij was een goed houthakker,
+en later kwam hij in de ploeg die bruggen bouwde. Eens kwam hij voor
+straf in de wegwerkersploeg. Soms deed hij dienst als bemanning in
+de sloepen, wanneer zij kopra binnen brachten van verre stranden,
+of wanneer de blanken uitvoeren om visch te vangen met dynamiet.
+
+Behalve allerlei andere dingen leerde hij tripang-Engelsch, waarmee
+hij kon praten met alle blanken en met alle inlandsche koelies die
+anders in duizend verschillende dialecten gesproken zouden hebben. Ook
+leerde hij een en ander omtrent de blanken, vooral dit, dat ze hun
+woord hielden. Wanneer zij een zwartje zeiden dat hij een stok tabak
+zou krijgen, dan kreeg hij hem ook. Wanneer zij een zwartje zeiden dat
+ze zeven glazen uit hem zouden slaan als hij het een of ander deed,
+en hij deed het toch, dan werden er onveranderlijk zeven glazen uit
+hem geslagen. Maoeki wist niet wat zeven glazen waren, maar het kwam
+voor in tripang-Engelsch, en hij stelde zich voor dat het de tanden
+en het bloed waren die somtijds gepaard gingen met het proces van
+zeven glazen uit iemand slaan. Hij leerde nog iets: geen zwartje
+werd geslagen of gestraft wanneer hij geen kwaad had gedaan. Zelfs
+als de blanken dronken waren, en dat waren ze dikwijls, sloegen ze
+nooit wanneer er niet tegen den een of anderen regel gezondigd was.
+
+Maoeki hield niet van de plantage. Hij haatte werken, en hij was de
+zoon van een opperhoofd. Verder was het tien jaar geleden dat hij
+uit Port Adams gestolen was door Fanfoa, en hij had heimwee. Hij had
+zelfs heimwee naar de slavernij onder Fanfoa. Dus liep hij weg. Hij
+week terug in het oerwoud, met het idee om in zuidelijke richting
+zijn weg te zoeken naar het strand en een kano te stelen om daarin
+naar Port Adams te gaan. Maar de koorts kreeg hem te pakken, en hij
+werd gevangen genomen en meer dood dan levend teruggebracht.
+
+Hij liep een tweeden keer weg, in gezelschap van twee zwartjes van
+Malaita. Ze kwamen twintig mijlen ver de kust langs, en mochten
+zich verborgen houden in de hut van een vrij man van Malaita die
+in dat dorp woonde. Maar in het zwartst van den nacht kwamen er
+twee blanken die voor het heele dorp niet bang waren, en die zeven
+glazen uit de wegloopers sloegen, hen bonden als varkens en hen in
+de sloep gooiden. Maar de man die hen in zijn huis had verborgen
+gehouden--zeven maal zeven glazen moeten er uit hem geslagen zijn
+te oordeelen naar het vel, het haar, en de tanden die in het rond
+vlogen, en hij verloor voor de rest van zijn aardsche leven den moed
+om gastvrijheid te verleenen aan weggeloopen koelies.
+
+Een jaar lang zwoegde Maoeki verder. Toen werd hij aangesteld tot
+huisjongen, en had goed te eten en een gemakkelijk leven. Zijn werk was
+het huis schoon houden en de blanken te bedienen van bier en whisky
+op alle uren van den dag en de meeste uren van den nacht. Hij deed
+het graag, maar hij was liever in Port Adams. Hij moest nog twee jaar
+dienen, maar twee jaar in de kwellingen van het heimwee was te veel
+voor hem. Hij was verstandiger geworden in zijn eene jaar dienst, en
+omdat hij nu huisjongen was, had hij beter de gelegenheid. Hij moest de
+geweren schoonmaken, en hij wist waar de sleutel van de voorraadkamer
+hing. Hij ontwierp een plan tot ontvluchting, en op een goeden
+nacht slopen er tien zwartjes van Malaita en één van San Cristoval
+uit de barakken weg en sleepten een van de booten naar beneden op
+het strand. De sleutel die het hangslot op de boot openmaakte werd
+verschaft door Maoeki, en het was Maoeki die de boot uitrustte met
+een dozijn Winchesters, een geweldige hoeveelheid ammunitie, een kist
+dynamiet met slaghoedjes en lonten, en tien kisten tabak.
+
+De noordwest-moesson waaide en zij vlogen naar het zuiden. Zij
+reisden 's nachts, en overdag hielden ze zich schuil op afgelegen,
+onbewoonde eilandjes, of trokken de sloep in het oerwoud op de grootere
+eilanden. Zoo bereikten zij Goeadalcanar, voeren langs de kust tot
+ze halverwege waren, en staken de Indispensable-straat over naar
+het eiland Florida. Hier doodden zij den jongen van San Cristoval,
+bewaarden zijn hoofd, en kookten en aten de rest. De kust van Malaita
+was niet meer dan twintig mijlen verder, maar den laatsten nacht konden
+ze door een sterke strooming en veranderlijke winden het land niet
+halen. Het daglicht vond hen nog verscheiden mijlen van hun doel. Maar
+het daglicht bracht een kotter met twee blanken er in die niet bang
+waren voor elf mannen van Malaita gewapend met twaalf geweren. Maoeki
+en zijn kameraden werden teruggebracht naar Toelagi, waar de groote
+blanke meester van alle blanke mannen woonde. En de groote blanke
+meester hield een gerechtszitting, na afloop waarvan de deserteurs één
+voor één gebonden werden, ieder twintig zweepslagen kregen en bovendien
+nog tot vijftien dollar boete veroordeeld werden. Toen werden zij
+teruggestuurd naar Nieuw-Georgië, waar de blanken een flinke zeven
+glazen uit hen sloegen en hen aan het werk zetten. Maar Maoeki was
+geen huisjongen meer. Hij werd bij de wegwerkersploeg ingedeeld. De
+boete van vijftien dollar was betaald door de blanken waar hij van
+weggeloopen was, en er werd hem medegedeeld dat hij die met zijn werk
+moest betalen, hetgeen zes maanden langer zwoegen beteekende. Verder
+bezorgde zijn deel in de gestolen tabak hem nog een jaar zwoegen.
+
+Port Adams was nu drie en een half jaar ver weg, dus stal hij
+op een nacht een kano, hield zich verborgen op de eilandjes in de
+Manning-straat, voer de straat over en zette koers langs de oostkust
+van Isabella, om, toen hij twee derden van den weg achter zich had,
+gevangen genomen te worden door de blanken in Meringe-lagune. Na een
+week ontsnapte hij hun en vluchtte het oerwoud in. Er woont niemand
+in het oerwoud van Isabella, alleen langs de kust wonen menschen,
+en dat waren allen Christenen. De blanken loofden een belooning
+van vijfhonderd stokken tabak uit, en telkens als Maoeki zich op
+het strand waagde om een kano te stelen, werd hij opgejaagd door de
+kustbewoners. Vier maanden gingen zoo voorbij, toen hij eindelijk,
+nadat de belooning op duizend stokken tabak was gebracht, gegrepen
+werd en teruggestuurd naar Nieuw-Georgië en de wegwerkersploeg. Nu
+vertegenwoordigen duizend stokken tabak een waarde van vijftig dollar,
+en Maoeki moest de belooning zelf betalen, hetgeen een jaar en acht
+maanden arbeid vereischte. Dus was Port Adams nu vijf jaren ver weg.
+
+Zijn heimwee was sterker dan ooit, en het lokte hem weinig aan te
+berusten en braaf te zijn, zijn vijf jaren uit te werken, en dan
+naar huis te gaan. Den volgenden keer werd hij op heeterdaad betrapt
+terwijl hij vluchtte. Zijn geval werd gebracht voor mijnheer Haveby,
+de eiland-directeur van de Moongleam Zeepmaatschappij, die hem
+als onverbeterlijk brandmerkte. De maatschappij had plantages op de
+Santa-Cruz-eilanden, honderden mijlen over de zee, en daarheen stuurde
+ze haar onverbeterlijke koelies van de Salomon-eilanden. En daarheen
+werd Maoeki gestuurd, ofschoon hij er nooit is aangekomen. De schoener
+deed onderweg Santa Anna aan, en in den nacht zwom Maoeki naar den wal,
+waar hij twee geweren en een kist tabak van den handels-agent stal en
+in een kano ontsnapte naar Cristoval. Malaita was nu in het noorden,
+vijftig of zestig mijlen ver weg. Maar toen hij den overtocht waagde,
+werd hij overvallen door een stijve koelte en teruggeslagen naar
+Santa Anna, waar de agent hem in de boeien sloeg en hem vasthield
+tot de schoener zou terugkeeren van Santa Cruz. De twee geweren kon
+de agent nog redden, maar de kist tabak bleef Maoeki schuldig in den
+vorm van een jaar werken. Het aantal jaren waarvoor hij nu bij de
+maatschappij in de schuld stond was zes.
+
+Op den terugtocht naar Nieuw-Georgië liet de schoener het anker vallen
+in Maraoe-Sound, dat in het oostelijk uiteinde van Goeadalcanar
+ligt. Maoeki zwom naar den wal met handboeien om zijn polsen, en
+ontsnapte het oerwoud in. De schoener ging verder, maar de agent van
+de Moongleam aan den wal loofde duizend stokken tabak uit en Maoeki
+werd door de boschbewoners bij hem gebracht met een jaar en acht
+maanden meer op zijn rekening. Opnieuw, en nog vóór dat de schoener
+binnenliep, ontsnapte hij, dezen keer in een sloep, vergezeld door
+een kist tabak van den agent. Maar een noordwester-storm deed hem
+stranden op Oegi, waar de Christen-inlanders zijn tabak stalen en hem
+overleverden aan den agent van de Moongleam die daar zetelde. De tabak
+die de inlanders gestolen hadden beteekende weer een jaar voor hem,
+en het totale bedrag was nu acht en een half jaar.
+
+"We zullen hem naar Lord Howe sturen", zei mijnheer Haveby. "Bunster
+zit daar, en we zullen hen de zaak onder elkaar laten uitvechten. Ik
+stel me zoo voor dat òf Maoeki Bunster zal krijgen, òf Bunster Maoeki,
+en in allebei de gevallen blij dat we van de heeren af zijn."
+
+Als men van Meringe-lagune, op Isabella, uitzeilt, en koers zet pal
+naar het magnetisch noorden, zal men na honderdvijftig mijlen varen de
+glinsterend witte koraalstranden van Lord Howe boven de zee zien uit
+rijzen. Lord Howe is een ring van land, een goede honderdvijftig mijlen
+in omtrek, verscheiden honderd meter breed op de grootste breedte,
+en op sommige punten torenend tot een hoogte van tien voet boven den
+zeespiegel. Binnen in dezen ring van zand ligt een groote lagune vol
+koraalbanken. Lord Howe behoort noch geographisch noch ethnologisch
+tot de Salomon's. Het is een atol, terwijl de Salomon's hooge eilanden
+zijn; en zijn bevolking en taal zijn Polynesisch, terwijl de bewoners
+van de Salomon's Melanesiërs zijn. Lord Howe is bevolkt door den
+grooten westelijken stroom van Polynesiërs, die tot op den dag van
+heden doorgaat en groote kano's met vlerken op zijn stranden spoelt
+met den zuidoost-passaat. Ook zijn er sporen van een flauwe strooming
+van Melanesiërs in de periode van den noordwest-moesson.
+
+Geen mensch komt ooit op Lord Howe, of Ontong Java, zooals het soms
+genoemd wordt. Thomas Cook & Son verkoopen geen kaartjes daarheen,
+en touristen droomen zelfs niet van zijn bestaan. Zelfs geen blanke
+zendeling is er geland op zijn door de branding gebeukte kusten. De
+vijfduizend inlanders zijn even vreedzaam als primitief. Toch
+zijn zij niet altijd vreedzaam geweest. De _Zeilaanwijzingen_
+spreken van hen als vijandig en verraderlijk. Maar de menschen
+die de _Zeilaanwijzingen_ samenstellen hebben nooit gehoord van
+de verandering die er gebracht is in de harten der bewoners, die,
+enkele jaren geleden, een groote bark buitmaakten en alle hens
+vermoordden met uitzondering van den tweeden stuurman. Deze eenige
+overlevende bracht de tijding aan zijn broeders. De kapiteins van drie
+koopvaardij-schoeners gingen met hem terug naar Lord Howe. Zij zeilden
+hun schepen de lagune binnen en begonnen het evangelie van den blanke
+te prediken, dat blanken alleen door blanken gedood zullen worden,
+en dat de mindere rassen hun handen thuis moeten houden. De schoeners
+zeilden de lagune op en neer, vernielend en verwoestend. Ontsnappen van
+dien smallen zandcirkel was niet mogelijk; en er waren geen bosschen
+om in te vluchten. De menschen werden neergeschoten zoodra ze gezien
+werden, en gezien worden was onvermijdelijk. De dorpen werden verbrand,
+de kano's vernield, de kippens en varkens doodgeschoten, en de kostbare
+kokospalmen omgehakt. Een maand lang ging dat zoo door; toen zeilden
+de schoeners weg; maar de vrees voor den blanke was diep in de harten
+van de eilanders gebrand, en nooit meer waren ze zoo overmoedig om
+een blanke kwaad te doen.
+
+Max Bunster was de eenige blanke op Lord Howe. Hij dreef handel voor
+de alomtegenwoordige Moongleam Zeepmaatschappij. En de maatschappij
+had hem het baantje op Lord Howe gegeven, omdat het, behalve ontslag
+uit den dienst, de meest afgelegen plek was die ze konden vinden. Dat
+de maatschappij hem niet ontsloeg was te wijten aan de moeilijkheid
+een ander te vinden om zijn plaats in te nemen. Hij was een groote,
+zware Duitscher, en er was iets niet in den haak in zijn hersenen.
+
+Half krankzinnig was een zachte qualificatie van zijn toestand. Hij
+was een bullebak en een lafaard, en een driemaal grootere barbaar
+dan welke barbaar ook op het eiland. Hij was een lafaard, en zijn
+bruutheid was van het laffe soort. Toen hij voor het eerst bij de
+maatschappij in dienst kwam, werd hij op Savo gestationneerd. Toen er
+een teringachtige koloniaal gestuurd werd om zijn plaats in te nemen,
+sloeg hij hem half dood met zijn vuisten en stuurde hem als een wrak
+terug op den schoener die hem gebracht had.
+
+De volgende man die mijnheer Haveby uitkoos om Bunster af te lossen
+was een jonge reus uit Yorkshire. Hij had den naam een geweldig
+vechtersbaas te zijn, en vechten deed hij liever dan eten. Maar
+Bunster vocht niet. Hij was zacht als een lammetje--tien dagen lang,
+aan het einde waarvan de man uit Yorkshire naar bed moest met een
+gecombineerden aanval van koorts en dysenterie. Toen kwam Bunster los;
+onder anderen sleurde hij hem op den vloer en stond een poos boven
+op hem te dansen. Bang voor wat er zou gebeuren als zijn slachtoffer
+beter werd, vluchtte Bunster op een kotter naar Goevoetoe, waar hij
+zich onderscheidde door een jongen Engelschman af te ranselen, die
+al invaliede was door een Boerenkogel in zijn beide heupen.
+
+Toen was het dat mijnheer Haveby Bunster naar Lord Howe stuurde,
+de plaats waar de afval opgeborgen werd. Hij vierde zijn landing
+met een halve kist jenever op te dweilen en den ouden, asthmatischen
+stuurman van den schoener die hem gebracht had af te ranselen. Toen
+de schoener vertrok, riep hij de Kanaka's [1] op het strand en daagde
+hen uit hem te leggen in een partijtje worstelen, en hij beloofde
+een kist tabak aan wie daarin zou slagen. Drie Kanaka's legde hij,
+maar hij werd onmiddelijk daarna gelegd door een vierden, die een
+kogel door zijn longen kreeg in plaats van tabak.
+
+En zoo begon Bunster's heerschappij op Lord Howe. Drieduizend menschen
+woonden er in het voornaamste dorp; maar het was als uitgestorven,
+zelfs midden op den dag, wanneer hij er door kwam. Mannen, vrouwen en
+kinderen vluchtten voor hem weg. Zelfs de honden en varkens zorgden
+dat ze uit de voeten kwamen, terwijl de koning het niet beneden zich
+achtte weg te kruipen onder een mat. De twee eerste ministers leefden
+in voortdurenden angst voor Bunster, die nooit een punt van geschil
+besprak, maar er op los sloeg met allebei zijn vuisten.
+
+En op Lord Howe kwam Maoeki, om acht lange jaren voor Bunster te
+werken. Ontsnappen van Lord Howe was niet mogelijk. Hoe het ook liep,
+goed of slecht, Bunster en hij waren aan elkaar gebonden. Bunster
+woog tweehonderd pond. Maoeki woog er honderd en tien. Bunster was
+een gedegenereerd beest. Maar Maoeki was een primitieve wilde. En
+beiden hadden ze hun eigen wil en hun eigen wenschen.
+
+Maoeki had geen idee voor welk soort van meester hij zou moeten
+werken. Niemand had hem gewaarschuwd, en hij had als vanzelfsprekend
+aangenomen dat Bunster zou zijn als andere blanken: iemand die
+veel whisky dronk, een heerscher en een wetgever, die altijd
+zijn woord hield en die nooit een zwartje sloeg als hij het niet
+verdiende. Bunster was in het voordeel. Hij wist alles van Maoeki,
+en hij grijnsde van plezier bij de gedachte dat hij hem in zijn
+bezit zou krijgen. De laatste kok sukkelde met een gebroken arm en
+een ontwrichten schouder, dus maakte Bunster Maoeki kok en algemeen
+huisjongen.
+
+En Maoeki merkte weldra dat er blanken en blanken waren. Nog denzelfden
+dag dat de schoener wegzeilde werd hem bevolen een kuiken te gaan
+koopen van Samisee, den inlandschen zendeling van Tonga. Maar
+Samisee was de lagune overgestoken en zou pas na drie dagen terug
+zijn. Maoeki kwam terug met het nieuws. Hij klom de steile trap op
+(het huis stond op palen twaalf voet hoog boven het zand) en trad
+de woonkamer binnen. De agent eischte het kuiken. Maoeki deed zijn
+mond open om uitleg te geven. Maar Bunster wenschte geen uitleg. Hij
+sloeg er op los met zijn vuist. De slag trof Maoeki op zijn mond en
+lichtte hem omhoog. Hij vloog door de deur-opening, heelemaal over
+de smalle galerij, en naar beneden op den grond, de bovenste leuning
+brekend in zijn val. Zijn lippen waren een verwarde, vormlooze massa,
+en zijn mond was vol bloed en losgeslagen tanden.
+
+"Dat zal je leeren dat tegenspreken bij mij niet opgaat!" schreeuwde
+de agent, paars van woede, terwijl hij naar hem omlaag keek over de
+gebroken leuning.
+
+Maoeki had nog nooit zulk een blanke gezien, en hij besloot zich
+stil te houden en nooit iets te misdoen. Hij zag hoe de bootjongens
+afgedekt werden, en hoe een van hen drie dagen lang zonder eten in de
+boeien zat, alleen omdat hij de misdaad had begaan een dol te breken
+bij het roeien. Dan hoorde hij ook de praatjes in het dorp, en vernam
+waarom Bunster een derde vrouw had genomen--met geweld, zooals algemeen
+bekend was. De eerste en de tweede vrouw lagen begraven op het kerkhof
+onder het witte koraalzand, met platte stukken koraalrots aan hoofden
+voeteneind. Zij waren gestorven, zoo werd er verteld, doordat Bunster
+hen zoo veel en zoo onbarmhartig sloeg. De derde vrouw werd zonder
+twijfel slecht behandeld, Maoeki kon dat met eigen oogen zien.
+
+Maar er was geen enkele manier om niet te misdoen in de oogen van
+den blanke, die gehinderd scheen te worden door alles wat leefde. Als
+Maoeki niets zei werd hij geslagen en voor zuurpruim uitgescholden. Als
+hij praatte werd hij geslagen omdat hij tegensprak. Wanneer hij
+ernstig was zei Bunster dat hij een samenzwering uitbroedde en gaf hem
+al bij voorbaat een pak ransel; en wanneer hij trachtte vroolijk te
+zijn en te lachen, werd hij beschuldigd van spotten met zijn heer en
+meester en kreeg een proefje van den stok. Bunster was een duivel. De
+dorpsbewoners zouden wel met hem afgerekend hebben, hadden zij zich
+de les van de drie schoeners niet herinnerd. En niettegenstaande
+dat zouden zij toch met hem afgerekend hebben, als er een oerwoud
+was geweest om in te vluchten. Maar zooals de zaken nu stonden, zou
+het vermoorden van een blanke, van iederen blanke, een oorlogsschip
+brengen dat de misdadigers zou dooden en de kostbare kokospalmen om
+zou hakken. Dan waren er de bootjongens, die het vaste plan hadden
+hem bij ongeluk te laten verdrinken bij de eerste de beste gelegenheid
+om den kotter te laten omslaan. Maar Bunster zorgde wel dat de kotter
+niet omsloeg.
+
+Maoeki was van een ander ras, en aangezien ontsnappen onmogelijk was
+zoolang Bunster leefde, besloot hij den blanke te dooden. Maar hoe?
+
+Hij kreeg er de kans niet toe. Bunster was altijd op zijn qui-vive. Dag
+en nacht had hij zijn revolvers klaar. Hij stond niemand toe achter
+zich om te loopen, zooals Maoeki ondervonden had, nadat hij verscheiden
+keeren tegen den grond was geslagen. Bunster wist dat hij meer te
+vreezen had van den goedgehumeurden, kalmen jongen van Malaita met
+zijn zacht gezicht dan van de heele bevolking van Lord Howe; en het
+bracht meer kleur en fleur in het folterprogramma dat hij uitwerkte. En
+Maoeki hield zich stil, verdroeg zijn bestraffingen, en wachtte.
+
+Alle andere blanken hadden zijn _tambo's_ geëerbiedigd; Bunster
+niet. Maoeki's wekelijksch rantsoen tabak was twee stokken. Bunster
+gaf ze aan zijn vrouw en beval Maoeki ze uit haar hand in ontvangst te
+nemen. Maar dat mocht niet gebeuren, en Maoeki moest het zonder zijn
+tabak stellen. Op dezelfde manier was hij gedwongen menigen maaltijd
+voorbij te laten gaan, en er waren veel dagen dat hij met honger rond
+liep. Hij kreeg bevel om schotels klaar te maken van de groote mosselen
+die groeiden in de lagune. Dat kon hij niet doen, want mosselen waren
+_tambo_. Zes keeren achtereen weigerde hij de mosselen aan te raken,
+en zes keeren werd hij bewusteloos geslagen. Bunster wist dat de
+jongen liever zou sterven, maar hij noemde zijn weigering muiterij,
+en hij zou hem doodgeslagen hebben als er een andere kok was geweest
+om hem te vervangen.
+
+Een van Bunsters geliefkoosde grappen was Maoeki bij zijn kroezige
+lokken te grijpen en zijn hoofd tegen den muur aan te slaan. Een
+andere grap was onverwachts, als hij er het minst op verdacht
+was, het brandende eind van een sigaar tegen Maoeki's vleesch
+te houden. Dit noemde hij vaccinatie, en Maoeki werd verscheiden
+keeren in de week gevaccineerd. Eens, in een aanval van razernij,
+rukte Bunster het kopjes-oor uit Maoeki's neus, en scheurde zoo zijn
+geheele neustusschenschot stuk.
+
+"O, wat 'n smoel!" was zijn kritiek, toen hij de verwoesting overzag
+die hij had aangericht.
+
+Het vel van een haai is als schuurpapier, maar het vel van een rog
+is als een rasp. In de Zuidzee wordt het door de inlanders gebruikt
+als houtvijl om kano's en pagaaien glad te schaven. Bunster liet
+een handschoen van roggevel maken. Den eersten keer dat hij hem op
+Maoeki probeerde, haalde hij met één veeg van zijn hand de huid van
+Maoeki's rug, van nek tot oksel. Bunster was verrukt. Hij gaf zijn
+vrouw een proefje van den handschoen, en probeerde hem grondig op de
+bootjongens. De eerste ministers kwamen om elk een veeg in ontvangst
+te nemen, en ze moesten lachen en het als een grap beschouwen.
+
+"Lach, verdomme, lach!" zoo gaf hij de houding aan die zij hadden
+aan te nemen.
+
+Maoeki werd het ruimst bedeeld met den handschoen. Er ging geen dag
+voorbij zonder een streeling met het instrument. Er waren tijden dat
+het verlies van zooveel opperhuid hem 's nachts uit den slaap hield,
+en dikwijls werd de half-genezen oppervlakte op nieuw rauw geschuurd
+door den grappigen mijnheer Bunster. Maoeki bleef geduldig wachten,
+volkomen zeker dat vroeg of laat zijn tijd zou komen. En hij wist
+precies wat hij doen zou, tot in de kleinste bijzonderheid, toen de
+tijd werkelijk kwam.
+
+Op een morgen stond Bunster op in een humeur om zeven glazen uit het
+heelal te slaan. Hij begon bij Maoeki, en hij eindigde bij Maoeki en
+in den tijd die daar tusschen verliep, bokste hij zijn vrouw tegen
+den grond en rammelde alle bootjongens door elkaar. Aan het ontbijt
+noemde hij de koffie spoeling, en gooide den kokenden inhoud van
+den kop in Maoeki's gezicht. Om tien uur begon Bunster koortsig te
+rillen, en een half uur later brandde hij van koorts. Het was geen
+gewone aanval. Het werd snel erger en ontwikkelde zich tot zwarte
+koorts. De dagen gingen voorbij, en hij werd zwakker en zwakker
+en kwam niet meer uit zijn bed. Maoeki bleef toekijken en wachten,
+terwijl zijn huid weer heel werd. Hij gaf de jongens bevel om den
+kotter op het strand te halen, den bodem te schrobben, en alles
+in orde te maken. Zij dachten dat het bevel van Bunster uitging,
+en gehoorzaamden. Maar Bunster lag bewusteloos op dat oogenblik en
+gaf geen bevelen. Dit was Maoeki's kans, maar nog steeds wachtte hij.
+
+Toen het ergste voorbij, en Bunster weer bij kennis en herstellende
+was, hoewel nog zwak als een klein kind, pakte Maoeki zijn weinige
+lijfsieraden in zijn kist, het porseleinen kopjes-oor incluis. Toen
+ging hij naar het dorp en had een onderhoud met den koning en zijn
+twee ministers.
+
+"Dit Bunster, hem goed jij hou van 'm veel?" vroeg hij. Zij verklaarden
+hem uit één mond dat ze heelemaal niet van den agent hielden. De
+ministers barstten los in een omstandig verhaal van al den smaad en
+het onrecht waarmee ze waren overladen. De koning liet alle waardigheid
+varen, en schreide. Maoeki onderbrak hen ruw.
+
+"Jij snap mij--mij groot meester mij land. Jij niet hou van 'm
+dit wit meester. Mij niet hou van 'm. Veel goed jij doe honderd
+kokosnoot, tweehonderd kokosnoot, driehonderd kokosnoot bij kotter. Hem
+afgeloopen, jij ga slaap 'm goed. Allemaal Kanaka slaap 'm goed. Zoo
+gauw groot lawaai bij huis, jij niet snap hoor 'm dat lawaai. Jij
+allemaal slaap sterk te veel."
+
+Een dergelijk onderhoud had Maoeki met de bootjongens.
+
+Toen beval hij Bunster's vrouw terug te keeren naar het huis van haar
+familie. Als zij geweigerd had, zou hij in een moeilijk parket zijn
+geweest, want zijn _tambo_ zou hem niet toegestaan hebben haar beet
+te pakken.
+
+Toen het huis verlaten was, ging hij de slaapkamer binnen, waar
+de agent in een lichte sluimering lag. Maoeki nam eerst de twee
+revolvers weg en deed daarna den rog-handschoen aan zijn hand. De
+eerste waarschuwing die Bunster kreeg was een slag met den handschoen
+die het vel wegnam over de heele lengte van zijn neus.
+
+"Goed, hè?" grijnsde Maoeki tusschen twee slagen door, waarvan de
+eene het voorhoofd bloot veegde en de andere één kant van zijn gezicht
+schoon raspte. "Lach, verdomme, lach!"
+
+Maoeki verrichte zijn werk degelijk, en de Kanaka's, verscholen in
+hun huizen, hoorden het "groot lawaai" dat Bunster maakte en een paar
+uren lang bleef maken.
+
+Toen Maoeki klaar was, droeg hij het bootkompas en al de geweren en
+ammunitie naar den kotter, dien hij ballastte met kisten tabak. Het
+was terwijl hij zich hiermee bezig hield, dat er een afschuwelijk
+wezen zonder vel uit het huis kwam en gillend het strand af holde,
+tot het in het zand viel en bleef liggen brullen en razen onder de
+schroeiende zon.
+
+Maoeki keek er even naar en aarzelde. Toen ging hij er heen en nam het
+hoofd weg, wikkelde het in een mat, en stuwde het in het roerkastje
+van den kotter.
+
+Zoo vast sliepen de Kanaka's dien langen, heeten dag, dat zij niet
+zagen hoe de kotter door de doorvaart naar zee liep en koers zette
+naar het zuiden, scherp bij den zuidoostpassaat zeilend. Ook werd de
+kotter niet gezien op den langen overtocht naar de kust van Isabella
+en gedurende het moeizaam tegen den wind opwerken vandaar naar
+Malaita. Maoeki landde in Port Adams met een rijkdom van geweren en
+tabak zooals nog geen man vóór hem ooit bezeten had. Maar hij bleef
+daar niet. Hij had het hoofd van een blanke genomen, en alleen het
+oerwoud kon hem beschermen. Dus ging hij terug naar de boschdorpen,
+waar hij den ouden Fanfoa en een half dozijn van de voornaamste
+aanvoerders dood schoot en zich zelf opperhoofd maakte van al de
+dorpen. Toen zijn vader gestorven was, heerschte Maoeki's broer in
+Port Adams, en, vereenigd, kust- en boschbewoners, was de combinatie
+die er uit ontstond de sterkste van de honderden vechtende stammen
+van Malaita.
+
+Sterker dan zijn vrees voor het Britsche Gouvernement was Maoeki's
+vrees voor de almachtige Moongleam Zeepmaatschappij; en op een dag
+bereikte hem in het oerwoud een boodschap, die hem in herinnering
+bracht dat hij de maatschappij acht en een half jaar arbeid schuldig
+was. Hij stuurde een gunstig antwoord terug, en toen verscheen de
+onvermijdelijke blanke, de kapitein van den schoener, de eenige
+blanke die gedurende Maoeki's regeering zich waagde in het oerwoud
+en er levend uitkwam. Deze man kwam er niet alleen uit, maar bracht
+zevenhonderd en vijftig dollar in goudstukken met zich mee, de prijs
+in geld van acht en een half jaar werken plus de kostende prijs van
+zekere geweren en kisten tabak.
+
+Maoeki weegt niet langer honderd en tien pond. Zijn buik heeft driemaal
+zijn vroeger en omvang, en hij heeft vier vrouwen. Hij heeft nog
+veel andere dingen--geweren en revolvers, het oor van een porseleinen
+kopje en een uitgelezen verzameling hoofden van boschbewoners. Maar
+kostbaarder dan de heele verzameling is een ander hoofd, prachtig
+gedroogd en gerookt, met rossig haar en een geelachtigen baard, dat
+bewaard wordt in de fijnst geweven lava-lava's. Als Maoeki ten oorlog
+trekt tegen dorpen buiten zijn rijk, haalt hij altijd zijn hoofd te
+voorschijn, en, alleen in zijn gras-paleis, beschouwt hij het lang en
+plechtig. Op zulke oogenblikken valt er een stilte als van den dood
+over het dorp, en er is zelfs geen kind dat leven durft te maken. Het
+hoofd wordt beschouwd als de machtigste duvel-duvel op Malaita, en
+aan het bezit daarvan wordt al de grootheid van Maoeki toegeschreven.
+
+
+
+
+"JAH! JAH! JAH!"
+
+
+Hij was een whisky-drinkende Schot, en hij nam zijn whisky puur. Zijn
+eerste graantje gebruikte hij precies om zes uur 's morgens, en hij
+herhaalde dat met regelmatige tusschenpoozen den geheelen dag door
+tot hij naar bed ging, hetgeen meestal te middernacht plaats vond. Hij
+sliep maar vijf uren van de vier en twintig, en de overige negentien
+uren was hij rustig en netjes dronken. Gedurende de acht weken die ik
+bij hem op Oolong Atol doorbracht, heb ik hem geen oogenblik nuchter
+gezien. Het kon ook niet anders, want zijn slaap was zóó kort,
+dat hij den tijd niet had om bij te trekken. Hij was de mooiste,
+gelijkmatigste dronkaard die ik ooit heb kunnen waarnemen.
+
+Hij heette McAllister. Hij was een oud man, en erg wankel op zijn
+stelten. Zijn hand trilde alsof hij een beroerte had gehad. Vooral
+was dat merkbaar als hij zijn whisky inschonk, hoewel ik hem nooit
+een druppel heb zien morsen. Achtentwintig jaren was hij geweest in
+Melanesië, van Duitsch Nieuw-Guinea tot de Duitsche Salomon-eilanden,
+en hij was zoo heelemaal één geworden met dat gedeelte van de wereld,
+dat hij gewoon was zich uit te drukken in het bastaard-taaltje dat
+tripang-Engelsch genoemd wordt. Zoo beteekende, wanneer hij met mij
+praatte, _zon hij kom op_, zonsopgang; _kai-kai hij blijf_, dat het
+diner klaar was; en _buik van mij loop rond_ wilde zeggen dat zijn
+maag niet in orde was. Hij was een klein mannetje, en bovendien nog
+ingeschrompeld; van binnen en van buiten verschroeid door brandenden
+drank en brandende zon. Hij was een uitgedoofd kooltje vuur, een klein,
+levend stukje asch, dat nog niet heelemaal koud was, en zich stijf
+bewoog, met plotselinge rukken en schokken, als een automaat. Een
+windstoot zou hem weggeblazen hebben. Hij woog negentig pond.
+
+Maar het groote, het geweldige in hem was de kracht waarmee hij
+regeerde. Oolong Atol was honderdveertig mijlen in omtrek. Men
+stuurde op het kompas in zijn lagune. Het was bevolkt door zesduizend
+Polynesiërs, allen groote, sterke mannen en vrouwen. Er waren er
+genoeg onder hen die zes voet lang waren en een paar honderd pond
+wogen. Oolong lag op tweehonderd vijftig mijlen afstand van het naaste
+land. Twee keer in het jaar viel er een kleine schoener binnen om kopra
+te laden. De eenige blanke op Oolong was McAllister, kleine zaakjes
+doend en zonder ophouden drinkend; en hij regeerde Oolong en zijn
+zesduizend wilden met ijzeren hand. Hij zei kom, en zij kwamen, ga,
+en zij gingen. Zij vroegen nooit waarom hij iets wilde of dacht. Hij
+was humeurig zooals alleen een oude Schot kan zijn, en hij bemoeide
+zich voortdurend met hun particuliere aangelegenheden. Toen Noegoe,
+de dochter van den koning, wilde trouwen met Haoenaoe die aan het
+andere einde van de atol woonde, zei haar vader ja, maar McAllister
+zei neen, en het huwelijk is niet doorgegaan. Toen de koning een
+zeker eilandje in de lagune wilde koopen van den opperpriester, zei
+McAllister neen. De koning stond bij de maatschappij in de schuld tot
+een bedrag van honderdtachtig duizend kokosnoten, en zoolang die niet
+betaald waren, zou hij geen enkele kokosnoot aan iets anders besteden.
+
+En toch hielden de koning en zijn volk niet van
+McAllister. Integendeel, ze haatten hem vreeselijk, en eens heeft,
+dat weet ik, de heele bevolking, met de priesters aan het hoofd, drie
+maanden lang tevergeefs getracht hem dood te bidden. De duvel-duvels
+die ze naar hem toe stuurden waren ontzagwekkend, maar aangezien
+McAllister niet geloofde in duvel-duvels, hadden ze over hem geen
+macht. Alle teekenen falen bij dronken Schotten. Ze verzamelden stukjes
+voedsel die zijn lippen hadden aangeraakt, een leege whisky-flesch,
+een kokosnoot waarvan hij gedronken had, en zelfs zijn speeksel, en
+ze verrichtten daar allerlei duivelskunsten en bezweringen mee. Maar
+McAllister bleef leven. Zijn gezondheid was voortreffelijk. Hij had
+nooit koorts, hij vatte nooit kou, hoestte nooit; dysenterie ging hem
+voorbij; en de kwaadaardige gezwellen en gemeene huidziekten, waarvan
+blanken en zwarten beide te lijden hebben in dat klimaat, hadden geen
+vat op hem. Hij moet zóó verzadigd zijn geweest met alcohol, dat de
+ziektekiemen op hem niet konden leven. Ik stelde mij altijd voor,
+dat ze in heele wolken van microscopische asch op den grond vielen
+zoodra ze in zijn met whisky gedrenkte sfeer kwamen. Niemand hield
+van hem, zelfs bacillen niet, en hij hield alleen van whisky en hij
+leefde nog steeds.
+
+Ik begreep het niet. Ik kon me niet voorstellen dat zesduizend
+inlanders genoegen namen met de tyrannie van dien verschrompelden
+dwerg. Het was een wonder dat hij niet al lang plotseling gestorven
+was. Het volk was, anders dan de laffe Melanesiërs, trotsch en
+oorlogszuchtig. Op het groote kerkhof, aan de hoofd- en voeteneinden
+van de graven, lagen herinneringen aan een bloedige historie--spaden
+voor walvischspek, roestige oude bajonetten en hartsvangers, koperen
+bouten, roer-ijzers, harpoenen, koperen kanonnen, baksteenen die
+nergens anders vandaan konden komen dan uit het smeltfornuis van een
+walvischvaarder, en oude koperen munten uit de zestiende eeuw, die de
+overlevering van de eerste Spaansche zeevaarders bevestigden. Schip na
+schip was aan zijn eind gekomen op Oolong. Geen dertig jaren geleden
+was de walvischvaarder _Blennerdale_, die de lagune binnenliep
+om te repareeren, met alle hens buitgemaakt. Op dezelfde manier
+had de bemanning van de _Gasket_, een sandelhoutvaarder, den dood
+gevonden. Dan was er een groote Fransche bark, de _Toulon_, die
+overvallen werd door een windstilte voor de atol. De eilanders kwamen
+na een hevig gevecht aan boord, en lieten het schip wrak slaan in de
+Lipaoe Doorvaart; en alleen de kapitein en een handvol matrozen konden
+ontsnappen in de barkas. Verder waren er de Spaansche munten, die
+spraken van het einde van een van de oude ontdekkingsreizigers. Dit
+alles, over de genoemde schepen, is geschiedenis, en men kan
+het vinden in de _Zeilaanwijzingen voor de Stille Zuidzee_. Maar
+dat er nog meer geschiedenis was, ongeschreven, dat moest ik nog
+ondervinden. Ondertusschen pijnigde ik mijn hersens met de vraag,
+waarom zesduizend primitieve wilden één gedegenereerden Schotschen
+despoot in het leven lieten.
+
+Op een heeten middag zaten McAllister en ik op de veranda uit te kijken
+over de lagune, met al haar wonderen van glinsterende kleuren. Achter
+onzen rug, aan de overzij van de honderd meter met palmen beplant zand,
+donderde de branding op het rif. Het was afschuwelijk warm. Wij waren
+op 4º Zuiderbreedte, en de zon, die een paar dagen geleden de Linie
+gepasseerd was op haar reis naar het zuiden, stond recht boven onze
+hoofden. Er was geen wind--zelfs geen vleugje. Het seizoen van den
+zuidoost-passaat liep vroeg ten einde, en de noordwest-moesson was
+nog niet begonnen te waaien.
+
+"Hun danserij is geen klap waard", zei McAllister.
+
+Ik had toevallig gezegd dat de Polynesische dansen ver boven die van de
+Papoea's stonden, en dit had McAllister ontkend, om geen andere reden
+dan zijn humeurigheid. Maar het was te heet om te discussieeren, en ik
+zei niets. Bovendien had ik de bewoners van Oolong nooit zien dansen.
+
+"Ik zal het je bewijzen", kondigde hij aan, en wenkte den zwarten
+jongen van Nieuw-Hannover, een inlandschen koelie die dienst deed
+als kok en huisbediende. "Hee, jij, jongen, jij zeg'm een koning kom
+bij mij."
+
+De jongen ging weg, en terug kwam de eerste minister, niet erg op
+zijn gemak, ontdaan, en voortdurend verontschuldigende verklaringen
+ratelend. In het kort, de koning sliep, en mocht niet gestoord worden.
+
+"Koning hij veel sterk slaap", was zijn slotperiode.
+
+Mc Allister was zóó woedend dat de eerste minister zonder zich een
+oogenblik te bedenken wegvluchtte, om terug te keeren met den koning
+in eigen persoon. Het waren twee prachtige menschen, vooral de koning,
+die volle zes voet en drie duim lang moet zijn geweest. Zijn trekken
+hadden dat adelaars-achtige, dat men zooveel ziet bij de Indianen van
+Noord-Amerika. Hij was geboren, maar ook gemaakt om te heerschen. Zijn
+oogen vlamden terwijl hij naar Mc Allister luisterde, maar heel gedwee
+gehoorzaamde hij diens bevel om een paar honderd van de beste dansers
+uit het dorp te laten halen, mannen en vrouwen. En dansen deden ze,
+twee doodelijke uren lang, onder die roosterende zon. Dankbaar waren
+ze hem niet, maar dat kon hem weinig schelen, en toen hij hen eindelijk
+liet gaan, was het met spot en scheldwoorden.
+
+De kruiperige slaafschheid van die prachtige wilden was iets
+afschuwelijks. Hoe kon zoo iets bestaan? Wat was het geheim van zijn
+heerschappij? Steeds meer dacht ik over het raadsel terwijl de dagen
+voorbij gingen, en ofschoon ik voortdurend staaltjes zag van zijn
+onbetwiste oppermacht, was er nooit iets dat de oplossing kon geven.
+
+Op een goeden dag sprak ik toevallig over een kleine teleurstelling
+die ik had ondervonden. Ik had een mooi paar kaoeri-schelpen willen
+koopen, maar het was me niet gelukt. Als ze geen vijf pond waard
+waren in Sydney waren ze ook niets waard. Tweehonderd stokken tabak
+had ik den eigenaar aangeboden, maar hij was op driehonderd blijven
+staan. Toen ik toevallig over de zaak sprak, liet Mc Allister den man
+onmiddelijk halen, nam hem de schelpen af, en overhandigde ze aan
+mij. Vijftig stokken tabak was alles wat ik hem mocht betalen. De
+man nam de tabak aan en scheen dol blij dat hij er zoo gemakkelijk
+af kwam. Wat mij betreft, ik nam me voor mijn tong voortaan wat in
+bedwang te houden. En nog steeds piekerde ik over het geheim van
+McAllister's macht. Ik ging zelfs zóó ver dat ik het hem op den man
+af vroeg, maar alles wat hij deed was één oog dicht knijpen, heel
+geheimzinnig kijken, en nog een borrel nemen.
+
+Op een nacht was ik aan het visschen in de lagune met Oti, den man
+die zoo kaal van zijn kaoeri-schelpen af was gekomen. Ik had hem
+buiten weten van Mc Allister nog honderdvijftig stokken tabak er bij
+overgemaakt, en hij was mij gaan beschouwen met een eerbied die veel
+op vereering leek; eigenlijk vrij zonderling, want hij was al een
+oud man, minstens tweemaal zoo oud als ik.
+
+"Wat naam jij Kanaka altijd 't zelfde klein?" begon ik met hem. "Dat
+koopman één. Jij Kanaka veel te veel. Jij Kanaka precies als 'm hond
+veel bang bij dat koopman. Hij niet eet jij. Hij niet heeft 'm tand
+bij hem. Wat naam jij bang te veel!"
+
+"Stel veel Kanaka maak dood 'm?" vroeg hij.
+
+"Hij dood", zei ik. "Jij Kanaka maak dood 'm veel wit man lang tijd
+geleden. Wat naam jij bang dit wit man?"
+
+"Ja, wij maak dood 'm veel", was zijn antwoord. "Mijn woord! Allemaal
+veel! Lang tijd geleden. Eén keer, mij jong te veel, een groot schip
+hij blijf buiten. Wind hij niet blaas. Veel Kanaka wij pak 'm kano,
+veel kano, wij gaan pak 'm dat schip. Mijn woord--wij pak 'm groot
+vechten. Twee, drie wit man schiet als duivel. Wij niet bang. Wij kom
+langszij, wij gaan aan boord, veel, misschien mij denk vijftig-tien
+(vijfhonderd). Een wit vrouw bij dat schip. Nooit eerder mij zie
+wit vrouw. Langzaam veel wit man afgeloopen. Een schipper hij niet
+dood. Vijf, zes wit man niet dood. Schipper hij schreeuw. Een paar wit
+man hij vechten. Een paar wit man hij laat neer boot. Dan allemaal
+samen overboord gaan zij. Schipper hij laat wit vrouw neer. Dan zij
+spoel-spoel (roeien) sterk veel te veel. Vader van mij die tijd hij
+sterk. Hij gooi 'm een speer. Dat speer hij gaat in eene kant dat wit
+vrouw. Hij niet blijf. Mijn woord! hij gaat uit andere kant dat wit
+vrouw. Zij afgeloopen. Wij niet bang. Veel Kanaka te veel niet bang."
+
+De goede oude Oti was in zijn eer gekwetst, want plotseling stroopte
+hij zijn lava-lava af en liet mij het onmiskenbare lidteeken van een
+kogel zien. Vóórdat ik iets kon zeggen, liep plotseling zijn lijn
+af. Hij greep er naar en trachtte ze binnen te halen, maar merkte
+dat de visch om een koraaltak heen was gezwommen. Hij gaf mij een
+verwijtenden blik omdat ik zijn aandacht had afgeleid, en sprong
+overboord, rechtstandig. Onder water dook hij voorover en volgde zijn
+lijn naar den bodem. Het water was tien vadem diep. Ik leunde overboord
+en keek naar het spel van zijn voeten, die den zachten phosphorglans
+opwoelden tot spookachtige vlammen, steeds vager wordend naarmate
+ze dieper zonken. Tien vadem--zestig voet--, het was niets voor hem,
+een oud man, vergeleken met de waarde van een haak en lijn. Na verloop
+van wat vijf minuten leek, ofschoon het niet meer kan zijn geweest dan
+een minuut, zag ik hem naar boven stijgen in witte vlammen. Hij kwam
+aan de oppervlakte en gooide een kabeljauw van tien pond in de kano;
+lijn en haak waren heel, en de haak zat nog vast in den visschenmond.
+
+"Het kan zijn", zei ik, onbarmhartig. "Jij niet bang lang geleden. Jij
+veel bang nu bij dat koopman."
+
+"Ja, veel bang", bekende hij. Het was duidelijk dat hij liever van
+het onderwerp wilde afstappen. Een half uur lang trokken wij zwijgend
+onze lijnen omhoog en gooiden ze zwijgend weer uit. Toen begonnen
+er kleine visch-haaien te bijten, en nadat we beiden een haak kwijt
+waren geraakt, haalden wij alles binnen en wachtten tot de haaien
+hun weg zouden vervolgen.
+
+"Ik praat jij waar", zoo verbrak Oti het zwijgen, "dan jij snap wij
+bang nu."
+
+Ik stak een pijp op en wachtte, en het verhaal dat Oti mij vertelde in
+vreeselijk tripang geef ik hier weer in behoorlijk Engelsch. Verder,
+in den geest en in den gang der gebeurtenissen, is het zooals het
+van Oti's lippen kwam.
+
+"Na dien tijd waren wij erg trotsch. Wij hadden dikwijls gevochten met
+de vreemde blanke mannen die leven op de zee, en altijd hadden wij
+hen verslagen. Enkelen van ons werden dan wel gedood, maar wat was
+dat vergeleken bij de groote voorraden en rijkdommen van duizenden
+verschillende soorten die wij vonden op de schepen? En toen, op een
+goeden dag, misschien twintig jaren geleden, misschien vijfentwintig,
+kwam er een schoener pal door de doorvaart en in de lagune. Het
+was een groote schoener met drie masten. Er waren vijf blanken en
+misschien veertig zwarten van Nieuw-Guinea en Nieuw-Britannië aan
+boord; en ze waren gekomen om tripang te visschen. Het schip lag
+voor anker bij Paoeloo, van hier dwars over de lagune, en de booten
+verspreidden zich overal, en maakten kampen op het strand, waar ze
+de tripang rookten. Die verdeeling maakte hen zwak, want de mannen
+die hier vischten en die op den schoener bleven waren vijftig mijlen
+van elkaar, en er waren anderen nog verder weg.
+
+"Onze koning en onze hoofden hielden raad, en ik was in de kano die
+den heelen middag en den heelen nacht over de lagune pagaaide, en
+het bericht bracht aan het volk van Paoeloo, dat wij in den morgen
+de vischkampen allen tegelijk aan zouden vallen en dat het hun taak
+was den schoener te nemen. Wij die het bericht hadden gebracht waren
+moe van het pagaaien, maar we namen toch deel aan den aanval. Op
+den schoener waren twee blanken, de schipper en de tweede stuurman,
+met een half dozijn zwarte jongens. Den schipper en drie zwarten
+overvielen we op den wal en maakten hen dood, maar eerst schoot de
+schipper er acht van ons dood met zijn twee revolvers. Wij vochten
+dicht op elkaar, begrijp je, man tegen man.
+
+"Het lawaai van ons vechten vertelde den stuurman wat er gebeurde,
+en hij bracht voedsel en een zeil in de kleine jol, die zoo klein was,
+dat ze niet meer dan twaalf voet mat. Wij kwamen op den schoener af,
+duizend mannen, en wij bedekten de lagune met onze kano's. Ook bliezen
+we op kinkhorens, en zongen oorlogszangen, en sloegen met onze pagaaien
+tegen de zijden van de kano's. Wat voor kans had één blanke en drie
+zwarten tegen ons? Heelemaal geen kans, en de stuurman wist het.
+
+"Blanken zijn duivels. Ik heb hen veel gadegeslagen, en ik ben een
+oud man, en ik begrijp eindelijk waarom de blanken al de eilanden
+in de zee voor zich zelf hebben genomen. Het is omdat het duivels
+zijn. Hier ben jij bij mij in de kano. Je bent nauwelijks meer dan
+een jongen. Je weet weinig, want iederen dag vertel ik je veel dingen
+die je niet wist. Toen ik een kleine jongen was, wist ik meer van
+visschen dan jij nu. Ik ben een oud man, maar ik zwem naar beneden
+tot op den bodem van de lagune, en jij kunt mij niet volgen. Waar
+ben je eigenlijk goed voor?
+
+"Ik weet het niet, alleen om te vechten. Ik heb jou nooit zien vechten,
+en toch weet ik dat jij bent zooals je broeders, en dat je zult vechten
+als een duivel. Je bent ook een dwaas, zooals je broeders. Je weet
+niet wanneer je verslagen bent. Je zult vechten tot je dood neervalt,
+en dan zal het te laat zijn om te weten dat je verslagen bent.
+
+"Nu let op wat de stuurman deed. Toen we op hem af kwamen, de
+zee bedekkend en blazend op onze horens, zette hij zich af van den
+schoener in de kleine boot, samen met de drie zwarten, en roeide naar
+de doorvaart. Ook daarin was hij weer een dwaas, want geen verstandig
+man zou zee kiezen in zoo'n kleine boot. De boorden waren geen tien
+duim boven het water. Twintig kano's gingen hem achterna, gevuld
+met tweehonderd jonge mannen. Wij pagaaiden vijf vadem terwijl zijn
+zwartjes er één roeiden. Hij had geen kans, maar hij was een dwaas.
+
+"Hij ging rechtop staan in de boot met een geweer in zijn hand, en
+hij schoot dikwijls. Hij was geen goed schutter, maar toen we dicht
+bij kwamen werden er veel van ons gewond en gedood. Maar toch had
+hij geen kans.
+
+"Ik weet nog dat hij al dien tijd een sigaar rookte. Toen we op veertig
+voet afstand waren, snel naderend, gooide hij zijn geweer neer,
+stak een staaf dynamiet aan met zijn sigaar, en slingerde die naar
+ons. Hij stak er nog een aan, en nog een, en gooide ze naar ons,
+snel achter elkaar, en heel veel. Ik weet dat hij de einden van
+de lonten gespleten en er luciferskoppen in gestoken moet hebben,
+omdat ze zoo vlug aan gingen. Ook waren de lonten erg kort. Soms
+ging het dynamiet af in de lucht, maar meestal ontplofte het in de
+kano's. En iederen keer dat er een staaf in een kano ontplofte, was
+het uit met die kano. Van de twintig kano's werd de helft in stukken
+geslagen. De kano waar ik in zat sprong ook uit elkaar, en ook de twee
+mannen die naast mij zaten. Het dynamiet viel tusschen hen in. De
+andere kano's keerden om en vluchtten. Toen gilde die stuurman ons
+'Jah! Jah! Jah!' achterna. Ook trok hij weer op ons los met zijn
+geweer, zoodat er veel van ons gedood werden door schoten in den rug
+terwijl ze vluchtten. En al dien tijd gingen de zwartjes in de boot
+door met roeien. Je ziet, ik heb de waarheid gezegd, die stuurman
+was een duivel.
+
+"En dat was nog niet alles. Vóór dat hij van den schoener weg
+was gegaan, had hij het schip in brand gestoken, en al het kruit
+en dynamiet had hij bij elkaar gelegd, dat het op één oogenblik
+ontploffen zou. Er waren honderden van onze mannen aan boord, bezig
+met water op te halen van over de verschansing en daarmee het vuur
+te blusschen, toen de schoener in de lucht vloog. Zoodat alles waar
+we voor gevochten hadden voor ons verloren was, en er nog meer
+van onze mannen gedood werden. Soms, zelfs nu nog op mijn ouden
+dag, heb ik leelijke droomen waarin ik dien stuurman hoor gillen:
+'Jah! Jah! Jah!' Maar al de menschen in de vischkampen werden gedood.
+
+"De stuurman voer de doorvaart uit in zijn kleine boot, en dat was
+zijn eind, daar waren we wel zeker van, want hoe zou zoo'n kleine boot,
+met vier mannen er in, ooit kunnen blijven leven op de zee? Een maand
+ging voorbij, en toen, op een morgen, tusschen twee regenvlagen in,
+kwam er een schoener door onze doorvaart binnenzeilen, en ankerde voor
+het dorp. De koning en de hoofden hielden een groote vergadering,
+en er werd afgesproken dat we na een paar dagen den schoener zouden
+nemen. Ondertusschen, daar het altijd onze gewoonte was om te doen
+alsof we vrienden waren, gingen we naar het schip in onze kano's
+en brachten bossen kokosnoten, kippen en varkens mee, om handel te
+drijven. Maar toen we langszij waren, veel kano's, begonnen de mannen
+aan boord op ons te schieten met geweren, en toen we weg pagaaiden
+zag ik den stuurman die naar zee was gegaan in de kleine boot op de
+verschansing springen en dansen en gillen: 'Jah! Jah! Jah!'
+
+"Dien middag landden ze in drie kleine booten vol met blanken. Ze
+liepen overal door het dorp, en schoten iedereen die ze zagen neer. Ook
+de kippen en de varkens schoten ze neer. Ik en nog anderen die niet
+dood geschoten waren ontsnapten in de kano's en pagaaiden de lagune
+op. Als we omkeken konden we de huizen in brand zien staan. Laat in den
+middag zagen we een massa kano's die van Nihi kwamen, het dorp dat in
+het noordoosten ligt, aan de Nihi Doorvaart. Het was alles wat er nog
+van dat dorp over was, en ook hun huizen waren in brand gestoken door
+een tweeden schoener die door de Nihi Doorvaart was binnengevallen.
+
+"Wij voeren verder de lagune op, de duisternis in, naar het westen,
+naar Paoeloo, maar midden in den nacht hoorden we vrouwen klagen, en
+we liepen op een groote vloot kano's. Dat was alles was er van Paoeloo
+over was, en ook Paoeloo lag in asch, want een derde schoener was
+binnen gekomen door de Paoeloo Doorvaart. Je begrijpt, die stuurman
+met zijn zwartjes was niet verdronken. Hij had de Salomon-eilanden
+bereikt, en daar aan zijn broeders verteld wat wij op Oolong gedaan
+hadden. En al zijn broeders hadden gezegd dat ze ons zouden komen
+straffen, en daar waren ze nu op de drie schoeners, en onze drie
+dorpen waren weggeveegd.
+
+"En wat moesten wij doen? We lagen midden in de lagune, en in den
+morgen kwamen de twee schoeners van te loevert op ons af zeilen. De
+passaatwind blies krachtig, en ze liepen de kano's bij twintigtallen
+in den grond. En de geweren hielden niet op met spreken. Wij vluchtten
+weg in wanorde, zooals de vliegende visschen voor de bonito, en zóó
+talrijk waren we dat we bij duizenden ontsnapten, ieder op zijn eigen
+manier, naar de eilanden aan den rand van de atol.
+
+"En daarna joegen de schoeners ons voortdurend de lagune op en neer. In
+den nacht gleden we hun voorbij. Maar dan kwamen ze den volgenden dag,
+of twee of drie dagen later weer terug, en joegen ons naar het andere
+eind van de lagune. En zoo ging het door. Wij telden onze dooden niet
+meer. We dachten niet meer aan hen. Het is waar, wij waren talrijk
+en er waren maar weinig blanken. Maar wat konden we doen? Ik was in
+één van de twintig kano's vol mannen die niet bang waren voor den
+dood. We vielen den kleinsten schoener aan. Met hoopen schoten ze ons
+neer. Ze lieten dynamiet in de kano's vallen en toen het dynamiet op
+was, gooiden ze heet water op ons neer. En geen oogenblik hielden
+de geweren op te spreken. En de mannen uit de verbrijzelde kano's
+werden dood geschoten terwijl ze weg zwommen. En de stuurman danste
+op en neer boven op de kajuit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!'
+
+"Alle huizen op alle eilanden werden in brand gestoken. Geen varken
+of kip werd in leven gelaten. Onze waterputten werden verontreinigd
+met de lichamen van de gesneuvelden, of anders bouwden ze hooge
+stapels koraal er over heen. Vóórdat de schoeners kwamen woonden er
+vijf en twintig duizend menschen op Oolong. Nu zijn we met met zijn
+vijfduizenden. Nadat de schoeners vertrokken waren, telden we nog
+maar drieduizend man, zooals je zult zien.
+
+"Eindelijk kregen de schoeners er genoeg van ons op en neer te
+jagen. Dus gingen ze, alle drie, naar Nihi, in het noordoosten. En
+vandaar dreven ze ons gestadig naar het westen. Hun negen booten waren
+ook in het water. Ze klopten elk eiland af terwijl ze voortgingen. Ze
+dreven ons, dreven ons, dreven ons dag na dag. En iederen nacht vormden
+de drie schoeners en de negen booten een ketting van waakzaamheid
+die dwars over de lagune strekte, van rand tot rand, zoodat we niet
+terug konden."
+
+"Ze konden ons niet eeuwig zoo blijven voortdrijven, want de lagune
+had maar een bepaalde grootte, en ten slotte werden allen die nog
+leefden op de laatste zandbank in het westen samengedreven. Daarachter
+lag de open zee. Wij waren tienduizend man sterk, en wij bedekten
+de zandbank van den lagune oever tot de donderende branding aan
+de andere zijde. Niemand kon gaan liggen. Er was geen plaats. We
+stonden heup aan heup en schouder aan schouder, en telkens klom de
+stuurman in het want en lachte ons uit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!',
+totdat we spijt hadden als haren op ons hoofd dat we hem en zijn
+schoener ooit iets gedaan hadden een maand geleden. Wij hadden geen
+eten, en wij stonden twee dagen en twee nachten op onze voeten. De
+kleine kinderen stierven, en de ouden en zwakken stierven, en de
+gewonden stierven. En het ergste van alles, wij hadden geen water
+om onzen dorst te lesschen en twee dagen lang sloeg de zon op ons
+neer, en er was geen schaduw. Veel mannen en vrouwen waadden de zee
+in en verdronken, en de branding wierp hun lichamen terug op het
+strand. En er kwam een plaag van vliegen. Er waren mannen die naar
+de wanden van de schoeners zwommen, maar ze werden tot den laatsten
+toe doodgeschoten. En wij die nog leefden hadden grooten spijt dat
+we in onzen trots hadden getracht den schoener met de drie masten te
+nemen die was gekomen om tripang te visschen.
+
+"In den morgen van den derden dag kwamen de schippers van de drie
+schoeners en die stuurman, in een kleine boot. Ze hadden geweren,
+allemaal, en revolvers, en ze wilden praten. Het was alleen maar omdat
+het moorden hen begon te vervelen dat ze er mee opgehouden waren,
+vertelden ze ons. En wij vertelden dat we er spijt van hadden, dat
+we nooit meer een blanke iets zouden doen, en ten teeken van onze
+onderwerping strooiden we zand op onze hoofden. En al de vrouwen
+en kinderen hieven een groot geklaag aan om water, zoodat een tijd
+lang niemand zich verstaanbaar kon maken. Toen werd onze straf
+ons medegedeeld. We moesten de drie schoeners vullen met kopra
+en tripang. En wij vonden het goed, want wij wilden water hebben,
+en onze trots was gebroken, en wij wisten dat we kinderen waren in
+het vechten als we vochten met blanken, die vechten als duivels. En
+toen al het praten afgeloopen was, ging de stuurman rechtop staan en
+lachte ons uit, en gilde: 'Jah! Jah! Jah!' Daarna pagaaiden we weg
+in onze kano's en zochten water.
+
+"En weken lang moesten we zwoegen: tripang visschen en rooken, en
+kokosnoten plukken en er kopra van maken. Dag en nacht rees de rook
+in wolken omhoog op al de stranden van al de eilanden van Oolong,
+terwijl wij de boete betaalden voor onze verkeerde daad. Want in die
+dagen van dood werd het duidelijk in onze hersenen gebrand dat het
+heel verkeerd is een blanke kwaad te doen.
+
+"Na een poos, toen de schoeners vol waren met kopra en tripang en
+onze kokospalmen kaal, riepen de drie schippers en de stuurman ons
+allemaal bijeen voor een groote vergadering. En ze zeiden dat ze
+erg blij waren dat we onze les geleerd hadden en wij zeiden voor den
+tienduizendsten keer dat we er spijt van hadden en dat we het niet
+meer zouden doen. Ook strooiden we zand op onze hoofden. Toen zeiden
+de schippers dat dat allemaal heel mooi was, maar alleen maar om ons
+te laten zien dat ze ons niet vergaten, zouden ze ons een duvel-duvel
+sturen die wij niet zouden vergeten en waar we altijd aan zouden denken
+als we neiging mochten voelen om een blanke kwaad te doen. Daarna
+lachte de stuurman ons nog eens uit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!' Toen
+werden zes van onze mannen, die we al lang dood hadden gewaand,
+aan land gezet van een van de schoeners, en de schoeners heschen hun
+zeilen en voeren weg door de doorvaart, naar de Salomon's.
+
+"De zes mannen die aan land waren gezet kregen het eerst de duvel-duvel
+die de schippers ons achterna hadden gestuurd."
+
+"Er kwam een groote ziekte", onderbrak ik, want ik zag de truc. De
+schoener had mazelen aan boord gehad, en de zes mannen waren er
+opzettelijk aan blootgesteld.
+
+"Ja, een groote ziekte", ging Oti door. "Het was een machtige
+duvel-duvel. De oudste man van de atol had nooit van zoo iets
+gehoord. Onze priesters die nog leefden sloegen we dood omdat ze die
+duvel-duvel niet meester konden worden. De ziekte verspreidde zich. Ik
+heb gezegd dat we tienduizend man sterk waren toen we heup aan heup en
+schouder aan schouder op de zandbank stonden. Toen de ziekte wegging,
+waren er nog drieduizend in leven. Ook was er hongersnood, omdat we
+van al onze kokosnoten kopra gemaakt hadden.
+
+"Dat koopman", besloot Oti, "hij als 'm zooveel vuil. Hij als 'm
+mossel, hij dood _kai-kai_ hij blijf, vasthouden 'm allemaal veel. Hij
+als 'm hond, een ziek hond veel vlooi blijf bij hem. Wij niet bang bij
+dat koopman. Wij bang omdat hij wit man. Dat een ziek hond koopman hij
+veel broeder blijf bij hem, wit man als 'm jij vecht als hel. Wij niet
+bang dat verdom koopman. Een keer hij maak Kanaka veel kwaad bij hem
+en Kanaka wil 'm maak dood 'm, Kanaka hij hoor dat stuurman schreeuw:
+'Jah! Jah! Jah!', en Kanaka niet maak dood 'm."
+
+Hij sloeg een stuk inktvisch aan zijn haak, dat hij met zijn tanden
+van het levende, kronkelende monster af scheurde, en haak en aas
+zonken in witte vlammen naar den bodem.
+
+"Haai rondloop hij afgeloopen", zei hij. "Ik denk wij pak 'm veel
+visch."
+
+Er werd heftig aan zijn lijn gerukt. Hij haalde snel binnen, en liet
+een grooten, hijgenden kabeljauw in den bodem van de kano vallen. "Zon
+hij kom op, ik maak 'm dat verdom koopman een kadoo groot visch",
+zei Oti.
+
+
+
+
+DE HEIDEN.
+
+
+Onze eerste ontmoeting had plaats in een wervelstorm; en ofschoon wij
+in dien storm op denzelfden schoener waren, werd ik mij niet eerder
+bewust van zijn bestaan dan nadat de schoener onder ons uit elkaar
+was geslagen. Ik moet hem zonder eenigen twijfel gezien hebben, samen
+met de rest van de Kanaka bemanning, maar het was niet bewust tot mij
+doorgedrongen, want de _Petite Jeanne_ was tamelijk overladen. Behalve
+de acht of tien Kanaka matrozen, den blanken kapitein, stuurman en
+ladingmeester, en de zes kajuit-passagiers, vertrok het schip van
+Rangiroa met zooiets als vijfentachtig dek-passagiers--menschen uit
+de Paoemotoe's en van Tahiti, mannen, vrouwen, en kinderen, allen
+voorzien van een kist om hun boeltje in te bergen, om nog maar te
+zwijgen van slaapmatten, dekens, en bundeltjes kleeren.
+
+Het seizoen om parels te visschen in de Paoemotoe's was voorbij,
+en alle hens keerden terug naar Tahiti. De zes kajuit-passagiers,
+waaronder ook ik, waren parelkooplui. Twee er van waren Amerikanen,
+één was Ah Choon (de blankste Chinees dien ik ooit gekend heb), één
+was een Duitscher, één een Poolsche Jood, en ik completeerde het half
+dozijn. Het was een voorspoedig seizoen geweest. Niemand van ons had
+reden tot klagen, de vijfentachtig dek-passagiers ook niet. Iedereen
+had goede zaken gemaakt, en iedereen keek verlangend uit naar een
+poosje rust en plezier in Papeete.
+
+Natuurlijk was de _Petite Jeanne_ overladen. Zij mat maar zeventig
+ton, en zij mocht geen tiende varen van de hoeveelheid die ze aan
+boord had. Onder haar luiken was ze opgepropt en volgestampt met
+parelschelpen en kopra. Zelfs de ruimte waar de ruil-artikelen geborgen
+werden was volgestopt met schelpen. Het was een wonder dat de matrozen
+het schip konden zeilen. Over het dek loopen was onmogelijk. Zij
+klommen eenvoudig heen en weer langs de verschansing. 's Nachts liepen
+ze over de slapenden, die, ik durf zweren in een dubbele laag, de
+planken bedekten. O! en dan waren er nog varkens en kippen aan dek,
+en zakken met broodwortels, terwijl elk plekje dat men maar verzinnen
+kon behangen was met guirlandes van kokosnoten en trossen bananen. Aan
+beide zijden van het schip, tusschen het fokkewant en het grootwant,
+waren lijnen gespannen, juist zoo laag dat de fokkegiek vrij kon
+zwaaien, en aan elk van die lijnen waren minstens vijftig trossen
+bananen opgehangen.
+
+Het beloofde een onpleizierige reis te worden, zelfs als we den
+overtocht maakten in de twee of drie dagen die noodig zouden zijn
+geweest als de zuidoost-passaatwinden flink gewaaid hadden. Maar ze
+waaiden niet flink. Na de eerste vijf uren stierf de passaat weg
+in een stuk of wat kortademige koeltjes. De windstilte duurde den
+geheelen nacht en den geheelen volgenden dag--een van die glasachtige,
+gloeiend-stralende blaktes, wanneer alleen de gedachte dat men zijn
+oogen zou openen om er naar te kijken al genoeg is om hoofdpijn
+te krijgen.
+
+Den tweeden dag stierf er een man, een inboorling van het
+Paasch-eiland, een van de beste duikers van de lagune dat
+seizoen. Pokken, dat was het; ofschoon ik nog niet begrijp hoe
+er bij ons aan boord pokken konden komen als er aan de wal geen
+gevallen bekend waren toen wij uit Rangiroa wegzeilden. Maar ze waren
+er--pokken, één man dood, en drie anderen plat op hun rug.
+
+Wij konden niets doen. De zieken konden niet afgezonderd, en nog
+minder verpleegd worden. Wij zaten op elkaar gepakt als sardines in een
+blik. Er was niets anders te doen dan ziek worden en crepeeren--dat is
+te zeggen, na den nacht die volgde op het eerste sterfgeval. In dien
+nacht namen de stuurman, de ladingmeester, de Poolsche Jood, en vier
+inlandsche duikers stilletjes de vlucht in de groote jol. Niemand
+heeft ooit meer iets van hen gehoord, 's Morgens liet de kapitein
+direct de andere booten lek slaan, en daar zaten we.
+
+Dien dag waren er twee sterfgevallen, den volgenden dag drie; toen
+vloog het omhoog tot acht. Het was de moeite waard de verschillende
+wijzen te zien waarop wij het opnamen. De inlanders bij voorbeeld
+vervielen in een toestand van stomme, domme vrees. De kapitein--Oudouse
+heette hij, een Franschman--werd erg zenuwachtig en opgewonden. Hij
+kreeg in den letterlijken zin van het woord zenuwstuipjes. Het
+was een groote vleezige kerel, die minstens tweehonderd pond woog,
+en hij werd al spoedig een getrouwe weergave van een trillenden,
+geleiachtigen berg van vet.
+
+De Duitscher, de twee Amerikanen, en ik kochten samen al de
+Schotsche whisky op, en besloten dronken te blijven. De theorie
+was mooi--namelijk, dat als wij ons voortdurend gedrenkt hielden in
+alcohol, iedere pok-bacil die met ons in aanraking kwam onmiddelijk
+tot asch zou verschroeien. En de theorie werkte, ofschoon ik moet
+bekennen dat kapitein Oudouse en Ah Choon ook niet door de ziekte
+werden aangetast. De Franschman dronk heelemaal niet, en Ah Choon
+beperkte zich tot één borrel per dag.
+
+Het was een mooie toestand. De zot, die naar het noorden declineerde,
+stond recht boven ons. Wind was er niet, behalve talrijke buien,
+die van vijf minuten tot een half uur fel bliezen, en eindigden in
+een zondvloed van regen. Na iedere bui kwam de vreeselijke zon weer
+te voorschijn, en trok wolken van stoom omhoog uit het doorweekte dek.
+
+Die stoom was niet bepaald aangenaam. Het was de adem van den dood,
+beladen met millioenen en millioenen ziektekiemen. Wij namen altijd nog
+maar een borrel als we hem zagen opstijgen uit de dooden en stervenden,
+en heel dikwijls namen wij er nog twee of drie bij, en we mengden ze
+bijzonder sterk. Ook maakten wij er een vaste gewoonte van om er nog
+een paar boven op te nemen telkens als de dooden overboord werden
+gezet, voor de haaien die overal om ons heen zwommen.
+
+Dat duurde zoo een week lang, en toen raakte de whisky op. En dat was
+maar goed ook, want anders was ik er nu niet meer. Men moest nuchter
+zijn om te blijven leven in wat er volgde, en iedereen zal dat met
+mij eens zijn als ik de kleinigheid vermeld dat maar twee menschen er
+levend doorheen kwamen. De andere was de heiden--tenminste zoo hoorde
+ik hem door kapitein Oudouse noemen toen ik mij voor het eerst bewust
+werd van zijn bestaan. Maar laat ik terugkeeren tot mijn verhaal.
+
+Het was aan het eind van die week, en de whisky was op en de
+parelkoopers nuchter, toen ik toevallig eens naar den barometer keek
+die in de kajuitsgang hing. De normale barometerstand in de Paoemotoe's
+was 29·90, en het was heel gewoon hem te zien schommelen tusschen
+29·85 en 30, of zelfs 30·05; maar hem te zien zooals ik hem toen zag,
+gedaald tot 29·62 was voldoende om den meest dronken parelkoopman te
+ontnuchteren die ooit pokken-microben cremeerde in Schotsche whisky.
+
+Ik vestigde de aandacht van kapitein Oudouse er op, maar kreeg
+slechts de mededeeling dat hij hem al een paar uren lang had zien
+dalen. Er was weinig te doen, maar dat beetje deed hij uitstekend,
+de omstandigheden in aanmerking genomen. Hij nam de lichte zeilen in,
+bracht het schip onder stormtuig, spande reddingslijnen, en wachtte
+op den wind. Zijn fout lag in wat hij deed toen de wind er was. Hij
+ging bijliggen over den stuurboordboeg, wat ook heel goed was, ten
+zuiden van den Equator, als--en daar zat hem de knoop--als men niet
+pal in den weg van een wervelstorm ligt.
+
+Wij lagen pal op den weg van den storm. Ik kon dat merken aan het
+gestadig toenemen van den wind en het even gestadig vallen van den
+barometer. Ik had gewild dat hij gedraaid en met ruimen wind over
+stuurboord weggeloopen was, tot de barometer weer steeg, en dan
+was gaan bijliggen. Wij praatten en betoogden tot hij aanvallen van
+hysterie kreeg, maar wijken wilde hij niet. Het ergste was dat ik
+de andere parelkoopers er niet toe kon krijgen mij te steunen. Wat
+verbeeldde ik mij eigenlijk wel? Wist ik soms meer van de zee en van
+de zeevaart dan een behoorlijk gebreveteerd gezagvoerder? Dat was
+wat zij dachten, en ik wist het.
+
+Natuurlijk rees de zee geweldig naarmate de wind sterker werd, en
+ik zal nooit de eerste drie zeeën vergeten die de _Petite Jeanne_
+schepte. Ze was afgevallen, zooals schepen wel meer doen wanneer
+ze bijliggen, en de eerste zee spoelde er schoon over heen. De
+reddingslijnen waren alleen maar van nut voor wie nog sterk en gezond
+was, en zelfs hen hielpen ze niet veel toen de vrouwen en kinderen,
+de bananen en kokosnoten, de varkens en kisten, de zieken en stervenden
+langs het dek stroomden in één gillende, kreunende massa.
+
+De tweede zee vulde het dek van de _Petite Jeanne_ gelijk met de
+verschansing; en toen de achtersteven omlaag zonk en de boeg naar
+boven schoot, stroomde al die erbarmelijke ballast van leven en
+bagage achteruit. Het was een rivier van menschen. Zij kwamen in
+alle houdingen: met het hoofd naar voren, met de voeten naar voren,
+schuivend, over hun kant rollend, dubbel geslagen, zich draaiend en
+krommend en wringend. Nu en dan greep er een een touw of een steunpost,
+maar de zwaarte van de lichamen achter hen scheurden zulke grepen
+los. Eén man zag ik met zijn hoofd pal tegen de stuurboordbeting op
+vliegen. Zijn hoofd werd gekraakt als een ei. Ik zag wat er aankwam,
+sprong boven op de kajuit, en van daar in het grootzeil. Ah Choon
+en een van de Amerikanen trachtten mij te volgen, maar ik was hen
+één sprong voor. De Amerikaan werd weggeveegd over den spiegel,
+als een stukje stroo. Ah Choon greep een spaak van het stuurraad
+en bleef daaraan hangen, als een schip dat op zijn anker zwaait in
+een sterke strooming. Maar een groote, zware vahine (vrouw)--zij
+moet minstens tweehonderd en vijftig gewogen hebben--werd tegen
+hem aan gegooid en sloeg een arm om zijn hals. Hij greep den Kanaka
+roerganger vast met zijn andere hand; en juist op dat oogenblik smakte
+de schoener neer naar stuurboord. De rivier van lichamen en zeewater
+die aan kwam stroomen langs de bakboordgang tusschen de kajuit en de
+verschansing, wendde zich plotseling en dreef naar stuurboord. Weg
+schoten ze--vahine, Ah Choon, en roerganger; en ik durf zweren dat
+ik Ah Choon met philosophische berusting zag grijnzen toen hij over
+de reeling ging en zonk.
+
+De derde zee, de grootste van de drie, richtte niet zooveel kwaad
+aan. Bijna iedereen was in het want toen ze aan kwam schuimen. Op
+het dek tolden misschien nog een stuk of zes half-bedwelmde,
+half-verdronken stumperds rond, happend naar adem en wegkruipend naar
+waar het veilig was. Zij gingen overboord te gelijk met het wrakhout
+van de twee booten die er nog waren. Ik zelf en de andere parelkoopers
+slaagden er in, om tusschen stortzeeën door, ongeveer vijftien vrouwen
+en kinderen in de kajuit te krijgen, en gooiden den boel dicht. Veel
+plezier hebben de arme schepsels er ten slotte niet aan beleefd.
+
+Wind? Met al mijn ervaring had ik niet kunnen gelooven dat
+wind zóó sterk kon zijn. Ik behoef niet te probeer en het te
+beschrijven. Hoe kan men een nachtmerrie beschrijven? En die wind
+was een nachtmerrie. Hij scheurde de kleeren van onze lichamen. Ik
+zeg, _hij scheurde ze er af_, en ik meen het. Ik vraag niemand het
+te gelooven. Ik vertel alleen maar iets dat ik zelf gezien heb. Er
+zijn oogenblikken dat ik het zelf niet geloof. Ik ben er doorheen
+geworsteld, en dat is voldoende. Men kon dien wind niet levend het
+hoofd bieden. Het was iets monsterachtigs, en het meest monsterachtige
+er van was dat hij toenam en steeds doorging met toenemen.
+
+Stel u voor ontelbare millioenen tonnen zand. Stel u voor dat dat
+zand voortvliegt met een vaart van negentig, honderd, honderdtwintig,
+zooveel mijlen als u maar wilt per uur. Stel u verder voor dat dat
+zand onzichtbaar is, ontastbaar, en dat het toch al de zwaarte en de
+dichtheid van zand behoudt. Wanneer men zich dat alles voorstelt kan
+men zich een vaag idee vormen van de kracht van dien wind.
+
+Misschien is zand geen goede vergelijking. Beschouw het als
+modder, onzichtbaar, ontastbaar, maar zwaar als modder. Het is
+nog erger. Beschouw iedere molecule lucht als een modderbank op
+zichzelf. Tracht u dan voor te stellen den druk van al die modderbanken
+te zamen.
+
+Neen; het gaat mijn krachten te boven. De taal mag in staat zijn om
+uitdrukking te geven aan de gewone vormen van het leven, maar het
+is niet mogelijk om er ook maar één van de vormen mee uit te drukken
+van een dergelijken ontzettenden stormwind. Ik had beter gedaan bij
+mijn oorspronkelijk plan te blijven en mij niet aan een beschrijving
+te wagen.
+
+Ik wil alleen maar dit zeggen: de zee, die eerst hoog en hol was
+geworden, werd nu neergeslagen door dien wind. Meer: het leek alsof
+de heele oceaan opgezogen was in den mond van den wervelstorm en
+werd voortgespoten door dat gedeelte van de ruimte waar eerst lucht
+was geweest.
+
+Natuurlijk waren onze zeilen al lang weg. Maar kapitein Oudouse
+had iets op de _Petite Jeanne_ dat ik nooit eerder had gezien
+aan boord van een Zuidzee-schoener--een drijfanker. Het was een
+kegelvormige zeildoeksche zak, waarvan de mond werd opengehouden door
+een reusachtigen ijzeren hoepel. Het drijfanker was ongeveer op de
+manier van een vlieger vastgemaakt, en het beet in het water zooals een
+vlieger bijt in de lucht, maar met een verschil. Het drijfanker bleef
+juist onder de oppervlakte van de zee, rechtstandig, met de opening
+naar beneden. Een lange lijn verbond het weer met den schoener. Het
+resultaat was dat de _Petite Jeanne_ met den kop op den wind lag en
+op het beetje zee dat er stond.
+
+De toestand zou werkelijk gunstig zijn geweest, als wij niet op
+den weg van den cycloon hadden gelegen. Het is waar, de wind zelf
+scheurde onze zeilen uit de seizings, rukte onze stengen omlaag, en
+maakte een ravage van ons loopend want, maar wij zouden er toch nog
+mooi doorheen zijn gekomen, als wij niet precies in den koers van
+het naderend middelpunt van den cycloon hadden gelegen. Dat maakte
+er een eind aan. Ik verkeerde in een toestand van half-bewustelooze
+verdooving en verlamming, door het voortdurend weerstand bieden aan
+den ontzettenden luchtdruk, en ik geloof dat ik er juist over dacht
+het op te geven en dood te gaan, toen het middelpunt ons trof. De klap
+dien wij kregen was een volkomen windstilte. Er was geen zuchtje. Het
+was een afschuwelijke gewaarwoording.
+
+Vergeet niet, dat onze spieren uren lang in geweldige spanning waren
+geweest, om den druk van dien storm te weerstaan. En toen, ineens,
+werd de druk weggenomen. Ik weet wel dat ik een gevoel kreeg alsof
+ik plotseling uitzette, alsof ik uit elkaar zou vliegen in alle
+richtingen. Het leek alsof iedere atoom van mijn lichaam iederen
+anderen atoom afstootte en op het punt stond om onweerhoudbaar
+de ruimte in te vliegen. Maar dat duurde niet langer dan een
+oogenblik. Wij waren gedoemd tot vernietiging.
+
+Toen de winddruk er niet meer was, werd de zee hol. Het water rees,
+sprong, spoot omhoog, recht naar de wolken. Vergeet niet dat die
+onberekenbare wind uit alle streken van het kompas blies naar het
+windstille middelpunt. Het resultaat was dat de zeeën omhoog sprongen
+uit alle streken van het kompas. Er was geen wind om hen in bedwang
+te houden. Zij schoten omhoog als kurken die losgelaten worden op den
+boden van een emmer water. Er was geen regelmaat, geen systeem in. Het
+waren krankzinnige, monsterachtig holle golven. Zij waren tachtig
+voet hoog op zijn minst. Het waren heelemaal geen golven meer. Geen
+mensch had ooit een golf gezien die was zooals deze waterbergen. Het
+waren fonteinen, zware, geweldige fonteinen. Fonteinen die tachtig
+voet hoog sprongen. Tachtig! Zij waren hooger dan tachtig. Zij
+gingen boven onze masttoppen uit. Het waren reusachtige watervallen,
+uitbarstingen van water. Zij waren als dronken. Zij vielen overal,
+op alle mogelijke manieren.
+
+Zij botsten en stootten op elkaar; ze spoten tegen elkaar in en
+vielen over elkaar heen, of stoven uiteen als duizend watervallen
+tegelijk. Het was een zee zooals geen mensch zich ooit gedroomd
+had, dat middelpunt van dien wervelstorm. Het was driemaal verwarde
+verwarring. Het was anarchie. Het was een hel-kuil van dol geworden
+zeewater.
+
+De _Petite Jeanne_? Ik weet het niet. De heiden vertelde mij later dat
+hij het ook niet wist. Het schip werd letterlijk uit elkaar gerukt,
+wijd open gescheurd, tot moes geslagen, tot kachelhout gebeukt, totaal
+vernietigd. Toen ik bijkwam, lag ik in het water, automatisch zwemmend,
+hoewel ik ongeveer voor twee derden verdronken was. Hoe ik daar kwam,
+ik heb er geen idee van. Ik herinner mij nog dat ik de _Petite Jeanne_
+in stukken zag vliegen op het oogenblik dat mijn eigen bewustzijn uit
+mij gebeukt moet zijn. Maar daar zat ik, en er bleef mij niets over
+dan te doen wat ik kon, en dat was een hopeloos klein beetje. De wind
+blies weer, er stond veel minder zee en de golven waren regelmatiger,
+en ik wist dat ik het middelpunt van den orkaan voorbij was. Gelukkig
+waren er geen haaien in de buurt. De storm had de vraatzuchtige
+bende verspreid, die het doodenschip omgeven en zich met de lijken
+gevoed had.
+
+Het was ongeveer twaalf uur 's middags toen de _Petite Jeanne_ uit
+elkaar vloog, en het zal zoowat twee uur later zijn geweest dat ik een
+van haar luiken oppikte. Er viel een dichte regen op dat oogenblik,
+en het was een puur toeval dat mij en het luik te zamen wierp. Aan het
+hennepen handvat hing een kort eindje touw dat in het water dreef, en
+ik wist dat ik voor een dag veilig was, tenminste als de haaien niet
+terugkwamen. Ik bleef dicht bij het luik, hield mijn oogen dicht,
+en concentreerde mijn heele wezen op de taak zoo veel lucht in te
+ademen dat ik in het leven bleef, en tevens te vermijden zoo veel
+water in te ademen dat ik verdronk. Drie uren later, misschien een
+beetje langer, meende ik stemmen te hooren. De regen was opgehouden
+en zee en wind minderden verwonderlijk snel. Geen twintig voet verder,
+op een ander luik, zag ik kapitein Oudouse en den heiden. Zij vochten
+om het bezit van het luik--de Franschman tenminste.
+
+"Païen noir!" hoorde ik hem schreeuwen, en tegelijkertijd zag ik hem
+den Kanaka schoppen.
+
+Nu was kapitein Oudouse al zijn kleeren kwijt behalve zijn schoenen,
+en het waren zware trappers. De schop kwam leelijk aan, want hij trof
+den heiden op zijn mond en op de punt van zijn kin, en sloeg hem half
+bewusteloos. Ik verwachtte dat hij terug zou slaan, maar hij stelde
+zich tevreden met mistroostig om het luik heen te zwemmen op een
+veilige tien voet afstand. Telkens als een zee hem dichter bij wierp,
+schopte de Franschman naar hem met zijn twee voeten, zich met zijn
+handen vasthoudend aan het luik. Ook maakte hij bij het toedienen
+van iederen schop den Kanaka voor een zwarten heiden uit.
+
+"'t Is me de moeite waard om bij je te komen en je te verzuipen,
+jou blank beest!" gilde ik.
+
+De eenige reden waarom ik niet ging was dat ik mij te moe
+voelde. Alleen de gedachte aan zwemmen maakte me al ziek. Dus riep
+ik den Kanaka toe bij mij te komen, en deelde verder mijn luik met hem.
+
+Hij vertelde mij dat hij Otoo heette (uitgesproken O--to--o); ook
+vertelde hij me dat hij thuis hoorde op Bora-Bora, het meest westelijke
+van de Gezelschaps-eilanden. Zooals ik later hoorde, had hij het luik
+het eerst gevonden, en toen hij na een tijdje kapitein Oudouse zag,
+had hij aangeboden het samen met hem te deelen, en was er toen af
+geschopt voor zijn moeite.
+
+En dat was hoe Otoo en ik het eerst samen kwamen. Hij was vredelievend
+van natuur. Hij was één en al zachtheid en teederheid, een mensch
+van liefde, ofschoon hij bijna zes voet lang was en gespierd als een
+gladiator. Geen vechtersbaas was hij, maar ook geen lafaard. Hij
+had het hart van een leeuw, en in de jaren die volgden heb ik hem
+kansen zien wagen waar ik zelf niet over gedacht zou hebben. Wat ik
+bedoel is, dat, hoewel hij zacht van aard was en altijd vermeed een
+vechtpartij te beginnen, hij nooit weg liep van de herrie wanneer die
+eenmaal begonnen was. En het was "pas op voor ondiepten" als Otoo
+eenmaal in actie kwam. Ik zal nooit vergeten wat hij met Bill King
+deed. Het gebeurde op Duitsch Samoa. Bill King stond bekend als de
+kampioen zwaar gewicht van de Amerikaansche vloot. Het was een groot
+beest van een kerel, een echte gorilla, een van die ruwe, hardhandige
+gasten die er altijd onbarmhartig op los slaan, en hij was handig met
+zijn vuisten ook. Hij begon de ruzie, en hij schopte Otoo twee keer en
+sloeg hem ééns voor dat Otoo het noodig oordeelde te vechten. Ik geloof
+niet dat het vier minuten duurde, aan het eind van welk tijdsverloop
+Bill King de ongelukkige bezitter was van vier gebroken ribben, een
+gebroken onderarm, en een ontwricht schouderblad. Otoo wist niets
+van wetenschappelijk boksen. Hij kon alleen maar iemand aftuigen;
+en Bill King had zooiets als drie maanden noodig om te herstellen
+van het pak slaag dat hij dien middag kreeg op het strand van Apia.
+
+Maar ik loop vooruit op mijn verhaal. Wij deelden het luik met
+elkaar. Wij wisselden elkaar af: de een lag languit op het luik en
+rustte uit, terwijl de ander, tot aan zijn nek in het water, zich
+alleen maar vasthield met zijn handen. Twee dagen en twee nachten,
+beurt om beurt op het luik en in de zee, dreven wij over den oceaan. Op
+het laatst was ik meestal ijlende; en er waren oogenblikken dat ik
+ook Otoo hoorde ijlen en dazen in zijn inlandsch dialect. Doordat
+wij voortdurend in het water waren, konden we niet sterven van dorst,
+maar de combinatie van zeewater en zonneschijn maakte onze huid zoo
+verbrand en verpekeld als men het zich maar denken kan.
+
+Ten slotte werd mijn leven gered door Otoo; want toen ik bijkwam lag
+ik op het strand op twintig voet afstand van het water, en beschut
+voor de zon door een paar kokospalmbladeren. Niemand anders dan Otoo
+kon mij daar heen gesleept en de schaduw-gevende bladeren in den grond
+gestoken hebben. Hij lag naast mij. Ik zakte weer weg, en toen ik voor
+den tweeden keer bij kwam, was het koele nacht, en de sterren stonden
+boven mij, en Otoo drukte een jonge kokosnoot tegen mijn lippen.
+
+Wij waren de eenige overlevenden van de _Petite Jeanne_. Kapitein
+Oudouse moet door uitputting bezweken zijn, want verscheiden dagen
+later dreef zijn luik zonder hem aan land. Otoo en ik woonden een week
+lang bij de inlanders op de atol; toen werden wij opgepikt door den
+Franschen kruiser en naar Tahiti gebracht. Maar in dien tijd hadden
+wij plechtig onze namen verwisseld. In de Zuidzee bindt die ceremonie
+twee mannen nog sterker aan elkaar dan bloedbroederschap. Het plan
+ging van mij uit, en Otoo was in verrukking toen ik het voorstelde.
+
+"Het is goed", zei hij in het Tahiti'sch. "Want wij zijn twee dagen
+lang kameraden geweest op de lippen van den Dood."
+
+"Maar de Dood stotterde", glimlachte ik.
+
+"Het was een dappere daad, meester", zei hij weer, "en de Dood was
+niet gemeen genoeg om te spreken."
+
+"Waarom zeg je toch meester tegen mij?" vroeg ik, een beetje
+geraakt. "Wij hebben onze namen geruild. Voor jou ben ik Otoo. Voor
+mij ben jij Charley. En voor ons tweeën zal jij, altijd en altijd,
+Charley zijn en ik Otoo. Het is zoo de gewoonte. En als wij sterven,
+en misschien een nieuw leven beginnen boven de sterren en de lucht,
+zal jij nog altijd Charley voor mij zijn en ik Otoo voor jou."
+
+"Ja, meester", antwoordde hij, zijn oogen zacht en lichtend van
+vreugde.
+
+"Daar doe je het weer!" riep ik boos.
+
+"Wat doet het er toe wat mijn lippen zeggen?" betoogde hij. "Dat zijn
+mijn lippen maar. Maar ik zal altijd Otoo denken. Telkens als ik aan
+mij zelf denk, zal ik aan u denken. Telkens als de menschen mij bij
+mijn naam noemen zal ik aan u denken. En boven de lucht en boven de
+sterren, altijd en voor eeuwig, zult u Otoo voor mij zijn. Is het
+goed, meester?"
+
+Ik verborg mijn glimlach, en antwoordde dat het goed was.
+
+Wij scheidden in Papeete. Ik bleef aan wal om op krachten te komen; en
+hij ging verder op een kotter naar zijn eigen eiland, Bora-Bora. Zes
+weken later was hij terug. Ik wist niet wat ik zag, want hij had
+mij verteld van zijn vrouw, en gezegd dat hij naar haar terugging,
+en het varen op verre reizen er aan zou geven.
+
+"Waar gaat u heen, meester?" vroeg hij, na de eerste begroeting.
+
+Ik haalde mijn schouders op. Het was een moeilijke vraag.
+
+"De heele wereld," was mijn antwoord,--"de heele wereld, de heele zee,
+en al de eilanden die in de zee liggen."
+
+"Ik ga met u mee", zei hij eenvoudig. "Mijn vrouw is dood."
+
+Ik heb nooit een broer gehad, maar te oordeelen naar wat ik gezien heb
+van broers van andere mannen, betwijfel ik of iemand wel ooit een broer
+had die voor hem was wat Otoo was voor mij. Hij was broer en vader
+en moeder tegelijk. En dit weet ik: ik was een beter en eerlijker
+man terwille van Otoo. Andere menschen konden mij weinig schelen,
+maar in Otoo's oogen moest ik goed leven. Om zijnentwil durfde ik
+mij niet bezoedelen. Hij maakte van mij zijn ideaal, en ik vrees dat
+hij mij hoofdzakelijk samenstelde uit zijn eigen liefde en vereering;
+en er zijn oogenblikken geweest, dat ik vlak voor den steilen afgrond
+van de hel stond, en den sprong gedaan zou hebben, als de gedachte
+aan Otoo mij niet weerhouden had. Zijn trots op mij kwam ook in mij
+zelf, tot dat het een van de groote regels van mijn gedragslijn werd,
+niets te doen dat dien trots kon beschamen.
+
+Natuurlijk merkte ik niet ineens wat zijn gevoelens voor mij waren. Hij
+oordeelde nooit, maakte nooit aanmerkingen, en heel langzaam begon
+ik de pijn te begrijpen die ik hem deed als ik ook maar iets minder
+was dan mijn allerbeste.
+
+Zeventien jaren lang zijn wij samen geweest; zeventien jaren lang
+stond hij naast mijn schouder; hij hield de wacht als ik sliep,
+verpleegde mij als ik koorts had of gewond was--ja, hij ving wonden
+voor mij op in onze gevechten. Hij monsterde met mij op dezelfde
+schepen, en samen zwierven we over de Zuidzee, van Hawaii tot
+Sydney Head, en van de Torres-straat tot de Galapagos. Wij vingen
+nikkers van de Nieuwe-Hebriden en de Linie-eilanden dwars door de
+Louisiaden, Nieuw-Britannië, Nieuw-Ierland, en Nieuw-Hannover, tot
+ver in het Westen. Drie keeren hebben wij schipbreuk geleden--in de
+Gilbert-eilanden, in de Santa-Cruz groep, en in de Fidzji's. En wij
+handelden en spaarden waar er maar een dollar te verdienen was met
+parels en parelschelpen, kopra, tripang, karetschildpad, en gestrande
+schepen.
+
+Het begon in Papeete, onmiddellijk na zijn verklaring dat hij met mij
+zou gaan naar al de zeeën en al de eilanden te midden daarvan. Er
+was in dien tijd een societeit in Papeete, waar de parelkooplui,
+handels-agenten, kapiteins en al het avonturierstuig dat er op
+de Zuidzee rondzwierf bijeenkwamen. Er werd zwaar gespeeld en
+zwaar gedronken, en ik ben bang dat ik de nachten langer maakte dan
+behoorlijk of normaal was. Onverschillig hoe laat ik uit de societeit
+kwam, Otoo stond daar te wachten om te zorgen dat ik veilig mijn
+huis bereikte.
+
+In het begin glimlachte ik er om, later mopperde ik; en eindelijk zei
+ik hem kortweg dat ik geen zuigeling was en geen verpleging noodig
+had. Daarna zag ik hem niet meer als ik uit de societeit kwam. Heel
+toevallig ontdekte ik, een paar weken later, dat hij mij nog steeds
+"thuisbracht". Hij hield zich schuil aan den overkant van de straat
+in de schaduw van de mango-boomen. Wat kon ik er aan doen? Ik weet
+alleen wat ik deed.
+
+Onwillekeurig begon ik beter op mijn tijd te passen. In natte en
+stormachtige nachten, als het plezier en de dwaasheid op zijn hoogst
+was, kwam steeds weer de gedachte bij mij op dat Otoo daar buiten
+onder de druipende mango's zijn sombere wacht hield. Waarachtig, hij
+maakte een beter mensch van mij. Toch was hij geen star dogmaticus. En
+hij wist niets van de gewone Christelijke moraal. Al de menschen
+op Bora-Bora waren Christenen; maar hij was een heiden, een grove
+materialist, die geloofde dat hij dood was als hij gestorven was. Hij
+geloofde alleen in eerlijkheid en oprechtheid. Kleine gemeenheden
+waren in zijn opvatting van moraal, bijna even erg als moedwillige
+doodslag; en ik geloof zeker dat hij een moordenaar meer respecteerde
+dan een man die zich aan kleine praktijken schuldig maakte.
+
+Wat mij zelf betreft, hij wilde niet dat ik iets deed wat mij kon
+schaden. Spelen was uitstekend. Hij was zelf een hartstochtelijk
+speler. Maar late uren, legde hij uit, waren slecht voor de
+gezondheid. Hij had mannen die niet voor zich zelf zorgden zien sterven
+aan de koorts. Hij was geen geheelonthouder, en een stevige borrel
+was hem hartelijk welkom als het nat werk was in de booten. Maar hij
+geloofde in drinken met mate. Hij had veel mannen gezien die verloopen
+waren of zelfs gedood door Schiedammer of Schotsche.
+
+Mijn welzijn lag Otoo dicht aan het hart. Hij dacht ver vooruit voor
+mij, overwoog mijn plannen, en maakte er meer werk van dan ik zelf. In
+het begin, toen ik me nog niet bewust was van het belang dat hij in
+mijn zaken stelde, moest hij mijn plannen raden; zooals bijvoorbeeld
+in Papeete, toen ik er over dacht om met een niet al te betrouwbaar
+landsman van mij deelgenoot te worden in een guano-onderneming. Ik
+wist niet dat het een bedrieger was. En geen enkele blanke in Papeete
+wist dat. Otoo ook niet, maar hij zag hoe dik wij samen werden,
+en informeerde voor mij, en zonder dat ik het hem vroeg. Aan den
+zeekant van Tahiti zwerven inlandsche matrozen uit alle deelen van
+alle zeeën rond; en Otoo, die nog alleen maar achterdochtig was,
+mengde zich onder hen, en praatte met hen, tot dat hij voldoende
+gegevens had verzameld om zijn verdenking te rechtvaardigen. O, het
+was een mooie geschiedenis, die van Randolph Waters. Ik kon het niet
+gelooven toen Otoo het vertelde; maar toen ik het Waters onder zijn
+neus hield, gaf hij zich zonder een kik gewonnen en verdween met de
+eerste boot naar Auckland.
+
+In het begin, ik durf het gerust te bekennen, nam ik het Otoo kwalijk
+dat hij zijn neus in mijn zaken stak. Maar ik wist dat hij volmaakt
+onzelfzuchtig was; en al spoedig moest ik zijn verstand en zijn
+bescheidenheid erkennen. Zijn oogen waren altijd open voor mijn beste
+kans, en hij zag ver en scherp. Langzamerhand werd hij mijn raadsman,
+totdat hij meer verstand van mijn zaken had dan ik. Werkelijk,
+mijn belangen gingen hem meer ten harte dan mij zelf. Mij was de
+prachtige onverschilligheid van de jeugd, want ik verkoos romantiek
+boven dollars, en avonturen boven een gemakkelijk baantje met alle
+nachten een warm bed. Het was dus goed dat ik iemand had die voor
+mij uitkeek. Ik weet zeker dat ik nu niet meer zou bestaan als Otoo
+er niet geweest was.
+
+Laat mij één voorbeeld nemen uit de velen. Ik had al eenige
+ervaring in nikkervangen gehad vóórdat ik parels ging visschen in de
+Paoemotoe's. Otoo en ik scharrelden rond langs de wal op Samoa--wij
+waren echt aan lager wal, en stevig aan den grond--toen mijn kans
+kwam om als werver dienst te nemen op een brik die nikkers voer. Otoo
+monsterde vóór den mast; en in de volgende zes jaren zwierven wij, op
+even veel schepen, rond door de wildste gedeelten van Melanesië. Otoo
+zorgde dat hij altijd slag roeide in mijn boot. Onze gewoonte bij het
+werven van inlandsche koelies was den werver aan land te zetten op
+het strand. De boot die tot dekking diende lag een paar honderd voet
+uit de wal, rustend op de riemen, terwijl de boot van den werver,
+ook rustend op de riemen, drijvende werd gehouden aan den rand van
+het water, den steven naar zee gericht. Als ik met mijn ruil-artikelen
+landde, mijn stuurriem rechtop staan latend, verliet Otoo de roeibank
+en ging in den stuurstoel zitten, waar een Winchester verborgen lag
+onder een lap zeildoek. De bemanning van de boot was ook gewapend:
+de Snider-geweren lagen verborgen onder zeildoeksche lappen die langs
+de boorden van de boot liepen. Terwijl ik dan druk stond te betoogen
+en de kroesharige kannibalen trachtte te overreden om mee te gaan
+en te komen werken op de plantages van Queensland, hield Otoo de
+wacht. En telkens en telkens weer was het zijn stem die mij zachtjes
+waarschuwde voor verdachte handelingen en dreigend verraad. Soms ook
+was het snelle schot van zijn geweer dat een nikker overhoop sloeg de
+eerste waarschuwing die ik kreeg. En in mijn ren naar de boot was zijn
+hand altijd klaar om mij in vliegende vaart aan boord te trekken. Eens,
+herinner ik me, op Santa Anna, liep onze boot aan den grond juist toen
+de herrie begon. De boot die ons dekte kwam aanstuiven om te helpen,
+maar de honderden wilden zouden ons al vermoord hebben vóór dat de
+anderen er waren. Otoo vloog met een geweldigen sprong aan wal,
+groef zijn twee handen in de ruil-artikelen, en strooide tabak,
+kralen, tomahawks, messen, en calico in alle richtingen.
+
+Dat was te veel om te kroeskoppen. Terwijl ze grabbelden naar de
+schatten, werd de boot vrij geschoven, en wij waren aan boord en
+veertig voet in zee. En ik kreeg dertig koelies van datzelfde dorp
+in de vier uren die volgden.
+
+Maar de geschiedenis waar ik eigenlijk aan dacht, speelde op Malaita,
+het meest barbaarsche eiland in de oostelijke Salomon's. De inlanders
+waren merkwaardig vriendschappelijk geweest; en hoe konden wij weten
+dat het heele dorp twee jaren lang een collecte had gehouden om met
+de opbrengst het hoofd van een blanke te koopen. De schooiers zijn
+koppensnellers van den eerste tot den laatste, en ze stellen vooral
+veel prijs op het hoofd van een blanke. Wie het hoofd bemachtigde zou
+de heele collecte krijgen. Zooals ik zei, ze leken erg vriendelijk;
+en op dezen dag was ik zeker honderd meter van de boot weg gegaan,
+het strand op. Otoo had mij gezegd voorzichtig te zijn; en, zooals
+gewoonlijk wanneer ik me niet aan hem stoorde, ging het mis.
+
+Het eerste wat ik merkte was een wolk van speren die van uit het
+mangrove-moeras op mij afzeilde. Minstens twaalf staken er in mijn
+lichaam. Ik zette het op een loopen, maar struikelde over een speer die
+in mijn kuit vast zat, en ging tegen den grond. De kroeskoppen vlogen
+op mij af, allen gewapend met een langen tweesnijdenden tomahawk om er
+mijn hoofd mee af te hakken. Zij waren zóó begeerig naar den prijs, dat
+ze elkaar in den weg liepen. In de verwarring vermeed ik verschillende
+slagen door mezelf naar links en rechts in het zand te gooien.
+
+Toen kwam Otoo--Otoo de aftuiger. Op de een of andere manier had
+hij een zware oorlogsknots te pakken gekregen, en in een handgemeen
+had dat wapen veel meer uitwerking dan een geweer. Hij zat midden in
+de wilden, zoodat ze hem met hun speren niets konden doen, terwijl
+hun tomahawks minder dan waardeloos leken. Hij vocht voor mij, en
+hij was in een echte Berserker-woede. De handigheid waarmee hij de
+knots hanteerde was verwonderlijk. Hun schedels spatten uit elkaar
+als overrijpe sinaasappelen. Pas toen hij hen had teruggedreven en
+met mij in zijn armen wegliep, kreeg hij zijn eerste wonden. Hij
+kwam in de boot met vier speren in zijn rug, greep zijn Winchester,
+en schoot met ieder schot een nikker overhoop. Toen roeiden we naar
+den schoener en verzorgden onze wonden.
+
+Zeventien jaren zijn wij samen geweest. Hij heeft mij gemaakt. Ik zou
+op het oogenblik ladingmeester zijn, of werver, of een herinnering,
+als hij er niet geweest was.
+
+"U geeft uw geld uit, en dan gaat u weg en haalt nieuw geld," zei
+hij op een dag. "Het is nu gemakkelijk om geld te krijgen. Maar
+wanneer u oud wordt, zal uw geld op zijn, en u zult niet meer in
+staat zijn om nieuw te gaan halen. Ik weet het, meester. Ik heb de
+blanken bestudeerd. Langs den zeekant van de eilanden heb ik veel
+oude mannen gezien die eens jong waren, en die geld konden krijgen
+net als u. Nu zijn ze oud, en ze hebben niets, en ze loopen rond en
+wachten tot de jonge mannen zooals u komen en borrels voor hen koopen.
+
+"Het zwartje is slaaf op de plantages. Hij krijgt twintig dollar in
+het jaar. Hij werkt hard. De opzichter werkt niet hard. Hij rijdt op
+een paard en kijkt toe hoe het zwartje werkt. Hij krijgt twaalfhonderd
+dollar in het jaar. Ik ben matroos op den schoener. Ik krijg vijftien
+dollar in de maand. Dat is omdat ik een goed matroos ben. Ik werk
+hard. De kapitein heeft een dubbele dektent, en drinkt bier uit lange
+flesschen. Ik heb hem nooit aan een touw zien hijschen of aan een
+riem zien trekken. Hij krijgt honderdvijftig dollar in de maand. Ik
+ben matroos. Hij is zeevaarder. Meester, ik geloof dat het goed voor
+u zou zijn om navigatie te kennen."
+
+Otoo zette mij er toe aan. Hij voer met mij als tweede stuurman op
+mijn eersten schoener, en hij was veel trotscher op mijn commando
+dan ik zelf. Later was het weer:
+
+"De kapitein wordt goed betaald, meester; maar hij moet altijd op
+het schip letten, en hij is nooit vrij van dien last. De reeder wordt
+beter betaald--de reeder, die aan den wal zit met veel bedienden en
+zijn rijksdaalders omdraait."
+
+"Allemaal waar, maar een schoener kost vijfduizend dollar, en dan
+heb je nog maar een ouden," wierp ik tegen. "Ik zou een oud man zijn
+vóórdat ik vijfduizend dollar had overgespaard."
+
+"Er zijn korte wegen om aan geld te komen voor de blanken", ging hij
+door, wijzend naar het met kokospalmen begroeide strand. Wij waren
+op dat oogenblik in de Salomon's, bezig ivoornoten te laden langs de
+oostkust van Goeadalcanar.
+
+"De afstand tusschen dezen riviermond en den volgenden is twee
+mijlen" zei hij. "Het vlakke land loopt ver naar binnen. Het is nu
+niets waard. Het volgend jaar--wie weet? of het jaar daarna, zullen
+er menschen zijn die veel voor dat land betalen. De ankerplaats is
+uitstekend. Groote stoomschepen kunnen dicht bij het land liggen. U
+kunt het land vier mijlen diep koopen van het oude opperhoofd voor
+tienduizend stokken tabak, tien vierkante bottels, en een Snider,
+wat u misschien honderd dollar zal kosten. Dan deponeert u de akte
+bij den resident, en het volgend jaar, of het jaar daarna, verkoopt
+u het land en wordt eigenaar van een schip."
+
+Ik volgde zijn leiding, en zijn voorspelling kwam uit; alhoewel
+eerst na drie jaren in plaats van na twee. Toen kwam de zaak met
+de graslanden op Goeadalcanar--twintigduizend morgen huurde ik voor
+negenhonderd negen en negentig jaren van het gouvernement voor een
+miniem sommetje. Ik had de huur precies negentig dagen; toen deed ik
+ze over aan een maatschappij voor een half fortuin. Altijd was het
+Otoo die vooruit zag en het goede oogenblik uitkoos. Het bergen van
+de _Doncaster_ was zijn werk--ik kocht het wrak voor honderd pond
+in openbare veiling, en hield drieduizend over nadat alle onkosten
+betaald waren. Hij bracht mij in de plantage op Savaii en in de
+cacao-onderneming op Oepoloe.
+
+Wij maakten niet meer zooveel zeereizen als in de dagen van vroeger. Ik
+had het te goed. Ik trouwde, en mijn levensstandaard rees; maar Otoo
+bleef dezelfde Otoo van vroeger. Hij liep door het huis of slenterde
+door het kantoor met zijn houten pijp in zijn mond, een hemd van een
+shilling over zijn bovenlijf, en een lava-lava van vier shilling om
+zijn lendenen. Ik kon hem er niet toe krijgen geld uit te geven. De
+eenige manier om hem terug te betalen was met liefde, en de hemel
+weet dat hij dat kreeg, in overvloed, van ons allemaal. De kinderen
+vereerden hem, en als hij zich had laten verwennen, zou mijn vrouw
+zeker zijn verderf zijn gewest.
+
+De kinderen! Hij was in waarheid degene die hun den weg wees dien
+ze gaan moesten in het praktische leven. Hij begon met hen te leeren
+loopen. Hij waakte bij hen als ze ziek waren. Een voor een, toen ze
+nog nauwelijks hun beenen konden gebruiken, nam hij hen mee naar de
+lagune, en maakte amphibieën van hen. Van de gewoonten der visschen en
+de manieren om ze te vangen, leerde hij hen meer dan ik ooit geweten
+heb. In de bosschen ging het precies hetzelfde. Torn wist op zijn
+zevende jaar meer van jagen dan waarvan ik ooit gedroomd had. Mary liep
+op haar zesde zonder eenige aarzeling over de Gladde Rots, en ik heb
+sterke mannen daarvoor zien terugdeinzen. En toen Frank pas zes was
+geworden, kon hij shillings opduiken van den bodem in drie vadem water.
+
+"Mijn volk op Bora-Bora houdt niet van heidenen--het zijn daar allemaal
+Christenen; en ik houd niet van de Christenen van Bora-Bora," zei
+hij op een goeden dag, toen ik hem had trachten te overreden een
+bezoek te gaan brengen aan zijn eigen eiland met een van onze eigen
+schoeners. Het was mijn bedoeling hem over te halen om iets uit te
+geven van het geld dat rechtens het zijne was, en ik had van deze
+reis een record willen maken in het uitgeven van kolossale sommen.
+
+Ik zeg met een van _onze_ schoeners, ofschoon ze in dien tijd volgens
+de wet aan mij toebehoorden. Ik heb lang met hem moeten kibbelen
+vóórdat hij mijn compagnon wilde worden.
+
+"Wij zijn kameraden geweest vanaf den dag dat de _Petite Jeanne_
+gezonken is", zei hij eindelijk. "Maar als uw hart het begeert zullen
+wij ook volgens de wet kameraden worden. Ik heb geen werk te doen,
+en toch zijn mijn verteringen groot. Ik drink en eet en rook zooveel
+als ik wil--en dat kost veel, dat weet ik. Ik betaal niet voor
+mijn biljarten, want ik speel op uw biljart; maar het geld loopt
+ondertusschen. Visschen op het rif is een plezier dat alleen rijke
+menschen zich kunnen veroorloven. Het is vreeselijk zooveel als haken
+en lijnen kosten. Ja, het is noodig dat wij kameraden volgens de wet
+zijn. Ik heb het geld noodig. Ik zal het ontvangen van den eersten
+boekhouder op het kantoor."
+
+Dus werden de papieren in orde gemaakt en geteekend. Een jaar later
+was ik gedwongen aanmerkingen te maken.
+
+"Charley", zei ik, "je bent een gemeene bedrieger, een akelige krent,
+een ellendige landkrab. Hoor maar eens; je deel voor dit jaar in ons
+compagnonschap is duizenden en duizenden dollars geweest. De boekhouder
+heeft me dit papier gegeven. Daarin staat dat je in dit jaar precies
+zevenentachtig dollar en twintig cent er van af hebt genomen."
+
+"Heb ik nog wat te goed?" vroeg hij angstig.
+
+"Ik zeg je toch, duizenden en duizenden", antwoordde ik.
+
+Zijn gezicht klaarde op, als door een groote verlichting.
+
+"Het is goed", zei hij. "Zorg dat de boekhouder het goed beheert. Als
+ik het noodig heb, zal ik het ook noodig hebben, en dan mag er geen
+cent aan mankeeren."
+
+"Als er wat aan mankeert", voegde hij er fel bij, na een pauze,
+"moet het uit het loon van den boekhouder komen."
+
+En al dien tijd lag, zooals ik later merkte, zijn testament, dat mij
+tot eenig erfgenaam benoemde, opgemaakt door Carruthers, in de safe
+van den Amerikaanschen consul.
+
+Maar het eind kwam, zooals het eind moet komen aan alle menschelijke
+verhoudingen. Het gebeurde in de Salomon's, waar wij ons wildste
+werk hadden gedaan in onze wilde jonge dagen, en waar wij weer terug
+waren, hoofdzakelijk om wat vacantie te nemen, en ook om eens naar
+onze bezittingen op het eiland Florida te kijken, en te zien of er
+misschien een parelvisscherij begonnen kon worden bij den Mboli-pas.
+
+Wij lagen voor Savo, waar we binnengeloopen waren om curiositeiten
+te verzamelen.
+
+Savo nu leeft letterlijk van de haaien. De gewoonte van de kroeskoppen
+om hun dooden in de zee te begraven droeg er ook niet toe bij om
+de haaien af te schrikken, zoodat de omliggende wateren een ware
+verzamelplaats zijn. Het was mijn lot om naar boord te gaan in
+een kleine, veel te zwaar geladen, inlandsche kano, toen het ding
+omsloeg. Vier kroeskoppen en ik zelf zaten er in, of liever hingen
+er aan. Wij waren nog een honderd meter van den schoener af. Ik was
+juist bezig om een boot te roepen, toen een van de nikkers begon te
+schreeuwen. Hij hield zich vast aan het einde van de kano, en zoowel
+hij als dat gedeelte van het bootje werden een paar keer en onder
+water getrokken. Toen liet hij zijn greep los en verdween. Een haai
+had hem te pakken gekregen. De drie overblijvende nikkers trachtten
+uit het water te klimmen boven op de kano. Ik gilde en vloekte en
+sloeg met mijn vuist naar den nikker die het dichtst bij was, maar het
+gaf me niets. Hun angst was blind. De kano kon nauwelijks één van hen
+dragen. Onder het gewicht van drie nikkers schoot het ding overeind,
+rolde zijwaarts om, en gooide hen terug in het water.
+
+Ik liet de kano voor wat ze was en begon naar den schoener te zwemmen,
+in de hoop opgepikt te worden door de boot vóórdat ik daar aankwam. Een
+van de nikkers vond het beter met mij mee te gaan, en wij zwommen
+zwijgend verder, zij aan zij, nu en dan onze hoofden in het water
+stekend om rond te kijken naar haaien. Het gegil van den man die bij de
+kano was gebleven gaf ons de zekerheid dat hij gegrepen was. Ik keek
+juist in het water, toen ik een grooten haai vlak onder mij langs zag
+schieten. Hij was zeker zestien voet lang. Ik zag alles gebeuren. Hij
+nam den kroeskop bij zijn middel, en weg ging hij, de arme duivel,
+hoofd, schouders en armen nog steeds boven water, en gillend dat het
+mij door merg en been ging. Een paar honderd voet werd hij op die
+manier weggesleurd, toen verdween hij onder de oppervlakte.
+
+Ik zwom hardnekkig verder, in de hoop dat het de laatste haai was
+die nog niets te doen had. Maar er was er nog een. Misschien was hij
+het die straks den inlander al had aangevallen, misschien ook had hij
+ergens anders al een goeden maaltijd gehad, ik weet het niet. Maar in
+ieder geval was hij niet zoo gehaast als de anderen. Ik kon niet zoo
+vlug meer zwemmen, want een groot deel van mijn arbeidsvermogen werd
+verbruikt met hem op het spoor te blijven. Ik had hem in de peiling
+toen hij zijn eersten aanval deed. Ik was zoo gelukkig hem met mijn
+twee vuisten op zijn neus te stompen, en ofschoon zijn vaart mij bijna
+onder water trok, kon ik hem toch van mij afhouden. Hij zwaaide vrij,
+en begon weer rondom mij heen te zwemmen. Een tweeden keer ontsnapte
+ik door dezelfde manoeuvre. De derde stormloop was aan beide kanten
+mis. Hij week weg op hetzelfde oogenblik dat mijn handen hem bereikt
+zouden hebben, maar zijn schuurpapieren huid (ik had een hemd zonder
+mouwen aan) schraapte het vel van mijn eenen arm af van den elleboog
+tot den schouder.
+
+Toen het zoo ver was, begon ik uitgeput te raken, en gaf alle hoop
+op. De schoener was nog tweehonderd voet ver weg. Mijn gezicht was
+in het water, en ik volgde zijn manoeuvres voor een nieuwe poging,
+toen ik een bruin lichaam tusschen ons door zag schieten. Het was Otoo.
+
+"Zwem naar den schoener, meester!" zei hij. En hij sprak vroolijk,
+alsof de heele zaak maar een grapje was. "Ik ken de haaien. De haai
+is mijn broeder."
+
+Ik gehoorzaamde, en zwom langzaam verder, terwijl Otoo om mij heen
+bleef zwemmen. Hij hield zich steeds tusschen mij en den haai,
+verijdelde zijn aanvallen, en moedigde mij aan.
+
+"De david-talie is gebroken, en ze zijn bezig met de vallen," legde
+hij een paar minuten later uit, en dook toen weer onder om een nieuwen
+aanval af te slaan.
+
+Toen de schoener nog ongeveer dertig voet ver weg was, raakte het met
+mij gedaan. Ik kon mij nauwelijks meer bewegen. Ze gooiden voortdurend
+lijnen naar ons toe van boord, maar steeds vielen ze buiten ons
+bereik. De haai, die merkte dat hem geen kwaad geschiedde, begon
+brutaler te worden. Verschillende keeren had hij mij bijna te pakken,
+maar telkens was Otoo er juist vóór het te laat was. Natuurlijk had
+Otoo zich zelf ieder oogenblik kunnen redden.
+
+Maar hij bleef bij mij.
+
+"Dag Charley! Ik ben er geweest!" kon ik nog juist hijgen. Ik wist
+dat het eind gekomen was, en dat ik het volgend oogenblik mijn handen
+omhoog gooien en zinken zou.
+
+Maar Otoo lachte mij in mijn gezicht uit, en zei:
+
+"Ik zal u een nieuwe truc laten zien. Ik zal dien haai eens erg
+beroerd maken!"
+
+Hij kwam achter mij zwemmen, waar de haai zich klaar maakte om op
+mij af te komen.
+
+"Een beetje meer naar links!" riep hij even later. "Er ligt daar een
+lijn op het water. Naar links, meester, naar links!"
+
+Ik veranderde mijn koers en sloeg blindelings uit. Ik was toen zoo goed
+als bewusteloos. Toen mijn hand zich sloot om de lijn hoorde ik een
+uitroep van boord. Ik keerde mij om en keek rond. Er was geen spoor
+van Otoo. Het volgende oogenblik kwam hij aan de oppervlakte. Zijn
+twee handen waren er af bij de polsen, en de stompjes spoten bloed.
+
+"Otoo!" riep hij zacht. En in zijn oogen zag ik de liefde die trilde
+in zijn stem.
+
+Toen en toen alleen, in het laatste oogenblik van al onze jaren,
+noemde hij mij bij dien naam.
+
+"Dag Otoo!" riep hij.
+
+Toen werd hij onder water getrokken, en ik werd aan boord geheschen,
+waar ik flauw viel in de armen van den kapitein.
+
+En zoo ging Otoo weg, Otoo, die mij gered en een man van mij gemaakt
+had, en die ten slotte mijn leven redde. Wij ontmoetten elkaar in den
+muil van een orkaan en wij scheidden in den muil van een haai, en daar
+tusschen lagen zeventien jaren van kameraadschap zooals nog nooit twee
+mannen gekend hebben, de een bruin en de ander blank. Als Jehovah van
+zijn verheven zitplaats iedere mensch ziet vallen, dan zal zeker in
+zijn koninkrijk niet de minste zijn Otoo, de ééne heiden van Bora-Bora.
+
+
+
+
+DE VREESELIJKE EILANDEN.
+
+
+Het valt niet tegen te spreken dat de Salomon's een onguur zoodje
+eilanden zijn. Evenwel, er zijn kwader oorden op deze wereld. Maar
+voor den nieuweling die geen aangeboren begrip heeft van de menschen
+en van het leven in het algemeen, zullen de Salomon-eilanden werkelijk
+vreeselijk kunnen blijken.
+
+Het is waar, dat koorts en dysenterie er voortdurend rondwaren,
+dat walgelijke huidziekten er in overvloed voorkomen, dat de
+atmosfeer er verzadigd is met een vergif dat bijt in iedere porie,
+in elk schrammetje of wondje, en daar kwaadaardige gezwellen plant,
+en dat menige sterke kerel die daar aan den dood is ontsnapt,
+als een wrak terugkeert naar zijn eigen land. Het is ook waar,
+dat de inboorlingen van de Salomon's een woeste bende zijn, met
+een gezonden eetlust voor menschenvleesch en een zwak voor het
+verzamelen van menschenhoofden. Hun hoogste idee van sport is iemand
+van achteren aan te vallen en hem een hevigen slag met de tomahawk toe
+te brengen die den ruggegraat knakt bij de basis van de hersenen. Het
+is eveneens waar dat op sommige eilanden, zooals Malaita, de winst-
+en verlies-rekening van maatschappelijk aanzien berekend wordt in
+moorden. Hoofden zijn er een ruilmiddel, en hoofden van blanken zijn
+bijzonder veel waard. Heel dikwijls maken een dozijn dorpen een pot,
+dien ze maan na maan bijvullen, tegen den tijd dat de een of andere
+dappere krijger het hoofd van een blanke vertoont, versch en bloedig,
+en den pot opeischt.
+
+Al het voorgaande is volkomen waar, en toch zijn er blanken die meer
+dan twintig jaren in de Salomon's geleefd hebben, en die heimwee
+voelen wanneer ze er weg gaan. Een man moet alleen maar voorzichtig
+zijn--en geluk hebben--om lang te blijven leven in de Salomon's; maar
+hij moet ook van het goede soort zijn. Het kenmerkend stempel van het
+onvermijdelijke blanke ras moet gedrukt staan op zijn wezen. Hij moet
+onvermijdelijk zijn. Hij moet een zekere royale onverschilligheid
+hebben voor de kansen van het levensspel, een zekere kolossale
+zelfvoldaanheid, en een egoïsme van ras dat hem er van overtuigt dat
+één blanke meer waard is dan duizend nikkers iederen dag van de week,
+en dat hij op Zondag in staat is tweeduizend nikkers af te dekken. Want
+dat zijn de dingen die den blanke onvermijdelijk hebben gemaakt. O, en
+dan nog iets--de blanke die onvermijdelijk wil zijn, moet niet alleen
+de lagere rassen verachten en een groot idee van zichzelf hebben;
+hij mag ook geen last hebben van een teveel aan fantazie. Hij moet
+de instincten, gewoonten, en hersenprocessen van de zwarten en gelen
+en bruinen niet al te goed begrijpen; want het is niet op die manier
+dat het blanke ras zijn koninklijken weg over de wereld heeft gebaand.
+
+Bertie Arkwright was niet onvermijdelijk. Hij was te gevoelig, te fijn
+besnaard, en hij had te veel fantazie. Hij trok zich te veel van de
+wereld aan. Hij projecteerde zichzelf te levend, te gevoelig op zijn
+omgeving. Daarom waren de Salomon-eilanden de laatste plaats in de
+wereld waar hij heen moest gaan. Hij kwam ook niet met de bedoeling
+om er te blijven. Met een verblijf van vijf weken, tot de volgende
+boot kwam, zou, zoo besloot hij, de drang naar primitief leven die de
+snaren van zijn wezen deed trillen, wel bevredigd zijn. Tenminste,
+dat vertelde hij aan de dames-touristen op de _Makembo_, hoewel in
+andere termen; en zij vereerden hem als een held, want het waren
+dames-touristen en zij zouden alleen maar het veilige dek van het
+stoomschip kennen terwijl het zijn weg zocht door de Salomon's. Er
+was nog een man aan boord, waarvan de dames géén notitie namen. Het
+was een klein, verschrompeld mannetje, met een rimpelige huid die
+de kleur had van mahonie hout. Zijn naam op de passagierlijst doet
+hier niet ter zake, maar zijn andere naam, kapitein Maloe, was een
+naam waar de nikkers bij zwoeren, en waarmee men kinderen bang kon
+maken en tot rede brengen op ieder eiland van Nieuw-Hannover tot de
+Nieuwe Hebriden. Hij had barbaren en barbaarschheid geëxploiteerd,
+en uit koorts en ontbering, uit den knal van Sniders en de zweep van
+opzichters had hij vijf millioen dollar gewrongen, in den vorm van
+tripang, sandelhout, pareloesters en schildpad, kokosnoten en kopra,
+graslanden, ruil-stations en plantages. Er was meer onvermijdelijkheid
+in kapitein Maloe's pink, die gebroken was, dan in Bertie Arkwright's
+heele lichaam. Maar, de dames-touristen hadden niets om naar te
+oordeelen dan den uiterlijken schijn, en Bertie was zonder twijfel
+een flinke, knappe jongen.
+
+Bertie praatte eens met kapitein Maloe in den rooksalon, en bekende
+hem zijn plan om het leven in de Salomon's te zien, rood en bloedend,
+zooals het werkelijk was. Kapitein Maloe vond óók dat dat een loffelijk
+en prijzenswaardig streven was. Pas verscheiden dagen later begon
+hij meer belang te stellen in Bertie, toen die jeugdige avonturier
+er op aandrong hem een automatisch pistool, kaliber 44, te laten
+zien. Bertie legde uit hoe het werkte, en veraanschouwelijkte zijn
+onderricht door een houder met patronen in den hollen kolf te schuiven.
+
+"Het is zoo eenvoudig", zei hij. Hij schoof den buitensten loop
+langs den binnensten. "Daardoor wordt het geladen en gespannen,
+ziet u. En dan is alles wat ik te doen heb den trekker overhalen,
+acht keer, zoo gauw als ik mijn vinger maar kan bewegen. Ziet u
+die veiligheidsspan? Dat vind ik er zoo mooi van. Het is veilig. De
+grootste dwaas kan er mee omgaan." Hij liet den houder er weer uit
+glijden. "U ziet hoe veilig het is."
+
+Terwijl hij het in zijn hand hield, kwam de mond in de richting
+van kapitein Maloe's maag. Kapitein Maloe's blauwe oogen keken er
+onafgewend naar.
+
+"Zoudt u het misschien in een andere richting willen houden?" vroeg
+hij.
+
+"Het is absoluut veilig", verzekerde Bertie hem. "Ik heb den houder
+er uit gehaald. Het is heusch niet geladen nu."
+
+"Een vuurwapen is altijd geladen."
+
+"Maar dit niet."
+
+"Houdt u het toch maar in een andere richting."
+
+De stem van kapitein Maloe was laag en metaalachtig en zonder
+uitdrukking, maar zijn blikken wendden zich geen oogenblik af van
+den mond van het pistool, totdat de vizierlijn langs hem heen liep
+en van hem weg.
+
+"Ik verwed er een tientje onder dat het niet geladen is", daagde
+Bertie uit.
+
+De ander schudde zijn hoofd.
+
+"Dan zal ik het u laten zien."
+
+Bertie begon den loop naar zijn eigen hoofd te richten, met de
+klaarblijkelijke bedoeling om af te drukken.
+
+"Wacht u even", zei kapitein Maloe rustig, zijn hand uitstrekkend. "Mag
+ik het even zien?"
+
+Hij richtte het pistool naar zee en drukte af. Er volgde een zware
+ontploffing, tegelijk met den scherpen tik van het mechanisme dat
+een heete, rookende huls zijwaarts uitwierp, tegen het dek. Bertie
+liet zijn onderkaak hangen in stomme verbazing.
+
+"Ik heb den loop één keer terug geschoven, hè?" legde hij uit. "Het
+was stom van me, dat moet ik zeggen."
+
+Hij gichelde slapjes, en ging zitten in een dekstoel. Het bloed was
+weggeëbd uit zijn gezicht, en hij had ineens donkere kringen onder
+zijn oogen. Zijn handen beefden en waren niet in staat de trillende
+cigaret naar zijn lippen te brengen. Hij trok zich te veel van de
+wereld aan, en hij zag zich zelf al met druipende hersenen vóórover
+op het dek liggen.
+
+"Heusch," zei hij, "... heusch."
+
+"Het is een mooi wapen", zei kapitein Maloe, en gaf hem het pistool
+terug.
+
+De resident, die terugkwam van Sydney, was aan boord van de _Makembo_,
+en met zijn toestemming werd er gestopt bij Oegi om een zendeling
+aan land te zetten. En voor Oegi lag de kits _Arla_, schipper
+Hansen. Nu was de _Arla_ een van de vele schepen die kapitein
+Maloe in eigendom toebehoorden, en het was op zijn voorstel en
+op zijn uitnoodiging dat Bertie als gast aan boord van de _Arla_
+kwam, voor een wervingskruistocht van vier dagen langs de kust van
+Malaita. Daarna zou de _Arla_ hem ontschepen op de Reminge-plantage
+(ook eigendom van kapitein Maloe), waar Bertie een week zou blijven,
+om dan over te steken naar Toelagi, den zetel der regeering. Daar zou
+hij gast zijn van den resident. Kapitein Maloe had nog twee andere
+voorstellen op zijn geweten, en als die bekend zijn, verdwijnt hij uit
+deze geschiedenis. Eén was er gericht aan kapitein Hansen, het andere
+aan mijnheer Harriwell, den administrateur van de Reminge-plantage. Zij
+waren van gelijken aard, namelijk om mijnheer Bertram Arkwright een
+idee te geven van de ruwheid en rauwheid van het leven in de Salomon
+eilanden. Ook, zoo fluistert men, liet kapitein Maloe doorschemeren,
+dat er een kist Schotsche whisky verbonden zou zijn aan elk bijzonder
+grootsch idee dat mijnheer Arkwright van dat leven mocht krijgen.
+
+"Ja, Swartz was altijd een veel te groote stijfkop. Ziet u, hij
+nam vier zwartjes van zijn bemanning mee naar Toelagi om gegeeseld
+te worden--officieel, begrijpt u--en ging toen met hen terug in de
+sloep. Het was tamelijk vlagerig, en de boot sloeg om toen ze net
+buiten waren. Swartz was de eenige die verdronk. Natuurlijk was het
+een ongeluk."
+
+"Was het dat heusch?" vroeg Bertie, die maar half luisterde, en hevig
+zat te staren naar den zwarten man aan het stuurrad.
+
+Ze hadden Oegi achter zich gelaten, en de _Arla_ gleed door
+een zomersche zee naar de beboschte bergketens van Malaita. De
+roerganger die zulk een aantrekkingskracht uitoefende op Bertie's
+oogen verheugde zich in het bezit van een langen draadnagel, dien hij
+als een vleeschpen scheef door zijn neus gestoken had. Om zijn hals
+hing een snoer van broeksknoopen. In verschillende gaten in zijn ooren
+staken een blik-openmaker, het kapotte handvat van een tandenborstel,
+een aarden pijp, een koperen tandwieltje van een wekker, en verscheiden
+hulzen van Winchester-geweerpatronen.
+
+Op zijn borst hing, vastgebonden aan een touwtje om zijn nek, de helft
+van een porseleinen bord. Een goede veertig ongeveer op dezelfde wijze
+uitgedoste zwartjes lagen overal verspreid op het dek. Vijftien daarvan
+vormden de bemanning, de rest waren pas geworven inlandsche koelies.
+
+"Natuurlijk was het een ongeluk", deed de stuurman van de _Arla_
+zich hooren. Hij heette Jacobs, en was een tengere man met donkere
+oogen, die meer van een professor had dan van een zeeman. "Johnny
+Bedip heeft bijna hetzelfde ongeluk gehad. Hij bracht er verscheiden
+terug van een pak slaag toen ze hem lieten omslaan. Maar hij kon even
+goed zwemmen als zij, en er verdronken er twee van hen. Hij gebruikte
+een voetenplank en een revolver. Natuurlijk was het een ongeluk."
+
+"Heel gewoon, die ongelukken," merkte de schipper op. Ziet u dien man
+daar aan het roer, mijnheer Arkwright? Dat is een menscheneter. Zes
+maanden geleden hebben hij en de rest van de bemanning den toenmaligen
+kapitein van de _Arla_ verdronken. Ze deden het aan dek, mijnheer,
+hier op het achterschip, bij den overloop van de bezaan."
+
+"Het dek zag er verschrikkelijk uit", zei de stuurman.
+
+"Begrijp ik goed--?" begon Bertie.
+
+"Ja, precies", zei kapitein Hansen. "Hij is bij ongeluk verdronken."
+
+"Maar aan dek--?"
+
+"Precies. Ik wil u wel vertellen, in vertrouwen natuurlijk, dat ze
+een bijl gebruikten."
+
+"Deze bemanning die u nu heeft?"
+
+Kapitein Hansen knikte.
+
+"De andere schipper was altijd veel te onvoorzichtig", legde de
+stuurman uit. "Hij draaide zich alleen maar even om, toen zaten ze
+al boven op hem."
+
+"We hebben geen schijn van kans hier", was de klacht van den
+schipper. "Het gouvernement beschermt altijd de nikkers tegen de
+blanken. Je kunt niet het eerst schieten. Je moet de nikkers het
+eerste schot geven, en anders noemt het gouvernement het moord,
+en je gaat naar Fidzji. Daarom verdrinken er zooveel bij ongeluk."
+
+Men werd geroepen voor het eten, en Bertie en de schipper gingen naar
+beneden, den stuurman aan dek latend om de wacht te houden.
+
+"Houd een oogje op dien zwarten duivel, dien Aoeiki", was de laatste
+raad van den schipper. "Ik mag zijn tronie al een paar dagen lang
+niet."
+
+"All right," zei de stuurman.
+
+Het diner was al een heel eind gevorderd, en de schipper was midden
+in zijn verhaal van het buitmaken van de _Scottish Chiefs_.
+
+"Ja," zoo vertelde hij, "het was het mooiste schip op de kust. Maar
+toen ze niet door den wind wou, en nog voordat ze het rif geráákt had,
+kwamen de kano's er al op af. Er waren vijf blanken aan boord, en een
+bemanning van twintig zwartjes van Santa Cruz en Kanaka's van Samoa,
+en alleen de ladingmeester is ontsnapt. Bovendien waren er nog zestig
+inlandsche koelies. Ze zijn allemaal _gekai-kaid_. _Kai-kai?_--o,
+neemt u me niet kwalijk. Ik bedoel, ze werden opgegeten. Dan had je
+de _James Edwards_, een keurig-getuigde--."
+
+Maar op dat oogenblik klonk er een scherpe vloek van den stuurman aan
+dek en een koor van woeste kreten. Drie keer ging er een revolver
+af, toen hoorde men een luiden plons. Kapitein Hansen was direct
+de kajuitstrap op gesprongen, en Bertie's op avontuur beluste oogen
+werden even geboeid door een glimp van een blinkenden revolver dien
+de schipper trok terwijl hij sprong.
+
+Bertie ging omzichtiger naar boven, aarzelend vóór hij zijn hoofd
+boven de luikopening uitstak. Maar er gebeurde niets. De stuurman
+trilde van opwinding, zijn revolver in de hand. Eéns schokte hij op,
+en sprong een halven draai om, alsof er gevaar dreigde in zijn rug.
+
+"Een van de inlanders is overboord gevallen", zei hij met een vreemde,
+strakke stem. "Hij kon niet zwemmen."
+
+"Wie was het?" vroeg de schipper streng.
+
+"Aoeiki", was het antwoord.
+
+"Maar hoort u eens, ik geloof dat ik heb hooren schieten," zei Bertie
+bevend van nieuwsgierigheid, want hij speurde avonturen, en avonturen
+die gelukkig voorbij waren.
+
+De stuurman stoof op hem af, en snauwde:
+
+"Je liegt, verdomme! D'r is geen schot gelost. De nikker viel
+overboord."
+
+Kapitein Hansen keek Bertie aan met starende, glanslooze oogen.
+
+"Ik--ik dacht--" begon Bertie.
+
+"Schoten?" zei kapitein Hansen droomerig. "Schoten? Hebt u soms hooren
+schieten, mijnheer Jacobs?"
+
+"Geen schot gelost", antwoordde mijnheer Jacobs.
+
+De schipper keek zijn gast zegevierend aan en zei:
+
+"Blijkbaar een ongeluk. Laten we naar beneden gaan, mijnheer Arkwright,
+en verder af-eten."
+
+Bertie sliep dien nacht in de kajuit van den kapitein, een kleine
+hut naast de groote kajuit. De voorste wand was versierd met een rek
+geweren. Boven de kooi hingen nog drie geweren. Onder de kooi was een
+groote lade, die, toen hij ze uittrok, gevuld bleek met ammunitie,
+dynamiet, en verscheiden doozen slaghoedjes. Hij prefereerde de
+rustbank aan anderen kant. Op de kleine hangende tafel lag, goed
+zichtbaar, het journaal van de _Arla_. Bertie wist niet dat het
+speciaal voor deze gelegenheid was bewerkt door kapitein Maloe, en hij
+las er in hoe op 21 September twee leden van de bemanning overboord
+waren gevallen en verdronken. Bertie las tusschen de regels door,
+en wist wel beter. Hij las hoe de sloep van de _Arla_ bij Soe-oe
+was beschoten van uit de bosschen en drie man verloren had; hoe
+de schipper had ontdekt dat de kok menschenvleesch braadde op de
+kombuiskachel, vleesch dat door de bemanning gekocht was in Foei;
+hoe, bij het seinen, een ander matroos was gedood door een toevallige
+ontploffing van het dynamiet; hij las van nachtelijke aanvallen;
+havens waaruit men met de noorderzon was weggevlucht; aanvallen door
+boschbewoners in mangrove-moerassen en door vloten van kustbewoners in
+de grootere doorvaarten. Een geval dat eentonig dikwijls terugkeerde
+was overlijden aan dysenterie. Hij merkte met ontzetting dat twee
+blanken daaraan gestorven waren, gasten op de _Arla_, zooals hij zelf.
+
+"Zeg, hoort u eens", zei Bertie den volgenden dag tegen kapitein
+Hansen. "Ik heb uw journaal eens doorgekeken."
+
+De schipper bleek hoogst ontstemd dat het journaal was blijven
+slingeren.
+
+"En al die dysenterie, ziet u, dat is allemaal larie, net als dat
+bij ongeluk verdrinken," ging Bertie door. "Wat beteekend dysenterie
+_eigenlijk_?"
+
+De schipper toonde onverholen bewondering om de scherpzinnigheid van
+zijn gast, werd toen stug en ontkende verontwaardigd, maar gaf zich
+ten slotte gracelijk gewonnen.
+
+"Kijkt u eens hier, mijnheer Arkwright, dat zit'm zoo. De reputatie
+van deze eilanden is al erg genoeg op zichzelf. Iedere dag wordt het
+moeilijker om blanken aan te monsteren. Stel dat er iemand vermoord
+wordt. De maatschappij moet dan zwaar betalen voor een ander die het
+baantje overneemt. Maar als er iemand gewoon dood gaat aan de een of
+andere ziekte, och, dan is de zaak in orde. De nieuwelingen geven niet
+om ziekte. Vermoord worden, daar hebben ze het land aan. Ik dacht dat
+de schipper van de _Arla_ aan dysenterie gestorven was, toen ik zijn
+baantje vernam. Toen was het te laat. Ik had het contract geteekend."
+
+"Bovendien," zei mijnheer Jacobs, "d'r zijn er over 't algemeen veel
+te veel die bij ongeluk verdrinken. Dat lijkt niet pluis. Het is de
+schuld van het gouvernement. Een blanke krijgt de kans niet om zich
+tegen de nikkers te verdedigen."
+
+"Ja, kijk maar eens naar de _Princess_ en dien Yankee stuurman",
+nam de schipper het verhaal op. "Het schip voer vijf blanken en nog
+een gouvernements-agent. De kapitein, de agent, en de ladingmeester
+waren aan wal in de twee booten. Ze werden tot den laatste toe
+doodgeslagen. De stuurman en de bootsman met zoowat vijftien matrozen,
+lui van Tongga en Samoa, waren aan boord. Een troep nikkers kwam er
+aan, van de wal. Toen de stuurman begon te snappen wat er aan de hand
+was, waren de bootsman en de matrozen al doodgeslagen, bij den eersten
+aanval. Hij graaide drie patroongordels en twee Winchesters en smeerde
+'m het want in. Hij was de eenige die het geval overleefde, en je zult
+hem niet laste kunnen leggen dat hij gek was. Hij pompte een geweer
+tot het zóó warm was dat hij het niet meer kon vasthouden, en toen
+pompte hij het andere. Het dek was zwart van de nikkers. Hij roeide ze
+uit. Hij schoot ze neer terwijl ze over de verschansing klommen, en
+zoo gauw namen ze hun pagaaien niet op of hij had ze te grazen. Toen
+sprongen ze in het water en probeerden zwemmende hun huid te bergen,
+en omdat hij razend was deed hij er nog een half dozijn bij. En wat
+heeft hij ervoor gekregen?"
+
+"Zeven jaar in Fidzji", beet de stuurman.
+
+"Het gouvernement zei dat hij geen recht had om te schieten toen ze
+eenmaal in het water waren", legde de schipper uit.
+
+"En daarom gaan ze tegenwoordig dood aan dysenterie", voegde de
+stuurman er bij.
+
+"Stel je voor", zei Bertie, en hij werd zich bewust van een verlangen
+naar het einde van den tocht.
+
+Later op den dag ondervroeg hij den zwarte die hem aangewezen was
+als een menscheneter. Deze mijnheer heette Soemasai. Hij had drie
+jaar doorgebracht op een plantage in Queensland. Hij was geweest
+in Samoa, en Fidzji, en Sydney; en als matroos had hij gevaren
+op wervingsschoeners door heel Nieuw-Britannië, Nieuw-Ierland,
+Nieuw-Guinea, en de Admiraliteits-eilanden. Ook was hij een guit,
+en hij had een voorbeeld genomen aan het gedrag van zijn schipper. O
+ja, hij had heel wat menschen opgegeten. Hoeveel? Hij kon het niet
+zeggen. Ja, ook blanken; ze smaakten uitstekend, behalve als ze ziek
+waren. Hij had één keer een zieken opgegeten.
+
+"Mijn woord!" riep hij uit bij die herinnering. "Mij ziek veel bij
+hem. Mij buik loop rond te veel."
+
+Bertie rilde, en vroeg inlichtingen over hoofden. Ja, Soemasai had
+er verscheiden, verstopt aan de wal, in uitstekenden staat, in de zon
+gedroogd, en boven het vuur gerookt. Eén was er van den kapitein van
+een schoener. Het had lange bakkebaarden. Hij wilde het verkoopen voor
+twee pond. Hoofden van zwarten wou hij voor één pond verkoopen. Hij
+had ook nog wel een paar kinderhoofden, maar die waren niet goed
+geconserveerd, en hij wilde ze hem overlaten voor tien shilling.
+
+Vijftien minuten later merkte Bertie dat hij op het luik van
+de kajuitstrap zat langszij van een zwartje met een vreeselijke
+huidziekte. Hij vloog weg, en op zijn vraag vernam hij dat het
+melaatschheid was. Hij haastte zich naar beneden, en waschte zich
+met antiseptische zeep. Hij waschte zich dikwijls antiseptisch in
+den loop van dien dag, want iedere inlander aan boord was lijdende
+aan het een of ander kwaadaardig gezwel.
+
+Toen de _Arla_ voor anker kwam te midden van mangrove-moerassen was
+er boven de verschansing een dubbele versperring van prikkeldraad
+gespannen die om het heele schip liep. Dat leek alsof het meenens
+zou worden, en toen Bertie de kano's van den wal langszij zag komen,
+bewapend met speren, bogen, pijlen en Sniders verlangde hij serieuzer
+dan ooit naar het eind van de reis.
+
+Dien avond bleven de inlanders lang treuzelen vóórdat ze het schip
+verlieten. Enkelen van hen jouwden den stuurman uit toen hij hen
+beval aan land te gaan.
+
+"Hindert niet, ik zal ze wel," zei kapitein Hansen, naar beneden
+duikend.
+
+Toen hij terug kwam liet hij Bertie een staaf dynamiet zien met
+een vischhaak er aan. Nu kan een leege chlorodyne-flesch die in een
+papier is gewikkeld en waar een onschadelijke lont uitsteekt iedereen
+misleiden. Het misleidde Bertie en het misleidde de inlanders. Toen
+kapitein Hansen de lont aanstak en den vischhaak in den lendendoek
+van een van de inlanders sloeg, werd die inlander overvallen door
+een zóó hevig verlangen naar het vaste land, dat hij vergat zijn
+lendendoek te laten afglijden. Hij vloog naar voren. De lont knetterde
+en siste achter hem aan, en bij iederen sprong dien hij maakte namen
+de nikkers bij dozijnen hun duik over het prikkeldraad. Bertie stond
+verlamd van schrik. Kapitein Hansen ook. Hij had niet gedacht aan
+zijn vijfentwintig koelies voor ieder waarvan hij dertig shilling
+vooruit betaald had. Ze sprongen samen met de bewoners van het eiland
+overboord, gevolg door den man die de sissende chlorodyne-flesch
+achter zich aan sleepte.
+
+Bertie zag de flesch niet springen; maar de stuurman liet op het juiste
+moment een staaf echt dynamiet ontploffen, op het achterschip, waar
+het niemand kwaad kon doen; en Bertie zou in ieder Admiraliteits-Hof
+gezworen hebben dat er een nikker aan flarden gevlogen was.
+
+De vlucht van de vijfentwintig koelies had de _Arla_ veertig pond
+gekost, en aangezien ze hun heil in de bosschen hadden gezocht,
+was er geen hoop meer om hen nog terug te krijgen. De schipper en
+zijn stuurman wisten niet beter te doen dan hun verdriet verdrinken
+in koude thee. De koude thee was in whisky-flesschen, en Bertie
+wist niet, dat wat ze opdweilden maar koude thee was. Alles wat hij
+wist was, dat de twee mannen erg dronken raakten en welsprekende en
+lang-uitgesponnen debatten hielden over de kwestie of de ontplofte
+nikker gerapporteerd zou worden als bij ongeluk verdronken of als een
+geval van dysenterie. Toen ze eindelijk snorkend in slaap vielen,
+was hij de eenige blanke aan boord die nog tot iets in staat was,
+en hij hield een ijselijke wacht tot de morgenschemering, in angst
+en vreeze voor een aanval van de wal of een oproer van de bemanning.
+
+Nog drie dagen bracht de _Arla_ door op de kust, en nog drie avonden
+dronken de scheeps-officieren overvloedig koude thee, terwijl ze Bertie
+de wacht lieten houden. Zij wisten dat ze op hem konden rekenen, en hij
+zelf wist even zeker dat hij, als hij nog leefde, hun liederlijk gedrag
+aan kapitein Maloe zou rapporteeren. Daarna liet de _Arla_ het anker
+vallen voor de Reminge-plantage, op Goeadalcanar, en Bertie stapte
+met een zucht van verlichting op het strand, waar hij werd verwelkomd
+door den administrateur. Mijnheer Harriwell was klaar voor hem.
+
+"Nu moet u niet schrikken als er een paar van ons een beetje
+neerslachtig lijken", zei mijnheer Harriwell, hem even in vertrouwen
+apart nemend. "Er wordt gepraat over een uitbarsting, en ik geef toe
+dat er een paar verdachte teekenen zijn, maar voor mezelf geloof ik
+dat het allemaal poppenkast is."
+
+"Hoe--hoeveel zwarten hebt u hier op de plantage?" vroeg Bertie,
+en alle moed ontzonk hem.
+
+"Op het oogenblik werken we met vierhonderd man", antwoordde mijnheer
+Harriwell opgewekt; "maar we zijn hier met z'n drieën, en met u,
+natuurlijk, en den schipper en den stuurman van de _Arla_ kunnen we
+ze gemakkelijk hanteeren."
+
+Bertie draaide zich om om kennis te maken met een zekeren McTavish,
+den magazijnmeester, die nauwelijks notitie van hem nam, zóó verlangend
+was hij om zijn ontslag in te dienen.
+
+"Omdat ik een getrouwd man ben, mijnheer Harriwell, kan ik me eigenlijk
+niet permitteeren nog langer te blijven. Er broeit iets, zoo zeker
+als er een neus op uw gezicht staat. De nikkers staan op springen,
+en dan krijgen we hier nieuwe Hohono gruwelen."
+
+"Wat zijn Hohono gruwelen?" vroeg Bertie, nadat de magazijnmeester
+overreed was om nog tot het eind van de maand te blijven.
+
+"O, hij bedoelt de Hohono-plantage, op Isabella", zei de
+administrateur. "De nikkers hebben daar de vijf blanken vermoord,
+den schoener buit gemaakt, kapitein en stuurman doodgeslagen, en
+zijn toen met z'n allen ontsnapt naar Malaita. Maar ik heb altijd
+gezegd dat ze op Hohono niet voorzichtig waren. _Hier_ zullen ze ons
+niet in den dut vinden, dat verzeker ik u. Komt u even mee, mijnheer
+Arkwright dan kunt u het mooie uitzicht vanaf onze veranda eens zien."
+
+Bertie was te druk bezig met overleggen hoe hij weg zou komen naar
+Toelagi, naar het huis van den resident om veel van het panorama te
+zien. Hij overlegde nog steeds, toen er vlak bij hem, in zijn rug,
+een geweer knalde. Op hetzelfde oogenblik werd zijn arm bijna uit
+het lid gerukt, zoo heftig trok mijnheer Harriwell hem naar binnen.
+
+"Zeg, oude jongen, dat scheelde een haartje", zei de administrateur,
+en hij betastte hem overal om te zien, of hij ook getroffen was. "Ik
+kan je niet zeggen hoe me dat spijt. Maar het was klaarlichte dag,
+en ik dacht er zelfs niet aan."
+
+Bertie begon bleek te worden.
+
+"Op die manier hebben ze den vorigen administrateur ook gekregen",
+betuigde McTavish. "En een allemachtige flinke kerel was dat. Zijn
+hersens vlogen over de heele veranda. Hebt u die donkere vlek niet
+gezien daar, tusschen de trappen en de deur?"
+
+Bertie was rijp voor den cocktail die mijnheer Harriwell voorstelde
+en voor hem klaar maakte; maar vóórdat hij er nog van kon drinken,
+kwam er een man in rijbroek met puttees binnen.
+
+"Wat zal't nu weer zijn", vroeg de administrateur na een blik op
+het gezicht van den nieuwen acteur in de komedie. "Is de rivier
+weer gestegen?"
+
+"Verrek met je rivier--'t zijn de nikkers. Stapte pardoes uit het
+bamboe, geen tien voet van me af, en pafte op me. Het was een Snider,
+en hij schoot vanaf de heup. Nu wou ik wel eens weten waar hij dien
+Snider vandaan heeft gehaald. O, neemt u me niet kwalijk. Aangenaam,
+mijnheer Arkwright."
+
+"Mijnheer Brown is mijn assistent", legde mijnheer Harriwell uit. "En
+laten we nu die cocktail nemen."
+
+"Maar waar heeft hij dien Snider vandaan?" hield mijnheer Brown
+aan. "Ik heb er altijd tegen gesputterd dat die geweren op het erf
+bewaard werden."
+
+"Ze zijn er nog altijd", zei mijnheer Harriwell, een beetje geraakt.
+
+Mijnheer Brown glimlachte ongeloovig.
+
+"Ga mee kijken", zei de administrateur.
+
+Bertie sloot zich aan bij den optocht die naar het kantoortje ging,
+alwaar mijnheer Harriwell zegevierend wees naar een groote pakkist
+in een stoffigen hoek.
+
+"Goed, maar waar haalt de kerel dan dien Snider vandaan?" zaagde
+mijnheer Brown.
+
+Maar op dat oogenblik lichtte McTavish de kist op. De administrateur
+schrok, rukte toen het deksel er af. De kist was leeg. Ze staarden
+elkaar aan in een vreeselijk zwijgen. Harriwell liet vermoeid zijn
+hoofd hangen.
+
+Toen begon McTavish te vloeken.
+
+"Wat ik altijd beweerd heb, de huisjongens zijn niet te vertrouwen."
+
+"Ik moet zeggen, het ziet er ernstig uit," gaf Harriwell toe, "maar
+we zullen er wel door heen komen. De bloeddorstige heeren moeten eens
+door elkaar gerammeld worden, dat hebben ze noodig. Wilt u misschien
+zoo goed zijn, heeren, en uw geweren meebrengen aan tafel, en wilt u,
+mijnheer Brown, misschien een veertig of vijftig staven dynamiet klaar
+maken? Maak de lonten goed kort. We zullen ze een lesje geven. En nu,
+heeren, het diner is klaar."
+
+Er was één ding dat Bertie verfoeide, en dat was rijst met kerrie,
+dus zoo gebeurde het dat hij alleen deel had aan een verleidelijke
+omelet. Hij had zijn bord heelemaal leeg, toen Harriwell zich van
+de omelet bediende. Eén mondvol proefde hij, toen spuwde hij het uit
+met veel misbaar.
+
+"Dat is de tweede keer", verkondigde McTavish onheilspellend. Harriwell
+zat nog steeds te rochelen en te spuwen.
+
+"Tweede keer wat?" bibberde Bertie.
+
+"Vergif", was het antwoord. "Die kok zal nog eens opgehangen worden."
+
+"Op die manier is de boekhouder op Cape Marsh er tusschen
+uit getrokken," deed Brown zich hooren. "Een vreeselijken dood
+gestorven. Aan boord van de _Jessie_ zeiden ze dat ze hem drie mijlen
+ver hadden hooren schreeuwen."
+
+"Ik zal den kok in de boeien laten slaan", proestte
+Harriwell. "Gelukkig dat we het op tijd ontdekt hebben."
+
+Bertie zat daar als verlamd. Er was geen kleur in zijn gezicht. Hij
+trachtte te spreken, maar het resultaat was slechts een onduidelijk
+gorgelen. Allen keken hem angstig aan.
+
+"Zeg het niet, kerel, zeg het niet!" schreeuwde McTavish, in hevige
+spanning.
+
+"Ja, ik heb er van gegeten, een heele boel, een heel bord vol!" barstte
+Bertie uit, en hij haalde ineens weer diep adem, als een duiker die
+boven water komt.
+
+Het afschuwelijk zwijgen duurde een oogenblik voort, en hij las zijn
+noodlot in hun oogen.
+
+"Misschien was het toch geen vergif, après tout," zei Harriwell somber.
+
+"Roep den kok", zei Brown.
+
+Binnen trad de kok, een grijnzend zwartje, met pennen door zijn neus
+en gaten in zijn ooren.
+
+"Hier, jij, Wi-wi, wat naam dat?" loeide Harriwell, en hij wees
+beschuldigend naar de omelet. De angst en de wanhoop van Wi-wi waren
+bijzonder natuurlijk.
+
+"Hem goed kai-kai", mompelde hij afwerend.
+
+"Laat het hem opeten", stelde McTavish voor. "Dat is het beste bewijs."
+
+Harriwell vulde een lepel met het goedje en sprong naar den kok,
+die doodelijk verschrikt wegvluchtte.
+
+"Dat beslist alles", was Brown's plechtige uitspraak. "Hij wil het
+niet eten."
+
+"Mijnheer Brown wilt u hem misschien even in de boeien
+slaan?" Harriwell wendde zich opgewekt tot Bertie. "Het is in orde,
+oude jongen, hij zal met den resident te doen krijgen, en als jij
+dood gaat, zal hij hangen, hoor, daar kan je van op aan."
+
+"Ik geloof niet dat het gouvernement dat doen zal", wierp McTavish
+tegen.
+
+"Maar heeren, heeren toch!" riep Bertie. "Denk ondertusschen eens
+aan mij."
+
+Harriwell haalde medelijdend zijn schouders op.
+
+"Spijt me, beste kerel, maar het is een inlandsen vergif, en daar is
+geen tegengif voor bekend. Tracht je er in te schikken, en als--"
+
+Twee geweerschoten van buiten onderbraken het gesprek, en Brown kwam
+binnen, laadde zijn geweer opnieuw, en ging aan tafel zitten.
+
+"De kok is dood", zei hij. "Koorts. Tamelijk plotselinge aanval."
+
+"Ik was juist bezig mijnheer Arkwright te vertellen dat er voor
+inlandsche vergiften geen tegengif bestaat--"
+
+"Behalve jenever", zei Brown.
+
+Harriwell schold zich uit voor een imbecielen idioot en rende weg om
+de jeneverflesch te halen.
+
+"Puur, man, puur", raadde hij Bertie, die een groot glas voor twee
+derden gevuld met het bijtend goedje onvermengd naar binnen slokte, en
+zat te hoesten en te kuchen tot de tranen hem langs de wangen liepen.
+
+Harriwell voelde zijn pols en nam zijn temperatuur op, en twijfelde
+weer of de omelet wel vergiftigd was geweest. Brown en McTavish
+twijfelden ook, maar Bertie onderscheidde een onoprechten klank in
+hun stemmen. Zijn eetlust was weg, en hij voelde stilletjes zijn pols
+onder de tafel. Het viel niet te ontkennen, dat die sneller werd,
+maar hij dacht er niet aan dat toe te schrijven aan den jenever dien
+hij gedronken had. McTavish, geweer in de hand, ging naar buiten om
+eens poolshoogte te nemen.
+
+"Ze komen in troepen bij elkaar bij de keuken", was zijn verslag. "En
+ze hebben bende's Sniders. Mijn idee is er om heen te trekken en ze
+van den anderen kant in de flank aan te vallen. Den eersten klap geven,
+zie je. Ga je mee, Brown?"
+
+Harriwell at rustig door, terwijl Bertie ontdekte dat zijn pols vijf
+slagen toegenomen was. Niettemin sprong hij tegen wil en dank overeind
+toen de geweren begonnen te knallen. Boven de zware ontploffingen der
+Sniders uit hoorde men het scherpe knetteren van de Winchesters van
+Brown en McTavish, alles tegen een achtergrond van demonisch gegil
+en gekrijsch.
+
+"Ze hebben ze op den loop", merkte Harriwell op, toen stemmen en
+geweerschoten wegstierven in de verte.
+
+Nauwelijks waren Brown en McTavish terug aan tafel, toen de laatste
+weer even poolshoogte ging nemen.
+
+"Ze hebben dynamiet", zei hij.
+
+"Laten we ze dan ook met dynamiet bestoken", stelde Harriwell voor.
+
+Ze staken elk een half dozijn staven in hun zakken, rustten zich
+uit met brandende sigaren, en liepen naar de deur. En juist op dat
+oogenblik gebeurde het. Ze gaven McTavish er later de schuld van,
+en hij gaf toe dat de lading wel wat sterk was geweest. Maar in ieder
+geval ontplofte het onder het huis, dat schuin omhoog werd gelicht,
+en weer terugviel op zijn fundamenten. De helft van het porselein
+op de tafel brak, en de achtdaagsche klok bleef stilstaan. Gillend
+om wraak renden de drie mannen naar buiten, den nacht in, en het
+bombardement begon.
+
+Toen ze terugkwamen was er geen Bertie meer. Hij had zich weggesleept
+naar het kantoortje, zich daar verschanst en gebarricadeerd, en
+was toen neergezonken op den vloer in een van jenever doordrenkte
+nachtmerrie, waarin hij duizend dooden stierf terwijl de wakkere
+strijd rondom hem verder gevoerd werd. In den morgen, beroerd en
+katterig van den jenever, kroop hij naar buiten, waar hij de zon nog
+in de lucht vond en God naar alle waarschijnlijkheid in den hemel,
+want zijn gastheeren leefden nog en waren ongedeerd.
+
+Harriwell drong er op aan dat hij nog wat zou blijven, maar Bertie
+stond er op onmiddelijk met de _Arla_ weg te zeilen naar Toelagi, waar
+hij heel dicht in de buurt van het huis van den resident bleef, totdat
+de volgende boot kwam. Er waren dames-touristen op het stoomschip, en
+Bertie was weer een held, terwijl kapitein Maloe, zooals gewoonlijk
+onopgemerkt bleef. Maar kapitein Maloe stuurde twee kisten met de
+beste Schotsche whisky die er aan de markt was, want hij was niet in
+staat uit te maken, wie Bertie het meest grootsche idee van het leven
+in de Salomon's had gegeven kapitein Hansen of mijnheer Harriwell.
+
+
+
+
+HET ONVERMIJDELIJKE BLANKE RAS.
+
+
+"De zwarten zullen de blanken nooit begrijpen, en de blanken de
+zwarten niet, zoo lang zwart zwart is en blank blank."
+
+Zoo sprak kapitein Woodward. Wij zaten in de gelagkamer van Charley
+Roberts' kroeg in Apia, en dronken eindelooze Aboe Hameds, voor ons
+gemengd en met ons gedeeld door voornoemden Charley Roberts.
+
+Hij beweerde dat hij het recept direct had van Steevens, bekend door
+het uitvinden van den Aboe Hamed in een tijd dat hij voortgejaagd
+werd door dorst naar den Nijl--de Steevens die "Met Kitchener naar
+Kartoem" op zijn geweten heeft, en die uit dit leven verdween bij
+het beleg van Ladysmith.
+
+Kapitein Woodward, kort en dik, al tamelijk oud, verbrand door veertig
+jaren tropische zon, en met een paar oogen, zoo mooi helder bruin
+als ik ze nooit bij een man gezien heb, sprak uit lange ervaring.
+
+De lidteekens die kris en kras over zijn kalen schedel liepen, spraken
+van een intieme bekendheid met de tomahawks van de zwartjes, en men
+bespeurde een soortgelijke bekendheid in twee lidteekens, voor en
+achter, in de rechter helft van zijn hals, waar een pijl in gedrongen
+en er heelemaal doorheen getrokken was. Zooals hij zelf uitlegde,
+hij had haast gehad bij die gelegenheid--de pijl had hem gehinderd
+bij het loopen--en hij voelde dat hij niet den tijd kon nemen om den
+kop af te breken en de schacht er uit te trekken op de manier waarop
+ze er in was gekomen. Op het oogenblik was hij gezagvoerder van de
+_Savaii_, het groote stoomschip dat in het Westen inlandsche koelies
+wierf voor de Duitsche plantages op Samoa.
+
+"De meeste herrie komt van de domheid van de blanken", zei Roberts,
+afbrekend om een slok uit zijn glas te nemen en den Samoeeschen
+barjongen in vriendelijke termen te verwenschen. "Als de blanken
+een beetje hun best wilden doen om de werking van zwarte hersens te
+begrijpen, zouden de meeste moordpartijen vermeden worden."
+
+"Ik heb er genoeg gekend die beweerden dat ze de zwarten begrepen",
+antwoordde kapitein Woodward, een beetje schamper, "en ik heb altijd
+kunnen opmerken, dat het juist die lui waren die het eerst _gekaikai'd_
+(opgegeten) werden. Denk maar eens aan de zendelingen op Nieuw-Guinea
+en de Nieuwe Hebriden--het martelaars-eiland Erromanga en de heele
+rest. Denk eens aan de Oostenrijksche expeditie die in de pan gehakt is
+in de Salomon-eilanden, in het verwond van Goeadalcanar. En denk eens
+aan de kooplui zelf, met een ervaring van soms twintig jaren, die een
+grooten mond hadden dat geen nikker hen ooit te pakken zou krijgen;
+en nu versieren hun hoofden de daksparren van de kanohuizen. Je
+had den ouden Johnny Simons, zesentwintig jaren op de ruwe kanten
+van Melanesië, zwoer dat hij de nikkers op zijn duimpje kende en
+dat ze hem nooit zouden krijgen, en hij trok er tusschen uit in
+Marovo-Lagune, Nieuw-Georgië. Zijn hoofd werd afgezaagd door een
+zwarte vrouw en een ouden nikker met één been; het andere had hij
+in den bek van een haai gelaten toen hij dook naar visch die ze met
+dynamiet verdoofd hadden. Dan had je Billy Watts, met een vreeselijken
+naam als nikker-vreter, een kerel om den duivel bang te maken. Ik
+herinner me dat we voor Cape Little lagen, op Nieuw-Ierland, toen
+de nikkers een halve kist ruiltabak stalen, kostte hem zoowat drie
+en een halven dollar. Hij trok er op los, schoot zes nikkers dood,
+vernielde hun oorlogskano's, en stak twee dorpen in brand. En het was
+bij Cape Little, vier jaren later, dat ze hem op zijn dak kwamen, hem
+en een vijftig jongens van Boekoe die hij bij zich had om tripang te
+visschen. In vijf minuten waren ze allemaal dood, op drie jongens na
+die ontsnapten in een kano. Praat me niet van de nikkers begrijpen. De
+zending van den blanke is de wereld te ontginnen, en daar heeft hij
+meer dan genoeg aan. Hij heeft immers geen tijd over om de nikkers
+te begrijpen!"
+
+"Zoo is het", zei Roberts. "En 't is gek, maar het lijkt eigenlijk
+niet eens noodig om de nikkers te begrijpen. Aan de domheid van de
+blanken is hun succes in het ontginnen van de wereld geëvenredigd."
+
+"En hun succes in het brengen van de vrees voor de hel in de
+nikkerkoppen", flapte kapitein Woodward er uit. "Misschien heb je
+gelijk, Roberts. Misschien is het hun stommiteit waar ze hun succes
+aan te danken hebben, en een vorm van die stommiteit is zeker, dat ze
+niet in staat zijn de nikkers te begrijpen. Maar één ding is zeker:
+de blanken moeten achter de nikkers heen zitten of zij ze begrijpen
+of niet. Het is onvermijdelijk. Het is hun noodlot."
+
+"En natuurlijk zijn de blanken onvermijdelijk--het is het noodlot van
+de nikkers", viel Roberts in. "Vertel een blanke dat er pareloesters
+zijn in de een of andere lagune die onveilig gemaakt door tienduizend
+brullende kannibalen, en hij zal er op uit trekken, heelemaal in z'n
+eentje, met een half dozijn Kanaka duikers en een blikken wekker als
+chronometer, alles als sardientjes gepakt in een handige kits van vijf
+ton. Fluister hem in dat er goud gevonden wordt aan de Noordpool, en
+datzelfde onvermijdelijke wezen met zijn blanke huid zal er meteen op
+af gaan, gewapend met houweel een schop, een zij spek en den nieuwsten
+patent goud-wasscher--en wat meer is, hij zal er komen. Geef hem de
+lucht dat er diamanten zijn op de wit-gloeiende wallen van de hel,
+en mijnheer De Blanke zal de wallen bestormen en den ouden heer Satan
+in eigen persoon aan het houwen en graven zetten. Dat komt er van
+als men dom en onvermijdelijk is."
+
+"Maar ik vraag me af wat de zwarten wel moeten denken van die--die
+onvermijdelijkheid", zei ik.
+
+Kapitein Woodward begon zachtjes te lachen. Herinnering lichtte in
+zijn oogen.
+
+"Ik zit daar juist te peinzen wat de nikkers van Maloe wel hebben
+gedacht, en nog moeten denken, van den éénen onvermijdelijken blanke,
+dien we aan boord hadden toen we hun een bezoek brachten met de
+_Duchess_", legde hij uit.
+
+Roberts mengde drie versche Aboe Hameds.
+
+"Dat was twintig jaar geleden. Saxtorph heette hij. Hij was zonder
+eenigen twijfel de stomste kerel die ik ooit gezien heb, maar hij
+was onvermijdelijk als de dood. Er was maar één ding dat die kerel
+kon, en dat was schieten. Ik herinner me den eersten keer dat ik hem
+tegen het lijf liep--hier in Apia, twintig jaar geleden. Dat was vóór
+jouw tijd, Roberts. Ik sliep in Hollandsche Henry z'n hotel, beneden,
+waar nu de markt is. Ooit van hem gehoord? Hij had een aardigen duit
+gemaakt met wapens smokkelen voor de opstandelingen, verkocht zijn
+hotel, en werd precies zes weken later doodgeslagen in Sydney, bij
+een herrie in een kroeg.
+
+"Maar Saxtorph. Op een nacht was ik net zoowat ingedommeld toen een
+paar katten concert begonnen te geven op het erf. Ik mijn bed uit en
+het raam omhoog, lampetkan in de hand. Maar juist op dat moment hoor
+ik het raam van de kamer ernaast omhoog gaan. Er vielen twee schoten en
+het raam ging dicht. Ik geloof niet dat ik jullie de snelheid duidelijk
+kan maken waarmee het gebeurde. Tien seconden op zijn hoogst. Omhoog
+ging het raam, pang, pang ging de revolver, en omlaag ging het
+raam. Wie het ook geweest was, hij had geen oogenblik gewacht om de
+uitwerking van zijn schoten te zien. Hij wist. Snappen jullie me?--hij
+_wist_. Het kattenconcert was afgeloopen, en 's morgens lagen daar de
+twee delinquenten, morsdood. Het was een wonder. In de eerste plaats,
+al het licht dat er was kwam van de sterren en Saxtorph had geschoten
+zonder te mikken; dan, hij had zoo gauw achter elkaar geschoten dat het
+een dubbele knal leek in plaats van twee afzonderlijke, en eindelijk,
+hij wist dat hij zijn doel had geraakt zonder er naar te kijken.
+
+"Twee dagen later kwam hij aan boord om mij te spreken. Ik
+was stuurman toen, op de _Duchess_, een kolossalen schoener van
+honderdvijftig ton, een nikkervanger. En laat ik jullie vertellen dat
+nikkervangers ook nikkervangers waren in die dagen. Er waren geen
+gouvernements-inspecteurs, en geen gouvernements-bescherming voor
+ons ook. Het was ruw werk, leven tegen leven, en niets te zeggen als
+het met ons gedaan was, en we deden in nikkers op ieder eiland in de
+Zuidzee waar ze ons niet van af schopten. Nu dan, Saxtorph kwam aan
+boord, John Saxtorph was de naam dien hij opgaf. Hij was een klein,
+rossig kereltje, rossig haar, rossig gezicht, en rossige oogen ook. Hij
+had niets dat je trof. En van binnen was hij al even neutraal als van
+buiten. Hij zei dat hij dalles was en dat hij wilde monsteren. Wou
+kajuitsjongen zijn, kok, ladingmeester of gewoon matroos. Wist niets
+van al die baantjes, maar zei dat hij graag wilde leeren. Ik had
+hem niet noodig, maar zijn schieten had zóó'n indruk op me gemaakt,
+dat ik hem aannam als gewoon matroos, drie pond per maand.
+
+"Het was waar, hij wilde graag leeren, dat moet ik zeggen. Maar hij
+was van nature niet in staat om iets te leeren. Hij kon net zoo min de
+streken van het kompas achter elkaar opdreunen als ik cocktails kan
+maken zooals Roberts hier. En met zijn sturen bezorgde hij me mijn
+eerste grijze haren. Ik durfde hem nooit alleen aan het stuurrad te
+laten als we voor den wind liepen in een zware zee; en vol-en-bij en
+scherp-bij-de-wind waren onoplosbare mysteriën. Hij kon je het verschil
+niet vertellen tusschen een schoot en een talie, hij kon het gewoon
+niet. Fokkeklauwval en kluiverval, het was allemaal hetzelfde voor
+hem. Zeg hem de groote schoot wat af te vieren, en voor je 't weet laat
+hij de piek vallen. Hij is drie keer over boord gesukkeld en hij kon
+niet zwemmen. Maar hij was altijd vroolijk, nooit zeeziek, en ik heb
+zelden iemand gezien die zóó vol goeden wil was. Mededeelzaam was hij
+niet. Praatte nooit over zichzelf. Zijn geschiedenis begon, voor zoover
+ons betrof, met den dag dat hij monsterde op de _Duchess_. Waar hij
+had leeren schieten weet de hemel alleen. Hij was een Yankee--zooveel
+wisten we wel door zijn neuzig praten. En dat was alles wat we ooit
+te weten zijn gekomen.
+
+"En nu komen we tot het eigenlijke verhaal. We hadden pech gehad
+in de Nieuwe Hebriden: maar veertien jongens in vijf weken, en we
+liepen vóór den zuidoost-passaat naar de Salomon's. Malaita was
+toen, net als nu, goed jachtterrein, en we vielen Maloe binnen, in
+den noordwest-hoek. Er is daar een landrif en een buitenrif en een
+allemachtig lastige ankerplaats; maar we kwamen behouden binnen en
+lieten ons dynamiet knallen als signaal voor de nikkers om er uit te
+komen en zich te laten werven. Drie dagen lang kregen we geen kip. Ze
+kwamen bij honderden naar ons toe in hun kano's, maar ze lachten ons
+alleen maar uit als we hen kralen en calico en bijlen lieten zien en
+over de heerlijkheden van plantage-werk op Samoa spraken.
+
+"Den vierden dag kwam er verandering. In de vijftig zwartjes teekenden
+en kregen hun logeerkamer in het grootruim, terwijl ze zich aan dek
+natuurlijk vrij mochten bewegen. En natuurlijk was dit teekenen en bloc
+verdacht, als je er op terug kijkt, maar toen dachten we dat het een
+of ander machtig opperhoofd het verbod om te teekenen had opgeheven.
+
+"In den morgen van den vijfden dag gingen onze twee booten naar den
+wal, zooals gewoonlijk,--de eene om de andere te dekken, snap je, als
+er soms herrie mocht komen. En, zooals gewoonlijk, waren de vijftig
+nikkers die we aan boord hadden aan dek, lummelend, kletsend, rookend
+en slapend. Saxtorph en ik zelf, met nog vier andere matrozen, was
+alles wat er nog van ons aan boord was. De twee booten waren bemand
+met Gilbert-eilanders. In de eene zaten de kapitein, de ladingmeester
+en de werver. In de andere, die de eerste dekte en een honderd meter
+uit de wal lag, was de tweede stuurman. Allebei de booten waren goed
+bewapend, ofschoon we geen herrie verwachtten.
+
+"Vier van de matrozen, Saxtorph incluis, waren bezig de
+kanpanje-reeling te schrappen. De vijfde matroos, geweer in de hand,
+stond op wacht bij de watertank, even vóór den grooten mast. Ik was
+vooruit, bezig de laatste hand te leggen aan een nieuwen bek voor de
+fokkegaffel. Ik wilde net mijn pijp pakken waar ik ze had neergelegd,
+toen ik een schot van den wal hoorde. Ik richtte me op om te kijken. Er
+trof me iets tegen mijn achterhoofd dat me half verdoofd tegen het
+dek deed slaan. Mijn eerste gedachte was dat er boven in het tuig
+iets stuk was gegaan; maar terwijl ik nog viel, en vóór dat ik op
+het dek terecht kwam, hoorde ik een geweervuur van de booten alsof
+de duivel in eigen persoon een roffel sloeg. Ik draaide me half om,
+en zag den matroos die op schildwacht stond. Twee groote nikkers
+hielden zijn armen vast, en een derde sloeg hem van achteren op
+zijn hoofd met een tomahawk. Ik zie het nog voor me, de watertank,
+de groote mast, de troep die hem aan zijn lijf hing, de bijl die op
+zijn hoofd neerdaalde, alles onder het vlammende zonlicht. Ik werd
+geboeid door dat groeiend visioen van moord. De tijd die de bijl
+noodig had om neer te dalen leek afschuwelijk lang. Ik zag het ding
+op het hoofd van den man terecht komen, en ik zag zijn beenen onder
+hem wegzakken toen hij dubbel sloeg. De nikkers hielden hem bij zijn
+armen omhoog en hij werd nog een paar keer flink bewerkt. Toen kreeg
+ik zelf nog twee hakken op mijn hoofd, en maakte uit dat ik dood
+was. Dat was ook het idee van den kerel die me bewerkte.
+
+"Ik was te hulpeloos om me te bewegen en ik lag daar maar en keek
+hoe ze den schildwacht zijn hoofd afsloegen. Ik moet zeggen, ze deden
+het netjes. Je kon zien dat ze het meer gedaan hadden.
+
+"Het geweervuur uit de booten had opgehouden en ik stelde vast dat
+het met ons gedaan was en dat het eind van alles was gekomen. Het was
+een kwestie van minuten; dan zouden ze komen om mijn hoofd. Blijkbaar
+waren ze bezig de matrozen op het achterschip te onthoofden. Hoofden
+zijn veel waard op Malaita; vooral hoofden van blanken. Die hebben
+de eereplaats in de kano-huizen van de kustbewoners. Welk bijzonder
+decoratief effect de binnenlanders er in zien weet ik niet. Maar ze
+zijn er even verzot op als hun broertjes van het zoute water.
+
+"Ik had een vaag idee van ontsnappen, en kroop op handen en voeten
+naar den kaapstander, waar ik er in slaagde mezelf weer op de been
+te hijschen. Vandaar kon ik naar achteren kijken, en ik zag drie
+hoofden boven op de kajuit liggen--de hoofden van drie matrozen aan
+wie ik maanden lang orders had gegeven. De nikkers zagen mij staan
+en kwamen op me af. Ik greep naar mijn revolver en merkte dat ze
+hem hadden weggenomen. Ik kan niet zeggen dat ik bang was. Ik ben
+verschillende keeren dicht bij den dood geweest, maar het heeft me
+nooit gemakkelijker toegeschenen dan toen. Ik was half verdoofd en
+niets kon me meer wat schelen.
+
+"De nikker die voorop liep had zich gewapend met een hakmes uit
+de kombuis, en hij maakte grimassen als een aap terwijl hij zich
+klaar maakte om mij in tweeën te snijden. Maar dat sneedje heeft hij
+nooit gemaakt. Hij zakte in elkaar op het dek en ik zag het bloed
+uit zijn mond gudsen. Heel vaag hoorde ik een geweer afgaan, en het
+bleef afgaan, voortdurend. Nikker na nikker viel neer. Mijn begrippen
+werden weer een beetje helder, en ik merkte op dat er geen enkel schot
+mis was. Iederen keer dat het geweer knalde, zakte er een nikker in
+elkaar. Ik ging zitten op het dek naast den kaapstander en keek naar
+boven. Boven, in de dwarszalings, zat Saxtorph. Hoe hij het klaar had
+gespeeld kan ik nog niet begrijpen, want hij had twee Winchesters en
+ik weet niet meer hoeveel patroongordels mee naar boven genomen; en nu
+was hij bezig het eenige te doen waar hij op deze wereld voor deugde.
+
+"Ik heb veel schiet- en moordpartijen gezien, maar ik heb nooit
+zoo iets gezien als toen. Ik zat daar naast den kaapstander en keek
+naar de vertooning. Ik voelde me zwak en wee en het leek allemaal een
+droom. Pang, pang, pang, pang ging zijn geweer, en bom, bom, bom, bom,
+gingen de nikkers tegen het dek. Het was verbazend hoe ze vielen. Na
+hun eersten stormloop op mij, toen er zoo ongeveer een dozijn gevallen
+waren, schenen ze verlamd; maar hij hield geen oogenblik op met zijn
+geweer leeg te pompen.
+
+"Zóó was de toestand toen de kano's en de twee booten van de wal
+kwamen, bewapend met Sniders en met Winchesters die ze in de booten
+hadden buitgemaakt. De fusillade die ze op Saxtorph loslieten was
+iets vreeselijks. Gelukkig voor hem kunnen de nikkers alleen maar
+op korten afstand schieten. Ze zijn niet gewend om een geweer aan
+den schouder te brengen. Ze wachten tot ze boven op iemand zitten,
+en dan schieten ze vanaf de heup. Toen zijn geweer te warm werd nam
+Saxtorph het andere. Dat was zijn idee geweest toen hij twee geweren
+mee het want in nam.
+
+"Wat me het meest verbaasde was de snelheid waarmee hij vuurde. En
+hij miste geen enkelen keer. Als er er ooit iets onvermijdelijk
+is geweest, dan was die man het. De slachting was zoo afschuwelijk
+omdat het zoo verbazend vlug ging. De nikkers hadden geen tijd om te
+denken. Als ze er in slaagden te denken, sprongen ze met een vaartje
+overboord, waarbij de kano's meestal omsloegen. Saxtorph hield geen
+oogenblik op. Het water was bedekt met nikkers en pang, pang, pang,
+schoot hij zijn kogels in hun zwarte lichamen. Geen enkel schot was
+mis en ik kon duidelijk het poffen van de kogels hooren telkens als
+er een begraven werd in menschelijk vleesch.
+
+"De nikkers verspreidden zich en richtten zich naar den wal,
+zwemmend. Het was alsof het water bedekt was met een kleed van
+opduikende en bewegende hoofden, en ik ging rechtop staan, als
+in een droom, om er naar te kijken: de bewegende hoofden en de
+hoofden die ophielden te bewegen. Sommige lange-afstand-schoten waren
+schitterend. Eén man bereikte het strand, maar toen hij opstond om aan
+land te waden schoot Saxtorph hem nog neer. Het was meesterlijk. En
+toen een paar nikkers het strand op kwamen loopen om hem uit het
+water te trekken, gingen zij ook nog tegen de vlakte.
+
+"Ik dacht dat alles voorbij was, toen ik het geweer opnieuw hoorde
+afgaan. Een nikker kwam met een vaartje uit de kajuit schieten,
+naar de verschansing, maar viel halverwege neer. De kajuit moet vol
+nikkers gezeten hebben. Ik telde er twintig. Ze holden één voor één
+naar boven en sprongen naar de verschansing. Maar zoover kwamen ze
+niet. Het deed me denken aan het schieten van dieren in een val. Een
+zwart lichaam schoot telkens omhoog uit het trapluik, pang ging dan
+Saxtorph's geweer, en neer sloeg het zwarte lichaam. Natuurlijk wisten
+de nikkers die beneden waren niet wat er aan dek gebeurde, dus bleven
+ze omhoog schieten uit het luik, totdat de laatste er geweest was.
+
+"Saxtorph wachtte een poosje om zeker van zijn zaak te zijn, en
+kwam toen naar beneden. Wij tweeën waren alles wat er overbleef van
+bemanning en officieren van de _Duchess_, en ik was er tamelijk beroerd
+aan toe, terwijl hij hulpeloos was nu hij niet meer kon schieten. Onder
+mijn leiding waschte hij mijn hoofdwonden en naaide ze dicht. Een
+groote slok whisky sterkte mij tot het wagen van een poging om weg te
+komen. Er bleef ons niets anders over. De rest was dood. We trachtten
+de zeilen te hijschen. Saxtorph heesch en ik hield het val om den
+nagel. Hij was weer hetzelfde stomme rund van vroeger. Zijn hijschen
+was geen cent waard, en toen ik op een goed oogenblik flauw viel,
+leek het of het afgeloopen was met ons.
+
+"Toen ik weer bij kwam, zat Saxtorph hulpeloos op de verschansing,
+wachtend om mij te vragen wat hij doen moest. Ik zei hem de gewonden
+eens onderste boven te halen om te zien of er ook bij waren die nog
+konden kruipen. Hij kreeg er zes bij elkaar. Eén, herinner ik me,
+had zijn been gebroken; maar Saxtorph zei dat zijn armen in orde
+waren. Ik lag in de schaduw, en joeg de vliegen weg, en leidde
+de zaken, terwijl Saxtorph zijn ploeg invalieden aanvoerde. Ik wil
+eeuwig verdoemd zijn als hij die arme duivels niet aan ieder touw op de
+nagelbanken liet hijschen vóórdat hij de vallen vond. Eén van hen liet
+het touw glippen onder het hijschen en gleed neer op het dek, dood;
+maar Saxtorph rammeide de anderen en hield hen aan het werk. Toen
+de fok en het grootzeil op waren zei ik hem de steekschalm uit den
+ankerketting te schroeven en het anker te laten slippen. Ik liet me
+naar het achterschip helpen om een slappe poging aan het stuurrad te
+wagen. Hoe hij het hem lapte begrijp ik nog niet, maar in plaats van
+de steekschalm uit te schroeven, plons ging het tweede anker naar
+beneden, en daar lagen we dubbel geankerd.
+
+"Eindelijk was hij zóó ver dat allebei de ankers geslipt en de stagfok
+en kluiver omhoog waren, en de _Duchess_ viel af en stevende naar de
+doorvaart. Ons dek was de moeite waard om te zien. Doode en stervende
+nikkers lagen overal. Sommigen zaten weggestopt op de onmogelijkste
+plaatsen. De kajuit zat er vol mee, waar ze van het dek weggekropen
+en naar beneden getuimeld waren. Ik zette Saxtorph en zijn ploeg
+doodgravers aan het overboord zetten, en erover gingen ze, levenden en
+dooden. De haaien hadden een vette, dien dag. Natuurlijk gingen onze
+vier vermoorde matrozen denzelfden weg. Maar hun hoofden deden we in
+een zak met gewichten eraan, dat ze niet naar het strand drijven en
+in de handen van de nikkers zouden vallen.
+
+"Onze vijf gevangenen besloot ik als bemanning te gebruiken,
+maar zij besloten anders. Ze namen hun kans waar, en sprongen
+overboord. Saxtorph schoot er twee dood met zijn revolver terwijl
+ze nog in de lucht zweefden, en hij zou de andere drie in het water
+ook nog naar de andere wereld hebben geholpen als ik hem niet tegen
+gehouden had. Ja, ik had genoeg van het moorden, en bovendien, ze
+hadden meegeholpen den schoener naar buiten te brengen. Maar het
+was weggegooid medelijden, want ze werden alle drie door de haaien
+ingepikt.
+
+"Ik kreeg hersenkoorts of iets dergelijks toen we goed en wel in
+volle zee waren; tenminste de _Duchess_ lag drie weken bijgedraaid;
+toen pas was ik mezelf weer meester, en we sukkelden verder met de
+schuit naar Sydney. In ieder geval hebben die nikkers van Maloe de
+eeuwige les geleerd, dat het niet goed is, gekheid te maken met een
+blanke. Saxtorph was zonder eenigen twijfel onvermijdelijk voor hen."
+
+Charley Roberts floot eens, en zei:
+
+"Je zou het zoo zeggen. Maar wat is er van Saxtorph geworden?"
+
+"Hij is bij de robbenvaart terecht gekomen, en een heele beroemdheid
+geworden. Zes jaren lang was hij een geweldig heer in de vloten
+van San Francisco en Victoria. Het zevende jaar is zijn schoener
+in de Beringzee ingepikt door een Russischen kruiser, en alle hens,
+zoo ging het verhaal, zijn in de zoutmijnen van Siberië gesmakt. Ten
+minste ik heb nooit meer iets van hem gehoord."
+
+"De wereld ontginnen", mompelde Roberts. "De wereld ontginnen. Hier,
+op hun gezondheid, iemand moet het toch doen--de wereld ontginnen,
+bedoel ik."
+
+Kapitein Woodward wreef de lidteekens die kriskrasten over zijn
+kaal hoofd.
+
+"Ik heb er mijn deel toe bijgedragen", zei hij. "Veertig jaar nu
+al. Dit is mijn laatste reis. Dan ga ik voor goed naar huis."
+
+"Ik verwed er den borrel onder dat je het niet doet", tartte
+Roberts. "Jij gaat dood in het harnas, niet in je bed."
+
+Kapitein Woodward nam de weddenschap dadelijk aan, maar ik voor mij
+denk dat Charley Roberts de beste kans heeft.
+
+
+
+
+HET NAGESLACHT VAN MCCOY.
+
+
+De _Pyreneeën_, haar ijzeren zijden laag in het water gedrukt door
+de lading tarwe, slingerde traag, en maakte het gemakkelijk voor
+den man die aan boord klom vanuit een kleine kano met vlerken. Toen
+zijn oogen ter hoogte van de verschansing kwamen, zoodat hij binnen
+boord kon kijken, scheen het hem toe, dat hij een vaag, bijna niet te
+onderscheiden waas zag. Het leek meer een zinsbegoocheling, een dof
+vlies dat zich plotseling over zijn oogen had gespreid. Hij voelde
+een neiging om het weg te vegen, en dacht tegelijkertijd, dat hij oud
+werd, en dat het tijd was om een bril te bestellen in San Francisco.
+
+Terwijl hij over de verschansing klom, liet hij zijn blikken omhoog
+gaan naar de hooge masten, daarna naar de pompen. Zij werkten
+niet. Alles scheen in orde op het groote fregat, en hij vroeg zich
+verwonderd af, waarom men het noodsignaal geheschen had. Hij dacht aan
+zijn gelukkige eilanders en hoopte dat het geen besmettelijke ziekte
+zou zijn. Misschien had het schip gebrek aan water of proviand. Hij
+schudde den kapitein de hand. Wat het ook zijn mocht, er _was_
+iets, dat zeiden het vermagerde gezicht en de bezorgde blik van de
+gezagvoerder. Op het zelfde oogenblik bemerkte de nieuw-aangekomene
+een flauwen niet te definieeren geur. Het leek van verbrand brood,
+maar toch weer anders.
+
+Nieuwsgierig keek hij om zich heen. Twintig voet verder was een
+moe-uitziend matroos bezig het dek te breeuwen. Terwijl zijn blik
+op dien man rustte, zag hij plotseling een dun spiraaltje rook
+onder zijn handen uit opstijgen, dat kronkelde en kringelde, en weg
+was. Ondertusschen was hij zelf op het dek gekomen. Hij voelde een
+broeiende warmte aan zijn bloote voeten, die snel door het dikke eelt
+heen drong. Hij kende nu den nood van het schip. Zijn blikken zwierven
+naar voren waar de geheele bemanning van magere, vermoeide matrozen
+vol verwachting naar hem stond te kijken. Die blik van zijn vochtige
+bruine oogen ging over hen heen als een zegening; hij kalmeerde hen,
+wikkelde hen als in den mantel van een groote vrede.
+
+"Hoe lang hebt u al brand aan boord, kaptein?" vroeg hij, en zijn
+stem was zoo zacht en sereen, dat het leek alsof er een duif kirde.
+
+Eerst voelde de kapitein die rust en die tevredenheid zachtjes in
+zich dringen, maar dan sloeg hem weer het bewustzijn van alles wat hij
+doorstaan had en nog doorstond, en hij was kwaad. Wat gaf dezen vuilen
+strandschuimer, gekleed in een grof linnen broek en een katoenen hemd,
+het recht om hem en zijn overwerkte, uitgeputte hersenen iets als rust
+en tevredenheid te suggereeren? De kapitein beredeneerde het niet zoo;
+het onbewuste proces der emotie was de oorzaak van zijn boosheid.
+
+"Vijftien dagen", antwoordde hij kortaf. "Wie ben jij?"
+
+"Mijn naam is McCoy", kwam het antwoord, en het geluid ademde zachtheid
+en medelijden.
+
+"Ik bedoel, ben je de loods?"
+
+McCoy liet de zegening van zijn blik gaan over den langen,
+zwaar-geschouderden man met het verwilderde, ongeschoren gezicht,
+die naast den kapitein was komen staan.
+
+"Ik ben even goed loods als iemand anders", was het antwoord van
+McCoy. "We zijn hier allemaal loods, kapitein, en ik ken iederen
+centimeter van deze wateren."
+
+Maar de kapitein was ongeduldig.
+
+"Ik moet de autoriteiten hebben. Ik moet hen spreken, en allemachtig
+gauw ook."
+
+"Dan kunt u ook met mij volstaan."
+
+Weer dat hinderlijke gevoel van vrede, en dan zijn schip een woedende
+oven onder zijn voeten! Hij trok nerveus en ongeduldig zijn wenkbrauwen
+op, en balde zijn vuist alsof hij er mee wou slaan.
+
+"Wie ben je dan in Jezus' naam?" vroeg hij ruw.
+
+"Ik ben de eerste ambtenaar", was het antwoord, en nog steeds was de
+stem de zachtste en teederste die men zich kon denken.
+
+De lange zwaar-geschouderde man barstte uit in een schorren lach,
+die meer een uiting was van hysterie dan van plezier. De kapitein en
+hij bekeken McCoy verwonderd en ongeloovig. Dat deze strandschuimer
+op bloote voeten zulk een klinkende waardigheid zou bekleeden
+was onbegrijpelijk. Zijn katoenen hemd, los geknoopt, liet een
+grauw-behaarde borst zien, en tevens dat hij er geen kleedingstuk
+meer onder droeg. Een versleten strooien hoed trachtte tevergeefs het
+ongekamde grijze haar te verbergen. Een patriarchale baard, ongeknipt,
+daalde neer tot halfweg zijn borst. Twee kwartjes zouden hem bij een
+uitdrager compleet hebben uitgerust zooals hij nu voor hem stond.
+
+"Soms familie van McCoy van de _Bounty_?" vroeg de kapitein.
+
+"Mijn overgrootvader."
+
+"O", zei de kapitein, en hij bedacht zich. "Mijn naam is Davenport,
+en dit is mijn eerste stuurman, mijnheer Konig."
+
+Ze schudden elkaar de hand.
+
+"En nu ter zake." De kapitein sprak snel, de drang van een groote
+haast preste zijn woorden. "We hebben nu al meer dan twee weken
+brand aan boord. Ieder oogenblik kan de hel losbarsten. Daarom heb
+ik op Pitcairn aangehouden. Ik wil de schuit aan den grond zetten,
+of lek slaan, om den romp te sparen."
+
+"Dan hebt u zich vergist, kaptein", zei McCoy. "U had met ruime
+schooten naar Mangareva moeten koersen. Daar is een mooi strand,
+in een lagune, waar het water is als een vischvijver."
+
+"Maar we zijn nou hier, hè?" snauwde de eerste stuurman. "Daar komt
+het maar op aan. We zijn hier, en er moet iets gedaan worden."
+
+McCoy schudde vriendelijk zijn hoofd.
+
+"U kunt hier niets doen. Er is hier geen strand. Er is zelfs geen
+ankerplaats."
+
+"Klets", zei de stuurman. "Klets", herhaalde hij luid, toen de
+kapitein hem een teeken gaf, wat minder kras in zijn uitdrukkingen
+te zijn. "Dergelijke praatjes kun je mij niet verkoopen. Waar heb
+je je eigen booten dan, je schoener of je kotter of weet ik wat jij
+hebt? Hè? Vertel me dat maar' es."
+
+McCoy glimlachte zacht zooals hij gesproken had. Zijn glimlach was
+een liefkoozing, een omhelzing die den uitgeputten stuurman trachtte
+mee te trekken in den sereenen vrede van McCoy's rustige ziel.
+
+"Wij hebben geen schoener en geen kotter", antwoordde hij. "En we
+dragen onze kano's boven op de rotsen."
+
+"Zou ik eerst' es moeten zien", snoof de stuurman. "Hoe kom je dan
+op de andere eilanden, hè? Dat wou ik wel' es weten."
+
+"Wij gaan niet naar de andere eilanden. Ik alleen, af en toe, als
+gouverneur van Pitcairn. Toen ik nog jong was, was ik heel dikwijls
+weg--soms op de koopvaardij-schoeners, meestal op de brik van de
+zending. Maar die is er nu niet meer, en we zijn nu afhankelijk van
+passeerende schepen. Soms hebben we er wel eens zes in 't jaar. Maar
+dikwijls gaat er ook een jaar en nog meer voorbij zonder dat we één
+enkel schip zien. U bent het eerste sinds zeven maanden."
+
+"En je wilt me vertellen--", begon de stuurman weer.
+
+Maar kapitein Davenport kwam tusschenbeide.
+
+"Genoeg, genoeg. We verliezen onzen tijd maar. Wat moeten we doen,
+mijnheer McCoy?"
+
+De oude man wendde zijn bruine oogen, zacht als die van een vrouw, naar
+het land, en kapitein en stuurman volgden zijn blik, van de eenzame
+rots Pitcairn naar de bemanning die in een troep bijeen stond op het
+voorschip en vol spanning wachtte op een beslissing. McCoy haastte zich
+niet. Zijn gedachten gingen rustig en langzaam, stap voor stap, met de
+zekerheid van iemand die nooit gekweld of geslagen is door het leven.
+
+"Er is niet veel wind op 't oogenblik", zei hij eindelijk. "En er
+loopt een sterke strooming naar het westen."
+
+"Die heeft ons doen afdrijven naar lij", onderbrak de kapitein,
+die zijn zeemanschap wilde rechtvaardigen.
+
+"Juist, die heeft u naar lij gedreven!" ging McCoy verder. "Nu,
+u kunt vandaag niet tegen die strooming in opwerken. En al kon het,
+dan is er nog geen strand. Uw schip zou totaal verloren zijn."
+
+Hij wachtte even, en kapitein en stuurman keken elkaar wanhopig aan.
+
+"Maar ik zal u zeggen wat u kunt doen. De bries zal vannacht doorkomen,
+ongeveer middernacht--kijk die vegen wolken en die dikte te loevert,
+achter dien bergtop daar. Daar zal-ie vandaan komen, uit het
+zuid-oosten, en hard. Het is driehonderd mijlen naar Mangareva. Bras
+je ra's in 't vierkant en loop er vóór het windje heen. Er is daar
+een mooi bed voor je schip."
+
+De stuurman schudde zijn hoofd.
+
+"Kom even in de kajuit, dan kunnen we eens op de kaart kijken,"
+zei de kapitein.
+
+Er hing een vergiftige, verstikkende atmosfeer in de kleine, benauwde
+kajuit. Onzichtbare gassen die overal ronddreven beten en prikten in
+McCoy's oogen. Het dek was hier nog heeter, bijna onverdraaglijk heet
+voor zijn bloote voeten. Het zweet stroomde uit zijn lichaam. Hij
+keek bijna bang om zich heen. Deze kwaadaardige, inwendige hitte
+was afschuwelijk. Het was een wonder, dat de kajuit niet in vlammen
+uitbarstte. Hij had een gevoel alsof hij in een grooten oven was,
+waar ieder oogenblik de hitte tot een geweldige hoogte kon stijgen
+en hem verschroeien als een halmpje gras.
+
+Toen hij één voet oplichtte en de heete zool tegen zijn broekspijp
+wreef, beet de stuurman hem een woesten, grimmigen lach toe.
+
+"Het voorgeborchte der hel", zei hij. "De hel zelf is daar vlak onder
+uw voeten."
+
+"Het is heet!", riep McCoy onwillekeurig, en veegde zijn gezicht met
+een bandana zakdoek.
+
+"Hier is Mangareva", zei de kapitein, terwijl hij zich over de tafel
+boog en een zwarte vlek aanwees midden in de onverbroken witheid van
+de kaart.
+
+"En hier, nog daar vóór, ligt nog een eiland. Waarom daar niet heen?"
+
+McCoy keek niet op de kaart.
+
+"Crescent Eiland", antwoordde hij. "Het is onbewoond, en maar twee
+of drie voet boven het water. Een lagune, maar geen invaart. Neen,
+Mangareva is de naaste plek die u gebruiken kunt."
+
+"Dan zal het Mangareva zijn", zei kapitein Davenport, de grommende
+tegenwerpingen van zijn stuurman onderbrekend. "Roep het volk achter,
+mijnheer Konig."
+
+De matrozen gehoorzaamden. Ze strompelden moe langs het dek en deden
+pijnlijke pogingen om haast te maken. Hun uitputting was zichtbaar
+in iedere beweging die ze maakten. De kok kwam uit zijn kombuis om
+te luisteren, en de kajuitsjongen hing naast hem over de deur.
+
+Toen kapitein Davenport de situatie uitgelegd en zijn voornemen om naar
+Mangareva te loopen geuit had, brak er een geweldig rumoer los. Tegen
+een achtergrond van kelig gegrom rezen ongearticuleerde kreten van
+woede, met hier en daar een duidelijk te onderscheiden vloek, een
+woord, een zin. De schrille stem van een Cockney steeg, en beheerschte
+een oogenblik alles: "Jeisis Christus, eers' veertien daoge in de hel,
+en nou wil-ie dawwe die drijvende hel weer nao see seile!"
+
+De kapitein had geen macht meer over hen, maar de aanwezigheid van
+McCoy scheen hun een zacht verwijt, en kalmeerde hen. Het mopperen
+en vloeken stierf weg, totdat, behalve hier en daar een gezicht
+dat vol angstige spanning naar den kapitein gericht was, de geheele
+bemanning verlangend stond te kijken naar de groen-begroeide toppen
+en de overhangende rotsen van Pitcairn.
+
+Zacht als een lentewind was de stem van McCoy; "Kaptein, ik meende
+dat ik er een paar hoorde zeggen dat ze honger hadden."
+
+"Ja", was het antwoord, "en wij ook. Ik heb de laatste twee dagen
+niets gehad dan een scheepsbeschuit en een lepel gedroogde zalm. We
+zijn op rantsoen. Ziet u, toen we den brand ontdekten, hebben we alles
+onmiddelijk dichtgeschalmd om het vuur te verstikken. En toen merkten
+we hoe weinig voedsel er in de provisiekast was. Maar toen was het te
+laat. We durfden de voorraadkamer niet meer open te breken. Honger? Ik
+heb even veel honger als zij."
+
+Hij sprak de mannen opnieuw toe, en opnieuw rees het kelig gebrom
+en gevloek, en hun gezichten waren als van dieren, verwrongen van
+woede. De tweede en de derde stuurman waren bij den kapitein komen
+staan, vóór op de kampanje. Hun gezichten waren strak en zonder
+uitdrukking; vóór alles schenen ze ontstemd door deze muiterij van
+de bemanning. Kapitein Davenport keek zijn eersten officier vragend
+aan, maar die haalde slechts zijn schouders op ten teeken van zijn
+hulpeloosheid.
+
+"U ziet", zei de gezagvoerder tegen McCoy, "je kunt matrozen niet
+dwingen het veilige land te verlaten en naar zee te gaan op een
+brandend schip. Het is hun drijvende doodkist geweest, nu al meer
+dan twee weken. Ze zijn uitgewerkt en uitgehongerd, en ze hebben er
+genoeg van. We zullen naar Pitcairn opwerken."
+
+Maar er was weinig wind, de bodem van de _Pyreneeën_ was aangegroeid,
+en het schip kon niet tegen de sterke westelijke strooming op
+laveeren. Na verloop van twee uren had men drie mijlen verloren. De
+matrozen werkten fel, alsof ze alleen door hun kracht de _Pyreneeën_
+tegen de vijandige elementen in konden drijven. Maar gestadig, nu over
+stuurboord, dan over bakboord, zakte het schip af naar het westen. De
+kapitein ijsbeerde rusteloos heen en weer. Af en toe hield hij op om
+te kijken naar de slierten rook die overal ronddreven, en hij trachtte
+hun spoor na te gaan tot de plek waar ze uit het dek sprongen. De
+timmerman was voortdurend bezig dergelijke plekken vast te stellen en,
+als hij daarin geslaagd was, ze dichter en dichter te breeuwen.
+
+"Wel, wat denkt u er nu van?" vroeg de kapitein eindelijk aan McCoy,
+die naar den timmerman stond te kijken met al de belangstelling en
+nieuwsgierigheid van een kind in zijn oogen.
+
+McCoy keek in de richting van de wal, waar het eiland verdween in
+den dichtenden nevel.
+
+"Ik denk, dat 't beter zou zijn naar Mangareva te loopen. Met de
+bries die nu komt bent u daar morgenavond."
+
+"Maar wat als de brand uitslaat? Het kan ieder oogenblik gebeuren."
+
+"Houdt uw booten klaar in de vallen. Dezelfde bries zal uw booten
+naar Mangareva brengen, als het schip onder u uit brandt."
+
+Kapitein Davenport overlegde een oogenblik met zich zelf, en toen
+hoorde McCoy de vraag die hij liever niet had willen hooren, maar
+die hij voelde komen.
+
+"Ik heb geen kaart van Mangareva. Op de groote kaart is het maar een
+vliegenscheet. Ik zou niet weten waar ik de invaart in de lagune
+moest zoeken. Zoudt u mee willen gaan en het schip voor mij naar
+binnen loodsen?"
+
+McCoy's sereene rust bleef onverstoord.
+
+"Goed, kaptein", zei hij met dezelfde kalme achteloosheid waarmee
+hij een uitnoodiging om te komen dineeren zou hebben aangenomen;
+"ik ga met u mee naar Mangareva."
+
+Weer werd de bemanning naar achteren geroepen, en de kapitein sprak
+hen toe vanaf de hooge kampanje.
+
+"We hebben geprobeerd de schuit stroomop te krijgen, maar jullie
+ziet hoe veel we verloren hebben. We drijven af in een twee-knoops
+strooming. Deze mijnheer hier is de Edelachtbare Heer McCoy, eerste
+ambtenaar en gouverneur van het eiland Pitcairn. Hij zal met ons
+meegaan naar Mangareva. Jullie ziet dus dat de toestand niet zoo
+gevaarlijk is. Hij zou het niet aangeboden hebben, als hij dacht dat
+hij er zijn hachje bij in zou schieten. Bovendien, hoe groot de risico
+ook is, als hij uit eigen beweging aan boord komt, en de kans wil
+loopen, kunnen wij niet minder doen. Wat zeggen jullie van Mangareva?"
+
+Dezen keer was er geen rumoer. McCoy's aanwezigheid, de zekerheid
+en de kalmte die er van hem uit schenen te stralen, hadden hun
+uitwerking. Ze spraken zachtjes onder elkaar. Veel werd er niet
+gepraat. Ze waren eensgezind in de deugd, en ze schoven den Cockney
+naar voren als hun woordvoerder. Overstelpt door het bewustzijn van
+zijn eigen heldenmoed en dien van zijn kameraden, schreeuwde hij met
+vlammende oogen: "Verdomd, as hij 't doet, wij ook!"
+
+De bemanning mompelde bijval en ging naar voren.
+
+"Eén oogenblik, kaptein", zei McCoy toen de ander zich omdraaide
+om orders aan den eersten stuurman te geven, "ik moet eerst aan
+land gaan."
+
+Mijnheer Konig was als door den donder getroffen en staarde McCoy
+aan alsof hij een krankzinnige voor zich had.
+
+"Aan land gaan?" riep de kapitein. "Waarom in Godsnaam? Het duurt
+drie uren eer u daar bent in uw kano."
+
+McCoy mat den afstand tot het verre land en knikte.
+
+"Ja, en het is nu zes uur. Ik ben niet aan land vóór negen. Het volk
+kan niet eerder bijeen zijn dan tien uur. Terwijl de bries doorkomt
+vanavond kunt u beginnen er tegen in te laveeren, en mij dan morgen
+vroeg bij zonsopgang oppikken."
+
+"In den naam van rede en gezond verstand", barstte de kapitein uit,
+"waarom wilt u het volk bijeen roepen? Ziet u niet in dat mijn schip
+onder mij wegbrandt?"
+
+McCoy was kalm als een zomersche zee, en de woede van den ander bracht
+er niet het minste rimpeltje op.
+
+"Zeker, kaptein", kirde hij met zijn duivengeluid. "Ik zie heel
+goed in dat uw schip in brand staat. Daarom ga ik met u mee naar
+Mangareva. Maat ik moet verlof hebben om met u mee te gaan. Het is
+gewoonte zoo bij ons. Het is iets heel gewichtigs als de gouverneur
+van het eiland weggaat. De belangen van het volk staan op het spel,
+en ze hebben het recht hun toestemming te geven of te weigeren. Maar
+ze zullen het zeker goed vinden, dat weet ik."
+
+"Weet u dat zeker?"
+
+"Absoluut zeker."
+
+"Maar als u weet dat ze permissie zullen geven, waarom maakt u zich dan
+nog druk om ze te krijgen? Denk aan het oponthoud--een heelen nacht!"
+
+"Het is gewoonte bij ons", was het onverstoorbare antwoord. "Bovendien
+ben ik gouverneur, en ik moet maatregelen nemen voor het bestuur van
+het eiland voor den tijd dat ik weg ben."
+
+"Maar het is maar vierentwintig uur naar Mangareva", wierp de kapitein
+tegen, "Veronderstel dat het zesmaal zoo lang duurt om terug te komen
+tegen den wind in; dat zou u na een week weer terug brengen."
+
+McCoy glimlachte zijn breeden, goedigen glimlach.
+
+"Er komen maar heel weinig schepen langs Pitcairn, en als er komen,
+zijn ze meestal van San Francisco of van om Kaap Hoorn. Ik mag van
+geluk spreken als ik over zes maanden terug ben. Misschien blijf ik
+een jaar weg, en misschien moet ik naar San Francisco gaan om een
+schip te vinden dat mij terug zal brengen. Mijn vader ging eens voor
+drie maanden weg van Pitcairn, en het duurde twee jaren vóórdat hij
+terug kon komen. Verder hebt u gebrek aan voedsel. Als u uw toevlucht
+in de booten moet zoeken en het weer wordt slecht, kan het dagen duren
+eer u land bereikt. Ik kan u twee kano-ladingen proviand mee brengen
+morgen vroeg. Gedroogde bananen zullen het beste zijn... Als de bries
+aanwakkert, kruist u er tegen in. Hoe dichterbij u is, des te grootere
+ladingen kan ik meebrengen. Tot ziens."
+
+Hij stak zijn hand uit. De kapitein schudde haar, en kon bijna niet los
+laten. Hij scheen er zich aan vast te klemmen zooals een verdrinkende
+zeeman zich vastklemt aan een reddingboei.
+
+"Hoe weet ik dat u terug zult komen morgen?" vroeg hij.
+
+"Ja, dat is het maar!" riep de stuurman. "Hoe weten we dat-ie 'm niet
+smeert om zijn eigen huid te bergen?"
+
+McCoy zei niets. Hij keek de twee mannen zacht en zegenend aan,
+en het scheen hun toe als ontvingen zij een boodschap uit zijn
+onbegrijpelijke gerustheid van ziel.
+
+De kapitein liet zijn hand los, en met een laatsten blik die de
+bemanning omving in zijn zegening, klom McCoy over de verschansing
+en daalde af in zijn kano.
+
+De wind werd sterker, en de _Pyreneeën_, ondanks den baard onder haar
+bodem, won een half dozijn mijlen van de westelijke strooming. Bij
+zonsopgang, met Pitcairn drie mijlen te loevert, bemerkte kapitein
+Davenport twee kano's, die op hem aanhielden. Weer klauterde McCoy op
+tegen den ijzeren wand van het schip, en sprong over de verschansing
+op het heete dek. Hij werd gevolgd door vele pakken gedroogde bananen,
+elk pak gewikkeld in droge bladeren.
+
+"Nu, kapitein," zei hij, "gooi je ra's om, en vooruit om je lieve
+leven. Ziet u, ik ben geen zeevaarder", legde hij een paar minuten
+later uit, toen hij naast den kapitein stond achter op de kampanje,
+terwijl deze zijn blikken liet gaan van de bovenste zeilen omlaag
+naar het water, om de vaart van de _Pyreneeën_ te schatten. "Jaag
+'r naar Mangareva. Als u het land hebt gevonden zal ik haar wel naar
+binnen loodsen. Wat denkt u dat het oudje maakt op 't oogenblik?"
+
+"Elf", antwoordde kapitein Davenport, met een laatsten blik naar het
+voorbij ruischende water.
+
+"Elf knoopen. Eens even kijken, als we die vaart houden zullen we
+Mangareva morgen vroeg tusschen acht en negen in zicht krijgen. Ik zal
+het schip op 't strand hebben om tien uur, elf uur op z'n laatst. En
+dan is al uw zorg voorbij."
+
+Het scheen den kapitein bijna toe dat het oogenblik van zaligheid
+al gekomen was, zoo overtuigend sprak McCoy. Meer dan twee weken had
+kapitein Davenport geleefd onder de vreeselijke spanning gezagvoerder
+van een brandend schip te zijn, en hij begon te voelen dat hij genoeg
+had gehad.
+
+Een windvlaag, heviger dan de vorigen, sloeg tegen zijn nek en floot
+langs zijn ooren. Hij mat de kracht ervan en keek snel overboord.
+
+"De wind neemt voortdurend toe", verklaarde hij. "De ouwe schuit
+maakt eerder twaalf dan elf op 't oogenblik. Als dat zoo doorgaat,
+zullen we zeil moeten minderen vanavond."
+
+Den geheelen dag vloog de _Pyreneeën_ met haar lading smeulend vuur
+over de schuimende zee. Bij het vallen van den nacht waren bovenbram-
+en bramzeilen ingenomen, en het groote fregat joeg voort, de duisternis
+in. Hooge zeeën met schuimkoppen liepen kokend en sissend achterop. De
+gunstige wind miste zijn uitwerking niet, en vóór- en achteruit was
+iedereen zichtbaar beter gestemd. In de tweede hondenwacht [2] hief
+de een of andere zorgelooze ziel zelfs een lied aan, en toen het acht
+glazen sloeg was de geheele bemanning aan het zingen.
+
+Kapitein Davenport had zijn dekens naar boven gebracht en spreidde
+ze boven op de kajuit.
+
+"Ik ben vergeten wat slaap is", legde hij McCoy uit. "Ik ga een
+uiltje knappen. Maar roep me in ieder geval wanneer je denkt dat
+'t noodig is."
+
+Om drie uur 's morgens werd hij gewekt door een zacht trekken aan
+zijn arm. Hij ging snel rechtop zitten, leunend tegen het vallicht,
+nog verdoofd door zijn zwaren slaap. De wind zong zijn krijgszang
+in het tuig, en de _Pyreneeën_ werd gebeukt door een woeste zee. Het
+schip slingerde beurtelings de stuurboord- en bakboord-reeling onder
+water, en midscheeps was de zee niet van het dek. McCoy schreeuwde
+iets dat hij niet verstaan kon. Hij strekte zijn arm uit, greep den
+ander bij den schouder en trok hem naar zich toe, zoodat zijn oor
+dicht bij McCoy's lippen was.
+
+"Het is drie uur nu", kwam de stem van McCoy, die nog steeds haar
+duivengeluid behield, maar vreemd gedempt, als van een grooten
+afstand. "We hebben tweehonderd vijftig geloopen. Het eiland Crescent
+is maar dertig mijlen verder, ergens recht vooruit. Er zijn geen
+lichten op, en als we vóór den wind blijven loopen, vliegen we er
+tegen aan, en dan zijn wij weg en het schip ook."
+
+"Wat denk je--bijliggen?"
+
+"Ja, ga bijliggen tot het licht wordt. We verliezen er maar vier
+uur mee."
+
+Dus de _Pyreneeën_, met haar lading vuur, werd bijgedraaid, en beet
+recht in den wind, vocht zich heen door de beukende zeeën die braken
+over haar boeg. Ze was een dunne schaal, gevuld met een smeulenden
+brand, en buiten op de schaal, zich met levensgevaar vasthoudend,
+hielpen de nietige menschjes haar in den strijd.
+
+"Het is heel ongewoon, deze storm", zei McCoy tegen den kapitein,
+in de beschutting van de kajuit. "Eigenlijk zou er geen storm moeten
+zijn in dezen tijd van het jaar. Maar alles is ongewoon geweest met
+het weer. De passaatwinden hebben niet meer geblazen, en nu loeit
+het juist uit den passaathoek." Hij wees met zijn hand de duisternis
+in, alsof zijn oogen honderden mijlen ver konden zien. "Het zit in
+'t westen. Daar is ergens iets geweldigs op til--een wervelstorm of
+iets dergelijks. We boffen dat we zoo ver naar 't oosten zijn. Dit is
+maar een lichte koelte", voegde hij er bij. "Lang zal het niet duren,
+dat kan ik je wel vertellen."
+
+Toen de zon opkwam was de wind bedaard tot zijn normale kracht. Maar
+het daglicht openbaarde een nieuw gevaar. Het was dik van mist
+geworden. De zee was er mee bedekt, of liever, met een parelgrijzen
+nevel, die mist was in zooverre dat hij het zicht belemmerde; maar
+eigenlijk was het niet meer dan een vlies op de zee, want de zon
+schoot er doorheen en doorgloeide het met een roode straling.
+
+Het dek van de _Pyreneeën_ rookte meer dan den vorigen dag, en de
+opgewektheid van officieren en bemanning was verdwenen. Men kon den
+kajuitsjongen hooren huilen in lij van de kombuis. Het was zijn eerste
+reis, en de vrees voor den dood was sterk in hem. De kapitein liep
+met een woedend gezicht rond, nerveus op zijn snor kauwend, niet in
+staat een besluit te nemen.
+
+"Wat denk jij ervan", vroeg hij, stilstaand naast McCoy, die zat
+te ontbijten met gedroogde bananen en een kroes water. McCoy at
+zijn laatste banaan op, dronk zijn kroes leeg, en keek langzaam om
+zich heen. Er was een teedere glimlach in zijn oogen toen hij zei:
+"Wel, kaptein, we kunnen even goed varen als verbranden. Je dek zal
+het niet eeuwig uithouden. Het is al veel warmer van morgen. Heb je
+misschien een paar schoenen die ik kan dragen. Het wordt onpleizierig
+voor mijn bloote voeten."
+
+De _Pyreneeën_ schepte twee zware zeeën toen ze volgebrast en opnieuw
+vóór den wind gebracht werd; en de eerste stuurman gaf uiting aan
+den wensch om al dat water in het ruim te hebben, als het er maar
+ingebracht kon worden zonder de luiken af te nemen. McCoy dook met
+zijn hoofd in het kompashuisje, en keek naar den koers die men zette.
+
+"Ik zou'r een beetje hooger houden, kaptein", zei hij. "We zijn
+afgedreven terwijl we bij-lagen."
+
+"Ik lig al een streek hooger", was het antwoord. "Is dat niet genoeg?"
+
+"Ik zou er twee streken van maken, kaptein. Dit stukje wind heeft
+die westelijke strooming harder vooruit geschopt dan je denkt."
+
+Kapitein Davenport gaf toe tot anderhalven streek, en ging toen
+het want in, vergezeld van McCoy en den eersten stuurman, om uit te
+kijken naar land. Alle zeilen stonden weer bij, zoodat de _Pyreneeën_
+tien knoopen liep. De achteroploopende zee werd snel kalmer. Nog niets
+was er dat den parelgrijzen nevel brak, en om tien uur begon kapitein
+Davenport zenuwachtig te worden. Alle hens stonden klaar op hun post
+om bij den eersten roep van "Land vooruit!" als duivels aan het werk te
+springen om de _Pyreneeën_ in den wind te brengen. Dat "Land vooruit",
+het een of ander buitenrif waar de branding overheen spoelde, zou
+gevaarlijk dichtbij zijn als het zich liet zien in dien mist.
+
+Weer ging er een uur voorbij. De drie uitkijken boven tuurden gespannen
+in de parelende straling.
+
+"Wat, als we Mangareva voorbij varen?" vroeg kapitein Davenport
+plotseling.
+
+McCoy antwoordde zachtjes, zonder zijn blik af te wenden van de zee:
+
+"Wel, laat'r loopen, kaptein. Dat is het eenige wat we kunnen doen. De
+heele Paoemotoe's liggen vóór ons. We kunnen duizend mijlen ver
+varen steeds door riffen en atollen. Ergens zullen we er wel tegen
+aan loopen."
+
+"Dan vooruit." Kapitein Davenport gaf blijk van zijn bedoeling om
+naar het dek af te dalen. "We zijn Mangareva voorbij. God weet waar
+het volgende land is. Ik wou nòg dat ik 'r die halve streek hooger
+gehouden had", biechtte hij een oogenblik later. "Die vervloekte
+strooming steekt den gek met een zeevaarder."
+
+"De oude zeevaarders noemden de Paoemotoe's den Gevaarlijken Archipel",
+zei McCoy, toen ze weer op de kampanje waren. En het is juist deze
+strooming die dien naam mee op zijn geweten heeft."
+
+"Ik heb 's gepraat met een varensgezel in Sydney", zei mijnheer
+Konig. "Hij had lang gehandeld in de Paoemoetoe's. Hij vertelde me
+dat verzekering daar achttien procent was. Is dat zoo?"
+
+McCoy glimlachte en knikte.
+
+"_Als_ ze nog verzekeren", vulde hij aan. "De reeders schrijven ieder
+jaar twintig procent op hun schoeners af."
+
+"Groote God!" kermde kapitein Davenport. "Dat maakt het bestaan van
+een schoener maar vijf jaren!" Hij schudde neerslachtig zijn hoofd,
+mompelend: "Kwaad water; kwaad water!"
+
+Ze gingen weer de kajuit binnen om de groote kaart te raadplegen,
+maar de vergiftige dampen dreven hen hoestend en hijgend weer aan dek.
+
+"Hier is het eiland Moerenhout." Kapitein Davenport wees het aan op
+de kaart die hij boven op de kajuit had uitgespreid. "Het kan niet
+meer dan honderd mijlen aan lij liggen."
+
+"Honderd en tien." McCoy schudde twijfelend zijn hoofd. "Misschien
+kunnen we het doen, maar het is erg gewaagd. Ik zou het schip op
+'t strand kunnen zetten, maar er is even veel kans dat we op 't rif
+komen. Een leelijk gat, een heel leelijk gat."
+
+"We zullen de risico loopen", was kapitein Davenport's besluit en
+hij ging de koers uitrekenen.
+
+Vroeg in den namiddag werd er zeil geminderd om het eiland 's nachts
+niet voorbij te varen; en in de tweede hondenwacht gaf de bemanning
+blijk van haar herwonnen opgewektheid. Het land was zóó dicht bij,
+en 's morgens zouden al hun zorgen voorbij zijn.
+
+Maar de morgen kwam, helder, met een vlammende tropische zon. De
+zuidoost-passaat was naar het oosten gedraaid en dreef de _Pyreneeën_
+door het water met een vaart van acht knoopen. Kapitein Davenport
+maakte zijn gegist bestek, ruim rekenend voor afdrijven, en
+kondigde aan, dat Moerenhout niet meer dan tien mijlen verder
+was. De _Pyreneeën_ zeilde de tien mijlen, ze zeilde tien mijlen
+verder, en de uitkijken in de drie masten zagen niets dan de naakte,
+zon-overspoelde zee.
+
+"Maar het land _is_ er, zeg ik je," schreeuwde kapitein Davenport
+hun toe vanaf de kampanje.
+
+McCoy glimlachte kalmeerend, maar de kapitein keek rond als een
+krankzinnige, greep zijn sextant, en deed een chronometer-waarneming.
+
+"Ik wist wel dat ik gelijk had!" schreeuwde hij bijna toen hij
+de waarneming had uitgewerkt "eenentwintig, vijfenvijftig, zuid;
+honderdzesendertig, twee, west. Daar! We zijn nog acht mijlen te
+loevert. Wat hebt u gekregen, mijnheer Konig?"
+
+De eerste stuurman keek naar zijn cijfers en zei met een lage stem:
+
+"Eenentwintig, vijfenvijftig heb ik ook, maar mijn lengte is
+honderdzesendertig, acht en veertig. Dat brengt ons een heel stuk
+naar lij---"
+
+Maar kapitein Davenport negeerde zijn berekeningen met een zóó
+verachtelijk stilzwijgen, dat mijnheer Konig op zijn tanden knarste
+en wild vloekte in zijn baard.
+
+"Houd 'r af", beval de kapitein den roerganger. "Drie streken--recht
+zoo, laat 'r zoo loopen!"
+
+Toen keerde hij terug naar zijn berekeningen en deed alles nog eens
+over. Het zweet liep van zijn gezicht. Hij kauwde op zijn snor, op
+zijn lippen, op zijn potlood, en staarde naar zijn cijfers als naar
+een spook. Plotseling, met een nijdige uitbarsting van zijn spieren,
+verfrommelde hij het bekrabbelde papier in zijn vuist, en stampte
+er op. Mijnheer Konig grinnikte voldaan en draaide zich om, terwijl
+kapitein Davenport tegen kajuit stond te leunen en een half uur lang
+geen woord meer zei, zich tevreden stellend met naar lij te staren,
+een uitdrukking van peinzende wanhoop op zijn gezicht.
+
+"Mijnheer McCoy", verbrak hij opeens de stilte. "De kaart wijst
+een eilandengroep aan, ongeveer veertig mijlen naar het noorden,
+of noordnoordwesten"--de Actaeon-eilanden. Wat denkt u daarvan?"
+
+"Er zijn er vier, allemaal laag", antwoordde McCoy. "Het eerste, in
+'t zuidoosten van den archipel, is Matoe-eri, geen menschen, geen
+invaart in de lagune. Dan komt Tenaroengga. Vroeger woonden er een
+dozijn menschen, maar die zullen nu wel allemaal weg zijn. In ieder
+geval is daar geen invaart voor een schip, hoogstens voor een boot,
+één vadem water. De andere twee zijn Vehaoega en Tehoeararo. Geen
+invaart, geen menschen, heel laag. In die groep is geen bed voor de
+_Pyreneeën_. Ze zou totaal wrak slaan."
+
+"Hoor nu toch eens!" Kapitein Davenport was razend. "Geen menschen,
+geen invaart. Maar lieve hemel, waar zijn eilanden dan goed voor?"
+
+"Nou dan", blafte hij opeens, als een opgewonden terrier, "de kaart
+geeft een heelen hoop eilanden in het noordwesten. Hoe is 't daar
+mee? Welk eiland heeft een invaart waar ik mijn schip kan leggen?"
+
+McCoy overwoog kalm. Hij keek niet op de kaart. Al die eilanden,
+riffen, ondiepten, lagunen, invaarten en afstanden stonden gedrukt
+op de kaart van zijn geheugen. Hij kende ze zooals een stadsbewoner
+zijn gebouwen en straten en stegen kent.
+
+"Ginds in 't westen, of westnoordwest, liggen Papakena en Vanavana,
+honderd mijlen verder, misschien iets meer", zei hij. "Het eene is
+onbewoond, en ik heb gehoord dat de menschen van het andere naar
+Cadmus-eiland zijn gegaan. In ieder geval heeft geen van beide
+lagunen een invaart. Honderd mijlen verder naar 't noordwesten ligt
+Ahoenoei. Geen invaart, geen menschen."
+
+"Nou, veertig mijlen verder liggen nog twee eilanden..?" vroeg kapitein
+Davenport, en hij keek op van de kaart.
+
+McCoy schudde zijn hoofd.
+
+"Paros en Manoehoengi--geen invaart, geen menschen. Veertig mijlen
+verder hebben we Nenggo-nenggo, ook dat heeft geen invaart en is
+onbewoond. Maar dan is er nog Hao. Dat moeten we hebben. De lagune is
+dertig mijlen lang en vijf breed. Menschen in overvloed. Gewoonlijk
+is er wel water te krijgen ook. En er is geen schip zoo groot of het
+kan door de invaart."
+
+Hij zweeg, en keek kapitein Davenport onderzoekend aan. Deze stond
+over de kaart gebogen met een passer in zijn hand, en had juist een
+diep gebrom laten hooren.
+
+"Is er nergens een lagune met een invaart dichter bij dan Hao?" vroeg
+hij.
+
+"Neen, kaptein, dat is het dichtste bij."
+
+"Nu, het is driehonderd veertig mijlen." Kapitein Davenport sprak
+heel langzaam, vast besloten. "Ik wil de verantwoordelijkheid voor
+al deze menschenlevens niet dragen. Ik zal het schip in de Actaeons
+op het rif zetten. En het is zoo 'n goeie, ouwe schuit", voegde hij
+er berouwvol bij, nadat hij den koers veranderd had. Dezen keer liet
+hij meer speling dan ooit voor de westelijke strooming.
+
+Een uur later was de lucht betrokken. De zuidoost-passaat blies nog
+steeds, maar de zee was als een schaakbord van buien.
+
+"We zullen er om één uur zijn", zei kapitein Davenport vol
+vertrouwen. "Twee uur op z'n laatst. McCoy, jij zet haar op het eiland
+waar menschen wonen."
+
+De zon kwam niet meer terug, en om één uur was er nog geen land te
+zien. Kapitein Davenport keek naar achter, naar het kielwater van de
+_Pyreneeën_, dat schuin afzakte.
+
+"Groote God!" riep hij. "Een oostelijke strooming! Kijk eens!"
+
+Mijnheer Konig was ongeloovig. McCoy had er geen verstand van,
+ofschoon hij zei, dat hij geen reden zag waarom er in de Paoemoetoe's
+geen oostelijke strooming zou loopen. Een paar minuten later nam een
+bui voor een poos al den wind uit de zeilen en het schip lag zwaar
+te slingeren in de laagten tusschen de golven.
+
+"Waar is dat diep-lood? Overboord ermee, jij daar!"
+
+Kapitein Davenport hield de loodlijn en zag haar afdrijven naar
+het noordoosten. "Daar! Kijk! Houd het zelf eens vast!" McCoy en de
+stuurman probeerden het en voelden de lijn nijdig trillen en zoemen
+in den greep van den vloedstroom.
+
+"Een vier-knoops-strooming", zei mijnheer Konig.
+
+"En een oostelijke in plaats van een westelijke", zei kapitein
+Davenport, en staarde McCoy verwijtend aan, alsof hij hem de schuld
+wou geven.
+
+"Dat is een van de redenen, kaptein, waarom verzekering achttien
+procent is in deze wateren," antwoordde McCoy opgewekt. "Men weet hier
+nooit waar men aan toe is. De stroomingen veranderen voortdurend. Er
+is een man geweest die boeken schreef, ik ben zijn naam vergeten,
+in het jacht _Casco_. Hij liep Takawa dertig mijlen mis en kwam uit
+op Tikei, allemaal door die veranderende stroomingen. Je bent nu weer
+een heel eind te loevert, en ik zou maar een paar streken afhouden."
+
+"Maar hoeveel ben ik in deze strooming afgedreven?" schreeuwde de
+kapitein woedend. "Hoe kan ik weten hoeveel ik af moet houden?"
+
+"Ik weet het niet, kaptein," zei McCoy met groote zachtheid.
+
+De wind kwam weer, en de _Pyreneeën_, haar dek rookend en glinsterend
+in het heldere grijze licht, liep vóór de wind pal naar lij. Toen
+laveerde ze terug, nu over stuurboord dan over bakboord, kruisend over
+haar vroeger spoor, de zee afzoekend naar de Actaeon-eilanden. Maar
+de uitkijken in de masten kregen geen land in zicht.
+
+Kapitein Davenport was buiten zichzelf. Zijn woede nam den vorm aan van
+een norsch zwijgen, en den geheelen middag liep hij over de kampanje
+te ijsberen, of leunde tegen het want te loevert. Toen de nacht viel
+ging hij vóór den wind liggen, zonder McCoy's raad in te winnen, en
+stevende naar het noordwesten. Mijnheer Konig, die stilletjes kaart
+en kompas raadpleegde, en McCoy, die kinderlijk en openlijk op het
+kompas keek, wisten dat ze naar Hao gingen. Te middernacht hielden
+de buien op en de sterren kwamen te voorschijn. Kapitein Davenport
+werd een beetje opgevroolijkt door de belofte van een helderen dag.
+
+"Ik zal een waarneming doen morgen vroeg," vertelde hij McCoy,
+"ofschoon het me een raadsel is op welke breedte we zijn. Maar ik
+zal het wel uitvinden met de Sumner-methode. Weet je wat dat is,
+de Sumner-methode?"
+
+En toen legde hij het McCoy in bijzonderheden uit.
+
+De dag bleek helder te zijn, de passaatwind woei stadig uit het oosten,
+en de _Pyreneeën_ logde even stadig haar negen knoopen. Kapitein
+en stuurman werkten de positie van het schip uit met behulp van de
+Sumner-methode en hun berekeningen klopten, en om twaalf uur klopten
+ze weer; en daarna toetsten ze de waarneming van 's morgens aan die
+van twaalf uur.
+
+"Nog vierentwintig uur en we zijn er", verzekerde kapitein
+Davenport. "Het is een wonder dat het dek het uithoudt. Maar het
+kan zoo niet duren; het kan niet. Kijk het eens rooken, iederen dag
+meer. Toch was het dicht bij het begin van de reis, pas gebreeuwd in
+'Frisco. Ik wist niet wat ik zag toen de brand begon en we de luiken
+dichtschalmden. Kijk, kijk!"
+
+Hij brak af om met open mond naar een rook-sliert te staren die zich
+wond en kringelde in lij van den bezaansmast, twintig voet boven
+het dek.
+
+"Hoe komt dat nu daar?" riep hij kwaad.
+
+Onder het dunne rook-spiraaltje was niets te zien. Opstijgend uit
+het dek, beschut voor den wind door den zwaren mast, nam het door de
+een of andere gril eerst op die hoogte vorm en zichtbaarheid aan. Het
+dreef weg van den mast en hing een seconde boven den kapitein als een
+dreigend voorteeken. Het volgend oogenblijk veegde de wind het weg,
+en de onderkaak van den kapitein keerde terug in den normalen stand.
+
+"Zooals ik zei, ik wist niet wat ik zag toen we de boel
+dichtschalmden. Het dek was dicht, en toch lekte de rook er doorheen
+als door een zeef. En we hebben voortdurend gebreeuwd, gebreeuwd
+en nog eens gebreeuwd. Er moet een geweldige druk onder staan om er
+zooveel rook doorheen te drijven."
+
+Dien middag betrok de lucht opnieuw en het weer werd buiig en
+druilerig. De wind liep voortdurend heen en weer tusschen zuidoost en
+noordoost, en te middernacht werd de _Pyreneeën_ teruggeslagen door
+een hevige bui uit het zuidwesten. En de wind bleef met tusschenpoozen
+in dien hoek.
+
+"We zijn niet in Hao vóór tien of elf uur", jammerde kapitein
+Davenport om zeven uur 's morgens, toen de vluchtige belofte van zon
+weggevaagd werd door dikke wolkenmassa's in den oostelijken hemel. En
+een oogenblik later vroeg hij klagelijk: "En wat doen de stroomingen?"
+
+De uitkijken in de masten konden geen land signaleeren, en de dag ging
+voorbij onder hevige vlagen en druilerige blakten. Bij het vallen
+van den nacht kwam er een zware zee opzetten uit het westen. De
+barometer was gedaald tot 29·50. Wind was er niet en steeds werd die
+onheilspellende deining heviger. Weldra slingerde de _Pyreneeën_ als
+waanzinnig op de geweldige golven die in oneindige opvolging kwamen
+aanrollen uit de duisternis. De zeilen werden ingenomen, zoo snel als
+de beide wachten konden werken, en toen de uitgeputte bemanning haar
+plicht had gedaan, hoorde men in het donker hun stemmen brommen en
+mopperen, vreemd dierlijk en dreigend. Eens, toen de stuurboordwacht
+achteruit geroepen werd om alles vast te sjorren, gaven de mannen
+openlijk blijk van hun tegenzin en onwil. Iedere langzame beweging
+was een protest en een bedreiging. De atmosfeer was vochtig en dik
+als slijm en in de volkomen windstilte schenen alle hens naar adem
+te hijgen. Het zweet stond op gezichten en bloote armen, en kapitein
+Davenport, zijn gezicht magerder en vermoeider dan ooit, zijn oogen
+dof en starend, werd gekweld door het vreeselijk gevoel van een
+dreigende catastrophe.
+
+"Het zit ver in 't westen", zei McCoy bemoedigend. "Op zijn hoogst
+komen we in den buitensten gordel."
+
+Maar kapitein Davenport wilde niet bemoedigd worden, en las bij
+het licht van een scheepslantaarn in zijn _Epitome_ nog eens het
+hoofdstuk over, dat handelt over de gedragslijn van gezagvoerders in
+cyclonen. Ergens in de midscheeps werd de stilte verbroken door een
+zacht gekerm van den kajuitsjongen.
+
+"In Godsnaam, hou je mond!" gilde kapitein Davenport plotseling, en
+met zulk een kracht, dat iedereen aan boord schrok en de delinquent
+uitbarstte in een wild gehuil van krankzinnigen angst.
+
+"Mijnheer Konig", zei de kapitein met een stem die trilde van
+zenuwachtigheid, "wilt u zoo goed zijn om vooruit te gaan en dien
+kwajongen z'n mond te stoppen met een dekzwabber."
+
+Maar het was McCoy die naar voren ging en den jongen in een paar
+minuten gekalmeerd en in slaap gesust had.
+
+Kort vóór zonsopgang begon het eerste zuchtje te komen, uit het
+zuidoosten, en het groeide snel tot een steeds stijvere bries. Alle
+hens waren aan dek en wachtten op wat er achter zat.
+
+"Het is nu wel in orde, kaptein", zei McCoy, die dicht naast zijn
+schouder stond. "De cycloon zit in 't westen en wij zijn er ten
+zuiden van. Deze bries is de zuiging die hij doet ontstaan. Het zal
+niet harder gaan waaien. Je kunt er weer zeil op gaan zetten."
+
+"Maar waar dient 't voor? Waar moet ik heen zeilen? Dit is al de
+tweede dag zonder waarnemingen, en gistermorgen zouden we Hao al
+hebben moeten zien. Waar ligt het, noord, zuid, oost, waar? Vertel
+me dat eerst maar eens en ik zal in een wip zeil bijzetten."
+
+"Ik ben geen zeevaarder, kaptein", zei McCoy, mild en zacht, zooals
+alleen hij het zijn kon.
+
+"Vroeger dacht ik dat ik er een was", was het nijdige antwoord,
+"vóór ik hier in de Paoemoetoe's kwam."
+
+Om twaalf uur hoorde men den kreet "Brekers vooruit!" van den
+uitkijk. Men hield de _Pyreneeën_ af, en zeil na zeil werd losgemaakt
+en aangehaald. De _Pyreneeën_ begon door het water te glijden, en
+worstelde tegen een strooming die haar op die brekers dreigde te
+zetten. Officieren en mannen werkten als krankzinnigen, zelfs de
+kok en de kajuitsjongen, kapitein Davenport zelf, en McCoy hielpen
+een handje. Het scheelde een haartje. Het was een lage ondiepte,
+een ongure, gevaarlijke plek waar de zeeën onophoudelijk over heen
+braken, waar geen mensch kon leven, waar zelfs geen zeevogels konden
+rusten. De _Pyreneeën_ was tot op honderd meter genaderd vóór dat de
+wind haar weg dreef, en op dat oogenblik, toen het werk gedaan was,
+barstte de hijgende bemanning uit in een stroom van vervloekingen op
+het hoofd van McCoy--McCoy, die aan boord was gekomen en voorgesteld
+had naar Mangareva te gaan en hen had weggelokt van het veilige
+land naar een zekeren ondergang in deze vreeselijke, bedriegelijke
+zee. Maar de rustige ziel van McCoy was onberoerd. Hij glimlachte hen
+toe met simpele, zachte welwillenheid; en zijn verheven goedheid scheen
+door te dringen in hun donkere, sombere zielen, en hen te beschamen,
+en met schaamte de vloeken te smoren die nog trilden in hun keel.
+
+"Kwaad water! Kwaad water!" mompelde kapitein Davenport toen zijn
+schip vrij worstelde; maar hij brak plotseling af om te staren
+naar de ondiepte die pal achter had moeten liggen, maar die nu al
+schuins te loevert achter het schip lag en zich snel in loefwaartsche
+richting verplaatste. Hij ging zitten, en begroef zijn gezicht in
+zijn handen. En de eerste stuurman zag wat hij had gezien, en McCoy
+zag het en de matrozen zagen het. Ten zuiden van de bank had een
+oostelijke strooming hen er heen gedreven, en ten noorden had een
+even sterke westelijke strooming het schip gegrepen en droeg het weg.
+
+"Ik heb meer gehoord van deze Paoemoetoe's", kermde de kapitein en hij
+hief zijn verbleekt gezicht op uit zijn handen. "Kapitein Moyendale
+heeft me er van verteld toen hij er zijn schip verloren had. En ik
+lachte hem achter zijn rug uit. God zal 't me vergeven, ik lachte
+hem uit!... Wat voor ondiepte is dat?" brak hij plotseling af.
+
+"Ik weet het niet, kaptein", antwoordde McCoy
+
+"Waarom weet je 't niet?"
+
+"Omdat ik het ding nooit eerder gezien heb en omdat ik er nooit van
+heb gehoord. Ik weet wel dat het niet op de kaart staat. Deze wateren
+zijn nooit grondig onderzocht."
+
+"Dus je weet niet waar we zijn?"
+
+"Niet beter dan jij", zei McCoy zacht.
+
+Om vier uur in den middag werden kokospalmen gesignaleerd die uit het
+water leken te groeien. Wat later zag men het lage land van een atol
+op de zee liggen.
+
+"Nu weet ik waar we zijn, kaptein." McCoy liet den kijker zakken. "Dat
+is het eiland Resolution. We zijn Hao veertig mijlen voorbij en we
+hebben den wind recht tegen."
+
+"Maak je klaar om haar aan den grond te zetten. Waar is de invaart?"
+
+"Er is alleen maar een kanaal voor kano's. Maar nu we weten waar
+we zijn kunnen we naar Barclay de Tolley gaan. Het is maar honderd
+twintig mijlen van hier, pal noordnoordwest. Met deze bries kunnen
+we er morgen vroeg om negen uur zijn."
+
+Kapitein Davenport raadpleegde de kaart en overlegde lang.
+
+"Als we het schip hier op het rif laten loopen," voegde McCoy erbij,
+"zouden wij toch in de booten naar Barclay de Tolley moeten."
+
+De kapitein gaf zijn orders, en opnieuw draaide de _Pyreneeën_ vóór
+den wind om zich nog eens op die ongastvrije zee te wagen.
+
+En de volgende middag zag wanhoop en muiterij op haar rookend dek. De
+strooming was sterker geworden, de wind minder, en de _Pyreneeën_
+was afgedreven naar het westen. De uitkijk signaleerde Barclay de
+Tolley in het oosten, nauwelijks zichtbaar vanuit den top van den
+grooten mast, en uren lang trachtte de _Pyreneeën_ tevergeefs er heen
+te laveeren tegen den stroom in. Voortdurend bleven de kokospalmen
+aan den horizon hangen, als een luchtspiegeling, slechts zichtbaar
+vanuit den mast-top. Voor de menschen aan dek waren ze verborgen door
+de ronding der aarde.
+
+Opnieuw raadpleegde kapitein Davenport de kaart en McCoy. Makemo
+lag zeventig mijlen naar het zuidwesten. De lagune daar was dertig
+mijlen lang en had een uitstekende invaart. Toen kapitein Davenport
+zijn bevelen gaf, weigerde de bemanning haar dienst. Ze verklaarden
+dat ze genoeg hellevuur onder hun voeten gehad hadden. Daar lag het
+land. Wat kon het hun schelen of het schip er niet kon komen? Zij
+konden er in de booten komen. Laat 'r branden. Hun levens waren
+hun nog wat waard. Ze hadden het schip trouw gediend, nu gingen ze
+zichzelf dienen. Ze sprongen naar de booten, schoven den tweeden en
+derden stuurman uit den weg, en begonnen de booten buiten boord te
+zwaaien en neer te laten. Kapitein Davenport en de eerste stuurman,
+revolvers in de hand, liepen naar den rand van de kampanje, toen McCoy,
+die boven op de kajuit was geklommen, begon te spreken.
+
+Hij sprak de matrozen toe, en bij het eerste geluid van zijn kirrende
+duiven-stem hielden ze op om te luisteren. Hij deelde hun mede van
+zijn eigen oneindigen, sereenen vrede. Zijn zachte stem en zijn
+eenvoudige gedachten vloeiden naar hen uit als een magische stroom
+en kalmeerden hen tegen hun wil. Lang-vergeten dingen kwamen bij hen
+op, en sommigen herinnerden zich wiegeliedjes uit hun kindertijd,
+en de tevredenheid en de rust van moeders armen aan het eind van den
+dag. Er was geen zorg meer, geen gevaar, geen onwil, nergens in de
+heele wereld. Alles was zooals het zijn moest, en het was niet meer
+dan natuurlijk dat ze het land den rug toe zouden keeren en opnieuw
+naar zee zouden gaan, met de hel heet onder hun voeten.
+
+McCoy sprak eenvoudig, maar het was niet _wat_ hij zei. Zijn zachte
+wezen was welsprekender dan alle woorden. Het was een samenstel van
+onstoffelijke krachten, verwonderlijk subtiel en oneindig diep--een
+geheimzinnige emanatie van den geest, die meesleepte, zacht-nederig,
+en toch gebiedend als een machtig heerscher. Het was het Licht in
+de donkere krypten van hun zielen, en die kracht van reinheid en
+zachtheid was veel, veel grooter dan de kracht die lag in de blinkende,
+dood-spuwende revolvers van de officieren.
+
+De mannen weifelden waar ze stonden, tegen wil en dank, en degenen
+die de touwen hadden losgegooid maakten ze weer vast. Toen begonnen
+ze, eerst een, dan een ander, en ten slotte allemaal, verlegen weg
+te schuifelen.
+
+McCoy's gezicht straalde van kinderlijk plezier toen hij van de
+kajuit af klom. Er bestond geen herrie. Daarom was er ook geen herrie
+afgewend. Er was nooit herrie geweest, want voor zoo iets was er geen
+plaats in de gezegende wereld waarin hij leefde.
+
+"Je hebt ze gehypnotiseerd", grinnikte mijnheer Konig hem zachtjes toe.
+
+"Die jongens zijn goed", was het antwoord. "Ze hebben een goed
+hart. Ze hebben een harden tijd gehad, en ze hebben hard gewerkt,
+en ze zullen hard werken tot het eind."
+
+Mijnheer Konig had geen tijd om te antwoorden. Hij schalde zijn
+bevelen, de matrozen sprongen aan het werk, en de _Pyreneeën_ viel
+langzaam af totdat haar boeg wees in de richting van Makemo.
+
+Er was weinig wind en na zonsondergang ging hij bijna geheel
+liggen. Het was ondragelijk warm, en voor- en achteruit trachtte
+men tevergeefs te slapen. Het dek was te heet om er op te liggen;
+de vergiftige dampen siepelden door de naden en dreven als booze
+geesten over het schip. Ze kropen in neusgaten en luchtpijp van
+wie niet oplette, en veroorzaakten heftige hoest- en niesbuien. De
+sterren knipoogden lui in het donkere, verre gewelf boven hun hoofden;
+en de volle maan, rijzend uit het oosten, beroerde met haar licht de
+myriaden slierten en draden en webbige vliezen rook die ineen krulden
+en kringelden en wegdreven over het dek, langs de reelings en omhoog,
+de masten en het want in.
+
+"Vertel me eens", zei kapitein Davenport, zijn stekende oogen wrijvend,
+"wat gebeurde er met den troep van de _Bounty_ nadat ze op Pitcairn
+waren aangekomen? Zooals ik de zaak heb gelezen, hebben ze de _Bounty_
+verbrand en zijn ze pas jaren later ontdekt. Maar wat is er in dien
+tusschentijd gebeurd? Daar ben ik altijd nieuwsgierig naar geweest. Het
+waren kerels met het koord al om hun nek. En er waren ook een paar
+inboorlingen bij. En dan waren er vrouwen. Dat alleen was al een
+teeken dat het op herrie uit zou draaien, van 't begin af aan."
+
+"Het draaide op herrie uit", antwoordde McCoy. "Het waren kwade
+kerels. Ze begonnen direct al met ruzie om de vrouwen. Een van de
+muiters verloor zijn vrouw. Al de vrouwen waren van Tahiti. Zijn
+vrouw viel van de klippen toen ze jacht maakte op zeevogels. Toen
+nam hij de vrouw van een van de inboorlingen. Dat maakte al de
+inboorlingen erg boos, en ze sloegen bijna alle muiters dood. En die
+ontsnapten sloegen alle inboorlingen dood. De vrouwen hielpen mee. En
+de inboorlingen sloegen elkaar dood. Iedereen vermoordde iedereen. Het
+waren vreeselijke kerels.
+
+"Timiti werd dood geslagen door twee andere zwarten terwijl ze
+heel vriendschappelijk bezig waren zijn haar te kammen. De blanken
+hadden hun de opdracht gegeven. Toen sloegen de blanken hen weer
+dood. Toellaloo werd door zijn vrouw vermoord in een rots-hol omdat
+ze een blanken man wilde hebben. Ze deugden geen van allen. God had
+zijn gelaat voor hen verborgen. Na twee jaren waren alle inboorlingen
+vermoord en de blanken op vier na. Het waren Young, John Adams, McCoy,
+mijn overgrootvader, en Quintal. Dat was ook een kwade. Eens beet
+hij zijn vrouw een oor af, alleen maar omdat ze niet genoeg visch
+voor hem ving."
+
+"Wat een beestentroep!" riep mijnheer Konig.
+
+"Ja, ze deugden niet", stemde McCoy toe, en hij kirde sereen verder
+van de woeste, bloedige daden van zijn zondig voorgeslacht.
+
+"Mijn overgrootvader ontsnapte aan den dood door zelfmoord te
+plegen. Hij had een distilleerinrichting gemaakt en fabriceerde
+alcohol uit de wortels van de ti-plant. Quintal was zijn kameraad en
+ze bedronken zich voortdurend samen. Ten slotte kreeg McCoy delirium
+tremens, bond een stuk rots om zijn nek en sprong in zee. Quintal's
+vrouw, dezelfde die hij een oor had afgebeten, kwam ook aan haar
+eind door van de rotsen af te vallen. Toen ging Quintal naar Young en
+eischte zijn vrouw op, en hij ging naar Adams en eischte ook _zijn_
+vrouw. Adams en Young waren bang voor Quintal. Ze wisten dat hij hen
+dood zou slaan. Daarom sloegen zij hem dood, samen, met een bijl. Toen
+ging Young dood. En dat is zoowat alle herrie die ze gehad hebben."
+
+"Kan je donder op zeggen!" snoof kapitein Davenport. "Er was niemand
+meer om dood te slaan."
+
+"God had Zijn aangezicht verborgen, zie je", zei McCoy.
+
+In den morgen was er niet meer wind dan een zacht koeltje uit het
+oosten, en ofschoon hij er niet genoeg zuid mee kon varen, ging
+kapitein Davenport toch vol-en-bij over stuurboord liggen. Hij was
+bang voor die vreeselijke westelijke strooming die hem al zooveel
+veilige havens had ontfutseld. Den geheelen dag duurde de windstilte,
+en den geheelen nacht, en de matrozen, op hun klein rantsoen gedroogde
+bananen, mopperden weer. Bovendien werden ze zwak en klaagden over
+maagpijn, veroorzaakt door het dieet van enkel bananen. Den geheelen
+dag dreef de _Pyreneeën_ westwaarts en er was geen wind om haar naar
+het zuiden te brengen. In de eerste hondenwacht werden recht in 't
+zuiden kokospalmen gesignaleerd. Hun gepluimde kruinen rezen uit het
+water en gaven de laag-liggende atol er onder aan.
+
+"Dat is Taengga", zei McCoy. "We moeten een briesje hebben vannacht,
+anders loopen we Makemo mis."
+
+"Wat is er nu weer met de zuidoost-passaat?" vroeg de kapitein
+nijdig. "Waarom blaast-ie niet? Wat scheelt 'm?"
+
+"Het is de uitdamping van de groote lagunen--er zijn er zóó veel",
+legde McCoy uit. "Die verdamping gooit het heele systeem van de
+passaatwinden onderste boven. Zelfs loopt de wind soms heelemaal om
+en blaast halve stormen uit het zuidwesten. Dit is de Gevaarlijke
+Archipel, kaptein."
+
+Kapitein Davenport keek den ouden man aan, deed zijn mond open, en
+wilde gaan vloeken; maar hij hield zich in. McCoy's tegenwoordigheid
+was een bestraffing van de godslasteringen die in zijn hersenen
+leefden en trilden in zijn keel. McCoy's invloed was sterker geworden
+gedurende de vele dagen dat ze samen geweest waren. Kapitein Davenport
+was een autocraat van de zee, voor niemand bang, die zijn tong nooit
+beheerschte; en nu bemerkte hij, dat hij niet in staat was te vloeken
+in het bijzijn van dezen ouden man met zijn bruine vrouwenoogen en
+zijn duiven-stem. Toen kapitein Davenport zich dit bewust werd, kreeg
+hij een merkbaren schok. Deze oude man was slechts een nakomeling
+van McCoy, van McCoy van de _Bounty_, de muiter die vluchtte voor den
+strop die hem wachtte in Engeland, de McCoy die een booze macht was in
+de vroegere dagen van bloedvergieten en gewelddadigen dood op Pitcairn.
+
+Kapitein Davenport was niet religieus, maar op dat oogenblik voelde hij
+een dolle behoefte om zich voor de voeten van den ander te werpen--en
+iets te zeggen, hij wist niet wat. Wat hem zoo diep beroerde was
+meer emotie dan logische gedachte, en hij was zich vaag bewust van
+zijn eigen onwaardigheid en kleinheid naast dezen anderen man, die
+den eenvoud van een kind bezat en de zachtheid van een vrouw.
+
+Natuurlijk kon hij zich niet zoo vernederen in de oogen van zijn
+officieren en matrozen. En toch woedde de toorn die hem bijna had
+doen vloeken nog steeds in hem. Plotseling sloeg hij met zijn gebalde
+vuist tegen de kajuit en riep:
+
+"Hoor's hier, vader, ik laat me niet voor den gek houden. Deze
+Paoemoetoe's hebben me van alle kanten bedot en bedrogen en me laten
+staan als een idioot. Ik laat me niet bedotten. Ik zal dit schip
+drijven, drijven, drijven, heelemaal door de Paoemotoe's naar China,
+als ik er maar een bed voor vind. Al deserteert iedereen, ik blijf. Ik
+zal die Paoemotoe's eens wat laten zien. Ze kunnen me niet voor den
+gek houden. Het is een goeie ouwe schuit, en ik blijf bij d'r zoolang
+er nog een plank is om op te staan. Hoor je?"
+
+"En ik blijf bij je, kaptein", zei McCoy.
+
+'s Nachts kwamen er lichte, bedriegelijke koeltjes uit het zuiden,
+en de razende kapitein, met zijn lading vuur, keek en schatte hoeveel
+hij afdreef naar het westen; en af en toe ging hij in zijn eentje
+weg om zachtjes te vloeken opdat McCoy het niet zou hooren.
+
+De dageraad liet weer palmen zien die uit het water groeiden.
+
+"Dat is de lijwaartsche landtong van Makemo", zei McCoy. "Katioe is
+maar een paar mijlen naar het westen. Misschien kunnen we daar komen."
+
+Maar de strooming, zuigend tusschen de twee eilanden, dreef hen naar
+het noordwesten, en om één uur's middags zagen ze de palmen van Katioe
+boven de zee uitrijzen en er weer in terugzinken.
+
+Een paar minuten later, juist toen de kapitein had ontdekt dat een
+nieuwe strooming uit het noordoosten de _Pyreneeën_ had gegrepen,
+riepen de uitkijken in de mast-toppen, dat er kokospalmen in 't
+westen waren.
+
+"Dat is Raraka", zei McCoy. "We komen daar niet zonder wind. De
+strooming trekt nu naar 't zuidwesten. Maar we moeten goed
+uitkijken. Een paar mijlen verder loopt een strooming naar 't noorden
+en draait dan rond naar 't noordwesten. Dat zal ons van Fakarava
+wegdrijven en in Fakarava zal de _Pyreneeën_ haar bed vinden."
+
+"Ze kunnen drijven wat ze Godv--, wat ze willen", merkte kapitein
+Davenport warm op. "We zullen even goed ergens een bed voor het
+schip vinden."
+
+Maar de toestand aan boord werd onhoudbaar. Het dek was zóó heet,
+dat het leek of een paar graden stijging het in vlammen zou doen
+uitbarsten. Op sommige punten vormden zelfs de zwaar-gezoolde schoenen
+van de matrozen geen bescherming meer, en ze waren gedwongen tot
+vlug springen om te vermijden dat hun voeten schroeiden. De rook
+was veel dichter en scherper geworden. Iedereen aan boord had
+last van ontstoken oogen, en ze hoestten en kuchten als een troep
+tuberculose-patiënten. In den namiddag werden de booten buiten boord
+gezwaaid en uitgerust. De laatste pakken gedroogde bananen werden er
+in geladen en de instrumenten van de officieren. Kapitein Davenport
+bracht zelfs den chronometer in de barkas: hij vreesde dat ieder
+oogenblik het dek in de lucht zou vliegen.
+
+Den geheelen nacht woog die vrees zwaar op allen, en in het eerste
+morgenlicht staarden ze elkaar in de holle oogen en vermoeide
+gezichten, alsof ze verwonderd waren dat de _Pyreneeën_ nog hield en
+zij nog leefden.
+
+Af en toe snel loopend, en zelfs nu en dan overgaand in een onwaardig
+huppel-gangetje, onderzocht kapitein Davenport het dek van zijn schip.
+
+"Het is nog maar een kwestie van uren, zoo niet van minuten",
+verklaarde hij toen hij weer op de kampanje kwam.
+
+De kreet "Land" kwam naar omlaag uit den mast-top. Vanaf het dek was
+het land niet te zien, en McCoy ging het want in, terwijl de kapitein
+van de gelegenheid gebruik maakte om een beetje van de bitterheid uit
+zijn hart weg te vloeken. Maar het vloeken werd plotseling beëindigd
+door een donkere streep op het water die hij snel zag naderen uit het
+noordoosten. Het was geen bui, maar een echte, doorstaande bries--de
+passaatwind, uit zijn verband gerukt, acht streken uit zijn normale
+richting, maar hij nam zijn werk toch weer op.
+
+"Een beetje hooger, kaptein", zei McCoy zoodra hij weer op de kampanje
+was. "Dat is de oostelijke tong van Fakarava en we zullen door de
+vaargeul binnen stevenen met halven wind, in volle vaart, en met alle
+zeilen gespannen."
+
+Een uur later waren de kokospalmen en het laag-liggende land zichtbaar
+vanaf het dek. Het gevoel dat de weerstand van het schip op zijn
+eind liep drukte zwaar op iedereen. Kapitein Davenport liet de drie
+booten strijken en kort achter het schip aan sleepen, in iedere boot
+een matroos om hen uit elkaar te houden. De _Pyreneeën_ scheerde vlak
+langs de wal; de atol, witgewasschen door de branding, was nauwelijks
+twee kabellengten verwijderd.
+
+"Maak klarigheid om te halzen, kaptein", waarschuwde McCoy. En
+een minuut later brak het land in tweeën; een smalle invaart werd
+zichtbaar, en daarachter de lagune, een groote spiegel, dertig mijlen
+lang en een derde zoo breed.
+
+"Nu, kaptein."
+
+Voor den laatsten keer zwaaiden de ra's van het groote fregatschip
+rond, terwijl het gehoorzaamde aan het roer en de doorvaart binnen
+stevende. De steken waren nauwelijks gelegd en niets was nog
+opgeschoten, toen matrozen en stuurlui in een paniek terug holden
+naar de kampanje. Er was niets gebeurd, maar iedereen voelde dat er
+iets zou gebeuren. Ze konden niet zeggen waarom; ze wisten alleen
+dat het nu ging gebeuren. McCoy wilde naar voren gaan om zijn post
+op den boeg in te nemen: hij moest het schip naar binnen loodsen;
+maar de kapitein greep hem bij zijn arm en rukte hem terug.
+
+"Doe het van hier uit", zei hij. "Dat dek is niet veilig. Wat
+nu?" vroeg hij het volgende oogenblik. "We staan stil."
+
+McCoy glimlachte.
+
+"Je gaat tegen een zeven-knoops-strooming in, kaptein", zei hij. "Zoo
+stroomt hier de eb uit de doorvaart."
+
+Na een uur had de _Pyreneeën_ nauwelijks haar lengte gewonnen, maar
+de wind kwam door en het schip begon vooruit te komen.
+
+"Gaan jullie maar in de booten", beval kapitein Davenport.
+
+Zijn stem klonk nog en de matrozen kwamen juist in beweging om te
+gehoorzamen, toen het dek midscheeps in een massa rook en vlammen
+omhoog geblazen werd, de zeilen en het tuig in. Een gedeelte bleef
+daar hangen en de rest viel in zee. Het was een geluk voor de mannen
+die op het achterschip bijeen stonden dat de wind dwars inkwam. In een
+blinde paniek stortten ze zich naar de booten, maar de stem van McCoy,
+met haar overtuigende boodschap van onberoerde kalmte en tijdelooze
+rust, hield hen terug.
+
+"Kalm aan", zei hij. "Alles gaat goed. Laat iemand dien jongen
+overboord helpen, asjeblieft."
+
+De roerganger had in de algemeene verwarring het stuurrad laten
+schieten. Kapitein Davenport vloog er heen en kon nog juist op tijd
+de spaken grijpen om te voorkomen dat het schip zou zwaaien in den
+stroom en op het rif zou loopen.
+
+"Zorgt u maar voor de booten", zei hij tegen mijnheer Konig. "Haal er
+één tegen het schip aan, op zij van den spiegel... Als ik overboord
+ga zal het bliksems vlug zijn."
+
+Mijnheer Konig aarzelde, klom toen over de verschansing en liet zich
+neer in de boot.
+
+"Een halve streek afhouden, kaptein."
+
+Kapitein Davenport schrok. Hij had gedacht dat hij zijn schip voor
+zich alleen had.
+
+"Ja, ja, een halve streek is het", antwoordde hij.
+
+Midscheeps was de _Pyreneeën_ een open, vlammende oven, waar een
+geweldige massa rook uit barstte, die hoog boven de masten uit steeg
+en het voorste gedeelte van het schip volkomen verborg. McCoy, in de
+beschutting van het bezaanswant, ging voort met zijn moeilijke taak
+het groote vaartuig door de kronkelende vaargeul te loodsen. Het vuur
+kroop van het centrum der ontploffing langs het dek naar achteren,
+en de hoog-rijzende toren van zeilen aan den grooten mast ging op en
+verdween in een gordijn van vlammen. Ofschoon ze niet te zien waren,
+wisten de twee mannen, dat vóór op het schip de voorzeilen nog trokken.
+
+"Als al de zeilen maar niet wegbranden vóór dat we binnen zijn",
+gromde de kapitein.
+
+"We halen het", verzekerde McCoy hem met supreem vertrouwen. "We hebben
+tijd genoeg. We zullen het halen. En als we eenmaal binnen zijn leggen
+we d'r vóór den wind, dat zal den rook van ons weg houden en het vuur
+beletten naar achteren te kruipen."
+
+Een vlammende tong sprong op naast den bezaansmast, reikte hunkerend
+naar de laagste reep zeildoek, miste, en verdween. Van omhoog viel een
+brandend stuk touwwerk juist in den nek van kapitein Davenport. Hij
+handelde met de snelheid van iemand die door een wesp is gestoken
+toen hij zijn arm uitstak en het pijnlijk vuur van zijn huid veegde.
+
+"Hoe liggen we voor, kaptein?"
+
+"Noordwest-bij-west."
+
+"Hou d'r westnoordwest."
+
+Kapitein Davenport liet het groote stuurrad draaien tusschen zijn
+handen en gaf den gevraagden koers.
+
+"West-bij-noord, kapitein."
+
+"West-bij-noord is het."
+
+"En nu west."
+
+Langzaam, streek voor streek, beschreef de _Pyreneeën,_ terwijl ze de
+lagune binnen schoof, den kwart-cirkel die haar vóór den wind bracht,
+en streek voor streek, met een kalme zekerheid alsof hij duizend
+jaren tijd had, zong McCoy den veranderenden koers.
+
+"Nog een streek, kaptein."
+
+"Een streek is het."
+
+Kapitein Davenport draaide verscheiden spaken rond, hield dan
+plotseling stil en draaide er één terug om het schip te houden.
+
+"Recht zoo."
+
+"Recht ligt ze--pal op d'r koers."
+
+Ondanks het feit dat ze den wind achter hadden, was de hitte zóó fel,
+dat kapitein Davenport zijdelings naar het kompashuisje moest kijken,
+terwijl hij nu met de eene dan met de andere hand het stuurrad los
+liet, om zijn brandende wangen te wrijven of te beschutten. McCoy's
+baard schrompelde krinkelend en knetterend weg, en de lucht van
+schroeiend haar, sterk in den neus van den ander, deed hem met
+plotselinge ongerustheid naar McCoy kijken. Voortdurend lieten zijn
+handen de spaken van het stuurrad om beurten los, en wreef hij hun
+schroeiende ruggen tegen zijn broek. Alle zeilen aan den bezaansmast
+verdwenen in een bliksemende vuurzuil, en de twee mannen moesten
+bukken en hun gezichten beschutten met hun armen.
+
+"Nu," zei McCoy en hij keek even vooruit naar den lagen oever,
+"vier streken in den wind, kaptein; en laat 'r dan maar loopen."
+
+Overal om hen heen en op hen vielen stukken en flarden brandend
+touwwerk en zeildoek. De tanige rook van een smeulend stuk teertouw
+voor de voeten van den kapitein bezorgde hem een geweldige hoestbui,
+maar nog steeds klemde hij zich vast aan de spaken van het stuurrad.
+
+De _Pyreneeën_ stootte; de boeg ging omhoog en schuurde zachtjes tot
+stilstand. Een regen van brandende flarden, losgeraakt door den schok,
+viel op hen neer. Het schip schoof weer vooruit en stootte een tweeden
+keer. Ze verbrijzelde het brooze koraal onder haar ijzeren kiel,
+dreef weer verder, en stootte voor de derde maal.
+
+"Heelemaal over", zei McCoy. "Heelemaal over?" vroeg hij zacht,
+een oogenblik later.
+
+"Ze zal niet luisteren", was het antwoord.
+
+"Ook al goed. Ze zwaait rond." McCoy keek over de verschansing. "Zacht,
+wit zand. We konden 't niet beter hebben. Een mooi bed."
+
+Toen de _Pyreneeën_ rond zwaaide, met het achterschip uit den
+wind, kwam een vreeselijke zee van rook en vlammen naar achteren
+stroomen. Kapitein Davenport liet het roer los en vluchtte in
+schroeiende foltering. Hij greep het meertouw van de boot die
+langszij lag, keek dan om naar McCoy die naast hem stond om hem voor
+te laten gaan.
+
+"Jij eerst!" schreeuwde de kapitein, greep hem bij den schouder en
+gooide hem bijna over de reeling. Maar de vlammen en de rook waren te
+verschrikkelijk, en hij volgde vlak achter McCoy aan. De twee mannen
+slingerden zich langs het touw naar beneden en gleden tegelijk neer
+in de boot. Een matroos in den boeg sneed het touw door met zijn
+zeemansmes, zonder bevelen af te wachten. De riemen, in evenwicht
+klaar gehouden, beten in het water, en de boot schoot weg.
+
+"Een mooi bed, kaptein", mompelde McCoy, omziend.
+
+"Ja, een mooi bed, en allemaal dank zij jou", was het antwoord. De
+drie booten hielden aan op het witte strand van fijngestampt
+koraal. Daarachter, aan den rand van een kokospalmen-boschje, zag men
+een half dozijn gras-hutten, en een dertigtal opgewonden inboorlingen,
+met groote oogen starend naar den drijvenden brand die hier was
+komen landen.
+
+De booten schuurden aan den grond, en ze stapten uit op het witte
+strand.
+
+"En nu", zei McCoy, "moet ik zien dat ik weer op Pitcairn kom."
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Kanaka's: Polynesiërs, een ras van mooie, groote menschen met
+lichtbruine huid, in tegenstelling met de Melanesiërs die klein en
+leelijk zijn en een zwarte huidskleur hebben.
+ Vert.
+
+[2] Op Engelsche schepen noemt men den tijd van vier tot acht uur's
+namiddags de hondenwacht.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Verhalen van de Zuidzee, by Jack London
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERHALEN VAN DE ZUIDZEE ***
+
+***** This file should be named 18532-8.txt or 18532-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/5/3/18532/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.