summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/20391-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '20391-8.txt')
-rw-r--r--20391-8.txt7877
1 files changed, 7877 insertions, 0 deletions
diff --git a/20391-8.txt b/20391-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..86cd484
--- /dev/null
+++ b/20391-8.txt
@@ -0,0 +1,7877 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Prins en Johan de Witt
+ of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering
+
+Author: P. J. Andriessen
+
+Release Date: January 18, 2007 [EBook #20391]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PRINS EN JOHAN DE WITT ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+ De Prins en Johan de Witt
+ Of
+ Ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering.
+
+
+ Door
+
+ P. J. Andriessen.
+
+
+
+
+ Vijfde Druk.
+
+
+ Leiden.--A. W. Sijthoff's Uitg.-Mij.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+De tienjarige Leidsche Student 1
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft 16
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde 30
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten 43
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen 56
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kon
+doorgronden 66
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt 81
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+Een dure slaapkameraad 97
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in
+de wereld 113
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+Waaruit blijkt dat het hier niet altijd voor den wind ging 131
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de
+Raadpensionaris daarover zeide 142
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde 157
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf 176
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde 194
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Wat er met den Prins in Zeeland voorviel 209
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+Het is een algemeen betreurd feit, dat van de jeugd onzer groote mannen
+slechts weinig of niets bekend is. En geldt dit ten aanzien van hun
+_openbaar_ leven, de leemte doet zich nog sterker gevoelen, wanneer
+men uit hun _intiem_ leven wenscht te putten. Ik ontken dan ook niet,
+dat mij de samenstelling van dit boek ontzaglijk veel onderzoek en
+nasnuffelen heeft gekost, want onze vroegere auteurs gaven nooit veel
+meer dan een _histoire de bataille_; verlangt men dus een _histoire
+intime_, dan moet men die uit tal van werken oprakelen. Toch durf ik
+zeggen, dat ik gelukkig ben geweest; daar ik hier mijnen lezers eene
+geschiedenis van de jeugd van onzen onsterfelijken _Willem_ III mag
+aanbieden, waarin alle voorvallen historisch zijn, op slechts twee
+[1] na, van welke twee ik toch de verzekering durf geven, dat zij
+niet uit de lucht zijn gegrepen, maar geheel en al op het karakter
+van den jongen Prins berusten. In 't bijzonder vinden zij dan ook
+hier de betrekking van den jeugdigen Oranjevorst tot den eersten man
+van zijn tijd, den eenigen _Johan de Witt_.
+
+Ik heb mij dus hier op een nieuw terrein begeven: _vaderlandsche
+karakterkunde_. Ik oordeel die hoogst noodig voor mijne jeugdige
+lezers. Daarenboven kunnen zij uit dit boek weder veel leeren. Zij
+zullen er den voortgang der beschaving in vinden en ook eens in
+de vertrekken der aanzienlijken rondkijken, waartoe mijne andere
+werkjes minder aanleiding gaven. De toenmalige buurtvereenigingen
+schenken hun een nieuwen blik in dien tijd; terwijl een korte schets
+van een begrafenismaal hen weder met een eigenaardig gebruik onzer
+voorvaderen bekend maakt. De verdere geschiedenis van _De Ruyter_ met
+den krijg in het Noorden en de tweede Engelsche oorlog behoorden tot
+dit tijdperk, dat ik tot 1668 heb laten loopen, omdat men kan zeggen,
+dat in genoemd jaar de eigenlijke jeugd van den Prins eindigde met
+zijne mondigverklaring.
+
+Ik heb bij dezen druk niets te voegen, dan aanbeveling van mijnen
+arbeid in de voortdurende welwillendheid mijner landgenooten.
+
+
+P. J. Andriessen.
+
+
+
+Sedert de gevierde Schrijver bovenstaand Voorbericht schreef, heeft
+dit boeiend verhaal meerdere drukken moge beleven. Thans wordt
+aan de Nederlandsche jeugd een vijfde druk aangeboden, welke zich
+van de vorigen gunstig onderscheidt door de flinke letter op mooi,
+stevig papier en de keurige illustraties in en buiten den tekst,
+die de aantrekkelijkheid van dit boek ongetwijfeld hebben verdubbeld.
+
+Moge dit door verdubbelde belangstelling blijken!
+
+
+De Uitgever.
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+De tienjarige Leidsche Student.
+
+
+Wanneer wij, mijne jonge lezers, op Dinsdagmorgen den 28sten September
+1660, langs het _Rapenburg_ te _Leiden_ waren gewandeld, dan zouden
+wij hebben blijven stilstaan voor een groot gebouw op den hoek van
+de _Langebrug_ (toen _Voldersgracht_); hetwelk echter thans niet meer
+bestaat en sedert vervangen is door aanzienlijke woonhuizen. Dat oude
+gebouw ziet er allesbehalve aanlokkelijk uit met zijne drie ramen
+in de benedenverdieping en zijne dertien in de bovenste, alle met
+traliën voorzien en in tweeën verdeeld; het onderste gedeelte door
+twee luikjes van buiten gesloten. Wat steken die kleine, als ruiten
+gesneden en in lood gevatte glazen treurig af tegen de drie spitse en
+met sierlijke torentjes bezette geveltjes, de beide uiterste van één,
+de middelste van drie zolderramen voorzien. De naast het huis gebouwde
+poort, door een schildwacht bewaakt en die den eenigen toegang tot
+het huis geeft, dient er weinig toe om ons tot binnentreden uit te
+lokken. Bijna zouden wij meenen, dat het een gevangenis was; doch
+dan zouden de bovenramen ook van ijzeren traliën voorzien zijn. Dan
+een klooster? vraagt gij. En hierin hebt gij zoo geheel en al geen
+ongelijk, ofschoon 't wel te verwonderen zou zijn, als men nog ten
+jare zestienhonderd en zestig binnen de stad _Leiden_ een klooster
+vond. Ik wil u 't raadsel oplossen.
+
+Het gebouw, voor 'twelk wij staan, was vóór het beleg en ontzet der
+stad [2] een klooster, gewijd aan de heilige Barbara en bewoond door
+nonnen van de Sint Franciscusorde. Nadat de benarde veste echter voor
+goed van 't Spaansche juk verlost was, werd het in 1575 ingericht
+tot academie. Toen deze later in een ander gebouw was overgeplaatst,
+werd het vroegere St.-Barbara-klooster op stadskosten opgeknapt en
+geschikt gemaakt tot een verblijfplaats voor onze Prinsen, wanneer die
+te _Leiden_ vertoefden; terwijl het tevens tot huisvesting diende voor
+vorstelijke personen. Zoo heeft, nu zeven-en-veertig jaren geleden (in
+1613), Prinses Elizabeth, dochter van Koning Jacobus I van _Engeland_
+en echtgenoote van Frederik V, keurvorst van de _Paltz_ en naderhand
+koning van _Bohemen_, in dat huis gelogeerd. Daar nu haar gevolg en
+dat van onzen stadhouder Prins Maurits uit niet minder dan vijfhonderd
+personen bestond, en deze allen in dat huis logeerden, kunt gij u
+wel voorstellen, dat het een fiksch gebouw is, dat _Princenhof_
+(want dien naam draagt het thans), en gij zult niet verwonderd
+staan over de groote en hooge vertrekken, de heerlijke zalen, de
+ferme paardenstallen, de ruime binnenplaats, die aan de kamers een
+genoegzaam licht geeft, en vooral over den grooten wel onderhouden
+tuin, die zich achter het gebouw uitstrekt, en welks hooge muren u
+nog aan de voormalige bestemming (klooster) doen denken.
+
+Wij gaan dan de poort in en komen op de binnenplaats. Ziet maar eens,
+hoeveel ramen. Nu eerst kunt gij u voorstellen, welk een menigte
+vertrekken er zijn. Wij blijven hier echter niet lang, maar treden
+de steenen trappen met sierlijk gekrulde ijzeren leuningen op,
+die ons in het ruime, hooge, met lofwerk gebeeldhouwde voorportaal
+brengen. Ook hier vertoeven wij niet; maar gaan de eikenhouten trap
+aan onze linkerhand op en komen op een langen, breeden corridor,
+waar wij voor een met groen laken bekleede deur stilstaan, welke wij
+openslaan, de daarachter zich bevindende deur opendraaien en ons in een
+tamelijk ruim vertrek bevinden. Het prachtig goudlederen behangsel
+met zijne sierlijke bloemen en ranken, het keurig gebeeldhouwde
+noteboomhouten dressoir (buffet), de groote spiegel van venetiaansch
+glas, het smyrnasch karpet onder de met marmeren blad gedekte tafel
+en de prachtige damasten gordijnen doen u reeds vermoeden, dat deze
+kamer tot woonplaats dient van een aanzienlijk persoon; zoo niet de
+rijk geborduurde zijden kussens op de ebbenhouten stoelen met hooge
+gebeeldhouwde leuningen en gedraaide pooten, de zilveren inktkoker
+op de tafel en de groote sierlijke fauteuil met hooge leuning, die
+daar voor den vlammenden haard, dicht onder den hoogen en breeden
+schoorsteen is geschoven, u daarvan reeds ten volle overtuigden.
+
+Maar waar is de bewoner van deze kamer? Eilieve! gaat een weinig
+nader bij de brandende blokken, slechts door een blinkend geschuurd
+koperen hekje omgeven, en gij zult tot uwe verwondering zien, dat
+wij niet alleen zijn en dat het maar goed is, dat wij geen kwaad
+hebben gezegd--anders waren we zeker beluisterd geworden. Daar
+in dien hoogen leuningstoel toch zit, in zijden kussens gedoken,
+een tengere, ziekelijke knaap, met de voeten op een warme stoof en
+de eene hand onder 't hoofd, terwijl de andere een boek vasthoudt,
+waarin hij schijnt gelezen te hebben, doch dat hij nu op de knie laat
+rusten. Zijn helder en doordringend oog staart op het vuur, als ziet
+hij wonder wat in de grillige gedaanten, welke de flikkerende vlammen
+aannemen en als is er iets bijzonders voor hem in de van tijd tot tijd
+instortende blokken. Hij is nog jong, die knaap: den 14den November
+aanstaanden zal hij zijn tiende jaar bereikt hebben. En toch--hoe
+jong hij zij, ligt er op dat hooge voorhoofd en dat smalle bleeke
+gelaat reeds een waas van ernst, hetwelk men op dien leeftijd niet zou
+verwachten. Schoon is hij niet. Zijn adelaarsneus is te groot voor dat
+magere gezicht, dat er, kon 't zijn, nog magerder door wordt. Geen
+blozende wangen of levenslustige oogen, geen schalksche trek om
+lip of mond; de arme knaap is jong, zonder jeugd te hebben gekend:
+hij heeft vrij wat meer in de wereld dan die burgerjongen, dien wij
+daarstraks op het plein voor de _Sint-Pieterskerk_ met zijne kameraads
+zagen knikkeren,--maar zeker zou die voor al het geld der wereld met
+hem niet willen ruilen. Toch toont zijne kleeding zijn aanzienlijken
+stand aan. Dat zwart fluweelen wambuis met die fijne kanten lubben,
+die op de witte, magere handen neerhangen, die satijnen broek van
+dezelfde kleur, met korenblauwe linten onder de knie vastgemaakt,
+die fijn lederen schoenen met strikken, in welker midden zich een
+gouden knoop bevindt en die halsdoek, die als een bef met breede
+plooien om den hals gestrikt, in echte Brusselsche kant nederhangt,
+doen 't u reeds vermoeden, indien de omgeving in de kamer er u geen
+zekerheid van gaf. Die bijna tienjarige knaap--misschien hebt gij
+'t begrepen--is de hoop van het edele stamhuis van _Oranje_ en van
+allen, die het met dat doorluchtige geslacht wél meenen: 't is Willem
+Hendrik, Prins van _Oranje-Nassau_, Graaf van _Catzenellebogen_,
+_Vianden_, _Dietz_, _Lingen_, _Meurs_, _Buren_ en _Leerdam_,
+Markies _van der Veere_ en _Vlissingen_, Heer en Baron van _Breda_,
+de stad _Grave_ en het land van _Kuik_, _Diest_, _Grimbergen_,
+_Herstal_, _Kranendonk_, _Warneston_, _Arlay_, _Noseroy_, St.-_Veit_,
+_Daasburg_, _Polanen_, _Willemstad_, _Niervaart_, _IJselstein_,
+_St.-Maartensdijk_, _Steenbergen_, _Geertruidenberg_, de _hooge_
+en _lage Zwaluwe_, en _Naaldwijk_, Erfburggraaf van _Antwerpen_ en
+_Besançon_ en Erfmaarschalk van _Holland_. 't Is de achterkleinzoon
+van den grondlegger onzer vrijheid, den edelen Willem den Eerste,
+'t is de zoon van den te vroeg gestorven Willem den Tweede en van
+Maria Stuart, de oudste dochter van Karel I Koning van _Engeland_.
+
+Ik heb u reeds verhaald, dat de arme Prins zijn vader nooit gekend
+heeft. Kort na zijne geboorte begiftigden hem de Algemeene Staten met
+een rentebrief van achtduizend gulden 's jaars en legden de Staten van
+_Holland_ hem een jaargeld van vijfduizend, _Delft_ van zeshonderd,
+_Leiden_ van twaalfhonderd en _Amsterdam_ van duizend gulden toe,
+terwijl _Zeeland_ er later nog twee duizend bijvoegde; zoodat onze
+knaap, behalve de inkomsten zijner goederen, een jaarlijksch inkomen
+heeft van ongeveer achttienduizend gulden, zeker meer dan genoeg
+voor een kind van bijna tien jaren. En toch is hij niet gelukkig,
+Prins Willem Hendrik. Toch ligt er een verdrietelijke trek op dat
+gelaat,--een trek, die aan meer dan lichamelijk lijden doet denken.
+
+Zijn levenslot was dan ook verre van benijdenswaardig geweest. Reeds
+weinige weken na zijne geboorte, toen _Zeeland_ den voorslag deed,
+hem tot Stadhouder te benoemen, wees _Holland_ dit van de hand. En
+gij weet het, hoe bij het vredestraktaat in 1654 de beruchte _acte
+van seclusie_ werd vastgesteld, waarbij de Prins werd uitgesloten
+van de waardigheden, door zijne voorvaderen bekleed. Maar ook in
+den huiselijken kring had de arme Willem Hendrik weinig genoegen
+gehad. Reeds kort na zijne geboorte ontstond er twist over de
+voogdijschap tusschen zijne moeder, zijne grootmoeder en den keurvorst
+van _Brandenburg_, gehuwd met de oudste zuster van Willem II. De eerste
+meende daarop recht te hebben wegens het testament van haren gemaal;
+de tweede beweerde, dat Prinses Maria die zelf niet meerderjarig was,
+geen voogdes kon zijn, en de laatste, die nog verscheidene mededingers
+had, begreep, dat slechts een man met de voogdijschap kon worden
+bekleed. Na veel twist werd men het eens, dat Amalia van Solms de
+helft, en Prinses Maria Stuart en de keurvorst van _Brandenburg_
+ieder een vierde der voogdijschap zouden uitoefenen en dus een even
+groot gedeelte der goederen besturen.
+
+Hoezeer nu deze zaak in der minne geschikt scheen, bleef er tusschen
+de beide Prinsessen een veete bestaan, die niet dan ongunstig op het
+karakter van den jongen Prins kon werken. Het had daardoor al dat
+opene verloren, hetwelk men van een knaap van zijn leeftijd terecht
+kon verwachten, en een kunst van veinzen aangenomen, die zeker leelijk
+en veroordeelenswaardig is in een kind, ja in den man;--maar die hem
+later tot den grootsten staatsman zijner eeuw maakte. Daarbij had hij
+dikwerf grootmoeder over dingen hooren spreken, die voor moeders ooren
+niet aangenaam zouden zijn geweest, en moeder had zaken aangeroerd,
+die hij bij grootmoeder niet mocht vertellen,--en daardoor had hij,
+reeds op zoo jeugdigen leeftijd, de groote kunst geleerd om te zwijgen,
+een kunst, die hij zijn gansche leven heeft in practijk gebracht [3].
+
+Hiermede en bij gebrek aan verkeering met knapen van zijn leeftijd,
+had het karakter van den jeugdigen Prins een plooi aangenomen, die
+men reeds bij den eersten aanblik op dat magere, bleeke gelaat kon
+bespeuren: een zekere stroefheid in den omgang met anderen, vooral
+met vreemden en in gezelschappen, waardoor zij, die hem niet kenden,
+hem voor onaangenaam en lomp hielden. Alleen zij, die meer met hem
+omgingen, zijne bijzondere vrienden en kennissen, hadden hem innig
+lief en wisten zijne goede hoedanigheden te waardeeren;--jegens hen
+was hij somtijds openhartiger, gewoonlijk vertrouwelijker.
+
+Ik vond het noodig, u een blik te doen slaan in het karakter van
+den jeugdigen Willem Hendrik. Uit mijn vorig werkje hebt gij gezien,
+hoe een geduchte en machtige partij in _Holland_, bekend onder den
+naam van "Loevesteinsche factie" of "de staatspartij", tegen zijne
+bevordering was en die door alle middelen wist tegen te houden;
+gij hebt er ook uit kunnen leeren, hoe er, vooral onder 't volk,
+een andere partij was, die deze bevordering wenschte en bij elke
+gelegenheid dien wensch duidelijk deed blijken. Ook _Zeeland_ was er
+steeds op uit om den Prins te verheffen tot de waardigheden, door
+zijne doorluchtige voorouderen bekleed; maar al de pogingen, door
+dat gewest aangewend, leden schipbreuk op den weerzin der Hollandsche
+aristocraten. Zoo hielden de Staten van eerstgenoemde provincie, die
+het welzijn van den jeugdigen Oranjespruit zoozeer ter harte nam, in
+1655 bij de andere gewesten aan op het benoemen van een predikant,
+die den vijfjarigen Prins in de beginselen van den christelijken
+godsdienst zou onderwijzen, en een ander bekwaam persoon, om hem
+de taal, geschiedenis en andere noodige wetenschappen te leeren;
+de Staten van _Holland_ beweerden daarentegen, dat het geenszins den
+Zeeuwen noch der andere Provinciën paste, zich te mengen in 's Prinsen
+opvoeding. Het volgende jaar stelden zijne voogden den predikant
+Trigland bij hem als onderwijzer in den godsdienst aan, terwijl zij
+hem ook in andere noodige wetenschappen lieten onderrichten. Twee
+jaren lang genoot hij dat onderwijs.
+
+Toen onze Willem Hendrik nu zijn achtste jaar bereikt had, begreep
+zijne moeder, dat het tijd werd, hem hooger onderwijs te geven. De
+magistraat van _Leiden_, dit vernomen hebbende, bood der Prinses
+niet alleen hare stad en Hoogeschool aan, maar ook het _Princenhof_,
+reeds vroeger door zijne voorouders bewoond, zoolang zij te _Leiden_
+studeerden; terwijl zij verklaarde het reeds te dien einde te hebben
+gemeubileerd en nog verder te zullen meubileeren. De prinses nam dat
+aanbod aan en benoemde tot goeverneur over haren zoon Frederik van
+Nassau, Heer van Zuijlestein, natuurlijken zoon van Prins Frederik
+Hendrik en te dien tijde kolonel van een regiment voetvolk, welken
+rang en post hij bij zijne aanstelling behield. Tot zijn leermeester
+koos zij den Hoogleeraar Borneus. Het was eerst na eenigen tijd,
+dat Prinses Amalia en de Keurvorst in dezen maatregel toestemden.
+
+Op Maandag den derden November 1659 liet de Prins van _Oranje_,
+nu ongeveer negen jaren oud, door de Heeren van Heenvliet, en den
+kanselier Weyman, aan den President der Staten-Generaal bekend maken,
+dat hij den volgenden dag naar _Leiden_ zou vertrekken. Denzelfden
+namiddag kwam eene commissie, bestaande uit de Heeren Huygens,
+Ripperda, Stavenisse en Renswoude, benevens eenigen uit den Raad,
+zijne Hoogheid bedanken voor zijne mededeeling en hem gelukwenschen
+met zijn plan. Op Dinsdag den vierden November, dus tien dagen vóór
+zijn negenden verjaardag, vertrok hij, vergezeld van zijne moeder
+en grootmoeder, in een karos naar _Leiden_, waar hem de Hoogleeraar
+Joannes Coccejus, dat jaar Rector Magnificus [4] met een deftige
+redevoering in 't Nederlandsch verwelkomde. Hij betrok toen met zijn
+goeverneur Zuijlestein en zijn bedienden het _Princenhof_, waar wij
+hem in het begin van dit Hoofdstuk aantroffen.
+
+Gedurende zijn verblijf te _Leiden_ was er veel te zijnen gunste
+veranderd. Zijn oom Karel Stuart was na den dood van Cromwel in
+_Engeland_ teruggeroepen, en had den troon beklommen onder den naam van
+Karel II. Genoemde vorst had hier te lande onbekrompene gastvrijheid
+genoten en bij het plechtig afscheid, dat hij in 's-_Gravenhage_ van
+de Staten-Generaal nam, zijn neef Willem van _Oranje_ zeer in hunne
+gunst en in die van de Staten van _Holland_ aanbevolen. Kort daarop
+herhaalde zijne moeder deze aanbeveling, hetgeen ten gevolge had,
+dat de Staten van _Zeeland_ op den 1sten Augustus 1660 besloten,
+hem tot Kapitein-Generaal en Stadhouder van hun gewest te benoemen,
+op welk besluit zij ten ernstigste bij de Staten van _Holland_
+aandrongen. Beide Prinsessen leverden nu aan de Algemeene Staten het
+verzoek in, dat _Hunne_ Edel-Groot-Mogenden zich mochten belasten met
+'s Prinsen opvoeding. De Staten willigden dit in, "opdat de Prins
+dus bekwaam mocht worden tot de bediening der hooge ambten, door
+zijne voorzaten bekleed," doch gaven daaraan geene uitvoering. Vier
+dagen later echter besloten zij tot de vernietiging van de acte van
+seclusie. Keeren wij na deze breede uitweiding tot onzen Prins terug.
+
+"Zijt gij daar, Karel?" zegt hij tot zijn kamerdienaar, een forsch
+en stevig gebouwd jonkman van ruim drie en twintig jaren, van wien
+hij veel houdt en met wien hij gaarne spreekt.
+
+"Om u te dienen, Uwe Hoogheid," antwoordt deze, die met een klein
+fleschje in de eene en een brief met groot lak in de andere hand,
+het vertrek is binnengetreden. "Hier zijn de druppels, die de dokter
+u heeft voorgeschreven, en hier een brief, zoo op het oogenblik met
+den post aangenomen."
+
+"Geef hier den brief, Karel," hervat de Prins, terwijl hij het boek
+weglegt en de hand naar het papier uitstrekt.
+
+De kamerdienaar reikt het over en gaat naar het dressoir, waar
+hij in een kristallen glas eenig water schenkt, in hetwelk hij het
+bepaalde aantal druppels uit het fleschje mengt en dat hij den Prins
+aanbiedt. Deze heeft intusschen den brief opengebroken en doorloopt
+den inhoud.
+
+"Hier zijn uwe druppels, Uwe Hoogheid," zegt de kamerdienaar.
+
+"Ba! hoe zuur!" zegt de Prins, nadat hij het glas heeft
+leeggedronken. "De dokter heeft veel van Mijnheer den Raadpensionaris,"
+voegt hij er hardop denkend bij. "Die verstaat ook de kunst om wrange
+druppels toe te dienen."
+
+"Of bittere," verbetert de kamerdienaar.
+
+"Karel," gaat de Prins voort, alsof hij die woorden niet gehoord heeft,
+"zeg den Heer Van Zuijlestein, dat ik hem verzoek hier te komen. Ik
+moet hem spreken."
+
+Terwijl de kamerdienaar het bevel van zijn jongen meester
+volbrengt, leest deze nogmaals den brief over. 't Is of de lezing
+hem vermoeit;--toen hij gedaan heeft, houdt hij de magere, witte hand
+voor de oogen en blijft in gepeins zitten. Het binnentreden van zijn
+goeverneur stoort hem in zijne overdenking.
+
+"Gij liet mij roepen, Willem!" begint deze. "Weder die ongelukkige
+hoofdpijn! Waarom niet nog wat te bed gebleven?"
+
+"Omdat ik het in het dons niet langer kon susteneeren," geeft de
+Prins ten antwoord. "Ik hoopte, dat het wat beter zou worden, als ik
+op was. Lees echter dezen brief, dien ik daareven ontving."
+
+De goeverneur neemt den brief en voldoet aan den wensch van den Prins.
+
+"Gij ziet het, Zuijlestein. Mijn oom, Zijne Majesteit Karel II van
+_Engeland_, heeft de schepen gezonden, om hare Koninklijke Hoogheid
+mijne moeder af te halen. En zij verlangt, dat ik terstond zal
+afreizen, om haar vaarwel te zeggen."
+
+"Dat is het uitdrukkelijk verlangen van Hare Koninklijke Hoogheid,
+Willem," antwoordt Zuijlestein. "Zij meldt u dat in den brief."
+
+"Alles goed en wel," herneemt de Prins. "Maar ik kan vandaag niet
+gaan. Het is mij onmogelijk. Met zulk een hoofdpijn kan ik niet
+reizen. Het hoofd klopt mij als een hamer. De oogen branden mij in
+'t hoofd. Elke beweging, die ik maak, is mij een pijniging. Laat
+Widerts schrijven, dat ik heden niet kan komen, maar dat ik, wanneer
+het morgen passabel is, zoo vroeg mogelijk zal vertrekken."
+
+"Er is niets aan te veranderen," geeft Zuijlestein ten antwoord. "Het
+vertrek der Prinsesse Royal is op morgen gefixeerd, en als wij
+vroeg genoeg op reis gaan, kunnen wij haar tot aan het schip
+accompagneeren. Hare Hoogheid zal echter zeer gefrustreerd zijn,
+daar zij u zeker gaarne den laatsten dag bij zich had gehad."
+
+De Prins antwoordt niet; het is of hij aan de belangstelling zijner
+moeder twijfelt.
+
+"Zeg Karel, dat hij Widerts roepe," herneemt hij. Zuijlestein schelt
+en deelt Karel het bevel van Zijne Hoogheid mede.
+
+"Moeder had mij wel vroeger kunnen schrijven," herneemt Willem Hendrik
+eenigszins bitter.
+
+"De tijding van de aankomst der Engelsche vloot is eerst gisteren laat
+in 's-_Gravenhage_ gearriveerd," hervat Zuijlestein verschoonend. "Hare
+Koninklijke Hoogheid kon er u dus niet vroeger van preveniëeren."
+
+Op dit oogenblik komt 's Prinsen Raad en schrijver Widerts binnen,
+en de Prins geeft hem den inhoud van den brief aan zijne moeder op.
+
+"Meld Harer Hoogheid vooral, dat ik haar zelf zou geschreven hebben,"
+eindigt de Prins, "indien de furieuze hoofdpijn mij daarin niet
+verhinderde."
+
+Widerts zet zich aan de tafel om den brief te schrijven.
+
+"Ik kan vandaag geen les nemen, Zuijlestein," gaat de Prins voort. "Ik
+heb gepoogd wat te studeeren, maar de letters dansen mij voor de
+oogen. Laat dus mijne meesters afzeggen, en 't vooral Professor
+Borneus weten, opdat hij geen vergeefschen tocht doe."
+
+"Rust en kalmte zijn de beste medicijnen voor u, Willem," herneemt de
+goeverneur. "Gij weet het, wat de dokter u gisteren nog zeide. Wij
+zullen hem straks wel hier hebben, en hij zal u wel ordineeren,
+om naar bed te gaan."
+
+"Ik heb reeds zijn druppels ingenomen. Zij zijn bijtend, scherp zuur."
+
+"Medicijnen zijn niet altijd aangenaam, Willem. Maar zij zijn weldadig
+voor het lichaam. Ook onze hemelsche Vader geeft ons wel eens bittere
+medicijnen te slikken, om onze ziel te cureeren."
+
+"Ik heb er reeds van moeten innemen," antwoordt de Prins op somberen
+toon. "Ha, Widerts, reeds gereed!" herneemt hij op minder treuriger
+wijs tot zijn schrijver en Raad. "Laat hooren, wat gij geschreven
+hebt."
+
+Widerts voldoet aan 's Prinsen verlangen en leest den in 't Fransch
+geschreven brief voor (want het Fransch was toen de hoftaal, en
+onze Vorsten van _Oranje_ schreven er altijd in). De Prins zet zijne
+handteekening onder den brief en reikt dien zijn secretaris over om
+hem te sluiten, te verzegelen en van adres te voorzien.
+
+Twee uren later lag de Prins in de naaste kamer te bed. De dokter
+had zulks geordineerd en hem een calmeerend geneesmiddel gegeven
+met de hoop, dat hij den volgenden morgen in staat zou zijn, naar
+'s-_Gravenhage_ te vertrekken. Aan zijn bed zat zijn kamerdienaar
+Karel, om hem van tijd tot tijd koele compressen op het hoofd te
+leggen en zijn drankje in te geven. Maar een geest als die van
+Willem Hendrik kon zich moeilijk in de gedwongene rust schikken,
+welke hem was opgelegd. Onophoudelijk woelde hij zich om en om,
+hoe ook Zuijlestein hem tot stilte en rust aanmaande.
+
+Deze laatste had 's Prinsen bed verlaten. Karel was alleen met hem
+in de kamer. 't Scheen, dat de zieke eenigszins kalmer werd.
+
+"Dek mij wat beter toe, Karel," zeide hij, "en verhaal mij eens van dat
+Haagsche oproer, waarvan gij laatst spraakt, toen wij juist gestoord
+werden. Ik heb er behoefte aan, dit nu te hooren."
+
+"Indien Uwe Hoogheid mij belooft, stil en bedaard te blijven liggen en
+zoo weinig mogelijk te spreken," hernam de kamerdienaar, terwijl hij
+de met zijde gevoerde deken terecht schikte en den Prins een nieuwe
+compres op 't hoofd legde.
+
+"Dat beloof ik u, Karel," antwoordde de Prins, en de kamerdienaar
+begon:
+
+"Het was in den zomer van het jaar 1653, dat Hare Koninklijke Hoogheid
+de Prinsesse Royaal met Uwe Hoogheid, die toen derdehalf jaar oud
+was, naar _Breda_ was gereisd, om U als baron dier stad te doen
+huldigen. Wij Haagsche jongens hadden er de lucht van gekregen, en,
+aangevoerd door Koen Aertsen (den zoon van Aert Gerritsz, den barbier
+uit het _Gortstraatje_) die voor kapitein speelde, besloten wij Uwe
+Hoogheid bij Hare terugkomst in 's _Gravenhage_ deftig in te halen. Dag
+op dag trokken wij dan met mutsen en bandelieren van Oranjepapier,
+met stokken en Oranjevaandels gewapend, naar het _Zieken_, waar Uwe
+Hoogheid moest binnenkomen. Of men Uwe reis opzettelijk vertraagd
+had, op hoop dat wij uit elkander zouden gaan, weet ik niet; het
+was echter reeds laat in den nacht, toen de vorstelijke karossen
+terugkeerden. Daar wij weinig deeg van onzen opschik en van onze
+uitmonstering hadden, zoo besloten wij, des anderen daags in dezelfde
+toerusting op het _Binnenhof_ te verschijnen.--In groote statie
+trokken wij op, terwijl Pieter Hendriksz, die onder ons jongens
+den bijnaam had van den duikelaar, omdat hij zoo mooi kon duikelen,
+het Wilhelmus op de trompet blies, dat het rammelde en raasde."
+
+"Kan die knaap zoo mooi op de trompet blazen?" vraagde de Prins. "Waar
+had hij dat geleerd?"
+
+"Van een vroegeren trompetter van de Oranjegarde, een zekeren Jan
+Claeszoon [5], die, toen deze garde in "garde van de Staten van
+_Holland_" werd veranderd, zijn ontslag had gekregen. Hij woonde
+vroeger in de _Bagijnenstraat_ en was naar _Amsterdam_ vertrokken."
+
+"En wat gebeurde er verder?"
+
+"Men toonde ons Uwe Hoogheid voor de vensters van 't paleis. Toen
+was 't eerst een leven: de trompet schalde nog luider en wij allen
+schreeuwden onze kelen heesch met "Leve de Prins!"--Maar daar kwamen op
+eens de dienaars van den Fiskaal, wien door de Staten van _Holland_,
+die dat leven in hunne vergadering niet schenen te kunnen velen en
+die wellicht voor meerdere opschudding vreesden, last was gezonden,
+om den hoop te verstrooien. Maar juist die maatregel had een verkeerde
+uitwerking; want het grauw, dat hierin een beleediging zag, ging naar
+'t huis van den Fiskaal en wierp er de glazen in. Ook aan de logementen
+[6] van _Amsterdam_ en _Rotterdam_ deed men hetzelfde. Men schold de
+afgevaardigden en vooral Mijnheer den Raadpensionaris De Witt voor
+schelmen en prinsenverraders. Ja, zoover ging men, dat een dronken
+Duitscher den Heer Jacob de Witt, den vader van den Raadpensionaris,
+aanviel en hem dreigde, "dat men hem wel zou leeren, om den Prins
+tegen te spreken." Het was jammer, dat onze betooning van gehechtheid
+aan Uwe Hoogheid zulke gevolgen had.--Wij jongens hadden dat geenszins
+bedoeld."
+
+Met genoegen had de Prins naar het verhaal van zijn kamerdienaar
+geluisterd. Hij viel weldra daarna in een gerusten slaap.
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft.
+
+
+Wij laten den Prins slapen en willen ons den volgenden dag eens
+naar 's-Gravenhage begeven, waar wij in de _Spuistraat_ den
+pruikenmakerswinkel van Pieter Dirksz binnentreden. Sedert eenige
+jaren was die pruikenmaker er tamelijk bovenopgekomen; want er
+was in zijn vak nog al wat te verdienen, sinds de allongepruiken,
+uit Frankrijk overgewaaid, hier meer en meer in zwang kwamen. Gij
+weet immers wel, wat allongepruiken zijn, en hebt ze zeker wel eens
+op oude portretten gezien. Hoe dwaas, zult gij zeggen, als men van
+onzen Lieven Heer een goeden krullebol ontvangen heeft, een pruik op
+'t hoofd te zetten. Wat zal ik u zeggen? De mode is een grillige dame,
+en wat wij nu dwaas vinden en bespottelijk, wordt mooi, wanneer allen
+het dragen, met andere woorden, wanneer het mode is. De groote heeren
+nu van dien tijd droegen lange pruiken met krullen, die op beide zijde
+van de borst afhingen en hun een deftig en statig voorkomen gaven. Hoe
+zonderling en dwaas nu die mode ook was, zij had het voordeel, dat zij
+aan menigeen brood verschafte, en ook onze Pieter Dirksz, die vroeger
+een gering haarsnijdertje in de _Zuilingstraat_ was geweest, had het
+aan de pruiken te danken, dat hij zijn onaanzienlijke woning en zijn
+nederig bedrijf met een vrij wat beteren stand had verwisseld en thans
+den titel van _kapper_ mocht dragen. En dat alles was het werk van
+zijn oudsten zoon Karel, die, als lakei bij de Prinses Royaal in dienst
+gekomen, het door zijne oppassendheid tot 's Prinsen kamerdienaar had
+gebracht, in welke hoedanigheid wij hem in onze inleiding bij Zijne
+Hoogheid aantroffen. Karel Pietersz toch had weten te bewerken, dat
+verscheidene groote Heeren zijn vader de klandizie schonken, en de
+Prinses, wien de Oranjegezindheid van den voormaligen haarsnijder wel
+bekend was, had aan Pieter Dirksz eenig geld voorgeschoten, waardoor
+hij in staat was gesteld, zich het noodige haar te verschaffen en
+zijn stand te verbeteren. Dat geld had hij sedert lang terugbetaald.
+
+Wij treden den winkel van baas Dirksz binnen en vinden daar den tweeden
+zoon Jacob achter de toonbank zitten, bezig met het opmaken eener
+reusachtige allongepruik,--want niet alleen het vervaardigen van die
+hoofddeksels verschafte onzen haarwerker goede winsten, het onderhoud
+daarvan schonk hem geregeld werk. Wij gaan den twee-en-twintigjarigen
+Jacob voorbij en doen de glazen deur achter in den winkel open,
+waar wij in het huisvertrek den eerzamen pruikenmaker zien zitten,
+luisterende naar het verhaal van een zeeman, dien wij, ondanks zijn
+gebruind gelaat, terstond voor den jongeren broeder van Pieter Dirksz
+herkennen. Aan de tafel zit Marie, een meisje van twintig jaren,
+naar de Prinses Royaal vernoemd, en die sedert moeders dood het
+huishouden van haren vader bestuurt. Evert, die op haar volgt,
+is niet t'huis, maar bij den smid Joris Gerritsz aan 't werk;
+terwijl de veertienjarige Martha en haar dertienjarige broeder
+Pieter, de jongste van Dirksz' zestal, een aardige geestige jongen
+en vaders naamgenoot en lieveling, naar ooms vertellingen zitten te
+luisteren. Aandachtiger luisteraar echter heeft Klaas Dirksz niet
+dan zijn jongsten neef. Ziet hem daar zitten, dien blozenden knaap,
+terwijl de blauwe, zielvolle oogen onafgewend aan de lippen van den
+verhaler hangen en de hand den krullebol ondersteunt, als werd hem die
+te zwaar door al het nieuws, dat er in wordt opgenomen. Twee jaren
+geleden was zijn oom met den vice-admiraal De With, onder bevel van
+den Admiraal Jacob van Wassenaar, naar _Denemarken_ vertrokken, om
+den koning van laatstgenoemd land tegen de Zweden bij te staan. Eer
+wij echter vernemen, wat oom Klaas te verhalen heeft, moet ik u met
+een enkel woord de oorzaak van die zending mededeelen.
+
+Reeds in 1656 had de oorlogzuchtige koning van _Zweden_ Karel Gustaaf,
+door het belegeren van de stad _Dantzig_, die wij als de korenschuur
+van _Nederland_ aanmerkten, onze Staten genoodzaakt, een vloot van
+acht-en-veertig schepen naar de _Oostzee_ te zenden. Het doel van
+dezen tocht was bereikt en de vaart op de _Oostzee_ bleef vrij. Toen
+echter in 't volgend jaar de krijgskans ten nadeele van Karel Gustaaf
+liep, begreep Frederik III, koning van _Denemarken_, dat thans het
+rechte tijdstip daar was om de landen te herwinnen, die de Zweden,
+veertien jaren geleden, zijnen vader Christiaan IV ontnomen hadden. Hij
+verklaarde dus Karel Gustaaf den oorlog, waarop deze een stouten tocht
+ondernam, dien niemand vóór hem had durven wagen. Hij trok in Februari
+van 't jaar 1658 met zijn leger van slechts achtduizend man, meest
+ruiterij, over de toegevroren zee naar _Funen_, alwaar hij _Odenzee_
+en _Nyborg_ vermeesterde. Cromwells gezant, Meadow, zond hem een
+bode te paard, om hem tot den vrede aan te manen. "Hoe!" zeide de
+koning. "Kan die bode over den _Grooten Belt_, dan kunnen wij er ook
+over." Hij liet nu zijn leger oprukken en nogmaals over de bevroren
+zee trekken om den vijand in zijn land te bestoken. 't Was zoo vinnig
+koud, dat men den wijn en het bier bij stukken uit de vaten moest
+hakken; om ze te ontdooien. Midden in den nacht nam de tocht een
+aanvang. Door de menigte van paarden smolt de sneeuw zoozeer, dat er
+op sommige plaatsen wel twee voet water op het ijs stond, en men in
+de duisternis elk oogenblik vreesde in de zee te zullen verzinken.
+
+Reeds in den morgen van den volgenden dag kwam de koning op _Langeland_
+aan en ging van daar op _Laland_ en _Falster_, welke eilanden hij
+bezette. Vervolgens trok hij op _Seeland_ af, nam _Warburg_ in en
+stond op het punt om op _Kopenhagen_ af te trekken, toen Meadow zelf
+hem kwam opzoeken en er te _Rotschild_ tusschen de beide koningen een
+verdrag werd gesloten, waarbij bepaald werd, dat "zij nooit zouden
+toelaten, dat eenige vreemde oorlogsvloot door de _Sont_ of _Belt_ in
+de _Oostzee_ zou komen." Dit verbond was echter niet lang van duur;
+nog in 't zelfde jaar viel Karel Gustaaf in _Seeland_ en sloeg het
+beleg voor _Kopenhagen_. Onze Staten, die wel wisten hoe schadelijk
+het voor ons zou zijn, indien de Zweden meester werden in 't Noorden,
+besloten den admiraal van Wassenaar met een vloot naar _Kopenhagen_
+te zenden. De wakkere Kortenaar, zijn raadsman, dien wij reeds als
+kapitein op het schip van Tromp [7] ontmoet hebben, was kapitein van
+het admiraalsschip, terwijl de Vice-admiraals De With en Floriszoon
+onder Wassenaar het bevel voerden.
+
+Keeren wij thans naar de woonkamer van Pieter Dirksz terug. Zijn
+broeder Klaas, de zeeman met zijn gebruind gelaat, zijn heldere oogen
+die goedhartig uit de beenige kassen zien, zijn reeds hier en daar
+grijs geworden bruin, krullend haar, de baard en snorren om wang
+en kin, de groote, breede handen, die wel aan een mulat schijnen te
+behooren, doen terstond in hem den man herkennen, die lang aan weer en
+wind is blootgesteld geweest. Ook aan zijn spreken merkt men dadelijk
+den zeeman op, daar hij tal van spreekwoorden in den mond heeft,
+van welke de meeste hun oorsprong aan het zeeleven te danken hebben:
+vele daarvan echter zijn spreuken uit vader Cats.
+
+"Goê morgen!" begint hij, toen hij zonder eenige de minste komplimenten
+binnentreedt. "Hoe maak je 't, Pieter? En hoe varen je kinderen? Wel
+seldrement! is dat zoeken. Ik wist niet meer, waar ik mijn boeg moest
+wenden, en ik dacht, dat ik mijn bakzeil al moest in halen. Maar
+'t is met jou ook al, zooals vader Cats zegt: kunst baart gunst."
+
+"Wij zijn allen gezond, Klaas," antwoordt Pieter. "En 't schijnt,
+dat jij ook niet onder dokters handen bent."
+
+"Eilacy! Geen beter banket, dan gezond en vet, zegt Cats. Met mij is
+'t: een blij gemoed en matig goed is wonder zoet. Maar vertel mij
+eens, hoe 't je zoo voor den wind is gegaan; want je bent me een
+groote mijnheer geworden. 'k Wist niet of ik wel zou bijdraaien,
+toen ik daar voor zoo'n mooien winkel stond."
+
+Pieter Dirksz verhaalt zijn broeder, wat er met hem in die twee jaren
+is voorgevallen.
+
+"Nu," hervat deze. "Onder 't zeil is 't goed roeien. Wanneer je zulke
+bescherming hebt, is 't geen wonder ook. Als je door zulk groot volk
+gepraaid wordt, heb je maar op sleeptouw mee te varen. En nou zal ik
+je eens vertellen, wat er al met mij in die twee jaren gebeurd is."
+
+"Dat is goed, Klaas," herneemt Pieter Dirksz. "Maar zou je eerst niet
+wat gebruiken?"
+
+"Als je er dan op staat, Pieter, geef me dan een oorlam. Je weet
+wel wat ik meen, een goed glas brandewijn. Maar een ferm glas, hoor;
+want zoo'n kleintje is maar mondtergen."
+
+"En nu," hervat oom Klaas, nu hij van 't noodige voorzien is en zijn
+kort eindje pijp heeft aangestoken, "nu het zeil in top, en er op
+ingevaren. Je weet, dat ik aan boord van den vice-admiraal De With,
+zaliger gedachtenis, als stuurman geplaatst was. 't Was een dekselsch
+mooie vloot, mooier dan ooit onze havens verlaten heeft. Onze tocht was
+echter niet zeer voorspoedig; want eerst den 3den November kwamen wij
+in de nabijheid der _Sont_. Toen ging 't er op los. Wij moesten door
+twee vuren heen en tegen het vuur in. Aan onze linkerhand hadden wij
+het kasteel _Helsingborg_, aan onze rechter het slot _Kronenburg_,
+door de Zweden op de Denen veroverd, en vlak voor ons de Zweedsche
+vloot onder Graaf Karel August Wrangel."
+
+"Is die niet vroeger een jaar in ons land geweest, om zich met de
+zeewezen bekend te maken?"
+
+"Wel mogelijk. Je wordt meest gebeten door je eigen
+honden. Intusschen--onze De With, die de voorhoede kommandeerde, dacht:
+goede moed is het halve teergeld! Met zijn "Brederode", het schip,
+waarop Tromp zoo menige zege op den vijand bevocht, stort hij zich
+als een leeuw door de regenbui van kogels heen, die ons van drie
+kanten te gemoet worden gezonden. Ik sta aan het roer zoo bedaard
+als ik hier zit, terwijl de blauwe boonen mij om de ooren fluiten."
+
+"Hé, oom!" roept Pieter uit. "En werdt u niet bang?"
+
+"Bang, Pieter! Ik bang? Kom, smidskinderen zijn wel vonken gewoon,
+dacht ik, en als er geen kogel bij is waar je naam op staat, zal
+je er wel goed door komen. En zoo stuur ik recht door de voorhoede
+heen tot vlak bij den vijandelijken admiraal.--"Bijdraaien!" roept De
+With, en op het oogenblik dat ik het schip van Wrangel praai, "pang,
+pang, pang!" daar krijgt hij de volle laag. Hij keek, alsof hij het
+te _Keulen_ had hooren donderen, die Zweed; het kwam hem ook zoo
+onverwachts op het lijf. Maar wij laten hem geen tijd tot bezinnen;
+want met beter te hopen is de tijd verloopen, en onze admiraal, die
+begreep dat hem de eer toekwam om het admiraalsschip te bevechten,
+vaart hem aan het andere boord, en geeft hem ook de volle laag,
+waardoor de Zweed zijn roer verliest en zich genoodzaakt ziet onder
+_Kronenburg_ te loopen."
+
+"Nu, dat was ferm, oom!" roept Pieter verheugd uit. "Dat had hij net
+verdiend, om hier het zeewezen te leeren en dan zijn kunst tegen ons
+te gebruiken."
+
+"Dat is nu tot daaraan toe, jongen! Uilen vliegen met geen bonte
+kraaien, en Wrangel was van ouder tot ouder een Zweed en moest dus
+zijn land voorstaan. De vice-admiraal intusschen beveelt mij te
+wenden, voort gaat het, en "pang, pang, pang!" sturen wij het schip
+van Bielkenstjern insgelijks wat blauwe boonen in de romp. Maar twee
+Zweedsche schepen kwamen hem te hulp en nu was het één tegen drie."
+
+"Dat is valsch," valt Pieter zijn oom in de rede. "Een tegen een
+is het altijd bij ons jongens, als wij vechten. Drie tegen een is
+geen partuur."
+
+"Maar, Piet," herneemt oom Klaas, "in den oorlog vraagt men niet
+naar partuur; daar doet men zijn best om elkander te vernielen. Onze
+dappere vice-admiraal intusschen was geen kat om zonder handschoenen
+aan te tasten. Hij gaf hun het lapje vrij duur, hoor; want het was
+hier terecht: bloô Jan, doô Jan. Een der beide aanvallers vloog
+in de lucht, de andere liet ons zijn achtersteven zien en koos het
+hazenpad; alleen Bielkenstjern bleef vechten als een leeuw. Maar wat
+wilde het ongeluk? De snelle stroom deed de beide schepen wegdrijven
+en aan den grond geraken. Het roer zat als gemetseld. Dat merkte een
+Zweed. Men moet het ijzer smeden, terwijl het heet is, dacht hij,
+en gaf ons de volle laag."
+
+"Dat was laf!" roept Pieter uit, terwijl zijne oogen vlammen
+schieten. "Een weerloozen vijand mag men niet aanvallen."
+
+"Je weet alweer niet, hoe het in den oorlog toegaat, Pieter," herneemt
+de oom. "En onze De With toonde maar al te goed, dat hij niet weerloos
+was; want twee uren lang hield hij het uit, ofschoon ons schip door
+de kogelgaten wel een zeef geleek en zoo lek was als een mand. Maar,
+wat drommels jammer was en mij geweldig speet: twee kogels troffen
+den dapperen vice-admiraal. "Jongens! houdt moed!" riep hij. En de
+jongens hielden moed, dat verzeker ik je. Maar tegen de Bierkâ is
+het kwaad vechten. De Zweden enteren onzen "Brederode" en springen
+er in menigte op over. De arme De With, door bloedverlies uitgeput,
+kan niet meer staan. Hij valt op de knieën en zwaait nog den degen,
+terwijl hij volstandig weigert zich over te geven. Eindelijk is
+hij geheel en al uitgeput, men grijpt hem aan en sleurt hem van het
+schip. Stervend vestigt hij nog de brekende oogen op zijn vaartuig. En
+ziet, zijn wensch wordt vervuld: "de Brederode" valt geen vijand
+in handen: het water dringt door de menigte van kogelgaten heen,
+het schip zinkt als een baksteen."
+
+"Dat was ferm!" vindt Pieter, terwijl hij in de handen klapt. "Nu
+had die leelijke Zweed er toch niets bij gewonnen."
+
+"Dat had hij niet. Maar zeg niet leelijke Zweed. De bevelhebber van
+het vijandelijke schip had zijn plicht gedaan, evenals wij. En weet
+gij wat Koning Karel Gustaaf deed? Toen het lijk van den dapperen
+vice-admiraal te _Elseneur_ aan wal werd gebracht, stond de edele
+vorst, in rouwgewaad gekleed, omringd door zijn ganschen hofstoet om
+het met eere te ontvangen en kon hij zijne tranen niet bedwingen."
+
+"Dat vind ik nu heel mooi," hernam Pieter. "Maar wat had de admiraal
+Van Wassenaar in al dien tijd gedaan, oom?"
+
+"Die had gevochten als een leeuw. Ofschoon een derde van zijn
+scheepsvolk gekwetst of gedood was, zijn boeg en konstabelkamer
+in brand waren geraakt, zijn want grootendeels was afgeschoten,
+de romp van zijn schip vol kogelgaten zat, en het water reeds in
+het hol steeg, bleef hij den ongelijken strijd tegen de vijandelijke
+schepen volhouden, terwijl hij bedaard bleef zitten in een stoel vóór
+de kampanje."
+
+"Was hij dan zoo moe?"
+
+"Wel neen; maar hij had zoo geducht de jicht, dat hij niet kon staan
+of loopen; dus moest hij wel zitten. Eindelijk liepen de vijanden
+van hem af en zeilde hij naar de vloot bij _Kronenburg_ terug. De
+Zweden hadden zeven schepen verloren, waarvan drie den onzen in
+handen waren gevallen; wij slechts "de Brederode" en drie verbruikte
+branders. Jammer maar, dat wij onder de dooden de beide vice-admiralen
+Witte Corneliszoon de With en Floriszoon telden [8].
+
+"Maar oom! Hoe ging het met u? Gij zijt toch niet met "de Brederode"
+gezonken?"
+
+"Domme jongen! Dan zou ik niet hier zitten. Ik werd met al mijn
+kameraads gevangen genomen en te _Elseneur_ in den kerker gezet. Daar
+zaten wij den geheelen winter met ons twaalven in een donker,
+vochtig hok te brommen. Maar wij besteedden onzen tijd goed. Wij
+hadden opgemerkt, dat langs onze gevangenis de gracht van het kasteel
+stroomde, en nu besloten wij, de traliën los te vijlen en zoo de
+haven uit te raken. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet; want wij
+hadden geen gereedschap. Een onzer echter had zijn "kortjan" weten
+te verbergen, en nu maakten wij daarmede steenen uit den muur los,
+die wij scherp slepen en waarmede wij langzamerhand de dikke ijzeren
+staven doorvijlden. Dat kon echter alleen 's nachts gebeuren. 's
+Morgens maakten wij het gevijlde met wat brood met vijlsel vermengd
+toe; met hetzelfde brooddeeg verborgen wij de plaats der uitgebroken
+steenen. 't Was echter eerst in de laatste helft der maand, dat onze
+reuzenarbeid voltooid was. Op zekeren donkeren regenachtigen nacht
+lichtten wij de ankers, namen de reeds losgemaakte tralies uit,
+kwamen zoo in de gracht, zwommen over en laveerden op handen en
+voeten langs den grond tot in een klein kreupelbosch, niet ver van
+het kasteel, dat wij uit onze gevangenis hadden kunnen zien en tot
+ons vereenigingspunt bestemd hadden. Van hier wendden wij den boeg
+regelrecht zuidwaarts, steeds reizende bij nacht, en bij dag ons
+verbergende. Eindelijk kwamen wij aan de zee, en, verbeeldt u onze
+blijdschap, toen er eensklaps, niet ver van de kust, een vloot voor
+ons lag en wij, bij het schijnsel der maan, de Statenvlag van de
+masten zagen wapperen. Wij sprongen in zee en zwommen naar 't eerste
+schip het beste. 't Was "Het huis te Zwieten", op hetwelk de dappere
+vice-admiraal De Ruyter het bevel voerde, die den 20sten Mei met
+een vloot van 40 linieschepen tot versterking van Wassenaar naar 't
+Noorden afgezonden was. Wij werden terstond met opene armen ontvangen
+en op verschillende schepen ingedeeld. Ik kwam als tweede stuurman op
+"Het huis te Zwieten" en bleef verder op dien bodem."
+
+"Zoodat gij dus in de onmiddellijke nabijheid van den dapperen Zeeuw
+waart," hervatte Pieter Dirksz.
+
+"Juist. Onze vloot vereenigde zich kort daarna met die van
+Wassenaar. 't Was een statig gezicht, die vijf-en-twintig
+oorlogsschepen met hare galjoten en branders te zien zeilen, een
+gezicht, dat mij het hart onder het baaitje deed zwellen. In het begin
+van November echter keerde de admiraal van Wassenaar, die ernstig
+ongesteld was, naar het vaderland terug, en De Ruyter behield nu,
+volgens last der Staten, het opperbevel over de geheele vloot, die
+koers zette naar het eiland _Funen_, dat nog altijd in de macht der
+Zweden was. Het krijgsvolk werd onder aanvoering van den ritmeester
+Hendrik van Fleury, heer van Buat, te _Kartemunde_ ontscheept. Dat ging
+echter zoo gemakkelijk niet. Aan de eene zijde stonden twee, en aan de
+andere zijde drie regimenten Zweedsche ruiters, terwijl de dragonders
+de stad bewaarden. Men opende een hevig kartetsvuur op onze sloepen,
+in een van welke zich De Ruyter bevond, die een oog in het zeil wilde
+houden. Ik zat aan het roer en de kogels floten mij om de ooren."
+
+"Nu werdt gij toch zeker wel bang, oom?" vraagde Pieter.
+
+"Wel neen.--In zulke gevallen moet men het woord vrees slechts bij
+naam kennen, evenals onze De Ruyter. Toen hij zag, dat er eenigen van
+de onzen sneuvelden, riep hij onophoudelijk: "Valt aan, mannen! Valt
+aan, of gij zult allen samen vermoord worden."
+
+Nu sprong de ritmeester Buat, die vroeger page bij Prins Willem
+II was geweest, met het rapier in de vuist tot zijn middel in het
+water. "Mannen!" riep hij, "dat gaat u voor! Volgt mij na!" Door dit
+voorbeeld aangemoedigd, volgden de soldaten met gansche hoopen hem
+na, waadden door de zee, tastten de Zweedsche ruiters manmoedig aan,
+en overwonnen hen na een hardnekkigen tegenstand. Eenige dagen later
+vereenigden zij zich met de Keizerlijke, Brandenburgsche en Poolsche
+hulpbenden, rukten gezamenlijk op de Zweden aan, overwonnen hen en
+dwongen hen, met achterlating van al hun geschut, binnen _Nijborg_
+te vluchten. Nu stevende ook De Ruyter met de vloot derwaarts,
+bracht de forten, die de haven beschermden, tot zwijgen, zeilde tot
+voor de stad en beschoot haar zoodanig, dat zij zich met het leger
+overgaf. Groot was over deze overwinning de vreugde in _Kopenhagen_,
+in welke stad wij den 15den December aankwamen. 't Was fel koud en
+het vroor, dat het kraakte. Drie dagen lang duurde het, eer de vloot
+door het ijs heen binnen de haven was, waar zij zou overwinteren. Den
+zeventienden werd de vice-admiraal met andere hoogere bevelhebbers
+bij den koning van _Denemarken_ ter maaltijd genoodigd, waar zij
+prachtig onthaald werden en groote eere genoten. Eenige dagen later
+kwam de Deensche admiraal Bielke aan ons boord en schonk De Ruyter,
+uit naam van zijn koning, een gouden keten van groote waarde."
+
+"Die had ik wel eens willen zien," riep Pieter uit. "Hoe was die
+keten, oom?"
+
+"'t Was een vier- of vijfdubbele schakel, kunstig ineengevlochten;
+koningin Sophia Amalia had er eigenhandig een gedenkpenning van goud
+aan vastgehecht, op welks eene zijde 's Konings borstbeeld stond,
+omzet met twee en veertig diamanten; aan de keerzijde zag men een
+oorlogsschip in zee en onderaan hing een schoone parel.--Grooter
+eer evenwel genoot de vice-admiraal, toen wij, een maand geleden
+uit _Denemarken_ vertrokken. De koning toch verhief hem en zijne
+nakomelingen tot den adelstand en voegde daar een jaarwedde van
+tweeduizend gulden bij."
+
+"Dat was heel mooi van dien koning van _Denemarken_," zeide Pieter. "En
+hoe kwam het, dat de vloot niet langer in _Denemarken_ behoefde
+te blijven?"
+
+"Wel, de koning van _Zweden_ was in Februari van dit jaar plotseling
+overleden, en daardoor was de vrede tusschen de Noordsche mogendheden
+den 16den Juli gesloten. Wij wachtten dus slechts, tot de laatste Zweed
+_Denemarken_ verlaten had, gingen den vijftienden der vorige maand
+onder zeil en kwamen den derden September 't _Vlie_ binnen, waar de
+verschillende schepen van elkander scheidden. Wij zetten koers naar
+_Amsterdam_. Op de _Zuiderzee_ was De Ruyter bijna verongelukt. Een
+schip overzeilde ons en, had de vice-admiraal zich niet aan een touw
+vastgehouden, hij ware reddeloos verloren geweest."
+
+"Hoe gaat het, vader!--Hé! oom! Gij hier? Altijd wèl geweest? Dag
+Marie, dag Martha, dag Pieter!" klonk het eensklaps. Allen keken op,
+en zagen Karel voor zich staan.
+
+"Hoe kom jij zoo eensklaps uit de lucht vallen, Karel?" was de vraag
+van den verbaasden Dirk Pietersz.
+
+"Ik ben zoo straks met Zijne Hoogheid van _Leiden_ gekomen, daar hij
+afscheid wil nemen van Hare Koninklijke Hoogheid de Prinses Royaal,
+eer zij naar _Engeland_ gaat."
+
+"En die van morgen vroeg reeds vertrokken is," zeide Marie, "Je bent
+dus te laat gekomen, Karel."
+
+"Dat zijn wij. Gisteren ontving de Prins een brief van zijne
+Doorluchtige moeder; maar Zijne Hoogheid was buiten staat om de reis
+te aanvaarden, daar hij aan hevige hoofdpijn leed."
+
+"Nog altijd die hoofdpijn," zeide Marie. "De Prins schijnt een
+martelaar van die kwaal te zijn."
+
+"Dat is hij," antwoordde Karel. "Eerst heden na den middag bevond
+zich Zijne Hoogheid in staat, den tocht naar 's-_Gravenhage_ te
+aanvaarden, en nu wij hier komen, vinden wij niet alleen de Prinses
+Royaal vertrokken, maar ook Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, op het
+paleis op het _Binnenhof_."
+
+"En ik meende gehoord te hebben, dat Prinses Amalia zich te _Turnhout_
+bevond en van daar naar _Kleef_ was gereisd, omdat zij Hare Koninklijke
+Hoogheid niet gaarne vaarwel zeide," merkte Marie aan.
+
+"Je bent zeer goed onderricht, Marie," hervatte Karel. "De
+Prinses-weduwe reisde naar _Kleef_ en zond van daar een edelman naar de
+Prinses Royaal, om haar gelukkige reis te wenschen en Harer Hoogheid te
+verklaren, dat zij bereid was over te komen, bijaldien Prinses Maria
+dat wenschte. Intusschen schijnt zij later van gevoelens veranderd
+te zijn en is haar te gemoet gereisd naar _Den Briel_. Doch Prinses
+Maria was, hetzij opzettelijk of toevallig, bij hare komst reeds naar
+_Hellevoetsluis_ vertrokken, waarop de Prinses-weduwe terstond naar
+'s-_Gravenhage_ is doorgereisd. Zijne Hoogheid de Prins is op dit
+oogenblik bij haar."
+
+Inderdaad was Prinses Maria reeds in den vroegen morgen van dien
+Woensdag vertrokken. Te _Delftshaven_ gekomen, wachtte haar daar een
+ontbijt, haar door de Vroedschap aangeboden. Na het ontbijt begaf zij
+zich in een jacht, dat haar naar _Brielle_ overvoerde, alwaar zij op
+kosten der stad met een keurig diner werd ontvangen. Ook hier hield
+zij zich niet langer op dan noodig was, maar vertrok terstond na
+het diner naar _Hellevoetsluis_, gelijk wij uit Karels vertelling
+gehoord hebben. Wij willen dezen laatste thans zijne bijzondere
+familie-aangelegenheden laten bespreken en begeven ons liever eens
+naar het _Binnenhof_ te 's-_Gravenhage_, om er den Prins bij zijne
+grootmoeder te zien aankomen. Doch dit in een volgend Hoofdstuk.
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde.
+
+
+Wij begeven ons in een der vertrekken op het _Binnenhof_ aan de
+rechterzijde der _Stadhouderspoort_, door de Prinsen van _Oranje_
+bewoond. De kamer, die wij binnentreden, heeft aan den eenen kant een
+ruim uitzicht over het _Buitenhof_, terwijl aan de tegenovergestelde
+zijde de vensters op het _Binnenhof_ uitkomen. Zware roodzijden
+damasten gordijnen met oranjezijden koorden hangen voor die vensters
+en beletten voor een groot gedeelte het licht, binnen de kamer
+te dringen. Het goudlederen behangsel, op 't welk in de rondte
+de levensgroote portretten der doorluchtige prinsen van _Oranje_
+hangen, brengt niet veel toe, om de kamer vroolijker te maken. Keurig
+steekt daartegen de hooge, wit marmeren schoorsteen af, boven welken
+zich een heerlijk schilderstuk bevindt en tegenover welken een
+prachtige venetiaansche spiegel met vergulde lijst de kamer als 't
+ware verdubbelt. Aan weerszijde van dien spiegel bevindt zich een met
+roodfluweel overtrokken divan, voor welken smyrnasche karpetten liggen,
+terwijl naast den schoorsteen aan elke zijde een kunstig uitgesneden
+en gebeeldhouwd buffet staat, waarop de zilveren kannen, het kristal en
+het fijne Chineesche porselein getuigen van den rijkdom der bewoners.
+
+Op een grooten leunstoel van ebbenhout, met rood fluweel bekleed,
+door goud galon afgezet, en in welks hooge rugleuning het wapen der
+Prinsen van _Oranje_ is gebeeldhouwd, zit een dame van ruim vijftig
+jaren, in blauw satijn gekleed, een rijk parelsnoer om den hals,
+het nog schoone gelaat in diepe gedachten naar den kant van het
+_binnenhof_ gewend, het hoofd ondersteund door den blanken arm,
+die op het marmeren blad der rijk vergulde tafel rust. Die vrouw is
+de trotsche en doorluchtige Amalia van Solms, de weduwe van Prins
+Frederik Hendrik van _Oranje_, de grootmoeder van Prins Willem Hendrik.
+
+Het schijnt, dat de gedachten, die haar brein doorwoelen, juist geen
+aangename zijn; want nu en dan fronst zij de wenkbrauwen en trekt er
+een donkere wolk over haar voorhoofd. In hare overpeinzingen wordt zij
+gestoord door het getrappel van eenige paarden, die het _binnenhof_
+oprijden. Zij ziet op en onderscheidt terstond haren kleinzoon, die
+naast zijn goeverneur vooruitrijdt, en die, zwak en ziekelijk als
+hij is, wanneer hij te paard zit een geheel ander wezen schijnt te
+zijn en vol ridderlijkheid in houding en gebaren, zijne afkomst van
+het edele Oranjegeslacht niet verloochent.
+
+"Te laat--ook al te laat!" mompelt Amalia, terwijl zij de zilveren
+schel van de tafel neemt, op wier geluid haar kamerdienaar achter het
+rood lakensch behangsel met gouden passement, dat de deur verbergt
+en voor tocht vrijwaart, te voorschijn komt.
+
+"Verzoek Zijne Hoogheid, terstond bij mij te komen. Zeg aan den Heer
+Van Zuijlestein, dat de Prins een paar uren rust moet nemen."
+
+De kamerdienaar buigt zich op deze woorden, uitgesproken met een
+stem, blijkbaar aan bevelen gewoon, en gaat heen, om het gebod zijner
+gebiedster te volbrengen. Eenige oogenblikken daarna treedt de Prins
+binnen. Gij zoudt in hem dien bleeken, matten knaap van gisteren
+niet herkend hebben, zoo had de heerlijke rit hem verkwikt. De
+frissche wind, die door zijne blonde lokken gespeeld had, had aan
+zijne wangen een ongewonen blos gegeven en de zuivere lucht, welke
+zijne longen zoo ruimschoot hadden ingeademd, hadden aan die heldere
+oogen een verhoogden glans geschonken. Een eenvoudig donker blauw
+fluweelen wambuis omsloot de tengere leden; de hozen van dezelfde
+kleur, met galon op de zijnaden, waren aan de knieën vastgestrikt,
+terwijl een bandelier van oranjezijde hem dwars over de borst
+hing. Zwijgend stond hij voor zijne grootmoeder; want het was toen,
+evenals tegenwoordig, fatsoenlijk, dat kinderen zwegen, totdat oudere
+menschen hen aanspraken.
+
+"Gij komt van _Leiden_, Willem?" begon de Prinses-weduwe half op
+vragenden, half op stelligen toon.
+
+"Om u te dienen, grootmoeder," antwoordde de vorstelijke knaap, terwijl
+hij verlegen met de karwats speelde, die hij nog in de hand hield.
+
+"Gij komt te laat, mijn jongen!" hernam de Prinses. "Hare Koninklijke
+Hoogheid heeft goedgevonden vroeg af te reizen en haastig voort te
+trekken. Haar verlangen naar _Engeland_ schijnt te domineeren over
+hare liefde tot u."
+
+Op deze bittere woorden richtte de Prins het hoofd fier op, een
+meer dan gewoon vuur flikkerde in zijn oog, hij wilde iets scherps
+antwoorden. Maar reeds gewoon zich te bedwingen, fonkelde dat oog
+slechts een oogenblik,--het volgende stond het rustig, en bedaard
+antwoordde hij:
+
+"Ik had reeds gisteren hier moeten zijn, mevrouw. Ik ontving tijdig
+genoeg bericht."
+
+"En waarom zijt gij dan niet gekomen?"
+
+"Ik leed weder aan furieuze hoofdpijn, zoodat ik naar bed moest. Van
+morgen stond ik laat op en moest de komst van den dokter afwachten,
+die mij permissie tot de reis moest geven. Ik hoop echter...."
+
+"Gij hoopt.... Ik dacht, Hare Koninklijke Hoogheid nog in _Den Briel_
+te zullen vinden, waar zij door de vroedschap geregaleerd is; maar
+zij was reeds naar _Hellevoetsluis_ vertrokken. Mij luste het niet,
+Haar na te reizen."
+
+"Op uwe jaren is dat ook niet te verwachten," antwoordde de
+Prins. "Maar op welke wijs zal mijne moeder naar _Engeland_
+vertrekken? De ontvangen brief meldde mij dienaangaande niets. Het
+schijnt ook, dat het vertrek onverwacht is opgekomen."
+
+"Er zijn acht of tien koninklijke schepen door uwen oom Karel II
+gezonden en te _Goedereede_ gearriveerd. Wij hadden die vloot nog
+niet zoo spoedig verwacht."
+
+"Dan zullen mijne ooms York en Glocester er zeker wel bij zijn,"
+hervatte de Prins.
+
+"De hertog van _Glocester_ ligt gevaarlijk ziek aan de kinderpokken,"
+hernam de Prinses, "en dientengevolge is de hertog van _York_ ook in
+_Engeland_ gebleven. Ik verneem, dat de Heeren _Montaigne_, _Oreal_
+en _Berklay_ op de vloot zijn."
+
+"'t Zal moeder wel leed doen," hervatte de Prins. "Zij houdt innig
+veel van mijn oom Glocester."
+
+"'t Is een Engelschman!" prevelde Amalia. "Ik heb order gegeven,
+dat gij twee uren rust moet houden," hernam zij luider tot haren
+kleinzoon. "Gij moet uwe delicate gezondheid soigneeren."
+
+"Ik zal mij aan uwe orders onderwerpen," antwoordde de Prins, die zich
+hield, alsof hij de eerste woorden niet verstaan had, "ofschoon mij het
+paardrijden en de beweging in de vrije lucht geen fatigue zijn, maar
+een recreatie. Hoe vaart Mijnheer De Witt?" vraagde hij eensklaps, om
+niet te doen merken, hoe onaangenaam hem het bevel van vertoeven was.
+
+"De Raadpensionaris bevindt zich, zoo ver mij bewust is, gezond en
+wel. Zijne edelheid zal u waarschijnlijk wel met een bezoek honoreeren,
+als hij verneemt, dat gij hier zijt."
+
+De Heer Van Zuijlestein trad op dit oogenblik de kamer binnen. Ik
+vrees echter, mijne lezers te vervelen, met al de gesprekken mede te
+deelen die er gevoerd werden. Twee uren later zat de Prins weder in den
+zadel en reed, door zijn goeverneur en gevolg vergezeld, over _Delft_
+naar _Maassluis_, in welke laatste plaats men den nacht doorbracht,
+om den volgenden dag vroegtijdig naar _Den Briel_ over te varen en
+zich van daar terstond naar _Hellevoetsluis_ te begeven.
+
+
+
+De volgende morgen, Donderdag, de laatste dag van Herfstmaand, was,
+zooals de herfstmorgens gewoonlijk zijn, frisch en koud en voorspelde
+een schoonen dag. De Prins was reeds vroegtijdig bij de hand in
+de kleeren.
+
+"Reeds zoo vroeg op, Willem!" zeide Zuijlestein, toen hij de kamer
+van den Prins binnentrad.
+
+"Nog te laat, vrees ik, Zuijlestein," gaf de Prins ten
+antwoord. "Indien ik gisteren mijn zin had kunnen doen, hadden wij
+ons in 's-_Gravenhage_ ten hoogste een kwartier opgehouden."
+
+"De rit zou te vermoeiend voor u geweest zijn!" antwoordde de
+goeverneur.
+
+"Dwaasheid, Zuijlestein. Maar gij kent mijne grootmoeder. Haar haan
+moet koning kraaien, en wat zij begrijpt is wet. Het zal _haar_
+schuld zijn, als ik mijne moeder niet meer te _Hellevoetsluis_ vind."
+
+"De Prinses Royaal zal wel op u wachten, Willem," antwoordde
+Zuijlestein.
+
+"Indien de oostenwind geen oorzaak is, dat men van het tij heeft
+geprofiteerd en reeds onder zeil is. Het zou mij eene grief zijn,
+als ik mijne moeder niet zag. Het kon voor het laatst wezen. Zij is
+en blijft toch mijne moeder."
+
+"Wij zullen dadelijk vertrekken, Willem," hervatte Zuijlestein. "Eerst
+echter zult gij iets gebruiken. De koude morgenlucht op de _Maas_
+zou u kwaad doen."
+
+"Mochten wij, te _Hellevoetsluis_ komende, bevinden, dat de vloot
+reeds vertrokken is, dan steken wij in zee," hernam de Prins.
+
+"Zeer goed, er zal daartoe gelegenheid in overvloed zijn."
+
+Nadat de overtocht naar _Brielle_ volbracht was, reed de Prins met
+zijn gevolg naar _Hellevoetsluis_, waar men vernam, dat de vloot reeds
+sedert een paar uren met gunstigen wind onder zeil was gegaan. Zonder
+tijd te verzuimen, begaven zij zich nu in een galjoot; de zeilen
+werden gespannen en, daar het lichte vaartuig sneller door het water
+sneed dan de logge Engelsche schepen, waren zij binnen weinig tijds
+de laatste op zijde.
+
+Weldra praaide het galjoot de bark met de koninklijke vlag
+van _Engeland_ in top, in welker rood kruis met groote letters
+C. R. (Carolus Rex.--koning Karel) geborduurd was; men liet de keurige
+statietrap af; onze Prins, door zijn gevolg vergezeld, klom aan boord
+en begaf zich naar de sierlijke kampanje, aan alle zijden met spiegels
+van venetiaansch glas voorzien, vol rijk vergulsel, en waar op rood
+fluweelen kussens met goud geborduurd en dito kwasten, Prinses Maria
+van _Engeland_, de Weduwe van den Stadhouder Willem II, gemakkelijk
+lag uitgestrekt. Rondom haar stonden of zaten de Engelsche heeren,
+prachtig uitgedoscht in hunne fluweelen mantels, satijnen vesten en
+hozen, met gouddraad doorwerkte kousen en nette, hooggehakte brodequins
+(laarsjes) met gouden gespen of sierlijke strikken.
+
+Te midden van al die pracht zat de Prinses van _Oranje_ en naast
+haar de gravin van _Chesterfield_, hare trouwe vriendin, terwijl hare
+kamervrouw Howard zich in een hoekje bij den ingang had nedergezet. Zij
+was een schoone vrouw, die Maria van _Engeland_. Haar goed gevormd
+gelaat met tot in den blanken hals krullend haar getooid, met dien
+gebogen neus en die donkere oogen, dien welgevormden ofschoon niet
+zeer kleinen mond, had nog al den blos der jeugd. De wit satijnen
+japon, aan den hals laag uitgesneden, deed een snoer paarlen zien,
+welker waarde ik niet durf berekenen.
+
+"Wees welkom, Willem!" zeide zij, terwijl zij hem een kus op
+het voorhoofd gaf. "Gij hebt goed gedaan, dat gij mij nagereisd
+zijt. Waarom hebt gij zoo lang getoefd?"
+
+"Ik had eergisteren zware hoofdpijn, moeder," antwoordde
+Willem. "Gisteren heb ik 't niet verder kunnen brengen dan
+tot _Maassluis_, en toen ik te _Hellevoet_ kwam, vond ik u
+vertrokken. Mijne grootmoeder heeft mij verzocht, u hare gebiedenis
+te doen; ook zij hoopte u gisteren te _Brielle_ te rencontreeren. U
+niet vindende, is zij geretourneerd naar 's-_Gravenhage_, waar ik
+haar gesproken heb."
+
+Een lichte glimlach plooide zich om de lippen der vorstin.
+
+"En hoe is het u gelukt, zoo spoedig een schip gereed te vinden, om u
+herwaarts te brengen? Gij zijt zeker vroeg uit _Maassluis_ vertrokken."
+
+"Een bode, die een brief voor u overbrengt, had het galjoot reeds
+zeilvaardig doen maken; zoodat wij slechts hadden in te stappen en
+terstond op reis gingen."
+
+"Een bode voor mij met een brief?" hernam de Prinses.
+
+Een der heeren reikte der Prinses een rouwbrief met een groot
+zwart zegel over. Het adres was in het Engelsch geschreven. Toen
+de Prinses den brief aanvatte, verbleekte zij. Zij brak hem haastig
+open, doch nauwelijks had zij er de oogen ingeslagen, of zij riep in
+'t Engelsch uit:
+
+"Mijn broeder, de hertog van _Glocester_, is overleden, mijne heeren!"
+
+De hertog van _Glocester_ was de meest geliefde broeder der Prinses. En
+nu dood! Juist op het oogenblik, dat zij gehoopt had, hem te zien!--Het
+zou nu een treurige reis zijn naar _Londen_.
+
+Toen de eerste droefheid wat bedaard was, maakte de Prins zich gereed,
+om afscheid te nemen van zijn moeder. Weinig dacht hij, dat de kus,
+dien zij hem op het voorhoofd drukte, de laatste zou zijn, dien hij
+van haar ontving.... Willem Hendrik van _Oranje_ nam voor altijd
+afscheid van zijn moeder.
+
+De Prins keerde naar _Den Haag_ terug en vertrok weder naar
+_Leiden_,--de Prinses kwam den 2den October gezond en frisch te
+_Londen_ aan, alwaar zij door hare beide broeders, koning Karel II
+en den hertog van _York_ (later Jacobus II) ontvangen en met het
+losbranden van het geschut begroet werd.
+
+Prins Willem Hendrik zag zijne moeder niet terug. In de laatste
+helft van December werd ook zij door de ziekte aangetast, waaraan
+haar gemaal en haar broeder bezweken waren. Aan geneesheeren ontbrak
+het haar niet,--maar wat vermogen die, wanneer de dood in het spel
+is? De dokters zeiden, dat de Prinses drie ziekten te gelijk had:
+roodvonk, mazelen en kinderpokken. Terstond werd er bericht aan den
+Prins en zijne grootmoeder gezonden. Gij kunt denken, hoe verlangend
+Zijne Hoogheid naar tijding was. Het ging echter toen zoo gemakkelijk
+niet, om brieven uit _Engeland_ te krijgen; vooral in den winter,
+wanneer de scheepvaart gestremd was. Eindelijk, tegen het midden van de
+maand Januari 1661, kwam de tijding, dat de Prinses den 3den van die
+maand het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Tot haar laatste
+oogenblik was zij volkomen bij haar verstand gebleven. Een half uur
+vóór haar overlijden had men haar nog gelaten op den voet, hetgeen haar
+blijkbaar verlichting schonk en in een sluimering deed vallen. Kort
+vóór haar verscheiden maakte zij haar testament, waarbij zij haren
+koninklijken broeder bad, te zorgen voor den persoon en de belangen
+van haar zoon. Tevens had zij begeerd, zonder eenige statie te worden
+begraven bij haren "lieven broeder", den hertog van _Glocester_. Aan
+de gravin van _Chesterfield_ en hare kamervrouw Howard had zij elk £
+400 (f 4800) gelegateerd. Dit testament was gemaakt in _White-hall_,
+en onderteekend door de heeren Edward Ker, Robert Whyte en William
+Dyke. Door middel van onzen gezant in _Engeland_; kregen Prins Willem
+en zijne grootmoeder een copie van den inhoud van dat testament.
+
+Zoo stond de ruim tienjarige Willem Hendrik nu alleen op de wereld,
+zonder beschermer en verdediger, te midden van een hem vijandige
+partij (de Loevesteinsche factie).--Geen wonder, dat hij in de kunst
+van veinzen, hem reeds zoo eigen, groote vorderingen maakte. Dit
+sterfgeval diende tevens, om den Prins meer en meer aan den invloed van
+_Engeland_ te onttrekken, hetgeen zijne partij als een ramp beschouwde,
+maar zijne tegenstanders met welgevallen zagen.
+
+Wij willen, eer wij dit hoofdstuk eindigen, nog even naar den winkel
+van Pieter Dirksz terugkeeren, dien wij aan het einde van ons vorig
+hoofdstuk verlaten hebben. Oom Klaas bleef acht dagen lang bij zijn
+broeder en vertrok toen weer naar zee. Dat verblijf was voor onzen
+Pieter Pietersz een tijd van genot, en wanneer hij met zijn oom
+wandelde, hetzij naar _Scheveningen_ of in het _Bosch_, of over de
+duinen, moest die hem vertellen van de zee en van de schepen en van
+het leven der matrozen, kortom van al wat op de zeevaart betrekking
+had. Dit boeide den knaap zoodanig, dat hij vast besloot, zeeman te
+worden en, den dag vóór ooms vertrek, dezen dit besluit mededeelde.
+
+"Maar, beste Pieter," zeide oom Klaas. "Men kan geen paard al loopende
+beslaan. Je bent eerst twaalf jaren. Je bent nog te jong om het zeegat
+te kiezen."
+
+"Te jong, oom? En Michiel Adriaanszoon de Ruyter dan? Die was nog
+maar tien."
+
+"Dat was een geheel ander geval, Pieter," antwoordde de oom. "Het
+was toen een geheel andere tijd, en daarenboven De Ruyter voer ter
+koopvaardij. Ook was hij een ondeugende knaap, en zooals vader Cats
+zegt: De zee maakt dwee."
+
+"Maar kan ik dan ook niet ter koopvaardij varen, oom?"
+
+"Dat kun je. Maar je vader zal het nooit toestaan, dat je ter zee
+vaart. Je weet ook niet, welk een hard leven het is, vooral voor jou,
+die zoo pas uit je vaders huis komt. Jongen, ik heb er ondervinding
+van; ik weet best, waar hem de schoen wringt."
+
+"Ik zal het mijn vader vragen," hernam Pieter. "En gij zult toch wel
+mijn advokaat willen zijn, oom?"
+
+"Ik je advokaat? Die noten wil smaken, die moet ze kraken. Je kunt toch
+niet van je oom verwachten, dat die tegen zijn gemoed spreekt? Als
+je eens een paar jaren ouder zijt en je blijft in het zelfde zog
+doorvaren--welnu, dan is het een geheel andere zaak. Licht zou het
+anders met je zijn: twaalf ambachten, dertien ongelukken."
+
+Pieter antwoordde niet, maar besloot er toch de proef van te nemen.
+
+"Vader," zeide hij, toen hij dien avond naar bed zou gaan, "ik wenschte
+u gaarne iets te vragen."
+
+"Welzoo, Pieter," antwoordde de pruikenmaker, terwijl hij de beide
+handen van den knaap in de zijne nam en hem minzaam in de vriendelijke
+oogen keek, "wat was er dan van je verlangen?"
+
+"Oom gaat morgen weg, vader!"
+
+"Dat weet ik, en je wenschtet gaarne, dat hij nog wat langer bleef,
+niet waar? Ik had dat ook graag gezien en heb het hem gevraagd;
+maar plicht gaat voor en daar kan dus niets van worden."
+
+"Neen, vader! Dat was het niet, wat ik u vragen wilde."
+
+"En wat dan?" vraagde de vader.
+
+"Ik wou .... ik zou .... ik durf het haast niet zeggen...."
+
+"Is het dan iets kwaads?" zeide de vader ernstig. "Hou het dan maar
+liever voor je."
+
+"O, neen, vader! Kwaad is het niet, maar ik weet niet, of u het
+zult toestaan."
+
+"Er uit mede, Pieter!" hernam baas Dirksz ongeduldig.
+
+"Ik zou zoo gaarne met oom naar zee gaan, vader!"
+
+"Wat? Jij naar zee? Hoe komt je dat in het hoofd?--Daar kan niets
+van komen."
+
+"Maar, vader! Oom is toch ook wel een zeeman."
+
+"Oom is oom en jij bent Pieter. Wat oom heeft willen worden, kan
+ik niet helpen, maar wat jij zult worden, moet ik goed vinden. Ik
+verkies niet, dat je zeeman wordt."
+
+"Foei, Pieter! zou je zeeman willen worden?" vraagde Marie.
+
+"O, daar heb jij geen verstand van, Marie," zeide Pieter. "Het is
+zoo'n heerlijk leven, zeeman!"
+
+"Ja, zoo schijnt het," hernam baas Dirksz. "Je hebt mij echter verstaan
+en zet dat maar voor goed uit je hoofd."
+
+"Maar, vader...."
+
+"Maar, Pieter!" zeide de vader. "Hoor! Na Nieuwjaar ga je als
+krullenjongen naar baas Balkenende op de _Bierkade_ [9]. Ik heb
+hem juist gisteren gesproken en hij kan je plaatsen. Hij hoopt,
+met Gods zegen, een knap timmerman van je te maken. Hoe is het
+mogelijk! Hoe, krijg je het in je gedachten? Een zeeman!" hervatte
+baas Dirkz, hoofdschuddende. "Mijn Pieter een zeeman! Dat zal nooit
+gebeuren! neen, nooit!"
+
+Pieter wist wel, dat zijn vader op zijn stuk stond en dat hij geen
+"ja" zeide, waar hij eenmaal "neen" gezegd had. Hij wenschte dus
+vader en zusters goeden nacht en ging treurig naar boven.
+
+Martha volgde hem. Toen zij op het kamertje gekomen was, waar hij met
+zijne broeders sliep, legde zij vriendelijk de hand op zijn schouder.
+
+"Wel, Pieter, wel, Pieter!" zeide zij, "zou jij ons zoo willen
+verlaten?"
+
+"Of ik wil, Martha," antwoordde hij, terwijl er een paar groote tranen
+langs zijne wangen rolden. "Ja."
+
+"En mij ook?" vraagde Martha.
+
+"Welnu, ga dan maar mee naar zee."
+
+"Ik op zee?"
+
+"Wel ja, als je niet buiten mij kunt."
+
+"Foei, Pieter!" hernam het lieve meisje. "Jij naar zee gaan! En ben je
+dan niet bang om te verdrinken of doodgeschoten te worden, zooals die
+arme Vice-Admiraals De With en Floriszoon, waarvan oom verteld heeft."
+
+"Maar als timmerman kan ik van het dak vallen en den hals breken,
+ik kan een hamer of beitel op mijn hoofd krijgen, als ik een steiger
+opklim; ik kan...."
+
+"Je kunt je troosten, Pieter," antwoordde Martha, terwijl zij hem
+een kus gaf. "Ik zie je nog eens als een eersten timmermansbaas."
+
+"Maar ik zou liever Admiraal willen worden!" zeide Pieter.
+
+"Ha, ha, ha! Admiraal! Nu, jongen, droom er van nacht maar niet
+van. Als oom weg is, zul je de heele zee wel weer vergeten."
+
+Met deze woorden snelde zij de trap af.
+
+"Dat zullen wij zien!" riep Pieter haar na, kleedde zich uit en
+ging met een bezwaard hart naar bed. Waar hij van droomde?--Zeker
+van schepen en masten, van zeilen en touwwerk,--dat kunt gij
+begrijpen. Maar hij ondervond, bij zijn ontwaken, dat droomen bedrog
+is; want toen hij wakker werd, stond hem de naakte werkelijkheid weer
+voor de oogen, en het klonk hem weer in de ooren zooals gisteravond:
+"Mijn Pieter een zeeman! dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!"
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten.
+
+
+Het was op denzelfden Maandag, 5 Januari 1661, den sterfdag van Prinses
+Maria van _Engeland_, dat Pieter Dirksz tegen acht uren in den morgen
+met zijn zoon Pieter den pruikenmakerswinkel uittrad, links omsloeg,
+de _Spuistraat_ doorwandelde tot aan de _Kapelsbrug_, en toen, langs
+het _Spui_, de Nieuwe Kerk voorbij, naar de _Bierkade_ ging, op welke
+gracht zij stil hielden voor het huis, waar wij tien jaren vroeger den
+vroolijken trompetter der Oranjegarde, den ons bekenden Jan Claeszen
+ontmoetten [10]: het huis van den timmermansbaas Balkenende. Onze
+knaap droeg onder zijn arm een mand met eenig timmermansgereedschap,
+bestaande uit een hamer, een nijptang, een bijl, twee beitels,
+een schaaf en drie boren, en bedekt met een lederen schootsvel. Gij
+begrijpt licht, wat het doel van die wandeling was: de pruikenmaker
+had zijn zoon bij baas Balkenende als krullenjongen besteld, en de
+baas, die het wel nog niet druk had, maar liever in den slappen tijd
+met hem begon, opdat hij dan later eenigen dienst van hem kon hebben,
+had hem gezegd, dat Pieter maar terstond na Nieuwjaar moest komen. Nu
+had oom Klaas, die juist de Kerstdagen en den Oudejaarsavond bij zijn
+broeder doorbracht, zich wel verzet tegen dat beginnen op Maandag,
+daar hij volkomen deelde in het oud-Hollandsche bijgeloof, dat wat
+men op Maandag begint, stellig mislukt; wel had hij een oud rijmpje
+als bewijs bijgebracht:
+
+
+ "Maandag kloek,
+ De heele week zoek;"
+
+
+maar vader Dirksz was in het geheel niet bijgeloovig en had om zijns
+broeders vrees gelachen.
+
+"Ik blijf er bij," had hij gezegd. "De jongen zal op Maandag naar
+baas Balkenende. Wat drommel! Hij heeft nu reeds van Kerstmis af
+leeggeloopen; het wordt tijd, dat hij aan het werk gaat."
+
+En zoo sprekende, was vader Dirksz den vorigen Zaterdagavond naar
+Thijs Groote, den ijzerkooper in het _Achterom_, gegaan en had hem
+gevraagd, welk gereedschap een krullenjongen wel zoowat noodig had,
+en toen had deze hem de door ons genoemde werktuigen verkocht, welke
+onze Pieter in een mand gepakt en naar huis gebracht had; terwijl zij
+bij den leerkooper in dezelfde straat een schootsvel gekocht hadden,
+dat onzen knaap wel ietwat groot was, maar dat vader opzettelijk zóó
+had genomen, "want," zeide hij, "je bent in je groei, Piet, en wordt
+dus grooter, maar het schootsvel groeit niet. Dus, jongen! is het je
+wat te lang, dan moet je het maar wat hooger binden." En toen hij te
+huis kwam en Martha hem het schootsvel voorbond, toen zei de ondeugende
+meid lachend, dat hij wel een kind in de lange kleeren geleek, waarover
+Pieter eerst wel wat boos was. Toen Martha hem echter zijn bombazijnen
+mouwvest gaf, dat zij zelf voor hem genaaid had, was zijn knorrigheid
+over. En toen hij 's Maandags morgens met zijn mouwvest aan en zijn
+mand onder den arm de deur uitstapte en Marie hem een dikke boterham
+in een linnen zakje had meegegeven, opdat hij niet flauw zou vallen,
+vond hij het toch zoo kwaad niet, om een goed ambacht te leeren, en
+dacht op dat oogenblik niet aan de zee. En mocht hij er al aan denken,
+dan zeide hij bij zich zelf: "het kan geen kwaad als ik wat timmeren
+leer, dat kan mij op zee best te pas komen." Met moed stapte hij dus
+de stoep van den timmermansbaas op, waar vader Dirksz aanklopte. Men
+liet hen in het kantoortje, waar baas Balkenende spoedig bij hen kwam.
+
+"Baas," begon de pruikenmaker. "Ik breng u hier mijn Pieter, van wien
+ik u gesproken heb. Hij heeft zich voorgenomen goed op te passen en
+zijn best te doen, om braaf te leeren en een knap timmerman te worden."
+
+"Dat is een goed plan, knaap!" zeide de timmermansbaas. "Hoe heet je?"
+
+"Pieter," antwoordde de aangesprokene.
+
+"Nu, Pieter!" hervatte de timmerman, terwijl hij hem een eind lat
+liet zien, dat hij in de hand hield en waarop hij met potlood de maat
+aanteekende. "Wanneer je goed wilt oppassen, dan zal ik met Gods hulp,
+een knap timmerman van je maken. Maar pas je niet op, dan zullen
+je ribben kennis maken met dit eindje lat. Want je kent het oude
+spreekwoord: die niet hooren wil, moet voelen. En dat spreekwoord
+wordt bij ons in practijk gebracht."
+
+Pieter knikte toestemmend, ofschoon hem dat latje toch een doorn in het
+oog was. Nadat zijn vader afscheid had genomen, bracht baas Balkenende
+hem in den winkel, waar hij den knaap aan den meesterknecht aanbeval
+en waar spoedig de andere knechts te werk kwamen. Er waren, behalve
+Pieter, nog twee krullenjongens: de een was een zoontje van den baas
+en heette Frans; de andere, een rechte deugniet, was een jongen van
+den oudroest Jan IJzer uit het korte _Achterom_ en heette, evenals
+zijn vader, Jan. Het duurde niet lang, of onze drie krullenjongens
+waren dikke vrienden.
+
+De bezigheden van onzen Pieter bestonden nu in het vasthouden van
+planken of latten, het aangeven van gereedschap, het slijpen der
+beitels, het scherpen der zagen, en al zulke zaken; terwijl elken
+avond door de drie knapen de winkel werd opgeredderd, en de krullen
+en spaanders in een zak werden gepakt. 's Maandags en Donderdags waren
+zij voor Frans, Dinsdags en Vrijdags voor Jan en de beide andere dagen
+voor Pieter; zij verkochten ze bij den bakker om den hoek. Zondags
+werd er nooit gewerkt; want onze voorouders waren zeer gesteld op
+de viering van den Zondag, en zouden het een groote, onvergeeflijke
+zonde hebben gerekend, als zij op dien dag hadden gearbeid. Hij
+werd dan ook beter gevierd dan thans. Alle winkels waren gesloten,
+alle nering en hanteering stonden stil en niemand zou, buiten hooge
+noodzakelijkheid, op Zondag gereisd hebben. Alleen 's zomers na
+de middagkerk gingen de burgerlieden wat in het _Bosch_ wandelen
+of naar _Scheveningen_; terwijl de meergegoeden in hunne optrekjes
+even buiten de stad, aan de _Delftsche vaart_, aan de buitensingels
+en aan den duinkant gelegen, met hunne familie thee gingen drinken,
+waar zij dikwijls hunne vrienden bij zich verzochten en den avond
+aangenaam en in gezelligen kout doorbrachten.
+
+Ook baas Balkenende had zulk een mooi optrekje in eigendom en wel
+aan den _Scheveningschen_ weg [11], die toen nog over de duinen
+liep en later, volgens het plan door Constantijn Huijgens reeds in
+1653 aan de hand gedaan, tot eene begaan- en berijdbare straat werd
+ingericht. Eerst in Mei 1664 werd daarmede een begin gemaakt en in
+December van het volgende jaar was de weg voltooid. Het gedeelte
+echter, waar het optrekje van baas Balkenende stond, was reeds
+een gebaande weg. Dat optrekje had aan den voorkant een aangenaam
+uitzicht op den weg en het weiland daar tegenover (tegenwoordig
+het _Willemspark_), en van achteren in den ruimen tuin, die van
+voren met bloemen beplant was en achteraan uit een grooten boomgaard
+bestond. Door een smalle sloot was die moestuin van het aangrenzende
+weiland gescheiden.
+
+Wij slaan vier maanden over en begeven ons in het begin van de maand
+Mei naar het _Lange Voorhout_, waar wij de knechts van baas Balkenende
+druk bezig vinden met het opslaan der kramen, die op de aanstaande
+Hofkermis zullen prijken met al wat den kooplust der bezoekers kan
+opwekken. Pieter, Frans en Jan hebben het niet weinig druk met het
+aansjouwen der planken, het vasthouden der stijlen, ja zelfs ook met
+spijkeren; want bij zulk een drukte moet alles helpen; terwijl het
+opslaan van kramen zulk fijn werk niet is, dat de minder geoefende
+hand van een krullenjongen daaraan iets bederven zou. Ook heeft onze
+Pieter in die vier maanden reeds het een en ander van de timmerkunst
+geleerd.--Wat ziet hij nu trotsch neer op die jongens, waaronder zijne
+vroegere kameraads, als zij daar naloopertje spelen over de hoopen
+met planken, of wegstoppertje in de reeds opgetimmerde kramen. Dat
+had hij verleden jaar ook gedaan; maar nu--nu staat hij daar in zijn
+bombazijnen mouwvest, het schootsvel voorgebonden, met den hamer in de
+hand en slaat er de spijkers tusschenbeide zoo hard in, als moesten
+de kramen nog tot de Banus-kermis [12] staan,--ja als behoefden zij
+nimmer weder afgebroken te worden. Dat haalt hem dan ook nog al eens
+knorren op den hals van den knecht, dien hij helpt, en dan gaat het
+weer eenigen tijd beter. Maar als dan weer een troepje jongens naar
+hem staat te kijken met een gezicht, zoo verbaasd en nieuwsgierig,
+alsof zij nog nooit het opslaan van kramen hebben gezien, dan ranselt
+hij er weer op los, dat soms het vuur uit de arme spijkers vliegt,
+en dan kijkt hij met zulk een trotschen blik rond, alsof hij een
+Romeinsch Imperator was, die op zijne zegekar stond.
+
+'t Is schafttijd, maar niemand der knechts gaat naar huis; ook de
+krullenjongens niet. Ieder heeft een boterham meegebracht, die hij op
+karwei (de plaats waar een ambachtsman, buiten den winkel, zijn werk
+verricht) opeet. Het is te druk om met heen en weer loopen tijd te
+verzuimen, en daarom blijven zij hun schafttijd doorwerken, waarvoor
+zij natuurlijk door baas Balkenende extra betaald worden. Maar zij
+kunnen slecht al timmerende en sjouwende hunne boterhammen opeten en
+dus nemen zij daarvoor een kwartiertje, zetten zich in een groepje
+op de planken neder en veraangenamen den maaltijd met vroolijke
+gesprekken.
+
+Gaarne hadden onze krullenjongens zich bij de knechts geschaard; maar
+deze zouden dat niet gedoogd hebben, en al hadden zij het toegestaan,
+dan zouden onze knapen zeker zóó geplaagd zijn, dat zij niet met rust
+hadden kunnen eten. Zij hebben zich dus op een kleinen afstand van
+de anderen neergezet.
+
+"Frans," begint Pieter, terwijl hij zijn geruit boterhammenzakje
+opendoet om er den mondkost uit te halen en zijn kruikje met bier
+naast zich nederzet, "ik hoor, dat het van het jaar een mooie hofkermis
+zal zijn."
+
+"Ik heb het ook gehoord," antwoordt Frans met zijn mond vol
+brood. "Daar zal nog al wat singuliers te kijken zijn. Ik hoorde
+gisteren spreken van een reus, die zal moeten bukken als hij de
+_Voorpoort_ [13] doorgaat."
+
+"Nu, dat is vast een leugen," meent Jan. "Zulke groote reuzen heeft men
+niet. Ik vind echter niet veel pleizier aan al die reuzen en dwergen
+en dikken en mageren. Ik ga liever Woensdag dien kerel eens zien,
+die uit _Amsterdam_ komt."
+
+"O, die sinjeur die zulke wonderlijke zaken zal bedrijven?" vraagt
+Frans. "Vader heeft mij verteld, dat hij in den _Vijver_ zal
+onderduiken, op den bodem plaats zal nemen op een stoel en onder
+water twee of drie deuntjes zal blazen."
+
+"Maar dat is immers onmogelijk," zegt Pieter, terwijl hij een slok
+neemt uit zijn kruik. "Dan komt het water in zijn instrument."
+
+"Hij moet het toch te _Amsterdam_ gedaan hebben," herneemt Jan.
+
+"En wat hij te _Amsterdam_ kan doen, kan hij hier ook," meent
+Frans. "Ik ga ook eens kijken bij dien vuurvreter."
+
+"Wat, iemand die vuur eet? Dat is onmogelijk," roept Pieter uit.
+
+"En het moet toch zoo zijn," hervat Jan. "Mijn vader heeft het zelf
+verleden jaar te _Rotterdam_ gezien."
+
+"Nu ik wensch hem smakelijk eten," zegt Pieter, "maar ik wil niet bij
+hem te gast genoodigd worden. Eilacy! 'k geloof, dat ik mijn mond
+gauw vol blaren zou hebben. Ik ga toch eens naar hem toe; want dat
+wil ik zien."
+
+Nadat zij nog eenigen tijd over de kermis gepraat hadden, begon
+Jan eensklaps:
+
+"Frans! Wanneer gaan we nu eens met je mee naar het optrekje van je
+vader? Je hebt het ons al zoo lang beloofd."
+
+"Dat heb ik; maar ik ben nog niet in het bezit kunnen komen van den
+sleutel. Nu komt die gauw voor den dag; want aanstaanden Zondag na
+de middagkerk gaan wij er weer voor het eerst van het jaar naar toe."
+
+"Hoor eens, Frans!" hernam Jan. "Dan moest je zien, dat je den sleutel
+wegkaaptet, en dan gaan we er Zondagmorgen eens heen."
+
+"Maar ik moet naar de kerk," zeide Frans.
+
+"Ik ook," voegde Pieter er bij.
+
+"Wat zou dat?" snoefde Jan. "Ik moet ook naar de kerk; doch daar zit ik
+me toch maar te vervelen. Weet je, wat we moesten doen? In plaats van
+naar de kerk te gaan, loopen we liever wat rond. Wij moesten nu maar
+afspreken, dat we hier bij elkaar zullen komen. Die er het eerst is,
+wacht op de beide anderen, en dan gaan we alle drie naar het optrekje,
+als je ten minste den sleutel kunt machtig worden. Kun je dat niet,
+dan gaan we wat in de duinen ravotten, en maken dat we op zijn tijd
+weer t'huis zijn."
+
+"En als vader dan vraagt, waarover de dominee gepreekt heeft?" vraagde
+Pieter.
+
+"Dan noem je maar een tekst, die tusschen Genesis en de Openbaring
+staat," hervatte Jan.
+
+Het ging echter nog zoo gemakkelijk niet, om Frans en Pieter over
+te halen, en Jan had al zijne welsprekendheid noodig om hen er toe
+te brengen. Eindelijk gelukte het hem en werd voorloopig de afspraak
+vastgesteld, dat men het Zaterdagavond nog eens voor goed zou bepalen.
+
+Wat onze Pieter den volgenden Zondag een haast had, om naar de
+kerk te gaan! Vader had, vond hij, nog nooit zoo veel in den Bijbel
+gelezen en het gebed had, volgens hem, nog nooit zoo vreeselijk lang
+geduurd. Nauwelijks dan ook kon hij welstaanshalve zich verwijderen,
+of hij zette zijn hoed op, groette vader en zuster en spoedde zich
+de deur uit.
+
+"Wat maak je een haast, Pieter," zeide Martha in het voorhuis tegen
+hem. "'t Is of Joost je op de hielen zit."
+
+"Ik wil graag een goede plaats krijgen," antwoordde Pieter. "Ik houd
+er niet van, om zoo achteraf te zitten."
+
+"Wacht dan even; dan ga ik mee," zeide het meisje. "Ik moet nog maar
+even mijn huik opzetten."
+
+Dat beviel Pieter niet.
+
+"Haast je dan wat," gaf hij ten antwoord. "Ik ga al vast vooruit."
+
+Dit zeggende, stond hij reeds op de stoep, sloeg de eerste de beste
+dwarsstraat in, die hem naar het _Achterom_ voerde, en rende die
+straat tot aan het _Hofpoortje_ door. Vervolgens begaf hij zich wat
+bedaarder over het _Buitenhof_ en door de _Voorpoort_ van den _Hove_,
+langs het _Tournooiveld_ naar het _Lange Voorhout_, waar hij stellig
+dacht, zijne beide makkers reeds te zullen vinden. Hij bedroog zich
+echter: hij was de eerste.
+
+"Zouden zij hun woord niet houden?" mompelde hij. "Dat zou valsch
+wezen. Zij hebben het mij toch zoo stellig beloofd."
+
+Hij wandelde een paar malen de lengte der kraam op en neder, maar
+noch Frans noch Jan verscheen.
+
+"Als zij niet komen, dan ga ik maar naar de Kloosterkerk," pruttelde
+hij weer. "Zoo kun je nu staat maken op je vrienden. Nu, ze zullen er
+morgen voor lusten! Had ik het geweten, dan had ik zulk een haast
+niet behoeven te maken. Maar wacht, daar komt er al een.--Zoo,
+Jan!" vervolgde hij tot den aangekomene. "Ben je daar eindelijk,
+en waar is Frans?"
+
+"Eindelijk?" bromde Jan. "Kon ik dan ruiken, dat jij er zoo vroeg
+zoudt wezen? Maar is Frans er nog niet?--Als hij niet gauw komt,
+dan laten we hem in den steek. Die flauwerd! nu het op stuk van zaken
+aankomt, schuurt hij zijn piek en zal ons laten zitten, om het gelag
+te betalen. Maar geen nood! komt hij niet, dan gaan wij samen naar
+de duinen. Daar zal ik wel kennissen vinden en anders spelen wij met
+ons beiden."
+
+"Met ons beiden? dat vind ik niet pleizierig. Ik houd het er voor,
+zooals oom altijd zegt: dat de derde streng den kabel maakt."
+
+"O, dat is een zeemansterm. Mijn vader zegt daarvoor: De derde
+man brengt de pret aan. Maar zie--daar komt Frans. Hij houdt toch
+woord.--Je bent lang weggebleven, Frans!" vervolgde hij tot den
+aankomende. "Als je niet gauw gekomen waart, hadden we onze biezen
+gepakt en waren alleen gegaan."
+
+"Ik had het niet kunnen helpen. 't Heeft mij moeite genoeg gekost,
+om den sleutel in handen te krijgen. Maar nu," terwijl hij dien
+zegepralend in de hoogte hield, "nu heb ik hem; dus, jongens! op
+marsch!"
+
+Ons drietal koos een stille eenzame weg, om naar het optrekje te
+komen. Hun geweten zeide hun, dat zij niet goed deden, en daarom
+trachten zij zooveel mogelijk de kerkgangers te vermijden, onder
+welke de een of ander kon zijn die hen mocht herkennen en het aan
+hunne ouders brengen.
+
+"Dan zou er wat opzitten," had Pieter gezegd. "Want vader is gansch
+niet malsch, wanneer hij begint; en als hij er achter komt, kan ik
+verzekerd zijn van een pak slaag, dat mij nog wel acht dagen lang
+zeer doet."
+
+"Nu, als de mijne begint, is hij ook niet gemakkelijk," hervatte
+Frans. "Ik heb laatst eens een pak van hem gehad, waarvan ik nog
+wel veertien dagen op zekere plaats de overblijfselen voelde; in het
+begin had ik het wel willen uitschreeuwen als ik gingen zitten."
+
+"Flauwerd!" zeide Jan. "Bang voor een pak ransel?--of denk je
+dan, dat de mijne een lam is? Jongens neen? Maar ik waag het er
+aan! Intusschen--gaan jelui maar zoet naar de kerk; ik ga naar de
+duinen, waar ik wel van mijn soort zal vinden. En als ik dan terugkom,
+dan kun jelui me de preek vertellen."
+
+"Hoor eens, Jan?" hervatte Frans. "Een flauwerd moet je me niet
+noemen. Dat ben ik nog nooit geweest. Maar dat ik niet van een pak
+slaag houd, kun je me niet kwalijk nemen.
+
+"Denk je dan dat ik er zoo op gesteld ben? Maar mijn leer is:
+kermisgaan is wel een pak ransel waard! En daarom waag ik het er aan."
+
+"Wie zegt je, dat wij het ook niet doen?" zeide Pieter, terwijl
+hij het hoofd trotsch achterover in den nek wierp en Jan aanzag,
+als wilde hij zeggen: "Wat verbeeldt gij u wel?"
+
+"Eilacy! gaat dan mee. Laat ons dan niet langer marren. Wij verbeuzelen
+zoodoende al onzen tijd."
+
+En zoo waren ze alle drie op marsch gegaan. Aan het optrekje gekomen,
+stak Frans den sleutel in de deur en traden onze drie knapen binnen.
+
+Ik zal u niet mededeelen wat voor kattenkwaad zij daar uitvoerden;
+pleizier hadden zij genoeg, want de tijd vloog hun om.
+
+"Daar slaat de "Sint-Jacob" al elf," riep Pieter eensklaps uit. "Wij
+moeten weg; anders komen wij telaat thuis."
+
+"Het is zoo zondig waar!" bevestigde Jan, die de slagen geteld
+had. "Ja, we moeten weg. Misschien kunnen wij dan nog even de
+Kloosterkerk binnenloopen en den laatsten psalm meezingen. Dan geven
+wij dien op bij gebrek aan een tekst."
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan. Ons drietal sloeg zich wat af (want de
+zondagsche kleeren hadden er langs gekregen) en nadat het toilet zoo
+goed mogelijk in orde was gebracht, gingen zij naar de voordeur om
+die open te doen. Maar wat er van was, of Frans bij het toesluiten
+het slot verdraaid had, hoe hij ook poogde de deur te openen, alles
+te vergeefs. Evenmin konden het Pieter en Jan.
+
+Daar stonden ze nu te kijken, alsof zij hun zondagsoortje versnoept
+hadden. Er waren intusschen eenige minuten verloopen,--hun scheen
+het een half uur (want als men haast heeft en in den angst zit,
+schijnt elke sekonde ons een minuut te zijn).
+
+"Nu is goede raad duur." begon Jan. "Zeg eens, Frans! kunnen wij de
+schutting niet over?"
+
+"Ja," antwoordde deze. "Maar dan komen wij in de sloot terecht die
+het weiland omgeeft."
+
+"Nu, dan over een der zijschuttingen."
+
+"Dat is goed; dan moeten wij aan de rechterzijde over. Daar komen wij
+bij den smid en die heeft een deurtje, waardoor men met een plank op
+het land kan komen. Dat deurtje zal echter wel gesloten zijn."
+
+"Geen nood!" hervatte Jan. "Dan klimmen wij zijne achterschutting er
+bij over. Als wij maar gered zijn."
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan. Onze knapen gingen weer den tuin in, nadat
+zij de tuindeur zoo goed mogelijk gesloten hadden; daar die echter
+van binnen gegrendeld was, konden zij het slechts zeer onvolkomen doen
+en moesten zij zich vergenoegen met die achter zich toe te trekken.
+
+De schutting, over welke zij klimmen moesten, was van boven met
+spijkers voorzien, die met de punten opwaarts stonden. Jan en Frans
+waren reeds beneden in buurmans tuin en Pieter zoude hen juist volgen,
+toen zijne zondagsche broek aan een der spijkers bleef hangen en tot
+aan den band openscheurde. Door dit onverwachte oponthoud (want het
+kleedingstuk hield hem in zijn sprong tegen) kwam hij geheel anders
+neer, dan hij gemeend had, struikelde en viel zoo lang hij was op
+den grond neder.
+
+De beide andere knapen waren reeds aan het klauteren op de
+achterschutting van den tuin huns buurmans, zonder dat zij iets van
+Pieters val bemerkt hadden. Eerst toen Frans er boven op was, riep hij:
+"waar blijf jij toch, Piet?"
+
+"Ik ben gevallen en heb mijn voet verstuikt!" kermde deze. "Ik kan
+geen enkelen stap doen, ja, zelfs niet eens opstaan."
+
+Frans wilde weer van de schutting afspringen, om zijn vriend te helpen.
+
+"Ben je dwaas?" zeide Jan. "Als hij niet kan loopen, kunnen wij hem
+toch niet meezeulen. En als we lang wachten, komen we te laat thuis."
+
+"Ik moet toch zien, of ik hem kan helpen," hervatte Frans. "Wij zijn
+samen uitgegaan en moeten ook weer samen thuis komen."
+
+"Alles mooi en wel," hernam Jan. "Maar ik bedank er voor om ransel
+te krijgen, als ik te laat thuis kom."
+
+Frans was reeds van de schutting af, terwijl Jan er aan den anderen
+kant overging. In één oogenblik was hij bij Pieter.
+
+"Laat mij je helpen om op te staan," zeide hij tot zijn vriend.
+
+"Laat mij maar liggen, Frans!" antwoordde deze. "Misschien bedaart
+het van zelf. Op het oogenblik doet mijn voet mij onlijdelijke pijn."
+
+"Kom, probeer maar eens, Piet!" hernam de andere. "Als je eens over
+de schutting bent, zal het wel schikken."
+
+"Maar ik kan wezenlijk niet opstaan," hervatte Pieter. "Eilacy,
+ga jij er maar over. Je hebt reeds te lang gemart en zult te laat
+thuis komen."
+
+Frans begreep, dat Pieter gelijk had; hij klom dus over en liet zijn
+armen vriend in den tuin van den smid liggen.
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen.
+
+
+Daar lag onze Pieter nu in den tuin van den smid. Zijn linkervoet deed
+hem vreeselijk pijn en belette hem te denken aan den gevaarlijken
+toestand, in welken hij verkeerde. Wat zou zijn vader wel
+zeggen! Wat zou Martha ongerust zijn! En wat zou hij een pak slaag
+krijgen! Waarlijk, een heerlijk kermisgeschenk! Ja, al die pret van
+de kermis kon hij nu wel uit zijn hoofd zetten; want tot straf zou
+hij wel nergens naar toe mogen! Dit waren de gedachten, die hem,
+toen de pijn hem toeliet te denken, het eerst bezig hielden.
+
+"Als ik maar kon opstaan," sprak hij bij zich zelf, en stelde
+alle pogingen daartoe in het werk. Het opstaan ging, ja; maar hij
+kon den beleedigden voet niet op den grond zetten, of hij moest het
+uitschreeuwen van de pijn. "Ik zal mijn schoen uitdoen," vervolgde hij;
+"mijn voet is gezwollen en daardoor kan ik niet staan. Als ik dat doe,
+zal het wel beter worden." Hij deed wat hij zeide, en het scheen hem
+werkelijk verlichting te schenken. Maar nauwelijks waagde hij een stap,
+of hij gilde het uit van de pijn en viel weder op den grond neer.
+
+"Had ik mij maar niet laten bepraten!" zeide hij, terwijl hij daar
+mistroostig nederzat. "Was ik maar naar de kerk gegaan, dan was ik
+nu thuis en zat al haast aan het eten."
+
+Dat laatste denkbeeld had zijn oorsprong niet alleen aan den
+voortsnellenden tijd, maar ook aan de ledige maag van onzen
+Pieter. Want ondanks de pijn, die hij had, begon hem thans de honger
+te kwellen en dat was voor een knaap op zijne jaren niet het minst
+van de zaak. 't Was dan ook een treurig vooruitzicht voor hem. Eerst
+had hij nog hoop, dat zijne vrienden wel even bij den smid zouden
+zijn aangeloopen en deze hem zou komen verlossen, maar toen het één,
+twee uur werd en de klok voor de middagkerk de laatste maal luidde,
+begon hem ook die hoop te begeven. Hij schold op zijne makkers, die
+hem dus in het gevaar lieten; hij begreep niet, dat Frans en Jan,
+thuis gekomen zijnde, van niets durfden reppen om zelf geen straf
+te beloopen; hij wist niet, dat de eerste na den maaltijd, met zijn
+vader naar _Hondsholredijk_ was gewandeld om eenige reparatiën op
+te nemen die aan het huis van Prinses Amalia aldaar noodig waren;
+ook kwam het volstrekt niet bij hem op, dat én de een én de ander
+zich overtuigd hielden, dat de voet van hun makker wel hersteld zou
+zijn en hij zelf gezond en wel thuis zou zitten. Intusschen verliep
+de tijd, en--al duurde die onzen Pieter eerst heel lang--naarmate het
+later werd, begon die hem korter te vallen; want nu kwam er een ander
+gevoel bij hem op, dat van angst. Hij lag toch in een vreemden tuin,
+in dien van den smid Joris Gerritsz, en hij wist van zijn broeder
+Evert, die zooals wij weten bij genoemden smid werkte, dat Gerritsz
+een driftig man was. Hoe, als die hem daar vond, dan kon hij hem wel
+doodslaan! Of hij kon hem voor een dief en inbreker houden, en hem
+overleveren in handen van het gerecht. Welk een schande! Als hij eens
+door schout en dienders gehaald werd! Nooit zou hij dan in _Den Haag_
+zijne oogen weer durven opslaan. Hij hoopte maar, dat de Balkenendes
+eerder zouden komen; dan konden die hem over de schutting helpen of
+bij baas Gerritsz zijne voorspraak zijn.
+
+Intusschen was men bij den pruikenmaker ook niet weinig in
+ongerustheid. Toen de kerk uit was en allen thuis waren, keek baas
+Dirksz verwonderd op, dat Pieter nog niet thuis was.
+
+"Hij zal, uit de kerk komende, andere jongens ontmoet hebben," zeide
+Marie, "en met hen wat aan het omloopen zijn." Maar toen hij tegen
+etenstijd nog niet thuis was, begon men zich ongerust over hem te
+maken. Intusschen werd de maaltijd opgebracht, de familie at, de tafel
+werd afgenomen en men ging naar de middagkerk. Vader Dirksz echter
+bleef thuis, om den uitblijver te ontvangen en beloofde hem reeds in
+stilte een duchtig pak, dat hem die malle kuren zou afleeren. Maar
+hoe hij wachtte, onze Pieter kwam niet, en toen de huisgenooten uit de
+middagkerk terugkwamen en hij op hunne eerste vraag: "Is Pieter al te
+recht?" ontkennend moest antwoorden, toen besloot men maatregelen te
+nemen en desnoods de hulp van het gerecht in te roepen; want Pieter
+moest een ongeluk hebben gekregen; anders zou hij wel thuis zijn.
+
+"Loop eens even naar baas Balkenende, Jacob!" zeide de pruikenmaker
+tot zijn tweeden zoon. "'t Is jammer, dat Evert niet thuis is, anders
+kon die naar Jan IJzer gaan."
+
+"O, daar zal ik wel heenloopen," zeide Martha.
+
+"Goed. En vraag dan maar bij Balkenende, of Frans ook iets van onzen
+Pieter weet. Vraag om Frans zelf te spreken, de baas heeft er niet
+mee noodig," zeide Marie.
+
+Jacob vond de geheele familie Balkenende uit. "De baas is met Frans
+naar _Hondsholredijk_," had de meid gezegd, "en de vrouw is met
+de kinderen naar den _Scheveningschen_ weg." Wat echter Pieter
+aangaat, zooveel kon zij verzekeren, dat hij daar niet aan huis
+was geweest. Martha's nasporingen hadden geen beter gevolg gehad,
+en er schoot dus geen ander middel over, dan naar den schout te gaan
+en den sterken arm van het gerecht in te roepen ter opsporing van
+den vermiste.
+
+"Als de jongen geen ongeluk heeft gekregen, dat hem belet thuis te
+komen, zal ik hem ranselen, dat er de lappen bijhangen!" zeide de
+pruikenmaker. "Ons zoo in ongerustheid te laten zitten. Foei! 't
+is schande!"
+
+"Er moet hem zeker wat overkomen zijn, vader!" meende Martha. "Pieter
+past anders trouw op zijn tijd."
+
+"Dat is wel waar, Martha," antwoordde vader Dirksz. "Maar dan moest
+hij het vandaag ook gedaan hebben. Geef mij mijn rok, Marie! ik ga
+naar den schout."
+
+"Ik zou daarmee nog wat wachten, vader!" zeide Marie. "Misschien komt
+hij wel spoedig thuis. Wat behoeft gij het gerecht er in te roepen?"
+
+De pruikenmaker besloot dus nog een paar uren te wachten. Was Pieter
+na dien tijd niet terecht, dan zou hij zich niet laten weerhouden. Dan
+moest de knaap maar een dag of wat op water en brood zitten; dat zou
+hem leeren op een anderen tijd beter op te passen.
+
+Keeren wij tot onzen gevangene terug.
+
+Het scheen, dat het uittrekken van zijn schoen hem weinig gebaat had;
+veelmeer waren pijn en zwelling sedert vermeerderd, Ja, hij leed
+ondraaglijke weerpijn in zijn knie en begreep dus niet dan al te wel,
+dat zijn eenige redmiddel zou zijn: de komst van den smid met zijne
+familie. Want als Balkenende kwam, zou hij het slot van zijn optrekje
+verdraaid vinden, en, daar het Zondag was, zou er geen smid zijn,
+die de deur openstak. De Balkenendes zouden dus ongetroost naar huis
+kunnen terugkeeren.
+
+Nu begon een andere vrees zich van hem meester te maken, hoe, indien de
+smid eens niet naar buiten kwam en hij dus veroordeeld was, den nacht,
+den kouden Meinacht daar alleen door te brengen. Dat denkbeeld greep
+hem met geweld aan en folterde hem zoodanig, dat hij reeds begon te
+wenschen, wat hij een paar uur geleden zoo bang had te gemoet gezien.
+
+"Och!" zeide hij in zich zelf, "de smid zou mij wel niet doodslaan
+en niet aan het gerecht overleveren, als hij mij voor den zoon van
+Pieter Dirksz herkent. Ik wou, dat hij maar kwam, dan kon hij mij
+naar huis laten brengen, en dan kon Marie mijn voet verbinden, want
+ik lijd verschrikkelijk pijn."
+
+Om echter niet terstond door baas Gerritsz bemerkt te worden, sleepte
+hij zich voort tot achter een bloeiende jasmijn, die hem kon verbergen
+voor ieder, die den tuin binnentrad. Als dan vrouw Gerritsz of een
+der kinderen in den tuin kwam, kon hij ze aanroepen en die zouden
+bij hunnen vader wel voor hem spreken. Kwam echter Gerritsz zelf,
+dan kon hij zich stil verborgen houden, tot de gelegenheid om zich
+te ontdekken gunstig was.
+
+Het zal ongeveer halfvijf zijn geweest, toen hij in het huis naast zich
+een buitengewone opschudding hoorde. Vrouw Balkenende was met hare
+kinderen naar het optrekje gegaan; en daar het nachtslot alleen van
+binnen verdraaid was, had zij de deur van buiten gemakkelijk kunnen
+openkrijgen. Maar toen een harer dochters, die de tuindeur wilde
+opendoen, de grendels daarvan vond afgeschoven, had zij de meening
+geuit, dat er vreemd volk in huis was geweest om te stelen en dit had
+grooten schrik onder de Balkenendes veroorzaakt, welke schrik eerst
+verdwenen was, toen men alles op zijne plaats vond en niets vermiste.
+
+Het duurde dus vrij lang, eer de familie in den tuin kwam, en Pieter
+luisterde aandachtig, of hij de stem van Frans niet vernam. Maar hoe
+hij luisterde, hij kon haar niet onderscheiden en hij kwam dus tot
+het besluit, dat zijn vriend voor hetgeen dien morgen gebeurd was,
+straf had. Doch hoe kon dan de familie zoo geschrikt zijn van het
+afschuiven der grendels? 't Was hem onmogelijk, deze twee zaken in
+behoorlijk verband te brengen, en terwijl hij daarover nog peinsde
+en juist voornemens was, zijn stem te verheffen en om hulp te roepen,
+verstomde hij eensklaps; want in de woning van den smid kwam ook leven
+en hij kon er niet aan twijfelen, of het oogenblik zijner ontdekking
+was nabij.
+
+De tuindeur werd opengedaan, en hij hoorde de stem van baas
+Gerritsz. Hij verborg zich zoo goed hij kon en kromp zooveel ineen
+als de pijn hem toeliet, toen hij een stem den smid hoorde antwoorden,
+eene stem die al zijn moed deed herleven en hem al zijne geestkracht
+terugschonk. Het was namelijk die van zijn broeder Evert, die door zijn
+patroon was uitgenoodigd, om den namiddag in zijn tuin door te brengen.
+
+"Evert!" riep de arme Pieter, "kom mij te hulp."
+
+Evert en zijn patroon waren zeer verschrikt over de stem, die daar zoo
+onverwachts in den stillen onbewoonden tuin klonk. Spoedig herstelden
+zij zich.
+
+"Jij hier, Pieter?" riep Evert ontsteld en tevens verwonderd uit. "Je
+hebt vader mooi in ongerustheid gebracht. Maar hoe kom je hier? Sta
+op," vervolgde hij, zonder antwoord af te wachten, "en maak, dat je
+naar huis komt. Ik denk, dat ze in doodelijke onrust over je zijn."
+
+"Ik kan niet opstaan, Evert!" antwoordde Pieter. "Ik heb mijn voet
+verstuikt, misschien wel gebroken."
+
+"Nog fraaier! Wat me die jongens toch uitrichten!" zeide baas Gerritsz
+hoofdschuddend. "Maar zeg eens, knaap! Wat doe je in mijn tuin? Als
+het in den appel- en perentijd was, zou ik zeggen, dat je fruit hadt
+willen stelen. Die is er niet. Wat moest je dan hier uitrichten?"
+
+"Ach, baas Gerritsz, ik zal het u vertellen," zeide Pieter, en hij
+gaf een trouw verslag van het gebeurde.
+
+"Het is je geluk, dat je broer Evert je het eerst vond, mannetje! Was
+hij er niet bij geweest en ik had je ontdekt, dan had je kans gehad,
+dat ik je armen en beenen aan stukken had geslagen. Want ik ben niet
+gemakkelijk, als ik begin, niet waar, Evert!"
+
+"Om den drommel niet, baas!" bevestigde deze. "Maar wat zullen we
+met den ondeugenden knaap doen?"
+
+"Ja," hernam baas Gerritsz, bedenkelijk om onzen Pieter nog wat schrik
+aan te jagen. "Hij is op mijn erf gekomen, zonder mijn verlof; dat
+staat gelijk met inbraak. Ik vind het best, dat wij hem met schout
+en dienders laten halen. Het zal een voorbeeld zijn voor anderen."
+
+"Ach, baas Gerritsz!" smeekte Pieter. "Dat zult gij toch niet
+doen. Denk eens, welk een schande voor vader en voor mij!"
+
+"Schande!" riep baas Gerritsz uit, terwijl hij zich heel boos
+hield. "Wat! schande? schande is het, als iemand over schuttingen
+klimt om op eens anders eigendom te komen. Dus geen genade voor
+jou. Ik laat je door schout en dienders de deur uithalen."
+
+"Hij zal het wel nooit weer doen, Joris!" bracht thans vrouw Gerritsz
+in het midden, die er met hare kinderen was bijgekomen. "Gij moest
+het dus nu maar eens door de vingers zien."
+
+"Eilacy! dan zou hij er te gemakkelijk afkomen," hernam baas
+Gerritsz. "Maar wie waarborgt mij, vrouw, dat de jongen, eenmaal den
+weg wetende, in den perentijd niet komt overklimmen, om mijn fruit
+te stelen?"
+
+"Hij heeft een goede les gehad," gaf de vrouw ten antwoord, "die hij
+zijn leven lang niet zal vergeten."
+
+"Nooit--zoo oud als ik word," kermde Pieter. "Gij kunt er van verzekerd
+zijn, baas Gerritsz dat ik mijn buik vol heb van het klimmen over
+schuttingen."
+
+"Nu, dan zal ik het voor ditmaal maar als niet gedaan rekenen, Pieter,"
+zeide de baas. "Kom, Evert, wij zullen den knaap opnemen en in huis
+dragen. Dan ga jij naar je vader en vertelt hem, dat zijn galgestrop
+van een zoon hier is. Zoo is de goede man uit de ongerustheid en kan
+maatregelen nemen om hem te laten halen. Intusschen zal mijne vrouw wel
+eens naar den voet zien, die duchtig gezwollen schijnt, en den knaap
+wat eten geven; want hij zal wel honger hebben ook. Kom aan, Evert!"
+
+Maar dat opnemen ging zoo gemakkelijk niet; want toen Evert even aan
+den beleedigden voet raakte, gilde Pieter het uit van de pijn. Baas
+Gerritsz nam hem dus alleen op, terwijl Evert het gekwetste deel
+ondersteunde, en zoo brachten zij Pieter in huis, waar vrouw Gerritsz
+naar den voet keek, die ontzaglijk gezwollen en vreeslijk pijnlijk
+was; terwijl Evert naar de _Spuistraat_ ging en zijne familie uit de
+ongerustheid over het lot van den knaap verloste.
+
+Tegen het vallen van den avond brachten Jacob en Evert hem met eene
+burrie naar huis. De barbier (chirurgijn) dien men haalde, onderzocht
+den voet en zeide, dat er wel niets gebroken was, maar dat de zaak door
+te lang uitstellen van geneeskundige hulp, zoodanig verergerd was,
+dat Pieter ten minste drie weken lang met het been in een kussen zou
+moeten zitten. Al het voorgestelde kermisvermaak was nu verijdeld;
+hij zou den reus niet zien, die de Voorpoort van den Hove niet in kon,
+den "vuurvreter" zou hij niet aanschouwen, noch het muziek onder water
+hooren van den Amsterdamschen wonderman. En nog mocht hij van geluk
+spreken, dat zijn vader de zaak zoo liet afloopen. Deze oordeelde, dat
+de knaap genoeg gestraft was door de pijn en den angst, en begreep,
+dat hij van nu aan een afkeer zou hebben van het verzuimen der kerk,
+van het gaan naar plaatsen, die hij niet betreden mocht, en van
+het overklimmen van schuttingen. En de goede man had gelijk. Dit
+geval had een beslissenden invloed op Pieters heele leven en hem voor
+altijd genezen van alle slinksche handelingen, welke het daglicht niet
+mochten zien. Want als hij soms in de verleiding kwam om naar de eene
+of andere verboden plaats te gaan, dan kwam hem de tuin van baas Joris
+Gerritsz in de gedachten: hij wees den verzoeker terug en ging niet.
+
+Mijne lezers zullen voorzeker wel nieuwsgierig zijn, te weten, hoe
+het met de beide andere knapen afliep. Ik wil dienaangaande hunne
+nieuwsgierigheid bevredigen.
+
+Zoodra onze Pieter thuis was en zijn wedervaren in al zijne kleuren
+verteld had, begaf vader Dirksz zich naar baas Balkenende, wien hij
+de geheele historie mededeelde. De timmerman was juist met zijn
+zoon van _Hondsholredijk_ thuis gekomen en, toen de pruikenmaker
+geëindigd had, riep hij Frans, die hem alles bekende en Jan IJzer
+noemde als dengeen, die hen beiden tot het verzuimen der kerk verleid
+had. Balkenende bedankte Dirksz voor diens mededeeling en beloofde, de
+zaak ten strengste te straffen. Toen dus Pieters vader vertrokken was,
+kreeg onze Frans een duchtig pak slaag en mocht hij tot zijne straf
+den geheelen tijd, dien de Hofkermis duurde, niet uit. Den volgenden
+morgen kwam Jan, alsof er niets gebeurd was, op den winkel. Baas
+Balkenende wachtte hem reeds op, onderhield hem scherp over zijn
+gedrag en joeg hem weg. En of Jans vader al bij den timmermansbaas
+kwam, om zijne toegevendheid voor zijn zoon in te roepen--de baas
+wilde van niets hooren en den knaap niet terugnemen.
+
+"Die lage, gemeene klikkert!" had Jan gezegd, toen hij hoorde, dat
+zijns vaders gang te vergeefs was geweest, en deze hem ongemakkelijk
+had afgeranseld. "Die ellendige pruikenmakersjongen! Maar ik zal het
+hem betaald zetten."
+
+Daar Jan geen lust meer in het timmeren had, maar het goudsmeden
+verkoos te leeren, deed zijn vader hem bij baas Hendrik Verhoef op
+de _Vogelenmarkt_.
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kan
+doorgronden.
+
+
+Wanneer gij ooit den weg van het dorp _Wateringen_ naar _Naaldwijk_
+hebt gewandeld, dan kan het wel niet anders, of gij hebt in het
+bevallige _Hondsholredijk_ (gewoonlijk _Honselaarsdijk_ genoemd)
+eenige oogenblikken uitgerust, om nieuwe krachten te verzamelen,
+en u in de daar staande uitspanning met een glas melk of bier te
+verkwikken. Als gij daar dan gezeten waart en uwe blikken rondom u liet
+gaan, dan moet uw oog als van zelf zijn gevallen op een oude poort,
+die daar zoo alleen staat en zich zoo deftig verheft, dat gij op het
+denkbeeld kwaamt, of zij niet tot andere gebouwen heeft behoord en,
+wanneer gij de statigheid en den omvang van dit overblijfsel van
+vroegere jaren in aanmerking naamt, dan kwaamt gij onwillekeurig tot
+het besluit, dat hier waarschijnlijk een kasteel of zoo iets moet
+gestaan hebben. De ruïne, die zich achter de poort bevindt, doch welke
+gij van buiten af niet kunt zien, zou u in het denkbeeld versterken.
+
+En gij hebt goed gedacht mijne vrienden! Die poort strekte eens tot
+ingang van een oud en sterk kasteel, toebehoorende aan de heeren van
+Naaldwijk, welke hier hun verblijf plachten te houden. Menig ridder,
+die uit den bloedigen kamp huiswaarts keerde, reed onder die poort
+door, gezeten op zijn vurig genet, dat hem onverschrokken door het
+slaggewoel had heengeleid; menige schuchtere jonkvrouw was aan de
+hand haars bruidegoms dien gewelfden boog doorgetreden, omringd
+van vrienden en magen, van pages en schildknapen, van bruidjonkers
+en juffers, om in de kapel, die daar ginder stond, waar gij nu
+die boomen hunne toppen ziet verheffen, den band des huwelijks te
+sluiten.--Maar die dagen van grootheid en luister gingen voorbij;
+de roode leeuw van de erfmaarschalken en opperstalmeesters van
+de graven van _Holland_ verbleekte; het geslacht der Naaldwijken
+stierf uit, en door huwelijk kwam het kasteel te _Hondsholredijk_
+aan de graven van Aremberg. Gij herinnert u, hoe een van dezen in den
+tachtigjarigen oorlog de zijde van _Spanje_ hield; het gevolg daarvan
+was verbeurdverklaring zijner goederen en onder deze ook het kasteel
+te _Hondsholredijk_. Den 13den Juli 1589 gaven de Staten van _Holland_,
+nu de rechtmatige bezitters van de heerlijkheid, het kasteel met zijne
+aanhoorigheden ten geschenke aan Prins Maurits. Maar het gebouw was
+oud en vervallen, en toen genoemde Prins bij zijn overlijden in 1625
+door zijn jongeren broeder Prins Frederik Hendrik werd opgevolgd en
+deze in het bezit van het slot kwam, scheen de luister van het aloude
+huis te _Hondsholredijk_ te herleven. Laatstgenoemde toch liet het
+vervallen slot geheel en al afbreken en op de vorige grondslagen een
+vorstelijk paleis bouwen. Ook dit paleis heeft den tand des tijds niet
+kunnen weerstaan: er is thans weinig meer van over dan de grijze poort,
+die daar zoo eenzaam en verlaten staat.
+
+Wij willen ons in het begin der maand Juli van het jaar 1661 naar
+genoemd huis begeven. Wij gaan dan de groote poort door en bevinden
+ons voor een statige ophaalbrug, die over de breede grachten, welke
+het paleis omringen, den toegang tot het gebouw verleent. Prachtig
+hangen over die gracht de vier uitstekende paviljoenen, in den vorm
+van torens aan de hoeken van het paleis uitgebouwd, van welke er
+twee het uitzicht hebben op de heerlijke lanen van het park. Maar wij
+gaan voort naar den ingang, die zich in het midden van den voorgevel
+bevindt. Ziet eens, welke schoone, levensgroote beelden daar aan
+weerskanten van dien ingang staan. Wij gaan eenige trappen op,
+onder een balkon, dat op zes pilaren rust, en komen zoo op de ruime
+vierkante plaats, met gaanderijen omringd, en op welke een gedeelte van
+de menigvuldige, deftig gebouwde en keurig versierde en gemeubelde
+vertrekken uitziet. Maar ik zie het u wel aan; al die pracht en
+grootheid halen voor u niet bij den luister der natuur; gij hebt van
+het park gehoord en wilt u derwaarts begeven. Welnu, dan keeren wij
+langs den zelfden weg terug, slaan, zonder de voorpoort door te gaan,
+links af en komen in het heerlijk aangelegde park. Wij doorwandelen
+de boomrijke lanen en staan van tijd tot tijd stil bij de openingen,
+hier en daar in het hout gelaten en die ons de schoonste vergezichten
+opleveren. Op verscheidene van deze plaatsen zijn steenen zitbanken
+geplaatst; wij zullen er echter op dit oogenblik geen gebruik van
+maken--wij mochten er te lang zitten droomen.
+
+Hoor! wat was dat?--Zijn wij hier in _Natura Artis Magistra_ te
+_Amsterdam_ of in de Diergaarde der _Rottestad_?--Ho, wat, mijne
+lezers! die waren er ruim tweehonderd jaren geleden nog niet; want
+herinnert u, dat onze wandeling in de 17de en niet in de 20ste eeuw
+plaats heeft. "Maar," zegt gij "Ik hoorde toch duidelijk het brullen
+van een leeuw!"--Gij hebt goed gehoord; wij zijn hier dicht bij de
+diergaarde. Slaan wij slechts dit slingerlaantje in,--zoo, daar zijn
+wij er.
+
+Leeuwen en tijgers, panters en luipaards, beeren en hyena's, kortom, al
+wat gij in een menagerie kunt verwachten, vindt gij hier in prachtige
+hokken en achter stevige ijzeren traliën opgesloten.
+
+Wij zien echter op het oogenblik niet naar die dieren, maar liever
+naar de beide personen, die daar zoo deftig in de diergaarde
+voortwandelen en in druk gesprek schijnen gewikkeld. Ofschoon het
+niet heel fatsoenlijk is, willen wij ons achter hen begeven en hunne
+gesprekken afluisteren; eerst wil ik u een beschrijving van hen geven.
+
+De jongste (en ik begin bij hem, omdat hij een oude kennis van
+ons is) is niemand anders dan Prins Willem Hendrik, die gedurende
+den vacantietijd in _Leiden_ bij zijne grootmoeder Amalia van Solms
+logeert; want bij testament haars gemaals, heeft zij _Hondsholredijk_
+als haar bijzonder eigendom verkregen. Hij is nu ongeveer een jaar
+ouder dan toen wij voor het eerst kennis met hem maakten en een heel
+stuk gegroeid; echter nog even mager, zoo niet nog magerder, nog even
+bleek, misschien nog bleeker door het rouwkleed, dat hij aanheeft,
+het rouwkleed over zijne moeder, die nu reeds een half jaar naast haren
+broeder in den somberen grafkelder der koningen van Engeland rust.
+
+De persoon, die naast den Prins daarheen wandelt, en wiens
+eenvoudige kleeding ons zou doen vermoeden, dat hij tot den
+burgerstand behoort, trekt onze opmerkzaamheid door de uitdrukking
+van geest en schranderheid, die op zijn langwerpig, beenig gelaat
+staat uitgedrukt. De doordringende oogen, door zware wenkbrauwen
+overschaduwd, het hooge breedgewelfde voorhoofd, de sterk gebogen
+neus en de met een klein snorretje begroeide bovenlip geven aan dat
+gelaat iets van dat bijzondere, dat men alleen bij groote vernuften
+aantreft. Een grijze vilten hoed, welks eene zijde is opgerold en
+met een grijs zijden koord van twee vingers dik wordt vastgehouden,
+dekt het hoofd, volgens de mode van dien tijd versierd met een lange,
+blonde allongepruik, die tot op de schouders nederhangt. Een breede,
+dubbele bef hangt over den langen, grijzen rok (wij zouden dien jas
+noemen) die van voren met koord gegarneerd en geheel toegeknoopt
+is en tot even boven de knieën reikt. Om den linkerschouder is
+een zijden sjerp geslagen van de kleuren der Statenvlag, en die in
+de linkerzijde in een strik eindigt, waar ook de degen hangt, dat
+onmisbare bij den man van den deftigen stand. De korte broek, van
+dezelfde kleur en stoffage als de rok, is even beneden de knieën met
+strikken vastgehecht; ook op de schoenen zijn groote strikken. Hij
+houdt een langen wandelstok met gouden knop in de hand, en alleen
+dit artikel van weelde, de sjerp en de fluweelen mantel, die hem over
+den schouder hangt, doen in hem iets meer vermoeden dan zijn anders
+eenvoudige kleeding te kennen geeft. En geen wonder; want de man,
+die daar met den Prins in zulk een druk gesprek schijnt gewikkeld,
+is niemand anders dan de eerste persoon in het geheele land, de man,
+die aan de vorsten van _Europa_ zijn wil en zijne wetten voorschrijft,
+een der grootste staatsmannen van zijn tijd, is de Raadpensionaris
+Johan De Witt, van wien ik reeds in mijn vorige werkje [14] gesproken
+heb. Om zijne buitengewone bekwaamheden en zijne uitstekende diensten,
+hadden de Staten-Generaal, toen in Juli 1658 de vijf jaren, tot de
+bekleeding van zijn ambt vastgesteld, verstreken waren, hem daarin
+weder voor vijf jaren bevestigd. En zeker was De Witt de man,
+die al zijne krachten, al zijnen tijd, al de vermogens van zijn
+geest wijdde aan het heil van den Staat. Altoos jammer is het van
+den onsterfelijken, helderzienden en doorslepen diplomaat, dat hij
+één vast denkbeeld met zich omdroeg, dat vele zijner handelingen
+bestuurde en hem wel eens tot verkeerde maatregelen aandreef: "Geene
+verheffing van het huis van _Oranje_, nooit zal Prins Willem Hendrik
+de waardigheden zijner voorouderen bekleeden."
+
+In het staatkundige zien wij hier dus twee vijanden wandelen (want
+dat de Prins Johan De Witt als zoodanig kende, ook op zoo jeugdigen
+leeftijd, lijdt geen twijfel), twee vijanden, van welke de een een
+doorslepen en doorkneed staatsman is van zes en dertig jaren--de andere
+een zwakke, ziekelijke knaap van nog geen elf. Daarenboven moet ik u
+zeggen, dat het doel van De Witts komst op het huis te _Hondsholredijk_
+schijnbaar ten doel had, om de Prinses-weduwe over ettelijke belangen
+te spreken; het eigenlijke oogmerk was, den jeugdigen Prins uit te
+hooren over brieven, door hem uit _Engeland_ ontvangen, en wier
+inhoud de Raadpensionaris gaarne wilde weten. Ik meen genoeg te
+hebben gezegd, om u belang te doen stellen in het gesprek der beide
+wandelende personen. Ik herinner u daarbij, dat men den Prins wenschte
+af te trekken van de Engelsche partij, en moet u tevens mededeelen,
+dat Zuijlestein in verdenking stond van die partij te ondersteunen.
+
+"Zooals ik uwer Hoogheid zeide," ging De Witt voort; want gij
+herinnert u, dat wij hen midden in hun gesprek beluisteren, "zooals
+ik uwer Hoogheid zeide, ik heb Professor Borneus gesproken, en zijn
+hooggeleerde is zeer content over uwe progressen."
+
+"Ik ben den hoogleeraar wel geobligeerd voor zijne goede opinie te
+mijnen aanzien en wenschte zeer, even content over mij zelf te zijn
+als hij het is."
+
+"Uwe Hoogheid is zeer nederig," hernam de Raadpensionaris glimlachend.
+
+"Ik ben ook Uwer Edelheid dankbaar voor de goede opinie, die zij van
+mij koestert en ik wensch niets liever, dan mijn best te doen om aan
+de verwachtingen, die Uwe Edelheid en de heeren Staten van mij voeden,
+in allen deele te beantwoorden."
+
+"Hoe gaat het tegenwoordig met de arithmetica?" hernam De Witt. "Begint
+Uwe Hoogheid daarin wat meer smaak te krijgen?"
+
+"Ach mijnheer de Raadpensionaris! Uwe Edelheid weet niet hoezeer
+mijn arm hoofd verzwakt van die pijnen, welke het zoo gedurig
+tourmenteeren. Zij beletten mij te denken en zonder denken kan men
+toch niet rekenen."
+
+"In trouwe niet," antwoordde De Witt, die als een der eerste rekenaars
+van zijn tijd bekend stond en wien men wel eens ten laste gelegd heeft,
+dat hij de wiskunde ook op het staatkundige toepaste. "De wiskunst
+eischt onze geheele ziel, ons gansche verstand. Maar Uwe Hoogheid
+moet hare aversie tegen die wetenschap trachten te surmonteeren. De
+arithmetica is tot alle dingen noodwendig."
+
+"Ik zal mijn best doen, om de les Uwer Edelheid in praktijk te
+brengen," hernam de Prins, altijd even stroef en deftig.
+
+"Uwer Hoogheids verzekering is mij genoeg," hernam de Raadpensionaris,
+en van batterij veranderende, ging hij voort:
+
+"Het deed mij leed, dat Uwe Hoogheid mij niet thuis vond bij het
+bezoek, dat Zij mij bij haar kortstondig verblijf te 's-_Gravenhage_
+bracht."
+
+"Mij smartte het niet minder, Uwe Edelheid niet thuis te treffen,"
+antwoordde de Prins. "Indien mijn verblijf langer gecontinueerd had,
+zou ik zeker mijn bezoek gerepeteerd hebben. Mijne grootmoeder had
+echter bepaald, dat ik slechts drie uren zou vertoeven en wachtte
+mij met den maaltijd."
+
+"Ik dank Uwe Hoogheid wel voor hare goede intentie, en zou mij
+geobligeerd hebben gerekend, haar terstond eene contravisite te
+brengen, indien Uwe Hoogheid niets reeds zoo spoedig vertrokken ware."
+
+"Ik kon niet anders. Uwe Edelheid weet, hoezeer mijne grootmoeder op
+orde gesteld is en dat zij volstrekte gehoorzaamheid eischt."
+
+"Zij is in haar recht, als uwe voogdes," gaf De Witt ten antwoord. "Uwe
+Hoogheid is haar onbepaalde gehoorzaamheid verschuldigd. Intusschen
+moet het u genoegen doen, uwe vacantie in zulk een heerlijk lustoord
+als dit te passeeren. Uwe Hoogheid zal zich toch niet vervelen?"
+
+"Vervelen, mijnheer de Raadpensionaris?" vraagde de Prins schier
+verwonderd. "Mijne grootmoeder heeft eene schoone boekerij."
+
+"Gij leest dan veel. En waarin bestaat alzoo uwe lectuur?"
+
+"Ik ben op dit oogenblik aan het lezen van het schoone werk
+van den Amsterdamschen burgemeesterszoon, den ridder Pieter
+Cornelisz. Hooft...."
+
+"Zijne Nederlandsche Historiën voorzeker?" viel De Witt hem in de
+rede. "Een schoon werk in een keurigen, kernachtigen stijl."
+
+"En merkwaardige gebeurtenissen," hernam de prins. "Overigens houden
+wij, Zuijlestein en ik, ons bezig met het repeteeren van het vroeger
+geleerde."
+
+"En het lezen van de brieven, u door den Engelschen gezant ter hand
+gesteld?" vervolgde De Witt ietwat scherp en onverwacht, om den Prins
+in verwarring te brengen en hem zoo de bekentenis te ontwringen,
+die hij van hem hoopte te hooren. Hij had echter buiten den waard
+gerekend. Zonder te verbleeken of te blozen, zelfs zonder de oogen
+neder te slaan en toch zonder zijne lippen met een logen te bezoedelen
+(want dat zou Willem Hendrik nooit gedaan hebben) antwoordde de
+Prins ongekunsteld:
+
+"Uwe Edelheid vergist zich, wanneer zij denkt, dat ik de hulp van den
+heer Van Zuijlestein noodig heb, om Engelsche brieven te lezen.--Ik
+durf zeggen, dat ik de taal genoegzaam machtig ben, om ze alleen te
+verstaan. Uwe Edelheid vergeet, dat mijne moeder een Engelsche was."
+
+De Witt beet zich op de lippen. Wilde de Prins hem soms doen voelen,
+dat zijne correspondentie met het Engelsche hof een natuurlijke zaak
+was en dat dus al zijne staatkundige geslepenheid niet in staat zou
+zijn, hem geheel en al aan dien invloed te onttrekken? Nog in twijfel,
+wat de bedoeling van den knaap was, ging hij voort:
+
+"En uwe grootmoeder is eene Duitsche Vorstin. Dus zal u de Hoogduitsche
+taal toch ook wel eigen zijn."
+
+"Ik vind, dat de Hoogduitsche taal voor ons gemakkelijk te verstaan,
+maar moeilijk te schrijven is," antwoordde de Prins ontwijkend.
+
+"En is uw koninklijke oom gezond?" hernam De Witt. "Schreef hij u
+niets ten aanzien van mij?"
+
+"Maar, mijnheer de Raadpensionaris!" hernam de Prins glimlachend. "Uwe
+Edelheid vergeet, dat ik eerst tien jaar ben en dat mijn oom, de Koning
+der drie Brittannische rijken, mij over geen staatkunde zal schrijven."
+
+Alweder was De Witt, de schrandere De Witt, in verlegenheid. Dien knaap
+kon hij niet doorgronden. Wat beteekende die bijvoeging van _Koning
+der drie Brittannische rijken_, met zooveel kracht uitgesproken?--Nog
+meer werd hij in de war gebracht, toen de Prins er schijnbaar met de
+grootste onnoozelheid bijvoegde:
+
+"Mijn nicht Marie [15], de dochter van den hertog van _York_, heeft
+mij geschreven, dat haars vaders beide schoonste jachthonden gejongd
+hebben. Ik zal mijn oom vragen, of hij mij een paar zal zenden,--ik
+houd dol veel van jachthonden, mijnheer de Raadpensionaris."
+
+"Zoo," antwoordde De Witt droogjes.
+
+"En van de jacht ook. Mijn vader bezat een groote, uitgestrekte jacht
+te _Dieren_."
+
+"Dat weet ik," hervatte De Witt even droog.
+
+"En hier te _Hondsholredijk_ is ook een schoone jacht, mijnheer
+de Raadpensionaris.--Als ik groot ben, dan hoop ik hier dikwerf
+te jagen...."
+
+"En heeft Uwe Hoogheid nog andere brieven uit _Engeland_
+ontvangen?" hervatte De Witt, die zich de gelegenheid niet wilde
+laten ontnemen, om te weten met wie de Prins in correspondentie stond.
+
+"Voorzeker. Ook nog eene van Marie's zuster, mijn nichtje Anna. Maar
+zij schrijft nog niet correct.--Doch, om tot de jacht terug te keeren
+(en als de Prins op dat punt kwam, werd hij welsprekend) heeft Uwe
+Edelheid wel eens een leeuwenjacht bijgewoond?"
+
+De vraag geschiedde, terwijl beiden stilstonden voor het hok van een
+prachtigen Afrikaanschen leeuw. Zij was dus zeer natuurlijk. Maar
+dommer, kinderachtiger vraag kon er niet bestaan, en zulks juist op
+het oogenblik, dat de Raadpensionaris iets dacht te zullen hooren.
+
+"Maar Uwe Hoogheid!" antwoordde De Witt. "Er zijn immers geen leeuwen
+in de Geüniëerde Provinciën."
+
+"Uwe Edelheid kon een reis gedaan hebben naar _Afrika_," hernam
+de Prins.
+
+"Ik naar _Afrika_? Uwe Hoogheid railleert."
+
+"Uwe Edelheid vergeve het mijner kinderachtige domheid," hernam de
+Prins. "Het kwam door het verlangen, dat ik koesterde om eens een
+leeuwenjager te spreken. Het moet een fier en koninklijk dier zijn,
+zoo'n dier in zijn natuurstaat."
+
+"Eilacy, dat laat zich denken. Niet ten onrechte noemt men hem de
+koning der dieren, de vorst van het woud."
+
+"Geheel anders dan zoo gevangen te zitten en van den wil van een
+ander af te hangen," hernam de Prins. "Als deze leeuw eens werd
+losgelaten, zoudt gij dan niet denken, dat hij nog woester was dan
+de nooit gekerkerde?"
+
+"Ik denk het niet," hervatte De Witt. "Zulke leeuwen worden jong
+gevangen."
+
+"En zoudt gij dan denken, mijnheer de Raadpensionaris," vervolgde de
+Prins, die zich door het oogenblik liet medeslepen, "dat een leeuw
+geen leeuw blijft? Zoudt gij meenen, dat de jonge leeuw niet even
+goed de ketens voelt, die hem binden, als de volwassene? Zoudt gij
+het niet met mij eens zijn, dat de gevangene leeuw, als hij zijn
+kerker ontkomt, nog woedender is dan de leeuw der bosschen, die de
+vrijheid gewoon is en geen inkerkering te wreken heeft? Mij dunkt,
+als ik mij eens in de plaats van zoo'n leeuw stelde en dan aan mijne
+afkomst gedacht, ik zou, zoodra ik de gelegenheid voor mij schoon zag,
+mijne traliën verbreken en schrikkelijk op mijne bewaarders aanvallen."
+
+Met verbazing had De Witt naar den anders zoo stroeven en eenvoudigen
+knaap geluisterd. Hij had die oogen zien flonkeren van een ongekend
+vuur, een licht rood zich over dat anders zoo bleeke gelaat
+zien verspreiden; hij had geestdrift gezien, waar anders ijskoude
+onverschilligheid heerschte. Zou die knaap werkelijk gevoelen, dat hij
+de gekerkerde jonge leeuw was en zou hij zich bewust zijn van zijne
+afkomst en zijne rechten? Nog vreemder echter zag de Raadpensionaris
+op, toen diezelfde knaap met al de eenvoudigheid, zijnen leeftijd
+eigen, na een oogenblik gezwegen te hebben, voortging:
+
+"'t Is zoo jammer, dat de leeuw altijd achter traliën moet zitten. Ik
+wou, dat men hem zoo tam kon maken als een hond, dan zou ik Uwe
+Edelheid vragen, om uit mijnen naam een verzoek aan de heeren Staten
+te doen."
+
+"En welk?" vraagde De Witt, verwachtende nu toch iets belangrijks te
+vernemen, misschien wel een verzoek, dat den Prins door de brieven
+uit _Engeland_ was ingegeven.
+
+"Om voor mij een tam leeuwtje uit _Afrika_ te laten overkomen en mij
+verlof te geven, het aan een koord op straat te mogen meenemen."
+
+Nu wist de schrandere, de geslepen staatsman niet meer, wat hij van
+dien knaap denken moest. Had hij zijns gelijke in politiek gevonden,
+of liever, moest hij dien tienjarigen knaap als zijn meester in
+geslepenheid erkennen? Of was alles slechts eenvoudigheid, en zocht
+hij meer in 's Prinsen woorden, dan daarin lag? Hij wist het niet en
+was verlegen, wat te antwoorden, toen de komst van Zuijlestein hem
+uit die verlegenheid redde.
+
+Ik wil het gesprek tusschen dezen en De Witt mijnen lezers niet
+mededeelen, noch hen op hunne wandeling door de lanen van het park
+vergezellen. Toen zij aan de gracht gekomen waren, die het vorstelijk
+paleis omgaf, bleven zij eenige oogenblikken stilstaan, om te zien
+naar het werkvolk van baas Balkenende, dat op een steiger stond en
+bezig was, een nieuwe kroonlijst aan het hoofdgebouw te maken.
+
+
+
+Terwijl zij daar zoo stonden te kijken, gaf de Prins onwillekeurig een
+gil. Een der planken van de bovenste verdieping van den steiger schoot
+uit, juist toen een knaap van ongeveer vijftien jaren er den voet
+op had gezet. De arme jongen tuimelde en scheen reddeloos verloren;
+want de hoogte, van welke hij viel, moest hem noodwendig doodelijk
+zijn. Gij weet toch, hoe een vrijvallend lichaam bij elke seconde in
+snelheid toeneemt, en al kwam de knaap dan ook in het water neder,
+de tegenstand, dien dit element aan zulk een snelvallend lichaam
+moest bieden, kon niet anders dan hem noodlottig zijn. Maar met eene
+tegenwoordigheid van geest, die alledrie de aanschouwers verbaasde,
+greep de knaap een der stijlen, klemde er zich terstond met beide
+handen aan vast en klom, alsof er niets gebeurd was, naar boven,
+waar hij doodbedaard aan het werk ging om een andere plank in plaats
+van de uitgeschotene te leggen.
+
+"Dat noem ik tegenwoordigheid van geest. Zoo iets heb ik in mijn
+leven niet gezien," zeide De Witt.
+
+"Daar steekt iets groots in dien knaap," meende Zuijlestein.
+
+De Prins zeide niets; maar toen men zich weder op het paleis bevond
+en de Raadpensionaris vertrokken was, ging hij naar den kant, waar
+de steiger stond, en riep den knaap.
+
+"Heb je je niet bezeerd?" was zijn eerste vraag.
+
+De knaap, die den prins niet kende, maar toch wel begreep dat hij
+niet zijns gelijke was, antwoordde op eerbiedigen toon:
+
+"Ik had een leelijken val kunnen doen, jongeheer! Gelukkig, dat ik
+den stijl kon bereiken; anders had ik mijn zwemkunst moeten gebruiken."
+
+"En was je niet verschrikt?" vraagde de Prins.
+
+"Verschrikt? Dat zou ik geweest zijn, als ik den stijl niet had
+gezien. Maar toen ik voelde, dat de plank uitschoot, dacht ik dadelijk:
+"Piet, maak dat je je aan het een of ander vasthoudt--anders is het met
+je gedaan." En zoo kan ik niet zeggen, dat ik er erg van ontsteld ben."
+
+"Je bent een fiksche knaap en kunt het ver brengen in de wereld. Hoe
+heet je?"
+
+"Ik heet Pieter Pietersz en ben de jongste zoon van den pruikenmaker
+Pieter Dirksz uit de _Spuistraat_ te _'s-Gravenhage_".
+
+"Welzoo! Ben jij een zoon van den pruikenmaker Dirksz? Dan ben je
+een broeder van mijn kamerdienaar Karel."
+
+"Van Uwen kamerdienaar...." riep Pieter uit, terwijl hij een lang
+gezicht zette, en meer verschrikte dan toen hij gevallen was. "Dus
+dan heb ik de eer met zijne Hoogheid den Prins van Oranje te spreken."
+
+"Het is zoo," antwoordde de Prins vriendelijk. "Maar laat dat je niet
+verschrikken. Ik ben immers geen wild beest."
+
+"De Hemel beware mij, Uwe Hoogheid!" antwoordde
+Pieter. "Maar--maar...."
+
+"Hoor eens, Pieter," hervatte de Prins. "Zeg mij, kan ik iets voor
+je doen? Je hebt getoond een onverschrokken knaap te zijn. Ik kan
+wel niet veel, maar wat ik in mijne macht heb, staat je ten dienste.
+
+"Ach, Uwe Hoogheid!" antwoordde Pieter. "Wat ik zoo gaarne wilde,
+staat toch niet in Uwe macht."
+
+"En wat is dat?" vroeg de Prins.
+
+"Ik zou zoo gaarne zeeman willen worden, zooals mijn oom Klaas is;
+maar vader wil het niet toestaan."
+
+"Dat is een leelijk geval, Pieter. Ik weet, dat baas Dirksz stijf
+op zijn stuk staat. Maar wat ik kan, zal ik doen. Ik zal er je broer
+Karel over spreken."
+
+"O, ik dank Uwe Hoogheid wel voor die gunst," riep Pieter uit.
+
+"Vaarwel, Pieter," zeide de Prins, terwijl hij den krullenjongen
+verliet, die 's avonds thuis kwam en zegevierend vertelde met wien
+hij gesproken had. Van diens belofte echter zweeg hij wijselijk.
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt.
+
+
+Jan IJzer had het voornemen opgevat, om te gelegener tijd wraak te
+nemen op Pieter, omdat hij dien als de oorzaak beschouwde van zijne
+wegzending door baas Balkenende, en wij willen eens zien hoe hij dat
+voornemen ten uitvoer bracht. Gij herinnert u, dat hij op een en ander
+ambacht gekomen was. Spoedig had hij hier andere kennissen gekregen,
+en zou men dus veronderstellen, dat hij Pieter Dirksz en al wat er
+gebeurd was vergat. Maar neen--niet lang nadat Pieters voet hersteld
+was, kwam hij hem tegen, en begon hem te schelden voor "klikspaan"
+en al zulke leelijke woorden. Pieter die al te zeer wist, dat hij
+onschuldig aan het hem aangetegen kwaad was, en dat hij, ondervraagd
+zijnde, niets dan de waarheid had gesproken, antwoordde in het eerst
+niet; maar toen Jan hem blijkbaar opwachtte, en niet ophield hem te
+schelden, besloot Pieter hem eens de kracht zijner vuisten te laten
+voelen en takelde hem zoo toe, dat hij met een blauw oog op den winkel
+kwam. Toen zijne kameraads hem vraagden, waar hij dat gekregen had,
+durfde hij voor de waarheid niet uitkomen, maar zeide, dat hij zich
+had gestooten. Zijn geheele uitzicht echter toonde aan, dat hij
+geplukhaard had. Om zich hierover te wreken, besloot hij Pieter des
+avonds op te wachten en onverwachts te overvallen, welk plan hij met
+een paar zijner kameraads ten uitvoer bracht en dat hem in het begin
+van September gelukte. Pieter, het wel tegen een, maar niet tegen
+drie kunnende uithouden, zou gewis het onderspit gedolven hebben,
+indien hem niet bij geluk een voorbijganger ware te hulp gekomen,
+die hem uit hunne handen had gered.
+
+"Het was gelukkig, dat ik daar aankwam, knaap!" zeide de voorbijganger;
+"anders had men je braaf toegetakeld."
+
+"Ik dank Uwe Edelheid voor hare hulp," antwoordde Pieter. "Drie tegen
+een, en dan zoo verraderlijk; daar is niemand tegen bestand. Laat
+hen een voor een komen, dan sta ik ze." En dit zeggende, balde hij
+de vuisten.
+
+"Wie ben je, knaap, dat je zooveel moed in het lijf hebt?" vraagde
+de onbekende.
+
+"Ik heet Pieter Pietersz en mijn vader is pruikenmaker in de
+_Spuistraat_."
+
+"Aha! dan ben jij dat onverschrokken kereltje, dat op den huize te
+_Hondsholredijk_ bijna van den stijger viel."
+
+"Dezelfde. Doch hoe kan Uwe Edelheid dat weten?"
+
+"Ik was met den heer Raadpensionaris en Zijne Hoogheid den Prins
+getuige van je val en je koenheid."
+
+"Zijne Hoogheid de Prins!" hernam Pieter. "O, ik had het geluk,
+dien te spreken.
+
+"Zijne Hoogheid was zeer over je tevreden," verzekerde de Heer Van
+Zuijlestein; want mijne lezers zullen wel reeds geraden hebben, dat het
+niemand anders was dan deze, "en sprak met veel ingenomenheid over je."
+
+"Ik ben Zijner Hoogheid ten zeerste verplicht voor goede intentie,
+hervatte Pieter, terwijl hij een buiging voor den Heer Van Zuijlestein
+maakt, "en, als het niet te vrij is, zou ik u wel willen verzoeken,
+Haar mijne gebiedenis te maken."
+
+"Met genoegen, Pieter.--Vaarwel!" hervatte Zuijlestein, terwijl hij
+zijn weg vervolgde.
+
+
+
+Het jaar 1661 liep ten einde en nog had zich weinig vorst doen
+gevoelen, toen eensklaps, kort vóór Kersttijd, de wind noordoostelijk
+liep en zulk een felle koude aanbracht, dat binnen een paar dagen al
+het water in en om _Den Haag_ met een dikke ijskorst bevloerd was. Nu
+werden de schaatsen voor den dag gehaald; en de Haagsche jeugd,
+dol op het echt Hollandsche ijsvermaak, had terstond de ijsschoenen
+klaar, hier een riem hersteld, daar nieuwe banden ingeregen, elders
+het in den zomer geroeste of in den vorigen winter bot geworden ijzer
+laten slijpen, of hare spaarpenningen besteed om zich een paar nieuwe
+vleugels aan te schaffen, welke, evenals die van Mercurius aan de
+voeten gebonden, de snelheid van dien voet vertiendubbelden. Menigeen
+was reeds met een nat pak te huis gekomen; want de dartele knapen,
+verzot op het vermaak, konden niet wachten tot de wateren genoegzaam
+bevloerd waren, maar waagden zich reeds op de spiegelgladde baan,
+alvorens het ijs de behoorlijke dikte had verkregen om hen te
+dragen. Gelukkig als zij er maar met een nat pak afkwamen en er niet
+het leven bij inschoten. Nu is er van dit laatste in 's-_Gravenhage_,
+ten minste bij eenige voorzichtigheid, weinig gevaar, en ik zal u
+dat uitleggen. De polder, die zich aan den zuidoostelijken kant van
+de residentiestad bevindt, is zeer laag gelegen, en nu wordt het land
+reeds in het late najaar door het hooge water geheel ondergezet: zoodat
+men zou meenen een uitgestrekt meer voor zich te zien [16]. Wanneer dit
+water bevriest, schenkt het een uitgestrekt veld aan de liefhebbers
+der kunst van schaatsenrijden en wordt daarom zeer druk bezocht. Nu
+is daar ook weinig gevaar van verdrinken, want zakt men door het ijs,
+dan valt men er tot de knieën, op het ergst in een sloot, tot den hals
+toe in. Alleen op de diepere molenslooten, waar men--als de molens
+gemalen hebben--dikwijls bomijs aantreft of--als het sterk gewaaid
+heeft--zoogenaamde windwakken, kan men gevaar loopen van te verdrinken.
+
+Het was de tweede Kerstdag. Prins Willem Hendrik, die een
+aartsliefhebber van schaatsenrijden was en zich gaarne op den
+Vijver voor het _Binnenhof_ met die kunst vermaakte, had zich met
+zijn goeverneur, zijn page Jan Theodoor Baron van Freisheim, zijn
+kamerdienaar en eenige lakeien naar het veldijs begeven, reeds zwart
+van de menigte van schaatsenrijders; niet om de vlugge wendingen aan
+te zien, maar om zelf zich met rijden te vermaken. Daar men het ijs
+nog niet sterk genoeg rekende, om zich op den _Vijver_ te wagen, die,
+meer besloten dan het open veld, nog niet te berijden was, bestond er
+hier geen de minste zwarigheid. Zoodra dus Zijne Hoogheid met zijn
+gevolg op het veldijs gekomen was, ging hij op een stoel zitten en
+werden hem de keurige, fijne, met zilver en ivoor ingelegde Friesche
+schaatsen aangebonden, welke hij van zijnen oom Willem Frederik,
+Stadhouder over _Friesland_ en sedert 1650 ook over _Groningen_ en
+_Drente_, ten geschenke had ontvangen. Deze Willem Frederik, Graaf
+van _Nassau_ en de zoon van den Frieschen Stadhouder Ernst Casimir,
+was sedert ruim vier jaren gehuwd met 's Prinsen tante Albertina Agnes,
+zijns vaders zuster, en door dat huwelijk zijn oom geworden.
+
+Eenvoudig maar sierlijk was de kleeding van den Prins. Zijn zwarte
+aan één kant opgeslagen hoed met de golvende witte struisveder, die
+door een diamanten knoop met kleine parelen omzet, was vastgemaakt,
+zijn nauwsluitend fluweelen wambuis (zijn mantel had hij aan
+zijn kamerdienaar overgegeven) uit welks poffen het wit satijnen
+onderkleed zich liet zien, de zwart fluweelen hozen met zijden strikken
+boven de kuiten vastgemaakt, deden zijne slanke gestalte te beter
+uitkomen, terwijl hem de lichaamsbeweging van het schaatsenrijden
+niet alleen eene losheid en bevalligheid scheen te geven, die hij
+anders ten eenenmale miste, maar ook een blos op zijn ingevallen
+kaken verspreidde, die bij de levendige oogen zoo goed stond.
+
+"Freisheim!" zeide de Prins tot zijnen page, toen hij, na een geruimen
+tijd gereden te hebben, eenige oogenblikken stil stond. "Wij moesten
+eens om het zeerst naar gindschen molen rijden, hé?"
+
+"Uwe Hoogheid zij indachtig, dat er gevaar bij dien rit is. De
+molenslooten zijn dikwijls met wakken."
+
+"Wij kunnen er over het veldijs naar toe," antwoordde de Prins. "Zie
+maar, hoe ver de ijsspiegel zich uitstrekt."
+
+"Dan is het mij goed," hervatte de page.
+
+"Willem, wees toch voorzichtig!" vermaande Zuijlestein, die juist
+bij hen kwam.
+
+"Mag ik Uwe Hoogheid en mijnheer den baron vooruit rijden; dan kunnen
+zij gerust voort en behoeven geen gevaar te vreezen?" vraagde Karel.
+
+"Doe dat, Karel!" antwoordde de Prins. "Maar wat snel."
+
+"Een goede, trouwe kerel, niet waar?" hervatte hij tot Freisheim,
+terwijl hij den kamerdienaar naoogde. "Hij zou zijn leven voor
+mij laten."
+
+"Eilacy! Niet meer dan een staaltje van zijn devoir," antwoordde de
+page. "Wij allen zouden dat doen, indien het noodig was."
+
+"Ik hoop zulk een sacrifice nooit van u te behoeven, Freisheim,"
+antwoordde de Prins. "Het zou mij weinig streelen, als iemand voor
+mij zijn leven in de waagschaal stelde. Maar komaan! Karel is reeds
+half weg. Een--twee--drie."
+
+En met het laatste woord schoten beiden als een pijl uit een boog
+voort, terwijl de lakeien moeite hadden hen bij te houden.
+
+Eensklaps stond de Prins stil en liet den jongen baron alleen
+rijden. Hij had een angstkreet gehoord van den kant der molensloot, en
+spoede zich met andere schaatsenrijders derwaarts. Toen hij er aankwam,
+was reeds een groote menigte volks verzameld, die om een wak stond
+te kijken. Zoodra de Prins kwam, week men eerbiedig voor hem terug.
+
+"Wat is daar te doen?" vraagde hij aan een der omstanders.
+
+"Er ligt een knaap in het water, Uwe Hoogheid! Hij is op een wak
+gekomen en er ingeschoten."
+
+"En is er dan niemand om den drenkeling te helpen?" vraagde de Prins.
+
+"Wie zou zich in de diepe sloot durven wagen, waar misschien drift
+genoeg in is om iemand in een oogenblik twintig ellen onder het ijs
+voort te sleepen? Één lijk is genoeg, Uwe Hoogheid."
+
+Nog eer de Prins kon antwoorden, drong een andere knaap door de
+menigte heen, gaf zijne schaatsen, die hij in de haast afgebonden,
+en zijn wambuis, dat hij uitgetrokken had, aan een der omstanders,
+en sprong zonder bedenken in het wak. Niemand durfde zich bewegen,
+niemand sprak een enkel woord. Ook de Prins stond daar sprakeloos en
+met ingehouden adem. Freisheim, die nog een eind voortgereden was,
+voegde zich bij hem en zeide op vroolijken toon:
+
+"Uwe Hoogheid schijnt van den rechten weg te zijn afgedwaald."
+
+"Stil, Freisheim!" antwoordde de Prins stroef. "Het geldt hier twee
+menschenlevens."
+
+De toon, waarop de Prins deze woorden sprak, deed den page
+zwijgen. Hij begreep, hoe ontijdig zijne scherts was geweest en
+bleef ook onbeweeglijk staan. Zuijlestein kwam eenige oogenblikken
+later aanrijden.
+
+"Uwe Hoogheid moet niet stilstaan," zeide hij. "Zij is te bezweet--de
+koude zou haar een ziekte op den hals halen."
+
+"Een oogenblik, mijn waarde Zuijlestein," hervatte de Prins. "Er is
+hier een ongeluk gebeurd."
+
+Terwijl de Prins nog sprak, hoorde men een vreugdekreet: de moedige
+duiker kwam boven en hield den drenkeling in den eenen arm, terwijl
+hij met den anderen zwom.
+
+"Help mij!" riep hij op vermoeiden toon uit en terstond waren er
+twintig armen te gelijk gereed, van welke er eenige den drenkeling
+naar zich toetrokken, terwijl andere den moedigen knaap uit het
+water hielpen. In dien tusschentijd was ook Karel naderbij gekomen,
+en nauwelijks zag hij den onverschrokken jongen menschenvriend,
+of hij riep uit:
+
+"Goede hemel! Pieter! heb je in het water gelegen....?"
+
+"Is het je broer, Karel," zeide de Prins; maar deze vergat Zijne
+Hoogheid en allen, die hem omringden, en snelde naar zijn broeder toe.
+
+"Het is niets, Karel," antwoordde de knaap met zijne gewone
+onverschrokkenheid. "Waar zijn mijn schaatsen en mijn wambuis? Ik ga
+spoedig naar huis om mij te drogen; want ik ben zoo nat als een kat."
+
+"Pieter Pietersz," zeide de Prins, toen de knaap hem wilde voorbijgaan,
+"kom hedenmiddag om zes uur bij mij op het _Binnenhof_."
+
+"Gij hier, Uwe Hoogheid!" riep Pieter en trad verschrikt een paar
+stappen achteruit. "Vergeef mij, dat ik u zoo onbeleefd wilde
+voorbijstuiven."
+
+"Ga nu spoedig naar huis en onthoud wat ik je gezegd heb," hernam de
+Prins. "Van middag om zes uur."
+
+"Ik zal tegenwoordig zijn," antwoordde Pieter en stapte met groote
+schreden naar den wal.
+
+"Ga met hem mede, Karel," gebood de Prins, "en zeg aan je vader,
+dat je broeder een medemensch gered heeft. Zorg, dat hij terstond
+warme en droge kleeren aantrekt."
+
+Dien namiddag ten zes uren trad Pieter bij den Prins binnen. Deze
+was blijkbaar afgemat van de inspanning van dien morgen; hij zat
+in een grooten leuningstoel en aan zijn bleek en lusteloos gelaat
+was het duidelijk te zien, dat in hem de wil sterker was dan het
+lichaam.--Niemand zou in dien matten, lusteloos daar neergevlijden
+knaap den sierlijken, vluggen, ja fieren schaatsenrijder herkend
+hebben.
+
+Toen Pieter werd aangediend, zat de Baron van Freisheim aan de tafel
+en las den Prins iets voor.
+
+"Nu zal Uwe Hoogheid zich weer vermoeien," zeide deze. "Laat den
+knaap morgen of overmorgen terugkomen."
+
+"Het zal mij niet vermoeien, Freisheim," gaf de Prins ten
+antwoord. "Integendeel, het zal mij afleiding bezorgen."
+
+"Een mooi compliment voor mij," gaf de baron eenigszins scherp ten
+antwoord, "die mij nog al uitsloof om u te occupeeren. Ik kan dus
+wel heengaan."
+
+"Blijf, Freisheim," zeide de Prins met iets gebiedends, maar tevens
+ook iets verzoekends in zijne stem, en, als speet hem dat korte woord,
+voegde hij er bij: "Altijd dezelfde driftkop. Wanneer zult gij toch
+eens leeren uwe drift te betoomen!"
+
+"Ik ben ook geen afstammeling van den grooten Zwijger," antwoordde
+deze. "Het ligt in uw geslacht, Uwe Hoogheid! om over zijn drift te
+heerschen. Ik admireer u, imiteeren kan ik u niet."
+
+"_Mij_ imiteeren?" zeide de Prins met een treurigen glimlach. "Doch
+daar is de knaap. Kom nader, Pieter!"
+
+Pieter kwam bedeesd nader. De pracht, die er in de kamer heerschte,
+de tegenwoordigheid van den page, ja zelfs die van den Prins, nu hij
+wist dat hij de Prins was, maakten hem verlegen.
+
+"Ik heb van Karel gehoord, dat het een vijand van je was, dien je
+gered hebt."
+
+"Vijand, Uwe Hoogheid? Dat heeft Karel u verkeerd overgebracht. Wij
+jongens hebben geen vijanden."
+
+"Ik meen toch dat het dezelfde was, uit wiens handen mijn goeverneur
+de heer van Zuijlestein je eens heeft verlost."
+
+Pieter werd rood als vuur. "Uit zijne handen verlost," dat was eene
+beleediging voor den Hollandschen knaap. Hij vergat, voor wien hij
+stond, en zeide op driftigen toon:
+
+"Uit zijn handen? Dat is een leugen, Uwe Hoogheid!" Doch zich
+bedenkende, voegde hij er kalmer bij: "Men heeft u verkeerd onderricht,
+Uwe Hoogheid! Hij had twee andere jongens bij zich en tegen de
+overmacht kan de beste het niet uithouden."
+
+Freisheim, die achter Willems stoel was gaan staan, fluisterde den
+Prins op satirieken toon toe:
+
+"Ook al een driftkop, Uwe Hoogheid! Ik ben dus de eenige niet!"
+
+De Prins zag glimlachend tot hem op en dreigde hem met den vinger. Zich
+toen tot Pieter wendende, ging hij voort:
+
+"Je schijnt reeds sedert lang in vijandschap te leven met dien
+knaap. Wat is daar de oorzaak van?"
+
+Pieter vertelde het den Prins, en eindigde:
+
+"Uwe Hoogheid ziet dus wel, dat de schuld niet aan mij ligt. Intusschen
+moest ik mij verdedigen."
+
+"Wel zeker. Maar hoe raakte de knaap in het ijs?"
+
+"Toen Jan mij zag, begon hij mij te sarren, voor allerlei leelijke
+dingen uit te schelden, ja, met vuil te werpen. Dat kon ik niet langer
+velen, ik werd driftig, hief mijn haak op en reed op hem aan. Jan,
+wel wetende, dat ik vlugger rijder ben dan hij, begon beenen te
+maken, maar ik kwam hem al nader en nader, terwijl ik al driftiger en
+driftiger werd. Inderdaad, Uwe Hoogheid! als onze lieve Heer het niet
+had verhoed, dan had ik hem mogelijk doodgeslagen; want dat sarren
+kan ik niet velen."
+
+"Dat is nog een soort erger dan ik, dien Uwe Hoogheid zoo dikwijls
+om mijne drift beknort," fluisterde Freisheim weder.
+
+"Foei, Pieter," zeide de Prins, "het is zeer zondig, om zoo aan
+zijn toorn toe te geven. Je zoudt op die wijs een moordenaar hebben
+kunnen worden."
+
+"Ik weet het, Uwe Hoogheid!" antwoordde Pieter beschaamd. "Maar wat
+deed Jan mij ook te sarren? Intusschen hoop ik, nooit weer driftig
+te worden."
+
+"Dat is een goed voornemen, Pieter. Doch ga voort."
+
+"Om mij te ontgaan, was er geen middel meer. Ik kwam hem al op de
+hielen en lichtte reeds den stok met ijzeren haak op, om dien het
+volgend oogenblik op zijn hoofd te doen nederdalen; toen Jan, geen
+andere kans op redding ziende, eensklaps zwenkte en in snelle vaart
+de molenvliet trachtte over te komen: waar hij zeker was, dat ik hem
+niet zou volgen. Want wie--hoe driftig hij ook is--waagt zich op dit
+oogenblik al op het ijs van een molenvliet? Daar ik op zijn wending
+niet verdacht was, schoot ik nog een eind voort, en toen ik mijn
+zwaai nam, zag ik hem op het midden van de sloot de handen wanhopig
+ten hemel heffen en in hetzelfde oogenblik in de diepte verzinken. 't
+Was alsof mij koud water over de leden stroomde: al mijn bloed scheen
+eensklaps naar mijn hart terug te keeren. Mijn drift was bekoeld:
+ik gaf een gil en bleef stokstijf staan. Maar ik bedacht mij niet
+lang. Ik strikte mijn schaatsen los, trok mijn wambuis uit--en Uwe
+Hoogheid zag, hoe het mij gelukte den knaap te redden."
+
+"En waarom heb je je zoo spoedig weggemaakt? Waarom wachtte je niet
+totdat de geredde was bijgekomen?"
+
+"Omdat," stotterde Pieter, terwijl hij verlegen op zijn vingers beet,
+"omdat... ik bang was, dat Jan mij zou bedanken."
+
+"En stelde je er dan geen belang in, of de geredde weer in het leven
+was gekomen?" vraagde de Prins.
+
+"Zóó lang had hij niet in het water gelegen, dat hij al dood
+kon zijn, of hij moest er dood in gevallen zijn, en dat wist ik
+beter (de Prins en de baron moesten om deze koddige opmerking
+glimlachen). Daarenboven--ik had hem er uitgehaald en dat was mijn
+plicht. Er waren menschen genoeg bij, om hem verder te behandelen."
+
+"En je hebt dus niet eens naar hem vernomen?"
+
+"Ik dacht slechts om droge kleeren aan te trekken en toen ik dit
+gedaan had, ben ik eens naar zijne buurt gewandeld, en vernam, dat
+hij levend thuis gebracht is en nu te bed ligt, zeker om de kou,
+die hij gevat heeft, uit te jagen."
+
+"En jij, Pieter! Heb jij dan geen kou gevat?"
+
+"Uwe Hoogheid, dat is niet hetzelfde. Mijn beroep is timmerman en ik
+moet in weer en wind, dikwijls in plasregens of sneeuwbuien, boven
+op daken of schouwen klimmen; dat maakt mij gehard;--Jan daarentegen
+is bij den goudsmid Verhoef, en staat meest aan den heeten smeltoven."
+
+"Verhoef?" zeide de Prins. "Die naam komt mij bekend voor."
+
+"Hij heet Hendrik Verhoef en woont op de _Vogelenmarkt_."
+
+"Maar Jan zal je toch wel komen bedanken."
+
+"Mijnentwege mag hij het laten, Uwe Hoogheid. Ik begeer geen dank
+van hem, vooral niet voor die beuzeling. 't Is de moeite niet waard
+om er van te spreken; ik zou hetzelfde voor een hond of een kat
+gedaan hebben."
+
+De jonge Prins glimlachte om deze taal.
+
+"Je maakt al bitter weinig ophef van je daad, Pieter," zeide
+hij. "Intusschen heb je getoond een goed hart te bezitten; ik wensch
+je daarvoor te beloonen."
+
+"Beloonen?--Uwe Hoogheid steekt den draak met mij. Daarenboven,"
+voegde hij er wel ietwat trotsch bij, "ik begeer geen loon."
+
+"Laat mij je dan een gedachtenis geven," zeide de Prins, terwijl
+hij een ring van zijn vinger trok. Thans kan ik nog weinig voor
+je doen. Maar mocht ik eens in staat zijn, je van dienst te wezen,
+dan kun je mij dezen ring toonen en aanspraak maken op mijne hulp."
+
+De knaap nam het kleinood aan, kuste dat en zeide:
+
+"Dien ring zal ik altijd op mijn borst dragen, Uwe Hoogheid..."
+
+Op dit oogenblik kwam Karel binnen.
+
+"Zijne Edelheid de Raadpensionaris houdt voor de deur stil," zeide hij.
+
+"Je kunt thans heengaan, Pieter," hervatte de Prins met ongeduld;
+hij wenschte blijkbaar, dat De Witt den knaap hier niet zou ontmoeten.
+
+Nauwelijks was Pieter vertrokken, of een bediende kondigde den nieuwen
+bezoeker aan. Kort daarop trad deze binnen, thans in het zwart,
+heel eenvoudig gekleed.
+
+"Ik wenschte Uwe Hoogheid een oogenblik alleen te spreken," begon hij.
+
+De page verwijderde zich; De Wit nam plaats op een stoel. De Prins
+bleef zwijgend in den zijnen zitten.
+
+"Uwe Hoogheid schijnt afgemat," begon de Raadpensionaris terwijl hij
+zijn doordringend oog op Willem Hendrik van _Oranje_ vestigde.
+
+"Vindt Uwe Edelheid dat?" vraagde de Prins ontwijkend.
+
+"Uwe Hoogheid moest zich het genot van het schaatsenrijden niet
+permitteeren. Het is te fatiguant voor Haar gestel."
+
+"Dunkt Uwe Edelheid dat?" hernam de Prins onderworpen.
+
+"Daarenboven past het Uwe Hoogheid weinig, zich met den grooten hoop
+op het veldijs te amuseeren. Waartoe toch is anders de _Hofvijver_
+alleen voor U en Uw gevolg?"
+
+"Maar het ijs op den _Hofvijver_ is nog te zwak."
+
+"Dan moet Uwe Hoogheid wachten tot het sterk is. Wanneer Uwe
+grootmoeder, hare Hoogheid de Prinses-weduwe, van hare reis terugkomt,
+zal zij zeer ontevreden zijn als zij hoort, wat Uwe Hoogheid gedaan
+heeft."
+
+"Dunkt Uwe Edelheid dat?" vervolgde de Prins op denzelfden onderworpen
+toon.
+
+"Ik kom U slechts waarschuwen," hernam De Witt. "Men heeft aan Uwe
+komst op het veldijs zeer verkeerde bedoelingen toegedicht. Men heeft
+gezegd, dat uwe Hoogheid het gedaan heeft, om zich in de gunst van
+het volk te dringen en verdeeldheid te zaaien. Mijne meesters, de
+Heeren Staten-Generaal, zouden dat wel eens euvel kunnen opnemen."
+
+"Die goede Heeren Staten!" hervatte de Prins schijnbaar
+onnoozel. "En zouden Hunne Hoogmogenden zich willen occupeeren met
+het schaatsenrijden van een elfjarigen knaap? Het zou waarlijk te
+veel eer voor mij zijn, mijnheer De Witt. Ik begrijp niet, wat voor
+belang zij er bij kunnen hebben, of ik op den _Hofvijver_ of op het
+veldijs mij met schaatsenrijden vermaak."
+
+"Ook heeft Uwe Hoogheid geld onder het volk uitgedeeld en men heeft
+seditieuze woorden geuit, en over U gejuicht."
+
+De Prins kleurde even, doch hernam: "Uwe berichtgevers hebben Uwe
+Edelheid verkeerd onderricht, mijnheer de Witt."
+
+"Uwe Hoogheid heeft toch geld uitgedeeld?"
+
+"Ik heb een geldstuk gegeven, aan twee mannen, die een drenkeling
+tot zijn bewustzijn hadden teruggebracht. Zij zouden hem naar huis
+brengen. Indien men zulks geld uitdeelen wil noemen, dan is Uwe
+Edelheid goed onderricht."
+
+"De knaap, die mij daar in de gang tegenkwam, is door u ontboden,"
+hernam De Witt streng. "Geeft dat pas?"
+
+"Ik wist niet, dat ik daaraan verkeerd deed," antwoordde de Prins
+nog steeds op ootmoedigen toon. "Uwe Edelheid herinnert mij daardoor
+aan een belofte, hem gedaan. Mocht die knaap ooit hulp of protectie
+noodig hebben, zoo zij hij in de welwillendheid van Uwe Edelheid
+aanbevolen. Hij waagde zijn leven, om een drenkeling te redden."
+
+"Hoe is zijn naam?"
+
+"Pieter Pietersz, een zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz in
+de _Spuistraat_."
+
+"Wij zullen zien," antwoordde De Witt, terwijl hij den naam van
+den aanbevolene in het zakboekje schreef, dat hij altijd bij
+zich had, en waarin ook de nauwkeurige berekeningen stonden van
+de vermoedelijke uitgaven en inkomsten van den Staat. Terwijl hij
+echter den naam schreef, mompelde hij: "Dat is een vuile aanhanger
+van de Oranjepartij."
+
+"En nu," vervolgde hij luide tot den Prins, "raad ik Uwer Hoogheid,
+in Haar eigen belang, om zoo iets niet meer te doen. Uwe Hoogheid
+herinnere zich, dat de Heeren Staten zulke dingen niet bedaard zouden
+kunnen aanzien, en dat Uwe voogden zich deswege niet zouden kunnen
+verantwoorden."
+
+Met deze woorden verliet de Raadpensionaris den jongen Prins, in de
+volle zekerheid, dat deze niet meer zulke demonstratiën zou verwekken
+en ten eenenmale gerust, dat die onnoozele onderworpen knaap niet
+anders was dan een werktuig, dat hij slechts buiten Engelschen invloed
+behoefde te houden, om het naar zijn welgevallen te besturen.
+
+Had Johan de Witt door de deur der kamer kunnen heenzien, of was
+hij het vertrek weder binnengetreden, hij zou het zoo licht niet
+gerekend hebben, dien knaap te beheerschen. Nauwelijks toch was
+de Raadpensionaris vertrokken en de deur achter hem gesloten, of
+diezelfde bedaarde, onderworpen knaap sprong van zijn stoel op;
+twee groote tranen ontwelden aan zijn oogen, hij balde krampachtig
+de vuisten, en terwijl hij zenuwachtig het vertrek op en nederliep,
+en voor het portret van zijn overgrootvader Willem den Eerste, bleef
+stilstaan; riep hij uit:
+
+"Groote God! Moet de afstammeling van den grondlegger der vrijheid
+dezer landen, van den redder des vaderlands, zich zóó laten trappen! O,
+indien gij op mij nederzaagt, gij, die goed en bloed hebt opgeofferd
+voor dit goede land.... Gij.... neen, frons uwe wenkbrauwen niet. Ik
+zal dulden, ik zal zwijgen; maar ik zal ook nooit de spreuk van ons
+huis vergeten [17]. Het groote doel, waarnaar ik streef, zal ik met
+Gods hulp toch eenmaal bereiken door geduld, moed en lijdzaamheid. Oui,
+je maintiendrai!"
+
+Op dit oogenblik werd de kamer geopend. Snel wischte de Prins de tranen
+weg, even snel trad hij aan het raam als wilde hij de Raadpensionaris
+nakijken.
+
+"Het schijnt, dat de heer De Witt Uwe Hoogheid van hare vermoeienis
+van hedenmorgen genezen heeft," zeide de binnenkomende page min of
+meer spottend.
+
+"Men heeft er behoefte aan, Freisheim, hen na te oogen, die het goed
+met ons meenen," antwoordde de Prins bedaard.
+
+"Hij het goed met Uwe Hoogheid meenen?" hernam de page met een
+ongeloovig schouderophalen.
+
+"Beter dan gij misschien denkt, Freisheim. Hij is mij vriendelijk
+komen waarschuwen en ik ben er hem dankbaar voor. Doch nu zoudt gij
+mij genoegen doen, uwe lectuur van straks voort te zetten. Wij waren
+gebleven aan de woorden: Zij bewonderden hem van ganscher harte."
+
+"Uwe Hoogheid heeft een singulier geheugen," hervatte de page, die
+met zijn nagel een streep had gehaald, waar hij bij het binnentreden
+van Pieter was gebleven. Op een wenk van den Prins zette hij zijn
+lectuur voort.
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+Een dure slaapkameraad.
+
+
+Wij slaan bijna zestien maanden over en begeven ons in het laatst
+van de maand April van het jaar 1663 nogmaals naar de woning van den
+pruikenmaker Pieter Dirksz. Als wij den winkel binnentreden, vinden wij
+er slechts één jongen. En als wij dien jongen aandachtig beschouwen,
+schijnt hij somber en gedrukt te zijn. Er is dan ook groote reden van
+droefheid in het huis van Pieter Dirksz, en die reden is de oorzaak,
+dat wij ook in de kamer achter den winkel niemand vinden. Wij doen dus
+de deur aan de linkerzijde open, treden de gang in en gaan de trap op,
+die ons op een donker portaal brengt, waar wij behalve de zoldertrap
+twee deuren vinden, van welke de eene tot de voor-, de andere tot
+de achterkamer toegang schenkt. Wij doen laatstgenoemde open en
+bevinden ons in een tamelijk ruim vertrek, waar wij in een ledikant
+met vierkanten hemel, van hetwelk de voorgordijnen zijn weggeschoven,
+vader Dirksz vinden liggen. Gij zoudt hem bijna niet meer kennen,
+den pruikenmaker, zoo zijn die wangen ingevallen, zoo hol staan
+die oogen, zoo bleek is dat gelaat. Sedert den vorigen herfst had
+de goede man geen gezond uur meer gehad. Een zware gevatte koude,
+die hem op de longen was geslagen, had hem eerst eenigen tijd in
+huis gehouden; toen echter alle gewone huismiddeltjes, waarvan onze
+voorouders machtig veel hielden, niets baatten, had men den dokter
+gehaald. Maar ook de kunst van dezen had niets kunnen uitrichten; de
+goede Dirksz verzwakte al meer en meer, en eindelijk kon de geneesheer
+het niet meer verbergen, dat onze pruikenmaker de longtering had en
+dat de dagen zijns levens geteld waren.
+
+Daar waren zij dan allen om zijn bed geschaard, zijne kinderen. Aan het
+hoofdeinde zat de trouwe Martha, die, sedert het huwelijk harer zuster
+met den kleedermaker Govert Knipschaar, het huishouden haars vaders
+had opgehouden en hem in zijne ziekte trouw verpleegd en opgepast
+had. Tegenover haar, aan het voeteneinde van het ledikant, zat Marie,
+die men had laten halen, omdat vader zoo naar was. Karel, Jacob, Evert
+en Pieter stonden voor het bed van den stervende geschaard. Deze was
+nog helder van geest, en ofschoon hij wel wist, dat hij spoedig zou
+heengaan, getroost in de beschikkingen van den Hemelschen Vader, die
+best weet wat goed is voor Zijne menschenkinderen; ja, hij verlangde
+zelfs naar den dood, die hem zou bevrijden van de vreeselijke
+benauwdheden, welke zich al meer en meer vermenigvuldigden, en hem
+zou brengen bij zijn Verlosser en Zaligmaker, die ook voor hem aan
+het kruis op Golgotha was gestorven. Hij gevoelde, dat het uur van
+zijn verscheiden nabij was en had daarom zijne kinderen om zich heen
+verzameld, om hun nog eenige vaderlijke lessen mede te deelen en
+afscheid van hen te nemen.
+
+Ik behoef u dan ook niet te zeggen, dat allen diep bedroefd waren en
+in tranen wegsmolten. Zij beloofden hunnen stervenden vader, dat zij
+zijne lessen nimmer zouden vergeten, dat zij steeds God den Heer voor
+oogen houden en elkander zouden liefhebben tot aan hunnen dood.
+
+"Ik sterf gerust," ging vader Dirksz voort; "want ik ga naar mijn
+Verlosser en Middelaar, den Heer Jezus Christus. Bij Hem zal ik Uwe
+lieve moeder terugvinden,--ik hoop u allen daar eens te zien."
+
+Op dit oogenblik werd de kamerdeur geopend; allen wendden hun blik
+naar dien kant en zagen niemand anders dan oom Klaas, die, na eene
+afwezigheid van bijna twee jaren, met den vice-admiraal De Ruyter,
+den 19den uit de _Middellandsche zee_ te _Texel_ was binnengeloopen en
+zich, zoodra hij verlof kon bekomen, had heengespoed, om zijn broeder
+te bezoeken. Weinig had de man gedacht, dat hij den geliefde in zulk
+een toestand zou terugvinden.
+
+"Ach, oom!" riep Pieter uit, die het eerst op hem toeliep. "Vader is
+zoo erg ziek. Hij zal het niet lang meer maken."
+
+"Wat zeg je, Pieter?" riep de zeeman verschrikt uit, terwijl hij
+zich naar het bed van den stervende begaf, waar Martha hem hare
+plaats inruimde.
+
+"Het is zoo, Klaas," antwoordde de kranke. "Mijne uren zijn geteld,
+en ik dank den Heer van leven en dood, dat ik je nog vóór mijn sterven
+mag zien. Ik durfde het niet hopen."
+
+"Mijn arme broeder! mijn arme Pieter!" riep oom Klaas uit. "Moest
+ik daarom hier komen, om je te zien sterven! Het was alsof ik er een
+voorgevoel van had. Ik wist maar niet, hoe spoedig ik herwaarts zou
+stevenen; ik verlangde zoo om je te zien.--Maar," ging hij tot Marie
+voort, "verhaal mij eens, hoe dat alles zich heeft toegedragen."
+
+Marie voldeed hieraan, en toen oom Klaas hoorde, dat zij gehuwd was,
+kon hij toch niet laten, er een paar rijmpjes van Cats bij te brengen.
+
+"Wel kind!" zeide hij. "Al getrouwd! Ja, jonge jaren willen paren,
+zegt vader Cats, en je hebt goed gedaan ook; want geen beter gemak,
+dan eigen dak."
+
+Toen men hem alles van de ziekte van vader Dirksz verhaald had,
+vatte hij de hand zijns broeders. Tranen stonden in zijne oogen.
+
+"Beste Pieter," zeide hij. "Je zult het wel ondervonden hebben, wat
+onze vrome Cats zegt: hoe zwaarder lot, hoe nader God! En dat zal je
+zeker verkwikt hebben op je ziekbed."
+
+"Dat heeft het mij, Klaas," antwoordde de stervende. "En de Heer heeft
+mij groote zegeningen op mijn ziekbed geschonken. Een daarvan is,
+dat ik je nog vóór mijn sterven mag zien, dat jij mij de oogen zult
+toedrukken en na mijn dood de vriend en de raadsman mijner kinderen
+zult zijn."
+
+"Dat beloof ik je, Pieter," antwoordde oom Klaas. "Je kunt daarop je
+hoofd gerust nederleggen."
+
+"Ik heb nog een bede aan je, Klaas!" vervolgde de stervende. "Je weet,
+hoe mijn Pieter reeds voor twee jaren naar zee wilde gaan."
+
+"En hoe je daar tegen waart, en ik het ook afried."
+
+"En hoe wij afspraken, om de zaak op zijn beloop te laten," hernam
+de zieke, "en te zien of de jongen bij zijn plan bleef."
+
+"Juist, Pieter, en is de jongen nog altijd in het oude zog blijven
+varen?"
+
+"Ja. Ik wil hem dan ook gaarne zijn zin geven."
+
+"Zoo, Pieter! Daar doe je wijs aan. Wat zal ik zeggen: hadden wij allen
+één zin, wij liepen allen één weg. De knaap zal dus zeeman worden?"
+
+"Met Gods hulp, ja. Maar, beste Klaas! Je weet best, wat voor
+verleiding er op zee is. Wil je den knaap tot vader strekken?"
+
+"Of ik dat wil? Dat behoef je niet te vragen. Ik beloof het je." En
+dit zeggende, drukte de ronde zeeman de hand van zijn broeder.
+
+De komst van oom Klaas gaf een geheele verandering in de
+gemoedsgesteldheid van de kinderen des stervenden. Ieder ging weder aan
+zijn werk, terwijl oom Klaas, die verzekerd had dat vader nog wel niet
+zoo spoedig zou sterven, aan het bed bleef zitten en, wat de kranke
+er tegen inbracht en hoe ook de kinderen er tegen protesteerden,
+dien nacht bij zijn broeder bleef waken. Martha wilde zoo gaarne
+bij hem opblijven; maar oom had haar naar bed gejaagd en beloofd,
+haar te zullen roepen, als er dadelijk gevaar van sterven was.
+
+In den morgenstond van den volgenden dag stierf Pieter Dirksz, en
+liet zijne kinderen als weezen achter. Ik zal u hunne droefheid niet
+schetsen; het was een heele troost voor hen, dat oom Klaas bij hen
+was. Hij gaf hun den noodigen raad, hoe zij te handelen hadden met
+de begrafenis, en wat hun verder te doen stond om de zaken van hun
+overleden vader te regelen, volgens de toenmalige wetten. Intusschen
+moet ik u nog een enkel woord van de begrafenis mededeelen. Toen
+vader Dirksz overleden was, zond oom Klaas den winkeljongen naar den
+gildeknecht, die den doode aan al de broeders van het pruikenmakersgild
+aanzeide. Vervolgens werd den leden van het gild, die volgens den
+rooster dragen moesten, door gemelden gildeknecht aangezegd, om met
+lamfers aan hunne hoeden en rouwmantels om, op den dag der begrafenis
+op het daartoe bepaalde uur te verschijnen ten sterfhuize, ten einde
+den overledene te dragen; welke rouwmantels, een eigendom van het
+gild, hun door den knecht aan huis bezorgd en later bij hen afgehaald
+werden. De andere leden van het gild, die twee aan twee achter het
+lijk zouden gaan, moesten in hunne gewone kleeding, in hunne wijde en
+lange mantels op hetzelfde uur komen. Vóór het lijk uit ging een lid
+van het aansprekers- of biddersgild, dat sedert 1626 tot op tien leden
+verminderd was, welke door den Magistraat moesten beëedigd worden. De
+aanspreker of bidder ging eerst, op hem volgde de knecht van het
+gild met het beeld van den schutspatroon op een vaandel, daarop de
+lijkkist met een lakensch rouwkleed (pelt) bedekt, welks slippen door
+den deken en de drie hoofdlieden werden vastgehouden, terwijl de kist
+zelf door de reeds genoemde leden van het gild werd gedragen. Vlak
+daarachter volgden: eerst Karel en Jacob, toen Marie's man met
+Evert en eindelijk oom Klaas met Pieter, alle zes met lamfers aan
+de hoeden en rouwmantels om, welke hun door het biddersgild verhuurd
+waren. Achter hen aan traden twee aan twee de leden van het gild. Zoo
+trok de stoet de _Spuistraat_, _Vlamingstraat_ en _Schoolstraat_ door,
+tot aan de Groote kerk, waar de kist van Pieter Dirksz in een graf,
+dat in het daarom gelegen kerkhof gedolven was, werd nedergelaten,
+en de stoet naar huis terugkeerde. Hier hadden Marie en Martha
+intusschen gezorgd voor het noodige. Brood, vleesch, kaas, worst,
+bier, brandewijn, alles stond in overvloed voor het "begrafenismaal"
+gereed. Men zou gemeend hebben, als men dien opgetorenden schotel met
+brood zag, dat deze mannen van verre plaatsen gekomen waren en nog
+heel wat te reizen hadden, of dat die wandeling van de Spuistraat
+naar de Groote kerk hun hongerige magen bezorgd had. Maar dat was
+toen en nog lang daarna de gewoonte, en hoe meer brood en vleesch en
+kaas en worst en bier en brandewijn er gebruikt werd, hoe meer men
+daarmede den overledene eer bewees,--een treurig overblijfsel van
+de Germaansche lijkfeesten. Het gebeurde dan ook dikwijls, dat zulk
+een begrafenismaal vrij wat vroolijker afliep dan menige bruiloft, en
+dat er bij den afloop menig vriend van den overledene naar huis ging,
+die zoo lang drankoffers aan den afgestorvene geplengd had, tot hij
+eindelijk, mooi boven zijn bier en zwaaiend langs de straten, blij was,
+als hij zonder vallen en horten en stooten zijn woning bereikt had. Men
+had dan ook begrafenisbier, begrafeniskaas en dergelijke. Gelukkig
+dat die "begrafenismalen" in de steden althans [18] zijn afgeschaft.
+
+Daar men gedurende de dagen tusschen het overlijden en de begrafenis
+toch niet altijd over vader Dirksz kon spreken, zoo had Pieter oom
+Klaas verzocht, te verhalen, wat hem alzoo gedurende zijne laatste
+reis gebeurd was, en de goede man voldeed hieraan volgaarne, te meer,
+daar ook de anderen hem zulks vraagden. Ik zal u intusschen dat verhaal
+niet in zijn geheel mededeelen, maar er liever enkele bijzonderheden
+van aanstippen.
+
+In het laatst van de maand Mei 1661 met een vloot van tien schepen
+in zee geloopen, keerde de Vice-admiraal De Ruyter den 30sten Juni
+daarop naar _Texel_ terug, werwaarts hij ettelijke Nederlandsche
+schepen begeleid had. Eerst den 17den Juli vertrok hij met zeventien
+bodems naar de _Middellandsche zee_, om de Turken voor het nemen
+onzer schepen te tuchtigen en de zee, zooveel mogelijk, van roovers
+schoon te vegen. Ik zal u niet verhalen, hoe De Ruyter ook hier
+aan zijn last voldeed, en hoe zelfs de Turken hem groote eer en
+vriendschap bewezen.--Eene aardigheid echter wil ik u vertellen, die
+plaats vond, terwijl De Ruyter voor de haven van _Farina_ (eenige
+mijlen noordwestelijk van het oude _Karthago_) lag, in welke hij
+zeven Turksche zeeschuimers gejaagd had. Terwijl de Vice-admiraal
+met den koning van _Tunis_, Mahomet Pacha en den bassa Dublet Lie
+Hadsje Mustapha aan het onderhandelen was over de inwisseling en
+loskooping van de bij de Turken gevangene Christenslaven, terwijl
+hen de Turken van eenige versche proviand voorzagen, kreeg hij van
+den schout-bij-nacht van _Algiers_, Suliman Bassa Reys den volgenden
+bluffenden brief:
+
+
+ "Mijnheer!
+
+ "Hoewel ik U, wegens den godsdienst, geheel tegen ben, evenwel
+ hoop ik, dat gij mijn verzoek zult toestaan. Gij hebt mij tot
+ driemalen vervolgd bij _Maltha_, bij _Sicilië_, en nu bij de
+ haven van _Farina_, waarin gij mij gejaagd hebt. Ik nam telkens
+ de vlucht, niet bij gebrek aan moed, maar door ongelijkheid van
+ macht; want ik heb slechts een bark tegen uw zeekasteel. Daarom
+ doe mij de eer, en zend tegen mij, als Schout-bij-nacht van
+ _Algiers_, uwen Hollandschen Schout-bij-nacht, om schip tegen
+ schip mijn fortuin en het geluk van den oorlog te beproeven,
+ en mij te weren als een soldaat. Word ik overwonnen, ik zal uw
+ slaaf zijn. Win ik, het zal mij eere zijn. Geef hiertoe verlof,
+ en indien ik dan niet uitkom, zoo ben ik als de lafste vrouw
+ van _Holland_. Mijnheer, zijt gegroet van mij
+
+ Uwen dienaar."
+
+
+De Ruyter antwoordde op dit schrijven, dat zijn Schout-bij-nacht Van
+der Zaan, met zijn schip op plaats en tijd, die de Turk zou goedvinden,
+den tweekamp zou aanvaarden; terwijl hij beloofde, dat noch hij noch
+één der Hollandsche kapiteins genoemden Schout-bij-nacht eenige de
+minste hulp zou toebrengen. Den admiraal van _Tunis_ verzocht hij,
+kampvechter in dat zonderlinge gevecht te zijn.
+
+Maar nu bleek het, welk een bluffer de Turk was. Van der Zaan kwam wel
+ter bestemder plaats, maar wachtte tevergeefs op den grootspreker,
+die den moed niet had om de haven uit te komen, maar zich bij zijne
+makkers onder de veilige hoede der kasteelen verschool.
+
+Na den moedwil der zeeroovers beteugeld en onzen naam weder geducht
+gemaakt te hebben onder de Turksche vrijbuiters, na verdragen met
+_Tunis_, _Algiers_ en _Tripoli_ te hebben gesloten, na tal van arme
+Christenslaven uit de ketenen der Turken verlost te hebben, keerde
+De Ruyter, zooals wij gezien hebben, in het laatst van April 1663 in
+het vaderland terug om toch eenmaal eenigen tijd rust te genieten te
+midden der zijnen; want hij bleef dat geheele jaar en een gedeelte
+van het volgende aan land.
+
+Keeren wij thans tot onzen Pieter terug. Gij hebt gezien hoe zijn
+vader volkomen verzoend was met zijne idée om zeeman te worden, en
+ik ben u dienaangaande eenige opheldering schuldig. Gij moet weten,
+dat de Prins van _Oranje_, die den koenen knaap zeer genegen was,
+den pruikenmaker daarover gesproken had, daarbij tevens de verzekering
+voegende, dat hij Pieter aan den Raadpensionaris had aanbevolen en dit,
+als de jongen oppaste, nog wel eens zou herhalen, zoodat zijn fortuin
+gemaakt scheen. Intusschen was vader Dirksz altijd bij zijne meening
+gebleven, dat de knaap nog te jong was. Oom Klaas nu, aan wien na
+'s vaders dood de zorg voor den wees in het bijzonder was opgedragen,
+en die verlof gevraagd en gekregen had om, zoolang zijn schip buiten
+dienst was, thuis te blijven, had een ander plan met den knaap. Hij
+wist hem te _Rotterdam_ op de scheepstimmerwerf der Admiraliteit te
+plaatsen, opdat Pieter dan als timmerman op het schip in dienst zou
+komen, hetgeen hem van vele onaangenaamheden zou verlossen, die den
+bootsmansmaat op het oorlogsschip wachtten en niet zou beletten,
+dat ook hij, wanneer er gevochten moest worden, zich zou kunnen
+onderscheiden en op bevordering rekenen.
+
+Pieter kwam alzoo op de werf van de Admiraliteit, en, daar hij bij
+baas Balkenende reeds aardige vorderingen in het timmeren gemaakt had,
+zoo kon men hem daar zeer goed gebruiken en verdiende hij een tamelijk
+daggeld. Van dit geld betaalde hij zijn kosthuis en voorzag hij zich
+van de noodige kleeding. Zoolang de zomer duurde, begaf hij zich alle
+Zaterdagavonden, nadat het werk afgeloopen was en hij zijn weekgeld
+had ontvangen, naar 's-_Gravenhage_, waar oom Klaas nog altijd in
+zijns broeders huis logeerde. Dat was dan een recht feest voor hem,
+en vooral voor Martha, die altijd zorgde, iets lekkers voor hem gereed
+te maken. Meestal voer hij slechts tot _Delft_ mede en wandelde den
+Delftschen weg op naar _Den Haag_. Zondagsavonds echter moest hij weder
+op weg; als het weer goed was, brachten hem oom Klaas, Jacob en Evert
+gewoonlijk tot _Rijswijk_, soms wel tot _Delft_ en dan ging Pieter in
+de schuit of, als hij er lust in had, wandelde hij tot _Rotterdam_
+want onze knaap was heel zuinig en vond het te duur, om altijd te
+varen. Toen echter het najaar aankwam, moest Pieter in _Rotterdam_
+blijven en dan was het hem wel wat eenzaam en treurig. Spoedig
+evenwel gewende hij daaraan, en ging hij als het weder goed was,
+Zaterdagsavonds buiten de poort een kroes bier drinken in de eene of
+andere herberg, waar hij dan meestal kennissen aantrof. Des Zondags
+ging hij gewoonlijk tweemaal ter kerk en wandelde na de middagpreek nog
+eens langs de _Maas_, waar hij zich vermaakte met de schepen te zien
+liggen. Gewoonlijk bracht hij dan den avond in de herberg "de Trouwe
+Harder" [19] door, waar hij echter zorg droeg, weinig te verteren.
+
+Op zekeren avond zat onze Pieter weder in "de Trouwe Harder" zijn glas
+bier te drinken, toen hij zich onverwachts op den schouder voelde
+tikken. Hij keek om, en terstond herkende hij zijn ouden makker en
+vroegeren vijand, Jan IJzer. Ik heb mijne lezers omtrent dezen knaap
+in de onzekerheid gelaten en het spijt mij, dat ik dit gedaan heb. Maar
+het kwam zoo in mijn verhaal te pas, en ik wil de fout herstellen.--Wij
+hebben gezien, hoe onze Pieter dacht over het redden van zijn vijand,
+en ik behoef u niet te zeggen, dat hij geen moeite deed, om verder
+iets van den door hem geredde te weten te komen.--Nu moet ik u zeggen,
+dat Jan IJzer, hoe slecht van hart hij ook was, toch behoefte gevoelde,
+om Pieter zijn dank te betuigen; want hij begreep maar al te wel, dat
+hij zonder diens hulp verloren ware geweest. Zoodra hij dus beter was,
+ging hij naar Pieter toe; maar deze ontving hem zoo koel, dat de oude
+vijandschap in het hart van Jan herleefde. Zeker was het verkeerd in
+den knaap, zoo onverzoenlijk te zijn; maar wanneer men bedenkt, hoe
+Jan hem had behandeld, toen hij daar hulpeloos in den tuin van baas
+Gerritsz lag en daarbij in het oog houdt, hoe hij, toen Jan in gevaar
+was, zijn leven niet te kostbaar geacht had om zijn vijand te redden;
+dan kan men het onzen Pieter niet kwalijk nemen, dat hij zich zoo
+onverschillig omtrent den goudsmidsjongen gedroeg. Bij hem bestond
+geen haat,--hij mocht den knaap niet en liet hem links liggen. Maar
+bij Jan, die, had Pieter hem anders ontvangen, zeker zijn vriend
+ware geworden, bracht die onverschilligheid een ander gevoel te weeg:
+dat van onverzoenlijke vijandschap.
+
+Jan, wien het goudsmeden niet meer beviel, en die het met meester
+Verhoef niet best kon vinden, had eenige weken geleden, stil _Den Haag_
+verlaten en was naar _Rotterdam_ vertrokken: iets wat Pieter, die zich
+niets aan Jan gelegen liet liggen, in het geheel niet wist. Hij was
+dus zeer verwonderd, toen hij hem daar zoo onverwacht in een vreemde
+stad terugzag.
+
+"Jij hier Jan?" zeide hij verwonderd. "Ik dacht, dat je nog hoog en
+droog in _Den Haag_ zat."
+
+"Ik wenschte, dat dit zoo ware," zeide Jan op treurigen toon.
+
+"Welnu, wat belet je dan, weder naar _Den Haag_ te gaan?" hernam
+Pieter koel.
+
+Jan begon te schreien en zette zich naast Pieter neder.
+
+"Ik weet wel," begon hij, "dat je mijn vriend niet zijt. Als ik hier
+iemand anders had, zou ik mij niet tot jou gewend hebben. Maar ik
+ben hier vreemd en heb niemand, die eenig belang in mij stelt. Daarom
+dacht ik zoo, toen ik je deze herberg binnen zag gaan: Pieter Pietersz
+is toch een Haagsche jongen net als jij en zal zijn stadgenoot niet
+in den nood laten."
+
+"Maar wat moet dit alles beteekenen?" vraagde Pieter die niet begreep
+waar de knaap heen wilde.
+
+"Dat zal ik je zeggen," antwoordde Jan, "en ik wil je oprecht alles
+bekennen. Weet dan, dat ik stil uit vaders huis ben weggeloopen."
+
+"Maar dat is heel ondeugend van je, Jan!" hervatte Pieter. "En waarom
+heb je dat gedaan?"
+
+"Omdat ik het bij dien knorrepot van een Verhoef niet langer kon
+uithouden en vader van geen anderen baas wilde hooren. Zoo nam ik,
+nu een week geleden, den pas onder de voeten, en met mijn weekgeld in
+den zak, stapte ik stilletjes over _Delft_ hier naar toe. Ik dacht
+gemakkelijk bij den een of anderen baas werk te zullen vinden, maar
+mijne hoop werd bitter teleurgesteld. Ik kreeg geen werk, teerde mijn
+geld op, en trachtte wat te verdienen met pakjes te dragen voor de
+heeren, die met de schuit aankwamen. Maar de Rotterdamsche jongens, die
+niet verkozen, dat een vreemde het geld verdiende, waarop zij meenden
+recht te hebben, beloofden mij een pak slaag, als ik het waagde mij
+weder aan een der schuiten te vertoonen, en tegen de overmacht kon
+ik slecht op. Zoo heb ik alles verkocht wat ik nog van eenige waarde
+bij mij had, en nu, sedert gistermiddag heb ik geen stukje gegeten."
+
+"Je hebt zeer verkeerd gedaan, Jan," hervatte Pieter, "met van je
+vader weg te loopen. Maar ik wil geen zedepreek houden; wat gedaan is,
+is gedaan. Intusschen kan het hersteld worden. Je moet weer naar je
+vader terug en hem om vergiffenis vragen."
+
+"Maar hij zal mij niet weer in huis willen nemen."
+
+"Hij zal wel. Maar dan moet je evenals de verloren zoon uit de
+gelijkenis, met berouw bij hem komen."
+
+"Ik wil dit doen, Pieter. Morgen reeds zal ik naar hem toegaan. Maar ik
+kan toch van nacht niet op straat blijven. O! ik weet geen raad! Als er
+zich maar iemand over mij erbarmde. Nog geen half uur geleden, was ik
+zoo wanhopig, dat ik in de _Maas_ wilde springen. Maar ik dacht: laat
+mij de stad nog eens ingaan. Misschien ontmoet ik de eene of andere
+medelijdende ziel, die zich mijner aantrekt. O, als je mij van avond
+slechts wat eten wilt geven en mij van nacht bij je wilt laten slapen,
+dan ga ik morgen naar vader terug, en ik zal er je altijd dankbaar
+voor zijn, dat je mij van den rand des afgronds hebt teruggebracht. Ik
+zal mijn leven beteren, en trachten een braaf mensch te worden."
+
+Pieter dacht een oogenblik na. Hij had er niet veel zin in, zijn bed
+met den knaap te deelen. Maar hem aan zijn lot over te laten, dat
+kon toch ook niet, daartegen verzette zich zijn goed hart. Nu kwam
+het wel in hem op, Jan voor dien nacht in een logement te besteden;
+maar dat kostte geld en onze Pieter was heel zuinig. Hij besloot dus
+maar, om Jan mede te nemen naar zijn kosthuis.
+
+"Hoor eens,"' zeide hij. "Kan ik er stellig op rekenen, dat je morgen
+naar je vader terugkeert?"
+
+"Zoo zeker als ik hier voor je sta," antwoordde de andere.
+
+"Welnu, ga dan met mij mede; dan zal ik de vrouw uit mijn kosthuis
+verzoeken, je wat eten te geven en dan slaap je van nacht bij mij."
+
+Jan had hem wel de handen willen kussen van blijdschap, en onze
+scheepstimmerman, tevreden over zich zelf om de goede daad, die hij
+ging verrichten, liet den waard een glas bier voor zijn gast geven;
+niet lang daarna stapten zij naar huis.
+
+Hoe verwonderd was onze Pieter, toen hij, den volgenden morgen wakker
+wordende, zijn slaapkameraad van zijne zijde miste.
+
+"Hij zal niet hebben kunnen slapen van angst bij de gedachte aan
+de ontmoeting met zijn vader," dacht hij, schoof het bed-gordijn
+wat weg en keek in zijn kamertje rond. Maar wie hij zag, Jan
+niet. Waarschijnlijk is hij naar beneden om een noodzakelijke behoefte
+te verrichten, zeide hij en ging weer liggen. Maar hij kon den slaap
+niet meer vatten en stond dus op. Hoe verschrikt was hij echter, toen
+hij zijn wambuis en zijn hozen miste, die hij den vorigen avond op den
+stoel voor zijn bed had nedergelegd. Hij schrikte; want in den broekzak
+bevond zich zijn volle weekgeld, en de gedachte kwam eensklaps in hem
+op: "Hoe, indien Jan mij eens bedrogen, mij bestolen had!" Maar de
+knaap was zoo bedroefd geweest en had hem zoo plechtig beloofd, naar
+huis terug te zullen keeren. Had hij ook gisteren avond zijne kleeren
+ergens anders gelegd? Maar hoe hij zocht--en het kamertje was klein,
+dus behoefde hij niet lang te zoeken--nergens vond hij de vermiste
+zaken. Hij werd nu ernstig ongerust en riep zijne huiswaardin, aan wie
+hij vraagde, of zij ook iets wist van den knaap, dien hij den vorigen
+avond had medegebracht. Deze antwoordde hem, dat die reeds voor dag
+en dauw vertrokken was. Hij had een pakje onder den arm gehad en haar
+gezegd, dat hij met de eerste schuit naar 's-_Gravenhage_ wilde en
+dat hij maar heel stil was opgestaan, om zijn vriend niet wakker te
+maken; want de Zondag was de eenige dag, dat deze eens kon uitslapen,
+op de andere dagen moest hij toch altijd zoo vroeg naar zijn werk. Hij
+had haar ook wél verzocht, hem zijne hartelijke groete te doen.
+
+Twee groote tranen sprongen den armen Pieter uit de oogen.
+
+"Ik ben bedrogen, vrouw Martensz!" zeide hij, "schandelijk bedrogen
+en bestolen. De schurk heeft mijn hozen en mijn wambuis, ja, nog wat
+meer is, mijn volle weekgeld meegenomen. O, dat ik ook zoo dom was,
+aan zijne mooie praatjes geloof te slaan!"
+
+En hij vertelde aan zijne huiswaardin, wie Jan was, wat er reeds
+vroeger met hem gebeurd was, en hoe hij hem den vorigen avond in
+"de Trouwe Harder" ontmoet had.
+
+Vrouw Martensz schudde het hoofd.
+
+"Ieder braaf mensch zou in jouw geval hetzelfde gedaan hebben," zeide
+zij op goedigen toon. "Wie zou ook op zulk een boosheid verdacht
+zijn! Gelukkig, dat hij je Zondagsche wambuis en boksen niet heeft
+kunnen meepakken. 't Is al heel singulier; anders leg ik het altijd
+Zaterdagsavonds voor je gereed. Nu je iemand bij je hadt, dacht ik,
+moest ik maar tot van morgen wachten."
+
+"Dat is nog een geluk bij een ongeluk, vrouw Martensz." hervatte
+Pieter. "Maar wat maller is, nu zal ik je van de week mijn kostgeld
+niet kunnen betalen; want wat ik heb opgespaard, zal ik wel aan een
+nieuw werkpak moeten besteden."
+
+"Dat is niets, mijn jongen," antwoordde vrouw Martensz. "Dat zal wel
+terecht komen. Je behoeft daar geen haast mee te maken. Maar ik zal
+mijn man eens roepen, en dan kunnen wij samen bespreken, wat wij aan
+de zaak zullen doen en of het niet goed zou zijn, den diefstal bij
+den Schout aan te geven."
+
+"Waarschijnlijk zal dat niet veel helpen, vrouw Martensz,"
+hernam Pieter. "De dief zal wel met zijn buit de stad verlaten
+hebben. Daarenboven, ik zou niet gaarne de oorzaak zijn, dat hij op
+het schavot en in het rasphuis kwam."
+
+"_Jij_ moet het weten, Pieter!" hernam de vrouw. "'t Is jouw zaak. Maar
+als het mij te doen stond, dan wist ik wel, dat ik het zoo niet zou
+laten afloopen. Al kon ik mijn goed en mijn geld niet terugkrijgen,
+de schelm zou er zoo gemakkelijk niet afkomen."
+
+Wat ook baas Martensz en zijne vrouw zeiden, Pieter wilde er niet
+van hooren om de zaak aan te geven: liever getroostte hij zich in
+zijn verlies, dan dat hij den knaap die hem zoo bedrogen had, voor
+zijn leven ongelukkig wilde maken.
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK
+
+Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in
+de wereld.
+
+
+Zoo stuurman, is dat nu je neef Pieter, van wien je mij gesproken hebt
+en die mij zelfs door Zijne Hoogheid den Prins zoozeer is aanbevolen?"
+
+"Om Uwe Edelheid te dienen, Vice-admiraal," antwoordde de
+aangesprokene. "En ik hoop, dat Zijne Hoogheid met hare aanbeveling
+eer moge inleggen."
+
+"Dat willen wij verwachten, stuurman. Hoe oud ben je,
+Pieter?" vervolgde de Vice-admiraal tot den jongeling.
+
+"Aanstaanden twaalfden Augustus wordt ik, als het God belieft,
+achttien jaar," antwoordde deze.
+
+"En je bent een knap timmerman?" vervolgde de Vice-admiraal. "Welnu,
+als zoodanig kun je van nut zijn, terwijl je voor het overige dan
+gewonen dienst zult verrichten."
+
+"En zoo ik hoop met trouw en ijver, Vice-admiraal," hernam Pieter. "Ik
+zal mijn best doen, uwe tevredenheid te verwerven en steeds trachten,
+Uwe Edelheid na te streven, zij het dan maar in de verte."
+
+"Dat is braaf gedacht," vervolgde de Vice-admiraal. "En dan kun
+je tevens een voorbeeld nemen aan je braven oom. Maar vooral, mijn
+jongen! bij al wat je ontmoet, het oog naar boven, den blik geslagen op
+den Heer, in wiens hand ons leven, onze adem en ons lot berust. Dan zul
+je altijd kalm en bedaard blijven te midden van den woedenden storm,
+onder het gefluit, van den dichtsten kogelregen."
+
+Mijne lezers zullen wel reeds begrepen hebben wie de drie personen
+waren, tusschen welke het boven aangehaalde gesprek den achtsten April
+1664 plaats had op het schip "de Spiegel" dat met vijf andere schepen
+en een vaartuig met proviand door de Admiraliteit van _Amsterdam_
+was uitgerust tot een nieuwen tocht naar de _Middellandsche zee_. De
+Admiraliteit van _Rotterdam_ had de "Prinses Louise", gekommandeerd
+door den schout-bij-nacht Van Nes, met twee andere schepen daarbij
+gevoegd, en van het Noorder-kwartier waren er insgelijks drie
+vaartuigen bij de vloot, waarvan het schip "het Noorder-quartier"
+door den Vice-admiraal Meppel werd gevoerd.
+
+Het waren de Vice-admiraal De Ruyter, Klaas Dirksz en Pieter
+Pietersz. Intusschen zien wij daar nog een knaap naast De Ruyter
+staan, wiens fijn lakensche kleeding zijn aanzienlijken stand en
+goede afkomst verraden. Hij is nog geen vijftien jaren, maar fiks uit
+de kluiten gewassen, en als wij hem goed aanzien, dan schijnt het
+ons toe, dat er in dat gelaat veel gelijkenis ligt met dat van den
+Vice-admiraal. En geen wonder; want die vijftienjarige knaap, die daar
+stilzwijgend maar met blijkbaar welgevallen onzen Pieter aanstaart,
+is niemand anders dan de eenige zoon van den grooten zeeheld: het is
+Jonker Engel de Ruyter, die voor de eerste maal ter zee zal varen, om
+onder het oog van zijn beroemden vader "het soldaat- en zeemanschap
+te leeren." Hij heeft tijdens het bezoek, dat stuurman Dirksz ten
+huize van den Vice-admiraal bracht, reeds zooveel van onzen Pieter
+gehoord, dat hij al verlangend was, om hem te zien. 't Zal u dus ook
+niet verwonderen, dat beiden spoedig goede maatjes zijn; want al is
+Jonker Engel van adel, hij heeft de deugd der nederigheid van zijn
+edelen vader geërfd, en een karakter als dat van Pieter kan niet
+anders dan den vurigen en fikschen knaap innemen.
+
+Den volgenden dag voer De Ruyter met zijne zeven schepen naar het
+_Vlie_, vanwaar hij eerst den achtsten Mei in zee liep en den
+21sten dier maand te _Cadix_ aankwam, om zich met het smaldeel
+van den Vice-admiraal Meppel en den Schout-bij-nacht Van Nes te
+vereenigen. Hierop verdeelde hij de vloot in twee smaldeelen of
+eskaders van welke hij het eerste als opperhoofd en Admiraal der
+vloot aanvoerde; terwijl de kommandeur De Wild als Vice-admiraal
+en de kapitein Willem van der Zaan als Schout-bij-nacht onder hem
+kommandeerden: het tweede eskader stond onder den Vice-admiraal
+Meppel als tweeden Admiraal, den Schout-bij-nacht Aart van Nes als
+Vice-admiraal en den kapitein Deendert Haaxwaard als Schout-bij-nacht.
+
+Den tweeden Juni, terwijl de vloot naar _Malaga_ stevende, bevond onze
+De Ruyter zich in het geheel niet wel. Hij werd aangetast door een
+zware bloeddiarrhée, die niet minder dan drie volle weken duurde en
+hem zoozeer verzwakte, dat de dokter voor zijn leven vreesde. Welk een
+treurige toestand voor den armen Engel. Maar hoe gelukkig voor hem,
+dat hij bij den geliefden vader was, hem kon oppassen en verzorgen. Ook
+Pieter had verlof gevraagd, Engel van tijd tot tijd af te wisselen
+en ook hem was deze zorg een groot genoegen. Meestal waakte hij 's
+nachts, terwijl Engel des daags voor de kranke zorgde, en hij leerde
+veel, zeer veel voor zijn volgend leven van den vromen Admiraal, die
+in al zijn lijden zooveel Christelijke onderwerping en zulk een kalme
+berusting in Gods wil betoonde, ja, die zijne eigene smarten vergat,
+om toch maar werkzaam te zijn voor de belangen van 's lands vloot en
+op alle voorvallende zaken orde te stellen.
+
+'t Was dan ook een vreugde op "de Spiegel," toen de geliefde Admiraal
+voor het eerst op het dek kwam en ieder om het zeerst hem geluk
+wenschte met zijn herstelling, ja, op al de schepen vierde men feest
+en bad men den Heer in den Hemel om een lang en gelukkig leven voor
+den geliefden vlootvoogd.
+
+Wij zullen hen op dezen tocht niet volgen. Liever begeven wij ons naar
+het vaderland terug, ten einde te zien, wat daar intusschen gebeurde;
+te zijner tijd komen wij van zelf op de vloot van Michiel Adriaanz. de
+Ruyter terug.
+
+Ik heb op Bladz. 84 gesproken van den Frieschen Stadhouder Willem
+Frederik, die met Albertina Agnes, 's Prinsen tante, gehuwd was. Deze
+Willem Frederik zou in 1655 tot Veldmaarschalk van den Staat benoemd
+zijn, indien men niet nog bijtijds ontdekt had, dat hij met een klerk
+[20] van De Witt heulde, die hem de geheime stukken zijns meesters
+overbracht, hetgeen de graaf in ongenade deed vallen bij de Hollandsche
+partij, die niet alleen de benoeming niet liet doorgaan, maar zelfs het
+veldmaarschalksambt vernietigde. Intusschen bleef de graaf bevelhebber
+van de troepen van den Staat en bewees dien als zoodanig gewichtige
+diensten. Jammer, dat een treurig ongeval onverwachts een einde
+aan zijn leven maakte. Het was op Zondag, den 24sten October 1664,
+terwijl Albertina Agnes naar de kerk was, dat de Prins, bezig met de
+toebereidselen om zich naar de grenzen van _Westphalen_ te begeven,
+een zadelpistool, dat hij wilde medenemen, onderzocht. Het pistool
+weigerde, en de Prins, die wilde zien waar het aan haperde, trok er
+den stempel uit en keek in den tromp. Op het zelfde oogenblik echter
+ging op het onverwachts het pistool af, de kogel trof den Vorst in
+de kin, en kwam aan de zijde van den neus vlak onder het oog uit. De
+ongelukkige Prins stortte achterover en werd door de toegeschotene
+bedienden opgeholpen en te bed gebracht. Vreeselijk had de kogel
+zijn gebit verwoest: de beide kakebeenen waren verbrijzeld, zoodat
+de gewonde noch spreken noch eten kon. Men deed wat mogelijk was:
+men dacht zelfs een werktuig uit, waardoor men bouillon in de maag
+poogde te brengen. Maar alles was vruchteloos: felle koortsen, die
+den Prins aantastten en in de wond sloegen, sleepten hem, reeds den
+zevenden dag na de verwonding, ten grave. Tot het laatste oogenblik
+bleef hij bij zijn volle kennis. Een dag vóór zijn dood beval hij
+zijne gemalin en zijn drietal kinderen den Staten van _Friesland_
+schriftelijk aan. Hij werd opgevolgd door zijn eenigen zoon Hendrik
+Kasimir II, een kind van ruim zeven en een halfjaar [21], nog
+minderjarig en onder voogdijschap zijner moeder.
+
+Het had weinig gescheeld, of de dood van den doorluchtigen Prins
+had dien van een ander vorst uit het huis van Nassau ten gevolge
+gehad. Prins Joan Maurits namelijk, die bij de begrafenis van zijn
+neef was tegenwoordig geweest, keerde met een aanzienlijken stoet
+huiswaarts. Te _Franeker_ gekomen, brak eensklaps de wipbrug, terwijl
+de Prins er op was; deze viel met vijf anderen in het water. De
+laatsten werden terstond gered; niet zoo spoedig de Prins, die onder
+zijn paard lag. Nauwelijks echter was hij aan wal, of hij viel op de
+knieën om God te danken voor de wonderlijke bewaring, hem ten deel
+gevallen. De omstanders, denkende dat hij de beenen had gebroken,
+snelden toe om hem op te helpen, spoedig echter bemerkten zij hunne
+dwaling. De Prins, eenigermate aan het borstbeen gekneusd, herstelde
+gelukkig binnen korten tijd.
+
+Maar andere gebeurtenissen hadden er in 1664 plaats gehad. Karel II
+van _Engeland_, ingenomen tegen de Loevesteinsche partij in _Holland_,
+die zijn neef Willem Hendrik uit alle waardigheden hield, naijverig
+op den invloed dien wij in het Noorden hadden gekregen en op den
+bloei van onzen handel, die verre den Engelschen overtrof, Karel II
+had zich daden veroorloofd, welke op niets anders konden uitloopen
+dan op een vernieuwden oorlog met _Engeland_. In het voorjaar van
+1664 was Robert Holmes met een Smaldeel afgezonden en had, op last
+der Engelsch-Afrikaansche maatschappij, het eiland _Goeree_, nabij
+kaap _Verd_ gelegen, vermeesterd, elf Nederlandsche schepen vóór
+_George d'Elmina_ weggenomen, _Cabo-Corso_ beschoten en veroverd,
+en in _Amerika_ onze volkplantingen _Nieuw-Nederland_, _Tabago_
+en _Sint-Eustatius_ bemachtigd.
+
+Toen men hier te lande deze geweldenarij vernam, deed men daarover
+zijn beklag aan het Britsche hof,--doch koning Karel hield zich,
+alsof hij er niets van wist. Daar intusschen in _Engeland_ groote
+krijgstoerustingen werden gemaakt, begreep men hier ook niet stil te
+moeten zitten. Men zond dus den Schout-bij-nacht Cornelis Tromp met een
+aanzienlijk smaldeel uit, om onze koopvaarders te beschermen. Kort
+daarop werd een tweede vloot van dertig zware schepen in zee
+gebracht met den Luitenant-admiraal Van Wassenaar aan het hoofd,
+terwijl men aan De Ruyter bevel zond, in het geheim naar de door
+de Britten vermeesterde volkplantingen te stevenen. Maar hoe dit
+bevel geheim te houden, het besluit, dat in de volle vergadering
+der Algemeene Staten moest worden genomen? In deze vergadering
+toch zaten leden, die zich niet zouden hebben ontzien, de zaak aan
+den Engelschen gezant te verklappen. De sluwe Johan De Witt echter
+wist raad. Toen men de resolutie had genomen om twaalf schepen uit
+te rusten en naar _Guinea_ te zenden (hetgeen nog al een geruimen
+tijd zou vereischen) wist De Witt die Heeren Staten, welke hij niet
+vertrouwde, aan een venster te lokken en aan de praat te houden. In
+dien tusschentijd namen de andere leden, die in het geheim waren,
+de secrete resolutie ten aanzien van de afzending van De Ruyter,
+en werd dit stuk als een aanhangsel bij het besluit gevoegd en door
+den griffier der Staten eigenhandig daaronder geschreven, zonder
+dat een der andere leden er iets van wist. Drie afschriften van het
+stuk werden over de post gezonden en verder door drie "loopboden"
+[22] naar _Cadix_, _Malaga_ en _Alicante_ gebracht, op hoop van den
+Vice-admiraal op een dier plaatsen aan te treffen. Het stuk was in
+een afzonderlijken omslag, in welken den Vice-admiraal werd bevolen,
+inliggende verzegelde schriften niet te openen vóór hij alleen was;
+terwijl zijnen bevelhebbers op bedreiging der hoogste ongenade van den
+Staat werd verboden, iets van de ontvangst van den brief te openbaren.
+
+'t Was op den eersten September, dat De Ruyter voor _Malaga_ was
+aangekomen, toen hij Klaas Dirksz bij zich riep.
+
+"Stuurman!" zeide hij, "Zet de kleine boot uit en roei aan land. Er
+zijn zeker brieven voor ons; want aan het strand staan verscheidene
+menschen, die ons teekenen schijnen te geven."
+
+"Uw bevel zal geschieden, Vice-admiraal," antwoordde Klaas, die
+terstond de noodige maatregelen nam, om daaraan te voldoen.
+
+"Mag ik mee in de boot, vader?" vraagde Engel.
+
+"Volgaarne," antwoordde de Admiraal, "en neem je vriend Pieter ook
+mee. Intusschen zul je aan den wal niet veel zien; want de boot roeit
+terstond met de brieven terug."
+
+Eenige minuten later stak de boot van boord. Op hetzelfde oogenblik
+voeren er van de andere schepen ook booten naar wal, om naar brieven
+te vernemen; hetgeen De Ruyter natuurlijk niet belette, daar hij niet
+wist, dat er een geheime resolutie bij was.
+
+Aan wal gekomen, werd onze stuurman terstond omringd door eenige
+kooplieden en schippers.
+
+"Daar is een bijzondere post voor den Vice-admiraal aangekomen,"
+zeide een hunner. "Een loopbode heeft dien gebracht. Tevens zijn hier
+belangrijke tijdingen. Men spreekt van een oorlog tusschen _Engeland_
+en de _Geüniëerde provinciën_."
+
+"Wat meer is," voegde er een ander bij, "de Engelsche kooplieden
+hier ter stede zeggen, dat hunne landslieden drie van de Oostindische
+koopvaarders, die wij verwachten, genomen hebben."
+
+"Gij kunt begrijpen, hoe dat alles ons in onrust brengt," vervolgde
+de eerste spreker.
+
+"Waar zijn de brieven voor den Vice-admiraal?" vraagde de
+stuurman. "Indien het zulke gewichtige tijdingen zijn, zullen wij ze
+hem gauw bezorgen."
+
+Men roeide naar boord terug, en Klaas Dirksz overhandigde den Admiraal
+de brieven. Nauwelijks had De Ruyter den omslag van den brief gedaan
+en gelezen wat daarop stond, of hij begaf zich naar zijne kajuit
+en las de geheime order, waarbij het bevel was gevoegd, dat hij die
+aan geen zijner officieren mocht openbaren. Terwijl hij daarmede nog
+bezig was, werd hij gestoord door het bericht, dat de Vice-admiraal
+met al de kapiteins aan zijn boord was geroeid en verlangde hem te
+spreken. De Admiraal deed de depêche terstond weder in den omslag,
+en gaf bevel, de bezoekers binnen te laten. Ten hoogste verlegen,
+wat hij moest antwoorden, wachtte hij de scheepshoofden af.
+
+"Wat is er, Admiraal?" vraagde Meppel. "Wij zijn aan wal geweest en
+hebben daar onrustbarende tijdingen vernomen."
+
+"Ook mij zijn die verhaald," antwoordde De Ruyter. "Zij luiden zeer
+oorlogzuchtig."
+
+"Daar is een bijzondere post voor u gekomen, Admiraal!" hervatte
+Meppel. "Gij hebt dien zeker reeds ontvangen en gelezen."
+
+"Voorzeker," antwoordde De Ruyter, "de brief is van Hunne
+Hoogmogenden."
+
+"En meldt die niets van den oorlog?" hernam de Vice-admiraal.
+
+"Geen enkel woord," antwoordde De Ruyter ontwijkend. "Alleen schijnt
+het, dat er geschillen tusschen de Republiek en _Engeland_ zijn
+gerezen, en dat men nog hoopt, die in der minne bij te leggen. Wat
+de geruchten van oorlog aangaat, waarvan men in _Malaga_ vol schijnt
+te zijn, wij weten te goed, hoe men op zulke losse tijdingen kan
+rekenen. Intusschen gaan wij terstond op reis naar _Alicante_, om
+het fluitschip van kapitein Enno Doedes af te halen.
+
+Wij zullen de vloot niet op den voet volgen. Eerst op de hoogte van
+de Canarische eilanden liet De Ruyter de scheepshoofden door de witte
+vlag aan zijn boord seinen en deelde hij hun de geheime resolutie
+mede. Behouden kwamen onze schepen voor het kleine eiland _Goeree_ aan.
+
+Beoosten dat eiland omgezeild zijnde, werden den 24sten October eenige
+booten, met den Schout-bij-nacht Van der Zaan aan het hoofd, naar het
+vasteland bij _Verd_ aan wal gezonden, om versch water te halen. Ook
+van De Ruyters schip voer er een sloep naar land, gevoerd door Klaas
+Dirksz en waarin zich Engel de Ruyter en onze Pieter bevonden. 't
+Was voor hen beiden heel wat nieuws, die Afrikaansche streken te zien
+en zij hadden er dan ook recht veel vermaak. Gelukkig, dat oom Klaas
+zijn neef nog al wat toeliet en dat de zoon van den Admiraal een witten
+voet bij hem had; anders hadden zij met de anderen mogen meesjouwen. Nu
+smaakten zij alleen het pleizierige van een tochtje aan land.
+
+"Zie eens," zeide Pieter, "daar komt een oude neger aan. Met dien
+zullen wij een pretje hebben."
+
+"Dat is goed," antwoordde Engel. "Maar wij zullen zijn negertaal niet
+verstaan, en hij kent ons Hollandsch niet."
+
+"Geen nood, dan zullen wij hem door teekens te kennen geven wat wij van
+hem willen hebben. Zeg eens, oude zwartkop," hernam hij tot den neger,
+die intusschen naderbij gekomen was. "Wat kom je hier uitrichten?"
+
+"Ikke eens kijken kom naar de Ollandsche schip," antwoordde de neger
+vrij vlot.
+
+Al hadden zij een slag in het aangezicht gekregen, dan hadden zij niet
+meer verbaasd kunnen staan, dan toen zij dien neger zoo onverwachts
+hunne eigene taal hoorden spreken.
+
+"Sakkerloot!" zeide Engel. "Wie heeft jou Hollandsch geleerd,
+zwarte nikker?"
+
+"Ikke Ollansch geleerd heeft in uwe land. Ikke als knaap, heel jong,
+daarin geweest is, en veel geleerd heeft."
+
+Op dit oogenblik kwam Van der Zaan bij hen, en vroeg hun:
+
+"Wat moet gij van dien neger?"
+
+"Die man spreekt Hollandsch, Schout-bij-nacht," gaf Engel ten antwoord.
+
+"Mijnheer!" zeide de neger, terwijl hij zich eerbiedig voor Van der
+Zaan boog. "Uwé zeker de Admiraal van deze vloote is."
+
+"Je vergist je, goede man! Ik ben slechts Schout-bij-nacht. De
+Admiraal der vloot is aan boord gebleven. Hij is op het schip, dat
+je daar ziet."
+
+"En hoe zijne naam is?" vervolgde de neger.
+
+"Michiel Adriaanszoon de Ruyter," antwoordde Van der Zaan.
+
+De neger begon te dansen.
+
+"Michiel, Michiel!" riep hij uit. "Michiel de Ruyter!--Ikke nu vijf-
+of zes en veertig jaar geleden een Michiel de Ruyter gekend heeft. Dat
+te _Vlissingen_ was. Maar het niet dezelfde kan zijn. Die Michiel
+maar bootsmansjongen was."
+
+"En toch is dat diezelfde Vlissingsche bootsmansjongen, die nu Admiraal
+van de vloot is."
+
+"Uwé den armen neger voor den gek houdt," zeide de zwarte
+ongeloovig. "Michiel toen bootsmansjongen was en nu Admiraal,--neen,
+dat niet kan zijn! Jan Company niet zoo mal is, om maar te gelooven,
+wat men hem wijs maakt."
+
+"En toch is het waar, Jan Company," hervatte Van der Zaan. "Zie deze
+knaap is zijn eenige zoon," hervatte hij, op Engel wijzende.
+
+De neger beschouwde den jongen De Ruyter oplettend. Eensklaps helderde
+zijn gelaat op.
+
+"Ja," hervatte hij peinzend--"nu ikke het zie. Hij wel op zijn vader
+lijkt, toen die jong was. O, mijnheer de Schout van de nacht, zou uwé
+me wel aan boord van den heer Michiel willen brengen? O, ikke zooveel
+van hem houd. Ikke met hem gevaren heb op dezelfde schip, en wij samen
+zoo dikwijls gespeeld hebben. O, ikke hem nog zoo graag eens zou zien."
+
+"Wel ga dan maar eens mee," hernam Van der Zaan. "Zijn eigen zoon
+zal je aan boord brengen."
+
+Zoo gezegd zoo gedaan. Jan Company voer met stuurman Dirkz mede naar
+het schip "de Spiegel".
+
+"Vader," zeide Engel tot den Admiraal, "wij hebben een neger
+meegebracht, die u verlangt te spreken."
+
+"Een neger?" vraagde De Ruyter. "En wat moet die van mij hebben?"
+
+"Hij zegt, dat hij een oude kennis van u is," vervolgde Engel.
+
+"Een neger? Een oude kennis? En spreekt hij Hollandsch?"
+
+"Voorzeker, vader, anders hadden wij hem niet kunnen verstaan."
+
+"En hoe heet hij?"
+
+"Jan Company, en hij heeft als knaap met u ter zee gevaren en
+gespeeld."
+
+"Jan Company!" riep De Ruyter verwonderd uit. "Onmogelijk! Maar laat
+hem hier komen."
+
+Verbaasd keek de neger op, toen hij in de sierlijke kajuit van den
+Admiraal kwam, maar nog meer verbaasd staarde hij eenige oogenblikken
+den deftig gekleeden De Ruyter aan. Ook deze beschouwde den neger
+aandachtig; eindelijk zeide hij:
+
+"En je zegt, dat je Jan Company bent, dien ik als knaap in _Vlissingen_
+heb leeren kennen?"
+
+De neger antwoordde hem niet, maar trad op den zeeman toe, sloot hem
+in zijn armen en riep uit:
+
+"Ja, ja, het Michiel is, Michiel, mijn oude vriend! O, wat ikke blij
+ben, dat ikke jou nog eens mag zien. Dat ikke jaren lang gewenscht
+heeft! Maar ikke nooit gedacht had zóó."
+
+"Mijn goede, goede Jan!" zeide De Ruyter, terwijl hij hem hartelijk
+de hand drukte. "Wel ouder geworden, maar niets veranderd. En wat
+doe je tegenwoordig voor den kost?"
+
+"Ikke onderkoning is in de land," antwoordde Jan Company.
+
+"Wel, dan heb je het waarlijk verder gebracht dan ik," zeide De Ruyter
+lachend. "Ik zal dan wel gedwongen zijn, Uwe Majesteit tegen je te
+zeggen. Wel, Uwe Majesteit, hoe heeft Uwe Doorluchtigheid het gemaakt,
+sedert ik het genoegen niet gehad heb Haar te zien."
+
+"O, jij nog altijd de oude guit van een Michiel bent," hervatte de
+neger grinnikend, terwijl hij zijn witte tanden liet zien.
+
+"Ja, Jan! een vos verliest wel zijn oude haren, maar niet zijn oude
+streken, zou stuurman Dirksz zeggen. Maar ga zitten," hervatte hij
+trouwhartig, "en laat ons elkander onder een glas Spaanschen wijn
+onze lotgevallen vertellen."
+
+Daar mijne lezers die van De Ruyter kennen en ik ze van Jan Company
+niet weet, zal ik dat verhaal overslaan. Toen de Vice-admiraal
+geëindigd had, zeide de neger:
+
+"Michiel, Michiel! Wat je een groot man bent geworden. Wie dat ooit
+hadde gedacht!--Weet je nog wel, je me in _Vlissingen_ met sneeuw
+heeft gedoopt [23]?"
+
+"Of ik dat nog weet?" hernam Michiel de Ruyter. "Dat zou ik
+meenen. Toen je zoo schreeuwdet alsof je een mager speenvarken waart;
+waardoor Tromp en Piet Hein er op afkwamen en mij braaf de les lazen."
+
+"En toen je geklimd heeft op dien grooten toren," hernam Jan,
+terwijl hij zijn tanden liet zien en in de handen wreef, "en met
+steentjes smeet."
+
+"En toen je dacht, dat het een vogeltje was, ha, ha!" riep De Ruyter
+lachende uit. "Maar zeg mij eens, Jan!" vervolgde hij ernstiger. "Je
+spraakt daar van dien sneeuwdoop. Heb je er wel eens aan gedacht,
+dat je ook in de kerk gedoopt zijt?"
+
+"Of ikke denk daaraan, Michiel!" hernam Jan Company. "Ikke nog altijd
+een Christen ben. Ikke nog "'t Onze Vader" en "'k Geloof in God den
+Vader" op mijn duimpje ken.--Maar," vervolgde hij min of meer treurig,
+"mijn kinderen en anderen lachen mij uit als ikke spreek er van; en
+daarom ikke maar bij mij zelf een Christen is en Onzen Lieven Heer
+naar mijn kennis dien."
+
+"Nu, dat is braaf van je, Jan," hervatte De Ruyter. "En zou je niet
+liever mee naar _Vlissingen_ gaan en daar komen wonen?"
+
+"Neen, Michiel! Ikke niet weer mee naar jou land ga. Ikke hier veel
+armer woon dan in jou land, een hut heeft waarin ik haast niet rechtop
+staan kan. Maar ikke liever blijf in mijn eigen land. Ikke al zestig
+jaar is, en hier onderkoning. Ikke al dikwijls aan de Zeeuwen en
+Ollanders veel diensten heb kunnen doen, dat altijd veel pleizier
+deed aan mij. Maar ikke nooit gedacht had, jou nog eens levend terug
+te zien!"
+
+De Ruyter liet onzen Jan Company niet gaan, dan na hem rijkelijk
+beschonken te hebben met al wat in dat land waarde heeft, en deed,
+toen de oude vriend naar den wal terugvoer, tot diens eer eenige
+kanonschoten lossen.
+
+Den volgenden morgen zond De Ruyter 180 man met zes sloepen aan
+wal en spoedig gaven zich de daar liggende Engelsche bezetting en
+koopvaardijschepen over.
+
+Op den vijfden November, terwijl men nog bezig was met water te
+halen, ging De Ruyters sloep met kapitein Du Bois, Klaas Dirksz,
+Joris Andringa, schrijver op De Wilds schip Engel de Ruyter, Pieter
+Pietersz en eenige anderen nogmaals aan het vasteland van _Verd_,
+om te visschen. Men gebruikte daartoe den zegen (groot vischnet) en
+had een rijke vangst, waarover de negers zich zeer verwonderden. De
+zwarten gingen achter den zegen staan en vingen de visschen in hunne
+kleedjes en kleine schepnetjes of schoten ze met hunne pijlen.
+
+"'k Woû, dat we eens naar de negorij gingen," zeide Engel tot
+Pieter. "Ik vind dat visschen heel aardig, maar ik zou toch graag
+ook eens de woningen der zwarten zien."
+
+"Ik ook," antwoordde Pieter. "Weet je, wat we moesten doen? We
+moesten er maar eens naar toe wandelen. Misschien vinden we er dien
+ouden neger wel, die zoo'n vriend van je vader is. Hoe heet hij ook
+weer?--Jan.... Jan Kampanje."
+
+"Jan Company, meen je. Dat kon wel zijn. Maar om daar zoo op ons
+eigen houtje naar toe te gaan, dat durf ik niet. Je zoudt nooit kunnen
+weten. Die zwarten hebben zulke rare kuren. Ze konden wel eens iets
+kwaads met ons in den zin hebben."
+
+"Het zijn geen menscheneters, Engel," hernam Pieter. "Kom, wij moesten
+het maar wagen."
+
+"Jij bent een waaghals, Pieter," zeide Engel. "Ik doe het niet. Mijn
+vader zou het mij nooit vergeven, als daar iets kwaads uit
+voortkwam. Maar ga jij alleen."
+
+"Alleen?--Neen, dan wacht ik maar tot de anderen gaan. Zij zullen
+toch wel eens genoeg gevischt hebben."
+
+Het duurde echter nog een heelen tijd alvorens dit het geval
+was. Intusschen--aan alle dingen is een end, placht oom Klaas te
+zeggen, en zoo was het hier ook. Na de vischvangst begaf men zich
+naar de negorij of het dorp der zwarten. Dat bestond uit verscheidene
+woningen in den vorm van bijenkorven, terwijl de ingangen zoo laag
+waren, dat men er in moest kruipen. En als men er dan in was, dan
+kon men er niet recht in opstaan, maar moest op matjes zitten. Ook
+waren zij zoo zonderling omheind, dat, als men van het eene naar
+het andere of naar een derde wilde komen, men als in een doolhof
+verdwaalde. Gelukkig, dat die heiningen niet hoog waren, zoodat de
+Hollanders er over heen konden stappen. Het wemelde er van kleine,
+zwarte kinderen, die door de geheele negorij als jonge biggen in het
+zand kropen, terwijl de negermoeders daarbij lagen, even lui en log
+als zeugen. Al voortwandelende, bleven onze zeelieden op eens voor
+een der woningen staan, die zich in niets van de andere onderscheidde.
+
+"Wat zou daar te doen zijn?" zeide Engel, die zich altijd dicht bij
+Pieter had gehouden.
+
+"Misschien hebben ze een zwart kind op zijn naakte lijf getrapt,"
+gaf Pieter ten antwoord, terwijl hij over een heining stapte, om gauw
+bij de hand te zijn.
+
+"Dat denk ik niet," hernam Engel, "want dan zou dat kleine, zwarte
+mirakel wel schreeuwen."
+
+"Ik zie het al," riep Pieter uit. "Het is de woning van Jan
+Kampanje. Kijk, daar staat hij."
+
+"Inderdaad, hij is het," hernam Engel.
+
+En het was dan ook zoo. Jan Company, die in zijne woning zat, was,
+zoodra hij de zeelieden zag aankomen, daaruit gekropen.
+
+"Ikke heel blij ben, dat Uwé mij eene bezoek komt brengen. Isse
+Mijnheer Michiel de Ruyter niet bij u?" zeide de neger.
+
+"De Admiraal niet, maar wel zijn zoon," antwoordde Du Bois. "Waar is
+Jonker Engel?" hernam hij, rondziende. "Ha, daar is hij. Kom eens hier,
+Jonker," vervolgde hij tot den knaap. "Uws vaders vriend, Jan Company,
+wenscht u te zien."
+
+"Ikke de heeren niet durf vragen te komen in mijne huisje," hernam
+de neger. "Die te klein is, om te ontvangen de Heeren. Maar zij met
+mij moeten meegaan." En dit zeggende, geleidde hij de zeelieden
+naar een palmboom, onder welks schaduw allen rondom in het gras
+gingen zitten, terwijl Jan Company door zijne slaven of bedienden
+negerbrood, van zeker gestampt zaad gebakken, palmwijn en zoete
+melk liet aanbrengen. Ook zaten er verscheidene van de notabelen
+der negorij, zoo mannen als vrouwen, mede aan en ging het er recht
+vroolijk toe. Jan Company was onuitputtelijk in vertellingen van zijne
+jeugd; ook toonde hij een uitmuntend geheugen te hebben, daar hij
+nog de meeste Vlissingsche straten, kaden en bruggen bij naam wist
+te noemen. Niet weinig vermeerderde de vroolijkheid, toen kapitein
+Du Bois het brood, de kaas, den wijn en den brandewijn liet halen,
+die men van boord had medegebracht en die den zwarten heeren en dames
+recht goed schenen te smaken. Zoo bleef men bij elkander tot de avond
+begon te vallen; toen maakte men zich gereed, weder naar boord te
+varen. Jan Company vergezelde hen tot aan het strand en verzocht hun
+nog vele groeten aan zijn ouden vriend De Ruyter te doen, hetgeen men
+hem beloofde. Zeer tevreden over dat uitstapje, kwam men aan boord van
+"de Spiegel" terug.
+
+Van _Goeree_ stevende De Ruyter naar de rivier _Sierra Leona_, alwaar
+hij de Engelsche koopwaren in beslag nam; van daar naar de _Goudkust_,
+waar hij het kasteel _Witsen_ of _Tokkary_, door de Engelschen aan de
+W. I. Compagnie ontnomen, heroverde en slechtte; en eindelijk naar
+_St.-George d'Elmina_, waar hij de Britsche vesting _Kormantijn_
+aantastte en nam. Nadat hij alzoo onze bezittingen in _Afrika_ van
+den overmoed der Britten had verlost, stevende hij naar _Barbados_ in
+_Amerika_, alwaar hij insgelijks den hem gegeven last volbracht en zich
+ook van eenige Engelsche schepen meester maakte. Hier kreeg hij bevel,
+om naar het vaderland terug te keeren. Daar hem ook kort daarop het
+bericht gewerd, dat de oorlog tusschen _Engeland_ en de republiek was
+uitgebarsten, vond hij het ongeraden, het _Kanaal_ door te stevenen,
+zeilde dus achter _Ierland_ om en kreeg te _Bergen_ in _Noorwegen_
+de tijding van een overwinning, door de Engelsche vloot op de onze
+behaald, en die ik u in het volgende hoofdstuk zal vertellen. Hij
+besloot dus niet in _Texel_ binnen te loopen, maar naar de _Eems_ te
+zeilen. Doch ook dit zou weinig hebben gebaat, indien de Voorzienigheid
+niet voor onzen held had gewaakt. De Engelschen toch loerden aan
+alle kanten op den terugkeerenden Admiraal. Een zware mist belette
+hun echter de onzen te zien; daarenboven veranderde de wind ieder
+oogenblik, waardoor zij de Engelschen en dezen hen telkens miszeilden;
+en zoo kwamen zij den zesden Augustus 1665 met negentien schepen,
+waaronder vijf prijzen, behouden in de _Eems_ en binnen de haven van
+_Delfzijl_ aan. "'t Is God alleen," riep de vrome Vice-admiraal uit,
+toen men hem geluk wenschte met zijne wonderbare ontsnapping. "'t Is
+God alleen, die ons buiten het gezicht van onze vijanden geleid heeft.
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+Waaruit blijkt, dat het hier niet altijd voor den wind ging.
+
+
+Het wordt thans tijd, dat wij ruim een half jaar achteruitgaan,
+en onzen lezers iets mededeelen van het gebeurde hier te lande in
+dien tusschentijd.
+
+Nauwelijks hadden de schepen, door De Ruyter genomen maar weder
+vrijgelaten, de tijding in _Engeland_ gebracht van hetgeen er op de
+kust van _Guinea_ gebeurd was, of de vloot des konings werd in zee
+gezonden en honderden onzer koopvaarders genomen. Aan beide zijden,
+zoowel in _Engeland_ als hier te lande, had men zich geducht ten
+oorlog toegerust. De listige Karel II echter wachtte nog met de
+oorlogsverklaring, totdat hij onzen handel een gevoeligen slag had
+toegebracht. Daartoe gaf hij last aan den _Engelschen_ Schout-bij-nacht
+Allen om de rijke Smyrnasche vloot, die op hare huisreis was,
+te bemachtigen. Niet lang behoefde Allen op haar te wachten; want
+weldra, op den 29sten December, verscheen zij, 30 koopvaarders sterk
+en geleid door slechts drie oorlogsschepen onder kapitein Pieter van
+Brakel. Geen wonder, dat de overmoedige Brit reeds waande meester te
+zijn van die vloot. Doch hij had buiten den waard gerekend; want niet
+alleen de drie oorlogsschepen vochten woedend als getergde leeuwen;
+maar ook de koopvaarders verdedigden zich zoo dapper, dat er slechts
+drie hunner den Engelschen in handen vielen. Van Brakel sneuvelde en
+Jan Poelofsz van Hoorn, door vier Engelsche schepen omringd verdedigde
+zich uren lang tegen de overmacht en verliet zijn schip niet, dan
+toen het met een groot aantal van de daarop overgesprongen vijanden
+in de diepte der zee zonk.
+
+Zoodra men hier de tijding van deze schandelijke vredebreuk vernomen
+had, bevalen de Staten onzen zeehoofden, insgelijks alle Britsche
+schepen aan te vallen en op te brengen, terwijl Karel II nu het masker
+afwierp en ons den oorlog verklaarde.
+
+Ongelukkig heerschte in onze Republiek de oude verdeeldheid:
+rampzalige naijver tusschen de verschillende provinciën: gevolg van
+het gemis van een enkel opperhoofd--een Admiraal-generaal. Wel hadden
+de admiraliteiten, op aansporing van den steeds onvermoeiden Johan
+De Witt, krachtig medegewerkt tot den bouw en de uitrusting der
+vloot; maar over het benoemen van een opperhoofd was men het niet
+eens. _Zeeland_ kon maar niet verkroppen, dat, in den oorlog tegen
+_Zweden_ aan De Witt de voorgang boven Jan Evertsen was geschonken,
+en benoemde dezen tot Luitenant-admiraal, met het doel om hem, na
+Wassenaar, het tweede bevel op 's lands vloot te doen voeren. Daarop
+benoemde men in _Holland_ tot dezelfde waardigheid Kortenaar, De
+Ruyter en Meppel, en in _Friesland_ Auke Stellingwerf. Nog werden
+in _Holland_ Cornelis Tromp, Van Nes en Schram, en in _Zeeland_
+Coenders tot den rang van Vice-admiraal verheven. Zoo waren er dus op
+de vloot vier Luitenant-admiraals, terwijl er nog twee buitenslands
+zich bevonden. Waarlijk, mijne jonge lezers, het had veel van uw
+soldaatje spelen. Dan zijn er dikwerf vijf, zes of zeven officieren
+bij vier, vijf of zes manschappen; want ieder wil gaarne officier zijn.
+
+Den 23sten Mei liep onze vloot, bestaande uit 103 schepen met
+5000 stukken geschut en 21000 man uit. Stilte en tegenwind echter
+beletteden onzen Admiraal, onze kusten te verlaten en den vijand
+op te zoeken. Eindelijk ontmoette men de Engelsche vloot onder 's
+konings broeder, Jacobus [24], hertog van _York_ en Groot-admiraal
+des rijks, en Prins Robert, zoon van den verdreven en gestorven koning
+van _Bohemen_.
+
+Den 13den Juni, met het aanbreken van den dag, raakten de beide vloten
+slaags. Maar noodlottig was voor ons de uitslag van dit gevecht. Op
+last der Staten, die gaarne aan al de gewesten genoegen wilden geven,
+had Wassenaar de vloot in niet minder dan zeven eskaders verdeeld,
+en dit verzwakte natuurlijk de eenheid in werking, zoodat de meeste
+eskaders op zich zelf handelden. Daarbij kwam, dat, reeds te vijf uren
+in den morgen, Kortenaar sneuvelde en diens stuurman, die het bevel
+overnam, zich lafhartig buiten het gevecht hield. Wassenaar echter
+kweet zich kloekmoedig, doch ongelukkig vloog hij met zijn schip
+in de lucht. Hierop heesch de trouwelooze stuurman van Kortenaar de
+admiraalsvlag in top en nam de vlucht. De anderen, niet wetende of
+Evertsen dan wel Tromp het opperbevel had, volgden hem en spoedig was
+het wijken algemeen. Slechts aan den moed van de opperbevelhebbers en
+enkele kapiteins hadden wij het te danken, dat ons verlies niet meer
+dan zestien schepen bedroeg. Vooral Tromp, die met eenige weinigen de
+achterhoede uitmaakte, weerde den vijand het langst af en bracht het
+grootste deel der vloot behouden binnen _Texel_, waar de afgevaardigden
+der Staten zich bevonden, die, reeds van de nederlaag verwittigd,
+zich derwaarts hadden begeven, om orde op de zaken te stellen. De
+moedige Johan de Witt, die zich onder hen bevond, was te _Petten_
+in een visschersboot gegaan en naar onze vluchtende schepen gevaren,
+ten einde hen te bewegen, het gevecht te hervatten. Hij ging op
+het achterste dier schepen over en was daarop gebleven (ook toen
+het aan den grond raakte en in gevaar kwam om genomen te worden)
+tot hij het binnen _Texel_ had gebracht. Jan Evertsen had met een
+tiental andere vaartuigen behouden de _Maas_ bereikt. Voor Wassenaar
+werd door de Staten in het koor der Groote kerk te 's-_Gravenhage_ en
+voor Kortenaar door de Admiraliteit van de _Maas_ in de Groote kerk te
+_Rotterdam_ een praalgraf opgericht. Sommige der Scheepsbevelhebbers
+werden om hun in dien strijd gehouden gedrag met den dood andere met
+eerloosheid en verbanning gestraft.
+
+In het voorbijgaan moet ik u nog doen opmerken, dat vele kapiteins
+zich slecht gedragen hadden, niet uit lafhartigheid, maar omdat zij
+der Oranjezaak waren toegedaan. Zeker een heel verkeerde manier om
+den Prins dienst te bewijzen. Ja, er waren er ook nog, die bij de
+versterking der gehavende vloot weigerden in dienst te gaan, anders
+dan onder 's Prinsen vlag; terwijl op het schip van Tromp de matrozen
+geen anker wilden winden dan in 's Prinsen naam.
+
+Intusschen ging men met den meesten ijver voort aan het herstellen
+der geledene schade. Nu moest men een vlootvoogd kiezen, en daar men,
+na den ongelukkigen zeeslag tusschen Wassenaar en York, vooral aan
+Tromp het behoud der vloot te danken had, daar de liefde, die het
+scheepsvolk voor zijn vader had gekoesterd, op hem was overgegaan, zag
+men zijne Prinsgezindheid over het hoofd en gaf hem het opperbevel,
+onder voorwaarde, dat het slechts in naam bij hem zou berusten, en
+in de daad bij drie gevolmachtigden der Algemeene Staten, Huijgens
+wegens _Gelderland_, Johan de Witt wegens _Holland_ en Boreel wegens
+_Zeeland_. Tromp snelde naar de vloot, bevelhebbers en matrozen waren
+in hun schik en de vloot lag gereed om uit te zeilen. Dit was juist
+op het tijdstip van De Ruyters terugkomst te _Delfzijl_. Gaan wij nu
+ook derwaarts en zien wij, wat daar voorviel.
+
+Wij vinden boven op de kampanje onzen Pieter en Jonker Engel, ieder
+op een rol touwwerk gezeten, met elkander aan het praten. Het was
+Donderdag den 6den Augustus 1665, ongeveer zes uren, dus twee uren na
+hunne aankomst te _Delfzijl_. Het was heerlijk weder en de Augustuszon
+scheen zoo liefelijk op het dek, dat de beide vrienden er zich lekker
+in koesterden.
+
+"Dat is ander weer dan wij op zee hebben gehad, Engel," begon
+Pieter. "Zoo'n akeligen kouden mist, en dan--men kon geen hand voor
+oogen zien. Ieder oogenblik dacht ik, dat wij op de een of andere
+ondiepte zouden stooten."
+
+"Ja, als uw oom niet aan het roer had gestaan, Pieter! Dan had er
+gevaar kunnen zijn," zeide Engel.
+
+"Alsof uw vader zich rustig en stil in zijn kampanje hield, niet
+waar? Waarlijk hij mag nu wel wat rust genieten, de goede man."
+
+"Rust? Ach, wanneer zal vader dat woord eens anders dan bij naam
+kennen? Hij zit nu reeds zijn brieven te schrijven aan de Heeren
+Staten-Generaal, waarin hij hun verslag geeft van hetgeen wij in
+_Afrika_ en _Amerika_ verricht hebben. Verder brieven aan de Heeren
+Raden der Admiraliteit te _Amsterdam_, aan de Heeren Staten van
+_Groningen_ en _Ommelanden_, en aan die van _Friesland_."
+
+"Eilacy! Dat zal hij toch wel door den schrijver laten verrichten."
+
+"Natuurlijk. Maar hij moet ze hem toch voorzeggen en daarbij het
+scheepsjournaal raadplegen," hernam Jonker Engel. "Kijk eens, Piet,"
+vervolgde hij, terwijl hij naar den wal wees. "Daar komt waarlijk
+reeds bezoek aan ons boord. Vader merkt het al en laat de statietrap
+uitzetten."
+
+"Dat is een deftig heer, die met zijn gouden gegallonneerden rok,"
+zeide Pieter. "Misschien wel een lid der Staten-Generaal."
+
+"Kan het ook de Raadpensionaris wezen?" vraagde Jonker Engel. "Hij
+schijnt ten minste de hoogste van den troep."
+
+"De Raadpensionaris?" riep Pieter lachende uit. "Neen, dien ken ik
+wel. Ik heb hem te 's-_Gravenhage_ menigmaal gezien. Die ziet er veel
+eenvoudiger uit."
+
+"Waarschijnlijk is het dan de kommandant van _Delfzijl_," hervatte
+Jonker Engel.
+
+En waarlijk had Jonker Engel het geraden; want het was de heer Schay,
+bevelhebber van _Delfzijl_, die met eenig gezelschap aan De Ruyters
+boord kwam, om hem met zijne behouden terugkomst te begroeten.
+
+"Nu komen zij vader nog storen," hervatte Jonker Engel, toen de heeren
+de kampanje binnen waren.
+
+"Het is toch een teeken van groote belangstelling in den
+Vice-admiraal," vond Pieter.
+
+"Dat is het. Maar vader heeft nu zijn tijd wel noodig. Intusschen
+zal hij den schrijver wel reeds de noodige instructiën gegeven
+hebben. Kijk eens, Pieter! daar komen nog andere lieden aan. Het
+lijken wel kooplieden en gegoede burgers."
+
+"Daar is ook een boer bij," riep Pieter uit. "Zij komen regelrecht
+op ons schip af."
+
+En zoo was het ook. Ja, toen de aankomst van De Ruyter bekend werd,
+stond het eenige dagen letterlijk niet stil van bezoekers, uit
+steden en dorpen, edel en onedel, allen wilden den geliefden man
+hunne blijdschap betuigen; en niet alleen mannen maar ook vrouwen,
+ja "menigte van deftige en eerlijke vrouwen vielen De Ruyter om den
+hals en kusten hem naar 's lands wijze, alsof ze hun vader of broeder,
+uit gevaar des doods ontkomen, bewellekoomden."
+
+Gaarne zou ik hier langer met u vertoeven, doch wij moeten voortgaan.
+
+De Staten-Generaal hadden niet zoodra de tijding van De Ruyters
+behouden terugkomst vernomen, of zij besloten, op voordracht van
+_Amsterdam_, hem in plaats van den gesneuvelden Wassenaar-Obdam te
+benoemen tot Luitenant-admiraal van _Holland_ en _West-Friesland_
+en hem het opperbevel over de vloot, die te _Texel_ zeilreê lag,
+op te dragen. Dezen lastbrief ontving onze De Ruyter den 13den
+Augustus. Den vorigen dag was er heel wat op de vloot te doen
+geweest. Het scheepsvolk namelijk, dat door zulk een lange reis de
+zee moede was geworden, wilde aan land en naar huis. Kort daarop
+kwamen er drie Heeren gevolmachtigden van de Staten-Generaal te
+_Delfzijl_, om het volk te monsteren, en zeiden den schepelingen
+aan, dat zij de schepen naar _Texel_ of het _Vlie_ moesten brengen,
+met belofte dat men dan ieder naar de zijnen zou laten vertrekken,
+doch dat men ze, op maandelijksche gage, tot nader orde en tromslag
+in dienst hield. Op de Amsterdamsche schepen toonde zich het volk vrij
+gewillig, maar op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche en
+Noordhollandsche schepen sloeg men aan het muiten, en wel op aanstoken
+van een Delvenaar, den matroos Jan Janszoon de Werelt van het schip
+"Louise", die op verscheidene schepen had uitgestrooid, dat men hen
+naar _Texel_ op de oorlogsvloot zou brengen en die hun had gevraagd,
+of zij er niet voor bedankten om doodgeschoten of gevangengenomen
+te worden; want het gerucht had zich verbreid, dat de Nederlandsche
+krijgsgevangenen in _Engeland_ zeer slecht werden behandeld. Op het
+schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche schepen werd het volk
+tot bedaren gebracht. Maar van de Noordhollandsche schepen liep
+genoegzaam de geheele bemanning weg. De muiter echter werd in een
+sloep achterhaald, gevangengenomen, en te _Rotterdam_ opgehangen.
+
+Het was op Vrijdag den 14den Augustus, dat de drie gevolmachtigden
+bij den nieuwbenoemden Luitenant-admiraal aan boord kwamen, om hem
+geluk te wenschen met die benoeming.
+
+"Zal je vader het Luitenant-admiraalschap aannemen?" vraagde Pieter aan
+Jonker Engel, die bij hem kwam, terwijl hij zich bij het roer bevond.
+
+"Daar twijfel ik niet aan," gaf Engel ten antwoord.
+
+"Hij zal toch wel naar huis verlangen, na een afwezigheid van vijftien
+maanden."
+
+"Dat kun je denken, Pieter," hernam Engel. "Maar dat weet je: waar
+plicht gebiedt, daar zwijgen bij vader alle andere roepstemmen."
+
+"En waar het vaderland zijn diensten vraagt, is de Luitenant-admiraal
+De Ruyter nooit achterlijk gebleven," voegde oom Klaas er bij. "Een
+braaf man en een trouwe kerel, uw vader."
+
+"Dat is hij, Klaas Dirksz," zeide Jonker Engel, "en ik reken mij
+gelukkig zulk een vader te hebben."
+
+"'t Zal mij veel kosten, hier te blijven, terwijl onze Admiraal naar
+_Texel_ gaat," hernam oom Klaas.
+
+"Dat zal wel niet noodig zijn, stuurman," hervatte Jonker Engel. "Als
+de Scheepsraad, die zoo straks bijeenkomt, het goed vindt, zal ieder,
+die wil, met vader kunnen meegaan."
+
+"Dan ben ik een der eersten," riep Dirksz uit, terwijl zijn gelaat
+verhelderde. "Met mijn Luitenant-admiraal ga ik ter overwinning of
+in den dood."
+
+"En ik ga ook mee," zeide Pieter. "Ten minste als jij niet hier
+blijft, Engel."
+
+"Hoe komt je dat in de gedachten, Pieter? Denk je, dat vader alleen
+zal vertrekken en mij achterlaten?"
+
+"En zullen wij spoedig gaan?" vraagde Pieter.
+
+"Nog heden. Doch daar komen de kapiteins al aan boord. De zitting
+van den scheepsraad zal wel niet lang duren."
+
+Acht en dertig vrijwilligers, zoo bevelhebbers als matrozen, gaven
+zich aan om met den geliefden Admiraal opnieuw het leven te wagen
+voor het Vaderland. Onder hen bevonden zich, behalve Pieter en oom
+Klaas, ook de Vice-admiraal Van Nes, Graaf Johan Belgicus van Hoorne,
+Jonker Reinoud van Koeverden en de schrijver van het schip van De Wild,
+later secretaris bij De Ruyter. Van boord varende, deden al de schepen
+saluutschoten; te _Delfzijl_ waren al de soldaten ter eere van den
+Luitenant-admiraal onder de wapenen en loste men het geschut. Met
+twee trekschuiten vertrokken zij naar _Groningen_ en van daar over
+_Dokkum_ naar _Leeuwarden_, _Franeker_ en _Harlingen_; terwijl zij den
+nacht doorreisden, zoodat zij reeds den volgenden dag na den middag
+in laatstgenoemde stad waren. In al de steden, welke zij doorvoeren,
+werden zij door een grooten toeloop van volk en met uitbundig gejuich
+begroet en, zooveel de snelheid hunner reis het toeliet, door de
+vroedschap onthaald. Nog denzelfden avond gingen zij onder zeil naar
+_Texel_, waar zij den volgenden dag aankwamen, De Ruyter den eed in
+handen van de gevolmachtigden der Staten-Generaal aflegde en het
+volk zich op de twee fregatten begaf, die men voor hen te _Texel_
+had laten liggen. Door tegenwind teruggehouden, kwam men eerst in den
+ochtendstond van den 18den op de vloot, aan boord van het schip "de
+Liefde", waar de Luitenant-admiraal door de gevolmachtigden der Heeren
+Staten Johan de Witt, Huijgens en Boreel hartelijk verwelkomd werd.
+
+Daar was intusschen op die vloot wat voorgevallen. Nauwelijks toch
+had Tromp de benoeming van De Ruyter tot opperbevelhebber vernomen,
+of hij gevoelde zich, niet ten onrechte, diep gekrenkt en zwaar
+beleedigd. Men had hem immers het opperbevel over 's lands vloot
+opgedragen en hij had haar in orde gebracht. Hoe kon men hem dan zoo
+wederrechtelijk dat bevel ontnemen?--Terstond diende hij zijn ontslag
+in, ten minste voor dezen tocht; maar op aanhouden der Staten-Generaal
+en hunne gemachtigden liet hij zich overhalen op de vloot te blijven
+en ontving den nieuwen opperbevelhebber zeer beleefd op zijn schip.
+
+Het heeft u misschien verwonderd, dat de Raadpensionaris zelf op
+de vloot was, en inderdaad, gij zijt de eenigen niet. Er waren ten
+jare 1665 velen hier te lande, wien het verwonderde, en die het De
+Witt afrieden met alle kracht van redeneering; die hem onder het oog
+brachten, hoe hij zich aan het gevaar van stormen en de kogels der
+vijanden blootstelde, zonder te bedenken, wat er aan hem zou verloren
+worden. Maar hij antwoordde: "dat de behoudenis van zijn persoon en
+zijn geluk aan het behoud van den Staat hing, en dat de goede of kwade
+uitkomst van een zeeslag beiden zou behouden of verderven. Daarom
+was hij op de vloot gegaan, om de dapperen aan te moedigen en de te
+voortvarenden te matigen."
+
+En dat hij met hart en ziel het heil van 's Lands vloot zocht, dat
+had men op den 14den Augustus gezien, toen hij bewees, dat men, niet
+zooals de meest ervaren zeelieden tot hiertoe gemeend hadden, slechts
+met tien streken van het kompas [25] het gat van Texel kon uitvaren,
+maar, zooals hij door nauwkeurig mathematisch onderzoek gevonden had,
+met acht-en-twintig. De oudste en knapste loodsen lachten hem over
+die bewering in het gezicht uit. Maar De Witt stoorde zich daaraan
+niet. Hij zelf ging aan het roer staan van "de Delfland", terwijl
+de Heer Van Haaren "Het huis te Swieten" voor zijne rekening nam. En
+zoo bracht de schrandere man, tot verbazing van allen, de vloot nog
+dienzelfden dag in zee.
+
+De Ruyter bleef niet op het schip "de Liefde", maar begaf zich nog
+denzelfden dag met de drie gevolmachtigden op het schip "de Delfland",
+waarheen ook Klaas en Pieter hem vergezelden. De vloot, vooral door
+de zorg van De Witt binnen acht weken weer in zee gebracht, bestond
+nu uit drie-en-negentig oorlogsfregatten, voorzien van 4337 stukken
+geschut en bemand met 19635 koppen. Zij was verdeeld in vier eskaders,
+elk onder een Luitenant-admiraal, en wel onder De Ruyter, Cornelis
+Evertsen, Cornelis Tromp en Tjerk Hiddes de Vries.
+
+Veel echter richtte deze vloot dit jaar niet uit; een zware storm
+noodzaakte haar, om zwaar beschadigd naar hare havens terug te keeren.
+
+Nog hadden wij in het zelfde jaar een tweede oorlogsverklaring
+gekregen, en wel van Barend van Galen, den oorlogzuchtigen bisschop
+van _Munster_, die nog een ouden wrok tegen den Staat gevoelde, en door
+_Engeland_ was opgezet en met geld werd ondersteund. Alles was hier aan
+de zeemacht opgeofferd, zoodat het met de landmacht ellendig gesteld
+was. Barend van Galen veroorzaakte ons veel schade; gelukkig echter
+werd de vrede met hem den 18den April van het volgend jaar gesloten.
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de
+Raadpensionaris daarover zeide.
+
+
+In den tijd, waarvan wij spreken, waren de buurtvereenigingen nog
+in vollen bloei. Buurtvereenigingen of buurten waren genootschappen,
+ontstaan door vrije overeenkomst van in elkanders nabijheid gelegene
+stadsgedeelten of wijken, wier bewoners zich verbonden tot onderlinge
+goede verstandhouding, het verleenen van wederkeerige hulp en het
+handhaven der orde binnen de buurt. De bepalingen daartoe, vervat
+in een "brief" of "kaart," werden meestal aan de goedkeuring van den
+Magistraat onderworpen en hadden slechts dan verbindende kracht. De
+stad 's-_Gravenhage_ was toenmaals verdeeld in 71 buurten, waarvan de
+_Hofbuurt_ (_Binnen-_, _Buitenhof_ en _Hofsingel_) en de _Illustre
+Parelbuurt_ (_Voorhof_ en _Vijverberg_) de voornaamste in rang
+waren. Sommige dier buurten waren nog gescheiden in twee gedeelten. Zoo
+bevatten de _Hofbuurt_ en _Parelbuurt_ twee vereenigingen: die voor
+Heeren-burgers en die voor Burger-burgers; zoo hadden enkele buurten,
+b. v. het _Voorhout_, eene vereeniging voor gehuwde mannen en een
+voor ongehuwden, _Jonkmansbuurt_ genaamd. Aan het hoofd van elke
+buurt stond een bestuur, "officier en regenten der Buurt" geheeten,
+hetwelk was samengesteld uit een deken (ook wel "President van de
+Buyrte" genoemd), twee, vier of zes Hoofdlieden (die ook den naam
+van "vredemakers" droegen) en één Secretaris (die in de _Hofbuurt_
+den titel van griffier voerde). Zelfs hadden sommige buurten, onder
+andere de _Hoogstraat_, haren advocaat. De deelneming als lid der
+buurt was vrijwillig; evenwel moest men bewoner van de buurt zijn,
+en werd er bij stemming over het toetreden tot het lidmaatschap
+geballoteerd. Wie niet goed van gedrag was, geen goeden naam had,
+als onaangenaam in den omgang bekend stond, of om andere redenen
+geen genoegzaam aantal stemmen kreeg, mocht geen lid worden. Ook kon
+men van dat Lidmaatschap vervallen worden verklaard, tot straffe
+voor het niet voldoen aan de vastgestelde wetten, keuren, boeten
+of ordonnantiën. Elk lid nam op zich te betalen een wekelijksche
+of maandelijksche contributie, die verschillend was naar de buurten
+[26], f 3 bij het koopen en evenveel bij het verkoopen van een huis,
+en een vastgesteld geld bij huwelijken, geboorten of begrafenis. Het
+doel dezer buurtvereenigingen was onderlinge hulp en bevordering der
+vriendschap; ook het handhaven van vrede en rust in de buurt. Wanneer
+twee buren twist hadden, begaven zij zich naar de Hoofdlieden, die
+trachten hen met elkander te verzoenen. Verkozen zij daarnaar niet
+te luisteren en brachten zij de zaak voor het gerecht, dan betaalden
+zij eene boete van drie gulden. Wie zijn vrouw "smeet ofte sloeg,
+dat daar een straatgerucht uit voortquam" verbeurde een vette ham
+of ten minste f 3 (in andere buurten f 1.50), voor het "kyven met
+anderen in de buyrt" 12 stuivers, schelden 6 stuivers, bedreiging
+f 1.50, slaan f 3; kwam men bij brand niet op, dan verbeurde men
+24 stuivers. Al die boeten gingen bij de inkomsten, en van al die
+ontvangsten werden jaarlijks maaltijden aangericht, waaraan al de leden
+der buurt met hunne vrouwen deelnamen. Somtijds hield men om de twee
+of drie jaren een maaltijd, waarbij de bewoners van andere buurten
+genoodigd werden. De maaltijden duurden gewoonlijk drie, wel eens
+vier dagen. Bij sterfgevallen waren de buren verplicht als dragers te
+assisteeren, waarvoor de betrekkingen van den doode een zekere somme
+gelds naar believen aan den buurt-secretaris ter hand stelden. Deze
+betaalde daarvan den dragers f 1 of meer en stortte het overige in
+de kas. Ook bij brand moesten de buurtlieden opkomen ter blussching,
+waarvan echter zij, die aan het stadhuis verbonden waren of tot de
+schutterij behoorden, waren vrijgesteld. De afgetredene hoofdlieden
+waren brandmeesters. Nog had de buurt een knecht, die zorgen moest voor
+het aanzeggen der dooden, het oproepen der dragers en het uitdeelen
+en ophalen der buurtpenningen, die dezen aan huis werden bezorgd [27].
+
+Wij willen dan eens den _Nieuwen Doelen_ binnentreden en ons naar
+dezelfde zaal begeven, die wij in een vroeger werkje [28] reeds eenmaal
+zijn ingetreden. Het is de 24ste November van het jaar 1665, de tweede
+dag van den ditmaal gevierd wordenden maaltijd. Het is dit jaar een
+luisterrijk festijn; veel kostbaarder dan gewoonlijk. En geen wonder;
+want een paar hooggeplaatste personages, ook leden der buurt, zullen
+de maaltijden bijwonen: Prins Willem Hendrik en de Raadpensionaris
+Johan de Witt met zijne echtgenoote Wendela, de dochter van den
+Amsterdamschen burgemeester Bicker. De Witt heeft dan ook, in plaats
+van de f 15.60 die hij als lid der buurt moest betalen, niet minder
+dan 19 Dukatons (f 59,85) gegeven: terwijl de Prins, behalve een nog
+veel aanzienlijker gift, door zijn kok verscheidene schotels heeft
+laten gereedmaken, welke hij naar den _Doelen_ heeft gezonden. "Door
+zijn kok?" hoor ik u vragen. Welzeker, de vijftienjarige knaap houdt er
+reeds een heele hofhouding op na. Behalve zijn goeverneur Zuijlestein,
+zijn schrijver en Raad Wildertz, zijn kamerdienaar Karel Pietersz
+en de andere bedienden, bekleedt de Heer van Heenvliet bij hem den
+post van opperstalmeester, Boreel dien van hofmeester, Bromley, een
+Engelschman, en Buat, die vroeger reeds als page bij zijn doorluchtigen
+vader Willem II in dienst is geweest, die van edellieden van zijn
+huis. De baron Van Freisheim is sedert den 27sten April als vendrig
+in dienst van den Staat. Hoeveel de Prins steeds van dezen hield,
+getuigen nog zijne aan den jongen baron gerichte brieven, waarin zijne
+Hoogheid den lossen Freisheim menige vriendelijke vermaning geeft.
+
+Maar keeren wij tot de zaal van den _Nieuwen Doelen_ terug, die sedert
+1648 steeds voor deze gelegenheden gebruikt wordt, in plaats van de
+Casteleneye van _Holland_, welke vóór dien tijd tot dat doel werd
+ingericht. Ook heeft men in de _Hofbuurt_ voor ditmaal het gebruik
+afgeschaft, dat ook in de andere buurten bestaat: namelijk, dat ieder
+genoodigde zijn eigen servet, mes en lepel moest medebrengen. Wij
+treden de zaal binnen op het oogenblik, dat de gasten boven komen,
+die reeds vroeg in de benedenzalen vergaderd zijn geweest; alwaar
+de mannen onder het "drinken van toeback", die in looden potten
+aanwezig is, en de vrouwen bij het gebruik van een glaasje "malvezy
+ofte spaensen wijn" en kandeel en een aangenaam buurpraatje, sedert
+tien uren den tijd hebben gesleten.
+
+De zaal is verlicht met tallooze waskaarsen en schoon versierd
+met de kleuren van het Huis van _Oranje_. In het midden staat de
+tafel, waarop een rijkdom van schotels: heerlijke ossenrolenden,
+speenvarkens, kalfsschijven en vette hammen als vleeschspijzen;--hazen,
+konijnen en een reebout als wild;--kalkoenen, hoenders, duiven,
+als gevogelte;--zee- en riviervisch en vooral "oysters" [29], zoo
+versch als gebraden, als waterproduct;--gort, erwten en boonen, op
+verschillende wijzen toebereid, salade en radijs als veldvruchten
+voorkomen. Verder het dessert, bestaande uit peren, appelen, noten,
+druiven [30] en mispelen, en uit een menigte taarten en gebakken, als:
+"Spaens banquet," "ordinair banquet van appelen" en "taartenbanquet,"
+"marsepeynen," "gestoffeerde poddings", "pasteyen", "eyerkoeken"
+en heerlijke confituren. Gij ziet, dat er genoeg te eten is, en te
+drinken ook; want die lange fluiten zijn voor verschillende Fransche
+wijnen, voor "Spaensen" en "Rhijnschen" wijn, en die kroezen voor
+"Haagsch, Dorts, Bergs of Hamburgs" bier. Om de tafel heen staan
+stoelen met zachte kussens, en de tafel zelf is met een helder wit
+tafellaken gedekt; de schotels en borden zijn van tin.
+
+"Zijne Hoogheid toeft vandaag lang," begon de advocaat Moleschot, de
+aftredende deken van dat jaar. "Zij zal, hoop ik, toch wel deelnemen
+aan ons festijn."
+
+"Voorzeker," zeide Cimon van Middelgeest, een der hoofdlieden. "Ik
+weet zeker, dat Zijne Hoogheid zal komen."
+
+"Maar de Raadpensionaris zal heden niet paraisseeren," verzekerde
+Johan Houttuijn, een ander hoofdman.
+
+"Waarom niet?" vraagde Middelgeest.
+
+"Hij is geïndisposeerd geworden," antwoordde Houttuijn.
+
+"Geïndisposeerd?" riep Henricus Hondius uit. "Het zal hem gisteren
+zeker niet gecoiffeerd hebben, dat wij ons Prinsje wat veel gefêteerd
+hebben."
+
+"De Raadpensionaris is er de man niet naar, om zich daarvoor absent
+te houden," bracht Van Limborch in het midden. "Hij weet zeer goed,
+dat de _Hofbuurt_ verscheidene leden telt, die der Staatspartij
+zijn toegedaan."
+
+"Meer toch nog den Prins," hernam Hondius. "Bij de meesten is het
+nog Oranjeboven."
+
+"Ieder, die het wel met den Lande meent, zal respect hebben voor
+den Oranjestam," hervatte Limborch. "Maar niemand, welke partij hij
+ook zij toegedaan, zal den Raadpensionaris minachten, wiens mérite
+grooter is dan die van eenig man in de Republiek."
+
+"En dan die oorlog met Engeland?" vraagde Hondius.
+
+"Daar heeft toch zijne Edelheid de Raadpensionaris in trouwe geen
+schuld aan," antwoordde Limborch.
+
+"Geen politiek op ons buurtmaal, heeren!" maande een ander hoofdman,
+Lintelo van der Ehse aan. "Gij weet zeer goed, dat die onder goede
+buren niet te pas komt, vooral niet bij een gelegenheid, welke dient
+tot verbroedering."
+
+"Gij hebt volkomen gelijk," verzekerde de deken. "Doch ik hoor het
+rollen eener karos. Het zal Zijne Hoogheid zijn.--Wij zullen komen,"
+vervolgde hij tot den buurtknecht, die kwam zeggen, dat de koetsen
+van Zijne Hoogheid in het gezicht waren. En terstond begaf hij zich
+met de vier hoofdlieden naar beneden, om den Prins te ontvangen. De
+burgers en hunne dames stelden zich intusschen in een dubbele rij,
+die van de deur tot de zitplaats van den Prins liep, en het duurde
+niet lang, of de hooge personage kwam met zijn gevolg binnen. Het
+was nog altijd dezelfde bleeke, ziekelijke knaap, en het scheen,
+dat hij nu nog bleeker zag in dat roode fluweelen wambuis, waarover
+een mantel van dezelfde kleur en stoffage was geslagen, met gouden
+galons geboord, en welken hij, zoodra hij de zaal binnentrad, aan
+zijn kamerdienaar Karel overreikte. Sterk stak de witte satijnen
+broek, boven de kuiten met rood satijnen strikken vastgeknoopt,
+daarbij af; terwijl de rooskleurige zijden kousen en hooggehakte met
+roode strikken voorziene schoenen zijn toilet voltooiden. Achter hem
+kwamen Zuijlestein, Heenvliet, Boreel, Buat en Bromley. Vriendelijk
+groette de Prins naar beide zijden, terwijl hij zich naar den hoogen
+met groen laken bekleeden leuningstoel begaf, die aan de rechterhand
+van den President voor hem was gereed gezet. Zoodra hij was gezeten,
+namen ook de andere gasten plaats zonder onderscheid van rang of stand;
+want, behalve de plaats van den President of Deken, bestond er geene
+vooraanzitting hoegenaamd.
+
+Wij stappen over het eerste gedeelte van den maaltijd heen, en zien
+intusschen de tribune boven de deur zich vullen met muzikanten,
+die onder het dessert eenige stukken zullen spelen en na den afloop
+den danslustigen gelegenheid geven tot het uitvoeren der vroolijke
+"sarabandes" of der sierlijke "courantes", dansen, uit het danslustige
+_Frankrijk_ overgebracht en toen algemeen in zwang.
+
+Toen het eerste gedeelte van den maaltijd was afgeloopen, verlieten
+de gasten de zaal, om den bedienden gelegenheid te geven de tafel
+voor het dessert in orde te brengen, om zich eens te verluchten
+en eenige oogenblikken te laten tusschen het eerste en het tweede
+gedeelte van den maaltijd. Reeds van den tijd der Graven toch was
+het bij onze voorouders de gewoonte, den maaltijd met een dessert te
+besluiten. De mannen namen weder hunne pijpen ter hand en stopten die
+uit de looden "toebackspotten"; na 1679 gebruikten de dames dan hare
+"vrouwtjestoeback, geseyd thee" en na 1693 hare "caffée" of koffie.
+
+Nauwelijks waren de pijpen opgestoken, of de mannen verzamelden
+zich, naar het voorbeeld der vrouwen, in kleine troepen, en de
+Prins zag zich omringd van verscheidene heethoofden zijner partij:
+Sickinga van Warfsum, Cimon van Middelgeest, Henricus Hondius en
+anderen. Zij trachtten den Prins in een politiek gesprek te mengen;
+maar deze, wel bemerkende welken weg zij op wilden, was begonnen te
+spreken over de heerlijke oesters, die hij had gegeten, en over de
+jachthonden, die hij op het _Huis ten Bosch_ had en van welke hij
+een menigte anekdoten wist mede te deelen. Intusschen waren de deken
+en de hoofdlieden bezig met het opnemen der stemmen voor een nieuwen
+deken, in plaats van den Advocaat Moleschot, waarvan de uitslag vóór
+het dessert aan de buurtvergadering zou worden kenbaar gemaakt.
+
+Zoodra de gasten weder waren gezeten, stond de Advocaat Moleschot op
+en deelde aan de vergadering mede, dat Zijne Hoogheid Prins Willem
+Hendrik met algemeene stemmen tot President of deken was benoemd.
+
+"Ik twijfel er geenszins aan," vervolgde de deken, terwijl hij zich
+tot den Prins wendde, "of Uwe Hoogheid zal zich die benoeming laten
+welgevallen en haar beschouwen als een blijk van de innige affectie
+der _Hofbuurt_ tot het Doorluchtige huis, waarvan Uwe Hoogheid de
+afstammeling is."
+
+"Ik ben gevoelig, mijnheer Moleschot," antwoordde de Prins, terwijl
+hij van zijn zetel oprees, "ik ben gevoelig voor de eer, mij door
+mijne geaffectioneerde vrienden van de _Hofbuurt_ bewezen, en ik zie
+geene oorzake om niet aan de roeping te beantwoorden, die tot mij
+komt door uwen mond. Ik neem dus de benoeming aan."
+
+Een algemeen gejuich volgde op deze woorden.
+
+"Ik ben u dankbaar voor uwe goede affectie te mijwaarts, goede
+vrienden," hernam de Prins, "en, daar wij het privilegie hebben, een
+stadhouder [31] te benoemen, zoo installeer ik als zoodanig onzen
+geëstimeerden vriend, den Advocaat Moleschot, dien ik verzoek, ook
+voor hedenavond mijne plaats te vervullen."
+
+Deze rede werd weder gevolgd door toejuiching.
+
+Daarop nam Moleschot het woord.
+
+"Ik mag de eer dezer benoeming niet weigeren," zeide hij, "en begin,
+met u allen te inviteeren, uwe glazen te vullen, en te drinken:
+de prosperiteit van onzen nieuwen President!"
+
+Alle aanwezigen stonden op en dronken op Zijne Hoogheid, met den
+uitroep: "Leve de Prins van Oranje!" Te gelijker tijd hoorde men aan
+eene zijde der tafel het deuntje aanheffen:
+
+
+ "Al is ons Prinsje nog zoo klein,
+ Alével zal hij stadhouder zijn."
+
+
+waarop de gezichten van hen, die ter Staatspartij waren toegedaan,
+betrokken.
+
+De prins intusschen wenkte met de hand.
+
+"Goede vrienden," zeide hij. "Ik dank U voor uwe singuliere
+affectie. Wat echter die bijzondere uiting uwer sentimenten betreft,
+gij vergeet, dat wij hier als goede buurtvrienden bijeen zijn. Ook
+kunt gij het niet meenen, dat gij liever een vijftienjarigen knaap aan
+het roer van den Staat zoudt zien, dan den waardigen en bekwamen man,
+die al zijne krachten wijdt aan de prosperiteit van het Vaderland. Ik
+verzoek U dus, als President, uwe glazen nogmaals te vullen en die
+met mij te ledigen op het heil van Mijnheer de Witt."
+
+"Goed gedaan, Willem," fluisterde Zuijlenstein den Prins in het oor,
+terwijl niemand der aanwezigen durfde nalaten, den dronk met geestdrift
+te beantwoorden.
+
+"En ik drink op de nobele sentimenten van onzen President!" riep Van
+Limborch uit, en ook deze dronk verwekte algemeene goedkeuring.
+
+Reeds vroeg in den avond vertrok de Prins, daartoe als reden opgevende
+zijne zwakke gezondheid. Met hem vertrokken ook Zuijlestein, Boreel,
+Heenvliet en Buat, terwijl onze lustige burgers nog uren lang bij
+elkander bleven en zich met verschillende spelen onledig hielden. Of
+zij ook kaart speelden, durf ik u niet verzekeren; wel zijn kaartspelen
+in andere buurten reeds in 1658 in rekening gebracht; in de _Hofbuurt_
+echter komen zij eerst in 1712 voor. Den volgenden dag liet de Prins
+zich voor den maaltijd verschoonen: hij lag met zware hoofdpijn te bed.
+
+Toch had hij zich nog dien morgen naar het huis van den Raadpensionaris
+begeven, ten einde naar diens gezondheid te vernemen. Hij trof Johan
+de Witt geheel gekleed.
+
+Toen de Prins binnentrad, was de Raadpensionaris niet alleen in het
+vertrek. Een man, wiens kleeding zijn hoogen stand verried, doch wiens
+gelaat goedhartigheid en eenvoudige rondheid aanduidde, was bij zijne
+intrede opgestaan van den stoel, waarop hij gezeten had. Terwijl De
+Witt den Prins een stoel aanbood, wees hij met de vlakke hand naar
+dien persoon, en zeide met al de hoffelijkheid, hem eigen:
+
+"Ik heb de eer, Uwer Hoogheid hier onzen veelbeminden en
+hooggerevereerden vriend, den Luitenant-admiraal Michiel Adriaanszoon
+de Ruyter [32] voor te stellen."
+
+"Ha, Mijnheer de Ruyter," zeide de Prins, terwijl hij den ronden
+Zeeuw de magere hand reikte, die deze met warmte aangreep. "Het is
+mij een singulier genoegen, Uwe Edelheid te rencontreeren. Ik durfde
+dat niet verwachten."
+
+"Uwe Hoogheid is wel goed, dat Zij zulke goede gedachten van mijn
+persoon heeft," antwoordde de Luitenant-admiraal bescheiden.
+
+"Uwe Edelheid zal dan toch eindelijk eens rust nemen," hervatte de
+Prins. "Nu, gij moogt die ook wel hebben. Met u is het wel: wie goed
+dient, dient nooit genoeg."
+
+"Waar de Heeren Staten of het Vaderland mij roepen," hernam De Ruyter,
+"moet devoir boven gemak gaan. Zoolang God mij het leven behoudt,
+hoop ik den lande nuttig te zijn."
+
+"Braaf gesproken," hervatte de Prins. "O, mijnheer De Ruyter," voegde
+hij er met een nauw merkbaren zucht bij, "men moet zich wel gelukkig
+gevoelen, als men zoo nuttig kan zijn als gij. Maar," vervolgde hij,
+zich tot den Raadpensionaris wendende, "ik zou zoodoende de oorzake
+mijner komst vergeten. Mijnheer De Witt! wij misten Uwe Edelheid
+gisteren op het buurtmaal. Men zeide mij, dat gij geïndisponeerd
+waart. Intusschen reken ik mij gelukkig te zien, dat Uwe Edelheid
+weder geheel gekleed is. Waarschijnlijk is dus de indispositie geheel
+en al geweken."
+
+"Uwe Hoogheid is wel goed," antwoordde de Raadpensionaris, "zooveel
+attentie voor mijn persoon te toonen, en ik acht mij gelukkig, haar
+te kunnen verzekeren, dat de kleine indispositie weder geheel en al
+voorbij is. Ik stond juist op het punt, om naar het Binnenhof te gaan."
+
+"Al weder aan de besognes, mijnheer de Raadpensionaris," zeide de
+Prins. "Uwe Edelheid doet te veel. Zij zal zich nog in den grond
+werken."
+
+"Geen nood," hervatte De Witt glimlachend. "Ik heb een ijzersterk
+gestel."
+
+"Gelukkig, wie dat heeft," zuchtte de Prins, hoestend. "Ik zou wel
+wenschen in uwe plaats te zijn."
+
+"Hoe meent Uwe Hoogheid dat?" vraagde De Witt min of meer scherp.
+
+"Dat ik het gestel van Uwe Edelheid hadde, en dat de arbeid mij niet
+zoo fatigueerde."
+
+"En heeft Uwe Hoogheid zich gisteravond nog al geamuseerd?" vraagde
+de Raadpensionaris.
+
+"Voor zooverre iemand, die altijd met hoofdpijn en hoest geplaagd is,
+zich amuseeren kan. Onze vrienden van de _Hofbuurt_ hebben mij wel
+tot hunnen President gelieven te benoemen."
+
+"Dat weet ik," hervatte De Witt. "En ik ben Uwer Hoogheid grooten
+dank verschuldigd voor den dronk, dien Zij op mijn welzijn heeft
+willen instellen."
+
+"Uwe Edelheid weet dus reeds...."
+
+"Ik weet," hernam De Witt met nadruk, "dat Uwe Hoogheid verstandiger
+is dan de leden Harer partij, die gaarne ons arm land tot een tooneel
+van volkstumult en burgeroorlog zouden willen maken. Geloof mij,
+Prins! zij zijn Uwe ware vrienden niet."
+
+"Ik zal Uwe Edelheid niet langer ophouden," zeide de Prins. "Haar
+tijd is te kostbaar. Mag ik U een plaats in mijn karos aanbieden?"
+
+"Volgaarne, ofschoon het mijn gewoonte niet is om naar mijn bureau te
+rijden. Men mag echter wel zien, hoezeer Johan de Witt de vriend is van
+den Prins van _Oranje_.--Tot van middag, mijnheer De Ruyter," vervolgde
+hij tot den Luitenant-admiraal. "Uwe Edelheid zal mij wel excuseeren."
+
+"Waar de besognes en het interest van het Land uwe tegenwoordigheid
+vereischen, mijnheer de Raadpensionaris," gaf De Ruyter ten antwoord,
+"heeft niemand recht U op te houden. Dus tot van middag."
+
+"Adieu, mijnheer De Ruyter," zeide de Prins, terwijl hij den
+Luitenant-admiraal vriendelijk groette. "Ik hoop de eer te genieten,
+een bezoek van U te ontvangen."
+
+"Uwe Hoogheid heeft vóór het dessert een langdurig gesprek gehad
+met den Heer Sickinga," begon De Witt weder, toen zij in de karos
+zaten. "Heeft die U ook iets medegedeeld ten aanzien van de zaken
+in _Friesland_?"
+
+"In trouwe, wij hebben het zeer druk gehad," antwoordde de Prins. "De
+Heer Sickinga beviel mij buitengemeen. Ik had hem vroeger nooit
+ontmoet."
+
+"En hij vertelde U....?" zeide De Witt, terwijl hij den Prins met
+zijnen uitvorschenden en doorborenden blik aanzag.
+
+"O, mijnheer de Raadpensionaris," gaf de Prins op onnoozelen toon
+ten antwoord, "hij vertelde mij zulke aardige stukken van zijne
+jachthonden.... Doch hier zijn wij er. Ik rijd door naar het _Huis
+ten Bosch_, om eens naar de mijne te zien. Uw dienaar, mijnheer de
+Raadpensionaris!"
+
+De Witt steeg uit de karos en werd vervangen door den Heer van
+Zuijlestein, die naar het _Huis ten Bosch_ zou mederijden.
+
+"Niet te doorgronden, een raadsel is die knaap, ook voor mij!" bromde
+de Raadpensionaris tusschen de tanden. "Intusschen--hij is nu reeds in
+zijn zestiende jaar, en 't zal niet lang meer duren, of hij kan mij
+gevaarlijk worden. Daar is maar één middel om dat te verhoeden. Hij
+moet worden onttrokken aan de infidentie zijner partij en vooral aan
+die van de Engelschen. En dát vóór hij mij boven het hoofd wast. Wij
+zullen daar eens rijpelijk en ernstig over denken."
+
+Met deze woorden trad hij de deur van zijn kabinet binnen, om opnieuw
+aan zijne vele besognes te gaan, en--aan zeven secretarissen tegelijk,
+zeven verschillende brieven te dicteeren.
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde.
+
+
+Wij slaan een tijdvak van ruim vier maanden over en begeven ons op
+den 2den April 1666 nogmaals naar het vertrek van den Prins op het
+_Binnenhof_, waar wij hem reeds eenmaal [33] hebben aangetroffen. Ik
+behoef mijnen lezers niet te zeggen, dat er op de vuurplaat onder den
+hoogen schoorsteen een fiksch vuur van turf en hout was aangelegd, en
+dat Zijne Hoogheid in den grooten leunstoel daarbij zat. Bij den haard
+zaten tevens Zuijlestein en de hofmeester Boreel. Op het oogenblik
+waarvan wij spreken, diende de kamerdienaar den Heer Van Heenvliet,
+den vader van 's Prinsen stalmeester en een hevig voorstander der
+Oranjepartij, aan, die werd binnengelaten en door den Prins verzocht,
+zich bij den haard te schikken.
+
+"Ik had reeds vroeger bij Uwe Hoogheid willen komen, om naar Hare
+gezondheid te vernemen," begon de grijsaard. "Ik vond het echter
+geraden, te wachten tot Uwe Hoogheid zich van de vermoeienissen der
+reis hersteld had."
+
+"Ik dank U zeer, mijnheer Van Heenvliet," antwoordde de Prins, "voor
+Uwe attentie, en ik durf u verzekeren, dat mijne reis mij zeer goed
+bekomen is en niet anders dan aangename impressies kan nalaten."
+
+"Men heeft U te _Amsterdam_ luisterrijk ontvangen, naar ik hoor,"
+hernam Heenvliet.
+
+"Ik zal _Amsterdam_ roemen," gaf de Prins ten antwoord. "De vroedschap
+heeft een groot festijn te mijner eere aangericht."
+
+"En het volk, hoor ik, heeft luide geroepen om Uwer Hoogheids
+bevordering, en U zelfs met veel gejuich uitgeleide gedaan," ging
+Heenvliet voort.
+
+"Zoo, mijnheer Van Heenvliet," antwoordde de Prins, met het onnoozelste
+gezicht ter wereld. "Ik kon niet recht verstaan wat zij riepen. Maar
+de maaltijd was overheerlijk. Inderdaad ik wist niet, dat zij in de
+grootste koopstad van het land zulke uitmuntende koks hadden. Ik
+dacht altijd, dat die goede Amsterdamsche kooplieden zich slechts
+bezighielden met hun handel."
+
+"En met de staatkunde," voegde Heenvliet er stekelig bij. "En hoe
+heeft Uwe Hoogheid het te _Rotterdam_ gehad?"
+
+"Daar ben ik door den burgemeester Ewout van der Horst vorstelijk
+onthaald. Een uitmuntend mensch, die Van der Horst."
+
+"Ik ken hem. Hij is een trouw aanhanger uwer zaak."
+
+"Dat heb ik gemerkt," antwoordde de Prins weder heel onnoozel,
+"want dat maal heeft hem nog al wat gekost. Er waren heerlijke
+oesterpartijen."
+
+"Ook daar zijt gij door het volk met veel gejuich begroet."
+
+"O, ja, de Rotterdamsche menschen schijnen heel vriendelijk te
+zijn. Toch zou ik niet graag hier in _Den Haag_ altijd zooveel volk
+om mijn karos zien."
+
+"Geen wonder, Uwe Hoogheid," gaf Heenvliet ten antwoord. "Maar het
+volk hier ziet Uwe Hoogheid dagelijks. Daarom is het toch evenzeer
+Uwe partij toegedaan en wenscht niet minder Uwe bevordering. Ook
+hooggeplaatste personen verlangen die. Zelfs uw oom, de Keurvorst
+van _Brandenburg_, heeft U aan de Staten-Generaal tot de hooge
+krijgsambten aanbevolen."
+
+"En de Heeren Staten hebben daarop geantwoord, dat de Keurvorst zich
+liever met zijne eigene zaken moest bemoeien en zich niet in die van
+anderen moest steken."
+
+"En dan," merkte Zuijlestein aan. "En dan, om te bewijzen, hoe weinig
+zij om den Keurvorst geven, hebben zij den Prins van _Tarente_
+tot overste der ruiterij, den Heer Van Noordwijk tot overste van
+het geschut, den graaf Van Hoorne tot sergeant-majoor en den Heer
+Pain-et-vin tot luitenant-kolonel gemaakt."
+
+"Daar heeft _Zeeland_ dan ook dapper tegen geijverd," hernam Heenvliet.
+
+"En wat heeft het _Zeeland_ geholpen?" vraagde Zuijlestein. "Het
+antwoord, dat _Holland_ gegeven heeft, bewijst genoegzaam zijn onwil."
+
+"Omdat _Holland_ mij niet wil bevorderen, alvorens ik den ouderdom
+van achttien jaren zal bereikt hebben," zeide de Prins op scherpen
+toon. "Zij hebben gelijk, de Heeren Staten," vervolgde hij schijnbaar
+luchthartig. "Wat zou een knaap als ik, ziekelijk en tenger, in het
+krijgswezen doen?"
+
+"En dan uwe voorouders Prins!" riep Heenvliet uit. "Heeft men hun
+ooit de hun toekomende ambten onthouden? Maar Uwe Hoogheid zelf moet
+zich laten kennen, en een oproeping...."
+
+"Vergeef mij, mijnheer Van Heenvliet, dat ik U verzoeken moet, zulke
+taal niet in mijne presentie te voeren. Mijne vrienden mogen voor mij
+doen wat zij willen--ik _wil_ van hunne handelingen niets weten. Ik
+verlang geen promotie dan langs den rechtmatigen weg. Maar, zeg mij,
+hebt gij sinds gisteren uw zoon ook gesproken?"
+
+"Ik zag hem sedert drie dagen niet, Uwe Hoogheid," antwoordde
+Heenvliet. "Had hij mij wat belangrijks mede te deelen?"
+
+"Zeker. Gij moet weten, mijnheer Van Heenvliet, dat ik een paar
+dagen geleden twee schoone Friesche paarden heb aangekocht. Het
+zijn prachtige beesten. Gij moet ze eens zien.--Gij zijt immers ook
+een kenner?"
+
+De Heer Van Heenvliet zuchtte; hij kon niet begrijpen, hoe de Prins
+op dat oogenblik over paarden kon spreken, en wilde juist antwoorden,
+toen de ritmeester Buat de kamer binnentrad, zich tot den Prins wendde,
+en met een geheimzinnig gelaat en op half fluisterenden toon zeide:
+
+"Weet Uwe Hoogheid reeds, dat de Raadpensionaris dezen morgen op het
+Hof van _Brandwijk_ [34] is geweest en een langdurige conferentie
+heeft gehad met Mevrouw de Prinses-weduwe?"
+
+"Met de Prinses-weduwe!" riepen de drie Heeren, die bij het vuur zaten,
+te gelijk.
+
+"Zooals ik u zeide," antwoordde de ritmeester. "En wat meer is,
+alvorens naar de vergadering der Staten te gaan, is Zijne Edelheid
+nogmaals aan het Hof van _Brandwijk_ aangereden, en heeft ruim een
+kwartier bij Hare Hoogheid doorgebracht."
+
+"En nu twijfelde Uwe Hoogheid nog aan Hare promotie!" riep Heenvliet
+uit. "Begrijpt Zij dan niet, dat de Raadpensionaris niet langer durft
+weerstand bieden aan den aandrang Harer vrienden, die hoe langer hoe
+luider wordt?"
+
+"De Heer De Witt zal wel moeten toegeven," zeide Boreel, die tot nog
+toe gezwegen had. "Als Zijne Hoogheid maar eerst Generaal der ruiterij
+is, zal Zij wel spoedig Veldmaarschalk zijn."
+
+"En dan"--hervatte Heenvliet triomfeerend. "Dan zal de Raadpensionaris
+spoedig vallen en dan--dan maken wij vrede met _Engeland_.... en...."
+
+"Maar gij hebt mij nog niet gezegd, mijnheer Van Heenvliet, wanneer
+gij mijn Friesche paarden zoudt komen zien," hernam de Prins bedaard.
+
+"Als het Uwe Hoogheid schikte, morgen om elf uur," antwoordde de
+Heer Van Heenvliet, terwijl hij zijn prachtig gouden met diamanten
+bezette horloge uit den zak haalde. "Maar Uwe Hoogheid zal mij thans
+excuseeren, dat ik Haar quitteer. Ik heb nog dringende zaken te doen."
+
+"Ik dank U voor uw bezoek, mijnheer Van Heenvliet," zeide de
+Prins. "Vergeet vooral niet, morgen om elf uur, mijne paarden te
+komen zien. Ik zal zorgen ook in den stal te zijn. Denk er aan,
+dat ik hoogen prijs stel op uw opinie."
+
+De Heer Van Heenvliet boog en verliet het vertrek.
+
+"Hij moet zeker naar de "Oude Zwaen," dat hij zoo'n haast maakt,"
+zeide Boreel glimlachend. "Daar zal hem wel de een of andere vriend
+met het verkeerbord wachten."
+
+"Zoudt gij het denken?" vraagde de Prins.
+
+"Voorzeker, Uwe Hoogheid," zeide Buat. "De Heer Van Heenvliet is een
+der trouwste bezoekers van de "Oude Zwaen." Men kan hem daar alle
+dagen vinden."
+
+"Ziedaar het voorrecht van hen, die in het _Noordeinde_ wonen,"
+zeide de Prins. "Zij bespieden niet alleen de gangen van de personen,
+die op het Hof van _Brandwijk_ komen, maar weten ook, wie de "Oude
+Zwaen" bezoeken."
+
+"Met uw verlof, Uwe Hoogheid," hernam Boreel. "Onze goede vriend
+Buat is zelf een trouw bezoeker van genoemde herberg. Zeker heeft
+hij Heenvliet daar dikwerf ontmoet."
+
+"En wat zegt gij van dat herhaalde bezoek bij hare Hoogheid, de
+Prinses-weduwe?" vraagde Zuijlestein.
+
+"Wat zal ik er van zeggen, Zuijlestein," antwoordde de Prins. "Wat
+de Heer De Witt voor mij gedaan heeft, is zelden tot mijn voordeel
+geweest. Ik durf mij nog niet vleien."
+
+"De Raadpensionaris is voorzichtig," merkte Boreel aan. "Hij zal
+begrijpen, dat het tijd is, voor de noodzakelijkheid te bukken."
+
+"Het zou zeker een verstandige trek van hem zijn," hervatte Buat. "En
+mocht Uwe Hoogheid een aanstelling erlangen, dan beveel ik mij in
+Hare gunst aan, om door hare voorspraak bevorderd te worden en weder
+in actieven dienst [35] te treden."
+
+"Beste Buat," zeide de Prins. "Laat ons toch de huid niet verkoopen,
+alvorens de beer geschoten is."
+
+Zoudt gij niet denken, mijne lezers, dat de Prins zeer onverschillig
+was omtrent zijne bevordering?--En toch--wanneer gij in dat hart
+hadt kunnen lezen, dat vol scheen van maaltijden en paarden en
+onvatbaar voor elke opwekking tot iets groots, dan hadt gij daar
+meer eerzucht in gezien, dan zelfs Heenvliet misschien wel zou
+gewenscht hebben,--een eerzucht die zich niet alleen uitstrekte
+tot het kapitein-generaalschap, maar ook tot het stadhouderschap,
+hetwelk zijne vaderen met zooveel lof bekleed hadden.
+
+Wij willen het viertal niet verder in hunne gesprekken volgen, en
+keeren omtrent twee uren later in het vertrek van den Prins terug,
+waar wij hen allen, behalve Boreel, terugvinden. Op het oogenblik,
+waarvan ik spreek, dient de kamerdienaar den Raadpensionaris aan.
+
+"Goede tijding, Willem!" fluisterde Zuijlestein, terwijl hij den
+Prins de hand reikte. "Ik wensch u geluk met uwe benoeming."
+
+"Ik ben verheugd, dat ik een der eersten zal zijn, die de goede
+tijding verneem," zeide Buat.
+
+Op dit oogenblik kwam de Raadpensionaris het vertrek binnen. De
+prins stond op en ging hem te gemoet. Beiden plaatsten zich tegenover
+elkander op de stoelen, door Zuijlestein en Buat nedergezet.
+
+"Ik heb mij gehaast," begon de Raadpensionaris, "U zelf het eerst
+de heuglijke tijding mede te deelen van de favorabele resolutie,
+welke de Heeren Staten wel hebben gelieven te nemen ten aanzien van
+het verzoek van Uwer Hoogheids grootmoeder, de Prinses-weduwe."
+
+'s Prinsen gelaat klaarde op: hij voelde een zenuwachtige trilling
+door zijn geheele lichaam. De beide Heeren bleven in gespannen aandacht
+bij den schoorsteen staan.
+
+"Een verzoek van mijne geachte grootmoeder," zeide de Prins. "Wat
+hield dat verzoek in, als ik vragen mag?"
+
+De Raadpensionaris haalde eenige toegevouwen papieren uit zijn zak,
+legde die op de tafel neder en nam er beurtelings een van op.
+
+"Hare Hoogheid de Prinses-weduwe heeft op heden, den tweeden van
+Grasmaand, aan mijne Souvereinen, de Edel-Groot-Mogende Heeren Staten
+over _Holland_ en _West-Friesland_, het verzoek herhaald, reeds in
+1660 door Hare Hoogheid en door wijlen Uwe moeder Mevrouw de Prinsesse
+Royaal gedaan, dat Uwer Hoogheid het geluk mocht te beurt vallen, onder
+staatsdirectie en conduite [36] te mogen verkrijgen die onderwijzing,
+door welke zij de rechten en de maximen [37] dezer Republiek grondig
+zou leeren begrijpen en erkennen en daardoor bekwaam mocht gemaakt
+worden, om ten eenigen tijde, des noodig, den Staat te dienen."
+
+Terwijl De Witt deze woorden uitte, was de Prins beurtelings rood en
+bleek geworden. Om zich niet te verraden, had hij den zakdoek voor
+den mond gehouden en worstelde thans met een hevige hoestbui.
+
+"En heeft mijne grootmoeder _dat_ verzoek herhaald?" vraagde hij met
+een van aandoening trillende stem aan De Witt.
+
+"Wie anders dan zij?" vraagde De Witt, terwijl geen spier in zijn
+gelaat de vreugd deed blijken, die er in zijn hart huisvestte. Ook
+de Prins had zich hersteld; want met kalmte wendde hij zich tot Buat
+en zeide:
+
+"Wees zoo goed, te zorgen, dat mijn karos straks voorkome. Ik moet
+naar het _Noordeinde_ om Harer Hoogheid mijnen dank te betuigen."
+
+"Voorzeker," antwoordde De Witt. "Maar niet minder dankbaar zal
+Uwe Hoogheid aan mijne Souvereinen, de Heeren Staten, zijn voor de
+goedgunstige wijze, waarop zij dat verzoek hebben opgenomen [38]. Hunne
+Edel-Groot-Mogenden hebben tot geautoriseerden en gecommitteerden tot
+Uwer Hoogheids opvoeding benoemd de Heeren: Wichold van der Does,
+uit de Ridderschap, Adriaan van Blijenburg, Heer van _Naaldwijk_,
+Oud-burgemeester en Raad van de stad _Dordrecht_, Gillis Valkenier,
+Burgemeester en Raad van _Amsterdam_, Nanning Foreest, Raad en Meester
+van de rekenkamer der domeinen en Raad en Vroedschap te _Alkmaar_
+en--mijn persoon...."
+
+"Ook Uwe Edelheid?" hernam de Prins op een toon, die weinig twijfel
+liet aan den onaangenamen indruk, welken deze tijding op hem maakte.
+
+"Ook mij. Is dat Uwer Hoogheid ongevallig?"
+
+"Integendeel. De lijst dier onbekende Heeren was mij onaangenaam. Uwe
+Edelheid ken ik."
+
+"En Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben mij specialen last en bevel
+gegeven om bij alle fortable [39] middelen onder Gods genadigen zegen
+voornamelijk te behartigen en zorg te helpen dragen, dat Uwe Hoogheid
+wel en grondig moge worden geïnstrueerd in de ware Christelijke
+gereformeerde religie, mitsgaders in de goede en heilzame rechten,
+privilegiën en maximen van dezen staat."
+
+Hier hield De Witt op. Ook de Prins zweeg. Eindelijk vatte deze het
+woord, en zeide:
+
+"Alzoo hebben de Heeren Staten van _Holland_ mij, op vijftienjarigen
+leeftijd, gemaakt tot...."
+
+"Tot kind van den Staat," voleindigde De Witt, die wel zag, dat de
+Prins niet bij machte was het woord te uiten.
+
+"Ik verzoek u, mijnheer de Raadpensionaris," zeide de Prins kalm,
+maar met fonkelende oogen, "Hunnen Edel-Groot-Mogenden mijn dank te
+brengen voor hunne goedheid, en hun te verzekeren, dat ik alle pogingen
+zal aanwenden, om mij die goedheid zooveel mogelijk waardig te maken."
+
+"Zulke gevoelens vereeren den afstammeling van den grooten Zwijger,"
+zeide De Witt. "Men moet leeren zich in de omstandigheden te
+schikken, en Uwe Hoogheid mag zich gelukkig rekenen, dat Hunne
+Edel-Groot-Mogenden geen gehoor hebben gegeven aan de stem van
+een partij, die, als men naar haar hoorde, het Land zou ten onder
+brengen. Intusschen heb ik hier nog een derde resolutie van de
+Heeren Staten."
+
+"Betreffende deze zaak?" vraagde de Prins, die hoop voedde, dat
+misschien bij het verklaren tot "kind van den Staat" een benoeming
+gevoegd was.
+
+"Juist, betreffende deze zaak. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben terecht
+begrepen, dat Uwe Hoogheid geheel aan den invloed van onze vijanden,
+de Engelschen, moet worden onttrokken, en dus geresolveerd, dat Uwe
+geheele hofhouding zal worden veranderd."
+
+"Hoe, mijnheer De Witt!" riep de Prins uit, een oogenblik zijne
+bedaardheid verliezende. "Mijne trouwe vrienden en mijne oude bedienden
+zoo maar aan den dijk te zetten!"
+
+"Verontrust u over hen niet. Zij zullen, indien zij er slechts om
+vragen, met andere posten worden begiftigd. Mijnheer Van Zuijlestein,"
+ging De Witt voort, zich tot dezen wendende, "de Heeren Staten zullen
+u vijf jaren lang een wedde van vierduizend gulden uitkeeren."
+
+"Maar ik zal mijn pupil niet verlaten, mijnheer de Raadpensionaris,"
+zeide deze driftig. "De Heeren Staten hebben er zeker niet aangedacht,
+dat ik mijne aanstelling heb van de Prinses-weduwe."
+
+"En Uwe Edelheid vergeet, dat hare Hoogheid hare rechten als voogdes
+op de Heeren Staten heeft overgedragen. Gij zult _wel_ vertrekken,
+mijnheer Van Zuijlestein."
+
+"Maar, mijnheer De Witt!" zeide de Prins smeekend. "De Staten zullen
+mij toch wel niet van _al_ mijne vrienden willen berooven. Ik smeek
+het u: laat mij slechts Zuijlestein, Boreel en Buat."
+
+"Dat is onmogelijk," hernam De Witt.--"De Heer Van Zuijlestein
+zal worden vervangen door den Heer Van Gendt, gecommitteerde van
+_Gelderland_."
+
+"Ik zal mij per request tot de Heeren Staten wenden, om slechts die
+drie te behouden," hernam de Prins.
+
+"'t Zal Uwe Hoogheid weinig baten," hervatte De Witt. "Intusschen,
+Uwe Hoogheid kan het beproeven. En thans wachten mij mijne
+bezigheden. Misschien vindt Uwe Hoogheid mij nog wel bij Hare Hoogheid
+de Prinses-weduwe, wanneer Gij haar Uwen dank komt betuigen."
+
+En met deze woorden nam de Raadpensionaris afscheid. Nauwelijks was
+hij vertrokken, of de Prins barstte in tranen uit.
+
+"Groote God!" riep hij uit. "_Ik_ kind van den Staat! _Ik_ de
+ondergeschikte van De Witt!--Zuijlestein! mijn oom, mijn eenige
+vriend! Gij van mij weg!--Maar!" hernam hij opstaande en met plechtigen
+ernst de vuist ballende: "wacht maar, Heeren Staten! Wacht maar! Daar
+zal misschien nog eens een tijd komen, dat het _Kind van den Staat_
+u allen tot _kinderen van den Prince van Oranje_ maakt [40]."
+
+Zoo had De Witt de luisterrijkste overwinning behaald, die hij ooit in
+zijne staatkundige loopbaan heeft mogen behalen: op hetzelfde oogenblik
+dat zijne vijanden meenden, dat hij vallen zou, plaatste hij zich
+vaster dan ooit in den zetel des bestuurs. De arme Prins echter werd,
+op hetzelfde oogenblik dat hij hoopte werkzaam te zijn ten dienste van
+den Staat, geheel en al een werktuig van De Witt en toch was deze tijd
+van verdrukking onder den Goddelijken zegen nuttig voor hem en deed
+in hem vermogens en krachten rijpen, die nimmer in hem zouden zijn
+ontwikkeld, als hij reeds op vijftienjarigen leeftijd was bevorderd
+tot eene betrekking, waartoe hij nog niet in staat was geweest.
+
+Wij verlaten nu _Den Haag_, en begeven ons een maand later, in de helft
+der maand Mei, naar de vloot van De Ruyter, die bij _Texel_ lag. 't
+Was een schoon gezicht, die vijf en tachtig oorlogsschepen daar zoo
+rustig te zien liggen met hunne hooge kampanjes, wier glasruiten in de
+zon schitterden, en wier van lof- en snijwerk voorziene borstweringen
+en lantaarns zoo sierlijk afstaken bij de lompe, bruine bodems. 't Was
+een schoon gezicht, die tallooze masten met hun touwwerk en raas, met
+hunne uitgespannen zeilen en ontelbare vlaggen en wimpels, die vroolijk
+in de lucht fladderden en, door den oostenwind bewogen, schenen te
+wijzen naar de Engelsche kusten, waar de vijand van het vaderland
+hen verwachtte, om te beslissen wie de sterkste zou zijn. Ik wil u
+niet opnoemen, welke Admiraliteiten die schepen hadden laten bouwen,
+noch hoe de namen van al die vaartuigen waren;--ik ga liever met u
+naar het Luitenant-admiraalsschip van onzen onsterfelijken De Ruyter,
+waar wij alles in drukke bezigheid vinden. Ziet maar, hoe die vlugge
+matrozen in het want klimmen, alsof zij de zeilen wilden innemen; hoe
+zij dat echter niet doen, maar als koorddansers over de raas loopen en
+op de nokken blijven zitten; hoe de anderen daar op het dek en op de
+andere dekken bezig zijn de geschutpoorten te openen en de kanonnen
+te richten; kortom, hoe men alle mogelijke scheepsmanoeuvres maakt,
+als ware men in volle zee en in het gezicht van den vijand.
+
+Wanneer wij ons naar het roer begeven, dan vinden wij daar onzen ouden
+kennis, den stuurman Klaas weder, die met Pieter en Jonker Engel in
+gesprek is, terwijl zij hunne oogen onafgewend gevestigd houden op
+twee jachten, die niet ver van daar liggen en eene menigte groote
+Heeren en hooge personages aan boord hebben.
+
+"Ziet gij daar," zeide Pieter, "dien mageren, tengeren knaap, die
+zooveel pret schijnt te hebben in de vlugheid onzer matrozen, met die
+wapperende veer op zijn hoed en dien donkerblauwen fluweelen mantel,
+dien hij zoo dicht om zich heengeslagen heeft? Dat is Zijne Hoogheid."
+
+"Waar?" zeide Engel. "O, ik zie het al. Daar staat hij. Wie zou die
+Heer zijn, met wien hij zoo druk aan het spreken is en die hem schijnt
+te zeggen, wat het een en ander beteekent?"
+
+"Ik ken hem niet," antwoordde Pieter.
+
+"Dan zal het de Heer van Gendt zijn," zeide Engel, "die eerst sedert
+kort tot 's Prinsen goeverneur is benoemd. In _Amsterdam_ heb ik daar
+veel over hooren spreken. Zie, die daar met zijn zwart fluweelen mantel
+is de Heer Johan de Witt, de Raadpensionaris, die als gemachtigde
+der Heeren Staten het uitloopen der vloot zal bevorderen."
+
+"Zijne kleeding steekt nog al af bij die van al deze groote Heeren,"
+zeide Klaas Dirkz. "Ik geloof dat er jannen onder zijn. Maar daar
+wenden zij. Ha, zij komen aan ons boord. Daar lossen zij reeds de
+saluutschoten."
+
+En waarlijk praaiden de beide jachten "de Zeven Provinciën," waar de
+Luitenant-admiraal de Heeren in zijn statiekleeding ontving. Eerst
+kwam de Keurvorst van Brandenburg en toen de Prins van Oranje.
+
+"Behoedzaam, neefje!" zeide de eerste tot den Prins. "Doe bist hier
+nicht op das _Pinnenhof_ of op das hof von _Prandweich_, waar de
+treppen mit tapeeten bedekt zind. Het is hier noer eene sjeepstreppe."
+
+"Onze Luitenant-admiraal heeft toch voor een gemakkelijke trap
+gezorgd," antwoordde de Prins lachende, terwijl hij reeds den voet op
+het dek zette. "Aha! daar is Zijne Edelheid. Mijn hartelijken groet,
+Heer Luitenant-admiraal!"
+
+"Mijn welkomsgroet zij Uwer Hoogheid toegebracht," zeide de ronde
+Zeeuw, terwijl hij den hoed afnam.
+
+"Ik heb recht schik gehad in de vlugheid uwer matrozen," hernam de
+Prins. "Zij zijn goed geoefend."
+
+"Dat behoort ook zoo, Uwe Hoogheid," hernam De Ruyter, die den Prins
+over het dek naar de kampanje leidde, waar eenige ververschingen
+gereed stonden.
+
+Zij werden gevolgd door den Keurvorst van _Brandenburg_, door de
+Vorsten van _Holstein_ en _Anhalt_, door den Prins van Nassau, de
+graven van _Solms_, _Dhona_ en _Hoorne_, de Heeren Van Brederode en
+Van Gent en eene menigte andere aanzienlijke personages. Nadat men
+iets gebruikt had, leidde De Ruyter de gevolmachtigden en de Heeren
+het geheele schip rond, terwijl de Prins een kennis van de zeevaart
+aan den dag legde, die ieder verwonderde. Toen men weder aan de
+statietrap was gekomen, zeide De Ruyter:
+
+"Ik ben zeer gehonoreerd geweest, zoo vele notabele Heeren aan mijn
+boord en bij mijn geringen persoon te zien. Meer genoegen echter
+zou het mij doen en tot meer eer zou het mij strekken, als de Heeren
+mij op morgen het contentement wilden aandoen, om op mijn schip den
+maaltijd te gebruiken, ten minste als zij zich mijn zeemanskost willen
+laten smaken."
+
+"O, volgaarne! Wij nemen het aan!"
+
+Daarna gingen zij weder in de jachten, voeren de vloot rond, door
+al de schepen met saluutschoten verwelkomd en gingen nog aan boord
+van de Luitenant-admiralen Van Nes en Tromp. Op het laatste schip
+juichte het volk onophoudelijk "leve de Prins van _Oranje_!" en
+dat gejuich scheen aanstekelijk te zijn; want zoo lang de jachten
+door de vloot voeren, klonk het onophoudelijk: "leve de Prins van
+_Oranje_!" Op elk der admiraals-schepen werd het volk met vijftien
+ton zwaar bier beschonken. Of dit geschenk van wege het land of van
+wege de hooge gasten was, vind ik niet geboekt. Des avonds voeren de
+beide jachten naar _Den Helder_, waar de genoodigden en gemachtigden
+den nacht doorbrachten.
+
+Den volgenden dag reeds vroegtijdig stapten onze hooge personages weder
+in hunne beide scheepjes, en voeren andermaal naar de vloot, waar zij
+nog de schepen van den kapitein Van der Zaan, van de Vice-admiralen
+De Liefde en Van der Hulst en van den kolonel der zeesoldaten, Willem
+Jozef van Gent, bezichtigden. Daarna voeren zij weder aan De Ruyters
+boord, waar zij heerlijk en heusch onthaald werden. Ik zal u geene
+beschrijving geven van hetgeen onze zeeheld opdischte; alleen durf
+ik u verzekeren, dat de hooge gasten uiterst tevreden waren over
+zulk een zeemanskost en dat er geen gebrek was aan verscheidenheid
+van wijn. Ook ontbrak het pekelvleesch niet; want De Ruyter zou niet
+gegeten hebben, wanneer er dàt niet of ten minste geen sterk gezouten
+vleesch voorhanden was.
+
+"Ik mocht wel einmaal ein tochtje met U op das meer doen," zeide de
+Keurvorst van _Brandenburg_ tegen De Ruyter.
+
+"Uwe Hoogheid zou daarvan spoedig den buik vol hebben," antwoordde
+deze. "Het zou al heel gauw wezen: Zet mij maar weer aan land; want
+ik word zoo kwalijk."
+
+"En de Herr De Witt heeft daar vergangen jaar wel de phroef van
+genommen en toch ganz viel sjtormen doorgesjtanden," merkte de vorst
+Van Anhalt aan.
+
+"Ja, waaroem soltte der herr Raadpensionair dagegen kunnen en wir's
+nicht vermeugen?" vraagde de Keurvorst.
+
+"Laat Zijne Edelheid Uwer Hoogheid dat zelf beantwoorden," zeide De
+Ruyter. "Ik weet niet, welk een wonderman Mijnheer De Witt is; maar
+op mijn woord als Zeeuw kan ik U verzekeren, dat Zijne Edelheid geen
+zweem van zeeziekte gehad heeft. En wij hadden nog al wat boos weer."
+
+"Ich denke," zeide de graaf Van Solms, "dat Zijne Edelheid den kop
+te vol sjaatsaffaires heeft, om an den magen te denken en dass doerch
+het sjommelen van het schiff kein invloess op hem heeft."
+
+"En ich denke, dat der Herr Raadpensionair früher wohl einmal ter
+zee gefaren heeft," meende de Vorst Van Holstein. "Gij vergeet,
+dass _Dordrecht_, Zijner Edelheids geboorteplaats, ein hafen ist."
+
+"Uwe Hoogheid vergist zich," zeide De Witt glimlachend. "De
+stad _Dordrecht_ drijft wel veel handel, maar is volstrekt geen
+zeestad. Intusschen ben ik in mijne jeugd meermalen met boos weer op
+de _Moerdijk_ geweest en het is misschien daaraan toe te schrijven,
+dat ik van die lastige zeeziekte ben verschoond gebleven. Als ik
+U echter de ware reden moet zeggen: ik schaamde mij om zeeziek te
+worden in de tegenwoordigheid van een man als den Luitenant-admiraal
+onzen gastheer, op wien ik U wel verzoek uw glas te ledigen. Leve onze
+Luitenant-admiraal De Ruyter en moge Zijne Edelheid spoedig aan de
+Engelschen leeren, dat de Hollandsche zeeleeuw den Britschen panter
+nog niet vreest!"
+
+"Leve de Luitenant-admiraal De Ruyter!" riepen allen, terwijl zij
+hunne glazen ledigden.
+
+"Ik dank de Heeren wel en den Heer Raadpensionaris in het bijzonder
+voor de goedheid om mijner in hunnen dronk te gedenken," zeide De
+Ruyter, terwijl hij opstond en een zijner bedienden een wenk gaf. Op
+hetzelfde oogenblik knalden er twaalf schoten van het admiraalsschip.
+
+"Was ist das?" riep de vorst Van Anhalt uit. "Die Engelsjen zijn doch
+nicht gekommen, dass gij met hen sjlaags zijt geraakt? Indien das
+waar was, zoo zouden wir das onuitsjpreekliche genügen haben einen
+zeesjlag bij te wonen."
+
+"Dien zal Uwe Hoogheid zien," antwoordde De Ruyter. "Mijne Heeren! ik
+noodig u allen uit, mij naar het dek te volgen, dan zult gij in het
+klein een zeestrijd aanschouwen."
+
+"Bravo! bravo!" juichten al de gasten en volgden De Ruyter op het dek.
+
+Het was een prachtige aanblik, die hen daar wachtte. De twee kleine
+fregatten of adviesjachten "'t Hert" onder kapitein Pieter van
+Wijnbergen en "Zwolle" onder kapitein Dirk de Munnik, het eerste
+van zestien en het andere van acht stukken, leverden elkander een
+spiegelgevecht, voeren telkens op elkander aan en gaven malkander
+dan de volle laag met los kruit, zeer ten genoegen van al de hooge
+personages, meer dan de kunsten van een der matrozen, die zich boven
+op den bal van den vlaggestok der groote bramsteng begaf en daarop met
+zijn hoofd ging staan, terwijl hij beide beenen in de lucht stak. Het
+was dan ook een noodeloos waagstuk; want een mensch mag niet zoo met
+zijn leven spelen.
+
+De Prins van Oranje had zich intusschen weder bij De Ruyter gevoegd.
+
+"Mijnheer de Luitenant-admiraal," begon hij, "Uwe Edelheid heeft aan
+uw boord een zekeren Pieter Pietersz, niet waar?"
+
+"Die mij door Uwe Hoogheid is aanbevolen?"
+
+"Juist, dezelfde. Hoe maakt hij het? Past hij goed op?"
+
+"Uitmuntend. Hij is een knap timmerman en heeft verleden jaar met
+de stormen vrij wat dienst bewezen. Ook geloof ik, dat er moed onder
+zijn matrozenbuis steekt."
+
+"Moed, Admiraal? Meer dan Uwe Edelheid misschien denkt." En de Prins
+verhaalde hem, wat er met Pieter op _Hondsholredijk_ en op het veldijs
+gebeurd was.
+
+"Inderdaad--dat zijn trekken van groote courage en onversaagdheid,
+die veel beloven. En toch geloof ik niet, dat uw gunsteling voor
+zeeman in de wieg is gelegd."
+
+"Ik zou hem gaarne eens zien," hernam de Prins. "Ik heb al naar hem
+rondgekeken."
+
+De Ruyter wenkte een matroos en gebood dien, Pieter te roepen. Binnen
+weinige oogenblikken was hij bij hen.
+
+"Je bent groot geworden, Pieter," zeide de Prins. "Ik zou je niet
+herkend hebben. Hoe oud ben je thans?"
+
+"Achttien jaren, Uwe Hoogheid," antwoordde Pieter.
+
+"Dan ben je mij vooruit," hervatte de Prins. "En ik hoor, tot mijn
+genoegen, dat mijnheer de Luitenant-admiraal over je tevreden is."
+
+"Wie zou niet oppassen, als hij zulk een voorbeeld voor oogen heeft,
+als onzen Luitenant-admiraal!" zeide Pieter.
+
+"Daarin heb je gelijk," antwoordde de Prins. "En hoe vaart je oom,
+de stuurman Klaas Dirksz?"
+
+"Hij is springlevend," antwoordde Pieter. "Maar vergun mij, dat
+ik Uwer Hoogheid iets vrage. Ik heb onder het gevolg Uwer Hoogheid
+tevergeefs naar mijn broeder Karel gezocht. Hij is toch niet ziek,
+of uit uwen dienst?"
+
+Het gelaat van den Prins betrok; het waren treurige herinneringen,
+welke Pieter bij hem te voorschijn riep.
+
+"Hij is niet meer in mijn dienst, Pieter," gaf hij ten antwoord. "Het
+is echter buiten zijn schuld en er is voor hem gezorgd."
+
+Tegen het vallen van den avond vertrokken de vorsten en heeren,
+vergezeld door de sloepen van al de oorlogsschepen, naar den wal. De
+Keurvorst had honderd zilveren ducatons (f 315) aan de matrozen van
+De Ruyters schip gegeven en toen de heeren aan land kwamen, opgewacht
+door een tallooze menigte, wierpen zij eenig goud- en zilvergeld
+onder het volk te grabbelen. Op den eersten Juni daaraanvolgende,
+stevende de vloot het ruime sop in.
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf.
+
+
+Niet tevergeefs hadden de Heeren in De Ruyters kampanje gedronken
+op het welzijn van den Luitenant-admiraal en had de Raadpensionaris
+in dien dronk begrepen, dat de Hollandsche leeuw zou toonen, den
+Britschen panter niet te vreezen; de dagen voor den elfden, twaalfden,
+dertienden en veertienden Juni van het jaar 1666 waren getuigen van een
+luisterrijke overwinning, door onze vloot op de Engelsche behaald. Een
+zeeslag van vier dagen! hoor ik u zeggen.--Ja, een vierdaagsche
+zeeslag, de hevigste die ooit werd bevochten en die niet alleen den
+roem onzer vloot herstelde, in den laatsten, ongelukkigen slag zoo
+deerlijk verloren gegaan, maar een onsterfelijke gloriekroon wond om
+het hoofd van onzen De Ruyter, wien men de ziel der vloot noemde en van
+wien men zeide, dat hij de maat sloeg in het grof muziek van zooveel
+duizenden kartouwen [41]; om den schedel van onzen Van Nes, die, toen
+De Ruyters groote steng was afgeschoten, de admiraalsvlag overnam en
+met zooveel beleid een tijd lang het opperbevel voerde, dat geen der
+vijanden de tijdelijke afwezigheid van den vlootvoogd bemerkte; en om
+de slapen van onzen Tromp, die in zijne niets ontziende dapperheid zoo
+dikwerf van schip had moeten verwisselen, dat de Engelschen, telkens
+zijne vlag van een ander schip ziende waaien, met verbazing vraagden:
+"zijn er dan vijf of zes Trompen op de Staatsche vloot?"
+
+Ik wil u ditmaal geen beschrijving van dien zeeslag geven. Wilt gij
+ze lezen, dan beveel ik u daartoe Brandts geschiedenis van De Ruyter
+Bldz. 478--494 aan. Ik wil u alleen mededeelen, dat De Ruyter den
+vierden dag de _bloedvlag_ liet hijschen, tot sein om allen te gelijk
+op den vijand aan te vallen, dat toen de Engelschen op de vlucht werden
+gejaagd en het alleen aan den invallenden dikken mist te danken hadden,
+dat zij voor grootere schade werden gespaard. Van onze zijde verloren
+wij den Vice-admiraal Van der Hulst, wiens graftombe men nog in de Oude
+kerk te _Amsterdam_ ziet en den Luitenant-admiraal Cornelis Evertsen,
+wien ook een praalgraf werd opgericht. De Engelschen verloren hunne
+Vice-admiralen Barclay en Mings. Het lijk van den eerste viel in onze
+handen, werd hier gebalsemd en met een jacht naar _Engeland_ gezonden,
+over welke beleefdheid Karel II zeer gevoelig was. Wij hadden omstreeks
+800 dooden en 1450 gekwetsen; de Engelschen 5 à 6000 dooden en 3000,
+die in onze handen waren gevallen; terwijl 23 hunner schepen deels
+gezonken of verbrand, deels genomen en in onze havens waren opgebracht.
+
+Minder gelukkig voor ons was de tweedaagsche zeeslag van den 4den
+en 5den Augustus daaraanvolgende, geleverd tusschen De Ruyter en
+denzelfden Monk, hertog van _Albemarle_, die de Engelsche vloot in den
+vierdaagschen zeeslag had aangevoerd. Reeds de eerstgenoemde zeestrijd
+was bijgewoond door vier Fransche edelen, die op 's Lands vloot waren
+gekomen om een zeeslag onder het beleid van zulke beroemde zeehoofden
+bij te wonen: Armand de Grammont, Hertog van Guiche, Louis Grimaldi,
+Prins van _Monaco_, en de beide markiezen La Ferté. Thans waren er ook
+vier Fransche edelen als vrijwilligers op de vloot: de baron Busca
+en de ridders van Lorraine, Coaslin en Cavoy. Door de persoonlijke
+bemoeiingen van De Witt was de vloot binnen 19 dagen van de bekomen
+schade hersteld en weder in staat, om zee te kiezen. De grijze Jan
+Evertsen, die na den dood van zijn broeder zich opnieuw had begeven
+in den dienst van het Vaderland, waarvoor zijn vader, een zijner
+zonen en vier zijner broeders het leven hadden gelaten, gebood met
+Tjerk Hiddesz de Vries, die Stellingwerf was opgevolgd, de voorhoede,
+De Ruyter met Van Nes het centrum, en Tromp met Meppel de achterhoede.
+
+Omstreeks elf uren voor den middag ontmoetten de beide vloten elkander
+in volle zee tusschen _Duinkerken_ en _Noordvoorland_. De voorhoede
+begon het gevecht en hield zich dapper; maar het eene ongeluk kwam
+bij het andere. Vooreerst was de wind voor de Engelschen, en dan nog
+was er zoo weinig wind, dat De Ruyter met zijn centrum de benarde
+voorhoede onmogelijk kon te hulp komen; ten tweede werden reeds bij
+de eerste schoten Jan Evertsen en Tjerk Hiddes, benevens de Friesche
+admiraal Koenders doodelijk gekwetst. Toen nu ook tot overmaat van
+ramp het schip van den Vice-admiraal Bankertsz zonk, die met moeite
+zijn leven redde, werd het smaldeel geheel en al in wanorde gebracht en
+verstrooid. Intusschen had Monk het centrum onder De Ruyter aangetast
+en kwam hem ook de voorhoede onder Allen te hulp. Hachelijk was nu
+de toestand der onzen. De voorhoede verstrooid, vele van De Ruyters
+schepen reddeloos, en van de achterhoede onder Tromp en Meppel niets
+te bespeuren. Onze zeeheld echter hield het gevecht tot den avond
+vol; doch, daar hij zag, dat zijn geringe vloot niet meer bestand
+was om aan de overmacht van den vijand het hoofd te bieden, begon
+hij langzaam te wijken, hopende, dat Tromp zich gedurende den nacht
+met hem zou vereenigen.
+
+Maar toen de volgende morgen aanbrak, zag de held wel overal vijanden,
+maar geen Tromp.
+
+"Sein den Luitenant-admiraal Meppel aan boord," zeide hij tot Klaas
+Dirksz, die zijn post aan het roer niet had verlaten, ofschoon
+de kogels om zijne ooren floten. Onze Pieter bevond zich met de
+timmerlieden beneden, om zooveel mogelijk ieder lek, dat er geschoten
+werd, te herstellen. De stuurman gaf het roer aan twee matrozen over
+en seinde den Vice-admiraal: doch op hetzelfde oogenblik tuimelde
+hij, door een Engelschen kogel doodelijk getroffen, door het luik
+naar beneden en kwam genoegzaam voor Pieters voeten te land.
+
+"Hemelsche Vader!" riep Pieter, terwijl hij zich op de knieën bij
+zijn geliefden oom neerwierp. "Oom! Oom!"
+
+"Ik sterf," zeide de stuurman met een flauwe stem. "De Engelschman
+heeft mij doodelijk gekwetst."
+
+"Gij zult niet sterven, oom!" zeide Pieter.
+
+"Vlei je niet, mijn beste jongen," hernam Klaas Dirksz gebroken. "Tegen
+den dood is geen kruid gewassen. Ik voel hem reeds in mijne
+aderen. Vaarwel, Pieter! groet den Admiraal van mij. Zeg aan De
+Ruyter..."
+
+Hier kon de stuurman niet meer spreken; vreeselijk draaiden zijne oogen
+in hunne kassen. Pieter poogde het bloed, dat uit de wond vloeide,
+te stelpen; maar het scheen den stervende te benauwen, die na een
+hevige stuiptrekking den laatsten adem uitblies.
+
+"Dood! Arme oom Klaas, dood!" riep Pieter uit, terwijl hij zich als
+wanhopig op het lijk wierp.
+
+"Pieter!" klonk eensklaps een stem naast hem. "Is de stuurman dood?"
+
+"Hij is dood, Jonker Engel. De kogel heeft hem te goed getroffen en
+de val heeft het overige gedaan. Hoe is het boven gesteld?"
+
+"Ellendig. Nooit heb ik mijn vader zóó gezien. De Luitenant-admiraal
+Van Nes is bij ons aan boord gekomen; vader wilde met hem
+raadplegen. "Wat zullen wij doen, mijn goede Van Nes," riep hij uit,
+toen de Luitenant-admiraal bij hem in de kampanje trad, "wat zullen
+wij doen? De andere schepen zijn anderhalve mijl van ons en loopen
+zoo hard zij kunnen, zonder acht te geven op onze seinschoten. Zie,
+welk een overmacht ons te loef, te lij, van voren en van achteren
+omringt, en wij--wij zijn slechts met zeven of acht schepen bijeen. Wat
+zullen wij doen?" "Wat wij moeten doen," antwoordde Van Nes, "tegen de
+overmacht kunnen wij het niet uithouden; het best is, ons al wijkende
+te verweren."--"Gij hebt gelijk, Van Nes," antwoordde vader. "Daar
+is geen andere uitkomst over. Ach! wat overkomt ons! Ik wou maar,
+dat ik dood was!"
+
+"Zei uw vader dat?" zeide Pieter, terwijl hem de tranen uit de oogen
+sprongen. "En wat zeide de Luitenant-admiraal?"
+
+"Ik wou het ook wel," antwoordde Van Nes, "maar men sterft niet,
+wanneer men wil. Ik ga naar mijn boord terug en zal u trouw blijven
+tot mijn laatsten ademtocht." Dit zeggende, stonden mijn vader en hij
+op, en--nauwelijks waren zij de kampanje uit, of ziet, daar vloog
+een Engelsche kogel naar binnen en schoot de beide plaatsen weg,
+waar zij gezeten hadden!"
+
+"Wonderbaar behoud!" riep Pieter uit. "En is Tromp nog niet in het
+gezicht?"
+
+"Nergens te zien," hernam Jonker Engel. "Maar ik moet weer naar
+boven. Mijn vader zond mij herwaarts, om naar zijn trouwen stuurman
+te zien."
+
+"Zeg hem, dat de gesneuvelde met zijn naam op de lippen is gestorven
+en met brekende oogen mij zijn laatsten groet voor den geliefden
+Admiraal heeft gegeven."
+
+"Ik zal het doen. En ga jij ook weer aan het werk. Er is hier genoeg
+te vinden."
+
+"Dat zou ik meenen," zeide Pieter. "Maar ik was liever boven, om den
+dood mijns ooms op die Engelschen te wreken."
+
+"Je bent hier even nuttig, Pieter, want jij zorgt er voor, dat wij
+niet verdrinken. Het zal toch nu maar de zaak zijn, om ons leven en
+ons schip te redden. Vaarwel, Pieter! Misschien voor eeuwig!"
+
+"God behoede je en je dapperen vader!" zeide Pieter, terwijl hij
+Jonker Engel de hand drukte; waarop deze naar boven snelde, om aan
+de zijde zijns vaders te strijden en hem den laatsten groet van Klaas
+Dirksz over te brengen.
+
+Van Nes hield zijn woord en deed wat hij kon, om achter De Ruyter te
+blijven en met hem de vijanden af te weren. Zoo weken zij al vechtende,
+terwijl zij hun koers naar de Zeeuwsche stroomen richtten. Omstreeks
+'s morgens negen uren kregen zij _Westkapelle_ in het gezicht. De
+Engelsche Admiraal Monk intusschen, vurig hopende de eer te hebben
+den grooten zeeheld gevangen te nemen, drong al meer en meer met
+zijne grootste macht op hem aan. Omtrent twaalf uren op den middag
+zond hij een brander op hem af, die "De zeven Provinciën" zoo na kwam,
+dat er geen ontkomen meer scheen te zijn. Maar ook in den hoogsten nood
+verloor de Admiraal zijn tegenwoordigheid van geest niet. Terstond gaf
+hij bevel om vier sloepen te bemannen met volk uit vier schepen. In
+De Ruyters sloep begaven zich ook op zijne aanmaning de vier Fransche
+heeren. Nu hing het behoud van De Ruyters schip, ja van de gansche
+vloot aan een zijden draad. Gelukkig werd de brander, die zoo groot
+was dat hij wel een oorlogsfregat geleek, vernield en door zijn volk
+verlaten, waaraan de vier Fransche edelen niet weinig toebrachten.
+
+Wel was nu dat gevaar afgewend, doch kort daarna kwam Monk met
+verscheidene andere Engelsche schepen zoo dicht bij De Ruyters
+vaartuig, en gaven zij in het voorbijzeilen telkens zoo geducht
+de volle laag, dat alles scheen te barsten en te breken. Nooit was
+onze zeeheld zoo moedeloos geweest als thans. "Hoe ben ik dan toch
+zoo ongelukkig?" riep hij tot zijn schoonzoon De Witte, die naast
+hem stond. "Is er dan onder zooveel duizenden kogels niet een, die
+mij wegneemt!"--"Vader!" zeide De Witte, "hoe kunt ge zoo moedeloos
+zijn en zulk een wanhopige taal voeren? Wenscht gij te sterven,
+welnu, laat dan den steven wenden, storten wij ons te midden van de
+vijanden en sterven wij den heldendood!" Deze taal werkte; De Ruyter
+zag het verkeerde daarvan in. "Witte," zeide hij, "gij weet niet,
+wat gij zegt. Als ik dat deed, dan zou alles verloren zijn; maar als
+ik er mij zelf en deze schepen behouden kan afbrengen, dan kan men
+het werk hervatten." Gelukkig daagde er uitkomst. Men was nu zoo
+dicht bij de Zeeuwsche kust, dat de Engelsche Admiraal, vreezende
+dat zijne schepen op de zandbanken zouden vastraken en stranden,
+het sein tot den aftocht gaf en met zijne vloot weder zee koos.
+
+Den volgenden dag kwam ook Tromp met zijn smaldeel de haven van
+_Vlissingen_ binnen en begaf zich terstond met Zweers en Van der
+Zaan aan boord van De Ruyter. Hij had met de zijnen zijn best gedaan;
+want toen de voorhoede aan den slag raakte, was hij even ver van De
+Ruyter verwijderd als deze van Evertsen, en hij werd evenzeer door
+de windstilte verhinderd, het centrum te naderen. Door de Engelsche
+achterhoede onder Smith aangegrepen, hadden hij en de zijnen zich
+met de oude dapperheid gekweten en een zwaren strijd te verduren
+gehad. Hij had zich dus onmogelijk bij De Ruyter kunnen voegen, en
+meende nu allen lof in te oogsten. Verwonderd stond hij te kijken,
+toen De Ruyter hem toevoegde:
+
+"Komt de heer Luitenant-admiraal eens kijken, of ik nog in leven
+ben? Inderdaad--het heeft aan U niet gelegen; integendeel--gij
+hebt dapper uw best gedaan, om mij met 's lands vloot in handen der
+Engelschen te leveren."
+
+"Ik, Admiraal?" vraagde Tromp verbaasd. "Of meent Uwe Edelheid soms,
+dat ik werkeloos gelegen heb, of lafhartig gevlucht ben?"
+
+"Indien ik dat meende, Mijnheer Tromp," zeide De Ruyter, "zou ik u
+gevangen hebben laten nemen als een verrader. Maar zonder lafhartig
+te zijn, kan men wel tegen de krijgstucht zondigen. Waarom zijt gij
+niet bij de vloot gebleven? Waarom afzonderlijk gestreden? Of meendet
+gij alleen meer roem te behalen, dan onder mijne vlag?"
+
+"Indien ik mij deswege te verantwoorden heb, zal het aan mijne meesters
+de Heeren Staten zijn," zeide Tromp trotsch.
+
+"Daar zult gij gelegenheid toe hebben," hernam De Ruyter. "Ik heb Hunne
+Edel-Groot-Mogenden een getrouw verslag gezonden van het gebeurde, en
+U niet gespaard, evenmin als u, mijne heeren Zweers en Van der Zaan!"
+
+"Uwe Edelheid moet weten wat Zij doet," antwoordde de laatste. "_Wij_
+hebben onzen plicht gedaan en zijn aan onzen eed getrouw geweest."
+
+Op dit oogenblik verloor De Ruyter zijne gewone bedaardheid, en voer,
+in tegenwoordigheid van al het scheepsvolk, uit tegen Zweers en Van
+der Zaan. Beide mannen zwegen, ofschoon zij onschuldig waren, daar
+zij slechts hunne vlag hadden gevolgd. Maar Tromp kon niet zwijgen.
+
+"Hadt gij U even goed gekweten, als wij," zeide hij, "dan zouden wij
+de overwinning behaald hebben. En had ik de achterhoede der Engelschen
+niet afgesneden, het zou met U gedaan zijn geweest. Dan zat gij nu
+in _Londen_ als krijgsgevangene."
+
+"Wij zullen niet verder over de zaak twisten, mijnheer Tromp,"
+hernam De Ruyter, die zijne bedaardheid had herkregen. "Zooals gij
+gezegd hebt, de Heeren Staten zullen tusschen ons beslissen en over
+ons oordeelen. Wat mij aangaat,--ik schroom het oordeel van mijne
+meesters niet."
+
+"Ik ook niet," hervatte Tromp, terwijl hij De Ruyters boord
+verliet. "Ofschoon," mompelde hij half verstaanbaar, "de lieveling
+wel gelijk zal krijgen en de arme aanhanger van het Prinsenhuis
+achterstaan!"
+
+Zoodra hij aan zijn boord gekomen was, schreef Tromp twee brieven, een
+aan de Staten-Generaal en een aan de Staten van _Holland_, waarin hij,
+op krachtigen maar bitteren toon, zijn gedrag poogde te rechtvaardigen
+en De Ruyter te beschuldigen; terwijl hij aan het slot van zijn brief
+zeide, "dat--indien hij dan, na al zijne getrouwe diensten voor een
+schelm moest worden uit gekreten--hij zijn ontslag verzocht, daar
+het thans geen tijd was, om schelmen te gebruiken."
+
+Gij kunt u voorstellen, welk een onaangenamen indruk dat schrijven,
+vooral bij de Staten van _Holland_, verwekte. Daarbij kwam nog, dat
+de Heer Kievit, gecommitteerde Raad van _Rotterdam_ (uit den mond
+van den Heer van Sommelsdijk, die op het schip van Tromp den laatsten
+zeeslag had bijgewoond, de bijzonderheden daarvan vernomen hebbende)
+een verslag opstelde, waarin hij het gedrag van Tromp hoog opvijzelde
+en dat van De Ruyter erg gispte. Dit stuk had hij laten drukken en
+verspreiden. Hierover door de Staten van _Holland_ ter verantwoording
+geroepen, waagde hij het niet, voor hen te verschijnen, maar vluchtte
+het land uit. Ook benoemde men een commissie, aan welker hoofd de
+Raadpensionaris stond, om de beschuldigingen te onderzoeken, welke de
+beide Admiralen tegen elkander hadden ingebracht. Met staatkundige
+voorzichtigheid wilde deze commissie niet beslissen, aan wien de
+schuld lag doch gaf als haar gevoelen op, dat het belang van den Staat
+eischte, een der beide Admiralen te ontslaan. De Staten aarzelden
+geen oogenblik, om in deze netelige zaak te beslissen en zonden aan
+Tromp het bericht, dat zijne aanstelling als Luitenant-admiraal was
+ingetrokken; terwijl hem tevens verboden werd, zich naar de vloot
+te begeven, omdat men een opstand vreesde van het aan hem zoozeer
+gehechte scheepsvolk.
+
+Dit besluit omtrent Tromp deed den haat tegen de heerschende partij
+geducht toenemen. Tot eer van den zeeheld moeten wij zeggen, dat
+hij het aanbod, hem door d'Estrades, den Franschen gezant, gedaan om
+tegen een aanzienlijk jaargeld koning Lodewijk XIV te dienen, van de
+hand wees, terwijl hij zeide, dat hij liever in zijn vaderland als
+vergeten burger wilde leven, dan met eer en rijkdom overladen, een
+vreemden vorst dienen. In zijne plaats werd tot Luitenant-admiraal
+van _Holland_ benoemd Willem Jozef Van Gent.
+
+Keeren wij nog een oogenblik naar De Ruyter terug. Zeer waarschijnlijk
+was zijne geheele familie naar _Vlissingen_ gekomen, om den dierbaren
+man en vader te zien, wiens bijzijn zij zoo lang hadden moeten
+ontberen. Wij lezen ten minste, dat zijn jongste dochtertje, dat den
+13den September haar elfde levensjaar zou bereiken, een engelachtig,
+veelbelovend kind, ziek werd aan een besmettelijke ziekte en daaraan
+op den 24sten Augustus stierf. Hoe smartelijk dit verlies den braven
+man aandeed, hij onderwierp zich met de gelatenheid eens christens aan
+Gods wil en poogde zijne droefheid door zijne gewichtige en gedurige
+bezigheden te lenigen.
+
+
+
+Wij begeven ons nu in het begin van de maand September weder naar
+'s-_Gravenhage_, waar wij den Prins vinden in een vertrek, genaamd "de
+kamer van educatie." Het is eene uiterst eenvoudig gemeubelde kamer,
+aan beide zijden met ramen voorzien. Naast de deur, die in een hoek
+is, staat een boekenkast, die tot aan de zoldering reikt en waarvoor
+groote saaien gordijnen hangen, waarvan het eene, dat opengeschoven is,
+een rijke verzameling van boekwerken doet bespeuren, in kalfslederen,
+hoornen en half lederen banden gebonden; bovenaan de duodecimo's en
+octavo's, lager de kwarto's en onderaan de folianten. Tegenover dezen
+muur is de groote marmeren schoorsteen, boven welken een schilderstuk
+van Honthorst. Aan de rechterzijde van den schoorsteen bevindt zich een
+deur, evenals de andere met een groen saaien gordijn behangen om tocht
+te beletten; aan de andere zijde staat een kleiner kastje, waarin een
+atlas van Blaeuw [42], eenige kaarten en de boeken, die in dagelijksch
+gebruik zijn; terwijl daarop een aard- en hemelglobe prijken en de
+busten van Seneca en Socrates, beide in marmer. In het midden der kamer
+staat een met groen laken bedekte tafel, waarop een zilveren inktkoker,
+eenige versneden ganzenpennen en de noodige boeken en papieren. Dit is
+"de kamer van educatie," waar Zijne Hoogheid dagelijks les krijgt van
+zijn praeceptor Borneus, die hem in de historica (geschiedenis) en
+politiek (staatkunde) institueert (onderwijst); terwijl een ander den
+Prins les geeft in de mathesis, en de Raadpensionaris alle Maandagen
+komt, om hem het Nederlandsche staatsrecht te onderwijzen en tevens
+onderzoek te doen naar zijne vorderingen.
+
+Het is nu ook op een Maandag in September, dat wij Zijne Hoogheid
+aan de met een groen kleed bedekte tafel vinden zitten, met den arm
+onder het hoofd en praktizeerende over een der rekenkunstige opgaven
+uit de vernieuwde cijfferinge van Willem Bartjes, tweede druk, in
+1648 uitgegeven, twaalf jaren na den eersten. Verdrietig werpt hij
+het boek van zich af en neemt de in 1653 uitgekomen Arithmetica van
+B. Stockman en A. W. Wassenaar ter hand, maar zoo het schijnt met
+geen beter gevolg.
+
+Op dit oogenblik komt de Raadpensionaris binnen.
+
+"Uwe Hoogheid schijnt in een kwade luim," begint hij. "Eilacy, is
+zij boos op die onschuldige boeken?"
+
+"Op die boeken, zegt Uwe Edelheid?" antwoordt de Prins, "Vergeef mij,
+dat ik U tegenspreek--ik was knorrig op mij zelf."
+
+"Maar dan moesten die boeken het toch ontgelden," herneemt De
+Witt lachend. "In trouwe, het gaat wel meer zoo in de wereld. De
+onschuldigen moeten het gelag betalen."
+
+"Gelukkig dat die boeken het niet voelen," zegt de Prins. "Maar ik
+zou mij wel voor het hoofd willen slaan."
+
+"Bedaar wat, bedaar wat, mijn jonge vriend!" vermaant De Witt. "Dan
+zoudt gij maar hoofdpijn krijgen.--Doch vertel mij, wat is de oorzaak
+van uwe ontevredenheid met U zelf?"
+
+"Ach mijnheer De Witt!" klaagt de Prins. "Ik ben zoo dom..."
+
+"Gelukkig, dat Uwe Hoogheid zulks gevoelt, en nog gelukkiger, dat
+de Heeren Staten Haar de gelegenheid hebben geschonken om knap te
+worden. Maar waarin was Uwe Hoogheid zoo dom?"
+
+"In de arithmetica; mijnheer De Witt. Meer dan een uur heb ik zitten
+denken over deze opgaven. Zie, ik _kan_ ze niet vatten."
+
+"Doodeenvoudige voorstellen," hervat De Witt, nadat hij ze gelezen
+heeft. "Kom hier," vervolgt hij, terwijl hij de lei neemt en gaat
+zitten. "Ik zal ze U eens voorrekenen." En terwijl hij den Prins
+de opgaven uitlegt en ze hem voorrekent, heeft hij ze in weinige
+minuten opgelost.
+
+"Ziet Uwe Hoogheid wel, dat de arithmetica de gemakkelijkste zaak
+der wereld is?"
+
+"Voor uwe Edelheid, ja," antwoordt de Prins. "Maar voor een zwak
+hoofd als het mijne...."
+
+"Geduld slechts, Uwe Hoogheid! het zal wel beter gaan."
+
+"Het zijn zulke vervelende sommen in die boeken! Wat moeten de menschen
+die ze gemaakt hebben, allervervelendste wezens zijn."
+
+De Witt kon zich niet onthouden van te glimlachen.
+
+"Komaan," zegt hij, terwijl hij een papier uit den zak haalt. "Schrijf
+dan eens dit voorstel op; ik zal het u voorzeggen."
+
+De Prins neemt een pen, doopt die in en schrijft hetgeen De Witt hem
+voorzegt [43].
+
+"Aen den tooren van Babylon hebben gewerckt 333,227 menschen, en sy
+hadden daeraen gewerckt 2 jaer, 7 maenden en 3 daghen, toen sy door
+de verwerring van hunlieder tael verstroyt wierden; de hooghte van
+dien tooren was toen 2 mijlen 3200 roeden; men vraegt, hoeveel tijts
+30000 menschen zouden moeten besteden, om, even naerstig werckende,
+sulk een tooren op diezelfde hooghte te brengen."
+
+De Prins denkt een oogenblik na. Zijn gelaat verheldert zich.
+
+"Die vraag is gemakkelijk op te lossen, mijnheer De Witt."
+
+"En hoe zult gij dat doen?"
+
+De Prins zegt het hem: maar daar ik gaarne zag, dat ook mijne lezers
+er hunne krachten aan beproefden, zoo deel ik het hun niet mede.
+
+"Zeer goed," zegt De Witt. "En hoe komt het dan, dat Uwe Hoogheid nu
+zoo vlug in het oplossen is?"
+
+"Omdat.... Omdat Uwe Edelheid niet zoo'n vervelend wezen is als de
+makers van die cijferboekjes," antwoordt de Prins, "en dus zijn uwe
+opgaven ook niet zoo droog en zoo saai."
+
+"Laat ons nu eens zien, of gij de leer der thienden [44]
+begrijpt. Schrijf eens: zestien geheelen en driehonderd acht en
+vijftig duizendste deelen."
+
+De Prins schrijft, volgens Simon Stevin;
+
+
+ 16 (0) 3 (1) 5 (2) 8 (3)
+
+
+en volgens Franciscus van Schooten (1660):
+
+
+ 16358 (3)
+
+
+want men had nog niet uitgedacht, om door een decimaalteeken de
+geheelen van de deelen te scheiden.
+
+"Zeer goed," hervat De Witt. "Ik zie tot mijn contentement, dat gij
+beide wijzen goed begrijpt. Intusschen moet ik Uwer Hoogheid wel doen
+observeeren, dat de leerwijs van Van Schooten verre te prefereeren
+is boven die van Stevin. Vooral in het multipliceeren en divideeren
+verdient die de preferentie. En hoe handelt gij nu, wanneer gij dat
+getal eens moest multipliceeren met vijf-en-tachtig duizendste deelen?"
+
+"Wel, dan multipliceer ik het met 85 (3) en addeer de beide eindcijfers
+bij elkander; dan krijg ik (nadat hij het uitgerekend heeft)
+
+
+ 1390430 (6)
+
+
+of eenvoudiger:
+
+
+ 139043 (5)".
+
+
+"Zeer juist. Het doet mij genoegen, dat Uwe Hoogheid de thienden begint
+te begrijpen. Het is met recht, zooals Simon Stevin zegt: het geeft
+eene "ongehoorde lichtigheijt in alle rekeninghen onder de Menschen
+noodigh vallende door heele getallen, sonder ghebrokenen." Doch nu
+gaan wij verder."
+
+Ik geloof, dat mijne lezers mij het vervolg der rekenles wel zullen
+kwijtschelden, alsmede het examen in de geschied- en aardrijkskunde
+en het onderwijs in de staatkunde der Zeven Provinciën.
+
+De Raadpensionaris was ditmaal zeer voldaan over zijn kweekeling en
+wilde vertrekken.
+
+"Een oogenblik, mijnheer De Witt," zeide de Prins. "Ik had U nog wat
+te verzoeken."
+
+"Iets te verzoeken. Indien het in mijne macht staat, zal het mij
+genoegen doen, U uw verzoek toe te staan."
+
+"Reeds vooraf bedankt voor uwe goedwilligheid," hernam de Prins. "Uwe
+Edelheid herinnert zich nog wel dien Pieter Pietersz, timmerman op
+het schip van den Luitenant-admiraal De Ruyter."
+
+De Witt dacht een oogenblik na.
+
+"O, zeer zeker! Ik herinner mij dien. Hij schijnt bijzonder in uwe
+gunst te deelen."
+
+"Niet minder in de mijne, dan in die van den Admiraal. Zie hier,"
+vervolgde de Prins, terwijl hij een brief uit zijn zak haalde,
+"dit is een aanbevelingsbrief van mijnheer De Ruyter."
+
+"Wien deze aanbeveelt," hernam De Witt, nadat hij den brief gelezen
+had, "is het zeker waard en kan op mijne medewerking rekenen. Maar,
+waarom heeft de knaap het zeewezen verlaten? Ik meende vroeger van
+Uwe Hoogheid vernomen te hebben, dat hij zooveel lust in het zeeleven
+had. Hoe is dat zoo in eens veranderd?"
+
+"Reeds toen ik in Mei op de vloot was, zeide de Admiraal mij, dat er
+nooit een zeeman uit Pieter zou worden. De dood van zijn oom Klaas
+Dirksz, den stuurman van "De zeven Provinciën," die, op den 5den
+Augustus door een Engelschen kogel getroffen, den heldendood voor het
+vaderland stierf, schijnt hem een tegenzin in het zeeleven te hebben
+doen opvatten."
+
+"Het getuigt weinig voor zijn moed," hernam de Raadpensionaris
+eenigszins schamper.
+
+"Uwe Edelheid herinnert zich, dat hij timmerman aan boord was,
+en dus gedurende het gevecht beneden moest zijn om de lekken te
+stoppen. Waarlijk geen taak om iemand moed in te boezemen."
+
+"Dat laat zich hooren. Doch, hoe heeft de Admiraliteit hem kunnen
+ontslaan?"
+
+"Hij behoorde tot de vrijwilligers van _Delfzijl_," hernam de Prins,
+"en als zoodanig mocht hij zijn ontslag nemen."
+
+"Ik beloof u, dat ik hem zal aanbevelen aan de Zeeuwsche Admiraliteit,"
+hernam De Witt. "Dan kan Uwe Hoogheid er een aanbeveling bij doen. De
+Zeeuwen toch zijn Haar van oudsher zeer genegen."
+
+"_Zeeland_ is mijn geslacht altijd zeer geaffectionneerd geweest,"
+hernam de Prins, als had hij den scherpen toon, waarop die woorden
+werden gesproken, niet opgemerkt. "Ik zal dus volgens uw raad
+handelen. Doch nog iets. De ridder Buat...."
+
+Het gelaat van den Raadpensionaris betrok.
+
+"De ridder Buat," vervolgde de Prins, zonder schijnbaar iets van de
+verandering in De Witts trekken te bemerken, "is door u beschuldigd
+van geheime briefwisseling met den vijand en in hechtenis genomen."
+
+"Door mij in hechtenis genomen? Uwe Hoogheid vergist zich. Ik ben
+geen Fiskaal."
+
+"Toch op uw bevel, mijnheer De Witt."
+
+"Geenszins. Op bevel van den Raad van State. Henry Fleury de Coulan,
+heer Van Buat, is een landverrader."
+
+"Uwe Edelheid spreke toch zulk een hard oordeel niet uit over den man,
+door U met een geheime correspondentie met _Engeland_ belast, en die
+misbruik van uw vertrouwen heeft gemaakt door er eigen correspondentie
+bij te voegen."
+
+"Uwe Hoogheid schijnt beter onderricht, dan ik vermoedde," zeide
+De Witt scherp. "Wie is de gedienstige geest, die Haar dit heeft
+medegedeeld?"
+
+"Hoe zou ik onkundig blijven, Mijnheer De Witt, van hetgeen geheel
+_Den Haag_ weet?" hernam de Prins. "Of zou Uwe Edelheid meenen,
+dat ik hier.... Doch neen, dat kan niet."
+
+"Voleindig uwen volzin, Prins," hernam De Witt.
+
+"Ik wenschte alleen uwe genade in te roepen voor den armen Buat. Uwe
+Edelheid zal zich herinneren, dat hij reeds bij mijn vader in dienst
+was. Sedert is hij onafgebroken aan ons geslacht verbonden geweest,
+totdat...."
+
+De Prins zweeg. De Witt vervolgde:
+
+"Tot dat de Heeren Staten hebben goedgevonden, hem zijn ontslag te
+geven. Waarlijk, de Heeren Staten hebben wijs gehandeld, iemand van
+U te verwijderen, die met den vijand heult."
+
+"Dus geen genade voor den onvoorzichtige."
+
+"Het staat niet aan mij, voor zulk een halsmisdaad genade te
+verleenen," hernam De Witt koel. "En wat mijn voorspraak betreft,
+die zou al heel weinig baten; want ik ben overtuigd, dat de Heeren
+Staten op de uiterste gestrengheden zullen aandringen. Luister
+wel," hervatte De Witt met nadruk, terwijl hij den Prins met zijn
+doordringende oogen scherp aanzag. "De Heeren Staten zijn voornemens,
+om elke aanranding van het bestaande gezag, van welken aard dan ook,
+streng te straffen, en uwe partij wordt stout--te stout, om langer
+het Land aan het uitbreken van een burgeroorlog bloot te stellen. Uwe
+Hoogheid kan dus bij gelegenheid Haren vrienden de verzekering geven,
+dat de Heeren niemand zullen ontzien, welken rang of stand hij ook in
+de maatschappij bekleede. Indien gij er iets aan kunt doen, maak dan,
+dat Buat het eenige slachtoffer van de dwaasheid eener nuttelooze
+partijzucht blijve."
+
+Met deze woorden verliet De Witt de kamer, om zijn pupil aan zijne
+overdenkingen over te laten. Toen de Raadpensionaris vertrokken was,
+schelde de Prins zijn kamerdienaar en beval hem, ingeval de persoon,
+die dezen morgen op het Hof was geweest, terug mocht komen, dien
+terstond bij hem te brengen.
+
+"Hij wacht reeds sedert een half uur, Uwe Hoogheid," zeide deze.
+
+"Breng hem dan onmiddellijk hier," hernam de Prins.
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde.
+
+
+Weinige oogenblikken, nadat de kamerdienaar vertrokken was, trad
+Pieter Pietersz "de kamer van educatie" binnen.
+
+"Je past op je tijd, Pieter," zeide de Prins "Volg mij."
+
+De Prins deed de deur naast den schoorsteen open, en beiden bevonden
+zich in een klein kabinetje. Zijne Hoogheid sloot de deur zorgvuldig,
+en wenkte zijn gunsteling, zich op een stoel neder te zetten, terwijl
+hij zelf ging zitten.
+
+"Wel," begon hij. "Heb je het een en ander bijzonders vernomen?"
+
+"Ik had daartoe niet veel moeite," antwoordde Pieter. "Mijn broeder is
+met de familie zeer goed bekend: verscheidene malen heeft hij Mevrouw
+Buat gekapt. Van hem dan ook heb ik de bijzonderheden vernomen."
+
+"Ter zake."
+
+"In het voorjaar werd de Ritmeester door den heer Raadpensionaris
+aangezocht, om zich te belasten met een geheime correspondentie
+naar _Engeland_."
+
+"Juist, met Sylvius, met wien Buat reeds correspondeerde. En had die
+briefwisseling onder het oog van den Raadpensionaris plaats?"
+
+"Geheel en al. De Ritmeester schreef, schijnbaar in zijn eigen naam,
+wat de Raadpensionaris hem voorzeide. Nu hadden de vrienden der
+Oranjepartij, tot welke ook de Ritmeester behoort, hem aangezet om bij
+deze correspondentie een andere te voeren, van welke de Raadpensionaris
+niets mocht weten. Op deze brieven zette de Heer Sylvius: _pour vous
+mesme_.--Langen tijd ging deze geheime handel goed, tot, voor eenige
+dagen, de Ritmeester den Raadpensionaris een pak brieven bracht en
+daaronder bij vergissing een van die geheime brieven had laten liggen."
+
+"De onvoorzichtige!" riep de Prins uit. "En had de Raadpensionaris
+dat terstond gemerkt?"
+
+"Ik weet het niet, Uwe Hoogheid," gaf Pieter ten antwoord. "Maar de
+Ritmeester was onvoorzichtig genoeg, om zich bij den Raadpensionaris
+te vergewissen of de brief in het pak was. Deze kreeg daarop argwaan,
+las den brief en vond daarin, wat hem aanleiding gaf om dien Buat
+te weigeren en hem in den Raad van State te brengen. Terstond
+werd de Ritmeester gevat en in de kastelenije bewaard; waarop de
+Raadpensionaris aan het hoofd eener commissie uit den Raad van State
+zich naar het huis van den gevangene begaf en aldaar huiszoeking deed."
+
+"Wat zal die arme mevrouw Buat verschrikt zijn geweest!" zeide de
+Prins meewarig.
+
+"Dat kan Uwe Hoogheid zich voorstellen."
+
+"En heeft men daar nog wat gevonden?"
+
+"De Ritmeester had zorg gedragen, al de geheime brieven te
+verbranden. Ongelukkig moet hij een brief en een klad voor een anderen
+vergeten hebben te vernietigen. De Raad van State heeft daarop grond
+genoeg gevonden, om hem van hoogverraad te beschuldigen en zijne zaak
+in handen van het Hof van _Holland_ te stellen."
+
+"En de Ritmeester?"
+
+"Zit nu op de _Voorpoort_ van den Hove."
+
+"Arme Buat," zeide de Prins.--"Je hebt je goed van je last gekweten,
+Pieter," vervolgde hij tot dezen. "Ik heb ook den mijnen volbracht
+en je aan den Raadpensionaris aanbevolen."
+
+"Ik dank Uwe Hoogheid voor Hare goedgunstige bescherming," zeide
+Pieter.
+
+"Waarschijnlijk zul je een aanstelling op de werven van de Admiraliteit
+van _Zeeland_ erlangen. Ik zal ook aan de Heeren bewindhebbers
+schrijven en je aanbevelen."
+
+"O, Uwe Hoogheid is al te goed," hernam Pieter. "Hoe zal ik Haar ooit
+dankbaar genoeg kunnen zijn!"
+
+"Verlaat mij thans, Pieter, en keer langs denzelfden weg terug,
+dien je gekomen bent. Vaarwel!"
+
+De Prins deed de deur van het kabinetje open en ging, na het vertrek
+van Pieter, weder aan het werk--schijnbaar ten minste--want zijne ziel
+was te zeer bezig met den armen Buat, dan dat hij had kunnen werken.
+
+De aanbeveling van den Prins met die van den Luitenant-admiraal had
+goede uitwerking. Pieter werd op de werf der Zeeuwsche admiraliteit
+aangesteld als tweede meesterknecht, met een goed inkomen en het
+vooruitzicht op bevordering. Martha, wiens broeder Jacob intusschen
+gehuwd was, vergezelde hem naar _Vlissingen_, om zijne huishouding
+waar te nemen.
+
+Gij zult wel nieuwsgierig wezen, hoe het met Buat afliep. Ik zal het u
+meedeelen. De leden van het Hof waren wel gestemd om een zacht vonnis
+te vellen, vooral, omdat hij eigenlijk geen landverraad had gepleegd,
+maar slechts misbruik had gemaakt van het vertrouwen, dat De Witt in
+hem had gesteld. De Staten van _Holland_ evenwel, door De Witt daartoe
+aangezet, begrepen de zaak anders, en maanden het Hof ten ernstigste
+aan, om een krachtig vonnis te spreken. Daarbij kwam, dat men Buat door
+een boosaardige list van een zijner rechters beroofde, den Raadsheer
+Van der Graaf, die der Oranjepartij was toegedaan. Op zekeren dag
+namelijk, dat genoemde Raadsheer van het Hof kwam, verzocht hem iemand,
+uit naam van Buat, even bij den gevangene te komen. Hieraan voldoende,
+vond hij Buat ongesteld en zeer verwonderd over zijne komst, daar de
+boodschap niet van hem was uitgegaan. Na, in tegenwoordigheid van den
+cipier, een paar woorden met den gevangene gewisseld te hebben, verliet
+Van der Graaf de Gevangenpoort en ging naar huis. Den volgenden dag
+stond in een nieuwsblad, dat een der Raadsheeren zich niet ontzien had,
+de gevangene te bezoeken. Het Hof ondervraagde daarop Van der Graaf,
+die de toedracht der zaak verhaalde. Diensondanks werd hij gedwongen,
+zich niet verder in dit rechtsgeding te wikkelen.
+
+Van deze stem beroofd, die waarschijnlijk nog een of twee andere zou
+hebben overgehaald, werd de ongelukkige Ritmeester veroordeeld te
+worden gestraft met den zwaarde, zoodat er de dood na volgt. Dit
+vreeselijke vonnis werd op Maandag den 11den October aan hem
+voltrokken.
+
+De Raadsheer Kieviet, diens vrouw (zooals gij weet, de zuster van
+Tromp) en de Burgemeester van _Rotterdam_, Van der Horst, werden mede
+in dit rechtsgeding gewikkeld, omdat zij Buat tot schrijven hadden
+aangezet en ettelijke brieven hadden gelezen. De eerste, zooals ik
+u reeds gezegd heb, ten lande uitgeweken, werd ter dood, zijne vrouw
+tot een zware geldboete en Van der Horst tot verbanning veroordeeld,
+terwijl hunne goederen werden verbeurd verklaard.
+
+De terechtstelling van Buat, gevoegd bij de afzetting van Tromp, deed
+bij de Prinsgezinden den haat tegen De Witt nog toenemen. Zoover
+zelfs ging men, dat men hem den noodlottigen uitslag van den
+tweedaagschen zeeslag weet. De Engelschen intusschen, nu open zee
+hebbende, maakten daarvan gebruik, om eenige koopvaardijschepen in
+het _Vlie_ weg te nemen en op het eiland _Terschelling_ te landen,
+waar zij het dorp _West-Terschelling_ in brand staken en de weerlooze
+bewoners mishandelden.
+
+Hoe gehavend onze vloot ook was, koos die weder zee om de Engelschen
+te tuchtigen; doch door ziekte onder het scheepsvolk en door stormen
+werd zij genoodzaakt terug te keeren, zonder iets verricht te hebben.
+
+Het terugzenden van het lijk van Barclay gaf aanleiding tot
+vredesonderhandelingen. Een zware brand te _Londen_, die van den
+twaalfden tot den zeventienden September duurde, een groot gedeelte
+der stad in de asch legde en millioenen schats vernielde, maakte,
+dat men in _Engeland_ zeer naar den vrede verlangde. Tot de plaats
+der onderhandelingen werd _Breda_ gekozen. Intusschen hoopte De Witt
+vooraf nog de geledene nederlaag en den brand van _Terschelling_
+op luisterrijke wijze te wreken, en had dus gezorgd, dat onze vloot
+goed uitgerust en volkomen van alles voorzien was.
+
+'t Was een koude en langdurige winter, en daardoor konden onze
+schepen eerst laat in het voorjaar uitloopen. De Staten-Generaal
+hadden weder goedgevonden, dat gemachtigden van hunnentwege den
+tocht zouden bijwonen. Daar de andere gewesten tegen de onkosten der
+uitrusting opzagen, had alleen _Holland_ er een benoemd. Dewijl nu
+de Raadpensionaris, die in persoon bij de vredesonderhandelingen te
+_Breda_ tegenwoordig moest zijn, dien tocht niet kon bijwonen, had
+men diens ouderen broeder, Cornelis de Witt, Ruwaard van _Putten_,
+Burgemeester van _Dordrecht_ en lid van de Admiraliteit der _Maas_,
+die betrekking opgedragen. Deze was een man van persoonlijken moed
+en wel bekend met het zeewezen. Het ware doel van den tocht werd
+intusschen zoo geheim gehouden, dat zelfs de listige en schrandere
+d'Estrades er niet achter kon komen.
+
+Door storm in haren voortgang vertraagd, kwam de vloot eerst den
+17den Juni in het _Koningsdiep_ ten anker. Van hier werd Van Gent
+met 17 schepen vooruitgezonden naar den _Theems_, om de daarliggende
+koopvaardijschepen aan te tasten en te vermeesteren. De Ruwaard
+zelf begaf zich op het schip van Van Gent om de onderneming te
+besturen. Daar echter die schepen tijdig genoeg de rivier waren
+opgezeild, begaf zich het smaldeel naar de _Medway_, ook wel de rivier
+van _Chattam_ of _Rochester_ genoemd. Aan den mond dier rivier lag
+de sterkte _Sheernesse_, die door Van Brakel en twee andere kapiteins
+beschoten en zonder veel moeite bemachtigd werd. Het fort werd geslecht
+en wat er bruikbaars in werd gevonden, onder de schepen verdeeld. Bij
+onderzoek bleek, dat de Engelschen twee groote schepen en vijf branders
+hadden laten zinken, om de doorvaart te beletten. Van Gent zond nu
+kapitein Tobias met vier schepen, drie jachten en twee branders de
+rivier op, om een weg te banen. Dit gelukte; doch eensklaps vond
+Tobias zich gestuit door een dikken ijzeren ketting, die aan beide
+oevers vastgehecht, over de rivier gespannen was. Achter dezen ketting
+lagen de "Unity", daarachter de "Carolus Quintus", "de Matthias" en
+de "Monmouth"; terwijl het schieten uit het kasteel _Upnor_ en van de
+beide oevers het verder opzeilen belemmerde. Kapitein Tobias zag zich
+dus genoodzaakt, van de onderneming af te zien, en waarschijnlijk zou
+het geheele plan mislukt zijn, had niet een omstandigheid aanleiding
+gegeven tot het uit den weg ruimen van alle hinderpalen. De Ruwaard had
+den kapiteins op lijfstraf verboden, iemand van hun scheepsvolk aan
+land te laten gaan. Kapitein Jan van Brakel had dit bevel overtreden
+en was op last van De Witt gevangen genomen. Vreezende zijn hoofd te
+zullen verliezen, begreep hij, dat hij zich door een waagstuk moest
+vrijkoopen. Hij bood dus aan met zijn schip, een slecht fregat, de
+"Unity" aan boord te klampen, de branders bij te brengen en het eskader
+een doortocht te verschaffen. De Ruwaard nam dit aan, Van Brakel werd
+ontslagen, en mocht weder aan boord gaan. Terstond zeilt hij vooruit,
+door den nauwen doorgang en de Nederlandsche schepen heen, vervolgt,
+met de beide branders achter zich, onder het hevige kruisvuur van
+den vijand zijn tocht en schiet niet, alvorens hij bij de "Unity"
+is. Nu geeft hij het fregat de volle laag, klampt het aan boord en
+is er in weinige oogenblikken meester van.
+
+Thans bleef nog de eenige hindernis, de keten, over. De Kommandeur Van
+den Rijn, die een der beide branders aanvoerde, zeilde er met zulk
+een geweld tegen aan, dat de zware ijzeren ketting doormidden brak,
+waarna hij zich terstond aan den daarachter liggenden "Matthias"
+hechtte, welken hij in brand stak. De andere branders kwamen nu ook
+door de gemaakte opening heen en trachtten den "Carolus Quintus" in
+brand te steken. Doch deze schoot hen beide in den grond, echter niet
+dan nadat een daarvan het schip in brand had gestoken. Van Brakel,
+met een paar sloepen daarbij gekomen, beklom nu het vaartuig, nam
+een gedeelte der manschap gevangen en liet het schip aan de vlammen
+over. Hierop namen de Vice-admiraal De Liefde en kapitein Tobias de
+door zijne manschap verlatene "Royal Charles," het admiraalsschip,
+een der grootste en schoonste bodems der Engelsche vloot, reeds ten
+tijde van Cromwell gebouwd en in 1660 gebruikt om koning Karel II
+naar Engeland over te brengen. Nu lag de "Mary" aan de beurt, die
+mede verbrand werd.
+
+Daar intusschen de eb was ingevallen, moest men met de vermeestering
+van de vier overige koningsschepen, die hooger op de rivier lagen,
+tot den volgenden dag, 23 Juni, wachten. Maar dat was weder een
+waagstuk. De Ruyter echter, door De Witt van de hoofdvloot ontboden,
+besloot het te beproeven. Zeven branders, naar de schepen afgezonden en
+door evenveel oorlogsvaartuigen begeleid, zeilden de rivier op, midden
+door het geweldige kruisvuur van het kasteel _Upnor_ aan de eene en van
+een zware batterij, aan de andere zijde der rivier gelegen, heen. Ook
+De Ruyter zelf sprong in een sloep om de onderneming te besturen,
+en de Ruwaard, dit ziende en evenmin bevreesd voor de vijandelijke
+kogels, besloot hem te vergezellen. De "Jacoba" en de Royal Oak", twee
+schepen elk van tachtig stukken, werden door twee branders vernield;
+terwijl een andere den "Loyal London" in brand stak. De kapitein van
+de "Royal Oak" verkoos niet van zijn schip af te gaan. "Nog nooit,"
+zeide hij, "heeft een Douglas (hij was een Schot en uit dit edele
+huis) den hem toevertrouwden post verlaten." En hoe men hem smeekte,
+zich te redden--hij liet zich met zijn vaartuig verbranden.
+
+Gij kunt u voorstellen, welk een schrik en ontzetting deze tocht
+in _Londen_, ja in geheel _Engeland_ verbreidde. In de hoofdstad
+werkte die zoozeer op de gemoederen, dat men daar reeds zijne
+kostbaarste goederen borg en op de vlucht sloeg. Doch spoedig
+werden zij gerustgesteld; want reeds den volgenden dag zeilden onze
+schepen, tevreden met het behaalde voordeel en verzekerd, dat men den
+Engelschman nu voor lang schrik had ingeboezemd, naar de hoofdvloot
+terug, waarmede De Ruyter een tijd lang den _Theems_ gesloten bleef
+houden. Van Brakel genoot de eer, de beide veroverde schepen, de
+"Unity" en de "Royal Charles" naar het Vaderland te voeren.
+
+De Ruwaard ontving van de Staten een gouden beker, waarop de
+onderneming was afgebeeld, benevens een rentebrief van f 30,000,
+De Ruyter een dergelijken beker en Van Gent f 12,000 en een gouden
+gedenkpenning. Ook de andere scheepshoofden werden voor de door hen
+bewezen diensten beloond.
+
+De tocht naar _Chattam_ bewerkte, wat de Raadpensionaris er mee
+bedoeld had: niet alleen hadden wij een belangrijke revanche genomen
+voor den brand van _Terschelling_, maar ook de vredesonderhandelingen
+werden er door bespoedigd en weldra ten einde gebracht. Het was dan
+ook reeds op den 31sten Juli van datzelfde jaar 1667, dat de vrede
+met _Engeland_ te _Breda_ werd gesloten en zoo een einde maakte aan
+den tweeden Engelschen oorlog.
+
+Reeds eenige weken vóór het sluiten van den vrede te _Breda_, was
+Lodewijk XIV, koning van _Frankrijk_, in de _Spaansche Nederlanden_
+gevallen. Deze inval, waarbij d'Estrades de medewerking der Staten
+eischte, omdat _Frankrijk_ ons, zoo het heette, in den oorlog tegen
+_Engeland_ had ondersteund, deed de noodzakelijkheid ontstaan om
+ons leger te velde te vergrooten en over dat leger een veldoverste
+te benoemen. Geen wonder, dat de Oranjepartij weder het oog op den
+Prins had geslagen, die nu reeds bijna zeventien jaren was. De
+Witt begreep dan ook, dat hij den Prins niet altijd daar buiten
+zou kunnen houden, en daartoe verzon hij een list, waardoor ten
+minste de verheffing van Willem Hendrik tot Stadhouder ten eenenmale
+onmogelijk zou worden. Hij maakte een staatsstuk, inhoudende, dat
+elke toekomstige Kapitein-admiraal of Generaal zou zweren, nooit naar
+eenig Stadhouderschap te zullen staan. Dit stuk, bekend onder den
+naam van _Eeuwig Edict_, waarbij de waardigheid van Stadhouder voor
+alle eeuwigheid in _Holland_ vernietigd werd, terwijl in de andere
+provinciën geen Stadhouder ooit Kapitein-admiraal of Generaal zou
+kunnen zijn, werd den 5den Augustus door de Staten van _Holland_
+aangenomen. Nu zult ge wellicht denken, dat men den Prins terstond
+tot de hoogste krijgswaardigheden verhief. Verre van daar. Wel werden
+er benoemingen gedaan, maar Zijne Hoogheid kwam niet in aanmerking;
+immers er was bij vroegere resolutiën bepaalt, dat hij vóór zijn
+twee-en-twintigste jaar geen hooge krijgsambten zou mogen bekleeden.
+
+Nog vloeide uit den inval van Lodewijk XIV in de _Spaansche
+Nederlanden_ voort het sluiten van een verbond, om _Frankrijk_ tot den
+vrede met _Spanje_ te noodzaken, en dat, daar het tusschen onzen Staat,
+_Engeland_ en _Zweden_ werd gesloten, den naam van Triple-alliantie
+of drievoudig verbond draagt. De bewerkers van deze alliantie, die
+den 28sten Januari 1668 werd vastgesteld, waren Johan de Witt en de
+beroemde Engelschman, de ridder William Temple.
+
+Wij gaan Dinsdag den 7den Februari van datzelfde jaar nog eens naar
+den Prins. Maar wij vinden hem nu niet op het _Binnenhof_, ook niet
+op het hof van _Brandwijk_,--wij zullen hem op een geheel andere
+plaats aantreffen. Wij gaan naar het _Buitenhof_, en wel naar de
+toenmalige hofstallen, "paardenberijdersstal" genaamd. "O," zegt
+gij, "dan had de Prins zeker weer nieuwe paarden gekocht, die hij
+den ouden Heenvliet wilde laten zien." Mis geraden! Vooreerst was
+de oude Heenvliet reeds dood; hij was kort na de terechtstelling
+van Buat gestorven. Maar ten tweede ziet gij in den geheelen stal
+noch paard noch karos; integendeel, al de paarden en karossen zijn
+naar andere stallen verhuisd, de stal is schoongemaakt, door baas
+Balkenende met planken bevloerd en met meer dan achthonderd zitplaatsen
+voorzien. Die zitplaatsen nu zijn geen ruwe houten banken, zooals in
+onze kermistenten; zij zijn keurig netjes en met kussens voorzien;
+want behalve de leden der Staten-Generaal, de leden van den Raad
+van State en van de Rekenkamer, de gekommitteerden van _Holland_,
+zijn de aanzienlijksten van den lande genoodigd; zelfs de Prins van
+_Toskane_, die te _Antwerpen_ logeert, is voor dezen avond expresselijk
+overgekomen. De wanden zijn rondom met keurige tapijten behangen,
+hier en daar zijn reusachtige spiegels aangebracht, rondom welke
+kunstig gekweekte bloemen; duizenden waskaarsen zijn op de zilveren
+luchters en armblakers geplaatst,--alles is keurig netjes ingericht
+en getuigt van den rijkdom van den Prins van _Oranje_, die dit alles
+bekostigd en er duizenden aan besteed heeft. Maar wij hebben niet alles
+gezien. Tegenover de zitplaatsen is een prachtig tooneel opgericht,
+insgelijks met tapijten behangen en waarop aan de eene zijde, keurig
+geschilderd, de vredemaagd staat met zeven pijlen in de hand, die de
+drie Brittannische koninkrijken, aan den anderen kant van het tooneel
+geplaatst, tot eeuwige vriendschap schijnt uit te noodigen. Ziet,
+daar worden de kaarsen opgestoken--straks zullen de hooge gasten
+binnentreden. Reeds komen de muzikanten.
+
+Maar er is nog meer te zien. Gaan wij achter het tooneel in die
+beide kamers. In de eene vinden wij herders en herderinnen, boeren
+en boerinnen, visschers en geniussen; allen verkleede dienaars van
+den Prins of tot deze gelegenheid gehuurd. Ieder van hen heeft een
+papier in de hand, waarop zijn rol staat. Het zijn echter allen
+zwijgende personen. In de andere kamer vinden wij een aanzienlijker
+gezelschap. Het is of wij op den Olympus zijn, zoo wemelt het hier
+van goden en godinnen. Ook zij houden hunne rollen in de hand,
+maar het zijn sprekende. En die goden en godinnen--het zijn wel geen
+hemelsche wezens--maar toch zijn het de goden der aarde, de grooten
+des lands. Begeven wij ons in hun midden; misschien hooren wij nog
+het een en ander, wat ons belang inboezemt.
+
+God Mercurius zit in een gemakkelijken armstoel; op de tafel naast hem
+ligt de gevleugelde slangenstok en de helm met vlerken. Gij herkent
+hem terstond. Het is Willem Hendrik van _Oranje_, de ontwerper en
+uitvoerder van deze tooneelvertooning (die men toen _dans_ noemde).
+
+Vóór Zijne Hoogheid staat een dame, wier dik middel en gevuld lichaam
+verraadt, dat zij niet tot de sekse behoort, welke zij voorstelt. Een
+paar groote vleugelen, aan hare schouders vastgehecht, en de blinkende,
+lange bazuin, die zij in de hand houdt, doen ons haar erkennen voor
+De Faam. Het is de Heer Van Obdam. Hij is in druk gesprek gewikkeld
+met God Mercurius, maar niet over hemelsche zaken, o neen, over
+zeer aardsche.
+
+"Uwe Hoogheid heeft vier schoone paarden van Haren oom, Zijne
+Majesteit den koning van _Engeland_ ten geschenke gekregen," begint
+hij. "Ik hoor, dat 's Konings stalmeester de hertog van Ormont ze
+heeft overgebracht."
+
+"Gij hebt het reeds gehoord, Obdam," antwoordt de Prins. "Het zijn
+juweelen van beesten, gij moet ze eens komen zien. Mijn oom heeft
+mij zeker willen troosten voor de smart, die hij wellicht meent, dat
+mij het Eeuwig Edict veroorzaakt.--Van het Eeuwig Edict gesproken,
+Obdam! Zeg mij, is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol
+van het Hof heeft weggenomen?"
+
+"Dien stoel met de wapens van uw huis?" vraagt Obdam. "Ik heb daar
+niets van vernomen. Doch daar komt Van der Lek; hij zal het Uwer
+Hoogheid wel kunnen zeggen."
+
+Inderdaad komt de maagd van _Holland_, in het geschubde pantser met
+den wapenrok aan en de sandalen aan de voeten, met den koperen helm
+op het hoofd, de speer in de eene en het schild met den klimmenden
+leeuw in de andere hand, zeer deftig en gratieus aanwandelen.
+
+"Zeg eens Van der Lek," zegt de Prins. "Is het waar, dat men den
+voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?"
+
+"Zoo is het, Uwe Hoogheid!" antwoordt deze, en voegt er met fijne
+vleierij bij: "Men zal hem willen schoonmaken, tegen den tijd, dat Uwe
+Hoogheid er op zitten moet. Er was in de jaren, dat hij leeg stond,
+zooveel onedel stof opgekomen."
+
+"Hoofsche vleier!" dreigt de Prins. "En dat moet ik uit den mond van
+_Holland_ hooren."
+
+"Tijd baart rozen, Uwe Hoogheid," herneemt Van der Lek. "Er zal
+een tijd komen, dat _Holland_ u zal waardeeren, zooals ik, haar
+representant, u waardeer. Maar zie eens," vervolgt hij, terwijl
+hij naar twee andere dames wijst, den Heer Du Ha (de tweedracht) en
+den Heer Lauron (de vrede), die beiden in druk gesprek door de kamer
+wandelen. "Als wij hier niet op den Olympus waren, zou men zich bijna
+verbeelden, dat het duizendjarig rijk was gekomen. De tweedracht en
+de Vrede wandelen daar samen als vriendinnen. Laat toch de fakkel
+der eene den palmtak des anderen niet verbranden."
+
+"Geen nood, Van der Lek," zegt de Prins. "De fakkel brandt nog
+niet. Straks mag Lauron voorzichtig zijn."
+
+"Voorzeker, Uwe Hoogheid!" zegt Valkenburg, die _Engeland_ moet
+voorstellen. "Maar nu _Engeland_ zoo dicht bij _Holland_ komt te staan,
+en zij elkander niet eens de tanden laten zien,--nu heeft de fakkel
+van de tweedracht ook geen gevaar voor den vredepalm."
+
+"Gij hebt gelijk, Valkenburg," hervat de Prins. "En wat zegt gij van
+mijne nieuwe paarden?"
+
+"Ik zag ze van middag, Uwe Hoogheid, en ik durf zeggen dat ik er
+trotsch op ben, den edelen god des koophandels iets te hebben mogen
+schenken, wat zijner waardig is."
+
+"Nu zal _hij_ er zich nog de eer van toeëigenen," zegt Van der Lek.
+
+"De Hollandsche maagd gelieve te bedenken, dat mijn zoon de koning
+van _Groot-Brittannië_, de schenker is van dat heerlijke vierspan."
+
+"Het is waar ook," herneemt Van der Lek lachend. "Ik dacht er niet aan,
+dat gij Engeland voorstelt."
+
+"En ik heb vernomen, dat Uwe Hoogheid mijner dochter der koningin
+van _Engeland_, een kostbaar tegengeschenk zal zenden."
+
+"O, die babbelaars!" zegt de Prins. "Dat heeft mijn stalmeester
+u verteld."
+
+"Inderdaad, zal Uwe Hoogheid een tegengeschenk zenden?" vraagt
+Obdam. "En als ik vragen mag, waarin zal dat bestaan?"
+
+"Herinnert gij u nog die prachtige teekening van een narrenslede,
+die ik u gisteren liet zien, Obdam?" vraagt de Prins.
+
+"In den vorm van een vergulden, liggenden leeuw?" zegt Obdam. "O
+voorzeker."
+
+"Welnu, ik heb er zoo een besteld. Maar natuurlijk zal het geheel
+met tal van koninklijke kronen prijken. Het paardentuig met gouden
+franje en kwispels, en 500 vergulde zilveren bellen zal daarbij zeer
+goed staan. Ik verlang natuurlijk, dat het niet te wereldkundig worde."
+
+Een page komt binnen en zegt:
+
+"Uwe Hoogheid! De gasten zijn er allen. Het is zeven uren. Beveelt
+Uwe Hoogheid dat er begonnen worde?"
+
+"Ga de personen in de andere kamer waarschuwen en laat ieder zich
+op zijn post begeven, opdat zij gereed staan, als het scherm wordt
+opgehaald. Mijne Heeren! Maakt u gereed."
+
+En door De Faam geholpen, zet de Prins zijn Mercuriushoed op, neemt
+zijn staf in de hand en begeeft zich achter het tooneel, om te kunnen
+verschijnen, als het zijn tijd is.
+
+Daar de zaal echter niet groot genoeg was om meer gasten te bevatten,
+herhaalde men den volgenden Dinsdag de tooneelvertooning en noodigde,
+onder andere personen, ook de hoven van justitie uit. Doch deze,
+gebelgd dat zij op de napret verzocht werden, bedankten. Ook voeren de
+predikanten er van den predikstoel tegen uit en noemden haar openlijk
+zondig; zoodat (zegt Aitsema) het bal duizenden had gekost en toch
+maar onrust gaf.
+
+Eer ik dit Hoofdstuk sluit, moet ik nog een trek van edele
+onbaatzuchtigheid van den Raadpensionaris verhalen. De Witt kreeg van
+de Ridderschap f 15,000, van de Hollandsche steden f 42,000. Toen men
+hem van wege de Staten-Generaal een cadeau van f 100,000 wilde geven,
+wist hij dat door zijn invloed te beletten.
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Wat er met den Prins in Zeeland voorviel.
+
+
+Het was in de maand September 1668. 's Prinsen goeverneur, de Heer Van
+Gendt, was om familie-aangelegenheden naar _Gelderland_. Hiervan maakte
+de Prins, die binnen twee maanden zijn achttiende jaar zou bereiken
+en dan van alle voogdij ontslagen zijn, gebruik tot het maken van
+een uitstapje, van hetwelk hij aan geen zijner educatoren kennis gaf.
+
+Onder het voorgeven van eenige jachthonden en valken te willen
+probeeren hem door zijn koninklijken oom Karel II geschonken, was
+hij heimelijk uit _Den Haag_ vertrokken en had zich met het jacht van
+Hare Hoogheid de Prinses-weduwe naar _Bergen-op-Zoom_ begeven. Daar
+wachtte hem, volgens afspraak, een ander jacht, van de gecommitteerde
+Raden van Zeeland, waarop zich eenige van de voornaamste Heeren van
+die provincie bevonden, om Zijne Hoogheid te ontvangen.
+
+Met dit vaartuig voor het hoofd van _Arnemuiden_ gekomen, zond men
+een edelman naar _Middelburg_, om de Heeren Staten en gecommitteerde
+Raden van 's Prinsen aankomst te verwittigen, die spoedig daarop in
+een menigte met vlaggen en wimpels versierde sloepen Zijne Hoogheid
+kwamen afhalen. Zes vendels burgers met hunne vaandels en muziek,
+stonden bij zijne aankomst te _Middelburg_ in twee rijen geschaard,
+om hem te ontvangen, en door die dubbele rijen heen en omstuwd van de
+edelsten van _Zeeland_, wandelde hij naar de "Abdy," die voor hem in
+orde was gebracht, waar hij zijn intrek nam en waar Pieter de Huybert,
+Pensionaris van _Zeeland_, hem met een aanspraak welkom heette.
+
+Het was een vreugdedag voor de goede stad _Middelburg_. De geheele
+bevolking poogde, door het uitsteken der vlaggen, algemeene illuminatie
+en het branden van vreugdevuren, hare blijdschap aan den dag te leggen
+over de komst van den jeugdigen vorst en van hare gehechtheid aan
+het geliefde stamhuis van _Oranje_.
+
+Den volgenden dag, Dinsdag den 18den September, werd de Prins in statie
+afgehaald door eenige afgevaardigden en geleid naar de Vergadering
+der Staten van _Zeeland_, te midden van het uitbundig gejuich eener
+overgroote volksmenigte, die, evenals den vorigen dag, de lucht deed
+daveren van hun: "Leve de Prins!" en "Oranje boven!"
+
+In de vergadering gekomen, werd hij geleid naar de voor hem bestemde
+eereplaats, en verklaarde de Pensionaris De Huybert uit naam der
+Staten, dat _Zeeland_ altijd geijverd had voor de verheffing van den
+Prins, dat _Holland_ steeds door zijne oppermacht was tusschenbeide
+getreden, maar dat dan nu ook eerstgenoemde provincie wenschte gebruik
+te maken van een recht, dat geen ander gewest haar kon ontnemen, dat
+zij den Prins wenschte te verheffen tot eerste edele van _Zeeland_. De
+Prins beantwoordde deze rede met de volgende aanspraak:
+
+"Het standvastig vervolg uwer gunst benoodzaakt mij tot dankbaarheid;
+en het vorig raadsbesluit tot mijne vordering, wanneer ik achttien
+jaar bereikte, om de verwachte begeerte niet langer door achterblijven
+terug te stellen, ten einde ik door gevolmachtigden den plicht van
+Eersten Edele, ten besten dezer Staat, dankelijk voldoen mag. Dit is
+niet buyten verstand met de overige Landschappen, byzonder _Holland_,
+nastappende de goede voorbeelden onzer Doorluchte vaderen."
+
+Het geschal der trompetten en het donderen van het geschut liet
+zich nu hooren en de Voorzitter bood den Prins een flesch met gouden
+dukaten aan, als hulde van _Zeeland_; waarna Zijne Hoogheid zich in
+volle statie naar de "Abdy" begaf.
+
+Nog denzelfden dag schreef de Prins een brief aan zijne grootmoeder,
+waarin hij haar kennis gaf van zijn vertrek naar _Zeeland_, alwaar
+hij zijne goederen wilde bezien, als zijnde het de gewoonte, dat
+alle vasallen met hun zestiende jaar hunne leenen kwamen verheffen
+(goederen ontvangen) van de grafelijkheid. In _Holland_ had de tijding
+van 's Prinsen benoeming verschillende uitwerking. De Oranjepartij
+deed openlijk hare blijdschap over die verheffing blijken, terwijl de
+aanhangers der Staatspartij het den Prins zeer euvel duidden, dat hij
+naar een ander gewest was verreisd, zonder er den Staten van _Holland_
+kennis van te geven; ja zelfs waren er, die durfden beweren, dat hij
+zich ondankbaar toonde jegens _Holland_, dat hem zooveel weldaden
+had bewezen.
+
+Onze Prins echter dacht er op dit oogenblik weinig aan, hoe de zaak in
+_Holland_ zou worden opgenomen. Hij was bezig zich te kleeden voor het
+diner, dat hem dezen middag door de Staten op het stadhuis zou worden
+aangeboden. Juist was hij daarmede gereed, toen zijn kamerdienaar hem
+kwam berichten, dat er een meisje was, hetwelk hem wenschte te spreken.
+
+"Zeg haar, dat ik geen tijd heb--dat ik niet te spreken ben."
+
+"Dat heb ik haar reeds gezegd, Uwe Hoogheid. Maar zij laat zich
+niet terugwijzen en heeft mij instantelijk gebeden, Uwe Hoogheid te
+verzoeken, haar te woord te staan."
+
+De Prins, die zich tegenover het vrouwelijk geslacht nooit op zijn
+gemak bevond, die daarenboven op dit oogenblik in geen stemming was om
+zich met andere zaken bezig te houden, antwoordde min of meer knorrig:
+
+"Welnu, dan zegt gij haar nogmaals, dat ik vandaag niet te spreken
+ben. Laat haar morgen terugkomen."
+
+De kamerdienaar ging: doch kwam spoedig terug en bracht zijner Hoogheid
+een ring mede.
+
+"De deern heeft mij dezen ring voor Uwe Hoogheid gegeven," zeide
+hij. "Als Uwe Hoogheid dien zag, zou Zij haar wel te woord staan."
+
+De Prins nam den ring, bezag dien en zeide:
+
+"Laat het kind in mijn kamer. Ik ken dien ring. Zij heeft mij zeker
+iets belangrijks mede te deelen."
+
+Weinige minuten later trad de Prins zijn kamer binnen, waar
+Martha--want mijne lezers zullen wel begrepen hebben, dat zij het
+was--hem reeds met ongeduld verbeidde. Zoodra zij Zijne Hoogheid zag,
+barstte zij nu in tranen los. Deze bevond zich daardoor nog minder
+op zijn gemak. Intusschen vermande hij zich en zeide:
+
+"Wie ben je? Wat moet je van mij? Hoe kom je aan dezen ring?"
+
+Het meisje droogde hare tranen af.
+
+"Uwe Hoogheid!" riep zij uit. "Ik ben de zuster van Pieter
+Pietersz. Mijn arme broeder zit in de gevangenis."
+
+"In de gevangenis? Wat heeft hij dan gedaan?"
+
+"Niets, Uwe Hoogheid! Niets."
+
+"Maar men zet iemand toch niet in de gevangenis, wanneer hij niets
+gedaan heeft."
+
+"En toch is hij onschuldig, Uwe Hoogheid."
+
+"Onschuldig, en in de gevangenis. Dat komt mij verdacht voor. Waarvan
+beschuldigt men hem dan?"
+
+"Van moord, Uwe Hoogheid. Zij zeggen, dat mijn arme broeder Pieter een
+moordenaar is. Maar Uwe Hoogheid zal dat toch niet gelooven. Zij weet,
+dat Pieter een brave jongen is."
+
+De Prins, die wel bemerkte, dat hij met Martha niet vorderde, begreep,
+dat hij zijn tijd nutteloos verspilde, indien zij niet tot de zaak
+kwam.
+
+"Zeg mij dan, meisje," hernam hij ongeduldig, "wat er gebeurd is en
+waartoe je bij mij komt."
+
+"Uwe Hoogheid weet, dat mijn broeder door Uwe aanbeveling als tweede
+meesterknecht aan de werf der Admiraliteit was geplaatst. Drie
+maanden geleden kreeg de eerste meesterknecht, die reeds oud was,
+zijn pensioen en benoemden de heeren van de Admiraliteit mijn broeder
+in zijne plaats. Hij had nu meer onmiddellijk te doen met den baas van
+de werf, een man van een ongemakkelijk humeur en met wien hij dikwijls
+onaangenaamheden had. Intusschen bleven de zaken altijd binnen de
+palen. Een dag of acht geleden echter had er zulk een hevige twist
+plaats, dat de baas zich niet ontzag, hem een slag te geven."
+
+"En zulks dien driftkop van een Pieter!" riep de Prins uit. "Toen
+heeft Pieter hem zeker een ongelukkigen slag toegediend."
+
+"Neen, Uwe Hoogheid," hernam Martha. "Dat zou misschien het geval zijn
+geweest (want Pieter is driftig) indien niet de kameraads tusschenbeide
+waren gekomen, en hem van den baas hadden weggescheurd. Uwe Hoogheid
+kan zich voorstellen, hoe woedend Pieter was. In zijn drift zwoer
+hij bij hoog en bij laag, dat het den baas zou berouwen en dat
+hij het hem betaald zou zetten. Maar Uwe Hoogheid weet ook, dat
+driftige menschen niet wraakzuchtig zijn. Zoo is het ook met onzen
+Pieter. Als hij zich omkeert, is hij weer goed. Intusschen kon hij
+dien slag toch niet verkroppen, en deelde mij mede, dat hij van
+plan was, den baas bij de Admiraliteit aan te klagen en te verzoeken
+om verplaatsing. Ik trachtte hem dat uit het hoofd te praten; maar
+het gelukte niet. Hij kleedde zich aan en ging de deur uit naar den
+President der Admiraliteit. Hij vond dien echter niet thuis, zooals
+hij mij verhaalde, toen hij terugkwam."
+
+"En hoe staat dat nu in verband met de beschuldiging?"
+
+"Den volgenden morgen werd mijn arme Pieter met schout en dienders de
+deur uitgehaald. Men had het lijk van den scheepstimmermansbaas op den
+singel vinden liggen, met een messteek doorboord. Nu had men den twist
+van den vorigen dag met de woorden van Pieter in verband gebracht, en,
+daar de moord juist moest hebben plaats gehad in den tijd, dat mijn
+broeder naar den President der Admiraliteit was, zoo begreep men,
+dat zij elkander ontmoet hadden, en de twist opnieuw begonnen was;
+ja, sommigen gingen zelfs zoo ver, van te beweren, dat Pieter hem
+had opgewacht, om zoo zijn wraakzucht te koelen."
+
+"Daar heeft het dan ook veel van, meisje," zeide de Prins "en uw
+broeder zal zich moeielijk uit deze zaak redden. Zijn ontkennen zal
+hem weinig helpen."
+
+"Maar Uwe Hoogheid gelooft toch niet, dat Pieter schuldig is?"
+
+"Ik kan noch over zijne schuld, noch over zijne onschuld beslissen,"
+hernam de Prins. "Maar wat voert je tot _mij_?"
+
+"Ik hoorde gisteravond, dat Uwe Hoogheid te _Middelburg_ was
+aangekomen, en ging van morgen reeds vroeg naar de gevangenis, om het
+Pieter mede te deelen. Toen gaf hij mij den ring, dien Uwe Hoogheid
+hem eens had geschonken, en bad mij, naar U toe te gaan, met de bede
+om hem te hulp te komen. Begrijp eens, Uwe Hoogheid! men heeft hem
+reeds met de pijnbank gedreigd."
+
+"Met de pijnbank!" zeide de Prins bedenkelijk. "Hoor eens, meisje,"
+ging hij voort. "Ik zal doen wat ik kan. Maar je weet: het recht moet
+zijn loop hebben, en als je broeder schuldig is, kan ik er niets aan
+doen. Zeg hem intusschen, dat ik hem morgen kom bezoeken."
+
+"Uwe Hoogheid zal mijn armen Pieter in zijn gevangenis bezoeken!" riep
+Martha uit, terwijl zij de hand van den Prins greep en die kuste. "In
+trouwe, dat zal den goeden jongen een groote troost zijn!"
+
+"Ga nu heen! Hier is de ring van je broeder. Wacht!--Ga naar den
+schout en verzoek hem uit mijn naam, tot geen pijnlijke middelen over
+te gaan alvorens ik hem gesproken heb."
+
+"Ik dank Uwe Hoogheid!" zeide Martha. "God moge haar zegenen voor
+hetgeen zij aan mijn broeder doet!"
+
+Onder den maaltijd sprak de Prins met den Pensionaris De Huybert,
+die advokaat was, over zijn gunsteling, en verzocht hem, zich met een
+onderzoek van die zaak te belasten. Daar de Pensionaris den Prins den
+volgenden dag naar _Vlissingen_ zou vergezellen, waar Zijne Hoogheid
+de werven der Admiraliteit in oogenschouw zou nemen, was dat een
+gemakkelijke zaak. Ook beloofde de Pensionaris den Prins, hem in de
+gevangenis te vergezellen en den gevangene zelf te ondervragen.
+
+'t Was den volgenden dag een vreugde in _Vlissingen_, toen de Prins
+daar kwam. Nadat Zijne Hoogheid, door al de leden der Admiraliteit
+vergezeld, de werven bezichtigd had, begaf Zij zich met den heer
+De Huybert naar den Schout, en liet zich de stukken betreffende
+de rechtzaak van Pieter geven. Toen de Pensionaris de akten had
+doorgelezen, zeide hij:
+
+"Mijnheer de Schout! Er bestaan hier geene termen, die u van rechtswege
+dwingen, tot de pijnbank over te gaan. Wel is waar, de beklaagde
+_persisteert_ [45] bij zijne onschuld. Maar gij hebt geen andere
+_presumptie_ [46], dan een twist, een ontvangene beleediging en eenige
+woorden in drift geuit. Het vorige leven van den jongeling _prouveert_
+[47] tegen de misdaad. Ook bestaat er--en dat verzoek ik u vooral te
+_considereeren_ [48],--volstrekt geen _corpus delicti_ [49] en waar
+dat ontbreekt en geen getuigen zijn om de misdaad te _confirmeeren_
+[50] schrijft de wet eerder voorzichtigheid voor dan pijn en banden."
+
+"Daarbij komt," merkte de Prins aan, "dat de beklaagde bij mij bekend
+staat als een driftkop, die echter zich niet omkeert, of de toorn is
+bedaard. Wraakzucht is nooit zijn zwak geweest." En de Prins verhaalde
+het gebeurde op het veldijs.
+
+"Gij ziet, mijnheer de Schout," hernam de Pensionaris, "dat er hier
+_premissen_ [51] bestaan, die genoeg _prouveeren_, dat naar alle
+waarschijnlijkheid de misdaad niet is gepleegd door den beklaagde:
+omdat er sprake is van moord met _voorbedachten rade_. Mijns erachtens
+[52] moogt gij de pijnbank niet _appliceeren_ [53]."
+
+"Het oordeel van UEdelgestrenge is mij een wet," zeide de
+Schout. "Intusschen geloof ik, dat er geene _motieven_ [54] bestaan
+tot vrijspraak."
+
+"Dat volstrekt niet," hernam de Pensionaris. "De voorzichtigheid
+eischt, den gevangene te houden tot er meerdere bewijzen zijn tot zijne
+loslating. Zoo lang blijven er zware _presumptiën_ tegen hem bestaan."
+
+Op dit oogenblik werd den Schout een verzegelde brief overhandigd.
+
+"Daar is haast bij," zeide de klerk, die den brief overreikte. "Een
+bode, die hem bracht, heeft mij aanbevolen, UEd. dien terstond te
+overhandigen met de boodschap om hem onmiddellijk te lezen."
+
+De Schout nam den brief aan, en zich tot den Prins wendende, zeide hij:
+
+"Met uw verlof, Uwe Hoogheid!"
+
+"Ga uw gang, heer Schout," antwoordde de Prins. "Dienstzaken gaan
+vóór alles."
+
+De Schout las, en onder het lezen helderde zijn gelaat op.
+
+"Uw gunsteling is vrij, Uwe Hoogheid!" zeide hij. "De ware moordenaar
+is ontdekt."
+
+"Wat zegt gij?" riep de Prins uit.
+
+"Lees zelf, Uwe Hoogheid!" antwoordde de Schout.
+
+De Prins nam den brief en las:
+
+
+ Uyt Zierikzee, den 19den van Herfstmaend, 1668.
+
+ Edele, gestrenge, Erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere!
+
+
+ Mitsdien het eene sake van groot gewicht is, recht ende
+ gerechtigheyt te bevorderen, zo sy UEd. mitsdezen gemelt,
+ dat de persoon van Pieter Pietersz, die by UEd. in detensie
+ is zittende, onder presumptie van vermoord te hebben den
+ scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, aen dat forfeit ten eenemale
+ onschuldig is. Het bovenstaende sal UEd. duidelijck blijcken
+ uyt nevensghaende confessie, door den waren schuldighen
+ gedaen aen my in presentie van twee getuyghen, waervan is acte
+ opgemaeckt door my, Schoute van de goede stadt van _Zierikzee_.
+
+ UEd. aenbevelende in de hoede en de gunst des Hemels, versoeck
+ ik UEd. my te geloove.
+
+ Edele, gestrenge, erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere
+
+
+ Uwen Dienstwilligen Dienaer
+ en oprechten vrund
+ Jan Douwes de Beer.
+
+
+De Prins las den brief en de ingesloten akte, waarvan wij alleen den
+inhoud willen mededeelen.
+
+Den avond van den 17den September, had er tusschen een paar matrozen en
+twee andere personen in de herberg "de Schiemansmaat" te _Zierikzee_
+een gevecht met messen plaats gehad, waarbij een der vechtenden,
+de ons bekende Jan IJzer, doodelijk was gewond. De geneesheer, die
+geroepen was, verklaarde dan ook aan den gewonde, dat hij nog slechts
+weinige uren te leven had, en zond hem een predikant. De stervende
+nu, in den grootsten doodsangst zijnde, bekende den geestelijke,
+dat hij kort geleden een moord had begaan, waarvoor een onschuldige
+in de gevangenis zat. De predikant maande hem aan deze zaak aan de
+bevoegde autoriteit mede te deelen, en zorgde dan ook dat de Schout
+met twee getuigen aan zijn sterfbed kwam, aan welke hij de volgende
+bekentenis deed:
+
+Meer dan een jaar geleden, had Jan IJzer op de werf der Admiraliteit
+als knecht gewerkt, doch op diefstal betrapt, was hij door den
+scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, ondanks zijn smeeken, aan de
+bevoegde autoriteit overgeleverd, die hem daarvoor tot geeseling op het
+schavot had veroordeeld, welke straf hij dan ook had ondergaan, kort
+voor Pieters komst op de werf. Daarna uit de stad en hare jurisdictie
+verbannen, had hij elders een goed heenkomen moeten zoeken; terwijl
+hij echter in zijn hart zwoer, te eenigen tijde wraak te nemen op
+den onbarmhartigen Roelofsz. Met dit doel was hij, toevallig op den
+dag van den twist tusschen Pieter en den scheepstimmermansbaas, in
+het geheim te _Vlissingen_ gekomen, om zijn opzet te volvoeren. Hij
+wist, dat Adriaan Roelofsz, om van de werf naar zijn huis te komen,
+den singel moest loopen en had hem op de donkerste en eenzaamste
+plaats opgewacht en vermoord. Voor hij den volgenden dag vertrok,
+vernam hij de gevangenneming van Pieter en de zware verdenking, die er
+op dezen rustte. Volkomen gerust, dat men nu hem niet van den moord
+kon verdenken, verliet hij den volgenden dag tegen den avond de stad
+en had zich naar _Zierikzee_ begeven, alwaar hij dien bewusten avond
+in den ons bekenden twist werd gewond. Zóó slecht nu was onze Jan
+niet, dat hij met een dubbelen moord op zijn geweten de eeuwigheid
+had durven ingaan. Het overige is ons bekend. Hij toonde innig berouw
+over zijne zonden, en stierf omtrent twee uren daarna. Schout De Beer,
+vreezende, dat het anders te laat mocht komen, had zich gehaast de
+akte op te maken en die met den bijliggenden brief door een bode naar
+_Vlissingen_ laten brengen.
+
+Toen de Prins beide stukken gelezen had, zeide hij:
+
+"Mijnheer de Schout, gij kunt mij een dienst bewijzen."
+
+"Ik, Uwe Hoogheid? Spreek, en als het in mijne macht staat U genoegen
+te doen, zal het van mij niet afhangen."
+
+"Reeds vooraf dank voor Uwe goedheid," hernam de Prins. "Leen mij voor
+een paar uren deze papieren, en geef mij een bevel van vrijstelling
+voor den gevangene."
+
+"Uwe Hoogheid heeft slechts te bevelen," antwoordde de Schout. "Ik
+zal Haar dadelijk het bevel van vrijlating opmaken."
+
+"Ga uw gang," hernam de Prins. "Ik zal er op wachten."
+
+"Welnu, Uwe Hoogheid," zeide de Pensionaris. "Had ik ongelijk, toen
+ik U zeide, dat er meer doorslaande bewijzen voor de schuld des
+beklaagden moesten zijn?"
+
+"Ik bewonder Uwer Edelheids diepe rechtskundige kennis. Indien ik
+daarvan niet overtuigd geweest ware, zou ik dan van U de moeite hebben
+gevergd, die ik van U heb gevraagd?"
+
+"Uwe Hoogheid te dienen zal steeds het hoogste voorwerp van mijn
+streven zijn," hernam de Pensionaris.
+
+"Ik dank U, mijnheer de Pensionaris. En uw aanbod maakt mij zoo vrij,
+nogmaals van Uwe goedheid gebruik te maken en U te verzoeken, mij
+naar den President der Admiraliteit te vergezellen."
+
+"Het zal mij een singuliere eer zijn, Uwe Hoogheid," was het antwoord
+van den Pensionaris.
+
+Op dit oogenblik kwam de Schout met het beloofde vrijlatingsbiljet
+binnen en overhandigde het den Prins.
+
+"Ik dank U, mijnheer de Schout," antwoordde deze, terwijl hij opstond
+om heen te gaan. "Ik kan er nu zeker van zijn, dat de gevangene niet
+los komt, vóór ik hem ga halen."
+
+"Daarvan kan Uwe Hoogheid ten volle verzekerd zijn," gaf de Schout
+ten antwoord, terwijl hij den Prins naar de karos geleidde, die
+hem wachtte.
+
+Op het oogenblik, dat de karos zou wegrijden, wenkte de Prins den
+Schout, die met ontblooten hoofde op zijn stoep stond.
+
+"Nog een verzoek, mijnheer de Schout," zeide hij. "Wees zoo goed,
+te zorgen, dat de zuster van den gevangene zich bij hem in den kerker
+bevindt. Over een uur denk ik hem te verlossen. Dat echter alles een
+diep geheim blijve."
+
+Wij treden ongeveer een uur later in de gevangenis van Pieter
+binnen. Het is een treurig verblijf, zooals de gevangenissen trouwens
+gewoonlijk zijn. Een houten bank en een strooleger zijn het geheele
+ameublement, terwijl een aarden kruik met water op den grond staat
+en het nog onaangeroerde zwarte brood aantoont, dat de arme jongeling
+weinig appetijt heeft. Treurig en in zich zelf verzonken zit hij daar
+op de ruwe bank; gisteren toch bij het laatste verhoor heeft de Schout
+hem met de pijnbank gedreigd. Die pijnbank was een vreeselijk werktuig,
+nog uit de middeleeuwen afkomstig, waarop de ongelukkige werd gelegd en
+zijne ledematen zoolang werden uitgerekt, of door schroeven verwrongen
+en gekneld, tot hij bekende--niet altijd wat hij gedaan had, maar ook
+dikwerf wat men wilde dat hij bekennen zou. Zou hij bij de ontkenning
+der hem toegelegde misdaad kunnen volharden, of zouden de pijnen
+hem dwingen tot de bekentenis van een daad, waaraan hij geheel en al
+onschuldig was?--En als hij bekende--dan werd zijn doodvonnis geveld,
+dan kon hij de dagen wel tellen, die hij nog te leven had. En dan te
+sterven--zoo jong, zoo levenslustig!--En dan zóó te sterven--op een
+schavot, onder beulshanden!--Vreeselijk!--Maar Martha had hem beloofd,
+naar den Prins te gaan, die in _Middelburg_ was. Zou die gang wat
+uitwerken? Wat zou Zijne Hoogheid er aan doen?--Zou die bij machte
+zijn, het recht te keeren?--Daartoe immers ontbrak Haar de macht.
+
+Deze en dergelijke gedachten vervulden de ziel van onzen armen
+Pieter, en maakten hem angstig. Hij vouwde de handen, sloot de oogen
+en bad--bad lang en vurig tot God om uitredding, smeekte Hem om hem
+kracht te schenken in de verdrukking en zijn onschuld aan het licht
+te brengen. Bemoedigd stond hij op; want er is niets dat den mensch
+meer moed schenkt in het ongeluk, dan het gebed. Dat had Pieter reeds
+van zijn vader geleerd, dat had zijne brave Admiraal hem zoo dikwerf
+ingeprent,--dat had hij dan ook reeds meermalen ondervonden. Hij
+wandelde eenige malen zijn engen kerker op en neer, toen hij den
+grendel van zijn deur hoorde afschuiven. De deur ging open, en Martha
+stond voor hem.
+
+"Daar doe je goed aan, Martha!" zeide Pieter, "dat je mij komt
+vertroosten. En heb je den Prins gezien? Heb je hem gesproken? Geloofde
+hij aan mijn onschuld, of hield hij mij voor schuldig?"
+
+"Ik zou je reeds vroeger bezocht hebben," antwoordde Martha, "maar
+toen ik van morgen aan je gevangenis kwam, weigerden zij mij den
+toegang. Nu echter ben ik door een dienaar van den Schout geroepen,
+om bij je te komen. Wat wil je van mij?"
+
+"Ik?"--hernam Pieter. "Ik weet er niets van. Maar antwoord mij op
+mijne vragen. Hoe heb je het bij den Prins gevonden?"
+
+Martha verhaalde hem hare ontmoeting met den Prins. Toen zij geëindigd
+had zeide Pieter:
+
+"Zal Zijne Hoogheid mij komen bezoeken? En heeft hij dat gezegd?--Maar"
+... vervolgde hij treurig, "zou hij zijn woord houden? Ach,
+Martha! zulke groote heeren weten zoo weinig, wat een arm mensch
+lijdt."
+
+"Zijne Hoogheid _zal_ woord houden," hervatte Martha. "Reeds het
+verzoek, dat ik van morgen uit zijn naam aan den Schout heb gedaan,
+heeft je voor heden van de pijnbank bevrijd. Hoop dus."
+
+"Hopen, Martha! En de Prins zelf heeft gezegd, dat hij er niets aan
+zou kunnen doen en dat het recht zijn loop moest hebben."
+
+"Dat is waar--doch.... Luister, daar komen menschen. Ik hoor stappen
+in de gang. Zou het Zijne Hoogheid zijn?"
+
+"Misschien wel.--Is hij dan reeds hier?"
+
+"O, ja--reeds van morgen gekomen. Hij heeft de werven der Admiraliteit
+bezocht. Hij ..."
+
+Martha kon niet voleindigen wat zij wilde zeggen; want de deur ging
+open en de Prins gevolgd, door den Pensionaris De Huybert, den Schout
+en twee heeren der Admiraliteit, trad de gevangenis binnen.
+
+"Pieter Pietersz," begon de Prins, terwijl zijn gelaat van dat innige
+genoegen straalde, hetwelk men ondervindt als men wéldoet. "Pieter
+Pietersz, ik breng je goede tijding!"
+
+"Goede tijding, Uwe Hoogheid! Zal men dan eindelijk overtuigd zijn,
+dat ik geen moordenaar ben?"
+
+"Dat zou je weinig baten, mijn vriend," hernam de Prins. "Dan zou
+men je bij gebrek aan bewijzen loslaten en geheel _Vlissingen_ zou
+je houden voor den moordenaar van Adriaan Roelofsz."
+
+Pieter liet het hoofd zakken.
+
+"Ik breng je betere tijding," hervatte de Prins. "Je onschuld is aan
+het licht gekomen; want de ware schuldige is ontdekt."
+
+"Gode zij dank!" riep de jongeling uit, en deze tijding ontstelde hem
+zoo zeer, dat hij schier bewusteloos op de bank nederzonk. Martha
+ondersteunde hem. Spoedig echter herstelde hij zich, trad naar den
+Prins toe, greep diens hand en overdekte die met zijne kussen.
+
+"En Uwe Hoogheid zelf wilde mij met deze tijding verrassen!" riep
+hij uit. "En ik ben dus vrij? Vrij! Groote God! Men moet gevangen
+zijn geweest, om te weten, wat dat woord beteekent."
+
+"Je bent vrij, Pieter!" hernam de Prins, "en weer hersteld in je
+eer. Daarvoor zal mijnheer de Schout zorg dragen. Intusschen--je
+hebt veel geleden, mijn arme jongen! en ik meende, dat eene
+kleine vergoeding je wel toekwam.--Pieter Pietersz," ging de Prins
+voort, terwijl hij hem een papier overreikte, waaraan een zegel
+in was hing. "De Admiraliteit kent je als een kundig timmerman
+en als een ijverig en bezadigd mensch. Zij kent je als eerlijk
+en rechtschapen; zij weet dat je den scheepsbouw in den grond
+verstaat.--Pieter Pietersz, hier overhandig ik je je aanstelling als
+scheepstimmermansbaas, in plaats van den vermoorden Adriaan Roelofz,
+op de werf der Admiraliteit van _Zeeland_."
+
+Op deze woorden zonk Pieter op eene knie; ook Martha wierp zich aan
+de voeten van den Prins en omklemde die.
+
+"Mijn weldoener!" stamelde Pieter.
+
+"Engel in menschengedaante!" riep Martha.
+
+"Stil, stil," zeide de Prins. "Je zoudt mij haast spijt doen krijgen,
+dat ik hier gekomen ben. Staat op. Alleen voor Hem moet men knielen,
+voor wien wij allen gelijk zijn."
+
+"Hoe zal ik Uwe Hoogheid ooit kunnen vergelden, wat zij voor mij
+gedaan heeft!" riep Pieter, opstaande uit.
+
+"Dank er God voor, Pieter! die op zulk eene wonderbare wijs je onschuld
+aan het licht heeft doen komen. Dezelfde, dien je als knaap eens het
+leven hebt gered, is nu door Gods bestuur, de redder van je eer en
+je leven geworden."
+
+"Jan IJzer?" riep Pieter uit.
+
+"Juist, Jan Jansz. IJzer was de moordenaar. Op zijn sterfbed heeft hij
+het bekend. Maar nu--ga met mij. Ik zelf zal je op de werf brengen,
+waar deze Heeren je zullen installeeren, terwijl mijnheer de Schout je
+in je eer zal herstellen. Ook jij moet mede, edel meisje!" vervolgde
+hij tegen Martha. "Je bent getuige geweest van zijn vernedering en
+schande,--je zult het nu zijn van zijne verhooging en zijne eer."
+
+Aan de deur der gevangenis gekomen, was het daar zwart van menschen,
+die niet alleen den Prins wilden zien, maar ook wilden weten, wat Zijne
+Hoogheid in de gevangenis mocht hebben gedaan. Maar, hoe verwonderd
+zij ook stonden, toen de Prins den van moord verdachten Pieter en
+diens zuster Martha bij zich in de karos nam, er klonk een luid:
+"Vivat! lang leve de Prins van Oranje!" uit aller mond. De karos van
+den Prins werd door een andere gevolgd, waarin de vier heeren zaten,
+die Zijne Hoogheid vergezeld hadden. Spoorslags reed men naar de werf,
+waar alles nog groen gemaakt en versierd was als het dien morgen was
+geweest ter eere van den Prins.
+
+Hier hield een der Heeren der Admiraliteit een toespraak tot het
+werkvolk, waarin hij hun mededeelde, hoe de ware schuldige ontdekt
+en hoe nu de brave Pieter Pietersz in zijn eer hersteld was. Tevens
+installeerde hij den jongeling als baas van de werf, en beval aan het
+werkvolk hem als zoodanig te gehoorzamen. Hij liet daarbij duidelijk
+doorstralen, dat het de Prins was, die tot dat alles krachtdadig had
+medegewerkt en dat de benoeming van den voormaligen meesterknecht
+grootendeels aan Zijne Hoogheid was te danken. Gij kunt u voorstellen,
+welk een gejuich deze woorden bij het werkvolk veroorzaakten. 't Was
+of er geen eind aan zou komen. Verscheidene werklieden drongen op
+Pieter toe, om hem de hand te drukken en hem geluk te wenschen met
+den keer, dien zijn lot had genomen: want bij allen op de werf was
+de gewezen meesterknecht geacht en bemind.
+
+Om de kroon op zijn weldaad te zetten, stelde de Prins Pieter een
+som gelds ter hand, waarvoor hij het werkvolk van de werf kon
+trakteeren. Denzelfden dag vertrok hij naar _Goes_. Dien avond
+vierde men op de werf feest. Maar wie er vergeten werd--niet Prins
+Willem Hendrik van _Oranje_, op wien menige dronk werd uitgebracht;
+terwijl allen het daarin eens waren, dat Zijne Hoogheid een waardige
+afstammeling was van het doorluchtig stamhuis, waaruit hij was
+gesproten.
+
+Wij zagen reeds, hoe men hier in _Holland_ over het uitstapje van den
+Prins oordeelde;--wat de Raadpensionaris er van zeide, meldt ons de
+historie niet. Intusschen liet de stad _Amsterdam_ in het volgende
+jaar eenige geneigdheid blijken, om den Prins zitting te geven in den
+Raad van State; zelfs ondersteunde burgemeester Koenraad van Beuningen
+deze bevordering met alle macht; want in de hoofdstad had zich een
+partij gevormd, die begon te begrijpen, dat de steden _Leiden_,
+_Dordrecht_ en _Rotterdam_, door De Witt gesteund, zich te veel in
+'s Lands vergadering aanmatigden. _Amsterdam_ toch, dat de helft
+in de belastingen betaalde, kon en wilde dat overwicht niet langer
+dulden. Toch duurde het nog twee jaren, eer de Prins zitting nam in
+den Raad van State. De Staten van _Holland_ echter schonken hem nog
+in 1669 de vrije jacht in den omtrek van het huis te _Hondsholredijk_.
+
+En nu, mijne lezeressen en lezers, hoop ik dat gij uit mijn boekje
+zult hebben geleerd twee personen achting toe te dragen om hunne
+buitengewone hoedanigheden, twee personen, die ten allen tijde de
+achting zullen verdienen van allen die wèl denken:
+
+Prins Willem III en den Raadpensionaris Johan de Witt.
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Dat op het ijs en dat op de werf.
+
+[2] Zie Adolf en Clara, dertiende Hoofdstuk.
+
+[3] Op lateren leeftijd vraagde hem een zijner veldheeren naar zijne
+plannen. "Kunt gij zwijgen, mijn vriend?" vraagde de Prins.--"Als
+het graf, Uwe Hoogheid!" antwoordde de andere.--"Ik ook," hernam de
+Prins en vertelde hem niets.
+
+[4] Jaarlijks is een der Hoogleeraren aan de Universiteit President
+van het collegie der professoren en draagt dan den naam van Rector
+Magnificus.
+
+[5] Zie "Zeeman tegen wil en dank."
+
+[6] Dat waren de hotels, waarin de afgevaardigden van deze steden
+logeerden. Beiden stonden op het _Plein_ te 's-_Gravenhage_. Het eerste
+is later tot vorstelijk paleis ingericht en thans de bewaarplaats van
+'s Rijks archief; het andere het ministerie van Oorlog.
+
+[7] Zie "De Zeeman tegen wil en dank." 6e druk, blz. 177.
+
+[8] Voor De With werd later door de Staten te _Rotterdam_ en voor
+Floriszoon te _Hoorn_ een praalgraf opgericht.
+
+[9] Zie "De Zeeman tegen wil en dank." 6e druk. Blz. 22.
+
+[10] Zie "De Zeeman tegen wil en dank." 6e druk. Blz. 22.
+
+[11] Aan denzelfden weg, maar verder op, had ook Jacob Cats zijne
+buitenplaats _Zorgvliet_, door hem zelf aangelegd.
+
+[12] Gij herinnert u, dat men vroeger in 's-_Gravenhage_ twee
+kermissen had: de Hofkermis in Mei en de Banus- of Haagsche kermis
+in September. Zie "De Weezen van Vlissingen." 6e druk. Blz. 65.
+
+[13] Tegenwoordig de _Gevangenpoort_ geheeten. In mijn volgend werkje
+(het Huisgezin van den Raadpensionaris) kunt gij daarmede nader
+kennis maken.
+
+[14] Zie "De zeeman tegen wil en dank." 6e druk. Bl. 91.
+
+[15] Later met den Prins gehuwd.
+
+[16] Zeker Fransch reiziger, die des winters 's-_Gravenhage_ bezocht,
+schreef dan ook in zijn reisverhaal: "_La Haye_ est située sur un
+grand lac." De plaats, waar vroeger het veldijs lag, is nu bebouwd
+met huizen, straten en pleinen.
+
+[17] Je maintiendrai. Ik zal handhaven (volhouden).
+
+[18] Op de dorpen, vooral in _Overijsel_ en _Drente_, heerscht
+die gewoonte nog altijd. Echter is het hier wel eenigermate te
+vergoêlijken, omdat tal van vrienden en bloedverwanten uit naburige
+dorpen, soms van ver verwijderde, ter begrafenis komen. Deze moeten
+toch eten en drinken.
+
+[19] Zie "De weezen van _Vlissingen_", 6e druk, blz. 146.
+
+[20] Deze klerk heette Jan van Meesen; hij verried de geheimen aan
+'s Graven rentmeester Dirk van Ruyven. Door voorspraak van Johan de
+Witt werden zij slechts gebannen: Van Meesen voor zijn leven en Van
+Ruyven voor 10 jaren.
+
+[21] De beide andere kinderen van Willem Frederik waren Amalia,
+later gehuwd met Johan Wilhelm van Saksen-Eisenach, en Sophia Hedwig,
+in hare kindsheid gestorven.
+
+[22] Koeriers.
+
+[23] Zie "De weezen van _Vlissingen_", 6e druk. Blz. 5.
+
+[24] Later onder den naam van Jacobus II koning van _Engeland_
+geworden.
+
+[25] Gij weet immers, dat er, behalve de vier hoofdwindstreken Noord,
+Oost, Zuid en West, nog acht-en-twintig tusschenstreken op het kompas
+zijn; dus twee-en-dertig in het geheel.
+
+[26] In 1665 was die voor de _Hofbuurt_ 10 Cts. per week.
+
+[27] Nog in mijn tijd--ofschoon de buurtvereenigingen hadden
+opgehouden--had het begraven door de bewoners der buurt plaats. De
+buurtknecht ging met de penningen rond bij hen, die volgens den
+rooster (lijst) volgden. Wie niet kon of wilde dragen, betaalde een
+daalder boete voor de buurt; in het tegenovergesteld geval nam hij
+den penning aan, volbracht zijn buurtplicht en kreeg het draaggeld,
+dat soms wel f 7 bedroeg; meestal echter minder. De buurtknecht kreeg
+van den drager een fooi, en ook fooien met Kermis en Nieuwjaar. Voor
+de laatste gaf hij een almanak.
+
+[28] Zie "De weezen van Vlissingen" 6e druk, blz. 68.
+
+[29] De Prins was een aartsliefhebber van oesters.
+
+[30] Voor dezen maaltijd had de heer Pauw; President van den Hoogen
+Raad, een bassijn (fruitschaal) met druiven voor Zijne Hoogheid
+gezonden.
+
+[31] Plaatsvervanger.
+
+[32] De Luitenant-Admiraal was den 18den November in _Den Haag_
+gekomen, ten einde aan de Staten-generaal verslag te doen van zijne
+expeditie. De Witt, de geruchten dat hij met den zeeheld in onmin was,
+willende tegenspreken, noodigde hem aan zijn huis. Zoolang De Ruyter
+in _Den Haag_ bleef, logeerde hij bij hem.
+
+[33] Zie Bladz. 88.
+
+[34] Het Oude Hof, vroeger het paleis van koning Willem I en thans
+dat van onze tegenwoordige koningin, in het _Noordeinde_.
+
+[35] De Heer Buat was ritmeester van een regiment, dat in _Bergen op
+Zoom_ lag en slechts bestond uit een luitenant, een sergeant en een
+werf-officier, om in tijd van nood voltallig te worden gemaakt.
+
+[36] Leiding.
+
+[37] Grondregels of instellingen.
+
+[38] Hetgeen hier volgt, is grootendeels in de resolutiën van den
+2den tot den 15den April vervat. Ik neem ze hier maar bij elkander.
+
+[39] Krachtige.
+
+[40] Toen de Staten bezig waren over dit onderwerp, zeide een voornaam
+Lid van hunne Vergadering: "De geachte spreker meent te maken van den
+Prins een _kind van den Staat_. Maar ik vrees, dat het niet lang zal
+duren, of de Staat zal zijn een _kind van den Prins_."
+
+[41] Kanonnen.
+
+[42] Guillaume Blaeuw, 1571-1638.--J.H.
+
+[43] De volgende rekenkunstige opgaaf is van De Witt.
+
+[44] Tiendeelige breuken.
+
+[45] Blijft.
+
+[46] Vermoeden.
+
+[47] Bewijst.
+
+[48] In het oog te houden.
+
+[49] Lichamelijk bewijs.
+
+[50] Bevestigen.
+
+[51] Voorafgaande bewijzen.
+
+[52] Volgens mijn oordeel.
+
+[53] Toepassen.
+
+[54] Redenen.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PRINS EN JOHAN DE WITT ***
+
+***** This file should be named 20391-8.txt or 20391-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/0/3/9/20391/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.