summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/20665-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:24:51 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:24:51 -0700
commit0b9bdbb0bae0caa9a7c02170d47de011e8770911 (patch)
tree72bed589f1e8e760218a8a503a5243d28e1e3449 /20665-8.txt
initial commit of ebook 20665HEADmain
Diffstat (limited to '20665-8.txt')
-rw-r--r--20665-8.txt4576
1 files changed, 4576 insertions, 0 deletions
diff --git a/20665-8.txt b/20665-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..b8c7701
--- /dev/null
+++ b/20665-8.txt
@@ -0,0 +1,4576 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten, by
+Th. Molkenboer
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten
+
+Author: Th. Molkenboer
+
+Release Date: February 25, 2007 [EBook #20665]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE NEDERLANDSCHE NATIONALE ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ DE NEDERLANDSCHE
+ NATIONALE
+ KLEEDERDRACHTEN
+
+ DOOR
+
+ TH. MOLKENBOER
+
+
+ MET 81 AFBEELDINGEN NAAR
+ PHOTOGRAPHISCHE OPNAMEN
+
+ UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF AAN HET
+ DAMRAK 88 TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXVII
+
+
+
+
+
+
+
+VOORWOORD.
+
+
+Dit boekje bedoelt niets anders dan een kort overzicht te geven
+van de nationale Nederlandsche kleederdrachten die heden (1916) nog
+in de verschillende provinciën in werkelijkheid door de bevolking
+gedragen worden. De hierbij gevoegde plaatjes geven een afbeelding
+van de voornaamste dier drachten en de wijze waarop zij gedragen
+worden. De hier afgebeelde personen zijn geen aangekleede figuranten,
+maar de werkelijke en gewoonlijke dragers van hun costumes, zoodat deze
+afbeeldingen derhalve een volkomen indruk van de betreffende nationale
+kleedij geven. De bestaande realiteit af te beelden en te beschrijven,
+was mijn eenig doel, ik streefde naar een korte inventariseering van
+datgene wat er, thans in 1916, nog van die zoo bekende Hollandsche
+inheemsche drachten is over gebleven.
+
+Dit is dus een handboekje, waaruit zich landgenoot en vreemdeling
+op een makkelijke wijze eenige, zoo noodig gebleken, kennis van
+de wel zeer bekende, maar zoo weinig gekende nationale kleedij kan
+verschaffen. Uit den aard van dezen opzet volgt dat hier slechts die
+drachten besproken worden die heden (in 1916) nog werkelijk gedragen
+worden en dat van deze slechts een zeer korte beschrijving zonder meer
+gegeven wordt. Alle mededeelingen of bespiegelingen over de historische
+wording, blijven hier achterwege. Alleen is van dit plan afgeweken
+voor de provincie Friesland, waar de nationale drachten wel niet meer
+dagelijks door het volk gedragen worden, maar een zeer belangrijke
+rol spelen zoodra de Friezen zich als Friezen willen doen kennen,
+en deze kleedij dus nog bij herhaalde gelegenheden gedragen wordt,
+zoodat ook deze costumes hier moesten worden besproken en afgebeeld.
+
+
+
+De gegevens die in dit boekje zijn bijeengebracht, zijn door mij
+sinds 1912 verzameld. De eerste aanleiding tot deze studie gaf het
+Feest in Nationale kleederdrachten, dat op den 12 September 1913
+te Amsterdam, op mijn initiatief en onder mijn leiding gehouden
+werd. Op dat feest waren ongeveer zeshonderd personen in ongeveer
+honderd verschillende drachten bijeen. Toen ben ik begonnen de daar
+verzamelden te photographeeren, en ik heb de meeste van hen, later, in
+herhaalde rondreizen door Nederland in hun eigen woning, bezocht. Uit
+hun mond heb ik de verschillende gegevens en wetenswaardigheden omtrent
+alle onderdeden van hun costumes vernomen en opgeteekend. De meest
+uiteenloopende persoonlijkheden, van elken stand en rang, stonden mij
+bij mijn vragen om inlichtingen te woord. Waar ik echter mijn vragen
+niet naar mijn wensch of niet duidelijk, volledig of zakelijk genoeg
+door de dragers van die nationale drachten zelf beantwoord kreeg, daar
+vroeg ik belangstellenden om inlichtingen. En het viel mij daarbij
+op hoe velen in den lande, vooral in de provincie, en dat niet alleen
+onder den boerenstand, maar onder alle rangen en standen, nog zoo veel
+belangstelling in, en kennis van een of andere locale dracht bewaren.
+
+Hier was het een burgemeester, daar de gemeente-secretaris, weer
+elders een gewone boer of boerin, soms een heel eenvoudige winkelier,
+een schoolmeester of een naaister of mutsenmaakster, die mij te woord
+stond. En zij allen wisten zeer veel bijzonderheden van een of andren
+dracht te vertellen, die echter in het bestek van dit boekje niet
+alle kunnen worden opgenomen. Maar hun kennis pleitte voor de groote
+plaats die de nationale kleedij nog in veel streken van ons land in
+de volks-psyche inneemt.
+
+Aan allen, die mij bij het kostbare en tijdroovende verzamelen
+van deze gegevens hun bereidwillige medewerking verleenden, mijn
+bijzonderen dank.
+
+Alles wat ik vernam, kon hier echter niet worden meegedeeld. Dit
+boekje beoogt slechts een kort overzicht van heel de Nederlandsche
+volks-kleedij te geven. Mochten onnauwkeurigheden of storende
+onvolledigheden worden opgemerkt, dan houd ik mij voor verdere
+inlichtingen, voor photo's en beschrijvingen, van welken kant ze ook
+komen mogen, gaarne aanbevolen. Die nieuwe gegevens zullen het dan
+misschien mogelijk maken, later uitvoeriger dit hoogst belangrijke
+onderwerp meer volledig te behandelen. Vooral ook omdat de kennis van
+onze nationale kleederdrachten een heel nieuw veld van studie is, en
+niets in deze door mij, ten behoeve van dit werkje, uit litteratuur
+kon worden gecompileerd. Daar dit dus geheel uit eigen onderzoekingen
+is saamgesteld, hoop ik dat bij de beoordeeling van dit werk deze
+omstandigheden in aanmerking zullen genomen worden.
+
+
+
+Nog altijd hebben onze nationale kleederdrachten de bijzondere
+belangstelling van ons volk en van het buitenland, ofschoon die
+belangstelling zeer verschillend in soort is.
+
+Een deel van de bevolking onzer voornaamste centra van moderne
+beschaving, beschouwt die merkwaardige costumes niet anders dan
+als verachtelijke overblijfsels van een verouderde, achterlijke
+cultuur. Zij ergeren er zich aan, en meenen dat die blijken van
+boerschheid en onbeschaafdheid nu maar zoo spoedig mogelijk moeten
+verdwijnen, omdat zij landgenoot en vreemdeling niet anders dan het
+levende bewijs geven van de inertie van onzen volksgeest. Andere
+Nederlanders, die meer gevoel voor het eigendommelijke en
+pitoresque hebben, en nog iets eigens weten te waardeeren, en die,
+ondanks de alles verpletterende niveleeringswoede van wat men de
+hooggeroemde moderne beschaving noemt, nog eenige zelfbewustheid
+hebben overgehouden, zien in die nationale kleedij nog de laatste
+resten van onze eenmaal zoo groote en eigen Nederlandsche cultuur,
+en waarvan zij de laatste manifestatie in deze volks-drachten erkennen.
+
+Voor hen zijn die drachten dan ook een bewijs dat ons volk nog "_iets_"
+eigen Hollandsch heeft.
+
+Maar voor vele buitenlanders, die ons land vliegensvlug doorreisden,
+en niet anders dan naar oppervlakkige indrukken oordeelen, en dus niet
+het "_wezen_" van ons volk, noch van onze nationale kleederdrachten
+gezien hebben, zijn die costumes een middel geworden om heel ons
+volk belachelijk voor te stellen. Zij verbinden de idee van de
+Hollandschheid aan het logge uiterlijk van een grove, wijdgebroekte
+visscherskerel, die zij op zijn breede klompen over het asphalt
+onzer hoofdsteden zagen stappen, als één logge klos-klomp van
+levensdomheid. En veel Hollanders meenen "beschaafd" te zijn door
+die buitenlandsche miskenning uit domheid te billijken en na te volgen.
+
+Die verkeerde beoordeeling bij landgenoot en vreemdeling, vindt echter
+in hoofdzaak zijn grond in gebrek aan kennis van het wezen zoowel als
+van de verschillende vormen van onze nationale kleedij. Bovendien
+hebben de verkeerde afbeeldingen en beschrijvingen de waardeering
+nog meer geschaadt.
+
+En ... dat is tot op zekere hoogte de schuld van de Hollanders
+zelf. Zij hebben de afbeelding en de beschrijving van het nationale
+monument dat in hun inheemsche kleederdracht bestaat, voor het
+allergrootste deel aan buitenlanders overgelaten, die er niets
+anders dan het vreemde, het "rare", dikwijls slechts het belachelijke
+in zagen.
+
+Meer en beter kennis van het wezen, van de bedoeling en van den vorm
+van onze nationale kleederdrachten zal in het binnen- en buitenland
+niet alléén die costumes, maar ook heel Nederland ten goede komen. Die
+meerdere en betere kennis is meer dan noodzakelijk.
+
+In deze het mijne bij te dragen is het doel van dit handboekje, dat,
+het zij nog eens herhaald, geenszins aanspraak maakt op volledigheid,
+maar slechts met de mij hier ten dienste staande middelen een algemeen
+en kort overzicht over deze nationale drachten geven wil, maar met
+_juiste_ mededeelingen aan de hand van _echte_ en _ware_ afbeeldingen.
+
+Th. MOLKENBOER.
+
+Amsterdam, Juli 1916.
+
+
+
+
+
+
+I. INLEIDING.
+
+
+
+A. OVER KLEEDERDRACHTEN IN HET ALGEMEEN.
+
+
+Het moet als een door de anthropologie en de cultuurgeschiedenis
+bewezen waarheid gelden dat de redenen, waarom zich den mensch
+kleedt, niet gevonden moeten worden in climatologische of zedekundige
+gronden, maar in den _wil om zich te onderscheiden_. Versiering
+is de eerste grondgedachte van de primitieve menschelijke kleedij
+geweest, versiering van zijn eigen lijfelijke persoonlijkheid om
+zich van zijn mede-menschen te onderscheiden, versiering als middel
+om zijn eigen plaats onder de menschen in te nemen, als middel dus
+tot zelfbestaan. De koningsmantel is de uiterste consequentie van
+deze eenvoudige grondgedachte.
+
+Later, toen den mensch zich meer en meer van de natuurstaat verwijderde
+en de geheele aardbol ging bewonen, hebben zich de wisseling in
+temperatuur, de bodemgesteldheid en allerlei andere omstandigheden,
+die met de geologie en geographie in verband stonden, den aard van de
+kleeding in de verschillende landen bepaald. Rassen-eigenaardigheden,
+godsdienstige opvattingen en ten slotte nationale en politieke oorzaken
+hebben daarna invloed op den vorm, de kleur en het algemeen aspect van
+de kleeding gehad. En zoo ontstonden de nationale kleederdrachten,
+die in hun grondgedachte niet anders bedoelen dan de dragers reeds
+dadelijk, door hun kleeding, als uit dit of dat land afkomstig, als bij
+dit of dat volk behoorende, te doen kennen .... door _onderscheiding_.
+
+Opmerkelijk is daarbij, dat eenzelfde soort kleedingstuk in
+verschillende landen, in bijna gelijken vorm voorkomt, omdat het zijn
+reden in dezelfde climatologische of gebruiks-gronden vindt. Waar
+dan de hoofdvorm overal dezelfde is, zelfs de stof waaruit zoo'n
+kleedingstuk in de verschillende landen is gemaakt, dezelfde blijft,
+is de kleur en vooral de versiering voor ieder land of streek
+verschillend, zoodat het nationale, het eigene, het onderscheidende
+nog zeer duidelijk op den voorgrond treedt, ondanks de algeheele
+overeenkomst in het wezen en den vorm van zoo'n stuk kleedij.
+
+Als voorbeeld moge de veel gesmade, veel uitgelachen wijde broek van
+onze Volendammers gelden, welk oer-type van beenbekleeding voor mannen
+in bijna iedere Europeesche, West-Aziatische en Noord-Afrikaansche
+volksdracht--ja zelfs in de Chineesche--terug te vinden is. Toch zal
+in ieder land dit kleedingstuk, om de eigenaardige kleur of bijzondere
+versiering, zijn zeer eigen cachet hebben en den drager al dadelijk
+van zijn mede-menschen doen onderscheiden, hem als uit dit of dat
+land afkomstig doen kennen.
+
+En zoo is het met ieder onderdeel van de menschelijke kleedij, omdat
+ieder dezer deelen tot een paar hoofd-typen terug te voeren zouden
+zijn, die overal terug komen, alléén in ieder land op zeer kenmerkende,
+onderscheidende wijze vervormd en versierd.
+
+
+
+B. OVER NATIONALE KLEEDERDRACHTEN.
+
+
+Het eerste beginsel van de nationale drachten is dus de
+bewoners uit een zeker land van die, uit een ander gewest,
+te doen onderscheiden. Het is begrijpelijk, dat daarom het
+wezen van de nationale drachten ten nauwste samenhangt met het
+nationaliteits-gevoel. Sterker nog. Het vindt zelfs zijn oorsprong in
+gewestelijke concentratie, soms zelfs in den wil van een stad of dorp
+om zich geheel van de buitenwereld af te scheiden, te onderscheiden.
+
+Het wezen van een nationale kleedij is derhalve geheel tegenovergesteld
+aan het wezen van de mode. Want de mode vooronderstelt een
+internationale idee, of althans een idee waarin den wil zich als
+land of stad in zichzelf te onderscheiden, is opgeheven. De mode
+vooronderstelt een gelijkheid in nationaliteiten, steden en bewoners,
+en uit zich in gelijkvormigheid. De nationale kleedij bestreeft juist
+het tegenovergestelde, de zoo sterk mogelijke individualiseering van
+een land, een stad, zijn bewoners, waarvan zij de persoonlijkheid
+accentreert.
+
+In zoo verre is ook de idee van een nationale kleedij geheel
+tegenovergesteld aan die van het uniform. Want een uniform bedoeld
+een uiterlijke gelijkvormig making met de volkomen terzijde zetting
+van de persoonlijkheid. In zooverre is dus de idee van een uniform
+gelijk aan het wezen van de mode. Maar een uniform wordt gedragen
+op bevel, de mode volgt ieder individu uit eigen keuze.... als men
+'t tenminste zoo noemen mag.
+
+Maar bij de mode is althans nog sprake van persoonlijkheid, te meer
+ook daar ieder individu, naar eigen smaak, de mode veranderen kan,
+niet alléén voor zoover het zijn eigen kleeding betreft, maar ook
+zelfs op de kleeding van anderen invloed kan uitoefenen.
+
+In de nationale kleeding echter treedt de persoonlijkheids-idee van
+het volk--als volk--op, ze vormt er het wezen van, d.w.z. ze brengt de
+persoonlijkheids-idee van een gemeenschap tot uiting. En aangezien een
+gemeenschap niet spoedig nieuwe ideeën, nieuwe uitingsvormen aanneemt,
+is het logisch, dat het beginsel van de nationale kleederdrachten
+ten nauwste samenhangt met het begrip "_conservatisme_"--maar, in
+den goeden zin van dit woord.
+
+
+
+C. OVER DE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN EN DE VOORUITGAANDE BESCHAVING.
+
+
+Dát verwijten de zoogenaamde beschaafden de nationale kleederdrachten
+het meest, dat ze een kenteeken zouden zijn van achterlijkheid,
+van onbeschaafdheid en, deze twee vereenigd, van "boerschheid".
+
+Daar zou iets voor dit argument te zeggen zijn, als datgene, wat
+die nieuwlichters voor die oude drachten--die de resultante zijn
+van een eeuwenheugende cultuur--in de plaats zouden willen stellen,
+zooveel beter was dan die ouderwetsche kleedij. Maar dat is geenzins
+het geval. Zij, die deze oude drachten zouden willen doen verdwijnen,
+zouden er niets anders voor in de plaats willen, kunnen stellen, dan de
+zoogenaamde universeele mode. Behalve, dat dit de aesthetica niet ten
+goede zou komen, misschien echter eenigen grond in de gezondheidsleer
+zou kunnen vinden, zou die verandering psychologisch noch aan het
+geheel, noch aan het individu ten goede komen.
+
+Tenzij--maar dat is voorloopig nog niet mogelijk--in de plaats van
+die oude drachten een nieuwe kleedij gesteld kon worden, die in zijn
+vormen, kleuren, versieringen en veel-soortige beteekenis even algemeen
+waardevol is, als die oude kleedingswijze.
+
+Die nationale kleeding dus met opzet te willen doen verdwijnen, omdat
+ze zoogenaamd de uiting is van onbeschaafdheid, zou gelijk staan
+zich aan de volkspersoonlijkheid te vergrijpen. En in deze tijd van
+algemeene vernivelleering, van gebrek aan persoonlijkheids-gevoel,
+zou dat gelijk staan met de werkelijke cultuur aan te randen, door
+haar uiterlijk met geweld te willen vernietigen.
+
+De nationale kleederdrachten behooren tot de monumenten die ons het
+voorgeslacht liet, als een uiting van haar persoonlijkheids-gevoel,
+haar persoonlijkheids-wezen, haar eigen beschaving en idealen. En
+al deze monumenten, de oude kasteelen, kathedralen en huizen, de
+oude meubelen en ook die oude kleedij, moet men, als een deel van
+den geest van het verleden, hun eigen dood doen sterven. "Il faut
+laisser mourir les monuments."
+
+Het zou even zoo dwaas zijn die oude kleedij met geweld te willen
+verbieden, als ze, daar waar ze uit zich zelf verdwenen is, weer te
+willen doen herleven. En dit geldt voor alles wat ons het voorgeslacht
+liet. Slechts datgene waarin de algemeene waarheid leeft, blijft,
+en krijgt op zijn tijd zijn nieuwe kleed, kan zich, op zijn tijd,
+opnieuw verjongen en zich dan weer doen onderscheiden.
+
+De nationale kleederdrachten nu zijn een zeer bijzondere uiting van
+het persoonlijkheids-bewustzijn van een land, van een streek, van
+een stad. En zoolang dat bewustzijn in de bewoners van dat land leven
+blijft, zoolang blijft hun nationale, eigene kleeding bestaan. Zoodra
+zij zich echter inter-nationaal, of zonder zelfstandigheid gaan voelen,
+verdwijnt hun eigene kleeding.
+
+Als zoodanig ligt er dus wel eenige waarheid in het verwijt van
+die zoogenaamd beschaafden, dat in streken waar nog een nationale
+kleederdracht gevonden wordt, nog een zekere achterlijkheid
+bestaat. Maar dan moet dit aldus verstaan worden, dat onder
+achterlijkheid, persoonlijkheid verstaan wordt. Maar sinds wanneer
+is dan "persoonlijkheid" gelijk aan "achterlijkheid". Tenzij dat men
+in het vasthouden aan die van oudsher overgeleverde vorm-geving,
+aan dat persoonlijkheidsgevoel een star en dood vasthechten aan
+de uiterlijkheid ziet.--In dat geval is het werkelijk een gebrek
+aan vooruitgang, een achterlijkheid.--Maar .... zoo is het in
+werkelijkheid niet.
+
+
+
+Het is geenszins waar dat die oude kleedij slechts door domme boeren
+en onbeschaafde buitenlui gedragen wordt uit sleur, omdat ze niet
+beter weten. Moge dit voor den "stads-mensch" zoo schijnen, de
+waarheid is anders. Zeker in de streken en bij de "_boeren_" die de
+nationale dracht nog in zijn geheel naar het oude model dragen. Dit
+getuigt de wijze waarop en de gelegenheid waarbij die "_boeren_"
+hun oude kleeding dragen. Zij zien hun eigen ideaal in die bijzondere
+kleedij, die kleurige stoffen, linten, strikken, gouden sieraden en
+kantwerk. Voor hen is die kleedij werkelijk mooier en beter dan de
+"stadskleeding" of de mode. En dit bewijst niet de achterlijkheid
+van deze menschen, maar het pleit voor hun onbedorvenheid, voor de
+oprechtheid van hun gevoel en hun smaak. En zoo deze dan al niet van
+de meest verfijnde soort moge zijn, ze is in ieder geval _"echt"_.
+
+En zij worden in hun voorliefde volkomen in het gelijk gesteld door
+kunstenaars en aesthetici, die de typische schoonheid van de ware, nog
+intact gebleven oude drachten boven de gemiddelde moderne modekleedij
+zullen stellen, er het meerdere karakter, de grooter eigenheid van
+erkennen. Is die aanhankelijkheid aan het oude, die zoogenaamde
+achterlijkheid, niet heel wat beter dan over te gaan tot een slecht
+gedragen moderne kleedij, die in den regel voor de nationale dracht
+in de plaats wordt gesteld?
+
+Men kan dus niet zeggen dat het uit sleur is dat die nationale
+drachten nog gedragen worden ... of dat hun eigendommelijke schoonheid
+niet een nog levende schoonheid zou zijn, die door de dragers niet
+duidelijk als zoodanig zou worden gekend. Zelfs de "mode" heeft in die
+nationale costumes de eigene schoonheid weten te waardeeren, en veel
+motieven en kleur-combinaties zijn aan die drachten door de moderne
+vrouwenkleeding ontleend. Zelfs de kanten mutsjes, die men nog voor
+kort--door hun overdreven stijfgeplooidheid--nog zoo "grootmoederlijk"
+vond, vinden thans bij de moderne dameskapsels navolging.
+
+Zoodat per slot het boersche en het onbeschaafde niet ligt bij die
+nationale drachten, maar in de onkunde die er omtrent hen heerscht,
+en bij de "moderne modes" die alle goeden smaak bederven, en er
+eerder over gedacht zou moeten worden tot de oude volkskleedij terug
+te keeren dan ze af te schaffen. Althans als er sprake zou zijn van
+"cultuur" en ware goede "smaak" en, indien "terug-gaan" als zoodanig
+ooit te verdedigen zou zijn.
+
+Intusschen is noch het een, noch het ander het ware. De tijd zal in
+deze ook op het gebied der kleedij een nieuw persoonlijkheids-idee
+doen ontstaan, die bij de oude nationale drachten zoo levend en zoo
+kenbaar was, en die in de moderne costumeering slechts bij zeer hooge
+uitzondering tot uiting komt en bereikt wordt.
+
+En, persoonlijkheid, ook in kleeding, is toch immers slechts het
+eenige kenmerk van ware cultuur--dat is, van een van binnen-uit
+gekomen zelf-ontwikkeling, zelf-opheffing, zelf-verbetering.
+
+
+
+
+
+II. DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN.
+
+
+
+A. ALGEMEEN OVERZICHT.
+
+
+Thans, in 1916--en reeds in 1912 op het feest in Nationale
+kleederdrachten te Amsterdam, moet geconstateerd worden dat van de
+Nederlandsche-eigen-volks-kleedij niet veel meer over is, en dat wat
+er nog is, zienderoogen en jammerlijk verandert en verdwijnt.
+
+En het gaat met dat verdwijnen ieder jaar sneller.
+
+Op zichzelf zou men hier niet over moeten treuren, omdat met het
+verdwijnen van dat, wat afgedaan heeft, de plaats vrij wordt voor nieuw
+leven. Maar erger is het dat vele drachten zoo deerlijk veranderd
+worden, zoo "verknoeid worden" moet men zeggen, door toevoegsels of
+veranderingen die enkele dragers (maar vooral draagsters) aan deze
+kleedij aanbrengen.
+
+Dat veranderen heeft er meer toe bijgedragen dat algemeen wanbegrip dat
+onder het groote publiek over die costumes heerscht te doen ontstaan,
+dan de werkelijke costumes zelf. Aan het origineel erkent men tenminste
+het ware, al vindt men het niet mooi. De eigen-gereide verandering
+wordt in den regel echter slechts lachwekkend. Ik denk hier aan de
+bekende capotte-hoedjes--een overblijfsel van de Fransche-Dames-Modes
+van omstreeks 1880--die in het Nederlandsche nationale costume zijn
+overgegaan, onder den naam van "de kiep" (West-Friesland). Deze
+"kiep" wordt over de boeren-muts gedragen, met banden onder de kin
+vastgeknoopt, en is een toonbeeld van verregaande onredelijkheid
+en smakeloosheid. Zoo'n toevoegsel maakt het geheele costume en de
+draagster zelf werkelijk belachelijk.
+
+Dergelijke veranderingen maakten het nationale costume
+bespottelijk. Maar andere wijzigingen kwamen de moderne smaak meer
+in het gevlei, ofschoon ze evenzeer tegen het wezen van de nationale
+dracht streden.
+
+Zoo dragen de Zeeuwsche vrouwen op Walcheren sinds eenige jaren
+een corset, en maken zij hun vele rokken niet meer van zoo dikke
+wollen stoffen. Het gevolg is dat er veel meer teekening in hun
+figuur kwam, en bijna eenzelfde lijn als de moderne dames-costumes
+werd verkregen. Voeg daarbij dat de van nature zoo wel gebouwde
+Walcherensche vrouwen al reeds uit zichzelf een meer "moderne"
+verschijning hebben dan bijvoorbeeld de Marker vrouwen, dan begrijpt
+men hoe op Walcheren de nationale dracht voor de vrouwen zoolang
+en zoo algemeen "mode" kon blijven. Ze flatteerde in hooge mate, ze
+kwam de lijn van het moderne vrouwen-costume nabij, en ze bleef toch
+schijnbaar nationaal zonder dit echter in werkelijkheid geheel te zijn.
+
+Ziedaar een voorbeeld van verandering, die althans niet aesthetisch
+storend werkt en daarom het uiterlijk van het nationaal costume als
+zoodanig niet geheel ten nadeele komt.
+
+
+
+Maar behalve de veranderingen die iedere draagster, naar eigen smaak,
+aan haar eigen dracht aanbrengt, zijn er andere factoren die op het
+verdwijnen van de nationale costumes van grooten invloed zijn.
+
+Want .... ze verdwijnen langzaam maar zeker--al die bonte, typische,
+nationale Nederlandsche-volks-eigen drachten, met zoo eigen schoonheid
+en charme. De groote en uitgebreide correspondentie, die ik sinds
+1912 met belangstellenden over dit onderwerp voer, bewijst dit.
+
+Gemeentelijke autoriteiten zoowel als privé-personen, uit alle
+deelen van ons land, zij allen zijn het er over eens dat die drachten
+zienderoogen verminderen. En--komt men ter plaatse zelf--dan zullen
+het u alle oude vrouwtjes verhalen hoe in hun jeugd allen minstens nog
+mutsen droegen, terwijl thans (1916) de jeugd, in diezelfde streken,
+geen enkel spoor van nationale dracht meer in haar kleeding toont.
+
+De ouderen herinneren zich, dat in hun jeugd bijna allen in nationale
+kleedij gingen, althans met de muts en de rest van de kleeding was
+dan althans van ouderwetsche stof, snit en kleur.
+
+De menschen van middelbaren leeftijd van thans (1916) tooien zich nu
+en dan nog met de muts en het oorijzer of de gouden sieraden, die
+van de ouders zijn geërfd, en dan nog alléén uit piëteit voor hun
+voorzaten. Maar de jeugd van dezen tijd (1916) is volkomen "modern."
+
+Dit geldt voor het allergrootste deel van Nederland, en in de
+allereerste plaats de groote steden en hun omgeving, zelfs in streken
+als Zeeland, op Marken, Urk en in andere plaatsen, waar de dracht nog
+vrij algemeen is, vindt men al huisgezinnen, waar slechts een deel
+van de kinderen in nationaal costuum gaan, de anderen "bekeerd" zijn,
+zooals ik eens een jong meisje van 13 jaar, (in Huizen) die "modern"
+droeg, hoorde zeggen.
+
+De moderne jeugd is zoogenaamd "te verstandig", en na dit geslacht zal
+in het volgende wellicht alle herinnering aan de nationale kleedij
+in Nederland verloren zijn, met uitzondering van een paar streken,
+waar thans nog de oude dracht algemeen en in zijn geheel gedragen
+wordt. Maar die streken worden hoe langer hoe kleiner. Want een andere
+oorzaak van het veranderen, en daardoor verdwijnen van de nationale
+kleedij, is de kostbaarheid van die dracht. En ook vereischen de meeste
+van die costumes zeer veel kennis om ze te vervaardigen, ze zijn lastig
+in het dragen, en kostbaar in onderhoud, vooral de kanten mutsen en
+kappen, die meestal door speciale strijksters moeten behandeld worden.
+
+Ook dit zijn ongemakken, die de moderne jeugd gaarne ontgaan wil,
+vooral omdat de nieuwerwetsche kleeding zooveel eenvoudiger en
+losser in het dragen is en geheel gereed in winkels kan worden
+gekocht. Maar daar staat tegenover, dat vele van die oude drachten
+zoozeer flatteeren. En .... welke vrouw zou dat niet zien .... en
+waardeeren, en haar veel moeiten doen vergeten. Zoo die ijdelheid
+dan--voor zoover de vrouwencostumes betreft--voor een deel oorzaak
+zou kunnen zijn, dat enkele van die oude drachten langer zouden kunnen
+blijven voortbestaan, niet aldus met de mannendracht. Daar geeft het
+practische den doorslag, ofschoon hier en daar nog een klein gevoel
+voor de geboorteplaats en een koppig vasthouden aan oude gebruiken tot
+de instandhouding van de plaatselijke dracht zal blijven medewerken.
+
+Over het algemeen moet echter vastgesteld worden, dat de nationale
+Nederlandsche kleedij langzaam maar zeker verdwijnt, en dat vooral
+dit nu levende geslacht (1870-1920), de grootste veranderingen op
+dit gebied mee maakt.
+
+
+
+B. WAAR WORDEN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN GEDRAGEN?
+
+
+In ieder van de elf Nederlandsche provinciën wordt de nationale dracht
+op zeer verschillende wijze in stand gehouden.
+
+In enkele streken komt ze thans (1916) nog veelvuldig voor en wordt
+ze in haar geheel, in onder- en bovenkleeding, zoowel door de mannen
+als de vrouwen en de kinderen in eere gehouden.
+
+In andere gedeelten van ons land, en dat is wel het grootste
+deel, vindt men er nog slechts de gedeeltelijke overblijfselen
+van. Die gedeeltelijke dracht bepaalt zich dan hoofdzakelijk tot de
+vrouwen-kleeding, waarbij alleen de kap en het oorijzer en eenige
+bijzondere gouden en bloedkoralen lijfsieraden behouden bleven.
+
+Het verdere gedeelte van de kleeding dier vrouwen is dan een soort
+stadsdracht, waarin zekere vormen en versieringswijzen van de oude
+drachten zijn overgebleven, maar in heel andere stoffen, heel andere
+(meestal effen) kleuren zijn uitgevoerd, een en ander vervormd door den
+invloed van modedrachten van bijna een generatie terug. Dit "halve"
+nationale kleed heeft dus in ieder geval een bijzonder cachet, maar
+zij is de bij uitstek smakelooze, boersche en onbeschaafde en is de
+ergste vijand van de volledige nationale dracht geworden, omdat ze
+zoo voor ieder in het oog vallend dualistisch verkeerd, daardoor zoo
+leelijk en daarom zoo belachelijk is.
+
+En in het overige deel van Nederland zijn zelfs alle sporen van de
+ouderwetsche dracht verloren gegaan. Dit is vooral zoo in de groote
+steden en centra van industrie, en dan voornamelijk onder de bevolking
+die van deze industrie leeft. De boeren hebben in die streken soms
+nog hun eigen dracht--geheel of gedeeltelijk--behouden.
+
+Een merkwaardig voorbeeld van dien verderfelijken invloed van de
+industrie op onze nationale kleederdrachten ziet men in Vlissingen,
+dat geheel gemoderniseerd is, terwijl op het overige gedeelte van
+het onvolprezen schoone Walcheren, tot zelfs onder de poorten van
+Vlissingen zelf, de inheemsche dracht in zoo bijzondere eer wordt
+gehouden.
+
+
+
+Zoo men de streken waar de nationale kleedij veel, minder of in 't
+geheel niet meer gedragen wordt, op de kaart van Nederland aanteekent,
+dan zal het opvallen, hoe de volledige kleedij alléén nog maar voorkomt
+in twee scherp afgescheiden centra (zie bl. 1).
+
+Het eene omvat Zeeland, en dan nog hoofdzakelijk alleen de eilanden
+Walcheren en Zuid-Beveland, en een deel van Staats-Vlaanderen.
+
+Het andere strekt zich uit langs de kust van de Zuiderzee, van
+Staphorst (in Overijsel) in het Noorden, tot Huizen (in Noord-Holland)
+in het Zuiden. De eilanden Urk, Marken en Volendam (dat zoo goed als
+een eiland op het land is) moet men ook tot dat centrum rekenen.
+
+Buiten deze twee zich zeer duidelijk afteekenende streken, wordt het
+nationale costuum in Nederland nergens meer compleet gedragen. In alle
+andere streken komt het gedeeltelijk voor, zelfs in de dorpen langs
+de Noordzee, waar voor Scheveningen, wat de vrouwenkleeding betreft,
+een soort uitzondering gemaakt zou kunnen worden.
+
+
+
+De streken, waar de nationale dracht gedeeltelijk voorkomt, strekken
+zich om deze centra uit, ook in de groote steden zijn de drachten zoo
+goed als geheel verdwenen, zoo men tenminste niet de zeer enkele oudere
+vrouw die nog alleen een eenvoudige muts (de gewone Hollandsche hulle)
+draagt, of enkele weezen-costumes mee wil rekenen.
+
+In het algemeen kan men echter zeggen dat dit gedeeltelijk costume
+in het grootste (westelijke) deel van de Provincie Friesland nog
+gedragen wordt, op enkele van de Noordzee eilanden, in Noord-Holland
+(in hoofdzaak West-Friesland), op het platteland in Zuid-Holland en
+Utrecht, de noordelijke Zeeuwsche eilanden, langs der Gelderschen
+IJsel in den achterhoek van Gelderland, in het land tusschen Maas
+en Waal en in het noordelijk en westelijk deel van Noord-Brabant. In
+Groningen, een groot deel van Drenthe en Overijsel, in zuid-oostelijk
+Noord-Brabant en in Limburg is echter de dracht geheel verdwenen,
+bijna ieder spoor is er van uitgewischt.
+
+
+
+De overgangs-periode van heele op gedeeltelijke dracht, die het
+geslacht dat thans (1916) ongeveer vijftig jaar is, heeft meegemaakt,
+wordt door de jeugd uit dezen tijd (1916) overgeslagen. Zelfs in
+centra waar de drachten om veel redenen nog in zeer groote eere
+zijn, beginnen enkele jongeren direct met algeheelen afstand van
+het nationale costume te doen en kleeden zich, niet alleen "op zijn
+stadsch" maar zelfs naar de laatste buitenlandsche mode, nu deze
+nieuwere vormen en opvattingen zooveel spoediger tot de landelijke
+bevolking doordringen dan dit een geslacht geleden gebeurde.
+
+En, waar deze volledige verandering van costumeering, zoo zonder
+overgangsproces, plaats grijpt, is het begrijpelijk dat voor de
+nationale drachten het grootste gevaar dreigt om in betrekkelijk zeer
+korten tijd volkomen te verdwijnen.
+
+
+
+C. OVER DEN INVLOED VAN DEN GODSDIENST, RAS, RANG, STAND EN BEROEP
+OP DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN.
+
+
+De invloed van den godsdienst op de nationale drachten is een zeer
+bijzondere. Niet alleen dat de vorm van het costume ook zelfs naar
+den godsdienst verschillend wordt, zooals dit zeer sterk is op
+Zuid-Beveland, maar het blijkt dat de godsdienst ook van invloed
+is op het behoud onzer nationale drachten. Over het algemeen heb ik
+opgemerkt dat in meer orthodoxe streken--zoowel protestantsche als
+roomsch-katholieke--de drachten langer bewaard blijven dan in minder
+godsdienstige, zoodat dus de godsdienstige factor als eene ten goede
+voor de drachten moet worden aangemerkt.
+
+De invloed van het Ras laat zich ook in den vorm van de costumes
+nawijzen zooals ik dat reeds hier en daar in dezen text doe. Hierover
+hebben ook Dr. Jos. Schrijnen, in zijn hoogst belangrijk boek over
+"Nederlandsche volkskunde", Prof. J. H. Gallee in zijn werk over
+"Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners", en Prof. L. Bolk
+in zijn verhandeling over "De bevolking van Nederland in haar
+anthropologische samenstelling", hun zienswijzen en de resultaten
+van hun studiën neergelegd.
+
+De rang en stand in de maatschappij heeft in zooverre ook haar invloed
+op de nationale drachten doen gelden, dat de costumeering rijker en
+fraaier werd, naarmate de drager in betere sociale omstandigheden
+verkeerde. Op den vorm van de dracht had dit slechts weinig invloed,
+men was niet gewend bijzondere kenteekenen, om de standen te
+onderscheiden, te dragen.
+
+Om deze redenen zijn dus onze nederlandsche nationale drachten echte
+_volks-drachten_.
+
+Anders is dit met de gelegenheids-kleedij. Niet alleen dat de
+vorm en de kleur van de kleeding der kinderen dikwijls van de
+dracht van de volwassenen onderscheiden is, maar voornamelijk
+wordt het onderscheid groot tusschen daagsche, feestelijke of
+rouw-kleedij. Dit is bij al onze nationale drachten min of meer het
+geval, maar--begrijpelijkerwijze--daar het sterkst, waar de drachten
+nog volledig door mannen en vrouwen gedragen worden, omdat ook de
+oude zeden, met die oude drachten, behouden bleven.
+
+De invloed van die zeden en gebruiken, doet zich dan zeer sterk op
+de kleeding gelden, en komt in de verscheidenheid van die kleedij
+bij vele gelegenheden tot uiting.
+
+Opmerkelijk is daarbij vooral de bijzondere fraaiheid en
+ingewikkeldheid van de trouw-costumes, en--hoe zou het anders
+kunnen--vooral van deze gelegenheids-kleeding van de vrouwen.
+
+Overal wordt bij de costumeering van "_de bruid_" een zeer bijzondere
+prachtlievendheid, zoowel in kleur als in bewerking van het costume,
+ten toon gespreid.
+
+Maar ook het verschil in beroep bracht verschil in kleedij, zonder
+dat er echter van een consequent doorgevoerde beroeps-kleeding kan
+gesproken worden.
+
+Zoo is er, bijvoorbeeld op Scheveningen, verschil in de kleeding
+tusschen de visschers en de dorps-bewoners (die andere bezigheden
+hebben). Maar over het algemeen is de afwijking van het algemeene
+type der locale kleeding tengevolge van beroep of stand niet zeer
+groot. De grootste variatie wordt veroorzaakt door de _gelegenheid_
+waarbij het costuum gedragen wordt.
+
+
+
+Ten slotte zou nog een afzonderlijk hoofdstuk te wijden zijn aan
+de _weezen-costumes_. Ofschoon deze, als uniformen, niet tot de
+eigenlijke nationale kleedij gerekend kunnen worden, staat daar
+tegenover, dat het wezen en de vorm van vele dezer drachten toch
+zoo nauw bij de eigenlijke volksdrachten aansluiten, er zoo zeer uit
+voortkomen en er zich zoodanig mee hebben vermengd, dat deze meestal
+toch ook ouderwetsche costumeeringen hier noodzakelijk in het kort
+besproken moeten worden.
+
+Enkele van deze costumes zijn hier in dit boekje afgebeeld en
+beschreven, om toch vooral ook niet deze zoo typeerende kleedij te
+vergeten, die door een groot deel van het publiek zoo goed gekend
+wordt, en die, naast de werkelijke nationale drachten, toch ook veel
+aardigs en eigens aan de lokale kleur van enkele Hollandsche steden
+hebben bijgezet. De mooie Amsterdamsche burgerweesjes, die uit Haarlem,
+uit Leeuwarden en zoovele andere steden, mochten in dit _bestek ook
+niet vergeten_ worden.
+
+
+
+D. OVER DE BETEEKENIS VAN ONZE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN
+UIT EEN ETHISCH EN AESTHETISCH OOGPUNT.
+
+
+Het ware zeer verkeerd onze nationale volks-kleederdrachten de maatstaf
+van een hooger schoonheidsbeginsel aan te leggen. Zij behooren, als
+een van de vele monumenten van oude geschiedenis en kunst, geheel
+gelijk gesteld te worden met de kleinkunst, de gebruikskunst, die
+uit het volk, uit zijn aard, zeden en gewoonten voortkwam, zonder in
+wezenlijk of direct verband met de hoogste intellectueele waarde en
+geestelijke idealen van dat (ons) volk te staan.
+
+En omdat ons Nederlandsche volk zich in haar kunstuitingen,
+zelfs in die van haar beste perioden, steeds meer een volk van
+particulariseerend gevoel dan van veralgemeenende verstandelijkheid
+heeft betoond, moet het ook niet verwonderen dat haar volks-kunst,
+waaronder onze nationale kleederdrachten te rekenen zijn, nooit
+belangrijker wordt dan wat met wat goede maar boertige smaak, veel
+werk-kracht en een vroolijke maar oppervlakkige levensbeschouwing
+bereikt kon worden.
+
+Verheffend schoon zijn daarom onze nationale kleederdrachten niet,
+maar ze zijn levensvol, soms rijk, soms fijn, maar over 't algemeen
+meer aardig, merkwaardig en typeerend dan inspireerend. Zij behooren,
+gelijk zoovele opmerkelijke maar anders geen hoogere princiepen
+uitdrukkende meubelkunst en klein-architecteur, tot dat zelfde soort
+monumenten van onze groote voorgeschiedenis gerekend te worden,
+waarvan de overblijfselen nog voor een deel in enkele streken
+van ons land te vinden zijn is in oude buurtjes en grachtjes,
+huisjes en hoekjes. Als zoodanig hebben zij dus in het werkelijke
+hedendaagsche leven van ons volk geen beteekenis meer dan die van
+"curieuse bezienswaardigheid". Slechts in die gedeelten van ons land
+waar nog oude of ouderwetsche zeden en gewoonten heerschen, hebben
+en behouden zij echter alleszins hun reden van bestaan, en .... zijn
+zij nog de dragers van het levende volks-ideaal.
+
+De schoonste van deze drachten zijn voornamelijk die welke door den
+Frieschen stam gedragen worden, te weten de costumes in Friesland,
+Urk, Volendam en in Zeeland. Bij deze alle moet een verfijning van
+vorm en kleurenkeus geconstateerd worden, die op iets hoogers dan het
+gemiddelde volks-ideaal wijst, die meer geestelijke ontwikkeling en
+aspiraties verraadt. Ook de meerdere voortreffelijkheid en schoonheid
+van dit ras boven de andere bewoners van Nederland verklaart de
+meerdere belangrijkheid en grooter schoonheid van deze drachten boven
+de andere.
+
+Behalve de aristocratische allure die vooral het Friesche costume
+haar draagsters geeft, het bijzonder groot-burgerlijke van de
+Hindelooperdracht, de levens-volheid en natuurkracht, waarvan de
+Urker en Volendammer kleedij getuigt, wordt in deze het toppunt
+van evenwichtigheid bereikt in het Zeeuwsche costume, dat meer
+natuurlijk dan zoovele andere drachten (bijv. Marken, Staphorst
+enz.) alle voordeelen van de eigenheid van het volk, van het ras,
+op zijn best en het schoonst tot uiting brengt en als onderstreept.
+
+In de Zeeuwsche drachten (vooral die van Zuid-Beveland en van
+Walcheren) komt den wil zich van anderen te onderscheiden, hoogere,
+meer intellectueele idealen uit te drukken, dieper levenskijk te hebben
+zoo volmaakt en zoo harmonieus tot zijn recht in een even smaakvolle
+als stijlvolle kleedij, die als geïnspireerd en gecomponeerd schijnt op
+de bijzondere lichamelijke schoonheid van dit zeeuwsch-friesche ras,
+dat ongetwijfeld het schoonste, en naar den bouw van het lichaam het
+meest algemeen-menschelijk-normale deel van het nederlandsche volk is.
+
+Werkt den aanblik van het Nederlandsche nationale costume dan niet
+altijd verheffend, is het in zich zelf niet altijd even hygiënisch,
+lijkt het soms meer vreemd en gezocht dan origineel, soms meer bont
+dan kleur-rijk, soms meer merkwaardig dan mooi, het geeft in zijn
+groote verscheidenheid een zeer juisten blik op de Nederlandsche
+volkspsyche. De klein-burgerlijkheid, die een hoofdkenmerk van ons
+volk is, en die dikwijls tot boerschheid wordt, komt in enkele van
+die drachten ten zeerste uit, zooals die van Marken, Gelderland en
+Noord-Brabant. Aan den anderen kant echter zijn er elementen in die
+volks-kleedij, die zich bijna boven de groot-burgerlijkheid tot een
+soort regenten-aristocratie verheffen, zooals de provinciale (oude)
+dracht in Friesland en Zeeland, waar door verfijnden smaak in kleuren
+en vormen iets hoogers bereikt wordt, al wordt die meer aesthetische
+werking van deze drachten dan voor een groot deel veroorzaakt door de
+grootere rasschoonheid van de dragers, en--speciaal van de draagsters.
+
+Wil men deze historische drachten, en wat er thans nog van over is,
+op deze wijze beschouwen, dan blijken ze even waardevol voor de kennis
+van de Nederlandsche volks-ziel als de oude meubelen, architectuur
+en het allergrootste deel van onze nationale schilderschool. Ze
+zullen altijd hun waarde aan hun oprechtheid en waarheidszin blijven
+ontleenen, zoowel aesthetisch als ethisch, ze zullen aldoor als een
+werkelijke afspiegeling van den geest en de idealen van ons volk
+moeten worden erkend.
+
+En .... staan zij in dat opzicht lager, of zijn zij minder belangrijke
+of minder "hooge" kunst dan al het andere, wat ons van het voorgeslacht
+bleef? Ik betwijfel het. De beste uitingen van onzen Nederlandschen
+volksaard, op het gebied van welke kunst van het verleden of van het
+heden men het dan ook neme, zijn en blijven, voorzoover het specifiek
+Hollandsche wat er aan is, toch immers niets anders dan uitingen van
+"_boeren, burgers en buitenlui_."
+
+En onze nationale kleederdrachten behooren werkelijk niet tot de
+minst-belangrijke van die uitingen van "_boeren-kunst"!_--
+
+
+
+E. LITTERATUUR OVER DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN.
+
+
+Alvorens tot een korte beschrijving van die nationale drachten, zooals
+zij thans (1916) zijn, over te gaan, moge hier een kort overzicht
+volgen van de publicaties die--voor dezen--over dit onderwerp zijn
+verschenen. Een blik op de goede, of goed bedoelde beschrijvingen
+en afbeeldingen van deze drachten, hoe zij waren en zijn, en tevens
+een woord over de slechte en niet goede afbeeldingen, kan hier hen,
+die omtrent dit onderwerp meer willen weten, een korte leiddraad geven.
+
+Want beide soort publicaties over onze zooveel bewonderde en tegelijk
+zoo zeer gesmade en belachelijk gemaakte nationale drachten, moge
+hier eenige critiek vinden.
+
+In 't algemeen mag gezegd, dat de goed-bedoelde, zoowel als de slechte
+beschrijvingen en afbeeldingen van deze costumes, ieder het hunne
+hebben bijgedragen om de kennis en waardeering in de war te brengen.
+
+Enkele goede, en meer wetenschappelijke, d. w. z. meer _juiste_
+beschrijvingen daargelaten, moet het meeste van wat over dit hoogst
+belangrijke maar uiterst omvangrijke onderwerp werd gepubliceerd,
+tot de romantische en lyrische proza en poëzie gerekend worden. Bijna
+steeds waren het slechts phantasieën die men gaf, prent-verbeeldingen,
+plaatjes, groepjes die wel het schilderachtige, het aardige, lieve
+en typeerende van het uiterlijke dezer drachten gaven, maar meer
+ook niet. Zoo is een van de eerste publicaties op dit gebied, de
+uitgave van J. le Francq van Berkhey uit 1773, meer bezingend dan
+beschrijvend. Behalve een zeer objectief boekje over Hindeloopen, dat
+in 1855 te Leeuwarden verscheen, zijn de publicaties van E. Maaskamp
+uit 1803 en de Karakter-schetsen, kleederdrachten, enz. in 1842
+door de Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten in Den Haag
+gepubliceerd, niet anders dan prentenboeken te noemen, waarbij den
+text meer lyrische ontboezemingen zijn, dan beschrijvingen.
+
+Zoo is het ook met de lithographische platen van Valentijn Bing en
+Braet von Ueberfeldt, in 1857 uitgegeven, ofschoon hier een paar
+prenten met goede détails aan zijn toegevoegd.
+
+De vele atlassen, die in de bibliotheek van het Rijks Museum, en in
+de verschillende oudheidkundige genootschappen bijeengebracht zijn,
+waaronder de verzameling van F. Muller (Amsterdam 1879) wel een
+van de voornaamste is, bevatten slechts losse platen, met geen of te
+weinig beschrijvenden text. De voorstellingen uit den tijd vóór dat de
+photographie in dienst van deze wetenschappelijke onderzoekingen werd
+gesteld, zijn allen te "artistiek", geven te kennelijk slechts den
+persoonlijken indruk van den lithograaph of teekenaar weer. De meeste
+van deze voorstellingen zijn dan ook geen objectieve afbeeldingen
+van bepaalde costumes, het zijn slechts "tafreelen": "een boer",
+"een dienstmeid", zonder verder te praeciseeren.
+
+De geschiedenis van de nationale kleederdrachten, die uit _dit_
+materiaal alléén zou moeten worden samengesteld, zou derhalve een
+zeer twijfelachtige wetenschappelijke waarde krijgen.
+
+Later begon men echter juister beschrijvingen van de nationale drachten
+te geven, toen ook de photographische afbeelding bespreking van dit
+onderwerp in verschillende tijdschriften toeliet.
+
+Een van de eersten die stelsel-matig in dezen te werk ging, was
+Mr. J. E. van Someren Brand. Reeds in 1893 verschenen opstellen
+van zijn hand over speciale détails van dit omvangrijke studie-vak,
+in Elseviers maandschrift. Bijzonder mooi geïllustreerde opstellen
+verschenen later in ditzelfde tijdschrift, in Buiten, en andere
+periodieken. Het meest complete en het meest als een wetenschappelijke
+verhandeling bedoelde werk, is echter de reeds hierboven genoemde
+standaard-uitgave van Professor J. H. Gallée, over "het Boerenhuis
+in Nederland en zijn bewoners."
+
+Een geheel zelfstandige serie platen en een opstel van Professor Gallée
+zelve, en een over de Anthropologische samenstelling van de bevolking
+van Nederland, van de hand van Prof. L. Bolk, is aan deze uitgave--die
+eigenlijk in hoofdzaak over de boerenwoningen gaat--toegevoegd.
+
+Hoe voortreffelijk dit werk echter ook moge zijn, moet toch betreurd,
+dat Professor Gallée waarschijnlijk niet over de noodige bladzijden
+voor text en illustratie kon beschikken, om niet alleen het uiterlijk
+aspect van enkele onzer nationale drachten af te beelden en tè
+globaal te beschrijven, maar om ook de onderkleeding te hebben kunnen
+behandelen. Bovendien missen deze prenten, die alle naar photographie
+genomen zijn, de kleur. En, die kleur is een zoo belangrijke factor
+in die kleurvolle en kleurige volks-kleedij, dat ze, zonder deze,
+niet in afbeeldingen in zwart te begrijpen is.
+
+Voor Zeeland publiceerden Dr. J. C. de Man en J. A. Frederiks in 1894
+een beschrijving van de Zeeuwsche drachten. Ook verscheen een plaat in
+kleuren waarop alle Zeeuwsche kleederdrachten, tot een schilderachtige
+groep vereenigd, staan afgebeeld. Deze plaat werd uitgegeven onder
+leiding van Mr. J. E. van Someren Brand, den bijeenbrenger van een
+hoogst belangrijke collectie costumepoppen. Ofschoon deze prent, naar
+omstandigheden, (lithographie in kleuren naar een kleurlooze photo)
+zeer belangrijk is, is ze niet voldoende. Het is ondertusschen
+te bejammeren, dat van de andere provincies niet dergelijke
+prent-verbeeldingen zijn gemaakt. Deze plaat werd uitgegeven door de
+Uitgevers Mij. Elsevier, in 1894.
+
+Een nog altijd niet geschreven standaardwerk over onze nationale
+kleederdrachten zal niet alléén de boven, maar ook de onderkleeren
+in al haar détails moeten beschrijven en afbeelden, niet alléén in
+zwart, maar ook (en vooral) in kleur. En niet alléén zal het "effect"
+dat deze drachten op den beschouwer maken, moeten worden weergegeven,
+maar vóór alles het wezen, de ware vorm, de constructie van die kleedij
+in schematische verbeeldingen moeten worden vastgelegd, ondersteund
+door photo's naar de dragers en draagsters zelf, opdat ook de wijze van
+dragen, de habitus der bevolking, hun uiterlijke ras-eigenaardigheden
+voor het nageslacht duidelijk bewaard mogen blijven.
+
+
+
+Tot zoover over de goed-bedoelde en goede publicaties over onze
+nationale drachten. Thans over de slechte, de verkeerde, zelfs
+de leugenachtige. En tot deze laatste moeten vooral de duizende
+prentbriefkaarten gerekend worden die in de laatste tien jaren,
+in den handel zijn gebracht. Behalve dat deze prentjes slechts
+"kiekjes", "plaatjes" te zien geven, zijn de gekleurde uitgaven, die
+in deze bestaan, meestal in het buitenland vervaardigd, en daardoor
+in den regel hopeloos verkeerd. Ze accentueeren het bonte, boersche,
+onbeschaafde, door foutieve op-kleuring nog meer, zoodat deze verkeerde
+series veel misverstand omtrent onze nationale kleedij in de wereld
+gebracht hebben.
+
+Maar niet minder zijn daar de vele reclameplaten schuld aan, en de
+wijze, waarop zich (vooral de Amerikaansche) reclame van een zoo
+dankbaar en "dutchy" (lees: mal) motief heeft meester gemaakt als de
+Hollandsche nationale drachten den niet begrijpenden boodt.
+
+Die verkeerde, en dikwijls opzettelijk verkeerdelijk aangedikte
+voorstellingen hebben onze nationale kleederdrachten in het oog van
+den buitenlander (en--terugwerkend, in het oog van vele Hollanders)
+een zeer slechten roep bezorgd. Zelfs ging een deel van deze verkeerde
+gedachten op Holland en de Hollanders over.
+
+Dit kon des te makkelijker, omdat de kennis van de algemeene
+aardrijkskunde, en speciaal van het kleine Nederland, in de groote
+landen (vooral Amerika, Engeland, Frankrijk) onder het "beschaafde
+publiek" niet bijzonder ontwikkeld is.
+
+Men is toen, in dat groote buitenland, die boerschheid, onbeschaafdheid
+en lachwekkende logheid, die men, door die verkeerde voorstellingen,
+gedwongen werd te zien, voor _den geest van Holland en zijn bewoners_
+gaan houden. En dit heeft een juist begrip omtrent en kennis van het
+ware Holland in de wereld niet bevorderd.
+
+En toch--dit alles had voor een deel vermeden kunnen worden, zoo er
+een goed standaardwerk over onze nationale kleederdrachten bestaan
+had. Maar tot nog toe hebben onze nationale kleederdrachten, ofschoon
+zij evenzeer een levende uiting van den geest der vaderen zijn, nog
+niet die aandacht der officieele en wetenschappelijke wereld tot zich
+getrokken, die zij om zooveel redenen werkelijk verdienden.
+
+
+
+Hier blijft thans nog de collectie aangekleede poppen te vermelden,
+die in de verschillende musea in den lande de herinnering aan die
+nationale drachten levendig zullen houden, als die drachten zelf
+dan niet meer door de bevolking zullen worden gedragen, en .... als
+die poppen en hun kleedij tegen dien tijd niet door de mot en andere
+oorzaken zullen zijn vergaan.
+
+Reeds in 1898 werd door Mr. J. E. van Someren Brand, toenmaals
+Directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, een verzameling van
+ongeveer honderd verschillende nationale costumes tezamen gebracht,
+die in hooge mate merkwaardig is. Deze belangrijke collectie, die tot
+September 1916 in het Rijks Museum te Amsterdam te zien was en waar
+zij, om zooveel redenen, op de _eenige_ haar _toekomende_ plaats was,
+is sinds dien, jammer genoeg, naar het openlucht Museum te Arnhem
+"uitgewezen."
+
+Behalve deze collectie zijn minder omvangrijke verzamelingen van
+meer plaatselijke costumes, op poppen gemonteerd, in de musea van
+Middelburg, Leeuwarden, Hindeloopen en andere steden opgesteld.
+
+En behalve deze poppen, worden in menige familie enkele ouderwetsche
+drachten in hun geheel of in gedeelten als kostbare--maar
+doode--herinneringen aan het voorgeslacht bewaard. Vooral is dit het
+geval in Friesland, waar echter nu en dan den gewestelijken geest weer
+levend wordt, zoodat bij bijzondere feestelijkheden deze costumes nog
+wel voor den dag komen, om te getuigen, dat het gevoel van eigenheid
+nu en dan nog wakker kan worden.
+
+Maar behalve deze hier in 't kort opgesomde beschrijvingen en
+plaatjesachtige verbeeldingen, deze prent-briefkaarten en poppen in
+nationaal costume en die enkele, in oude kasten en stoffige doozen
+bewaarde kleedingstukken, is van de nationale drachten in ons land
+niets over, dan wat er in de verschillende streken nog gedragen wordt,
+heele, halve, veranderde en onjuiste kleeding, die zoo is, omdat ze
+zoo is, waar moeielijk eenige juiste en wetenschappelijke critiek op
+gegeven kan worden en die de eenige reëele bron is voor onze kennis
+van dit bijzondere monument van echt Hollandsche geschiedenis en kunst.
+
+Een korte inventariseering, van dat, wat heden (1916) nog van die
+nationale volks-kleedij in werkelijkheid over is, beoogt _dit_ boekje.
+
+
+
+F. WAT WERD EN WORDT ER VOOR DE INSTANDHOUDING, DE BELANGEN EN DE
+KENNIS VAN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN GEDAAN.
+
+
+Ten laatste moge hier nog een korte beschouwing volgen over wat er
+voor onze zoo beroemde Nederlandsche volksdrachten gedaan werd.
+
+In de meeste landen waar eveneens zoo'n belangrijk monument uit het
+verleden, als wij in onze nationale drachten hebben, is overgebleven,
+en dat bovendien een monument is, in zich zelf zoo merkwaardig, en dat
+zóóveel tot de waardeering van ons Hollandsche land, vooral bij den
+vreemdeling, heeft bijgedragen, wordt van overheidswege alles in het
+werk gesteld om die volkseigenheid te bestudeeren, te doen voortduren,
+en ze op allerlei wijze te beschermen.
+
+In Nederland evenwel, de liberale leuze getrouw van "laisser faire,
+laisser aller", een land, waar tengevolge van die idee kunst
+geen regeeringszaak is en dus niet beschermd wordt, werd en wordt
+"officieel" nog _niets_ voor die nationale kleedij gedaan. Alle
+pogingen in deze ten goede, gingen en gaan uit van _particulieren_.
+
+De verzameling poppen, die tot September 1916 in het Rijks Museum
+op zijn eigenlijke plaats was, werd door particulier initiatief,
+door particulier geld bijeengebracht. Ook was het zoo met de
+verzamelingen in de provinciën, waar zich particulieren, vereenigingen
+of genootschappen te werk stelden. En deze laatsten hebben zeer goed
+werk gedaan. Maar de regeering deed niets. Ook dat moge een van de
+vele factoren zijn, dat de nationale drachten in Nederland, om 't zoo
+te zeggen, aan zich zelf overgelaten, zoodanig vervormd, veranderd en
+"gehavend" werden, en per slot geheel zullen verdwijnen, omdat het
+dragen er van niet van hooger hand werd aangemoedigd, of op een of
+andere wijze beloond. De pogingen die in dezen van privé-personen
+en vereenigingen uitgaan, kunnen echter nooit dat gezag en die
+overtuigende ernst hebben, die een lands-bestuur aan zijn verordeningen
+of wenschen geven kan. En al deed en doet de vereeniging Nehilennia in
+Middelburg ook nog zoo haar best (in een streek trouwens waar 't nog
+niet zoo heel erg noodig is) deze en dergelijke vereenigingen zullen
+toch niet bij machte zijn met goed gevolg tegen de wassende wansmaak
+en vooroordeelen van de zoogenaamde stads-beschaving te strijden.
+
+Een van de beste middelen in deze echter, wordt wel door die Zeeuwsche
+vereeniging toegepast. Zij speculeert op de ijdelheid van de dragers
+(meer speciaal van de draagsters) van het nationaal costume. Geen
+beter middel had zij kunnen bedenken, dan eenige personen in nationale
+dracht, en daarna diezelfde personen (eenige kinderen) in stads-kleedij
+te laten photographeeren, Het onderscheid is zóó sterk, dat het de
+meest van smaak ontbloote mensch treffen moet. Het is, om 't zoo te
+noemen, een afschrikwekkend voorbeeld. Zoo aardig en zoo geheel met
+een eigen cachet als die kinderen er uit zien in hun nationale dracht,
+zoo leelijk, zoo on-eigen, zoo onbeschaafd zien zij er uit in het
+"stadsch". Waarlijk, de boerschheid komt in die kinderen dan eerst
+werkelijk uit als ze zoogenaamd "beschaafd", dat is: op zijn stadsch,
+gekleed zijn, terwijl ze er in hun nationale dracht er heel wat minder
+boerachtig, minder onbeschaafd uitzien. Met het veranderen van kleeding
+wordt dus door de boerenbevolking juist het tegenovergestelde bereikt
+van wat zij bedoelt.
+
+En dàt is het wat van overheidswege aan den volke had moeten en kunnen
+gedemonstreerd worden, dat het niet vernederend of verachtelijk is om
+de nationale kleedij te dragen, dat ze niet leelijk, niet onbeschaafd
+is en niet "achterlijk" maakt, maar dat juist het on-oordeelkundig en
+smakeloos dragen van de moderne stads-kleedij de dragers en draagsters
+belachelijk en leelijk maakt. Indien dit aan het volk gedemonstreerd
+was geworden, zou dit aanschouwelijk onderricht van zeer veel invloed
+op de nationale drachten gebleken zijn.
+
+Want, vooral bij de vrouwen is de indruk, die zij in hun costuum maken,
+toch nog maar altijd de hoofdzaak. En die ijdelheidsfactor komt de
+nationale dracht ten goede. Vooral de mooiste, natuurlijkste en meest
+rationeele drachten, zooals de Friesche en de Zeeuwsche. Zoolang de
+vrouwen zelf zullen blijven inzien dat die kappen en mutsen van kant,
+die gouden sieraden, die keurig geplooide doeken en kleurige beuken,
+die korte mouwen en lage-halsjes-dracht haar goed kleedt, flatteert;
+.... en zoolang er mannen zullen zijn, die deze schoonheid zullen
+opmerken .... en het de vrouwen zullen zeggen .... zal de nationale
+dracht in eere blijven.
+
+Het bewijs wordt immers reeds door de praktijk geleverd. Geen dame
+die in Middelburg of Goes gaat logeeren verzuimt het zich in de "zoo
+flatteerende" Zeeuwsche dracht te doen photographeeren. En, indien
+een Friesch meisje al de fijnheid en de ingeboren aristocratische
+allure van haar ras op het voordeeligst wil doen uitkomen .... dan
+zet ze een oorijzer op, met een fijne kap en de diamanten speld op
+het voorhoofd, dan doet ze kleurigzijden jurken aan, het prachtige
+kanten schortje voor, en witte kousen met lage schoentjes aan.
+
+De nationale dracht vindt op die wijze een beschermster in zich zelf
+en in "_de vrouw_."
+
+Maar wat haar het meest ten nadeel komt, is dat ze kunstmatig in het
+leven wordt gehouden ten bate van het vreemdelingenverkeer. Dan
+verlaagt ze zich in haar dragers en draagsters tot bedelende
+comedianten.
+
+En, omdat dit door buitenlanders reeds zeer duidelijk is opgemerkt,
+heeft dit soort propaganda van de nationale kleedij, die nationale
+drachten zelf, haar dragers en ook heel Nederland, in het buitenland
+zeer veel kwaad gedaan. Er zou van overheidswege tegen geageerd
+moeten worden.
+
+Want met de gebruikelijke onkunde omtrent de Nederlandsche
+geschiedenis en aardrijkskunde, die in het buitenland zelfs onder de
+meest ontwikkelde standen heerscht, heeft deze verkeerde "reclame"
+tot de meest onwelwillende uitleggingen aanleiding gegeven.
+
+Zoo werd mij in Amerika's hoofdstad, Washington D. C., door een dame,
+een kunst-kritieken-schrijfster, verweten, dat het Nederlandsche volk
+het bedel-eiland Marken, tot een schande voor heel de Hollandsche natie
+"_in stand hield_". Volgens haar was dat eiland, met huizen, bewoners
+en kleedij en al, _opzettelijk_ gemaakt om het den vreemdelingen lastig
+te maken met bedelarijen. Men moge, in Nederland, zeggen dat die dame
+niet zeer goed op de hoogte was, maar dat verhelpt de zaak niet. Dat
+exploiteeren van de nationale kleederdracht als _vreemdelingen
+trekkende curiositeit_ kan niet anders dan tot misbruiken, en tot de
+daarbij behoorende misvattingen bij den vreemdeling, leiden. En op
+die wijze zouden de nationale kleederdrachten een middel worden om
+Nederland in het buitenland, evenals Italië, den naam te bezorgen, dat
+het zijn oude monumenten alléén exploiteert als middel om "te bedelen".
+
+Maar er is iets anders. Dat wat het meest voor de nationale
+kleederdrachten noodig was, nog steeds het meest noodig is, zoowel voor
+tijdgenooten, landgenooten, en vreemdelingen, voor heden en vooral voor
+de toekomst, dat is een volledige afbeelding en beschrijving van die
+drachten. En het blijkt, dat een particulier zich daar niet toe zetten
+kan, tenzij hij een klein fortuin en een belangrijk aantal jaren en
+zeer veel moeiten aan deze inventariseering ten koste legt. Waar de
+regeering, de gemeenschap in dezen niet het initiatief neemt en royaal
+(dat is de eenige goede en mogelijke manier) dit werk zelf ter hand
+neemt of aan een persoon opdraagt, daar zullen de nationale drachten
+tevergeefs op den rijken, maar tegelijk kundigen dolenden ridder
+wachten, die zijn geld, tijd en inzicht geven wil om de schoonheid
+van deze stervende princes .... zooals men met een beetje goeden wil
+de nationale kleederdrachten van Nederland metaphorisch noemen kan,
+in woord en beeld aan het nageslacht over te dragen....
+
+Of zal die officieele en particuliere belangstelling en dat initiatief
+.... echt Hollandsch, ook weer zoo lang op zich laten wachten, totdat
+het te boek stellen van al die gegevens ..... niet meer mogelijk
+zal zijn!....
+
+
+
+
+
+III. DE BESCHRIJVING VAN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN
+IN DE VERSCHILLENDE PROVINCIËN.
+
+
+
+NOORD-HOLLAND.
+
+
+Noord-Holland heeft drie centra van nationale kleedij, die geheel van
+elkaar gescheiden zijn. Dit zijn: Marken en Volendam, West-Friesland,
+en het Gooi.
+
+In het overige deel van deze provincie--en vooral in Amsterdam en
+omgeving, is de dracht zoo goed als geheel verdwenen ofschoon men
+hier en daar oude vrouwtjes ziet met een kanten-muts, die meestal
+de zeer eenvoudige _Hollandsche hul_ is, om enkele weeshuisdrachten
+niet te vergeten. Langs de kust van de Noordzee en op de eilanden is
+ook niet veel opmerkelijks, behalve op Terschelling.
+
+
+
+A. MARKEN.
+
+
+Van al de nationale kleederdrachten in Nederland, zijn die van Marken
+het meest merkwaardig, omdat ze het meest zonderling zijn. Zij vormen
+een type op zich zelf, die van al de andere drachten zeer afwijkt,
+zooals ook de Hindelooper dracht in Friesland. Maar ze zijn door de
+groote verscheidenheid van costumeeringen voor mannen, vrouwen en
+kinderen, de meest ingewikkelde kleedij, die men bijna kan denken.
+
+Opmerkelijk is, dat zich deze dracht in al zijn verscheidenheid tot
+op onzen tijd zoo volledig heeft kunnen handhaven, en dat op een
+eiland, dat zoo zeer van de zee te lijden heeft, uit slechts een
+paar buurtjes van houten huisjes bestaat, in zijn geheel even over
+de duizend inwoners telt, en dat--'t ergst van al--zoo dicht bij een
+groot modern wereld-centrum--als Amsterdam is,--ligt, en dat zooveel
+door vreemdelingen wordt bezocht.
+
+Alle drachten die op Marken voorkomen, hier te bespreken, is
+onmogelijk. De voornaamste zijn deze:
+
+1. De zuigeling (zie bl. 6) (van beide geslachten) wordt op bijzondere
+wijze in hemdjes, jakjes, mutsjes en wollen dekens, als een stijve
+pop ingebakerd. De kleuren van deze kleedij zijn zeer levendig,
+meest allen met rood tot hoofdkleur. De stoffen zijn van geweven of
+gedrukte katoen (sits of cretonne) en de versieringen bestaan uit kant,
+(echte of machinale-linnen kant) of uit borduringen in kruissteek.
+
+De mutsen, die deze jonge kinderen worden opgezet, bestaan uit drie
+of vier witte en gekleurde kapjes overelkaar, met een bandje onder
+de kin vastgehouden.
+
+2. De jongens en meisjes tot zes jaren, zijn hetzelfde gekleed, in
+kleurige rokjes, die naar onder wijd uitstaan. Beide dragen mutsen
+van gebloemde stof (meest rood) over witte ondermutsen. Het eenige
+verschil in de dracht van jongens of meisjes, en waardoor men hen
+van elkaar kan onderscheiden, is de vorm van het kleurige overmutsje,
+dat bij den jongen meer een rond kalotje is en van boven, op de kruin,
+met een rozet is versierd. De mutsen der meisjes zijn uit drie stukken,
+één middenbaan met twee zijpanden, en missen de kruin-versiering.
+
+Overigens hebben de jongens zoowel als de meisjes beide gekrulde
+haarvlechten langs de slapen en in den nek.
+
+3. De meisjes-dracht blijft aldus tot hun zesde jaar. Dan krijgen zij
+een corset of "_rijglijf_", (zooals het op Marken heet) een zeer dik
+en stijf kleedingstuk van meestal bruine baai, rijk geborduurd met
+bloemen in sterke kleuren (zie bl. 7). Dit rijglijf sluit, met een
+lange witte feter van achter. Het is zoo stijf, (door de vele balijnen)
+dat de meisjes-figuren (zie bl. 8) er die eigenaardige houterige,
+stijve vorm door krijgen, die ook de figuren van de volwassen vrouwen
+op Marken kenmerkt.
+
+4. De jongens krijgen op hun zesde jaar een broek, (zie bl. 5) in
+plaats van hun rokken. Die broek is van donker blauwe of bruine baai,
+in dezelfde wijde vorm als die van de volwassen mannen. Het bovenlijf
+van den jongen is echter nog ongeveer gekleed als van het meisje,
+en hij draagt nog het mutsje met de lange krullen.
+
+5. Op zevenjarige leeftijd krijgt de jongen volkomen mannenkleeren aan,
+bestaande uit een baaitje van blauwe stof, halsdoekje, twee knoopen
+in de kraag, en een pet of hoedje op.
+
+6. De jonge meisjes krijgen op hun zestiende jaar de kleeren van
+volwassen vrouwen.
+
+De volledige beschrijving van een dagelijksch Marker vrouwencostuum
+volgt hier: (zie bl. 2, 3, 4, 5.)
+
+Zij draagt, over het bloote lijf, een linnen (ongebleekt katoenen)
+hemd met lange mouwen. Aan den hals is een staande boord, die met
+kruissteek in zwarte wol, met geometrische figuren is versierd. Een
+dergelijken rand siert ook het eind van de mouwen, om de polsen. Dit
+halskraagje heet "_beffie_". (Zie bl. 1.)
+
+Deze ornamenten blijven steeds bij het Marker costume te zien, zelfs
+ook als de vrouw geheel aangekleed is. (Zie bl. 1, 2.)
+
+Over het hemd komt de onderbroek met bandjes, van wit katoen, met dikke
+(blauwe) wollen kousen, die onder de knie worden opgebonden. Over het
+hemd gaat een mouw-vest van wit katoen, even over de taille reikend,
+zonder boord, van voren sluitend, met mouwen van gestreept (rood en
+wit) katoen. Dit mouwvest heet "_mouwen_".
+
+Over deze "mouwen" komt het "_rijglijf_" (zie fig. 4) of het corset,
+althans een kleedingstuk dat de dienst doet van keurs of corset. Het
+is van bijzonder zware en dikke constructie, van donker blauwe baai
+of wol, gevoerd met witte wollen stof. Tusschen deze voering zijn van
+voren en van achter (niet op zij) balijnen aangebracht. De vorm is
+die van een keurslijf, het gaat over de schouders, heeft armsgaten,
+rijkt even over de taille en is van voren iets uitgesneden. Het
+wordt--van voren--dicht gesnoerd met een lange witte feter.
+
+Het opmerkelijke van dit kleedingstuk, is de rijke ornamenteering
+met geometrische bloemen in zeer sterke kleuren.
+
+Om de heupen worden "_rollen_" aangebracht, langwerpige kussens, die
+de rokken wijd-uit moeten doen staan en het figuur van de draagster
+moeten verbreden. (Zie bl. 2.)
+
+Over dit rijglijf komt, van voren, de _borstlap_, een stuk vurig
+roode baai, vierkant, dat met spelden wordt vastgezet.
+
+Daarover komen "_de voorpanden_", een soort bolero-vormig jakje, van
+voren van vuur-roode baai, terwijl het achterpand van (meest paarsche)
+satinet is.
+
+Over de broek heeft de Marker vrouw eerst de onderrok aangelegd, een
+zeer dikke rok van ruig (bruin-rood) baai, van onder afgezet met een
+gelen band, van voren sluitend, met een grooten zak, rechtsch. Deze
+rok heet "_het ruigje_".
+
+Over dit "ruigje" komt "_het schort_", een groote wijde donkerblauwe
+rok van baai, laken of serge. Het is zeer dicht-ineen geplooid van
+achter, van voren hangt het rechter, zoodat het, naar onder, het
+figuur van de draagster zeer omvangrijk maakt.
+
+Over dit schort komt het "_boezel_", de boezelaar, van donkerblauw
+katoen, van boven versierd met een "_stuk_" van geweven, geruite
+(blauw-witte) katoen.
+
+Over de "voorpanden" komt de "_bouw_", het sieraad van de
+Marker-vrouwendracht. Het bestaat uit een vierkant lapje, gebloemde
+sits of satinet, en wordt op de onderkleeding vastgespeld. (Zie bl. 1.)
+
+Over de mouwen komen nog halve _overmouwen_, die van den pols tot den
+elleboog rijken, van (meestal) paarsche satinet, met gele boordsels.
+
+Om den hals komt dan nog het halsdoekje, een vierkant, van in
+blok-versiering geweven (meestal rood) katoenen doekje, dat op
+bijzondere wijze wordt geplooid, en aan de punten versierd is, met
+zilveren en koralen kwastjes (_akertjes_).
+
+Bij dit costume draagt de Marker vrouw in huis, of zondags, muilen
+(van zwart leer), in de week klompen.
+
+Gaat zij met slecht weer (of 's winters) uit, dan heeft zij over dit
+costuum nog een jakje van donkerblauw baai of laken, met lange mouwen
+en schootje (of taille), aan den hals vierkant uitgesneden.
+
+De hoofdbedekking is niet minder ingewikkeld.
+
+De haren worden van achter afgeknipt, de rest wordt tot twee vlechten
+gedraaid, die, langs de slapen, van onder de muts uitkomen. Van voren
+draagt zij ponny, gelijk afgeknipt haar, dat met de vingers aldoor naar
+boven wordt gekruld, als een luifeltje boven de oogen. (Zie bl. 1.)
+
+Over de haren gaat eerst een wit katoenen muts met platten bol.
+
+Om den bol van die muts wordt een stijve band gelegd om den
+vorm te bewaren. Over deze ondermuts worden twee stroken van
+rood baai gewikkeld, en een ander lint, waarop zwarte ornamenten
+in kruissteek. Die drie stroken moeten ieder op hun juiste plaats
+gehouden worden door spelden.
+
+Over deze onderlaag komt de overkap van fijn ballist en (van voren)
+een strook van kant, zóó, dat de roode baai en de zwarte ornamenten
+door die dunne stoffen heen schijnen.
+
+De geheele vorm van deze muts wordt door de verschillende plooiïngen,
+stijve stoffen en spelden in een cilinderachtigen vorm gehouden.
+
+Aldus is, in het kort omschreven, de gewone Marker-vrouwendracht.
+
+De kleur is over het algemeen voor de rokken donkerblauw, het
+bovengedeelte van de kleeding, vanaf de heupen, vertoont niet dan
+zeer sterke kleuren, waarbij rood in alle nuances de hoofdkleur is.
+
+Bij rouw verdwijnt al dat rood, het wordt paarsch bij lichte rouw
+of blauw, en zwart bij zware rouw. De vorm der kleeding blijft in al
+zijn onderdeelen evenwel dezelfde.
+
+Bij trouwplechtigheden is het costume van de bruid, wat de vorm
+betreft, wèl gelijk aan dat van de gewone vrouwendracht, maar is
+de kleur in hoofdzaak gestemd op wit. Wit is de feestkleur bij de
+Marker-vrouwendracht, en bij dat alles wordt het bijzondere van die
+gelegenheidsdracht nog verhoogd door de bijzondere zorg die er besteed
+wordt aan de plooiïngen van de (witte) boezelaar. Die plooiïngen
+worden bij de meeste nationale kleederdrachten bijzonder verzorgd,
+ook door de Marker-vrouwen. Zelfs in hun gewone daagsche dracht is
+de (donkerblauwe) boezel meestal zeer zorgvuldig op de strijkplank
+bewerkt.
+
+7. De mannen-dracht op het eiland Marken (zie bl. 5) wijkt in zooverre
+van de dracht van het nabije Volendam af, dat, ofschoon het baaitje
+ongeveer gelijk is, de das anders is, niet de eigenaardige bonten
+muts van de Volendammers gedragen wordt, maar steeds de ronde vilten
+hoed, en dat de baaien broek niet zoo wijd (ofschoon toch nog wijd
+genoeg) maar niet zoo lang is. Bij de Volendammers vallen de wijde
+broekspijpen neer tot bij de grond. Op Marken worden de mans-broeken
+bij de knieën nauwer, en rijken niet verder dan even over de knie,
+zoodat ze de onderbeenen en de blauwe kousen doen zien.
+
+
+
+Het opmerkelijke van deze nationale Marker-dracht is, dat ze over het
+algemeen niet den indruk van werkelijke schoonheid maakt, hoofdzakelijk
+omdat het menschelijke figuur er in zoo hooge mate in door wordt
+ontsteld. Die platte bovenlijven, daardoor lang lijkende armen,
+uitermate breede heupen, betrekkelijk korte rokken, en daar onderuit
+de dunne beenen..... dat alles werkt niet zeer aesthetisch, maar het
+is in hooge mate eigendommelijk en schilderachtig door de kleur.
+
+Daar komt bij, dat het Marker-menschenras niet tot het fraaiste van
+Nederland behoort. Het schijnt, dat zij in overdaad van opvallende
+kleeding willen goed maken, wat de natuur hen ontzegde.
+
+De kinderen echter zien er zeer pitoresk uit, maar 't is een zeer
+vreemd-aandoende, onwezenlijke schilderachtigheid, daar men aan
+wennen moet.
+
+Bijzonder is het echter zeer zeker dat deze dracht in heel haar
+ingewikkeldheid, lastige snit, moeilijk te verwerken materiaal, en
+veelvuldige versiering met borduurwerk geheel door de Marker-vrouwen
+zelf vervaardigd wordt, voor zichzelf zoowel als voor haar kinderen.
+
+Die bijzondere moeizaamheid, bij het maken, zal dan ook de reden zijn,
+dat zij het eenmaal verkregen resultaat met zooveel zorg bewaren.
+
+In ieder Marker-huisje is een zoogenaamde "_pronkkamer_", waar in
+een hoek, meestal boven een laag kastje, een aantal spanen doozen,
+met kanten dekkleedjes bedekt, staan opgestapeld, waarin die kleeren
+worden bewaard. Ieder kind, ieder meisje, iedere vrouw heeft zoo'n
+paar van die doozen, en de huisvrouw houdt alles netjes, door dien
+stapel van haar rijkdom soms met koperwerk, doekjes met kant en
+bloemen te versieren.
+
+Er spreekt uit die dingen bewijs genoeg, hoe zeer die nationale kleedij
+op Marken, zelfs heden ten dage (1916), nog uit den volkswil voortkomt.
+
+
+
+B. VOLENDAM.
+
+
+Tegenover Marken, aan de vasten wal, maar toch zelf zoo goed als een
+eiland, ligt Volendam, dat tot vóór vijf-en-twintig jaar weinig bekend,
+weinig bezocht en als afgesloten van de buitenwereld was. Opmerkelijk
+is dat, ofschoon zoo dicht bij Marken, alles in Volendam anders is,
+ook de volksdracht. Voornamelijk zal dit liggen in het verschil
+van godsdienst. Op Marken is men protestant, heel Volendam is
+roomsch-katholiek. Zelfs wordt het nationale costume in Volendam
+uitsluitend door de roomschen gedragen.
+
+Op Marken treft het stijve, bijna fanatieke van het volk en zijn
+dracht, in Volendam is het een en al zwierige levenslust, in het volk
+zoowel als in zijn kleedij, zeden en gewoonten.
+
+Ongetwijfeld is de Volendammer-dracht het meest van alle Nederlandsche
+drachten in het buitenland bekend. (Zie bl. 8-9-10-11.) De
+Volendammer-dracht is als het type van den Hollander en de Hollandsche
+idee geworden, natuurlijk zeer ten onrechte. Maar de buitengewone
+gezonde stoerheid die uit de kleedij spreekt, en vooral ook uit
+zijn dragers, de levens-volheid bij de vrouwen, de quasi ironische
+ongeneerdheid bij de mannen, hebben misschien in het buitenland tot
+die generaliseering aanleiding gegeven.
+
+Hoe het zei, de Volendammer-dracht is heel wat "menschelijker" dan
+die van Marken.
+
+En bestaat hier geen, of geen merkbaar verschil tusschen de dracht
+der kinderen en die van de volwassenen?
+
+De vrouw is gekleed in lang withemd met korte mouwen. Daarover komt
+de wollen half lange borstrok. Daarover het "_rompje_", zonder mouwen,
+even over de taille rijkend, van voren sluitend met haak en oogen.
+
+Een corset draagt de Volendamsche niet, en, omdat ze tot een stevig,
+gezond ras behoord, blijft haar figuur, de vorm van taille, buste en
+heupen normaal, ondanks de (dikwijls) te dikke rokken-tooi.
+
+Over het rompje komt de _kra-lap_ of _krop-lap_. Deze bestaat uit
+twee vierkante lappen, met een uitsnijding voor den hals, over de
+schouders aan een kant met haak en oogen vastgezet, van onder, door
+banden aan de punten, om het lijf vastgebonden.
+
+Deze krop-lap is van gebloemde stof, meest katoen. De ornamentjes zijn
+echter zeer klein, meestal kleine bloemetjes op een witten ondergrond.
+
+Over deze krop-lap komt het _kletje_, een kort jakje van donkerblauwe
+stof, met half lange mouwen, vierkante uitsnijding aan den hals
+(waardoor vóór en achter de krop-lap te zien komt) en van voren
+sluitend.
+
+'s Zondags wordt het effect nog verhoogd door een _dunnen doek_ van
+(witte of gebloemde) tule, die tusschen het kletje en de krop-lap
+gestoken wordt. (Zie bl. 11.)
+
+Over het hemd komt de onderbroek, daarover de gestreepte rok (van
+gestreept katoen), daarover de donkerblauwe baaiënrok, dan de dikke
+wollen _streep-rok_, dan de bovenrok. (Zie bl. 8, 9.)
+
+Deze laatste is 's Zondags van witte, zeer dikke baai, met vertikale
+strepen in fel rood en groen versierd. (Zie bl. 9.)
+
+Alle rokken gaan rechts dicht.
+
+Over dit alles komt de boezelaar van dezelfde stof als het kletje,
+met een rand van boven, van geruit-geweven katoenen stof, welke
+zondags van zijde is en allerlei kleurige versieringen heeft.
+
+Ook dit schort wordt mooi in de plooi gestreken, zooals bij de
+Marker vrouwen.
+
+De rokken van de Volendamsche zijn niet zoo kort als die van de Marker
+vrouw. Zij loopt in huis (over de matten) op haar donker-blauwe kousen,
+op straat (zondags) op muilen van leer, door de week op klompen.
+
+De hoofdbedekking bestaat uit het _hulletje_, van witte kant, dat over
+een zwarte onderkap is getrokken. De haren zijn geheel afgeknipt als
+bij een jongen. Van achter komt, in den nek, een opkrullend randje
+haar onder de muts uit.
+
+Soms draagt de Volendamsche dan nog om den hals een wollen das met
+(blauwe) blokken geweven.
+
+Ook de hals-snoer van bloedkoralen met gouden slot, dat van voren
+sluit, wordt niet vergeten.
+
+Het Volendamsche vrouwen en meisjes costume is in de week
+eenvoudiger. Dan wordt, in de plaats van het kletje, een gestreept
+wollen jakje gedragen, meestal grijs-paarsch of blauw van kleur,
+met kleine ornamentjes. De boezelaar is dan dikwijls wit .... dit
+laatste is reeds een verbastering van de ware dracht.
+
+
+
+Het mannen-costume van de Volendamsche visschers (zoowel als van de
+eendenfokkers en kaasboeren) bestaat uit een rood baai hemd met mouwen,
+tot de knieën rijkend. Van voren heeft dit hemd een boordje, genaamd
+"het befje", waarin twee gouden knoopen worden gedragen.
+
+Daarover een gestreept baaitje tot de heupen. Daarover de
+"_gezondheid_", een soort buikgordel, die met bretels, genaamd
+"_galgen_', wordt opgehouden.
+
+Dit kleedingstuk is meestal van blauwe wol of baai.
+
+Een onderbroek van gekleurd keper, sluitend met knoop, en bandjes
+onder de knie, die de zwarte kousen ophouden.
+
+Daarover komt de bovenbroek van zwarte "_pij_", met drie zakken,
+en twee groote zilveren knoopen van voren, genaamd _klapstukken_.
+
+Over dit costume draagt hij in de week het _polka-baaitje_, een kort
+hesje met mouwen.
+
+'s Zondags draagt de Volendammer over de gezondheid de gestreepte baai,
+een vest zonder mouwen, met dubbelen overslag. Om den hals een doek,
+genaamd _karwas_, (zie bl. 8) die tusschen de gestreepte baai wordt
+gestoken. Daaroverheen het "_blempje_", een jas met mouwen, dat van
+voren sluit. In den winter gaat daarover de _blauwbaai_, een zwart
+jasje met mouwen en dubbelen overslag.
+
+De lapel is blauw, omdat dit de omgeslagen blauwe voering is. Om de
+kraag en de lapel is een fluweel boordje, genaamd het _katje_.
+
+Daarbij worden 's zondags schoenen gedragen, door de week klompen.
+
+Op het hoofd een pet of _ruige muts_, met groene lintjes van
+achter. (Zie fig. 8, 9.)
+
+Al deze kleedingstukken worden door de Volendammer vrouwen gemaakt.
+
+
+
+C. WEST-FRIESLAND.
+
+
+Van de West-Friesche dracht is niets meer overgebleven, dan de kap
+en het oorijzer, en eenige typeerende lijfssieraden, die door de
+vrouwen gedragen worden, benevens een algemeene costumeering, die
+niet heelemaal stadsch, noch heelemaal boersch is, niet nieuwerwets,
+noch werkelijk antiek. Zij levert een van de beste voorbeelden hoe de
+nationale kleedij veranderen kan tot iets wat niet te qualificeeren
+is, en het werkelijk nationale nog alléén in de hoofdbedekking
+bestaat. (Zie bl. 12, 13.)
+
+Deze dracht vindt men in West-Friesland, Drechterland en _de Streek_
+tusschen Hoorn en Enkhuizen.
+
+In Zaanland is niets meer van de oude drachten over, daar getuigen
+nog slechts de oude houten huisjes en hun bij uitstek merkwaardige
+groene kleur van de vroegere eigenheid van dit land.
+
+De kap, genaamd de Noord-Hollandsche (zie pl. 12), wordt gedragen
+over het door een bandje bijeengebonden haar. Eerst een zwarte en
+dan een witte ondermuts, deze laatste van kant en met zwart lint
+geboord. Daarover gaat het oorijzer, een ongeveer vijf-centimeter
+breede strook van goud, eindigend in vierkante met filigraan bewerkte
+zijstukken, genaamd: "_de pooten_". Daarover komt de bovenmuts,
+zeer dikwijls van echte kant, van voren een breede strook, naar
+achter een nog breedere, zeer sterk en mooi regelmatig geplooide
+"_Kappekant-strook_". De bol wordt gevormd door zeer fijne blauwe tule.
+
+Het oorijzer en de onderkap schijnen dus door de blauwe tule heen,
+wat een zeer rijk effect maakt. Het oorijzer wordt vastgehouden, en
+aan de bovenmuts gespeld door de _kapspelden_, die achter _de pooten_
+zitten. Naast de pooten, op het voorhoofd, komen de _veertjes_,
+kromme gouden naalden, die onder de bovenmuts gestoken worden en
+gedeeltelijk het voorhoofd bedekken. Naast deze steekt men zwarte
+"_toertjes_", valsche, zwarte, kleine krulletjes.
+
+Op het voorhoofd dragen de oudere vrouwen een _voornaald_, van goud,
+rijk met diamanten bezet.
+
+Om den hals komt de ketting van zeer dikke bloedkoralen, met
+gouden slot van voren. Bij den hals wordt een gouden doekspeld
+gedragen en om den hals, naar beneden afhangend met een kruisje,
+de _kruize-ketting_. (Zie bl. 12, 13.)
+
+Bovendien dragen velen een gouden horlogeketting die tot aan het
+middel rijkt.
+
+Het geheele kapsel is een zeer fijne en ingewikkelde constructie van
+kant, naalden en veeren, rijk bezet met diamanten.
+
+In de ooren draagt men gouden hangers _(bagge)_. Deze dracht is
+zeer kostbaar.
+
+De eenvoudiger West-Friesche dracht bestaat uit de gewone _Hollandsche
+hul_, (zie bl. 13) die over eene zwarte ondermuts wordt gedragen. Deze
+muts lijkt veel op de gewone Volendamsche muts, de punten worden
+echter naar voren gedragen, in Volendam hangen die meer naar beneden
+of naar op zijde.
+
+Over deze Hollandsche hul draagt men in heel West-Friesland de
+boeren-hoed, het _schuit-hoedje_. (Zie bl. 13.) Het is van zeer
+bijzonder, schuitvormig model, van zeer fijn wit stroo, heeft zondags
+een witte (zijden) rand, in de rouw een zwarte, door de week een rand
+in alle kleuren (roze).
+
+Deze West-Friesche kap wordt weliswaar thans (1916) nog vrij veel
+gedragen, maar de wijze van dragen is verschillend. De oudere vrouwen
+laten de achterste strook meer hangen, de jongere zetten deze meer
+naar boven, dat staat "vlugger". Vele jonge vrouwen dragen die kap
+echter reeds niet meer, of alleen 's zondags.
+
+
+
+D. HET GOOI.
+
+
+Het Gooi vormt, zoowel geographisch als volks-kundig een zeer bijzonder
+deel van de provincie Noord-Holland.
+
+Wat de kleederdrachten betreft, sluit het zich niet direct bij
+Holland, maar meer bij Gelderland en Utrecht aan, terwijl op de
+grens-scheiding tusschen deze verschillende streken, het meer dan
+bijzondere visschersdorp Spakenburg een oase op zichzelf is, die tot
+geen van deze gewesten te rekenen is.
+
+Het eigenlijke Gooi echter, bestaat, voor zoover de kleederdrachten
+betreft, uit de drie dorpen, Laren, Blaricum en Huizen. Hilversum,
+dat geographisch wél tot het Gooi behoort, telt in dezen echter niet
+mee, omdat men er geen resten van een nationale dracht vindt. Des te
+belangrijker zijn de drie eerstgenoemde dorpen.
+
+
+
+I. LAREN.
+
+Weinig plekjes van ons land zijn in de internationale artisten-wereld
+zoozeer bekend, als Laren. Maar of die vermaardheid, zelfs ook maar
+voor een deel, te danken is aan de opmerkelijke kleederdracht en
+het eigene van de oorspronkelijke bevolking van dit dorp, zou te
+bezien staan.
+
+Zeker is het, dat Antoon Mauve, toen hij om gezondheids-redenen dit
+oord van gezonde lucht noodgedwongen "ontdekte", daar niet kwam om
+de eigenheid van de bevolking, maar het meest door de schoonheid
+van het landschap werd aangetrokken. Zijn nakomelingen en navolgers
+zijn--meest allen--even blind voor die volkseigenheid gebleven als
+hun grooten meester. Vandaar dat ook in Laren zich het bijzondere
+verschijnsel voordeed dat, te midden van een kunstenaarskolonie,
+een bevolking leefde waarvan het uiterlijk iedere "_begrijpende_"
+kunstenaar zou hebben geïnspireerd. Voor de Laarder artisten bleven de
+Laarder inboorlingen echter niets dan "plekken-kleur". Het menschelijke
+en de diepere beteekenis, de psychologiesche redenen voor de bijzondere
+uiterlijke verschijning van die landelijke bevolking, is blijkbaar
+aan deze moderne artisten voorbijgegaan.
+
+En toch, hoe merkwaardig is niet die Laarder inheemsche kleedij,
+hoe merkwaardig is niet het ras dat ze draagt, hoe opmerkelijk zijn
+niet de typen, en is niet heel dit volk dat zoozeer zijn eigenheid
+bleef bewaren, ondanks de steeds sterker wordende overstrooming
+van moderne-villabouw, "Sommerfrischler" en "inter-nationalistisch
+kunst-snobbisme" met al zijn verderfelijken en onnatuurlijken aankleve.
+
+Dat Laarder volk heeft een zeer bijzonder Hollandsch type. Het paart de
+gemoedelijkheid en kracht van het Hollandsche element aan het fiere,
+en bijna aristocratische van het Friesche ras. Dat blijkt vooral uit
+de burgerlijke voornaamheid van de oudere vrouwen, met hun zielvolle
+gezichten, hun hooge gestalte, en de prachtige maar eenvoudige
+deftigheid van den vorm en de kleur van hun eigenaardige dracht, de
+gouden kettingen, de geplooide doeken, en het geheel bekroond door de
+_vierkante muts_, die het eigenaardig ras-type nog te meer accentueert.
+
+En dat bijzondere cachet wordt nog des te meer geconserveerd,
+omdat slechts de Roomsche bevolking dit costume draagt. Er is dus
+wisselwerking tusschen levensopvatting-uit-geloof en volks-dracht,
+zooals dat trouwens bij alle nationale drachten in Nederland en elders
+duidelijk op te merken is.
+
+De kleedij van een Laarder vrouw (zie bl. 18, 19) bestaat uit: Een
+hemd met heel lange mouwen, daarover borstrok van keper, daarover
+_romp_ of _corset_ van blauw-keper, van voren dicht, zonder eenige
+verdikking (met kussentjes) aan de heupen. Daarover komt de gewone
+krop-lap (kralap). Over de (open) broek met bandjes (onder de knie)
+komt de blauw baaienrok, daarover de zwarte (katoen) moiré-rok,
+daarover de zwarte bovenrok en het (lange) jak van dezelfde stof,
+beide soms van zijde, satijn of thibet, in effen zwart, blauw of bruin.
+
+De rokken zijn alle van voren plat, op zij twee platte plooien, van
+achter met _rimpels_. (kleine plooitjes.) Dan komt de boezelaar, die
+heelemaal rond het lichaam gaat, van achter tegen elkaar sluit. Ze
+is meestal van zijde, aan de kanten geboord met satijnlint.
+
+'s Winters en 's zomers is het costume hetzelfde. Het jak is aan den
+hals uitgesneden, zoodat de kroplap te zien komt, en de mouwen zijn
+wijd, met hooge poffen aan de schouders. Daarover gaat de _overdoek_,
+van zwarte of blauwe zijde, met bonte kleuren met franje, netjes
+geplooid, van voren en van achter vastgespeld in de taille. Om den hals
+komt een ketting van _vier_ rijen bloedkoraal, het gouden vierkante
+slot in den nek, van achter.
+
+En dan de muts, bestaande uit zwarte ondermuts over het haar, dat niet
+afgeknipt is, maar plat is weggekamd. Daarover het oorijzer van zilver
+of goud, in hoofdvorm gelijk aan den oorijzer-vorm van Staphorst tot
+Nunspeet, en zóó gedragen dat de "_speld_" onder aan de wang komt,
+zijdelings van den mond, zooals op Urk en op Staphorst. Daarover de
+vierkante muts, een vergroot-soort Hollandsche hulle, waarvan echter
+de punten niet afhangen, maar weer naast het hoofd, naar boven,
+zijn opgespeld, waardoor het geheel een vierkanten vorm krijgt,
+het geheele hoofd als in een cubus-vorm van kant vervat schijnt,
+een zeer mooie en eigenaardige vorm-geving.
+
+'s Winters wordt over dit costume een schoudermantel gedragen,
+(_schoe-mantel_) van zwart thibet, met blauw baai gevoerd, en een
+naar achteruitstaande, stijve kraag, met haak en oog onder de kin,
+soms met linten vastgestrikt. De vorm doet aan de schoormantels van
+de Scheveningsche vrouwen denken. (Zie aldaar.) Dat is het typische,
+echte, Laarder vrouwen-costume, dat in zijn eenvoudige vormen
+en meestal op zwart, donker-blauw of paarsch en bruin gekleurde
+hoofd-tinten slechts verlevendigd wordt door de gouden (kruize)
+ketting, de bloedkoralen om den hals en de eigenaardige vierkante muts.
+
+Maar dat alles verkrijgt eerst zijn ware eigendommelijkheid, door het
+bijzondere menschen-ras, dat deze dracht getrouw blijft, een ras dat
+niet uitmunt door lichamelijke schoonheid, zooals het Zeeuwsche,
+Urker of Friesche, maar dat vooral den indruk van burgerlijke
+deugdelijkheid geeft.
+
+Er wordt in Laren nog een ander soort muts gedragen, de meer
+nieuwerwetsche, de zoogenaamde _ronde muts_, die niet anders is dan de
+Hollandsche hul, waarvan de punten een weinig meer naar boven-voren
+steken, en de kromming boven het voorhoofd wat ronder is dan bij de
+Hollandsche hul. Overigens is ze van hetzelfde type. Bij de ronde
+muts wordt het gewone verboerschte stads-costume gedragen.
+
+De mannen-dracht van Laren heeft niets opmerkelijks.
+
+
+
+II. BLARICUM.
+
+Ook in Blaricum is de dracht tweeledig. Enkelen dragen nog het
+ouderwetsche jak met de kroplap, zichtbaar op de borst (zie fig. 20)
+en de vierkante muts, zooals in Laren. Anderen dragen de stadskleeding
+en de "_kap_".
+
+Die kap is bijna van dezelfde constructie als de West-Friesche. (Zie
+fig. 12.)
+
+Opmerkelijk is ook weer, dat in Blaricum slechts de Roomschen de
+nationale dracht nog dragen, evenals in Laren. In het nabije Huizen
+evenwel, dat geheel protestant is, dragen de Roomschen geen nationaal
+costume.
+
+Ook in Eemnes, dat protestant is, wordt de ronde muts anders (strakker)
+gedragen dan in Blaricum.
+
+De "_kap_" zit aldus in elkaar:
+
+Over het "_gespleten haar_"--d.w.z. het haar dat met een scheiding
+in het midden is gekamd, komt de zwart zijden ondermuts. Daarop
+worden aan de voorzijde drie zwarte valsche krulletjes (aan iederen
+kant) gespeld, aan een elastiek dat om het hoofd gaat en de zwarte
+ondermuts vasthoudt. Daarover worden de (gouden) naalden--met een
+elastiekje--vastgezet. Dan wordt aan de overmuts (kap) het oorijzer
+vastgespeld aan de "boeken", tusschen de muts en de blauw zijden
+bol, (zie West-Friesche kap) en dit wordt in zijn geheel zoo op het
+hoofd gezet. Dan worden de _naalden_ achter de boeken gestoken en de
+_spelden_ er ingezet.
+
+Bijzonder opmerkelijk is bij die dracht al het goud wat erbij
+hoort. De kapspelden en naalden en de oorbellen zijn alle zonder
+diamanten, alléén van in filigraan bewerkt goud (in tegenstelling met
+West-Friesland). Om den hals komt de koralen ketting, bij de vierkante
+trek-muts een _vierkant_ slot _(pukkel-slot)_ of _(plaatjes-slot)_,
+met vier rijen bloedkoralen, het slot van voren. Bij de kap is
+het slot rond. Dan draagt men een broche (van goud), genaamd de
+_borst-speld_. Dan een gouden ketting, waaraan gouden kruisje, dat tot
+midden op de borst komt, dikwijls met een schuifje, genaamd _boot_. Dan
+daarbij nog een lange losse (horloge) ketting van goud, en het horloge
+in de ceinture, welke laatste een gesp heeft. Ook op de schoenen zijn
+gespen. Deze worden echter thans niet meer in Blaricum gedragen.
+
+Het costume dat, naar den vorm, (bij de kanten kap) verboerschte
+stadsdracht is, heeft verschillende kleuren, varieerend tusschen blauw,
+bruin, geel en groen, en zwart in de rouw, altijd van effen stof.
+
+
+
+III. HUIZEN.
+
+
+Zeer bijzonder zijn de drachten in het geheel protestantsche Huizen,
+het visschersdorp aan de Zuiderzee. (Zie bl. 21, 22, 23.)
+
+Het is zeer zeker een nationale dracht, die in Huizen gedragen wordt,
+maar het is er een die niet van ouden vorm of snit is, maar wellicht
+nog niet zoolang geleden oudere modellen heeft verdrongen. Daar ze
+echter zeer algemeen is, en zeer getrouw wordt in stand gehouden,
+is het een nationale dracht, den Huizers (of liever de Huizerinnen)
+eigen. Het eenige echte oude van dit costume is echter slechts de
+kap, die in wezen en vorm volkomen van alle andere Nederlandsche
+mutsen-vormen afwijkt.
+
+Dus ook in Huizen is in hoofdzaak slechts het vrouwen-costume
+belangrijk, ofschoon de dracht der Huizer-visschers niet zoo
+stads-boersch is als die van de plattelands-boeren, en meer
+kenmerkend dan deze. De invloed van Marken, Volendam en Urk is op
+die mannendracht merkbaar, ze behoort tot dezelfde familie van deze
+visschers-kleedij. Maar de wijde broek ontbreekt tegenwoordig, ze is
+meer, wat de pijpen betreft, van het gewone model. Overigens is ze
+van den bekenden vorm met een klep, en versierd met zilveren knoopen,
+juist zooals de mannen op Urk die dragen. (Zie bl. 23.)
+
+Het vrouwen-costume van Huizen kan aldus beschreven worden: (Zie
+bl. 22, 23): Over het hemd komt een borstrok en een lijfje, daarover
+een jak, in de laatste twintig jaren met zeer wijde mouwen, die poffen,
+boven de schouders uit, hebben. Dat jak is zeer bijzonder van vorm, met
+zeer fijne plooitjes in de taille, aan de armsgaten, aan de polsen,
+en zeer kort, even over de taille rijkend. (Zie bl. 22, 23.) Het
+is van effen kleur in een stof waar bloemetjes in zijn geweven,
+meestal bruin, bruin-paarsch of zwart. (Zie bl. 24.) De rokken
+bestaan uit: gestreepte onderrok, (soms twee stuks), één witte rok,
+een zwarte bovenrok. Alle rokken gaan links dicht; de bovenrok is
+van _thibet_ (of: _paramat_), van zeer dunne stof, van voren recht,
+van achter met zeer vele (rimpels) plooitjes. Van onder wordt er een
+strook van 25 cm. breedte tegengenaaid. Daarover gaat de boezelaar
+(_schulk_), van gewoon friesch (blauw) bont, 's zondags paarsch of
+andere kleur. Daarover komt een losse ceinture met losse banden,
+die van voren over het schulk afhangen. Die ceinture gaat met haak
+en oog van voren dicht. (Zie bl. 22, 23.)
+
+Men draagt 's zondags lage verlakte schoenen, en in de week muilen
+of klompen.
+
+Door de week worden de mouwen opgestroopt, zoodat de meisjes en
+vrouwen bloote armen hebben, 's zondags draagt men de mouwen lang.
+
+Dit costume, dat voor meisjes en vrouwen gelijk is, wordt niet door
+de kinderen gedragen.
+
+De meisjes, tot hun vijftiende jaar, dragen jurken met korte mouwen,
+die van boven zeer sterk geplooid zijn. Dit noemt men _pijpmouwen_. Tot
+aan den hals wordt dan over de kleeding heen een wit boezelaar
+gedragen. (Zie bl. 21.) Over de armen, gebreide pols-mouwen.
+
+Om den hals draagt men een slot met 5 rijen granaten-koralen. Het slot
+van voren. Soms komt daar nog een gekleurd zijden das bij, dat echter
+onder de koralen en het slot gedragen wordt. De uitstekende puntjes,
+van voren, zijn dan het voornaamste dat men in 't oog wil doen vallen.
+
+De mutsen van de Huizer kinderen en vrouwen zijn het meest variëerend.
+
+De kinderen dragen, in de week, tot hun 14 of 15de jaar een _pik-muts_,
+dat is een soort cornet of tip-muts, die geheel gehaakt of gebreid is
+van witte katoen of wol, en van achter over den nek, afhangt. Deze
+mutsen worden gestreken, zoodat ze eenigzins stijf staan, en in de
+eigenaardige golvende plooiïngen blijven behouden die men hen heeft
+gegeven. Het haar wordt daarbij door deze meisjes los gedragen. Ze
+dragen 's zondags een rond strooiën (zwart) hoedje, versierd met een
+pluim, die als een hane-kam over den bol van de hoed is gelegd. Van
+voren twee spelden of broches. (Zie bl. 21.)
+
+Tusschen hun veertiende en achttiende jaar dragen de jonge meisjes
+een _plooi-muts_, bestaande uit een bol van witte kant, rings-om
+versierd met een rand (van een hand breedte) van plooitjeskant, die
+fijn geplooid is om het gezicht, in den nek in grootere plooien
+afhangt. Die plooitjeskant omsluit en overhuift het gezicht,
+wat nog erger het geval is met de _oorijzer-muts_, die de meisjes
+en vrouwen boven de achttien jaar dragen. (Zie bl. 24.) Het haar
+wordt "gespleten"--dat is met een scheiding in het midden gekamt,
+en bijeengebonden tot een knotje achter in den nek. Daarover gaat een
+zwarte ondermuts, daarover de witte over- of oorijzer-muts. Soms wordt
+'s Zondags een witte ondermuts gedragen, gewerkt met zwarte zijde.
+
+Over de ondermuts komt het oorijzer, van gelijken vorm als langs de
+heele Zuiderzee-kust van Staphorst af tot hier (Huizen) toe gedragen
+wordt. De spelden komen aan de slapen--dus weer anders dan in Laren,
+maar zooals in Nunspeet.
+
+De oorijzer-muts zelf is van witte tulle met randen van kant, en de
+lange kanten slippen worden links en rechts aan het oorijzer bij de
+slapen opgespeld. Vandaar dat deze muts, van voren gezien, een zeer
+bijzondere lijn-vorming geeft, en, van terzijde bekeken, zoo groot
+en vooruitstekend is, dat het gezicht van de draagster er als het
+ware in wegschuilt. Dit is evenwel van zeer bijzonder aesthetische
+werking. (Zie bl. 24.)
+
+Opmerkelijk is nog--vooral voor de zeden en gewoonten van de Huizers,
+dat een bruid (zie bl. 22) een japon draagt van bruine stof, maar
+dat haar wijde schort van hemelsblauwe fijne wol is, met een lint
+van zijde, ook in die kleur. Dit blauwe schort wordt maar éénmaal
+gedragen, nl. bij het aanteekenen ten stadhuize. Bij het trouwen is de
+bruid geheel in het zwart, ook haar schort is aldus. Maar het blauwe
+schort blijft bewaard totdat het eerste kindje geboren is. Dan wordt
+het tot een doopjurk gemaakt, waarmede het kind ook nog 's Zondags
+ter kerke gaat, of die bij volgende doop-plechtigheden gebruikt wordt.
+
+
+
+E. DE NOORDZEE-KUST EN DE EILANDEN.
+
+
+Veel bijzonders valt er niet op te merken van de visschersdorpen
+langs de Noordzee-kust, behalve van Scheveningen. Ook in Zandvoort,
+dat een oudere plaats is, bleef een weinig van de nationale dracht
+over in de Hollandsche hul, waarvan echter de badgasten een soort
+vermoderniseerde imitatie gaan dragen, nu ze door de eigenlijke
+visschersbevolking afgeschaft schijnt.
+
+De wereld verandert!!!.....
+
+IJmuiden en Wijk aan Zee, zijn geheel moderne plaatsen. In Egmond en
+Bergen draagt men de West-Friesche dracht.
+
+Op Texel is niets van de oude drachten over, zoomin als op Wieringen
+of op Vlieland.
+
+Op Terschelling echter bleef een oude dracht gehandhaafd, die nog zeer
+merkwaardig is, al bestaat ze bijna uitsluitend uit een hoofdbedekking
+van eigenaardigen vorm, met afhangende stroken. (Zie bl. 14.) Die
+kap noemt men _zwarte kap_, daaronder draagt men een witte, genaamd:
+"_het mutske_". De verdere kleedij bestaat er uit een lijf met schoot
+in ouderwetschen vorm, in allerlei kleur, jak genaamd. Daaronder
+komt de rok van merinos (vroeger thibet). Het voorschoot noemt men
+_scheldoek_. (Zie Hindeloopen).
+
+Deze dracht, die hoofdzakelijk merkwaardig is om haar geheel, wordt
+thans nog alleen door de vrouwen van middelbaren leeftijd gedragen;
+de jeugd doet dit niet meer.
+
+Vroeger droeg men op dit eiland een zilveren oorijzer, met gouden voor-
+en zij-naalden.
+
+
+
+F. DE MEEREN EN POLDERS.
+
+In de drooggelegde Meeren en Polders van Noord-Holland, wordt
+geen nationaal costume gedragen. Toen na de drooglegging van
+de Haarlemmermeer verschillende families uit alle deelen van
+Nederland zich daar kwamen vestigen, droegen zij de kleedij van hun
+geboortestreek. Thans zijn die--zoo verscheidene--costumes geheel
+verdwenen.
+
+
+
+G. DE GROOTE STEDEN.
+
+In Haarlem en Amsterdam is het nationale costume geheel verdwenen. Dat
+neemt niet weg dat zelfs onder den rook van Amsterdam, aan de
+Amstelveenschen Weg, onder Sloten, en aan den overkant van het
+IJ, de Hollandsche hul toch nog vrij veel door de oorspronkelijke
+boerenbevolking gedragen wordt. Het eenige, wat werkelijk oud is, wat
+in de stad, in deze overbleef, nu zelfs ook de ouderwetsche bakers
+niet meer bestaan, is het zoo beroemde costume van de Amsterdamsche
+burgerweezen. Maar ook die dracht, hoe schilderachtig, hoe verfijnd
+en hoe gracieus ook, zal misschien spoedig verdwijnen, daarmede nog
+meer Amsterdam's eigen cachet ontnemend.
+
+En niet ten onrechte is die dracht zeer bekend, want ze behoort tot
+de mooiste die uit het verleden tot ons kwam. (Zie bl. 16, 17.)
+
+Het costume voor de kinderen, de jongere meisjes, en de volwassenen
+(17 jaar) is verschillend, hoofdzakelijk door de kap, die bij de
+ouderen van doorzichtige tule of kant is, en het oorijzer (van zilver)
+te zien geeft. Verder hebben de ouderen een omslagdoek, waarvan de
+eigenaardige plooiïng en wijze van dragen, bijna volkomen overeenkomst
+heeft met de doek van de Zeeuwsche drachten.
+
+Als zoodanig kenmerkt dit costume zich dan ook als bij uitstek van
+Hollandsch maaksel.
+
+Tot voor kort droegen de meisjes merkwaardige kapjes en omslagdoeken,
+die thans door meer moderne, maar minder fraaie capes vervangen
+zijn. De kleinere meisjes dragen witte schorten, waarvan het model
+in de laatste tijden ook verandering onderging. Die eigen-gereide
+vervormingen zijn erger voor een nationale dracht, dan de totale
+afschaffing. Daar komt bij, dat de meisjes zelf in de laatste jaren, in
+de week, deze dracht niet met de noodige zorg dragen, en zich daardoor
+minder aantrekkelijk voordoen dan ze zouden hebben kunnen zijn. Zij
+ook hebben meegewerkt deze dracht in discrediet te brengen. De hoogst
+onredelijke critiek van buitenstaanders over het "gevangenis-pak van
+deze arme kinderen" heeft het andere gedaan. Tegen domheid vechten
+zelfs de goden te vergeefs.
+
+Mocht dit zoo bijzonder aantrekkelijke costume echter uit Amsterdam's
+straten verdwijnen, dan zullen zij veel missen, die nooit, op een
+mooie Zondagmorgen, dat rijtje rood-wit-zwarte meisjes in hun uiterst
+aesthetische kleedij, dat typische poortje in dit stukje Oud-Amsterdam
+hebben zien uitschreiden.
+
+De jongens-dracht is, half zwart, half rood, door haar snit echter
+weinig opmerkelijk.
+
+Ook Haarlem heeft zijn burgerweezen, ook in een oude dracht, ook rood,
+zwart en wit, maar ze is niet zoo fraai als de Amsterdamsche, ze is
+ietwat stijver, vooral de muts en de omslag-doek van de meisjes. (Zie
+bl. 15.)
+
+Behalve het Burgerweeshuis heeft Amsterdam nog een paar andere
+weeshuizen, de Oranje-appel, het Maagdenhuis enz., waar de dracht van
+de verpleegden een zekere historische oorsprong heeft, maar thans te
+veel ontsteld is.
+
+
+
+
+
+UTRECHT.
+
+
+In Utrecht is alléén iets van de nationale kleedij over, in de
+streken die aan het Gooi en Gelderland grenzen. De groote streek
+waar nog de nationale dracht in eere is, en die zich langs de kust
+van de Zuiderzee van Staphorst tot Huizen uitstrekt, gaat ook over
+de noord-oostelijke hoek van de provincie Utrecht. Daar vindt men
+dan ook in Soest en omgeving, Hoogeland, en vooral in Spakenburg en
+Bunschoten nog zeer belangrijke resten van de oude kleedij.
+
+Soest en Hoogeland (zie bl. 25) sluiten zich bij Laren aan, en vormen
+een groep apart, waar de zoogenaamde vierkante muts (zie bl. 26) het
+voornaamste kenmerk van is. Overigens is de kleedij met omslagdoeken
+in (soms) kleurige zijden, en de gouden (kruize) kettingen ongeveer
+gelijk aan wat men in Laren ziet. Maar opmerkelijk en zeer bijzonder
+is de dracht in Spakenburg.
+
+
+
+SPAKENBURG.
+
+Die twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, liggen als een eiland in een
+wijd plat uitgestrekte landstreek, bijna zonder boomen, zich tusschen
+Nijkerk en Eemnes uitstrekkend, de Eem-vlakte, ten noorden begrensd
+door de zee, ten zuiden door het land en de bosschen van Baarn, links
+door het Gooi en rechts door de zandgronden van Gelderland. In die
+kale uitgestrektheid, tegen den zeedijk, ligt het oude visscherdorp
+Spakenburg, waar de traditie van de oude kleederdracht nog zoo fraai
+is bewaard gebleven.
+
+In hoofdzaak zijn het wèliswaar de vrouwen en kinderen wier kleeding
+belangrijk is, maar toch ook hebben de mannen nog niet geheel hun
+oude dracht vergeten, welke--wat zeer begrijpelijk is--zeer aan die
+van Marken, Urk en Volendam doet denken, ofschoon veel minder dan de
+dracht die de mannen van Huizen dragen.
+
+De vrouwen-kleeding geeft, op het eerste gezicht, het meest den
+indruk van die van Marken, voornamelijk omdat ze zoo kleurig is. Maar
+het blijkt dat ze, wat constructie betreft, zich toch geheel bij de
+drachten van de Zuiderzee-kust aansluit, zoowel wat de lijfs-kleeding
+als de muts aangaat.
+
+Opgemerkt dient, dat de twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg,
+één geheel vormen, en dat de drachten en de huizen daar volkomen
+gelijk zijn. Spakenburg is het visschersdorp dat met een kanaaltje
+van een paar honderd meter met Bunschoten, dat meer in het land ligt,
+verbonden is.
+
+De dracht van een Spakenburgsche (of Bunschotensche) kan aldus
+omschreven worden: (Zie bl. 27, 28, 29.)
+
+Het haar wordt opgestoken, met een zwart bandje vastgebonden, dat van
+boven het voorhoofd tot onder het achterhoofd gaat. Daarover komt de
+zwarte ondermuts, daarover de witte gehaakte of gebreide ondermuts,
+die plat tegen het hoofd aanligt, en niet uitsteekt. (Zie bl. 28,
+29.) Daarover de witte kanten muts, die ietwat naar voren steekt, een
+randje van kant heeft, en van onder een weinig wordt omgebogen. (Zie
+bl. 27 en 29.) Dit soort muts lijkt op de (oorijzer) mutsen van Huizen,
+(zie aldaar) maar is veel kleiner, en ze lijkt eveneens op de muts
+van Harderwijk en Nunspeet, maar iets grooter. Het type is bijna
+hetzelfde. Oorijzer en belletjes worden niet gedragen. (Zie bl. 27
+en 29.)
+
+De lijfs-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een hemdrok
+van zelf-gereide stof, (zie Staphorst) zwart met blauwe voering,
+rijkend tot het middel. Daarover den _slippen-kolder_, een soort buis
+met schootjes, geen mouwen. Onder deze kolder een witte _onderdoek_, om
+den hals. De hemdrok is voorzien van half lange mouwen, die van friesch
+(rood) bont zijn, en te zien blijven als de kleeding geheel voltooid
+is. (Zie bl. 27, 28, 29.) Daarover komt de krap-lap, in Bunschoten die
+van zeer bijzonder model is. Ze is korter dan gewoonlijk, gaat niet tot
+de taille, zooals gewoon, maar slechts tot halverwege de borst, maar ze
+is zeer breed, zoodat ze buiten de schouders uitsteekt, en daardoor als
+het ware kappen om de schouders vormt, die het geheele figuur breed en
+vierkant maken, en het bijzondere van de geheele dracht vormen, omdat
+er de aandacht zoo dadelijk door getrokken wordt. (Zie bl. 27.) Over
+die krap-lap, die van witte stof, (katoen) met zeer kleurige (roode)
+bloemen versierd, gemaakt is, komt de _roode doek_, de halsdoek,
+die niet breed uitgedragen wordt, zooals bij de andere drachten,
+maar stijf om den hals zit, en even smal over de borst gaat, en in de
+taille wordt vastgezet. Deze doek is _altijd rood_, van friesch bont,
+en wordt met spelden vastgezet. Bij de bruid is die doek wit.
+
+De onderkleeding bestaat uit een (open) broek en een onderrok van
+gestreept katoen, die door _de heupen_, driekante kussentjes, die in
+de taille ter zijde worden gelegd, om de rokken te doen uitstaan,
+worden opgehouden. Daarover gaan twee roode baaien rokken en een
+gestreepte katoenen rok. 's Zondags komt er nog, over die roode
+rokken, een derde bij. Daarover de zwarte plooitjes-rok, van voren
+glad, van achter geplooid. Door de week is deze geheel effen, zonder
+plooien. Ook deze rokken zijn van zelf-gebreide stof. Daarover komt
+de boezelaar--genaamd: de _schulk_, (zie Huizen, Staphorst enz.) van
+blauw katoen, met een "_stukje_" van friesch (rood) bont, het patroon
+'t zelfde als van de halflange mouwen. Dit schort wordt vastgemaakt
+met blauwe linten.
+
+Zeer opmerkelijk is bij deze dracht, de wijze, waarop deze rokken
+en boezelaar van achter worden vastgemaakt en opgehouden door een
+koperen haak, die aan de slippen-kolder is vastgehecht. De rokken
+en boezelaar worden allen op die wijze in de hoogte--om 't zoo
+te zeggen--opgehangen, zoodat plooien en lijnen van de Bunschoten
+vrouwen-dracht, van achter, allen naar één punt (die haak), even
+boven de taille te samen komen, even onder de krap-lap.
+
+Die constructie is zeer opmerkelijk.
+
+Zeer bijzonder is ook nog het trouw-costume, dat alle jonge meisjes in
+voorraad schijnen te hebben, zelfs reeds vóór dat zij verloofd zijn,
+en waarmede zij 's zondags naar de kerk gaan.
+
+Het bestaat in hoofdzaak uit een jak, genaamd: het _brung-jak_, van
+meestal bruine stof, versierd met een motief van kleine appeltjes. Die
+stof heet dan ook _appeltjes-brung_.
+
+De vorm van dat jak is zoo, dat van voren een lage uitsnijding komt, in
+hart-vorm, van achter vele plooien te samen komen onder twee knoopjes,
+die even boven de taille (tusschen de schouderbladen) zijn aangebracht.
+
+Dit jak wordt over de gewone kleeding, met krap-lap én al,
+aangetrokken.
+
+De krap-lap is dan evenwel niet stijf, en de doek, die anders altijd
+rood is, is bij de bruid _wit_.
+
+Over dit jak wordt een zwart zijden schort gedragen, dat van achter
+opgebonden wordt, de band over de twee knoopjes (op den rug) gaande.
+
+'s Zondags draagt men ook wel dit zelfde jak van koren-blauw, ook
+met appeltjes, en dan soms ook een wollen scholk, met bont zijden
+stuk en zijden linten. Door de week echter, zijn alle vrouwen (zie
+bl. 28) hetzelfde gekleed, met groote, wijde, witte scholk en de
+roode halsdoek.
+
+De schoenen zijn zeer breede, zwart leeren pantoffel vormige sloffen,
+met groote, breede zilveren gespen. Door de week, draagt men meestal
+klompen.
+
+De kinderen zijn eenvoudiger gekleed, ofschoon de kleur even sterk
+is--meestal gestemd op rood. Zij dragen een bont rokje (gekleurd
+katoen) en daarover een friesch bont (meest rood) scholkje.
+
+De hoofdbedekking bestaat uit een gebreide muts van witte of donkere
+wol, met witte mopjes, of uit een zwarte mutse, op de wijze zooals de
+kinderen op de Veluwe dragen. (Zie Hierden, Nunspeet, Staphorst.) Ze
+heeft dezelfde vorm, bestaat uit een nauw-sluitende muts, met een
+dikke rand van voren, genaamd: _de zwarte pluim_. Aan de linkerkant
+van het hoofd is een strikje, aan de rechterkant een _goud krapje_,
+een gesp of ander soortige versiering.
+
+De bevolking van deze twee dorpen is geheel gereformeerd. Katholieken
+of joden zijn er niet. Ook die eenheid van godsdienst--dat
+conservatisme--komt het voort-bestaan van deze eigenaardige dracht
+ten goede, zooals overal dergelijke eenheids-godsdienst-toestanden
+de nationale eigendommelijkheid helpen bewaren.
+
+Bijzonder aesthetisch is deze dracht niet. De vormen die de toch
+al niet al te fraaie vrouwenlichamen aannemen, zijn, zooals die van
+Marken, houterig en log. Maar het eigendommelijke van de dracht is
+des te opmerkelijker.
+
+
+
+In de andere deelen van de provincie Utrecht, is de nationale dracht
+zoo goed als geheel verdwenen, tenzij dat hier en daar oudere vrouwen
+nog een hulle dragen. Die is dan echter meestal niet van specifiek
+Utrechtsche vorm.
+
+
+
+
+ZUID-HOLLAND.
+
+
+In de provincie Zuid-Holland, is niet veel meer van de nationale
+drachten overgebleven. Al wordt, door de geheele provincie, vooral in
+Schie en Rijnland, de Hollandsche muts nog wel gedragen, en al vindt
+men op de eilanden nog overblijfselen van die oude costumes, zooals
+ook langs de kust van de Noordzee, toch is er geen enkel centrum waar
+de dracht nog zoo compleet gedragen wordt als op Marken, Volendam of
+in het Gooi.
+
+Te Katwijk (zie bl. 31) en Noordwijk (zie bl. 30) heeft de
+visschersbevolking nog een zeker cachet, vooral de vrouwen, met hun
+eigenaardige mutsen en gouden sieraden. Maar 't belangrijkste van
+wat in deze provincie gevonden wordt, ziet men in Scheveningen. (Zie
+bl. 32, 33.)
+
+
+
+SCHEVENINGEN.
+
+
+Het is alweer zeer opmerkelijk, hoe in een dorp, zoo vlak bij een
+groote stad, en naast een steeds grooter wordende internationale
+badplaatsbevolking, een andere bevolking haar oude gebruiken zóó
+sterk bewaren kan, als bestond die stad en dat internationale verkeer
+niet. Twee uitersten leven en bestaan hier naast elkaar, zonder elkaar
+te beïnvloeden.
+
+En niet alleen dat de Scheveningsche dracht, vooral onder de vrouwen,
+zoo algemeen blijft, het is ook zoo eigenaardig dat ze weinig
+verandert. De grootste veranderingen zijn er een geslacht terug al in
+aangebracht, in de groote periode, waarin de boeren-bevolking onder
+den invloed van de beschaving der steden kwam.
+
+De Scheveningsche vrouwen-dracht is aldus te omschrijven: Zij draagt
+vijf rokken over elkaar van verschillende kleur en stof, waarvan
+de bovenste van zwart thibet of merinos is. Daarover draagt zij een
+zwart schort, des Zondags van zijde. De bekleeding van het bovenlijf
+bestaat uit een jak van gewone katoenen stof, grijs van kleur, of
+bruin, of blauw. Daarover komt een schouderdoek, vierkant, maar dubbel
+gevouwen tot een groote driehoek, en alzoo omgeslagen, en vastgemaakt
+in de taille. Deze doek is van wol, en groen, bruin of blauw. Op het
+hoofd draagt men de _mop-muts_, genaamd: de "_moppes_", met oorijzer,
+waarin de _parel-spelden_, naar boven stekende spelden, van goud:
+die aan het Scheveningsche costume zoo bijzonder opmerkelijk zijn. Het
+oorijzer eindigd in de _stukken_, mooi bewerkte ovalen gouden sieraden,
+in de vorm van een broche. Aan de zijkant van de muts zijn plooien,
+genaamd: "_de klappen_". Deze mutsen zijn 's Zondags van kant. Als
+men in de rouw is zijn ze van effen battist of van "kamerdoek".
+
+De doek wordt bij den hals, saamgehouden door een gouden broche. Om
+den hals komt de halsketting, met gouden slot van voren.
+
+Over dit costume wordt 's winters de _schoor-mantel_ (schouder-mantel)
+gedragen, die 's Zondags van allerlei kleuren is, van binnen met witte
+baai is gevoerd. De kraag is zeer stijf en versierd met opgeplooid
+lint. In de rouw of op gewone werkdagen, is deze schoor-mantel van
+zwarte stof, rood gevoerd, met stijve kraag, met fluweel geboord.
+
+Deze dracht wordt door de Protestantsche vrouwen gedragen, en alléén
+door de visschersbevolking.
+
+De Roomsche vrouwen dragen om den hals, in plaats van de broche, een
+kruisje, en, indien het burgervrouwen zijn, dragen zij aan de muts
+niet de rijk bewerkte ovalen "_stukken_", maar "_boeken_", vierkante
+gouden plaatjes, die soms eenigszins cilindrisch omgebogen zijn.
+
+Het mannen-costume bestaat uit een blauwe trui van wol, en een wijde
+broek, met een pet op.
+
+Als herinnering aan oude tijden wordt, bij gelegenheden, de hooge
+hoed gedragen. (Zie bl. 33.)
+
+
+
+De kleedij op de Z.-H. eilanden, vooral op Goeree en Overflakkee,
+sluit zich bij de drachten van Zeeland aan, speciaal die van
+Noord-Beveland. Zij geeft dezelfde lange, wijde muts te zien met
+de "kurketrekkers" van goud langs de slapen, die men "_krullen_"
+noemt. De wijde floddermutsen van deze Z.-H. eilanden, zijn echter
+niet zoolang en groot als die van Noord-Beveland. Bovendien zijn de
+gouden sieraden iets anders.
+
+
+
+
+ZEELAND.
+
+
+Men kan gerust zeggen, dat de Nederlander, die Zeeland nooit bezocht
+heeft, niet alleen het mooiste, maar ook het merkwaardigste deel van
+zijn land niet kent.
+
+Daar waait in dit eilanden-domijn een heel andere wind dan in het
+overige deel van Nederland. Het is alsof men daar in een heel andere
+cultuur-staat verplaatst wordt, het is anders dan heel het overige
+Holland bij elkaar, het is meer algemeen menschelijk, meer natuurvol,
+meer inspireerend, meer tot "den mensch" sprekend dan al het andere,
+wat in het feitelijke Holland en in de andere provinciën het eigenlijke
+Hollandsche van Holland maakt.
+
+Dat komt door het land, den bodem, door het menschen-ras en door de
+kleeding, die alle drie, deze buitengewone sfeer scheppen, die niet
+alleen eenig is voor Nederland, maar ook in dit deel van Europa zijns
+gelijke niet heeft. Zeeland is nog het Natuur-land in het overigens
+geheel "ver-civiliseerde" Holland, het is de tuin van Nederland. En
+de bloem uit dien tuin is Walcheren.
+
+
+
+A. WALCHEREN.
+
+
+Welk een schoonheid. Schoonheid van land, bouwland, parken, bosschen,
+duinen en zee, schoonheid van oude steden, oude architectuur,
+schamele resten van een cultuur, zóó eigen als in geen van de
+andere deelen van Holland gevonden wordt, en die nog werkelijk
+voortleeft, ondanks de moderne tijden, ondanks dat dwars door dit
+eilandenrijk het wereldverkeer voortijlt. Dat is het merkwaardige
+van Walcheren, dat is zijn pracht, omdat het zuiver-menschelijk en
+natuurlijk-volmaakte wat daar te zien is, tot het gevoel van het
+hart, en tot het begrip van de objectieve schoonheid spreekt. En dat
+natuur-schoon van land en ras spiegelt zich daar in de kleedij, of
+omgekeerd, de bevolking componeerde zich een kleedij, waardoor zijn
+eigendommelijke rassenschoon zoozeer uit komt en geäccentueerd wordt.
+
+En dat geldt niet alleen voor de vrouwen en meisjes met hun prachtige
+bouw, hun mooie lichaams-lijnen en fijn besneden gezichten, de donkere
+oogen, de prachtige armen en de mooie halzen. Maar dat geldt ook
+voor de mannen, die typen te zien geven vol van wereldwijsheid en
+menschenkennis, alsof een cultuur van geslachten oud al deze gewone
+boeren, die in hoofdzaak de landbouw bedrijven, hun interessante
+gezichten geteekend heeft.
+
+En de kleedij is er juist op berekend om den opmerker dat alles nog
+meer te doen beseffen. Want zoowel de mannen- als de vrouwen-kleeding
+op Walcheren is hoogst eenvoudig. Moge ze vroeger rijker, kleuriger
+geweest zijn, zooals een paar zeer fraaie voorbeelden in het museum van
+Middelburg getuigen, ze was toen toch reeds wat ze nu was, niet anders
+dan dat wat een goede, rationeele kleeding uit haar wezen zijn moet,
+het middel om de persoonlijke schoonheid van het individu nog meer te
+doen uitkomen, te doen opmerken. En waar zou dat meer gerechtvaardigd
+zijn, tot mooier geheel hebben kunnen voeren dan juist op Walcheren.
+
+De vrouwen-dracht is voor de kinderen en de volwassenen hetzelfde. Zij
+bestaat uit de gewone onderkleeding en een aantal rokken, waarvan de
+bovenste, zooals ook het van voren met een "coeurtje" uitgesneden
+lijfje, van zwarte stof is. Deze werd in de laatste tijden steeds
+dunner, zoodat de figuren van de draagsters slanker werden. Zelfs
+werd het corset te hulp genomen om de natuurlijke fraaie lichaamsbouw
+nog meer te doen uitkomen. Vroeger werd dit corset natuurlijk niet
+gedragen. De armen zijn bloot tot boven den elleboog. Van voren en van
+achter iets minder, komt de witte "beuk", het Zeeuwsche kleedingstuk
+par excellence, te zien.
+
+Deze is op Walcheren meestal wit, soms met kant en plooien, welke
+laatste "verfraaiïngen" toevoegsels en veranderingen van den nieuweren
+tijd zijn. (Zie bl. 34.)
+
+De hoofdbedekking bestaat uit een witte ondermuts en witte boven-
+of trekmuts, vrij eenvoudig van model, maar bijzonder gemaakt door de
+eigenaardige veelvuldige kleine plooitjes, en door de gouden sieraden
+die aan de slapen, naast en bijna voor de oogen hangen. Het haar
+is op zeer bijzondere wijze gekruld, zóó, dat het van voren met een
+zeer regelmatige wrong (of krul) onder de muts uitkomt. (Zie bl. 34,
+35, 36, 37, 38.) Om den hals, die dikwijls (vooral in den zomer)
+vrij laag geheel bloot is, (als de beuk wat meer naar beneden is
+getrokken) wordt een bloedkoralen ketting gedragen van rijen kralen,
+met een dikwijls zeer mooi gouden slot (van oude bewerking) van voren.
+
+De schoenen zijn lage muilen, op het land draagt men klompen.
+
+In den winter trotseert de gezonde Zeeuwsche de barre koude, ondanks
+haar steeds bloote armen, (die dan echter met zwart-wollen pols-mouwen
+zijn bekleed) alléén met een (meest zwart) wollen omslagdoekje van
+betrekkelijk zeer geringe afmeting.
+
+Op het hoofd wordt een klein wit strooien hoedje gedragen, geboord
+met een kleurig (meest blauw) of zwart lint, dat in zeer bijzondere
+plooiïng, van achter, tot een soort roset wordt. Dit lint hangt bij de
+vrouwen, uit het Middelburger Ambacht, langs het hoofd, naar voren,
+over de borst neer. Dit hoedje verdwijnt echter hoe langer hoe meer,
+zooals de groote platte hoeden, die men tot voor een geslacht terug
+nog droeg, en die reeds geheel verdwenen zijn.
+
+De kinderen op Walcheren, dragen aan de muts lange kanten stukken,
+die tot op den rug afhangen.
+
+Dat is de _kindermuts_, zooals die op heel Walcheren voorkomt. Ze is
+ook de dracht van de vrouwen uit het Middelburger Ambacht, dat is de
+streek direct om de stad Middelburg heen. Deze muts is veel eenvoudiger
+van vorm dan de trek-muts, die de gewone Walcherensche dracht is. Ze is
+niet zoo fijn geplooid--kost dus veel minder van "opdoen", maar heeft
+een afhangende strook van achter (zie bl. 38)--die bij de kinderen,
+vooral als ze klein zijn, soms tot aan het middel valt. (Zie bl. 37.)
+
+De Middelburger-ambacht-muts wordt daarom ook door vele vrouwen uit
+het volk gedragen, omdat ze minder kostbaar is. (Zie bl. 38.)
+
+Dit costume wordt op Walcheren nog zeer veel gedragen, zelfs in
+de steden, behalve Vlissingen, waar alle herinnering aan het oude,
+door de zegeningen (?) van de moderne industrie, zijn gedood.
+
+Niets merkwaardiger dan een marktdag op Donderdag in Middelburg,
+voor het mooie Stadhuis of op de schilderachtige Botermarkt, waar
+men een gekrioel van de meest verscheidene Zeeuwsche drachten waar
+kan nemen. Dit is een werkelijk eenig schouwspel in dit gedeelte
+van Europa, omdat het niet alléén zoo bijzonder eigendommelijk is,
+maar tegelijk werkelijke schoonheid te zien geeft, schoonheid van
+menschen-ras, en buitengewone aesthetische kleedij. (Zie bl. 26.)
+
+Vooral de kinderen zijn een lust der oogen.
+
+Nergens ziet men kinderen met zoo mooi gevormde gestalte, zoo fijn
+besneden gezichtjes, zoo stijl-volle allure als op dit merkwaardige
+eiland. En waar men, op een of ander afgelegen dorp een school ziet
+uitgaan, moet het treffen, dat vele van deze kleintjes, (vooral de
+meisjes) een verschijnen hebben alsof het "aangekleede stadskinderen"
+zouden zijn, als men die qualificatie althans als een omschrijving van
+beschaafdheid zou willen doen gelden. Maar die "_boeren_" kindertjes
+van het platteland van Walcheren, hebben meer "cultuur" dan de
+stads-kinderen, want ze zijn natuurlijker. Bij hen is de mooie houding,
+de vriendelijkheid en de liefheid niet een gevolg van aangeleerdheid,
+maar ze zit in het ras, zooals ook hun geheel on-boersche schoonheid
+uit hun ras voortkomt. Het zijn gecultiveerde-natuur-menschen.
+
+
+
+Walcheren bestaat eigenlijk uit twee deelen, die in de laatste eeuwen
+echter slechts één eiland vormen. Het land van Arnemuiden en Nieuwland,
+dat ten oosten van het kanaal van Walcheren ligt, heeft daarom ook een
+eigen kleederdracht. Deze lijkt in veel opzicht, wat de vorm aangaat,
+op de Zuid-Bevelandsche, en sluit zich bij deze aan.
+
+Maar het verschil zit in de muts. (Zie bl. 40, 41.) Die kap is anders
+dan de Zuid-Bevelandsche en anders dan de Walcherensche. Ze is niet
+zoo groot als de eerste, en grooter dan de laatste, maar van achter
+is ze anders geplooid dan een van deze kappen, ook om den hals zit
+ze anders. Ze is echter buitengewoon fraai van model, zelfs voor
+de kinderen, die haar niet van kant, maar van battist of neteldoek
+dragen. (Zie bl. 42.)
+
+
+
+Wat de kleedij van de Walcherensche boeren betreft, deze is, zooals
+die van de andere deelen van Zeeland nog wel eigenaardig, maar, op
+een paar blinkende Zeeuwsche knoopen na, en een beetje eigenaardige
+snit, niet veel anders dan alle boeren-drachten. Het merkwaardige
+ligt meer in den drager dan in zijn costume, en, door het bijzondere
+uiterlijk--den niet te omschrijven wereld-wijzen kop van den Zeeuwschen
+boer--verkrijgt zijn heele verschijning iets zeer aparts, dat toch
+maar voor een zeer klein deel door het costume veroorzaakt wordt.
+
+
+
+B. ZUID-BEVELAND.
+
+
+Het Zuid-Bevelandsche costume is het rijkste van alle Zeeuwsche
+drachten, ofschoon het Axelsche (uit Zeeuwsch-Vlaanderen) het meest
+eigenaardige en bijzondere is. Het Walcherensche is ongetwijfeld het
+meest natuurlijke en menschelijkste.
+
+Zeer opmerkelijk is het nogal belangrijke onderscheid dat er tusschen
+de Roomsche en Protestantsche drachten op het eiland bestaat, (zie
+bl. 44, 45), welk onderscheid het meest uit de kleedij van de vrouwen
+spreekt. En in hoofdzaak ligt het verschil in de muts.
+
+De Protestanten dragen een ronde muts, d.w.z. eene waarvan de groote
+vleugels links en rechts van het hoofd regelmatig rond ombuigen,
+en zich van achter in den hals vereenigen. Daardoor moet het slot
+van de halsketting van voren gedragen worden.
+
+De Roomsche vrouwen hebben daarentegen een muts, die meer vierkant van
+model is, althans van achter op zeer bijzondere wijze in rechthoekigen
+vorm bijeen is gebracht. De zij-kanten langs het hoofd vallen niet
+naar achter, maar in naar onder recht (vierkant) afgewerkte vleugels
+naar voren, zoodat den nek vrij komt en aldaar het gouden slot van
+de halsketting gedragen wordt. (Zie bl. 46, 47.)
+
+Bovendien is de _beuk_, "_hèt_" beroemde Zeeuwsche kleedingstuk, bij de
+Roomschen rondom den hals versierd met een randje kant en kralen. De
+Protestanten hebben dat niet, de beuk is niet versierd. (Vergelijk
+bl. 46, 47, 48 met bl. 50, 51.) Een Zuid-Bevelandsch costume kan
+alsdus worden omschreven. (Zie bl. 43 tot en met 51.)
+
+Over het algemeen draagt men drie rokken. De rok heet op z'n zeeuwsch
+"_keus_", zoodat er gesproken wordt van een _lief-keus_, (lijf-rok),
+dat is een rok waaraan een lijfje vast is, en van een _rand-keus_,
+een rok waaraan, van onder, een rand bevestigd is.
+
+Die rokken zijn 's winters en 's zomers verschillend van stof en
+van kleur.
+
+Over die rokken komt een dof-blinkend zwart _schort_, van zijde
+of satinet.
+
+De rokken sluiten aan den zij-kant, met haken en oogen, de plooiïngen
+vallen aan den zij-kant en van achter. Van voren zijn geen plooien.
+
+Over het bovenlijf een wit katoenen hemd, daarover een _hemd-rok_
+met korten mouwen, van voren sluitend.
+
+Daarover dragen de Protestantsche vrouwen een corset, de Roomsche
+daarentegen niet. De Protestantsche dragen bovendien een broek,
+de Roomsche vrouwen niet.
+
+Over dit hemd-rok komt de _beuk_.
+
+Dit zoo beroemde en belangrijke kleedingstuk bestaat uit twee bijna
+vierkante lappen, ongeveer 35 bij 45 cm. groot. Ze zijn aan den
+eenen kant aaneen gehecht, met een uitschulping, om den hals door te
+laten. Die twee vierkante stukken bedekken dus, de eene de borst,
+de andere den rug, ze worden vastgehouden, op de eene schouder met
+haakjes en oogen, van onder met banden.
+
+De "beuk" is een kleedingstuk dat in bijna alle Nederlandsche
+nationale drachten een voorname rol speelt. In Zeeland heet het de
+"_beuk_", maar in de andere deelen van Nederland waar het voorkomt,
+Volendam, Spakenburg, op de Veluwe, Staphorst enz., enz., heet
+ditzelfde kleedingstuk de _krap-lap_ of _kra-lap_ of _krop-lap_. De
+vorm wijzigt zich soms zeer, (zooals te Spakenburg), maar de idee en
+de bedoeling blijft steeds dezelfde.
+
+Deze beuk wordt van gebloemd katoen of zijde gemaakt, ieder jaar van
+een andere stof, naar "de mode" en de nieuwe smaak, dat aangeeft,
+en deze wordt op den Paaschdag vertoont. Paaschen is de mode-datum
+.... en .... niet alléén in Zeeland.
+
+De rijkdom van menig zeeuwsch meisje wordt ook naar het aantal
+verschillende beuken en doeken die zij heeft, afgemeten, (afgezien nog
+van de _kap_, de "_stukken_" en de halsketting.) Maar menige zeeuwsche
+schoone heeft kasten vol beuken en doeken, (soms 30 stuks en meer)
+waarvan erbij zijn van zeer groote kostbaarheid, omdat de duurste
+zijde er voor gebruikt wordt.
+
+De kleur van deze beuken is niet te bepalen. Alle kleuren worden
+gebruikt, en bij de Roomschen wordt het effect nog verhoogd door de
+kanten en kraaltjes om den hals. (Zie bl. 46, 47, 48.)
+
+De _doek_ is een vierkante lap (doek), van ongeveer 1.50 meter lengte
+en een 1 meter breedte, die diagonaals-gewijze gevouwen wordt, zeer
+zorgvuldig wordt geplooid, welke plooien door spelden in bedwang
+gehouden worden. Deze doek wordt om de schouders omgeslagen, van
+voren over elkaar gelegd, en in de taille wordt ze (met spelden)
+vastgemaakt. Deze doek is van allerlei stof en kleur, dikwijls zelfs
+van fluweel, soms van zijde, door de week ook wel van katoen. (Zie
+bl. 46, 47, 48, 49, 50, 51.)
+
+Aan de voeten draagt men lage schoenen van leer.
+
+De hoofdbedekking is zeer ingewikkeld. Het haar wordt meestal kort
+geknipt, behalve van voren om "_de krul_" te maken, de haarkrul
+die van voren onder de muts uit, te zien komt. De kinderen dragen
+ponny, genaamd: "_de bles_". (Zie bl. 43.) Over het haar gaat de
+_gouden beugel_ van zeer bijzonderen vorm, die in twee vierkante
+_bladen_ eindigt, die van voren met lijn-ornament zijn begraveerd,
+van achter glad. Die heele versiering heet "_de stukken_" en ze is
+altijd geheel van goud. Daarover komt de _tip-muts_, een wit mutsje
+met een plooi-kantje ringsom, een bol, en met een bandje op het hoofd
+gehouden. Van voren een klein kantje.
+
+Over deze tip-muts dragen de Roomsche vrouwen een
+_blauw-zijden-mutsje_, dat alleen den bol van het hoofd bedekt. (Zie
+bl. 48.)
+
+De Protestantsche hebben dit niet. Daar is dit mutsje wit, of, in
+den rouw, zwart.
+
+Daarover komt dan de boven-muts, bij Roomschen zoowel als bij
+Protestanten. De vorm is het best op de photographie te zien. (Zie
+bl. 46, 51.)
+
+De mutsen der Roomschen worden ietwat met _blauwsel_ gestreken,
+die van de Protestantschen zijn wit. De eersten strijken en maken
+hun mutsen niet zelf, dat doet de "_mutsen-opdoenster_". De laatsten
+strijken de mutsen zelf.
+
+Naast de stukken, die nu onder de boven-muts uitkomen en door "_de
+draai_" in de gouden spang die hen vasthoudt, naar links en rechts
+van het voorhoofd uitstaan, zijn de _cantille-spelden_ in de tip-muts
+gestoken. (Zie bl. 46.) Daarboven steekt men de _boven-spelden_,
+kleiner, massiever van vorm dan de opengewerkte cantille-spelden.
+
+Dan komt daar nog de _bloedkoralen halsketting_ en het gouden slot
+bij. Men draagt vijf rijen vrij groote koralen, 's zondags zelfs zes
+rijen. Het slot (bij de Roomschen van achter, bij de Protestanten van
+voren) heeft door de week drie "oogen", 's zondags vijf. (Zie bl. 46,
+47, 48 en bl. 50, 51.)
+
+Al deze sieraden vertegenwoordigen dikwijls een heele waarde,
+zoodat het begrijpelijk is, dat zij, die eenmaal deze dracht hebben,
+ze in eere houden, zij die ze niet hebben, haar niet gemakkelijk
+aanschaffen. Maar de meeste Zuid-Bevelandsche vrouwen, zoowel
+Protestantschen als Roomschen, blijven die nationale kleedij tot
+nogtoe zeer getrouw, wat vooral bewezen wordt door het feit dat zij de
+jeugd, zelfs het kleinste kindje, dagelijks in die dracht tooien. (Zie
+bl. 43.) En dat zegt wat, als de jeugd er nog aan hecht de nationale
+dracht te dragen!... Dan is het voortbestaan van die dracht vooreerst
+gewaarborgd.
+
+De bloote armen worden in den winter, zoowel op Walcheren als
+op Zuid-Beveland, tegen de koude beschermd door _pols-mouwen_ of
+_mitaines_, die de merkwaardige naam van "_Labedisten_" dragen,
+afkomstig van den godsdienstigen dweper Jean de la Badie, die in
+1666 te Middelburg predikaties hield tegen de in zijn oogen onzedige
+gewoonte van de vrouwen, om de armen bloot te dragen.
+
+Zooals gezegd, wordt de Zuid-Bevelandsche dracht reeds door de zeer
+jonge kinderen gedragen, ook door de jongentjes. Bij de meisjes zijn
+dan de schorten meestal van zoogenaamd _friesch bont_--(met blauwe
+ruiten geweven katoen.) (Zie bl. 43.)
+
+In den rouw zijn alle onderdeelen van deze kleedij, ook bij de
+kinderen, zwart, de vorm echter blijft steeds hetzelfde.
+
+
+
+Ook nog is een zeer bijzondere vrouwen-dracht in Zeeland opmerkelijk,
+die in de _oester-putten_ bij Ierseke gedragen wordt. Het costume
+bestaat dan, voor het bovenlijf en het hoofd geheel uit de gewone
+dracht, alléén de rokken zijn vervangen door een hooge, wijde, leeren
+broek met waterlaarzen. Aesthetisch werkt over 't algemeen deze dracht
+niet, maar ze ontstond uit de behoeften van het bedrijf. Ze behoort
+dus meer tot de beroeps-drachten dan tot de nationale kleeding.
+
+
+
+C. ZEEUWSCH-VLAANDEREN.
+
+
+In Zeeuwsch-Vlaanderen is een streek, die zich tusschen Axel, Zaamslag
+en Hulst uitstrekt, waar het Axelsche costume gedragen wordt. Geen
+meer bizarre, meer on-Hollandsche dracht dan deze, niettegenstaande
+haar eigenlijke constructieve deelen zeer klaarblijkelijk van zuiver
+Hollandsch-Zeeuwsche afkomst zijn.
+
+Maar er zijn eenige details dermate in overdreven en geëccentueerd dat
+het geheel, op het eerste gezicht, zeer exotisch aandoet, en wellicht
+(als ik deze onderstelling wagen mag) is ontstaan onder den invloed
+van de madonna-beelden met hun (zie bl. 54, 55) versieringen zooals
+die in het nabije Vlaanderen-land in de Roomsche kerken, moge zijn
+opgemerkt. Zooveel is zeker, dat den indruk die deze dracht maakt,
+vooral als ze door kinderen en half-volwassenen gedragen wordt, die
+van een uitheemsch-afgodbeeld maakt, wonderlijk van vorm en kleur,
+maar in zeer hooge mate eigendommelijk en zeer zeker van bijzondere
+werking op de aesthetische verbeelding.
+
+Deze dracht wordt in die streek nog zeer veel gedragen. De
+mannen-dracht is tot de gebruikelijke zwarte boeren-kleedij
+teruggebracht, maar die der vrouwen en kinderen is des te
+rijker. De algemeene constructie van dit costume komt overeen
+met het Zuid-Bevelandsche, dat is, het bestaat uit eenige rokken,
+(keuzen) waarvan de onderste twee van baai zijn, dan één van _moiré_,
+en daarover een van zwart satijn of fransch _merinos_.
+
+Het bovenlijf is gekleed in het mouw-lijfje, waarvan de korte, even
+boven de ellebogen eindigende mouwen, geboord zijn met kant.
+
+Dan volgt de bekende beuk en de doek.
+
+De bijzonderheid bij deze dracht ligt hoofdzakelijk in de zeer rijke
+_koralen-versiering_ aan den hals, die op de beuk, zoowel van voren als
+van achter is aangebracht. (Zie bl. 54, 55, 56.) Bovendien is de doek,
+die steeds van gebloemde, gekleurde zijde is, op zeer eigenaardige
+wijze met groote punten op de schouders opgeplooid. Deze punten,
+die naast het hoofd naar boven steken, worden in de doek gehouden
+door stijfpapieren opvulsels. Daarbij komt, dat de boezelaar eveneens
+van kleurige gebloemde zijde is, en bovendien van voren in de taille
+een groote strik van breede zijden linten, rijk met kleurige bloemen
+versierd, gedragen wordt. (Zie bl. 54, 56.)
+
+Voeg daarbij de koralen ketting met gouden slot (van voren) en
+eenige gouden kettingen en broches (spelden) waarvan de voornaamste
+de groote zijden strik in de taille vasthecht. Het geheel krijgt
+daardoor dat zeer rijke, kleurige en zonderlinge uiterlijk wat de
+Axelsche dracht van alle andere nederlandsche drachten onderscheidt,
+zoowel door vorm als door kleur. (Zie bl. 54, 55, 56.) Opmerkelijk is,
+dat de hoofdbedekking bij zooveel rijkdom van de lichaams-kleeding,
+zeer eenvoudig is. Niets dan een witte onder-muts en een kanten over
+(trek) muts, en lange gouden spelden en krullen, alles vrij nauw aan
+het hoofd aansluitend.
+
+De tegenstelling in deze met het Zuid-Bevelandsche costume is zeer
+groot, waar de aandacht vooral getrokken wordt door de groote kanten
+kappen, zij het dan ook dat de afmeting van die kappen in de laatste
+kwart eeuw aanmerkelijk is toegenomen. Het Axelsche costume wordt
+in dit deel van Zeeuwsch-Vlaanderen slechts door de Protestanten
+gedragen; de Roomschen gaan in gewone burger-dracht, d.w.z. niet in
+nationaal costume.
+
+
+
+In het westelijk deel van Zeeuwsch-Vlaanderen, vindt men nog een
+merkwaardige rest van een oude dracht, te Breskens, tegenover
+Vlissingen. Daar bestaat het costume (van de vrouwen) in een soort
+_cornet-muts_ met ornament van bijzonderen aard (roset-vorming). De
+rest van het costume is een ouderwetsch _jak_, dat tot aan de knieën
+rijkt, over een zeer wijd geplooide rok en schort. Dit _jak_, rok en
+schort zijn (meest) allen van dezelfde kleur--bruin, grijs of zwart--en
+van een (meest) glimmende stof (zijden, satijn, satinet) of van katoen.
+
+Het geheel van dit costume maakt meer een ouderwetsche (Overijselsche)
+indruk, uit de periode 1830-60, dan van een werkelijk nationale
+Zeeuwsche dracht.
+
+In de nabije en oud-tijds zoo belangrijke vestingstad Sluis zijn
+wel een paar zeer mooie oude gebouwen uit de vervlogen glorie-tijd
+overgebleven, maar van een nationale kleedij is er geen spoor.
+
+
+
+D. NOORD-BEVELAND.
+
+
+Ten slotte bieden de Noord-Zeeuwsche eilanden een bijzonder type van
+nationale dracht in het Noord-Bevelander costume, dat ook op Tholen,
+Schouwen, Duiveland en de Zuid-Hollandsche eilanden nog gedragen wordt,
+ofschoon in eenigszins anderen vorm.
+
+De mannen hebben op die eilanden geen eigen dracht meer, en voor
+de vrouwen bestaat dat alléén uit een zeer omvangrijke en lange
+_flodder-muts_, die over een witte _onder-muts_, soms ook zonder deze,
+gedragen wordt, met de bekende gouden kurke-trekkers (_krullen_)
+aan de slapen, en een zeer bijzondere wijze van haar-dracht over het
+voorhoofd. Twee kunstig gedraaide krullen komen onder de muts uit,
+in een vorm, die doet denken aan een slakkenhuis. Deze muts rijkt,
+in Noord-Beveland, op den rug, tot in de taille, en plooit direct aan
+de slapen breed uit. Ze is voor het grootste deel van zeer fijne tule
+of kant, met een breeden geornamenteerden rand.
+
+De mutsen op de andere eilanden hebben ongeveer denzelfden vorm,
+maar zijn kleiner. (Zie Zuid-Holland.)
+
+
+
+
+FRIESLAND.
+
+
+Opmerkelijk is het, dat in Friesland, dat toch met de provinciën
+Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland de oude kern van het eigenlijk
+Holland uitmaakte, en welks volksstam van zoo overwegenden invloed
+op de overige bevolking van ons land was, géén of zeer weinig sporen
+van een eigen nationale kleedij gevonden worden, terwijl juist in de
+andere deelen van Nederland, de afstammelingen van diezelfde Friezen,
+de nationale dracht getrouw bleven. Wat hiervan de oorzaak zij,
+dient hier niet te worden onderzocht, slechts als een bijzonderheid
+te worden aangewezen. Het zij genoeg te vermelden dat juist dit
+volk, dat zich als geen deel van het Nederlandsche volk, zoozeer
+een eigen volksstam gevoeld, haar eigen kleedij in de praktijk van
+het hedendaagsche leven verloor, maar er tegelijk bijzonder trots op
+blijft zich in die kleedij te steken, zoodra zij zich als Friezen in
+het openbaar leven wil vertoonen.
+
+Het eigenaardige verschijnsel doet zich hier dus voor dat de oude
+dracht, die wel is waar door alle standen, in hooge eere gehouden
+wordt..... maar in hun kasten en doozen goed wordt opgeborgen..... maar
+zelden wordt gedragen. In de andere provinciën bleef men het oude
+costume getrouw..... of ze verdween in haar geheel, zoowel uit het
+werkelijke leven als uit de "rommelkamers" en oude koffers. Het
+"moderne geslacht" hecht niet meer aan "familie-stukken."
+
+Hoe eigenaardig deze toestand ook is, men vindt ze ook eenigszins
+terug in de Zaanstreek.
+
+Maar wat er van de friesche dracht in het werkelijke leven bleef,
+was _niets_ dan het beroemde _oorijzer_, waarin echter, in den vorm
+waarin het tegenwoordig nog gedragen wordt, moeilijk het oer-type van
+de hoofd-versiering te erkennen is, waartoe alle oorijzer-vormen, die
+in dezen tijd nog in de verschillende streken van Nederland gedragen
+worden, waarschijnlijk terug te brengen zijn.
+
+In het Friesch-museum te Leeuwarden zijn de verschillende
+verwordings-vormen van het friesche oorijzer bijeengebracht en in de
+catalogus, door den conservator Mr. P. C. J. A. Boeles, (uitgave Meijer
+en Schaafsma, Leeuwarden 1909) uitvoerig afgebeeld en omschreven.
+
+Uit deze serie blijkt in ieder geval--om hier zoo min mogelijk op
+historisch terrein te komen, dat het friesche oorijzer thans belangrijk
+breeder is dan het vroeger was, dan een van de andere oorijzers die
+in Nederland ooit geweest zijn. Bovendien is het friesche van goud,
+terwijl de (zooveel kleinere) oorijzers in de andere deelen van ons
+land (Scheveningen, Staphorst, Zeeland enz.) meestal van zilver
+zijn. Dit wijst op grooter rijkdom bij de Friezen, wat eveneens
+blijkt uit het nationale costume dat bij het oorijzer hoort, althans,
+wat er thans bijgedragen wordt door dames die zich in nationale
+kleedij wenschen te steken. Die costumes bestaan in hoofdzaak uit
+nogal wijde _jakken_ (tot de knie) en rokken, meestal in zijde van
+allerlei kleuren, waarover de doek (op de borst gekruist) en het
+schort gedragen worden. (Zie bl. 57, 58, 59.)
+
+Deze doek en schort, zijn evenals de witte _flodder-muts_ van dikwijls
+zeer kostbare, sierlijke en fijne kant. (Zie bl. 59.)
+
+De hoofd-tooi, waaruit thans echter het heele friesche nationale
+costume bestaat, en die nog in een groot deel van deze provincie
+gedragen wordt, (ofschoon steeds minderend), bestaat uit de witte
+tip-muts over het haar. Daarover de zwarte muts. Daarover het oorijzer
+en daarover de _flodder-muts_, met de twee gouden "_knoppen_"
+aan weerszijden van de slapen, boven het kant van de flodder-muts
+uitkomend.
+
+Dat, wat men echter thans, bij gelegenheden, als het origineele
+friesche nationale costume wil zien aangemerkt, heeft echter
+veel overeenkomst met de mode-kleedij van de periode 1830-60,
+vermengd met achtiend' eeuwsche herinneringen. De mannen-drachten
+die men daarbij rekent, hebben met hun driekante steken en korte
+kuitbroekjes te zeer een ietwat achttiend'eeuwsch cachet. Dat neemt
+niet weg dat het geheel van dit niet zoo zuiver historische costume,
+een bijzonder aesthetischen indruk maakt. Vooral de hoofdversiering is
+zeer "charmant" door het bijzondere dat de vrouwen van het friesche
+ras eigen is, zoodat het geheel alleszins aan den eisch voldoet die
+een werkelijke nationale kleeding gesteld mag worden, en dat is:
+dat ze kenmerkend, onderscheidend, voor dàt ras en dat land zij.
+
+
+
+HINDELOOPEN.
+
+
+Een zeer bijzondere groep vormen de Hindeloopen-drachten. (Zie bl. 61,
+62, 63.)
+
+Ook deze worden thans niet meer in het werkelijke leven gedragen,
+ofschoon eenige personen in die dracht, in de eenige straat van
+het oude Hindeloopen gezien, zeer zeker geen oneigenlijke indruk
+maken. Alles in dat oude stille plaatsje is nog juist zoo gebleven
+als het in de tijden was toen die Hindelooper-dracht nog algemeen
+werd gedragen. Dat moet op zijn laatst, ongeveer in het begin van
+de negentiende eeuw, geweest zijn. Thans leven er nog ouderen van
+dagen, die zich herinneren hoe in hun jeugd enkele personen, uit
+gehechtheid aan het oude, die bijzonder schilderachtige kleedij nog
+dagelijks droegen. Maar 't waren toen ook reeds zeer weinigen. Thans
+ziet men ze in de zoovele Hindelooper binnenkamers die in het midden
+van de negentiende eeuw, in de Romantische periode, als "levende
+schilderijtjes" in elkaar zijn gezet.
+
+Het Hindelooper costume bestaat, voor zoover de mannen betreft,
+uit een zeer sterk achttiend'eeuwsche lange jas met vele knoopen,
+korte kuitbroek, lage schoenen en op het hoofd een driesteek. (Zie
+bl. 62, 63.)
+
+Belangrijker echter is de kleedij van de vrouwen en van de kinderen,
+vooral omdat de constructie van deze dracht, in de verschillende
+over elkaar gedragen lagen, en den vorm van de onderdeelen, alsook
+hun oud-friesche benamingen een werkelijk volledige nationale en van
+oudsher overgeleverde kleedings-wijze zijn.
+
+De Hindelooper-dracht (der vrouwen) bestaat uit een wit linnen hemd
+(geen onderbroek) en drie onderrokken. De bovenste rok is zwart en
+heet "_de skoote_" en is van harde wollen stof. Over het hemd komt
+eerst een keurs-lijf van laken, met schouderbanden.
+
+Over dit keurs-lijf komen twee "_oelofs_" (= over-lijf). Het onderste
+van gekleurd laken met mouwen van gebloemde zijde, het bovenste van
+zwarte stof. Te zamen heeten deze twee over-lijven "_het geweid_"
+(het gewaad).
+
+Dit bovenste oelof (overlijf) wordt van voren met een _veter_, in
+de rouw groen of zwart, anders rood, rose of vleeschkleur bijeen
+geregen. Die veter is 8 à 10 el lang, de rygpen hangt bij getrouwden
+_rechts_, bij ongetrouwden _links_.
+
+De borst wordt bedekt met een vierkant doekje, genaamd
+"_voorspeld-doek_", dat onder het oelof wordt gestoken.
+
+Daaroverheen wordt het meest bijzondere Hindelooper kleedingstuk
+gedragen "de _wentke_", de lange getailleerde mantel of jak, met
+lange mouwen, van gekleurde sits, en welk kleedingstuk de eigenlijke
+overkleeding vormt. (Zie bl. 61, 62, 64.)
+
+Is het wat korter van maaksel (tot aan de knieën zooals een jak)
+dan heet het "_kassakijntje_".
+
+De kleur van deze wentke is zeer verschillend, men gebruikte
+er allerlei soort sits voor, de bekende uit Voor-Indië en Perzië
+aangevoerde bedrukte katoen in dikwijls zeer fantastische maar meestal
+zeer mooie, kleurige en rijke patronen.
+
+Deze wentke staat van voren open als een jas, zoodat ze de met den
+veter dichtgeregen oelof zien laat, en ook het _schort_, dat van
+_Oost-Indisch bont_ weefsel is (in vierkante weefpatronen) en meestal
+rood is in alle nuances (in den rouw is het soms blauw).
+
+Om den hals komt de zijden doek, ook uit geruit bont weefsel, bij
+elkaar gehouden door den _strijker_, een ring of speld van goud.
+
+Deze das wordt door de getrouwde vrouwen _links_ tusschen de oelof
+gestoken, door de ongehuwde meisjes _rechts_ (ten teeken dat haar hart
+(links) nog vrij is).
+
+Dan siert zich de Hindelooper vrouw, aan haar gordel, links met _de
+prak_, bestaande uit naaldenkoker, speldenkussen, schaar en haakpen
+(van zilver). Rechts draagt zij de kleurige koralen _beugeltasch_
+met slot.
+
+De hoofd-tooi is niet minder ingewikkeld en kleurig.
+
+Eerst wordt het haar bijeengebonden, daarover verschillende ondermutsen
+gedaan met een stuk gouddraad-lint over de kruin, welk lint men de
+"_de blinker_" noemt.
+
+Daarover komt het eigenaardige, kapvormige, cilindrische hoedje (als
+men 't zoo noemen mag) van stijf linnen, overtrokken met andere stof,
+gevoerd met rood baai, welk hoogst eigenaardig kleedingstuk de _foar
+flechter_ heet (of: _huidje_ = hoedje). Daarover komt "_de flip_" en
+de "_zondook_", de eigenlijke groote, vierkante, maar in bijzondere
+vorm geplooide en gestreken, doch van (meestal) roode bonte stof,
+die van voren tegen de "foar flechter" met een speld bevestigd wordt,
+zoodat de vleugels naar achter afhangen en den curieusen vorm aan
+den heelen hoofdtooi geven die eenig is onder alle nationale drachten
+in Nederland.
+
+Deze "_zondook_" is bij de jongere meisjes anders van vorm dan bij
+de vrouwen, te meer omdat deze eersten geen "foar flechter" dragen.
+
+Ook de wentke krijgen de meisjes eerst op hun twintigste jaar.
+
+De bruiden (zie bl. 63) dragen bovendien over dezen reeds zoo
+ingewikkelden hoofdtooi--die hier slechts zeer in 't kort is
+beschreven--een witten sluier, het "_witmoer_" geheeten, welke
+van dunne tulle is en tot aan de taille van achter en aan de zijden
+afhangt. Bovendien komt om de foar flechter een _bruids-fristel_, een
+van geel, zwart en wit gevlochten wrong van ongeveer een vinger dikte.
+
+Deze buitengewoon sierlijke en rijke dracht heeft, naar men wil,
+vooral ook zijn oorzaak gehad in de eenzame ligging van het oude
+stadje Hindeloopen. De mannen waren meestentijds op hun reizen,
+de vrouwen bleven alleen thuis, werden eenzelvig en zochten hun
+afleiding en vermaak in het zoo rijk en bont mogelijk opsieren van
+eigen huis en kleedij.
+
+Hoe dit zij, zij verkregen een geheel dat eenig is in zijn soort,
+vooral ook omdat men de waarde en de beteekenis van deze zonderlinge
+kleederdracht niet overzien kan zonder ze in haar eigen milieu,
+het kleurige Hindelooper binnenhuis, te hebben bewonderd.
+
+
+
+Verder dient nog de aandacht gevraagd voor de bijzondere dracht van
+twee Leeuwarder weeshuizen, welke drachten thans ook reeds--jammer
+genoeg--zijn afgeschaft. (Zie bl. 64.)
+
+
+
+GRONINGEN.
+
+
+Ofschoon ook Groningen een oude geschiedenis heeft, is er, zoo goed
+als niets van de provinciale en nationale kleedij overgebleven. Op
+het feest in nationale kleederdrachten in 1913 te Amsterdam gehouden,
+was het mij niet mogelijk ook maar één paar (man en vrouw) in echt,
+heden nog gedragen Groninger kleedij te kunnen vinden.
+
+De historische dracht, waarin toen een heer en dame verschenen,
+heeft ook bij-lange die beteekenis voor de Groningers niet als de
+Friesche dracht voor de Friezen. Het is opmerkelijk dat in een deel
+van ons land als Groningen, met haar zoo eigen historie, de traditie
+zoo volkomen verloren kon gaan.
+
+
+
+DRENTHE.
+
+
+Ook Drenthe is niet zeer rijk aan nationale drachten. Wat als zoodanig
+nog kan gelden is de (Friesche) kap en het oorijzer dat in zekere
+streken van deze provincie nog gedragen wordt (zie bl. 65).
+
+De overige kleedij is dat bekende hybridische half ouderwetsche
+costume dat in heel ons land onder de platte-lands-bevolking de
+werkelijke nationale drachten vervangen heeft. Het is een imitatie
+van de stads-dracht, in vorm en versiering tot ongeveer geen enkele
+periode te rekenen, in kleur soms nog--als 't op zijn 's Zondags--erg
+"mooi" moet zijn, opvallend door persoonlijke wansmaak.
+
+De muts en het oorijzer zijn dan het eenige overgeblevene, maar die
+eenige rest van die werkelijk nationale dracht wordt dan niet weinig
+ontsierd door de "Kiep" (zooals men het in West-Friesland noemt),
+een soort van vrije fantasie door middel van allerlei gitten, bloemen
+en strikken op het zoogenaamd capot-hoedje, dat omstreeks 1885 "le
+dernier cri" van de Parijsche mode (wansmaak) was.
+
+In de veenstreken vindt men geen nationale dracht, omdat het in later
+tijd aangelegde kolonies zijn.
+
+
+
+
+OVERIJSEL.
+
+
+In Overijsel zijn de tradities beter bewaard, ofschoon in hun volheid
+slechts in Staphorst en op Urk. In de rest van de provincie vindt
+men veel de halve nationale dracht, hoofdzakelijk de muts, maar de
+eigenlijke nationale dracht is verdwenen, vooral hoe meer men naar
+het Oosten gaat.
+
+
+
+A. HET EILAND URK.
+
+
+Van zeer bijzondere belangrijkheid is de kleedij en haar dragers en
+draagsters op het eiland Urk. Het is niet te zeggen wat van deze
+het belangrijkst is, het ras van menschen dat Urk bewoont, of hun
+kleeding. Maar beide zijn ze in hooge mate interessant.
+
+Zooals in Zeeland (vooral Walcheren) wonen er op Urk nog ras-menschen,
+iets wat men van de andere streken van ons land niet zeggen kan--en
+'t minst van de groote steden. Maar de Urkers zijn fraai en gezond van
+bouw en er zijn bijzonder schoone vrouwentypen (zooals op Walcheren)
+en zeer krachtige mannengestalten. Hun kleeding sluit, wat de algemeene
+vormen aangaat, bij de gewone Hollandsche nationale drachten aan. Bij
+de mannen de wijde broeken en de nauw-aangesloten baaitjes, juist
+zooals op Volendam en Marken, ofschoon eenigszins anders van détails,
+maar in bedoeling hetzelfde, omdat die kleeding voor een groot deel
+bepaald is door de practijk van het visschersbedrijf en het leven op
+zee. (Zie bl. 66, 67).
+
+Wat de vrouwen betreft bestaat de dracht uit het noodige aantal rokken
+van verschillende stof en kleur, de kroplap, de doek en op het hoofd
+de kap of hulle. In zooverre is alles, wat de constructie betreft,
+gewoon. Maar het onderscheid in deze dracht met die van dezelfde
+soort in de andere deelen van het land ligt in de wijze waarop de
+verschillende détails gedragen worden, en.... _wie_ ze draagt. (Zie
+bl. 66 en 68).
+
+Dit laatste is, voor zoover de aesthetische werking betreft, bij iedere
+kleeding toch maar de hoofdzaak. Want al ligt er veel waarheid in het
+oude gezegde "de kleeding maakt den man", de meeste kleeding echter
+doet den drager zich slechts van de andere menschen onderscheiden
+naar afkomst, rang of positie, niet naar schoonheid of aesthetische
+werking. Men moet een kleeding _kunnen_ dragen. En, zoo er vrouwen
+zijn die de Hollandsche dracht weten te dragen, dan zijn het die van
+Urk.--Dat moet gezegd zijn.
+
+Want de Urker-dracht onderscheidt zich niet door kleur of veel
+opschik. Ze is zeer eenvoudig, ze heeft geen on-noodige détails, maar
+haar werkelijk aesthetische waarde ligt in het ras dat ze draagt. De
+kleuren zijn meest alle donker, gebloemde zijde, donkere wol en laken,
+hier en daar slechts met een klein werkje.
+
+De hoofdzaak is echter dat het natuurlijke figuur (van de vrouwen)
+zeer door deze dracht tot zijn recht komt, en de Urker-vrouwen alles
+doen om hun natuurlijke gaven in deze nog meer te doen uitkomen. Er is
+wisselwerking tusschen den vorm van het lichaam dat de kleeding draagt
+en den vorm van die kleedij zelf, geleid door het natuurlijk instinct
+van de draagster zelf, die ziet _hoe_ ze een costume dragen moet, om de
+aandacht door middel van haar costume op zichzelf te doen vallen. Nog
+duidelijker blijkt die wil om _zelf_ gezien te worden--en niet hun
+kleedij--(die ook zoozeer bij de vrouwen op Walcheren bestaat) uit de
+wijze waarop de Urker-vrouw haar kleine maar prachtig hulletje draagt.
+
+De heele hoofd-versiering is zeer nauw aan het hoofd aansluitend,
+zoodat het gezicht--dat dikwijls zeer schoon is--duidelijk
+uitkomt. Opmerkelijk is daarbij het echt vrouwelijke raffinement
+waarmee het oorijzer gedragen wordt. De knop, waar dat nationale
+kleinood in eindigt, komt bij de Urker-meisjes midden op de wang,
+dicht bij den mond. Maar doordat in het oorijzer zekere veering zit,
+drukt die knop kuiltjes in de wang, om op die wijze de natuurlijke
+charme van het gezicht nog meer te doen uitkomen.
+
+Men behoeft werkelijk niet naar Parijs te gaan, om zekere geheimen
+van het vrouwen-toilet te leeren doorgronden. Een Parisienne zou van
+een Urkersch visschers-meisje nog heel wat kunnen leeren.....
+
+Om een korte opsomming te geven van de Urker kleedij van de vrouw,
+moge dit hier volgen:
+
+De kap of _hulle_ bestaat uit zwarte ondermuts, daarover het oorijzer
+(van zilver), daarover de de hulle (overmuts), van voren met een
+(zelfgemaakt) kantje. Van achter versiert een vrouw in den rouw die
+hulle met een "_dasje_", dat is een zwart zijden strook, met een bandje
+en spelden vastgehouden. Van voren komt onder de hul "_de top_" uit,
+zoo heet het haar dat als ponny recht is afgeknipt tot even boven
+de oogen.
+
+Om den hals de ketting van roode _granaten_, het gouden slot van
+_achter_.
+
+De lijf-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een (open)
+onderbroek, zwarte kousen, borstrok van zwarte baai met half lange
+mouwen van zijde, fluweel of thibet. Deze mouwen blijven bij de
+volledige kleeding te zien.
+
+Daarover komt het _middelde_, een soort corset, eenigszins gelijkend
+op het rijglijf wat de Marker-vrouwen dragen. Het is echter niet zoo
+versierd met ornamenten, maar van blauw (of rood) damast, van voren
+met een veter dicht geregen die door (koperen) ringen gaat. Van onder
+(achter) aan de taille zijn eenige "_rollen_" aangebracht, bij wijze
+van _queu de Paris_ om de rokken wijder te doen uitstaan. Onder het
+corset draagt men de borstlap van roode baai.
+
+Het aantal rokken bestaat uit den _ondersten rok_, een _tusschenrok_,
+den _zevenkleurigen rok_ (rood, wit, zwart, groen, ongeveer zooals
+die 's Zondags te Volendam wordt gedragen) en daarover de bovenrok,
+'s winters van baai of duffel, zwart of licht blauw, 's zomers van
+thibet, laken of luster.
+
+Dan de kroplap, van voren echter meestal versierd met een ornament
+in kruissteek (_het hartje_) dat soms de initialen van de draagster
+vertoont. Daarover de borstrok, of het _lijfje_--of "_lifien_", 's
+winters van zwarte wollen stof, 's zomers van thibet. Dit "_lifien_" is
+een jakje met korte mouwen, laag uitgesneden aan den hals, een schootje
+en een "_strik_" van gebloemde zijde, dat is boordsel langs den hals.
+
+Daarover gaat "de doek" van donkerkleurige gebloemde zijde, meestal
+donker-rood of paarsachtig van nuance. Deze doek heeft (tegenwoordig)
+meestal franje.
+
+Daarover de boezel, of schort, met een "_strik_" van gebloemde zijde,
+zijnde een horizontale strook van een handbreedte aan de taille. Dit
+boezel is van zwart thibet of zijde.
+
+Merkwaardig is nog dat de Urksche vrouwen wanten of pols-mouwen dragen
+over hun van boven den elleboog bloote armen.
+
+Het zijn niet de "labedisten" van de Zeeuwsche schoonen, maar gewone
+pols-bedekkingen van gebreide (zwarte) wol.
+
+Verder bestaat het schoeisel uit zwart-leeren muilen.
+
+Opmerkelijk is verder hoe die dracht verandert, niet van vorm maar
+van kleur, voor weduwen, bruiden, en voor kinderen. Voor de weduwe is
+ze geheel zwart, voor de bruid iets kleuriger, (en nieuwer), voor de
+kinderen eenvoudiger, vooral wat het schort en de rokjes aangaat. Veel
+wit wordt dan ook door de kinderen gedragen, ofschoon de vorm--van
+de dracht--ook voor de kinderen, dezelfde blijft. (Zie bl. 68).
+
+
+
+B. STAPHORST.
+
+De Staphorster-dracht onderscheidt zich van de andere drachten
+door haar bijzondere compleetheid, zoowel voor mannen, vrouwen
+als kinderen. Ze sluit echter, wat haar vormen aangaat, geheel bij
+de drachten aan die men aan de kust van de Zuiderzee vindt, vanaf
+Staphorst tot aan Huizen in Noord-Holland. Vooral vanaf Harderwijk
+tot aan Staphorst onderscheiden zich de drachten (van de vrouw) door
+kleine hoofd-tooi, plat-makende borst (en torso) bekleeding en zeer
+breed en plat makende heup-bedekking.
+
+De kleuren zijn over 't algemeen zeer sterk, veel rood, bij de
+Staphorster-vrouwen ook veel blauw. Zelfs zijn de overmutsen
+(in Nunspeet en Oldenbroek) bont, d. w. z. van stof met kleurige
+ornamenten versierd.
+
+Het oorijzer, dat in deze heele streek eenzelfde eigenaardige
+haak-vormige zilveren beugel is, wordt echter van Huizen naar
+Staphorst, oostwaarts gaande, zoo gedragen, dat de knop (krul in den
+vorm van een kurketrekker) bij de vrouwen van Harderwijk, Hierden,
+Nunspeet, Hulshorst, Elburg en Oldenbroek aan de slapen komt, steeds
+meer zakt, totdat ze bij de Staphorster-vrouwen geheel tot de kaak
+reikt. (Zie Urk.)
+
+Ook is bij de Staphorster-vrouwen het oorijzer breeder dan bij die in
+Gelderland, en het ondersteunt niet meer de haarvlecht achter tegen
+het hoofd, maar ligt boven op de kruin, in schuine richting. Ook zijn
+er andere afwijkingen in de Staphorster dracht, zoodat de geheele
+vorm van de hoofdbedekking anders wordt.
+
+
+
+Het Staphorster-vrouwen costume kan aldus worden beschreven: (zie
+bl. 72 en 73.)
+
+Over het bloote lijf komt het katoenen hemd, zonder kraag, daarover
+de borstrok van "_vijfschaft_", met mouwen tot aan de ellebogen.
+
+Dit vijfschaft of "_viefschaft_" is een wollen stof, gemaakt van het
+wol van de schapen, die de Staphorsters zelf teelen. Die wol wordt de
+door Staphorster vrouwen zelf gesponnen en in bepaalde kleuren, door
+werklieden in de buurt van Staphorst gekleurd, en volgens bepaalde
+patronen door een paar hand-wevers tot de stof geweven, waarvan de
+kleedij der Staphorster-vrouwen voor een groot deel gemaakt wordt. Het
+is in strepen geweven, zwart en donkerblauw, met rood hier en daar,
+in bepaalde dessins die ieder hun beteekenis hebben (_wit-streept,
+rood-streept,_ enz.).
+
+Over die borstrok komt het lijfje, of de "_kraplap_" zooals die bij
+de andere drachten voorkomt. Deze kraplap is van wol of gebloemde
+zijde of katoen. Daarover de verschillende rokken (geen onderbroek),
+een paar van baai en de bovenste van vijfschaft.
+
+Dan de omslagdoek van geruite (meest roode) katoen of zijde, een schort
+(schulk) van donkerblauw wol, dat somtijds eveneens als het vijfschaft
+zelf gesponnen en geweven is.
+
+De banden van dit schort zijn altijd hel-blauw, de strik hangt met
+lange einden van voren neer.
+
+Nog verdient vermelding dat de rokken opgehouden worden, en breed
+gemaakt, door kussentjes die aan de borst-rok bevestigd zijn, maar
+welke verdikkingen alleen aan de zijkanten, dus niet van achter,
+worden aangebracht. Daardoor heeft het figuur van de Staphorster-vrouw
+nog on-gracelijker voorkomen.
+
+De doek wordt wel niet zoo stijf over de borst gesnoerd als in Kampen
+en in Nunspeet gewoonte is, maar het figuur wordt stelselmatig plat
+en breed gemaakt door die kussentjes. Ook door den eigenaardigen vorm
+van de muts wordt het bijzondere van de dracht nog verhoogd.
+
+De heele hoofdtooi wordt gevormd door: een bandje dat het haar
+vastbindt, waarover de zwarte onder-muts met "_toet_". Die _toet_
+van stijf papier geeft een soort hoorn--boven het voorhoofd. Daarover
+komt de muts van gebloemde zijde met zijden boordbanden die onder
+de kin in wijd uitstaande, stijve, lange dunne strikken worden
+saamgebonden. Daarover gaat het oorijzer, vastgehouden door een
+zwarte band.
+
+Daarover de witte _toet-muts_ van kant, die maar zeer zelden gewasschen
+wordt, omdat ze anders te spoedig versleten zou zijn. Ook deze muts
+wordt onder de kin bevestigd met een bandje. Door de zeer nauwe
+aansluiting van de hoofdtooi, en het wijde van de schouders (door
+de doek) het saamgenepene van de borstkas, de wijde plooien aan de
+heupen, de zeer korte rokken, en daaronder uit de beenen (ongeveer
+15 c.M. te zien) en de (nogal) logge sloffen, met zeer breede neuzen
+en groote zilveren gespen, dat alles in donkerblauwe en hel-roode
+kleuren, met de sterkblauwe lange linten van het schort, geeft die
+Staphorster dracht een ietwat boersch uiterlijk, wat toch ook wel zijn
+zeer bijzondere eigenheid heeft. In dat boersche, ongracelijke, komt
+het overeen met de Marker, Bunschoter en Noord-Veluwsche drachten,
+die alle zeer kleur-rijk zijn maar de natuurlijke vormen van het
+lichaam geweld aandoen. (Zie bl. 72).
+
+'s Winters wordt over die dracht een "_buisje_" met lange mouwen
+gedragen, zonder schootje.
+
+'s Zondags echter heeft dit kleedingstuk een schootje en is met bont
+(blauw en wit geruit) gevoerd, zoogenaamd Friesch bont, dat men echter
+in Friesland Oost-Indisch bont noemt.
+
+Dit langere buisje heet _kaschijn_, wat overeen komt met het
+Hindelooper "_kassekijntje_", een kleedingstuk van hetzelfde soort.
+
+De kinderen hebben hetzelfde costume, maar vereenvoudigd. De stoffen
+zijn niet van molton, baai of laken maar meest van Friesch bont. De
+doek is echter steeds rood, zooals bij de volwassen menschen.
+
+Het groote verschil ligt echter in de hoofdtooi. Kinderen beneden de
+zes jaar dragen nog geen oorijzer, maar een zwart kapje van voren
+met een dikken rand astrakan. Dit kapje heet de _nette_, het is,
+behalve de astrakan-strook, van zwarte stof met garneeringen. Links
+van het hoofd komt een strik (rozet) van zwart zijden lint, rechts een
+"_haak_", een soort gesp van zilver. (Zie ditzelfde kleedingstuk van
+de kinderen op de Veluwe waar het _poets_ of _poete_ heet en de _haak_
+soms van goud is, het astrakan van "_veertjes_").
+
+Bovendien neemt de Staphorster-vrouw, 's zondags, naar de kerk,
+een mooi met zilver beslagen bijbel mee, met kettingen, enz.
+
+De mannen-dracht is zeer eenvoudig, ofschoon meer origineel dan de
+boeren-dracht in andere streken. Het bleef meer een echt nationaal
+costume, vooral door de korte jekker, genaamd _kamizool_, met twee
+rijen knoopen.
+
+Opmerkelijk is ook dat het hemd steeds van boven aan den hals zichtbaar
+blijft, met de twee beroemde Staphorster (bolle) gouden knoopen. Kleine
+jongens dragen dezelfde dracht als hun volwassen dorps-genooten.
+
+Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Staphorster-vrouw buitengewoon
+netjes op hare nationale kleedij is, dat deze steeds, als ze niet
+gedragen wordt, in altijd dezelfde en zeer mooie plooien wordt
+opgeborgen, aan welke plooien steeds bijzondere zorg besteed wordt.
+
+Vergelijk in deze de netheid en nauwkeurigheid waarmede alle nationale
+drachten, op Marken, in Zeeland en Hindeloopen behandeld worden.
+
+Overal worden die drachten in mooie, daarvoor speciale gemaakte doozen
+opgeborgen. En ... zoolang de Staphorster-vrouwen nog zóó zuinig op
+hun bijzondere dracht zijn, zoolang zullen ze deze nog in eere houden.
+
+
+
+Verder blijft in de provincie Overijsel de strook, langs de IJssel
+en Twenthe.
+
+In Kampen zoowel als in Zwolle is de complete nationale dracht
+verdwenen, maar door de vrouwen uit de volks-klassen wordt nog vrij
+veel de _neepjes-muts_ en de _plooi-muts_ de "_drie-plooitjes_"
+gedragen.
+
+De rest van de costumeering bestaat dan meestal uit het _jak_, een tot
+aan de knieën wijd-afhangend kleedingstuk met mouwen, op dezelfde wijze
+zooals dat door de vrouwen van Breskens (Zeeuwsch-Vlaanderen, Texel,
+enz.--zie aldaar) gedragen wordt. Daarbij behoort dan de zeer wijd
+geplooide rok, en het wijde boezelaar, een en ander van zwart thibet,
+de boezelaar ook wel van grijze, bruine of groene zijde. (Zie bl. 70.)
+
+Om den hals draagt men daarbij een gestrikt zeer bonten (zijden)
+dasje, genaamd "_het knuppeldoekje_". (Zie bl. 69.)
+
+Daarbij komt dan de _neepjes-muts_, met de gouden bellen die in de
+fijne plooitjes van de muts gehaakt zijn, en _niet_ in de ooren hangen.
+
+Deze muts wordt over het zwart (satinet) ondermutsje gedragen, en
+heeft van achter een ongeveer 20 cm. lange afhangende reeks stijve
+plooien, genaamd _de strook_. De muts wordt met een bandje onder de
+kin vastgehouden.
+
+Om den hals roode bloedkoralen, vijf streng, met gouden slot van
+voren. In den rouw zijn de koralen van git.
+
+Uit deze onderdeelen bestaat het mooie of zondagsche costume. De
+algemeene indruk is die van "ouderwetschheid", zonder die van een
+werkelijke nationale kleedij te geven. Het is dan ook eigenlijk niet
+anders dan een mode-dracht die, denkelijk omstreeks 1860, de werkelijke
+oude en nationale dracht vervangen heeft.
+
+Dit geldt niet alléén voor Overijsel of voor de hier besproken dracht,
+maar voor heel Nederland. De tweede veranderings-periode zou dan
+misschien omstreeks 1890 te stellen kunnen zijn, toen die mode van het
+jak vervangen werd door de imitatie van de stads-modes uit dien tijd.
+
+Zoo althans lijkt het, naar wat de dracht van de plattelandsbevolking
+in West-Friesland, Drenthe, Overijsel, de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche
+eilanden en andere streken te zien geeft.
+
+Daarbij echter is--bij veel vrouwen--de nationale kap of muts (soms
+met het oorijzer) bewaard gebleven. De totale afschaffing van die
+muts is dan de laatste phase van het verdwijnen van de allerlaatste
+overblijfselen van de nationale dracht.
+
+
+
+Om na deze kleine historische bespiegeling, die ik gaarne voor beter
+geef, tot Overijsel terug te komen, zij opgemerkt dat deze neepjes-muts
+ook in de andere deelen van de provincie gedragen wordt, alsook in
+een deel van den achterhoek van Gelderland. (Zie bl. 71.)
+
+Opmerkelijk voor Zwolle, Kampen en die streek, is de plooi-muts die de
+daagsche dracht uitmaakt. (Zie bl. 69.) Daarbij wordt dan werkelijk de
+nationale dracht van krop-lap en doek gedragen, welke laatste, niet
+zooals in Zeeland, op Urk en op andere plaatsen van ons land in de
+taille wordt vastgehecht, maar in de armsgaten, onder de oksels wordt
+gestoken, waardoor die doek een kruis hoog over de borst vormt. (Zie
+bl. 74 en 76.)
+
+Deze wijze van den doek te dragen is aan alle drachten gemeen van
+Staphorst tot en met Harderwijk. Ze is, ofschoon misschien practisch,
+zeer weinig aesthetisch, want ze maakt het effect of de borstkas van
+boven--daar waar ze uit de natuur bij een vrouw juist bewelfd behoort
+te zijn--met alle geweld in elkaar geknepen wordt. Fraai is het niet,
+maar het is zeer "kenmerkend". (Zie bl. 74, 75 en 76.)
+
+Die plooi-muts nu is van zeer bijzonderen vorm, van achter met
+een niet naar onder, maar stijf naar achter staande strook van
+zware plooien. Een zeer merkwaardig soort muts, eenig in haar soort,
+ofschoon bij Nijkerk (Gelderland, zie aldaar) een dergelijk soort muts,
+onder den naam van _drie-strook_ of _drie-plooi_ gedragen wordt. (Zie
+bl. 69).
+
+Ook draagt de vrouw uit Kampen het oorijzer, maar dan op de wijze van
+de Staphorster vrouwen, d. w. z. de krul (kurketrekker) niet naast
+de slapen, maar onder aan de wang (kin).
+
+Deze mutsen, plooi-muts zoowel als neepjes-muts, zijn van kant of
+(in den rouw) van fijn neteldoek. Ze worden door de draagsters zelf
+"opgedaan" ( = gestreken).
+
+
+
+
+GELDERLAND.
+
+
+In de provincie Gelderland, die het geographische midden van ons land
+uitmaakt, worden de nationale kleederdrachten nog in vele streken in
+groote eere gehouden.
+
+Men kan deze provincie in drie deelen splitsen: A. De Veluwe. B. De
+Achterhoek. C. Het land tusschen Rijn en Maas.
+
+
+
+A. DE VELUWE.
+
+
+Tot de Veluwe moet, althans voorzoover de nationale kleedij betreft,
+niet alléén het geographische gebied van dien naam gerekend worden,
+maar de heele kuststrook langs de Zuiderzee vanaf Staphorst in
+Overijsel tot en met Huizen in het Gooi in Noord-Holland.
+
+Al de drachten in die streek zijn van hetzelfde type, slechts weinig
+van elkaar afwijkend, en voorzoover de variaties betreft in elkaar
+overgaande.
+
+Zoo lijkt bijvoorbeeld de dracht in Oldenbroek soms op die
+van Staphorst, terwijl ze zich echter ook bij die van Nunspeet
+aansluit. Het oorijzer wordt echter (in Oldenbroek) soms anders
+gedragen, meer op de wijze zooals op Staphorst, dat is, met de krul
+beneden aan den wang.
+
+Het opmerkelijke van de Veluwsche drachten is echter dat de doek
+niet in de taille bijeen wordt gespeld, zooals dat bij de meeste
+Hollandsche drachten het geval is, maar onder de oksels tusschen de
+kroplap wordt gestoken. (Zie bl. 74, 75, 76).
+
+Dat geeft aan de figuren die on-aesthetische platheid en houterigheid
+die een hoofdkenmerk is van dit minder fraaie ras, waaraan dan de
+klederdracht nog de laatste rest van natuurlijkheid ontneemt. Een
+goed en normaal gebouwd ras zou uit zichzelf reeds zoôn kleedij,
+die de natuur zoo ontstelt, verwerpen. De bewijzen daarvoor vindt
+men op Walcheren, Urk en Volendam.
+
+De muts in Nunspeet en Oldenbroek is van een anderen vorm dan die
+van Staphorst, zonder de spitse punt boven het voorhoofd, over 't
+algemeen meer naar achter dan naar boven zich vormend, met een witte
+onderkap, aan de slapen uitgeschulpt, het heele hoofd omvattend,
+en geboord met een fijn plooi-randje. Daarover komt de bonte muts,
+in sterke kleuren, een soort kalotje dat een deel van de witte muts
+laat zien. Daarover het oorijzer, met een bandje vastgehouden en met
+de krul aan de slapen. Van het haar komt niets te zien, ook zelfs
+niet boven het voorhoofd.
+
+De indruk van deze Nunspeter _bonte-muts_ is zeer fraai. Jammer dat
+ze het hoofd zoo klein en nietig maakt boven den plat-genepen romp
+en de wijd-uitstaande rokken. (Zie bl. 74 en 75.)
+
+Het mannen-costume in deze streek is zoo goed als geheel "modern". Het
+mist alle eigene cachet, zooals de Staphorster mannen-dracht die
+nog heeft.
+
+Tot voor zekeren tijd droegen de vrouwen van Hierden nog groote
+strooien hoeden (in den zomer) met eigenaardige linten en
+boor-garneersels (zooals op bl. 73 te zien is). Ook ziet men bij
+begrafenisplechtigheden nog merkwaardige drachten, de mannen in lange
+jas en hoogen hoed, zooals dat ook in Staphorst nog het geval is. (Zie
+bl. 73.)
+
+Al die groote strooien hoeden die de vrouwen zoowel in Friesland
+als in Hierden, Staphorst en op Walcheren tot voor een generatie
+terug nog boven hun mutsen en oorijzers droegen zijn "uit de mode"
+gegaan. Zoo verandert ... en verdwijnt gaandeweg de Nationale Kleedij.
+
+In Ermelo en Putten is de dracht weer anders. Men draagt er bijna
+geen oorijzer meer. Ook geen bonte-muts over de witte ondermuts, de
+krop-lap is soms wit, de doek effen (niet bont) de boezelaar zonder
+"stuk". Meer westelijk van Putten is van die hierboven omschreven
+(Geldersch-Friesche) dracht niets meer te zien en ging ze over in
+een ander type, dat van het Utrechtsche en van het Gooi. Bunschoten
+en Spakenburg vormen weer een klasse op zich zelf.
+
+In Nijkerk, het oude en merkwaardige stadje, ziet men niets dan mutsen,
+de beroemde _cornet-muts_, met de lange achterstrook en de vele kleine
+plooitjes die het hoofd omgeven. Dit is de Zondagsche muts, die soms
+nog "verfraaid" wordt door een breed (licht blauw) zijden overlint,
+dat om den bol en van achter om het achterhoofd gaat, en dat onder
+de kin wordt vastgestrikt.
+
+De rest van de kleeding is "ouderwetsch" en stadsch.
+
+Bovendien wordt in Nijkerk nog een daagsche plooi-muts gedragen, van
+voren met drie strookjes over elkaar, van achter met een zonderling
+geplooide strook.
+
+Deze muts draagt den naam van "_drie strookjes_". Soms draagt men
+onder deze muts een zwarte ondermuts, maar meestal zet men ze, direct,
+op het bijeen gebonden haar.
+
+
+
+B. DE ACHTERHOEK.
+
+
+In den Achterhoek, in het Graafschap Zutphen en in de Lijmers (het
+land rond Zevenaar), is niet veel van een nationale kleederdracht
+overgebleven. Wat er nog van te zien is, bestaat uit de neepjes-muts
+die de vrouwen dragen, van denzelfden vorm als in Overijsel (zie
+bl. 70 en 71) (Zwolle) welk ouderwetsch kleedingstuk zoogenaamd
+gemoderniseerd wordt door het kapothoedje, (dat in Friesland "de
+kiep" heet), het smakelooze onding van strikken, bloemen en gitten
+(alles in het zwart) dat over die muts gedragen wordt.
+
+De kleeding der mannen heeft niets opmerkelijks meer.
+
+
+
+C. DE BETUWE, EN HET LAND TUSSCHEN MAAS EN WAAL.
+
+
+In de Betuwe zelf is de nationale dracht eveneens zoo goed als
+verdwenen, althans in het land van Tiel en in de Neder-Betuwe is er
+niets van over.
+
+In _het land van Maas en Waal_ echter, in de Bommeler-Waard en in het
+land van Nijmegen sluit zich het weinige wat er nog van de nationale
+dracht over is aan bij de eigenaardige hoofd-tooi die in Noord-Brabant,
+en speciaal in de Meijerei van den Bosch, nog veel voorkomt. (Zie
+bl. 78 en 80).
+
+De mannen-dracht in die streken heeft niets wat deze van de gewone
+boersche stads-kleeding onderscheidt, maar de vrouwen dragen de
+groote, breede, witte mutsen met breede lange linten, en een soort
+verstedelijkt niet-oud, niet-moderne costume, waarbij men vele malen
+een soort pelerine of cape-vorm ziet toegepast, die in het Noordelijker
+deel van Nederland onbekend is, maar in het land van Maas en Waal,
+in het land van 's Hertogenbosch, en vooral Zuidelijker (in België)
+een merkwaardig cachet aan de bevolking geeft.
+
+Deze capes of pelerines worden alleen door de vrouwen gedragen. Ze
+doen denken aan een ouderwetschen mode-vorm en zijn van zwarte stof
+gemaakt en gegarneerd met plooien en belegsels. Ze zijn half lang,
+maar somtijds ook tot den grond rijkend, met een capuchon over het
+hoofd. Van dit laatste type ziet men somtijds nog oudere vormen in
+'s Hertogenbosch.
+
+De witte muts nu, die men in het land tusschen de Maas en de Waal
+draagt heet _knipmuts_. Ze bestaat uit tule-kant, aan de voorzijde
+geplooid met behulp van fijn koperdraad, hetwelk met een blauwe stof
+omwonden is. Dit is het "_Karekas_".
+
+Bij zware rouw bestaat de muts geheel uit neteldoek, bij lichten rouw
+uit tule.
+
+De meer gegoeden dragen over deze knipmuts een krans van gemaakte
+bloemen, aan de uiteinden voorzien van breede zijden linten. Deze
+bloemen en linten te samen heeten "_de poffer_", en ze geven het
+uiterlijk van de draagster een zeer bijzonder cachet omdat de heele
+hoofdtooi daardoor zeer breed wordt. (Zie bl. 78).
+
+Bij de rijke boeren wordt de zoogenaamde "_bodem_" van de knipmuts
+in plaats van met bloemen gewerkte tule, uit echte kant gemaakt. Dat
+zijn dan de "_baan-mutsen_".
+
+Deze mutsen die geheel wit zijn, zijn, door hun grootte en
+bewerkelijkheid, soms zeer kostbaar.
+
+Onder de knipmuts wordt een ondermuts van zwart merinos gedragen,
+gevoerd en opgevuld met watten. Ook dat draagt er toe bij deze
+hoofdtooi buitengewoon breed en zwaar te doen schijnen.
+
+De algemeene indruk heeft dan ook niet veel Hollandsch meer. Een
+kennelijk zuidelijker,--Belgische--smaak, heeft blijkbaar deze
+hoofdtooi ontworpen.... of: haar vervormd. Ze lijkt althans zeer veel
+op wat men in deze in Vlaanderen en het land van Brussel ziet.
+
+
+
+
+NOORD-BRABANT.
+
+
+De groote provincie Noord-Brabant vormt, in het zuidelijk deel van
+ons land een soort geographisch, anthropologisch en cultuur-historisch
+overgangs- en grensgebied tusschen Noord en Zuid. Het is het terrein
+waar de Noordelijke (Germaansche) en de Zuidelijke (Romaansche en
+Gallische) idealen elkaar ontmoeten en in elkaar versmelten. En dat
+komt zeer duidelijk in de kleederdrachten uit die in deze streek
+gedragen worden.
+
+Wat er van die oude volks-eigen drachten nog over is, is niet veel
+meer dan de boeren-muts, zooals die door de plattelands-boerinnen
+gedragen wordt. Dat is juist zooals in zooveel andere streken van
+ons land, waar die mutsen de eenige resten van de oude drachten zijn.
+
+Maar behalve die mutsen is--in Noord-Brabant--de overige lijfskleeding,
+en dan vooral van de vrouwen, meer opmerkelijk dan in eenige andere
+Nederlandsche provincie, al moet die lijfs-kleeding, die thans (1916)
+onder die boeren-bevolking nog vrij algemeen is, dan niet geheel tot
+de eigenlijke historische nationale volksdracht gerekend worden, en
+al blijkt ze meer onder de vervormde mode-navolgingen te moeten worden
+gerangschikt. Maar ze is er niet minder bijzonder karakteristiek om.
+
+En dit zal voor een groot deel het gevolg zijn van het hierboven
+reeds genoemde feit, dat in Noord-Brabant de Noordelijke en
+Zuidelijke idealen in elkaar overgaan. En, dat getuigt die kleeding
+on-weerlegbaar. Want geheel Hollandsch is die kleeding niet, noch
+in haar wezen, noch in vorm, noch in kleur, en ze is ook niet geheel
+on-Hollandsch (Belgisch, Vlaamsch, Waalsch of Fransch) maar ze houdt
+het midden tusschen deze twee, en ze vertoont de kennelijke invloed
+van het Noordelijke zoowel als van het Zuidelijke ideaal.
+
+Reeds bij de bespreking van de andere provinciën had ik de gelegenheid
+op te merken hoe groot (dikwijls) die invloed van de Godsdienst op
+het voortbestaan van een nationale kleeding is. De gehechtheid aan
+een een-maal algemeen beleden Godsdienst waarborgt, in een bepaalde
+streek, het voortbestaan van oude zeden en gewoonten, en daardoor
+het voortbestaan van de, uit die zeden voortkomende, volkskleeding.
+
+Ook is er wel geen streek in ons land waar de bevolking zóó
+conservatief is en zoo gehecht aan haar oude geloof en zeden, als in
+Noord-Brabant, welk conservatisme op zich zelf zoo lang stand kan
+houden omdat er een bijna absolute eenheid van godsdienst is. Om
+deze toestand te helpen bestendigen, moedigt (o.a.) de Roomsche
+geestelijkheid de boerenbevolking aan, hun oude kleeding getrouw te
+blijven, om zoodoende met de kleeding, de oude zeden, en daardoor de
+oude godsdienst te kunnen handhaven.
+
+En uit die wisselwerking tusschen geloof, zeden en kleeding--en uit die
+algemeene verspreidheid van die eene Godsdienst, moge het verklaard
+worden dat die oude drachten, of liever die ouderwetsche drachten
+nog zoo veelvuldig in deze provincie voorkomen en voortbestaan.
+
+Maar een andere, zeer belangrijke factor, voor de verklaring van en het
+verkrijgen van een juister kennis en inzicht in die bijzondere--niet
+oude, maar ouderwetsche--drachten in deze bijzondere provincie, lijkt
+mij den invloed die het ras van menschen, dat Noord-Brabant bewoont,
+op haar eigen kleedij had. Hiervoren had ik al gelegenheid op de
+wisselwerking te wijzen die er--naar mijn oordeel--bestaat tusschen
+de drager en zijn costume, tusschen de lichaamsvorm van den mensch
+en zijn kleed.
+
+Nu behooren de bewoners van Noord-Brabant zeer zeker _niet_ tot de
+mooiste specimina van het _genus homo_ dat ons land bewoont. Het
+lijkt wel of de zware klei en de dorre, drooge zand- en heide-gronden
+die--geologisch--deze provincie vormen, de bevolking van die streken
+tot dat kleine, breede, schonkige, breedhoofdige ras heeft gemaakt
+met dat harde, verbetene en stugge uiterlijk dat den opmerker dadelijk
+opvalt.
+
+Omdat de lichaamsbouw van de Noord-Brabanders zoo leelijk is, moet
+het niet verwonderen dat die zelfde plompheid en traagheid die uit
+hun ongracelijke verschijning spreekt, ook als het hoofdkenmerk van
+den vorm, de snit en de kleur van hun kleedij gelden moet. Want deze
+is grof van detail, niet oud maar ouderwetsch, zonder phantasie,
+zonder uiting van levenslust, maar kleinzielig van gedachte,
+zonder vreugde, benepen en boersch. Een dracht van oude mannetjes
+en oude vrouwtjes,.... maar met dat al, of liever juist daarom,
+zeer interessant voor den student in volkspsyche, zoo dan al minder
+aantrekkelijk voor den eclectischen aestheticus.
+
+Ieder volk, ieder ras, ieder mensch heeft de kleeding die hij
+verdient.... en die slechts een uiting is van het eigen innigste wezen,
+idealen en levensopvatting. Een mooie, aesthetisch werkende kleeding
+kan slechts door een mooi, naar geest en lichaam _beide_ harmonisch
+ontwikkeld menschenras worden saamgesteld. Getuige de kleeding van de
+Grieken. En die kleedij kan slechts _goed_ en _waar_,--dus: aesthetisch
+werkend, door personen gedragen worden die niet alleen dezelfde idealen
+hebben als het volk (het ras) dat die kleedij samenstelde, maar die
+ook de lichaamsvormen hebben waarop deze kleedij is gecomponeerd.
+
+Dan eerst is er harmonie tusschen den drager en zijn costume, dan
+eerst kan er werkelijke schoonheid bereikt worden omdat ze op de
+werkelijkheid en de waarheid berust. Als een kleedij, die op een
+welgebouwd lichaam gecomponeerd is door een mensch gedragen wordt
+wiens lichaamsbouw minder harmonisch is, dan wordt zelden een volkomen
+aesthetisch geheel verkregen. Soms zelfs is het belachelijk. Het
+is niet bij toeval dat de heerenmode in Engeland, het land van de
+welgebouwde mannen, wordt ontworpen. En het is niet zonder oorzaak dat
+de dames-modes uit Parijs komen, waar de schoongevormde Parisiennes
+de aesthetisch aangelegde mode-ontwerpers het best gelegenheid geven
+een vrouwen-kleedij te componeeren die het schoone van "_de vrouw_"
+doet uitkomen. Ziet maar hoe een slechtgebouwde man of een leelijke
+vrouw een goed Londensch of Parijsch toilet staat.... Het is al te
+kennelijk niet voor hen gemaakt, dus:... staat het leelijk!--
+
+Er zal altijd een wisselwerking, dus ook een contrasteering tusschen
+den mensch en zijn kleedij blijven. Een mooie dracht maakt een mooi
+mensch mooier.... maar een leelijk mensch leelijker. Het schoone doet
+slechts het schoone uitkomen, recht wedervaren.
+
+Ieder mensch kan slechts de kleedij die hemzelf, zijn eigen innerlijke
+en uiterlijke wezen toont, goed dragen. Al het andere is masquerade,
+onechtheid, leugen.
+
+Zoo is het ook met de nationale kleederdrachten. Zoo is het met
+de Zeeuwsche vrouwen-kleeding, die mooi is en aesthetisch werkt,
+omdat ze op een welgebouwd ras is gecomponeerd. Daarom werkt de
+dracht van het eiland Marken wèl picturaal, artistiek, maar niet
+aesthetisch. Daarom is de werking van de drachten in Noord-Brabant zeer
+on-aesthetisch, maar ze wekt de belangstelling, de nieuwsgierigheid,
+door het ouderwetsche, boersche, ongewone. Die Brabantsche kleeding
+vraagt de aandacht, niet voor en om zich zelf, maar voor de zeden en
+gewoonten waar zij de uiting van zijn. En dat is het zeer bijzondere
+van de volkskleeding in deze provincie.
+
+
+
+Deze kleine uitwijding over de oorzaken, die den aard van de
+volkskleedij in Noord-Brabant bepalen, was, tot duidelijker
+omschrijving van die kleedij zelf--noodzakelijk. Meer dan bij de
+beschrijving van de volkskleedij in andere provinciën. Want de
+inventariseering van die volksdrachten in Noord-Brabant zou in
+hoofdzaak de beschrijving van de zeden en gewoonten van die streek
+moeten zijn. De kleedij zelf is, als kleedij, niet zoo heel belangrijk,
+noch om de snit, noch om de stof, vorm of kleur. In hoofdzaak is de
+muts van de boerinnen het voornaamste. Die heeft nog de van ouds-her
+overgeleverde vormen. Maar de andere lijfs-kleedij is meer curieus
+dan fraai. De mannenkleeding heeft niets bijzonders.
+
+Maar vooral de mutsen zijn zeer belangrijk, te meer daar er zooveel
+verschillende soorten mutsen gedragen worden. Bijna ieder dorp heeft
+haar eigen vorm, en de afwijkingen zijn soms zeer bijzonder. En
+die afwijkingen vinden meestal hun grond in plaatselijke zeden en
+gewoonten.
+
+Staatkundig bestaat deze provincie uit drie deelen. Ieder van deze
+heeft een eigen volks-kleederdracht. Het grootste en belangrijkste
+deel vormt het Oostelijk deel van de Provincie, de Meierij van
+'s-Hertogenbosch. In het midden is de Baronie van Breda. In het Westen
+ligt het Markgraafschap van Bergen-op-Zoom. In ieder van deze gewesten
+zijn weer afzonderlijke streken aan te wijzen waar de dracht belangrijk
+van die van de andere streken afwijkt, maar het hoofd-type blijft,
+voor ieder van deze gewesten, binnen haar grenzen, hetzelfde.
+
+
+
+A. DE MEIERIJ VAN 's-HERTOGENBOSCH
+
+
+Vooral ten Zuiden en ten Oosten van 's-Hertogenbosch, en in het Land
+van Boxtel, Liempt, Rooy, Vechel, Osch, Rosmalen, Helvoirt en Best
+is de Meierij'sche dracht het meest zuiver.
+
+Ze bestaat uit een zeer groote, wijde muts met lange strook of vleugel
+die zoowel naar achter als naar de zijkanten (half over de schouder)
+breed uitplooit.
+
+Deze muts wordt over een zwarte ondermuts gedragen, over het haar
+dat afgeknipt of bijeengebonden is, al naar de persoonlijke smaak.
+
+De groote, eigenlijke _boven-muts_, de eigenlijke Meierij'sche of
+oud Noord-Brabantsche muts heeft van voren, boven het voorhoofd, een
+aantal vertikale plooitjes, (_kneepjes_) een wijde bol over het hoofd
+(de kruin of bodem) en van achter de lange afhangende strook.
+
+Gewoonlijk is deze muts van (echte) kant gemaakt, waardoor ze, ook door
+haar grootte, zeer kostbaar wordt. In den rouw is ze van _rouwdoek_,
+zoogenaamd _organdine_.
+
+Daaroverheen gaat de _poffer_. Dat is de eigenlijke versiering van de
+muts, het hoogst eigenaardig samenstel van uit kant en witte stof,
+koralen en franjes gemaakte dikke rand van bloemen, die als een
+(arm-dikke) zware wrong over het voorhoofd (op de muts) wordt gelegd
+en met een bandje van achter om het hoofd wordt vastgehouden. Aan deze
+poffer zijn groote breede (witte) zijden linten bevestigd, die tot
+bijna in de taille naar achter afhangen, van franje zijn voorzien en
+deze geheele muts met de uitwaaiende strook van achter een zeer wijd
+en breed aanzien geven. Het hoofd van de draagster wordt er ongewoon
+breed en log door, te meer daar het verdere van de figuur in den
+regel gehuld is in een zoogenaamde _kapmantel_, een "_pelerine_" of
+"_omhanger_" van ouderwetschen snit, die het lijf tot aan de taille
+omsluit, soms zelfs tot de knieën of den grond afhangt. De groote
+muts met de pompeuze poffer is dan breeder dan de schouders, en het
+lijf lijkt smaller door de kapmantel. Deze poffers zijn dikwijls zeer
+verschillend van maaksel, niet alleen naar de verschillende streken
+van de Meierij, maar ook naar den rijkdom van de draagster, het min
+of meer bijzondere van de gelegenheid waarbij ze wordt gedragen, enz.
+
+Ze is niet altijd geheel wit. Soms zijn de bloemen met blauw doorwerkt,
+of de breede linten licht blauw. Het is begrijpelijk dat dit een
+zeer dure dracht is, te meer ook daar het opmaken van deze mutsen
+door speciale mutsen-maaksters gedaan moet worden.
+
+Niet altijd echter draagt de Noord-Brabantsche vrouw deze bijzondere
+muts. Ook wordt ze, in de Meierij slechts op het platte land
+gedragen. In de stad 's-Hertogenbosch ziet men slechts de zoogenaamde
+Bossche _dienstbodenmuts_, die van zeer eenvoudige constructie is,
+van voren drie rijen plooitjes boven het voorhoofd heeft, en met een
+lange band en strik onder de kin vastgemaakt wordt. Die tot een dikke
+massa saam-gebrachte plooitjes boven het voorhoofd heet "_de tuil_".
+
+Soms draagt de vrouw uit het volk in Den Bosch ook een zwarte muts,
+die echter een vervorming moet heeten van het beruchte, hier reeds
+meermalen genoemde capot-hoedje.
+
+Op het land, bij de boeren echter dragen de jonge meisjes tot hun
+tiende jaar een zwarte wollen muts, met groote, dikke wrong boven
+het voorhoofd. Die muts heet "_kaper_."
+
+Na hun tiende jaar, of tegen den tijd dat de kinderen ter eerste
+communie gaan (vroeger ongeveer op het twaalfde jaar) krijgen de
+meisjes zwarte boeren mutsen, een muts met een vorm, die aan de mutsen
+met poffer van de volwassen vrouwen doet denken. Het zijn breede,
+zware, zeer rijk en overdadig versierde mutsen met breede strikken
+en veeren en gitten en gespen, van achter met twee afhangende breede
+linten. Het effect van deze mutsen is dat ze het hoofd van het kind
+zeer breed en zwaar doen schijnen.
+
+In deze kindermutsen is in de Meierij zeer veel variatie.
+
+In Vechel maakt men in den rand soms zelfs zwart-glazen belletjes,
+die rinkelen als de kinderen loopen. Deze kinder-mutsen worden door
+de jonge meisjes tot hun 20e à 23e jaar gedragen, of totdat zij
+verloofd zijn. Sommige van haar zetten die muts al vroeger af, om
+"ouder" te schijnen. Dan--als zij verloofd of getrouwd zijn--of dit
+willen schijnen, zetten zij de groote, witte Noord-Brabantsche muts
+op. Bij die muts draagt de Noord-Brabantsche vrouw nog bijzondere
+gouden versieringen, maar geen oorijzer.
+
+In de ooren heeft zij bijzonder groote bellen van filigraan-goud met
+bloedkoraal versierd, in waaiervorm, zoodat ze _waaierbellen_ heeten.
+
+Om den hals soms een hals-ketting van roode, zwarte of witte
+koralen met gouden slot (van voren). Daarover zeer dikwijls een klein
+halsdoekje van zeer sterke kleuren, op de wijze als het _knuppeldoekje_
+van de vrouwen in Kampen (zie aldaar). De rest van de lijfskleeding is
+niet anders dan "ouderwetsch" te noemen. Ze hangt bijzonder smakeloos
+van vorm om het dikwijls grof en breed gebouwde lichaam, waarover de
+kapmantel of de pelerine, welke een soort vervormd overblijfsel van
+een ouderwetsche modedracht van 1880 is.
+
+In Den Bosch ziet men echter nog sporadisch oudere vrouwtjes met
+zeer bijzonder soort kapmantels die tot op den grond afhangen, en een
+capuchon over het hoofd. Deze dracht, die een zeer oude is, waag ik het
+te vooronderstellen dat ze van oude klooster-kleedij, van monnikspij
+of nonnen-habijt is afgeleid. In ieder geval is de oorsprong _niet_
+Hollandsch, zooals ook de halflange pelerines met franjes en kanten
+naar Fransche en Belgische modellen zijn nagevolgd. De smaak en het
+ideaal van het Noord-Brabantsche volk betoont zich ook in deze meer
+zuidelijk dan noordelijk.
+
+Maar behalve deze worden thans door de boeren-bevolking, en
+vooral ten platten lande nog veel de ouderwetsche "_doeken_"
+gedragen, de "_Kashmire-shawls_" die onder het tweede Keizerrijk in
+Frankrijk zoozeer in de mode waren. Die dracht is thans voor die
+Noord-Brabantsche oude boerinnen de gewone, waarbij ze dan de van
+ouds-her stammende muts dragen, een hybridisch samenstel van resten van
+oude volks-dracht en mode-namaak, dat alles te samen den indruk maakt
+van een soms wel schilderachtige en typische, maar zeer achterlijke,
+conservatieve en on-aesthetische kleedij.
+
+Er mag hier even worden opgemerkt dat iets wel zeer eigendommelijk,
+karakteristiek, en zelfs mooi van kleur combinatie, en daardoor zeer
+pittoresk kan zijn, maar dat het geheel dan nog zeer wel tegen de
+aesthetica, dat is, tegen de wetten van een objectief schoonheidsbegrip
+kan strijden.
+
+Maar er zijn nog meer resten van werkelijk oude drachten in de
+Meierij. En daartoe behoort de "_falie_" een langwerpig vierkante doek
+van ongeveer drie meter lengte, bij één meter breedte, met franje
+aan de smalle einden. Deze, van zwarte stof gemaakte groote lap
+(want anders is het niet) wordt over het hoofd gedragen, zoodat de
+lange plooien het geheele lichaam van de vrouw inhullen. Een zeer
+bijzonder kleedingstuk dat ook al weer alleen zijn behoud aan de
+gehechtheid aan oude zeden dankt, want het wordt alleen bij rouw,
+kerkgang of doop gedragen.
+
+Maar behalve deze costume-onderdeelen en de genoemde mutsen wordt
+in de Meierij een soort muts door de boeren-bevolking gedragen die
+het midden houdt tusschen de stads-(dienstboden)muts, en de groote
+Noord-Brabantsche muts met poffer. Dat is de "_buiten-muts_".
+
+Dat is een muts die, even als alle mutsen uit de Meierij de tendenz
+vertoont van het hoofd breed te willen maken, maar het is een muts
+uit één stuk, met niet zoo'n lange kanten strook van achter, maar
+met een korter, stijve plooiïng, genaamd "_de luif_". Van voren zijn
+drie rijen plooitjes, op de bol; van voren naar achter loopend, aan
+iederen kant een "_takje_" met uit neteldoek gemaakte bloemetjes,
+en van achter twee breede, witte linten; onder de kin een (vaste)
+witte strik.
+
+De muts heet buiten-muts omdat ze door de menschen _van buiten_
+gedragen wordt, in tegenstelling met de stads-menschen.
+
+
+
+Vervolgens worden in de Meierij (in Helvoirt) nog "_strikke-mutsen_"
+door kinderen gedragen, en in Eindhoven nog "_cornetten_", en zouden
+er nog vele details mede te deelen zijn over de "poffer" die zoo'n
+bijzonder cachet, zoo'n "onhollandsch", zoo'n verbeten, koppig, en
+vooral zoo'n boersch uiterlijk aan de Noord-Brabantsch vrouwen van
+het land geeft, als ze daar met hun korte breede, lijven, en groote
+hoofden, op groote schoenen, met groote passen langs de zonnige,
+zandige wegen van het met zwaar hout begroeide landschap of naast een
+over de dikke keien rammelende groote boerenwagen sjokken, waarvoor
+het zware paard langzaam voortstapt.
+
+
+
+B. DE BARONIE VAN BREDA.
+
+
+Het eerste wat van de mutsen, die door de boeren-vrouwen in de Baronie
+van Breda gedragen worden, in tegenstelling met die van de Meierij
+van Den Bosch, opvalt, is, dat de afmetingen van die Bredasche
+mutsen zooveel kleiner zijn. Maar toch zijn ze nog groot en wijd,
+in vergelijking met de mutsen die in de andere deelen van ons land
+worden gedragen, vooral groot en wijd en dik boven het voorhoofd. Dat
+wordt in Breda niet veroorzaakt door de volumineuze "_poffer_" maar
+door "_de kroon_", of "_de kroesel_" of "_de krans_".
+
+De muts van de vrouwen uit de Baronie bestaat uit een rand zeer dun
+geplooide of strakke kant, die om het hoofd gaat en langs de ooren
+naar achter afbuigt tot in den nek, tot bijna op de schouders. Die
+effen kanten strook heeft van achter een _bodem_ of _kruin_, een naar
+achter afhangende, opgenomen breede lap kant-stof, tot op schouders
+afhangend. Het geheel wordt ingeregen met een bandje tusschen de
+voor-strook en de bodem (of kruin) en op die wijze op het hoofd
+vastgehouden. Dit is de eenvoudigste soort van het algemeene type van
+de muts in de Baronie. Dit is de "_strakke muts_", die van tulle of
+gaas is in de rouw en door de week en 's Zondags van kant. Ze wordt
+over een zwarte ondermuts gedragen en van voren, op het voorhoofd,
+hebben de vrouwen twee kleine krulletjes haar (valsch of echt)
+aangebracht, die even onder den rand van de muts uitkomen.
+
+In deze eenvoudigste vorm heeft deze Baronie-muts veel overeenkomst
+met de groote floddermutsen die op de Zuid-Hollandschsche eilanden
+worden gedragen. Ze is als het ware het overgangs-type tusschen de
+Noord-Brabantsche, sterk-Belgische vormen en de zuiver Hollandsche
+vormen van Zuid-Holland en Zeeland.
+
+Deze strakke muts wordt echter veelvuldig gevarieerd in een mooier
+en rijker bewerking. Dan wordt het de _dubbele muts_. De hoofdvorm
+blijft dezelfde. De voorste strook kant, die het gezicht omsluit,
+wordt echter dubbel, in twee geledingen over elkaar. In den regel zijn
+deze dubbele mutsen steeds van kant en doen alleen 's Zondags dienst.
+
+Behalve dat bestaat er nog een vereenvoudigde soort van deze strakke
+mutsen, veel kleiner, minder omvangrijk, zonder afhangende bodem, met
+slechts een zeer smal strookje kant rond het gezicht, en met dunne
+bandjes onder de kin vastgehouden. Dat is het ouderwetsche mutsje,
+genaamd "_het ongelukske_", dat oudere vrouwen thans nog dragen, en
+dat alléén bij 't werk dienst doet. Men ziet hieruit, dat ook hier,
+evenals in Zeeland, in den laatsten tijd de tendenz bestaat de mutsen
+steeds grooter te doen worden.
+
+Over die strakke en dubbele muts komt nu "_de kroon_", of "_de
+bloemkrans_" of "_de kroesel_", een dikke wrong van kleine bloemetjes
+in tulle uitgevoerd en met kralen opgesierd, meestal geheel wit van
+kleur, maar soms ook met blauwe bloemetjes en kralen verfraaid. Deze
+kroon ligt vlak op de muts, boven het voorhoofd, en gaat van de eene
+slaap naar de andere, en is vastgehecht op een (meestal) lichtblauw
+zijden lint dat van achter, onder de afhangende bodem, achter het
+hoofd is vastgezet met haak en oog.
+
+Bij deze mutsen behooren, evenals in de Meierij, lange, groote gouden
+oorhangers, halskettingen van koraal, en een klein kleurig doekje,
+"_cache-nez_" dat met kleine puntjes links en rechts onder de kin
+uitstaat, naast de groote witte strikken die de strakke of dubbele
+muts onder de kin vasthoudt.
+
+De verdere lijfs-kleeding is, vooral voor de boerinnen van het
+platte land, de ook in de Meierij bekende kapmantel, of ook nog zeer
+dikwijls de oude "_Kashmire-shawl_". Merkwaardig is in dit deel van
+Noord-Brabant de zeer kennelijke invloed van de Belgische nationale
+drachten, vooral in de dorpen langs de Belgische grens in het zuiden
+van de Baronie en in het land van Bergen-op-Zoom.
+
+In die streken dragen de Brabantsche vrouwen twee soorten mutsen, een
+Hollandsche (Bredasche) en een Belgische. Deze laatste als zij over
+de Belgische grens (vóór den oorlog) 's Zondags ter kerke gingen. Soms
+echter dragen zij die muts ook als ze in Breda naar de markt gaan.
+
+Deze "_Belgische muts_" is betrekkelijk klein, geheel van ineengeplooid
+wit lint, min of meer vierkant van hoofdvorm, een weinig naar de
+zijkanten en naar achter uitstekend, Maar op die muts zijn groote
+strikken van breed, gekleurd lint aangebracht, geel, rood, groen,
+paarsch, in alle kleuren. Twee van die lange, breede linten worden
+onder de kin vastgestrikt, twee hangen lang af naar achter, op den
+rug. Er is geen bijzondere kleur van deze linten voor bijzondere
+gelegenheden vastgesteld, tenzij zwart voor den rouw.
+
+Bij deze Belgische mutsen behoort een kapmantel of pelerine van meer
+pompeus maaksel dan de gewone, meer kant, tulle, linten en strikken,
+ofschoon de hoofdvorm dezelfde is als de andere pelerines. Dit
+kleedingstuk is een zeer kennelijke verboerschte imitatie van de
+Parijsche mode van omstreeks 1880.
+
+Behalve deze mutsen wordt in de Baronie, naar de kant van Zundert, een
+soort muts gedragen die veel overeenkomst heeft met de _buiten-muts_
+van de Meierij. In Zevenbergen is de vorm weer anders, daar wordt
+de _kroon_ niet meer gedragen, of slechts zeer klein, maar vervangen
+door een rijk geplooid breed lint, dat ook naar achter afhangt--zoo
+ook in de Zevenbergsche hoek, waar de vorm zich gaandeweg meer bij
+de Zuid-Hollandsche mutsen-vormen aansluit.
+
+
+
+C. HET MARK-GRAAFSCHAP VAN BERGEN OP ZOOM
+
+
+Ten slotte de mutsen in het land dat aan Zeeland en Zuid-Holland
+grenst. De algemeene vorm is die van de Bredasche muts, maar zonder
+de kroon, dus eenvoudiger, smaller, platter.
+
+Verder is in deze streek de invloed van de Belgische en Zeeuwsche
+drachten meer kenbaar, en vormt ze een overgangsgebied naar de
+eigenlijke Hollandsche drachten. Vandaar dat men slechts weinig van
+een eigen dracht in deze streek merkt, althans niet in de steden, De
+plattelandsbevolking blijft het langst de "_boerendracht_" getrouw. De
+meeste vrouwen dragen reeds hoeden, dat wil zeggen ouderwetsche
+hoofddeksels, die tot geen land en geen tijd behooren, en, zooals
+gewoonlijk bij dergelijke soort kleedij, zeer smakeloos zijn.
+
+
+
+
+LIMBURG.
+
+
+In de provincie Limburg zijn slechts weinig sporen van een eigen
+nationale kleedij te vinden. In den noord-westelijken hoek, in het
+land van de Peel en bij Mook, in Venraaij en in Weert zijn de drachten
+aan die van Noord-Brabant verwant.
+
+Behalve deze dracht in het Noorden van de provincie is in de buurten
+van Sittard nog eenige resten van een eigen volks-dracht te herkennen.
+
+Oude vrouwen dragen daar nog het halflange jak over een dikke, breede
+rok die helder violet is en van zoogenaamd "_tirtei_" is gemaakt--ze
+dragen drie van die rokken over elkaar van dezelfde stof maar van
+verschillende kleur. Die rokken zijn, aan de taille sterk "_gefronsd_"
+(d. w. z. geplooid) waardoor de heupen zeer breed worden. De stof
+van die rokken is zeer zwaar. Ze dragen daarbij geen corset, maar
+een onderlijfje, en daar over het jak, dat van voren dicht gaat. Ze
+loopen op klompen.
+
+De mouwen van het jak zijn wijd, saamgeregen aan de polsen. Het jak
+is van satinet ('s zomers) en 's winters van wollen stof, en bruin
+van kleur. Dit jak heeft geen halsboordje.
+
+Om de hals wordt dan een vierkante doek geknoopt, die eerst driehoekig
+(diagonaal) is gevouwen, op de gewone manier. Die doek, die van met
+sterke kleuren bedrukte wol is gemaakt, heet "_de plak_". Nog zoo'n
+doek van dezelfde kleur, gaat, eveneens diagonaal gevouwen, over het
+hoofd, en wordt onder de kin vastgeknoopt, Om de hals gaat een zwart
+lint waaraan een kruisje, dat op de borst hangt.
+
+Het schort, dat deze vrouwen dragen, is 's Zondags als ze naar de
+Kerk gaan, zwart. Thuis en in de week is het blauw.
+
+Deze kleeding heeft niets Hollandsch, ofschoon de omslag-doek om de
+hals en schouders een wijze van kleeden is, die in de Hollandsche
+drachten--maar ook bij zooveele andere costumes--nog al veel
+voorkomt. Maar de doek over het hoofd is waarschijnlijk van Duitsche
+oorsprong. Ook de kleurigheid van deze doeken doet, zoowel door de
+versierings-motieven als door de kleurcombinatie, zelfs aan russische
+kleedingswijzen denken.
+
+In Zuid-Limburg, in het land tusschen Maastricht en Kerkrade en Vaals,
+is niets van een nationale eigen dracht te bekennen. Het is zeer de
+vraag of in die streken ooit een eigen Nederlandsche nationale of
+gewestelijke kleedij bestaan heeft, waar dit land altijd zoo direct
+onder invloed van Duitsche en Belgische (Waalsche) cultuur geweest is.
+
+De bijzondere drachten van de mijnwerkers uit de buurten van Heerlen
+zijn slechts beroepskleedij, en kunnnen dus--ook om hun internationale
+gedachte--niet tot de Nederlandsche volkseigen drachten gerekend
+worden.
+
+
+
+
+NASCHRIFT.
+
+
+Ik heb den text voor dit boekje in den zomer van 1916
+saamgesteld. Eerst in 1917 kon ik de proeven corrigeeren en meen thans
+nog de volgende bemerkingen te mogen maken. De invloed die de oorlog
+ook op de Nederlandsche nationale kleederdrachten thans reeds heeft
+zal echter pas duidelijk later overzien kunnen worden.
+
+Het bleek mij bij de onderzoekingen die ik in deze laatste jaren deed,
+dat ook de grondstoffen waaruit die nationale drachten vervaardigd
+worden gaandeweg gaan ontbreken, omdat van deze zooveel uit het
+buitenland moet worden aangevoerd.
+
+Zoo vernam ik van een mutsen-maakster in de Meierij dat de bloemen,
+die voor de poffers gebruikt worden, niet meer worden ingevoerd. De
+echte (Belgische) kant is ook niet meer te krijgen, of ze wordt te
+duur. Daardoor wordt de inheemsche dracht een onbereikbare luxe
+voor velen die nog gaarne de oude traditie getrouw zouden willen
+blijven. Men _moet_ wel tot de gewone stads-kleedij overgaan.
+
+Zoo kwam mij eveneens ter oore dat in de Baronie veel boerinnen te ver
+van plaatsen wonen waar mutsen-opdoensters wonen. Ze kunnen hun mutsen
+niet meer gestreken krijgen, het loont niet meer dit vak te beoefenen.
+
+Verscheidene geweven stoffen, zooals voor de drachten van Volendam
+en Marken worden schaarsch.
+
+Ook heeft de groote watervloed die in het voorjaar van 1916
+Noord-Holland, en speciaal Marken en Volendam teisterde, het aspect
+van de huizen veranderd, ze meer modern gemaakt, waardoor de oude
+dracht niet meer in overeenstemming met de nieuwere woningen is.
+
+En er is een on-miskenbare wisselwerking tusschen de huizen waarin
+de menschen wonen en de vorm en kleur van hun kleedij.
+
+Zoo verdwijnt langzaam-aan de volks-eigen dracht door allerlei
+oorzaken, en, in deze oorlogstijd zelfs tegen den wil der bevolking
+in. Thans, in deze jaren, was het den tijd de complete gegevens omtrent
+deze costumes te verzamelen, vóór dat misschien nog erger gevolgen van
+den wereldoorlog ons land treffen en er voorshands voor bestudeering
+van het oude geen tijd en geld en energie meer beschikbaar zal zijn,
+als wellicht de hernieuwing en de omvorming van het heden en het
+opbouwen van een ander-soortsche toekomst alle krachten van allen
+vergen zal.
+
+Het bleek mij dat deze zeer veel tijd rovende en bijzonder kostbare
+studiën niet langer als privaat-onderneming konden worden voortgezet,
+en daarom ook meende ik zelfs in deze tijden een poging te mogen wagen
+om de belangstelling van 's Rijks Regeering voor de Nederlandsche
+nationale kleederdrachten te wekken. In het begin van 1916 richtte
+ik een verzoek tot Z. Ex. den Minister van Binnenlandsche Zaken om
+het bijeenbrengen van gegevens en afbeeldingen van die drachten te
+willen subsidieeren.
+
+De minister vroeg om advies bij de Koninklijke Academie van
+wetenschappen. Deze adviseerde gunstig. De Regeering stelde mij daarop
+een subsidie in uitzicht en mijn plannen als zoodanig ondervonden
+schijnbaar een veelzijdige sympathie.
+
+Toch kwam van al deze goede bedoelingen en goeden wil niets terecht.
+
+Dr. A. Pit, Directeur van het Nederlandsch Museum van Geschiedenis
+en Kunst te Amsterdam, onder wiens Directie de zoo fraaie verzameling
+van poppen in nationale kleedij uit het Rijksmuseum was uitgewezen, en
+die door den minister was opgedragen toezicht op mijn werk te houden,
+heeft de uitvoering van deze plannen, nog vóór ze begonnen waren,
+langs den bureaucratisch-administratieven weg onmogelijk gemaakt.
+
+Of het later aan iemand anders dan aan mij vergund zal worden deze
+studiën, met steun van de Regeering te doen, wil _ik_ thans niet
+uitmaken. Maar het is wèl absoluut zeker dat thans een kostbaren tijd
+en mogelijkheden verloren gaan, die niet terug te winnen zullen zijn,
+zelfs niet met nog zoo veel geld .... om van den goeden wil en zekere
+andere voordeelen niet te spreken, die hier te niet gedaan werden.
+
+Ik voor mij ben daarom den uitgever dankbaar--en velen zullen met
+mij hem dankbaar zijn--omdat hij mij in de gelegenheid stelde dit
+korte overzicht van het materiaal dat ik over de meest belangrijke
+van deze drachten verzamelde, op deze wijze te publiceeren.
+
+Dit is lang niet alles, .... en zeer zeker niet compleet .... maar
+het is misschien een begin of een aanleiding om later vollediger
+beschrijvingen te boek te stellen. Later .... als het dan tenminste
+nog kan ....
+
+Want het is thans, op elk gebied, de groote tijd waarin _alles_
+veranderd, de tijd, waarin het oude verdwijnt, om in de toekomst
+wellicht geen enkel spoor na te laten. Zoodat ieder jaar, dat
+de beschrijving en afbeelding van onze Nederlandsche nationale
+kleederdrachten, ten pleiziere van welke groep, welk groepje of wiens
+persoon, omdat het niet van hen uitgaat, of om welke "_redenen_"
+dan ook, vertraagd of onmogelijk gemaakt wordt, _een vergrijp is
+tegen de Historie van Nederland, een vergrijp ook tegen een redelijke
+wetenschappelijkheid, tegen een werkelijke levende beoefening van
+een practische--en daardoor waardevolle--kunsthistorie_.
+
+Juni 1917. Th. MOLKENBOER.
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ Voorwoord
+
+I. Inleiding
+ A. Over kleederdrachten in het algemeen
+ B. Over nationale kleederdrachten
+ C. Over de nationale kleederdrachten en de vooruitgaande
+ beschaving
+
+II. De Nederlandsche nationale kleederdrachten
+ A. Algemeen overzicht
+ B. Waar worden de Nederlandsche nationale kleederdrachten
+ gedragen
+ C. Over den invloed van den godsdienst, ras, rang, stand en
+ beroep op de Nederlandsche nationale kleederdrachten
+ D. Over de beteekenis van onze Nederlandsche nationale
+ kleederdrachten uit een ethisch en aesthetisch oogpunt
+ E. Litteratuur over de Nederlandsche nationale kleederdrachten
+ F. Wat werd en wordt er voor de instandhouding, de belangen
+ en de kennis van de Nederlandsche nationale kleederdrachten
+ gedaan
+
+III. De beschrijving van de Nederlandsche nationale kleederdrachten
+ in de verschillende provinciën
+
+ Kaart van Nederland
+ Noord-Holland
+ A. Marken
+ B. Volendam
+ C. West-Friesland
+ D. Het Gooi
+ I. Laren
+ II. Blaricum
+ III. Huizen
+ E. De Noordzee-kust en de eilanden
+ F. De Meeren en Polders
+ G. De groote steden
+ Utrecht
+ Spakenburg
+ Zuid-Holland
+ Scheveningen
+ Zeeland
+ A. Walcheren
+ B. Zuid-Beveland
+ C. Zeeuwsch-Vlaanderen
+ D. Noord-Beveland
+ Friesland
+ Hindeloopen
+ Groningen
+ Drenthe
+ Overijsel
+ A. Het eiland Urk
+ B. Staphorst
+ Gelderland
+ A. De Veluwe
+ B. De Achterhoek
+ C. De Betuwe, en het land tusschen Maas en Waal
+ Noord-Brabant
+ A. De Meierij van 's Hertogenbosch
+ B. De Baronie van Breda
+ C. Het Mark-Graafschap van Bergen op Zoom
+ Limburg
+
+ Naschrift
+ Register
+ Inhoud
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De Nederlandsche Nationale
+Kleederdrachten, by Th. Molkenboer
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE NEDERLANDSCHE NATIONALE ***
+
+***** This file should be named 20665-8.txt or 20665-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/0/6/6/20665/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.