diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 01:24:51 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 01:24:51 -0700 |
| commit | 0b9bdbb0bae0caa9a7c02170d47de011e8770911 (patch) | |
| tree | 72bed589f1e8e760218a8a503a5243d28e1e3449 /20665-8.txt | |
Diffstat (limited to '20665-8.txt')
| -rw-r--r-- | 20665-8.txt | 4576 |
1 files changed, 4576 insertions, 0 deletions
diff --git a/20665-8.txt b/20665-8.txt new file mode 100644 index 0000000..b8c7701 --- /dev/null +++ b/20665-8.txt @@ -0,0 +1,4576 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten, by +Th. Molkenboer + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten + +Author: Th. Molkenboer + +Release Date: February 25, 2007 [EBook #20665] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE NEDERLANDSCHE NATIONALE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/. + + + + + + + + + + + DE NEDERLANDSCHE + NATIONALE + KLEEDERDRACHTEN + + DOOR + + TH. MOLKENBOER + + + MET 81 AFBEELDINGEN NAAR + PHOTOGRAPHISCHE OPNAMEN + + UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF AAN HET + DAMRAK 88 TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXVII + + + + + + + +VOORWOORD. + + +Dit boekje bedoelt niets anders dan een kort overzicht te geven +van de nationale Nederlandsche kleederdrachten die heden (1916) nog +in de verschillende provinciën in werkelijkheid door de bevolking +gedragen worden. De hierbij gevoegde plaatjes geven een afbeelding +van de voornaamste dier drachten en de wijze waarop zij gedragen +worden. De hier afgebeelde personen zijn geen aangekleede figuranten, +maar de werkelijke en gewoonlijke dragers van hun costumes, zoodat deze +afbeeldingen derhalve een volkomen indruk van de betreffende nationale +kleedij geven. De bestaande realiteit af te beelden en te beschrijven, +was mijn eenig doel, ik streefde naar een korte inventariseering van +datgene wat er, thans in 1916, nog van die zoo bekende Hollandsche +inheemsche drachten is over gebleven. + +Dit is dus een handboekje, waaruit zich landgenoot en vreemdeling +op een makkelijke wijze eenige, zoo noodig gebleken, kennis van +de wel zeer bekende, maar zoo weinig gekende nationale kleedij kan +verschaffen. Uit den aard van dezen opzet volgt dat hier slechts die +drachten besproken worden die heden (in 1916) nog werkelijk gedragen +worden en dat van deze slechts een zeer korte beschrijving zonder meer +gegeven wordt. Alle mededeelingen of bespiegelingen over de historische +wording, blijven hier achterwege. Alleen is van dit plan afgeweken +voor de provincie Friesland, waar de nationale drachten wel niet meer +dagelijks door het volk gedragen worden, maar een zeer belangrijke +rol spelen zoodra de Friezen zich als Friezen willen doen kennen, +en deze kleedij dus nog bij herhaalde gelegenheden gedragen wordt, +zoodat ook deze costumes hier moesten worden besproken en afgebeeld. + + + +De gegevens die in dit boekje zijn bijeengebracht, zijn door mij +sinds 1912 verzameld. De eerste aanleiding tot deze studie gaf het +Feest in Nationale kleederdrachten, dat op den 12 September 1913 +te Amsterdam, op mijn initiatief en onder mijn leiding gehouden +werd. Op dat feest waren ongeveer zeshonderd personen in ongeveer +honderd verschillende drachten bijeen. Toen ben ik begonnen de daar +verzamelden te photographeeren, en ik heb de meeste van hen, later, in +herhaalde rondreizen door Nederland in hun eigen woning, bezocht. Uit +hun mond heb ik de verschillende gegevens en wetenswaardigheden omtrent +alle onderdeden van hun costumes vernomen en opgeteekend. De meest +uiteenloopende persoonlijkheden, van elken stand en rang, stonden mij +bij mijn vragen om inlichtingen te woord. Waar ik echter mijn vragen +niet naar mijn wensch of niet duidelijk, volledig of zakelijk genoeg +door de dragers van die nationale drachten zelf beantwoord kreeg, daar +vroeg ik belangstellenden om inlichtingen. En het viel mij daarbij +op hoe velen in den lande, vooral in de provincie, en dat niet alleen +onder den boerenstand, maar onder alle rangen en standen, nog zoo veel +belangstelling in, en kennis van een of andere locale dracht bewaren. + +Hier was het een burgemeester, daar de gemeente-secretaris, weer +elders een gewone boer of boerin, soms een heel eenvoudige winkelier, +een schoolmeester of een naaister of mutsenmaakster, die mij te woord +stond. En zij allen wisten zeer veel bijzonderheden van een of andren +dracht te vertellen, die echter in het bestek van dit boekje niet +alle kunnen worden opgenomen. Maar hun kennis pleitte voor de groote +plaats die de nationale kleedij nog in veel streken van ons land in +de volks-psyche inneemt. + +Aan allen, die mij bij het kostbare en tijdroovende verzamelen +van deze gegevens hun bereidwillige medewerking verleenden, mijn +bijzonderen dank. + +Alles wat ik vernam, kon hier echter niet worden meegedeeld. Dit +boekje beoogt slechts een kort overzicht van heel de Nederlandsche +volks-kleedij te geven. Mochten onnauwkeurigheden of storende +onvolledigheden worden opgemerkt, dan houd ik mij voor verdere +inlichtingen, voor photo's en beschrijvingen, van welken kant ze ook +komen mogen, gaarne aanbevolen. Die nieuwe gegevens zullen het dan +misschien mogelijk maken, later uitvoeriger dit hoogst belangrijke +onderwerp meer volledig te behandelen. Vooral ook omdat de kennis van +onze nationale kleederdrachten een heel nieuw veld van studie is, en +niets in deze door mij, ten behoeve van dit werkje, uit litteratuur +kon worden gecompileerd. Daar dit dus geheel uit eigen onderzoekingen +is saamgesteld, hoop ik dat bij de beoordeeling van dit werk deze +omstandigheden in aanmerking zullen genomen worden. + + + +Nog altijd hebben onze nationale kleederdrachten de bijzondere +belangstelling van ons volk en van het buitenland, ofschoon die +belangstelling zeer verschillend in soort is. + +Een deel van de bevolking onzer voornaamste centra van moderne +beschaving, beschouwt die merkwaardige costumes niet anders dan +als verachtelijke overblijfsels van een verouderde, achterlijke +cultuur. Zij ergeren er zich aan, en meenen dat die blijken van +boerschheid en onbeschaafdheid nu maar zoo spoedig mogelijk moeten +verdwijnen, omdat zij landgenoot en vreemdeling niet anders dan het +levende bewijs geven van de inertie van onzen volksgeest. Andere +Nederlanders, die meer gevoel voor het eigendommelijke en +pitoresque hebben, en nog iets eigens weten te waardeeren, en die, +ondanks de alles verpletterende niveleeringswoede van wat men de +hooggeroemde moderne beschaving noemt, nog eenige zelfbewustheid +hebben overgehouden, zien in die nationale kleedij nog de laatste +resten van onze eenmaal zoo groote en eigen Nederlandsche cultuur, +en waarvan zij de laatste manifestatie in deze volks-drachten erkennen. + +Voor hen zijn die drachten dan ook een bewijs dat ons volk nog "_iets_" +eigen Hollandsch heeft. + +Maar voor vele buitenlanders, die ons land vliegensvlug doorreisden, +en niet anders dan naar oppervlakkige indrukken oordeelen, en dus niet +het "_wezen_" van ons volk, noch van onze nationale kleederdrachten +gezien hebben, zijn die costumes een middel geworden om heel ons +volk belachelijk voor te stellen. Zij verbinden de idee van de +Hollandschheid aan het logge uiterlijk van een grove, wijdgebroekte +visscherskerel, die zij op zijn breede klompen over het asphalt +onzer hoofdsteden zagen stappen, als één logge klos-klomp van +levensdomheid. En veel Hollanders meenen "beschaafd" te zijn door +die buitenlandsche miskenning uit domheid te billijken en na te volgen. + +Die verkeerde beoordeeling bij landgenoot en vreemdeling, vindt echter +in hoofdzaak zijn grond in gebrek aan kennis van het wezen zoowel als +van de verschillende vormen van onze nationale kleedij. Bovendien +hebben de verkeerde afbeeldingen en beschrijvingen de waardeering +nog meer geschaadt. + +En ... dat is tot op zekere hoogte de schuld van de Hollanders +zelf. Zij hebben de afbeelding en de beschrijving van het nationale +monument dat in hun inheemsche kleederdracht bestaat, voor het +allergrootste deel aan buitenlanders overgelaten, die er niets +anders dan het vreemde, het "rare", dikwijls slechts het belachelijke +in zagen. + +Meer en beter kennis van het wezen, van de bedoeling en van den vorm +van onze nationale kleederdrachten zal in het binnen- en buitenland +niet alléén die costumes, maar ook heel Nederland ten goede komen. Die +meerdere en betere kennis is meer dan noodzakelijk. + +In deze het mijne bij te dragen is het doel van dit handboekje, dat, +het zij nog eens herhaald, geenszins aanspraak maakt op volledigheid, +maar slechts met de mij hier ten dienste staande middelen een algemeen +en kort overzicht over deze nationale drachten geven wil, maar met +_juiste_ mededeelingen aan de hand van _echte_ en _ware_ afbeeldingen. + +Th. MOLKENBOER. + +Amsterdam, Juli 1916. + + + + + + +I. INLEIDING. + + + +A. OVER KLEEDERDRACHTEN IN HET ALGEMEEN. + + +Het moet als een door de anthropologie en de cultuurgeschiedenis +bewezen waarheid gelden dat de redenen, waarom zich den mensch +kleedt, niet gevonden moeten worden in climatologische of zedekundige +gronden, maar in den _wil om zich te onderscheiden_. Versiering +is de eerste grondgedachte van de primitieve menschelijke kleedij +geweest, versiering van zijn eigen lijfelijke persoonlijkheid om +zich van zijn mede-menschen te onderscheiden, versiering als middel +om zijn eigen plaats onder de menschen in te nemen, als middel dus +tot zelfbestaan. De koningsmantel is de uiterste consequentie van +deze eenvoudige grondgedachte. + +Later, toen den mensch zich meer en meer van de natuurstaat verwijderde +en de geheele aardbol ging bewonen, hebben zich de wisseling in +temperatuur, de bodemgesteldheid en allerlei andere omstandigheden, +die met de geologie en geographie in verband stonden, den aard van de +kleeding in de verschillende landen bepaald. Rassen-eigenaardigheden, +godsdienstige opvattingen en ten slotte nationale en politieke oorzaken +hebben daarna invloed op den vorm, de kleur en het algemeen aspect van +de kleeding gehad. En zoo ontstonden de nationale kleederdrachten, +die in hun grondgedachte niet anders bedoelen dan de dragers reeds +dadelijk, door hun kleeding, als uit dit of dat land afkomstig, als bij +dit of dat volk behoorende, te doen kennen .... door _onderscheiding_. + +Opmerkelijk is daarbij, dat eenzelfde soort kleedingstuk in +verschillende landen, in bijna gelijken vorm voorkomt, omdat het zijn +reden in dezelfde climatologische of gebruiks-gronden vindt. Waar +dan de hoofdvorm overal dezelfde is, zelfs de stof waaruit zoo'n +kleedingstuk in de verschillende landen is gemaakt, dezelfde blijft, +is de kleur en vooral de versiering voor ieder land of streek +verschillend, zoodat het nationale, het eigene, het onderscheidende +nog zeer duidelijk op den voorgrond treedt, ondanks de algeheele +overeenkomst in het wezen en den vorm van zoo'n stuk kleedij. + +Als voorbeeld moge de veel gesmade, veel uitgelachen wijde broek van +onze Volendammers gelden, welk oer-type van beenbekleeding voor mannen +in bijna iedere Europeesche, West-Aziatische en Noord-Afrikaansche +volksdracht--ja zelfs in de Chineesche--terug te vinden is. Toch zal +in ieder land dit kleedingstuk, om de eigenaardige kleur of bijzondere +versiering, zijn zeer eigen cachet hebben en den drager al dadelijk +van zijn mede-menschen doen onderscheiden, hem als uit dit of dat +land afkomstig doen kennen. + +En zoo is het met ieder onderdeel van de menschelijke kleedij, omdat +ieder dezer deelen tot een paar hoofd-typen terug te voeren zouden +zijn, die overal terug komen, alléén in ieder land op zeer kenmerkende, +onderscheidende wijze vervormd en versierd. + + + +B. OVER NATIONALE KLEEDERDRACHTEN. + + +Het eerste beginsel van de nationale drachten is dus de +bewoners uit een zeker land van die, uit een ander gewest, +te doen onderscheiden. Het is begrijpelijk, dat daarom het +wezen van de nationale drachten ten nauwste samenhangt met het +nationaliteits-gevoel. Sterker nog. Het vindt zelfs zijn oorsprong in +gewestelijke concentratie, soms zelfs in den wil van een stad of dorp +om zich geheel van de buitenwereld af te scheiden, te onderscheiden. + +Het wezen van een nationale kleedij is derhalve geheel tegenovergesteld +aan het wezen van de mode. Want de mode vooronderstelt een +internationale idee, of althans een idee waarin den wil zich als +land of stad in zichzelf te onderscheiden, is opgeheven. De mode +vooronderstelt een gelijkheid in nationaliteiten, steden en bewoners, +en uit zich in gelijkvormigheid. De nationale kleedij bestreeft juist +het tegenovergestelde, de zoo sterk mogelijke individualiseering van +een land, een stad, zijn bewoners, waarvan zij de persoonlijkheid +accentreert. + +In zoo verre is ook de idee van een nationale kleedij geheel +tegenovergesteld aan die van het uniform. Want een uniform bedoeld +een uiterlijke gelijkvormig making met de volkomen terzijde zetting +van de persoonlijkheid. In zooverre is dus de idee van een uniform +gelijk aan het wezen van de mode. Maar een uniform wordt gedragen +op bevel, de mode volgt ieder individu uit eigen keuze.... als men +'t tenminste zoo noemen mag. + +Maar bij de mode is althans nog sprake van persoonlijkheid, te meer +ook daar ieder individu, naar eigen smaak, de mode veranderen kan, +niet alléén voor zoover het zijn eigen kleeding betreft, maar ook +zelfs op de kleeding van anderen invloed kan uitoefenen. + +In de nationale kleeding echter treedt de persoonlijkheids-idee van +het volk--als volk--op, ze vormt er het wezen van, d.w.z. ze brengt de +persoonlijkheids-idee van een gemeenschap tot uiting. En aangezien een +gemeenschap niet spoedig nieuwe ideeën, nieuwe uitingsvormen aanneemt, +is het logisch, dat het beginsel van de nationale kleederdrachten +ten nauwste samenhangt met het begrip "_conservatisme_"--maar, in +den goeden zin van dit woord. + + + +C. OVER DE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN EN DE VOORUITGAANDE BESCHAVING. + + +Dát verwijten de zoogenaamde beschaafden de nationale kleederdrachten +het meest, dat ze een kenteeken zouden zijn van achterlijkheid, +van onbeschaafdheid en, deze twee vereenigd, van "boerschheid". + +Daar zou iets voor dit argument te zeggen zijn, als datgene, wat +die nieuwlichters voor die oude drachten--die de resultante zijn +van een eeuwenheugende cultuur--in de plaats zouden willen stellen, +zooveel beter was dan die ouderwetsche kleedij. Maar dat is geenzins +het geval. Zij, die deze oude drachten zouden willen doen verdwijnen, +zouden er niets anders voor in de plaats willen, kunnen stellen, dan de +zoogenaamde universeele mode. Behalve, dat dit de aesthetica niet ten +goede zou komen, misschien echter eenigen grond in de gezondheidsleer +zou kunnen vinden, zou die verandering psychologisch noch aan het +geheel, noch aan het individu ten goede komen. + +Tenzij--maar dat is voorloopig nog niet mogelijk--in de plaats van +die oude drachten een nieuwe kleedij gesteld kon worden, die in zijn +vormen, kleuren, versieringen en veel-soortige beteekenis even algemeen +waardevol is, als die oude kleedingswijze. + +Die nationale kleeding dus met opzet te willen doen verdwijnen, omdat +ze zoogenaamd de uiting is van onbeschaafdheid, zou gelijk staan +zich aan de volkspersoonlijkheid te vergrijpen. En in deze tijd van +algemeene vernivelleering, van gebrek aan persoonlijkheids-gevoel, +zou dat gelijk staan met de werkelijke cultuur aan te randen, door +haar uiterlijk met geweld te willen vernietigen. + +De nationale kleederdrachten behooren tot de monumenten die ons het +voorgeslacht liet, als een uiting van haar persoonlijkheids-gevoel, +haar persoonlijkheids-wezen, haar eigen beschaving en idealen. En +al deze monumenten, de oude kasteelen, kathedralen en huizen, de +oude meubelen en ook die oude kleedij, moet men, als een deel van +den geest van het verleden, hun eigen dood doen sterven. "Il faut +laisser mourir les monuments." + +Het zou even zoo dwaas zijn die oude kleedij met geweld te willen +verbieden, als ze, daar waar ze uit zich zelf verdwenen is, weer te +willen doen herleven. En dit geldt voor alles wat ons het voorgeslacht +liet. Slechts datgene waarin de algemeene waarheid leeft, blijft, +en krijgt op zijn tijd zijn nieuwe kleed, kan zich, op zijn tijd, +opnieuw verjongen en zich dan weer doen onderscheiden. + +De nationale kleederdrachten nu zijn een zeer bijzondere uiting van +het persoonlijkheids-bewustzijn van een land, van een streek, van +een stad. En zoolang dat bewustzijn in de bewoners van dat land leven +blijft, zoolang blijft hun nationale, eigene kleeding bestaan. Zoodra +zij zich echter inter-nationaal, of zonder zelfstandigheid gaan voelen, +verdwijnt hun eigene kleeding. + +Als zoodanig ligt er dus wel eenige waarheid in het verwijt van +die zoogenaamd beschaafden, dat in streken waar nog een nationale +kleederdracht gevonden wordt, nog een zekere achterlijkheid +bestaat. Maar dan moet dit aldus verstaan worden, dat onder +achterlijkheid, persoonlijkheid verstaan wordt. Maar sinds wanneer +is dan "persoonlijkheid" gelijk aan "achterlijkheid". Tenzij dat men +in het vasthouden aan die van oudsher overgeleverde vorm-geving, +aan dat persoonlijkheidsgevoel een star en dood vasthechten aan +de uiterlijkheid ziet.--In dat geval is het werkelijk een gebrek +aan vooruitgang, een achterlijkheid.--Maar .... zoo is het in +werkelijkheid niet. + + + +Het is geenszins waar dat die oude kleedij slechts door domme boeren +en onbeschaafde buitenlui gedragen wordt uit sleur, omdat ze niet +beter weten. Moge dit voor den "stads-mensch" zoo schijnen, de +waarheid is anders. Zeker in de streken en bij de "_boeren_" die de +nationale dracht nog in zijn geheel naar het oude model dragen. Dit +getuigt de wijze waarop en de gelegenheid waarbij die "_boeren_" +hun oude kleeding dragen. Zij zien hun eigen ideaal in die bijzondere +kleedij, die kleurige stoffen, linten, strikken, gouden sieraden en +kantwerk. Voor hen is die kleedij werkelijk mooier en beter dan de +"stadskleeding" of de mode. En dit bewijst niet de achterlijkheid +van deze menschen, maar het pleit voor hun onbedorvenheid, voor de +oprechtheid van hun gevoel en hun smaak. En zoo deze dan al niet van +de meest verfijnde soort moge zijn, ze is in ieder geval _"echt"_. + +En zij worden in hun voorliefde volkomen in het gelijk gesteld door +kunstenaars en aesthetici, die de typische schoonheid van de ware, nog +intact gebleven oude drachten boven de gemiddelde moderne modekleedij +zullen stellen, er het meerdere karakter, de grooter eigenheid van +erkennen. Is die aanhankelijkheid aan het oude, die zoogenaamde +achterlijkheid, niet heel wat beter dan over te gaan tot een slecht +gedragen moderne kleedij, die in den regel voor de nationale dracht +in de plaats wordt gesteld? + +Men kan dus niet zeggen dat het uit sleur is dat die nationale +drachten nog gedragen worden ... of dat hun eigendommelijke schoonheid +niet een nog levende schoonheid zou zijn, die door de dragers niet +duidelijk als zoodanig zou worden gekend. Zelfs de "mode" heeft in die +nationale costumes de eigene schoonheid weten te waardeeren, en veel +motieven en kleur-combinaties zijn aan die drachten door de moderne +vrouwenkleeding ontleend. Zelfs de kanten mutsjes, die men nog voor +kort--door hun overdreven stijfgeplooidheid--nog zoo "grootmoederlijk" +vond, vinden thans bij de moderne dameskapsels navolging. + +Zoodat per slot het boersche en het onbeschaafde niet ligt bij die +nationale drachten, maar in de onkunde die er omtrent hen heerscht, +en bij de "moderne modes" die alle goeden smaak bederven, en er +eerder over gedacht zou moeten worden tot de oude volkskleedij terug +te keeren dan ze af te schaffen. Althans als er sprake zou zijn van +"cultuur" en ware goede "smaak" en, indien "terug-gaan" als zoodanig +ooit te verdedigen zou zijn. + +Intusschen is noch het een, noch het ander het ware. De tijd zal in +deze ook op het gebied der kleedij een nieuw persoonlijkheids-idee +doen ontstaan, die bij de oude nationale drachten zoo levend en zoo +kenbaar was, en die in de moderne costumeering slechts bij zeer hooge +uitzondering tot uiting komt en bereikt wordt. + +En, persoonlijkheid, ook in kleeding, is toch immers slechts het +eenige kenmerk van ware cultuur--dat is, van een van binnen-uit +gekomen zelf-ontwikkeling, zelf-opheffing, zelf-verbetering. + + + + + +II. DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN. + + + +A. ALGEMEEN OVERZICHT. + + +Thans, in 1916--en reeds in 1912 op het feest in Nationale +kleederdrachten te Amsterdam, moet geconstateerd worden dat van de +Nederlandsche-eigen-volks-kleedij niet veel meer over is, en dat wat +er nog is, zienderoogen en jammerlijk verandert en verdwijnt. + +En het gaat met dat verdwijnen ieder jaar sneller. + +Op zichzelf zou men hier niet over moeten treuren, omdat met het +verdwijnen van dat, wat afgedaan heeft, de plaats vrij wordt voor nieuw +leven. Maar erger is het dat vele drachten zoo deerlijk veranderd +worden, zoo "verknoeid worden" moet men zeggen, door toevoegsels of +veranderingen die enkele dragers (maar vooral draagsters) aan deze +kleedij aanbrengen. + +Dat veranderen heeft er meer toe bijgedragen dat algemeen wanbegrip dat +onder het groote publiek over die costumes heerscht te doen ontstaan, +dan de werkelijke costumes zelf. Aan het origineel erkent men tenminste +het ware, al vindt men het niet mooi. De eigen-gereide verandering +wordt in den regel echter slechts lachwekkend. Ik denk hier aan de +bekende capotte-hoedjes--een overblijfsel van de Fransche-Dames-Modes +van omstreeks 1880--die in het Nederlandsche nationale costume zijn +overgegaan, onder den naam van "de kiep" (West-Friesland). Deze +"kiep" wordt over de boeren-muts gedragen, met banden onder de kin +vastgeknoopt, en is een toonbeeld van verregaande onredelijkheid +en smakeloosheid. Zoo'n toevoegsel maakt het geheele costume en de +draagster zelf werkelijk belachelijk. + +Dergelijke veranderingen maakten het nationale costume +bespottelijk. Maar andere wijzigingen kwamen de moderne smaak meer +in het gevlei, ofschoon ze evenzeer tegen het wezen van de nationale +dracht streden. + +Zoo dragen de Zeeuwsche vrouwen op Walcheren sinds eenige jaren +een corset, en maken zij hun vele rokken niet meer van zoo dikke +wollen stoffen. Het gevolg is dat er veel meer teekening in hun +figuur kwam, en bijna eenzelfde lijn als de moderne dames-costumes +werd verkregen. Voeg daarbij dat de van nature zoo wel gebouwde +Walcherensche vrouwen al reeds uit zichzelf een meer "moderne" +verschijning hebben dan bijvoorbeeld de Marker vrouwen, dan begrijpt +men hoe op Walcheren de nationale dracht voor de vrouwen zoolang +en zoo algemeen "mode" kon blijven. Ze flatteerde in hooge mate, ze +kwam de lijn van het moderne vrouwen-costume nabij, en ze bleef toch +schijnbaar nationaal zonder dit echter in werkelijkheid geheel te zijn. + +Ziedaar een voorbeeld van verandering, die althans niet aesthetisch +storend werkt en daarom het uiterlijk van het nationaal costume als +zoodanig niet geheel ten nadeele komt. + + + +Maar behalve de veranderingen die iedere draagster, naar eigen smaak, +aan haar eigen dracht aanbrengt, zijn er andere factoren die op het +verdwijnen van de nationale costumes van grooten invloed zijn. + +Want .... ze verdwijnen langzaam maar zeker--al die bonte, typische, +nationale Nederlandsche-volks-eigen drachten, met zoo eigen schoonheid +en charme. De groote en uitgebreide correspondentie, die ik sinds +1912 met belangstellenden over dit onderwerp voer, bewijst dit. + +Gemeentelijke autoriteiten zoowel als privé-personen, uit alle +deelen van ons land, zij allen zijn het er over eens dat die drachten +zienderoogen verminderen. En--komt men ter plaatse zelf--dan zullen +het u alle oude vrouwtjes verhalen hoe in hun jeugd allen minstens nog +mutsen droegen, terwijl thans (1916) de jeugd, in diezelfde streken, +geen enkel spoor van nationale dracht meer in haar kleeding toont. + +De ouderen herinneren zich, dat in hun jeugd bijna allen in nationale +kleedij gingen, althans met de muts en de rest van de kleeding was +dan althans van ouderwetsche stof, snit en kleur. + +De menschen van middelbaren leeftijd van thans (1916) tooien zich nu +en dan nog met de muts en het oorijzer of de gouden sieraden, die +van de ouders zijn geërfd, en dan nog alléén uit piëteit voor hun +voorzaten. Maar de jeugd van dezen tijd (1916) is volkomen "modern." + +Dit geldt voor het allergrootste deel van Nederland, en in de +allereerste plaats de groote steden en hun omgeving, zelfs in streken +als Zeeland, op Marken, Urk en in andere plaatsen, waar de dracht nog +vrij algemeen is, vindt men al huisgezinnen, waar slechts een deel +van de kinderen in nationaal costuum gaan, de anderen "bekeerd" zijn, +zooals ik eens een jong meisje van 13 jaar, (in Huizen) die "modern" +droeg, hoorde zeggen. + +De moderne jeugd is zoogenaamd "te verstandig", en na dit geslacht zal +in het volgende wellicht alle herinnering aan de nationale kleedij +in Nederland verloren zijn, met uitzondering van een paar streken, +waar thans nog de oude dracht algemeen en in zijn geheel gedragen +wordt. Maar die streken worden hoe langer hoe kleiner. Want een andere +oorzaak van het veranderen, en daardoor verdwijnen van de nationale +kleedij, is de kostbaarheid van die dracht. En ook vereischen de meeste +van die costumes zeer veel kennis om ze te vervaardigen, ze zijn lastig +in het dragen, en kostbaar in onderhoud, vooral de kanten mutsen en +kappen, die meestal door speciale strijksters moeten behandeld worden. + +Ook dit zijn ongemakken, die de moderne jeugd gaarne ontgaan wil, +vooral omdat de nieuwerwetsche kleeding zooveel eenvoudiger en +losser in het dragen is en geheel gereed in winkels kan worden +gekocht. Maar daar staat tegenover, dat vele van die oude drachten +zoozeer flatteeren. En .... welke vrouw zou dat niet zien .... en +waardeeren, en haar veel moeiten doen vergeten. Zoo die ijdelheid +dan--voor zoover de vrouwencostumes betreft--voor een deel oorzaak +zou kunnen zijn, dat enkele van die oude drachten langer zouden kunnen +blijven voortbestaan, niet aldus met de mannendracht. Daar geeft het +practische den doorslag, ofschoon hier en daar nog een klein gevoel +voor de geboorteplaats en een koppig vasthouden aan oude gebruiken tot +de instandhouding van de plaatselijke dracht zal blijven medewerken. + +Over het algemeen moet echter vastgesteld worden, dat de nationale +Nederlandsche kleedij langzaam maar zeker verdwijnt, en dat vooral +dit nu levende geslacht (1870-1920), de grootste veranderingen op +dit gebied mee maakt. + + + +B. WAAR WORDEN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN GEDRAGEN? + + +In ieder van de elf Nederlandsche provinciën wordt de nationale dracht +op zeer verschillende wijze in stand gehouden. + +In enkele streken komt ze thans (1916) nog veelvuldig voor en wordt +ze in haar geheel, in onder- en bovenkleeding, zoowel door de mannen +als de vrouwen en de kinderen in eere gehouden. + +In andere gedeelten van ons land, en dat is wel het grootste +deel, vindt men er nog slechts de gedeeltelijke overblijfselen +van. Die gedeeltelijke dracht bepaalt zich dan hoofdzakelijk tot de +vrouwen-kleeding, waarbij alleen de kap en het oorijzer en eenige +bijzondere gouden en bloedkoralen lijfsieraden behouden bleven. + +Het verdere gedeelte van de kleeding dier vrouwen is dan een soort +stadsdracht, waarin zekere vormen en versieringswijzen van de oude +drachten zijn overgebleven, maar in heel andere stoffen, heel andere +(meestal effen) kleuren zijn uitgevoerd, een en ander vervormd door den +invloed van modedrachten van bijna een generatie terug. Dit "halve" +nationale kleed heeft dus in ieder geval een bijzonder cachet, maar +zij is de bij uitstek smakelooze, boersche en onbeschaafde en is de +ergste vijand van de volledige nationale dracht geworden, omdat ze +zoo voor ieder in het oog vallend dualistisch verkeerd, daardoor zoo +leelijk en daarom zoo belachelijk is. + +En in het overige deel van Nederland zijn zelfs alle sporen van de +ouderwetsche dracht verloren gegaan. Dit is vooral zoo in de groote +steden en centra van industrie, en dan voornamelijk onder de bevolking +die van deze industrie leeft. De boeren hebben in die streken soms +nog hun eigen dracht--geheel of gedeeltelijk--behouden. + +Een merkwaardig voorbeeld van dien verderfelijken invloed van de +industrie op onze nationale kleederdrachten ziet men in Vlissingen, +dat geheel gemoderniseerd is, terwijl op het overige gedeelte van +het onvolprezen schoone Walcheren, tot zelfs onder de poorten van +Vlissingen zelf, de inheemsche dracht in zoo bijzondere eer wordt +gehouden. + + + +Zoo men de streken waar de nationale kleedij veel, minder of in 't +geheel niet meer gedragen wordt, op de kaart van Nederland aanteekent, +dan zal het opvallen, hoe de volledige kleedij alléén nog maar voorkomt +in twee scherp afgescheiden centra (zie bl. 1). + +Het eene omvat Zeeland, en dan nog hoofdzakelijk alleen de eilanden +Walcheren en Zuid-Beveland, en een deel van Staats-Vlaanderen. + +Het andere strekt zich uit langs de kust van de Zuiderzee, van +Staphorst (in Overijsel) in het Noorden, tot Huizen (in Noord-Holland) +in het Zuiden. De eilanden Urk, Marken en Volendam (dat zoo goed als +een eiland op het land is) moet men ook tot dat centrum rekenen. + +Buiten deze twee zich zeer duidelijk afteekenende streken, wordt het +nationale costuum in Nederland nergens meer compleet gedragen. In alle +andere streken komt het gedeeltelijk voor, zelfs in de dorpen langs +de Noordzee, waar voor Scheveningen, wat de vrouwenkleeding betreft, +een soort uitzondering gemaakt zou kunnen worden. + + + +De streken, waar de nationale dracht gedeeltelijk voorkomt, strekken +zich om deze centra uit, ook in de groote steden zijn de drachten zoo +goed als geheel verdwenen, zoo men tenminste niet de zeer enkele oudere +vrouw die nog alleen een eenvoudige muts (de gewone Hollandsche hulle) +draagt, of enkele weezen-costumes mee wil rekenen. + +In het algemeen kan men echter zeggen dat dit gedeeltelijk costume +in het grootste (westelijke) deel van de Provincie Friesland nog +gedragen wordt, op enkele van de Noordzee eilanden, in Noord-Holland +(in hoofdzaak West-Friesland), op het platteland in Zuid-Holland en +Utrecht, de noordelijke Zeeuwsche eilanden, langs der Gelderschen +IJsel in den achterhoek van Gelderland, in het land tusschen Maas +en Waal en in het noordelijk en westelijk deel van Noord-Brabant. In +Groningen, een groot deel van Drenthe en Overijsel, in zuid-oostelijk +Noord-Brabant en in Limburg is echter de dracht geheel verdwenen, +bijna ieder spoor is er van uitgewischt. + + + +De overgangs-periode van heele op gedeeltelijke dracht, die het +geslacht dat thans (1916) ongeveer vijftig jaar is, heeft meegemaakt, +wordt door de jeugd uit dezen tijd (1916) overgeslagen. Zelfs in +centra waar de drachten om veel redenen nog in zeer groote eere +zijn, beginnen enkele jongeren direct met algeheelen afstand van +het nationale costume te doen en kleeden zich, niet alleen "op zijn +stadsch" maar zelfs naar de laatste buitenlandsche mode, nu deze +nieuwere vormen en opvattingen zooveel spoediger tot de landelijke +bevolking doordringen dan dit een geslacht geleden gebeurde. + +En, waar deze volledige verandering van costumeering, zoo zonder +overgangsproces, plaats grijpt, is het begrijpelijk dat voor de +nationale drachten het grootste gevaar dreigt om in betrekkelijk zeer +korten tijd volkomen te verdwijnen. + + + +C. OVER DEN INVLOED VAN DEN GODSDIENST, RAS, RANG, STAND EN BEROEP +OP DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN. + + +De invloed van den godsdienst op de nationale drachten is een zeer +bijzondere. Niet alleen dat de vorm van het costume ook zelfs naar +den godsdienst verschillend wordt, zooals dit zeer sterk is op +Zuid-Beveland, maar het blijkt dat de godsdienst ook van invloed +is op het behoud onzer nationale drachten. Over het algemeen heb ik +opgemerkt dat in meer orthodoxe streken--zoowel protestantsche als +roomsch-katholieke--de drachten langer bewaard blijven dan in minder +godsdienstige, zoodat dus de godsdienstige factor als eene ten goede +voor de drachten moet worden aangemerkt. + +De invloed van het Ras laat zich ook in den vorm van de costumes +nawijzen zooals ik dat reeds hier en daar in dezen text doe. Hierover +hebben ook Dr. Jos. Schrijnen, in zijn hoogst belangrijk boek over +"Nederlandsche volkskunde", Prof. J. H. Gallee in zijn werk over +"Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners", en Prof. L. Bolk +in zijn verhandeling over "De bevolking van Nederland in haar +anthropologische samenstelling", hun zienswijzen en de resultaten +van hun studiën neergelegd. + +De rang en stand in de maatschappij heeft in zooverre ook haar invloed +op de nationale drachten doen gelden, dat de costumeering rijker en +fraaier werd, naarmate de drager in betere sociale omstandigheden +verkeerde. Op den vorm van de dracht had dit slechts weinig invloed, +men was niet gewend bijzondere kenteekenen, om de standen te +onderscheiden, te dragen. + +Om deze redenen zijn dus onze nederlandsche nationale drachten echte +_volks-drachten_. + +Anders is dit met de gelegenheids-kleedij. Niet alleen dat de +vorm en de kleur van de kleeding der kinderen dikwijls van de +dracht van de volwassenen onderscheiden is, maar voornamelijk +wordt het onderscheid groot tusschen daagsche, feestelijke of +rouw-kleedij. Dit is bij al onze nationale drachten min of meer het +geval, maar--begrijpelijkerwijze--daar het sterkst, waar de drachten +nog volledig door mannen en vrouwen gedragen worden, omdat ook de +oude zeden, met die oude drachten, behouden bleven. + +De invloed van die zeden en gebruiken, doet zich dan zeer sterk op +de kleeding gelden, en komt in de verscheidenheid van die kleedij +bij vele gelegenheden tot uiting. + +Opmerkelijk is daarbij vooral de bijzondere fraaiheid en +ingewikkeldheid van de trouw-costumes, en--hoe zou het anders +kunnen--vooral van deze gelegenheids-kleeding van de vrouwen. + +Overal wordt bij de costumeering van "_de bruid_" een zeer bijzondere +prachtlievendheid, zoowel in kleur als in bewerking van het costume, +ten toon gespreid. + +Maar ook het verschil in beroep bracht verschil in kleedij, zonder +dat er echter van een consequent doorgevoerde beroeps-kleeding kan +gesproken worden. + +Zoo is er, bijvoorbeeld op Scheveningen, verschil in de kleeding +tusschen de visschers en de dorps-bewoners (die andere bezigheden +hebben). Maar over het algemeen is de afwijking van het algemeene +type der locale kleeding tengevolge van beroep of stand niet zeer +groot. De grootste variatie wordt veroorzaakt door de _gelegenheid_ +waarbij het costuum gedragen wordt. + + + +Ten slotte zou nog een afzonderlijk hoofdstuk te wijden zijn aan +de _weezen-costumes_. Ofschoon deze, als uniformen, niet tot de +eigenlijke nationale kleedij gerekend kunnen worden, staat daar +tegenover, dat het wezen en de vorm van vele dezer drachten toch +zoo nauw bij de eigenlijke volksdrachten aansluiten, er zoo zeer uit +voortkomen en er zich zoodanig mee hebben vermengd, dat deze meestal +toch ook ouderwetsche costumeeringen hier noodzakelijk in het kort +besproken moeten worden. + +Enkele van deze costumes zijn hier in dit boekje afgebeeld en +beschreven, om toch vooral ook niet deze zoo typeerende kleedij te +vergeten, die door een groot deel van het publiek zoo goed gekend +wordt, en die, naast de werkelijke nationale drachten, toch ook veel +aardigs en eigens aan de lokale kleur van enkele Hollandsche steden +hebben bijgezet. De mooie Amsterdamsche burgerweesjes, die uit Haarlem, +uit Leeuwarden en zoovele andere steden, mochten in dit _bestek ook +niet vergeten_ worden. + + + +D. OVER DE BETEEKENIS VAN ONZE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN +UIT EEN ETHISCH EN AESTHETISCH OOGPUNT. + + +Het ware zeer verkeerd onze nationale volks-kleederdrachten de maatstaf +van een hooger schoonheidsbeginsel aan te leggen. Zij behooren, als +een van de vele monumenten van oude geschiedenis en kunst, geheel +gelijk gesteld te worden met de kleinkunst, de gebruikskunst, die +uit het volk, uit zijn aard, zeden en gewoonten voortkwam, zonder in +wezenlijk of direct verband met de hoogste intellectueele waarde en +geestelijke idealen van dat (ons) volk te staan. + +En omdat ons Nederlandsche volk zich in haar kunstuitingen, +zelfs in die van haar beste perioden, steeds meer een volk van +particulariseerend gevoel dan van veralgemeenende verstandelijkheid +heeft betoond, moet het ook niet verwonderen dat haar volks-kunst, +waaronder onze nationale kleederdrachten te rekenen zijn, nooit +belangrijker wordt dan wat met wat goede maar boertige smaak, veel +werk-kracht en een vroolijke maar oppervlakkige levensbeschouwing +bereikt kon worden. + +Verheffend schoon zijn daarom onze nationale kleederdrachten niet, +maar ze zijn levensvol, soms rijk, soms fijn, maar over 't algemeen +meer aardig, merkwaardig en typeerend dan inspireerend. Zij behooren, +gelijk zoovele opmerkelijke maar anders geen hoogere princiepen +uitdrukkende meubelkunst en klein-architecteur, tot dat zelfde soort +monumenten van onze groote voorgeschiedenis gerekend te worden, +waarvan de overblijfselen nog voor een deel in enkele streken +van ons land te vinden zijn is in oude buurtjes en grachtjes, +huisjes en hoekjes. Als zoodanig hebben zij dus in het werkelijke +hedendaagsche leven van ons volk geen beteekenis meer dan die van +"curieuse bezienswaardigheid". Slechts in die gedeelten van ons land +waar nog oude of ouderwetsche zeden en gewoonten heerschen, hebben +en behouden zij echter alleszins hun reden van bestaan, en .... zijn +zij nog de dragers van het levende volks-ideaal. + +De schoonste van deze drachten zijn voornamelijk die welke door den +Frieschen stam gedragen worden, te weten de costumes in Friesland, +Urk, Volendam en in Zeeland. Bij deze alle moet een verfijning van +vorm en kleurenkeus geconstateerd worden, die op iets hoogers dan het +gemiddelde volks-ideaal wijst, die meer geestelijke ontwikkeling en +aspiraties verraadt. Ook de meerdere voortreffelijkheid en schoonheid +van dit ras boven de andere bewoners van Nederland verklaart de +meerdere belangrijkheid en grooter schoonheid van deze drachten boven +de andere. + +Behalve de aristocratische allure die vooral het Friesche costume +haar draagsters geeft, het bijzonder groot-burgerlijke van de +Hindelooperdracht, de levens-volheid en natuurkracht, waarvan de +Urker en Volendammer kleedij getuigt, wordt in deze het toppunt +van evenwichtigheid bereikt in het Zeeuwsche costume, dat meer +natuurlijk dan zoovele andere drachten (bijv. Marken, Staphorst +enz.) alle voordeelen van de eigenheid van het volk, van het ras, +op zijn best en het schoonst tot uiting brengt en als onderstreept. + +In de Zeeuwsche drachten (vooral die van Zuid-Beveland en van +Walcheren) komt den wil zich van anderen te onderscheiden, hoogere, +meer intellectueele idealen uit te drukken, dieper levenskijk te hebben +zoo volmaakt en zoo harmonieus tot zijn recht in een even smaakvolle +als stijlvolle kleedij, die als geïnspireerd en gecomponeerd schijnt op +de bijzondere lichamelijke schoonheid van dit zeeuwsch-friesche ras, +dat ongetwijfeld het schoonste, en naar den bouw van het lichaam het +meest algemeen-menschelijk-normale deel van het nederlandsche volk is. + +Werkt den aanblik van het Nederlandsche nationale costume dan niet +altijd verheffend, is het in zich zelf niet altijd even hygiënisch, +lijkt het soms meer vreemd en gezocht dan origineel, soms meer bont +dan kleur-rijk, soms meer merkwaardig dan mooi, het geeft in zijn +groote verscheidenheid een zeer juisten blik op de Nederlandsche +volkspsyche. De klein-burgerlijkheid, die een hoofdkenmerk van ons +volk is, en die dikwijls tot boerschheid wordt, komt in enkele van +die drachten ten zeerste uit, zooals die van Marken, Gelderland en +Noord-Brabant. Aan den anderen kant echter zijn er elementen in die +volks-kleedij, die zich bijna boven de groot-burgerlijkheid tot een +soort regenten-aristocratie verheffen, zooals de provinciale (oude) +dracht in Friesland en Zeeland, waar door verfijnden smaak in kleuren +en vormen iets hoogers bereikt wordt, al wordt die meer aesthetische +werking van deze drachten dan voor een groot deel veroorzaakt door de +grootere rasschoonheid van de dragers, en--speciaal van de draagsters. + +Wil men deze historische drachten, en wat er thans nog van over is, +op deze wijze beschouwen, dan blijken ze even waardevol voor de kennis +van de Nederlandsche volks-ziel als de oude meubelen, architectuur +en het allergrootste deel van onze nationale schilderschool. Ze +zullen altijd hun waarde aan hun oprechtheid en waarheidszin blijven +ontleenen, zoowel aesthetisch als ethisch, ze zullen aldoor als een +werkelijke afspiegeling van den geest en de idealen van ons volk +moeten worden erkend. + +En .... staan zij in dat opzicht lager, of zijn zij minder belangrijke +of minder "hooge" kunst dan al het andere, wat ons van het voorgeslacht +bleef? Ik betwijfel het. De beste uitingen van onzen Nederlandschen +volksaard, op het gebied van welke kunst van het verleden of van het +heden men het dan ook neme, zijn en blijven, voorzoover het specifiek +Hollandsche wat er aan is, toch immers niets anders dan uitingen van +"_boeren, burgers en buitenlui_." + +En onze nationale kleederdrachten behooren werkelijk niet tot de +minst-belangrijke van die uitingen van "_boeren-kunst"!_-- + + + +E. LITTERATUUR OVER DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN. + + +Alvorens tot een korte beschrijving van die nationale drachten, zooals +zij thans (1916) zijn, over te gaan, moge hier een kort overzicht +volgen van de publicaties die--voor dezen--over dit onderwerp zijn +verschenen. Een blik op de goede, of goed bedoelde beschrijvingen +en afbeeldingen van deze drachten, hoe zij waren en zijn, en tevens +een woord over de slechte en niet goede afbeeldingen, kan hier hen, +die omtrent dit onderwerp meer willen weten, een korte leiddraad geven. + +Want beide soort publicaties over onze zooveel bewonderde en tegelijk +zoo zeer gesmade en belachelijk gemaakte nationale drachten, moge +hier eenige critiek vinden. + +In 't algemeen mag gezegd, dat de goed-bedoelde, zoowel als de slechte +beschrijvingen en afbeeldingen van deze costumes, ieder het hunne +hebben bijgedragen om de kennis en waardeering in de war te brengen. + +Enkele goede, en meer wetenschappelijke, d. w. z. meer _juiste_ +beschrijvingen daargelaten, moet het meeste van wat over dit hoogst +belangrijke maar uiterst omvangrijke onderwerp werd gepubliceerd, +tot de romantische en lyrische proza en poëzie gerekend worden. Bijna +steeds waren het slechts phantasieën die men gaf, prent-verbeeldingen, +plaatjes, groepjes die wel het schilderachtige, het aardige, lieve +en typeerende van het uiterlijke dezer drachten gaven, maar meer +ook niet. Zoo is een van de eerste publicaties op dit gebied, de +uitgave van J. le Francq van Berkhey uit 1773, meer bezingend dan +beschrijvend. Behalve een zeer objectief boekje over Hindeloopen, dat +in 1855 te Leeuwarden verscheen, zijn de publicaties van E. Maaskamp +uit 1803 en de Karakter-schetsen, kleederdrachten, enz. in 1842 +door de Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten in Den Haag +gepubliceerd, niet anders dan prentenboeken te noemen, waarbij den +text meer lyrische ontboezemingen zijn, dan beschrijvingen. + +Zoo is het ook met de lithographische platen van Valentijn Bing en +Braet von Ueberfeldt, in 1857 uitgegeven, ofschoon hier een paar +prenten met goede détails aan zijn toegevoegd. + +De vele atlassen, die in de bibliotheek van het Rijks Museum, en in +de verschillende oudheidkundige genootschappen bijeengebracht zijn, +waaronder de verzameling van F. Muller (Amsterdam 1879) wel een +van de voornaamste is, bevatten slechts losse platen, met geen of te +weinig beschrijvenden text. De voorstellingen uit den tijd vóór dat de +photographie in dienst van deze wetenschappelijke onderzoekingen werd +gesteld, zijn allen te "artistiek", geven te kennelijk slechts den +persoonlijken indruk van den lithograaph of teekenaar weer. De meeste +van deze voorstellingen zijn dan ook geen objectieve afbeeldingen +van bepaalde costumes, het zijn slechts "tafreelen": "een boer", +"een dienstmeid", zonder verder te praeciseeren. + +De geschiedenis van de nationale kleederdrachten, die uit _dit_ +materiaal alléén zou moeten worden samengesteld, zou derhalve een +zeer twijfelachtige wetenschappelijke waarde krijgen. + +Later begon men echter juister beschrijvingen van de nationale drachten +te geven, toen ook de photographische afbeelding bespreking van dit +onderwerp in verschillende tijdschriften toeliet. + +Een van de eersten die stelsel-matig in dezen te werk ging, was +Mr. J. E. van Someren Brand. Reeds in 1893 verschenen opstellen +van zijn hand over speciale détails van dit omvangrijke studie-vak, +in Elseviers maandschrift. Bijzonder mooi geïllustreerde opstellen +verschenen later in ditzelfde tijdschrift, in Buiten, en andere +periodieken. Het meest complete en het meest als een wetenschappelijke +verhandeling bedoelde werk, is echter de reeds hierboven genoemde +standaard-uitgave van Professor J. H. Gallée, over "het Boerenhuis +in Nederland en zijn bewoners." + +Een geheel zelfstandige serie platen en een opstel van Professor Gallée +zelve, en een over de Anthropologische samenstelling van de bevolking +van Nederland, van de hand van Prof. L. Bolk, is aan deze uitgave--die +eigenlijk in hoofdzaak over de boerenwoningen gaat--toegevoegd. + +Hoe voortreffelijk dit werk echter ook moge zijn, moet toch betreurd, +dat Professor Gallée waarschijnlijk niet over de noodige bladzijden +voor text en illustratie kon beschikken, om niet alleen het uiterlijk +aspect van enkele onzer nationale drachten af te beelden en tè +globaal te beschrijven, maar om ook de onderkleeding te hebben kunnen +behandelen. Bovendien missen deze prenten, die alle naar photographie +genomen zijn, de kleur. En, die kleur is een zoo belangrijke factor +in die kleurvolle en kleurige volks-kleedij, dat ze, zonder deze, +niet in afbeeldingen in zwart te begrijpen is. + +Voor Zeeland publiceerden Dr. J. C. de Man en J. A. Frederiks in 1894 +een beschrijving van de Zeeuwsche drachten. Ook verscheen een plaat in +kleuren waarop alle Zeeuwsche kleederdrachten, tot een schilderachtige +groep vereenigd, staan afgebeeld. Deze plaat werd uitgegeven onder +leiding van Mr. J. E. van Someren Brand, den bijeenbrenger van een +hoogst belangrijke collectie costumepoppen. Ofschoon deze prent, naar +omstandigheden, (lithographie in kleuren naar een kleurlooze photo) +zeer belangrijk is, is ze niet voldoende. Het is ondertusschen +te bejammeren, dat van de andere provincies niet dergelijke +prent-verbeeldingen zijn gemaakt. Deze plaat werd uitgegeven door de +Uitgevers Mij. Elsevier, in 1894. + +Een nog altijd niet geschreven standaardwerk over onze nationale +kleederdrachten zal niet alléén de boven, maar ook de onderkleeren +in al haar détails moeten beschrijven en afbeelden, niet alléén in +zwart, maar ook (en vooral) in kleur. En niet alléén zal het "effect" +dat deze drachten op den beschouwer maken, moeten worden weergegeven, +maar vóór alles het wezen, de ware vorm, de constructie van die kleedij +in schematische verbeeldingen moeten worden vastgelegd, ondersteund +door photo's naar de dragers en draagsters zelf, opdat ook de wijze van +dragen, de habitus der bevolking, hun uiterlijke ras-eigenaardigheden +voor het nageslacht duidelijk bewaard mogen blijven. + + + +Tot zoover over de goed-bedoelde en goede publicaties over onze +nationale drachten. Thans over de slechte, de verkeerde, zelfs +de leugenachtige. En tot deze laatste moeten vooral de duizende +prentbriefkaarten gerekend worden die in de laatste tien jaren, +in den handel zijn gebracht. Behalve dat deze prentjes slechts +"kiekjes", "plaatjes" te zien geven, zijn de gekleurde uitgaven, die +in deze bestaan, meestal in het buitenland vervaardigd, en daardoor +in den regel hopeloos verkeerd. Ze accentueeren het bonte, boersche, +onbeschaafde, door foutieve op-kleuring nog meer, zoodat deze verkeerde +series veel misverstand omtrent onze nationale kleedij in de wereld +gebracht hebben. + +Maar niet minder zijn daar de vele reclameplaten schuld aan, en de +wijze, waarop zich (vooral de Amerikaansche) reclame van een zoo +dankbaar en "dutchy" (lees: mal) motief heeft meester gemaakt als de +Hollandsche nationale drachten den niet begrijpenden boodt. + +Die verkeerde, en dikwijls opzettelijk verkeerdelijk aangedikte +voorstellingen hebben onze nationale kleederdrachten in het oog van +den buitenlander (en--terugwerkend, in het oog van vele Hollanders) +een zeer slechten roep bezorgd. Zelfs ging een deel van deze verkeerde +gedachten op Holland en de Hollanders over. + +Dit kon des te makkelijker, omdat de kennis van de algemeene +aardrijkskunde, en speciaal van het kleine Nederland, in de groote +landen (vooral Amerika, Engeland, Frankrijk) onder het "beschaafde +publiek" niet bijzonder ontwikkeld is. + +Men is toen, in dat groote buitenland, die boerschheid, onbeschaafdheid +en lachwekkende logheid, die men, door die verkeerde voorstellingen, +gedwongen werd te zien, voor _den geest van Holland en zijn bewoners_ +gaan houden. En dit heeft een juist begrip omtrent en kennis van het +ware Holland in de wereld niet bevorderd. + +En toch--dit alles had voor een deel vermeden kunnen worden, zoo er +een goed standaardwerk over onze nationale kleederdrachten bestaan +had. Maar tot nog toe hebben onze nationale kleederdrachten, ofschoon +zij evenzeer een levende uiting van den geest der vaderen zijn, nog +niet die aandacht der officieele en wetenschappelijke wereld tot zich +getrokken, die zij om zooveel redenen werkelijk verdienden. + + + +Hier blijft thans nog de collectie aangekleede poppen te vermelden, +die in de verschillende musea in den lande de herinnering aan die +nationale drachten levendig zullen houden, als die drachten zelf +dan niet meer door de bevolking zullen worden gedragen, en .... als +die poppen en hun kleedij tegen dien tijd niet door de mot en andere +oorzaken zullen zijn vergaan. + +Reeds in 1898 werd door Mr. J. E. van Someren Brand, toenmaals +Directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, een verzameling van +ongeveer honderd verschillende nationale costumes tezamen gebracht, +die in hooge mate merkwaardig is. Deze belangrijke collectie, die tot +September 1916 in het Rijks Museum te Amsterdam te zien was en waar +zij, om zooveel redenen, op de _eenige_ haar _toekomende_ plaats was, +is sinds dien, jammer genoeg, naar het openlucht Museum te Arnhem +"uitgewezen." + +Behalve deze collectie zijn minder omvangrijke verzamelingen van +meer plaatselijke costumes, op poppen gemonteerd, in de musea van +Middelburg, Leeuwarden, Hindeloopen en andere steden opgesteld. + +En behalve deze poppen, worden in menige familie enkele ouderwetsche +drachten in hun geheel of in gedeelten als kostbare--maar +doode--herinneringen aan het voorgeslacht bewaard. Vooral is dit het +geval in Friesland, waar echter nu en dan den gewestelijken geest weer +levend wordt, zoodat bij bijzondere feestelijkheden deze costumes nog +wel voor den dag komen, om te getuigen, dat het gevoel van eigenheid +nu en dan nog wakker kan worden. + +Maar behalve deze hier in 't kort opgesomde beschrijvingen en +plaatjesachtige verbeeldingen, deze prent-briefkaarten en poppen in +nationaal costume en die enkele, in oude kasten en stoffige doozen +bewaarde kleedingstukken, is van de nationale drachten in ons land +niets over, dan wat er in de verschillende streken nog gedragen wordt, +heele, halve, veranderde en onjuiste kleeding, die zoo is, omdat ze +zoo is, waar moeielijk eenige juiste en wetenschappelijke critiek op +gegeven kan worden en die de eenige reëele bron is voor onze kennis +van dit bijzondere monument van echt Hollandsche geschiedenis en kunst. + +Een korte inventariseering, van dat, wat heden (1916) nog van die +nationale volks-kleedij in werkelijkheid over is, beoogt _dit_ boekje. + + + +F. WAT WERD EN WORDT ER VOOR DE INSTANDHOUDING, DE BELANGEN EN DE +KENNIS VAN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN GEDAAN. + + +Ten laatste moge hier nog een korte beschouwing volgen over wat er +voor onze zoo beroemde Nederlandsche volksdrachten gedaan werd. + +In de meeste landen waar eveneens zoo'n belangrijk monument uit het +verleden, als wij in onze nationale drachten hebben, is overgebleven, +en dat bovendien een monument is, in zich zelf zoo merkwaardig, en dat +zóóveel tot de waardeering van ons Hollandsche land, vooral bij den +vreemdeling, heeft bijgedragen, wordt van overheidswege alles in het +werk gesteld om die volkseigenheid te bestudeeren, te doen voortduren, +en ze op allerlei wijze te beschermen. + +In Nederland evenwel, de liberale leuze getrouw van "laisser faire, +laisser aller", een land, waar tengevolge van die idee kunst +geen regeeringszaak is en dus niet beschermd wordt, werd en wordt +"officieel" nog _niets_ voor die nationale kleedij gedaan. Alle +pogingen in deze ten goede, gingen en gaan uit van _particulieren_. + +De verzameling poppen, die tot September 1916 in het Rijks Museum +op zijn eigenlijke plaats was, werd door particulier initiatief, +door particulier geld bijeengebracht. Ook was het zoo met de +verzamelingen in de provinciën, waar zich particulieren, vereenigingen +of genootschappen te werk stelden. En deze laatsten hebben zeer goed +werk gedaan. Maar de regeering deed niets. Ook dat moge een van de +vele factoren zijn, dat de nationale drachten in Nederland, om 't zoo +te zeggen, aan zich zelf overgelaten, zoodanig vervormd, veranderd en +"gehavend" werden, en per slot geheel zullen verdwijnen, omdat het +dragen er van niet van hooger hand werd aangemoedigd, of op een of +andere wijze beloond. De pogingen die in dezen van privé-personen +en vereenigingen uitgaan, kunnen echter nooit dat gezag en die +overtuigende ernst hebben, die een lands-bestuur aan zijn verordeningen +of wenschen geven kan. En al deed en doet de vereeniging Nehilennia in +Middelburg ook nog zoo haar best (in een streek trouwens waar 't nog +niet zoo heel erg noodig is) deze en dergelijke vereenigingen zullen +toch niet bij machte zijn met goed gevolg tegen de wassende wansmaak +en vooroordeelen van de zoogenaamde stads-beschaving te strijden. + +Een van de beste middelen in deze echter, wordt wel door die Zeeuwsche +vereeniging toegepast. Zij speculeert op de ijdelheid van de dragers +(meer speciaal van de draagsters) van het nationaal costume. Geen +beter middel had zij kunnen bedenken, dan eenige personen in nationale +dracht, en daarna diezelfde personen (eenige kinderen) in stads-kleedij +te laten photographeeren, Het onderscheid is zóó sterk, dat het de +meest van smaak ontbloote mensch treffen moet. Het is, om 't zoo te +noemen, een afschrikwekkend voorbeeld. Zoo aardig en zoo geheel met +een eigen cachet als die kinderen er uit zien in hun nationale dracht, +zoo leelijk, zoo on-eigen, zoo onbeschaafd zien zij er uit in het +"stadsch". Waarlijk, de boerschheid komt in die kinderen dan eerst +werkelijk uit als ze zoogenaamd "beschaafd", dat is: op zijn stadsch, +gekleed zijn, terwijl ze er in hun nationale dracht er heel wat minder +boerachtig, minder onbeschaafd uitzien. Met het veranderen van kleeding +wordt dus door de boerenbevolking juist het tegenovergestelde bereikt +van wat zij bedoelt. + +En dàt is het wat van overheidswege aan den volke had moeten en kunnen +gedemonstreerd worden, dat het niet vernederend of verachtelijk is om +de nationale kleedij te dragen, dat ze niet leelijk, niet onbeschaafd +is en niet "achterlijk" maakt, maar dat juist het on-oordeelkundig en +smakeloos dragen van de moderne stads-kleedij de dragers en draagsters +belachelijk en leelijk maakt. Indien dit aan het volk gedemonstreerd +was geworden, zou dit aanschouwelijk onderricht van zeer veel invloed +op de nationale drachten gebleken zijn. + +Want, vooral bij de vrouwen is de indruk, die zij in hun costuum maken, +toch nog maar altijd de hoofdzaak. En die ijdelheidsfactor komt de +nationale dracht ten goede. Vooral de mooiste, natuurlijkste en meest +rationeele drachten, zooals de Friesche en de Zeeuwsche. Zoolang de +vrouwen zelf zullen blijven inzien dat die kappen en mutsen van kant, +die gouden sieraden, die keurig geplooide doeken en kleurige beuken, +die korte mouwen en lage-halsjes-dracht haar goed kleedt, flatteert; +.... en zoolang er mannen zullen zijn, die deze schoonheid zullen +opmerken .... en het de vrouwen zullen zeggen .... zal de nationale +dracht in eere blijven. + +Het bewijs wordt immers reeds door de praktijk geleverd. Geen dame +die in Middelburg of Goes gaat logeeren verzuimt het zich in de "zoo +flatteerende" Zeeuwsche dracht te doen photographeeren. En, indien +een Friesch meisje al de fijnheid en de ingeboren aristocratische +allure van haar ras op het voordeeligst wil doen uitkomen .... dan +zet ze een oorijzer op, met een fijne kap en de diamanten speld op +het voorhoofd, dan doet ze kleurigzijden jurken aan, het prachtige +kanten schortje voor, en witte kousen met lage schoentjes aan. + +De nationale dracht vindt op die wijze een beschermster in zich zelf +en in "_de vrouw_." + +Maar wat haar het meest ten nadeel komt, is dat ze kunstmatig in het +leven wordt gehouden ten bate van het vreemdelingenverkeer. Dan +verlaagt ze zich in haar dragers en draagsters tot bedelende +comedianten. + +En, omdat dit door buitenlanders reeds zeer duidelijk is opgemerkt, +heeft dit soort propaganda van de nationale kleedij, die nationale +drachten zelf, haar dragers en ook heel Nederland, in het buitenland +zeer veel kwaad gedaan. Er zou van overheidswege tegen geageerd +moeten worden. + +Want met de gebruikelijke onkunde omtrent de Nederlandsche +geschiedenis en aardrijkskunde, die in het buitenland zelfs onder de +meest ontwikkelde standen heerscht, heeft deze verkeerde "reclame" +tot de meest onwelwillende uitleggingen aanleiding gegeven. + +Zoo werd mij in Amerika's hoofdstad, Washington D. C., door een dame, +een kunst-kritieken-schrijfster, verweten, dat het Nederlandsche volk +het bedel-eiland Marken, tot een schande voor heel de Hollandsche natie +"_in stand hield_". Volgens haar was dat eiland, met huizen, bewoners +en kleedij en al, _opzettelijk_ gemaakt om het den vreemdelingen lastig +te maken met bedelarijen. Men moge, in Nederland, zeggen dat die dame +niet zeer goed op de hoogte was, maar dat verhelpt de zaak niet. Dat +exploiteeren van de nationale kleederdracht als _vreemdelingen +trekkende curiositeit_ kan niet anders dan tot misbruiken, en tot de +daarbij behoorende misvattingen bij den vreemdeling, leiden. En op +die wijze zouden de nationale kleederdrachten een middel worden om +Nederland in het buitenland, evenals Italië, den naam te bezorgen, dat +het zijn oude monumenten alléén exploiteert als middel om "te bedelen". + +Maar er is iets anders. Dat wat het meest voor de nationale +kleederdrachten noodig was, nog steeds het meest noodig is, zoowel voor +tijdgenooten, landgenooten, en vreemdelingen, voor heden en vooral voor +de toekomst, dat is een volledige afbeelding en beschrijving van die +drachten. En het blijkt, dat een particulier zich daar niet toe zetten +kan, tenzij hij een klein fortuin en een belangrijk aantal jaren en +zeer veel moeiten aan deze inventariseering ten koste legt. Waar de +regeering, de gemeenschap in dezen niet het initiatief neemt en royaal +(dat is de eenige goede en mogelijke manier) dit werk zelf ter hand +neemt of aan een persoon opdraagt, daar zullen de nationale drachten +tevergeefs op den rijken, maar tegelijk kundigen dolenden ridder +wachten, die zijn geld, tijd en inzicht geven wil om de schoonheid +van deze stervende princes .... zooals men met een beetje goeden wil +de nationale kleederdrachten van Nederland metaphorisch noemen kan, +in woord en beeld aan het nageslacht over te dragen.... + +Of zal die officieele en particuliere belangstelling en dat initiatief +.... echt Hollandsch, ook weer zoo lang op zich laten wachten, totdat +het te boek stellen van al die gegevens ..... niet meer mogelijk +zal zijn!.... + + + + + +III. DE BESCHRIJVING VAN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN +IN DE VERSCHILLENDE PROVINCIËN. + + + +NOORD-HOLLAND. + + +Noord-Holland heeft drie centra van nationale kleedij, die geheel van +elkaar gescheiden zijn. Dit zijn: Marken en Volendam, West-Friesland, +en het Gooi. + +In het overige deel van deze provincie--en vooral in Amsterdam en +omgeving, is de dracht zoo goed als geheel verdwenen ofschoon men +hier en daar oude vrouwtjes ziet met een kanten-muts, die meestal +de zeer eenvoudige _Hollandsche hul_ is, om enkele weeshuisdrachten +niet te vergeten. Langs de kust van de Noordzee en op de eilanden is +ook niet veel opmerkelijks, behalve op Terschelling. + + + +A. MARKEN. + + +Van al de nationale kleederdrachten in Nederland, zijn die van Marken +het meest merkwaardig, omdat ze het meest zonderling zijn. Zij vormen +een type op zich zelf, die van al de andere drachten zeer afwijkt, +zooals ook de Hindelooper dracht in Friesland. Maar ze zijn door de +groote verscheidenheid van costumeeringen voor mannen, vrouwen en +kinderen, de meest ingewikkelde kleedij, die men bijna kan denken. + +Opmerkelijk is, dat zich deze dracht in al zijn verscheidenheid tot +op onzen tijd zoo volledig heeft kunnen handhaven, en dat op een +eiland, dat zoo zeer van de zee te lijden heeft, uit slechts een +paar buurtjes van houten huisjes bestaat, in zijn geheel even over +de duizend inwoners telt, en dat--'t ergst van al--zoo dicht bij een +groot modern wereld-centrum--als Amsterdam is,--ligt, en dat zooveel +door vreemdelingen wordt bezocht. + +Alle drachten die op Marken voorkomen, hier te bespreken, is +onmogelijk. De voornaamste zijn deze: + +1. De zuigeling (zie bl. 6) (van beide geslachten) wordt op bijzondere +wijze in hemdjes, jakjes, mutsjes en wollen dekens, als een stijve +pop ingebakerd. De kleuren van deze kleedij zijn zeer levendig, +meest allen met rood tot hoofdkleur. De stoffen zijn van geweven of +gedrukte katoen (sits of cretonne) en de versieringen bestaan uit kant, +(echte of machinale-linnen kant) of uit borduringen in kruissteek. + +De mutsen, die deze jonge kinderen worden opgezet, bestaan uit drie +of vier witte en gekleurde kapjes overelkaar, met een bandje onder +de kin vastgehouden. + +2. De jongens en meisjes tot zes jaren, zijn hetzelfde gekleed, in +kleurige rokjes, die naar onder wijd uitstaan. Beide dragen mutsen +van gebloemde stof (meest rood) over witte ondermutsen. Het eenige +verschil in de dracht van jongens of meisjes, en waardoor men hen +van elkaar kan onderscheiden, is de vorm van het kleurige overmutsje, +dat bij den jongen meer een rond kalotje is en van boven, op de kruin, +met een rozet is versierd. De mutsen der meisjes zijn uit drie stukken, +één middenbaan met twee zijpanden, en missen de kruin-versiering. + +Overigens hebben de jongens zoowel als de meisjes beide gekrulde +haarvlechten langs de slapen en in den nek. + +3. De meisjes-dracht blijft aldus tot hun zesde jaar. Dan krijgen zij +een corset of "_rijglijf_", (zooals het op Marken heet) een zeer dik +en stijf kleedingstuk van meestal bruine baai, rijk geborduurd met +bloemen in sterke kleuren (zie bl. 7). Dit rijglijf sluit, met een +lange witte feter van achter. Het is zoo stijf, (door de vele balijnen) +dat de meisjes-figuren (zie bl. 8) er die eigenaardige houterige, +stijve vorm door krijgen, die ook de figuren van de volwassen vrouwen +op Marken kenmerkt. + +4. De jongens krijgen op hun zesde jaar een broek, (zie bl. 5) in +plaats van hun rokken. Die broek is van donker blauwe of bruine baai, +in dezelfde wijde vorm als die van de volwassen mannen. Het bovenlijf +van den jongen is echter nog ongeveer gekleed als van het meisje, +en hij draagt nog het mutsje met de lange krullen. + +5. Op zevenjarige leeftijd krijgt de jongen volkomen mannenkleeren aan, +bestaande uit een baaitje van blauwe stof, halsdoekje, twee knoopen +in de kraag, en een pet of hoedje op. + +6. De jonge meisjes krijgen op hun zestiende jaar de kleeren van +volwassen vrouwen. + +De volledige beschrijving van een dagelijksch Marker vrouwencostuum +volgt hier: (zie bl. 2, 3, 4, 5.) + +Zij draagt, over het bloote lijf, een linnen (ongebleekt katoenen) +hemd met lange mouwen. Aan den hals is een staande boord, die met +kruissteek in zwarte wol, met geometrische figuren is versierd. Een +dergelijken rand siert ook het eind van de mouwen, om de polsen. Dit +halskraagje heet "_beffie_". (Zie bl. 1.) + +Deze ornamenten blijven steeds bij het Marker costume te zien, zelfs +ook als de vrouw geheel aangekleed is. (Zie bl. 1, 2.) + +Over het hemd komt de onderbroek met bandjes, van wit katoen, met dikke +(blauwe) wollen kousen, die onder de knie worden opgebonden. Over het +hemd gaat een mouw-vest van wit katoen, even over de taille reikend, +zonder boord, van voren sluitend, met mouwen van gestreept (rood en +wit) katoen. Dit mouwvest heet "_mouwen_". + +Over deze "mouwen" komt het "_rijglijf_" (zie fig. 4) of het corset, +althans een kleedingstuk dat de dienst doet van keurs of corset. Het +is van bijzonder zware en dikke constructie, van donker blauwe baai +of wol, gevoerd met witte wollen stof. Tusschen deze voering zijn van +voren en van achter (niet op zij) balijnen aangebracht. De vorm is +die van een keurslijf, het gaat over de schouders, heeft armsgaten, +rijkt even over de taille en is van voren iets uitgesneden. Het +wordt--van voren--dicht gesnoerd met een lange witte feter. + +Het opmerkelijke van dit kleedingstuk, is de rijke ornamenteering +met geometrische bloemen in zeer sterke kleuren. + +Om de heupen worden "_rollen_" aangebracht, langwerpige kussens, die +de rokken wijd-uit moeten doen staan en het figuur van de draagster +moeten verbreden. (Zie bl. 2.) + +Over dit rijglijf komt, van voren, de _borstlap_, een stuk vurig +roode baai, vierkant, dat met spelden wordt vastgezet. + +Daarover komen "_de voorpanden_", een soort bolero-vormig jakje, van +voren van vuur-roode baai, terwijl het achterpand van (meest paarsche) +satinet is. + +Over de broek heeft de Marker vrouw eerst de onderrok aangelegd, een +zeer dikke rok van ruig (bruin-rood) baai, van onder afgezet met een +gelen band, van voren sluitend, met een grooten zak, rechtsch. Deze +rok heet "_het ruigje_". + +Over dit "ruigje" komt "_het schort_", een groote wijde donkerblauwe +rok van baai, laken of serge. Het is zeer dicht-ineen geplooid van +achter, van voren hangt het rechter, zoodat het, naar onder, het +figuur van de draagster zeer omvangrijk maakt. + +Over dit schort komt het "_boezel_", de boezelaar, van donkerblauw +katoen, van boven versierd met een "_stuk_" van geweven, geruite +(blauw-witte) katoen. + +Over de "voorpanden" komt de "_bouw_", het sieraad van de +Marker-vrouwendracht. Het bestaat uit een vierkant lapje, gebloemde +sits of satinet, en wordt op de onderkleeding vastgespeld. (Zie bl. 1.) + +Over de mouwen komen nog halve _overmouwen_, die van den pols tot den +elleboog rijken, van (meestal) paarsche satinet, met gele boordsels. + +Om den hals komt dan nog het halsdoekje, een vierkant, van in +blok-versiering geweven (meestal rood) katoenen doekje, dat op +bijzondere wijze wordt geplooid, en aan de punten versierd is, met +zilveren en koralen kwastjes (_akertjes_). + +Bij dit costume draagt de Marker vrouw in huis, of zondags, muilen +(van zwart leer), in de week klompen. + +Gaat zij met slecht weer (of 's winters) uit, dan heeft zij over dit +costuum nog een jakje van donkerblauw baai of laken, met lange mouwen +en schootje (of taille), aan den hals vierkant uitgesneden. + +De hoofdbedekking is niet minder ingewikkeld. + +De haren worden van achter afgeknipt, de rest wordt tot twee vlechten +gedraaid, die, langs de slapen, van onder de muts uitkomen. Van voren +draagt zij ponny, gelijk afgeknipt haar, dat met de vingers aldoor naar +boven wordt gekruld, als een luifeltje boven de oogen. (Zie bl. 1.) + +Over de haren gaat eerst een wit katoenen muts met platten bol. + +Om den bol van die muts wordt een stijve band gelegd om den +vorm te bewaren. Over deze ondermuts worden twee stroken van +rood baai gewikkeld, en een ander lint, waarop zwarte ornamenten +in kruissteek. Die drie stroken moeten ieder op hun juiste plaats +gehouden worden door spelden. + +Over deze onderlaag komt de overkap van fijn ballist en (van voren) +een strook van kant, zóó, dat de roode baai en de zwarte ornamenten +door die dunne stoffen heen schijnen. + +De geheele vorm van deze muts wordt door de verschillende plooiïngen, +stijve stoffen en spelden in een cilinderachtigen vorm gehouden. + +Aldus is, in het kort omschreven, de gewone Marker-vrouwendracht. + +De kleur is over het algemeen voor de rokken donkerblauw, het +bovengedeelte van de kleeding, vanaf de heupen, vertoont niet dan +zeer sterke kleuren, waarbij rood in alle nuances de hoofdkleur is. + +Bij rouw verdwijnt al dat rood, het wordt paarsch bij lichte rouw +of blauw, en zwart bij zware rouw. De vorm der kleeding blijft in al +zijn onderdeelen evenwel dezelfde. + +Bij trouwplechtigheden is het costume van de bruid, wat de vorm +betreft, wèl gelijk aan dat van de gewone vrouwendracht, maar is +de kleur in hoofdzaak gestemd op wit. Wit is de feestkleur bij de +Marker-vrouwendracht, en bij dat alles wordt het bijzondere van die +gelegenheidsdracht nog verhoogd door de bijzondere zorg die er besteed +wordt aan de plooiïngen van de (witte) boezelaar. Die plooiïngen +worden bij de meeste nationale kleederdrachten bijzonder verzorgd, +ook door de Marker-vrouwen. Zelfs in hun gewone daagsche dracht is +de (donkerblauwe) boezel meestal zeer zorgvuldig op de strijkplank +bewerkt. + +7. De mannen-dracht op het eiland Marken (zie bl. 5) wijkt in zooverre +van de dracht van het nabije Volendam af, dat, ofschoon het baaitje +ongeveer gelijk is, de das anders is, niet de eigenaardige bonten +muts van de Volendammers gedragen wordt, maar steeds de ronde vilten +hoed, en dat de baaien broek niet zoo wijd (ofschoon toch nog wijd +genoeg) maar niet zoo lang is. Bij de Volendammers vallen de wijde +broekspijpen neer tot bij de grond. Op Marken worden de mans-broeken +bij de knieën nauwer, en rijken niet verder dan even over de knie, +zoodat ze de onderbeenen en de blauwe kousen doen zien. + + + +Het opmerkelijke van deze nationale Marker-dracht is, dat ze over het +algemeen niet den indruk van werkelijke schoonheid maakt, hoofdzakelijk +omdat het menschelijke figuur er in zoo hooge mate in door wordt +ontsteld. Die platte bovenlijven, daardoor lang lijkende armen, +uitermate breede heupen, betrekkelijk korte rokken, en daar onderuit +de dunne beenen..... dat alles werkt niet zeer aesthetisch, maar het +is in hooge mate eigendommelijk en schilderachtig door de kleur. + +Daar komt bij, dat het Marker-menschenras niet tot het fraaiste van +Nederland behoort. Het schijnt, dat zij in overdaad van opvallende +kleeding willen goed maken, wat de natuur hen ontzegde. + +De kinderen echter zien er zeer pitoresk uit, maar 't is een zeer +vreemd-aandoende, onwezenlijke schilderachtigheid, daar men aan +wennen moet. + +Bijzonder is het echter zeer zeker dat deze dracht in heel haar +ingewikkeldheid, lastige snit, moeilijk te verwerken materiaal, en +veelvuldige versiering met borduurwerk geheel door de Marker-vrouwen +zelf vervaardigd wordt, voor zichzelf zoowel als voor haar kinderen. + +Die bijzondere moeizaamheid, bij het maken, zal dan ook de reden zijn, +dat zij het eenmaal verkregen resultaat met zooveel zorg bewaren. + +In ieder Marker-huisje is een zoogenaamde "_pronkkamer_", waar in +een hoek, meestal boven een laag kastje, een aantal spanen doozen, +met kanten dekkleedjes bedekt, staan opgestapeld, waarin die kleeren +worden bewaard. Ieder kind, ieder meisje, iedere vrouw heeft zoo'n +paar van die doozen, en de huisvrouw houdt alles netjes, door dien +stapel van haar rijkdom soms met koperwerk, doekjes met kant en +bloemen te versieren. + +Er spreekt uit die dingen bewijs genoeg, hoe zeer die nationale kleedij +op Marken, zelfs heden ten dage (1916), nog uit den volkswil voortkomt. + + + +B. VOLENDAM. + + +Tegenover Marken, aan de vasten wal, maar toch zelf zoo goed als een +eiland, ligt Volendam, dat tot vóór vijf-en-twintig jaar weinig bekend, +weinig bezocht en als afgesloten van de buitenwereld was. Opmerkelijk +is dat, ofschoon zoo dicht bij Marken, alles in Volendam anders is, +ook de volksdracht. Voornamelijk zal dit liggen in het verschil +van godsdienst. Op Marken is men protestant, heel Volendam is +roomsch-katholiek. Zelfs wordt het nationale costume in Volendam +uitsluitend door de roomschen gedragen. + +Op Marken treft het stijve, bijna fanatieke van het volk en zijn +dracht, in Volendam is het een en al zwierige levenslust, in het volk +zoowel als in zijn kleedij, zeden en gewoonten. + +Ongetwijfeld is de Volendammer-dracht het meest van alle Nederlandsche +drachten in het buitenland bekend. (Zie bl. 8-9-10-11.) De +Volendammer-dracht is als het type van den Hollander en de Hollandsche +idee geworden, natuurlijk zeer ten onrechte. Maar de buitengewone +gezonde stoerheid die uit de kleedij spreekt, en vooral ook uit +zijn dragers, de levens-volheid bij de vrouwen, de quasi ironische +ongeneerdheid bij de mannen, hebben misschien in het buitenland tot +die generaliseering aanleiding gegeven. + +Hoe het zei, de Volendammer-dracht is heel wat "menschelijker" dan +die van Marken. + +En bestaat hier geen, of geen merkbaar verschil tusschen de dracht +der kinderen en die van de volwassenen? + +De vrouw is gekleed in lang withemd met korte mouwen. Daarover komt +de wollen half lange borstrok. Daarover het "_rompje_", zonder mouwen, +even over de taille rijkend, van voren sluitend met haak en oogen. + +Een corset draagt de Volendamsche niet, en, omdat ze tot een stevig, +gezond ras behoord, blijft haar figuur, de vorm van taille, buste en +heupen normaal, ondanks de (dikwijls) te dikke rokken-tooi. + +Over het rompje komt de _kra-lap_ of _krop-lap_. Deze bestaat uit +twee vierkante lappen, met een uitsnijding voor den hals, over de +schouders aan een kant met haak en oogen vastgezet, van onder, door +banden aan de punten, om het lijf vastgebonden. + +Deze krop-lap is van gebloemde stof, meest katoen. De ornamentjes zijn +echter zeer klein, meestal kleine bloemetjes op een witten ondergrond. + +Over deze krop-lap komt het _kletje_, een kort jakje van donkerblauwe +stof, met half lange mouwen, vierkante uitsnijding aan den hals +(waardoor vóór en achter de krop-lap te zien komt) en van voren +sluitend. + +'s Zondags wordt het effect nog verhoogd door een _dunnen doek_ van +(witte of gebloemde) tule, die tusschen het kletje en de krop-lap +gestoken wordt. (Zie bl. 11.) + +Over het hemd komt de onderbroek, daarover de gestreepte rok (van +gestreept katoen), daarover de donkerblauwe baaiënrok, dan de dikke +wollen _streep-rok_, dan de bovenrok. (Zie bl. 8, 9.) + +Deze laatste is 's Zondags van witte, zeer dikke baai, met vertikale +strepen in fel rood en groen versierd. (Zie bl. 9.) + +Alle rokken gaan rechts dicht. + +Over dit alles komt de boezelaar van dezelfde stof als het kletje, +met een rand van boven, van geruit-geweven katoenen stof, welke +zondags van zijde is en allerlei kleurige versieringen heeft. + +Ook dit schort wordt mooi in de plooi gestreken, zooals bij de +Marker vrouwen. + +De rokken van de Volendamsche zijn niet zoo kort als die van de Marker +vrouw. Zij loopt in huis (over de matten) op haar donker-blauwe kousen, +op straat (zondags) op muilen van leer, door de week op klompen. + +De hoofdbedekking bestaat uit het _hulletje_, van witte kant, dat over +een zwarte onderkap is getrokken. De haren zijn geheel afgeknipt als +bij een jongen. Van achter komt, in den nek, een opkrullend randje +haar onder de muts uit. + +Soms draagt de Volendamsche dan nog om den hals een wollen das met +(blauwe) blokken geweven. + +Ook de hals-snoer van bloedkoralen met gouden slot, dat van voren +sluit, wordt niet vergeten. + +Het Volendamsche vrouwen en meisjes costume is in de week +eenvoudiger. Dan wordt, in de plaats van het kletje, een gestreept +wollen jakje gedragen, meestal grijs-paarsch of blauw van kleur, +met kleine ornamentjes. De boezelaar is dan dikwijls wit .... dit +laatste is reeds een verbastering van de ware dracht. + + + +Het mannen-costume van de Volendamsche visschers (zoowel als van de +eendenfokkers en kaasboeren) bestaat uit een rood baai hemd met mouwen, +tot de knieën rijkend. Van voren heeft dit hemd een boordje, genaamd +"het befje", waarin twee gouden knoopen worden gedragen. + +Daarover een gestreept baaitje tot de heupen. Daarover de +"_gezondheid_", een soort buikgordel, die met bretels, genaamd +"_galgen_', wordt opgehouden. + +Dit kleedingstuk is meestal van blauwe wol of baai. + +Een onderbroek van gekleurd keper, sluitend met knoop, en bandjes +onder de knie, die de zwarte kousen ophouden. + +Daarover komt de bovenbroek van zwarte "_pij_", met drie zakken, +en twee groote zilveren knoopen van voren, genaamd _klapstukken_. + +Over dit costume draagt hij in de week het _polka-baaitje_, een kort +hesje met mouwen. + +'s Zondags draagt de Volendammer over de gezondheid de gestreepte baai, +een vest zonder mouwen, met dubbelen overslag. Om den hals een doek, +genaamd _karwas_, (zie bl. 8) die tusschen de gestreepte baai wordt +gestoken. Daaroverheen het "_blempje_", een jas met mouwen, dat van +voren sluit. In den winter gaat daarover de _blauwbaai_, een zwart +jasje met mouwen en dubbelen overslag. + +De lapel is blauw, omdat dit de omgeslagen blauwe voering is. Om de +kraag en de lapel is een fluweel boordje, genaamd het _katje_. + +Daarbij worden 's zondags schoenen gedragen, door de week klompen. + +Op het hoofd een pet of _ruige muts_, met groene lintjes van +achter. (Zie fig. 8, 9.) + +Al deze kleedingstukken worden door de Volendammer vrouwen gemaakt. + + + +C. WEST-FRIESLAND. + + +Van de West-Friesche dracht is niets meer overgebleven, dan de kap +en het oorijzer, en eenige typeerende lijfssieraden, die door de +vrouwen gedragen worden, benevens een algemeene costumeering, die +niet heelemaal stadsch, noch heelemaal boersch is, niet nieuwerwets, +noch werkelijk antiek. Zij levert een van de beste voorbeelden hoe de +nationale kleedij veranderen kan tot iets wat niet te qualificeeren +is, en het werkelijk nationale nog alléén in de hoofdbedekking +bestaat. (Zie bl. 12, 13.) + +Deze dracht vindt men in West-Friesland, Drechterland en _de Streek_ +tusschen Hoorn en Enkhuizen. + +In Zaanland is niets meer van de oude drachten over, daar getuigen +nog slechts de oude houten huisjes en hun bij uitstek merkwaardige +groene kleur van de vroegere eigenheid van dit land. + +De kap, genaamd de Noord-Hollandsche (zie pl. 12), wordt gedragen +over het door een bandje bijeengebonden haar. Eerst een zwarte en +dan een witte ondermuts, deze laatste van kant en met zwart lint +geboord. Daarover gaat het oorijzer, een ongeveer vijf-centimeter +breede strook van goud, eindigend in vierkante met filigraan bewerkte +zijstukken, genaamd: "_de pooten_". Daarover komt de bovenmuts, +zeer dikwijls van echte kant, van voren een breede strook, naar +achter een nog breedere, zeer sterk en mooi regelmatig geplooide +"_Kappekant-strook_". De bol wordt gevormd door zeer fijne blauwe tule. + +Het oorijzer en de onderkap schijnen dus door de blauwe tule heen, +wat een zeer rijk effect maakt. Het oorijzer wordt vastgehouden, en +aan de bovenmuts gespeld door de _kapspelden_, die achter _de pooten_ +zitten. Naast de pooten, op het voorhoofd, komen de _veertjes_, +kromme gouden naalden, die onder de bovenmuts gestoken worden en +gedeeltelijk het voorhoofd bedekken. Naast deze steekt men zwarte +"_toertjes_", valsche, zwarte, kleine krulletjes. + +Op het voorhoofd dragen de oudere vrouwen een _voornaald_, van goud, +rijk met diamanten bezet. + +Om den hals komt de ketting van zeer dikke bloedkoralen, met +gouden slot van voren. Bij den hals wordt een gouden doekspeld +gedragen en om den hals, naar beneden afhangend met een kruisje, +de _kruize-ketting_. (Zie bl. 12, 13.) + +Bovendien dragen velen een gouden horlogeketting die tot aan het +middel rijkt. + +Het geheele kapsel is een zeer fijne en ingewikkelde constructie van +kant, naalden en veeren, rijk bezet met diamanten. + +In de ooren draagt men gouden hangers _(bagge)_. Deze dracht is +zeer kostbaar. + +De eenvoudiger West-Friesche dracht bestaat uit de gewone _Hollandsche +hul_, (zie bl. 13) die over eene zwarte ondermuts wordt gedragen. Deze +muts lijkt veel op de gewone Volendamsche muts, de punten worden +echter naar voren gedragen, in Volendam hangen die meer naar beneden +of naar op zijde. + +Over deze Hollandsche hul draagt men in heel West-Friesland de +boeren-hoed, het _schuit-hoedje_. (Zie bl. 13.) Het is van zeer +bijzonder, schuitvormig model, van zeer fijn wit stroo, heeft zondags +een witte (zijden) rand, in de rouw een zwarte, door de week een rand +in alle kleuren (roze). + +Deze West-Friesche kap wordt weliswaar thans (1916) nog vrij veel +gedragen, maar de wijze van dragen is verschillend. De oudere vrouwen +laten de achterste strook meer hangen, de jongere zetten deze meer +naar boven, dat staat "vlugger". Vele jonge vrouwen dragen die kap +echter reeds niet meer, of alleen 's zondags. + + + +D. HET GOOI. + + +Het Gooi vormt, zoowel geographisch als volks-kundig een zeer bijzonder +deel van de provincie Noord-Holland. + +Wat de kleederdrachten betreft, sluit het zich niet direct bij +Holland, maar meer bij Gelderland en Utrecht aan, terwijl op de +grens-scheiding tusschen deze verschillende streken, het meer dan +bijzondere visschersdorp Spakenburg een oase op zichzelf is, die tot +geen van deze gewesten te rekenen is. + +Het eigenlijke Gooi echter, bestaat, voor zoover de kleederdrachten +betreft, uit de drie dorpen, Laren, Blaricum en Huizen. Hilversum, +dat geographisch wél tot het Gooi behoort, telt in dezen echter niet +mee, omdat men er geen resten van een nationale dracht vindt. Des te +belangrijker zijn de drie eerstgenoemde dorpen. + + + +I. LAREN. + +Weinig plekjes van ons land zijn in de internationale artisten-wereld +zoozeer bekend, als Laren. Maar of die vermaardheid, zelfs ook maar +voor een deel, te danken is aan de opmerkelijke kleederdracht en +het eigene van de oorspronkelijke bevolking van dit dorp, zou te +bezien staan. + +Zeker is het, dat Antoon Mauve, toen hij om gezondheids-redenen dit +oord van gezonde lucht noodgedwongen "ontdekte", daar niet kwam om +de eigenheid van de bevolking, maar het meest door de schoonheid +van het landschap werd aangetrokken. Zijn nakomelingen en navolgers +zijn--meest allen--even blind voor die volkseigenheid gebleven als +hun grooten meester. Vandaar dat ook in Laren zich het bijzondere +verschijnsel voordeed dat, te midden van een kunstenaarskolonie, +een bevolking leefde waarvan het uiterlijk iedere "_begrijpende_" +kunstenaar zou hebben geïnspireerd. Voor de Laarder artisten bleven de +Laarder inboorlingen echter niets dan "plekken-kleur". Het menschelijke +en de diepere beteekenis, de psychologiesche redenen voor de bijzondere +uiterlijke verschijning van die landelijke bevolking, is blijkbaar +aan deze moderne artisten voorbijgegaan. + +En toch, hoe merkwaardig is niet die Laarder inheemsche kleedij, +hoe merkwaardig is niet het ras dat ze draagt, hoe opmerkelijk zijn +niet de typen, en is niet heel dit volk dat zoozeer zijn eigenheid +bleef bewaren, ondanks de steeds sterker wordende overstrooming +van moderne-villabouw, "Sommerfrischler" en "inter-nationalistisch +kunst-snobbisme" met al zijn verderfelijken en onnatuurlijken aankleve. + +Dat Laarder volk heeft een zeer bijzonder Hollandsch type. Het paart de +gemoedelijkheid en kracht van het Hollandsche element aan het fiere, +en bijna aristocratische van het Friesche ras. Dat blijkt vooral uit +de burgerlijke voornaamheid van de oudere vrouwen, met hun zielvolle +gezichten, hun hooge gestalte, en de prachtige maar eenvoudige +deftigheid van den vorm en de kleur van hun eigenaardige dracht, de +gouden kettingen, de geplooide doeken, en het geheel bekroond door de +_vierkante muts_, die het eigenaardig ras-type nog te meer accentueert. + +En dat bijzondere cachet wordt nog des te meer geconserveerd, +omdat slechts de Roomsche bevolking dit costume draagt. Er is dus +wisselwerking tusschen levensopvatting-uit-geloof en volks-dracht, +zooals dat trouwens bij alle nationale drachten in Nederland en elders +duidelijk op te merken is. + +De kleedij van een Laarder vrouw (zie bl. 18, 19) bestaat uit: Een +hemd met heel lange mouwen, daarover borstrok van keper, daarover +_romp_ of _corset_ van blauw-keper, van voren dicht, zonder eenige +verdikking (met kussentjes) aan de heupen. Daarover komt de gewone +krop-lap (kralap). Over de (open) broek met bandjes (onder de knie) +komt de blauw baaienrok, daarover de zwarte (katoen) moiré-rok, +daarover de zwarte bovenrok en het (lange) jak van dezelfde stof, +beide soms van zijde, satijn of thibet, in effen zwart, blauw of bruin. + +De rokken zijn alle van voren plat, op zij twee platte plooien, van +achter met _rimpels_. (kleine plooitjes.) Dan komt de boezelaar, die +heelemaal rond het lichaam gaat, van achter tegen elkaar sluit. Ze +is meestal van zijde, aan de kanten geboord met satijnlint. + +'s Winters en 's zomers is het costume hetzelfde. Het jak is aan den +hals uitgesneden, zoodat de kroplap te zien komt, en de mouwen zijn +wijd, met hooge poffen aan de schouders. Daarover gaat de _overdoek_, +van zwarte of blauwe zijde, met bonte kleuren met franje, netjes +geplooid, van voren en van achter vastgespeld in de taille. Om den hals +komt een ketting van _vier_ rijen bloedkoraal, het gouden vierkante +slot in den nek, van achter. + +En dan de muts, bestaande uit zwarte ondermuts over het haar, dat niet +afgeknipt is, maar plat is weggekamd. Daarover het oorijzer van zilver +of goud, in hoofdvorm gelijk aan den oorijzer-vorm van Staphorst tot +Nunspeet, en zóó gedragen dat de "_speld_" onder aan de wang komt, +zijdelings van den mond, zooals op Urk en op Staphorst. Daarover de +vierkante muts, een vergroot-soort Hollandsche hulle, waarvan echter +de punten niet afhangen, maar weer naast het hoofd, naar boven, +zijn opgespeld, waardoor het geheel een vierkanten vorm krijgt, +het geheele hoofd als in een cubus-vorm van kant vervat schijnt, +een zeer mooie en eigenaardige vorm-geving. + +'s Winters wordt over dit costume een schoudermantel gedragen, +(_schoe-mantel_) van zwart thibet, met blauw baai gevoerd, en een +naar achteruitstaande, stijve kraag, met haak en oog onder de kin, +soms met linten vastgestrikt. De vorm doet aan de schoormantels van +de Scheveningsche vrouwen denken. (Zie aldaar.) Dat is het typische, +echte, Laarder vrouwen-costume, dat in zijn eenvoudige vormen +en meestal op zwart, donker-blauw of paarsch en bruin gekleurde +hoofd-tinten slechts verlevendigd wordt door de gouden (kruize) +ketting, de bloedkoralen om den hals en de eigenaardige vierkante muts. + +Maar dat alles verkrijgt eerst zijn ware eigendommelijkheid, door het +bijzondere menschen-ras, dat deze dracht getrouw blijft, een ras dat +niet uitmunt door lichamelijke schoonheid, zooals het Zeeuwsche, +Urker of Friesche, maar dat vooral den indruk van burgerlijke +deugdelijkheid geeft. + +Er wordt in Laren nog een ander soort muts gedragen, de meer +nieuwerwetsche, de zoogenaamde _ronde muts_, die niet anders is dan de +Hollandsche hul, waarvan de punten een weinig meer naar boven-voren +steken, en de kromming boven het voorhoofd wat ronder is dan bij de +Hollandsche hul. Overigens is ze van hetzelfde type. Bij de ronde +muts wordt het gewone verboerschte stads-costume gedragen. + +De mannen-dracht van Laren heeft niets opmerkelijks. + + + +II. BLARICUM. + +Ook in Blaricum is de dracht tweeledig. Enkelen dragen nog het +ouderwetsche jak met de kroplap, zichtbaar op de borst (zie fig. 20) +en de vierkante muts, zooals in Laren. Anderen dragen de stadskleeding +en de "_kap_". + +Die kap is bijna van dezelfde constructie als de West-Friesche. (Zie +fig. 12.) + +Opmerkelijk is ook weer, dat in Blaricum slechts de Roomschen de +nationale dracht nog dragen, evenals in Laren. In het nabije Huizen +evenwel, dat geheel protestant is, dragen de Roomschen geen nationaal +costume. + +Ook in Eemnes, dat protestant is, wordt de ronde muts anders (strakker) +gedragen dan in Blaricum. + +De "_kap_" zit aldus in elkaar: + +Over het "_gespleten haar_"--d.w.z. het haar dat met een scheiding +in het midden is gekamd, komt de zwart zijden ondermuts. Daarop +worden aan de voorzijde drie zwarte valsche krulletjes (aan iederen +kant) gespeld, aan een elastiek dat om het hoofd gaat en de zwarte +ondermuts vasthoudt. Daarover worden de (gouden) naalden--met een +elastiekje--vastgezet. Dan wordt aan de overmuts (kap) het oorijzer +vastgespeld aan de "boeken", tusschen de muts en de blauw zijden +bol, (zie West-Friesche kap) en dit wordt in zijn geheel zoo op het +hoofd gezet. Dan worden de _naalden_ achter de boeken gestoken en de +_spelden_ er ingezet. + +Bijzonder opmerkelijk is bij die dracht al het goud wat erbij +hoort. De kapspelden en naalden en de oorbellen zijn alle zonder +diamanten, alléén van in filigraan bewerkt goud (in tegenstelling met +West-Friesland). Om den hals komt de koralen ketting, bij de vierkante +trek-muts een _vierkant_ slot _(pukkel-slot)_ of _(plaatjes-slot)_, +met vier rijen bloedkoralen, het slot van voren. Bij de kap is +het slot rond. Dan draagt men een broche (van goud), genaamd de +_borst-speld_. Dan een gouden ketting, waaraan gouden kruisje, dat tot +midden op de borst komt, dikwijls met een schuifje, genaamd _boot_. Dan +daarbij nog een lange losse (horloge) ketting van goud, en het horloge +in de ceinture, welke laatste een gesp heeft. Ook op de schoenen zijn +gespen. Deze worden echter thans niet meer in Blaricum gedragen. + +Het costume dat, naar den vorm, (bij de kanten kap) verboerschte +stadsdracht is, heeft verschillende kleuren, varieerend tusschen blauw, +bruin, geel en groen, en zwart in de rouw, altijd van effen stof. + + + +III. HUIZEN. + + +Zeer bijzonder zijn de drachten in het geheel protestantsche Huizen, +het visschersdorp aan de Zuiderzee. (Zie bl. 21, 22, 23.) + +Het is zeer zeker een nationale dracht, die in Huizen gedragen wordt, +maar het is er een die niet van ouden vorm of snit is, maar wellicht +nog niet zoolang geleden oudere modellen heeft verdrongen. Daar ze +echter zeer algemeen is, en zeer getrouw wordt in stand gehouden, +is het een nationale dracht, den Huizers (of liever de Huizerinnen) +eigen. Het eenige echte oude van dit costume is echter slechts de +kap, die in wezen en vorm volkomen van alle andere Nederlandsche +mutsen-vormen afwijkt. + +Dus ook in Huizen is in hoofdzaak slechts het vrouwen-costume +belangrijk, ofschoon de dracht der Huizer-visschers niet zoo +stads-boersch is als die van de plattelands-boeren, en meer +kenmerkend dan deze. De invloed van Marken, Volendam en Urk is op +die mannendracht merkbaar, ze behoort tot dezelfde familie van deze +visschers-kleedij. Maar de wijde broek ontbreekt tegenwoordig, ze is +meer, wat de pijpen betreft, van het gewone model. Overigens is ze +van den bekenden vorm met een klep, en versierd met zilveren knoopen, +juist zooals de mannen op Urk die dragen. (Zie bl. 23.) + +Het vrouwen-costume van Huizen kan aldus beschreven worden: (Zie +bl. 22, 23): Over het hemd komt een borstrok en een lijfje, daarover +een jak, in de laatste twintig jaren met zeer wijde mouwen, die poffen, +boven de schouders uit, hebben. Dat jak is zeer bijzonder van vorm, met +zeer fijne plooitjes in de taille, aan de armsgaten, aan de polsen, +en zeer kort, even over de taille rijkend. (Zie bl. 22, 23.) Het +is van effen kleur in een stof waar bloemetjes in zijn geweven, +meestal bruin, bruin-paarsch of zwart. (Zie bl. 24.) De rokken +bestaan uit: gestreepte onderrok, (soms twee stuks), één witte rok, +een zwarte bovenrok. Alle rokken gaan links dicht; de bovenrok is +van _thibet_ (of: _paramat_), van zeer dunne stof, van voren recht, +van achter met zeer vele (rimpels) plooitjes. Van onder wordt er een +strook van 25 cm. breedte tegengenaaid. Daarover gaat de boezelaar +(_schulk_), van gewoon friesch (blauw) bont, 's zondags paarsch of +andere kleur. Daarover komt een losse ceinture met losse banden, +die van voren over het schulk afhangen. Die ceinture gaat met haak +en oog van voren dicht. (Zie bl. 22, 23.) + +Men draagt 's zondags lage verlakte schoenen, en in de week muilen +of klompen. + +Door de week worden de mouwen opgestroopt, zoodat de meisjes en +vrouwen bloote armen hebben, 's zondags draagt men de mouwen lang. + +Dit costume, dat voor meisjes en vrouwen gelijk is, wordt niet door +de kinderen gedragen. + +De meisjes, tot hun vijftiende jaar, dragen jurken met korte mouwen, +die van boven zeer sterk geplooid zijn. Dit noemt men _pijpmouwen_. Tot +aan den hals wordt dan over de kleeding heen een wit boezelaar +gedragen. (Zie bl. 21.) Over de armen, gebreide pols-mouwen. + +Om den hals draagt men een slot met 5 rijen granaten-koralen. Het slot +van voren. Soms komt daar nog een gekleurd zijden das bij, dat echter +onder de koralen en het slot gedragen wordt. De uitstekende puntjes, +van voren, zijn dan het voornaamste dat men in 't oog wil doen vallen. + +De mutsen van de Huizer kinderen en vrouwen zijn het meest variëerend. + +De kinderen dragen, in de week, tot hun 14 of 15de jaar een _pik-muts_, +dat is een soort cornet of tip-muts, die geheel gehaakt of gebreid is +van witte katoen of wol, en van achter over den nek, afhangt. Deze +mutsen worden gestreken, zoodat ze eenigzins stijf staan, en in de +eigenaardige golvende plooiïngen blijven behouden die men hen heeft +gegeven. Het haar wordt daarbij door deze meisjes los gedragen. Ze +dragen 's zondags een rond strooiën (zwart) hoedje, versierd met een +pluim, die als een hane-kam over den bol van de hoed is gelegd. Van +voren twee spelden of broches. (Zie bl. 21.) + +Tusschen hun veertiende en achttiende jaar dragen de jonge meisjes +een _plooi-muts_, bestaande uit een bol van witte kant, rings-om +versierd met een rand (van een hand breedte) van plooitjeskant, die +fijn geplooid is om het gezicht, in den nek in grootere plooien +afhangt. Die plooitjeskant omsluit en overhuift het gezicht, +wat nog erger het geval is met de _oorijzer-muts_, die de meisjes +en vrouwen boven de achttien jaar dragen. (Zie bl. 24.) Het haar +wordt "gespleten"--dat is met een scheiding in het midden gekamt, +en bijeengebonden tot een knotje achter in den nek. Daarover gaat een +zwarte ondermuts, daarover de witte over- of oorijzer-muts. Soms wordt +'s Zondags een witte ondermuts gedragen, gewerkt met zwarte zijde. + +Over de ondermuts komt het oorijzer, van gelijken vorm als langs de +heele Zuiderzee-kust van Staphorst af tot hier (Huizen) toe gedragen +wordt. De spelden komen aan de slapen--dus weer anders dan in Laren, +maar zooals in Nunspeet. + +De oorijzer-muts zelf is van witte tulle met randen van kant, en de +lange kanten slippen worden links en rechts aan het oorijzer bij de +slapen opgespeld. Vandaar dat deze muts, van voren gezien, een zeer +bijzondere lijn-vorming geeft, en, van terzijde bekeken, zoo groot +en vooruitstekend is, dat het gezicht van de draagster er als het +ware in wegschuilt. Dit is evenwel van zeer bijzonder aesthetische +werking. (Zie bl. 24.) + +Opmerkelijk is nog--vooral voor de zeden en gewoonten van de Huizers, +dat een bruid (zie bl. 22) een japon draagt van bruine stof, maar +dat haar wijde schort van hemelsblauwe fijne wol is, met een lint +van zijde, ook in die kleur. Dit blauwe schort wordt maar éénmaal +gedragen, nl. bij het aanteekenen ten stadhuize. Bij het trouwen is de +bruid geheel in het zwart, ook haar schort is aldus. Maar het blauwe +schort blijft bewaard totdat het eerste kindje geboren is. Dan wordt +het tot een doopjurk gemaakt, waarmede het kind ook nog 's Zondags +ter kerke gaat, of die bij volgende doop-plechtigheden gebruikt wordt. + + + +E. DE NOORDZEE-KUST EN DE EILANDEN. + + +Veel bijzonders valt er niet op te merken van de visschersdorpen +langs de Noordzee-kust, behalve van Scheveningen. Ook in Zandvoort, +dat een oudere plaats is, bleef een weinig van de nationale dracht +over in de Hollandsche hul, waarvan echter de badgasten een soort +vermoderniseerde imitatie gaan dragen, nu ze door de eigenlijke +visschersbevolking afgeschaft schijnt. + +De wereld verandert!!!..... + +IJmuiden en Wijk aan Zee, zijn geheel moderne plaatsen. In Egmond en +Bergen draagt men de West-Friesche dracht. + +Op Texel is niets van de oude drachten over, zoomin als op Wieringen +of op Vlieland. + +Op Terschelling echter bleef een oude dracht gehandhaafd, die nog zeer +merkwaardig is, al bestaat ze bijna uitsluitend uit een hoofdbedekking +van eigenaardigen vorm, met afhangende stroken. (Zie bl. 14.) Die +kap noemt men _zwarte kap_, daaronder draagt men een witte, genaamd: +"_het mutske_". De verdere kleedij bestaat er uit een lijf met schoot +in ouderwetschen vorm, in allerlei kleur, jak genaamd. Daaronder +komt de rok van merinos (vroeger thibet). Het voorschoot noemt men +_scheldoek_. (Zie Hindeloopen). + +Deze dracht, die hoofdzakelijk merkwaardig is om haar geheel, wordt +thans nog alleen door de vrouwen van middelbaren leeftijd gedragen; +de jeugd doet dit niet meer. + +Vroeger droeg men op dit eiland een zilveren oorijzer, met gouden voor- +en zij-naalden. + + + +F. DE MEEREN EN POLDERS. + +In de drooggelegde Meeren en Polders van Noord-Holland, wordt +geen nationaal costume gedragen. Toen na de drooglegging van +de Haarlemmermeer verschillende families uit alle deelen van +Nederland zich daar kwamen vestigen, droegen zij de kleedij van hun +geboortestreek. Thans zijn die--zoo verscheidene--costumes geheel +verdwenen. + + + +G. DE GROOTE STEDEN. + +In Haarlem en Amsterdam is het nationale costume geheel verdwenen. Dat +neemt niet weg dat zelfs onder den rook van Amsterdam, aan de +Amstelveenschen Weg, onder Sloten, en aan den overkant van het +IJ, de Hollandsche hul toch nog vrij veel door de oorspronkelijke +boerenbevolking gedragen wordt. Het eenige, wat werkelijk oud is, wat +in de stad, in deze overbleef, nu zelfs ook de ouderwetsche bakers +niet meer bestaan, is het zoo beroemde costume van de Amsterdamsche +burgerweezen. Maar ook die dracht, hoe schilderachtig, hoe verfijnd +en hoe gracieus ook, zal misschien spoedig verdwijnen, daarmede nog +meer Amsterdam's eigen cachet ontnemend. + +En niet ten onrechte is die dracht zeer bekend, want ze behoort tot +de mooiste die uit het verleden tot ons kwam. (Zie bl. 16, 17.) + +Het costume voor de kinderen, de jongere meisjes, en de volwassenen +(17 jaar) is verschillend, hoofdzakelijk door de kap, die bij de +ouderen van doorzichtige tule of kant is, en het oorijzer (van zilver) +te zien geeft. Verder hebben de ouderen een omslagdoek, waarvan de +eigenaardige plooiïng en wijze van dragen, bijna volkomen overeenkomst +heeft met de doek van de Zeeuwsche drachten. + +Als zoodanig kenmerkt dit costume zich dan ook als bij uitstek van +Hollandsch maaksel. + +Tot voor kort droegen de meisjes merkwaardige kapjes en omslagdoeken, +die thans door meer moderne, maar minder fraaie capes vervangen +zijn. De kleinere meisjes dragen witte schorten, waarvan het model +in de laatste tijden ook verandering onderging. Die eigen-gereide +vervormingen zijn erger voor een nationale dracht, dan de totale +afschaffing. Daar komt bij, dat de meisjes zelf in de laatste jaren, in +de week, deze dracht niet met de noodige zorg dragen, en zich daardoor +minder aantrekkelijk voordoen dan ze zouden hebben kunnen zijn. Zij +ook hebben meegewerkt deze dracht in discrediet te brengen. De hoogst +onredelijke critiek van buitenstaanders over het "gevangenis-pak van +deze arme kinderen" heeft het andere gedaan. Tegen domheid vechten +zelfs de goden te vergeefs. + +Mocht dit zoo bijzonder aantrekkelijke costume echter uit Amsterdam's +straten verdwijnen, dan zullen zij veel missen, die nooit, op een +mooie Zondagmorgen, dat rijtje rood-wit-zwarte meisjes in hun uiterst +aesthetische kleedij, dat typische poortje in dit stukje Oud-Amsterdam +hebben zien uitschreiden. + +De jongens-dracht is, half zwart, half rood, door haar snit echter +weinig opmerkelijk. + +Ook Haarlem heeft zijn burgerweezen, ook in een oude dracht, ook rood, +zwart en wit, maar ze is niet zoo fraai als de Amsterdamsche, ze is +ietwat stijver, vooral de muts en de omslag-doek van de meisjes. (Zie +bl. 15.) + +Behalve het Burgerweeshuis heeft Amsterdam nog een paar andere +weeshuizen, de Oranje-appel, het Maagdenhuis enz., waar de dracht van +de verpleegden een zekere historische oorsprong heeft, maar thans te +veel ontsteld is. + + + + + +UTRECHT. + + +In Utrecht is alléén iets van de nationale kleedij over, in de +streken die aan het Gooi en Gelderland grenzen. De groote streek +waar nog de nationale dracht in eere is, en die zich langs de kust +van de Zuiderzee van Staphorst tot Huizen uitstrekt, gaat ook over +de noord-oostelijke hoek van de provincie Utrecht. Daar vindt men +dan ook in Soest en omgeving, Hoogeland, en vooral in Spakenburg en +Bunschoten nog zeer belangrijke resten van de oude kleedij. + +Soest en Hoogeland (zie bl. 25) sluiten zich bij Laren aan, en vormen +een groep apart, waar de zoogenaamde vierkante muts (zie bl. 26) het +voornaamste kenmerk van is. Overigens is de kleedij met omslagdoeken +in (soms) kleurige zijden, en de gouden (kruize) kettingen ongeveer +gelijk aan wat men in Laren ziet. Maar opmerkelijk en zeer bijzonder +is de dracht in Spakenburg. + + + +SPAKENBURG. + +Die twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, liggen als een eiland in een +wijd plat uitgestrekte landstreek, bijna zonder boomen, zich tusschen +Nijkerk en Eemnes uitstrekkend, de Eem-vlakte, ten noorden begrensd +door de zee, ten zuiden door het land en de bosschen van Baarn, links +door het Gooi en rechts door de zandgronden van Gelderland. In die +kale uitgestrektheid, tegen den zeedijk, ligt het oude visscherdorp +Spakenburg, waar de traditie van de oude kleederdracht nog zoo fraai +is bewaard gebleven. + +In hoofdzaak zijn het wèliswaar de vrouwen en kinderen wier kleeding +belangrijk is, maar toch ook hebben de mannen nog niet geheel hun +oude dracht vergeten, welke--wat zeer begrijpelijk is--zeer aan die +van Marken, Urk en Volendam doet denken, ofschoon veel minder dan de +dracht die de mannen van Huizen dragen. + +De vrouwen-kleeding geeft, op het eerste gezicht, het meest den +indruk van die van Marken, voornamelijk omdat ze zoo kleurig is. Maar +het blijkt dat ze, wat constructie betreft, zich toch geheel bij de +drachten van de Zuiderzee-kust aansluit, zoowel wat de lijfs-kleeding +als de muts aangaat. + +Opgemerkt dient, dat de twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, +één geheel vormen, en dat de drachten en de huizen daar volkomen +gelijk zijn. Spakenburg is het visschersdorp dat met een kanaaltje +van een paar honderd meter met Bunschoten, dat meer in het land ligt, +verbonden is. + +De dracht van een Spakenburgsche (of Bunschotensche) kan aldus +omschreven worden: (Zie bl. 27, 28, 29.) + +Het haar wordt opgestoken, met een zwart bandje vastgebonden, dat van +boven het voorhoofd tot onder het achterhoofd gaat. Daarover komt de +zwarte ondermuts, daarover de witte gehaakte of gebreide ondermuts, +die plat tegen het hoofd aanligt, en niet uitsteekt. (Zie bl. 28, +29.) Daarover de witte kanten muts, die ietwat naar voren steekt, een +randje van kant heeft, en van onder een weinig wordt omgebogen. (Zie +bl. 27 en 29.) Dit soort muts lijkt op de (oorijzer) mutsen van Huizen, +(zie aldaar) maar is veel kleiner, en ze lijkt eveneens op de muts +van Harderwijk en Nunspeet, maar iets grooter. Het type is bijna +hetzelfde. Oorijzer en belletjes worden niet gedragen. (Zie bl. 27 +en 29.) + +De lijfs-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een hemdrok +van zelf-gereide stof, (zie Staphorst) zwart met blauwe voering, +rijkend tot het middel. Daarover den _slippen-kolder_, een soort buis +met schootjes, geen mouwen. Onder deze kolder een witte _onderdoek_, om +den hals. De hemdrok is voorzien van half lange mouwen, die van friesch +(rood) bont zijn, en te zien blijven als de kleeding geheel voltooid +is. (Zie bl. 27, 28, 29.) Daarover komt de krap-lap, in Bunschoten die +van zeer bijzonder model is. Ze is korter dan gewoonlijk, gaat niet tot +de taille, zooals gewoon, maar slechts tot halverwege de borst, maar ze +is zeer breed, zoodat ze buiten de schouders uitsteekt, en daardoor als +het ware kappen om de schouders vormt, die het geheele figuur breed en +vierkant maken, en het bijzondere van de geheele dracht vormen, omdat +er de aandacht zoo dadelijk door getrokken wordt. (Zie bl. 27.) Over +die krap-lap, die van witte stof, (katoen) met zeer kleurige (roode) +bloemen versierd, gemaakt is, komt de _roode doek_, de halsdoek, +die niet breed uitgedragen wordt, zooals bij de andere drachten, +maar stijf om den hals zit, en even smal over de borst gaat, en in de +taille wordt vastgezet. Deze doek is _altijd rood_, van friesch bont, +en wordt met spelden vastgezet. Bij de bruid is die doek wit. + +De onderkleeding bestaat uit een (open) broek en een onderrok van +gestreept katoen, die door _de heupen_, driekante kussentjes, die in +de taille ter zijde worden gelegd, om de rokken te doen uitstaan, +worden opgehouden. Daarover gaan twee roode baaien rokken en een +gestreepte katoenen rok. 's Zondags komt er nog, over die roode +rokken, een derde bij. Daarover de zwarte plooitjes-rok, van voren +glad, van achter geplooid. Door de week is deze geheel effen, zonder +plooien. Ook deze rokken zijn van zelf-gebreide stof. Daarover komt +de boezelaar--genaamd: de _schulk_, (zie Huizen, Staphorst enz.) van +blauw katoen, met een "_stukje_" van friesch (rood) bont, het patroon +'t zelfde als van de halflange mouwen. Dit schort wordt vastgemaakt +met blauwe linten. + +Zeer opmerkelijk is bij deze dracht, de wijze, waarop deze rokken +en boezelaar van achter worden vastgemaakt en opgehouden door een +koperen haak, die aan de slippen-kolder is vastgehecht. De rokken +en boezelaar worden allen op die wijze in de hoogte--om 't zoo +te zeggen--opgehangen, zoodat plooien en lijnen van de Bunschoten +vrouwen-dracht, van achter, allen naar één punt (die haak), even +boven de taille te samen komen, even onder de krap-lap. + +Die constructie is zeer opmerkelijk. + +Zeer bijzonder is ook nog het trouw-costume, dat alle jonge meisjes in +voorraad schijnen te hebben, zelfs reeds vóór dat zij verloofd zijn, +en waarmede zij 's zondags naar de kerk gaan. + +Het bestaat in hoofdzaak uit een jak, genaamd: het _brung-jak_, van +meestal bruine stof, versierd met een motief van kleine appeltjes. Die +stof heet dan ook _appeltjes-brung_. + +De vorm van dat jak is zoo, dat van voren een lage uitsnijding komt, in +hart-vorm, van achter vele plooien te samen komen onder twee knoopjes, +die even boven de taille (tusschen de schouderbladen) zijn aangebracht. + +Dit jak wordt over de gewone kleeding, met krap-lap én al, +aangetrokken. + +De krap-lap is dan evenwel niet stijf, en de doek, die anders altijd +rood is, is bij de bruid _wit_. + +Over dit jak wordt een zwart zijden schort gedragen, dat van achter +opgebonden wordt, de band over de twee knoopjes (op den rug) gaande. + +'s Zondags draagt men ook wel dit zelfde jak van koren-blauw, ook +met appeltjes, en dan soms ook een wollen scholk, met bont zijden +stuk en zijden linten. Door de week echter, zijn alle vrouwen (zie +bl. 28) hetzelfde gekleed, met groote, wijde, witte scholk en de +roode halsdoek. + +De schoenen zijn zeer breede, zwart leeren pantoffel vormige sloffen, +met groote, breede zilveren gespen. Door de week, draagt men meestal +klompen. + +De kinderen zijn eenvoudiger gekleed, ofschoon de kleur even sterk +is--meestal gestemd op rood. Zij dragen een bont rokje (gekleurd +katoen) en daarover een friesch bont (meest rood) scholkje. + +De hoofdbedekking bestaat uit een gebreide muts van witte of donkere +wol, met witte mopjes, of uit een zwarte mutse, op de wijze zooals de +kinderen op de Veluwe dragen. (Zie Hierden, Nunspeet, Staphorst.) Ze +heeft dezelfde vorm, bestaat uit een nauw-sluitende muts, met een +dikke rand van voren, genaamd: _de zwarte pluim_. Aan de linkerkant +van het hoofd is een strikje, aan de rechterkant een _goud krapje_, +een gesp of ander soortige versiering. + +De bevolking van deze twee dorpen is geheel gereformeerd. Katholieken +of joden zijn er niet. Ook die eenheid van godsdienst--dat +conservatisme--komt het voort-bestaan van deze eigenaardige dracht +ten goede, zooals overal dergelijke eenheids-godsdienst-toestanden +de nationale eigendommelijkheid helpen bewaren. + +Bijzonder aesthetisch is deze dracht niet. De vormen die de toch +al niet al te fraaie vrouwenlichamen aannemen, zijn, zooals die van +Marken, houterig en log. Maar het eigendommelijke van de dracht is +des te opmerkelijker. + + + +In de andere deelen van de provincie Utrecht, is de nationale dracht +zoo goed als geheel verdwenen, tenzij dat hier en daar oudere vrouwen +nog een hulle dragen. Die is dan echter meestal niet van specifiek +Utrechtsche vorm. + + + + +ZUID-HOLLAND. + + +In de provincie Zuid-Holland, is niet veel meer van de nationale +drachten overgebleven. Al wordt, door de geheele provincie, vooral in +Schie en Rijnland, de Hollandsche muts nog wel gedragen, en al vindt +men op de eilanden nog overblijfselen van die oude costumes, zooals +ook langs de kust van de Noordzee, toch is er geen enkel centrum waar +de dracht nog zoo compleet gedragen wordt als op Marken, Volendam of +in het Gooi. + +Te Katwijk (zie bl. 31) en Noordwijk (zie bl. 30) heeft de +visschersbevolking nog een zeker cachet, vooral de vrouwen, met hun +eigenaardige mutsen en gouden sieraden. Maar 't belangrijkste van +wat in deze provincie gevonden wordt, ziet men in Scheveningen. (Zie +bl. 32, 33.) + + + +SCHEVENINGEN. + + +Het is alweer zeer opmerkelijk, hoe in een dorp, zoo vlak bij een +groote stad, en naast een steeds grooter wordende internationale +badplaatsbevolking, een andere bevolking haar oude gebruiken zóó +sterk bewaren kan, als bestond die stad en dat internationale verkeer +niet. Twee uitersten leven en bestaan hier naast elkaar, zonder elkaar +te beïnvloeden. + +En niet alleen dat de Scheveningsche dracht, vooral onder de vrouwen, +zoo algemeen blijft, het is ook zoo eigenaardig dat ze weinig +verandert. De grootste veranderingen zijn er een geslacht terug al in +aangebracht, in de groote periode, waarin de boeren-bevolking onder +den invloed van de beschaving der steden kwam. + +De Scheveningsche vrouwen-dracht is aldus te omschrijven: Zij draagt +vijf rokken over elkaar van verschillende kleur en stof, waarvan +de bovenste van zwart thibet of merinos is. Daarover draagt zij een +zwart schort, des Zondags van zijde. De bekleeding van het bovenlijf +bestaat uit een jak van gewone katoenen stof, grijs van kleur, of +bruin, of blauw. Daarover komt een schouderdoek, vierkant, maar dubbel +gevouwen tot een groote driehoek, en alzoo omgeslagen, en vastgemaakt +in de taille. Deze doek is van wol, en groen, bruin of blauw. Op het +hoofd draagt men de _mop-muts_, genaamd: de "_moppes_", met oorijzer, +waarin de _parel-spelden_, naar boven stekende spelden, van goud: +die aan het Scheveningsche costume zoo bijzonder opmerkelijk zijn. Het +oorijzer eindigd in de _stukken_, mooi bewerkte ovalen gouden sieraden, +in de vorm van een broche. Aan de zijkant van de muts zijn plooien, +genaamd: "_de klappen_". Deze mutsen zijn 's Zondags van kant. Als +men in de rouw is zijn ze van effen battist of van "kamerdoek". + +De doek wordt bij den hals, saamgehouden door een gouden broche. Om +den hals komt de halsketting, met gouden slot van voren. + +Over dit costume wordt 's winters de _schoor-mantel_ (schouder-mantel) +gedragen, die 's Zondags van allerlei kleuren is, van binnen met witte +baai is gevoerd. De kraag is zeer stijf en versierd met opgeplooid +lint. In de rouw of op gewone werkdagen, is deze schoor-mantel van +zwarte stof, rood gevoerd, met stijve kraag, met fluweel geboord. + +Deze dracht wordt door de Protestantsche vrouwen gedragen, en alléén +door de visschersbevolking. + +De Roomsche vrouwen dragen om den hals, in plaats van de broche, een +kruisje, en, indien het burgervrouwen zijn, dragen zij aan de muts +niet de rijk bewerkte ovalen "_stukken_", maar "_boeken_", vierkante +gouden plaatjes, die soms eenigszins cilindrisch omgebogen zijn. + +Het mannen-costume bestaat uit een blauwe trui van wol, en een wijde +broek, met een pet op. + +Als herinnering aan oude tijden wordt, bij gelegenheden, de hooge +hoed gedragen. (Zie bl. 33.) + + + +De kleedij op de Z.-H. eilanden, vooral op Goeree en Overflakkee, +sluit zich bij de drachten van Zeeland aan, speciaal die van +Noord-Beveland. Zij geeft dezelfde lange, wijde muts te zien met +de "kurketrekkers" van goud langs de slapen, die men "_krullen_" +noemt. De wijde floddermutsen van deze Z.-H. eilanden, zijn echter +niet zoolang en groot als die van Noord-Beveland. Bovendien zijn de +gouden sieraden iets anders. + + + + +ZEELAND. + + +Men kan gerust zeggen, dat de Nederlander, die Zeeland nooit bezocht +heeft, niet alleen het mooiste, maar ook het merkwaardigste deel van +zijn land niet kent. + +Daar waait in dit eilanden-domijn een heel andere wind dan in het +overige deel van Nederland. Het is alsof men daar in een heel andere +cultuur-staat verplaatst wordt, het is anders dan heel het overige +Holland bij elkaar, het is meer algemeen menschelijk, meer natuurvol, +meer inspireerend, meer tot "den mensch" sprekend dan al het andere, +wat in het feitelijke Holland en in de andere provinciën het eigenlijke +Hollandsche van Holland maakt. + +Dat komt door het land, den bodem, door het menschen-ras en door de +kleeding, die alle drie, deze buitengewone sfeer scheppen, die niet +alleen eenig is voor Nederland, maar ook in dit deel van Europa zijns +gelijke niet heeft. Zeeland is nog het Natuur-land in het overigens +geheel "ver-civiliseerde" Holland, het is de tuin van Nederland. En +de bloem uit dien tuin is Walcheren. + + + +A. WALCHEREN. + + +Welk een schoonheid. Schoonheid van land, bouwland, parken, bosschen, +duinen en zee, schoonheid van oude steden, oude architectuur, +schamele resten van een cultuur, zóó eigen als in geen van de +andere deelen van Holland gevonden wordt, en die nog werkelijk +voortleeft, ondanks de moderne tijden, ondanks dat dwars door dit +eilandenrijk het wereldverkeer voortijlt. Dat is het merkwaardige +van Walcheren, dat is zijn pracht, omdat het zuiver-menschelijk en +natuurlijk-volmaakte wat daar te zien is, tot het gevoel van het +hart, en tot het begrip van de objectieve schoonheid spreekt. En dat +natuur-schoon van land en ras spiegelt zich daar in de kleedij, of +omgekeerd, de bevolking componeerde zich een kleedij, waardoor zijn +eigendommelijke rassenschoon zoozeer uit komt en geäccentueerd wordt. + +En dat geldt niet alleen voor de vrouwen en meisjes met hun prachtige +bouw, hun mooie lichaams-lijnen en fijn besneden gezichten, de donkere +oogen, de prachtige armen en de mooie halzen. Maar dat geldt ook +voor de mannen, die typen te zien geven vol van wereldwijsheid en +menschenkennis, alsof een cultuur van geslachten oud al deze gewone +boeren, die in hoofdzaak de landbouw bedrijven, hun interessante +gezichten geteekend heeft. + +En de kleedij is er juist op berekend om den opmerker dat alles nog +meer te doen beseffen. Want zoowel de mannen- als de vrouwen-kleeding +op Walcheren is hoogst eenvoudig. Moge ze vroeger rijker, kleuriger +geweest zijn, zooals een paar zeer fraaie voorbeelden in het museum van +Middelburg getuigen, ze was toen toch reeds wat ze nu was, niet anders +dan dat wat een goede, rationeele kleeding uit haar wezen zijn moet, +het middel om de persoonlijke schoonheid van het individu nog meer te +doen uitkomen, te doen opmerken. En waar zou dat meer gerechtvaardigd +zijn, tot mooier geheel hebben kunnen voeren dan juist op Walcheren. + +De vrouwen-dracht is voor de kinderen en de volwassenen hetzelfde. Zij +bestaat uit de gewone onderkleeding en een aantal rokken, waarvan de +bovenste, zooals ook het van voren met een "coeurtje" uitgesneden +lijfje, van zwarte stof is. Deze werd in de laatste tijden steeds +dunner, zoodat de figuren van de draagsters slanker werden. Zelfs +werd het corset te hulp genomen om de natuurlijke fraaie lichaamsbouw +nog meer te doen uitkomen. Vroeger werd dit corset natuurlijk niet +gedragen. De armen zijn bloot tot boven den elleboog. Van voren en van +achter iets minder, komt de witte "beuk", het Zeeuwsche kleedingstuk +par excellence, te zien. + +Deze is op Walcheren meestal wit, soms met kant en plooien, welke +laatste "verfraaiïngen" toevoegsels en veranderingen van den nieuweren +tijd zijn. (Zie bl. 34.) + +De hoofdbedekking bestaat uit een witte ondermuts en witte boven- +of trekmuts, vrij eenvoudig van model, maar bijzonder gemaakt door de +eigenaardige veelvuldige kleine plooitjes, en door de gouden sieraden +die aan de slapen, naast en bijna voor de oogen hangen. Het haar +is op zeer bijzondere wijze gekruld, zóó, dat het van voren met een +zeer regelmatige wrong (of krul) onder de muts uitkomt. (Zie bl. 34, +35, 36, 37, 38.) Om den hals, die dikwijls (vooral in den zomer) +vrij laag geheel bloot is, (als de beuk wat meer naar beneden is +getrokken) wordt een bloedkoralen ketting gedragen van rijen kralen, +met een dikwijls zeer mooi gouden slot (van oude bewerking) van voren. + +De schoenen zijn lage muilen, op het land draagt men klompen. + +In den winter trotseert de gezonde Zeeuwsche de barre koude, ondanks +haar steeds bloote armen, (die dan echter met zwart-wollen pols-mouwen +zijn bekleed) alléén met een (meest zwart) wollen omslagdoekje van +betrekkelijk zeer geringe afmeting. + +Op het hoofd wordt een klein wit strooien hoedje gedragen, geboord +met een kleurig (meest blauw) of zwart lint, dat in zeer bijzondere +plooiïng, van achter, tot een soort roset wordt. Dit lint hangt bij de +vrouwen, uit het Middelburger Ambacht, langs het hoofd, naar voren, +over de borst neer. Dit hoedje verdwijnt echter hoe langer hoe meer, +zooals de groote platte hoeden, die men tot voor een geslacht terug +nog droeg, en die reeds geheel verdwenen zijn. + +De kinderen op Walcheren, dragen aan de muts lange kanten stukken, +die tot op den rug afhangen. + +Dat is de _kindermuts_, zooals die op heel Walcheren voorkomt. Ze is +ook de dracht van de vrouwen uit het Middelburger Ambacht, dat is de +streek direct om de stad Middelburg heen. Deze muts is veel eenvoudiger +van vorm dan de trek-muts, die de gewone Walcherensche dracht is. Ze is +niet zoo fijn geplooid--kost dus veel minder van "opdoen", maar heeft +een afhangende strook van achter (zie bl. 38)--die bij de kinderen, +vooral als ze klein zijn, soms tot aan het middel valt. (Zie bl. 37.) + +De Middelburger-ambacht-muts wordt daarom ook door vele vrouwen uit +het volk gedragen, omdat ze minder kostbaar is. (Zie bl. 38.) + +Dit costume wordt op Walcheren nog zeer veel gedragen, zelfs in +de steden, behalve Vlissingen, waar alle herinnering aan het oude, +door de zegeningen (?) van de moderne industrie, zijn gedood. + +Niets merkwaardiger dan een marktdag op Donderdag in Middelburg, +voor het mooie Stadhuis of op de schilderachtige Botermarkt, waar +men een gekrioel van de meest verscheidene Zeeuwsche drachten waar +kan nemen. Dit is een werkelijk eenig schouwspel in dit gedeelte +van Europa, omdat het niet alléén zoo bijzonder eigendommelijk is, +maar tegelijk werkelijke schoonheid te zien geeft, schoonheid van +menschen-ras, en buitengewone aesthetische kleedij. (Zie bl. 26.) + +Vooral de kinderen zijn een lust der oogen. + +Nergens ziet men kinderen met zoo mooi gevormde gestalte, zoo fijn +besneden gezichtjes, zoo stijl-volle allure als op dit merkwaardige +eiland. En waar men, op een of ander afgelegen dorp een school ziet +uitgaan, moet het treffen, dat vele van deze kleintjes, (vooral de +meisjes) een verschijnen hebben alsof het "aangekleede stadskinderen" +zouden zijn, als men die qualificatie althans als een omschrijving van +beschaafdheid zou willen doen gelden. Maar die "_boeren_" kindertjes +van het platteland van Walcheren, hebben meer "cultuur" dan de +stads-kinderen, want ze zijn natuurlijker. Bij hen is de mooie houding, +de vriendelijkheid en de liefheid niet een gevolg van aangeleerdheid, +maar ze zit in het ras, zooals ook hun geheel on-boersche schoonheid +uit hun ras voortkomt. Het zijn gecultiveerde-natuur-menschen. + + + +Walcheren bestaat eigenlijk uit twee deelen, die in de laatste eeuwen +echter slechts één eiland vormen. Het land van Arnemuiden en Nieuwland, +dat ten oosten van het kanaal van Walcheren ligt, heeft daarom ook een +eigen kleederdracht. Deze lijkt in veel opzicht, wat de vorm aangaat, +op de Zuid-Bevelandsche, en sluit zich bij deze aan. + +Maar het verschil zit in de muts. (Zie bl. 40, 41.) Die kap is anders +dan de Zuid-Bevelandsche en anders dan de Walcherensche. Ze is niet +zoo groot als de eerste, en grooter dan de laatste, maar van achter +is ze anders geplooid dan een van deze kappen, ook om den hals zit +ze anders. Ze is echter buitengewoon fraai van model, zelfs voor +de kinderen, die haar niet van kant, maar van battist of neteldoek +dragen. (Zie bl. 42.) + + + +Wat de kleedij van de Walcherensche boeren betreft, deze is, zooals +die van de andere deelen van Zeeland nog wel eigenaardig, maar, op +een paar blinkende Zeeuwsche knoopen na, en een beetje eigenaardige +snit, niet veel anders dan alle boeren-drachten. Het merkwaardige +ligt meer in den drager dan in zijn costume, en, door het bijzondere +uiterlijk--den niet te omschrijven wereld-wijzen kop van den Zeeuwschen +boer--verkrijgt zijn heele verschijning iets zeer aparts, dat toch +maar voor een zeer klein deel door het costume veroorzaakt wordt. + + + +B. ZUID-BEVELAND. + + +Het Zuid-Bevelandsche costume is het rijkste van alle Zeeuwsche +drachten, ofschoon het Axelsche (uit Zeeuwsch-Vlaanderen) het meest +eigenaardige en bijzondere is. Het Walcherensche is ongetwijfeld het +meest natuurlijke en menschelijkste. + +Zeer opmerkelijk is het nogal belangrijke onderscheid dat er tusschen +de Roomsche en Protestantsche drachten op het eiland bestaat, (zie +bl. 44, 45), welk onderscheid het meest uit de kleedij van de vrouwen +spreekt. En in hoofdzaak ligt het verschil in de muts. + +De Protestanten dragen een ronde muts, d.w.z. eene waarvan de groote +vleugels links en rechts van het hoofd regelmatig rond ombuigen, +en zich van achter in den hals vereenigen. Daardoor moet het slot +van de halsketting van voren gedragen worden. + +De Roomsche vrouwen hebben daarentegen een muts, die meer vierkant van +model is, althans van achter op zeer bijzondere wijze in rechthoekigen +vorm bijeen is gebracht. De zij-kanten langs het hoofd vallen niet +naar achter, maar in naar onder recht (vierkant) afgewerkte vleugels +naar voren, zoodat den nek vrij komt en aldaar het gouden slot van +de halsketting gedragen wordt. (Zie bl. 46, 47.) + +Bovendien is de _beuk_, "_hèt_" beroemde Zeeuwsche kleedingstuk, bij de +Roomschen rondom den hals versierd met een randje kant en kralen. De +Protestanten hebben dat niet, de beuk is niet versierd. (Vergelijk +bl. 46, 47, 48 met bl. 50, 51.) Een Zuid-Bevelandsch costume kan +alsdus worden omschreven. (Zie bl. 43 tot en met 51.) + +Over het algemeen draagt men drie rokken. De rok heet op z'n zeeuwsch +"_keus_", zoodat er gesproken wordt van een _lief-keus_, (lijf-rok), +dat is een rok waaraan een lijfje vast is, en van een _rand-keus_, +een rok waaraan, van onder, een rand bevestigd is. + +Die rokken zijn 's winters en 's zomers verschillend van stof en +van kleur. + +Over die rokken komt een dof-blinkend zwart _schort_, van zijde +of satinet. + +De rokken sluiten aan den zij-kant, met haken en oogen, de plooiïngen +vallen aan den zij-kant en van achter. Van voren zijn geen plooien. + +Over het bovenlijf een wit katoenen hemd, daarover een _hemd-rok_ +met korten mouwen, van voren sluitend. + +Daarover dragen de Protestantsche vrouwen een corset, de Roomsche +daarentegen niet. De Protestantsche dragen bovendien een broek, +de Roomsche vrouwen niet. + +Over dit hemd-rok komt de _beuk_. + +Dit zoo beroemde en belangrijke kleedingstuk bestaat uit twee bijna +vierkante lappen, ongeveer 35 bij 45 cm. groot. Ze zijn aan den +eenen kant aaneen gehecht, met een uitschulping, om den hals door te +laten. Die twee vierkante stukken bedekken dus, de eene de borst, +de andere den rug, ze worden vastgehouden, op de eene schouder met +haakjes en oogen, van onder met banden. + +De "beuk" is een kleedingstuk dat in bijna alle Nederlandsche +nationale drachten een voorname rol speelt. In Zeeland heet het de +"_beuk_", maar in de andere deelen van Nederland waar het voorkomt, +Volendam, Spakenburg, op de Veluwe, Staphorst enz., enz., heet +ditzelfde kleedingstuk de _krap-lap_ of _kra-lap_ of _krop-lap_. De +vorm wijzigt zich soms zeer, (zooals te Spakenburg), maar de idee en +de bedoeling blijft steeds dezelfde. + +Deze beuk wordt van gebloemd katoen of zijde gemaakt, ieder jaar van +een andere stof, naar "de mode" en de nieuwe smaak, dat aangeeft, +en deze wordt op den Paaschdag vertoont. Paaschen is de mode-datum +.... en .... niet alléén in Zeeland. + +De rijkdom van menig zeeuwsch meisje wordt ook naar het aantal +verschillende beuken en doeken die zij heeft, afgemeten, (afgezien nog +van de _kap_, de "_stukken_" en de halsketting.) Maar menige zeeuwsche +schoone heeft kasten vol beuken en doeken, (soms 30 stuks en meer) +waarvan erbij zijn van zeer groote kostbaarheid, omdat de duurste +zijde er voor gebruikt wordt. + +De kleur van deze beuken is niet te bepalen. Alle kleuren worden +gebruikt, en bij de Roomschen wordt het effect nog verhoogd door de +kanten en kraaltjes om den hals. (Zie bl. 46, 47, 48.) + +De _doek_ is een vierkante lap (doek), van ongeveer 1.50 meter lengte +en een 1 meter breedte, die diagonaals-gewijze gevouwen wordt, zeer +zorgvuldig wordt geplooid, welke plooien door spelden in bedwang +gehouden worden. Deze doek wordt om de schouders omgeslagen, van +voren over elkaar gelegd, en in de taille wordt ze (met spelden) +vastgemaakt. Deze doek is van allerlei stof en kleur, dikwijls zelfs +van fluweel, soms van zijde, door de week ook wel van katoen. (Zie +bl. 46, 47, 48, 49, 50, 51.) + +Aan de voeten draagt men lage schoenen van leer. + +De hoofdbedekking is zeer ingewikkeld. Het haar wordt meestal kort +geknipt, behalve van voren om "_de krul_" te maken, de haarkrul +die van voren onder de muts uit, te zien komt. De kinderen dragen +ponny, genaamd: "_de bles_". (Zie bl. 43.) Over het haar gaat de +_gouden beugel_ van zeer bijzonderen vorm, die in twee vierkante +_bladen_ eindigt, die van voren met lijn-ornament zijn begraveerd, +van achter glad. Die heele versiering heet "_de stukken_" en ze is +altijd geheel van goud. Daarover komt de _tip-muts_, een wit mutsje +met een plooi-kantje ringsom, een bol, en met een bandje op het hoofd +gehouden. Van voren een klein kantje. + +Over deze tip-muts dragen de Roomsche vrouwen een +_blauw-zijden-mutsje_, dat alleen den bol van het hoofd bedekt. (Zie +bl. 48.) + +De Protestantsche hebben dit niet. Daar is dit mutsje wit, of, in +den rouw, zwart. + +Daarover komt dan de boven-muts, bij Roomschen zoowel als bij +Protestanten. De vorm is het best op de photographie te zien. (Zie +bl. 46, 51.) + +De mutsen der Roomschen worden ietwat met _blauwsel_ gestreken, +die van de Protestantschen zijn wit. De eersten strijken en maken +hun mutsen niet zelf, dat doet de "_mutsen-opdoenster_". De laatsten +strijken de mutsen zelf. + +Naast de stukken, die nu onder de boven-muts uitkomen en door "_de +draai_" in de gouden spang die hen vasthoudt, naar links en rechts +van het voorhoofd uitstaan, zijn de _cantille-spelden_ in de tip-muts +gestoken. (Zie bl. 46.) Daarboven steekt men de _boven-spelden_, +kleiner, massiever van vorm dan de opengewerkte cantille-spelden. + +Dan komt daar nog de _bloedkoralen halsketting_ en het gouden slot +bij. Men draagt vijf rijen vrij groote koralen, 's zondags zelfs zes +rijen. Het slot (bij de Roomschen van achter, bij de Protestanten van +voren) heeft door de week drie "oogen", 's zondags vijf. (Zie bl. 46, +47, 48 en bl. 50, 51.) + +Al deze sieraden vertegenwoordigen dikwijls een heele waarde, +zoodat het begrijpelijk is, dat zij, die eenmaal deze dracht hebben, +ze in eere houden, zij die ze niet hebben, haar niet gemakkelijk +aanschaffen. Maar de meeste Zuid-Bevelandsche vrouwen, zoowel +Protestantschen als Roomschen, blijven die nationale kleedij tot +nogtoe zeer getrouw, wat vooral bewezen wordt door het feit dat zij de +jeugd, zelfs het kleinste kindje, dagelijks in die dracht tooien. (Zie +bl. 43.) En dat zegt wat, als de jeugd er nog aan hecht de nationale +dracht te dragen!... Dan is het voortbestaan van die dracht vooreerst +gewaarborgd. + +De bloote armen worden in den winter, zoowel op Walcheren als +op Zuid-Beveland, tegen de koude beschermd door _pols-mouwen_ of +_mitaines_, die de merkwaardige naam van "_Labedisten_" dragen, +afkomstig van den godsdienstigen dweper Jean de la Badie, die in +1666 te Middelburg predikaties hield tegen de in zijn oogen onzedige +gewoonte van de vrouwen, om de armen bloot te dragen. + +Zooals gezegd, wordt de Zuid-Bevelandsche dracht reeds door de zeer +jonge kinderen gedragen, ook door de jongentjes. Bij de meisjes zijn +dan de schorten meestal van zoogenaamd _friesch bont_--(met blauwe +ruiten geweven katoen.) (Zie bl. 43.) + +In den rouw zijn alle onderdeelen van deze kleedij, ook bij de +kinderen, zwart, de vorm echter blijft steeds hetzelfde. + + + +Ook nog is een zeer bijzondere vrouwen-dracht in Zeeland opmerkelijk, +die in de _oester-putten_ bij Ierseke gedragen wordt. Het costume +bestaat dan, voor het bovenlijf en het hoofd geheel uit de gewone +dracht, alléén de rokken zijn vervangen door een hooge, wijde, leeren +broek met waterlaarzen. Aesthetisch werkt over 't algemeen deze dracht +niet, maar ze ontstond uit de behoeften van het bedrijf. Ze behoort +dus meer tot de beroeps-drachten dan tot de nationale kleeding. + + + +C. ZEEUWSCH-VLAANDEREN. + + +In Zeeuwsch-Vlaanderen is een streek, die zich tusschen Axel, Zaamslag +en Hulst uitstrekt, waar het Axelsche costume gedragen wordt. Geen +meer bizarre, meer on-Hollandsche dracht dan deze, niettegenstaande +haar eigenlijke constructieve deelen zeer klaarblijkelijk van zuiver +Hollandsch-Zeeuwsche afkomst zijn. + +Maar er zijn eenige details dermate in overdreven en geëccentueerd dat +het geheel, op het eerste gezicht, zeer exotisch aandoet, en wellicht +(als ik deze onderstelling wagen mag) is ontstaan onder den invloed +van de madonna-beelden met hun (zie bl. 54, 55) versieringen zooals +die in het nabije Vlaanderen-land in de Roomsche kerken, moge zijn +opgemerkt. Zooveel is zeker, dat den indruk die deze dracht maakt, +vooral als ze door kinderen en half-volwassenen gedragen wordt, die +van een uitheemsch-afgodbeeld maakt, wonderlijk van vorm en kleur, +maar in zeer hooge mate eigendommelijk en zeer zeker van bijzondere +werking op de aesthetische verbeelding. + +Deze dracht wordt in die streek nog zeer veel gedragen. De +mannen-dracht is tot de gebruikelijke zwarte boeren-kleedij +teruggebracht, maar die der vrouwen en kinderen is des te +rijker. De algemeene constructie van dit costume komt overeen +met het Zuid-Bevelandsche, dat is, het bestaat uit eenige rokken, +(keuzen) waarvan de onderste twee van baai zijn, dan één van _moiré_, +en daarover een van zwart satijn of fransch _merinos_. + +Het bovenlijf is gekleed in het mouw-lijfje, waarvan de korte, even +boven de ellebogen eindigende mouwen, geboord zijn met kant. + +Dan volgt de bekende beuk en de doek. + +De bijzonderheid bij deze dracht ligt hoofdzakelijk in de zeer rijke +_koralen-versiering_ aan den hals, die op de beuk, zoowel van voren als +van achter is aangebracht. (Zie bl. 54, 55, 56.) Bovendien is de doek, +die steeds van gebloemde, gekleurde zijde is, op zeer eigenaardige +wijze met groote punten op de schouders opgeplooid. Deze punten, +die naast het hoofd naar boven steken, worden in de doek gehouden +door stijfpapieren opvulsels. Daarbij komt, dat de boezelaar eveneens +van kleurige gebloemde zijde is, en bovendien van voren in de taille +een groote strik van breede zijden linten, rijk met kleurige bloemen +versierd, gedragen wordt. (Zie bl. 54, 56.) + +Voeg daarbij de koralen ketting met gouden slot (van voren) en +eenige gouden kettingen en broches (spelden) waarvan de voornaamste +de groote zijden strik in de taille vasthecht. Het geheel krijgt +daardoor dat zeer rijke, kleurige en zonderlinge uiterlijk wat de +Axelsche dracht van alle andere nederlandsche drachten onderscheidt, +zoowel door vorm als door kleur. (Zie bl. 54, 55, 56.) Opmerkelijk is, +dat de hoofdbedekking bij zooveel rijkdom van de lichaams-kleeding, +zeer eenvoudig is. Niets dan een witte onder-muts en een kanten over +(trek) muts, en lange gouden spelden en krullen, alles vrij nauw aan +het hoofd aansluitend. + +De tegenstelling in deze met het Zuid-Bevelandsche costume is zeer +groot, waar de aandacht vooral getrokken wordt door de groote kanten +kappen, zij het dan ook dat de afmeting van die kappen in de laatste +kwart eeuw aanmerkelijk is toegenomen. Het Axelsche costume wordt +in dit deel van Zeeuwsch-Vlaanderen slechts door de Protestanten +gedragen; de Roomschen gaan in gewone burger-dracht, d.w.z. niet in +nationaal costume. + + + +In het westelijk deel van Zeeuwsch-Vlaanderen, vindt men nog een +merkwaardige rest van een oude dracht, te Breskens, tegenover +Vlissingen. Daar bestaat het costume (van de vrouwen) in een soort +_cornet-muts_ met ornament van bijzonderen aard (roset-vorming). De +rest van het costume is een ouderwetsch _jak_, dat tot aan de knieën +rijkt, over een zeer wijd geplooide rok en schort. Dit _jak_, rok en +schort zijn (meest) allen van dezelfde kleur--bruin, grijs of zwart--en +van een (meest) glimmende stof (zijden, satijn, satinet) of van katoen. + +Het geheel van dit costume maakt meer een ouderwetsche (Overijselsche) +indruk, uit de periode 1830-60, dan van een werkelijk nationale +Zeeuwsche dracht. + +In de nabije en oud-tijds zoo belangrijke vestingstad Sluis zijn +wel een paar zeer mooie oude gebouwen uit de vervlogen glorie-tijd +overgebleven, maar van een nationale kleedij is er geen spoor. + + + +D. NOORD-BEVELAND. + + +Ten slotte bieden de Noord-Zeeuwsche eilanden een bijzonder type van +nationale dracht in het Noord-Bevelander costume, dat ook op Tholen, +Schouwen, Duiveland en de Zuid-Hollandsche eilanden nog gedragen wordt, +ofschoon in eenigszins anderen vorm. + +De mannen hebben op die eilanden geen eigen dracht meer, en voor +de vrouwen bestaat dat alléén uit een zeer omvangrijke en lange +_flodder-muts_, die over een witte _onder-muts_, soms ook zonder deze, +gedragen wordt, met de bekende gouden kurke-trekkers (_krullen_) +aan de slapen, en een zeer bijzondere wijze van haar-dracht over het +voorhoofd. Twee kunstig gedraaide krullen komen onder de muts uit, +in een vorm, die doet denken aan een slakkenhuis. Deze muts rijkt, +in Noord-Beveland, op den rug, tot in de taille, en plooit direct aan +de slapen breed uit. Ze is voor het grootste deel van zeer fijne tule +of kant, met een breeden geornamenteerden rand. + +De mutsen op de andere eilanden hebben ongeveer denzelfden vorm, +maar zijn kleiner. (Zie Zuid-Holland.) + + + + +FRIESLAND. + + +Opmerkelijk is het, dat in Friesland, dat toch met de provinciën +Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland de oude kern van het eigenlijk +Holland uitmaakte, en welks volksstam van zoo overwegenden invloed +op de overige bevolking van ons land was, géén of zeer weinig sporen +van een eigen nationale kleedij gevonden worden, terwijl juist in de +andere deelen van Nederland, de afstammelingen van diezelfde Friezen, +de nationale dracht getrouw bleven. Wat hiervan de oorzaak zij, +dient hier niet te worden onderzocht, slechts als een bijzonderheid +te worden aangewezen. Het zij genoeg te vermelden dat juist dit +volk, dat zich als geen deel van het Nederlandsche volk, zoozeer +een eigen volksstam gevoeld, haar eigen kleedij in de praktijk van +het hedendaagsche leven verloor, maar er tegelijk bijzonder trots op +blijft zich in die kleedij te steken, zoodra zij zich als Friezen in +het openbaar leven wil vertoonen. + +Het eigenaardige verschijnsel doet zich hier dus voor dat de oude +dracht, die wel is waar door alle standen, in hooge eere gehouden +wordt..... maar in hun kasten en doozen goed wordt opgeborgen..... maar +zelden wordt gedragen. In de andere provinciën bleef men het oude +costume getrouw..... of ze verdween in haar geheel, zoowel uit het +werkelijke leven als uit de "rommelkamers" en oude koffers. Het +"moderne geslacht" hecht niet meer aan "familie-stukken." + +Hoe eigenaardig deze toestand ook is, men vindt ze ook eenigszins +terug in de Zaanstreek. + +Maar wat er van de friesche dracht in het werkelijke leven bleef, +was _niets_ dan het beroemde _oorijzer_, waarin echter, in den vorm +waarin het tegenwoordig nog gedragen wordt, moeilijk het oer-type van +de hoofd-versiering te erkennen is, waartoe alle oorijzer-vormen, die +in dezen tijd nog in de verschillende streken van Nederland gedragen +worden, waarschijnlijk terug te brengen zijn. + +In het Friesch-museum te Leeuwarden zijn de verschillende +verwordings-vormen van het friesche oorijzer bijeengebracht en in de +catalogus, door den conservator Mr. P. C. J. A. Boeles, (uitgave Meijer +en Schaafsma, Leeuwarden 1909) uitvoerig afgebeeld en omschreven. + +Uit deze serie blijkt in ieder geval--om hier zoo min mogelijk op +historisch terrein te komen, dat het friesche oorijzer thans belangrijk +breeder is dan het vroeger was, dan een van de andere oorijzers die +in Nederland ooit geweest zijn. Bovendien is het friesche van goud, +terwijl de (zooveel kleinere) oorijzers in de andere deelen van ons +land (Scheveningen, Staphorst, Zeeland enz.) meestal van zilver +zijn. Dit wijst op grooter rijkdom bij de Friezen, wat eveneens +blijkt uit het nationale costume dat bij het oorijzer hoort, althans, +wat er thans bijgedragen wordt door dames die zich in nationale +kleedij wenschen te steken. Die costumes bestaan in hoofdzaak uit +nogal wijde _jakken_ (tot de knie) en rokken, meestal in zijde van +allerlei kleuren, waarover de doek (op de borst gekruist) en het +schort gedragen worden. (Zie bl. 57, 58, 59.) + +Deze doek en schort, zijn evenals de witte _flodder-muts_ van dikwijls +zeer kostbare, sierlijke en fijne kant. (Zie bl. 59.) + +De hoofd-tooi, waaruit thans echter het heele friesche nationale +costume bestaat, en die nog in een groot deel van deze provincie +gedragen wordt, (ofschoon steeds minderend), bestaat uit de witte +tip-muts over het haar. Daarover de zwarte muts. Daarover het oorijzer +en daarover de _flodder-muts_, met de twee gouden "_knoppen_" +aan weerszijden van de slapen, boven het kant van de flodder-muts +uitkomend. + +Dat, wat men echter thans, bij gelegenheden, als het origineele +friesche nationale costume wil zien aangemerkt, heeft echter +veel overeenkomst met de mode-kleedij van de periode 1830-60, +vermengd met achtiend' eeuwsche herinneringen. De mannen-drachten +die men daarbij rekent, hebben met hun driekante steken en korte +kuitbroekjes te zeer een ietwat achttiend'eeuwsch cachet. Dat neemt +niet weg dat het geheel van dit niet zoo zuiver historische costume, +een bijzonder aesthetischen indruk maakt. Vooral de hoofdversiering is +zeer "charmant" door het bijzondere dat de vrouwen van het friesche +ras eigen is, zoodat het geheel alleszins aan den eisch voldoet die +een werkelijke nationale kleeding gesteld mag worden, en dat is: +dat ze kenmerkend, onderscheidend, voor dàt ras en dat land zij. + + + +HINDELOOPEN. + + +Een zeer bijzondere groep vormen de Hindeloopen-drachten. (Zie bl. 61, +62, 63.) + +Ook deze worden thans niet meer in het werkelijke leven gedragen, +ofschoon eenige personen in die dracht, in de eenige straat van +het oude Hindeloopen gezien, zeer zeker geen oneigenlijke indruk +maken. Alles in dat oude stille plaatsje is nog juist zoo gebleven +als het in de tijden was toen die Hindelooper-dracht nog algemeen +werd gedragen. Dat moet op zijn laatst, ongeveer in het begin van +de negentiende eeuw, geweest zijn. Thans leven er nog ouderen van +dagen, die zich herinneren hoe in hun jeugd enkele personen, uit +gehechtheid aan het oude, die bijzonder schilderachtige kleedij nog +dagelijks droegen. Maar 't waren toen ook reeds zeer weinigen. Thans +ziet men ze in de zoovele Hindelooper binnenkamers die in het midden +van de negentiende eeuw, in de Romantische periode, als "levende +schilderijtjes" in elkaar zijn gezet. + +Het Hindelooper costume bestaat, voor zoover de mannen betreft, +uit een zeer sterk achttiend'eeuwsche lange jas met vele knoopen, +korte kuitbroek, lage schoenen en op het hoofd een driesteek. (Zie +bl. 62, 63.) + +Belangrijker echter is de kleedij van de vrouwen en van de kinderen, +vooral omdat de constructie van deze dracht, in de verschillende +over elkaar gedragen lagen, en den vorm van de onderdeelen, alsook +hun oud-friesche benamingen een werkelijk volledige nationale en van +oudsher overgeleverde kleedings-wijze zijn. + +De Hindelooper-dracht (der vrouwen) bestaat uit een wit linnen hemd +(geen onderbroek) en drie onderrokken. De bovenste rok is zwart en +heet "_de skoote_" en is van harde wollen stof. Over het hemd komt +eerst een keurs-lijf van laken, met schouderbanden. + +Over dit keurs-lijf komen twee "_oelofs_" (= over-lijf). Het onderste +van gekleurd laken met mouwen van gebloemde zijde, het bovenste van +zwarte stof. Te zamen heeten deze twee over-lijven "_het geweid_" +(het gewaad). + +Dit bovenste oelof (overlijf) wordt van voren met een _veter_, in +de rouw groen of zwart, anders rood, rose of vleeschkleur bijeen +geregen. Die veter is 8 à 10 el lang, de rygpen hangt bij getrouwden +_rechts_, bij ongetrouwden _links_. + +De borst wordt bedekt met een vierkant doekje, genaamd +"_voorspeld-doek_", dat onder het oelof wordt gestoken. + +Daaroverheen wordt het meest bijzondere Hindelooper kleedingstuk +gedragen "de _wentke_", de lange getailleerde mantel of jak, met +lange mouwen, van gekleurde sits, en welk kleedingstuk de eigenlijke +overkleeding vormt. (Zie bl. 61, 62, 64.) + +Is het wat korter van maaksel (tot aan de knieën zooals een jak) +dan heet het "_kassakijntje_". + +De kleur van deze wentke is zeer verschillend, men gebruikte +er allerlei soort sits voor, de bekende uit Voor-Indië en Perzië +aangevoerde bedrukte katoen in dikwijls zeer fantastische maar meestal +zeer mooie, kleurige en rijke patronen. + +Deze wentke staat van voren open als een jas, zoodat ze de met den +veter dichtgeregen oelof zien laat, en ook het _schort_, dat van +_Oost-Indisch bont_ weefsel is (in vierkante weefpatronen) en meestal +rood is in alle nuances (in den rouw is het soms blauw). + +Om den hals komt de zijden doek, ook uit geruit bont weefsel, bij +elkaar gehouden door den _strijker_, een ring of speld van goud. + +Deze das wordt door de getrouwde vrouwen _links_ tusschen de oelof +gestoken, door de ongehuwde meisjes _rechts_ (ten teeken dat haar hart +(links) nog vrij is). + +Dan siert zich de Hindelooper vrouw, aan haar gordel, links met _de +prak_, bestaande uit naaldenkoker, speldenkussen, schaar en haakpen +(van zilver). Rechts draagt zij de kleurige koralen _beugeltasch_ +met slot. + +De hoofd-tooi is niet minder ingewikkeld en kleurig. + +Eerst wordt het haar bijeengebonden, daarover verschillende ondermutsen +gedaan met een stuk gouddraad-lint over de kruin, welk lint men de +"_de blinker_" noemt. + +Daarover komt het eigenaardige, kapvormige, cilindrische hoedje (als +men 't zoo noemen mag) van stijf linnen, overtrokken met andere stof, +gevoerd met rood baai, welk hoogst eigenaardig kleedingstuk de _foar +flechter_ heet (of: _huidje_ = hoedje). Daarover komt "_de flip_" en +de "_zondook_", de eigenlijke groote, vierkante, maar in bijzondere +vorm geplooide en gestreken, doch van (meestal) roode bonte stof, +die van voren tegen de "foar flechter" met een speld bevestigd wordt, +zoodat de vleugels naar achter afhangen en den curieusen vorm aan +den heelen hoofdtooi geven die eenig is onder alle nationale drachten +in Nederland. + +Deze "_zondook_" is bij de jongere meisjes anders van vorm dan bij +de vrouwen, te meer omdat deze eersten geen "foar flechter" dragen. + +Ook de wentke krijgen de meisjes eerst op hun twintigste jaar. + +De bruiden (zie bl. 63) dragen bovendien over dezen reeds zoo +ingewikkelden hoofdtooi--die hier slechts zeer in 't kort is +beschreven--een witten sluier, het "_witmoer_" geheeten, welke +van dunne tulle is en tot aan de taille van achter en aan de zijden +afhangt. Bovendien komt om de foar flechter een _bruids-fristel_, een +van geel, zwart en wit gevlochten wrong van ongeveer een vinger dikte. + +Deze buitengewoon sierlijke en rijke dracht heeft, naar men wil, +vooral ook zijn oorzaak gehad in de eenzame ligging van het oude +stadje Hindeloopen. De mannen waren meestentijds op hun reizen, +de vrouwen bleven alleen thuis, werden eenzelvig en zochten hun +afleiding en vermaak in het zoo rijk en bont mogelijk opsieren van +eigen huis en kleedij. + +Hoe dit zij, zij verkregen een geheel dat eenig is in zijn soort, +vooral ook omdat men de waarde en de beteekenis van deze zonderlinge +kleederdracht niet overzien kan zonder ze in haar eigen milieu, +het kleurige Hindelooper binnenhuis, te hebben bewonderd. + + + +Verder dient nog de aandacht gevraagd voor de bijzondere dracht van +twee Leeuwarder weeshuizen, welke drachten thans ook reeds--jammer +genoeg--zijn afgeschaft. (Zie bl. 64.) + + + +GRONINGEN. + + +Ofschoon ook Groningen een oude geschiedenis heeft, is er, zoo goed +als niets van de provinciale en nationale kleedij overgebleven. Op +het feest in nationale kleederdrachten in 1913 te Amsterdam gehouden, +was het mij niet mogelijk ook maar één paar (man en vrouw) in echt, +heden nog gedragen Groninger kleedij te kunnen vinden. + +De historische dracht, waarin toen een heer en dame verschenen, +heeft ook bij-lange die beteekenis voor de Groningers niet als de +Friesche dracht voor de Friezen. Het is opmerkelijk dat in een deel +van ons land als Groningen, met haar zoo eigen historie, de traditie +zoo volkomen verloren kon gaan. + + + +DRENTHE. + + +Ook Drenthe is niet zeer rijk aan nationale drachten. Wat als zoodanig +nog kan gelden is de (Friesche) kap en het oorijzer dat in zekere +streken van deze provincie nog gedragen wordt (zie bl. 65). + +De overige kleedij is dat bekende hybridische half ouderwetsche +costume dat in heel ons land onder de platte-lands-bevolking de +werkelijke nationale drachten vervangen heeft. Het is een imitatie +van de stads-dracht, in vorm en versiering tot ongeveer geen enkele +periode te rekenen, in kleur soms nog--als 't op zijn 's Zondags--erg +"mooi" moet zijn, opvallend door persoonlijke wansmaak. + +De muts en het oorijzer zijn dan het eenige overgeblevene, maar die +eenige rest van die werkelijk nationale dracht wordt dan niet weinig +ontsierd door de "Kiep" (zooals men het in West-Friesland noemt), +een soort van vrije fantasie door middel van allerlei gitten, bloemen +en strikken op het zoogenaamd capot-hoedje, dat omstreeks 1885 "le +dernier cri" van de Parijsche mode (wansmaak) was. + +In de veenstreken vindt men geen nationale dracht, omdat het in later +tijd aangelegde kolonies zijn. + + + + +OVERIJSEL. + + +In Overijsel zijn de tradities beter bewaard, ofschoon in hun volheid +slechts in Staphorst en op Urk. In de rest van de provincie vindt +men veel de halve nationale dracht, hoofdzakelijk de muts, maar de +eigenlijke nationale dracht is verdwenen, vooral hoe meer men naar +het Oosten gaat. + + + +A. HET EILAND URK. + + +Van zeer bijzondere belangrijkheid is de kleedij en haar dragers en +draagsters op het eiland Urk. Het is niet te zeggen wat van deze +het belangrijkst is, het ras van menschen dat Urk bewoont, of hun +kleeding. Maar beide zijn ze in hooge mate interessant. + +Zooals in Zeeland (vooral Walcheren) wonen er op Urk nog ras-menschen, +iets wat men van de andere streken van ons land niet zeggen kan--en +'t minst van de groote steden. Maar de Urkers zijn fraai en gezond van +bouw en er zijn bijzonder schoone vrouwentypen (zooals op Walcheren) +en zeer krachtige mannengestalten. Hun kleeding sluit, wat de algemeene +vormen aangaat, bij de gewone Hollandsche nationale drachten aan. Bij +de mannen de wijde broeken en de nauw-aangesloten baaitjes, juist +zooals op Volendam en Marken, ofschoon eenigszins anders van détails, +maar in bedoeling hetzelfde, omdat die kleeding voor een groot deel +bepaald is door de practijk van het visschersbedrijf en het leven op +zee. (Zie bl. 66, 67). + +Wat de vrouwen betreft bestaat de dracht uit het noodige aantal rokken +van verschillende stof en kleur, de kroplap, de doek en op het hoofd +de kap of hulle. In zooverre is alles, wat de constructie betreft, +gewoon. Maar het onderscheid in deze dracht met die van dezelfde +soort in de andere deelen van het land ligt in de wijze waarop de +verschillende détails gedragen worden, en.... _wie_ ze draagt. (Zie +bl. 66 en 68). + +Dit laatste is, voor zoover de aesthetische werking betreft, bij iedere +kleeding toch maar de hoofdzaak. Want al ligt er veel waarheid in het +oude gezegde "de kleeding maakt den man", de meeste kleeding echter +doet den drager zich slechts van de andere menschen onderscheiden +naar afkomst, rang of positie, niet naar schoonheid of aesthetische +werking. Men moet een kleeding _kunnen_ dragen. En, zoo er vrouwen +zijn die de Hollandsche dracht weten te dragen, dan zijn het die van +Urk.--Dat moet gezegd zijn. + +Want de Urker-dracht onderscheidt zich niet door kleur of veel +opschik. Ze is zeer eenvoudig, ze heeft geen on-noodige détails, maar +haar werkelijk aesthetische waarde ligt in het ras dat ze draagt. De +kleuren zijn meest alle donker, gebloemde zijde, donkere wol en laken, +hier en daar slechts met een klein werkje. + +De hoofdzaak is echter dat het natuurlijke figuur (van de vrouwen) +zeer door deze dracht tot zijn recht komt, en de Urker-vrouwen alles +doen om hun natuurlijke gaven in deze nog meer te doen uitkomen. Er is +wisselwerking tusschen den vorm van het lichaam dat de kleeding draagt +en den vorm van die kleedij zelf, geleid door het natuurlijk instinct +van de draagster zelf, die ziet _hoe_ ze een costume dragen moet, om de +aandacht door middel van haar costume op zichzelf te doen vallen. Nog +duidelijker blijkt die wil om _zelf_ gezien te worden--en niet hun +kleedij--(die ook zoozeer bij de vrouwen op Walcheren bestaat) uit de +wijze waarop de Urker-vrouw haar kleine maar prachtig hulletje draagt. + +De heele hoofd-versiering is zeer nauw aan het hoofd aansluitend, +zoodat het gezicht--dat dikwijls zeer schoon is--duidelijk +uitkomt. Opmerkelijk is daarbij het echt vrouwelijke raffinement +waarmee het oorijzer gedragen wordt. De knop, waar dat nationale +kleinood in eindigt, komt bij de Urker-meisjes midden op de wang, +dicht bij den mond. Maar doordat in het oorijzer zekere veering zit, +drukt die knop kuiltjes in de wang, om op die wijze de natuurlijke +charme van het gezicht nog meer te doen uitkomen. + +Men behoeft werkelijk niet naar Parijs te gaan, om zekere geheimen +van het vrouwen-toilet te leeren doorgronden. Een Parisienne zou van +een Urkersch visschers-meisje nog heel wat kunnen leeren..... + +Om een korte opsomming te geven van de Urker kleedij van de vrouw, +moge dit hier volgen: + +De kap of _hulle_ bestaat uit zwarte ondermuts, daarover het oorijzer +(van zilver), daarover de de hulle (overmuts), van voren met een +(zelfgemaakt) kantje. Van achter versiert een vrouw in den rouw die +hulle met een "_dasje_", dat is een zwart zijden strook, met een bandje +en spelden vastgehouden. Van voren komt onder de hul "_de top_" uit, +zoo heet het haar dat als ponny recht is afgeknipt tot even boven +de oogen. + +Om den hals de ketting van roode _granaten_, het gouden slot van +_achter_. + +De lijf-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een (open) +onderbroek, zwarte kousen, borstrok van zwarte baai met half lange +mouwen van zijde, fluweel of thibet. Deze mouwen blijven bij de +volledige kleeding te zien. + +Daarover komt het _middelde_, een soort corset, eenigszins gelijkend +op het rijglijf wat de Marker-vrouwen dragen. Het is echter niet zoo +versierd met ornamenten, maar van blauw (of rood) damast, van voren +met een veter dicht geregen die door (koperen) ringen gaat. Van onder +(achter) aan de taille zijn eenige "_rollen_" aangebracht, bij wijze +van _queu de Paris_ om de rokken wijder te doen uitstaan. Onder het +corset draagt men de borstlap van roode baai. + +Het aantal rokken bestaat uit den _ondersten rok_, een _tusschenrok_, +den _zevenkleurigen rok_ (rood, wit, zwart, groen, ongeveer zooals +die 's Zondags te Volendam wordt gedragen) en daarover de bovenrok, +'s winters van baai of duffel, zwart of licht blauw, 's zomers van +thibet, laken of luster. + +Dan de kroplap, van voren echter meestal versierd met een ornament +in kruissteek (_het hartje_) dat soms de initialen van de draagster +vertoont. Daarover de borstrok, of het _lijfje_--of "_lifien_", 's +winters van zwarte wollen stof, 's zomers van thibet. Dit "_lifien_" is +een jakje met korte mouwen, laag uitgesneden aan den hals, een schootje +en een "_strik_" van gebloemde zijde, dat is boordsel langs den hals. + +Daarover gaat "de doek" van donkerkleurige gebloemde zijde, meestal +donker-rood of paarsachtig van nuance. Deze doek heeft (tegenwoordig) +meestal franje. + +Daarover de boezel, of schort, met een "_strik_" van gebloemde zijde, +zijnde een horizontale strook van een handbreedte aan de taille. Dit +boezel is van zwart thibet of zijde. + +Merkwaardig is nog dat de Urksche vrouwen wanten of pols-mouwen dragen +over hun van boven den elleboog bloote armen. + +Het zijn niet de "labedisten" van de Zeeuwsche schoonen, maar gewone +pols-bedekkingen van gebreide (zwarte) wol. + +Verder bestaat het schoeisel uit zwart-leeren muilen. + +Opmerkelijk is verder hoe die dracht verandert, niet van vorm maar +van kleur, voor weduwen, bruiden, en voor kinderen. Voor de weduwe is +ze geheel zwart, voor de bruid iets kleuriger, (en nieuwer), voor de +kinderen eenvoudiger, vooral wat het schort en de rokjes aangaat. Veel +wit wordt dan ook door de kinderen gedragen, ofschoon de vorm--van +de dracht--ook voor de kinderen, dezelfde blijft. (Zie bl. 68). + + + +B. STAPHORST. + +De Staphorster-dracht onderscheidt zich van de andere drachten +door haar bijzondere compleetheid, zoowel voor mannen, vrouwen +als kinderen. Ze sluit echter, wat haar vormen aangaat, geheel bij +de drachten aan die men aan de kust van de Zuiderzee vindt, vanaf +Staphorst tot aan Huizen in Noord-Holland. Vooral vanaf Harderwijk +tot aan Staphorst onderscheiden zich de drachten (van de vrouw) door +kleine hoofd-tooi, plat-makende borst (en torso) bekleeding en zeer +breed en plat makende heup-bedekking. + +De kleuren zijn over 't algemeen zeer sterk, veel rood, bij de +Staphorster-vrouwen ook veel blauw. Zelfs zijn de overmutsen +(in Nunspeet en Oldenbroek) bont, d. w. z. van stof met kleurige +ornamenten versierd. + +Het oorijzer, dat in deze heele streek eenzelfde eigenaardige +haak-vormige zilveren beugel is, wordt echter van Huizen naar +Staphorst, oostwaarts gaande, zoo gedragen, dat de knop (krul in den +vorm van een kurketrekker) bij de vrouwen van Harderwijk, Hierden, +Nunspeet, Hulshorst, Elburg en Oldenbroek aan de slapen komt, steeds +meer zakt, totdat ze bij de Staphorster-vrouwen geheel tot de kaak +reikt. (Zie Urk.) + +Ook is bij de Staphorster-vrouwen het oorijzer breeder dan bij die in +Gelderland, en het ondersteunt niet meer de haarvlecht achter tegen +het hoofd, maar ligt boven op de kruin, in schuine richting. Ook zijn +er andere afwijkingen in de Staphorster dracht, zoodat de geheele +vorm van de hoofdbedekking anders wordt. + + + +Het Staphorster-vrouwen costume kan aldus worden beschreven: (zie +bl. 72 en 73.) + +Over het bloote lijf komt het katoenen hemd, zonder kraag, daarover +de borstrok van "_vijfschaft_", met mouwen tot aan de ellebogen. + +Dit vijfschaft of "_viefschaft_" is een wollen stof, gemaakt van het +wol van de schapen, die de Staphorsters zelf teelen. Die wol wordt de +door Staphorster vrouwen zelf gesponnen en in bepaalde kleuren, door +werklieden in de buurt van Staphorst gekleurd, en volgens bepaalde +patronen door een paar hand-wevers tot de stof geweven, waarvan de +kleedij der Staphorster-vrouwen voor een groot deel gemaakt wordt. Het +is in strepen geweven, zwart en donkerblauw, met rood hier en daar, +in bepaalde dessins die ieder hun beteekenis hebben (_wit-streept, +rood-streept,_ enz.). + +Over die borstrok komt het lijfje, of de "_kraplap_" zooals die bij +de andere drachten voorkomt. Deze kraplap is van wol of gebloemde +zijde of katoen. Daarover de verschillende rokken (geen onderbroek), +een paar van baai en de bovenste van vijfschaft. + +Dan de omslagdoek van geruite (meest roode) katoen of zijde, een schort +(schulk) van donkerblauw wol, dat somtijds eveneens als het vijfschaft +zelf gesponnen en geweven is. + +De banden van dit schort zijn altijd hel-blauw, de strik hangt met +lange einden van voren neer. + +Nog verdient vermelding dat de rokken opgehouden worden, en breed +gemaakt, door kussentjes die aan de borst-rok bevestigd zijn, maar +welke verdikkingen alleen aan de zijkanten, dus niet van achter, +worden aangebracht. Daardoor heeft het figuur van de Staphorster-vrouw +nog on-gracelijker voorkomen. + +De doek wordt wel niet zoo stijf over de borst gesnoerd als in Kampen +en in Nunspeet gewoonte is, maar het figuur wordt stelselmatig plat +en breed gemaakt door die kussentjes. Ook door den eigenaardigen vorm +van de muts wordt het bijzondere van de dracht nog verhoogd. + +De heele hoofdtooi wordt gevormd door: een bandje dat het haar +vastbindt, waarover de zwarte onder-muts met "_toet_". Die _toet_ +van stijf papier geeft een soort hoorn--boven het voorhoofd. Daarover +komt de muts van gebloemde zijde met zijden boordbanden die onder +de kin in wijd uitstaande, stijve, lange dunne strikken worden +saamgebonden. Daarover gaat het oorijzer, vastgehouden door een +zwarte band. + +Daarover de witte _toet-muts_ van kant, die maar zeer zelden gewasschen +wordt, omdat ze anders te spoedig versleten zou zijn. Ook deze muts +wordt onder de kin bevestigd met een bandje. Door de zeer nauwe +aansluiting van de hoofdtooi, en het wijde van de schouders (door +de doek) het saamgenepene van de borstkas, de wijde plooien aan de +heupen, de zeer korte rokken, en daaronder uit de beenen (ongeveer +15 c.M. te zien) en de (nogal) logge sloffen, met zeer breede neuzen +en groote zilveren gespen, dat alles in donkerblauwe en hel-roode +kleuren, met de sterkblauwe lange linten van het schort, geeft die +Staphorster dracht een ietwat boersch uiterlijk, wat toch ook wel zijn +zeer bijzondere eigenheid heeft. In dat boersche, ongracelijke, komt +het overeen met de Marker, Bunschoter en Noord-Veluwsche drachten, +die alle zeer kleur-rijk zijn maar de natuurlijke vormen van het +lichaam geweld aandoen. (Zie bl. 72). + +'s Winters wordt over die dracht een "_buisje_" met lange mouwen +gedragen, zonder schootje. + +'s Zondags echter heeft dit kleedingstuk een schootje en is met bont +(blauw en wit geruit) gevoerd, zoogenaamd Friesch bont, dat men echter +in Friesland Oost-Indisch bont noemt. + +Dit langere buisje heet _kaschijn_, wat overeen komt met het +Hindelooper "_kassekijntje_", een kleedingstuk van hetzelfde soort. + +De kinderen hebben hetzelfde costume, maar vereenvoudigd. De stoffen +zijn niet van molton, baai of laken maar meest van Friesch bont. De +doek is echter steeds rood, zooals bij de volwassen menschen. + +Het groote verschil ligt echter in de hoofdtooi. Kinderen beneden de +zes jaar dragen nog geen oorijzer, maar een zwart kapje van voren +met een dikken rand astrakan. Dit kapje heet de _nette_, het is, +behalve de astrakan-strook, van zwarte stof met garneeringen. Links +van het hoofd komt een strik (rozet) van zwart zijden lint, rechts een +"_haak_", een soort gesp van zilver. (Zie ditzelfde kleedingstuk van +de kinderen op de Veluwe waar het _poets_ of _poete_ heet en de _haak_ +soms van goud is, het astrakan van "_veertjes_"). + +Bovendien neemt de Staphorster-vrouw, 's zondags, naar de kerk, +een mooi met zilver beslagen bijbel mee, met kettingen, enz. + +De mannen-dracht is zeer eenvoudig, ofschoon meer origineel dan de +boeren-dracht in andere streken. Het bleef meer een echt nationaal +costume, vooral door de korte jekker, genaamd _kamizool_, met twee +rijen knoopen. + +Opmerkelijk is ook dat het hemd steeds van boven aan den hals zichtbaar +blijft, met de twee beroemde Staphorster (bolle) gouden knoopen. Kleine +jongens dragen dezelfde dracht als hun volwassen dorps-genooten. + +Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Staphorster-vrouw buitengewoon +netjes op hare nationale kleedij is, dat deze steeds, als ze niet +gedragen wordt, in altijd dezelfde en zeer mooie plooien wordt +opgeborgen, aan welke plooien steeds bijzondere zorg besteed wordt. + +Vergelijk in deze de netheid en nauwkeurigheid waarmede alle nationale +drachten, op Marken, in Zeeland en Hindeloopen behandeld worden. + +Overal worden die drachten in mooie, daarvoor speciale gemaakte doozen +opgeborgen. En ... zoolang de Staphorster-vrouwen nog zóó zuinig op +hun bijzondere dracht zijn, zoolang zullen ze deze nog in eere houden. + + + +Verder blijft in de provincie Overijsel de strook, langs de IJssel +en Twenthe. + +In Kampen zoowel als in Zwolle is de complete nationale dracht +verdwenen, maar door de vrouwen uit de volks-klassen wordt nog vrij +veel de _neepjes-muts_ en de _plooi-muts_ de "_drie-plooitjes_" +gedragen. + +De rest van de costumeering bestaat dan meestal uit het _jak_, een tot +aan de knieën wijd-afhangend kleedingstuk met mouwen, op dezelfde wijze +zooals dat door de vrouwen van Breskens (Zeeuwsch-Vlaanderen, Texel, +enz.--zie aldaar) gedragen wordt. Daarbij behoort dan de zeer wijd +geplooide rok, en het wijde boezelaar, een en ander van zwart thibet, +de boezelaar ook wel van grijze, bruine of groene zijde. (Zie bl. 70.) + +Om den hals draagt men daarbij een gestrikt zeer bonten (zijden) +dasje, genaamd "_het knuppeldoekje_". (Zie bl. 69.) + +Daarbij komt dan de _neepjes-muts_, met de gouden bellen die in de +fijne plooitjes van de muts gehaakt zijn, en _niet_ in de ooren hangen. + +Deze muts wordt over het zwart (satinet) ondermutsje gedragen, en +heeft van achter een ongeveer 20 cm. lange afhangende reeks stijve +plooien, genaamd _de strook_. De muts wordt met een bandje onder de +kin vastgehouden. + +Om den hals roode bloedkoralen, vijf streng, met gouden slot van +voren. In den rouw zijn de koralen van git. + +Uit deze onderdeelen bestaat het mooie of zondagsche costume. De +algemeene indruk is die van "ouderwetschheid", zonder die van een +werkelijke nationale kleedij te geven. Het is dan ook eigenlijk niet +anders dan een mode-dracht die, denkelijk omstreeks 1860, de werkelijke +oude en nationale dracht vervangen heeft. + +Dit geldt niet alléén voor Overijsel of voor de hier besproken dracht, +maar voor heel Nederland. De tweede veranderings-periode zou dan +misschien omstreeks 1890 te stellen kunnen zijn, toen die mode van het +jak vervangen werd door de imitatie van de stads-modes uit dien tijd. + +Zoo althans lijkt het, naar wat de dracht van de plattelandsbevolking +in West-Friesland, Drenthe, Overijsel, de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche +eilanden en andere streken te zien geeft. + +Daarbij echter is--bij veel vrouwen--de nationale kap of muts (soms +met het oorijzer) bewaard gebleven. De totale afschaffing van die +muts is dan de laatste phase van het verdwijnen van de allerlaatste +overblijfselen van de nationale dracht. + + + +Om na deze kleine historische bespiegeling, die ik gaarne voor beter +geef, tot Overijsel terug te komen, zij opgemerkt dat deze neepjes-muts +ook in de andere deelen van de provincie gedragen wordt, alsook in +een deel van den achterhoek van Gelderland. (Zie bl. 71.) + +Opmerkelijk voor Zwolle, Kampen en die streek, is de plooi-muts die de +daagsche dracht uitmaakt. (Zie bl. 69.) Daarbij wordt dan werkelijk de +nationale dracht van krop-lap en doek gedragen, welke laatste, niet +zooals in Zeeland, op Urk en op andere plaatsen van ons land in de +taille wordt vastgehecht, maar in de armsgaten, onder de oksels wordt +gestoken, waardoor die doek een kruis hoog over de borst vormt. (Zie +bl. 74 en 76.) + +Deze wijze van den doek te dragen is aan alle drachten gemeen van +Staphorst tot en met Harderwijk. Ze is, ofschoon misschien practisch, +zeer weinig aesthetisch, want ze maakt het effect of de borstkas van +boven--daar waar ze uit de natuur bij een vrouw juist bewelfd behoort +te zijn--met alle geweld in elkaar geknepen wordt. Fraai is het niet, +maar het is zeer "kenmerkend". (Zie bl. 74, 75 en 76.) + +Die plooi-muts nu is van zeer bijzonderen vorm, van achter met +een niet naar onder, maar stijf naar achter staande strook van +zware plooien. Een zeer merkwaardig soort muts, eenig in haar soort, +ofschoon bij Nijkerk (Gelderland, zie aldaar) een dergelijk soort muts, +onder den naam van _drie-strook_ of _drie-plooi_ gedragen wordt. (Zie +bl. 69). + +Ook draagt de vrouw uit Kampen het oorijzer, maar dan op de wijze van +de Staphorster vrouwen, d. w. z. de krul (kurketrekker) niet naast +de slapen, maar onder aan de wang (kin). + +Deze mutsen, plooi-muts zoowel als neepjes-muts, zijn van kant of +(in den rouw) van fijn neteldoek. Ze worden door de draagsters zelf +"opgedaan" ( = gestreken). + + + + +GELDERLAND. + + +In de provincie Gelderland, die het geographische midden van ons land +uitmaakt, worden de nationale kleederdrachten nog in vele streken in +groote eere gehouden. + +Men kan deze provincie in drie deelen splitsen: A. De Veluwe. B. De +Achterhoek. C. Het land tusschen Rijn en Maas. + + + +A. DE VELUWE. + + +Tot de Veluwe moet, althans voorzoover de nationale kleedij betreft, +niet alléén het geographische gebied van dien naam gerekend worden, +maar de heele kuststrook langs de Zuiderzee vanaf Staphorst in +Overijsel tot en met Huizen in het Gooi in Noord-Holland. + +Al de drachten in die streek zijn van hetzelfde type, slechts weinig +van elkaar afwijkend, en voorzoover de variaties betreft in elkaar +overgaande. + +Zoo lijkt bijvoorbeeld de dracht in Oldenbroek soms op die +van Staphorst, terwijl ze zich echter ook bij die van Nunspeet +aansluit. Het oorijzer wordt echter (in Oldenbroek) soms anders +gedragen, meer op de wijze zooals op Staphorst, dat is, met de krul +beneden aan den wang. + +Het opmerkelijke van de Veluwsche drachten is echter dat de doek +niet in de taille bijeen wordt gespeld, zooals dat bij de meeste +Hollandsche drachten het geval is, maar onder de oksels tusschen de +kroplap wordt gestoken. (Zie bl. 74, 75, 76). + +Dat geeft aan de figuren die on-aesthetische platheid en houterigheid +die een hoofdkenmerk is van dit minder fraaie ras, waaraan dan de +klederdracht nog de laatste rest van natuurlijkheid ontneemt. Een +goed en normaal gebouwd ras zou uit zichzelf reeds zoôn kleedij, +die de natuur zoo ontstelt, verwerpen. De bewijzen daarvoor vindt +men op Walcheren, Urk en Volendam. + +De muts in Nunspeet en Oldenbroek is van een anderen vorm dan die +van Staphorst, zonder de spitse punt boven het voorhoofd, over 't +algemeen meer naar achter dan naar boven zich vormend, met een witte +onderkap, aan de slapen uitgeschulpt, het heele hoofd omvattend, +en geboord met een fijn plooi-randje. Daarover komt de bonte muts, +in sterke kleuren, een soort kalotje dat een deel van de witte muts +laat zien. Daarover het oorijzer, met een bandje vastgehouden en met +de krul aan de slapen. Van het haar komt niets te zien, ook zelfs +niet boven het voorhoofd. + +De indruk van deze Nunspeter _bonte-muts_ is zeer fraai. Jammer dat +ze het hoofd zoo klein en nietig maakt boven den plat-genepen romp +en de wijd-uitstaande rokken. (Zie bl. 74 en 75.) + +Het mannen-costume in deze streek is zoo goed als geheel "modern". Het +mist alle eigene cachet, zooals de Staphorster mannen-dracht die +nog heeft. + +Tot voor zekeren tijd droegen de vrouwen van Hierden nog groote +strooien hoeden (in den zomer) met eigenaardige linten en +boor-garneersels (zooals op bl. 73 te zien is). Ook ziet men bij +begrafenisplechtigheden nog merkwaardige drachten, de mannen in lange +jas en hoogen hoed, zooals dat ook in Staphorst nog het geval is. (Zie +bl. 73.) + +Al die groote strooien hoeden die de vrouwen zoowel in Friesland +als in Hierden, Staphorst en op Walcheren tot voor een generatie +terug nog boven hun mutsen en oorijzers droegen zijn "uit de mode" +gegaan. Zoo verandert ... en verdwijnt gaandeweg de Nationale Kleedij. + +In Ermelo en Putten is de dracht weer anders. Men draagt er bijna +geen oorijzer meer. Ook geen bonte-muts over de witte ondermuts, de +krop-lap is soms wit, de doek effen (niet bont) de boezelaar zonder +"stuk". Meer westelijk van Putten is van die hierboven omschreven +(Geldersch-Friesche) dracht niets meer te zien en ging ze over in +een ander type, dat van het Utrechtsche en van het Gooi. Bunschoten +en Spakenburg vormen weer een klasse op zich zelf. + +In Nijkerk, het oude en merkwaardige stadje, ziet men niets dan mutsen, +de beroemde _cornet-muts_, met de lange achterstrook en de vele kleine +plooitjes die het hoofd omgeven. Dit is de Zondagsche muts, die soms +nog "verfraaid" wordt door een breed (licht blauw) zijden overlint, +dat om den bol en van achter om het achterhoofd gaat, en dat onder +de kin wordt vastgestrikt. + +De rest van de kleeding is "ouderwetsch" en stadsch. + +Bovendien wordt in Nijkerk nog een daagsche plooi-muts gedragen, van +voren met drie strookjes over elkaar, van achter met een zonderling +geplooide strook. + +Deze muts draagt den naam van "_drie strookjes_". Soms draagt men +onder deze muts een zwarte ondermuts, maar meestal zet men ze, direct, +op het bijeen gebonden haar. + + + +B. DE ACHTERHOEK. + + +In den Achterhoek, in het Graafschap Zutphen en in de Lijmers (het +land rond Zevenaar), is niet veel van een nationale kleederdracht +overgebleven. Wat er nog van te zien is, bestaat uit de neepjes-muts +die de vrouwen dragen, van denzelfden vorm als in Overijsel (zie +bl. 70 en 71) (Zwolle) welk ouderwetsch kleedingstuk zoogenaamd +gemoderniseerd wordt door het kapothoedje, (dat in Friesland "de +kiep" heet), het smakelooze onding van strikken, bloemen en gitten +(alles in het zwart) dat over die muts gedragen wordt. + +De kleeding der mannen heeft niets opmerkelijks meer. + + + +C. DE BETUWE, EN HET LAND TUSSCHEN MAAS EN WAAL. + + +In de Betuwe zelf is de nationale dracht eveneens zoo goed als +verdwenen, althans in het land van Tiel en in de Neder-Betuwe is er +niets van over. + +In _het land van Maas en Waal_ echter, in de Bommeler-Waard en in het +land van Nijmegen sluit zich het weinige wat er nog van de nationale +dracht over is aan bij de eigenaardige hoofd-tooi die in Noord-Brabant, +en speciaal in de Meijerei van den Bosch, nog veel voorkomt. (Zie +bl. 78 en 80). + +De mannen-dracht in die streken heeft niets wat deze van de gewone +boersche stads-kleeding onderscheidt, maar de vrouwen dragen de +groote, breede, witte mutsen met breede lange linten, en een soort +verstedelijkt niet-oud, niet-moderne costume, waarbij men vele malen +een soort pelerine of cape-vorm ziet toegepast, die in het Noordelijker +deel van Nederland onbekend is, maar in het land van Maas en Waal, +in het land van 's Hertogenbosch, en vooral Zuidelijker (in België) +een merkwaardig cachet aan de bevolking geeft. + +Deze capes of pelerines worden alleen door de vrouwen gedragen. Ze +doen denken aan een ouderwetschen mode-vorm en zijn van zwarte stof +gemaakt en gegarneerd met plooien en belegsels. Ze zijn half lang, +maar somtijds ook tot den grond rijkend, met een capuchon over het +hoofd. Van dit laatste type ziet men somtijds nog oudere vormen in +'s Hertogenbosch. + +De witte muts nu, die men in het land tusschen de Maas en de Waal +draagt heet _knipmuts_. Ze bestaat uit tule-kant, aan de voorzijde +geplooid met behulp van fijn koperdraad, hetwelk met een blauwe stof +omwonden is. Dit is het "_Karekas_". + +Bij zware rouw bestaat de muts geheel uit neteldoek, bij lichten rouw +uit tule. + +De meer gegoeden dragen over deze knipmuts een krans van gemaakte +bloemen, aan de uiteinden voorzien van breede zijden linten. Deze +bloemen en linten te samen heeten "_de poffer_", en ze geven het +uiterlijk van de draagster een zeer bijzonder cachet omdat de heele +hoofdtooi daardoor zeer breed wordt. (Zie bl. 78). + +Bij de rijke boeren wordt de zoogenaamde "_bodem_" van de knipmuts +in plaats van met bloemen gewerkte tule, uit echte kant gemaakt. Dat +zijn dan de "_baan-mutsen_". + +Deze mutsen die geheel wit zijn, zijn, door hun grootte en +bewerkelijkheid, soms zeer kostbaar. + +Onder de knipmuts wordt een ondermuts van zwart merinos gedragen, +gevoerd en opgevuld met watten. Ook dat draagt er toe bij deze +hoofdtooi buitengewoon breed en zwaar te doen schijnen. + +De algemeene indruk heeft dan ook niet veel Hollandsch meer. Een +kennelijk zuidelijker,--Belgische--smaak, heeft blijkbaar deze +hoofdtooi ontworpen.... of: haar vervormd. Ze lijkt althans zeer veel +op wat men in deze in Vlaanderen en het land van Brussel ziet. + + + + +NOORD-BRABANT. + + +De groote provincie Noord-Brabant vormt, in het zuidelijk deel van +ons land een soort geographisch, anthropologisch en cultuur-historisch +overgangs- en grensgebied tusschen Noord en Zuid. Het is het terrein +waar de Noordelijke (Germaansche) en de Zuidelijke (Romaansche en +Gallische) idealen elkaar ontmoeten en in elkaar versmelten. En dat +komt zeer duidelijk in de kleederdrachten uit die in deze streek +gedragen worden. + +Wat er van die oude volks-eigen drachten nog over is, is niet veel +meer dan de boeren-muts, zooals die door de plattelands-boerinnen +gedragen wordt. Dat is juist zooals in zooveel andere streken van +ons land, waar die mutsen de eenige resten van de oude drachten zijn. + +Maar behalve die mutsen is--in Noord-Brabant--de overige lijfskleeding, +en dan vooral van de vrouwen, meer opmerkelijk dan in eenige andere +Nederlandsche provincie, al moet die lijfs-kleeding, die thans (1916) +onder die boeren-bevolking nog vrij algemeen is, dan niet geheel tot +de eigenlijke historische nationale volksdracht gerekend worden, en +al blijkt ze meer onder de vervormde mode-navolgingen te moeten worden +gerangschikt. Maar ze is er niet minder bijzonder karakteristiek om. + +En dit zal voor een groot deel het gevolg zijn van het hierboven +reeds genoemde feit, dat in Noord-Brabant de Noordelijke en +Zuidelijke idealen in elkaar overgaan. En, dat getuigt die kleeding +on-weerlegbaar. Want geheel Hollandsch is die kleeding niet, noch +in haar wezen, noch in vorm, noch in kleur, en ze is ook niet geheel +on-Hollandsch (Belgisch, Vlaamsch, Waalsch of Fransch) maar ze houdt +het midden tusschen deze twee, en ze vertoont de kennelijke invloed +van het Noordelijke zoowel als van het Zuidelijke ideaal. + +Reeds bij de bespreking van de andere provinciën had ik de gelegenheid +op te merken hoe groot (dikwijls) die invloed van de Godsdienst op +het voortbestaan van een nationale kleeding is. De gehechtheid aan +een een-maal algemeen beleden Godsdienst waarborgt, in een bepaalde +streek, het voortbestaan van oude zeden en gewoonten, en daardoor +het voortbestaan van de, uit die zeden voortkomende, volkskleeding. + +Ook is er wel geen streek in ons land waar de bevolking zóó +conservatief is en zoo gehecht aan haar oude geloof en zeden, als in +Noord-Brabant, welk conservatisme op zich zelf zoo lang stand kan +houden omdat er een bijna absolute eenheid van godsdienst is. Om +deze toestand te helpen bestendigen, moedigt (o.a.) de Roomsche +geestelijkheid de boerenbevolking aan, hun oude kleeding getrouw te +blijven, om zoodoende met de kleeding, de oude zeden, en daardoor de +oude godsdienst te kunnen handhaven. + +En uit die wisselwerking tusschen geloof, zeden en kleeding--en uit die +algemeene verspreidheid van die eene Godsdienst, moge het verklaard +worden dat die oude drachten, of liever die ouderwetsche drachten +nog zoo veelvuldig in deze provincie voorkomen en voortbestaan. + +Maar een andere, zeer belangrijke factor, voor de verklaring van en het +verkrijgen van een juister kennis en inzicht in die bijzondere--niet +oude, maar ouderwetsche--drachten in deze bijzondere provincie, lijkt +mij den invloed die het ras van menschen, dat Noord-Brabant bewoont, +op haar eigen kleedij had. Hiervoren had ik al gelegenheid op de +wisselwerking te wijzen die er--naar mijn oordeel--bestaat tusschen +de drager en zijn costume, tusschen de lichaamsvorm van den mensch +en zijn kleed. + +Nu behooren de bewoners van Noord-Brabant zeer zeker _niet_ tot de +mooiste specimina van het _genus homo_ dat ons land bewoont. Het +lijkt wel of de zware klei en de dorre, drooge zand- en heide-gronden +die--geologisch--deze provincie vormen, de bevolking van die streken +tot dat kleine, breede, schonkige, breedhoofdige ras heeft gemaakt +met dat harde, verbetene en stugge uiterlijk dat den opmerker dadelijk +opvalt. + +Omdat de lichaamsbouw van de Noord-Brabanders zoo leelijk is, moet +het niet verwonderen dat die zelfde plompheid en traagheid die uit +hun ongracelijke verschijning spreekt, ook als het hoofdkenmerk van +den vorm, de snit en de kleur van hun kleedij gelden moet. Want deze +is grof van detail, niet oud maar ouderwetsch, zonder phantasie, +zonder uiting van levenslust, maar kleinzielig van gedachte, +zonder vreugde, benepen en boersch. Een dracht van oude mannetjes +en oude vrouwtjes,.... maar met dat al, of liever juist daarom, +zeer interessant voor den student in volkspsyche, zoo dan al minder +aantrekkelijk voor den eclectischen aestheticus. + +Ieder volk, ieder ras, ieder mensch heeft de kleeding die hij +verdient.... en die slechts een uiting is van het eigen innigste wezen, +idealen en levensopvatting. Een mooie, aesthetisch werkende kleeding +kan slechts door een mooi, naar geest en lichaam _beide_ harmonisch +ontwikkeld menschenras worden saamgesteld. Getuige de kleeding van de +Grieken. En die kleedij kan slechts _goed_ en _waar_,--dus: aesthetisch +werkend, door personen gedragen worden die niet alleen dezelfde idealen +hebben als het volk (het ras) dat die kleedij samenstelde, maar die +ook de lichaamsvormen hebben waarop deze kleedij is gecomponeerd. + +Dan eerst is er harmonie tusschen den drager en zijn costume, dan +eerst kan er werkelijke schoonheid bereikt worden omdat ze op de +werkelijkheid en de waarheid berust. Als een kleedij, die op een +welgebouwd lichaam gecomponeerd is door een mensch gedragen wordt +wiens lichaamsbouw minder harmonisch is, dan wordt zelden een volkomen +aesthetisch geheel verkregen. Soms zelfs is het belachelijk. Het +is niet bij toeval dat de heerenmode in Engeland, het land van de +welgebouwde mannen, wordt ontworpen. En het is niet zonder oorzaak dat +de dames-modes uit Parijs komen, waar de schoongevormde Parisiennes +de aesthetisch aangelegde mode-ontwerpers het best gelegenheid geven +een vrouwen-kleedij te componeeren die het schoone van "_de vrouw_" +doet uitkomen. Ziet maar hoe een slechtgebouwde man of een leelijke +vrouw een goed Londensch of Parijsch toilet staat.... Het is al te +kennelijk niet voor hen gemaakt, dus:... staat het leelijk!-- + +Er zal altijd een wisselwerking, dus ook een contrasteering tusschen +den mensch en zijn kleedij blijven. Een mooie dracht maakt een mooi +mensch mooier.... maar een leelijk mensch leelijker. Het schoone doet +slechts het schoone uitkomen, recht wedervaren. + +Ieder mensch kan slechts de kleedij die hemzelf, zijn eigen innerlijke +en uiterlijke wezen toont, goed dragen. Al het andere is masquerade, +onechtheid, leugen. + +Zoo is het ook met de nationale kleederdrachten. Zoo is het met +de Zeeuwsche vrouwen-kleeding, die mooi is en aesthetisch werkt, +omdat ze op een welgebouwd ras is gecomponeerd. Daarom werkt de +dracht van het eiland Marken wèl picturaal, artistiek, maar niet +aesthetisch. Daarom is de werking van de drachten in Noord-Brabant zeer +on-aesthetisch, maar ze wekt de belangstelling, de nieuwsgierigheid, +door het ouderwetsche, boersche, ongewone. Die Brabantsche kleeding +vraagt de aandacht, niet voor en om zich zelf, maar voor de zeden en +gewoonten waar zij de uiting van zijn. En dat is het zeer bijzondere +van de volkskleeding in deze provincie. + + + +Deze kleine uitwijding over de oorzaken, die den aard van de +volkskleedij in Noord-Brabant bepalen, was, tot duidelijker +omschrijving van die kleedij zelf--noodzakelijk. Meer dan bij de +beschrijving van de volkskleedij in andere provinciën. Want de +inventariseering van die volksdrachten in Noord-Brabant zou in +hoofdzaak de beschrijving van de zeden en gewoonten van die streek +moeten zijn. De kleedij zelf is, als kleedij, niet zoo heel belangrijk, +noch om de snit, noch om de stof, vorm of kleur. In hoofdzaak is de +muts van de boerinnen het voornaamste. Die heeft nog de van ouds-her +overgeleverde vormen. Maar de andere lijfs-kleedij is meer curieus +dan fraai. De mannenkleeding heeft niets bijzonders. + +Maar vooral de mutsen zijn zeer belangrijk, te meer daar er zooveel +verschillende soorten mutsen gedragen worden. Bijna ieder dorp heeft +haar eigen vorm, en de afwijkingen zijn soms zeer bijzonder. En +die afwijkingen vinden meestal hun grond in plaatselijke zeden en +gewoonten. + +Staatkundig bestaat deze provincie uit drie deelen. Ieder van deze +heeft een eigen volks-kleederdracht. Het grootste en belangrijkste +deel vormt het Oostelijk deel van de Provincie, de Meierij van +'s-Hertogenbosch. In het midden is de Baronie van Breda. In het Westen +ligt het Markgraafschap van Bergen-op-Zoom. In ieder van deze gewesten +zijn weer afzonderlijke streken aan te wijzen waar de dracht belangrijk +van die van de andere streken afwijkt, maar het hoofd-type blijft, +voor ieder van deze gewesten, binnen haar grenzen, hetzelfde. + + + +A. DE MEIERIJ VAN 's-HERTOGENBOSCH + + +Vooral ten Zuiden en ten Oosten van 's-Hertogenbosch, en in het Land +van Boxtel, Liempt, Rooy, Vechel, Osch, Rosmalen, Helvoirt en Best +is de Meierij'sche dracht het meest zuiver. + +Ze bestaat uit een zeer groote, wijde muts met lange strook of vleugel +die zoowel naar achter als naar de zijkanten (half over de schouder) +breed uitplooit. + +Deze muts wordt over een zwarte ondermuts gedragen, over het haar +dat afgeknipt of bijeengebonden is, al naar de persoonlijke smaak. + +De groote, eigenlijke _boven-muts_, de eigenlijke Meierij'sche of +oud Noord-Brabantsche muts heeft van voren, boven het voorhoofd, een +aantal vertikale plooitjes, (_kneepjes_) een wijde bol over het hoofd +(de kruin of bodem) en van achter de lange afhangende strook. + +Gewoonlijk is deze muts van (echte) kant gemaakt, waardoor ze, ook door +haar grootte, zeer kostbaar wordt. In den rouw is ze van _rouwdoek_, +zoogenaamd _organdine_. + +Daaroverheen gaat de _poffer_. Dat is de eigenlijke versiering van de +muts, het hoogst eigenaardig samenstel van uit kant en witte stof, +koralen en franjes gemaakte dikke rand van bloemen, die als een +(arm-dikke) zware wrong over het voorhoofd (op de muts) wordt gelegd +en met een bandje van achter om het hoofd wordt vastgehouden. Aan deze +poffer zijn groote breede (witte) zijden linten bevestigd, die tot +bijna in de taille naar achter afhangen, van franje zijn voorzien en +deze geheele muts met de uitwaaiende strook van achter een zeer wijd +en breed aanzien geven. Het hoofd van de draagster wordt er ongewoon +breed en log door, te meer daar het verdere van de figuur in den +regel gehuld is in een zoogenaamde _kapmantel_, een "_pelerine_" of +"_omhanger_" van ouderwetschen snit, die het lijf tot aan de taille +omsluit, soms zelfs tot de knieën of den grond afhangt. De groote +muts met de pompeuze poffer is dan breeder dan de schouders, en het +lijf lijkt smaller door de kapmantel. Deze poffers zijn dikwijls zeer +verschillend van maaksel, niet alleen naar de verschillende streken +van de Meierij, maar ook naar den rijkdom van de draagster, het min +of meer bijzondere van de gelegenheid waarbij ze wordt gedragen, enz. + +Ze is niet altijd geheel wit. Soms zijn de bloemen met blauw doorwerkt, +of de breede linten licht blauw. Het is begrijpelijk dat dit een +zeer dure dracht is, te meer ook daar het opmaken van deze mutsen +door speciale mutsen-maaksters gedaan moet worden. + +Niet altijd echter draagt de Noord-Brabantsche vrouw deze bijzondere +muts. Ook wordt ze, in de Meierij slechts op het platte land +gedragen. In de stad 's-Hertogenbosch ziet men slechts de zoogenaamde +Bossche _dienstbodenmuts_, die van zeer eenvoudige constructie is, +van voren drie rijen plooitjes boven het voorhoofd heeft, en met een +lange band en strik onder de kin vastgemaakt wordt. Die tot een dikke +massa saam-gebrachte plooitjes boven het voorhoofd heet "_de tuil_". + +Soms draagt de vrouw uit het volk in Den Bosch ook een zwarte muts, +die echter een vervorming moet heeten van het beruchte, hier reeds +meermalen genoemde capot-hoedje. + +Op het land, bij de boeren echter dragen de jonge meisjes tot hun +tiende jaar een zwarte wollen muts, met groote, dikke wrong boven +het voorhoofd. Die muts heet "_kaper_." + +Na hun tiende jaar, of tegen den tijd dat de kinderen ter eerste +communie gaan (vroeger ongeveer op het twaalfde jaar) krijgen de +meisjes zwarte boeren mutsen, een muts met een vorm, die aan de mutsen +met poffer van de volwassen vrouwen doet denken. Het zijn breede, +zware, zeer rijk en overdadig versierde mutsen met breede strikken +en veeren en gitten en gespen, van achter met twee afhangende breede +linten. Het effect van deze mutsen is dat ze het hoofd van het kind +zeer breed en zwaar doen schijnen. + +In deze kindermutsen is in de Meierij zeer veel variatie. + +In Vechel maakt men in den rand soms zelfs zwart-glazen belletjes, +die rinkelen als de kinderen loopen. Deze kinder-mutsen worden door +de jonge meisjes tot hun 20e à 23e jaar gedragen, of totdat zij +verloofd zijn. Sommige van haar zetten die muts al vroeger af, om +"ouder" te schijnen. Dan--als zij verloofd of getrouwd zijn--of dit +willen schijnen, zetten zij de groote, witte Noord-Brabantsche muts +op. Bij die muts draagt de Noord-Brabantsche vrouw nog bijzondere +gouden versieringen, maar geen oorijzer. + +In de ooren heeft zij bijzonder groote bellen van filigraan-goud met +bloedkoraal versierd, in waaiervorm, zoodat ze _waaierbellen_ heeten. + +Om den hals soms een hals-ketting van roode, zwarte of witte +koralen met gouden slot (van voren). Daarover zeer dikwijls een klein +halsdoekje van zeer sterke kleuren, op de wijze als het _knuppeldoekje_ +van de vrouwen in Kampen (zie aldaar). De rest van de lijfskleeding is +niet anders dan "ouderwetsch" te noemen. Ze hangt bijzonder smakeloos +van vorm om het dikwijls grof en breed gebouwde lichaam, waarover de +kapmantel of de pelerine, welke een soort vervormd overblijfsel van +een ouderwetsche modedracht van 1880 is. + +In Den Bosch ziet men echter nog sporadisch oudere vrouwtjes met +zeer bijzonder soort kapmantels die tot op den grond afhangen, en een +capuchon over het hoofd. Deze dracht, die een zeer oude is, waag ik het +te vooronderstellen dat ze van oude klooster-kleedij, van monnikspij +of nonnen-habijt is afgeleid. In ieder geval is de oorsprong _niet_ +Hollandsch, zooals ook de halflange pelerines met franjes en kanten +naar Fransche en Belgische modellen zijn nagevolgd. De smaak en het +ideaal van het Noord-Brabantsche volk betoont zich ook in deze meer +zuidelijk dan noordelijk. + +Maar behalve deze worden thans door de boeren-bevolking, en +vooral ten platten lande nog veel de ouderwetsche "_doeken_" +gedragen, de "_Kashmire-shawls_" die onder het tweede Keizerrijk in +Frankrijk zoozeer in de mode waren. Die dracht is thans voor die +Noord-Brabantsche oude boerinnen de gewone, waarbij ze dan de van +ouds-her stammende muts dragen, een hybridisch samenstel van resten van +oude volks-dracht en mode-namaak, dat alles te samen den indruk maakt +van een soms wel schilderachtige en typische, maar zeer achterlijke, +conservatieve en on-aesthetische kleedij. + +Er mag hier even worden opgemerkt dat iets wel zeer eigendommelijk, +karakteristiek, en zelfs mooi van kleur combinatie, en daardoor zeer +pittoresk kan zijn, maar dat het geheel dan nog zeer wel tegen de +aesthetica, dat is, tegen de wetten van een objectief schoonheidsbegrip +kan strijden. + +Maar er zijn nog meer resten van werkelijk oude drachten in de +Meierij. En daartoe behoort de "_falie_" een langwerpig vierkante doek +van ongeveer drie meter lengte, bij één meter breedte, met franje +aan de smalle einden. Deze, van zwarte stof gemaakte groote lap +(want anders is het niet) wordt over het hoofd gedragen, zoodat de +lange plooien het geheele lichaam van de vrouw inhullen. Een zeer +bijzonder kleedingstuk dat ook al weer alleen zijn behoud aan de +gehechtheid aan oude zeden dankt, want het wordt alleen bij rouw, +kerkgang of doop gedragen. + +Maar behalve deze costume-onderdeelen en de genoemde mutsen wordt +in de Meierij een soort muts door de boeren-bevolking gedragen die +het midden houdt tusschen de stads-(dienstboden)muts, en de groote +Noord-Brabantsche muts met poffer. Dat is de "_buiten-muts_". + +Dat is een muts die, even als alle mutsen uit de Meierij de tendenz +vertoont van het hoofd breed te willen maken, maar het is een muts +uit één stuk, met niet zoo'n lange kanten strook van achter, maar +met een korter, stijve plooiïng, genaamd "_de luif_". Van voren zijn +drie rijen plooitjes, op de bol; van voren naar achter loopend, aan +iederen kant een "_takje_" met uit neteldoek gemaakte bloemetjes, +en van achter twee breede, witte linten; onder de kin een (vaste) +witte strik. + +De muts heet buiten-muts omdat ze door de menschen _van buiten_ +gedragen wordt, in tegenstelling met de stads-menschen. + + + +Vervolgens worden in de Meierij (in Helvoirt) nog "_strikke-mutsen_" +door kinderen gedragen, en in Eindhoven nog "_cornetten_", en zouden +er nog vele details mede te deelen zijn over de "poffer" die zoo'n +bijzonder cachet, zoo'n "onhollandsch", zoo'n verbeten, koppig, en +vooral zoo'n boersch uiterlijk aan de Noord-Brabantsch vrouwen van +het land geeft, als ze daar met hun korte breede, lijven, en groote +hoofden, op groote schoenen, met groote passen langs de zonnige, +zandige wegen van het met zwaar hout begroeide landschap of naast een +over de dikke keien rammelende groote boerenwagen sjokken, waarvoor +het zware paard langzaam voortstapt. + + + +B. DE BARONIE VAN BREDA. + + +Het eerste wat van de mutsen, die door de boeren-vrouwen in de Baronie +van Breda gedragen worden, in tegenstelling met die van de Meierij +van Den Bosch, opvalt, is, dat de afmetingen van die Bredasche +mutsen zooveel kleiner zijn. Maar toch zijn ze nog groot en wijd, +in vergelijking met de mutsen die in de andere deelen van ons land +worden gedragen, vooral groot en wijd en dik boven het voorhoofd. Dat +wordt in Breda niet veroorzaakt door de volumineuze "_poffer_" maar +door "_de kroon_", of "_de kroesel_" of "_de krans_". + +De muts van de vrouwen uit de Baronie bestaat uit een rand zeer dun +geplooide of strakke kant, die om het hoofd gaat en langs de ooren +naar achter afbuigt tot in den nek, tot bijna op de schouders. Die +effen kanten strook heeft van achter een _bodem_ of _kruin_, een naar +achter afhangende, opgenomen breede lap kant-stof, tot op schouders +afhangend. Het geheel wordt ingeregen met een bandje tusschen de +voor-strook en de bodem (of kruin) en op die wijze op het hoofd +vastgehouden. Dit is de eenvoudigste soort van het algemeene type van +de muts in de Baronie. Dit is de "_strakke muts_", die van tulle of +gaas is in de rouw en door de week en 's Zondags van kant. Ze wordt +over een zwarte ondermuts gedragen en van voren, op het voorhoofd, +hebben de vrouwen twee kleine krulletjes haar (valsch of echt) +aangebracht, die even onder den rand van de muts uitkomen. + +In deze eenvoudigste vorm heeft deze Baronie-muts veel overeenkomst +met de groote floddermutsen die op de Zuid-Hollandschsche eilanden +worden gedragen. Ze is als het ware het overgangs-type tusschen de +Noord-Brabantsche, sterk-Belgische vormen en de zuiver Hollandsche +vormen van Zuid-Holland en Zeeland. + +Deze strakke muts wordt echter veelvuldig gevarieerd in een mooier +en rijker bewerking. Dan wordt het de _dubbele muts_. De hoofdvorm +blijft dezelfde. De voorste strook kant, die het gezicht omsluit, +wordt echter dubbel, in twee geledingen over elkaar. In den regel zijn +deze dubbele mutsen steeds van kant en doen alleen 's Zondags dienst. + +Behalve dat bestaat er nog een vereenvoudigde soort van deze strakke +mutsen, veel kleiner, minder omvangrijk, zonder afhangende bodem, met +slechts een zeer smal strookje kant rond het gezicht, en met dunne +bandjes onder de kin vastgehouden. Dat is het ouderwetsche mutsje, +genaamd "_het ongelukske_", dat oudere vrouwen thans nog dragen, en +dat alléén bij 't werk dienst doet. Men ziet hieruit, dat ook hier, +evenals in Zeeland, in den laatsten tijd de tendenz bestaat de mutsen +steeds grooter te doen worden. + +Over die strakke en dubbele muts komt nu "_de kroon_", of "_de +bloemkrans_" of "_de kroesel_", een dikke wrong van kleine bloemetjes +in tulle uitgevoerd en met kralen opgesierd, meestal geheel wit van +kleur, maar soms ook met blauwe bloemetjes en kralen verfraaid. Deze +kroon ligt vlak op de muts, boven het voorhoofd, en gaat van de eene +slaap naar de andere, en is vastgehecht op een (meestal) lichtblauw +zijden lint dat van achter, onder de afhangende bodem, achter het +hoofd is vastgezet met haak en oog. + +Bij deze mutsen behooren, evenals in de Meierij, lange, groote gouden +oorhangers, halskettingen van koraal, en een klein kleurig doekje, +"_cache-nez_" dat met kleine puntjes links en rechts onder de kin +uitstaat, naast de groote witte strikken die de strakke of dubbele +muts onder de kin vasthoudt. + +De verdere lijfs-kleeding is, vooral voor de boerinnen van het +platte land, de ook in de Meierij bekende kapmantel, of ook nog zeer +dikwijls de oude "_Kashmire-shawl_". Merkwaardig is in dit deel van +Noord-Brabant de zeer kennelijke invloed van de Belgische nationale +drachten, vooral in de dorpen langs de Belgische grens in het zuiden +van de Baronie en in het land van Bergen-op-Zoom. + +In die streken dragen de Brabantsche vrouwen twee soorten mutsen, een +Hollandsche (Bredasche) en een Belgische. Deze laatste als zij over +de Belgische grens (vóór den oorlog) 's Zondags ter kerke gingen. Soms +echter dragen zij die muts ook als ze in Breda naar de markt gaan. + +Deze "_Belgische muts_" is betrekkelijk klein, geheel van ineengeplooid +wit lint, min of meer vierkant van hoofdvorm, een weinig naar de +zijkanten en naar achter uitstekend, Maar op die muts zijn groote +strikken van breed, gekleurd lint aangebracht, geel, rood, groen, +paarsch, in alle kleuren. Twee van die lange, breede linten worden +onder de kin vastgestrikt, twee hangen lang af naar achter, op den +rug. Er is geen bijzondere kleur van deze linten voor bijzondere +gelegenheden vastgesteld, tenzij zwart voor den rouw. + +Bij deze Belgische mutsen behoort een kapmantel of pelerine van meer +pompeus maaksel dan de gewone, meer kant, tulle, linten en strikken, +ofschoon de hoofdvorm dezelfde is als de andere pelerines. Dit +kleedingstuk is een zeer kennelijke verboerschte imitatie van de +Parijsche mode van omstreeks 1880. + +Behalve deze mutsen wordt in de Baronie, naar de kant van Zundert, een +soort muts gedragen die veel overeenkomst heeft met de _buiten-muts_ +van de Meierij. In Zevenbergen is de vorm weer anders, daar wordt +de _kroon_ niet meer gedragen, of slechts zeer klein, maar vervangen +door een rijk geplooid breed lint, dat ook naar achter afhangt--zoo +ook in de Zevenbergsche hoek, waar de vorm zich gaandeweg meer bij +de Zuid-Hollandsche mutsen-vormen aansluit. + + + +C. HET MARK-GRAAFSCHAP VAN BERGEN OP ZOOM + + +Ten slotte de mutsen in het land dat aan Zeeland en Zuid-Holland +grenst. De algemeene vorm is die van de Bredasche muts, maar zonder +de kroon, dus eenvoudiger, smaller, platter. + +Verder is in deze streek de invloed van de Belgische en Zeeuwsche +drachten meer kenbaar, en vormt ze een overgangsgebied naar de +eigenlijke Hollandsche drachten. Vandaar dat men slechts weinig van +een eigen dracht in deze streek merkt, althans niet in de steden, De +plattelandsbevolking blijft het langst de "_boerendracht_" getrouw. De +meeste vrouwen dragen reeds hoeden, dat wil zeggen ouderwetsche +hoofddeksels, die tot geen land en geen tijd behooren, en, zooals +gewoonlijk bij dergelijke soort kleedij, zeer smakeloos zijn. + + + + +LIMBURG. + + +In de provincie Limburg zijn slechts weinig sporen van een eigen +nationale kleedij te vinden. In den noord-westelijken hoek, in het +land van de Peel en bij Mook, in Venraaij en in Weert zijn de drachten +aan die van Noord-Brabant verwant. + +Behalve deze dracht in het Noorden van de provincie is in de buurten +van Sittard nog eenige resten van een eigen volks-dracht te herkennen. + +Oude vrouwen dragen daar nog het halflange jak over een dikke, breede +rok die helder violet is en van zoogenaamd "_tirtei_" is gemaakt--ze +dragen drie van die rokken over elkaar van dezelfde stof maar van +verschillende kleur. Die rokken zijn, aan de taille sterk "_gefronsd_" +(d. w. z. geplooid) waardoor de heupen zeer breed worden. De stof +van die rokken is zeer zwaar. Ze dragen daarbij geen corset, maar +een onderlijfje, en daar over het jak, dat van voren dicht gaat. Ze +loopen op klompen. + +De mouwen van het jak zijn wijd, saamgeregen aan de polsen. Het jak +is van satinet ('s zomers) en 's winters van wollen stof, en bruin +van kleur. Dit jak heeft geen halsboordje. + +Om de hals wordt dan een vierkante doek geknoopt, die eerst driehoekig +(diagonaal) is gevouwen, op de gewone manier. Die doek, die van met +sterke kleuren bedrukte wol is gemaakt, heet "_de plak_". Nog zoo'n +doek van dezelfde kleur, gaat, eveneens diagonaal gevouwen, over het +hoofd, en wordt onder de kin vastgeknoopt, Om de hals gaat een zwart +lint waaraan een kruisje, dat op de borst hangt. + +Het schort, dat deze vrouwen dragen, is 's Zondags als ze naar de +Kerk gaan, zwart. Thuis en in de week is het blauw. + +Deze kleeding heeft niets Hollandsch, ofschoon de omslag-doek om de +hals en schouders een wijze van kleeden is, die in de Hollandsche +drachten--maar ook bij zooveele andere costumes--nog al veel +voorkomt. Maar de doek over het hoofd is waarschijnlijk van Duitsche +oorsprong. Ook de kleurigheid van deze doeken doet, zoowel door de +versierings-motieven als door de kleurcombinatie, zelfs aan russische +kleedingswijzen denken. + +In Zuid-Limburg, in het land tusschen Maastricht en Kerkrade en Vaals, +is niets van een nationale eigen dracht te bekennen. Het is zeer de +vraag of in die streken ooit een eigen Nederlandsche nationale of +gewestelijke kleedij bestaan heeft, waar dit land altijd zoo direct +onder invloed van Duitsche en Belgische (Waalsche) cultuur geweest is. + +De bijzondere drachten van de mijnwerkers uit de buurten van Heerlen +zijn slechts beroepskleedij, en kunnnen dus--ook om hun internationale +gedachte--niet tot de Nederlandsche volkseigen drachten gerekend +worden. + + + + +NASCHRIFT. + + +Ik heb den text voor dit boekje in den zomer van 1916 +saamgesteld. Eerst in 1917 kon ik de proeven corrigeeren en meen thans +nog de volgende bemerkingen te mogen maken. De invloed die de oorlog +ook op de Nederlandsche nationale kleederdrachten thans reeds heeft +zal echter pas duidelijk later overzien kunnen worden. + +Het bleek mij bij de onderzoekingen die ik in deze laatste jaren deed, +dat ook de grondstoffen waaruit die nationale drachten vervaardigd +worden gaandeweg gaan ontbreken, omdat van deze zooveel uit het +buitenland moet worden aangevoerd. + +Zoo vernam ik van een mutsen-maakster in de Meierij dat de bloemen, +die voor de poffers gebruikt worden, niet meer worden ingevoerd. De +echte (Belgische) kant is ook niet meer te krijgen, of ze wordt te +duur. Daardoor wordt de inheemsche dracht een onbereikbare luxe +voor velen die nog gaarne de oude traditie getrouw zouden willen +blijven. Men _moet_ wel tot de gewone stads-kleedij overgaan. + +Zoo kwam mij eveneens ter oore dat in de Baronie veel boerinnen te ver +van plaatsen wonen waar mutsen-opdoensters wonen. Ze kunnen hun mutsen +niet meer gestreken krijgen, het loont niet meer dit vak te beoefenen. + +Verscheidene geweven stoffen, zooals voor de drachten van Volendam +en Marken worden schaarsch. + +Ook heeft de groote watervloed die in het voorjaar van 1916 +Noord-Holland, en speciaal Marken en Volendam teisterde, het aspect +van de huizen veranderd, ze meer modern gemaakt, waardoor de oude +dracht niet meer in overeenstemming met de nieuwere woningen is. + +En er is een on-miskenbare wisselwerking tusschen de huizen waarin +de menschen wonen en de vorm en kleur van hun kleedij. + +Zoo verdwijnt langzaam-aan de volks-eigen dracht door allerlei +oorzaken, en, in deze oorlogstijd zelfs tegen den wil der bevolking +in. Thans, in deze jaren, was het den tijd de complete gegevens omtrent +deze costumes te verzamelen, vóór dat misschien nog erger gevolgen van +den wereldoorlog ons land treffen en er voorshands voor bestudeering +van het oude geen tijd en geld en energie meer beschikbaar zal zijn, +als wellicht de hernieuwing en de omvorming van het heden en het +opbouwen van een ander-soortsche toekomst alle krachten van allen +vergen zal. + +Het bleek mij dat deze zeer veel tijd rovende en bijzonder kostbare +studiën niet langer als privaat-onderneming konden worden voortgezet, +en daarom ook meende ik zelfs in deze tijden een poging te mogen wagen +om de belangstelling van 's Rijks Regeering voor de Nederlandsche +nationale kleederdrachten te wekken. In het begin van 1916 richtte +ik een verzoek tot Z. Ex. den Minister van Binnenlandsche Zaken om +het bijeenbrengen van gegevens en afbeeldingen van die drachten te +willen subsidieeren. + +De minister vroeg om advies bij de Koninklijke Academie van +wetenschappen. Deze adviseerde gunstig. De Regeering stelde mij daarop +een subsidie in uitzicht en mijn plannen als zoodanig ondervonden +schijnbaar een veelzijdige sympathie. + +Toch kwam van al deze goede bedoelingen en goeden wil niets terecht. + +Dr. A. Pit, Directeur van het Nederlandsch Museum van Geschiedenis +en Kunst te Amsterdam, onder wiens Directie de zoo fraaie verzameling +van poppen in nationale kleedij uit het Rijksmuseum was uitgewezen, en +die door den minister was opgedragen toezicht op mijn werk te houden, +heeft de uitvoering van deze plannen, nog vóór ze begonnen waren, +langs den bureaucratisch-administratieven weg onmogelijk gemaakt. + +Of het later aan iemand anders dan aan mij vergund zal worden deze +studiën, met steun van de Regeering te doen, wil _ik_ thans niet +uitmaken. Maar het is wèl absoluut zeker dat thans een kostbaren tijd +en mogelijkheden verloren gaan, die niet terug te winnen zullen zijn, +zelfs niet met nog zoo veel geld .... om van den goeden wil en zekere +andere voordeelen niet te spreken, die hier te niet gedaan werden. + +Ik voor mij ben daarom den uitgever dankbaar--en velen zullen met +mij hem dankbaar zijn--omdat hij mij in de gelegenheid stelde dit +korte overzicht van het materiaal dat ik over de meest belangrijke +van deze drachten verzamelde, op deze wijze te publiceeren. + +Dit is lang niet alles, .... en zeer zeker niet compleet .... maar +het is misschien een begin of een aanleiding om later vollediger +beschrijvingen te boek te stellen. Later .... als het dan tenminste +nog kan .... + +Want het is thans, op elk gebied, de groote tijd waarin _alles_ +veranderd, de tijd, waarin het oude verdwijnt, om in de toekomst +wellicht geen enkel spoor na te laten. Zoodat ieder jaar, dat +de beschrijving en afbeelding van onze Nederlandsche nationale +kleederdrachten, ten pleiziere van welke groep, welk groepje of wiens +persoon, omdat het niet van hen uitgaat, of om welke "_redenen_" +dan ook, vertraagd of onmogelijk gemaakt wordt, _een vergrijp is +tegen de Historie van Nederland, een vergrijp ook tegen een redelijke +wetenschappelijkheid, tegen een werkelijke levende beoefening van +een practische--en daardoor waardevolle--kunsthistorie_. + +Juni 1917. Th. MOLKENBOER. + + + + + +INHOUD + + + Voorwoord + +I. Inleiding + A. Over kleederdrachten in het algemeen + B. Over nationale kleederdrachten + C. Over de nationale kleederdrachten en de vooruitgaande + beschaving + +II. De Nederlandsche nationale kleederdrachten + A. Algemeen overzicht + B. Waar worden de Nederlandsche nationale kleederdrachten + gedragen + C. Over den invloed van den godsdienst, ras, rang, stand en + beroep op de Nederlandsche nationale kleederdrachten + D. Over de beteekenis van onze Nederlandsche nationale + kleederdrachten uit een ethisch en aesthetisch oogpunt + E. Litteratuur over de Nederlandsche nationale kleederdrachten + F. Wat werd en wordt er voor de instandhouding, de belangen + en de kennis van de Nederlandsche nationale kleederdrachten + gedaan + +III. De beschrijving van de Nederlandsche nationale kleederdrachten + in de verschillende provinciën + + Kaart van Nederland + Noord-Holland + A. Marken + B. Volendam + C. West-Friesland + D. Het Gooi + I. Laren + II. Blaricum + III. Huizen + E. De Noordzee-kust en de eilanden + F. De Meeren en Polders + G. De groote steden + Utrecht + Spakenburg + Zuid-Holland + Scheveningen + Zeeland + A. Walcheren + B. Zuid-Beveland + C. Zeeuwsch-Vlaanderen + D. Noord-Beveland + Friesland + Hindeloopen + Groningen + Drenthe + Overijsel + A. Het eiland Urk + B. Staphorst + Gelderland + A. De Veluwe + B. De Achterhoek + C. De Betuwe, en het land tusschen Maas en Waal + Noord-Brabant + A. De Meierij van 's Hertogenbosch + B. De Baronie van Breda + C. Het Mark-Graafschap van Bergen op Zoom + Limburg + + Naschrift + Register + Inhoud + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Nederlandsche Nationale +Kleederdrachten, by Th. Molkenboer + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE NEDERLANDSCHE NATIONALE *** + +***** This file should be named 20665-8.txt or 20665-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/0/6/6/20665/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
