summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/21848-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:46:14 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:46:14 -0700
commit118f6412fe8d9d711c6f8593a28897f62a51d31e (patch)
treefa5f1eeaa8c5891ecf31501366f36c20336b4be9 /21848-8.txt
initial commit of ebook 21848HEADmain
Diffstat (limited to '21848-8.txt')
-rw-r--r--21848-8.txt18435
1 files changed, 18435 insertions, 0 deletions
diff --git a/21848-8.txt b/21848-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..c8f9226
--- /dev/null
+++ b/21848-8.txt
@@ -0,0 +1,18435 @@
+The Project Gutenberg EBook of Noli me tangere, by José Rizal
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Noli me tangere
+ Filippijnsche roman
+
+Author: José Rizal
+
+Translator: A. A. Fokker
+
+Release Date: June 18, 2007 [EBook #21848]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOLI ME TANGERE ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed
+Proofreaders team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Noli me tangere.
+
+ Filippijnsche roman
+
+ van
+
+ Dr. José Rizal.
+
+ _Voor het Soerabajasch Handelsblad vertaald door_
+
+ Dr. A. A. Fokker.
+
+
+ Druk van het _Soerabajasch Handelsblad_,
+ Soerabaja 1912.
+
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+Een avond-partijtje.
+
+
+In de laatste dagen van October gaf Don Santiago de los Santos,
+meer bekend onder den naam "Capitán Tiago" een avond-partijtje, dat
+hoewel tegen zijn gewoonte eerst in den namiddag aangekondigd, reeds
+het onderwerp van alle gesprekken in Binondo uitmaakte, evenals in
+andere buitenwijken en zelfs te Intramuros. Capitán Tiago ging toen
+door voor den gulsten man die er liep, en men wist dat zijn huis,
+evenals zijn land, zijn deuren niet gesloten hield, tenzij voor den
+handel of ieder nieuw of gewaagd denkbeeld.
+
+Gelijk een electrische schok liep het nieuws door de wereld der
+klaploopers, tafelschuimers en doodvreters, die God in zijn oneindige
+goedheid zoo liefdevol in Manila doet tieren. Sommigen zorgden voor
+schoensmeer; anderen keken om naar knoopen en dassen, maar allen
+waren vervuld van de gedachte hoe ze wel den heer des huizes op de
+gemeenzaamste wijze begroeten zouden, om te doen gelooven aan oude
+vriendschapsbanden, of zich te verontschuldigen, voor 't geval dit
+beter te pas kwam, dat ze niet vroeger hadden kunnen verschijnen.
+
+Deze feestmaaltijd werd gegeven in een huis van de _Calle de
+Anloague_, en daar we ons het nummer niet herinneren, zullen we
+'t zoo beschrijven, dat men het nog zou kunnen herkennen, indien ten
+minste de aardbevingen het nog niet vernield hebben. We gelooven niet,
+dat zijn eigenaar het zal laten slopen, want met dit werk belast zich
+daar God of "de Natuur" gewoonlijk; want deze laatste heeft daar ook
+van ons gouvernement veel werken aangenomen.
+
+Het is een vrij groot gebouw, in den stijl van de meeste daar
+te lande, gelegen met het front naar een arm der Pasig-rivier,
+door sommigen "ria de Binondo" genoemd, welk water, evenals alle
+rivieren van Manila, de veelzijdige rol vervult van badplaats, riool,
+wasch- en vischgelegenheid, vervoer- en verkeersmiddel, ja, zelfs van
+waterleiding voor de dorstigen, ingeval de Chineesche waterdrager zulks
+oorbaar acht. Het is vermeldenswaard dat deze machtige slagader der
+voorstad, waar het verkeer het drukst is en de beweging het levendigst,
+over een afstand van bijna een kilometer nauwelijks één houten brug
+telt, welke gedurende zes maanden aan één kant stuk en aan den andere
+voor 't overige deel des jaars onbegaanbaar is.
+
+Zoo komt het, dat in het heete jaargetijde de paarden van deze
+gestadige "status quo" profiteeren, om daar in 't water te springen,
+tot groote verrassing des afgetrokken stervelings, die binnen in
+'t rijtuig ligt te dommelen of te filosofeeren over de vooruitgang
+dezer eeuw.
+
+Het huis, dat wij bedoelen, is wat laag en heeft niet zeer
+onberispelijke lijnen: of de bouwmeester niet best zien kon, of
+dat het een gevolg was van de aardbevingen en orkanen, kon niemand
+met zekerheid zeggen. Een breede trap met groene leuningen en hier
+en daar belegd met een kleedje, leidt van de "zagnan" of voorhal,
+bevloerd met tegeltjes, naar de hoofd-verdieping tussen bloempotten
+en -vazen op voetstukken van Chineesch aardewerk met bonte kleuren
+en fantastische teekeningen.
+
+Aangezien er geen portiers noch lakeien zijn, die u om of naar een
+uitnoodigings-kaart vragen, zullen we maar naar boven gaan, o gij die
+me leest vriend of vijand! Zoo u althans de tonen van het orkest,
+het licht of 't veel beteekenend gerinkel van vaatwerk aantrekt,
+en gij zien wilt, hoe de avondpartijen daar ginds in de Parel van
+het Oosten toegaan. Met genoegen en voor mijn gemak zou ik u gaarne
+de beschrijving van het huis besparen, doch deze is zeer belangrijk;
+want wij stervelingen in 't algemeen zijn als de schildpadden: we
+worden geprijsd en gesorteerd naar onze schilden; om deze en andere
+eigenschappen zijn ook de stervelingen van de Filippijnen gelijk aan
+de schildpadden.
+
+Wanneer we naar boven gaan, komen we dadelijk in een ruim vertrek,
+dat men daar "caïda" noemt, ik weet niet waarom, want op dezen avond
+dient het als eetzaal en tevens als muzieksalon. In 't midden schijnt
+een lange tafel, overvloedig en weelderig versierd, den tafelschuimer
+toe te lonken met zoete beloften, en dat schuchtere jonge meisje,
+de eenvoudige "dalaga" te bedreigen met twee doodvervelende uren
+in gezelschap van vreemde mannen, wier taal en gesprek een zeer
+bizonder karakter plegen te hebben. In tegenspraak met deze aardsche
+toebereidselen zijn de bonte schilderijen aan de wanden, voorstellende
+godsdienstige onderwerpen als "het Vagevuur" of "de Hel", "het
+Laatste Oordeel," "de Dood der Rechtvaardigen", die "des Zondaars",
+en op den achtergrond, gevangen in een prachtige en smaakvolle
+renaissance-lijst, die wel door een Arévolo kon gesneden zijn, een
+merkwaardig doek van groote afmetingen waarop men twee oude vrouwen
+ziet... Het onderschrift luidt: "Onze Lieve vrouw van Vrede en goede
+reis, die men in Antipolo vereert, in de gedaante van een bedelares,
+bezocht de vrome en beroemde _Capitana_ Inés gedurende haar ziekte"
+[1]. De voorstelling, zoo ze al niet veel smaak en kunst verraadt,
+bezit daarentegen een overmaat van natuurlijkheid: de zieke lijkt
+wel een lijk in ontbinding door de gele en blauwe tinten van haar
+gelaat; de glazen en overige voorwerpen ter geleide der langdurige
+ziekten, zijn zoo nauwkeurig weergegeven, dat men zelfs zien kan wat
+erin zit. Bij 't aanschouwen van deze schilderijen, die de eetlust
+opwekken en landelijke denkbeelden doen rijzen, denkt wellicht deze
+of gene, dat de leepe heer des huizes heel goed den aard kende van
+het meerendeel van hen, die aan zijn tafel moesten aanzitten, en om
+zijn gedachte een weinig te omsluieren heeft hij aan de zoldering
+kostbare Chineesche lampen laten hangen, kooien zonder vogels, roode,
+groene en blauwe bollen van gefoelied glas, gedroogde hangplanten,
+opgeblazen opgezette visschen, die men "botete's" noemt, en meer
+zoo, terwijl alles aan de rivierzijde afgesloten was door grillige
+houten bogen, half Chineesch half Europeesch waar doorheen men het
+uitzicht had op een plat dak met klimplantleidingen en prieeltjes,
+schaars verlicht door papieren lantarentjes van allerlei kleuren.
+
+Daar in de zaal bevinden zich de gasten tusschen ontzaggelijke
+spiegels en schitterende kroonlampen: daar staat op een houten
+onderstel de prachtige vleugelpiano, die een ongehoorde som gekost
+heeft, en die op bedoelden avond nog kostbaarder was, omdat niemand
+haar bespeelde. Daar vindt men Ook een groot olieverfportret van een
+mooie man, in rok, stijf, rechtop, symmetrisch als de stok met kwast,
+die hij tusschen zijn strakke met ringen bedekte vingers draagt. Het
+portret schijnt zoo te zeggen:
+
+"H'm, h'm! kijk ereis aan wat ik aan mijn lijf heb, en hoe deftig
+ik ben!"
+
+De meubels zijn smaakvol, wellicht ongeriefelijk en ongezond: de
+heer des huizes denkt niet aan de gezondheid van zijn gasten, maar
+aan zijn eigen weelde. De dysenterie is wel iets vreeselijks, maar
+u zit op Europeesche leuningstoelen, en die heeft u niet altijd! zou
+hij hun zeggen.
+
+De zaal is bijna vol met menschen: de mannen gescheiden van de
+vrouwen, evenals in de katholieke kerken en in de synagogen. De
+dames bestaan uit een klein aantal jonge meisjes, half Spaansche,
+half Filippijnsche: ze doen den mond open om te geeuwen, maar weten
+dat met hun waaiers te bedekken; ze murmelen te nauwernood eenige
+woorden; ieder gesprek, dat men waagt te doen, sterft weg in enkele
+lettergrepen, als geruchten die men 's nachts in een huis hoort,
+gedruisch van ratten of hagedissen. Zijn het wellicht de beeltenissen
+der verschillende vrouwen, die aan de wand hangen, welke ze nopen
+het stilzwijgen te bewaren en godvruchtige ernst te betrachten? Of
+maken de vrouwen hierop juist een uitzondering?
+
+De eenige, die de dames ontving, was de oude nicht van Capitán Tiago,
+een vrouw met goedige gelaatstrekken en die vrij slecht Spaansch
+sprak. Al haar beleefdheid en hoffelijkheid bestond daarin, dat ze
+aan de Spanjaarden een blaadje met sigaretten en "boejo" (sirih)
+aanbood, en zich precies als de monniken door de Filippijners de
+hand liet kussen. De arme oude begon zich ten slotte te vervelen,
+en gebruik makende van het gedruisch van een bord dat brak, ging ze
+ijlings heen, onder het mompelen van:
+
+"Jezus! wacht maar, rakkers!"
+
+En ze verscheen niet meer.
+
+Wat de mannen aangaat, die maakten wel meer leven.
+
+Eenige adelborsten waren in een der hoeken druk aan 't praten, maar
+op gedempten toon, terwijl ze van tijd tot tijd opkeken en soms
+met den vinger wezen naar verschillende personen in de zaal; en ze
+lachten onder elkaar op meer of min bedekte wijze. Twee vreemdelingen
+daarentegen, beiden in 't wit, liepen met de armen op den rug en
+zonder een woord te spreken, met groote stappen van 't eene uiteinde
+der zaal naar 't andere, zooals passagiers die zich vervelen, op het
+dek van een schip doen. Al de belangstelling en de grootste drukte
+gingen uit van een groepje, gevormd door twee monniken, twee burgers
+en een militair rondom een tafeltje, waarop men flesschen wijn en
+Engelsche biscuits zag staan.
+
+De militair was een oude luitenant, lang en met een streng voorkomen:
+hij leek wel een hertog van Alva, die wat achtergebleven was op de
+ranglijst der Guardia Civil. Hij sprak weinig, maar bars en kort. Een
+der "frailes", een jonge dominikaan, mooi, netjes en keurig als zijn
+bril met goud-montuur, had een vroegtijdige ernst over zich: het was de
+pastoor van Binondo, en in vroeger jaren was hij professor geweest aan
+San Juan de Setrán. Hij had de roep van een volleerd spreker, en wel
+zoo zeer, dat in de tijden, waarin de zonen van Guzmàn [2] het waagden
+in spitsvondigheden den strijd aan te binden met de wereldlijken, de
+bekwame woordvechter B. de Luna hem nooit van zijn stuk had kunnen
+brengen of vastzetten: de fijne bewijsvoering van Fray Sibyla liet
+hem een figuur slaan als de visscher, die alen met strikken wilde
+vangen. De dominikaan sprak weinig, en scheen zijn woorden te wegen.
+
+De ander daarentegen, die Franciskaner was, sprak druk en gesticuleerde
+nog meer. Ten spijt van zijn haren, die reeds grijs begonnen te worden,
+scheen zijn stevig gestel zich goed te houden. Zijn regelmatige
+trekken, zijn weinig geruststellende blik, zijn breede kaken en
+herkulische vormen gaven hem het aanzien van een vermomd Romeinsch
+patriciër en onwillekeurig herinnerde hij u aan een van de drie
+monniken, waarover Heine spreekt in zijn "Goden in ballingschap",
+die op de September-nachtevening, ginds in Tyrol, te middernacht
+in een bootje een meer over voeren, en telkens in de handen van
+den armen veerman een zilveren munt achterlieten, koud als ijs,
+hetwelk hem met ontzetting vervulde. Evenwel was Fray Dámaso niet
+geheimzinnig zooals zij: hij was vroolijk, en hoewel zijn stem bruusk
+klonk, als van een man, die nog nooit verlegen gestaan heeft, die
+al wat hij zegt voor heilig en onverbeterlijk houdt, zijn opgewekte
+en vrijmoedige lach wischte dezen onaangenamen indruk dadelijk uit,
+en zelfs zag men zich gedwongen hem te vergeven, dat hij daar in
+de zaal een paar voeten zonder sokken en behaarde beenen vertoonde,
+die stellig een fortuintje zouden opgebracht hebben aan een Mendieta
+op de kermissen van Quiapo. [3]
+
+Een der burgers, een klein manneke, met een zwarte baard, had
+als eenige merkwaardigheid zijn neus, die naar zijn afmetingen te
+oordeelen, niet van hem kon wezen; de ander, een blond jongmensch
+scheen kortelings in 't land aangekomen te zijn; met deze voerde de
+Franciskaan een levendige woordenwisseling.
+
+"U zult 't zelf wel zien", zeide de monnik, "wanneer u maar eens
+een paar maanden langer in 't land bent, zult u 't wel met mij eens
+zijn, dat het heel wat anders is in Madrid te regeeren, of hier in
+de Filippijnen te wezen."
+
+"Maar..."
+
+"Ik bijvoorbeeld," ging Fray Dámaso voort, de stem verheffende, om
+den ander niet aan 't woord te laten, "ik die al drie-en-twintig jaren
+pisang en rijst eet, ik kan er met gezag over meepraten. Kom me niet
+voor den dag met theorieën en beweringen. Ik ken de inlanders. Ga nu
+'s na. Nauwelijks was ik hier in 't land, of ik werd geplaatst op een
+dorp, wel klein, maar zeer werkzaam voor zijn landbouw. Ik kende toen
+nog niet goed Tagaalsch, maar ik nam de vrouwen al de biecht af, en
+we verstonden elkaar, en ze hielden ten slotte zooveel van me, dat,
+drie jaar later, toen ik naar een grooter dorp werd overgeplaatst,
+dat vacant was gekomen door den dood van den inlandschen pastoor,
+al die vrouwen begonnen te schreien, me met geschenkjes overlaadden,
+en met muziek uitgeleide deden..."
+
+"Maar dat bewijst toch alleen..."
+
+"Wacht u toch even! Niet zoo haastig oordeelen! Hij die me opvolgde,
+bleef korter, en toen die heenging kreeg hij nog meer uitgeleide,
+meer tranen en meer muziek, en dat terwijl hij meer ranselde, en de
+parochie-gelden opgeslagen had tot het dubbele van vroeger."
+
+"Maar u zult mij veroorloven..."
+
+"Ik zal u meer zeggen: in 't dorp San Diego ben ik twintig jaren
+geweest en ik ben er eerst enkele maanden... uit" (hier scheen hij te
+ontstemmen). "Twintig jaren--dat zal niemand me tegenspreken--zijn
+meer dan genoeg om de menschen op een dorp te leeren kennen. San
+Diego had zes duizend zielen, en ik kende iederen bewoner, alsof ik
+hem gebaard en gezoogd had: ik wist aan welken voet deze mank ging,
+waar een ander de schoen wrong, wie 't hof maakte aan dit of dat
+meisje, welke mistappen dit gedaan had en met wie, wie de ware vader
+van 't kind was enz.; ik nam immers ieder levende ziel de biecht af,
+en ze wachtten zich wel, om hun plicht te verzuimen. Laat Santiago,
+onze gastheer 't maar zeggen, of ik lieg. Hij heeft daar veel land
+en daar hebben wij vriendschap gesloten. Nu goed, hoor nu 's, hoe die
+inlanders zijn: toen ik heenging deden me te nauwernood een paar oude
+vrouwtjes en eenige geestelijke broeders uitgeleide. En dat terwijl
+ik er twintig jaren geweest was!"
+
+"Maar ik zie niet in wat dit te maken zou hebben met de vrijmaking van
+'t tabaks-monopolie," antwoordde de blonde jongeman, gebruik makende
+van een pauze, gedurende welke de Franciskaan zich een glaasje sherry
+inschonk.
+
+Fray Dámaso liet vol verbazing bijna zijn glas vallen. Hij bleef een
+oogenblik het jong mensch van 't hoofd tot de voeten opnemen.
+
+"Hoe zoo? Hoe is dat nu?" riep hij daarna met de grootste verwondering,
+"is 't mogelijk, dat u dat niet inziet: 't is zoo klaar als de
+dag? Ziet u dan niet, m'n waarde heer, dat dit alles tastbaar bewijst,
+dat de nieuwigheden van de ministers onzinnig zijn?"
+
+Ditmaal was 't de blonde die verlegen stond. De luitenant fronste
+de wenkbrauwen nog meer. Het kleine ventje schudde het hoofd, alsof
+hij Fray Dámaso in 't gelijk stelde of 't niet met hem eens was. De
+dominikaan vergenoegde zich met iedereen bijna den rug toe te keeren.
+
+"Meent u?" kon ten slotte de jongeman heel ernstig vragen, terwijl
+hij den pater vol nieuwsgierigheid aankeek.
+
+"Of ik dat meen? Ik geloof eraan als aan 't Evangelie! De inlander
+is zoo lui!"
+
+"Och, neem me niet kwalijk, dat ik u in de rede val," zeide het
+jongmensch, zachter sprekende en zijn stoel naderbij brengend,
+"u heeft daar een woord uitgesproken, dat mijn belangstelling
+bijzonder gaande maakt. Bestaat werkelijk die luiheid bij de
+inlanders, als iets ingeborens, of is 't eigenlijk zoo, dat--zooals een
+buitenlandsch reiziger opmerkte--wij met die luiheid onze eigen luiheid
+verontschuldigen, onze achterlijkheid en ons koloniaal beleid? Hij
+sprak van andere koloniën, waar de bewoners van 't zelfde ras zijn...."
+
+"Och kom! Jaloezie! Vraag 't maar 's aan meneer Laruja, die 't land
+ook kent. Vraag hem maar 's of de domheid en luiheid van de inlanders
+ergens haar wedergade vinden!"
+
+"Werkelijk," antwoordde het kleine kereltje, dat bedoeld was: "nergens
+ter wereld ziet u luier individuen dan de inlanders hier. Nergens
+ter wereld!"
+
+"Geen verdorvener en geen ondankbaarder wezens!"
+
+"Geen onbeschofter ook!"
+
+De blonde jonge man begon met ongerustheid overal heen te kijken.
+
+"Heeren," zeide hij zacht, "ik geloof dat wij aan huis zijn bij een
+inlander. De jonge dames..."
+
+"Loop heen! Maak u zich niets ongerust, hoor! Santiago houdt
+zichzelf niet voor een inlander, en bovendien is hij er niet bij. En
+dan... al was hij erbij? Die beweringen zijn maar dwaasheden van
+nieuwelingen. Laten er maar een paar maanden voorbijgaan: u zult
+wel van meening veranderen wanneer u veel inlandsche feesten en
+danspartijen bijgewoond heeft, op de inlandsche bedden geslapen en veel
+'tinola' gegeten heeft."
+
+"Is dat wat u 'tinola' noemt niet een vrucht, een lotus-soort, die
+de menschen... zoo iets van... zoo vergeetachtig maakt?"
+
+"Och wat lotus of loterij!" antwoordde Fray Dámaso lachend, "u slaat
+de plank mis. _Tinola_ is een _goelái_ van kip en kalebas. Hoe lang
+bent u hier?"
+
+"Vier dagen," bracht de jonge man eenigszins geraakt uit.
+
+"Komt u als ambtenaar?"
+
+"Nee, meneer: ik kom voor eigen rekening, om het land te leeren
+kennen."
+
+"M'n lieve man, wat bent u een witte raaf!" riep Fray Dámaso uit,
+terwijl hij hem nieuwsgierig opnam. "Voor eigen rekening gekomen en
+dan voor zulke dwaasheden!
+
+"Wat 'n fenomeen! Terwijl er zooveel boeken zijn ... och, als je
+maar wat hersens in je kop hebt ... kun je immers een heel dik boek
+schrijven: er zijn er zoo ettelijken! Als je maar wat hersens in je
+kop hebt ..."
+
+"U zei zoo, eerwaarde heer pater Dámaso," viel plotseling de dominikaan
+in, "dat u twintig jaren in het dorp San Diego geweest is, en het
+toen verlaten heeft ... Was u niet ingenomen met de plaats?"
+
+Fray Dámaso verloor op deze vraag, die op zoo natuurlijken en bijna
+onverschilligen toon gedaan was, opeens zijn vroolijkheid en hield
+op met lachen.
+
+"Nee!" gromde hij droogjes en liet zich met geweld tegen den rug van
+zijn stoel vallen.
+
+De dominikaan ging nog onverschilliger voort:
+
+"'t Moet droevig wezen een plaatsje te verlaten waar men twintig
+jaren geweest is en dat men kent als de jas die men aan heeft.
+
+"Ik ten minste vond het onplezierig Camiling te verlaten en daar was
+ik nog maar enkele maanden geweest... maar de superieuren deden het
+voor 't heil van de gemeente... voor mijn eigen heil."
+
+Fray Dámaso scheen dien avond voor de eerste maal zeer afgetrokken. Op
+eens gaf hij een vuistslag op de leuning van zijn stoel, en zwaar
+ademend riep hij uit:
+
+"Er is godsdienst of die is er niet, dat wil zeggen: òf de pastoors
+zijn vrij òf ze zijn 't niet! Het land gaat te gronde, 't is naar
+de maan!"
+
+En weer sloeg hij met zijn vuist.
+
+De heele zaal wendde zich verrast naar het groepje; de dominikaan
+hief het hoofd op om onder zijn bril door naar hem te kijken. De twee
+vreemdelingen, die heen-en-weer wandelden, stonden even stil, keken
+elkaar aan, toonden elkaar even hun snijtanden en zetten onmiddellijk
+hun wandeling weer voort.
+
+"Hij is uit zijn hum, omdat u hem geen 'reverencia' genoemd
+heeft!" mompelde meneer Laruja in 't oor van 't blonde jongmensch.
+
+"Wat wil uwe reverentie toch zeggen? Wat scheelt u?" vroegen de
+dominikaan en de luitenant elk op zijn eigen toon.
+
+"Daardoor krijgen we al die rampen! Het bestuur steunt de ketters
+tegen de bedienaren van 't heilige woord!" ging de Franciskaner voort
+en balde zijn stoere knuisten.
+
+"Wat bedoelt u toch?" vroeg de wenkbrauw-fronsende luitenant nogmaals,
+terwijl hij zich half oprichtte.
+
+"Wat ik bedoel?" herhaalde Fray Dámaso, zijn stem nog verheffend en de
+luitenant recht in de oogen ziende: "Ik bedoel al wat ik wil! Ik, ik
+wil zeggen, dat wanneer een pastoor het lijk van een ketter uit zijn
+kerkhof wegdoet niemand, zelfs de koning niet, het recht heeft zich
+ermee te bemoeien en nog veel minder er straf voor op te leggen. Dus
+een generaaltje, zoo'n generaaltje van niks..."
+
+"Pater, Zijn Excellentie is hier plaatsvervanger van den Koning als
+beschermer van de Kerk!" riep de krijgsman opstaande.
+
+"Och wat Excellentie of plaatsvervanger!" antwoordde de Franciskaner,
+die ook opstond. "In vroeger tijd zouden ze 'm wel eruit gezet hebben,
+zooals dat gebeurd is met dien goddeloozen gouverneur Bustamante. Dat
+waren nog 's tijden van goed geloof!"
+
+"Ik moet u zeggen, dat ik niet kan toestaan... Zijn Excellentie
+vertegenwoordigt hier Zijne Majesteit!"
+
+"Och wat Majesteit... larie! Voor ons is er geen anderen koning dan
+de wettige...."
+
+"Halt!" riep de luitenant dreigend en alsof hij zich tot zijn soldaten
+richtte, "u trekt alles in wat u gezegd heeft, of ik geef er morgen
+kennis van aan den gouverneur..."
+
+"Ga nu op 't oogenblik maar dadelijk!" antwoordde Fray Dámaso
+sarkastisch, met gebalde vuisten op hem toetredend. "Meent u soms
+dat ik, omdat ik geestelijke kleeding draag, geen man ben...? Zal ik
+u soms mijn rijtuig leenen?!"
+
+De oneenigheid kreeg een grappige wending, doch gelukkig kwam de
+dominikaan tusschenbeide.
+
+"Heeren!" zeide hij op een toon van gezag en met die neusstem,
+welke zoo fraai klinkt bij monniken: "we moeten hier de dingen niet
+verwarren en ook geen beleedigingen zoeken, waar er geen zijn. We
+moeten bij Fray Dámaso de woorden van den man wel onderscheiden van
+die van den priester. Deze laatste als zoodanig--per se--kunnen nooit
+kwetsen, want ze komen voort uit de volstrekte waarheid. In die van
+den mensch moeten we nóg een onderscheid maken: de woorden die hij
+zegt _ab irato_, die hij zegt _ex ore_, maar niet _in corde_, en die
+hij zegt _in corde_. Deze laatste zijn de eenige die kwetsen kunnen en
+dan nog naar gelang of ze om de een of andere beweegreden reeds van
+te voren in den geest bestonden--_in mente_--of dat ze alleen maar
+_per accidens_, in 't vuur van 't gesprek geuit worden, of dat er..."
+
+"Nu dan, ik weet 'per accidens' en uit mezelf, hoe de zaak in elkaar
+zit, pater Sibyla!" viel de militair in, die in de war raakte van al
+die onderscheidingen en bang begon te worden, dat hij ten slotte de
+schuldige zou blijken. "Ik weet hoe 't gegaan is en nu mag u straks
+weer distincties maken. Gedurende de afwezigheid van Fray Dámaso in
+San Diego, liet de coadjutor het lijk begraven van een heel waardig
+man... ja, meneer, een heel waardig man. Ik ben verscheidene malen
+met hem in aanraking geweest en heb ook wel bij hem gelogeerd. Dat
+hij nooit gebiecht heeft!... nu wat zou dat? Ik ga ook niet naar de
+biecht. Maar te zeggen dat hij zich van kant gemaakt heeft is een
+leugen, pure laster. Een man als hij, die een zoon heeft, waar hij
+zijn heele liefde en hoop op heeft, een man die op God vertrouwt,
+die zijn plichten kent tegenover de maatschappij, een rechtschapen en
+eerlijk man, die maakt zich niet van kant. Dat zeg ik en wat ik verder
+denk verzwijg ik, maar daar mag uwe reverentie me dankbaar voor wezen."
+
+En den Franciskaan zijn rug toedraaiend, vervolgde hij: "Nu goed, deze
+pastoor heeft toen bij in 't dorp terugkwam eerst den armen coadjutor
+mishandeld, en toen het lijk laten opgraven om het uit het kerkhof weg
+te laten brengen ergens anders heen, weet ik waar. Het dorp San Diego
+is zoo laf geweest om er heelemaal niet tegenop te komen. 't Is waar,
+dat maar heel weinigen ervan hoorden: de overledene had geen enkel
+familielid en zijn eenige zoon is in Europa. Maar de gouverneur is er
+achter gekomen en, omdat die een man is van een edel hart, heeft hij
+om straf voor hem gevraagd..... en pater Dámaso kreeg overplaatsing
+naar een beter dorp. Dat is de heele zaak. Uwe reverentie kan nu weer
+distincties maken."
+
+En dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich van 't groepje. Fray
+Sibyla verontschuldigde zich dadelijk dat hij zulk een teer punt
+had aangeroerd.
+
+Allengs keerde de bedaardheid in 't gezelschap weder. Men praatte
+opgewekt, ook over den afwezigen gastheer, over wien aardigheden ten
+beste werden gegeven, iets waar uit zeker weinig waardeering voor
+dezen sprak.
+
+
+
+
+II.
+
+Crisóstomo Ibarra.
+
+
+'t Waren geen mooie, keurig gekleede jonge meisjes, die op eens
+aller aandacht bij 't binnenkomen trokken, zelfs die van Fray Sibyla;
+'t was ook niet Zijne Excellentie de gouverneur met zijn adjudanten,
+die den luitenant uit zijn eenzelvigheid wegrukten, en Fray Dámaso
+als versteend deden staan: 't waren eenvoudig het origineel van het
+portret in rok en iemand, dien hij bij de hand leidde: een jongmensch,
+dat streng in de rouw gekleed was.
+
+"Goeden avond, dames en heeren! Goeden avond, pater!" was het eerste
+wat Capitán Tiago uitbracht, terwijl hij de geestelijken de hand kuste,
+waarop deze vergaten hem den zegen te geven. De dominikaan had zijn
+bril afgezet om den binnentredenden jongen man aan te kijken en Fray
+Dámaso staarde bleek en met wijdgeopende oogen naar hem.
+
+"Ik heb de eer u Don Crisóstomo Ibarra voor te stellen, de zoon van
+mijn overleden vriend!" ging Capitán Tiago voort. "Deze heer is pas
+uit Europa aangekomen en ik ben hem gaan afhalen."
+
+Bij 't klinken van dezen naam hoorde men eenige uitroepen; de luitenant
+vergat den heer des huizes te begroeten. Hij trad op den jongeman
+toe en nam hem van 't hoofd tot de voeten op. Deze wisselde toen de
+gebruikelijke beleefdheidsfrazen met het heele gezelschap en scheen
+niets bijzonders in zijn verschijning te hebben dan zijn zwarte
+kleedij te midden van die zaal vol menschen. Zijn knappe gestalte,
+zijn gelaatstrekken, zijn bewegingen ademden evenwel dien geur
+van gezonde jeugd, waar zoowel het lichaam als de ziel behoorlijk
+ontwikkeld waren. Men zag in zijn vrijmoedig vroolijk gelaat eenige
+lichte sporen van het Spaansche bloed door een schoone bruine tint
+heen, iets rooskleurigs op de wangen, wellicht de uitwerking van een
+verblijf in de koude landen.
+
+"Wel!" riep hij met blijde verrassing uit, "de pastoor van mijn
+dorp! Pater Dámaso, de intieme vriend van mijn vader!"
+
+Aller blikken wendden zich naar den Franciskaan; deze verroerde
+zich niet.
+
+"Neem me niet kwalijk, ik heb me zeker vergist!" hervatte Ibarra
+eenigszins verlegen.
+
+"Je hebt je niet vergist!" kon ten slotte de ander met veranderde stem
+antwoorden. "Maar je vader is nooit een intieme vriend van me geweest."
+
+Ibarra trok langzaam de hand terug die hij hem toegestoken had,
+keek hem vol verwondering aan, wendde zich om en bevond zich zoo
+tegenover de strenge figuur van den luitenant, die voortging met hem
+gade te slaan.
+
+"Jongmensch, bent u de zoon van Don Rafael Ibarra?"
+
+De jongeman boog.
+
+Fray Dámaso richtte zich in zijn stoel op en keek den luitenant recht
+in de oogen.
+
+"Welkom in uw land en moge u er gelukkiger wezen dan uw vader!" riep
+de krijgsman met beverige stem uit.
+
+"Ik heb hem gekend en heb veel met hem omgegaan. Ik kan zeggen
+dat het een van de waardigste en rechtschapenste menschen op de
+Filippijnen was."
+
+"Mijnheer!" antwoordde Ibarra ontroerd, "de lof die u over mijn vader
+uitspreekt, verdrijft den twijfel over zijn lot, dat ik, zijn zoon,
+nog niet ken."
+
+De oogen van den ouden man vulden zich met tranen, hij wendde zich
+half om en verwijderde zich snel.
+
+De jongeman zag zich alleen in 't midden van de zaal; de heer des
+huizes was verdwenen en hij vond niemand die hem aan de jonge dames
+kon voorstellen. Velen daarvan keken belangstellend naar hem. Na
+eenige oogenblikken weifelens richtte hij zich met een eenvoudige en
+natuurlijke gratie tot het groepje:
+
+"Mag ik zoo vrij zijn", zei hij, "maar over de voorschriften van
+een strenge etikette heen te stappen? Ik ben zeven jaar uit mijn
+land weg geweest en nu ik er terug ben kan ik mijn bewondering niet
+weerhouden, en niet nalaten zijn kostelijkste sieraad te begroeten,
+'zijn vrouwen.'"
+
+Daar niemand het waagde een enkel woord terug te zeggen zag hij
+zich verplicht heen te gaan. Hij trad op een groepje heeren toe die,
+toen ze hem aan zagen komen, een halven cirkel vormden.
+
+"Heeren!" zeide hij, "ik zal maar de Duitsche gewoonte volgen en mezelf
+voorstellen: dat doet men daar als er niemand anders voorstelt. Ik
+heb zooeven den hemel en de vrouwen van mijn land begroet: nu wil ik
+de burgers, mijn landgenooten, begroeten. Heeren, mijn naam is Juan
+Crisóstomo Ibarra y Magsalin!"
+
+Men noemde namen. Een jongmensch werd als dichter begroet. Men vroeg
+hem waarom hij niet meer schreef, en hij vertelde van iemand, die een
+onnoozelheid in een gedicht had gezet en er bijna om verbannen was:
+_hij_ zou zoo gek niet wezen! En hij verwijderde zich uit de groep.
+
+Een man met vroolijk lachend uiterlijk kwam aangedraafd. Hij gaf
+Ibarra de hand. Hij was gekleed als een inlander, met briljanten
+knoopen aan zijn hemd.
+
+"Meneer Ibarra, ik wou 's graag met u kennis maken. Kaptein Tiago is
+een groot vriend van me en ik heb uw vader gekend. Ik heet Capitán
+Tinong. Ik woon in Tondo, waar u welkom in in mijn huis is: ik hoop,
+dat u me de eer 's zal aandoen. Kom morgen bij ons eten."
+
+Ibarra toonde zich verrukt over zooveel vriendelijkheid. Capitán
+Tinong glimlachte en wreef zich in de handen.
+
+Ibarra verontschuldigde zich: hij moest den volgenden dag naar San
+Diego....
+
+Een knecht van 't café "la Campana" kwam zeggen dat het eten klaar
+was. De menschen defileerden naar binnen, waarbij de dames, vooral
+de Filippijnschen, zich herhaaldelijk lieten bidden.
+
+
+
+
+III.
+
+Het feestmaal.
+
+
+Fray Sibyla scheen zeer voldaan; hij schreed rustig voort en op zijn
+samengedrukte en fijne lippen was geen minachting meer te lezen;
+zelfs verwaardigde hij zich met de manke doctor De Espadaña te praten,
+die met monosyllaben antwoordde, want hij stotterde een beetje. De
+Franciskaan was in een vreeselijk humeur: hij schopte tegen de stoelen
+die hem hinderden op zijn weg, en zelfs gaf hij een stoot met zijn
+elleboog tegen een "kadet." De luitenant was hoog-ernstig. De anderen
+praatten druk en prezen de prachtige tafel. Doña Victorina trok
+echter verachtelijk haar neus op, doch onmiddellijk daarop keerde ze
+zich woest om, als een slang waarop getrapt wordt: inderdaad had de
+luitenant op den sleep van haar japon zijn voet gezet.
+
+"Maar heeft u dan geen oogen?" zeide ze.
+
+"Jawel, mevrouw, en een paar betere dan de uwe; maar ik keek even naar
+uw lokken," antwoordde de weinig galante krijgsman en verwijderde zich.
+
+Als bij instinkt richtten zich de twee monniken naar het hoofd-eind van
+de tafel, wellicht uit gewoonte en zooals te verwachten was gebeurde
+er wat placht te geschieden bij mededingers naar een professoraat: ze
+hemelen de verdiensten en de meerderwaardigheid van den tegenstander
+op, maar geven dadelijk daarop juist het tegenovergestelde te kennen
+en mopperen om 't hardst als ze niet benoemd worden.
+
+"Ga vóór, Fray Dámaso!"
+
+"Aan u, Fray Sibyla!"
+
+"U bent een oude vriend van den huize... biechtvader van wijlen
+mevrouw... leeftijd, waardigheid en zieleherderschap..."
+
+"Niet zoo heel oud, hoor! En dan... u bent de pastoor van de wijk
+hier!" antwoordde Fray Dámaso half vriendelijk en zonder den stoel
+los te laten.
+
+"Nu, als u 't beveelt, gehoorzaam ik!" besloot pater Sibyla, en maakte
+zich gereed om neer te zitten.
+
+"Ik beveel niets!" protesteerde de Franciskaan, "ik niet, hoor!"
+
+Fray Sibyla ging al zitten zonder acht te slaan op het protest, toen
+zijn blikken die van den luitenant ontmoetten. De hoogste officier is
+volgens de opvatting der geestelijken op de Filippijnen veel lager
+dan de leekebroeder-kok. Doch Fray Sibyla was een zeer beleefd man
+en antwoordde:
+
+"Mijnheer de luitenant, hier zijn we in de wereld, niet in de kerk:
+deze plaats komt u toe."
+
+Maar, te oordeelen naar den toon waarop hij sprak, kwam de plaats hem
+ook in de wereld toe. De luitenant, hetzij om zich geen moeite te geven
+of om niet tusschen twee "frailes" te zitten, weigerde vrij droogjes.
+
+Niemand van de kandidaten had aan den huisheer gedacht. Ibarra zag hem
+met voldoening en een glimlach op de lippen naar het tooneeltje kijken.
+
+"Hoe zoo, don Santiago, gaat u niet tusschen ons in zitten?" Maar al
+de plaatsen waren reeds bezet: Lucullus at niet bij Lucullus aan huis.
+
+"Hou u bedaard, niet opstaan!" zeide Capitán Tiago en legde zijn
+hand op den schouder van het jongemensch. "Dit feest geef ik juist om
+onze Lieve Vrouw te danken voor uw behouden aankomst. Hé, laten ze de
+'tinola' brengen. Ik heb 'tinola' laten maken; die zult u wel in lang
+niet gegeten hebben?"
+
+Men bracht een grooten dampenden schotel. De dominikaan prevelde
+het "benedicite", waarop bijna niemand kon antwoorden en begon den
+inhoud te verdeelen. Doch door onoplettendheid of iets anders trof
+Padre Dámaso den schotel, toen er alleen nog maar tusschen veel
+"laboe" en bouillon een kaal kippenhalsje en een vleugelstukje in
+dreven; anderen aten pootjes en borst, vooral Ibarra had de lekkere
+beetjes. De Franciskaan zag alles, kauwde wat op de "laboe", nam een
+beetje bouillon, liet toen met gedruisch zijn lepel vallen en schoof
+daarna woest zijn bord van zich af. De dominikaan was geheel verdiept
+in een gesprek met den blonden jongeman.
+
+"Hoe lang bent u van 't land weg geweest?" vroeg Laruja aan Ibarra.
+
+"Bijna zeven jaar."
+
+"Wel, wel, dan zult u alles vergeten zijn!"
+
+"Integendeel. En al scheen mijn land mij vergeten te hebben, _ik_
+heb er altijd aan gedacht."
+
+"Wat wilt u daarmee zeggen?"
+
+"Ik woû zeggen dat ik een jaar lang geen tijding van huis gehad heb. En
+zoo ben ik hier als een vreemdeling, die niet eens weet wanneer of
+hoe zijn vader gestorven is."
+
+"Och!" riep de luitenant uit.
+
+"En waar was u dan, dat u geen telegram gezonden heeft?" vroeg Doña
+Victorina. "Toen wij trouwden hebben we een telegram naar Spanje
+gezonden."
+
+"Mevrouw, de laatste twee jaren ben ik in Noord-Europa geweest:
+in Duitschland en in Russisch-Polen."
+
+Doctor De Espadaña, die tot nog toe niets had durven zeggen, achtte
+het gepast iets in 't midden te brengen:
+
+"Ik heb ... heb in Sp.... Spanje een Pool gekend, van War .... war
+... Warschau. Hij heette Stad ... Stadnitzki, als ik me wel
+herinner. Heeft u hem misschien ge... ge... gezien?" vroeg hij
+schuchter en bijna blozend.
+
+"'t Is best mogelijk", antwoordde Ibarra vriendelijk, "maar op 't
+oogenblik herinner ik 't me niet."
+
+"Nu, u kó ... kon hem niet met een ander verwa-wa-warren," hervatte
+de dokter met meer zelfvertrouwen, "hij was goudblond en spr.... sprak
+hee.... hee-heel slecht Spaansch."
+
+"Dat zijn wel duidelijke kenteekenen, maar ongelukkigerwijze heb ik
+daar geen woord Spaansch gesproken, behalve aan een paar konsulaten."
+
+"En hoe heeft u dat geleverd?" vroeg Doña Victorina verbaasd.
+
+"Ik sprak de taal van 't land, mevrouw."
+
+"Spreekt u ook Engelsch?" vroeg de dominikaan, die in Hongkong
+geweest was en het "Pidgin English" goed sprak, die verbastering van
+Shakespeare's taal door de zonen van 't Hemelsche Rijk.
+
+"Ik ben een jaar in Engeland geweest onder menschen die enkel Engelsch
+spraken".
+
+"En welk land bevalt u in Europa het best?" vroeg hem het blonde
+jongmensch.
+
+"Na Spanje, mijn vaderland, ieder vrij land van Europa".
+
+"En zeg me nu 's, u die zooveel gereisd heeft: wat lijkt u wel 't
+merkwaardigste dat u gezien heeft?" vroeg Laruja.
+
+Ibarra scheen even te denken.
+
+"Merkwaardig in welk opzicht?"
+
+"Bijvoorbeeld ... ten opzichte van 't leven van de volken, hun
+maatschappelijk, staatkundig, godsdienstig leven, in 't algemeen,
+hoofdzakelijk alles bijeengenomen..."
+
+Ibarra dacht een heele poos na.
+
+"Ronduit gezegd, bevalt me alles in die landen, afgezien van de
+nationale trots van elk... Voordat ik een land bezocht, trachtte ik
+de geschiedenis ervan te bestudeeren, zijn Exodus om zoo te zeggen,
+en dan vond ik daarna alles natuurlijk. Ik heb altijd gezien dat de
+welvaart of de ellende van de volken in rechte rede staan tot hun
+vrijheden of vooroordeelen, en bijgevolg tot de opofferingen of de
+zelfzucht van de voorouders".
+
+"En heeft u dat alleen maar gezien?" vroeg de Franciskaan met een
+spotlach. Van 't begin van den maaltijd af had hij geen enkel woord
+gesproken, wellicht in beslag genomen door het eten. "Om zoo iets
+onbeteekenends te weten te komen hoefde u uw geld niet te vermorsen;
+dat weet hier iedere schooljongen."
+
+Ibarra wist niet wat hij zeggen zou; de overigen keken elkaar verbaasd
+aan en vreesden een uitbarsting. "Het maal loopt op zijn eind en zijn
+eerwaarde is al verzadigd," wilde het jongmensch opmerken, maar hij
+hield zich in en zeide slechts:
+
+"Heeren, u moet zich niet verwonderen over de familiariteit waarmee
+onze vroegere pastoor mij behandelt. Zoo ging hij met me om toen
+ik nog een kind was, want voor zijn weleerwaarde gaan de jaren
+tevergeefs voorbij. Maar ik ben er hem erkentelijk voor, omdat hij me
+die dagen van weleer zoo levendig vóór den geest brengt: toen kwam de
+weleerwaarde dikwijls bij ons thuis, en at ook aan mijns vaders tafel."
+
+De dominikaan keek steelsgewijze naar den Franciskaan; deze zat te
+beven. Ibarra stond op en vervolgde:
+
+"U zult me veroorloven dat ik heenga, want omdat ik pas aangekomen
+ben en morgen weer op reis moet, heb ik nog een boel zaken af te doen."
+
+Een glas wijn opnemende, riep hij: "Nu, mijnheeren, op Spanje en
+de Filippijnen." En hij dronk het glas leeg, dat hij te voren niet
+aangeraakt had. De oude luitenant volgde hem na, zonder een woord.
+
+Capitán Tiago wilde Ibarra niet laten gaan: Maria Clara zou komen,
+Isabel was haar gaan halen en de nieuwe pastoor van zijn dorp zou
+komen, o, een heilig man.
+
+Ibarra beloofde den volgenden morgen, even vóór zijn vertrek, aan te
+zullen komen. Hij moest vandaag een heel dringend bezoek brengen.
+
+Toen hij weg was luchtte de Franciskaan zijn ergernis:
+
+"Heeft u 't gezien?" zei hij tot het blonde jongmensch en schermde
+daarbij met zijn dessert-mesje: "Da's nu alleen trots! Ze kunnen niet
+velen dat de pastoor ze terecht wijst! Ze denken dat ze al heel wat
+zijn! Dat komt er nou van als de jongelui naar Europa gezonden worden:
+het gouvernement moest het verbieden."
+
+"En de luitenant," zei Doña Victorina, den Franciskaan bijvallende,
+"die heeft den heelen avond een boos gezicht gezet. 't Is maar goed
+dat hij weg is. Zoo oud en dan nog luitenant!"
+
+De dame kon de toespeling op haar krullen en de vertrapte strook van
+haar onderrok niet vergeten.
+
+
+
+
+IV.
+
+Ketter en opstandeling.
+
+
+Ibarra was onzeker. De avondwind, welke in die maanden te Manila reeds
+vrij frisch pleegt te zijn, scheen de lichte wolk van zijn voorhoofd
+te wisschen waardoor het verduisterd was; hij nam zijn hoed af en
+ademde op.
+
+Rijtuigen flitsten voorbij als bliksemstralen, huur-"kalessen"
+kwamen met druilige stap langs hem heen, voetgangers van allerlei
+nationaliteit kruisten zijn pad. Met den ongelijkmatigen gang van
+den afgetrokkene of werklooze richtte zich de jongeling naar het
+_Binondo_-plein--Binondo is een voorstad--en keek overal om zich heen,
+alsof hij iets herkennen wilde.
+
+Het waren dezelfde straten op dezelfde wijze wit en blauw geverfd,
+met gewitte of als graniet-imitatie geschilderde muren; de kerktoren
+vertoonde nog steeds zijn klok met de doorzichtige wijzerplaat;
+'t waren nog dezelfde Chineesche winkels met hun vuile gordijnen en
+hun ijzeren roeden, waarvan hij er eens op een nacht een verbogen had,
+net zooals de onopgevoede Chineezen van Manila doen.
+
+Niemand had het ding weer recht gebogen!
+
+"'t Gaat langzaam hier!" mompelde hij, en volgde de Calle de la
+Sacristia. [4]
+
+De verkoopers van sorbets riepen nog steeds: "_Sórbetee_"; de "huepes"
+of lampjes verlichtten nog altijd dezelfde stalletjes van Chineezen
+en vrouwen die eetwaren en vruchten verkochten.
+
+"'t Is wonderlijk!" riep hij uit, "dat is dezelfde Chinees van zeven
+jaar geleden en die ouwe vrouw ... dezelfde!
+
+"Je zou zeggen, dat ik van nacht gedroomd had van een zevenjarige
+reis door Europa! ... en, wel allemachtig! die steen daar is nog net
+zoo van zijn plaats als ik hem gelaten heb!"
+
+Inderdaad zat de steen op den hoek van het wandelpad der Calle de la
+Sacristia nog los.
+
+Terwijl hij bezig was dit wonder der stedelijke bestendigheid te
+beschouwen, werd er zacht een hand op zijn schouder gelegd. Hij hief
+het hoofd op en stond tegenover den ouden luitenant, die hem bijna
+lachend aankeek; de krijgsman had niet meer de harde uitdrukking met
+de gefronste wenkbrauwen, die hem zoo zeer kenmerkte.
+
+"Jongmensch, u moet voorzichtig zijn! Neem een les aan uw vader!" zeide
+hij.
+
+"Neem me niet kwalijk, maar 't komt me voor dat u veel van mijn vader
+gehouden heeft. Zou u me niet kunnen zeggen hoe 't toch met hem gegaan
+is?" vroeg Ibarra hem aanziende.
+
+"Hoe zoo, weet u dat dan niet?" vroeg de ander.
+
+"Ik heb het don Santiago gevraagd, maar hij woû 't me eerst morgen
+zeggen. Weet u 't misschien?"
+
+"Wel natuurlijk, net als iedereen! Hij is in de gevangenis gestorven."
+
+De jongeman trad een schrede terug en keek den luitenant strak aan.
+
+"In de gevangenis? Wie is in de gevangenis gestorven?" vroeg hij.
+
+"Mijn lieve man, uw vader: hij zat gevangen!" ging de krijgsman
+eenigszins verwonderd voort.
+
+"Mijn vader ... in de gevangenis.. zat hij gevangen? Wat zegt u? Weet
+u wie mijn vader was? Bent u wel...?" vroeg de jonge man, den officier
+bij den arm vattend.
+
+"Ik geloof, dat ik me niet vergis: 't was don Rafael Ibarra."
+
+"Jawel, don Rafael Ibarra!" riep de jongeman zwakjes.
+
+"Och, ik dacht dat u 't wist!" mompelde de militair op medelijdenden
+toon, toen hij zag wat er in Ibarra's ziel omging. "Ik veronderstelde,
+dat u..... maar laat u niet ontmoedigen! Hier kun je niet een eerlijk
+man zijn zonder 's in de gevangenis gezeten te hebben!"
+
+"Ik moet aannemen dat u geen gekheid met me maakt", hervatte Ibarra
+met flauwe stem na eenige oogenblikken zwijgens. "Kan u me ook zeggen
+waarom hij in de gevangenis was?"
+
+De oude man scheen zich te bedenken.
+
+"'t Verwondert mij zeer dat ze u heelemaal niet op de hoogte van uw
+familie-aangelegenheden gesteld hebben."
+
+"In zijn laatsten brief van een jaar geleden zeide hij mij, dat ik
+niet ongerust moest wezen als hij me niet schreef, want hij zou 't
+erg druk hebben. Hij beval me aan voort te gaan met studeeren.... Hij
+zond me zijn zegen!"
+
+"Nu, dan heeft hij u dien brief vlak voor zijn dood geschreven:
+'t zal gauw een jaar zijn dat we hem in zijn dorp begraven hebben."
+
+"Om welke reden was mijn vader gevangen?"
+
+"Om een zeer eervolle reden. Maar wilt u met me mee gaan? Ik ga naar
+de kazerne; ik zal 't u onderweg vertellen. Geef u me maar een arm."
+
+Ze liepen een poos zwijgend naast elkaar voort: de oude man scheen
+na te denken en streek onderwijl aan zijn sik, als verwachtte hij
+daarvan inspiratie.
+
+"Zooals u zeer goed weet", begon hij, "was uw vader de rijkste man
+in de provincie en ofschoon hij bij velen bemind en geëerd was,
+waren er weer anderen die hem haatten of benijdden. Wij Spanjaarden,
+die naar de Filippijnen komen, zijn ongelukkigerwijze niet wat we
+moesten wezen; ik zeg dit zoowel voor een van uw voorouders, als
+voor uw vaders vijanden. De voortdurende vervanging door anderen,
+het zedelijk verval van de hoogere kringen, het werken met kruiwagens,
+het goedkoope en korte van de reis: dat heeft de schuld van alles. Hier
+komt het uitvaagsel van 't moederland en als er nog 's een goede komt,
+dan bederft hij gauw hier in 't land. Nu dan, uw vader had onder de
+pastoors en de geboren Spanjaarden heel veel vijanden."
+
+Hier zweeg hij even.
+
+"Eenige maanden na uw vertrek begonnen de onaangenaamheden met pater
+Dámaso, zonder dat ik me de ware reden kan verklaren. Fray Dámaso
+beschuldigde hem dat hij niet biechtte: te voren biechtte hij evenmin
+en toch waren ze toen goede vrienden, zooals u zich nog wel herinneren
+zal. Bovendien was don Rafael een eerbaar man en rechtvaardiger in
+zijn handelingen dan velen die de biecht afnemen of ter biecht gaan.
+
+"Don Rafael hield er voor zich zelf een zeer strenge moraal op na
+en wanneer hij me over die onaangenaamheden sprak zei hij altijd:
+'Meneer Guevara, gelooft u dat God een misdaad vergeeft, een moord
+bijvoorbeeld, alleen omdat men het aan een priester gezegd heeft, een
+man die ten slotte het recht heeft om de zaak te verzwijgen en omdat
+men bang is in de hel geroosterd te worden, wat ze berouw noemen? Omdat
+men laf is, en maar brutaal is op assurantie? Ik heb een ander idee van
+God,' zeide hij; 'voor mij wordt het eene kwaad niet met het andere
+hersteld en wordt er niet vergeven om ijdele huilpartijen, evenmin
+als om aalmoezen aan de kerk.' En hij gaf me dit voorbeeld: 'Als
+ik een huisvader heb vermoord, als ik van een vrouw een ongelukkige
+weduwe gemaakt heb en hulpelooze weezen van gelukkige kinderen, zal
+ik dan aan de eeuwige gerechtigheid voldaan hebben door me te laten
+ophangen, het geheim aan iemand toe te vertrouwen die het bewaren
+zal door aalmoezen te geven aan de pastoors, die ze nog 't minst
+noodig hebben, door de aflaat te koopen of nacht en dag te zitten
+snotteren? En 't leven, dat verloren is gegaan, en de weezen? Mijn
+geweten zegt me, dat ik den vermoorde zoo goed mogelijk moet vervangen,
+dat ik me geheel-en-al voor mijn verdere leven aan het welzijn van
+'t gezin moet wijden, dat ik ongelukkig gemaakt heb. En zelfs dan nog:
+Wie kan de liefde van echtgenoot of vader vergoeden?'
+
+"Zoo redeneerde uw vader en met die strenge zedeleer trad hij
+steeds op, en men kan wel zeggen dat hij nooit iemand eenig leed
+heeft aangedaan. Integendeel: hij trachtte door goede werken zekere
+ongerechtigheden uit te wissen, die hij zeide dat zijn voorouders
+bedreven hadden. Maar om terug te komen op zijn onaangenaamheden
+met den pastoor, die namen een leelijken keer: pater Dámaso maakte
+toespelingen op hem van den kansel en 't was wel een wonder dat
+hij hem niet met name noemde, want van zijn karakter was alles te
+verwachten. Ik voorzag dat vroeg of laat de zaak kwaad zou afloopen."
+
+De oude luitenant zweeg weer eenige oogenblikken.
+
+"Er liep toen een gewezen kanonnier in de provincie rond, iemand die
+om zijn al te groote domheid en onleerzaamheid eruitgezet was. Omdat de
+man niets had om van te leven en hij zich niet aan eenige handenarbeid
+mocht wijden van wege ons 'prestige' als blanken, kreeg hij van ik weet
+niet wie, het baantje van gaarder van de belasting op rijtuigen. De
+ongelukkige kerel had heelemaal geen opvoeding gehad en de inlanders
+leerden hem gauw kennen. Voor hen is een Spanjaard die niet lezen of
+schrijven kan een fenomeen. Overal werd hij voor den gek gehouden:
+hij betaalde de belasting die hij inde, met beleedigingen, en hij
+besefte dat hij een voorwerp van spot was. Dit maakte zijn karakter,
+dat al vanzelf ruw en boosaardig was, nog erger. Ze gaven hem met
+opzet geschreven bewijsjes omgekeerd, hij deed dan alsof hij lezen
+kon en teekende waar hij een wit plekje zag met een paar krabbels,
+die een handteekening moesten voorstellen. De inlanders betaalden
+maar hielden hem voor den gek. Hij slikte alles, maar hij inde zijn
+belasting en in deze stemming ontzag hij niemand. Met uw vader had
+hij zelfs hoogloopende standjes gehad.
+
+"'t Gebeurde op een dag, terwijl hij bezig was een papier dat
+men hem in een winkel gegeven had te keeren en te draaien, met de
+bedoeling om het recht voor zich te krijgen, dat een schooljongen zijn
+kameraden naar hem wees, hem uitlachte en uitjouwde. De man hoorde
+het gelach, en zag een lachje spelen op de ernstige gezichten van de
+omstanders. Hij verloor zijn geduld, keerde zich snel om en begon de
+jongens na te loopen, die onder 't wegloopen hem toeriepen, 'ba, be,
+bi, bo, bu.' Blind van woede en niet in staat ze in te halen, smijt
+hij zijn stok naar hen, en die raakt er een op 't hoofd, zoodat hij
+neervalt. Daarna loopt hij op hem toe, trapt en schopt hem, en geen van
+allen die hem bespot hadden, had de moed om tusschenbeide te komen. Tot
+zijn ongeluk kwam uw vader daar voorbij: woedend loopt hij op den
+belastinggaarder af, grijpt hem bij zijn arm en maakt hem uit voor al
+wat leelijk is. De man, die zeker alles rood zag van woede heft zijn
+hand op, maar uw vader gaf hem den tijd niet, en met de kracht die zijn
+Baskische afkomst verraadt ...sloeg hij hem volgens sommigen; anderen
+zeggen dat hij hem alleen maar een duw gaf. Maar in allen gevalle: de
+man wankelde, viel eenige passen verder neer en met zijn hoofd tegen
+een steen aan. Don Rafael nam kalmpjes den gewonden jongen op en bracht
+hem naar de rechtbank. De gewezen kanonnier braakte bloed en kwam niet
+meer bij: eenige minuten later was hij dood. Zooals natuurlijk was
+kwam de justitie tusschenbeide; uw vader werd gevangen genomen en toen
+verhieven zich al zijn verborgen vijanden. 't Regende van lasterlijke
+aantijgingen: hij werd aangeklaagd als opstandeling (filibustero)
+en als ketter. Ketter te zijn is overal een groot ongeluk, vooral in
+dien tijd, toen de provincie bestuurd werd door een 'alcalde', die zich
+op zijn vroomheid liet voorstaan, die met zijn bedienden hardop zijn
+rozenkrans bad; misschien deed hij het opdat iedereen hem hooren en
+met hem samen bidden zou. Maar filibustero is erger dan ketter en veel
+erger dan drie belastinggaarders vermoord te hebben, die allen lezen
+en schrijven kunnen. Iedereen viel hem af. Zijn papieren en boeken
+werden in beslag genomen. Men beschuldigde hem dat hij geabonneerd
+was op de _Correo de Ultrámar_ en op de kranten van Madrid, dat hij
+u naar Duitsch-Zwitserland gezonden had, dat men bij hem gevonden
+had brieven en een portret van een veroordeelden priester, en weet
+ik wat niet al. Uit alles werden aanklachten gehaald, zelfs uit het
+feit dat hij een inlandsche 'Camisa' [soort lange kabaai [5]] droeg,
+terwijl hij afstammeling van echte Spanjaarden was. Als 't een ander
+man was geweest, zou uw vader allicht gauw op vrije voeten gesteld
+zijn, want er was een dokter die den dood van den belastinggaarder
+aan een congestie toeschreef; maar zijn fortuin, zijn vertrouwen in
+'t gerecht en zijn haat aan alles wat niet wettig of rechtvaardig
+was, brachten hem ten val. Ik zelf, al heb ik er een afkeer van om
+iemands genade in te roepen, ik ging naar den Capitán-General, onzen
+landvoogd vóór dezen dien we nu hebben. Ik legde hem uit dat iemand,
+die iederen Spanjaard, arme of landverhuizer in zijn huis ontvangt,
+hem spijst en huisvest en in wiens aderen nog het edele Spaansche
+bloed bruist, onmogelijk een 'filibustero' kon wezen. Tevergeefs
+stond ik er met mijn hoofd voor in, zwoer ik bij mijn armoede en
+mijn militaire eer. Ik kreeg alleen gedaan, dat ik slecht ontvangen,
+nog slechter weggezonden werd en den bijnaam opliep van 'Chiflado'
+(niet recht wijs)."
+
+De oude man hield op om op adem te komen, en ziende dat zijn metgezel
+zweeg en naar hem luisterde zonder hem aan te kijken, ging hij voort:
+
+"Ik bemoeide me op verzoek van uw vader met de verdediging; ik wendde
+me tot den beroemden Filippijnschen advokaat, den jongen A., maar
+deze weigerde zich met de zaak in te laten. 'Ik zou ze verliezen',
+zei hij mij. 'Mijn verdediging zou een nieuwe aanleiding zijn voor
+een aanklacht tegen hem en misschien ook tegen mij.
+
+"'Ga u maar naar meneer M., dat is een hartstochtelijk redenaar,
+iemand met een makkelijk woord, Spanjaard van geboorte en die heel
+wat kan uitwerken.' Zoo deed ik, en de beroemde advokaat belastte
+zich met de zaak, die hij meesterlijk en schitterend verdedigde.
+
+"Maar er waren veel vijanden en sommigen daarvan waren verborgen en
+onbekend. 't Krioelde van valsche getuigen en hun lasterpraatjes,
+die elders met een enkele ironische of sarkastische opmerking van den
+verdediger ontzenuwd waren geworden, werden hier dingen van beteekenis.
+
+"Als de advokaat gedaan kreeg ze den kop in te drukken door er andere,
+die daarmee in onderlingen strijd waren tegenover te stellen, kwamen er
+dadelijk weer nieuwe beschuldigingen opzetten. Ze beschuldigden hem,
+dat hij zich wederrechtelijk van veel gronden had meester gemaakt;
+ze vroegen hem vergoeding van allerlei schade; ze zeiden, dat hij
+betrekkingen onderhield met de struikroovers (_toelisan's_), om te
+maken dat ze zijn velden en zijn vee met rust lieten. Ten slotte
+raakte de kwestie zoo in de war, dat na een jaar niemand er meer iets
+van begreep. De 'alcalde' moest er zijn baantje bij laten. Er kwam
+een ander, die den naam had van rechtschapen, maar ongelukkigerwijze
+bleef hij maar enkele maanden; zijn opvolger hield te veel van goede
+trekpaarden.
+
+"Het lijden, de onaangenaamheden, de ongemakken van 't
+gevangenis-leven, of de smart van zooveel ondankbaren te zien,
+pakten zijn ijzeren gestel zoodanig aan, dat hij de kwaal kreeg,
+waaraan alleen 't graf een einde maakt. En toen alles uit zou wezen,
+toen hij vrijgesproken van de aanklacht van hoogverraad en moord op
+den belastinggaarder uit de gevangenis ontslagen zou worden, stierf
+hij daar zonder iemand bij zich te hebben. Ik kwam juist bijtijds
+genoeg om hem te zien sterven."
+
+De oude man zweeg. Ibarra zeide geen enkel woord. Intusschen waren
+ze aan de poort van de kazerne aangekomen. De militair stond stil en
+hem de hand toestekende, zeide hij:
+
+"M'n beste jongen, vraag u de bijzonderheden maar aan Capitán Tiago. En
+nu, goeden nacht. Ik moet gaan kijken of er niets bijzonders is."
+
+Ibarra drukte hartelijk, maar zwijgend de magere hand en stil volgde
+hij hem met de oogen tot hij uit het gezicht verdween.
+
+Hij keerde langzaam terug en zag een rijtuig voorbijkomen. Hij gaf
+een teeken aan den koetsier.
+
+"Hôtel de Lala!" zeide hij nauw hoorbaar.
+
+"Die komt zeker uit het cachot," dacht de koetsier, terwijl hij een
+zweepslag aan de paarden gaf.
+
+
+
+
+V.
+
+Een ster in den duisteren nacht.
+
+
+Ibarra ging naar zijn kamer die op de rivier uitzag en liet zich in
+een leuningstoel neervallen, om door 't open raam te turen naar de
+wijde ruimte daar voor hem.
+
+In 't huis aan den overkant was licht en gerucht van vroolijke stemmen;
+als hij een tooneelkijker gehad had, zou hij er heel wat bijzonderheden
+van 't levendig schouwspel hebben kunnen waarnemen.
+
+Doch Ibarra zag niets van dat al: zijn oogen aanschouwden heel wat
+anders. Vier kale, vuile muren omsloten een kleine ruimte; in een
+daarvan was heel in de hoogte een getralied venster; op den walgelijk
+smerigen vloer een mat en op die mat lag een zieltogende grijsaard. De
+oude man, die moeilijk ademhaalde, wendde den blik overal heen en
+sprak schreiend een naam uit. Hij was alleen. Men hoorde nu en dan
+het gedruisch van een ketting of een gekreun door den wand heen... en
+dan daar heel in de verte een vroolijk feest, bijna een bacchanaal,
+een jongmensch lacht, schreeuwt, giet wijn over de bloemen onder
+toejuiching en opgewonden gelach der anderen. En de oude man had de
+trekken van zijn vader, het jongmensch leek op hem en de naam door
+den ouden grijsaard weenend uitgesproken was de zijne!
+
+De lichten in het huis aan den overkant werden uitgedaan, de muziek
+en het gedruisch hielden op, maar Ibarra hoorde nog de angstkreten
+van zijn vader, die den zoon zocht in zijn laatste ure.
+
+De stilte had haar hollen adem over Manila laten gaan en alles scheen
+te slapen in de armen van het niet. Men hoorde het hanengekraai
+afwisselen met de klokslagen der torens en met het klagelijk
+roepen van den druiligen schildwacht. Een stukje maan begon zich te
+vertoonen. Alles scheen te rusten, ja, zelfs Ibarra sliep ook reeds,
+wellicht vermoeid van de reis.
+
+Doch de jonge Franciskaan, die kort te voren onbeweeglijk en stil
+naar de liefelijke verschijning had gekeken--het jonge meisje, dat
+het middelpunt had uitgemaakt van 't feest aan den overkant--zonder
+aan de feestvreugde deel te nemen, sliep niet maar waakte. Met den
+elleboog op de vensterbank van zijn cel, het bleeke en magere gelaat
+geleund op de palm van zijn hand, staarde hij stil naar een verre
+ster, die daar schitterde aan den duisteren hemel. De ster verbleekte
+en verdween, de afnemende maan verloor haar flauwe glanzen, maar de
+monnik verroerde zich niet van zijn plaats: hij keek naar de verre
+kim, die wegzonk in de ochtendnevelen, naar het veld van Bagumbayan,
+naar de zee die nog lag te slapen.
+
+
+
+
+VI.
+
+Capitán Tiago.
+
+
+Uw wil geschiede hier op aarde! Capitán Tiago was kort van gestalte,
+licht van huidskleur, rond van lichaam en gelaat, dank zij een overmaat
+van vet. Dit had hij van den hemel gekregen volgens zijn bewonderaars,
+van 't bloed der armen volgens zijn vijanden. Zoo leek Capitán Tiago
+jonger dan hij werkelijk was. Men zou hem dertig of vijf-en-dertig
+jaar gegeven hebben. De uitdrukking van zijn gezicht was in den
+tijd waarin ons verhaal speelt, steeds welzalig. Zijn schedel rond,
+klein en bedekt met haar zoo zwart als git, lang van voren en heel
+kort van achteren bevatte, naar men zeide, heel wat binnen zijn
+bolte. Zijn kleine oogen--die echter niet schuin stonden--veranderden
+nooit van uitdrukking. Zijn neus was fijn en niet plat en ware zijn
+mond niet vervormd geworden door het misbruik van tabak en "boejo"
+(sirih)--waarvan de "sepah", samengedrukt binnenin zijn wang, de
+regelmaat van zijn trekken verstoorde--dan zouden we zeggen, dat
+hij zich gerust voor een knap man mocht houden en uitgeven, wat hij
+ook deed. In weerwil van dat misbruik hield hij zijn tanden echter
+steeds blank: zijn eigen en de twee die de tandmeester hem geleverd
+had tegen twee "duro's" 't stuk.
+
+Men hield hem voor een van de rijkste grondeigenaars van _Binondo_,
+en een van de voornaamste landheeren, door de terreinen die hij in
+_Pampanga_ en in de _Laguna de Bay_ bezat, vooral in 't dorp _San
+Diego_ waarvan de canon of de pacht met ieder jaar steeg. _San Diego_
+was zijn lieveling-plaats om zijn aangename baden, zijn beroemde
+"Gallera"--strijdperk voor hanen--en de herinneringen die hij ervan
+bewaarde; daar bracht hij op zijn minst twee maanden door.
+
+Capitán Tiago had veel eigen huizen in _Santo Cristo_, in de
+_Anloague_- en in de _Rosario_-straat. De opiumpacht was in zijn
+handen en in die van een Chinees, en het is onnoodig te zeggen dat
+ze er samen kolossale winsten uithaalden. Hij zorgde voor het eten
+der gevangenen van _Bilibid_, en voor "zacate"--een paardenvoeder
+uit verschillende grassoorten bestaande--aan veel voorname huizen
+van Manila, bij kontraktlevering natuurlijk. Op goeden voet met alle
+overheids-personen, handig, buigzaam, en zelfs vermetel, waar 't gold
+te speculeeren op den nood van zijn evenmensch, was hij de eenige en
+gevreesde mededinger van een zekeren Perez ter zake van verpachtingen
+en 't publiek verkoopen van allerlei baantjes en bedrijven, die
+het bestuur der Filippijnen steeds aan den zorg van particulieren
+overlaat. Zoodat in het tijdperk dezer gebeurtenissen Capitán Tiago
+een gelukkig man was, voorzoover in die landen een man met een kleine
+schedel gelukkig kan wezen: hij was rijk, was op voet van vrede met
+Onzen Lieven Heer, met het gouvernement en met zijn medemenschen.
+
+Dat hij op voet van vrede met God was, stond ontwijfelbaar vast, was
+bijna een dogma: er was geen enkel motief om niet wel met den goeden
+God te zijn, als men 't goed heeft op aarde, wanneer men nooit met Hem
+omgegaan heeft en Hem ook nooit geld geleend heeft. Hij had zich in
+zijn gebeden nooit tot Hem gewend, zelfs niet in zijn grootsten nood:
+hij was rijk en zijn goud bad wel voor hem. Voor missen en smeekbeden
+had God immers machtige en trotsche priesters geschapen; voor novenen
+en rozenkransen had God armen geschapen ten gunste van de rijken,
+arme luitjes die voor éen "peso" bereid zijn, om zestien "mysteriën"
+af te bidden en al de heilige boeken te lezen, tot zelfs den bijbel in
+'t Hebreeuwsch als je den prijs wat verhoogde. En zoo hij ook al eens
+in een erg noodgeval geestelijke hulp noodig en zelfs geen enkele
+roode Chineesche kaars bij de hand had, dan wendde hij zich tot de
+mannelijke en vrouwelijke heiligen van zijn devotie en beloofde hun
+veel, om ze te verplichten en ze geheel en al te overtuigen van de
+goedheid zijner bedoelingen en verlangens. Doch de heilige aan wie hij
+'t meeste beloofde en tegenover wie hij 't meest zijn beloften nakwam,
+was de Heilige Maagd van _Antipolo_, onze Lieve Vrouw van Vrede en
+Goede reis; want tegenover sommige kleine heiligen was de man noch
+bijzonder stipt noch strikt eerlijk: soms, wanneer hij gekregen had
+wat hij wenschte dacht hij niet meer aan hen--'t is waar, dat hij
+ze dan ook niet meer lastig viel als de gelegenheid zich daartoe
+voordeed. Capitán Tiago wist, dat er in den kalender veel werklooze
+heiligen te bevinden waren, die wellicht daar boven in den hemel
+niet wisten wat ze doen moesten. Bovendien schreef hij aan de Lieve
+Vrouw van _Antipolo_ grooter macht en baat toe dan aan al de andere
+Heilige Maagden. Die deur daar in de zaal, verborgen achter een zijden
+gordijn, leidt naar een kapelletje of "oratorio", dat in geen enkel
+Filippijnsch huis mag ontbreken: daar staan de huisgoden van Capitán
+Tiago. Daar ziet men beelden van de Heilige Familie met bovenlijf en
+ledenmaten van ivoor, oogen van glas, lange wimpers en blond haar,
+puik beeldhouwwerk van Santa Cruz. Olieverf-schilderijen van Paco en
+Hermita stellen martelingen van heiligen, wonderen van de Heilige
+Maagd enz. voor. Wie kan dat heirleger van beeltenissen opsommen
+en zeggen, welke glanzen en volmaaktheden daar in die schatkamer
+verscholen zijn? Er is daar ook een fraaie heilige Michaël van verguld
+en geschilderd hout, bijna een meter hoog: hij ziet er vreeselijk
+uit, draagt een Grieksch schild en zwaait in de rechterhand een
+Djolosche kris, klaar om den vrome of ieder ander die hem te na komt
+te treffen--zoo zou men zeggen--veeleer dan de gestaarte en gehoornde
+duivel, die zijn slagtanden in zijn juffer-been slaat. Capitán Tiago
+dorst hem nooit te naderen, zoo bang was hij voor een wonder. Had hij
+daar niet allerlei akeligheden van gelezen: je kon nooit weten. Capitán
+Tiago was een voorzichtig en godsdienstig man, hij kwam liever niet
+te dicht bij die kris van den heilige Michaël.
+
+Er ging geen jaar voorbij, dat Capitán Tiago niet met een orkest
+deelnam aan de bedevaart naar _Antipolo_: dan bekostigde hij twee
+dankmissen van de vele, die de "novenario's" vormden en de andere
+dagen vulden, waarop er geen novenario's waren. Daarna nam hij een bad
+in de beroemde _batis_ of bron, waar hetzelfde heilige beeld gebaad
+had. Daar bij die bron moest Capitán Tiago gebraden speenvarken eten,
+_sinigang_ van _dalag_ met bladeren van _alibambang_ [6] en andere
+min of meer smakelijke gerechten. De twee missen kwamen hem op iets
+meer dan vierhonderd peso's, maar dat was nog goedkoop als men naging,
+hoe de Moeder Gods geëerd werd met vuurzonnen, vuurpijlen, bommen en
+mortier-schoten; als men de groote winsten kon berekenen, die hij in
+den verderen loop van 't jaar, dank zij die missen, zou maken.
+
+Doch Antipolo was niet het eenige tooneel van zijn geruchtmakende
+vroomheid. Te Binondo, in Pampanga en in 't dorp San Diego zond hij
+aan den pastoor goudstukken voor gunstig-stemmende missen, wanneer hij
+daar een grooten inzet gedaan had op een haan, die er voor hem vechten
+moest. Capitán Tiago hield er zijn voorteekenen op na: hij lette op de
+vlam der kaarsen, op het opstijgen van den wierook-walm, op de stem
+van den priester enz., en uit den indruk, dien hij daarvan kreeg,
+maakte hij zijn winkansen op. 't Is algemeen bekend dat Capitán maar
+zelden een weddenschap verloor, en die enkele keeren was dat te wijten,
+of aan den dienstdoenden priester, die schor was, of 't kwam omdat
+er weinig lichten aan waren, dat de waskaarsen veel talk bevatten,
+of dat er een valsch geldstuk tusschen de gezonden munten voorkwam,
+enz., enz. Dat waren immers maar kleine beproevingen des hemels om
+hem vaster in 't geloof en in de devotie te maken. Bemind bij de
+pastoors, geëerbiedigd door de kosters, op de handen gedragen door de
+Chineesche kaarsen-verkoopers en vuurwerk-makers, was de man gelukkig
+in den godsdienst hier op aarde, en menschen van karakter en groote
+vroomheid schreven hem ook grooten invloed toe aan 't hemelsche Hof.
+
+Dat hij in vrede leefde met het bestuur, daar viel niet aan te
+twijfelen, hoe moeilijk de zaak ook leek. Niet in staat om een
+nieuwe gedachte te vatten of voor te stellen en tevreden met zijn
+"modus vivendi", was hij steeds bereid om te gehoorzamen aan 't
+alleronbeduidendst ambtenaartje, om geschenkjes te zenden bestaande in
+hammen, kapoenen, kalkoenen, Chineesche vruchten op alle tijden van
+'t jaar. Hoorde hij kwaad spreken van de inlanders, dan stemde hij,
+die zich niet tot hen rekende, dadelijk in met het koor en sprak nog
+erger kwaad; werd er kritiek geoefend op de Chineesche of Spaansche
+kleurlingen, dan kritizeerde hij hard mee; wellicht omdat hij zich
+voor een volbloed Spanjool hield. Hij was de eerste om iedere nieuwe
+belasting toe te juichen, vooral wanneer hij er een verpachting of
+kontraktje achter rook. Hij had altijd muziek-korpsen bij de hand
+om geluk te wenschen of serenades te brengen aan alle mogelijke
+gouverneurs, burgemeesters, fiskaals enz., enz., op hun heiligen-
+of jaardagen, bij geboorte of dood van een hunner bloedverwanten, in
+'t kort bij iedere kleine afwisseling in de gewone eentonigheid van
+hun bestaan. Daarvoor liet hij dan lofdichten en hymnen schrijven.
+
+Hij was voorzitter van de rijke vereeniging van kleurlingen. In
+de twee jaren van zijn bestuur werkte hij zich door tien "rokken",
+evenzooveel hooge hoeden en een half dozijn stokken; de rok en de
+hoed in den gemeenteraad, in _Malakanjang_ en in de kazerne; de hooge
+hoed en de rok bij het hanengevecht, op de markt, bij de processies,
+in de winkels der Chineezen. En onder zijn hoed en in zijn rok
+zweette Capitán Tiago door 't gezwaai met zijn stok met het kwastje,
+beredderde, regelde en ontredderde hij alles met een wonderbaarlijke
+bedrijvigheid en ernst, die nog wonderbaarlijker was. Zoo zagen de
+autoriteiten in hem een man bezield met den besten wil, vreedzaam,
+onderworpen, gehoorzaam, niet wars van onthalen en aanhalen, die
+nooit een enkel boek of tijdschrift uit Spanje las, ofschoon hij
+goed Spaansch sprak. Ze beschouwden hem met de gewaarwording, waarmee
+een arm student kijkt naar de afgesleten hak van zijn ouden schoen,
+scheefgetrokken door zijn manier van loopen.--Op hem waren de beide
+zaligsprekingen--christelijk en profaan--van toepassing: "zalig zijn
+de armen van geest" en "zalig zijn de bezitters." De onvromen hielden
+hem voor een zot, de armen voor een hardvochtig uitbuiter der ellende,
+en zijn ondergeschikten voor een dwingeland. En de vrouwen? Och, och,
+de vrouwen! Laster-geruchten gonsden in de armzalige _nipah_-huisjes
+en men verzekert dat er daar klachten en snikken gehoord werden,
+vermengd nu en dan met het gekrijt van een kind. Meer dan één jong
+meisje werd met den vinger smadelijk nagewezen door de dorpsmenschen:
+ze kijkt met doffen blik en haar boezem is verwelkt. Doch deze dingen
+benamen hem den slaap niet. Geen enkel jongmeisje roofde hem zijn rust:
+'t was een oudje, dat hem lijden deed, een oudje dat hem concurrentie
+aandeed in de vroomheid en dat van de pastoors meer geestdriftige
+loftuitingen en vleitaal verdiend had dan hij in zijn beste dagen
+had kunnen verwerven.
+
+Tusschen Capitán Tiago en deze weduwe, erfgename van broeders en
+neven, bestond een heilige wedijver die der kerk tot heil strekte,
+evenals de concurrentie der stoombooten van Pampanga toentertijd ten
+goede kwam aan het publiek.
+
+Gaf Capitán Tiago een zilveren stok met smaragden en topazen aan
+de een of andere Heilige Maagd, wel dan was Doña Patronicio al aan
+'t bestellen van een ander van goud met diamanten bij den juwelier
+Gadáunez. Richtte Capitán Tiago voor de processie van kerstmis
+een eereboog op met twee vlakken, van opgebold doek met spiegels,
+glazen ballons, lampen en kronen, dan wist Doña Patronicio er voor
+een te zorgen met vier vlakken, twee el hooger, met meer behangsels en
+sieraden. Doch dan nam hij zijn toevlucht tot zijn specialiteit: tot de
+missen met bommen en vuurwerk, en dan moest Doña Patronicio met haar
+tandvleesch op haar lippen bijten; want, daar ze erg zenuwachtig was,
+was ze niet in staat het klokken-gelui en nog minder het geknal van
+'t vuurwerk te verdragen. Terwijl hij in zijn vuistje lachte, zon zij
+op wraak en betaalde met het geld van anderen de beste redenaars van de
+vijf corporaties te Manila, de beroemdste kanunniken der kathedraal en
+zelfs de Paulisten, om op de plechtige dagen over theologische en zeer
+diepzinnige onderwerpen te prediken tot de zondaren, die alleen wat
+straat-Spaansch verstonden. Geen wonder dat Capitán Tiago haar uit den
+grond van zijn hart het verlies van vijf of zes van haar processen of,
+nog liever, een zalig maar spoedig uiteinde toewenschte. Maar ze had
+goede advokaten en een gezondheid, waar geen ziekte vat op had. Als ze
+ooit heilig verklaard werd--wat haar vereerders vast geloofden--dan
+was Capitán Tiago bereid haar zelfs aan de altaren te aanbidden,
+mits ze maar spoedig hemelwaarts trok.
+
+Zoo was Capitán Tiago toen. Wat zijn verleden aangaat, hij was de
+eenige zoon van een suikerplanter van Malabón, tamelijk welgesteld,
+maar zoo gierig dat hij geen rooie duit wilde uitgeven voor de
+opvoeding van zijn zoon. Daarom werd de kleine Santiago bediende bij
+een goeden dominikaan, een zeer deugdzaam man, die hem al het goede dat
+hij kon en wist, trachtte te leeren. Toen hij juist aan de studie van
+"de logica" zou beginnen, stierf zijn beschermer en kort daarop zijn
+vader, zoodat er een eind kwam aan zijn studiën. Toen moest hij zich
+aan de zaken wijden. Hij trouwde met een mooi meisje uit Santa Cruz,
+dat hem hielp fortuin maken en hem zijn maatschappelijke positie
+gaf. Doña Pia Alba vergenoegde zich niet met het opkoopen van suiker,
+koffie en indigo: ze woû zaaien, en zoo kocht het nieuwe echtpaar grond
+in San Diego. Van dien tijd dateerde zijn vriendschap met pater Dámaso
+en met Rafael Ibarra, toenmaals de rijkste kapitalist van 't dorp.
+
+Het uitblijven van een erfgenaam in de eerste zes jaren van zijn
+huwelijk maakte van dat streven naar rijkdom bijna een laakbare
+eerzucht, en toch was Doña Pia welgevormd, sterk en gezond. Hij
+probeerde van alles: liet missen lezen, bezocht heilige plaatsen,
+gaf aalmoezen en meer zoo, maar alles te vergeefs. Totdat Fray Dámaso
+hem aanraadde naar _Obando_ te gaan; daar danste hij 't feest van San
+Pascual Bailón en vroeg om een zoon. 't Is bekend dat er te _Obando_
+een Drievuldigheid is, die zoons en dochters schenkt ter keuze: Onze
+lieve Vrouw van _Salambau_, de heilige Clara en San Pascual. Dankzij
+deze wijze raad, voelde Doña Pia, dat ze moeder zou worden.... Ach,
+'t ging haar als de visscher uit Macbeth, die ophield met zingen,
+toen hij een schat gevonden had: zij verloor haar vroolijkheid, werd
+bedroefd en men zag haar niet meer lachen. Och, allemaal grilletjes van
+een zwangere! zei iedereen, tot zelfs Capitán Tiago. Een kraamkoorts
+maakte een einde aan haar droefheid, terwijl ze een mooi dochtertje
+als weesje achterliet. Fray Dámaso hief het zelf ten doop. En daar San
+Pascual niet de jongen geschonken had, waarom hij gevraagd was, gaven
+ze haar de namen _Maria Clara_ ter eere van de Maagd van Salambau
+en Santa Clara, terwijl San Pascual Bailón tot straf verloochend
+werd. Het meisje groeide op onder de verzorging van tante Isabel,
+de pater vereerende oude, die wij in 't begin van ons verhaal hebben
+ontmoet. Ze woonde het grootste deel van 't jaar te San Diego om het
+gezonde klimaat, en daar vertroetelde Fray Dámaso zijn petekind. Maria
+Clara had niet de kleine oogen van haar vader: evenals haar moeder
+had zij ze groot, donker, overschaduwd door lange wimpers, vroolijk
+en lachend wanneer ze speelde, droevig, diep en peinzend wanneer ze
+stemmig keek. Als kind had haar lokkig haar een bijna blonde tint. Haar
+neus was zuiver geteekend en noch scherp noch plat; de mond herinnerde
+aan de kleine en bevallige van haar moeder, met de snakige kuiltjes
+in de wangen. Haar huid had de fijnheid van een uie-schilletje en
+de witheid van katoen, zooals haar dolverliefde familieleden zeiden,
+die de trek van Capitán Tiago's vaderschap herkenden in Maria Clara's
+kleine en welgevormde ooren.
+
+Tante Isabel schreef die eigenaardigheden toe aan
+zwangerschaps-invloeden bij Doña Pia: ze herinnerde zich dat ze
+haar in de eerste maanden herhaalde malen had zien schreien voor
+de beeltenis van den heiligen Antonius. Een andere nicht van Capitán
+Tiago was van hetzelfde gevoelen: alleen verschilde die in de keuze van
+heilige. Voor haar was het òf de Heilige Maagd, òf Sint Michaël. Een
+beroemd wijsgeer, neef van Capitán Tiago, en die zijn Amat [7] uit
+het hoofd kende, zocht de verklaring in planeet-invloeden.
+
+Maria Clara, afgod van iedereen, groeide op onder lachjes en
+liefkozingen. Zelfs de geestelijke broeders vertroetelden haar,
+wanneer ze haar bij de processies in 't wit kleedden, haar weelderige
+lokkentooi doorstrengeld met _tjempaka's_ en leliën, met twee zilveren
+en gouden vleugeltjes aan den rug van haar kleedje en twee witte duiven
+met blauwe lintjes vastgemaakt, in de hand. En dan was ze zoo vroolijk,
+ze kon zoo echt kinderlijk babbelen, dat Capitán Tiago buiten zich
+zelve van liefde voor haar, niet ophield met de heiligen van Obando
+te zegenen en iedereen aan te raden er zich mooie beeldjes van aan
+te schaffen.
+
+In tropische landen wordt een meisje van dertien of veertien jaar
+vrouw, gelijk de bloemknop, die 's nachts nog gesloten den volgenden
+ochtend reeds bloem is. In dit overgangstijdperk vol mysteriën en
+romantisch gedweep ging Maria Clara op raad van den pastoor van
+_Binondo_ naar de kloosterschool van Santa Catalina, om van de
+nonnen daar een strenge, godsdienstige opvoeding te erlangen. Met
+tranen nam ze afscheid van pater Dámaso en van den eenigen vriend
+met wien ze in haar kindsheid gespeeld had, van Crisóstomo Ibarra,
+die daarna ook naar Europa vertrok. Daar in het klooster, dat met de
+buitenwereld slechts verbinding had door een dubbel tralie-werk vóór
+de vensters en dan nog alleen onder toezicht van de "waakzuster",
+bracht ze zeven jaar van haar leven door.
+
+Ieder met zijn bijzondere oogmerken en de wederzijdsche genegenheid
+der jongelieden begrijpende, kwamen don Rafael en Capitán Tiago
+overeen hun kinderen te laten trouwen en vereenigden ze zich onder een
+firma. Deze gebeurtenis, die plaats had eenige jaren na het vertrek
+van den jongen Ibarra, werd met gelijken jubel gevierd door twee
+harten, die elk in een uiteinde der wereld en in zeer verschillende
+omstandigheden verkeerden.
+
+
+
+
+VII.
+
+Idylle op een plat dak.
+
+
+Tante Isabel en Maria Clara waren dien morgen vroeg naar de mis gegaan;
+deze smaakvol gekleed, met een rozenkrans van blauwe kralen, die haar
+half als armband diende en de ander met haar bril op, om gedurende
+het Heilige Offer het "Anker der Redding" te lezen.
+
+Nauw was de priester van 't altaar verdwenen of het jonge meisje gaf
+haar verlangen te kennen om heen te gaan, tot groote verwondering en
+ergernis der goede tante, die haar nichtje voor vroom en bidvaardig
+hield, niet minder dan een non. Morrend en onder 't slaan van kruisjes
+stond de goede oude op.
+
+"Och, de goede God zal 't wel vergeven. Hij zal 't hart van de
+jonge meisjes wel beter kennen dan u, tante," had de ander tot haar
+gezegd, om een einde te maken aan haar strenge, hoewel tenslotte
+moederlijk-bedoelde verwijten.
+
+Nu waren ze bedaard en Maria Clara gaf afleiding aan haar ongeduld
+met het haken van een zijden beursje, terwijl tante de sporen van
+'t afgeloopen feest wilde uitwisschen en haar veeren stoffer begon
+te hanteeren. Capitán Tiago was bezig wat papieren na te kijken en
+door te lezen.
+
+Ieder gedruisch op straat, ieder rijtuig dat voorbijkwam, deed den
+boezem van 't meisje popelen en beven. Ach, nu wou ze wel weer in
+'t rustige klooster wezen, onder haar vriendinnen! Daar kon ze "hem"
+ten minste zonder angst of verlegenheid te zien krijgen....
+
+"Ik geloof, Maria, dat de dokter gelijk heeft," zei Capitán Tiago. "Je
+moet naar boven, je bent erg bleek, je hebt verandering van lucht
+noodig. Wat dunkt je, _Malabón_....of _San Diego_?"
+
+Bij dezen laatsten naam werd Maria Clara zoo rood als een klaproosje
+en kon ze niet antwoorden.
+
+"Je moet nu maar met tante Isabel naar de kloosterschool gaan om
+je kleeren te halen en afscheid te nemen van je vriendinnen," ging
+Capitán Tiago voort, zonder 't hoofd op te heffen, "je gaat er daarna
+niet meer heen."
+
+Maria Clara voelde dien vagen weemoed, welke zich meester maakt over
+de ziel, wanneer men voor altijd een oord gaat verlaten, waar men
+gelukkig geweest is, doch een andere gedachte verdreef die smart.
+
+"En over vier of vijf dagen, wanneer je je goed hebt, gaan we naar
+Malabón.... je peetvader is niet meer in _San Diego_. De pastoor,
+dien je gisteravond hier gezien hebt, die jonge pater, is de nieuwe
+pastoor dien we daar nu hebben. 't Is een heilige."
+
+"San Diego staat haar beter aan, neef!" merkte tante Isabel
+op. "Bovendien hebben we daar een beter huis en het feest is op komst."
+
+Maria Clara had haar tante wel willen omhelzen, maar ze hoorde een
+rijtuig stilstaan, en werd bleek.
+
+"O ja, dat is waar!" antwoordde Capitán Tiago en van toon veranderend,
+hervatte hij:
+
+"Don Crisóstomo!"
+
+Maria Clara liet het werkje vallen, dat ze in de hand had; ze
+wilde opstaan, maar ze kon niet, een zenuwachtige huivering ging
+haar door 't lichaam. Men hoorde stappen op de trap en daarna een
+heldere mannelijke stem. Als had die stem tooverkracht bezeten,
+onttrok het jongemeisje zich aan haar ontvoering en liep hard weg,
+om zich te verschuilen in het bidkapelletje, waar de heiligenbeelden
+stonden. Neef en nicht begonnen te lachen en Ibarra hoorde nog het
+gedruisch van een deur die gesloten werd.
+
+Bleek, snel ademend, drukte het jongemeisje de handen op haar
+popelenden boezem en wilde luisteren. Ze hoorde de stem, die zoo
+geliefde stem, die ze nu al zoolang alleen in haar droomen gehoord
+had. Hij vroeg naar haar. Dol van vreugde kuste ze den heilige, die
+'t dichtst bij de hand stond, den heiligen Antonius. Daarna zocht
+ze een gaatje om naar hem te kijken, hem op te nemen; ze zag door
+'t sleutelgat, dat hij glimlachte en toen haar tante haar in haar
+aanschouwing stoorde, sloeg ze, zonder goed te weten wat ze deed,
+haar armen om den hals van 't oudje en overstelpte haar met kussen.
+
+"Maar, dwaas kind, wat scheelt je?" kon de oude ten slotte uitbrengen,
+terwijl ze een traan uit haar verwelkte oogen wegpinkte.
+
+Maria Clara werd verlegen en bedekte zich de oogen met haar molligen
+arm.
+
+"Kom, maak je klaar, gauw!" voegde de oude op hartelijken toon eraan
+toe, "terwijl hij met je vader over jou spreekt... kom, laat hem niet
+op je wachten."
+
+De jonge vrouw liet zich leiden als een kind en beiden sloten zich
+op in haar kamer.
+
+Capitán Tiago en Ibarra waren in levendig gesprek toen tante Isabel
+verscheen, die haar nichtje half met zich meesleepte, terwijl deze
+overal heen keek, behalve naar de menschen.
+
+Zij en de jonge man wisselden daarna slechts één blik: hun ontroering
+vond geen woorden.
+
+En daarna, toen het verliefde paartje, vluchtend voor den stoffer
+van tante Isabel die zich weer roerde, naar het platte dak ging om
+vrij te praten, wat vertelden ze elkaar toen daar tusschen de kleine
+klimop-leidingen, zoodat gij ervan huiverdet, roode bloempjes van 't
+"engelen haar"? Vertelt het, gij die geuren in uw adem, kleuren op uw
+lipjes hebt; gij zefir die vreemde melodieën leerdet in 't geheim van
+den duisteren nacht, in 't mysterie onzer maagdelijke wouden; vertelt
+het, zonnestralen, schitterende openbaring des Eeuwigen op aarde,
+eenig onstoffelijk wezen in de wereld van materie, vertelt het, gij,
+want ik vind niets dan prozaïsche malligheid!
+
+Maar nu gij niet wilt, zal ik 't zelf toch maar probeeren.
+
+De hemel was blauw. Een frisch windje, dat niet naar rozen rook, bewoog
+de bladeren en bloemen der klimplanten--daarom huiverde het "engelen
+haar"--de glazen ballons, de gedroogde visschen en de Chineesche
+lampen. Het geplas van een "sagoean" (roei-riem uit één stuk hout)
+in de troebele wateren der rivier, het rollen der rijtuigen en karren
+over de _Binondo_-brug drongen duidelijk tot hen door; maar niet wat
+de tante mompelde:
+
+"Heel goed zoo, daar worden jullie door de heele buurt in 't oog
+gehouden", zeide zij.
+
+In 't eerst zeiden ze alleen maar dwaasheden, die zoete dwaasheden
+veel gelijkend op grootspraak voor de Europeesche menschen; smakelijk
+als honig voor de lieden van 't land, maar lach- of ergernis-wekkend
+voor vreemdelingen.
+
+"Heb je altijd aan me gedacht?" vraagt zij jaloersch. "Heb je me
+op je vele reizen niet vergeten? Zooveel groote steden met zooveel
+mooie vrouwen!"....
+
+Hij weet de vragen te ontwijken en is een beetje vrij met de waarheid.
+
+"Zou ik je kunnen vergeten?" antwoordt hij, terwijl hij verrukt
+in haar donkere pupillen staart. "Kon ik ooit een heilige belofte
+schenden? Herinner je je dien stormachtigen nacht nog wel toen je me
+zoo alleen zag schreien bij 't lijk van mijn moeder en je naar mij
+toekwam, je hand op mijn schouder lei--je hand, die je me al een heelen
+tijd niet toeliet vast te houden--en dat je toen tegen me zei: 'Gij
+hebt je moeder verloren: ik heb er nooit een gehad'... en dat je toen
+samen met me schreide? Jij hield van haar en zij van jou als van een
+dochter. Buiten regende en donderde het, maar 't was me of ik muziek
+hoorde, alsof ik het bleeke gezicht van de doode zag glimlachen.... O,
+als mijn ouders nog leefden... en je konden zien! Ik greep toen
+je hand en die van mijn moeder, ik zwoer je lief te hebben en je
+gelukkig te zullen maken, welk lot me ook door den hemel beschoren
+zou worden. Die eed heeft me nooit bezwaard, en daarom vernieuw ik
+dien nu. Kon ik je vergeten? Je leek me daar in 't verre Europa mijn
+fee, de geest, de dichterlijke vleeschwording van mijn vaderland,
+mooie, eenvoudige, kinderlijke dochter van 't Filippijnsche land, 't
+heerlijke land, dat de deugden van 't Spaansche moederland vereenigt
+met de schoone eigenschappen van een jong volk, zooals zich in jouw
+wezen al het schoone van beide rassen vereenigt. Daarom smelten de
+liefde voor jou en die ik mijn vaderland toedraag inéén. Hoe kon ik
+je vergeten? Overal stond je beeld me voor den geest, overal was
+'t of ik je naam hoorde. Waar ik ook was, in Duitschland met zijn
+koude winters, zijn lange nachten en schemeravonden, in 't zonnig
+Italië en de heerlijke landschappen van Andaloezië, waar de lucht
+vol is van geuren, waar overal oostersche herinneringen zweven,
+daar spraken me al de poëzie en al de kleurenpracht van jouw liefde..."
+
+"Ik heb niet zooveel gereisd als jij: ik ken alleen Manila
+en Antipolo--jouw land," antwoordde zij glimlachend; "maar van
+'t oogenblik dat ik je vaarwel zei en naar 't klooster ging, heb ik
+altijd aan je gedacht en ik heb je niet vergeten, wat mijn biechtvader
+me ook beval en welke boetedoeningen die me ook oplegde. Ik herinner
+me alles van onze spelen, van onze ruzies, toen we kleine kinderen
+waren. Herinner je je nog dien keer, toen je werkelijk boos waart? Ik
+vond het toen vreeselijk, maar later in 't klooster lachte ik erom en
+verlangde er naar, dat ik weer 's zoo ruzie met je kon hebben... om dan
+daarna weer goede vrienden te worden. Weet je nog toen we met je moeder
+samen in dat beekje gingen baden? Jij was, toen ik de mooie vlinders
+achterna liep, ineens weg en toen je terugkwam had je een krans van
+blaren en bloemen bij je; dien zette je op mijn hoofd en noemde me
+Cloë. Ik maakte er toen ook een voor jou van klimop. Maar je moeder
+pakte gauw mijn krans, wreef die fijn met een steen, samen met de
+'gogo'--een soort 'merang'--waarmee ze onze hoofden zou wasschen. Jij
+kreeg tranen in de oogen en zei, dat zij niets van de mythologie
+begreep. 'Och, domme jongen,' antwoordde je moeder toen, 'je zult
+merken, hoe lekker je haren straks zullen ruiken.' Ik begon te lachen,
+jij waart boos, je wou niet met me praten en de rest van den dag keek
+je zoo ernstig, dat ik wel lust had om te huilen. Toen we teruggingen
+naar 't dorp en de zon zoo vreeselijk brandde, plukte ik salie-blaren
+voor je, die aan den kant van den weg groeiden en ik gaf je die,
+om ze in je hoed te doen, dat je geen hoofdpijn zou krijgen. Toen
+lachte je weer, ik greep je hand en we waren weer goeie maatjes."
+
+Ibarra keek erg gelukkig, haalde zijn zak-portefeuille voor den dag en
+nam er een papier uit, waarin een paar zwartachtige droge en geurige
+blaadjes ingepakt waren.
+
+"Jouw salie-blaadjes!" antwoordde hij op haar blik.
+
+"Dat 's alles wat je me ooit gegeven hebt."
+
+Zij haalde op haar beurt snel een zakje van wit satijn uit haar boezem.
+
+"Afblijven!" riep ze, en gaf hem een tik op zijn hand.
+
+"Niet aankomen: dat 's een afscheidsbrief."
+
+"Is het de brief, dien ik je voor mijn vertrek geschreven heb?"
+
+"Heb je me soms ooit een andere geschreven, mijn heer?"
+
+"En wat had ik je daarin te vertellen?"
+
+"O, 'n boel fopperij!" antwoordde zij lachend, terwijl ze te kennen
+gaf hoe welgevallig haar die leugentjes waren. "Stil! ik zal je den
+brief voorlezen, maar ik zal je verliefderigheden maar overslaan,
+om je te sparen."
+
+En het blad papier op de hoogte van haar oogen houdende, om te maken,
+dat de jongeman haar gezicht niet zag begon ze:
+
+"Mijn... ik lees niet wat er nu volgt, want dat is een leugentje,"
+en ze doorliep eenige regels met de oogen. "Mijn vader staat erop,
+dat ik vertrekken zal, in weerwil van mijn smeeken.--"Je bent nu
+een man, heeft hij tot me gezegd, je moet de wetenschap van 't leven
+leeren: die kan je eigen land je niet geven; dan kun je later nuttig
+zijn voor je vaderland. Als je bij mij blijft, in deze atmosfeer van
+vooroordeelen, zal je gezichtskring nooit ruim worden. En wanneer je
+eenmaal alleen staat, zal je gaan als de plant, waarvan onze dichter
+Baltasar spreekt: "Opgegroeid in 't water, verwelken haar bladeren,
+zoodra men ze maar een korten tijd niet begiet. Een oogenblik van
+hitte doet haar verdorren." Wel, kijk, je bent bijna een jonge man,
+en je schreit nog!"--Dit verwijt trof me en ik bekende, dat ik je
+liefhad. Mijn vader zweeg, dacht even na en zijn hand op mijn schouder
+leggend, zeide hij me met bevende stem: "Denk je, dat jij alleen kunt
+liefhebben, dat je vader niet van jou houdt en 't niet naar vindt van
+je te scheiden? Kort geleden hebben we je moeder verloren. Ik word al
+zoetjes-aan oud, en ik kom zoo op den leeftijd, dat men den steun en
+de troost aan de jeugd zoekt. En toch aanvaard ik mijn eenzaamheid,
+al weet ik ook, dat ik je misschien nooit terugzie. Maar ik moet aan
+dingen van grooter belang denken... De toekomst opent zich voor je,
+voor mij gaat ze sluiten. Jouw liefdesleven begint net, 't mijne gaat
+verdwijnen. Bij jou kookt het bloed in de aderen, bij mij dringt de
+koude erin. En toch schrei je, en kun je 't heden niet opofferen voor
+een morgen, die nuttig kan wezen voor jou en voor je land!"--Mijn
+vaders oogen vulden zich met tranen, ik viel voor hem op de knieën,
+omhelsde hem, vroeg hem om vergiffenis en zeide hem dat ik bereid
+was te vertrekken."
+
+Ibarra's ontroering belette haar verder te lezen: de jongeman
+was bleek, en stapte van 't eene uiteinde van het platte dak naar
+'t andere.
+
+"Wat scheel je? wat is er?" vroeg zij hem.
+
+"Jij hebt me doen vergeten, dat ik mijn plichten heb, dat ik nu
+dadelijk naar 't dorp moet vertrekken. Morgen is het Allerzielen."
+
+Maria Clara zweeg, zag hem een oogenblik met haar groote droomoogen
+aan en een paar bloemen plukkende zeide ze aangedaan:
+
+"Ga, ik hou je niet tegen. We zien elkaar over eenige dagen terug! Leg
+die bloemen op 't graf van je vader!"
+
+Eenige oogenblikken later ging de jongeling de trap af, vergezeld
+door Capitán Tiago en tante Isabel, terwijl Maria Clara zich in het
+bidkapelletje opsloot.
+
+"Wees zoo goed aan Andeng te zeggen dat ze het huis in orde moet
+maken want Maria en Isabel komen gauw! Goeie reis!" zeide Capitán
+Tiago, terwijl Ibarra in 't rijtuig stapte, dat daarop wegreed in de
+richting van het San Gabriël-plein.
+
+En toen zeide hij bij wijze van troost tot Maria Clara, die lag te
+schreien naast een beeld van de Heilige Maagd:
+
+"Kom, steek twee kaarsen van twee realen aan, de één ter eere
+van San Rogue en de ander voor San Rafael, de schutspatroon der
+reizigers! Steek ook de lamp aan van onze Lieve Vrouw van Vrede en
+Goede Reis, want er zijn een boel _toelisan's_ (roovers). 't Is beter
+nu vier realen te besteden aan was en zes voor olie dan later een
+bom duiten te moeten uitgeven als losgeld."
+
+
+
+
+VIII.
+
+Herinneringen.
+
+
+Ibarra's rijtuig reed door de drukste buitenwijk van Manila. Wat
+hem den vorigen nacht droevig gestemd had, deed hem nu bij daglicht
+ondanks zichzelf glimlachen.
+
+De levendigheid, die zich overal vertoonde, zooveel rijtuigen die
+daar hoen en weer voorbijschoten, de vrachtkarren, de kalessen, de
+Europeanen, de Chineezen, de inlanders, ieder in zijn kleederdracht,
+de fruitverkoopers, de makelaars, de naakte sjouwers, de stalletjes
+met eetwaren, de hôtels, "de restaurants", de winkels, tot zelfs de
+zware karren getrokken door de onverstoorbare onverschillige buffels,
+die er pleizier in schenen te hebben al filosofeerend vrachten voort
+te slepen, alles, 't gedruisch, de bedrijvigheid, ja zelfs de zon,
+een zekere bijzondere lucht die er hing, de bonte kleuren, wekten in
+zijn gedachten een wereld van sluimerende herinneringen.
+
+De straten waren nog ongeplaveid. Twee dagen achtereen scheen de
+zon, en de begane grond zette zich om in stof, dat alles bedekte,
+de voorbijgangers deed hoesten en hun oogen blind maakte; 't regende
+een dag en er ontstond een moeras, dat 's avonds de rijtuiglantaarns
+weerspiegelde, en ze op vijf meter afstand op de smalle wandelpaden
+bespatte. Hoeveel vrouwen hadden er niet in die moddergolven hun
+geborduurde muiltjes laten steken!
+
+Men zag toen een rij dwangarbeiders langs de straat gaan, met geschoren
+hoofd, gekleed in een hemd met korte mouwen en een broekje tot aan
+de knieën met nummers en blauwe letters erop; aan de beenen hingen
+kettingen, half gewikkeld in vuile lappen om de schuring of wellicht
+de koude van 't ijzer te ontgaan; twee aan twee aan elkaar verbonden
+door een touw, geblakerd door de zon, op van hitte en vermoeienis,
+aangedreven en geranseld met een stok door een anderen dwangarbeider,
+voor wien 't wellicht een troost was, dat hij op zijn beurt anderen
+kon mishandelen.
+
+Het waren lange mannen, met sombere gelaatstrekken, waarop hij nog
+nooit de opflitsing van een lach gezien had; hun oogen echter schoten
+vonken, telkens wanneer de stok zwiepend op hun schouders neerkwam,
+of wanneer een voorbijganger hun een half afgebrand en afgezogen
+eindje sigaar toewierp; de dichtst bij zijnde greep het en verborg
+het in zijn _salákot_, [8] de overigen keken met een zonderlinge
+blik naar de andere voorbijgangers. Het was Ibarra als hoorde hij
+nog het gedruisch dat ze maakten bij 't stukslaan van steenen, om
+de kuilen op straat aan te vullen en 't vroolijk tingelen der zware
+voetboeien aan hun gezwollen enkels. Hij herinnerde zich huiverend
+een tooneel, dat op zijn kinderlijke verbeelding een diepen indruk
+gemaakt had: het was middag en de zon liet haar gloeiende stralen
+loodrecht neervallen. In de schaduw van een houten kar lag een
+dier mannen, levenloos met halfgeloken oogen. Twee anderen waren
+zwijgend bezig een rotan draagbaar klaar te maken, zonder toorn,
+zonder smart, zonder ongeduld, zooals 't eigenaardig karakter der
+inboorlingen meebrengt.--"Vandaag jij, morgen wij," zeiden ze zeker
+bij zichzelven. De menschen liepen haastig voorbij zonder er acht op
+te slaan; de vrouwen gaven onderweg één blik en gingen verder. Het
+schouwspel was zoo gewoon, het had de harten ongevoelig gemaakt. De
+rijtuigen snorden voorbij en weerkaatsten op hun glanzend vernis de
+stralen dier schitterende zon in den wolkenloozen hemel. Hij alleen,
+de elf-jarige knaap, zoo pas uit het dorp gekomen, was ontroerd en
+de volgende nacht kreeg hij alleen er een nachtmerrie van.
+
+De goede eerwaardige _Puente de Barcas_, die echt-Filippijnsche brug,
+die al haar best deed om te dienen, in weerwil van haar natuurlijke
+onvolkomenheden, die zich ophief en weer neerzakte al naar de grillen
+der _Pasig_-rivier, en door deze meer dan eens gebeukt en vernield.
+
+De amandel-boomen der _Plaza de San Gabriel_ waren niet grooter
+geworden, ze bleven achterlijk in hun groei.
+
+De _Escolta_-straat leek hem fraaier, al nam ook een groot gebouw met
+steunbeelden de plaats in van haar oude _camarines_--de lage gebouwtjes
+met de Chineesche winkels erin. De _Puente de España_, een nieuwe brug,
+trok zijn aandacht. De huizen aan den rechteroever der rivier tusschen
+rietbosschen en geboomte, daar ginds waar de Escolta eindigt en het
+eiland _Isla del Romero_ begint, brachten hem de frissche ochtenden
+in herinnering, toen hij daar met zijn vrienden voorbijvoer in een
+_banca_--een klein nauw schuitje--om naar de baden van _Ulf Ulf_
+te gaan.
+
+Hij kwam tal van rijtuigen tegen, getrokken door prachtige spannen
+dwergpaarden: binnenin zaten ambtenaren die nog half slapend
+naar hun bureau gingen, militairen, Chineezen, in patserige en
+potsierlijke houdingen, deftige monniken, kanunniken enz. In een
+smaakvolle victoria meende hij Padre Dámaso te herkennen--ernstig en
+met gefronste wenkbrauwen. Maar deze was al voorbij en thans groette
+hem vroolijk uit zijn rijtuig Capitán Tinong die daar met vrouw en
+beide dochters aankwam.
+
+Bij 't afgaan van de brug zetten de paarden er den draf in,
+koersnemende naar de wandelplaats _de la Sabana_. Links klonk uit de
+sigaren-fabriek van Arroceros het gebeuk der sigaren-maaksters op de
+tabaks-blaren. Ibarra kon niet nalaten te glimlachen, toen hij zich
+dien sterken geur herinnerde, om vijf uur in de namiddag de Puente de
+Barcas omzwevend en die hem als kind misselijk maakte. Het levendige
+gepraat, de kwinkslagen die hij hoorde, voerden werktuigelijk zijn
+verbeelding naar de wijk Lavapiés te Madrid met haar sigaren-maaksters,
+die er zoo vaak opstootjes maken!
+
+De botanische tuin verjoeg zijn lachende herinneringen. Ibarra keek
+een anderen kant uit--'t was een treurig schouwspel vergeleken bij wat
+hij elders, ook in andere koloniën gezien had. Hij keek naar rechts,
+en daar zag hij 't oude Manila, nog omringd door zijn vestingwerken
+en grachten als een armbloedig jongmeisje in een japon uit de dagen
+van haar grootmoeder.
+
+Hij zag in de verte de zee, en dacht aan 't verre Europa met de
+geestelijk-ontwikkelde volkeren, die 't stoffelijke niet veroordeelen
+en niettemin geestelijk meer zijn dan die welke zich erop laten
+voorstaan, dat ze 't geestelijke vereeren!...
+
+De heuvel, eenigszins afgezonderd staande naast de wandelplaats _de
+la Luneta_ [9], trok thans zijn aandacht.
+
+Hij dacht aan den man, die hem de oogen zijns geestes geopend had,
+die hem het goede en rechtvaardige had leeren begrijpen. De denkbeelden
+die hij hem bijgebracht had waren niet veel, dat is waar, maar 't waren
+geen ijdele napraterijen, 't waren overtuigingen die niet verbleekten
+in 't licht der schitterendste brandpunten van vooruitgang. Die man
+was een oude geestelijke en de woorden, die hij bij zijn afscheid
+tot hem gesproken had, weerklonken nog in zijn ooren: "Vergeet niet,
+dat als de wetenschap het erfdeel van de menschheid is, alleen de
+moedigen die erven", had hij vermaand. "Ik heb getracht je bij te
+brengen wat ik zelf van mijn leermeesters heb ontvangen. Ik heb dat
+kapitaal trachten te vermeerderen zooveel ik maar kon, en ik geef
+het over aan het komende geslacht. Jij moet hetzelfde doen met wat
+jou te beurt valt en jij zult het kunnen verdrievoudigen, want je
+gaat naar zeer rijke landen." En hij voegde er toen lachend aan toe:
+"Zij komen hier om goud te zoeken, gaan jullie ook naar hun land om een
+ander soort goud te zoeken, waarvan wij hier niet genoeg hebben. Maar
+vergeet daarom niet, dat niet alles goud is wat er blinkt." Die man
+was daar gestorven.
+
+Op deze herinneringen antwoordde hij bij zichzelf:
+
+"Nee, in weerwil van alles, bovenal het vaderland, bovenal de
+Filippijnen, dochter van Spanje, bovenal het Spaansche vaderland! Nee,
+wat het noodlot ook gewild heeft, dat bezoedelt het vaderland niet,
+nee!"
+
+Zijn aandacht werd niet getrokken door _la Ermita_--de kluizenarij--die
+fenix van "nipah", welke zich uit zijn as verheft in den vorm
+van wit-en-blauw geschilderde huizen, overdakt met rood-geverfd
+zink. Noch werden zijn blikken afgeleid naar _Malate_, noch naar de
+cavalerie-kazerne met haar boomen voor, noch naar de bewoners, noch
+naar de nipah-huisjes met meer of min pyramide- of prisma-vormige
+daken, verborgen tusschen pisang- en pinang-boomen, gebouwd als de
+vogelnestjes door iedere huisvader voor zich.
+
+Het rijtuig rolde verder: men kwam een vrachtkar tegen getrokken
+door een of twee paarden, welker tuig van Manila-hennep de provincie
+verraadde. De karrevoerder trachtte een blik te werpen op den reiziger
+in 't mooie rijtuig en ging voorbij zonder een woord en zonder een
+enkele groet. Nu en dan verlevendigde een kar getrokken door enkele
+log en onverschillig voortsjokkende karbouwen den breeden stoffigen
+weg, waar de felle tropische zon blaakte. 't Weemoedig, eentonig
+gezang van den karrevoerder boven op den rug van den buffel begeleidt
+het snerpend geknars van 't droge wiel met de ontzaggelijke as aan
+'t zware vehikel. Soms klinkt het doffe geluid der versleten ijzers
+van een "paragos", de Filippijnsche slede, die met horten en stooten
+voortschuift over 't stof of de modderpoelen van den weg. Op de
+velden en akkers graasde het vee, in gezelschap van de witte reigers,
+die doodkalm boven op de grazende ossen zaten. In de verte dartelen
+troepjes merries...
+
+Het rijtuig rolde waggelend voort, als een beschonkene over 't hobbelig
+terrein, ging een bamboe-brug op, besteeg een hooge helling of ratelde
+snel omlaag.
+
+
+
+
+IX.
+
+Locale aangelegenheden.
+
+
+Ibarra had zich niet vergist: in die victoria zat inderdaad Padre
+Dámaso, die zich naar 't huis begaf waar hij juist vandaan kwam.
+
+"Waar gaan jullie heen?" vroeg de broeder aan Maria Clara en aan tante
+Isabel, die op 't punt waren, om in een met zilver beslagen rijtuig
+te stappen. Padre Dámaso gaf op afgetrokken wijze tikjes met de hand
+op de wangen van het meisje.
+
+"Naar 't klooster om mijn goed te halen," antwoordde ze.
+
+"Aha, aha! We zullen 's zien wie verder komt, we zullen 's
+zien"... mompelde hij in gedachten, tot niet geringe verwondering
+van de beide vrouwen. Met gebogen hoofd en langzamen tred richtte
+hij zich naar de trap en ging naar boven.
+
+"Hij is zeker bezig met zijn preek van buiten te leeren?" zeide tante
+Isabel. "Kom, stap in, Maria, 't wordt zoo laat."
+
+Of Padre Dámaso een preek instudeerde of niet, valt niet te zeggen,
+doch zeer gewichtige zaken moesten wel zijn aandacht in beslag nemen,
+want hij stak zijn hand niet eens uit voor Capitán Tiago, zoodat deze
+bijna een knieval moest doen om die te kussen.
+
+"Santiago!" was 't eerste wat hij zeide, "we moeten over heel
+belangrijke zaken spreken. Laten we naar je kantoor gaan."
+
+Capitán Tiago werd ongerust, hij verloor zijn spraakvermogen, maar
+hij gehoorzaamde en volgde den stoeren geestelijke. Deze sloot de
+deur achter zich dicht.
+
+Terwijl dit geschiedde, was Fray Sibyla, onze geleerde dominikaan, na
+de mis gelezen te hebben, naar 't klooster van zijn orde gegaan dat
+gelegen was aan den ingang van de poort, die beurtelings "de Isabel
+II" of "de Mojallones" heette, al naar de koninklijke familie die te
+Madrid zetelde.
+
+Hij liep haastig naar boven en klopte aan een deur.
+
+"Binnen!" zuchtte een stem.
+
+"God geve uwe reverentie weer gezondheid!" was de groet van den jongen
+dominikaan bij 't binnenkomen.
+
+In een groote leuningstoel zag men een ouden geestelijke zitten, geel
+en uitgemergeld als een heilige van Ribera's penseel. Zijn oogen lagen
+diep in de kassen, waarboven weelderig borstelende wenkbrauwen, die
+door hun schier gestadig fronsen de fonkeling van zijn blik verhoogden.
+
+Padre Sibyla sloeg hem ontroerd gade, met de armen gekruist onder 't
+eerwaardige schouderkleed van de Heilige Dominicus. Daarna boog hij
+'t hoofd, zonder een woord te spreken en scheen af te wachten.
+
+"Ach!" zuchtte de oude man, "de doktoren raden me een operatie aan,
+Hernando, een operatie op mijn leeftijd. Och dit land, dit vreeselijke
+land! Ik word wel vreeselijk gestraft, Hernando! "
+
+Fray Sibyla sloeg langzaam de oogen op en keek den zieke strak in
+'t gelaat.
+
+"En wat heeft uwe reverentie besloten?" vroeg hij.
+
+"Te sterven! Och, blijft me soms iets anders over? Ik lijd te veel,
+maar.... ik heb zoovelen laten lijden... Ik betaal mijn schuld! En jij,
+hoe is 't met jou, wat heb je voor nieuws?"
+
+"Ik kwam u spreken over wat u me opgedragen had."
+
+"O, en hoe is 't daarmee?"
+
+"Poeh!" antwoordde de jonge man, ging zitten en wendde het gelaat
+minachtend af, "ze hebben ons kletspraatjes verteld: de jonge Ibarra
+is een verstandig jongmensch. Goed bij de pinken, maar niet kwaad."
+
+"Denk je dat?"
+
+"Gisterenavond zijn de vijandelijkheden begonnen."
+
+"Nu al? En hoe was dat?"
+
+Fray Sibyla verhaalde in 't kort wat er tusschen Padre Dámaso en
+Crisóstomo Ibarra voorgevallen was.
+
+"Bovendien", voegde hij er ten slotte aan toe "'t jonge mensch gaat
+trouwen met de dochter van Capitán Tiago, die opgevoed is in de
+kloosterschool van onze zusters. Hij is rijk en zal zich wel geen
+vijandschap op den hals willen halen om zijn geluk en zijn fortuin
+misschien te verspelen."
+
+De zieke bewoog ten teeken van instemming het hoofd.
+
+"Ja, dat denk ik ook wel... Met zoo'n vrouw en zulk een schoonvader
+zullen we hem met lichaam en ziel in onze macht hebben. En zoo niet,
+des te beter als hij zich eens onze vijand verklaarde!"
+
+Fray Sibyla keek den ouden man verwonderd aan.
+
+"Ten bate van onze Heilige Broederschap, natuurlijk," voegde hij er
+met moeite ademend aan toe. "Ik heb liever aanvallen dan dat zotte
+aanhalen en pluimstrijken van de vriendjes ...'t Is waar, dat ze
+betaald worden."
+
+"Denkt uwe reverentie dat?"...
+
+De grijsaard keek hem droevig aan.
+
+"Hoû dat maar voor zeker!" bracht hij met moeite uit. "Onze macht
+duurt net zoo lang als men eraan gelooft. Als ze ons aanvallen, zegt
+het gouvernement: ze worden aangevallen, omdat men een beletsel voor
+zijn vrijheid in hen ziet; laten we ze dus in bescherming nemen."
+
+"En als het gouvernement hen gelooft? Het gouvernement is soms..."
+
+"Dat zal 't niet doen!"
+
+"En toch, als 't eens, belust op wat wij binnenhalen mocht toegeven
+aan zijn begeerte... als er 's een durf-al was, een vermeteling..."
+
+"Oh, dan staat het ellendig met hem!"
+
+Beiden zwegen een poos.
+
+"Bovendien," ging de zieke voort, "wij hebben noodig, dat ze ons
+aanvallen, dat ze ons wakkerhouden: dat doet ons onze zwakke zijden
+zien en maakt ons beter. Overdreven lof brengt ons van de wijs, doet
+ons indutten, maar buitenaf maakt het ons belachelijk en de dag dat
+we belachelijk worden, vallen we meteen, net als in Europa. 't Geld
+komt niet meer in de kerken, niemand koopt meer borstlapjes of riemen
+of wat ook, en zoodra we niet meer rijk zijn, hebben we de gewetens
+niet meer in onze macht."
+
+"Och kom! we hebben toch altijd onze landgoederen, onze boerderijen..."
+
+"Die verliezen we allemaal, zooals we die in Europa verloren hebben! En
+'t ergste is nog, dat we onze eigen val bewerken. Bijvoorbeeld:
+dat drijven om ieder jaar maar willekeurig de grondlasten van onze
+landen te verhoogen, dat drijven waar ik in al onze kapittels zoo
+tegen gevochten heb, dat richt ons te gronde: De inlander ziet zich
+gedwongen om ergens anders grond te koopen, die even goed of beter
+is dan de onze. Ik vrees, dat we al beginnen te dalen: _Quos vult
+perdere Jupiter, dementat prius._ [10] Laten we daarom ons gewicht
+niet te zwaar maken: 't volk mort al. Ik denk er zoo over als jij:
+laten de anderen daar ginds hun eigen zaken regelen, laten wij het
+prestige zien te houden dat ons rest. En aangezien we spoedig voor God
+zullen verschijnen, moeten we ons van alle zonden schoonmaken... De
+barmhartige God hebbe deernis met onze zwakte!"
+
+"Dus uwe reverentie gelooft, dat de 'canon' of grondlasten?..."
+
+"Laten we toch niet meer over geld spreken!" viel de zieke met een
+zekeren afkeer in, "je zei zooeven, dat de luitenant beloofd had aan
+Padre Dámaso..."
+
+"Jawel, vader" antwoordde Fray Sibyla lachend, "maar van morgen
+zag ik hem en toen zeide hij, dat hij spijt had van alles wat er
+gisterenavond gebeurd was, dat de Jerez-wijn hem naar 't hoofd
+gestegen was en dat Padre Dámaso in 't zelfde geval verkeerde als
+hij. En de belofte? vroeg ik hem uit gekheid. Heeroom, antwoorde hij,
+ik kan mijn woord houden, wanneer ik daarmee mijn eer niet bezoedel:
+ik ben geen overbrenger en ben 't ook nooit geweest; daarom draag ik
+ook niet meer dan twee sterretjes op mijn kraag."
+
+Na nog wat over onverschillige dingen te hebben gepraat, ging Fray
+Sibyla heen.
+
+Ofschoon de luitenant inderdaad niet naar _Malacanan_--het paleis
+van den gouverneur--geweest was, had deze toch van de zaak gehoord.
+
+"Vrouw en monnik kunnen niet beleedigen," had hij lachend tot een
+zijner adjudanten gezegd, die hem 't geval had medegedeeld. "Ik
+wou wel in vrede leven den tijd dat ik nog hier ben, en ik wil geen
+kwestie meer hebben met mannen in rokken. Er was meer dan dat: ik ben
+er ook achter, dat de 'provincial' zich niet om mijn orders bekommerd
+heeft. Ik vroeg als straf overplaatsing voor dien 'fraile': ze hebben
+hem een veel beter dorp gegeven. Och, 'monnikerijen' (frailadas)
+zeggen we in Spanje!"
+
+Doch toen Zijne Excellentie weer alleen was, lachte hij niet meer.
+
+"O! als dit volk niet zoo aarts-dom was," zuchtte hij, "zou ik die
+eerwaarde heeren wel klein krijgen! Maar ieder volk verdient zijn lot,
+en laten we doen wat iedereen doet."
+
+Capitán Tiago beëindigde intusschen zijn conferentie met Padre Dámaso,
+of beter gezegd die van dezen met hem.
+
+"Dus je bent nu gewaarschuwd!" zeide de Franciskaner bij 't
+afscheid. "Dit alles had vermeden kunnen worden, als je me eerst
+geraadpleegd hadt, als je niet gelogen had toen ik er je naar
+vroeg. Zie, dat je niet meer zulke dolligheden uithaalt en vertrouw
+op haar peet!"
+
+Capitán Tiago stapte twee of driemaal de zaal om, zuchtend en in
+gepeinzen verdiept. Plotseling liep hij, als kreeg hij een goeden
+inval, naar het bidkapelletje en blies daar haastig de kaarsen en
+de lamp uit, die hij er had laten aansteken om Ibarra op zijn reis
+te beveiligen.
+
+"We hebben nog den tijd, en de reis duurt lang!" mompelde hij.
+
+
+
+
+X.
+
+Het dorp.
+
+
+Bijna aan den oever van het meer ligt het dorp _San Diego_ te midden
+van bouwlanden en sawah's. Het voert suiker, rijst, koffie en vruchten
+uit of verkoopt ze op onvoordeelige wijze aan den Chinees, die den
+eenvoud en de ondeugden van den inlander weet te benutten.
+
+Van boven uit de kerktoren heeft men een prachtig panorama. Te midden
+van die opeenhooping van daken van _nipah_, pannen, zink en "cabonegro"
+(_idjoek_), [11] gescheiden door moes- en bloemtuinen, onderscheidt
+een ieder van die hoogte zijn huisje. Alles dient er tot kenmerk: een
+boom--de fijnbebladerde asem--, de met vruchten beladen klapperboom,
+een buigzaam riet, een pinang-palm, een kruis. Daar ginds is de rivier,
+een reusachtige kristallen slang, slapend in het groene kleed. Van
+afstand tot afstand breidelen rotsblokken, in 't zandig bed verspreid
+haar loop; verderop vernauwt ze zich tusschen twee hooge oeverkanten,
+waaraan boomen met ontbloote wortels zich stuipend vastklampen. Hier
+weer vormt zich een zachte glooiing, en de rivier wordt breeder en
+verlangzaamt haar stroom. Ginds, iets verder staat op den hoogen
+oever een huisje gelijk een ontzaggelijke steltlooper op dunne
+pooten boven den afgrond, als spiedend, om zijn prooi in het water te
+bespringen. Palmstammen of boomen met den bast er nog aan, wiebelend
+onvast, verbinden de beide oevers. En zijn 't ook slechte bruggen,
+'t zijn daarentegen prachtige gymnastiek-toestellen, om 't evenwicht
+op te houden. En dat is ook niet te versmaden: de jongens die in de
+rivier baden, vermaken zich daar met de angst-bewegingen der vrouw,
+die er over gaat met een mand op het hoofd, of met den ouden man,
+die bevend voortstapt en zijn stok in 't water laat vallen.
+
+Doch wat altijd de aandacht trekt, dat is een soort beboscht
+schier-eilandje in die zee van bouwland. Daar staan eeuwen-ouden
+boomen, met holle stammen, die eerst dan sterven, wanneer eens
+een bliksemstraal de trotsche kruin treft en verteert. Men zegt,
+dat het vuur dan bij den boom blijft en daar uitgaat. Men vindt daar
+ontzaglijke rotsen, door tijd en natuur met fluweelig mos bekleed. Het
+stof hoopt zich laag op laag in de holten op, de regen legt het vast
+en de vogels zaaien er zaadkorrels in. De tropische plantengroei
+ontwikkelt er zich in volle vrijheid: kreupelhout en struikgewas,
+gordijnen van ineengestrengelde slingerplanten gaande van boom tot
+boom, hangend aan de takken, zich klemmend aan de wortels, kruipend
+over den grond, en, als ware Flora nog niet bevredigd, zet plant
+zich op plant; mos en paddestoelen leven op de spletige stammen,
+en luchtige sierlijke hangplanten verwarren hun omhelzingen door het
+loof van de gastvrije boomen.
+
+Dat bosch werd geëerbiedigd: vreemde overleveringen deden er de ronde
+over, maar 't waarschijnlijkste en daarom juist het minst geloofde
+en bekende, schijnt het volgende te wezen:
+
+Toen het dorp nog een ellendige hoop hutten was, en daartusschen nog
+weelderig het gras opschoot, in de tijden dat er 's nachts herten en
+wilde zwijnen kwamen, verscheen daar op een dag een oude Spanjaard met
+holle oogen, die vrij goed Tagaalsch sprak. Nadat hij het terrein in
+verschillende richtingen had nagegaan en doorkruist, vroeg hij naar de
+eigenaars van het bosch waar warme bronnen voortkwamen. Een paar lieden
+deden zich op, en beweerden het te zijn, en de oude man kreeg het
+eigendomsrecht erover in ruil voor wat kleeren, kleinoodiën en eenig
+geld. Daarna, men wist niet hoe, verdween hij. De menschen hielden hem
+reeds voor "betooverd," toen een walgelijke lucht, die zich uit het
+naburige bosch verspreidde, de aandacht van een paar veehoeders trok;
+ze gingen erop af en vonden den ouden man reeds in staat van ontbinding
+aan den tak van een _baliti_-boom hangen. In levenden lijve boezemde
+hij al schrik in door zijn diepe, holle stem, door zijn ingezonken
+oogen en zijn klanklooze lach; doch nu hij zelfmoord gepleegd had,
+verstoorde hij de slaap der vrouwen. Sommigen van dezen wierpen de
+verkregen sieraden in de rivier en verbrandden de kleedingstukken. En
+sinds het lijk begraven werd aan den voet zelf van de _baliti_ was
+er geen sterveling meer, die zich daar dorst te wagen. Een herder,
+die naar zijn beesten zocht, vertelde dat hij lichtjes had gezien; de
+jongelieden liepen weg en hoorden toen weeklachten. Een ongelukkige
+verliefde jongeling, die om zijn ongenaakbare liefste te vermurwen,
+beloofde den nacht onder den boom door te brengen en er een lange rotan
+omheen te winden, stierf aan een felle koorts, die hem overviel den
+dag volgende op den nacht van zijn weddenschap. Er waren over deze
+plek veel andere verhalen en overleveringen in omloop.
+
+Er verliepen verscheidene maanden, en er kwam een jongeling, naar
+'t scheen een Spaansche kleurling. Deze beweerde de zoon te wezen
+van den overledene, en zette zich in dat oord neer, om er zich
+aan den landbouw te wijden, vooral de indigo-teelt. Don Saturnio
+was een in-zich-zelf-gekeerd jongmensch, van een heftige en soms
+wreede inborst, maar hij was zeer werkzaam en bedrijvig: hij omringde
+het graf van zijn vader met een muur, en ging er zoo nu en dan naar
+kijken. Toen hij al vrij oud was, huwde hij met een meisje uit Manila,
+bij wie hij een zoon, Rafael, kreeg. Deze was de vader van Crisóstomo.
+
+Don Rafael wist zich van jongs af bemind te maken bij de landlieden:
+de akkerbouw, begonnen en behartigd door zijn vader, ontwikkelde zich
+snel. Er kwamen nieuwe bewoners toestroomen, ook veel Chineezen. Het
+gehucht werd spoedig een dorp en kreeg een inlandschen pastoor. Daarna
+werd het een aanzienlijk vlek, de pastoor overleed, en Fray Dámaso
+kwam in zijn plaats. Maar het graf en het aangrenzend terrein werden
+in eere gehouden. De Chineezen waagden het soms, gewapend met stokken
+en steenen, in den omtrek rond te dwalen, om djamboe's, papaja's,
+djamblang's enz. te plukken, en het gebeurde, dat midden in hun
+bezigheid of wanneer ze zwijgend staarden naar het touw dat nog altijd
+van een der takken hing, er een of twee steenen neervielen, zonder dat
+men wist waar ze vandaan kwamen. Dan gilden ze "de ouwe! de ouwe!",
+smeten vruchten en stokken weg, sprongen uit de boomen, liepen door
+rotsen en struikgewas, en stonden niet stil voordat ze uit het bosch
+waren--sommigen bleek en hijgend, anderen schreiend en maar heel
+enkelen lachend.
+
+
+
+
+XI.
+
+De grootmachtigen.
+
+
+Wie waren de overheids-personen van 't dorp?
+
+Don Rafael was het niet, toen die nog leefde, al was hij er ook de
+rijkste, eigenaar van de meeste gronden, en al had ook bijna iedereen
+verplichting aan hem. Daar hij bescheiden was en de waarde van al
+wat hij deed trachtte te verbloemen, kreeg hij in 't dorp nooit zijn
+partij, en we hebben reeds gezien, hoe men tegen hem optrad toen
+men hem zag wankelen.--Zou 't dan Capitán Tiago wezen? Wanneer die
+er aankwam, werd hij inderdaad door zijn schuldenaars met muziek
+ontvangen; ze richtten feestmalen voor hem aan en overlaadden hem
+met geschenken. De beste vruchten sierden zijn tafel. Als er gejaagd
+werd op hert of wild zwijn kreeg hij een kwart. Vond hij het paard
+van een van zijn schuldenaars mooi, dan zag hij 't een half uur later
+in zijn stal. Dat is alles waar, maar ze lachten om hem, en noemden
+hem achter zijn rug "Koster" Tiago.
+
+Dan misschien het dorps-hoofd?
+
+Dit was een stumper, die niets te bevelen had, maar gehoorzaamde. Hij
+beknorde niemand: hij werd beknord. Hij beschikte niet: men
+beschikte over hem. Daarentegen was hij verantwoordelijk tegenover
+den Alcalde Mayor voor al wat men bevolen, verordend of beschikt had,
+alsof alles uit zijn brein was gekomen. Doch, dit te zijner eere,
+hij had de waardigheid noch gestolen noch zich aangematigd: ze had
+hem vijf duizend peso's gekost en heel wat vernederingen. En naar ze
+hem opbracht, vond hij dat erg goedkoop.
+
+Wie dan?
+
+Wel, San Diego was een soort pauselijk Rome. De pastoor was er de
+Paus en het Vatikaan; de onderluitenant--_alférez_--van de _guardia
+civil_ de Koning van Italië en het Quirinaal. En hier zoowel als in
+'t andere Rome kwam uit deze verhouding oneindig geharrewar voort,
+want elk van hen wou de baas wezen, en vond den ander overbodig.
+
+Fray Bernardo Salvi was de stille, jonge Franciskaan, waarover we
+gesproken hebben. Door zijn gewoonten en manieren onderscheidde
+hij zich zeer van zijn broeders en nog meer van zijn voorganger,
+den heftigen Padre Dámaso. Hij was tenger, zwak van gezondheid,
+bijna altijd in gepeinzen, strikt in de vervulling zijner
+godsdienstplichten en vol bezorgdheid voor zijn goeden naam. Een
+maand na zijn aankomst traden bijna allen op de plaats toe tot
+de broederschap van V. O. F. (venerable orden de San Francisco),
+tot groote droefenis van haar mededingster, de broederschap van den
+Allerheiligsten Rozenkrans. Het was om te dansen van pret wanneer men
+aan ieders hals vier of vijf "scapalieren" en om ieders middel een
+koord met knoopen zag, en dan die processies van lijken of spoken met
+ruige pijen om! De opper-koster maakte een heel kapitaaltje door het
+verkoopen--door het als aalmoezen wegschenken, wil ik zeggen--van al
+de voorwerpen, die men zoo noodig heeft, om de ziel te redden en den
+duivel te keeren.
+
+Zooals we zeiden, was Padre Salvi zeer nauwgezet in de vervulling
+van zijn plichten: volgens den _alférez_ al te nauwgezet. Wanneer
+hij aan 't preeken was--daar hield hij veel van--werden de deuren
+der kerk gesloten. Iederen misslag van zijn ondergeschikten placht
+hij te straffen met boeten; want ranselen deed hij maar heel zelden,
+in welk opzicht hij ook verschilde van Padre Dámaso: die regelde
+alles met vuist- en stokslagen, die hij lachend en uiterst welgemoed
+uitdeelde. Het vasten en de onthouding verarmden zijn bloed, prikkelden
+zijn zenuwen, en, zooals de lieden zeiden, steeg de wind hem naar zijn
+hoofd. Zoo kwam het, dat de ruggen der kosters niet goed onderscheiden
+konden, wanneer een pastoor veel vastte of veel at.
+
+De eenige vijand dezer geestelijke macht met neiging tot wereldlijke
+tevens, was, zooals we gezegd hebben, de _alférez_. De eenige, want de
+vrouwen vertelden, dat de duivel hem ontliep. Eens op een dag toch,
+toen die 't gewaagd had hem te verzoeken, werd hij gegrepen, aan een
+poot van zijn krib gebonden, met het koord afgeranseld, en eerst weer
+na negen dagen in vrijheid gesteld.
+
+Hieruit volgt, dat iemand die na zoo iets zich zulk een man tot
+vijand maakte, ten slotte in nog kwader reuk moest staan dan de arme
+onvoorzichtige duivels, en de _alférez_ verdiende zijn lot. Zijn vrouw,
+een oude Filippijnsche, die zich geweldig poeierde en verfde, heette
+Doña Consolación; haar man en anderen noemden haar anders. De _alférez_
+wreekte zijn echtelijke ellende op zijn eigen persoon door zich te
+bedrinken als een karbouw, door zijn soldaten te laten exerceeren
+in de zon, terwijl hij in de schaduw bleef, of nog vaker door zijn
+vrouw af te rammelen.
+
+Hij en zij sloegen--alsof 't maar een grapje was--elkaar bont en blauw,
+en schonken de buren gratis-voorstellingen.
+
+Telkenmale dat deze schandalen ter oore kwamen van Padre Salvi,
+lachte deze even en sloeg een kruis, waarna hij een Onze Vader bad. Ze
+scholden hem voor huichelaar, oproerling, vrek, en Padre Salvi lachte
+dan weer witjes en bad nog meer.
+
+Om hem te "pesten" verbood de krijgsman, opgezet door zijn vrouw,
+het wandelen na negen uur in den avond. Doña Consolación beweerde de
+pastoor eens verkleed te hebben gezien in een inlandsch pina-hemd en
+een _slakot_--toedoeng--van _nipah_ op het hoofd, rondkuierend in de
+late nachtelijke uren. Fray Salvi wreekte zich heiliglijk: wanneer hij
+zag, dat de _alférez_ de kerk binnenkwam, liet hij stilletjes de koster
+al de deuren sluiten. Dan besteeg hij de preekstoel en begon te preeken
+tot de heiligen de oogen sloten en de houten duif boven zijn hoofd,
+het beeld van den Heilige Geest "Och, toe, schei uit!" mompelde. De
+_alférez_ was, als alle onboetvaardigen, onverbeterlijk: hij ging
+vloekend de kerk uit en zoodra hij een koster of een bediende van den
+pastoor te pakken kon krijgen, ranselde hij hem af en liet hem den
+vloer van de kazerne en die van zijn eigen huis boenen zoodat dit er
+daarna fatsoenlijk uitzag. Als dan de koster de boete kwam betalen,
+die de pastoor hem wegens afwezigheid opgelegd had, verklaarde hij
+'t geval. Padre Salvi hoorde hem zwijgend aan, hield het geld, en
+liet dadelijk zijn geiten en lammetjes los, om ze te laten weiden in
+den tuin van den _alférez_, terwijl hij een onderwerp overpeinsde
+voor een nieuwe preek, die nog veel langer en stichtelijker was
+dan te voren. Doch deze kleinigheden waren volstrekt geen bezwaar
+om elkaar de hand te drukken en beleefd toe te spreken, wanneer ze
+elkaar daarna tegenkwamen.
+
+Wanneer haar man zijn roes uitsliep of zijn middagdutje deed, en Doña
+Consolación geen ruzie met hem maken kon, zette zij zich op haar gemak
+aan 't venster, met een sigaar in haar mond en een blauwflanellen jak
+aan. Zij, die een hekel had aan de jeugd, bepijlde van daar met haar
+oogen de jonge meisjes en zond haar kwinkslagen op hun af. Ze waren
+bang voor haar, gingen bedremmeld voorbij, zonder de oogen op te slaan,
+de stap versnellend en haar adem inhoudend. Doña Consolación had een
+groote deugd: ze scheen nooit in een spiegel gekeken te hebben.
+
+Dit zijn de grootmachtigen van 't dorp San Diego.
+
+
+
+
+XII.
+
+Allerheiligen.
+
+
+Westelijk, te midden van de rijstvelden ligt het kerkhof; daarheen
+leidt een smal pad, stoffig op heete dagen en bevaarbaar wanneer
+het regent. Een houten deur en een omheining half van steen en half
+van riet en staken, schijnt het af te scheiden van 't verblijf der
+menschen, doch niet van dat der geiten van den pastoor en eenige
+varkens uit de buurt, die er in- en uitloopen om nasporingen te doen
+op de graven of de eenzaamheid ervan wat op te vroolijken.
+
+In 't midden van die ruime vee-kraal verheft zich een groot houten
+kruis op een steenen voetstuk. Stormen hebben het blikken _Inri_
+ervan gebogen, en regens de letters uitgewischt. Aan den voet van
+'t kruis ligt een verwarde hoop doodshoofden en beenderen, die de
+doodgraver daar neersmijt uit de graven, die hij leeghaalt.
+
+Rondom bespeurt men versche uitgravingen: hier is de grond uitgehold,
+ginds vormt de aarde een heuveltje. Tusschen de graven groeit welig
+onkruid, dat zich ook slingert langs de muren en nissen, menige spleet,
+ontstaan door aardbevingen, aan 't oog onttrekkend.
+
+De menschen hebben juist de dieren weggejaagd; alleen steekt nog een
+enkel varken zijn kop met de blinkende oogjes door een groot gat van
+de heining, houdt zijn snuit in de lucht en schijnt tot een biddende
+vrouw te zeggen:
+
+"Zeg, eet niet alles op; laat mij wat, hè?"
+
+Twee mannen graven een graf dicht bij de heining, die daar uit het lood
+dreigt te schieten; de eene, de doodgraver, doet het onverschillig--hij
+gooit wervels en andere beenderen weg als een tuinman steenen en dorre
+takken--de ander is afgetrokken, zweet, rookt en spuwt iederen keer.
+
+"Zeg 's!" zegt de rooker in Tagaalsch, "zou 't niet beter zijn,
+dat we op een andere plek gingen graven?
+
+"Hier is 't nog zoo nieuw."
+
+"'t Eene graf is al even versch als 't ander."
+
+"Ik kan niet meer! Dat bot, dat je daar kapot gestooten hebt, is nog
+bloederig... brr! En die haren?"
+
+"Och, wat ben jij jufferachtig!" verweet hem de ander, "'t lijkt
+wel of je griffier van 't gerecht was! Als je, zooals ik, een lijk
+dat twintig dagen oud was, had opgegraven--'s nachts, in 't donker,
+bij regen, mijn lantaren ging uit...."
+
+De ander huiverde.
+
+"De doodkist raakte los, de dooie kwam er half uit, hij rook... en
+als jij hem dan dragen moest.. nou, en 't regende en we waren beiden
+druipnat, en..,"
+
+"Brrr! En waarom heb je 'm opgegraven?"
+
+De doodgraver keek hem met verwondering aan.
+
+"Waarom? Weet ik het? Ze hadden 't me gezegd!"
+
+"Wie had het je gezegd?"
+
+De doodgraver deinsde half terug en keek zijn metgezel van hoofd tot
+voeten aan.
+
+"Man, je lijkt wel een Spanjaard. Dezelfde vragen deed me een Spanjaard
+later, maar in stilte. Wel, ik zal je antwoorden, zooals ik toen deed:
+de groote pastoor had het me bevolen."
+
+"Och! En wat heb je daarna met het lijk gedaan?" vroeg de
+"jufferachtige" wederom.
+
+"Wat duivel, als ik je niet kende en niet wist dat je een 'mensch'
+was, zou ik je heusch voor een Spaanschen particulier aanzien: je
+vraagt net als die ander. Nou... de groote pastoor had me gezegd,
+dat ik hem moest begraven op het Chineesche kerkhof. Maar omdat de
+kist erg zwaar en het Chineesche kerkhof nogal veraf ligt...."
+
+"Nee, nee! Ik graaf niet meer!" viel de ander in, vol ontzetting
+zijn schop loslatend en uit de groeve wegspringend. "Ik heb daar een
+doodskop doormidden gespleten, ik ben bang dat ik er vannacht niet
+van slapen kan."
+
+De doodgraver schoot in een luiden lach, ziende hoe de fijngevoelige
+zich verwijderde en onderwijl maar al kruisjes sloeg.
+
+Het kerkhof liep langzamerhand vol in de rouw gekleede mannen en
+vrouwen. Eenige zochten een poos naar een graf, twistten onder
+elkaar en alsof ze 't niet eens konden worden, gingen ze vaneen en
+een ieder knielde neer waar het hem het beste voorkwam. Anderen,
+die nissen hadden voor hun verwanten, staken kaarsen aan en begonnen
+vrome gebeden te prevelen. Men hoorde ook zuchten en snikken, die
+men trachtte te verdrijven of te smoren. De latijnsche woorden der
+gebeden ruischten door de lucht.
+
+Een oud mannetje, met levendige oogen, trad blootshoofds
+binnen. Velen lachten toen ze hem zagen, en enkele vrouwen fronsten
+de wenkbrauwen. De oude man scheen er geen acht op te slaan, want hij
+richtte zich naar den hoop schedels, knielde er neder en zocht een poos
+met de oogen naar iets tusschen de beenderen. Daarna verwijderde hij de
+schedels een voor een en, alsof hij niet vond wat hij zocht, fronste
+hij de wenkbrauwen, schudde het hoofd herhaaldelijk en keek overal
+om zich heen; eindelijk stond hij op en trad op den doodgraver toe.
+
+"Zeg 's!" zeide hij. Deze hief het hoofd op.
+
+"Weet je misschien, waar een mooi doodshoofd is, zoo blank als het
+vleesch van een klapper, met een volkomen gaaf gebit, en dat ik daar
+had, onder die blaren, aan den voet van 't kruis?"
+
+De doodgraver haalde de schouders op.
+
+"Hier!" vervolgde de oude en wees op een zilverstuk, "ik heb niets
+meer dan dit, maar je zult het krijgen, als je dien kop voor me vindt."
+
+De glans van het geldstuk deed den ander nadenken, hij keek naar het
+knekelhuis, en zei:
+
+"Is hij daar niet? Nee? Nou, dan weet ik 't niet."
+
+"Zal ik je 's wat zeggen?" ging de oude voort, "zoodra ze me betalen
+wat ze me schuldig zijn, zal ik je meer geven. 't Was de schedel van
+mijn vrouw. Dus, als je me die vinden kunt..."
+
+"Is hij daar niet? dan weet ik 't niet! Maar, als je wilt, kan ik je
+wel een ander geven."
+
+"Je bent al net als het graf dat je graaft!" voegde de oude man hem
+zenuwachtig toe, "je kent de waarde niet van wat je verloren laat
+gaan. Voor wie is dat graf?"
+
+"Weet ik 't? voor een dooie!" antwoordde de ander humeurig.
+
+"Als het graf, net als het graf!" herhaalde de oude en lachte droogjes,
+"je weet niet wat je weggooit en wat je inslikt. Graven maar,
+graven maar!"
+
+En hij wendde zich om en ging naar den uitgang.
+
+De doodgraver was intusschen met zijn arbeid gereed gekomen. Twee
+heuveltjes versche roodachtige aarde verhieven zich aan de kanten
+der groeve. Hij haalde wat sirih uit zijn _salákot_, en begon die
+te kauwen. Onderwijl keek hij met wezenlooze blik naar al wat om hem
+heen gebeurde.
+
+
+
+
+XIII.
+
+Voorteekenen van storm.
+
+
+Op 't oogenblik dat de oude man heenging, hield er aan den ingang
+van het pad een rijtuig stil, dat een lange reis scheen afgelegd te
+hebben: het was bedekt met stof, en de paarden stonden in 't zweet.
+
+Ibarra stapte uit, gevolgd door een ouden bediende. Hij zond het
+rijtuig met een wenk weg en richtte zich, zwijgend en ernstig, naar
+het kerkhof.
+
+"Ik ben ziek geweest en heb het druk gehad, zoodat ik niet ben kunnen
+terugkomen!" zeide de oude man schuchter. "Capitán Tiago zei dat hij
+wel voor een nis zou zorgen. Maar ik heb bloemen geplant en een kruis
+neergezet, dat ik zelf gesneden heb."
+
+Ibarra antwoordde niet.
+
+"Daar achter dat groote kruis, heer!" ging de knecht voort, wijzende
+naar een hoek, toen ze de poort door waren gegaan.
+
+Ibarra was zoo afgetrokken, dat hij de beweging van verbazing niet
+bespeurde, die eenige personen maakten toen ze hem herkenden. Deze
+staakten hun gebed en keken hem vol nieuwsgierigheid na.
+
+De jonge man liep voorzichtig en vermeed de graven, welke men
+gemakkelijk aan een inzakking van den grond kon herkennen. Eertijds
+liep hij er zonder aarzelen over, thans eerbiedigde hij ze: zijn
+vader lag daar immers ook. Hij stond stil, toen hij aan den anderen
+kant van het huis gekomen was, en keek overal heen. Zijn medegezel
+stond bedremmeld en verlegen: hij zocht sporen op den grond en zag
+nergens een kruis.
+
+"Is 't hier?" mompelde hij bij zich zelf. "Nee, 't is daar ginds,
+maar de aarde is er omgewoeld!"
+
+Ibarra keek hem angstig aan.
+
+"Jawel!" ging hij voort, "ik herinner me, dat er een steen naast
+was. Het graf was wat kort. De doodgraver was ziek en een helper
+van hem moest het toen doen.... Maar we zullen hem zelf 's vragen,
+wat er met het kruis gedaan is."
+
+Hij wendde zich tot den doodgraver die hen nieuwsgierig gadesloeg,
+en daarna groette door zijn "salákot" aftenemen.
+
+"Kan u ons zeggen, op welk graf daar een kruis was?" vroeg de bediende.
+
+De aangesprokene keek naar de plek en dacht even na.
+
+"Een groot kruis?"
+
+"Jawel, groot," bevestigde de oude met vreugde, beteekenisvol naar
+Ibarra ziende wiens gelaat opklaarde.
+
+"Een kruis met snijwerk en vastgemaakt met rotan?" vroeg de doodgraver
+verder.
+
+"Ja zeker, juist, juist!" en de knecht teekende op den grond een
+bizantijnsch kruis.
+
+"En waren er bloemen op 't graf gestrooid?"
+
+"Oleanders, tjempaka's en viooltjes!"
+
+"Ja zeker!" hervatte de oude man vol vreugde, en bood hem een sigaar.
+
+"Nu, zeg u ons dan welk graf het is, en waar het kruis is."
+
+De doodgraver krabde zich achter het oor en antwoordde geeuwend:
+
+"Het kruis... wel... dat heb ik verbrand!"
+
+"Verbrand! En waarom heb je 't verbrand?"
+
+"Omdat de groote pastoor het me gezegd had."
+
+"Wie is dat, de groote pastoor?" vroeg Ibarra.
+
+"Wie? Die erop-in ranselt, pater 'Stok'".
+
+Ibarra streek de hand langs 't voorhoofd.
+
+"Maar, dan zult u ons toch wel kunnen zeggen, waar het graf is? Dat
+moet u zich toch herinneren."
+
+De doodgraver glimlachte.
+
+"De dooie is er niet meer in!" antwoordde hij bedaard.
+
+"Wat zegt u?"
+
+"'t Is nog al duidelijk!" voegde de man er op gekscheerenden toon
+aan toe, "ik heb een week geleden een vrouw op zijn plaats begraven."
+
+"Ben je gek?" vroeg de knecht hem. "'t Is toch nog geen jaar dat we
+'m begraven hebben."
+
+"Nou ja: 't is ook al heel wat maanden geleden dat ik hem opgegraven
+heb. De 'groote pastoor' woû 't hebben, om hem naar 't Chineesche
+kerkhof over te brengen. Maar omdat hij wat zwaar was en 't dien
+nacht regende..."
+
+De man kon niet verder. Ontsteld trad hij terug, toen hij Ibarra's
+houding zag. Deze sprong op hem af, greep hem bij een arm en schudde
+hem door elkaar.
+
+"En dat heb je gedaan?" vroeg de jongeman op onbeschrijfelijken toon.
+
+"Word maar niet boos, heer," gaf de ander verbleekend en bevend terug,
+"ik heb hem niet bij de Chineezen begraven. Ik zei zoo bij me zelf:
+'t is beter te verdrinken dan onder Chineezen te liggen, en ik heb
+'m toen maar in 't water gegooid!"
+
+Ibarra lei zijn beide vuisten op zijn schouders en keek hem een lange
+poos aan, met een uitdrukking die vreeselijk was.
+
+"Je bent een ellendeling, niets meer!" zeide hij, en, als een gek over
+beenderen, graven en kruisen heenloopend, ging hij haastig naar buiten.
+
+De doodgraver betastte zich zijn arm en mompelde:
+
+"Je hebt toch maar wat te stellen met die dooien! De groote Padre
+gaf me een ransel, omdat ik hem had laten begraven, toen ik ziek
+was. Nu breekt deze me bijna mijn arm stuk, omdat ik hem opgegraven
+heb. Die Spanjaarden zijn toch rare kerels! Ik zal er mijn baantje
+nog bij inschieten."
+
+Ibarra liep haastig voort, zijn blik in de verte. Zijn knecht volgde
+hem schreiend.
+
+De zon neigde reeds ten ondergang. Dikke donderwolken bedekten den
+hemel naar 't oosten toe. Een droge wind bewoog de lovermassa's der
+boomen, en deed de rietvelden kreunen.
+
+Ibarra liep blootshoofds. Uit zijn oogen welde geen traan, aan
+zijn boezem ontsnapte geen zucht. Hij liep voort, alsof hij voor
+iemand vluchtte, wellicht van de schim zijns vaders, wellicht van
+den naderenden storm. Hij ging dwars door het dorp, en richtte zich
+naar den buitenkant, naar 't oude huis dat hij nu sinds jaren niet
+betreden had. Omringd door een muur, waartegen verscheidene kaktussen
+groeiden, scheen het hem toe te wenken; de vensters gingen open,
+de kananga-boom, beladen met bloemen, bewoog vroolijk zijn takken;
+de duiven fladderden rondom het kegelvormig dak van hun woning,
+die midden in den tuin stond.
+
+Doch de jongeling lette niet op deze vreugden, die de terugkomst in 't
+oude huis hem bood: hij hield de oogen strak gevestigd op de gedaante
+van een priester, die in tegengestelde richting aankwam. Het was de
+pastoor van San Diego, de peinzende Franciskaan, die we kennen als de
+vijand van de _alférez_. De wind boog de breede randen van zijn hoed
+om; zijn grofharig kleed sloot om zijn leden en deed die duidelijk
+uitkomen, zoodat zijn schrale dijen en ietwat naar binnen staande
+knieën te zien kwamen. In zijn rechterhand droeg hij een dikken
+bamboe-stok met ivoren handvat. 't Was de eerste maal dat Ibarra en
+hij elkaar zagen.
+
+Bij de ontmoeting stond de jongeman even stil en nam hem van hoofd
+tot voeten op. Fray Salvi ontweek zijn blik en deed afgetrokken.
+
+De aarzeling duurde slechts een seconde; Ibarra trad snel op hem toe,
+hield hem staande door een krachtigen handdruk op zijn schouder en
+vroeg bijna onverstaanbaar:
+
+"Wat heb je met mijn vader gedaan?"
+
+Fray Salvi, bleek en bevend, toen hij de gevoelens waarnam die zich
+op 't gelaat van den jongeman afteekenden, kon niet antwoorden:
+hij voelde zich als verlamd.
+
+"Wat heb je met mijn vader gedaan?" herhaalde de ander met gesmoorde
+stem.
+
+De geestelijke, allengs neergebogen door de hand die op hem drukte,
+bracht er met moeite uit:
+
+"U vergist zich. Ik heb niets met uw vader gedaan!"
+
+"Niets?" hervatte Ibarra, terwijl hij hem zoo hard neerdrukte, dat
+hij hem op zijn knieën deed vallen.
+
+"Nee, ik verzeker 't u! Dat was mijn voorganger, "t was Padre
+Dámaso..."
+
+"O!" riep de jongeman uit. En hem loslatende, sloeg hij zich voor
+'t voorhoofd. Daarna verliet hij de arme Fray Salvi, en liep haastig
+naar zijn huis.
+
+De bediende was intusschen komen aanzetten en hielp den geestelijke
+opstaan.
+
+
+
+
+XIV.
+
+Tasio de gek of de wijsgeer.
+
+
+De oude zonderling van 't kerkhof doolde afgetrokken door de straten.
+
+'t Was een oud-student in de filosofie, die zijn studie had opgegeven
+om zijn bejaarde moeder genoegen te doen. En dat was niet uit gebrek
+aan middelen of bekwaamheid: 't was juist omdat zijn moeder rijk
+was, en men algemeen zeide dat hij "aanleg" had. De goede vrouw
+vreesde dat haar zoon een geleerde zou worden en God zou vergeten:
+daarom gaf ze hem de keus tusschen priester worden of het Colegio
+de San José te verlaten. Hij was verliefd en koos het laatste. Toen
+trouwde hij. Weduwnaar en wees binnen 't jaar, zocht hij een troost
+in de boeken: zoo bevrijdde hij zich van droefheid en bleef vrij van
+hanegevechten en lediggang. Maar hij kreeg zoo'n liefde voor boeken,
+dat hij zijn fortuin verwaarloosde en allengs geheel geruïneerd was.
+
+De fatsoenlijke menschen noemen hem Don Anastasio of de filosoof Tasio,
+en onopgevoeden--de meerderheid--Tasio de gek, om zijn zonderlinge
+denkbeelden en zijn vreemde manieren in den omgang.
+
+Zooals wij zeiden, dreigde er dien avond een storm. Eenige
+bliksemstralen verlichtten de loodgrauwe hemel met een bleek licht,
+de atmosfeer was drukkend en de lucht in hooge mate benauwend.
+
+Tasio scheen zijn geliefden schedel reeds vergeten te hebben; hij
+glimlachte nu, terwijl hij naar de donkere wolken opkeek.
+
+Bij de kerk kwam hij een man tegen, die een alpacajas aanhad en in
+zijn hand een heele vracht kaarsen droeg, behalve nog een stok met
+kwast, als teeken van zijn waardigheid.
+
+"U schijnt vroolijk te wezen?" vroeg deze in de landstaal.
+
+"Zeker, mijnheer de burgemeester, ik ben blij, omdat ik op iets hoop."
+
+"Zoo! En waarop hoopt u dan?"
+
+"De storm!"
+
+"De storm! U wilt zeker gaan baden?" vroeg de "gobernadorcillo"
+op spottenden toon, kijkende naar de eenvoudige kleeding van den
+ouden man.
+
+"Baden... 't zou niet kwaad wezen, vooral niet als je tegen wat vuils
+aanloopt," antwoordde Tasio droogjes, schoon ietwat minachtend en keek
+daarbij zijn toespreker in 't gelaat, "maar ik hoop op iets beters."
+
+"Wat dan?"
+
+"Wat bliksemstralen, om menschen te treffen en huizen te
+verbranden!" gaf de wijsgeer ernstig terug.
+
+"U moest maar ineens de zondvloed vragen!"
+
+"We verdienen 'm allen. U en ik ook! U, mijnheer de Gobernadorcillo,
+heeft daar een vracht kaarsen bij u die afkomstig zijn van den
+Chineeschen winkel; ik heb nu meer dan tien jaar aan iedere nieuwe
+'Capitán' voorgesteld, om bliksemafleiders te koopen. En ze lachen
+me allemaal uit: ze koopen bommetjes en vuurpijlen en laten voor
+geld de klokken luiden. Nog erger: u zelf bestelde den dag na mijn
+voorstel bij de Chineesche gieters een klokje voor Sinte Barbara. En
+de wetenschap leert dat het gevaarlijk is klokken aan te raken bij
+onweer. En zeg me nu 's: hoe kwam het, dat in '70, toen de bliksem
+in Binjan insloeg, die juist in de kerk terecht kwam en de klok en
+'t altaar vernielde? Wat deed toen dat klokje van Sinte Barbara?"
+
+Op dat oogenblik flikkerde er een bliksemstraal. "Jezus Maria en
+Jozef! Heilige Barbara, bidt voor ons!" mompelde de "gobernadorcillo",
+die bleek werd en een kruis sloeg.
+
+Tasio schoot in een schaterlach.
+
+"Jelui zijn de naam van je patronesse waardig!" zeide hij in 't
+Spaansch, keerde hem zijn rug toe, en richtte zich naar de kerk.
+
+De kosters waren binnen bezig een "túmulus" op te richten met kaarsen
+en kandelabers eromheen. Het waren twee groote tafels op elkaar,
+bedekt met zwarte witgerande doeken; hier en daar waren doodshoofden
+geschilderd.
+
+"Is het voor de zielen of voor de kaarsen?" vroeg hij. En twee knapen
+ziende van wellicht tien en zeven jaar, wendde hij zich tot hen,
+zonder het antwoord der kosters af te wachten.
+
+"Gaan jullie met me mee, jongens?" vroeg hij hun.
+
+"Je moeder heeft een heerlijk avondeten voor jullie klaar gemaakt:
+een pastoor 't lusten."
+
+
+
+
+XV.
+
+De kosters.
+
+
+Don Anastasio bevond zich met de twee koorknaapjes in de kerk. Hij
+vroeg hen wanneer zij naar huis gingen.
+
+"De hoofdkoster laat ons er niet uit voor achten, meneer!" antwoordde
+'t oudste ventje. "Ik hoop mijn loon te krijgen, dan kan ik het aan
+moeder geven."
+
+"Zoo! En waar gaan jullie heen?"
+
+"Naar den toren, om te luiden voor de zielen."
+
+"Gaan jullie naar den toren? Pas op! Kom niet te dicht bij de klokken
+zoolang 't onweert."
+
+Daarop verliet hij de kerk, niet zonder eerst met een medelijdenden
+blik de twee knapen te hebben gevolgd, die bezig waren de trappen op
+te gaan naar het koor.
+
+Tasio wreef zich de oogen, keek nog eens naar den hemel en mompelde:
+
+"Nou zou 't me spijten, als het insloeg."
+
+En met gebogen hoofd richtte hij zich mijmerend naar den buitenkant
+van 't dorp.
+
+"Zeg, komt u eerst even binnen!" riep een stem uit een venster hem in
+'t Spaansch toe.
+
+De filosoof hief het hoofd op en zag een man van dertig tot
+vijf-en-dertig jaar, die hem toelachte.
+
+"Wat leest u daar?" vroeg Tasio en wees op het boek dat de man in
+zijn hand hield.
+
+"'t Is iets nieuws--mooi boek: 'De kwellingen der zaligen in 't
+Vagevuur!'" was het vroolijk bescheid.
+
+"Man! man! man!" riep de oude uit met twee intervallen, terwijl hij
+het huis binnenging. "De schrijver moet wel een knap man wezen."
+
+Bij 't opgaan der trap werd hij vriendschappelijk ontvangen door den
+heer des huizes en diens jonge vrouw. Hij heette Don Filipo Lino en zij
+Teodora Vina. Don Filipo was de "teniënte mayor" of onder-burgemeester
+en het hoofd van een bijna vrijzinnige partij, als men die zoo noemen
+mag, en als er op de Filippijnsche dorpen partijen bestaanbaar zijn.
+
+"Heeft u op 't kerkhof den zoon van den overleden Don Rafael ontmoet,
+die pas uit Europa terug is?"
+
+"Ja, ik heb 'm gezien, toen hij uit zijn rijtuig stapte."
+
+"Ze zeggen dat hij 't graf van zijn vader was gaan zoeken. De slag
+moet wel vreeselijk geweest zijn."
+
+De "wijsgeer" haalde de schouders op.
+
+"Stelt u geen belang in zijn ongeluk?" vroeg de jonge huisvrouw.
+
+"Je weet toch wel dat ik een van de zes was die met het lijk mee zijn
+gegaan. Ik was 't die me tot den Capitán General gewend heb, toen ik
+zag dat hier iedereen, tot zelfs de autoriteiten, het zwijgen deden
+tot zulk een groote ontheiliging. En dat terwijl ik altijd liever
+een goed mensch in zijn leven eer dan hem na zijn dood te aanbidden."
+
+"En?"
+
+"U weet wel, mevrouw, dat ik geen aanhanger ben van 't erfelijk
+koningschap. Door 't beetje Chineesch bloed dat mijn moeder mij gegeven
+heeft, denk ik eenigszins als de Chineezen: ik eer de vader om den
+zoon, maar niet de zoon om den vader. Laat ieder de belooning of de
+straf krijgen voor wat hij zelf, niet voor wat anderen gedaan hebben."
+
+"Heeft u een mis laten lezen voor uw overleden vrouw, zooals ik 't u
+gisteren aangeraden heb?" vroeg de vrouw, om van gesprek te veranderen.
+
+"Nee!" antwoordde de oude man lachend.
+
+"Hoe jammer!" riep ze met oprechte spijt, "ze zeggen dat tot morgen
+tien uur de zielen vrij rondwaren en wachten op de bemiddeling van de
+overlevenden; dat een mis in deze dagen gelijkstaat met vijf op andere
+dagen van 't jaar of met zes zelfs, zooals de pastoor vanmorgen zei."
+
+"Hola! Dat wil dus zeggen dat we een termijn van genade hebben,
+waar we van moeten profiteeren?"
+
+"Maar Doray!" viel Don Filipo in, "je weet toch wel dat Don Anastasio
+niet aan 't vagevuur gelooft."
+
+De oude man protesteerde: hij kende zelfs de geschiedenis ervan. Zoo
+kwam 't gesprek op 't vagevuur en de filosoof vertelde hoe 't geloof
+daaraan in de wereld was gekomen. En Doray vroeg hem, of hij dan in de
+verdoemenis geloofde. 't Einde van zijn redeneering was dat hij niet
+kon gelooven in zulk een wreeden God, dat hij duizenden millioenen
+zielen eeuwig zou willen verdoemen om erfzonde of eigen dwalingen
+van een oogenblik.
+
+Ongerust over zijn boeken, omdat op dien nacht diefstal door de
+vingers zou worden gezien, verliet onze zonderling het echtpaar,
+en spoedde zich ondanks regen en onweer naar zijn woning.
+
+De donder rolde met korte tusschenpoozen, en iedere slag werd
+voorafgegaan door een vreeselijk bliksem-geflikker; 't was of God
+met letters van vuur zijn naam aan den hemel schreef, en 't eeuwige
+gewelf er angstig van rilde. De regen viel bij stroomen neer en,
+voortgezweept door den wind, die akelig huilde, veranderde hij iederen
+keer als verdwaasd van richting. De klokken hieven met angstvolle stem
+hun droefgeestig gebed aan, en in de korte stilte, die het geweldige
+loeien der ontketende elementen telkens afwisselde, klonk het als
+een klagelijk gekreun door de lucht.
+
+Op de tweede verdieping van den toren bevonden zich de twee knapen,
+die we terloops pratende met den filosoof hebben gezien. De jongste,
+die groote zwarte oogen en een schuchter gelaat had trachtte zich
+tegen het lichaam van zijn broer aan te dringen. Deze leek veel op
+hem, alleen was zijn blik dieper en de uitdrukking van zijn gezicht
+vastberadener. Beiden waren armelijk gekleed, en hun plunje vertoonde
+overal lappen en stoppen. Gezeten op een stuk hout, hield elk van
+hen een touw in de hand, waarvan het andere uiteinde zich hoog boven
+hen in de duisternis der derde verdieping verloor. De wind dreef den
+regen in hun gezicht, en deed de vlam flikkeren van een eindje kaars,
+dat daar op een grooten steen stond, die op Goeden Vrijdag in 't koor
+heen-en-weer gerold werd, om den donder na te bootsen.
+
+"Trek toch aan 't touw, Crispin!" zeide de oudste tot zijn broertje.
+
+Deze ging er weer aan hangen, en boven hoorde men een zwakke klaagtoon,
+die onmiddellijk door een donderslag, door duizend echo's herhaald,
+overstemd werd.
+
+"Och! als we nu toch maar thuis waren bij moeder!" zuchtte de kleine,
+zijn broer aanziende. "Daar zou ik niet bang zijn."
+
+De oudste antwoordde niet: hij keek naar 't afdruipen van de was aan
+de kaars, en scheen in gedachten.
+
+"Thuis zegt niemand me dat ik steel!" hervatte Crispin; "moeder zou
+'t niet toelaten! Als ze eens wist dat ze me hier ranselen..."
+
+De oudste wendde de oogen van de vlam af, richtte het hoofd op,
+beet met kracht in het dikke touw en trok er geweldig aan, zoodat
+het welluidend gonsde.
+
+"Moeten we altijd zoo blijven voortleven, broer?" ging Crispin
+voort. "Ik wou dat ik morgen thuis ziek werd, ik woû dat ik heel lang
+ziek lag, dan zou moeder me oppassen en hoefde ik niet meer naar 't
+klooster terug! Dan zouden ze me geen dief meer noemen en me evenmin
+meer ranselen! En jij moest ook maar ziek worden, zeg."
+
+"Nee!" antwoordde de oudste, "we zouden allemaal doodgaan, moeder
+van verdriet, en wij van den honger."
+
+Crispin zeide niets terug.
+
+"Hoeveel verdien jij deze maand?" vroeg hij na een oogenblik.
+
+"Twee peso's: ze hebben me twee boeten gegeven."
+
+"Betaal wat ze zeggen dat ik gestolen heb, dan zullen ze ons niet
+meer voor dieven uitschelden. Betaal het maar, broer!"
+
+"Ben je gek, Crispin? Moeder zou niets te eten hebben. De eerste
+koster zegt dat je twee 'onza's' gestolen hebt, en twee onza's zijn
+twee-en-dertig peso's."
+
+De kleine telde op zijn vingers, tot dat hij aan twee-en-dertig kwam.
+
+"Zes handen en twee vingers! En iedere vinger een peso," mompelde
+hij daarop peinzend. "En iedere peso... hoeveel 'cuarto's' is dat?"
+
+"Honderd zestig."
+
+"Honderd zestig cuarto's? Honderd zestig maal een cuarto. Och
+hemeltje! En hoeveel is honderd zestig?"
+
+"Twee en dertig handen," antwoordde de oudste. Crispin zat een
+oogenblik naar zijn handjes te staren.
+
+"Twee en dertig handen!" herhaalde hij, "zes handen en twee vingers,
+en iedere vinger twee-en-dertig handen... en dan iedere vinger een
+cuarto... Och lieve tijd, wat 'n cuarto's! Je zou ze in drie dagen
+niet kunnen tellen... En daar kon je pantoffels voor koopen voor je
+voeten, en een hoed voor je hoofd, als de zon warm schijnt, en een
+groote parapluie voor als 't regent en eten, en kleêren voor jou en
+voor moeder en..."
+
+Crispin verzonk in gedachten.
+
+"Nu spijt het me dat ik niet gestolen heb!"
+
+"Crispin!" vermaande hem zijn broer.
+
+"Word maar niet boos! De pastoor heeft gezegd dat hij me dood zou
+ranselen met een stok, als 't geld niet voor den dag komt. Als ik
+het gestolen had, zou ik 't nu voor den dag kunnen brengen...en als
+ik dood ging zouden jij en moeder ten minste kleêren hebben! Had ik
+'t maar gestolen!"
+
+De oudste zweeg en trok aan het koord. Daarop antwoordde hij zuchtend:
+
+"Waar ik bang voor ben, is dat moeder een hevig standje zal geven,
+als ze 't hoort!"
+
+"Geloof je dat?" vroeg de kleine verwonderd. "Je moet haar zeggen
+dat ze mij al veel geslagen hebben, ik zal haar mijn striemen laten
+zien en mijn kapotte zak: ik heb maar een cuarto gehad, die ze me
+voor mijn paschen gegeven hadden en de pastoor heeft me die gisteren
+afgenomen. Ik had nog nooit zoo'n mooie cuarto gezien. Moeder zal
+'t niet willen gelooven, ze zal 't niet gelooven!"
+
+"Als de pastoor het zegt..."
+
+Crispin begon te schreien, en stamelde onder het snikken door:
+
+"Ga jij dan alleen weg, ik wil niet weggaan. Zeg aan moeder dat ik
+ziek ben. Ik wil niet weggaan."
+
+"Crispin huil nu maar niet. De oude Tasio heeft gezegd dat we van
+avond lekker zullen eten."
+
+Crispin hief het hoofd op en keek zijn broer aan.
+
+"Lekker eten! Ik heb nog heelemaal niet gegeten: ze willen me geen
+eten geven zoolang dat geld nog niet terecht is... Maar als moeder
+'t gelooft? Jij moet haar zeggen, dat de eerste koster liegt, en de
+pastoor die hem gelooft ook, dat ze allemaal liegen; dat ze zeggen
+dat we dieven zijn, omdat onze vader zich slecht gedraagt en..."
+
+Doch er kwam een hoofd voor den dag uit de holte van het trapje
+dat naar de eerste verdieping voerde, en dit hoofd deed als dat van
+Meduza de woorden op de lippen van den knaap bevriezen. Het was een
+langgerekte magere kop met lange zwarte haren. Een blauwe bril verborg
+het eene blinde oog.
+
+Het was de hoofd-koster die zoo zonder gedruisch, onverwachts placht
+te verschijnen.
+
+De twee broertjes werden ijskoud.
+
+"Jij, Basilio, krijgt een boete van twee realen, omdat je niet in de
+maat luidt!" zeide hij met een spelonkstem, alsof hij zijn stembanden
+kwijt was. "En jij, Crispin, jij moet van nacht hier blijven, totdat
+wat je gestolen hebt, terecht is."
+
+Crispin keek naar zijn broer, alsof hij om bescherming vroeg.
+
+"We hebben vrij-af gekregen...moeder wacht ons om acht uur thuis",
+stamelde Basilio schuchter.
+
+"Nou mag jij ook niet om acht uur weg! Tot tien uur!"
+
+"Maar, meneer, om negen uur mag je niet meer op straat, en ons huis
+is zoo ver."
+
+"Zoo, woû jij me de wet stellen?" vroeg de man toornig. En Crispin
+bij een arm vattende trachtte hij hem weg te slepen.
+
+"Meneer! 't Is al een week dat we moeder niet gezien hebben!" smeekte
+Basilio, zijn broertje vastgrijpende, als wilde hij hem verdedigen.
+
+De hoofdkoster gaf hem een tik zoodat hij losliet en trok Crispin
+mee. Deze begon te schreien en liet zich op den grond vallen, terwijl
+hij tot zijn broêr zeide:
+
+"Ga niet van me weg. Ze zullen me doodmaken!" Maar de koster lette
+er niet op, sleepte hem de trap af en verdween in de duisternis.
+
+Basilio bleef achter zonder een woord te kunnen uitbrengen. Hij hoorde
+de stooten die het lichaam van zijn broertje tegen de treden der trap
+deed, dan een kreet, verscheidene klappen met de vlakke hand en daarna
+verstomden die hartverscheurende geluiden allengs.
+
+De knaap stond ademloos met gebalde vuisten en wijd opengesperde
+oogen te luisteren.
+
+"Wanneer zal ik een veld kunnen beploegen?" mompelde hij binnensmonds,
+en ging haastig naar beneden.
+
+Toen hij aan 't koor gekomen was, luisterde hij nog eens aandachtig:
+de stem van zijn broertje verwijderde zich snel, en de kreet:
+"moeder! broer!" stierf geheel weg, toen er een deur dicht
+ging. Bevend, bedekt met zweet, bleef hij een oogenblik stilstaan. Hij
+beet op zijn vuist, om een kreet te versmoren, die uit zijn hart
+opdrong, en liet zijn blikken dwalen door de halve duisternis der
+kerk. Daar ginds brandde zwakjes de olielamp. In 't midden stond de
+katafalk. De deuren waren alle gesloten, en aan de vensters zaten
+tralies.
+
+Opeens liep hij het trapje op, ging de tweede verdieping over, waar
+het kaarsje brandde, en klom naar de derde. Hij maakte de touwen los,
+die aan de klepels vastzaten, en ging daarna weer naar beneden. Hij
+was bleek, maar zijn oogen glansden en niet van de tranen.
+
+De regen begon intusschen op te houden en de hemel werd allengs
+helderder.
+
+Basilio knoopte de touwen aaneen, bond een uiteinde aan een kant
+van de balustrade, en zonder eraan te denken het licht uit te doen,
+liet hij zich midden in de duisternis neerglijden.
+
+Eenige oogenblikken later hoorde men op een der straten van het dorp
+geluid van stemmen, en klonken er twee schoten. Doch niemand maakte
+zich ongerust, en alles keerde weer tot de vorige rust terug.
+
+
+
+
+XVI.
+
+Sisa.
+
+
+De nacht is donker: de dorpelingen slapen rustig; de families die de
+afgestorvenen herdacht hebben, genieten voldaan van een vreedzamen
+slaap: ze hebben drie deelen van den rozenkrans met "requiem's"
+en de novene der zielen gebeden, en veel waskaarsen ontstoken voor
+de heiligen-beelden. De rijken en machtigen hebben hun plicht gedaan
+jegens de verwanten, die hun fortuin hebben nagelaten. Den volgenden
+dag zullen ze de drie missen hooren, die elke priester leest; ze
+zullen dan, naar ze van plan zijn, twee pesos geven om er nog een te
+lezen en daarna de "aflaat" van de afgestorvenen koopen, die zooveel
+zonden vergeeft. De hemelsche gerechtigheid schijnt toch waarlijk
+niet zoo veel-eischend als de menschlijke.
+
+Maar de arme en behoeftige, die nauwelijks genoeg verdient om te
+bestaan en de belastinggaarders, klerken en soldaten moet omkoopen
+om in vrede te kunnen leven, slaapt niet rustig, zooals de dichters
+ter hoofdplaats gelooven, die wellicht nooit de ontberingen der
+ellende hebben geleden. De arme is droevig en bezorgd. Dien nacht
+heeft hij wel weinig gebeden opgezegd, maar toch veel in stilte
+gebeden met smart in 't hart en tranen in de oogen. Hij weet niet
+van de "novenen", kent geen schietgebedjes, noch de verzen, noch de
+"oremus", die de geestelijke broeders opgesteld hebben voor hen die
+geen eigen gedachten noch eigen gevoelens hebben, en hij verstaat ze
+ook niet. Hij bidt in de taal van zijn nooddruft. Zijn ziel schreit
+voor hem en voor de dooden, wier liefde zijn eenig goed was. Zijn
+lippen kunnen "groetenissen" uitspreken, maar zijn geest schreeuwt
+klachten uit en beschuldigingen...
+
+De arme weduwe waakt tusschen de kinderen, die aan haar zijde slapen:
+ze denkt aan de aflaten, die ze koopen moet voor de rust van haar
+ouders en van haar overleden echtgenoot. "Een _peso_," denkt ze,
+"een _peso_ is een week verzorging voor mijn kinderen, een week
+van lachjes en geluk, mijn spaarpenningen van een heele maand, een
+kleedje voor mijn dochtertje, dat al vrouw begint te worden..." "Maar
+'t hellevuur moet gebluscht worden" zegt de stem die ze heeft hooren
+preeken; "ge moet u opofferen, 't moet! De kerk redt voor u de geliefde
+zielen niet om-niet: ze geeft niet gratis aflaten uit. Ge moet die
+koopen en in plaats van 's nachts te slapen, zult ge arbeiden. Uw
+dochter--wel wat zou 't, dat haar schaamte onbedekt blijft... Vast
+maar! Want de hemel is duur? De armen komen zoo moeilijk in den hemel!"
+
+Die gedachten zweven in de ruimte tusschen de "sahig," [12] waarop de
+schamele mat gespreid is, en de "palapoe", [13] waaraan de hangmat
+is vastgemaakt waar het kind in gewiegd wordt. Zijn ademhaling is
+gemakkelijk en rustig; van tijd tot tijd maakt het kauwbewegingen en
+brengt geluiden voort: het droomt van eten; want de hongerige maag
+is niet voldaan met wat de broertjes hem gegeven hebben.
+
+De cikaden zingen hun eentonig lied eenparig met het snerpen
+der krekels in het gras, of het geluid der veenmollen, die
+uit hun schuilplaats kruipen, om voedsel te zoeken, terwijl de
+"tokèq"--_tjakón_ zegt men in de Filippijnen--, niet meer bevreesd voor
+'t water, zijn kop voor den dag steekt uit de holte van een vermolmden
+boomstam en het concert verstoort met zijn akelig stemgeluid. De honden
+blaffen jammerend verderop in de straat, en de bijgelovige die het
+hoort, is overtuigd dat de dieren de geesten en schimmen zien. Maar
+noch de honden noch de insekten zien de smarten der menschen en toch
+bestaan ze!
+
+Ginds, ver van 't dorp, woont de moeder van Basilio en Crispin,
+vrouw van een harteloos man, die voor haar kinderen tracht te leven,
+terwijl hij lanterfant en hanegevechten bijwoont. Zijn bezoeken thuis
+zijn zeldzaam, doch altijd smartelijk. Hij heeft haar stuk voor stuk
+haar schamel huisraad ontroofd, om aan zijn ondeugd te voldoen,
+en toen de geduldige Sisa niets meer bezat om de grillen van haar
+man te bevredigen, toen begon hij haar te mishandelen. Zwak van
+karakter, met meer hart dan verstand, kon zij alleen liefhebben en
+schreien. Voor haar was haar echtgenoot haar God, haar kinderen waren
+haar engelen. Hij die wist hoe zeer hij aangebeden en gevreesd werd,
+gedroeg zich ook als alle valsche goden: iederen dag werd hij wreeder,
+onmenschelijker en bedillender.
+
+Toen Sisa hem eens dat ze hem somberder dan ooit zag, raadpleegde over
+haar plan om Basilio koster te laten worden, ging hij voort met zijn
+haan te liefkoozen. Hij zei geen ja of nee, en vroeg alleen, of hij
+dan veel geld zou verdienen. Zij dorst niet verder aan te dringen,
+doch haar benarde toestand en het verlangen om de jongens lezen en
+schrijven te laten leeren in de dorpsschool noopten haar om haar plan
+door te zetten. Haar man zeide weer niets.
+
+Die nacht, zoo ongeveer tien uur of half-elf, toen de sterren reeds
+aan den hemel fonkelden, die nu weer helder was, zat Sisa op een houten
+bank, en keek naar eenige takken, die half-weg verbrand waren in haar
+haard van ruwe hoekige steenen. Op een "toengko" of drievoet stond een
+potje, waarin rijst kookte, en op gloeiende kolen lagen drie gedroogde
+sardijnen, van die welke men drie voor twee "cuarto's" kan koopen.
+
+Ze steunde haar kin op de palm van haar eene hand en staarde naar de
+geelachtige zwakke vlam van de bamboe, welker vluchtige kolen spoedig
+tot as vergaan. Een droeve glimlach verlichtte haar gelaat. Ze dacht
+aan 't aardige raadsel van den pot en 't vuur, dat Crispin haar eens
+opgegeven had. De knaap had gezegd:
+
+
+ Naupoe si Maïtim, sinoeloet ni Lapoelá,
+ Nang mahaó i koemará-karà [14].
+
+
+Ze was nog jong en men kon zien dat ze mooi en bevallig moest geweest
+zijn. Haar oogen, die ze evenals haar ziel aan de kinderen gegeven
+had, waren schoon, met lange wimpers en diepen blik. Haar neus was
+welbesneden, haar bleeke lippen waren sierlijk geteekend. Ze was wat de
+Tagalen noemen _kajoemanging kaligatan_, dit wil zeggen bruin, maar van
+een gave, zuivere tint. In weerwil van haar jeugd begon het verdriet of
+wellicht de honger haar bleeke wangen hol te maken. Haar overvloedige
+lokken, eertijds het sieraad van haar verschijning waren wel nog netjes
+opgemaakt, maar uit gewoonte niet meer uit behaagzucht. Ze droeg het
+haar in een zeer eenvoudigen wrong zonder haarspelden of kammetjes.
+
+Ze was dagen achtereen het huis uit geweest, bezig aan een naaiwerk
+dat ze zoo spoedig mogelijk af moest hebben. Ze had om geld te kunnen
+verdienen dien morgen de mis niet bijgewoond, want heen en terug zou
+haar dat twee uur gekost hebben: armoede dwingt tot zondigen! Toen
+haar werk af was, had ze 't naar den klant gebracht, doch deze had
+haar alleen beloofd te betalen.
+
+Den heelen dag dacht ze aan de genoegens van den avond. Ze wist dat
+haar kinderen zouden thuiskomen en was Voornemens ze te trakteeren. Ze
+kocht sardijnen, plukte in haar tuintje de mooiste tomaten omdat ze
+wist dat die 't lievelings-eten van Crispin waren. Ze vroeg aan haar
+buurman, den filosoof Tasio, een plak wildzwijne-vleesch en een bout
+van een wilden eend waar Basilio zooveel van hield. En vol blijde
+hoop kookte ze de blankste rijst, die ze zelf had bijeen gegaard
+op de dorsvloeren. Dat was inderdaad een pastoorsmaaltijd voor de
+arme knapen.
+
+Maar door een ongelukkig toeval kwam haar man en at de rijst, de snede
+varkensvleesch, de eendebout, de vijf sardijnen en de tomaten op. Sisa
+zeide niets, al was 't haar ook of ze zelf opgegeten werd. Toen hij
+verzadigd was, dacht hij eraan naar de kinderen te vragen. Toen kon
+Sisa glimlachen, en voldaan nam ze zich voor, dien avond maar niet
+te eten, want wat er overbleef was niet genoeg voor drie. De vader
+vroeg naar zijn kinderen, en dat was voor haar meer dan eten.
+
+Daarop greep hij zijn haan en wilde heengaan.
+
+"Wil je ze niet zien?" vroeg ze angstig. "De oude Tasio heeft me
+gezegd dat ze wat later zouden wezen. Crispin kan al lezen en..,
+misschien brengt Basilio zijn loon thuis."
+
+Bij 't hooren van deze reden stond de man stil, weifelde een oogenblik,
+maar zijn goede genius zegevierde.
+
+"In dat geval moet je een 'peso' voor me bewaren?" zeide hij, en
+stapte op.
+
+Sisa schreide bitter, maar ze dacht weer aan haar kinderen en droogde
+haar tranen. Ze kookte nieuwe rijst en maakte de drie sardijnen klaar
+die er over waren: elk zou er anderhalf krijgen.
+
+"Ze zullen wel goeden eetlust hebben!" dacht ze, "de weg is lang en
+een hongerige maag heeft geen oogen."
+
+Aandachtig luisterde ze naar 't geringste geluid van voetstappen:
+krachtig en duidelijk, dan waren ze van Basilio, licht en ongelijk,
+dan van Crispin, dacht ze.
+
+De _kalao_ (toekang) had in 't bosch al twee- of drie maal zijn kreet
+doen hooren, sinds de regen opgehouden was, en toch kwamen de kinderen
+nog maar niet.
+
+Ze deed de sardijnen in den pot om ze warm te houden, en ging naar
+den drempel der hut, om naar den weg te kijken. Om zich wat afleiding
+te geven, begon ze zachtkens te zingen. Ze had een mooie stem, en
+wanneer haar kinderen haar "_koendiman_" (antwoord me) hoorden zingen,
+schreiden ze zonder te weten waarom. Doch dien nacht beefde haar stem,
+en kwamen de tonen traag voor den dag.
+
+Ze staakte haar zang en peilde met haar blik de duisternis. Er kwam
+niemand uit het dorp, behalve de wind, die het water deed druppelen
+van de breede bladeren der pisang-boomen.
+
+Plotseling zag ze een zwarten hond voor haar verschijnen. Het dier
+sleepte iets voort op het pad. Sisa werd bang, nam een steen op en
+wierp ermee naar het dier. Dit zette het op een loopen en jankte
+akelig.
+
+Sisa was niet bijgeloovig, maar ze had zooveel over voorgevoelens
+en zwarte honden hooren spreken, dat ze door ontzetting aangegrepen
+werd. Ze sloot ijlings de deur, en zette zich naast het licht neder. De
+nacht begunstigt het geloof aan allerlei akeligs, en de verbeelding
+bevolkt de lucht met spoken.
+
+Ze trachtte te bidden, de Heilige Maagd, God aan te roepen dat ze
+haar kinderen behoeden zouden, vooral den kleinen Crispin. En haar
+gedachten dwaalden af van 't gebed, om alleen aan hen te denken:
+aan de gelaatstrekken van hen beiden die haar voortdurend toelachten,
+in droomenden en in wakenden toestand. Maar plotseling rezen haar de
+haren te berge: zins-begoocheling of werkelijkheid, ze zag Crispin
+staan naast den haard, daar waar hij placht te zitten om met haar
+te keuvelen. Nu zeide hij niets. Hij keek haar aan met zijn groote,
+peinzende oogen, en glimlachte.
+
+"Moeder, doe open! Doe open, moeder!" zeide de stem van Basilio
+van buiten.
+
+Sisa huiverde sterk en het vizioen verdween.
+
+
+
+
+XVII.
+
+Basilio.
+
+
+'t Leven is een droom.
+
+
+Nauw kon Basilio binnenkomen, of wankelend liet hij zich in de armen
+zijner moeder vallen.
+
+Een onverklaarbare koude overviel Sisa, toen ze hem alleen zag
+aankomen. Ze wilde spreken, maar ze vond geen klanken; ze wilde
+schreien, 't was haar onmogelijk.
+
+Doch op 't gezicht van 't bloed, dat het voorhoofd van haar jongen
+bedekte, kon ze een kreet uitstooten, alsof er een streng van haar
+hart gebroken ware:
+
+"Mijn kinderen!"
+
+"Wees niet bang, moeder!" antwoordde Basilio, "Crispin is in 't
+klooster gebleven."
+
+"In 't klooster? Is hij in 't klooster gebleven? Leeft hij?"
+
+De knaap sloeg zijn oogen naar haar op.
+
+"O!" riep ze uit, van den grootsten angst overslaande tot de hoogste
+vreugde. Sisa schreide, omhelsde haar zoon, zijn bloedend voorhoofd
+met kussen overdekkend. "Crispin leeft! je hebt hem in 't klooster
+achtergelaten ... en waardoor ben-je gewond, mijn kind? Ben-je
+gevallen?"
+
+En ze sloeg hem nauwkeurig gade.
+
+"De hoofd-koster zei me, toen hij Crispin meenam, dat ik niet voor
+tienen naar huis mocht. En omdat dat erg laat was, ben ik gevlucht. In
+'t dorp riepen de soldaten me 'werda' toe. Ik zette het op een
+loopen. Toen hebben ze me geschoten en een kogel heeft even mijn
+voorhoofd geraakt. Ik was bang dat ze me gevangen zouden nemen en
+dat ze me de kazerne zouden laten schrobben, zooals ze dat met Pablo
+gedaan hebben, die nog ziek is."
+
+"Mijn God, mijn God!" mompelde de moeder huiverend, "ge hebt hem
+gered!"
+
+En terwijl ze doeken, water, azijn en reiger-doos zocht, riep ze:
+
+"Een vingerbreedte verder en je was dood geweest! Ze zouden m'n jongen
+doodgemaakt hebben! Die lui van de _guardia civil_ denken ook niet
+aan de moeders!"
+
+"Je moet zeggen dat ik uit een boom gevallen ben, hoor; niemand mag
+er iets van weten, dat ze me vervolgd hebben."
+
+"Waarom is Crispin achtergebleven?" vroeg Sisa, nadat ze haar zoon
+verbonden had.
+
+Deze keek haar enkele oogenblikken aan. Dan haar omhelzend vertelde
+hij haar geleidelijk de zaak van het goud. Evenwel sprak hij niet
+van de kwellingen die men zijn broertje aandeed.
+
+Moeder en kind mengden hun tranen.
+
+"Mijn goeie Crispin! Mijn lieve Crispin te beschuldigen! Dat is omdat
+we arm zijn, en wij armen moeten maar alles verdragen!" mompelde
+Sisa, met haar oogen vol tranen kijkende naar de _tienhoy_--het
+lampje--waarvan de olie opraakte.
+
+Zoo bleven ze een poos zwijgen.
+
+"Heb je al gegeten? Nee? Er is rijst en wat gedroogde sardijnen."
+
+"Ik heb geen trek. Water, ik wil alleen maar water."
+
+"Jawel," hervatte de moeder, "ik wist wel dat je niet hield van
+gedroogde sardijnen. Ik had wat anders voor je klaargemaakt, maar je
+vader is er geweest, arme jongen!"
+
+"Is vader er geweest?" vroeg Basilio, en hij keek onwillekeurig
+vorschend naar het gelaat en de handen van zijn moeder. De vraag van
+haar zoon kneep het hart van Sisa samen, want ze begreep hem maar al
+te goed. Daarom haastte ze zich eraan toe te voegen:
+
+"Hij is er geweest, en heeft veel naar jullie gevraagd. Hij woû jullie
+zien. Hij had ergen honger. Hij heeft gezegd dat als jullie voortgaat
+met goed op te passen, hij weer bij ons in zou komen wonen."
+
+"O!" viel Basilio in, en zijn lippen trokken zich met ergernis samen.
+
+"Jongen!" vermaande zij.
+
+"Wees niet boos, moeder!" antwoordde hij ernstig, "is het niet beter
+zoo met ons drieën: u, Crispin en ik? Maar u schreit. Ik heb niets
+gezegd."
+
+Sisa zuchtte.
+
+"Eet je heelemaal niets? Laten we dan naar bed gaan, want het is
+al laat."
+
+Sisa sloot de hut, en bedekte de weinige sintels met as, opdat ze
+niet uit zouden gaan.
+
+Basilio prevelde zijn gebeden, en legde zich te ruste bij zijn moeder,
+die geknield bad.
+
+Hij voelde zich huiverig. Hij trachtte de oogen te sluiten en dacht
+aan zijn broertje, dat dien nacht erop gevlast had bij moeder thuis te
+slapen en dat nu schreide en van vrees beefde in een donkeren hoek van
+'t klooster. Zijn ooren herhaalden hem die kreten, zooals hij ze in den
+toren gehoord had, maar zijn vermoeide hersenen begonnen denkbeelden
+te verwarren, en de geest der droomen daalde neder op zijn oogen.
+
+Hij zag een alkoof, waar twee kaarsen brandden. De pastoor, met een
+rotan in de hand, luisterde somber naar den hoofd-koster, die tot hem
+sprak in een vreemde taal en met vreeselijke gebaren. Crispin beefde
+en wendde zijn betraande oogen overal heen, alsof hij iemand zocht
+of naar een schuilplaats uitkeek.
+
+De pastoor richt zich tot hem en roept hem vertoornd iets toe. De
+rotan suist. De knaap loopt weg om zich achter den koster te
+verschuilen. Doch deze grijpt hem, maakt zich van hem meester en levert
+hem over aan de woede des priesters. De ongelukkige worstelt, trapt,
+schreeuwt, werpt zich op den grond, rolt, staat op, vlucht, glijdt
+uit, valt en weert de slagen met de handen af, die hij dan gillend
+van pijn weghoudt. Basilio ziet hem zich wringen, met zijn hoofd
+tegen den grond slaan, ziet den rotan en hoort hem zwiepen! Wanhopig
+staat zijn broertje op. Gek van pijn werpt hij zich op zijn beulen
+en bijt den pastoor in de hand. Deze stoot een kreet uit, en laat
+den rotan vallen. De koster grijpt een stok, geeft hem daarmee een
+slag op het hoofd en de knaap valt bedwelmd neer. De pastoor, zich
+gewond ziende, schopt hem, maar de ander verdedigt zich niet meer,
+schreeuwt niet meer: hij rolt over den grond als een slappe massa en
+laat een vochtig spoor achter...
+
+De stem van Sisa riep hem tot de werkelijkheid terug.
+
+"Wat scheelt je? waarom huil je?"
+
+"Ik heb gedroomd!... Och God!" riep Basilio uit en richtte zich op,
+gutsend van 't zweet, "'t was een droom, zeg, moeder, het was maar
+een droom. Niets meer dan een droom!"
+
+"Wat heb je gedroomd?"
+
+De jongen antwoordde niet. Hij ging zitten om zijn tranen en zweet
+af te drogen. Het was volkomen donker in de hut.
+
+"Een droom, een droom!" herhaalde Basilio zacht.
+
+"Vertel me toch wat je gedroomd hebt. Ik kan niet slapen!" zeide zijn
+moeder, toen haar zoon zich weer nederlegde.
+
+"Nu dan," zeide deze zacht, "ik droomde dat we aren gingen lezen... op
+een veld, waar veel bloemen stonden; de vrouwen hadden manden vol met
+aren.... Ik herinner me niets verder, moeder, van 't andere herinner
+ik me niets meer!"
+
+Sisa hield niet aan. Ze gaf niet om droomen.
+
+"Moeder, ik heb vannacht een plan gemaakt," zeide Basilio, na eenige
+oogenblikken van stilte.
+
+"Wat voor plan?" vroeg zij.
+
+Sisa, nederig in alles, was zelfs nederig tegenover haar kinderen:
+ze hield ze voor verstandiger dan zij zelve.
+
+"Ik wil geen koster meer worden!"
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Luister eens, moeder, naar wat ik overdacht heb. Vandaag is de zoon
+van Don Rafael uit Spanje teruggekomen en die zal wel even goed zijn
+als zijn vader. Welnu, moeder, morgen haalt u Crispin weg, u ontvangt
+mijn loon en u zegt dat ik geen koster meer wil worden. Zoodra
+ik hersteld ben, ga ik Don Crisóstomo opzoeken, en dan zal ik hem
+vragen, om koe- of karbouwen-hoeder bij hem te worden, ik ben al
+groot genoeg. Crispin zal kunnen leeren bij de oude Tasio in huis;
+die ranselt niet en is goed, al gelooft de pastoor 't ook niet; wat
+zouden we nog van den pater te vreezen hebben? Geloof me, moeder,
+de oude Tasio is goed. Ik heb hem dikwijls in de kerk gezien, wanneer
+er niemand in was. Hij knielde en bad, gelooft u me. Dus moeder, ik
+word geen koster: je verdient toch weinig, en wat je verdient vliegt
+weg aan boeten. Iedereen klaagt over 't zelfde. Ik word herder,
+en als ik goed zorg voor wat me toevertrouwd wordt, dan houdt mijn
+baas van me. Crispin houdt veel van melk. Wie weet, of ze me niet een
+koe-kalfje geven, als zij zien dat ik me goed gedraag. We zullen er
+goed op passen en 't vetmesten, net als onze hen. In 't bosch zal ik
+vruchten plukken, en ze dan in 't dorp verkoopen tegelijk met groenten
+uit onzen tuin. En zoo zullen we geld verdienen. Ik zal strikken en
+vallen zetten, om vogels en boschkatten te vangen. Ik zal gaan visschen
+in de rivier, en wanneer ik grooter ben, ga ik jagen. Ik kan dan ook
+houthakken om te verkoopen of om aan den eigenaar van de koeien cadeau
+te geven. En zoo houden we hem te vriend. Wanneer ik kan ploegen, zal
+ik hem vragen, om me een stukje grond af te staan, om er suikerriet
+of maïs te planten, en dan hoeft u niet meer tot midden in den nacht
+te zitten naaien. Dan hebben we nieuwe kleêren voor de feestdagen,
+en zullen we vleesch en groote visch eten. Ondertusschen leef ik
+vrij, we zullen elkaar alle dagen kunnen zien en samen eten. En omdat
+toch de oude Tasio zegt dat Crispin veel aanleg voor leeren heeft,
+zullen we hem in Manila laten studeeren. Ik zal wel werken, om hem
+te onderhouden, nietwaar moeder? En dan wordt hij dokter, wat dunkt u?"
+
+"Och wat zou ik ervan denken? Stellig!" antwoordde Sisa, haar zoon
+omhelzend.
+
+Ze had opgemerkt dat deze voor de toekomst in 't geheel geen rekening
+hield met zijn vader, en ze schreide stille tranen.
+
+Basilio ging voort met over zijn plannen te spreken met dat vertrouwen
+van zijn leeftijd, wanneer men alleen ziet wat men wil zien. Sisa
+zeide op alles ja, alles scheen haar goed. De slaap daalde allengs
+weer neder op de vermoeide oogleden van den knaap.
+
+Hij zag zich reeds als koehoeder samen met zijn broertje. Ze plukten
+djamboe's, klèngkèng's en andere vruchten in het bosch. Ze liepen
+van tak tot tak, vlug als vlindertjes. Ze gingen grotten binnen en
+zagen, dat de wanden glommen. Ze baadden zich in de bronnen en 't
+zand bestond uit stofgoud en de steenen waren als de edelsteenen in
+de kroon der Heilige Maagd. De vischjes zongen en lachten hun toe,
+de planten bogen hun met munten en vruchten beladen takken. Daarop
+zag hij een klok, die aan een boom hing, en een lang touw, om haar te
+luiden. Aan 't touw was een koe gebonden met een vogelnestje tusschen
+de horens. En Crispin zat in de klok. En zoo droomde hij verder.
+
+Maar zijn moeder, die niet zijn jeugd had en evenmin een uur geloopen
+had, sliep niet.
+
+
+
+
+XVIII.
+
+Zieltjes in nood.
+
+
+'t Zal ongeveer zeven uur in den morgen geweest zijn, toen Fray Salvi
+zijn laatste mis las: alle drie werden in één uur afgedaan.
+
+"De pater is ziek," zeiden de vrome vrouwtjes. "Hij beweegt zich niet
+zoo statig en sierlijk als gewoonlijk."
+
+Hij ontdeed zich van zijn miskleed zonder een woord te zeggen, zonder
+naar iemand te kijken, zonder een enkele opmerking.
+
+"Opgepast!" fluisterden de kosters onder elkaar. "De storm komt
+opzetten! 't Zal zoo meteen boeten regenen. En dat alles om twee
+beroerde jongens!"
+
+Hij verliet de sakristie, om naar zijn pastorie te gaan, waar in
+de voorgalerij een achttal vrouwen op de banken gezeten en een man,
+die heen en weer liep, op hem wachtten. Toen ze hem zagen aankomen,
+stonden de vrouwen op en een vrouw trad op hem toe, om hem de hand
+te kussen. Doch de geestelijke maakte zulk een gebaar van ongeduld,
+dat ze midden op haar weg stil bleef staan.
+
+Ze begreep daar niets van. Zoo'n bejegening aan haar, Zuster Rufa,
+de vrome "celadora"--soort kommissaris van orde--van de Broederschap!
+
+De vrouwen bespraken levendig het geval en eindigden met ruzie te
+maken over een verloren varken, dat Rufa beweerde teruggevonden
+te hebben door de tusschenkomst van den heiligen Antonius terwijl
+anderen zeiden dat ze een andermans varken voor 't hare had aangezien
+en verkocht! Deze twist bijgelegd, ontstond er een woordenwisseling
+over de keuze van een prediker voor het feest; de pastoor had er drie
+voorgesteld: pater Dámaso, pater Martin of de "coadjutor".
+
+Op dat oogenblik kwam Sisa aan, met een mand op haar hoofd. Ze groette
+de vrouwen en ging de trap op.
+
+"Die gaat naar boven! Laten wij ook naar boven gaan!" zeiden de
+anderen.
+
+Sisa voelde haar hart hevig kloppen terwijl ze de trap opging; ze
+wist niet wat ze den pater zou zeggen om zijn toorn te bezweren, en
+welke gronden ze moest aanvoeren, om voor haar zoontje te pleiten. Dien
+morgen was ze bij 't eerste ochtendgloren in haar tuin gegaan, om haar
+mooiste groenten te plukken die ze daarna tusschen pisang-blâren en
+bloemen in een mand had gelegd. Ze was ook naar den rivier-oever gegaan
+om er "pakoe" te zoeken: ze wist dat de pastoor daar als sla veel van
+hield. Ze had haar beste kleêren aangetrokken, en met de mand op het
+hoofd was ze zonder haar zoontje te wekken, naar het dorp vertrokken.
+
+Trachtende zoo min mogelijk gedruisch te maken, steeg ze langzaam de
+trap op, aandachtig luisterend of ze niet wellicht een wel-bekende
+frissche kinderstem zou hooren.
+
+Doch ze hoorde noch ontmoette iemand, en richtte zich naar de keuken.
+
+Daar keek ze in alle hoeken. Bedienden en kosters ontvingen haar
+koel. Ze groette, maar kreeg nauwelijks een wedergroet.
+
+"Waar kan ik deze groenten laten?" vroeg ze, zonder zich beleedigd
+te toonen.
+
+"Daar... waar je wilt!" antwoordde de kok, terwijl hij, druk aan zijn
+werk, er bijna niet op lette; hij was bezig een kapoen te plukken.
+
+Sisa legde de térong's, petola's, de balsem-appels, de "zarzalida"
+en malsche "pakoe"-takjes netjes op de tafel. Daarna legde ze de
+bloemen er boven op, lachte vergenoegd, en vroeg aan een bediende
+die haar handelbaarder voorkwam dan de kok:
+
+"Zou ik den pater niet kunnen spreken?"
+
+"Die is ziek," antwoordde de man zacht.
+
+"En Crispin? Weet u ook, of die in de sakristie is?"
+
+De bediende keek haar verbaasd aan.
+
+"Crispin?" vroeg hij de wenkbrauwen fronsend.
+
+"Is die niet bij u thuis? wou u dat soms loochenen?"
+
+"Basilio is thuis, Crispin is hier gebleven," antwoordde Sisa. "Ik
+wil hem zien..."
+
+"Jawel!" zei de bediende. "Hij is gebleven, dat is zoo, maar
+daarna... daarna is hij met een heeleboel dingen, die hij gestolen
+had, ervandoor gegaan. De pastoor heeft me van morgen vroeg naar de
+kazerne gestuurd om er kennis van te geven aan de Guardia-Civil. Ze
+zullen nu wel naar uw huis zijn gegaan, om de jongens te halen."
+
+Sisa sloeg de beide handen tegen de ooren, deed den mond open, maar
+haar lippen bewogen zich tevergeefs: er kwam geen geluid uit.
+
+"Nou, jij hebt ook mooie jongens, hoor!" voegde de kok erbij. "Je kunt
+wel zien, dat je je man nooit bedrogen hebt: je kinderen zijn net als
+hun vader! Pas maar op, dat de kleine hem niet nog den baas af wordt!"
+
+Sisa barstte in bitter schreien uit en viel op een bank neer.
+
+"Je moet hier niet huilen!" riep de kok haar toe. "Weet je dan niet,
+dat de 'padre' ziek is, ga op straat janken!" De arme vrouw werd bijna
+de trappen af geduwd, tegelijkertijd dat ook de "zusters" heengingen,
+die onder elkaar mompelden en gissingen maakten over de ongesteldheid
+van den pastoor.
+
+De ongelukkige moeder verborg haar gelaat met haar zakdoek, en
+onderdrukte haar schreien.
+
+Toen ze op straat was, keek ze besluiteloos om zich heen. Dan, als
+had ze een besluit genomen, verwijderde ze zich snel.
+
+
+
+
+XIX.
+
+Avonturen van een schoolmeester.
+
+
+Het meer, omringd door zijn bergen, sluimert rustig met die huichelarij
+der elementen, welke heden niet doet vermoeden dat het den vorigen
+nacht meegeloeid heeft met den storm. Bij 't eerste glimpje van den
+dageraad, dat op de wateren de lichtgeesten wakker roept, teekenen
+zich in de verte, bijna aan de kim, grauwe silhouetten af: het zijn
+de bootjes der visschers, die hun net ophalen; kleine vaartuigen,
+die hun zeilen spannen.
+
+Twee mannen, in diepen rouw gekleed, slaan van een hoogte zwijgend
+het water gade: een van hen is Ibarra en de ander is een jongmensch
+met een nederig voorkomen en weemoedige trekken.
+
+"Hier is 't!" zeide de laatste. "Hier werd het lijk van uw vader in
+'t water gesmeten. Hier bracht de doodgraver luitenant Guevara en mij!"
+
+Ibarra drukte hartelijk de hand van 't jongmensch.
+
+"U hoeft er mij niet dankbaar voor te wezen!" hervatte deze. "Ik was
+uw vader veel verschuldigd en de eenige dienst dien ik hem bewees,
+was hem naar zijn graf te vergezellen. Ik was gekomen zonder iemand
+te kennen, zonder aanbevelingen, zonder naam, zonder fortuin, net als
+nu. Mijn voorganger had de school opgegeven om een tabakshandel te
+beginnen. Uw vader beschermde mij, verschafte me een huis en deed
+me alles aan de hand wat ik noodig kon hebben om mijn onderwijs
+te bevorderen. Hij kwam naar school en deelde eenig klein geld uit
+onder de arme jongens die goed leerden; hij voorzag ze van boeken en
+schrijfbehoeften. Och, maar dat duurde kort, zooals alle goede dingen!"
+
+Ibarra ontblootte het hoofd en scheen een heele poos in gebed
+verzonken. Dan wendde hij zich tot zijn metgezel en zeide:
+
+"U zeide dat mijn vader de arme kinderen hielp."
+
+"En nu?"
+
+"Nu doen ze wat ze kunnen, en schrijven wanneer het hun mogelijk is."
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Om hun gescheurde hemden en hun beschaamde gezichten."
+
+Ibarra zweeg even.
+
+"Hoeveel leerlingen heeft u nu?" vroeg hij ten slotte met een zekere
+belangstelling.
+
+"Meer dan twee honderd op de lijst, en vijf-en-twintig in de klas."
+
+"Hoe komt dat zoo?"
+
+De schoolmeester lachte weemoedig en riep:
+
+"Als ik u de oorzaken daarvan woû zeggen, zou ik u een lange,
+vervelende geschiedenis moeten vertellen."
+
+"U moet mijn vraag niet aan ijdele nieuwsgierigheid toeschrijven,"
+ging Ibarra voort, en keek ernstig naar den verren horizont. "Ik heb
+er verder over nagedacht en ik geloof dat het beter is de denkbeelden
+van mijn vader te verwezenlijken dan om hem te treuren, en veel beter
+dan hem te wreken. Zijn graf is de heilige natuur, en zijn vijanden
+waren dorpsmenschen en een priester: ik vergeef de eersten om hun
+domheid, en ik eerbiedig den ander om zijn ambt, en omdat ik wil dat de
+godsdienst geëerbiedigd wordt, die de maatschappij heeft opgevoed. Ik
+wil me bezielen met den geest van den man, die mij 't leven gaf, en
+daarom zou ik hinderpalen willen kennen die het onderwijs hier vindt."
+
+"Het land" zeide de onderwijzer, "zal uw vaders nagedachtenis zegenen,
+als u zijn mooie bedoelingen verwezenlijkt. Wilt u weten wat hier
+het onderwijs in den weg staat? Welnu, in de omstandigheden waarin
+we leven, zal van het onderwijs zonder een machtige hulp nooit iets
+terechtkomen. Ten eerste omdat er bij de kinderen geen lokmiddel,
+geen prikkel is, ten tweede omdat zelfs al waren ze er wel, het gebrek
+aan middelen en allerlei vooroordeelen ze dooden. Men zegt dat in
+Duitschland de zoon van een landbouwer acht jaar op de dorpsschool
+leert. Wie zou hier de helft van dien tijd willen besteden, wanneer
+men er zulke schamele vruchten van plukt? Ze lezen, schrijven en
+leeren stukken van buiten in 't Spaansch en soms heele boeken, zonder
+er een woord van te begrijpen. Wat voor nut trekt de zoon van onze
+dorpelingen van de school?"
+
+"En u die weet waar 't kwaad schuilt, heeft u dan er aan gedacht het
+te verhelpen?"
+
+"Och!" antwoordde de ander droevig het hoofd schuddend, "een arme
+schoolmeester kan alleen niet vechten tegen de vooroordeelen, tegen
+zekere invloeden. In de allereerste plaats zou ik een school moeten
+hebben, een lokaal, en niet zooals 't nu is een ruimte naast het
+rijtuig van den pastoor, onder 't klooster, waar ik onderwijs mag
+geven. Daar hinderen de kinderen, die ervan houden hardop te lezen,
+natuurlijk den 'padre'; die komt dan soms zenuwachtig beneden,
+vooral wanneer hij zijn buien heeft; dan beknort hij ze en scheldt
+mij soms uit. U begrijpt licht, dat men zoo niet kan onderwijzen of
+leeren. Een kind eerbiedigt zijn leermeester niet meer, zoodra het
+ziet dat hij beleedigd wordt, zonder dat hij zijn rechten kan doen
+gelden. Een onderwijzer moet, om aangehoord te worden, om te maken dat
+men zijn gezag niet in twijfel trekt, prestige hebben, een goeden naam,
+zedelijke kracht, een zekere vrijheid. En sta u me toe dat ik u over
+droevige bizonderheden spreek. Ik heb hervormingen willen invoeren
+en ze hebben me uitgelachen. Om het kwaad te verhelpen waarover ik
+ze sprak, trachtte ik het Spaansch op mijn school te onderwijzen,
+want, behalve dat het gouvernement het voorschreef, oordeelde ik
+ook dat het een voordeel voor alle leerlingen zou wezen. Ik paste de
+eenvoudigste methode toe--zinnetjes en naamwoorden--zonder veel aan
+groote regels te doen, hopende hun later de spraakkunst te leeren,
+wanneer ze al op de hoogte van de taal waren.
+
+"Na verloop van eenige weken verstonden de vlugsten me bijna, en
+maakten die al eenige zinnetjes."
+
+De schoolmeester zweeg even en scheen te aarzelen. Dan, alsof hij
+zich daar overheen zette, ging hij voort:
+
+"Ik hoef me niet te schamen voor 't verhaal van mijn grieven: iedereen
+zou in mijn geval net-zoo gehandeld hebben. Zooals ik dan zei, begon
+het goed. Maar, eenige dagen later liet Pater Dámaso, die toen onze
+pastoor was, mij door den hoofd-koster bij zich roepen. Omdat ik zijn
+karakter kende en bang was hem te laten wachten, ging ik dadelijk naar
+boven, kwam binnen en zeî hem goeden dag in 't Spaansch. Hij stak
+me als eenige wedergroet zijn hand toe, om die te kussen, trok die
+daarna terug, en zonder een woord te zeggen, begon hij luidkeels en
+spottend te lachen. Ik stond beteuterd. De hoofd-koster was erbij. In
+'t eerst wist ik niet wat ik zeggen zou. Ik bleef hem aankijken. Maar
+hij ging door met lachen. Ik werd al ongeduldig, en zag in dat ik een
+onvoorzichtigheid zou begaan, want een goed christen zijn en waardig
+daarbij te wezen, vind ik niet onvereenigbaar. Ik wou hem juist
+vragen waarom hij zoo deed, toen hij opeens van lachen in beleedigen
+oversloeg, en sarkastisch zeî: 'Zoo, zoo "_buenos dias_"! [15]
+_Buenos dias_! Wel dat 's leuk! Je kent dus al Spaansch?!' En toen
+lachte hij weer."
+
+Ibarra kon niet nalaten even te glimlachen.
+
+"U lacht erom," hervatte de onderwijzer, zelf ook lachende. "Ik
+verzeker u dat ik toen heelemaal geen lust in lachen had. Ik stond
+daar en ik voelde dat het bloed me naar 't hoofd steeg, en een onweer
+mijn hersens benevelde. Ik zag den pastoor ver, ver weg. Ik stapte op
+hem toe, om hem te antwoorden, zonder te weten wat ik eigenlijk wou
+zeggen. Maar de koster kwam tusschenbeide. Hij zelf stond op, en zei
+me, dezen keer in ernst, in 't Tagaalsch: 'Pronk nu maar bij mij niet
+met geleende veeren. Hoû je bij je moêrs-taal en bederf het Spaansch
+niet, want dat is geen kost voor jullie.' Ken je meester Ciruela? Nu,
+Ciruela en die was een schoolmeester die niet kon lezen, hield school.
+
+"Ik wou hem aanhouden, maar hij ging zijn kamer in en sloot driftig
+de deur. Wat moest ik doen, ik die nauwelijks te eten heb met mijn
+traktement, die om 't te ontvangen telkens de schriftelijke goedkeuring
+van den pastoor noodig heb en een reis naar de hoofdplaats van de
+provincie moet maken. Wat kon ik doen tegen hem, de eerste zedelijke,
+politieke en burgerlijke autoriteit in een dorp, die gesteund wordt
+door zijn corporatie, gevreesd door 't gouvernement, rijk, machtig,
+die altijd en door iedereen wordt geraadpleegd, aangehoord, geloofd,
+aan wien altijd iedereen zich stoort? Als die me beleedigt, moet
+ik mijn mond houden. Als ik er iets tegen zeg, word ik uit mijn
+baantje gezet en verlies ik voor goed mijn broodwinning. En 't
+onderwijs zou daar nog niets door winnen: integendeel, iedereen zou
+de partij van den pastoor opnemen, ze zouden me uitkrijten, me ijdel,
+trots, verwaand, een slecht kristen, een onopgevoed mensch noemen,
+of anders anti-Spaansch gezind en _filibustero_--opstandeling. Van een
+schoolmeester verwacht men geen kennis en geen ijver; men eischt alleen
+van hem berusting, nederigheid, ongevoeligheid. God moge me vergeven,
+als ik mijn geweten en mijn verstand verloochend heb, maar ik ben
+in dit land geboren, ik moet leven, ik heb een moeder, en ik geef me
+over aan mijn lot als een lijk dat door het water wordt meegesleept."
+
+"En heeft u zich door dien hinderpaal voor altijd laten ontmoedigen? En
+'t is u daarna beter gegaan?"
+
+"Gave God dat ik door schande wijs was geworden!" antwoordde hij,
+"dat mijn ellenden zich daartoe bepaald hadden! 't Is waar dat ik
+sinds dien tijd een afkeer kreeg van mijn werkkring. Ik dacht erover,
+een levensonderhoud te zoeken, evenals mijn voorganger; omdat, als
+je werk doet tegen je zin en met schaamte, dan is 't een marteling,
+en omdat de school me iederen dag mijn hoon herinnerde en ik er heel
+bittere uren doorbracht. Maar wat moest ik doen? Ik kon mijn moeder die
+teleurstelling niet geven: ik moest haar zeggen dat haar drie jaren
+van opoffering, om mij dezen werkkring te verschaffen, nu mijn geluk
+zijn. Ik moet haar doen gelooven dat de betrekking hoogst eervol is,
+het werk genotvol, dat mijn weg bezaaid is met rozen; dat ze me in
+'t dorp eerbiedigen en hoogachten. Als ik dat niet deed, zou ik een
+ander ongelukkig maken, zonder dat ik 't zelf minder werd. Behalve
+nutteloos, zou dat zelfs zondig wezen. Ik ben dus in mijn betrekking
+gebleven en heb me niet willen neerslaan: ik heb getracht te worstelen
+met mijn lot."
+
+De onderwijzer zweeg een oogenblik, om daarna voort te gaan:
+
+"Ik heb toch profijt gehad van die smadelijke behandeling. Ik deed een
+zelfonderzoek en besefte tenslotte dat ik heel weinig wist. Ik ging
+met hart en ziel studeeren. De oude filosoof leende me boeken. Zoo
+kreeg ik allerlei nieuwe inzichten. Ik begreep dat het ouderwetsche
+ranselsysteem op school uit den booze was: 't schaamtegevoel verdwijnt
+erdoor en de kinderen die een ander kind moeten slaan worden wreed. Ik
+schafte dus de heele lichamelijke kastijding af. Eerst ging 't niet
+best: veel leerlingen leerden slecht, maar ik hield vol, en ik merkte
+op dat er langzamerhand meer lust kwam. Er kwamen meer kinderen
+en ze verzuimden minder. Een, die eenmaal in 't bijzijn van alle
+anderen geprezen was, leerde den volgenden dag het dubbele. Al heel
+gauw verbreidde zich in 't dorp het nieuwtje, dat ik op school niet
+sloeg. De pastoor liet me roepen, en omdat ik weer zoo'n tooneel als
+vroeger vreesde, groette ik hem stijf in 't Tagaalsch. Dezen keer was
+hij ernstiger tegenover me. Hij zei me dat ik de kinderen bedierf,
+dat ik mijn tijd verspilde, dat ik mijn plicht niet deed, dat de
+vader die niet sloeg zijn kind haatte, volgens den Heiligen Geest,
+dat 'de letter met het bloed ingaat' enz., enz. Hij haalde me een
+hoop dingen aan uit de oude doos, alsof het voldoende was dat iets
+door de menschen van den ouden tijd gezegd was, om onweerlegbaar te
+wezen... Nu, 't kwam daarop neer, dat hij aanbeval naar zijn woorden
+te handelen en weer tot het oude stelsel terug te keeren, want anders
+zou hij over me klagen bij den burgemeester. Mijn ongeluk bleef
+daarbij niet: eenige dagen later kwamen de vaders van de kinderen
+onder 't klooster bij me en ik heb al mijn geduld en lijdzaamheid
+te hulp moeten roepen. Ze spraken met lof over den ouden tijd,
+toen er flink geranseld werd. Sommigen lieten 't daar niet bij,
+maar zeiden me ronduit dat als ik met mijn systeem voortging, hun
+kinderen niets zouden leeren en dat zij ze van de school af zouden
+nemen. 't Gaf niets, of ik al met hun redeneerde: ik was te jong. Och,
+wat had ik er wel voor gegeven, als ik grijze haren gehad had! Ze
+haalden het gezag van den pastoor aan, van dezen en genen, en ze
+stelden ook zichzelf als voorbeeld: als zij geen ransel hadden gehad,
+hadden ze stellig niets geleerd. De sympatie die enkelen me bewezen,
+verzoette alleen een beetje de bitterheid van deze teleurstelling."
+
+"Ik moest dus een stelsel opgeven dat me na veel moeite vruchten begon
+op te leveren. Wanhopig bracht ik den volgenden dag mijn marteltuigen
+weer op school, om mijn barbaarsche taak te hervatten. De opgeruimdheid
+verdween, en er heerschte weer bedroefdheid op de gezichtjes van
+de kinderen. Ze begonnen al van me te houden! 't Waren mijn eenige
+vrienschapsbetrekkingen.... Ofschoon ik trachtte erg spaarzaam te zijn
+met mijn kastijdingen, voelden de kinderen zich toch diep gekwetst
+en vernederd. En ze schreiden bitter. Dat deed me pijn, en al was
+ik inwendig ook wrevelig op hun aartsdomme familie, ik kon me niet
+wreken op die onschuldige slachtoffers van de vooroordeelen van hun
+ouders. Hun tranen brandden me in de ziel. Ik gaf het op, en dien
+eersten dag liet ik de school voor den tijd uitgaan, om thuis op mijn
+eentje eens uit te schreien... Misschien bent u verwonderd over mijn
+gevoeligheid, maar u zou die begrijpen, als u in mijn plaats was. De
+oude Tasio zeî me: 'Zoo, willen de paters ransel? Waarom heb je hun
+niet geranseld?' Als gevolg daarvan werd ik ziek."
+
+Ibarra luisterde aandachtig.
+
+"Nauwelijks beter, kwam ik weer op school en ik vond mijn leerlingen
+tot op een vijfde verminderd.
+
+"De besten waren heengegaan bij de hervatting van 't oude systeem. En
+van degenen die overgebleven waren--die naar school gingen om 't
+werken thuis te ontloopen--toonde geen enkele vreugde, niet een
+wenschte me geluk met mijn beterschap: 't was hun onverschillig of
+ik ziek was gebleven, want mijn plaatsvervanger sloeg wel meer, maar
+kwam daartegenover ook maar zelden op school. Mijn andere leerlingen,
+die door hun ouders gedwongen werden naar school te gaan, gingen aan
+den kuier. En ik kreeg de schuld dat ik ze te veel vertroeteld had,
+ik werd overladen met verwijtingen."
+
+"En heeft u maar vrede genomen met uw nieuwe leerlingen?" vroeg Ibarra.
+
+"Wat kon ik anders?" antwoordde hij. "Maar er was 't een en ander
+gebeurd in den tijd dat ik ziek was: we hadden een anderen pastoor
+gekregen. Ik vatte opnieuw hoog op en probeerde nog eens, of ik
+niet gedaan kon krijgen dat de tijd voor de kinderen niet heelemaal
+verloren zou gaan en dat ze zooveel mogelijk profijt zouden trekken
+van hun kastijdingen. Ik wilde, nu ze me niet konden liefhebben,
+dat ze tenminste iets nuttigs van me zouden meekrijgen, dat ze
+later met minder bitterheid aan me terug zouden denken. Er waren
+geen boeken in 't Tagaalsch, behalve de katechismus: al 't overige
+was in 't Spaansch. En dan, wat waren dat nog voor boeken? Ik ging
+aan 't vertalen, dikteerde stukken, maakte zelfs een kaart van de
+provincie... Dezen keer kwamen de vrouwen in beroering, de mannen
+vergenoegden zich met te glimlachen over iets waarin ze een nieuwe
+dolheid van mij zagen. De nieuwe pastoor liet me roepen. Hij gaf me wel
+geen standjes, maar zeide dat ik in de eerste plaats aan den godsdienst
+moest denken, en dat de kinderen, voordat ze die andere dingen leerden,
+eerst op een examen moesten bewijzen dat ze de godsdienstige boekjes
+en de katechismus goed van buiten kenden.
+
+"Ik ben dus nu weer aan 't werk, om van de kinderen papegaaien te
+maken, zoodat ze al die zaakjes van buiten kennen zonder er iets van
+te snappen, 't Gaat... En zoo zullen we doen tot onzen dood en zoo
+zullen ook doen, die nog geboren moeten worden. En dan praten ze in
+Europa van vooruitgang!"
+
+"Kom, we mogen niet zoo pessimistisch zijn!" zeide Ibarra, terwijl
+hij opstond. "De 'teniënte mayor' heeft me een uitnoodiging gezonden,
+om een vergadering van den gemeenteraad bij te wonen... Wie weet of
+u daar niet een antwoord op uw vragen zal krijgen?"
+
+De onderwijzer stond ook op, doch hij schudde vol twijfel het hoofd,
+en antwoordde:
+
+"U zult zien dat van 't voorstel waarover ze me gesproken hebben al
+even weinig terechtkomt als van al mijn ideeën! 't Zal wat wezen!"
+
+
+
+
+XX.
+
+De vergadering van den gemeenteraad.
+
+
+De zaal waarin deze gehouden werd, was twaalf tot vijftien meter lang
+en acht tot tien breed. De muren witgekalkt, waren bedekt met meer of
+minder leelijke houtskool-teekeningen, sommige zeer onfatsoenlijk,
+met bijschriften die ze verduidelijkten. In een hoek, netjes tegen
+den muur gezet, waren een tiental oude vuursteen-geweren zichtbaar
+tusschen wat vervuilde en verroeste sabels, korte degens en kléwang's:
+dat was de bewapening der burgerwacht, der z.g. _cuadrillero's_.
+
+Aan het eene uiteinde van de zaal, dat versierd was met smerige roode
+gordijnen, hing half verborgen aan den wand het portret van Zijne
+Majesteit. Onder het portret, op een houten estrade, opende een
+oude leuningstoel zijn verwoeste armen. Daarvoor stond een groote
+houten tafel, vol inktvlekken, bekerfd en begroefd met inschriften
+en monogrammen, zooals men die wel ziet op de tafels in Duitsche
+herbergen die veel door studenten bezocht worden. Banken en kreupele
+stoelen maakten de verdere meubileering uit.
+
+Dit was de zittingszaal voor het gerechtshof, voor de martelingen
+enz. Tegenwoordig beraadslagen hier de authoriteiten van het dorp en
+van de wijken. De partij der ouden is streng gescheiden van die der
+jongen. Ze kunnen elkaar niet uitstaan en vertegenwoordigen de partij
+van 't behoud en die der vrijzinnigen. Alleen neemt hun strijd in
+'t dorp een feller karakter aan.
+
+"Ik vind het gedrag van onzen burgervader verdacht, hoor!" zeide
+Don Filipo de teniënte mayor of onder-burgemeester, het hoofd der
+liberale partij tot zijn vrienden. "Hij moet bepaald een geheim
+plannetje hebben, dat hij de discussie over de begrooting tot het
+laatste nippertje uitstelt. Verbeeld je, we hebben daar nog maar elf
+dagen voor."
+
+"En hij is in 't klooster gebleven, om met den pastoor te konfereeren,
+die ziek is!" merkte een der jongeren op.
+
+"Dat doet er niet toe!" beweerde een ander. "We hebben alles al
+klaar. Als nu maar 't voorstel van de ouden niet de meerderheid
+krijgt...."
+
+"Dat geloof ik niet!" zei Don Filipo. "Ik zal het voorstel van de
+ouden indienen...."
+
+"Hoe zoo? Wat zegt u?" vroegen de bijzittenden verbaasd.
+
+"Ik zeg dat, als ik 't eerst spreek, ik het voorstel van onze vijanden
+zal indienen."
+
+"En het onze?"
+
+"Daar moeten de heeren zich mee belasten," antwoordde de "teniënte"
+lachend. En zich tot een jong buurthoofd wendend zeide hij: "De heeren
+moeten eerst spreken, wanneer ik het afgelegd heb."
+
+"We begrijpen u niet meneer!" zeiden de anderen en keken hem vol
+bange twijfeling aan.
+
+"Luistert," zeide Don Filipo zacht tot twee of drie die vlak bij hem
+stonden. "Van ochtend heb ik den ouden Tasio ontmoet."
+
+"En toen?"
+
+"De oude man zeide me: 'Jullie vijanden haten meer jullie zelf dan
+je ideeën. Willen jullie dat iets niet zal gedaan worden? Dan moeten
+jullie dat voorstellen. Al was 't iets nuttigers dan de lucht, 't
+wordt verworpen. Als ze je eenmaal geslagen hebben, maak dan dat de
+minste van jullie voorstelt wat je nu eigenlijk wenscht. Dan zullen
+je vijanden, om je te vernederen, dat aannemen.' Maar je moet het
+geheim bewaren."
+
+"Maar..."
+
+"Daarom zal ik het voorstel van onze vijanden indienen en het tot in
+'t belachelijke overdrijven. Stil, daar heb je meneer Ibarra en den
+schoolmeester!"
+
+De twee jongelieden groetten links en rechts, zonder deel te nemen
+aan het gesprek.
+
+Eenige oogenblikken later trad de burgemeester--_gobernadorcillo_ of
+"gouverneurtje" noemt men hem hier--met een gemelijk gelaat binnen. Het
+was dezelfde die den vorigen dag een vrachtje kaarsen droeg, toen de
+oude Tasio hem tegenkwam. Bij zijn verschijning hield het gemompel op,
+iedereen ging zitten en allengs was het stil geworden.
+
+De "Capitán"--zoo betitelt men den burgemeester--zette zich in den
+leuningstoel onder het konterfeitsel van Zijne Majesteit, kuchte
+vier of vijf maal, streek zich de beide handen over het hoofd en
+het gelaat, zette zijn ellebogen op de tafel, trok ze er weer af,
+hoestte nog eens en zoo vervolgens.
+
+"Heeren!" begon hij eindelijk met kwijnende stem, "ik heb me verstout
+u allen op te roepen voor deze vergadering... ehem! ehem! we moeten
+het feest vieren van onzen beschermheilige San Diego (de Heilige
+Jakob), den 12en van deze maand ... ehem! ehem! Vandaag hebben we de
+tweede... ehem! ehem!"
+
+Hier overviel hem een aanhoudende droge hoest, die hem verder het
+zwijgen oplegde.
+
+Toen verhief zich van de bank der ouden een man van circa veertig jaar,
+van een zelfbewust uiterlijk. Het was de rijke "Capitán" Basilio,
+tegenstander van wijlen Don Rafaël, een man die beweerde dat sinds
+den dood van de heilige Tomas van Aquino de wereld geen stap vooruit
+had gedaan, ja dat, sedert het oogenblik dat die St. Jan van Lateraan
+verliet, de menschheid is begonnen achteruit te gaan.
+
+"Veroorlooft mij, edelachtbare heeren, dat ik het woord neem in zulk
+een belangwekkende aangelegenheid," zeide hij. "Ik spreek het eerst,
+ofschoon anderen onder de hier aanwezigen er meer recht op hebben dan
+ik, maar ik spreek het eerst, omdat het me voorkomt dat in zulke zaken
+het eerst spreken niet beteekent dat men _de eerste is_, evenmin het
+laatst te spreken beteekent dat men de laatste is. Bovendien zijn de
+dingen die ik te zeggen heb, van zulk een belang dat ze niet mogen
+veronachtzaamd, noch het laatst mogen gezegd worden. En daarom wil
+ik 't eerst spreken, om er het noodige gewicht op te leggen. De
+edelachtbare heeren zullen me derhalve wel veroorloven dat ik het
+eerste spreek in deze vergadering, waar ik zeer allernotabelste
+personen zie, zooals de tegenwoordige burgemeester; de ex burgemeester,
+mijn hooggeachte vriend Don _Valentin_, dan de ex burgemeester, mijn
+jeugd-vriend Don _Melchor_, en zooveel andere voornaamheden meer welke
+ik, om kort te zijn, niet wil opsommen en die de edelachtbare heeren
+hier aanwezig zien. Ik verzoek de edelachtbare heeren dat ze mij het
+gebruik des woords veroorloven voordat iemand anders spreekt. Zal ik
+het geluk genieten, dat de vergadering mijn bede verhoort?"
+
+En de redenaar boog glimlachend en eerbiedig.
+
+"Spreek maar: wij luisteren met verlangen naar wat u zeggen
+zal!" zeiden de bedoelde vrienden en andere personen die hem voor
+een groot redenaar hielden: de ouden kuchten met voldoening en wreven
+zich in de handen.
+
+"Capitán" Basilio veegde zich met een zijden zakdoek 't zweet van
+'t voorhoofd en ging voort:
+
+"Nu de edelachtbare heeren zoo minzaam en tegemoetkomend zijn geweest
+tegen mijn nederig persoontje door mij het gebruik des woords toe te
+staan voor iemand anders, wie ook, van hen die hier aanwezig zijn,
+zal ik gebruik maken van dit verlof, dat mij zoo edelmoediglijk is
+geschonken, en ga ik spreken. Ik verbeeld me met mijn verbeelding
+dat ik me bevind te midden van de allereerwaardigste senaat van Rome:
+_Senatus populusque romanus_, zooals we in die gelukkige tijden zeiden,
+welke helaas nimmermeer voor 't menschdom zullen terugkeeren. En ik
+zal dan vragen aan de _patres conscripti_, zooals Cicero zou zeggen,
+als hij hier op mijn plaats stond, dat--in deze belangrijke zaak met
+het oog op den korten tijd--en tijd is goud, zooals Salomo zeide--ieder
+van ons zijn gevoelen moet uitspreken: duidelijk, kort en eenvoudig. Ik
+heb gezegd."
+
+En voldaan over zichzelf en over de aandacht der toehoorders, ging de
+redenaar zitten, niet zonder een blik van meerderheids-besef te werpen
+naar Ibarra, die in een hoek zat, en nog een blik van veel beteekenis
+tot de anderen, die zeggen wilde: "Nou, ik heb goed gesproken, hè?"
+
+Zijn vrienden gaven antwoord op beide blikken en richtten zich daarbij
+tot de jongeren, als om ze 't van nijd te doen besterven.
+
+"Nu kan iederen die wil, spreken, ehem?" hervatte de
+"gobernadorcillo." Hij kon niet verder gaan, want zijn hoesten
+stoorde hem.
+
+Te oordeelen naar de stilte, wilde niemand zich een der "patres
+conscripti" laten noemen: niemand stond op. Toen maakte Don Filipo
+gebruik van de gelegenheid en vroeg het woord.
+
+De mannen van 't behoud knipten met de oogen en gaven elkaar
+beteekenisvolle wenken.
+
+"Mijne heeren, ik wensch mijn begrooting in te dienen voor de
+feestelijkheden," zeide Don Filipo.
+
+"We kunnen die niet aannemen!" antwoordde een teringachtig oudje,
+onverzoenbaar konservatief.
+
+"We moeten tegenstemmen!" zeiden de andere oppositie-mannen.
+
+"Heeren!" zeide Don Filipo, een glimlach onderdrukkend, "ik heb het
+voorstel nog niet ingediend en toegelicht, dat wij jongeren hier
+ter tafel willen brengen. Dit groote voorstel, we zijn er zeker van
+dat het door 'een ieder' zal verkozen worden boven dat hetwelk onze
+tegenstanders kunnen uitdenken."
+
+Deze aanmatigende opzet maakte de ergernis der behoudsmannen volkomen:
+ze zwoeren "in corde" een geduchte oppositie tegen hem te voeren. Don
+Filipo ging voort:
+
+"We hebben een som van 3500 pesos bijeengebracht. Welnu, met deze som
+kunnen we een feest vieren dat alle andere, hier te voren ooit gezien,
+in de schaduw stelt, zoowel in onze provincie als in de naburige."
+
+"Hm!" klonk het ongeloovig. "Het dorp A. had 5000, B. 4000
+peso's. Hm! Nonsens!"
+
+"Hoort mij aan, heeren, en ik zal u overtuigen!" ging Don Filipo
+onverstoorbaar voort. "Ik stel voor een groot theater op te richten
+midden op het plein, dat 150 peso's moet kosten!"
+
+"Dat 's niet genoeg, we moeten er 160 voor uittrekken!" wierp een
+hardnekkig behoudsman tegen.
+
+"Neem daar nota van, meneer de sekretaris, 200 peso's, voor het
+theater!" zeide Filipo. "Ik stel voor de komedie-troep van Fondo te
+engageeren, om zeven avonden achtereen voorstelling te geven. Zeven
+voorstellingen tegen 200 peso's per avond, dat maakt 1400 peso."
+
+Ouden en jongen keken elkaar verbaasd aan: alleen zij die in 't geheim
+waren, verroerden zich niet.
+
+"Ik stel bovendien voor groot vuurwerk te geven. Geen bengaalsch
+licht of zonnetjes: dat's goed voor kinderen en oude vrijsters. Niks
+daarvan! wij moeten groote donderpotten en vuurpijlen hebben. Ik
+stel dus voor: 200 groote donderpotten van 2 peso's 't stuk, en
+200 vuurpijlen van denzelfden prijs. We zullen ze bestellen bij de
+vuurwerkmakers van Malabón."
+
+"Hm!" viel een der ouden in, "een donderpot van 2 peso's doet me niet
+schrikken en maakt me niet doof. Ze moeten van 3 peso's zijn."
+
+"In de notulen: 1000 peso's voor 200 donderpotten en 200 vuurpijlen!"
+
+De konservatieven konden zich niet meer inhouden. Enkelen stonden op
+en gingen overleggen.
+
+"Bovendien, om onze buren te toonen dat we voorname menschen zijn en
+overvloed van geld hebben," ging Don Filipo voort, terwijl hij zijn
+stem verhief en de oudjes een snellen blik toewierp, "stel ik voor:
+1e vier predikers voor de twee feestdagen, 2e dat er beide dagen 200
+gebraden kippen, 100 vette kapoenen en 50 speenvarkentjes in het meer
+zullen geworpen worden, zooals Sulla dat deed, de tijdgenoot van dien
+Cicero, van wien Capitán Basilio zooeven gesproken heeft."
+
+"Juist, zooals Sulla!" herhaalde Capitán Basilio gevleid.
+
+De verbazing nam trapsgewijze toe.
+
+"Daar er veel rijke menschen komen en ieder van hen duizenden en
+nog eens duizenden peso's bij zich heeft, behalve hun beste hanen,
+en het 'liampo' [16] en speelkaarten, stel ik voor 'veertien dagen
+hanegevechten en opening van alle speelhuizen gedurende dien tijd...'"
+
+Maar de "jongen" stonden op, zoodat hij even ophield. Ze dachten
+dat de "teniënte mayor" gek geworden was. De "ouden" vormden een
+warme diskussie.
+
+"En ten slotte, om de geneugten der ziel niet te veronachtzamen..."
+
+Het gemompel en de kreten die zich uit alle hoeken der zaal verhieven,
+overstemden den spreker geheel-en-al. 't Was een geweldig rumoer
+geworden.
+
+"Nee!" kreet een onverzoenlijke behoudsman, "ik wil niet dat hij al
+de eer krijgt van 't feest. Nee! laat mij, laat mij spreken!"
+
+"Don Filipo heeft ons misleid!" zeiden de vrijzinnigen.
+
+"Wij stemmen tegen! Hij is een overlooper naar de oude. Wij stemmen
+tegen!"
+
+De burgemeester, meer terneergeslagen dan ooit, deed niets om de orde
+te herstellen: hij hoopte dat men het zelf zou doen.
+
+De kapitein der "cuadrillero's" vroeg het woord. Hij kreeg 't, maar
+deed geen mond open en ging beteuterd en verlegen weer zitten.
+
+Gelukkig verrees Capitán Valentin, de gematigdste der behoudsmannen,
+en sprak:
+
+"We kunnen wat de 'teniënte mayor' heeft voorgesteld niet aannemen,
+want 't komt ons overdreven voor. Zooveel donderpotten en zooveel
+komedie-avonden kan alleen een jongmensch verlangen, zooals de
+'teniënte mayor'; die kan veel nachten achtereen opblijven en veel
+knallen aanhooren zonder doof te worden. Ik heb de meening ingewonnen
+van de bezadigde mannen en allen keuren het voorstel van Don Filipo
+eenstemmig af. Is 't niet zoo heeren?"
+
+"Ja, ja!" riepen jongen en ouden tegelijk. De eersten waren verrukt
+een "oude" zoo te hooren spreken.
+
+"Wat moeten we beginnen met vier predikers?" ging de oude man
+voort. "Wat beteekenen die kippen, kapoenen en speenvarkentjes die in
+'t meer moeten gegooid worden? Onzin! zouden onze buren zeggen, en
+dan zouden wij een half jaar lang moeten vasten. Wat hebben wij te
+maken met Sulla of de Romeinen? Hebben die ons soms op hun feesten
+genoodigd? Ik tenminste heb nog geen enkele invitatie-kaart van hen
+ontvangen. En ik ben al oud, asjeblieft!"
+
+"De Romeinen wonen in Rome, waar de Paus is!" mompelde Capitán Basilio.
+
+"Nu begrijp ik het!" riep de oude zonder van streek te raken. "Ze
+vieren zeker hun feesten in de vasten-dagen en dan zal de Paus wel het
+eten in de zee laten smijten, om geen zonde te begaan. Maar, in allen
+gevalle, uw voorstel voor 't feest is onaannemelijk, onmogelijk. 't
+Is een dwaasheid, een dolheid!"
+
+Don Filipo, zoo hevig bestookt, moest zijn voorstel wel intrekken.
+
+De onverdraagzaamste konservatieven, voldaan over de nederlaag van hun
+ergsten vijand, zagen zonder ongerustheid een jong wijkhoofd opstaan,
+die het woord vroeg.
+
+"Ik verzoek de heeren mij te vergeven dat ik hoewel nog zoo jong,
+het woord durf te nemen tegenover zooveel zeer achtenswaardige
+mannen, achtenswaardig zoowel om hun leeftijd als om het beleid
+en de bezadigdheid waarmee ze in alle aangelegenheden hun oordeel
+vellen. Maar aangezien de welsprekende redenaar Capitán Basilio hier
+allen heeft uitgenoodigd om hun meening bloot te leggen, moge zijn
+gezagvol woord als verontschuldiging dienen voor de nietigheid van
+mijn persoontje."
+
+De behoudsmannen bewogen voldaan het hoofd.
+
+"Dat jongmensch spreekt goed!--Hij is bescheiden!--Hij redeneert
+bewonderenswaardig!" zeiden ze onder elkaar.
+
+"'t Is jammer dat hij niet goed kan gestikuleeren!" merkte Capitán
+Basilio op. "Maar, nou ja, hij heeft Cicero ook niet bestudeerd,
+en hij is nog zoo jong."
+
+"Zoo ik u een programma voorstel, heeren," ging de jonge man voort,
+"doe ik dat niet met de gedachte dat u het volmaakt zult vinden of
+zult aannemen. Ik wil tegelijkertijd dat ik me nogmaals onderwerp aan
+den wil van allen, aan de ouden bewijzen dat wij altijd eenstemmig
+met hen denken, aangezien wij al de denkbeelden welke Capitán Basilio
+zoo sierlijk heeft uitgedrukt geheel tot de onze maken."
+
+"Goed gezegd, goed gezegd!" zeiden de gevleide behoudsmannen. Capitán
+Basilio gaf wenken aan den jongen man om hem te kennen te geven,
+hoe hij zijn arm moest bewegen en zijn voet neerzetten. De eenige
+die onverstoorbaar bleef, was de "gobernadorcillo"--deze burgervader
+scheen afgetrokken en bezorgd tegelijk. De jonge man ging voort:
+
+"Mijn voorstel, mijne heeren, komt op het volgende neer: nieuwe
+schouwspelen uit te denken, die niet zoo gewoon zijn zooals we ze alle
+dagen zien, en te trachten ervoor te zorgen dat het bijeengebrachte
+geld niet het dorp uitgaat, en dat het ook niet op ijdele wijze
+verkwist wordt aan kruid, maar besteed worde aan iets nuttigs voor
+iedereen."
+
+"Juist! juist!" stemden de jongeren in, "dat moeten we hebben."
+
+"Heel goed!" voegden de ouden eraan toe.
+
+"Wat voor nut halen we uit een week komedie-spel, zooals de 'teniënte
+mayor' die vraagt? Wat leeren we nu van die koningen van Boheme en
+Granada, die hun dochters het hoofd laten afhakken, of ze op een kanon
+laden, dat dan verandert in een troon? Wij zijn geen koningen, noch
+barbaren, wij hebben ook geen kanonnen, en als wij hen navolgden,
+zou men ons ophangen in Bagumbayan. Wat zijn dat voor prinsessen,
+die zich in 't krijgsgewoel mengen, hakken en houwen uitdeelen,
+met prinsen vechten en die alleen rondwaren over bergen en dalen,
+alsof ze door de _tikbalang_ waren verleid? In onze zeden stellen we
+de zachtheid en teederheid der vrouw op prijs en zouden we vreezen
+de hand van een jongmeisje te drukken, als die bezoedeld was met
+bloed, al was dit dan ook mooren- of reuzenbloed. Onder ons voelen we
+diepe minachting voor een man die zijn hand opheft tegen een vrouw,
+zij hij vorst, alférez of eenvoudig landman. Zou 't niet duizendmaal
+beter zijn een schildering van onze eigen zeden en gewoonten op het
+tooneel te brengen, teneinde onze ondeugden en gebreken te verbeteren,
+en onze goede eigenschappen op den voorgrond te stellen?"
+
+"Juist! Juist!" herhaalden zijn aanhangers.
+
+"Hij heeft gelijk!" mompelden eenige oudjes peinzend.
+
+"Daar had ik nooit aan gedacht!" merkte Capitán Basilio op.
+
+"Maar hoe wilt u dat dan doen?" opperde de onverzettelijke
+konservatief.
+
+"O, heel gemakkelijk!" antwoordde de jonge man. "Ik heb hier twee
+komedie-stukjes, die de achtenswaardige grijsaards hier vergaderd,
+met hun goede smaak en welbekende scherpzinnigheid, stellig zeer
+aannemelijk en zelfs vermakelijk zullen vinden. Het eene heet 'De
+verkiezing van den Burgemeester.' 't Is een blijspel in proza, in
+vijf bedrijven, geschreven door een der hier aanwezigen. Het andere,
+in negen bedrijven, voor twee avonden, is een fantastisch drama, van
+een satirisch karakter, en is geschreven door een van de beste dichters
+onzer provincie. Het heet 'Maria van de Makilingberg.' Toen we zagen
+dat de bespreking van de toebereidselen voor het feest wat laat werd,
+waren we bang dat we tijd te kort zouden komen: daarom hebben we in
+stilte onze tooneelspelers gezocht en hun de rollen laten leeren. We
+hopen dat, als ze nog een week repeteeren, ze ruimschoots in staat
+zullen wezen met eere voor den dag te komen. Dit, mijne heeren, is
+behalve nieuw, nuttig en redelijk, per slot van rekening nog goedkoop
+ook: kostuums hebben we niet noodig, onze gewone van 't dagelijksche
+leven kunnen dienen."
+
+"Ik kom voor de kosten van 't theater op!" riep Capitán Basilio
+geestdriftig uit.
+
+"Als er soldaten moeten opkomen, leen ik de mijne!" zeide de kapitein
+der "cuadrillero's".
+
+"En ik... en ik... als er soms een grijsaard noodig is..." stamelde
+een ander, en richtte zich met majesteit op.
+
+"Aangenomen! Aangenomen!" klonk het van verscheidene kanten.
+
+De "teniënte mayor" was bleek van ontroering; zijn oogen vulden zich
+met tranen.
+
+"Hij huilt van spijtigheid!" dacht de onwrikbare behoudsman, en
+hij schreeuwde:
+
+"Aangenomen, aangenomen zonder diskussie!"
+
+En, voldaan over zijn wraak en de volledige nederlaag van zijn
+tegenstander, begon de man het voorstel van het jongemensch op te
+hemelen. Doch de spreker ging voort:
+
+"Een vijfde van het bijeengebrachte geld kan gebruikt worden om
+eenige prijzen uit te deelen, bijvoorbeeld aan den besten leerling
+van de school, aan den bekwaamsten herder, landbouwer, visscher als
+anderszins. We kunnen roei-wedstrijden op de rivier en op 't meer en
+ook wedrennen houden, we kunnen kokanje-masten oprichten en andere
+volks-spelen instellen, waaraan onze landlieden kunnen deelnemen. Ik
+ben er niet tegen dat er, met het oog op het aloud gebruik, ook
+vuurwerk gegeven wordt: zonnetjes en bengaalsch licht zijn heel
+mooi en aardig, maar ik geloof niet dat we de donderpotten noodig
+hebben, die de 'teniënte mayor' heeft voorgesteld. Om het feest op te
+vroolijken zijn twee muziek-korpsen voldoende; zoo vermijden we die
+ruzies en oneenigheden, die van de arme muzikanten, hier gekomen om
+met hun arbeid onze feesten op te vroolijken, ware vechthanen maken,
+die na afloop slecht betaald, slecht gevoed, met bulten en schrammen
+en soms gewond naar huis gaan. Met het geld dat er stellig over is,
+kan men beginnen met den bouw van een lokaaltje dat als school kan
+dienen, want we moeten niet wachten totdat God zelf neerdaalt en er
+ons een bouwt. 't Is wel droevig dat, waar we een eerste kwaliteit
+hane-vechtplaats hebben, onze kinderen vrijwel in den stal van den
+pastoor moeten leeren: Dit is mijn voorstel zoo ruw-weg: aan u allen,
+om het verder te volmaken."
+
+Een vergenoegd gemompel verhief zich in de zaal: schier allen stemden
+in met hetgeen het jongmensch gezegd had. Slechts een enkele bromde:
+
+"Nieuwigheden, allemaal nieuwigheden! In onze jonge jaren..."
+
+"Laten we 't voorloopig aannemen," zeiden de anderen. "Laten we dien
+daar 's vernederen."
+
+En ze wezen naar den "teniënte mayor."
+
+Toen de orde weer hersteld was, was iedereen 't reeds eens. Alleen
+ontbrak nog de beslissing van 't "gouverneurtje".
+
+Deze zweette, bewoog zich onrustig op zijn stoel, bracht zijn eene hand
+langs het voorhoofd, en kon tenslotte met neergeslagen oogen stamelen:
+
+"Ik stem er ook mee in... maar ehem!"
+
+De vergaderden luisterden zwijgend.
+
+"Maar?" vroeg tenslotte Capitán Basilio.
+
+"Volkomen...stem volkomen in!" herhaalde de burgervader!
+
+"Dat wil zeggen...ik stem er niet mee in...jawel, maar..."
+
+En hij wreef met den achterkant van zijn hand over de oogen.
+
+"Maar de pastoor," ging de ongelukkige voort, "meneer de pastoor wil
+wat anders."
+
+"Betaalt de pastoor het feest of doen wij 't? Heeft hij een enkele
+'cuarto' bijgedragen!" riep een heldere stem.
+
+Allen keken naar de plaats waar deze vragen vandaan klonken: daar
+stond de "wijsgeer" Tasio.
+
+De "teniënte mayor" zat roerloos met strakke oogen naar den
+burgemeester te staren.
+
+"En wat wil de pastoor?" vroeg Capitán Basilio.
+
+"Och... de pater wil... zes processies, drie preeken, drie
+hoogmissen...en als er geld over is, de komedie van Tondo met zang
+tusschen de bedrijven."
+
+"Nu, dat willen wij niet!" zeiden de jongen en enkele ouden.
+
+"De 'padre cura' wenscht het!" herhaalde de burgemeester.
+
+"Ik heb den pastoor beloofd dat zijn wil zou gevolgd worden."
+
+"En waarom heeft u ons dan bijeengeroepen?"
+
+"Juist...om 't u te zeggen."
+
+"En waarom heeft u dat niet dadelijk gezegd?"
+
+"Ik woû 't zeggen, heeren, maar Capitán Basilio sprak toen, en ik...heb
+geen tijd gehad ... We moeten den pastoor gehoorzamen!"
+
+"We moeten hem gehoorzamen!" herhaalden eenige oudjes.
+
+"We moeten hem gehoorzamen, anders sluit de Alcalde ons allemaal op,"
+voegden andere oude heeren er droevig aan toe.
+
+"Nu, gehoorzaamt dan en houden jullie feest!" riepen de jongen en
+stonden op. "Wij nemen onze bijdragen terug."
+
+"Alles is al binnen!" zeide de "gobernadorcillo".
+
+Don Filipo trad op hem toe en zeide bitter:
+
+"Ik heb mijn eigenliefde opgeofferd om der wille van een goede zaak;
+u offert uw waardigheid als man op om der wille van een kwade en
+stuurt alles in de war."
+
+Ibarra zeide tot den schoolmeester:
+
+"Wenscht u iets op de provincie-hoofdplaats? Ik vertrek er onmiddellijk
+heen."
+
+"Heeft u er een zaak af te doen?"
+
+"We hebben een zaak!" antwoordde Ibarra geheimzinnig.
+
+Onderweg naar huis zeide de filosoof tot Don Filipo, die zijn gesternte
+vermaledijde:
+
+"'t Is onze schuld! Jullie hebben niet geprotesteerd toen ze je een
+slaaf tot hoofd gaven. En ik, dwaas die ik ben, was 't vergeten!"
+
+
+
+
+XXI.
+
+Geschiedenis eener moeder.
+
+
+Sisa liep hard naar haar huis in die eigenaardige zinsverwarring
+welke zich bij ons voordoet, wanneer te midden van 't ongeluk we
+ons door iedereen verlaten zien en alle hoop ons verlaat. Dan is
+'t of alles om ons verduistert, en als we dan in de verte een nietig
+lichtje zien schijnen, dan ijlen we erheen, het tegemoet: 't mocht
+wat of er midden op ons pad een afgrond gaapte!
+
+De moeder wilde haar kinderen redden. Hoe? Och, moeders vragen niet
+naar de middelen wanneer het om haar kinderen gaat.
+
+Ze liep wanhopig voort, vervolgd door vrees en akelige
+voorgevoelens. Zou men haar Basilio al gevangen genomen hebben? Dicht
+bij haar huis ontwaarde zij de helmen van twee soldaten boven de
+schutting om haar tuintje. Onmogelijk zou 't zijn te beschrijven wat
+er in haar hart omging: ze vergat alles. Ze was zeer goed bekend
+met de vermetelheid dier mannen, die niemand ontzagen, zelfs de
+rijksten niet. Wat zou er nu van haar worden en van haar zoontjes,
+nu ze van diefstal beschuldigd waren? De _guardias civiles_ zijn geen
+menschen, 't zijn alleen maar _guardias civiles_. Ze luisteren niet
+naar smeekbeden en zijn gewend aan het gezicht van tranen.
+
+Sisa sloeg instinktmatig de oogen ten hemel, en de hemel lachte
+haar toe met heerlijk licht: enkele blanke wolkjes zweefden in
+'t doorschijnend azuur. Ze bleef even staan, om het beven te doen
+ophouden, dat al haar leden overviel.
+
+De soldaten verlieten haar huis en kwamen zonder iemand terug:
+ze hadden geen andere gevangene dan de kip die Sisa vetmestte. Ze
+herademde en vatte weer moed.
+
+"Wat zijn ze goed en wat hebben ze een medelijdend hart!" mompelde
+ze bijna schreiend van vreugde.
+
+Al hadden de soldaten haar huis verbrand, als ze maar haar kinderen
+in vrijheid gelaten hadden, dan zou zij ze met zegenbeden overstelpt
+hebben.
+
+Ze zag weer erkentelijk naar den hemel op, waar een zwerm reigers
+doorheen vloog, die lichte wolkjes der Filippijnsche hemelen. En met
+hernieuwd vertrouwen in haar hart vervolgde zij haar weg.
+
+Toen ze die verschrikkelijke mannen naderde, deed Sisa alsof ze overal
+afgetrokken heen keek, en hield ze zich, alsof ze haar kip niet zag,
+die luid piepend om hulp vroeg. Toen ze nauw voorbij was, wilde ze
+hard doorloopen, doch de voorzichtigheid weerhield haar schreden.
+
+Ze had zich nog niet ver verwijderd, toen ze hoorde dat men haar
+gebiedend iets toeriep. Ze huiverde, maar ze deed alsof ze 't niet
+begreep en stapte verder. Er werd nogmaals geroepen, doch ditmaal met
+een schreeuw en een scheldwoord. Ze wendde zich om, ondanks haar zelve,
+bleek en bevend. Een _guardia civil_ wenkte haar toe.
+
+Sisa kwam werktuigelijk naderbij, voelende dat haar tong verlamde
+van ontzetting en haar keel droog werd.
+
+"Zeg ons de waarheid, of anders binden we je aan dien boom daar,
+of we schieten allebei op je!" zeide er een op dreigende toon.
+
+De vrouw keek naar den boom.
+
+"Ben je de moeder van de dieven, zeg jij?" vroeg de ander.
+
+"Moeder van de dieven!" herhaalde Sisa werktuigelijk.
+
+"Waar is 't geld dat je zoons je gisterenavond gebracht hebben?"
+
+"O, 't geld..."
+
+"Ontken 't maar niet: dat zou je leelijk bekomen!" voegde de ander
+erbij. "We zijn gekomen, om je zoons gevangen te nemen en de oudste
+is ons ontloopen. Waar heb je de jongste verstopt?"
+
+Toen Sisa dit hoorde, herademde ze.
+
+"Meneer!" antwoordde ze, "ik heb mijn zoon Crispin al verscheidene
+dagen niet gezien: ik hoopte hem van morgen in 't klooster te zien
+en daar zeiden ze me alleen..."
+
+De twee soldaten wisselden een veelbeteekenende blik.
+
+"Goed!" riep een van hen uit: "geef ons het geld dan en we zullen je
+met vrêe laten."
+
+"Meneer!" smeekte de ongelukkige vrouw, "mijn kinderen stelen niet,
+al hebben ze honger. We zijn gewend honger te lijden. Basilio heeft me
+geen enkele 'cuarto' thuis gebracht, kijkt u maar mijn heele huis na,
+en als u een 'reaal' zelfs vindt, mag u met ons doen wat u wilt. Wij
+arme menschen zijn niet allemaal dieven!"
+
+"Dan," hervatte de soldaat langzaam en keek daarbij Sisa scherp in
+de oogen, "ga je met ons mee. Je zoons zullen er wel voor zorgen
+het geld dat ze gestolen hebben voor den dag te brengen en af te
+geven. Volg ons!"
+
+"Ik?... u volgen?" stamelde de vrouw terugdeinzend en met schrik
+kijkend naar de uniformen der soldaten.
+
+"En waarom niet?"
+
+"Ach, hebt medelijden met me!" smeekte ze bijna op haar knieën. "Ik
+ben heel arm, ik heb geen goud en geen juweelen om u aan te bieden:
+'t eenige wat ik had, hebt u al weggenomen, de kip die ik dacht te
+verkoopen...Neemt alles mee wat u in mijn hut kunt vinden; maar laat
+me hier met vrede. Laat me hier sterven!"
+
+"Vooruit! Je moet komen, en als je niet goedschiks meegaat, zullen
+we je binden."
+
+Sisa barstte in bitter schreien uit. De mannen waren onvermurwbaar.
+
+"Laat me dan ten minste op een afstand voor u uit loopen!" smeekte ze,
+toen ze voelde dat ze haar ruw beetpakten en voortduwden.
+
+De twee soldaten kregen medelijden, en overlegden fluisterend met
+elkaar.
+
+"Goed!" zeide de een, "omdat je van hier totdat we aan 't dorp komen
+zou kunnen wegloopen, moet je tusschen ons in loopen. Als we eenmaal
+daar zijn, mag je op twintig pas voor ons uit loopen. Maar pas op,
+hoor! nergens een winkel binnengaan, geen oponthoud. Vooruit en
+maak voort!"
+
+Tevergeefs waren de smeekbeden, tevergeefs alle redeneeren, ijdel haar
+beloften. De soldaten zeiden dat ze zich al voldoende blootgaven en
+al te veel toestonden.
+
+Toen ze dus tusschen hen beiden in liep, voelde ze zich sterven
+van schaamte ... wel was er niemand op den weg, maar ... de lucht
+en het daglicht dan? De ware kuischheid ziet overal blikken op zich
+gericht. Ze bedekte zich 't gelaat met haar zakdoek, en blindelings
+voortgaande, weende ze in stilte over haar vernedering. Ze besefte
+haar ellende, ze wist dat ze van iedereen verlaten was, zelfs door
+haar eigen man; doch tot nu toe had ze zichzelve voor eerbaar en
+achtenswaardig gehouden: tot nu toe had ze met deernis gekeken naar de
+schandelijk gekleede vrouwen, die men in 't dorp de soldaten-bijwijven
+noemde. Nu scheen het haar alsof ze nog een sportje lager dan die
+wezens op den levensladder was gedaald.
+
+Er klonken voetstappen van paarden: 't waren de lieden die visch
+vervoerden naar de binnenlandsche dorpen. Ze deden hun reizen in
+kleine karavanen--mannen en vrouwen--gezeten op minderwaardige
+paarden tusschen twee manden, die aan weerskanten van het dier
+hingen. Verscheidenen van hen hadden haar om een dronk water gevraagd,
+wanneer ze voorbij haar stulp gingen, en haar dan wat visch ten
+geschenke gegeven. Thans leek het haar dat ze in 't voorbijgaan tegen
+haar aanliepen en haar vertrapten, en dat hun blikken, medelijdend
+of verachtelijk, door haar zakdoek heen haar gelaat bestookten.
+
+Eindelijk verwijderden de reizigers zich, en Sisa zuchtte. Ze trok even
+haar doek ter zijde, om te zien of ze nog ver van 't dorp was. Ze moest
+nog eenige telegraafpalen voorbijgaan, voordat ze aan de _bantajan_ of
+het wachthuisje kwam. De afstand had haar nog nooit zoo lang geschenen.
+
+Aan den kant van den weg groeide een lommerrijk bamboe-boschje, in
+welks schaduw ze eertijds placht te rusten. Daar hield haar minnaar
+teedere gesprekken met haar. Hij hielp haar om de mand met vruchten en
+groenten te dragen. Ach! Dat was als een droom vervlogen: de minnaar
+werd haar echtgenoot, en deze werd aangesteld tot wijkhoofd. En toen
+begon het ongeluk aan haar deur te kloppen...
+
+Daar de zon begon te branden, vroegen de soldaten haar of ze wilde
+uitrusten.
+
+"Dank u!" antwoordde ze vol afschuw.
+
+Doch waar haar eerst recht ontzetting overviel, was toen ze 't
+dorp naderde. Angstig sloeg ze een blik om zich heen: uitgestrekte
+rijstvelden, een bevloeiingskanaaltje, armzalige boomen, nergens
+een afgrond of rots waar ze zich te pletter kon gooien. Ze kreeg er
+berouw van dat ze de soldaten tot zoover gevolgd was. Ze betreurde
+de diepe rivier, die dicht bij haar hut liep en welker steile oevers,
+bezaaid met puntige rotsblokken, haar zulk een zoeten dood boden. Doch
+de gedachte aan haar kinderen, aan haar zoon Crispin, wiens lot haar
+onbekend was, was haar een licht in dien nacht. En ze kon gelaten
+stamelen:
+
+"Later....later gaan we diep in 't bosch wonen!"
+
+Ze wiste haar oogen af, trachtte zich te kalmeeren, en zich tot de
+_guardia's_ wendend, zeide ze zacht:
+
+"We zijn al in 't dorp!"
+
+De toon van haar stem had een vreemde mengeling van klacht, verwijt en
+weedom in zich: 't was een bede, 't was de in klank saamgevatte smart.
+
+De soldaten werden er ontroerd van en antwoordden met een gebaar. Sisa
+stapte ijlings vooruit, en trachtte een rustig aanzien in acht
+te nemen.
+
+Op dat oogenblik begonnen de klokken te luiden ten teeken dat de
+hoogmis afgeloopen was. Sisa versnelde haar schreden om, zoo mogelijk,
+de menschen die uit de kerk kwamen te ontgaan. Doch tevergeefs:
+er was geen kans om de ontmoeting te ontwijken.
+
+Ze groette met bitteren lach twee vrouwen die ze kende. Dezen wierpen
+een vragenden blik op haar, en verderop boog ze maar 't hoofd, om
+die krenkingen te vermijden, en begon ze alleen naar den grond te
+kijken. En, hoe vreemd! ze struikelde over de steenen op den weg.
+
+De menschen stonden even stil, om haar aan te zien, praatten onder
+elkaar, terwijl ze haar met de oogen volgden; dat alles zag ze,
+ze voelde het, al hield ze ook onderwijl den blik neergeslagen.
+
+Ze hoorde de onhebbelijke stem van een vrouwspersoon, die achter haar
+bijna schreeuwend riep:
+
+"Waar hebben jullie die gepakt? En 't geld?"
+
+'t Was een vrouw zonder _tapis_ of kain, met een geel-en-blauwe rok
+en een kabaai van blauw gaas: aan haar dracht kon men zien dat het
+een soldatenhoer was.
+
+'t Was Sisa als kreeg ze een slag in 't gezicht: die vrouw had haar
+in 't bijzijn van de menigte uitgekleed. Ze sloeg even de oogen op,
+en drenkte ze in spot en minachting. Ze zag de menschen ver, heel ver
+van haar af, en toch voelde ze de koude van hun blikken en hoorde ze
+hun gefluister. De arme vrouw liep voort zonder den grond onder haar
+voeten te voelen.
+
+"Hei, hierheen!" riep een der _guardia's_ haar toe. Als een automaat
+welks mechanisme breekt draaide ze snel op haar hielen rond. En
+zonder iets te zien, zonder te denken, liep ze ijlings weg, om zich
+te verschuilen. Ze zag een deur met een schildwacht ervoor, trachtte
+daar binnen te gaan, doch een andere stem, nog gebiedender dan te
+voren, verdreef haar van daar weg. Met wankelende schreden zocht
+ze de richting van die stem, ze voelde dat men haar van achteren
+voortduwde, ze sloot de oogen, deed twee schreden vooruit, en haar
+krachten begaven haar. Ze liet zich op den grond vallen, eerst op
+de knieën, dan zittend. Een schreien zonder tranen, zonder kreten,
+zonder weeklagen, deed haar lichaam stuiptrekken.
+
+'t Was de kazerne. Daar waren soldaten, vrouwen, varkens en
+kippen. Enkele mannen waren bezig hun kleeren te verstellen, terwijl
+hun liefje op de bank lag, met de dij van den man tot hoofdkussen,
+rokend en landerig naar de zoldering kijkend. Andere vrouwen hielpen
+de mannen, om hun kleedingstukken, hun wapens enz. te reinigen,
+terwijl ze halfluid ontuchtige liedjes zongen.
+
+"'t Schijnt dat de kuikens er van door zijn! jullie brengen alleen
+maar de hen", zeide een vrouw tot de binnentredenden; 't was niet uit
+te maken of ze Sisa bedoelde of wel de kip, die voortging met piepen.
+
+"Och ja, de kip is toch altijd meer waard dan de kuikens!" gaf ze
+zich zelf antwoord, toen ze merkte dat de soldaten zwegen.
+
+"Waar is de sergeant?" vroeg een der gendarmes op wreveligen
+toon. "Heeft de onderluitenant er al kennis van gekregen?"
+
+Schoudergeschok was 't eenig bescheid; niemand gaf zich de minste
+moeite, om iets na te gaan omtrent het lot der arme vrouw.
+
+Daar bracht ze twee uur door in een staat van halve zinsverbijstering,
+hurkend in een hoek, het hoofd verborgen tusschen de handen, de
+haren loshangend, en verward. Om twaalf uur wist de "alférez" of
+onderluitenant eindelijk van 't geval, en 't eerste wat hij deed, was
+zijn ongeloof te kennen geven terzake van 's pastoors beschuldiging.
+
+"Jasses, al weer wat van dien beroerden steek!" zeide hij, gelastte
+dat men de vrouw zou loslaten en dat niemand zich verder met haar
+zou bemoeien.
+
+"Als hij terug wil hebben wat hij verloren heeft, dan moet hij 't
+maar aan zijn Heiligen Antonius vragen, of laat hem klagen bij den
+nuntius! Schei uit!"
+
+'t Gevolg was dat Sisa bijna met duwen de kazerne uit werd gezet,
+want zij zelf wilde zich niet verroeren.
+
+Toen ze zich midden op straat zag, begon ze werktuigelijk naar
+haar huis te loopen, haastig, het hoofd ontbloot, de haren verward
+om haar heen hangend, en den blik strak op den verre gezichtseinder
+gericht. De zon brandde in haar zenith, en er was geen wolkje dat haar
+schitterende schijf befloersde. De wind bewoog zwakjes de bladeren
+der boomen. De weg was reeds bijna droog. Geen vogel waagde het de
+schaduw der twijgen te verlaten.
+
+Sisa bereikte ten slotte haar huisje. Ze ging naar binnen, stom,
+stil; ze liep er door heen, ging weer naar buiten, begon in alle
+richtingen te dwalen. Toen liep ze met een vaart naar het huis van
+den ouden Tasio, klopte aan de deur, maar de man was niet thuis. De
+ongelukkige keerde naar haar huis terug en begon op eens luidkeels
+Basilio! Crispin! te roepen. Ieder oogenblik hield ze stil en luisterde
+aandachtig. De echo herhaalde haar stem. Het zachte gemurmel van
+'t water in de naburige rivier, de muziek van 't bamboeloof waren de
+eenige stemmen dier eenzaamheid. Ze riep nog eens, besteeg een hoogte,
+daalde af in een ravijn, ging naar beneden naar de rivier. Haar
+oogen waarden rond met een akelige uitdrukking erin, van tijd tot
+tijd flitsten er helle glanzen in, dan werden ze weer dof, als een
+uitspansel in een stormnacht: men zou zeggen dat het licht der rede
+nog flikkerde, op 't punt om te dooven.
+
+Wederom ging ze den weg op naar haar huisje, ging zitten op de
+mat waarop ze den vorigen nacht met haar zoontje geslapen had; ze
+hief de oogen op en zag een lap van Basilio's hemd vastzitten aan
+het uiteinde van een bamboe van de _dinding_ of heining, die dicht
+bij den afgrond stond. Ze stond op, greep de lap en keek die bij 't
+zonlicht na: er waren bloedvlekken op. Maar wellicht zag Sisa ze niet,
+want ze ging naar beneden en bleef de lap onderzoeken, midden in den
+blakerenden zonnegloed, terwijl zij hem ophield. En, als voelde ze
+alles om zich heen duister worden, alsof ze behoefte had aan licht,
+staarde ze met wijd-geopende oogen recht in de zon.
+
+Nog dwaalde ze van den eenen kant naar den andere, vreemde geluiden
+roepend of uitschreeuwend. Men zou er bang van worden haar te hooren:
+haar stem had een zonderlinge klank, zooals de menschelijke keel
+die niet pleegt voort te brengen. 't Was iets nog akeligers dan het
+huilen en klagen van den wind in een stormnacht binnen de muren en
+torens van een bouwval.
+
+Zoo overviel haar de avond. Sliep ze eindelijk rustig en vergat ze
+in den nacht al haar leed? Hoe 't ook zij, den volgenden ochtend liep
+Sisa lachend rond, zingend en pratend met al de schepselen der natuur.
+
+
+
+
+XXII.
+
+Licht en schaduw.
+
+
+Terwijl men te San Diego vlaste op de komende feestelijkheden, praatte
+men er druk en sprak men er kwaad: over den burgemeester, over zijn
+"teniënte", over de partij der "jongen"; ja, er waren er die Jan en
+Alleman van allerlei leelijks ter zake dier feesten beschuldigden.
+
+Men praatte ook over de komst van Maria Clara samen met haar tante
+Isabel. Men verheugde zich daarover, omdat men van haar hield. En
+tegelijkertijd dat velen verrukt waren over haar toegenomen schoonheid,
+verbaasden ze zich over de verandering die ze in 't wezen van Padre
+Salvi opmerkten.
+
+"Hij is dikwijls afgetrokken, wanneer hij de mis bedient. Hij
+spreekt niet veel meer met ons, en hij wordt zienderoogen magerder
+en stiller." Zoo spraken zijn vrouwelijke biechtelingen. Zijn kok zag
+hem met het uur afvallen en beklaagde zich over de geringe eer die hij
+zijn gerechten bewees. Doch wat het meest de praatjes gaande maakte,
+was het feit dat men 's nachts in 't klooster meer dan twee lichten
+kon zien, terwijl Padre Salvi op bezoek was bij een partikulier... in
+'t huis van Maria Clara! De vrome vrouwtjes sloegen kruisen, maar
+gingen onderwijl rustig voort met hun gebabbel.
+
+Juan Crisóstomo Ibarra had getelegrafeerd uit de provincie-hoofdplaats
+om tante Isabel en haar nichtje te begroeten, maar had geen verklaring
+gegeven van zijn wegblijven. Velen waren in den waan dat hij gevangen
+zat wegens zijn optreden jegens Padre Salvi op den bewusten avond
+van Allerheiligen. Doch de nieuwsgierige belangstelling bereikte
+haar toppunt, toen men hem in den namiddag van den derden dag uit
+een rijtuig zag stappen voor de kleine woning zijner aanstaande,
+en men hem hoffelijk den geestelijke zag groeten, die zich eveneens
+daarheen begaf.
+
+Om Sisa en haar kinderen bekommerde zich niemand...
+
+Het huis van Maria Clara was een keurig nestje, verscholen tusschen
+oranjeboomen en _ilang-ilang_.
+
+De twee jongelieden zaten er, kort na Ibarra's aankomst, aan een
+venster, dat uitzag op het meer. 't Was overschaduwd door bloemen en
+klimplanten, die langs bamboe- en ijzerdraad er om heen geleid waren
+en er een zachte geur verspreidden.
+
+Zijn lippen stamelen woorden, teederder dan het gesuizel der bladeren
+en geuriger dan de aromadoorwasemde lucht, die den tuin vervult. Het
+was het uur waarop de Sirenen van het meer, gebruikmakend van het
+halfdonker der korte avondschemering, hun vroolijke kopjes opsteken
+boven de golven, om de stervende zon te bewonderen en met hun zangen
+te begroeten. Men zegt dat ze blauwe oogen en blauwe haren hebben,
+dat ze kransen dragen van waterplanten met witte en roode bloemen.
+
+Men zegt dat van tijd tot tijd het blanke schuim hun fijnbelijnde
+lichaamsvormen blootgeeft, vormen nòg blanker dan dat schuim, en dat,
+als straks de nacht geheel gevallen is, ze hun zielsverrukkende
+spelen beginnen en geheimzinnige accoorden laten klinken als van
+aeolus-harpen.
+
+De jongelieden hadden reeds een heele poos met elkaar gesproken,
+toen Ibarra tot Maria Clara zeide: "Morgen vóór dag en dauw zal
+er gebeuren wat je verlangt, vannacht zal ik alles in orde maken,
+zoodat er niets aan ontbreekt."
+
+"Dan zal ik aan mijn vriendinnen schrijven dat ze komen moeten. Zorg
+vooral dat de pastoor niet meegaat!"
+
+"Waarom dat?"
+
+"Wel omdat 't net is alsof hij me bespiedt. Zijn holle sombere oogen
+doen me onaangenaam aan.
+
+"Als hij naar me kijkt, word ik bang. Als hij met me spreekt,
+klinkt zijn stem zoo vreemd ... Hij heeft het dan over zulke vreemde
+dingen. Hij vroeg me eens, of ik niet gedroomd had van brieven van
+mijn moeder. Ik geloof dat hij half gek is. Mijn vriendin Sinang en
+Andeng, mijn zoogzusje, zeggen dat hij bepaald wat onwijs is, want
+hij eet niet en hij baadt zich niet, en woont in 't donker. Maak toch
+dat hij niet meegaat!"
+
+"We kunnen hem onmogelijk overslaan," antwoordde Ibarra in
+gedachten. "'t Gebruik in 't land wil dat nu eenmaal. Hij komt bij
+je aan huis, en bovendien heeft hij zich tegenover mij bijzonder
+edelmoedig gedragen. Toen de burgemeester hem sprak over de zaak
+die je weet, heeft hij niets dan goed van me gezegd, en er niet
+aan gedacht het minste bezwaar op te werpen. Maar ik zie dat je een
+ernstig gezicht zet. Kom, heb maar geen zorg: hij kan toch niet met
+ons mee in de 'bangka.'" [17]
+
+Er klonken lichte voetstappen: het was de pastoor die naderbij kwam
+met een gedwongen glimlach op de lippen.
+
+"De wind is koud!" zeide hij, "als men nu een kou vat, raakt men
+die niet kwijt voordat de warme tijd begint. Zijt u niet bang, om
+verkouden te worden?"
+
+Zijn stem klonk beverig en zijn blikken richtten zich naar den verren
+horizon. Hij keek niet naar de jongelieden.
+
+"Integendeel: de avond lijkt ons aangenaam en de wind
+heerlijk!" antwoordde Ibarra. "In deze maanden hebben we onzen herfst
+en onze lente tegelijk: er vallen wat blaren af, maar er komen ook
+altijd bloemen."
+
+De geestelijke zuchtte.
+
+"Ik vind dat samengaan van die twee jaargetijden, zonder dat er een
+koude winter volgt, heerlijk", ging Ibarra voort.
+
+"In Februari spruiten de loten van de vruchtboomen uit en in Maart
+hebben we al rijpe vruchten. Wanneer de warme maanden komen, gaan we
+ergens anders heen."
+
+Fray Salvi glimlachte. Ze begonnen over onverschillige dingen te
+praten, over 't weer, over 't dorp, over 't feest. Maria Clara zocht
+een voorwendsel om heen te gaan, en verwijderde zich.
+
+"Nu we toch over feestelijkheden spreken: sta me toe dat ik u uitnoodig
+voor een feest dat we morgen vieren, 't Is een buitenpartijtje,
+dat onze vrienden en wij elkaar aanbieden."
+
+"En waar zal dat plaats hebben?"
+
+"De jonge meisjes willen het houden aan de rivier, in 't bosch hier
+in de buurt, dicht bij de _baliti_. We zullen daarom vroeg moeten
+opstaan, om te maken dat we geen last van de zon hebben."
+
+De geestelijke dacht even na. Daarna antwoordde hij:
+
+"De invitatie is erg aanlokkelijk en ik neem die aan, om u te toonen
+dat ik u geen wrok toedraag. Maar ik zal wat later moeten komen, om
+eerst mijn plichten af te doen. U bent wel gelukkig, vrij te zijn,
+zoo heelemaal vrij!"
+
+Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, om voor het partijtje
+van den volgenden dag te gaan zorgen.
+
+'t Was reeds geheel donker.
+
+Op straat kwam er iemand naar hem toe, die hem eerbiedig groette.
+
+"Wie bent u?" vroeg Ibarra hem.
+
+"U kent mijn naam niet, heer," antwoordde de onbekende. "Ik heb twee
+dagen op u gewacht."
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Omdat ze nergens medelijden met me hebben, omdat ze zeggen dat ik
+een bandiet ben, heer! Maar ik heb mijn kinderen verloren, mijn vrouw
+is krankzinnig en ze zeggen dat ik mijn verdiende loon heb!"
+
+Ibarra nam den man snel van hoofd tot voeten op en vroeg:
+
+"Wat wilt u nu?"
+
+"Uw medelijden inroepen voor mijn kinderen!"
+
+"Ik kan hier niet blijven stilstaan," antwoordde Ibarra.
+
+"Als u me volgen wil, kan u onderweg me vertellen wat u overkomen is."
+
+De man dankte, en weldra verdwenen ze samen in de duisternis der
+slecht-verlichte straten.
+
+
+
+
+XXIII.
+
+De vischvangst.
+
+
+Nog flonkerden de sterren aan 't saffieren gewelf en de vogels
+sluimerden nog op de takken der boomen, toen een vroolijk troepje
+menschen reeds de straten van 't dorp doorliep, op weg naar 't meer,
+onder het levendige schijnsel der toortsen of _hulpes_, die ze droegen.
+
+'t Waren vijf jonge meisjes, die haastig voortstapten, elkaar bij
+de hand of om 't middel vasthoudend en gevolgd door eenige oude
+vrouwen en verscheidene dienstboden, welke op bevallige wijze manden
+vol mondvoorraad, borden en anderszins op 't hoofd droegen. In de
+oogen der meisjes lachte de jeugd en blonk de levensvreugde. 't
+Overvloedige zwarte haar en de ruime plooien der luchtige gewaden
+golfden in den morgenwind.
+
+'t Waren Maria Clara en haar vier vriendinnetjes: de vroolijke
+_Sinang_, haar nichtje; de streng-bezadigde _Victoria_; de mooie _Idai_
+en de ernstige _Neneng_ met haar bescheiden schuchtere schoonheid.
+
+Ze praatten levendig met elkaar, gaven elkaar kneepjes, fluisterden
+af en toe in apartjes en schaterden dan, dat het een lust was.
+
+"Je zult de menschen wakker maken!" berispte Tante Isabel, "toen wij
+jong waren maakten we zoo'n lawaai niet."
+
+"U zult ook wel niet zoo vroeg opgestaan zijn als wij, en de oudjes
+zullen toen ook wel niet zoo lui geweest zijn!" antwoordde de kleine
+Sinang.
+
+Ze waren een oogenblik stil, dan trachtten ze hun stem wat minder
+uit te zetten, doch al heel spoedig vergaten ze zich, lachten weer
+en vervulden de straat met hun jeudigfrissche stemmen.
+
+"Toon je maar boos; spreek niet tegen hem!" zeide Sinang tot Maria
+Clara. "Geef hem maar een flink standje: hij moet geen leelijke
+gewoonten aannemen."
+
+"Wees toch niet zoo veel-eischend," zei Idai.
+
+"Wees veel-eischend, hoor! Niet zot! Een man moet gehoorzaam zijn
+zoolang hij verloofd is, want later, als hij getrouwd is, doet hij
+alles waar hij zin in heeft!" zoo raadde de kleine Sinang.
+
+"Wat weet jij daar nou van, kind?" zei haar nichtje Victoria heel wijs.
+
+"St, stil! Daar komen ze aan!"
+
+Inderdaad, er kwam een troepje jongelui aan. Ze droegen groote
+flakkerende bamboe-fakkels en liepen vrij bezadigd voort onder 't
+tokkelen van een gitaar.
+
+"'t Lijkt wel een gitaar van een bedelaar!" zei Sinang lachend.
+
+Toen de twee troepjes elkaar tegenkwamen, waren het de vrouwen die een
+ernstige en waardige ingetogenheid in acht namen, alsof ze 't lachen
+nog nooit geleerd hadden, terwijl daarentegen de mannen praatten,
+groeten wisselden, lachjes verkochten en zes vragen deden om een half
+antwoord te krijgen.
+
+"Is het meer kalm? Gelooft u dat we mooi weer zullen krijgen?" vroegen
+de moeders.
+
+"Maak u maar niet ongerust, dames, ik kan goed zwemmen," antwoordde
+een lang en tenger gebouwd jongmensch.
+
+"We hadden toch eigenlijk eerst naar de mis moeten gaan!" zuchtte
+tante Isabel, de handen ineenslaande.
+
+"'t Is nog tijd, mevrouw: Albino is op 't seminarie geweest, die kan
+straks in de 'bangka' wel een mis lezen," antwoordde een ander en
+wees daarbij op den lange en magere.
+
+Deze, die er als een rechte snaak uitzag, trok, toen hij zich hoorde
+noemen, dadelijk een boetvaardig gezicht, waarmee hij Padre Salvi
+trachtte na te apen.
+
+Ibarra nam, zonder zijn ernst af te leggen, toch deel aan de
+vroolijkheid zijner makkers.
+
+Toen ze aan 't strand kwamen slaakten de vrouwen onwillekeurig kreten
+van verrassing en vreugde. Ze zagen daar twee groote _bangka's_ aan
+elkaar verbonden en op schilderachtige wijze opgetooid met slingers
+van bloemen en bladeren, met veelkleurige doeken die er met vergulde
+nagels opgespijkerd waren, terwijl papieren lantaarntjes, afwisselend
+met rozen, anjelieren en allerlei vruchten, als ananassen, djamboe's
+enzoovoort, aan de geïmproviseerde tenten der vaartuigen hingen. Ibarra
+had zijn eigen tapijtjes, kleedjes en kussens laten brengen en daarmee
+gemakkelijke zitplaatsen voor de vrouwen en meisjes ingericht. De
+stuurstangen en de riemen waren ook versierd. In de grootste _bangka_
+waren een harp, gitaars, accordeons en een groote karbouwen-hoorn. In
+de andere brandde vuur in de _kalan's_ van aardewerk; daar werden thee,
+koffie en _salabat_ [18] (sorbet) voor 't ontbijt bereid.
+
+"Hier de vrouwen, daar de mannen!" zeiden de moeders, toen men
+instapte: "Bedaard, jullie meisjes.
+
+"Niet zoo'n beweging maken, anders vergaan we, hoor."
+
+"Eerst 't teeken des kruises!" zei tante Isabel en sloeg een kruis.
+
+"En blijven we hier zoo afgescheiden?" vroeg Sinang en trok een
+lip. "Wij alleen maar?... och jee!"
+
+Dit "och jee!" bezorgde haar een kneep, die haar moeder op 't geschikte
+oogenblik wist toe te dienen.
+
+De _bangka's_ verwijderden zich allang van den oever, terwijl het
+licht der lantaarntjes vroolijk blikkerde in 't spiegel-vlakke meer. In
+'t oosten verschenen de eerste dageraads-tinten.
+
+Er heerschte vrijwel stilte: de jeugd scheen zich, tengevolge van de
+scheiding door de moeders ingesteld, aan overpeinzing over te geven.
+
+"Wees voorzichtig!" zei Albino, de oud-seminarist luide tot een ander
+jongmensch, "druk vooral goed op het 'werk', dat er onder je voet is."
+
+"Wat is er dan?"
+
+"'t Is een prop, die er wel uit zou kunnen springen: dan krijgen we
+water binnen. Er zijn veel gaten in deze _bangka_."
+
+"O jee, we verdrinken zoo meteen!" riepen de vrouwen verschrikt.
+
+"Maakt u maar niet ongerust, dames!" verzekerde onze ex-seminarist,
+"deze _bangka_ is best te vertrouwen, er zijn niet meer dan vijf
+gaten in, en niet eens erg groot."
+
+"Vijf gaten! Jezus! Willen jullie ons laten verdrinken?" kreten de
+vrouwen ontsteld.
+
+"Er zijn er maar vijf, dames en maar zoo groot," zei hetzelfde
+jongemensch geruststellend, terwijl hij met duim en wijsvinger een
+kringetje maakte. "Maar goed drukken op de proppen, dan zullen ze er
+niet uitvliegen."
+
+"Mijn God! Heilige Moeder Gods! Er komt al water naar binnen!" riep
+een oudje, dat voelde dat ze nat werd.
+
+Er ontstond een kleine beroering; eenigen gilden, anderen dachten
+erover in 't water te springen.
+
+"Goed met de voeten op de proppen drukken hoor!" hervatte Albino en
+wees naar de plaats waar de jonge meisjes zaten.
+
+"Waar? Waar dan toch? God, we weten 't niet! Komen jullie toch in
+'s hemels naam hier, om ze ons te wijzen: we weten heusch niet waar
+ze zitten!" smeekten de vreesachtige vrouwen.
+
+De ontzette moeders waren niet eerder gerust voordat vijf jonge meisjes
+in de andere "bangka" waren gaan zitten. En vreemd genoeg! 't leek
+wel, alsof elk van de vijf een gevaarlijk zitplaatsje had gehad, en al
+de oudjes bij elkaar geen enkel lek in de boot te duchten hadden. En
+nog vreemder toevalligheid! Ibarra kwam naast Maria Clara te zitten,
+Albino naast Victoria en zoo verder. De bezorgde moeders keerden tot
+hun rustige stemming terug. Bij de jonge meisjes bleef de onrust,
+al veranderde die van aard.
+
+Daar het water volkomen kalm was, en men zich niet ver van de
+vischstaketsels bevond, terwijl het bovendien nog heel vroeg in den
+morgen was, besloot men de riemen neer te leggen en gezamenlijk te
+ontbijten. De lantarens werden uitgedaan, want de dageraad verlichtte
+reeds het uitspansel.
+
+De morgen was schoon: de wateren begonnen te glanzen. Uit 't hemellicht
+en de weerkaatsing daarvan ontstond een klaarheid, die de dingen
+verlichtte zoodat er schier geen schaduw viel, een schitterende
+frissche klaarte, kleur-verzadigd als bij sommige zee-tafereelen.
+
+Bijna iedereen was vroolijk. 't Lichte briesje dat er opstak was ook
+heerlijk om in te ademen: zelfs hielden de moeders op met vermanen
+en waarschuwen, om te lachen en gekheid met elkaar te maken.
+
+Eén man alleen, die het gezelschap als loods diende, bleef stil en
+in-zichzelf-gekeerd bij al die vreugde, 't Was een jongmensch met
+stoere lichaamsbouw. Hij had iets belangwekkends in zijn uiterlijk
+door de droeve uitdrukking van zijn oogen en de strenge lijnen van
+zijn mond. Zijn zwarte haren, lang en onverzorgd, hingen hem over zijn
+gespierden nek. Een lange kiel--_kamisa_--van grove donkerkleurige
+stof, liet een athletische borst vermoeden, waar de geweldige spieren
+met die van zijn bloote armen samenwerkten, om als spelenderwijs
+de beide vaartuigen voort te loodsen: een breede riem van kolossale
+afmeting diende hem daarbij als roerstang.
+
+Maria Clara had meer dan eens gezien dat hij haar gadesloeg: telkens
+wendde hij dan snel den blik ergens anders heen, en keek in de verte,
+naar de bergen of naar den oever. Het jonge meisje kreeg medelijden
+met zijn eenzaamheid: een paar beschuitjes nemende, bood ze hem die
+aan. De loods keek haar een oogenblik eenigszins verwonderd aan,
+doch daarna nam hij 't gebodene aan en dankte met een enkel nauw
+verstaanbaar woord.
+
+Niemand dacht verder meer aan den stuurman. Het vroolijke gelach en
+de invallen der jonge meisjes deden hem geen spier op zijn gezicht
+vertrekken.
+
+Toen 't ontbijt afgeloopen was, zette men de tocht naar de visch-perken
+voort.
+
+Er waren er twee, op eenigen afstand van elkaar gelegen, beide
+behoorden in eigendom aan Capitán Tiago. Van verre kon men eenige
+reigers boven op de punten der bamboe-staketsels, in peinzende houding
+zien zitten, terwijl enkele witte vogels--_kalanij_ of _kalau_, zooals
+de Tagalen ze noemen--in verschillende richtingen rakelings langs
+het watervlak vlogen en de lucht vervulden met hun schel gekrijsch.
+
+Maria Clara keek naar de reigers, die bij 't naderen der _bangka's_
+in de richting van 't naburige gebergte wegvlogen.
+
+"Hebben die vogels hun nesten op de bergen?" vroeg het jonge meisje
+aan den "loods", wellicht meer om hem aan 't praten te krijgen dan
+om ingelicht te worden.
+
+"Waarschijnlijk wel, juffrouw," antwoordde hij, "maar tot nog toe
+heeft niemand ooit hun nesten gezien."
+
+"Hebben ze dan geen nesten?"
+
+"Ik veronderstel dat ze die wel hebben, ze zouden anders al heel
+ongelukkig wezen."
+
+Maria Clara bespeurde den toon van droefheid niet waarmee de "loods"
+deze woorden uitsprak.
+
+"Hoe is dat dan...?"
+
+"Ze zeggen," antwoordde de jonge man, "dat de nesten van die vogels
+onzichtbaar zijn, en dat ze ook de eigenschap bezitten, iemand die
+ze gevangen heeft onzichtbaar te maken. 't Is ermee als met de ziel:
+evenals die alleen gezien kan worden in den spiegel van de oogen, zoo
+laten die nesten zich alleen waarnemen in 't spiegelvlak van 't water."
+
+Maria Clara verzonk in gepeins.
+
+Ondertusschen was men bij de _baklad_, het vischperk, aangekomen:
+de oude schuitevoerder bond de vaartuigjes aan een der staketsels vast.
+
+"Wacht," zei tante Isabel tot den zoon van den ouden man, die zich
+gereedmaakte om met zijn _panalok_, een bamboe-stok met een netje
+eraan, naar boven te klimmen. "We moeten eerst de _sinigang_ in orde
+maken: dan kan de visch uit het water dadelijk in de soep."
+
+"Die goeie tante Isabel!" riep de ex-seminarist, "die wil de visschen
+geen oogenblik tijd laten om hun waterland te betreuren."
+
+Andeng, Maria Clara's zoogzuster, had, ondanks haar smetteloos vroolijk
+gezichtje den naam van goed te kunnen koken. Ze maakte rijst-water,
+tomaten en _kamia's_ klaar. Enkele anderen hielpen haar of hinderden
+haar: wellicht wilden ze bij haar in de gunst komen. De jonge meisjes
+maakten de laboe's schoon, wieschen de erwten en sneden de _paäjap
+[19]_-vruchten in reepjes zoo groot als sigaretten.
+
+Om het ongeduld te bezweren van hen die wilden zien, hoe de visschen
+spartelend uit hun gevangenis zouden komen, greep de mooie Iday naar
+de harp; Iday bespeelde niet alleen goed dit instrument, maar had
+bovendien heel mooie vingertjes.
+
+Het jonge gezelschap juichte en klapte in de handen, Maria Clara
+gaf haar een kus. De harp is het instrument dat in die provincie het
+meest bespeeld wordt en 't was voor het oogenblik het meest geschikte.
+
+"Zingen, Victoria, zing's het 'huwelijks-lied!'" verzochten de moeders.
+
+De jongelui verzetten zich en Victoria, die een goede stem had,
+klaagde over schorheid. Het "huwelijkslied" is een mooie Tagaalsche
+treurzang waarin al de ellende en droefheid van 't huwelijk, zonder
+de vreugden ervan geschilderd worden.
+
+Toen moest en zou Maria Clara zingen.
+
+"Al wat ik zing is weemoedig."
+
+"Dat 's niets, dat 's niets!" zeiden allen.
+
+Ze liet zich niet lang bidden, greep de harp, speelde een voorspelletje
+en zong met eenigszins trillende, maar welluidende en gevoelvolle stem:
+
+
+ Zoet zijn de uren in 't land van geboorte,
+ Waar al wat de zonne verlicht tot ons lacht.
+ Heerlijk is 't briesje dat waait in zijn velden,
+ En zachter de dood en veel zaal'ger de min.
+ Innige kussen de lippen omspelen
+ Begint men in d'armen van moeder zijn dag.
+ Hunkrend verlangt men haar hals te omsluiten,
+ En d'oogen weerkaatsen den glimlach van haar.
+ Zoet is de dood voor het land van geboorte,
+ Waar al wat de zonne verlicht tot ons lacht.
+ Doodsch is het briesje dat waait in de velden,
+ Voor hem die geen land heeft, geen moeder, geen lief.
+
+
+De stem stierf weg, het gezang hield op, de harp verstomde en nóg
+bleven allen luisteren. Niemand klapte in de handen. De jonge meisjes
+voelden hun oogen vochtig worden, Ibarra scheen ontstemd en de jonge
+"loods" keek strak vóór zich uit.
+
+Plotseling hoorde men iets als een oorverdoovend geloei; de vrouwen
+en meisjes slaakten een kreet en hielden de ooren dicht. Het
+was de vroegere seminarist Albino, die met alle macht op de
+karbouwen-hoorn--de _Tamboeli_--blies. Het lachen en de opgewektheid
+herleefden. De oogen, nog zwemmend in tranen, schitterden met
+vroolijken glans.
+
+"Maar ben je nou van plan ons doof te maken, ketter?" schreeuwde
+tante Isabel.
+
+"Mevrouw", antwoordde de ex-seminarist plechtig, "ik heb 's hooren
+vertellen van een armen trompetter, daar ver in 't noorden aan de
+oevers van den Rijn, die alleen om zijn mooie getoeter getrouwd is
+met een rijke adellijke jonge dame."
+
+"Jawel, de trompetter van Säkkingen", viel Ibarra in, die niet nalaten
+kon deel te nemen aan de hernieuwden opgewektheid.
+
+En hij begon weer te blazen in den karbouwen-horen, ditmaal met nog
+meer animo, terwijl hij de mond van 't blaas-instrument vooral dicht
+bij de ooren van de jonge meisjes hield, die zich 't meest verteederd
+hadden getoond. Natuurlijk ontstond er een kleine opschudding. De
+moeders deden hem ten slotte door meppen met de muiltjes en knepen,
+zijn helsche muziek staken.
+
+"Au! au!" riep hij, terwijl hij zijn armen betastte.
+
+"Och, och, wat 'n afstand is er toch tusschen de Filippijnen en de
+oevers van den Rijn! Daar krijgen ze een lieve vrouw en landerijen,
+en hier moeten ze gekastijd worden voor hun blazen!"
+
+En allen lachten reeds. Zelfs Victoria. Toch zei Sinang, 't
+jonge meisje met de vroolijke oogen, zachtjes tot Maria Clara:
+"Gelukkige! Wat zou ik ook graag zingen als ik het maar kon!"
+
+Andeng kondigde eindelijk aan dat de "kaldoe" klaar was, om zijn
+gasten--de visch--te ontvangen.
+
+Het kleine jongmensch, de zoon van den visscher, steeg toen op het
+gesloten gedeelte van de "séro"--'t uiterste smalle stuk ervan--waar
+men het Italiaansche opschrift van de hel: "Laat alle hoop varen gij
+die hier binnentreedt" zou kunnen aanbrengen, als de visschen lezen
+konden; want geen visch die daar inging kwam eruit, of hij moest
+sterven. Het is een bijna ronde ruimte, zoo ingericht dat er een man
+op het hoogste gedeelte staan kan, om daar met zijn netje de visschen
+te kunnen ophalen.
+
+"Daar zou ik me heusch niet vervelen, als ik er met den hengel mocht
+visschen!" zeide Sinang popelend van pret.
+
+Iedereen lette op: enkelen meenden reeds de visschen binnen in 't
+netje te zien spartelen, het glanzen van de schubben waar te nemen
+en zoo meer. Doch, toen de jonge man het ding in 't water stak,
+sprong er niet een vischje op.
+
+"'t Moet hier vol wezen," zeide Albino zacht, "'t is al meer dan vijf
+dagen dat er niemand bij geweest is."
+
+De visscher haalde den bamboe-stok op... och geen enkel vischje
+tooide het net: 't leek wel of het water dat er met zijn zonneglanzen
+overvloedig afdruppelde er zilverlachjes om liet hooren. Een hè! van
+verbazing, ergernis en teleurstelling brak van alle lippen.
+
+De jonge man herhaalde de bewerking en 't was met even weinig
+resultaat.
+
+"Je kan er niets van!" zei Albino en klauterde op de _encerradero_,
+en hij rukte 't net uit de handen van den onhandigen jongen man.
+
+"Nu moeten jullie 's zien! Andeng, doe de pot open!" Maar Albino kon
+er evenmin mee terecht, en het net bleef leeg. Iedereen lachte.
+
+"Maak toch geen leven: de visschen hooren 't en dan laten ze zich
+niet vangen!" zeide hij. "Dit net is zeker kapot."
+
+Doch het net bleek volkomen gaaf.
+
+"Laat mij maar 's," zeide Leon, de aanstaande van Iday.
+
+Hij keek aandachtig naar de _encerradero_, onderzocht daarna het net,
+en, voldaan over zijn onderzoek, vroeg hij:
+
+"Zijn jullie er zeker van dat er in vijf dagen niemand hier geweest
+is?"
+
+"O, volkomen zeker! De laatste keer was de dag voor Allerheiligen."
+
+"Nu, dan is of het meer betooverd, of ik haal er wat uit."
+
+Leon bracht de bamboe in het water, maar men zag zijn gezicht een
+verbaasde uitdrukking aannemen. Zwijgend keek hij een oogenblik naar
+'t naburig gebergte. Daarna ging hij weer voort met de bamboe door
+het water heen en weer te bewegen. Dan, zonder hem op te halen,
+mompelde hij:
+
+"Een kaaiman."
+
+"Een kaaiman!" herhaalde men van alle kanten.
+
+Het woord liep van mond tot mond, te midden van algemeene schrik
+en ontsteltenis.
+
+"Wat zeg je?" vroegen ze hem.
+
+"Ik zeg dat er een kaaiman in gevangen zit," verzekerde Leon, en de
+steel van de bamboe dieper in 't water stekende, hervatte hij:
+
+"Horen jullie dat geluid? Dat 's geen zand, dat is de harde rug
+van den kaaiman. Zien jullie wel, hoe die bamboestokken daar heen
+en weer gaan? Dat doet hij, om zich los te werken, maar hij zit in
+elkaar gerold. Wacht... hij is groot: zijn lichaam is bijna een palm
+of meer breed."
+
+"Wat moeten we doen?" werd er gevraagd.
+
+"Vangen!" zei er een.
+
+"Jezus! En wie moet hem dan vangen?"
+
+Niemand waagde het daar neer te dalen. Het water was erg diep.
+
+"Als we hem eens aan onze _bangka_ vastbonden, en hem zoo in triomf
+wegsleepten," zei Sinang. "Dat eet me daar de visch op die voor ons
+bestemd was!"
+
+"Ik heb tot nu toe nog nooit een levende krokodil gezien!" merkte
+Maria Clara zacht op.
+
+De "loods" stond op, greep een lang touw en klom vlug op het vlakke
+bovenstuk van de vangkorf. Leon maakte plaats voor hem.
+
+Behalve Maria Clara had tot op dat oogenblik niemand op hem
+gelet. Thans bewonderden allen zijn slanke gestalte.
+
+Tot groote verbazing van iedereen en in weerwil van de kreten van
+angst die allen lieten hooren, sprong de "loods" in de _encerradero_.
+
+"Neem dit mes mee!" schreeuwde Crisóstomo, en haalde een breed
+toledaansch mes voor den dag.
+
+Doch in het water bruischte en borrelde het reeds, en de kolk sloot
+zich geheimzinnig voor 't oog.
+
+"Jezus, Maria en Jozef!" riepen de vrouwen. "Er gebeurt een
+ongeluk! Jezus, Maria en Jozef!"
+
+"Maakt u zich maar niets ongerust, dames," zeide de oude
+schuitevoerder, "als er in de heele provincie een is die zoo iets
+doen kan, dan is hij 't."
+
+"Wie is die man toch?" vroegen ze.
+
+"Wij noemen hem 'de loods.' 't Is de beste die ik ooit gezien heb. Hij
+houdt alleen niet van zijn baantje."
+
+Het water bewoog zich, er kwam meer en meer beroering in: 't was
+alsof daar beneden in de diepte een worsteling plaats had. Het heele
+staketsel raakte aan 't waggelen. Iedereen was stil, ademloos. Ibarra
+omklemde zenuwachtig het heft van zijn scherpe mes.
+
+De voorstelling scheen ten einde te loopen. Het hoofd van den jonge
+man kwam boven water. Men begroette hem met vroolijke uitroepen. De
+vrouwen en meisjes hadden de oogen vol tranen.
+
+De "loods" klauterde naar boven met het uiteinde van het touw in de
+hand. Eenmaal boven op het platte gedeelte trok hij 't naar zich toe.
+
+Het monster vertoonde zich: het koord zat hem dubbel om zijn hals en
+voorpooten. Het was een groot exemplaar, zooals Leon reeds vooruit
+gezegd had, hij was gevlekt en zijn rug begroeid met groen mos. Dit
+laatste beteekent bij de krokodillen hetzelfde als grijs haar bij
+de menschen. Het dier loeide als een os, het sloeg met zijn staart
+heftig tegen de bamboestaken van de omwanding, het klampte zich daaraan
+vast en opende zijn akelige zwarte muil, zoodat de lange slagtanden
+zichtbaar werden.
+
+De "loods" heesch het gevaarte alleen op: niemand dacht eraan hem
+te helpen.
+
+Toen zijn prooi geheel uit het water was opgehaald en boven op het
+platte deel van de _encerradero_ lag, zette hij er zijn voet op,
+greep met zijn stevige knuisten de geweldige kaken en trachtte de
+bek met het touw dicht te snoeren.
+
+Het dier deed een nieuwe poging om los te komen: het kromde zijn
+lichaam, sloeg met zijn geweldige staart tegen den grond, en, opeens
+los-schietend, stortte het zich met een sprong in het meer buiten
+de omrastering. Zijn aanvaller werd meegesleurd. De loods was in
+doodsgevaar. Een kreet van ontzetting klonk uit ieders mond.
+
+Bliksem-snel stortte een ander te water, voordat men nog zien kon
+dat het Ibarra was. Maria Clara viel niet in zwijm: Filippijnsche
+vrouwen kennen dat nog niet.
+
+Men zag dat de golven rood werden van het bloed. De jonge visscher
+sprong gewapend met zijn _bolo_--een kort breed mes--de diepte in. Zijn
+vader sprong hem na. Doch nauwelijks waren dezen te water, of men zag
+Crisóstomo en de loods weer boven komen, beiden vastgeklemd aan het
+ongedierte. De witte buik was vol wonden en 't mes zat hem in de keel.
+
+'t Is onmogelijk de vreugde der omstanders te beschrijven; tientallen
+armen strekten zich naar hen uit om de jonge mannen uit het water te
+halen. De oudere vrouwen waren half gek. Ze lachten en baden. Andèng
+vergat heelemaal dat haar soep al driemaal aan den kook was geweest:
+al de "kaldoe" liep over en deed het vuur uitgaan. De eenige die geen
+woord kon uitbrengen was Maria Clara.
+
+Ibarra was ongedeerd, terwijl de "loods" een kleine schram in een
+van zijn armen had.
+
+"Ik ben u mijn leven verschuldigd!" zeide hij tot Ibarra, die zich
+in wollen dekens en doeken wikkelde.
+
+De stem van den "loods" scheen een zekere smart te verraden.
+
+"U bent roekeloos", antwoordde Ibarra. "Een anderen keer moet u niet
+weer zoo God verzoeken."
+
+"Als u me gevolgd was, als we samen dood gegaan waren," gaf de ander
+terug, "daar onder in het meer, _dan was ik bij mijn menschen thuis
+geweest!_"
+
+Ibarra dacht er op dat oogenblik niet aan dat ook het overschot van
+zijn vader daar verzonken was.
+
+De ouderen onder de vrouwen van 't gezelschap wilden niet meer naar
+een andere _baklad_ gaan; ze verkozen naar huis te gaan. De dag was
+toch slecht begonnen, en er konden nog heel wat ongelukken gebeuren.
+
+"Dat komt allemaal omdat we niet naar de mis zijn geweest!" zuchtte
+een oudje.
+
+"Maar wat hebben we dan toch voor ongeluk gehad, mevrouw?" vroeg
+Ibarra. "De kaaiman alleen, zou ik zeggen!"
+
+"Wat ten duidelijkste bewijst", concludeerde de oud-seminarist,
+"dat ons kruipend gedierte in heel zijn zondig bestaan nooit naar
+de mis is geweest. Ik heb hem nog nooit onder trouwe kerkbezoekende
+kooplieden opgemerkt."
+
+De _bangka's_ gingen dus toch naar een ander vischperk, en Andèng
+moest nog eens haar _sinigang_ klaarmaken.
+
+De dag spoedde voort. Er woei een frisch windje en de golven rezen
+iets hooger, bruisend en krullend om het lichaam van de krokodil,
+meevoerend bergen van schuim "waar flonkerde in kleurenpracht licht
+van de zon," zooals de dichter Paterno het uitdrukt.
+
+De muziek werd hervat: Iday bespeelde weer haar harp; de mannen
+hun accordeons en gitaars, de een wat meer, de ander wat minder
+zuiver. Maar die zich 't dapperst weerde was Albino: die tokkelde
+maar raak, ging ieder oogenblik uit de maat en raakte zelfs eens
+zoodanig de klus kwijt dat hij, zonder 't te merken, in een verkeerde
+sonate oversloeg!
+
+Het tweede visch-perk werd met zekere achterdocht verkend. Menigeen
+verwachtte daar 't wijfje van den kaaiman te zullen aantreffen. Doch
+de natuur is een guit: het net kwam er telkens goed gevuld uit te
+voorschijn.
+
+Toen trachtte men aan wal te gaan waar het bosch van eeuwenoude
+boomen stond dat aan Ibarra toebehoorde. Daar in de schaduw en dicht
+bij de kristalheldere beek, zou men tusschen de bloemen of onder
+geïmproviseerde tenten een landelijk middagmaal gebruiken.
+
+De muziek weerklonk in de lucht. De rook der steenen komforen steeg
+vroolijk in dunne spiraalwolkjes naar boven, terwijl het water in
+'t verhitte vaatwerk zong.
+
+Daarna verloor de waardige pastoor, door 't lezen van een paar brieven,
+die wel-verzegeld en gelakt aangekomen waren, zijn eetlust en liet
+hij zijn chocolade heelemaal koud worden.
+
+"De pater wordt stellig ziek", zei de kok, terwijl hij een tweede
+kop klaarmaakte, "hij heeft al dagen geen trek in 't eten: van de
+zes gerechten, die ik hem voorzet, raakt hij er geen twee aan."
+
+"Dat is omdat hij slecht slaapt," antwoordde de andere bediende,
+"hij lijdt aan nachtmerries sedert dat hij een andere slaapkamer
+heeft. Zijn oogen gaan hoe langer hoe dieper. Hij wordt iederen dag
+magerder en geler."
+
+Inderdaad zag Padre Salvi er deerniswaardig uit. Zonder zijn tweede kop
+chocolade aan te roeren, noch te willen proeven van Cebu's smakelijke
+beschuitjes, stapte hij zwijgend door de ruime zaal, terwijl hij in
+zijn knokige handen een paar brieven verkneep, waarin hij nu en dan
+las. Ten slotte vroeg hij om zijn rijtuig en gaf hij order dat men
+hem zou brengen naar 't bosch met den geheimzinnigen boom, in welks
+nabijheid het buitenpartijtje gehouden werd.
+
+Daar aangekomen, zond Padre Salvi zijn rijtuig weg en liep alleen
+het bosch in.
+
+Een somber pad baande zich met moeite een doortocht door het dicht
+gewas en leidde naar een beek, gevormd door verscheidene warme bronnen,
+als zooveel andere aan de hellingen van de Makiling. Zijn oevers waren
+getooid met wilde bloemen. Vele daarvan hadden nog geen latijnschen
+naam, maar zonder twijfel zijn ze bekend bij de gouden insekten, bij
+de vlinders van allerlei afmeting en kleur: blauw en goud, wit en
+zwart, bont, helglanzend, met pauw-schakeeringen, dragend robijnen
+en smaragden op hun vleugels. Bekend ook bij de duizenden torren
+en kevers met hun metaal-gloed van goud doorspikkeld. Het gegons
+dezer insekten, het snerpen der krekels dat dag en nacht aanhoudt,
+het gekweel der vogels, of het doffe gedruisch van afvallende dorre
+takken, die onder 't vallen overal blijven haken, waren de eenige
+geluiden die de stilte verstoorden in dat oord vol geheimenis.
+
+Een poos bleef onze pastoor dwalen tusschen de dichte slingerplanten,
+zorgvuldig vermijdend de doorns, die zich aan zijn grofwollen
+kleed vasthechtten als wilden ze hem tegenhouden, en de wortels der
+boomen die boven den grond uitkwamen en ieder oogenblik een onervaren
+voetganger zouden doen struikelen. Plotseling stond hij stil: vroolijk
+schaterlachen en frissche stemmen troffen zijn oor. Het gelach ging
+uit van de beek en kwam hoe langer hoe naderbij.
+
+"Ik wil 's zien of ik een nest kan vinden", zeide een mooie, lieve
+stem die den pastoor welbekend was.
+
+"Ik zou hem willen zien, zonder dat hij me zag; ik zou hem overal
+willen volgen."
+
+Padre Salvi verborg zich achter den dikken stam van een boom en begon
+te luisteren.
+
+"Dat wil zeggen dat je met hem wil doen wat de pastoor met jou doet:
+die beloert je immers overal?" antwoordde een vroolijke stem. "Pas
+maar op, jaloezie maakt mager en geeft holle oogen!"
+
+"Nee, nee, 't is geen jaloezie, 't is louter nieuwsgierigheid!" gaf
+het zilver-stemmetje terug, terwijl het vroolijk geluid herhaalde:
+"ja zeker, jaloezie, jaloezie!" en daarna weer schaterlachte.
+
+"Als ik jaloersch was, zou ik niet mezelf maar hem onzichtbaar willen
+maken, zoodat niemand hem zien kon".
+
+"Maar dan zou jij hem evenmin zien. En dat 's goed. Het beste is
+dat--als we 't nest vinden--we 't aan den pastoor cadeau geven: dan
+zal hij ons kunnen beloeren zonder dat wij hem hoeven te zien. Zou
+je dat niet lijken?"
+
+"Ik geloof niets van de reiger-nesten", hervatte de ander. "Maar,
+als ik 's op 'n keer jaloersch werd, dan zou ik wel weten, hoe ik
+zou moeten spionneeren, zonder me zelf te laten zien!"
+
+"Hoe dan, hoe? Misschien zooals zuster Escucha?" [20]
+
+Vroolijk geschater volgde op deze herinnering uit den kostschooltijd.
+
+"Nou, je weet ook wel hoe wij zuster Escucha bij den neus hadden!"
+
+Padre Salvi zag van zijn schuilplaats Maria Clara, Victoria en
+Sinang door de beek loopen. Alle drie keken met aandacht naar de
+oppervlakte van het water, om naar 't geheimzinnig reiger-nest te
+zoeken. Ze liepen tot de knieën in 't water. De ruime plooien van hun
+badkleedjes verrieden de bevallige lijnen van hun beenen. Ze droegen
+het haar los en de armen waren bloot, terwijl het bovenlijf bedekt was
+door een gestreepte blouse in vroolijke kleuren. Onder 't zoeken naar
+'t fabelachtig nest plukten de drie jonge meisjes tevens bloemen en
+moeskruiden aan den oever.
+
+De Akteon-geestelijke [21] sloeg bleek en roerloos de kuische Diana's
+daar vóór zich gade: zijn oogen die schitterden in de donkere kassen,
+werden maar niet moe van het bewonderen der blanke, welgevormde
+armen, van den fraaien hals met het begin der boezem-welving. De
+kleine rooskleurige voeten, die daar met het water speelden, riepen
+in zijn verzwakt lichaam vreemde gewaarwordingen wakker en deden in
+zijn gloeiend brein ongekende droomen opkomen.
+
+Achter een kromming van de beek verdwenen de lieflijke gestalten
+tusschen dicht rietgewas, en hun wreede toespelingen werden verder
+onhoorbaar. Bedwelmd, wankelend, bedekt met zweetdroppelen, trad Padre
+Salvi te voorschijn uit zijn schuilplaats en keek met verbijsterde
+oogen om zich heen. Weifelend stond hij roerloos stil. Dan deed hij
+een paar schreden, als wilde hij de meisjes volgen, doch hij wendde
+zich daarna om en, langs den oever loopende, trachtte hij de rest
+van het gezelschap op te zoeken.
+
+Op eenigen afstand vandaar zag hij midden in de beek een soort
+bad-inrichting, goed omheind, en van boven beschut door een bladerrijk
+rietbosch. Vandaar klonken vroolijke vrouwenstemmen. Palmbladeren,
+bloemen en vaandeltjes dienden als versiering. Wat verderop zag hij
+een bamboebrug en een eindweegs daarvandaan kon hij de mannen zien
+baden, terwijl een menigte bedienden van beiderlei kunne rondom
+geïmproviseerde komforen zwermde, druk bezig met het plukken van
+kippen, het wasschen van rijst, het braden van een speenvarkentje en
+anderszins. En daar ginds, aan den overkant, op een open plek in 't
+bosch, die men daar gemaakt had, vereenigden zich tal van mannen en
+vrouwen onder een dak van zeildoek, deels opgehangen aan de takken
+der woudreuzen, deels aan nieuw-opgerichte staken. Daar bevonden
+zich de _alférez_, de _coadjutor_, de burgemeester, zijn _teniënte
+mayor_ of plaatsvervanger, de schoolmeester en verscheidene gewezen
+_capitan's_, _teniëntes_ of adjunkten, ja zelfs Capitán Basilio,
+de vader van Sinang, de vroegere tegenstander van wijlen Don Rafael
+in een oud proces, dat nog voortduurde. Ibarra had hem gezegd: "we
+zijn 't oneens over een rechtskwestie, en 't oneens zijn wil nog niet
+zeggen vijanden zijn." En de befaamde redenaar der behoudsmannen nam
+met geestdrift de uitnoodiging van den jongen man aan.
+
+De pastoor werd door allen, zelfs door den _alférez_ met eerbied en
+onderscheiding ontvangen.
+
+"Maar waar komt u vandaan, weleerwaarde?" vroeg de laatstgenoemde,
+toen hij bespeurde, hoe zijn gezicht vol schrammen zat en zijn kleed
+bedekt was, met bladeren en stukjes dor hout. "Bent u gevallen?"
+
+"Nee, ik ben verdwaald!" antwoordde Padre Salvi, terwijl hij zijn
+oogen neersloeg, om naar zijn kleed te kijken.
+
+Men ontkurkte flesschen met limonade, er werden jonge "klappers"
+opengeslagen, opdat zij die uit het bad kwamen het frissche
+water en het malsche vruchtvleesch--nog blanker dan melk--zouden
+kunnen gebruiken; de jongemeisjes kregen bovendien nog een krans
+van tjempaka (of _sampaga_, zooals men daar zegt), waartusschen
+rozen en _ilang-ilang_ gevlochten waren, die het loshangende haar
+parfumeerden. Men zette zich of strekte zich uit in de hangmatten,
+die men aan de boomen had opgehangen, of wel men vermaakte zich rondom
+een grooten, platten steen gezeten, met een spelletje: men zag er
+speelkaarten, damborden, boekjes, vijfhoekige schelpjes en steentjes.
+
+Men liet den pastoor den kaaiman zien, maar hij scheen afgetrokken
+te zijn en toonde alleen eenige belangstelling, toen men hem
+zeide dat de breede wond in de buik van het dier door Ibarra was
+toegebracht. Overigens was de andere bevechter van het monster, de
+geheimzinnige en vermaarde "loods" nergens te zien: hij was reeds
+verdwenen vòor de _alférez_ aangekomen was.
+
+Eindelijk kwam Maria Clara vergezeld van haar vriendinnetjes uit het
+bad. Ze was als een roos in den morgendauw. Haar eerste lachje gold
+Crisóstomo, en 't eerste wolkje op haar voorhoofd Padre Salvi. Deze
+bespeurde het en zuchtte diep.
+
+'t Werd etenstijd. De pastoor, de coadjutor, de _alférez_, de
+burgemeester en nog eenige _capitan's_ met de vice-burgemeester
+of _teniënte mayor_ gingen aan een tafel zitten, waaraan Ibarra de
+eereplaats innam. De moeders stonden niet toe dat er een enkele man
+aan de tafel der jonge meisjes aanzat.
+
+"Zeg, Albino, je moet dezen keer maar geen lek-gaten ontdekken zooals
+in de bootjes, hoor," zeide Leon tot den oud-seminarist.
+
+"Wat? Wat is dat?" vroegen de oudere vrouwen.
+
+"De _bangka's,_ dames, waren net zoo gaaf als dit bord," verklaarde
+Leon en wees op zijn bord.
+
+"Mijnheer de _alférez_, weet u al iets van den kerel die Padre Dámaso
+heeft mishandeld?" vroeg Padre Salvi.
+
+"Van welken kerel, mijnheer de pastoor?" riep de _alférez_ uit,
+terwijl hij door het glas wijn heen, dat hij bezig was uit te drinken,
+den geestelijke aankeek.
+
+"Nou, van wien anders dan van den kerel, die eergisteren middag Padre
+Dámaso onderweg heeft afgeranseld!"
+
+"Heeft-ie Padre Dámaso afgeranseld?!" vroegen er verscheidenen.
+
+De coadjutor scheen in zijn schik.
+
+"Ja zeker, en Padre Dámaso ligt nu te bed!
+
+"Ze zeggen dat het dezelfde Elias is, die u in den modderpoel heeft
+gesmeten, mijnheer de _alférez_."
+
+De _alférez_ kreeg een kleur, van schaamte of van den wijn.
+
+"Och, ik dacht zoo," hervatte Padre Salvi eenigszins spotachtig,
+"dat u op de hoogte van de zaak zou zijn... dat u als kommandant van
+de _guardia civil_..."
+
+De onderofficier beet zich op de lippen en stotterde een zotte
+verontschuldiging uit.
+
+Op dit oogenblik vertoonde zich een bleeke, magere, ellendig gekleede
+vrouw. Niemand had haar zien aankomen, want ze liep zoo zachtjes, zoo
+geruischloos dat men haar 's nachts voor een schim zou gehouden hebben.
+
+"Geef wat te eten aan die arme vrouw!" zeiden de oudjes. "Hei, kom
+'s hier!"
+
+Doch zij vervolgde haar weg, en trad op de tafel toe waar de pastoor
+zat. Deze wendde het hoofd om, herkende haar, en 't mes waarmee hij
+at, viel hem uit de hand.
+
+"Geef die vrouw wat te eten!" beval Ibarra.
+
+"De nacht is donker en de kinderen verdwijnen," mompelde de bedelares.
+
+Maar bij 't zien van den _alférez_ die haar toesprak, ontstelde de
+vrouw hevig en liep hard weg. Weldra was ze tusschen 't geboomte
+verdwenen.
+
+"Wie is dat?" vroeg hij.
+
+"Een ongelukkige die gek is geworden door al het verdriet en de
+schrikken die ze doorstaan heeft," antwoordde don Filipo. "Ze is al
+vier dagen zoo."
+
+"Is 't misschien een zekere Sisa?" vroeg Ibarra belangstellend.
+
+"Ze is door uw soldaten opgepakt", ging de _teniënte mayor_ met
+zekere bitterheid voort, steeds tot den _alférez_ sprekende, "ze
+zijn met haar door het heele dorp gegaan, om ik weet niet wat dat
+haar kinderen zouden gedaan hebben en... dat niet opgehelderd is."
+
+"Hoe nu?" vroeg de _alférez_ zich tot den pastoor wendend, "is 't
+misschien de moeder van uw twee kostertjes?"
+
+De pastoor knikte.
+
+"Die zijn verdwenen, zonder dat iemand iets van hen is te weten
+kunnen komen!" voegde don Filipo er op strengen toon aan toe. Hij
+keek onderwijl den burgemeester aan, en deze sloeg de oogen neer.
+
+"Ga die vrouw zoeken!" gelastte Crisóstomo aan de bedienden. "Ik heb
+beloofd moeite te doen, om uit te vinden waar haar kinderen gebleven
+zijn..."
+
+"Wat is er verdwenen, zegt u?" vroeg de _alférez_.
+
+"Zijn uw kostertjes verdwenen, mijnheer de pastoor?"
+
+De toegesprokene dronk zijn glas wijn leeg en knikte.
+
+"Caramba, mijnheer de pastoor!" riep onze krijgsman spottend, en vol
+pret dat hij zich 's wreken kon, "er verdwijnen een paar zilverstukken
+van uw weleerwaardigheid, en ze halen me mijn sergeant heel vroeg uit
+zijn bed, om ze te laten zoeken. Er verdwijnen twee kosters en 'uwe
+weleerwaardigheid' zegt niets... En u, mijnheer de _Capitán_... 't
+Is ook waar dat u..."
+
+En hij voleindigde zijn zin niet, maar barstte in lachen uit, terwijl
+hij zijn lepel diep in 't roode vruchtvleesch van een wilde _papaja_
+stak.
+
+"De zaak is dat ik verantwoordelijk ben voor 't geld..."
+
+"Een prachtig antwoord, eerwaarde zieleherder!" viel de _alférez_
+met vollen mond in. "Een pracht van een antwoord, heilige man!"
+
+Ibarra wilde tusschenbeide komen, doch Pater Salvi gaf met zichtbaar
+zelfbedwang en een verknepen lachje terug:
+
+"En weet u, mijnheer de _alférez_, wat er verteld wordt van 't
+verdwijnen van de twee jongens? Niet? Vraag 't dan maar 's aan uw
+soldaten!"
+
+"Hoe dat zoo?" vroeg den ander, zijn vroolijkheid kwijt rakend.
+
+"Ze zeggen dat er in de nacht van hun verdwijnen verscheidene schoten
+gehoord zijn!"
+
+"Verscheidene schoten?" herhaalde de _alférez_ en keek de omstanders
+verbaasd aan.
+
+Men knikte bevestigend.
+
+Padre Salvi hervatte daarop langzaam en met wreeden spot in zijn toon:
+
+"Komaan, ik zie wel dat u geen misdadigers oppakt en evenmin weet
+wat de menschen onder uw orders uitvoeren. En u wilt de zedenmeester
+spelen en anderen leeren wat hun plicht is. U kent zeker wel het
+spreekwoord van de beste stuurlui?"...
+
+"Heeren!" viel Crisóstomo in, ziende dat de _alférez_ bleek werd,
+"naar aanleiding hiervan zou ik 's willen weten, wat de heeren denken
+over een plan van me. Ik dacht erover, die krankzinnige vrouw aan de
+zorgen van een dokter toe te vertrouwen, en dan onderwijl met uw hulp
+en raad naar haar kinderen te zoeken."
+
+De terugkomst der bedienden, die de gekke vrouw niet hadden kunnen
+vinden, maakte ten slotte een eind aan de oneenigheid der twee
+tegenstanders, doordat het gesprek op een ander onderwerp overging.
+
+Toen 't eten afgeloopen was, en de thee en koffie opgediend werd,
+verdeelden zich de jongen en de ouden in verschillende groepjes. Dezen
+haalden de damborden, anderen grepen naar de kaarten, maar de jonge
+meisjes, nieuwsgierig naar de toekomst, wilden liever eenige vragen
+doen aan het "Rad van Fortuin."
+
+"Kom, mijnheer Ibarra!" riep Capitán Basilio, die wat heel vroolijk
+begon te worden, "we zijn nu al vijftien jaar aan 't procedeeren, en
+er is geen rechter van de _audiencia_ die de zaak uitmaakt: laten we
+'s zien, of we 't schaakbord kunnen laten beslissen."
+
+"Onmiddellijk en met heel veel genoegen!" antwoordde de jongeman. "Een
+oogenblik, want de _alférez_ wil afscheid nemen."
+
+Toen men van deze partij hoorde, schaarden zich al de oudere mannen
+die verstand van schaken hadden om het schaakbord. De partij was
+belangwekkend, en zelfs de onkundigen voelden zich aangetrokken. De
+oude vrouwen echter omringden den pastoor, om met hem over
+godsdienstige onderwerpen te praten, doch Fray Salvi achtte zeker
+plaats en gelegenheid niet geschikt, want hij gaf vage antwoorden
+en zijn sombere, iet of wat verstoorde blikken gingen overal heen,
+behalve naar zijn toespreeksters.
+
+Het spel begon met grooten ernst.
+
+"Als de partij onbeslist blijft, schorten we ons proces op, hoor,"
+zeide Ibarra.
+
+Midden onder 't spelen ontving Ibarra een telegrafisch bericht dat
+hem de oogen deed schitteren en tegelijk deed verbleken. Zonder het te
+openen stak hij het in zijn zakportefeuille, doch wierp onderwijl een
+blik op de groep jongelui die onder gelach en geschreeuw voortgingen
+met de toekomst te ondervragen.
+
+"Schaak aan den koning!" zeide de jonge man.
+
+Capitán Basilio wist geen ander redmiddel dan hem achter de koningin
+te verbergen.
+
+"Schaak aan de koningin!" zeide de ander weder en dreigde haar met
+zijn kasteel, dat door een pion verdedigd werd.
+
+Daar hij zijn koningin niet kon dekken en haar evenmin achteruit
+kon zetten van wege den koning die er achter stond, vroeg Capitán
+Basilio bedenktijd.
+
+"O gaarne!" antwoordde Ibarra. "Ik had net wat te vragen aan enkelen
+uit dat groepje daar."
+
+Hij stond op en gaf zijn tegenstander een kwartier tijd.
+
+Iday hield een kartonnen schijf in de hand waarop acht en veertig
+vragen geschreven stonden, Albino had het antwoorden-boek.
+
+"Dat 's gelogen! Dat is niet waar! Dat is 'n puur verzinsel!" riep
+Sinang op huilerigen toon.
+
+"Wat overkomt je?" vroeg Maria Clara.
+
+"Stel je voor; ik vraag: 'Wanneer zal ik verstandig worden?' Ik gooi
+de dobbelsteenen, en hij daar, die mislukte pastoor, leest in 't boek:
+'Wanneer de kikkers haren zullen krijgen!' Hoe vind je dat?"
+
+En Sinang trok een leelijk gezicht tegen den oud-seminarist. Deze
+bleef lachen.
+
+"Wie zegt je ook om zoo'n vraag te doen?" zeide haar nichtje
+Victoria. "Je verdient dat je zoo'n antwoord krijgt!"
+
+"Doe eens een vraag!" zeide men tot Ibarra en hield hem de schijf
+voor. "We hebben afgesproken dat wie 't beste antwoord kreeg, een
+geschenk van de anderen zou ontvangen. Wij hebben allemaal al een
+vraag gedaan."
+
+"En wie heeft het beste antwoord gekregen?"
+
+"_Maria Clara, Maria Clara_!" riep Sinang. "We hebben haar of ze
+woû of niet, laten vragen: 'Is zijn liefde trouw en standvastig?' en
+'t boek heeft geantwoord..."
+
+Doch Maria Clara hield haar, sterk blozend, de beide handen voor den
+mond en belette haar zoo verder te spreken.
+
+"Nu, geef me dan maar 't rad!" zeide Crisóstomo lachend.
+
+"Ik vraag: 'Zal wat ik nu onderneem goed afloopen?'"
+
+"He, wat 'n leelijke vraag!" riep Sinang uit.
+
+Ibarra wierp de dobbelsteenen neer, en, naar het getal dat ze aanwezen,
+werd bladzijde en regel opgezocht.
+
+"Droomen zijn droomen," las Albino op.
+
+Ibarra nam het telegram uit zijn zak en opende het bevend:
+
+"Dezen keer heeft uw boek een leugentje verteld!" riep hij vol vreugde
+uit... "Lees maar!"
+
+"Plan school goedgekeurd; uitspraak over 't andere gunstig."
+
+"Wat beteekent dat?" vroeg men om hem heen.
+
+"Was er niet zooeven gezegd dat degeen die 't beste antwoord ontving
+een cadeau zou krijgen?" vroeg hij met een van aandoening bevende stem,
+terwijl hij het papier zorgvuldig in tweeën scheurde.
+
+"Ja, ja!"
+
+"Nu goed, dit is mijn geschenk," zeide Ibarra, terwijl hij de eene
+helft aan Maria Clara overreikte. "Ik wil in het dorp een school voor
+jongens en meisjes oprichten: die school zal mijn geschenk wezen.
+
+"En wat wil dat andere stuk zeggen?"
+
+"Dat zal ik geven aan dengene die het slechtste antwoord gehad heeft."
+
+"Dan krijg ik 't! Dan is 't voor mij?" riep Sinang.
+
+Ibarra gaf haar het papier en verwijderde zich snel.
+
+"En wat wil 't nu zeggen?"
+
+Doch de gelukkige jonge man was al ver, en ging zijn schaakpartij
+hervatten.
+
+Fray Salvi, nog steeds afgetrokken kijkend, voegde zich bij het
+vroolijke troepje jongelui. Maria Clara wischte een traan van
+vreugde weg.
+
+Het lachen en praten hield op. De pastoor keek naar de jonge mannen,
+maar slaagde er niet in een enkel woord uit te brengen. De anderen
+wachtten erop dat hij zou spreken, en bleven zoolang zwijgen.
+
+"Wat is dit?" kon hij eindelijk uitbrengen, terwijl hij het boek
+opnam en er in bladerde.
+
+"Rad van Fortuin, een boek voor een spelletje," antwoordde León.
+
+"Weten jullie niet dat het zonde is aan zulke dingen te
+gelooven?" zeide de pastoor, en verscheurde toornig de bladen.
+
+Kreten van verbazing en ergernis ontsnapten aan aller lippen.
+
+"'t Is nog erger zonde te beschikken over een andermans eigendom,
+zonder de toestemming van den eigenaar!" gaf Albino terug, terwijl
+hij opstond.
+
+"Meneer de pastoor, dat noemt men roof, en dat is door God en menschen
+verboden."
+
+Maria Clara sloeg de handen in elkaar, keek met betraande oogen naar
+het overschot van 't boek dat kort te voren haar zooveel vreugde
+verschaft had.
+
+Fray Salvi zeide, tegen aller verwachting, niets terug op Albino's
+woorden; hij stond een oogenblik de verscheurde bladen na te staren,
+die in den wind wegdwarrelden. Enkele vlogen in 't bosch, andere
+raakten te water. Daarna verwijderde hij zich in schommelenden
+gang met de handen op het hoofd. Een oogenblik bleef hij staan,
+om met Ibarra te spreken. Deze geleidde hem naar een der rijtuigen,
+die daar klaarstonden, om de genoodigden weg te brengen.
+
+"'t Is maar goed dat die spelbreker heengaat!" mompelde Sinang. "Hij
+heeft een gezicht alsof hij zeggen wil: 'Lach maar niet, ik ken
+je zonden.'"
+
+Na het geschenk dat hij aan zijn aanstaande gegeven had, was Ibarra
+zoo in zijn schik, dat hij begon te spelen zonder veel na te denken
+of acht te slaan op de zetten die hij deed.
+
+Zoo kwam het dat, ofschoon Capitán Basilio zich alleen nog maar met
+groote moeite had kunnen verdedigen, de partij toch gelijk-op kwam
+te staan, dank zij de vele misslagen die de jongeman daarna beging.
+
+"'t Proces wordt opgeschort!" zei Capitán Basilio vroolijk.
+
+"Stellig, we schorten 't op!" herhaalde Ibarra, "wat ook de beslissing
+van de rechters mag zijn."
+
+Ze gaven elkander de hand en drukten die beiden op hartelijke wijze.
+
+Terwijl de aanwezigen dit voorval toejuichten, dat een einde maakte aan
+een proces dat beide partijen reeds lang verveelde, bracht plotseling
+de komst van vier _guardia civiles_ en een sergeant, allen gewapend
+en met opgezette bajonet, stoornis in de vreugde en schrik onder
+de vrouwen.
+
+"Stil iedereen!" riep de sergeant. "Die zich verroert wordt
+neergeschoten!"
+
+In weerwil van deze onhebbelijke toesnauwing stond Ibarra op en trad
+op den man toe.
+
+"Wat wenscht u?" vroeg hij.
+
+"De onmiddellijke uitlevering van een misdadiger, een zekeren Elias,
+die vanmorgen loodsdiensten voor u gedaan heeft," was het dreigende
+antwoord.
+
+"Een misdadiger?... De loods? U moet u vergissen!" hervatte Ibarra.
+
+"Nee, meneer: die Elias is juist beschuldigd dat hij zich aan een
+geestelijke vergrepen heeft..."
+
+"O, is dat de loods?"
+
+"Dezelfde, naar me gezegd wordt. U laat menschen van een beruchten
+naam op uw feesten toe, meneer Ibarra."
+
+Deze keek hem van hoofd tot voeten aan, en antwoordde met souvereine
+minachting:
+
+"Ik hoef u geen rekenschap van mijn daden te geven! Op onze feesten
+is iedereen welkom, en als uzelf gekomen waart zoudt u eveneens plaats
+aan onze tafel gekregen hebben.
+
+"Evenals uw _alférez_: die was nog twee uur geleden in ons gezelschap."
+
+En dit gezegd hebbende, keerde hij hem den rug toe.
+
+De sergeant beet op zijn knevel, en, overwegende dat hij de zwakste
+partij was, gaf hij last, overal op de plaats en tusschen de boomen
+naar den loods te zoeken. Zijn signalement hadden ze op een papiertje
+bij zich. Don Filip vond het noodig hen te zeggen:
+
+"Denkt u er wel aan, dat dat signalement past op negen van tien
+inlanders: u kan zich zoo licht vergissen!"
+
+Eindelijk kwamen de soldaten terug, en zeiden dat ze nergens schuit
+of man hadden kunnen ontdekken die hun verdacht voorkwam: de sergeant
+stamelde een paar woorden, en ging heen zooals hij gekomen was.
+
+De vreugde kwam weer langzamerhand terug. Het regende nu vragen en
+allerlei kommentaren werden er gemaakt.
+
+"Dus dat is diezelfde Elias, die den _alférez_ in de modder heeft
+gesmeten," zeide Leon in gedachten.
+
+"En hoe was dat? Hoe ging dat?" vroegen eenige nieuwsgierigen.
+
+"Ze vertellen dat eens op een dag, in September, toen het erg
+regenachtig was, de _alférez_ iemand tegenkwam met een vracht hout
+op zijn rug. De straat was erg modderig en er was alleen aan den
+kant een smalle doorgang voor een persoon tegelijk. Men zegt dat
+de _alférez_, in plaats van zijn paard in te houden, het de sporen
+gaf en den man toeschreeuwde dat hij achteruit moest. De man scheen
+daar weinig lust in te hebben om de vracht, die hij droeg, of hij
+had geen zin om door de modder te ploeteren. Toen wou de _alférez_,
+die boos werd, hem omver rijden, maar de man greep een stuk hout
+en gaf daarmee het paard zoo'n slag op den kop dat het neerviel en
+zijn ruiter mee in de modder trok! Er wordt bij verteld dat de man
+toen kalm verder ging, zonder iets te geven om de vijf kogels, die
+de _alférez_ hem van uit zijn modderbad toezond. Onze militair was
+gewoon blind van woede en van de modder. Toch wist hij niet wie hem
+de streek geleverd had, maar hij veronderstelde dat het de beruchte
+Elias was. Die was eenige maanden geleden in de provincie gekomen,
+zonder dat iemand wist waarvandaan, en had zich door dergelijke daden
+bekend gemaakt bij de _guardias civiles_ van enkele dorpen."
+
+"Is het dan een _toelisan_ (roover)?" vroeg Victoria vol angst.
+
+"Ik geloof het niet, want ik hoor dat hij eens juist tegen _toelisan's_
+gevochten heeft, die een huis wilden plunderen."
+
+"Hij ziet er heelemaal niet als een misdadiger uit!" voegde Sinang
+eraan toe.
+
+"Nee alleen kijkt hij erg droevig uit zijn oogen: ik heb hem den
+heelen ochtend geen enkelen keer zien lachen," antwoordde Maria
+Clara peinzend.
+
+Zoo werd het allengs avond en kwam het uur van terugkeer naar 't dorp.
+
+Bij 't laatste zonnelicht ging het gezelschap het bosch uit,
+stil voortstappend langs het geheimzinnige graf van Ibarra's
+voorvader. Daarna hernieuwden zich de vroolijke gesprekken.
+
+Bij 't schijnsel van bamboe-fakkels en bij gitaar-getokkel trok men
+ten slotte het dorp in.
+
+
+
+
+XXIV.
+
+Bij den filosoof.
+
+
+In den morgen van den volgenden dag begaf Ibarra zich naar de woning
+van den ouden Tasio.
+
+Schier volkomen stilte heerschte er in den tuin, nauwelijks verstoord
+door de zwaluwen die bij de dakgoten heen en weer fladderden. Het mos
+groeide op den ouden muur, waar langs een soort klimop zich naar en
+om de vensters omhoogwerkte. 't Huisje scheen een oord der stilte.
+
+Ibarra bond zijn paard zorgvuldig aan een paal, en bijna op zijn teenen
+liep hij door den netten, goed onderhouden tuin, ging de treden van
+de trap op en, daar de deur openstond, trad hij binnen.
+
+Het eerste wat zich aan zijn blik voordeed, was de oude man zelf,
+gebogen over een boek, waarin hij scheen te schrijven. Aan de wanden
+zag men verzamelingen van insekten en bladeren, tusschen landkaarten
+en oude boekenrekken vol boeken en handschriften.
+
+De oude was zoo verdiept in zijn werk dat hij de aanwezigheid van den
+jongen man niet eerder opmerkte, voordat deze op 't punt was om weer
+heen te gaan, teneinde geen stoornis te veroorzaken.
+
+"Wel, was u daar?" vroeg hij, terwijl hij Ibarra met eenige verbazing
+aankeek.
+
+"Neem me niet kwalijk", antwoordde deze, "ik zie dat u 't erg druk
+heeft."
+
+"Dat is zoo, ik was bezig iets te schrijven, maar 't heeft geen haast
+en ik wil wat uitrusten. Kan ik u met iets van dienst zijn?"
+
+"Met heel veel!" gaf Ibarra terug, terwijl hij naderbij kwam. "Maar..."
+
+En hij sloeg een blik op 't boek dat op tafel lag.
+
+"Hoe nu?" riep hij verwonderd uit, "wijdt u zich aan 't ontcijferen
+van hieroglyfen?"
+
+"Nee, nee!" antwoordde de oude man en bood hem een stoel aan. "Ik
+ken geen oud-Egyptisch en ook zelfs geen Koptisch, maar ik ken zoo'n
+beetje het schriftstelsel en ik schrijf in hieroglyfen."
+
+"Schrijft u in hieroglyfen? En waarom?" vroeg Ibarra twijfelend aan
+'t geen hij zag en hoorde.
+
+"Om te maken dat ze me nu niet lezen kunnen!"
+
+De jonge man keek den ander van hoofd tot voeten aan en dacht dat
+hij misschien werkelijk gek was. Snel liet Ibarra zijn oogen over
+het boek gaan, om te zien of het waar was wat hem daar medegedeeld
+was. En duidelijk zag hij daar teekeningetjes van dieren, kringetjes,
+halfcirkels, bloemen, voeten, handen, armen en zoo meer.
+
+"En waarom schrijft u, als u niet wil gelezen worden?"
+
+"Omdat ik niet voor dit geslacht schrijf. Ik schrijf voor latere
+tijden. Als ze me nu konden lezen zouden ze mijn boeken verbranden,
+'t werk van mijn heele leven. Maar 't geslacht dat deze teekens
+zal kunnen ontcijferen zal een ontwikkeld geslacht wezen: 't zal
+me begrijpen en zeggen: 'Niet iedereen sliep in den nacht van onze
+voorouders!' De geheimzinnigheid van deze letterteekens zal mijn
+werk behoeden voor menschelijke domheid, zooals al zooveel waarheden
+voor de priestervernielzucht behoed zijn door mysterie en allerlei
+'hokus-pokus.'"
+
+"En in welke taal schrijft u?" vroeg Ibarra na een oogenblik zwijgens.
+
+"In onze eigen taal: in 't Tagaalsch."
+
+"En gaat dat in hieroglyfen?"
+
+"O, ja, beter nog dan in 't latijnsche schrift: dat is minder geschikt
+voor onze taal. 't Is alleen wat lastig, want alle teekens moeten goed
+afgewerkt worden. Maar ik ben dan ook zoo kort mogelijk: ik zeg alleen
+'t hoognoodzakelijke.
+
+"'t Werk houdt me bovendien gezelschap wanneer mijn gasten van China
+en Japan weg zijn."
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Wel, hoort u ze niet? Mijn gasten zijn de zwaluwen.
+
+"Dit jaar ontbreekt er een: een Chineesche of Japansche straatjongen
+zal er een gevangen hebben."
+
+"Hoe weet u dat ze uit die landen komen?"
+
+"Heel eenvoudig: ik bond ieder jaar een papiertje aan de pootjes,
+voordat ze vertrokken. Ik schreef er Engelsch op, want die taal
+wordt hier in de omliggende streken veel gesproken. Maar ik kreeg
+geen antwoord, totdat ik op 't idee kwam, om er Chineesch op te laten
+schrijven. In November daarop kwamen ze terug met andere briefjes. Die
+bleken me in 't Chineesch en Japansch geschreven te zijn... Maar ik
+hou u misschien op ...en ik vraag u niet eens, wat u eigenlijk van
+me verlangt."
+
+"Ik kwam u over een zaak van belang spreken," antwoordde de jonge
+man. "Gisteren avond..."
+
+"Hebben ze den stumper gepakt?" vroeg de oude vol belangstelling.
+
+"Bedoelt u Elias! Hoe weet u dat zoo."
+
+"Ik heb de muze van de _guardia civil_ gezien."
+
+"De muze van de _guardia civil_! En wie is dat?"
+
+"Wel, de vrouw van den _alférez_, die u niet op uw feest genoodigd
+heeft. Gisteren ochtend werd die geschiedenis met den kaaiman in
+'t dorp bekend. De muze van de guardia civil is net zoo kwiek als
+ze kwaadaardig is, en die veronderstelde dadelijk dat de 'loods'
+dezelfde moest wezen als de brutale rakker, die haar man in de modder
+gesmeten had, en die ook Pater Dámaso afgeranseld had. En omdat zij de
+telegrammen leest die haar man moet ontvangen, heeft ze onmiddellijk
+toen die dronklap en onverstand thuiskwam, zich op u willen wreken
+en zoo den sergeant met de soldaten op u afgestuurd, om het feest in
+de war te sturen. Past u maar op! Eva was een goeie vrouw, ze kwam
+uit Gods handen...Doña Consolación is 'n kwaje, naar men zegt, en je
+weet niet uit welke handen _zij_ gekomen is! Om goed te kunnen zijn,
+moet een vrouw ten minste eenmaal van haar leven maagd of moeder
+geweest zijn."
+
+Ibarra lachte even en antwoordde, terwijl hij eenige papieren uit
+zijn zakportefeuille voor den dag haalde:
+
+"Wijlen mijn vader was gewoon u in enkele dingen te raadplegen, en
+ik herinner me dat hij er nooit spijt van heeft gehad, uw raad te
+volgen. Ik heb nu iets ondernomen waarvan ik graag den goeden uitslag
+zou verzekerd zien."
+
+En Ibarra zette in 't kort zijn schoolplannetje uiteen, dat hij zijn
+meisje als verrassing had aangeboden, en liet den verbaasden filosoof
+de teekeningen zien, die hem uit Manila waren toegezonden.
+
+"Ik zou gaarne van u vernemen, welke menschen ik in 't dorp op mijn
+hand zou moeten zien te krijgen, om 't werk op de beste wijze te doen
+slagen. U kent de bewoners goed. Ik ben nog nieuweling en bijna een
+vreemdeling in mijn eigen land."
+
+De oude Tasio bekeek met vochtige oogen de plannen en teekeningen
+die daar voor hem lagen.
+
+"Wat u daar gaat verwezenlijken, was mijn droom, de droom van een
+ouwen gek!" riep hij ontroerd uit. "En nu... 't eerste wat ik u nu
+raad, is nooit mij te komen raadplegen."
+
+De jongeling keek Tasio verwonderd aan.
+
+"Omdat anders de verstandige menschen," ging hij met bittere ironie
+voort, "u ook voor een gek zouden houden. De menschen houden iemand
+voor gek die niet net zoo denkt als zij. Daarom denken ze zoo over
+mij, en ik ben er erkentelijk voor; want, o wee de dag dat ze me
+'s weer mijn verstand zouden teruggeven! Dien dag zouden ze me 't
+beetje vrijheid afnemen, dat ik me nu gekocht heb ten koste van mijn
+reputatie als verstandig man. En wie weet of ze geen gelijk hebben! Ik
+denk en leef niet naar hun regels; mijn beginselen en mijn idealen zijn
+anders dan de hunne. Zoo'n _gobernadorcillo_, die noemen ze verstandig,
+omdat hij niets anders geleerd heeft dan gedienstig en geduldig te zijn
+tegenover Pater Dámaso, zijn chocolade op te dienen en zijn humeur
+te verdragen. Die is daarom nu rijk, die buit de kleine bestaantjes
+van zijn medeburgers uit en praat soms nog van rechtvaardigheid
+en recht. 'Daar heb je nu een knappe kerel!' denkt het domme volk,
+'kijk ereis aan, die is van niks opgekomen tot grootheid!' Maar ik,
+ik heb fortuin en aanzien geërfd, ik heb gestudeerd, en ik ben arm. Ze
+hebben me niet het minste baantje willen geven. En ze zeggen allemaal:
+
+"'De vent is gek! Die kent 't leven niet!' De pastoor noemt me filosoof
+uit spot; hij vertelt aan iedereen dat ik een soort kwakzalver ben,
+die geurt met wat hij op de kollege-banken geleerd heeft, terwijl dat
+juist is wat hem het minst te pas komt. 't Kan wezen dat ik eigenlijk
+de gek ben en zij de wijzen; wie kan dat uitmaken?"
+
+En de oude man schudde het hoofd, alsof hij een gedachte van zich af
+woû zetten en ging voort:
+
+"Wat ik u ook nog raden kan, is dat u den pastoor in den arm neemt,
+en den burgemeester, allen menschen van positie. Ze zullen u dan
+allerlei slechte, domme of onnutte raad geven, maar u moet maar denken:
+raadplegen is nog niet gehoorzamen. Doe u maar zooveel mogelijk net
+alsof ze in alles en altijd gelijk hebben en laten ze denken dat u
+handelt naar hun raad."
+
+Ibarra dacht een oogenblik na, en antwoordde toen:
+
+"De raad is goed, maar moeilijk op te volgen. Zou ik mijn ideeën
+niet kunnen verwezenlijken, zonder dat er zoo'n schaduw op valt? Zou
+'t goede zich geen baan kunnen breken door alles heen, en is 't wel
+noodig dat de waarheid kleeren te leen vraagt aan de dwaling?"
+
+"Zeker! Niemand houdt immers van de naakte waarheid!" hervatte de
+grijsaard. "Dat is alles mooi in theorie, dat is uitvoerbaar in de
+droomwereld van de jeugd. Daar heb je nu de schoolmeester: die heeft
+in de lucht geschermd. Een kinderhart dat het goede voorhad, en alleen
+maar spotternij en hoon heeft geoogst. U heeft me zooeven gezegd dat
+u een vreemdeling in 't land was. Dat geloof ik. Den eersten dag na
+uw aankomst al heeft u een geestelijke in zijn eigenliefde gekwetst,
+en de man gaat onder de menschen hier door voor een heilige en onder
+zijn eigen soort voor een geleerde. Denkt u maar niet dat het iets te
+beteekenen heeft, of de Dominikanen> en de Augustijners met minachting
+neerzien op de pij, 't koord en 't onhebbelijke schoeisel van de
+Franciskanen. Een groot geleerde--een dokter van de Heilige Tomas van
+Aquino--heeft zich ergens van Paus Innocentius de Derde aangehaald
+dat de statuten van die orde geschikter waren voor varkens dan voor
+menschen. Maar ze reiken elkaar even goed allemaal de hand. Ze zijn
+'t allemaal eens wat hun macht aangaat. Allemaal denken ze daarover
+zooals eens een 'procurator' het uitdrukte: 'De minste lekebroeder
+kan meer doen dan 't bestuur met al zijn soldaten.'
+
+"_Cave ne cadas._ [22] Het goud is erg machtig: het gouden kalf heeft
+dikwijls God van zijn altaren geworpen. En dat is al zoo sinds de
+tijden van Mozes."
+
+"Ik ben niet zoo'n zwartkijker, en 't leven in mijn land lijkt mij
+zoo gevaarlijk niet," antwoordde Ibarra lachend. "Ik geloof dat u
+met uw vrees wat overdrijft, en ik hoop al mijn plannen te kunnen
+verwezenlijken, zonder van dien kant veel tegenstand te ontmoeten."
+
+"Jawel, als zij u de hand reiken, niet als ze je die onttrekken. Al
+uw pogen zou gewoon stuk loopen tegen de muren van 't pastoors-huis,
+als de pater maar even zijn koord zwaaide of zijn pij schudde. De
+burgemeester zou u morgen onder 't een of ander voorwendsel weigeren
+wat hij u vandaag heeft toegestaan. Geen enkele moeder zou haar
+kind naar de school laten gaan, en dan zou uw moeite en sloven een
+negatieve uitwerking hebben: 't zou iedereen die later iets moois
+wou ondernemen den moed benemen."
+
+"En toch," hervatte de jonge man, "kan ik niet gelooven aan die
+macht waar u van spreekt. En zelfs een oogenblik aannemende dat die
+bestond, zou ik immers de verstandige menschen aan mijn zij hebben. En
+'t bestuur: dat is immers bezield met uitstekende bedoelingen, dat
+heeft een ruime blik en beoogt 't oprechte welzijn van de Filippijnen."
+
+"'t Bestuur! 't Bestuur!" mompelde de filosoof, terwijl hij de oogen
+opsloeg naar de zoldering. "Al is 't ook nóg zoo bezield met den
+wensch om 't land groot te maken, voor 't land zelf en voor Spanje,
+al is 't ook dat deze of gene hooge ambtenaar zich nog den edelen zin
+van de Katholieke Koningen herinnert, en op zijn eentje eraan denkt,
+'t bestuur ziet niet, hoort niet, oordeelt niet dan wat de pastoor of
+de provinciaal wil hebben dat hij ziet, hoort of oordeelt. 't Is immers
+overtuigd dat het alleen op hen rust, dat als het zich staande houdt,
+dat alleen is omdat zij 't steunen, dat, als 't leeft, dat is omdat
+zij 't goedvinden dat het leeft, en dat zoodra die steun ontbreekt,
+het in elkaar zal zakken als een ledepop, die niet meer opgehouden
+wordt. Het bestuur maken ze bang door het volk op te zetten, en
+'t volk door te dreigen met de bestuurs-macht. Zoo wordt het een
+eenvoudig spelletje, dat lijkt op wat er gebeurt met vreesachtige
+menschen, wanneer ze op akelige plaatsen komen. Ze zien dan hun eigen
+schaduwen voor spoken aan en houden de echo van hun eigen stemmen voor
+geestesstemmen. Zoolang het gouvernement zich niet in onmiddellijke
+aanraking met het land stelt, ontgaat het die voogdij niet. 't Zal
+blijven voortbestaan zooals een half-onnoozele jongen die siddert op
+de stem van zijn oppasser en die bedelt om zijn gunst. Het bestuur
+denkt in de verste verte niet aan een toekomst van kracht. 't Is een
+arm. Het hoofd dat is de pastorie, het 'klooster'. En door de laksheid
+waarmee 't zich van de eene ellende in de andere laat slepen, wordt
+het een schijnmacht. En zoo laat het in zijn nulliteit en zwakte maar
+alles aan huurlingen over. Maak maar eens een vergelijking tusschen
+ons bestuursstelsel en dat van de andere landen waar u vertoefde."
+
+"O!" viel Ibarra in, "we moeten niet te veeleischend zijn: laten we
+tevreden zijn nu we zien dat ons volk niet klaagt, dat het niet lijdt,
+zooals het volk in andere landen. En dat dankt het aan den godsdienst
+en aan de goedgezindheid van zijn bestuurders."
+
+"Het volk klaagt niet, omdat het geen stem heeft. 't Komt niet in
+beroering, omdat het versuft is, en u zegt dat het niet lijdt, omdat
+u niet gezien heeft, hoe zijn hart bloedt. Maar eenmaal zullen u de
+oogen opengaan, dan zult u 't zien en hooren. En dan, wee degenen
+die nu genieten van 't bedrog, die in 't donker werken en wanen
+dat iedereen slaapt. Wanneer het daglicht de misgeboorte van den
+nacht zal beschijnen, dan komt de verschrikkelijke reactie. Zooveel
+kracht, in zooveel eeuwen neergedrukt, zooveel vergif, drup voor drup
+uitgeperst, zooveel versmoorde zuchten, dat alles zal dan uitbreken
+en uitbarsten... Wie zal er dan de rekening vereffenen, een rekening
+zooals de volken die van tijd tot tijd ter vereffening aanbieden? De
+Geschiedenis spreekt ervan op zijn bloedigste bladzijden!"
+
+"God zal niet toelaten dat die dag ooit komt. Het bestuur en de
+godsdienst evenmin!" antwoordde Crisóstomo, die ondanks zichzelve
+onder den indruk kwam. "De Filippijnen zijn godsdienstig en hebben
+Spanje lief. De Filippijnen zullen weten wat het moederland voor
+ze doet. Er zijn misbruiken, dat is zoo, er zijn gebreken, dat zal
+ik niet ontkennen, maar Spanje maakt werk van hervormingen, die ze
+zullen verbeteren. 't Bereidt ze voor. 't Is niet zelfzuchtig."
+
+"Dat weet ik, en dat is juist zoo droevig. De hervormingen die
+van bovenaf komen, loopen op niets uit in de lagere sfeeren, dank
+zij de ondeugden van iedereen. Bijvoorbeeld de felle begeerte om in
+korten tijd rijk te worden en de domheid van 't volk, dat maar alles
+goedvindt. Misbruiken worden niet weggemaakt door een koninklijk
+besluit, zoolang niet een volijverig gezag voor de uitvoering
+waakt, zoolang men geen vrijheid van 't woord geeft tegen de
+buitensporigheden van kleine tirannen: de plannen blijven plannen,
+de misbruiken misbruiken, en de minister zal, voldaan over zijn
+werk, toch rustiger slapen. Wat meer is, als er eens bijgeval een
+hoog personage komt, met groote en edelmoedige denkbeelden dan hoort
+die al gauw zeggen--terwijl ze hem achter zijn rug voor gek houden,
+'Uwe Excellentie kent het land niet, Uwe Excellentie kent den aard van
+den inlander niet, Uwe Excellentie richt ze te gronde op die manier,
+Uwe Excellentie zou goed doen met te vertrouwen op meneer Zus of
+meneer Zoo en meer zoo.' En als men nu nagaat dat Zijne Excellentie
+het land werkelijk niet kende--hij had het immers ergens in Amerika
+gezocht--en dat hij bovendien zwakheden en gebreken heeft als ieder
+ander mensch, dan is 't duidelijk dat hij zich laat bepraten. Zijne
+Excellentie herinnert zich ook dat hij om zijn hooge post te krijgen
+heel wat heeft moeten zweten en nog meer heeft moeten lijden. Dat hij
+die post maar voor drie jaar heeft. Dat hij zoetjes aan oud wordt,
+en 't geen tijd meer voor hem is, om aan don-quichotterieën te doen;
+dat hij nu maar alleen aan zijn toekomst moet denken: een mooi huisje
+in Madrid, een buitentje, een aardig inkomen om weelderig te leven
+op de hoofdplaats: dat moest hij immers op de Filippijnen zien te
+winnen. Laten we geen wonderen verwachten. We kunnen moeilijk vragen
+dat iemand die als vreemdeling in 't land komt, om zijn fortuin te
+maken en daarna weer heen te gaan, belang zal stellen in 't welzijn van
+'t land. Wat kan hem de dankbaarheid of de vloek van een volk schelen
+dat hij niet kent, waar niets hem lief is? Wil roem ons aanlokken,
+dan moet hij klinken in de ooren van de menschen die we liefhebben,
+in de atmosfeer van onze woonplaats, van ons eigen land. 't Land
+waar onze asch moet rusten. We willen dat onze roem op ons graf zal
+wijlen, om met zijn stralen de doodskoû te verdrijven, om te maken
+dat we niet heelemaal in 't niet opgaan, dat er iets van ons wezen
+overblijft. Niets van dat alles kunnen we beloven aan den man die
+over ons wel en wee komt beschikken. En 't ergste is dat zoo'n man
+weer heengaat, wanneer hij net begint op de hoogte te komen van zijn
+plicht. Maar we dwalen af van ons onderwerp."
+
+"O nee, ik moet nog eerst een paar dingen met u in 't reine brengen
+voordat ik daarop terugkom," viel de jongeman levendig in. "Ik wil
+toegeven dat het bestuur het volk niet kent, maar ik geloof dat het
+volk 't bestuur nog minder kent. Er zijn onnutte slechte ambtenaren,
+als u wilt, maar er zijn ook goede en als dezen niets kunnen gedaan
+krijgen dan is 't omdat ze optornen tegen een logge massa: 't volk. Dat
+neemt heel weinig notitie van de dingen die het aangaan. Maar ik ben
+niet bij u gekomen om hier over veel uit te weiden: ik ben gekomen
+om u raad te vragen...
+
+"En u zegt me dat ik mijn hoofd moet buigen voor zotte afgoden..."
+
+"Ja, en ik zeg 't nog eens, want hier moet je je hoofd buigen, of
+'t geheel laten zakken."
+
+"'t Hoofd buigen of het geheel laten zakken?" herhaalde Ibarra in
+gedachten.
+
+"Dat is een hard dilemma! Maar waarom? Is de liefde voor mijn land
+dan niet overeen te brengen met mijn liefde voor Spanje? Is 't dan
+bepaald noodzakelijk, zich te verlagen; om een goed christen te wezen
+moet men dan zijn eigen geweten veil hebben, om een goed doel te
+kunnen bereiken? Ik heb mijn vaderland, de Filippijnen, lief, omdat
+ik er mijn leven en mijn geluk aan dank, en omdat ieder mensch zijn
+vaderland lief moet hebben. Ik hoû van Spanje, het vaderland van mijn
+voorouders, omdat, hoe dan ook, de Filippijnen aan Spanje hun geluk
+en hun toekomst danken. Ik ben katholiek, ik bewaar zuiver 't geloof
+van mijn vaderen, ik zie niet in, waarom of ik het hoofd zou buigen,
+wanneer ik 't op kan heffen of 't aan mijn vijanden zou overgeven,
+wanneer ik die vijanden zou kunnen vertrappen!"
+
+"Omdat het veld waar u wilt gaan zaaien in de handen van uw vijanden
+is," zeide de filosoof. "En daartegen is u niet opgewassen... u moet
+eerst de hand kussen die..."
+
+Doch de jongeman liet hem niet uitspreken, en riep opgewonden uit:
+
+"Kussen! Maar u vergeet dat die lui mijn vader hebben afgemaakt;
+dat ze hem uit zijn graf hebben gehaald... maar ik, die de zoon ben,
+vergeet het niet, en dat ik er geen wraak over neem, is omdat ik den
+godsdienst ontzien wil."
+
+De oude filosoof boog het hoofd.
+
+"Meneer Ibarra," antwoordde hij langzaam, "als u die herinneringen
+bij u omdraagt--en ik mag u niet raden in dezen naar vergetelheid te
+streven--dan moet u de plannen die u voorheeft opgeven, en 't welzijn
+van uw landgenoten in iets anders trachten te bevorderen. Zoo'n
+onderneming als de uwe vraagt een ander man, want om zoo iets tot
+stand te brengen, heeft men niet alleen geld en goeden wil noodig. In
+ons land wordt daar voor bovendien vereischt zelfverloochening,
+hardnekkigheid en geloof: de grond is er niet voor bereid, maar staat
+alleen vol onkruid."
+
+Ibarra begreep de waarde dier woorden, doch hij meende zich niet te
+mogen laten ontmoedigen: de gedachte aan Maria Clara was hem te sterk,
+hij moest wat hij haar geboden had verwezenlijken.
+
+"Geeft uw ervaring u geen ander middel aan de hand dan dat eene
+harde?" vroeg hij zacht.
+
+De oude greep hem bij den arm en leidde hem naar het venster. Er woei
+een frissche wind, voorbode van de "norte," voor zijn oogen strekte
+zich de tuin uit, begrensd door het uitgestrekte bosch, dat als park
+dienst deed.
+
+"Waarom zouden wij niet doen evenals die zwakke stengel daar, met
+al die rozen en knoppen?" zeide de filosoof, terwijl hij naar een
+schoonen rozenstruik wees. "De wind waait en grijpt hem aan: hij
+buigt, alsof hij zijn kostbare vracht wil verbergen. Als de stengel
+rechtop bleef, zou hij afbreken, de wind zou de bloemen verwaaien,
+en van de knopjes zou niets terechtkomen. De wind gaat liggen en de
+stengel richt zich weer op, trotsch op zijn schat: wie zal 't hem
+kwalijk nemen dat hij voor nooddwang 't hoofd gebogen heeft? Kijkt
+u daar verderop eens naar dien reusachtige _koepang_, die daar zoo
+statig zijn hoog lover tegen den hemel beweegt. Daar nestelen welig
+arenden in zoo'n boom. Ik heb hem indertijd als een teer plantje
+uit het bosch gehaald en ik heb zijn stammetje maanden achtereen met
+bamboe-stokjes moeten stutten. Als ik hem groot en vol levenskracht
+overgebracht had, dan zou hij stellig en zeker hier niet zijn blijven
+leven: de wind zou hem neergesmeten hebben, voordat zijn wortels zich
+in de aarde hadden kunnen vastwerken, voordat de aarde zelf ook om
+hem heen voldoende stevig had kunnen worden om hem de noodige steun
+te geven voor zijn omvang en hoogte. Zoo zal 't ook met u afloopen,
+u een plant uit Europa overgebracht naar dit steenachtig terrein,
+als u geen steun zoekt en u klein weet te maken. U bevindt zich in
+een ongunstigen toestand, alleen en hoogstaand: de grond onder u bent
+onvast, de hemel spelt onweer, en 't is al gebleken dat de kruin
+van de boomen van uw familie de bliksem aantrekt. 't Is geen moed
+meer, maar waaghalzerij alleen te willen vechten tegen zijn heele
+omgeving. Niemand zal 't een loods verwijten, wanneer hij schuilt in
+een haven bij den eersten windstoot van een storm. Bukken als er een
+kogel komt aansnorren, is geen lafheid; wel is 't verkeerd dien te
+trotseeren, om te vallen en niet weer op te staan."
+
+"En zou dit offer de vruchten leveren, die ik ervan hoop te
+krijgen? Zou de geestelijke in me gelooven en de beleediging, die
+ik hem aangedaan heb vergeten? Zouden ze me vrijmoedig helpen, om
+'t onderwijs te bevorderen, terwijl dit juist de rijkdommen van 't
+land aan de geestelijkheid betwist? Zou 't niet mogelijk wezen dat ze
+vriendschap huichelden, dat ze deden alsof ze me beschermen wilden,
+en dat ze me achter den rug, in 't donker, bestreden en ondermijnden,
+dat ze me om zoo te zeggen in mijn hiel verwondden, om me eerder de
+doen wankelen dan wanneer ze me van voren te lijf gingen? Gegeven de
+antecedenten die u veronderstelt, kan men alles verwachten."
+
+De oude man zweeg een wijle, zonder te kunnen antwoorden. Hij dacht
+eenige oogenblikken na en hervatte:
+
+"Als dat gebeurde, als de zaak faliekant uitging, zou u troost
+vinden bij de gedachte dat u alles gedaan had wat van uzelf afhing,
+en zelfs dan zou u iets gewonnen hebben, u zou 't eerste zaad er
+gezaaid hebben. Na 't bedaren van den storm zou er wellicht een zaadje
+ontkiemen, 't zou de ramp overleven, 't soort redden van algeheelen
+ondergang en later als zaailing kunnen dienstdoen voor de kinderen
+van den gestorven zaaier. Het voorbeeld kan anderen lokken die nu
+zich alleen door hun vrees laten weerhouden om een begin te maken."
+
+Ibarra overwoog deze redeneering, zag zijn toestand in, en begreep
+dat de oude heer met al zijn zwartziendheid groot gelijk had.
+
+"Ik geloof u!" riep hij uit en drukte hem de hand. "Ik heb niet voor
+niets op een goeden raad gehoopt. Vandaag nog ga ik ronduit de zaak
+aan den pastoor blootleggen. Per slot van rekening heeft die me in
+'t geheel geen kwaad gedaan, en moet hij een goed man wezen. Ik moet
+hem bovendien zijn belangstelling vragen voor die ongelukkige gekke
+vrouw en haar kinderen: ik stel vertrouwen op God en de menschen."
+
+Hij nam afscheid van den grijsaard, en te paard stijgende, vertrok hij.
+
+"Opgepast!" mompelde de pessimistische wijsgeer, terwijl hij hem met
+de oogen volgde: "we moeten 's nagaan, hoe 't lot verder de komedie
+zal afspelen die op het kerkhof begonnen is."
+
+Ditmaal vergiste bij zich werkelijk: de komedie was al veel eerder
+begonnen.
+
+
+
+
+XXV.
+
+De vooravond van 't feest.
+
+
+'t Is de tiende November, de dag voor het feest.
+
+Het dorp is uit zijn gewone eentonigheid getreden, en geeft zich
+over aan een groote bedrijvigheid; thuis, op straat, in de kerk,
+in de hanenvechtplaats en buiten. De vensters worden behangen met
+vlaggen en sierdoeken van allerlei kleur. De lucht weerklinkt van
+vuurwerkgeknal en van muziek. 't Is overal opgewektheid en pretlust.
+
+Allerlei ingemaakte vruchten van 't land worden door de _dalaga_
+in glazen schaaltjes op een tafeltje gerangschikt, waarop
+ze een geborduurd wit laken gespreid heeft. In 't _patio_--de
+binnenhof--piepen kuikens, kakelen kippen, knorren varkens, die alle
+opgeschrikt zijn door 't vreugdebetoon der menschen. De bedienden
+gaan trap op trap af, dragende verguld vaatwerk en zilveren lepels en
+vorken. Hier maakt men zich boos, omdat er een bord gebroken wordt,
+daar lacht men een buitenmeisje uit om haar onhandigheid: overal
+worden bevelen gegeven, wordt gefluisterd, of gelachen, maakt men
+toespelingen en opmerkingen, voorspelt men, windt de een den ander op,
+en alles is verwarring, gedruisch en gewoel. En al deze moeiten en
+zorgen, al dit wenschen en hopen is voor de bekende of de onbekende
+gasten die verwacht worden; om dezen of genen feestelijk te onthalen,
+dien men wellicht nooit te voren gezien heeft en ook misschien nooit
+meer terug zal zien; zoo dat buitenlander en vreemdeling, vriend en
+vijand, Filippijner en Spanjaard, arme en rijke er voldaan mogen
+wezen. Men vraagt zelfs niet van hen dat ze dankbaar zullen zijn,
+noch verwacht men van hen dat ze de gastvrije familie gedurende of
+na de verorbering van al 't goede ongedeerd zullen laten.
+
+De rijken, zij die wel eens een keer in Manila geweest zijn en iets
+meer gezien hebben dan de andere menschen, hebben bier, champagne,
+wijn en Europeesche eetwaren gekocht, waarvan ze zelf nauw een hapje
+of slokje zullen gebruiken. Hun tafel is schitterend aangericht.
+
+In 't midden staat een fraai nagemaakte ananas, waarin tandestokertjes
+gestoken zijn, 't keurige snijwerk der dwangarbeiders, dat ze in
+hun rusttijd vervaardigd hebben. Men ziet daar een waaier, een
+ruikertje, een vogel, een roos, een palmboom en eenige kettinkjes,
+alles uit één stuk hout gesneden. De kunstenaar is een veroordeelde,
+het werktuig een slecht mes, en de inspiratie de stem van den
+mandoer. Aan weerszijden van deze ananas--die _palillera_, dat is
+tandestoker-houder heet--verheffen zich op glazen vruchten-schalen
+heele pyramiden van sinaas-appelen, _langsoen's_ [23], _srikaja's_,
+_sawomanila's_ [24] en zelfs mangga's, ofschoon 't reeds November
+was. Dan volgen op groote schotels, neergelegd op uitgesneden en
+bontgekleurd papier Europeesche en Chineesche hammen, een groote
+pastei in den vorm van 't "Lam Gods" of van een duif--de Heilige
+Geest wellicht--gevulde kalkoenen enz. En tusschen deze in staan de
+dik-lijvige _atjar_-flesschen grillig versierd met uitknipsels van
+_pinang_-bloesem, bladgroenten en vruchten, die met stroop op den
+buitenwand der flesschen geplakt zijn.
+
+De glazen bollen--die men aan de zoldering hangt--erfstukken van vader
+op zoon,--worden schoongemaakt, de koperen hoepels glimmend gepoetst,
+de petroleum-lampen ontdaan van hun roode hulsels, die ze 't heele
+jaar voor vliegen en muskieten behoedt en nutteloos gemaakt hebben. De
+kristallen hangertjes en prisma's tingelen harmonieus tegen elkaar
+aan, ze zingen, en 't is of ze in de feestvreugde deelen. Ze ontleden
+de lichtstralen en doen de kleuren van den regenboog op de muren
+vallen. De kinderen spelen en dartelen, loopen de kleuren na, stooten
+hier en daar tegen-aan en breken lampenglazen, doch dit belet niet
+dat de feestvreugde blijft aanhouden: 't is ook niet alle dagen feest.
+
+Evenals deze eerwaardige lampen treden ook de "werkjes" van
+'t jongemeisje uit hun schuilhoeken te voorschijn: gehaakte
+sluiers, kleedjes, kunstbloemen; er verschijnen antieke kristallen
+presenteer-blaadjes, waar op de bodem een miniatuur-meertje is
+voorgesteld met vischjes, krokodillen, schelpdieren, zeewier, koraal-
+en andere rotsen, gemaakt van hel-kleurig glas. Deze blaadjes worden
+belegd met sigaren, sigaretten en kleine _sirih_-pruimpjes, die door
+fijne jongmeisjesvingers zijn vervaardigd.
+
+De vloer van 't huis glimt als een spiegel. Gordijnen van zijde of
+van _pina_ (ananas-vezel) tooien de deuren. Aan de vensters hangen
+lantarens van glas of van rooskleurig, blauw, groen of rood papier. Het
+huis komt vol bloemen en bloempotten op voetstukken van Chineesch
+porselein. Tot zelfs de heiligen maken zich mooi; beelden, platen en
+relikwieën krijgen hun Zondagsch uiterlijk, men stoft ze af, de glazen
+worden schoon gemaakt, en bloemtuiltjes aan de lijsten opgehangen.
+
+Op straat worden op geregelde afstanden grillige eerebogen opgericht
+uit op allerlei manieren bewerkte bamboe. Men noemt die _singkaban_. Er
+om heen wordt bamboe-loof aangebracht, waarvan de aanblik alleen
+de harten der kinderen reeds verheugt. Rondom de binnenhof--'t
+_patio_--van de kerk staat het groote en kostbare verhemelte,
+ondersteund door dikke bamboestaken, waar de processie onder door
+moet trekken. Nu spelen de kinderen eronder: ze loopen, klauteren,
+springen, en scheuren de nieuwe baadjes, waar ze op den feestdag mee
+moesten pronken.
+
+Ginds, op het plein, is van bamboe, _nipah_-blad en hout een estrade
+opgericht: het tooneel. Daar zal de komedie van Tondo wondere dingen
+vertoonen, en met de goden wedijveren in onwaarschijnlijkheden. Daar
+zullen zingen en dansen Marianito, Chananay, Balbino, Ratia, Carvajal
+en hoe ze verder heeten mogen. De Filippijner houdt van tooneelspel
+en woont de dramatische voorstellingen met hartstocht bij, luistert
+stil naar het zingen, bewondert het dansen en de mimiek, fluit niet
+uit, maar juicht evenmin toe. Als hem de voorstelling niet bevalt,
+wel dan verschuift hij zijn _woejoe_ of _sirih_-pruimpje, en gaat
+heen zonder de andere menschen te hinderen, die er misschien wel
+pleizier in hebben. Alleen joelt zoo nu en dan het lage volk wanneer
+de akteurs de aktrices kussen, maar verder gaat dat niet. Vroeger
+tijd stelde men alleen drama's voor. De dorps-poëet maakte een stuk,
+waarin iedere twee minuten bepaald een gevecht moest voorkomen, verder
+een "jocoso" of komiek en ijzingwekkende tooneelveranderingen. Doch
+sinds de Tondosche artiesten iedere vijftien seconden gingen kloppen,
+kregen ze twee komieken, en begonnen ze nòg onaannemelijker zaakjes
+te vertoonen, doodden ze hun kollega's uit de provincie.
+
+De burgemeester was er verzot op, en koos na overleg met den pastoor,
+het blijspel: "Prins Villardo of de verlossing der slaven uit de
+snoode spelonk", een stuk met toover-effekten en vuurwerk.
+
+Van tijd tot tijd luidden de klokken met vroolijk geluid, dezelfde
+klokken die tien dagen te voren zoo'n droevigen toon hadden laten
+hooren. Vuur-raadjes en donderpotten doen de lacht daveren: de
+Filippijnsche vuurwerker die zijn kunst geleerd heeft zonder eenige
+bekende meester, gaat zijn bekwaamheden aan den dag leggen, werkt
+druk aan zijn "stieren," zijn vuur-kasteelen met bengaalsch licht,
+papier-ballons gevuld met warme lucht, "briljant-wielen", bommen,
+vuurpijlen en wat niet al.
+
+Hoor, daar klinkt muziek in de verte. De jongens loopen ijlings het
+dorp uit, om de muziekkorpsen te begroeten. Er zijn er vijf gehuurd,
+ongerekend de drie orkesten. De muziek van Parsanghan, 't eigen korps
+van de notaris, mag niet ontbreken evenmin als dat van 't dorp S. P. de
+T., dat toentertijd beroemd was, omdat het gedirigeerd werd door de
+"maestro" Austria, bijgenaamd "Cabo Mariano", Mariannen-opperhoofd,
+de zwerveling, die, naar men zegt, roem en harmonie brengt bij den
+eersten zwaai van zijn dirigeer-stok. De muziek-kenners roepen over
+zijn doodenmarsch "De Wilg", en betreuren het dat hij geen muzikale
+opleiding gehad heeft, want met zijn genie zou hij anders de glorie
+van zijn land geworden zijn.
+
+De muziek komt het dorp binnen onder het spelen van vroolijke
+marschwijzen, gevolgd door schunnig gekleede en half naakte
+kinderen. De eene draagt 't baadje van zijn broer, een ander de broek
+van zijn vader. Zoodra de muziek opgehouden is, kennen ze de melodie
+van buiten, neuriën of fluiten die na met zonderlinge zuiverheid en
+geven hun oordeel erover ten beste.
+
+In den tusschentijd komen zoetjes-aan in boeren-karren, "kalessen"
+en gewone rijtuigen de verwanten, de vrienden, de onbekenden, de
+spelers en wedders van beroep met hun beste hanen, met zakken goud,
+bereid om hun fortuintjes te wagen, 't zij op 't groene laken,
+'t zij binnen de "rueda" van de hane-vechtplaats.
+
+"De _alférez_ heeft voor iederen avond vijftig _pesos!_" mompelt een
+klein dik kereltje in 't oor der pas aangekomenen. "Capitán Tiago komt
+straks en zal bank houden. Capitán Joaquin brengt achttien duizend
+_pesos_. Er zal ook 'liam-po' gespeeld worden: de Chinees Carlos houdt
+het spel met een kapitaal van tien duizend. Van Tanaun, van Lipa en
+van Batangas, als ook van Santa Cruz komen groote inzetten. 't Wordt
+grootscheeps! 't Wordt grootscheeps! Maar gebruikt een kop chocola. Dit
+jaar zal Capitán Tiago ons niet meer villen, zooals verleden jaar:
+hij heeft dezen keer maar drie dankmissen bekostigd, en ik heb een
+heele _moetia_ kakao. [25] En hoe gaat het met de familie thuis?"
+
+"O goed, dank u!" antwoordden de vreemdelingen. "En hoe is 't met
+Pater Dámaso?"
+
+"Pater Dámaso preekt 's morgens, en 's avonds gaat hij met ons een
+kaartje leggen."
+
+"Mooi zoo, mooi zoo! Dan is er heelemaal geen gevaar!"
+
+"Volkomen veilig, we zijn absoluut zeker! De Chinees Carlos laat
+bovendien los!"
+
+En de kleine dikkerd maakte met zijn vingers een gebaar alsof hij
+geld telde.
+
+Buiten trokken de bergmenschen, de _kasama_, hun beste plunje aan,
+om naar het dorp te komen en daar aan hun compagnons-geldschieters
+gemeste kippen, wilde varkens, herten en gevogelte te brengen. Dezen
+laadden op de zware karren brandhout, genen fruit, slingerplanten, de
+zeldzaamste die in 't bosch groeien, anderen brachten breedgebladerde
+_sagà biga_ [26] en struiken met hun vuurroode bloemen, om er de
+deuren der huizen mee te versieren.
+
+Doch waar de meeste drukte heerschte--zoodat het zelfs wel een oploop
+leek--was daar ginds op een soort ruime ophooging, op eenige schreden
+van Ibarra's huis. Er knarsen katrollen, men hoort er kreten, het
+metaal-achtig geluid van steen-houwen, het geklop van hamers op
+spijkers, het gekap van bijlen op balken.
+
+Een menigte menschen zijn bezig een breed en diep gat te
+graven. Anderen leggen steenen op rijen, die zoo juist uit de
+steengroeven zijn gehaald, ontladen karren, hoopen zand op, stellen
+draaibanken en wind-assen op...
+
+"Hier! Dat daar! Vlug wat!" riep een oud kereltje met een opgewekt
+en verstandig gezicht, die een meter met koperen kantjes in de hand
+had, en een schietlood aan een touwtje daarom heen geslingerd. Het
+was _Señor Juan_, de baas van 't werk, de bouwmeester, metselaar,
+timmerman, witter, slotenmaker, steenhouwer en--soms ook--beeldhouwer.
+
+"We moeten nu nog klaar komen! Morgen kan er niet gewerkt worden,
+en overmorgen is het feestdag. Vlug wat!"
+
+"Maak het gat zóó, dat deze cylinder er precies in past!" zeide hij
+tot een paar steenhouwers die bezig waren een grooten vierkanten
+steen te polijsten. "Hier binnen-in worden onze namen bewaard."
+
+En hij herhaalde aan iedere vreemdeling die kwam kijken wat hij al
+honderden malen gezegd had.
+
+"Weet u wat we hier gaan bouwen? Een school, een model dingetje, net
+als die in Duitschland, beter nog! Het plan is door den architekt
+R. gemaakt en ik, ik ben de baas van 't werk! Ja, meneer, kijkt u
+'s, dit wordt een paleis met twee vleugels: een voor de jongens,
+en een voor de meisjes. Hier in 't midden komt een groote tuin met
+drie fonteinen; daar, op zij, worden boomen gezet, en daartusschen-in
+komen moestuintjes, waar de kinderen in hun vrijen tijd kunnen zaaien
+en planten: zoo maken ze er een nuttig gebruik van en vermorsen hun
+tijd niet. Kijkt u 's hoe diep de fondamenten gaan! Drie meter vijf en
+zestig, alsjeblief! Het gebouw krijgt kelders, onderaardsche kamers,
+waar de ondeugende kinderen kunnen opgesloten worden. Die komen dicht,
+heel dicht bij de speelplaats en 't gymnastieklokaal, dan kunnen de
+gestraften hooren hoe de goed oppassende kinderen pret hebben. Ziet u
+die groote, open ruimte? Dat wordt het speelveld voor de jongens, daar
+kunnen ze in de open lucht vrij loopen en springen. De meisjes krijgen
+een tuin met banken, schommels, rijen boomen voor het _komba_-spel
+[27], fonteinen, groote vogelkooien enz.
+
+"O, 't wordt alles prachtig!"
+
+En _Ñor [28] Juan_ wreef zich in de handen bij de gedachte aan de eer
+die hij met zijn werk zou inoogsten. Er zouden vreemdelingen komen
+om het te zien, en die zouden vragen: "Wie is de groote bouwmeester
+die dàt werk uitgevoerd heeft?"
+
+"Weet u dat niet? Wel, 't is haast niet te gelooven dat u _Ñor
+Juan_ niet zoudt kennen! U komt stellig van heel ver," zou iedereen
+antwoorden.
+
+Vervuld van deze gedachten liep hij van 't eene uiteinde naar 't
+andere, keek en pluisde alles na.
+
+"Dat 's veel te veel hout voor een hijschtoestel, zeg!" zeide hij
+tot een geelkleurigen man, die eenige werklieden aan 't werk had;
+"dat zou ik doen van drie lange stukken bij wijze van drievoet,
+met nog drie andere als dwarshouten."
+
+"_Aba!_" antwoordde de gele man en lachte eigenaardig, "hoe meer omslag
+we maken, hoe meer effekt ons werk zal hebben. Het geheel heeft dan
+meer aanzien, wordt voornamer. En de menschen zullen zeggen: 'wat is
+er gewerkt!' U zult 's zien hoe 'n hijschtoestel ik in elkaar zet! Ik
+zal 't daarna opsieren met bladerrollen, met slingers van blâren en
+bloemen. Dan zal 't u genoegen doen, dat u mij onder uw werklui heeft
+aangenomen. En meneer Ibarra zal niet meer kunnen verlangen."
+
+En de man lachte weer, en glimlachte; _Ñor Juan_ lachte ook flauwtjes,
+en schudde 't hoofd.
+
+Op eenigen afstand van daar zag men eenige kiosken, onder elkaar
+verbonden door een soort overdekte gang met een dak van pisangblaren.
+
+De schoolmeester was met een dertigtal jongens bezig kransen te
+vlechten en vlaggen vast te maken aan de met geplooid wit doek
+overtrokken bamboe-stijltjes.
+
+"Jullie moeten de letters mooi schrijven, hoor!" zeide hij tot de
+knapen, die voor de opschriften moesten zorgen.
+
+"De burgemeester komt, er zullen ook veel pastoors bij 't feest
+komen, misschien komt de _Capitán Generaal_ [29] want die is in de
+provincie. Als die heeren zien dat jullie mooi teekenen, dan prijzen
+ze jullie misschien?"
+
+"En geven ze ons dan een schoolbord?"
+
+"Wie weet. Maar meneer Ibarra heeft er al een uit Manila
+besteld. Morgen zullen er eenige dingen aankomen, die onder jullie
+als prijzen verdeeld zullen worden... Och, laat die bloemen maar in
+'t water: morgen zullen we wel de bouquetten maken. Jullie moeten nog
+meer bloemen halen, want de tafel moet er mee bedekt zijn. Bloemen
+zijn zoo vroolijk voor 't gezicht."
+
+"Mijn vader zal morgen _baïno_-bloemen en een mand _tjempaka's_
+meebrengen."
+
+"De mijne heeft drie groote karren vol zand gebracht, en ze hebben
+hem niet betaald."
+
+"Mijn oom heeft beloofd een onderwijzer te bekostigen," voegde een
+neef van Capitán Basilo eraan toe.
+
+Inderdaad had het plan bijna bij iedereen sympathie ontmoet. De
+pastoor had verzocht zelf beschermheer te mogen wezen en den eersten
+steen te leggen: een plechtigheid die op den laatsten dag van 't
+feest plaats zou hebben en een der voornaamste punten van 't program
+zou uitmaken. Zelfs was de coadjutor schuchter bij Ibarra gekomen,
+om hem al de missen aan te bieden die de vromen voor hem betalen
+zouden tot de voltooiing van 't gebouw toe. Meer nog: zuster Rufa,
+de rijke zuinige dame, had gezegd dat als er soms geld te kort kwam,
+zij wel in eenige dorpen zou rondgaan, om aalmoezen te vragen. Ze
+stelde alleen maar als voorwaarde dat ze de reis- en verblijfkosten
+betaald kreeg en zoo meer. Ibarra dankte haar en antwoordde:
+
+"We zouden niet veel ophalen, want ik ben niet rijk, en dit gebouw
+wordt ook geen kerk. Bovendien heb ik niet beloofd het te zullen
+oprichten op een andermans kosten."
+
+De jongelieden, de studenten, die uit Manila kwamen om 't feest te
+vieren, bewonderden hem, en namen hem tot voorbeeld. Helaas keken
+enkelen alleen naar de manier waarop hij zijn das toeknoopte, anderen
+naar zijn halsboord, en verscheidenen van hen naar het aantal knoopen
+van zijn jas en zijn vest.
+
+De noodlottige voorgevoelens van den ouden Tasio schenen voor altijd
+gelogenstraft. Ibarra gaf dit eens op een dag te kennen, doch de oude
+zwartkijker antwoordde:
+
+"Denk maar 's aan wat Baltasar zegt:
+
+
+ Treedt hij bij uw aankomst u blij tegemoet,
+ Met vriendlijk gebaar en met hartelijken groet,
+ Voorzichtig dan maar, want die vriendlijke man,
+ Is wellicht uw vijand, die zint op verraad.
+
+
+Die Baltasar was even goed dichter als denker."
+
+Deze en andere voorvallen meer hadden plaats op den dag voor het feest,
+voor 't ondergaan der zon.
+
+
+
+
+XXVI.
+
+In den avond.
+
+
+Bij Capitán Tiago in huis waren ook groote toebereidselen
+gemaakt. Zooals van hem te verwachten was, moesten zijn praalzucht
+en zijn trots als groot-stadsmensch de provincialen schitterend
+overbluffen. Er was nog een andere reden die hem verplichtte er naar
+te streven om de anderen den loef af te steken: hij had Maria Clara
+tot dochter, en zijn aanstaande schoonzoon was op de plaats de man
+die zoo aller aandacht in beslag nam.
+
+Inderdaad: een der ernstigste bladen van Manila had een hoofdartikel
+aan hem gewijd, getiteld: "Volgt hem na." waarin hij overladen werd met
+loftuitingen en hem tevens eenige raadgevingen werden toegediend. Hij
+werd er genoemd: "de verlichte jonge en vermogende kapitalist." Twee
+regels verder "de edele menschenvriend." In het volgende gedeelde
+"de voedsterling van Minerva," die naar 't moederland was gegaan, om
+de echte bakermat der kunsten en wetenschappen te gaan begroeten, en
+wat verderop "de Filippijnsche Spanjaard" enz. Capitán Tiago brandde
+van grootmoedige wedijver, en begon erover te denken of het niet
+misschien ook zijn plicht was, op zijn kosten een klooster te stichten.
+
+Eenige dagen te voren waren er in het huis dat Maria Clara en haar
+tante Isabel bewoonden een menigte kisten met Europeesche eetwaren
+en dranken, ontzaglijke spiegels en schilderijen aangekomen. Ook de
+piano van 't jonge meisje was erbij gezonden.
+
+Capitán Tiago kwam den dag voor het feest. Toen zijn dochter hem de
+hand kuste, had hij haar een fraai goud relikwie-kistje met briljanten
+en smaragden ten geschenke gegeven, dat een spaander bevatte van
+Petrus' boot, waar onze Lieve Vrouw gedurende het visschen op
+gezeten had.
+
+De ontmoeting met den aanstaanden schoonzoon kon niet hartelijker
+wezen. Men sprak natuurlijk van de school. Capitán Tiago wilde dat
+ze Sint Franciskusschool zou genoemd worden.
+
+Er kwamen eenige vriendinnen van Maria Clara en deze noodigden haar
+uit, om mee te gaan wandelen.
+
+"Maar kom gauw thuis," zeide Capitán Tiago tot zijn dochter, die hem
+om permissie vroeg, "je weet wel dat Pater Dámaso van avond komt eten:
+die is pas aangekomen."
+
+En zich tot Ibarra wendende, die stil geworden was, voegde hij
+eraan toe:
+
+"Komt u ook bij ons eten: bij u thuis bent u alleen."
+
+"Met heel veel genoegen, maar ik moet in huis wezen, voor 't geval
+er bezoek komt," antwoordde de jongeman stamelend, terwijl hij Maria
+Clara's blik ontweek.
+
+"Breng uw vrienden hier," gaf Capitán Tiago onverstoord terug, "bij
+mij in huis is altijd eten in overvloed. Ik zou bovendien graag zien
+dat u en Pater Dámaso 't bijlegden..."
+
+"O, daar is 't nog wel tijd voor!" antwoordde Ibarra met een gedwongen
+lachje, en hij gaf te kennen dat hij met de meisjes mee wilde gaan.
+
+Ze gingen de trap af.
+
+Maria Clara liep tusschen Victoria en Iday in. Tante Isabel volgde
+daarachter.
+
+De menschen gingen eerbiedig op zij, om hen door te laten.
+
+Maria Clara was dien avond verrassend schoon: haar bleekheid was
+verdwenen, en zoo heur oogen al wat peinzend bleven, scheen haar
+mond van niets dan lachen te weten. Met de minzaamheid der gelukkige
+jonkvrouw groette ze de oude kennissen uit haar kindsheid, thans
+de bewonderaars van haar zoo gezegende meisjesjaren. In minder dan
+veertien dagen had ze haar vroegere vrijmoedigheid, haar kinderlijke
+praatlust herwonnen, die binnen de benauwde muren van 't klooster
+ingesluimerd schenen te wezen. Ze was als de vlinder die bij 't
+verlaten van den pop-toestand al de bloemen terugkent. Deze hoefde
+slechts een oogenblik rond te vliegen en zich te koesteren aan de
+gulden zonnestralen, om de stijfheid van zijn vorigen staat af te
+schudden. Het nieuwe leven vond weerklank in heel het wezen van 't
+jonge meisje, alles vond ze mooi en goed; ze toonde haar liefde met
+die maagdelijke aanvalligheid, welke, niet anders dan reine gedachten
+ziende, het waarom van valsch schaamrood niet kent.
+
+Toch dekte ze zich het gelaat met den waaier, wanneer men haar eens
+vroolijk plaagde, maar dan lachten haar oogen en doorliep een tinteling
+haar leden.
+
+Aan de huizen begon men de verlichting aan te steken, en in de straten,
+waar de muziek rondging, volgden de kroonlampen van bamboe en hout,
+nabootsingen van kerkkronen.
+
+Binnen in de huizen der straat bespeurde men door de geopende vensters
+de menschen druk doende in een omgeving van licht en bloemengeur, bij
+de tonen van piano, harp of orkest. Over de straat liepen Chineezen,
+Spanjaarden, Filippijners, en deze in Europeesche of wel in inlandsche
+kleederdracht. Dooreen krioelend, elkaar duwend en dringend liepen
+daar bedienden met vrachtjes vleesch en kippen, in 't wit gekleede
+studenten, mannen en vrouwen, op gevaar af van overreden te worden door
+de vele rijtuigen en karretjes, die in weerwil van 't _tabi_-geroep
+der koetsiers zich te nauwernood een doortocht konden banen.
+
+Voor 't huis van Capitán Basilio groetten eenige jongelieden het
+gezelschap en noodigden het uit, om het huis te bezoeken. De vroolijke
+stem van Sinang, die de trap kwam afhollen maakte een einde aan alle
+verontschuldigingen.
+
+"Komen jullie even boven, dan ga ik straks met jullie uit. Ik vind
+'t zoo vervelend met zooveel onbekende menschen samen te zijn: ze
+hebben 't over niets anders dan over hanen en kaarten."
+
+Men ging naar boven.
+
+De voorzaal was vol menschen. Enkelen traden naar voren, om Ibarra
+te begroeten, wiens naam bij iedereen bekend was. Ze sloegen verrukt
+Maria Clara's schoonheid gade. En eenige oudjes mummelden, onder het
+sirihkauwen door: "'t Is net de Heilige Maagd!"
+
+Daar moesten de nieuwgekomenen chocola gebruiken. Capitán Basilio
+had zich sinds de buitenpartij als een boezemvriend en verdediger
+van Ibarra doen kennen. Door 't telegram dat aan zijn dochter Sinang
+was gegeven vernam hij dat Ibarra op de hoogte was van de voor dezen
+ongunstige afloop van 't proces. En omdat hij niet onder wilde doen
+in grootmoedigheid, stelde hij voor, zijn winst bij 't schaakspel op
+te geven.
+
+Doch Ibarra wilde daar niets van weten, en toen sloeg Capitán Basilio
+voor, dat Ibarra het geld voor de gerechtskosten zou gebruikten om
+er een onderwijzer aan de toekomstige school mee te betalen. Onze
+redenaar vond het daarna noodig zijn welsprekendheid aan te wenden
+bij de andere tegenpartijen die hij had, om ze maar te doen afzien
+van hun zonderlinge aanspraken. En hij zeide hun:
+
+"Geloof me: bij zoo'n proces komt de winnende partij er als een
+geplukte kip af!"
+
+Doch hij slaagde er niet in iemand te overtuigen, ook al haalde hij
+er de Romeinen bij.
+
+Nadat ze chocolade gebruikt hadden, moesten de jongelui de piano
+hooren: de organist van 't dorp zou spelen.
+
+"Wanneer ik hem in de kerk hoor," zeide Sinang en wees naar hem,
+"heb ik zin om te dansen. Nu hij piano speelt moet ik aan bidden
+denken. Daarom ga ik maar met jullie mee."
+
+"Wilt u vanavond bij ons komen?" vroeg Capitán Basilio fluisterend
+aan Ibarra, toen deze heenging. "Pater Dámaso zal de bank houden voor
+een klein partijtje."
+
+Ibarra lachte even en antwoordde met een hoofdbeweging, die net zoo
+goed ja als nee kon beteekenen.
+
+"Wie is dat?" vroeg Maria Clara aan Victoria, en wees met een snellen
+blik naar een jongmensch dat hen volgde.
+
+"Die...dat is een neef van me", antwoordde ze eenigzins verlegen.
+
+"En die ander?"
+
+"Dat's geen neef van me," gaf Sinang snel terug, "dat is een zoon
+van mijn tante."
+
+Ze liepen voorbij de pastorie waar het zeker niet 't minst druk en
+levendig toeging. Sinang kon een uitroep van verbazing niet weerhouden,
+toen ze zag dat de heel ouderwetsche lampen, die Pater Salvi anders
+nooit liet aansteken om petroleum te sparen, nu brandden. Men hoorde
+kreten en welluidende schaterlachen. Men zag de "frailes" langzaam
+heen-en-weer-loopen, met in de maat wiegende hoofden, en de lippen
+getooid met een dikke sigaar. De wereldlijke heeren die zich onder
+hen bevonden trachtten al wat de goede paters deden na te doen. Te
+oordeelen naar de Europeesche kleederen die ze droegen, moesten het
+beambten of autoriteiten uit de provincie wezen.
+
+Maria Clara bespeurde den lijvigen omtrek van Padre Dámaso naast het
+onberispelijk "silhouet" van Padre Sibyla. Roerloos op zijn plaats
+zat de geheimzinnige, zwijgende Padre Salvi.
+
+"Hij is verdrietig!" merkte Sinang op; "hij bedenkt hoeveel hem al die
+bezoekers kosten zullen. Maar je zult zien dat hij ze niet betaalt,
+maar de kosters. Zijn logés eten altijd bij een ander."
+
+"Sinang!" vermaande Victoria.
+
+"Ik kan hem niet uitstaan sedert dat hij ons Rad van Fortuin heeft
+kapot gemaakt. Ik ga niet meer bij hem biechten."
+
+Onder al de huizen onderscheidde er zich een, dat niet verlicht
+was, en zijn vensters ook niet open had staan: 't was dat van den
+_alférez_. Maria Clara verwonderde er zich over.
+
+"Die heks! De muze van de _Guardia Civil_, zooals de oude heer
+zegt!" riep de verschrikkelijke Sinang. "Wat gaat haar onze pret
+aan? Ze zal aan 't razen wezen. Laat de cholera maar 's komen, dan
+zal je zien dat zij inviteert."
+
+"Maar Sinang!" berispte haar nichtje weder.
+
+"Ik heb haar nooit kunnen uitstaan, en allerminst sedert dat ze ons
+feest gestoord heeft met haar soldaten. Als ik aartsbisschop was, dan
+liet ik haar met Padre Salvi trouwen, je zou 's zien wat 'n kindertjes
+dat geven zou! Dien armen 'loods' te laten oppakken, zie je, die in
+'t water gesprongen is alleen om genoegen te doen aan..."
+
+Ze kon haar woorden niet voleindigen: op den hoek van het plein, waar
+een blinde bij de gitaar de romance der visschen zong, deed zich een
+vreemd schouwspel voor.
+
+'t Was een man wiens hoofd gedekt was met een groote _salakot_ van
+palmbladeren, en die een armzalige plunje aan had. Dit bestond uit
+een in flarden hangende lange jas, en een wijde broek zooals van de
+Chineezen, die op verscheidene plaatsen gescheurd was. Zijn voeten
+staken in ellendige sandalen. Zijn gelaat bleef, dank zij de _salakot_
+geheel en al in 't duister, doch uit die duisternis braken van tot
+tijd twee lichtglanzen die dadelijk weer uitdoofden. Hij was lang van
+gestalte en naar zijn beweging te oordeelen moest hij jong wezen. Hij
+zette een mand op den grond neer, en verwijderde zich daarna onder het
+uitspreken van vreemdsoortige onverstaanbare klanken. Hij bleef geheel
+afgezonderd staan, net alsof hij en de menigte elkaar meden. Toen
+kwamen er eenige vrouwen naar hem toe en legden wat vruchten, visch,
+rijst a. a. in de mand. Toen er niemand meer naar hem toe kwam,
+klonken er uit de hoedduisternis andere, nog droeviger, maar minder
+klagelijke geluiden: een dankzegging wellicht. Daarna nam hij zijn
+mand op en verwijderde zich om elders hetzelfde nog eens te doen.
+
+Maria Clara had een voorgevoel van iets akeligs, en vroeg vol
+belangstelling naar dat vreemde wezen.
+
+"Dat is de melaatsche," antwoordde Iday. "Vier jaar geleden heeft
+hij die ziekte opgedaan: sommigen zeggen doordat hij zijn moeder
+verpleegd heeft, anderen weer doordat hij in de vochtige gevangenis
+geweest is. Hij woont daar ginds buiten, niet ver van 't Chineesche
+kerkhof. Hij gaat met niemand om, iedereen loopt van hem weg uit
+vrees voor besmetting. Och, als je toch 's zijn huisje zag. 't Is
+een krot, waar wind, regen en zon vrijen toegang hebben. 't Is hem
+verboden iets aan te raken dat aan de menschen toebehoort. Eens op
+een dag viel er een kleine jongen in 't kanaal. Het kanaal was niet
+diep, en hij liep juist daar voorbij--hij hielp er hem dus uit. De
+vader hoorde ervan, en beklaagde zich bij den burgemeester. En deze
+liet hem midden op straat zes geeselslagen geven. De rotan moest
+daarna verbrand worden. Dat was verschrikkelijk om aan te zien:
+de melaatsche man liep hard weg. Zijn geeselaar hem achterna en de
+burgemeester schreeuwde hem na: 'Pas op 'n andere keer. 't Is beter
+dat iemand verdrinkt dan dat hij jouw ziekte krijgt.'"
+
+"Dat is waar!" mompelde Maria Clara.
+
+En zonder zich rekenschap te geven van wat ze deed, stapte ze snel
+op de mand toe, en legde daarin het relikwie-kistje dat haar vader
+haar kort te voren cadeau had gegeven.
+
+"Wat heb je gedaan?" vroegen haar vriendinnen.
+
+"Ik had niets anders!" antwoordde ze, terwijl ze de tranen van haar
+oogen met een lach trachtte te verbergen.
+
+"En wat kan hij nu beginnen met jouw relikwie-kistje," zei
+Victoria. "Eens op een dag gaven ze hem geld, maar hij schoof het
+met een bamboe van zich weg; waartoe zou hij 't verlangen, als toch
+niemand iets aanneemt dat van hem komt? Als hij 't relikwie-kistje
+opeten kon, ja!"
+
+Maria Clara keek met jaloezie naar de vrouwen die eetwaren verkochten,
+en haalde de schouders op.
+
+Doch de leproos trad op de mand toe, greep het kistje, dat in zijn
+handen blonk, knielde neder, kuste het en, na zich 't hoofd ontbloot
+te hebben, drukte hij zijn voorhoofd in 't stof dat het jongemeisje
+betreden had.
+
+Maria Clara bedekte zich 't gelaat met haar waaier en bracht haar
+zakdoek aan de oogen.
+
+Ondertusschen was er een vrouw naar den ongelukkige toegegaan, terwijl
+deze scheen te bidden. Ze had het haar loshangend en verward om haar
+hoofd. In 't licht der lantarens ontwaarde men de gelaatstrekken der
+krankzinnige Sisa.
+
+Toen de melaatsche voelde dat zij hem aanraakte, slaakte hij een
+kreet en sprong op. Doch de krankzinnige klampte zich tot ontzetting
+der omstanders aan zijn arm vast, en zeide:
+
+"Laten we bidden, laten we bidden! 't Is vandaag dooden-dag! Die
+lichten zijn de levens van de menschen. Laten we bidden voor mijn
+kinderen!"
+
+"Doe ze van elkaar, doe ze uiteen! De krankzinnige zal besmet
+worden!" schreeuwde men uit de menigte, doch niemand waagde het,
+hen te naderen.
+
+"Zie je dat licht daar in den toren? Dat is mijn zoon Basilio,
+die komt aan een touw naar beneden! Zie je dat daar verderop in 't
+'klooster'? Dat is mijn zoon Crispin, maar ik zal ze niet zien, omdat
+de pastoor ziek is en veel goud heeft, en het goud raakte weg. Laten
+we bidden, bidden voor de ziel van den pastoor! Ik bracht hem altijd
+groenten. Mijn tuin was vol bloemen, en ik had twee kinderen. Ik had
+een tuin, ik kweekte mijn bloemen en ik had twee kinderen!"
+
+En de leproos loslatend, verwijderde ze zich al zingend:
+
+"Ik had een tuin met bloemen, ik had kinderen, en een tuin met
+bloemen."
+
+"Wat heb je voor die arme vrouw kunnen doen?" vroeg Maria Clara
+aan Ibarra.
+
+"Niets. Niets. Een dezer dagen was ze uit het dorp verdwenen, en
+hebben ze haar niet terug kunnen vinden!" antwoordde de jongeman half
+verlegen. "Ik heb 't bovendien erg druk gehad. Maar maak je maar geen
+verdriet: de pastoor stelt veel belang in haar!"
+
+"Zei de _alférez_ niet dat hij de kinderen zou laten zoeken?"
+
+"Jawel, maar toen was hij een beetje ...aangeschoten!"
+
+Nauw had hij dit gezegd, of ze zagen de krankzinnige vrouw door een
+soldaat voortslepen. Ze bood weerstand.
+
+"Waarom neemt u haar gevangen? Wat heeft ze gedaan?" vroeg Ibarra.
+
+"Hoe nu? Heeft u dan niet gezien hoe ze rumoer gemaakt
+heeft?" antwoordde de bewaarder der openbare rust.
+
+De leproos nam ijlings zijn mand op en verwijderde zich. Maria Clara
+wilde maar heengaan, want ze had haar vroolijkheid en opgewektheid
+verloren.
+
+"Er zijn ook menschen die niet gelukkig zijn!" mompelde ze.
+
+Aan de deur van haar huis gekomen, voelde ze haar verdrietigheid nog
+grooter worden, toen ze zag dat haar aanstaande weigerde boven te
+komen, en afscheid van haar nam.
+
+"'t Moet!" zeide de jongeman.
+
+Maria Clara ging de trap op, denkende aan 't vervelende van de
+feestdagen, wanneer zooveel vreemde menschen zouden komen logeeren.
+
+
+
+
+XXVII.
+
+Brieven over het feest.
+
+
+Om een denkbeeld te geven van 't feest, volgen hier een paar
+correspondenties, waarvan een van de briefschrijvers van een ernstig
+en voornaam blad van Manila, dat alle achting verdient om zijn toon en
+strenge opvattingen. Enkele geringe en verklaarbare onnauwkeurigheden
+zal men kunnen verbeteren.
+
+De waardige correspondent van 't edele blad schreef dan aldus:
+
+
+ Nooit te voren woonde ik bij, noch verwacht ik ooit te zullen
+ zien, een kerkelijk feest zóó plechtig, zóó schitterend en
+ aandoenlijk als dat hetwelk thans in dit dorp wordt gevierd
+ door de weleerwaarde en deugdzame paters Franciskanen.
+
+ De toeloop van menschen is geweldig. Ik heb hier het genoegen
+ gehad, schier al de in deze provincie woonachtige Spanjaarden
+ te begroeten. Ik zag er drie eerwaarde paters Augustijners uit
+ de provincie Batangas, twee eerwaarde paters Dominikanen,--een
+ van welke was de zeer eerwaarde pater Fray Hernando
+ de la Sibyla--wier bezoek aan dit dorp voor de bewoners
+ onvergetelijk moet blijven. Ik heb ook een groot aantal chefs
+ van handelshuizen van Cavite en Pampanga, en veel vermogende
+ menschen uit Manila gezien, als ook veel muziekkorpsen,
+ waaronder het bijzonder geschoolde van Parsanghan, toebehoorend
+ aan den notaris Don Miguel Guevara. Ook een menigte Chineezen
+ en inlanders, die, met de eigenaardige nieuwsgierigheid der
+ eersten en den godsdienstzin der laatsten, vlasten op den
+ dag waarop het plechtige feest zou gevierd worden, om de
+ komisch-lyrisch-choreografisch-dramatische voorstelling bij
+ te wonen, voor welk een groot en ruim tooneel midden op het
+ plein is opgericht.
+
+ Om negen uur in den avond van den tienden, voorafgaande aan
+ den feestdag, na de weelderige maaltijd, ons door de _Hermano
+ mayor_ [30] aangeboden, werd de aandacht van ons allen,
+ wereldlijken en geestelijken, in het klooster, getrokken door
+ de tonen van twee muziekkorpsen die vergezeld door drommen
+ volks en bij 't knallen van vuurpijlen en donderpotten,
+ en voorafgegaan door de notabelen uit het dorp, naar het
+ klooster kwamen, om ons af te halen en te geleiden naar
+ de voor ons bereide en bestemde zitplaatsen, teneinde de
+ tooneelvoorstelling bij te wonen.
+
+ Wij moesten zwichten voor zulk een hoffelijke uitnoodiging,
+ ofschoon ik me veel liever in de armen van Morfeus had
+ geworpen, om zoete rust te schenken aan mijn verkneusde
+ leden, dank zij het geschok en gerammel van 't voertuig
+ dat de burgemeester van 't dorp B. ons voor onze overkomst
+ verschaft had.
+
+ Wij gingen dus naar beneden en begaven ons naar onze
+ confraters die den avond-maaltijd gebruikten ten huize van
+ den godvruchtigen en vermogenden heer Don Santiago de los
+ Santos. De pastoor van 't dorp, de zeer eerwaarde pater
+ Fray Bernardo Salvi, en de zeer eerwaarde pater Fray Dámaso
+ Verdolagas, die door de bijzondere gunst des Allerhoogsten
+ reeds hersteld is van het lijden, dat een onvrome hand hem
+ aangedaan had, vergezeld van den zeer eerwaarde pater Fray
+ Hernando de la Sibyla en den braven pastoor van Tenauan
+ en nog andere Spanjaarden, waren de gasten ten huize van
+ den Filippijnschen Cresus. Daar hebben we het geluk gehad
+ niet alleen de weelderige inrichting en den goeden smaak
+ van gastheer en gastvrouw te bewonderen, welke zeker niet
+ alledaagsch is bij inlanders, maar ook de smaakvolle schoone
+ en rijke erfgename, welke laatste een volleerde discipel
+ der heilige Cecilia bleek te wezen want haar meesterlijk
+ klavier-spel bij 't vertolken der beste Duitsche en
+ Italiaansche compositiën herinnerde mij aan "la Galvez". Hoe
+ jammer dat zulk een volmaakte jonge dame zoo buitengemeen
+ bescheiden is en haar verdiensten verborgen houdt voor de
+ samenleving, welke voor haar slechts bewonderaars heeft.
+
+ Ik mag niet in mijn inktpot laten, dat men ons ten huize van
+ onzen gastheer champagne en fijne likeuren liet gebruiken,
+ en wel in schitterenden overvloed, zooals we dat van den
+ bekenden kapitalist gewoon zijn.
+
+ We woonden de tooneelvoorstelling bij. U kent reeds onze
+ artisten Ratia, Carvajal en Fernandez. Hun geestig spel
+ werd slechts door ons begrepen, want de menschen van minder
+ ontwikkeling konden er in 't geheel niet bij. Chananay en
+ Balbino waren goed, ofschoon een weinig schor. De inlanders,
+ vooral de burgemeester, vonden het Tagaalsche komedie-stukje
+ zeer naar hun zin: deze laatste wreef zich in de handen en
+ zeide ons, dat het wel jammer was dat men de prinses niet
+ met den reus had laten vechten, die haar geschaakt had,
+ hetwelk naar zijn idee wonderbaarlijker zou geweest zijn, te
+ meer als de reus onkwetsbaar bleek te wezen, behalve aan zijn
+ navel, gelijk een zekere Ferragus waarvan de geschiedenis der
+ Twaalf Pairs [31] verhaalt. De weleerwaarde pater Fray Dámaso,
+ deelde met de goedhartigheid die hem zoo bijzonder eigen is,
+ deze meening van den "gobernadorcillo", en voegde er bij,
+ dat in zoo'n geval de prinses er wel voor zou weten te zorgen
+ 's reuzen navel te ontbloten en hem den genadeslag te geven.
+
+ Ik behoef niet te zeggen, dat gedurende de voorstelling de
+ beminnelijkheid des Filippijnschen Rotschilds niet gedoogde
+ dat ons iets zou ontbreken: sorbet, limonade gazeuse, andere
+ frissche dranken, banket en suikergoed, allerlei wijnen gingen
+ overvloedig rond onder de toeschouwers. Zeer opvallend--en te
+ recht--was de afwezigheid van den bekenden, fijn-beschaafden
+ jongeman Don Crisóstomo Ibarra, die, zooals men weet, morgen
+ moet voorgaan bij de plechtige eerste steenlegging van het
+ groote monument, dat hij op zulk een menschlievende wijze
+ laat oprichten.
+
+ Deze waardige afstammeling der Pelayos en Elcanos (want,
+ zooals ik vernomen heb, is een zijn voorouders van vaders
+ kant uit onze heldhaftige, edele noordelijke provincies,
+ wellicht een der eerste metgezellen van Magalhaês en Legazpi)
+ heeft zich tengevolge van een kleine ongesteldheid in 't
+ vervolg van den dag evenmin vertoond. Zijn naam gaat van mond
+ tot mond, en men spreekt dien alleen uit met lof, welke niet
+ anders dan ten goede kan komen aan den roem van Spanje en haar
+ wettige kinderen als wij, die nimmer hun bloed verloochenen,
+ hoe gemengd het ook zij.
+
+ Heden, den elfden, in den morgen, woonden we een zeer roerend
+ schouwspel bij. Deze dag is, zooals men algemeen weet,
+ die van het feest der Heilige Maagd des Vredes en dit wordt
+ gevierd door de broeders der Allerheiligste Rozenkrans. Morgen
+ zal 't de feestdag zijn van den Beschermheilige San Diego
+ [32], en daaraan nemen voornamelijk deel de broeders der
+ Ferceros-orde. Tusschen deze beide korporaties bestaat een
+ vrome wedijver om God te dienen, en deze vroomheid gaat zoo
+ ver, dat er heilige oneenigheden zijn ontstaan, zooals wat
+ onlangs voorviel, toen men elkaar den grooten redenaar van
+ erkenden faam betwistte, den reeds zooveel maal genoemden
+ weleerwaarde pater Fray Dámaso, welke morgen van het gestoelte
+ in de kerk van den Heiligen Geest een preek zal houden, die,
+ naar 't algemeene oordeel, een gebeurtenis op godsdienstig
+ en letterkundig gebied zal uitmaken.
+
+ Welnu dan, zooals wij zeiden, woonden we een in hooge mate
+ stichtelijk en roerend schouwspel bij. Zes jonge geestelijken,
+ drie welke de mis moesten lezen en drie anderen bij wijze
+ van akolieten of helpers, traden de sakristie uit en nadat
+ dezen zich voor 't altaar ter aarde hadden gebogen, hief de
+ misbedienaar, de weleerwaarde pater Fray Hermando de la Sibyla,
+ het "Surge Domine" aan, na hetwelk de processie rondom de
+ kerk zou aanvangen. Hij deed dit met die heerlijke stem en
+ die godsdienstige wijding welke iedereen in hem erkent, en
+ welke hem de algemeene bewondering zoo waardig maken. Toen
+ het "Surge Domine" geëindigd was, maakte de burgemeester,
+ in zwarten rok, met het vaandel in de hand en gevolgd door
+ vier akolieten met wierookvaten een begin met den plechtigen
+ ommegang. Achter hen aan gingen de zilveren kerkkandelabers,
+ het gemeente-bestuur, de keurige in satijn en goud gedoste
+ beelden, voorstellende Sint Dominikus, Sint Jakob en de Heilige
+ Maagd des Vredes, welke laatste een prachtigen blauwen mantel,
+ belegd met verguld-zilveren plaatjes droeg, het geschenk van
+ den godvruchtigen burgemeester, van den zoo navolgenswaardigen
+ en nooit te veel genoemden Don Santiago de los Santos.
+
+ Al deze beelden werden voortbewogen in zilveren voertuigen.
+
+ Na de Moeder Gods kwamen wij, Spanjaarden en de geestelijken,
+ de misbedienaar schreed voorwaarts onder een draaghemel,
+ gedragen door de _baranggay_-hoofden, terwijl de processie
+ afgesloten werd door het waardige politie-korps der _guardia
+ civil_. 't Is wellicht onnoodig te zeggen dat een menigte
+ inlanders aan weerszijden van de processie liep, op vrome
+ wijze brandende kaarsen in de hand dragende. De muziek speelde
+ onderwijl godsdienstige stapwijzen, terwijl donderpotten en
+ vuurraderen herhaalde salvo's gaven. Bewonderenswaardig is
+ 't te zien, hoe deze plechtigheden bescheidenheid en eenige
+ vroomheid wekten in de harten der geloovigen, op te merken de
+ reine, groote vereering die ze wijdden aan de Heilige Maagd des
+ Vredes, de stichtelijkheid en vurige godsvrucht, waarmede wij
+ zulke plechtigheden vieren, wij die het geluk hadden geboren
+ te worden onder de gewijde en onbevlekte vlag van Spanje.
+
+ Na afloop van de processie begon de mis-muziek, ten gehoore
+ gebracht door het orkest en de artiesten van den schouwburg. Na
+ het Evangelie, betrad de wel-eerwaarde pater Augustijn Fray
+ Manuel Martin den preekstoel. Deze, expresselijk uit de
+ provincie Batangas overgekomen, heeft het gansche gehoor, en
+ vooral de Spanjaarden in den aanhef die hij in 't Spaansch gaf,
+ volkomen geboeid en aan zijn lippen doen hangen. Hij sprak
+ die uit in kloeke taal en in zulke gemakkelijk verstaanbare
+ en toepasselijke bewoordingen, dat ze onze harten met gloed
+ en geestdrift vervulden. Zoo toch moet genoemd worden wat men
+ voelt, wat wij voelen, wanneer er gesproken wordt over de
+ Heilige Maagd of van ons geliefd Spanje, en vooral wanneer
+ in den tekst--aangezien deze er zich toe leent--denkbeelden
+ ingelascht kunnen worden van een onzer kerkvorsten, van
+ "Señor Monescillo" [33] welke denkbeelden ook stellig die
+ van alle Spanjaarden zijn.
+
+ Na de mis gingen we weder gezamenlijk met de aanzienlijken van
+ het dorp en andere voorname personen naar het "klooster",
+ waar we uitnemend werden onthaald met de hoffelijkheid,
+ voorkomendheid en kwistige gastvrijheid welke den
+ wel-eerwaarden pater Fray Salvi kenmerken. Men bood ons
+ sigaren en een stevige "bowl," die de _Hermano mayor_ beneden
+ 't klooster had klaargemaakt voor een ieder die den aandrang
+ van zijn inwendigen mensch het zwijgen wilde opleggen.
+
+ Gedurende den verderen dag ontbrak er niets, om het feest
+ vroolijk te maken en de opgewektheid te bewaren, welke zoo
+ kenmerkend is bij Spanjaarden: ze kunnen zich bij zulke
+ gelegenheden geen dwang opleggen, en toonen dan hetzij
+ in zang en dans, hetzij in andere eenvoudige en vroolijke
+ verpoozingen, dat ze een edele en krachtige inborst hebben,
+ dat tegenspoeden hen niet neer slaan en dat er op een gegeven
+ plaats slechts drie Spanjaarden hoeven bijeen te zijn,
+ om droefenis en misnoegen te bannen. Er werd dus in veel
+ huizen aan Terpsichore geofferd maar vooral in dat van den
+ roem omstraalden inlandschen millionair, bij wien wij allen
+ ten eten gevraagd waren. Ik behoef u wel niet te zeggen,
+ dat het feestmaal, rijk en schitterend aangericht, de tweede
+ veel verbeterde en vermeerderde druk was van de bruiloft van
+ Kana of van Camacho.
+
+ Terwijl wij genoten van 't heerlijk banket, welks overvloed
+ was toebereid door een kok van het restaurant "la Campana,"
+ speelde het orkest lieflijke melodieën. De zeer schoone
+ dochter des huizes, was gedost in een kostuum, zooals meisjes
+ van gemengd bloed wel dragen, en droeg een kostbaar snoer
+ diamanten ("cascade"). Als altijd was zij de koningin van 't
+ feest. Wij betreuren het allen in 't diepst van onze ziel,
+ dat een lichte verrekking van haar bekoorlijk voetje haar
+ beroofd heeft van de dansgenoegens; want, te oordeelen naar
+ 't geen haar volmaaktheden in alles aantoonen, moet mejuffrouw
+ de los Santos dansen gelijk een sylfide.
+
+ Het hoofd van de provincie is heden in den namiddag aangekomen,
+ teneinde de plechtigheid van morgen met zijn tegenwoordigheid
+ op te luisteren. Hij betreurt zeer de ongesteldheid van den
+ alom zoo gezienen landeigenaar, den heer Ibarra. Doch, Gode
+ zij dank, hij is naar men ons mededeelt, aan de beterende hand.
+
+ Van avond is er een plechtige processie geweest, daarover
+ spreek ik u in mijn brief van morgen; want, behalve dat ik wat
+ draaierig in mijn hoofd en een beetje doof ben geworden van
+ al het gebulder der donderpotten, ben ik nog erg vermoeid en
+ val ik om van de slaap. Terwijl ik dus herstel van krachten
+ ga zoeken in Morfeus' armen--alias 't ijzeren ledikantje in
+ 't klooster--wensch ik u, hooggeachte vriend, een goeden nacht.
+
+ Tot morgen, den grooten dag!
+
+
+ Uw zeer toegenegen vriend die u de hand kust:
+
+ De briefschrijver.
+
+ San Diego, 11 November.
+
+
+Dit schreef de goede correspondent van 't Manilasche blad; wat nu
+volgt, schreef "Kapitein" Martin aan zijn vriend Luïs Chiquito:
+
+
+ "Waarde Choy! Kom spoedig over, als je kunt, want het feest is
+ heel vroolijk. Stel je voor, dat de bank van Capitán Joaquin
+ bijna gesprongen is: Capitán Diego heeft hem drie keer geslagen
+ en fijn ook, zoodat Cabesang Manuel, de heer des huizes, hoe
+ langer hoe kleiner wordt van de pret. Pater Dámaso heeft door
+ een slag met de vuist een lamp gebroken, omdat hij tot nu toe
+ nog geen enkele winnende kaart gehad heeft. De consul heeft met
+ zijn hanen en 't bankspel alles verloren wat hij op 't feest
+ te Binjang en op dat van Pilar de Santa Cruz gewonnen had.
+
+ We hadden verwacht, dat Capitán Tiago zijn aanstaanden
+ schoonzoon bij ons zou brengen, den rijken erfgenaam van Don
+ Rafael, maar het schijnt dat deze zijn vader wil nadoen, want
+ hij heeft zich zelfs in 't geheel niet vertoond. Jammer! 't
+ Schijnt dat hij nooit zijn eigenbelang zal inzien.
+
+ De Chinees Carlos is bezig een schep geld te verdienen met
+ het '_liam po_'. Ik vermoed dat hij iets verborgens bij zich
+ draagt, misschien een magneet: hij klaagt voortdurend over
+ pijn in 't hoofd. Hij draagt er een doek om, en wanneer het
+ draaibord van de 'liam po' langzamerhand stilstaat, dan buigt
+ hij zich eroverheen, zoodat hij het bijna aanraakt, net alsof
+ hij er goed naar kijken wil. Ik vertrouw het zaakje niet,
+ want ik ken meer zulke gevalletjes.
+
+ 't Ga je goed, Choy! Mijn hanen houden zich kranig, en mijn
+ vrouw is vroolijk en amuseert zich best.
+
+
+ je vriend
+ Martin Aristorenas."
+
+
+Ibarra had ook een geparfumeerd briefje ontvangen, dat Anding, Maria
+Clara's zoogzuster, hem had ter hand gesteld op den avond van den
+eersten feestdag. 't Luidde aldus:
+
+
+ "Crisóstomo: Je hebt je al den heelen dag niet laten zien. Ik
+ heb gehoord dat je een beetje ziek bent. Ik heb voor je
+ gebeden en twee kaarsen voor je aangestoken ofschoon papa zegt,
+ dat je niet ernstig ziek bent.
+
+ Gisterenavond hebben ze me verveeld door me piano te laten
+ spelen en me te vragen, of ik wou dansen. Ik wist niet dat er
+ zooveel lastige, vervelende menschen in de wereld waren! Als
+ Padre Dámaso er niet geweest was--die heeft getracht mij af
+ te leiden door me allerlei dingen te vertellen--had ik me in
+ mijn slaapkamer opgesloten, om maar te slapen. Schrijf me wat
+ je scheelt, dan zal ik papa vragen of hij je op wil zoeken,
+ voorloopig stuur ik je Anding: die kan dan thee voor je zetten;
+ zij doet het goed, en misschien beter dan je bedienden.
+
+
+ Maria Clara."
+
+
+ "P. S. Als je morgen niet komt, ga ik niet naar de
+ eerste-steen-legging. 't Ga je goed."
+
+
+
+
+XXVIII.
+
+De Morgen.
+
+
+De muziek blies de reveille bij 't eerste morgenkrieken, en deed
+door vroolijke wijsjes de vermoeide dorpsbewoners ontwaken. Leven
+en bedrijvigheid hernieuwden zich, de klokken luidden weder, en het
+gepaf en geknal begon.
+
+Het was de laatste dag van 't feest, de eigenlijke groote feestdag. Men
+vlaste op heel wat meer dan den vorigen dag te zien was geweest. De
+broeders die zich Hermenos Ferceros (derde broeders) noemden, waren
+talrijker dan die van de _Allerheiligste Rozenkrans_ en de leden dezer
+broederschap glimlachten vromelijk, zeker als ze waren, hun mededingers
+te zullen vernederen. Ze hadden een grooter aantal kaarsen gekocht: de
+Chineesche handelaars deden goede zaken, en dachten er uit dankbaarheid
+over, zich te laten doopen; ofschoon sommigen beweerden, dat het niet
+kwam uit geloovigheid, maar uit begeerte om een vrouw te kunnen nemen.
+
+Doch hierop antwoordden de vrome vrouwen:
+
+"Al was dat ook zoo, als zooveel Chineezen tegelijk trouwden, zou dat
+stellig al een wonderbaarlijk iets wezen, en dan zouden hun vrouwen
+ze wel bekeeren."
+
+De menschen trokken hun beste plunje aan, en al de sieraden kwamen uit
+hun doosjes te voorschijn, zelfs de beroeps-kaartspelers en dobbelaars
+pronkten met mooie witte hemden, afgezet met groote diamanten
+knoopen, met zware gouden kettingen en keurige groote flaphoeden
+van stroo. Alleen de oude filosoof bleef zooals hij was: een donker
+gestreept hemd van _sinamai_ [34], tot aan den hals toegeknoopt,
+gemakkelijk zittende schoenen en een breeden aschkleurigen vilten hoed.
+
+"U ziet er vandaag droeviger dan ooit uit!" zeide de _teniënte mayor_
+tot hem. "Vindt u 't niet goed, dat we van tijd tot tijd pleizier
+hebben? Er is immers zooveel om over te schreien."
+
+"Pleizier hebben beteekent nog niet dwaasheden uithalen!" antwoordde
+de oude man. "'t Is weer die onzinnige bras-partij van ieder jaar! En
+waartoe dat alles? Geld weg te smijten als er zooveel ellende en
+nood om ons heen is! Och, ik begrijp 't wel: 't is een zwelg- en
+bras-partij, om 't zwijgen op te leggen aan al 't geklaag!"
+
+"U weet wel dat ik 't met u eens ben," hervatte Don Filipo, half
+ernstig, half lachend. "Ik heb diezelfde meening verdedigd, maar wat
+kon ik doen tegen den burgemeester en den pastoor?"
+
+"Je ontslag nemen!" antwoordde de filosoof en verwijderde zich.
+
+"Mijn ontslag nemen," mompelde de ander, terwijl bij naar de kerk
+opwandelde. "Mijn ontslag nemen!
+
+"Jawel! Als mijn betrekking een eerebaantje was, en geen broodwinning,
+ja dan nam ik mijn ontslag!"
+
+De binnenplaats der kerk was vol menschen. Mannen en vrouwen, kinderen
+en oude lieden, allen in hun Zondagsche kleedij en grillig door elkaar
+bewegend, gingen in en uit door de smalle deuren. 't Rook er naar
+buskruit, naar bloemen, naar wierook en naar reukwater. Donderpotten,
+vuurpijlen en voetzoekers deden de vrouwen wegloopen en schreeuwen,
+en maakten de jongens aan 't lachen. Een muziek-korps speelde voor het
+klooster, andere met het gemeentebestuur in optocht erachter, liepen
+door de straten, waar tal van vlaggen uit de huizen wapperden. Lichte
+en bonte kleuren trokken de oogen, melodieën en geraas troffen de
+ooren. De klokken hielden niet op met luiden. Allerlei soorten van
+rijtuigen, waarvan de paarden soms schichtig werden, steigerden,
+of ervandoor gingen, woelden dooreen. En, hoewel dit geen nummer
+van 't feestprogram uitmaakte, bood het gratis een belangwekkend
+schouwspel aan.
+
+De Hermano mayor of hoofd-broeder van dien dag had bedienden de straat
+op gezonden, om genoodigden bijeen te zoeken, op de wijze zooals dit
+gedaan was door den gastheer waarvan het Evangelie ons spreekt. Men
+inviteerde schier met geweld de menschen om chocolade, koffie, thee,
+gebakjes en anderszins te gebruiken. En niet zelden nam de uitnoodiging
+het karakter van een ruzietje aan.
+
+Men ging de hoogmis vieren, de zoogenaamde mis met de "dalmatiek"--'t
+witte priesterkleed--, een als die van den vorigen dag, waarover de
+waardige correspondent gesproken had; alleen zou thans Padre Salvi de
+celebrant wezen, en onder de personen die tegenwoordig zouden zijn,
+behoorde de _alcalde_ der provincie en tal van andere Spanjaarden
+en voorname lieden. Ze wilden allen Padre Dámaso hooren preeken,
+want deze had een grooten naam in de provincie. Zelfs de _alférez_,
+hoe hem ook de les gelezen was door Padre Salvi, kwam mee ter kerke,
+om een bewijs van zijn goeden wil te geven, en zich zoo mogelijk
+schadeloos te stellen voor de nare oogenblikken, die de pastoor hem
+bezorgd had. Zoo groot was de faam, die er van Padre Dámaso uitging,
+dat de correspondent reeds van te voren aan den hoofdredakteur van het
+blad allerlei lof over hem schreef. Hij vergeleek hem bij Bossuet, en
+zeide dat zijn roem zelfs onder inlanders en Chineezen gevestigd was.
+
+Toch scheelde 't weinig, of onze correspondent had al wat hij
+geschreven had weer moeten doorhalen, want Padre Dámaso klaagde over
+zekere lichte verkoudheid, die hij den vorigen nacht had opgedaan;
+nadat hij een stuk of wat vroolijke stukjes gezongen had, had hij
+drie glazen sorbet gebruikt, en was toen een oogenblikje naar de
+komedie gaan kijken. Dientengevolge wilde hij ervan afzien om Gods
+tolk te wezen voor de menschen, maar omdat er niemand anders was die
+zich van 't leven en de wonderen van den heiligen Diego (Jacob) op de
+hoogte gesteld had--behalve de dorps-pastoor, maar die moest de mis
+lezen--vonden de andere geestelijken eenstemmig, dat Padre Dámaso's
+orgaan in een onverbeterlijken toestand was, en dat het daarom heel
+jammer zou wezen, als zijn preek, die hij al geschreven en geleerd
+had, onuitgesproken bleef. Daarom maakte zijn oude huishoudster
+glazen limonade voor hem klaar, wreef hem borst en hals met zalfjes en
+olietjes, wikkelde hem in warme doeken, masseerde hem met talentvolle
+_pidjet_-handen enz., enz. Padre Dámaso slikte een paar rauwe in wijn
+geklutste eieren, en den heelen morgen sprak hij geen woord en at
+hij niets. Te nauwernood dronk hij een glas melk, een kop chocolade
+en at een dozijn beschuitjes; terwijl hij heldhaftig afzag van zijn
+gebraden kip en zijn half "Laguna"-kaasje, die hij anders alle morgens
+verorberde: volgens de huishoudster toch bevatten kip en kaas zout
+en vet, welke beide stoffen hoest zouden kunnen veroorzaken.
+
+"Alles om den hemel te verdienen en ons te bekeeren!" zeiden de
+zusters der Ferceros-orde, toen ze van deze opofferingen vernamen.
+
+"De heilige Maagd des Vredes moge hem straffen," mompelden de zusters
+van den Allerheiligsten Rozenkrans, die hem maar niet vergeven konden,
+dat hij naar de zijde van hun vijanden overhelde.
+
+Om half negen trad de ommegang te voorschijn uit de schaduw van 't
+zeildoek-verhemelte. Het was er een zooals den vorigen dag, ofschoon
+er iets nieuws bij was: de broederschap der _Hermanos Ferceros_. Oude
+mannen en vrouwen en eenige oude vrijsters liepen in lange pijen,
+van grof katoen of van zijde, naar mate van de welgesteldheid. Al die
+wij-gewaden waren van de echte soort: ze kwamen van 't "klooster"
+te Manila, vanwaar 't volk ze tegen vaste prijzen, maar bij wijze
+van aalmoes ontving. Deze prijzen konden wel verhoogd, maar niet
+verlaagd worden. In 't zelfde klooster en in 't gesticht van tante
+Clara werden ook andere kleeden verkocht, die de bizondere genade
+bezitten, dat ze niet alleen aan de dooden, die erin gewikkeld worden,
+veel aflaat verschaffen, maar ook duurder zijn, naarmate ze ouder,
+versletener en onbruikbaarder geworden zijn.
+
+De heilige Diego werd gereden in een met gedreven zilveren platen
+versierd voertuig. Het vrij magere beeld had een ivoren hoofd
+en bovenlijf, die er streng en statig uitzagen, in weerwil
+van 't weelderig kringetje _negrito_-achtig kroeshaar om de
+kruinschering. [35] Zijn kleed was van goud-omboord satijn.
+
+Daarop volgde onze weleerwaarde vader, de Heilige Franciskus. Dan kwam
+de heilige Maagd, evenals den vorigen dag, met dit verschil alleen,
+dat de priester onder de baldakijn ditmaal Padre Salvi was, en niet
+de zoo voornaam-gemanierde elegante Padre Sibyla. Doch zoo de eerste
+al een statig uiterlijk miste, 't zalvende had hij in hooge mate;
+hij hield de handen in mystieke houding over elkaar, had de oogen
+neergeslagen, en schreed half gebogen voort. De baldakijn-dragers waren
+dezelfde _baranggay_-hoofden, transpireerend van voldoening, dat ze nu,
+behalve hun gewone baantje van hulp-koster en belastinggaarder, nog
+de functie uitoefenden van verlossers der dolende, arme menschheid,
+dus Christusjes speelden, hun bloed gevende voor de zonden der
+medemenschen.
+
+De "coadjutor" met een koorhemd aan, liep van de eene kar naar
+de andere, een wierookvat in de hand, op welks geur hij nu en dan
+'t reukorgaan van den pastoor onthaalde, waarop deze dan een nog
+ernstiger en deftiger gezicht zette.
+
+Zoo ging de processie langzaam en bedaard voorwaarts, begeleid door 't
+geluid van "bommen", geestelijke liederen en spelen der muziekkorpsen,
+die achter iedere kar aanliepen. Intusschen deelde de hoofdbroeder
+met zooveel voortvarendheid waskaarsen uit, dat velen der medeloopers
+in den stoet naar huis terugkeerden met een voorraad genoeg voor
+vier avonden, om bij kaart te spelen. Toen de kar met het beeld
+der Moedermaagd voorbijreed, knielden de nieuwsgierigen vroom neer,
+en baden ze vurig "credo's" en "groetenissen."
+
+Tegenover een huis, aan welks met kleurige kleeden behangen vensters
+zich de burgemeester vertoonde, in gezelschap van Capitán Tiago,
+Maria Clara, Ibarra, en verscheidene Spanjaarden en jongedames, hield
+de kar stil. Padre Salvi keek toevallig op, doch hij maakte niet het
+minste gebaar van begroeting of herkenning. Hij richtte zich alleen
+wat op, ging wat meer recht-op staan, zoodat de "pluviale", die hij
+over de schouders droeg, met zekere bevalligheid en met meer zwier
+kwam te vallen.
+
+Op straat, onder 't venster, was een jonge vrouw met innemende
+gelaatstrekken. Ze was zeer goed gekleed en droeg een klein kind in de
+armen. 't Scheen een min of een kindermeisje te wezen, want het kind
+was blank en blond, terwijl zijzelf bruin was en gitzwart haar had.
+
+Toen ze den pastoor zag, strekte 't wichtje de handjes naar hem uit,
+lachte met heerlijk-onschuldige kinderlach en riep, op een oogenblik
+dat het stil was, stamelend: "Pa... pa!" "Papa!"
+
+De jonge vrouw schrok hevig, hield snel haar hand op den mond van
+'t kind, en liep heel verlegen ijlings weg. Het kind begon te schreien.
+
+Kwaaddenkenden wisselden blikken van verstandhouding, en de Spanjaarden
+die getuige waren geweest van 't tooneeltje glimlachten. De gewone
+bleekheid van Padre Salvi maakte plaats voor een vuurroode kleur.
+
+En met dat al hadden de menschen 't mis: de pastoor kende die vrouw
+zelfs niet; bovendien was het een buitenlandsche.
+
+
+
+
+XXIX.
+
+In de kerk.
+
+
+Het gebouwtje, dat de menschen aan den schepper van al 't bestaande
+als woning aangewezen hadden was propvol.
+
+Men duwde, men drong, men verkneusde elkaar, terwijl uit de enkelen die
+eruit en de velen die erin gingen telkens een pijnlijk "ai" opklonk. In
+de verte al strekte men den arm uit, om de vingers met wijwater te
+bevochtigen, maar dan kwam op 't laatste oogenblik de menschengolving
+en duwde de hand ervandaan. Dan hoorde men er gekreun. Een vrouw,
+die in de verdrukking kwam, stiet verwenschingen uit, doch het gedrang
+hield steeds aan. Eenige oudjes, die erin geslaagd waren hun vingers in
+'t wijwater te verfrisschen--een vocht dat al een modderkleurtje had,
+waarin een heele dorpsbevolking plus de vreemdelingen zich gewasschen
+hadden--streken het vromelijk, schoon met moeite, op nek, kruin,
+voorhoofd, kin, borst en navelstreek, overtuigd als ze waren dat ze
+zoo al die deelen heiligden, en niet meer te lijden zouden hebben
+van een stijven nek, hoofdpijn, tering of slechte spijsvertering. De
+jonge menschen--'t zij omdat ze niet zoo ziekelijk waren, of omdat ze
+niet geloofden in dat gewijde voorbehoedmiddel--maakten ternauwernood
+het uiterste puntje van een vinger nat--dan konden de vromen ten
+minste geen aanmerking maken--en deden alsof ze hun voorhoofd even
+aanraakten. Allicht dacht 't een of andere jongmeisje: "'t Mag gewijd
+wezen en al wat je wil, maar 't heeft een kleurtje!..."
+
+Men haalde zwaar adem. Het was er warm, en er hing een bizonder
+menschelijk luchtje. Doch de prediker was wel al die narigheid
+waard. Zijn preek kostte aan 't dorp twee-honderd-vijftig _peso's_. De
+oude Tasio had gezegd:
+
+"Twee-honderd-vijftig _peso's_ voor een preek! Een man en een heer! 't
+Derde van wat de tooneelspelers krijgen, en die werken er met hun
+allen drie avonden voor!... Jullie moeten wel erg rijk zijn!"
+
+"Wat heeft dat nu met de komedie te maken?" antwoordde gemelijk
+de zenuwachtige meester der Derdebroeders. "Met zoo'n komedie ga
+je wel naar de hel, en met de preek naar den hemel. Als hij duizend
+gevraagd had, zouden we 't hem gegeven hebben, en er hem nog dankbaar
+voor wezen..."
+
+"Alles wel beschouwd, heb je gelijk!" hervatte onze wijsgeer. "Ik
+ten minste heb meer pleizier van de preek dan van de komedie."
+
+"Nou _pleizier_ heb ik van de komedie ook niet!" riep de ander woedend.
+
+"Dat geloof ik graag, jij begrijpt evenveel van 't een als van
+'t ander."
+
+En de onvrome verwijderde zich, zonder acht te slaan op de
+scheldwoorden en onheils-profetieën, die de prikkelbare meester hem
+aangaande zijn hiernamaals uitsprak.
+
+Wachtende op de komst van den _alcalde_ stonden de menschen te
+transpireeren en te gapen. Waaiers, hoeden en zakdoeken dienden als
+afkoelers. De kinderen kreten en schreiden, wat den kosters werk
+gaf, om ze de kerk uit te zetten. Dit gaf stof tot denken aan den
+gewetensvolle bedaarde meester van de Broederschap des Allerheiligsten
+Rozenkrans.
+
+"Laat de kinderkens tot mij komen," zeide onze Heer Jezus Christus,
+dat is waar; maar hier moet erbij gedacht werden: kinderkens die
+niet schreien.
+
+Een oude vrouw, een van de in boetgewaad gekleeden, zuster Poetê,
+zeide tot haar kleindochter, een meisje van zes jaar, dat naast haar
+neergeknield lag:
+
+"Ongelukskind! Let toch op, je zult zoo meteen een preek hooren als
+op Goeien Vrijdag!"
+
+En ze gaf haar een kneepje, om de vrome aandacht van het kind op te
+wekken. Dit trok een leelijk gezicht, stak haar snuitje vooruit en
+fronste de wenkbrauwen.
+
+Eenige mannen zaten op hun hurken bij de biechtstoelen te dommelen. Een
+oude man, die knikkebollend bezig was gebeden te prevelen en daarbij
+snel de vingers langs de kralen van een rozenkrans liet gaan, bracht
+het vrouwtje in de waan, dat zooiets de eerbiedigste manier was,
+om de raadsbesluiten des hemels te huldigen, en langzamerhand begon
+zij hem na te doen.
+
+Ibarra stond in een hoek, Maria Clara lag geknield bij het hoofdaltaar
+op een plek die de pastoor zoo hoffelijk was geweest door de kosters te
+laten ontruimen. Capitán Tiago ging in rok zitten op een der banken,
+die voor de overheden bestemd waren. Daarom hielden de kinderen hem
+voor een tweeden burgemeester, en waagden 't niet hem te naderen.
+
+Ten slotte verscheen mijnheer de alcalde met zijn gevolg, komende van
+de sacristie, en zette zich neder op een der prachtige armstoelen, die
+op een tapijt stonden. De _alcalde_ was in groot costuum, met de sjerp
+van de Karel de Derde-orde om, en vier of vijf decoraties op de borst.
+
+Het volk herkende hem niet.
+
+"Wel kijk!" riep een landbouwer, "een burger als komediant gekleed!"
+
+"Onnoozele hals!" antwoordde zijn buurman, hem aanstootende, "'t is
+Prins Villardo, dien we gisterenavond in den schouwburg gezien hebben!"
+
+De _alcalde_ rees in de achting van 't volk, want zoo was hij in hun
+oogen de betooverde prins en overwinnaar van reuzen.
+
+De mis begon. Zij die zaten, stonden op, die sliepen ontwaakten door
+het luiden van 't belletje en de welluidende stem der zangers. Padre
+Salvi scheen in weerwil van zijn ernstigheid zeer voldaan, want hij
+genoot de eer, dat twee Augustijner monniken als diaken en sub-diaken
+optraden.
+
+Ieder zong goed, toen 't zijn beurt was; al was 't meer of minder een
+neusgeluid en onduidelijke uitspraak, behalve de misbedienaar zelf:
+zijn stem was iet of wat beverig, en meer dan eens zong hij valsch,
+tot groote verbazing van de menschen die hem kenden. Niettemin bewoog
+hij zich korrekt en met zwier. Hij sprak het "Dominus Vobiscum" met
+zalving uit, terwijl hij 't hoofd eenigszins op zij hield, en naar de
+zoldering opkeek. Bij 't opsnuiven van den wierook hief hij zich op,
+wierp het hoofd achterwaarts en wandelde dan naar 't midden van 't
+altaar. Hij deed dit zoo statig en waardig, dat Capitán Tiago meer
+majesteit in hem opmerkte dan in den Chineeschen tooneelspeler van
+den vorigen avond, met zijn bont beschilderde pakje, zijn vlaggetjes
+op den rug, zijn paardeharen baard en hooggehakte slobber-muilen--die
+voor Keizer gespeeld had.
+
+"Daar gaat toch niets af," dacht hij, "een enkele pastoor van ons is
+statiger dan alle keizers bij elkaar."
+
+Eindelijk kwam het langverbeide oogenblik dat men Padre Dámaso
+zou hooren. De drie geestelijken zetten zich in stichtelijke
+houdingen op in hun armstoelen, zooals de geachte correspondent
+'t zou uitdrukken. De _alcalde_ en overige waardigheidbekleeders
+volgden. De muziek zweeg.
+
+Deze overgang van 't gedruisch tot de stilte deed de oude zuster
+Poetê ontwaken; dank zij de muziek was ze goed en wel aan 't
+snurken gegaan. 't Eerste wat ze deed, was een stoot geven aan haar
+kleindochtertje, dat ook in slaap was gevallen. 't Kind gilde, maar
+werd spoedig afgeleid, door dat ze een oude vrouw bezig zag, zichzelf
+op overtuigde en geestdriftige wijze stompen in de borst toe te dienen.
+
+Iedereen trachtte zich in een gemakkelijke houding te zetten. Zij
+die geen bank hadden, gingen op hun hurken zitten, de vrouwen plat
+op den grond op hun eigen beenen.
+
+Padre Dámaso schreed door de menigte, voorafgegaan door twee kosters en
+gevolgd door een anderen monnik, die een groot schrijfboek droeg. Hij
+verdween bij 't opgaan van het wenteltrapje, doch weldra vertoonde zich
+weder zijn rond hoofd, daarna zijn vette nek, onmiddellijk gevolgd
+door zijn lichaam. Vastberaden keek hij overal rond, nauw hoorbaar
+kuchend. Hij zag Ibarra. Een bijzonder oogknipje moest te kennen geven,
+dat hij hem in zijn preek niet vergeten zou. Daarna zond hij een blik
+van minachting naar Padre Manuel Martin, den prediker van den vorigen
+dag. Deze monstering voltooid hebbende, wendde hij zich op bedekte
+wijze tot den hem vergezellenden geestelijke, en zeide tot dezen:
+"opgepast, broeder!" Het schrijfboek werd opengelegd.
+
+Doch het sermoen verdient een afzonderlijk hoofdstuk. Een jongmensch
+dat toen stenografie studeerde, en de groote redenaars bijzonder
+vereert, heeft er een verslag van gemaakt. Dank zij dit toeval, zijn
+we in staat hier een brokstuk gewijde welsprekendheid mede te deelen.
+
+
+
+
+XXX.
+
+De Preek.
+
+
+Fray Dámaso begon langzaam. En vrij zacht sprekende zeide hij:
+
+_Et spiritum tuum bonum dedisti, qui doceret eos et manna tuum non
+prohibuisti ab ore eorum, et aquam dedisti eis in siti._
+
+(En gij hebt uwen goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen, en uw
+_manna_ hebt gij niet geweerd van hunnen mond, en water hebt gij hun
+gegeven voor hunnen dorst.)
+
+Zoo sprak de Heer bij monde van Nehemia, hoofdstuk IX, vers 20.
+
+Padre Sibyla keek verwonderd op naar de prediker, Padre Manuel Martin
+verbleekte en verbeet zich. Dat was beter dan 't zijne...
+
+'t Zij Padre Dámaso het opmerkte, of dat hij nog heesch was, een feit
+is het, dat hij verscheidene malen kuchte, terwijl hij beide handen
+op de leuning van 't gewijde spreekgestoelte legde. De Heilige Geest
+bevond zich boven zijn hoofd: de duif was juist nieuw opgeschilderd,
+netjes wit en schoontjes, met rozenroode snavel en pootjes.
+
+"Hoogedelgestrenge Heer (tot den _alcalde_), eerwaardste priesters,
+christenen, broederen en zusteren in Jezus Christus."
+
+Hier zweeg hij plechtig en liet opnieuw zijn blik waren over zijn
+gehoor, welks vrome aandacht hem groote voldoening gaf.
+
+Het eerste gedeelte van de preek zou in 't Spaansch wezen, en het
+andere in 't Tagaalsch: "_loquebantur omnes linguas_ (Ze spraken
+alle talen)"
+
+Na de toespraken en 't zwijgen, strekte hij met wijdsch gebaar de
+rechter hand uit naar het altaar, en hield daarbij den blik strak
+op den _alcalde_ gericht. Daarna deed hij langzaam de armen over
+elkaar, zonder een enkel woord te zeggen, doch van deze bedaardheid
+overgaande tot bewegelijkheid, wierp hij 't bovenlijf achterover en
+wees naar den hoofdingang. Daarbij doorkliefde hij met zijn eene hand
+de lucht. Hij deed dit gebaar met zulk een vaart, dat de kosters het
+voor een bevel hielden, en haastig de deuren sloten. De _alférez_
+maakte zich ongerust, en kwam in wijfeling of hij heen zou gaan of
+blijven, doch de prediker begon reeds met forsche volle en welluidende
+stem te spreken. Waarlijk, die oude huishoudster had zich wel knap
+getoond met haar middeltjes.
+
+"Schitterend van glans is het altaar, breed de hoofdingang dezer kerk,
+de lucht is het voertuig van 't heilig goddelijk woord, dat van mijn
+lippen vloeien zal. Luistert gij dus met de ooren der ziel en des
+harten, opdat de woorden des Heeren niet vallen op steengrond, en de
+vogelen der Hel ze opeten, maar opdat gij groeit en gedijt gelijk een
+heilig zaad op den akker onzes eerwaardigen engelachtigen vaders Sint
+Franciskus. Gij, groote zondaren gevangenen van de Mooren der ziel,
+die de zeeën des eeuwigen levens onveilig maakt in geweldige schepen
+des vleezes en der wereld, gij die beladen zijt met de handboeien
+der wellust en der begeerte, en voortroeit op de galeien des helschen
+satans, ziet op met eerbiedige ootmoed naar hem die de zielen loskoopt
+uit de gevangenschap des Duivels, naar den onverschrokken Gideon,
+den kloeken David, den onoverwinbaren Roland des Christendoms, de
+hemelsche _Guardia Civil_, dapperder dan al de guardias Civiles bij
+elkander, die er geweest zijn en er zullen zijn. (De _alférez_ fronste
+de wenkbrauwen) Ja, meneer de _alférez_, dapperder en machtiger,
+die zonder eenig wapen buiten het houten kruis, moedig de eeuwige
+_toelisan_ der duisternissen verslaat en al de volgelingen van Lucifer,
+en die ze alleen voor altijd zou verdelgd hebben, zoo de geesten niet
+onsterflijk waren. Dit wonder der goddelijke schepping, dit onmogelijk
+fenomeen is de zalige Diego Alcala, die...."
+
+En zoo ging 't door.
+
+De onbeschaafde inlanders, die, naar de correspondent zegt, uit
+dit deel der rede niets anders opgevangen hadden dan de woorden
+_guardia civil_, _toelisan_ (roover), _San Diego_ en _San Francisco,_
+merkten op wat een leelijk gezicht de _alférez_ getrokken had en het
+krijgshaftige gebaar van den prediker, en leidden hieruit af, dat deze
+een berisping toediende aan eerstgenoemde, omdat hij de _toelisan's_
+niet achtervolgde. San Diego en San Francisco zouden zich wel daarmee
+belasten; en deden 't heel goed ook, zooals men dat zien kon op een
+schilderij, dat zich in 't klooster te Manila bevond, en waar de
+Heilige Franciskus alleen maar met 't koord van zijn kleed den inval
+der Chineezen in de eerste jaren na de ontdekking had weerstaan. De
+vromen verheugden zich dus niet weinig, ze dankten God voor deze hulp
+en twijfelden niet, of, als eenmaal de _toelisans_ verdwenen waren,
+de heilige ook de _Guardia Civil_ zou verdelgen. Ze volgden dus Padre
+Dámaso verder met verdubbelde aandacht.
+
+De pater wond zich meer en meer op.
+
+Doch zijn toehoorders begonnen allengs te gapen, zelfs Capitán
+Tiago. Maria Clara luisterde niet. Ze wist dat Ibarra dicht bij haar
+was, en ze dacht aan hem terwijl ze, zich bewaaierend, keek naar den
+stier van een der evangelisten, die heel veel van een karbouw had.
+
+Pater Dámaso had het over onvromen en slechtaardigen:
+
+"Gij zult sterven in goddeloosheid, onbekeerd kettergebroed! God
+kastijdt u reeds hier op aarde met kerker en gevangenschap! De
+huisgezinnen, de vrouwen moesten van u wegvluchten, de overheid moest
+u allen laten ophangen, opdat het zaad van Satanas niet opkome in
+den tuin des Heeren!...
+
+"Zoo gij een slecht lid hebt dat u tot zonde brengt, snijdt het af,
+werpt het in 't vuur...!"
+
+Fray Dámaso was zenuwachtig geworden, hij had zijn heele preek en
+welsprekendheid vergeten.
+
+Ibarra werd onrustig: hij keek om zich heen naar een leeg hoekje,
+doch de heele kerk was vol.
+
+Maria Clara hoorde noch zag iets, want ze staarde naar een schilderij
+van de gezegende zielen in 't vagevuur: zielen in de gedaante van
+spiernaakte mannen en vrouwen, met mijters, hoeden of kappen op, die
+in 't vuur aan 't braden waren en zich vastklampten aan het koord van
+den Heiligen Franciskus, dat ten spijt van zooveel gewicht, niet brak.
+
+De monnik-voorzegger verloor bij deze improvisatie de draad van den
+preek en sprong bij vergissing drie lange alinea's over. Padre Dámaso,
+die hijgend uitblies van zijn woeste vermaning, vervolgde daarna
+dus blindelings:
+
+"Wie van u, zondaren die mij aanhoort, zou de wonden willen likken
+van een armen in lompen gehulden bedelaar? Wie? Laat hem antwoorden
+en de hand opheffen? Niemand! Ik wist het wel: alleen een heilige
+als Diego de Alcalá kan zoo iets doen.
+
+"Hij likte aan al de rottigheid en zeide tot een verbaasden broeder:
+'Zoo geneest men dezen kranke!'
+
+"O, christelijke barmhartigheid! O, vroomheid zonder wedergade. O,
+deugd der deugden! O, onnavolgbaar voorbeeld! O, onbevlekte
+talisman!"...
+
+En hij ging voort met een lange sliert van uitroepen, sloeg daarbij
+de armen over elkaar, en hield ze op of ter neer, net als of hij
+wilde opvliegen of de vogels verschrikken.
+
+"Voordat hij stierf sprak hij latijn. Verbaast u, zondaren! Gij zult,
+ook al leert ge 't en ranselt men er u voor, geen latijn spreken:
+Gij zult sterven zonder het te kennen. Latijn spreken is een genade
+Gods, daarom spreekt de kerk latijn. Ik spreek ook latijn!
+
+"Hoe! zou God deze troost aan zijn welbeminden Diego onthouden? Mocht
+hij sterven, mocht Hij hem laten sterven zonder latijn gesproken te
+hebben? Onmogelijk! God zou niet rechtvaardig, zou niet God geweest
+zijn! Hij sprak dus latijn; dit wordt getuigd door de schrijvers uit
+zijn tijd."
+
+En hij eindigde met het stuk, dat hem de meeste moeite gekost had en
+dat hij van een groot schrijver Siniboldo de Mas gestolen had!
+
+"Ik groet u dus, roemruchte Diego, eer onzer corporatie. Gij zijt
+'t toonbeeld van deugd: bescheiden met gevoel van eer, nederig met
+adeldom, onderworpen met fierheid, sober met eerzucht, tegenstander
+met eerlijkheid, medelijdend met vergevensgezindheid, godvruchtig,
+met nauwgezetheid, geloovig met vroomheid, te goedertrouw met eenvoud
+des harten, kuisch met liefde..."
+
+En zoo volgen nog een twintig dubbel-eigenschappen van den grooten
+heilige. Dan:
+
+"God helpe mij, om uw grootheid en uw naam te bezingen, die hooger
+blinkt dan de sterren en schitterender is dan de zon zelve, welke aan
+uw voeten zwiert! Helpt ook gij mij, bidt God de noodige bezieling door
+'t avemaria te bidden."
+
+Allen knielden neder, en er ontstond een gerommel als van duizend
+groote horzels. De _alcalde_ boog met veel moeite een knie, en
+schudde ontstemd het hoofd. De _alférez_ zag bleek en scheen zeer
+onder den indruk.
+
+Onderwijl was Padre Dámaso, insteê van 't avemaria te bidden, bezig
+zijn Heiligen Geest een berisping toe te dienen omdat deze drie van
+zijn beste alinea's overgeslagen had. Meteen gebruikte hij twee
+"spritsen" en een glas Malaga, overtuigd dat hij daaruit grooter
+bezieling zou putten dan uit alle Heilige Geesten, 't zij van hout
+in den vorm van een duif, 't zij van vleesch in de gedaante van een
+afgetrokken monnik.
+
+De preek in de landstaal zou beginnen.
+
+Het vrome oudje stoot weer haar kleindochter met den elleboog aan. Deze
+ontwaakte en vroeg gemelijk:
+
+"Is 't al tijd om te huilen?"
+
+"Nog niet. Maar je mag niet slapen, nare meid!"
+
+Van het tweede deel der preek--in 't Tagaalsch--bezitten we geen enkele
+aanteekening. In deze taal improviseerde Padre Dámaso. Niet dat hij
+die beter sprak, maar omdat hij de Filippijners uit de provincie voor
+dom volk hield in zake redenaars-kunst en dus niet bang behoefde te
+wezen, om tegenover hen onzin uit te slaan. Met de Spanjaarden was
+dat heel wat anders. Hij had wel eens hooren praten van regels van
+voordracht, en onder zijn hoorders kon er wel eens iemand wezen die
+de universiteit van niet te ver kende, misschien wel de gouverneur
+van de provincie. Daarom schreef hij zijn preeken op, corrigeerde
+ze, deed er wat af en wat bij, en leerde ze dan van buiten. Een paar
+dagen van te voren hield hij repetitie.
+
+Het verluidt, dat niemand van de aanwezigen de samenhang van de preek
+begreep: de menschen waren zoo kort van bevatting en de prediker
+was "zoo diep", zooals zuster Roefa het uitdrukte. Zoo wachtte de
+inlandsche gemeente dus tevergeefs op een gelegenheid om te schreien,
+en de nare meid van een kleindochter der godzalige oude, viel weer
+in slaap.
+
+Niettemin had dit gedeelte der predikatie meer uitwerking dan het
+eerste, ten minste op sommige toehoorders.
+
+Hij begon met een _Mana kapatir kon kristiano_ (Mijn broeders in
+Jezus Christus), waarop een stortvloed onvertaalbare uitdrukkingen
+volgde. Hij sprak van de ziel, van de hel, van de _mahal na santo
+pintakasi_ (eerwaarde heilige schuts-patroon), van de inlandsche
+zondaren en de deugdzame Franciskaner paters.
+
+"Bliksem!" zei een oneerbiedig Manileen, een jongmensch, tot zijn
+kameraad: "Dat is Grieksch voor mij. Ik ga weg!"
+
+En, toen hij zag dat de deuren dicht waren, ging hij maar gewoon door
+de sacristie naar buiten, tot groote ergernis van de kerkgangers en
+den prediker. Deze werd bleek, en hield midden in een zin op. Enkelen
+verwachtten een bitsen uitval, doch Padre Dámaso vergenoegde er
+zich mee, den rustverstoorder na te oogen, en ging daarna voort met
+zijn preek.
+
+Nu ontketenden zich verwenschingen tegen de booze tijden, tegen het
+gebrek aan eerbied, de opkomende ongodsdienstigheid. Dit onderwerp
+scheen zijn kracht te wezen, want hij toonde zich vol bezieling
+en drukte zich in gespierde en heldere taal uit. Hij sprak over de
+zondaren die niet biechtten, die in de kerkers stierven zonder de
+heilige sakramenten, van gevloekte families, van trotsche opgeblazen
+halfbloedjes, van waanwijze jongelieden, filosoofjes, advokaatjes,
+studentjes enz., een kwistig gebruik makende van verkleiningsuitgangen,
+zooals meer menschen tegenover hun vijanden doen, als hun hersens
+niets beters weten aan de hand te doen.
+
+Ibarra hoorde alles aan, en begreep de toespelingen; schijnbaar bedaard
+blijvende, zocht hij met de oogen naar God en naar de overheden,
+maar daar in die tempels waren alleen heilige beelden en de _alcalde_
+dommelde.
+
+Intusschen steeg de geestdrift des predikers trapsgewijze. Hij
+sprak van de oude tijden, toen iedere Filippijner, wanneer hij een
+geestelijke tegenkwam, zijn hoofddeksel afnam, met de eene knie
+nederknielde en hem de hand kuste. "Maar tegenwoordig," voegde hij
+eraan toe, "tegenwoordig neemt ge alleen de _salakot_ af--die ge schuin
+op het hoofd zet, om 't gekamde haar niet in de war te maken! Gij
+vergenoegt er u mee 'goeden dag, _among_!' [36] te zeggen en er zijn
+zelfs studentjes, die een schijntje latijn geleerd hebben, en die,
+omdat zij te Manila of in Europa gestudeerd hebben, zich gerechtigd
+achten ons de hand te drukken, in plaats van die te kussen.... O, de
+dag der gerechtigheid zal weldra komen, de wereld loopt ten einde:
+veel heiligen hebben het voorspeld! Er zal een regen neerdalen van
+vuur, steen en asch, om onze hoovaardigheid te kastijden."
+
+En hij vermaande het volk, deze "wilden" toch vooral niet na te volgen,
+maar ze te ontvlieden en te verafschuwen, omdat ze in de ban waren.
+
+"Hoort wat de heilige conciliën zeggen!" bulderde hij. "Wanneer een
+inlander op straat een pastoor tegenkomt, moet hij 't hoofd buigen en
+zijn hals aan den 'among' bieden om er op te steunen. Als de pastoor
+en de inlander beiden te paard zijn, moet de inlander stilhouden,
+zijn _salakot_ of hoed eerbiedig afnemen. Eindelijk, als de inlander
+te paard rijdt en de pastoor te voet gaat, moet de inlander afstappen
+en niet weer opstijgen, voordat de pastoor _soeloeng!_ (ga heen!) tot
+hem zegt, of reeds ver weg is. Dit zeggen de heilige conciliën,
+en hij die niet gehoorzaamt, zal in de kerkelijke ban gedaan worden."
+
+"En als iemand 's op een karbouw zit?" vroeg een angstvallige
+landbouwer aan zijn buurman.
+
+"Dan...moet hij verder gaan!" antwoordde de laatste, die een casuïst
+was.
+
+Doch ten spijt van de kreten en gebaren des predikers vielen er velen
+in slaap of hun gedachten raakten aan het dolen. Want 't ging met deze
+preek weer als altijd. Tevergeefs trachtten eenige besjes te zuchten
+en te grienen over de zonde der goddeloozen: ze moesten ervan afzien
+door gebrek aan deelneming. Zelfs zuster _Poetê_ dacht aan heel wat
+anders. Een man naast haar was zoo vast in slaap gevallen, dat hij
+over haar heen omviel, en haar japon in de war maakte. De goede oude
+greep haar houten sandaal en begon hem wakker te timmeren. Onderwijl
+riep ze hem toe:
+
+"Och, ga weg, wildeman, beest, duivel, karbouw, hond, verdoemeling!"
+
+Zooals te begrijpen was ontstond er een tumult. De prediker zweeg
+stil, fronste de wenkbrauwen, verbaasd over zulk een schandaal. De
+verontwaardiging smoorde de stem in zijn keel, en hij slaagde er
+slechts in te blêren, terwijl hij met zijn vuisten op de balustrade
+van den preekstoel beukte. Dit had uitwerking: de oude vrouw liet
+haar sandaal mopperend los, en, herhaaldelijk een kruis slaande,
+ging ze vroom op haar knieën liggen.
+
+"O zoo! O zoo!" kon ten slotte de vertoornde geestelijke uitroepen,
+kruiste de armen en schudde het hoofd.
+
+"Daarvoor nu sta ik hier den heelen ochtend te preeken,
+wildemannen. Hier in den tempel des Heeren, hier maken jullie
+ruzie en zegt leelijke woorden tot elkaar, onbeschaamden! O, jullie
+eerbiedigen niets meer!... Dat is nu wat er komt van de wulpschheid
+en de onmatigheid dezer eeuw! Ik heb 't wel gezegd, ha!"
+
+En op dit thema preekte hij nog een half uur door. De _alcalde_
+snurkte, Maria Clara zat te knikkebollen: het arme kind kon geen
+weerstand bieden aan den slaap, want ze had nu geen enkel schilderij
+en geen enkel beeld meer om te bestudeeren of om afleiding in te
+zoeken. Ibarra lieten de woorden en de toespelingen volmaakt koud:
+hij dacht aan een huisje op den top van een berg, en zag Maria Clara
+in een tuin. Dat beneden in 't dal de menschen met elkaar harrewarden,
+wat kon 't hem schelen!
+
+Padre Salvi had tweemaal het belletje laten luiden, doch dit was
+olie op 't vuur: Fray Dámaso was koppig en maakte zijn preek nog
+langer. Fray Sibyla beet zich op de lippen en verschikte herhaalde
+malen zijn fraaie gouden bril. Fray Manuel Martin scheen de eenige
+te wezen die met genoegen luisterde, want hij glimlachte.
+
+Eindelijk zeide onze Lieve Heer dat het genoeg was: de redenaar werd
+vermoeid en ging den preekstoel af.
+
+Allen knielden, om God te danken. De _alcalde_ streek zich de oogen
+uit, strekte een arm, alsof hij zich uitrekte, stiet een hartgrondig
+_ah_! uit, en geeuwde.
+
+De mis werd voortgezet.
+
+Toen Balbino en Chananay het "Incarnatus est" zongen en iedereen
+nederknielde, fluisterde er een man in Ibarra's oor: "Bij de
+zegeningsplechtigheid niet van den pastoor weggaan, niet in den kuil
+gaan, niet dicht bij den steen komen: uw leven is ermee gemoeid."
+
+Ibarra zag Elias voor zich, die onmiddellijk na zijn waarschuwing in
+de menigte verdween.
+
+
+
+
+XXXI.
+
+'t Hijsch-toestel.
+
+
+Het gele mannetje had zijn woord gestand gedaan: het was niet een
+eenvoudig hijsch-toestel wat hij boven den open kuil had opgericht,
+om 't ontzaggelijke gevaarte van graniet neer te laten; 't was niet
+de drievoet, die Ñor Juan verlangd had, om er bovenaan een katrol
+aan op te hangen. 't Was iets meer, 't was behalve een massief,
+ook een mooi stuk werk, een grootsch en indrukwekkend stuk werk.
+
+Ongeveer acht meter hoog verhief zich het verwarde zeer samengestelde
+getimmerte: vier dikke in den grond begraven planken dienden
+als onderstel. Onderling waren deze verbonden door ontzaggelijke
+diagonaalsgewijze gekruiste balken, aan elkaar vastgemaakt met
+groote spijkers, die men, met het oog op het tijdelijk karakter van
+'t getimmerte, slechts halverwege ingeslagen had. Geweldige kabels,
+aan alle kanten neerhangend, gaven aan 't geheel een aanzien van
+stevigheid en grootschheid. Bontkleurige vlaggen, wapperende wimpels
+en kunstig ineen gevlochten bloem- en bladslingers van reusachtige
+afmetingen vormden de bekroning.
+
+Daar boven, in de schaduw der balken, guirlandes en vlaggen, hing
+bevestigd door touwen en ijzeren haken een reusachtig katrol over
+welks glanzende zijkant drie kabels liepen, die nog geweldiger waren
+dan de andere. Daaraan hing de ontzaggelijke gehouwen steen, in
+'t midden van een uitholling voorzien, zoodat de uitholling in den
+steen in den kuil er volkomen op moest passen. In deze kleine holte
+zouden de dokumenten, dagbladen en penningen komen te liggen, die de
+geschiedenis van de stichting voor 't nageslacht moesten bewaren. De
+drie kabels liepen van boven naar beneden, door een niet minder groot
+katrol aan den voet van het toestel bevestigd, en waren geslingerd om
+den cylinder van een draaispil, die door middel van dikke planken op
+den grond gehouden werd. Deze draaispil kon door twee handvatten in
+beweging gebracht worden. Door een stel tandraderen verhonderdvoudigde
+deze draaispil de kracht van een man.
+
+"Kijk", zeide 't gele mannetje, terwijl hij een handvat liet draaien,
+"kijk, _Ñor Juan_, hoe ik heel alleen die ontzaggelijke steenmassa op-
+en neerhaal... 't Ding zit zoo mooi in elkaar, dat ik naar willekeur,
+duim voor duim, 't op- en neergaan kan regelen. Zoo kan dus een man
+heel op zijn gemak beneden in den kuil de steenen op elkaar passen,
+terwijl ik hier boven sta te draaien."
+
+_Ñor Juan_ kon niet nalaten, den man te bewonderen, die op zoo'n
+bijzondere manier glimlachte. De toeschouwers maakten hem op- en
+aanmerkingen, en prezen den gelen man.
+
+"Van wien heeft u de behandeling van machines geleerd?" vroeg Ñor
+Juan hem.
+
+"Van mijn vader, mijn overleden vader!" antwoordde hij met zijn
+eigenaardig lachje.
+
+"En uw vader?..."
+
+"Van Don Saturnino, den grootvader van Don Crisóstomo."
+
+"Ik wist niet dat Don Saturnino..."
+
+"O, die wist een heele boel! Hij ranselde niet alleen goed, en
+zette niet alleen zijn werkvolk voor straf in de zon, hij kon ook de
+slapenden wakker maken en die wakker waren laten slapen. U zal wel
+'s zien wat mijn vader me geleerd heeft, u zult 't wel 's zien!"
+
+En 't gele mannetje lachte weer met zijn zonderlingen glimlach.
+
+Op een tafel, die gedekt was met een perzisch kleed, lagen de looden
+cylinder en de voorwerpen, die men in de holte der grondsteenen zou
+neerleggen: een glazen kistje met dikke wanden zou ze bevatten.
+
+In de feesttenten, waar den vorigen dag de onderwijzer en zijn
+leerlingen zoo druk bezig waren geweest, werd nu het weelderige en
+overvloedige feestmaal aangericht.
+
+Doch op de tafel voor de schooljeugd bestemd, stond geen enkele flesch
+wijn; de hoeveelheid fruit was er des te grooter. In 't priëel stonden
+de stoelen voor de muzikanten en een tafel vol gebakjes, suikergoed,
+konfituren en met bladeren en bloemen bekranste karaffen water voor
+'t dorstige publiek.
+
+De schoolmeester had klimmasten opgericht en slagboomen aangebracht,
+en had koekepannen en kookpotten opgehangen voor vroolijke volksspelen.
+
+Do menigte, pronkende in levendig bonte kleederdrachten, verzamelde
+zich in de schaduw der boomen of onder het loverdak, dat men opgericht
+had. De staatjongens klommen in de boomen of op hooge steenen, om
+de plechtigheid beter te kunnen zien. Met afgunst keken ze naar de
+schoolkinderen, die goed gewasschen en netjes gekleed allen op de
+voor hen bestemde plaatsen zaten. De ouders dezer laatsten waren in
+de wolken: zij, arme menschen van buiten, zouden nu hun kinderen
+zien eten aan een wit tafellaken, bijna net als de pastoor en de
+_alcalde_. De gedachte alleen was genoeg, om geen honger te hebben,
+en zoo'n gebeurtenis zou steeds, van vader op zoon, in de herinnering
+gehouden worden.
+
+Weldra hoorde men de verre tonen der muziek. Vooraf kwam een bonte
+wemeling van menschen, van alle leeftijden en gedost in kleederen van
+allerlei kleuren. Het gele mannetje werd ongerust en keek met een blik
+nog eens zijn heele toestel na. Een landman onder de toeschouwers
+volgde dien blik en sloeg al zijn bewegingen gade. 't Was Elias
+die ook de plechtigheid was komen bijwonen: door zijn _salakot_
+en zijn overige kleedij was hij schier onherkenbaar. Hij had zich
+'t beste plaatsje weten te verschaffen bijna vlak naast de draaispil,
+aan de rand van de uitgraving.
+
+Tegelijk met de muziek kwamen de _alcalde_, de leden van 't
+gemeentebestuur, de monniken behalve Padre Dámaso, en de Spaansche
+beambten. Ibarra was in gesprek met eerstgenoemde, met wien hij
+zeer bevriend was, sinds dat hij hem een paar fijne complimenten had
+gemaakt over zijn decoraties en zijn riddersjerpen. Dit was nu eenmaal
+'t zwakke punt bij Zijne Exellentie.
+
+Capitán Tiago, de _alférez_ en nog eenige andere notabelen liepen
+omstuwd door den stoet jonge meisjes, die allen hun mooie zijden
+zonneschermen droegen. Padre Salvi volgde, stil en somber als altijd.
+
+"U kan altijd op mij staat maken wanneer 't een goed werk betreft,"
+zei de _alcalde_ tot Ibarra. "U heeft mijn steun, en ik zal u alles
+verschaffen wat u maar noodig heeft, of anders zal ik maken, dat
+anderen het u verschaffen."
+
+Naarmate men naderbij kwam, voelde de jongeman zijn hart
+popelen. Instinktmatig richtte hij een blik naar 't vreemdsoortig
+getimmerte, dat daar opgericht was. Hij zag dat het gele mannetje
+hem eerbiedig groette, en een oogenblik strak naar hem keek. Met
+verwondering bespeurde hij Elias. Deze bracht hem met een beteekenisvol
+knipoogje in herinnering wat hij hem in de kerk gezegd had.
+
+De pastoor deed zijn priestergewaad aan en opende de plechtigheid. De
+eenoogige hoofdkoster hield het boek in zijn handen, en een koorknaap
+de kwast en 't wijwater vast. De omstanders, met ontbloot hoofd om
+hen heen staande, bewaarden zulk een diep stilzwijgen, dat, ofschoon
+hij met zachte stem las, men duidelijk kon hooren dat de stem van
+Padre Salvi beefde.
+
+Onderwijl had men in 't kristallen kistje alles neergelegd wat erin
+moest--handschriften, kranten, gedenkpenningen enz.--en 't geheel
+binnen in den looden koker gedaan, die daarna hermetisch werd
+toegesoldeerd.
+
+"Meneer Ibarra, wilt u 't kistje op zijn plaats neerzetten? De pastoor
+wacht op u!" zeide de _alcalde_ 't jongemensch zacht in 't oor.
+
+"Ik zou 't gaarne doen", gaf hij even zacht terug, "maar ik vrees dat
+ik deze eervolle plicht wederrechtelijk aan den notaris zou onthouden:
+meneer de notaris moet immers officiëel het feit staven!"
+
+De notaris nam het kistje plechtstatig op, liep de bekleede trap
+af, die naar den bodem van den kuil leidde en zette het met gepaste
+waardigheid in de holte van den steen. Daarop greep de pastoor de
+wijwaterkwast en besprenkelde daarmee de steenen.
+
+'t Oogenblik was gekomen, dat ieder zijn schep mortelkalk boven op
+den grondsteen zou strijken, zoodat de andere er goed vastgemetseld
+op zou komen te liggen.
+
+Ibarra bood den _alcalde_ een troffel aan, op welk breed zilveren
+blad de dagteekening gegraveerd stond. Doch Zijne Excellentie hield
+nog eerst een toespraak in 't Spaansch.
+
+
+ "Burgers van San Diego!" zeide hij op deftigen toon, "wij
+ hebben de eer voor te gaan bij een plechtigheid, waarvan gij
+ het hooge belang zult begrijpen, zonder dat wij 't u zeggen. Er
+ wordt een school gesticht. De school is het boek waarin de
+ toekomst der volkeren staat geschreven! Wijst ons de school van
+ een volk, en wij zullen u zeggen, wat voor een volk het is."
+
+
+En zoo ging hij voort, wijzende op de zegeningen door geestelijkheid en
+bestuur op de Filippijnen uitgestort. In naam van den Spaanschen koning
+en 't doorluchtig bestuur werd zoo de eerste steenlegging ingehuldigd.
+
+Met een "leve de Koning en leve Spanje, leve de geestelijkheid en
+leve de katholieke godsdienst!" werd de toespraak besloten.
+
+"Leve! Leve!" antwoordden veel stemmen. "Leve onze _Alcalde_!"
+
+Daarna daalde deze statig in den kuil, bij 't inzetten der muziek. Hij
+legde eenige scheppen mortel op den steen, en herrees met dezelfde
+statigheid naar den beganen grond.
+
+De beambten klapten in de handen.
+
+Ibarra bood wederom een zilveren troffel, ditmaal aan den pastoor, die
+na hem even te hebben aangekeken, langzaam naar beneden ging. Midden
+op de trap gekomen, sloeg hij de oogen op om naar den steen te kijken,
+die aan de geweldige kabels hing, doch het was slechts een seconde,
+onmiddellijk daalde hij verder neder. Hij deed evenals de _alcalde_,
+doch ditmaal hoorde men meer toejuichingen: bij de beambten hadden
+zich eenige monniken en Capitán Tiago gevoegd.
+
+'t Scheen dat Padre Salvi iemand zocht, aan wien hij den troffel zou
+overgeven. Hij keek weifelend naar Maria Clara, doch, zich bedenkend,
+bood hij de troffel aan den notaris. Deze trad hoffelijk op Maria Clara
+toe, maar deze weigerde met een lachje. De monniken, de beambten en
+de _alférez_ gingen allen een voor een, den kuil in. Capitán Tiago
+werd niet vergeten.
+
+Bleef nog Ibarra, en reeds zou 't bevel aan den gelen man gegeven
+worden om den hangenden steen te laten zakken, toen de pastoor aan den
+jongeman dacht, en op schertsenden toon, met gedwongen gemeenzaamheid,
+zeide:
+
+"Zult u ook niet een schepje leggen, meneer Ibarra?"
+
+"Dat zou wat moois wezen! Ik maak de podding: zou ik ze dan ook
+eten?" antwoordde de toegesprokene op denzelfden toon.
+
+"Kom, kom!" zei de _alcalde_ en gaf hem een zacht duwtje. "Als u 't
+niet doet, geef ik order dat de steen in 't geheel niet neergelaten
+wordt, en dan blijven we hier tot het Laatste gericht!"
+
+Op zulk een dreigement moest Ibarra wel zwichten. Hij verwisselde
+den kleinen zilveren troffel voor een groote van ijzer, wat enkelen
+deed glimlachen, en trad bedaard naar voren. Elias keek hem met een
+onbeschrijflijke uitdrukking aan: men zou gezegd hebben dat zijn
+heele ziel in zijn oogen was gegaan. De gele man keek naar de gapende
+opening aan zijn voeten.
+
+Na een snellen blik op den steen boven zijn hoofd, en toen naar
+Elias en den gelen man, zeide Ibarra met iet of wat beverige stem
+tot Ñor Juan:
+
+"Geef me even den emmer, en haal een anderen troffel boven!"
+
+De jongeman bleef alleen. Elias keek niet naar hem. Zijn oogen waren
+strak gevestigd op de hand van den gelen man die, over den kuil
+gebogen, Ibarra's bewegingen angstvallig volgde.
+
+Men hoorde het geluid van den schepper, waarmee de massa zand en
+kalk werd omgeroerd, door 't zachte geruisch der gelukwenschen heen,
+die de beambten voor zijn rede tot den _alcalde_ richtten.
+
+Plotseling klinkt een vreeselijk gekraak: de katrol die onder aan
+'t toestel vastzat, springt los, en daarmee de draaispil, die als
+een stormram tegen 't getimmerte aan beukt. De balken wankelen, de
+bindsels vliegen los, en alles stort in een seconde en met schrikkelijk
+gedruisch in elkaar. Een stofwolk stijgt op. Een kreet van ontzetting
+uit duizenden kelen vervult de lucht. Bijna al de omstanders vluchten
+in alle richtingen, slechts enkelen ijlen naar den kuil. Alleen Maria
+Clara en Padre Salvi blijven roerloos, bleek, sprakeloos op hun plaats.
+
+Toen de stofwolk eeniger mate was weggetrokken, zag men Ibarra staan,
+te midden van balken, bamboe staken, kabels, tusschen de draaispil
+en 't steengevaarte dat in zijn val alles had neergestoten en
+verpletterd! De jongeman had de troffel nog in zijn hand en keek met
+een ontzettenden blik naar 't lijk van een man, dat aan zijn voeten
+lag, half begraven onder de balken.
+
+"Bent u niet dood?--Leeft u nog?--Om Gods wil, spreek toch!" zeiden
+eenige beambten vol ontzetting en deelname.
+
+"Een wonder! Een wonder!" riepen er eenigen.
+
+"Laten er menschen hier komen om 't lijk van den stakkerd weg te
+halen!" zei Ibarra als uit een droom ontwakend.
+
+Zijn stem hoorende, voelde Maria Clara dat de krachten haar begaven,
+en viel zij halfbezwijmd in de armen harer vriendinnen.
+
+Er heerschte een groote verwarring: iedereen sprak, gestikuleerde,
+liep van den eenen kant naar den andere, daalde af in den kuil of
+ging eruit, iedereen was verbijsterd en van streek.
+
+"Wie is er dood? Of leeft hij nog?" vroeg de _alférez_.
+
+Men herkende in 't lijk den gelen man, die naast de draaispil
+gestaan had.
+
+"Er moet een aanklacht ingediend worden tegen den baas van 't
+werk!" was 't eerste dat de _alcalde_ kon uitbrengen.
+
+Men onderzocht het lijk, legde de hand op zijn borst, maar 't hart
+klopte niet meer. De slag had hem aan 't hoofd getroffen, en 't
+bloed kwam hem uit neus, mond en ooren. Aan den hals waren een paar
+vreemdsoortige sporen te zien: vier diepe indeukingen aan een kant en
+een aan den tegenovergestelde, ofschoon iets grooter; ze zoo ziende,
+zou men zeggen dat een stalen hand hem als een tang had vastgegrepen.
+
+De geestelijken wenschten den jongeman hartelijk geluk en drukten
+hem de hand. De Franciskaner met het nederige voorkomen, die Padre
+Dámaso als voorzegger had gediend, zeide met huilerige oogen:
+
+"God is rechtvaardig, God is goed!"
+
+"Als ik er toch aan denk, dat ik eenige oogenblikken te voren daar
+gestaan heb!" zeide een der beambten tot Ibarra, "verbeeldt u dat ik
+de laatste geweest was! Jezus!"
+
+"De haren rijzen me te berge!" zeide er een, die half kaal was.
+
+"'t Is maar goed dat _u_ zoo iets overkomen is, en niet mij", mompelde
+een oud kereltje, dat nog beefde.
+
+"Don Pascual!" riepen eenige Spanjaarden.
+
+"Wel, heeren, ik zeg dat omdat meneer toch niet doodgegaan is: als _ik_
+niet verpletterd was geworden, zou ik toch stellig daarna doodgegaan
+zijn, alleen door er aan te denken."
+
+Doch Ibarra was al weg, om zich op de hoogte te stellen van Maria
+Clara's toestand.
+
+"Laat dit toch geen beletsel zijn om het feest voort te zetten,
+meneer Ibarra!" zeide de _alcalde_.
+
+"God zij geloofd! De doode is geen geestelijke en geen Spanjaard. We
+moeten uw behoud vieren. Och, och, als u toch 's die steen op u
+gekregen had!"
+
+"Ik had er een voorgevoel van! Een voorgevoel!" riep de notaris
+uit. "Ik heb 't wel gezegd: meneer Ibarra ging tegen zijn zin naar
+beneden. Ik heb 't wel gezien!"
+
+"De doode is maar een inlander!"
+
+"Laat 't feest doorgaan! Kom, muziek! We krijgen den doode niet weer
+levend met treuren. _Capitán_, hier moeten de noodige maatregelen
+genomen worden... Laat de baas hier komen!... De baas van 't werk
+moet in hechtenis genomen worden!"
+
+"Ja, in 't blok!"
+
+"In 't blok! Hei, muziek, muziek! De baas in 't blok zetten!"
+
+"Meneer de _alcalde_," zeide Ibarra op ernstigen toon:
+
+"Als we door treuren de doode niet weer kunnen opwekken, krijgen
+we dat zeker nog minder gedaan door iemand gevangen te laten nemen,
+van wien we in 't geheel niet weten, of hij schuldig is. Ik sta borg
+voor zijn persoon, en verzoek hem in vrijheid te laten, voor de eerste
+dagen ten minste."
+
+"Goed! Goed! Maar laat 't hem niet weer gebeuren!"
+
+Er deden allerlei praatjes de ronde. Dat er een wonder gebeurd was,
+stond reeds vast. Fray Salvi scheen niettemin maar weinig ingenomen
+met het wonder, dat men aan een heilige van zijn corporatie en van
+zijn parochie toeschreef.
+
+Natuurlijk was er ook iemand, die wist te vertellen dat hij duidelijk,
+op 't oogenblik dat alles in elkaar stortte een gestalte in den kuil
+had zien afdalen, die gekleed was in een donker kleed als dat der
+Franciskanen. Er was geen twijfel aan: dat moest de heilige Diego
+zelf geweest zijn. Men vernam ook dat Ibarra de mis bijgewoond had,
+en de gele man niet: 't was dus klaar als de dag.
+
+"Zie je? Jij woû niet naar de mis," zeide een moeder tot haar zoon,
+"als ik je niet een pak gegeven had om je te dwingen, dan ging je nu
+ook naar 't raadhuis, in een kar, net als die daar!"
+
+Inderdaad werd de gele man, of liever zijn lijk, in een mat gewikkeld,
+naar 't raadhuis vervoerd.
+
+Ibarra ijlde naar zijn huis, om zich te gaan verkleeden.
+
+"Een leelijk begin, hm!" zei de oude Tasio en verwijderde zich.
+
+
+
+
+XXXII.
+
+Vrije gedachten.
+
+
+Ibarra was bijna klaar, toen een bediende kwam zeggen, dat er een
+landbouwer was die hem te spreken vroeg.
+
+Veronderstellende dat het een van zijn werklieden was, beval hij hem
+binnen te laten in het kantoor of studeerkamer, tegelijk, bibliotheek
+en scheikundig laboratorium.
+
+Doch tot zijn verbazing zag hij de strenge en geheimzinnige gedaante
+van Elias voor zich staan.
+
+"U heeft mijn leven gered", zeide deze in de landstaal, Ibarra's
+houding begrijpende. "Ik heb u mijn schuld voor de helft betaald,
+en u heeft me voor niets te danken. Integendeel. Ik ben hier, om u
+om een gunst te vragen..."
+
+"Zeg op!" antwoordde de jongeman in dezelfde taal, verrast door den
+toon van ernst van den landbouwer.
+
+Elias keek Ibarra enkele oogenblikken strak aan, en hervatte:
+
+"Wanneer 't gerecht dit geheimzinnige geval tot klaarheid wil brengen,
+verzoek ik u dat u niemand iets zegt van de waarschuwing, die ik u
+in de kerk gegeven heb."
+
+"Maakt u niet ongerust", antwoordde de jongeman eenigszins
+ontstemd. "Ik weet dat u vervolgd wordt, maar ik hoû niet van
+aanbrengerij."
+
+"O, 't is niet om mij, 't is niet om mij!" riep Elias ietwat levendig
+en fier. "'t Is om u. _Ik_ vrees niets van de menschen."
+
+De verbazing van Ibarra nam toe: de toon waarop de landbouwer--de
+vroegere loods--sprak was nieuw en scheen niet in overeenstemming met
+zijn maatschappelijken staat noch met zijn geldelijke omstandigheden.
+
+"Wat wilt u zeggen?" vroeg hij, terwijl hij den geheimzinnigen man
+verwonderd aankeek.
+
+"Ik spreek niet in raadselen. Ik tracht me duidelijk uit te drukken. In
+'t belang van uw veiligheid is 't noodig dat uw vijanden gelooven,
+dat u onvoorbereid en geheel te goeder trouw is geweest."
+
+Ibarra schrok.
+
+"Mijn vijanden? Heb ik dan vijanden?"
+
+"Die hebben we allemaal, meneer, van 't kleinste insekt tot den mensch
+toe, van den armste tot den rijkste en machtigste! Vijandschap is de
+wet van 't leven!"
+
+Ibarra keek Elias een oogenblik zwijgend aan.
+
+"U bent geen loods en geen landbouwer!..." mompelde hij.
+
+"U heeft vijanden onder de hoogen en onder de lagen", ging Elias
+voort, zonder op de woorden van den jongen man acht te slaan. "U
+beoogt iets grootsch, u heeft een verleden, uw vader en uw grootvader
+hebben vijanden gehad, omdat ze hartstochten hebben gehad, en in
+'t leven zijn 't niet de misdadigers, die den meesten haat opwekken,
+maar mannen van eer."
+
+"Kent u mijn vijanden?"
+
+Elias antwoordde niet dadelijk, dacht even na.
+
+"Een heb ik er gekend, die doodgegaan is," antwoordde hij.
+
+"Gisteren avond ontdekte ik, dat hij iets in 't schild voerde tegen u,
+doordat ik eenige woorden opving, die hij met een onbekende wisselde,
+die in de menigte verdween. 'Die zal niet door de visschen opgegeten
+worden, zooals zijn vader: dat zal je morgen 's zien', zei hij. Die
+woorden trokken mijn aandacht, niet alleen om de beteekenis, maar ook
+om hem die ze uitsprak; want de man had zich al eenige dagen geleden
+aangeboden bij den baas van 't werk, met het uitdrukkelijke verlangen
+om de werkzaamheden te leiden bij 't neerlaten van den steen. Hij vroeg
+daarvoor geen groot loon en gaf hoog op van zijn bekwaamheden. Ik
+had geen reden genoeg om aan kwaadwilligheid te gelooven, maar iets
+in me zeide me, dat mijn vermoedens juist waren, en daarom koos ik,
+om u te waarschuwen, een oogenblik en een gelegenheid van dien aard,
+dat u me geen vragen kon doen. Het overige heeft u bijgewoond."
+
+Reeds een heele poos had Elias gezwegen, en Ibarra nog steeds geen
+enkel woord geantwoord. Hij was in gedachten verzonken.
+
+"'t Spijt me dat die man dood is gegaan!" hervatte hij eindelijk. "We
+hadden van hem wel iets meer van de zaak kunnen hooren!"
+
+"Als hij was blijven leven, zou hij ontsnapt zijn aan de onzekere hand
+van de blinde menschelijke gerechtigheid. God heeft hem gevonnist,
+God heeft hem gedood, laat God zijn eenige rechter wezen!"
+
+Crisóstomo keek den man, die zoo tot hem sprak, een oogenblik aan,
+en zijn gespierde armen ziende, die vol striemen en groote blauwe
+vlekken waren, zeide hij lachend:
+
+"Gelooft u ook aan 't wonder? Daar heb je nu 't wonder waarvan 't
+volk spreekt!"
+
+"Als ik aan wonderen geloofde, zou ik niet aan God gelooven;
+dan zou ik aan een tot God verheven mensch gelooven, dan zou ik
+inderdaad gelooven, dat de mensch God naar zijn beeld en gelijkenis
+had geschapen," antwoordde hij hoog ernstig; "maar ik geloof in
+Hem. Ik heb meer dan eens zijn hand gevoeld. Toen alles in elkaar
+stortte en al wat er op de plek stond dreigde te vernielen, heb ik,
+ik, den misdadiger vastgehouden. Ik ben naast hem gaan staan: hij
+werd getroffen, en ik kwam vrij."
+
+"U? Dus u?"...
+
+"Ja! Ik heb hem vastgehouden toen hij ontsnappen wou, nadat hij aan
+zijn duivels werk begonnen was: ik zag zijn misdaad. Ik zeg u: laat
+God de eenige rechter onder menschen wezen, laat hij de eenige zijn,
+die recht heeft over het leven. Laat 'n mensch er nooit aan denken
+hem te vervangen!"
+
+"En toch heeft u dezen keer..."
+
+"Nee!" viel Elias in, de tegenwerping gissende.
+
+"Dat 's niet hetzelfde. Wanneer een mensch anderen ter dood veroordeelt
+of voor altijd hun toekomst verwoest, doet hij dat vrijuit en beschikt
+daarbij over de kracht van andere menschen, om zijn vonnissen uit te
+voeren, die per slot van rekening wel even zooveel vergissingen of
+misslagen kunnen wezen. Maar ik heb, toen ik den misdadiger aan 't
+zelfde gevaar blootstelde dat hij voor anderen beoogd had, dezelfde
+kwade kansen geloopen. Ik heb hem niet gedood, ik heb Gods hand hem
+laten dooden."
+
+"Gelooft u niet aan toeval?"
+
+"Aan 't toeval gelooven, is net hetzelfde als te gelooven aan wonderen:
+beide dingen veronderstellen dat God de toekomst niet kent. Wat is 'n
+wonder? Een tegenstrijdigheid, een storing in de natuurwetten. Niet
+voorzien en tegenstrijdig zijn, beteekenen twee groote gebreken in
+'t verstand, dat de wereldmachine bestuurt."
+
+"Wie bent u?" vroeg Ibarra nogmaals, met zekere vrees. "Heeft u
+gestudeerd?"
+
+"Ik heb heel veel in God moeten gelooven, omdat ik mijn geloof in de
+menschen verloren heb," antwoordde de ander, de vraag ontwijkend.
+
+Ibarra meende den vervolgden jongen man te begrijpen.
+
+Elias loochende de menschelijke gerechtigheid, hij ontzegde den mensch
+het recht om over zijn gelijken te oordeelen, kwam op tegen de macht
+en de meerderheid van sommige standen boven de andere.
+
+"Hoe dan ook, u moet toch de noodzakelijkheid van het menschelijk
+recht aannemen, al is 't gebrekkig", gaf Ibarra terug. "Hoeveel
+dienaren God op aarde ook heeft, Hij doet zijn uitspraken niet
+duidelijk genoeg, om al de millioenen strijdpunten uit te maken,
+die onze hartstochten opwekken. 't Is noodig, 't is noodzakelijk,
+'t is rechtvaardig, dat de mensch soms over zijn naasten oordeel velt!"
+
+"Jawel, om 't goede te doen, niet het kwaad, om te verbeteren,
+niet om te vernietigen, want, als zijn uitspraken falen, heeft
+hij de macht niet om het kwaad te herstellen, dat hij aangericht
+heeft. Maar," liet hij volgen, terwijl hij van toon veranderde,
+"deze discussie gaat boven mijn krachten, en ik houd u maar op:
+u wordt zeker gewacht. Vergeet u niet wat ik u zoo even gezegd heb:
+u heeft vijanden. Bewaar uzelf voor 't welzijn van uw land."
+
+En hij nam afscheid.
+
+"Wanneer zie ik u terug?" vroeg Ibarra.
+
+"Altijd, wanneer u maar wilt, en de keeren dat ik u van dienst kan
+zijn. Ik ben nog uw schuldenaar!"
+
+
+
+
+XXXIII.
+
+De maaltijd.
+
+
+Ginds in de versierde feesttent zaten de groote mannen van de provincie
+aan den maaltijd.
+
+De _alcalde_ zat aan 't eene uiteinde der tafel, Ibarra aan 't
+andere. Rechts van den jongen man bevond zich Maria Clara, en aan zijn
+linkerzijde de notaris. Capitán Tiago, de _alférez_, de burgemeester,
+de monniken, de beambten en de enkele jonge dames die gebleven waren,
+zaten niet naar rang, maar naar eigen verkiezing.
+
+Het feestmaal was nogal opgewekt en vroolijk, doch toen 't in vollen
+gang was, kwam er een telegraafbode op Capitán Tiago af, met een voor
+hem bestemd bericht. Natuurlijk vroeg deze verlof, het te mogen lezen,
+en even natuurlijk verzocht iedereen hem, het te willen doen.
+
+Onze waardige _Capitán_ fronst eerst de wenkbrauwen, dan trekt hij
+ze op. Zijn gelaat verbleekt, klaart op, en haastig het papier weer
+opvouwend, staat hij van tafel op, en zegt gejaagd:
+
+"Dames en heeren, Zijne Excellentie de Gouverneur komt van avond mijn
+huis met een bezoek vereeren!"
+
+En meteen zet hij 't op een loopen, telegram en servet in de hand,
+maar zonder hoed, bestormd door achterna gezonden uitroepen en vragen.
+
+De tijding dat de _toelisan's_ of roovers gekomen waren, zou stellig
+niet meer opschudding verwekt hebben.
+
+"Hoort u 's even!" "Wanneer komt hij?" "Vertelt u ons toch 's! Z'n
+Excellentie!"
+
+Capitán Tiago was al weg.
+
+"Zijne Excellentie komt en gaat logeeren bij Capitán Tiago!" riepen
+er enkelen, er niet aan denkende, dat daar zijn dochter en zijn
+aanstaande schoonzoon mee aanzaten.
+
+"Hij kon geen betere keus doen!" antwoordde deze laatste.
+
+De monniken keken elkaar aan. De blik wilde zeggen:
+
+"De Capitán-General doet weer een van zijn dwaasheden: hij beleedigt
+ons." Doch ze zwegen allen.
+
+"Ik heb er gisteren al van gehoord", zeide de _alcalde_, "maar toen
+was Zijne Excellentie nog niet vast besloten."
+
+"Weet u wellicht, meneer de alcalde, hoeveel tijd de Gouverneur hier
+denkt te blijven?" vroeg de _alférez_ ongerust.
+
+"Met stelligheid niet, Zijne Excellentie houdt van verrassingen."
+
+"Daar komen nog meer telegrammen!"
+
+Deze waren voor den _alcalde_, den _alférez_ en den burgemeester en
+bevatten hetzelfde bericht. De geestelijken merkten goed op, dat geen
+enkel telegram aan den pastoor gericht was.
+
+"Zijne Excellentie zal hier om vier uren in den namiddag aankomen,
+heeren en dames!" zei de _alcalde_ plechtig.
+
+"We kunnen rustig ons maal beëindigen!"
+
+Het gesprek hervatte zijn gewonen loop.
+
+"Merkwaardig dat onze groote prediker afwezig is!" zeide schuchter een
+van de beambten, een mak uitziend man, die zijn mond niet opengedaan
+had, voor 't oogenblik dat het eten begon, en die nu voor 't eerst
+op dien dag sprak.
+
+Allen die de geschiedenis van Crisóstomo's vader kenden, maakten
+een gebaar of gaven een knipoogje alsof ze zeggen wilden: "Och loop,
+'t eerste wat je zegt is een onhandigheid!"
+
+Doch een der aanzittenden antwoordde snaaks:
+
+"Hij moet wel een beetje moe zijn..."
+
+"Wat, een beetje?" riep de _alférez_, "bekaf moet hij wezen,
+afgejakkerd. Asjeblieft, dat was een preek!"
+
+"Een pracht, een reuzen-preek!" zei de notaris.
+
+"Heerlijk, diepzinnig!" voegde de correspondent eraan toe.
+
+"Om zooveel te kunnen spreken, moet men longen hebben zooals hij",
+merkte Padre Manuel Martin op.
+
+De Augustijner erkende alleen de kracht van zijn longen.
+
+"En zijn gemakkelijkheid van zich uit te drukken," liet Padre Salvi
+volgen.
+
+"Weten de heeren wel dat meneer Ibarra de beste kok in de heele
+provincie heeft?" zeide de _alcalde_ om 't gesprek een andere wending
+te geven.
+
+"Dat heb ik ook al gezegd, maar zijn schoone buurvrouw doet de
+tafel geen eer aan, want ze eet bijna niets," gaf een der beambten
+ten antwoord.
+
+Maria Clara kleurde.
+
+"Meneer, u bent wel vriendelijk... U moet op mijn persoontje maar
+niet letten," stamelde zij verlegen, "maar..."
+
+"Door uw aanwezigheid hier alleen doet u de tafel al genoeg eer aan,"
+kwam de hoffelijke _alcalde_ haar te hulp.
+
+"Meneer de pastoor," vervolgde hij luider, "ik merk op dat uw
+hoogeerwaarde den heelen dag stil en in gedachten is..."
+
+"Meneer de alcalde is een ontzagwekkende opmerker!" riep Padre Sibyla
+op bijzonderen toon.
+
+"Dat ben ik zoo gewoon," stamelde de Franciskaan, "ik hou meer van
+luisteren dan van spreken."
+
+"Uw hoogeerwaarde is er altijd op uit, om te winnen en niet te
+verliezen!" zei de _alférez_ schertsend.
+
+Padre Salvi nam 't echter niet als scherts op; zijn blik schitterde
+even toen hij teruggaf:
+
+"Meneer de _alférez_ zal wel weten dat ik 't niet ben die dezer dagen
+wint of verliest!"
+
+De _alférez_ lachte gedwongen en deed alsof hij de steek niet
+gevoeld had.
+
+In de andere feesttent aten de kinderen, voorgezeten door hun
+onderwijzer. Voor Filippijnsche kleinen maakten ze nogal gedruisch,
+want in den regel zijn dezen aan tafel en in tegenwoordigheid van
+vreemden eer schuchter dan ongedwongen. Degeen die zich vergiste
+met het gebruik van 't eetgereedschap, kreeg een terechtwijzing van
+zijn buurman. Daaruit ontstond een woordenwisseling en beiden vonden
+aanhangers: sommigen beweerden dat de lepel, anderen dat de vork of
+het mes moest gebruikt worden. En daar zij niemand als bevoegd in
+deze zaak beschouwden, kwam het niet tot een oplossing.
+
+De ouders gaven elkaar knipoogjes of elleboog-stootjes of andere
+teekens, en aan hun lach kon men zien, dat ze in hun schik waren.
+
+"Stellig," zei een boerin tot een oude man, die bezig was zijn
+sirihpruimpje klaar te maken, "al is 't ook dat mijn man 't niet hebben
+wil, mijn Andoy wordt toch priester. We zijn wel arm, maar we zullen
+wel werken, en, als 't noodig mocht wezen, zullen we bedelen. Er zijn
+altijd menschen te vinden, die er geld voor over hebben, om een arme
+te helpen priester te worden. Zegt broeder Mateo niet--en die liegt
+niet--dat Paus Sixtus karbouwenhoeder in Batangas geweest was? Nou,
+kijk maar 's naar mijn Andoy, en zeg me dan, of hij niet al 't gezicht
+van den heiligen Vincent heeft!"
+
+En de goede moeder glom van trots, toen ze zag dat haar zoontje zijn
+vork met beide handen vasthield.
+
+"God geve 't!" antwoordt de oude man, zijn sirih kauwend. "Als Andoy
+nog 's paus wordt, gaan we naar Rome. He, he!"
+
+"Wees maar niet ongerust, grootvader! Andoy zal 't niet vergeten,
+dat u hem rotan-manden en _dikin_-mandjes heeft leeren vlechten."
+
+"Je heb gelijk, Petra, ik geloof ook dat je zoon nog 's iets groots
+wordt, op z'n minst aartsvader. Ik heb nog nooit iemand gezien die
+zoo gauw 't handwerk geleerd heeft! Zeker, hij zal wel aan me denken
+wanneer hij als paus of bisschop manden voor zijn keukenmeid moet
+maken. Hij zal stellig missen voor mijn ziel lezen, he, he!"
+
+En ons oudje vulde zijn _kalikoet_ of sirihzakje tot den rand.
+
+"Als God mijn gebeden verhoort en mijn wensch vervuld wordt, zal ik
+Andoy zeggen: 'Vent, ontdoe ons van al onze zonden, zend ons naar
+den hemel. Dan hoeven we niet meer te bidden of te vasten of aflaten
+te koopen. Wie een zoon heeft die Zijne Heiligheid de Paus zelf is,
+die mag vrij zondigen!'"
+
+"Zend hem morgen naar mijn huis, Petra," zeide de oude man vol
+geestdrift, "ik zal hem leeren _nitô_-vlechtwerk te maken."
+
+"Och wat! Wat denkt u wel, grootvader? Denkt u dat een pastoor
+nog zijn handen verroert? De pastoor, zeg ik je, die niets meer
+is dan pastoor, die werkt alleen bij de mis... wanneer hij zich
+omkeert! De aartsbisschop draait zich zelfs niet meer om, die leest
+de mis zittende. Dus de Paus...wel, de Paus leest de mis in zijn bed,
+met een waaier in de hand!... wat verbeeldde u zich wel?"
+
+"'t Is toch niet kwaad, Petra, dat hij leert, hoe je met _nitô_
+werkt. Dan kan hij _salákot's_ (hoeden) en sigarenkokers verkoopen,
+hoeft niet te bedelen, zooals de pastoor dat hier ieder jaar voor den
+Paus doet. Ik krijg medelijden, als ik denk aan zoo'n armen heilige,
+en dan geef ik altijd wat ik gespaard heb."
+
+"Ik ben al besloten, buurvrouw, mijn zoon moet dokter worden. Niks
+beter dan dokter!"
+
+"Dokter! Zwijg toch, buurman," antwoordde Petra.
+
+"Er gaat niks boven pastoor!"
+
+"Pastoor! Larie! Pastoor? Een dokter verdient veel geld, de zieken
+vereeren hem, buurvrouw!"
+
+"Met je welnemen! De pastoor draait zich alleen maar drie of vier
+keer om, zegt: 'déminos pabiskoem,' eet onze Lieve Heer en krijgt
+geld. Alle menschen, zelfs de vrouwen vertellen hem hun geheimen!"
+
+"En een dokter? Wat denkt u dan wel dat een dokter is? Een dokter
+ziet alles wat jullie vrouwen mankeeren. Hij voelt de pols van de
+jonge meisjes...
+
+"Ik wou dat ik maar 's een enkel weekje dokter was."
+
+"En de pastoor dan? Ziet de pastoor soms ook niet wat zoo'n dokter
+ziet? Nou, nog beter hoor! U kent het spreekwoord wel: 'vette kip en
+rond been voor den pastoor.'"
+
+"Wat zou dat? Eten de dokters dan soms gedroogde visch?
+
+"Die hebben zeker te klagen?"
+
+"Nee, maar de pastoor maakt zijn handen ten minste niet vuil, zooals
+zoo'n dokter. En dan heeft hij groote landerijen, en wanneer hij werkt,
+dan doet hij 't met muziek en de kosters helpen hem erbij."
+
+"En de biecht afnemen, buurvrouw? Noem je dat geen werken?"
+
+"Nou, dat 's ook een werk! Al moest je de heele wereld de biecht
+afnemen! Dat is zeker sloven en zwoegen, na te gaan wat mannen en
+vrouwen doen, wat je buren doen! De pastoor gaat alleen maar zitten
+en dan vertellen ze hem alles. Soms valt hij in slaap. Hij steekt een
+paar zegeningen af, en klaar is Kees: we zijn weer Gods kinderen! Ik
+wou dat ik 's pastoor was op een middag in den vasten tijd!"
+
+"En 't... 't preeken dan? Is dat dan soms geen werk? Nou, dan moest u
+maar 's opgelet hebben, hoe de 'groote pastoor' van ochtend zweette,"
+bracht de man ertegen in, die voelde dat hij grond verloor.
+
+"Preeken? Preeken een werk? Hoe komt 't bij u op? Ik woû dat ik maar
+'s een halven dag achtereen op de katheder mocht staan, om niets
+anders te doen dan iedereen uit te vegen en de ooren te wasschen,
+zonder dat iemand een woord terug durft te zeggen, en dat ze me daar
+ook nog voor betaalden! Nou, ik wou dat ik 's pastoor mocht wezen,
+een morgen maar, wanneer de lui die me geld schuldig zijn de mis
+bijwonen! Let maar 's op, daar, hoe dik Padre Dámaso wordt van al
+zijn standjes geven en ranselen!"
+
+Inderdaad, daar kwam Padre Dámaso aanstappen met den waggelgang van
+een zwaarlijvig mensch, half lachend, maar op zulk een boosaardige
+wijze, dat Ibarra, toen hij hem zag, den draad van zijn toespraak
+kwijt raakte.
+
+De pater werd, schoon met eenige verwondering, door iedereen met
+teekenen van vreugde begroet, behalve door Ibarra. Men was reeds aan
+de nagerechten en de champagne schuimde in de kelken.
+
+Padre Dámaso's glimlach werd zenuwachtig, toen hij zag, dat Maria
+Clara naast Crisóstomo zat. Doch, een stoel nemende naast dien van
+den _alcalde_, vroeg hij te midden van een beteekenisvolle stilte:
+
+"Spraken de dames en heeren over iets? Gaat u dan voort."
+
+"We waren aan de toasten," antwoordde de _alcalde_. "Meneer Ibarra
+was juist bezig allen te bedanken die hem in zijn menschlievend
+werk ter zijde gestaan hadden, en hij sprak over den bouwmeester,
+toen uwe hoogeerwaarde..."
+
+"Och, ik heb geen verstand van bouwkunde," viel de pater in de
+rede, "maar ik lach wat om architekten en om de ezels die ze noodig
+hebben. Kijk daar die kerk, daar heb ik 't plan voor geteekend, en die
+is uitstekend gebouwd: dat heeft een Engelsche juwelier nog gezegd,
+toen hij 's op een dag in 't 'klooster' bij me logeerde. Om zoo'n
+plan te maken heb je aan een minimum hersens genoeg!"
+
+"Maar," hervatte de _alcalde_, die zag dat Ibarra zweeg, "u zult
+toch toegeven dat voor zekere gebouwen, bijvoorbeeld zoo'n school,
+wel een deskundige noodig is!"
+
+"Och wat, larie!" riep Padre Dámaso spottend, "wie een _des_kundige
+voor zoo iets noodig heeft, is een _snert_kundige!
+
+"Daar moet je toch waarlijk botter voor wezen dan de inlanders--die
+bouwen hun eigen huizen--om niet vier van die muren te kunnen opzetten
+en daar een deksel op te maken; want wat is zoo'n school anders?"
+
+Allen keken naar Ibarra, doch deze ging voort met Maria Clara te
+praten, ofschoon hij bleek werd.
+
+"Maar uwe hoogeerwaarde moet toch in aanmerking nemen ..."
+
+Doch de Franciskaner liet den alcalde niet aan 't woord. "U weet toch
+zeker wel," ging hij voort, "dat een leekebroeder van ons, de domste
+dien we hebben, een goed, mooi en goedkoop gasthuis heeft gebouwd. Hij
+liet flink werken en betaalde niet meer dan acht 'cuarto's' per dag,
+zelfs aan de menschen die van andere dorpen moesten komen. Die kon er
+mee omgaan, die deed niet als sommige 'halve garen' en sinjo's, die
+het werkvolk bederven door hun drie of vier 'real' loon te geven". [37]
+
+"Zegt uw weleerwaarde dat hij maar acht cuarto's
+betaalde? Onmogelijk!" zeide de _alcalde_, om het gesprek een andere
+wending te geven.
+
+"Ja, meneer, en zoo moest iedereen doen die zich voor goed Spanjaard
+uitgeeft. Och, 't is duidelijk: sinds het Suez-kanaal geopend is,
+is er hier de klad in gekomen. In vroeger tijd, toen we de Kaap
+moesten omvaren, kwam er hier niet zooveel tuig, en gingen er ook
+niet zooveel naar Europa, om als tuig terug te komen!"
+
+"Maar Padre Dámaso!"
+
+"U weet heel goed, hoe de inlander is: als hij maar even wat gestudeerd
+heeft, hangt hij de geleerde uit. Al die snotjongens die tegenwoordig
+naar Europa gaan..."
+
+"Maar luister nu toch 's even, weleerwaarde!" viel de _alcalde_ in,
+die ongerust begon te worden over 't aanvallend karakter dier woorden.
+
+"Ze eindigen allemaal zooals ze 't verdienen", ging de monnik voort:
+"de hand Gods is erin te bespeuren; je zou blind moeten wezen, om
+'t niet te zien. De ouders van zulk 'vee' krijgen in dit leven de
+kastijding al... die crepeeren in de gevangenis, ha, ha! net als..."
+
+Doch hij bracht zijn zin niet ten einde. Ibarra--die lijkbleek was
+geworden--had hem met den blik gevolgd. Toen hij de toespeling op zijn
+vader hoorde, sprong hij op en liet zijn stoere vuist neerkomen op
+'t hoofd van den priester, die als bedwelmd achterover viel.
+
+Vol verbazing en schrik dorst niemand tusschen beiden komen.
+
+"Laat me begaan!" riep de jonge man met een vreeselijke stem, en hij
+strekte zijn hand uit naar een scherp mes, terwijl hij met zijn eene
+voet op de keel van den pater stond. Deze was inmiddels van zijn
+verbijstering hersteld. "Die niet dood wil, moet me laten begaan!"
+
+Ibarra was buiten zich zelve: zijn lichaam beefde, zijn oogen bewogen
+zich dreigend in hun kassen. Fray Dámaso deed een geweldige poging
+om op te staan, die bijna slaagde, maar de ander greep hem bij zijn
+keel en duwde hem in elkaar op zijn knieën.
+
+"Meneer Ibarra! Meneer Ibarra!" stamelden enkelen.
+
+Maar niemand, zelfs niet de _alférez_, waagde het om naderbij
+te komen. Men zag 't mes flikkeren en dacht aan de kracht en den
+gemoedstoestand van den jongeman. Allen voelden zich als verlamd.
+
+"Jullie daar, jullie hebben je mond gehouden, nu neem ik 't op me. Ik
+heb gedaan wat ik kon om 't te vermijden. God heeft 't zoo gewild,
+laat God beslissen!"
+
+De jongeman ademde zwaar, maar bleef met ijzeren greep den Franciskaan
+neerdrukken. Tevergeefs wrong en worstelde deze om los te komen.
+
+"Mijn geweten is volkomen rustig, ik voel niet de minste weifeling..."
+
+En om zich heen kijkende, voegde hij eraan toe: "Eerst dit: Is er
+onder u soms iemand die zijn vader niet liefgehad heeft, die alleen
+haat voelt, als hij aan hem denkt, iemand die misschien geboren is
+in schande en vernedering?... Nu? Hoor je, iedereen zwijgt. Zeg,
+priester van een God van vrede, die altijd den mond vol heeft van
+heiligheid en godsvrucht, en je hart vol afschuwelijkheid, jij hebt
+zeker nooit beseft wat een vader is... anders zou je aan den jouwe
+gedacht hebben! Zie je? onder die menschen daar, die jij minacht,
+is er geen een zooals jij. Je bent geoordeeld."
+
+De andere aanwezigen, denkende dat hij een moord zou begaan, kwamen
+in beroering.
+
+"Laat me begaan," schreeuwde Ibarra nogmaals met dreigende
+stem. "Wat? Is er iemand soms bang dat ik mijn handen zal bevuilen
+met onrein bloed? Heb ik dan niet gezegd dat mijn geweten volkomen
+rustig was? Laat ons begaan! Luistert, priesters, rechters, jullie die
+jezelf voor een ander soort menschen houdt, met andere rechten! Mijn
+vader was een man van eer. Vraagt 't gerust aan 't volk hier: dat
+houdt zijn nagedachtenis hoog. Mijn vader was een goed burger: hij
+heeft zich voor mij en 't welzijn van zijn land opgeofferd. Zijn huis
+stond open voor een ieder, aan zijn tafel was plaats voor iederen
+vreemdeling of verschoppeling, die in zijn ellende bij hem om hulp
+kwam! Hij wat een goed christen: hij heeft altijd 't goede gedaan,
+en nooit zwakken onderdrukt of ongelukkigen gekweld... Voor deze man
+heeft hij zijn huis ook opengezet, hij heeft hem aan zijn tafel gehad,
+hij heeft hem zijn vriend genoemd. Hoe is hij daarvoor beloond? De
+man heeft hem belasterd, vervolgd, heeft domme menschen tegen hem
+opgezet door misbruik te maken van zijn heilig ambt. Hij heeft zijn
+graf geschonden, zijn nagedachtenis gehoond en hem zelfs in zijn
+doodsrust vervolgd. En omdat hij daar niet mee tevreden is vervolgt hij
+nu den zoon! Ik heb hem ontweken, ik heb hem vermeden waar ik kon... U
+hebt hem van morgen den preekstoel hooren verontheiligen door mij aan
+'t dweepzieke volk als 't ware met den vinger aan te wijzen. Ik heb
+gezwegen. Nu komt hij hier, om twist met me te zoeken. Ik heb eerst
+in stilte geleden, tot uw verwondering, nietwaar? Maar hij heeft nu
+weer een nagedachtenis beleedigd, die aan iedereen, die zich een
+goed zoon voelt, heilig is... U aanwezigen, priesters, rechters,
+heeft een van u zijn oude vader zijn nachtrust zien opofferen, om
+voor u te werken, hem van u zien scheiden voor uw welzijn, sterven
+van verdriet in de gevangenis, smachtend om u te mogen omhelzen,
+zoekend naar iemand die troosten kon, alleen, ziek en ellendig,
+terwijl u verweg in 't buitenland waart?... Hebt u later zijn naam
+hooren smaden, hebt u ook zijn graf leeg gevonden, toen u er wilde
+bidden? Niet? Zwijgt iedereen? Dan veroordeelt u hem!"
+
+Hij hief het mes op, maar een jong meisje liep ijlings op hem toe en
+hield met haar teedere handen zijn arm tegen. 't Was Maria Clara.
+
+Ibarra keek haar aan alsof hij krankzinnig was geworden. Langzamerhand
+verslapte de krampgreep van zijn vingers en liet hij 't lichaam van
+den monnik los. 't Mes ontgleed hem. En 't gelaat met beide handen
+bedekkend, liep hij door de menigte heen, hard weg.
+
+Spoedig was het gebeurde in 't dorp bekend. In den beginne wilde
+niemand 't gelooven, doch toen men voor de bewijzen zwichten moest,
+uitte een ieder luide zijn verbazing.
+
+Ieder maakte zijn opmerkingen, al naar den graad van zijn zedelijk
+peil.
+
+"Padre Dámaso is dood!" zeiden er sommigen. "Toen ze hem van den grond
+opnamen, was zijn gezicht vol bloed. En hij haalde geen adem meer."
+
+"Laat hem in vrede rusten, maar hij heeft niets dan zijn verdiende
+loon!" riep een jongmensch uit. "Als je 's wist wat hij van morgen in
+'t klooster gedaan heeft... 't Is niet om te zeggen."
+
+"Wat heeft hij gedaan? Heeft hij de coadjutor weer een pak ransel
+gegeven?"
+
+"Wat heeft hij toch gedaan? Kom, vertel 't ons."
+
+"Hebt u van ochtend een Spaansche sinjo gedurende de preek door de
+sakristie de kerk uit zien gaan?"
+
+"Zeker, zeker, dat hebben we gezien. Padre Dámaso keek er nog erg
+naar."
+
+"Nu goed...na de preek heeft hij hem bij zich laten komen, en hem
+gevraagd waarom hij heen was gegaan. 'Ik versta geen Tagaalsch, pater'
+zei hij. 'En waarom heb je ermee gespot en gezegd dat het Grieksch
+was?' Dat schreeuwde hij hem in zijn gezicht, en gaf hem meteen een
+oorvijg. Het jongmensch sloeg terug, en zoo werd 't een formeele
+vechtpartij, totdat ze door andere menschen werden gescheiden."
+
+"Dat moest mij 's overkomen"... mompelde een student binnensmonds.
+
+"Ik keur 't optreden van den Franciskaan af," antwoordde een ander,
+"want godsdienst is iets dat men niemand als straf of boete
+af moet dwingen. Maar ik ben er bijna blij om, want ik ken dat
+jongemensch. Ik weet dat hij van San Pedro Makati komt, en goed
+Tagaalsch spreekt. Tegenwoordig wil hij graag doorgaan voor iemand
+die zoo kersversch uit Rusland is gekomen. En nu meent hij voornaam
+te doen door de taal van zijn ouders te verloochenen."
+
+"Dan is 't maar goed ook dat hij 'op zijn ziel' gehad heeft!"
+
+"En toch moeten we tegen 't gebeurde opkomen," riep een andere student
+uit. "Als we ons stilhielden, zou 't net zijn alsof we 't goed vonden,
+en dan kon 't zelfde een van ons even zoo overkomen. We gaan weer
+naar de tijden van Nero terug!"
+
+"Je vergist je!" gaf een ander te kennen, "Nero was een groot
+kunstenaar, en onze pater Dámaso preekt allerberoerdst!"
+
+De commentaren der oudere menschen waren anders.
+
+Terwijl men in een huisje buiten het dorp op de komst van den
+gouverneur--Capitán Generaal--wachtte, zeide de burgemeester:
+
+"'t Is niet makkelijk te zeggen, wie er gelijk heeft, en wie
+ongelijk. Maar, als meneer Ibarra een beetje meer de voorzichtigheid
+had betracht..."
+
+"Als Padre Dámaso de helft van meneer Ibarra's voorzichtigheid had
+gehad, wilt u misschien zeggen?" viel Don Filipo in. "'t Kwaje is,
+dat ze de rollen verwisseld hebben: de jonge man heeft gehandeld als
+een oud bezadigd man, de oude als een onbesuisd jongmensch."
+
+"En u zegt dat niemand zich verroerde, dat er niemand tusschenbeide
+is gekomen, behalve dan de dochter van Capitán Tiago?" vroeg Capitán
+Martin.
+
+"Geen enkele van de _frailes_, en de _alcalde_ ook niet? Hm! Erger
+kon 't al niet! Ik zou niet graag in 't vel van dat jongemensch
+steken. Niemand zal hem ooit vergeven dat hij bang voor hem geweest
+is. Erger kon 't al niet, hm!"
+
+"Gelooft u dat heusch?" vroeg Capitán Basilio vol belangstelling.
+
+"Ik verwacht", zeide Don Filipo, terwijl hij met dezen een blik
+verwisselde, "dat het dorp hem niet in den steek zal laten. Wij moeten
+niet vergeten wat zijn familie voor ons gedaan heeft, en wat hij nu
+voor ons doet. En als misschien de menschen in 't dorp uit vrees hun
+mond houden en zich niet roeren, dan zullen zijn vrienden..."
+
+"Maar, heeren," vroeg de burgemeester, "wat kunnen wij nu doen? Wat
+kan 't volk doen? Och, wat er ook gebeurt, de monniken krijgen
+altijd gelijk."
+
+"Ze krijgen 'altijd' gelijk, omdat wij hun dat 'altijd' geven,"
+gaf Don Filipo kregelig terug, terwijl hij beide malen sterk op dat
+"altijd" drukte. "Als we maar eens onszelf gelijk gaven, dan zouden we
+'s verder kunnen praten!"
+
+De "gobernadorcillo" krabde zich achter zijn oor, keek naar de
+zoldering, en antwoordde scherp:
+
+"Och, wat 'n warmbloedigheid! 't Lijkt wel alsof u nog niet weet, in
+welk land we zijn en onze landlui niet kent. De _frailes_ zijn rijk en
+steunen elkaar, wij zijn verdeeld en arm. Wel zeker! Probeert u maar
+'s hem te verdedigen, en u zult 's zien hoe ze u alleen laten zitten!"
+
+"Jawel!" riep Don Filipo vol bitterheid uit, "dat zal gebeuren
+zoolang men er zoo over denkt, zoolang vrees en voorzichtigheid
+één blijven. Men let meer op een kwaad dat gebeuren kan, dan op 't
+goede dat noodzakelijk is. Dadelijk doet zich vrees voor in plaats
+van vertrouwen. Iedereen denkt aan zichzelf alleen, niemand aan zijn
+evenmensch. Daarom zijn we allemaal zwak."
+
+"Nu goed, u moet maar 's eerst aan een ander denken en dan aan uzelf,
+en u zult 's zien hoe ze u met de gebakken peren laten zitten! Kent u
+'t Spaansche spreekwoord niet: welbegrepen menschlievendheid begint
+met zichzelf?"
+
+"Waarom zegt u niet liever," antwoordde de teniënte mayor buiten
+zichzelve van ergernis: "dat welbegrepen lafheid begint met zelfzucht
+en eindigt met schande! Ik neem dadelijk mijn ontslag bij den
+_alcalde_: ik ben er beu van, den zot uit te hangen en niemand tot
+nut te wezen... _Adios_!"
+
+De vrouwen waren van een ander gevoelen.
+
+"Och, och!" zuchtte er een, die er goedig uitzag, "die jonge menschen
+toch! Wat zou zijn goeie moeder wel zeggen, als die nog leefde? Och
+God! Als ik toch 's bedenk, dat mijn zoon ook zoo iets kan overkomen,
+want dat 's ook een heethoofd...Och Heerejee! Ik ben bijna jaloersch
+op zijn moeder, die dood is... ik zou doodgaan van verdriet."
+
+"Nu, ik niet," antwoordde een andere vrouw, "ik zou er geen verdriet
+van hebben, als zoo iets aan mijn twee zoons overkwam."
+
+"Wat zegt u, _Capitana_ Maria?" riep de eerste uit, en sloeg de handen
+in elkaar.
+
+"Ik mag 't zien, dat een zoon opkomt voor de nagedachtenis van zijn
+ouders. _Capitana_ Finay, wat zou u wel zeggen als u eens, als weduwe,
+kwaad hoorde spreken van uw man en uw zoon Antonio zijn hoofd boog
+en geen woord er tegenin zei?"
+
+"Ik zou hem mijn zegen niet meer willen geven!" riep een derde uit. 't
+Was zuster Roefa. "Maar..."
+
+"Mijn zegen niet meer geven, dat nooit!" viel de goedige _Capitana_
+Finay in, "een moeder mag zoo iets niet zeggen ...maar ik weet niet,
+wat ik doen zou ... ik weet niet.., ik geloof dat ik 't besterven
+zou...ik zou hem...nee! Lieve God! maar ik zou hem niet meer willen
+zien...maar wat komt 't er toch bij u op aan, _Capitana_ Maria?"
+
+"In allen gevalle," voegde zuster Roefa erbij, "moet men nooit
+vergeten, dat het een groote zonde is, de hand op te heffen tegen
+een gewijd persoon, een heilig man."
+
+"De nagedachtenis van iemands ouders is nog heiliger," hervatte
+_Capitana_ Maria. "Niemand, zelfs de Paus niet, en nog minder Padre
+Dámaso, mag zoo'n heilige nagedachtenis ontwijden!"
+
+"Dat is waar!" mompelde _Capitana_ Finay vol bewondering voor de
+wijsheid der beide anderen, "waar haalt u toch zulke mooie redeneringen
+vandaan?"
+
+"Ja, maar hoe is 't dan met de kerkelijke ban en de verdoemenis?" vond
+la Roefa nog in te brengen. "Wat beteekenen eer en goede naam in dit
+leven, als we onze verdoemenis in 't leven hiernamaals bewerken? Alles
+is vergankelijk, maar de kerkelijke ban...een dienstknecht van Jezus
+Christus...te hoonen... zoo iets kan alleen de Paus vergeven!"
+
+"God zal 't wel vergeven, want 't is zijn gebod vader en moeder
+te eeren. God zal hem niet in den ban doen! En ik zeg u: als dat
+jongmensch in mijn huis komt, dan ontvang ik hem en spreek ik met
+hem. Als ik een dochter had, dan woû ik dat hij mijn schoonzoon werd:
+iemand die een goed zoon is, zal zeker een goed echtgenoot zijn en
+een goed vader ook, gelooft u dat maar, zuster Rufa!"
+
+"Nu, ik denk er anders over. U mag zeggen wat u wilt: al schijnt het
+ook dat u gelijk heeft, ik blijf den pastoor gelooven. Voor alles
+zorg ik voor 't heil van mijn ziel. Wat zegt u, _Capitana_ Finay?"
+
+"Och, wat zal ik u zeggen? U hebt beiden gelijk! Ik weet 't niet, ik
+ben maar 'n dom mensch... Maar ik weet wel, dat ik aan mijn zoon zal
+zeggen, dat hij niet meer studeeren moet! Ze zeggen dat de geleerden
+aan den galg eindigen. Heilige Moeder Gods! En dan woû mijn zoon nog
+wel naar Europa!"
+
+"Wat denkt u dan te doen?"
+
+"Hem zeggen dat hij bij me moet blijven. Wat geeft 't of ie wat meer
+weet? Morgen of overmorgen gaan we toch dood, de geleerde menschen
+evengoed als de domme menschen...de hoofdzaak is in vrede te leven."
+
+En de goede vrouw zuchtte, en sloeg de oogen ten hemel.
+
+"Nu", zei _Capitana_ Maria ernstig, "als ik rijk was zooals u,
+dan zou ik mijn zoons vrij laten reizen: 't zijn jongelieden, en
+'t zullen eenmaal mannen moeten wezen...Ik heb wel niet lang meer te
+leven...we zouden elkaar in 't andere leven terugzien. Zoons moeten
+er naar streven, wat meer te zijn dan hun ouders, en als we ze aan
+den leiband houden, leeren we ze alleen kind zijn?."
+
+"Och, wat 'n vreemde ideën heeft u!" riep Capitana Finay ontsteld uit,
+en sloeg weer de handen in elkaar. "'t Is net of u geen pijn geleden
+heeft, toen u uw tweelingen kreeg!"
+
+"Juist omdat ik ze met pijn ter wereld heb gebracht, en ze behoorlijk
+heb opgevoed, al zijn we nog zoo arm, wil ik niet, dat na al de moeiten
+en zorgen die ze ons gekost hebben het maar halve mannen werden..."
+
+"Ik geloof niet dat u van kinderen houdt, zooals God het
+voorschrijft!" zeide zuster Roefa op eenigszins strengen toon.
+
+"Och, neem me niet kwalijk: iedere moeder houdt van haar kinderen
+op haar eigen manier. Ik heb ze lief om hun zelf. Zoo heeft mijn man
+'t me geleerd."
+
+"Al uw ideën, Capitana Maria," zeide la Roefa op een preektoon,
+"zijn al heel weinig godsdienstig. Wordt u maar 's zuster van den
+Allerheiligsten Rozenkrans, van Sint Franciskus, van Sinte Rita of
+van Sinte Clara!"
+
+"Zuster Roefa, zoodra ik me een waardige zuster van de menschen voel,
+zal ik zien zuster van de heiligen te worden," antwoordde de ander
+lachend.
+
+
+
+Op 't marktplein zitten eenige landlieden te praten onder 't daar
+opgeslagen verhemelte. De man die zooveel ophad met het doktersberoep
+zit erbij.
+
+"Wat me 't meeste spijt," zei deze, "is dat de school nu niet afkomt."
+
+"Hoe zoo, hoe nu?" vroegen de omstanders vol belangstelling.
+
+"Mijn zoon kan nu geen dokter meer worden, wel karrevoerder! Er komt
+niets van! Er komt geen school meer!"
+
+"Wie zegt dat, dat er geen school komen zal?" vroeg een ruwe,
+stoergebouwde boer, met breede kaken en een smal hoofd.
+
+"Ik! De blanke paters hebben gezegd dat Don Crisóstomo een
+_pilibistiro_ is. Er komt geen school!"
+
+Allen keken elkaar vragend aan: die naam was iets nieuws voor hen.
+
+"En is dat iets leelijks, die naam?" waagde ten slotte de stoere
+landbouwer te vragen.
+
+"'t Ergste wat de eene Christen van den ander kan zeggen!"
+
+"Erger dan _tarantado_ en _saragaté_?" [38]
+
+"Was 't dat maar! Daar hebben ze me dikwijls voor uitgescholden,
+en dat heeft me koud gelaten."
+
+"Och kom, 't zal toch niet erger zijn dan 'indio', zooals de _alférez_
+ons noemt." [39]
+
+De man wiens zoontje karrevoerder zou worden, kijkt somberder, de
+ander krabt zich achter zijn oor en denkt na.
+
+"Dan is 't zeker net zooals _bitlopora_, (_vete á la porra_, loop
+naar de weerga!), wat de 'ouwe' van den _alférez_ altijd zegt! Nog
+erger dan dat is spugen op de hostie."
+
+"Nu dan, 't is nog erger dan spugen op de hostie op Goeden Vrijdag,"
+antwoordde hij ernstig. "U zult zich wel herinneren, dat het woord
+_ispitjoso_ [40], als het op iemand toegepast werd, voldoende was om
+te maken, dat de politie van villa-Abrille hem naar een ballingsoord
+of naar de gevangenis bracht. Nu, _pilibistiro_ is veel erger: als
+ze je eenmaal _pilibistiro_ noemen, ga dan maar dadelijk biechten en
+betaal je schulden af, want dan zit er niets anders op dan dat je je
+laat ophangen. Dat zeggen de lui die 't weten kunnen."
+
+Allen waren onder den indruk.
+
+"Ze mogen me dwingen schoenen te dragen en mijn leven lang niets
+anders te drinken dan van die paardenpies, die ze bier noemen, als
+ik me ooit _pilibistiro_ laat noemen!" zwoer onze boer terwijl hij
+zijn vuisten balde. "Nou, als ik Don Crisóstomo was, zoo rijk was,
+en Spaansch kende als hij, en vlug kon eten met mes en lepel zooals
+hij, dan lachte ik om vijf pastoors bij elkaar!"
+
+"De eerste de beste 'guardia civil' die ik kippen zie stelen, noem ik
+_pilibistiro_...en dan ga ik dadelijk biechten", mompelde heel zachtjes
+een der landlieden, terwijl hij zich van 't gezelschap verwijderde.
+
+
+
+
+XXXIV.
+
+'t Eerste wolkje.
+
+
+Ten huize van Capitán Tiago heerschte niet minder verwarring dan in de
+verbeelding der menschen. Maria Clara deed niets anders dan schreien
+en luisterde niet naar de troostwoorden van haar tante en van Andéng,
+haar zoogzuster. Haar vader had haar verboden met Ibarra te spreken,
+zoolang de geestelijken hem geen absolutie van den kerkelijken ban
+hadden gegeven.
+
+Capitán Tiago, die het erg druk had met het in orde brengen van zijn
+huis voor de waardige "ontvangst" van den gouverneur, was naar het
+"klooster" opgeroepen.
+
+"Schrei maar niet, kindje," zeide tante Isabel onder 't zemen der
+glimmende spiegelvlakken, "ze zullen den ban wel opgeheven krijgen,
+ze zullen wel aan zijn Heiligheid den Paus schrijven...we zullen een
+groote gift aan de armen doen...Padre Dámaso heeft alleen maar een
+flauwte gehad...hij is niet dood!"
+
+"Schrei niet," zei Andéng zacht tot haar, "ik zal wel zorgen, dat
+je met hem praten kunt: waartoe dienen anders biechtstoelen, als
+om te kunnen zondigen? Alles wordt vergeven, als je 't maar aan den
+pastoor zegt."
+
+Eindelijk kwam Capitán Tiago! De vrouwen zochten in zijn gelaat het
+antwoord op veel vragen; doch 't gelaat van Capitán Tiago verkondigde
+ontmoediging. De arme man transpireerde. Hij wreef zijn hand langs
+zijn voorhoofd, en kon geen woord uitbrengen.
+
+"Wat is er, Santiago?" vroeg tante Isabel vol bezorgdheid.
+
+Hij antwoordde met een zucht, en wischte zich een traan weg.
+
+"Om Gods wil, spreek toch! Wat is er gebeurd?"
+
+"Wat ik wel gevreesd had!" barstte hij eindelijk half schreiend
+los. "Alles is verloren! Padre Dámaso beveelt me de verloving af
+te breken; als ik 't niet doe, ben ik verdoemd in dit leven en hier
+namaals! Ze zeggen allemaal 't zelfde, zelfs Padre Sibyla! Ik moet de
+deur van mijn huis voor hem sluiten en...ik ben hem meer dan vijftig
+duizend _peso's_ schuldig! Dat heb ik ook aan de paters gezegd, maar
+ze gaven er niks om. Wat verlies je liever, zeiden ze, vijftig duizend
+peso's of je leven en je ziel? Ach, San Antonio! als ik 't geweten had,
+als ik 't geweten had, als ik 't geweten had!"
+
+Maria Clara snikte.
+
+"Schrei niet, mijn kindje," hervatte hij, zich tot haar wendend. "Jij
+bent niet zooals je moeder: die schreide nooit... nooit anders
+dan om een grilletje...Padre Dámaso heeft me gezegd, dat er al een
+familielid van hem uit Spanje is aangekomen...die bestemt hij je
+tot aanstaande..."
+
+Maria Clara hield de ooren dicht.
+
+"Maar Santiago, ben je nu heelemaal gek?" riep tante Isabel. "Haar nu
+met een anderen vrijer aan boord te komen. Denk je dan dat je dochter
+zoo maar van aanstaande verwisselt, alsof ze een ander hemd aantrekt?"
+
+"Dat heb ik ook niet gedacht, Isabel. Don Crisóstomo is
+rijk...Spanjaarden trouwen alleen om 't geld...maar wat wil je dat
+ik eraan doen zal? Ze hebben me met nog een kerkban gedreigd... Ze
+zeggen, dat niet alleen mijn ziel groot gevaar loopt, maar ook mijn
+lichaam ... mijn lichaam, versta je wel, mijn lichaam!"
+
+"Maar jij doet niet anders dan je dochter den moed benemen! Is de
+aartsbisschop niet een vriend van je? Waarom schrijf je dien niet?"
+
+"De aartsbisschop is ook _fraile_, en de aartsbisschop doet niet
+anders dan wat de _frailes_ hem zeggen. Maar Maria, je moet niet
+schreien: de gouverneur komt straks. Hij zal je willen zien, en je hebt
+roode oogen...Och, ik die gedacht had een gelukkigen avond te zullen
+doorbrengen... Zonder die groote tegenspoed zou ik de gelukkigste man
+op aarde wezen, en iedereen zou me benijd hebben...Bedaar wat mijn
+kind: ik ben ongelukkiger dan jij, en ik schrei niet! Jij kunt nog
+een beteren aanstaande krijgen. Maar ik, ik verlies vijftig duizend
+_peso's_! Ach, Heilige Maagd van Antipolo, als 't me vanavond ten
+minste maar wat meeliep!"
+
+'t Knallen van schoten, rollen van rijtuigen, paardengetrappel,
+muziek die de koningsmarsch speelde, kondigden de komst van Z. E. den
+Gouverneur der Filippijnsche eilanden aan. Maria Clara liep weg,
+en verschool zich in haar slaapkamer... Arm meisje! Met haar hart
+speelden grove handen, die er de fijne vezelen niet van kenden!
+
+Terwijl het huis vol menschen liep, en krachtige schreden,
+commando-stemmen, sabel-gerinkel en sporen-geklik overal weerklonken,
+lag het zwaarbezochte jonge meisje neergeknield voor een gravure
+van de Heilige Maagd. Deze was daar voorgesteld in die houding van
+smartelijke verlatenheid, welke alleen Delaroche doorvoeld heeft,
+als had hij haar verraste op 't oogenblik, dat ze 't graf van haar
+zoon verliet.
+
+Maria Clara dacht niet aan de smart dier moeder, ze dacht aan haar
+eigen verdriet. Het hoofd op de borst gezonken en de handen op den
+grond gesteund, geleek ze den stengel eener lelie door den storm
+neergebogen. Een toekomstbeeld, waarvan ze jaren gedroomd, dat ze
+jaren gekoesterd had, welks illusies, opgekomen in de kindsheid en
+opgegroeid met de jeugd, vorm gaven aan de cellen van haar organisme,
+thans uit geest en hart te willen wegwisschen met een enkel woord! Dat
+is 't zelfde als het kloppen van dat hart te doen ophouden, 't licht
+te benemen aan dien geest!
+
+Maria Clara was een even goed en vroom Christin, als een liefhebbende
+dochter. Niet alleen de kerkelijke ban over Ibarra vervulde haar met
+angst: het bevel en de bedreigde rust van haar vader eischten thans
+het offer harer liefde. Ze besefte nu de kracht dezer neiging meer dan
+ooit te voren. 't Was een zachtkens voortglijdende rivier geweest,
+met geurige bloemtapijten aan haar oevers, en fijn zand op haar
+bedding. Haar water werd te nauwernood door den wind gerimpeld. 't Was
+of de stroom allengs minder snel werd, zoo liet ze zich aanzien. Doch
+opeens vernauwen zich haar oevers, steile rotsen beletten haar den
+doortocht, eeuwenoude boomstammen liggen over elkaar als om een dam
+te vormen... O, dan loeit de rivier, dan rijst het water, dan zieden
+de golven, dan stuiven pluimen van schuim, dan beukt ze de rotsen en
+stort zich in den afgrond!
+
+Maria Clara wilde bidden, maar wie bidt er in wanhoop? We bidden
+wanneer we hopen, en anders kunnen we, tot God gewend, slechts
+klachten uiten.
+
+"Mijn God!" kreet haar hart, "waarom moet gij zoo een man uitstooten,
+hem de liefde zijner medemenschen ontzeggen? Gij onthoudt hem niet uw
+zon, noch uw lucht, gij verbergt hem evenmin het gezicht op uw hemel,
+waarom hem de liefde te weigeren, wanneer men leven kan zonder hemel,
+zonder lucht en zonder zon, maar nimmer zonder liefde?"
+
+
+
+
+XXXV.
+
+Zijne Excellentie.
+
+
+"Ik wensch dat jonge mensch te spreken!" zeide Zijne Excellentie tot
+een adjudant, "hij heeft bizonder mijn belangstelling opgewekt."
+
+"Er is al iemand gezonden, om hem te halen, Excellentie. Maar hier
+is een jongmensch uit Manila, dat met veel aandrang om gehoor bij
+u vraagt. We hebben hem gezegd dat u geen tijd had, en dat u niet
+gekomen waart, om audiënties te verleenen, maar om het dorp en de
+processie te zien; maar hij zegt dat Uwe Excellentie altijd tijd
+heeft om recht te doen..."
+
+De gouverneur wendde zich verwonderd tot den alcalde.
+
+"Als ik me niet vergis," antwoordde deze met een lichte buiging,
+"is het dezelfde jonge man, die van morgen een kwestie met Padre
+Dámaso gehad heeft, ter zake van de preek."
+
+"Nogal een! Heeft die geestelijke 't in zijn hoofd gezet de heele
+provincie in beroering te brengen, of gelooft hij, dat hij hier de
+baas is? Laat hem binnen!"
+
+Zijne Excellentie stapte zenuwachtig op en neer, van 't eene uiteinde
+der zaal naar 't andere.
+
+In de wachtkamer waren verscheidene Spanjaarden, samen met militairen
+en overheidspersonen van 't dorp San Diego en naburige plaatsen. In
+groepjes verdeeld, waren ze druk aan 't praten of redetwisten. Ook
+waren daar bijeen al de _frailes_, behalve Padre Dámaso, om hun
+opwachting te maken bij den gouverneur.
+
+"Zijne Excellentie de 'Capitán Generaal' verzoekt uwe weleerwaarden
+een oogenblikje geduld te hebben!" zeide de adjudant. "Wilt u maar
+binnengaan, jongmensch?"
+
+De bewuste Manileen, die Grieksch met Tagaalsch verwarde, trad bleek
+en bevend de zaal binnen.
+
+Allen waren uiterst verbaasd; Zijne Excellentie moest wel zeer
+verstoord wezen, om de monniken te laten wachten. Padre Sibyla zeide:
+
+"Ik heb hem niets te zeggen!...Ik vermors hier mijn tijd!"
+
+"Dat zeg ik ook", voegde een Augustijner eraan toe. "Zullen we maar
+heengaan?"
+
+"Zou 't niet beter zijn dat we ons eerst eens op de hoogte
+stelden, hoe hij denkt?" vroeg Padre Salvi, "dan vermijden we
+een schandaal...en...konden we hem eens herinneren... aan zijn
+verplichtingen jegens...den godsdienst..."
+
+"Uwe weleerwaarden gelieven binnen te komen, als 't u belieft!" zeide
+de adjudant. Het jongmensch, dat geen Grieksch verstond, werd door
+hem uitgeleid, en zijn gezicht straalde nu van voldoening.
+
+Fray Sibyla ging 't eerst binnen; daarna kwamen Padre Salvi, Padre
+Manuel Martin en de andere monniken. Ze groetten nederig, behalve
+Padre Sibyla, die zelfs in zijn buiging een zeker meerderheidsvertoon
+bewaarde.
+
+Padre Salvi daarentegen boog als een knipmes.
+
+"Wie van uwe weleerwaarden is Padre Dámaso?" vroeg Zijne Excellentie
+opeens, nog zonder dat hij hun een stoel geboden, of naar hun
+gezondheid gevraagd had, en zonder tot hen de vleiende complimenten
+te richten, waaraan zulke hooge personages gewoon waren.
+
+"Padre Dámaso is hier niet, meneer!" antwoordde Padre Sibyla op bijna
+denzelfden drogen toon.
+
+"Die dienaar van Uwe Excellentie ligt ziek te bed," voegde Padre
+Salvi er nederig aan toe. "Na 't genoegen gehad te hebben van u te
+begroeten en ons op de hoogte gesteld te hebben van den staat van uw
+gezondheid, zooals het aan alle goede onderdanen van den Koning en
+alle welopgevoede menschen betaamt, kwamen we ook uit naam van dien
+eerbiedigen dienaar van Uwe Excellentie, die 't ongeluk gehad heeft..."
+
+"O!" viel de Capitán Generaal in de rede, terwijl hij een stoel op
+een poot liet ronddraaien, en zenuwachtig lachte, "als alle dienaren
+van Mijne Excellentie zoo waren als de weleerwaarde Pater Dámaso,
+dan zou ik liever zelf Mijne Excellentie dienen!"
+
+De weleerwaarden, die reeds lichamelijk stilstonden, stonden thans
+ook geestelijk stil bij dezen uitval.
+
+"Gaat u zitten, weleerwaarden!" hervatte hij, na een oogenblik zwijgens
+en op ietwat vriendelijker toon.
+
+Capitán Tiago kwam gerokt en op zijn teenen binnen. Hij leidde Maria
+Clara aan de hand, die met onzekere schreden en vol verlegenheid de
+zaal in kwam.
+
+Desondanks maakte ze een bevallige en eerbiedige buiging.
+
+"Is deze jonge dame een dochter van u?" vroeg de gouverneur verwonderd.
+
+"En van Uwe Excellentie!" antwoordde Capitán Tiago hoog-plechtig.
+
+De _alcalde_ en de adjudanten zetten de oogen wijd open. Doch Zijne
+Excellentie vertrok geen spier van zijn gelaat op deze wat vergedreven
+Spaansche hoffelijkheid en stak het jonge meisje de hand toe. Op
+vriendelijken toon zeide hij:
+
+"Gelukkig de vaders die dochters hebben zooals u, mejuffrouw! Ik
+heb met eerbied en bewondering over u hooren spreken...ik verlangde
+u eens te zien; om u dank te zeggen voor de schoone daad, die u
+vandaag heeft volbracht. Ik ben op de hoogte van 'alles,' en wanneer
+ik aan de hooge regeering schrijf, zal ik uw edelmoedig gedrag niet
+vergeten. Veroorloof me inmiddels, mejuffrouw, dat ik namens Zijne
+Majesteit den Koning, dien ik hier vertegenwoordig, en die 'den vrede
+en rust' van zijn trouwe onderdanen liefheeft, en in mijn eigen naam,
+in dien van een vader, die ook dochters heeft van uw leeftijd, u van
+harte dank te zeggen en voor te dragen voor een belooning!"
+
+"Meneer!" ... antwoordde Maria Clara bevend.
+
+Zijne Excellentie ried wat zij wilde zeggen en hervatte:
+
+"'t Is heel goed, mejuffrouw, dat u zich tevreden stelt met de
+goedkeuring van uw eigen geweten en met de achting van uwe medeburgers:
+dat is ook werkelijk de beste belooning, en we moeten ook eigenlijk
+niet meer verlangen. Maar u moet me niet de mooie gelegenheid benemen,
+om te doen zien, dat, zoo de gerechtigheid kan straffen, ze ook weet
+te beloonen, en dat ze niet altijd 'blind' is."
+
+De woorden tusschen aanhalings-teekens waren op beteekenisvolle wijze,
+met verheffing van stem uitgesproken.
+
+"De heer Don Juan Crisóstomo Ibarra wacht de orders van Uwe
+Excellentie!" zeide zijn adjudant met luider stem. Maria Clara
+huiverde.
+
+"O!" riep de Capitán General, "veroorloof me, mejuffrouw, dat ik den
+wensch uitspreek, u terug te mogen zien, voordat ik de plaats verlaat:
+ik heb u nog zeer belangrijke dingen te zeggen. Meneer de _alcalde_,
+u zult me wel op de wandeling willen vergezellen--die doe ik te
+voet--nadat ik een onderhoud onder vier oogen met meneer Ibarra zal
+hebben gehad."
+
+"Uwe Excellentie zal ons veroorloven u te verwittigen," zeide Padre
+Salvi nederig, "dat de heer Ibarra in de kerkelijke ban is..."
+
+Zijne Excellentie viel hem in de rede:
+
+"'t Verheugt me zeer, dat ik niet anders te betreuren heb, dan de
+ongesteldheid van Padre Dámaso, aan wien ik 'oprecht' een 'volledig
+herstel' toewensch; want op zijn leeftijd moet een 'reis naar Spanje'
+om gezondheidsredenen niet bizonder aangenaam wezen. Maar dat hangt
+van hem af... en intusschen wensch ik, dat God de gezondheid van uwe
+weleerwaarden moge behoeden!"
+
+De geestelijken namen afscheid.
+
+"Nu, of 't van hem af zal hangen!" mompelde Padre Salvi onder
+'t heengaan.
+
+"We zullen 's zien wie 't eerst de reis zal maken!" voegde een andere
+Franciskaan er aan toe.
+
+"Ik ga nu dadelijk weg!" zeide Padre Sibyla spijtig.
+
+"En wij naar onze provincie!" zeiden de Augustijners.
+
+Dezen konden het niet zetten dat, door de schuld van een Franciskaan
+de gouverneur hen koel ontvangen had.
+
+In de wachtkamer ontmoetten ze Ibarra, hun gastheer van eenige uren
+te voren.
+
+Ze wisselden geen enkelen groet met hem, wel blikken die heel veel
+zeiden.
+
+De _alcalde_ daarentegen groette hem, toen de monniken weg waren,
+en stak hem familiaar de hand toe. Doch de komst van den adjudant,
+die den jongen man zocht, belette dat het tot een gesprek kwam.
+
+Bij den deur kwam hij Maria Clara tegen: ook hun blikken zeiden veel,
+al was 't heel wat anders dan wat de oogen der _frailes_ uitdrukten.
+
+Ibarra was streng in den rouw. Bedaard trad hij binnen en groette
+diep, ofschoon het bezoek der monniken hem niet veel goeds scheen
+te voorspellen.
+
+De Capitán Generaal trad hem eenige schreden tegemoet.
+
+"'t Doet me recht veel genoegen, meneer Ibarra, u de hand te mogen
+drukken," zeide hij. "Veroorloof me dat ik u hier op vertrouwelijken
+voet ontvang."
+
+Zijne Excellentie sloeg inderdaad den jongeman met blijkbare voldoening
+gade.
+
+"Meneer...u bent wel goed!"
+
+"Uw verwondering is niet vleiend, 't is alsof u zegt dat u geen
+goede ontvangst van me verwachtte: dat is twijfelen aan mijn
+rechtvaardigheid!"
+
+"Een vriendschappelijke ontvangst, meneer, is voor een onbeteekenend
+onderdaan van Zijne Majesteit als ik ben, geen rechtvaardigheid,
+maar een gunst."
+
+"Goed, goed!" zeide Zijne Excellentie en ging zitten, terwijl hij
+den ander een stoel aanwees, "laat u me een oogenblik vrij mijn hart
+uitspreken. Ik ben zeer voldaan over uw gedrag, en ik heb u al aan
+de regeering van Zijne Majesteit voorgedragen voor een decoratie,
+voor uw menschlievend denkbeeld om een school op te richten...Als u
+zich tot mij gewend had, zou ik met genoegen de openingsplechtigheid
+bijgewoond en u misschien een onaangenaamheid bespaard hebben."
+
+"'t Denkbeeld leek me zoo klein", antwoordde de jongeman, "dat ik
+het niet waardig genoeg achtte, om uw aandacht af te roepen van uw
+talrijke bezigheden. Bovendien was het mijn plicht me eerst te richten
+tot de hoogste overheidspersoon in mijn provincie."
+
+Zijne Excellentie bewoog het hoofd met een uitdrukking van voldoening,
+en, steeds gemeenzamer toon aannemende, ging hij voort:
+
+"Wat betreft het ongenoegen dat u met Padre Dámaso gehad heeft,
+moet u niet vreezen en ook geen wrok koesteren: zoolang ik 't bestuur
+voer over deze eilanden zal geen haar op uw hoofd gekrenkt worden. En
+wat de kerkelijke ban aangaat, daar zal ik wel met de aartsbisschop
+over spreken, omdat het noodzakelijk is, ons naar de omstandigheden
+te voegen: hier zouden we niet, zooals in Spanje of daarbuiten in 't
+verlichte Europa, openlijk kunnen lachen om zulke dingen. Toch moet
+u voortaan voorzichtiger wezen. U heeft u tegenover de geestelijke
+orden gesteld, die om hun beteekenis en hun rijkdom ontzien moeten
+worden. Maar ik zal u in bescherming nemen, omdat ik houd van goede
+zoons; 't doet me goed te zien, dat men de nagedachtenis van zijn
+ouders eert. Ik heb de mijne ook liefgehad, en bij God! ik weet niet
+wat ik in uw plaats wel gedaan zou hebben..."
+
+En, snel van gesprek veranderend, vroeg hij:
+
+"Men heeft me gezegd, dat u pas uit Europa terug is. Bent u in Madrid
+geweest?"
+
+"Jawel, meneer, eenige maanden."
+
+"Heeft u misschien van mijn familie gehoord?"
+
+"U was juist vertrokken, toen ik de eer had met uw familie in kennis
+gebracht te worden."
+
+"En hoe komt het dan, dat u zonder eenige aanbeveling hier teruggekomen
+is?"
+
+Ibarra boog en zeide: "Omdat ik niet rechtstreeks uit Spanje kom,
+meneer, en omdat ik wetende hoe uw karakter was, gemeend heb, dat
+een aanbeveling niet alleen onnut, maar zelfs beleedigend zou wezen;
+wij Filippijners zijn u allen goed aanbevolen."
+
+Een glimlach teekende zich op de lippen van den krijgsman. Langzaam,
+als wikte en woog hij zijn woorden, hervatte hij:
+
+"Erg vleiend voor me dat u zoo denkt en...zoo moet het ook
+wezen! Niettemin zal 't u, jongeman, niet onbekend zijn, welke
+zware lasten ons hier op de Filippijnen drukken. Hier moeten wij,
+oud-militairen, alles doen en alles zijn: koning, minister van
+buitenlandsche zaken, van oorlog, van binnenlandsche zaken, van
+financiën, van justitie enz. en 't ergste is nog, dat we voor iedere
+zaak 't verre moederland hebben te raadplegen. Dat keurt, al naar
+omstandigheden, goed of af, soms in den blinde, wat wij voorstellen of
+afraden. U weet hoe 't gaat: wie te veel hooi op zijn vork neemt... We
+komen bovendien meestal met heel weinig kennis van het land, en we
+gaan weer heen, wanneer we 't beginnen te leeren kennen. Tegenover
+u kan ik vrij-uit spreken, want 't zou geen nut hebben, iets anders
+voor te wenden. Zoodat, als in Spanje waar iedere tak van dienst zijn
+minister heeft, geboren en getogen op de plaats zelf, waar een pers is
+en een openbare meening; waar de vrije oppositie het bestuur de oogen
+opent en het voorlicht, als daar alles onvolmaakt en gebrekkig gaat,
+is 't wel een wonder dat hier niet alles een warboel is, waar we die
+voordeelen missen, en er in 't verborgene een machtiger oppositie
+leeft en werkt.
+
+"Ons bestuurders ontbreekt de goede wil niet, maar we zien ons
+gedwongen ons te bedienen van een andermans oogen en armen, die we
+gewoonlijk niet kennen, en die wellicht in plaats van hun land te
+dienen, alleen hun eigen belang dienen. Dat is onze schuld niet: dat
+ligt aan de omstandigheden. De monniken helpen ons niet weinig om uit
+de moeilijkheid te komen, maar dat is niet meer voldoende...u boezemt
+me belangstelling in, en ik wenschte wel dat de onvolmaaktheid van
+ons bestuurstelsel u in niets benadeelde...ik kan niet voor iedereen
+waken, en niet iedereen kan naar mij toekomen om hulp. Kan ik u van
+dienst zijn in 't een of ander? Heeft u iets te verzoeken?"
+
+Ibarra dacht even na.
+
+"Meneer," antwoordde hij, "mijn grootste wensch is 't geluk van
+mijn land, een geluk dat ik zoo gaarne verschuldigd zou zien aan het
+moederland en aan de inspanning van mijn medeburgers: die zijn immers
+door eeuwige banden van gemeenschappelijke bedoelingen en belangen
+verbonden. Wat ik vraag kan het bestuur alleen geven na veel jaren
+van aanhoudenden arbeid en doeltreffende hervormingen."
+
+Zijne Excellentie keek hem eenige seconden aan met een blik, dien
+Ibarra ongedwongen teruggaf.
+
+"U bent de eerste man met wien ik spreek in dit land," riep hij uit,
+hem de hand toestekend.
+
+"Uwe Excellentie heeft alleen maar de kruiperige stedelingen leeren
+kennen, u kent onze eenvoudige dorpelingen niet: anders had u wel echte
+mannen gezien, als een edelmoedig hart en een eenvoudige levenswijze
+voldoende zijn om iemand een echt man te doen noemen."
+
+De gouverneur stond op, en begon in de zaal heen en weer te stappen.
+
+"Meneer Ibarra," riep hij opeens stilstaande. De jongeman stond
+ook op. "Binnen een maand vertrek ik misschien. Uw opvoeding en uw
+denkbeelden zijn niet geschikt voor dit land. Verkoopt u alles wat
+u bezit, pak uw koffers, en ga met mij mee naar Europa: dat is een
+betere luchtstreek voor u."
+
+"Ik zal de herinnering aan uw goedheid steeds mijn leven lang
+bewaren!" antwoordde Ibarra eenigszins ontroerd, "maar ik moet blijven
+wonen in 't land, waar mijn ouders geleefd hebben..."
+
+"Waar ze gestorven zijn, zou juister gezegd zijn! Gelooft u me,
+misschien ken ik uw land nog beter dan u zelf..."
+
+"Och! Nu herinner ik me!" riep hij uit, van toon veranderend, "u gaat
+trouwen met een allerliefst jongmeisje, en ik houd u maar op. Gaat
+u maar, gaat u maar naar haar toe, en stuur me haar vader maar, dan
+heeft u meer vrijheid", voegde hij er lachend aan toe. "Maar u moet
+niet vergeten dat ik straks met u wandelen wil."
+
+Ibarra groette, en ging heen.
+
+De gouverneur riep zijn adjudant.
+
+"Ik ben voldaan!" zeide hij, en tikte hem met de vlakke hand op den
+schouder, "ik heb vandaag voor 't eerst gezien, hoe men een goed
+Spanjaard kan wezen en tegelijkertijd een goed Filippijner, die zijn
+land liefheeft. Ik heb vandaag eindelijk eens die 'weleerwaarden'
+duidelijk gemaakt, dat we hier niet allemaal hun speeltuig zijn:
+dit jongemensch heeft me de gelegenheid verschaft en ik zal gauw met
+dien _fraile_ afrekenen. Jammer dat die jongeman den een of anderen
+dag ... maar roept u 's den _alcalde_!"
+
+Deze verscheen onmiddellijk.
+
+"Meneer de alcalde," zeide hij hem dadelijk bij 't binnentreden,
+"om te vermijden dat er weer zulke tooneelen komen als dat waar u
+bij is geweest, toonelen, die ik betreur, omdat ze 't prestige van
+'t bestuur en van alle Spanjaarden afbreuk doen, veroorloof ik me,
+u met grooten aandrang den heer Ibarra aan te bevelen, opdat u hem
+niet alleen de middelen verschaffe om zijn vaderlandslievende plannen
+uit te voeren, maar u ook vermijde, dat hem voortaan personen, van
+welken stand of onder welk voorwendsel ook, lastig vallen."
+
+De _alcalde_ begreep de terechtwijzing, en boog, om zijn ontroering
+te verbergen.
+
+"Laat u 't zelfde aan den _alférez_ zeggen die hier de sectie
+kommandeert. En gaat u 's na, of het waar is, dat deze meneer op zijn
+eigen houtje handelt, buiten zijn reglementen om. Ik heb daarover
+meer dan één klacht gehad."
+
+Capitán Tiago verscheen, strak en glimmend van de stijfsel.
+
+"Don Santiago," zei Zijne Excellentie op vriendelijken toon tot hem,
+"kort geleden wenschte ik u geluk, omdat u een dochter heeft als
+mejuffrouw de los Santos. Nu feliciteer ik u met uw aanstaanden
+schoonzoon: de deugdzaamste onder de dochters is stellig waardig de
+vrouw te worden van den besten burger op de Filippijnen. Mag ik ook
+weten wanneer de bruiloft zal wezen?"
+
+"Meneer!..." stamelde Capitán Tiago, en hij veegde het zweet af,
+dat hem over zijn voorhoofd liep.
+
+"Komaan, ik zie dat er nog niets bepaald is! Als u soms nog een
+bruidsjonker noodig heeft, bied ik me met het grootste genoegen
+aan. Dat zou wezen om de nare nasmaak weg te maken van al de bruiloften
+waarop ik tot nu toe bruidsjonker geweest ben!" liet hij volgen,
+terwijl hij zich tot den _alcalde_ wendde.
+
+"Ja, meneer!" antwoordde Capitán Tiago met een glimlach, die
+hartroerend was.
+
+Ibarra liep bijna hard, om naar Maria Clara toe te gaan: hij had haar
+zooveel te zeggen en te vertellen.
+
+Hij hoorde vroolijke stemmen in een der kamers, en klopte zachtjes
+op de deur.
+
+"Wie klopt daar?" vroeg Maria Clara.
+
+"Ik!"
+
+De stemmen bij de deur zwegen, en de deur...ging niet open.
+
+"Ik ben 't, mag ik binnen?" vroeg de jongeman, wiens hart hevig klopte.
+
+'t Bleef stil. Eenige oogenblikken later kwamen er lichte schreden
+naar de deur, en de vroolijke stem van Sinang zeide zacht door het
+sleutelgat:
+
+"Crisóstomo, we gaan vanavond naar de comedie. Schrijf wat je Maria
+Clara te zeggen hebt."
+
+En de schreden verwijderden zich weer, even snel als ze gekomen waren.
+
+"Wat moet dat nu beteekenen?" mompelde Ibarra in gepeins, terwijl
+hij langzaam heenging.
+
+
+
+
+XXXVI.
+
+De processie.
+
+
+'s Avonds, toen al de lantarens der vensters reeds aangestoken waren,
+trok de processie voor de vierde maal uit, bij 't luiden der klokken
+en het welbekende geknal en geschiet.
+
+De gouverneur, die te voet uit was gegaan, vergezeld van zijn beide
+adjudanten, Capitán Tiago, den _alcalde_, den _alférez_ en Ibarra, en
+voorafgegaan door _guardias civiles_ en overheidspersonen die den weg
+open hielden, werd uitgenoodigd om de processie te zien voorbijgaan
+ten huize van den burgemeester. Deze had een plankier voor zijn
+huis laten aanbrengen, om daar een _loa_ (loflied) ter eere van den
+schutsheilige te laten voordragen.
+
+Ibarra zou met genoegen ervan afgezien hebben, dit dichtgewrocht
+te hooren, en liever de processie hebben zien voorbijgaan in 't
+huis van Capitán Tiago, waar Maria Clara met haar vriendinnen zou
+gebleven zijn, doch Zijne Excellentie wenschte de _loa_ te hooren,
+en er zat dus voor hem niets anders op, dan zich te troosten met de
+hoop, haar in de komedie te zien.
+
+De processie begon met de zilveren kerkkandelabers, gedragen door drie
+gehandschoende kosters. Daarna volgden de schoolkinderen, vergezeld
+door hun meester; dan de jongens met de papieren lantarens van allerlei
+vorm en kleur aan een naar eigen smaak versierde bamboe vastgemaakt:
+deze illuminatie toch werd door de jeugd in iedere wijk zelf bekostigd.
+
+In 't midden liepen politie-mannen heen en weer, om de orde te
+handhaven, waarvoor ze zich van hun rotan-stokken bedienden.
+
+Tegelijkertijd dat deze mannen gratis klappen uitdeelden, gaven
+anderen, als troost aan de slachtoffers, kaarsen van verschillende
+afmetingen, eveneens gratis.
+
+"Meneer de alcalde", zeide Ibarra zacht, "worden die klappen uitgedeeld
+als straf voor gedaan kwaad, of alleen voor plezier?"
+
+"U heeft eigenlijk gelijk, meneer Ibarra!" antwoordde de gouverneur,
+die de vraag gehoord had. "Dat...barbaarsche gedoe verbaast iedereen
+die uit andere landen komt. 't Moest verboden worden."
+
+Zonder dat men kon verklaren waarom, was de eerste heilige die
+verscheen Johannes de Dooper. Men zou zeggen, dat hij niet erg in
+aanzien was: zijn beenen en voeten waren als van een jongmeisje,
+zijn gelaat dat van een kluizenaar, maar hij werd gedragen op een
+oude houten baar, en een troepje jongens, met onaangestoken papieren
+lantarens, die heimelijk elkaar stompen gaven, verduisterden zijn
+glorie.
+
+De heilige Franciskus, die volgde, werd op een prachtige kar vervoerd,
+die omringd was van lichtjes en glazen lantarens. Een muziekkorps
+vergezelde het schitterende voertuig.
+
+Hierna kwam een vaandel, waarop dezelfde heilige was afgebeeld,
+maar met zeven vleugels. Het werd gedragen door de Hermanos Ferceros
+of "Derde broeders," die in grauwe pijen gekleed waren en luide
+en klagend gebeden opdreunden. Op eveneens onverklaarbare wijze
+volgde Maria Magdalena, een zeer fraai beeld met overvloedig haar,
+een doorschijnend fijne geborduurde zakdoek tusschen de met ringen
+bedekte vingers, en in een zijden met gouden plaatjes versierd
+kleed. Lampen en wierookvaten omzwierden haar. Men zag haar glazen
+tranen de kleuren van 't bengaalsch licht weerkaatsen, dat aan de
+processie een fantastisch aanzien gaf, zoodat de heilige zondares nu
+eens groen, dan rood, en andermaal blauw schreide. De huizen begonnen
+dit licht eerst af te steken toen de heilige Franciskus voorbijkwam;
+Johannes de Dooper genoot deze eer niet, en ging haastig voorbij,
+verlegen dat hij de eenige was die in dierenhuiden gekleed ging,
+onder zooveel met goud en edelgesteenten bedekte menschen.
+
+"Daar komt onze heilige!" zeide de dochter van den burgemeester tot
+haar bezoeksters: "ik heb haar mijn ringen geleend, maar 't is om
+den hemel te verdienen."
+
+De lichtdragers hielden stil rondom het plankier, om naar de _loa_
+te luisteren, de heiligen deden 't zelfde. Zij, die Johannes den
+Dooper droegen, werden moe van 't wachten, zetten zich op hun hurken,
+en vonden 't goed hem op den grond te zetten.
+
+"De politie zal aanmerking maken," zei er een.
+
+"En in de sakristie dan? Daar laten ze 'm in een hoek tusschen de
+spinnewebben!..."
+
+En Sint Jan, eenmaal op den grond, werd nu geheel een man van 't volk.
+
+Na de Magdalena kwamen de vrouwen: alleen was hier de volgorde anders
+dan bij de mannen, want in plaats van met de jongen te beginnen kwamen
+hier eerst de oudjes terwijl de jonge meisjes de stoet afsloten tot
+de kar der Heilige Maagd, waarachter de pastoor onder zijn troonhemel
+liep. Deze gewoonte was overgenomen van Padre Dámaso, die zeide: De
+Heilige Maagd houdt van de jonge meisjes, niet van de oudjes. Iets
+dat veel vrome besjes lang niet prettig stemde, maar 't was nu eenmaal
+de smaak van Onze Lieve Vrouw.
+
+Sint Jakob (San Diego) volgde op Magdalena, ofschoon hij zich
+daarover niet scheen te verheugen, want hij bleef boetvaardig kijken
+evenals in den ochtend, toen hij achter Sint Franciskus aankwam. Zes
+"Derde-zusters" trokken zijn kar vooruit, om de een of andere gelofte
+of ziekte: een feit is 't dat ze trokken, en met allen ijver. Sint
+Jakob hield stil voor 't plankier, en wachtte tot men hem groette.
+
+Doch er moest gewacht worden op de kar van de Heilige Maagd,
+voorafgegaan door als spoken gekleede menschen. De kinderen waren
+er bang voor, en daarom hoorde men een voortdurend geschrei en
+gegil. Evenwel zag men te midden van die donkere massa plechtgewaden,
+monniks- en nonnekappen en hoorde, bij 't eentonig neusgeluid der
+gebeden, als witte jasmijnen, als frissche _tjampaka's_ tusschen oude
+vodden, twaalf meisjes met witte pakjes en bloemkransen op 't hoofd,
+met krullend haar en stralenden blik. 't Leken kleine lichtgeniën
+in gevangenschap van spoken. Ze hielden allen twee breede blauwe
+linten vast, die verbonden waren aan de kar van de Heilige Maagd,
+en deden denken aan de duiven die de kar der Lente voorttrekken.
+
+Na lang wachten verscheen uit een gordijn een aardig kereltje met
+vleugels, rijlaarzen, een sjerp, een ceintuur en een hoed met pluimen.
+
+De verzen die 't ventje voordroeg waren in 't Latijn, Tagaalsch en
+Spaansch, en oogstten veel bijval, al verstond men er weinig van.
+
+Daarna zette de stoet zich weer in beweging: Sint Jan vervolgde
+zijn lijdensweg.
+
+Toen 't beeld der Maagd voorbij Capitán Tiago's huis kwam, begroette
+een hemels gezang het met de woorden van den aartsengel. 't Was een
+teedere melodieuze smeekende stem, die 't "Ave Maria" van Gounod
+uitschreide, zich zelf begeleidend op de piano. De processiemuziek
+zweeg, het bid-gedreun verstomde, en zelfs Padre Salvi stond stil. De
+stem deed innig aan en ontrukte tranen: ze drukte meer uit dan een
+groet, 't was een bede en een klacht tegelijk.
+
+Ibarra hoorde de stem aan 't venster waar hij zat, en ontzetting en
+weemoed daalden in zijn hart. Hij begreep wat die ziel leed en in een
+lied uitdrukte, en hij vreesde zichzelf naar de oorzaak van dat leed
+te vragen.
+
+Somber en in gedachten verdiept vond hem de gouverneur: "u moet aan
+tafel bij me zitten," zeide hij tot hem, "daar zullen we 's spreken
+over die kinderen, die verdwenen zijn."
+
+"Zou ik de oorzaak wezen?" zeide de jonge man bij zich zelf en volgde
+met een leege blik werktuigelijk Zijne Excellentie.
+
+
+
+
+XXXVII.
+
+Doña Consolación.
+
+
+Waarom zijn de vensters in 't huis van den _alférez_ gesloten? Waar
+waren, terwijl de processie voorbijtrok, het mannelijk gelaat en de
+flanellen blouse der Muze van de guardia Civiel? Zou Doña Consolación
+begrepen hebben, hoe onwelkom haar voorhoofd was, met de dikke aderen
+erop, die wel azijn en gal schenen te bevatten in plaats van bloed,
+en de dikke sigaar, waardig sieraad van haar roode lippen, en haar
+jaloersche blikken? En heeft ze, zwichtend voor een opwelling van
+edelmoedigheid met haar akelige verschijning de volksvreugde niet
+willen verstoren? Niet waarschijnlijk.
+
+Het huis vertoont geen lantarens, noch vlaggen. Als de schildwacht
+niet voor de deur op en neer geloopen had, zou men gezegd hebben dat
+het huis onbewoond was.
+
+Een zwak licht scheen in de ontredderde voorkamer, en maakte de vuile
+schelpen, die als ruiten dienst deden en vol met spinnewebben en stof
+zaten, doorschijnend. De vrouw des huizes, ouder gewoonte luierend,
+dommelde in een grooten leuningstoel. Ze was gekleed als alle dagen,
+dat wil zeggen: vreeselijk slordig; als eenige hoofdtooi een doekje,
+waaruit sprietige, korte, verwarde lokken te voorschijn kwamen;
+de blauwflanellen blouse, over een hemd dat wit moest geweest zijn,
+een verkleurde rok, gespannen over de magere platte dijen, die nu
+over elkaar geslagen waren en koortsachtig trilden. Uit haar mond
+kwamen van tijd tot tijd gulpen rook, die ze met verveling wegblies
+in de ruimte, waarin ze staarde, wanneer ze de oogen opendeed.
+
+Die ochtend was onze dame niet naar de mis geweest; niet omdat ze
+niet gewild had, integendeel, ze had zich gaarne aan de menigte
+vertoond en de preek gehoord, maar haar man had het haar niet
+toegestaan. En, zooals altijd, was het verbod gepaard gegaan met
+een paar scheldwoorden, vloeken en schop-dreigementen. De _alférez_
+begreep dat zijn vrouw belachelijk gekleed ging, dat ze den indruk
+maakte van een soldaten-slet, en dat het niet te pas kwam, haar bloot
+te stellen aan de blikken van de hooge lui van de hoofdplaats of aan
+de vreemdelingen.
+
+Doch zij vatte het anders op. Ze was overtuigd dat ze mooi was en
+aantrekkelijk, dat ze de voornaamheid van een koningin bezat, en dat
+ze veel beter en met meer weelde gekleed ging dan zelfs Maria Clara:
+deze droeg immers een gewone _tapis_ (kain), zij een rok. 't Was
+bepaald noodig dat de _alférez_ haar zeide: "Hou nu je mond, of ik
+schop je naar je negerij terug!"
+
+Doña Consolación had geen zin om naar haar negerij teruggeschopt te
+worden, maar zon op wraak.
+
+'t Donkere gelaat onzer dame was nooit bizonder vertrouwenwekkend
+geweest, ook niet wanneer ze zich opverfde, maar dien morgen was ze
+zeer verontrustend, vooral toen men haar van den eenen kant van 't
+huis naar de andere stil en, als overpeinsde ze iets schrikkelijks
+of kwaadaardigs, zag stappen. Haar blik had den weerschijn die
+uit de pupil van een slang licht, wanneer deze, gevangen, straks
+doodgetrapt zal worden: hij was koud, fel doordringend, en had iets
+weerzinwekkends wreeds.
+
+Het kleinste vergrijp, het onbeteekenendste gedruisch ontrukten haar
+een schandelijk leelijk scheldwoord, dat tot in de ziel griefde, maar
+niemand antwoordde: zich verontschuldigen zou een nieuwe misdaad wezen.
+
+Zoo ging de dag voorbij. Geen enkel verzet tegenover zich ziende--haar
+man was uitgevraagd--raakte ze vol gal: 't was net of de cellen van
+haar organisme zich laadden met elektriciteit, en ieder oogenblik
+dreigden uit-een te barsten in een orkaan van straattaal. Alles
+om haar boog zich, als de korenaren bij 't eerste blazen van den
+storm. Ze vond geen weerstand, ze trof geen enkel uitsteeksel, geen
+enkele verhevenheid om haar boos humeur op te kunnen uitstorten:
+soldaten en bedienden kropen langs en om haar.
+
+Om het feestgedruisch niet te hooren, beval ze de ramen te sluiten,
+en droeg ze den schildwacht op, niemand te laten voorbijgaan. Ze bond
+zich een doekje om het hoofd, als om te beletten dat het uitelkaar
+zou springen, en, ofschoon de zon nog hoog aan den hemel stond,
+gaf ze bevel de lichten aan te steken.
+
+Sisa werd, zooals we gezien hebben, als rustverstoorster opgepakt
+en naar de kazerne gebracht. De _alférez_ was er toen niet, en de
+ongelukkige moest de nacht op een bank doorbrengen, waar ze met een
+strakken onverschilligen blik op neerzat. Den volgenden dag zag de
+_alférez_ haar, en daar hij in die dagen van rumoer bang voor haar was,
+en geen onaangenaam schouwspel wilde geven, droeg hij de soldaten op,
+haar te bewaken, haar met medelijden te behandelen en haar eten te
+geven. Zoo bracht de waanzinnige twee dagen door.
+
+Deze nacht, hetzij dat door de nabijheid van Capitán Tiago's huis het
+droevige zingen van Maria Clara tot haar was doorgedrongen, hetzij
+dat andere muziek haar oude liederen wakker riepen, hoe 't ook zij,
+Sisa begon ook met haar lieve weemoedige stem de _koendiman_ (zangen)
+van haar jeugd te zingen. De soldaten hoorden haar en zwegen: och,
+die melodieën riepen oude herinneringen wakker, herinneringen uit
+den tijd toen ze nog onbedorven waren.
+
+Doña Consolación hoorde haar ook in haar verveling, en toen ze vernam
+wie daar zong, beval ze na eenige oogenblikken nadenken:
+
+"Laat haar dadelijk hier bovenkomen." Iets als een glimlach vloog
+over haar dorre lippen.
+
+Men bracht Sisa, die zonder eenige verlegenheid, verwondering of
+vrees te toonen, verscheen. 't Was of ze onze dame in 't geheel
+niet zag. Dit kwetste de ijdelheid onzer Muze, die eerbied en ontzag
+wenschte in te boezemen.
+
+De _alféreza_ kuchte, gaf den soldaten een teeken dat ze heen konden
+gaan, en de zweep van haar man van een spijker aan den wand nemende,
+zeide ze op onheilspellenden toon tot de krankzinnige:
+
+"Kom, nu zingen!" Dit ging in dooreengehaspeld Tagaalsch en
+Spaansch. Sisa begreep haar natuurlijk niet, en deze onwetendheid
+bezwoer haar toorn.
+
+Een van de schoone eigenschappen dezer dame was, dat ze deed alsof
+ze de landstaal niet kende, zoodat ze die zoo slecht mogelijk sprak:
+zoo meende ze den indruk te maken van een echte Europeesche. En
+daar deed ze goed aan, want, zoo ze al het Tagaalsch verminkte,
+het Spaansch kwam uit haar mond niet beter voor den dag, noch wat
+taalregels, noch wat uitspraak betrof. En toch had haar man alle
+mogelijke moeite gedaan om haar die te leeren. En menige kneep,
+menige stomp, menigen stokslag hadden de lessen haar gekost!
+
+Tooneelen van ergernis over onbegrijpelijkheid der leerlinge kwamen
+telkens voor. Haar man, toen nog korporaal, terwijl zij waschvrouw
+was, berekende met smart dat zijn wederhelft na tien jaar het spreken
+geheel-en-al zou verleerd zijn. Toen ze trouwden, verstond zij nog
+Tagaalsch en kon zich verstaanbaar maken in 't Spaansch, nu, in
+den tijd van ons verhaal, sprak ze geen van beide meer: ze had een
+groote liefhebberij opgevat voor gebarentaal, en daarbij bezigde ze
+de luidruchtigste en raakste.
+
+Sisa trof het dus, dat ze haar niet begreep. Haar wenkbrauwen wat
+ontspannend, lachte ze even met voldoening: ongetwijfeld kende ze
+'t Tagaalsch niet meer, was ze dus een Europeesche.
+
+"Oppasser, zeg aan deze vrouw in 't Tagaalsch, dat ze zingen moet. Ze
+verstaat me niet, ze kent geen Spaansch."
+
+De krankzinnige begreep den oppasser en zong het lied dat ze in den
+nacht gezongen had.
+
+Doña Consolación luisterde eerst met een spotlachje op de lippen, doch
+dit verdween allengs, ze begon aandachtig te worden, daarna ernstig
+en eenigszins in gepeins verzonken. De stem, de zin der verzen en
+de zang zelf maakten indruk op haar: dat dorre, droge hart dorstte
+wellicht naar regen. Zij begreep het goed: "De droefheid, de koude
+en de vochtigheid, die uit den hemel nederdalen, gehuld in den mantel
+der nacht," zooals de _koendiman_ luidde, "'t scheen haar dat ze ook
+haar pracht tentoongespreid had, verlangend naar bijval en vol van
+ijdelheid, bij 't vallen van den avond berouwvol en ontgoocheld, doet
+een poging om haar verwelkte bloemblaadjes op te heffen naar den hemel,
+vragend om een weinig schaduw, waar ze weg kan schuilen en sterven,
+zonder den spot van 't licht dat haar zag in haar glorie, zonder de
+ijdelheid van haar trots te zien, en dat ook een weinig dauw moge
+schreien over haar. De nachtvogel verlaat zijn eenzaam schuil-oord,
+de holte in den ouden boomstam, en verstoort de weemoed der wouden..."
+
+"Nee, niet zingen", riep de vrouw van den _alférez_, nu in uitstekend
+Tagaalsch, terwijl ze zenuwachtig opstond. "Zing niet meer! Die
+woorden doen me pijn!"
+
+De krankzinnige zweeg. De oppasser liet zich ontvallen: "Wel, ze kent
+waarachtig Tagaalsch!" en hij stond vol verbazing zijn meesteres aan
+te kijken.
+
+Deze begreep dat ze zich verraden had. Ze schaamde zich, en daar haar
+aard onvrouwelijk was, nam de schaamte den vorm van woede en haat
+aan. Ze wees den onvoorzichtigen oppasser de deur, en sloot deze met
+een trap achter hem. Ze liep eenige malen door het vertrek heen en
+weer, terwijl ze de zweep in haar pezige handen verwrong. En op eens,
+stilstaande voor de krankzinnige, zeide ze in 't Spaansch:
+
+"Dans!"
+
+Sisa verroerde zich niet.
+
+"Dans! Dans!" herhaalde ze op dreigenden toon.
+
+De krankzinnige keek haar aan met leege, zinlooze oogen.
+
+De _alféreza_ hief Sisa's eenen arm op, daarna den andere en schudde
+dien heen en weer: 't gaf niets, ze begreep 't niet.
+
+De andere begon te springen, zich te bewegen, terwijl ze de
+krankzinnige aanzette, om haar na te doen. Men hoorde uit de verte
+de processie-muziek een statigen ernstigen marsch spelen, maar onze
+dame maakte woeste sprongen op een andere maat, een andere muziek:
+die, welke in haar binnenste weerklonk. Sisa keek haar roerloos
+aan. Iets als nieuwsgierigheid teekende zich in haar oogen, en een
+zwakke glimlach bewoog haar bleeke lippen: ze vond het dansen van
+die dame wel leuk.
+
+Deze hield als verlegen op, zwaaide de zweep, de vreeselijke zweep,
+zoo welbekend bij dieven en soldaten, te Aelongo gemaakt en door den
+_alférez_ verbeterd met ingevlochten ijzerdraad, en zeide:
+
+"Nu is 't jouw beurt om te dansen--dans!"
+
+En ze begon zachtjes op de bloote voeten der krankzinnige te
+slaan. Deze vertrok haar gezicht van pijn, en bracht de handen aan
+de voeten, om deze te beschermen.
+
+"Aha! Je begint al!" riep de ander met woeste vreugde, en van 't
+"lento" ging ze over in een "allegro vivace."
+
+De ongelukkige stiet een kreet van pijn uit, en hief levendig den
+voet op.
+
+"Zul je dansen ... zwarte h...?" zeide onze dame, en de zweep zwierde
+en zwiepte door de lucht.
+
+Sisa liet zich op den grond vallen, bracht beide handen aan haar
+beenen, en keek haar beul met uitpuilende oogen aan. Twee harde
+zweepslagen op den rug deden haar opstaan: 't was geen kreet meer,
+'t was een gehuil dat de ongelukkige uitstiet. Het dunne hemd scheurde,
+de huid ging stuk, en er vertoonde zich bloed.
+
+Het gezicht van 't bloed deed Doña
+Consolación's opwinding nog toenemen.
+
+"Dans, dans, vervloekte ellendeling! De moeder die je ter wereld
+bracht mag verdoemd zijn!" riep ze. "Dans of ik ransel je dood!"
+
+En zij zelf, haar aanvattend met de eene hand en haar geeselend met
+de andere, begon te springen en te dansen.
+
+De krankzinnige begreep haar ten slotte, en volgde, de armen ongeregeld
+heen en weer bewegend. Een glimlach van voldoening vertrok de lippen
+der leermeesteres, de glimlach van een vrouwelijke Mefisto, die erin
+slaagt een groote leerling te krijgen. Er lagen haat, minachting,
+spot en wreedheid in; een schaterlach had niet meer kunnen uitdrukken.
+
+En, verdiept in 't genieten van dit schouwspel, hoorde ze haar man
+niet aankomen, voordat de deur op luidruchtige wijze opengetrapt werd.
+
+De _alférez_ stond bleek en somber kijkend vóór haar. Hij zag wat
+er voorviel, en wierp zijn vrouw een vreeselijken blik toe. Deze
+verroerde zich niet van haar plaats en bleef cynisch lachen.
+
+De _alférez_ legde zoo zacht als hij kon de hand op den schouder der
+zonderlinge danseres, en deed haar stilhouden. De krankzinnige kwam
+op adem, en ging langzaam op den met bloed bevlekten grond zitten.
+
+De stilte hield aan. De _alférez_ ademde zwaar. Zijn vrouw, die hem
+met vragende oogen gadesloeg, raapte de zweep op en vroeg hem bedaard
+en langzaam:
+
+"Wat overkomt je? Je hebt me niet eens nog gegroet!"
+
+De _alférez_ antwoordde niet, maar riep den oppasser.
+
+"Neem deze vrouw mee," zeide hij, "laat Marta haar een ander hemd
+geven, en haar behandelen! Jij moet haar goed te eten geven, en een
+bed... voorzichtig, als ze slecht behandeld wordt! Morgen moet ze naar
+'t huis van meneer Ibarra gebracht worden."
+
+Daarna sloot hij zorgvuldig de deur, schoof er den grendel voor,
+en trad op zijn vrouw toe.
+
+"Jij legt je erop toe dat ik je dood zal slaan!" zeide hij tot haar
+met gebalde vuisten.
+
+"Wat scheelt je?" vroeg zij, opstaande en terugtredende.
+
+"Wat me scheelt?" riep hij met donderende stem, vloekend, en, op een
+papier vol krabbels wijzend, ging hij voort: "Heb jij dezen brief niet
+aan den _alcalde_ geschreven, en daarin gezegd dat ik me liet betalen,
+om 't dobbelen toe te laten, vuile sl...? Ik weet niet wat me let om
+je te vermorzelen!"
+
+"Komaan, waag dat 's!" zeide zij spotachtig lachend. "Die mij
+vermorzelt, moet een andere kerel wezen dan jij!"
+
+Hij hoorde de beleediging, maar hij zag de zweep. Hij greep een bord,
+dat op tafel stond, en smeet dat naar haar hoofd. De vrouw, gewend aan
+zulke ruzies, bukte snel, en het bord sloeg stuk tegen den muur. 't
+Zelfde lot overkwam een kopje en een glas.
+
+"Lafaard!" riep zij. "Je durft niet naderbij komen!"
+
+En ze sprong naar hem, om hem nog razender te maken. De man werd
+nu geheel verblind, en brullend wierp hij zich op haar. Doch zij
+overstriemde hem met wonderlijke vlugheid het gelaat met de zweep en
+zette het daarna op een loopen.
+
+Ze vluchtte in haar kamer, waarvan ze de deur ijlings op slot
+deed. Loeiend van woede en pijn, vervolgde de _alférez_ haar, en kwam
+niet verder dan de deur. Daar braakte hij godslasteringen uit.
+
+"Vervloekt varken, doe open! Doe open, h..., of ik sla je de hersens
+in!" brulde hij, de deur bewerkend met voeten en vuisten.
+
+Doña Consolación gaf geen antwoord. Men hoorde een gedruisch van
+stoelen en koffers, alsof iemand een barrikade van huisraad wilde
+oprichten. Het huis daverde van 't getrap en 't gevloek van den
+echtgenoot.
+
+"Kom niet binnen, kom niet binnen!" zeide de krijschende stem der
+vrouw. "Als je hier komt, schiet ik op je!"
+
+Hij scheen langzamerhand te bedaren, en vergenoegde zich ermee, van
+'t eene eind van 't vertrek naar 't andere te loopen, als een wild
+beest in zijn kooi.
+
+"Ga de straat op, om je kop wat op te frisschen!" ging de vrouw voort
+met spotten. Ze scheen ondertusschen haar verdedigingstoebereidselen
+voltooid te hebben.
+
+"Ik bezweer je dat, als ik je te pakken krijg, God je zelfs niet
+helpen kan, vuil kr...!"
+
+"Jawel! Zeg jij maar wat je wil... je woû me niet naar de mis laten
+gaan! Je liet me niet afrekenen met onzen lieven Heer!" zeide ze met
+een sarkasme, waarvan zij alleen 't geheim bezat.
+
+De _alférez_ greep zijn helm, verschikte zijn kleeren eenigzins en
+ging met groote stappen heen, maar na enkele oogenblikken keerde
+hij terug zonder 't minste gedruisch te maken: hij had zijn laarzen
+uitgetrokken. De bedienden, gewend aan zulke tooneelen, plachten
+zich erbij te vervelen, doch de nieuwigheid met de laarzen trok hun
+aandacht, en de een gaf den ander beteekenisvolle oogknipjes.
+
+De _alférez_ ging op een stoel zitten, naast de onheilvolle deur,
+en had het geduld om meer dan een half uur te wachten.
+
+"Ben je werkelijk weggegaan, of zit je daar, lamstraal?" vroeg de
+stem van tijd tot tijd, met wisselend epitheton, maar stijgend in toon.
+
+Eindelijk begon ze stuk voor stuk de meubels weg te halen. Hij hoorde
+het gedruisch en lachte.
+
+"Oppasser! Is meneer weggegaan?" schreeuwde Doña Consolación.
+
+Op een teeken van den _alférez_, antwoordde de oppasser:
+
+"Ja, mevrouw, hij is weggegaan."
+
+Men hoorde haar vroolijk lachen, en de grendel werd weggetrokken.
+
+De echtgenoot stond zachtjes op. De deur ging op een kier... Een kreet,
+de val van een lichaam, vloeken, gehuil, verwenschingen, slagen,
+heesche uitroepen... Wie beschrijft wat er voorviel in de duisternis
+der slaapkamer?
+
+De oppasser liep naar de keuken, en gaf een zeer welsprekend teeken
+aan den kok.
+
+"En jij krijgt het op je kop!" zei deze.
+
+"Ik? Dat is ook wat moois! Zij vroeg me of hij weggegaan was, niet,
+of hij teruggekomen was."
+
+
+
+
+XXXVIII.
+
+Recht en Macht.
+
+
+'t Zal zoowat tien uur in den avond geweest zijn. De laatste vuurpijlen
+stegen lui op naar den donkere hemel, waar, als nieuwe sterren,
+eenige papieren ballons stonden te schitteren, die door middel
+van rook en verwarmde lucht opgezonden waren. Enkele, versierd met
+vuurwerk, raakten in brand en bedreigden het heele dorp. Daarom bleef
+men nog steeds mannen zien op de nokken der daken, gewapend met een
+lange bamboe, met een lap aan 't uiteinde en voorzien van een emmer
+water. Hun zwarte silhouetten kwamen scherp uit tegen het flauwe licht
+der lucht, en 't leken zoo spoken neergedaald uit hooger sfeeren,
+om de vreugden der menschen bij te wonen.
+
+Er waren ook tal van raadjes, zonnen, stieren of karbouwen van
+vuurwerk afgestoken en ook een groote "vulkaan," die in fraaiheid
+en grootschheid alles overtroffen had, wat de bewoners van San Diego
+ooit te voren hadden gezien.
+
+Nu begaf zich de menigte in massa naar het dorpsplein, om voor de
+laatste maal den schouwburg te bezoeken. Op verschillende plaatsen zag
+men bengaalsch licht, dat op fantastische wijze de vroolijke groepjes
+bescheen. De kinderen bezigden fakkels, om in 't gras mislukte "bommen"
+en andere overblijfselen te zoeken, die ze zouden kunnen benutten,
+doch de muziek gaf het teeken, en iedereen verliet de weide.
+
+Het groote tooneel was schitterend geïllumineerd. Duizenden lichten
+omringden de stutten, hingen van het dak, en bezaaiden den grond in
+dichte groepen.
+
+Een politie-agent hield er het toezicht op, en wanneer hij toetrad,
+om ze in orde te brengen, floot het publiek hem toe en schreeuwde,
+"'t Is al goed, 't is al goed!"
+
+Voor 't eigenlijke tooneel stemde het orkest zijn instrumenten en
+preludieerde melodiën. Hierachter bevonden zich de zitplaatsen waarvan
+de correspondent in zijn brief sprak. De overheidspersonen van het
+dorp, de Spanjaarden en de rijke vreemdelingen bezetten allengs de
+rijen stoelen. Het volk, de menschen zonder titel of traktement,
+vulden het overige der ruimte. Sommigen sjouwden met een bank, meer
+om tegemoet te komen aan hun te kleine gestalte dan om erop te gaan
+zitten. Dit lokte heftig protest uit van de zijde der bankeloozen. Dan
+gingen ze onmiddellijk eraf, doch weldra stonden ze er weer op,
+alsof er niets gebeurd was.
+
+Heen en weergeloop, kreten, uitroepen, schaterlachen, een verdwaalde
+voetzoeker, een zevenklapper hier en daar vermeerderden het
+gedruisch. Ginds brak er een poot van een bank en vielen tot vermaak
+der menigte, menschen op den grond, die van verre waren gekomen om
+te zien, en die nu zelf een schouwspel opleverden. Verderop werd
+er ruzie gemaakt om een zitplaats; iets meer op een afstand hoorde
+men het gedruisch van brekende glazen en flesschen: 't was Andèng,
+die met ververschingen en dranken aankwam. Met beide handen hield ze
+het breede presenteerblad vast, doch ze ontmoette haar aanstaande,
+die van de eigenaardige toestand profiteeren wilde.
+
+De onderburgemeester, de _teniënte mayor_ Filipo, zat voor bij de
+tooneelvoorstelling; want de burgemeester zelf was een liefhebber
+van kaarten, van 't stok spel. Don Filipo sprak met de oude Tasio:
+
+"Wat moet ik doen?" zeide hij, "de _alcalde_ heeft mijn ontslag
+aanvrage niet willen aannemen. 'Voelt u zich niet krachtig genoeg,
+om uw plichten te doen?' vroeg hij me."
+
+"En wat heeft u hem geantwoord?"
+
+"Meneer de _Alcalde_, heb ik hem geantwoord, de kracht van een
+_teniënte mayor_, hoe onbeteekenend ze ook mocht wezen, is als die
+van iedere overheid: ze komt van hoogere sfeeren. Zelfs de koning
+ontvangt ze van 't volk, en het volk van God. Dit is juist wat ik mis,
+meneer de _Alcalde_. Maar de _alcalde_ wilde niet naar me luisteren,
+en zei me dat we na de feesten daar nog wel over spreken zouden."
+
+"Moge God u dan helpen!" zeide de oude man en trachtte heen te gaan.
+
+"Wilt u de voorstelling niet zien?"
+
+"Dank u! Om te droomen en nonsens uit te slaan heb ik aan mezelf
+genoeg," antwoordde de filosoof met een sarkastische lach. "Maar
+ik herinner me nu: heeft het karakter van ons volk nooit uw aandacht
+getrokken? 't Is vreedzaam en 't houdt van krijgshaftige tooneelen, van
+bloedigen strijd; 't is democratisch, en 't aanbidt keizers, koningen
+en prinsen; 't is ongodsdienstig, en 't maakt zich arm aan allerlei
+praal voor den eeredienst; onze vrouwen hebben een zachtzinnige aard,
+en zijn er dol op dat een prinses een lans drilt... Weet u waaraan
+dit te wijten is? wel..."
+
+De komst van Maria Clara en haar vriendinnen stoorde het gesprek. Don
+Filipo ontving ze, en geleidde ze naar haar plaatsen. Daarna kwam de
+pastoor, en er kwamen ook andere burgers wier taak het was de _frailes_
+te vergezellen. "God moge ze ook in 't andere leven beloonen," zeide
+de oude Tasio, terwijl hij zich verwijderde.
+
+De voorstelling begon met Chananay en Marianito. Iedereen had alleen
+oogen en ooren voor 't tooneel, behalve een: Padre Salvi. Hij scheen
+daar alleen gekomen te zijn, om Maria Clara gade te slaan, wier
+droefheid aan haar schoonheid iets zoo ideaals en belangwekkends gaf,
+dat ze er verrukkelijk uitzag. Doch de oogen van den Franciskaan,
+diep verscholen in de holle kassen, spraken niet van verrukking;
+in die sombere blik was iets wanhopig droevigs te lezen: met zulke
+oogen moet Kaïn van verre naar het paradijs gekeken hebben, welks
+genietingen zijn moeder hem geschilderd had!
+
+Het bedrijf eindigde toen Ibarra binnentrad. Zijn verschijning wekte
+een gemompel: ieders aandacht vestigde zich op hem en op den pastoor.
+
+Maar de jongeman scheen 't niet te merken, want hij groette ongedwongen
+Maria Clara en haar vriendinnen, en zette zich naast ze neder. De
+eenige die sprak was Sinang.
+
+"Ben je naar de 'vulkaan' gaan kijken?" vroeg ze.
+
+"Nee, meiske, ik heb de _Capitán general_ vergezeld."
+
+"Wel, da's jammer! De pastoor is met ons meegegaan, en vertelde ons
+geschiedenissen van verdoemden. Hoe vind je dat? Om ons bang te maken,
+en zoo ons pleizier te bederven, geloof je ook niet?"
+
+De pastoor stond op, en trad op Don Filipo toe, met wien hij een
+levendig twistgesprek scheen te beginnen. De pastoor sprak opgewonden,
+Don Filipo bedaard en op gedempten toon.
+
+"'t Spijt me, dat ik Uweleerwaarde niet naar den zin kan zijn,"
+zeide hij, "meneer Ibarra is een der grootste bijdragers voor 't
+feest, en hij heeft 't recht om hier te zijn, zoolang hij de orde
+niet verstoort."
+
+"Maar is 't dan niet de orde verstoren, als men de goede Christenen
+schandalizeert? 't Is of men een wolf binnenlaat in de schaapskooi! U
+zult u hiervoor moeten verantwoorden tegenover God en tegenover de
+autoriteiten!"
+
+"Ik weet me altijd te verantwoorden voor de daden, die uit mijn
+eigen wil voortkomen, eerwaarde vader," antwoordde Don Filipo, even
+buigend, "maar mijn klein gezag geeft me niet de bevoegdheid, me met
+godsdienstige zaken te bemoeien. Die aanraking met hem willen vermijden
+moeten maar niet met hem spreken: meneer Ibarra dwingt evenmin iemand."
+
+"Maar 't is gelegenheid geven tot gevaar, en die 't gevaar liefheeft,
+komt er in om."
+
+"Ik zie geen enkel gevaar, eerwaarde vader: meneer de _alcalde_ en
+de gouverneur, mijn meerderen, hebben den heelen namiddag met hem
+gepraat, en ik hoef hun geen les te geven."
+
+"Als je hem er niet uitgooit, gaan wij heen."
+
+"Dat zou me zeer spijten, maar ik kan niemand eruit gooien."
+
+De pastoor had er berouw over, maar er was niets meer aan te doen. Hij
+gaf een teeken aan zijn metgezel, die met tegenzin opstond, en beiden
+gingen heen. Ze werden nagevolgd door hun trouwe lijftrawanten,
+niet zonder een blik van haat naar Ibarra te hebben geworpen.
+
+Het gemompel en gefluister werden erger. Verscheidene personen kwamen
+daarop naar den jongeman toe, groetten hem, en zeiden:
+
+"Wij zijn aan uw kant. U moet maar niet op die lui letten."
+
+"Wie zijn die lui?" vroeg hij verwonderd.
+
+"De lui die heengegaan zijn om niet in aanraking met u te komen!"
+
+"Ja, ze zeggen dat u in den kerkelijken ban is."
+
+Ibarra kon van verbazing niets zeggen, en keek om zich heen. Hij zag
+Maria Clara, die haar gelaat achter de waaier verborg.
+
+"Maar is 't mogelijk?" riep hij eindelijk uit. "Zijn we nog heelemaal
+in de middeleeuwen? Zoodat dus..."
+
+En op de jongemeisjes toetredende, en van toon veranderend zeide hij:
+
+"Neemt me niet kwalijk, ik had vergeten dat ik een afspraak had. Ik
+voeg me straks weer bij jullie."
+
+"Blijf, zeg!" zeide Sinang. "Jejeng gaat straks dansen en die danst
+hemels."
+
+"Ik kan niet, lieve kind, maar ik kom terug."
+
+Het gepraat verdubbelde.
+
+Juist toen de danseres opgetreden was, traden twee soldaten van den
+_guardia civil_ op Don Filipo toe, en verzochten dat de voorstelling
+zou ophouden.
+
+"En waarom?" vroeg deze verbaasd.
+
+"Omdat de _alférez_ en zijn vrouw met elkaar gevochten hebben en niet
+kunnen slapen."
+
+"Zeg aan den _alférez_ dat we vergunning hebben. Niemand in 't dorp is
+hier bevoegd, zelfs niet de burgemeester, die mijn _eenige meerdere_
+is."
+
+"Nu maar de voorstelling moet ophouden!" herhaalden de soldaten.
+
+Don Filipo keerde hun den rug toe. De _guardia's_ gingen heen.
+
+Om de rust niet te verstoren, zeide Don Filipo niemand iets van
+'t gebeurde.
+
+Na 't stukje _Zarzuela_, dat zeer werd toegejuicht, vertoonde zich
+Prins Villardo, die al de Mooren ten strijd uitdaagde, welke zijn vader
+hadden gevangen genomen. De held dreigde ze, dat hij allen met een
+slag de hoofden zou afsnijden en die naar de maan zou zenden. Gelukkig
+voor de Mooren, die zich reeds ten strijd bereidden, ontstond er een
+tumult. De muzikanten van 't orkest hielden plotseling op, sprongen
+op 't tooneel, en wierpen hun instrumenten weg. De dappere Villardo,
+die ze niet verwachtte, en ze aanzag voor aanhangers van de Mooren,
+wierp ook zwaard en schild weg, en zette het op een loopen. De Mooren,
+die zagen dat zulk een vreeswekkende christen vluchtte, vonden het
+niet ongeschikt hem na te volgen. Men hoorde kreten, geweeklaag,
+vervloekingen, godlasteringen, de menschen liepen dooreen en tegen
+elkaar in, de lichten gingen uit, illuminatie-potjes werden de lucht
+in geslingerd en meer zoo. _Toelisan_! _toelisan_! (roovers) riepen
+sommigen. "Brand! Dieven!" anderen, vrouwen en kinderen schreiden,
+banken en toeschouwers rolden tegen den grond, te midden van de
+algemeene verwarring en 't lawaai.
+
+Wat was er voorgevallen?
+
+Twee _guardia civiles_ waren met een stok in de hand de muzikanten te
+lijf gegaan, om de voorstelling te doen eindigen. De _teniente mayor_
+met de burgerwacht, met oude sabels gewapend, slaagden erin ze aan
+te houden, in weerwil van hun tegenstand.
+
+"Brengt ze naar 't stadhuis!" riep Don Filipo.
+
+"Voorzichtig, hoor, ze niet loslaten!"
+
+Ibarra was teruggekomen, en zocht Maria Clara. De vreesbevangen
+jongemeisjes klampten zich bleek en bevend aan hem vast.
+
+Tante Isabel bad de litanieën in 't latijn.
+
+Toen de menschen een weinig van den schrik bekomen waren en ze
+zich rekenschap hadden gegeven van 't geen er gebeurd was, barstte
+de verontwaardiging overal los. Het regende steenen op de twee
+_guardia's_, die door de burgerwacht werden weggevoerd. Er was er
+een die voorstelde de kazerne in brand te steken, en Doña Consolación
+samen met den _alférez_ levend te braden.
+
+"Daar dienen ze voor!" riep een vrouw, de mouwen opstroopend en
+de armen uitstrekkend, "om 't volk in beroering te brengen. Ze
+hinderen alleen fatsoenlijke menschen. Daar staan de _toelisan's_,
+de dobbelaars! Laten we de kazerne in brand steken!"
+
+Een betastte zich de armen en vroeg om "bediend" te worden. Klagende
+kreten kwamen onder de omgevallen banken vandaan: 't was een arme
+muzikant. Het tooneel stond vol akteurs en menschen uit het volk,
+die allen tegelijk spraken. Daar was Chananay, gekleed als Leonora
+in de Troubadour bezig in pasar-taal te praten met Ratia, die als
+schoolmeester uitgedost was. Jejeng gehuld in een zijden sjaal, met
+Prins Villaroo; Balbino en de Mooren deden hun best om de muzikanten
+te troosten, die min of meer beleedigd waren. Eenige Spanjaarden
+liepen van den eenen kant naar den andere, iedereen die ze tegenkwamen
+toesprekend.
+
+Doch er had zich reeds een bende gevormd. Don Filipo, die begreep
+wat ze voorhadden, liep toe om hen tegen te houden.
+
+"U moet de orde niet verstoren!" riep hij, "morgen zullen we voldoening
+vragen. Men zal ons recht laten wedervaren. Ik sta u ervoor in,
+dat men ons recht zal doen!"
+
+"Nee!" antwoordden er enkelen, "'t was net zoo in Calamba. [41] Men
+beloofde toen hetzelfde, maar de _alcalde_ deed niets. We willen ons
+zelf recht verschaffen! Naar de kazerne!"
+
+Tevergeefs sprak de onderburgemeester ze toe: de menschen volhardden
+bij hun houding. Don Filipo keek om zich heen naar hulp uit, en
+zag Ibarra.
+
+"Meneer Ibarra, als 't u belieft, houdt u ze tegen, onderwijl dat ik
+_cuadrillero's_ ga halen!"
+
+"Wat kan ik nu doen?" vroeg de jongeman in verlegenheid. Maar de
+_teniente mayor_ was al weg.
+
+Ibarra keek op zijn beurt om zich heen, zoekende naar iemand, hij
+wist niet wie. Gelukkig meende hij Elias te bespeuren. Ibarra liep
+op hem toe, greep hem bij den arm en zeide in 't Spaansch:
+
+"Om Gods wil! Doet u iets, als u kan, ik kan niets doen!"
+
+De "loods" had hem stellig begrepen; want hij verdween in de groep.
+
+Men hoorde een levendige woordenwisseling, opgewonden uitroepen;
+daarna begon de bende langzaam-aan uiteen te gaan, en nam ieder een
+minder vijandelijke houding aan.
+
+'t Was wel tijd, want de soldaten kwamen gewapend naar buiten, met
+de bajonet op.
+
+Wat deed intusschen de pastoor?
+
+Padre Salvi was niet naar bed gegaan. Staande, het voorhoofd steunend
+tegen de jaloezieën, keek hij naar het plein, onbeweeglijk, terwijl hij
+nu en dan een gesmoorde zucht slaakte. Als het licht van zijn lamp niet
+zoo schaarsch geweest was, zou men wellicht hebben kunnen zien, dat
+zijn oogen zich met tranen vulden. Zoo wachtte hij bijna een uur door.
+
+Uit dezen toestand rukte hem het tumult op het plein. Hij volgde
+met verbaasden blik het verwarde heen- en weergeloop der menschen,
+wier uitroepen en geschreeuw flauwtjes tot hem doordrongen. Een
+der bedienden, die buiten adem aankwam, stelde hem op de hoogte van
+hetgeen er plaats had.
+
+Een gedachte doorflitste zijn verbeelding. Midden in de verwarring en
+het tumult plegen de lichtmissen gebruik te maken van den schrik en
+de zwakheid der vrouw. Iedereen vlucht en stelt zich in veiligheid,
+niemand denkt aan een ander, schreeuwen wordt niet gehoord, de vrouwen
+bezwijmen, loopen elkaar omver, vallen; ontzetting en vrees luisteren
+niet naar de stem der kuischheid, en in 't holle van den nacht...,
+en wanneer ze zich wapenen! 't Was of hij Crisóstomo daar zag, de
+bezwijmde Maria Clara in zijn armen wegvoerende, om in de duisternis
+te verdwijnen.
+
+Hij ijlde de trappen af, zonder hoed, zonder stok, en als een gek
+holde hij het plein op.
+
+Daar ontmoette hij de Spanjaarden die de soldaten hadden terecht
+gewezen. Hij keek naar de plaatsen waar Maria Clara en haar vriendinnen
+gezeten hadden: ze waren ledig.
+
+"Meneer de pastoor! Meneer de pastoor!" riepen hem de Spanjaarden
+toe, maar hij lette niet op hen, en liep voort in de richting van
+Capitán Tiago's huis. Daar herademde hij; hij zag in 't openstaande
+transparant van 't venster een silhouet, het aanbiddelijke silhouet
+vol bevalligheid en zacht van omtrekken van Maria Clara, en dat van
+haar tante, die kopjes en glazen droeg.
+
+"Komaan!" mompelde hij, "'t schijnt dat ze alleen maar ziek geworden
+is!" Tante Isabel sloot daarop de vensters, en het bevallige silhouet
+verdween.
+
+De pastoor verwijderde zich van die plaats zonder de menigte te
+zien. Hij zag in zijn verbeelding een schoone maagde-boezem, die
+rustig sliep en zacht ademhaalde; de oogleden waren beschaduwd door
+lange wimpers, die sierlijke booglijnen beschreven als de Maagden
+van Rafaël, de kleine mond glimlachte; 't geheele gelaat ademde
+maagdelijkheid, reinheid, onschuld; dat gezichtje was een lieflijke
+verschijning te midden der witheid van het bed, gelijk een cherubskopje
+tusschen wolken.
+
+De verbeelding ging verder en zag nog andere dingen; doch wie schrijft
+al wat een vurig brein zich kan verbeelden?
+
+Wellicht de correspondent van het blad, die zijn beschrijving van
+'t feest en al het voorgevallene op deze wijze eindigde:
+
+"Dank, duizendmaal dank aan de tijdige en werkdadige tusschenkomst
+van Zijn-Weleerwaarde Pater Bernardo Salvi, die ieder gevaar tartend,
+onder 't verwoede volk, te midden van de dolle menigte zonder hoed,
+zonder stok, de ontketende hartstochten deed bedaren, enkel door zijn
+overtuigend woord, door de majesteit en het gezag die nooit ontbreken
+bij een priester van den Godsdienst des vredes. De deugdzame monnik
+heeft, met een zelfverloochening zonder wedergade, het genot van
+den slaap gederfd, dat ieder goed geweten als het zijne smaakt,
+om te beletten dat zijn kudde een klein ongeluk zou treffen. De
+bewoners van San Diego zullen zonder twijfel deze verheven daad van
+hun heldhaftigen zieleherder niet vergeten, en zullen hem voor alle
+eeuwigheid dankbaar weten te zijn."
+
+
+
+
+XXXIX.
+
+Twee bezoeken.
+
+
+In den gemoedstoestand waarin Ibarra zich bevond, was het hem
+onmogelijk in slaap te komen, zoodat hij, om zijn geest af te leiden
+en de droevige gedachten, die 's nachts nog pijnlijker werden van
+zich af te zetten, zich in zijn eenzame studeerkamer aan 't werk
+zette. De dageraad verraste hem, toen hij nog bezig was met het maken
+van mengsels en verbindingen, aan welker werking hij stukjes riet en
+andere zelfstandigheden onderwierp, die hij daarna in genummerde en
+gelakte flakons wegborg.
+
+Een bediende kwam binnen, en berichtte hem de komst van een boer.
+
+"Laat hem binnenkomen!" zeide hij, zonder zich zelfs om te keeren.
+
+De binnentredende was Elias, die daarna zwijgend bleef staan.
+
+"O, bent u 't?" riep Ibarra in 't Tagaalsch uit, toen hij hem herkende.
+
+"Neem me niet kwalijk dat ik u heb laten wachten. Ik had het niet
+gemerkt: ik was bezig een belangwekkende proef te doen..."
+
+"Ik wilt u niet storen!" antwoordde de jonge "loods."
+
+"Ik ben in de eerste plaats gekomen, om u te vragen, of u soms iets
+voor de provincie Batagas hebt: ik ga daar nu heen.
+
+"En ten tweede om u een slechte tijding te brengen..."
+
+Ibarra keek den "loods" vragend aan.
+
+"De dochter van Capitán Tiago is ziek," hervatte Elias kalm, "maar
+niet ernstig."
+
+"Ik had het wel gevreesd!" riep Ibarra met zwakke stem uit. "Weet u
+wat haar scheelt?"
+
+"O koorts! Als u nu verder niets te bevelen heeft..."
+
+"Dank u, mijn vriend. Ik wensch u een goede reis..., maar veroorloof
+me eerst een vraag te doen. Als u die onbescheiden vindt, antwoord
+dan maar niet."
+
+Elias boog.
+
+"Hoe heeft u dat opstootje gisteravond kunnen bezweren?" vroeg Ibarra,
+hem strak aanziende.
+
+"O heel eenvoudig!" antwoordde Elias met de grootste
+natuurlijkheid. "De leiders van de beweging waren twee broers, wier
+vader doodgeslagen is door de _guardia civil_. Eens op een dag had ik
+het geluk ze te redden uit dezelfde handen, waarin hun vader gevallen
+was, en beiden zijn me daar dankbaar voor. Ik heb me gisterenavond
+tot hen gewend, en zij hebben op zich genomen, de anderen van hun
+plan af te brengen."
+
+"En die twee broers wier vader doodgeslagen is?..."
+
+"Die zullen wel net zoo eindigen als hun vader," antwoordde Elias
+zacht; "wanneer 't ongeluk 't eenmaal op een familie heeft gemunt,
+moeten al de leden eraan gelooven. Wanneer de bliksem een boom treft,
+maakt hij hem heelemaal tot asch."
+
+En Elias, ziende dat Ibarra zweeg, nam afscheid. De laatste verloor,
+toen hij zich alleen zag, de kalme houding die hij in tegenwoordigheid
+van den "loods" had in acht genomen, en de smart vertoonde zich op
+zijn gelaat.
+
+"Ik, ik heb haar zoo ellendig gemaakt!" mompelde hij.
+
+Hij kleedde zich vlug aan, en ging de trap af.
+
+Een klein mannetje, in de rouw, met een groot litteeken op de
+linkerwang, groette hem nederig, en hield hem onderweg aan.
+
+"Wat wilt u?" vroeg Ibarra hem.
+
+"Meneer, ik heet Lucas, ik ben de broer van den man die gisteren
+gestorven is."
+
+"Zoo! Ik betuig u wel mijn leedwezen... En?"
+
+"Meneer, ik wou 's weten, hoeveel u zal betalen aan de familie van
+mijn broer."
+
+"Betalen?" herhaalde de jongeman, zonder zijn ergernis te kunnen
+bedwingen. "Daar zullen we wel 's over praten. Komt u vanavond maar
+terug; want ik heb nu geen tijd."
+
+"Zegt u alleen maar, hoeveel u betalen wilt!" hield Lucas aan.
+
+"Ik heb u gezegd dat we daarover wel 's een anderen keer spreken
+zullen, ik heb nu haast!" zeide Ibarra ongeduldig.
+
+"Heeft u nu geen tijd, meneer?" vroeg Lucas met bitterheid, en ging
+vlak voor hem staan. "Heeft u geen tijd, om u met de dooden bezig
+te houden?"
+
+"Kom vanavond, m'n goeie man!" herhaalde Ibarra, zich bedwingende;
+"ik moet nu een zieke gaan opzoeken."
+
+"Zoo, en vergeet u om een zieke de dooden? Gelooft u dat we, omdat
+we arm zijn...?"
+
+Ibarra keek hem aan en sneed hem het woord af.
+
+"Stel mijn geduld niet op den proef!" zeide hij, en ging zijns
+weegs. Lucas bleef hem nastaren, met een glimlach vol haat.
+
+"'t Is wel te merken dat je de kleinzoon bent van den man die mijn
+vader tot straf in de brandende zon heeft gezet!" mompelde hij
+binnensmonds. "Je hebt hetzelfde bloed!"
+
+En, van toon veranderend, liet hij volgen:
+
+"Maar, als je goed betaalt...goeie maatjes, hoor!"
+
+
+
+
+XL.
+
+Dokter De Espadaña en zijn vrouw.
+
+
+Het feest was voorbij. De dorpsbewoners vonden weder, evenals
+alle jaren, dat hun kas armer was geworden, dat ze veel gewerkt,
+gezweet en gezwoegd hadden, zonder zich vermaakt of nieuwe vrienden
+verkregen te hebben, in een woord, dat ze het lawaai en de hoofdpijn
+duur betaald hadden. Maar wat doet dat ertoe: 't komende jaar zal men
+'t zelfde doen, 't zelfde in de volgende eeuw, want 't is tot-nu-toe
+zoo de gewoonte geweest.
+
+Ten huize van Capitán Tiago heerschte vrij groote droefenis; al de
+vensters zijn gesloten, de menschen loopen geruischloos rond, en alleen
+in de keuken durft men luide te spreken. Maria Clara, de ziel van 't
+huis, ligt ziek te bed. Haar toestand is te lezen in ieders gelaat,
+zooals men het lijden des geestes leest in de trekken van een persoon.
+
+"Wat dunkt je, Isabel, zal ik de offergave doen aan het Kruis van
+Toenasan of aan dat van Matahong?" vroeg de veelbeproefde vader
+zacht. "Het kruis van Toenasan groeit, maar dat van Matahong
+zweet. Welk van de twee hou jij voor wonderdadiger?"
+
+Tante Isabel dacht na, schudde het hoofd en mompelde:
+
+"Groeien...wel groeien is grooter wonder dan zweten: we zweten
+allemaal, maar groeien doen we niet allemaal."
+
+"Dat 's waar, ja, Isabel, maar bedenk wel dat zweten, dat het zweten
+van hout dat voor de poot van een bank bestemd was, geen klein wonder
+is...Och 't beste zal wezen, de offergave aan de beide kruisen aan
+te bieden. Zoo zijn beide partijen bevredigd, en zal Maria Clara
+spoediger beter worden. Zijn de kamers in orde? Je weet wel dat er
+met den dokter en zijn vrouw een nieuwe meneer meekomt, familie van
+Padre Dámaso. Er mag niets ontbreken."
+
+Spoedig daarna reed er een rijtuig voor.
+
+Capitán Tiago gevolgd door tante Isabel, liep ijlings de trap af, om
+de aankomenden te ontvangen. Dit waren Doctor Fiburcio de Espadaña,
+zijn wederhelft mevrouw Victorina de los Reyes de Espadaña en een
+jongmensch met een innemend gelaat en aangenaam voorkomen.
+
+Zij droeg een zijden ochtendjapon, afgezet met bloemen, en een hoed
+met een groote papegaai erop, die half verdrukt zat tusschen blauwe
+en roode linten. Het stof van den weg, vermengd met het rijstpoeder
+op haar wangen, schenen haar rimpels te hebben vermeerderd. Evenals
+eertijds te Manila leidde ze nu ook haar manke man aan den arm.
+
+"Ik heb 't genoegen u voor te stellen onzen neef Don Alfonso Linares de
+Espadaña!" zeide Doña Victorina, op het jongemensch wijzende. "Meneer
+is petekind van een familielid van Padre Dámaso, partikulier sekretaris
+van alle ministers..."
+
+De jongeman groette hoffelijk; Capitán Tiago kuste hem bijna de hand.
+
+De talrijke koffertjes en valiezen werden naar boven gebracht en
+Capitán Tiago geleidde zijn gasten naar hun logeerkamers.
+
+Toen men bezig was het tweede ontbijt te gebruiken, kwam Padre Salvi,
+en het echtpaar, dat hem reeds kende, stelde hem den jongen Linares
+met al zijn titels voor, zoodat deze bloosde.
+
+Men sprak natuurlijk over Maria Clara. Het jongemeisje rustte
+en sliep. Men sprak over de reis. Doña Victorina vierde haar
+praatlust bot, en kritizeerde de gewoonte der provinciemenschen,
+hun _nipah_-woningen, de bamboe bruggen, zonder te vergeten aan den
+pastoor mede te deelen, hoe wel ze was met allerlei groote lui.
+
+"U moest twee dagen vroeger hier geweest zijn, Doña Victorina,"
+antwoordde Capitán Tiago, gedurende een korte tusschenpoos, "dan zou
+u den _capitán general_ ontmoet hebben: die heeft daar gezeten."
+
+"Wat? Hoe? Is Zijne Excellentie hier geweest? En in uw huis? Och kom!"
+
+"Ik zeg u dat hij daar gezeten heeft! Als u maar twee dagen eerder
+gekomen was..."
+
+"Och! Hoe jammer dat Clarita niet eerder ziek geworden is!" riep zij
+met waarachtige spijt. En zich tot Lidares wendende, liet ze volgen:
+
+"Hoor je dat, neef? Zijne Excellentie is hier geweest! Je ziet wel dat
+De Espadaña gelijk had, toen hij zeide dat je niet bij een armzalige
+inlander aan huis zou komen, want u moet weten, Don Santiago, dat
+onze neef in Madrid bevriend was met ministers en hertogen, en dat
+hij dineerde bij den graaf del Campanario."
+
+"Van den hertog de la Torre, Victorina," verbeterde haar man. [42]
+
+"Dat 's net hetzelfde, wat woû je nou?"
+
+"Zou ik vandaag ook Padre Dámaso in zijn dorp kunnen vinden?" viel
+Linares in de rede, zich tot Padre Salvi wendend. "Men heeft me gezegd
+dat het hier dicht-bij was."
+
+"Hij is juist hier, en zal heel gauw komen," antwoordde de pastoor.
+
+"Wat doet me dat genoegen! Ik heb een brief voor hem," riep de jongeman
+uit, "en als 't niet was door dit gelukkige toeval, dat me hier brengt,
+zou ik opzettelijk gekomen zijn, om hem op te zoeken."
+
+Het "gelukkige toeval" was intusschen wakker geworden.
+
+"De Espadaña," zei Doña Victorina, haar ontbijt beëindigend, "zullen we
+'s naar Clarita gaan kijken?" En tot Capitán Tiago:
+
+"Voor u alleen, Don Santiago, voor u alleen! Mijn man behandelt alleen
+voorname menschen, en dan nòg...! Mijn man is niet zooals die lui van
+hier... in Madrid bezocht hij uitsluitend menschen van hoog aanzien."
+
+Dat de groote geneesheer vroeger ambtenaartje bij de douane geweest
+was, en nooit eenige studie van geneeskunde gemaakt had, wist hier
+niemand. Zij evenmin.
+
+Ze gingen naar de ziekekamer.
+
+Het vertrek was bijna donker, de vensters waren gesloten uit vrees
+voor tocht, en het licht dat er scheen, kwam van de kaarsen, die
+stonden te branden voor het beeld der Heilige Maagd van Antipolo.
+
+Het hoofd omwonden met een in eau de cologne geweekte doek, het
+lichaam zorgvuldig gewikkeld in witte lakens, met veel plooien erin,
+die haar maagdelijke vormen verheelden, lag het jonge meisje in
+haar ledikant van _kamagon_-hout, achter gordijnen van _jusi_ en
+_pina_. Heur haar, als een lijst om haar ovaal gelaat, verhoogde de
+doorschijnende bleekheid, welke slechts verlevendigd werd door haar
+groote droefenisvolle oogen. Naast haar bed zaten de beide vriendinnen
+en Andeng met een ruiker leliën.
+
+De Espadaña nam haar pols, onderzocht de tong, deed verschillende
+vragen, en zeide, terwijl hij het hoofd heen en weer bewoog:
+
+"Wel...ze is ziek, maar ze kan genezen worden!"
+
+Doña Victorina keek de omstanders fier aan.
+
+"'s Morgens ijslands mos met melk, wat alteastroop, twee pillen van
+'hondetong'," schreef de Espadaña voor.
+
+"Schep maar moed, Clarita," zei Doña Victorina, naderbij komend, "we
+zijn gekomen om je beter te maken... Ik zal je mijn neef voorstellen."
+
+Linares was in gedachten verdiept, in stille beschouwing van die
+welsprekende oogen, welke iemand schenen te zoeken, en hoorde niet
+dat Doña Victorina hem riep.
+
+"Meneer Linares", zeide de pastoor tot hem, hem ontrukkend aan zijn
+geestvervoering, "daar komt Padre Dámaso."
+
+Inderdaad kwam de genoemde aan, bleek en eenigszins bedroefd. Toen
+hij het bed verliet, was zijn eerste bezoek voor Maria Clara. 't
+Was niet meer de Padre Dámaso van voorheen, zoo sterk en spraakzaam;
+thans stapte hij zwijgend en eenigszins wankelend voort.
+
+
+
+
+XLI.
+
+Plannen.
+
+
+Zonder zich aan iemand te storen, ging hij regelrecht naar het bed
+der zieke, en, haar bij de hand nemende, zeide hij met onzeggelijke
+teederheid, terwijl tranen in zijn oogen opwelden:
+
+"Maria, Maria, mijn kindje, je moet niet doodgaan, hoor."
+
+Maria sloeg de oogen op en keek hem met eenige verwondering aan.
+
+Niemand van hen die den Franciskaan kenden vermoedde in hem teedere
+gevoelens. Onder dat ruwe, grove uiterlijk geloofde niemand dat er
+een hart aanwezig was.
+
+Padre Dámaso kon niet verder gaan, en verwijderde zich van het
+jongemeisje, schreiend als een kind. Hij ging naar de voorgalerij,
+om vrij te kunnen toegeven aan zijn smart, onder het lievelings-klimop
+van Maria Clara's balkon.
+
+"Wat houdt hij veel van zijn petekind!" dachten allen. Fray Salvi
+sloeg hem roerloos en zwijgend gade, terwijl hij onmerkbaar op zijn
+lippen beet.
+
+Toen Padre Dámaso wat bedaard was, stelde Doña Victorina hem den
+jongen Linares voor, die eerbiedig naar hem toe kwam.
+
+De pater nam hem zwijgend op, van hoofd tot voeten, nam den brief aan,
+dien de ander hem reikte, en las dien naar 't scheen zonder hem te
+begrijpen, want hij vroeg:
+
+"En wie bent u?"
+
+"Alfonso Linares, het petekind van uw zwager..." stamelde het
+jongemensch.
+
+Padre Dámaso wierp het lichaam naar achteren, sloeg den jongen man
+nog eens met aandacht gade, en, terwijl zijn gelaat verhelderde,
+stond hij op.
+
+"Dus jij bent het petekind van Carlicos!" riep hij uit, en omhelsde
+hem. "Kom, laat me je omhelzen... een paar dagen geleden heb ik een
+brief van hem gehad... dus dat ben jij! Ik kende je niet... trouwens,
+je was nog niet geboren, toen ik het land verliet. Ik kende je niet!"
+
+En Padre Dámaso drukte het jongemensch in zijn stoere armen, dat
+hij er rood van zag--van verlegenheid of van gebrek aan lucht. Padre
+Dámaso scheen zijn verdriet geheel vergeten te zijn.
+
+Toen de eerste oogenblikken van hartelijkheid voorbij waren, en
+hij de noodige vragen gedaan had naar Carlicos en naar Pepa, vroeg
+Padre Dámaso:
+
+"En... komaan! Wat wil Carlicos nu dat ik voor je doen zal?"
+
+"Ik geloof dat hij in den brief daar iets van zegt..," stamelde
+Linares wederom.
+
+"In den brief? Zoo? wel, dat 's waar! En hij wil dat ik een baantje
+en een vrouw voor je zoek! Hm! Een baantje... een baantje, dat 's
+makkelijk. Kun je lezen en schrijven?"
+
+"Ik ben in de rechten gepromoveerd aan de universiteit van Madrid."
+
+"_Caramba_! Dus je bent een rechtsverdraaier?
+
+"Nou, daar heb je geen snuit voor... je lijkt eer een jongejuffrouw,
+maar des te beter! Maar een vrouw voor je te vinden ... hm, hm! een
+vrouw..."
+
+"Och, pater, dat heeft niets geen haast," zeide Linares bedremmeld.
+
+Doch de pater stapte van 't eene eind van de voorgalerij naar 't
+andere, en mompelde:
+
+"Een vrouw, een vrouw!"
+
+Zijn gelaat stond niet meer bedroefd of vroolijk; thans drukte het
+den grootsten ernst uit, en 't scheen dat hij diep nadacht. Padre
+Salvi keek uit de verte naar dit heele tooneeltje.
+
+"Ik dacht niet dat de zaak me zooveel narigheid zou bezorgen",
+mompelde Padre Dámaso op huilerigen toon. "Maar van twee kwaden dan
+maar 't minste."
+
+En zijn stem verheffende, trad hij op Linares toe, en zeide:
+
+"Kom hier, m'n jongen, laten we 's met Santiago gaan praten."
+
+Linares verbleekte, en liet zich door den geestelijke, die in gedachten
+verzonken voortliep, meetrekken.
+
+Toen was het de beurt van Padre Salvi om, peinzend als altijd, heen
+en weer te gaan wandelen.
+
+Een stem die hem goeden dag zeide ontrukte hem aan zijn peinzens-zware
+wandeling. Hij hief het hoofd op, en stond tegenover Lucas, die hem
+nederig groette.
+
+"Wat wil je?" vroegen 's pastoors oogen.
+
+"Pater, ik ben de broer van den man die op den dag van 't feest
+gestorven is!" antwoordde Lucas op klagenden toon.
+
+Padre Salvi trad een schrede terug.
+
+"En wat zou dat?" mompelde hij nauw hoorbaar. Lucas deed zijn uiterste
+best om te schreien, en veegde zich de oogen met zijn zakdoek af.
+
+"Pater," zeide hij snotterend, "ik ben bij Don Crisóstomo aan huis
+geweest, om een schadevergoeding te vragen. Eerst ontving hij me
+met schoppen, en zei dat hij niets wou betalen, omdat zijn leven
+gevaar geloopen had door de schuld van mijn lieven en ongelukkigen
+broer. Gisteren ben ik weer bij hem geweest, om hem te spreken, maar
+hij was al naar Manila vertrokken. Hij had bij wijze van aalmoes
+vijfhonderd _peso's_ voor me achtergelaten, met de boodschap dat
+ik nooit meer terug moest komen. Och, pater, vijfhonderd _peso's_
+voor mijn armen broer, vijfhonderd _peso's!_ Och pater!..."
+
+De pastoor hoorde hem in 't begin met verbazing en aandacht aan, en
+allengs teekende zich op zijn lippen zulk een glimlach van minachting
+en spot tegenover zulk een komedie, dat, als Lucas dien had kunnen
+zien, hij hals over kop zou weggeloopen zijn.
+
+"En wat wil jij nu van mij?" vroeg hij hem, terwijl hij hem den
+rug toekeerde.
+
+"Och pater, zegt me om Gods wil wat ik doen moet: Uweleerwaarde heeft
+altijd goeden raad gegeven."
+
+"Wie heeft je dat gezegd? Jij bent niet van hier..."
+
+"Iedereen in de provincie kent Uweleerwaarde."
+
+Padre Salvi trad met vertoornden blik op hem toe, en hem de straat
+wijzend, zeide hij tot den ontstelden Lucas:
+
+"Ga naar je huis, en wees Don Crisóstomo dankbaar dat hij je niet in
+de gevangenis heeft laten zetten!"
+
+"Scheer je weg."
+
+Lucas vergat zijn aanstellerij, en mompelde:
+
+"Wel, ik dacht..."
+
+"Pak je weg," schreeuwde Padre Salvi zenuwachtig.
+
+"Ik zou Padre Dámaso wel 's willen spreken.."
+
+"Padre Dámaso heeft het druk... Pak je weg," gelastte de pastoor
+nogmaals op strengen toon.
+
+Lucas ging mopperend de trappen af.
+
+"Nou, dat 's er ook een...als hij 's niet goed betaalt..."
+
+"Die 't beste betaalt..."
+
+Op 't schreeuwen van den pastoor was iedereen komen toeloopen, zelfs
+Padre Dámaso, Capitán Tiago en Linares.
+
+"Een onbeschaamde schooier, die om een aalmoes komt vragen, en niet
+werken wil," zeide Padre Salvi terwijl hij zijn hoed en zijn stok
+greep, om naar het klooster te gaan.
+
+
+
+
+XLII.
+
+Gewetensonderzoek.
+
+
+Lange dagen en droeve nachten zijn voorbijgetrokken over de legerstede
+van Maria Clara. Ze was, enkele oogenblikken na dat ze "bediend"
+was, weer ingestort, en gedurende haar ijlen had ze maar steeds den
+naam van haar moeder uitgesproken, die ze nooit gekend had. Doch
+haar vriendinnen, haar vader en haar tante hadden gewaakt; ze hadden
+missen laten lezen en offergaven geschonken aan al de wonderdoende
+beelden. Capitán Tiago beloofde de Heilige Maagd van Antipolo een
+gouden stok ten geschenke te geven. En ten slotte begon de koorts
+allengs, maar geregeld af te nemen.
+
+Doctor Espadaña was verbaasd over de geneeskracht van alteastroop en
+ijslands mos; want hij had verder niets voorgeschreven. Doña Victorina
+was zoo in haar schik over haar man, dat eens op een dag, toen deze
+haar op haar sleep trapte, zij niet haar gewone straf toepaste--hem
+zijn tanden af te nemen--maar zich vergenoegde met hem te zeggen:
+
+"Als je niet toevallig mank was, zou je zelfs op mijn korset trappen."
+
+En zij droeg er geen!
+
+Op een middag, terwijl Sinang en Victoria hun vriendin bezochten,
+waren in de eetkamer de pastoor, Capitán Tiago en de familie van Doña
+Victorina bezig wat te gebruiken en onderwijl te praten.
+
+"Nu, 't spijt me wel", zeide de dokter, "'t zal Padre Dámaso ook
+erg spijten."
+
+"En waarheen zegt u dat ze hem overplaatsen?" vroeg Linares aan
+den pastoor.
+
+"Naar de provincie Tabayas," antwoordde deze achteloos.
+
+"Wie 't ook erg spijten zal is Maria, wanneer ze 't hoort", zeide
+Capitán Tiago. "ze houdt van hem, alsof 't haar vader was."
+
+Fray Salvi keek hem schuin aan.
+
+"Ik geloof, pater", ging Capitán Tiago voort, "dat deze heele ziekte
+komt van de narigheid die ze op den feestdag gehad heeft."
+
+"Ik ben van 't zelfde gevoelen, en u heeft er goed aan gedaan,
+meneer Ibarra niet toe te staan met haar te spreken, 't Zou haar
+verergerd hebben."
+
+"En als wij er niet geweest waren", viel Doña Victorina in, "zou
+Clarita al in den hemel aan 't lofzingen wezen."
+
+"Amen Jezus!" meende Capitán Tiago te moeten zeggen.
+
+"Gelukkig voor u dat mijn man niet juist een voornameren zieke onder
+handen had, want dan had u een ander moeten roepen, en hier zijn
+'t allemaal domkoppen. Mijn man..."
+
+"Ik geloof en blijf bij wat ik gezegd heb," viel de pastoor op zijn
+beurt in, "de biecht die Maria Clara gedaan heeft, heeft de gunstige
+crisis teweeggebracht, die haar leven gered heeft. Een rein geweten
+is meer waard dan veel medicijnen, en, 't zij verre van me dat ik de
+macht van de wetenschap ontken, vooral niet van de chirurgie, maar
+een rein geweten... u moet maar 's de vrome boeken lezen, en u zult
+zien hoeveel genezingen bewerkt zijn, enkel door een goede biecht!"
+
+"Neem me niet kwalijk," bracht Doña Victorina gepikeerd hiertegen in,
+"die kracht van een biecht...nou geneest u de vrouw van den _alférez_
+maar eens met een biecht!"
+
+"Een wond, mevrouw, is volstrekt geen ziekte waarop het geweten eenigen
+invloed kan hebben!" antwoordde Padre Salvi streng. "En toch zou een
+goede biecht haar behoeden voor herhalingen van zulke afranselingen
+als die van vanmorgen."
+
+"Ze verdient het!" ging Doña Victorina voort, alsof ze Padre Salvi
+niet gehoord had. "Die vrouw is erg onhebbelijk! In de kerk doet ze
+niet anders dan naar mij kijken. Natuurlijk, 't is ook maar iemand van
+niets. Zondag wou ik haar vragen, of ik soms apen in mijn gezicht had;
+och maar wie wil zich bevuilen door te praten met menschen beneden
+zijn stand?"
+
+Van zijn kant hervatte de pastoor, alsof hij evenmin deze heele tirade
+gehoord had:
+
+"Geloof me, Don Santiago, om uw dochter heelemaal te genezen, is 't
+noodig dat ze morgen een communie doet. Ik zal haar het _viaticum_
+brengen ...ik geloof dat ze niets zal hebben om te biechten. Maar,
+als ze van avond wil..."
+
+"Ik weet niet," voegde dadelijk Doña Victorina eraan toe, gebruik
+makende van een oogenblik stilte, "ik begrijp niet, dat er mannen
+in staat kunnen wezen met zulke vogelverschrikkers als die vrouwen
+te trouwen. Van verre zie je al vanwaar ze komt. 't Is haar aan te
+zien dat ze vergaat van jaloezie. 't Is te begrijpen! Wat verdient
+zoo'n _alférez_?"
+
+"Dus, Don Santiago, zegt u maar aan uw nicht dat ze de zieke moet
+voorbereiden op de communie van morgen. Ik kom vanavond om haar
+absolutie te geven voor haar zondetjes..."
+
+En ziende dat tante Isabel uitging, zeide hij haar in 't Tagaalsch:
+
+"Bereidt u uw nichtje voor, dat ze vanavond moet biechten. Ik zal haar
+morgen het _viaticum_ brengen, daar zal ze spoediger door herstellen."
+
+"Maar, pater," waagde Linares schuchter tegen te werpen, "u moet nu
+niet gelooven dat ze in doodsgevaar is."
+
+"Maakt u maar niets ongerust!" antwoordde hij, zonder hem aan te
+kijken, "ik weet heel goed wat ik doe. Ik ben al bij heel wat zieken
+geweest. Bovendien moet zij maar zelf zeggen, of ze de heilige communie
+wil doen, en u zult zien dat ze in alles toestemt."
+
+Voorloopig stemde Capitán Tiago in alles toe.
+
+Tante Isabel trad de ziekenkamer binnen.
+
+Maria Clara lag nog te bed, bleek, zeer bleek; naast haar zaten haar
+beide vriendinnen.
+
+"Neem nog een korreltje," zeide Sinang zacht, en bood haar een wit
+pilletje aan, dat ze uit een glazen buisje haalde, "hij zegt dat je
+met de medicijn moet ophouden, als je gegons in de ooren voelt."
+
+"Heeft hij je niet nog eens geschreven?" vroeg de zieke zacht.
+
+"Nee. Hij moet het zeer druk hebben!"
+
+"Heeft hij niets aan me laten zeggen?"
+
+"Hij zegt alleen maar, dat hij zal trachten van den aartsbisschop
+kwijtschelding te krijgen van den kerkelijken ban, om dan..."
+
+Het gesprek werd hier gestoord door de komst der tante.
+
+"De pater zegt dat je je moet voorbereiden op biechten, mijn kindje,"
+zeide zij. "Laat haar nu alleen, dan kan ze haar gewetensonderzoek
+doen."
+
+"Maar ze heeft immers nog geen week geleden gebiecht!" protesteerde
+Sinang. "Ik ben niet ziek, en ik zondig niet zoo vaak als zij!"
+
+"Och kom, weet je niet wat de pastoor zegt? De rechtvaardige zondigt
+zeven maal op een dag. Zeg, zal ik je het _Anker_, de _Ruiker_ of de
+_Rechte weg ten Hemel_ brengen?"
+
+Maria Clara antwoordde niet.
+
+"Nou, je moet je maar niet vermoeien," voegde de goede tante eraan
+toe. "Ik zelf zal je 't gewetensonderzoek voorlezen, en dan moet jij
+maar alleen aan je zonden zien te denken."
+
+"Schrijf hem dat hij niet meer aan mij moet denken!" fluisterde Maria
+Clara Sinang in 't oor, toen ze afscheid van haar nam.
+
+"Hoe zoo?"
+
+Doch de tante kwam binnen, en Sinang moest wel heengaan, zonder te
+begrijpen wat haar vriendin haar gezegd had.
+
+De goede tante zette een stoel bij het licht, zette de bril op de
+punt van haar neus, en, een boekje openslaande, zeide ze:
+
+"Let nu goed op, mijn kind. Ik zal beginnen met de geboden Gods. Ik
+zal langzaam lezen, dan kun je nadenken. Als je me niet goed verstaan
+hebt, moet je 't me zeggen, dan zal ik 't overdoen. Je weet wel dat
+ik, waar 't je welzijn geldt, nooit moe word."
+
+Ze begon met eentonig neusgeluid de beschouwingen omtrent de
+zondegevallen voor te lezen. Na iedere paragraaf zweeg ze een heele
+poos, om het jonge meisje tijd te geven, zich haar zonden te herinneren
+en er berouw over te hebben.
+
+Maria Clara keek starend voor zich uit. Toen het eerste gebod,
+"God lief te hebben boven alle dingen," gelezen was, sloeg Tante
+Isabel haar boven haar bril even gade, en was tevreden over haar
+peinzend en droevig aanzien. Ze hoestte vroom, en begon, na een lange
+pauze, aan 't tweede gebod. De goede oude las met zalving, en toen
+de beschouwingen gelezen waren keek ze weer eens naar haar nichtje,
+dat langzaam het hoofd naar den anderen kant wendde.
+
+"Och!" zeide tante Isabel bij zichzelve, "dat van 't ijdel gebruiken
+van zijn heiligen naam, daar heeft 't arme schaap zich nooit aan
+schuldig gemaakt. Laten we 't derde nemen."
+
+En het derde gebod werd ontleed en gecommentarieerd, en alle gevallen
+werden gelezen waarin men er tegen zondigt. Daarna wendde ze zich
+weer naar 't bed. Doch deze keer bracht de tante de bril naar boven,
+en wreef zich de oogen uit: ze had gezien dat haar nichtje de zakdoek
+naar 't gezicht bracht als om tranen af te drogen.
+
+"Hm!" zei ze, "hm! hm! 't Arme kind is zeker in slaap gevallen
+gedurende de preek."
+
+En haar bril weer op 't puntje van haar neus zettend, zeide ze bij
+zichzelf:
+
+"Laten we 's zien, of ze net zoo als ze de feestdagen niet heeft
+geëerd, ook vader en moeder niet geëerd heeft."
+
+En ze las het vierde gebod, met nog zeuriger stem en nog meer door
+den neus, geloovende zoo meer plechtigheid aan de zaak bij te zetten,
+zooals ze dat veel geestelijken had hooren doen.
+
+Het jonge meisje bracht intusschen verscheidene malen de zakdoek aan
+de oogen, en haar ademhaling werd hoorbaarder.
+
+"Wat 'n goede ziel!" dacht het oudje; "zij die zoo gehoorzaam en
+zoo inschikkelijk tegenover iedereen is! Ik heb meer zonden gedaan,
+en ik heb nooit echt kunnen schreien."
+
+En ze begon aan 't vijfde gebod, met nog meer zeurigheid en zoo
+mogelijk nog erger neusgeluid, en met zooveel geestdrift, dat ze
+'t gesnik van haar nichtje niet hoorde. Alleen na een pauze die ze
+maakte, na de beschouwingen over doodslag met gewapende hand te hebben
+gelezen, bemerkte zij 't gekreun der zondares. Toen steeg de toon boven
+'t verhevene, ze las wat er nog stond op een toon die ze dreigend
+trachtte te maken, en ziende dat Maria nog steeds bleef schreien,
+zeide ze, terwijl ze dichter bij 't bed kwam:
+
+"Schrei maar, kind, schrei maar! Hoe meer je schreit, hoe eer God je
+vergeven zal. Wees maar zeker dat de smart van zondeinkeer beter is
+dan die van zelfverwijt! Geef je zelf ook slagen op de borst, maar
+niet hard, want je bent nog ziek."
+
+Doch, alsof de smart om toe te nemen verborgenheid en eenzaamheid
+behoefde, hield Maria Clara, toen ze zich verrast zag, langzaam
+op met zuchten, en droogde haar oogen, zonder een woord te zeggen,
+of haar tante te antwoorden.
+
+Deze ging met lezen voort, maar omdat het schreien van haar publiek
+opgehouden was, verloor ze de geestdrift, en gaven de laatste geboden
+haar zelfs slaap, en deden haar geeuwen tot groot nadeel van het
+eentoonig neusgeluid, dat op die wijze afgebroken werd.
+
+"Als ik 't niet zag, zou ik 't niet gelooven!" dacht de goede oude
+vrouw daarna. "Dit meisje zondigt als een soldaat tegen de vijf eerste
+geboden juist het omgekeerde van ons vroeger! Wat gaat het vreemd in
+de wereld tegenwoordig!"
+
+En ze stak een groote kaars aan voor de Heilige Maagd van Antipolo,
+en nog twee kleinere voor onze Lieve Vrouw der Rozenkrans en Onze
+Lieve Vrouw van de Pilaar, terwijl ze er zorg voor droeg een ivoren
+kruisbeeldje te verwijderen en in een hoek te leggen, om daaraan toch
+vooral duidelijk te kennen te geven, dat de kaarsen niet voor dat
+beeldje waren aangestoken. De maagd van Delaroche kreeg ook niets:
+'t was een onbekende vreemdelinge, en tante Isabel had nog nooit van
+een wonder van haar gehoord.
+
+We weten niet wat er voorgevallen is bij de biecht van dien avond:
+wij eerbiedigen zulke geheimen. De biecht duurde lang, en de tante,
+die uit de verte haar nichtje in 't oog hield, kon opmerken dat de
+pastoor, in plaats van 't oor gekeerd te hebben naar den mond der
+zieke, integendeel het gezicht naar haar gewend had, en slechts in de
+schoone oogen van het jongemeisje scheen te willen lezen wat ze dacht,
+of er naar te gissen.
+
+Bleek en met opeengeklemde lippen verliet Padre Salvi het
+slaapvertrek. Zijn somber en met zweet bedekt voorhoofd ziende, zou
+men gezegd hebben, dat hij biechteling was geweest en geen absolutie
+had kunnen krijgen.
+
+"Jezus, Maria en Jozef!" zeide onze tante, en sloeg een kruis, om
+een slechte gedachte van zich te verjagen.
+
+"Wie snapt nu de jonge meisjes van tegenwoordig?!"
+
+
+
+
+XLIII.
+
+De vervolgden.
+
+
+Bij het flauwe schijnsel dat de maan afzond door het dichte gebladerte
+der boomen dwaalde een man met langzame bedaarde schreden door het
+bosch. Van tijd tot tijd, en als om zich te oriënteeren, floot hij
+een bizonder wijsje, waarop in de verte dezelfde tonen plachten te
+antwoorden. De man luisterde aandachtig, en vervolgde dan zijn weg
+in de richting van 't verwijderd geluid.
+
+Ten slotte, na 't doorworstelen van duizend moeilijkheden, die een
+maagdelijk woud 's nachts aanbiedt, kwam hij aan een klein open
+terrein, hel beschenen door de maan in haar eerste kwartier. Hooge
+rotsen, gekroond door boomen, rezen rondom op en vormden een soort
+bouwvallig amfitheater. Vers omgehakte boomen, verkoolde stammen vulden
+'t midden, waartusschendoor ontzaggelijke rotsblokken lagen, door de
+natuur gedeeltelijk met haar mantel van groen gebladerte bedekt.
+
+Nauwelijks was de onbekende aangekomen, of een andere gestalte,
+plotseling voor den dag komende van achter een groot stuk rots,
+trad naar voren, en een revolver uit den gordel nemend, vroeg hij
+op bevelenden toon in 't Tagaalsch terwijl hij de haan van 't wapen
+overhaalde:
+
+"Wie ben je?"
+
+"Is de oude Pablo bij jullie?" vroeg de eerste bedaard en
+onverschrokken zonder zich te storen aan de vraag.
+
+"Spreek je van den _Capitán_? ja die is er."
+
+"Zeg hem dan dat Elias hem hier zoekt," zeide de man die niemand
+anders was dan onze geheimzinnige "loods".
+
+"Bent u 't, Elias?" vroeg de onbekende met zekeren eerbied en naderbij
+komend, zonder nochthans zijn revolver weer bij zich te steken. "In
+dat geval gaat u maar mee."
+
+Elias volgde hem.
+
+Ze gingen een soort hol binnen, dat diep in de aarde wegzonk. De
+gids, die den weg kende, waarschuwde de loods wanneer hij afdalen,
+zich bukken of kruipen moest. Evenwel duurde het niet lang, of ze
+kwamen in een soort zaal, armzalig verlicht door pek-toortsen, en
+waarin zich twaalf gewapende kerels bevonden met ongure gelaatstrekken
+en vuil gekleed. Sommigen zaten, anderen lagen op den grond, en er
+werd nauwelijks gesproken. Met de ellebogen op een steen geleund,
+die dienst deed als tafel, en peinzend het licht gadeslaande, dat zoo
+weinig klaarte verspreidde bij zooveel rook, zag men een oude man met
+een droef gelaat, het hoofd gewikkeld in een bebloede zwachtel. Niet
+wetende dat die spelonk de verblijfplaats van _toelisan's_ of roovers
+was, zou men de wanhoop lezend op 't gelaat des ouden mans, zeggen
+dat het de Hongertoren was op den vooravond van de dag waarop Ugolino
+zijn kinderen zou verslinden. [43]
+
+Bij de komst van Elias en zijn gids richtten de mannen zich half
+op, doch op een teeken van den laatste stelden ze zich gerust, en
+vergenoegden zich met de loods, die ongewapend kwam, nauwkeurig op
+te nemen.
+
+De oude man wendde langzaam het hoofd om, en werd de ernstige
+verschijning van Elias gewaar. Deze sloeg hem onbevangen gade, vol
+droefheid en belangstelling.
+
+"Ben jij het?" vroeg de oude, wiens gelaat, bij 't herkennen van den
+jongen man, eenigszins opklaarde.
+
+"In wat 'n toestand vind ik u!" mompelde Elias bij zichzelf, terwijl
+hij 't hoofd schudde.
+
+De oude man boog zwijgend het hoofd, gaf de mannen een teeken,
+waarop zij opstonden, en heengingen, niet zonder eerst met een blik
+de gestalte en de lichaamsbouw van den loods te meten.
+
+"Ja!" zeide de grijsaard tot Elias, zoodra ze alleen waren: "zes
+maanden geleden, toen ik je een schuilplaats in mijn huis bood, was ik
+'t die medelijden met jou had. Nu is ons lot veranderd, en ben jij
+'t die medelijden met mij hebt. Maar ga zitten, en vertel me 's,
+hoe je hier gekomen bent."
+
+"Zoo wat veertien dagen geleden hebben ze me van uw ongeluk gesproken,"
+antwoordde de jongeman langzaam en zacht, terwijl hij naar het licht
+keek; "ik ben dadelijk op weg gegaan, en heb u overal in de bergen
+gezocht; ik heb bijna twee provincies afgezocht."
+
+"om geen onschuldig bloed te vergieten, heb ik moeten vluchten. Mijn
+vijanden vreesden zich te vertoonen en stelden alleen eenige
+ongelukkigen tegenover me, die me niet het minste kwaad gedaan hebben."
+
+Na een kort stilzwijgen, dat hij benutte om de gedachten te lezen op
+het sombere gelaat van den grijsaard, hervatte Elias:
+
+"Ik ben gekomen om u iets voor te stellen. Nadat ik tevergeefs gezocht
+had naar een of ander overblijfsel van de familie, die het ongeluk van
+de mijne veroorzaakt heeft, heb ik besloten de provincie waar ik woon
+te verlaten, om naar 't noorden te verhuizen, onder de ongeloovige
+onafhankelijke stammen; wilt u het leven opgeven dat u nu leidt,
+en met mij meegaan? Ik zal uw zoon wezen, nu u de uwen verloren
+heeft. En ik die geen familie heb, zal in u een vader hebben."
+
+De oude man schudde het hoofd, en zeide: "Wanneer men op mijn leeftijd
+een wanhopig besluit neemt, dan is dat omdat er niets anders is. Een
+man die, als ik, zijn jeugd en zijn rijpere jaren heeft doorgebracht
+in arbeid voor zijn eigen toekomst en die van zijn kinderen; een man
+die zich onderworpen heeft getoond aan al de wilsuitingen van zijn
+meerderen, die gewetensvol moeilijke betrekkingen vervuld heeft, alles
+geleden heeft, om in vrede en in een zoo groot mogelijke rust te leven;
+wanneer die man, wiens bloed door ouderdom bekoeld is, afstand doet
+van zijn heele toekomst, aan den rand van 't graf, dan is dat omdat
+hij rijpelijk overwogen heeft dat vrede niet bestaat en ook niet het
+hoogste goed is. Waartoe ellende lijden in een vreemd land? Ik had
+twee zoons, een dochter, een eigen huis, fortuin. Ik genoot achting
+en aanzien. Nu ben ik als een boom die van zijn takken beroofd is,
+nu dwaal ik rond als een vluchteling, opgejaagd als een wild dier in
+'t bosch, en dat alles waarom? Omdat een man mijn dochter onteerd
+heeft, omdat haar broeders rekenschap vroegen over de schanddaad van
+dien man, en omdat die man met zijn waardigheid van geestelijke boven
+de gewone menschen verheven staat. Alles wel beschouwd heb ik, vader,
+onteerd in mijn ouderdom, de beleediging vergeven, ben ik toegevend
+geweest tegenover de hartstochten van de jeugd en de zwakheden van
+'t vleesch. En wat moest ik doen tegenover een onherstelbaar kwaad,
+wat anders dan zwijgen en redden wat me nog restte? Maar de misdadiger
+was bang voor een wraak die hij min of meer nabij achtte, en zocht
+het ongeluk van mijn zoons. Weet je wat hij gedaan heeft? Nee? Weet
+je niet dat hij een diefstal in 't klooster verzon, en dat onder de
+beschuldigden een van mijn zoons voorkwam? De ander kon hij er niet in
+betrekken, want die was afwezig. Weet je de martelingen waaraan hij
+onderworpen werd? Je kent ze, omdat ze in alle dorpen zoo toegepast
+worden! Ik, ik zag mijn zoon opgehangen aan zijn haren, ik hoorde
+zijn kreten, ik hoorde dat hij me riep, en ik, die laf was en aan
+vrede gewend, ik heb den moed niet gehad noch om te dooden, noch om
+te sterven! Weet je dat de diefstal niet bewezen kon worden, dat men
+inzag dat het laster was, en dat de pastoor voor straf naar een ander
+dorp werd overgeplaatst? En dat mijn zoon ten gevolge van de marteling
+gestorven is? De andere, die mij restte, was niet laf als zijn vader,
+en daar de beul vreesde dat hij misschien in hem zijn broer wreken zou,
+werd hij onder voorwendsel dat hij geen bewijs van vestiging had,--dat
+hij voor 't oogenblik vergeten had--door de _guardia civil_ opgepakt,
+mishandeld, geprikkeld en met scheldwoorden tot het uiterste gebracht
+zoo zelfs dat hij tot zelfmoord gedwongen werd. En ik, ik heb zooveel
+schande overleefd, maar al heb ik niet den moed als vader gehad om
+mijn kinderen te verdedigen, er blijft mij een hart voor de wraak,
+en ik zal me wreken! De ontevredenen gaan zich meer en meer onder
+mijn bevel vereenigen, mijn vijanden doen mijn troep toenemen, en op
+den dag dat ik mij sterk genoeg voel, zal ik naar de vlakte afdalen
+en mijn wraak en mijn eigen leven in 't vuur uitdooven! En die dag
+zal komen, of er is geen God!"
+
+En de oude man richtte zich zenuwachtig op, en met fonkelenden blik
+en een hol klinkende stem voegde hij eraan toe, terwijl hij aan zijn
+lange haren rukte:
+
+"Vloek, vloek over mij, die de wrekende hand van mijn zoons heb
+tegengehouden: ik heb ze vermoord! Had ik toegelaten dat de schuldige
+stierf, had ik minder in Gods rechtvaardigheid en die van de menschen
+geloofd, dan had ik nu mijn kinderen, voortvluchtig misschien, maar
+zou ze hebben en ze zouden niet den marteldood gestorven zijn! Ik was
+niet geboren om vader te zijn! Daarom heb ik ze niet! Vloek over mij,
+die op mijn leeftijd nog niet geleerd had het midden te kennen waarin
+ik leefde! Maar in vuur en bloed en in mijn eigen dood, zal ik je
+weten te wreken!" De ongelukkige vader had zich ten toppunt van smart,
+het verband afgerukt, en nu vertoonde zich een breede wond aan zijn
+voorhoofd, waaruit bloeddruppels neervielen.
+
+"Ik eerbiedig uw smart," hervatte Elias, "en ik begrijp uw
+wraakbegeerte. Ik ben net als u, en toch, uit vrees om een onschuldige
+te treffen, vergeet ik liever mijn ellende."
+
+"Jij kunt vergeten, omdat je jong bent, en omdat je geen enkele
+zoon verloren hebt, geen enkele laatste hoop! Maar ik zweer 't je:
+ik zal geen onschuldige doen lijden. Zie je deze wond? Om niet een
+arme wachtkerel die zijn plicht deed te dooden, heb ik me die laten
+toebrengen."
+
+"Maar bedenkt u niet," zeide Elias na een oogenblik zwijgens,
+"bedenkt u niet in welk een schrikkelijke brand u ons arm volk
+zal werpen? Als u met eigen hand wraak neemt, zullen uw vijanden
+vreeselijke weerwraak nemen niet tegen u, maar tegen 't volk, dat
+als naar gewoonte, beschuldigd wordt, en dan, wat 'n onrecht!"
+
+"Laat het volk leeren zich te verdedigen, laat iedereen zich
+verdedigen!"
+
+"Weet u wel dat zoo iets onmogelijk is! Meneer, ik heb u gekend in een
+anderen tijd, toen u nog gelukkig was. Toen gaf u me wijze raad. Staat
+u me toe?..."
+
+De grijsaard kruiste de armen, en scheen vol aandacht.
+
+"Meneer," ging Elias voort, zijn woorden goed overwegend, "ik heb het
+geluk gehad, een dienst te kunnen bewijzen aan een rijken jongeman,
+iemand met een goed en edel hart en die zijn land liefheeft. Men
+zegt dat die jongeman vrienden in Madrid heeft. Ik weet het niet,
+maar wel kan ik u verzekeren dat hij op vriendschappelijken voet
+staat met den Capitán Generaal. Wat zou u ervan zeggen, als wij hem
+tot onzen aanklager maakten, als we hem belang deden stellen in de
+zaak van ons ongelukkige volk?"
+
+De oude man schudde het hoofd.
+
+"Zeg je dat hij rijk is? Rijke menschen denken aan niets anders dan
+hun rijkdom te vermeerderen: trots en praal verblinden ze en omdat
+ze gewoonlijk er zelf goed aan toe zijn, vooral wanneer ze machtige
+vrienden hebben, bekommert zich geen van hun om de ongelukkigen. Ik
+weet dat alles, omdat ik zelf rijk ben geweest!"
+
+"Maar de man van wien ik spreek, is niet zooals anderen.
+
+"'t Is een zoon die gehoond is geworden in de nagedachtenis van
+zijn vader. 't Is een jongmensch dat, omdat hij spoedig een gezin
+zal hebben, aan de toekomst denkt, aan een goede toekomst voor zijn
+kinderen."
+
+"Dan is 't een man die spoedig gelukkig zal wezen, en onze zaak is
+niet die van de gelukkige menschen."
+
+"Maar 't is wel die van de mannen die een hart hebben!"
+
+"Laat 't wezen!" hervatte de oude man, en ging weer zitten, "neem aan
+dat hij onze pleitbezorger is bij den opperlandvoogd, veronderstel
+dat hij op de hoofdplaats afgevaardigden vindt die voor ons willen
+opkomen, geloof je dan dat ons recht zal gedaan worden?"
+
+"Laten we 't probeeren, voordat we bloedige maatregelen nemen,"
+antwoordde Elias. "'t Moet u wel verbazen dat ik, een ander
+ongelukkige, jong en sterk als ik ben, u, een oud en zwak man,
+vreedzaam optreden aanraad. Maar dat komt omdat ik zooveel ellenden
+gezien heb door ons veroorzaakt, evenzeer als door de onderdrukkers:
+'t is altijd de weerlooze die 't gelag betaalt."
+
+"En als we toch niets bereiken?"
+
+"Iets zal er bereikt worden, gelooft u me: niet alle bestuurders zijn
+onrechtvaardig. Als we niets gedaan krijgen, als ze onze klachten in
+den wind slaan, als de mensch doof geworden is voor de smartkreten
+van zijn evenmenschen, dan ben ik tot uw orders!"
+
+De grijsaard omarmde vol geestdrift Elias.
+
+"Ik neem je voorslag aan, Elias. Ik weet dat je je woord houdt. Je
+zult bij me komen, en ik zal je helpen, om je voorouders te wreken,
+jij zult mij helpen om mijn kinderen te wreken! Mijn zoons die zoo
+waren als jij!"
+
+"Intusschen moet u iedere gewelddadigheid vermijden."
+
+"Jij moet de klachten van 't volk blootleggen: je kent ze. Wanneer
+zal ik je antwoord vernemen?"
+
+"Zend me over vier dagen een man naar het strand van San Diego, en
+ik zal hem het antwoord zeggen dat de man in wien ik mijn hoop stel
+me gegeven heeft. En zoo niet, dan ben ik de eerste die valt in den
+strijd, dien we samen ondernemen zullen."
+
+"Elias zal niet sterven, Elias zal de aanvoerder wezen, wanneer
+Capitán Pablo voldaan over zijn wraak gevallen is," zeide de grijsaard.
+
+En hij zelf vergezelde den jongeman tot buiten het hol.
+
+
+
+
+XLIV.
+
+De hanenvechtplaats.
+
+
+Om den Zondag in eere te houden gaat men op de Filippijnen
+gewoonlijk naar het hanenperk. Het hanenvechten is een hartstocht
+die sinds een eeuw in 't land ingevoerd en geëxploiteerd wordt,
+is een der volksondeugden, die meer op den voorgrond treedt dan het
+opium-schuiven bij de Chineezen. Daar gaat de arme heen om wat hij
+bezit op 't spel te zetten, begeerig als hij is om geld te verdienen
+zonder te werken. Daar gaat ook de rijke heen, om verstrooiing te
+zoeken, het geld gebruikende, dat er overschiet van zijn festijnen en
+genade-missen; maar de som die verspeeld wordt is van hem, de haan
+is wellicht met meer zorg opgekweekt dan de zoon, opvolger van den
+vader in 't hanenperk, en dit verontschuldigt de spelers.
+
+Aangezien het bestuur het toestaat, en 't zelfs bijna aanbeveelt--want
+het gelast dat het schouwspel alleen gegeven mag worden op "openbare
+pleinen," op "feestdagen" (opdat iedereen het zien kunne en het
+voorbeeld moge aanmoedigen), "na de groote mis tot het donker" (acht
+uur), zullen we eens dit spel gaan bijwonen, om eenige kennissen op
+te zoeken.
+
+Het hanenperk van San Diego onderscheidt zich slechts onbeduidend
+van die welke men op andere plaatsen vindt. Het bestaat uit drie
+afdeelingen: de eerste, die voor den ingang, is een groote rechthoek
+van zoowat twintig meter lengte bij veertien breedte; aan een der
+zijden opent een deur, waar gewoonlijk een vrouw bij waakt, die
+belast is met het innen van _sa-pintoe_ of het toegangsgeld. Van dit
+geld ontvangt het gouvernement een gedeelte: eenige honderdduizenden
+peso's jaarlijks. Men zegt dat voor dit geld, dat de ondeugd voor
+haar vrijheid betaalt, prachtige scholen worden opgericht, bruggen
+gebouwd en straatwegen aangelegd, dat men daarvoor prijzen uitlooft
+om landbouw en handel te bevorderen...Gezegend de ondeugd die zulk
+een goeden uitslag oplevert! [44] In deze eerste afdeeling zijn de
+verkoopsters van _sirih_, sigaretten, lekkernijen en andere eetwaren
+enz. Daar krioelt het van jongens, die hun vaders en ooms vergezellen,
+welke hen zorgvuldig inwijden in de geheimen des levens.
+
+Deze afdeeling staat in verbinding met een ander van ietwat grooter
+afmetingen, een soort "foyer", waar het publiek zich vereenigt voor
+het "loslaten" der hanen.
+
+In de foyer bevinden zich de meeste hanen, met een touw aan den
+grond vastgemaakt, door middel van een pen van been of wilde
+palm; daar zijn de beroepsspelers, de verslaafden, daar is de
+ervaren mesjes-bevestiger; daar wordt onderhandeld, overwogen, te
+leen gevraagd, verwenscht, gezworen en gevloekt, gelachen dat het
+davert. Ginds streelt er een zijn haan, hem de hand over de glanzende
+veeren strijkend; hier onderzoekt er een en telt de schubben der
+pooten; daar vertelt men de daden der helden; wat verder zult ge een
+troepje lieden zien, welke met pruilend gelaat een ontveerd hanelijk
+wegdragen: het dier dat maanden lang de lieveling geweest is, nacht en
+dag vertroeteld en verzorgd, en waarop ze streelende hoop-verwachtingen
+bouwden, is nu niet meer dan een lijk, en wordt straks verkocht voor
+een _peseta_, om met gember klaargemaakt dienzelfden avond gegeten te
+worden. _Sic transit gloria mundi!_ De spelverliezer keert naar zijn
+huis terug, waar hem de ongeruste vrouw en de lompig-gekleede kinderen
+wachten, zonder 't kapitaaltje en zonder de haan. Van dien heelen
+gulden droom, van al die zorgen maanden lang, van 't morgenkrieken tot
+zonsondergang, van al die moeite en last, is niets dan een _peseta_
+het resultaat, de asch die gebleven is van zooveel rook.
+
+In deze "foyer" redetwisten de domsten; de slimmeren onderzoeken
+gewetensvol de zaak, wegen, beschouwen, spreiden de vleugels uit,
+betasten de spieren der hanen! Sommigen gaan zeer goed gekleed,
+gevolgd en omringd door de aanhangers hunner dieren; anderen, vuil,
+met het stempel der ondeugd op hun gelaat geprent, volgen angstvallig
+de bewegingen der rijken, en letten aandachtig op de weddenschappen,
+want de beurs kan wel leegraken, maar de passie niet verzadigd worden:
+daar is geen enkel gezicht dat niet opgewonden is, daar vindt men
+niet de luie, apathische, stille Filippijner. Hij is nu een en al
+bewegelijkheid, hartstocht, vurig verlangen. Men zou zeggen dat ze
+de dorst hebben die het slijkwater opwekt.
+
+Van deze plaats komt men in 't arena, dat _rueda_ heet. De grond,
+omsloten door bamboe, is hier meestal hooger dan in de vorige
+afdeelingen. In 't bovenste deel, en bijna aan de zoldering rakend,
+bevinden zich trapsgewijze geschikte zitplaatsen voor het publiek of
+voor de spelers, die per slot van rekening dezelfden zijn. Gedurende
+het gevecht vullen zich deze zitplaatsen met mannen en jongens, die
+schreeuwen, krijschen, zweten, ruzie maken en vloeken. Gelukkig komt
+bijna nooit een vrouw daar. In de _rueda_ zijn de notabelen, de rijken,
+de befaamde beroepsspelers, de contractant en de spelrechter. Op
+den grond, die uitstekend vastgestampt is, vechten de dieren, en van
+daar-uit deelt het lot aan de huisgezinnen lach en traan, smulpartijen
+of honger uit.
+
+Op 't uur dat wij binnenkomen, zien we reeds de _gobernadorcillo_,
+Capitán Pablo, Capitán Basilio, Lucas, de man met het litteeken in
+zijn gezicht, die zooveel verdriet had over den dood van zijn broer.
+
+Capitán Basilio treedt toe op iemand uit het volk en vraagt hem:
+
+"Weet je ook welke haan Capitán Tiago meebrengt?"
+
+"Ik weet het niet, meneer. Vanochtend zijn er twee van hem aangekomen,
+een ervan is de _lasak_ (wit en rood), die de _talisain_ (bonte) van
+den consul verslagen heeft. Gelooft u dat mijn _boelik_ (wit en zwart)
+met hem zou kunnen vechten?"
+
+"Ik geloof 't zeker! Ik verwed er mijn huis en mijn hemd om!"
+
+Op dat oogenblik kwam Capitán Tiago binnen. Hij ging gekleed als de
+groote spelers: een hemd van kanten-linnen, wollen pantalon en een
+grooten strooien flaphoed. Achter hem aan kwamen twee bedienden,
+de _lasak_ en een witten haan van ontzaggelijke afmetingen dragend.
+
+"Sinang heeft me gezegd dat Maria 't iedere maand beter maakt!" zeide
+Capitán Basilio.
+
+"Heeft u gisterenavond verloren?"
+
+"Een beetje. Ik weet dat u gewonnen heeft... ik zal zien, of ik
+'t goed maak."
+
+"Wilt u de _lasak_ laten vechten?" vroeg Capitán Basilio, terwijl
+hij naar den haan keek, en hem van den bediende vroeg.
+
+"Dat ligt eraan, als er op gewed wordt."
+
+"Hoeveel stelt u?"
+
+"Minder dan twee laat ik hem niet gaan."
+
+"Heeft u mijn _bulik_ gezien?" vroeg Capitán Basilio, en riep een
+man die een kleinen haan droeg.
+
+Capitán Tiago onderzocht hem, en na hem gewogen en na zijn schubben
+betast te hebben, gaf hij hem terug.
+
+"Hoeveel zet u op?" vroeg hij.
+
+"Evenveel als u."
+
+"Twee en vijfhonderd?"
+
+"Drie?"
+
+"Drie!"
+
+"Voor de volgende!"
+
+De kring van nieuwsgierige spelers verbreidde het bericht dat twee
+beroemde hanen zouden vechten. Beiden hadden hun geschiedenis en
+hun gevestigde roep. Iedereen wilde de twee beroemdheden zien, ze
+onderzoeken. Men uitte meeningen, men deed voorspellingen.
+
+Intusschen neemt het stemmengerucht toe, wordt de verwarring grooter,
+men dringt binnen de _rueda_ en bestormt de zitplaatsen. De "loslaters"
+brengen twee hanen naar het strijdperk, de eene wit, de andere rood,
+reeds gewapend maar de mesjes zitten nog in de schede. Men hoort
+uitroepen "op de witte!" "op de witte!", een enkele stem roept "op
+de roode!" De witte was de "beroepene," de roode de "verlatene",
+dat wil zeggen de verworpeling en de lieveling.
+
+Onder de menigte loopen _guardia civiles_ rond. Ze dragen niet
+de uniform van het welbeproefde korps, maar zijn ook niet in
+burgerkleeding. Een broek van ruw wollen stof met roode franje, een
+hemd met blauwe vlekken van de afgevende kiel, politie-muts, ziedaar
+de vermomming in overstemming met hun houding. Ze wedden en houden
+toezicht, ze verstoren de orde, terwijl ze zeggen die te handhaven.
+
+Onder 't geschreeuw door worden de handen uitgestrekt waarin men met
+geld zwaait en rinkelt, terwijl men in den zak het laatste geldstuk
+opzoekt, of, als dat er niet is, zijn woord wil verpanden, belovende
+dat men zijn karbouw, den aanstaanden oogst enz. wil verkoopen;
+twee jongelieden, blijkbaar broeders, volgen met jaloersche oogen
+de spelers, komen naar elkaar toe, mompelen schuchtere woorden waar
+niemand naar luistert, worden telkens somberder en kijken elkaar met
+ergernis en spijtigheid aan. Lucas neemt ze tersluiks op, glimlacht
+boosaardig, laat zilveren _peso's_ klinken, gaat vlak langs de beide
+broeders, en terwijl hij naar de _rueda_ kijkt, roept hij:
+
+"Ik betaal vijftig, vijftig tegen twintig op den witte!"
+
+De twee broeders wisselen een blik.
+
+"Ik heb 't je wel gezegd," mompelt de oudste, "dat je niet al het
+geld moest verwedden. Als je mijn raad gevolgd hadt, zouden we nu
+overhebben, om op den roode te zetten!"
+
+De jongste van de twee trad schuchter op Lucas toe, en raakte even
+zijn arm aan.
+
+"Ben jij 't?" roept deze en keert zich om, net doende alsof hij verrast
+was, "neemt je broer mijn voorstel aan, of kom je om te wedden?"
+
+"Hoe wil je dat we zullen wedden, als we alles verloren hebben?"
+
+"Dus neem je 't aan?"
+
+"Hij wil niet! Als u ons wat kon leenen: u zegt immers dat u ons
+kent..."
+
+Lucas krabde zich achter 't oor, trok zijn hemd glad, en antwoordde:
+
+"Ja zeker ken ik jullie. Jullie zijt Tarsilo en Bruno, jonge en sterke
+kerels. Ik weet dat je vader gestorven is tengevolge van de honderd
+geeselslagen daagsch, die deze soldaten hem gaven. Ik weet dat jullie
+er niet aan denkt om hem te wreken..."
+
+"Bemoei u niet met onze zaken," viel Tarsilo, de oudste, in,
+"dat brengt ongeluk. Als we geen zuster hadden, dan waren we al
+lang opgehangen!"
+
+"Ophangen? Ze hangen alleen een lafaard op, iemand die geen geld en
+geen voorspraak heeft. En in allen gevalle is de wildernis dichtbij."
+
+"Honderd tegen twintig, ik zet op den witte!" riep er een onder
+'t voorbijgaan.
+
+"Leen ons vier _peso's_ ... drie ... twee," smeekte de jongste. "We
+geven u later 't dubbele terug. Ze laten meteen de hanen los."
+
+Lucas krabde zich nog eens achter 't oor.
+
+"Pst! Dit geld is niet van mij, Don Crisóstomo heeft het mij gegeven
+voor wie hem dienen willen. Maar ik zie wel dat jullie niet zijt
+zooals je vader. Die was wel moedig. Laat hij die 't niet is geen
+pretjes zoeken."
+
+En hij verwijderde zich van hen, doch niet ver.
+
+"Laten we 't aannemen, wat geeft 't?" zeide Bruno.
+
+"'t Is toch een en 't zelfde, of je opgehangen of gefusilleerd wordt:
+wij arme lui dienen nergens anders voor."
+
+"Je hebt gelijk, maar denk aan onze zuster."
+
+Onderwijl is het strijdperk ontruimd. De kampstrijd zal een aanvang
+nemen. Het geschreeuw bedaart allengs, en de twee "loslaters" en de
+"mesjes-vastmaker" blijven in 't midden staan. Op een teeken van
+den spelrechter ontbloot de eerste de stalen _navaja's_ en de fijne
+lemmeten blinken dreigend, flikkerend.
+
+De twee broeders gaan droevig en stil naar de omheining van het perk,
+en kijken toe, het voorhoofd tegen de bamboe aan. Een man treedt op
+hen toe, en zegt fluisterend:
+
+"Zeg, man, honderd tegen tien. Ik ben voor den witte!"
+
+Tarsilo kijkt hem verbouwereerd aan. Bruno geeft hem een stoot met
+de elleboog, waarop hij met een gegrom antwoordt.
+
+De "loslaters" houden de hanen met meesterlijke zachtheid vast,
+zorgdragend zich niet te kwetsen. Er heerscht een plechtig stilzwijgen:
+men zou wanen dat de aanwezigen behalve de twee loslaters gruwelijke
+wassen poppen waren. De eene haan wordt bij den andere gebracht,
+terwijl men den kop van den eene vasthoudt, opdat hij door 't krijgen
+van een pik van den ander toornig wordt, en omgekeerd: bij ieder
+doel moet gelijkheid wezen, zoowel tusschen Parijsche als tusschen
+Filippijnsche hanen. Daarna laat men ze elkaar in 't gezicht kijken,
+waardoor de arme beestjes weten wie hun een veertje uitgerukt heeft
+en met wie ze moeten vechten. De halsveederen rijzen op, ze kijken
+elkaar strak aan, en toornflitsjes ontsnappen uit hun kleine ronde
+oogjes. Dan is het oogenblik gekomen. Men zet ze op den grond neer
+en laat hun verder vrij spel.
+
+Langzaam treden ze vooruit. Men hoort hun schreden op den harden
+grond. Niemand kikt, in ademlooze spanning. De kop neerbuigend en
+opheffend, als meten ze elkaar met de blik, uiten de beide hanen
+geluiden, wellicht van bedreiging en minachting. Ze hebben het glanzend
+lemmet ontwaard, dat koude blauwige flikkeringen uitzendt. Het gevaar
+spoort hen aan, en ze gaan vastberaden op elkaar af; doch op een pas
+afstands staan ze stil, met strakken blik, 't hoofd naar beneden, en
+weer gaan de halsvederen omhoog. Op dat oogenblik worden de hersentjes
+door bloed beloopen, de oogen flitsen, en met hun natuurlijken moed
+werpen ze zich onstuimig op elkaar: snavel stoot tegen snavel, borst
+tegen borst, staal tegen staal en vleugel tegen vleugel. De slagen
+zijn met meesterschap afgeweerd, en er zijn alleen enkele veeren
+gevallen. Ze meten zich opnieuw met elkaar. Plotseling vliegt de
+witte op, en zwaait het doodelijke staal, maar de roode is op zijn
+pooten doorgezakt, heeft den kop gebogen, en de witte heeft slechts
+in de lucht geschermd. Doch, bij 't weer neerstrijken op den grond
+en verwonding van achteren ontwijkend, keert hij zich snel om, en
+maakt front. De roode valt hem met woede aan, doch hij verdedigt zich
+bedaard: niet voor niets is hij de lieveling van 't publiek. Iedereen
+volgt bevend en in angstige spanning de wisselingen van 't gevecht,
+terwijl men nu en dan een onwillekeurige kreet laat hooren. De grond
+raakt bedekt met roode en witte veeren, met bloed bespet. Maar 't duel
+is niet op 't eerste bloed. De Filippijnen, hier de wetten volgend door
+'t bestuur gegeven, willen dat het op leven en dood zij, of totdat de
+eerste vlucht. Het bloed drenkt reeds overal den grond, de slagen komen
+korter op elkaar, doch de overwinning blijft onbeslist. Eindelijk,
+met een uiterste krachtsinspanning, stort de witte vooruit, om den
+genadeslag toe te brengen, steekt zijn mesje in den vleugel van den
+roode, en dit dringt tusschen de beenderen door. Doch de witte is
+in de borst gewond, en beiden, schier bloedeloos, uitgeput, hijgend,
+de een tegen den ander aangedrukt, blijven zoo roerloos staan, totdat
+de witte neervalt, bloed spuwt uit zijn snavel, met de pooten spartelt
+en zieltoogt. De roode vastgehouden aan den vleugel, blijft naast hem,
+zakt allengs op zijn pooten ineen en sluit langzaam de oogen.
+
+Daarop verklaart de spelrechter, in overeenstemming met de
+voorschriften van 't bestuur, dat de roode overwinnaar is. Een woest
+geschreeuw begroet deze uitspraak, een geschreeuw dat men in 't heele
+dorp kan hooren, gerekt eentonig en een poos durend. Die het in de
+verte hoort begrijpt dan dat de "verlatene"--niet de "lieveling"
+overwinnaar is geweest. Anders zou het gejubel niet zoo lang geduurd
+hebben. 't Is ermee als met de volken: als een klein volk erin slaagt
+de overwinning te behalen op een groot, wordt die bezongen, en door
+alle eeuwen heen verteld.
+
+"Zie je wel?" zei Bruno spijtig tot zijn broeder. "Als je me hadt
+willen gelooven, zouden we nu honderd _peso's_ hebben: door jouw
+schuld zitten we zonder een _cuarto_."
+
+Tarsilo antwoordde niet, maar keek met oogen half dicht om zich heen,
+als zocht hij iemand.
+
+"Daar staat hij te praten met Pedro," hervatte Bruno. "Hij geeft hem
+geld, wat 'n geld!"
+
+Inderdaad telde Lucas in handen van Sisa's man zilvermunten uit. Ze
+wisselden nog heimelijk eenige woorden, en gingen dan vaneen, naar
+'t scheen voldaan.
+
+"Pedro heeft zich zeker verbonden: nou, die weet ten minste wat hij
+doet!" zuchtte Bruno.
+
+Tarsilo bleef somber en in gepeins voor zich staren. Met zijn hemdsmouw
+veegde hij zich 't zweet af, dat langs zijn voorhoofd gutste.
+
+"Broer," zeide Bruno, "ik ga, als jij niet besluiten kunt. De partij
+gaat door: de _lasak_ moet winnen en we mogen zoo'n mooie gelegenheid
+niet laten voorbijgaan.
+
+"Ik wil wedden bij 't volgende gevecht. Wat kan 't me schelen? Zoo
+wreken we onzen vader."
+
+"Wacht!" zeide Tarsilo, en keek hem strak in de oogen: beiden waren
+bleek. "Ik ga met je mee. Je hebt gelijk: we zullen onzen vader
+wreken."
+
+Hij bleef echter stilstaan, en veegde zich weer 't zweet van
+'t voorhoofd.
+
+"Waarom blijf je staan?" vroeg Bruno ongeduldig.
+
+"Weet je welke hanen nu volgen? Zijn ze de moeite waard?..."
+
+"Dat 's ook wat moois! Heb je 't niet gehoord? De _boelik_ van Capitán
+Basilio tegen de _lasak_ van Capitán Tiago. Volgens de regels van
+'t spel moet de _lasak_ het winnen."
+
+"O de _lasak_! Ik zou ook wel willen wedden...maar laten we ons
+eerst verzekeren."
+
+Bruno maakte een gebaar van ongeduld, maar volgde zijn broeder. Deze
+bekeek de haan goed, sloeg hem in de onderdeelen gade, wikte en woog,
+deed eenige vragen: de ongelukkige weifelde. Bruno was zenuwachtig,
+en keek hem vertoornd aan.
+
+"Maar zie je dan die breede schub niet die hij daar, bij zijn spoor,
+heeft? Zie je die pooten niet? Wat wil je meer? Kijk die beenen 's,
+spreid die vleugels 's uit! En deze gespleten schub boven deze breede,
+en deze dubbele?"
+
+Tarsilo hoorde niet naar hem, maar ging voort met het dier te
+onderzoeken: het gerinkel van goud en zilver drong tot zijn ooren door.
+
+"Laten we nu naar den _boelik_ gaan kijken," zeide hij met gesmoorde
+stem.
+
+Bruno stampvoette, knarsetandde, maar gehoorzaamde zijn broeder.
+
+Ze traden op een andere groep toe. Daar was men bezig den haan te
+wapenen, men zocht _navaja's_ uit, de _atador_ of mesjes-vastmaker
+maakte roode zijde klaar, smeerde hem met was in, en wreef hem
+verscheidene malen.
+
+Tarsilo omvatte het dier in een somber-wezenloozen blik: 't was alsof
+hij den haan niet zag, maar iets anders in de toekomst. Hij streek
+met de hand over 't voorhoofd.
+
+"Ben je genegen?" vroeg hij zijn broeder met doffe stem.
+
+"Ik? Te voren al. Ik hoefde ze niet eerst te zien!"
+
+"'t Is dat...onze arme zuster..."
+
+"Och wat! Hebben ze je dan niet gezegd dan Don Crisóstomo aan 't
+hoofd staat? Heb je hem niet zien wandelen met den gouverneur? Wat
+voor gevaar loopen we dan?"
+
+"En als we dood gaan?"
+
+"Wat zou dat nog? Onze vader is doodgeranseld."
+
+"Je hebt gelijk!"
+
+Beide broeders zochten Lucas op tusschen de groepen.
+
+Zoodra ze hem gewaar werden, stond Tarsilo stil.
+
+"Nee, laten we weggaan van hier. We gaan ons ongeluk tegemoet!" riep
+hij.
+
+"Ga jij weg, als je wil, ik neem 't aan!"
+
+"Bruno!"
+
+Ongelukkigerwijze naderde een man, en zeide tot hen:
+
+"Wed u mee? Ik ben voor de _boelik_." De twee broeders antwoordden
+niet.
+
+"Ik heb gewonnen!"
+
+"Hoeveel?" vroeg Bruno.
+
+De man begon zijn muntstukken van vier _peso's_ te tellen. Bruno keek
+hem ademloos aan.
+
+"Ik heb twee honderd: vijftig tegen veertig!"
+
+"Nee!" zeide Bruno beslist. "Zet..."
+
+"Goed: vijftig tegen dertig!"
+
+"Verdubbel als u wilt!"
+
+"Goed! De _boelik_ is van mijn baas, en ik heb net gewonnen: honderd
+tegen zestig."
+
+"Top! Wacht, ik zal even geld halen."
+
+"Maar ik zal 't geld in bewaring nemen," zeide de ander, die niet
+veel vertrouwen had in Bruno's uiterlijk.
+
+"'t Is me om 't even!" antwoordde deze, die wel vertrouwen had in
+zijn eigen knuisten.
+
+En zich tot zijn broeder wendend, zeide hij hem:
+
+"Als jij blijft, ik ga heen."
+
+Tarsilo dacht even na: hij had zijn broeder lief, maar hield ook van 't
+spel. Hij kon hem niet alleen laten, en mompelde: "Goed, 't zij zoo!"
+
+Ze traden op Lucas toe: deze zag hen aankomen, en glimlachte.
+
+"Oom!" zei Tarsilo.
+
+"Wat is er?"
+
+"Hoeveel geeft u?" vroegen ze allebei.
+
+"Ik heb 't al gezegd: als jullie op je nemen, om anderen te zoeken
+voor 't overvallen van de kazerne, geef ik je dertig _peso's_, aan
+elk van jullie, en tien aan elken kameraad. Als alles goed afloopt,
+krijgt elk van den troep honderd, en jullie elk 't dubbele: Don
+Crisóstomo is rijk."
+
+"Aangenomen!" riep Bruno. "Geef op 't geld!"
+
+"Ik wist wel dat jullie dapper waren evenals je vader! Kom mee, laten
+de lui die hem van kant gemaakt hebben, ons niet hooren!" zeide Lucas,
+en wees naar de _guardias civiles_.
+
+En ze naar een hoek brengende, zei hij hun terwijl hij het geld
+uittelde:
+
+"Morgen komt Don Crisóstomo en brengt wapens. Overmorgen avond, zoo
+tegen acht, moeten jullie naar het kerkhof gaan, en ik zal je zijn
+laatste beschikkingen zeggen.
+
+"Jelui hebben tijd om deelnemers te zoeken."
+
+Ze gingen vaneen. De twee broeders schenen van rol verwisseld te
+hebben: Tarsilo was kalm, Bruno ongerust.
+
+
+
+
+XLV.
+
+De twee dames.
+
+
+Terwijl Capitán Tiago zijn _lasak_ liet vechten, maakte Doña Victorina
+een wandeling door het dorp, met de bedoeling om te zien, hoe de luie
+inlanders hun huizen en zaaivelden hadden. Ze had zich zoo zwierig
+mogelijk aangekleed, en op haar zijden morgenjapon al haar linten
+en bloemen aangebracht, om de provinciemenschen te overbluffen en
+hun te laten zien, hoe groot de afstand was tusschen hen en haar
+hoogheilige persoon. En de arm gevende aan haar manken echtgenoot,
+liep ze te pronken door de straten van het dorp, te midden van de
+stomme verbazing der bewoners.
+
+Neef Linares was thuis gebleven.
+
+"Wat hebben die inlanders leelijke huizen!" begon Doña Victorina,
+terwijl ze een vies gezicht zette, "ik begrijp niet hoe ze erin leven
+kunnen, daar moet je toch een inlander voor wezen. En wat zijn ze
+slecht opgevoed en trotsch! Ze komen ons tegen, en nemen den hoed
+niet eens af! Sla ze op hun hoed zooals de pastoors en de luitenants
+van de _guardia civil_ doen, leer hun manieren."
+
+"En als ze mij terugslaan?" vroeg dokter Espadaña.
+
+"Daar ben je een man voor!"
+
+"Maar...maar ik ben mank!"
+
+Doña Victorina raakte uit haar humeur. De straten waren niet
+geplaveid, en de sleep van haar japon kwam vol stof. Ze ontmoette
+bovendien verscheidene jongemeisjes, die onder 't voorbijgaan de
+oogen neersloegen, en niet, zooals ze behoorden, haar kostbaar kleed
+bewonderden. Sinang's koetsier, die haar en haar nichtje in een
+smaakvolle "tres-por-ciento" [45] rondreed, had de onhebbelijkheid,
+hun "_tabik_" toe te roepen, en dat met zulk een geweldige stem,
+dat zij op zij moest gaan en alleen maar kon protesteeren. "Hoor toch
+'s dien lomperd van een koetsier! Ik zal z'n baas 's zeggen, dat hij
+zijn bedienden een betere opvoeding moet geven.
+
+"Laten we naar huis gaan!" beval ze aan haar man. Deze, die voor een
+onweer vreesde, draaide rond op zijn kruk, en gehoorzaamde het bevel.
+
+Ze kwamen den _alférez_ tegen. Men groette elkaar, en dit verergerde
+nog Doña Victorina's ontevredenheid: de krijgsman maakte niet alleen
+geen compliment over haar kleeding, maar nam haar bijna spottend op.
+
+"Jij moest zoo'n gewonen _alférez_ geen hand geven," zeide ze tot
+haar echtgenoot, toen de ander weg was. "Hij kwam nauwelijks even aan
+zijn pet, en jij hebt nog wel je hoed voor hem afgenomen. Je weet je
+afstand niet te bewaren!"
+
+"Hij is hier de ...baas!"
+
+"En wat kan ons dat schelen? Zijn wij soms inlanders?"
+
+"Je hebt gelijk!" antwoordde hij, omdat hij geen ruzie wilde maken.
+
+Ze kwamen voorbij het huis van onzen militair. Doña Consolación zat
+aan 't raam, als naar gewoonte, gekleed in 't flanel en haar stinkstok
+rookend. Daar het huis laag was, konden ze elkaar goed aankijken, en
+Doña Victorina haar duidelijk waarnemen. De Muze der _guardia civil_
+nam haar bedaard van hoofd tot voeten op, en, daarna de onderlip
+naar voren brengend spoog ze, en keerde 't hoofd naar den anderen
+kant. Dit was te veel voor Doña Victorina's geduld, en, haar man
+zonder armsteun latend, posteerde ze zich vlak voor de _alféreza_,
+bevend en sprakeloos.
+
+Doña Consolación wendde langzaam 't hoofd om, nam haar opnieuw kalmpjes
+op, en spoog nog eens, maar ditmaal met grooter minachting.
+
+"Wat scheelt u, dame?" vroeg ze.
+
+"Kunt u me ook zeggen, _mevrouw_, waarom u me zoo aankijkt? Bent u
+jaloersch?" brengt Doña Victorina er eindelijk uit.
+
+"Ik jaloersch, ik? En op u?" zei de Medusa met een hoonlach. "Ja,
+ik ben jaloersch op de krullen!"
+
+"Kom hier, vrouw!" zeide de dokter. Let toch niet op...op die vrouw!"
+
+"Laat me die onbeschofte schooister eerst een les geven!" antwoordde
+de vrouw, terwijl ze haar man een duw gaf, die hem bijna tegen den
+grond deed vallen. En, zich weer tot Doña Consolación wendend, zei ze:
+
+"Denk eraan met wie u te doen heeft! Ik ben geen provinciaal of
+een soldaten-slet! In mijn huis in Manila komen geen _alféreces_,
+die wachten daar aan de deur."
+
+"Hola, doorluchtige mevrouw Blaaskaak! De _alféreces_ zullen er niet
+binnenkomen, maar wel de _invaliden_, zooals die daar. Ha, ha, ha!"
+
+Als het blanketsel 't niet belet had, dan had men Doña Victorina
+kunnen zien blozen. Ze wilde haar vijandin te lijf, doch de schildwacht
+hield haar tegen. Intusschen kwam de straat vol nieuwsgierigen.
+
+"Zeg 's, ik verlaag me door met u te spreken. Menschen van rang en
+stand... Wilt u mijn goed wasschen? Ik zal u goed betalen! Dacht u
+dat ik niet wist dat u waschvrouw geweest is?"
+
+"Gelooft u dat we niet weten, wie u is, en wat voor volk u
+meebrengt? Och kom! M'n man heeft 't me al gezegd! Mevrouw, ik heb
+ten minste niet aan meer dan aan één man toebehoord. Maar u? Je moet
+wel van honger op sterven liggen, om je zoo tevreden te stellen met
+het uitschot, de afval van de heele wereld!"
+
+Deze slag was raak. Doña Victorina stroopte de mouwen op, balde de
+vuisten, en de tanden op elkaar klemmend, begon ze te zeggen:
+
+"Kom naar beneden, oude zeug, en ik zal je je vuile mond kapot
+slaan! Slet van een heel bataljon, hoer van geboorte!"
+
+De Medusa verdween snel van het venster, en weldra zag men haar naar
+beneden hollen, zwaaiend met haar mans zweep.
+
+Smekend trachtte Don Tiburcio tusschenbeide te komen, maar ze zouden
+handgemeen geworden zijn, als de _alférez_ niet gekomen was.
+
+"Dames!... Don Tiburcio!" riep deze.
+
+"U moet uw vrouw beter opvoeden en haar betere kleeren koopen. Als
+u geen geld heeft, moet u de lui van 't dorp maar berooven: daarvoor
+heeft u soldaten!" schreeuwde Doña Victorina.
+
+"Hier ben ik, mevrouw! Waarom slaat Uwe Excellentie nu mijn mond niet
+kapot? U heeft niets meer dan tong en zwadder, juffrouw Groote Piet!"
+
+"Meneer de _alférez_!" stamelde de echtgenoot.
+
+"Och, loop heen, kwakzalver! Je draagt geen broek, sukkel!"
+
+Er ontstond een twist met woorden en gebaren, met kreten, beleediging
+en scheldwoorden. Al 't vuil dat ze in hun mars droegen werd voor
+den dag gehaald, en aangezien ze alle vier tegelijk spraken en elkaar
+zooveel dingen zeiden die zekere standen naar beneden halen, doordat
+ze veel waarheden helder deden uitkomen, zien we er van af al wat
+ze zeiden, neer te schrijven. De nieuwsgierigen, al hoorden ze ook
+niet alles wat ze elkaar zeiden, vermaakten zich niettemin kostelijk,
+en vlasten erop dat ze handgemeen zouden worden. Ongelukkigerwijze
+voor hen kwam de pastoor en maakte er een eind aan.
+
+"Heeren, dames! Wat 'n schandaal! Meneer de _alférez_!"
+
+"Wat heeft u hier te maken, huichelaar, groote Carlist!"
+
+"Don Fiburcio, neem uw vrouw mee! Mevrouw, bedwing uw tong, als
+'t u belieft!"
+
+"Zegt u dat aan die bloedzuigers!"
+
+Allengs raakte het woordenboek van scheldwoorden uitgeput, en eindigde
+deze aflezing van onhebbelijkheden bij de echtparen. Dreigend en
+elkaar na-jauwend, gingen ze ten slotte vaneen. Fray Salvi liep van
+de eene naar de andere zijde, en verlevendigde het tooneel. Als onze
+vriend de correspondent van Manila toch eens erbij geweest was...
+
+"Vandaag nog gaan we naar Manila, en we vervoegen ons bij den
+gouverneur!" zeide Doña Victorina woedend tot haar man. "Jij bent
+geen man: 't is jammer voor de broek die je draagt!"
+
+"Ma ... maar, vrouw, en de _guardias_ dan? Ik ben immers mank!"
+
+"Je moet hem op 't pistool of op de sabel uitdagen, of anders... of
+anders..."
+
+En Doña Victorina keek hem in zijn tanden.
+
+"M'n lieve mensch, ik heb nooit een pistool..."
+
+Doña Victorina liet hem niet uitspreken: met een verheven gebaar rukte
+ze hem midden op de straat het gebit uit zijn mond en trapte erop. Hij,
+half schreiend, en zij vonken schietend, kwamen thuis.
+
+Linares was op dat oogenblik aan 't praten met Maria Clara, Sinang en
+Victoria, en daar hij niets van de oneenigheid wist, maakte hij zich
+niet weinig ongerust, toen hij zijn neef en nicht ontwaarde. Maria
+Clara, die tusschen kussens en dekens in een armstoel lag, was niet
+weinig verwonderd de nieuwe gelaatsuitdrukking van haar dokter te zien.
+
+"Neef," zeide Doña Victorina, "jij moet nu dadelijk den _alférez_
+gaan uitdagen, of anders..."
+
+"En waarom?" vroeg Linares verbaasd.
+
+"Je moet hem nu dadelijk gaan uitdagen, anders zeg ik hier aan iedereen
+wie je bent."
+
+"Maar Doña Victorina!"
+
+De drie vriendinnen keken elkaar aan.
+
+"Zoo, denk je dat? De _alférez_ heeft ons beleedigd, en heeft er van
+alles uitgebraakt, gezegd dat jij was wat je was! De ouwe heks is
+naar beneden gekomen met een zweep, en deze hier, deze vent heeft
+zich laten uitschelden... een man!"
+
+"Och!" zei Sinang, "ze hebben gevochten, en dat hebben wij niet
+gezien!"
+
+"De _alférez_ heeft de dokter z'n tanden uitgeslagen!" voegde
+Victorina erbij.
+
+"Vandaag nog gaan we naar Manila. Jij blijft hier, om hem uit te
+dagen, of anders zeg ik aan Santiago dat het alles leugen is wat je
+hem verteld hebt, dan zeg ik hem..."
+
+"Maar, Doña Victorina, Doña Victorina!" viel Linares haar bleek in
+de rede, terwijl hij op haar toetrad, "bedaart u toch. Doet u me niet
+herinneren, dat..." en hij zeide er zachtjes bij: "niet onvoorzichtig
+zijn, vooral nu niet."
+
+Toen dit juist plaats had, kwam _Capitán_ Tiago van de hanegevechten
+thuis. Hij was bedroefd en zuchtte: hij had zijn _lasak_ verloren,
+zijn wit-en-roode haan.
+
+Doña Victorina gaf hem geen tijd om uit te blazen.
+
+In weinig woorden en met veel gescheld erin vertelde ze hem al wat
+er gebeurd was, natuurlijk zichzelf in een gunstig daglicht plaatsend.
+
+"Linares zal hem gaan uitdagen, hoort u? Zoo niet, dan moet u hem
+niet toestaan dat hij met uw dochter trouwt, dat moet u dan niet
+doen! Als hij geen moed heeft, verdient hij Clarita niet."
+
+"Dus je trouwt met dien meneer?" vroeg Sinang, wier vroolijke oogen
+zich met tranen vulden. "Ik wist dat je verstandig was, maar niet
+veranderlijk."
+
+Maria Clara, bleek als was, richtte zich half op, en keek met ontstelde
+oogen naar haar vader, naar Doña Victorina en naar Linares. Deze kreeg
+een kleur, _Capitán_ Tiago sloeg de oogen neer, en de dame liet volgen:
+
+"Clarita, denk daar steeds aan: trouw nooit met een man die geen
+broek aan heeft. Je loopt kans dat zelfs de honden je beleedigen."
+
+Doch het jongemeisje antwoordde niet, en zeide tot haar vriendinnen:
+
+"Willen jullie me naar mijn kamer brengen, ik kan niet alleen."
+
+Ze hielpen haar opstaan, en het middel omvat door de ronde armen
+harer vriendinnen, het marmeren voorhoofd geleund tegen den schouder
+van Victoria, ging het jongmeisje haar slaapkamer in.
+
+Dienzelfden avond haalden beide echtgenooten hun zaakjes bijeen,
+boden _Capitán_ Tiago de rekening, die eenige duizenden beliep aan,
+en den volgenden dag heel vroeg vertrokken ze naar Manila in 't rijtuig
+van hun gastheer. De schuchtere Linares was als wreker achtergebleven:
+die rol was hem althans toebedeeld.
+
+
+
+
+XLVI.
+
+Het Raadsel.
+
+
+ De donkere zwaluwen
+ zullen wederkeeren.....
+
+ Becquer. [46]
+
+
+Zooals Lucas had medegedeeld, kwam Ibarra den volgenden dag aan. Zijn
+eerste bezoek gold de familie van _Capitán_ Tiago, met het doel om
+Maria Clara te zien, en haar te vertellen dat "Su Ilustrisima" de
+aartsbisschop hem reeds met den godsdienst verzoend had: hij had een
+aanbevelingsbrief aan den pastoor bij zich, eigenhandig geschreven door
+den aartsbisschop. Niet weinig verheugde zich daar tante Isabel over:
+zij hield van den jongeman, en zag met leede oogen de huwelijksplannen
+van Linares met haar nichtje aan. _Capitán_ Tiago was niet thuis.
+
+"Kom binnen," zeide de tante in haar krom Spaansch.
+
+"Maria, Don Crisóstomo is weer in Gods genade: de aartsbisschop heeft
+hem 'geëxcomulgeerd.'"
+
+Doch de jongeman kon niet naar haar toe komen. De glimlach bestierf
+op zijn lippen en de woorden vloden weg uit zijn geheugen. Bij 't
+balkon stond naast Maria Clara Linares, bezig ruikertjes te maken van
+de bloemen en bladeren der klimplanten. Op den vloer lagen rozen en
+_tjampaka's_ verspreid. Maria Clara, half uitgestrekt op haar stoel,
+bleek, in gedachten, met droeven blik, speelde met een ivoren waaier,
+net zoo wit als haar fijne spitse vingers.
+
+Op de verschijning van Ibarra verschoot Linares van kleur, en verfden
+Maria Clara's wangen zich rood. Ze trachtte op te staan, doch, daar
+haar krachten haar begaven, sloeg ze de oogen neer, en liet haar
+waaier vallen.
+
+Een stilzwijgen vol verlegenheid hield eenige oogenblikken aan. Ten
+slotte kon Ibarra vooruittreden, en met beverige stem mompelde hij:
+
+"Ik ben net aangekomen, en ik heb me vreeselijk gehaast om je te
+komen zien...Ik zie dat je beter bent dan ik dacht."
+
+Maria Clara scheen stom geworden te zijn: ze bracht geen enkel woord
+uit, en bleef de oogen neergeslagen houden.
+
+Ibarra keek Linares van hoofd tot voeten aan, een blik die het verlegen
+jongemensch met trots doorstond.
+
+"Wel, ik merk dat mijn komst niet verwacht werd," hervatte hij
+langzaam. "Maria, neem me niet kwalijk dat ik me niet heb laten
+aandienen. Op een anderen dag zal ik je uitleg kunnen geven van mijn
+gedrag...we zien elkaar nog... stellig."
+
+Deze laatste woorden vergezeld van een blik naar Linares. Het
+jongemeisje sloeg de schoone oogen, vol reinheid en weemoed tot hem
+op, zoo smeekend en welsprekend, dat Ibarra ontroerd bleef staan.
+
+"Kan ik morgen komen?"
+
+"Je weet dat je mij altijd welkom bent," antwoordde ze nauw hoorbaar.
+
+Ibarra verwijderde zich schijnbaar kalm, maar met een storm in zijn
+hoofd en koude in 't hart. Wat hij daar gezien en gevoeld had, was
+onbegrijpelijk; wat was 't: twijfel, verkoeling, verraad?
+
+"O, een vrouw per slot van rekening!"
+
+Zonder erbij te denken kwam hij aan de plaats waar de school gebouwd
+werd. Het werk was ver gevorderd.
+
+Ñor Juan met zijn maatstok en zijn schietlood liep op en neer tusschen
+de talrijke arbeiders. Toen hij hem zag, liep hij hem tegemoet.
+
+"Don Crisóstomo," zeide hij, "bent u dan toch eindelijk gekomen. We
+wachtten u allen. Kijkt u 's, hoe de muren zijn: ze zijn al één meter
+tien hoog, binnen twee dagen zijn ze op manshoogte. Ik heb alleen maar
+de beste houtsoorten gebruikt. Wenscht u de kelder-verdieping te zien?"
+
+De werklieden groetten eerbiedig.
+
+"Hier zijn de afvoer-leidingen, die ik me veroorloofd heb erbij te
+maken", zeide Ñor Juan. "Deze onderaardsche kanaaltjes leiden naar een
+soort zinkput op dertig pas afstand. Die dient als mest-bewaarplaats
+voor den tuin. Dat stond niet in 't plan. Staat het u niet aan?"
+
+"Juist 't tegendeel, ik keur 't goed en wensch u geluk met uw
+denkbeeld. U bent een echte bouwmeester. Bij wien heeft u geleerd?"
+
+"Bij mezelf, meneer," antwoordde de oude man bescheiden.
+
+"O, voordat ik 't vergeet: laten den angstvalligen weten--voor 't
+geval dat er 's een niet met me zou durven praten--dat ik niet meer
+in de kerkelijke ban ben. De aartsbisschop heeft me ten eten gevraagd."
+
+"Och, meneer, we letten niet op de kerkelijke bans!
+
+"We zijn allemaal geëxcomulgeerd. Zelfs Padre Dámaso is 't, en toch
+blijft hij even dik."
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Nou dat geloof ik: voor een jaar heeft hij den 'coadjutor' een
+pak ransel gegeven, en de 'coadjutor' is net zoo goed priester als
+hij. Wie geeft er nu om een kerkelijke ban?"
+
+Ibarra bespeurde Elias onder de werklieden. Deze groette hem evenals
+de anderen, doch met een blik gaf hij hem te kennen dat hij hem iets
+te zeggen had.
+
+"Ñor Juan," zeide Ibarra, "wilt u me 's de lijst van de werklui
+brengen?"
+
+Ñor Juan verdween, en Ibarra trad op Elias toe, die op zijn eentje
+een grooten steen optilde en op een kar laadde.
+
+"Als u me eenige uren voor een gesprek kan toestaan, gaat u dan in den
+namiddag langs het meer wandelen en stap in mijn _bangka_, want ik heb
+u over gewichtige zaken te spreken", zeide Elias zich verwijderend,
+nadat hij den hoofdknik van den jongeman gezien had.
+
+Ñor Juan bracht de lijst, maar Ibarra las die tevergeefs: Elias'
+naam kwam er niet op voor.
+
+
+
+
+XLVII.
+
+De stem der vervolgden.
+
+
+Voordat de zon onder was zette Ibarra den voet in Elias' _bangka_,
+aan den oever van 't meer. De jongeman scheen ontstemd.
+
+"Vergeeft u me, meneer," zeide Elias met zekere droefheid, toen hij
+hem gewaar werd. "Vergeeft u me, dat ik me veroorloofd heb u hier te
+laten komen: ik wilde u in volle vrijheid spreken, en hier zullen we
+geen getuigen hebben.
+
+"Binnen een uur kunnen we terug zijn."
+
+"U vergist u, vriend Elias," antwoordde Ibarra en trachtte te
+glimlachen. "U zal me moeten brengen naar dat dorp daar, waarvan we
+hier den klokketoren kunnen zien. Het noodlot dwingt me ertoe."
+
+"Het noodlot?"
+
+"Ja. Verbeeld u dat ik, hierheen komende, den _alférez_ ontmoette,
+die met alle geweld me zijn gezelschap wilde aanbieden. Ik die aan
+u dacht, en wist dat hij u kende, heb, om hem weg te krijgen, gezegd
+dat ik naar dat dorp ging, waar ik den heelen dag zal moeten wezen,
+want de man wil me morgen middag daar komen halen."
+
+"Ik ben u erkentelijk voor die attentie, maar u had hem eenvoudig
+moeten uitnoodigen, om mee te gaan," antwoordde Elias heel gewoontjes.
+
+"Hoe zoo! En u dan?"
+
+"Hij zou me niet herkend hebben, want den eenigen keer dat hij me
+gezien heeft, kon hij er niet aan denken om mijn persoonlijkheid vast
+te stellen."
+
+"Ik ben er ellendig aan toe!" zuchtte Ibarra, aan Maria Clara
+denkend. "En wat had u me te zeggen?"
+
+Elias keek om zich heen. Ze waren reeds ver van den oever; de zon was
+ondergegaan, en, daar er op die breedte nauwelijks schemering is,
+begonnen de schaduwen zich uit te breiden, en deden den maneschijn
+in volle pracht schitteren.
+
+"Meneer," hervatte Elias op diep-ernstigen toon, "ik ben de drager
+van de wenschen van veel ongelukkigen."
+
+"Van ongelukkigen? Wat wilt u zeggen?"
+
+Elias vertelde in enkele woorden het gesprek dat hij gehad had met
+het opperhoofd der _toelisan's_, doch sloeg daarbij diens weifelingen
+en bedreigingen over. Ibarra luisterde aandachtig naar hem, en toen
+Elias zijn verhaal geëindigd had, heerschte er een lang stilzwijgen,
+dat Ibarra het eerst verbrak:
+
+"Dus wenschen ze.....?"
+
+"Radikale hervormingen in de gewapende macht, in de geestelijkheid,
+in de rechtsbedeeling, dat wil zeggen, ze vragen een vaderlijken blik
+van de zijde van 't bestuur."
+
+"Hervormingen in welke beteekenis?"
+
+"Bijvoorbeeld: meer eerbied voor de menschelijke waardigheid, meer
+veiligheid voor lijf en goed, minder macht bij de toch al gewapende
+macht, minder voorrechten voor zulk een lichaam, dat er gemakkelijk
+misbruik van maakt."
+
+"Elias," antwoordde de jongeman, "ik weet niet wie u bent, maar ik
+raad dat u geen alledaagsch mensch bent. U denkt en werkt anders dan
+de andere menschen. U zult me begrijpen, als ik u zeg, dat, al is de
+tegenwoordige toestand ook gebrekkig, hij nog erger zou worden als
+hij veranderde. Ik zou de vrienden die ik in Madrid heb, kunnen laten
+spreken, 'door ze te betalen,' ik zou met den _capitan general_ kunnen
+spreken, maar zij zouden niets bereiken, en de _capitan general_ heeft
+niet zooveel macht om zooveel nieuwigheden in te voeren. En ik zou
+evenmin een stap in die richting doen, omdat ik heel goed begrijp dat,
+al is 't waar dat die corporaties hun gebreken hebben, ze tegenwoordig
+noodig zijn: ze zijn wat men noemt een 'noodzakelijk kwaad.'"
+
+Elias hief het hoofd op, en keek hem verbaasd aan.
+
+"Gelooft u ook al in 't noodzakelijk kwaad, meneer?" vroeg hij
+met eenigszins bevende stem. "Gelooft u dat men, om goed te doen,
+'t kwade _moet_ doen?"
+
+"Nee. Ik geloof erin als in een gewelddadig middel waarvan we ons
+bedienen, wanneer we een ziekte willen genezen. Nu goed, 't land is een
+organisme dat aan een slepende ziekte lijdt, en om het te genezen, ziet
+het bestuur zich genoodzaakt van middelen gebruik te maken, die hard en
+gewelddadig mogen wezen, maar niettemin nuttig en noodzakelijk zijn."
+
+"'t Is een slechte dokter, meneer, die alleen maar tracht de
+verschijnselen te verbeteren en ze te onderdrukken, zonder dat hij de
+oorzaak van de kwaal tracht na te gaan, of, als hij die kent, bang
+is die aan te grijpen. De _guardia civil_heeft alleen maar dit eene
+doel: onderdrukking van de misdaad door schrik en geweld, een doel,
+dat alleen maar bij toeval bereikt wordt. En men moet zich wel bewust
+zijn, dat alleen die maatschappij streng mag wezen tegen de individuen,
+die haar de noodige middelen voor haar zedelijke verheffing gegeven
+heeft. Aangezien er in ons land geen maatschappij is--want volk
+en bestuur vormen geen eenheid--moet het bestuur toegevend zijn,
+niet alleen omdat het toegevendheid noodig heeft, maar omdat het
+lid van die maatschappij dat door 't bestuur verwaarloosd en in
+den steek gelaten wordt, minder verlicht is. Bovendien, als men uw
+vergelijking volgt, is de behandeling die men op de kwalen van het land
+toepast zoo verwoestend, dat die zich alleen laat voelen in 't gezonde
+gestel, waarvan het de levenskracht verzwakt en voor de kwaal vatbaar
+maakt. Zou het niet verstandiger wezen het zieke gestel te versterken,
+en de gewelddadigheid van het geneesmiddel wat te temperen?"
+
+"De _guardia civil_ verzwakken zou 't zelfde wezen als de veiligheid
+in de dorpen in gevaar te brengen."
+
+"De veiligheid in de dorpen!" riep Elias op bitteren toon. "'t Zal
+gauw vijftien jaar zijn dat die dorpen hun _guardia civil_ hebben. En
+zie nu 's: we hebben nòg _toelisan's_, nòg hooren we van plunderingen
+van dorpen, nòg komt struikrooverij voor. De diefstallen gaan voort,
+en de daders worden niet gevonden. De misdaad bestaat, en de echte
+misdadiger waart vrij rond; maar niet de vreedzame dorpeling. Vraagt
+u maar 's aan ieder fatsoenlijk dorpsbewoner, of hij die instelling
+voor iets goeds houdt, een bescherming van 't bestuur, en niet voor
+een opgelegd iets, een dwingelandij waarvan de buitensporigheden
+meer kwaad doen dan de gewelddaden van de misdadigers. Die laatste
+zijn werkelijk groot, maar ze zijn zeldzaam, en daarentegen is men
+gerechtigd zich te verdedigen. Tegen de knevelarijen van 't wettig
+gezag wordt zelfs geen protest geduld, en al zijn ze niet zoo groot,
+ze zijn toch aanhoudend en gesanktioneerd."
+
+"Wat werkt die instelling uit in 't leven op onze dorpen? Ze verlamt
+het verkeer, omdat iedereen bang is, om allerlei nietigheden te
+worden lastig gevallen. Ze is meer gevestigd op formaliteiten dan op
+'t wezen van de zaken zelf, 't eerste kenteeken van onmacht. Omdat
+iemand zijn pas niet bij zich heeft, moet hij gebonden en mishandeld
+worden. 't Doet er niet toe, of het een fatsoenlijk en geacht man
+is. De chefs houden 't voor hun eerste plicht zich te laten groeten,
+goedschiks of kwaadschiks, zelfs in 't duister van den nacht, waarin
+ze nageaapt worden door de ondergeschikten, om de buitenmenschen te
+mishandelen en te berooven. En voorwendsels ontbreken hun niet. De
+onschendbaarheid van 't eigen huis bestaat niet: onlangs nog overvielen
+ze te Kalamba door het raam het huis van een vreedzaam bewoner, aan
+wien de chef verplichting had. Veiligheid van persoon is er niet:
+wanneer ze de kazerne of hun huis moeten schoon hebben, gaan ze erop
+uit en houden iedereen die geen weerstand biedt aan, om hem den heele
+dag te laten werken. Wilt u meer? Nu dan, gedurende de feesten die we
+gehad hebben zijn de verboden spelen doorgegaan, maar de geoorloofde
+vermakelijkheden, die hebben ze onhebbelijk verstoord. U heeft gezien
+hoe 't volk over hun dacht. Wat heeft het hun gebaat, dat ze hun drift
+bedwongen hebben, en op de rechtvaardigheid van de menschen hopen? Och,
+meneer, als u dat de orde handhaven noemt!..."
+
+"Ik erken dat er misbruiken zijn," hervatte Ibarra, "maar laten we
+die aanvaarden voor al 't goede dat er ook is. Deze instelling mag
+gebrekkig wezen, maar, geloof me, ze belet door den schrik die ze
+inboezemt het toenemen van misdadigers."
+
+"Zegt u liever dat door dien schrik het aantal misdadigers
+vermeerdert," verbeterde Elias. "Voor de instelling van
+dat lichaam waren bijna alle misdadigers--met zeer weinig
+uitzonderingen--boosdoeners door honger: ze plunderden en roofden om te
+kunnen leven. Maar nauwelijks was de duurte voorbij, of de wegen waren
+weer vrij van roovers. De arme, maar dappere dorpswachtlieden--de
+_cuadrillero's_--met hun gebrekkige wapens, waren voldoende om ze
+op de vlucht te jagen. Toch zijn ze zoo belasterd door menschen
+die over 't land geschreven hebben, de stumpers, die als recht
+hadden te mogen sterven, als plicht te vechten, en als belooning
+uitgelachen te worden. Nu zijn er _toelisan's_, en die blijven
+'t hun heele leven. Een misstap, een misdaad die op onmenschelijke
+wijze gestraft is, de weerstand tegen de buitensporigheden van die
+macht, vrees voor verschrikkelijke folteringen, dat drijft deze voor
+altijd uit de samenleving en veroordeelt ze om of te moorden of te
+sterven. Het schrikbewind van de _guardia civil_ sluit hun de deur
+voor berouw. En aangezien een _toelisan_ in de bergen beter vecht
+en zich verdedigt dan een soldaat, waar hij om lacht, volgt daaruit
+dat we niet in staat zijn het kwaad uit te roeien, dat we zelf
+in de wereld gebracht hebben. Denkt u, aan wat 't wijs beleid van
+gouverneur de la Torre uitgewerkt heeft: de kwijtschelding van straf,
+die hij aan die ongelukkigen gegeven heeft, bewees dat er daar in
+die bergen nog een hart klopte in de menschen, dat ze alleen hoopten
+op vergiffenis. Zoo'n schrikbewind is nuttig, als het volk slaaf is,
+wanneer de bergen geen holen hebben, wanneer het gezag achter elke
+boom een schildwacht zet, en wanneer het lichaam van de slaaf alleen
+maar maag en ingewanden heeft. Maar wanneer zoo'n wanhopige, die vecht
+voor zijn leven, voelt dat zijn arm sterk is, zijn hart klopt en zijn
+heele wezen vol gal loopt, zou dan een schrikbewind den brand kunnen
+blusschen bij dengeen die zelf de brandstof levert?"
+
+"U brengt me aan 't wankelen, Elias. Ik zou waarlijk gaan gelooven
+dat u gelijk had, als ik niet mijn eigen overtuigingen had. Maar let
+op een feit--u hoeft dat niet kwalijk te nemen, want ik sluit u uit
+en beschouw u als een uitzondering: Wie zijn de menschen die zulke
+hervormingen wenschen? Bijna allemaal misdadigers of menschen die op
+'t punt staan om 't te worden!"
+
+"Misdadigers of aanstaande misdadigers, maar waarom zijn ze 't? Omdat
+men hun den vrede verstoord heeft, het geluk afgeroofd, hun gekwetst
+heeft in hun dierbaarste neigingen; en toen ze bescherming vroegen
+bij de justitie, hebben ze de overtuiging gekregen dat ze die
+alleen van zichzelf konden verwachten. Maar u vergist u, meneer,
+als u denkt dat alleen misdadigers die hervormingen vragen. Gaat u
+maar van dorp tot dorp, van huis tot huis, luistert u maar 's naar
+de zuchten van de gezinnen, en u zal u overtuigen, dat de kwalen
+die de _guardia civil_ herstelt, gelijk, zoo niet minder erg zijn,
+dan die ze voortdurend veroorzaakt. Moeten we daaruit besluiten,
+dat al de dorpsmenschen misdadigers zijn? Waartoe ze dan tegen de
+anderen te verdedigen? Waarom ze dan niet allemaal uitgeroeid?"
+
+"Er is hier een misvatting, die me op 't oogenblik ontgaat, de een
+of andere fout in de theorie die door de praktijk te niet gedaan
+wordt, want in Spanje, in 't vaderland, bewijst dat korps goede
+diensten--heeft dat vroeger ook gedaan."
+
+"Ik twijfel er niet aan: misschien is 't daar beter ingericht, het
+personeel beter gekozen. Misschien ook omdat Spanje het noodig heeft,
+de Filippijnen niet. Onze zeden, onze wijze van zijn, waar men zich
+altijd op beroept, wanneer men ons een recht wil ontzeggen, worden
+geheel uit 't oog verloren, wanneer men ons iets wil opleggen. En
+zegt u me 's, meneer: waarom hebben de andere volken deze instelling
+niet ingevoerd, die door hun naburigheid met Spanje er meer op
+moesten lijken dan de Filippijnen? Zou 't daarom wezen dat ze minder
+diefstallen op hun spoorwegen, minder moorden hebben, en men elkaar
+op de groote hoofdplaatsen minder dolksteken geeft?"
+
+Ibarra boog het hoofd als in gedachten, dan richtte hij het op en
+antwoordde:
+
+"Dit vraagstuk, mijn vriend, eischt een ernstige studie. Als mijn
+nasporingen me zeggen dat die klachten gegrond zijn, zal ik aan
+mijn vrienden in Madrid schrijven, aangezien we geen afgevaardigden
+hebben. Geloof intusschen dat het bestuur een korps noodig heeft met
+een onbeperkte macht, om zich te doen eerbiedigen, en een gezag om
+den noodigen indruk te maken."
+
+"Dat moet zoo wezen, meneer, wanneer het bestuur in oorlog is met
+het land. Maar, ten bestwil van 't bestuur, moeten we 't volk niet
+doen gelooven dat het weerstand biedt aan 't gezag. En al was 't zoo,
+als we macht boven prestige verkozen, moesten we wel goed toezien,
+aan wie we die onbeperkte macht geven. Zooveel macht in handen van
+domme mannen, beheerscht door hartstochten zonder zedelijke opvoeding,
+zonder beproefde eerlijkheid, is een wapen in de handen van een gek
+onder een weerlooze menigte. Ik geef toe, en wil met u gelooven, dat
+het bestuur dien arm noodig heeft: nu, laat het dan dien arm goed
+kiezen, laat het de waardigsten ervoor uitkiezen. En aangezien het
+liever zichzelf gezag geeft dan dat het volk het dat zou toestaan,
+moet het ten minste toonen, dat het zich dat gezag weet te geven."
+
+Elias sprak hartstochtelijk, met geestdrift. Zijn oogen schitterden,
+en de klank van zijn stem had iets trillends. Er volgde een plechtige
+stilte: de _bangka_, niet door de riemen voortbewogen, scheen rustig op
+'t water te blijven liggen. De maan scheen met heerlijken glans in een
+saffieren hemel. Enkele lichtjes ontvonkten in de verte op den oever.
+
+"En wat vragen ze meer?" vroeg Ibarra.
+
+"Hervorming van 't priesterschap," antwoordde Elias op ontmoedigden,
+droeven toon. "De ongelukkigen vragen meer bescherming tegen..."
+
+"Tegen de geestelijke orden?"
+
+"Tegen hun onderdrukkers, meneer."
+
+"Zouden de Filippijnen vergeten zijn wat ze aan die orden te danken
+hebben? Zouden ze de ontzaglijke schuld van dankbaarheid vergeten zijn
+aan degenen die ze onttrokken hebben aan de dwaling, om hun 't geloof
+te geven, aan hen die ze hebben beschermd tegen de buitensporigheden
+van het burgerlijk bestuur? Dat komt ervan, als men de geschiedenis
+van zijn land niet kent!"
+
+Elias was verbaasd, en kon nauwelijks geloof slaan aan wat hij hoorde.
+
+"Meneer," hervatte hij op ernstigen toon, "u beschuldigde het volk
+van ondankbaarheid: veroorlooft u mij, een uit dat volk, dat ik het
+verdedig. Gunsten die men aandoet, moeten, om recht op erkentelijkheid
+te hebben, belangeloos zijn. Laten we de zending erbuiten laten,
+ook de christelijke liefdadigheid, waar zoo mee gesold wordt. Laten
+we ook niet spreken van de geschiedenis, laten we niet vragen wat
+Spanje gedaan heeft met de Joden, het volk dat aan heel Europa een
+boek, een godsdienst en een God gegeven heeft. Wat heeft het met
+de Arabieren gedaan, het volk dat het een beschaving geschonken
+heeft, verdraagzaam is geweest met zijn godsdienst, en dat zijn
+nationaal bewustzijn heeft opgewekt, een bewustzijn dat onder de
+romeinsche en gotische overheersching ingeslapen, ja bijna dood
+was? U zegt dat ze ons het geloof gegeven en ons uit de dwaling
+hebben verlost. Noemt u die uiterlijke praktijken geloof, noemt u
+dien handel in riempjes en schapulieren godsdienst, of die wonderen
+en vertelsels, die we dagelijks te hooren krijgen, waarheid? Is
+dat de wet van Jezus Christus? Daarvoor hoefde een God zich niet
+te laten kruisigen, en wij ons niet te verplichten tot een eeuwige
+dankbaarheid: bijgeloof bestond lang te voren, ze hoefde alleen maar
+wat mooier gemaakt en de prijs van de koopwaar wat hooger gesteld
+te worden. U zult me zeggen, dat, hoe gebrekkig de godsdienst die
+we nu hebben ook moge wezen, hij toch te verkiezen is boven dien we
+hadden. Ik geloof het en ben 't eens, maar hij is te duur gekocht,
+want daarvoor hebben we afstand gedaan van onze nationaliteit en onze
+onafhankelijkheid. Daarvoor hebben we aan zijn priesters onze beste
+dorpen gegeven, onze velden, en zelfs geven we onze spaarpenningen
+voor 't aankoopen van godsdienstige voorwerpen. Men heeft bij ons een
+artikel van buitenlandsche nijverheid ingevoerd, we betalen er goed
+voor, en we leven in vrede. Als u me spreekt van de bescherming tegen
+de _encomendero's_, [47] zou ik u kunnen antwoorden dat we door hen
+juist onder de macht van die _encomendero's_ zijn gevallen. Maar nee,
+ik erken dat een waarachtig geloof en een waarachtige menschenliefde
+onze eerste zendelingen leidde, toen ze naar onze stranden kwamen. Ik
+erken de schuld van dankbaarheid jegens die edele harten. Ik weet
+dat het Spanje van toen overvloed van helden in alle standen telde,
+zoowel in 't godsdienstige als in 't politieke, in 't burgerlijke en
+in 't militaire. Maar omdat de voorouders deugdzaam waren, zouden
+we daarom nu misbruiken in hun ontaarde afstammelingen maar moeten
+dulden? Omdat men ons een groote weldaad heeft aangedaan, zouden we
+nu schuldig zijn, door te beletten, dat men ons kwaad doet? Het land
+vraagt geen afschaffing, 't vraagt alleen hervormingen die de nieuwe
+omstandigheden en nieuwe behoeften vereischen."
+
+"Ik heb mijn vaderland lief, zooals u 't ook lief kan hebben,
+Elias. Ik begrijp eenigszins wat u verlangt. Ik heb met aandacht
+aangehoord wat u gezegd heeft, en alles wel beschouwd, geloof ik dat
+we de dingen met hartstocht-oogen zien. Hier minder dan elders zie
+ik de noodzakelijkheid van hervormingen in."
+
+"Is 't mogelijk, meneer?" vroeg Elias, de handen ontmoedigd
+uitstrekkend. "Ziet u de noodzakelijkheid van hervormingen niet in,
+u wiens familie-rampen?..."
+
+"O, ik vergeet mezelf en vergeet mijn eigen narigheid waar het
+de veiligheid in de Filippijnen, waar 't de belangen van Spanje
+geldt!" viel Ibarra levendig in.
+
+"Om de Filippijnen te behouden is het noodig dat de _frailes_ voortgaan
+zooals ze nu doen, en in de vereeniging met Spanje ligt het heil voor
+ons land."
+
+Ibarra had uitgesproken, en Elias luisterde nog. Zijn gelaat stond
+droef, zijn oogen hadden hun glans verloren.
+
+"De zendelingen hebben 't land veroverd, dat is waar," hervatte
+hij. "Gelooft u dat de Filippijnen door de _frailes_ behouden zullen
+worden?"
+
+"Ja, alleen door hen, zoo gelooft iedereen het die over de Filippijnen
+geschreven heeft."
+
+"O!" riep Elias uit, terwijl hij ontmoedigd de riem in de _bangka_
+neersmeet. "Ik dacht niet dat u zoo'n min idee had van 't bestuur en
+van 't land. Waarom veracht u allebei niet? Wat zou u zeggen van een
+gezin dat alleen in vrede leeft door tusschenkomst van een vreemde? Een
+land dat gehoorzaamt, omdat men het bedriegt, een bestuur dat gebiedt,
+omdat het gebruik maakt van dat bedrog, een bestuur dat zelf niet in
+staat is zich bemind te maken noch zich te doen eerbiedigen! Vergeeft u
+me meneer, maar ik geloof dat uw bestuur dom en zelfmoordend optreedt,
+als het werkelijk zich verheugt dat men zoo denkt. Ik dank u intusschen
+voor uw vriendelijkheid. Waar wilt u dat ik u heen zal brengen?"
+
+"Nee," hervatte Ibarra, "we zijn aan 't redetwisten, we moeten weten
+wie er gelijk heeft in zulk een gewichtige aangelegenheid."
+
+"Verschoon me, meneer," antwoordde Elias 't hoofd schuddend, "ik ben
+niet welsprekend genoeg om u te overtuigen. Al heb ik wat opvoeding
+genoten, ik ben een inlander, mijn leven is voor u twijfelachtig,
+en mijn woorden zullen u altijd verdacht voorkomen. Zij die 't
+tegenovergestelde beweerd hebben zijn Spanjaarden, en als zoodanig--al
+zeggen ze ook gemeenplaatsen of onnoozelheden--geven hun toon,
+hun titels en hun afkomst hun zooveel gezag, dat ik er voorgoed van
+moet afzien ze tegen te spreken. Bovendien, wanneer ik zie dat u,
+die uw land liefheeft, u, wiens vader rust onder deze kalme golven,
+u, die u hebt zien tarten, beleedigen en vervolgen, wanneer _u_
+nog zulke meeningen blijft aanhangen, in weerwil van alles en van uw
+hooge beschaving, dan begin ik te twijfelen aan mijn overtuigingen,
+en neem ik de mogelijkheid aan dat het volk zich vergist. Ik moet
+die ongelukkige menschen die hun vertrouwen op andere menschen
+gesteld hebben, nu zeggen dat ze alleen op God en hun eigen arm
+moeten bouwen. Ik dank u nog eens, en wacht uw order, waarheen ik u
+brengen moet."
+
+"Elias, uw bittere woorden gaan me ter harte, en brengen mij ook
+in twijfel. Wat zal ik u zeggen? Ik ben niet te midden van 't volk
+opgevoed, en ik ken misschien zijn behoeften niet. Ik heb mijn jeugd
+in de Jezuïetenschool doorgebracht. Ik ben opgegroeid in Europa,
+ik heb me gevormd door boeken, en ik heb alleen kunnen lezen wat de
+menschen aan 't licht hebben kunnen brengen: wat in 't duister blijft,
+wat de schrijvers niet zeggen, dat is mij onbekend. En toch heb ik
+evenals u ons vaderland lief, niet alleen omdat het ieders plicht is
+het land lief te hebben waaraan hij zijn bestaan dankt, en waaraan
+hij misschien ook zijn laatste toevlucht zal verschuldigd zijn; niet
+alleen omdat mijn vader 't me zoo geleerd heeft, omdat mijn moeder eene
+inlandsche was, en omdat al mijn mooiste herinneringen daar leven; ik
+heb 't bovendien lief omdat ik daaraan mijn geluk dank en zal danken!"
+
+"En ik omdat ik het mijn ongeluk dank!" mompelde Elias.
+
+"Ja, vriend, ik weet dat u lijdt, u is ongelukkig, en dat doet
+u de toekomst donker inzien, en heeft invloed op uw manier van
+denken. Daarom luister ik met zeker voorbehoud naar uw klachten. Als
+ik de drijfveeren kon waardeeren, een deel van dat verleden..."
+
+"Mijn ongeluk erkent een anderen oorsprong. Als ik wist dat het
+verhaal ervan eenig nut kon aanbrengen, zou ik 't u doen, want,
+daargelaten dat ik er heelemaal geen geheim van maak, is het ook wel
+bij vrij veel menschen bekend."
+
+"Misschien dat ik mijn oordeelvellingen zal wijzigen, wanneer ik
+het weet. Ik hoef u niet meer te zeggen dat ik meer op feiten dan op
+theorieën afga."
+
+Elias zweeg eenige oogenblikken.
+
+"In dat geval, meneer," hervatte hij, "zal ik u in 't kort mijn
+geschiedenis vertellen."
+
+
+
+
+XLVIII.
+
+De familie van Elias.
+
+
+"'t Zal zoowat zestig jaar geleden zijn dat mijn grootvader te Manila
+woonde, en als boekhouder in een Spaansch handelshuis werkzaam was. Hij
+was toen zeer jong, was getrouwd en had een zoon. Op een nacht, men
+weet niet hoe, brandde het magazijn af, de brand deelde zich mee aan
+'t heele huis, en van dit aan andere gebouwen. De verliezen waren
+ontelbaar, men zocht naar een schuldige, en de koopman beschuldigde
+mijn grootvader. Tevergeefs kwam hij er tegen op, en, omdat hij arm
+was, en dus geen beroemde advocaten kon betalen, werd hij veroordeeld
+om in 't openbaar gegeeseld en door de straten van Manila rondgeleid
+te worden.
+
+"Nog niet lang geleden was deze onteerende straf nog in gebruik. 't
+Volk noemde ze 'paard en koe,' en ze was duizendmaal erger dan
+de dood. Mijn grootvader van iedereen verlaten, behalve van zijn
+jonge vrouw, zag zich aan een paard vastgebonden, gevolgd door een
+wreede menigte menschen, gegeeseld op iederen hoek van een straat,
+ten aanzien van iedereen, van zijn broeders en in de nabijheid van de
+ontelbare tempels van een Vredegod. Toen de ongelukkige--al voor altijd
+onteerd--had voldaan aan de wraak van de menschen met zijn bloed, zijn
+martelingen en zijn gegil, moesten ze hem van 't paard afhalen, want
+hij was flauw gevallen. En God gave dat hij toen gestorven was! Met
+een van die verfijnde wreedheden gaven ze hem de vrijheid. Zijn arme
+vrouw, die toen zwanger was, bedelde tevergeefs van deur tot deur,
+om werk of een aalmoes, om te kunnen zorgen voor haar zieken man of
+haar ongelukkig kind. Och, wie heeft eenig vertrouwen in de vrouw
+van een eerloozen brandstichter? Zijn vrouw moest zich dus aan de
+prostitutie overgeven!"
+
+Ibarra stond op van zijn bank.
+
+"O, maak u niet ongerust! Prostitutie was geen schande meer voor haar,
+evenmin voor baar man: eer en schaamte bestonden immers niet meer. De
+man herstelde van zijn wonden, en ging zich met zijn vrouw en kind
+verschuilen ergens in de bergen van deze provincie. Hier baarde
+zijn vrouw een misvormd kind met allerlei ziekten, dat gelukkig
+stierf. Hier woonden ze nog eenige maanden, ellendig, eenzaam,
+gehaat en gevreesd bij een ieder. Daar mijn grootvader zijn ellende
+niet verdragen kon, en hij minder moedig was dan zijn vrouw, hing hij
+zich op, wanhopig als hij was zijn vrouw ziek en verstoken van alle
+hulp en zorg te zien. Het lijk verging in 't gezicht van den zoon,
+die zijn zieke moeder nauwelijks kon verzorgen, en de stank deed het
+gerecht erachter komen.
+
+"Mijn grootmoeder werd beschuldigd en veroordeeld, omdat ze geen
+kennis had gegeven van 't overlijden. Men legde haar den dood van
+haar man ten laste, en dit werd geloofd. Want, waartoe is niet de
+vrouw van een ellendeling in staat, die ook nog publieke vrouw geweest
+was? Als ze zweert, noemen ze haar meineedig, als ze schreit, zeggen
+ze dat ze liegt, en als ze God aanroept, dat ze God lastert. Toch
+hadden ze nog wat meegaandheid, en wachtten ze eerst haar bevalling
+af, om haar daarna te geeselen. U weet dat de monniken het geloof
+verbreiden, dat inlanders alleen met slaag kunnen behandeld worden:
+leest u maar wat Padre Gaspar de San Agustin zegt.
+
+"Als de vrouw veroordeeld wordt, zal ze den dag vervloeken waarop
+haar kind geboren wordt, wat behalve het verlengen van de straf, een
+verkrachting van moederlijke gevoelens is. Ongelukkigerwijze had de
+vrouw een voorspoedige bevalling en kreeg ze--ook al een ongeluk--een
+flinke zoon. Twee maanden later werd het vonnis voltrokken, tot
+groote voldoening van de menschen, want zoo geloofden ze hun plicht
+te vervullen. Al niet meer met rust gelaten in deze bergen, vluchtte
+ze met haar twee zoons naar de naburige provincie. En daar leefden ze
+als wilde beesten: hatend en gehaat. De oudste van de twee broers, zich
+te midden van zooveel ellende zijn gelukkige kinderjaren herinnerend,
+werd _toelisan_, zoodra hij zich daartoe krachtig genoeg voelde. 't
+Duurde niet lang, of de bloeddorstige naam van _Balat_ verbreidde zich
+van provincie tot provincie; hij was de schrik van de dorpen, want
+in zijn wraak verdelgde hij alles te vuur en te zwaard. De jongste,
+die van nature een goed hart had, had zich bij zijn lot en schande
+neergelegd: hij leefde met zijn moeder van wat het bosch opleverde,
+ze kleedden zich van de lompen die de voorgangers hun toewierpen. Zij
+had haar naam verloren: men kende haar alleen bij de benamingen:
+'veroordeelde, hoer, gegeeselde.' Hij was alleen bekend als de zoon
+van zijn moeder, want om de zachtheid van zijn karakter hielden ze hem
+niet voor een zoon van den brandstichter, en omdat men bij de inlanders
+in zake zedelijkheid alles in twijfel kan trekken. Eindelijk viel de
+beruchte _Balat_ op 'n dag in handen van 't gerecht, dat hem streng
+rekenschap vroeg van zijn misdaden--het had niets gedaan om hem 't
+goede te leeren. En op een morgen, toen de jonge man zijn moeder zocht,
+die naar 't bosch was gegaan om paddestoelen te zoeken, en nog niet
+terug was, vond hij haar lang uit op den grond, aan den kant van den
+weg liggen, met haar gezicht naar de lucht, de oogen wijd opengespalkt
+en strak, de vingers gekromd en in de aarde gewoeld, waar bloedvlekken
+te zien waren. De jonge man kwam op 't idee zijn oogen op te slaan,
+en den blik van 't lijk te volgen. En toen zag hij aan een tak een
+man hangen, en aan dien man 't bloedige hoofd van zijn broer!"
+
+"Groote God!" riep Ibarra.
+
+"Dat kon mijn vader roepen!" ging Elias koeltjes voort. "De menschen
+hadden den struikroover gevierendeeld, en de romp begraven, maar de
+ledematen werden verspreid en in verschillende dorpen opgehangen. Als u
+soms eens van Kalamba naar Santo Tomas gaat, zult u nog een armzalige
+_lomboy_-boom aantreffen, waar een been van mijn oom aan heeft
+gehangen: de natuur heeft hem vervloekt, en de boom groeit niet en
+geeft geen vrucht. Hetzelfde hebben ze met de andere ledematen gedaan,
+maar 't hoofd als 't beste van 't individu, als wat men het makkelijkst
+herkent, dat hebben ze voor zijn moeders hut opgehangen!"
+
+Ibarra boog het hoofd.
+
+"De jonge man vluchtte als een gevloekte," ging Elias voort. "Hij
+vluchtte van dorp tot dorp, over bergen en dalen, en toen hij zich
+al onbekend achtte, trad hij als daglooner in dienst bij een rijk
+man in de provincie Tabajas. Zijn werkzaamheid en de zachtheid van
+zijn karakter verschaften hem de achting van allen die zijn verleden
+niet kenden. Door hard werken en sparen kreeg hij een kapitaaltje
+bijeen, en omdat de ellende voorbij en hij jong was, dacht hij aan
+zijn geluk. Zijn aardig voorkomen, zijn jeugd en zijn eenigszins
+welgestelde positie deden hem de liefde winnen van een meisje van
+'t dorp. Maar hij dorst haar hand niet te vragen, omdat hij bang was
+dat dan zijn verleden bekend zou worden. De liefde vermocht meer,
+en beiden vergaten zich. De man waagt er alles op om de eer van zijn
+meisje te redden: hij vraagt haar ten huwelijk, men brengt de papieren
+voor den dag, en alles komt uit. De vader van 't meisje was rijk,
+en kreeg gedaan dat de man vervolgd werd. Hij trachtte zich niet
+te verdedigen, bekende alles en werd verbannen naar een _presidio_
+of dwangarbeiders-kolonie. Het jonge meisje bracht een jongen en
+een meisje ter wereld, die in 't geheim werden gezoogd. Men liet
+ze gelooven dat hun vader dood was, wat niet moeilijk was, want hun
+moeder zagen ze ook, toen ze nog heel jong waren, heengaan, zoodat
+ze er niet aan konden denken hun afkomst na te gaan. Doordat onze
+grootvader rijk was, hadden we 't als kinderen zeer goed. Mijn zuster
+en ik werden samen opgevoed. We hielden van elkaar, zooals alleen
+tweelingen dat kunnen, die geen andere liefde kennen. Toen ik nog heel
+jong was, ging ik op 't Jezuïeten College leeren, en mijn zuster ging,
+om niet heelemaal van mij gescheiden te worden, naar de kostschool
+van La Concordia. Toen onze korte schooltijd om was--want we wilden
+niets anders zijn dan landbouwers--gingen we naar 't dorp terug,
+om bezit te nemen van de erfenis van onzen grootvader. We leefden
+eenigen tijd gelukkig, de toekomst lachte ons toe, we hadden veel
+bedienden, onze velden gaven een goeden oogst, en mijn zuster was op
+'t punt juist om te gaan trouwen met een jongmensch dat ze aanbad,
+en dat haar evenzeer lief had. Door geldkwesties, door mijn karakter,
+dat toen trotsch was, raakte ik in onmin wet een verren verwante,
+en eens op een dag slingerde hij mij mijn duistere geboorte en mijn
+eerloozen afkomst in 't gezicht.
+
+"Ik beweerde dat het laster was, en eischte voldoening. Het graf
+waarin zooveel rottenis sluimerde, opende zich weer, en de waarheid
+kwam voor den dag, om me te beschamen. Tot overmaat van ramp hadden
+we sinds jaren een ouden knecht, die al mijn grillen verdroeg zonder
+zich ooit te beklagen, en die zich vergenoegde met alleen maar te
+schreien en te kermen onder 't gelach en den spot van de andere
+bedienden. Ik weet niet hoe dat familielid erachter kwam: een feit
+is 't dat hij dien ouden knecht voor 't gerecht liet dagen en hem de
+waarheid deed verklaren. De oude knecht was onze vader, die met hart
+en ziel verkleefd was aan zijn kinderen, en dien ik herhaalde malen
+mishandeld had. Ons geluk was weg, ik deed afstand van ons fortuin,
+mijn zuster verloor haar verloofde, en we vertrokken met onzen vader
+uit het dorp, om hier of daar elders heen te gaan. De gedachte dat
+hij tot ons ongeluk had bijgedragen verkortte het leven van den ouden
+man. Van zijn lippen vernam ik 't heele droeve verleden.
+
+"Mijn zuster en ik bleven alleen.
+
+"Zij schreide veel, maar bij al de smart die over ons kwam, kon ze haar
+liefde niet vergeten. Zonder te klagen, zonder een woord te zeggen,
+zag ze haar vroegeren verloofde met een ander trouwen, en ik zag haar
+langzamerhand zieker worden, zonder haar te kunnen troosten. Op een
+dag verdween ze. Tevergeefs zocht ik haar overal, tevergeefs deed ik
+overal navraag, totdat ik zes maanden later vernam dat men in dien
+tijd, na een aanwas van 't meer, op 't strand van Kalamba tusschen het
+riet het lijk van een jongmeisje gevonden had. Ze had, naar men zeide,
+een mes in haar borst steken. De overheid van dat dorp liet de zaak in
+de naburige dorpen bekend maken. Niemand had zich aangemeld, om het
+lijk op te vragen, geen enkel jongmeisje zou er verdwenen zijn. Naar
+de gegevens die ik later kreeg, naar de kleeren, de sieraden, het
+mooie gezichtje, het zeer overvloedige haar, begreep ik dat het mijn
+arme zuster moest geweest zijn. Van dien tijd af dool ik van de eene
+provincie naar de andere. Mijn roep en mijn geschiedenis zijn in den
+mond van velen. Men vertelt allerlei dingen van me, die ik gedaan zou
+hebben; soms is 't laster, maar ik stoor me weinig aan de menschen,
+en ga mijn gang.
+
+"Daar heeft u in 't kort mijn geschiedenis, en de geschiedenis van
+een geval van menschenrecht."
+
+Elias zweeg, en ging voort met roeien.
+
+"Ik begin te gelooven dat u geen ongelijk heeft," zei Crisóstomo zacht,
+"wanneer u zegt dat de gerechtigheid het goede moest nastreven door
+de belooning van de deugd en de opvoeding van de misdadigers. Alleen
+maar... 't is onmogelijk, 't is een utopie; want waar moet al het
+geld vandaan komen? Al de nieuwe beambten?"
+
+"En waarvoor zijn dan de priesters die hun zending van vrede en
+menschenliefde verkondigen? Zou 't verdienstelijker wezen het hoofd
+van een kind met water te bevochtigen, het zout te eten te geven,
+dan in 't verduisterde geweten van een misdadiger de vonk aan te
+blazen die God ieder mensch heeft gegeven om 't goede te zoeken? Zou
+'t menschelijker wezen, een veroordeelde naar 't schavot te geleiden
+dan hem te leiden langs 't moeilijke pad dat van de ondeugd naar de
+deugd gaat? Worden er niet al spionnen, beulen en _guardias civiles_
+betaald? Dat kost ook geld, en is nog smerig bovendien."
+
+"Vriend, noch u noch ik zullen 't gedaan krijgen, al willen we 't ook."
+
+"Alleen, ja, dan zijn we niets. Maar neem de zaak van 't volk op,
+vereenig u met het volk, sla zijn klachten niet in den wind, geef
+het goede voorbeeld aan de anderen, geef een denkbeeld van wat een
+vaderland is!"
+
+"Wat het volk vraagt, is een onmogelijkheid. We moeten afwachten."
+
+"Afwachten, afwachten staat gelijk met lijden!"
+
+"Als ik 't vroeg, zouden ze me uitlachen."
+
+"En als 't volk u steunt?"
+
+"Nooit! Ik zal nooit de man zijn die de menigte moet leiden om door
+geweld gedaan te krijgen wat het bestuur niet geschikt acht. Nee! En
+als ik eens die gewapende menigte zag, zou ik me aan de zijde van 't
+bestuur scharen en ze bestrijden, want in die bende zou ik mijn volk
+niet zien. Ik wil hun heil: daarvoor richt ik een school op. Ik zoek 't
+te bereiken door 't onderwijs, door de trapsgewijze vooruitgang. Zonder
+licht is er geen weg te vinden."
+
+"Zonder strijd is er ook geen vrijheid!" antwoordde Elias.
+
+"Maar zoo'n vrijheid wil ik niet!"
+
+"Maar zonder vrijheid is er geen licht," hervatte de loods levendig.
+
+"U zegt dat u uw land weinig kent. Ik geloof 't. U ziet de worsteling
+niet die voorbereid wordt, u ziet de wolk aan den horizon niet. De
+strijd begint in de sfeer van de denkbeelden, om dan naar de arena
+af te dalen, die met bloed geverfd zal worden. Ik hoor Gods stem:
+wee degenen die hem zullen tegenstreven! Voor hun is de geschiedenis
+niet geschreven!"
+
+Elias scheen geheel veranderd: staande, met ontbloot hoofd, had zijn
+mannelijk gelaat, beschenen door de maan, iets buitengewoons. Hij
+schudde zijn overvloedig haar, en ging voort:
+
+"Ziet u dan niet hoe alles ontwaakt? De slaap heeft eeuwen geduurd,
+maar eens viel de bliksemstraal, die vernielde, maar tot nieuw leven
+riep. Van toen af werken er nieuwe stroomingen in de geesten, en
+deze stroomingen, die nu gescheiden zijn, zullen zich eenmaal onder
+Gods leiding vereenigen. God heeft de andere volken niet verzaakt,
+hij zal evenmin ons verzaken: zijn zaak is de vrijheidszaak."
+
+Een plechtige stilte volgde op deze woorden. Intusschen naderde de
+_bangka_, onmerkbaar door de golven voortbewogen, den oever. Elias
+was de eerste die de stilte verbrak.
+
+"Wat moet ik zeggen aan degenen die me zenden?" vroeg hij, van toon
+veranderend.
+
+"Ik heb 't u al gezegd: dat ik hun toestand ten zeerste betreur,
+maar dat ze moeten hopen en afwachten, want de misstanden worden
+niet genezen door ander kwaad, en in ons ongeluk hebben we allen
+mee schuld."
+
+Elias gaf verder geen antwoord. Hij boog het hoofd, en ging door
+met roeien. En aan den oever gekomen, nam hij afscheid van Ibarra,
+zeggende:
+
+"Ik dank u, meneer, voor de welwillendheid waarmee u wel naar me heeft
+willen luisteren. In uw eigen belang verzoek ik u dat u voortaan
+mij vergeet, en dat u me niet herkent, in welken toestand u me ook
+mag aantreffen."
+
+En dit gezegd hebbende, bracht hij de _bangka_ weer van den oever,
+roeiend naar een boschje aan 't strand. Gedurende de lange overtocht
+bleef hij zwijgen. Hij scheen niet anders te zien dan de duizenden
+diamanten, die hij met zijn roeiriem uit het meer ophaalde en
+weer daaraan teruggaf, waar ze geheimzinnig verdwenen tusschen de
+donker-blauwe golven.
+
+Eindelijk was hij aangekomen. Een man kwam te voorschijn uit het
+boschje en trad op hem toe.
+
+"Wat zal ik aan onzen hoofdman zeggen?" vroeg hij.
+
+"Zeg hem dat Elias, als hij niet eerder sterft, zijn woord zal
+nakomen," antwoordde hij droevig.
+
+"Wanneer zal je je dan bij ons voegen?"
+
+"Wanneer onze hoofdman meent dat het uur van gevaar gekomen is."
+
+"Dat 's goed, vaarwel!"
+
+"Als ik niet voor dien tijd dood ben," mompelde Elias.
+
+
+
+
+XLIX.
+
+Veranderingen.
+
+
+De schuchtere Linares was ernstig gestemd en vol ongerustheid. Hij had
+daar juist een brief ontvangen van Doña Victorina, die in behoorlijke
+taal overgebracht, zoo luidde:
+
+
+ "Geachte Neef,
+
+
+ Binnen drie dagen hoop ik van u te vernemen of de _alférez_
+ u reeds gedood heeft of gij hem.
+
+ Ik wil niet dat er nog een dag langer voorbijgaat, zonder dat
+ die vlegel zijn straf krijgt. Als deze termijn verstreken
+ is, en gij hem nog niet hebt uitgedaagd, zeg ik aan Don
+ Santiago, dat ge nooit sekretaris geweest zijt, en evenmin
+ jongeluis-partijtjes gegeven hebt aan Canovas of pret gemaakt
+ hebt met generaal Don Arseno Martines. Dan zeg ik aan Clarita
+ dat het alles praatjes geweest zijn. En ik geef je geen roode
+ duit meer. Maar als gij hem uitdaagt, beloof ik u alles wat
+ je wilt. Dus, zorgt er nu voor dat ge hem uitdaagt: ik zeg u
+ vooruit dat ik niets weten wil van voorwendsels of uitvluchten,
+
+
+ Uw hartelijk liefhebbende nicht:
+
+ Victorina de los Reyes de Espadaña.
+
+ Sampalok, Maandag 7 uur 's avonds."
+
+
+Het was een ernstig geval: Linares kende het karakter van Doña
+Victorina, en wist waartoe ze in staat was.
+
+Met haar redelijk te praten, was net hetzelfde als van eerlijkheid en
+fatsoen te spreken tot een _carabinero_ van de belasting, wanneer die
+'t in zijn hoofd krijgt smokkelwaar te vinden waar die niet is. Smeken
+baatte niet, om den tuin leiden was nog erger. Er zat niets anders
+op dan de uitdaging te doen.
+
+Maar hoe? dacht hij, alleen heen en weer stappend, als hij me royaal
+naar de maan laat loopen? Als ik 's zijn vrouw tegenkom? Wie zal
+getuige willen wezen? De pastoor? Capitán Tiago? Verwenscht het
+oogenblik dat ik naar haar raad geluisterd heb! Beroerd wijf! Wie
+noodzaakte me om op te snijden, leugens te verkoopen, om met allerlei
+gezwets me in te dringen? Wat zal die jongedame nu van me zeggen?... Nu
+spijt het me dat ik secretaris bij alle ministers geweest ben!
+
+In deze droeve overdenking was de goede Linares, toen Padre Salvi
+binnenkwam. De Franciskaan was werkelijk nog magerder en bleeker dan
+gewoonlijk, maar zijn oogen schitterden met een eigenaardigen glans,
+en op zijn lippen zweefde een vreemde glimlach.
+
+"Zoo, meneer Linares, zoo alleen?" groette hij en richtte zich naar
+de zaal, door welker half-geopende deur eenige tonen van een piano
+naar buiten kwamen.
+
+Linares wilde glimlachen.
+
+"En Don Santiago?" liet de pastoor volgen.
+
+Capitán Tiago verscheen juist, kuste den pastoor de hand, ontdeed
+hem van zijn hoed en stok, en lachte als een gelukzalige.
+
+"Wel, wel!" zeide de pastoor de zaal binnentredend, gevolgd door
+Linares en Capitán Tiago. "Ik heb goed nieuws aan u allen te
+vertellen. Ik heb brieven uit Manila ontvangen, die me bevestigen
+wat meneer Ibarra me gisteren kwam meedeelen...dus, Don Santiago,
+'t beletsel is vervallen."
+
+Maria Clara, die tusschen haar twee vriendinnen aan de piano zat,
+richtte zich half op, doch de krachten begaven haar, en ze ging weer
+zitten. Linares verbleekte, en keek Capitán Tiago aan. Deze sloeg de
+oogen neer.
+
+"Dat jongemensch lijkt me per slot van rekening zeer sympathiek,"
+ging de pastoor voort, "eerst beoordeelde ik hem verkeerd...hij is
+wat driftig, maar daarna weet hij zijn fouten zoo goed te herstellen,
+dat men geen wrok tegen hem kan koesteren. Als Padre Dámaso niet..."
+
+De pastoor wierp een snellen blik naar Maria Clara, die luisterde,
+maar zonder de oogen op te slaan van de muziek voor haar, in weerwil
+van de stille kneepjes die Sinang haar toediende. Zoo drukte deze
+haar vreugde uit. Als ze alleen was geweest, had ze gedanst.
+
+"Padre Dámaso?" vroeg Linares.
+
+"Ja, padre Dámaso heeft gezegd," hervatte de pastoor zonder zijn blik
+van Maria Clara af te wenden, "dat hij als Maria's peetvader niet
+kon veroorloven ...maar nu ja, ik geloof dat als meneer Ibarra hem
+vergiffenis vraagt, waar ik niet aan twijfel, alles weer in orde komt."
+
+Maria Clara stond op, verontschuldigde zich en ging vergezeld van
+Victoria, het vertrek uit.
+
+"En als Padre Dámaso hem niet vergeeft?" vroeg Capitán Tiago zacht.
+
+"Dan...moet Maria Clara 't zelf weten ...Padre Dámaso is
+haar...geestelijke vader. Maar ik geloof dat ze 't bij zullen leggen."
+
+Op dat oogenblik hoorde men schreden, en Ibarra vertoonde zich, gevolgd
+door tante Isabel. Zijn komst bracht een zeer verschillenden indruk
+te weeg. Hij groette Capitán Tiago vriendelijk--deze wist niet of
+hij lachen of schreien moest--en Linares met een diepe buiging met
+het hoofd. Fray Salvi stond op, en gaf hem zoo hartelijk de hand,
+dat Ibarra een blik van verbazing niet kon bedwingen.
+
+"Verwonder u niet," zeide Fray Salvi, "ik was net bezig u te prijzen."
+
+Ibarra dankte, en trad op Sinang toe.
+
+"Waar ben je den heelen dag geweest?" vroeg deze met haar jongmeisjes
+praatlust. "We vroegen elkaar af: waar zou die uit het vagevuur
+losgekochte ziel toch wel heen zijn? En elk van ons meisjes zei iets."
+
+"En mag ik weten wat dat was?"
+
+"Nee, dat 's een geheim, maar ik zal 't wel onder vier oogen
+zeggen. Zeg ons nu waar je geweest bent, om 't te zien, wie er goed
+heeft kunnen raden."
+
+"Nee, dat 's ook een geheim, maar ik zal 't je wel onder vier oogen
+zeggen, als de heeren me veroorloven."
+
+"Wel, natuurlijk, natuurlijk! Dat ontbrak er nog maar aan!" zei
+padre Salvi.
+
+Sinang nam Crisóstomo mee naar 't eene uiteinde van de zaal: zij was
+in de wolken dat ze een geheim zou hooren.
+
+"Zeg me nu 's, vriendinnetje," vroeg Ibarra, "is Maria boos op me?"
+
+"Ik weet 't niet, maar ze zegt dat het beter is dat je haar vergeet,
+en dan begint ze te schreien. Capitán Tiago wil dat ze trouwt met
+dien meneer, Padre Dámaso ook, maar zij zegt geen ja en geen nee. Van
+morgen toen we naar je vroegen en ik zei: Zou hij soms 't hof zijn
+gaan maken aan 't een of ander meisje?, antwoordde zij me: 'God gave
+'t!' en barstte in schreien uit."
+
+Ibarra keek ernstig.
+
+"Zeg Maria dat ik haar alleen wil spreken."
+
+"Alleen?" vroeg Sinang en fronste de wenkbrauwen.
+
+"Heelemaal alleen, nee, maar die vent moet er niet bij wezen."
+
+"Dat 's lastig. Maar wees maar gerust: ik zal 't haar zeggen."
+
+"En wanneer zal ik 't antwoord weten?"
+
+"Morgen. Ga vroeg naar huis. Maria wil nooit alleen zijn. Wij zijn bij
+haar: Victoria slaapt de eene nacht naast haar, ik de andere. Morgen is
+'t mijn beurt. Maar hoe is 't nu met het geheim? Ga je heen zonder me
+'t voornaamste gezegd te hebben?"
+
+"Dat 's waar ook! Ik ben in 't dorp _de los baños_ [48] geweest. Ik
+ga de cokos-aanplantingen exploiteeren, want ik denk een fabriek op
+te richten met je vader als deelgenoot."
+
+"Niets anders dan dat? Nu, dat's ook een geheim!" riep Sinang luid,
+op den toon van een opgelichte woekeraar. "Ik dacht..."
+
+"Voorzichtig! Ik sta je niet toe dat je 't vertelt!"
+
+"Alsof ik daar lust in had!" antwoordde Sinang, en trok haar
+neusje op. "Als 't nog 's wat belangrijkers was, zou ik 't aan mijn
+vriendinnen zeggen. Maar 't koopen van klappers! Wie stelt nu belang
+in klappers?"
+
+En als een pijl uit een boog ging ze weer naar haar vriendinnen.
+
+Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, daar hij zag dat het
+samenzijn moeilijk anders dan gedwongen kon wezen. Capitán Tiago
+keek zuurzoet, Linares was stil en zat waar te nemen, de pastoor
+deed alsof hij vroolijk was en sprak over dingen die hem volmaakt
+onverschillig waren.
+
+
+
+
+L.
+
+De kaart der dooden en de schimmen.
+
+
+De bewolkte hemel verborg de maan. Een koude wind, voorbode van de
+naderende December-maand, blies wat dorre bladeren en stof weg op
+het smalle pad dat naar 't kerkhof voert.
+
+Drie schimmen spraken zacht tot elkaar onder de poort.
+
+"Heb je Elias gesproken?" vroeg een stem.
+
+"Nee, je weet toch dat hij erg vreemd en voorzichtig doet, maar hij
+moet een van de onzen zijn: Don Crisóstomo heeft hem 't leven gered."
+
+"Daarom ook heb ik 't aangenomen," zeide de eerste stem. "Don
+Crisóstomo zorgt ervoor dat mijn vrouw genezen wordt bij een dokter in
+huis in Manila. Ik heb me belast met het 'klooster,' om mijn rekening
+met den pastoor te vereffenen."
+
+"En wij met de kazerne, om aan de _civiles_ te zeggen dat onze vader
+zoons had."
+
+"Met hoevelen zullen jullie zijn?"
+
+"Met ons vijven. Met vijf zijn er genoeg. De knecht van Don Crisóstomo
+zegt dat we met ons twintigen zullen wezen."
+
+"En als 't jullie tegenloopt?"
+
+"St!" zei er een, en allen zwegen.
+
+Men zag bij de halve duisternis die er heerschte een schim aankomen,
+die langs de buitenmuur voortgleed. Van tijd tot tijd hield hij stil
+alsof hij 't hoofd achterwaarts keerde.
+
+En daar was wel reden voor. Achter hem aan, op zoowat twintig pas
+afstands, kwam een andere grootere schim, die nog meer schim scheen te
+wezen dan de eerste, zoo luchtig stapte hij over den grond, terwijl
+hij telkens wanneer de eerste stilstond en omkeek verdween, alsof de
+aarde hem verzwolg.
+
+"Ik wordt achtervolgd!" mompelde de ander, "zou 't de _guardia civil_
+wezen? Zou de hoofdkoster liegen?"
+
+"Ze zeggen dat de samenkomst hier is," zeide de tweede schim zacht. "'t
+Moet wel iets kwaads betreffen, wanneer de twee broers het voor me
+verborgen houden."
+
+De eerste schim kwam eindelijk aan de poort van het kerkhof. De drie
+eersten traden vooruit.
+
+"Zijn jullie 't?"
+
+"Ben jij 't?"
+
+"We moeten uiteen gaan, want ik word achtervolgd!
+
+"Morgen krijgen jullie de wapens en den nacht daarop zal 't wezen. De
+kreet is 'Leve Don Crisóstomo!' Ga nu heen!"
+
+De drie schimmen verdwenen achter de muren. De nieuw-aangekomene
+verschool zich in de holte van de poort en wachtte in stilte.
+
+"Laten we 's zien wie me daar volgde!" mompelde hij.
+
+De tweede schim naderde met veel omzichtigheid, en stond stil, als
+om rond te kijken.
+
+"Ik ben te laat gekomen!" zeide hij halfluid, "maar misschien komen
+ze terug."
+
+En daar er een fijne dichte regen begon te vallen, kwam hij op de
+gedachte onder de poort te gaan schuilen.
+
+Natuurlijk ontmoette hij den ander.
+
+"O! Wie bent u?" vroeg de laatst gekomene met mannelijke stem.
+
+"En wie bent u?" antwoordde de ander bedaard.
+
+Een oogenblik stilte. Ze trachtten elkaar te herkennen aan den klank
+der stem en elkaars trekken te onderscheiden.
+
+"Wat wacht u hier?" vroeg de mannelijke stem.
+
+"Op 't slaan van acht, om de kaart van de dooden te hebben. Ik wil
+van avond een som winnen," antwoordde de ander op heel natuurlijken
+toon. "En u, waarvoor komt u?"
+
+"Voor... 't zelfde."
+
+"_Awá!_ [49] dat doet me plezier: dan heb ik gezelschap. Ik heb kaarten
+bij me. Bij de eerste klokslag zet ik _albur_, bij de tweede _gallo_;
+die dan bewegen zijn de kaarten van de dooden, en die moet je met
+geweld in handen zien te krijgen. Heeft u kaarten bij u?"
+
+"Nee!"
+
+"Wat dan?"
+
+"Wel, heel eenvoudig: net zooals u voor hun 'de bank' houdt, hoop ik
+dat zij die voor mij zullen houden."
+
+"En als de dooden geen bank willen houden?"
+
+"Wat is eraan te doen? 't Spelen is nog niet verplicht gesteld onder
+de dooden..."
+
+Er was een oogenblik stilte.
+
+"Komt u gewapend? Hoe gaat u vechten met de dooden?"
+
+"Met mijn vuisten," antwoordde de grootste van de twee.
+
+"Och, duivels, nu herinner ik me dat de dooden niet willen inzetten,
+als er meer dan een levende is. En we zijn met ons beiden..."
+
+"Werkelijk? Nu, ik wil niet weggaan."
+
+"Ik ook niet, ik heb geld noodig," antwoordde de kleinste.
+
+"Maar laten we wat afspreken: laten we samen spelen, en die verliest
+moet heengaan."
+
+"Goed..." antwoordde de ander met eenigen tegenzin.
+
+"Laten we dan naar binnen gaan. Heeft u lucifers?" Ze traden binnen, en
+zochten in de halve duisternis een geschikt plekje. Weldra ontwaarden
+ze een nis, waarop ze gingen zitten. De kleinste haalde uit zijn
+_salakot_ een spel kaarten, en de ander stak een lucifer aan.
+
+Bij 't licht keken ze elkaar aan, maar, naar de uitdrukking van hun
+gezicht te oordeelen, kenden ze elkaar niet. De eene lange met de
+mannelijke stem was Elias, de kleinste Lucas met het litteeken op
+zijn wang.
+
+"Coupeeren!" zeide deze, hem steeds gadeslaande.
+
+Hij verwijderde eenige beenderen, die hij op de nis vond, en nam een
+aas en een vrouw uit. Elias stak telkens een nieuwe lucifer aan.
+
+"Op de vrouw!" zeide hij, en om de kaart aan te wijzen, legde hij er
+een wervelbeen op.
+
+"Goed!" zei Lucas, en na vier of vijf kaarten haalde hij een aas uit.
+
+"U heeft 't verloren," voegde hij erbij. "Laat me nu alleen, om mijn
+kansje te wagen."
+
+Elias verwijderde zich zonder een woord, en verdween in de duisternis.
+
+Eenige minuten later sloeg de kerkklok het uur der zielen. Maar
+Lucas noodigde niemand tot spelen: hij riep de dooden niet op,
+zooals het bijgeloof dat voorschrijft, maar hij ontblootte het hoofd,
+en prevelde eenige gebeden, onderwijl kruisen slaande met dezelfde
+vurigheid waarmee het hoofd van de broederschap der allerheiligste
+Rozenkrans het op dat oogenblik zou gedaan hebben.
+
+De heele nacht bleef het motregenen. Om negen uur waren de straten
+reeds donker en verlaten. De olie-lantarens, die iedere bewoner moet
+ophangen, verlichtte nauw een kring van een meter straal: ze schenen
+aangestoken, om te laten zien dat het donker was.
+
+Twee _guardias civiles_ stapten in de straat op en neer, dicht bij
+de kerk.
+
+"'t Is koud!" zei de een in 't Tagaalsch, met een Wisajasche
+tongval. [50] "We krijgen geen enkelen koster te pakken, om het
+kippenhok van den _alférez_ te repareeren... Met den dood van dien
+eene hebben ze een lesje gekregen: dat 's vervelend."
+
+"Dat vind ik ook," antwoordde de ander. "Niemand steelt of maakt
+straatrumoer. Maar er wordt, Goddank, gezegd dat Elias in 't dorp
+is. De _alférez_ zegt dat hij die hem pakt in drie maanden geen
+ransel krijgt."
+
+"Zoo? Ken je z'n signalement uit je hoofd?" vroeg de Wisajer.
+
+"Of ik! Lange gestalte volgens den _alférez_, middelmatig volgens
+Padre Dámaso; kleur bruin, oogen zwart, neus gewoon, mond gewoon,
+baard geen, haar zwart..."
+
+"Zoo! En bijzondere kenteekenen?"
+
+"Zwart hemd, zwarte broek, houthakker..."
+
+"O, die zal niet ontsnappen: 't is net of ik hem zie."
+
+"Ik verwar hem niet licht met een ander, al lijkt hij er ook op."
+
+De twee soldaten zetten hun ronde voort.
+
+Bij 't licht der lantarens zien we weer twee schimmen heel omzichtig
+de een achter den ander gaan. Een krachtig "_Quien vive?_" (Wie
+daar?) houdt beiden staande, en de eerste antwoordt met bevende stem:
+"_España_!"
+
+De soldaten grijpen hem aan en slepen hem naar een lantaren, om hem te
+herkennen. 't Was Lucas, doch de soldaten weifelen, en kijken elkaar
+aan, als om elkaar te raadplegen.
+
+"De _alférez_ heeft niet gezegd dat hij een litteeken had!" zegt de
+Wisajer zacht. "Waar ga je heen?"
+
+"Om een mis voor morgen te bestellen."
+
+"Heb je Elias niet gezien?"
+
+"Ik ken hem niet, meneer!" antwoordt Lucas.
+
+"Ik vraag je niet of je hem kent, stommerik! Wij kennen 'm ook niet. Ik
+vraag je of 'm gezien hebt."
+
+"Nee, meneer."
+
+"Luister goed, ik zal je zeggen hoe hij eruit ziet. Gestalte soms
+lang, soms gewoon, haar en oogen zwart, al 't overige is gewoon,"
+zegt de Wisajer. "Zou je 'm nu kennen?"
+
+"Nee, meneer!" antwoordde Lucas verbouwereerd.
+
+"Schei dan uit, ezelskop!" En ze gaven hem een duw.
+
+"Weet jij waarom Elias voor den _alférez_ lang en voor den pastoor
+kort is?" vroeg de Tagaal diepzinnig aan den Wisajer.
+
+"Nee."
+
+"Omdat de _alférez_ in de modder gezakt was, toen hij hem waarnam en
+de pastoor behoorlijk op zijn voeten stond."
+
+"Dat 's waar!" riep de Wisajer uit. "Je bent een slimmerd... Zeg,
+hoe ben jij zoo _guardia civil_ geworden?"
+
+"Ik ben 't niet altijd geweest: eerst was ik smokkelaar," antwoordde
+de Tagaal met fierheid.
+
+Doch weder trok een schim hun aandacht: ze riepen weer: _Quien vive?_
+en brachten hem naar 't licht.
+
+Ditmaal was het Elias in eigen persoon, die zich aan hen voordeed.
+
+"Waar ga je heen?"
+
+"Ik ga een man achterna die mijn broer geslagen en gedreigd heeft. Hij
+heeft een litteeken op zijn gezicht en heet Elias,.."
+
+"O!" riepen de twee, en keken elkaar ontzet aan. En onmiddellijk
+liepen ze hard in de richting van de kerk, waar eenige minuten te
+voren Lucas verdwenen was.
+
+
+
+
+LI.
+
+Il buon di si conosce da mattina. [51]
+
+
+Reeds vroeg verspreidde zich in 't dorp het gerucht dat er den vorigen
+nacht verscheidene lichtjes op 't kerkhof gezien waren.
+
+Het hoofd der broederschap van de Hermanos Ferceros sprak van
+aangestoken kaarsen, en beschreef den vorm en grootte ervan, maar hij
+kon niet bepaald het aantal noemen, want hij wist alleen dat hij er
+meer dan twintig had kunnen tellen.
+
+Zuster Sipa, van de broederschap van den Allerheiligsten Rozenkrans
+mocht niet dulden dat alleen iemand van de vijandelijke broederschap
+die "genade Gods" gezien had; zuster Sipa had, al woonde ze niet in de
+buurt, duidelijk geklaag en gekerm gehoord, en zelfs aan de stemmen
+zekere personen meenen te herkennen met wie zij vroeger... doch uit
+christelijke liefde, vergaf ze niet alleen, maar bad ze, en verzweeg
+ze hun namen. Om welke reden allen haar "incontinenti" heilig prezen.
+
+Zuster Roefa had inderdaad niet zoo'n fijn gehoor, maar ze mocht niet
+dulden dat zuster Sipa het gehoord had en zij niet; daarom had zij een
+droom gehad, en veel zielen hadden zich aan haar vertoond, niet alleen
+van doode menschen, maar ook van levenden. De lijdende zielen vroegen
+een deel van haar "aflaten", die ze keurig opgeteekend en opgespaard
+had. Zij zou de namen aan de belanghebbende families kunnen zeggen,
+en vroeg alleen een kleine aalmoes om den Paus in zijn behoeften bij
+te staan.
+
+Een kleine jongen, die herder van beroep was, die het waagde te
+verzekeren dat hij maar één licht en twee mannen met een _salakot_
+op gezien had, ontkwam ternauwernood aan een afranseling en
+scheldwoorden. Tevergeefs zwoer hij: zijn karbouwen waren erbij
+geweest, die konden getuigen.
+
+"Wou jij soms meer weten dan de _celador_ van de broederschap en
+de zusters, vrijmetselaar, ketter?" zeiden ze tot hem en keken hem
+daarbij met booze oogen aan.
+
+De pastoor besteeg den preekstoel, en preekte weer over het vagevuur,
+en de _peso's_ kwamen weer uit hun schuilhoekjes om een misje te
+winnen.
+
+Doch laten we de gekwelde zielen voor wat ze zijn, en luisteren we
+naar het gesprek van Don Filipo en den ouden Tasio, die ziek lag in
+zijn eenzame woning. Reeds dagen lang had hij 't bed niet verlaten,
+overmand door een zwakte die snel toenam.
+
+Ik weet heusch niet of ik u geluk moet wenschen omdat ze uw
+ontslagaanvrage hebben aangenomen. Vroeger, toen de burgemeester zoo
+onbeschaamd de meening van de meerderheid opzij zette, toen was het
+gepast uw ontslag te nemen. Maar nu u in strijd is met de _guardia
+civil_ is het niet behoorlijk. In oorlogstijd moet men op zijn post
+blijven."
+
+"Jawel, maar niet wanneer de generaal zich verkoopt," antwoordde Don
+Filipo. "U weet immers dat de _gobernadorcillo_ den volgenden ochtend
+de soldaten in vrijheid gesteld heeft, die ik had kunnen gevangen
+zetten, en dat hij geweigerd heeft een enkelen stap te doen. Zonder
+de toestemming van mijn meerdere kan ik niets."
+
+"U alleen niets, maar met de anderen samen veel. U had van deze
+gelegenheid moeten gebruik maken om een voorbeeld te geven aan de
+andere dorpen. Boven 't belachelijk gezag van zoo'n _gobernadorcillo_
+staat het recht van 't volk. 't Was het begin van een goede les,
+en u heeft die verloren laten gaan."
+
+"En wat zou ik hebben kunnen doen tegenover den vertegenwoordiger
+van de vooroordeelden? Daar heb je nu meneer Ibarra, die heeft zich
+gebogen voor de geloofs-overtuigingen van de menigte. Denkt u soms
+dat hij gelooft in een kerkelijken ban?"
+
+"U bent niet in dezelfde positie: meneer Ibarra wil zaaien,
+en om te zaaien, moet men bukken en aan de stof gehoorzamen. Uw
+zending was schudden, en om te schudden heb je kracht noodig en
+aandrift. Bovendien, de strijd moest niet aangebonden worden tegen
+den burgemeester, de leus moest wezen: tegen hem die misbruik maakt
+van zijn macht, tegen dengeen die de openbare rust verstoort, tegen
+dengeen die zijn plicht verzaakt. En u zou niet alleen gestaan hebben,
+want 't land van nu is niet meer hetzelfde van twintig jaar geleden."
+
+"Gelooft u dat?" vroeg Don Filipo.
+
+"En beseft u dat dan niet?" antwoordde de oude man, zich in bed half
+oprichtend. "Och, dat komt omdat u het verleden niet gezien heeft,
+u heeft de uitwerking van de Europeesche immigratie niet bestudeerd,
+van 't komen van nieuwe boeken en van 't naar Europa trekken van
+jonge menschen. U moet studeeren en vergelijken. 't Is waar dat de
+koninklijke Pauselijke universiteit van Santo Tomas nog bestaat,
+met zijn zeer geleerd klooster, en dat nog eenige vernuften zich
+oefenen in 't formuleeren van allerlei haarkloverijen der scholastiek,
+maar waar vindt men nu die metafysische jeugd van onze tijden, met
+archeologische geleerdheid, die met afgetobde hersens ergens in een
+uithoek van de provincie al spitsvondigheden uitpluizend stierf,
+zonder tot het volkomen begrijpen te komen van de eigenschappen van
+'t 'wezen', zonder het vraagstuk opgelost te hebben van 'wezen en
+bestaan,' allerverhevenste begrippen, die ons het wezenlijke deden
+vergeten, ons bestaan en ons eigen wezen? Kijk nu eens naar de
+jeugd! Vol geestdrift bij 't zien van ruimer horizonten, studeert
+ze geschiedenis, wiskunde, aardrijkskunde, litteratuur, natuurkunde,
+talen, allemaal vakken waarvan we vroeger met afschuw hoorden, alsof
+'t ketterijen waren. De vrijzinnigste van mijn tijd verklaarde ze
+voor minderwaardig tegenover de 'kategorieën' van Aristoteles en de
+wetten van de sluitrede. De mensch heeft ten slotte geleerd mensch te
+zijn. Hij ziet af van de ontleding van zijn God, van 't doordringen
+in 't onvatbare, in dat wat hij niet gezien heeft, van 't wetten
+geven aan zijn hersenschimmen. De mensch begrijpt dat zijn erfenis
+de uitgestrekte wereld is, waarvan de heerschappij in zijn bereik
+ligt. Vermoeid van zijn onnutten, aanmatigenden arbeid, buigt hij
+'t hoofd, en onderzoekt wat hem omringt. Zie hoe nu onze dichters
+geboren worden. De muzen van de natuur openen ons langzamerhand
+haar schatten en beginnen ons toe te lachen, om ons op te wekken
+tot den arbeid. De proefondervindelijke wetenschappen hebben al hun
+eerste vruchten gegeven; er ontbreekt alleen nog aan dat de tijd
+ze volmaken zal. De nieuwe advocaten worden gevormd naar de nieuwe
+denkbeelden van de rechts-filosofie. Enkelen beginnen te schitteren
+te midden van de duisternis, die onze balie omringt, en bespeuren
+een verandering in den loop der tijden. Hoor hoe de jeugd spreekt,
+bezoek de centra van onderwijs, en er zullen andere namen klinken in
+de akademische gehoorzalen dan in de kloosters: daar hoorden we alleen
+die van Santo Tomas, Suarez, Amat, Sanchez en andere afgoden van mijn
+tijd. Tevergeefs jammeren de _frailes_ van den preekstoel tegen den
+zedelijken achteruitgang, evenals de vischverkoopers jammeren over
+de schrielheid der koopers, zonder dat ze merken dat hun koopwaar oud
+en onbruikbaar is. Tevergeefs strekken de kloosters hun vangarmen en
+wortels naar de dorpen uit, om er den nieuwen stroom te verstikken. De
+goden gaan heen. De wortels van den boom kunnen de planten die erop
+steunen wel verzwakken, maar niet het leven benemen aan andere wezens,
+die als de vogels, omhoog stijgen naar den hemel."
+
+De filosoof sprak met vuur. Zijn oogen schitterden.
+
+"En toch is de nieuwe kiem klein. Als iedereen zich tot taak maakt
+den vooruitgang tegen te werken, dien we zoo duur koopen kan hij
+verstikt worden," bracht Don Filipo ongeloovig ertegen in.
+
+"De kiem verstikken...wie zal dat doen? De mensch, die zieke dwerg,
+den vooruitgang verstikken, dien machtigen zoon van den tijd en de
+werkzaamheid? Wanneer heeft hij dat gekund? Het dogma, het schavot
+en de brandstapel, die hem trachten tegen te houden, brengen hem
+juist vooruit. 'En toch beweegt ze zich,' zeide Galilei, toen de
+Dominikanen hem dwongen om te verklaren dat de aarde zich niet bewoog;
+'t zelfde kan men zeggen van den menschelijken vooruitgang. Er zullen
+eenige wilsuitingen met geweld worden onderdrukt, er zullen enkele
+individuen worden opgeofferd, maar wat geeft het: de vooruitgang zal
+zijn weg vervolgen, en uit het bloed van hen die vallen zullen nieuwe
+en krachtige loten opkomen. Zie hoe zelfs de pers, hoe reactionair
+ze ook zou willen wezen, mee een schrede vooruit doet. Zelfs de
+Dominikanen ontkomen niet aan deze wet, en ze doen de Jezuïeten,
+hun onverzoenlijke vijanden, na: ze geven feesten in hun kloosters,
+richten tooneeltjes op, maken gedichten, want, doordat het hun niet
+aan verstand ontbreekt, al wanen ze zich ook in de vijftiende eeuw,
+begrijpen ze dat de Jezuïeten gelijk hebben, en zullen ze zelfs
+deelnemen aan de toekomst van de jonge volken, die ze opgevoed hebben."
+
+"Volgens u gaan de Jezuïeten met den vooruitgang mee?" vroeg Don
+Filipo verwonderd. "Waarom bestrijdt men hen dan in Europa?"
+
+"Ik zal u als een oude scholasticus antwoorden," hervatte de filosoof,
+terwijl hij weer ging liggen, en zijn spottende gelaatsuitdrukking
+herkreeg. "Op drie manieren kan men met den vooruitgang meegaan:
+aan de spits, opzij en erachter aan. De eersten zijn de leiders,
+de tweeden laten zich leiden, en de laatsten worden meegesleept,
+en tot dit soort behooren de Jezuïeten. Zij zouden hem wel willen
+leiden, maar omdat ze zien dat hij sterk is en andere neigingen heeft,
+kapituleeren ze, en willen ze liever volgen dan verpletterd te worden
+of midden op den weg in 't donker achter te blijven. Nu goed, wij hier
+op de Filippijnen, loopen minstens op twee eeuwen afstand achter den
+wagen aan: we beginnen nauwelijks uit de middeleeuwen te komen. Daarom
+vertegenwoordigen de Jezuïeten, die in Europa reactionair zijn,
+van hier uit gezien de vooruitgang. De Filippijnen zijn aan hun 't
+opkomend onderwijs, de natuurwetenschappen,--de ziel van de negentiende
+eeuw--verschuldigd, evenals aan de Dominikanen de scholastiek, die al
+dood was ten spijt van Leo de XIII: er is geen paus die weer op kan
+wekken wat het gezond verstand ten doode gedoemd heeft... Maar, waar
+zijn we beland?" vroeg hij van toon veranderend. "O ja, we spraken
+over den tegenwoordigen toestand van de Filippijnen... Ja, nu treden
+we in het tijdperk van strijd, ik bedoel jullie; ons geslacht behoort
+aan den nacht, wij gaan heen. De strijd gaat tusschen het verleden,
+dat zich met vervloekingen vastgrijpt en klampt aan 't wankelend
+feodaal kasteel, en de toekomst, waarvan we de triomfzang in de verte
+hooren, bij den glans van een doorbrekenden dageraad, die de blijde
+boodschap van andere landen zal brengen... wie zullen er vallen en
+begraven worden in de bouwvallen?"
+
+De grijsaard zweeg, en, ziende dat Don Filipo hem peinzend aankeek,
+lachte hij en hervatte:
+
+"Ik kan haast raden wat u denkt."
+
+"Heusch?"
+
+"U denkt dat ik me heel goed vergissen kan," zeide hij met droeven
+lach. "Ik heb nu koorts, en ik ben niet onfeilbaar: _homo sum, humani
+nil a me alienum puto_, [52] zeide Terentius; maar als hij zich soms
+veroorlooft te droomen, waarom dan niet aangenaam te droomen in
+de laatste levensuren? En dan, ik heb niet anders geleefd dan van
+droomen! U heeft gelijk: een droom! Onze jongelui denken aan niets
+anders dan aan liefdesavonturen en genoegens: ze verbruiken meer
+tijd en spannen zich meer in om een jongmeisje te misleiden en te
+onteeren, dan om aan 't heil van hun land te denken. Onze vrouwen
+vergeten, om hun zorg voor Gods huis en Gods familie, hun eigen
+huis en familie. Onze mannen zijn alleen werkzaam voor ondeugd, ze
+zijn heldhaftig in schande. De kindschheid ontwaakt in duisternis en
+sleur. De jeugd leeft de beste jaren zonder ideaal, de rijpe leeftijd
+is onvruchtbaar, en leeft alleen maar om met zijn voorbeeld de jeugd
+te bederven... Ik ben blij dat ik dood ga... _Claudite jam rivos,
+pueri._" [53]
+
+"Wilt u de een of andere medicijn?" vroeg Don Filipo, om een andere
+wending aan 't gesprek te geven, want hij zag dat het gelaat van den
+zieke versomberd was.
+
+"Menschen die sterven, hebben geen medicijnen noodig. Jullie die
+blijven wel. Zeg aan Don Crisóstomo dat hij me morgen moet komen
+opzoeken, want ik heb hem heel belangrijke dingen te zeggen. Binnen
+enkele dagen ben ik er geweest. De Filippijnen liggen in 't duister!"
+
+Don Filipo verliet na nog eenige minuten gepraat te hebben, ernstig
+en in gepeins verzonken het huis van den zieke.
+
+
+
+
+LII.
+
+
+ Quidquid latet apparebit,
+ Nil inultum remanebit. [54]
+
+
+De klok kondigt het avondgebed aan. Bij 't hooren van 't vroom geluid
+staat iedereen stil, verlaat zijn werkzaamheden en ontbloot het hoofd;
+de landman die van 't veld komt, houdt op met zijn zang, laat de
+gestadig voortstappende karbouw waar hij op zit stilstaan en bidt. De
+vrouwen slaan een kruis midden op straat, en bewegen opzichtig de
+lippen, opdat toch niemand twijfele aan hun godsvrucht. De man houdt
+op met het aaien van zijn haan, en bidt het _angelus_, opdat het lot
+hem gunstig moge wezen. In de huizen bidt men met luider stemme...ieder
+geluid dat niet dat van 't _avemaria_ is, verdwijnt, verstomt.
+
+Niettemin gaat de pastoor, met een hoed op, haastig de straat over, en
+wekt de ergernis van veel oude vrouwtjes: en, nog schandelijker! hij
+gaat naar 't huis van den _alférez_. De vrome vrouwen achten 't
+oogenblik reeds gekomen, om hun lippenbeweegingen te staken, om 's
+pastoors hand te kussen, maar Padre Salvi let niet op ze: vandaag
+heeft hij geen plezier in 't leggen van zijn beenige hand op den
+christelijken neus, om ze van daar zachtjes te laten neerglijden
+(zooals Doña Consolación opgemerkt heeft) naar de boezem van een
+lieftallig jongmeisje, dat buigt om den zegen te vragen. Wel een zaak
+van gewicht moet zijn gedachten bezig houden om hem zoo zijn eigen
+belangen en die der kerk te doen vergeten!
+
+Inderdaad loopt hij haastig de trap op, en klopt ongeduldig op de deur
+van den _alférez_, die met boos gezicht verschijnt, gevolgd door zijn
+wederhelft, die zuurzoet glimlacht.
+
+"O, meneer de pastoor! Ik wou juist naar u toe: uw bok..."
+
+"Ik heb iets van hoog belang..."
+
+"Ik kan niet toelaten dat mijn schutting vernield wordt, ik schiet
+erop, als hij terugkomt!"
+
+"Dat wil zeggen, als u tijd van leven heeft tot morgen!" zeide de
+pastoor hijgend, en zich naar het voorvertrek richtend.
+
+"Wat? Gelooft u dat die lamstraal mij dood zal maken? Ik schop hem
+naar de andere wereld!"
+
+Padre Salvi deinsde een schrede terug, en keek instinktmatig naar
+den voet van den _alférez_.
+
+"Van wien spreekt u?" vroeg hij bevend.
+
+"Van wien zou ik anders spreken dan van dat mispunt, dat me uitdaagt
+voor een duel op de revolver op honderd pas?"
+
+"O!" riep de pastoor, die weer op adem kwam, en voegde eraan toe:
+"Ik kom u over een zeer dringende zaak spreken."
+
+"Valt u me toch niet lastig met zaken, 't zal wel weer net zoo wezen
+als met die jongens!"
+
+Als het licht niet van een olielamp en de ballon niet zoo smerig
+geweest was, zou de _alférez_ kunnen zien, hoe bleek de pastoor
+eruit zag.
+
+"'t Geldt vandaag in allen ernst 't leven van ons allemaal!" hervatte
+deze halfluid.
+
+"In allen ernst!" herhaalde de _alférez_ verbleekend. "Schiet dat
+jongemensch goed?..."
+
+"Ik spreek niet over hem."
+
+"Wat dan?"
+
+De _fraile_ wees hem naar de deur, die hij toen op zijn manier met
+een trap sloot. De _alférez_ vond de handen overbodig, en zou er niets
+bij verloren hebben, als hij niet meer tot de "tweehandigen" behoord
+had. Een verwensching en een gebrul kwam als antwoord van buiten.
+
+"Lomperd! Je hebt mijn voorhoofd kapot gegooid!" kreet zijn eega.
+
+"Draai nu maar af!" zeide hij bedaard tot den pastoor.
+
+Deze keek hem een heele poos aan, daarna vroeg hij met het eentonige
+neusgeluid van den prediker:
+
+"Heeft u niet gezien, dat ik hard ben komen aanloopen?"
+
+"Ja, ik mag verrekken, als ik niet dacht dat u diarree had!"
+
+"Nu goed", zei de pastoor zonder zich te storen aan de grofheid
+van den _alférez_, "wanneer ik zoo mijn plicht verzuim, is dat om
+ernstige redenen."
+
+"En wat verder?" vroeg de ander, en stampte op den grond.
+
+"Bedaar!"
+
+"Nu dan, waartoe dan al die haast?"
+
+De pastoor kwam dicht bij hem en vroeg geheimzinnig:
+
+"Weet u niets nieuws?"
+
+De _alférez_ trok de schouders op.
+
+"U bekent dat u volstrekt niets weet."
+
+"Wilt u me over Elias spreken, die gisteren nacht door uw hoofdkoster
+verborgen is?" vroeg hij.
+
+"Nee, nee, ik spreek nu niet over die praatjes," antwoordde de pastoor
+uit zijn humeur. "Ik spreek over een groot gevaar."
+
+"Maar...wat dondersteen! Biecht u dan op!"
+
+"Nou!" zeide de _fraile_ langzaam en met zekere minachting, "u zult
+weer 's een keer zien wat de invloed van ons geestelijken is: de
+minste lekebroeder gaat tegen een heel regiment op; dus een pastoor..."
+
+En de stem latende zakken en erg geheimzinnig doende, liet hij volgen:
+
+"Ik heb een groote samenzwering ontdekt!"
+
+De _alférez_ sprong op, en keek ontsteld naar den pastoor.
+
+"Een verschrikkelijke en goed op touw gezette samenzwering, die
+vanavond moet uitbarsten."
+
+"Vanavond!" riep de _alférez_ en vloog op den pastoor af.
+
+En naar zijn revolver en zijn sabel die aan de wand hingen, toeloopend,
+riep hij:
+
+"Wie zal ik gevangennemen? Wie zal ik gevangennemen?"
+
+"Bedaar, er is nog tijd, dank zij de haast die ik gemaakt heb. Tot
+acht uur!"
+
+"Ik fusilleer ze allemaal!"
+
+"Luistert u toch! Vanavond is een vrouw, wier naam ik niet zeggen mag
+('t is een biechtgeheim) bij me gekomen, en heeft me alles verteld. Om
+acht uur willen ze zich bij verrassing meester maken van de kazerne,
+dan gaan ze 't klooster plunderen, nemen het politievaartuig en
+vermoorden al de Spanjaarden."
+
+De _alférez_ stond verbouwereerd.
+
+"De vrouw heeft me niets meer dan dat gezegd," zeide de pastoor.
+
+"Heeft ze niets meer gezegd? Nu, dan neem ik haar gevangen!"
+
+"Dat kan ik niet toestaan: de biechtstoel is de troon van den God
+van barmhartigheid."
+
+"God en barmhartigheid kunnen mij niet schelen! Ik neem haar gevangen!"
+
+"U verliest het hoofd. Wat u doen moet is u op alles voorbereiden:
+wapen stilletjes uw soldaten en leg ze in hinderlaag; stuur mij
+vier _guardia's_ voor 't 'klooster,' en waarschuw de menschen van
+de politieprauw."
+
+"Die is er niet! Ik ga hulp vragen aan de andere sekties!"
+
+"Nee, want dan wordt het gemerkt, en dan voeren ze niet uit wat ze op
+touw gezet hebben. 't Komt erop aan ze op heeterdaad te betrappen, en
+dat we ze laten opbiechten, ik bedoel dat u ze zal laten opbiechten. Ik
+als priester mag me in zulke zaken niet mengen. Let op mijn woorden:
+hier valt voor u een ridderorde en promotie te halen; alleen vraag
+ik dat u laat uitkomen, dat _ik_ u gewaarschuwd heb."
+
+"Dat doe ik vast, _padre_, en misschien wordt u bisschop!" antwoordde
+de _alférez_ met een stralend gezicht, terwijl hij naar de mouwen
+van zijn uniformjas keek.
+
+"Dus u stuurt me vier verkleede _guardia's,_
+nietwaar? Opgepast! Vanavond om acht uur regent het
+luitenantssterretjes en ridderorden!"
+
+Terwijl dit tooneeltje plaats had, liep er een man hard den weg over
+die naar Crisóstomo's huis voerde, en besteeg haastig de trap.
+
+"Is meneer thuis?" vroeg de stem van Elias aan den huisknecht.
+
+"Meneer is aan 't werk in zijn studeerkamer."
+
+Om zijn ongeduld af te leiden bij 't wachten op 't oogenblik dat
+hij tot een verklaring kon komen met Maria Clara, was Ibarra in zijn
+laboratorium aan 't werk gegaan.
+
+"Wel, bent u dat, Elias?" riep hij uit. "Ik dacht net aan u. Gisteren
+had ik verzuimd u te vragen naar den naam van den Spanjaard, in wiens
+huis uw grootvader woonde."
+
+"'t Is nu niet over mij, meneer, dat..."
+
+"Kijk 's," ging Ibarra voort, zonder de opgewondenheid te ontwaren,
+terwijl hij een stukje bamboe bij een vlam bracht: "Ik heb een groote
+ontdekking gedaan: deze bamboe is onbrandbaar."
+
+"'t Is nu geen tijd om over die bamboe te spreken, meneer, wel,
+dat u binnen een minuut uw papieren bijeenpakt en vlucht."
+
+Ibarra keek Elias verbaasd aan, en, ziende hoe ernstig zijn gelaat
+stond, viel het voorwerp dat hij in de hand hield op den grond.
+
+"Verbrand alles wat u compromitteeren kan en zorg dat u binnen een
+uur op een veiliger plaats is."
+
+"En waarom?" vroeg hij ten slotte.
+
+"Breng al de kostbaarste zaken die u bezit in veiligheid..."
+
+"En waarom?"
+
+"Verbrand alle papieren waarop iets door of voor u geschreven staat:
+'t onschuldigste kan in uw nadeel gebruikt worden..."
+
+"Maar waarom dan toch?"
+
+"Waarom? Omdat ik daar juist een samenzwering heb ontdekt waarvan
+men u de schuld wil geven, om u in 't ongeluk te storten."
+
+"Een samenzwering?... En wie zet die op touw?"
+
+"'t Is me niet mogelijk geweest, er achter te komen, wie de aanlegger
+is. Ik heb zooeven gesproken met een van de stumpers die ervoor betaald
+worden, en die ik niet tot andere gedachten heb kunnen brengen."
+
+"En heeft die man u niet verteld wie hem betaalt?"
+
+"Jawel, en hij eischte van me dat ik 't geheim zou bewaren, hij zei
+me dat u het was."
+
+"Groote God!" riep Ibarra verplet.
+
+"Meneer, twijfel er toch niet aan, laten we geen tijd verliezen,
+want de samenzwering barst misschien vanavond nog uit!"
+
+Ibarra, de oogen wijd opengespalkt, en de handen aan 't hoofd scheen
+hem niet te hooren.
+
+"De slag is niet meer af te wenden," ging Elias voort. "Ik ben te
+laat gekomen. Ik ken de raddraaiers niet... Red u, meneer, bewaar u
+zelf voor uw land!"
+
+"Waar moet ik heen vluchten? Ik word van avond gewacht!" riep Ibarra
+aan Maria Clara denkend.
+
+"Naar 't een of ander dorp, naar Manila, naar 't huis van de een of
+andere overheidspersoon, maar ergens anders, dan kan men niet zeggen
+dat u de beweging geleid heeft!"
+
+"En als ik zelf eens de samenzwering aan 't licht bracht?"
+
+"U zelf!" riep Elias uit, hem aanstarende, terwijl hij terugdeinsde. "U
+zou voor verrader en lafaard doorgaan in de oogen van de
+samenzweerders, en voor kleinzielig in de oogen van de anderen. Men
+zou zeggen dat u hun een strik gespannen had om zelf verdienstelijk
+te schijnen, men zou zeggen..."
+
+"Maar wat dan te doen?"
+
+"Wat ik u al gezegd heb: alle papieren vernietigen die u heeft, en
+die betrekking hebben op uw persoon, vluchten en de gebeurtenissen
+afwachten."
+
+"En Maria Clara?" riep de jongeman. "Nee, liever sterven!"
+
+Elias wrong zich de handen en zeide:
+
+"Nu goed, vermijd dan ten minste de slag: bereid u voor tegen dat
+men u aanklaagt!"
+
+Ibarra keek verbijsterd om zich heen.
+
+"Help me dan. Daar in die portefeuilles heb ik de brieven van
+mijn familie. Zoek die van mijn vader uit, die kunnen me misschien
+compromitteeren. Lees de onderteekeningen."
+
+En ontzet, verbijsterd, opende en sloot de jonge man laadjes,
+haalde papieren bij elkaar, las haastig brieven, verscheurde er
+enkele, behield andere, nam boeken uit de kasten, bladerde erin en
+anderszins. Elias deed hetzelfde, maar geregelder, schoon met gelijken
+ijver. Doch op eens hield bij op, zijn oogen staarden, hij draaide een
+papier dat hij in de hand had om en om, en vroeg toen met bevende stem:
+
+"Heeft uw familie Don Pedro Eibarramendia gekend?"
+
+"Wel, dat geloof ik!" antwoordde Ibarra een lade opentrekkende,
+en er een pak papieren uitnemende. "'t Was mijn overgrootvader!"
+
+"Uw overgrootvader Don Pedro Eibarramendia?" vroeg Elias wederom,
+lijkbleek en met verwrongen gelaatstrekken.
+
+"Ja", antwoordde Ibarra afgetrokken, "we hebben den naam, omdat die
+wat lang was, verkort."
+
+"Was 't een Baskiër?" hervatte Elias en trad op hem toe.
+
+"Ja, een Baskiër, maar wat scheelt u?" vroeg de ander verbaasd.
+
+Elias balde de vuist, drukte die tegen zijn voorhoofd, en keek
+Crisóstomo aan. Deze deinsde een schrede terug, toen hij de uitdrukking
+van zijn gelaat zag.
+
+"Weet u wie die Don Pedro Eibarramendia was?" vroeg Elias met opeen
+geklemde tanden. "Don Pedro Eibarramendia was de ellendeling, die mijn
+grootvader belasterde, en al onze rampen bewerkte...Ik zocht naar zijn
+naam, God brengt me bij u... Geef me rekenschap van al ons lijden!"
+
+Crisóstomo keek hem verplet aan doch Elias schudde hem aan den arm,
+en zeide op bitteren toon, waarin haat loeide:
+
+"Kijk me goed aan, kijk of ik geleden heb, en u leeft, u heeft
+lief, u heeft fortuin, een eigen huis, u wordt geacht en gezien,
+u leeft... u leeft!"
+
+En buiten zichzelf liep hij toe op een kleine verzameling wapens,
+maar nauw had hij twee dolken eruit genomen, of hij liet ze vallen,
+en keek als verdwaasd Ibarra aan. Deze bleef roerloos staan.
+
+"Wat ging ik daar doen?" stamelde hij. En hij vluchtte weg uit
+het huis.
+
+
+
+
+LIII.
+
+De slag.
+
+
+Ginds in de eetzaal, zitten Capitán Tiago, Linares en tante Isabel
+aan den avonddisch. In de ontvangkamer hoort men 't leven van borden,
+lepels en vorken. Maria Clara heeft gezegd dat ze geen eetlust had,
+en is aan de piano gaan zitten, terwijl de vroolijke Sinang naast haar
+haar geheimzinnige woorden in 't oor zegt, en Padre Salvi rusteloos
+op en neer wandelt van 't eene eind van 't vertrek naar 't ander.
+
+Niet dat de herstellende geen honger zou hebben, o neen; 't is
+omdat ze de komst van iemand verwacht en gebruik gemaakt heeft van
+'t oogenblik waarop haar Argus niet tegenwoordig kan wezen: 't uur van
+'t avondeten voor Linares.
+
+"Je zult zien dat dat spook tot acht uur blijft," fluistert Sinang,
+en wijst naar den pastoor. "Om acht uur moet _hij_ komen. Die daar
+is even verliefd als Linares."
+
+Maria Clara keek verschrikt haar vriendin aan. Deze ging, zonder
+'t te merken, voort met haar schrikbarend gepraat:
+
+"O, ik weet wel waarom hij niet heengaat, in weerwil van mijn bedekte
+wenken: hij wil geen licht branden in 't klooster! Zeg, weet je dat
+sinds je ziek geworden bent, de twee lampen, die hij liet aansteken,
+weer uitgedaan zijn?...Maar kijk nu toch 's wat 'n oogen hij opzet,
+en wat 'n gezicht hij zet!"
+
+Op dat oogenblik sloeg het op de huisklok acht uur. De pastoor
+huiverde, en zette zich in een hoek.
+
+"Hij komt al!" zei Sinang, en kneep Maria Clara in den arm. "Hoor je
+'t?"
+
+De kerkklok luidde, en allen stonden op, om te bidden. Padre Salvi
+dreunde met zwakke en bevende stem het misoffer op, doch daar ieder
+zijn eigen gedachten had, lette niemand erop.
+
+Toen het bidden nauw afgeloopen was, vertoonde zich Ibarra. De jongeman
+was in den rouw, niet alleen wat zijn kleeding aanging, maar ook zijn
+gelaat, zoozeer zelfs dat Maria Clara, toen ze hem zag, opstond en een
+stap naar hem toe deed, als om hem te vragen wat hem scheelde. Doch op
+'t zelfde oogenblik liet zich geweervuur hooren. Ibarra stond stil,
+zijn oogen gingen rond, hij bleef in zijn woorden steken. De pastoor
+verborg zich achter een pilaar. Nieuwe schoten en salvo's klonken
+aan den kant van 't klooster, gevolgd door kreten en geloop. Capitán
+Tiago, tante Isabel en Linares kwamen binnenstormen en riepen:
+"_Toelisan, toelisan!_" Andeng volgde zwaaiend met het braadspit,
+en liep op haar zoogzuster toe.
+
+Tante Isabel viel op haar knieën, schreide en bad het "kyrie
+eleison." Capitán Tiago droeg, bleek en bevend, een kippelever aan een
+vork, en bood die schreiend aan de Heilige Maagd van Antipolo. Linares
+stond met vollen mond en was gewapend met een lepel. Sinang en Maria
+Clara hielden elkaar omarmd. De eenige die roerloos, als versteend
+bleef staan, was Crisóstomo, wiens bleekheid onbeschrijflijk was.
+
+De kreten en knallen hielden aan, de vensters werden met gedruisch
+gesloten. Men hoorde 't geluid van fluiten, een schot van tijd
+tot tijd.
+
+"Kyrie eleison! Santiago, de voorspelling komt uit...Sluit de
+vensters!" kreet tante Isabel.
+
+"Vijftig groote donderpotten met twee genade-missen!" antwoordde
+Capitán Tiago. "Ora pro nobis!"
+
+Allengs trad weer een vreeselijke stilte in... Men hoorde de stem
+van den _alférez_, die hard loopende schreeuwde:
+
+"Meneer de pastoor! Padre Salvi! Komt u?"
+
+"Miserere! De _alférez_ wil bediend worden!" riep tante Isabel.
+
+"Is de _alférez_ gewond?" vroeg eindelijk Linares.
+
+"O!"
+
+En nu pas bemerkte hij dat hij nog niet ingeslikt had wat in zijn
+mond was.
+
+"Meneer de pastoor, komt u hier! Er is niets meer te vrezen!" bleef
+de _alférez_ schreeuwen.
+
+Fray Salvi besloot eindelijk te gaan. Bleek kwam hij uit zijn
+schuilhoek, en ging de trap af.
+
+"De _toelisan's_ hebben den _alférez_ vermoord! Maria, Sinang, naar
+je kamer. Goed de deur versperren!"
+
+"Kyrie eleison!"
+
+Ibarra begaf zich ook naar de trap, ten spijt van tante Isabel,
+die zeide:
+
+"Ga niet uit, want je hebt niet gebiecht, ga niet uit!"
+
+De goede oude was zeer bevriend geweest met zijn moeder.
+
+Maar Ibarra verliet het huis: 't was hem of alles om hem heen
+dwarrelde, of de grond onder zijn voeten week. Zijn ooren gonsden,
+zijn beenen bewogen zich zwaar en ongeregeld: bloedgolven, licht en
+duister volgden elkaar op in zijn netvlies.
+
+Ofschoon de maan prachtig scheen, struikelde de jongeman over de
+steenen en balken, die op de eenzame, verlaten straat lagen.
+
+Bij de kazerne zag Ibarra soldaten met de bajonet op 't geweer,
+levendig met elkaar praten. Daardoor kon hij onopgemerkt voorbijgaan.
+
+In 't gemeentehuis hoorde men slagen, kreten, ai's en
+verwenschingen. De stem van den _alférez_ overstemde alles.
+
+"In 't blok! Handboeien aan! Twee schoten op wie zich
+beweegt! Sergeant, u moet de wacht betrekken! Er mag nu niemand op
+straat, al was 't God zelf, niet! Capitán, er wordt niet geslapen!"
+
+Ibarra verhaastte zijn schreden naar zijn huis. Zijn bedienden wachtten
+hem in ongerustheid.
+
+"Zadel 't beste paard, en dan kunnen jullie gaan slapen!" zeide
+hij hun.
+
+Hij trad zijn studeerkamer binnen, en wilde in allerijl een koffertje
+klaarmaken. Hij opende een ijzeren kist, haalde al het geld er uit dat
+er in lag, en deed dat in een zak. Hij verzamelde zijn kleinoodiën,
+nam een portret van Maria Clara van den wand, en, na zich gewapend te
+hebben met een dolk en twee revolvers, richtte hij zich naar een kast,
+waar hij ijzeren gereedschap had.
+
+Op dat oogenblik klonken er drie doffe harde slagen op de deur.
+
+"Wie is daar?" vroeg Ibarra op somberen toon.
+
+"Maak open in naam des Konings, maak dadelijk open, of we smijten de
+deur in!" antwoordde een bevelende stem in 't Spaansch.
+
+Ibarra keek naar het venster. Zijn oogen flikkerden, en hij haalde
+de haan van zijn revolver over. Doch, zich bedenkend, liet hij de
+wapens liggen, en ging zelf opendoen, op 't oogenblik dat de bedienden
+kwamen toeloopen.
+
+Drie _guardia's_ grepen hem dadelijk aan.
+
+"In naam des konings, geef u gevangen!" zeide de onderofficier.
+
+"Waarom?"
+
+"Dat zult u daar wel gezegd worden. 't Is ons verboden het u te
+zeggen."
+
+De jongeman dacht een oogenblik na, en wellicht niet willende dat de
+soldaten zijn vlucht-toebereidselen zouden zien, greep hij een hoed
+en zeide:
+
+"Ik ben tot uw beschikking! Ik veronderstel dat het voor enkele uren
+zal wezen."
+
+"Als u belooft niet te zullen ontsnappen, zullen we u ongebonden laten:
+de _alférez_ staat u dezen gunst toe. Maar als u wegloopt..."
+
+Ibarra volgde hen, zijn bedienden verbijsterd achterlatend.
+
+Wat was er intusschen van Elias geworden?
+
+Toen hij Crisóstomo's huis verliet, liep hij als een bezetene zonder
+te weten waarheen hij ging. Hij stak de velden over, en kwam aan
+'t bosch in een heftige opwinding. Hij vluchtte weg van het dorp,
+hij vluchtte van het licht, de maan hinderde hem, hij begaf zich
+in de geheimzinnige schaduw der boomen. Daar, nu eens stilstaande,
+dan weer voortgaande langs onbekende paden, steunende tegen de
+eeuwenoude stammen, dringende in 't kreupelhout, keek hij naar het
+dorp, dat daar aan zijn voeten zich baadde in maanlicht, uitgestrekt
+in de vlakte aan den oever der zee. De vogels, gestoord in hun slaap,
+vlogen op. Reusachtige vleermuizen, nachtuilen gingen met schrille
+kreten, van den eenen tak op den andere en keken hem met hun ronde
+oogen aan. Elias hoorde ze niet, lette er niet op. Hij waande zich
+vervolgd door zijn vertoornde voorouders; hij zag aan iederen tak de
+noodlottige mand met het bloedige hoofd van Balat, zooals zijn vader
+het hem verteld had; hij waande aan den voet van iederen boom tegen
+het lijk van zijn grootmoeder aan te stooten; het scheen hem toe in
+de duisternis het walgelijk geraamte van zijn eerloozen grootvader
+te zien bungelen...en het geraamte, het lijk der oude en het hoofd
+riepen hem na: "Lafaard, lafaard!"
+
+Elias verliet den berg, vluchtte weg, en daalde af naar de zee, waar
+hij aan 't strand opgewonden voortliep; doch daar in de verte, midden
+in 't water, waar van het maanlicht een nevel scheen op te trekken,
+waande hij een schim te zien oprijzen en heen en weer bewegen: de schim
+van zijn zuster, de borst bebloed, en het haar dwarrelend in de lucht.
+
+Elias viel op zijn knieën op het zand.
+
+"Jij ook!" mompelde hij, zijn armen uitstrekkend.
+
+Maar, den blik strak op den nevel, stond hij langzaam op, stapte hij
+vooruit en ging in 't water, alsof hij iemand volgde. Hij liep de
+glooiende helling af die de zandoever daar vormde. Reeds was hij ver
+van den kant, het water reikte hem tot aan het middel, en hij ging
+voort, steeds voort, als bekoord door een verlokkenden geest. Het
+water kwam hem reeds aan de borst...doch daar klonk het geweervuur,
+het visioen verdween, en de jongeman kwam tot de werkelijkheid
+terug. Dankzij den kalmen nacht en de grootere dichtheid der lucht
+drongen de knallen helder en duidelijk door. Hij stond stil, dacht
+na, bespeurde dat hij zich in 't water bevond. Het meer was kalm,
+en hij onderscheidde zelfs de lichtjes in de visschershutten.
+
+Hij keerde naar den oever terug, en richtte zich naar 't dorp:
+Waartoe? Hij zelf wist het niet.
+
+Het dorp scheen onbewoond; de huizen waren alle gesloten. Zelfs de
+dieren, de honden die 's nachts plachten te blaffen, hadden zich
+angstig verborgen. Het zilverig maanlicht verhoogde de droefheid en
+eenzaamheid van 't oord.
+
+Vreezende de _guardia civiles_ te zullen ontmoeten, nam hij zijn
+weg dwars door de boomgaarden en tuinen, in een waarvan hij twee
+menschelijke gedaanten meende te ontwaren. Doch hij vervolgde zijn weg,
+en springend over heiningen en muurtjes, kwam hij na veel moeite aan
+'t andere einde van 't dorp, waar hij zich naar Crisóstomo's huis
+begaf. Aan de deur stonden de bedienden, bezig de gevangenneming van
+hun heer te bespreken en te bejammeren.
+
+Eenmaal op de hoogte van 't geen er voorgevallen was, verwijderde Elias
+zich, liep om het huis heen, sprong over den ringmuur, klauterde naar
+binnen door een venster en drong in de studeerkamer, waar de kaars
+nog brandde die Ibarra er gelaten had.
+
+Elias zag de papieren en de boeken; hij vond de wapens en de zakjes,
+die het geld en de kleinoodiën bevatten. Hij riep voor zijn verbeelding
+op wat daar had plaats gehad, en zooveel papieren ziende die den
+eigenaar konden compromitteeren, dacht hij eraan ze bijeen te rapen,
+ze 't venster uit te werpen en te begraven.
+
+Hij wierp een blik op den tuin, en bij 't licht der maan zag hij
+twee _guardia civiles_, die met een helper kwamen: de bajonetten en
+de helmen glinsterden in de duisternis.
+
+Toen vatte hij een besluit: hij stapelde kleeren en papieren midden in
+'t vertrek op, goot daar een petroleum-lamp op leeg, en stak alles
+aan. Hij deed ijlings de wapens in zijn gordel, zag het portret van
+Maria Clara, weifelde even...dan stak hij 't in een van de zakjes,
+en 't een en ander meenemend, sprong hij het venster uit.
+
+'t Was hoog tijd: de _guardia civiles_ waren al bezig de deur in
+te slaan...
+
+"Laat ons naar boven, om beslag te leggen op de papieren van je
+meneer!" zeide de politieman die erbij was.
+
+"Heeft u er verlof toe? Anders komt u niet boven," zeide een oude man.
+
+De soldaten duwden ze met kolfslagen op zij, liepen de trap op...maar
+een dikke rook vulde het heele huis, en reusachtige vuurtongen kwamen
+uit de voorzaal, likkend langs deuren en vensters.
+
+"Brand! Brand!" riepen allen.
+
+Een ieder ijlde toe, om te redden wat hij kon, maar 't vuur had
+het kleine laboratorium reeds bereikt, en de brandbare stoffen
+ontploften. De _guardias civiles_ moesten terug: de vuurgloed versperde
+hun den weg loeiend en alles wat hij tegenkwam wegvagend. Tevergeefs
+haalde men water uit de put. Allen schreeuwden, vroegen om hulp, maar
+niemand kwam. Het vuur bereikte de overige vertrekken en verhief zich
+ten hemel, dikke rookspiralen opstuwend. Reeds was het heele huis
+een prooi der vlammen, de gloeiend heete wind wakkerde ze aan. Van
+verre kwamen eenige landlieden aanloopen, doch ter plaatse aangekomen,
+konden ze slechts den schrikkelijken brandstapel zien, de ondergang
+van 't oude, zoo lang door de elementen gespaarde gebouw.
+
+
+
+
+LIV.
+
+Wat men zegt en wat men gelooft.
+
+
+God liet het eindelijk morgen worden voor 't zwaarbezochte dorp.
+
+De straat waarin de kazerne en het gemeentehuis stonden, bleef verlaten
+en eenzaam; de huizen gaven geen teeken van leven. Niettemin ging een
+houten vensterblind met geraas open, en vertoonde zich een kinderkopje,
+dat naar alle kanten heendraait, de hals rekt en in alle richtingen
+uitkijkt. "Klets!" klinkt het en de frissche menschelijke huid komt
+in gewelddadige aanraking met een stuk gelooide huid; de mond van
+'t kind vertrekt zich pijnlijk, zijn oogen sluiten zich, het kopje
+verdwijnt, en het venster gaat weer dicht.
+
+Het voorbeeld is gegeven: dat open en dichtdoen is zeker gehoord,
+want een tweede venster gaat langzaam open, en er vertoont zich heel
+voorzichtigjes het hoofd van een oude vrouw, gerimpeld en tandeloos:
+'t is zuster Poetê in eigen persoon, die zooveel opschudding maakte
+terwijl padre Dámaso aan 't preeken was. Kinderen en oude vrouwen
+zijn nu eenmaal de vertegenwoordigers der nieuwsgierigheid op aarde:
+de eersten uit lust om te weten, de anderen uit lust om zich te
+herinneren.
+
+Zeker is er niemand die het waagt haar een slag met een muiltje
+te geven, want ze blijft daar, kijkt met gefronste wenkbrauwen in
+de verte, spoelt zich den mond, spuwt met gedruisch, en slaat dan
+een kruis. Het huis aan den overkant opent ook schuchtertjes een
+raampje, en laat het hoofd van zuster Roefa door, dezelfde die niet
+wil bedriegen of zich laten bedriegen. Ze kijken elkaar een oogenblik
+aan, glimlachen, geven elkaar teekens en slaan weer een kruis.
+
+"Heerejee! 't Leek wel een genade-mis, met een mooi stuk
+vuurwerk!" zegt zuster Roefa.
+
+"Sinds de plundering van 't dorp door Balat heb ik nooit zoo'n nacht
+gezien!" antwoordt zuster Poetê.
+
+"Wat is er geschoten! Ze zeggen dat het de bende van den ouden
+Pablo is."
+
+"_Toelisan's_? Dat kan niet! Ze zeggen dat het de burgerwacht is
+tegen de _civiles_. Daarom is Don Filipo gevangen genomen."
+
+"_Sanctus Deus_! Ze zeggen dat er minstens vijftig dooden gevallen
+zijn."
+
+Andere vensters gingen er open, en verscheidene tronies vertoonden
+zich, wisselden groeten en maakten commentaren op 't gebeurde.
+
+Bij 't licht van den dag die beloofde prachtig te zullen worden, zag
+men flauw in de verte soldaten heen en weer gaan, als aschkleurige
+schimmen.
+
+"Daar gaat weer een doode!" zeide een aan een venster.
+
+"Een? Ik zie er twee."
+
+"En ik...maar zeg, ik wed dat u niet weet wat het geweest is?" vroeg
+een man met een snaaksch gezicht.
+
+"Zeker wel! De burgerwacht."
+
+"Nee, meneer: een oproer in de kazerne!"
+
+"Wat oproer? De pastoor tegen den _alférez_?"
+
+"Niets daarvan, hoor," zei degeen die de vraag gedaan had. "De
+Chineezen zijn opgestaan."
+
+En hij sloot zijn venster weer.
+
+"De Chineezen!" herhaalden allen met de grootste verbazing.
+
+"Daarom zie je er geen een!"
+
+"Ze zullen allen dood zijn."
+
+"Ik dacht al bij mezelf dat ze iets kwaads in 't schild
+voerden. Gisteren..."
+
+"Ik heb 't wel gezien. Gisterenavond..."
+
+"Jammer!" zei zuster Roefa, "zoo allemaal dood te gaan voor Paschen,
+wanneer ze met hun geschenken komen."
+
+"Hadden ze nog maar 't nieuwe jaar afgewacht..."
+
+De straat werd allengs drukker; eerst waren het de honden, de kippen,
+de varkens en de duiven die 't verkeer beproefden. Op deze dieren
+volgden eenige in lompen gekleede kinderen, die elkaar aan den arm
+vasthielden en schuchter naar de kazerne toe gingen. Dan eenige oude
+vrouwtjes, met de zakdoek op het hoofd en onder de kin vastgeknoopt,
+met een grooten rozenkrans in de hand, doende alsof ze baden, opdat
+de soldaten ze vrij voorbij zouden laten gaan. Toen men zag dat men
+rond kon loopen, zonder een schot te krijgen, begonnen de mannen
+voor den dag te komen, en deden heel onverschillig. In den beginne
+beperkten zich hun bewegingen tot een wandelingetje voor 't huis,
+waar ze hun haan aanhaalden. Daarna probeerden zij ze uit te breiden,
+terwijl ze van tijd tot tijd stilstonden. En zoo kwamen ze tot voor
+het gemeentehuis.
+
+Een kwartier later deden andere geruchten de ronde. Ibarra had met
+zijn bedienden Maria Clara willen wegvoeren, en Capitán Tiago had
+haar verdedigd, geholpen door de _guardia civil_.
+
+Het aantal dooden was niet meer veertien, maar dertig. Capitán Tiago
+was gewond, en vertrok juist met zijn gezin naar Manila.
+
+De komst van twee _cuadrillero's_ of burgerwachten, die een
+menschelijke gedaante op een baar droegen, en gevolgd werden door een
+_guardia civil_, bracht groote ontsteltenis te weeg. Men vernam dat
+ze van 't "klooster" kwamen. Naar den vorm der voeten, die afhingen,
+ried een vrouw wie 't wezen kon. Een eind verder zeide men dat hij
+'t was. Nog iets verder vermenigvuldigde de doode zich, en geschiedde
+'t mysterie der Heilige Drievuldigheid. Daarna herhaalde zich het
+wonder van de brooden en de visschen, en was het aantal dooden reeds
+acht en dertig.
+
+Om half acht, toen er nog meer _guardia civiles_ aankwamen, afkomstig
+uit de naburige dorpen, was de lezing van 't gebeurde reeds duidelijk
+en in bizonderheden uitgewerkt.
+
+"Ik kom daar net van 't gemeentehuis, waar ik Don Filipo en Don
+Crisóstomo gevangen heb gezien," zeide een man tot zuster Poetê. "Ik
+heb met een van de _cuadrillero's_ gesproken, die daar de wacht
+hielden. Welnu, Bruno, de zoon van dien eene die doodgeranseld
+is, je weet wel, heeft gisterenavond alles verklaard. Zooals je
+weet wil Capitán Tiago zijn dochter laten trouwen met dien jongen
+Spanjaard. Nou, Don Crisóstomo was daar beleedigd door en wou zich
+wreken. Hij heeft toen getracht al de Spanjaarden te vermoorden, den
+pastoor inkluis. Gisterenavond hebben ze de kazerne en 't klooster
+aangevallen. En gelukkig, door Gods barmhartigheid, was de pastoor
+juist bij Capitán Tiago in huis. Ze zeggen dat er een boel gevlucht
+zijn. De _guardias civiles_ hebben Don Crisóstomo's huis in brand
+gestoken, en als ze hem niet van te voren hadden gevangen genomen,
+zouden ze hem mee verbrand hebben."
+
+"Hebben ze zijn huis in brand gestoken?"
+
+"Al de bedienden zijn gevangen genomen. Kijk 's hoe je van hier de
+rook nog kunt zien!" zeide de verteller, op een venster toetredend. "De
+lui die daar vandaan komen, vertellen heel droevige dingen."
+
+Allen keken naar de aangewezen plaats: een lichte rookzuil steeg nog
+langzaam ten hemel. Allen maakten meer of min medelijdende, meer of
+min beschuldigende commentaren.
+
+"Arme jongen!" riep een oude man, Poetê's echtgenoot.
+
+"Jawel!" antwoordde zij, "maar, zie je, gisteren heeft hij ook geen
+mis voor de ziel van zijn vader laten lezen en die zal 't zeker meer
+noodig hebben dan anderen."
+
+"Maar, vrouw, heb je dan geen medelijden?..."
+
+"Medelijden met iemand die in den ban is? 't Is een zonde medelijden
+te hebben met Gods vijanden, zeggen de pastoors. Herinner je je nog
+wel? Op 't kerkhof liep hij als in een veekraal!"
+
+"Maar 't kerkhof lijkt immers op een veekraal," antwoordde de oude man,
+"alleen dat in een veekraal maar één soort beesten binnengaan..."
+
+"Komaan!" riep zuster Poetê hem toe, "nu ga je ook nog een verdedigen
+die God zoo duidelijk straft. Je zult zien, dat ze jou ook nog gevangen
+nemen. Steun jij maar iets dat aan 't vallen is!"
+
+De echtgenoot zweeg op dit argument.
+
+"Best te begrijpen!" hervatte het oudje, "nadat hij Padre Dámaso
+afgeranseld had, bleef hem alleen nog maar Padre Salvi te vermoorden."
+
+"Maar je kunt me niet tegenspreken, dat hij een goeie jongen was,
+toen hij klein was."
+
+"Jawel, 't was een goeie jongen," gaf het besje terug, "maar hij is
+naar Spanje gegaan. Iedereen die naar Spanje gaat, komt als ketter
+terug, hebben de pastoors gezegd."
+
+"Och och!" riep haar echtvriend, die de gelegenheid schoon zag om
+haar schaakmat te zetten. "En de pastoor dan, en al de pastoors,
+en de aartsbisschop, en de Paus, en de Heilige Maagd, komen die niet
+van Spanje? _Awa!_ Zouden dat soms ook ketters zijn? _Awa!_"
+
+Gelukkig voor zuster Poetê stoorde de komst van een dienstmeisje,
+dat in groote opwinding en bleek kwam aanloopen, de woordenwisseling.
+
+"Er hangt iemand in den tuin van mijn buurman!" zei ze hijgend.
+
+"Hangt er iemand?" riepen ze allen vol ontzetting.
+
+De vrouwen sloegen een kruis. Niemand kon zich van zijn plaats
+verroeren.
+
+"Ja, meneer..." ging de dienstmaagd bevend voort. "Ik ging juist
+erwten plukken...ik kijk naar den moestuin van onzen buurman, om te
+zien of hij er was... en daar zie ik een man heen en weer bewegen. Ik
+dacht dat het Teo, de knecht, was, die me altijd...nou ja...Ik kom
+naderbij om...erwten te plukken, en ik zie dat hij 't niet is, maar
+een ander... een doode; ik loop, ik loop en..."
+
+"Laten we 's naar hem gaan kijken," zeide de oude man, en stond
+op. "Breng jij ons."
+
+"Ga niet!" schreeuwde zuster Poetê, en greep hem bij zijn kiel. "Je
+zult een ongeluk krijgen! Heeft hij zich opgehangen? Des te erger
+voor hem!"
+
+"Laat me gaan, vrouw. Ga jij naar 't raadhuis, Juan, om kennis te
+geven. Misschien is hij nog niet dood."
+
+En hij ging naar den moestuin, gevolgd door het dienstmeisje, dat
+zich achter hem verschool. De vrouwen, zuster Poetê inkluis, liepen
+vol vrees en nieuwsgierigheid daarachter aan.
+
+"Daar is hij, meneer," zei 't dienstmeisje en stond stil, terwijl ze
+met den vinger naar iets wees.
+
+De stoet hield stil op eerbiedigen afstand, en liet den ouden man
+alleen verder gaan.
+
+Een menschelijk lichaam, hangend aan den tak van een sentoel-boom,
+slingerde zacht heen en weer, bewogen door den morgenwind. De oude man
+keek er een poos naar. Hij zag de voeten en armen stijf, de kleeren
+bevlekt, het hoofd gebogen.
+
+"We mogen hem niet aanraken, voor dat het gerecht erbij is," zeide
+hij luide. "Hij is al stijf: hij is al een heelen tijd dood."
+
+De vrouwen kwamen langzamerhand naderbij.
+
+"'t Is de man die in dat huisje woonde, dezelfde die twee weken
+geleden gekomen is. Kijk maar 's naar dat litteeken op zijn gezicht."
+
+"Ave Maria!" riepen eenige vrouwen.
+
+"Zullen we voor zijn ziel bidden?" vroeg een jongmeisje, zoodra ze
+'t lijk voldoende had bekeken en opgenomen.
+
+"Dwaas kind, kettersche meid!" berispte haar zuster Poetê. "Weet je
+niet wat Padre Dámaso gezegd heeft? 't Is God verzoeken voor een
+verdoemde te bidden. Iemand die zelfmoord pleegt, is voor eeuwig
+verdoemd. Daarom wordt hij ook niet in gewijde aarde begraven."
+
+En ze voegde eraan toe:
+
+"Ik had al gedacht dat het met dien vent slecht moest afloopen:
+ik heb nooit kunnen nagaan waar hij van leefde."
+
+"Ik heb hem twee keer met den hoofdkoster zien spreken," merkte een
+jongmeisje op.
+
+"Dat zal ook wel niet geweest zijn, om te gaan biechten of een mis
+te bestellen!"
+
+De buren kwamen toeloopen, en een talrijke kring vormde zich om het
+lijk, dat maar steeds bleef slingeren. Na een half uur kwam er een
+politie-agent, de commissaris en twee _cuadrillero's_. Dezen maakten
+het los en legden het op een draagbaar.
+
+"De lui hebben haast om dood te gaan," zei de commissaris lachend,
+terwijl hij de pen die hij achter zijn oor droeg daarvandaan nam.
+
+Hij deed zijn strikvragen, nam een verklaring af van de dienstbode,
+die hij trachtte vast te praten, haar nu eens met booze oogen aanziend,
+dan eens haar dreigend, dan weer haar woorden in den mond leggend die
+ze niet gezegd had, zoo zeer dat zij, vreezende naar de gevangenis
+te zullen gaan, begon te schreien, en verklaarde dat ze geen erwten
+zocht, maar dat ze...en ze haalde Teo als getuige aan.
+
+Ondertusschen bekeek een landman met een groote _salakot_ op en een
+groote pleister aan zijn hals het lijk en het touw.
+
+Het gelaat was niet lijkkleuriger dan de rest van 't lichaam; boven de
+plek waar 't touw gebonden was, zag men twee schrammen en twee blauwe
+striempjes; de schrijning van 't koord was wit en vertoonde geen
+bloed. De nieuwsgierige boer onderzocht het hemd en de broek goed,
+merkte dat ze vol stof en kort te voren op enkele plaatsen gescheurd
+waren; doch wat het meest zijn aandacht trok, dat waren de zaden van
+_amores secos_, [55] die overal, tot aan de boord van het hemd aan
+hem vastgekleefd zaten.
+
+"Wat zie je aan hem?" vroeg de commissaris.
+
+"Ik kijk of ik hem ook herkennen kan, meneer," stamelde hij, zich
+half 't hoofd ontblootend, dat wil zeggen de _salakot_ meer naar
+beneden halend.
+
+"Heb je niet gehoord dat het een zekeren _Lucas_ is? Slaap je?"
+
+Allen schoten in een lach. De boer bracht verlegen eenige woorden uit,
+en ging met gebogen hoofd langzaam heen.
+
+"Hei, waar ga je naar toe?" riep de oude man hem toe. "Daar kun je
+er niet uit: daar langs ga je naar het huis van den dooie!"
+
+"De man slaapt nog!" zeide de commissaris spottend. "We zullen wat
+water over hem moeten gooien."
+
+De omstanders lachten weer.
+
+De boer verliet de plaats waar hij zulk een leelijke rol gespeeld
+had, en richtte zich naar de kerk. In de sakristie vroeg hij naar
+den hoofdkoster.
+
+"Die slaapt nog!" antwoordde men hem barsch. "Weet u niet dat ze
+vannacht het klooster geplunderd hebben?"
+
+"Ik zal wachten tot hij wakker wordt."
+
+De kosters keken hem aan met de grofheid van lieden die gewend zijn
+slecht behandeld te worden.
+
+In een hoek, die donker bleef, sliep de eenoogige op een langen
+stoel. Zijn bril zat hem tegen 't voorhoofd tusschen de lange
+haarlokken; de borst uitgemergeld en rachitisch, was bloot, en rees
+en daalde regelmatig.
+
+De boer ging erbij zitten, bereid om geduldig te wachten, maar er
+ontglipte hem een muntstuk, en hij ging dit met een kaars zoeken,
+onder den stoel van den hoofdkoster. Daarbij bespeurde hij ook
+zaden van _amores secos_ aan de broek en de mouwen van 't hemd des
+slapenden. Deze ontwaakte eindelijk, wreef zich zijn eene gezonde
+oog uit, en ontving den man met een snauw.
+
+"Ik wou een mis bestellen, meneer!" antwoordde hij op een toon van
+verontschuldiging.
+
+"Al de missen zijn al afgeloopen," zeide daarop de eenoogige zijn toon
+wat verzachtend. "Als je er morgen een hebben wilt...Is het voor de
+zielen in 't vagevuur?"
+
+"Nee, meneer," antwoordde de boer en gaf hem een _peso_.
+
+En hem scherp aankijkend in 't eene oog, liet hij volgen:
+
+"'t Is voor iemand die spoedig zal sterven." En hij verliet de
+sakristie.
+
+"Ik had hem gisteren avond kunnen pakken!" zeide hij zuchtend,
+terwijl hij den pleister wegnam, en zich oprichtte, om het gelaat en
+de gestalte van Elias weer aan te nemen.
+
+
+
+
+LV.
+
+"Vae Victis!"
+
+
+Eenige _guardia civiles_ wandelen met onheilspellende
+gelaatsuitdrukking voor de poort van 't gemeentehuis, dreigend met de
+kolven hunner geweren de straatkinderen, die op hun teenen gaan staan,
+of de een op den ander klimmen, om iets door de tralies te kunnen zien.
+
+De groote zaal biedt niet meer het feestelijk aanzien van den dag
+waarop het feestprogram er afgehandeld werd. Ze is nu somber en
+weinig geruststellend. De _guardia civiles_ en de soldaten van de
+burgerwacht, die er nu in zitten, spreken te nauwernood met elkaar. Op
+de tafel zijn de commissaris, twee schrijvers en eenige soldaten
+bezig papieren vol te krabbelen. De _alférez_ loopt heen en weer,
+en kijkt van tijd tot tijd met een woesten blik naar de deur. Geen
+Temistokles na den slag van Salamis zou zich bij de Olympische spelen
+fierder getoond hebben dan hij. Doña Consolación zit in een hoek te
+gapen, en vertoont daarbij een zwart bakhuis en een geaccidenteerd
+gebit. Haar blik vestigt zich koud en onheilspellend op de deur der
+gevangenis, waar allerlei onfatsoenlijke teekeningen op staan. Ze
+had van haar man die door de overwinning beminnelijk was geworden
+vergunning gekregen het verhoor en wellicht de daaruit voortvloeiende
+martelingen bij te wonen. De hyena rook lijken, ze likte haar muil,
+en het lange uitblijven der strafoefening verdroot haar.
+
+De burgemeester is zeer onder den indruk: zijn leunstoel, de groote
+onder het portret van zijne Majesteit, is ledig, en schijnt voor een
+ander bestemd.
+
+Bij negenen komt de pastoor bleek en met gefronste wenkbrauwen binnen.
+
+"Nou, u heeft ook op u laten wachten!" zegt de _alférez_ tot hem.
+
+"Ik had er liever niet bij willen wezen," antwoordt Padre Salvi zacht,
+zonder acht te slaan op den verwijtenden toon van den ander. "Ik ben
+erg zenuwachtig."
+
+"Omdat er niemand gekomen is, om zijn post niet te verlaten, dacht ik
+dat uw tegenwoordigheid...U weet zeker dat ze van middag eruit gaan."
+
+"De jonge Ibarra en de _teniënte mayor_...?"
+
+De _alférez_ wees naar de gevangenis.
+
+"Er zijn er acht in," zeide hij. "Bruno is vannacht om twaalf uur
+gestorven, maar hij had zijn verklaring afgelegd."
+
+De pastoor wees naar Doña Consolación, die met een geeuw en een "aah"
+antwoordde, terwijl ze zich op den stoel onder 't portret van den
+koning neerzette.
+
+"We kunnen beginnen!" zei ze.
+
+"Haal de twee die in 't blok zitten!" beval de _alférez_ met een stem,
+die hij zoo schrikwekkend mogelijk trachtte te maken, en zich tot
+den pastoor wendend, voegde hij er op anderen toon aan toe:
+
+"Ze zitten met hun beenen twee gaten verder dan gewoonlijk!"
+
+Voor hen die niet vertrouwd zijn met deze folteringen zij hier vermeld
+dat het "blok" een der onschuldigste is. De gaten waar de beenen
+der gevangenen in gaan, staan ongeveer een handbreedte van elkaar
+af. Als men nu twee gaten overspringt, komt de man die er zijn beenen
+in heeft, in een eenigszins gedwongen houding, met een eigenaardige
+hindernis aan zijn enkels, en een vaneen-spalking van zijn onderste
+ledematen van meer dan een el wijd: 't is niet dadelijk doodelijk,
+zooals men zich zeer goed kan voorstellen.
+
+De bewaarder gevolgd door vier soldaten schoof de grendels weg,
+en opende de deur. Een walgelijke lucht en een dikke vochtige walm
+ontsnapten uit de stikdonkere opening, en tegelijk hoorde men wat
+klagen en snikken. Een soldaat stak een lucifer aan, maar de vlam
+ging uit in de bedorven atmosfeer, en men moest wachten tot er
+luchtverversching intrad.
+
+Bij het flauwe schijnsel van een kaars zag men even eenige menschelijke
+gedaanten: mannen die hun knieën vasthielden en het hoofd ertusschen
+verscholen, voorover op den grond liggend, naar den wand toegekeerd
+en zoo meer. Men hoorde kloppen en knarsen, gepaard met gevloek:
+'t blok werd losgemaakt.
+
+Doña Consolación zat half naar voren gebogen, de nekspieren gespannen,
+met uitpuilende, op de halfgeopende deur strak gerichte, oogen.
+
+Tusschen twee soldaten kwam een sombere gedaante te voorschijn,
+Tarsilo, de broer van Bruno. Aan de handen droeg hij boeien. Zijn
+verscheurde kleeren lieten goed ontwikkelde spieren ontwaren. Zijn
+oogen vestigden zich onbeschaamd op de vrouw van den _alférez_.
+
+"Dit is de man die zich het moedigste verdedigd heeft en zijn kameraden
+heeft gezegd te vluchten," zeide de _alférez_ tot padre Salvi.
+
+Daarna kwam een ander, die er stumperachtig uitzag, en jammerde en
+schreide als een kind: hij hinkte en had zijn broek vol bloed.
+
+"Genade, meneer, genade! Ik zal niet meer op de binnenplaats
+komen!" schreeuwde hij.
+
+"'t Is een rakker," merkte de _alférez_ op, met den pastoor
+sprekende. "Hij wou vluchten, maar ze hebben 'm in zijn dij
+geschoten. Dit zijn de eenigen die we levend te pakken hebben
+gekregen."
+
+"Hoe heet je?" vroeg de _alférez_ aan Tarsilo.
+
+"Tarsilo Alasigan."
+
+"Wat heeft Don Crisóstomo jullie beloofd, als jullie de kazerne
+aanvielen?"
+
+"Don Crisóstomo heeft nooit aanraking met ons gehad."
+
+"Ontken 't niet! Waarom wilden jullie ons overvallen?"
+
+"U vergist u: u heeft onzen vader doodgeranseld, wij wilden hem wreken,
+anders niet. Zoek mijn twee kameraden maar."
+
+De _alférez_ keek verbaasd naar den onderofficier.
+
+"Ze zijn daarginds in een ravijn, daar hebben wij ze ingesmeten,
+daar liggen ze te rotten. Nu mag u mij dooden: u zal niets meer van
+me te hooren krijgen."
+
+Er was een oogenblik stilte.
+
+"Je zult ons zeggen wie je andere medeplichtigen zijn," riep de
+_alférez_, en zwaaide met een rotan.
+
+Een verachtelijk lachje speelde om de lippen van den beklaagde.
+
+De _alférez_ overlegde eenige oogenblikken, zacht sprekend, met den
+pastoor. En zich daarna tot de soldaten wendend, gelastte hij:
+
+"Breng den man waar de lijken zijn!"
+
+In een hoek van de binnenplaats, op een ouden handwagen lagen vijf
+lijken opeengehoopt, half bedekt door een stuk-gescheurde mat, vol
+onreinheden. Een soldaat wandelde er op-en-neer, ieder oogenblik
+spuwend.
+
+"Ken je ze?" vroeg de _alférez_, terwijl hij de mat oplichtte.
+
+Tarsilo antwoordde niet; hij zag het lijk van den man der krankzinnige
+met twee anderen, dat van zijn broeder doorzeefd met bajonet-steken,
+en dat van Lucas, nog met het touw aan zijn hals. Zijn blik werd weer
+somber, en een zucht scheen uit zijn borst te ontsnappen.
+
+"Ken je ze?" werd hem weer gevraagd.
+
+Tarsilo bleef stom.
+
+Een zwiepend geluid doorsneed de lucht, en de rotan striemde over
+zijn rug. Hij rilde, zijn spieren trokken zich samen. De rotanslagen
+herhaalden zich, maar Tarsilo bleef onverstoord.
+
+"Dan maar ranselen tot hij crepeert of spreekt!" kreet de _alférez_
+buiten zich zelve.
+
+"Spreek dan toch!" zeide de commissaris, "in elk geval maken ze
+je dood."
+
+Weer werd hij naar de zaal gebracht waar de andere gevangene de
+heiligen aanriep, terwijl zijn tanden klapperden en zijn knieën
+knikten.
+
+"Ken je dien man?" vroeg Padre Salvi.
+
+"Ik zie hem voor 't eerst!" antwoordde Tarsilo, met zeker medelijden
+naar den ander kijkend.
+
+De _alférez_ gaf hem een stomp en een trap.
+
+"Maak hem aan de bank vast!"
+
+Zonder hem de handboeien af te nemen, die vol bloed zaten, werd hij
+aan een houten bank vastgebonden.
+
+De ongelukkige keek om zich heen, als zocht hij wat, en zag Doña
+Consolación. Hij lachte schamper. De omstanders waren verwonderd en
+volgden zijn blik. Ze zagen toen dat onze dame zich een beetje op
+haar lippen beet.
+
+"Ik heb nooit zoo'n leelijke vrouw gezien!" riep Tarsilo te midden
+van de algemeene stilte. "Ik ga liever op een bank als deze slapen,
+dan naast haar, zooals de _alférez_."
+
+De muze verbleekte.
+
+"U gaat me doodranselen, meneer de _alférez_," ging hij voort,
+"vanavond zal uw vrouw me wreken door u te omhelzen."
+
+"Doe een prop in zijn mond!" schreeuwde de _alférez_, bevend van woede.
+
+'t Scheen wel alsof Tarsilo niets anders verlangde, want toen hij de
+prop in zijn mond had, glansden zijn oogen van voldoening.
+
+Op een teeken van den _alférez_ begon een _guardia_ gewapend met een
+rotan, zijn droevige taak. Het lichaam van Tarsilo kromp ineen. Een
+gesmoord, lang-gerekt gebrul liet zich hooren, ondanks den doek, die
+hem in den mond zat. Hij boog het hoofd. Zijn kleeren kwamen vol bloed.
+
+Padre Salvi stond met moeite op, bleek, met verdwaasden blik. Hij
+gaf een teeken met de hand, en verliet wankelend de zaal. Op straat
+zag hij een jongmeisje, dat met den rug tegen den muur geleund, daar
+stokstijf stond te luisteren, starend in de ruimte, de verstuipte
+handen tegen den ouden muur aangedrukt. De zon bescheen haar ten
+volle. Ze telde, ademloos naar 't scheen, de doffe slagen en 't
+hartverscheurend gekreun en gebrul. 't Was Tarsilo's zuster.
+
+In de zaal werd intusschen het tooneel voortgezet: de ongelukkige,
+op van de pijn, zweeg en wachtte tot zijn beulen vermoeid zouden
+zijn. Eindelijk liet de soldaat hijgend zijn arm zakken, en de
+_alférez_, bleek van toorn en verbazing, gaf een teeken dat hij
+losgemaakt moest worden.
+
+Doña Consolación stond toen op en fluisterde haar man iets in 't
+oor. Deze knikte ten teeken van instemming.
+
+"Naar de put met hem!" zeide hij.
+
+De Filippijners weten wat dit beteekent. In het Tagaalsch vertalen ze
+'t met _timbaïn_, van 't werkwoord _timba_, water putten. We weten
+niet wie dit foltermiddel heeft uitgevonden, maar we houden 't voor
+vrij oud.
+
+In 't midden van 't _patio_--de binnenplaats--van 't gemeentehuis
+verhief zich de schilderachtige putrand, ruw van ongemetselde steenen
+opgebouwd. Een landelijk toestel van bamboe, in den vorm van een
+hefboom, diende om water te putten. Het vocht was slijmerig, vuil en
+kwalijk riekend. Potscherven, vuilnis en allerlei vloeibare stoffen
+vereenigden zich daar, want die put was als de gevangenis: daar kwam
+terecht al wat de maatschappij wegwerpt of voor onnut houdt; iets dat
+daar in valt, hoe goed het ook geweest is, is voor goed verloren. Toch
+raakte de put nooit verstopt. Soms werden de gevangenen veroordeeld
+om hem uit te diepen, niet omdat men dacht uit die straf eenig nut
+te trekken, maar om de moeilijkheden.
+
+Tarsilo keek met strakken blik naar al de toebereidselen die de
+soldaten maakten. Hij was zeer bleek en zijn lippen beefden, of
+prevelden een gebed. De fierheid zijner wanhoop scheen verdwenen, of
+ten minste verzwakt. Verscheidene malen boog hij zijn opgerichte nek,
+en vestigde den blik op den grond, berustend in zijn lijden.
+
+Men bracht hem naar den putrand. Doña Consolación volgde lachend. De
+rampzalige wierp een jaloerschen blik naar de hoop lijken, en een
+zucht ontweek aan zijn borst.
+
+"Spreek nou!" zeide de commissaris weer tot hem, "je wordt in elk geval
+opgehangen. Sterf dan ten minste zonder zooveel geleden te hebben."
+
+"Als je daar uit komt, moet je dood," zeide een _cuadrillero_.
+
+Men nam de prop uit zijn mond, en hing hem op aan de voeten. Hij moest
+met het hoofd naar beneden neergelaten worden, en eenigen tijd onder
+water blijven, op dezelfde wijze als men dat met den putemmer doet,
+alleen dat ze den man er langer in laten.
+
+De _alférez_ verwijderde zich om een horloge te halen, en de minuten
+af te tellen.
+
+Onderwijl hing Tarsilo, zijn lang haar warrelend in de lucht. Hij
+hield de oogen half dicht.
+
+"Als jullie christenen zijn, als jullie een hart hebben," stamelde
+hij smekend, "laat me dan gauw zakken, of maak dat mijn hoofd tegen
+den muur aan slaat, en dat ik sterf. God zal je voor dat goede werk
+beloonen...misschien komen jullie nog eenmaal in 't zelfde geval
+als ik!"
+
+De _alférez_ kwam terug, en had, met het uurwerk in de hand, het
+toezicht op de nederlating.
+
+"Langzaam, langzaam!" schreeuwde Doña Consolación, de ongelukkige
+met den blik volgend. "Voorzichtig!"
+
+De zwengel daalde langzaam. Tarsilo streek tegen de uitstekende
+steenen en de vieze planten aan, die in de reten groeiden. Dan hield
+de zwengel op te zakken. De _alférez_ telde de sekonden.
+
+"Op!" kommandeerde hij kort-af na verloop van een halve minuut.
+
+Het zilverig welluidend gedruppel van water op water kondigde de
+terugkeer van 't slachtoffer naar 't licht aan. Ditmaal ging het
+sneller, daar het tegenwicht zwaarder woog. De steenbrokken en
+schilfers, die van de put werden afgescheurd, vielen met gedruisch
+neer.
+
+Voorhoofd en haar bedekt met walgelijke modder, het gelaat vol wonden
+en afschavingen, het lichaam druipnat, verscheen de man aan de oogen
+van de zwijgende menigte; de wind deed hem huiveren van koude.
+
+"Wil je nu spreken?" vroeg men hem.
+
+"Zorg voor mijn zuster!" stamelde de ongelukkige en keek smekend naar
+een _cuadrillero_.
+
+De bamboe-zwengel knarste weer, en de veroordeelde verdween
+nogmaals. Doña Consolación merkte op dat het water rustig bleef. De
+_alférez_ telde een minuut.
+
+Toen Tarsilo weer bovenkwam, waren zijn trekken verwrongen en
+lijkbleek. Hij richtte een blik naar de omstanders, en hield de met
+bloed beloopen oogen open.
+
+"Zul je nu spreken?" vroeg de _alférez_ op ontmoedigden toon.
+
+Tarsilo schudde ontkennend het hoofd, en weer werd hij
+neergelaten. Zijn oogleden sloten zich, zijn pupillen bleven naar de
+hemel kijken, waar witte wolken zweefden. Hij boog den hals, om het
+daglicht te blijven zien, doch weldra moest hij weer onder water,
+en viel weer 't schandelijk scherm, dat het schouwspel der wereld
+aan zijn oogen onttrok.
+
+Er ging een minuut voorbij. De Muze, die aandachtig toekeek, zag
+groote luchtbellen aan de oppervlakte van 't water komen.
+
+"Hij heeft dorst!" zei ze lachend.
+
+En 't werd weer rustig.
+
+Dezen keer duurde het anderhalve minuut, voor de _alférez_ zijn
+teeken gaf.
+
+Tarsilo's trekken waren niet meer verwrongen. De half geopende oogleden
+lieten het wit van 't oog zien. Uit den mond kwam modderig water met
+bloederige sliertjes. De koude wind blies, maar zijn lichaam huiverde
+niet meer.
+
+Allen keken elkaar aan, zwijgend, bleek en verbijsterd. De _alférez_
+gaf een teeken om hem los te maken, en verwijderde zich in gedachten
+verdiept. Doña Consolación bracht verscheidene malen haar brandende
+sigaret tegen zijn bloote beenen aan, maar het lichaam huiverde niet
+en de sigaret ging uit.
+
+"Hij heeft zichzelf laten stikken!" mompelde een _cuadrillero_. "Kijk
+'s hoe zijn tong omgedraaid zit, alsof hij die heeft willen inslikken."
+
+De andere gevangene sloeg bevend en zwetend het tooneel gade: hij
+keek als een gek naar alle kanten.
+
+De _alférez_ zeide aan den commissaris dat hij hem ondervragen moest.
+
+"Meneer, meneer!" kermde hij, "ik zal alles zeggen wat u maar wilt!"
+
+"Goed! Laten we 's hooren: hoe heet je?"
+
+"Andong, [56] meneer!"
+
+"Hoe dan: Bernardo, Leonardo, Ricardo, Eduardo, Gerardo?"
+
+"Andong, meneer!" herhaalde de onnoozele hals.
+
+"Zet u maar Bernardo of wat dan ook," besliste de _alférez_.
+
+"Familie-naam?"
+
+De man keek hem ontzet aan.
+
+"Wat voor 'van' heb je, wat zeggen ze achter je naam Andong?"
+
+"O, meneer! Andong Halve Gare, meneer!"
+
+De omstanders konden hun lachen niet honden. Zelfs de _alférez_
+stond stil op zijn wandeling.
+
+"Beroep?"
+
+"Klapperpooter, meneer, en bediende bij mijn schoonmoeder."
+
+"Wie heeft je gelast de kazerne aan te vallen?"
+
+"Niemand, meneer!"
+
+"Hoe zoo niemand? Lieg niet, hoor, of je gaat ook in de put. Wie
+heeft je gelast? Zeg de waarheid!"
+
+"De waarheid, meneer!"
+
+"Wie?"
+
+"Wie, meneer?"
+
+"Ik vraag je wie je gelast heeft oproer te maken?"
+
+"Welk oproer, meneer?"
+
+"Ik bedoel omdat je gisterenavond op de binnenplaats van de kazerne
+was."
+
+"O meneer!" riep Andong blozend.
+
+"Nu, wie heeft daar de schuld van?"
+
+"Mijn schoonmoeder, meneer!"
+
+Een luid gelach begroette deze woorden.
+
+De _alférez_ stond weer stil, en keek met niet strenge oogen naar den
+stakker. Deze dacht dat zijn woorden een goeden indruk gemaakt hadden,
+en ging aangemoedigd voort:
+
+"Ja, meneer, mijn schoonmoeder geeft me niks anders te eten dan rotte
+oneetbare kost. Gisterenavond, toen ik zoo langs den weg liep, kreeg
+ik buikpijn. Ik zag dat de binnenplaats van de kazerne dichtbij was,
+en ik zei zoo bij mezelf: 't Is avond, niemand ziet je. Ik ging naar
+binnen... en toen ik opstond, hoorde ik overal schieten. Ik was juist
+bezig mijn broek op te halen..."
+
+Een rotan slag sneed hem het woord af.
+
+"Naar de gevangenis!" beval de _alférez_. "Vanmiddag naar de
+hoofdplaats!"
+
+
+
+
+LVI.
+
+De gevloekte.
+
+
+Weldra verbreidde zich in het dorp de tijding dat de gevangenen
+zouden vertrekken. In den beginne werd ze met schrik aangehoord,
+daarna kwamen het geschrei en het gejammer.
+
+De families der gevangenen liepen als gekken: ze gingen van het
+klooster naar de kazerne, van de kazerne naar het gemeentehuis,
+en daar ze nergens troost vonden, vervulden ze de lucht met kreten
+en gekerm. De pastoor had zich opgesloten, omdat hij ziek was. De
+_alférez_ had zijn wacht versterkt, en deze ontving de smekende
+vrouwen met de kolf van 't geweer. De _gobernadorcillo_, 't onnutte
+wezen, scheen zotter dan ooit. Tegenover de kazerne liepen van 't
+eene uiteinde naar 't andere de vrouwen die nog krachten hadden;
+de anderen gingen op den grond zitten, terwijl ze de namen hunner
+dierbaren uitspraken.
+
+De zon brandde, en geen enkele dier ongelukkigen dacht eraan heen te
+gaan. Doray, de vroolijke gelukkige echtgenoote van Don Filipo, doolde
+ontroostbaar rond, in haar armen haar kindje dragend. Beiden schreiden.
+
+"Ga maar heen," zeiden ze haar, "uw kind zal koorts oploopen."
+
+"Waartoe zou 't leven als 't geen vader heeft om 't op te
+voeden?" antwoordde de diepbedroefde vrouw.
+
+"Uw man is onschuldig. Hij komt misschien terug!"
+
+"Jawel, wanneer wij al dood zijn!"
+
+_Capitana_ Finay schreide en riep haar zoon Antonio. De dappere
+_Capitana_ Maria keek naar 't kleine traliewerk, waar achter haar
+beide tweelingen, haar eenige kinderen waren.
+
+Daar was ook de schoonmoeder van de klapperpooter. Zij schreide niet:
+ze wandelde heen-en-weer, gestikuleerde met opgestroopte mouwen,
+en sprak het publiek toe:
+
+"Heb je ooit zoo iets gezien? Mijn Andong gevangen nemen, op hem
+schieten, hem in 't blok doen en hem naar den hoofdplaats brengen,
+alleen omdat... omdat hij een nieuwe broek aanhad? Dat roept om
+wraak! De _guardias civiles_ maken misbruik van hun gezag! Ik zweer
+dat, als ik er ooit weer een aantref die een afgelegen plekje in mijn
+tuin zoekt, zooals dikwijls gebeurd is, dan snij ik erin... dan snij
+ik erin, of anders mogen ze 't mij doen!"
+
+Doch weinig lieden stemden in met de muzelmansche schoonmoeder.
+
+"Van dit alles heeft Don Crisóstomo de schuld," zuchtte een vrouw.
+
+De schoolmeester doolde eveneens onder de menigte rond. "Ñor" Juan
+wreef zich niet meer in de handen, hij had ook zijn schietlood en
+zijn meter niet bij zich: de man was in 't zwart want hij had de kwade
+tijding gehoord, en trouw aan zijn gewoonte, om de toekomst als iets
+gebeurds te beschouwen, droeg hij rouw om den dood van Ibarra.
+
+Om twee uur 's middags hield een kar, door twee ossen getrokken,
+stil voor het gemeentehuis.
+
+De kar werd omringd door de menigte, die hem wilde uitspannen en
+vernielen.
+
+"Dat moet je niet doen," zei Capitana Maria, "wou je dat ze te voet
+gingen?"
+
+Dit weerhield de menschen. Twintig soldaten traden naar buiten,
+en omringden het voertuig. Daarna verschenen de gevangenen.
+
+De eerste was Don Filipo, die gebonden was. Hij groette glimlachend
+zijn vrouw. Doray barstte in bitter schreien uit, en het kostte twee
+_guardias_ moeite, om te beletten dat ze haar man omhelsde. Antonio,
+de zoon van _Capitán_ Finay, kwam schreiend als een kind voor den dag,
+hetwelk slechts de kreten van zijn familie deed toenemen. De onnoozele
+Andong barstte in schreien uit, toen hij zijn schoonmoeder, de oorzaak
+van zijn ongeluk, gewaar werd. Albino, de oud-seminarist, was ook
+aan de handen gebonden, evenals de beide tweelingen van _Capitana_
+Maria. Deze drie jongelieden waren ernstig en somber. De laatste die
+naar buiten kwam was Ibarra, los, maar tusschen twee _guardias civiles_
+in. De jongeman was bleek. Hij zocht een hem bevriend gezicht.
+
+"Die is de schuld van alles!" riepen er verscheidene stemmen. "Die is
+'t meest schuldig, en die loopt ongebonden!"
+
+"Mijn schoonzoon heeft niets gedaan, en die heeft de handboeien aan!"
+
+Ibarra wendde zich tot zijn bewakers:
+
+"Bind me, maar doe 't goed: elleboog tegen elleboog!" zeide hij.
+
+"We hebben er geen order toe!"
+
+"Bind me!"
+
+De soldaten gehoorzaamden.
+
+De _alférez_ vertoonde zich te paard, tot de tanden gewapend. Nog
+tien of vijftien soldaten volgden hem.
+
+Iedere gevangene had daar zijn familieleden, die voor hem smeekten,
+van hem schreiden, en hem de liefste naampjes gaven. Alleen Ibarra
+had er niemand; zelfs "Ñor" Juan en de schoolmeester waren verdwenen.
+
+"Wat hebben mijn man en mijn zoon u aangedaan?" zei Doray tot
+hem. "Kijk mijn arme zoon! U heeft hem zijn vader afgenomen!"
+
+"Je bent een lafaard!" schreeuwde Andong's schoonmoeder hem
+toe. "Terwijl de anderen voor je aan 't vechten waren, hield jij je
+verscholen, lafaard!"
+
+"Wees vervloekt!" zei een oude man tot hem, terwijl hij hem volgde,
+"vervloekt het goud dat je familie opgehoopt heeft, om onze rust
+te verstoren!"
+
+"Laten ze je ophangen, ketter!" riep een verwante van Albino hem
+toe. En zich niet kunnende inhouden, raapte ze een steen op, en gooide
+dien naar hem.
+
+Het voorbeeld werd snel gevolgd, en op den ongelukkigen jongeman
+regende het stof en steenen.
+
+Ibarra verdroeg onverstoord, zonder woede, zonder een klacht,
+de rechtvaardige wraak van zooveel zwaarbezochte harten. Dat was
+het afscheid, het vaarwel dat hem toegeroepen werd door zijn dorp,
+waar al zijn liefde was. Hij boog het hoofd. Wellicht dacht hij aan
+een man die onder geeselslagen door Manila rondgeleid werd, aan een
+oude vrouw die dood neerviel op het gezicht van 't hoofd van haar
+zoon. Wellicht kwam Elias' geschiedenis hem voor den geest.
+
+De _alférez_ vond het noodig de menigte te doen verwijderen, maar de
+steenworpen en scheldwoorden hielden aan. Een moeder alleen wreekte
+haar smart niet aan hem: 't was _Capitana_ Maria. Roerloos, met op
+elkaar geklemde lippen, de oogen vol stille tranen zag ze haar twee
+zoons weggaan. Ze stond daar onbewegelijker, en haar smart was grooter
+dan die der Niobe uit de fabel.
+
+De stoet verwijderde zich.
+
+Ibarra zag de rookende puinhoopen van zijn huis, van 't huis zijner
+ouders, waar hij geboren was, waar de liefste herinneringen zijner
+kindsheid en zijner jongelingsjaren leefden. Tranen, lang weerhouden,
+welden thans uit zijn oogen; hij boog het hoofd en weende, zonder
+de troost te hebben van zijn schreien te kunnen verbergen, zoo
+gebonden als hij daar was, noch de hoop dat het bij iemand deernis
+zou wekken. Nu had hij geen vaderland, geen huis, geen liefde, geen
+vrienden, geen toekomst meer!
+
+Van een hoogte sloeg een man den akeligen stoet gade. 't Was een oud
+man, bleek, mager, gewikkeld in een wollen deken, met moeite leunend
+op een stok. 't Was de oude filosoof Tasio, die op het bericht van
+'t gebeurde niet langer in bed wilde blijven maar erheen wilde
+snellen. Doch zijn krachten hadden het hem niet veroorloofd. De
+grijsaard volgde de kar met den blik, totdat hij in de verte uit het
+gezicht verdween. Hij bleef een poos in gedachten verzonken, en met
+gebogen hoofd staan. Daarna richtte hij zich op, en ging, met groote
+moeite en iedere keer stilstaande, den weg naar zijn huis op.
+
+Den volgenden dag vonden de herders hem dood liggen op den drempel
+van zijn eenzaam verblijf.
+
+
+
+
+LVII.
+
+Vaderland en belangen.
+
+
+De telegraaf bracht onder ambtsgeheim het bericht van 't gebeurde
+naar Manila over, en zes en dertig uur later spraken met veel
+geheimzinnigheid en niet weinig bedreigingen de bladen er over; echter,
+was er bijgevoegd, was 't een en ander verbeterd en besnoeid door den
+fiskaal. Ondertusschen waren het partikuliere berichten, uitgaande van
+de "kloosters," die het eerst van mond tot mond gingen, doch in stilte
+en tot groote ontzetting van hen die ze vernamen. Het feit, in duizend
+lezingen verminkt, werd met meer of minder gemak geloofd al naar mate
+het de hartstochten en de denkwijze van een ieder streelde of kwetste.
+
+Zonder dat de openbare rust gestoord scheen, althans in schijn
+werd de vrede der haardsteden hersteld, als in een vijver: terwijl
+de oppervlakte zich glad en effen vertoont, krioelen, glijden en
+vervolgen elkaar de stomme visschen. Ridderkruisen, ordeteekens,
+galons, baantjes, prestige, macht, aanzien, waardigheden enz. begonnen
+rond te dwarrelen als vlinders in een atmosfeer van gouden muntstukken,
+voor de oogen van een deel der bevolking. Voor het andere, verhieven
+zich aan de kim, afstekend tegen den aschkleurigen ondergrond,
+als zwarte silhouetten, tralies, ketens en zelfs het noodlottige
+galgen-hout. 't Was of men in de lucht de verhooren, de vonnissen,
+de kreten, ontwrongen door de foltertuigen, kon waarnemen. De
+Mariannen-eilanden en Bagoembajan vertoonden zich gehuld in een
+bloedig-lompige sluier: men verwarde visschers en visschen. Het lot
+liet de gebeurtenis aan de verbeelding der Manilenen zien als zekere
+Chineesche waaiers: een kant zwart, en de andere kant vol verguldsel,
+levendige kleuren, vogels en bloemen.
+
+In de "kloosters" heerschte de grootste opwinding. Men spande
+rijtuigen in; de "provincialen" bezochten elkaar, hielden geheime
+samenkomsten. Ze vervoegden zich in de paleizen om hun steun aan te
+bieden aan het "bestuur dat in zeer ernstig gevaar verkeerde."
+
+Men sprak weer over komeeten, maakte toespelingen, gaf speldeprikken
+enz.
+
+"Een _Te Deum_, een _Te Deum_!" zeide een monnik in een
+klooster. "Dezen keer moet er niets in 't koor ontbreken! 't Is
+geen geringe goedheid van God, dat Hij nu doet zien, juist in zulke
+verdorven tijden, hoeveel wij waard zijn!"
+
+"Na dit lesje zal generaaltje _Mal Agüero_ [57] zich op zijn lippen
+bijten," antwoordde een ander.
+
+"Wat zou er van hem geworden zijn zonder de corporaties?"
+
+"En om het feest beter te vieren, moet aan den broederkok en den
+rentmeester gezegd worden... _gaudeamus_ drie dagen lang!"
+
+"Amen! Amen! Leve Salvi! Leve!"
+
+In een ander klooster was het weer anders.
+
+"Zie je wel. Dat is nu een leerling van de Jezuïeten: van 't Ateneo
+gaan de opstandelingen uit!" zeide daar een _fraile._
+
+"En godloochenaars."
+
+"Ik heb 't wel gezegd: de Jezuïeten storten 't land in 't ongeluk,
+bederven de jeugd; maar men duldt ze, omdat ze wat krabbels op een
+papier zetten, wanneer er aardbeving is..."
+
+"En God weet hoe ze wezen zullen!"
+
+"Jawel, spreek ze maar 's tegen! Als alles beeft en zich beweegt,
+wie schrijft er dan hanepoten? Onzin, Padre Secchi..."
+
+En ze lachen met souvereine minachting.
+
+"Maar de stormen dan, en de tyfon's?" vroeg een ander met bijtende
+ironie. "Is dat niet goddelijk?"
+
+"De eerste de beste visscher kan ze voorspellen!"
+
+"Als de man aan 't bewind een stommeling is... zeg me hoe 't met je
+hoofd staat, en ik zal je zeggen wie je vader is! Maar u zult 's zien,
+als de vrienden elkaar vooruithelpen: de bladen vragen bijna om een
+bisschopsmijter voor Padre Salvi."
+
+"En hij krijgt 'm! En lekker ook!"
+
+"Denk je dat?"
+
+"Dacht je van niet? Ze geven die tegenwoordig voor allerlei dingen. Ik
+weet van een die hem wel voor minder gekregen heeft: hij schreef een
+prullig boekje, waarin hij aantoonde dat de inlanders alleen maar
+geschikt waren voor handwerkslieden...bah, ouwe zeurpraatjes!"
+
+"Dat is zo! Al die onrechtvaardigheden doen kwaad aan den
+godsdienst!" riep een ander uit. "Als de mijters oogen hadden, en
+'s konden zien op wat voor schedels of ze..."
+
+"Als de mijters natuurvoorwerpen waren," voegde een ander er met
+neusgeluid bij. "_Natura abhorret vacuum._" [58]
+
+"Daarom juist krijgen zij ze te pakken: het leege trekt ze
+aan!" antwoordde nog een ander.
+
+Dit een en ander en meer zoo werd in de "convento's" gezegd.
+
+
+
+In zijn weelderig ruim salon zit Capitán Tinong--dezelfde gastvrije
+man die indertijd met zooveel aandrang Ibarra tot een bezoek aan zijn
+huis uitnoodigde--in een grooten leuningstoel. Hij streek mismoedig de
+handen over het voorhoofd en den nek, terwijl zijn eega, _Capitana_
+Tintjang, zat te schreien en een boetpredicatie tegen hem hield in
+'t bijzijn van zijn twee dochters, die in een hoek stom, verbijsterd
+en ontroerd toeluisterden.
+
+"Ach, Heilige Maagd van Antipolo!" riep de vrouw.
+
+"Ach, Heilige Maagd van den Rozenkrans en van de Riem!
+
+"Och och! Onze lieve Vrouw van Novaliches!"
+
+"Nanay!" antwoordde 't jongste der meisjes.
+
+"Ik heb 't je wel gezegd!" ging de vrouw verwijtend voort. "Ik heb
+'t je wel gezegd. Och, Heilige Maagd _del Carmen_, och, och!"
+
+"Maar je hebt me immers niets gezegd!" waagde Capitán Tinong
+op huilerigen toon te antwoorden. "Integendeel, je hebt me juist
+gezegd dat ik er goed aan deed bij Capitán Tiago aan huis te komen,
+en zijn vriendschap aan te houden, omdat...omdat hij rijk was...en
+je zei me..."
+
+"Wat? Wat heb ik je gezegd? Dat heb ik je niet gezegd, ik heb je
+niets daarvan gezegd! Och, als je toch naar me geluisterd had!"
+
+"Nu gooi je de schuld op mij!" hervatte hij op bitteren toon, terwijl
+hij met de hand op de armleuning van zijn stoel sloeg. "Heb je dan
+niet gezegd dat ik goed gedaan had met hem uit te noodigen, om bij
+ons te komen eten, omdat hij rijk was...? Jij zei zelf dat we alleen
+maar kennissen en vrienden onder de rijken moesten hebben. _Awa!_"
+
+"'t Is waar, dat heb ik je gezegd... omdat er niets anders op zat:
+jij prees hem maar altijd: Don Crisóstomo voor, Don Crisóstomo na,
+_awa_! Maar ik heb je niet aangeraden dat je hem zou ontmoeten en
+met hem praten op die bijeenkomst. Dat kun je me niet tegenspreken."
+
+"Wist ik soms dat hij daarheen zou gaan?"
+
+"Je hadt het moeten weten!"
+
+"Hoe kon dat, als ik hem niet eens kende?"
+
+"Nou, dan had je hem moeten kennen!"
+
+"Maar, Tintjang, 't was immers den eersten keer dat ik hem zag,
+dat ik van hem hoorde spreken!"
+
+"Dan had je 'm maar eerder moeten gezien hebben, of van hem gehoord
+hebben! Daarvoor ben je een man, daarvoor draag je een broek en
+lees je het _Diario de Manila_!" antwoordde de gade onverschrokken,
+en wierp hem een vreeselijken blik toe.
+
+Capitán Tinong wist niet wat hij zou antwoorden.
+
+_Capitana_ Tintjang, niet tevreden met deze overwinning, wilde hem
+geheel vernietigen, en met gebalde vuisten op hem toetredend, voer
+ze tegen hem uit:
+
+"Heb ik daarvoor jaar in jaar uit gezwoegd en gesloofd en gespaard, dat
+jij met stommiteiten de vrucht van mijn inspanning zult wegsmijten? Nu
+zullen ze komen, om je te verbannen, ze zullen ons goed afnemen,
+zooals ook overkomen is aan de vrouw van...O, als ik een man was!"
+
+En ziende dat haar man 't hoofd boog, begon ze weer te snikken,
+maar herhaalde onderwijl steeds:
+
+"O, als ik toch een man was, als ik een man was!"
+
+"En als jij nu 's man was," vroeg tenslotte de echtgenoot gepikeerd,
+"wat zou je dan doen?"
+
+"Wat? Wel...wel...ik ging nog vandaag me bij den gouverneur
+aanmelden, om mijn diensten aan te bieden, om te vechten tegen de
+opstandelingen. Nu onmiddellijk!"
+
+"Maar heb je dan niet gelezen wat _'t Dagblad_ zegt? Lees! "Het
+snoode verraad is met voortvarendheid, kracht en vastberadenheid
+onderdrukt, en weldra zullen de rebellen, de vijanden van 't vaderland,
+en hun medeplichtigen al het gewicht en de gestrengheid der wetten
+voelen"... Zie je? Er is geen oproer meer."
+
+"Dat doet er niet toe, je moet je toch aanmelden, net zooals ze 't in
+'72 gedaan hebben, en die zijn toen vrijgekomen."
+
+"Jawel! Iemand die 't ook gedaan heeft, padre Burg..." Doch hij kon
+den naam niet geheel uitspreken, want zijn vrouw liep op hem toe,
+en hield hem den mond dicht.
+
+"Komaan, nou nog mooier! Spreek dien naam uit, dan hangen ze je morgen
+in Bagoembajan op! Weet je dan niet, dat het genoeg is hem uit te
+spreken om zonder vorm van proces te worden veroordeeld? Wel zeker,
+ga je gang maar!"
+
+De Capitán had, al had hij haar nog zoo gaarne willen gehoorzamen,
+'t niet gekund: met beide handen hield zijn vrouw zijn mond dicht,
+terwijl ze zijn klein hoofd tegen de leuning van den stoel drukte. En
+wellicht zou de arme man gestikt zijn, als niet een nieuw personage
+tusschenbeide gekomen was.
+
+Dit was neef Don Primitivo, die den theoloog Amat uit zijn hoofd kende,
+een man van zoowat veertig jaar, keurig net gekleed, met een buikje
+en eenigszins gezet.
+
+"_Quid video?"_ riep hij bij 't binnenkomen uit. "Wat is er? _Quare?_"
+[59]
+
+"Och neef!" zei de vrouw en liep schreiend op hem toe, "ik heb je laten
+roepen, omdat ik niet weet wat er van ons vrouwen worden zal...wat raad
+je ons? Spreek, jij die Latijn geleerd hebt, en kunt redeneeren..."
+
+"Maar eerst _quid quaeritis_? _Nihil est in intellectu quod prius
+non fuerit in sensu; nihil volitum quin praecognitum._ [60]"
+
+En hij ging heel bedaard zitten. Als hadden de latijnsche zinnen een
+stillende kracht bezeten, hielden beide echtelieden op met schreien
+en gingen naar hem toe, wachtende van zijn lippen den raad, gelijk
+indertijd de Grieken het reddend orakel verbeidden, dat hen zou
+verlossen van de invallende Perzen.
+
+"Waarom schreien jullie? _Ubinam gentium sumus?_" [61]
+
+"Je weet 't bericht van 't oproer..."
+
+"_Alzamentum Ibarrae ab alferesio Guardia civilis destructum?_ [62]
+_Et nunc?_ Wat zou dat nog? Is Don Crisóstomo je wat schuldig?"
+
+"Nee, maar, weet je, Tinong heeft hem ten eten gevraagd, hij heeft
+hem gegroet op de _Puente de España_ op klaarlichten dag! Ze zullen
+zeggen dat hij een vriend van hem is!"
+
+"Een vriend?" riep de latinist verwonderd uit. "_Amice, amicus Plato,
+sed magis amica veritas!_ [63] Zeg mij met wie je omgaat, en ik zal
+je zeggen wie je bent! _Malum est negotium et est timendum rerum
+istarum horrendissimum resultatum!_" [64]
+
+Capitán Tinong werd schrikkelijk bleek, toen hij zooveel woorden op
+_um_ hoorde: deze klank was hem onheilspellend. Zijn vrouw sloeg de
+handen smeekend ineen en zeide:
+
+"Neef, spreek nu geen latijn tegen ons; je weet wel dat we geen
+filosofen zijn zooals jij. Spreek Tagaalsch of Spaansch tegen ons,
+maar geef ons een raad."
+
+"Jammer dat jullie geen latijn verstaan, nicht: de latijnsche waarheden
+zijn leugens in 't Tagaalsch. Bijvoorbeeld _Contra principia negantem
+fustibus est arguendum._ [65] In 't latijn is het een waarheid als
+een koe. Ik heb 't eens in 't Tagaalsch toegepast, en toen kreeg _ik_
+op mijn kop. Daarom is 't erg jammer dat jullie geen latijn kennen,
+in 't latijn zou alles geschikt kunnen worden."
+
+"Wij kennen ook veel _oremus, parce nobis_ en _Agnus Dei catolis_
+(voor _qui tollis_...). Maar nu zouden we elkaar niet verstaan. Geef
+Tinong nu 's een argument aan de hand, dat ze hem niet ophangen!"
+
+"Je hebt er verkeerd aan gedaan, heel verkeerd, neef, met vriendschap
+aan te gaan met dat jongemensch!" antwoordde onze latinist. "De
+rechtvaardigen betalen voor de zondaren. Ik zou je bijna aanraden
+je testament te maken... _Vae illis! Ubi est fumus est ignis! Simili
+gaudet atqui Ibarra ahorcatur, ergo ahorcaberis."_ [66]
+
+En misnoegd schudde hij het hoofd.
+
+"Saturnino, wat scheelt je?!" kreet Capitana Tintjang vol
+ontzetting. "Och lieve God! Hij is dood!
+
+"Een dokter! Tinong, Tinongoy!"
+
+De beide dochters kwamen toegeschoten en alle drie begonnen te
+jammeren.
+
+"Is maar een flauwte, nicht, een flauwte! Ik zou me meer verheugd
+hebben, als...als het...maar ongelukkigerwijze is het niets dan een
+flauwte. _Non timeo mortem in catre sed super espaldonem Bagumbayanis._
+[67] Breng water!"
+
+"Ga nu niet dood!" riep de vrouw schreiend. "Ga nu niet dood, want
+ze komen je gevangennemen! Och, och, als je doodgaat, en de soldaten
+komen! Och, och!"
+
+De neef besprenkelde zijn gezicht met water, en de ongelukkige
+kwam bij.
+
+"Kom, niet huilen! _Inveni remedium_, ik heb 't middel gevonden. Laten
+we hem naar zijn bed brengen. Kom moed gevat! Want ik ben hier bij
+jullie met al de wijsheid der Ouden...Laat een dokter halen. En
+nu dadelijk, nicht, ga je naar den gouverneur, en je brengt hem een
+cadeau, een gouden ketting, een ring.._Dadivae quebrantant penas._ [68]
+Je zegt dat het een paaschgeschenkje is. Sluit de vensters en deuren,
+en laat aan iedereen die naar mijn neef vraagt zeggen dat hij ernstig
+ziek is. Onderwijl verbrand ik alle brieven, papieren en boeken, dan
+kunnen ze niets vinden. Zoo heeft Don Crisóstomo ook gedaan. _Script
+testes sunt! Quod medicamenta non sanat, ignis sanat._ [69]
+
+"Ja, heel goed neef. Verbrand alles maar!" zeide Capitana
+Tintjang. "Hier heb je de sleutels, hier de brieven van _Capitán_
+Tiago: verbrand ze! Laat er geen enkele Europeesche krant overblijven:
+die zijn erg gevaarlijk. Hier heb je de _Times_, die ik bewaard had
+om zeep en kleeren in te pakken. Hier zijn de boeken."
+
+"Ga naar den _capitan general_, nicht", zeide Don Primitivo, "laat
+me alleen. _In extremis extrema._ [70] Geef me de macht van een
+romeinschen _dictator_, en je zult 's zien, hoe ik de heele sante...,
+ik bedoel den neef red."
+
+En hij begon orders en nog 's orders te geven, muurplanken door te
+rommelen, papieren, boeken, brieven enz. te verscheuren. Weldra brandde
+er een heele stapel in de keuken. Oude donderbussen werden met een
+bijl slukgeslagen; roestige revolvers in de plee gesmeten. De meid,
+die den loop van een voorblazer wilde bewaren, kreeg een uitbrander.
+
+"_Conservare etiam sperasti perfida?_ [71] In 't vuur!" En hij zette
+zijn "auto de fe" voort.
+
+Hij zag een oud boekdeel in perkament, en las den titel:
+
+"Omwentelingen der hemellichamen door Copernicus." "Foei! _Ite,
+maledicti, in ignem kalanis_," [72] riep hij, en wierp het in 't
+vuur. "Omwentelingen en Copernicus! Misdaad op misdaad! Als ik niet op
+tijd gekomen was. 'De vrijheid der Filippijnen.' Kijk er 's aan! Wat
+'n boeken! In 't vuur ermee!"
+
+En er werden onschuldige boeken verbrand, geschreven door onnoozele
+schrijvers. Zelfs 't lieve "Capitein Jan" kon niet ontkomen. Neef
+Primitivo had gelijk: de goeden moeten voor de kwaden lijden.
+
+Vier of vijf uur later vertelde men op een voornaam avondpartijtje in
+Intramuros de gebeurtenissen van den dag. 't Waren veel oude vrouwen
+en trouwlustige oude vrijsters, vrouwen of dochters van ambtenaren,
+gekleed in ochtendjaponnen, zich bewaaierend en geeuwend. Onder de
+mannen, die evenzeer als de vrouwen in hun trekken hun opvoeding en
+hun afkomst verrieden, bevond zich een heer op leeftijd, klein en
+met één arm, die door allen met veel onderscheiding behandeld werd,
+en die tegenover de anderen een minachtend zwijgen bewaarde.
+
+"'t Is waar, dat ik vroeger de _frailes_ en _guardias civiles_
+niet uit kon staan, omdat ze zoo onopgevoed zijn," zeide een dikke
+dame. "Maar nu ik hun nut en hun diensten gezien heb, zou ik bijna
+met genoegen met een hunner trouwen. Ik ben vaderlandslievend."
+
+"Ik zeg 't zelfde!" liet een magere volgen. "Hoe jammer dat we den
+vorigen gouverneur niet hebben: die zou 't land schoongeveegd hebben
+als een miskelk-schoteltje!"
+
+"En dan zou 't uit wezen met dat _filibustero_-gespuis!"
+
+"Zeggen ze niet dat er nog veel eilanden onbevolkt zijn? Waarom
+zenden ze daar niet al die halve gare inlanders heen? Als ik _capitan
+general_ was..."
+
+"Dames," zeide de éénarmige: "de _capitan general_ kent zijn
+plicht. Naar ik gehoord heb, is hij zeer ontstemd; want bij had dien
+Ibarra met gunsten overladen."
+
+"Met gunsten overladen!" herhaalde de magere, zich woest
+waaierend. "Kijk nu toch ereis aan hoe ondankbaar die inlanders
+zijn! Kan je ze dan nog wel als menschen behandelen? Jezus!"
+
+"En weet u wat ik gehoord heb?" vroeg de éénarmige.
+
+"Komaan! Wat is 't? Wat zegt men?"
+
+"Vertrouwenswaardige personen," zeide de éénarmige te midden van de
+grootste stilte, "verzekeren dat al dat lawaai om een school op te
+richten een puur verzinsel was."
+
+"Jezus! Hebt u 't gehoord?" riepen de vrouwen, reeds geloovend dat
+het een verzinsel was.
+
+"De school was een voorwendsel: wat hij wou oprichten, was een fort,
+waaruit hij zich goed zou kunnen verdedigen, als wij hem aanvielen..."
+
+"Jezus! Wat 'n schandaal! Alleen een inlander is in staat zulke laffe
+gedachten te hebben," riep de vette uit. "Als ik de _capitan general_
+was, dan zouden ze 's wat zien...dan zouden ze wat zien..."
+
+"Dat zeg ik ook!" riep de magere uit, zich tot den éénarmige
+wendend. "Ik zou ieder advocaatje, geleerdetje of koopman gevangen
+laten nemen, en zonder vorm van proces, zou ik ze verbannen of achter
+slot en grendel stoppen.
+
+"'t Kwaad met de wortel uitroeien!"
+
+"Ze zeggen nog wel dat die _filibustero_ van Spaansche afkomst
+is!" merkte de éénarmige op, zonder iemand aan te kijken.
+
+"O, jawel!" riep de dikke onverschrokken uit, "'t moeten toch
+altijd die sinjo's wezen! Geen enkele inlander heeft begrip van een
+omwenteling! Voed maar raven op, voed raven op!..."
+
+"Weet u wat ik heb hooren zeggen?" vroeg een nonna, die op die
+wijze het gesprek afbrak. "De vrouw van _Capitán_ Tinong...weet u
+wel? Dezelfde bij wie in huis we gedanst en gesoupeerd hebben op
+'t feest in Tondo..."
+
+"Die met haar twee dochters? Nu, wat dan?"
+
+"Wel, die heeft juist van middag den _capitan general_ een ring van
+duizend _peso's_ waarde cadeau gegeven!"
+
+De éénarmige keerde zich om.
+
+"Werkelijk? En waarom dat?" vroeg hij met schitterende oogen.
+
+"Het mensch zei: als Paaschgeschenk..."
+
+"'t Is pas over een maand Paschen!"
+
+"Ze zal bang wezen dat ze de bui op haar kop krijgt..." merkte de
+vette op.
+
+"En ze schuilt voor den tijd," voegde de dunne erbij.
+
+"Wie zich verontschuldigt, beschuldigt zich!"
+
+"Dat dacht ik ook juist: u heeft de vinger op de wond gelegd."
+
+"Je moet zoo iets goed nagaan," bracht peinzend de eenarmige in
+'t midden. "Ik voor mij vrees, dat er iets achter zit."
+
+"Er zit iets achter, ja ja! Dat wou ik juist ook zeggen," herhaalde
+de magere.
+
+"En ik," zeide een ander, haar 't woord afgrissend, "de vrouw van
+Capitán Tinong is erg gierig... ze heeft ons nog geen enkel cadeau
+gezonden, en dat terwijl we bij haar gelogeerd hebben.
+
+"Dus als zoo'n schriel inhalig mensch een cadeautje van duizend
+_peso's_ afschuift..."
+
+"Maar is dat heusch waar?" vroeg de éénarmige.
+
+"En of! Zoo waar als iets, hoor! De aanstaande van mijn nichtje,
+die adjudant is bij Zijne Excellentie, heeft het haar zelf gezegd. Ik
+maak me sterk dat het dezelfde ring is die de oudste van de meisjes
+aan had op het feest. Ze zit altijd vol briljanten!"
+
+"Een loopende uitstalkast!"
+
+"Och, een manier om reklame te maken als ieder andere! In plaats van
+een modeplaat te koopen of een winkel te betalen hoef je nou maar..."
+
+De éénarmige verliet onder een voorwendsel het gezelschap.
+
+En twee uur later, toen allen sliepen, kregen verscheidene burgers van
+Tondo een uitnoodiging door tusschenkomst van soldaten...Het Gezag
+mocht niet toestaan dat zekere personen van positie en fortuin in
+huizen sliepen die zoo slecht bewaakt en zoo weinig frisch waren: in
+'t Fort Santiago en andere gouvernementsgebouwen zou de slaap rustiger
+en versterkender wezen. Onder deze begunstigde personen bevond zich
+de ongelukkige _Capitán_ Tinong.
+
+
+
+
+LVIII.
+
+Maria Clara gaat trouwen.
+
+
+_Capitán_ Tiago is zeer in zijn schik. Gedurende de heele nare
+periode heeft niemand zich met hem bemoeid: men heeft hem niet
+gevangen genomen, men heeft hem niet onderworpen aan afzondering,
+verhoor, elektrische machines, voortdurende voetbaden in onderaardsche
+vertrekken en andere guitenstreken meer, die wel bekend zijn bij zekere
+persoonlijkheden welke zichzelf beschaafd noemen. Zijn vrienden,
+dat wil zeggen zij die 't eenmaal waren [want de man verloochende
+zijn Filippijnsche vrienden, van af het oogenblik waarin ze verdacht
+voor 't gouvernement werden,] zijn ook naar hun huizen teruggekeerd,
+na eenige dagen vacantie in de rijksgebouwen. De gouverneur had
+zelf order gegeven dat men ze uit hun bezittingen zou zetten, daar
+hij ze niet voldoende waardig achtte om daarin te blijven, tot groot
+verdriet van den éénarmige, die zijn aanstaande Paschen in hun talrijk
+en welgesteld gezelschap had willen vieren.
+
+Capitán Tinong kwam ziek, bleek, gezwollen in zijn huis terug--het
+uitstapje was hem niet best bekomen--, en zoo veranderd dat hij geen
+woord zeide, zelfs geen groet overhad voor zijn gezin, dat schreide,
+lachte en gek werd van plezier. De arme man kwam zijn huis niet uit,
+om geen gevaar te loopen dat hij een opstandeling, een _filibustero_,
+zou moeten groeten. Zelfs neef Primitivo met al zijn wijsheid der
+ouden kon hem niet aan zijn in-zich zelf-gekeerdheid ontrukken.
+
+"_Crede prime_," [73] zeide hij tot hem "doordat ik niet tijdig alle
+papieren heb kunnen verbranden, hebben ze je te pakken gehad. Maar
+als ik je heele huis had verbrand, hadden ze je geen haar op je hoofd
+gekrenkt. Doch _quod eventum, eventum. Gratias agamus Deo quia non
+in Marians Insulis es, camotes seminando._" [74] Geschiedenissen
+gelijkende op die van _Capitán_ Tinong waren Capitán Tiago niet
+onbekend. De man liep over van dankbaarheid, zonder dat hij precies
+wist aan wien hij zulke bizondere gunsten verschuldigd was. Tante
+Isabel schreef het wonder toe aan de Heilige Maagd van Antipolo,
+aan die van den Rozenkrans, of ten minste aan de _Virgen del Carmen_,
+en op zijn allerminst, 't minste dat ze kon toegeven, aan Onze Lieve
+Vrouw van de Riem; volgens haar kon het wonder niet van elders gekomen
+zijn. _Capitán_ Tiago ontkende het wonder niet, maar voegde erbij:
+
+"Ik geloof het Isabel, maar de Heilige Maagd van Antipolo zal het niet
+alleen gedaan hebben. Mijn vrienden zullen ook meegeholpen hebben,
+mijn aanstaande schoonzoon, meneer Linares, die, zooals je weet gekheid
+maakt met den minister Antonio Canovas, dezelfde waarvan een prentje
+in de illustratie stond, waar hij zich alleen maar verwaardigt de
+helft van zijn gezicht aan de menschen te laten zien."
+
+En de goede man kon een lachje van tevredenheid niet bedwingen
+telkenmale wanneer hij een belangrijk bericht omtrent de gebeurtenissen
+hoorde. En daar was wel reden voor. Men fluisterde stilletjes dat
+Ibarra zou opgehangen worden; dat ofschoon er veel bewijzen ontbraken
+om hem te veroordeelen, er onlangs een voor den dag was gekomen, dat
+de beschuldiging bevestigde; de deskundigen zouden verklaard hebben
+dat inderdaad de bouwwerken voor de school konden gehouden worden
+voor een bolwerk, een versterking, alhoewel eenigszins gebrekkig,
+zooals van domme inlanders niet anders kon verwacht worden. Deze
+geruchten stelden hem gerust, en deden hem glimlachen.
+
+Op dergelijke wijze als _Capitán_ Tiago en zijn nicht van meening
+verschilden, verdeelden zich de vrienden der familie ook in
+twee partijen: de eene hield het met de wonderen, de andere met
+het bestuur, ofschoon deze laatste partij onbeteekenend was. De
+mirakel-menschen waren weer onderverdeeld: de hoofdkoster van Binondo,
+de verkoopster van waskaarsen en het hoofd van een broederschap zagen
+de hand Gods, bewogen door de Maagd van den Rozenkrans. De Chineesche
+kerkkaarsen-leverancier--die haar voorziet wanneer ze naar Antipolo
+gaat--zeide, terwijl hij zich waaierde en een been heen en weer bewoog,
+in zijn verhaspeld Spaansch:
+
+"Wees niet dwaas: 't is de Maagd van Antipolo, bepaald! Die kan meer
+dan alle anderen. Wees maar niet dwaas!"
+
+_Capitán_ Tiago had groote achting voor den Chinees, die zich uitgaf
+voor waarzegger, dokter enz. De palm van de hand zijner overleden
+echtgenoote onderzoekend in de zesde maand van haar zwangerschap,
+had hij voorspeld:
+
+"Als 't geen jongen is en niet dood gaat, dan zal 't een heel goede
+vrouw worden!"
+
+En Maria Clara kwam ter wereld om de profetie van onze helden te
+vervullen.
+
+_Capitán_ Tiago echter was een voorzichtig en angstvallig man, en
+kon maar niet zoo dadelijk besluiten als de Trojaan Paris. Hij kon
+maar niet zoo ineens de voorkeur geven aan een der twee maagden uit
+vrees, dat hij de andere zou beleedigen, hetwelk ernstige gevolgen
+zou kunnen na zich slepen. "Voorzichtig!" zei hij bij zichzelf,
+"laten we nu niet de boel bederven!"
+
+In deze weifelingen verkeerde hij toen de gouvernementspartij aankwam:
+Doña Victorina, Don Tiburcio en Linares.
+
+Doña Victorina sprak voor de drie mannen en voor haar zelve, vermeldde
+de bezoeken van Linares aan den _capitan general_, en gaf herhaalde
+malen bedektelijk de wenschelijkheid van een aanzienlijk familielid
+te kennen.
+
+Ze lispte tegenwoordig, om een Andalusischen tongval na te doen.
+
+"Ja!" zeide ze van Ibarra sprekend, "die had het wel verdiend. Ik heb
+'t dadelijk wel gezegd, toen ik hem zag: dat is een _filibustero_. Wat
+heeft jou de gouverneur ook weer gezegd? Wat heb je hem gezegd,
+wat voor berichten heb je hem over Ibarra gegeven?"
+
+En ziende dat de neef draalde met te antwoorden, ging ze, zich tot
+_Capitán_ Tiago wendend, voort:
+
+"Gelooft u me maar, als ze hem ter dood veroordeelen, zooals te hopen
+is, dan zal 't aan mijn neef te danken zijn."
+
+"Nicht! nicht!" protesteerde Linares.
+
+Doch ze liet hem geen tijd:
+
+"Och wat 'n diplomaat ben jij geworden! We weten dat je de raadsman
+bent van den gouverneur, die kan gewoon niet buiten je... Wel, Clarita,
+wat 'n genoegen je te zien!"
+
+Maria Clara vertoonde zich, nog bleek, ofschoon reeds vrijwel hersteld
+van haar ziekte. Het lange haar was opgenomen met een lichtblauw
+zijden lint. Ze groette bedeesd, met een droevig lachje, en trad op
+Doña Victorina toe, voor den gebruikelijken kus.
+
+Na de gewone beleefdheidsfrazen, ging de pseudo Andalusische voort:
+
+"We komen jullie opzoeken. U bent er mooi afgekomen, dank zij uw
+relaties!" En ze keek veelbeteekenend naar Linares.
+
+"God heeft mijn vader behoed!" antwoordde het jongemeisje zacht.
+
+"Jawel, Clarita, maar de tijd van de wonderen is al voorbij: wij
+Spanjaarden zeggen: wantrouw de Maagd en zet het op een loopen." [75]
+
+"Juist om...om...omgekeerd!" zei haar echtvriend.
+
+_Capitán_ Tiago, die tot-nog-toe geen tijd had gevonden om een woord te
+zeggen, waagde het te vragen, met veel aandacht lettend op 't antwoord:
+
+"Dus u, Doña Victorina, u gelooft dat de Maagd?..."
+
+"Wij komen juist met u over de 'maagd' spreken," antwoordde ze
+geheimzinnig, en wees daarbij naar Maria Clara. "We moeten over
+zaken spreken."
+
+Het jongemeisje begreep dat ze heen moest gaan. Ze zocht een
+voorwendsel, en verwijderde zich, onderweg steunend tegen de meubelen.
+
+Wat in dit onderhoud afgehandeld werd is te min en te kleinzielig voor
+vermelding. Toen het afgeloopen was, en men scheidde, was iedereen
+in zijn schik.
+
+Daarna zeide _Capitán_ Tiago tot tante Isabel:
+
+"Laat aan 't logement zeggen dat we morgen een feest geven! Bereid
+jij Maria erop voor, dat ze binnenkort gaat trouwen."
+
+Tante Isabel keek hem ontsteld aan.
+
+"Je zult 's zien! Wanneer meneer Linares mijn schoonzoon is, gaan
+we in alle paleizen in en uit. Ze zullen jaloersch op ons wezen,
+ze zullen 't allemaal besterven van nijd!"
+
+En zoo kwam het dat den volgenden dag 's avonds om acht uur
+Capitán Tiago's huis weer vol menschen was; alleen waren ditmaal
+zijn genoodigden uitsluitend Spanjaarden en Chineezen. Het schoone
+geslacht was vertegenwoordigd door Spaanschen, zoowel uit Spanje als
+uit de Filippijnen.
+
+Daar waren de meeste onzer bekenden bijeen: Padre Sibyla, Padre
+Salvi onder verscheidene andere Franciskanen en Dominikanen; de oude
+luitenant van de _guardia civil_, de heer Guevara, somberder dan ooit;
+de _alférez_, die voor den duizendsten keer zijn veldslag vertelde,
+onderwijl over zijn schouders iedereen aankijkend en zich houdend voor
+een Don Juan van Oostenrijk; hij was nu luitenant met den graad van
+"Comandante"; de Espadaña, die met eerbied en vreeze naar hem keek en
+zijn blikken ontweek, en Doña Victorina, die "'t land" had. Linares
+was nog niet gekomen, want als persoon van gewicht, moest hij later
+komen dan de anderen: er zijn wezens die zoo ingebeeld zijn, dat ze
+met een uur te laat bij allen toch groote mannen blijven.
+
+In de groep der vrouwen was Maria Clara het voorwerp van praatjes.
+
+"Phu!" zei een jongmeisje, "aardig trotsch..."
+
+"Ziet er wel lief uit," antwoordde een ander, "maar hij kon er wel
+een uitgekozen hebben, die niet zoo onnoozel keek."
+
+"Dat doet het goud, meiske, de schoone jongeling verkoopt zich."
+
+Ergens anders zeide men:
+
+"Dat gaat trouwen, terwijl de eerste aanstaande op 't punt staat om
+opgehangen te worden!"
+
+"Dat is nog 's overleg: een plaatsvervanger klaar te hebben."
+
+"Als ze nu weduwe wordt..."
+
+Deze gesprekken werden wellicht gehoord door het jongemeisje in
+kwestie. Ze zat op een stoel, bezig een presenteerblaadje met bloemen
+in orde te maken--want men zag haar beven, verbleken en zich herhaalde
+malen op de lippen bijten.
+
+In den kring der mannen ging het gesprek op luiden toon, en liep
+natuurlijk over de laatste gebeurtenissen. Allen waren aan 't woord,
+zelfs Don Tiburcio; allen behalve Padre Sibyla, die een minachtend
+zwijgen bewaarde.
+
+"Ik heb hooren zeggen dat uwe weleerwaardigheid het dorp gaat
+verlaten, Padre Sibyla," vroeg de nieuwe luitenant, die door zijn
+nieuwe sterretje beminnelijker geworden was.
+
+"Ik heb er niets meer te doen. Ik blijf voor goed in Manila...en u?"
+
+"Ik ga ook heen," antwoordde hij zich langer makende, "het gouvernement
+heeft me noodig om met een vliegende colonne de provincies van gespuis
+te zuiveren."
+
+Fray Sibyla keek hem snel van hoofd tot voeten aan, en keerde hem
+verder geheel den rug toe.
+
+"Is het al met zekerheid bekend, wat er gedaan zal worden met den
+aanvoerder, 'ons oproermakertje?'" vroeg een beambte.
+
+"Spreekt u van Crisóstomo Ibarra?" vroeg een ander. "'t
+Waarschijnlijkste en rechtvaardigste is wel dat hij opgehangen wordt,
+evenals die lui van '72."
+
+"Hij wordt verbannen!" zei de oude luitenant droogjes.
+
+"Verbannen! Alleen maar verbannen! Maar dat zal dan toch wel een
+levenslange wezen!" riepen er verscheidenen tegelijk.
+
+"Als dat jongemensch," hervatte luitenant Guevara op luiden en
+strengen toon, "meer op zijn hoede was geweest; als hij minder
+vertrouwen gesteld had in zekere personen, aan wie men schrijft, als
+onze ambtenaren van 't openbaar ministerie niet al te spitsvondig
+het geschrevene wisten uit te leggen, zou die jonge man stellig
+vrijgesproken zijn."
+
+Deze verklaring van den ouden luitenant en de toon van zijn stem
+brachten een groote verrassing te weeg in 't gehoor dat hij had;
+men wist niet wat men daarop zeggen zou. Padre Salvi keek naar een
+anderen kant, wellicht om niet den somberen blik te zien, dien de
+oude man op hem richtte. Maria Clara liet de bloemen vallen, en bleef
+roerloos zitten. Padre Sibyla, die de kunst van zwijgen verstond,
+scheen ook wel de eenige te wezen die een vraag kon doen.
+
+"Spreekt u van brieven, meneer de Guevara?"
+
+"Ik spreek van 't geen de verdediger gezegd heeft; die heeft zijn zaak
+met ijver en warmte opgenomen. Behalve enkele dubbelzinnige regels,
+die dat jongmensch aan een vrouw geschreven had, voordat hij naar
+Europa vertrok, regels waarin de fiskaal een plan en een bedreiging
+tegen het bestuur zag, en die hij erkende geschreven te hebben,
+was er niets waaruit men iets tegen hem kon halen."
+
+"En de verklaring van den bandiet voor zijn sterven?"
+
+"De verdediger toonde de nietigheid daarvan aan, want, volgens den
+bandiet zelf hadden zij nooit met het jongmensch zelf contact gehad,
+maar alleen met een zekeren Lucas, en dat was een vijand van hem,
+zooals bewezen is kunnen worden: de man heeft zich van kant gemaakt,
+misschien wel uit berouw. 't Is bewezen dat de papieren op het lijk
+gevonden vervalscht waren, want het schrift was gelijk aan dat van
+meneer Ibarra voor zeven jaar, maar niet aan zijn tegenwoordige
+hand, waardoor men veronderstelt dat die bezwarende brief als model
+gediend heeft. Nog meer: de verdediger zeide dat, als meneer Ibarra
+de brief niet had willen erkennen, er veel voor hem had gedaan kunnen
+worden. Maar toen hij dien zag, werd hij bleek, verloor den moed en
+bevestigde alles wat hij daarin geschreven had."
+
+"U zeide", vroeg een Franciskaan, "dat de brief aan een vrouw gericht
+was. Hoe kwam die in handen van den fiskaal?"
+
+De luitenant antwoordde niet. Hij keek even naar Padre Salvi, en
+verwijderde zich, zenuwachtig plukkende aan de punt van zijn grijzen
+baard, terwijl de anderen commentaren maakten.
+
+"Dat is de vinger Gods!" zei er een, "zelfs de vrouwen haten hem."
+
+"Hij heeft zijn huis in brand gestoken in 't idee dat hij daardoor zich
+redden zou, maar hij rekende buiten de waardin, dat wil zeggen buiten
+zijn liefje, zijn _babai_," voegde een ander er lachend bij. "Zoo
+wordt het vaderland gered!"
+
+Intusschen stond de oude krijgsman stil op een van zijn wandelingen,
+en trad op Maria Clara toe, die roerloos op haar stoel zat te luisteren
+naar 't gesprek. Aan haar voeten zag men de bloemen liggen.
+
+"U bent een heel verstandige jonge dame," zeide de oude luitenant zacht
+tot haar, "u heeft er goed aan gedaan dien brief af te geven...Zoo
+heeft u zich met de uwen een rustige toekomst verzekerd!"
+
+Zij zag hem heengaan, en huiverde. Ze beet zich op de lippen. Gelukkig
+kwam tante Isabel voorbij. Maria Clara had nog de kracht om haar bij
+het kleed te grijpen.
+
+"Tante!" stamelde ze.
+
+"Wat is er, kind?" vroeg deze ontsteld, toen ze 't gelaat van 't
+jongemeisje zag.
+
+"Breng me in mijn kamer!" smeekte ze, zich vastklampend aan den arm
+der oude vrouw, om op te staan.
+
+"Ben je ziek, mijn kindje? Wat scheelt je?"
+
+"Een duizeling...al die menschen in de zaal...zooveel licht...ik moet
+wat rusten. Zeg aan vader dat ik wil gaan slapen."
+
+"Je bent heelemaal koud! Wil je soms wat thee?"
+
+Maria Clara schudde het hoofd, deed de deur van haar slaapkamer op
+slot, en liet zich slap neervallen op den grond, aan den voet van
+een heiligen-beeld.
+
+"Moeder, o moeder, moeder!" snikte ze.
+
+Door het venster en de deur, die uitkwam op het platte dak, viel het
+licht der maan.
+
+De muziek ging voort met haar vroolijke walsen.
+
+Het gelach en het geroezemoes der gesprekken drongen in de slaapkamer
+door. Verscheidene malen kwamen haar vader, tante Isabel, Doña
+Victorina en Linares aan haar deur kloppen, maar Maria Clara verroerde
+zich niet: een gereutel ontsnapte aan haar borst.
+
+Uren gingen zoo voorbij. De vroolijkheid van den maaltijd hield
+op. Men hoorde dansen, zingen. De kaars raakte op en ging uit, maar
+het jongemeisje bleef onbewegelijk op den grond, beschenen door de
+stralen der maan, liggend aan de voeten van 't beeld van Jezus' Moeder.
+
+Het huis werd allengs weer stil, de lichten werden uitgedaan, tante
+Isabel klopte nog eens aan.
+
+"Nou, ze is in slaap gevallen!" zeide ze luid. "Och, ze is jong,
+en heeft in 't geheel geen zorgen, ze slaapt als een rots!"
+
+Toen alles stil was, stond ze langzaam op, en liet een blik om zich
+heen gaan. Ze keek naar het platte dak, de kleine wingerdleiding,
+waarover het weemoedig maanlicht lag gespreid.
+
+"Een rustige toekomst! Slapen als een rots!" mompelde ze, en richtte
+zich naar het plat.
+
+De stad lag te slapen. Slechts van tijd tot tijd hoorde men
+het gedruisch van een rijtuig, dat bolderde over de houten brug
+over de rivier, welker eenzame wateren rustig het licht der maan
+weerspiegelden.
+
+Het jongemeisje sloeg de oogen op: de hemel was van een saffieren
+helderheid. Langzaam ontdeed ze zich van haar ringen, haar oorhangers,
+haarnaalden en kammetje, en legde ze neer op de leuning van het platte
+dak. Toen keek ze naar de rivier.
+
+Een _bangka_, geladen met _zacate_-gras, legde aan onder aan den
+steiger, die ieder huis aan den rivieroever bezit. Een van de twee
+mannen die er in zaten, besteeg de steenen trap, sprong de muur over,
+en enkele seconden later hoorde men hem de trap naar de _azotea_,
+'t platte dak, opgaan.
+
+Maria Clara zag dat hij stil stond, toen hij haar gewaar werd, doch
+'t was slechts een oogenblik, want de man kwam langzaam naderbij,
+en bleef op drie passen afstands staan. Maria Clara deinsde terug.
+
+"Crisóstomo!" stamelde ze vol ontzetting.
+
+"Jawel, Crisóstomo!" antwoordde de jonge man op ernstigen toon,
+"een vijand, een man die redenen had om me te haten, Elias, heeft me
+uit de gevangenis gehaald, waar mijn vrienden me in opgesloten hadden."
+
+Op deze woorden volgde een droef stilzwijgen. Maria Clara liet het
+hoofd zinken, en liet moedeloos de beide handen vallen.
+
+Ibarra ging voort:
+
+"Bij 't lijk van mijn moeder zwoer ik dat ik je gelukkig zou maken,
+hoe mijn lot ook wezen zou! Jij mocht je belofte breken, ze was je
+moeder niet--maar ik, die haar zoon ben, ik houd haar nagedachtenis
+in eere, en trots allerlei gevaren ben ik hier gekomen, om mijn eed
+gestand te doen. En 't toeval wil, dat ik met je zelf kan spreken,
+Maria. We zullen elkaar niet meer terugzien. Je bent jong, en wellicht
+zal eenmaal je geweten je beschuldigen... Ik kom je zeggen, voordat
+ik vertrek, dat ik je vergeef. Nu, wees gelukkig, vaarwel!"
+
+Ibarra wilde heengaan, doch 't jongemeisje hield hem tegen.
+
+"Crisóstomo!" zeide ze, "God heeft je gezonden, om me van wanhoop te
+redden...Hoor me aan, en oordeel me dan!..."
+
+Ibarra trachtte zich met zacht geweld van haar los te rukken.
+
+"Ik ben niet gekomen, om je rekenschap te vragen van je daden...ik
+ben gekomen om je rust te geven."
+
+"Ik wil die rust niet, die jij me geven wilt. Ik zal mezelf wel een
+rustig gemoed geven! Jij veracht me, en je minachting zou me bitter
+stemmen tot mijn dood toe!"
+
+Ibarra zag de wanhoop en de smart in de arme vrouw, en vroeg haar
+wat ze dan verlangde.
+
+"Dat je gelooft, dat ik je altijd liefgehad heb!"
+
+Crisóstomo lachte bitter.
+
+"O, je twijfelt aan me, je twijfelt aan de vriendin van je
+kinderjaren, die nooit een enkele gedachte voor je verborgen gehouden
+heeft!" riep het jongemeisje met smart. "Ik begrijp je! Wanneer je
+mijn geschiedenis kent, de droeve geschiedenis die me tijdens mijn
+ziekte werd geopenbaard, dan zal je medelijden met me hebben, en zal
+je niet meer zoo'n lachje voor mijn smart overhebben.
+
+"Waarom heb je me maar niet laten sterven onder de behandeling van
+mijn dommen dokter? Jij en ik zouden beiden gelukkiger geweest zijn!"
+
+Maria Clara zweeg even om op adem te komen, en hervatte dan:
+
+"Jij hebt het gewild, jij hebt aan me getwijfeld. Och, laat mijn
+moeder 't me vergeven! In een van de pijnlijke nachten van mijn
+laatste ziekte, openbaarde een man me den naam van mijn waren vader,
+en verbood me je liefde...tenzij mijn vader zelf je den hoon vergat
+dien je hem aangedaan hadt!"
+
+Ibarra deinsde een schrede terug, en keek het jongemeisje verschrikt
+aan.
+
+"Ja," ging ze voort, "de man zeide me, dat hij onze vereeniging niet
+mocht toestaan, omdat zijn geweten het hem verbood, en hij zich dan
+genoodzaakt zou zien de zaak ruchtbaar te maken, op gevaar van een
+groot schandaal, want mij vader is..."
+
+En ze fluisterde den jongeman een naam in 't oor, zoodat hij alleen
+die hooren kon.
+
+"Wat moest ik doen? Moest ik de nagedachtenis van mijn moeder,
+de eer van mijn onechte vader, en den goeden naam van den waren,
+opofferen aan mijn liefde?"
+
+"Maar bewijzen, gaf hij je bewijzen? Jij had bewijzen noodig!" riep
+Crisóstomo ten hoogste ontroerd.
+
+Het jonge meisje haalde twee papieren uit haar boezem.
+
+"Twee brieven van mijn moeder, twee brieven geschreven te midden van
+haar berouw, toen ze mij onder 't hart droeg! Daar, lees ze, en je zult
+zien, hoe ze me verwenscht, en naar mijn dood verlangt...mijn dood,
+die mijn vader tevergeefs met medicijnen trachtte te bewerken! Deze
+brieven had hij vergeten, in een laadje laten liggen. Een andere man
+vond ze en bewaarde ze, en heeft ze me alleen afgegeven in ruil voor
+jouw brief...om zich te vergewisschen zooals hij zeide, dat ik niet
+zou gaan trouwen zonder de toestemming van mijn vader.
+
+"Sedert dat ik ze bij me draag in plaats van jouw brief, voel
+ik iets kouds aan mijn hart. Ik heb je opgeofferd, mijn liefde
+opgeofferd... wat doet men niet voor een moeder die dood is en twee
+vaders, die nog leven? Kon ik vermoeden welk gebruik ze van je brief
+zouden maken!?" Ibarra stond verplet. Maria Clara ging voort:
+
+"Wat bleef me nog? Kon ik je soms zeggen, wie mijn vader was, kon ik
+je zeggen dat je hem vergiffenis moest vragen, aan hem die jouw vader
+zooveel heeft doen lijden? Kon ik misschien aan mijn vader zeggen
+dat hij je vergeven zou, kon ik hem zeggen dat ik zijn dochter was,
+aan hem, die zoo naar mijn dood verlangd had? Er bleef me niets anders
+over dan te lijden, het geheim bij me te bewaren, en in mijn lijden
+te sterven!... Nu, mijn liefste, nu je de droeve geschiedenis van je
+Maria kent, zul je nu nog dat minachtende lachje voor haar overhebben?"
+
+"Maria, jij bent een heilige!"
+
+"Ik ben gelukkig, nu ik weet dat je me gelooft..."
+
+"En toch..." hervatte de jonge man van toon veranderend, "ik heb
+hooren vertellen dat je gaat trouwen..."
+
+"Ja, dat is zoo!" snikte ze, "mijn vader eischt dat offer van
+me...hij heeft me lief gehad en opgevoed en 't was zijn plicht
+niet. Ik betaal hem deze schuld van dankbaarheid, door hem met deze
+nieuwe vermaagschapping zijn rust te verzekeren."
+
+"Maar..."
+
+"Maar?"
+
+"Ik zal de eeden van trouw die ik jou gezworen heb niet vergeten."
+
+"Wat ben je van plan te doen?" vroeg Ibarra trachtende in haar oogen
+te lezen.
+
+"De toekomst is duister, en 't lot ligt verborgen!
+
+"Ik weet niet wat ik doen zal. Maar weet dat ik maar een keer zal
+liefhebben, en zonder liefde zal ik aan niemand toebehooren. En jij,
+wat zal er van jou worden?"
+
+"Ik ben maar een vluchteling, ik vlucht. Binnenkort zal men mijn
+ontsnapping ontdekken, Maria."
+
+Maria drukte het hoofd van den jongen man tusschen haar beide handen,
+kuste hem verscheidene malen op de lippen, omhelsde hem. Dan, hem
+bruusk van zich verwijderend, zeide ze:
+
+"Vlucht, vlucht! _Adios!_"
+
+Ibarra keek haar met schitterende oogen aan, doch op een teeken van
+'t jonge meisje ging hij heen, dronken, wankelend...
+
+Weer sprong hij over den muur en stapte in de _bangka_. Maria Clara,
+leunend op de borstwering, keek hem na.
+
+Elias ontblootte het hoofd, en groette haar met een eerbiedige buiging.
+
+
+
+
+LIX.
+
+De jacht op 't meer.
+
+
+"Luister 's meneer, wat voor plan of ik overdacht heb," zeide Elias
+peinzend, terwijl ze naar San Gabriel koers zetten. "Ik zal u nu bij
+een vriend van me in Mandaloejong verborgen houden. Ik zal u al uw geld
+brengen, dat ik gered en bewaard heb aan den voet van de _baliti_-boom,
+in 't geheimzinnige graf van uw voorvader. Dan verlaat u het land..."
+
+"Om naar 't buitenland te gaan?" viel Ibarra in.
+
+"Om uw verdere levensdagen in rust door te brengen. U heeft vrienden
+in Spanje, u bent rijk, u zult zich de straf wel kunnen laten
+kwijtschelden. In allen gevalle is het buitenland voor u een beter
+vaderland dan 't eigene."
+
+Crisóstomo antwoordde niet, hij overlegde in stilte.
+
+Ze kwamen op dat oogenblik aan de _Pasig_, en de _bangka_ begon
+den stroom op te varen. Op de _España_brug reed haastig een ruiter,
+en men hoorde een gerekt, schel gefluit.
+
+"Elias," hervatte Ibarra, "u dankt uw ongeluk aan mijn familie. U
+heeft me tweemaal 't leven gered, en ik ben u niet alleen dankbaarheid
+schuldig, maar ook teruggave van uw fortuin. U raadt me om in 't
+buitenland te gaan leven.
+
+"Nu, kom dan met me mee, en laten we samen als broeders leven.
+
+"Hier bent u toch ook ongelukkig."
+
+Elias schudde droevig het hoofd, en antwoordde:
+
+"Onmogelijk! 't Is waar dat ik in mijn land niet kan liefhebben,
+niet gelukkig kan zijn, maar ik kan er lijden en sterven, en misschien
+voor zijn zaak: dat is altijd wat. Laat het ongeluk van mijn vaderland
+mijn eigen ongeluk wezen, en aangezien ons geen edele gedachte bindt,
+aangezien onze harten niet kloppen voor een naam, laat dan tenminste
+de gemeenschappelijke tegenspoed me aan mijn landgenooten binden,
+laat me ten minste met hun samen over onze smarten schreien, en
+eenzelfde leed onze harten doen krimpen."
+
+"Waarom raadt u me dan om heen te gaan?"
+
+"Omdat u elders gelukkig kan wezen, en ik niet, omdat u niet deugt
+voor leed, en omdat u uw land zou verafschuwen, wanneer u eenmaal
+u zelf ongelukkig zag door toedoen van dat land. En zijn vaderland
+verafschuwen is het grootste ongeluk."
+
+"U bent onbillijk voor me!" riep Ibarra met bitter verwijt. "U vergeet
+dat ik, nauwelijks hier, dadelijk ben begonnen met 't goede voor mijn
+land te beoogen.."
+
+"Wees niet beleedigd, meneer, ik maak u geen enkel verwijt: 't
+ware te wenschen dat iedereen u na kon volgen! Maar ik vraag geen
+onmogelijke dingen van u, en u moet zich niet beleedigd achten,
+als ik u zeg dat uw hart u misleidt. U hadt uw land lief, omdat uw
+vader het u zoo geleerd had. U hadt het lief, omdat u er liefde,
+fortuin, jeugd hadt; omdat alles u toelachte: uw land had u geen
+enkel onrecht aangedaan. U hadt het lief zooals we alles liefhebben
+wat ons gelukkig maakt. Maar den dag waarop u uzelf arm, hongerig,
+vervolgd, aangeklaagd en verkocht ziet door uw eigen landgenooten,
+dien dag zult u uzelf, uw vaderland en iedereen verloochenen."
+
+"Uw woorden zijn kwetsend voor me," zei Ibarra geraakt.
+
+Elias boog het hoofd, dacht even na, en hervatte:
+
+"Ik wil u uit den droom helpen, meneer, en u een droevige toekomst
+besparen. Herinner u maar 's dien keer, toen ik met u sprak in deze
+zelfde _bangka_, bij 't licht van deze zelfde maan, zoowat een maand
+geleden. Toen was u gelukkig. De smeekbede van de ongelukkigen drong
+niet tot u door; u versmaadde hun klachten, omdat het klachten
+van misdadigers waren, u gaf meer gehoor aan hun vijanden, en in
+weerwil van mijn argumenten en mijn smeeken, koos u de partij van hun
+onderdrukkers. En toen hing het van u af, of ik misdadiger zou worden,
+of me zou laten dooden, om een heilige belofte gestand te doen. God
+heeft het niet veroorloofd, want het oude hoofd van de bandieten is
+gestorven...Er is net een maand voorbij, en nu denkt u al anders!"
+
+"U beeft gelijk, Elias, maar een mensch is nu eenmaal afhankelijk van
+omstandigheden, toen was ik verblind, ik had 't land, weet ik 't? Nu
+heeft het ongeluk me den blinddoek van de oogen gerukt. De eenzaamheid
+en de ellende in de gevangenis hebben me geleerd, en nu zie ik de
+vreeselijke kanker die aan deze maatschappij vreet, die zich in zijn
+vleesch vastwerkt, en een gewelddadige uitsnijding eischt. Zij hebben
+me de oogen geopend, ze hebben me de wonde laten zien, en dwingen
+me om misdadiger te worden! En nu ze 't eenmaal gewild hebben, zal
+ik _filibustero_ wezen, maar een echte. Ik zal al de ongelukkigen
+oproepen, allen die in hun borst een hart voelen kloppen, dezelfden
+die u naar me toe gezonden hebben...Nee, ik zal niet misdadig wezen:
+die strijdt voor zijn vaderland is dat nooit, integendeel! Wij hebben
+hun drie eeuwen lang de hand toegestoken, we vragen hun om liefde,
+we verlangen ernaar, ze broeders te mogen noemen. En hoe antwoorden
+ze ons? Met beleediging en hoon en spot: ze ontzeggen ons zelfs het
+recht ons menschelijke wezens te noemen. Er is geen God, geen hoop,
+geen menschlievendheid: er is alleen maar 't recht van den sterkste!"
+
+Ibarra was zenuwachtig, zijn heele lichaam beefde.
+
+Ze gingen 't paleis van den _capitan general_ voorbij, en meenden
+bij de wacht beroering en onrust te ontwaren.
+
+"Zou de vlucht ontdekt zijn?" mompelde Elias.
+
+"Gaat u liggen, meneer, dan kan ik u met het _zacate_-gras bedekken;
+want we komen zoo meteen voorbij 't kruitmagazijn, en 't mocht den
+schildwacht 's verdacht voorkomen, dat we met ons beiden zijn."
+
+De _bangka_ was een van die ranke smalle kano's, die niet drijven,
+maar over 't water heenglijden.
+
+Zooals Elias voorzien had, hield de schildwacht hem aan, en vroeg
+hem waar hij vandaan kwam.
+
+"Van Manila, ik heb _zacate_ gebracht aan de rechters en aan de
+pastoors," antwoordde hij, handig den tongval der lieden van _Pandakan_
+nabootsend.
+
+Een onderofficier kwam voor den dag, en stelde zich op de hoogte van
+'t geen er plaats had.
+
+"_Soeloeng!_ (Ga door!)" zeide deze tot hem, "ik waarschuw je dat je
+niemand in je _bangka_ mag nemen, want er is zoo juist een gevangene
+ontsnapt. Als je hem oppakt en aan mij uitlevert, zal ik je een goede
+fooi geven."
+
+"Goed, meneer. Hoe ziet hij eruit?"
+
+"Hij draagt een gekleede jas en spreekt Spaansch. Dus, opgepast!"
+
+De _bangka_ verwijderde zich. Elias wendde het hoofd om, en zag het
+silhouet van den schildwacht, staande bij den oever.
+
+"We zullen eenige minuten oponthoud hebben," zeide hij zacht, "we
+moeten de Beatarivier op, om te doen alsof ik van Pena Francia ben. U
+zult de rivier zien, die bezongen is door Francisco Baltasar."
+
+Het dorp sliep in 't maanlicht. Crisóstomo stond op, om de
+kerkhofachtige vredigheid der natuur te bewonderen. De rivier was
+breed en haar oevers waren vlak en bebouwd met _zacate_-gras.
+
+Elias wierp zijn vracht aan den oever neer, greep een lange bamboe
+en haalde onder uit het gras eenige lege _wajons_ of zakken van
+palmblad. Ze voeren verder.
+
+"U bent vrij in uw doen en laten, meneer, en over uw toekomst beschikt
+u zelf," zeide hij tot Crisóstomo, die bleef zwijgen. "Maar als ik een
+opmerking mag maken, dan moet ik u zeggen: Denk er wel goed over na,
+wat u gaat doen, u gaat een oorlog aanstoken, want u heeft geld en
+verstand, en u zult al heel gauw veel hulp vinden: noodlottigerwijze
+zijn er veel ontevredenen. Maar, in de worsteling die u gaat beginnen,
+zullen het de onbeschermden en onschuldigen zijn die 't meest te
+lijden krijgen. Dezelfde gevoelens, die een maand geleden maakten,
+dat ik me tot u wendde om hervormingen te vragen, zijn het ook die
+me nu drijven om u te zeggen, dat u zich wel bedenken moet. Het land
+denkt er niet aan, meneer, zich los te maken van het moederland: het
+vraagt alleen een beetje vrijheid, gerechtigheid en liefde. U zult
+hulp krijgen van de ontevredenen, de misdadigers, de wanhopigen, maar
+het volk zelf zal zich onthouden. U vergist u, wanneer u, nu u alles
+donker ziet, denkt dat het land wanhopig is. Het land lijdt, jawel,
+maar het hoopt ook nog, het gelooft, en zal alleen dan opstaan wanneer
+het zijn geduld kwijt raakt, dat wil zeggen, wanneer zij die besturen
+het willen, en dat is nog ver-af. Ik zelf zal u niet volgen: ik zal
+nooit mijn toevlucht nemen tot zulke uiterste middelen, zoolang ik
+hoop zie in de menschen."
+
+"Dan ga ik zonder u!" antwoordde Crisóstomo vastberaden.
+
+"Is dat uw vast besluit?"
+
+"Vast en eenig, bij de nagedachtenis van mijn vader. Ik laat me niet
+straffeloos mijn rust en mijn geluk afnemen, ik die alleen 't goede
+verlangd heb, ik die alles heb geëerbiedigd en geleden om der wille
+van een schijnheiligen godsdienst, uit liefde voor een vaderland. Hoe
+hebben ze 't me vergolden? Ze hebben me in een eerloos cachot gegooid,
+en mijn aanstaande vrouw geprostitueerd. Nee, me niet wreken zou
+een misdaad wezen, dat zou 't zelfde wezen als ze aan te moedigen
+tot nieuwe ongerechtigheden! Nee, 't zou lafheid, kleinmoedigheid
+wezen, te stenen en te klagen wanneer er bloed en leven is, wanneer
+bij beleediging en uittarting nog hoon komt! Ik zal 't domme volk
+oproepen, ik zal 't zijn ellende laten zien. Laat het niet denken
+aan broeders. Er zijn alleen wolven, die elkaar verslinden. En ik
+zal hun zeggen dat tegen die onderdrukking 't eeuwige recht van den
+mensch opstaat en opkomt, om zijn vrijheid te veroveren."
+
+"'t Onschuldige volk zal lijden!"
+
+"Des te beter. Kunt u me naar 't gebergte brengen?"
+
+"Totdat u in veiligheid is!" antwoordde Elias.
+
+Weer kwamen ze op de Pasig-rivier uit. Ze spraken van tijd tot tijd
+over onverschillige dingen.
+
+"Santa Anna!" mompelde Ibarra, "u kent dat huis zeker wel?"
+
+Ze kwamen voorbij het landhuis der Jezuïeten.
+
+"Daar heb ik heel wat gelukkige en vroolijke dagen gesleten!" zuchtte
+Elias. "In mijn tijd kwamen we er iedere maand... toen was ik als
+de anderen: ik had fortuin, familie, ik droomde van een toekomst
+en zag die reeds half. In die dagen kwam ik mijn zuster opzoeken in
+'t _colegio_ in de buurt. Ze gaf me dan een werkje van haar...ze had
+een vriendinnetje bij zich, een mooi jongmeisje. Alles is voorbij
+als een droom."
+
+Ze bleven zwijgen tot ze aan _Malapad nabato_ (breede rots)
+kwamen. Zij, die wel eens 's nachts de Pasig hebben bevaren, in een
+van die tooverachtige nachten, die men op de Filippijnen kan hebben,
+wanneer de maan van 't kristalhelder azuur weemoedvolle poëzie
+uitstort; wanneer de schaduwen de ellende der menschen verbergen,
+en de stilte de armzalige klanken hunner stem verdooft; wanneer
+alleen de natuur spreekt, dezulken zullen begrijpen wat de beide
+jonge mannen overdachten.
+
+Te _Malapad nabato_ was de _carabinero_ slaperig, en ziende dat de
+_bangka_ leeg was, en geen buit opleverde--hij zou die anders inhalen,
+naar de traditioneele gewoonte van zijn korps en 't aan zijn ambt
+verbonden gebruik--liet hij de reizigers gemakkelijk door.
+
+De _guardia civil_ van Pasig vermoedde ook niets, en ze werden niet
+lastig gevallen.
+
+'t Begon te dagen, toen ze aan 't meer kwamen. 't Lag daar glad en
+rustig als een reusachtigen spiegel. De maan verbleekte, en het Oosten
+tintte zich met een rooskleurige gloed. Op eenigen afstand werden ze
+een grijze massa gewaar, die langzaam naderbij kwam.
+
+"De _falua_--het politie-vaartuig--komt," fluisterde Elias. "Leg u
+neer, en ik zal u toedekken met die zakken."
+
+De gedaante van 't vaartuig werd duidelijker waarneembaar.
+
+"Ze gaan tusschen den wal en ons," merkte Elias ongerust op. En hij
+wijzigde langzamerhand de koers van zijn _bangka_, roeiend in de
+richting van Binangonan. Tot zijn groote schrik bespeurde hij dat de
+_falua_ ook van koers veranderde, terwijl een stem hem aanriep.
+
+Elias hield stil en dacht na. De oever was nog ver af, en weldra
+zouden ze in 't bereik van de geweren der _falua_ zijn. Hij dacht
+erover de Pasig weer op te varen: zijn _bangka_ ging sneller dan 't
+andere vaartuig. Doch tot overmaat van ramp kwam er een andere _bangka_
+van de Pasig. En men kon de helmen en bajonetten der _guardias civiles_
+reeds zien blinken.
+
+"We zijn in den val!" mompelde hij, verbleekend.
+
+Hij keek naar zijn stevige armen, en 't eenig besluit nemende dat hem
+mogelijk bleef, begon hij uit alle macht te roeien in de richting van
+'t eiland _Taljim_. Inmiddels kwam de zon op.
+
+De _bangka_ gleed snel voort. Elias zag op de _falua_, die bijdraaide,
+eenige mannen staan, die hem wenkten.
+
+"Kunt u een _bangka_ besturen?" vroeg hij aan Ibarra.
+
+"Jawel; waarom?"
+
+"Omdat we verloren zijn, als ik niet in 't water spring, en ze van
+'t spoor leid. Zij zullen me vervolgen, ik zwem en duik goed... ik zal
+ze van u afleiden. Daarna moet u maar zien dat u in veiligheid komt."
+
+"Nee. Blijf, en laten we ons leven duur verkoopen!"
+
+"Dat zou niets geven: we hebben geen wapens en met hun geweren schieten
+ze ons als vogeltjes neer."
+
+Op dat oogenblik klonk er een eigenaardig gesis in 't water, alsof
+er een heet voorwerp in viel. Onmiddellijk volgde een knal.
+
+"Ziet u wel?" zeide Elias, zijn riem in de _bangka_ leggend.
+
+"We zien mekaar terug op kerstnacht op 't graf van uw grootvader. Red
+u!"
+
+"En u?"
+
+"God heeft me wel voor grooter gevaren behoed."
+
+Elias trok zijn kiel uit. Een kogel rukte dien uit zijn handen,
+en twee knallen klonken achter elkaar. Zonder te ontstellen, drukte
+hij Ibarra's hand. Deze bleef uitgestrekt op den bodem der _bangka_
+liggen. Hij zelf sprong in 't water, met zijn voet het ranke vaartuigje
+wegduwend.
+
+Men hoorde verscheidene kreten, en weldra verscheen op eenigen afstand
+het hoofd van den jongeman boven water, om adem te halen. Onmiddellijk
+daarop verdween 't weer.
+
+"Daar, daar is hij!" schreeuwden er ettelijken tegelijk, en weer
+floten de kogels.
+
+De _falua_ en de _bangka_ begonnen hem beide na te zetten: een flauwe
+zogstreep teekende zijn koers, waarbij hij zich telkens verder van
+Ibarra's vaartuig verwijderde, dat nu dobberde alsof het verlaten
+was. Iedere keer dat de zwemmer het hoofd boven water stak, om op
+adem te komen, schoten de _guardias civiles_ en _falua_-mannen op hem.
+
+De jacht duurde voort. De kleine _bangka_ van Ibarra was al ver weg, de
+zwemmer naderde allengs den oever, die nu op een vijftig vadem afstands
+voor hem lag. De roeiers waren reeds vermoeid, doch Elias was 't ook,
+want hij kwam nu telkens met het hoofd boven, en telkens in een andere
+richting als om zijn vervolgers van de wijs te brengen. Nu verried
+het zog niet meer de koers van den duiker. Voor de laatste maal zagen
+ze hem dicht bij den oever, op een tien vadem afstand ongeveer. Ze
+vuurden...daarna gingen er ettelijke minuten voorbij: er kwam niets
+meer aan de oppervlakte van 't meer, dat nu rustig en verlaten was.
+
+Een half uur later beweerde een roeier in 't water, bij den oever,
+sporen van bloed te zien, doch zijn kameraden schudden het hoofd,
+met een uitdrukking op 't gelaat die zoowel ja als neen kon beteekenen.
+
+
+
+
+LX.
+
+Padre Dámaso verklaart zich.
+
+
+Tevergeefs hoopten zich op een tafel de kostbare bruiloftsgeschenken
+op: noch de briljanten in hun blauw fluweelen etuis, noch de
+borduurwerken van _pina_, noch de stukken zijde trokken de blikken
+van Maria Clara tot zich. Het jonge meisje staart, zonder te zien
+noch te lezen, op de courant, die verhaalt van den dood van Ibarra,
+van zijn verdrinken in 't meer.
+
+Plotseling voelt ze dat er twee handen op haar oogen gelegd worden,
+die haar tegenhouden, en een vroolijke stem, die van padre Dámaso,
+zegt tot haar:
+
+"Wie ben ik? wie ben ik?"
+
+Maria Clara springt op van haar stoel, en kijkt hem met ontsteltenis
+aan.
+
+"Dwaze meid, was je bang, zeg? Je hadt me niet verwacht, wel? Nu,
+ik ben van uit de provincie gekomen, om je bruiloft bij te wonen."
+
+En met een lachje van vergenoegdheid stak hij haar de hand toe, om
+die te kussen. Maria Clara boog bevend, en bracht de hand eerbiedig
+aan haar lippen.
+
+"Wat is er, Maria?" vroeg de Franciskaan, zijn vroolijken glimlach
+verliezend, en met zekere ongerustheid, "je handje is koud, je wordt
+bleek...ben je ziek, mijn kindje?"
+
+En Padre Dámaso trok haar naar zich toe met een teederheid, waartoe
+men hem niet in staat zou achten, greep haar beide handen, en keek
+haar vragend aan.
+
+"Heb je geen vertrouwen meer in je peet?" vroeg hij op een verwijtenden
+toon. "Kom, ga nu hier zitten, en vertel me 's al je narigheidjes,
+zooals je dat deed toen je nog een kind was, toen je kaarsen wou
+hebben, om er wassen poppetjes van te maken. Je weet wel dat ik altijd
+van je gehouden heb...ik heb je nooit een standje gegeven..."
+
+Padre Dámaso's stem was niet meer stuursch, en kreeg zelfs hartelijke
+toonbuigingen. Maria Clara begon te schreien.
+
+"Schrei je, m'n kind? Waarom schrei je? Heb je ruzie met Linares
+gehad?"
+
+Maria hield haar ooren dicht.
+
+"Niets over hem...nu!" riep het jongemeisje.
+
+Padre Dámaso keek haar vol verbazing aan.
+
+"Wil je me je geheimen niet toevertrouwen? Heb ik niet altijd getracht
+je kleine grillen te bevredigen?"
+
+Het jongemeisje hief haar betraande oogen naar hem op, keek hem een
+wijle aan, en begon dan weer bitter te schreien.
+
+"Schrei toch zoo niet, mijn lieveling, want je tranen doen me
+pijn! Vertel me je smart. Je zult zien hoe je peetvader je liefheeft!"
+
+Maria Clara kwam langzaam naar hem toe, viel op haar knieën, en haar
+in tranen badend gezichtje tot hem opheffend, zeide ze heel zacht,
+nauw hoorbaar:
+
+"Houdt u nog van me?"
+
+"Kind?"
+
+"Dan...bescherm dan mijn vader en verbreek mijn huwelijk!"
+
+En het jongemeisje vertelde hem haar ontmoeting met Ibarra, doch
+verborg hem het geheim harer geboorte.
+
+Padre Dámaso kon zijn ooren nauwelijks gelooven.
+
+"Zoolang hij leefde," hervatte het jongemeisje, "wilde ik nog strijden,
+hoopte en vertrouwde ik nog. Ik wilde leven, om over hem te hooren
+spreken...maar nu ze hem vermoord hebben, nu is er geen reden voor
+mij om nog te leven en te lijden."
+
+Ze zei dit alles langzaam, zacht, bedaard en zonder tranen.
+
+"Maar, dwaas kind, is dan Linares niet duizendmaal beter dan?..."
+
+"Toen hij nog leefde, kon ik gaan trouwen...ik was van plan daarna
+te vluchten...mijn vader beoogt niet anders dan de familiebetrekking
+aan te knoopen! Nu hij dood is, zal niemand anders me zijn vrouw
+noemen...Toen hij nog leefde kon ik me verlagen, toen bleef me nog de
+troost, te weten dat hij bestond, en misschien aan mij zou denken. Nu
+hij dood is...'t klooster of 't graf."
+
+De toon waarop 't meisje sprak, had zulk een vastheid, dat padre
+Dámaso's vroolijk gezicht geheel veranderde en een diep-peinzende
+uitdrukking kreeg.
+
+"Had je 'm zoo lief?" vroeg hij stamelend.
+
+Maria Clara antwoordde niet. Fray Dámaso liet het hoofd op de borst
+zakken en bleef zwijgen.
+
+"Mijn kind!" riep hij met smart bewogen stem, "vergeef me dat ik je
+ongelukkig gemaakt heb, zonder het te weten. Ik dacht aan je toekomst,
+ik wilde niets dan je geluk. Hoe kon ik toestaan dat je trouwde
+met iemand van 't land, om je als vrouw ongelukkig en als moeder al
+even rampzalig te zien? Ik kon je liefde niet uit je hoofd wegnemen,
+en ik verzette me met alle macht er tegen; ik maakte misbruik van
+alles, om jou, alleen maar om jou. Als je zijn vrouw geworden was,
+zou je later geschreid hebben, om den toestand van je man: die zou
+aan allerlei geweldenarijen blootgestaan hebben; als moeder zou je
+geschreid hebben om je kinderen; als je ze opvoedde bereidde je hun
+een droevige toekomst; dan werden 't vijanden van den godsdienst, en
+zou je ze opgehangen of verbannen zien. Als je ze onwetend liet, zou je
+ze getiranniseerd en gesmaad zien! Daar kon ik niet in treden! Daarom
+zocht ik een man voor je, die je de gelukkige moeder zou kunnen maken
+van kinderen die heerschen en niet hoeven te gehoorzamen aan anderen,
+die straf opleggen en niet zelf lijden...Ik wist dat je jeugdvriend
+goed was, ik hield van hem als zijn vader, maar ik haatte hem van af
+'t oogenblik dat ik zag dat hij je in 't ongeluk zou storten. Want
+ik heb je lief, ik aanbid je, ik hou van je zooals men een dochter
+liefheeft. Ik heb geen liefde boven die voor jou. Ik heb je zien
+groot worden. Er gaat geen uur voorbij dat ik niet aan je denk. Ik
+droom van je. Je bent mijn eenige vreugde."
+
+En Padre Dámaso barstte in schreien uit als een kind.
+
+"Nu goed, als u me liefheeft, maak me dan niet eeuwig ongelukkig. Hij
+leeft niet meer, ik wil non worden."
+
+"Non worden, non worden!" herhaalde hij. "Jij weet niet mijn lieveling,
+hoe 't leven is, dat verborgen ligt achter de kloostermuren, je
+kent het niet. Ik zie je duizendmaal liever ongelukkig in de wereld
+dan in 't klooster...Hier kunnen je klachten gehoord worden; daar
+hooren alleen de muren je...Je bent mooi, heel mooi, en je bent niet
+bestemd voor de bruid van Christus. Geloof me, mijn kind, de tijd
+wischt alles uit. Later zul-je vergeten, je zult weer liefhebben,
+je zult je man liefhebben...Linares."
+
+"Of 't klooster of...dood," herhaalde Maria Clara.
+
+"'t Klooster, het klooster of dood!" riep Padre Dámaso uit. "Maria, ik
+ben al oud, ik zal niet langer kunnen waken over jou en je rust...Zoek
+wat anders, een andere liefde, een anderen jongeman, wie 't ook zij,
+alles liever dan 't klooster."
+
+"Naar 't klooster of dood!"
+
+"Mijn God, mijn God!" riep de priester, zich het gelaat met de handen
+bedekkend. "Gij straft me, 't zij zoo. Maar behoed mijn kind.."
+
+En zich tot het jongemeisje wendend, zeide hij:
+
+"Je wilt dus non worden? Goed, je zult 't zijn, ik wil je dood niet."
+
+Maria Clara greep hem beide handen, drukte ze en kuste ze knielend.
+
+"Mijn peetvader, mijn lieve peetvader!" stamelde ze.
+
+"Mijn God, ge bestaat, want ge kastijdt! Maar wreek u op mij, en tref
+niet dat onschuldige, red mijn dochter."
+
+
+
+
+LXI.
+
+De "Heilige Nacht."
+
+
+Daarboven, op de helling van een berg, bij een stortbeek, staat
+tusschen geboomte verscholen een op boomstammen gebouwde hut. Op
+het dak van _kogon_ [76] slingert en rankt, beladen met vruchten en
+bloemen, de kalebas-plant. Hertegewei, schedels van wilde varkens
+eenige met lange slagtanden versieren de landelijke woonstede. Daar
+huist een Tagaalsch gezin dat zich wijdt aan jacht en houthakken.
+
+In de schaduw van een boom maakt de grootvader bezems van de middennerf
+van palmbladeren, terwijl een jongmeisje kippeneieren, citroenen en
+groenten in een mand legt. Twee kinderen, een jongen en een meisje,
+spelen naast een knaap die, bleek-weemoedig, met groote oogen en diepen
+blik, op een gevallen boomstam zit. In zijn vermagerde gelaatstrekken
+herkennen we Sisa's zoon Basilio, den broer van Crispin.
+
+"Wanneer je been beter is", zeide het meisje tot hem, "gaan we
+verstoppertje spelen, en ik zal moedertje zijn."
+
+"Je klimt dan met ons mee op den top van den berg," voegde het knaapje
+erbij, "dan krijg je hertebloed met citroen te drinken, daar word-je
+dik van. En dan zal ik je leeren springen, van de eene rots op de
+andere, boven de stortbeek."
+
+Basilio lachte droef, keek naar de wond aan zijn voet, en richtte
+dan den blik naar de zon, die schitterend scheen.
+
+"Verkoop die bezems," zeide de grootvader tot het jonge meisje,
+"en koop iets voor je broertje en je zusje, want 't is vandaag feest."
+
+"Voetzoekers, ik wil voetzoekers!" riep de jongen.
+
+"Ik een kop voor mijn pop!" riep het meisje, haar zuster bij haar
+kleedje grijpend.
+
+"En jij, wat wil jij?" vroeg de grootvader aan Basilio.
+
+Deze stond met moeite op, en kwam naar den ouden man toe.
+
+"Meneer," zeide hij tot hem, "ik ben dus nu meer dan een maand ziek
+geweest?"
+
+"Sedert dat we je flauw en vol wonden vonden liggen, zijn er twee
+maanden om. We dachten dat je sterven..."
+
+"God moge 't u vergelden. Wij zijn heel arm!" antwoordde Basilio, "maar
+nu het toch feestdag is, wil ik naar het dorp gaan, om mijn moeder
+of mijn broertje op te zoeken. Ze zullen wel ongerust om me zijn."
+
+"Maar, m'n jongen, je bent nog niet beter en je dorp ligt ver weg:
+je komt er niet vóór middernacht."
+
+"Dat is niets, meneer! Mijn moeder en mijn broertje moeten erg bedroefd
+wezen: alle jaren vieren we dit feest samen...verleden jaar hebben
+we met ons drieën een heele visch opgegeten... Moeder moet zeker
+geschreid hebben, toen ze me zocht."
+
+"Je komt niet levend in 't dorp, jongen! Vanavond hebben we kip
+en wild-zwijnsvleesch. Mijn zoons zullen je zoeken, wanneer ze van
+'t veld terugkomen..."
+
+"U heeft veel zoons, en mijn moeder heeft niet anders dan ons
+beiden. Misschien denkt ze dat ik al dood ben. Vanavond wil ik haar
+een pleziertje aandoen, een nieuwjaars-cadeautje van God gaan brengen:
+een zoon."
+
+De oude man voelde zijn oogen vochtig worden, legde de hand op het
+hoofd van den knaap, en zeide aangedaan:
+
+"Je lijkt een oude man! Goed, ga dan maar, zoek je moeder, geef haar
+'t kerstcadeautje...van God, zooals jij zegt. Als ik den naam van je
+dorp geweten had, was ik er wel heengegaan, toen je ziek was."
+
+"Ga je heen?" vroeg het jongetje. "Daar beneden zijn soldaten, er
+zijn veel roovers. Wil je mijn voetzoekers niet zien? Pief paf poef!"
+
+"Wil je geen blindemannetje spelen, met verstoppen?" vroeg op haar
+beurt het meisje. "Heb je je wel 's verstopt? Niet-waar, er is niets
+zoo prettig als achternagezet te worden en je dan te verstoppen!"
+
+Basilio glimlachte. Hij greep zijn stok, en met tranen in de oogen
+zeide hij:
+
+"Ik kom gauw terug, ik breng mijn broertje mee: je zult hem zien en
+met hem spelen. Hij is even groot als jij."
+
+"Loopt hij ook mank?" vroeg het meisje, "dan zullen we hem 'moedertje'
+laten wezen bij 't "_pico-pico_"-spel."
+
+"Vergeet ons niet," zei de oude man; "neem dezen plak wildzwijnsvleesch
+mee, en geef dien aan je moeder."
+
+De kinderen vergezelden hem tot aan de bamboebrug over de stortbeek
+met zijn klaterenden loop.
+
+Lucia liet hem op haar arm leunen, en ze verdwenen uit het gezicht
+der kinderen.
+
+Basilio stapte luchtig voort, in weerwil van zijn omzwachtelden voet.
+
+
+
+De noorden wind giert, en de bewoners van San Diego bibberen van koude.
+
+'t Is kerstnacht, en toch is het dorp triestig. Geen enkele papieren
+lantaren hangt uit de vensters, geen enkel geluid in de huizen duidt
+op verheugenis als in andere jaren.
+
+In de "opkamer" van _Capitán_ Basilio's huis zaten deze en Don
+Filipo, wiens ongeluk hen beiden tot vrienden gemaakt had, naast een
+tralievenster te praten; terwijl aan 't andere Sinang, haar nichtje
+Victoria en de mooie Iday naar de straat uitkeken.
+
+De afnemende maan begon aan de kim te blinken, en verzilverde wolken,
+boomen en huizen, overal lange en fantastische schaduwen werpend.
+
+"Je bent er genadig afgekomen, hoor, zoo vrijgesproken te worden,
+in deze tijden!" zeide Capitán Basilio tot Don Filipo. "Je boeken
+hebben ze wel verbrand, maar anderen hebben meer verloren."
+
+Een vrouw naderde het tralievenster, en keek naar binnen. Haar oogen
+schitterden, haar gelaatstrekken waren vermagerd, heur haar loshangend
+en verward. De maneschijn gaf haar een vreemd aanzien.
+
+"Sisa!" riep Don Filipo verbaasd, en zich tot _Capitán_ Basilio
+wendend, vroeg hij, terwijl de krankzinnige vrouw zich verwijderde:
+
+"Was ze niet bij een dokter in huis? Is ze al genezen?"
+
+_Capitán_ Basilio lachte bitter.
+
+"De dokter was bang, dat ze hem zouden beschuldigen, een vriend van
+Don Crisóstomo te wezen, en heeft haar weggezonden.
+
+"Nu dwaalt ze weer even gek als te voren rond. Ze zingt, doet niemand
+kwaad, en woont in 't bosch..."
+
+"Wat is er meer in 't dorp gebeurd sinds wij 't verlaten hebben? Ik
+weet dat we een nieuwen pastoor en een anderen _alférez_ hebben."
+
+"Vreeselijke tijden, de menschheid gaat achteruit!" mompelde _Capitán_
+Basilio, terwijl hij aan 't verleden dacht. "Je zult 's zien: den dag
+volgende op jouw vertrek vonden ze den hoofdkoster opgehangen aan de
+zoldering van zijn huis. Padre Salvi was erg naar over zijn dood,
+en nam al zijn papieren in beslag. Och en de filosoof Tasio is ook
+al gestorven, en dien hebben ze op 't Chineesche kerkhof begraven."
+
+"Arme Don Anastasio!" zuchtte Don Filipo. "En zijn boeken?"
+
+"Die werden verbrand door de vromen die zoo Gode welgevallig meenden
+te zijn. Ik heb niets kunnen redden, zelfs niet Cicero's werken... en
+de _gobernadorcillo_ deed niets om het te beletten."
+
+Beiden zwegen.
+
+Op dat oogenblik hoorde men het droeve weemoedige zingen der
+krankzinnige.
+
+"Weet je wanneer Maria Clara gaat trouwen?" vroeg Iday aan Sinang.
+
+"Ik weet het niet," antwoordde deze. "Ik heb een brief van
+haar ontvangen, maar ik maak hem niet open, uit vrees van 't te
+vernemen. Arme Crisóstomo!"
+
+"Ze zeggen dat het alleen aan Linares te danken is, dat _Capitán_ Tiago
+niet opgehangen wordt. Wat zou Maria Clara dan moeten beginnen?" merkte
+Victoria op.
+
+Een knaap kwam strompelend voorbij. Hij liep in de richting van het
+plein, waar de zang van Sisa te hooren was. 't Was Basilio. Het kind
+had zijn huis verlaten en vervallen gevonden. Na allerlei vragen,
+kon hij alleen te weten komen dat zijn moeder gek was en in 't dorp
+ronddoolde. Over Crispin geen enkel woord.
+
+Basilio had zijn tranen ingeslikt, zijn smart verstikt, en, zonder te
+rusten, was hij erop uitgegaan om zijn moeder te zoeken. Hij kwam in
+'t dorp aan, vroeg naar haar, en een eigenaardig gezang trof zijn
+ooren. Het ongelukkige ventje bedwong het beven van zijn beenen,
+en wilde hard vooruitloopen om in de armen van zijn moeder te ijlen.
+
+De krankzinnige verliet het plein, en kwam voor het huis van den
+nieuwen _alférez_. Nu was er evenals te voren een schildwacht voor de
+deur, en het hoofd van een vrouw vertoonde zich aan het venster. Doch
+'t was niet de Medusa, 't was een jonge vrouw: _alférez_ en ongelukkig
+getrouwd is niet hetzelfde.
+
+Sisa begon voor het huis te zingen, en keek naar de maan, die
+met grootsche pracht tusschen gouden wolken aan een blauwen hemel
+prijkte. Basilio zag zijn moeder, maar waagde het niet naderbij
+te komen. Wellicht wachtte hij tot de jonge vrouw vandaar weg zou
+gaan. Hij liep heen en weer, maar zorgde ervoor niet te dicht bij de
+kazerne te komen.
+
+De jonge vrouw aan het venster luisterde aandachtig naar de zang der
+krankzinnige, en gaf den schildwacht bevel, haar boven te laten komen.
+
+Toen Sisa den soldaat op zich af zag komen en zijn stem hoorde, kreeg
+ze een vreeselijken schrik, en zette het op een loopen, zoo hard als ze
+maar kon. Basilio liep haar achterna, en vreezende dat hij haar uit het
+oog zou verliezen, dacht hij daarbij niet aan de pijn aan zijn voeten.
+
+"Kijk 's hoe die jongen de krankzinnige naloopt!" riep een
+dienstmeisje, dat op straat was, verontwaardigd uit.
+
+En ziende dat hij doorging met haar te achtervolgen, nam ze een steen
+op, en wierp dien naar hem toe.
+
+"Daar, pak aan!" riep ze. "Hoe jammer dat de hond vastligt."
+
+Basilio voelde een tik tegen zijn hoofd, maar bleef doorloopen zonder
+er acht op te slaan. De honden blaften, de ganzen kwakkelden, enkele
+vensters gingen open, en nieuwsgierigen vertoonden zich. Andere werden
+gesloten, omdat men vreesde voor een tweeden nacht van oproer.
+
+Ze kwamen buiten het dorp. Sisa begon haar vlucht te matigen; een
+groote afstand scheidde haar van haar vervolger.
+
+"Moeder," riep Basilio, toen hij zag dat ze minder snel liep.
+
+De krankzinnige hoorde nauwelijks de stem, of ze begon opnieuw hard
+te loopen.
+
+"Moeder, ik ben 't!" riep de knaap wanhopig.
+
+De krankzinnige hoorde 't niet. De zoon volgde hijgend.
+
+De bebouwde velden waren achter den rug, en ze bevonden zich in de
+nabijheid van 't bosch.
+
+Basilio zag zijn moeder daar ingaan, en hij drong er ook in door. De
+struiken en heesters, de doornige rotanplanten en uitstekende
+wortels beletten beider voortgang. De knaap volgde het silhouet
+van zijn moeder, nu en dan beschenen door de stralen der maan, die
+doordrongen op de open plekken en door de takken der boomen. Het was
+het geheimzinnige bosch van Ibarra's familie.
+
+De jongen struikelde verscheidene malen en viel, maar hij stond weer
+op, voelde geen pijn. Zijn heele ziel trok zich samen in zijn oogen,
+die de geliefde gestalte volgden.
+
+Ze gingen de beek over, die zacht murmelde. De dorens der
+bamboestengels, die in de modder van den oever waren gevallen,
+drongen diep in zijn naakte voeten. Basilio bleef niet staan, om ze
+te verwijderen.
+
+Tot zijn groote verbazing zag hij dat zijn moeder onder het dichte
+geboomte doorliep, en de houten deur openstiet, die het graf van den
+ouden Spanjaard aan den voet van den _baliti_-boom afsloot.
+
+Basilio trachtte hetzelfde te doen, maar hij vond de deur dicht. De
+krankzinnige verdedigde den ingang met haar ontvleesde armen, en haar
+hoofd met de fladderende haren, hem uit alle macht gesloten houdend.
+
+"Moeder, ik ben 't, ik ben 't, ik ben Basilio, uw zoon!" kreet de
+uitgeputte jongen, terwijl hij op den grond in elkaar zakte.
+
+Doch de krankzinnige week niet. Met haar voeten op den grond steunende,
+bood ze een krachtigen tegenstand.
+
+Basilio beukte tegen de deur met zijn vuist, met zijn hoofd, dat van
+bloed stroomde, hij schreide, doch alles tevergeefs. Hij stond met
+moeite op, keek naar den muur, dacht erover dien over te klauteren,
+maar hij vond niets dat hem er op helpen kon. Hij liep er toen omheen,
+en zag een tak van de noodlottige _baliti_, die over dien van een
+anderen boom heen groeide. Hij klom er tegen op: zijn kinderlijke
+liefde deed wonderen. En van tak tot tak kwam hij aan de _baliti_,
+en zag zijn moeder, die nog steeds met het hoofd de bladen der deur
+dichthield.
+
+Het gedruisch dat hij in de takken maakte, trok Sisa's aandacht. Ze
+keerde zich om, en wilde wegvluchten, maar haar zoon liet zich uit
+den boom neervallen, omhelsde haar en bedekte haar met kussen. Doch
+daarna verloor hij 't bewustzijn.
+
+Sisa zag zijn voorhoofd vol bloed. Ze bukte over hem heen, haar oogen
+schenen uit hun kassen te zullen springen. Ze keek hem in 't gelaat,
+en die bleeke trekken brachten een schok teweeg in de ingesluimerde
+cellen van haar brein, iets als een vonk gloorde op in haar geest, ze
+herkende haar zoon, en, een kreet slakend, viel ze op den bezwijmden
+knaap, hem kussend en omhelzend.
+
+Moeder en zoon bleven roerloos liggen.
+
+Toen Basilio weer bijkwam, vond hij zijn moeder bewusteloos. Hij riep
+haar, overstelpte haar met de liefste naampjes, en, ziende dat ze niet
+ademde, en niet bijkwam, stond hij op, ging naar de beek, om water te
+halen, in een pisang blad, en besprenkelde daarmee het bleeke gelaat
+zijner moeder. Doch de krankzinnige verroerde zich niet in 't minst,
+haar oogen bleven gesloten.
+
+Basilio keek haar ontsteld aan. Hij legde zijn oor tegen haar hart,
+maar de magere, dorre boezem was koud, en 't hart klopte niet meer. Hij
+deed zijn lippen tegen de hare, en ontwaarde geen ademtochtje. De
+rampzalige knaap omhelsde het lijk, en schreide bitter.
+
+De maan blonk in den heerlijk helderen hemel, het briesje doolde
+zuchtend rond en onder het gras snerpten de krekels.
+
+De nacht van licht en vreugde voor zooveel kinderen, die in de lieve
+schoot van 't gezin het feest der zoetste herinneringen vieren,
+het feest dat den eersten liefdeblik herdenkt, door den hemel naar
+de aarde afgezonden; die nacht waar in alle christelijke gezinnen
+eten, dansen, lachen, spelen, liefhebben, elkaar kussen...die nacht,
+die in de koude landen tooverachtig is voor de kinderen, met zijn
+traditioneele kerstboom, beladen met lichtjes, poppen, suikergoed en
+klatergoud, waar de groote oogen, waarin onschuld zich afspiegelt,
+verblind naar staren, die nacht had voor Basilio niets te bieden:
+hij werd er wees in. Wie weet? Wellicht spelen ook de kinderen in de
+woonstede van den zwijgenden Padre Salvi. Wellicht zingt men er:
+
+
+ La Nochebuena se viene,
+ La Nochebuena se va... [77]
+
+
+De knaap schreide en kermde lang, en toen hij zijn hoofd ophief,
+zag hij een man voor zich staan, die hem in stilte gadesloeg. De
+onbekende vroeg hem zacht:
+
+"Ben je haar zoon?"
+
+De jongen knikte.
+
+"Wat denk je te doen?"
+
+"Haar begraven!"
+
+"Op 't kerkhof?"
+
+"Ik heb geen geld, en bovendien zou de pastoor het niet toestaan."
+
+"Wat dan?..."
+
+"Als u me zou willen helpen..."
+
+"Ik ben erg zwak," antwoordde de onbekende, die zich allengs op
+den grond had laten neervallen, steunend met beide handen op den
+grond. "Ik ben gewond ...ik heb in twee dagen niet gegeten en niet
+geslapen... Is hier vannacht niemand gekomen?"
+
+De man bleef in gepeinzen verzonken, en sloeg het belangwekkend gelaat
+van den knaap gade.
+
+"Luister!" hervatte hij met zwakker stem. "Ik zal ook dood zijn voordat
+het dag wordt...Op twintig pas van hier, aan den anderen kant van de
+beek, ligt veel brandhout opgestapeld. Haal dat, maak er een stapel
+van, leg onze beide lichamen daarop, dek ze toe, en steek er den
+brand in: laat het goed vlammen, dat we geheel in asch opgaan..."
+
+Basilio luisterde.
+
+"Dan...als er niemand komt...moet je hier graven...dan zul je veel
+goud vinden...dat is alles voor jou...Ga studeeren!..."
+
+De woorden van den onbekende werden telkens moeilijker te verstaan.
+
+"Ga 't brandhout zoeken...ik wil je helpen."
+
+Basilio verwijderde zich. De onbekende wendde het gelaat naar 't
+oosten, en prevelde, als bad hij:
+
+"Ik sterf voordat ik den dageraad heb zien gloren over mijn
+vaderland!... Gij... die dien dageraad zult zien...groet hem... en
+vergeet niet degenen die in den nacht gevallen zijn!"
+
+Hij hief zijn oogen ten hemel, zijn lippen bewogen zich als in gebed,
+daarna boog hij 't hoofd, en zakte langzaam ineen...
+
+Twee uur later bevond zuster Roefa zich op de _batalan_--het erf--van
+haar huis, bezig met haar ochtend-wassching, om daarna naar de mis
+te gaan. De vrome vrouw keek naar 't naburig bosch en zag daar een
+dikke rookwolk opstijgen. Ze fronste de wenkbrauwen en, vol heilige
+verontwaardiging, riep ze uit:
+
+"Wie zou wel die ketter wezen, die daar op een heiligen dag _kaïngin_
+[78] doet? Daar komen al de ongelukken van! Probeer 't 's naar het
+vagevuur te gaan, en je zult 's zien, hoe gauw ik je eruit haal,
+barbaar!"
+
+
+
+
+Nawoord.
+
+
+Daar er nog velen van onze personen in leven, en anderen uit het
+oog verloren zijn, is het onmogelijk een goed "besluit" voor dit
+verhaal te geven. Tot heil van de menschen zouden we met genoegen
+al onze helden en heldinnen naar de andere wereld willen helpen, te
+beginnen met Padre Salvi en te eindigen met Doña Victorina. Maar dat
+gaat niet... Laat ze leven! Per slot van rekening is het niet aan ons,
+maar aan 't land ze in 't leven te houden...
+
+Sinds Maria Clara in 't klooster is gegaan heeft Padre Dámaso het
+dorp verlaten, om in Manila te gaan wonen, evenals Padre Salvi, die,
+terwijl hij een vacante bisschopsmijter afwacht, verscheidene malen in
+de Santa Clara-kerk preekt, in welker klooster hij een belangrijke
+betrekking bekleedt. Niet veel maanden later kreeg Padre Dámaso
+bevel van de zeer eerwaarde Pater Provinciaal, om het pastoorschap
+te gaan vervullen in een zeer verwijderde provincie. Men vertelt
+dat hij daar zoo naar over was, dat men hem den volgenden dag dood
+in zijn slaapkamer vond. Sommigen zeiden dat hij aan een beroerte
+gestorven was, anderen aan een nachtmerrie; doch de geneesheer hief
+allen twijfel op door de verklaring dat hij plotseling gestorven was.
+
+Niemand onzer lezers zou thans _Capitán_ Tiago herkennen, als hij hem
+zag. Reeds weken voordat Maria Clara haar gelofte deed, verviel hij
+in zulk een staat van neerslachtigheid, dat hij begon te vermageren en
+bedroefd te worden, stilzwijgend en wantrouwig, evenals zijn vroegere
+vriend, de ongelukkige _Capitán_ Tinang. Nauw waren de poorten van
+'t klooster gesloten of hij gelastte zijn ontroostbare nicht "Tante
+Isabel!" al wat aan zijne dochter of zijn overleden echtgenoote
+toebehoord had bijeen te pakken, en naar Malabon of San Diego te gaan,
+omdat hij voortaan alleen wilde wonen. Hij wijdde zich toen met woede
+aan het _li-am-po_-spel en aan de hanegevechten, en begon opium te
+schuiven. Hij gaat niet meer naar Antipolo, en laat ook geen missen
+meer lezen. Doña Patrocinio, zijn oude mededingster, viert vromelijk
+haar zegepraal, en zit lekker te snurken onder de preek. Als ge soms
+tegen den avond door de Santo Cristo-straat wandelt zult ge in den
+winkel van een Chinees een geel, mager, krom mannetje zien zitten,
+met holle en slaperige oogen, en vuilkleurige lippen en nagels, die
+naar de menschen kijkt, alsof hij ze niet zag. Tegen den nacht zult
+ge hem met moeite zien opstaan. En, gesteund op een stok, zult ge hem
+zijn schreden zien richten naar een nauw hoekje, waar hij in een vuil
+krot binnen treedt, boven welks deur in groote roode letters te lezen
+staat _Fumadero publico de anfion_ (openbare amfioenkit.) Dit is de
+eenmaal zoo beroemde _Capitán_ Tiago, nu geheel vergeten, tot zelfs
+bij den hoofdkoster.
+
+Doña Victorina heeft bij haar valsche krullen en haar
+"Andaloezisme"--als men ons het woord veroorlooft--nog de nieuwe
+gewoonte gevoegd, om zelf de paarden van haar rijtuig te mennen,
+terwijl ze Don Tiburcio dwingt om stil te zitten. Daar er ten gevolge
+van haar zwak gezicht verscheidene ongelukken voorvielen, draagt ze
+tegenwoordig een bril, die haar wonderfraai staat. De dokter is nooit
+meer bij een zieke geroepen; de bedienden zien hem verscheidene dagen
+van de week zonder tanden, hetwelk, zooals bekend, een veeg teeken
+voor hem is.
+
+Linares, eenige verdediger voor dezen ongeluksvogel, rust sinds lang
+op 't kerkhof te Paco, als slachtoffer van buikloop en de slechte
+behandeling van zijn schoonzuster.
+
+De roemzuchte _alférez_ vertrok naar Spanje als luitenant met den
+rang van _comandante_. Hij liet zijn beminnelijke wederhelft in haar
+flanellen hemd achter, welks kleur onnaspeurbaar is. De arme Ariadne,
+wijdde zich, toen ze zich verlaten zag, evenals Minos' dochter, aan
+den dienst van Bacchus, en aan de beoefening des tabaks; ze drinkt
+en rookt nu met zooveel hartstocht, dat niet alleen de jongemeisjes
+bang voor haar zijn, maar ook de oudjes en de kleine kinderen.
+
+Onze bekenden van San Diego zullen waarschijnlijk nog wel leven, als
+ze ten minste niet omgekomen zijn bij de ontploffing van de stoomboot
+_Lipa_, die de reis naar de provincie deed. Aangezien niemand zich erom
+bekommerde, te weten te komen aan wie de armen en beenen toebehoorden,
+die op 't eiland Convalecencia her en derwaarts verstrooid werden,
+is 't ons volmaakt onbekend, of daaronder ook een onzer bekenden
+voorkwam. We zijn voldaan, evenals het bestuur en de pers van toen,
+met de wetenschap, dat de eenige _fraile_ die aan boord was, er goed
+was afgekomen. Meer vragen we niet. Het voornaamste voor ons is het
+leven der deugdzame geestelijken, wier heerschappij op de Filippijnen
+door God moge behoed worden tot heil onzer zielen.
+
+Van Maria Clara vernam men verder niets meer; 't was of 't graf haar in
+zijn schoot bewaarde. We hebben verscheidene personen van veel invloed
+in 't Santa Clara-klooster naar haar gevraagd, maar niemand heeft
+ons een enkel woord willen zeggen, zelfs niet de vrome vrouwelijke
+kwakzalvers, die de beroemde gebakken kippenlever ontvangen, en de
+nog beroemder saus, genaamd "nonnetjes-saus," die toebereid wordt
+door de vernuftige keukenmeid der Maagden des Heeren.
+
+Doch op een Septembernacht huilde de stormwind en geeselde met
+zijn reuzenvleugels de gebouwen van Manila. De donder ratelde ieder
+oogenblik. Bliksemstralen verlichtten bij wijlen de verwoestingen
+der elementen en dompelden de bewoners in schrik en angst. De regen
+viel bij stroomen. Bij 't weerlicht of een kronkelende bliksemstraal
+zag men een stuk dak, een vensterraam door de lucht vliegen en met
+vreeselijk gedruisch neerploffen: geen rijtuig, geen voetganger ging
+de straat over. Wanneer de heesche echo van den donder, honderdvoudig
+weerkaatst, in de verte wegstierf, dan hoorde men den wind kreunen,
+die den regen deed opdwarrelen, waardoor een herhaald gekletter tegen
+de schelpplaten der gesloten vensters weerklonk.
+
+Twee _guardias_ hadden een schuilplaats gezocht in een gebouw, dat bij
+'t klooster in aanbouw was: 't waren een soldaat en een _distinguido_,
+een als soldaat dienend jongmensch van goede familie.
+
+"Wat doen we eigenlijk hier?" zeide de soldaat. "Niemand gaat hier
+over straat...we moesten liever naar een huis gaan. Mijn 'meisje'
+woont in de _Arzabispo_-straat."
+
+"Dat is een heel eind hiervandaan, ver genoeg om druip-nat te worden."
+
+"Dat 's niks, als we maar niet door den bliksem getroffen worden!"
+
+"Och wat! Wees toch niet bang; de nonnetjes zullen wel een
+bliksemafleider hebben, om er vrij van te blijven."
+
+"Jawel!" zegt de soldaat, "maar waartoe dient die, als de nacht zoo
+donker is?"
+
+En hij sloeg den blik naar boven, om in de duisternis te kijken;
+op dat oogenblik flitsten er een paar bliksemstralen vlak op elkaar,
+gevolgd door een verschrikkelijken donderslag.
+
+"_Nakoe! Soes mari josep!_" [79] riep de soldaat, en sloeg een
+kruis. En zijn kameraad meetrekkende, liet hij volgen: "Kom, laten
+we weggaan!"
+
+"Wat scheelt je?"
+
+"Laten we weggaan, laten we weggaan van hier!" herhaalde hij, terwijl
+zijn tanden van vrees in zijn mond klapperden.
+
+"Wat heb je gezien?"
+
+"Op het dak...dat moet de non wezen die 's nachts gloeiende kolen
+ophaalt!"
+
+De _distinguido_ stak zijn hoofd naar buiten, en wilde zien.
+
+Er flikkerde weer een bliksemstraal, en een vuurader doorkliefde de
+lucht. Een afgrijselijke knal volgde.
+
+"Jezus!" riep hij, eveneens een kruis slaande.
+
+Inderdaad, bij het schitterende licht van 't hemelvuur had hij een
+witte gedaante gezien, die bijna boven op den nok van 't dak stond,
+gelaat en armen naar den hemel opgeheven, als in smeekende houding. De
+hemel antwoordde met donder en bliksem!
+
+Na den donder hoorde men een droef gekreun.
+
+"Dat is de wind niet, dat is het spook!" mompelde de soldaat, als
+ten antwoord op den handdruk van zijn metgezel.
+
+"_Aij! aij!_" klonk het door de lucht, boven het gedruisch van
+den regen uit. De wind kon met zijn gegier die zoete klaagtoon vol
+droefenis niet overstemmen.
+
+Er schitterde weer een bliksemstraal van een verblindende helderheid.
+
+"Nee, 't is het spook niet!" riep de _distinguido_. "Ik heb haar nog
+eens gezien: ze is beeldschoon als de Moedermaagd...Laten we weggaan,
+en het rapporteeren!"
+
+De soldaat liet het zich geen tweemaal zeggen, en beiden trokken af.
+
+Wie kermde en kreunde daar in 't holle van den nacht, ten spijt van
+wind, regen en storm? Wie was de schuchtere maagd, de bruid van Jezus,
+die daar de ontketende elementen trotseerde, en den verschrikkelijken
+nacht en den vrijen hemel uitzocht, om van een gevaarlijke hoogte
+haar klachten ten hemel uit te zuchten? Zou de Heer zijn tempel
+in het klooster verlaten hebben, dat Hij niet meer luistert naar
+gebeden? Zouden zijn gewelven de smachting der ziel niet meer laten
+opstijgen voor den troon des Barmhartigen?
+
+De storm raasde bijna den ganschen nacht door. De heele nacht blonk er
+geen enkele ster. De wanhopige weeklachten, gepaard met de suizingen
+des winds, hielden aan, maar ze vonden natuur en mensch doof: God
+had zich gesluierd en hoorde haar niet.
+
+Den volgenden dag, toen de hemel vrij van donkere wolken was, en de
+zon weder te midden van 't gezuiverd azuur schitterde, hield er een
+rijtuig stil aan de poort van 't Santa Clara-klooster. Er stapte een
+man uit, die verklaarde een vertegenwoordiger van 't gezag te wezen,
+onmiddellijk de abdis te spreken vroeg, en al de nonnen wenschte
+te zien.
+
+Men verhaalt dat er een verscheen met een geheel nat kleed aan,
+dat in flarden neerhing, en dat deze weenend de bescherming van
+den man inriep, vreeselijke beschuldigingen uitsprekend, tegen de
+gewelddaden der huichelarij. Men vertelt ook dat ze beeldschoon was,
+dat ze de heerlijkste, sprekendste oogen ter wereld had.
+
+De vertegenwoordiger van 't gezag nam haar niet tot zich: hij had een
+onderhoud met de abdis, en liet haar aan haar lot over, in weerwil
+van haar smeken en schreien. De jonge non zag de deur sluiten achter
+den man, gelijk de veroordeelde de poorten des hemels voor zich ziet
+dichtgaan, als ooit de hemel zo wreed en ongevoelig kon wezen als de
+menschen. De abdis zeide dat ze krankzinnig was.
+
+De man wist misschien niet dat er in Manila een krankzinnigengesticht
+is, of wellicht oordeelde hij dat het nonnenklooster alleen maar
+zulk een gesticht was; ofschoon men beweert dat die man vrij dom was,
+vooral om uit te maken wanneer iemand bij zijn verstand was of niet.
+
+Men verhaalt ook dat de gouverneur, de heer J. [80] er anders over
+dacht en dat, toen de zaak hem ter oore kwam, hij de krankzinnige
+wilde beschermen, en haar opeischte.
+
+Doch ditmaal verscheen er geen schoon, om hulp smeekend jongmeisje,
+en de abdis stond niet toe dat men in het klooster nasporing deed:
+ze beriep zich daarbij op den godsdienst en de heilige statuten.
+
+Men sprak verder niet over het geval, evenmin als over de rampzalige
+Maria Clara.
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Een dergelijk schilderij bestaat in 't klooster van Antipolo. Noot
+van de Berlijnsche uitgave.
+
+[2] Monniken, volgers van den heiligen Dominicus, stichter der
+Dominikaner-orde, 13e eeuw.
+
+[3] _Mendieta_, zeer bekend personage te Manila, portier van den
+burgemeester, ondernemer van kinder-tooneelvertooningen, directeur
+van een poppen-theater enz. Quiapo, dorpje in de omstreken van Manila.
+
+[4] "Calle" (spr. kaljee) is straat in 't Spaansch.
+
+[5] Een soort bloes.--J.H.
+
+[6] _Sinigang_ is onze _pindang_ (visch-soep); _dalag_ (ophiocephalus)
+groeit in de rivieren, meeren en moerassen en vindt men in den
+regentijd op de rijstvelden en ondergeloopen landen; _alibambang_
+is de bauhinia malabarica Roxb.
+
+[7] De "Biblia" (bijbel) van Torres Amat, aartsbisschop van Tarrogona.
+
+[8] "Toedoeng" zeggen wij in N.-I.
+
+[9] Hier werd de schrijver gefusilleerd.
+
+[10] Wien Jupiter verderven wil, maakt hij eerst waanzinnig.
+
+[11] Zwarte borstelige vezels van de arenpalm (_Arenga pinnata_
+Mer.).--J.H.
+
+[12] bamboe-vloer.
+
+[13] dak-rib.
+
+[14] De zwarte ging zitten en de roode keek hem aan; een oogenblik
+later weerklonk het "kikiriki."
+
+[15] goeden dag.
+
+[16] Een Chinees hazardspel.
+
+[17] "Bangka" een groote roeiboot.
+
+[18] In _kalan_ en _salabat_ zal de Nederlandsch-Indiër gemakkelijk
+het Jav. woord _keren_ (aarde komfoor) en de bekende _serbat_ der
+Maleiers herkennen, die uit water, honing en gember vervaardigd wordt.
+
+[19] _Paäjap_ is Tagaalsch voor _blimbing_
+
+[20] Sor Escucha, letterlijk: "Luister-zuster", omdat het de non was
+belast met het toezicht in de spreekkamer van 't klooster.
+
+[21] _Akteon_, uit de grieksche fabel-leer beloerde Diana toen ze in
+'t bad was. Als straf werd hij in een hert veranderd, dat dadelijk
+door de honden der goddelijke jagers werd verslonden.
+
+[22] Men zegt in de Filippijnen "Convento," lett. klooster, voor het
+huis van den pastoor. Zie b.v. Manuel Scheidnagel: Islas Filippinas.
+
+[23] Maleisch _langsat_; jav. _langsep_.
+
+[24] Heeten te Manila: _chicos_ (kleintjes?). F.
+
+[25] = 6 fanegar = 24 schepels.
+
+[26] Mal.: birah.
+
+[27] Een spel van Chineeschen oorsprong.
+
+[28] _Ñor_, is een verkorting van _Señor, meneer_.
+
+[29] De opperlandvoogd op de Spaansche Filippijnen.
+
+[30] Lett. "oudste broeder", nl. onder de Franciskanen.
+
+[31] Twaalf Pairs refereert aan de Paladijnse wacht van Karel de
+Grote. Ferragus is de naam van een reus in de vroeg middeleeuwse
+Franse literatuur.--J.H.
+
+[32] Dat is de Heilige Jacob van Compostela, beschermheilige van
+Spanje.
+
+[33] Eertijds aartsbisschop van Toledo, primaat van Spanje.
+
+[34] Stof geweven uit een variëteit der _abaca_, die men _albani_
+noemt.
+
+[35] _Negritos_, lett.: negertjes, zwartjes zijn kleine wilden uit
+de binnenlanden der Filippijnsche eilanden. 't Zijn kroesharigen in
+onderscheiding van de sluikharige _Indios_, de gewone inlanders in
+die streken.
+
+[36] _Among_ = heer.
+
+[37] Een _cuarto_ is 1/16 van een _peseta_, dus thans ca. 3 ct N. C.,
+een _real_ vier maal zooveel.
+
+[38] _Tarantado_, door een tarantula-spin gebeten. _Saragate_,
+ruziemaker.
+
+[39] "_Indios_" noemen de Spanjaarden de katholieke inlanders.
+
+[40] Verbastering van _sospechoso_, verdacht.
+
+[41] In 1879.
+
+[42] Campanario = klokketoren. Torre = toren; de dame vergiste zich
+dus door van de naam "Van de Toren" "Van de Klokketoren" te maken.
+
+[43] Dante. Inferno 33.
+
+[44] Ironie van den schrijver: het geld werd daar natuurlijk _niet_
+voor besteed.
+
+[45] lett. 3 percent, naam van een soort open rijtuig.
+
+[46] Gustavo Adolfo Bécquer, Spaans schrijver van post-moderne
+gedichten en korte verhalen.--J.H.
+
+[47] In vroeger tijd waren dit landheeren, die de inlanders tot
+werken op hun grond dwongen. Elias zinspeelde op den strijd tusschen
+de monniken en de eerste volksplanters.
+
+[48] Van de baden, d. w. z. waar de badplaats is.
+
+[49] Uitroep, die de Filippijnsche inlanders telkens bezigen, en die
+allerlei beteekenissen kan hebben. Hier: Goed! Mooi zoo!
+
+[50] _Wisaja_ is een andere Filippijnsche taal dan _Tagaalsch_;
+'t wordt gesproken in _Cebu_ en _Panay_.
+
+[51] Den goeden dag kent men aan den morgen. [Italiaansch spreekwoord].
+
+[52] Ik ben een mensch en niets menschelijksch acht ik me vreemd. F.
+
+[53] Kinderen, sluit de beken af. D. w. z.: 't Is genoeg, laat het
+nu uit zijn [3e ecl. v. Vergilius] F.
+
+[54] Twee welbekende verzen van 't _Dies irae_: "Al wat verborgen
+ligt zal geopenbaard worden, en niets zal ongestraft blijven."
+
+[55] Desmodium canescens, een peulvrucht.
+
+[56] Gemeenzaam verkleinwoord van ettelijke namen op _do_ zooals de
+Tagalen dat vormen.
+
+[57] "Slecht voorteeken" bijnaam van generaal Jovellar, toenmalig
+gouverneur-generaal.
+
+[58] "De natuur heeft een afschuw van 't ledige."
+
+[59] Wat zie ik? Waarom?
+
+[60] Wat vragen jullie? Niets bestaat in 't verstand dat niet eerst
+door de zintuigen is gegaan. Men verlangt niet wat men niet kent.
+
+[61] Onder wat voor menschen zijn we?
+
+[62] Snert-latijn. Het oproer van Ibarra onderdrukt door den alférez.
+
+[63] Vriend, Plato is mijn vriend, maar meer nog is de waarheid
+mijn vriendin.
+
+[64] De zaak is slecht, en een vreeselijk einde is te vreezen.
+
+[65] Tegen iemand die de beginselen ontkent, moet men met stokslagen
+redeneeren.
+
+[66] Wee hen! Waar rook is, is vuur. Soort zoekt soort, en
+nu dus Ibarra wordt opgehangen, zult gij dus ook opgehangen
+worden. N. B. _ahorcar_ is Spaansch voor ophangen.
+
+[67] Ik ben niet bang voor den dood op 'n bed, maar wel in de vesting
+van _Bagoembajan_. _Catre_ is Spaansch voor veldbed, ijzeren bed;
+_espaldon_ idem voor vestingwerk.
+
+[68] Geheel Spaansch op _dadivae_ na: geschenken breken rotsen.
+
+[69] Geschriften zijn getuigen. Wat geneesmiddelen niet genezen, dat
+geneest het staal, wat het staal niet geneest, dat geneest het vuur.
+
+[70] Bij uiterste dingen uiterste middelen.
+
+[71] Trouwelooze, hooptet gij het ook te bewaren?
+
+[72] Gaat, gevloekten, in 't vuur van de _kalan_. Kalan is Tagaalsch,
+= maleisch _keran_, Jav. _kêrên_.
+
+[73] Spaansch latijn: _primo_ = neef (cousin) in 't Spaansch.
+
+[74] Weer lastig te verstaan voor iemand die geen Spaansch kent: Want
+geloof me, neef, wat gebeurd is, is gebeurd. Laten we God danken dat je
+niet op de Marianneneilanden bent, bezig _camotes_ te zaaien (bataten).
+
+[75] Ze bedoelt: Vertrouw op de Heilige Maagd, en leg je te slapen.
+
+[76] Lange en buigzame, gras-achtige plant, waarmee de Filippijners
+hun huizen dekken.
+
+[77] De Heilige Nacht komt aan. De Heilige Nacht gaat weer heen...
+
+[78] Veldarbeid.
+
+[79] Moeder! Jezus, Maria en Jozef!
+
+[80] Jovellar?
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Noli me tangere, by José Rizal
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOLI ME TANGERE ***
+
+***** This file should be named 21848-8.txt or 21848-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/1/8/4/21848/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed
+Proofreaders team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.