diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 01:46:14 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 01:46:14 -0700 |
| commit | 118f6412fe8d9d711c6f8593a28897f62a51d31e (patch) | |
| tree | fa5f1eeaa8c5891ecf31501366f36c20336b4be9 /21848-8.txt | |
Diffstat (limited to '21848-8.txt')
| -rw-r--r-- | 21848-8.txt | 18435 |
1 files changed, 18435 insertions, 0 deletions
diff --git a/21848-8.txt b/21848-8.txt new file mode 100644 index 0000000..c8f9226 --- /dev/null +++ b/21848-8.txt @@ -0,0 +1,18435 @@ +The Project Gutenberg EBook of Noli me tangere, by José Rizal + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Noli me tangere + Filippijnsche roman + +Author: José Rizal + +Translator: A. A. Fokker + +Release Date: June 18, 2007 [EBook #21848] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOLI ME TANGERE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed +Proofreaders team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Noli me tangere. + + Filippijnsche roman + + van + + Dr. José Rizal. + + _Voor het Soerabajasch Handelsblad vertaald door_ + + Dr. A. A. Fokker. + + + Druk van het _Soerabajasch Handelsblad_, + Soerabaja 1912. + + + + + + + +I. + +Een avond-partijtje. + + +In de laatste dagen van October gaf Don Santiago de los Santos, +meer bekend onder den naam "Capitán Tiago" een avond-partijtje, dat +hoewel tegen zijn gewoonte eerst in den namiddag aangekondigd, reeds +het onderwerp van alle gesprekken in Binondo uitmaakte, evenals in +andere buitenwijken en zelfs te Intramuros. Capitán Tiago ging toen +door voor den gulsten man die er liep, en men wist dat zijn huis, +evenals zijn land, zijn deuren niet gesloten hield, tenzij voor den +handel of ieder nieuw of gewaagd denkbeeld. + +Gelijk een electrische schok liep het nieuws door de wereld der +klaploopers, tafelschuimers en doodvreters, die God in zijn oneindige +goedheid zoo liefdevol in Manila doet tieren. Sommigen zorgden voor +schoensmeer; anderen keken om naar knoopen en dassen, maar allen +waren vervuld van de gedachte hoe ze wel den heer des huizes op de +gemeenzaamste wijze begroeten zouden, om te doen gelooven aan oude +vriendschapsbanden, of zich te verontschuldigen, voor 't geval dit +beter te pas kwam, dat ze niet vroeger hadden kunnen verschijnen. + +Deze feestmaaltijd werd gegeven in een huis van de _Calle de +Anloague_, en daar we ons het nummer niet herinneren, zullen we +'t zoo beschrijven, dat men het nog zou kunnen herkennen, indien ten +minste de aardbevingen het nog niet vernield hebben. We gelooven niet, +dat zijn eigenaar het zal laten slopen, want met dit werk belast zich +daar God of "de Natuur" gewoonlijk; want deze laatste heeft daar ook +van ons gouvernement veel werken aangenomen. + +Het is een vrij groot gebouw, in den stijl van de meeste daar +te lande, gelegen met het front naar een arm der Pasig-rivier, +door sommigen "ria de Binondo" genoemd, welk water, evenals alle +rivieren van Manila, de veelzijdige rol vervult van badplaats, riool, +wasch- en vischgelegenheid, vervoer- en verkeersmiddel, ja, zelfs van +waterleiding voor de dorstigen, ingeval de Chineesche waterdrager zulks +oorbaar acht. Het is vermeldenswaard dat deze machtige slagader der +voorstad, waar het verkeer het drukst is en de beweging het levendigst, +over een afstand van bijna een kilometer nauwelijks één houten brug +telt, welke gedurende zes maanden aan één kant stuk en aan den andere +voor 't overige deel des jaars onbegaanbaar is. + +Zoo komt het, dat in het heete jaargetijde de paarden van deze +gestadige "status quo" profiteeren, om daar in 't water te springen, +tot groote verrassing des afgetrokken stervelings, die binnen in +'t rijtuig ligt te dommelen of te filosofeeren over de vooruitgang +dezer eeuw. + +Het huis, dat wij bedoelen, is wat laag en heeft niet zeer +onberispelijke lijnen: of de bouwmeester niet best zien kon, of +dat het een gevolg was van de aardbevingen en orkanen, kon niemand +met zekerheid zeggen. Een breede trap met groene leuningen en hier +en daar belegd met een kleedje, leidt van de "zagnan" of voorhal, +bevloerd met tegeltjes, naar de hoofd-verdieping tussen bloempotten +en -vazen op voetstukken van Chineesch aardewerk met bonte kleuren +en fantastische teekeningen. + +Aangezien er geen portiers noch lakeien zijn, die u om of naar een +uitnoodigings-kaart vragen, zullen we maar naar boven gaan, o gij die +me leest vriend of vijand! Zoo u althans de tonen van het orkest, +het licht of 't veel beteekenend gerinkel van vaatwerk aantrekt, +en gij zien wilt, hoe de avondpartijen daar ginds in de Parel van +het Oosten toegaan. Met genoegen en voor mijn gemak zou ik u gaarne +de beschrijving van het huis besparen, doch deze is zeer belangrijk; +want wij stervelingen in 't algemeen zijn als de schildpadden: we +worden geprijsd en gesorteerd naar onze schilden; om deze en andere +eigenschappen zijn ook de stervelingen van de Filippijnen gelijk aan +de schildpadden. + +Wanneer we naar boven gaan, komen we dadelijk in een ruim vertrek, +dat men daar "caïda" noemt, ik weet niet waarom, want op dezen avond +dient het als eetzaal en tevens als muzieksalon. In 't midden schijnt +een lange tafel, overvloedig en weelderig versierd, den tafelschuimer +toe te lonken met zoete beloften, en dat schuchtere jonge meisje, +de eenvoudige "dalaga" te bedreigen met twee doodvervelende uren +in gezelschap van vreemde mannen, wier taal en gesprek een zeer +bizonder karakter plegen te hebben. In tegenspraak met deze aardsche +toebereidselen zijn de bonte schilderijen aan de wanden, voorstellende +godsdienstige onderwerpen als "het Vagevuur" of "de Hel", "het +Laatste Oordeel," "de Dood der Rechtvaardigen", die "des Zondaars", +en op den achtergrond, gevangen in een prachtige en smaakvolle +renaissance-lijst, die wel door een Arévolo kon gesneden zijn, een +merkwaardig doek van groote afmetingen waarop men twee oude vrouwen +ziet... Het onderschrift luidt: "Onze Lieve vrouw van Vrede en goede +reis, die men in Antipolo vereert, in de gedaante van een bedelares, +bezocht de vrome en beroemde _Capitana_ Inés gedurende haar ziekte" +[1]. De voorstelling, zoo ze al niet veel smaak en kunst verraadt, +bezit daarentegen een overmaat van natuurlijkheid: de zieke lijkt +wel een lijk in ontbinding door de gele en blauwe tinten van haar +gelaat; de glazen en overige voorwerpen ter geleide der langdurige +ziekten, zijn zoo nauwkeurig weergegeven, dat men zelfs zien kan wat +erin zit. Bij 't aanschouwen van deze schilderijen, die de eetlust +opwekken en landelijke denkbeelden doen rijzen, denkt wellicht deze +of gene, dat de leepe heer des huizes heel goed den aard kende van +het meerendeel van hen, die aan zijn tafel moesten aanzitten, en om +zijn gedachte een weinig te omsluieren heeft hij aan de zoldering +kostbare Chineesche lampen laten hangen, kooien zonder vogels, roode, +groene en blauwe bollen van gefoelied glas, gedroogde hangplanten, +opgeblazen opgezette visschen, die men "botete's" noemt, en meer +zoo, terwijl alles aan de rivierzijde afgesloten was door grillige +houten bogen, half Chineesch half Europeesch waar doorheen men het +uitzicht had op een plat dak met klimplantleidingen en prieeltjes, +schaars verlicht door papieren lantarentjes van allerlei kleuren. + +Daar in de zaal bevinden zich de gasten tusschen ontzaggelijke +spiegels en schitterende kroonlampen: daar staat op een houten +onderstel de prachtige vleugelpiano, die een ongehoorde som gekost +heeft, en die op bedoelden avond nog kostbaarder was, omdat niemand +haar bespeelde. Daar vindt men Ook een groot olieverfportret van een +mooie man, in rok, stijf, rechtop, symmetrisch als de stok met kwast, +die hij tusschen zijn strakke met ringen bedekte vingers draagt. Het +portret schijnt zoo te zeggen: + +"H'm, h'm! kijk ereis aan wat ik aan mijn lijf heb, en hoe deftig +ik ben!" + +De meubels zijn smaakvol, wellicht ongeriefelijk en ongezond: de +heer des huizes denkt niet aan de gezondheid van zijn gasten, maar +aan zijn eigen weelde. De dysenterie is wel iets vreeselijks, maar +u zit op Europeesche leuningstoelen, en die heeft u niet altijd! zou +hij hun zeggen. + +De zaal is bijna vol met menschen: de mannen gescheiden van de +vrouwen, evenals in de katholieke kerken en in de synagogen. De +dames bestaan uit een klein aantal jonge meisjes, half Spaansche, +half Filippijnsche: ze doen den mond open om te geeuwen, maar weten +dat met hun waaiers te bedekken; ze murmelen te nauwernood eenige +woorden; ieder gesprek, dat men waagt te doen, sterft weg in enkele +lettergrepen, als geruchten die men 's nachts in een huis hoort, +gedruisch van ratten of hagedissen. Zijn het wellicht de beeltenissen +der verschillende vrouwen, die aan de wand hangen, welke ze nopen +het stilzwijgen te bewaren en godvruchtige ernst te betrachten? Of +maken de vrouwen hierop juist een uitzondering? + +De eenige, die de dames ontving, was de oude nicht van Capitán Tiago, +een vrouw met goedige gelaatstrekken en die vrij slecht Spaansch +sprak. Al haar beleefdheid en hoffelijkheid bestond daarin, dat ze +aan de Spanjaarden een blaadje met sigaretten en "boejo" (sirih) +aanbood, en zich precies als de monniken door de Filippijners de +hand liet kussen. De arme oude begon zich ten slotte te vervelen, +en gebruik makende van het gedruisch van een bord dat brak, ging ze +ijlings heen, onder het mompelen van: + +"Jezus! wacht maar, rakkers!" + +En ze verscheen niet meer. + +Wat de mannen aangaat, die maakten wel meer leven. + +Eenige adelborsten waren in een der hoeken druk aan 't praten, maar +op gedempten toon, terwijl ze van tijd tot tijd opkeken en soms +met den vinger wezen naar verschillende personen in de zaal; en ze +lachten onder elkaar op meer of min bedekte wijze. Twee vreemdelingen +daarentegen, beiden in 't wit, liepen met de armen op den rug en +zonder een woord te spreken, met groote stappen van 't eene uiteinde +der zaal naar 't andere, zooals passagiers die zich vervelen, op het +dek van een schip doen. Al de belangstelling en de grootste drukte +gingen uit van een groepje, gevormd door twee monniken, twee burgers +en een militair rondom een tafeltje, waarop men flesschen wijn en +Engelsche biscuits zag staan. + +De militair was een oude luitenant, lang en met een streng voorkomen: +hij leek wel een hertog van Alva, die wat achtergebleven was op de +ranglijst der Guardia Civil. Hij sprak weinig, maar bars en kort. Een +der "frailes", een jonge dominikaan, mooi, netjes en keurig als zijn +bril met goud-montuur, had een vroegtijdige ernst over zich: het was de +pastoor van Binondo, en in vroeger jaren was hij professor geweest aan +San Juan de Setrán. Hij had de roep van een volleerd spreker, en wel +zoo zeer, dat in de tijden, waarin de zonen van Guzmàn [2] het waagden +in spitsvondigheden den strijd aan te binden met de wereldlijken, de +bekwame woordvechter B. de Luna hem nooit van zijn stuk had kunnen +brengen of vastzetten: de fijne bewijsvoering van Fray Sibyla liet +hem een figuur slaan als de visscher, die alen met strikken wilde +vangen. De dominikaan sprak weinig, en scheen zijn woorden te wegen. + +De ander daarentegen, die Franciskaner was, sprak druk en gesticuleerde +nog meer. Ten spijt van zijn haren, die reeds grijs begonnen te worden, +scheen zijn stevig gestel zich goed te houden. Zijn regelmatige +trekken, zijn weinig geruststellende blik, zijn breede kaken en +herkulische vormen gaven hem het aanzien van een vermomd Romeinsch +patriciër en onwillekeurig herinnerde hij u aan een van de drie +monniken, waarover Heine spreekt in zijn "Goden in ballingschap", +die op de September-nachtevening, ginds in Tyrol, te middernacht +in een bootje een meer over voeren, en telkens in de handen van +den armen veerman een zilveren munt achterlieten, koud als ijs, +hetwelk hem met ontzetting vervulde. Evenwel was Fray Dámaso niet +geheimzinnig zooals zij: hij was vroolijk, en hoewel zijn stem bruusk +klonk, als van een man, die nog nooit verlegen gestaan heeft, die +al wat hij zegt voor heilig en onverbeterlijk houdt, zijn opgewekte +en vrijmoedige lach wischte dezen onaangenamen indruk dadelijk uit, +en zelfs zag men zich gedwongen hem te vergeven, dat hij daar in +de zaal een paar voeten zonder sokken en behaarde beenen vertoonde, +die stellig een fortuintje zouden opgebracht hebben aan een Mendieta +op de kermissen van Quiapo. [3] + +Een der burgers, een klein manneke, met een zwarte baard, had +als eenige merkwaardigheid zijn neus, die naar zijn afmetingen te +oordeelen, niet van hem kon wezen; de ander, een blond jongmensch +scheen kortelings in 't land aangekomen te zijn; met deze voerde de +Franciskaan een levendige woordenwisseling. + +"U zult 't zelf wel zien", zeide de monnik, "wanneer u maar eens +een paar maanden langer in 't land bent, zult u 't wel met mij eens +zijn, dat het heel wat anders is in Madrid te regeeren, of hier in +de Filippijnen te wezen." + +"Maar..." + +"Ik bijvoorbeeld," ging Fray Dámaso voort, de stem verheffende, om +den ander niet aan 't woord te laten, "ik die al drie-en-twintig jaren +pisang en rijst eet, ik kan er met gezag over meepraten. Kom me niet +voor den dag met theorieën en beweringen. Ik ken de inlanders. Ga nu +'s na. Nauwelijks was ik hier in 't land, of ik werd geplaatst op een +dorp, wel klein, maar zeer werkzaam voor zijn landbouw. Ik kende toen +nog niet goed Tagaalsch, maar ik nam de vrouwen al de biecht af, en +we verstonden elkaar, en ze hielden ten slotte zooveel van me, dat, +drie jaar later, toen ik naar een grooter dorp werd overgeplaatst, +dat vacant was gekomen door den dood van den inlandschen pastoor, +al die vrouwen begonnen te schreien, me met geschenkjes overlaadden, +en met muziek uitgeleide deden..." + +"Maar dat bewijst toch alleen..." + +"Wacht u toch even! Niet zoo haastig oordeelen! Hij die me opvolgde, +bleef korter, en toen die heenging kreeg hij nog meer uitgeleide, +meer tranen en meer muziek, en dat terwijl hij meer ranselde, en de +parochie-gelden opgeslagen had tot het dubbele van vroeger." + +"Maar u zult mij veroorloven..." + +"Ik zal u meer zeggen: in 't dorp San Diego ben ik twintig jaren +geweest en ik ben er eerst enkele maanden... uit" (hier scheen hij te +ontstemmen). "Twintig jaren--dat zal niemand me tegenspreken--zijn +meer dan genoeg om de menschen op een dorp te leeren kennen. San +Diego had zes duizend zielen, en ik kende iederen bewoner, alsof ik +hem gebaard en gezoogd had: ik wist aan welken voet deze mank ging, +waar een ander de schoen wrong, wie 't hof maakte aan dit of dat +meisje, welke mistappen dit gedaan had en met wie, wie de ware vader +van 't kind was enz.; ik nam immers ieder levende ziel de biecht af, +en ze wachtten zich wel, om hun plicht te verzuimen. Laat Santiago, +onze gastheer 't maar zeggen, of ik lieg. Hij heeft daar veel land +en daar hebben wij vriendschap gesloten. Nu goed, hoor nu 's, hoe die +inlanders zijn: toen ik heenging deden me te nauwernood een paar oude +vrouwtjes en eenige geestelijke broeders uitgeleide. En dat terwijl +ik er twintig jaren geweest was!" + +"Maar ik zie niet in wat dit te maken zou hebben met de vrijmaking van +'t tabaks-monopolie," antwoordde de blonde jongeman, gebruik makende +van een pauze, gedurende welke de Franciskaan zich een glaasje sherry +inschonk. + +Fray Dámaso liet vol verbazing bijna zijn glas vallen. Hij bleef een +oogenblik het jong mensch van 't hoofd tot de voeten opnemen. + +"Hoe zoo? Hoe is dat nu?" riep hij daarna met de grootste verwondering, +"is 't mogelijk, dat u dat niet inziet: 't is zoo klaar als de +dag? Ziet u dan niet, m'n waarde heer, dat dit alles tastbaar bewijst, +dat de nieuwigheden van de ministers onzinnig zijn?" + +Ditmaal was 't de blonde die verlegen stond. De luitenant fronste +de wenkbrauwen nog meer. Het kleine ventje schudde het hoofd, alsof +hij Fray Dámaso in 't gelijk stelde of 't niet met hem eens was. De +dominikaan vergenoegde zich met iedereen bijna den rug toe te keeren. + +"Meent u?" kon ten slotte de jongeman heel ernstig vragen, terwijl +hij den pater vol nieuwsgierigheid aankeek. + +"Of ik dat meen? Ik geloof eraan als aan 't Evangelie! De inlander +is zoo lui!" + +"Och, neem me niet kwalijk, dat ik u in de rede val," zeide het +jongmensch, zachter sprekende en zijn stoel naderbij brengend, +"u heeft daar een woord uitgesproken, dat mijn belangstelling +bijzonder gaande maakt. Bestaat werkelijk die luiheid bij de +inlanders, als iets ingeborens, of is 't eigenlijk zoo, dat--zooals een +buitenlandsch reiziger opmerkte--wij met die luiheid onze eigen luiheid +verontschuldigen, onze achterlijkheid en ons koloniaal beleid? Hij +sprak van andere koloniën, waar de bewoners van 't zelfde ras zijn...." + +"Och kom! Jaloezie! Vraag 't maar 's aan meneer Laruja, die 't land +ook kent. Vraag hem maar 's of de domheid en luiheid van de inlanders +ergens haar wedergade vinden!" + +"Werkelijk," antwoordde het kleine kereltje, dat bedoeld was: "nergens +ter wereld ziet u luier individuen dan de inlanders hier. Nergens +ter wereld!" + +"Geen verdorvener en geen ondankbaarder wezens!" + +"Geen onbeschofter ook!" + +De blonde jonge man begon met ongerustheid overal heen te kijken. + +"Heeren," zeide hij zacht, "ik geloof dat wij aan huis zijn bij een +inlander. De jonge dames..." + +"Loop heen! Maak u zich niets ongerust, hoor! Santiago houdt +zichzelf niet voor een inlander, en bovendien is hij er niet bij. En +dan... al was hij erbij? Die beweringen zijn maar dwaasheden van +nieuwelingen. Laten er maar een paar maanden voorbijgaan: u zult +wel van meening veranderen wanneer u veel inlandsche feesten en +danspartijen bijgewoond heeft, op de inlandsche bedden geslapen en veel +'tinola' gegeten heeft." + +"Is dat wat u 'tinola' noemt niet een vrucht, een lotus-soort, die +de menschen... zoo iets van... zoo vergeetachtig maakt?" + +"Och wat lotus of loterij!" antwoordde Fray Dámaso lachend, "u slaat +de plank mis. _Tinola_ is een _goelái_ van kip en kalebas. Hoe lang +bent u hier?" + +"Vier dagen," bracht de jonge man eenigszins geraakt uit. + +"Komt u als ambtenaar?" + +"Nee, meneer: ik kom voor eigen rekening, om het land te leeren +kennen." + +"M'n lieve man, wat bent u een witte raaf!" riep Fray Dámaso uit, +terwijl hij hem nieuwsgierig opnam. "Voor eigen rekening gekomen en +dan voor zulke dwaasheden! + +"Wat 'n fenomeen! Terwijl er zooveel boeken zijn ... och, als je +maar wat hersens in je kop hebt ... kun je immers een heel dik boek +schrijven: er zijn er zoo ettelijken! Als je maar wat hersens in je +kop hebt ..." + +"U zei zoo, eerwaarde heer pater Dámaso," viel plotseling de dominikaan +in, "dat u twintig jaren in het dorp San Diego geweest is, en het +toen verlaten heeft ... Was u niet ingenomen met de plaats?" + +Fray Dámaso verloor op deze vraag, die op zoo natuurlijken en bijna +onverschilligen toon gedaan was, opeens zijn vroolijkheid en hield +op met lachen. + +"Nee!" gromde hij droogjes en liet zich met geweld tegen den rug van +zijn stoel vallen. + +De dominikaan ging nog onverschilliger voort: + +"'t Moet droevig wezen een plaatsje te verlaten waar men twintig +jaren geweest is en dat men kent als de jas die men aan heeft. + +"Ik ten minste vond het onplezierig Camiling te verlaten en daar was +ik nog maar enkele maanden geweest... maar de superieuren deden het +voor 't heil van de gemeente... voor mijn eigen heil." + +Fray Dámaso scheen dien avond voor de eerste maal zeer afgetrokken. Op +eens gaf hij een vuistslag op de leuning van zijn stoel, en zwaar +ademend riep hij uit: + +"Er is godsdienst of die is er niet, dat wil zeggen: òf de pastoors +zijn vrij òf ze zijn 't niet! Het land gaat te gronde, 't is naar +de maan!" + +En weer sloeg hij met zijn vuist. + +De heele zaal wendde zich verrast naar het groepje; de dominikaan +hief het hoofd op om onder zijn bril door naar hem te kijken. De twee +vreemdelingen, die heen-en-weer wandelden, stonden even stil, keken +elkaar aan, toonden elkaar even hun snijtanden en zetten onmiddellijk +hun wandeling weer voort. + +"Hij is uit zijn hum, omdat u hem geen 'reverencia' genoemd +heeft!" mompelde meneer Laruja in 't oor van 't blonde jongmensch. + +"Wat wil uwe reverentie toch zeggen? Wat scheelt u?" vroegen de +dominikaan en de luitenant elk op zijn eigen toon. + +"Daardoor krijgen we al die rampen! Het bestuur steunt de ketters +tegen de bedienaren van 't heilige woord!" ging de Franciskaner voort +en balde zijn stoere knuisten. + +"Wat bedoelt u toch?" vroeg de wenkbrauw-fronsende luitenant nogmaals, +terwijl hij zich half oprichtte. + +"Wat ik bedoel?" herhaalde Fray Dámaso, zijn stem nog verheffend en de +luitenant recht in de oogen ziende: "Ik bedoel al wat ik wil! Ik, ik +wil zeggen, dat wanneer een pastoor het lijk van een ketter uit zijn +kerkhof wegdoet niemand, zelfs de koning niet, het recht heeft zich +ermee te bemoeien en nog veel minder er straf voor op te leggen. Dus +een generaaltje, zoo'n generaaltje van niks..." + +"Pater, Zijn Excellentie is hier plaatsvervanger van den Koning als +beschermer van de Kerk!" riep de krijgsman opstaande. + +"Och wat Excellentie of plaatsvervanger!" antwoordde de Franciskaner, +die ook opstond. "In vroeger tijd zouden ze 'm wel eruit gezet hebben, +zooals dat gebeurd is met dien goddeloozen gouverneur Bustamante. Dat +waren nog 's tijden van goed geloof!" + +"Ik moet u zeggen, dat ik niet kan toestaan... Zijn Excellentie +vertegenwoordigt hier Zijne Majesteit!" + +"Och wat Majesteit... larie! Voor ons is er geen anderen koning dan +de wettige...." + +"Halt!" riep de luitenant dreigend en alsof hij zich tot zijn soldaten +richtte, "u trekt alles in wat u gezegd heeft, of ik geef er morgen +kennis van aan den gouverneur..." + +"Ga nu op 't oogenblik maar dadelijk!" antwoordde Fray Dámaso +sarkastisch, met gebalde vuisten op hem toetredend. "Meent u soms +dat ik, omdat ik geestelijke kleeding draag, geen man ben...? Zal ik +u soms mijn rijtuig leenen?!" + +De oneenigheid kreeg een grappige wending, doch gelukkig kwam de +dominikaan tusschenbeide. + +"Heeren!" zeide hij op een toon van gezag en met die neusstem, +welke zoo fraai klinkt bij monniken: "we moeten hier de dingen niet +verwarren en ook geen beleedigingen zoeken, waar er geen zijn. We +moeten bij Fray Dámaso de woorden van den man wel onderscheiden van +die van den priester. Deze laatste als zoodanig--per se--kunnen nooit +kwetsen, want ze komen voort uit de volstrekte waarheid. In die van +den mensch moeten we nóg een onderscheid maken: de woorden die hij +zegt _ab irato_, die hij zegt _ex ore_, maar niet _in corde_, en die +hij zegt _in corde_. Deze laatste zijn de eenige die kwetsen kunnen en +dan nog naar gelang of ze om de een of andere beweegreden reeds van +te voren in den geest bestonden--_in mente_--of dat ze alleen maar +_per accidens_, in 't vuur van 't gesprek geuit worden, of dat er..." + +"Nu dan, ik weet 'per accidens' en uit mezelf, hoe de zaak in elkaar +zit, pater Sibyla!" viel de militair in, die in de war raakte van al +die onderscheidingen en bang begon te worden, dat hij ten slotte de +schuldige zou blijken. "Ik weet hoe 't gegaan is en nu mag u straks +weer distincties maken. Gedurende de afwezigheid van Fray Dámaso in +San Diego, liet de coadjutor het lijk begraven van een heel waardig +man... ja, meneer, een heel waardig man. Ik ben verscheidene malen +met hem in aanraking geweest en heb ook wel bij hem gelogeerd. Dat +hij nooit gebiecht heeft!... nu wat zou dat? Ik ga ook niet naar de +biecht. Maar te zeggen dat hij zich van kant gemaakt heeft is een +leugen, pure laster. Een man als hij, die een zoon heeft, waar hij +zijn heele liefde en hoop op heeft, een man die op God vertrouwt, +die zijn plichten kent tegenover de maatschappij, een rechtschapen en +eerlijk man, die maakt zich niet van kant. Dat zeg ik en wat ik verder +denk verzwijg ik, maar daar mag uwe reverentie me dankbaar voor wezen." + +En den Franciskaan zijn rug toedraaiend, vervolgde hij: "Nu goed, deze +pastoor heeft toen bij in 't dorp terugkwam eerst den armen coadjutor +mishandeld, en toen het lijk laten opgraven om het uit het kerkhof weg +te laten brengen ergens anders heen, weet ik waar. Het dorp San Diego +is zoo laf geweest om er heelemaal niet tegenop te komen. 't Is waar, +dat maar heel weinigen ervan hoorden: de overledene had geen enkel +familielid en zijn eenige zoon is in Europa. Maar de gouverneur is er +achter gekomen en, omdat die een man is van een edel hart, heeft hij +om straf voor hem gevraagd..... en pater Dámaso kreeg overplaatsing +naar een beter dorp. Dat is de heele zaak. Uwe reverentie kan nu weer +distincties maken." + +En dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich van 't groepje. Fray +Sibyla verontschuldigde zich dadelijk dat hij zulk een teer punt +had aangeroerd. + +Allengs keerde de bedaardheid in 't gezelschap weder. Men praatte +opgewekt, ook over den afwezigen gastheer, over wien aardigheden ten +beste werden gegeven, iets waar uit zeker weinig waardeering voor +dezen sprak. + + + + +II. + +Crisóstomo Ibarra. + + +'t Waren geen mooie, keurig gekleede jonge meisjes, die op eens +aller aandacht bij 't binnenkomen trokken, zelfs die van Fray Sibyla; +'t was ook niet Zijne Excellentie de gouverneur met zijn adjudanten, +die den luitenant uit zijn eenzelvigheid wegrukten, en Fray Dámaso +als versteend deden staan: 't waren eenvoudig het origineel van het +portret in rok en iemand, dien hij bij de hand leidde: een jongmensch, +dat streng in de rouw gekleed was. + +"Goeden avond, dames en heeren! Goeden avond, pater!" was het eerste +wat Capitán Tiago uitbracht, terwijl hij de geestelijken de hand kuste, +waarop deze vergaten hem den zegen te geven. De dominikaan had zijn +bril afgezet om den binnentredenden jongen man aan te kijken en Fray +Dámaso staarde bleek en met wijdgeopende oogen naar hem. + +"Ik heb de eer u Don Crisóstomo Ibarra voor te stellen, de zoon van +mijn overleden vriend!" ging Capitán Tiago voort. "Deze heer is pas +uit Europa aangekomen en ik ben hem gaan afhalen." + +Bij 't klinken van dezen naam hoorde men eenige uitroepen; de luitenant +vergat den heer des huizes te begroeten. Hij trad op den jongeman +toe en nam hem van 't hoofd tot de voeten op. Deze wisselde toen de +gebruikelijke beleefdheidsfrazen met het heele gezelschap en scheen +niets bijzonders in zijn verschijning te hebben dan zijn zwarte +kleedij te midden van die zaal vol menschen. Zijn knappe gestalte, +zijn gelaatstrekken, zijn bewegingen ademden evenwel dien geur +van gezonde jeugd, waar zoowel het lichaam als de ziel behoorlijk +ontwikkeld waren. Men zag in zijn vrijmoedig vroolijk gelaat eenige +lichte sporen van het Spaansche bloed door een schoone bruine tint +heen, iets rooskleurigs op de wangen, wellicht de uitwerking van een +verblijf in de koude landen. + +"Wel!" riep hij met blijde verrassing uit, "de pastoor van mijn +dorp! Pater Dámaso, de intieme vriend van mijn vader!" + +Aller blikken wendden zich naar den Franciskaan; deze verroerde +zich niet. + +"Neem me niet kwalijk, ik heb me zeker vergist!" hervatte Ibarra +eenigszins verlegen. + +"Je hebt je niet vergist!" kon ten slotte de ander met veranderde stem +antwoorden. "Maar je vader is nooit een intieme vriend van me geweest." + +Ibarra trok langzaam de hand terug die hij hem toegestoken had, +keek hem vol verwondering aan, wendde zich om en bevond zich zoo +tegenover de strenge figuur van den luitenant, die voortging met hem +gade te slaan. + +"Jongmensch, bent u de zoon van Don Rafael Ibarra?" + +De jongeman boog. + +Fray Dámaso richtte zich in zijn stoel op en keek den luitenant recht +in de oogen. + +"Welkom in uw land en moge u er gelukkiger wezen dan uw vader!" riep +de krijgsman met beverige stem uit. + +"Ik heb hem gekend en heb veel met hem omgegaan. Ik kan zeggen +dat het een van de waardigste en rechtschapenste menschen op de +Filippijnen was." + +"Mijnheer!" antwoordde Ibarra ontroerd, "de lof die u over mijn vader +uitspreekt, verdrijft den twijfel over zijn lot, dat ik, zijn zoon, +nog niet ken." + +De oogen van den ouden man vulden zich met tranen, hij wendde zich +half om en verwijderde zich snel. + +De jongeman zag zich alleen in 't midden van de zaal; de heer des +huizes was verdwenen en hij vond niemand die hem aan de jonge dames +kon voorstellen. Velen daarvan keken belangstellend naar hem. Na +eenige oogenblikken weifelens richtte hij zich met een eenvoudige en +natuurlijke gratie tot het groepje: + +"Mag ik zoo vrij zijn", zei hij, "maar over de voorschriften van +een strenge etikette heen te stappen? Ik ben zeven jaar uit mijn +land weg geweest en nu ik er terug ben kan ik mijn bewondering niet +weerhouden, en niet nalaten zijn kostelijkste sieraad te begroeten, +'zijn vrouwen.'" + +Daar niemand het waagde een enkel woord terug te zeggen zag hij +zich verplicht heen te gaan. Hij trad op een groepje heeren toe die, +toen ze hem aan zagen komen, een halven cirkel vormden. + +"Heeren!" zeide hij, "ik zal maar de Duitsche gewoonte volgen en mezelf +voorstellen: dat doet men daar als er niemand anders voorstelt. Ik +heb zooeven den hemel en de vrouwen van mijn land begroet: nu wil ik +de burgers, mijn landgenooten, begroeten. Heeren, mijn naam is Juan +Crisóstomo Ibarra y Magsalin!" + +Men noemde namen. Een jongmensch werd als dichter begroet. Men vroeg +hem waarom hij niet meer schreef, en hij vertelde van iemand, die een +onnoozelheid in een gedicht had gezet en er bijna om verbannen was: +_hij_ zou zoo gek niet wezen! En hij verwijderde zich uit de groep. + +Een man met vroolijk lachend uiterlijk kwam aangedraafd. Hij gaf +Ibarra de hand. Hij was gekleed als een inlander, met briljanten +knoopen aan zijn hemd. + +"Meneer Ibarra, ik wou 's graag met u kennis maken. Kaptein Tiago is +een groot vriend van me en ik heb uw vader gekend. Ik heet Capitán +Tinong. Ik woon in Tondo, waar u welkom in in mijn huis is: ik hoop, +dat u me de eer 's zal aandoen. Kom morgen bij ons eten." + +Ibarra toonde zich verrukt over zooveel vriendelijkheid. Capitán +Tinong glimlachte en wreef zich in de handen. + +Ibarra verontschuldigde zich: hij moest den volgenden dag naar San +Diego.... + +Een knecht van 't café "la Campana" kwam zeggen dat het eten klaar +was. De menschen defileerden naar binnen, waarbij de dames, vooral +de Filippijnschen, zich herhaaldelijk lieten bidden. + + + + +III. + +Het feestmaal. + + +Fray Sibyla scheen zeer voldaan; hij schreed rustig voort en op zijn +samengedrukte en fijne lippen was geen minachting meer te lezen; +zelfs verwaardigde hij zich met de manke doctor De Espadaña te praten, +die met monosyllaben antwoordde, want hij stotterde een beetje. De +Franciskaan was in een vreeselijk humeur: hij schopte tegen de stoelen +die hem hinderden op zijn weg, en zelfs gaf hij een stoot met zijn +elleboog tegen een "kadet." De luitenant was hoog-ernstig. De anderen +praatten druk en prezen de prachtige tafel. Doña Victorina trok +echter verachtelijk haar neus op, doch onmiddellijk daarop keerde ze +zich woest om, als een slang waarop getrapt wordt: inderdaad had de +luitenant op den sleep van haar japon zijn voet gezet. + +"Maar heeft u dan geen oogen?" zeide ze. + +"Jawel, mevrouw, en een paar betere dan de uwe; maar ik keek even naar +uw lokken," antwoordde de weinig galante krijgsman en verwijderde zich. + +Als bij instinkt richtten zich de twee monniken naar het hoofd-eind van +de tafel, wellicht uit gewoonte en zooals te verwachten was gebeurde +er wat placht te geschieden bij mededingers naar een professoraat: ze +hemelen de verdiensten en de meerderwaardigheid van den tegenstander +op, maar geven dadelijk daarop juist het tegenovergestelde te kennen +en mopperen om 't hardst als ze niet benoemd worden. + +"Ga vóór, Fray Dámaso!" + +"Aan u, Fray Sibyla!" + +"U bent een oude vriend van den huize... biechtvader van wijlen +mevrouw... leeftijd, waardigheid en zieleherderschap..." + +"Niet zoo heel oud, hoor! En dan... u bent de pastoor van de wijk +hier!" antwoordde Fray Dámaso half vriendelijk en zonder den stoel +los te laten. + +"Nu, als u 't beveelt, gehoorzaam ik!" besloot pater Sibyla, en maakte +zich gereed om neer te zitten. + +"Ik beveel niets!" protesteerde de Franciskaan, "ik niet, hoor!" + +Fray Sibyla ging al zitten zonder acht te slaan op het protest, toen +zijn blikken die van den luitenant ontmoetten. De hoogste officier is +volgens de opvatting der geestelijken op de Filippijnen veel lager +dan de leekebroeder-kok. Doch Fray Sibyla was een zeer beleefd man +en antwoordde: + +"Mijnheer de luitenant, hier zijn we in de wereld, niet in de kerk: +deze plaats komt u toe." + +Maar, te oordeelen naar den toon waarop hij sprak, kwam de plaats hem +ook in de wereld toe. De luitenant, hetzij om zich geen moeite te geven +of om niet tusschen twee "frailes" te zitten, weigerde vrij droogjes. + +Niemand van de kandidaten had aan den huisheer gedacht. Ibarra zag hem +met voldoening en een glimlach op de lippen naar het tooneeltje kijken. + +"Hoe zoo, don Santiago, gaat u niet tusschen ons in zitten?" Maar al +de plaatsen waren reeds bezet: Lucullus at niet bij Lucullus aan huis. + +"Hou u bedaard, niet opstaan!" zeide Capitán Tiago en legde zijn +hand op den schouder van het jongemensch. "Dit feest geef ik juist om +onze Lieve Vrouw te danken voor uw behouden aankomst. Hé, laten ze de +'tinola' brengen. Ik heb 'tinola' laten maken; die zult u wel in lang +niet gegeten hebben?" + +Men bracht een grooten dampenden schotel. De dominikaan prevelde +het "benedicite", waarop bijna niemand kon antwoorden en begon den +inhoud te verdeelen. Doch door onoplettendheid of iets anders trof +Padre Dámaso den schotel, toen er alleen nog maar tusschen veel +"laboe" en bouillon een kaal kippenhalsje en een vleugelstukje in +dreven; anderen aten pootjes en borst, vooral Ibarra had de lekkere +beetjes. De Franciskaan zag alles, kauwde wat op de "laboe", nam een +beetje bouillon, liet toen met gedruisch zijn lepel vallen en schoof +daarna woest zijn bord van zich af. De dominikaan was geheel verdiept +in een gesprek met den blonden jongeman. + +"Hoe lang bent u van 't land weg geweest?" vroeg Laruja aan Ibarra. + +"Bijna zeven jaar." + +"Wel, wel, dan zult u alles vergeten zijn!" + +"Integendeel. En al scheen mijn land mij vergeten te hebben, _ik_ +heb er altijd aan gedacht." + +"Wat wilt u daarmee zeggen?" + +"Ik woû zeggen dat ik een jaar lang geen tijding van huis gehad heb. En +zoo ben ik hier als een vreemdeling, die niet eens weet wanneer of +hoe zijn vader gestorven is." + +"Och!" riep de luitenant uit. + +"En waar was u dan, dat u geen telegram gezonden heeft?" vroeg Doña +Victorina. "Toen wij trouwden hebben we een telegram naar Spanje +gezonden." + +"Mevrouw, de laatste twee jaren ben ik in Noord-Europa geweest: +in Duitschland en in Russisch-Polen." + +Doctor De Espadaña, die tot nog toe niets had durven zeggen, achtte +het gepast iets in 't midden te brengen: + +"Ik heb ... heb in Sp.... Spanje een Pool gekend, van War .... war +... Warschau. Hij heette Stad ... Stadnitzki, als ik me wel +herinner. Heeft u hem misschien ge... ge... gezien?" vroeg hij +schuchter en bijna blozend. + +"'t Is best mogelijk", antwoordde Ibarra vriendelijk, "maar op 't +oogenblik herinner ik 't me niet." + +"Nu, u kó ... kon hem niet met een ander verwa-wa-warren," hervatte +de dokter met meer zelfvertrouwen, "hij was goudblond en spr.... sprak +hee.... hee-heel slecht Spaansch." + +"Dat zijn wel duidelijke kenteekenen, maar ongelukkigerwijze heb ik +daar geen woord Spaansch gesproken, behalve aan een paar konsulaten." + +"En hoe heeft u dat geleverd?" vroeg Doña Victorina verbaasd. + +"Ik sprak de taal van 't land, mevrouw." + +"Spreekt u ook Engelsch?" vroeg de dominikaan, die in Hongkong +geweest was en het "Pidgin English" goed sprak, die verbastering van +Shakespeare's taal door de zonen van 't Hemelsche Rijk. + +"Ik ben een jaar in Engeland geweest onder menschen die enkel Engelsch +spraken". + +"En welk land bevalt u in Europa het best?" vroeg hem het blonde +jongmensch. + +"Na Spanje, mijn vaderland, ieder vrij land van Europa". + +"En zeg me nu 's, u die zooveel gereisd heeft: wat lijkt u wel 't +merkwaardigste dat u gezien heeft?" vroeg Laruja. + +Ibarra scheen even te denken. + +"Merkwaardig in welk opzicht?" + +"Bijvoorbeeld ... ten opzichte van 't leven van de volken, hun +maatschappelijk, staatkundig, godsdienstig leven, in 't algemeen, +hoofdzakelijk alles bijeengenomen..." + +Ibarra dacht een heele poos na. + +"Ronduit gezegd, bevalt me alles in die landen, afgezien van de +nationale trots van elk... Voordat ik een land bezocht, trachtte ik +de geschiedenis ervan te bestudeeren, zijn Exodus om zoo te zeggen, +en dan vond ik daarna alles natuurlijk. Ik heb altijd gezien dat de +welvaart of de ellende van de volken in rechte rede staan tot hun +vrijheden of vooroordeelen, en bijgevolg tot de opofferingen of de +zelfzucht van de voorouders". + +"En heeft u dat alleen maar gezien?" vroeg de Franciskaan met een +spotlach. Van 't begin van den maaltijd af had hij geen enkel woord +gesproken, wellicht in beslag genomen door het eten. "Om zoo iets +onbeteekenends te weten te komen hoefde u uw geld niet te vermorsen; +dat weet hier iedere schooljongen." + +Ibarra wist niet wat hij zeggen zou; de overigen keken elkaar verbaasd +aan en vreesden een uitbarsting. "Het maal loopt op zijn eind en zijn +eerwaarde is al verzadigd," wilde het jongmensch opmerken, maar hij +hield zich in en zeide slechts: + +"Heeren, u moet zich niet verwonderen over de familiariteit waarmee +onze vroegere pastoor mij behandelt. Zoo ging hij met me om toen +ik nog een kind was, want voor zijn weleerwaarde gaan de jaren +tevergeefs voorbij. Maar ik ben er hem erkentelijk voor, omdat hij me +die dagen van weleer zoo levendig vóór den geest brengt: toen kwam de +weleerwaarde dikwijls bij ons thuis, en at ook aan mijns vaders tafel." + +De dominikaan keek steelsgewijze naar den Franciskaan; deze zat te +beven. Ibarra stond op en vervolgde: + +"U zult me veroorloven dat ik heenga, want omdat ik pas aangekomen +ben en morgen weer op reis moet, heb ik nog een boel zaken af te doen." + +Een glas wijn opnemende, riep hij: "Nu, mijnheeren, op Spanje en +de Filippijnen." En hij dronk het glas leeg, dat hij te voren niet +aangeraakt had. De oude luitenant volgde hem na, zonder een woord. + +Capitán Tiago wilde Ibarra niet laten gaan: Maria Clara zou komen, +Isabel was haar gaan halen en de nieuwe pastoor van zijn dorp zou +komen, o, een heilig man. + +Ibarra beloofde den volgenden morgen, even vóór zijn vertrek, aan te +zullen komen. Hij moest vandaag een heel dringend bezoek brengen. + +Toen hij weg was luchtte de Franciskaan zijn ergernis: + +"Heeft u 't gezien?" zei hij tot het blonde jongmensch en schermde +daarbij met zijn dessert-mesje: "Da's nu alleen trots! Ze kunnen niet +velen dat de pastoor ze terecht wijst! Ze denken dat ze al heel wat +zijn! Dat komt er nou van als de jongelui naar Europa gezonden worden: +het gouvernement moest het verbieden." + +"En de luitenant," zei Doña Victorina, den Franciskaan bijvallende, +"die heeft den heelen avond een boos gezicht gezet. 't Is maar goed +dat hij weg is. Zoo oud en dan nog luitenant!" + +De dame kon de toespeling op haar krullen en de vertrapte strook van +haar onderrok niet vergeten. + + + + +IV. + +Ketter en opstandeling. + + +Ibarra was onzeker. De avondwind, welke in die maanden te Manila reeds +vrij frisch pleegt te zijn, scheen de lichte wolk van zijn voorhoofd +te wisschen waardoor het verduisterd was; hij nam zijn hoed af en +ademde op. + +Rijtuigen flitsten voorbij als bliksemstralen, huur-"kalessen" +kwamen met druilige stap langs hem heen, voetgangers van allerlei +nationaliteit kruisten zijn pad. Met den ongelijkmatigen gang van +den afgetrokkene of werklooze richtte zich de jongeling naar het +_Binondo_-plein--Binondo is een voorstad--en keek overal om zich heen, +alsof hij iets herkennen wilde. + +Het waren dezelfde straten op dezelfde wijze wit en blauw geverfd, +met gewitte of als graniet-imitatie geschilderde muren; de kerktoren +vertoonde nog steeds zijn klok met de doorzichtige wijzerplaat; +'t waren nog dezelfde Chineesche winkels met hun vuile gordijnen en +hun ijzeren roeden, waarvan hij er eens op een nacht een verbogen had, +net zooals de onopgevoede Chineezen van Manila doen. + +Niemand had het ding weer recht gebogen! + +"'t Gaat langzaam hier!" mompelde hij, en volgde de Calle de la +Sacristia. [4] + +De verkoopers van sorbets riepen nog steeds: "_Sórbetee_"; de "huepes" +of lampjes verlichtten nog altijd dezelfde stalletjes van Chineezen +en vrouwen die eetwaren en vruchten verkochten. + +"'t Is wonderlijk!" riep hij uit, "dat is dezelfde Chinees van zeven +jaar geleden en die ouwe vrouw ... dezelfde! + +"Je zou zeggen, dat ik van nacht gedroomd had van een zevenjarige +reis door Europa! ... en, wel allemachtig! die steen daar is nog net +zoo van zijn plaats als ik hem gelaten heb!" + +Inderdaad zat de steen op den hoek van het wandelpad der Calle de la +Sacristia nog los. + +Terwijl hij bezig was dit wonder der stedelijke bestendigheid te +beschouwen, werd er zacht een hand op zijn schouder gelegd. Hij hief +het hoofd op en stond tegenover den ouden luitenant, die hem bijna +lachend aankeek; de krijgsman had niet meer de harde uitdrukking met +de gefronste wenkbrauwen, die hem zoo zeer kenmerkte. + +"Jongmensch, u moet voorzichtig zijn! Neem een les aan uw vader!" zeide +hij. + +"Neem me niet kwalijk, maar 't komt me voor dat u veel van mijn vader +gehouden heeft. Zou u me niet kunnen zeggen hoe 't toch met hem gegaan +is?" vroeg Ibarra hem aanziende. + +"Hoe zoo, weet u dat dan niet?" vroeg de ander. + +"Ik heb het don Santiago gevraagd, maar hij woû 't me eerst morgen +zeggen. Weet u 't misschien?" + +"Wel natuurlijk, net als iedereen! Hij is in de gevangenis gestorven." + +De jongeman trad een schrede terug en keek den luitenant strak aan. + +"In de gevangenis? Wie is in de gevangenis gestorven?" vroeg hij. + +"Mijn lieve man, uw vader: hij zat gevangen!" ging de krijgsman +eenigszins verwonderd voort. + +"Mijn vader ... in de gevangenis.. zat hij gevangen? Wat zegt u? Weet +u wie mijn vader was? Bent u wel...?" vroeg de jonge man, den officier +bij den arm vattend. + +"Ik geloof, dat ik me niet vergis: 't was don Rafael Ibarra." + +"Jawel, don Rafael Ibarra!" riep de jongeman zwakjes. + +"Och, ik dacht dat u 't wist!" mompelde de militair op medelijdenden +toon, toen hij zag wat er in Ibarra's ziel omging. "Ik veronderstelde, +dat u..... maar laat u niet ontmoedigen! Hier kun je niet een eerlijk +man zijn zonder 's in de gevangenis gezeten te hebben!" + +"Ik moet aannemen dat u geen gekheid met me maakt", hervatte Ibarra +met flauwe stem na eenige oogenblikken zwijgens. "Kan u me ook zeggen +waarom hij in de gevangenis was?" + +De oude man scheen zich te bedenken. + +"'t Verwondert mij zeer dat ze u heelemaal niet op de hoogte van uw +familie-aangelegenheden gesteld hebben." + +"In zijn laatsten brief van een jaar geleden zeide hij mij, dat ik +niet ongerust moest wezen als hij me niet schreef, want hij zou 't +erg druk hebben. Hij beval me aan voort te gaan met studeeren.... Hij +zond me zijn zegen!" + +"Nu, dan heeft hij u dien brief vlak voor zijn dood geschreven: +'t zal gauw een jaar zijn dat we hem in zijn dorp begraven hebben." + +"Om welke reden was mijn vader gevangen?" + +"Om een zeer eervolle reden. Maar wilt u met me mee gaan? Ik ga naar +de kazerne; ik zal 't u onderweg vertellen. Geef u me maar een arm." + +Ze liepen een poos zwijgend naast elkaar voort: de oude man scheen +na te denken en streek onderwijl aan zijn sik, als verwachtte hij +daarvan inspiratie. + +"Zooals u zeer goed weet", begon hij, "was uw vader de rijkste man +in de provincie en ofschoon hij bij velen bemind en geëerd was, +waren er weer anderen die hem haatten of benijdden. Wij Spanjaarden, +die naar de Filippijnen komen, zijn ongelukkigerwijze niet wat we +moesten wezen; ik zeg dit zoowel voor een van uw voorouders, als +voor uw vaders vijanden. De voortdurende vervanging door anderen, +het zedelijk verval van de hoogere kringen, het werken met kruiwagens, +het goedkoope en korte van de reis: dat heeft de schuld van alles. Hier +komt het uitvaagsel van 't moederland en als er nog 's een goede komt, +dan bederft hij gauw hier in 't land. Nu dan, uw vader had onder de +pastoors en de geboren Spanjaarden heel veel vijanden." + +Hier zweeg hij even. + +"Eenige maanden na uw vertrek begonnen de onaangenaamheden met pater +Dámaso, zonder dat ik me de ware reden kan verklaren. Fray Dámaso +beschuldigde hem dat hij niet biechtte: te voren biechtte hij evenmin +en toch waren ze toen goede vrienden, zooals u zich nog wel herinneren +zal. Bovendien was don Rafael een eerbaar man en rechtvaardiger in +zijn handelingen dan velen die de biecht afnemen of ter biecht gaan. + +"Don Rafael hield er voor zich zelf een zeer strenge moraal op na +en wanneer hij me over die onaangenaamheden sprak zei hij altijd: +'Meneer Guevara, gelooft u dat God een misdaad vergeeft, een moord +bijvoorbeeld, alleen omdat men het aan een priester gezegd heeft, een +man die ten slotte het recht heeft om de zaak te verzwijgen en omdat +men bang is in de hel geroosterd te worden, wat ze berouw noemen? Omdat +men laf is, en maar brutaal is op assurantie? Ik heb een ander idee van +God,' zeide hij; 'voor mij wordt het eene kwaad niet met het andere +hersteld en wordt er niet vergeven om ijdele huilpartijen, evenmin +als om aalmoezen aan de kerk.' En hij gaf me dit voorbeeld: 'Als +ik een huisvader heb vermoord, als ik van een vrouw een ongelukkige +weduwe gemaakt heb en hulpelooze weezen van gelukkige kinderen, zal +ik dan aan de eeuwige gerechtigheid voldaan hebben door me te laten +ophangen, het geheim aan iemand toe te vertrouwen die het bewaren +zal door aalmoezen te geven aan de pastoors, die ze nog 't minst +noodig hebben, door de aflaat te koopen of nacht en dag te zitten +snotteren? En 't leven, dat verloren is gegaan, en de weezen? Mijn +geweten zegt me, dat ik den vermoorde zoo goed mogelijk moet vervangen, +dat ik me geheel-en-al voor mijn verdere leven aan het welzijn van +'t gezin moet wijden, dat ik ongelukkig gemaakt heb. En zelfs dan nog: +Wie kan de liefde van echtgenoot of vader vergoeden?' + +"Zoo redeneerde uw vader en met die strenge zedeleer trad hij +steeds op, en men kan wel zeggen dat hij nooit iemand eenig leed +heeft aangedaan. Integendeel: hij trachtte door goede werken zekere +ongerechtigheden uit te wissen, die hij zeide dat zijn voorouders +bedreven hadden. Maar om terug te komen op zijn onaangenaamheden +met den pastoor, die namen een leelijken keer: pater Dámaso maakte +toespelingen op hem van den kansel en 't was wel een wonder dat +hij hem niet met name noemde, want van zijn karakter was alles te +verwachten. Ik voorzag dat vroeg of laat de zaak kwaad zou afloopen." + +De oude luitenant zweeg weer eenige oogenblikken. + +"Er liep toen een gewezen kanonnier in de provincie rond, iemand die +om zijn al te groote domheid en onleerzaamheid eruitgezet was. Omdat de +man niets had om van te leven en hij zich niet aan eenige handenarbeid +mocht wijden van wege ons 'prestige' als blanken, kreeg hij van ik weet +niet wie, het baantje van gaarder van de belasting op rijtuigen. De +ongelukkige kerel had heelemaal geen opvoeding gehad en de inlanders +leerden hem gauw kennen. Voor hen is een Spanjaard die niet lezen of +schrijven kan een fenomeen. Overal werd hij voor den gek gehouden: +hij betaalde de belasting die hij inde, met beleedigingen, en hij +besefte dat hij een voorwerp van spot was. Dit maakte zijn karakter, +dat al vanzelf ruw en boosaardig was, nog erger. Ze gaven hem met +opzet geschreven bewijsjes omgekeerd, hij deed dan alsof hij lezen +kon en teekende waar hij een wit plekje zag met een paar krabbels, +die een handteekening moesten voorstellen. De inlanders betaalden +maar hielden hem voor den gek. Hij slikte alles, maar hij inde zijn +belasting en in deze stemming ontzag hij niemand. Met uw vader had +hij zelfs hoogloopende standjes gehad. + +"'t Gebeurde op een dag, terwijl hij bezig was een papier dat +men hem in een winkel gegeven had te keeren en te draaien, met de +bedoeling om het recht voor zich te krijgen, dat een schooljongen zijn +kameraden naar hem wees, hem uitlachte en uitjouwde. De man hoorde +het gelach, en zag een lachje spelen op de ernstige gezichten van de +omstanders. Hij verloor zijn geduld, keerde zich snel om en begon de +jongens na te loopen, die onder 't wegloopen hem toeriepen, 'ba, be, +bi, bo, bu.' Blind van woede en niet in staat ze in te halen, smijt +hij zijn stok naar hen, en die raakt er een op 't hoofd, zoodat hij +neervalt. Daarna loopt hij op hem toe, trapt en schopt hem, en geen van +allen die hem bespot hadden, had de moed om tusschenbeide te komen. Tot +zijn ongeluk kwam uw vader daar voorbij: woedend loopt hij op den +belastinggaarder af, grijpt hem bij zijn arm en maakt hem uit voor al +wat leelijk is. De man, die zeker alles rood zag van woede heft zijn +hand op, maar uw vader gaf hem den tijd niet, en met de kracht die zijn +Baskische afkomst verraadt ...sloeg hij hem volgens sommigen; anderen +zeggen dat hij hem alleen maar een duw gaf. Maar in allen gevalle: de +man wankelde, viel eenige passen verder neer en met zijn hoofd tegen +een steen aan. Don Rafael nam kalmpjes den gewonden jongen op en bracht +hem naar de rechtbank. De gewezen kanonnier braakte bloed en kwam niet +meer bij: eenige minuten later was hij dood. Zooals natuurlijk was +kwam de justitie tusschenbeide; uw vader werd gevangen genomen en toen +verhieven zich al zijn verborgen vijanden. 't Regende van lasterlijke +aantijgingen: hij werd aangeklaagd als opstandeling (filibustero) +en als ketter. Ketter te zijn is overal een groot ongeluk, vooral in +dien tijd, toen de provincie bestuurd werd door een 'alcalde', die zich +op zijn vroomheid liet voorstaan, die met zijn bedienden hardop zijn +rozenkrans bad; misschien deed hij het opdat iedereen hem hooren en +met hem samen bidden zou. Maar filibustero is erger dan ketter en veel +erger dan drie belastinggaarders vermoord te hebben, die allen lezen +en schrijven kunnen. Iedereen viel hem af. Zijn papieren en boeken +werden in beslag genomen. Men beschuldigde hem dat hij geabonneerd +was op de _Correo de Ultrámar_ en op de kranten van Madrid, dat hij +u naar Duitsch-Zwitserland gezonden had, dat men bij hem gevonden +had brieven en een portret van een veroordeelden priester, en weet +ik wat niet al. Uit alles werden aanklachten gehaald, zelfs uit het +feit dat hij een inlandsche 'Camisa' [soort lange kabaai [5]] droeg, +terwijl hij afstammeling van echte Spanjaarden was. Als 't een ander +man was geweest, zou uw vader allicht gauw op vrije voeten gesteld +zijn, want er was een dokter die den dood van den belastinggaarder +aan een congestie toeschreef; maar zijn fortuin, zijn vertrouwen in +'t gerecht en zijn haat aan alles wat niet wettig of rechtvaardig +was, brachten hem ten val. Ik zelf, al heb ik er een afkeer van om +iemands genade in te roepen, ik ging naar den Capitán-General, onzen +landvoogd vóór dezen dien we nu hebben. Ik legde hem uit dat iemand, +die iederen Spanjaard, arme of landverhuizer in zijn huis ontvangt, +hem spijst en huisvest en in wiens aderen nog het edele Spaansche +bloed bruist, onmogelijk een 'filibustero' kon wezen. Tevergeefs +stond ik er met mijn hoofd voor in, zwoer ik bij mijn armoede en +mijn militaire eer. Ik kreeg alleen gedaan, dat ik slecht ontvangen, +nog slechter weggezonden werd en den bijnaam opliep van 'Chiflado' +(niet recht wijs)." + +De oude man hield op om op adem te komen, en ziende dat zijn metgezel +zweeg en naar hem luisterde zonder hem aan te kijken, ging hij voort: + +"Ik bemoeide me op verzoek van uw vader met de verdediging; ik wendde +me tot den beroemden Filippijnschen advokaat, den jongen A., maar +deze weigerde zich met de zaak in te laten. 'Ik zou ze verliezen', +zei hij mij. 'Mijn verdediging zou een nieuwe aanleiding zijn voor +een aanklacht tegen hem en misschien ook tegen mij. + +"'Ga u maar naar meneer M., dat is een hartstochtelijk redenaar, +iemand met een makkelijk woord, Spanjaard van geboorte en die heel +wat kan uitwerken.' Zoo deed ik, en de beroemde advokaat belastte +zich met de zaak, die hij meesterlijk en schitterend verdedigde. + +"Maar er waren veel vijanden en sommigen daarvan waren verborgen en +onbekend. 't Krioelde van valsche getuigen en hun lasterpraatjes, +die elders met een enkele ironische of sarkastische opmerking van den +verdediger ontzenuwd waren geworden, werden hier dingen van beteekenis. + +"Als de advokaat gedaan kreeg ze den kop in te drukken door er andere, +die daarmee in onderlingen strijd waren tegenover te stellen, kwamen er +dadelijk weer nieuwe beschuldigingen opzetten. Ze beschuldigden hem, +dat hij zich wederrechtelijk van veel gronden had meester gemaakt; +ze vroegen hem vergoeding van allerlei schade; ze zeiden, dat hij +betrekkingen onderhield met de struikroovers (_toelisan's_), om te +maken dat ze zijn velden en zijn vee met rust lieten. Ten slotte +raakte de kwestie zoo in de war, dat na een jaar niemand er meer iets +van begreep. De 'alcalde' moest er zijn baantje bij laten. Er kwam +een ander, die den naam had van rechtschapen, maar ongelukkigerwijze +bleef hij maar enkele maanden; zijn opvolger hield te veel van goede +trekpaarden. + +"Het lijden, de onaangenaamheden, de ongemakken van 't +gevangenis-leven, of de smart van zooveel ondankbaren te zien, +pakten zijn ijzeren gestel zoodanig aan, dat hij de kwaal kreeg, +waaraan alleen 't graf een einde maakt. En toen alles uit zou wezen, +toen hij vrijgesproken van de aanklacht van hoogverraad en moord op +den belastinggaarder uit de gevangenis ontslagen zou worden, stierf +hij daar zonder iemand bij zich te hebben. Ik kwam juist bijtijds +genoeg om hem te zien sterven." + +De oude man zweeg. Ibarra zeide geen enkel woord. Intusschen waren +ze aan de poort van de kazerne aangekomen. De militair stond stil en +hem de hand toestekende, zeide hij: + +"M'n beste jongen, vraag u de bijzonderheden maar aan Capitán Tiago. En +nu, goeden nacht. Ik moet gaan kijken of er niets bijzonders is." + +Ibarra drukte hartelijk, maar zwijgend de magere hand en stil volgde +hij hem met de oogen tot hij uit het gezicht verdween. + +Hij keerde langzaam terug en zag een rijtuig voorbijkomen. Hij gaf +een teeken aan den koetsier. + +"Hôtel de Lala!" zeide hij nauw hoorbaar. + +"Die komt zeker uit het cachot," dacht de koetsier, terwijl hij een +zweepslag aan de paarden gaf. + + + + +V. + +Een ster in den duisteren nacht. + + +Ibarra ging naar zijn kamer die op de rivier uitzag en liet zich in +een leuningstoel neervallen, om door 't open raam te turen naar de +wijde ruimte daar voor hem. + +In 't huis aan den overkant was licht en gerucht van vroolijke stemmen; +als hij een tooneelkijker gehad had, zou hij er heel wat bijzonderheden +van 't levendig schouwspel hebben kunnen waarnemen. + +Doch Ibarra zag niets van dat al: zijn oogen aanschouwden heel wat +anders. Vier kale, vuile muren omsloten een kleine ruimte; in een +daarvan was heel in de hoogte een getralied venster; op den walgelijk +smerigen vloer een mat en op die mat lag een zieltogende grijsaard. De +oude man, die moeilijk ademhaalde, wendde den blik overal heen en +sprak schreiend een naam uit. Hij was alleen. Men hoorde nu en dan +het gedruisch van een ketting of een gekreun door den wand heen... en +dan daar heel in de verte een vroolijk feest, bijna een bacchanaal, +een jongmensch lacht, schreeuwt, giet wijn over de bloemen onder +toejuiching en opgewonden gelach der anderen. En de oude man had de +trekken van zijn vader, het jongmensch leek op hem en de naam door +den ouden grijsaard weenend uitgesproken was de zijne! + +De lichten in het huis aan den overkant werden uitgedaan, de muziek +en het gedruisch hielden op, maar Ibarra hoorde nog de angstkreten +van zijn vader, die den zoon zocht in zijn laatste ure. + +De stilte had haar hollen adem over Manila laten gaan en alles scheen +te slapen in de armen van het niet. Men hoorde het hanengekraai +afwisselen met de klokslagen der torens en met het klagelijk +roepen van den druiligen schildwacht. Een stukje maan begon zich te +vertoonen. Alles scheen te rusten, ja, zelfs Ibarra sliep ook reeds, +wellicht vermoeid van de reis. + +Doch de jonge Franciskaan, die kort te voren onbeweeglijk en stil +naar de liefelijke verschijning had gekeken--het jonge meisje, dat +het middelpunt had uitgemaakt van 't feest aan den overkant--zonder +aan de feestvreugde deel te nemen, sliep niet maar waakte. Met den +elleboog op de vensterbank van zijn cel, het bleeke en magere gelaat +geleund op de palm van zijn hand, staarde hij stil naar een verre +ster, die daar schitterde aan den duisteren hemel. De ster verbleekte +en verdween, de afnemende maan verloor haar flauwe glanzen, maar de +monnik verroerde zich niet van zijn plaats: hij keek naar de verre +kim, die wegzonk in de ochtendnevelen, naar het veld van Bagumbayan, +naar de zee die nog lag te slapen. + + + + +VI. + +Capitán Tiago. + + +Uw wil geschiede hier op aarde! Capitán Tiago was kort van gestalte, +licht van huidskleur, rond van lichaam en gelaat, dank zij een overmaat +van vet. Dit had hij van den hemel gekregen volgens zijn bewonderaars, +van 't bloed der armen volgens zijn vijanden. Zoo leek Capitán Tiago +jonger dan hij werkelijk was. Men zou hem dertig of vijf-en-dertig +jaar gegeven hebben. De uitdrukking van zijn gezicht was in den +tijd waarin ons verhaal speelt, steeds welzalig. Zijn schedel rond, +klein en bedekt met haar zoo zwart als git, lang van voren en heel +kort van achteren bevatte, naar men zeide, heel wat binnen zijn +bolte. Zijn kleine oogen--die echter niet schuin stonden--veranderden +nooit van uitdrukking. Zijn neus was fijn en niet plat en ware zijn +mond niet vervormd geworden door het misbruik van tabak en "boejo" +(sirih)--waarvan de "sepah", samengedrukt binnenin zijn wang, de +regelmaat van zijn trekken verstoorde--dan zouden we zeggen, dat +hij zich gerust voor een knap man mocht houden en uitgeven, wat hij +ook deed. In weerwil van dat misbruik hield hij zijn tanden echter +steeds blank: zijn eigen en de twee die de tandmeester hem geleverd +had tegen twee "duro's" 't stuk. + +Men hield hem voor een van de rijkste grondeigenaars van _Binondo_, +en een van de voornaamste landheeren, door de terreinen die hij in +_Pampanga_ en in de _Laguna de Bay_ bezat, vooral in 't dorp _San +Diego_ waarvan de canon of de pacht met ieder jaar steeg. _San Diego_ +was zijn lieveling-plaats om zijn aangename baden, zijn beroemde +"Gallera"--strijdperk voor hanen--en de herinneringen die hij ervan +bewaarde; daar bracht hij op zijn minst twee maanden door. + +Capitán Tiago had veel eigen huizen in _Santo Cristo_, in de +_Anloague_- en in de _Rosario_-straat. De opiumpacht was in zijn +handen en in die van een Chinees, en het is onnoodig te zeggen dat +ze er samen kolossale winsten uithaalden. Hij zorgde voor het eten +der gevangenen van _Bilibid_, en voor "zacate"--een paardenvoeder +uit verschillende grassoorten bestaande--aan veel voorname huizen +van Manila, bij kontraktlevering natuurlijk. Op goeden voet met alle +overheids-personen, handig, buigzaam, en zelfs vermetel, waar 't gold +te speculeeren op den nood van zijn evenmensch, was hij de eenige en +gevreesde mededinger van een zekeren Perez ter zake van verpachtingen +en 't publiek verkoopen van allerlei baantjes en bedrijven, die +het bestuur der Filippijnen steeds aan den zorg van particulieren +overlaat. Zoodat in het tijdperk dezer gebeurtenissen Capitán Tiago +een gelukkig man was, voorzoover in die landen een man met een kleine +schedel gelukkig kan wezen: hij was rijk, was op voet van vrede met +Onzen Lieven Heer, met het gouvernement en met zijn medemenschen. + +Dat hij op voet van vrede met God was, stond ontwijfelbaar vast, was +bijna een dogma: er was geen enkel motief om niet wel met den goeden +God te zijn, als men 't goed heeft op aarde, wanneer men nooit met Hem +omgegaan heeft en Hem ook nooit geld geleend heeft. Hij had zich in +zijn gebeden nooit tot Hem gewend, zelfs niet in zijn grootsten nood: +hij was rijk en zijn goud bad wel voor hem. Voor missen en smeekbeden +had God immers machtige en trotsche priesters geschapen; voor novenen +en rozenkransen had God armen geschapen ten gunste van de rijken, +arme luitjes die voor éen "peso" bereid zijn, om zestien "mysteriën" +af te bidden en al de heilige boeken te lezen, tot zelfs den bijbel in +'t Hebreeuwsch als je den prijs wat verhoogde. En zoo hij ook al eens +in een erg noodgeval geestelijke hulp noodig en zelfs geen enkele +roode Chineesche kaars bij de hand had, dan wendde hij zich tot de +mannelijke en vrouwelijke heiligen van zijn devotie en beloofde hun +veel, om ze te verplichten en ze geheel en al te overtuigen van de +goedheid zijner bedoelingen en verlangens. Doch de heilige aan wie hij +'t meeste beloofde en tegenover wie hij 't meest zijn beloften nakwam, +was de Heilige Maagd van _Antipolo_, onze Lieve Vrouw van Vrede en +Goede reis; want tegenover sommige kleine heiligen was de man noch +bijzonder stipt noch strikt eerlijk: soms, wanneer hij gekregen had +wat hij wenschte dacht hij niet meer aan hen--'t is waar, dat hij +ze dan ook niet meer lastig viel als de gelegenheid zich daartoe +voordeed. Capitán Tiago wist, dat er in den kalender veel werklooze +heiligen te bevinden waren, die wellicht daar boven in den hemel +niet wisten wat ze doen moesten. Bovendien schreef hij aan de Lieve +Vrouw van _Antipolo_ grooter macht en baat toe dan aan al de andere +Heilige Maagden. Die deur daar in de zaal, verborgen achter een zijden +gordijn, leidt naar een kapelletje of "oratorio", dat in geen enkel +Filippijnsch huis mag ontbreken: daar staan de huisgoden van Capitán +Tiago. Daar ziet men beelden van de Heilige Familie met bovenlijf en +ledenmaten van ivoor, oogen van glas, lange wimpers en blond haar, +puik beeldhouwwerk van Santa Cruz. Olieverf-schilderijen van Paco en +Hermita stellen martelingen van heiligen, wonderen van de Heilige +Maagd enz. voor. Wie kan dat heirleger van beeltenissen opsommen +en zeggen, welke glanzen en volmaaktheden daar in die schatkamer +verscholen zijn? Er is daar ook een fraaie heilige Michaël van verguld +en geschilderd hout, bijna een meter hoog: hij ziet er vreeselijk +uit, draagt een Grieksch schild en zwaait in de rechterhand een +Djolosche kris, klaar om den vrome of ieder ander die hem te na komt +te treffen--zoo zou men zeggen--veeleer dan de gestaarte en gehoornde +duivel, die zijn slagtanden in zijn juffer-been slaat. Capitán Tiago +dorst hem nooit te naderen, zoo bang was hij voor een wonder. Had hij +daar niet allerlei akeligheden van gelezen: je kon nooit weten. Capitán +Tiago was een voorzichtig en godsdienstig man, hij kwam liever niet +te dicht bij die kris van den heilige Michaël. + +Er ging geen jaar voorbij, dat Capitán Tiago niet met een orkest +deelnam aan de bedevaart naar _Antipolo_: dan bekostigde hij twee +dankmissen van de vele, die de "novenario's" vormden en de andere +dagen vulden, waarop er geen novenario's waren. Daarna nam hij een bad +in de beroemde _batis_ of bron, waar hetzelfde heilige beeld gebaad +had. Daar bij die bron moest Capitán Tiago gebraden speenvarken eten, +_sinigang_ van _dalag_ met bladeren van _alibambang_ [6] en andere +min of meer smakelijke gerechten. De twee missen kwamen hem op iets +meer dan vierhonderd peso's, maar dat was nog goedkoop als men naging, +hoe de Moeder Gods geëerd werd met vuurzonnen, vuurpijlen, bommen en +mortier-schoten; als men de groote winsten kon berekenen, die hij in +den verderen loop van 't jaar, dank zij die missen, zou maken. + +Doch Antipolo was niet het eenige tooneel van zijn geruchtmakende +vroomheid. Te Binondo, in Pampanga en in 't dorp San Diego zond hij +aan den pastoor goudstukken voor gunstig-stemmende missen, wanneer hij +daar een grooten inzet gedaan had op een haan, die er voor hem vechten +moest. Capitán Tiago hield er zijn voorteekenen op na: hij lette op de +vlam der kaarsen, op het opstijgen van den wierook-walm, op de stem +van den priester enz., en uit den indruk, dien hij daarvan kreeg, +maakte hij zijn winkansen op. 't Is algemeen bekend dat Capitán maar +zelden een weddenschap verloor, en die enkele keeren was dat te wijten, +of aan den dienstdoenden priester, die schor was, of 't kwam omdat +er weinig lichten aan waren, dat de waskaarsen veel talk bevatten, +of dat er een valsch geldstuk tusschen de gezonden munten voorkwam, +enz., enz. Dat waren immers maar kleine beproevingen des hemels om +hem vaster in 't geloof en in de devotie te maken. Bemind bij de +pastoors, geëerbiedigd door de kosters, op de handen gedragen door de +Chineesche kaarsen-verkoopers en vuurwerk-makers, was de man gelukkig +in den godsdienst hier op aarde, en menschen van karakter en groote +vroomheid schreven hem ook grooten invloed toe aan 't hemelsche Hof. + +Dat hij in vrede leefde met het bestuur, daar viel niet aan te +twijfelen, hoe moeilijk de zaak ook leek. Niet in staat om een +nieuwe gedachte te vatten of voor te stellen en tevreden met zijn +"modus vivendi", was hij steeds bereid om te gehoorzamen aan 't +alleronbeduidendst ambtenaartje, om geschenkjes te zenden bestaande in +hammen, kapoenen, kalkoenen, Chineesche vruchten op alle tijden van +'t jaar. Hoorde hij kwaad spreken van de inlanders, dan stemde hij, +die zich niet tot hen rekende, dadelijk in met het koor en sprak nog +erger kwaad; werd er kritiek geoefend op de Chineesche of Spaansche +kleurlingen, dan kritizeerde hij hard mee; wellicht omdat hij zich +voor een volbloed Spanjool hield. Hij was de eerste om iedere nieuwe +belasting toe te juichen, vooral wanneer hij er een verpachting of +kontraktje achter rook. Hij had altijd muziek-korpsen bij de hand +om geluk te wenschen of serenades te brengen aan alle mogelijke +gouverneurs, burgemeesters, fiskaals enz., enz., op hun heiligen- +of jaardagen, bij geboorte of dood van een hunner bloedverwanten, in +'t kort bij iedere kleine afwisseling in de gewone eentonigheid van +hun bestaan. Daarvoor liet hij dan lofdichten en hymnen schrijven. + +Hij was voorzitter van de rijke vereeniging van kleurlingen. In +de twee jaren van zijn bestuur werkte hij zich door tien "rokken", +evenzooveel hooge hoeden en een half dozijn stokken; de rok en de +hoed in den gemeenteraad, in _Malakanjang_ en in de kazerne; de hooge +hoed en de rok bij het hanengevecht, op de markt, bij de processies, +in de winkels der Chineezen. En onder zijn hoed en in zijn rok +zweette Capitán Tiago door 't gezwaai met zijn stok met het kwastje, +beredderde, regelde en ontredderde hij alles met een wonderbaarlijke +bedrijvigheid en ernst, die nog wonderbaarlijker was. Zoo zagen de +autoriteiten in hem een man bezield met den besten wil, vreedzaam, +onderworpen, gehoorzaam, niet wars van onthalen en aanhalen, die +nooit een enkel boek of tijdschrift uit Spanje las, ofschoon hij +goed Spaansch sprak. Ze beschouwden hem met de gewaarwording, waarmee +een arm student kijkt naar de afgesleten hak van zijn ouden schoen, +scheefgetrokken door zijn manier van loopen.--Op hem waren de beide +zaligsprekingen--christelijk en profaan--van toepassing: "zalig zijn +de armen van geest" en "zalig zijn de bezitters." De onvromen hielden +hem voor een zot, de armen voor een hardvochtig uitbuiter der ellende, +en zijn ondergeschikten voor een dwingeland. En de vrouwen? Och, och, +de vrouwen! Laster-geruchten gonsden in de armzalige _nipah_-huisjes +en men verzekert dat er daar klachten en snikken gehoord werden, +vermengd nu en dan met het gekrijt van een kind. Meer dan één jong +meisje werd met den vinger smadelijk nagewezen door de dorpsmenschen: +ze kijkt met doffen blik en haar boezem is verwelkt. Doch deze dingen +benamen hem den slaap niet. Geen enkel jongmeisje roofde hem zijn rust: +'t was een oudje, dat hem lijden deed, een oudje dat hem concurrentie +aandeed in de vroomheid en dat van de pastoors meer geestdriftige +loftuitingen en vleitaal verdiend had dan hij in zijn beste dagen +had kunnen verwerven. + +Tusschen Capitán Tiago en deze weduwe, erfgename van broeders en +neven, bestond een heilige wedijver die der kerk tot heil strekte, +evenals de concurrentie der stoombooten van Pampanga toentertijd ten +goede kwam aan het publiek. + +Gaf Capitán Tiago een zilveren stok met smaragden en topazen aan +de een of andere Heilige Maagd, wel dan was Doña Patronicio al aan +'t bestellen van een ander van goud met diamanten bij den juwelier +Gadáunez. Richtte Capitán Tiago voor de processie van kerstmis +een eereboog op met twee vlakken, van opgebold doek met spiegels, +glazen ballons, lampen en kronen, dan wist Doña Patronicio er voor +een te zorgen met vier vlakken, twee el hooger, met meer behangsels en +sieraden. Doch dan nam hij zijn toevlucht tot zijn specialiteit: tot de +missen met bommen en vuurwerk, en dan moest Doña Patronicio met haar +tandvleesch op haar lippen bijten; want, daar ze erg zenuwachtig was, +was ze niet in staat het klokken-gelui en nog minder het geknal van +'t vuurwerk te verdragen. Terwijl hij in zijn vuistje lachte, zon zij +op wraak en betaalde met het geld van anderen de beste redenaars van de +vijf corporaties te Manila, de beroemdste kanunniken der kathedraal en +zelfs de Paulisten, om op de plechtige dagen over theologische en zeer +diepzinnige onderwerpen te prediken tot de zondaren, die alleen wat +straat-Spaansch verstonden. Geen wonder dat Capitán Tiago haar uit den +grond van zijn hart het verlies van vijf of zes van haar processen of, +nog liever, een zalig maar spoedig uiteinde toewenschte. Maar ze had +goede advokaten en een gezondheid, waar geen ziekte vat op had. Als ze +ooit heilig verklaard werd--wat haar vereerders vast geloofden--dan +was Capitán Tiago bereid haar zelfs aan de altaren te aanbidden, +mits ze maar spoedig hemelwaarts trok. + +Zoo was Capitán Tiago toen. Wat zijn verleden aangaat, hij was de +eenige zoon van een suikerplanter van Malabón, tamelijk welgesteld, +maar zoo gierig dat hij geen rooie duit wilde uitgeven voor de +opvoeding van zijn zoon. Daarom werd de kleine Santiago bediende bij +een goeden dominikaan, een zeer deugdzaam man, die hem al het goede dat +hij kon en wist, trachtte te leeren. Toen hij juist aan de studie van +"de logica" zou beginnen, stierf zijn beschermer en kort daarop zijn +vader, zoodat er een eind kwam aan zijn studiën. Toen moest hij zich +aan de zaken wijden. Hij trouwde met een mooi meisje uit Santa Cruz, +dat hem hielp fortuin maken en hem zijn maatschappelijke positie +gaf. Doña Pia Alba vergenoegde zich niet met het opkoopen van suiker, +koffie en indigo: ze woû zaaien, en zoo kocht het nieuwe echtpaar grond +in San Diego. Van dien tijd dateerde zijn vriendschap met pater Dámaso +en met Rafael Ibarra, toenmaals de rijkste kapitalist van 't dorp. + +Het uitblijven van een erfgenaam in de eerste zes jaren van zijn +huwelijk maakte van dat streven naar rijkdom bijna een laakbare +eerzucht, en toch was Doña Pia welgevormd, sterk en gezond. Hij +probeerde van alles: liet missen lezen, bezocht heilige plaatsen, +gaf aalmoezen en meer zoo, maar alles te vergeefs. Totdat Fray Dámaso +hem aanraadde naar _Obando_ te gaan; daar danste hij 't feest van San +Pascual Bailón en vroeg om een zoon. 't Is bekend dat er te _Obando_ +een Drievuldigheid is, die zoons en dochters schenkt ter keuze: Onze +lieve Vrouw van _Salambau_, de heilige Clara en San Pascual. Dankzij +deze wijze raad, voelde Doña Pia, dat ze moeder zou worden.... Ach, +'t ging haar als de visscher uit Macbeth, die ophield met zingen, +toen hij een schat gevonden had: zij verloor haar vroolijkheid, werd +bedroefd en men zag haar niet meer lachen. Och, allemaal grilletjes van +een zwangere! zei iedereen, tot zelfs Capitán Tiago. Een kraamkoorts +maakte een einde aan haar droefheid, terwijl ze een mooi dochtertje +als weesje achterliet. Fray Dámaso hief het zelf ten doop. En daar San +Pascual niet de jongen geschonken had, waarom hij gevraagd was, gaven +ze haar de namen _Maria Clara_ ter eere van de Maagd van Salambau +en Santa Clara, terwijl San Pascual Bailón tot straf verloochend +werd. Het meisje groeide op onder de verzorging van tante Isabel, +de pater vereerende oude, die wij in 't begin van ons verhaal hebben +ontmoet. Ze woonde het grootste deel van 't jaar te San Diego om het +gezonde klimaat, en daar vertroetelde Fray Dámaso zijn petekind. Maria +Clara had niet de kleine oogen van haar vader: evenals haar moeder +had zij ze groot, donker, overschaduwd door lange wimpers, vroolijk +en lachend wanneer ze speelde, droevig, diep en peinzend wanneer ze +stemmig keek. Als kind had haar lokkig haar een bijna blonde tint. Haar +neus was zuiver geteekend en noch scherp noch plat; de mond herinnerde +aan de kleine en bevallige van haar moeder, met de snakige kuiltjes +in de wangen. Haar huid had de fijnheid van een uie-schilletje en +de witheid van katoen, zooals haar dolverliefde familieleden zeiden, +die de trek van Capitán Tiago's vaderschap herkenden in Maria Clara's +kleine en welgevormde ooren. + +Tante Isabel schreef die eigenaardigheden toe aan +zwangerschaps-invloeden bij Doña Pia: ze herinnerde zich dat ze +haar in de eerste maanden herhaalde malen had zien schreien voor +de beeltenis van den heiligen Antonius. Een andere nicht van Capitán +Tiago was van hetzelfde gevoelen: alleen verschilde die in de keuze van +heilige. Voor haar was het òf de Heilige Maagd, òf Sint Michaël. Een +beroemd wijsgeer, neef van Capitán Tiago, en die zijn Amat [7] uit +het hoofd kende, zocht de verklaring in planeet-invloeden. + +Maria Clara, afgod van iedereen, groeide op onder lachjes en +liefkozingen. Zelfs de geestelijke broeders vertroetelden haar, +wanneer ze haar bij de processies in 't wit kleedden, haar weelderige +lokkentooi doorstrengeld met _tjempaka's_ en leliën, met twee zilveren +en gouden vleugeltjes aan den rug van haar kleedje en twee witte duiven +met blauwe lintjes vastgemaakt, in de hand. En dan was ze zoo vroolijk, +ze kon zoo echt kinderlijk babbelen, dat Capitán Tiago buiten zich +zelve van liefde voor haar, niet ophield met de heiligen van Obando +te zegenen en iedereen aan te raden er zich mooie beeldjes van aan +te schaffen. + +In tropische landen wordt een meisje van dertien of veertien jaar +vrouw, gelijk de bloemknop, die 's nachts nog gesloten den volgenden +ochtend reeds bloem is. In dit overgangstijdperk vol mysteriën en +romantisch gedweep ging Maria Clara op raad van den pastoor van +_Binondo_ naar de kloosterschool van Santa Catalina, om van de +nonnen daar een strenge, godsdienstige opvoeding te erlangen. Met +tranen nam ze afscheid van pater Dámaso en van den eenigen vriend +met wien ze in haar kindsheid gespeeld had, van Crisóstomo Ibarra, +die daarna ook naar Europa vertrok. Daar in het klooster, dat met de +buitenwereld slechts verbinding had door een dubbel tralie-werk vóór +de vensters en dan nog alleen onder toezicht van de "waakzuster", +bracht ze zeven jaar van haar leven door. + +Ieder met zijn bijzondere oogmerken en de wederzijdsche genegenheid +der jongelieden begrijpende, kwamen don Rafael en Capitán Tiago +overeen hun kinderen te laten trouwen en vereenigden ze zich onder een +firma. Deze gebeurtenis, die plaats had eenige jaren na het vertrek +van den jongen Ibarra, werd met gelijken jubel gevierd door twee +harten, die elk in een uiteinde der wereld en in zeer verschillende +omstandigheden verkeerden. + + + + +VII. + +Idylle op een plat dak. + + +Tante Isabel en Maria Clara waren dien morgen vroeg naar de mis gegaan; +deze smaakvol gekleed, met een rozenkrans van blauwe kralen, die haar +half als armband diende en de ander met haar bril op, om gedurende +het Heilige Offer het "Anker der Redding" te lezen. + +Nauw was de priester van 't altaar verdwenen of het jonge meisje gaf +haar verlangen te kennen om heen te gaan, tot groote verwondering en +ergernis der goede tante, die haar nichtje voor vroom en bidvaardig +hield, niet minder dan een non. Morrend en onder 't slaan van kruisjes +stond de goede oude op. + +"Och, de goede God zal 't wel vergeven. Hij zal 't hart van de +jonge meisjes wel beter kennen dan u, tante," had de ander tot haar +gezegd, om een einde te maken aan haar strenge, hoewel tenslotte +moederlijk-bedoelde verwijten. + +Nu waren ze bedaard en Maria Clara gaf afleiding aan haar ongeduld +met het haken van een zijden beursje, terwijl tante de sporen van +'t afgeloopen feest wilde uitwisschen en haar veeren stoffer begon +te hanteeren. Capitán Tiago was bezig wat papieren na te kijken en +door te lezen. + +Ieder gedruisch op straat, ieder rijtuig dat voorbijkwam, deed den +boezem van 't meisje popelen en beven. Ach, nu wou ze wel weer in +'t rustige klooster wezen, onder haar vriendinnen! Daar kon ze "hem" +ten minste zonder angst of verlegenheid te zien krijgen.... + +"Ik geloof, Maria, dat de dokter gelijk heeft," zei Capitán Tiago. "Je +moet naar boven, je bent erg bleek, je hebt verandering van lucht +noodig. Wat dunkt je, _Malabón_....of _San Diego_?" + +Bij dezen laatsten naam werd Maria Clara zoo rood als een klaproosje +en kon ze niet antwoorden. + +"Je moet nu maar met tante Isabel naar de kloosterschool gaan om +je kleeren te halen en afscheid te nemen van je vriendinnen," ging +Capitán Tiago voort, zonder 't hoofd op te heffen, "je gaat er daarna +niet meer heen." + +Maria Clara voelde dien vagen weemoed, welke zich meester maakt over +de ziel, wanneer men voor altijd een oord gaat verlaten, waar men +gelukkig geweest is, doch een andere gedachte verdreef die smart. + +"En over vier of vijf dagen, wanneer je je goed hebt, gaan we naar +Malabón.... je peetvader is niet meer in _San Diego_. De pastoor, +dien je gisteravond hier gezien hebt, die jonge pater, is de nieuwe +pastoor dien we daar nu hebben. 't Is een heilige." + +"San Diego staat haar beter aan, neef!" merkte tante Isabel +op. "Bovendien hebben we daar een beter huis en het feest is op komst." + +Maria Clara had haar tante wel willen omhelzen, maar ze hoorde een +rijtuig stilstaan, en werd bleek. + +"O ja, dat is waar!" antwoordde Capitán Tiago en van toon veranderend, +hervatte hij: + +"Don Crisóstomo!" + +Maria Clara liet het werkje vallen, dat ze in de hand had; ze +wilde opstaan, maar ze kon niet, een zenuwachtige huivering ging +haar door 't lichaam. Men hoorde stappen op de trap en daarna een +heldere mannelijke stem. Als had die stem tooverkracht bezeten, +onttrok het jongemeisje zich aan haar ontvoering en liep hard weg, +om zich te verschuilen in het bidkapelletje, waar de heiligenbeelden +stonden. Neef en nicht begonnen te lachen en Ibarra hoorde nog het +gedruisch van een deur die gesloten werd. + +Bleek, snel ademend, drukte het jongemeisje de handen op haar +popelenden boezem en wilde luisteren. Ze hoorde de stem, die zoo +geliefde stem, die ze nu al zoolang alleen in haar droomen gehoord +had. Hij vroeg naar haar. Dol van vreugde kuste ze den heilige, die +'t dichtst bij de hand stond, den heiligen Antonius. Daarna zocht +ze een gaatje om naar hem te kijken, hem op te nemen; ze zag door +'t sleutelgat, dat hij glimlachte en toen haar tante haar in haar +aanschouwing stoorde, sloeg ze, zonder goed te weten wat ze deed, +haar armen om den hals van 't oudje en overstelpte haar met kussen. + +"Maar, dwaas kind, wat scheelt je?" kon de oude ten slotte uitbrengen, +terwijl ze een traan uit haar verwelkte oogen wegpinkte. + +Maria Clara werd verlegen en bedekte zich de oogen met haar molligen +arm. + +"Kom, maak je klaar, gauw!" voegde de oude op hartelijken toon eraan +toe, "terwijl hij met je vader over jou spreekt... kom, laat hem niet +op je wachten." + +De jonge vrouw liet zich leiden als een kind en beiden sloten zich +op in haar kamer. + +Capitán Tiago en Ibarra waren in levendig gesprek toen tante Isabel +verscheen, die haar nichtje half met zich meesleepte, terwijl deze +overal heen keek, behalve naar de menschen. + +Zij en de jonge man wisselden daarna slechts één blik: hun ontroering +vond geen woorden. + +En daarna, toen het verliefde paartje, vluchtend voor den stoffer +van tante Isabel die zich weer roerde, naar het platte dak ging om +vrij te praten, wat vertelden ze elkaar toen daar tusschen de kleine +klimop-leidingen, zoodat gij ervan huiverdet, roode bloempjes van 't +"engelen haar"? Vertelt het, gij die geuren in uw adem, kleuren op uw +lipjes hebt; gij zefir die vreemde melodieën leerdet in 't geheim van +den duisteren nacht, in 't mysterie onzer maagdelijke wouden; vertelt +het, zonnestralen, schitterende openbaring des Eeuwigen op aarde, +eenig onstoffelijk wezen in de wereld van materie, vertelt het, gij, +want ik vind niets dan prozaïsche malligheid! + +Maar nu gij niet wilt, zal ik 't zelf toch maar probeeren. + +De hemel was blauw. Een frisch windje, dat niet naar rozen rook, bewoog +de bladeren en bloemen der klimplanten--daarom huiverde het "engelen +haar"--de glazen ballons, de gedroogde visschen en de Chineesche +lampen. Het geplas van een "sagoean" (roei-riem uit één stuk hout) +in de troebele wateren der rivier, het rollen der rijtuigen en karren +over de _Binondo_-brug drongen duidelijk tot hen door; maar niet wat +de tante mompelde: + +"Heel goed zoo, daar worden jullie door de heele buurt in 't oog +gehouden", zeide zij. + +In 't eerst zeiden ze alleen maar dwaasheden, die zoete dwaasheden +veel gelijkend op grootspraak voor de Europeesche menschen; smakelijk +als honig voor de lieden van 't land, maar lach- of ergernis-wekkend +voor vreemdelingen. + +"Heb je altijd aan me gedacht?" vraagt zij jaloersch. "Heb je me +op je vele reizen niet vergeten? Zooveel groote steden met zooveel +mooie vrouwen!".... + +Hij weet de vragen te ontwijken en is een beetje vrij met de waarheid. + +"Zou ik je kunnen vergeten?" antwoordt hij, terwijl hij verrukt +in haar donkere pupillen staart. "Kon ik ooit een heilige belofte +schenden? Herinner je je dien stormachtigen nacht nog wel toen je me +zoo alleen zag schreien bij 't lijk van mijn moeder en je naar mij +toekwam, je hand op mijn schouder lei--je hand, die je me al een heelen +tijd niet toeliet vast te houden--en dat je toen tegen me zei: 'Gij +hebt je moeder verloren: ik heb er nooit een gehad'... en dat je toen +samen met me schreide? Jij hield van haar en zij van jou als van een +dochter. Buiten regende en donderde het, maar 't was me of ik muziek +hoorde, alsof ik het bleeke gezicht van de doode zag glimlachen.... O, +als mijn ouders nog leefden... en je konden zien! Ik greep toen +je hand en die van mijn moeder, ik zwoer je lief te hebben en je +gelukkig te zullen maken, welk lot me ook door den hemel beschoren +zou worden. Die eed heeft me nooit bezwaard, en daarom vernieuw ik +dien nu. Kon ik je vergeten? Je leek me daar in 't verre Europa mijn +fee, de geest, de dichterlijke vleeschwording van mijn vaderland, +mooie, eenvoudige, kinderlijke dochter van 't Filippijnsche land, 't +heerlijke land, dat de deugden van 't Spaansche moederland vereenigt +met de schoone eigenschappen van een jong volk, zooals zich in jouw +wezen al het schoone van beide rassen vereenigt. Daarom smelten de +liefde voor jou en die ik mijn vaderland toedraag inéén. Hoe kon ik +je vergeten? Overal stond je beeld me voor den geest, overal was +'t of ik je naam hoorde. Waar ik ook was, in Duitschland met zijn +koude winters, zijn lange nachten en schemeravonden, in 't zonnig +Italië en de heerlijke landschappen van Andaloezië, waar de lucht +vol is van geuren, waar overal oostersche herinneringen zweven, +daar spraken me al de poëzie en al de kleurenpracht van jouw liefde..." + +"Ik heb niet zooveel gereisd als jij: ik ken alleen Manila +en Antipolo--jouw land," antwoordde zij glimlachend; "maar van +'t oogenblik dat ik je vaarwel zei en naar 't klooster ging, heb ik +altijd aan je gedacht en ik heb je niet vergeten, wat mijn biechtvader +me ook beval en welke boetedoeningen die me ook oplegde. Ik herinner +me alles van onze spelen, van onze ruzies, toen we kleine kinderen +waren. Herinner je je nog dien keer, toen je werkelijk boos waart? Ik +vond het toen vreeselijk, maar later in 't klooster lachte ik erom en +verlangde er naar, dat ik weer 's zoo ruzie met je kon hebben... om dan +daarna weer goede vrienden te worden. Weet je nog toen we met je moeder +samen in dat beekje gingen baden? Jij was, toen ik de mooie vlinders +achterna liep, ineens weg en toen je terugkwam had je een krans van +blaren en bloemen bij je; dien zette je op mijn hoofd en noemde me +Cloë. Ik maakte er toen ook een voor jou van klimop. Maar je moeder +pakte gauw mijn krans, wreef die fijn met een steen, samen met de +'gogo'--een soort 'merang'--waarmee ze onze hoofden zou wasschen. Jij +kreeg tranen in de oogen en zei, dat zij niets van de mythologie +begreep. 'Och, domme jongen,' antwoordde je moeder toen, 'je zult +merken, hoe lekker je haren straks zullen ruiken.' Ik begon te lachen, +jij waart boos, je wou niet met me praten en de rest van den dag keek +je zoo ernstig, dat ik wel lust had om te huilen. Toen we teruggingen +naar 't dorp en de zon zoo vreeselijk brandde, plukte ik salie-blaren +voor je, die aan den kant van den weg groeiden en ik gaf je die, +om ze in je hoed te doen, dat je geen hoofdpijn zou krijgen. Toen +lachte je weer, ik greep je hand en we waren weer goeie maatjes." + +Ibarra keek erg gelukkig, haalde zijn zak-portefeuille voor den dag en +nam er een papier uit, waarin een paar zwartachtige droge en geurige +blaadjes ingepakt waren. + +"Jouw salie-blaadjes!" antwoordde hij op haar blik. + +"Dat 's alles wat je me ooit gegeven hebt." + +Zij haalde op haar beurt snel een zakje van wit satijn uit haar boezem. + +"Afblijven!" riep ze, en gaf hem een tik op zijn hand. + +"Niet aankomen: dat 's een afscheidsbrief." + +"Is het de brief, dien ik je voor mijn vertrek geschreven heb?" + +"Heb je me soms ooit een andere geschreven, mijn heer?" + +"En wat had ik je daarin te vertellen?" + +"O, 'n boel fopperij!" antwoordde zij lachend, terwijl ze te kennen +gaf hoe welgevallig haar die leugentjes waren. "Stil! ik zal je den +brief voorlezen, maar ik zal je verliefderigheden maar overslaan, +om je te sparen." + +En het blad papier op de hoogte van haar oogen houdende, om te maken, +dat de jongeman haar gezicht niet zag begon ze: + +"Mijn... ik lees niet wat er nu volgt, want dat is een leugentje," +en ze doorliep eenige regels met de oogen. "Mijn vader staat erop, +dat ik vertrekken zal, in weerwil van mijn smeeken.--"Je bent nu +een man, heeft hij tot me gezegd, je moet de wetenschap van 't leven +leeren: die kan je eigen land je niet geven; dan kun je later nuttig +zijn voor je vaderland. Als je bij mij blijft, in deze atmosfeer van +vooroordeelen, zal je gezichtskring nooit ruim worden. En wanneer je +eenmaal alleen staat, zal je gaan als de plant, waarvan onze dichter +Baltasar spreekt: "Opgegroeid in 't water, verwelken haar bladeren, +zoodra men ze maar een korten tijd niet begiet. Een oogenblik van +hitte doet haar verdorren." Wel, kijk, je bent bijna een jonge man, +en je schreit nog!"--Dit verwijt trof me en ik bekende, dat ik je +liefhad. Mijn vader zweeg, dacht even na en zijn hand op mijn schouder +leggend, zeide hij me met bevende stem: "Denk je, dat jij alleen kunt +liefhebben, dat je vader niet van jou houdt en 't niet naar vindt van +je te scheiden? Kort geleden hebben we je moeder verloren. Ik word al +zoetjes-aan oud, en ik kom zoo op den leeftijd, dat men den steun en +de troost aan de jeugd zoekt. En toch aanvaard ik mijn eenzaamheid, +al weet ik ook, dat ik je misschien nooit terugzie. Maar ik moet aan +dingen van grooter belang denken... De toekomst opent zich voor je, +voor mij gaat ze sluiten. Jouw liefdesleven begint net, 't mijne gaat +verdwijnen. Bij jou kookt het bloed in de aderen, bij mij dringt de +koude erin. En toch schrei je, en kun je 't heden niet opofferen voor +een morgen, die nuttig kan wezen voor jou en voor je land!"--Mijn +vaders oogen vulden zich met tranen, ik viel voor hem op de knieën, +omhelsde hem, vroeg hem om vergiffenis en zeide hem dat ik bereid +was te vertrekken." + +Ibarra's ontroering belette haar verder te lezen: de jongeman +was bleek, en stapte van 't eene uiteinde van het platte dak naar +'t andere. + +"Wat scheel je? wat is er?" vroeg zij hem. + +"Jij hebt me doen vergeten, dat ik mijn plichten heb, dat ik nu +dadelijk naar 't dorp moet vertrekken. Morgen is het Allerzielen." + +Maria Clara zweeg, zag hem een oogenblik met haar groote droomoogen +aan en een paar bloemen plukkende zeide ze aangedaan: + +"Ga, ik hou je niet tegen. We zien elkaar over eenige dagen terug! Leg +die bloemen op 't graf van je vader!" + +Eenige oogenblikken later ging de jongeling de trap af, vergezeld +door Capitán Tiago en tante Isabel, terwijl Maria Clara zich in het +bidkapelletje opsloot. + +"Wees zoo goed aan Andeng te zeggen dat ze het huis in orde moet +maken want Maria en Isabel komen gauw! Goeie reis!" zeide Capitán +Tiago, terwijl Ibarra in 't rijtuig stapte, dat daarop wegreed in de +richting van het San Gabriël-plein. + +En toen zeide hij bij wijze van troost tot Maria Clara, die lag te +schreien naast een beeld van de Heilige Maagd: + +"Kom, steek twee kaarsen van twee realen aan, de één ter eere +van San Rogue en de ander voor San Rafael, de schutspatroon der +reizigers! Steek ook de lamp aan van onze Lieve Vrouw van Vrede en +Goede Reis, want er zijn een boel _toelisan's_ (roovers). 't Is beter +nu vier realen te besteden aan was en zes voor olie dan later een +bom duiten te moeten uitgeven als losgeld." + + + + +VIII. + +Herinneringen. + + +Ibarra's rijtuig reed door de drukste buitenwijk van Manila. Wat +hem den vorigen nacht droevig gestemd had, deed hem nu bij daglicht +ondanks zichzelf glimlachen. + +De levendigheid, die zich overal vertoonde, zooveel rijtuigen die +daar hoen en weer voorbijschoten, de vrachtkarren, de kalessen, de +Europeanen, de Chineezen, de inlanders, ieder in zijn kleederdracht, +de fruitverkoopers, de makelaars, de naakte sjouwers, de stalletjes +met eetwaren, de hôtels, "de restaurants", de winkels, tot zelfs de +zware karren getrokken door de onverstoorbare onverschillige buffels, +die er pleizier in schenen te hebben al filosofeerend vrachten voort +te slepen, alles, 't gedruisch, de bedrijvigheid, ja zelfs de zon, +een zekere bijzondere lucht die er hing, de bonte kleuren, wekten in +zijn gedachten een wereld van sluimerende herinneringen. + +De straten waren nog ongeplaveid. Twee dagen achtereen scheen de +zon, en de begane grond zette zich om in stof, dat alles bedekte, +de voorbijgangers deed hoesten en hun oogen blind maakte; 't regende +een dag en er ontstond een moeras, dat 's avonds de rijtuiglantaarns +weerspiegelde, en ze op vijf meter afstand op de smalle wandelpaden +bespatte. Hoeveel vrouwen hadden er niet in die moddergolven hun +geborduurde muiltjes laten steken! + +Men zag toen een rij dwangarbeiders langs de straat gaan, met geschoren +hoofd, gekleed in een hemd met korte mouwen en een broekje tot aan +de knieën met nummers en blauwe letters erop; aan de beenen hingen +kettingen, half gewikkeld in vuile lappen om de schuring of wellicht +de koude van 't ijzer te ontgaan; twee aan twee aan elkaar verbonden +door een touw, geblakerd door de zon, op van hitte en vermoeienis, +aangedreven en geranseld met een stok door een anderen dwangarbeider, +voor wien 't wellicht een troost was, dat hij op zijn beurt anderen +kon mishandelen. + +Het waren lange mannen, met sombere gelaatstrekken, waarop hij nog +nooit de opflitsing van een lach gezien had; hun oogen echter schoten +vonken, telkens wanneer de stok zwiepend op hun schouders neerkwam, +of wanneer een voorbijganger hun een half afgebrand en afgezogen +eindje sigaar toewierp; de dichtst bij zijnde greep het en verborg +het in zijn _salákot_, [8] de overigen keken met een zonderlinge +blik naar de andere voorbijgangers. Het was Ibarra als hoorde hij +nog het gedruisch dat ze maakten bij 't stukslaan van steenen, om +de kuilen op straat aan te vullen en 't vroolijk tingelen der zware +voetboeien aan hun gezwollen enkels. Hij herinnerde zich huiverend +een tooneel, dat op zijn kinderlijke verbeelding een diepen indruk +gemaakt had: het was middag en de zon liet haar gloeiende stralen +loodrecht neervallen. In de schaduw van een houten kar lag een +dier mannen, levenloos met halfgeloken oogen. Twee anderen waren +zwijgend bezig een rotan draagbaar klaar te maken, zonder toorn, +zonder smart, zonder ongeduld, zooals 't eigenaardig karakter der +inboorlingen meebrengt.--"Vandaag jij, morgen wij," zeiden ze zeker +bij zichzelven. De menschen liepen haastig voorbij zonder er acht op +te slaan; de vrouwen gaven onderweg één blik en gingen verder. Het +schouwspel was zoo gewoon, het had de harten ongevoelig gemaakt. De +rijtuigen snorden voorbij en weerkaatsten op hun glanzend vernis de +stralen dier schitterende zon in den wolkenloozen hemel. Hij alleen, +de elf-jarige knaap, zoo pas uit het dorp gekomen, was ontroerd en +de volgende nacht kreeg hij alleen er een nachtmerrie van. + +De goede eerwaardige _Puente de Barcas_, die echt-Filippijnsche brug, +die al haar best deed om te dienen, in weerwil van haar natuurlijke +onvolkomenheden, die zich ophief en weer neerzakte al naar de grillen +der _Pasig_-rivier, en door deze meer dan eens gebeukt en vernield. + +De amandel-boomen der _Plaza de San Gabriel_ waren niet grooter +geworden, ze bleven achterlijk in hun groei. + +De _Escolta_-straat leek hem fraaier, al nam ook een groot gebouw met +steunbeelden de plaats in van haar oude _camarines_--de lage gebouwtjes +met de Chineesche winkels erin. De _Puente de España_, een nieuwe brug, +trok zijn aandacht. De huizen aan den rechteroever der rivier tusschen +rietbosschen en geboomte, daar ginds waar de Escolta eindigt en het +eiland _Isla del Romero_ begint, brachten hem de frissche ochtenden +in herinnering, toen hij daar met zijn vrienden voorbijvoer in een +_banca_--een klein nauw schuitje--om naar de baden van _Ulf Ulf_ +te gaan. + +Hij kwam tal van rijtuigen tegen, getrokken door prachtige spannen +dwergpaarden: binnenin zaten ambtenaren die nog half slapend +naar hun bureau gingen, militairen, Chineezen, in patserige en +potsierlijke houdingen, deftige monniken, kanunniken enz. In een +smaakvolle victoria meende hij Padre Dámaso te herkennen--ernstig en +met gefronste wenkbrauwen. Maar deze was al voorbij en thans groette +hem vroolijk uit zijn rijtuig Capitán Tinong die daar met vrouw en +beide dochters aankwam. + +Bij 't afgaan van de brug zetten de paarden er den draf in, +koersnemende naar de wandelplaats _de la Sabana_. Links klonk uit de +sigaren-fabriek van Arroceros het gebeuk der sigaren-maaksters op de +tabaks-blaren. Ibarra kon niet nalaten te glimlachen, toen hij zich +dien sterken geur herinnerde, om vijf uur in de namiddag de Puente de +Barcas omzwevend en die hem als kind misselijk maakte. Het levendige +gepraat, de kwinkslagen die hij hoorde, voerden werktuigelijk zijn +verbeelding naar de wijk Lavapiés te Madrid met haar sigaren-maaksters, +die er zoo vaak opstootjes maken! + +De botanische tuin verjoeg zijn lachende herinneringen. Ibarra keek +een anderen kant uit--'t was een treurig schouwspel vergeleken bij wat +hij elders, ook in andere koloniën gezien had. Hij keek naar rechts, +en daar zag hij 't oude Manila, nog omringd door zijn vestingwerken +en grachten als een armbloedig jongmeisje in een japon uit de dagen +van haar grootmoeder. + +Hij zag in de verte de zee, en dacht aan 't verre Europa met de +geestelijk-ontwikkelde volkeren, die 't stoffelijke niet veroordeelen +en niettemin geestelijk meer zijn dan die welke zich erop laten +voorstaan, dat ze 't geestelijke vereeren!... + +De heuvel, eenigszins afgezonderd staande naast de wandelplaats _de +la Luneta_ [9], trok thans zijn aandacht. + +Hij dacht aan den man, die hem de oogen zijns geestes geopend had, +die hem het goede en rechtvaardige had leeren begrijpen. De denkbeelden +die hij hem bijgebracht had waren niet veel, dat is waar, maar 't waren +geen ijdele napraterijen, 't waren overtuigingen die niet verbleekten +in 't licht der schitterendste brandpunten van vooruitgang. Die man +was een oude geestelijke en de woorden, die hij bij zijn afscheid +tot hem gesproken had, weerklonken nog in zijn ooren: "Vergeet niet, +dat als de wetenschap het erfdeel van de menschheid is, alleen de +moedigen die erven", had hij vermaand. "Ik heb getracht je bij te +brengen wat ik zelf van mijn leermeesters heb ontvangen. Ik heb dat +kapitaal trachten te vermeerderen zooveel ik maar kon, en ik geef +het over aan het komende geslacht. Jij moet hetzelfde doen met wat +jou te beurt valt en jij zult het kunnen verdrievoudigen, want je +gaat naar zeer rijke landen." En hij voegde er toen lachend aan toe: +"Zij komen hier om goud te zoeken, gaan jullie ook naar hun land om een +ander soort goud te zoeken, waarvan wij hier niet genoeg hebben. Maar +vergeet daarom niet, dat niet alles goud is wat er blinkt." Die man +was daar gestorven. + +Op deze herinneringen antwoordde hij bij zichzelf: + +"Nee, in weerwil van alles, bovenal het vaderland, bovenal de +Filippijnen, dochter van Spanje, bovenal het Spaansche vaderland! Nee, +wat het noodlot ook gewild heeft, dat bezoedelt het vaderland niet, +nee!" + +Zijn aandacht werd niet getrokken door _la Ermita_--de kluizenarij--die +fenix van "nipah", welke zich uit zijn as verheft in den vorm +van wit-en-blauw geschilderde huizen, overdakt met rood-geverfd +zink. Noch werden zijn blikken afgeleid naar _Malate_, noch naar de +cavalerie-kazerne met haar boomen voor, noch naar de bewoners, noch +naar de nipah-huisjes met meer of min pyramide- of prisma-vormige +daken, verborgen tusschen pisang- en pinang-boomen, gebouwd als de +vogelnestjes door iedere huisvader voor zich. + +Het rijtuig rolde verder: men kwam een vrachtkar tegen getrokken +door een of twee paarden, welker tuig van Manila-hennep de provincie +verraadde. De karrevoerder trachtte een blik te werpen op den reiziger +in 't mooie rijtuig en ging voorbij zonder een woord en zonder een +enkele groet. Nu en dan verlevendigde een kar getrokken door enkele +log en onverschillig voortsjokkende karbouwen den breeden stoffigen +weg, waar de felle tropische zon blaakte. 't Weemoedig, eentonig +gezang van den karrevoerder boven op den rug van den buffel begeleidt +het snerpend geknars van 't droge wiel met de ontzaggelijke as aan +'t zware vehikel. Soms klinkt het doffe geluid der versleten ijzers +van een "paragos", de Filippijnsche slede, die met horten en stooten +voortschuift over 't stof of de modderpoelen van den weg. Op de +velden en akkers graasde het vee, in gezelschap van de witte reigers, +die doodkalm boven op de grazende ossen zaten. In de verte dartelen +troepjes merries... + +Het rijtuig rolde waggelend voort, als een beschonkene over 't hobbelig +terrein, ging een bamboe-brug op, besteeg een hooge helling of ratelde +snel omlaag. + + + + +IX. + +Locale aangelegenheden. + + +Ibarra had zich niet vergist: in die victoria zat inderdaad Padre +Dámaso, die zich naar 't huis begaf waar hij juist vandaan kwam. + +"Waar gaan jullie heen?" vroeg de broeder aan Maria Clara en aan tante +Isabel, die op 't punt waren, om in een met zilver beslagen rijtuig +te stappen. Padre Dámaso gaf op afgetrokken wijze tikjes met de hand +op de wangen van het meisje. + +"Naar 't klooster om mijn goed te halen," antwoordde ze. + +"Aha, aha! We zullen 's zien wie verder komt, we zullen 's +zien"... mompelde hij in gedachten, tot niet geringe verwondering +van de beide vrouwen. Met gebogen hoofd en langzamen tred richtte +hij zich naar de trap en ging naar boven. + +"Hij is zeker bezig met zijn preek van buiten te leeren?" zeide tante +Isabel. "Kom, stap in, Maria, 't wordt zoo laat." + +Of Padre Dámaso een preek instudeerde of niet, valt niet te zeggen, +doch zeer gewichtige zaken moesten wel zijn aandacht in beslag nemen, +want hij stak zijn hand niet eens uit voor Capitán Tiago, zoodat deze +bijna een knieval moest doen om die te kussen. + +"Santiago!" was 't eerste wat hij zeide, "we moeten over heel +belangrijke zaken spreken. Laten we naar je kantoor gaan." + +Capitán Tiago werd ongerust, hij verloor zijn spraakvermogen, maar +hij gehoorzaamde en volgde den stoeren geestelijke. Deze sloot de +deur achter zich dicht. + +Terwijl dit geschiedde, was Fray Sibyla, onze geleerde dominikaan, na +de mis gelezen te hebben, naar 't klooster van zijn orde gegaan dat +gelegen was aan den ingang van de poort, die beurtelings "de Isabel +II" of "de Mojallones" heette, al naar de koninklijke familie die te +Madrid zetelde. + +Hij liep haastig naar boven en klopte aan een deur. + +"Binnen!" zuchtte een stem. + +"God geve uwe reverentie weer gezondheid!" was de groet van den jongen +dominikaan bij 't binnenkomen. + +In een groote leuningstoel zag men een ouden geestelijke zitten, geel +en uitgemergeld als een heilige van Ribera's penseel. Zijn oogen lagen +diep in de kassen, waarboven weelderig borstelende wenkbrauwen, die +door hun schier gestadig fronsen de fonkeling van zijn blik verhoogden. + +Padre Sibyla sloeg hem ontroerd gade, met de armen gekruist onder 't +eerwaardige schouderkleed van de Heilige Dominicus. Daarna boog hij +'t hoofd, zonder een woord te spreken en scheen af te wachten. + +"Ach!" zuchtte de oude man, "de doktoren raden me een operatie aan, +Hernando, een operatie op mijn leeftijd. Och dit land, dit vreeselijke +land! Ik word wel vreeselijk gestraft, Hernando! " + +Fray Sibyla sloeg langzaam de oogen op en keek den zieke strak in +'t gelaat. + +"En wat heeft uwe reverentie besloten?" vroeg hij. + +"Te sterven! Och, blijft me soms iets anders over? Ik lijd te veel, +maar.... ik heb zoovelen laten lijden... Ik betaal mijn schuld! En jij, +hoe is 't met jou, wat heb je voor nieuws?" + +"Ik kwam u spreken over wat u me opgedragen had." + +"O, en hoe is 't daarmee?" + +"Poeh!" antwoordde de jonge man, ging zitten en wendde het gelaat +minachtend af, "ze hebben ons kletspraatjes verteld: de jonge Ibarra +is een verstandig jongmensch. Goed bij de pinken, maar niet kwaad." + +"Denk je dat?" + +"Gisterenavond zijn de vijandelijkheden begonnen." + +"Nu al? En hoe was dat?" + +Fray Sibyla verhaalde in 't kort wat er tusschen Padre Dámaso en +Crisóstomo Ibarra voorgevallen was. + +"Bovendien", voegde hij er ten slotte aan toe "'t jonge mensch gaat +trouwen met de dochter van Capitán Tiago, die opgevoed is in de +kloosterschool van onze zusters. Hij is rijk en zal zich wel geen +vijandschap op den hals willen halen om zijn geluk en zijn fortuin +misschien te verspelen." + +De zieke bewoog ten teeken van instemming het hoofd. + +"Ja, dat denk ik ook wel... Met zoo'n vrouw en zulk een schoonvader +zullen we hem met lichaam en ziel in onze macht hebben. En zoo niet, +des te beter als hij zich eens onze vijand verklaarde!" + +Fray Sibyla keek den ouden man verwonderd aan. + +"Ten bate van onze Heilige Broederschap, natuurlijk," voegde hij er +met moeite ademend aan toe. "Ik heb liever aanvallen dan dat zotte +aanhalen en pluimstrijken van de vriendjes ...'t Is waar, dat ze +betaald worden." + +"Denkt uwe reverentie dat?"... + +De grijsaard keek hem droevig aan. + +"Hoû dat maar voor zeker!" bracht hij met moeite uit. "Onze macht +duurt net zoo lang als men eraan gelooft. Als ze ons aanvallen, zegt +het gouvernement: ze worden aangevallen, omdat men een beletsel voor +zijn vrijheid in hen ziet; laten we ze dus in bescherming nemen." + +"En als het gouvernement hen gelooft? Het gouvernement is soms..." + +"Dat zal 't niet doen!" + +"En toch, als 't eens, belust op wat wij binnenhalen mocht toegeven +aan zijn begeerte... als er 's een durf-al was, een vermeteling..." + +"Oh, dan staat het ellendig met hem!" + +Beiden zwegen een poos. + +"Bovendien," ging de zieke voort, "wij hebben noodig, dat ze ons +aanvallen, dat ze ons wakkerhouden: dat doet ons onze zwakke zijden +zien en maakt ons beter. Overdreven lof brengt ons van de wijs, doet +ons indutten, maar buitenaf maakt het ons belachelijk en de dag dat +we belachelijk worden, vallen we meteen, net als in Europa. 't Geld +komt niet meer in de kerken, niemand koopt meer borstlapjes of riemen +of wat ook, en zoodra we niet meer rijk zijn, hebben we de gewetens +niet meer in onze macht." + +"Och kom! we hebben toch altijd onze landgoederen, onze boerderijen..." + +"Die verliezen we allemaal, zooals we die in Europa verloren hebben! En +'t ergste is nog, dat we onze eigen val bewerken. Bijvoorbeeld: +dat drijven om ieder jaar maar willekeurig de grondlasten van onze +landen te verhoogen, dat drijven waar ik in al onze kapittels zoo +tegen gevochten heb, dat richt ons te gronde: De inlander ziet zich +gedwongen om ergens anders grond te koopen, die even goed of beter +is dan de onze. Ik vrees, dat we al beginnen te dalen: _Quos vult +perdere Jupiter, dementat prius._ [10] Laten we daarom ons gewicht +niet te zwaar maken: 't volk mort al. Ik denk er zoo over als jij: +laten de anderen daar ginds hun eigen zaken regelen, laten wij het +prestige zien te houden dat ons rest. En aangezien we spoedig voor God +zullen verschijnen, moeten we ons van alle zonden schoonmaken... De +barmhartige God hebbe deernis met onze zwakte!" + +"Dus uwe reverentie gelooft, dat de 'canon' of grondlasten?..." + +"Laten we toch niet meer over geld spreken!" viel de zieke met een +zekeren afkeer in, "je zei zooeven, dat de luitenant beloofd had aan +Padre Dámaso..." + +"Jawel, vader" antwoordde Fray Sibyla lachend, "maar van morgen +zag ik hem en toen zeide hij, dat hij spijt had van alles wat er +gisterenavond gebeurd was, dat de Jerez-wijn hem naar 't hoofd +gestegen was en dat Padre Dámaso in 't zelfde geval verkeerde als +hij. En de belofte? vroeg ik hem uit gekheid. Heeroom, antwoorde hij, +ik kan mijn woord houden, wanneer ik daarmee mijn eer niet bezoedel: +ik ben geen overbrenger en ben 't ook nooit geweest; daarom draag ik +ook niet meer dan twee sterretjes op mijn kraag." + +Na nog wat over onverschillige dingen te hebben gepraat, ging Fray +Sibyla heen. + +Ofschoon de luitenant inderdaad niet naar _Malacanan_--het paleis +van den gouverneur--geweest was, had deze toch van de zaak gehoord. + +"Vrouw en monnik kunnen niet beleedigen," had hij lachend tot een +zijner adjudanten gezegd, die hem 't geval had medegedeeld. "Ik +wou wel in vrede leven den tijd dat ik nog hier ben, en ik wil geen +kwestie meer hebben met mannen in rokken. Er was meer dan dat: ik ben +er ook achter, dat de 'provincial' zich niet om mijn orders bekommerd +heeft. Ik vroeg als straf overplaatsing voor dien 'fraile': ze hebben +hem een veel beter dorp gegeven. Och, 'monnikerijen' (frailadas) +zeggen we in Spanje!" + +Doch toen Zijne Excellentie weer alleen was, lachte hij niet meer. + +"O! als dit volk niet zoo aarts-dom was," zuchtte hij, "zou ik die +eerwaarde heeren wel klein krijgen! Maar ieder volk verdient zijn lot, +en laten we doen wat iedereen doet." + +Capitán Tiago beëindigde intusschen zijn conferentie met Padre Dámaso, +of beter gezegd die van dezen met hem. + +"Dus je bent nu gewaarschuwd!" zeide de Franciskaner bij 't +afscheid. "Dit alles had vermeden kunnen worden, als je me eerst +geraadpleegd hadt, als je niet gelogen had toen ik er je naar +vroeg. Zie, dat je niet meer zulke dolligheden uithaalt en vertrouw +op haar peet!" + +Capitán Tiago stapte twee of driemaal de zaal om, zuchtend en in +gepeinzen verdiept. Plotseling liep hij, als kreeg hij een goeden +inval, naar het bidkapelletje en blies daar haastig de kaarsen en +de lamp uit, die hij er had laten aansteken om Ibarra op zijn reis +te beveiligen. + +"We hebben nog den tijd, en de reis duurt lang!" mompelde hij. + + + + +X. + +Het dorp. + + +Bijna aan den oever van het meer ligt het dorp _San Diego_ te midden +van bouwlanden en sawah's. Het voert suiker, rijst, koffie en vruchten +uit of verkoopt ze op onvoordeelige wijze aan den Chinees, die den +eenvoud en de ondeugden van den inlander weet te benutten. + +Van boven uit de kerktoren heeft men een prachtig panorama. Te midden +van die opeenhooping van daken van _nipah_, pannen, zink en "cabonegro" +(_idjoek_), [11] gescheiden door moes- en bloemtuinen, onderscheidt +een ieder van die hoogte zijn huisje. Alles dient er tot kenmerk: een +boom--de fijnbebladerde asem--, de met vruchten beladen klapperboom, +een buigzaam riet, een pinang-palm, een kruis. Daar ginds is de rivier, +een reusachtige kristallen slang, slapend in het groene kleed. Van +afstand tot afstand breidelen rotsblokken, in 't zandig bed verspreid +haar loop; verderop vernauwt ze zich tusschen twee hooge oeverkanten, +waaraan boomen met ontbloote wortels zich stuipend vastklampen. Hier +weer vormt zich een zachte glooiing, en de rivier wordt breeder en +verlangzaamt haar stroom. Ginds, iets verder staat op den hoogen +oever een huisje gelijk een ontzaggelijke steltlooper op dunne +pooten boven den afgrond, als spiedend, om zijn prooi in het water te +bespringen. Palmstammen of boomen met den bast er nog aan, wiebelend +onvast, verbinden de beide oevers. En zijn 't ook slechte bruggen, +'t zijn daarentegen prachtige gymnastiek-toestellen, om 't evenwicht +op te houden. En dat is ook niet te versmaden: de jongens die in de +rivier baden, vermaken zich daar met de angst-bewegingen der vrouw, +die er over gaat met een mand op het hoofd, of met den ouden man, +die bevend voortstapt en zijn stok in 't water laat vallen. + +Doch wat altijd de aandacht trekt, dat is een soort beboscht +schier-eilandje in die zee van bouwland. Daar staan eeuwen-ouden +boomen, met holle stammen, die eerst dan sterven, wanneer eens +een bliksemstraal de trotsche kruin treft en verteert. Men zegt, +dat het vuur dan bij den boom blijft en daar uitgaat. Men vindt daar +ontzaglijke rotsen, door tijd en natuur met fluweelig mos bekleed. Het +stof hoopt zich laag op laag in de holten op, de regen legt het vast +en de vogels zaaien er zaadkorrels in. De tropische plantengroei +ontwikkelt er zich in volle vrijheid: kreupelhout en struikgewas, +gordijnen van ineengestrengelde slingerplanten gaande van boom tot +boom, hangend aan de takken, zich klemmend aan de wortels, kruipend +over den grond, en, als ware Flora nog niet bevredigd, zet plant +zich op plant; mos en paddestoelen leven op de spletige stammen, +en luchtige sierlijke hangplanten verwarren hun omhelzingen door het +loof van de gastvrije boomen. + +Dat bosch werd geëerbiedigd: vreemde overleveringen deden er de ronde +over, maar 't waarschijnlijkste en daarom juist het minst geloofde +en bekende, schijnt het volgende te wezen: + +Toen het dorp nog een ellendige hoop hutten was, en daartusschen nog +weelderig het gras opschoot, in de tijden dat er 's nachts herten en +wilde zwijnen kwamen, verscheen daar op een dag een oude Spanjaard met +holle oogen, die vrij goed Tagaalsch sprak. Nadat hij het terrein in +verschillende richtingen had nagegaan en doorkruist, vroeg hij naar de +eigenaars van het bosch waar warme bronnen voortkwamen. Een paar lieden +deden zich op, en beweerden het te zijn, en de oude man kreeg het +eigendomsrecht erover in ruil voor wat kleeren, kleinoodiën en eenig +geld. Daarna, men wist niet hoe, verdween hij. De menschen hielden hem +reeds voor "betooverd," toen een walgelijke lucht, die zich uit het +naburige bosch verspreidde, de aandacht van een paar veehoeders trok; +ze gingen erop af en vonden den ouden man reeds in staat van ontbinding +aan den tak van een _baliti_-boom hangen. In levenden lijve boezemde +hij al schrik in door zijn diepe, holle stem, door zijn ingezonken +oogen en zijn klanklooze lach; doch nu hij zelfmoord gepleegd had, +verstoorde hij de slaap der vrouwen. Sommigen van dezen wierpen de +verkregen sieraden in de rivier en verbrandden de kleedingstukken. En +sinds het lijk begraven werd aan den voet zelf van de _baliti_ was +er geen sterveling meer, die zich daar dorst te wagen. Een herder, +die naar zijn beesten zocht, vertelde dat hij lichtjes had gezien; de +jongelieden liepen weg en hoorden toen weeklachten. Een ongelukkige +verliefde jongeling, die om zijn ongenaakbare liefste te vermurwen, +beloofde den nacht onder den boom door te brengen en er een lange rotan +omheen te winden, stierf aan een felle koorts, die hem overviel den +dag volgende op den nacht van zijn weddenschap. Er waren over deze +plek veel andere verhalen en overleveringen in omloop. + +Er verliepen verscheidene maanden, en er kwam een jongeling, naar +'t scheen een Spaansche kleurling. Deze beweerde de zoon te wezen +van den overledene, en zette zich in dat oord neer, om er zich +aan den landbouw te wijden, vooral de indigo-teelt. Don Saturnio +was een in-zich-zelf-gekeerd jongmensch, van een heftige en soms +wreede inborst, maar hij was zeer werkzaam en bedrijvig: hij omringde +het graf van zijn vader met een muur, en ging er zoo nu en dan naar +kijken. Toen hij al vrij oud was, huwde hij met een meisje uit Manila, +bij wie hij een zoon, Rafael, kreeg. Deze was de vader van Crisóstomo. + +Don Rafael wist zich van jongs af bemind te maken bij de landlieden: +de akkerbouw, begonnen en behartigd door zijn vader, ontwikkelde zich +snel. Er kwamen nieuwe bewoners toestroomen, ook veel Chineezen. Het +gehucht werd spoedig een dorp en kreeg een inlandschen pastoor. Daarna +werd het een aanzienlijk vlek, de pastoor overleed, en Fray Dámaso +kwam in zijn plaats. Maar het graf en het aangrenzend terrein werden +in eere gehouden. De Chineezen waagden het soms, gewapend met stokken +en steenen, in den omtrek rond te dwalen, om djamboe's, papaja's, +djamblang's enz. te plukken, en het gebeurde, dat midden in hun +bezigheid of wanneer ze zwijgend staarden naar het touw dat nog altijd +van een der takken hing, er een of twee steenen neervielen, zonder dat +men wist waar ze vandaan kwamen. Dan gilden ze "de ouwe! de ouwe!", +smeten vruchten en stokken weg, sprongen uit de boomen, liepen door +rotsen en struikgewas, en stonden niet stil voordat ze uit het bosch +waren--sommigen bleek en hijgend, anderen schreiend en maar heel +enkelen lachend. + + + + +XI. + +De grootmachtigen. + + +Wie waren de overheids-personen van 't dorp? + +Don Rafael was het niet, toen die nog leefde, al was hij er ook de +rijkste, eigenaar van de meeste gronden, en al had ook bijna iedereen +verplichting aan hem. Daar hij bescheiden was en de waarde van al +wat hij deed trachtte te verbloemen, kreeg hij in 't dorp nooit zijn +partij, en we hebben reeds gezien, hoe men tegen hem optrad toen +men hem zag wankelen.--Zou 't dan Capitán Tiago wezen? Wanneer die +er aankwam, werd hij inderdaad door zijn schuldenaars met muziek +ontvangen; ze richtten feestmalen voor hem aan en overlaadden hem +met geschenken. De beste vruchten sierden zijn tafel. Als er gejaagd +werd op hert of wild zwijn kreeg hij een kwart. Vond hij het paard +van een van zijn schuldenaars mooi, dan zag hij 't een half uur later +in zijn stal. Dat is alles waar, maar ze lachten om hem, en noemden +hem achter zijn rug "Koster" Tiago. + +Dan misschien het dorps-hoofd? + +Dit was een stumper, die niets te bevelen had, maar gehoorzaamde. Hij +beknorde niemand: hij werd beknord. Hij beschikte niet: men +beschikte over hem. Daarentegen was hij verantwoordelijk tegenover +den Alcalde Mayor voor al wat men bevolen, verordend of beschikt had, +alsof alles uit zijn brein was gekomen. Doch, dit te zijner eere, +hij had de waardigheid noch gestolen noch zich aangematigd: ze had +hem vijf duizend peso's gekost en heel wat vernederingen. En naar ze +hem opbracht, vond hij dat erg goedkoop. + +Wie dan? + +Wel, San Diego was een soort pauselijk Rome. De pastoor was er de +Paus en het Vatikaan; de onderluitenant--_alférez_--van de _guardia +civil_ de Koning van Italië en het Quirinaal. En hier zoowel als in +'t andere Rome kwam uit deze verhouding oneindig geharrewar voort, +want elk van hen wou de baas wezen, en vond den ander overbodig. + +Fray Bernardo Salvi was de stille, jonge Franciskaan, waarover we +gesproken hebben. Door zijn gewoonten en manieren onderscheidde +hij zich zeer van zijn broeders en nog meer van zijn voorganger, +den heftigen Padre Dámaso. Hij was tenger, zwak van gezondheid, +bijna altijd in gepeinzen, strikt in de vervulling zijner +godsdienstplichten en vol bezorgdheid voor zijn goeden naam. Een +maand na zijn aankomst traden bijna allen op de plaats toe tot +de broederschap van V. O. F. (venerable orden de San Francisco), +tot groote droefenis van haar mededingster, de broederschap van den +Allerheiligsten Rozenkrans. Het was om te dansen van pret wanneer men +aan ieders hals vier of vijf "scapalieren" en om ieders middel een +koord met knoopen zag, en dan die processies van lijken of spoken met +ruige pijen om! De opper-koster maakte een heel kapitaaltje door het +verkoopen--door het als aalmoezen wegschenken, wil ik zeggen--van al +de voorwerpen, die men zoo noodig heeft, om de ziel te redden en den +duivel te keeren. + +Zooals we zeiden, was Padre Salvi zeer nauwgezet in de vervulling +van zijn plichten: volgens den _alférez_ al te nauwgezet. Wanneer +hij aan 't preeken was--daar hield hij veel van--werden de deuren +der kerk gesloten. Iederen misslag van zijn ondergeschikten placht +hij te straffen met boeten; want ranselen deed hij maar heel zelden, +in welk opzicht hij ook verschilde van Padre Dámaso: die regelde +alles met vuist- en stokslagen, die hij lachend en uiterst welgemoed +uitdeelde. Het vasten en de onthouding verarmden zijn bloed, prikkelden +zijn zenuwen, en, zooals de lieden zeiden, steeg de wind hem naar zijn +hoofd. Zoo kwam het, dat de ruggen der kosters niet goed onderscheiden +konden, wanneer een pastoor veel vastte of veel at. + +De eenige vijand dezer geestelijke macht met neiging tot wereldlijke +tevens, was, zooals we gezegd hebben, de _alférez_. De eenige, want de +vrouwen vertelden, dat de duivel hem ontliep. Eens op een dag toch, +toen die 't gewaagd had hem te verzoeken, werd hij gegrepen, aan een +poot van zijn krib gebonden, met het koord afgeranseld, en eerst weer +na negen dagen in vrijheid gesteld. + +Hieruit volgt, dat iemand die na zoo iets zich zulk een man tot +vijand maakte, ten slotte in nog kwader reuk moest staan dan de arme +onvoorzichtige duivels, en de _alférez_ verdiende zijn lot. Zijn vrouw, +een oude Filippijnsche, die zich geweldig poeierde en verfde, heette +Doña Consolación; haar man en anderen noemden haar anders. De _alférez_ +wreekte zijn echtelijke ellende op zijn eigen persoon door zich te +bedrinken als een karbouw, door zijn soldaten te laten exerceeren +in de zon, terwijl hij in de schaduw bleef, of nog vaker door zijn +vrouw af te rammelen. + +Hij en zij sloegen--alsof 't maar een grapje was--elkaar bont en blauw, +en schonken de buren gratis-voorstellingen. + +Telkenmale dat deze schandalen ter oore kwamen van Padre Salvi, +lachte deze even en sloeg een kruis, waarna hij een Onze Vader bad. Ze +scholden hem voor huichelaar, oproerling, vrek, en Padre Salvi lachte +dan weer witjes en bad nog meer. + +Om hem te "pesten" verbood de krijgsman, opgezet door zijn vrouw, +het wandelen na negen uur in den avond. Doña Consolación beweerde de +pastoor eens verkleed te hebben gezien in een inlandsch pina-hemd en +een _slakot_--toedoeng--van _nipah_ op het hoofd, rondkuierend in de +late nachtelijke uren. Fray Salvi wreekte zich heiliglijk: wanneer hij +zag, dat de _alférez_ de kerk binnenkwam, liet hij stilletjes de koster +al de deuren sluiten. Dan besteeg hij de preekstoel en begon te preeken +tot de heiligen de oogen sloten en de houten duif boven zijn hoofd, +het beeld van den Heilige Geest "Och, toe, schei uit!" mompelde. De +_alférez_ was, als alle onboetvaardigen, onverbeterlijk: hij ging +vloekend de kerk uit en zoodra hij een koster of een bediende van den +pastoor te pakken kon krijgen, ranselde hij hem af en liet hem den +vloer van de kazerne en die van zijn eigen huis boenen zoodat dit er +daarna fatsoenlijk uitzag. Als dan de koster de boete kwam betalen, +die de pastoor hem wegens afwezigheid opgelegd had, verklaarde hij +'t geval. Padre Salvi hoorde hem zwijgend aan, hield het geld, en +liet dadelijk zijn geiten en lammetjes los, om ze te laten weiden in +den tuin van den _alférez_, terwijl hij een onderwerp overpeinsde +voor een nieuwe preek, die nog veel langer en stichtelijker was +dan te voren. Doch deze kleinigheden waren volstrekt geen bezwaar +om elkaar de hand te drukken en beleefd toe te spreken, wanneer ze +elkaar daarna tegenkwamen. + +Wanneer haar man zijn roes uitsliep of zijn middagdutje deed, en Doña +Consolación geen ruzie met hem maken kon, zette zij zich op haar gemak +aan 't venster, met een sigaar in haar mond en een blauwflanellen jak +aan. Zij, die een hekel had aan de jeugd, bepijlde van daar met haar +oogen de jonge meisjes en zond haar kwinkslagen op hun af. Ze waren +bang voor haar, gingen bedremmeld voorbij, zonder de oogen op te slaan, +de stap versnellend en haar adem inhoudend. Doña Consolación had een +groote deugd: ze scheen nooit in een spiegel gekeken te hebben. + +Dit zijn de grootmachtigen van 't dorp San Diego. + + + + +XII. + +Allerheiligen. + + +Westelijk, te midden van de rijstvelden ligt het kerkhof; daarheen +leidt een smal pad, stoffig op heete dagen en bevaarbaar wanneer +het regent. Een houten deur en een omheining half van steen en half +van riet en staken, schijnt het af te scheiden van 't verblijf der +menschen, doch niet van dat der geiten van den pastoor en eenige +varkens uit de buurt, die er in- en uitloopen om nasporingen te doen +op de graven of de eenzaamheid ervan wat op te vroolijken. + +In 't midden van die ruime vee-kraal verheft zich een groot houten +kruis op een steenen voetstuk. Stormen hebben het blikken _Inri_ +ervan gebogen, en regens de letters uitgewischt. Aan den voet van +'t kruis ligt een verwarde hoop doodshoofden en beenderen, die de +doodgraver daar neersmijt uit de graven, die hij leeghaalt. + +Rondom bespeurt men versche uitgravingen: hier is de grond uitgehold, +ginds vormt de aarde een heuveltje. Tusschen de graven groeit welig +onkruid, dat zich ook slingert langs de muren en nissen, menige spleet, +ontstaan door aardbevingen, aan 't oog onttrekkend. + +De menschen hebben juist de dieren weggejaagd; alleen steekt nog een +enkel varken zijn kop met de blinkende oogjes door een groot gat van +de heining, houdt zijn snuit in de lucht en schijnt tot een biddende +vrouw te zeggen: + +"Zeg, eet niet alles op; laat mij wat, hè?" + +Twee mannen graven een graf dicht bij de heining, die daar uit het lood +dreigt te schieten; de eene, de doodgraver, doet het onverschillig--hij +gooit wervels en andere beenderen weg als een tuinman steenen en dorre +takken--de ander is afgetrokken, zweet, rookt en spuwt iederen keer. + +"Zeg 's!" zegt de rooker in Tagaalsch, "zou 't niet beter zijn, +dat we op een andere plek gingen graven? + +"Hier is 't nog zoo nieuw." + +"'t Eene graf is al even versch als 't ander." + +"Ik kan niet meer! Dat bot, dat je daar kapot gestooten hebt, is nog +bloederig... brr! En die haren?" + +"Och, wat ben jij jufferachtig!" verweet hem de ander, "'t lijkt +wel of je griffier van 't gerecht was! Als je, zooals ik, een lijk +dat twintig dagen oud was, had opgegraven--'s nachts, in 't donker, +bij regen, mijn lantaren ging uit...." + +De ander huiverde. + +"De doodkist raakte los, de dooie kwam er half uit, hij rook... en +als jij hem dan dragen moest.. nou, en 't regende en we waren beiden +druipnat, en..," + +"Brrr! En waarom heb je 'm opgegraven?" + +De doodgraver keek hem met verwondering aan. + +"Waarom? Weet ik het? Ze hadden 't me gezegd!" + +"Wie had het je gezegd?" + +De doodgraver deinsde half terug en keek zijn metgezel van hoofd tot +voeten aan. + +"Man, je lijkt wel een Spanjaard. Dezelfde vragen deed me een Spanjaard +later, maar in stilte. Wel, ik zal je antwoorden, zooals ik toen deed: +de groote pastoor had het me bevolen." + +"Och! En wat heb je daarna met het lijk gedaan?" vroeg de +"jufferachtige" wederom. + +"Wat duivel, als ik je niet kende en niet wist dat je een 'mensch' +was, zou ik je heusch voor een Spaanschen particulier aanzien: je +vraagt net als die ander. Nou... de groote pastoor had me gezegd, +dat ik hem moest begraven op het Chineesche kerkhof. Maar omdat de +kist erg zwaar en het Chineesche kerkhof nogal veraf ligt...." + +"Nee, nee! Ik graaf niet meer!" viel de ander in, vol ontzetting +zijn schop loslatend en uit de groeve wegspringend. "Ik heb daar een +doodskop doormidden gespleten, ik ben bang dat ik er vannacht niet +van slapen kan." + +De doodgraver schoot in een luiden lach, ziende hoe de fijngevoelige +zich verwijderde en onderwijl maar al kruisjes sloeg. + +Het kerkhof liep langzamerhand vol in de rouw gekleede mannen en +vrouwen. Eenige zochten een poos naar een graf, twistten onder +elkaar en alsof ze 't niet eens konden worden, gingen ze vaneen en +een ieder knielde neer waar het hem het beste voorkwam. Anderen, +die nissen hadden voor hun verwanten, staken kaarsen aan en begonnen +vrome gebeden te prevelen. Men hoorde ook zuchten en snikken, die +men trachtte te verdrijven of te smoren. De latijnsche woorden der +gebeden ruischten door de lucht. + +Een oud mannetje, met levendige oogen, trad blootshoofds +binnen. Velen lachten toen ze hem zagen, en enkele vrouwen fronsten +de wenkbrauwen. De oude man scheen er geen acht op te slaan, want hij +richtte zich naar den hoop schedels, knielde er neder en zocht een poos +met de oogen naar iets tusschen de beenderen. Daarna verwijderde hij de +schedels een voor een en, alsof hij niet vond wat hij zocht, fronste +hij de wenkbrauwen, schudde het hoofd herhaaldelijk en keek overal +om zich heen; eindelijk stond hij op en trad op den doodgraver toe. + +"Zeg 's!" zeide hij. Deze hief het hoofd op. + +"Weet je misschien, waar een mooi doodshoofd is, zoo blank als het +vleesch van een klapper, met een volkomen gaaf gebit, en dat ik daar +had, onder die blaren, aan den voet van 't kruis?" + +De doodgraver haalde de schouders op. + +"Hier!" vervolgde de oude en wees op een zilverstuk, "ik heb niets +meer dan dit, maar je zult het krijgen, als je dien kop voor me vindt." + +De glans van het geldstuk deed den ander nadenken, hij keek naar het +knekelhuis, en zei: + +"Is hij daar niet? Nee? Nou, dan weet ik 't niet." + +"Zal ik je 's wat zeggen?" ging de oude voort, "zoodra ze me betalen +wat ze me schuldig zijn, zal ik je meer geven. 't Was de schedel van +mijn vrouw. Dus, als je me die vinden kunt..." + +"Is hij daar niet? dan weet ik 't niet! Maar, als je wilt, kan ik je +wel een ander geven." + +"Je bent al net als het graf dat je graaft!" voegde de oude man hem +zenuwachtig toe, "je kent de waarde niet van wat je verloren laat +gaan. Voor wie is dat graf?" + +"Weet ik 't? voor een dooie!" antwoordde de ander humeurig. + +"Als het graf, net als het graf!" herhaalde de oude en lachte droogjes, +"je weet niet wat je weggooit en wat je inslikt. Graven maar, +graven maar!" + +En hij wendde zich om en ging naar den uitgang. + +De doodgraver was intusschen met zijn arbeid gereed gekomen. Twee +heuveltjes versche roodachtige aarde verhieven zich aan de kanten +der groeve. Hij haalde wat sirih uit zijn _salákot_, en begon die +te kauwen. Onderwijl keek hij met wezenlooze blik naar al wat om hem +heen gebeurde. + + + + +XIII. + +Voorteekenen van storm. + + +Op 't oogenblik dat de oude man heenging, hield er aan den ingang +van het pad een rijtuig stil, dat een lange reis scheen afgelegd te +hebben: het was bedekt met stof, en de paarden stonden in 't zweet. + +Ibarra stapte uit, gevolgd door een ouden bediende. Hij zond het +rijtuig met een wenk weg en richtte zich, zwijgend en ernstig, naar +het kerkhof. + +"Ik ben ziek geweest en heb het druk gehad, zoodat ik niet ben kunnen +terugkomen!" zeide de oude man schuchter. "Capitán Tiago zei dat hij +wel voor een nis zou zorgen. Maar ik heb bloemen geplant en een kruis +neergezet, dat ik zelf gesneden heb." + +Ibarra antwoordde niet. + +"Daar achter dat groote kruis, heer!" ging de knecht voort, wijzende +naar een hoek, toen ze de poort door waren gegaan. + +Ibarra was zoo afgetrokken, dat hij de beweging van verbazing niet +bespeurde, die eenige personen maakten toen ze hem herkenden. Deze +staakten hun gebed en keken hem vol nieuwsgierigheid na. + +De jonge man liep voorzichtig en vermeed de graven, welke men +gemakkelijk aan een inzakking van den grond kon herkennen. Eertijds +liep hij er zonder aarzelen over, thans eerbiedigde hij ze: zijn +vader lag daar immers ook. Hij stond stil, toen hij aan den anderen +kant van het huis gekomen was, en keek overal heen. Zijn medegezel +stond bedremmeld en verlegen: hij zocht sporen op den grond en zag +nergens een kruis. + +"Is 't hier?" mompelde hij bij zich zelf. "Nee, 't is daar ginds, +maar de aarde is er omgewoeld!" + +Ibarra keek hem angstig aan. + +"Jawel!" ging hij voort, "ik herinner me, dat er een steen naast +was. Het graf was wat kort. De doodgraver was ziek en een helper +van hem moest het toen doen.... Maar we zullen hem zelf 's vragen, +wat er met het kruis gedaan is." + +Hij wendde zich tot den doodgraver die hen nieuwsgierig gadesloeg, +en daarna groette door zijn "salákot" aftenemen. + +"Kan u ons zeggen, op welk graf daar een kruis was?" vroeg de bediende. + +De aangesprokene keek naar de plek en dacht even na. + +"Een groot kruis?" + +"Jawel, groot," bevestigde de oude met vreugde, beteekenisvol naar +Ibarra ziende wiens gelaat opklaarde. + +"Een kruis met snijwerk en vastgemaakt met rotan?" vroeg de doodgraver +verder. + +"Ja zeker, juist, juist!" en de knecht teekende op den grond een +bizantijnsch kruis. + +"En waren er bloemen op 't graf gestrooid?" + +"Oleanders, tjempaka's en viooltjes!" + +"Ja zeker!" hervatte de oude man vol vreugde, en bood hem een sigaar. + +"Nu, zeg u ons dan welk graf het is, en waar het kruis is." + +De doodgraver krabde zich achter het oor en antwoordde geeuwend: + +"Het kruis... wel... dat heb ik verbrand!" + +"Verbrand! En waarom heb je 't verbrand?" + +"Omdat de groote pastoor het me gezegd had." + +"Wie is dat, de groote pastoor?" vroeg Ibarra. + +"Wie? Die erop-in ranselt, pater 'Stok'". + +Ibarra streek de hand langs 't voorhoofd. + +"Maar, dan zult u ons toch wel kunnen zeggen, waar het graf is? Dat +moet u zich toch herinneren." + +De doodgraver glimlachte. + +"De dooie is er niet meer in!" antwoordde hij bedaard. + +"Wat zegt u?" + +"'t Is nog al duidelijk!" voegde de man er op gekscheerenden toon +aan toe, "ik heb een week geleden een vrouw op zijn plaats begraven." + +"Ben je gek?" vroeg de knecht hem. "'t Is toch nog geen jaar dat we +'m begraven hebben." + +"Nou ja: 't is ook al heel wat maanden geleden dat ik hem opgegraven +heb. De 'groote pastoor' woû 't hebben, om hem naar 't Chineesche +kerkhof over te brengen. Maar omdat hij wat zwaar was en 't dien +nacht regende..." + +De man kon niet verder. Ontsteld trad hij terug, toen hij Ibarra's +houding zag. Deze sprong op hem af, greep hem bij een arm en schudde +hem door elkaar. + +"En dat heb je gedaan?" vroeg de jongeman op onbeschrijfelijken toon. + +"Word maar niet boos, heer," gaf de ander verbleekend en bevend terug, +"ik heb hem niet bij de Chineezen begraven. Ik zei zoo bij me zelf: +'t is beter te verdrinken dan onder Chineezen te liggen, en ik heb +'m toen maar in 't water gegooid!" + +Ibarra lei zijn beide vuisten op zijn schouders en keek hem een lange +poos aan, met een uitdrukking die vreeselijk was. + +"Je bent een ellendeling, niets meer!" zeide hij, en, als een gek over +beenderen, graven en kruisen heenloopend, ging hij haastig naar buiten. + +De doodgraver betastte zich zijn arm en mompelde: + +"Je hebt toch maar wat te stellen met die dooien! De groote Padre +gaf me een ransel, omdat ik hem had laten begraven, toen ik ziek +was. Nu breekt deze me bijna mijn arm stuk, omdat ik hem opgegraven +heb. Die Spanjaarden zijn toch rare kerels! Ik zal er mijn baantje +nog bij inschieten." + +Ibarra liep haastig voort, zijn blik in de verte. Zijn knecht volgde +hem schreiend. + +De zon neigde reeds ten ondergang. Dikke donderwolken bedekten den +hemel naar 't oosten toe. Een droge wind bewoog de lovermassa's der +boomen, en deed de rietvelden kreunen. + +Ibarra liep blootshoofds. Uit zijn oogen welde geen traan, aan +zijn boezem ontsnapte geen zucht. Hij liep voort, alsof hij voor +iemand vluchtte, wellicht van de schim zijns vaders, wellicht van +den naderenden storm. Hij ging dwars door het dorp, en richtte zich +naar den buitenkant, naar 't oude huis dat hij nu sinds jaren niet +betreden had. Omringd door een muur, waartegen verscheidene kaktussen +groeiden, scheen het hem toe te wenken; de vensters gingen open, +de kananga-boom, beladen met bloemen, bewoog vroolijk zijn takken; +de duiven fladderden rondom het kegelvormig dak van hun woning, +die midden in den tuin stond. + +Doch de jongeling lette niet op deze vreugden, die de terugkomst in 't +oude huis hem bood: hij hield de oogen strak gevestigd op de gedaante +van een priester, die in tegengestelde richting aankwam. Het was de +pastoor van San Diego, de peinzende Franciskaan, die we kennen als de +vijand van de _alférez_. De wind boog de breede randen van zijn hoed +om; zijn grofharig kleed sloot om zijn leden en deed die duidelijk +uitkomen, zoodat zijn schrale dijen en ietwat naar binnen staande +knieën te zien kwamen. In zijn rechterhand droeg hij een dikken +bamboe-stok met ivoren handvat. 't Was de eerste maal dat Ibarra en +hij elkaar zagen. + +Bij de ontmoeting stond de jongeman even stil en nam hem van hoofd +tot voeten op. Fray Salvi ontweek zijn blik en deed afgetrokken. + +De aarzeling duurde slechts een seconde; Ibarra trad snel op hem toe, +hield hem staande door een krachtigen handdruk op zijn schouder en +vroeg bijna onverstaanbaar: + +"Wat heb je met mijn vader gedaan?" + +Fray Salvi, bleek en bevend, toen hij de gevoelens waarnam die zich +op 't gelaat van den jongeman afteekenden, kon niet antwoorden: +hij voelde zich als verlamd. + +"Wat heb je met mijn vader gedaan?" herhaalde de ander met gesmoorde +stem. + +De geestelijke, allengs neergebogen door de hand die op hem drukte, +bracht er met moeite uit: + +"U vergist zich. Ik heb niets met uw vader gedaan!" + +"Niets?" hervatte Ibarra, terwijl hij hem zoo hard neerdrukte, dat +hij hem op zijn knieën deed vallen. + +"Nee, ik verzeker 't u! Dat was mijn voorganger, "t was Padre +Dámaso..." + +"O!" riep de jongeman uit. En hem loslatende, sloeg hij zich voor +'t voorhoofd. Daarna verliet hij de arme Fray Salvi, en liep haastig +naar zijn huis. + +De bediende was intusschen komen aanzetten en hielp den geestelijke +opstaan. + + + + +XIV. + +Tasio de gek of de wijsgeer. + + +De oude zonderling van 't kerkhof doolde afgetrokken door de straten. + +'t Was een oud-student in de filosofie, die zijn studie had opgegeven +om zijn bejaarde moeder genoegen te doen. En dat was niet uit gebrek +aan middelen of bekwaamheid: 't was juist omdat zijn moeder rijk +was, en men algemeen zeide dat hij "aanleg" had. De goede vrouw +vreesde dat haar zoon een geleerde zou worden en God zou vergeten: +daarom gaf ze hem de keus tusschen priester worden of het Colegio +de San José te verlaten. Hij was verliefd en koos het laatste. Toen +trouwde hij. Weduwnaar en wees binnen 't jaar, zocht hij een troost +in de boeken: zoo bevrijdde hij zich van droefheid en bleef vrij van +hanegevechten en lediggang. Maar hij kreeg zoo'n liefde voor boeken, +dat hij zijn fortuin verwaarloosde en allengs geheel geruïneerd was. + +De fatsoenlijke menschen noemen hem Don Anastasio of de filosoof Tasio, +en onopgevoeden--de meerderheid--Tasio de gek, om zijn zonderlinge +denkbeelden en zijn vreemde manieren in den omgang. + +Zooals wij zeiden, dreigde er dien avond een storm. Eenige +bliksemstralen verlichtten de loodgrauwe hemel met een bleek licht, +de atmosfeer was drukkend en de lucht in hooge mate benauwend. + +Tasio scheen zijn geliefden schedel reeds vergeten te hebben; hij +glimlachte nu, terwijl hij naar de donkere wolken opkeek. + +Bij de kerk kwam hij een man tegen, die een alpacajas aanhad en in +zijn hand een heele vracht kaarsen droeg, behalve nog een stok met +kwast, als teeken van zijn waardigheid. + +"U schijnt vroolijk te wezen?" vroeg deze in de landstaal. + +"Zeker, mijnheer de burgemeester, ik ben blij, omdat ik op iets hoop." + +"Zoo! En waarop hoopt u dan?" + +"De storm!" + +"De storm! U wilt zeker gaan baden?" vroeg de "gobernadorcillo" +op spottenden toon, kijkende naar de eenvoudige kleeding van den +ouden man. + +"Baden... 't zou niet kwaad wezen, vooral niet als je tegen wat vuils +aanloopt," antwoordde Tasio droogjes, schoon ietwat minachtend en keek +daarbij zijn toespreker in 't gelaat, "maar ik hoop op iets beters." + +"Wat dan?" + +"Wat bliksemstralen, om menschen te treffen en huizen te +verbranden!" gaf de wijsgeer ernstig terug. + +"U moest maar ineens de zondvloed vragen!" + +"We verdienen 'm allen. U en ik ook! U, mijnheer de Gobernadorcillo, +heeft daar een vracht kaarsen bij u die afkomstig zijn van den +Chineeschen winkel; ik heb nu meer dan tien jaar aan iedere nieuwe +'Capitán' voorgesteld, om bliksemafleiders te koopen. En ze lachen +me allemaal uit: ze koopen bommetjes en vuurpijlen en laten voor +geld de klokken luiden. Nog erger: u zelf bestelde den dag na mijn +voorstel bij de Chineesche gieters een klokje voor Sinte Barbara. En +de wetenschap leert dat het gevaarlijk is klokken aan te raken bij +onweer. En zeg me nu 's: hoe kwam het, dat in '70, toen de bliksem +in Binjan insloeg, die juist in de kerk terecht kwam en de klok en +'t altaar vernielde? Wat deed toen dat klokje van Sinte Barbara?" + +Op dat oogenblik flikkerde er een bliksemstraal. "Jezus Maria en +Jozef! Heilige Barbara, bidt voor ons!" mompelde de "gobernadorcillo", +die bleek werd en een kruis sloeg. + +Tasio schoot in een schaterlach. + +"Jelui zijn de naam van je patronesse waardig!" zeide hij in 't +Spaansch, keerde hem zijn rug toe, en richtte zich naar de kerk. + +De kosters waren binnen bezig een "túmulus" op te richten met kaarsen +en kandelabers eromheen. Het waren twee groote tafels op elkaar, +bedekt met zwarte witgerande doeken; hier en daar waren doodshoofden +geschilderd. + +"Is het voor de zielen of voor de kaarsen?" vroeg hij. En twee knapen +ziende van wellicht tien en zeven jaar, wendde hij zich tot hen, +zonder het antwoord der kosters af te wachten. + +"Gaan jullie met me mee, jongens?" vroeg hij hun. + +"Je moeder heeft een heerlijk avondeten voor jullie klaar gemaakt: +een pastoor 't lusten." + + + + +XV. + +De kosters. + + +Don Anastasio bevond zich met de twee koorknaapjes in de kerk. Hij +vroeg hen wanneer zij naar huis gingen. + +"De hoofdkoster laat ons er niet uit voor achten, meneer!" antwoordde +'t oudste ventje. "Ik hoop mijn loon te krijgen, dan kan ik het aan +moeder geven." + +"Zoo! En waar gaan jullie heen?" + +"Naar den toren, om te luiden voor de zielen." + +"Gaan jullie naar den toren? Pas op! Kom niet te dicht bij de klokken +zoolang 't onweert." + +Daarop verliet hij de kerk, niet zonder eerst met een medelijdenden +blik de twee knapen te hebben gevolgd, die bezig waren de trappen op +te gaan naar het koor. + +Tasio wreef zich de oogen, keek nog eens naar den hemel en mompelde: + +"Nou zou 't me spijten, als het insloeg." + +En met gebogen hoofd richtte hij zich mijmerend naar den buitenkant +van 't dorp. + +"Zeg, komt u eerst even binnen!" riep een stem uit een venster hem in +'t Spaansch toe. + +De filosoof hief het hoofd op en zag een man van dertig tot +vijf-en-dertig jaar, die hem toelachte. + +"Wat leest u daar?" vroeg Tasio en wees op het boek dat de man in +zijn hand hield. + +"'t Is iets nieuws--mooi boek: 'De kwellingen der zaligen in 't +Vagevuur!'" was het vroolijk bescheid. + +"Man! man! man!" riep de oude uit met twee intervallen, terwijl hij +het huis binnenging. "De schrijver moet wel een knap man wezen." + +Bij 't opgaan der trap werd hij vriendschappelijk ontvangen door den +heer des huizes en diens jonge vrouw. Hij heette Don Filipo Lino en zij +Teodora Vina. Don Filipo was de "teniënte mayor" of onder-burgemeester +en het hoofd van een bijna vrijzinnige partij, als men die zoo noemen +mag, en als er op de Filippijnsche dorpen partijen bestaanbaar zijn. + +"Heeft u op 't kerkhof den zoon van den overleden Don Rafael ontmoet, +die pas uit Europa terug is?" + +"Ja, ik heb 'm gezien, toen hij uit zijn rijtuig stapte." + +"Ze zeggen dat hij 't graf van zijn vader was gaan zoeken. De slag +moet wel vreeselijk geweest zijn." + +De "wijsgeer" haalde de schouders op. + +"Stelt u geen belang in zijn ongeluk?" vroeg de jonge huisvrouw. + +"Je weet toch wel dat ik een van de zes was die met het lijk mee zijn +gegaan. Ik was 't die me tot den Capitán General gewend heb, toen ik +zag dat hier iedereen, tot zelfs de autoriteiten, het zwijgen deden +tot zulk een groote ontheiliging. En dat terwijl ik altijd liever +een goed mensch in zijn leven eer dan hem na zijn dood te aanbidden." + +"En?" + +"U weet wel, mevrouw, dat ik geen aanhanger ben van 't erfelijk +koningschap. Door 't beetje Chineesch bloed dat mijn moeder mij gegeven +heeft, denk ik eenigszins als de Chineezen: ik eer de vader om den +zoon, maar niet de zoon om den vader. Laat ieder de belooning of de +straf krijgen voor wat hij zelf, niet voor wat anderen gedaan hebben." + +"Heeft u een mis laten lezen voor uw overleden vrouw, zooals ik 't u +gisteren aangeraden heb?" vroeg de vrouw, om van gesprek te veranderen. + +"Nee!" antwoordde de oude man lachend. + +"Hoe jammer!" riep ze met oprechte spijt, "ze zeggen dat tot morgen +tien uur de zielen vrij rondwaren en wachten op de bemiddeling van de +overlevenden; dat een mis in deze dagen gelijkstaat met vijf op andere +dagen van 't jaar of met zes zelfs, zooals de pastoor vanmorgen zei." + +"Hola! Dat wil dus zeggen dat we een termijn van genade hebben, +waar we van moeten profiteeren?" + +"Maar Doray!" viel Don Filipo in, "je weet toch wel dat Don Anastasio +niet aan 't vagevuur gelooft." + +De oude man protesteerde: hij kende zelfs de geschiedenis ervan. Zoo +kwam 't gesprek op 't vagevuur en de filosoof vertelde hoe 't geloof +daaraan in de wereld was gekomen. En Doray vroeg hem, of hij dan in de +verdoemenis geloofde. 't Einde van zijn redeneering was dat hij niet +kon gelooven in zulk een wreeden God, dat hij duizenden millioenen +zielen eeuwig zou willen verdoemen om erfzonde of eigen dwalingen +van een oogenblik. + +Ongerust over zijn boeken, omdat op dien nacht diefstal door de +vingers zou worden gezien, verliet onze zonderling het echtpaar, +en spoedde zich ondanks regen en onweer naar zijn woning. + +De donder rolde met korte tusschenpoozen, en iedere slag werd +voorafgegaan door een vreeselijk bliksem-geflikker; 't was of God +met letters van vuur zijn naam aan den hemel schreef, en 't eeuwige +gewelf er angstig van rilde. De regen viel bij stroomen neer en, +voortgezweept door den wind, die akelig huilde, veranderde hij iederen +keer als verdwaasd van richting. De klokken hieven met angstvolle stem +hun droefgeestig gebed aan, en in de korte stilte, die het geweldige +loeien der ontketende elementen telkens afwisselde, klonk het als +een klagelijk gekreun door de lucht. + +Op de tweede verdieping van den toren bevonden zich de twee knapen, +die we terloops pratende met den filosoof hebben gezien. De jongste, +die groote zwarte oogen en een schuchter gelaat had trachtte zich +tegen het lichaam van zijn broer aan te dringen. Deze leek veel op +hem, alleen was zijn blik dieper en de uitdrukking van zijn gezicht +vastberadener. Beiden waren armelijk gekleed, en hun plunje vertoonde +overal lappen en stoppen. Gezeten op een stuk hout, hield elk van +hen een touw in de hand, waarvan het andere uiteinde zich hoog boven +hen in de duisternis der derde verdieping verloor. De wind dreef den +regen in hun gezicht, en deed de vlam flikkeren van een eindje kaars, +dat daar op een grooten steen stond, die op Goeden Vrijdag in 't koor +heen-en-weer gerold werd, om den donder na te bootsen. + +"Trek toch aan 't touw, Crispin!" zeide de oudste tot zijn broertje. + +Deze ging er weer aan hangen, en boven hoorde men een zwakke klaagtoon, +die onmiddellijk door een donderslag, door duizend echo's herhaald, +overstemd werd. + +"Och! als we nu toch maar thuis waren bij moeder!" zuchtte de kleine, +zijn broer aanziende. "Daar zou ik niet bang zijn." + +De oudste antwoordde niet: hij keek naar 't afdruipen van de was aan +de kaars, en scheen in gedachten. + +"Thuis zegt niemand me dat ik steel!" hervatte Crispin; "moeder zou +'t niet toelaten! Als ze eens wist dat ze me hier ranselen..." + +De oudste wendde de oogen van de vlam af, richtte het hoofd op, +beet met kracht in het dikke touw en trok er geweldig aan, zoodat +het welluidend gonsde. + +"Moeten we altijd zoo blijven voortleven, broer?" ging Crispin +voort. "Ik wou dat ik morgen thuis ziek werd, ik woû dat ik heel lang +ziek lag, dan zou moeder me oppassen en hoefde ik niet meer naar 't +klooster terug! Dan zouden ze me geen dief meer noemen en me evenmin +meer ranselen! En jij moest ook maar ziek worden, zeg." + +"Nee!" antwoordde de oudste, "we zouden allemaal doodgaan, moeder +van verdriet, en wij van den honger." + +Crispin zeide niets terug. + +"Hoeveel verdien jij deze maand?" vroeg hij na een oogenblik. + +"Twee peso's: ze hebben me twee boeten gegeven." + +"Betaal wat ze zeggen dat ik gestolen heb, dan zullen ze ons niet +meer voor dieven uitschelden. Betaal het maar, broer!" + +"Ben je gek, Crispin? Moeder zou niets te eten hebben. De eerste +koster zegt dat je twee 'onza's' gestolen hebt, en twee onza's zijn +twee-en-dertig peso's." + +De kleine telde op zijn vingers, tot dat hij aan twee-en-dertig kwam. + +"Zes handen en twee vingers! En iedere vinger een peso," mompelde +hij daarop peinzend. "En iedere peso... hoeveel 'cuarto's' is dat?" + +"Honderd zestig." + +"Honderd zestig cuarto's? Honderd zestig maal een cuarto. Och +hemeltje! En hoeveel is honderd zestig?" + +"Twee en dertig handen," antwoordde de oudste. Crispin zat een +oogenblik naar zijn handjes te staren. + +"Twee en dertig handen!" herhaalde hij, "zes handen en twee vingers, +en iedere vinger twee-en-dertig handen... en dan iedere vinger een +cuarto... Och lieve tijd, wat 'n cuarto's! Je zou ze in drie dagen +niet kunnen tellen... En daar kon je pantoffels voor koopen voor je +voeten, en een hoed voor je hoofd, als de zon warm schijnt, en een +groote parapluie voor als 't regent en eten, en kleêren voor jou en +voor moeder en..." + +Crispin verzonk in gedachten. + +"Nu spijt het me dat ik niet gestolen heb!" + +"Crispin!" vermaande hem zijn broer. + +"Word maar niet boos! De pastoor heeft gezegd dat hij me dood zou +ranselen met een stok, als 't geld niet voor den dag komt. Als ik +het gestolen had, zou ik 't nu voor den dag kunnen brengen...en als +ik dood ging zouden jij en moeder ten minste kleêren hebben! Had ik +'t maar gestolen!" + +De oudste zweeg en trok aan het koord. Daarop antwoordde hij zuchtend: + +"Waar ik bang voor ben, is dat moeder een hevig standje zal geven, +als ze 't hoort!" + +"Geloof je dat?" vroeg de kleine verwonderd. "Je moet haar zeggen +dat ze mij al veel geslagen hebben, ik zal haar mijn striemen laten +zien en mijn kapotte zak: ik heb maar een cuarto gehad, die ze me +voor mijn paschen gegeven hadden en de pastoor heeft me die gisteren +afgenomen. Ik had nog nooit zoo'n mooie cuarto gezien. Moeder zal +'t niet willen gelooven, ze zal 't niet gelooven!" + +"Als de pastoor het zegt..." + +Crispin begon te schreien, en stamelde onder het snikken door: + +"Ga jij dan alleen weg, ik wil niet weggaan. Zeg aan moeder dat ik +ziek ben. Ik wil niet weggaan." + +"Crispin huil nu maar niet. De oude Tasio heeft gezegd dat we van +avond lekker zullen eten." + +Crispin hief het hoofd op en keek zijn broer aan. + +"Lekker eten! Ik heb nog heelemaal niet gegeten: ze willen me geen +eten geven zoolang dat geld nog niet terecht is... Maar als moeder +'t gelooft? Jij moet haar zeggen, dat de eerste koster liegt, en de +pastoor die hem gelooft ook, dat ze allemaal liegen; dat ze zeggen +dat we dieven zijn, omdat onze vader zich slecht gedraagt en..." + +Doch er kwam een hoofd voor den dag uit de holte van het trapje +dat naar de eerste verdieping voerde, en dit hoofd deed als dat van +Meduza de woorden op de lippen van den knaap bevriezen. Het was een +langgerekte magere kop met lange zwarte haren. Een blauwe bril verborg +het eene blinde oog. + +Het was de hoofd-koster die zoo zonder gedruisch, onverwachts placht +te verschijnen. + +De twee broertjes werden ijskoud. + +"Jij, Basilio, krijgt een boete van twee realen, omdat je niet in de +maat luidt!" zeide hij met een spelonkstem, alsof hij zijn stembanden +kwijt was. "En jij, Crispin, jij moet van nacht hier blijven, totdat +wat je gestolen hebt, terecht is." + +Crispin keek naar zijn broer, alsof hij om bescherming vroeg. + +"We hebben vrij-af gekregen...moeder wacht ons om acht uur thuis", +stamelde Basilio schuchter. + +"Nou mag jij ook niet om acht uur weg! Tot tien uur!" + +"Maar, meneer, om negen uur mag je niet meer op straat, en ons huis +is zoo ver." + +"Zoo, woû jij me de wet stellen?" vroeg de man toornig. En Crispin +bij een arm vattende trachtte hij hem weg te slepen. + +"Meneer! 't Is al een week dat we moeder niet gezien hebben!" smeekte +Basilio, zijn broertje vastgrijpende, als wilde hij hem verdedigen. + +De hoofdkoster gaf hem een tik zoodat hij losliet en trok Crispin +mee. Deze begon te schreien en liet zich op den grond vallen, terwijl +hij tot zijn broêr zeide: + +"Ga niet van me weg. Ze zullen me doodmaken!" Maar de koster lette +er niet op, sleepte hem de trap af en verdween in de duisternis. + +Basilio bleef achter zonder een woord te kunnen uitbrengen. Hij hoorde +de stooten die het lichaam van zijn broertje tegen de treden der trap +deed, dan een kreet, verscheidene klappen met de vlakke hand en daarna +verstomden die hartverscheurende geluiden allengs. + +De knaap stond ademloos met gebalde vuisten en wijd opengesperde +oogen te luisteren. + +"Wanneer zal ik een veld kunnen beploegen?" mompelde hij binnensmonds, +en ging haastig naar beneden. + +Toen hij aan 't koor gekomen was, luisterde hij nog eens aandachtig: +de stem van zijn broertje verwijderde zich snel, en de kreet: +"moeder! broer!" stierf geheel weg, toen er een deur dicht +ging. Bevend, bedekt met zweet, bleef hij een oogenblik stilstaan. Hij +beet op zijn vuist, om een kreet te versmoren, die uit zijn hart +opdrong, en liet zijn blikken dwalen door de halve duisternis der +kerk. Daar ginds brandde zwakjes de olielamp. In 't midden stond de +katafalk. De deuren waren alle gesloten, en aan de vensters zaten +tralies. + +Opeens liep hij het trapje op, ging de tweede verdieping over, waar +het kaarsje brandde, en klom naar de derde. Hij maakte de touwen los, +die aan de klepels vastzaten, en ging daarna weer naar beneden. Hij +was bleek, maar zijn oogen glansden en niet van de tranen. + +De regen begon intusschen op te houden en de hemel werd allengs +helderder. + +Basilio knoopte de touwen aaneen, bond een uiteinde aan een kant +van de balustrade, en zonder eraan te denken het licht uit te doen, +liet hij zich midden in de duisternis neerglijden. + +Eenige oogenblikken later hoorde men op een der straten van het dorp +geluid van stemmen, en klonken er twee schoten. Doch niemand maakte +zich ongerust, en alles keerde weer tot de vorige rust terug. + + + + +XVI. + +Sisa. + + +De nacht is donker: de dorpelingen slapen rustig; de families die de +afgestorvenen herdacht hebben, genieten voldaan van een vreedzamen +slaap: ze hebben drie deelen van den rozenkrans met "requiem's" +en de novene der zielen gebeden, en veel waskaarsen ontstoken voor +de heiligen-beelden. De rijken en machtigen hebben hun plicht gedaan +jegens de verwanten, die hun fortuin hebben nagelaten. Den volgenden +dag zullen ze de drie missen hooren, die elke priester leest; ze +zullen dan, naar ze van plan zijn, twee pesos geven om er nog een te +lezen en daarna de "aflaat" van de afgestorvenen koopen, die zooveel +zonden vergeeft. De hemelsche gerechtigheid schijnt toch waarlijk +niet zoo veel-eischend als de menschlijke. + +Maar de arme en behoeftige, die nauwelijks genoeg verdient om te +bestaan en de belastinggaarders, klerken en soldaten moet omkoopen +om in vrede te kunnen leven, slaapt niet rustig, zooals de dichters +ter hoofdplaats gelooven, die wellicht nooit de ontberingen der +ellende hebben geleden. De arme is droevig en bezorgd. Dien nacht +heeft hij wel weinig gebeden opgezegd, maar toch veel in stilte +gebeden met smart in 't hart en tranen in de oogen. Hij weet niet +van de "novenen", kent geen schietgebedjes, noch de verzen, noch de +"oremus", die de geestelijke broeders opgesteld hebben voor hen die +geen eigen gedachten noch eigen gevoelens hebben, en hij verstaat ze +ook niet. Hij bidt in de taal van zijn nooddruft. Zijn ziel schreit +voor hem en voor de dooden, wier liefde zijn eenig goed was. Zijn +lippen kunnen "groetenissen" uitspreken, maar zijn geest schreeuwt +klachten uit en beschuldigingen... + +De arme weduwe waakt tusschen de kinderen, die aan haar zijde slapen: +ze denkt aan de aflaten, die ze koopen moet voor de rust van haar +ouders en van haar overleden echtgenoot. "Een _peso_," denkt ze, +"een _peso_ is een week verzorging voor mijn kinderen, een week +van lachjes en geluk, mijn spaarpenningen van een heele maand, een +kleedje voor mijn dochtertje, dat al vrouw begint te worden..." "Maar +'t hellevuur moet gebluscht worden" zegt de stem die ze heeft hooren +preeken; "ge moet u opofferen, 't moet! De kerk redt voor u de geliefde +zielen niet om-niet: ze geeft niet gratis aflaten uit. Ge moet die +koopen en in plaats van 's nachts te slapen, zult ge arbeiden. Uw +dochter--wel wat zou 't, dat haar schaamte onbedekt blijft... Vast +maar! Want de hemel is duur? De armen komen zoo moeilijk in den hemel!" + +Die gedachten zweven in de ruimte tusschen de "sahig," [12] waarop de +schamele mat gespreid is, en de "palapoe", [13] waaraan de hangmat +is vastgemaakt waar het kind in gewiegd wordt. Zijn ademhaling is +gemakkelijk en rustig; van tijd tot tijd maakt het kauwbewegingen en +brengt geluiden voort: het droomt van eten; want de hongerige maag +is niet voldaan met wat de broertjes hem gegeven hebben. + +De cikaden zingen hun eentonig lied eenparig met het snerpen +der krekels in het gras, of het geluid der veenmollen, die +uit hun schuilplaats kruipen, om voedsel te zoeken, terwijl de +"tokèq"--_tjakón_ zegt men in de Filippijnen--, niet meer bevreesd voor +'t water, zijn kop voor den dag steekt uit de holte van een vermolmden +boomstam en het concert verstoort met zijn akelig stemgeluid. De honden +blaffen jammerend verderop in de straat, en de bijgelovige die het +hoort, is overtuigd dat de dieren de geesten en schimmen zien. Maar +noch de honden noch de insekten zien de smarten der menschen en toch +bestaan ze! + +Ginds, ver van 't dorp, woont de moeder van Basilio en Crispin, +vrouw van een harteloos man, die voor haar kinderen tracht te leven, +terwijl hij lanterfant en hanegevechten bijwoont. Zijn bezoeken thuis +zijn zeldzaam, doch altijd smartelijk. Hij heeft haar stuk voor stuk +haar schamel huisraad ontroofd, om aan zijn ondeugd te voldoen, +en toen de geduldige Sisa niets meer bezat om de grillen van haar +man te bevredigen, toen begon hij haar te mishandelen. Zwak van +karakter, met meer hart dan verstand, kon zij alleen liefhebben en +schreien. Voor haar was haar echtgenoot haar God, haar kinderen waren +haar engelen. Hij die wist hoe zeer hij aangebeden en gevreesd werd, +gedroeg zich ook als alle valsche goden: iederen dag werd hij wreeder, +onmenschelijker en bedillender. + +Toen Sisa hem eens dat ze hem somberder dan ooit zag, raadpleegde over +haar plan om Basilio koster te laten worden, ging hij voort met zijn +haan te liefkoozen. Hij zei geen ja of nee, en vroeg alleen, of hij +dan veel geld zou verdienen. Zij dorst niet verder aan te dringen, +doch haar benarde toestand en het verlangen om de jongens lezen en +schrijven te laten leeren in de dorpsschool noopten haar om haar plan +door te zetten. Haar man zeide weer niets. + +Die nacht, zoo ongeveer tien uur of half-elf, toen de sterren reeds +aan den hemel fonkelden, die nu weer helder was, zat Sisa op een houten +bank, en keek naar eenige takken, die half-weg verbrand waren in haar +haard van ruwe hoekige steenen. Op een "toengko" of drievoet stond een +potje, waarin rijst kookte, en op gloeiende kolen lagen drie gedroogde +sardijnen, van die welke men drie voor twee "cuarto's" kan koopen. + +Ze steunde haar kin op de palm van haar eene hand en staarde naar de +geelachtige zwakke vlam van de bamboe, welker vluchtige kolen spoedig +tot as vergaan. Een droeve glimlach verlichtte haar gelaat. Ze dacht +aan 't aardige raadsel van den pot en 't vuur, dat Crispin haar eens +opgegeven had. De knaap had gezegd: + + + Naupoe si Maïtim, sinoeloet ni Lapoelá, + Nang mahaó i koemará-karà [14]. + + +Ze was nog jong en men kon zien dat ze mooi en bevallig moest geweest +zijn. Haar oogen, die ze evenals haar ziel aan de kinderen gegeven +had, waren schoon, met lange wimpers en diepen blik. Haar neus was +welbesneden, haar bleeke lippen waren sierlijk geteekend. Ze was wat de +Tagalen noemen _kajoemanging kaligatan_, dit wil zeggen bruin, maar van +een gave, zuivere tint. In weerwil van haar jeugd begon het verdriet of +wellicht de honger haar bleeke wangen hol te maken. Haar overvloedige +lokken, eertijds het sieraad van haar verschijning waren wel nog netjes +opgemaakt, maar uit gewoonte niet meer uit behaagzucht. Ze droeg het +haar in een zeer eenvoudigen wrong zonder haarspelden of kammetjes. + +Ze was dagen achtereen het huis uit geweest, bezig aan een naaiwerk +dat ze zoo spoedig mogelijk af moest hebben. Ze had om geld te kunnen +verdienen dien morgen de mis niet bijgewoond, want heen en terug zou +haar dat twee uur gekost hebben: armoede dwingt tot zondigen! Toen +haar werk af was, had ze 't naar den klant gebracht, doch deze had +haar alleen beloofd te betalen. + +Den heelen dag dacht ze aan de genoegens van den avond. Ze wist dat +haar kinderen zouden thuiskomen en was Voornemens ze te trakteeren. Ze +kocht sardijnen, plukte in haar tuintje de mooiste tomaten omdat ze +wist dat die 't lievelings-eten van Crispin waren. Ze vroeg aan haar +buurman, den filosoof Tasio, een plak wildzwijne-vleesch en een bout +van een wilden eend waar Basilio zooveel van hield. En vol blijde +hoop kookte ze de blankste rijst, die ze zelf had bijeen gegaard +op de dorsvloeren. Dat was inderdaad een pastoorsmaaltijd voor de +arme knapen. + +Maar door een ongelukkig toeval kwam haar man en at de rijst, de snede +varkensvleesch, de eendebout, de vijf sardijnen en de tomaten op. Sisa +zeide niets, al was 't haar ook of ze zelf opgegeten werd. Toen hij +verzadigd was, dacht hij eraan naar de kinderen te vragen. Toen kon +Sisa glimlachen, en voldaan nam ze zich voor, dien avond maar niet +te eten, want wat er overbleef was niet genoeg voor drie. De vader +vroeg naar zijn kinderen, en dat was voor haar meer dan eten. + +Daarop greep hij zijn haan en wilde heengaan. + +"Wil je ze niet zien?" vroeg ze angstig. "De oude Tasio heeft me +gezegd dat ze wat later zouden wezen. Crispin kan al lezen en.., +misschien brengt Basilio zijn loon thuis." + +Bij 't hooren van deze reden stond de man stil, weifelde een oogenblik, +maar zijn goede genius zegevierde. + +"In dat geval moet je een 'peso' voor me bewaren?" zeide hij, en +stapte op. + +Sisa schreide bitter, maar ze dacht weer aan haar kinderen en droogde +haar tranen. Ze kookte nieuwe rijst en maakte de drie sardijnen klaar +die er over waren: elk zou er anderhalf krijgen. + +"Ze zullen wel goeden eetlust hebben!" dacht ze, "de weg is lang en +een hongerige maag heeft geen oogen." + +Aandachtig luisterde ze naar 't geringste geluid van voetstappen: +krachtig en duidelijk, dan waren ze van Basilio, licht en ongelijk, +dan van Crispin, dacht ze. + +De _kalao_ (toekang) had in 't bosch al twee- of drie maal zijn kreet +doen hooren, sinds de regen opgehouden was, en toch kwamen de kinderen +nog maar niet. + +Ze deed de sardijnen in den pot om ze warm te houden, en ging naar +den drempel der hut, om naar den weg te kijken. Om zich wat afleiding +te geven, begon ze zachtkens te zingen. Ze had een mooie stem, en +wanneer haar kinderen haar "_koendiman_" (antwoord me) hoorden zingen, +schreiden ze zonder te weten waarom. Doch dien nacht beefde haar stem, +en kwamen de tonen traag voor den dag. + +Ze staakte haar zang en peilde met haar blik de duisternis. Er kwam +niemand uit het dorp, behalve de wind, die het water deed druppelen +van de breede bladeren der pisang-boomen. + +Plotseling zag ze een zwarten hond voor haar verschijnen. Het dier +sleepte iets voort op het pad. Sisa werd bang, nam een steen op en +wierp ermee naar het dier. Dit zette het op een loopen en jankte +akelig. + +Sisa was niet bijgeloovig, maar ze had zooveel over voorgevoelens +en zwarte honden hooren spreken, dat ze door ontzetting aangegrepen +werd. Ze sloot ijlings de deur, en zette zich naast het licht neder. De +nacht begunstigt het geloof aan allerlei akeligs, en de verbeelding +bevolkt de lucht met spoken. + +Ze trachtte te bidden, de Heilige Maagd, God aan te roepen dat ze +haar kinderen behoeden zouden, vooral den kleinen Crispin. En haar +gedachten dwaalden af van 't gebed, om alleen aan hen te denken: +aan de gelaatstrekken van hen beiden die haar voortdurend toelachten, +in droomenden en in wakenden toestand. Maar plotseling rezen haar de +haren te berge: zins-begoocheling of werkelijkheid, ze zag Crispin +staan naast den haard, daar waar hij placht te zitten om met haar +te keuvelen. Nu zeide hij niets. Hij keek haar aan met zijn groote, +peinzende oogen, en glimlachte. + +"Moeder, doe open! Doe open, moeder!" zeide de stem van Basilio +van buiten. + +Sisa huiverde sterk en het vizioen verdween. + + + + +XVII. + +Basilio. + + +'t Leven is een droom. + + +Nauw kon Basilio binnenkomen, of wankelend liet hij zich in de armen +zijner moeder vallen. + +Een onverklaarbare koude overviel Sisa, toen ze hem alleen zag +aankomen. Ze wilde spreken, maar ze vond geen klanken; ze wilde +schreien, 't was haar onmogelijk. + +Doch op 't gezicht van 't bloed, dat het voorhoofd van haar jongen +bedekte, kon ze een kreet uitstooten, alsof er een streng van haar +hart gebroken ware: + +"Mijn kinderen!" + +"Wees niet bang, moeder!" antwoordde Basilio, "Crispin is in 't +klooster gebleven." + +"In 't klooster? Is hij in 't klooster gebleven? Leeft hij?" + +De knaap sloeg zijn oogen naar haar op. + +"O!" riep ze uit, van den grootsten angst overslaande tot de hoogste +vreugde. Sisa schreide, omhelsde haar zoon, zijn bloedend voorhoofd +met kussen overdekkend. "Crispin leeft! je hebt hem in 't klooster +achtergelaten ... en waardoor ben-je gewond, mijn kind? Ben-je +gevallen?" + +En ze sloeg hem nauwkeurig gade. + +"De hoofd-koster zei me, toen hij Crispin meenam, dat ik niet voor +tienen naar huis mocht. En omdat dat erg laat was, ben ik gevlucht. In +'t dorp riepen de soldaten me 'werda' toe. Ik zette het op een +loopen. Toen hebben ze me geschoten en een kogel heeft even mijn +voorhoofd geraakt. Ik was bang dat ze me gevangen zouden nemen en +dat ze me de kazerne zouden laten schrobben, zooals ze dat met Pablo +gedaan hebben, die nog ziek is." + +"Mijn God, mijn God!" mompelde de moeder huiverend, "ge hebt hem +gered!" + +En terwijl ze doeken, water, azijn en reiger-doos zocht, riep ze: + +"Een vingerbreedte verder en je was dood geweest! Ze zouden m'n jongen +doodgemaakt hebben! Die lui van de _guardia civil_ denken ook niet +aan de moeders!" + +"Je moet zeggen dat ik uit een boom gevallen ben, hoor; niemand mag +er iets van weten, dat ze me vervolgd hebben." + +"Waarom is Crispin achtergebleven?" vroeg Sisa, nadat ze haar zoon +verbonden had. + +Deze keek haar enkele oogenblikken aan. Dan haar omhelzend vertelde +hij haar geleidelijk de zaak van het goud. Evenwel sprak hij niet +van de kwellingen die men zijn broertje aandeed. + +Moeder en kind mengden hun tranen. + +"Mijn goeie Crispin! Mijn lieve Crispin te beschuldigen! Dat is omdat +we arm zijn, en wij armen moeten maar alles verdragen!" mompelde +Sisa, met haar oogen vol tranen kijkende naar de _tienhoy_--het +lampje--waarvan de olie opraakte. + +Zoo bleven ze een poos zwijgen. + +"Heb je al gegeten? Nee? Er is rijst en wat gedroogde sardijnen." + +"Ik heb geen trek. Water, ik wil alleen maar water." + +"Jawel," hervatte de moeder, "ik wist wel dat je niet hield van +gedroogde sardijnen. Ik had wat anders voor je klaargemaakt, maar je +vader is er geweest, arme jongen!" + +"Is vader er geweest?" vroeg Basilio, en hij keek onwillekeurig +vorschend naar het gelaat en de handen van zijn moeder. De vraag van +haar zoon kneep het hart van Sisa samen, want ze begreep hem maar al +te goed. Daarom haastte ze zich eraan toe te voegen: + +"Hij is er geweest, en heeft veel naar jullie gevraagd. Hij woû jullie +zien. Hij had ergen honger. Hij heeft gezegd dat als jullie voortgaat +met goed op te passen, hij weer bij ons in zou komen wonen." + +"O!" viel Basilio in, en zijn lippen trokken zich met ergernis samen. + +"Jongen!" vermaande zij. + +"Wees niet boos, moeder!" antwoordde hij ernstig, "is het niet beter +zoo met ons drieën: u, Crispin en ik? Maar u schreit. Ik heb niets +gezegd." + +Sisa zuchtte. + +"Eet je heelemaal niets? Laten we dan naar bed gaan, want het is +al laat." + +Sisa sloot de hut, en bedekte de weinige sintels met as, opdat ze +niet uit zouden gaan. + +Basilio prevelde zijn gebeden, en legde zich te ruste bij zijn moeder, +die geknield bad. + +Hij voelde zich huiverig. Hij trachtte de oogen te sluiten en dacht +aan zijn broertje, dat dien nacht erop gevlast had bij moeder thuis te +slapen en dat nu schreide en van vrees beefde in een donkeren hoek van +'t klooster. Zijn ooren herhaalden hem die kreten, zooals hij ze in den +toren gehoord had, maar zijn vermoeide hersenen begonnen denkbeelden +te verwarren, en de geest der droomen daalde neder op zijn oogen. + +Hij zag een alkoof, waar twee kaarsen brandden. De pastoor, met een +rotan in de hand, luisterde somber naar den hoofd-koster, die tot hem +sprak in een vreemde taal en met vreeselijke gebaren. Crispin beefde +en wendde zijn betraande oogen overal heen, alsof hij iemand zocht +of naar een schuilplaats uitkeek. + +De pastoor richt zich tot hem en roept hem vertoornd iets toe. De +rotan suist. De knaap loopt weg om zich achter den koster te +verschuilen. Doch deze grijpt hem, maakt zich van hem meester en levert +hem over aan de woede des priesters. De ongelukkige worstelt, trapt, +schreeuwt, werpt zich op den grond, rolt, staat op, vlucht, glijdt +uit, valt en weert de slagen met de handen af, die hij dan gillend +van pijn weghoudt. Basilio ziet hem zich wringen, met zijn hoofd +tegen den grond slaan, ziet den rotan en hoort hem zwiepen! Wanhopig +staat zijn broertje op. Gek van pijn werpt hij zich op zijn beulen +en bijt den pastoor in de hand. Deze stoot een kreet uit, en laat +den rotan vallen. De koster grijpt een stok, geeft hem daarmee een +slag op het hoofd en de knaap valt bedwelmd neer. De pastoor, zich +gewond ziende, schopt hem, maar de ander verdedigt zich niet meer, +schreeuwt niet meer: hij rolt over den grond als een slappe massa en +laat een vochtig spoor achter... + +De stem van Sisa riep hem tot de werkelijkheid terug. + +"Wat scheelt je? waarom huil je?" + +"Ik heb gedroomd!... Och God!" riep Basilio uit en richtte zich op, +gutsend van 't zweet, "'t was een droom, zeg, moeder, het was maar +een droom. Niets meer dan een droom!" + +"Wat heb je gedroomd?" + +De jongen antwoordde niet. Hij ging zitten om zijn tranen en zweet +af te drogen. Het was volkomen donker in de hut. + +"Een droom, een droom!" herhaalde Basilio zacht. + +"Vertel me toch wat je gedroomd hebt. Ik kan niet slapen!" zeide zijn +moeder, toen haar zoon zich weer nederlegde. + +"Nu dan," zeide deze zacht, "ik droomde dat we aren gingen lezen... op +een veld, waar veel bloemen stonden; de vrouwen hadden manden vol met +aren.... Ik herinner me niets verder, moeder, van 't andere herinner +ik me niets meer!" + +Sisa hield niet aan. Ze gaf niet om droomen. + +"Moeder, ik heb vannacht een plan gemaakt," zeide Basilio, na eenige +oogenblikken van stilte. + +"Wat voor plan?" vroeg zij. + +Sisa, nederig in alles, was zelfs nederig tegenover haar kinderen: +ze hield ze voor verstandiger dan zij zelve. + +"Ik wil geen koster meer worden!" + +"Hoe zoo?" + +"Luister eens, moeder, naar wat ik overdacht heb. Vandaag is de zoon +van Don Rafael uit Spanje teruggekomen en die zal wel even goed zijn +als zijn vader. Welnu, moeder, morgen haalt u Crispin weg, u ontvangt +mijn loon en u zegt dat ik geen koster meer wil worden. Zoodra +ik hersteld ben, ga ik Don Crisóstomo opzoeken, en dan zal ik hem +vragen, om koe- of karbouwen-hoeder bij hem te worden, ik ben al +groot genoeg. Crispin zal kunnen leeren bij de oude Tasio in huis; +die ranselt niet en is goed, al gelooft de pastoor 't ook niet; wat +zouden we nog van den pater te vreezen hebben? Geloof me, moeder, +de oude Tasio is goed. Ik heb hem dikwijls in de kerk gezien, wanneer +er niemand in was. Hij knielde en bad, gelooft u me. Dus moeder, ik +word geen koster: je verdient toch weinig, en wat je verdient vliegt +weg aan boeten. Iedereen klaagt over 't zelfde. Ik word herder, +en als ik goed zorg voor wat me toevertrouwd wordt, dan houdt mijn +baas van me. Crispin houdt veel van melk. Wie weet, of ze me niet een +koe-kalfje geven, als zij zien dat ik me goed gedraag. We zullen er +goed op passen en 't vetmesten, net als onze hen. In 't bosch zal ik +vruchten plukken, en ze dan in 't dorp verkoopen tegelijk met groenten +uit onzen tuin. En zoo zullen we geld verdienen. Ik zal strikken en +vallen zetten, om vogels en boschkatten te vangen. Ik zal gaan visschen +in de rivier, en wanneer ik grooter ben, ga ik jagen. Ik kan dan ook +houthakken om te verkoopen of om aan den eigenaar van de koeien cadeau +te geven. En zoo houden we hem te vriend. Wanneer ik kan ploegen, zal +ik hem vragen, om me een stukje grond af te staan, om er suikerriet +of maïs te planten, en dan hoeft u niet meer tot midden in den nacht +te zitten naaien. Dan hebben we nieuwe kleêren voor de feestdagen, +en zullen we vleesch en groote visch eten. Ondertusschen leef ik +vrij, we zullen elkaar alle dagen kunnen zien en samen eten. En omdat +toch de oude Tasio zegt dat Crispin veel aanleg voor leeren heeft, +zullen we hem in Manila laten studeeren. Ik zal wel werken, om hem +te onderhouden, nietwaar moeder? En dan wordt hij dokter, wat dunkt u?" + +"Och wat zou ik ervan denken? Stellig!" antwoordde Sisa, haar zoon +omhelzend. + +Ze had opgemerkt dat deze voor de toekomst in 't geheel geen rekening +hield met zijn vader, en ze schreide stille tranen. + +Basilio ging voort met over zijn plannen te spreken met dat vertrouwen +van zijn leeftijd, wanneer men alleen ziet wat men wil zien. Sisa +zeide op alles ja, alles scheen haar goed. De slaap daalde allengs +weer neder op de vermoeide oogleden van den knaap. + +Hij zag zich reeds als koehoeder samen met zijn broertje. Ze plukten +djamboe's, klèngkèng's en andere vruchten in het bosch. Ze liepen +van tak tot tak, vlug als vlindertjes. Ze gingen grotten binnen en +zagen, dat de wanden glommen. Ze baadden zich in de bronnen en 't +zand bestond uit stofgoud en de steenen waren als de edelsteenen in +de kroon der Heilige Maagd. De vischjes zongen en lachten hun toe, +de planten bogen hun met munten en vruchten beladen takken. Daarop +zag hij een klok, die aan een boom hing, en een lang touw, om haar te +luiden. Aan 't touw was een koe gebonden met een vogelnestje tusschen +de horens. En Crispin zat in de klok. En zoo droomde hij verder. + +Maar zijn moeder, die niet zijn jeugd had en evenmin een uur geloopen +had, sliep niet. + + + + +XVIII. + +Zieltjes in nood. + + +'t Zal ongeveer zeven uur in den morgen geweest zijn, toen Fray Salvi +zijn laatste mis las: alle drie werden in één uur afgedaan. + +"De pater is ziek," zeiden de vrome vrouwtjes. "Hij beweegt zich niet +zoo statig en sierlijk als gewoonlijk." + +Hij ontdeed zich van zijn miskleed zonder een woord te zeggen, zonder +naar iemand te kijken, zonder een enkele opmerking. + +"Opgepast!" fluisterden de kosters onder elkaar. "De storm komt +opzetten! 't Zal zoo meteen boeten regenen. En dat alles om twee +beroerde jongens!" + +Hij verliet de sakristie, om naar zijn pastorie te gaan, waar in +de voorgalerij een achttal vrouwen op de banken gezeten en een man, +die heen en weer liep, op hem wachtten. Toen ze hem zagen aankomen, +stonden de vrouwen op en een vrouw trad op hem toe, om hem de hand +te kussen. Doch de geestelijke maakte zulk een gebaar van ongeduld, +dat ze midden op haar weg stil bleef staan. + +Ze begreep daar niets van. Zoo'n bejegening aan haar, Zuster Rufa, +de vrome "celadora"--soort kommissaris van orde--van de Broederschap! + +De vrouwen bespraken levendig het geval en eindigden met ruzie te +maken over een verloren varken, dat Rufa beweerde teruggevonden +te hebben door de tusschenkomst van den heiligen Antonius terwijl +anderen zeiden dat ze een andermans varken voor 't hare had aangezien +en verkocht! Deze twist bijgelegd, ontstond er een woordenwisseling +over de keuze van een prediker voor het feest; de pastoor had er drie +voorgesteld: pater Dámaso, pater Martin of de "coadjutor". + +Op dat oogenblik kwam Sisa aan, met een mand op haar hoofd. Ze groette +de vrouwen en ging de trap op. + +"Die gaat naar boven! Laten wij ook naar boven gaan!" zeiden de +anderen. + +Sisa voelde haar hart hevig kloppen terwijl ze de trap opging; ze +wist niet wat ze den pater zou zeggen om zijn toorn te bezweren, en +welke gronden ze moest aanvoeren, om voor haar zoontje te pleiten. Dien +morgen was ze bij 't eerste ochtendgloren in haar tuin gegaan, om haar +mooiste groenten te plukken die ze daarna tusschen pisang-blâren en +bloemen in een mand had gelegd. Ze was ook naar den rivier-oever gegaan +om er "pakoe" te zoeken: ze wist dat de pastoor daar als sla veel van +hield. Ze had haar beste kleêren aangetrokken, en met de mand op het +hoofd was ze zonder haar zoontje te wekken, naar het dorp vertrokken. + +Trachtende zoo min mogelijk gedruisch te maken, steeg ze langzaam de +trap op, aandachtig luisterend of ze niet wellicht een wel-bekende +frissche kinderstem zou hooren. + +Doch ze hoorde noch ontmoette iemand, en richtte zich naar de keuken. + +Daar keek ze in alle hoeken. Bedienden en kosters ontvingen haar +koel. Ze groette, maar kreeg nauwelijks een wedergroet. + +"Waar kan ik deze groenten laten?" vroeg ze, zonder zich beleedigd +te toonen. + +"Daar... waar je wilt!" antwoordde de kok, terwijl hij, druk aan zijn +werk, er bijna niet op lette; hij was bezig een kapoen te plukken. + +Sisa legde de térong's, petola's, de balsem-appels, de "zarzalida" +en malsche "pakoe"-takjes netjes op de tafel. Daarna legde ze de +bloemen er boven op, lachte vergenoegd, en vroeg aan een bediende +die haar handelbaarder voorkwam dan de kok: + +"Zou ik den pater niet kunnen spreken?" + +"Die is ziek," antwoordde de man zacht. + +"En Crispin? Weet u ook, of die in de sakristie is?" + +De bediende keek haar verbaasd aan. + +"Crispin?" vroeg hij de wenkbrauwen fronsend. + +"Is die niet bij u thuis? wou u dat soms loochenen?" + +"Basilio is thuis, Crispin is hier gebleven," antwoordde Sisa. "Ik +wil hem zien..." + +"Jawel!" zei de bediende. "Hij is gebleven, dat is zoo, maar +daarna... daarna is hij met een heeleboel dingen, die hij gestolen +had, ervandoor gegaan. De pastoor heeft me van morgen vroeg naar de +kazerne gestuurd om er kennis van te geven aan de Guardia-Civil. Ze +zullen nu wel naar uw huis zijn gegaan, om de jongens te halen." + +Sisa sloeg de beide handen tegen de ooren, deed den mond open, maar +haar lippen bewogen zich tevergeefs: er kwam geen geluid uit. + +"Nou, jij hebt ook mooie jongens, hoor!" voegde de kok erbij. "Je kunt +wel zien, dat je je man nooit bedrogen hebt: je kinderen zijn net als +hun vader! Pas maar op, dat de kleine hem niet nog den baas af wordt!" + +Sisa barstte in bitter schreien uit en viel op een bank neer. + +"Je moet hier niet huilen!" riep de kok haar toe. "Weet je dan niet, +dat de 'padre' ziek is, ga op straat janken!" De arme vrouw werd bijna +de trappen af geduwd, tegelijkertijd dat ook de "zusters" heengingen, +die onder elkaar mompelden en gissingen maakten over de ongesteldheid +van den pastoor. + +De ongelukkige moeder verborg haar gelaat met haar zakdoek, en +onderdrukte haar schreien. + +Toen ze op straat was, keek ze besluiteloos om zich heen. Dan, als +had ze een besluit genomen, verwijderde ze zich snel. + + + + +XIX. + +Avonturen van een schoolmeester. + + +Het meer, omringd door zijn bergen, sluimert rustig met die huichelarij +der elementen, welke heden niet doet vermoeden dat het den vorigen +nacht meegeloeid heeft met den storm. Bij 't eerste glimpje van den +dageraad, dat op de wateren de lichtgeesten wakker roept, teekenen +zich in de verte, bijna aan de kim, grauwe silhouetten af: het zijn +de bootjes der visschers, die hun net ophalen; kleine vaartuigen, +die hun zeilen spannen. + +Twee mannen, in diepen rouw gekleed, slaan van een hoogte zwijgend +het water gade: een van hen is Ibarra en de ander is een jongmensch +met een nederig voorkomen en weemoedige trekken. + +"Hier is 't!" zeide de laatste. "Hier werd het lijk van uw vader in +'t water gesmeten. Hier bracht de doodgraver luitenant Guevara en mij!" + +Ibarra drukte hartelijk de hand van 't jongmensch. + +"U hoeft er mij niet dankbaar voor te wezen!" hervatte deze. "Ik was +uw vader veel verschuldigd en de eenige dienst dien ik hem bewees, +was hem naar zijn graf te vergezellen. Ik was gekomen zonder iemand +te kennen, zonder aanbevelingen, zonder naam, zonder fortuin, net als +nu. Mijn voorganger had de school opgegeven om een tabakshandel te +beginnen. Uw vader beschermde mij, verschafte me een huis en deed +me alles aan de hand wat ik noodig kon hebben om mijn onderwijs +te bevorderen. Hij kwam naar school en deelde eenig klein geld uit +onder de arme jongens die goed leerden; hij voorzag ze van boeken en +schrijfbehoeften. Och, maar dat duurde kort, zooals alle goede dingen!" + +Ibarra ontblootte het hoofd en scheen een heele poos in gebed +verzonken. Dan wendde hij zich tot zijn metgezel en zeide: + +"U zeide dat mijn vader de arme kinderen hielp." + +"En nu?" + +"Nu doen ze wat ze kunnen, en schrijven wanneer het hun mogelijk is." + +"Hoe zoo?" + +"Om hun gescheurde hemden en hun beschaamde gezichten." + +Ibarra zweeg even. + +"Hoeveel leerlingen heeft u nu?" vroeg hij ten slotte met een zekere +belangstelling. + +"Meer dan twee honderd op de lijst, en vijf-en-twintig in de klas." + +"Hoe komt dat zoo?" + +De schoolmeester lachte weemoedig en riep: + +"Als ik u de oorzaken daarvan woû zeggen, zou ik u een lange, +vervelende geschiedenis moeten vertellen." + +"U moet mijn vraag niet aan ijdele nieuwsgierigheid toeschrijven," +ging Ibarra voort, en keek ernstig naar den verren horizont. "Ik heb +er verder over nagedacht en ik geloof dat het beter is de denkbeelden +van mijn vader te verwezenlijken dan om hem te treuren, en veel beter +dan hem te wreken. Zijn graf is de heilige natuur, en zijn vijanden +waren dorpsmenschen en een priester: ik vergeef de eersten om hun +domheid, en ik eerbiedig den ander om zijn ambt, en omdat ik wil dat de +godsdienst geëerbiedigd wordt, die de maatschappij heeft opgevoed. Ik +wil me bezielen met den geest van den man, die mij 't leven gaf, en +daarom zou ik hinderpalen willen kennen die het onderwijs hier vindt." + +"Het land" zeide de onderwijzer, "zal uw vaders nagedachtenis zegenen, +als u zijn mooie bedoelingen verwezenlijkt. Wilt u weten wat hier +het onderwijs in den weg staat? Welnu, in de omstandigheden waarin +we leven, zal van het onderwijs zonder een machtige hulp nooit iets +terechtkomen. Ten eerste omdat er bij de kinderen geen lokmiddel, +geen prikkel is, ten tweede omdat zelfs al waren ze er wel, het gebrek +aan middelen en allerlei vooroordeelen ze dooden. Men zegt dat in +Duitschland de zoon van een landbouwer acht jaar op de dorpsschool +leert. Wie zou hier de helft van dien tijd willen besteden, wanneer +men er zulke schamele vruchten van plukt? Ze lezen, schrijven en +leeren stukken van buiten in 't Spaansch en soms heele boeken, zonder +er een woord van te begrijpen. Wat voor nut trekt de zoon van onze +dorpelingen van de school?" + +"En u die weet waar 't kwaad schuilt, heeft u dan er aan gedacht het +te verhelpen?" + +"Och!" antwoordde de ander droevig het hoofd schuddend, "een arme +schoolmeester kan alleen niet vechten tegen de vooroordeelen, tegen +zekere invloeden. In de allereerste plaats zou ik een school moeten +hebben, een lokaal, en niet zooals 't nu is een ruimte naast het +rijtuig van den pastoor, onder 't klooster, waar ik onderwijs mag +geven. Daar hinderen de kinderen, die ervan houden hardop te lezen, +natuurlijk den 'padre'; die komt dan soms zenuwachtig beneden, +vooral wanneer hij zijn buien heeft; dan beknort hij ze en scheldt +mij soms uit. U begrijpt licht, dat men zoo niet kan onderwijzen of +leeren. Een kind eerbiedigt zijn leermeester niet meer, zoodra het +ziet dat hij beleedigd wordt, zonder dat hij zijn rechten kan doen +gelden. Een onderwijzer moet, om aangehoord te worden, om te maken dat +men zijn gezag niet in twijfel trekt, prestige hebben, een goeden naam, +zedelijke kracht, een zekere vrijheid. En sta u me toe dat ik u over +droevige bizonderheden spreek. Ik heb hervormingen willen invoeren +en ze hebben me uitgelachen. Om het kwaad te verhelpen waarover ik +ze sprak, trachtte ik het Spaansch op mijn school te onderwijzen, +want, behalve dat het gouvernement het voorschreef, oordeelde ik +ook dat het een voordeel voor alle leerlingen zou wezen. Ik paste de +eenvoudigste methode toe--zinnetjes en naamwoorden--zonder veel aan +groote regels te doen, hopende hun later de spraakkunst te leeren, +wanneer ze al op de hoogte van de taal waren. + +"Na verloop van eenige weken verstonden de vlugsten me bijna, en +maakten die al eenige zinnetjes." + +De schoolmeester zweeg even en scheen te aarzelen. Dan, alsof hij +zich daar overheen zette, ging hij voort: + +"Ik hoef me niet te schamen voor 't verhaal van mijn grieven: iedereen +zou in mijn geval net-zoo gehandeld hebben. Zooals ik dan zei, begon +het goed. Maar, eenige dagen later liet Pater Dámaso, die toen onze +pastoor was, mij door den hoofd-koster bij zich roepen. Omdat ik zijn +karakter kende en bang was hem te laten wachten, ging ik dadelijk naar +boven, kwam binnen en zeî hem goeden dag in 't Spaansch. Hij stak +me als eenige wedergroet zijn hand toe, om die te kussen, trok die +daarna terug, en zonder een woord te zeggen, begon hij luidkeels en +spottend te lachen. Ik stond beteuterd. De hoofd-koster was erbij. In +'t eerst wist ik niet wat ik zeggen zou. Ik bleef hem aankijken. Maar +hij ging door met lachen. Ik werd al ongeduldig, en zag in dat ik een +onvoorzichtigheid zou begaan, want een goed christen zijn en waardig +daarbij te wezen, vind ik niet onvereenigbaar. Ik wou hem juist +vragen waarom hij zoo deed, toen hij opeens van lachen in beleedigen +oversloeg, en sarkastisch zeî: 'Zoo, zoo "_buenos dias_"! [15] +_Buenos dias_! Wel dat 's leuk! Je kent dus al Spaansch?!' En toen +lachte hij weer." + +Ibarra kon niet nalaten even te glimlachen. + +"U lacht erom," hervatte de onderwijzer, zelf ook lachende. "Ik +verzeker u dat ik toen heelemaal geen lust in lachen had. Ik stond +daar en ik voelde dat het bloed me naar 't hoofd steeg, en een onweer +mijn hersens benevelde. Ik zag den pastoor ver, ver weg. Ik stapte op +hem toe, om hem te antwoorden, zonder te weten wat ik eigenlijk wou +zeggen. Maar de koster kwam tusschenbeide. Hij zelf stond op, en zei +me, dezen keer in ernst, in 't Tagaalsch: 'Pronk nu maar bij mij niet +met geleende veeren. Hoû je bij je moêrs-taal en bederf het Spaansch +niet, want dat is geen kost voor jullie.' Ken je meester Ciruela? Nu, +Ciruela en die was een schoolmeester die niet kon lezen, hield school. + +"Ik wou hem aanhouden, maar hij ging zijn kamer in en sloot driftig +de deur. Wat moest ik doen, ik die nauwelijks te eten heb met mijn +traktement, die om 't te ontvangen telkens de schriftelijke goedkeuring +van den pastoor noodig heb en een reis naar de hoofdplaats van de +provincie moet maken. Wat kon ik doen tegen hem, de eerste zedelijke, +politieke en burgerlijke autoriteit in een dorp, die gesteund wordt +door zijn corporatie, gevreesd door 't gouvernement, rijk, machtig, +die altijd en door iedereen wordt geraadpleegd, aangehoord, geloofd, +aan wien altijd iedereen zich stoort? Als die me beleedigt, moet +ik mijn mond houden. Als ik er iets tegen zeg, word ik uit mijn +baantje gezet en verlies ik voor goed mijn broodwinning. En 't +onderwijs zou daar nog niets door winnen: integendeel, iedereen zou +de partij van den pastoor opnemen, ze zouden me uitkrijten, me ijdel, +trots, verwaand, een slecht kristen, een onopgevoed mensch noemen, +of anders anti-Spaansch gezind en _filibustero_--opstandeling. Van een +schoolmeester verwacht men geen kennis en geen ijver; men eischt alleen +van hem berusting, nederigheid, ongevoeligheid. God moge me vergeven, +als ik mijn geweten en mijn verstand verloochend heb, maar ik ben +in dit land geboren, ik moet leven, ik heb een moeder, en ik geef me +over aan mijn lot als een lijk dat door het water wordt meegesleept." + +"En heeft u zich door dien hinderpaal voor altijd laten ontmoedigen? En +'t is u daarna beter gegaan?" + +"Gave God dat ik door schande wijs was geworden!" antwoordde hij, +"dat mijn ellenden zich daartoe bepaald hadden! 't Is waar dat ik +sinds dien tijd een afkeer kreeg van mijn werkkring. Ik dacht erover, +een levensonderhoud te zoeken, evenals mijn voorganger; omdat, als +je werk doet tegen je zin en met schaamte, dan is 't een marteling, +en omdat de school me iederen dag mijn hoon herinnerde en ik er heel +bittere uren doorbracht. Maar wat moest ik doen? Ik kon mijn moeder die +teleurstelling niet geven: ik moest haar zeggen dat haar drie jaren +van opoffering, om mij dezen werkkring te verschaffen, nu mijn geluk +zijn. Ik moet haar doen gelooven dat de betrekking hoogst eervol is, +het werk genotvol, dat mijn weg bezaaid is met rozen; dat ze me in +'t dorp eerbiedigen en hoogachten. Als ik dat niet deed, zou ik een +ander ongelukkig maken, zonder dat ik 't zelf minder werd. Behalve +nutteloos, zou dat zelfs zondig wezen. Ik ben dus in mijn betrekking +gebleven en heb me niet willen neerslaan: ik heb getracht te worstelen +met mijn lot." + +De onderwijzer zweeg een oogenblik, om daarna voort te gaan: + +"Ik heb toch profijt gehad van die smadelijke behandeling. Ik deed een +zelfonderzoek en besefte tenslotte dat ik heel weinig wist. Ik ging +met hart en ziel studeeren. De oude filosoof leende me boeken. Zoo +kreeg ik allerlei nieuwe inzichten. Ik begreep dat het ouderwetsche +ranselsysteem op school uit den booze was: 't schaamtegevoel verdwijnt +erdoor en de kinderen die een ander kind moeten slaan worden wreed. Ik +schafte dus de heele lichamelijke kastijding af. Eerst ging 't niet +best: veel leerlingen leerden slecht, maar ik hield vol, en ik merkte +op dat er langzamerhand meer lust kwam. Er kwamen meer kinderen +en ze verzuimden minder. Een, die eenmaal in 't bijzijn van alle +anderen geprezen was, leerde den volgenden dag het dubbele. Al heel +gauw verbreidde zich in 't dorp het nieuwtje, dat ik op school niet +sloeg. De pastoor liet me roepen, en omdat ik weer zoo'n tooneel als +vroeger vreesde, groette ik hem stijf in 't Tagaalsch. Dezen keer was +hij ernstiger tegenover me. Hij zei me dat ik de kinderen bedierf, +dat ik mijn tijd verspilde, dat ik mijn plicht niet deed, dat de +vader die niet sloeg zijn kind haatte, volgens den Heiligen Geest, +dat 'de letter met het bloed ingaat' enz., enz. Hij haalde me een +hoop dingen aan uit de oude doos, alsof het voldoende was dat iets +door de menschen van den ouden tijd gezegd was, om onweerlegbaar te +wezen... Nu, 't kwam daarop neer, dat hij aanbeval naar zijn woorden +te handelen en weer tot het oude stelsel terug te keeren, want anders +zou hij over me klagen bij den burgemeester. Mijn ongeluk bleef +daarbij niet: eenige dagen later kwamen de vaders van de kinderen +onder 't klooster bij me en ik heb al mijn geduld en lijdzaamheid +te hulp moeten roepen. Ze spraken met lof over den ouden tijd, +toen er flink geranseld werd. Sommigen lieten 't daar niet bij, +maar zeiden me ronduit dat als ik met mijn systeem voortging, hun +kinderen niets zouden leeren en dat zij ze van de school af zouden +nemen. 't Gaf niets, of ik al met hun redeneerde: ik was te jong. Och, +wat had ik er wel voor gegeven, als ik grijze haren gehad had! Ze +haalden het gezag van den pastoor aan, van dezen en genen, en ze +stelden ook zichzelf als voorbeeld: als zij geen ransel hadden gehad, +hadden ze stellig niets geleerd. De sympatie die enkelen me bewezen, +verzoette alleen een beetje de bitterheid van deze teleurstelling." + +"Ik moest dus een stelsel opgeven dat me na veel moeite vruchten begon +op te leveren. Wanhopig bracht ik den volgenden dag mijn marteltuigen +weer op school, om mijn barbaarsche taak te hervatten. De opgeruimdheid +verdween, en er heerschte weer bedroefdheid op de gezichtjes van +de kinderen. Ze begonnen al van me te houden! 't Waren mijn eenige +vrienschapsbetrekkingen.... Ofschoon ik trachtte erg spaarzaam te zijn +met mijn kastijdingen, voelden de kinderen zich toch diep gekwetst +en vernederd. En ze schreiden bitter. Dat deed me pijn, en al was +ik inwendig ook wrevelig op hun aartsdomme familie, ik kon me niet +wreken op die onschuldige slachtoffers van de vooroordeelen van hun +ouders. Hun tranen brandden me in de ziel. Ik gaf het op, en dien +eersten dag liet ik de school voor den tijd uitgaan, om thuis op mijn +eentje eens uit te schreien... Misschien bent u verwonderd over mijn +gevoeligheid, maar u zou die begrijpen, als u in mijn plaats was. De +oude Tasio zeî me: 'Zoo, willen de paters ransel? Waarom heb je hun +niet geranseld?' Als gevolg daarvan werd ik ziek." + +Ibarra luisterde aandachtig. + +"Nauwelijks beter, kwam ik weer op school en ik vond mijn leerlingen +tot op een vijfde verminderd. + +"De besten waren heengegaan bij de hervatting van 't oude systeem. En +van degenen die overgebleven waren--die naar school gingen om 't +werken thuis te ontloopen--toonde geen enkele vreugde, niet een +wenschte me geluk met mijn beterschap: 't was hun onverschillig of +ik ziek was gebleven, want mijn plaatsvervanger sloeg wel meer, maar +kwam daartegenover ook maar zelden op school. Mijn andere leerlingen, +die door hun ouders gedwongen werden naar school te gaan, gingen aan +den kuier. En ik kreeg de schuld dat ik ze te veel vertroeteld had, +ik werd overladen met verwijtingen." + +"En heeft u maar vrede genomen met uw nieuwe leerlingen?" vroeg Ibarra. + +"Wat kon ik anders?" antwoordde hij. "Maar er was 't een en ander +gebeurd in den tijd dat ik ziek was: we hadden een anderen pastoor +gekregen. Ik vatte opnieuw hoog op en probeerde nog eens, of ik +niet gedaan kon krijgen dat de tijd voor de kinderen niet heelemaal +verloren zou gaan en dat ze zooveel mogelijk profijt zouden trekken +van hun kastijdingen. Ik wilde, nu ze me niet konden liefhebben, +dat ze tenminste iets nuttigs van me zouden meekrijgen, dat ze +later met minder bitterheid aan me terug zouden denken. Er waren +geen boeken in 't Tagaalsch, behalve de katechismus: al 't overige +was in 't Spaansch. En dan, wat waren dat nog voor boeken? Ik ging +aan 't vertalen, dikteerde stukken, maakte zelfs een kaart van de +provincie... Dezen keer kwamen de vrouwen in beroering, de mannen +vergenoegden zich met te glimlachen over iets waarin ze een nieuwe +dolheid van mij zagen. De nieuwe pastoor liet me roepen. Hij gaf me wel +geen standjes, maar zeide dat ik in de eerste plaats aan den godsdienst +moest denken, en dat de kinderen, voordat ze die andere dingen leerden, +eerst op een examen moesten bewijzen dat ze de godsdienstige boekjes +en de katechismus goed van buiten kenden. + +"Ik ben dus nu weer aan 't werk, om van de kinderen papegaaien te +maken, zoodat ze al die zaakjes van buiten kennen zonder er iets van +te snappen, 't Gaat... En zoo zullen we doen tot onzen dood en zoo +zullen ook doen, die nog geboren moeten worden. En dan praten ze in +Europa van vooruitgang!" + +"Kom, we mogen niet zoo pessimistisch zijn!" zeide Ibarra, terwijl +hij opstond. "De 'teniënte mayor' heeft me een uitnoodiging gezonden, +om een vergadering van den gemeenteraad bij te wonen... Wie weet of +u daar niet een antwoord op uw vragen zal krijgen?" + +De onderwijzer stond ook op, doch hij schudde vol twijfel het hoofd, +en antwoordde: + +"U zult zien dat van 't voorstel waarover ze me gesproken hebben al +even weinig terechtkomt als van al mijn ideeën! 't Zal wat wezen!" + + + + +XX. + +De vergadering van den gemeenteraad. + + +De zaal waarin deze gehouden werd, was twaalf tot vijftien meter lang +en acht tot tien breed. De muren witgekalkt, waren bedekt met meer of +minder leelijke houtskool-teekeningen, sommige zeer onfatsoenlijk, +met bijschriften die ze verduidelijkten. In een hoek, netjes tegen +den muur gezet, waren een tiental oude vuursteen-geweren zichtbaar +tusschen wat vervuilde en verroeste sabels, korte degens en kléwang's: +dat was de bewapening der burgerwacht, der z.g. _cuadrillero's_. + +Aan het eene uiteinde van de zaal, dat versierd was met smerige roode +gordijnen, hing half verborgen aan den wand het portret van Zijne +Majesteit. Onder het portret, op een houten estrade, opende een +oude leuningstoel zijn verwoeste armen. Daarvoor stond een groote +houten tafel, vol inktvlekken, bekerfd en begroefd met inschriften +en monogrammen, zooals men die wel ziet op de tafels in Duitsche +herbergen die veel door studenten bezocht worden. Banken en kreupele +stoelen maakten de verdere meubileering uit. + +Dit was de zittingszaal voor het gerechtshof, voor de martelingen +enz. Tegenwoordig beraadslagen hier de authoriteiten van het dorp en +van de wijken. De partij der ouden is streng gescheiden van die der +jongen. Ze kunnen elkaar niet uitstaan en vertegenwoordigen de partij +van 't behoud en die der vrijzinnigen. Alleen neemt hun strijd in +'t dorp een feller karakter aan. + +"Ik vind het gedrag van onzen burgervader verdacht, hoor!" zeide +Don Filipo de teniënte mayor of onder-burgemeester, het hoofd der +liberale partij tot zijn vrienden. "Hij moet bepaald een geheim +plannetje hebben, dat hij de discussie over de begrooting tot het +laatste nippertje uitstelt. Verbeeld je, we hebben daar nog maar elf +dagen voor." + +"En hij is in 't klooster gebleven, om met den pastoor te konfereeren, +die ziek is!" merkte een der jongeren op. + +"Dat doet er niet toe!" beweerde een ander. "We hebben alles al +klaar. Als nu maar 't voorstel van de ouden niet de meerderheid +krijgt...." + +"Dat geloof ik niet!" zei Don Filipo. "Ik zal het voorstel van de +ouden indienen...." + +"Hoe zoo? Wat zegt u?" vroegen de bijzittenden verbaasd. + +"Ik zeg dat, als ik 't eerst spreek, ik het voorstel van onze vijanden +zal indienen." + +"En het onze?" + +"Daar moeten de heeren zich mee belasten," antwoordde de "teniënte" +lachend. En zich tot een jong buurthoofd wendend zeide hij: "De heeren +moeten eerst spreken, wanneer ik het afgelegd heb." + +"We begrijpen u niet meneer!" zeiden de anderen en keken hem vol +bange twijfeling aan. + +"Luistert," zeide Don Filipo zacht tot twee of drie die vlak bij hem +stonden. "Van ochtend heb ik den ouden Tasio ontmoet." + +"En toen?" + +"De oude man zeide me: 'Jullie vijanden haten meer jullie zelf dan +je ideeën. Willen jullie dat iets niet zal gedaan worden? Dan moeten +jullie dat voorstellen. Al was 't iets nuttigers dan de lucht, 't +wordt verworpen. Als ze je eenmaal geslagen hebben, maak dan dat de +minste van jullie voorstelt wat je nu eigenlijk wenscht. Dan zullen +je vijanden, om je te vernederen, dat aannemen.' Maar je moet het +geheim bewaren." + +"Maar..." + +"Daarom zal ik het voorstel van onze vijanden indienen en het tot in +'t belachelijke overdrijven. Stil, daar heb je meneer Ibarra en den +schoolmeester!" + +De twee jongelieden groetten links en rechts, zonder deel te nemen +aan het gesprek. + +Eenige oogenblikken later trad de burgemeester--_gobernadorcillo_ of +"gouverneurtje" noemt men hem hier--met een gemelijk gelaat binnen. Het +was dezelfde die den vorigen dag een vrachtje kaarsen droeg, toen de +oude Tasio hem tegenkwam. Bij zijn verschijning hield het gemompel op, +iedereen ging zitten en allengs was het stil geworden. + +De "Capitán"--zoo betitelt men den burgemeester--zette zich in den +leuningstoel onder het konterfeitsel van Zijne Majesteit, kuchte +vier of vijf maal, streek zich de beide handen over het hoofd en +het gelaat, zette zijn ellebogen op de tafel, trok ze er weer af, +hoestte nog eens en zoo vervolgens. + +"Heeren!" begon hij eindelijk met kwijnende stem, "ik heb me verstout +u allen op te roepen voor deze vergadering... ehem! ehem! we moeten +het feest vieren van onzen beschermheilige San Diego (de Heilige +Jakob), den 12en van deze maand ... ehem! ehem! Vandaag hebben we de +tweede... ehem! ehem!" + +Hier overviel hem een aanhoudende droge hoest, die hem verder het +zwijgen oplegde. + +Toen verhief zich van de bank der ouden een man van circa veertig jaar, +van een zelfbewust uiterlijk. Het was de rijke "Capitán" Basilio, +tegenstander van wijlen Don Rafaël, een man die beweerde dat sinds +den dood van de heilige Tomas van Aquino de wereld geen stap vooruit +had gedaan, ja dat, sedert het oogenblik dat die St. Jan van Lateraan +verliet, de menschheid is begonnen achteruit te gaan. + +"Veroorlooft mij, edelachtbare heeren, dat ik het woord neem in zulk +een belangwekkende aangelegenheid," zeide hij. "Ik spreek het eerst, +ofschoon anderen onder de hier aanwezigen er meer recht op hebben dan +ik, maar ik spreek het eerst, omdat het me voorkomt dat in zulke zaken +het eerst spreken niet beteekent dat men _de eerste is_, evenmin het +laatst te spreken beteekent dat men de laatste is. Bovendien zijn de +dingen die ik te zeggen heb, van zulk een belang dat ze niet mogen +veronachtzaamd, noch het laatst mogen gezegd worden. En daarom wil +ik 't eerst spreken, om er het noodige gewicht op te leggen. De +edelachtbare heeren zullen me derhalve wel veroorloven dat ik het +eerste spreek in deze vergadering, waar ik zeer allernotabelste +personen zie, zooals de tegenwoordige burgemeester; de ex burgemeester, +mijn hooggeachte vriend Don _Valentin_, dan de ex burgemeester, mijn +jeugd-vriend Don _Melchor_, en zooveel andere voornaamheden meer welke +ik, om kort te zijn, niet wil opsommen en die de edelachtbare heeren +hier aanwezig zien. Ik verzoek de edelachtbare heeren dat ze mij het +gebruik des woords veroorloven voordat iemand anders spreekt. Zal ik +het geluk genieten, dat de vergadering mijn bede verhoort?" + +En de redenaar boog glimlachend en eerbiedig. + +"Spreek maar: wij luisteren met verlangen naar wat u zeggen +zal!" zeiden de bedoelde vrienden en andere personen die hem voor +een groot redenaar hielden: de ouden kuchten met voldoening en wreven +zich in de handen. + +"Capitán" Basilio veegde zich met een zijden zakdoek 't zweet van +'t voorhoofd en ging voort: + +"Nu de edelachtbare heeren zoo minzaam en tegemoetkomend zijn geweest +tegen mijn nederig persoontje door mij het gebruik des woords toe te +staan voor iemand anders, wie ook, van hen die hier aanwezig zijn, +zal ik gebruik maken van dit verlof, dat mij zoo edelmoediglijk is +geschonken, en ga ik spreken. Ik verbeeld me met mijn verbeelding +dat ik me bevind te midden van de allereerwaardigste senaat van Rome: +_Senatus populusque romanus_, zooals we in die gelukkige tijden zeiden, +welke helaas nimmermeer voor 't menschdom zullen terugkeeren. En ik +zal dan vragen aan de _patres conscripti_, zooals Cicero zou zeggen, +als hij hier op mijn plaats stond, dat--in deze belangrijke zaak met +het oog op den korten tijd--en tijd is goud, zooals Salomo zeide--ieder +van ons zijn gevoelen moet uitspreken: duidelijk, kort en eenvoudig. Ik +heb gezegd." + +En voldaan over zichzelf en over de aandacht der toehoorders, ging de +redenaar zitten, niet zonder een blik van meerderheids-besef te werpen +naar Ibarra, die in een hoek zat, en nog een blik van veel beteekenis +tot de anderen, die zeggen wilde: "Nou, ik heb goed gesproken, hè?" + +Zijn vrienden gaven antwoord op beide blikken en richtten zich daarbij +tot de jongeren, als om ze 't van nijd te doen besterven. + +"Nu kan iederen die wil, spreken, ehem?" hervatte de +"gobernadorcillo." Hij kon niet verder gaan, want zijn hoesten +stoorde hem. + +Te oordeelen naar de stilte, wilde niemand zich een der "patres +conscripti" laten noemen: niemand stond op. Toen maakte Don Filipo +gebruik van de gelegenheid en vroeg het woord. + +De mannen van 't behoud knipten met de oogen en gaven elkaar +beteekenisvolle wenken. + +"Mijne heeren, ik wensch mijn begrooting in te dienen voor de +feestelijkheden," zeide Don Filipo. + +"We kunnen die niet aannemen!" antwoordde een teringachtig oudje, +onverzoenbaar konservatief. + +"We moeten tegenstemmen!" zeiden de andere oppositie-mannen. + +"Heeren!" zeide Don Filipo, een glimlach onderdrukkend, "ik heb het +voorstel nog niet ingediend en toegelicht, dat wij jongeren hier +ter tafel willen brengen. Dit groote voorstel, we zijn er zeker van +dat het door 'een ieder' zal verkozen worden boven dat hetwelk onze +tegenstanders kunnen uitdenken." + +Deze aanmatigende opzet maakte de ergernis der behoudsmannen volkomen: +ze zwoeren "in corde" een geduchte oppositie tegen hem te voeren. Don +Filipo ging voort: + +"We hebben een som van 3500 pesos bijeengebracht. Welnu, met deze som +kunnen we een feest vieren dat alle andere, hier te voren ooit gezien, +in de schaduw stelt, zoowel in onze provincie als in de naburige." + +"Hm!" klonk het ongeloovig. "Het dorp A. had 5000, B. 4000 +peso's. Hm! Nonsens!" + +"Hoort mij aan, heeren, en ik zal u overtuigen!" ging Don Filipo +onverstoorbaar voort. "Ik stel voor een groot theater op te richten +midden op het plein, dat 150 peso's moet kosten!" + +"Dat 's niet genoeg, we moeten er 160 voor uittrekken!" wierp een +hardnekkig behoudsman tegen. + +"Neem daar nota van, meneer de sekretaris, 200 peso's, voor het +theater!" zeide Filipo. "Ik stel voor de komedie-troep van Fondo te +engageeren, om zeven avonden achtereen voorstelling te geven. Zeven +voorstellingen tegen 200 peso's per avond, dat maakt 1400 peso." + +Ouden en jongen keken elkaar verbaasd aan: alleen zij die in 't geheim +waren, verroerden zich niet. + +"Ik stel bovendien voor groot vuurwerk te geven. Geen bengaalsch +licht of zonnetjes: dat's goed voor kinderen en oude vrijsters. Niks +daarvan! wij moeten groote donderpotten en vuurpijlen hebben. Ik +stel dus voor: 200 groote donderpotten van 2 peso's 't stuk, en +200 vuurpijlen van denzelfden prijs. We zullen ze bestellen bij de +vuurwerkmakers van Malabón." + +"Hm!" viel een der ouden in, "een donderpot van 2 peso's doet me niet +schrikken en maakt me niet doof. Ze moeten van 3 peso's zijn." + +"In de notulen: 1000 peso's voor 200 donderpotten en 200 vuurpijlen!" + +De konservatieven konden zich niet meer inhouden. Enkelen stonden op +en gingen overleggen. + +"Bovendien, om onze buren te toonen dat we voorname menschen zijn en +overvloed van geld hebben," ging Don Filipo voort, terwijl hij zijn +stem verhief en de oudjes een snellen blik toewierp, "stel ik voor: +1e vier predikers voor de twee feestdagen, 2e dat er beide dagen 200 +gebraden kippen, 100 vette kapoenen en 50 speenvarkentjes in het meer +zullen geworpen worden, zooals Sulla dat deed, de tijdgenoot van dien +Cicero, van wien Capitán Basilio zooeven gesproken heeft." + +"Juist, zooals Sulla!" herhaalde Capitán Basilio gevleid. + +De verbazing nam trapsgewijze toe. + +"Daar er veel rijke menschen komen en ieder van hen duizenden en +nog eens duizenden peso's bij zich heeft, behalve hun beste hanen, +en het 'liampo' [16] en speelkaarten, stel ik voor 'veertien dagen +hanegevechten en opening van alle speelhuizen gedurende dien tijd...'" + +Maar de "jongen" stonden op, zoodat hij even ophield. Ze dachten +dat de "teniënte mayor" gek geworden was. De "ouden" vormden een +warme diskussie. + +"En ten slotte, om de geneugten der ziel niet te veronachtzamen..." + +Het gemompel en de kreten die zich uit alle hoeken der zaal verhieven, +overstemden den spreker geheel-en-al. 't Was een geweldig rumoer +geworden. + +"Nee!" kreet een onverzoenlijke behoudsman, "ik wil niet dat hij al +de eer krijgt van 't feest. Nee! laat mij, laat mij spreken!" + +"Don Filipo heeft ons misleid!" zeiden de vrijzinnigen. + +"Wij stemmen tegen! Hij is een overlooper naar de oude. Wij stemmen +tegen!" + +De burgemeester, meer terneergeslagen dan ooit, deed niets om de orde +te herstellen: hij hoopte dat men het zelf zou doen. + +De kapitein der "cuadrillero's" vroeg het woord. Hij kreeg 't, maar +deed geen mond open en ging beteuterd en verlegen weer zitten. + +Gelukkig verrees Capitán Valentin, de gematigdste der behoudsmannen, +en sprak: + +"We kunnen wat de 'teniënte mayor' heeft voorgesteld niet aannemen, +want 't komt ons overdreven voor. Zooveel donderpotten en zooveel +komedie-avonden kan alleen een jongmensch verlangen, zooals de +'teniënte mayor'; die kan veel nachten achtereen opblijven en veel +knallen aanhooren zonder doof te worden. Ik heb de meening ingewonnen +van de bezadigde mannen en allen keuren het voorstel van Don Filipo +eenstemmig af. Is 't niet zoo heeren?" + +"Ja, ja!" riepen jongen en ouden tegelijk. De eersten waren verrukt +een "oude" zoo te hooren spreken. + +"Wat moeten we beginnen met vier predikers?" ging de oude man +voort. "Wat beteekenen die kippen, kapoenen en speenvarkentjes die in +'t meer moeten gegooid worden? Onzin! zouden onze buren zeggen, en +dan zouden wij een half jaar lang moeten vasten. Wat hebben wij te +maken met Sulla of de Romeinen? Hebben die ons soms op hun feesten +genoodigd? Ik tenminste heb nog geen enkele invitatie-kaart van hen +ontvangen. En ik ben al oud, asjeblieft!" + +"De Romeinen wonen in Rome, waar de Paus is!" mompelde Capitán Basilio. + +"Nu begrijp ik het!" riep de oude zonder van streek te raken. "Ze +vieren zeker hun feesten in de vasten-dagen en dan zal de Paus wel het +eten in de zee laten smijten, om geen zonde te begaan. Maar, in allen +gevalle, uw voorstel voor 't feest is onaannemelijk, onmogelijk. 't +Is een dwaasheid, een dolheid!" + +Don Filipo, zoo hevig bestookt, moest zijn voorstel wel intrekken. + +De onverdraagzaamste konservatieven, voldaan over de nederlaag van hun +ergsten vijand, zagen zonder ongerustheid een jong wijkhoofd opstaan, +die het woord vroeg. + +"Ik verzoek de heeren mij te vergeven dat ik hoewel nog zoo jong, +het woord durf te nemen tegenover zooveel zeer achtenswaardige +mannen, achtenswaardig zoowel om hun leeftijd als om het beleid +en de bezadigdheid waarmee ze in alle aangelegenheden hun oordeel +vellen. Maar aangezien de welsprekende redenaar Capitán Basilio hier +allen heeft uitgenoodigd om hun meening bloot te leggen, moge zijn +gezagvol woord als verontschuldiging dienen voor de nietigheid van +mijn persoontje." + +De behoudsmannen bewogen voldaan het hoofd. + +"Dat jongmensch spreekt goed!--Hij is bescheiden!--Hij redeneert +bewonderenswaardig!" zeiden ze onder elkaar. + +"'t Is jammer dat hij niet goed kan gestikuleeren!" merkte Capitán +Basilio op. "Maar, nou ja, hij heeft Cicero ook niet bestudeerd, +en hij is nog zoo jong." + +"Zoo ik u een programma voorstel, heeren," ging de jonge man voort, +"doe ik dat niet met de gedachte dat u het volmaakt zult vinden of +zult aannemen. Ik wil tegelijkertijd dat ik me nogmaals onderwerp aan +den wil van allen, aan de ouden bewijzen dat wij altijd eenstemmig +met hen denken, aangezien wij al de denkbeelden welke Capitán Basilio +zoo sierlijk heeft uitgedrukt geheel tot de onze maken." + +"Goed gezegd, goed gezegd!" zeiden de gevleide behoudsmannen. Capitán +Basilio gaf wenken aan den jongen man om hem te kennen te geven, +hoe hij zijn arm moest bewegen en zijn voet neerzetten. De eenige +die onverstoorbaar bleef, was de "gobernadorcillo"--deze burgervader +scheen afgetrokken en bezorgd tegelijk. De jonge man ging voort: + +"Mijn voorstel, mijne heeren, komt op het volgende neer: nieuwe +schouwspelen uit te denken, die niet zoo gewoon zijn zooals we ze alle +dagen zien, en te trachten ervoor te zorgen dat het bijeengebrachte +geld niet het dorp uitgaat, en dat het ook niet op ijdele wijze +verkwist wordt aan kruid, maar besteed worde aan iets nuttigs voor +iedereen." + +"Juist! juist!" stemden de jongeren in, "dat moeten we hebben." + +"Heel goed!" voegden de ouden eraan toe. + +"Wat voor nut halen we uit een week komedie-spel, zooals de 'teniënte +mayor' die vraagt? Wat leeren we nu van die koningen van Boheme en +Granada, die hun dochters het hoofd laten afhakken, of ze op een kanon +laden, dat dan verandert in een troon? Wij zijn geen koningen, noch +barbaren, wij hebben ook geen kanonnen, en als wij hen navolgden, +zou men ons ophangen in Bagumbayan. Wat zijn dat voor prinsessen, +die zich in 't krijgsgewoel mengen, hakken en houwen uitdeelen, +met prinsen vechten en die alleen rondwaren over bergen en dalen, +alsof ze door de _tikbalang_ waren verleid? In onze zeden stellen we +de zachtheid en teederheid der vrouw op prijs en zouden we vreezen +de hand van een jongmeisje te drukken, als die bezoedeld was met +bloed, al was dit dan ook mooren- of reuzenbloed. Onder ons voelen we +diepe minachting voor een man die zijn hand opheft tegen een vrouw, +zij hij vorst, alférez of eenvoudig landman. Zou 't niet duizendmaal +beter zijn een schildering van onze eigen zeden en gewoonten op het +tooneel te brengen, teneinde onze ondeugden en gebreken te verbeteren, +en onze goede eigenschappen op den voorgrond te stellen?" + +"Juist! Juist!" herhaalden zijn aanhangers. + +"Hij heeft gelijk!" mompelden eenige oudjes peinzend. + +"Daar had ik nooit aan gedacht!" merkte Capitán Basilio op. + +"Maar hoe wilt u dat dan doen?" opperde de onverzettelijke +konservatief. + +"O, heel gemakkelijk!" antwoordde de jonge man. "Ik heb hier twee +komedie-stukjes, die de achtenswaardige grijsaards hier vergaderd, +met hun goede smaak en welbekende scherpzinnigheid, stellig zeer +aannemelijk en zelfs vermakelijk zullen vinden. Het eene heet 'De +verkiezing van den Burgemeester.' 't Is een blijspel in proza, in +vijf bedrijven, geschreven door een der hier aanwezigen. Het andere, +in negen bedrijven, voor twee avonden, is een fantastisch drama, van +een satirisch karakter, en is geschreven door een van de beste dichters +onzer provincie. Het heet 'Maria van de Makilingberg.' Toen we zagen +dat de bespreking van de toebereidselen voor het feest wat laat werd, +waren we bang dat we tijd te kort zouden komen: daarom hebben we in +stilte onze tooneelspelers gezocht en hun de rollen laten leeren. We +hopen dat, als ze nog een week repeteeren, ze ruimschoots in staat +zullen wezen met eere voor den dag te komen. Dit, mijne heeren, is +behalve nieuw, nuttig en redelijk, per slot van rekening nog goedkoop +ook: kostuums hebben we niet noodig, onze gewone van 't dagelijksche +leven kunnen dienen." + +"Ik kom voor de kosten van 't theater op!" riep Capitán Basilio +geestdriftig uit. + +"Als er soldaten moeten opkomen, leen ik de mijne!" zeide de kapitein +der "cuadrillero's". + +"En ik... en ik... als er soms een grijsaard noodig is..." stamelde +een ander, en richtte zich met majesteit op. + +"Aangenomen! Aangenomen!" klonk het van verscheidene kanten. + +De "teniënte mayor" was bleek van ontroering; zijn oogen vulden zich +met tranen. + +"Hij huilt van spijtigheid!" dacht de onwrikbare behoudsman, en +hij schreeuwde: + +"Aangenomen, aangenomen zonder diskussie!" + +En, voldaan over zijn wraak en de volledige nederlaag van zijn +tegenstander, begon de man het voorstel van het jongemensch op te +hemelen. Doch de spreker ging voort: + +"Een vijfde van het bijeengebrachte geld kan gebruikt worden om +eenige prijzen uit te deelen, bijvoorbeeld aan den besten leerling +van de school, aan den bekwaamsten herder, landbouwer, visscher als +anderszins. We kunnen roei-wedstrijden op de rivier en op 't meer en +ook wedrennen houden, we kunnen kokanje-masten oprichten en andere +volks-spelen instellen, waaraan onze landlieden kunnen deelnemen. Ik +ben er niet tegen dat er, met het oog op het aloud gebruik, ook +vuurwerk gegeven wordt: zonnetjes en bengaalsch licht zijn heel +mooi en aardig, maar ik geloof niet dat we de donderpotten noodig +hebben, die de 'teniënte mayor' heeft voorgesteld. Om het feest op te +vroolijken zijn twee muziek-korpsen voldoende; zoo vermijden we die +ruzies en oneenigheden, die van de arme muzikanten, hier gekomen om +met hun arbeid onze feesten op te vroolijken, ware vechthanen maken, +die na afloop slecht betaald, slecht gevoed, met bulten en schrammen +en soms gewond naar huis gaan. Met het geld dat er stellig over is, +kan men beginnen met den bouw van een lokaaltje dat als school kan +dienen, want we moeten niet wachten totdat God zelf neerdaalt en er +ons een bouwt. 't Is wel droevig dat, waar we een eerste kwaliteit +hane-vechtplaats hebben, onze kinderen vrijwel in den stal van den +pastoor moeten leeren: Dit is mijn voorstel zoo ruw-weg: aan u allen, +om het verder te volmaken." + +Een vergenoegd gemompel verhief zich in de zaal: schier allen stemden +in met hetgeen het jongmensch gezegd had. Slechts een enkele bromde: + +"Nieuwigheden, allemaal nieuwigheden! In onze jonge jaren..." + +"Laten we 't voorloopig aannemen," zeiden de anderen. "Laten we dien +daar 's vernederen." + +En ze wezen naar den "teniënte mayor." + +Toen de orde weer hersteld was, was iedereen 't reeds eens. Alleen +ontbrak nog de beslissing van 't "gouverneurtje". + +Deze zweette, bewoog zich onrustig op zijn stoel, bracht zijn eene hand +langs het voorhoofd, en kon tenslotte met neergeslagen oogen stamelen: + +"Ik stem er ook mee in... maar ehem!" + +De vergaderden luisterden zwijgend. + +"Maar?" vroeg tenslotte Capitán Basilio. + +"Volkomen...stem volkomen in!" herhaalde de burgervader! + +"Dat wil zeggen...ik stem er niet mee in...jawel, maar..." + +En hij wreef met den achterkant van zijn hand over de oogen. + +"Maar de pastoor," ging de ongelukkige voort, "meneer de pastoor wil +wat anders." + +"Betaalt de pastoor het feest of doen wij 't? Heeft hij een enkele +'cuarto' bijgedragen!" riep een heldere stem. + +Allen keken naar de plaats waar deze vragen vandaan klonken: daar +stond de "wijsgeer" Tasio. + +De "teniënte mayor" zat roerloos met strakke oogen naar den +burgemeester te staren. + +"En wat wil de pastoor?" vroeg Capitán Basilio. + +"Och... de pater wil... zes processies, drie preeken, drie +hoogmissen...en als er geld over is, de komedie van Tondo met zang +tusschen de bedrijven." + +"Nu, dat willen wij niet!" zeiden de jongen en enkele ouden. + +"De 'padre cura' wenscht het!" herhaalde de burgemeester. + +"Ik heb den pastoor beloofd dat zijn wil zou gevolgd worden." + +"En waarom heeft u ons dan bijeengeroepen?" + +"Juist...om 't u te zeggen." + +"En waarom heeft u dat niet dadelijk gezegd?" + +"Ik woû 't zeggen, heeren, maar Capitán Basilio sprak toen, en ik...heb +geen tijd gehad ... We moeten den pastoor gehoorzamen!" + +"We moeten hem gehoorzamen!" herhaalden eenige oudjes. + +"We moeten hem gehoorzamen, anders sluit de Alcalde ons allemaal op," +voegden andere oude heeren er droevig aan toe. + +"Nu, gehoorzaamt dan en houden jullie feest!" riepen de jongen en +stonden op. "Wij nemen onze bijdragen terug." + +"Alles is al binnen!" zeide de "gobernadorcillo". + +Don Filipo trad op hem toe en zeide bitter: + +"Ik heb mijn eigenliefde opgeofferd om der wille van een goede zaak; +u offert uw waardigheid als man op om der wille van een kwade en +stuurt alles in de war." + +Ibarra zeide tot den schoolmeester: + +"Wenscht u iets op de provincie-hoofdplaats? Ik vertrek er onmiddellijk +heen." + +"Heeft u er een zaak af te doen?" + +"We hebben een zaak!" antwoordde Ibarra geheimzinnig. + +Onderweg naar huis zeide de filosoof tot Don Filipo, die zijn gesternte +vermaledijde: + +"'t Is onze schuld! Jullie hebben niet geprotesteerd toen ze je een +slaaf tot hoofd gaven. En ik, dwaas die ik ben, was 't vergeten!" + + + + +XXI. + +Geschiedenis eener moeder. + + +Sisa liep hard naar haar huis in die eigenaardige zinsverwarring +welke zich bij ons voordoet, wanneer te midden van 't ongeluk we +ons door iedereen verlaten zien en alle hoop ons verlaat. Dan is +'t of alles om ons verduistert, en als we dan in de verte een nietig +lichtje zien schijnen, dan ijlen we erheen, het tegemoet: 't mocht +wat of er midden op ons pad een afgrond gaapte! + +De moeder wilde haar kinderen redden. Hoe? Och, moeders vragen niet +naar de middelen wanneer het om haar kinderen gaat. + +Ze liep wanhopig voort, vervolgd door vrees en akelige +voorgevoelens. Zou men haar Basilio al gevangen genomen hebben? Dicht +bij haar huis ontwaarde zij de helmen van twee soldaten boven de +schutting om haar tuintje. Onmogelijk zou 't zijn te beschrijven wat +er in haar hart omging: ze vergat alles. Ze was zeer goed bekend +met de vermetelheid dier mannen, die niemand ontzagen, zelfs de +rijksten niet. Wat zou er nu van haar worden en van haar zoontjes, +nu ze van diefstal beschuldigd waren? De _guardias civiles_ zijn geen +menschen, 't zijn alleen maar _guardias civiles_. Ze luisteren niet +naar smeekbeden en zijn gewend aan het gezicht van tranen. + +Sisa sloeg instinktmatig de oogen ten hemel, en de hemel lachte +haar toe met heerlijk licht: enkele blanke wolkjes zweefden in +'t doorschijnend azuur. Ze bleef even staan, om het beven te doen +ophouden, dat al haar leden overviel. + +De soldaten verlieten haar huis en kwamen zonder iemand terug: +ze hadden geen andere gevangene dan de kip die Sisa vetmestte. Ze +herademde en vatte weer moed. + +"Wat zijn ze goed en wat hebben ze een medelijdend hart!" mompelde +ze bijna schreiend van vreugde. + +Al hadden de soldaten haar huis verbrand, als ze maar haar kinderen +in vrijheid gelaten hadden, dan zou zij ze met zegenbeden overstelpt +hebben. + +Ze zag weer erkentelijk naar den hemel op, waar een zwerm reigers +doorheen vloog, die lichte wolkjes der Filippijnsche hemelen. En met +hernieuwd vertrouwen in haar hart vervolgde zij haar weg. + +Toen ze die verschrikkelijke mannen naderde, deed Sisa alsof ze overal +afgetrokken heen keek, en hield ze zich, alsof ze haar kip niet zag, +die luid piepend om hulp vroeg. Toen ze nauw voorbij was, wilde ze +hard doorloopen, doch de voorzichtigheid weerhield haar schreden. + +Ze had zich nog niet ver verwijderd, toen ze hoorde dat men haar +gebiedend iets toeriep. Ze huiverde, maar ze deed alsof ze 't niet +begreep en stapte verder. Er werd nogmaals geroepen, doch ditmaal met +een schreeuw en een scheldwoord. Ze wendde zich om, ondanks haar zelve, +bleek en bevend. Een _guardia civil_ wenkte haar toe. + +Sisa kwam werktuigelijk naderbij, voelende dat haar tong verlamde +van ontzetting en haar keel droog werd. + +"Zeg ons de waarheid, of anders binden we je aan dien boom daar, +of we schieten allebei op je!" zeide er een op dreigende toon. + +De vrouw keek naar den boom. + +"Ben je de moeder van de dieven, zeg jij?" vroeg de ander. + +"Moeder van de dieven!" herhaalde Sisa werktuigelijk. + +"Waar is 't geld dat je zoons je gisterenavond gebracht hebben?" + +"O, 't geld..." + +"Ontken 't maar niet: dat zou je leelijk bekomen!" voegde de ander +erbij. "We zijn gekomen, om je zoons gevangen te nemen en de oudste +is ons ontloopen. Waar heb je de jongste verstopt?" + +Toen Sisa dit hoorde, herademde ze. + +"Meneer!" antwoordde ze, "ik heb mijn zoon Crispin al verscheidene +dagen niet gezien: ik hoopte hem van morgen in 't klooster te zien +en daar zeiden ze me alleen..." + +De twee soldaten wisselden een veelbeteekenende blik. + +"Goed!" riep een van hen uit: "geef ons het geld dan en we zullen je +met vrêe laten." + +"Meneer!" smeekte de ongelukkige vrouw, "mijn kinderen stelen niet, +al hebben ze honger. We zijn gewend honger te lijden. Basilio heeft me +geen enkele 'cuarto' thuis gebracht, kijkt u maar mijn heele huis na, +en als u een 'reaal' zelfs vindt, mag u met ons doen wat u wilt. Wij +arme menschen zijn niet allemaal dieven!" + +"Dan," hervatte de soldaat langzaam en keek daarbij Sisa scherp in +de oogen, "ga je met ons mee. Je zoons zullen er wel voor zorgen +het geld dat ze gestolen hebben voor den dag te brengen en af te +geven. Volg ons!" + +"Ik?... u volgen?" stamelde de vrouw terugdeinzend en met schrik +kijkend naar de uniformen der soldaten. + +"En waarom niet?" + +"Ach, hebt medelijden met me!" smeekte ze bijna op haar knieën. "Ik +ben heel arm, ik heb geen goud en geen juweelen om u aan te bieden: +'t eenige wat ik had, hebt u al weggenomen, de kip die ik dacht te +verkoopen...Neemt alles mee wat u in mijn hut kunt vinden; maar laat +me hier met vrede. Laat me hier sterven!" + +"Vooruit! Je moet komen, en als je niet goedschiks meegaat, zullen +we je binden." + +Sisa barstte in bitter schreien uit. De mannen waren onvermurwbaar. + +"Laat me dan ten minste op een afstand voor u uit loopen!" smeekte ze, +toen ze voelde dat ze haar ruw beetpakten en voortduwden. + +De twee soldaten kregen medelijden, en overlegden fluisterend met +elkaar. + +"Goed!" zeide de een, "omdat je van hier totdat we aan 't dorp komen +zou kunnen wegloopen, moet je tusschen ons in loopen. Als we eenmaal +daar zijn, mag je op twintig pas voor ons uit loopen. Maar pas op, +hoor! nergens een winkel binnengaan, geen oponthoud. Vooruit en +maak voort!" + +Tevergeefs waren de smeekbeden, tevergeefs alle redeneeren, ijdel haar +beloften. De soldaten zeiden dat ze zich al voldoende blootgaven en +al te veel toestonden. + +Toen ze dus tusschen hen beiden in liep, voelde ze zich sterven +van schaamte ... wel was er niemand op den weg, maar ... de lucht +en het daglicht dan? De ware kuischheid ziet overal blikken op zich +gericht. Ze bedekte zich 't gelaat met haar zakdoek, en blindelings +voortgaande, weende ze in stilte over haar vernedering. Ze besefte +haar ellende, ze wist dat ze van iedereen verlaten was, zelfs door +haar eigen man; doch tot nu toe had ze zichzelve voor eerbaar en +achtenswaardig gehouden: tot nu toe had ze met deernis gekeken naar de +schandelijk gekleede vrouwen, die men in 't dorp de soldaten-bijwijven +noemde. Nu scheen het haar alsof ze nog een sportje lager dan die +wezens op den levensladder was gedaald. + +Er klonken voetstappen van paarden: 't waren de lieden die visch +vervoerden naar de binnenlandsche dorpen. Ze deden hun reizen in +kleine karavanen--mannen en vrouwen--gezeten op minderwaardige +paarden tusschen twee manden, die aan weerskanten van het dier +hingen. Verscheidenen van hen hadden haar om een dronk water gevraagd, +wanneer ze voorbij haar stulp gingen, en haar dan wat visch ten +geschenke gegeven. Thans leek het haar dat ze in 't voorbijgaan tegen +haar aanliepen en haar vertrapten, en dat hun blikken, medelijdend +of verachtelijk, door haar zakdoek heen haar gelaat bestookten. + +Eindelijk verwijderden de reizigers zich, en Sisa zuchtte. Ze trok even +haar doek ter zijde, om te zien of ze nog ver van 't dorp was. Ze moest +nog eenige telegraafpalen voorbijgaan, voordat ze aan de _bantajan_ of +het wachthuisje kwam. De afstand had haar nog nooit zoo lang geschenen. + +Aan den kant van den weg groeide een lommerrijk bamboe-boschje, in +welks schaduw ze eertijds placht te rusten. Daar hield haar minnaar +teedere gesprekken met haar. Hij hielp haar om de mand met vruchten en +groenten te dragen. Ach! Dat was als een droom vervlogen: de minnaar +werd haar echtgenoot, en deze werd aangesteld tot wijkhoofd. En toen +begon het ongeluk aan haar deur te kloppen... + +Daar de zon begon te branden, vroegen de soldaten haar of ze wilde +uitrusten. + +"Dank u!" antwoordde ze vol afschuw. + +Doch waar haar eerst recht ontzetting overviel, was toen ze 't +dorp naderde. Angstig sloeg ze een blik om zich heen: uitgestrekte +rijstvelden, een bevloeiingskanaaltje, armzalige boomen, nergens +een afgrond of rots waar ze zich te pletter kon gooien. Ze kreeg er +berouw van dat ze de soldaten tot zoover gevolgd was. Ze betreurde +de diepe rivier, die dicht bij haar hut liep en welker steile oevers, +bezaaid met puntige rotsblokken, haar zulk een zoeten dood boden. Doch +de gedachte aan haar kinderen, aan haar zoon Crispin, wiens lot haar +onbekend was, was haar een licht in dien nacht. En ze kon gelaten +stamelen: + +"Later....later gaan we diep in 't bosch wonen!" + +Ze wiste haar oogen af, trachtte zich te kalmeeren, en zich tot de +_guardia's_ wendend, zeide ze zacht: + +"We zijn al in 't dorp!" + +De toon van haar stem had een vreemde mengeling van klacht, verwijt en +weedom in zich: 't was een bede, 't was de in klank saamgevatte smart. + +De soldaten werden er ontroerd van en antwoordden met een gebaar. Sisa +stapte ijlings vooruit, en trachtte een rustig aanzien in acht +te nemen. + +Op dat oogenblik begonnen de klokken te luiden ten teeken dat de +hoogmis afgeloopen was. Sisa versnelde haar schreden om, zoo mogelijk, +de menschen die uit de kerk kwamen te ontgaan. Doch tevergeefs: +er was geen kans om de ontmoeting te ontwijken. + +Ze groette met bitteren lach twee vrouwen die ze kende. Dezen wierpen +een vragenden blik op haar, en verderop boog ze maar 't hoofd, om +die krenkingen te vermijden, en begon ze alleen naar den grond te +kijken. En, hoe vreemd! ze struikelde over de steenen op den weg. + +De menschen stonden even stil, om haar aan te zien, praatten onder +elkaar, terwijl ze haar met de oogen volgden; dat alles zag ze, +ze voelde het, al hield ze ook onderwijl den blik neergeslagen. + +Ze hoorde de onhebbelijke stem van een vrouwspersoon, die achter haar +bijna schreeuwend riep: + +"Waar hebben jullie die gepakt? En 't geld?" + +'t Was een vrouw zonder _tapis_ of kain, met een geel-en-blauwe rok +en een kabaai van blauw gaas: aan haar dracht kon men zien dat het +een soldatenhoer was. + +'t Was Sisa als kreeg ze een slag in 't gezicht: die vrouw had haar +in 't bijzijn van de menigte uitgekleed. Ze sloeg even de oogen op, +en drenkte ze in spot en minachting. Ze zag de menschen ver, heel ver +van haar af, en toch voelde ze de koude van hun blikken en hoorde ze +hun gefluister. De arme vrouw liep voort zonder den grond onder haar +voeten te voelen. + +"Hei, hierheen!" riep een der _guardia's_ haar toe. Als een automaat +welks mechanisme breekt draaide ze snel op haar hielen rond. En +zonder iets te zien, zonder te denken, liep ze ijlings weg, om zich +te verschuilen. Ze zag een deur met een schildwacht ervoor, trachtte +daar binnen te gaan, doch een andere stem, nog gebiedender dan te +voren, verdreef haar van daar weg. Met wankelende schreden zocht +ze de richting van die stem, ze voelde dat men haar van achteren +voortduwde, ze sloot de oogen, deed twee schreden vooruit, en haar +krachten begaven haar. Ze liet zich op den grond vallen, eerst op +de knieën, dan zittend. Een schreien zonder tranen, zonder kreten, +zonder weeklagen, deed haar lichaam stuiptrekken. + +'t Was de kazerne. Daar waren soldaten, vrouwen, varkens en +kippen. Enkele mannen waren bezig hun kleeren te verstellen, terwijl +hun liefje op de bank lag, met de dij van den man tot hoofdkussen, +rokend en landerig naar de zoldering kijkend. Andere vrouwen hielpen +de mannen, om hun kleedingstukken, hun wapens enz. te reinigen, +terwijl ze halfluid ontuchtige liedjes zongen. + +"'t Schijnt dat de kuikens er van door zijn! jullie brengen alleen +maar de hen", zeide een vrouw tot de binnentredenden; 't was niet uit +te maken of ze Sisa bedoelde of wel de kip, die voortging met piepen. + +"Och ja, de kip is toch altijd meer waard dan de kuikens!" gaf ze +zich zelf antwoord, toen ze merkte dat de soldaten zwegen. + +"Waar is de sergeant?" vroeg een der gendarmes op wreveligen +toon. "Heeft de onderluitenant er al kennis van gekregen?" + +Schoudergeschok was 't eenig bescheid; niemand gaf zich de minste +moeite, om iets na te gaan omtrent het lot der arme vrouw. + +Daar bracht ze twee uur door in een staat van halve zinsverbijstering, +hurkend in een hoek, het hoofd verborgen tusschen de handen, de +haren loshangend, en verward. Om twaalf uur wist de "alférez" of +onderluitenant eindelijk van 't geval, en 't eerste wat hij deed, was +zijn ongeloof te kennen geven terzake van 's pastoors beschuldiging. + +"Jasses, al weer wat van dien beroerden steek!" zeide hij, gelastte +dat men de vrouw zou loslaten en dat niemand zich verder met haar +zou bemoeien. + +"Als hij terug wil hebben wat hij verloren heeft, dan moet hij 't +maar aan zijn Heiligen Antonius vragen, of laat hem klagen bij den +nuntius! Schei uit!" + +'t Gevolg was dat Sisa bijna met duwen de kazerne uit werd gezet, +want zij zelf wilde zich niet verroeren. + +Toen ze zich midden op straat zag, begon ze werktuigelijk naar +haar huis te loopen, haastig, het hoofd ontbloot, de haren verward +om haar heen hangend, en den blik strak op den verre gezichtseinder +gericht. De zon brandde in haar zenith, en er was geen wolkje dat haar +schitterende schijf befloersde. De wind bewoog zwakjes de bladeren +der boomen. De weg was reeds bijna droog. Geen vogel waagde het de +schaduw der twijgen te verlaten. + +Sisa bereikte ten slotte haar huisje. Ze ging naar binnen, stom, +stil; ze liep er door heen, ging weer naar buiten, begon in alle +richtingen te dwalen. Toen liep ze met een vaart naar het huis van +den ouden Tasio, klopte aan de deur, maar de man was niet thuis. De +ongelukkige keerde naar haar huis terug en begon op eens luidkeels +Basilio! Crispin! te roepen. Ieder oogenblik hield ze stil en luisterde +aandachtig. De echo herhaalde haar stem. Het zachte gemurmel van +'t water in de naburige rivier, de muziek van 't bamboeloof waren de +eenige stemmen dier eenzaamheid. Ze riep nog eens, besteeg een hoogte, +daalde af in een ravijn, ging naar beneden naar de rivier. Haar +oogen waarden rond met een akelige uitdrukking erin, van tijd tot +tijd flitsten er helle glanzen in, dan werden ze weer dof, als een +uitspansel in een stormnacht: men zou zeggen dat het licht der rede +nog flikkerde, op 't punt om te dooven. + +Wederom ging ze den weg op naar haar huisje, ging zitten op de +mat waarop ze den vorigen nacht met haar zoontje geslapen had; ze +hief de oogen op en zag een lap van Basilio's hemd vastzitten aan +het uiteinde van een bamboe van de _dinding_ of heining, die dicht +bij den afgrond stond. Ze stond op, greep de lap en keek die bij 't +zonlicht na: er waren bloedvlekken op. Maar wellicht zag Sisa ze niet, +want ze ging naar beneden en bleef de lap onderzoeken, midden in den +blakerenden zonnegloed, terwijl zij hem ophield. En, als voelde ze +alles om zich heen duister worden, alsof ze behoefte had aan licht, +staarde ze met wijd-geopende oogen recht in de zon. + +Nog dwaalde ze van den eenen kant naar den andere, vreemde geluiden +roepend of uitschreeuwend. Men zou er bang van worden haar te hooren: +haar stem had een zonderlinge klank, zooals de menschelijke keel +die niet pleegt voort te brengen. 't Was iets nog akeligers dan het +huilen en klagen van den wind in een stormnacht binnen de muren en +torens van een bouwval. + +Zoo overviel haar de avond. Sliep ze eindelijk rustig en vergat ze +in den nacht al haar leed? Hoe 't ook zij, den volgenden ochtend liep +Sisa lachend rond, zingend en pratend met al de schepselen der natuur. + + + + +XXII. + +Licht en schaduw. + + +Terwijl men te San Diego vlaste op de komende feestelijkheden, praatte +men er druk en sprak men er kwaad: over den burgemeester, over zijn +"teniënte", over de partij der "jongen"; ja, er waren er die Jan en +Alleman van allerlei leelijks ter zake dier feesten beschuldigden. + +Men praatte ook over de komst van Maria Clara samen met haar tante +Isabel. Men verheugde zich daarover, omdat men van haar hield. En +tegelijkertijd dat velen verrukt waren over haar toegenomen schoonheid, +verbaasden ze zich over de verandering die ze in 't wezen van Padre +Salvi opmerkten. + +"Hij is dikwijls afgetrokken, wanneer hij de mis bedient. Hij +spreekt niet veel meer met ons, en hij wordt zienderoogen magerder +en stiller." Zoo spraken zijn vrouwelijke biechtelingen. Zijn kok zag +hem met het uur afvallen en beklaagde zich over de geringe eer die hij +zijn gerechten bewees. Doch wat het meest de praatjes gaande maakte, +was het feit dat men 's nachts in 't klooster meer dan twee lichten +kon zien, terwijl Padre Salvi op bezoek was bij een partikulier... in +'t huis van Maria Clara! De vrome vrouwtjes sloegen kruisen, maar +gingen onderwijl rustig voort met hun gebabbel. + +Juan Crisóstomo Ibarra had getelegrafeerd uit de provincie-hoofdplaats +om tante Isabel en haar nichtje te begroeten, maar had geen verklaring +gegeven van zijn wegblijven. Velen waren in den waan dat hij gevangen +zat wegens zijn optreden jegens Padre Salvi op den bewusten avond +van Allerheiligen. Doch de nieuwsgierige belangstelling bereikte +haar toppunt, toen men hem in den namiddag van den derden dag uit +een rijtuig zag stappen voor de kleine woning zijner aanstaande, +en men hem hoffelijk den geestelijke zag groeten, die zich eveneens +daarheen begaf. + +Om Sisa en haar kinderen bekommerde zich niemand... + +Het huis van Maria Clara was een keurig nestje, verscholen tusschen +oranjeboomen en _ilang-ilang_. + +De twee jongelieden zaten er, kort na Ibarra's aankomst, aan een +venster, dat uitzag op het meer. 't Was overschaduwd door bloemen en +klimplanten, die langs bamboe- en ijzerdraad er om heen geleid waren +en er een zachte geur verspreidden. + +Zijn lippen stamelen woorden, teederder dan het gesuizel der bladeren +en geuriger dan de aromadoorwasemde lucht, die den tuin vervult. Het +was het uur waarop de Sirenen van het meer, gebruikmakend van het +halfdonker der korte avondschemering, hun vroolijke kopjes opsteken +boven de golven, om de stervende zon te bewonderen en met hun zangen +te begroeten. Men zegt dat ze blauwe oogen en blauwe haren hebben, +dat ze kransen dragen van waterplanten met witte en roode bloemen. + +Men zegt dat van tijd tot tijd het blanke schuim hun fijnbelijnde +lichaamsvormen blootgeeft, vormen nòg blanker dan dat schuim, en dat, +als straks de nacht geheel gevallen is, ze hun zielsverrukkende +spelen beginnen en geheimzinnige accoorden laten klinken als van +aeolus-harpen. + +De jongelieden hadden reeds een heele poos met elkaar gesproken, +toen Ibarra tot Maria Clara zeide: "Morgen vóór dag en dauw zal +er gebeuren wat je verlangt, vannacht zal ik alles in orde maken, +zoodat er niets aan ontbreekt." + +"Dan zal ik aan mijn vriendinnen schrijven dat ze komen moeten. Zorg +vooral dat de pastoor niet meegaat!" + +"Waarom dat?" + +"Wel omdat 't net is alsof hij me bespiedt. Zijn holle sombere oogen +doen me onaangenaam aan. + +"Als hij naar me kijkt, word ik bang. Als hij met me spreekt, +klinkt zijn stem zoo vreemd ... Hij heeft het dan over zulke vreemde +dingen. Hij vroeg me eens, of ik niet gedroomd had van brieven van +mijn moeder. Ik geloof dat hij half gek is. Mijn vriendin Sinang en +Andeng, mijn zoogzusje, zeggen dat hij bepaald wat onwijs is, want +hij eet niet en hij baadt zich niet, en woont in 't donker. Maak toch +dat hij niet meegaat!" + +"We kunnen hem onmogelijk overslaan," antwoordde Ibarra in +gedachten. "'t Gebruik in 't land wil dat nu eenmaal. Hij komt bij +je aan huis, en bovendien heeft hij zich tegenover mij bijzonder +edelmoedig gedragen. Toen de burgemeester hem sprak over de zaak +die je weet, heeft hij niets dan goed van me gezegd, en er niet +aan gedacht het minste bezwaar op te werpen. Maar ik zie dat je een +ernstig gezicht zet. Kom, heb maar geen zorg: hij kan toch niet met +ons mee in de 'bangka.'" [17] + +Er klonken lichte voetstappen: het was de pastoor die naderbij kwam +met een gedwongen glimlach op de lippen. + +"De wind is koud!" zeide hij, "als men nu een kou vat, raakt men +die niet kwijt voordat de warme tijd begint. Zijt u niet bang, om +verkouden te worden?" + +Zijn stem klonk beverig en zijn blikken richtten zich naar den verren +horizon. Hij keek niet naar de jongelieden. + +"Integendeel: de avond lijkt ons aangenaam en de wind +heerlijk!" antwoordde Ibarra. "In deze maanden hebben we onzen herfst +en onze lente tegelijk: er vallen wat blaren af, maar er komen ook +altijd bloemen." + +De geestelijke zuchtte. + +"Ik vind dat samengaan van die twee jaargetijden, zonder dat er een +koude winter volgt, heerlijk", ging Ibarra voort. + +"In Februari spruiten de loten van de vruchtboomen uit en in Maart +hebben we al rijpe vruchten. Wanneer de warme maanden komen, gaan we +ergens anders heen." + +Fray Salvi glimlachte. Ze begonnen over onverschillige dingen te +praten, over 't weer, over 't dorp, over 't feest. Maria Clara zocht +een voorwendsel om heen te gaan, en verwijderde zich. + +"Nu we toch over feestelijkheden spreken: sta me toe dat ik u uitnoodig +voor een feest dat we morgen vieren, 't Is een buitenpartijtje, +dat onze vrienden en wij elkaar aanbieden." + +"En waar zal dat plaats hebben?" + +"De jonge meisjes willen het houden aan de rivier, in 't bosch hier +in de buurt, dicht bij de _baliti_. We zullen daarom vroeg moeten +opstaan, om te maken dat we geen last van de zon hebben." + +De geestelijke dacht even na. Daarna antwoordde hij: + +"De invitatie is erg aanlokkelijk en ik neem die aan, om u te toonen +dat ik u geen wrok toedraag. Maar ik zal wat later moeten komen, om +eerst mijn plichten af te doen. U bent wel gelukkig, vrij te zijn, +zoo heelemaal vrij!" + +Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, om voor het partijtje +van den volgenden dag te gaan zorgen. + +'t Was reeds geheel donker. + +Op straat kwam er iemand naar hem toe, die hem eerbiedig groette. + +"Wie bent u?" vroeg Ibarra hem. + +"U kent mijn naam niet, heer," antwoordde de onbekende. "Ik heb twee +dagen op u gewacht." + +"Hoe zoo?" + +"Omdat ze nergens medelijden met me hebben, omdat ze zeggen dat ik +een bandiet ben, heer! Maar ik heb mijn kinderen verloren, mijn vrouw +is krankzinnig en ze zeggen dat ik mijn verdiende loon heb!" + +Ibarra nam den man snel van hoofd tot voeten op en vroeg: + +"Wat wilt u nu?" + +"Uw medelijden inroepen voor mijn kinderen!" + +"Ik kan hier niet blijven stilstaan," antwoordde Ibarra. + +"Als u me volgen wil, kan u onderweg me vertellen wat u overkomen is." + +De man dankte, en weldra verdwenen ze samen in de duisternis der +slecht-verlichte straten. + + + + +XXIII. + +De vischvangst. + + +Nog flonkerden de sterren aan 't saffieren gewelf en de vogels +sluimerden nog op de takken der boomen, toen een vroolijk troepje +menschen reeds de straten van 't dorp doorliep, op weg naar 't meer, +onder het levendige schijnsel der toortsen of _hulpes_, die ze droegen. + +'t Waren vijf jonge meisjes, die haastig voortstapten, elkaar bij +de hand of om 't middel vasthoudend en gevolgd door eenige oude +vrouwen en verscheidene dienstboden, welke op bevallige wijze manden +vol mondvoorraad, borden en anderszins op 't hoofd droegen. In de +oogen der meisjes lachte de jeugd en blonk de levensvreugde. 't +Overvloedige zwarte haar en de ruime plooien der luchtige gewaden +golfden in den morgenwind. + +'t Waren Maria Clara en haar vier vriendinnetjes: de vroolijke +_Sinang_, haar nichtje; de streng-bezadigde _Victoria_; de mooie _Idai_ +en de ernstige _Neneng_ met haar bescheiden schuchtere schoonheid. + +Ze praatten levendig met elkaar, gaven elkaar kneepjes, fluisterden +af en toe in apartjes en schaterden dan, dat het een lust was. + +"Je zult de menschen wakker maken!" berispte Tante Isabel, "toen wij +jong waren maakten we zoo'n lawaai niet." + +"U zult ook wel niet zoo vroeg opgestaan zijn als wij, en de oudjes +zullen toen ook wel niet zoo lui geweest zijn!" antwoordde de kleine +Sinang. + +Ze waren een oogenblik stil, dan trachtten ze hun stem wat minder +uit te zetten, doch al heel spoedig vergaten ze zich, lachten weer +en vervulden de straat met hun jeudigfrissche stemmen. + +"Toon je maar boos; spreek niet tegen hem!" zeide Sinang tot Maria +Clara. "Geef hem maar een flink standje: hij moet geen leelijke +gewoonten aannemen." + +"Wees toch niet zoo veel-eischend," zei Idai. + +"Wees veel-eischend, hoor! Niet zot! Een man moet gehoorzaam zijn +zoolang hij verloofd is, want later, als hij getrouwd is, doet hij +alles waar hij zin in heeft!" zoo raadde de kleine Sinang. + +"Wat weet jij daar nou van, kind?" zei haar nichtje Victoria heel wijs. + +"St, stil! Daar komen ze aan!" + +Inderdaad, er kwam een troepje jongelui aan. Ze droegen groote +flakkerende bamboe-fakkels en liepen vrij bezadigd voort onder 't +tokkelen van een gitaar. + +"'t Lijkt wel een gitaar van een bedelaar!" zei Sinang lachend. + +Toen de twee troepjes elkaar tegenkwamen, waren het de vrouwen die een +ernstige en waardige ingetogenheid in acht namen, alsof ze 't lachen +nog nooit geleerd hadden, terwijl daarentegen de mannen praatten, +groeten wisselden, lachjes verkochten en zes vragen deden om een half +antwoord te krijgen. + +"Is het meer kalm? Gelooft u dat we mooi weer zullen krijgen?" vroegen +de moeders. + +"Maak u maar niet ongerust, dames, ik kan goed zwemmen," antwoordde +een lang en tenger gebouwd jongmensch. + +"We hadden toch eigenlijk eerst naar de mis moeten gaan!" zuchtte +tante Isabel, de handen ineenslaande. + +"'t Is nog tijd, mevrouw: Albino is op 't seminarie geweest, die kan +straks in de 'bangka' wel een mis lezen," antwoordde een ander en +wees daarbij op den lange en magere. + +Deze, die er als een rechte snaak uitzag, trok, toen hij zich hoorde +noemen, dadelijk een boetvaardig gezicht, waarmee hij Padre Salvi +trachtte na te apen. + +Ibarra nam, zonder zijn ernst af te leggen, toch deel aan de +vroolijkheid zijner makkers. + +Toen ze aan 't strand kwamen slaakten de vrouwen onwillekeurig kreten +van verrassing en vreugde. Ze zagen daar twee groote _bangka's_ aan +elkaar verbonden en op schilderachtige wijze opgetooid met slingers +van bloemen en bladeren, met veelkleurige doeken die er met vergulde +nagels opgespijkerd waren, terwijl papieren lantaarntjes, afwisselend +met rozen, anjelieren en allerlei vruchten, als ananassen, djamboe's +enzoovoort, aan de geïmproviseerde tenten der vaartuigen hingen. Ibarra +had zijn eigen tapijtjes, kleedjes en kussens laten brengen en daarmee +gemakkelijke zitplaatsen voor de vrouwen en meisjes ingericht. De +stuurstangen en de riemen waren ook versierd. In de grootste _bangka_ +waren een harp, gitaars, accordeons en een groote karbouwen-hoorn. In +de andere brandde vuur in de _kalan's_ van aardewerk; daar werden thee, +koffie en _salabat_ [18] (sorbet) voor 't ontbijt bereid. + +"Hier de vrouwen, daar de mannen!" zeiden de moeders, toen men +instapte: "Bedaard, jullie meisjes. + +"Niet zoo'n beweging maken, anders vergaan we, hoor." + +"Eerst 't teeken des kruises!" zei tante Isabel en sloeg een kruis. + +"En blijven we hier zoo afgescheiden?" vroeg Sinang en trok een +lip. "Wij alleen maar?... och jee!" + +Dit "och jee!" bezorgde haar een kneep, die haar moeder op 't geschikte +oogenblik wist toe te dienen. + +De _bangka's_ verwijderden zich allang van den oever, terwijl het +licht der lantaarntjes vroolijk blikkerde in 't spiegel-vlakke meer. In +'t oosten verschenen de eerste dageraads-tinten. + +Er heerschte vrijwel stilte: de jeugd scheen zich, tengevolge van de +scheiding door de moeders ingesteld, aan overpeinzing over te geven. + +"Wees voorzichtig!" zei Albino, de oud-seminarist luide tot een ander +jongmensch, "druk vooral goed op het 'werk', dat er onder je voet is." + +"Wat is er dan?" + +"'t Is een prop, die er wel uit zou kunnen springen: dan krijgen we +water binnen. Er zijn veel gaten in deze _bangka_." + +"O jee, we verdrinken zoo meteen!" riepen de vrouwen verschrikt. + +"Maakt u maar niet ongerust, dames!" verzekerde onze ex-seminarist, +"deze _bangka_ is best te vertrouwen, er zijn niet meer dan vijf +gaten in, en niet eens erg groot." + +"Vijf gaten! Jezus! Willen jullie ons laten verdrinken?" kreten de +vrouwen ontsteld. + +"Er zijn er maar vijf, dames en maar zoo groot," zei hetzelfde +jongemensch geruststellend, terwijl hij met duim en wijsvinger een +kringetje maakte. "Maar goed drukken op de proppen, dan zullen ze er +niet uitvliegen." + +"Mijn God! Heilige Moeder Gods! Er komt al water naar binnen!" riep +een oudje, dat voelde dat ze nat werd. + +Er ontstond een kleine beroering; eenigen gilden, anderen dachten +erover in 't water te springen. + +"Goed met de voeten op de proppen drukken hoor!" hervatte Albino en +wees naar de plaats waar de jonge meisjes zaten. + +"Waar? Waar dan toch? God, we weten 't niet! Komen jullie toch in +'s hemels naam hier, om ze ons te wijzen: we weten heusch niet waar +ze zitten!" smeekten de vreesachtige vrouwen. + +De ontzette moeders waren niet eerder gerust voordat vijf jonge meisjes +in de andere "bangka" waren gaan zitten. En vreemd genoeg! 't leek +wel, alsof elk van de vijf een gevaarlijk zitplaatsje had gehad, en al +de oudjes bij elkaar geen enkel lek in de boot te duchten hadden. En +nog vreemder toevalligheid! Ibarra kwam naast Maria Clara te zitten, +Albino naast Victoria en zoo verder. De bezorgde moeders keerden tot +hun rustige stemming terug. Bij de jonge meisjes bleef de onrust, +al veranderde die van aard. + +Daar het water volkomen kalm was, en men zich niet ver van de +vischstaketsels bevond, terwijl het bovendien nog heel vroeg in den +morgen was, besloot men de riemen neer te leggen en gezamenlijk te +ontbijten. De lantarens werden uitgedaan, want de dageraad verlichtte +reeds het uitspansel. + +De morgen was schoon: de wateren begonnen te glanzen. Uit 't hemellicht +en de weerkaatsing daarvan ontstond een klaarheid, die de dingen +verlichtte zoodat er schier geen schaduw viel, een schitterende +frissche klaarte, kleur-verzadigd als bij sommige zee-tafereelen. + +Bijna iedereen was vroolijk. 't Lichte briesje dat er opstak was ook +heerlijk om in te ademen: zelfs hielden de moeders op met vermanen +en waarschuwen, om te lachen en gekheid met elkaar te maken. + +Eén man alleen, die het gezelschap als loods diende, bleef stil en +in-zichzelf-gekeerd bij al die vreugde, 't Was een jongmensch met +stoere lichaamsbouw. Hij had iets belangwekkends in zijn uiterlijk +door de droeve uitdrukking van zijn oogen en de strenge lijnen van +zijn mond. Zijn zwarte haren, lang en onverzorgd, hingen hem over zijn +gespierden nek. Een lange kiel--_kamisa_--van grove donkerkleurige +stof, liet een athletische borst vermoeden, waar de geweldige spieren +met die van zijn bloote armen samenwerkten, om als spelenderwijs +de beide vaartuigen voort te loodsen: een breede riem van kolossale +afmeting diende hem daarbij als roerstang. + +Maria Clara had meer dan eens gezien dat hij haar gadesloeg: telkens +wendde hij dan snel den blik ergens anders heen, en keek in de verte, +naar de bergen of naar den oever. Het jonge meisje kreeg medelijden +met zijn eenzaamheid: een paar beschuitjes nemende, bood ze hem die +aan. De loods keek haar een oogenblik eenigszins verwonderd aan, +doch daarna nam hij 't gebodene aan en dankte met een enkel nauw +verstaanbaar woord. + +Niemand dacht verder meer aan den stuurman. Het vroolijke gelach en +de invallen der jonge meisjes deden hem geen spier op zijn gezicht +vertrekken. + +Toen 't ontbijt afgeloopen was, zette men de tocht naar de visch-perken +voort. + +Er waren er twee, op eenigen afstand van elkaar gelegen, beide +behoorden in eigendom aan Capitán Tiago. Van verre kon men eenige +reigers boven op de punten der bamboe-staketsels, in peinzende houding +zien zitten, terwijl enkele witte vogels--_kalanij_ of _kalau_, zooals +de Tagalen ze noemen--in verschillende richtingen rakelings langs +het watervlak vlogen en de lucht vervulden met hun schel gekrijsch. + +Maria Clara keek naar de reigers, die bij 't naderen der _bangka's_ +in de richting van 't naburige gebergte wegvlogen. + +"Hebben die vogels hun nesten op de bergen?" vroeg het jonge meisje +aan den "loods", wellicht meer om hem aan 't praten te krijgen dan +om ingelicht te worden. + +"Waarschijnlijk wel, juffrouw," antwoordde hij, "maar tot nog toe +heeft niemand ooit hun nesten gezien." + +"Hebben ze dan geen nesten?" + +"Ik veronderstel dat ze die wel hebben, ze zouden anders al heel +ongelukkig wezen." + +Maria Clara bespeurde den toon van droefheid niet waarmee de "loods" +deze woorden uitsprak. + +"Hoe is dat dan...?" + +"Ze zeggen," antwoordde de jonge man, "dat de nesten van die vogels +onzichtbaar zijn, en dat ze ook de eigenschap bezitten, iemand die +ze gevangen heeft onzichtbaar te maken. 't Is ermee als met de ziel: +evenals die alleen gezien kan worden in den spiegel van de oogen, zoo +laten die nesten zich alleen waarnemen in 't spiegelvlak van 't water." + +Maria Clara verzonk in gepeins. + +Ondertusschen was men bij de _baklad_, het vischperk, aangekomen: +de oude schuitevoerder bond de vaartuigjes aan een der staketsels vast. + +"Wacht," zei tante Isabel tot den zoon van den ouden man, die zich +gereedmaakte om met zijn _panalok_, een bamboe-stok met een netje +eraan, naar boven te klimmen. "We moeten eerst de _sinigang_ in orde +maken: dan kan de visch uit het water dadelijk in de soep." + +"Die goeie tante Isabel!" riep de ex-seminarist, "die wil de visschen +geen oogenblik tijd laten om hun waterland te betreuren." + +Andeng, Maria Clara's zoogzuster, had, ondanks haar smetteloos vroolijk +gezichtje den naam van goed te kunnen koken. Ze maakte rijst-water, +tomaten en _kamia's_ klaar. Enkele anderen hielpen haar of hinderden +haar: wellicht wilden ze bij haar in de gunst komen. De jonge meisjes +maakten de laboe's schoon, wieschen de erwten en sneden de _paäjap +[19]_-vruchten in reepjes zoo groot als sigaretten. + +Om het ongeduld te bezweren van hen die wilden zien, hoe de visschen +spartelend uit hun gevangenis zouden komen, greep de mooie Iday naar +de harp; Iday bespeelde niet alleen goed dit instrument, maar had +bovendien heel mooie vingertjes. + +Het jonge gezelschap juichte en klapte in de handen, Maria Clara +gaf haar een kus. De harp is het instrument dat in die provincie het +meest bespeeld wordt en 't was voor het oogenblik het meest geschikte. + +"Zingen, Victoria, zing's het 'huwelijks-lied!'" verzochten de moeders. + +De jongelui verzetten zich en Victoria, die een goede stem had, +klaagde over schorheid. Het "huwelijkslied" is een mooie Tagaalsche +treurzang waarin al de ellende en droefheid van 't huwelijk, zonder +de vreugden ervan geschilderd worden. + +Toen moest en zou Maria Clara zingen. + +"Al wat ik zing is weemoedig." + +"Dat 's niets, dat 's niets!" zeiden allen. + +Ze liet zich niet lang bidden, greep de harp, speelde een voorspelletje +en zong met eenigszins trillende, maar welluidende en gevoelvolle stem: + + + Zoet zijn de uren in 't land van geboorte, + Waar al wat de zonne verlicht tot ons lacht. + Heerlijk is 't briesje dat waait in zijn velden, + En zachter de dood en veel zaal'ger de min. + Innige kussen de lippen omspelen + Begint men in d'armen van moeder zijn dag. + Hunkrend verlangt men haar hals te omsluiten, + En d'oogen weerkaatsen den glimlach van haar. + Zoet is de dood voor het land van geboorte, + Waar al wat de zonne verlicht tot ons lacht. + Doodsch is het briesje dat waait in de velden, + Voor hem die geen land heeft, geen moeder, geen lief. + + +De stem stierf weg, het gezang hield op, de harp verstomde en nóg +bleven allen luisteren. Niemand klapte in de handen. De jonge meisjes +voelden hun oogen vochtig worden, Ibarra scheen ontstemd en de jonge +"loods" keek strak vóór zich uit. + +Plotseling hoorde men iets als een oorverdoovend geloei; de vrouwen +en meisjes slaakten een kreet en hielden de ooren dicht. Het +was de vroegere seminarist Albino, die met alle macht op de +karbouwen-hoorn--de _Tamboeli_--blies. Het lachen en de opgewektheid +herleefden. De oogen, nog zwemmend in tranen, schitterden met +vroolijken glans. + +"Maar ben je nou van plan ons doof te maken, ketter?" schreeuwde +tante Isabel. + +"Mevrouw", antwoordde de ex-seminarist plechtig, "ik heb 's hooren +vertellen van een armen trompetter, daar ver in 't noorden aan de +oevers van den Rijn, die alleen om zijn mooie getoeter getrouwd is +met een rijke adellijke jonge dame." + +"Jawel, de trompetter van Säkkingen", viel Ibarra in, die niet nalaten +kon deel te nemen aan de hernieuwden opgewektheid. + +En hij begon weer te blazen in den karbouwen-horen, ditmaal met nog +meer animo, terwijl hij de mond van 't blaas-instrument vooral dicht +bij de ooren van de jonge meisjes hield, die zich 't meest verteederd +hadden getoond. Natuurlijk ontstond er een kleine opschudding. De +moeders deden hem ten slotte door meppen met de muiltjes en knepen, +zijn helsche muziek staken. + +"Au! au!" riep hij, terwijl hij zijn armen betastte. + +"Och, och, wat 'n afstand is er toch tusschen de Filippijnen en de +oevers van den Rijn! Daar krijgen ze een lieve vrouw en landerijen, +en hier moeten ze gekastijd worden voor hun blazen!" + +En allen lachten reeds. Zelfs Victoria. Toch zei Sinang, 't +jonge meisje met de vroolijke oogen, zachtjes tot Maria Clara: +"Gelukkige! Wat zou ik ook graag zingen als ik het maar kon!" + +Andeng kondigde eindelijk aan dat de "kaldoe" klaar was, om zijn +gasten--de visch--te ontvangen. + +Het kleine jongmensch, de zoon van den visscher, steeg toen op het +gesloten gedeelte van de "séro"--'t uiterste smalle stuk ervan--waar +men het Italiaansche opschrift van de hel: "Laat alle hoop varen gij +die hier binnentreedt" zou kunnen aanbrengen, als de visschen lezen +konden; want geen visch die daar inging kwam eruit, of hij moest +sterven. Het is een bijna ronde ruimte, zoo ingericht dat er een man +op het hoogste gedeelte staan kan, om daar met zijn netje de visschen +te kunnen ophalen. + +"Daar zou ik me heusch niet vervelen, als ik er met den hengel mocht +visschen!" zeide Sinang popelend van pret. + +Iedereen lette op: enkelen meenden reeds de visschen binnen in 't +netje te zien spartelen, het glanzen van de schubben waar te nemen +en zoo meer. Doch, toen de jonge man het ding in 't water stak, +sprong er niet een vischje op. + +"'t Moet hier vol wezen," zeide Albino zacht, "'t is al meer dan vijf +dagen dat er niemand bij geweest is." + +De visscher haalde den bamboe-stok op... och geen enkel vischje +tooide het net: 't leek wel of het water dat er met zijn zonneglanzen +overvloedig afdruppelde er zilverlachjes om liet hooren. Een hè! van +verbazing, ergernis en teleurstelling brak van alle lippen. + +De jonge man herhaalde de bewerking en 't was met even weinig +resultaat. + +"Je kan er niets van!" zei Albino en klauterde op de _encerradero_, +en hij rukte 't net uit de handen van den onhandigen jongen man. + +"Nu moeten jullie 's zien! Andeng, doe de pot open!" Maar Albino kon +er evenmin mee terecht, en het net bleef leeg. Iedereen lachte. + +"Maak toch geen leven: de visschen hooren 't en dan laten ze zich +niet vangen!" zeide hij. "Dit net is zeker kapot." + +Doch het net bleek volkomen gaaf. + +"Laat mij maar 's," zeide Leon, de aanstaande van Iday. + +Hij keek aandachtig naar de _encerradero_, onderzocht daarna het net, +en, voldaan over zijn onderzoek, vroeg hij: + +"Zijn jullie er zeker van dat er in vijf dagen niemand hier geweest +is?" + +"O, volkomen zeker! De laatste keer was de dag voor Allerheiligen." + +"Nu, dan is of het meer betooverd, of ik haal er wat uit." + +Leon bracht de bamboe in het water, maar men zag zijn gezicht een +verbaasde uitdrukking aannemen. Zwijgend keek hij een oogenblik naar +'t naburig gebergte. Daarna ging hij weer voort met de bamboe door +het water heen en weer te bewegen. Dan, zonder hem op te halen, +mompelde hij: + +"Een kaaiman." + +"Een kaaiman!" herhaalde men van alle kanten. + +Het woord liep van mond tot mond, te midden van algemeene schrik +en ontsteltenis. + +"Wat zeg je?" vroegen ze hem. + +"Ik zeg dat er een kaaiman in gevangen zit," verzekerde Leon, en de +steel van de bamboe dieper in 't water stekende, hervatte hij: + +"Horen jullie dat geluid? Dat 's geen zand, dat is de harde rug +van den kaaiman. Zien jullie wel, hoe die bamboestokken daar heen +en weer gaan? Dat doet hij, om zich los te werken, maar hij zit in +elkaar gerold. Wacht... hij is groot: zijn lichaam is bijna een palm +of meer breed." + +"Wat moeten we doen?" werd er gevraagd. + +"Vangen!" zei er een. + +"Jezus! En wie moet hem dan vangen?" + +Niemand waagde het daar neer te dalen. Het water was erg diep. + +"Als we hem eens aan onze _bangka_ vastbonden, en hem zoo in triomf +wegsleepten," zei Sinang. "Dat eet me daar de visch op die voor ons +bestemd was!" + +"Ik heb tot nu toe nog nooit een levende krokodil gezien!" merkte +Maria Clara zacht op. + +De "loods" stond op, greep een lang touw en klom vlug op het vlakke +bovenstuk van de vangkorf. Leon maakte plaats voor hem. + +Behalve Maria Clara had tot op dat oogenblik niemand op hem +gelet. Thans bewonderden allen zijn slanke gestalte. + +Tot groote verbazing van iedereen en in weerwil van de kreten van +angst die allen lieten hooren, sprong de "loods" in de _encerradero_. + +"Neem dit mes mee!" schreeuwde Crisóstomo, en haalde een breed +toledaansch mes voor den dag. + +Doch in het water bruischte en borrelde het reeds, en de kolk sloot +zich geheimzinnig voor 't oog. + +"Jezus, Maria en Jozef!" riepen de vrouwen. "Er gebeurt een +ongeluk! Jezus, Maria en Jozef!" + +"Maakt u zich maar niets ongerust, dames," zeide de oude +schuitevoerder, "als er in de heele provincie een is die zoo iets +doen kan, dan is hij 't." + +"Wie is die man toch?" vroegen ze. + +"Wij noemen hem 'de loods.' 't Is de beste die ik ooit gezien heb. Hij +houdt alleen niet van zijn baantje." + +Het water bewoog zich, er kwam meer en meer beroering in: 't was +alsof daar beneden in de diepte een worsteling plaats had. Het heele +staketsel raakte aan 't waggelen. Iedereen was stil, ademloos. Ibarra +omklemde zenuwachtig het heft van zijn scherpe mes. + +De voorstelling scheen ten einde te loopen. Het hoofd van den jonge +man kwam boven water. Men begroette hem met vroolijke uitroepen. De +vrouwen en meisjes hadden de oogen vol tranen. + +De "loods" klauterde naar boven met het uiteinde van het touw in de +hand. Eenmaal boven op het platte gedeelte trok hij 't naar zich toe. + +Het monster vertoonde zich: het koord zat hem dubbel om zijn hals en +voorpooten. Het was een groot exemplaar, zooals Leon reeds vooruit +gezegd had, hij was gevlekt en zijn rug begroeid met groen mos. Dit +laatste beteekent bij de krokodillen hetzelfde als grijs haar bij +de menschen. Het dier loeide als een os, het sloeg met zijn staart +heftig tegen de bamboestaken van de omwanding, het klampte zich daaraan +vast en opende zijn akelige zwarte muil, zoodat de lange slagtanden +zichtbaar werden. + +De "loods" heesch het gevaarte alleen op: niemand dacht eraan hem +te helpen. + +Toen zijn prooi geheel uit het water was opgehaald en boven op het +platte deel van de _encerradero_ lag, zette hij er zijn voet op, +greep met zijn stevige knuisten de geweldige kaken en trachtte de +bek met het touw dicht te snoeren. + +Het dier deed een nieuwe poging om los te komen: het kromde zijn +lichaam, sloeg met zijn geweldige staart tegen den grond, en, opeens +los-schietend, stortte het zich met een sprong in het meer buiten +de omrastering. Zijn aanvaller werd meegesleurd. De loods was in +doodsgevaar. Een kreet van ontzetting klonk uit ieders mond. + +Bliksem-snel stortte een ander te water, voordat men nog zien kon +dat het Ibarra was. Maria Clara viel niet in zwijm: Filippijnsche +vrouwen kennen dat nog niet. + +Men zag dat de golven rood werden van het bloed. De jonge visscher +sprong gewapend met zijn _bolo_--een kort breed mes--de diepte in. Zijn +vader sprong hem na. Doch nauwelijks waren dezen te water, of men zag +Crisóstomo en de loods weer boven komen, beiden vastgeklemd aan het +ongedierte. De witte buik was vol wonden en 't mes zat hem in de keel. + +'t Is onmogelijk de vreugde der omstanders te beschrijven; tientallen +armen strekten zich naar hen uit om de jonge mannen uit het water te +halen. De oudere vrouwen waren half gek. Ze lachten en baden. Andèng +vergat heelemaal dat haar soep al driemaal aan den kook was geweest: +al de "kaldoe" liep over en deed het vuur uitgaan. De eenige die geen +woord kon uitbrengen was Maria Clara. + +Ibarra was ongedeerd, terwijl de "loods" een kleine schram in een +van zijn armen had. + +"Ik ben u mijn leven verschuldigd!" zeide hij tot Ibarra, die zich +in wollen dekens en doeken wikkelde. + +De stem van den "loods" scheen een zekere smart te verraden. + +"U bent roekeloos", antwoordde Ibarra. "Een anderen keer moet u niet +weer zoo God verzoeken." + +"Als u me gevolgd was, als we samen dood gegaan waren," gaf de ander +terug, "daar onder in het meer, _dan was ik bij mijn menschen thuis +geweest!_" + +Ibarra dacht er op dat oogenblik niet aan dat ook het overschot van +zijn vader daar verzonken was. + +De ouderen onder de vrouwen van 't gezelschap wilden niet meer naar +een andere _baklad_ gaan; ze verkozen naar huis te gaan. De dag was +toch slecht begonnen, en er konden nog heel wat ongelukken gebeuren. + +"Dat komt allemaal omdat we niet naar de mis zijn geweest!" zuchtte +een oudje. + +"Maar wat hebben we dan toch voor ongeluk gehad, mevrouw?" vroeg +Ibarra. "De kaaiman alleen, zou ik zeggen!" + +"Wat ten duidelijkste bewijst", concludeerde de oud-seminarist, +"dat ons kruipend gedierte in heel zijn zondig bestaan nooit naar +de mis is geweest. Ik heb hem nog nooit onder trouwe kerkbezoekende +kooplieden opgemerkt." + +De _bangka's_ gingen dus toch naar een ander vischperk, en Andèng +moest nog eens haar _sinigang_ klaarmaken. + +De dag spoedde voort. Er woei een frisch windje en de golven rezen +iets hooger, bruisend en krullend om het lichaam van de krokodil, +meevoerend bergen van schuim "waar flonkerde in kleurenpracht licht +van de zon," zooals de dichter Paterno het uitdrukt. + +De muziek werd hervat: Iday bespeelde weer haar harp; de mannen +hun accordeons en gitaars, de een wat meer, de ander wat minder +zuiver. Maar die zich 't dapperst weerde was Albino: die tokkelde +maar raak, ging ieder oogenblik uit de maat en raakte zelfs eens +zoodanig de klus kwijt dat hij, zonder 't te merken, in een verkeerde +sonate oversloeg! + +Het tweede visch-perk werd met zekere achterdocht verkend. Menigeen +verwachtte daar 't wijfje van den kaaiman te zullen aantreffen. Doch +de natuur is een guit: het net kwam er telkens goed gevuld uit te +voorschijn. + +Toen trachtte men aan wal te gaan waar het bosch van eeuwenoude +boomen stond dat aan Ibarra toebehoorde. Daar in de schaduw en dicht +bij de kristalheldere beek, zou men tusschen de bloemen of onder +geïmproviseerde tenten een landelijk middagmaal gebruiken. + +De muziek weerklonk in de lucht. De rook der steenen komforen steeg +vroolijk in dunne spiraalwolkjes naar boven, terwijl het water in +'t verhitte vaatwerk zong. + +Daarna verloor de waardige pastoor, door 't lezen van een paar brieven, +die wel-verzegeld en gelakt aangekomen waren, zijn eetlust en liet +hij zijn chocolade heelemaal koud worden. + +"De pater wordt stellig ziek", zei de kok, terwijl hij een tweede +kop klaarmaakte, "hij heeft al dagen geen trek in 't eten: van de +zes gerechten, die ik hem voorzet, raakt hij er geen twee aan." + +"Dat is omdat hij slecht slaapt," antwoordde de andere bediende, +"hij lijdt aan nachtmerries sedert dat hij een andere slaapkamer +heeft. Zijn oogen gaan hoe langer hoe dieper. Hij wordt iederen dag +magerder en geler." + +Inderdaad zag Padre Salvi er deerniswaardig uit. Zonder zijn tweede kop +chocolade aan te roeren, noch te willen proeven van Cebu's smakelijke +beschuitjes, stapte hij zwijgend door de ruime zaal, terwijl hij in +zijn knokige handen een paar brieven verkneep, waarin hij nu en dan +las. Ten slotte vroeg hij om zijn rijtuig en gaf hij order dat men +hem zou brengen naar 't bosch met den geheimzinnigen boom, in welks +nabijheid het buitenpartijtje gehouden werd. + +Daar aangekomen, zond Padre Salvi zijn rijtuig weg en liep alleen +het bosch in. + +Een somber pad baande zich met moeite een doortocht door het dicht +gewas en leidde naar een beek, gevormd door verscheidene warme bronnen, +als zooveel andere aan de hellingen van de Makiling. Zijn oevers waren +getooid met wilde bloemen. Vele daarvan hadden nog geen latijnschen +naam, maar zonder twijfel zijn ze bekend bij de gouden insekten, bij +de vlinders van allerlei afmeting en kleur: blauw en goud, wit en +zwart, bont, helglanzend, met pauw-schakeeringen, dragend robijnen +en smaragden op hun vleugels. Bekend ook bij de duizenden torren +en kevers met hun metaal-gloed van goud doorspikkeld. Het gegons +dezer insekten, het snerpen der krekels dat dag en nacht aanhoudt, +het gekweel der vogels, of het doffe gedruisch van afvallende dorre +takken, die onder 't vallen overal blijven haken, waren de eenige +geluiden die de stilte verstoorden in dat oord vol geheimenis. + +Een poos bleef onze pastoor dwalen tusschen de dichte slingerplanten, +zorgvuldig vermijdend de doorns, die zich aan zijn grofwollen +kleed vasthechtten als wilden ze hem tegenhouden, en de wortels der +boomen die boven den grond uitkwamen en ieder oogenblik een onervaren +voetganger zouden doen struikelen. Plotseling stond hij stil: vroolijk +schaterlachen en frissche stemmen troffen zijn oor. Het gelach ging +uit van de beek en kwam hoe langer hoe naderbij. + +"Ik wil 's zien of ik een nest kan vinden", zeide een mooie, lieve +stem die den pastoor welbekend was. + +"Ik zou hem willen zien, zonder dat hij me zag; ik zou hem overal +willen volgen." + +Padre Salvi verborg zich achter den dikken stam van een boom en begon +te luisteren. + +"Dat wil zeggen dat je met hem wil doen wat de pastoor met jou doet: +die beloert je immers overal?" antwoordde een vroolijke stem. "Pas +maar op, jaloezie maakt mager en geeft holle oogen!" + +"Nee, nee, 't is geen jaloezie, 't is louter nieuwsgierigheid!" gaf +het zilver-stemmetje terug, terwijl het vroolijk geluid herhaalde: +"ja zeker, jaloezie, jaloezie!" en daarna weer schaterlachte. + +"Als ik jaloersch was, zou ik niet mezelf maar hem onzichtbaar willen +maken, zoodat niemand hem zien kon". + +"Maar dan zou jij hem evenmin zien. En dat 's goed. Het beste is +dat--als we 't nest vinden--we 't aan den pastoor cadeau geven: dan +zal hij ons kunnen beloeren zonder dat wij hem hoeven te zien. Zou +je dat niet lijken?" + +"Ik geloof niets van de reiger-nesten", hervatte de ander. "Maar, +als ik 's op 'n keer jaloersch werd, dan zou ik wel weten, hoe ik +zou moeten spionneeren, zonder me zelf te laten zien!" + +"Hoe dan, hoe? Misschien zooals zuster Escucha?" [20] + +Vroolijk geschater volgde op deze herinnering uit den kostschooltijd. + +"Nou, je weet ook wel hoe wij zuster Escucha bij den neus hadden!" + +Padre Salvi zag van zijn schuilplaats Maria Clara, Victoria en +Sinang door de beek loopen. Alle drie keken met aandacht naar de +oppervlakte van het water, om naar 't geheimzinnig reiger-nest te +zoeken. Ze liepen tot de knieën in 't water. De ruime plooien van hun +badkleedjes verrieden de bevallige lijnen van hun beenen. Ze droegen +het haar los en de armen waren bloot, terwijl het bovenlijf bedekt was +door een gestreepte blouse in vroolijke kleuren. Onder 't zoeken naar +'t fabelachtig nest plukten de drie jonge meisjes tevens bloemen en +moeskruiden aan den oever. + +De Akteon-geestelijke [21] sloeg bleek en roerloos de kuische Diana's +daar vóór zich gade: zijn oogen die schitterden in de donkere kassen, +werden maar niet moe van het bewonderen der blanke, welgevormde +armen, van den fraaien hals met het begin der boezem-welving. De +kleine rooskleurige voeten, die daar met het water speelden, riepen +in zijn verzwakt lichaam vreemde gewaarwordingen wakker en deden in +zijn gloeiend brein ongekende droomen opkomen. + +Achter een kromming van de beek verdwenen de lieflijke gestalten +tusschen dicht rietgewas, en hun wreede toespelingen werden verder +onhoorbaar. Bedwelmd, wankelend, bedekt met zweetdroppelen, trad Padre +Salvi te voorschijn uit zijn schuilplaats en keek met verbijsterde +oogen om zich heen. Weifelend stond hij roerloos stil. Dan deed hij +een paar schreden, als wilde hij de meisjes volgen, doch hij wendde +zich daarna om en, langs den oever loopende, trachtte hij de rest +van het gezelschap op te zoeken. + +Op eenigen afstand vandaar zag hij midden in de beek een soort +bad-inrichting, goed omheind, en van boven beschut door een bladerrijk +rietbosch. Vandaar klonken vroolijke vrouwenstemmen. Palmbladeren, +bloemen en vaandeltjes dienden als versiering. Wat verderop zag hij +een bamboebrug en een eindweegs daarvandaan kon hij de mannen zien +baden, terwijl een menigte bedienden van beiderlei kunne rondom +geïmproviseerde komforen zwermde, druk bezig met het plukken van +kippen, het wasschen van rijst, het braden van een speenvarkentje en +anderszins. En daar ginds, aan den overkant, op een open plek in 't +bosch, die men daar gemaakt had, vereenigden zich tal van mannen en +vrouwen onder een dak van zeildoek, deels opgehangen aan de takken +der woudreuzen, deels aan nieuw-opgerichte staken. Daar bevonden +zich de _alférez_, de _coadjutor_, de burgemeester, zijn _teniënte +mayor_ of plaatsvervanger, de schoolmeester en verscheidene gewezen +_capitan's_, _teniëntes_ of adjunkten, ja zelfs Capitán Basilio, +de vader van Sinang, de vroegere tegenstander van wijlen Don Rafael +in een oud proces, dat nog voortduurde. Ibarra had hem gezegd: "we +zijn 't oneens over een rechtskwestie, en 't oneens zijn wil nog niet +zeggen vijanden zijn." En de befaamde redenaar der behoudsmannen nam +met geestdrift de uitnoodiging van den jongen man aan. + +De pastoor werd door allen, zelfs door den _alférez_ met eerbied en +onderscheiding ontvangen. + +"Maar waar komt u vandaan, weleerwaarde?" vroeg de laatstgenoemde, +toen hij bespeurde, hoe zijn gezicht vol schrammen zat en zijn kleed +bedekt was, met bladeren en stukjes dor hout. "Bent u gevallen?" + +"Nee, ik ben verdwaald!" antwoordde Padre Salvi, terwijl hij zijn +oogen neersloeg, om naar zijn kleed te kijken. + +Men ontkurkte flesschen met limonade, er werden jonge "klappers" +opengeslagen, opdat zij die uit het bad kwamen het frissche +water en het malsche vruchtvleesch--nog blanker dan melk--zouden +kunnen gebruiken; de jongemeisjes kregen bovendien nog een krans +van tjempaka (of _sampaga_, zooals men daar zegt), waartusschen +rozen en _ilang-ilang_ gevlochten waren, die het loshangende haar +parfumeerden. Men zette zich of strekte zich uit in de hangmatten, +die men aan de boomen had opgehangen, of wel men vermaakte zich rondom +een grooten, platten steen gezeten, met een spelletje: men zag er +speelkaarten, damborden, boekjes, vijfhoekige schelpjes en steentjes. + +Men liet den pastoor den kaaiman zien, maar hij scheen afgetrokken +te zijn en toonde alleen eenige belangstelling, toen men hem +zeide dat de breede wond in de buik van het dier door Ibarra was +toegebracht. Overigens was de andere bevechter van het monster, de +geheimzinnige en vermaarde "loods" nergens te zien: hij was reeds +verdwenen vòor de _alférez_ aangekomen was. + +Eindelijk kwam Maria Clara vergezeld van haar vriendinnetjes uit het +bad. Ze was als een roos in den morgendauw. Haar eerste lachje gold +Crisóstomo, en 't eerste wolkje op haar voorhoofd Padre Salvi. Deze +bespeurde het en zuchtte diep. + +'t Werd etenstijd. De pastoor, de coadjutor, de _alférez_, de +burgemeester en nog eenige _capitan's_ met de vice-burgemeester +of _teniënte mayor_ gingen aan een tafel zitten, waaraan Ibarra de +eereplaats innam. De moeders stonden niet toe dat er een enkele man +aan de tafel der jonge meisjes aanzat. + +"Zeg, Albino, je moet dezen keer maar geen lek-gaten ontdekken zooals +in de bootjes, hoor," zeide Leon tot den oud-seminarist. + +"Wat? Wat is dat?" vroegen de oudere vrouwen. + +"De _bangka's,_ dames, waren net zoo gaaf als dit bord," verklaarde +Leon en wees op zijn bord. + +"Mijnheer de _alférez_, weet u al iets van den kerel die Padre Dámaso +heeft mishandeld?" vroeg Padre Salvi. + +"Van welken kerel, mijnheer de pastoor?" riep de _alférez_ uit, +terwijl hij door het glas wijn heen, dat hij bezig was uit te drinken, +den geestelijke aankeek. + +"Nou, van wien anders dan van den kerel, die eergisteren middag Padre +Dámaso onderweg heeft afgeranseld!" + +"Heeft-ie Padre Dámaso afgeranseld?!" vroegen er verscheidenen. + +De coadjutor scheen in zijn schik. + +"Ja zeker, en Padre Dámaso ligt nu te bed! + +"Ze zeggen dat het dezelfde Elias is, die u in den modderpoel heeft +gesmeten, mijnheer de _alférez_." + +De _alférez_ kreeg een kleur, van schaamte of van den wijn. + +"Och, ik dacht zoo," hervatte Padre Salvi eenigszins spotachtig, +"dat u op de hoogte van de zaak zou zijn... dat u als kommandant van +de _guardia civil_..." + +De onderofficier beet zich op de lippen en stotterde een zotte +verontschuldiging uit. + +Op dit oogenblik vertoonde zich een bleeke, magere, ellendig gekleede +vrouw. Niemand had haar zien aankomen, want ze liep zoo zachtjes, zoo +geruischloos dat men haar 's nachts voor een schim zou gehouden hebben. + +"Geef wat te eten aan die arme vrouw!" zeiden de oudjes. "Hei, kom +'s hier!" + +Doch zij vervolgde haar weg, en trad op de tafel toe waar de pastoor +zat. Deze wendde het hoofd om, herkende haar, en 't mes waarmee hij +at, viel hem uit de hand. + +"Geef die vrouw wat te eten!" beval Ibarra. + +"De nacht is donker en de kinderen verdwijnen," mompelde de bedelares. + +Maar bij 't zien van den _alférez_ die haar toesprak, ontstelde de +vrouw hevig en liep hard weg. Weldra was ze tusschen 't geboomte +verdwenen. + +"Wie is dat?" vroeg hij. + +"Een ongelukkige die gek is geworden door al het verdriet en de +schrikken die ze doorstaan heeft," antwoordde don Filipo. "Ze is al +vier dagen zoo." + +"Is 't misschien een zekere Sisa?" vroeg Ibarra belangstellend. + +"Ze is door uw soldaten opgepakt", ging de _teniënte mayor_ met +zekere bitterheid voort, steeds tot den _alférez_ sprekende, "ze +zijn met haar door het heele dorp gegaan, om ik weet niet wat dat +haar kinderen zouden gedaan hebben en... dat niet opgehelderd is." + +"Hoe nu?" vroeg de _alférez_ zich tot den pastoor wendend, "is 't +misschien de moeder van uw twee kostertjes?" + +De pastoor knikte. + +"Die zijn verdwenen, zonder dat iemand iets van hen is te weten +kunnen komen!" voegde don Filipo er op strengen toon aan toe. Hij +keek onderwijl den burgemeester aan, en deze sloeg de oogen neer. + +"Ga die vrouw zoeken!" gelastte Crisóstomo aan de bedienden. "Ik heb +beloofd moeite te doen, om uit te vinden waar haar kinderen gebleven +zijn..." + +"Wat is er verdwenen, zegt u?" vroeg de _alférez_. + +"Zijn uw kostertjes verdwenen, mijnheer de pastoor?" + +De toegesprokene dronk zijn glas wijn leeg en knikte. + +"Caramba, mijnheer de pastoor!" riep onze krijgsman spottend, en vol +pret dat hij zich 's wreken kon, "er verdwijnen een paar zilverstukken +van uw weleerwaardigheid, en ze halen me mijn sergeant heel vroeg uit +zijn bed, om ze te laten zoeken. Er verdwijnen twee kosters en 'uwe +weleerwaardigheid' zegt niets... En u, mijnheer de _Capitán_... 't +Is ook waar dat u..." + +En hij voleindigde zijn zin niet, maar barstte in lachen uit, terwijl +hij zijn lepel diep in 't roode vruchtvleesch van een wilde _papaja_ +stak. + +"De zaak is dat ik verantwoordelijk ben voor 't geld..." + +"Een prachtig antwoord, eerwaarde zieleherder!" viel de _alférez_ +met vollen mond in. "Een pracht van een antwoord, heilige man!" + +Ibarra wilde tusschenbeide komen, doch Pater Salvi gaf met zichtbaar +zelfbedwang en een verknepen lachje terug: + +"En weet u, mijnheer de _alférez_, wat er verteld wordt van 't +verdwijnen van de twee jongens? Niet? Vraag 't dan maar 's aan uw +soldaten!" + +"Hoe dat zoo?" vroeg den ander, zijn vroolijkheid kwijt rakend. + +"Ze zeggen dat er in de nacht van hun verdwijnen verscheidene schoten +gehoord zijn!" + +"Verscheidene schoten?" herhaalde de _alférez_ en keek de omstanders +verbaasd aan. + +Men knikte bevestigend. + +Padre Salvi hervatte daarop langzaam en met wreeden spot in zijn toon: + +"Komaan, ik zie wel dat u geen misdadigers oppakt en evenmin weet +wat de menschen onder uw orders uitvoeren. En u wilt de zedenmeester +spelen en anderen leeren wat hun plicht is. U kent zeker wel het +spreekwoord van de beste stuurlui?"... + +"Heeren!" viel Crisóstomo in, ziende dat de _alférez_ bleek werd, +"naar aanleiding hiervan zou ik 's willen weten, wat de heeren denken +over een plan van me. Ik dacht erover, die krankzinnige vrouw aan de +zorgen van een dokter toe te vertrouwen, en dan onderwijl met uw hulp +en raad naar haar kinderen te zoeken." + +De terugkomst der bedienden, die de gekke vrouw niet hadden kunnen +vinden, maakte ten slotte een eind aan de oneenigheid der twee +tegenstanders, doordat het gesprek op een ander onderwerp overging. + +Toen 't eten afgeloopen was, en de thee en koffie opgediend werd, +verdeelden zich de jongen en de ouden in verschillende groepjes. Dezen +haalden de damborden, anderen grepen naar de kaarten, maar de jonge +meisjes, nieuwsgierig naar de toekomst, wilden liever eenige vragen +doen aan het "Rad van Fortuin." + +"Kom, mijnheer Ibarra!" riep Capitán Basilio, die wat heel vroolijk +begon te worden, "we zijn nu al vijftien jaar aan 't procedeeren, en +er is geen rechter van de _audiencia_ die de zaak uitmaakt: laten we +'s zien, of we 't schaakbord kunnen laten beslissen." + +"Onmiddellijk en met heel veel genoegen!" antwoordde de jongeman. "Een +oogenblik, want de _alférez_ wil afscheid nemen." + +Toen men van deze partij hoorde, schaarden zich al de oudere mannen +die verstand van schaken hadden om het schaakbord. De partij was +belangwekkend, en zelfs de onkundigen voelden zich aangetrokken. De +oude vrouwen echter omringden den pastoor, om met hem over +godsdienstige onderwerpen te praten, doch Fray Salvi achtte zeker +plaats en gelegenheid niet geschikt, want hij gaf vage antwoorden +en zijn sombere, iet of wat verstoorde blikken gingen overal heen, +behalve naar zijn toespreeksters. + +Het spel begon met grooten ernst. + +"Als de partij onbeslist blijft, schorten we ons proces op, hoor," +zeide Ibarra. + +Midden onder 't spelen ontving Ibarra een telegrafisch bericht dat +hem de oogen deed schitteren en tegelijk deed verbleken. Zonder het te +openen stak hij het in zijn zakportefeuille, doch wierp onderwijl een +blik op de groep jongelui die onder gelach en geschreeuw voortgingen +met de toekomst te ondervragen. + +"Schaak aan den koning!" zeide de jonge man. + +Capitán Basilio wist geen ander redmiddel dan hem achter de koningin +te verbergen. + +"Schaak aan de koningin!" zeide de ander weder en dreigde haar met +zijn kasteel, dat door een pion verdedigd werd. + +Daar hij zijn koningin niet kon dekken en haar evenmin achteruit +kon zetten van wege den koning die er achter stond, vroeg Capitán +Basilio bedenktijd. + +"O gaarne!" antwoordde Ibarra. "Ik had net wat te vragen aan enkelen +uit dat groepje daar." + +Hij stond op en gaf zijn tegenstander een kwartier tijd. + +Iday hield een kartonnen schijf in de hand waarop acht en veertig +vragen geschreven stonden, Albino had het antwoorden-boek. + +"Dat 's gelogen! Dat is niet waar! Dat is 'n puur verzinsel!" riep +Sinang op huilerigen toon. + +"Wat overkomt je?" vroeg Maria Clara. + +"Stel je voor; ik vraag: 'Wanneer zal ik verstandig worden?' Ik gooi +de dobbelsteenen, en hij daar, die mislukte pastoor, leest in 't boek: +'Wanneer de kikkers haren zullen krijgen!' Hoe vind je dat?" + +En Sinang trok een leelijk gezicht tegen den oud-seminarist. Deze +bleef lachen. + +"Wie zegt je ook om zoo'n vraag te doen?" zeide haar nichtje +Victoria. "Je verdient dat je zoo'n antwoord krijgt!" + +"Doe eens een vraag!" zeide men tot Ibarra en hield hem de schijf +voor. "We hebben afgesproken dat wie 't beste antwoord kreeg, een +geschenk van de anderen zou ontvangen. Wij hebben allemaal al een +vraag gedaan." + +"En wie heeft het beste antwoord gekregen?" + +"_Maria Clara, Maria Clara_!" riep Sinang. "We hebben haar of ze +woû of niet, laten vragen: 'Is zijn liefde trouw en standvastig?' en +'t boek heeft geantwoord..." + +Doch Maria Clara hield haar, sterk blozend, de beide handen voor den +mond en belette haar zoo verder te spreken. + +"Nu, geef me dan maar 't rad!" zeide Crisóstomo lachend. + +"Ik vraag: 'Zal wat ik nu onderneem goed afloopen?'" + +"He, wat 'n leelijke vraag!" riep Sinang uit. + +Ibarra wierp de dobbelsteenen neer, en, naar het getal dat ze aanwezen, +werd bladzijde en regel opgezocht. + +"Droomen zijn droomen," las Albino op. + +Ibarra nam het telegram uit zijn zak en opende het bevend: + +"Dezen keer heeft uw boek een leugentje verteld!" riep hij vol vreugde +uit... "Lees maar!" + +"Plan school goedgekeurd; uitspraak over 't andere gunstig." + +"Wat beteekent dat?" vroeg men om hem heen. + +"Was er niet zooeven gezegd dat degeen die 't beste antwoord ontving +een cadeau zou krijgen?" vroeg hij met een van aandoening bevende stem, +terwijl hij het papier zorgvuldig in tweeën scheurde. + +"Ja, ja!" + +"Nu goed, dit is mijn geschenk," zeide Ibarra, terwijl hij de eene +helft aan Maria Clara overreikte. "Ik wil in het dorp een school voor +jongens en meisjes oprichten: die school zal mijn geschenk wezen. + +"En wat wil dat andere stuk zeggen?" + +"Dat zal ik geven aan dengene die het slechtste antwoord gehad heeft." + +"Dan krijg ik 't! Dan is 't voor mij?" riep Sinang. + +Ibarra gaf haar het papier en verwijderde zich snel. + +"En wat wil 't nu zeggen?" + +Doch de gelukkige jonge man was al ver, en ging zijn schaakpartij +hervatten. + +Fray Salvi, nog steeds afgetrokken kijkend, voegde zich bij het +vroolijke troepje jongelui. Maria Clara wischte een traan van +vreugde weg. + +Het lachen en praten hield op. De pastoor keek naar de jonge mannen, +maar slaagde er niet in een enkel woord uit te brengen. De anderen +wachtten erop dat hij zou spreken, en bleven zoolang zwijgen. + +"Wat is dit?" kon hij eindelijk uitbrengen, terwijl hij het boek +opnam en er in bladerde. + +"Rad van Fortuin, een boek voor een spelletje," antwoordde León. + +"Weten jullie niet dat het zonde is aan zulke dingen te +gelooven?" zeide de pastoor, en verscheurde toornig de bladen. + +Kreten van verbazing en ergernis ontsnapten aan aller lippen. + +"'t Is nog erger zonde te beschikken over een andermans eigendom, +zonder de toestemming van den eigenaar!" gaf Albino terug, terwijl +hij opstond. + +"Meneer de pastoor, dat noemt men roof, en dat is door God en menschen +verboden." + +Maria Clara sloeg de handen in elkaar, keek met betraande oogen naar +het overschot van 't boek dat kort te voren haar zooveel vreugde +verschaft had. + +Fray Salvi zeide, tegen aller verwachting, niets terug op Albino's +woorden; hij stond een oogenblik de verscheurde bladen na te staren, +die in den wind wegdwarrelden. Enkele vlogen in 't bosch, andere +raakten te water. Daarna verwijderde hij zich in schommelenden +gang met de handen op het hoofd. Een oogenblik bleef hij staan, +om met Ibarra te spreken. Deze geleidde hem naar een der rijtuigen, +die daar klaarstonden, om de genoodigden weg te brengen. + +"'t Is maar goed dat die spelbreker heengaat!" mompelde Sinang. "Hij +heeft een gezicht alsof hij zeggen wil: 'Lach maar niet, ik ken +je zonden.'" + +Na het geschenk dat hij aan zijn aanstaande gegeven had, was Ibarra +zoo in zijn schik, dat hij begon te spelen zonder veel na te denken +of acht te slaan op de zetten die hij deed. + +Zoo kwam het dat, ofschoon Capitán Basilio zich alleen nog maar met +groote moeite had kunnen verdedigen, de partij toch gelijk-op kwam +te staan, dank zij de vele misslagen die de jongeman daarna beging. + +"'t Proces wordt opgeschort!" zei Capitán Basilio vroolijk. + +"Stellig, we schorten 't op!" herhaalde Ibarra, "wat ook de beslissing +van de rechters mag zijn." + +Ze gaven elkander de hand en drukten die beiden op hartelijke wijze. + +Terwijl de aanwezigen dit voorval toejuichten, dat een einde maakte aan +een proces dat beide partijen reeds lang verveelde, bracht plotseling +de komst van vier _guardia civiles_ en een sergeant, allen gewapend +en met opgezette bajonet, stoornis in de vreugde en schrik onder +de vrouwen. + +"Stil iedereen!" riep de sergeant. "Die zich verroert wordt +neergeschoten!" + +In weerwil van deze onhebbelijke toesnauwing stond Ibarra op en trad +op den man toe. + +"Wat wenscht u?" vroeg hij. + +"De onmiddellijke uitlevering van een misdadiger, een zekeren Elias, +die vanmorgen loodsdiensten voor u gedaan heeft," was het dreigende +antwoord. + +"Een misdadiger?... De loods? U moet u vergissen!" hervatte Ibarra. + +"Nee, meneer: die Elias is juist beschuldigd dat hij zich aan een +geestelijke vergrepen heeft..." + +"O, is dat de loods?" + +"Dezelfde, naar me gezegd wordt. U laat menschen van een beruchten +naam op uw feesten toe, meneer Ibarra." + +Deze keek hem van hoofd tot voeten aan, en antwoordde met souvereine +minachting: + +"Ik hoef u geen rekenschap van mijn daden te geven! Op onze feesten +is iedereen welkom, en als uzelf gekomen waart zoudt u eveneens plaats +aan onze tafel gekregen hebben. + +"Evenals uw _alférez_: die was nog twee uur geleden in ons gezelschap." + +En dit gezegd hebbende, keerde hij hem den rug toe. + +De sergeant beet op zijn knevel, en, overwegende dat hij de zwakste +partij was, gaf hij last, overal op de plaats en tusschen de boomen +naar den loods te zoeken. Zijn signalement hadden ze op een papiertje +bij zich. Don Filip vond het noodig hen te zeggen: + +"Denkt u er wel aan, dat dat signalement past op negen van tien +inlanders: u kan zich zoo licht vergissen!" + +Eindelijk kwamen de soldaten terug, en zeiden dat ze nergens schuit +of man hadden kunnen ontdekken die hun verdacht voorkwam: de sergeant +stamelde een paar woorden, en ging heen zooals hij gekomen was. + +De vreugde kwam weer langzamerhand terug. Het regende nu vragen en +allerlei kommentaren werden er gemaakt. + +"Dus dat is diezelfde Elias, die den _alférez_ in de modder heeft +gesmeten," zeide Leon in gedachten. + +"En hoe was dat? Hoe ging dat?" vroegen eenige nieuwsgierigen. + +"Ze vertellen dat eens op een dag, in September, toen het erg +regenachtig was, de _alférez_ iemand tegenkwam met een vracht hout +op zijn rug. De straat was erg modderig en er was alleen aan den +kant een smalle doorgang voor een persoon tegelijk. Men zegt dat +de _alférez_, in plaats van zijn paard in te houden, het de sporen +gaf en den man toeschreeuwde dat hij achteruit moest. De man scheen +daar weinig lust in te hebben om de vracht, die hij droeg, of hij +had geen zin om door de modder te ploeteren. Toen wou de _alférez_, +die boos werd, hem omver rijden, maar de man greep een stuk hout +en gaf daarmee het paard zoo'n slag op den kop dat het neerviel en +zijn ruiter mee in de modder trok! Er wordt bij verteld dat de man +toen kalm verder ging, zonder iets te geven om de vijf kogels, die +de _alférez_ hem van uit zijn modderbad toezond. Onze militair was +gewoon blind van woede en van de modder. Toch wist hij niet wie hem +de streek geleverd had, maar hij veronderstelde dat het de beruchte +Elias was. Die was eenige maanden geleden in de provincie gekomen, +zonder dat iemand wist waarvandaan, en had zich door dergelijke daden +bekend gemaakt bij de _guardias civiles_ van enkele dorpen." + +"Is het dan een _toelisan_ (roover)?" vroeg Victoria vol angst. + +"Ik geloof het niet, want ik hoor dat hij eens juist tegen _toelisan's_ +gevochten heeft, die een huis wilden plunderen." + +"Hij ziet er heelemaal niet als een misdadiger uit!" voegde Sinang +eraan toe. + +"Nee alleen kijkt hij erg droevig uit zijn oogen: ik heb hem den +heelen ochtend geen enkelen keer zien lachen," antwoordde Maria +Clara peinzend. + +Zoo werd het allengs avond en kwam het uur van terugkeer naar 't dorp. + +Bij 't laatste zonnelicht ging het gezelschap het bosch uit, +stil voortstappend langs het geheimzinnige graf van Ibarra's +voorvader. Daarna hernieuwden zich de vroolijke gesprekken. + +Bij 't schijnsel van bamboe-fakkels en bij gitaar-getokkel trok men +ten slotte het dorp in. + + + + +XXIV. + +Bij den filosoof. + + +In den morgen van den volgenden dag begaf Ibarra zich naar de woning +van den ouden Tasio. + +Schier volkomen stilte heerschte er in den tuin, nauwelijks verstoord +door de zwaluwen die bij de dakgoten heen en weer fladderden. Het mos +groeide op den ouden muur, waar langs een soort klimop zich naar en +om de vensters omhoogwerkte. 't Huisje scheen een oord der stilte. + +Ibarra bond zijn paard zorgvuldig aan een paal, en bijna op zijn teenen +liep hij door den netten, goed onderhouden tuin, ging de treden van +de trap op en, daar de deur openstond, trad hij binnen. + +Het eerste wat zich aan zijn blik voordeed, was de oude man zelf, +gebogen over een boek, waarin hij scheen te schrijven. Aan de wanden +zag men verzamelingen van insekten en bladeren, tusschen landkaarten +en oude boekenrekken vol boeken en handschriften. + +De oude was zoo verdiept in zijn werk dat hij de aanwezigheid van den +jongen man niet eerder opmerkte, voordat deze op 't punt was om weer +heen te gaan, teneinde geen stoornis te veroorzaken. + +"Wel, was u daar?" vroeg hij, terwijl hij Ibarra met eenige verbazing +aankeek. + +"Neem me niet kwalijk", antwoordde deze, "ik zie dat u 't erg druk +heeft." + +"Dat is zoo, ik was bezig iets te schrijven, maar 't heeft geen haast +en ik wil wat uitrusten. Kan ik u met iets van dienst zijn?" + +"Met heel veel!" gaf Ibarra terug, terwijl hij naderbij kwam. "Maar..." + +En hij sloeg een blik op 't boek dat op tafel lag. + +"Hoe nu?" riep hij verwonderd uit, "wijdt u zich aan 't ontcijferen +van hieroglyfen?" + +"Nee, nee!" antwoordde de oude man en bood hem een stoel aan. "Ik +ken geen oud-Egyptisch en ook zelfs geen Koptisch, maar ik ken zoo'n +beetje het schriftstelsel en ik schrijf in hieroglyfen." + +"Schrijft u in hieroglyfen? En waarom?" vroeg Ibarra twijfelend aan +'t geen hij zag en hoorde. + +"Om te maken dat ze me nu niet lezen kunnen!" + +De jonge man keek den ander van hoofd tot voeten aan en dacht dat +hij misschien werkelijk gek was. Snel liet Ibarra zijn oogen over +het boek gaan, om te zien of het waar was wat hem daar medegedeeld +was. En duidelijk zag hij daar teekeningetjes van dieren, kringetjes, +halfcirkels, bloemen, voeten, handen, armen en zoo meer. + +"En waarom schrijft u, als u niet wil gelezen worden?" + +"Omdat ik niet voor dit geslacht schrijf. Ik schrijf voor latere +tijden. Als ze me nu konden lezen zouden ze mijn boeken verbranden, +'t werk van mijn heele leven. Maar 't geslacht dat deze teekens +zal kunnen ontcijferen zal een ontwikkeld geslacht wezen: 't zal +me begrijpen en zeggen: 'Niet iedereen sliep in den nacht van onze +voorouders!' De geheimzinnigheid van deze letterteekens zal mijn +werk behoeden voor menschelijke domheid, zooals al zooveel waarheden +voor de priestervernielzucht behoed zijn door mysterie en allerlei +'hokus-pokus.'" + +"En in welke taal schrijft u?" vroeg Ibarra na een oogenblik zwijgens. + +"In onze eigen taal: in 't Tagaalsch." + +"En gaat dat in hieroglyfen?" + +"O, ja, beter nog dan in 't latijnsche schrift: dat is minder geschikt +voor onze taal. 't Is alleen wat lastig, want alle teekens moeten goed +afgewerkt worden. Maar ik ben dan ook zoo kort mogelijk: ik zeg alleen +'t hoognoodzakelijke. + +"'t Werk houdt me bovendien gezelschap wanneer mijn gasten van China +en Japan weg zijn." + +"Hoe zoo?" + +"Wel, hoort u ze niet? Mijn gasten zijn de zwaluwen. + +"Dit jaar ontbreekt er een: een Chineesche of Japansche straatjongen +zal er een gevangen hebben." + +"Hoe weet u dat ze uit die landen komen?" + +"Heel eenvoudig: ik bond ieder jaar een papiertje aan de pootjes, +voordat ze vertrokken. Ik schreef er Engelsch op, want die taal +wordt hier in de omliggende streken veel gesproken. Maar ik kreeg +geen antwoord, totdat ik op 't idee kwam, om er Chineesch op te laten +schrijven. In November daarop kwamen ze terug met andere briefjes. Die +bleken me in 't Chineesch en Japansch geschreven te zijn... Maar ik +hou u misschien op ...en ik vraag u niet eens, wat u eigenlijk van +me verlangt." + +"Ik kwam u over een zaak van belang spreken," antwoordde de jonge +man. "Gisteren avond..." + +"Hebben ze den stumper gepakt?" vroeg de oude vol belangstelling. + +"Bedoelt u Elias! Hoe weet u dat zoo." + +"Ik heb de muze van de _guardia civil_ gezien." + +"De muze van de _guardia civil_! En wie is dat?" + +"Wel, de vrouw van den _alférez_, die u niet op uw feest genoodigd +heeft. Gisteren ochtend werd die geschiedenis met den kaaiman in +'t dorp bekend. De muze van de guardia civil is net zoo kwiek als +ze kwaadaardig is, en die veronderstelde dadelijk dat de 'loods' +dezelfde moest wezen als de brutale rakker, die haar man in de modder +gesmeten had, en die ook Pater Dámaso afgeranseld had. En omdat zij de +telegrammen leest die haar man moet ontvangen, heeft ze onmiddellijk +toen die dronklap en onverstand thuiskwam, zich op u willen wreken +en zoo den sergeant met de soldaten op u afgestuurd, om het feest in +de war te sturen. Past u maar op! Eva was een goeie vrouw, ze kwam +uit Gods handen...Doña Consolación is 'n kwaje, naar men zegt, en je +weet niet uit welke handen _zij_ gekomen is! Om goed te kunnen zijn, +moet een vrouw ten minste eenmaal van haar leven maagd of moeder +geweest zijn." + +Ibarra lachte even en antwoordde, terwijl hij eenige papieren uit +zijn zakportefeuille voor den dag haalde: + +"Wijlen mijn vader was gewoon u in enkele dingen te raadplegen, en +ik herinner me dat hij er nooit spijt van heeft gehad, uw raad te +volgen. Ik heb nu iets ondernomen waarvan ik graag den goeden uitslag +zou verzekerd zien." + +En Ibarra zette in 't kort zijn schoolplannetje uiteen, dat hij zijn +meisje als verrassing had aangeboden, en liet den verbaasden filosoof +de teekeningen zien, die hem uit Manila waren toegezonden. + +"Ik zou gaarne van u vernemen, welke menschen ik in 't dorp op mijn +hand zou moeten zien te krijgen, om 't werk op de beste wijze te doen +slagen. U kent de bewoners goed. Ik ben nog nieuweling en bijna een +vreemdeling in mijn eigen land." + +De oude Tasio bekeek met vochtige oogen de plannen en teekeningen +die daar voor hem lagen. + +"Wat u daar gaat verwezenlijken, was mijn droom, de droom van een +ouwen gek!" riep hij ontroerd uit. "En nu... 't eerste wat ik u nu +raad, is nooit mij te komen raadplegen." + +De jongeling keek Tasio verwonderd aan. + +"Omdat anders de verstandige menschen," ging hij met bittere ironie +voort, "u ook voor een gek zouden houden. De menschen houden iemand +voor gek die niet net zoo denkt als zij. Daarom denken ze zoo over +mij, en ik ben er erkentelijk voor; want, o wee de dag dat ze me +'s weer mijn verstand zouden teruggeven! Dien dag zouden ze me 't +beetje vrijheid afnemen, dat ik me nu gekocht heb ten koste van mijn +reputatie als verstandig man. En wie weet of ze geen gelijk hebben! Ik +denk en leef niet naar hun regels; mijn beginselen en mijn idealen zijn +anders dan de hunne. Zoo'n _gobernadorcillo_, die noemen ze verstandig, +omdat hij niets anders geleerd heeft dan gedienstig en geduldig te zijn +tegenover Pater Dámaso, zijn chocolade op te dienen en zijn humeur +te verdragen. Die is daarom nu rijk, die buit de kleine bestaantjes +van zijn medeburgers uit en praat soms nog van rechtvaardigheid +en recht. 'Daar heb je nu een knappe kerel!' denkt het domme volk, +'kijk ereis aan, die is van niks opgekomen tot grootheid!' Maar ik, +ik heb fortuin en aanzien geërfd, ik heb gestudeerd, en ik ben arm. Ze +hebben me niet het minste baantje willen geven. En ze zeggen allemaal: + +"'De vent is gek! Die kent 't leven niet!' De pastoor noemt me filosoof +uit spot; hij vertelt aan iedereen dat ik een soort kwakzalver ben, +die geurt met wat hij op de kollege-banken geleerd heeft, terwijl dat +juist is wat hem het minst te pas komt. 't Kan wezen dat ik eigenlijk +de gek ben en zij de wijzen; wie kan dat uitmaken?" + +En de oude man schudde het hoofd, alsof hij een gedachte van zich af +woû zetten en ging voort: + +"Wat ik u ook nog raden kan, is dat u den pastoor in den arm neemt, +en den burgemeester, allen menschen van positie. Ze zullen u dan +allerlei slechte, domme of onnutte raad geven, maar u moet maar denken: +raadplegen is nog niet gehoorzamen. Doe u maar zooveel mogelijk net +alsof ze in alles en altijd gelijk hebben en laten ze denken dat u +handelt naar hun raad." + +Ibarra dacht een oogenblik na, en antwoordde toen: + +"De raad is goed, maar moeilijk op te volgen. Zou ik mijn ideeën +niet kunnen verwezenlijken, zonder dat er zoo'n schaduw op valt? Zou +'t goede zich geen baan kunnen breken door alles heen, en is 't wel +noodig dat de waarheid kleeren te leen vraagt aan de dwaling?" + +"Zeker! Niemand houdt immers van de naakte waarheid!" hervatte de +grijsaard. "Dat is alles mooi in theorie, dat is uitvoerbaar in de +droomwereld van de jeugd. Daar heb je nu de schoolmeester: die heeft +in de lucht geschermd. Een kinderhart dat het goede voorhad, en alleen +maar spotternij en hoon heeft geoogst. U heeft me zooeven gezegd dat +u een vreemdeling in 't land was. Dat geloof ik. Den eersten dag na +uw aankomst al heeft u een geestelijke in zijn eigenliefde gekwetst, +en de man gaat onder de menschen hier door voor een heilige en onder +zijn eigen soort voor een geleerde. Denkt u maar niet dat het iets te +beteekenen heeft, of de Dominikanen> en de Augustijners met minachting +neerzien op de pij, 't koord en 't onhebbelijke schoeisel van de +Franciskanen. Een groot geleerde--een dokter van de Heilige Tomas van +Aquino--heeft zich ergens van Paus Innocentius de Derde aangehaald +dat de statuten van die orde geschikter waren voor varkens dan voor +menschen. Maar ze reiken elkaar even goed allemaal de hand. Ze zijn +'t allemaal eens wat hun macht aangaat. Allemaal denken ze daarover +zooals eens een 'procurator' het uitdrukte: 'De minste lekebroeder +kan meer doen dan 't bestuur met al zijn soldaten.' + +"_Cave ne cadas._ [22] Het goud is erg machtig: het gouden kalf heeft +dikwijls God van zijn altaren geworpen. En dat is al zoo sinds de +tijden van Mozes." + +"Ik ben niet zoo'n zwartkijker, en 't leven in mijn land lijkt mij +zoo gevaarlijk niet," antwoordde Ibarra lachend. "Ik geloof dat u +met uw vrees wat overdrijft, en ik hoop al mijn plannen te kunnen +verwezenlijken, zonder van dien kant veel tegenstand te ontmoeten." + +"Jawel, als zij u de hand reiken, niet als ze je die onttrekken. Al +uw pogen zou gewoon stuk loopen tegen de muren van 't pastoors-huis, +als de pater maar even zijn koord zwaaide of zijn pij schudde. De +burgemeester zou u morgen onder 't een of ander voorwendsel weigeren +wat hij u vandaag heeft toegestaan. Geen enkele moeder zou haar +kind naar de school laten gaan, en dan zou uw moeite en sloven een +negatieve uitwerking hebben: 't zou iedereen die later iets moois +wou ondernemen den moed benemen." + +"En toch," hervatte de jonge man, "kan ik niet gelooven aan die +macht waar u van spreekt. En zelfs een oogenblik aannemende dat die +bestond, zou ik immers de verstandige menschen aan mijn zij hebben. En +'t bestuur: dat is immers bezield met uitstekende bedoelingen, dat +heeft een ruime blik en beoogt 't oprechte welzijn van de Filippijnen." + +"'t Bestuur! 't Bestuur!" mompelde de filosoof, terwijl hij de oogen +opsloeg naar de zoldering. "Al is 't ook nóg zoo bezield met den +wensch om 't land groot te maken, voor 't land zelf en voor Spanje, +al is 't ook dat deze of gene hooge ambtenaar zich nog den edelen zin +van de Katholieke Koningen herinnert, en op zijn eentje eraan denkt, +'t bestuur ziet niet, hoort niet, oordeelt niet dan wat de pastoor of +de provinciaal wil hebben dat hij ziet, hoort of oordeelt. 't Is immers +overtuigd dat het alleen op hen rust, dat als het zich staande houdt, +dat alleen is omdat zij 't steunen, dat, als 't leeft, dat is omdat +zij 't goedvinden dat het leeft, en dat zoodra die steun ontbreekt, +het in elkaar zal zakken als een ledepop, die niet meer opgehouden +wordt. Het bestuur maken ze bang door het volk op te zetten, en +'t volk door te dreigen met de bestuurs-macht. Zoo wordt het een +eenvoudig spelletje, dat lijkt op wat er gebeurt met vreesachtige +menschen, wanneer ze op akelige plaatsen komen. Ze zien dan hun eigen +schaduwen voor spoken aan en houden de echo van hun eigen stemmen voor +geestesstemmen. Zoolang het gouvernement zich niet in onmiddellijke +aanraking met het land stelt, ontgaat het die voogdij niet. 't Zal +blijven voortbestaan zooals een half-onnoozele jongen die siddert op +de stem van zijn oppasser en die bedelt om zijn gunst. Het bestuur +denkt in de verste verte niet aan een toekomst van kracht. 't Is een +arm. Het hoofd dat is de pastorie, het 'klooster'. En door de laksheid +waarmee 't zich van de eene ellende in de andere laat slepen, wordt +het een schijnmacht. En zoo laat het in zijn nulliteit en zwakte maar +alles aan huurlingen over. Maak maar eens een vergelijking tusschen +ons bestuursstelsel en dat van de andere landen waar u vertoefde." + +"O!" viel Ibarra in, "we moeten niet te veeleischend zijn: laten we +tevreden zijn nu we zien dat ons volk niet klaagt, dat het niet lijdt, +zooals het volk in andere landen. En dat dankt het aan den godsdienst +en aan de goedgezindheid van zijn bestuurders." + +"Het volk klaagt niet, omdat het geen stem heeft. 't Komt niet in +beroering, omdat het versuft is, en u zegt dat het niet lijdt, omdat +u niet gezien heeft, hoe zijn hart bloedt. Maar eenmaal zullen u de +oogen opengaan, dan zult u 't zien en hooren. En dan, wee degenen +die nu genieten van 't bedrog, die in 't donker werken en wanen +dat iedereen slaapt. Wanneer het daglicht de misgeboorte van den +nacht zal beschijnen, dan komt de verschrikkelijke reactie. Zooveel +kracht, in zooveel eeuwen neergedrukt, zooveel vergif, drup voor drup +uitgeperst, zooveel versmoorde zuchten, dat alles zal dan uitbreken +en uitbarsten... Wie zal er dan de rekening vereffenen, een rekening +zooals de volken die van tijd tot tijd ter vereffening aanbieden? De +Geschiedenis spreekt ervan op zijn bloedigste bladzijden!" + +"God zal niet toelaten dat die dag ooit komt. Het bestuur en de +godsdienst evenmin!" antwoordde Crisóstomo, die ondanks zichzelve +onder den indruk kwam. "De Filippijnen zijn godsdienstig en hebben +Spanje lief. De Filippijnen zullen weten wat het moederland voor +ze doet. Er zijn misbruiken, dat is zoo, er zijn gebreken, dat zal +ik niet ontkennen, maar Spanje maakt werk van hervormingen, die ze +zullen verbeteren. 't Bereidt ze voor. 't Is niet zelfzuchtig." + +"Dat weet ik, en dat is juist zoo droevig. De hervormingen die +van bovenaf komen, loopen op niets uit in de lagere sfeeren, dank +zij de ondeugden van iedereen. Bijvoorbeeld de felle begeerte om in +korten tijd rijk te worden en de domheid van 't volk, dat maar alles +goedvindt. Misbruiken worden niet weggemaakt door een koninklijk +besluit, zoolang niet een volijverig gezag voor de uitvoering +waakt, zoolang men geen vrijheid van 't woord geeft tegen de +buitensporigheden van kleine tirannen: de plannen blijven plannen, +de misbruiken misbruiken, en de minister zal, voldaan over zijn +werk, toch rustiger slapen. Wat meer is, als er eens bijgeval een +hoog personage komt, met groote en edelmoedige denkbeelden dan hoort +die al gauw zeggen--terwijl ze hem achter zijn rug voor gek houden, +'Uwe Excellentie kent het land niet, Uwe Excellentie kent den aard van +den inlander niet, Uwe Excellentie richt ze te gronde op die manier, +Uwe Excellentie zou goed doen met te vertrouwen op meneer Zus of +meneer Zoo en meer zoo.' En als men nu nagaat dat Zijne Excellentie +het land werkelijk niet kende--hij had het immers ergens in Amerika +gezocht--en dat hij bovendien zwakheden en gebreken heeft als ieder +ander mensch, dan is 't duidelijk dat hij zich laat bepraten. Zijne +Excellentie herinnert zich ook dat hij om zijn hooge post te krijgen +heel wat heeft moeten zweten en nog meer heeft moeten lijden. Dat hij +die post maar voor drie jaar heeft. Dat hij zoetjes aan oud wordt, +en 't geen tijd meer voor hem is, om aan don-quichotterieën te doen; +dat hij nu maar alleen aan zijn toekomst moet denken: een mooi huisje +in Madrid, een buitentje, een aardig inkomen om weelderig te leven +op de hoofdplaats: dat moest hij immers op de Filippijnen zien te +winnen. Laten we geen wonderen verwachten. We kunnen moeilijk vragen +dat iemand die als vreemdeling in 't land komt, om zijn fortuin te +maken en daarna weer heen te gaan, belang zal stellen in 't welzijn van +'t land. Wat kan hem de dankbaarheid of de vloek van een volk schelen +dat hij niet kent, waar niets hem lief is? Wil roem ons aanlokken, +dan moet hij klinken in de ooren van de menschen die we liefhebben, +in de atmosfeer van onze woonplaats, van ons eigen land. 't Land +waar onze asch moet rusten. We willen dat onze roem op ons graf zal +wijlen, om met zijn stralen de doodskoû te verdrijven, om te maken +dat we niet heelemaal in 't niet opgaan, dat er iets van ons wezen +overblijft. Niets van dat alles kunnen we beloven aan den man die +over ons wel en wee komt beschikken. En 't ergste is dat zoo'n man +weer heengaat, wanneer hij net begint op de hoogte te komen van zijn +plicht. Maar we dwalen af van ons onderwerp." + +"O nee, ik moet nog eerst een paar dingen met u in 't reine brengen +voordat ik daarop terugkom," viel de jongeman levendig in. "Ik wil +toegeven dat het bestuur het volk niet kent, maar ik geloof dat het +volk 't bestuur nog minder kent. Er zijn onnutte slechte ambtenaren, +als u wilt, maar er zijn ook goede en als dezen niets kunnen gedaan +krijgen dan is 't omdat ze optornen tegen een logge massa: 't volk. Dat +neemt heel weinig notitie van de dingen die het aangaan. Maar ik ben +niet bij u gekomen om hier over veel uit te weiden: ik ben gekomen +om u raad te vragen... + +"En u zegt me dat ik mijn hoofd moet buigen voor zotte afgoden..." + +"Ja, en ik zeg 't nog eens, want hier moet je je hoofd buigen, of +'t geheel laten zakken." + +"'t Hoofd buigen of het geheel laten zakken?" herhaalde Ibarra in +gedachten. + +"Dat is een hard dilemma! Maar waarom? Is de liefde voor mijn land +dan niet overeen te brengen met mijn liefde voor Spanje? Is 't dan +bepaald noodzakelijk, zich te verlagen; om een goed christen te wezen +moet men dan zijn eigen geweten veil hebben, om een goed doel te +kunnen bereiken? Ik heb mijn vaderland, de Filippijnen, lief, omdat +ik er mijn leven en mijn geluk aan dank, en omdat ieder mensch zijn +vaderland lief moet hebben. Ik hoû van Spanje, het vaderland van mijn +voorouders, omdat, hoe dan ook, de Filippijnen aan Spanje hun geluk +en hun toekomst danken. Ik ben katholiek, ik bewaar zuiver 't geloof +van mijn vaderen, ik zie niet in, waarom of ik het hoofd zou buigen, +wanneer ik 't op kan heffen of 't aan mijn vijanden zou overgeven, +wanneer ik die vijanden zou kunnen vertrappen!" + +"Omdat het veld waar u wilt gaan zaaien in de handen van uw vijanden +is," zeide de filosoof. "En daartegen is u niet opgewassen... u moet +eerst de hand kussen die..." + +Doch de jongeman liet hem niet uitspreken, en riep opgewonden uit: + +"Kussen! Maar u vergeet dat die lui mijn vader hebben afgemaakt; +dat ze hem uit zijn graf hebben gehaald... maar ik, die de zoon ben, +vergeet het niet, en dat ik er geen wraak over neem, is omdat ik den +godsdienst ontzien wil." + +De oude filosoof boog het hoofd. + +"Meneer Ibarra," antwoordde hij langzaam, "als u die herinneringen +bij u omdraagt--en ik mag u niet raden in dezen naar vergetelheid te +streven--dan moet u de plannen die u voorheeft opgeven, en 't welzijn +van uw landgenoten in iets anders trachten te bevorderen. Zoo'n +onderneming als de uwe vraagt een ander man, want om zoo iets tot +stand te brengen, heeft men niet alleen geld en goeden wil noodig. In +ons land wordt daar voor bovendien vereischt zelfverloochening, +hardnekkigheid en geloof: de grond is er niet voor bereid, maar staat +alleen vol onkruid." + +Ibarra begreep de waarde dier woorden, doch hij meende zich niet te +mogen laten ontmoedigen: de gedachte aan Maria Clara was hem te sterk, +hij moest wat hij haar geboden had verwezenlijken. + +"Geeft uw ervaring u geen ander middel aan de hand dan dat eene +harde?" vroeg hij zacht. + +De oude greep hem bij den arm en leidde hem naar het venster. Er woei +een frissche wind, voorbode van de "norte," voor zijn oogen strekte +zich de tuin uit, begrensd door het uitgestrekte bosch, dat als park +dienst deed. + +"Waarom zouden wij niet doen evenals die zwakke stengel daar, met +al die rozen en knoppen?" zeide de filosoof, terwijl hij naar een +schoonen rozenstruik wees. "De wind waait en grijpt hem aan: hij +buigt, alsof hij zijn kostbare vracht wil verbergen. Als de stengel +rechtop bleef, zou hij afbreken, de wind zou de bloemen verwaaien, +en van de knopjes zou niets terechtkomen. De wind gaat liggen en de +stengel richt zich weer op, trotsch op zijn schat: wie zal 't hem +kwalijk nemen dat hij voor nooddwang 't hoofd gebogen heeft? Kijkt +u daar verderop eens naar dien reusachtige _koepang_, die daar zoo +statig zijn hoog lover tegen den hemel beweegt. Daar nestelen welig +arenden in zoo'n boom. Ik heb hem indertijd als een teer plantje +uit het bosch gehaald en ik heb zijn stammetje maanden achtereen met +bamboe-stokjes moeten stutten. Als ik hem groot en vol levenskracht +overgebracht had, dan zou hij stellig en zeker hier niet zijn blijven +leven: de wind zou hem neergesmeten hebben, voordat zijn wortels zich +in de aarde hadden kunnen vastwerken, voordat de aarde zelf ook om +hem heen voldoende stevig had kunnen worden om hem de noodige steun +te geven voor zijn omvang en hoogte. Zoo zal 't ook met u afloopen, +u een plant uit Europa overgebracht naar dit steenachtig terrein, +als u geen steun zoekt en u klein weet te maken. U bevindt zich in +een ongunstigen toestand, alleen en hoogstaand: de grond onder u bent +onvast, de hemel spelt onweer, en 't is al gebleken dat de kruin +van de boomen van uw familie de bliksem aantrekt. 't Is geen moed +meer, maar waaghalzerij alleen te willen vechten tegen zijn heele +omgeving. Niemand zal 't een loods verwijten, wanneer hij schuilt in +een haven bij den eersten windstoot van een storm. Bukken als er een +kogel komt aansnorren, is geen lafheid; wel is 't verkeerd dien te +trotseeren, om te vallen en niet weer op te staan." + +"En zou dit offer de vruchten leveren, die ik ervan hoop te +krijgen? Zou de geestelijke in me gelooven en de beleediging, die +ik hem aangedaan heb vergeten? Zouden ze me vrijmoedig helpen, om +'t onderwijs te bevorderen, terwijl dit juist de rijkdommen van 't +land aan de geestelijkheid betwist? Zou 't niet mogelijk wezen dat ze +vriendschap huichelden, dat ze deden alsof ze me beschermen wilden, +en dat ze me achter den rug, in 't donker, bestreden en ondermijnden, +dat ze me om zoo te zeggen in mijn hiel verwondden, om me eerder de +doen wankelen dan wanneer ze me van voren te lijf gingen? Gegeven de +antecedenten die u veronderstelt, kan men alles verwachten." + +De oude man zweeg een wijle, zonder te kunnen antwoorden. Hij dacht +eenige oogenblikken na en hervatte: + +"Als dat gebeurde, als de zaak faliekant uitging, zou u troost +vinden bij de gedachte dat u alles gedaan had wat van uzelf afhing, +en zelfs dan zou u iets gewonnen hebben, u zou 't eerste zaad er +gezaaid hebben. Na 't bedaren van den storm zou er wellicht een zaadje +ontkiemen, 't zou de ramp overleven, 't soort redden van algeheelen +ondergang en later als zaailing kunnen dienstdoen voor de kinderen +van den gestorven zaaier. Het voorbeeld kan anderen lokken die nu +zich alleen door hun vrees laten weerhouden om een begin te maken." + +Ibarra overwoog deze redeneering, zag zijn toestand in, en begreep +dat de oude heer met al zijn zwartziendheid groot gelijk had. + +"Ik geloof u!" riep hij uit en drukte hem de hand. "Ik heb niet voor +niets op een goeden raad gehoopt. Vandaag nog ga ik ronduit de zaak +aan den pastoor blootleggen. Per slot van rekening heeft die me in +'t geheel geen kwaad gedaan, en moet hij een goed man wezen. Ik moet +hem bovendien zijn belangstelling vragen voor die ongelukkige gekke +vrouw en haar kinderen: ik stel vertrouwen op God en de menschen." + +Hij nam afscheid van den grijsaard, en te paard stijgende, vertrok hij. + +"Opgepast!" mompelde de pessimistische wijsgeer, terwijl hij hem met +de oogen volgde: "we moeten 's nagaan, hoe 't lot verder de komedie +zal afspelen die op het kerkhof begonnen is." + +Ditmaal vergiste bij zich werkelijk: de komedie was al veel eerder +begonnen. + + + + +XXV. + +De vooravond van 't feest. + + +'t Is de tiende November, de dag voor het feest. + +Het dorp is uit zijn gewone eentonigheid getreden, en geeft zich +over aan een groote bedrijvigheid; thuis, op straat, in de kerk, +in de hanenvechtplaats en buiten. De vensters worden behangen met +vlaggen en sierdoeken van allerlei kleur. De lucht weerklinkt van +vuurwerkgeknal en van muziek. 't Is overal opgewektheid en pretlust. + +Allerlei ingemaakte vruchten van 't land worden door de _dalaga_ +in glazen schaaltjes op een tafeltje gerangschikt, waarop +ze een geborduurd wit laken gespreid heeft. In 't _patio_--de +binnenhof--piepen kuikens, kakelen kippen, knorren varkens, die alle +opgeschrikt zijn door 't vreugdebetoon der menschen. De bedienden +gaan trap op trap af, dragende verguld vaatwerk en zilveren lepels en +vorken. Hier maakt men zich boos, omdat er een bord gebroken wordt, +daar lacht men een buitenmeisje uit om haar onhandigheid: overal +worden bevelen gegeven, wordt gefluisterd, of gelachen, maakt men +toespelingen en opmerkingen, voorspelt men, windt de een den ander op, +en alles is verwarring, gedruisch en gewoel. En al deze moeiten en +zorgen, al dit wenschen en hopen is voor de bekende of de onbekende +gasten die verwacht worden; om dezen of genen feestelijk te onthalen, +dien men wellicht nooit te voren gezien heeft en ook misschien nooit +meer terug zal zien; zoo dat buitenlander en vreemdeling, vriend en +vijand, Filippijner en Spanjaard, arme en rijke er voldaan mogen +wezen. Men vraagt zelfs niet van hen dat ze dankbaar zullen zijn, +noch verwacht men van hen dat ze de gastvrije familie gedurende of +na de verorbering van al 't goede ongedeerd zullen laten. + +De rijken, zij die wel eens een keer in Manila geweest zijn en iets +meer gezien hebben dan de andere menschen, hebben bier, champagne, +wijn en Europeesche eetwaren gekocht, waarvan ze zelf nauw een hapje +of slokje zullen gebruiken. Hun tafel is schitterend aangericht. + +In 't midden staat een fraai nagemaakte ananas, waarin tandestokertjes +gestoken zijn, 't keurige snijwerk der dwangarbeiders, dat ze in +hun rusttijd vervaardigd hebben. Men ziet daar een waaier, een +ruikertje, een vogel, een roos, een palmboom en eenige kettinkjes, +alles uit één stuk hout gesneden. De kunstenaar is een veroordeelde, +het werktuig een slecht mes, en de inspiratie de stem van den +mandoer. Aan weerszijden van deze ananas--die _palillera_, dat is +tandestoker-houder heet--verheffen zich op glazen vruchten-schalen +heele pyramiden van sinaas-appelen, _langsoen's_ [23], _srikaja's_, +_sawomanila's_ [24] en zelfs mangga's, ofschoon 't reeds November +was. Dan volgen op groote schotels, neergelegd op uitgesneden en +bontgekleurd papier Europeesche en Chineesche hammen, een groote +pastei in den vorm van 't "Lam Gods" of van een duif--de Heilige +Geest wellicht--gevulde kalkoenen enz. En tusschen deze in staan de +dik-lijvige _atjar_-flesschen grillig versierd met uitknipsels van +_pinang_-bloesem, bladgroenten en vruchten, die met stroop op den +buitenwand der flesschen geplakt zijn. + +De glazen bollen--die men aan de zoldering hangt--erfstukken van vader +op zoon,--worden schoongemaakt, de koperen hoepels glimmend gepoetst, +de petroleum-lampen ontdaan van hun roode hulsels, die ze 't heele +jaar voor vliegen en muskieten behoedt en nutteloos gemaakt hebben. De +kristallen hangertjes en prisma's tingelen harmonieus tegen elkaar +aan, ze zingen, en 't is of ze in de feestvreugde deelen. Ze ontleden +de lichtstralen en doen de kleuren van den regenboog op de muren +vallen. De kinderen spelen en dartelen, loopen de kleuren na, stooten +hier en daar tegen-aan en breken lampenglazen, doch dit belet niet +dat de feestvreugde blijft aanhouden: 't is ook niet alle dagen feest. + +Evenals deze eerwaardige lampen treden ook de "werkjes" van +'t jongemeisje uit hun schuilhoeken te voorschijn: gehaakte +sluiers, kleedjes, kunstbloemen; er verschijnen antieke kristallen +presenteer-blaadjes, waar op de bodem een miniatuur-meertje is +voorgesteld met vischjes, krokodillen, schelpdieren, zeewier, koraal- +en andere rotsen, gemaakt van hel-kleurig glas. Deze blaadjes worden +belegd met sigaren, sigaretten en kleine _sirih_-pruimpjes, die door +fijne jongmeisjesvingers zijn vervaardigd. + +De vloer van 't huis glimt als een spiegel. Gordijnen van zijde of +van _pina_ (ananas-vezel) tooien de deuren. Aan de vensters hangen +lantarens van glas of van rooskleurig, blauw, groen of rood papier. Het +huis komt vol bloemen en bloempotten op voetstukken van Chineesch +porselein. Tot zelfs de heiligen maken zich mooi; beelden, platen en +relikwieën krijgen hun Zondagsch uiterlijk, men stoft ze af, de glazen +worden schoon gemaakt, en bloemtuiltjes aan de lijsten opgehangen. + +Op straat worden op geregelde afstanden grillige eerebogen opgericht +uit op allerlei manieren bewerkte bamboe. Men noemt die _singkaban_. Er +om heen wordt bamboe-loof aangebracht, waarvan de aanblik alleen +de harten der kinderen reeds verheugt. Rondom de binnenhof--'t +_patio_--van de kerk staat het groote en kostbare verhemelte, +ondersteund door dikke bamboestaken, waar de processie onder door +moet trekken. Nu spelen de kinderen eronder: ze loopen, klauteren, +springen, en scheuren de nieuwe baadjes, waar ze op den feestdag mee +moesten pronken. + +Ginds, op het plein, is van bamboe, _nipah_-blad en hout een estrade +opgericht: het tooneel. Daar zal de komedie van Tondo wondere dingen +vertoonen, en met de goden wedijveren in onwaarschijnlijkheden. Daar +zullen zingen en dansen Marianito, Chananay, Balbino, Ratia, Carvajal +en hoe ze verder heeten mogen. De Filippijner houdt van tooneelspel +en woont de dramatische voorstellingen met hartstocht bij, luistert +stil naar het zingen, bewondert het dansen en de mimiek, fluit niet +uit, maar juicht evenmin toe. Als hem de voorstelling niet bevalt, +wel dan verschuift hij zijn _woejoe_ of _sirih_-pruimpje, en gaat +heen zonder de andere menschen te hinderen, die er misschien wel +pleizier in hebben. Alleen joelt zoo nu en dan het lage volk wanneer +de akteurs de aktrices kussen, maar verder gaat dat niet. Vroeger +tijd stelde men alleen drama's voor. De dorps-poëet maakte een stuk, +waarin iedere twee minuten bepaald een gevecht moest voorkomen, verder +een "jocoso" of komiek en ijzingwekkende tooneelveranderingen. Doch +sinds de Tondosche artiesten iedere vijftien seconden gingen kloppen, +kregen ze twee komieken, en begonnen ze nòg onaannemelijker zaakjes +te vertoonen, doodden ze hun kollega's uit de provincie. + +De burgemeester was er verzot op, en koos na overleg met den pastoor, +het blijspel: "Prins Villardo of de verlossing der slaven uit de +snoode spelonk", een stuk met toover-effekten en vuurwerk. + +Van tijd tot tijd luidden de klokken met vroolijk geluid, dezelfde +klokken die tien dagen te voren zoo'n droevigen toon hadden laten +hooren. Vuur-raadjes en donderpotten doen de lacht daveren: de +Filippijnsche vuurwerker die zijn kunst geleerd heeft zonder eenige +bekende meester, gaat zijn bekwaamheden aan den dag leggen, werkt +druk aan zijn "stieren," zijn vuur-kasteelen met bengaalsch licht, +papier-ballons gevuld met warme lucht, "briljant-wielen", bommen, +vuurpijlen en wat niet al. + +Hoor, daar klinkt muziek in de verte. De jongens loopen ijlings het +dorp uit, om de muziekkorpsen te begroeten. Er zijn er vijf gehuurd, +ongerekend de drie orkesten. De muziek van Parsanghan, 't eigen korps +van de notaris, mag niet ontbreken evenmin als dat van 't dorp S. P. de +T., dat toentertijd beroemd was, omdat het gedirigeerd werd door de +"maestro" Austria, bijgenaamd "Cabo Mariano", Mariannen-opperhoofd, +de zwerveling, die, naar men zegt, roem en harmonie brengt bij den +eersten zwaai van zijn dirigeer-stok. De muziek-kenners roepen over +zijn doodenmarsch "De Wilg", en betreuren het dat hij geen muzikale +opleiding gehad heeft, want met zijn genie zou hij anders de glorie +van zijn land geworden zijn. + +De muziek komt het dorp binnen onder het spelen van vroolijke +marschwijzen, gevolgd door schunnig gekleede en half naakte +kinderen. De eene draagt 't baadje van zijn broer, een ander de broek +van zijn vader. Zoodra de muziek opgehouden is, kennen ze de melodie +van buiten, neuriën of fluiten die na met zonderlinge zuiverheid en +geven hun oordeel erover ten beste. + +In den tusschentijd komen zoetjes-aan in boeren-karren, "kalessen" +en gewone rijtuigen de verwanten, de vrienden, de onbekenden, de +spelers en wedders van beroep met hun beste hanen, met zakken goud, +bereid om hun fortuintjes te wagen, 't zij op 't groene laken, +'t zij binnen de "rueda" van de hane-vechtplaats. + +"De _alférez_ heeft voor iederen avond vijftig _pesos!_" mompelt een +klein dik kereltje in 't oor der pas aangekomenen. "Capitán Tiago komt +straks en zal bank houden. Capitán Joaquin brengt achttien duizend +_pesos_. Er zal ook 'liam-po' gespeeld worden: de Chinees Carlos houdt +het spel met een kapitaal van tien duizend. Van Tanaun, van Lipa en +van Batangas, als ook van Santa Cruz komen groote inzetten. 't Wordt +grootscheeps! 't Wordt grootscheeps! Maar gebruikt een kop chocola. Dit +jaar zal Capitán Tiago ons niet meer villen, zooals verleden jaar: +hij heeft dezen keer maar drie dankmissen bekostigd, en ik heb een +heele _moetia_ kakao. [25] En hoe gaat het met de familie thuis?" + +"O goed, dank u!" antwoordden de vreemdelingen. "En hoe is 't met +Pater Dámaso?" + +"Pater Dámaso preekt 's morgens, en 's avonds gaat hij met ons een +kaartje leggen." + +"Mooi zoo, mooi zoo! Dan is er heelemaal geen gevaar!" + +"Volkomen veilig, we zijn absoluut zeker! De Chinees Carlos laat +bovendien los!" + +En de kleine dikkerd maakte met zijn vingers een gebaar alsof hij +geld telde. + +Buiten trokken de bergmenschen, de _kasama_, hun beste plunje aan, +om naar het dorp te komen en daar aan hun compagnons-geldschieters +gemeste kippen, wilde varkens, herten en gevogelte te brengen. Dezen +laadden op de zware karren brandhout, genen fruit, slingerplanten, de +zeldzaamste die in 't bosch groeien, anderen brachten breedgebladerde +_sagà biga_ [26] en struiken met hun vuurroode bloemen, om er de +deuren der huizen mee te versieren. + +Doch waar de meeste drukte heerschte--zoodat het zelfs wel een oploop +leek--was daar ginds op een soort ruime ophooging, op eenige schreden +van Ibarra's huis. Er knarsen katrollen, men hoort er kreten, het +metaal-achtig geluid van steen-houwen, het geklop van hamers op +spijkers, het gekap van bijlen op balken. + +Een menigte menschen zijn bezig een breed en diep gat te +graven. Anderen leggen steenen op rijen, die zoo juist uit de +steengroeven zijn gehaald, ontladen karren, hoopen zand op, stellen +draaibanken en wind-assen op... + +"Hier! Dat daar! Vlug wat!" riep een oud kereltje met een opgewekt +en verstandig gezicht, die een meter met koperen kantjes in de hand +had, en een schietlood aan een touwtje daarom heen geslingerd. Het +was _Señor Juan_, de baas van 't werk, de bouwmeester, metselaar, +timmerman, witter, slotenmaker, steenhouwer en--soms ook--beeldhouwer. + +"We moeten nu nog klaar komen! Morgen kan er niet gewerkt worden, +en overmorgen is het feestdag. Vlug wat!" + +"Maak het gat zóó, dat deze cylinder er precies in past!" zeide hij +tot een paar steenhouwers die bezig waren een grooten vierkanten +steen te polijsten. "Hier binnen-in worden onze namen bewaard." + +En hij herhaalde aan iedere vreemdeling die kwam kijken wat hij al +honderden malen gezegd had. + +"Weet u wat we hier gaan bouwen? Een school, een model dingetje, net +als die in Duitschland, beter nog! Het plan is door den architekt +R. gemaakt en ik, ik ben de baas van 't werk! Ja, meneer, kijkt u +'s, dit wordt een paleis met twee vleugels: een voor de jongens, +en een voor de meisjes. Hier in 't midden komt een groote tuin met +drie fonteinen; daar, op zij, worden boomen gezet, en daartusschen-in +komen moestuintjes, waar de kinderen in hun vrijen tijd kunnen zaaien +en planten: zoo maken ze er een nuttig gebruik van en vermorsen hun +tijd niet. Kijkt u 's hoe diep de fondamenten gaan! Drie meter vijf en +zestig, alsjeblief! Het gebouw krijgt kelders, onderaardsche kamers, +waar de ondeugende kinderen kunnen opgesloten worden. Die komen dicht, +heel dicht bij de speelplaats en 't gymnastieklokaal, dan kunnen de +gestraften hooren hoe de goed oppassende kinderen pret hebben. Ziet u +die groote, open ruimte? Dat wordt het speelveld voor de jongens, daar +kunnen ze in de open lucht vrij loopen en springen. De meisjes krijgen +een tuin met banken, schommels, rijen boomen voor het _komba_-spel +[27], fonteinen, groote vogelkooien enz. + +"O, 't wordt alles prachtig!" + +En _Ñor [28] Juan_ wreef zich in de handen bij de gedachte aan de eer +die hij met zijn werk zou inoogsten. Er zouden vreemdelingen komen +om het te zien, en die zouden vragen: "Wie is de groote bouwmeester +die dàt werk uitgevoerd heeft?" + +"Weet u dat niet? Wel, 't is haast niet te gelooven dat u _Ñor +Juan_ niet zoudt kennen! U komt stellig van heel ver," zou iedereen +antwoorden. + +Vervuld van deze gedachten liep hij van 't eene uiteinde naar 't +andere, keek en pluisde alles na. + +"Dat 's veel te veel hout voor een hijschtoestel, zeg!" zeide hij +tot een geelkleurigen man, die eenige werklieden aan 't werk had; +"dat zou ik doen van drie lange stukken bij wijze van drievoet, +met nog drie andere als dwarshouten." + +"_Aba!_" antwoordde de gele man en lachte eigenaardig, "hoe meer omslag +we maken, hoe meer effekt ons werk zal hebben. Het geheel heeft dan +meer aanzien, wordt voornamer. En de menschen zullen zeggen: 'wat is +er gewerkt!' U zult 's zien hoe 'n hijschtoestel ik in elkaar zet! Ik +zal 't daarna opsieren met bladerrollen, met slingers van blâren en +bloemen. Dan zal 't u genoegen doen, dat u mij onder uw werklui heeft +aangenomen. En meneer Ibarra zal niet meer kunnen verlangen." + +En de man lachte weer, en glimlachte; _Ñor Juan_ lachte ook flauwtjes, +en schudde 't hoofd. + +Op eenigen afstand van daar zag men eenige kiosken, onder elkaar +verbonden door een soort overdekte gang met een dak van pisangblaren. + +De schoolmeester was met een dertigtal jongens bezig kransen te +vlechten en vlaggen vast te maken aan de met geplooid wit doek +overtrokken bamboe-stijltjes. + +"Jullie moeten de letters mooi schrijven, hoor!" zeide hij tot de +knapen, die voor de opschriften moesten zorgen. + +"De burgemeester komt, er zullen ook veel pastoors bij 't feest +komen, misschien komt de _Capitán Generaal_ [29] want die is in de +provincie. Als die heeren zien dat jullie mooi teekenen, dan prijzen +ze jullie misschien?" + +"En geven ze ons dan een schoolbord?" + +"Wie weet. Maar meneer Ibarra heeft er al een uit Manila +besteld. Morgen zullen er eenige dingen aankomen, die onder jullie +als prijzen verdeeld zullen worden... Och, laat die bloemen maar in +'t water: morgen zullen we wel de bouquetten maken. Jullie moeten nog +meer bloemen halen, want de tafel moet er mee bedekt zijn. Bloemen +zijn zoo vroolijk voor 't gezicht." + +"Mijn vader zal morgen _baïno_-bloemen en een mand _tjempaka's_ +meebrengen." + +"De mijne heeft drie groote karren vol zand gebracht, en ze hebben +hem niet betaald." + +"Mijn oom heeft beloofd een onderwijzer te bekostigen," voegde een +neef van Capitán Basilo eraan toe. + +Inderdaad had het plan bijna bij iedereen sympathie ontmoet. De +pastoor had verzocht zelf beschermheer te mogen wezen en den eersten +steen te leggen: een plechtigheid die op den laatsten dag van 't +feest plaats zou hebben en een der voornaamste punten van 't program +zou uitmaken. Zelfs was de coadjutor schuchter bij Ibarra gekomen, +om hem al de missen aan te bieden die de vromen voor hem betalen +zouden tot de voltooiing van 't gebouw toe. Meer nog: zuster Rufa, +de rijke zuinige dame, had gezegd dat als er soms geld te kort kwam, +zij wel in eenige dorpen zou rondgaan, om aalmoezen te vragen. Ze +stelde alleen maar als voorwaarde dat ze de reis- en verblijfkosten +betaald kreeg en zoo meer. Ibarra dankte haar en antwoordde: + +"We zouden niet veel ophalen, want ik ben niet rijk, en dit gebouw +wordt ook geen kerk. Bovendien heb ik niet beloofd het te zullen +oprichten op een andermans kosten." + +De jongelieden, de studenten, die uit Manila kwamen om 't feest te +vieren, bewonderden hem, en namen hem tot voorbeeld. Helaas keken +enkelen alleen naar de manier waarop hij zijn das toeknoopte, anderen +naar zijn halsboord, en verscheidenen van hen naar het aantal knoopen +van zijn jas en zijn vest. + +De noodlottige voorgevoelens van den ouden Tasio schenen voor altijd +gelogenstraft. Ibarra gaf dit eens op een dag te kennen, doch de oude +zwartkijker antwoordde: + +"Denk maar 's aan wat Baltasar zegt: + + + Treedt hij bij uw aankomst u blij tegemoet, + Met vriendlijk gebaar en met hartelijken groet, + Voorzichtig dan maar, want die vriendlijke man, + Is wellicht uw vijand, die zint op verraad. + + +Die Baltasar was even goed dichter als denker." + +Deze en andere voorvallen meer hadden plaats op den dag voor het feest, +voor 't ondergaan der zon. + + + + +XXVI. + +In den avond. + + +Bij Capitán Tiago in huis waren ook groote toebereidselen +gemaakt. Zooals van hem te verwachten was, moesten zijn praalzucht +en zijn trots als groot-stadsmensch de provincialen schitterend +overbluffen. Er was nog een andere reden die hem verplichtte er naar +te streven om de anderen den loef af te steken: hij had Maria Clara +tot dochter, en zijn aanstaande schoonzoon was op de plaats de man +die zoo aller aandacht in beslag nam. + +Inderdaad: een der ernstigste bladen van Manila had een hoofdartikel +aan hem gewijd, getiteld: "Volgt hem na." waarin hij overladen werd met +loftuitingen en hem tevens eenige raadgevingen werden toegediend. Hij +werd er genoemd: "de verlichte jonge en vermogende kapitalist." Twee +regels verder "de edele menschenvriend." In het volgende gedeelde +"de voedsterling van Minerva," die naar 't moederland was gegaan, om +de echte bakermat der kunsten en wetenschappen te gaan begroeten, en +wat verderop "de Filippijnsche Spanjaard" enz. Capitán Tiago brandde +van grootmoedige wedijver, en begon erover te denken of het niet +misschien ook zijn plicht was, op zijn kosten een klooster te stichten. + +Eenige dagen te voren waren er in het huis dat Maria Clara en haar +tante Isabel bewoonden een menigte kisten met Europeesche eetwaren +en dranken, ontzaglijke spiegels en schilderijen aangekomen. Ook de +piano van 't jonge meisje was erbij gezonden. + +Capitán Tiago kwam den dag voor het feest. Toen zijn dochter hem de +hand kuste, had hij haar een fraai goud relikwie-kistje met briljanten +en smaragden ten geschenke gegeven, dat een spaander bevatte van +Petrus' boot, waar onze Lieve Vrouw gedurende het visschen op +gezeten had. + +De ontmoeting met den aanstaanden schoonzoon kon niet hartelijker +wezen. Men sprak natuurlijk van de school. Capitán Tiago wilde dat +ze Sint Franciskusschool zou genoemd worden. + +Er kwamen eenige vriendinnen van Maria Clara en deze noodigden haar +uit, om mee te gaan wandelen. + +"Maar kom gauw thuis," zeide Capitán Tiago tot zijn dochter, die hem +om permissie vroeg, "je weet wel dat Pater Dámaso van avond komt eten: +die is pas aangekomen." + +En zich tot Ibarra wendende, die stil geworden was, voegde hij +eraan toe: + +"Komt u ook bij ons eten: bij u thuis bent u alleen." + +"Met heel veel genoegen, maar ik moet in huis wezen, voor 't geval +er bezoek komt," antwoordde de jongeman stamelend, terwijl hij Maria +Clara's blik ontweek. + +"Breng uw vrienden hier," gaf Capitán Tiago onverstoord terug, "bij +mij in huis is altijd eten in overvloed. Ik zou bovendien graag zien +dat u en Pater Dámaso 't bijlegden..." + +"O, daar is 't nog wel tijd voor!" antwoordde Ibarra met een gedwongen +lachje, en hij gaf te kennen dat hij met de meisjes mee wilde gaan. + +Ze gingen de trap af. + +Maria Clara liep tusschen Victoria en Iday in. Tante Isabel volgde +daarachter. + +De menschen gingen eerbiedig op zij, om hen door te laten. + +Maria Clara was dien avond verrassend schoon: haar bleekheid was +verdwenen, en zoo heur oogen al wat peinzend bleven, scheen haar +mond van niets dan lachen te weten. Met de minzaamheid der gelukkige +jonkvrouw groette ze de oude kennissen uit haar kindsheid, thans +de bewonderaars van haar zoo gezegende meisjesjaren. In minder dan +veertien dagen had ze haar vroegere vrijmoedigheid, haar kinderlijke +praatlust herwonnen, die binnen de benauwde muren van 't klooster +ingesluimerd schenen te wezen. Ze was als de vlinder die bij 't +verlaten van den pop-toestand al de bloemen terugkent. Deze hoefde +slechts een oogenblik rond te vliegen en zich te koesteren aan de +gulden zonnestralen, om de stijfheid van zijn vorigen staat af te +schudden. Het nieuwe leven vond weerklank in heel het wezen van 't +jonge meisje, alles vond ze mooi en goed; ze toonde haar liefde met +die maagdelijke aanvalligheid, welke, niet anders dan reine gedachten +ziende, het waarom van valsch schaamrood niet kent. + +Toch dekte ze zich het gelaat met den waaier, wanneer men haar eens +vroolijk plaagde, maar dan lachten haar oogen en doorliep een tinteling +haar leden. + +Aan de huizen begon men de verlichting aan te steken, en in de straten, +waar de muziek rondging, volgden de kroonlampen van bamboe en hout, +nabootsingen van kerkkronen. + +Binnen in de huizen der straat bespeurde men door de geopende vensters +de menschen druk doende in een omgeving van licht en bloemengeur, bij +de tonen van piano, harp of orkest. Over de straat liepen Chineezen, +Spanjaarden, Filippijners, en deze in Europeesche of wel in inlandsche +kleederdracht. Dooreen krioelend, elkaar duwend en dringend liepen +daar bedienden met vrachtjes vleesch en kippen, in 't wit gekleede +studenten, mannen en vrouwen, op gevaar af van overreden te worden door +de vele rijtuigen en karretjes, die in weerwil van 't _tabi_-geroep +der koetsiers zich te nauwernood een doortocht konden banen. + +Voor 't huis van Capitán Basilio groetten eenige jongelieden het +gezelschap en noodigden het uit, om het huis te bezoeken. De vroolijke +stem van Sinang, die de trap kwam afhollen maakte een einde aan alle +verontschuldigingen. + +"Komen jullie even boven, dan ga ik straks met jullie uit. Ik vind +'t zoo vervelend met zooveel onbekende menschen samen te zijn: ze +hebben 't over niets anders dan over hanen en kaarten." + +Men ging naar boven. + +De voorzaal was vol menschen. Enkelen traden naar voren, om Ibarra +te begroeten, wiens naam bij iedereen bekend was. Ze sloegen verrukt +Maria Clara's schoonheid gade. En eenige oudjes mummelden, onder het +sirihkauwen door: "'t Is net de Heilige Maagd!" + +Daar moesten de nieuwgekomenen chocola gebruiken. Capitán Basilio +had zich sinds de buitenpartij als een boezemvriend en verdediger +van Ibarra doen kennen. Door 't telegram dat aan zijn dochter Sinang +was gegeven vernam hij dat Ibarra op de hoogte was van de voor dezen +ongunstige afloop van 't proces. En omdat hij niet onder wilde doen +in grootmoedigheid, stelde hij voor, zijn winst bij 't schaakspel op +te geven. + +Doch Ibarra wilde daar niets van weten, en toen sloeg Capitán Basilio +voor, dat Ibarra het geld voor de gerechtskosten zou gebruikten om +er een onderwijzer aan de toekomstige school mee te betalen. Onze +redenaar vond het daarna noodig zijn welsprekendheid aan te wenden +bij de andere tegenpartijen die hij had, om ze maar te doen afzien +van hun zonderlinge aanspraken. En hij zeide hun: + +"Geloof me: bij zoo'n proces komt de winnende partij er als een +geplukte kip af!" + +Doch hij slaagde er niet in iemand te overtuigen, ook al haalde hij +er de Romeinen bij. + +Nadat ze chocolade gebruikt hadden, moesten de jongelui de piano +hooren: de organist van 't dorp zou spelen. + +"Wanneer ik hem in de kerk hoor," zeide Sinang en wees naar hem, +"heb ik zin om te dansen. Nu hij piano speelt moet ik aan bidden +denken. Daarom ga ik maar met jullie mee." + +"Wilt u vanavond bij ons komen?" vroeg Capitán Basilio fluisterend +aan Ibarra, toen deze heenging. "Pater Dámaso zal de bank houden voor +een klein partijtje." + +Ibarra lachte even en antwoordde met een hoofdbeweging, die net zoo +goed ja als nee kon beteekenen. + +"Wie is dat?" vroeg Maria Clara aan Victoria, en wees met een snellen +blik naar een jongmensch dat hen volgde. + +"Die...dat is een neef van me", antwoordde ze eenigzins verlegen. + +"En die ander?" + +"Dat's geen neef van me," gaf Sinang snel terug, "dat is een zoon +van mijn tante." + +Ze liepen voorbij de pastorie waar het zeker niet 't minst druk en +levendig toeging. Sinang kon een uitroep van verbazing niet weerhouden, +toen ze zag dat de heel ouderwetsche lampen, die Pater Salvi anders +nooit liet aansteken om petroleum te sparen, nu brandden. Men hoorde +kreten en welluidende schaterlachen. Men zag de "frailes" langzaam +heen-en-weer-loopen, met in de maat wiegende hoofden, en de lippen +getooid met een dikke sigaar. De wereldlijke heeren die zich onder +hen bevonden trachtten al wat de goede paters deden na te doen. Te +oordeelen naar de Europeesche kleederen die ze droegen, moesten het +beambten of autoriteiten uit de provincie wezen. + +Maria Clara bespeurde den lijvigen omtrek van Padre Dámaso naast het +onberispelijk "silhouet" van Padre Sibyla. Roerloos op zijn plaats +zat de geheimzinnige, zwijgende Padre Salvi. + +"Hij is verdrietig!" merkte Sinang op; "hij bedenkt hoeveel hem al die +bezoekers kosten zullen. Maar je zult zien dat hij ze niet betaalt, +maar de kosters. Zijn logés eten altijd bij een ander." + +"Sinang!" vermaande Victoria. + +"Ik kan hem niet uitstaan sedert dat hij ons Rad van Fortuin heeft +kapot gemaakt. Ik ga niet meer bij hem biechten." + +Onder al de huizen onderscheidde er zich een, dat niet verlicht +was, en zijn vensters ook niet open had staan: 't was dat van den +_alférez_. Maria Clara verwonderde er zich over. + +"Die heks! De muze van de _Guardia Civil_, zooals de oude heer +zegt!" riep de verschrikkelijke Sinang. "Wat gaat haar onze pret +aan? Ze zal aan 't razen wezen. Laat de cholera maar 's komen, dan +zal je zien dat zij inviteert." + +"Maar Sinang!" berispte haar nichtje weder. + +"Ik heb haar nooit kunnen uitstaan, en allerminst sedert dat ze ons +feest gestoord heeft met haar soldaten. Als ik aartsbisschop was, dan +liet ik haar met Padre Salvi trouwen, je zou 's zien wat 'n kindertjes +dat geven zou! Dien armen 'loods' te laten oppakken, zie je, die in +'t water gesprongen is alleen om genoegen te doen aan..." + +Ze kon haar woorden niet voleindigen: op den hoek van het plein, waar +een blinde bij de gitaar de romance der visschen zong, deed zich een +vreemd schouwspel voor. + +'t Was een man wiens hoofd gedekt was met een groote _salakot_ van +palmbladeren, en die een armzalige plunje aan had. Dit bestond uit +een in flarden hangende lange jas, en een wijde broek zooals van de +Chineezen, die op verscheidene plaatsen gescheurd was. Zijn voeten +staken in ellendige sandalen. Zijn gelaat bleef, dank zij de _salakot_ +geheel en al in 't duister, doch uit die duisternis braken van tot +tijd twee lichtglanzen die dadelijk weer uitdoofden. Hij was lang van +gestalte en naar zijn beweging te oordeelen moest hij jong wezen. Hij +zette een mand op den grond neer, en verwijderde zich daarna onder het +uitspreken van vreemdsoortige onverstaanbare klanken. Hij bleef geheel +afgezonderd staan, net alsof hij en de menigte elkaar meden. Toen +kwamen er eenige vrouwen naar hem toe en legden wat vruchten, visch, +rijst a. a. in de mand. Toen er niemand meer naar hem toe kwam, +klonken er uit de hoedduisternis andere, nog droeviger, maar minder +klagelijke geluiden: een dankzegging wellicht. Daarna nam hij zijn +mand op en verwijderde zich om elders hetzelfde nog eens te doen. + +Maria Clara had een voorgevoel van iets akeligs, en vroeg vol +belangstelling naar dat vreemde wezen. + +"Dat is de melaatsche," antwoordde Iday. "Vier jaar geleden heeft +hij die ziekte opgedaan: sommigen zeggen doordat hij zijn moeder +verpleegd heeft, anderen weer doordat hij in de vochtige gevangenis +geweest is. Hij woont daar ginds buiten, niet ver van 't Chineesche +kerkhof. Hij gaat met niemand om, iedereen loopt van hem weg uit +vrees voor besmetting. Och, als je toch 's zijn huisje zag. 't Is +een krot, waar wind, regen en zon vrijen toegang hebben. 't Is hem +verboden iets aan te raken dat aan de menschen toebehoort. Eens op +een dag viel er een kleine jongen in 't kanaal. Het kanaal was niet +diep, en hij liep juist daar voorbij--hij hielp er hem dus uit. De +vader hoorde ervan, en beklaagde zich bij den burgemeester. En deze +liet hem midden op straat zes geeselslagen geven. De rotan moest +daarna verbrand worden. Dat was verschrikkelijk om aan te zien: +de melaatsche man liep hard weg. Zijn geeselaar hem achterna en de +burgemeester schreeuwde hem na: 'Pas op 'n andere keer. 't Is beter +dat iemand verdrinkt dan dat hij jouw ziekte krijgt.'" + +"Dat is waar!" mompelde Maria Clara. + +En zonder zich rekenschap te geven van wat ze deed, stapte ze snel +op de mand toe, en legde daarin het relikwie-kistje dat haar vader +haar kort te voren cadeau had gegeven. + +"Wat heb je gedaan?" vroegen haar vriendinnen. + +"Ik had niets anders!" antwoordde ze, terwijl ze de tranen van haar +oogen met een lach trachtte te verbergen. + +"En wat kan hij nu beginnen met jouw relikwie-kistje," zei +Victoria. "Eens op een dag gaven ze hem geld, maar hij schoof het +met een bamboe van zich weg; waartoe zou hij 't verlangen, als toch +niemand iets aanneemt dat van hem komt? Als hij 't relikwie-kistje +opeten kon, ja!" + +Maria Clara keek met jaloezie naar de vrouwen die eetwaren verkochten, +en haalde de schouders op. + +Doch de leproos trad op de mand toe, greep het kistje, dat in zijn +handen blonk, knielde neder, kuste het en, na zich 't hoofd ontbloot +te hebben, drukte hij zijn voorhoofd in 't stof dat het jongemeisje +betreden had. + +Maria Clara bedekte zich 't gelaat met haar waaier en bracht haar +zakdoek aan de oogen. + +Ondertusschen was er een vrouw naar den ongelukkige toegegaan, terwijl +deze scheen te bidden. Ze had het haar loshangend en verward om haar +hoofd. In 't licht der lantarens ontwaarde men de gelaatstrekken der +krankzinnige Sisa. + +Toen de melaatsche voelde dat zij hem aanraakte, slaakte hij een +kreet en sprong op. Doch de krankzinnige klampte zich tot ontzetting +der omstanders aan zijn arm vast, en zeide: + +"Laten we bidden, laten we bidden! 't Is vandaag dooden-dag! Die +lichten zijn de levens van de menschen. Laten we bidden voor mijn +kinderen!" + +"Doe ze van elkaar, doe ze uiteen! De krankzinnige zal besmet +worden!" schreeuwde men uit de menigte, doch niemand waagde het, +hen te naderen. + +"Zie je dat licht daar in den toren? Dat is mijn zoon Basilio, +die komt aan een touw naar beneden! Zie je dat daar verderop in 't +'klooster'? Dat is mijn zoon Crispin, maar ik zal ze niet zien, omdat +de pastoor ziek is en veel goud heeft, en het goud raakte weg. Laten +we bidden, bidden voor de ziel van den pastoor! Ik bracht hem altijd +groenten. Mijn tuin was vol bloemen, en ik had twee kinderen. Ik had +een tuin, ik kweekte mijn bloemen en ik had twee kinderen!" + +En de leproos loslatend, verwijderde ze zich al zingend: + +"Ik had een tuin met bloemen, ik had kinderen, en een tuin met +bloemen." + +"Wat heb je voor die arme vrouw kunnen doen?" vroeg Maria Clara +aan Ibarra. + +"Niets. Niets. Een dezer dagen was ze uit het dorp verdwenen, en +hebben ze haar niet terug kunnen vinden!" antwoordde de jongeman half +verlegen. "Ik heb 't bovendien erg druk gehad. Maar maak je maar geen +verdriet: de pastoor stelt veel belang in haar!" + +"Zei de _alférez_ niet dat hij de kinderen zou laten zoeken?" + +"Jawel, maar toen was hij een beetje ...aangeschoten!" + +Nauw had hij dit gezegd, of ze zagen de krankzinnige vrouw door een +soldaat voortslepen. Ze bood weerstand. + +"Waarom neemt u haar gevangen? Wat heeft ze gedaan?" vroeg Ibarra. + +"Hoe nu? Heeft u dan niet gezien hoe ze rumoer gemaakt +heeft?" antwoordde de bewaarder der openbare rust. + +De leproos nam ijlings zijn mand op en verwijderde zich. Maria Clara +wilde maar heengaan, want ze had haar vroolijkheid en opgewektheid +verloren. + +"Er zijn ook menschen die niet gelukkig zijn!" mompelde ze. + +Aan de deur van haar huis gekomen, voelde ze haar verdrietigheid nog +grooter worden, toen ze zag dat haar aanstaande weigerde boven te +komen, en afscheid van haar nam. + +"'t Moet!" zeide de jongeman. + +Maria Clara ging de trap op, denkende aan 't vervelende van de +feestdagen, wanneer zooveel vreemde menschen zouden komen logeeren. + + + + +XXVII. + +Brieven over het feest. + + +Om een denkbeeld te geven van 't feest, volgen hier een paar +correspondenties, waarvan een van de briefschrijvers van een ernstig +en voornaam blad van Manila, dat alle achting verdient om zijn toon en +strenge opvattingen. Enkele geringe en verklaarbare onnauwkeurigheden +zal men kunnen verbeteren. + +De waardige correspondent van 't edele blad schreef dan aldus: + + + Nooit te voren woonde ik bij, noch verwacht ik ooit te zullen + zien, een kerkelijk feest zóó plechtig, zóó schitterend en + aandoenlijk als dat hetwelk thans in dit dorp wordt gevierd + door de weleerwaarde en deugdzame paters Franciskanen. + + De toeloop van menschen is geweldig. Ik heb hier het genoegen + gehad, schier al de in deze provincie woonachtige Spanjaarden + te begroeten. Ik zag er drie eerwaarde paters Augustijners uit + de provincie Batangas, twee eerwaarde paters Dominikanen,--een + van welke was de zeer eerwaarde pater Fray Hernando + de la Sibyla--wier bezoek aan dit dorp voor de bewoners + onvergetelijk moet blijven. Ik heb ook een groot aantal chefs + van handelshuizen van Cavite en Pampanga, en veel vermogende + menschen uit Manila gezien, als ook veel muziekkorpsen, + waaronder het bijzonder geschoolde van Parsanghan, toebehoorend + aan den notaris Don Miguel Guevara. Ook een menigte Chineezen + en inlanders, die, met de eigenaardige nieuwsgierigheid der + eersten en den godsdienstzin der laatsten, vlasten op den + dag waarop het plechtige feest zou gevierd worden, om de + komisch-lyrisch-choreografisch-dramatische voorstelling bij + te wonen, voor welk een groot en ruim tooneel midden op het + plein is opgericht. + + Om negen uur in den avond van den tienden, voorafgaande aan + den feestdag, na de weelderige maaltijd, ons door de _Hermano + mayor_ [30] aangeboden, werd de aandacht van ons allen, + wereldlijken en geestelijken, in het klooster, getrokken door + de tonen van twee muziekkorpsen die vergezeld door drommen + volks en bij 't knallen van vuurpijlen en donderpotten, + en voorafgegaan door de notabelen uit het dorp, naar het + klooster kwamen, om ons af te halen en te geleiden naar + de voor ons bereide en bestemde zitplaatsen, teneinde de + tooneelvoorstelling bij te wonen. + + Wij moesten zwichten voor zulk een hoffelijke uitnoodiging, + ofschoon ik me veel liever in de armen van Morfeus had + geworpen, om zoete rust te schenken aan mijn verkneusde + leden, dank zij het geschok en gerammel van 't voertuig + dat de burgemeester van 't dorp B. ons voor onze overkomst + verschaft had. + + Wij gingen dus naar beneden en begaven ons naar onze + confraters die den avond-maaltijd gebruikten ten huize van + den godvruchtigen en vermogenden heer Don Santiago de los + Santos. De pastoor van 't dorp, de zeer eerwaarde pater + Fray Bernardo Salvi, en de zeer eerwaarde pater Fray Dámaso + Verdolagas, die door de bijzondere gunst des Allerhoogsten + reeds hersteld is van het lijden, dat een onvrome hand hem + aangedaan had, vergezeld van den zeer eerwaarde pater Fray + Hernando de la Sibyla en den braven pastoor van Tenauan + en nog andere Spanjaarden, waren de gasten ten huize van + den Filippijnschen Cresus. Daar hebben we het geluk gehad + niet alleen de weelderige inrichting en den goeden smaak + van gastheer en gastvrouw te bewonderen, welke zeker niet + alledaagsch is bij inlanders, maar ook de smaakvolle schoone + en rijke erfgename, welke laatste een volleerde discipel + der heilige Cecilia bleek te wezen want haar meesterlijk + klavier-spel bij 't vertolken der beste Duitsche en + Italiaansche compositiën herinnerde mij aan "la Galvez". Hoe + jammer dat zulk een volmaakte jonge dame zoo buitengemeen + bescheiden is en haar verdiensten verborgen houdt voor de + samenleving, welke voor haar slechts bewonderaars heeft. + + Ik mag niet in mijn inktpot laten, dat men ons ten huize van + onzen gastheer champagne en fijne likeuren liet gebruiken, + en wel in schitterenden overvloed, zooals we dat van den + bekenden kapitalist gewoon zijn. + + We woonden de tooneelvoorstelling bij. U kent reeds onze + artisten Ratia, Carvajal en Fernandez. Hun geestig spel + werd slechts door ons begrepen, want de menschen van minder + ontwikkeling konden er in 't geheel niet bij. Chananay en + Balbino waren goed, ofschoon een weinig schor. De inlanders, + vooral de burgemeester, vonden het Tagaalsche komedie-stukje + zeer naar hun zin: deze laatste wreef zich in de handen en + zeide ons, dat het wel jammer was dat men de prinses niet + met den reus had laten vechten, die haar geschaakt had, + hetwelk naar zijn idee wonderbaarlijker zou geweest zijn, te + meer als de reus onkwetsbaar bleek te wezen, behalve aan zijn + navel, gelijk een zekere Ferragus waarvan de geschiedenis der + Twaalf Pairs [31] verhaalt. De weleerwaarde pater Fray Dámaso, + deelde met de goedhartigheid die hem zoo bijzonder eigen is, + deze meening van den "gobernadorcillo", en voegde er bij, + dat in zoo'n geval de prinses er wel voor zou weten te zorgen + 's reuzen navel te ontbloten en hem den genadeslag te geven. + + Ik behoef niet te zeggen, dat gedurende de voorstelling de + beminnelijkheid des Filippijnschen Rotschilds niet gedoogde + dat ons iets zou ontbreken: sorbet, limonade gazeuse, andere + frissche dranken, banket en suikergoed, allerlei wijnen gingen + overvloedig rond onder de toeschouwers. Zeer opvallend--en te + recht--was de afwezigheid van den bekenden, fijn-beschaafden + jongeman Don Crisóstomo Ibarra, die, zooals men weet, morgen + moet voorgaan bij de plechtige eerste steenlegging van het + groote monument, dat hij op zulk een menschlievende wijze + laat oprichten. + + Deze waardige afstammeling der Pelayos en Elcanos (want, + zooals ik vernomen heb, is een zijn voorouders van vaders + kant uit onze heldhaftige, edele noordelijke provincies, + wellicht een der eerste metgezellen van Magalhaês en Legazpi) + heeft zich tengevolge van een kleine ongesteldheid in 't + vervolg van den dag evenmin vertoond. Zijn naam gaat van mond + tot mond, en men spreekt dien alleen uit met lof, welke niet + anders dan ten goede kan komen aan den roem van Spanje en haar + wettige kinderen als wij, die nimmer hun bloed verloochenen, + hoe gemengd het ook zij. + + Heden, den elfden, in den morgen, woonden we een zeer roerend + schouwspel bij. Deze dag is, zooals men algemeen weet, + die van het feest der Heilige Maagd des Vredes en dit wordt + gevierd door de broeders der Allerheiligste Rozenkrans. Morgen + zal 't de feestdag zijn van den Beschermheilige San Diego + [32], en daaraan nemen voornamelijk deel de broeders der + Ferceros-orde. Tusschen deze beide korporaties bestaat een + vrome wedijver om God te dienen, en deze vroomheid gaat zoo + ver, dat er heilige oneenigheden zijn ontstaan, zooals wat + onlangs voorviel, toen men elkaar den grooten redenaar van + erkenden faam betwistte, den reeds zooveel maal genoemden + weleerwaarde pater Fray Dámaso, welke morgen van het gestoelte + in de kerk van den Heiligen Geest een preek zal houden, die, + naar 't algemeene oordeel, een gebeurtenis op godsdienstig + en letterkundig gebied zal uitmaken. + + Welnu dan, zooals wij zeiden, woonden we een in hooge mate + stichtelijk en roerend schouwspel bij. Zes jonge geestelijken, + drie welke de mis moesten lezen en drie anderen bij wijze + van akolieten of helpers, traden de sakristie uit en nadat + dezen zich voor 't altaar ter aarde hadden gebogen, hief de + misbedienaar, de weleerwaarde pater Fray Hermando de la Sibyla, + het "Surge Domine" aan, na hetwelk de processie rondom de + kerk zou aanvangen. Hij deed dit met die heerlijke stem en + die godsdienstige wijding welke iedereen in hem erkent, en + welke hem de algemeene bewondering zoo waardig maken. Toen + het "Surge Domine" geëindigd was, maakte de burgemeester, + in zwarten rok, met het vaandel in de hand en gevolgd door + vier akolieten met wierookvaten een begin met den plechtigen + ommegang. Achter hen aan gingen de zilveren kerkkandelabers, + het gemeente-bestuur, de keurige in satijn en goud gedoste + beelden, voorstellende Sint Dominikus, Sint Jakob en de Heilige + Maagd des Vredes, welke laatste een prachtigen blauwen mantel, + belegd met verguld-zilveren plaatjes droeg, het geschenk van + den godvruchtigen burgemeester, van den zoo navolgenswaardigen + en nooit te veel genoemden Don Santiago de los Santos. + + Al deze beelden werden voortbewogen in zilveren voertuigen. + + Na de Moeder Gods kwamen wij, Spanjaarden en de geestelijken, + de misbedienaar schreed voorwaarts onder een draaghemel, + gedragen door de _baranggay_-hoofden, terwijl de processie + afgesloten werd door het waardige politie-korps der _guardia + civil_. 't Is wellicht onnoodig te zeggen dat een menigte + inlanders aan weerszijden van de processie liep, op vrome + wijze brandende kaarsen in de hand dragende. De muziek speelde + onderwijl godsdienstige stapwijzen, terwijl donderpotten en + vuurraderen herhaalde salvo's gaven. Bewonderenswaardig is + 't te zien, hoe deze plechtigheden bescheidenheid en eenige + vroomheid wekten in de harten der geloovigen, op te merken de + reine, groote vereering die ze wijdden aan de Heilige Maagd des + Vredes, de stichtelijkheid en vurige godsvrucht, waarmede wij + zulke plechtigheden vieren, wij die het geluk hadden geboren + te worden onder de gewijde en onbevlekte vlag van Spanje. + + Na afloop van de processie begon de mis-muziek, ten gehoore + gebracht door het orkest en de artiesten van den schouwburg. Na + het Evangelie, betrad de wel-eerwaarde pater Augustijn Fray + Manuel Martin den preekstoel. Deze, expresselijk uit de + provincie Batangas overgekomen, heeft het gansche gehoor, en + vooral de Spanjaarden in den aanhef die hij in 't Spaansch gaf, + volkomen geboeid en aan zijn lippen doen hangen. Hij sprak + die uit in kloeke taal en in zulke gemakkelijk verstaanbare + en toepasselijke bewoordingen, dat ze onze harten met gloed + en geestdrift vervulden. Zoo toch moet genoemd worden wat men + voelt, wat wij voelen, wanneer er gesproken wordt over de + Heilige Maagd of van ons geliefd Spanje, en vooral wanneer + in den tekst--aangezien deze er zich toe leent--denkbeelden + ingelascht kunnen worden van een onzer kerkvorsten, van + "Señor Monescillo" [33] welke denkbeelden ook stellig die + van alle Spanjaarden zijn. + + Na de mis gingen we weder gezamenlijk met de aanzienlijken van + het dorp en andere voorname personen naar het "klooster", + waar we uitnemend werden onthaald met de hoffelijkheid, + voorkomendheid en kwistige gastvrijheid welke den + wel-eerwaarden pater Fray Salvi kenmerken. Men bood ons + sigaren en een stevige "bowl," die de _Hermano mayor_ beneden + 't klooster had klaargemaakt voor een ieder die den aandrang + van zijn inwendigen mensch het zwijgen wilde opleggen. + + Gedurende den verderen dag ontbrak er niets, om het feest + vroolijk te maken en de opgewektheid te bewaren, welke zoo + kenmerkend is bij Spanjaarden: ze kunnen zich bij zulke + gelegenheden geen dwang opleggen, en toonen dan hetzij + in zang en dans, hetzij in andere eenvoudige en vroolijke + verpoozingen, dat ze een edele en krachtige inborst hebben, + dat tegenspoeden hen niet neer slaan en dat er op een gegeven + plaats slechts drie Spanjaarden hoeven bijeen te zijn, + om droefenis en misnoegen te bannen. Er werd dus in veel + huizen aan Terpsichore geofferd maar vooral in dat van den + roem omstraalden inlandschen millionair, bij wien wij allen + ten eten gevraagd waren. Ik behoef u wel niet te zeggen, + dat het feestmaal, rijk en schitterend aangericht, de tweede + veel verbeterde en vermeerderde druk was van de bruiloft van + Kana of van Camacho. + + Terwijl wij genoten van 't heerlijk banket, welks overvloed + was toebereid door een kok van het restaurant "la Campana," + speelde het orkest lieflijke melodieën. De zeer schoone + dochter des huizes, was gedost in een kostuum, zooals meisjes + van gemengd bloed wel dragen, en droeg een kostbaar snoer + diamanten ("cascade"). Als altijd was zij de koningin van 't + feest. Wij betreuren het allen in 't diepst van onze ziel, + dat een lichte verrekking van haar bekoorlijk voetje haar + beroofd heeft van de dansgenoegens; want, te oordeelen naar + 't geen haar volmaaktheden in alles aantoonen, moet mejuffrouw + de los Santos dansen gelijk een sylfide. + + Het hoofd van de provincie is heden in den namiddag aangekomen, + teneinde de plechtigheid van morgen met zijn tegenwoordigheid + op te luisteren. Hij betreurt zeer de ongesteldheid van den + alom zoo gezienen landeigenaar, den heer Ibarra. Doch, Gode + zij dank, hij is naar men ons mededeelt, aan de beterende hand. + + Van avond is er een plechtige processie geweest, daarover + spreek ik u in mijn brief van morgen; want, behalve dat ik wat + draaierig in mijn hoofd en een beetje doof ben geworden van + al het gebulder der donderpotten, ben ik nog erg vermoeid en + val ik om van de slaap. Terwijl ik dus herstel van krachten + ga zoeken in Morfeus' armen--alias 't ijzeren ledikantje in + 't klooster--wensch ik u, hooggeachte vriend, een goeden nacht. + + Tot morgen, den grooten dag! + + + Uw zeer toegenegen vriend die u de hand kust: + + De briefschrijver. + + San Diego, 11 November. + + +Dit schreef de goede correspondent van 't Manilasche blad; wat nu +volgt, schreef "Kapitein" Martin aan zijn vriend Luïs Chiquito: + + + "Waarde Choy! Kom spoedig over, als je kunt, want het feest is + heel vroolijk. Stel je voor, dat de bank van Capitán Joaquin + bijna gesprongen is: Capitán Diego heeft hem drie keer geslagen + en fijn ook, zoodat Cabesang Manuel, de heer des huizes, hoe + langer hoe kleiner wordt van de pret. Pater Dámaso heeft door + een slag met de vuist een lamp gebroken, omdat hij tot nu toe + nog geen enkele winnende kaart gehad heeft. De consul heeft met + zijn hanen en 't bankspel alles verloren wat hij op 't feest + te Binjang en op dat van Pilar de Santa Cruz gewonnen had. + + We hadden verwacht, dat Capitán Tiago zijn aanstaanden + schoonzoon bij ons zou brengen, den rijken erfgenaam van Don + Rafael, maar het schijnt dat deze zijn vader wil nadoen, want + hij heeft zich zelfs in 't geheel niet vertoond. Jammer! 't + Schijnt dat hij nooit zijn eigenbelang zal inzien. + + De Chinees Carlos is bezig een schep geld te verdienen met + het '_liam po_'. Ik vermoed dat hij iets verborgens bij zich + draagt, misschien een magneet: hij klaagt voortdurend over + pijn in 't hoofd. Hij draagt er een doek om, en wanneer het + draaibord van de 'liam po' langzamerhand stilstaat, dan buigt + hij zich eroverheen, zoodat hij het bijna aanraakt, net alsof + hij er goed naar kijken wil. Ik vertrouw het zaakje niet, + want ik ken meer zulke gevalletjes. + + 't Ga je goed, Choy! Mijn hanen houden zich kranig, en mijn + vrouw is vroolijk en amuseert zich best. + + + je vriend + Martin Aristorenas." + + +Ibarra had ook een geparfumeerd briefje ontvangen, dat Anding, Maria +Clara's zoogzuster, hem had ter hand gesteld op den avond van den +eersten feestdag. 't Luidde aldus: + + + "Crisóstomo: Je hebt je al den heelen dag niet laten zien. Ik + heb gehoord dat je een beetje ziek bent. Ik heb voor je + gebeden en twee kaarsen voor je aangestoken ofschoon papa zegt, + dat je niet ernstig ziek bent. + + Gisterenavond hebben ze me verveeld door me piano te laten + spelen en me te vragen, of ik wou dansen. Ik wist niet dat er + zooveel lastige, vervelende menschen in de wereld waren! Als + Padre Dámaso er niet geweest was--die heeft getracht mij af + te leiden door me allerlei dingen te vertellen--had ik me in + mijn slaapkamer opgesloten, om maar te slapen. Schrijf me wat + je scheelt, dan zal ik papa vragen of hij je op wil zoeken, + voorloopig stuur ik je Anding: die kan dan thee voor je zetten; + zij doet het goed, en misschien beter dan je bedienden. + + + Maria Clara." + + + "P. S. Als je morgen niet komt, ga ik niet naar de + eerste-steen-legging. 't Ga je goed." + + + + +XXVIII. + +De Morgen. + + +De muziek blies de reveille bij 't eerste morgenkrieken, en deed +door vroolijke wijsjes de vermoeide dorpsbewoners ontwaken. Leven +en bedrijvigheid hernieuwden zich, de klokken luidden weder, en het +gepaf en geknal begon. + +Het was de laatste dag van 't feest, de eigenlijke groote feestdag. Men +vlaste op heel wat meer dan den vorigen dag te zien was geweest. De +broeders die zich Hermenos Ferceros (derde broeders) noemden, waren +talrijker dan die van de _Allerheiligste Rozenkrans_ en de leden dezer +broederschap glimlachten vromelijk, zeker als ze waren, hun mededingers +te zullen vernederen. Ze hadden een grooter aantal kaarsen gekocht: de +Chineesche handelaars deden goede zaken, en dachten er uit dankbaarheid +over, zich te laten doopen; ofschoon sommigen beweerden, dat het niet +kwam uit geloovigheid, maar uit begeerte om een vrouw te kunnen nemen. + +Doch hierop antwoordden de vrome vrouwen: + +"Al was dat ook zoo, als zooveel Chineezen tegelijk trouwden, zou dat +stellig al een wonderbaarlijk iets wezen, en dan zouden hun vrouwen +ze wel bekeeren." + +De menschen trokken hun beste plunje aan, en al de sieraden kwamen uit +hun doosjes te voorschijn, zelfs de beroeps-kaartspelers en dobbelaars +pronkten met mooie witte hemden, afgezet met groote diamanten +knoopen, met zware gouden kettingen en keurige groote flaphoeden +van stroo. Alleen de oude filosoof bleef zooals hij was: een donker +gestreept hemd van _sinamai_ [34], tot aan den hals toegeknoopt, +gemakkelijk zittende schoenen en een breeden aschkleurigen vilten hoed. + +"U ziet er vandaag droeviger dan ooit uit!" zeide de _teniënte mayor_ +tot hem. "Vindt u 't niet goed, dat we van tijd tot tijd pleizier +hebben? Er is immers zooveel om over te schreien." + +"Pleizier hebben beteekent nog niet dwaasheden uithalen!" antwoordde +de oude man. "'t Is weer die onzinnige bras-partij van ieder jaar! En +waartoe dat alles? Geld weg te smijten als er zooveel ellende en +nood om ons heen is! Och, ik begrijp 't wel: 't is een zwelg- en +bras-partij, om 't zwijgen op te leggen aan al 't geklaag!" + +"U weet wel dat ik 't met u eens ben," hervatte Don Filipo, half +ernstig, half lachend. "Ik heb diezelfde meening verdedigd, maar wat +kon ik doen tegen den burgemeester en den pastoor?" + +"Je ontslag nemen!" antwoordde de filosoof en verwijderde zich. + +"Mijn ontslag nemen," mompelde de ander, terwijl bij naar de kerk +opwandelde. "Mijn ontslag nemen! + +"Jawel! Als mijn betrekking een eerebaantje was, en geen broodwinning, +ja dan nam ik mijn ontslag!" + +De binnenplaats der kerk was vol menschen. Mannen en vrouwen, kinderen +en oude lieden, allen in hun Zondagsche kleedij en grillig door elkaar +bewegend, gingen in en uit door de smalle deuren. 't Rook er naar +buskruit, naar bloemen, naar wierook en naar reukwater. Donderpotten, +vuurpijlen en voetzoekers deden de vrouwen wegloopen en schreeuwen, +en maakten de jongens aan 't lachen. Een muziek-korps speelde voor het +klooster, andere met het gemeentebestuur in optocht erachter, liepen +door de straten, waar tal van vlaggen uit de huizen wapperden. Lichte +en bonte kleuren trokken de oogen, melodieën en geraas troffen de +ooren. De klokken hielden niet op met luiden. Allerlei soorten van +rijtuigen, waarvan de paarden soms schichtig werden, steigerden, +of ervandoor gingen, woelden dooreen. En, hoewel dit geen nummer +van 't feestprogram uitmaakte, bood het gratis een belangwekkend +schouwspel aan. + +De Hermano mayor of hoofd-broeder van dien dag had bedienden de straat +op gezonden, om genoodigden bijeen te zoeken, op de wijze zooals dit +gedaan was door den gastheer waarvan het Evangelie ons spreekt. Men +inviteerde schier met geweld de menschen om chocolade, koffie, thee, +gebakjes en anderszins te gebruiken. En niet zelden nam de uitnoodiging +het karakter van een ruzietje aan. + +Men ging de hoogmis vieren, de zoogenaamde mis met de "dalmatiek"--'t +witte priesterkleed--, een als die van den vorigen dag, waarover de +waardige correspondent gesproken had; alleen zou thans Padre Salvi de +celebrant wezen, en onder de personen die tegenwoordig zouden zijn, +behoorde de _alcalde_ der provincie en tal van andere Spanjaarden +en voorname lieden. Ze wilden allen Padre Dámaso hooren preeken, +want deze had een grooten naam in de provincie. Zelfs de _alférez_, +hoe hem ook de les gelezen was door Padre Salvi, kwam mee ter kerke, +om een bewijs van zijn goeden wil te geven, en zich zoo mogelijk +schadeloos te stellen voor de nare oogenblikken, die de pastoor hem +bezorgd had. Zoo groot was de faam, die er van Padre Dámaso uitging, +dat de correspondent reeds van te voren aan den hoofdredakteur van het +blad allerlei lof over hem schreef. Hij vergeleek hem bij Bossuet, en +zeide dat zijn roem zelfs onder inlanders en Chineezen gevestigd was. + +Toch scheelde 't weinig, of onze correspondent had al wat hij +geschreven had weer moeten doorhalen, want Padre Dámaso klaagde over +zekere lichte verkoudheid, die hij den vorigen nacht had opgedaan; +nadat hij een stuk of wat vroolijke stukjes gezongen had, had hij +drie glazen sorbet gebruikt, en was toen een oogenblikje naar de +komedie gaan kijken. Dientengevolge wilde hij ervan afzien om Gods +tolk te wezen voor de menschen, maar omdat er niemand anders was die +zich van 't leven en de wonderen van den heiligen Diego (Jacob) op de +hoogte gesteld had--behalve de dorps-pastoor, maar die moest de mis +lezen--vonden de andere geestelijken eenstemmig, dat Padre Dámaso's +orgaan in een onverbeterlijken toestand was, en dat het daarom heel +jammer zou wezen, als zijn preek, die hij al geschreven en geleerd +had, onuitgesproken bleef. Daarom maakte zijn oude huishoudster +glazen limonade voor hem klaar, wreef hem borst en hals met zalfjes en +olietjes, wikkelde hem in warme doeken, masseerde hem met talentvolle +_pidjet_-handen enz., enz. Padre Dámaso slikte een paar rauwe in wijn +geklutste eieren, en den heelen morgen sprak hij geen woord en at +hij niets. Te nauwernood dronk hij een glas melk, een kop chocolade +en at een dozijn beschuitjes; terwijl hij heldhaftig afzag van zijn +gebraden kip en zijn half "Laguna"-kaasje, die hij anders alle morgens +verorberde: volgens de huishoudster toch bevatten kip en kaas zout +en vet, welke beide stoffen hoest zouden kunnen veroorzaken. + +"Alles om den hemel te verdienen en ons te bekeeren!" zeiden de +zusters der Ferceros-orde, toen ze van deze opofferingen vernamen. + +"De heilige Maagd des Vredes moge hem straffen," mompelden de zusters +van den Allerheiligsten Rozenkrans, die hem maar niet vergeven konden, +dat hij naar de zijde van hun vijanden overhelde. + +Om half negen trad de ommegang te voorschijn uit de schaduw van 't +zeildoek-verhemelte. Het was er een zooals den vorigen dag, ofschoon +er iets nieuws bij was: de broederschap der _Hermanos Ferceros_. Oude +mannen en vrouwen en eenige oude vrijsters liepen in lange pijen, +van grof katoen of van zijde, naar mate van de welgesteldheid. Al die +wij-gewaden waren van de echte soort: ze kwamen van 't "klooster" +te Manila, vanwaar 't volk ze tegen vaste prijzen, maar bij wijze +van aalmoes ontving. Deze prijzen konden wel verhoogd, maar niet +verlaagd worden. In 't zelfde klooster en in 't gesticht van tante +Clara werden ook andere kleeden verkocht, die de bizondere genade +bezitten, dat ze niet alleen aan de dooden, die erin gewikkeld worden, +veel aflaat verschaffen, maar ook duurder zijn, naarmate ze ouder, +versletener en onbruikbaarder geworden zijn. + +De heilige Diego werd gereden in een met gedreven zilveren platen +versierd voertuig. Het vrij magere beeld had een ivoren hoofd +en bovenlijf, die er streng en statig uitzagen, in weerwil +van 't weelderig kringetje _negrito_-achtig kroeshaar om de +kruinschering. [35] Zijn kleed was van goud-omboord satijn. + +Daarop volgde onze weleerwaarde vader, de Heilige Franciskus. Dan kwam +de heilige Maagd, evenals den vorigen dag, met dit verschil alleen, +dat de priester onder de baldakijn ditmaal Padre Salvi was, en niet +de zoo voornaam-gemanierde elegante Padre Sibyla. Doch zoo de eerste +al een statig uiterlijk miste, 't zalvende had hij in hooge mate; +hij hield de handen in mystieke houding over elkaar, had de oogen +neergeslagen, en schreed half gebogen voort. De baldakijn-dragers waren +dezelfde _baranggay_-hoofden, transpireerend van voldoening, dat ze nu, +behalve hun gewone baantje van hulp-koster en belastinggaarder, nog +de functie uitoefenden van verlossers der dolende, arme menschheid, +dus Christusjes speelden, hun bloed gevende voor de zonden der +medemenschen. + +De "coadjutor" met een koorhemd aan, liep van de eene kar naar +de andere, een wierookvat in de hand, op welks geur hij nu en dan +'t reukorgaan van den pastoor onthaalde, waarop deze dan een nog +ernstiger en deftiger gezicht zette. + +Zoo ging de processie langzaam en bedaard voorwaarts, begeleid door 't +geluid van "bommen", geestelijke liederen en spelen der muziekkorpsen, +die achter iedere kar aanliepen. Intusschen deelde de hoofdbroeder +met zooveel voortvarendheid waskaarsen uit, dat velen der medeloopers +in den stoet naar huis terugkeerden met een voorraad genoeg voor +vier avonden, om bij kaart te spelen. Toen de kar met het beeld +der Moedermaagd voorbijreed, knielden de nieuwsgierigen vroom neer, +en baden ze vurig "credo's" en "groetenissen." + +Tegenover een huis, aan welks met kleurige kleeden behangen vensters +zich de burgemeester vertoonde, in gezelschap van Capitán Tiago, +Maria Clara, Ibarra, en verscheidene Spanjaarden en jongedames, hield +de kar stil. Padre Salvi keek toevallig op, doch hij maakte niet het +minste gebaar van begroeting of herkenning. Hij richtte zich alleen +wat op, ging wat meer recht-op staan, zoodat de "pluviale", die hij +over de schouders droeg, met zekere bevalligheid en met meer zwier +kwam te vallen. + +Op straat, onder 't venster, was een jonge vrouw met innemende +gelaatstrekken. Ze was zeer goed gekleed en droeg een klein kind in de +armen. 't Scheen een min of een kindermeisje te wezen, want het kind +was blank en blond, terwijl zijzelf bruin was en gitzwart haar had. + +Toen ze den pastoor zag, strekte 't wichtje de handjes naar hem uit, +lachte met heerlijk-onschuldige kinderlach en riep, op een oogenblik +dat het stil was, stamelend: "Pa... pa!" "Papa!" + +De jonge vrouw schrok hevig, hield snel haar hand op den mond van +'t kind, en liep heel verlegen ijlings weg. Het kind begon te schreien. + +Kwaaddenkenden wisselden blikken van verstandhouding, en de Spanjaarden +die getuige waren geweest van 't tooneeltje glimlachten. De gewone +bleekheid van Padre Salvi maakte plaats voor een vuurroode kleur. + +En met dat al hadden de menschen 't mis: de pastoor kende die vrouw +zelfs niet; bovendien was het een buitenlandsche. + + + + +XXIX. + +In de kerk. + + +Het gebouwtje, dat de menschen aan den schepper van al 't bestaande +als woning aangewezen hadden was propvol. + +Men duwde, men drong, men verkneusde elkaar, terwijl uit de enkelen die +eruit en de velen die erin gingen telkens een pijnlijk "ai" opklonk. In +de verte al strekte men den arm uit, om de vingers met wijwater te +bevochtigen, maar dan kwam op 't laatste oogenblik de menschengolving +en duwde de hand ervandaan. Dan hoorde men er gekreun. Een vrouw, +die in de verdrukking kwam, stiet verwenschingen uit, doch het gedrang +hield steeds aan. Eenige oudjes, die erin geslaagd waren hun vingers in +'t wijwater te verfrisschen--een vocht dat al een modderkleurtje had, +waarin een heele dorpsbevolking plus de vreemdelingen zich gewasschen +hadden--streken het vromelijk, schoon met moeite, op nek, kruin, +voorhoofd, kin, borst en navelstreek, overtuigd als ze waren dat ze +zoo al die deelen heiligden, en niet meer te lijden zouden hebben +van een stijven nek, hoofdpijn, tering of slechte spijsvertering. De +jonge menschen--'t zij omdat ze niet zoo ziekelijk waren, of omdat ze +niet geloofden in dat gewijde voorbehoedmiddel--maakten ternauwernood +het uiterste puntje van een vinger nat--dan konden de vromen ten +minste geen aanmerking maken--en deden alsof ze hun voorhoofd even +aanraakten. Allicht dacht 't een of andere jongmeisje: "'t Mag gewijd +wezen en al wat je wil, maar 't heeft een kleurtje!..." + +Men haalde zwaar adem. Het was er warm, en er hing een bizonder +menschelijk luchtje. Doch de prediker was wel al die narigheid +waard. Zijn preek kostte aan 't dorp twee-honderd-vijftig _peso's_. De +oude Tasio had gezegd: + +"Twee-honderd-vijftig _peso's_ voor een preek! Een man en een heer! 't +Derde van wat de tooneelspelers krijgen, en die werken er met hun +allen drie avonden voor!... Jullie moeten wel erg rijk zijn!" + +"Wat heeft dat nu met de komedie te maken?" antwoordde gemelijk +de zenuwachtige meester der Derdebroeders. "Met zoo'n komedie ga +je wel naar de hel, en met de preek naar den hemel. Als hij duizend +gevraagd had, zouden we 't hem gegeven hebben, en er hem nog dankbaar +voor wezen..." + +"Alles wel beschouwd, heb je gelijk!" hervatte onze wijsgeer. "Ik +ten minste heb meer pleizier van de preek dan van de komedie." + +"Nou _pleizier_ heb ik van de komedie ook niet!" riep de ander woedend. + +"Dat geloof ik graag, jij begrijpt evenveel van 't een als van +'t ander." + +En de onvrome verwijderde zich, zonder acht te slaan op de +scheldwoorden en onheils-profetieën, die de prikkelbare meester hem +aangaande zijn hiernamaals uitsprak. + +Wachtende op de komst van den _alcalde_ stonden de menschen te +transpireeren en te gapen. Waaiers, hoeden en zakdoeken dienden als +afkoelers. De kinderen kreten en schreiden, wat den kosters werk +gaf, om ze de kerk uit te zetten. Dit gaf stof tot denken aan den +gewetensvolle bedaarde meester van de Broederschap des Allerheiligsten +Rozenkrans. + +"Laat de kinderkens tot mij komen," zeide onze Heer Jezus Christus, +dat is waar; maar hier moet erbij gedacht werden: kinderkens die +niet schreien. + +Een oude vrouw, een van de in boetgewaad gekleeden, zuster Poetê, +zeide tot haar kleindochter, een meisje van zes jaar, dat naast haar +neergeknield lag: + +"Ongelukskind! Let toch op, je zult zoo meteen een preek hooren als +op Goeien Vrijdag!" + +En ze gaf haar een kneepje, om de vrome aandacht van het kind op te +wekken. Dit trok een leelijk gezicht, stak haar snuitje vooruit en +fronste de wenkbrauwen. + +Eenige mannen zaten op hun hurken bij de biechtstoelen te dommelen. Een +oude man, die knikkebollend bezig was gebeden te prevelen en daarbij +snel de vingers langs de kralen van een rozenkrans liet gaan, bracht +het vrouwtje in de waan, dat zooiets de eerbiedigste manier was, +om de raadsbesluiten des hemels te huldigen, en langzamerhand begon +zij hem na te doen. + +Ibarra stond in een hoek, Maria Clara lag geknield bij het hoofdaltaar +op een plek die de pastoor zoo hoffelijk was geweest door de kosters te +laten ontruimen. Capitán Tiago ging in rok zitten op een der banken, +die voor de overheden bestemd waren. Daarom hielden de kinderen hem +voor een tweeden burgemeester, en waagden 't niet hem te naderen. + +Ten slotte verscheen mijnheer de alcalde met zijn gevolg, komende van +de sacristie, en zette zich neder op een der prachtige armstoelen, die +op een tapijt stonden. De _alcalde_ was in groot costuum, met de sjerp +van de Karel de Derde-orde om, en vier of vijf decoraties op de borst. + +Het volk herkende hem niet. + +"Wel kijk!" riep een landbouwer, "een burger als komediant gekleed!" + +"Onnoozele hals!" antwoordde zijn buurman, hem aanstootende, "'t is +Prins Villardo, dien we gisterenavond in den schouwburg gezien hebben!" + +De _alcalde_ rees in de achting van 't volk, want zoo was hij in hun +oogen de betooverde prins en overwinnaar van reuzen. + +De mis begon. Zij die zaten, stonden op, die sliepen ontwaakten door +het luiden van 't belletje en de welluidende stem der zangers. Padre +Salvi scheen in weerwil van zijn ernstigheid zeer voldaan, want hij +genoot de eer, dat twee Augustijner monniken als diaken en sub-diaken +optraden. + +Ieder zong goed, toen 't zijn beurt was; al was 't meer of minder een +neusgeluid en onduidelijke uitspraak, behalve de misbedienaar zelf: +zijn stem was iet of wat beverig, en meer dan eens zong hij valsch, +tot groote verbazing van de menschen die hem kenden. Niettemin bewoog +hij zich korrekt en met zwier. Hij sprak het "Dominus Vobiscum" met +zalving uit, terwijl hij 't hoofd eenigszins op zij hield, en naar de +zoldering opkeek. Bij 't opsnuiven van den wierook hief hij zich op, +wierp het hoofd achterwaarts en wandelde dan naar 't midden van 't +altaar. Hij deed dit zoo statig en waardig, dat Capitán Tiago meer +majesteit in hem opmerkte dan in den Chineeschen tooneelspeler van +den vorigen avond, met zijn bont beschilderde pakje, zijn vlaggetjes +op den rug, zijn paardeharen baard en hooggehakte slobber-muilen--die +voor Keizer gespeeld had. + +"Daar gaat toch niets af," dacht hij, "een enkele pastoor van ons is +statiger dan alle keizers bij elkaar." + +Eindelijk kwam het langverbeide oogenblik dat men Padre Dámaso +zou hooren. De drie geestelijken zetten zich in stichtelijke +houdingen op in hun armstoelen, zooals de geachte correspondent +'t zou uitdrukken. De _alcalde_ en overige waardigheidbekleeders +volgden. De muziek zweeg. + +Deze overgang van 't gedruisch tot de stilte deed de oude zuster +Poetê ontwaken; dank zij de muziek was ze goed en wel aan 't +snurken gegaan. 't Eerste wat ze deed, was een stoot geven aan haar +kleindochtertje, dat ook in slaap was gevallen. 't Kind gilde, maar +werd spoedig afgeleid, door dat ze een oude vrouw bezig zag, zichzelf +op overtuigde en geestdriftige wijze stompen in de borst toe te dienen. + +Iedereen trachtte zich in een gemakkelijke houding te zetten. Zij +die geen bank hadden, gingen op hun hurken zitten, de vrouwen plat +op den grond op hun eigen beenen. + +Padre Dámaso schreed door de menigte, voorafgegaan door twee kosters en +gevolgd door een anderen monnik, die een groot schrijfboek droeg. Hij +verdween bij 't opgaan van het wenteltrapje, doch weldra vertoonde zich +weder zijn rond hoofd, daarna zijn vette nek, onmiddellijk gevolgd +door zijn lichaam. Vastberaden keek hij overal rond, nauw hoorbaar +kuchend. Hij zag Ibarra. Een bijzonder oogknipje moest te kennen geven, +dat hij hem in zijn preek niet vergeten zou. Daarna zond hij een blik +van minachting naar Padre Manuel Martin, den prediker van den vorigen +dag. Deze monstering voltooid hebbende, wendde hij zich op bedekte +wijze tot den hem vergezellenden geestelijke, en zeide tot dezen: +"opgepast, broeder!" Het schrijfboek werd opengelegd. + +Doch het sermoen verdient een afzonderlijk hoofdstuk. Een jongmensch +dat toen stenografie studeerde, en de groote redenaars bijzonder +vereert, heeft er een verslag van gemaakt. Dank zij dit toeval, zijn +we in staat hier een brokstuk gewijde welsprekendheid mede te deelen. + + + + +XXX. + +De Preek. + + +Fray Dámaso begon langzaam. En vrij zacht sprekende zeide hij: + +_Et spiritum tuum bonum dedisti, qui doceret eos et manna tuum non +prohibuisti ab ore eorum, et aquam dedisti eis in siti._ + +(En gij hebt uwen goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen, en uw +_manna_ hebt gij niet geweerd van hunnen mond, en water hebt gij hun +gegeven voor hunnen dorst.) + +Zoo sprak de Heer bij monde van Nehemia, hoofdstuk IX, vers 20. + +Padre Sibyla keek verwonderd op naar de prediker, Padre Manuel Martin +verbleekte en verbeet zich. Dat was beter dan 't zijne... + +'t Zij Padre Dámaso het opmerkte, of dat hij nog heesch was, een feit +is het, dat hij verscheidene malen kuchte, terwijl hij beide handen +op de leuning van 't gewijde spreekgestoelte legde. De Heilige Geest +bevond zich boven zijn hoofd: de duif was juist nieuw opgeschilderd, +netjes wit en schoontjes, met rozenroode snavel en pootjes. + +"Hoogedelgestrenge Heer (tot den _alcalde_), eerwaardste priesters, +christenen, broederen en zusteren in Jezus Christus." + +Hier zweeg hij plechtig en liet opnieuw zijn blik waren over zijn +gehoor, welks vrome aandacht hem groote voldoening gaf. + +Het eerste gedeelte van de preek zou in 't Spaansch wezen, en het +andere in 't Tagaalsch: "_loquebantur omnes linguas_ (Ze spraken +alle talen)" + +Na de toespraken en 't zwijgen, strekte hij met wijdsch gebaar de +rechter hand uit naar het altaar, en hield daarbij den blik strak +op den _alcalde_ gericht. Daarna deed hij langzaam de armen over +elkaar, zonder een enkel woord te zeggen, doch van deze bedaardheid +overgaande tot bewegelijkheid, wierp hij 't bovenlijf achterover en +wees naar den hoofdingang. Daarbij doorkliefde hij met zijn eene hand +de lucht. Hij deed dit gebaar met zulk een vaart, dat de kosters het +voor een bevel hielden, en haastig de deuren sloten. De _alférez_ +maakte zich ongerust, en kwam in wijfeling of hij heen zou gaan of +blijven, doch de prediker begon reeds met forsche volle en welluidende +stem te spreken. Waarlijk, die oude huishoudster had zich wel knap +getoond met haar middeltjes. + +"Schitterend van glans is het altaar, breed de hoofdingang dezer kerk, +de lucht is het voertuig van 't heilig goddelijk woord, dat van mijn +lippen vloeien zal. Luistert gij dus met de ooren der ziel en des +harten, opdat de woorden des Heeren niet vallen op steengrond, en de +vogelen der Hel ze opeten, maar opdat gij groeit en gedijt gelijk een +heilig zaad op den akker onzes eerwaardigen engelachtigen vaders Sint +Franciskus. Gij, groote zondaren gevangenen van de Mooren der ziel, +die de zeeën des eeuwigen levens onveilig maakt in geweldige schepen +des vleezes en der wereld, gij die beladen zijt met de handboeien +der wellust en der begeerte, en voortroeit op de galeien des helschen +satans, ziet op met eerbiedige ootmoed naar hem die de zielen loskoopt +uit de gevangenschap des Duivels, naar den onverschrokken Gideon, +den kloeken David, den onoverwinbaren Roland des Christendoms, de +hemelsche _Guardia Civil_, dapperder dan al de guardias Civiles bij +elkander, die er geweest zijn en er zullen zijn. (De _alférez_ fronste +de wenkbrauwen) Ja, meneer de _alférez_, dapperder en machtiger, +die zonder eenig wapen buiten het houten kruis, moedig de eeuwige +_toelisan_ der duisternissen verslaat en al de volgelingen van Lucifer, +en die ze alleen voor altijd zou verdelgd hebben, zoo de geesten niet +onsterflijk waren. Dit wonder der goddelijke schepping, dit onmogelijk +fenomeen is de zalige Diego Alcala, die...." + +En zoo ging 't door. + +De onbeschaafde inlanders, die, naar de correspondent zegt, uit +dit deel der rede niets anders opgevangen hadden dan de woorden +_guardia civil_, _toelisan_ (roover), _San Diego_ en _San Francisco,_ +merkten op wat een leelijk gezicht de _alférez_ getrokken had en het +krijgshaftige gebaar van den prediker, en leidden hieruit af, dat deze +een berisping toediende aan eerstgenoemde, omdat hij de _toelisan's_ +niet achtervolgde. San Diego en San Francisco zouden zich wel daarmee +belasten; en deden 't heel goed ook, zooals men dat zien kon op een +schilderij, dat zich in 't klooster te Manila bevond, en waar de +Heilige Franciskus alleen maar met 't koord van zijn kleed den inval +der Chineezen in de eerste jaren na de ontdekking had weerstaan. De +vromen verheugden zich dus niet weinig, ze dankten God voor deze hulp +en twijfelden niet, of, als eenmaal de _toelisans_ verdwenen waren, +de heilige ook de _Guardia Civil_ zou verdelgen. Ze volgden dus Padre +Dámaso verder met verdubbelde aandacht. + +De pater wond zich meer en meer op. + +Doch zijn toehoorders begonnen allengs te gapen, zelfs Capitán +Tiago. Maria Clara luisterde niet. Ze wist dat Ibarra dicht bij haar +was, en ze dacht aan hem terwijl ze, zich bewaaierend, keek naar den +stier van een der evangelisten, die heel veel van een karbouw had. + +Pater Dámaso had het over onvromen en slechtaardigen: + +"Gij zult sterven in goddeloosheid, onbekeerd kettergebroed! God +kastijdt u reeds hier op aarde met kerker en gevangenschap! De +huisgezinnen, de vrouwen moesten van u wegvluchten, de overheid moest +u allen laten ophangen, opdat het zaad van Satanas niet opkome in +den tuin des Heeren!... + +"Zoo gij een slecht lid hebt dat u tot zonde brengt, snijdt het af, +werpt het in 't vuur...!" + +Fray Dámaso was zenuwachtig geworden, hij had zijn heele preek en +welsprekendheid vergeten. + +Ibarra werd onrustig: hij keek om zich heen naar een leeg hoekje, +doch de heele kerk was vol. + +Maria Clara hoorde noch zag iets, want ze staarde naar een schilderij +van de gezegende zielen in 't vagevuur: zielen in de gedaante van +spiernaakte mannen en vrouwen, met mijters, hoeden of kappen op, die +in 't vuur aan 't braden waren en zich vastklampten aan het koord van +den Heiligen Franciskus, dat ten spijt van zooveel gewicht, niet brak. + +De monnik-voorzegger verloor bij deze improvisatie de draad van den +preek en sprong bij vergissing drie lange alinea's over. Padre Dámaso, +die hijgend uitblies van zijn woeste vermaning, vervolgde daarna +dus blindelings: + +"Wie van u, zondaren die mij aanhoort, zou de wonden willen likken +van een armen in lompen gehulden bedelaar? Wie? Laat hem antwoorden +en de hand opheffen? Niemand! Ik wist het wel: alleen een heilige +als Diego de Alcalá kan zoo iets doen. + +"Hij likte aan al de rottigheid en zeide tot een verbaasden broeder: +'Zoo geneest men dezen kranke!' + +"O, christelijke barmhartigheid! O, vroomheid zonder wedergade. O, +deugd der deugden! O, onnavolgbaar voorbeeld! O, onbevlekte +talisman!"... + +En hij ging voort met een lange sliert van uitroepen, sloeg daarbij +de armen over elkaar, en hield ze op of ter neer, net als of hij +wilde opvliegen of de vogels verschrikken. + +"Voordat hij stierf sprak hij latijn. Verbaast u, zondaren! Gij zult, +ook al leert ge 't en ranselt men er u voor, geen latijn spreken: +Gij zult sterven zonder het te kennen. Latijn spreken is een genade +Gods, daarom spreekt de kerk latijn. Ik spreek ook latijn! + +"Hoe! zou God deze troost aan zijn welbeminden Diego onthouden? Mocht +hij sterven, mocht Hij hem laten sterven zonder latijn gesproken te +hebben? Onmogelijk! God zou niet rechtvaardig, zou niet God geweest +zijn! Hij sprak dus latijn; dit wordt getuigd door de schrijvers uit +zijn tijd." + +En hij eindigde met het stuk, dat hem de meeste moeite gekost had en +dat hij van een groot schrijver Siniboldo de Mas gestolen had! + +"Ik groet u dus, roemruchte Diego, eer onzer corporatie. Gij zijt +'t toonbeeld van deugd: bescheiden met gevoel van eer, nederig met +adeldom, onderworpen met fierheid, sober met eerzucht, tegenstander +met eerlijkheid, medelijdend met vergevensgezindheid, godvruchtig, +met nauwgezetheid, geloovig met vroomheid, te goedertrouw met eenvoud +des harten, kuisch met liefde..." + +En zoo volgen nog een twintig dubbel-eigenschappen van den grooten +heilige. Dan: + +"God helpe mij, om uw grootheid en uw naam te bezingen, die hooger +blinkt dan de sterren en schitterender is dan de zon zelve, welke aan +uw voeten zwiert! Helpt ook gij mij, bidt God de noodige bezieling door +'t avemaria te bidden." + +Allen knielden neder, en er ontstond een gerommel als van duizend +groote horzels. De _alcalde_ boog met veel moeite een knie, en +schudde ontstemd het hoofd. De _alférez_ zag bleek en scheen zeer +onder den indruk. + +Onderwijl was Padre Dámaso, insteê van 't avemaria te bidden, bezig +zijn Heiligen Geest een berisping toe te dienen omdat deze drie van +zijn beste alinea's overgeslagen had. Meteen gebruikte hij twee +"spritsen" en een glas Malaga, overtuigd dat hij daaruit grooter +bezieling zou putten dan uit alle Heilige Geesten, 't zij van hout +in den vorm van een duif, 't zij van vleesch in de gedaante van een +afgetrokken monnik. + +De preek in de landstaal zou beginnen. + +Het vrome oudje stoot weer haar kleindochter met den elleboog aan. Deze +ontwaakte en vroeg gemelijk: + +"Is 't al tijd om te huilen?" + +"Nog niet. Maar je mag niet slapen, nare meid!" + +Van het tweede deel der preek--in 't Tagaalsch--bezitten we geen enkele +aanteekening. In deze taal improviseerde Padre Dámaso. Niet dat hij +die beter sprak, maar omdat hij de Filippijners uit de provincie voor +dom volk hield in zake redenaars-kunst en dus niet bang behoefde te +wezen, om tegenover hen onzin uit te slaan. Met de Spanjaarden was +dat heel wat anders. Hij had wel eens hooren praten van regels van +voordracht, en onder zijn hoorders kon er wel eens iemand wezen die +de universiteit van niet te ver kende, misschien wel de gouverneur +van de provincie. Daarom schreef hij zijn preeken op, corrigeerde +ze, deed er wat af en wat bij, en leerde ze dan van buiten. Een paar +dagen van te voren hield hij repetitie. + +Het verluidt, dat niemand van de aanwezigen de samenhang van de preek +begreep: de menschen waren zoo kort van bevatting en de prediker +was "zoo diep", zooals zuster Roefa het uitdrukte. Zoo wachtte de +inlandsche gemeente dus tevergeefs op een gelegenheid om te schreien, +en de nare meid van een kleindochter der godzalige oude, viel weer +in slaap. + +Niettemin had dit gedeelte der predikatie meer uitwerking dan het +eerste, ten minste op sommige toehoorders. + +Hij begon met een _Mana kapatir kon kristiano_ (Mijn broeders in +Jezus Christus), waarop een stortvloed onvertaalbare uitdrukkingen +volgde. Hij sprak van de ziel, van de hel, van de _mahal na santo +pintakasi_ (eerwaarde heilige schuts-patroon), van de inlandsche +zondaren en de deugdzame Franciskaner paters. + +"Bliksem!" zei een oneerbiedig Manileen, een jongmensch, tot zijn +kameraad: "Dat is Grieksch voor mij. Ik ga weg!" + +En, toen hij zag dat de deuren dicht waren, ging hij maar gewoon door +de sacristie naar buiten, tot groote ergernis van de kerkgangers en +den prediker. Deze werd bleek, en hield midden in een zin op. Enkelen +verwachtten een bitsen uitval, doch Padre Dámaso vergenoegde er +zich mee, den rustverstoorder na te oogen, en ging daarna voort met +zijn preek. + +Nu ontketenden zich verwenschingen tegen de booze tijden, tegen het +gebrek aan eerbied, de opkomende ongodsdienstigheid. Dit onderwerp +scheen zijn kracht te wezen, want hij toonde zich vol bezieling +en drukte zich in gespierde en heldere taal uit. Hij sprak over de +zondaren die niet biechtten, die in de kerkers stierven zonder de +heilige sakramenten, van gevloekte families, van trotsche opgeblazen +halfbloedjes, van waanwijze jongelieden, filosoofjes, advokaatjes, +studentjes enz., een kwistig gebruik makende van verkleiningsuitgangen, +zooals meer menschen tegenover hun vijanden doen, als hun hersens +niets beters weten aan de hand te doen. + +Ibarra hoorde alles aan, en begreep de toespelingen; schijnbaar bedaard +blijvende, zocht hij met de oogen naar God en naar de overheden, +maar daar in die tempels waren alleen heilige beelden en de _alcalde_ +dommelde. + +Intusschen steeg de geestdrift des predikers trapsgewijze. Hij +sprak van de oude tijden, toen iedere Filippijner, wanneer hij een +geestelijke tegenkwam, zijn hoofddeksel afnam, met de eene knie +nederknielde en hem de hand kuste. "Maar tegenwoordig," voegde hij +eraan toe, "tegenwoordig neemt ge alleen de _salakot_ af--die ge schuin +op het hoofd zet, om 't gekamde haar niet in de war te maken! Gij +vergenoegt er u mee 'goeden dag, _among_!' [36] te zeggen en er zijn +zelfs studentjes, die een schijntje latijn geleerd hebben, en die, +omdat zij te Manila of in Europa gestudeerd hebben, zich gerechtigd +achten ons de hand te drukken, in plaats van die te kussen.... O, de +dag der gerechtigheid zal weldra komen, de wereld loopt ten einde: +veel heiligen hebben het voorspeld! Er zal een regen neerdalen van +vuur, steen en asch, om onze hoovaardigheid te kastijden." + +En hij vermaande het volk, deze "wilden" toch vooral niet na te volgen, +maar ze te ontvlieden en te verafschuwen, omdat ze in de ban waren. + +"Hoort wat de heilige conciliën zeggen!" bulderde hij. "Wanneer een +inlander op straat een pastoor tegenkomt, moet hij 't hoofd buigen en +zijn hals aan den 'among' bieden om er op te steunen. Als de pastoor +en de inlander beiden te paard zijn, moet de inlander stilhouden, +zijn _salakot_ of hoed eerbiedig afnemen. Eindelijk, als de inlander +te paard rijdt en de pastoor te voet gaat, moet de inlander afstappen +en niet weer opstijgen, voordat de pastoor _soeloeng!_ (ga heen!) tot +hem zegt, of reeds ver weg is. Dit zeggen de heilige conciliën, +en hij die niet gehoorzaamt, zal in de kerkelijke ban gedaan worden." + +"En als iemand 's op een karbouw zit?" vroeg een angstvallige +landbouwer aan zijn buurman. + +"Dan...moet hij verder gaan!" antwoordde de laatste, die een casuïst +was. + +Doch ten spijt van de kreten en gebaren des predikers vielen er velen +in slaap of hun gedachten raakten aan het dolen. Want 't ging met deze +preek weer als altijd. Tevergeefs trachtten eenige besjes te zuchten +en te grienen over de zonde der goddeloozen: ze moesten ervan afzien +door gebrek aan deelneming. Zelfs zuster _Poetê_ dacht aan heel wat +anders. Een man naast haar was zoo vast in slaap gevallen, dat hij +over haar heen omviel, en haar japon in de war maakte. De goede oude +greep haar houten sandaal en begon hem wakker te timmeren. Onderwijl +riep ze hem toe: + +"Och, ga weg, wildeman, beest, duivel, karbouw, hond, verdoemeling!" + +Zooals te begrijpen was ontstond er een tumult. De prediker zweeg +stil, fronste de wenkbrauwen, verbaasd over zulk een schandaal. De +verontwaardiging smoorde de stem in zijn keel, en hij slaagde er +slechts in te blêren, terwijl hij met zijn vuisten op de balustrade +van den preekstoel beukte. Dit had uitwerking: de oude vrouw liet +haar sandaal mopperend los, en, herhaaldelijk een kruis slaande, +ging ze vroom op haar knieën liggen. + +"O zoo! O zoo!" kon ten slotte de vertoornde geestelijke uitroepen, +kruiste de armen en schudde het hoofd. + +"Daarvoor nu sta ik hier den heelen ochtend te preeken, +wildemannen. Hier in den tempel des Heeren, hier maken jullie +ruzie en zegt leelijke woorden tot elkaar, onbeschaamden! O, jullie +eerbiedigen niets meer!... Dat is nu wat er komt van de wulpschheid +en de onmatigheid dezer eeuw! Ik heb 't wel gezegd, ha!" + +En op dit thema preekte hij nog een half uur door. De _alcalde_ +snurkte, Maria Clara zat te knikkebollen: het arme kind kon geen +weerstand bieden aan den slaap, want ze had nu geen enkel schilderij +en geen enkel beeld meer om te bestudeeren of om afleiding in te +zoeken. Ibarra lieten de woorden en de toespelingen volmaakt koud: +hij dacht aan een huisje op den top van een berg, en zag Maria Clara +in een tuin. Dat beneden in 't dal de menschen met elkaar harrewarden, +wat kon 't hem schelen! + +Padre Salvi had tweemaal het belletje laten luiden, doch dit was +olie op 't vuur: Fray Dámaso was koppig en maakte zijn preek nog +langer. Fray Sibyla beet zich op de lippen en verschikte herhaalde +malen zijn fraaie gouden bril. Fray Manuel Martin scheen de eenige +te wezen die met genoegen luisterde, want hij glimlachte. + +Eindelijk zeide onze Lieve Heer dat het genoeg was: de redenaar werd +vermoeid en ging den preekstoel af. + +Allen knielden, om God te danken. De _alcalde_ streek zich de oogen +uit, strekte een arm, alsof hij zich uitrekte, stiet een hartgrondig +_ah_! uit, en geeuwde. + +De mis werd voortgezet. + +Toen Balbino en Chananay het "Incarnatus est" zongen en iedereen +nederknielde, fluisterde er een man in Ibarra's oor: "Bij de +zegeningsplechtigheid niet van den pastoor weggaan, niet in den kuil +gaan, niet dicht bij den steen komen: uw leven is ermee gemoeid." + +Ibarra zag Elias voor zich, die onmiddellijk na zijn waarschuwing in +de menigte verdween. + + + + +XXXI. + +'t Hijsch-toestel. + + +Het gele mannetje had zijn woord gestand gedaan: het was niet een +eenvoudig hijsch-toestel wat hij boven den open kuil had opgericht, +om 't ontzaggelijke gevaarte van graniet neer te laten; 't was niet +de drievoet, die Ñor Juan verlangd had, om er bovenaan een katrol +aan op te hangen. 't Was iets meer, 't was behalve een massief, +ook een mooi stuk werk, een grootsch en indrukwekkend stuk werk. + +Ongeveer acht meter hoog verhief zich het verwarde zeer samengestelde +getimmerte: vier dikke in den grond begraven planken dienden +als onderstel. Onderling waren deze verbonden door ontzaggelijke +diagonaalsgewijze gekruiste balken, aan elkaar vastgemaakt met +groote spijkers, die men, met het oog op het tijdelijk karakter van +'t getimmerte, slechts halverwege ingeslagen had. Geweldige kabels, +aan alle kanten neerhangend, gaven aan 't geheel een aanzien van +stevigheid en grootschheid. Bontkleurige vlaggen, wapperende wimpels +en kunstig ineen gevlochten bloem- en bladslingers van reusachtige +afmetingen vormden de bekroning. + +Daar boven, in de schaduw der balken, guirlandes en vlaggen, hing +bevestigd door touwen en ijzeren haken een reusachtig katrol over +welks glanzende zijkant drie kabels liepen, die nog geweldiger waren +dan de andere. Daaraan hing de ontzaggelijke gehouwen steen, in +'t midden van een uitholling voorzien, zoodat de uitholling in den +steen in den kuil er volkomen op moest passen. In deze kleine holte +zouden de dokumenten, dagbladen en penningen komen te liggen, die de +geschiedenis van de stichting voor 't nageslacht moesten bewaren. De +drie kabels liepen van boven naar beneden, door een niet minder groot +katrol aan den voet van het toestel bevestigd, en waren geslingerd om +den cylinder van een draaispil, die door middel van dikke planken op +den grond gehouden werd. Deze draaispil kon door twee handvatten in +beweging gebracht worden. Door een stel tandraderen verhonderdvoudigde +deze draaispil de kracht van een man. + +"Kijk", zeide 't gele mannetje, terwijl hij een handvat liet draaien, +"kijk, _Ñor Juan_, hoe ik heel alleen die ontzaggelijke steenmassa op- +en neerhaal... 't Ding zit zoo mooi in elkaar, dat ik naar willekeur, +duim voor duim, 't op- en neergaan kan regelen. Zoo kan dus een man +heel op zijn gemak beneden in den kuil de steenen op elkaar passen, +terwijl ik hier boven sta te draaien." + +_Ñor Juan_ kon niet nalaten, den man te bewonderen, die op zoo'n +bijzondere manier glimlachte. De toeschouwers maakten hem op- en +aanmerkingen, en prezen den gelen man. + +"Van wien heeft u de behandeling van machines geleerd?" vroeg Ñor +Juan hem. + +"Van mijn vader, mijn overleden vader!" antwoordde hij met zijn +eigenaardig lachje. + +"En uw vader?..." + +"Van Don Saturnino, den grootvader van Don Crisóstomo." + +"Ik wist niet dat Don Saturnino..." + +"O, die wist een heele boel! Hij ranselde niet alleen goed, en +zette niet alleen zijn werkvolk voor straf in de zon, hij kon ook de +slapenden wakker maken en die wakker waren laten slapen. U zal wel +'s zien wat mijn vader me geleerd heeft, u zult 't wel 's zien!" + +En 't gele mannetje lachte weer met zijn zonderlingen glimlach. + +Op een tafel, die gedekt was met een perzisch kleed, lagen de looden +cylinder en de voorwerpen, die men in de holte der grondsteenen zou +neerleggen: een glazen kistje met dikke wanden zou ze bevatten. + +In de feesttenten, waar den vorigen dag de onderwijzer en zijn +leerlingen zoo druk bezig waren geweest, werd nu het weelderige en +overvloedige feestmaal aangericht. + +Doch op de tafel voor de schooljeugd bestemd, stond geen enkele flesch +wijn; de hoeveelheid fruit was er des te grooter. In 't priëel stonden +de stoelen voor de muzikanten en een tafel vol gebakjes, suikergoed, +konfituren en met bladeren en bloemen bekranste karaffen water voor +'t dorstige publiek. + +De schoolmeester had klimmasten opgericht en slagboomen aangebracht, +en had koekepannen en kookpotten opgehangen voor vroolijke volksspelen. + +Do menigte, pronkende in levendig bonte kleederdrachten, verzamelde +zich in de schaduw der boomen of onder het loverdak, dat men opgericht +had. De staatjongens klommen in de boomen of op hooge steenen, om +de plechtigheid beter te kunnen zien. Met afgunst keken ze naar de +schoolkinderen, die goed gewasschen en netjes gekleed allen op de +voor hen bestemde plaatsen zaten. De ouders dezer laatsten waren in +de wolken: zij, arme menschen van buiten, zouden nu hun kinderen +zien eten aan een wit tafellaken, bijna net als de pastoor en de +_alcalde_. De gedachte alleen was genoeg, om geen honger te hebben, +en zoo'n gebeurtenis zou steeds, van vader op zoon, in de herinnering +gehouden worden. + +Weldra hoorde men de verre tonen der muziek. Vooraf kwam een bonte +wemeling van menschen, van alle leeftijden en gedost in kleederen van +allerlei kleuren. Het gele mannetje werd ongerust en keek met een blik +nog eens zijn heele toestel na. Een landman onder de toeschouwers +volgde dien blik en sloeg al zijn bewegingen gade. 't Was Elias +die ook de plechtigheid was komen bijwonen: door zijn _salakot_ +en zijn overige kleedij was hij schier onherkenbaar. Hij had zich +'t beste plaatsje weten te verschaffen bijna vlak naast de draaispil, +aan de rand van de uitgraving. + +Tegelijk met de muziek kwamen de _alcalde_, de leden van 't +gemeentebestuur, de monniken behalve Padre Dámaso, en de Spaansche +beambten. Ibarra was in gesprek met eerstgenoemde, met wien hij +zeer bevriend was, sinds dat hij hem een paar fijne complimenten had +gemaakt over zijn decoraties en zijn riddersjerpen. Dit was nu eenmaal +'t zwakke punt bij Zijne Exellentie. + +Capitán Tiago, de _alférez_ en nog eenige andere notabelen liepen +omstuwd door den stoet jonge meisjes, die allen hun mooie zijden +zonneschermen droegen. Padre Salvi volgde, stil en somber als altijd. + +"U kan altijd op mij staat maken wanneer 't een goed werk betreft," +zei de _alcalde_ tot Ibarra. "U heeft mijn steun, en ik zal u alles +verschaffen wat u maar noodig heeft, of anders zal ik maken, dat +anderen het u verschaffen." + +Naarmate men naderbij kwam, voelde de jongeman zijn hart +popelen. Instinktmatig richtte hij een blik naar 't vreemdsoortig +getimmerte, dat daar opgericht was. Hij zag dat het gele mannetje +hem eerbiedig groette, en een oogenblik strak naar hem keek. Met +verwondering bespeurde hij Elias. Deze bracht hem met een beteekenisvol +knipoogje in herinnering wat hij hem in de kerk gezegd had. + +De pastoor deed zijn priestergewaad aan en opende de plechtigheid. De +eenoogige hoofdkoster hield het boek in zijn handen, en een koorknaap +de kwast en 't wijwater vast. De omstanders, met ontbloot hoofd om +hen heen staande, bewaarden zulk een diep stilzwijgen, dat, ofschoon +hij met zachte stem las, men duidelijk kon hooren dat de stem van +Padre Salvi beefde. + +Onderwijl had men in 't kristallen kistje alles neergelegd wat erin +moest--handschriften, kranten, gedenkpenningen enz.--en 't geheel +binnen in den looden koker gedaan, die daarna hermetisch werd +toegesoldeerd. + +"Meneer Ibarra, wilt u 't kistje op zijn plaats neerzetten? De pastoor +wacht op u!" zeide de _alcalde_ 't jongemensch zacht in 't oor. + +"Ik zou 't gaarne doen", gaf hij even zacht terug, "maar ik vrees dat +ik deze eervolle plicht wederrechtelijk aan den notaris zou onthouden: +meneer de notaris moet immers officiëel het feit staven!" + +De notaris nam het kistje plechtstatig op, liep de bekleede trap +af, die naar den bodem van den kuil leidde en zette het met gepaste +waardigheid in de holte van den steen. Daarop greep de pastoor de +wijwaterkwast en besprenkelde daarmee de steenen. + +'t Oogenblik was gekomen, dat ieder zijn schep mortelkalk boven op +den grondsteen zou strijken, zoodat de andere er goed vastgemetseld +op zou komen te liggen. + +Ibarra bood den _alcalde_ een troffel aan, op welk breed zilveren +blad de dagteekening gegraveerd stond. Doch Zijne Excellentie hield +nog eerst een toespraak in 't Spaansch. + + + "Burgers van San Diego!" zeide hij op deftigen toon, "wij + hebben de eer voor te gaan bij een plechtigheid, waarvan gij + het hooge belang zult begrijpen, zonder dat wij 't u zeggen. Er + wordt een school gesticht. De school is het boek waarin de + toekomst der volkeren staat geschreven! Wijst ons de school van + een volk, en wij zullen u zeggen, wat voor een volk het is." + + +En zoo ging hij voort, wijzende op de zegeningen door geestelijkheid en +bestuur op de Filippijnen uitgestort. In naam van den Spaanschen koning +en 't doorluchtig bestuur werd zoo de eerste steenlegging ingehuldigd. + +Met een "leve de Koning en leve Spanje, leve de geestelijkheid en +leve de katholieke godsdienst!" werd de toespraak besloten. + +"Leve! Leve!" antwoordden veel stemmen. "Leve onze _Alcalde_!" + +Daarna daalde deze statig in den kuil, bij 't inzetten der muziek. Hij +legde eenige scheppen mortel op den steen, en herrees met dezelfde +statigheid naar den beganen grond. + +De beambten klapten in de handen. + +Ibarra bood wederom een zilveren troffel, ditmaal aan den pastoor, die +na hem even te hebben aangekeken, langzaam naar beneden ging. Midden +op de trap gekomen, sloeg hij de oogen op om naar den steen te kijken, +die aan de geweldige kabels hing, doch het was slechts een seconde, +onmiddellijk daalde hij verder neder. Hij deed evenals de _alcalde_, +doch ditmaal hoorde men meer toejuichingen: bij de beambten hadden +zich eenige monniken en Capitán Tiago gevoegd. + +'t Scheen dat Padre Salvi iemand zocht, aan wien hij den troffel zou +overgeven. Hij keek weifelend naar Maria Clara, doch, zich bedenkend, +bood hij de troffel aan den notaris. Deze trad hoffelijk op Maria Clara +toe, maar deze weigerde met een lachje. De monniken, de beambten en +de _alférez_ gingen allen een voor een, den kuil in. Capitán Tiago +werd niet vergeten. + +Bleef nog Ibarra, en reeds zou 't bevel aan den gelen man gegeven +worden om den hangenden steen te laten zakken, toen de pastoor aan den +jongeman dacht, en op schertsenden toon, met gedwongen gemeenzaamheid, +zeide: + +"Zult u ook niet een schepje leggen, meneer Ibarra?" + +"Dat zou wat moois wezen! Ik maak de podding: zou ik ze dan ook +eten?" antwoordde de toegesprokene op denzelfden toon. + +"Kom, kom!" zei de _alcalde_ en gaf hem een zacht duwtje. "Als u 't +niet doet, geef ik order dat de steen in 't geheel niet neergelaten +wordt, en dan blijven we hier tot het Laatste gericht!" + +Op zulk een dreigement moest Ibarra wel zwichten. Hij verwisselde +den kleinen zilveren troffel voor een groote van ijzer, wat enkelen +deed glimlachen, en trad bedaard naar voren. Elias keek hem met een +onbeschrijflijke uitdrukking aan: men zou gezegd hebben dat zijn +heele ziel in zijn oogen was gegaan. De gele man keek naar de gapende +opening aan zijn voeten. + +Na een snellen blik op den steen boven zijn hoofd, en toen naar +Elias en den gelen man, zeide Ibarra met iet of wat beverige stem +tot Ñor Juan: + +"Geef me even den emmer, en haal een anderen troffel boven!" + +De jongeman bleef alleen. Elias keek niet naar hem. Zijn oogen waren +strak gevestigd op de hand van den gelen man die, over den kuil +gebogen, Ibarra's bewegingen angstvallig volgde. + +Men hoorde het geluid van den schepper, waarmee de massa zand en +kalk werd omgeroerd, door 't zachte geruisch der gelukwenschen heen, +die de beambten voor zijn rede tot den _alcalde_ richtten. + +Plotseling klinkt een vreeselijk gekraak: de katrol die onder aan +'t toestel vastzat, springt los, en daarmee de draaispil, die als +een stormram tegen 't getimmerte aan beukt. De balken wankelen, de +bindsels vliegen los, en alles stort in een seconde en met schrikkelijk +gedruisch in elkaar. Een stofwolk stijgt op. Een kreet van ontzetting +uit duizenden kelen vervult de lucht. Bijna al de omstanders vluchten +in alle richtingen, slechts enkelen ijlen naar den kuil. Alleen Maria +Clara en Padre Salvi blijven roerloos, bleek, sprakeloos op hun plaats. + +Toen de stofwolk eeniger mate was weggetrokken, zag men Ibarra staan, +te midden van balken, bamboe staken, kabels, tusschen de draaispil +en 't steengevaarte dat in zijn val alles had neergestoten en +verpletterd! De jongeman had de troffel nog in zijn hand en keek met +een ontzettenden blik naar 't lijk van een man, dat aan zijn voeten +lag, half begraven onder de balken. + +"Bent u niet dood?--Leeft u nog?--Om Gods wil, spreek toch!" zeiden +eenige beambten vol ontzetting en deelname. + +"Een wonder! Een wonder!" riepen er eenigen. + +"Laten er menschen hier komen om 't lijk van den stakkerd weg te +halen!" zei Ibarra als uit een droom ontwakend. + +Zijn stem hoorende, voelde Maria Clara dat de krachten haar begaven, +en viel zij halfbezwijmd in de armen harer vriendinnen. + +Er heerschte een groote verwarring: iedereen sprak, gestikuleerde, +liep van den eenen kant naar den andere, daalde af in den kuil of +ging eruit, iedereen was verbijsterd en van streek. + +"Wie is er dood? Of leeft hij nog?" vroeg de _alférez_. + +Men herkende in 't lijk den gelen man, die naast de draaispil +gestaan had. + +"Er moet een aanklacht ingediend worden tegen den baas van 't +werk!" was 't eerste dat de _alcalde_ kon uitbrengen. + +Men onderzocht het lijk, legde de hand op zijn borst, maar 't hart +klopte niet meer. De slag had hem aan 't hoofd getroffen, en 't +bloed kwam hem uit neus, mond en ooren. Aan den hals waren een paar +vreemdsoortige sporen te zien: vier diepe indeukingen aan een kant en +een aan den tegenovergestelde, ofschoon iets grooter; ze zoo ziende, +zou men zeggen dat een stalen hand hem als een tang had vastgegrepen. + +De geestelijken wenschten den jongeman hartelijk geluk en drukten +hem de hand. De Franciskaner met het nederige voorkomen, die Padre +Dámaso als voorzegger had gediend, zeide met huilerige oogen: + +"God is rechtvaardig, God is goed!" + +"Als ik er toch aan denk, dat ik eenige oogenblikken te voren daar +gestaan heb!" zeide een der beambten tot Ibarra, "verbeeldt u dat ik +de laatste geweest was! Jezus!" + +"De haren rijzen me te berge!" zeide er een, die half kaal was. + +"'t Is maar goed dat _u_ zoo iets overkomen is, en niet mij", mompelde +een oud kereltje, dat nog beefde. + +"Don Pascual!" riepen eenige Spanjaarden. + +"Wel, heeren, ik zeg dat omdat meneer toch niet doodgegaan is: als _ik_ +niet verpletterd was geworden, zou ik toch stellig daarna doodgegaan +zijn, alleen door er aan te denken." + +Doch Ibarra was al weg, om zich op de hoogte te stellen van Maria +Clara's toestand. + +"Laat dit toch geen beletsel zijn om het feest voort te zetten, +meneer Ibarra!" zeide de _alcalde_. + +"God zij geloofd! De doode is geen geestelijke en geen Spanjaard. We +moeten uw behoud vieren. Och, och, als u toch 's die steen op u +gekregen had!" + +"Ik had er een voorgevoel van! Een voorgevoel!" riep de notaris +uit. "Ik heb 't wel gezegd: meneer Ibarra ging tegen zijn zin naar +beneden. Ik heb 't wel gezien!" + +"De doode is maar een inlander!" + +"Laat 't feest doorgaan! Kom, muziek! We krijgen den doode niet weer +levend met treuren. _Capitán_, hier moeten de noodige maatregelen +genomen worden... Laat de baas hier komen!... De baas van 't werk +moet in hechtenis genomen worden!" + +"Ja, in 't blok!" + +"In 't blok! Hei, muziek, muziek! De baas in 't blok zetten!" + +"Meneer de _alcalde_," zeide Ibarra op ernstigen toon: + +"Als we door treuren de doode niet weer kunnen opwekken, krijgen +we dat zeker nog minder gedaan door iemand gevangen te laten nemen, +van wien we in 't geheel niet weten, of hij schuldig is. Ik sta borg +voor zijn persoon, en verzoek hem in vrijheid te laten, voor de eerste +dagen ten minste." + +"Goed! Goed! Maar laat 't hem niet weer gebeuren!" + +Er deden allerlei praatjes de ronde. Dat er een wonder gebeurd was, +stond reeds vast. Fray Salvi scheen niettemin maar weinig ingenomen +met het wonder, dat men aan een heilige van zijn corporatie en van +zijn parochie toeschreef. + +Natuurlijk was er ook iemand, die wist te vertellen dat hij duidelijk, +op 't oogenblik dat alles in elkaar stortte een gestalte in den kuil +had zien afdalen, die gekleed was in een donker kleed als dat der +Franciskanen. Er was geen twijfel aan: dat moest de heilige Diego +zelf geweest zijn. Men vernam ook dat Ibarra de mis bijgewoond had, +en de gele man niet: 't was dus klaar als de dag. + +"Zie je? Jij woû niet naar de mis," zeide een moeder tot haar zoon, +"als ik je niet een pak gegeven had om je te dwingen, dan ging je nu +ook naar 't raadhuis, in een kar, net als die daar!" + +Inderdaad werd de gele man, of liever zijn lijk, in een mat gewikkeld, +naar 't raadhuis vervoerd. + +Ibarra ijlde naar zijn huis, om zich te gaan verkleeden. + +"Een leelijk begin, hm!" zei de oude Tasio en verwijderde zich. + + + + +XXXII. + +Vrije gedachten. + + +Ibarra was bijna klaar, toen een bediende kwam zeggen, dat er een +landbouwer was die hem te spreken vroeg. + +Veronderstellende dat het een van zijn werklieden was, beval hij hem +binnen te laten in het kantoor of studeerkamer, tegelijk, bibliotheek +en scheikundig laboratorium. + +Doch tot zijn verbazing zag hij de strenge en geheimzinnige gedaante +van Elias voor zich staan. + +"U heeft mijn leven gered", zeide deze in de landstaal, Ibarra's +houding begrijpende. "Ik heb u mijn schuld voor de helft betaald, +en u heeft me voor niets te danken. Integendeel. Ik ben hier, om u +om een gunst te vragen..." + +"Zeg op!" antwoordde de jongeman in dezelfde taal, verrast door den +toon van ernst van den landbouwer. + +Elias keek Ibarra enkele oogenblikken strak aan, en hervatte: + +"Wanneer 't gerecht dit geheimzinnige geval tot klaarheid wil brengen, +verzoek ik u dat u niemand iets zegt van de waarschuwing, die ik u +in de kerk gegeven heb." + +"Maakt u niet ongerust", antwoordde de jongeman eenigszins +ontstemd. "Ik weet dat u vervolgd wordt, maar ik hoû niet van +aanbrengerij." + +"O, 't is niet om mij, 't is niet om mij!" riep Elias ietwat levendig +en fier. "'t Is om u. _Ik_ vrees niets van de menschen." + +De verbazing van Ibarra nam toe: de toon waarop de landbouwer--de +vroegere loods--sprak was nieuw en scheen niet in overeenstemming met +zijn maatschappelijken staat noch met zijn geldelijke omstandigheden. + +"Wat wilt u zeggen?" vroeg hij, terwijl hij den geheimzinnigen man +verwonderd aankeek. + +"Ik spreek niet in raadselen. Ik tracht me duidelijk uit te drukken. In +'t belang van uw veiligheid is 't noodig dat uw vijanden gelooven, +dat u onvoorbereid en geheel te goeder trouw is geweest." + +Ibarra schrok. + +"Mijn vijanden? Heb ik dan vijanden?" + +"Die hebben we allemaal, meneer, van 't kleinste insekt tot den mensch +toe, van den armste tot den rijkste en machtigste! Vijandschap is de +wet van 't leven!" + +Ibarra keek Elias een oogenblik zwijgend aan. + +"U bent geen loods en geen landbouwer!..." mompelde hij. + +"U heeft vijanden onder de hoogen en onder de lagen", ging Elias +voort, zonder op de woorden van den jongen man acht te slaan. "U +beoogt iets grootsch, u heeft een verleden, uw vader en uw grootvader +hebben vijanden gehad, omdat ze hartstochten hebben gehad, en in +'t leven zijn 't niet de misdadigers, die den meesten haat opwekken, +maar mannen van eer." + +"Kent u mijn vijanden?" + +Elias antwoordde niet dadelijk, dacht even na. + +"Een heb ik er gekend, die doodgegaan is," antwoordde hij. + +"Gisteren avond ontdekte ik, dat hij iets in 't schild voerde tegen u, +doordat ik eenige woorden opving, die hij met een onbekende wisselde, +die in de menigte verdween. 'Die zal niet door de visschen opgegeten +worden, zooals zijn vader: dat zal je morgen 's zien', zei hij. Die +woorden trokken mijn aandacht, niet alleen om de beteekenis, maar ook +om hem die ze uitsprak; want de man had zich al eenige dagen geleden +aangeboden bij den baas van 't werk, met het uitdrukkelijke verlangen +om de werkzaamheden te leiden bij 't neerlaten van den steen. Hij vroeg +daarvoor geen groot loon en gaf hoog op van zijn bekwaamheden. Ik +had geen reden genoeg om aan kwaadwilligheid te gelooven, maar iets +in me zeide me, dat mijn vermoedens juist waren, en daarom koos ik, +om u te waarschuwen, een oogenblik en een gelegenheid van dien aard, +dat u me geen vragen kon doen. Het overige heeft u bijgewoond." + +Reeds een heele poos had Elias gezwegen, en Ibarra nog steeds geen +enkel woord geantwoord. Hij was in gedachten verzonken. + +"'t Spijt me dat die man dood is gegaan!" hervatte hij eindelijk. "We +hadden van hem wel iets meer van de zaak kunnen hooren!" + +"Als hij was blijven leven, zou hij ontsnapt zijn aan de onzekere hand +van de blinde menschelijke gerechtigheid. God heeft hem gevonnist, +God heeft hem gedood, laat God zijn eenige rechter wezen!" + +Crisóstomo keek den man, die zoo tot hem sprak, een oogenblik aan, +en zijn gespierde armen ziende, die vol striemen en groote blauwe +vlekken waren, zeide hij lachend: + +"Gelooft u ook aan 't wonder? Daar heb je nu 't wonder waarvan 't +volk spreekt!" + +"Als ik aan wonderen geloofde, zou ik niet aan God gelooven; +dan zou ik aan een tot God verheven mensch gelooven, dan zou ik +inderdaad gelooven, dat de mensch God naar zijn beeld en gelijkenis +had geschapen," antwoordde hij hoog ernstig; "maar ik geloof in +Hem. Ik heb meer dan eens zijn hand gevoeld. Toen alles in elkaar +stortte en al wat er op de plek stond dreigde te vernielen, heb ik, +ik, den misdadiger vastgehouden. Ik ben naast hem gaan staan: hij +werd getroffen, en ik kwam vrij." + +"U? Dus u?"... + +"Ja! Ik heb hem vastgehouden toen hij ontsnappen wou, nadat hij aan +zijn duivels werk begonnen was: ik zag zijn misdaad. Ik zeg u: laat +God de eenige rechter onder menschen wezen, laat hij de eenige zijn, +die recht heeft over het leven. Laat 'n mensch er nooit aan denken +hem te vervangen!" + +"En toch heeft u dezen keer..." + +"Nee!" viel Elias in, de tegenwerping gissende. + +"Dat 's niet hetzelfde. Wanneer een mensch anderen ter dood veroordeelt +of voor altijd hun toekomst verwoest, doet hij dat vrijuit en beschikt +daarbij over de kracht van andere menschen, om zijn vonnissen uit te +voeren, die per slot van rekening wel even zooveel vergissingen of +misslagen kunnen wezen. Maar ik heb, toen ik den misdadiger aan 't +zelfde gevaar blootstelde dat hij voor anderen beoogd had, dezelfde +kwade kansen geloopen. Ik heb hem niet gedood, ik heb Gods hand hem +laten dooden." + +"Gelooft u niet aan toeval?" + +"Aan 't toeval gelooven, is net hetzelfde als te gelooven aan wonderen: +beide dingen veronderstellen dat God de toekomst niet kent. Wat is 'n +wonder? Een tegenstrijdigheid, een storing in de natuurwetten. Niet +voorzien en tegenstrijdig zijn, beteekenen twee groote gebreken in +'t verstand, dat de wereldmachine bestuurt." + +"Wie bent u?" vroeg Ibarra nogmaals, met zekere vrees. "Heeft u +gestudeerd?" + +"Ik heb heel veel in God moeten gelooven, omdat ik mijn geloof in de +menschen verloren heb," antwoordde de ander, de vraag ontwijkend. + +Ibarra meende den vervolgden jongen man te begrijpen. + +Elias loochende de menschelijke gerechtigheid, hij ontzegde den mensch +het recht om over zijn gelijken te oordeelen, kwam op tegen de macht +en de meerderheid van sommige standen boven de andere. + +"Hoe dan ook, u moet toch de noodzakelijkheid van het menschelijk +recht aannemen, al is 't gebrekkig", gaf Ibarra terug. "Hoeveel +dienaren God op aarde ook heeft, Hij doet zijn uitspraken niet +duidelijk genoeg, om al de millioenen strijdpunten uit te maken, +die onze hartstochten opwekken. 't Is noodig, 't is noodzakelijk, +'t is rechtvaardig, dat de mensch soms over zijn naasten oordeel velt!" + +"Jawel, om 't goede te doen, niet het kwaad, om te verbeteren, +niet om te vernietigen, want, als zijn uitspraken falen, heeft +hij de macht niet om het kwaad te herstellen, dat hij aangericht +heeft. Maar," liet hij volgen, terwijl hij van toon veranderde, +"deze discussie gaat boven mijn krachten, en ik houd u maar op: +u wordt zeker gewacht. Vergeet u niet wat ik u zoo even gezegd heb: +u heeft vijanden. Bewaar uzelf voor 't welzijn van uw land." + +En hij nam afscheid. + +"Wanneer zie ik u terug?" vroeg Ibarra. + +"Altijd, wanneer u maar wilt, en de keeren dat ik u van dienst kan +zijn. Ik ben nog uw schuldenaar!" + + + + +XXXIII. + +De maaltijd. + + +Ginds in de versierde feesttent zaten de groote mannen van de provincie +aan den maaltijd. + +De _alcalde_ zat aan 't eene uiteinde der tafel, Ibarra aan 't +andere. Rechts van den jongen man bevond zich Maria Clara, en aan zijn +linkerzijde de notaris. Capitán Tiago, de _alférez_, de burgemeester, +de monniken, de beambten en de enkele jonge dames die gebleven waren, +zaten niet naar rang, maar naar eigen verkiezing. + +Het feestmaal was nogal opgewekt en vroolijk, doch toen 't in vollen +gang was, kwam er een telegraafbode op Capitán Tiago af, met een voor +hem bestemd bericht. Natuurlijk vroeg deze verlof, het te mogen lezen, +en even natuurlijk verzocht iedereen hem, het te willen doen. + +Onze waardige _Capitán_ fronst eerst de wenkbrauwen, dan trekt hij +ze op. Zijn gelaat verbleekt, klaart op, en haastig het papier weer +opvouwend, staat hij van tafel op, en zegt gejaagd: + +"Dames en heeren, Zijne Excellentie de Gouverneur komt van avond mijn +huis met een bezoek vereeren!" + +En meteen zet hij 't op een loopen, telegram en servet in de hand, +maar zonder hoed, bestormd door achterna gezonden uitroepen en vragen. + +De tijding dat de _toelisan's_ of roovers gekomen waren, zou stellig +niet meer opschudding verwekt hebben. + +"Hoort u 's even!" "Wanneer komt hij?" "Vertelt u ons toch 's! Z'n +Excellentie!" + +Capitán Tiago was al weg. + +"Zijne Excellentie komt en gaat logeeren bij Capitán Tiago!" riepen +er enkelen, er niet aan denkende, dat daar zijn dochter en zijn +aanstaande schoonzoon mee aanzaten. + +"Hij kon geen betere keus doen!" antwoordde deze laatste. + +De monniken keken elkaar aan. De blik wilde zeggen: + +"De Capitán-General doet weer een van zijn dwaasheden: hij beleedigt +ons." Doch ze zwegen allen. + +"Ik heb er gisteren al van gehoord", zeide de _alcalde_, "maar toen +was Zijne Excellentie nog niet vast besloten." + +"Weet u wellicht, meneer de alcalde, hoeveel tijd de Gouverneur hier +denkt te blijven?" vroeg de _alférez_ ongerust. + +"Met stelligheid niet, Zijne Excellentie houdt van verrassingen." + +"Daar komen nog meer telegrammen!" + +Deze waren voor den _alcalde_, den _alférez_ en den burgemeester en +bevatten hetzelfde bericht. De geestelijken merkten goed op, dat geen +enkel telegram aan den pastoor gericht was. + +"Zijne Excellentie zal hier om vier uren in den namiddag aankomen, +heeren en dames!" zei de _alcalde_ plechtig. + +"We kunnen rustig ons maal beëindigen!" + +Het gesprek hervatte zijn gewonen loop. + +"Merkwaardig dat onze groote prediker afwezig is!" zeide schuchter een +van de beambten, een mak uitziend man, die zijn mond niet opengedaan +had, voor 't oogenblik dat het eten begon, en die nu voor 't eerst +op dien dag sprak. + +Allen die de geschiedenis van Crisóstomo's vader kenden, maakten +een gebaar of gaven een knipoogje alsof ze zeggen wilden: "Och loop, +'t eerste wat je zegt is een onhandigheid!" + +Doch een der aanzittenden antwoordde snaaks: + +"Hij moet wel een beetje moe zijn..." + +"Wat, een beetje?" riep de _alférez_, "bekaf moet hij wezen, +afgejakkerd. Asjeblieft, dat was een preek!" + +"Een pracht, een reuzen-preek!" zei de notaris. + +"Heerlijk, diepzinnig!" voegde de correspondent eraan toe. + +"Om zooveel te kunnen spreken, moet men longen hebben zooals hij", +merkte Padre Manuel Martin op. + +De Augustijner erkende alleen de kracht van zijn longen. + +"En zijn gemakkelijkheid van zich uit te drukken," liet Padre Salvi +volgen. + +"Weten de heeren wel dat meneer Ibarra de beste kok in de heele +provincie heeft?" zeide de _alcalde_ om 't gesprek een andere wending +te geven. + +"Dat heb ik ook al gezegd, maar zijn schoone buurvrouw doet de +tafel geen eer aan, want ze eet bijna niets," gaf een der beambten +ten antwoord. + +Maria Clara kleurde. + +"Meneer, u bent wel vriendelijk... U moet op mijn persoontje maar +niet letten," stamelde zij verlegen, "maar..." + +"Door uw aanwezigheid hier alleen doet u de tafel al genoeg eer aan," +kwam de hoffelijke _alcalde_ haar te hulp. + +"Meneer de pastoor," vervolgde hij luider, "ik merk op dat uw +hoogeerwaarde den heelen dag stil en in gedachten is..." + +"Meneer de alcalde is een ontzagwekkende opmerker!" riep Padre Sibyla +op bijzonderen toon. + +"Dat ben ik zoo gewoon," stamelde de Franciskaan, "ik hou meer van +luisteren dan van spreken." + +"Uw hoogeerwaarde is er altijd op uit, om te winnen en niet te +verliezen!" zei de _alférez_ schertsend. + +Padre Salvi nam 't echter niet als scherts op; zijn blik schitterde +even toen hij teruggaf: + +"Meneer de _alférez_ zal wel weten dat ik 't niet ben die dezer dagen +wint of verliest!" + +De _alférez_ lachte gedwongen en deed alsof hij de steek niet +gevoeld had. + +In de andere feesttent aten de kinderen, voorgezeten door hun +onderwijzer. Voor Filippijnsche kleinen maakten ze nogal gedruisch, +want in den regel zijn dezen aan tafel en in tegenwoordigheid van +vreemden eer schuchter dan ongedwongen. Degeen die zich vergiste +met het gebruik van 't eetgereedschap, kreeg een terechtwijzing van +zijn buurman. Daaruit ontstond een woordenwisseling en beiden vonden +aanhangers: sommigen beweerden dat de lepel, anderen dat de vork of +het mes moest gebruikt worden. En daar zij niemand als bevoegd in +deze zaak beschouwden, kwam het niet tot een oplossing. + +De ouders gaven elkaar knipoogjes of elleboog-stootjes of andere +teekens, en aan hun lach kon men zien, dat ze in hun schik waren. + +"Stellig," zei een boerin tot een oude man, die bezig was zijn +sirihpruimpje klaar te maken, "al is 't ook dat mijn man 't niet hebben +wil, mijn Andoy wordt toch priester. We zijn wel arm, maar we zullen +wel werken, en, als 't noodig mocht wezen, zullen we bedelen. Er zijn +altijd menschen te vinden, die er geld voor over hebben, om een arme +te helpen priester te worden. Zegt broeder Mateo niet--en die liegt +niet--dat Paus Sixtus karbouwenhoeder in Batangas geweest was? Nou, +kijk maar 's naar mijn Andoy, en zeg me dan, of hij niet al 't gezicht +van den heiligen Vincent heeft!" + +En de goede moeder glom van trots, toen ze zag dat haar zoontje zijn +vork met beide handen vasthield. + +"God geve 't!" antwoordt de oude man, zijn sirih kauwend. "Als Andoy +nog 's paus wordt, gaan we naar Rome. He, he!" + +"Wees maar niet ongerust, grootvader! Andoy zal 't niet vergeten, +dat u hem rotan-manden en _dikin_-mandjes heeft leeren vlechten." + +"Je heb gelijk, Petra, ik geloof ook dat je zoon nog 's iets groots +wordt, op z'n minst aartsvader. Ik heb nog nooit iemand gezien die +zoo gauw 't handwerk geleerd heeft! Zeker, hij zal wel aan me denken +wanneer hij als paus of bisschop manden voor zijn keukenmeid moet +maken. Hij zal stellig missen voor mijn ziel lezen, he, he!" + +En ons oudje vulde zijn _kalikoet_ of sirihzakje tot den rand. + +"Als God mijn gebeden verhoort en mijn wensch vervuld wordt, zal ik +Andoy zeggen: 'Vent, ontdoe ons van al onze zonden, zend ons naar +den hemel. Dan hoeven we niet meer te bidden of te vasten of aflaten +te koopen. Wie een zoon heeft die Zijne Heiligheid de Paus zelf is, +die mag vrij zondigen!'" + +"Zend hem morgen naar mijn huis, Petra," zeide de oude man vol +geestdrift, "ik zal hem leeren _nitô_-vlechtwerk te maken." + +"Och wat! Wat denkt u wel, grootvader? Denkt u dat een pastoor +nog zijn handen verroert? De pastoor, zeg ik je, die niets meer +is dan pastoor, die werkt alleen bij de mis... wanneer hij zich +omkeert! De aartsbisschop draait zich zelfs niet meer om, die leest +de mis zittende. Dus de Paus...wel, de Paus leest de mis in zijn bed, +met een waaier in de hand!... wat verbeeldde u zich wel?" + +"'t Is toch niet kwaad, Petra, dat hij leert, hoe je met _nitô_ +werkt. Dan kan hij _salákot's_ (hoeden) en sigarenkokers verkoopen, +hoeft niet te bedelen, zooals de pastoor dat hier ieder jaar voor den +Paus doet. Ik krijg medelijden, als ik denk aan zoo'n armen heilige, +en dan geef ik altijd wat ik gespaard heb." + +"Ik ben al besloten, buurvrouw, mijn zoon moet dokter worden. Niks +beter dan dokter!" + +"Dokter! Zwijg toch, buurman," antwoordde Petra. + +"Er gaat niks boven pastoor!" + +"Pastoor! Larie! Pastoor? Een dokter verdient veel geld, de zieken +vereeren hem, buurvrouw!" + +"Met je welnemen! De pastoor draait zich alleen maar drie of vier +keer om, zegt: 'déminos pabiskoem,' eet onze Lieve Heer en krijgt +geld. Alle menschen, zelfs de vrouwen vertellen hem hun geheimen!" + +"En een dokter? Wat denkt u dan wel dat een dokter is? Een dokter +ziet alles wat jullie vrouwen mankeeren. Hij voelt de pols van de +jonge meisjes... + +"Ik wou dat ik maar 's een enkel weekje dokter was." + +"En de pastoor dan? Ziet de pastoor soms ook niet wat zoo'n dokter +ziet? Nou, nog beter hoor! U kent het spreekwoord wel: 'vette kip en +rond been voor den pastoor.'" + +"Wat zou dat? Eten de dokters dan soms gedroogde visch? + +"Die hebben zeker te klagen?" + +"Nee, maar de pastoor maakt zijn handen ten minste niet vuil, zooals +zoo'n dokter. En dan heeft hij groote landerijen, en wanneer hij werkt, +dan doet hij 't met muziek en de kosters helpen hem erbij." + +"En de biecht afnemen, buurvrouw? Noem je dat geen werken?" + +"Nou, dat 's ook een werk! Al moest je de heele wereld de biecht +afnemen! Dat is zeker sloven en zwoegen, na te gaan wat mannen en +vrouwen doen, wat je buren doen! De pastoor gaat alleen maar zitten +en dan vertellen ze hem alles. Soms valt hij in slaap. Hij steekt een +paar zegeningen af, en klaar is Kees: we zijn weer Gods kinderen! Ik +wou dat ik 's pastoor was op een middag in den vasten tijd!" + +"En 't... 't preeken dan? Is dat dan soms geen werk? Nou, dan moest u +maar 's opgelet hebben, hoe de 'groote pastoor' van ochtend zweette," +bracht de man ertegen in, die voelde dat hij grond verloor. + +"Preeken? Preeken een werk? Hoe komt 't bij u op? Ik woû dat ik maar +'s een halven dag achtereen op de katheder mocht staan, om niets +anders te doen dan iedereen uit te vegen en de ooren te wasschen, +zonder dat iemand een woord terug durft te zeggen, en dat ze me daar +ook nog voor betaalden! Nou, ik wou dat ik 's pastoor mocht wezen, +een morgen maar, wanneer de lui die me geld schuldig zijn de mis +bijwonen! Let maar 's op, daar, hoe dik Padre Dámaso wordt van al +zijn standjes geven en ranselen!" + +Inderdaad, daar kwam Padre Dámaso aanstappen met den waggelgang van +een zwaarlijvig mensch, half lachend, maar op zulk een boosaardige +wijze, dat Ibarra, toen hij hem zag, den draad van zijn toespraak +kwijt raakte. + +De pater werd, schoon met eenige verwondering, door iedereen met +teekenen van vreugde begroet, behalve door Ibarra. Men was reeds aan +de nagerechten en de champagne schuimde in de kelken. + +Padre Dámaso's glimlach werd zenuwachtig, toen hij zag, dat Maria +Clara naast Crisóstomo zat. Doch, een stoel nemende naast dien van +den _alcalde_, vroeg hij te midden van een beteekenisvolle stilte: + +"Spraken de dames en heeren over iets? Gaat u dan voort." + +"We waren aan de toasten," antwoordde de _alcalde_. "Meneer Ibarra +was juist bezig allen te bedanken die hem in zijn menschlievend +werk ter zijde gestaan hadden, en hij sprak over den bouwmeester, +toen uwe hoogeerwaarde..." + +"Och, ik heb geen verstand van bouwkunde," viel de pater in de +rede, "maar ik lach wat om architekten en om de ezels die ze noodig +hebben. Kijk daar die kerk, daar heb ik 't plan voor geteekend, en die +is uitstekend gebouwd: dat heeft een Engelsche juwelier nog gezegd, +toen hij 's op een dag in 't 'klooster' bij me logeerde. Om zoo'n +plan te maken heb je aan een minimum hersens genoeg!" + +"Maar," hervatte de _alcalde_, die zag dat Ibarra zweeg, "u zult +toch toegeven dat voor zekere gebouwen, bijvoorbeeld zoo'n school, +wel een deskundige noodig is!" + +"Och wat, larie!" riep Padre Dámaso spottend, "wie een _des_kundige +voor zoo iets noodig heeft, is een _snert_kundige! + +"Daar moet je toch waarlijk botter voor wezen dan de inlanders--die +bouwen hun eigen huizen--om niet vier van die muren te kunnen opzetten +en daar een deksel op te maken; want wat is zoo'n school anders?" + +Allen keken naar Ibarra, doch deze ging voort met Maria Clara te +praten, ofschoon hij bleek werd. + +"Maar uwe hoogeerwaarde moet toch in aanmerking nemen ..." + +Doch de Franciskaner liet den alcalde niet aan 't woord. "U weet toch +zeker wel," ging hij voort, "dat een leekebroeder van ons, de domste +dien we hebben, een goed, mooi en goedkoop gasthuis heeft gebouwd. Hij +liet flink werken en betaalde niet meer dan acht 'cuarto's' per dag, +zelfs aan de menschen die van andere dorpen moesten komen. Die kon er +mee omgaan, die deed niet als sommige 'halve garen' en sinjo's, die +het werkvolk bederven door hun drie of vier 'real' loon te geven". [37] + +"Zegt uw weleerwaarde dat hij maar acht cuarto's +betaalde? Onmogelijk!" zeide de _alcalde_, om het gesprek een andere +wending te geven. + +"Ja, meneer, en zoo moest iedereen doen die zich voor goed Spanjaard +uitgeeft. Och, 't is duidelijk: sinds het Suez-kanaal geopend is, +is er hier de klad in gekomen. In vroeger tijd, toen we de Kaap +moesten omvaren, kwam er hier niet zooveel tuig, en gingen er ook +niet zooveel naar Europa, om als tuig terug te komen!" + +"Maar Padre Dámaso!" + +"U weet heel goed, hoe de inlander is: als hij maar even wat gestudeerd +heeft, hangt hij de geleerde uit. Al die snotjongens die tegenwoordig +naar Europa gaan..." + +"Maar luister nu toch 's even, weleerwaarde!" viel de _alcalde_ in, +die ongerust begon te worden over 't aanvallend karakter dier woorden. + +"Ze eindigen allemaal zooals ze 't verdienen", ging de monnik voort: +"de hand Gods is erin te bespeuren; je zou blind moeten wezen, om +'t niet te zien. De ouders van zulk 'vee' krijgen in dit leven de +kastijding al... die crepeeren in de gevangenis, ha, ha! net als..." + +Doch hij bracht zijn zin niet ten einde. Ibarra--die lijkbleek was +geworden--had hem met den blik gevolgd. Toen hij de toespeling op zijn +vader hoorde, sprong hij op en liet zijn stoere vuist neerkomen op +'t hoofd van den priester, die als bedwelmd achterover viel. + +Vol verbazing en schrik dorst niemand tusschen beiden komen. + +"Laat me begaan!" riep de jonge man met een vreeselijke stem, en hij +strekte zijn hand uit naar een scherp mes, terwijl hij met zijn eene +voet op de keel van den pater stond. Deze was inmiddels van zijn +verbijstering hersteld. "Die niet dood wil, moet me laten begaan!" + +Ibarra was buiten zich zelve: zijn lichaam beefde, zijn oogen bewogen +zich dreigend in hun kassen. Fray Dámaso deed een geweldige poging +om op te staan, die bijna slaagde, maar de ander greep hem bij zijn +keel en duwde hem in elkaar op zijn knieën. + +"Meneer Ibarra! Meneer Ibarra!" stamelden enkelen. + +Maar niemand, zelfs niet de _alférez_, waagde het om naderbij +te komen. Men zag 't mes flikkeren en dacht aan de kracht en den +gemoedstoestand van den jongeman. Allen voelden zich als verlamd. + +"Jullie daar, jullie hebben je mond gehouden, nu neem ik 't op me. Ik +heb gedaan wat ik kon om 't te vermijden. God heeft 't zoo gewild, +laat God beslissen!" + +De jongeman ademde zwaar, maar bleef met ijzeren greep den Franciskaan +neerdrukken. Tevergeefs wrong en worstelde deze om los te komen. + +"Mijn geweten is volkomen rustig, ik voel niet de minste weifeling..." + +En om zich heen kijkende, voegde hij eraan toe: "Eerst dit: Is er +onder u soms iemand die zijn vader niet liefgehad heeft, die alleen +haat voelt, als hij aan hem denkt, iemand die misschien geboren is +in schande en vernedering?... Nu? Hoor je, iedereen zwijgt. Zeg, +priester van een God van vrede, die altijd den mond vol heeft van +heiligheid en godsvrucht, en je hart vol afschuwelijkheid, jij hebt +zeker nooit beseft wat een vader is... anders zou je aan den jouwe +gedacht hebben! Zie je? onder die menschen daar, die jij minacht, +is er geen een zooals jij. Je bent geoordeeld." + +De andere aanwezigen, denkende dat hij een moord zou begaan, kwamen +in beroering. + +"Laat me begaan," schreeuwde Ibarra nogmaals met dreigende +stem. "Wat? Is er iemand soms bang dat ik mijn handen zal bevuilen +met onrein bloed? Heb ik dan niet gezegd dat mijn geweten volkomen +rustig was? Laat ons begaan! Luistert, priesters, rechters, jullie die +jezelf voor een ander soort menschen houdt, met andere rechten! Mijn +vader was een man van eer. Vraagt 't gerust aan 't volk hier: dat +houdt zijn nagedachtenis hoog. Mijn vader was een goed burger: hij +heeft zich voor mij en 't welzijn van zijn land opgeofferd. Zijn huis +stond open voor een ieder, aan zijn tafel was plaats voor iederen +vreemdeling of verschoppeling, die in zijn ellende bij hem om hulp +kwam! Hij wat een goed christen: hij heeft altijd 't goede gedaan, +en nooit zwakken onderdrukt of ongelukkigen gekweld... Voor deze man +heeft hij zijn huis ook opengezet, hij heeft hem aan zijn tafel gehad, +hij heeft hem zijn vriend genoemd. Hoe is hij daarvoor beloond? De +man heeft hem belasterd, vervolgd, heeft domme menschen tegen hem +opgezet door misbruik te maken van zijn heilig ambt. Hij heeft zijn +graf geschonden, zijn nagedachtenis gehoond en hem zelfs in zijn +doodsrust vervolgd. En omdat hij daar niet mee tevreden is vervolgt hij +nu den zoon! Ik heb hem ontweken, ik heb hem vermeden waar ik kon... U +hebt hem van morgen den preekstoel hooren verontheiligen door mij aan +'t dweepzieke volk als 't ware met den vinger aan te wijzen. Ik heb +gezwegen. Nu komt hij hier, om twist met me te zoeken. Ik heb eerst +in stilte geleden, tot uw verwondering, nietwaar? Maar hij heeft nu +weer een nagedachtenis beleedigd, die aan iedereen, die zich een +goed zoon voelt, heilig is... U aanwezigen, priesters, rechters, +heeft een van u zijn oude vader zijn nachtrust zien opofferen, om +voor u te werken, hem van u zien scheiden voor uw welzijn, sterven +van verdriet in de gevangenis, smachtend om u te mogen omhelzen, +zoekend naar iemand die troosten kon, alleen, ziek en ellendig, +terwijl u verweg in 't buitenland waart?... Hebt u later zijn naam +hooren smaden, hebt u ook zijn graf leeg gevonden, toen u er wilde +bidden? Niet? Zwijgt iedereen? Dan veroordeelt u hem!" + +Hij hief het mes op, maar een jong meisje liep ijlings op hem toe en +hield met haar teedere handen zijn arm tegen. 't Was Maria Clara. + +Ibarra keek haar aan alsof hij krankzinnig was geworden. Langzamerhand +verslapte de krampgreep van zijn vingers en liet hij 't lichaam van +den monnik los. 't Mes ontgleed hem. En 't gelaat met beide handen +bedekkend, liep hij door de menigte heen, hard weg. + +Spoedig was het gebeurde in 't dorp bekend. In den beginne wilde +niemand 't gelooven, doch toen men voor de bewijzen zwichten moest, +uitte een ieder luide zijn verbazing. + +Ieder maakte zijn opmerkingen, al naar den graad van zijn zedelijk +peil. + +"Padre Dámaso is dood!" zeiden er sommigen. "Toen ze hem van den grond +opnamen, was zijn gezicht vol bloed. En hij haalde geen adem meer." + +"Laat hem in vrede rusten, maar hij heeft niets dan zijn verdiende +loon!" riep een jongmensch uit. "Als je 's wist wat hij van morgen in +'t klooster gedaan heeft... 't Is niet om te zeggen." + +"Wat heeft hij gedaan? Heeft hij de coadjutor weer een pak ransel +gegeven?" + +"Wat heeft hij toch gedaan? Kom, vertel 't ons." + +"Hebt u van ochtend een Spaansche sinjo gedurende de preek door de +sakristie de kerk uit zien gaan?" + +"Zeker, zeker, dat hebben we gezien. Padre Dámaso keek er nog erg +naar." + +"Nu goed...na de preek heeft hij hem bij zich laten komen, en hem +gevraagd waarom hij heen was gegaan. 'Ik versta geen Tagaalsch, pater' +zei hij. 'En waarom heb je ermee gespot en gezegd dat het Grieksch +was?' Dat schreeuwde hij hem in zijn gezicht, en gaf hem meteen een +oorvijg. Het jongmensch sloeg terug, en zoo werd 't een formeele +vechtpartij, totdat ze door andere menschen werden gescheiden." + +"Dat moest mij 's overkomen"... mompelde een student binnensmonds. + +"Ik keur 't optreden van den Franciskaan af," antwoordde een ander, +"want godsdienst is iets dat men niemand als straf of boete +af moet dwingen. Maar ik ben er bijna blij om, want ik ken dat +jongemensch. Ik weet dat hij van San Pedro Makati komt, en goed +Tagaalsch spreekt. Tegenwoordig wil hij graag doorgaan voor iemand +die zoo kersversch uit Rusland is gekomen. En nu meent hij voornaam +te doen door de taal van zijn ouders te verloochenen." + +"Dan is 't maar goed ook dat hij 'op zijn ziel' gehad heeft!" + +"En toch moeten we tegen 't gebeurde opkomen," riep een andere student +uit. "Als we ons stilhielden, zou 't net zijn alsof we 't goed vonden, +en dan kon 't zelfde een van ons even zoo overkomen. We gaan weer +naar de tijden van Nero terug!" + +"Je vergist je!" gaf een ander te kennen, "Nero was een groot +kunstenaar, en onze pater Dámaso preekt allerberoerdst!" + +De commentaren der oudere menschen waren anders. + +Terwijl men in een huisje buiten het dorp op de komst van den +gouverneur--Capitán Generaal--wachtte, zeide de burgemeester: + +"'t Is niet makkelijk te zeggen, wie er gelijk heeft, en wie +ongelijk. Maar, als meneer Ibarra een beetje meer de voorzichtigheid +had betracht..." + +"Als Padre Dámaso de helft van meneer Ibarra's voorzichtigheid had +gehad, wilt u misschien zeggen?" viel Don Filipo in. "'t Kwaje is, +dat ze de rollen verwisseld hebben: de jonge man heeft gehandeld als +een oud bezadigd man, de oude als een onbesuisd jongmensch." + +"En u zegt dat niemand zich verroerde, dat er niemand tusschenbeide +is gekomen, behalve dan de dochter van Capitán Tiago?" vroeg Capitán +Martin. + +"Geen enkele van de _frailes_, en de _alcalde_ ook niet? Hm! Erger +kon 't al niet! Ik zou niet graag in 't vel van dat jongemensch +steken. Niemand zal hem ooit vergeven dat hij bang voor hem geweest +is. Erger kon 't al niet, hm!" + +"Gelooft u dat heusch?" vroeg Capitán Basilio vol belangstelling. + +"Ik verwacht", zeide Don Filipo, terwijl hij met dezen een blik +verwisselde, "dat het dorp hem niet in den steek zal laten. Wij moeten +niet vergeten wat zijn familie voor ons gedaan heeft, en wat hij nu +voor ons doet. En als misschien de menschen in 't dorp uit vrees hun +mond houden en zich niet roeren, dan zullen zijn vrienden..." + +"Maar, heeren," vroeg de burgemeester, "wat kunnen wij nu doen? Wat +kan 't volk doen? Och, wat er ook gebeurt, de monniken krijgen +altijd gelijk." + +"Ze krijgen 'altijd' gelijk, omdat wij hun dat 'altijd' geven," +gaf Don Filipo kregelig terug, terwijl hij beide malen sterk op dat +"altijd" drukte. "Als we maar eens onszelf gelijk gaven, dan zouden we +'s verder kunnen praten!" + +De "gobernadorcillo" krabde zich achter zijn oor, keek naar de +zoldering, en antwoordde scherp: + +"Och, wat 'n warmbloedigheid! 't Lijkt wel alsof u nog niet weet, in +welk land we zijn en onze landlui niet kent. De _frailes_ zijn rijk en +steunen elkaar, wij zijn verdeeld en arm. Wel zeker! Probeert u maar +'s hem te verdedigen, en u zult 's zien hoe ze u alleen laten zitten!" + +"Jawel!" riep Don Filipo vol bitterheid uit, "dat zal gebeuren +zoolang men er zoo over denkt, zoolang vrees en voorzichtigheid +één blijven. Men let meer op een kwaad dat gebeuren kan, dan op 't +goede dat noodzakelijk is. Dadelijk doet zich vrees voor in plaats +van vertrouwen. Iedereen denkt aan zichzelf alleen, niemand aan zijn +evenmensch. Daarom zijn we allemaal zwak." + +"Nu goed, u moet maar 's eerst aan een ander denken en dan aan uzelf, +en u zult 's zien hoe ze u met de gebakken peren laten zitten! Kent u +'t Spaansche spreekwoord niet: welbegrepen menschlievendheid begint +met zichzelf?" + +"Waarom zegt u niet liever," antwoordde de teniënte mayor buiten +zichzelve van ergernis: "dat welbegrepen lafheid begint met zelfzucht +en eindigt met schande! Ik neem dadelijk mijn ontslag bij den +_alcalde_: ik ben er beu van, den zot uit te hangen en niemand tot +nut te wezen... _Adios_!" + +De vrouwen waren van een ander gevoelen. + +"Och, och!" zuchtte er een, die er goedig uitzag, "die jonge menschen +toch! Wat zou zijn goeie moeder wel zeggen, als die nog leefde? Och +God! Als ik toch 's bedenk, dat mijn zoon ook zoo iets kan overkomen, +want dat 's ook een heethoofd...Och Heerejee! Ik ben bijna jaloersch +op zijn moeder, die dood is... ik zou doodgaan van verdriet." + +"Nu, ik niet," antwoordde een andere vrouw, "ik zou er geen verdriet +van hebben, als zoo iets aan mijn twee zoons overkwam." + +"Wat zegt u, _Capitana_ Maria?" riep de eerste uit, en sloeg de handen +in elkaar. + +"Ik mag 't zien, dat een zoon opkomt voor de nagedachtenis van zijn +ouders. _Capitana_ Finay, wat zou u wel zeggen als u eens, als weduwe, +kwaad hoorde spreken van uw man en uw zoon Antonio zijn hoofd boog +en geen woord er tegenin zei?" + +"Ik zou hem mijn zegen niet meer willen geven!" riep een derde uit. 't +Was zuster Roefa. "Maar..." + +"Mijn zegen niet meer geven, dat nooit!" viel de goedige _Capitana_ +Finay in, "een moeder mag zoo iets niet zeggen ...maar ik weet niet, +wat ik doen zou ... ik weet niet.., ik geloof dat ik 't besterven +zou...ik zou hem...nee! Lieve God! maar ik zou hem niet meer willen +zien...maar wat komt 't er toch bij u op aan, _Capitana_ Maria?" + +"In allen gevalle," voegde zuster Roefa erbij, "moet men nooit +vergeten, dat het een groote zonde is, de hand op te heffen tegen +een gewijd persoon, een heilig man." + +"De nagedachtenis van iemands ouders is nog heiliger," hervatte +_Capitana_ Maria. "Niemand, zelfs de Paus niet, en nog minder Padre +Dámaso, mag zoo'n heilige nagedachtenis ontwijden!" + +"Dat is waar!" mompelde _Capitana_ Finay vol bewondering voor de +wijsheid der beide anderen, "waar haalt u toch zulke mooie redeneringen +vandaan?" + +"Ja, maar hoe is 't dan met de kerkelijke ban en de verdoemenis?" vond +la Roefa nog in te brengen. "Wat beteekenen eer en goede naam in dit +leven, als we onze verdoemenis in 't leven hiernamaals bewerken? Alles +is vergankelijk, maar de kerkelijke ban...een dienstknecht van Jezus +Christus...te hoonen... zoo iets kan alleen de Paus vergeven!" + +"God zal 't wel vergeven, want 't is zijn gebod vader en moeder +te eeren. God zal hem niet in den ban doen! En ik zeg u: als dat +jongmensch in mijn huis komt, dan ontvang ik hem en spreek ik met +hem. Als ik een dochter had, dan woû ik dat hij mijn schoonzoon werd: +iemand die een goed zoon is, zal zeker een goed echtgenoot zijn en +een goed vader ook, gelooft u dat maar, zuster Rufa!" + +"Nu, ik denk er anders over. U mag zeggen wat u wilt: al schijnt het +ook dat u gelijk heeft, ik blijf den pastoor gelooven. Voor alles +zorg ik voor 't heil van mijn ziel. Wat zegt u, _Capitana_ Finay?" + +"Och, wat zal ik u zeggen? U hebt beiden gelijk! Ik weet 't niet, ik +ben maar 'n dom mensch... Maar ik weet wel, dat ik aan mijn zoon zal +zeggen, dat hij niet meer studeeren moet! Ze zeggen dat de geleerden +aan den galg eindigen. Heilige Moeder Gods! En dan woû mijn zoon nog +wel naar Europa!" + +"Wat denkt u dan te doen?" + +"Hem zeggen dat hij bij me moet blijven. Wat geeft 't of ie wat meer +weet? Morgen of overmorgen gaan we toch dood, de geleerde menschen +evengoed als de domme menschen...de hoofdzaak is in vrede te leven." + +En de goede vrouw zuchtte, en sloeg de oogen ten hemel. + +"Nu", zei _Capitana_ Maria ernstig, "als ik rijk was zooals u, +dan zou ik mijn zoons vrij laten reizen: 't zijn jongelieden, en +'t zullen eenmaal mannen moeten wezen...Ik heb wel niet lang meer te +leven...we zouden elkaar in 't andere leven terugzien. Zoons moeten +er naar streven, wat meer te zijn dan hun ouders, en als we ze aan +den leiband houden, leeren we ze alleen kind zijn?." + +"Och, wat 'n vreemde ideën heeft u!" riep Capitana Finay ontsteld uit, +en sloeg weer de handen in elkaar. "'t Is net of u geen pijn geleden +heeft, toen u uw tweelingen kreeg!" + +"Juist omdat ik ze met pijn ter wereld heb gebracht, en ze behoorlijk +heb opgevoed, al zijn we nog zoo arm, wil ik niet, dat na al de moeiten +en zorgen die ze ons gekost hebben het maar halve mannen werden..." + +"Ik geloof niet dat u van kinderen houdt, zooals God het +voorschrijft!" zeide zuster Roefa op eenigszins strengen toon. + +"Och, neem me niet kwalijk: iedere moeder houdt van haar kinderen +op haar eigen manier. Ik heb ze lief om hun zelf. Zoo heeft mijn man +'t me geleerd." + +"Al uw ideën, Capitana Maria," zeide la Roefa op een preektoon, +"zijn al heel weinig godsdienstig. Wordt u maar 's zuster van den +Allerheiligsten Rozenkrans, van Sint Franciskus, van Sinte Rita of +van Sinte Clara!" + +"Zuster Roefa, zoodra ik me een waardige zuster van de menschen voel, +zal ik zien zuster van de heiligen te worden," antwoordde de ander +lachend. + + + +Op 't marktplein zitten eenige landlieden te praten onder 't daar +opgeslagen verhemelte. De man die zooveel ophad met het doktersberoep +zit erbij. + +"Wat me 't meeste spijt," zei deze, "is dat de school nu niet afkomt." + +"Hoe zoo, hoe nu?" vroegen de omstanders vol belangstelling. + +"Mijn zoon kan nu geen dokter meer worden, wel karrevoerder! Er komt +niets van! Er komt geen school meer!" + +"Wie zegt dat, dat er geen school komen zal?" vroeg een ruwe, +stoergebouwde boer, met breede kaken en een smal hoofd. + +"Ik! De blanke paters hebben gezegd dat Don Crisóstomo een +_pilibistiro_ is. Er komt geen school!" + +Allen keken elkaar vragend aan: die naam was iets nieuws voor hen. + +"En is dat iets leelijks, die naam?" waagde ten slotte de stoere +landbouwer te vragen. + +"'t Ergste wat de eene Christen van den ander kan zeggen!" + +"Erger dan _tarantado_ en _saragaté_?" [38] + +"Was 't dat maar! Daar hebben ze me dikwijls voor uitgescholden, +en dat heeft me koud gelaten." + +"Och kom, 't zal toch niet erger zijn dan 'indio', zooals de _alférez_ +ons noemt." [39] + +De man wiens zoontje karrevoerder zou worden, kijkt somberder, de +ander krabt zich achter zijn oor en denkt na. + +"Dan is 't zeker net zooals _bitlopora_, (_vete á la porra_, loop +naar de weerga!), wat de 'ouwe' van den _alférez_ altijd zegt! Nog +erger dan dat is spugen op de hostie." + +"Nu dan, 't is nog erger dan spugen op de hostie op Goeden Vrijdag," +antwoordde hij ernstig. "U zult zich wel herinneren, dat het woord +_ispitjoso_ [40], als het op iemand toegepast werd, voldoende was om +te maken, dat de politie van villa-Abrille hem naar een ballingsoord +of naar de gevangenis bracht. Nu, _pilibistiro_ is veel erger: als +ze je eenmaal _pilibistiro_ noemen, ga dan maar dadelijk biechten en +betaal je schulden af, want dan zit er niets anders op dan dat je je +laat ophangen. Dat zeggen de lui die 't weten kunnen." + +Allen waren onder den indruk. + +"Ze mogen me dwingen schoenen te dragen en mijn leven lang niets +anders te drinken dan van die paardenpies, die ze bier noemen, als +ik me ooit _pilibistiro_ laat noemen!" zwoer onze boer terwijl hij +zijn vuisten balde. "Nou, als ik Don Crisóstomo was, zoo rijk was, +en Spaansch kende als hij, en vlug kon eten met mes en lepel zooals +hij, dan lachte ik om vijf pastoors bij elkaar!" + +"De eerste de beste 'guardia civil' die ik kippen zie stelen, noem ik +_pilibistiro_...en dan ga ik dadelijk biechten", mompelde heel zachtjes +een der landlieden, terwijl hij zich van 't gezelschap verwijderde. + + + + +XXXIV. + +'t Eerste wolkje. + + +Ten huize van Capitán Tiago heerschte niet minder verwarring dan in de +verbeelding der menschen. Maria Clara deed niets anders dan schreien +en luisterde niet naar de troostwoorden van haar tante en van Andéng, +haar zoogzuster. Haar vader had haar verboden met Ibarra te spreken, +zoolang de geestelijken hem geen absolutie van den kerkelijken ban +hadden gegeven. + +Capitán Tiago, die het erg druk had met het in orde brengen van zijn +huis voor de waardige "ontvangst" van den gouverneur, was naar het +"klooster" opgeroepen. + +"Schrei maar niet, kindje," zeide tante Isabel onder 't zemen der +glimmende spiegelvlakken, "ze zullen den ban wel opgeheven krijgen, +ze zullen wel aan zijn Heiligheid den Paus schrijven...we zullen een +groote gift aan de armen doen...Padre Dámaso heeft alleen maar een +flauwte gehad...hij is niet dood!" + +"Schrei niet," zei Andéng zacht tot haar, "ik zal wel zorgen, dat +je met hem praten kunt: waartoe dienen anders biechtstoelen, als +om te kunnen zondigen? Alles wordt vergeven, als je 't maar aan den +pastoor zegt." + +Eindelijk kwam Capitán Tiago! De vrouwen zochten in zijn gelaat het +antwoord op veel vragen; doch 't gelaat van Capitán Tiago verkondigde +ontmoediging. De arme man transpireerde. Hij wreef zijn hand langs +zijn voorhoofd, en kon geen woord uitbrengen. + +"Wat is er, Santiago?" vroeg tante Isabel vol bezorgdheid. + +Hij antwoordde met een zucht, en wischte zich een traan weg. + +"Om Gods wil, spreek toch! Wat is er gebeurd?" + +"Wat ik wel gevreesd had!" barstte hij eindelijk half schreiend +los. "Alles is verloren! Padre Dámaso beveelt me de verloving af +te breken; als ik 't niet doe, ben ik verdoemd in dit leven en hier +namaals! Ze zeggen allemaal 't zelfde, zelfs Padre Sibyla! Ik moet de +deur van mijn huis voor hem sluiten en...ik ben hem meer dan vijftig +duizend _peso's_ schuldig! Dat heb ik ook aan de paters gezegd, maar +ze gaven er niks om. Wat verlies je liever, zeiden ze, vijftig duizend +peso's of je leven en je ziel? Ach, San Antonio! als ik 't geweten had, +als ik 't geweten had, als ik 't geweten had!" + +Maria Clara snikte. + +"Schrei niet, mijn kindje," hervatte hij, zich tot haar wendend. "Jij +bent niet zooals je moeder: die schreide nooit... nooit anders +dan om een grilletje...Padre Dámaso heeft me gezegd, dat er al een +familielid van hem uit Spanje is aangekomen...die bestemt hij je +tot aanstaande..." + +Maria Clara hield de ooren dicht. + +"Maar Santiago, ben je nu heelemaal gek?" riep tante Isabel. "Haar nu +met een anderen vrijer aan boord te komen. Denk je dan dat je dochter +zoo maar van aanstaande verwisselt, alsof ze een ander hemd aantrekt?" + +"Dat heb ik ook niet gedacht, Isabel. Don Crisóstomo is +rijk...Spanjaarden trouwen alleen om 't geld...maar wat wil je dat +ik eraan doen zal? Ze hebben me met nog een kerkban gedreigd... Ze +zeggen, dat niet alleen mijn ziel groot gevaar loopt, maar ook mijn +lichaam ... mijn lichaam, versta je wel, mijn lichaam!" + +"Maar jij doet niet anders dan je dochter den moed benemen! Is de +aartsbisschop niet een vriend van je? Waarom schrijf je dien niet?" + +"De aartsbisschop is ook _fraile_, en de aartsbisschop doet niet +anders dan wat de _frailes_ hem zeggen. Maar Maria, je moet niet +schreien: de gouverneur komt straks. Hij zal je willen zien, en je hebt +roode oogen...Och, ik die gedacht had een gelukkigen avond te zullen +doorbrengen... Zonder die groote tegenspoed zou ik de gelukkigste man +op aarde wezen, en iedereen zou me benijd hebben...Bedaar wat mijn +kind: ik ben ongelukkiger dan jij, en ik schrei niet! Jij kunt nog +een beteren aanstaande krijgen. Maar ik, ik verlies vijftig duizend +_peso's_! Ach, Heilige Maagd van Antipolo, als 't me vanavond ten +minste maar wat meeliep!" + +'t Knallen van schoten, rollen van rijtuigen, paardengetrappel, +muziek die de koningsmarsch speelde, kondigden de komst van Z. E. den +Gouverneur der Filippijnsche eilanden aan. Maria Clara liep weg, +en verschool zich in haar slaapkamer... Arm meisje! Met haar hart +speelden grove handen, die er de fijne vezelen niet van kenden! + +Terwijl het huis vol menschen liep, en krachtige schreden, +commando-stemmen, sabel-gerinkel en sporen-geklik overal weerklonken, +lag het zwaarbezochte jonge meisje neergeknield voor een gravure +van de Heilige Maagd. Deze was daar voorgesteld in die houding van +smartelijke verlatenheid, welke alleen Delaroche doorvoeld heeft, +als had hij haar verraste op 't oogenblik, dat ze 't graf van haar +zoon verliet. + +Maria Clara dacht niet aan de smart dier moeder, ze dacht aan haar +eigen verdriet. Het hoofd op de borst gezonken en de handen op den +grond gesteund, geleek ze den stengel eener lelie door den storm +neergebogen. Een toekomstbeeld, waarvan ze jaren gedroomd, dat ze +jaren gekoesterd had, welks illusies, opgekomen in de kindsheid en +opgegroeid met de jeugd, vorm gaven aan de cellen van haar organisme, +thans uit geest en hart te willen wegwisschen met een enkel woord! Dat +is 't zelfde als het kloppen van dat hart te doen ophouden, 't licht +te benemen aan dien geest! + +Maria Clara was een even goed en vroom Christin, als een liefhebbende +dochter. Niet alleen de kerkelijke ban over Ibarra vervulde haar met +angst: het bevel en de bedreigde rust van haar vader eischten thans +het offer harer liefde. Ze besefte nu de kracht dezer neiging meer dan +ooit te voren. 't Was een zachtkens voortglijdende rivier geweest, +met geurige bloemtapijten aan haar oevers, en fijn zand op haar +bedding. Haar water werd te nauwernood door den wind gerimpeld. 't Was +of de stroom allengs minder snel werd, zoo liet ze zich aanzien. Doch +opeens vernauwen zich haar oevers, steile rotsen beletten haar den +doortocht, eeuwenoude boomstammen liggen over elkaar als om een dam +te vormen... O, dan loeit de rivier, dan rijst het water, dan zieden +de golven, dan stuiven pluimen van schuim, dan beukt ze de rotsen en +stort zich in den afgrond! + +Maria Clara wilde bidden, maar wie bidt er in wanhoop? We bidden +wanneer we hopen, en anders kunnen we, tot God gewend, slechts +klachten uiten. + +"Mijn God!" kreet haar hart, "waarom moet gij zoo een man uitstooten, +hem de liefde zijner medemenschen ontzeggen? Gij onthoudt hem niet uw +zon, noch uw lucht, gij verbergt hem evenmin het gezicht op uw hemel, +waarom hem de liefde te weigeren, wanneer men leven kan zonder hemel, +zonder lucht en zonder zon, maar nimmer zonder liefde?" + + + + +XXXV. + +Zijne Excellentie. + + +"Ik wensch dat jonge mensch te spreken!" zeide Zijne Excellentie tot +een adjudant, "hij heeft bizonder mijn belangstelling opgewekt." + +"Er is al iemand gezonden, om hem te halen, Excellentie. Maar hier +is een jongmensch uit Manila, dat met veel aandrang om gehoor bij +u vraagt. We hebben hem gezegd dat u geen tijd had, en dat u niet +gekomen waart, om audiënties te verleenen, maar om het dorp en de +processie te zien; maar hij zegt dat Uwe Excellentie altijd tijd +heeft om recht te doen..." + +De gouverneur wendde zich verwonderd tot den alcalde. + +"Als ik me niet vergis," antwoordde deze met een lichte buiging, +"is het dezelfde jonge man, die van morgen een kwestie met Padre +Dámaso gehad heeft, ter zake van de preek." + +"Nogal een! Heeft die geestelijke 't in zijn hoofd gezet de heele +provincie in beroering te brengen, of gelooft hij, dat hij hier de +baas is? Laat hem binnen!" + +Zijne Excellentie stapte zenuwachtig op en neer, van 't eene uiteinde +der zaal naar 't andere. + +In de wachtkamer waren verscheidene Spanjaarden, samen met militairen +en overheidspersonen van 't dorp San Diego en naburige plaatsen. In +groepjes verdeeld, waren ze druk aan 't praten of redetwisten. Ook +waren daar bijeen al de _frailes_, behalve Padre Dámaso, om hun +opwachting te maken bij den gouverneur. + +"Zijne Excellentie de 'Capitán Generaal' verzoekt uwe weleerwaarden +een oogenblikje geduld te hebben!" zeide de adjudant. "Wilt u maar +binnengaan, jongmensch?" + +De bewuste Manileen, die Grieksch met Tagaalsch verwarde, trad bleek +en bevend de zaal binnen. + +Allen waren uiterst verbaasd; Zijne Excellentie moest wel zeer +verstoord wezen, om de monniken te laten wachten. Padre Sibyla zeide: + +"Ik heb hem niets te zeggen!...Ik vermors hier mijn tijd!" + +"Dat zeg ik ook", voegde een Augustijner eraan toe. "Zullen we maar +heengaan?" + +"Zou 't niet beter zijn dat we ons eerst eens op de hoogte +stelden, hoe hij denkt?" vroeg Padre Salvi, "dan vermijden we +een schandaal...en...konden we hem eens herinneren... aan zijn +verplichtingen jegens...den godsdienst..." + +"Uwe weleerwaarden gelieven binnen te komen, als 't u belieft!" zeide +de adjudant. Het jongmensch, dat geen Grieksch verstond, werd door +hem uitgeleid, en zijn gezicht straalde nu van voldoening. + +Fray Sibyla ging 't eerst binnen; daarna kwamen Padre Salvi, Padre +Manuel Martin en de andere monniken. Ze groetten nederig, behalve +Padre Sibyla, die zelfs in zijn buiging een zeker meerderheidsvertoon +bewaarde. + +Padre Salvi daarentegen boog als een knipmes. + +"Wie van uwe weleerwaarden is Padre Dámaso?" vroeg Zijne Excellentie +opeens, nog zonder dat hij hun een stoel geboden, of naar hun +gezondheid gevraagd had, en zonder tot hen de vleiende complimenten +te richten, waaraan zulke hooge personages gewoon waren. + +"Padre Dámaso is hier niet, meneer!" antwoordde Padre Sibyla op bijna +denzelfden drogen toon. + +"Die dienaar van Uwe Excellentie ligt ziek te bed," voegde Padre +Salvi er nederig aan toe. "Na 't genoegen gehad te hebben van u te +begroeten en ons op de hoogte gesteld te hebben van den staat van uw +gezondheid, zooals het aan alle goede onderdanen van den Koning en +alle welopgevoede menschen betaamt, kwamen we ook uit naam van dien +eerbiedigen dienaar van Uwe Excellentie, die 't ongeluk gehad heeft..." + +"O!" viel de Capitán Generaal in de rede, terwijl hij een stoel op +een poot liet ronddraaien, en zenuwachtig lachte, "als alle dienaren +van Mijne Excellentie zoo waren als de weleerwaarde Pater Dámaso, +dan zou ik liever zelf Mijne Excellentie dienen!" + +De weleerwaarden, die reeds lichamelijk stilstonden, stonden thans +ook geestelijk stil bij dezen uitval. + +"Gaat u zitten, weleerwaarden!" hervatte hij, na een oogenblik zwijgens +en op ietwat vriendelijker toon. + +Capitán Tiago kwam gerokt en op zijn teenen binnen. Hij leidde Maria +Clara aan de hand, die met onzekere schreden en vol verlegenheid de +zaal in kwam. + +Desondanks maakte ze een bevallige en eerbiedige buiging. + +"Is deze jonge dame een dochter van u?" vroeg de gouverneur verwonderd. + +"En van Uwe Excellentie!" antwoordde Capitán Tiago hoog-plechtig. + +De _alcalde_ en de adjudanten zetten de oogen wijd open. Doch Zijne +Excellentie vertrok geen spier van zijn gelaat op deze wat vergedreven +Spaansche hoffelijkheid en stak het jonge meisje de hand toe. Op +vriendelijken toon zeide hij: + +"Gelukkig de vaders die dochters hebben zooals u, mejuffrouw! Ik +heb met eerbied en bewondering over u hooren spreken...ik verlangde +u eens te zien; om u dank te zeggen voor de schoone daad, die u +vandaag heeft volbracht. Ik ben op de hoogte van 'alles,' en wanneer +ik aan de hooge regeering schrijf, zal ik uw edelmoedig gedrag niet +vergeten. Veroorloof me inmiddels, mejuffrouw, dat ik namens Zijne +Majesteit den Koning, dien ik hier vertegenwoordig, en die 'den vrede +en rust' van zijn trouwe onderdanen liefheeft, en in mijn eigen naam, +in dien van een vader, die ook dochters heeft van uw leeftijd, u van +harte dank te zeggen en voor te dragen voor een belooning!" + +"Meneer!" ... antwoordde Maria Clara bevend. + +Zijne Excellentie ried wat zij wilde zeggen en hervatte: + +"'t Is heel goed, mejuffrouw, dat u zich tevreden stelt met de +goedkeuring van uw eigen geweten en met de achting van uwe medeburgers: +dat is ook werkelijk de beste belooning, en we moeten ook eigenlijk +niet meer verlangen. Maar u moet me niet de mooie gelegenheid benemen, +om te doen zien, dat, zoo de gerechtigheid kan straffen, ze ook weet +te beloonen, en dat ze niet altijd 'blind' is." + +De woorden tusschen aanhalings-teekens waren op beteekenisvolle wijze, +met verheffing van stem uitgesproken. + +"De heer Don Juan Crisóstomo Ibarra wacht de orders van Uwe +Excellentie!" zeide zijn adjudant met luider stem. Maria Clara +huiverde. + +"O!" riep de Capitán General, "veroorloof me, mejuffrouw, dat ik den +wensch uitspreek, u terug te mogen zien, voordat ik de plaats verlaat: +ik heb u nog zeer belangrijke dingen te zeggen. Meneer de _alcalde_, +u zult me wel op de wandeling willen vergezellen--die doe ik te +voet--nadat ik een onderhoud onder vier oogen met meneer Ibarra zal +hebben gehad." + +"Uwe Excellentie zal ons veroorloven u te verwittigen," zeide Padre +Salvi nederig, "dat de heer Ibarra in de kerkelijke ban is..." + +Zijne Excellentie viel hem in de rede: + +"'t Verheugt me zeer, dat ik niet anders te betreuren heb, dan de +ongesteldheid van Padre Dámaso, aan wien ik 'oprecht' een 'volledig +herstel' toewensch; want op zijn leeftijd moet een 'reis naar Spanje' +om gezondheidsredenen niet bizonder aangenaam wezen. Maar dat hangt +van hem af... en intusschen wensch ik, dat God de gezondheid van uwe +weleerwaarden moge behoeden!" + +De geestelijken namen afscheid. + +"Nu, of 't van hem af zal hangen!" mompelde Padre Salvi onder +'t heengaan. + +"We zullen 's zien wie 't eerst de reis zal maken!" voegde een andere +Franciskaan er aan toe. + +"Ik ga nu dadelijk weg!" zeide Padre Sibyla spijtig. + +"En wij naar onze provincie!" zeiden de Augustijners. + +Dezen konden het niet zetten dat, door de schuld van een Franciskaan +de gouverneur hen koel ontvangen had. + +In de wachtkamer ontmoetten ze Ibarra, hun gastheer van eenige uren +te voren. + +Ze wisselden geen enkelen groet met hem, wel blikken die heel veel +zeiden. + +De _alcalde_ daarentegen groette hem, toen de monniken weg waren, +en stak hem familiaar de hand toe. Doch de komst van den adjudant, +die den jongen man zocht, belette dat het tot een gesprek kwam. + +Bij den deur kwam hij Maria Clara tegen: ook hun blikken zeiden veel, +al was 't heel wat anders dan wat de oogen der _frailes_ uitdrukten. + +Ibarra was streng in den rouw. Bedaard trad hij binnen en groette +diep, ofschoon het bezoek der monniken hem niet veel goeds scheen +te voorspellen. + +De Capitán Generaal trad hem eenige schreden tegemoet. + +"'t Doet me recht veel genoegen, meneer Ibarra, u de hand te mogen +drukken," zeide hij. "Veroorloof me dat ik u hier op vertrouwelijken +voet ontvang." + +Zijne Excellentie sloeg inderdaad den jongeman met blijkbare voldoening +gade. + +"Meneer...u bent wel goed!" + +"Uw verwondering is niet vleiend, 't is alsof u zegt dat u geen +goede ontvangst van me verwachtte: dat is twijfelen aan mijn +rechtvaardigheid!" + +"Een vriendschappelijke ontvangst, meneer, is voor een onbeteekenend +onderdaan van Zijne Majesteit als ik ben, geen rechtvaardigheid, +maar een gunst." + +"Goed, goed!" zeide Zijne Excellentie en ging zitten, terwijl hij +den ander een stoel aanwees, "laat u me een oogenblik vrij mijn hart +uitspreken. Ik ben zeer voldaan over uw gedrag, en ik heb u al aan +de regeering van Zijne Majesteit voorgedragen voor een decoratie, +voor uw menschlievend denkbeeld om een school op te richten...Als u +zich tot mij gewend had, zou ik met genoegen de openingsplechtigheid +bijgewoond en u misschien een onaangenaamheid bespaard hebben." + +"'t Denkbeeld leek me zoo klein", antwoordde de jongeman, "dat ik +het niet waardig genoeg achtte, om uw aandacht af te roepen van uw +talrijke bezigheden. Bovendien was het mijn plicht me eerst te richten +tot de hoogste overheidspersoon in mijn provincie." + +Zijne Excellentie bewoog het hoofd met een uitdrukking van voldoening, +en, steeds gemeenzamer toon aannemende, ging hij voort: + +"Wat betreft het ongenoegen dat u met Padre Dámaso gehad heeft, +moet u niet vreezen en ook geen wrok koesteren: zoolang ik 't bestuur +voer over deze eilanden zal geen haar op uw hoofd gekrenkt worden. En +wat de kerkelijke ban aangaat, daar zal ik wel met de aartsbisschop +over spreken, omdat het noodzakelijk is, ons naar de omstandigheden +te voegen: hier zouden we niet, zooals in Spanje of daarbuiten in 't +verlichte Europa, openlijk kunnen lachen om zulke dingen. Toch moet +u voortaan voorzichtiger wezen. U heeft u tegenover de geestelijke +orden gesteld, die om hun beteekenis en hun rijkdom ontzien moeten +worden. Maar ik zal u in bescherming nemen, omdat ik houd van goede +zoons; 't doet me goed te zien, dat men de nagedachtenis van zijn +ouders eert. Ik heb de mijne ook liefgehad, en bij God! ik weet niet +wat ik in uw plaats wel gedaan zou hebben..." + +En, snel van gesprek veranderend, vroeg hij: + +"Men heeft me gezegd, dat u pas uit Europa terug is. Bent u in Madrid +geweest?" + +"Jawel, meneer, eenige maanden." + +"Heeft u misschien van mijn familie gehoord?" + +"U was juist vertrokken, toen ik de eer had met uw familie in kennis +gebracht te worden." + +"En hoe komt het dan, dat u zonder eenige aanbeveling hier teruggekomen +is?" + +Ibarra boog en zeide: "Omdat ik niet rechtstreeks uit Spanje kom, +meneer, en omdat ik wetende hoe uw karakter was, gemeend heb, dat +een aanbeveling niet alleen onnut, maar zelfs beleedigend zou wezen; +wij Filippijners zijn u allen goed aanbevolen." + +Een glimlach teekende zich op de lippen van den krijgsman. Langzaam, +als wikte en woog hij zijn woorden, hervatte hij: + +"Erg vleiend voor me dat u zoo denkt en...zoo moet het ook +wezen! Niettemin zal 't u, jongeman, niet onbekend zijn, welke +zware lasten ons hier op de Filippijnen drukken. Hier moeten wij, +oud-militairen, alles doen en alles zijn: koning, minister van +buitenlandsche zaken, van oorlog, van binnenlandsche zaken, van +financiën, van justitie enz. en 't ergste is nog, dat we voor iedere +zaak 't verre moederland hebben te raadplegen. Dat keurt, al naar +omstandigheden, goed of af, soms in den blinde, wat wij voorstellen of +afraden. U weet hoe 't gaat: wie te veel hooi op zijn vork neemt... We +komen bovendien meestal met heel weinig kennis van het land, en we +gaan weer heen, wanneer we 't beginnen te leeren kennen. Tegenover +u kan ik vrij-uit spreken, want 't zou geen nut hebben, iets anders +voor te wenden. Zoodat, als in Spanje waar iedere tak van dienst zijn +minister heeft, geboren en getogen op de plaats zelf, waar een pers is +en een openbare meening; waar de vrije oppositie het bestuur de oogen +opent en het voorlicht, als daar alles onvolmaakt en gebrekkig gaat, +is 't wel een wonder dat hier niet alles een warboel is, waar we die +voordeelen missen, en er in 't verborgene een machtiger oppositie +leeft en werkt. + +"Ons bestuurders ontbreekt de goede wil niet, maar we zien ons +gedwongen ons te bedienen van een andermans oogen en armen, die we +gewoonlijk niet kennen, en die wellicht in plaats van hun land te +dienen, alleen hun eigen belang dienen. Dat is onze schuld niet: dat +ligt aan de omstandigheden. De monniken helpen ons niet weinig om uit +de moeilijkheid te komen, maar dat is niet meer voldoende...u boezemt +me belangstelling in, en ik wenschte wel dat de onvolmaaktheid van +ons bestuurstelsel u in niets benadeelde...ik kan niet voor iedereen +waken, en niet iedereen kan naar mij toekomen om hulp. Kan ik u van +dienst zijn in 't een of ander? Heeft u iets te verzoeken?" + +Ibarra dacht even na. + +"Meneer," antwoordde hij, "mijn grootste wensch is 't geluk van +mijn land, een geluk dat ik zoo gaarne verschuldigd zou zien aan het +moederland en aan de inspanning van mijn medeburgers: die zijn immers +door eeuwige banden van gemeenschappelijke bedoelingen en belangen +verbonden. Wat ik vraag kan het bestuur alleen geven na veel jaren +van aanhoudenden arbeid en doeltreffende hervormingen." + +Zijne Excellentie keek hem eenige seconden aan met een blik, dien +Ibarra ongedwongen teruggaf. + +"U bent de eerste man met wien ik spreek in dit land," riep hij uit, +hem de hand toestekend. + +"Uwe Excellentie heeft alleen maar de kruiperige stedelingen leeren +kennen, u kent onze eenvoudige dorpelingen niet: anders had u wel echte +mannen gezien, als een edelmoedig hart en een eenvoudige levenswijze +voldoende zijn om iemand een echt man te doen noemen." + +De gouverneur stond op, en begon in de zaal heen en weer te stappen. + +"Meneer Ibarra," riep hij opeens stilstaande. De jongeman stond +ook op. "Binnen een maand vertrek ik misschien. Uw opvoeding en uw +denkbeelden zijn niet geschikt voor dit land. Verkoopt u alles wat +u bezit, pak uw koffers, en ga met mij mee naar Europa: dat is een +betere luchtstreek voor u." + +"Ik zal de herinnering aan uw goedheid steeds mijn leven lang +bewaren!" antwoordde Ibarra eenigszins ontroerd, "maar ik moet blijven +wonen in 't land, waar mijn ouders geleefd hebben..." + +"Waar ze gestorven zijn, zou juister gezegd zijn! Gelooft u me, +misschien ken ik uw land nog beter dan u zelf..." + +"Och! Nu herinner ik me!" riep hij uit, van toon veranderend, "u gaat +trouwen met een allerliefst jongmeisje, en ik houd u maar op. Gaat +u maar, gaat u maar naar haar toe, en stuur me haar vader maar, dan +heeft u meer vrijheid", voegde hij er lachend aan toe. "Maar u moet +niet vergeten dat ik straks met u wandelen wil." + +Ibarra groette, en ging heen. + +De gouverneur riep zijn adjudant. + +"Ik ben voldaan!" zeide hij, en tikte hem met de vlakke hand op den +schouder, "ik heb vandaag voor 't eerst gezien, hoe men een goed +Spanjaard kan wezen en tegelijkertijd een goed Filippijner, die zijn +land liefheeft. Ik heb vandaag eindelijk eens die 'weleerwaarden' +duidelijk gemaakt, dat we hier niet allemaal hun speeltuig zijn: +dit jongemensch heeft me de gelegenheid verschaft en ik zal gauw met +dien _fraile_ afrekenen. Jammer dat die jongeman den een of anderen +dag ... maar roept u 's den _alcalde_!" + +Deze verscheen onmiddellijk. + +"Meneer de alcalde," zeide hij hem dadelijk bij 't binnentreden, +"om te vermijden dat er weer zulke tooneelen komen als dat waar u +bij is geweest, toonelen, die ik betreur, omdat ze 't prestige van +'t bestuur en van alle Spanjaarden afbreuk doen, veroorloof ik me, +u met grooten aandrang den heer Ibarra aan te bevelen, opdat u hem +niet alleen de middelen verschaffe om zijn vaderlandslievende plannen +uit te voeren, maar u ook vermijde, dat hem voortaan personen, van +welken stand of onder welk voorwendsel ook, lastig vallen." + +De _alcalde_ begreep de terechtwijzing, en boog, om zijn ontroering +te verbergen. + +"Laat u 't zelfde aan den _alférez_ zeggen die hier de sectie +kommandeert. En gaat u 's na, of het waar is, dat deze meneer op zijn +eigen houtje handelt, buiten zijn reglementen om. Ik heb daarover +meer dan één klacht gehad." + +Capitán Tiago verscheen, strak en glimmend van de stijfsel. + +"Don Santiago," zei Zijne Excellentie op vriendelijken toon tot hem, +"kort geleden wenschte ik u geluk, omdat u een dochter heeft als +mejuffrouw de los Santos. Nu feliciteer ik u met uw aanstaanden +schoonzoon: de deugdzaamste onder de dochters is stellig waardig de +vrouw te worden van den besten burger op de Filippijnen. Mag ik ook +weten wanneer de bruiloft zal wezen?" + +"Meneer!..." stamelde Capitán Tiago, en hij veegde het zweet af, +dat hem over zijn voorhoofd liep. + +"Komaan, ik zie dat er nog niets bepaald is! Als u soms nog een +bruidsjonker noodig heeft, bied ik me met het grootste genoegen +aan. Dat zou wezen om de nare nasmaak weg te maken van al de bruiloften +waarop ik tot nu toe bruidsjonker geweest ben!" liet hij volgen, +terwijl hij zich tot den _alcalde_ wendde. + +"Ja, meneer!" antwoordde Capitán Tiago met een glimlach, die +hartroerend was. + +Ibarra liep bijna hard, om naar Maria Clara toe te gaan: hij had haar +zooveel te zeggen en te vertellen. + +Hij hoorde vroolijke stemmen in een der kamers, en klopte zachtjes +op de deur. + +"Wie klopt daar?" vroeg Maria Clara. + +"Ik!" + +De stemmen bij de deur zwegen, en de deur...ging niet open. + +"Ik ben 't, mag ik binnen?" vroeg de jongeman, wiens hart hevig klopte. + +'t Bleef stil. Eenige oogenblikken later kwamen er lichte schreden +naar de deur, en de vroolijke stem van Sinang zeide zacht door het +sleutelgat: + +"Crisóstomo, we gaan vanavond naar de comedie. Schrijf wat je Maria +Clara te zeggen hebt." + +En de schreden verwijderden zich weer, even snel als ze gekomen waren. + +"Wat moet dat nu beteekenen?" mompelde Ibarra in gepeins, terwijl +hij langzaam heenging. + + + + +XXXVI. + +De processie. + + +'s Avonds, toen al de lantarens der vensters reeds aangestoken waren, +trok de processie voor de vierde maal uit, bij 't luiden der klokken +en het welbekende geknal en geschiet. + +De gouverneur, die te voet uit was gegaan, vergezeld van zijn beide +adjudanten, Capitán Tiago, den _alcalde_, den _alférez_ en Ibarra, en +voorafgegaan door _guardias civiles_ en overheidspersonen die den weg +open hielden, werd uitgenoodigd om de processie te zien voorbijgaan +ten huize van den burgemeester. Deze had een plankier voor zijn +huis laten aanbrengen, om daar een _loa_ (loflied) ter eere van den +schutsheilige te laten voordragen. + +Ibarra zou met genoegen ervan afgezien hebben, dit dichtgewrocht +te hooren, en liever de processie hebben zien voorbijgaan in 't +huis van Capitán Tiago, waar Maria Clara met haar vriendinnen zou +gebleven zijn, doch Zijne Excellentie wenschte de _loa_ te hooren, +en er zat dus voor hem niets anders op, dan zich te troosten met de +hoop, haar in de komedie te zien. + +De processie begon met de zilveren kerkkandelabers, gedragen door drie +gehandschoende kosters. Daarna volgden de schoolkinderen, vergezeld +door hun meester; dan de jongens met de papieren lantarens van allerlei +vorm en kleur aan een naar eigen smaak versierde bamboe vastgemaakt: +deze illuminatie toch werd door de jeugd in iedere wijk zelf bekostigd. + +In 't midden liepen politie-mannen heen en weer, om de orde te +handhaven, waarvoor ze zich van hun rotan-stokken bedienden. + +Tegelijkertijd dat deze mannen gratis klappen uitdeelden, gaven +anderen, als troost aan de slachtoffers, kaarsen van verschillende +afmetingen, eveneens gratis. + +"Meneer de alcalde", zeide Ibarra zacht, "worden die klappen uitgedeeld +als straf voor gedaan kwaad, of alleen voor plezier?" + +"U heeft eigenlijk gelijk, meneer Ibarra!" antwoordde de gouverneur, +die de vraag gehoord had. "Dat...barbaarsche gedoe verbaast iedereen +die uit andere landen komt. 't Moest verboden worden." + +Zonder dat men kon verklaren waarom, was de eerste heilige die +verscheen Johannes de Dooper. Men zou zeggen, dat hij niet erg in +aanzien was: zijn beenen en voeten waren als van een jongmeisje, +zijn gelaat dat van een kluizenaar, maar hij werd gedragen op een +oude houten baar, en een troepje jongens, met onaangestoken papieren +lantarens, die heimelijk elkaar stompen gaven, verduisterden zijn +glorie. + +De heilige Franciskus, die volgde, werd op een prachtige kar vervoerd, +die omringd was van lichtjes en glazen lantarens. Een muziekkorps +vergezelde het schitterende voertuig. + +Hierna kwam een vaandel, waarop dezelfde heilige was afgebeeld, +maar met zeven vleugels. Het werd gedragen door de Hermanos Ferceros +of "Derde broeders," die in grauwe pijen gekleed waren en luide +en klagend gebeden opdreunden. Op eveneens onverklaarbare wijze +volgde Maria Magdalena, een zeer fraai beeld met overvloedig haar, +een doorschijnend fijne geborduurde zakdoek tusschen de met ringen +bedekte vingers, en in een zijden met gouden plaatjes versierd +kleed. Lampen en wierookvaten omzwierden haar. Men zag haar glazen +tranen de kleuren van 't bengaalsch licht weerkaatsen, dat aan de +processie een fantastisch aanzien gaf, zoodat de heilige zondares nu +eens groen, dan rood, en andermaal blauw schreide. De huizen begonnen +dit licht eerst af te steken toen de heilige Franciskus voorbijkwam; +Johannes de Dooper genoot deze eer niet, en ging haastig voorbij, +verlegen dat hij de eenige was die in dierenhuiden gekleed ging, +onder zooveel met goud en edelgesteenten bedekte menschen. + +"Daar komt onze heilige!" zeide de dochter van den burgemeester tot +haar bezoeksters: "ik heb haar mijn ringen geleend, maar 't is om +den hemel te verdienen." + +De lichtdragers hielden stil rondom het plankier, om naar de _loa_ +te luisteren, de heiligen deden 't zelfde. Zij, die Johannes den +Dooper droegen, werden moe van 't wachten, zetten zich op hun hurken, +en vonden 't goed hem op den grond te zetten. + +"De politie zal aanmerking maken," zei er een. + +"En in de sakristie dan? Daar laten ze 'm in een hoek tusschen de +spinnewebben!..." + +En Sint Jan, eenmaal op den grond, werd nu geheel een man van 't volk. + +Na de Magdalena kwamen de vrouwen: alleen was hier de volgorde anders +dan bij de mannen, want in plaats van met de jongen te beginnen kwamen +hier eerst de oudjes terwijl de jonge meisjes de stoet afsloten tot +de kar der Heilige Maagd, waarachter de pastoor onder zijn troonhemel +liep. Deze gewoonte was overgenomen van Padre Dámaso, die zeide: De +Heilige Maagd houdt van de jonge meisjes, niet van de oudjes. Iets +dat veel vrome besjes lang niet prettig stemde, maar 't was nu eenmaal +de smaak van Onze Lieve Vrouw. + +Sint Jakob (San Diego) volgde op Magdalena, ofschoon hij zich +daarover niet scheen te verheugen, want hij bleef boetvaardig kijken +evenals in den ochtend, toen hij achter Sint Franciskus aankwam. Zes +"Derde-zusters" trokken zijn kar vooruit, om de een of andere gelofte +of ziekte: een feit is 't dat ze trokken, en met allen ijver. Sint +Jakob hield stil voor 't plankier, en wachtte tot men hem groette. + +Doch er moest gewacht worden op de kar van de Heilige Maagd, +voorafgegaan door als spoken gekleede menschen. De kinderen waren +er bang voor, en daarom hoorde men een voortdurend geschrei en +gegil. Evenwel zag men te midden van die donkere massa plechtgewaden, +monniks- en nonnekappen en hoorde, bij 't eentonig neusgeluid der +gebeden, als witte jasmijnen, als frissche _tjampaka's_ tusschen oude +vodden, twaalf meisjes met witte pakjes en bloemkransen op 't hoofd, +met krullend haar en stralenden blik. 't Leken kleine lichtgeniën +in gevangenschap van spoken. Ze hielden allen twee breede blauwe +linten vast, die verbonden waren aan de kar van de Heilige Maagd, +en deden denken aan de duiven die de kar der Lente voorttrekken. + +Na lang wachten verscheen uit een gordijn een aardig kereltje met +vleugels, rijlaarzen, een sjerp, een ceintuur en een hoed met pluimen. + +De verzen die 't ventje voordroeg waren in 't Latijn, Tagaalsch en +Spaansch, en oogstten veel bijval, al verstond men er weinig van. + +Daarna zette de stoet zich weer in beweging: Sint Jan vervolgde +zijn lijdensweg. + +Toen 't beeld der Maagd voorbij Capitán Tiago's huis kwam, begroette +een hemels gezang het met de woorden van den aartsengel. 't Was een +teedere melodieuze smeekende stem, die 't "Ave Maria" van Gounod +uitschreide, zich zelf begeleidend op de piano. De processiemuziek +zweeg, het bid-gedreun verstomde, en zelfs Padre Salvi stond stil. De +stem deed innig aan en ontrukte tranen: ze drukte meer uit dan een +groet, 't was een bede en een klacht tegelijk. + +Ibarra hoorde de stem aan 't venster waar hij zat, en ontzetting en +weemoed daalden in zijn hart. Hij begreep wat die ziel leed en in een +lied uitdrukte, en hij vreesde zichzelf naar de oorzaak van dat leed +te vragen. + +Somber en in gedachten verdiept vond hem de gouverneur: "u moet aan +tafel bij me zitten," zeide hij tot hem, "daar zullen we 's spreken +over die kinderen, die verdwenen zijn." + +"Zou ik de oorzaak wezen?" zeide de jonge man bij zich zelf en volgde +met een leege blik werktuigelijk Zijne Excellentie. + + + + +XXXVII. + +Doña Consolación. + + +Waarom zijn de vensters in 't huis van den _alférez_ gesloten? Waar +waren, terwijl de processie voorbijtrok, het mannelijk gelaat en de +flanellen blouse der Muze van de guardia Civiel? Zou Doña Consolación +begrepen hebben, hoe onwelkom haar voorhoofd was, met de dikke aderen +erop, die wel azijn en gal schenen te bevatten in plaats van bloed, +en de dikke sigaar, waardig sieraad van haar roode lippen, en haar +jaloersche blikken? En heeft ze, zwichtend voor een opwelling van +edelmoedigheid met haar akelige verschijning de volksvreugde niet +willen verstoren? Niet waarschijnlijk. + +Het huis vertoont geen lantarens, noch vlaggen. Als de schildwacht +niet voor de deur op en neer geloopen had, zou men gezegd hebben dat +het huis onbewoond was. + +Een zwak licht scheen in de ontredderde voorkamer, en maakte de vuile +schelpen, die als ruiten dienst deden en vol met spinnewebben en stof +zaten, doorschijnend. De vrouw des huizes, ouder gewoonte luierend, +dommelde in een grooten leuningstoel. Ze was gekleed als alle dagen, +dat wil zeggen: vreeselijk slordig; als eenige hoofdtooi een doekje, +waaruit sprietige, korte, verwarde lokken te voorschijn kwamen; +de blauwflanellen blouse, over een hemd dat wit moest geweest zijn, +een verkleurde rok, gespannen over de magere platte dijen, die nu +over elkaar geslagen waren en koortsachtig trilden. Uit haar mond +kwamen van tijd tot tijd gulpen rook, die ze met verveling wegblies +in de ruimte, waarin ze staarde, wanneer ze de oogen opendeed. + +Die ochtend was onze dame niet naar de mis geweest; niet omdat ze +niet gewild had, integendeel, ze had zich gaarne aan de menigte +vertoond en de preek gehoord, maar haar man had het haar niet +toegestaan. En, zooals altijd, was het verbod gepaard gegaan met +een paar scheldwoorden, vloeken en schop-dreigementen. De _alférez_ +begreep dat zijn vrouw belachelijk gekleed ging, dat ze den indruk +maakte van een soldaten-slet, en dat het niet te pas kwam, haar bloot +te stellen aan de blikken van de hooge lui van de hoofdplaats of aan +de vreemdelingen. + +Doch zij vatte het anders op. Ze was overtuigd dat ze mooi was en +aantrekkelijk, dat ze de voornaamheid van een koningin bezat, en dat +ze veel beter en met meer weelde gekleed ging dan zelfs Maria Clara: +deze droeg immers een gewone _tapis_ (kain), zij een rok. 't Was +bepaald noodig dat de _alférez_ haar zeide: "Hou nu je mond, of ik +schop je naar je negerij terug!" + +Doña Consolación had geen zin om naar haar negerij teruggeschopt te +worden, maar zon op wraak. + +'t Donkere gelaat onzer dame was nooit bizonder vertrouwenwekkend +geweest, ook niet wanneer ze zich opverfde, maar dien morgen was ze +zeer verontrustend, vooral toen men haar van den eenen kant van 't +huis naar de andere stil en, als overpeinsde ze iets schrikkelijks +of kwaadaardigs, zag stappen. Haar blik had den weerschijn die +uit de pupil van een slang licht, wanneer deze, gevangen, straks +doodgetrapt zal worden: hij was koud, fel doordringend, en had iets +weerzinwekkends wreeds. + +Het kleinste vergrijp, het onbeteekenendste gedruisch ontrukten haar +een schandelijk leelijk scheldwoord, dat tot in de ziel griefde, maar +niemand antwoordde: zich verontschuldigen zou een nieuwe misdaad wezen. + +Zoo ging de dag voorbij. Geen enkel verzet tegenover zich ziende--haar +man was uitgevraagd--raakte ze vol gal: 't was net of de cellen van +haar organisme zich laadden met elektriciteit, en ieder oogenblik +dreigden uit-een te barsten in een orkaan van straattaal. Alles +om haar boog zich, als de korenaren bij 't eerste blazen van den +storm. Ze vond geen weerstand, ze trof geen enkel uitsteeksel, geen +enkele verhevenheid om haar boos humeur op te kunnen uitstorten: +soldaten en bedienden kropen langs en om haar. + +Om het feestgedruisch niet te hooren, beval ze de ramen te sluiten, +en droeg ze den schildwacht op, niemand te laten voorbijgaan. Ze bond +zich een doekje om het hoofd, als om te beletten dat het uitelkaar +zou springen, en, ofschoon de zon nog hoog aan den hemel stond, +gaf ze bevel de lichten aan te steken. + +Sisa werd, zooals we gezien hebben, als rustverstoorster opgepakt +en naar de kazerne gebracht. De _alférez_ was er toen niet, en de +ongelukkige moest de nacht op een bank doorbrengen, waar ze met een +strakken onverschilligen blik op neerzat. Den volgenden dag zag de +_alférez_ haar, en daar hij in die dagen van rumoer bang voor haar was, +en geen onaangenaam schouwspel wilde geven, droeg hij de soldaten op, +haar te bewaken, haar met medelijden te behandelen en haar eten te +geven. Zoo bracht de waanzinnige twee dagen door. + +Deze nacht, hetzij dat door de nabijheid van Capitán Tiago's huis het +droevige zingen van Maria Clara tot haar was doorgedrongen, hetzij +dat andere muziek haar oude liederen wakker riepen, hoe 't ook zij, +Sisa begon ook met haar lieve weemoedige stem de _koendiman_ (zangen) +van haar jeugd te zingen. De soldaten hoorden haar en zwegen: och, +die melodieën riepen oude herinneringen wakker, herinneringen uit +den tijd toen ze nog onbedorven waren. + +Doña Consolación hoorde haar ook in haar verveling, en toen ze vernam +wie daar zong, beval ze na eenige oogenblikken nadenken: + +"Laat haar dadelijk hier bovenkomen." Iets als een glimlach vloog +over haar dorre lippen. + +Men bracht Sisa, die zonder eenige verlegenheid, verwondering of +vrees te toonen, verscheen. 't Was of ze onze dame in 't geheel +niet zag. Dit kwetste de ijdelheid onzer Muze, die eerbied en ontzag +wenschte in te boezemen. + +De _alféreza_ kuchte, gaf den soldaten een teeken dat ze heen konden +gaan, en de zweep van haar man van een spijker aan den wand nemende, +zeide ze op onheilspellenden toon tot de krankzinnige: + +"Kom, nu zingen!" Dit ging in dooreengehaspeld Tagaalsch en +Spaansch. Sisa begreep haar natuurlijk niet, en deze onwetendheid +bezwoer haar toorn. + +Een van de schoone eigenschappen dezer dame was, dat ze deed alsof +ze de landstaal niet kende, zoodat ze die zoo slecht mogelijk sprak: +zoo meende ze den indruk te maken van een echte Europeesche. En +daar deed ze goed aan, want, zoo ze al het Tagaalsch verminkte, +het Spaansch kwam uit haar mond niet beter voor den dag, noch wat +taalregels, noch wat uitspraak betrof. En toch had haar man alle +mogelijke moeite gedaan om haar die te leeren. En menige kneep, +menige stomp, menigen stokslag hadden de lessen haar gekost! + +Tooneelen van ergernis over onbegrijpelijkheid der leerlinge kwamen +telkens voor. Haar man, toen nog korporaal, terwijl zij waschvrouw +was, berekende met smart dat zijn wederhelft na tien jaar het spreken +geheel-en-al zou verleerd zijn. Toen ze trouwden, verstond zij nog +Tagaalsch en kon zich verstaanbaar maken in 't Spaansch, nu, in +den tijd van ons verhaal, sprak ze geen van beide meer: ze had een +groote liefhebberij opgevat voor gebarentaal, en daarbij bezigde ze +de luidruchtigste en raakste. + +Sisa trof het dus, dat ze haar niet begreep. Haar wenkbrauwen wat +ontspannend, lachte ze even met voldoening: ongetwijfeld kende ze +'t Tagaalsch niet meer, was ze dus een Europeesche. + +"Oppasser, zeg aan deze vrouw in 't Tagaalsch, dat ze zingen moet. Ze +verstaat me niet, ze kent geen Spaansch." + +De krankzinnige begreep den oppasser en zong het lied dat ze in den +nacht gezongen had. + +Doña Consolación luisterde eerst met een spotlachje op de lippen, doch +dit verdween allengs, ze begon aandachtig te worden, daarna ernstig +en eenigszins in gepeins verzonken. De stem, de zin der verzen en +de zang zelf maakten indruk op haar: dat dorre, droge hart dorstte +wellicht naar regen. Zij begreep het goed: "De droefheid, de koude +en de vochtigheid, die uit den hemel nederdalen, gehuld in den mantel +der nacht," zooals de _koendiman_ luidde, "'t scheen haar dat ze ook +haar pracht tentoongespreid had, verlangend naar bijval en vol van +ijdelheid, bij 't vallen van den avond berouwvol en ontgoocheld, doet +een poging om haar verwelkte bloemblaadjes op te heffen naar den hemel, +vragend om een weinig schaduw, waar ze weg kan schuilen en sterven, +zonder den spot van 't licht dat haar zag in haar glorie, zonder de +ijdelheid van haar trots te zien, en dat ook een weinig dauw moge +schreien over haar. De nachtvogel verlaat zijn eenzaam schuil-oord, +de holte in den ouden boomstam, en verstoort de weemoed der wouden..." + +"Nee, niet zingen", riep de vrouw van den _alférez_, nu in uitstekend +Tagaalsch, terwijl ze zenuwachtig opstond. "Zing niet meer! Die +woorden doen me pijn!" + +De krankzinnige zweeg. De oppasser liet zich ontvallen: "Wel, ze kent +waarachtig Tagaalsch!" en hij stond vol verbazing zijn meesteres aan +te kijken. + +Deze begreep dat ze zich verraden had. Ze schaamde zich, en daar haar +aard onvrouwelijk was, nam de schaamte den vorm van woede en haat +aan. Ze wees den onvoorzichtigen oppasser de deur, en sloot deze met +een trap achter hem. Ze liep eenige malen door het vertrek heen en +weer, terwijl ze de zweep in haar pezige handen verwrong. En op eens, +stilstaande voor de krankzinnige, zeide ze in 't Spaansch: + +"Dans!" + +Sisa verroerde zich niet. + +"Dans! Dans!" herhaalde ze op dreigenden toon. + +De krankzinnige keek haar aan met leege, zinlooze oogen. + +De _alféreza_ hief Sisa's eenen arm op, daarna den andere en schudde +dien heen en weer: 't gaf niets, ze begreep 't niet. + +De andere begon te springen, zich te bewegen, terwijl ze de +krankzinnige aanzette, om haar na te doen. Men hoorde uit de verte +de processie-muziek een statigen ernstigen marsch spelen, maar onze +dame maakte woeste sprongen op een andere maat, een andere muziek: +die, welke in haar binnenste weerklonk. Sisa keek haar roerloos +aan. Iets als nieuwsgierigheid teekende zich in haar oogen, en een +zwakke glimlach bewoog haar bleeke lippen: ze vond het dansen van +die dame wel leuk. + +Deze hield als verlegen op, zwaaide de zweep, de vreeselijke zweep, +zoo welbekend bij dieven en soldaten, te Aelongo gemaakt en door den +_alférez_ verbeterd met ingevlochten ijzerdraad, en zeide: + +"Nu is 't jouw beurt om te dansen--dans!" + +En ze begon zachtjes op de bloote voeten der krankzinnige te +slaan. Deze vertrok haar gezicht van pijn, en bracht de handen aan +de voeten, om deze te beschermen. + +"Aha! Je begint al!" riep de ander met woeste vreugde, en van 't +"lento" ging ze over in een "allegro vivace." + +De ongelukkige stiet een kreet van pijn uit, en hief levendig den +voet op. + +"Zul je dansen ... zwarte h...?" zeide onze dame, en de zweep zwierde +en zwiepte door de lucht. + +Sisa liet zich op den grond vallen, bracht beide handen aan haar +beenen, en keek haar beul met uitpuilende oogen aan. Twee harde +zweepslagen op den rug deden haar opstaan: 't was geen kreet meer, +'t was een gehuil dat de ongelukkige uitstiet. Het dunne hemd scheurde, +de huid ging stuk, en er vertoonde zich bloed. + +Het gezicht van 't bloed deed Doña +Consolación's opwinding nog toenemen. + +"Dans, dans, vervloekte ellendeling! De moeder die je ter wereld +bracht mag verdoemd zijn!" riep ze. "Dans of ik ransel je dood!" + +En zij zelf, haar aanvattend met de eene hand en haar geeselend met +de andere, begon te springen en te dansen. + +De krankzinnige begreep haar ten slotte, en volgde, de armen ongeregeld +heen en weer bewegend. Een glimlach van voldoening vertrok de lippen +der leermeesteres, de glimlach van een vrouwelijke Mefisto, die erin +slaagt een groote leerling te krijgen. Er lagen haat, minachting, +spot en wreedheid in; een schaterlach had niet meer kunnen uitdrukken. + +En, verdiept in 't genieten van dit schouwspel, hoorde ze haar man +niet aankomen, voordat de deur op luidruchtige wijze opengetrapt werd. + +De _alférez_ stond bleek en somber kijkend vóór haar. Hij zag wat +er voorviel, en wierp zijn vrouw een vreeselijken blik toe. Deze +verroerde zich niet van haar plaats en bleef cynisch lachen. + +De _alférez_ legde zoo zacht als hij kon de hand op den schouder der +zonderlinge danseres, en deed haar stilhouden. De krankzinnige kwam +op adem, en ging langzaam op den met bloed bevlekten grond zitten. + +De stilte hield aan. De _alférez_ ademde zwaar. Zijn vrouw, die hem +met vragende oogen gadesloeg, raapte de zweep op en vroeg hem bedaard +en langzaam: + +"Wat overkomt je? Je hebt me niet eens nog gegroet!" + +De _alférez_ antwoordde niet, maar riep den oppasser. + +"Neem deze vrouw mee," zeide hij, "laat Marta haar een ander hemd +geven, en haar behandelen! Jij moet haar goed te eten geven, en een +bed... voorzichtig, als ze slecht behandeld wordt! Morgen moet ze naar +'t huis van meneer Ibarra gebracht worden." + +Daarna sloot hij zorgvuldig de deur, schoof er den grendel voor, +en trad op zijn vrouw toe. + +"Jij legt je erop toe dat ik je dood zal slaan!" zeide hij tot haar +met gebalde vuisten. + +"Wat scheelt je?" vroeg zij, opstaande en terugtredende. + +"Wat me scheelt?" riep hij met donderende stem, vloekend, en, op een +papier vol krabbels wijzend, ging hij voort: "Heb jij dezen brief niet +aan den _alcalde_ geschreven, en daarin gezegd dat ik me liet betalen, +om 't dobbelen toe te laten, vuile sl...? Ik weet niet wat me let om +je te vermorzelen!" + +"Komaan, waag dat 's!" zeide zij spotachtig lachend. "Die mij +vermorzelt, moet een andere kerel wezen dan jij!" + +Hij hoorde de beleediging, maar hij zag de zweep. Hij greep een bord, +dat op tafel stond, en smeet dat naar haar hoofd. De vrouw, gewend aan +zulke ruzies, bukte snel, en het bord sloeg stuk tegen den muur. 't +Zelfde lot overkwam een kopje en een glas. + +"Lafaard!" riep zij. "Je durft niet naderbij komen!" + +En ze sprong naar hem, om hem nog razender te maken. De man werd +nu geheel verblind, en brullend wierp hij zich op haar. Doch zij +overstriemde hem met wonderlijke vlugheid het gelaat met de zweep en +zette het daarna op een loopen. + +Ze vluchtte in haar kamer, waarvan ze de deur ijlings op slot +deed. Loeiend van woede en pijn, vervolgde de _alférez_ haar, en kwam +niet verder dan de deur. Daar braakte hij godslasteringen uit. + +"Vervloekt varken, doe open! Doe open, h..., of ik sla je de hersens +in!" brulde hij, de deur bewerkend met voeten en vuisten. + +Doña Consolación gaf geen antwoord. Men hoorde een gedruisch van +stoelen en koffers, alsof iemand een barrikade van huisraad wilde +oprichten. Het huis daverde van 't getrap en 't gevloek van den +echtgenoot. + +"Kom niet binnen, kom niet binnen!" zeide de krijschende stem der +vrouw. "Als je hier komt, schiet ik op je!" + +Hij scheen langzamerhand te bedaren, en vergenoegde zich ermee, van +'t eene eind van 't vertrek naar 't andere te loopen, als een wild +beest in zijn kooi. + +"Ga de straat op, om je kop wat op te frisschen!" ging de vrouw voort +met spotten. Ze scheen ondertusschen haar verdedigingstoebereidselen +voltooid te hebben. + +"Ik bezweer je dat, als ik je te pakken krijg, God je zelfs niet +helpen kan, vuil kr...!" + +"Jawel! Zeg jij maar wat je wil... je woû me niet naar de mis laten +gaan! Je liet me niet afrekenen met onzen lieven Heer!" zeide ze met +een sarkasme, waarvan zij alleen 't geheim bezat. + +De _alférez_ greep zijn helm, verschikte zijn kleeren eenigzins en +ging met groote stappen heen, maar na enkele oogenblikken keerde +hij terug zonder 't minste gedruisch te maken: hij had zijn laarzen +uitgetrokken. De bedienden, gewend aan zulke tooneelen, plachten +zich erbij te vervelen, doch de nieuwigheid met de laarzen trok hun +aandacht, en de een gaf den ander beteekenisvolle oogknipjes. + +De _alférez_ ging op een stoel zitten, naast de onheilvolle deur, +en had het geduld om meer dan een half uur te wachten. + +"Ben je werkelijk weggegaan, of zit je daar, lamstraal?" vroeg de +stem van tijd tot tijd, met wisselend epitheton, maar stijgend in toon. + +Eindelijk begon ze stuk voor stuk de meubels weg te halen. Hij hoorde +het gedruisch en lachte. + +"Oppasser! Is meneer weggegaan?" schreeuwde Doña Consolación. + +Op een teeken van den _alférez_, antwoordde de oppasser: + +"Ja, mevrouw, hij is weggegaan." + +Men hoorde haar vroolijk lachen, en de grendel werd weggetrokken. + +De echtgenoot stond zachtjes op. De deur ging op een kier... Een kreet, +de val van een lichaam, vloeken, gehuil, verwenschingen, slagen, +heesche uitroepen... Wie beschrijft wat er voorviel in de duisternis +der slaapkamer? + +De oppasser liep naar de keuken, en gaf een zeer welsprekend teeken +aan den kok. + +"En jij krijgt het op je kop!" zei deze. + +"Ik? Dat is ook wat moois! Zij vroeg me of hij weggegaan was, niet, +of hij teruggekomen was." + + + + +XXXVIII. + +Recht en Macht. + + +'t Zal zoowat tien uur in den avond geweest zijn. De laatste vuurpijlen +stegen lui op naar den donkere hemel, waar, als nieuwe sterren, +eenige papieren ballons stonden te schitteren, die door middel +van rook en verwarmde lucht opgezonden waren. Enkele, versierd met +vuurwerk, raakten in brand en bedreigden het heele dorp. Daarom bleef +men nog steeds mannen zien op de nokken der daken, gewapend met een +lange bamboe, met een lap aan 't uiteinde en voorzien van een emmer +water. Hun zwarte silhouetten kwamen scherp uit tegen het flauwe licht +der lucht, en 't leken zoo spoken neergedaald uit hooger sfeeren, +om de vreugden der menschen bij te wonen. + +Er waren ook tal van raadjes, zonnen, stieren of karbouwen van +vuurwerk afgestoken en ook een groote "vulkaan," die in fraaiheid +en grootschheid alles overtroffen had, wat de bewoners van San Diego +ooit te voren hadden gezien. + +Nu begaf zich de menigte in massa naar het dorpsplein, om voor de +laatste maal den schouwburg te bezoeken. Op verschillende plaatsen zag +men bengaalsch licht, dat op fantastische wijze de vroolijke groepjes +bescheen. De kinderen bezigden fakkels, om in 't gras mislukte "bommen" +en andere overblijfselen te zoeken, die ze zouden kunnen benutten, +doch de muziek gaf het teeken, en iedereen verliet de weide. + +Het groote tooneel was schitterend geïllumineerd. Duizenden lichten +omringden de stutten, hingen van het dak, en bezaaiden den grond in +dichte groepen. + +Een politie-agent hield er het toezicht op, en wanneer hij toetrad, +om ze in orde te brengen, floot het publiek hem toe en schreeuwde, +"'t Is al goed, 't is al goed!" + +Voor 't eigenlijke tooneel stemde het orkest zijn instrumenten en +preludieerde melodiën. Hierachter bevonden zich de zitplaatsen waarvan +de correspondent in zijn brief sprak. De overheidspersonen van het +dorp, de Spanjaarden en de rijke vreemdelingen bezetten allengs de +rijen stoelen. Het volk, de menschen zonder titel of traktement, +vulden het overige der ruimte. Sommigen sjouwden met een bank, meer +om tegemoet te komen aan hun te kleine gestalte dan om erop te gaan +zitten. Dit lokte heftig protest uit van de zijde der bankeloozen. Dan +gingen ze onmiddellijk eraf, doch weldra stonden ze er weer op, +alsof er niets gebeurd was. + +Heen en weergeloop, kreten, uitroepen, schaterlachen, een verdwaalde +voetzoeker, een zevenklapper hier en daar vermeerderden het +gedruisch. Ginds brak er een poot van een bank en vielen tot vermaak +der menigte, menschen op den grond, die van verre waren gekomen om +te zien, en die nu zelf een schouwspel opleverden. Verderop werd +er ruzie gemaakt om een zitplaats; iets meer op een afstand hoorde +men het gedruisch van brekende glazen en flesschen: 't was Andèng, +die met ververschingen en dranken aankwam. Met beide handen hield ze +het breede presenteerblad vast, doch ze ontmoette haar aanstaande, +die van de eigenaardige toestand profiteeren wilde. + +De onderburgemeester, de _teniënte mayor_ Filipo, zat voor bij de +tooneelvoorstelling; want de burgemeester zelf was een liefhebber +van kaarten, van 't stok spel. Don Filipo sprak met de oude Tasio: + +"Wat moet ik doen?" zeide hij, "de _alcalde_ heeft mijn ontslag +aanvrage niet willen aannemen. 'Voelt u zich niet krachtig genoeg, +om uw plichten te doen?' vroeg hij me." + +"En wat heeft u hem geantwoord?" + +"Meneer de _Alcalde_, heb ik hem geantwoord, de kracht van een +_teniënte mayor_, hoe onbeteekenend ze ook mocht wezen, is als die +van iedere overheid: ze komt van hoogere sfeeren. Zelfs de koning +ontvangt ze van 't volk, en het volk van God. Dit is juist wat ik mis, +meneer de _Alcalde_. Maar de _alcalde_ wilde niet naar me luisteren, +en zei me dat we na de feesten daar nog wel over spreken zouden." + +"Moge God u dan helpen!" zeide de oude man en trachtte heen te gaan. + +"Wilt u de voorstelling niet zien?" + +"Dank u! Om te droomen en nonsens uit te slaan heb ik aan mezelf +genoeg," antwoordde de filosoof met een sarkastische lach. "Maar +ik herinner me nu: heeft het karakter van ons volk nooit uw aandacht +getrokken? 't Is vreedzaam en 't houdt van krijgshaftige tooneelen, van +bloedigen strijd; 't is democratisch, en 't aanbidt keizers, koningen +en prinsen; 't is ongodsdienstig, en 't maakt zich arm aan allerlei +praal voor den eeredienst; onze vrouwen hebben een zachtzinnige aard, +en zijn er dol op dat een prinses een lans drilt... Weet u waaraan +dit te wijten is? wel..." + +De komst van Maria Clara en haar vriendinnen stoorde het gesprek. Don +Filipo ontving ze, en geleidde ze naar haar plaatsen. Daarna kwam de +pastoor, en er kwamen ook andere burgers wier taak het was de _frailes_ +te vergezellen. "God moge ze ook in 't andere leven beloonen," zeide +de oude Tasio, terwijl hij zich verwijderde. + +De voorstelling begon met Chananay en Marianito. Iedereen had alleen +oogen en ooren voor 't tooneel, behalve een: Padre Salvi. Hij scheen +daar alleen gekomen te zijn, om Maria Clara gade te slaan, wier +droefheid aan haar schoonheid iets zoo ideaals en belangwekkends gaf, +dat ze er verrukkelijk uitzag. Doch de oogen van den Franciskaan, +diep verscholen in de holle kassen, spraken niet van verrukking; +in die sombere blik was iets wanhopig droevigs te lezen: met zulke +oogen moet Kaïn van verre naar het paradijs gekeken hebben, welks +genietingen zijn moeder hem geschilderd had! + +Het bedrijf eindigde toen Ibarra binnentrad. Zijn verschijning wekte +een gemompel: ieders aandacht vestigde zich op hem en op den pastoor. + +Maar de jongeman scheen 't niet te merken, want hij groette ongedwongen +Maria Clara en haar vriendinnen, en zette zich naast ze neder. De +eenige die sprak was Sinang. + +"Ben je naar de 'vulkaan' gaan kijken?" vroeg ze. + +"Nee, meiske, ik heb de _Capitán general_ vergezeld." + +"Wel, da's jammer! De pastoor is met ons meegegaan, en vertelde ons +geschiedenissen van verdoemden. Hoe vind je dat? Om ons bang te maken, +en zoo ons pleizier te bederven, geloof je ook niet?" + +De pastoor stond op, en trad op Don Filipo toe, met wien hij een +levendig twistgesprek scheen te beginnen. De pastoor sprak opgewonden, +Don Filipo bedaard en op gedempten toon. + +"'t Spijt me, dat ik Uweleerwaarde niet naar den zin kan zijn," +zeide hij, "meneer Ibarra is een der grootste bijdragers voor 't +feest, en hij heeft 't recht om hier te zijn, zoolang hij de orde +niet verstoort." + +"Maar is 't dan niet de orde verstoren, als men de goede Christenen +schandalizeert? 't Is of men een wolf binnenlaat in de schaapskooi! U +zult u hiervoor moeten verantwoorden tegenover God en tegenover de +autoriteiten!" + +"Ik weet me altijd te verantwoorden voor de daden, die uit mijn +eigen wil voortkomen, eerwaarde vader," antwoordde Don Filipo, even +buigend, "maar mijn klein gezag geeft me niet de bevoegdheid, me met +godsdienstige zaken te bemoeien. Die aanraking met hem willen vermijden +moeten maar niet met hem spreken: meneer Ibarra dwingt evenmin iemand." + +"Maar 't is gelegenheid geven tot gevaar, en die 't gevaar liefheeft, +komt er in om." + +"Ik zie geen enkel gevaar, eerwaarde vader: meneer de _alcalde_ en +de gouverneur, mijn meerderen, hebben den heelen namiddag met hem +gepraat, en ik hoef hun geen les te geven." + +"Als je hem er niet uitgooit, gaan wij heen." + +"Dat zou me zeer spijten, maar ik kan niemand eruit gooien." + +De pastoor had er berouw over, maar er was niets meer aan te doen. Hij +gaf een teeken aan zijn metgezel, die met tegenzin opstond, en beiden +gingen heen. Ze werden nagevolgd door hun trouwe lijftrawanten, +niet zonder een blik van haat naar Ibarra te hebben geworpen. + +Het gemompel en gefluister werden erger. Verscheidene personen kwamen +daarop naar den jongeman toe, groetten hem, en zeiden: + +"Wij zijn aan uw kant. U moet maar niet op die lui letten." + +"Wie zijn die lui?" vroeg hij verwonderd. + +"De lui die heengegaan zijn om niet in aanraking met u te komen!" + +"Ja, ze zeggen dat u in den kerkelijken ban is." + +Ibarra kon van verbazing niets zeggen, en keek om zich heen. Hij zag +Maria Clara, die haar gelaat achter de waaier verborg. + +"Maar is 't mogelijk?" riep hij eindelijk uit. "Zijn we nog heelemaal +in de middeleeuwen? Zoodat dus..." + +En op de jongemeisjes toetredende, en van toon veranderend zeide hij: + +"Neemt me niet kwalijk, ik had vergeten dat ik een afspraak had. Ik +voeg me straks weer bij jullie." + +"Blijf, zeg!" zeide Sinang. "Jejeng gaat straks dansen en die danst +hemels." + +"Ik kan niet, lieve kind, maar ik kom terug." + +Het gepraat verdubbelde. + +Juist toen de danseres opgetreden was, traden twee soldaten van den +_guardia civil_ op Don Filipo toe, en verzochten dat de voorstelling +zou ophouden. + +"En waarom?" vroeg deze verbaasd. + +"Omdat de _alférez_ en zijn vrouw met elkaar gevochten hebben en niet +kunnen slapen." + +"Zeg aan den _alférez_ dat we vergunning hebben. Niemand in 't dorp is +hier bevoegd, zelfs niet de burgemeester, die mijn _eenige meerdere_ +is." + +"Nu maar de voorstelling moet ophouden!" herhaalden de soldaten. + +Don Filipo keerde hun den rug toe. De _guardia's_ gingen heen. + +Om de rust niet te verstoren, zeide Don Filipo niemand iets van +'t gebeurde. + +Na 't stukje _Zarzuela_, dat zeer werd toegejuicht, vertoonde zich +Prins Villardo, die al de Mooren ten strijd uitdaagde, welke zijn vader +hadden gevangen genomen. De held dreigde ze, dat hij allen met een +slag de hoofden zou afsnijden en die naar de maan zou zenden. Gelukkig +voor de Mooren, die zich reeds ten strijd bereidden, ontstond er een +tumult. De muzikanten van 't orkest hielden plotseling op, sprongen +op 't tooneel, en wierpen hun instrumenten weg. De dappere Villardo, +die ze niet verwachtte, en ze aanzag voor aanhangers van de Mooren, +wierp ook zwaard en schild weg, en zette het op een loopen. De Mooren, +die zagen dat zulk een vreeswekkende christen vluchtte, vonden het +niet ongeschikt hem na te volgen. Men hoorde kreten, geweeklaag, +vervloekingen, godlasteringen, de menschen liepen dooreen en tegen +elkaar in, de lichten gingen uit, illuminatie-potjes werden de lucht +in geslingerd en meer zoo. _Toelisan_! _toelisan_! (roovers) riepen +sommigen. "Brand! Dieven!" anderen, vrouwen en kinderen schreiden, +banken en toeschouwers rolden tegen den grond, te midden van de +algemeene verwarring en 't lawaai. + +Wat was er voorgevallen? + +Twee _guardia civiles_ waren met een stok in de hand de muzikanten te +lijf gegaan, om de voorstelling te doen eindigen. De _teniente mayor_ +met de burgerwacht, met oude sabels gewapend, slaagden erin ze aan +te houden, in weerwil van hun tegenstand. + +"Brengt ze naar 't stadhuis!" riep Don Filipo. + +"Voorzichtig, hoor, ze niet loslaten!" + +Ibarra was teruggekomen, en zocht Maria Clara. De vreesbevangen +jongemeisjes klampten zich bleek en bevend aan hem vast. + +Tante Isabel bad de litanieën in 't latijn. + +Toen de menschen een weinig van den schrik bekomen waren en ze +zich rekenschap hadden gegeven van 't geen er gebeurd was, barstte +de verontwaardiging overal los. Het regende steenen op de twee +_guardia's_, die door de burgerwacht werden weggevoerd. Er was er +een die voorstelde de kazerne in brand te steken, en Doña Consolación +samen met den _alférez_ levend te braden. + +"Daar dienen ze voor!" riep een vrouw, de mouwen opstroopend en +de armen uitstrekkend, "om 't volk in beroering te brengen. Ze +hinderen alleen fatsoenlijke menschen. Daar staan de _toelisan's_, +de dobbelaars! Laten we de kazerne in brand steken!" + +Een betastte zich de armen en vroeg om "bediend" te worden. Klagende +kreten kwamen onder de omgevallen banken vandaan: 't was een arme +muzikant. Het tooneel stond vol akteurs en menschen uit het volk, +die allen tegelijk spraken. Daar was Chananay, gekleed als Leonora +in de Troubadour bezig in pasar-taal te praten met Ratia, die als +schoolmeester uitgedost was. Jejeng gehuld in een zijden sjaal, met +Prins Villaroo; Balbino en de Mooren deden hun best om de muzikanten +te troosten, die min of meer beleedigd waren. Eenige Spanjaarden +liepen van den eenen kant naar den andere, iedereen die ze tegenkwamen +toesprekend. + +Doch er had zich reeds een bende gevormd. Don Filipo, die begreep +wat ze voorhadden, liep toe om hen tegen te houden. + +"U moet de orde niet verstoren!" riep hij, "morgen zullen we voldoening +vragen. Men zal ons recht laten wedervaren. Ik sta u ervoor in, +dat men ons recht zal doen!" + +"Nee!" antwoordden er enkelen, "'t was net zoo in Calamba. [41] Men +beloofde toen hetzelfde, maar de _alcalde_ deed niets. We willen ons +zelf recht verschaffen! Naar de kazerne!" + +Tevergeefs sprak de onderburgemeester ze toe: de menschen volhardden +bij hun houding. Don Filipo keek om zich heen naar hulp uit, en +zag Ibarra. + +"Meneer Ibarra, als 't u belieft, houdt u ze tegen, onderwijl dat ik +_cuadrillero's_ ga halen!" + +"Wat kan ik nu doen?" vroeg de jongeman in verlegenheid. Maar de +_teniente mayor_ was al weg. + +Ibarra keek op zijn beurt om zich heen, zoekende naar iemand, hij +wist niet wie. Gelukkig meende hij Elias te bespeuren. Ibarra liep +op hem toe, greep hem bij den arm en zeide in 't Spaansch: + +"Om Gods wil! Doet u iets, als u kan, ik kan niets doen!" + +De "loods" had hem stellig begrepen; want hij verdween in de groep. + +Men hoorde een levendige woordenwisseling, opgewonden uitroepen; +daarna begon de bende langzaam-aan uiteen te gaan, en nam ieder een +minder vijandelijke houding aan. + +'t Was wel tijd, want de soldaten kwamen gewapend naar buiten, met +de bajonet op. + +Wat deed intusschen de pastoor? + +Padre Salvi was niet naar bed gegaan. Staande, het voorhoofd steunend +tegen de jaloezieën, keek hij naar het plein, onbeweeglijk, terwijl hij +nu en dan een gesmoorde zucht slaakte. Als het licht van zijn lamp niet +zoo schaarsch geweest was, zou men wellicht hebben kunnen zien, dat +zijn oogen zich met tranen vulden. Zoo wachtte hij bijna een uur door. + +Uit dezen toestand rukte hem het tumult op het plein. Hij volgde +met verbaasden blik het verwarde heen- en weergeloop der menschen, +wier uitroepen en geschreeuw flauwtjes tot hem doordrongen. Een +der bedienden, die buiten adem aankwam, stelde hem op de hoogte van +hetgeen er plaats had. + +Een gedachte doorflitste zijn verbeelding. Midden in de verwarring en +het tumult plegen de lichtmissen gebruik te maken van den schrik en +de zwakheid der vrouw. Iedereen vlucht en stelt zich in veiligheid, +niemand denkt aan een ander, schreeuwen wordt niet gehoord, de vrouwen +bezwijmen, loopen elkaar omver, vallen; ontzetting en vrees luisteren +niet naar de stem der kuischheid, en in 't holle van den nacht..., +en wanneer ze zich wapenen! 't Was of hij Crisóstomo daar zag, de +bezwijmde Maria Clara in zijn armen wegvoerende, om in de duisternis +te verdwijnen. + +Hij ijlde de trappen af, zonder hoed, zonder stok, en als een gek +holde hij het plein op. + +Daar ontmoette hij de Spanjaarden die de soldaten hadden terecht +gewezen. Hij keek naar de plaatsen waar Maria Clara en haar vriendinnen +gezeten hadden: ze waren ledig. + +"Meneer de pastoor! Meneer de pastoor!" riepen hem de Spanjaarden +toe, maar hij lette niet op hen, en liep voort in de richting van +Capitán Tiago's huis. Daar herademde hij; hij zag in 't openstaande +transparant van 't venster een silhouet, het aanbiddelijke silhouet +vol bevalligheid en zacht van omtrekken van Maria Clara, en dat van +haar tante, die kopjes en glazen droeg. + +"Komaan!" mompelde hij, "'t schijnt dat ze alleen maar ziek geworden +is!" Tante Isabel sloot daarop de vensters, en het bevallige silhouet +verdween. + +De pastoor verwijderde zich van die plaats zonder de menigte te +zien. Hij zag in zijn verbeelding een schoone maagde-boezem, die +rustig sliep en zacht ademhaalde; de oogleden waren beschaduwd door +lange wimpers, die sierlijke booglijnen beschreven als de Maagden +van Rafaël, de kleine mond glimlachte; 't geheele gelaat ademde +maagdelijkheid, reinheid, onschuld; dat gezichtje was een lieflijke +verschijning te midden der witheid van het bed, gelijk een cherubskopje +tusschen wolken. + +De verbeelding ging verder en zag nog andere dingen; doch wie schrijft +al wat een vurig brein zich kan verbeelden? + +Wellicht de correspondent van het blad, die zijn beschrijving van +'t feest en al het voorgevallene op deze wijze eindigde: + +"Dank, duizendmaal dank aan de tijdige en werkdadige tusschenkomst +van Zijn-Weleerwaarde Pater Bernardo Salvi, die ieder gevaar tartend, +onder 't verwoede volk, te midden van de dolle menigte zonder hoed, +zonder stok, de ontketende hartstochten deed bedaren, enkel door zijn +overtuigend woord, door de majesteit en het gezag die nooit ontbreken +bij een priester van den Godsdienst des vredes. De deugdzame monnik +heeft, met een zelfverloochening zonder wedergade, het genot van +den slaap gederfd, dat ieder goed geweten als het zijne smaakt, +om te beletten dat zijn kudde een klein ongeluk zou treffen. De +bewoners van San Diego zullen zonder twijfel deze verheven daad van +hun heldhaftigen zieleherder niet vergeten, en zullen hem voor alle +eeuwigheid dankbaar weten te zijn." + + + + +XXXIX. + +Twee bezoeken. + + +In den gemoedstoestand waarin Ibarra zich bevond, was het hem +onmogelijk in slaap te komen, zoodat hij, om zijn geest af te leiden +en de droevige gedachten, die 's nachts nog pijnlijker werden van +zich af te zetten, zich in zijn eenzame studeerkamer aan 't werk +zette. De dageraad verraste hem, toen hij nog bezig was met het maken +van mengsels en verbindingen, aan welker werking hij stukjes riet en +andere zelfstandigheden onderwierp, die hij daarna in genummerde en +gelakte flakons wegborg. + +Een bediende kwam binnen, en berichtte hem de komst van een boer. + +"Laat hem binnenkomen!" zeide hij, zonder zich zelfs om te keeren. + +De binnentredende was Elias, die daarna zwijgend bleef staan. + +"O, bent u 't?" riep Ibarra in 't Tagaalsch uit, toen hij hem herkende. + +"Neem me niet kwalijk dat ik u heb laten wachten. Ik had het niet +gemerkt: ik was bezig een belangwekkende proef te doen..." + +"Ik wilt u niet storen!" antwoordde de jonge "loods." + +"Ik ben in de eerste plaats gekomen, om u te vragen, of u soms iets +voor de provincie Batagas hebt: ik ga daar nu heen. + +"En ten tweede om u een slechte tijding te brengen..." + +Ibarra keek den "loods" vragend aan. + +"De dochter van Capitán Tiago is ziek," hervatte Elias kalm, "maar +niet ernstig." + +"Ik had het wel gevreesd!" riep Ibarra met zwakke stem uit. "Weet u +wat haar scheelt?" + +"O koorts! Als u nu verder niets te bevelen heeft..." + +"Dank u, mijn vriend. Ik wensch u een goede reis..., maar veroorloof +me eerst een vraag te doen. Als u die onbescheiden vindt, antwoord +dan maar niet." + +Elias boog. + +"Hoe heeft u dat opstootje gisteravond kunnen bezweren?" vroeg Ibarra, +hem strak aanziende. + +"O heel eenvoudig!" antwoordde Elias met de grootste +natuurlijkheid. "De leiders van de beweging waren twee broers, wier +vader doodgeslagen is door de _guardia civil_. Eens op een dag had ik +het geluk ze te redden uit dezelfde handen, waarin hun vader gevallen +was, en beiden zijn me daar dankbaar voor. Ik heb me gisterenavond +tot hen gewend, en zij hebben op zich genomen, de anderen van hun +plan af te brengen." + +"En die twee broers wier vader doodgeslagen is?..." + +"Die zullen wel net zoo eindigen als hun vader," antwoordde Elias +zacht; "wanneer 't ongeluk 't eenmaal op een familie heeft gemunt, +moeten al de leden eraan gelooven. Wanneer de bliksem een boom treft, +maakt hij hem heelemaal tot asch." + +En Elias, ziende dat Ibarra zweeg, nam afscheid. De laatste verloor, +toen hij zich alleen zag, de kalme houding die hij in tegenwoordigheid +van den "loods" had in acht genomen, en de smart vertoonde zich op +zijn gelaat. + +"Ik, ik heb haar zoo ellendig gemaakt!" mompelde hij. + +Hij kleedde zich vlug aan, en ging de trap af. + +Een klein mannetje, in de rouw, met een groot litteeken op de +linkerwang, groette hem nederig, en hield hem onderweg aan. + +"Wat wilt u?" vroeg Ibarra hem. + +"Meneer, ik heet Lucas, ik ben de broer van den man die gisteren +gestorven is." + +"Zoo! Ik betuig u wel mijn leedwezen... En?" + +"Meneer, ik wou 's weten, hoeveel u zal betalen aan de familie van +mijn broer." + +"Betalen?" herhaalde de jongeman, zonder zijn ergernis te kunnen +bedwingen. "Daar zullen we wel 's over praten. Komt u vanavond maar +terug; want ik heb nu geen tijd." + +"Zegt u alleen maar, hoeveel u betalen wilt!" hield Lucas aan. + +"Ik heb u gezegd dat we daarover wel 's een anderen keer spreken +zullen, ik heb nu haast!" zeide Ibarra ongeduldig. + +"Heeft u nu geen tijd, meneer?" vroeg Lucas met bitterheid, en ging +vlak voor hem staan. "Heeft u geen tijd, om u met de dooden bezig +te houden?" + +"Kom vanavond, m'n goeie man!" herhaalde Ibarra, zich bedwingende; +"ik moet nu een zieke gaan opzoeken." + +"Zoo, en vergeet u om een zieke de dooden? Gelooft u dat we, omdat +we arm zijn...?" + +Ibarra keek hem aan en sneed hem het woord af. + +"Stel mijn geduld niet op den proef!" zeide hij, en ging zijns +weegs. Lucas bleef hem nastaren, met een glimlach vol haat. + +"'t Is wel te merken dat je de kleinzoon bent van den man die mijn +vader tot straf in de brandende zon heeft gezet!" mompelde hij +binnensmonds. "Je hebt hetzelfde bloed!" + +En, van toon veranderend, liet hij volgen: + +"Maar, als je goed betaalt...goeie maatjes, hoor!" + + + + +XL. + +Dokter De Espadaña en zijn vrouw. + + +Het feest was voorbij. De dorpsbewoners vonden weder, evenals +alle jaren, dat hun kas armer was geworden, dat ze veel gewerkt, +gezweet en gezwoegd hadden, zonder zich vermaakt of nieuwe vrienden +verkregen te hebben, in een woord, dat ze het lawaai en de hoofdpijn +duur betaald hadden. Maar wat doet dat ertoe: 't komende jaar zal men +'t zelfde doen, 't zelfde in de volgende eeuw, want 't is tot-nu-toe +zoo de gewoonte geweest. + +Ten huize van Capitán Tiago heerschte vrij groote droefenis; al de +vensters zijn gesloten, de menschen loopen geruischloos rond, en alleen +in de keuken durft men luide te spreken. Maria Clara, de ziel van 't +huis, ligt ziek te bed. Haar toestand is te lezen in ieders gelaat, +zooals men het lijden des geestes leest in de trekken van een persoon. + +"Wat dunkt je, Isabel, zal ik de offergave doen aan het Kruis van +Toenasan of aan dat van Matahong?" vroeg de veelbeproefde vader +zacht. "Het kruis van Toenasan groeit, maar dat van Matahong +zweet. Welk van de twee hou jij voor wonderdadiger?" + +Tante Isabel dacht na, schudde het hoofd en mompelde: + +"Groeien...wel groeien is grooter wonder dan zweten: we zweten +allemaal, maar groeien doen we niet allemaal." + +"Dat 's waar, ja, Isabel, maar bedenk wel dat zweten, dat het zweten +van hout dat voor de poot van een bank bestemd was, geen klein wonder +is...Och 't beste zal wezen, de offergave aan de beide kruisen aan +te bieden. Zoo zijn beide partijen bevredigd, en zal Maria Clara +spoediger beter worden. Zijn de kamers in orde? Je weet wel dat er +met den dokter en zijn vrouw een nieuwe meneer meekomt, familie van +Padre Dámaso. Er mag niets ontbreken." + +Spoedig daarna reed er een rijtuig voor. + +Capitán Tiago gevolgd door tante Isabel, liep ijlings de trap af, om +de aankomenden te ontvangen. Dit waren Doctor Fiburcio de Espadaña, +zijn wederhelft mevrouw Victorina de los Reyes de Espadaña en een +jongmensch met een innemend gelaat en aangenaam voorkomen. + +Zij droeg een zijden ochtendjapon, afgezet met bloemen, en een hoed +met een groote papegaai erop, die half verdrukt zat tusschen blauwe +en roode linten. Het stof van den weg, vermengd met het rijstpoeder +op haar wangen, schenen haar rimpels te hebben vermeerderd. Evenals +eertijds te Manila leidde ze nu ook haar manke man aan den arm. + +"Ik heb 't genoegen u voor te stellen onzen neef Don Alfonso Linares de +Espadaña!" zeide Doña Victorina, op het jongemensch wijzende. "Meneer +is petekind van een familielid van Padre Dámaso, partikulier sekretaris +van alle ministers..." + +De jongeman groette hoffelijk; Capitán Tiago kuste hem bijna de hand. + +De talrijke koffertjes en valiezen werden naar boven gebracht en +Capitán Tiago geleidde zijn gasten naar hun logeerkamers. + +Toen men bezig was het tweede ontbijt te gebruiken, kwam Padre Salvi, +en het echtpaar, dat hem reeds kende, stelde hem den jongen Linares +met al zijn titels voor, zoodat deze bloosde. + +Men sprak natuurlijk over Maria Clara. Het jongemeisje rustte +en sliep. Men sprak over de reis. Doña Victorina vierde haar +praatlust bot, en kritizeerde de gewoonte der provinciemenschen, +hun _nipah_-woningen, de bamboe bruggen, zonder te vergeten aan den +pastoor mede te deelen, hoe wel ze was met allerlei groote lui. + +"U moest twee dagen vroeger hier geweest zijn, Doña Victorina," +antwoordde Capitán Tiago, gedurende een korte tusschenpoos, "dan zou +u den _capitán general_ ontmoet hebben: die heeft daar gezeten." + +"Wat? Hoe? Is Zijne Excellentie hier geweest? En in uw huis? Och kom!" + +"Ik zeg u dat hij daar gezeten heeft! Als u maar twee dagen eerder +gekomen was..." + +"Och! Hoe jammer dat Clarita niet eerder ziek geworden is!" riep zij +met waarachtige spijt. En zich tot Lidares wendende, liet ze volgen: + +"Hoor je dat, neef? Zijne Excellentie is hier geweest! Je ziet wel dat +De Espadaña gelijk had, toen hij zeide dat je niet bij een armzalige +inlander aan huis zou komen, want u moet weten, Don Santiago, dat +onze neef in Madrid bevriend was met ministers en hertogen, en dat +hij dineerde bij den graaf del Campanario." + +"Van den hertog de la Torre, Victorina," verbeterde haar man. [42] + +"Dat 's net hetzelfde, wat woû je nou?" + +"Zou ik vandaag ook Padre Dámaso in zijn dorp kunnen vinden?" viel +Linares in de rede, zich tot Padre Salvi wendend. "Men heeft me gezegd +dat het hier dicht-bij was." + +"Hij is juist hier, en zal heel gauw komen," antwoordde de pastoor. + +"Wat doet me dat genoegen! Ik heb een brief voor hem," riep de jongeman +uit, "en als 't niet was door dit gelukkige toeval, dat me hier brengt, +zou ik opzettelijk gekomen zijn, om hem op te zoeken." + +Het "gelukkige toeval" was intusschen wakker geworden. + +"De Espadaña," zei Doña Victorina, haar ontbijt beëindigend, "zullen we +'s naar Clarita gaan kijken?" En tot Capitán Tiago: + +"Voor u alleen, Don Santiago, voor u alleen! Mijn man behandelt alleen +voorname menschen, en dan nòg...! Mijn man is niet zooals die lui van +hier... in Madrid bezocht hij uitsluitend menschen van hoog aanzien." + +Dat de groote geneesheer vroeger ambtenaartje bij de douane geweest +was, en nooit eenige studie van geneeskunde gemaakt had, wist hier +niemand. Zij evenmin. + +Ze gingen naar de ziekekamer. + +Het vertrek was bijna donker, de vensters waren gesloten uit vrees +voor tocht, en het licht dat er scheen, kwam van de kaarsen, die +stonden te branden voor het beeld der Heilige Maagd van Antipolo. + +Het hoofd omwonden met een in eau de cologne geweekte doek, het +lichaam zorgvuldig gewikkeld in witte lakens, met veel plooien erin, +die haar maagdelijke vormen verheelden, lag het jonge meisje in +haar ledikant van _kamagon_-hout, achter gordijnen van _jusi_ en +_pina_. Heur haar, als een lijst om haar ovaal gelaat, verhoogde de +doorschijnende bleekheid, welke slechts verlevendigd werd door haar +groote droefenisvolle oogen. Naast haar bed zaten de beide vriendinnen +en Andeng met een ruiker leliën. + +De Espadaña nam haar pols, onderzocht de tong, deed verschillende +vragen, en zeide, terwijl hij het hoofd heen en weer bewoog: + +"Wel...ze is ziek, maar ze kan genezen worden!" + +Doña Victorina keek de omstanders fier aan. + +"'s Morgens ijslands mos met melk, wat alteastroop, twee pillen van +'hondetong'," schreef de Espadaña voor. + +"Schep maar moed, Clarita," zei Doña Victorina, naderbij komend, "we +zijn gekomen om je beter te maken... Ik zal je mijn neef voorstellen." + +Linares was in gedachten verdiept, in stille beschouwing van die +welsprekende oogen, welke iemand schenen te zoeken, en hoorde niet +dat Doña Victorina hem riep. + +"Meneer Linares", zeide de pastoor tot hem, hem ontrukkend aan zijn +geestvervoering, "daar komt Padre Dámaso." + +Inderdaad kwam de genoemde aan, bleek en eenigszins bedroefd. Toen +hij het bed verliet, was zijn eerste bezoek voor Maria Clara. 't +Was niet meer de Padre Dámaso van voorheen, zoo sterk en spraakzaam; +thans stapte hij zwijgend en eenigszins wankelend voort. + + + + +XLI. + +Plannen. + + +Zonder zich aan iemand te storen, ging hij regelrecht naar het bed +der zieke, en, haar bij de hand nemende, zeide hij met onzeggelijke +teederheid, terwijl tranen in zijn oogen opwelden: + +"Maria, Maria, mijn kindje, je moet niet doodgaan, hoor." + +Maria sloeg de oogen op en keek hem met eenige verwondering aan. + +Niemand van hen die den Franciskaan kenden vermoedde in hem teedere +gevoelens. Onder dat ruwe, grove uiterlijk geloofde niemand dat er +een hart aanwezig was. + +Padre Dámaso kon niet verder gaan, en verwijderde zich van het +jongemeisje, schreiend als een kind. Hij ging naar de voorgalerij, +om vrij te kunnen toegeven aan zijn smart, onder het lievelings-klimop +van Maria Clara's balkon. + +"Wat houdt hij veel van zijn petekind!" dachten allen. Fray Salvi +sloeg hem roerloos en zwijgend gade, terwijl hij onmerkbaar op zijn +lippen beet. + +Toen Padre Dámaso wat bedaard was, stelde Doña Victorina hem den +jongen Linares voor, die eerbiedig naar hem toe kwam. + +De pater nam hem zwijgend op, van hoofd tot voeten, nam den brief aan, +dien de ander hem reikte, en las dien naar 't scheen zonder hem te +begrijpen, want hij vroeg: + +"En wie bent u?" + +"Alfonso Linares, het petekind van uw zwager..." stamelde het +jongemensch. + +Padre Dámaso wierp het lichaam naar achteren, sloeg den jongen man +nog eens met aandacht gade, en, terwijl zijn gelaat verhelderde, +stond hij op. + +"Dus jij bent het petekind van Carlicos!" riep hij uit, en omhelsde +hem. "Kom, laat me je omhelzen... een paar dagen geleden heb ik een +brief van hem gehad... dus dat ben jij! Ik kende je niet... trouwens, +je was nog niet geboren, toen ik het land verliet. Ik kende je niet!" + +En Padre Dámaso drukte het jongemensch in zijn stoere armen, dat +hij er rood van zag--van verlegenheid of van gebrek aan lucht. Padre +Dámaso scheen zijn verdriet geheel vergeten te zijn. + +Toen de eerste oogenblikken van hartelijkheid voorbij waren, en +hij de noodige vragen gedaan had naar Carlicos en naar Pepa, vroeg +Padre Dámaso: + +"En... komaan! Wat wil Carlicos nu dat ik voor je doen zal?" + +"Ik geloof dat hij in den brief daar iets van zegt..," stamelde +Linares wederom. + +"In den brief? Zoo? wel, dat 's waar! En hij wil dat ik een baantje +en een vrouw voor je zoek! Hm! Een baantje... een baantje, dat 's +makkelijk. Kun je lezen en schrijven?" + +"Ik ben in de rechten gepromoveerd aan de universiteit van Madrid." + +"_Caramba_! Dus je bent een rechtsverdraaier? + +"Nou, daar heb je geen snuit voor... je lijkt eer een jongejuffrouw, +maar des te beter! Maar een vrouw voor je te vinden ... hm, hm! een +vrouw..." + +"Och, pater, dat heeft niets geen haast," zeide Linares bedremmeld. + +Doch de pater stapte van 't eene eind van de voorgalerij naar 't +andere, en mompelde: + +"Een vrouw, een vrouw!" + +Zijn gelaat stond niet meer bedroefd of vroolijk; thans drukte het +den grootsten ernst uit, en 't scheen dat hij diep nadacht. Padre +Salvi keek uit de verte naar dit heele tooneeltje. + +"Ik dacht niet dat de zaak me zooveel narigheid zou bezorgen", +mompelde Padre Dámaso op huilerigen toon. "Maar van twee kwaden dan +maar 't minste." + +En zijn stem verheffende, trad hij op Linares toe, en zeide: + +"Kom hier, m'n jongen, laten we 's met Santiago gaan praten." + +Linares verbleekte, en liet zich door den geestelijke, die in gedachten +verzonken voortliep, meetrekken. + +Toen was het de beurt van Padre Salvi om, peinzend als altijd, heen +en weer te gaan wandelen. + +Een stem die hem goeden dag zeide ontrukte hem aan zijn peinzens-zware +wandeling. Hij hief het hoofd op, en stond tegenover Lucas, die hem +nederig groette. + +"Wat wil je?" vroegen 's pastoors oogen. + +"Pater, ik ben de broer van den man die op den dag van 't feest +gestorven is!" antwoordde Lucas op klagenden toon. + +Padre Salvi trad een schrede terug. + +"En wat zou dat?" mompelde hij nauw hoorbaar. Lucas deed zijn uiterste +best om te schreien, en veegde zich de oogen met zijn zakdoek af. + +"Pater," zeide hij snotterend, "ik ben bij Don Crisóstomo aan huis +geweest, om een schadevergoeding te vragen. Eerst ontving hij me +met schoppen, en zei dat hij niets wou betalen, omdat zijn leven +gevaar geloopen had door de schuld van mijn lieven en ongelukkigen +broer. Gisteren ben ik weer bij hem geweest, om hem te spreken, maar +hij was al naar Manila vertrokken. Hij had bij wijze van aalmoes +vijfhonderd _peso's_ voor me achtergelaten, met de boodschap dat +ik nooit meer terug moest komen. Och, pater, vijfhonderd _peso's_ +voor mijn armen broer, vijfhonderd _peso's!_ Och pater!..." + +De pastoor hoorde hem in 't begin met verbazing en aandacht aan, en +allengs teekende zich op zijn lippen zulk een glimlach van minachting +en spot tegenover zulk een komedie, dat, als Lucas dien had kunnen +zien, hij hals over kop zou weggeloopen zijn. + +"En wat wil jij nu van mij?" vroeg hij hem, terwijl hij hem den +rug toekeerde. + +"Och pater, zegt me om Gods wil wat ik doen moet: Uweleerwaarde heeft +altijd goeden raad gegeven." + +"Wie heeft je dat gezegd? Jij bent niet van hier..." + +"Iedereen in de provincie kent Uweleerwaarde." + +Padre Salvi trad met vertoornden blik op hem toe, en hem de straat +wijzend, zeide hij tot den ontstelden Lucas: + +"Ga naar je huis, en wees Don Crisóstomo dankbaar dat hij je niet in +de gevangenis heeft laten zetten!" + +"Scheer je weg." + +Lucas vergat zijn aanstellerij, en mompelde: + +"Wel, ik dacht..." + +"Pak je weg," schreeuwde Padre Salvi zenuwachtig. + +"Ik zou Padre Dámaso wel 's willen spreken.." + +"Padre Dámaso heeft het druk... Pak je weg," gelastte de pastoor +nogmaals op strengen toon. + +Lucas ging mopperend de trappen af. + +"Nou, dat 's er ook een...als hij 's niet goed betaalt..." + +"Die 't beste betaalt..." + +Op 't schreeuwen van den pastoor was iedereen komen toeloopen, zelfs +Padre Dámaso, Capitán Tiago en Linares. + +"Een onbeschaamde schooier, die om een aalmoes komt vragen, en niet +werken wil," zeide Padre Salvi terwijl hij zijn hoed en zijn stok +greep, om naar het klooster te gaan. + + + + +XLII. + +Gewetensonderzoek. + + +Lange dagen en droeve nachten zijn voorbijgetrokken over de legerstede +van Maria Clara. Ze was, enkele oogenblikken na dat ze "bediend" +was, weer ingestort, en gedurende haar ijlen had ze maar steeds den +naam van haar moeder uitgesproken, die ze nooit gekend had. Doch +haar vriendinnen, haar vader en haar tante hadden gewaakt; ze hadden +missen laten lezen en offergaven geschonken aan al de wonderdoende +beelden. Capitán Tiago beloofde de Heilige Maagd van Antipolo een +gouden stok ten geschenke te geven. En ten slotte begon de koorts +allengs, maar geregeld af te nemen. + +Doctor Espadaña was verbaasd over de geneeskracht van alteastroop en +ijslands mos; want hij had verder niets voorgeschreven. Doña Victorina +was zoo in haar schik over haar man, dat eens op een dag, toen deze +haar op haar sleep trapte, zij niet haar gewone straf toepaste--hem +zijn tanden af te nemen--maar zich vergenoegde met hem te zeggen: + +"Als je niet toevallig mank was, zou je zelfs op mijn korset trappen." + +En zij droeg er geen! + +Op een middag, terwijl Sinang en Victoria hun vriendin bezochten, +waren in de eetkamer de pastoor, Capitán Tiago en de familie van Doña +Victorina bezig wat te gebruiken en onderwijl te praten. + +"Nu, 't spijt me wel", zeide de dokter, "'t zal Padre Dámaso ook +erg spijten." + +"En waarheen zegt u dat ze hem overplaatsen?" vroeg Linares aan +den pastoor. + +"Naar de provincie Tabayas," antwoordde deze achteloos. + +"Wie 't ook erg spijten zal is Maria, wanneer ze 't hoort", zeide +Capitán Tiago. "ze houdt van hem, alsof 't haar vader was." + +Fray Salvi keek hem schuin aan. + +"Ik geloof, pater", ging Capitán Tiago voort, "dat deze heele ziekte +komt van de narigheid die ze op den feestdag gehad heeft." + +"Ik ben van 't zelfde gevoelen, en u heeft er goed aan gedaan, +meneer Ibarra niet toe te staan met haar te spreken, 't Zou haar +verergerd hebben." + +"En als wij er niet geweest waren", viel Doña Victorina in, "zou +Clarita al in den hemel aan 't lofzingen wezen." + +"Amen Jezus!" meende Capitán Tiago te moeten zeggen. + +"Gelukkig voor u dat mijn man niet juist een voornameren zieke onder +handen had, want dan had u een ander moeten roepen, en hier zijn +'t allemaal domkoppen. Mijn man..." + +"Ik geloof en blijf bij wat ik gezegd heb," viel de pastoor op zijn +beurt in, "de biecht die Maria Clara gedaan heeft, heeft de gunstige +crisis teweeggebracht, die haar leven gered heeft. Een rein geweten +is meer waard dan veel medicijnen, en, 't zij verre van me dat ik de +macht van de wetenschap ontken, vooral niet van de chirurgie, maar +een rein geweten... u moet maar 's de vrome boeken lezen, en u zult +zien hoeveel genezingen bewerkt zijn, enkel door een goede biecht!" + +"Neem me niet kwalijk," bracht Doña Victorina gepikeerd hiertegen in, +"die kracht van een biecht...nou geneest u de vrouw van den _alférez_ +maar eens met een biecht!" + +"Een wond, mevrouw, is volstrekt geen ziekte waarop het geweten eenigen +invloed kan hebben!" antwoordde Padre Salvi streng. "En toch zou een +goede biecht haar behoeden voor herhalingen van zulke afranselingen +als die van vanmorgen." + +"Ze verdient het!" ging Doña Victorina voort, alsof ze Padre Salvi +niet gehoord had. "Die vrouw is erg onhebbelijk! In de kerk doet ze +niet anders dan naar mij kijken. Natuurlijk, 't is ook maar iemand van +niets. Zondag wou ik haar vragen, of ik soms apen in mijn gezicht had; +och maar wie wil zich bevuilen door te praten met menschen beneden +zijn stand?" + +Van zijn kant hervatte de pastoor, alsof hij evenmin deze heele tirade +gehoord had: + +"Geloof me, Don Santiago, om uw dochter heelemaal te genezen, is 't +noodig dat ze morgen een communie doet. Ik zal haar het _viaticum_ +brengen ...ik geloof dat ze niets zal hebben om te biechten. Maar, +als ze van avond wil..." + +"Ik weet niet," voegde dadelijk Doña Victorina eraan toe, gebruik +makende van een oogenblik stilte, "ik begrijp niet, dat er mannen +in staat kunnen wezen met zulke vogelverschrikkers als die vrouwen +te trouwen. Van verre zie je al vanwaar ze komt. 't Is haar aan te +zien dat ze vergaat van jaloezie. 't Is te begrijpen! Wat verdient +zoo'n _alférez_?" + +"Dus, Don Santiago, zegt u maar aan uw nicht dat ze de zieke moet +voorbereiden op de communie van morgen. Ik kom vanavond om haar +absolutie te geven voor haar zondetjes..." + +En ziende dat tante Isabel uitging, zeide hij haar in 't Tagaalsch: + +"Bereidt u uw nichtje voor, dat ze vanavond moet biechten. Ik zal haar +morgen het _viaticum_ brengen, daar zal ze spoediger door herstellen." + +"Maar, pater," waagde Linares schuchter tegen te werpen, "u moet nu +niet gelooven dat ze in doodsgevaar is." + +"Maakt u maar niets ongerust!" antwoordde hij, zonder hem aan te +kijken, "ik weet heel goed wat ik doe. Ik ben al bij heel wat zieken +geweest. Bovendien moet zij maar zelf zeggen, of ze de heilige communie +wil doen, en u zult zien dat ze in alles toestemt." + +Voorloopig stemde Capitán Tiago in alles toe. + +Tante Isabel trad de ziekenkamer binnen. + +Maria Clara lag nog te bed, bleek, zeer bleek; naast haar zaten haar +beide vriendinnen. + +"Neem nog een korreltje," zeide Sinang zacht, en bood haar een wit +pilletje aan, dat ze uit een glazen buisje haalde, "hij zegt dat je +met de medicijn moet ophouden, als je gegons in de ooren voelt." + +"Heeft hij je niet nog eens geschreven?" vroeg de zieke zacht. + +"Nee. Hij moet het zeer druk hebben!" + +"Heeft hij niets aan me laten zeggen?" + +"Hij zegt alleen maar, dat hij zal trachten van den aartsbisschop +kwijtschelding te krijgen van den kerkelijken ban, om dan..." + +Het gesprek werd hier gestoord door de komst der tante. + +"De pater zegt dat je je moet voorbereiden op biechten, mijn kindje," +zeide zij. "Laat haar nu alleen, dan kan ze haar gewetensonderzoek +doen." + +"Maar ze heeft immers nog geen week geleden gebiecht!" protesteerde +Sinang. "Ik ben niet ziek, en ik zondig niet zoo vaak als zij!" + +"Och kom, weet je niet wat de pastoor zegt? De rechtvaardige zondigt +zeven maal op een dag. Zeg, zal ik je het _Anker_, de _Ruiker_ of de +_Rechte weg ten Hemel_ brengen?" + +Maria Clara antwoordde niet. + +"Nou, je moet je maar niet vermoeien," voegde de goede tante eraan +toe. "Ik zelf zal je 't gewetensonderzoek voorlezen, en dan moet jij +maar alleen aan je zonden zien te denken." + +"Schrijf hem dat hij niet meer aan mij moet denken!" fluisterde Maria +Clara Sinang in 't oor, toen ze afscheid van haar nam. + +"Hoe zoo?" + +Doch de tante kwam binnen, en Sinang moest wel heengaan, zonder te +begrijpen wat haar vriendin haar gezegd had. + +De goede tante zette een stoel bij het licht, zette de bril op de +punt van haar neus, en, een boekje openslaande, zeide ze: + +"Let nu goed op, mijn kind. Ik zal beginnen met de geboden Gods. Ik +zal langzaam lezen, dan kun je nadenken. Als je me niet goed verstaan +hebt, moet je 't me zeggen, dan zal ik 't overdoen. Je weet wel dat +ik, waar 't je welzijn geldt, nooit moe word." + +Ze begon met eentonig neusgeluid de beschouwingen omtrent de +zondegevallen voor te lezen. Na iedere paragraaf zweeg ze een heele +poos, om het jonge meisje tijd te geven, zich haar zonden te herinneren +en er berouw over te hebben. + +Maria Clara keek starend voor zich uit. Toen het eerste gebod, +"God lief te hebben boven alle dingen," gelezen was, sloeg Tante +Isabel haar boven haar bril even gade, en was tevreden over haar +peinzend en droevig aanzien. Ze hoestte vroom, en begon, na een lange +pauze, aan 't tweede gebod. De goede oude las met zalving, en toen +de beschouwingen gelezen waren keek ze weer eens naar haar nichtje, +dat langzaam het hoofd naar den anderen kant wendde. + +"Och!" zeide tante Isabel bij zichzelve, "dat van 't ijdel gebruiken +van zijn heiligen naam, daar heeft 't arme schaap zich nooit aan +schuldig gemaakt. Laten we 't derde nemen." + +En het derde gebod werd ontleed en gecommentarieerd, en alle gevallen +werden gelezen waarin men er tegen zondigt. Daarna wendde ze zich +weer naar 't bed. Doch deze keer bracht de tante de bril naar boven, +en wreef zich de oogen uit: ze had gezien dat haar nichtje de zakdoek +naar 't gezicht bracht als om tranen af te drogen. + +"Hm!" zei ze, "hm! hm! 't Arme kind is zeker in slaap gevallen +gedurende de preek." + +En haar bril weer op 't puntje van haar neus zettend, zeide ze bij +zichzelf: + +"Laten we 's zien, of ze net zoo als ze de feestdagen niet heeft +geëerd, ook vader en moeder niet geëerd heeft." + +En ze las het vierde gebod, met nog zeuriger stem en nog meer door +den neus, geloovende zoo meer plechtigheid aan de zaak bij te zetten, +zooals ze dat veel geestelijken had hooren doen. + +Het jonge meisje bracht intusschen verscheidene malen de zakdoek aan +de oogen, en haar ademhaling werd hoorbaarder. + +"Wat 'n goede ziel!" dacht het oudje; "zij die zoo gehoorzaam en +zoo inschikkelijk tegenover iedereen is! Ik heb meer zonden gedaan, +en ik heb nooit echt kunnen schreien." + +En ze begon aan 't vijfde gebod, met nog meer zeurigheid en zoo +mogelijk nog erger neusgeluid, en met zooveel geestdrift, dat ze +'t gesnik van haar nichtje niet hoorde. Alleen na een pauze die ze +maakte, na de beschouwingen over doodslag met gewapende hand te hebben +gelezen, bemerkte zij 't gekreun der zondares. Toen steeg de toon boven +'t verhevene, ze las wat er nog stond op een toon die ze dreigend +trachtte te maken, en ziende dat Maria nog steeds bleef schreien, +zeide ze, terwijl ze dichter bij 't bed kwam: + +"Schrei maar, kind, schrei maar! Hoe meer je schreit, hoe eer God je +vergeven zal. Wees maar zeker dat de smart van zondeinkeer beter is +dan die van zelfverwijt! Geef je zelf ook slagen op de borst, maar +niet hard, want je bent nog ziek." + +Doch, alsof de smart om toe te nemen verborgenheid en eenzaamheid +behoefde, hield Maria Clara, toen ze zich verrast zag, langzaam +op met zuchten, en droogde haar oogen, zonder een woord te zeggen, +of haar tante te antwoorden. + +Deze ging met lezen voort, maar omdat het schreien van haar publiek +opgehouden was, verloor ze de geestdrift, en gaven de laatste geboden +haar zelfs slaap, en deden haar geeuwen tot groot nadeel van het +eentoonig neusgeluid, dat op die wijze afgebroken werd. + +"Als ik 't niet zag, zou ik 't niet gelooven!" dacht de goede oude +vrouw daarna. "Dit meisje zondigt als een soldaat tegen de vijf eerste +geboden juist het omgekeerde van ons vroeger! Wat gaat het vreemd in +de wereld tegenwoordig!" + +En ze stak een groote kaars aan voor de Heilige Maagd van Antipolo, +en nog twee kleinere voor onze Lieve Vrouw der Rozenkrans en Onze +Lieve Vrouw van de Pilaar, terwijl ze er zorg voor droeg een ivoren +kruisbeeldje te verwijderen en in een hoek te leggen, om daaraan toch +vooral duidelijk te kennen te geven, dat de kaarsen niet voor dat +beeldje waren aangestoken. De maagd van Delaroche kreeg ook niets: +'t was een onbekende vreemdelinge, en tante Isabel had nog nooit van +een wonder van haar gehoord. + +We weten niet wat er voorgevallen is bij de biecht van dien avond: +wij eerbiedigen zulke geheimen. De biecht duurde lang, en de tante, +die uit de verte haar nichtje in 't oog hield, kon opmerken dat de +pastoor, in plaats van 't oor gekeerd te hebben naar den mond der +zieke, integendeel het gezicht naar haar gewend had, en slechts in de +schoone oogen van het jongemeisje scheen te willen lezen wat ze dacht, +of er naar te gissen. + +Bleek en met opeengeklemde lippen verliet Padre Salvi het +slaapvertrek. Zijn somber en met zweet bedekt voorhoofd ziende, zou +men gezegd hebben, dat hij biechteling was geweest en geen absolutie +had kunnen krijgen. + +"Jezus, Maria en Jozef!" zeide onze tante, en sloeg een kruis, om +een slechte gedachte van zich te verjagen. + +"Wie snapt nu de jonge meisjes van tegenwoordig?!" + + + + +XLIII. + +De vervolgden. + + +Bij het flauwe schijnsel dat de maan afzond door het dichte gebladerte +der boomen dwaalde een man met langzame bedaarde schreden door het +bosch. Van tijd tot tijd, en als om zich te oriënteeren, floot hij +een bizonder wijsje, waarop in de verte dezelfde tonen plachten te +antwoorden. De man luisterde aandachtig, en vervolgde dan zijn weg +in de richting van 't verwijderd geluid. + +Ten slotte, na 't doorworstelen van duizend moeilijkheden, die een +maagdelijk woud 's nachts aanbiedt, kwam hij aan een klein open +terrein, hel beschenen door de maan in haar eerste kwartier. Hooge +rotsen, gekroond door boomen, rezen rondom op en vormden een soort +bouwvallig amfitheater. Vers omgehakte boomen, verkoolde stammen vulden +'t midden, waartusschendoor ontzaggelijke rotsblokken lagen, door de +natuur gedeeltelijk met haar mantel van groen gebladerte bedekt. + +Nauwelijks was de onbekende aangekomen, of een andere gestalte, +plotseling voor den dag komende van achter een groot stuk rots, +trad naar voren, en een revolver uit den gordel nemend, vroeg hij +op bevelenden toon in 't Tagaalsch terwijl hij de haan van 't wapen +overhaalde: + +"Wie ben je?" + +"Is de oude Pablo bij jullie?" vroeg de eerste bedaard en +onverschrokken zonder zich te storen aan de vraag. + +"Spreek je van den _Capitán_? ja die is er." + +"Zeg hem dan dat Elias hem hier zoekt," zeide de man die niemand +anders was dan onze geheimzinnige "loods". + +"Bent u 't, Elias?" vroeg de onbekende met zekeren eerbied en naderbij +komend, zonder nochthans zijn revolver weer bij zich te steken. "In +dat geval gaat u maar mee." + +Elias volgde hem. + +Ze gingen een soort hol binnen, dat diep in de aarde wegzonk. De +gids, die den weg kende, waarschuwde de loods wanneer hij afdalen, +zich bukken of kruipen moest. Evenwel duurde het niet lang, of ze +kwamen in een soort zaal, armzalig verlicht door pek-toortsen, en +waarin zich twaalf gewapende kerels bevonden met ongure gelaatstrekken +en vuil gekleed. Sommigen zaten, anderen lagen op den grond, en er +werd nauwelijks gesproken. Met de ellebogen op een steen geleund, +die dienst deed als tafel, en peinzend het licht gadeslaande, dat zoo +weinig klaarte verspreidde bij zooveel rook, zag men een oude man met +een droef gelaat, het hoofd gewikkeld in een bebloede zwachtel. Niet +wetende dat die spelonk de verblijfplaats van _toelisan's_ of roovers +was, zou men de wanhoop lezend op 't gelaat des ouden mans, zeggen +dat het de Hongertoren was op den vooravond van de dag waarop Ugolino +zijn kinderen zou verslinden. [43] + +Bij de komst van Elias en zijn gids richtten de mannen zich half +op, doch op een teeken van den laatste stelden ze zich gerust, en +vergenoegden zich met de loods, die ongewapend kwam, nauwkeurig op +te nemen. + +De oude man wendde langzaam het hoofd om, en werd de ernstige +verschijning van Elias gewaar. Deze sloeg hem onbevangen gade, vol +droefheid en belangstelling. + +"Ben jij het?" vroeg de oude, wiens gelaat, bij 't herkennen van den +jongen man, eenigszins opklaarde. + +"In wat 'n toestand vind ik u!" mompelde Elias bij zichzelf, terwijl +hij 't hoofd schudde. + +De oude man boog zwijgend het hoofd, gaf de mannen een teeken, +waarop zij opstonden, en heengingen, niet zonder eerst met een blik +de gestalte en de lichaamsbouw van den loods te meten. + +"Ja!" zeide de grijsaard tot Elias, zoodra ze alleen waren: "zes +maanden geleden, toen ik je een schuilplaats in mijn huis bood, was ik +'t die medelijden met jou had. Nu is ons lot veranderd, en ben jij +'t die medelijden met mij hebt. Maar ga zitten, en vertel me 's, +hoe je hier gekomen bent." + +"Zoo wat veertien dagen geleden hebben ze me van uw ongeluk gesproken," +antwoordde de jongeman langzaam en zacht, terwijl hij naar het licht +keek; "ik ben dadelijk op weg gegaan, en heb u overal in de bergen +gezocht; ik heb bijna twee provincies afgezocht." + +"om geen onschuldig bloed te vergieten, heb ik moeten vluchten. Mijn +vijanden vreesden zich te vertoonen en stelden alleen eenige +ongelukkigen tegenover me, die me niet het minste kwaad gedaan hebben." + +Na een kort stilzwijgen, dat hij benutte om de gedachten te lezen op +het sombere gelaat van den grijsaard, hervatte Elias: + +"Ik ben gekomen om u iets voor te stellen. Nadat ik tevergeefs gezocht +had naar een of ander overblijfsel van de familie, die het ongeluk van +de mijne veroorzaakt heeft, heb ik besloten de provincie waar ik woon +te verlaten, om naar 't noorden te verhuizen, onder de ongeloovige +onafhankelijke stammen; wilt u het leven opgeven dat u nu leidt, +en met mij meegaan? Ik zal uw zoon wezen, nu u de uwen verloren +heeft. En ik die geen familie heb, zal in u een vader hebben." + +De oude man schudde het hoofd, en zeide: "Wanneer men op mijn leeftijd +een wanhopig besluit neemt, dan is dat omdat er niets anders is. Een +man die, als ik, zijn jeugd en zijn rijpere jaren heeft doorgebracht +in arbeid voor zijn eigen toekomst en die van zijn kinderen; een man +die zich onderworpen heeft getoond aan al de wilsuitingen van zijn +meerderen, die gewetensvol moeilijke betrekkingen vervuld heeft, alles +geleden heeft, om in vrede en in een zoo groot mogelijke rust te leven; +wanneer die man, wiens bloed door ouderdom bekoeld is, afstand doet +van zijn heele toekomst, aan den rand van 't graf, dan is dat omdat +hij rijpelijk overwogen heeft dat vrede niet bestaat en ook niet het +hoogste goed is. Waartoe ellende lijden in een vreemd land? Ik had +twee zoons, een dochter, een eigen huis, fortuin. Ik genoot achting +en aanzien. Nu ben ik als een boom die van zijn takken beroofd is, +nu dwaal ik rond als een vluchteling, opgejaagd als een wild dier in +'t bosch, en dat alles waarom? Omdat een man mijn dochter onteerd +heeft, omdat haar broeders rekenschap vroegen over de schanddaad van +dien man, en omdat die man met zijn waardigheid van geestelijke boven +de gewone menschen verheven staat. Alles wel beschouwd heb ik, vader, +onteerd in mijn ouderdom, de beleediging vergeven, ben ik toegevend +geweest tegenover de hartstochten van de jeugd en de zwakheden van +'t vleesch. En wat moest ik doen tegenover een onherstelbaar kwaad, +wat anders dan zwijgen en redden wat me nog restte? Maar de misdadiger +was bang voor een wraak die hij min of meer nabij achtte, en zocht +het ongeluk van mijn zoons. Weet je wat hij gedaan heeft? Nee? Weet +je niet dat hij een diefstal in 't klooster verzon, en dat onder de +beschuldigden een van mijn zoons voorkwam? De ander kon hij er niet in +betrekken, want die was afwezig. Weet je de martelingen waaraan hij +onderworpen werd? Je kent ze, omdat ze in alle dorpen zoo toegepast +worden! Ik, ik zag mijn zoon opgehangen aan zijn haren, ik hoorde +zijn kreten, ik hoorde dat hij me riep, en ik, die laf was en aan +vrede gewend, ik heb den moed niet gehad noch om te dooden, noch om +te sterven! Weet je dat de diefstal niet bewezen kon worden, dat men +inzag dat het laster was, en dat de pastoor voor straf naar een ander +dorp werd overgeplaatst? En dat mijn zoon ten gevolge van de marteling +gestorven is? De andere, die mij restte, was niet laf als zijn vader, +en daar de beul vreesde dat hij misschien in hem zijn broer wreken zou, +werd hij onder voorwendsel dat hij geen bewijs van vestiging had,--dat +hij voor 't oogenblik vergeten had--door de _guardia civil_ opgepakt, +mishandeld, geprikkeld en met scheldwoorden tot het uiterste gebracht +zoo zelfs dat hij tot zelfmoord gedwongen werd. En ik, ik heb zooveel +schande overleefd, maar al heb ik niet den moed als vader gehad om +mijn kinderen te verdedigen, er blijft mij een hart voor de wraak, +en ik zal me wreken! De ontevredenen gaan zich meer en meer onder +mijn bevel vereenigen, mijn vijanden doen mijn troep toenemen, en op +den dag dat ik mij sterk genoeg voel, zal ik naar de vlakte afdalen +en mijn wraak en mijn eigen leven in 't vuur uitdooven! En die dag +zal komen, of er is geen God!" + +En de oude man richtte zich zenuwachtig op, en met fonkelenden blik +en een hol klinkende stem voegde hij eraan toe, terwijl hij aan zijn +lange haren rukte: + +"Vloek, vloek over mij, die de wrekende hand van mijn zoons heb +tegengehouden: ik heb ze vermoord! Had ik toegelaten dat de schuldige +stierf, had ik minder in Gods rechtvaardigheid en die van de menschen +geloofd, dan had ik nu mijn kinderen, voortvluchtig misschien, maar +zou ze hebben en ze zouden niet den marteldood gestorven zijn! Ik was +niet geboren om vader te zijn! Daarom heb ik ze niet! Vloek over mij, +die op mijn leeftijd nog niet geleerd had het midden te kennen waarin +ik leefde! Maar in vuur en bloed en in mijn eigen dood, zal ik je +weten te wreken!" De ongelukkige vader had zich ten toppunt van smart, +het verband afgerukt, en nu vertoonde zich een breede wond aan zijn +voorhoofd, waaruit bloeddruppels neervielen. + +"Ik eerbiedig uw smart," hervatte Elias, "en ik begrijp uw +wraakbegeerte. Ik ben net als u, en toch, uit vrees om een onschuldige +te treffen, vergeet ik liever mijn ellende." + +"Jij kunt vergeten, omdat je jong bent, en omdat je geen enkele +zoon verloren hebt, geen enkele laatste hoop! Maar ik zweer 't je: +ik zal geen onschuldige doen lijden. Zie je deze wond? Om niet een +arme wachtkerel die zijn plicht deed te dooden, heb ik me die laten +toebrengen." + +"Maar bedenkt u niet," zeide Elias na een oogenblik zwijgens, +"bedenkt u niet in welk een schrikkelijke brand u ons arm volk +zal werpen? Als u met eigen hand wraak neemt, zullen uw vijanden +vreeselijke weerwraak nemen niet tegen u, maar tegen 't volk, dat +als naar gewoonte, beschuldigd wordt, en dan, wat 'n onrecht!" + +"Laat het volk leeren zich te verdedigen, laat iedereen zich +verdedigen!" + +"Weet u wel dat zoo iets onmogelijk is! Meneer, ik heb u gekend in een +anderen tijd, toen u nog gelukkig was. Toen gaf u me wijze raad. Staat +u me toe?..." + +De grijsaard kruiste de armen, en scheen vol aandacht. + +"Meneer," ging Elias voort, zijn woorden goed overwegend, "ik heb het +geluk gehad, een dienst te kunnen bewijzen aan een rijken jongeman, +iemand met een goed en edel hart en die zijn land liefheeft. Men +zegt dat die jongeman vrienden in Madrid heeft. Ik weet het niet, +maar wel kan ik u verzekeren dat hij op vriendschappelijken voet +staat met den Capitán Generaal. Wat zou u ervan zeggen, als wij hem +tot onzen aanklager maakten, als we hem belang deden stellen in de +zaak van ons ongelukkige volk?" + +De oude man schudde het hoofd. + +"Zeg je dat hij rijk is? Rijke menschen denken aan niets anders dan +hun rijkdom te vermeerderen: trots en praal verblinden ze en omdat +ze gewoonlijk er zelf goed aan toe zijn, vooral wanneer ze machtige +vrienden hebben, bekommert zich geen van hun om de ongelukkigen. Ik +weet dat alles, omdat ik zelf rijk ben geweest!" + +"Maar de man van wien ik spreek, is niet zooals anderen. + +"'t Is een zoon die gehoond is geworden in de nagedachtenis van +zijn vader. 't Is een jongmensch dat, omdat hij spoedig een gezin +zal hebben, aan de toekomst denkt, aan een goede toekomst voor zijn +kinderen." + +"Dan is 't een man die spoedig gelukkig zal wezen, en onze zaak is +niet die van de gelukkige menschen." + +"Maar 't is wel die van de mannen die een hart hebben!" + +"Laat 't wezen!" hervatte de oude man, en ging weer zitten, "neem aan +dat hij onze pleitbezorger is bij den opperlandvoogd, veronderstel +dat hij op de hoofdplaats afgevaardigden vindt die voor ons willen +opkomen, geloof je dan dat ons recht zal gedaan worden?" + +"Laten we 't probeeren, voordat we bloedige maatregelen nemen," +antwoordde Elias. "'t Moet u wel verbazen dat ik, een ander +ongelukkige, jong en sterk als ik ben, u, een oud en zwak man, +vreedzaam optreden aanraad. Maar dat komt omdat ik zooveel ellenden +gezien heb door ons veroorzaakt, evenzeer als door de onderdrukkers: +'t is altijd de weerlooze die 't gelag betaalt." + +"En als we toch niets bereiken?" + +"Iets zal er bereikt worden, gelooft u me: niet alle bestuurders zijn +onrechtvaardig. Als we niets gedaan krijgen, als ze onze klachten in +den wind slaan, als de mensch doof geworden is voor de smartkreten +van zijn evenmenschen, dan ben ik tot uw orders!" + +De grijsaard omarmde vol geestdrift Elias. + +"Ik neem je voorslag aan, Elias. Ik weet dat je je woord houdt. Je +zult bij me komen, en ik zal je helpen, om je voorouders te wreken, +jij zult mij helpen om mijn kinderen te wreken! Mijn zoons die zoo +waren als jij!" + +"Intusschen moet u iedere gewelddadigheid vermijden." + +"Jij moet de klachten van 't volk blootleggen: je kent ze. Wanneer +zal ik je antwoord vernemen?" + +"Zend me over vier dagen een man naar het strand van San Diego, en +ik zal hem het antwoord zeggen dat de man in wien ik mijn hoop stel +me gegeven heeft. En zoo niet, dan ben ik de eerste die valt in den +strijd, dien we samen ondernemen zullen." + +"Elias zal niet sterven, Elias zal de aanvoerder wezen, wanneer +Capitán Pablo voldaan over zijn wraak gevallen is," zeide de grijsaard. + +En hij zelf vergezelde den jongeman tot buiten het hol. + + + + +XLIV. + +De hanenvechtplaats. + + +Om den Zondag in eere te houden gaat men op de Filippijnen +gewoonlijk naar het hanenperk. Het hanenvechten is een hartstocht +die sinds een eeuw in 't land ingevoerd en geëxploiteerd wordt, +is een der volksondeugden, die meer op den voorgrond treedt dan het +opium-schuiven bij de Chineezen. Daar gaat de arme heen om wat hij +bezit op 't spel te zetten, begeerig als hij is om geld te verdienen +zonder te werken. Daar gaat ook de rijke heen, om verstrooiing te +zoeken, het geld gebruikende, dat er overschiet van zijn festijnen en +genade-missen; maar de som die verspeeld wordt is van hem, de haan +is wellicht met meer zorg opgekweekt dan de zoon, opvolger van den +vader in 't hanenperk, en dit verontschuldigt de spelers. + +Aangezien het bestuur het toestaat, en 't zelfs bijna aanbeveelt--want +het gelast dat het schouwspel alleen gegeven mag worden op "openbare +pleinen," op "feestdagen" (opdat iedereen het zien kunne en het +voorbeeld moge aanmoedigen), "na de groote mis tot het donker" (acht +uur), zullen we eens dit spel gaan bijwonen, om eenige kennissen op +te zoeken. + +Het hanenperk van San Diego onderscheidt zich slechts onbeduidend +van die welke men op andere plaatsen vindt. Het bestaat uit drie +afdeelingen: de eerste, die voor den ingang, is een groote rechthoek +van zoowat twintig meter lengte bij veertien breedte; aan een der +zijden opent een deur, waar gewoonlijk een vrouw bij waakt, die +belast is met het innen van _sa-pintoe_ of het toegangsgeld. Van dit +geld ontvangt het gouvernement een gedeelte: eenige honderdduizenden +peso's jaarlijks. Men zegt dat voor dit geld, dat de ondeugd voor +haar vrijheid betaalt, prachtige scholen worden opgericht, bruggen +gebouwd en straatwegen aangelegd, dat men daarvoor prijzen uitlooft +om landbouw en handel te bevorderen...Gezegend de ondeugd die zulk +een goeden uitslag oplevert! [44] In deze eerste afdeeling zijn de +verkoopsters van _sirih_, sigaretten, lekkernijen en andere eetwaren +enz. Daar krioelt het van jongens, die hun vaders en ooms vergezellen, +welke hen zorgvuldig inwijden in de geheimen des levens. + +Deze afdeeling staat in verbinding met een ander van ietwat grooter +afmetingen, een soort "foyer", waar het publiek zich vereenigt voor +het "loslaten" der hanen. + +In de foyer bevinden zich de meeste hanen, met een touw aan den +grond vastgemaakt, door middel van een pen van been of wilde +palm; daar zijn de beroepsspelers, de verslaafden, daar is de +ervaren mesjes-bevestiger; daar wordt onderhandeld, overwogen, te +leen gevraagd, verwenscht, gezworen en gevloekt, gelachen dat het +davert. Ginds streelt er een zijn haan, hem de hand over de glanzende +veeren strijkend; hier onderzoekt er een en telt de schubben der +pooten; daar vertelt men de daden der helden; wat verder zult ge een +troepje lieden zien, welke met pruilend gelaat een ontveerd hanelijk +wegdragen: het dier dat maanden lang de lieveling geweest is, nacht en +dag vertroeteld en verzorgd, en waarop ze streelende hoop-verwachtingen +bouwden, is nu niet meer dan een lijk, en wordt straks verkocht voor +een _peseta_, om met gember klaargemaakt dienzelfden avond gegeten te +worden. _Sic transit gloria mundi!_ De spelverliezer keert naar zijn +huis terug, waar hem de ongeruste vrouw en de lompig-gekleede kinderen +wachten, zonder 't kapitaaltje en zonder de haan. Van dien heelen +gulden droom, van al die zorgen maanden lang, van 't morgenkrieken tot +zonsondergang, van al die moeite en last, is niets dan een _peseta_ +het resultaat, de asch die gebleven is van zooveel rook. + +In deze "foyer" redetwisten de domsten; de slimmeren onderzoeken +gewetensvol de zaak, wegen, beschouwen, spreiden de vleugels uit, +betasten de spieren der hanen! Sommigen gaan zeer goed gekleed, +gevolgd en omringd door de aanhangers hunner dieren; anderen, vuil, +met het stempel der ondeugd op hun gelaat geprent, volgen angstvallig +de bewegingen der rijken, en letten aandachtig op de weddenschappen, +want de beurs kan wel leegraken, maar de passie niet verzadigd worden: +daar is geen enkel gezicht dat niet opgewonden is, daar vindt men +niet de luie, apathische, stille Filippijner. Hij is nu een en al +bewegelijkheid, hartstocht, vurig verlangen. Men zou zeggen dat ze +de dorst hebben die het slijkwater opwekt. + +Van deze plaats komt men in 't arena, dat _rueda_ heet. De grond, +omsloten door bamboe, is hier meestal hooger dan in de vorige +afdeelingen. In 't bovenste deel, en bijna aan de zoldering rakend, +bevinden zich trapsgewijze geschikte zitplaatsen voor het publiek of +voor de spelers, die per slot van rekening dezelfden zijn. Gedurende +het gevecht vullen zich deze zitplaatsen met mannen en jongens, die +schreeuwen, krijschen, zweten, ruzie maken en vloeken. Gelukkig komt +bijna nooit een vrouw daar. In de _rueda_ zijn de notabelen, de rijken, +de befaamde beroepsspelers, de contractant en de spelrechter. Op +den grond, die uitstekend vastgestampt is, vechten de dieren, en van +daar-uit deelt het lot aan de huisgezinnen lach en traan, smulpartijen +of honger uit. + +Op 't uur dat wij binnenkomen, zien we reeds de _gobernadorcillo_, +Capitán Pablo, Capitán Basilio, Lucas, de man met het litteeken in +zijn gezicht, die zooveel verdriet had over den dood van zijn broer. + +Capitán Basilio treedt toe op iemand uit het volk en vraagt hem: + +"Weet je ook welke haan Capitán Tiago meebrengt?" + +"Ik weet het niet, meneer. Vanochtend zijn er twee van hem aangekomen, +een ervan is de _lasak_ (wit en rood), die de _talisain_ (bonte) van +den consul verslagen heeft. Gelooft u dat mijn _boelik_ (wit en zwart) +met hem zou kunnen vechten?" + +"Ik geloof 't zeker! Ik verwed er mijn huis en mijn hemd om!" + +Op dat oogenblik kwam Capitán Tiago binnen. Hij ging gekleed als de +groote spelers: een hemd van kanten-linnen, wollen pantalon en een +grooten strooien flaphoed. Achter hem aan kwamen twee bedienden, +de _lasak_ en een witten haan van ontzaggelijke afmetingen dragend. + +"Sinang heeft me gezegd dat Maria 't iedere maand beter maakt!" zeide +Capitán Basilio. + +"Heeft u gisterenavond verloren?" + +"Een beetje. Ik weet dat u gewonnen heeft... ik zal zien, of ik +'t goed maak." + +"Wilt u de _lasak_ laten vechten?" vroeg Capitán Basilio, terwijl +hij naar den haan keek, en hem van den bediende vroeg. + +"Dat ligt eraan, als er op gewed wordt." + +"Hoeveel stelt u?" + +"Minder dan twee laat ik hem niet gaan." + +"Heeft u mijn _bulik_ gezien?" vroeg Capitán Basilio, en riep een +man die een kleinen haan droeg. + +Capitán Tiago onderzocht hem, en na hem gewogen en na zijn schubben +betast te hebben, gaf hij hem terug. + +"Hoeveel zet u op?" vroeg hij. + +"Evenveel als u." + +"Twee en vijfhonderd?" + +"Drie?" + +"Drie!" + +"Voor de volgende!" + +De kring van nieuwsgierige spelers verbreidde het bericht dat twee +beroemde hanen zouden vechten. Beiden hadden hun geschiedenis en +hun gevestigde roep. Iedereen wilde de twee beroemdheden zien, ze +onderzoeken. Men uitte meeningen, men deed voorspellingen. + +Intusschen neemt het stemmengerucht toe, wordt de verwarring grooter, +men dringt binnen de _rueda_ en bestormt de zitplaatsen. De "loslaters" +brengen twee hanen naar het strijdperk, de eene wit, de andere rood, +reeds gewapend maar de mesjes zitten nog in de schede. Men hoort +uitroepen "op de witte!" "op de witte!", een enkele stem roept "op +de roode!" De witte was de "beroepene," de roode de "verlatene", +dat wil zeggen de verworpeling en de lieveling. + +Onder de menigte loopen _guardia civiles_ rond. Ze dragen niet +de uniform van het welbeproefde korps, maar zijn ook niet in +burgerkleeding. Een broek van ruw wollen stof met roode franje, een +hemd met blauwe vlekken van de afgevende kiel, politie-muts, ziedaar +de vermomming in overstemming met hun houding. Ze wedden en houden +toezicht, ze verstoren de orde, terwijl ze zeggen die te handhaven. + +Onder 't geschreeuw door worden de handen uitgestrekt waarin men met +geld zwaait en rinkelt, terwijl men in den zak het laatste geldstuk +opzoekt, of, als dat er niet is, zijn woord wil verpanden, belovende +dat men zijn karbouw, den aanstaanden oogst enz. wil verkoopen; +twee jongelieden, blijkbaar broeders, volgen met jaloersche oogen +de spelers, komen naar elkaar toe, mompelen schuchtere woorden waar +niemand naar luistert, worden telkens somberder en kijken elkaar met +ergernis en spijtigheid aan. Lucas neemt ze tersluiks op, glimlacht +boosaardig, laat zilveren _peso's_ klinken, gaat vlak langs de beide +broeders, en terwijl hij naar de _rueda_ kijkt, roept hij: + +"Ik betaal vijftig, vijftig tegen twintig op den witte!" + +De twee broeders wisselen een blik. + +"Ik heb 't je wel gezegd," mompelt de oudste, "dat je niet al het +geld moest verwedden. Als je mijn raad gevolgd hadt, zouden we nu +overhebben, om op den roode te zetten!" + +De jongste van de twee trad schuchter op Lucas toe, en raakte even +zijn arm aan. + +"Ben jij 't?" roept deze en keert zich om, net doende alsof hij verrast +was, "neemt je broer mijn voorstel aan, of kom je om te wedden?" + +"Hoe wil je dat we zullen wedden, als we alles verloren hebben?" + +"Dus neem je 't aan?" + +"Hij wil niet! Als u ons wat kon leenen: u zegt immers dat u ons +kent..." + +Lucas krabde zich achter 't oor, trok zijn hemd glad, en antwoordde: + +"Ja zeker ken ik jullie. Jullie zijt Tarsilo en Bruno, jonge en sterke +kerels. Ik weet dat je vader gestorven is tengevolge van de honderd +geeselslagen daagsch, die deze soldaten hem gaven. Ik weet dat jullie +er niet aan denkt om hem te wreken..." + +"Bemoei u niet met onze zaken," viel Tarsilo, de oudste, in, +"dat brengt ongeluk. Als we geen zuster hadden, dan waren we al +lang opgehangen!" + +"Ophangen? Ze hangen alleen een lafaard op, iemand die geen geld en +geen voorspraak heeft. En in allen gevalle is de wildernis dichtbij." + +"Honderd tegen twintig, ik zet op den witte!" riep er een onder +'t voorbijgaan. + +"Leen ons vier _peso's_ ... drie ... twee," smeekte de jongste. "We +geven u later 't dubbele terug. Ze laten meteen de hanen los." + +Lucas krabde zich nog eens achter 't oor. + +"Pst! Dit geld is niet van mij, Don Crisóstomo heeft het mij gegeven +voor wie hem dienen willen. Maar ik zie wel dat jullie niet zijt +zooals je vader. Die was wel moedig. Laat hij die 't niet is geen +pretjes zoeken." + +En hij verwijderde zich van hen, doch niet ver. + +"Laten we 't aannemen, wat geeft 't?" zeide Bruno. + +"'t Is toch een en 't zelfde, of je opgehangen of gefusilleerd wordt: +wij arme lui dienen nergens anders voor." + +"Je hebt gelijk, maar denk aan onze zuster." + +Onderwijl is het strijdperk ontruimd. De kampstrijd zal een aanvang +nemen. Het geschreeuw bedaart allengs, en de twee "loslaters" en de +"mesjes-vastmaker" blijven in 't midden staan. Op een teeken van +den spelrechter ontbloot de eerste de stalen _navaja's_ en de fijne +lemmeten blinken dreigend, flikkerend. + +De twee broeders gaan droevig en stil naar de omheining van het perk, +en kijken toe, het voorhoofd tegen de bamboe aan. Een man treedt op +hen toe, en zegt fluisterend: + +"Zeg, man, honderd tegen tien. Ik ben voor den witte!" + +Tarsilo kijkt hem verbouwereerd aan. Bruno geeft hem een stoot met +de elleboog, waarop hij met een gegrom antwoordt. + +De "loslaters" houden de hanen met meesterlijke zachtheid vast, +zorgdragend zich niet te kwetsen. Er heerscht een plechtig stilzwijgen: +men zou wanen dat de aanwezigen behalve de twee loslaters gruwelijke +wassen poppen waren. De eene haan wordt bij den andere gebracht, +terwijl men den kop van den eene vasthoudt, opdat hij door 't krijgen +van een pik van den ander toornig wordt, en omgekeerd: bij ieder +doel moet gelijkheid wezen, zoowel tusschen Parijsche als tusschen +Filippijnsche hanen. Daarna laat men ze elkaar in 't gezicht kijken, +waardoor de arme beestjes weten wie hun een veertje uitgerukt heeft +en met wie ze moeten vechten. De halsveederen rijzen op, ze kijken +elkaar strak aan, en toornflitsjes ontsnappen uit hun kleine ronde +oogjes. Dan is het oogenblik gekomen. Men zet ze op den grond neer +en laat hun verder vrij spel. + +Langzaam treden ze vooruit. Men hoort hun schreden op den harden +grond. Niemand kikt, in ademlooze spanning. De kop neerbuigend en +opheffend, als meten ze elkaar met de blik, uiten de beide hanen +geluiden, wellicht van bedreiging en minachting. Ze hebben het glanzend +lemmet ontwaard, dat koude blauwige flikkeringen uitzendt. Het gevaar +spoort hen aan, en ze gaan vastberaden op elkaar af; doch op een pas +afstands staan ze stil, met strakken blik, 't hoofd naar beneden, en +weer gaan de halsvederen omhoog. Op dat oogenblik worden de hersentjes +door bloed beloopen, de oogen flitsen, en met hun natuurlijken moed +werpen ze zich onstuimig op elkaar: snavel stoot tegen snavel, borst +tegen borst, staal tegen staal en vleugel tegen vleugel. De slagen +zijn met meesterschap afgeweerd, en er zijn alleen enkele veeren +gevallen. Ze meten zich opnieuw met elkaar. Plotseling vliegt de +witte op, en zwaait het doodelijke staal, maar de roode is op zijn +pooten doorgezakt, heeft den kop gebogen, en de witte heeft slechts +in de lucht geschermd. Doch, bij 't weer neerstrijken op den grond +en verwonding van achteren ontwijkend, keert hij zich snel om, en +maakt front. De roode valt hem met woede aan, doch hij verdedigt zich +bedaard: niet voor niets is hij de lieveling van 't publiek. Iedereen +volgt bevend en in angstige spanning de wisselingen van 't gevecht, +terwijl men nu en dan een onwillekeurige kreet laat hooren. De grond +raakt bedekt met roode en witte veeren, met bloed bespet. Maar 't duel +is niet op 't eerste bloed. De Filippijnen, hier de wetten volgend door +'t bestuur gegeven, willen dat het op leven en dood zij, of totdat de +eerste vlucht. Het bloed drenkt reeds overal den grond, de slagen komen +korter op elkaar, doch de overwinning blijft onbeslist. Eindelijk, +met een uiterste krachtsinspanning, stort de witte vooruit, om den +genadeslag toe te brengen, steekt zijn mesje in den vleugel van den +roode, en dit dringt tusschen de beenderen door. Doch de witte is +in de borst gewond, en beiden, schier bloedeloos, uitgeput, hijgend, +de een tegen den ander aangedrukt, blijven zoo roerloos staan, totdat +de witte neervalt, bloed spuwt uit zijn snavel, met de pooten spartelt +en zieltoogt. De roode vastgehouden aan den vleugel, blijft naast hem, +zakt allengs op zijn pooten ineen en sluit langzaam de oogen. + +Daarop verklaart de spelrechter, in overeenstemming met de +voorschriften van 't bestuur, dat de roode overwinnaar is. Een woest +geschreeuw begroet deze uitspraak, een geschreeuw dat men in 't heele +dorp kan hooren, gerekt eentonig en een poos durend. Die het in de +verte hoort begrijpt dan dat de "verlatene"--niet de "lieveling" +overwinnaar is geweest. Anders zou het gejubel niet zoo lang geduurd +hebben. 't Is ermee als met de volken: als een klein volk erin slaagt +de overwinning te behalen op een groot, wordt die bezongen, en door +alle eeuwen heen verteld. + +"Zie je wel?" zei Bruno spijtig tot zijn broeder. "Als je me hadt +willen gelooven, zouden we nu honderd _peso's_ hebben: door jouw +schuld zitten we zonder een _cuarto_." + +Tarsilo antwoordde niet, maar keek met oogen half dicht om zich heen, +als zocht hij iemand. + +"Daar staat hij te praten met Pedro," hervatte Bruno. "Hij geeft hem +geld, wat 'n geld!" + +Inderdaad telde Lucas in handen van Sisa's man zilvermunten uit. Ze +wisselden nog heimelijk eenige woorden, en gingen dan vaneen, naar +'t scheen voldaan. + +"Pedro heeft zich zeker verbonden: nou, die weet ten minste wat hij +doet!" zuchtte Bruno. + +Tarsilo bleef somber en in gepeins voor zich staren. Met zijn hemdsmouw +veegde hij zich 't zweet af, dat langs zijn voorhoofd gutste. + +"Broer," zeide Bruno, "ik ga, als jij niet besluiten kunt. De partij +gaat door: de _lasak_ moet winnen en we mogen zoo'n mooie gelegenheid +niet laten voorbijgaan. + +"Ik wil wedden bij 't volgende gevecht. Wat kan 't me schelen? Zoo +wreken we onzen vader." + +"Wacht!" zeide Tarsilo, en keek hem strak in de oogen: beiden waren +bleek. "Ik ga met je mee. Je hebt gelijk: we zullen onzen vader +wreken." + +Hij bleef echter stilstaan, en veegde zich weer 't zweet van +'t voorhoofd. + +"Waarom blijf je staan?" vroeg Bruno ongeduldig. + +"Weet je welke hanen nu volgen? Zijn ze de moeite waard?..." + +"Dat 's ook wat moois! Heb je 't niet gehoord? De _boelik_ van Capitán +Basilio tegen de _lasak_ van Capitán Tiago. Volgens de regels van +'t spel moet de _lasak_ het winnen." + +"O de _lasak_! Ik zou ook wel willen wedden...maar laten we ons +eerst verzekeren." + +Bruno maakte een gebaar van ongeduld, maar volgde zijn broeder. Deze +bekeek de haan goed, sloeg hem in de onderdeelen gade, wikte en woog, +deed eenige vragen: de ongelukkige weifelde. Bruno was zenuwachtig, +en keek hem vertoornd aan. + +"Maar zie je dan die breede schub niet die hij daar, bij zijn spoor, +heeft? Zie je die pooten niet? Wat wil je meer? Kijk die beenen 's, +spreid die vleugels 's uit! En deze gespleten schub boven deze breede, +en deze dubbele?" + +Tarsilo hoorde niet naar hem, maar ging voort met het dier te +onderzoeken: het gerinkel van goud en zilver drong tot zijn ooren door. + +"Laten we nu naar den _boelik_ gaan kijken," zeide hij met gesmoorde +stem. + +Bruno stampvoette, knarsetandde, maar gehoorzaamde zijn broeder. + +Ze traden op een andere groep toe. Daar was men bezig den haan te +wapenen, men zocht _navaja's_ uit, de _atador_ of mesjes-vastmaker +maakte roode zijde klaar, smeerde hem met was in, en wreef hem +verscheidene malen. + +Tarsilo omvatte het dier in een somber-wezenloozen blik: 't was alsof +hij den haan niet zag, maar iets anders in de toekomst. Hij streek +met de hand over 't voorhoofd. + +"Ben je genegen?" vroeg hij zijn broeder met doffe stem. + +"Ik? Te voren al. Ik hoefde ze niet eerst te zien!" + +"'t Is dat...onze arme zuster..." + +"Och wat! Hebben ze je dan niet gezegd dan Don Crisóstomo aan 't +hoofd staat? Heb je hem niet zien wandelen met den gouverneur? Wat +voor gevaar loopen we dan?" + +"En als we dood gaan?" + +"Wat zou dat nog? Onze vader is doodgeranseld." + +"Je hebt gelijk!" + +Beide broeders zochten Lucas op tusschen de groepen. + +Zoodra ze hem gewaar werden, stond Tarsilo stil. + +"Nee, laten we weggaan van hier. We gaan ons ongeluk tegemoet!" riep +hij. + +"Ga jij weg, als je wil, ik neem 't aan!" + +"Bruno!" + +Ongelukkigerwijze naderde een man, en zeide tot hen: + +"Wed u mee? Ik ben voor de _boelik_." De twee broeders antwoordden +niet. + +"Ik heb gewonnen!" + +"Hoeveel?" vroeg Bruno. + +De man begon zijn muntstukken van vier _peso's_ te tellen. Bruno keek +hem ademloos aan. + +"Ik heb twee honderd: vijftig tegen veertig!" + +"Nee!" zeide Bruno beslist. "Zet..." + +"Goed: vijftig tegen dertig!" + +"Verdubbel als u wilt!" + +"Goed! De _boelik_ is van mijn baas, en ik heb net gewonnen: honderd +tegen zestig." + +"Top! Wacht, ik zal even geld halen." + +"Maar ik zal 't geld in bewaring nemen," zeide de ander, die niet +veel vertrouwen had in Bruno's uiterlijk. + +"'t Is me om 't even!" antwoordde deze, die wel vertrouwen had in +zijn eigen knuisten. + +En zich tot zijn broeder wendend, zeide hij hem: + +"Als jij blijft, ik ga heen." + +Tarsilo dacht even na: hij had zijn broeder lief, maar hield ook van 't +spel. Hij kon hem niet alleen laten, en mompelde: "Goed, 't zij zoo!" + +Ze traden op Lucas toe: deze zag hen aankomen, en glimlachte. + +"Oom!" zei Tarsilo. + +"Wat is er?" + +"Hoeveel geeft u?" vroegen ze allebei. + +"Ik heb 't al gezegd: als jullie op je nemen, om anderen te zoeken +voor 't overvallen van de kazerne, geef ik je dertig _peso's_, aan +elk van jullie, en tien aan elken kameraad. Als alles goed afloopt, +krijgt elk van den troep honderd, en jullie elk 't dubbele: Don +Crisóstomo is rijk." + +"Aangenomen!" riep Bruno. "Geef op 't geld!" + +"Ik wist wel dat jullie dapper waren evenals je vader! Kom mee, laten +de lui die hem van kant gemaakt hebben, ons niet hooren!" zeide Lucas, +en wees naar de _guardias civiles_. + +En ze naar een hoek brengende, zei hij hun terwijl hij het geld +uittelde: + +"Morgen komt Don Crisóstomo en brengt wapens. Overmorgen avond, zoo +tegen acht, moeten jullie naar het kerkhof gaan, en ik zal je zijn +laatste beschikkingen zeggen. + +"Jelui hebben tijd om deelnemers te zoeken." + +Ze gingen vaneen. De twee broeders schenen van rol verwisseld te +hebben: Tarsilo was kalm, Bruno ongerust. + + + + +XLV. + +De twee dames. + + +Terwijl Capitán Tiago zijn _lasak_ liet vechten, maakte Doña Victorina +een wandeling door het dorp, met de bedoeling om te zien, hoe de luie +inlanders hun huizen en zaaivelden hadden. Ze had zich zoo zwierig +mogelijk aangekleed, en op haar zijden morgenjapon al haar linten +en bloemen aangebracht, om de provinciemenschen te overbluffen en +hun te laten zien, hoe groot de afstand was tusschen hen en haar +hoogheilige persoon. En de arm gevende aan haar manken echtgenoot, +liep ze te pronken door de straten van het dorp, te midden van de +stomme verbazing der bewoners. + +Neef Linares was thuis gebleven. + +"Wat hebben die inlanders leelijke huizen!" begon Doña Victorina, +terwijl ze een vies gezicht zette, "ik begrijp niet hoe ze erin leven +kunnen, daar moet je toch een inlander voor wezen. En wat zijn ze +slecht opgevoed en trotsch! Ze komen ons tegen, en nemen den hoed +niet eens af! Sla ze op hun hoed zooals de pastoors en de luitenants +van de _guardia civil_ doen, leer hun manieren." + +"En als ze mij terugslaan?" vroeg dokter Espadaña. + +"Daar ben je een man voor!" + +"Maar...maar ik ben mank!" + +Doña Victorina raakte uit haar humeur. De straten waren niet +geplaveid, en de sleep van haar japon kwam vol stof. Ze ontmoette +bovendien verscheidene jongemeisjes, die onder 't voorbijgaan de +oogen neersloegen, en niet, zooals ze behoorden, haar kostbaar kleed +bewonderden. Sinang's koetsier, die haar en haar nichtje in een +smaakvolle "tres-por-ciento" [45] rondreed, had de onhebbelijkheid, +hun "_tabik_" toe te roepen, en dat met zulk een geweldige stem, +dat zij op zij moest gaan en alleen maar kon protesteeren. "Hoor toch +'s dien lomperd van een koetsier! Ik zal z'n baas 's zeggen, dat hij +zijn bedienden een betere opvoeding moet geven. + +"Laten we naar huis gaan!" beval ze aan haar man. Deze, die voor een +onweer vreesde, draaide rond op zijn kruk, en gehoorzaamde het bevel. + +Ze kwamen den _alférez_ tegen. Men groette elkaar, en dit verergerde +nog Doña Victorina's ontevredenheid: de krijgsman maakte niet alleen +geen compliment over haar kleeding, maar nam haar bijna spottend op. + +"Jij moest zoo'n gewonen _alférez_ geen hand geven," zeide ze tot +haar echtgenoot, toen de ander weg was. "Hij kwam nauwelijks even aan +zijn pet, en jij hebt nog wel je hoed voor hem afgenomen. Je weet je +afstand niet te bewaren!" + +"Hij is hier de ...baas!" + +"En wat kan ons dat schelen? Zijn wij soms inlanders?" + +"Je hebt gelijk!" antwoordde hij, omdat hij geen ruzie wilde maken. + +Ze kwamen voorbij het huis van onzen militair. Doña Consolación zat +aan 't raam, als naar gewoonte, gekleed in 't flanel en haar stinkstok +rookend. Daar het huis laag was, konden ze elkaar goed aankijken, en +Doña Victorina haar duidelijk waarnemen. De Muze der _guardia civil_ +nam haar bedaard van hoofd tot voeten op, en, daarna de onderlip +naar voren brengend spoog ze, en keerde 't hoofd naar den anderen +kant. Dit was te veel voor Doña Victorina's geduld, en, haar man +zonder armsteun latend, posteerde ze zich vlak voor de _alféreza_, +bevend en sprakeloos. + +Doña Consolación wendde langzaam 't hoofd om, nam haar opnieuw kalmpjes +op, en spoog nog eens, maar ditmaal met grooter minachting. + +"Wat scheelt u, dame?" vroeg ze. + +"Kunt u me ook zeggen, _mevrouw_, waarom u me zoo aankijkt? Bent u +jaloersch?" brengt Doña Victorina er eindelijk uit. + +"Ik jaloersch, ik? En op u?" zei de Medusa met een hoonlach. "Ja, +ik ben jaloersch op de krullen!" + +"Kom hier, vrouw!" zeide de dokter. Let toch niet op...op die vrouw!" + +"Laat me die onbeschofte schooister eerst een les geven!" antwoordde +de vrouw, terwijl ze haar man een duw gaf, die hem bijna tegen den +grond deed vallen. En, zich weer tot Doña Consolación wendend, zei ze: + +"Denk eraan met wie u te doen heeft! Ik ben geen provinciaal of +een soldaten-slet! In mijn huis in Manila komen geen _alféreces_, +die wachten daar aan de deur." + +"Hola, doorluchtige mevrouw Blaaskaak! De _alféreces_ zullen er niet +binnenkomen, maar wel de _invaliden_, zooals die daar. Ha, ha, ha!" + +Als het blanketsel 't niet belet had, dan had men Doña Victorina +kunnen zien blozen. Ze wilde haar vijandin te lijf, doch de schildwacht +hield haar tegen. Intusschen kwam de straat vol nieuwsgierigen. + +"Zeg 's, ik verlaag me door met u te spreken. Menschen van rang en +stand... Wilt u mijn goed wasschen? Ik zal u goed betalen! Dacht u +dat ik niet wist dat u waschvrouw geweest is?" + +"Gelooft u dat we niet weten, wie u is, en wat voor volk u +meebrengt? Och kom! M'n man heeft 't me al gezegd! Mevrouw, ik heb +ten minste niet aan meer dan aan één man toebehoord. Maar u? Je moet +wel van honger op sterven liggen, om je zoo tevreden te stellen met +het uitschot, de afval van de heele wereld!" + +Deze slag was raak. Doña Victorina stroopte de mouwen op, balde de +vuisten, en de tanden op elkaar klemmend, begon ze te zeggen: + +"Kom naar beneden, oude zeug, en ik zal je je vuile mond kapot +slaan! Slet van een heel bataljon, hoer van geboorte!" + +De Medusa verdween snel van het venster, en weldra zag men haar naar +beneden hollen, zwaaiend met haar mans zweep. + +Smekend trachtte Don Tiburcio tusschenbeide te komen, maar ze zouden +handgemeen geworden zijn, als de _alférez_ niet gekomen was. + +"Dames!... Don Tiburcio!" riep deze. + +"U moet uw vrouw beter opvoeden en haar betere kleeren koopen. Als +u geen geld heeft, moet u de lui van 't dorp maar berooven: daarvoor +heeft u soldaten!" schreeuwde Doña Victorina. + +"Hier ben ik, mevrouw! Waarom slaat Uwe Excellentie nu mijn mond niet +kapot? U heeft niets meer dan tong en zwadder, juffrouw Groote Piet!" + +"Meneer de _alférez_!" stamelde de echtgenoot. + +"Och, loop heen, kwakzalver! Je draagt geen broek, sukkel!" + +Er ontstond een twist met woorden en gebaren, met kreten, beleediging +en scheldwoorden. Al 't vuil dat ze in hun mars droegen werd voor +den dag gehaald, en aangezien ze alle vier tegelijk spraken en elkaar +zooveel dingen zeiden die zekere standen naar beneden halen, doordat +ze veel waarheden helder deden uitkomen, zien we er van af al wat +ze zeiden, neer te schrijven. De nieuwsgierigen, al hoorden ze ook +niet alles wat ze elkaar zeiden, vermaakten zich niettemin kostelijk, +en vlasten erop dat ze handgemeen zouden worden. Ongelukkigerwijze +voor hen kwam de pastoor en maakte er een eind aan. + +"Heeren, dames! Wat 'n schandaal! Meneer de _alférez_!" + +"Wat heeft u hier te maken, huichelaar, groote Carlist!" + +"Don Fiburcio, neem uw vrouw mee! Mevrouw, bedwing uw tong, als +'t u belieft!" + +"Zegt u dat aan die bloedzuigers!" + +Allengs raakte het woordenboek van scheldwoorden uitgeput, en eindigde +deze aflezing van onhebbelijkheden bij de echtparen. Dreigend en +elkaar na-jauwend, gingen ze ten slotte vaneen. Fray Salvi liep van +de eene naar de andere zijde, en verlevendigde het tooneel. Als onze +vriend de correspondent van Manila toch eens erbij geweest was... + +"Vandaag nog gaan we naar Manila, en we vervoegen ons bij den +gouverneur!" zeide Doña Victorina woedend tot haar man. "Jij bent +geen man: 't is jammer voor de broek die je draagt!" + +"Ma ... maar, vrouw, en de _guardias_ dan? Ik ben immers mank!" + +"Je moet hem op 't pistool of op de sabel uitdagen, of anders... of +anders..." + +En Doña Victorina keek hem in zijn tanden. + +"M'n lieve mensch, ik heb nooit een pistool..." + +Doña Victorina liet hem niet uitspreken: met een verheven gebaar rukte +ze hem midden op de straat het gebit uit zijn mond en trapte erop. Hij, +half schreiend, en zij vonken schietend, kwamen thuis. + +Linares was op dat oogenblik aan 't praten met Maria Clara, Sinang en +Victoria, en daar hij niets van de oneenigheid wist, maakte hij zich +niet weinig ongerust, toen hij zijn neef en nicht ontwaarde. Maria +Clara, die tusschen kussens en dekens in een armstoel lag, was niet +weinig verwonderd de nieuwe gelaatsuitdrukking van haar dokter te zien. + +"Neef," zeide Doña Victorina, "jij moet nu dadelijk den _alférez_ +gaan uitdagen, of anders..." + +"En waarom?" vroeg Linares verbaasd. + +"Je moet hem nu dadelijk gaan uitdagen, anders zeg ik hier aan iedereen +wie je bent." + +"Maar Doña Victorina!" + +De drie vriendinnen keken elkaar aan. + +"Zoo, denk je dat? De _alférez_ heeft ons beleedigd, en heeft er van +alles uitgebraakt, gezegd dat jij was wat je was! De ouwe heks is +naar beneden gekomen met een zweep, en deze hier, deze vent heeft +zich laten uitschelden... een man!" + +"Och!" zei Sinang, "ze hebben gevochten, en dat hebben wij niet +gezien!" + +"De _alférez_ heeft de dokter z'n tanden uitgeslagen!" voegde +Victorina erbij. + +"Vandaag nog gaan we naar Manila. Jij blijft hier, om hem uit te +dagen, of anders zeg ik aan Santiago dat het alles leugen is wat je +hem verteld hebt, dan zeg ik hem..." + +"Maar, Doña Victorina, Doña Victorina!" viel Linares haar bleek in +de rede, terwijl hij op haar toetrad, "bedaart u toch. Doet u me niet +herinneren, dat..." en hij zeide er zachtjes bij: "niet onvoorzichtig +zijn, vooral nu niet." + +Toen dit juist plaats had, kwam _Capitán_ Tiago van de hanegevechten +thuis. Hij was bedroefd en zuchtte: hij had zijn _lasak_ verloren, +zijn wit-en-roode haan. + +Doña Victorina gaf hem geen tijd om uit te blazen. + +In weinig woorden en met veel gescheld erin vertelde ze hem al wat +er gebeurd was, natuurlijk zichzelf in een gunstig daglicht plaatsend. + +"Linares zal hem gaan uitdagen, hoort u? Zoo niet, dan moet u hem +niet toestaan dat hij met uw dochter trouwt, dat moet u dan niet +doen! Als hij geen moed heeft, verdient hij Clarita niet." + +"Dus je trouwt met dien meneer?" vroeg Sinang, wier vroolijke oogen +zich met tranen vulden. "Ik wist dat je verstandig was, maar niet +veranderlijk." + +Maria Clara, bleek als was, richtte zich half op, en keek met ontstelde +oogen naar haar vader, naar Doña Victorina en naar Linares. Deze kreeg +een kleur, _Capitán_ Tiago sloeg de oogen neer, en de dame liet volgen: + +"Clarita, denk daar steeds aan: trouw nooit met een man die geen +broek aan heeft. Je loopt kans dat zelfs de honden je beleedigen." + +Doch het jongemeisje antwoordde niet, en zeide tot haar vriendinnen: + +"Willen jullie me naar mijn kamer brengen, ik kan niet alleen." + +Ze hielpen haar opstaan, en het middel omvat door de ronde armen +harer vriendinnen, het marmeren voorhoofd geleund tegen den schouder +van Victoria, ging het jongmeisje haar slaapkamer in. + +Dienzelfden avond haalden beide echtgenooten hun zaakjes bijeen, +boden _Capitán_ Tiago de rekening, die eenige duizenden beliep aan, +en den volgenden dag heel vroeg vertrokken ze naar Manila in 't rijtuig +van hun gastheer. De schuchtere Linares was als wreker achtergebleven: +die rol was hem althans toebedeeld. + + + + +XLVI. + +Het Raadsel. + + + De donkere zwaluwen + zullen wederkeeren..... + + Becquer. [46] + + +Zooals Lucas had medegedeeld, kwam Ibarra den volgenden dag aan. Zijn +eerste bezoek gold de familie van _Capitán_ Tiago, met het doel om +Maria Clara te zien, en haar te vertellen dat "Su Ilustrisima" de +aartsbisschop hem reeds met den godsdienst verzoend had: hij had een +aanbevelingsbrief aan den pastoor bij zich, eigenhandig geschreven door +den aartsbisschop. Niet weinig verheugde zich daar tante Isabel over: +zij hield van den jongeman, en zag met leede oogen de huwelijksplannen +van Linares met haar nichtje aan. _Capitán_ Tiago was niet thuis. + +"Kom binnen," zeide de tante in haar krom Spaansch. + +"Maria, Don Crisóstomo is weer in Gods genade: de aartsbisschop heeft +hem 'geëxcomulgeerd.'" + +Doch de jongeman kon niet naar haar toe komen. De glimlach bestierf +op zijn lippen en de woorden vloden weg uit zijn geheugen. Bij 't +balkon stond naast Maria Clara Linares, bezig ruikertjes te maken van +de bloemen en bladeren der klimplanten. Op den vloer lagen rozen en +_tjampaka's_ verspreid. Maria Clara, half uitgestrekt op haar stoel, +bleek, in gedachten, met droeven blik, speelde met een ivoren waaier, +net zoo wit als haar fijne spitse vingers. + +Op de verschijning van Ibarra verschoot Linares van kleur, en verfden +Maria Clara's wangen zich rood. Ze trachtte op te staan, doch, daar +haar krachten haar begaven, sloeg ze de oogen neer, en liet haar +waaier vallen. + +Een stilzwijgen vol verlegenheid hield eenige oogenblikken aan. Ten +slotte kon Ibarra vooruittreden, en met beverige stem mompelde hij: + +"Ik ben net aangekomen, en ik heb me vreeselijk gehaast om je te +komen zien...Ik zie dat je beter bent dan ik dacht." + +Maria Clara scheen stom geworden te zijn: ze bracht geen enkel woord +uit, en bleef de oogen neergeslagen houden. + +Ibarra keek Linares van hoofd tot voeten aan, een blik die het verlegen +jongemensch met trots doorstond. + +"Wel, ik merk dat mijn komst niet verwacht werd," hervatte hij +langzaam. "Maria, neem me niet kwalijk dat ik me niet heb laten +aandienen. Op een anderen dag zal ik je uitleg kunnen geven van mijn +gedrag...we zien elkaar nog... stellig." + +Deze laatste woorden vergezeld van een blik naar Linares. Het +jongemeisje sloeg de schoone oogen, vol reinheid en weemoed tot hem +op, zoo smeekend en welsprekend, dat Ibarra ontroerd bleef staan. + +"Kan ik morgen komen?" + +"Je weet dat je mij altijd welkom bent," antwoordde ze nauw hoorbaar. + +Ibarra verwijderde zich schijnbaar kalm, maar met een storm in zijn +hoofd en koude in 't hart. Wat hij daar gezien en gevoeld had, was +onbegrijpelijk; wat was 't: twijfel, verkoeling, verraad? + +"O, een vrouw per slot van rekening!" + +Zonder erbij te denken kwam hij aan de plaats waar de school gebouwd +werd. Het werk was ver gevorderd. + +Ñor Juan met zijn maatstok en zijn schietlood liep op en neer tusschen +de talrijke arbeiders. Toen hij hem zag, liep hij hem tegemoet. + +"Don Crisóstomo," zeide hij, "bent u dan toch eindelijk gekomen. We +wachtten u allen. Kijkt u 's, hoe de muren zijn: ze zijn al één meter +tien hoog, binnen twee dagen zijn ze op manshoogte. Ik heb alleen maar +de beste houtsoorten gebruikt. Wenscht u de kelder-verdieping te zien?" + +De werklieden groetten eerbiedig. + +"Hier zijn de afvoer-leidingen, die ik me veroorloofd heb erbij te +maken", zeide Ñor Juan. "Deze onderaardsche kanaaltjes leiden naar een +soort zinkput op dertig pas afstand. Die dient als mest-bewaarplaats +voor den tuin. Dat stond niet in 't plan. Staat het u niet aan?" + +"Juist 't tegendeel, ik keur 't goed en wensch u geluk met uw +denkbeeld. U bent een echte bouwmeester. Bij wien heeft u geleerd?" + +"Bij mezelf, meneer," antwoordde de oude man bescheiden. + +"O, voordat ik 't vergeet: laten den angstvalligen weten--voor 't +geval dat er 's een niet met me zou durven praten--dat ik niet meer +in de kerkelijke ban ben. De aartsbisschop heeft me ten eten gevraagd." + +"Och, meneer, we letten niet op de kerkelijke bans! + +"We zijn allemaal geëxcomulgeerd. Zelfs Padre Dámaso is 't, en toch +blijft hij even dik." + +"Hoe zoo?" + +"Nou dat geloof ik: voor een jaar heeft hij den 'coadjutor' een +pak ransel gegeven, en de 'coadjutor' is net zoo goed priester als +hij. Wie geeft er nu om een kerkelijke ban?" + +Ibarra bespeurde Elias onder de werklieden. Deze groette hem evenals +de anderen, doch met een blik gaf hij hem te kennen dat hij hem iets +te zeggen had. + +"Ñor Juan," zeide Ibarra, "wilt u me 's de lijst van de werklui +brengen?" + +Ñor Juan verdween, en Ibarra trad op Elias toe, die op zijn eentje +een grooten steen optilde en op een kar laadde. + +"Als u me eenige uren voor een gesprek kan toestaan, gaat u dan in den +namiddag langs het meer wandelen en stap in mijn _bangka_, want ik heb +u over gewichtige zaken te spreken", zeide Elias zich verwijderend, +nadat hij den hoofdknik van den jongeman gezien had. + +Ñor Juan bracht de lijst, maar Ibarra las die tevergeefs: Elias' +naam kwam er niet op voor. + + + + +XLVII. + +De stem der vervolgden. + + +Voordat de zon onder was zette Ibarra den voet in Elias' _bangka_, +aan den oever van 't meer. De jongeman scheen ontstemd. + +"Vergeeft u me, meneer," zeide Elias met zekere droefheid, toen hij +hem gewaar werd. "Vergeeft u me, dat ik me veroorloofd heb u hier te +laten komen: ik wilde u in volle vrijheid spreken, en hier zullen we +geen getuigen hebben. + +"Binnen een uur kunnen we terug zijn." + +"U vergist u, vriend Elias," antwoordde Ibarra en trachtte te +glimlachen. "U zal me moeten brengen naar dat dorp daar, waarvan we +hier den klokketoren kunnen zien. Het noodlot dwingt me ertoe." + +"Het noodlot?" + +"Ja. Verbeeld u dat ik, hierheen komende, den _alférez_ ontmoette, +die met alle geweld me zijn gezelschap wilde aanbieden. Ik die aan +u dacht, en wist dat hij u kende, heb, om hem weg te krijgen, gezegd +dat ik naar dat dorp ging, waar ik den heelen dag zal moeten wezen, +want de man wil me morgen middag daar komen halen." + +"Ik ben u erkentelijk voor die attentie, maar u had hem eenvoudig +moeten uitnoodigen, om mee te gaan," antwoordde Elias heel gewoontjes. + +"Hoe zoo! En u dan?" + +"Hij zou me niet herkend hebben, want den eenigen keer dat hij me +gezien heeft, kon hij er niet aan denken om mijn persoonlijkheid vast +te stellen." + +"Ik ben er ellendig aan toe!" zuchtte Ibarra, aan Maria Clara +denkend. "En wat had u me te zeggen?" + +Elias keek om zich heen. Ze waren reeds ver van den oever; de zon was +ondergegaan, en, daar er op die breedte nauwelijks schemering is, +begonnen de schaduwen zich uit te breiden, en deden den maneschijn +in volle pracht schitteren. + +"Meneer," hervatte Elias op diep-ernstigen toon, "ik ben de drager +van de wenschen van veel ongelukkigen." + +"Van ongelukkigen? Wat wilt u zeggen?" + +Elias vertelde in enkele woorden het gesprek dat hij gehad had met +het opperhoofd der _toelisan's_, doch sloeg daarbij diens weifelingen +en bedreigingen over. Ibarra luisterde aandachtig naar hem, en toen +Elias zijn verhaal geëindigd had, heerschte er een lang stilzwijgen, +dat Ibarra het eerst verbrak: + +"Dus wenschen ze.....?" + +"Radikale hervormingen in de gewapende macht, in de geestelijkheid, +in de rechtsbedeeling, dat wil zeggen, ze vragen een vaderlijken blik +van de zijde van 't bestuur." + +"Hervormingen in welke beteekenis?" + +"Bijvoorbeeld: meer eerbied voor de menschelijke waardigheid, meer +veiligheid voor lijf en goed, minder macht bij de toch al gewapende +macht, minder voorrechten voor zulk een lichaam, dat er gemakkelijk +misbruik van maakt." + +"Elias," antwoordde de jongeman, "ik weet niet wie u bent, maar ik +raad dat u geen alledaagsch mensch bent. U denkt en werkt anders dan +de andere menschen. U zult me begrijpen, als ik u zeg, dat, al is de +tegenwoordige toestand ook gebrekkig, hij nog erger zou worden als +hij veranderde. Ik zou de vrienden die ik in Madrid heb, kunnen laten +spreken, 'door ze te betalen,' ik zou met den _capitan general_ kunnen +spreken, maar zij zouden niets bereiken, en de _capitan general_ heeft +niet zooveel macht om zooveel nieuwigheden in te voeren. En ik zou +evenmin een stap in die richting doen, omdat ik heel goed begrijp dat, +al is 't waar dat die corporaties hun gebreken hebben, ze tegenwoordig +noodig zijn: ze zijn wat men noemt een 'noodzakelijk kwaad.'" + +Elias hief het hoofd op, en keek hem verbaasd aan. + +"Gelooft u ook al in 't noodzakelijk kwaad, meneer?" vroeg hij +met eenigszins bevende stem. "Gelooft u dat men, om goed te doen, +'t kwade _moet_ doen?" + +"Nee. Ik geloof erin als in een gewelddadig middel waarvan we ons +bedienen, wanneer we een ziekte willen genezen. Nu goed, 't land is een +organisme dat aan een slepende ziekte lijdt, en om het te genezen, ziet +het bestuur zich genoodzaakt van middelen gebruik te maken, die hard en +gewelddadig mogen wezen, maar niettemin nuttig en noodzakelijk zijn." + +"'t Is een slechte dokter, meneer, die alleen maar tracht de +verschijnselen te verbeteren en ze te onderdrukken, zonder dat hij de +oorzaak van de kwaal tracht na te gaan, of, als hij die kent, bang +is die aan te grijpen. De _guardia civil_heeft alleen maar dit eene +doel: onderdrukking van de misdaad door schrik en geweld, een doel, +dat alleen maar bij toeval bereikt wordt. En men moet zich wel bewust +zijn, dat alleen die maatschappij streng mag wezen tegen de individuen, +die haar de noodige middelen voor haar zedelijke verheffing gegeven +heeft. Aangezien er in ons land geen maatschappij is--want volk +en bestuur vormen geen eenheid--moet het bestuur toegevend zijn, +niet alleen omdat het toegevendheid noodig heeft, maar omdat het +lid van die maatschappij dat door 't bestuur verwaarloosd en in +den steek gelaten wordt, minder verlicht is. Bovendien, als men uw +vergelijking volgt, is de behandeling die men op de kwalen van het land +toepast zoo verwoestend, dat die zich alleen laat voelen in 't gezonde +gestel, waarvan het de levenskracht verzwakt en voor de kwaal vatbaar +maakt. Zou het niet verstandiger wezen het zieke gestel te versterken, +en de gewelddadigheid van het geneesmiddel wat te temperen?" + +"De _guardia civil_ verzwakken zou 't zelfde wezen als de veiligheid +in de dorpen in gevaar te brengen." + +"De veiligheid in de dorpen!" riep Elias op bitteren toon. "'t Zal +gauw vijftien jaar zijn dat die dorpen hun _guardia civil_ hebben. En +zie nu 's: we hebben nòg _toelisan's_, nòg hooren we van plunderingen +van dorpen, nòg komt struikrooverij voor. De diefstallen gaan voort, +en de daders worden niet gevonden. De misdaad bestaat, en de echte +misdadiger waart vrij rond; maar niet de vreedzame dorpeling. Vraagt +u maar 's aan ieder fatsoenlijk dorpsbewoner, of hij die instelling +voor iets goeds houdt, een bescherming van 't bestuur, en niet voor +een opgelegd iets, een dwingelandij waarvan de buitensporigheden +meer kwaad doen dan de gewelddaden van de misdadigers. Die laatste +zijn werkelijk groot, maar ze zijn zeldzaam, en daarentegen is men +gerechtigd zich te verdedigen. Tegen de knevelarijen van 't wettig +gezag wordt zelfs geen protest geduld, en al zijn ze niet zoo groot, +ze zijn toch aanhoudend en gesanktioneerd." + +"Wat werkt die instelling uit in 't leven op onze dorpen? Ze verlamt +het verkeer, omdat iedereen bang is, om allerlei nietigheden te +worden lastig gevallen. Ze is meer gevestigd op formaliteiten dan op +'t wezen van de zaken zelf, 't eerste kenteeken van onmacht. Omdat +iemand zijn pas niet bij zich heeft, moet hij gebonden en mishandeld +worden. 't Doet er niet toe, of het een fatsoenlijk en geacht man +is. De chefs houden 't voor hun eerste plicht zich te laten groeten, +goedschiks of kwaadschiks, zelfs in 't duister van den nacht, waarin +ze nageaapt worden door de ondergeschikten, om de buitenmenschen te +mishandelen en te berooven. En voorwendsels ontbreken hun niet. De +onschendbaarheid van 't eigen huis bestaat niet: onlangs nog overvielen +ze te Kalamba door het raam het huis van een vreedzaam bewoner, aan +wien de chef verplichting had. Veiligheid van persoon is er niet: +wanneer ze de kazerne of hun huis moeten schoon hebben, gaan ze erop +uit en houden iedereen die geen weerstand biedt aan, om hem den heele +dag te laten werken. Wilt u meer? Nu dan, gedurende de feesten die we +gehad hebben zijn de verboden spelen doorgegaan, maar de geoorloofde +vermakelijkheden, die hebben ze onhebbelijk verstoord. U heeft gezien +hoe 't volk over hun dacht. Wat heeft het hun gebaat, dat ze hun drift +bedwongen hebben, en op de rechtvaardigheid van de menschen hopen? Och, +meneer, als u dat de orde handhaven noemt!..." + +"Ik erken dat er misbruiken zijn," hervatte Ibarra, "maar laten we +die aanvaarden voor al 't goede dat er ook is. Deze instelling mag +gebrekkig wezen, maar, geloof me, ze belet door den schrik die ze +inboezemt het toenemen van misdadigers." + +"Zegt u liever dat door dien schrik het aantal misdadigers +vermeerdert," verbeterde Elias. "Voor de instelling van +dat lichaam waren bijna alle misdadigers--met zeer weinig +uitzonderingen--boosdoeners door honger: ze plunderden en roofden om te +kunnen leven. Maar nauwelijks was de duurte voorbij, of de wegen waren +weer vrij van roovers. De arme, maar dappere dorpswachtlieden--de +_cuadrillero's_--met hun gebrekkige wapens, waren voldoende om ze +op de vlucht te jagen. Toch zijn ze zoo belasterd door menschen +die over 't land geschreven hebben, de stumpers, die als recht +hadden te mogen sterven, als plicht te vechten, en als belooning +uitgelachen te worden. Nu zijn er _toelisan's_, en die blijven +'t hun heele leven. Een misstap, een misdaad die op onmenschelijke +wijze gestraft is, de weerstand tegen de buitensporigheden van die +macht, vrees voor verschrikkelijke folteringen, dat drijft deze voor +altijd uit de samenleving en veroordeelt ze om of te moorden of te +sterven. Het schrikbewind van de _guardia civil_ sluit hun de deur +voor berouw. En aangezien een _toelisan_ in de bergen beter vecht +en zich verdedigt dan een soldaat, waar hij om lacht, volgt daaruit +dat we niet in staat zijn het kwaad uit te roeien, dat we zelf +in de wereld gebracht hebben. Denkt u, aan wat 't wijs beleid van +gouverneur de la Torre uitgewerkt heeft: de kwijtschelding van straf, +die hij aan die ongelukkigen gegeven heeft, bewees dat er daar in +die bergen nog een hart klopte in de menschen, dat ze alleen hoopten +op vergiffenis. Zoo'n schrikbewind is nuttig, als het volk slaaf is, +wanneer de bergen geen holen hebben, wanneer het gezag achter elke +boom een schildwacht zet, en wanneer het lichaam van de slaaf alleen +maar maag en ingewanden heeft. Maar wanneer zoo'n wanhopige, die vecht +voor zijn leven, voelt dat zijn arm sterk is, zijn hart klopt en zijn +heele wezen vol gal loopt, zou dan een schrikbewind den brand kunnen +blusschen bij dengeen die zelf de brandstof levert?" + +"U brengt me aan 't wankelen, Elias. Ik zou waarlijk gaan gelooven +dat u gelijk had, als ik niet mijn eigen overtuigingen had. Maar let +op een feit--u hoeft dat niet kwalijk te nemen, want ik sluit u uit +en beschouw u als een uitzondering: Wie zijn de menschen die zulke +hervormingen wenschen? Bijna allemaal misdadigers of menschen die op +'t punt staan om 't te worden!" + +"Misdadigers of aanstaande misdadigers, maar waarom zijn ze 't? Omdat +men hun den vrede verstoord heeft, het geluk afgeroofd, hun gekwetst +heeft in hun dierbaarste neigingen; en toen ze bescherming vroegen +bij de justitie, hebben ze de overtuiging gekregen dat ze die +alleen van zichzelf konden verwachten. Maar u vergist u, meneer, +als u denkt dat alleen misdadigers die hervormingen vragen. Gaat u +maar van dorp tot dorp, van huis tot huis, luistert u maar 's naar +de zuchten van de gezinnen, en u zal u overtuigen, dat de kwalen +die de _guardia civil_ herstelt, gelijk, zoo niet minder erg zijn, +dan die ze voortdurend veroorzaakt. Moeten we daaruit besluiten, +dat al de dorpsmenschen misdadigers zijn? Waartoe ze dan tegen de +anderen te verdedigen? Waarom ze dan niet allemaal uitgeroeid?" + +"Er is hier een misvatting, die me op 't oogenblik ontgaat, de een +of andere fout in de theorie die door de praktijk te niet gedaan +wordt, want in Spanje, in 't vaderland, bewijst dat korps goede +diensten--heeft dat vroeger ook gedaan." + +"Ik twijfel er niet aan: misschien is 't daar beter ingericht, het +personeel beter gekozen. Misschien ook omdat Spanje het noodig heeft, +de Filippijnen niet. Onze zeden, onze wijze van zijn, waar men zich +altijd op beroept, wanneer men ons een recht wil ontzeggen, worden +geheel uit 't oog verloren, wanneer men ons iets wil opleggen. En +zegt u me 's, meneer: waarom hebben de andere volken deze instelling +niet ingevoerd, die door hun naburigheid met Spanje er meer op +moesten lijken dan de Filippijnen? Zou 't daarom wezen dat ze minder +diefstallen op hun spoorwegen, minder moorden hebben, en men elkaar +op de groote hoofdplaatsen minder dolksteken geeft?" + +Ibarra boog het hoofd als in gedachten, dan richtte hij het op en +antwoordde: + +"Dit vraagstuk, mijn vriend, eischt een ernstige studie. Als mijn +nasporingen me zeggen dat die klachten gegrond zijn, zal ik aan +mijn vrienden in Madrid schrijven, aangezien we geen afgevaardigden +hebben. Geloof intusschen dat het bestuur een korps noodig heeft met +een onbeperkte macht, om zich te doen eerbiedigen, en een gezag om +den noodigen indruk te maken." + +"Dat moet zoo wezen, meneer, wanneer het bestuur in oorlog is met +het land. Maar, ten bestwil van 't bestuur, moeten we 't volk niet +doen gelooven dat het weerstand biedt aan 't gezag. En al was 't zoo, +als we macht boven prestige verkozen, moesten we wel goed toezien, +aan wie we die onbeperkte macht geven. Zooveel macht in handen van +domme mannen, beheerscht door hartstochten zonder zedelijke opvoeding, +zonder beproefde eerlijkheid, is een wapen in de handen van een gek +onder een weerlooze menigte. Ik geef toe, en wil met u gelooven, dat +het bestuur dien arm noodig heeft: nu, laat het dan dien arm goed +kiezen, laat het de waardigsten ervoor uitkiezen. En aangezien het +liever zichzelf gezag geeft dan dat het volk het dat zou toestaan, +moet het ten minste toonen, dat het zich dat gezag weet te geven." + +Elias sprak hartstochtelijk, met geestdrift. Zijn oogen schitterden, +en de klank van zijn stem had iets trillends. Er volgde een plechtige +stilte: de _bangka_, niet door de riemen voortbewogen, scheen rustig op +'t water te blijven liggen. De maan scheen met heerlijken glans in een +saffieren hemel. Enkele lichtjes ontvonkten in de verte op den oever. + +"En wat vragen ze meer?" vroeg Ibarra. + +"Hervorming van 't priesterschap," antwoordde Elias op ontmoedigden, +droeven toon. "De ongelukkigen vragen meer bescherming tegen..." + +"Tegen de geestelijke orden?" + +"Tegen hun onderdrukkers, meneer." + +"Zouden de Filippijnen vergeten zijn wat ze aan die orden te danken +hebben? Zouden ze de ontzaglijke schuld van dankbaarheid vergeten zijn +aan degenen die ze onttrokken hebben aan de dwaling, om hun 't geloof +te geven, aan hen die ze hebben beschermd tegen de buitensporigheden +van het burgerlijk bestuur? Dat komt ervan, als men de geschiedenis +van zijn land niet kent!" + +Elias was verbaasd, en kon nauwelijks geloof slaan aan wat hij hoorde. + +"Meneer," hervatte hij op ernstigen toon, "u beschuldigde het volk +van ondankbaarheid: veroorlooft u mij, een uit dat volk, dat ik het +verdedig. Gunsten die men aandoet, moeten, om recht op erkentelijkheid +te hebben, belangeloos zijn. Laten we de zending erbuiten laten, +ook de christelijke liefdadigheid, waar zoo mee gesold wordt. Laten +we ook niet spreken van de geschiedenis, laten we niet vragen wat +Spanje gedaan heeft met de Joden, het volk dat aan heel Europa een +boek, een godsdienst en een God gegeven heeft. Wat heeft het met +de Arabieren gedaan, het volk dat het een beschaving geschonken +heeft, verdraagzaam is geweest met zijn godsdienst, en dat zijn +nationaal bewustzijn heeft opgewekt, een bewustzijn dat onder de +romeinsche en gotische overheersching ingeslapen, ja bijna dood +was? U zegt dat ze ons het geloof gegeven en ons uit de dwaling +hebben verlost. Noemt u die uiterlijke praktijken geloof, noemt u +dien handel in riempjes en schapulieren godsdienst, of die wonderen +en vertelsels, die we dagelijks te hooren krijgen, waarheid? Is +dat de wet van Jezus Christus? Daarvoor hoefde een God zich niet +te laten kruisigen, en wij ons niet te verplichten tot een eeuwige +dankbaarheid: bijgeloof bestond lang te voren, ze hoefde alleen maar +wat mooier gemaakt en de prijs van de koopwaar wat hooger gesteld +te worden. U zult me zeggen, dat, hoe gebrekkig de godsdienst die +we nu hebben ook moge wezen, hij toch te verkiezen is boven dien we +hadden. Ik geloof het en ben 't eens, maar hij is te duur gekocht, +want daarvoor hebben we afstand gedaan van onze nationaliteit en onze +onafhankelijkheid. Daarvoor hebben we aan zijn priesters onze beste +dorpen gegeven, onze velden, en zelfs geven we onze spaarpenningen +voor 't aankoopen van godsdienstige voorwerpen. Men heeft bij ons een +artikel van buitenlandsche nijverheid ingevoerd, we betalen er goed +voor, en we leven in vrede. Als u me spreekt van de bescherming tegen +de _encomendero's_, [47] zou ik u kunnen antwoorden dat we door hen +juist onder de macht van die _encomendero's_ zijn gevallen. Maar nee, +ik erken dat een waarachtig geloof en een waarachtige menschenliefde +onze eerste zendelingen leidde, toen ze naar onze stranden kwamen. Ik +erken de schuld van dankbaarheid jegens die edele harten. Ik weet +dat het Spanje van toen overvloed van helden in alle standen telde, +zoowel in 't godsdienstige als in 't politieke, in 't burgerlijke en +in 't militaire. Maar omdat de voorouders deugdzaam waren, zouden +we daarom nu misbruiken in hun ontaarde afstammelingen maar moeten +dulden? Omdat men ons een groote weldaad heeft aangedaan, zouden we +nu schuldig zijn, door te beletten, dat men ons kwaad doet? Het land +vraagt geen afschaffing, 't vraagt alleen hervormingen die de nieuwe +omstandigheden en nieuwe behoeften vereischen." + +"Ik heb mijn vaderland lief, zooals u 't ook lief kan hebben, +Elias. Ik begrijp eenigszins wat u verlangt. Ik heb met aandacht +aangehoord wat u gezegd heeft, en alles wel beschouwd, geloof ik dat +we de dingen met hartstocht-oogen zien. Hier minder dan elders zie +ik de noodzakelijkheid van hervormingen in." + +"Is 't mogelijk, meneer?" vroeg Elias, de handen ontmoedigd +uitstrekkend. "Ziet u de noodzakelijkheid van hervormingen niet in, +u wiens familie-rampen?..." + +"O, ik vergeet mezelf en vergeet mijn eigen narigheid waar het +de veiligheid in de Filippijnen, waar 't de belangen van Spanje +geldt!" viel Ibarra levendig in. + +"Om de Filippijnen te behouden is het noodig dat de _frailes_ voortgaan +zooals ze nu doen, en in de vereeniging met Spanje ligt het heil voor +ons land." + +Ibarra had uitgesproken, en Elias luisterde nog. Zijn gelaat stond +droef, zijn oogen hadden hun glans verloren. + +"De zendelingen hebben 't land veroverd, dat is waar," hervatte +hij. "Gelooft u dat de Filippijnen door de _frailes_ behouden zullen +worden?" + +"Ja, alleen door hen, zoo gelooft iedereen het die over de Filippijnen +geschreven heeft." + +"O!" riep Elias uit, terwijl hij ontmoedigd de riem in de _bangka_ +neersmeet. "Ik dacht niet dat u zoo'n min idee had van 't bestuur en +van 't land. Waarom veracht u allebei niet? Wat zou u zeggen van een +gezin dat alleen in vrede leeft door tusschenkomst van een vreemde? Een +land dat gehoorzaamt, omdat men het bedriegt, een bestuur dat gebiedt, +omdat het gebruik maakt van dat bedrog, een bestuur dat zelf niet in +staat is zich bemind te maken noch zich te doen eerbiedigen! Vergeeft u +me meneer, maar ik geloof dat uw bestuur dom en zelfmoordend optreedt, +als het werkelijk zich verheugt dat men zoo denkt. Ik dank u intusschen +voor uw vriendelijkheid. Waar wilt u dat ik u heen zal brengen?" + +"Nee," hervatte Ibarra, "we zijn aan 't redetwisten, we moeten weten +wie er gelijk heeft in zulk een gewichtige aangelegenheid." + +"Verschoon me, meneer," antwoordde Elias 't hoofd schuddend, "ik ben +niet welsprekend genoeg om u te overtuigen. Al heb ik wat opvoeding +genoten, ik ben een inlander, mijn leven is voor u twijfelachtig, +en mijn woorden zullen u altijd verdacht voorkomen. Zij die 't +tegenovergestelde beweerd hebben zijn Spanjaarden, en als zoodanig--al +zeggen ze ook gemeenplaatsen of onnoozelheden--geven hun toon, +hun titels en hun afkomst hun zooveel gezag, dat ik er voorgoed van +moet afzien ze tegen te spreken. Bovendien, wanneer ik zie dat u, +die uw land liefheeft, u, wiens vader rust onder deze kalme golven, +u, die u hebt zien tarten, beleedigen en vervolgen, wanneer _u_ +nog zulke meeningen blijft aanhangen, in weerwil van alles en van uw +hooge beschaving, dan begin ik te twijfelen aan mijn overtuigingen, +en neem ik de mogelijkheid aan dat het volk zich vergist. Ik moet +die ongelukkige menschen die hun vertrouwen op andere menschen +gesteld hebben, nu zeggen dat ze alleen op God en hun eigen arm +moeten bouwen. Ik dank u nog eens, en wacht uw order, waarheen ik u +brengen moet." + +"Elias, uw bittere woorden gaan me ter harte, en brengen mij ook +in twijfel. Wat zal ik u zeggen? Ik ben niet te midden van 't volk +opgevoed, en ik ken misschien zijn behoeften niet. Ik heb mijn jeugd +in de Jezuïetenschool doorgebracht. Ik ben opgegroeid in Europa, +ik heb me gevormd door boeken, en ik heb alleen kunnen lezen wat de +menschen aan 't licht hebben kunnen brengen: wat in 't duister blijft, +wat de schrijvers niet zeggen, dat is mij onbekend. En toch heb ik +evenals u ons vaderland lief, niet alleen omdat het ieders plicht is +het land lief te hebben waaraan hij zijn bestaan dankt, en waaraan +hij misschien ook zijn laatste toevlucht zal verschuldigd zijn; niet +alleen omdat mijn vader 't me zoo geleerd heeft, omdat mijn moeder eene +inlandsche was, en omdat al mijn mooiste herinneringen daar leven; ik +heb 't bovendien lief omdat ik daaraan mijn geluk dank en zal danken!" + +"En ik omdat ik het mijn ongeluk dank!" mompelde Elias. + +"Ja, vriend, ik weet dat u lijdt, u is ongelukkig, en dat doet +u de toekomst donker inzien, en heeft invloed op uw manier van +denken. Daarom luister ik met zeker voorbehoud naar uw klachten. Als +ik de drijfveeren kon waardeeren, een deel van dat verleden..." + +"Mijn ongeluk erkent een anderen oorsprong. Als ik wist dat het +verhaal ervan eenig nut kon aanbrengen, zou ik 't u doen, want, +daargelaten dat ik er heelemaal geen geheim van maak, is het ook wel +bij vrij veel menschen bekend." + +"Misschien dat ik mijn oordeelvellingen zal wijzigen, wanneer ik +het weet. Ik hoef u niet meer te zeggen dat ik meer op feiten dan op +theorieën afga." + +Elias zweeg eenige oogenblikken. + +"In dat geval, meneer," hervatte hij, "zal ik u in 't kort mijn +geschiedenis vertellen." + + + + +XLVIII. + +De familie van Elias. + + +"'t Zal zoowat zestig jaar geleden zijn dat mijn grootvader te Manila +woonde, en als boekhouder in een Spaansch handelshuis werkzaam was. Hij +was toen zeer jong, was getrouwd en had een zoon. Op een nacht, men +weet niet hoe, brandde het magazijn af, de brand deelde zich mee aan +'t heele huis, en van dit aan andere gebouwen. De verliezen waren +ontelbaar, men zocht naar een schuldige, en de koopman beschuldigde +mijn grootvader. Tevergeefs kwam hij er tegen op, en, omdat hij arm +was, en dus geen beroemde advocaten kon betalen, werd hij veroordeeld +om in 't openbaar gegeeseld en door de straten van Manila rondgeleid +te worden. + +"Nog niet lang geleden was deze onteerende straf nog in gebruik. 't +Volk noemde ze 'paard en koe,' en ze was duizendmaal erger dan +de dood. Mijn grootvader van iedereen verlaten, behalve van zijn +jonge vrouw, zag zich aan een paard vastgebonden, gevolgd door een +wreede menigte menschen, gegeeseld op iederen hoek van een straat, +ten aanzien van iedereen, van zijn broeders en in de nabijheid van de +ontelbare tempels van een Vredegod. Toen de ongelukkige--al voor altijd +onteerd--had voldaan aan de wraak van de menschen met zijn bloed, zijn +martelingen en zijn gegil, moesten ze hem van 't paard afhalen, want +hij was flauw gevallen. En God gave dat hij toen gestorven was! Met +een van die verfijnde wreedheden gaven ze hem de vrijheid. Zijn arme +vrouw, die toen zwanger was, bedelde tevergeefs van deur tot deur, +om werk of een aalmoes, om te kunnen zorgen voor haar zieken man of +haar ongelukkig kind. Och, wie heeft eenig vertrouwen in de vrouw +van een eerloozen brandstichter? Zijn vrouw moest zich dus aan de +prostitutie overgeven!" + +Ibarra stond op van zijn bank. + +"O, maak u niet ongerust! Prostitutie was geen schande meer voor haar, +evenmin voor baar man: eer en schaamte bestonden immers niet meer. De +man herstelde van zijn wonden, en ging zich met zijn vrouw en kind +verschuilen ergens in de bergen van deze provincie. Hier baarde +zijn vrouw een misvormd kind met allerlei ziekten, dat gelukkig +stierf. Hier woonden ze nog eenige maanden, ellendig, eenzaam, +gehaat en gevreesd bij een ieder. Daar mijn grootvader zijn ellende +niet verdragen kon, en hij minder moedig was dan zijn vrouw, hing hij +zich op, wanhopig als hij was zijn vrouw ziek en verstoken van alle +hulp en zorg te zien. Het lijk verging in 't gezicht van den zoon, +die zijn zieke moeder nauwelijks kon verzorgen, en de stank deed het +gerecht erachter komen. + +"Mijn grootmoeder werd beschuldigd en veroordeeld, omdat ze geen +kennis had gegeven van 't overlijden. Men legde haar den dood van +haar man ten laste, en dit werd geloofd. Want, waartoe is niet de +vrouw van een ellendeling in staat, die ook nog publieke vrouw geweest +was? Als ze zweert, noemen ze haar meineedig, als ze schreit, zeggen +ze dat ze liegt, en als ze God aanroept, dat ze God lastert. Toch +hadden ze nog wat meegaandheid, en wachtten ze eerst haar bevalling +af, om haar daarna te geeselen. U weet dat de monniken het geloof +verbreiden, dat inlanders alleen met slaag kunnen behandeld worden: +leest u maar wat Padre Gaspar de San Agustin zegt. + +"Als de vrouw veroordeeld wordt, zal ze den dag vervloeken waarop +haar kind geboren wordt, wat behalve het verlengen van de straf, een +verkrachting van moederlijke gevoelens is. Ongelukkigerwijze had de +vrouw een voorspoedige bevalling en kreeg ze--ook al een ongeluk--een +flinke zoon. Twee maanden later werd het vonnis voltrokken, tot +groote voldoening van de menschen, want zoo geloofden ze hun plicht +te vervullen. Al niet meer met rust gelaten in deze bergen, vluchtte +ze met haar twee zoons naar de naburige provincie. En daar leefden ze +als wilde beesten: hatend en gehaat. De oudste van de twee broers, zich +te midden van zooveel ellende zijn gelukkige kinderjaren herinnerend, +werd _toelisan_, zoodra hij zich daartoe krachtig genoeg voelde. 't +Duurde niet lang, of de bloeddorstige naam van _Balat_ verbreidde zich +van provincie tot provincie; hij was de schrik van de dorpen, want +in zijn wraak verdelgde hij alles te vuur en te zwaard. De jongste, +die van nature een goed hart had, had zich bij zijn lot en schande +neergelegd: hij leefde met zijn moeder van wat het bosch opleverde, +ze kleedden zich van de lompen die de voorgangers hun toewierpen. Zij +had haar naam verloren: men kende haar alleen bij de benamingen: +'veroordeelde, hoer, gegeeselde.' Hij was alleen bekend als de zoon +van zijn moeder, want om de zachtheid van zijn karakter hielden ze hem +niet voor een zoon van den brandstichter, en omdat men bij de inlanders +in zake zedelijkheid alles in twijfel kan trekken. Eindelijk viel de +beruchte _Balat_ op 'n dag in handen van 't gerecht, dat hem streng +rekenschap vroeg van zijn misdaden--het had niets gedaan om hem 't +goede te leeren. En op een morgen, toen de jonge man zijn moeder zocht, +die naar 't bosch was gegaan om paddestoelen te zoeken, en nog niet +terug was, vond hij haar lang uit op den grond, aan den kant van den +weg liggen, met haar gezicht naar de lucht, de oogen wijd opengespalkt +en strak, de vingers gekromd en in de aarde gewoeld, waar bloedvlekken +te zien waren. De jonge man kwam op 't idee zijn oogen op te slaan, +en den blik van 't lijk te volgen. En toen zag hij aan een tak een +man hangen, en aan dien man 't bloedige hoofd van zijn broer!" + +"Groote God!" riep Ibarra. + +"Dat kon mijn vader roepen!" ging Elias koeltjes voort. "De menschen +hadden den struikroover gevierendeeld, en de romp begraven, maar de +ledematen werden verspreid en in verschillende dorpen opgehangen. Als u +soms eens van Kalamba naar Santo Tomas gaat, zult u nog een armzalige +_lomboy_-boom aantreffen, waar een been van mijn oom aan heeft +gehangen: de natuur heeft hem vervloekt, en de boom groeit niet en +geeft geen vrucht. Hetzelfde hebben ze met de andere ledematen gedaan, +maar 't hoofd als 't beste van 't individu, als wat men het makkelijkst +herkent, dat hebben ze voor zijn moeders hut opgehangen!" + +Ibarra boog het hoofd. + +"De jonge man vluchtte als een gevloekte," ging Elias voort. "Hij +vluchtte van dorp tot dorp, over bergen en dalen, en toen hij zich +al onbekend achtte, trad hij als daglooner in dienst bij een rijk +man in de provincie Tabajas. Zijn werkzaamheid en de zachtheid van +zijn karakter verschaften hem de achting van allen die zijn verleden +niet kenden. Door hard werken en sparen kreeg hij een kapitaaltje +bijeen, en omdat de ellende voorbij en hij jong was, dacht hij aan +zijn geluk. Zijn aardig voorkomen, zijn jeugd en zijn eenigszins +welgestelde positie deden hem de liefde winnen van een meisje van +'t dorp. Maar hij dorst haar hand niet te vragen, omdat hij bang was +dat dan zijn verleden bekend zou worden. De liefde vermocht meer, +en beiden vergaten zich. De man waagt er alles op om de eer van zijn +meisje te redden: hij vraagt haar ten huwelijk, men brengt de papieren +voor den dag, en alles komt uit. De vader van 't meisje was rijk, +en kreeg gedaan dat de man vervolgd werd. Hij trachtte zich niet +te verdedigen, bekende alles en werd verbannen naar een _presidio_ +of dwangarbeiders-kolonie. Het jonge meisje bracht een jongen en +een meisje ter wereld, die in 't geheim werden gezoogd. Men liet +ze gelooven dat hun vader dood was, wat niet moeilijk was, want hun +moeder zagen ze ook, toen ze nog heel jong waren, heengaan, zoodat +ze er niet aan konden denken hun afkomst na te gaan. Doordat onze +grootvader rijk was, hadden we 't als kinderen zeer goed. Mijn zuster +en ik werden samen opgevoed. We hielden van elkaar, zooals alleen +tweelingen dat kunnen, die geen andere liefde kennen. Toen ik nog heel +jong was, ging ik op 't Jezuïeten College leeren, en mijn zuster ging, +om niet heelemaal van mij gescheiden te worden, naar de kostschool +van La Concordia. Toen onze korte schooltijd om was--want we wilden +niets anders zijn dan landbouwers--gingen we naar 't dorp terug, +om bezit te nemen van de erfenis van onzen grootvader. We leefden +eenigen tijd gelukkig, de toekomst lachte ons toe, we hadden veel +bedienden, onze velden gaven een goeden oogst, en mijn zuster was op +'t punt juist om te gaan trouwen met een jongmensch dat ze aanbad, +en dat haar evenzeer lief had. Door geldkwesties, door mijn karakter, +dat toen trotsch was, raakte ik in onmin wet een verren verwante, +en eens op een dag slingerde hij mij mijn duistere geboorte en mijn +eerloozen afkomst in 't gezicht. + +"Ik beweerde dat het laster was, en eischte voldoening. Het graf +waarin zooveel rottenis sluimerde, opende zich weer, en de waarheid +kwam voor den dag, om me te beschamen. Tot overmaat van ramp hadden +we sinds jaren een ouden knecht, die al mijn grillen verdroeg zonder +zich ooit te beklagen, en die zich vergenoegde met alleen maar te +schreien en te kermen onder 't gelach en den spot van de andere +bedienden. Ik weet niet hoe dat familielid erachter kwam: een feit +is 't dat hij dien ouden knecht voor 't gerecht liet dagen en hem de +waarheid deed verklaren. De oude knecht was onze vader, die met hart +en ziel verkleefd was aan zijn kinderen, en dien ik herhaalde malen +mishandeld had. Ons geluk was weg, ik deed afstand van ons fortuin, +mijn zuster verloor haar verloofde, en we vertrokken met onzen vader +uit het dorp, om hier of daar elders heen te gaan. De gedachte dat +hij tot ons ongeluk had bijgedragen verkortte het leven van den ouden +man. Van zijn lippen vernam ik 't heele droeve verleden. + +"Mijn zuster en ik bleven alleen. + +"Zij schreide veel, maar bij al de smart die over ons kwam, kon ze haar +liefde niet vergeten. Zonder te klagen, zonder een woord te zeggen, +zag ze haar vroegeren verloofde met een ander trouwen, en ik zag haar +langzamerhand zieker worden, zonder haar te kunnen troosten. Op een +dag verdween ze. Tevergeefs zocht ik haar overal, tevergeefs deed ik +overal navraag, totdat ik zes maanden later vernam dat men in dien +tijd, na een aanwas van 't meer, op 't strand van Kalamba tusschen het +riet het lijk van een jongmeisje gevonden had. Ze had, naar men zeide, +een mes in haar borst steken. De overheid van dat dorp liet de zaak in +de naburige dorpen bekend maken. Niemand had zich aangemeld, om het +lijk op te vragen, geen enkel jongmeisje zou er verdwenen zijn. Naar +de gegevens die ik later kreeg, naar de kleeren, de sieraden, het +mooie gezichtje, het zeer overvloedige haar, begreep ik dat het mijn +arme zuster moest geweest zijn. Van dien tijd af dool ik van de eene +provincie naar de andere. Mijn roep en mijn geschiedenis zijn in den +mond van velen. Men vertelt allerlei dingen van me, die ik gedaan zou +hebben; soms is 't laster, maar ik stoor me weinig aan de menschen, +en ga mijn gang. + +"Daar heeft u in 't kort mijn geschiedenis, en de geschiedenis van +een geval van menschenrecht." + +Elias zweeg, en ging voort met roeien. + +"Ik begin te gelooven dat u geen ongelijk heeft," zei Crisóstomo zacht, +"wanneer u zegt dat de gerechtigheid het goede moest nastreven door +de belooning van de deugd en de opvoeding van de misdadigers. Alleen +maar... 't is onmogelijk, 't is een utopie; want waar moet al het +geld vandaan komen? Al de nieuwe beambten?" + +"En waarvoor zijn dan de priesters die hun zending van vrede en +menschenliefde verkondigen? Zou 't verdienstelijker wezen het hoofd +van een kind met water te bevochtigen, het zout te eten te geven, +dan in 't verduisterde geweten van een misdadiger de vonk aan te +blazen die God ieder mensch heeft gegeven om 't goede te zoeken? Zou +'t menschelijker wezen, een veroordeelde naar 't schavot te geleiden +dan hem te leiden langs 't moeilijke pad dat van de ondeugd naar de +deugd gaat? Worden er niet al spionnen, beulen en _guardias civiles_ +betaald? Dat kost ook geld, en is nog smerig bovendien." + +"Vriend, noch u noch ik zullen 't gedaan krijgen, al willen we 't ook." + +"Alleen, ja, dan zijn we niets. Maar neem de zaak van 't volk op, +vereenig u met het volk, sla zijn klachten niet in den wind, geef +het goede voorbeeld aan de anderen, geef een denkbeeld van wat een +vaderland is!" + +"Wat het volk vraagt, is een onmogelijkheid. We moeten afwachten." + +"Afwachten, afwachten staat gelijk met lijden!" + +"Als ik 't vroeg, zouden ze me uitlachen." + +"En als 't volk u steunt?" + +"Nooit! Ik zal nooit de man zijn die de menigte moet leiden om door +geweld gedaan te krijgen wat het bestuur niet geschikt acht. Nee! En +als ik eens die gewapende menigte zag, zou ik me aan de zijde van 't +bestuur scharen en ze bestrijden, want in die bende zou ik mijn volk +niet zien. Ik wil hun heil: daarvoor richt ik een school op. Ik zoek 't +te bereiken door 't onderwijs, door de trapsgewijze vooruitgang. Zonder +licht is er geen weg te vinden." + +"Zonder strijd is er ook geen vrijheid!" antwoordde Elias. + +"Maar zoo'n vrijheid wil ik niet!" + +"Maar zonder vrijheid is er geen licht," hervatte de loods levendig. + +"U zegt dat u uw land weinig kent. Ik geloof 't. U ziet de worsteling +niet die voorbereid wordt, u ziet de wolk aan den horizon niet. De +strijd begint in de sfeer van de denkbeelden, om dan naar de arena +af te dalen, die met bloed geverfd zal worden. Ik hoor Gods stem: +wee degenen die hem zullen tegenstreven! Voor hun is de geschiedenis +niet geschreven!" + +Elias scheen geheel veranderd: staande, met ontbloot hoofd, had zijn +mannelijk gelaat, beschenen door de maan, iets buitengewoons. Hij +schudde zijn overvloedig haar, en ging voort: + +"Ziet u dan niet hoe alles ontwaakt? De slaap heeft eeuwen geduurd, +maar eens viel de bliksemstraal, die vernielde, maar tot nieuw leven +riep. Van toen af werken er nieuwe stroomingen in de geesten, en +deze stroomingen, die nu gescheiden zijn, zullen zich eenmaal onder +Gods leiding vereenigen. God heeft de andere volken niet verzaakt, +hij zal evenmin ons verzaken: zijn zaak is de vrijheidszaak." + +Een plechtige stilte volgde op deze woorden. Intusschen naderde de +_bangka_, onmerkbaar door de golven voortbewogen, den oever. Elias +was de eerste die de stilte verbrak. + +"Wat moet ik zeggen aan degenen die me zenden?" vroeg hij, van toon +veranderend. + +"Ik heb 't u al gezegd: dat ik hun toestand ten zeerste betreur, +maar dat ze moeten hopen en afwachten, want de misstanden worden +niet genezen door ander kwaad, en in ons ongeluk hebben we allen +mee schuld." + +Elias gaf verder geen antwoord. Hij boog het hoofd, en ging door +met roeien. En aan den oever gekomen, nam hij afscheid van Ibarra, +zeggende: + +"Ik dank u, meneer, voor de welwillendheid waarmee u wel naar me heeft +willen luisteren. In uw eigen belang verzoek ik u dat u voortaan +mij vergeet, en dat u me niet herkent, in welken toestand u me ook +mag aantreffen." + +En dit gezegd hebbende, bracht hij de _bangka_ weer van den oever, +roeiend naar een boschje aan 't strand. Gedurende de lange overtocht +bleef hij zwijgen. Hij scheen niet anders te zien dan de duizenden +diamanten, die hij met zijn roeiriem uit het meer ophaalde en +weer daaraan teruggaf, waar ze geheimzinnig verdwenen tusschen de +donker-blauwe golven. + +Eindelijk was hij aangekomen. Een man kwam te voorschijn uit het +boschje en trad op hem toe. + +"Wat zal ik aan onzen hoofdman zeggen?" vroeg hij. + +"Zeg hem dat Elias, als hij niet eerder sterft, zijn woord zal +nakomen," antwoordde hij droevig. + +"Wanneer zal je je dan bij ons voegen?" + +"Wanneer onze hoofdman meent dat het uur van gevaar gekomen is." + +"Dat 's goed, vaarwel!" + +"Als ik niet voor dien tijd dood ben," mompelde Elias. + + + + +XLIX. + +Veranderingen. + + +De schuchtere Linares was ernstig gestemd en vol ongerustheid. Hij had +daar juist een brief ontvangen van Doña Victorina, die in behoorlijke +taal overgebracht, zoo luidde: + + + "Geachte Neef, + + + Binnen drie dagen hoop ik van u te vernemen of de _alférez_ + u reeds gedood heeft of gij hem. + + Ik wil niet dat er nog een dag langer voorbijgaat, zonder dat + die vlegel zijn straf krijgt. Als deze termijn verstreken + is, en gij hem nog niet hebt uitgedaagd, zeg ik aan Don + Santiago, dat ge nooit sekretaris geweest zijt, en evenmin + jongeluis-partijtjes gegeven hebt aan Canovas of pret gemaakt + hebt met generaal Don Arseno Martines. Dan zeg ik aan Clarita + dat het alles praatjes geweest zijn. En ik geef je geen roode + duit meer. Maar als gij hem uitdaagt, beloof ik u alles wat + je wilt. Dus, zorgt er nu voor dat ge hem uitdaagt: ik zeg u + vooruit dat ik niets weten wil van voorwendsels of uitvluchten, + + + Uw hartelijk liefhebbende nicht: + + Victorina de los Reyes de Espadaña. + + Sampalok, Maandag 7 uur 's avonds." + + +Het was een ernstig geval: Linares kende het karakter van Doña +Victorina, en wist waartoe ze in staat was. + +Met haar redelijk te praten, was net hetzelfde als van eerlijkheid en +fatsoen te spreken tot een _carabinero_ van de belasting, wanneer die +'t in zijn hoofd krijgt smokkelwaar te vinden waar die niet is. Smeken +baatte niet, om den tuin leiden was nog erger. Er zat niets anders +op dan de uitdaging te doen. + +Maar hoe? dacht hij, alleen heen en weer stappend, als hij me royaal +naar de maan laat loopen? Als ik 's zijn vrouw tegenkom? Wie zal +getuige willen wezen? De pastoor? Capitán Tiago? Verwenscht het +oogenblik dat ik naar haar raad geluisterd heb! Beroerd wijf! Wie +noodzaakte me om op te snijden, leugens te verkoopen, om met allerlei +gezwets me in te dringen? Wat zal die jongedame nu van me zeggen?... Nu +spijt het me dat ik secretaris bij alle ministers geweest ben! + +In deze droeve overdenking was de goede Linares, toen Padre Salvi +binnenkwam. De Franciskaan was werkelijk nog magerder en bleeker dan +gewoonlijk, maar zijn oogen schitterden met een eigenaardigen glans, +en op zijn lippen zweefde een vreemde glimlach. + +"Zoo, meneer Linares, zoo alleen?" groette hij en richtte zich naar +de zaal, door welker half-geopende deur eenige tonen van een piano +naar buiten kwamen. + +Linares wilde glimlachen. + +"En Don Santiago?" liet de pastoor volgen. + +Capitán Tiago verscheen juist, kuste den pastoor de hand, ontdeed +hem van zijn hoed en stok, en lachte als een gelukzalige. + +"Wel, wel!" zeide de pastoor de zaal binnentredend, gevolgd door +Linares en Capitán Tiago. "Ik heb goed nieuws aan u allen te +vertellen. Ik heb brieven uit Manila ontvangen, die me bevestigen +wat meneer Ibarra me gisteren kwam meedeelen...dus, Don Santiago, +'t beletsel is vervallen." + +Maria Clara, die tusschen haar twee vriendinnen aan de piano zat, +richtte zich half op, doch de krachten begaven haar, en ze ging weer +zitten. Linares verbleekte, en keek Capitán Tiago aan. Deze sloeg de +oogen neer. + +"Dat jongemensch lijkt me per slot van rekening zeer sympathiek," +ging de pastoor voort, "eerst beoordeelde ik hem verkeerd...hij is +wat driftig, maar daarna weet hij zijn fouten zoo goed te herstellen, +dat men geen wrok tegen hem kan koesteren. Als Padre Dámaso niet..." + +De pastoor wierp een snellen blik naar Maria Clara, die luisterde, +maar zonder de oogen op te slaan van de muziek voor haar, in weerwil +van de stille kneepjes die Sinang haar toediende. Zoo drukte deze +haar vreugde uit. Als ze alleen was geweest, had ze gedanst. + +"Padre Dámaso?" vroeg Linares. + +"Ja, padre Dámaso heeft gezegd," hervatte de pastoor zonder zijn blik +van Maria Clara af te wenden, "dat hij als Maria's peetvader niet +kon veroorloven ...maar nu ja, ik geloof dat als meneer Ibarra hem +vergiffenis vraagt, waar ik niet aan twijfel, alles weer in orde komt." + +Maria Clara stond op, verontschuldigde zich en ging vergezeld van +Victoria, het vertrek uit. + +"En als Padre Dámaso hem niet vergeeft?" vroeg Capitán Tiago zacht. + +"Dan...moet Maria Clara 't zelf weten ...Padre Dámaso is +haar...geestelijke vader. Maar ik geloof dat ze 't bij zullen leggen." + +Op dat oogenblik hoorde men schreden, en Ibarra vertoonde zich, gevolgd +door tante Isabel. Zijn komst bracht een zeer verschillenden indruk +te weeg. Hij groette Capitán Tiago vriendelijk--deze wist niet of +hij lachen of schreien moest--en Linares met een diepe buiging met +het hoofd. Fray Salvi stond op, en gaf hem zoo hartelijk de hand, +dat Ibarra een blik van verbazing niet kon bedwingen. + +"Verwonder u niet," zeide Fray Salvi, "ik was net bezig u te prijzen." + +Ibarra dankte, en trad op Sinang toe. + +"Waar ben je den heelen dag geweest?" vroeg deze met haar jongmeisjes +praatlust. "We vroegen elkaar af: waar zou die uit het vagevuur +losgekochte ziel toch wel heen zijn? En elk van ons meisjes zei iets." + +"En mag ik weten wat dat was?" + +"Nee, dat 's een geheim, maar ik zal 't wel onder vier oogen +zeggen. Zeg ons nu waar je geweest bent, om 't te zien, wie er goed +heeft kunnen raden." + +"Nee, dat 's ook een geheim, maar ik zal 't je wel onder vier oogen +zeggen, als de heeren me veroorloven." + +"Wel, natuurlijk, natuurlijk! Dat ontbrak er nog maar aan!" zei +padre Salvi. + +Sinang nam Crisóstomo mee naar 't eene uiteinde van de zaal: zij was +in de wolken dat ze een geheim zou hooren. + +"Zeg me nu 's, vriendinnetje," vroeg Ibarra, "is Maria boos op me?" + +"Ik weet 't niet, maar ze zegt dat het beter is dat je haar vergeet, +en dan begint ze te schreien. Capitán Tiago wil dat ze trouwt met +dien meneer, Padre Dámaso ook, maar zij zegt geen ja en geen nee. Van +morgen toen we naar je vroegen en ik zei: Zou hij soms 't hof zijn +gaan maken aan 't een of ander meisje?, antwoordde zij me: 'God gave +'t!' en barstte in schreien uit." + +Ibarra keek ernstig. + +"Zeg Maria dat ik haar alleen wil spreken." + +"Alleen?" vroeg Sinang en fronste de wenkbrauwen. + +"Heelemaal alleen, nee, maar die vent moet er niet bij wezen." + +"Dat 's lastig. Maar wees maar gerust: ik zal 't haar zeggen." + +"En wanneer zal ik 't antwoord weten?" + +"Morgen. Ga vroeg naar huis. Maria wil nooit alleen zijn. Wij zijn bij +haar: Victoria slaapt de eene nacht naast haar, ik de andere. Morgen is +'t mijn beurt. Maar hoe is 't nu met het geheim? Ga je heen zonder me +'t voornaamste gezegd te hebben?" + +"Dat 's waar ook! Ik ben in 't dorp _de los baños_ [48] geweest. Ik +ga de cokos-aanplantingen exploiteeren, want ik denk een fabriek op +te richten met je vader als deelgenoot." + +"Niets anders dan dat? Nu, dat's ook een geheim!" riep Sinang luid, +op den toon van een opgelichte woekeraar. "Ik dacht..." + +"Voorzichtig! Ik sta je niet toe dat je 't vertelt!" + +"Alsof ik daar lust in had!" antwoordde Sinang, en trok haar +neusje op. "Als 't nog 's wat belangrijkers was, zou ik 't aan mijn +vriendinnen zeggen. Maar 't koopen van klappers! Wie stelt nu belang +in klappers?" + +En als een pijl uit een boog ging ze weer naar haar vriendinnen. + +Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, daar hij zag dat het +samenzijn moeilijk anders dan gedwongen kon wezen. Capitán Tiago +keek zuurzoet, Linares was stil en zat waar te nemen, de pastoor +deed alsof hij vroolijk was en sprak over dingen die hem volmaakt +onverschillig waren. + + + + +L. + +De kaart der dooden en de schimmen. + + +De bewolkte hemel verborg de maan. Een koude wind, voorbode van de +naderende December-maand, blies wat dorre bladeren en stof weg op +het smalle pad dat naar 't kerkhof voert. + +Drie schimmen spraken zacht tot elkaar onder de poort. + +"Heb je Elias gesproken?" vroeg een stem. + +"Nee, je weet toch dat hij erg vreemd en voorzichtig doet, maar hij +moet een van de onzen zijn: Don Crisóstomo heeft hem 't leven gered." + +"Daarom ook heb ik 't aangenomen," zeide de eerste stem. "Don +Crisóstomo zorgt ervoor dat mijn vrouw genezen wordt bij een dokter in +huis in Manila. Ik heb me belast met het 'klooster,' om mijn rekening +met den pastoor te vereffenen." + +"En wij met de kazerne, om aan de _civiles_ te zeggen dat onze vader +zoons had." + +"Met hoevelen zullen jullie zijn?" + +"Met ons vijven. Met vijf zijn er genoeg. De knecht van Don Crisóstomo +zegt dat we met ons twintigen zullen wezen." + +"En als 't jullie tegenloopt?" + +"St!" zei er een, en allen zwegen. + +Men zag bij de halve duisternis die er heerschte een schim aankomen, +die langs de buitenmuur voortgleed. Van tijd tot tijd hield hij stil +alsof hij 't hoofd achterwaarts keerde. + +En daar was wel reden voor. Achter hem aan, op zoowat twintig pas +afstands, kwam een andere grootere schim, die nog meer schim scheen te +wezen dan de eerste, zoo luchtig stapte hij over den grond, terwijl +hij telkens wanneer de eerste stilstond en omkeek verdween, alsof de +aarde hem verzwolg. + +"Ik wordt achtervolgd!" mompelde de ander, "zou 't de _guardia civil_ +wezen? Zou de hoofdkoster liegen?" + +"Ze zeggen dat de samenkomst hier is," zeide de tweede schim zacht. "'t +Moet wel iets kwaads betreffen, wanneer de twee broers het voor me +verborgen houden." + +De eerste schim kwam eindelijk aan de poort van het kerkhof. De drie +eersten traden vooruit. + +"Zijn jullie 't?" + +"Ben jij 't?" + +"We moeten uiteen gaan, want ik word achtervolgd! + +"Morgen krijgen jullie de wapens en den nacht daarop zal 't wezen. De +kreet is 'Leve Don Crisóstomo!' Ga nu heen!" + +De drie schimmen verdwenen achter de muren. De nieuw-aangekomene +verschool zich in de holte van de poort en wachtte in stilte. + +"Laten we 's zien wie me daar volgde!" mompelde hij. + +De tweede schim naderde met veel omzichtigheid, en stond stil, als +om rond te kijken. + +"Ik ben te laat gekomen!" zeide hij halfluid, "maar misschien komen +ze terug." + +En daar er een fijne dichte regen begon te vallen, kwam hij op de +gedachte onder de poort te gaan schuilen. + +Natuurlijk ontmoette hij den ander. + +"O! Wie bent u?" vroeg de laatst gekomene met mannelijke stem. + +"En wie bent u?" antwoordde de ander bedaard. + +Een oogenblik stilte. Ze trachtten elkaar te herkennen aan den klank +der stem en elkaars trekken te onderscheiden. + +"Wat wacht u hier?" vroeg de mannelijke stem. + +"Op 't slaan van acht, om de kaart van de dooden te hebben. Ik wil +van avond een som winnen," antwoordde de ander op heel natuurlijken +toon. "En u, waarvoor komt u?" + +"Voor... 't zelfde." + +"_Awá!_ [49] dat doet me plezier: dan heb ik gezelschap. Ik heb kaarten +bij me. Bij de eerste klokslag zet ik _albur_, bij de tweede _gallo_; +die dan bewegen zijn de kaarten van de dooden, en die moet je met +geweld in handen zien te krijgen. Heeft u kaarten bij u?" + +"Nee!" + +"Wat dan?" + +"Wel, heel eenvoudig: net zooals u voor hun 'de bank' houdt, hoop ik +dat zij die voor mij zullen houden." + +"En als de dooden geen bank willen houden?" + +"Wat is eraan te doen? 't Spelen is nog niet verplicht gesteld onder +de dooden..." + +Er was een oogenblik stilte. + +"Komt u gewapend? Hoe gaat u vechten met de dooden?" + +"Met mijn vuisten," antwoordde de grootste van de twee. + +"Och, duivels, nu herinner ik me dat de dooden niet willen inzetten, +als er meer dan een levende is. En we zijn met ons beiden..." + +"Werkelijk? Nu, ik wil niet weggaan." + +"Ik ook niet, ik heb geld noodig," antwoordde de kleinste. + +"Maar laten we wat afspreken: laten we samen spelen, en die verliest +moet heengaan." + +"Goed..." antwoordde de ander met eenigen tegenzin. + +"Laten we dan naar binnen gaan. Heeft u lucifers?" Ze traden binnen, en +zochten in de halve duisternis een geschikt plekje. Weldra ontwaarden +ze een nis, waarop ze gingen zitten. De kleinste haalde uit zijn +_salakot_ een spel kaarten, en de ander stak een lucifer aan. + +Bij 't licht keken ze elkaar aan, maar, naar de uitdrukking van hun +gezicht te oordeelen, kenden ze elkaar niet. De eene lange met de +mannelijke stem was Elias, de kleinste Lucas met het litteeken op +zijn wang. + +"Coupeeren!" zeide deze, hem steeds gadeslaande. + +Hij verwijderde eenige beenderen, die hij op de nis vond, en nam een +aas en een vrouw uit. Elias stak telkens een nieuwe lucifer aan. + +"Op de vrouw!" zeide hij, en om de kaart aan te wijzen, legde hij er +een wervelbeen op. + +"Goed!" zei Lucas, en na vier of vijf kaarten haalde hij een aas uit. + +"U heeft 't verloren," voegde hij erbij. "Laat me nu alleen, om mijn +kansje te wagen." + +Elias verwijderde zich zonder een woord, en verdween in de duisternis. + +Eenige minuten later sloeg de kerkklok het uur der zielen. Maar +Lucas noodigde niemand tot spelen: hij riep de dooden niet op, +zooals het bijgeloof dat voorschrijft, maar hij ontblootte het hoofd, +en prevelde eenige gebeden, onderwijl kruisen slaande met dezelfde +vurigheid waarmee het hoofd van de broederschap der allerheiligste +Rozenkrans het op dat oogenblik zou gedaan hebben. + +De heele nacht bleef het motregenen. Om negen uur waren de straten +reeds donker en verlaten. De olie-lantarens, die iedere bewoner moet +ophangen, verlichtte nauw een kring van een meter straal: ze schenen +aangestoken, om te laten zien dat het donker was. + +Twee _guardias civiles_ stapten in de straat op en neer, dicht bij +de kerk. + +"'t Is koud!" zei de een in 't Tagaalsch, met een Wisajasche +tongval. [50] "We krijgen geen enkelen koster te pakken, om het +kippenhok van den _alférez_ te repareeren... Met den dood van dien +eene hebben ze een lesje gekregen: dat 's vervelend." + +"Dat vind ik ook," antwoordde de ander. "Niemand steelt of maakt +straatrumoer. Maar er wordt, Goddank, gezegd dat Elias in 't dorp +is. De _alférez_ zegt dat hij die hem pakt in drie maanden geen +ransel krijgt." + +"Zoo? Ken je z'n signalement uit je hoofd?" vroeg de Wisajer. + +"Of ik! Lange gestalte volgens den _alférez_, middelmatig volgens +Padre Dámaso; kleur bruin, oogen zwart, neus gewoon, mond gewoon, +baard geen, haar zwart..." + +"Zoo! En bijzondere kenteekenen?" + +"Zwart hemd, zwarte broek, houthakker..." + +"O, die zal niet ontsnappen: 't is net of ik hem zie." + +"Ik verwar hem niet licht met een ander, al lijkt hij er ook op." + +De twee soldaten zetten hun ronde voort. + +Bij 't licht der lantarens zien we weer twee schimmen heel omzichtig +de een achter den ander gaan. Een krachtig "_Quien vive?_" (Wie +daar?) houdt beiden staande, en de eerste antwoordt met bevende stem: +"_España_!" + +De soldaten grijpen hem aan en slepen hem naar een lantaren, om hem te +herkennen. 't Was Lucas, doch de soldaten weifelen, en kijken elkaar +aan, als om elkaar te raadplegen. + +"De _alférez_ heeft niet gezegd dat hij een litteeken had!" zegt de +Wisajer zacht. "Waar ga je heen?" + +"Om een mis voor morgen te bestellen." + +"Heb je Elias niet gezien?" + +"Ik ken hem niet, meneer!" antwoordt Lucas. + +"Ik vraag je niet of je hem kent, stommerik! Wij kennen 'm ook niet. Ik +vraag je of 'm gezien hebt." + +"Nee, meneer." + +"Luister goed, ik zal je zeggen hoe hij eruit ziet. Gestalte soms +lang, soms gewoon, haar en oogen zwart, al 't overige is gewoon," +zegt de Wisajer. "Zou je 'm nu kennen?" + +"Nee, meneer!" antwoordde Lucas verbouwereerd. + +"Schei dan uit, ezelskop!" En ze gaven hem een duw. + +"Weet jij waarom Elias voor den _alférez_ lang en voor den pastoor +kort is?" vroeg de Tagaal diepzinnig aan den Wisajer. + +"Nee." + +"Omdat de _alférez_ in de modder gezakt was, toen hij hem waarnam en +de pastoor behoorlijk op zijn voeten stond." + +"Dat 's waar!" riep de Wisajer uit. "Je bent een slimmerd... Zeg, +hoe ben jij zoo _guardia civil_ geworden?" + +"Ik ben 't niet altijd geweest: eerst was ik smokkelaar," antwoordde +de Tagaal met fierheid. + +Doch weder trok een schim hun aandacht: ze riepen weer: _Quien vive?_ +en brachten hem naar 't licht. + +Ditmaal was het Elias in eigen persoon, die zich aan hen voordeed. + +"Waar ga je heen?" + +"Ik ga een man achterna die mijn broer geslagen en gedreigd heeft. Hij +heeft een litteeken op zijn gezicht en heet Elias,.." + +"O!" riepen de twee, en keken elkaar ontzet aan. En onmiddellijk +liepen ze hard in de richting van de kerk, waar eenige minuten te +voren Lucas verdwenen was. + + + + +LI. + +Il buon di si conosce da mattina. [51] + + +Reeds vroeg verspreidde zich in 't dorp het gerucht dat er den vorigen +nacht verscheidene lichtjes op 't kerkhof gezien waren. + +Het hoofd der broederschap van de Hermanos Ferceros sprak van +aangestoken kaarsen, en beschreef den vorm en grootte ervan, maar hij +kon niet bepaald het aantal noemen, want hij wist alleen dat hij er +meer dan twintig had kunnen tellen. + +Zuster Sipa, van de broederschap van den Allerheiligsten Rozenkrans +mocht niet dulden dat alleen iemand van de vijandelijke broederschap +die "genade Gods" gezien had; zuster Sipa had, al woonde ze niet in de +buurt, duidelijk geklaag en gekerm gehoord, en zelfs aan de stemmen +zekere personen meenen te herkennen met wie zij vroeger... doch uit +christelijke liefde, vergaf ze niet alleen, maar bad ze, en verzweeg +ze hun namen. Om welke reden allen haar "incontinenti" heilig prezen. + +Zuster Roefa had inderdaad niet zoo'n fijn gehoor, maar ze mocht niet +dulden dat zuster Sipa het gehoord had en zij niet; daarom had zij een +droom gehad, en veel zielen hadden zich aan haar vertoond, niet alleen +van doode menschen, maar ook van levenden. De lijdende zielen vroegen +een deel van haar "aflaten", die ze keurig opgeteekend en opgespaard +had. Zij zou de namen aan de belanghebbende families kunnen zeggen, +en vroeg alleen een kleine aalmoes om den Paus in zijn behoeften bij +te staan. + +Een kleine jongen, die herder van beroep was, die het waagde te +verzekeren dat hij maar één licht en twee mannen met een _salakot_ +op gezien had, ontkwam ternauwernood aan een afranseling en +scheldwoorden. Tevergeefs zwoer hij: zijn karbouwen waren erbij +geweest, die konden getuigen. + +"Wou jij soms meer weten dan de _celador_ van de broederschap en +de zusters, vrijmetselaar, ketter?" zeiden ze tot hem en keken hem +daarbij met booze oogen aan. + +De pastoor besteeg den preekstoel, en preekte weer over het vagevuur, +en de _peso's_ kwamen weer uit hun schuilhoekjes om een misje te +winnen. + +Doch laten we de gekwelde zielen voor wat ze zijn, en luisteren we +naar het gesprek van Don Filipo en den ouden Tasio, die ziek lag in +zijn eenzame woning. Reeds dagen lang had hij 't bed niet verlaten, +overmand door een zwakte die snel toenam. + +Ik weet heusch niet of ik u geluk moet wenschen omdat ze uw +ontslagaanvrage hebben aangenomen. Vroeger, toen de burgemeester zoo +onbeschaamd de meening van de meerderheid opzij zette, toen was het +gepast uw ontslag te nemen. Maar nu u in strijd is met de _guardia +civil_ is het niet behoorlijk. In oorlogstijd moet men op zijn post +blijven." + +"Jawel, maar niet wanneer de generaal zich verkoopt," antwoordde Don +Filipo. "U weet immers dat de _gobernadorcillo_ den volgenden ochtend +de soldaten in vrijheid gesteld heeft, die ik had kunnen gevangen +zetten, en dat hij geweigerd heeft een enkelen stap te doen. Zonder +de toestemming van mijn meerdere kan ik niets." + +"U alleen niets, maar met de anderen samen veel. U had van deze +gelegenheid moeten gebruik maken om een voorbeeld te geven aan de +andere dorpen. Boven 't belachelijk gezag van zoo'n _gobernadorcillo_ +staat het recht van 't volk. 't Was het begin van een goede les, +en u heeft die verloren laten gaan." + +"En wat zou ik hebben kunnen doen tegenover den vertegenwoordiger +van de vooroordeelden? Daar heb je nu meneer Ibarra, die heeft zich +gebogen voor de geloofs-overtuigingen van de menigte. Denkt u soms +dat hij gelooft in een kerkelijken ban?" + +"U bent niet in dezelfde positie: meneer Ibarra wil zaaien, +en om te zaaien, moet men bukken en aan de stof gehoorzamen. Uw +zending was schudden, en om te schudden heb je kracht noodig en +aandrift. Bovendien, de strijd moest niet aangebonden worden tegen +den burgemeester, de leus moest wezen: tegen hem die misbruik maakt +van zijn macht, tegen dengeen die de openbare rust verstoort, tegen +dengeen die zijn plicht verzaakt. En u zou niet alleen gestaan hebben, +want 't land van nu is niet meer hetzelfde van twintig jaar geleden." + +"Gelooft u dat?" vroeg Don Filipo. + +"En beseft u dat dan niet?" antwoordde de oude man, zich in bed half +oprichtend. "Och, dat komt omdat u het verleden niet gezien heeft, +u heeft de uitwerking van de Europeesche immigratie niet bestudeerd, +van 't komen van nieuwe boeken en van 't naar Europa trekken van +jonge menschen. U moet studeeren en vergelijken. 't Is waar dat de +koninklijke Pauselijke universiteit van Santo Tomas nog bestaat, +met zijn zeer geleerd klooster, en dat nog eenige vernuften zich +oefenen in 't formuleeren van allerlei haarkloverijen der scholastiek, +maar waar vindt men nu die metafysische jeugd van onze tijden, met +archeologische geleerdheid, die met afgetobde hersens ergens in een +uithoek van de provincie al spitsvondigheden uitpluizend stierf, +zonder tot het volkomen begrijpen te komen van de eigenschappen van +'t 'wezen', zonder het vraagstuk opgelost te hebben van 'wezen en +bestaan,' allerverhevenste begrippen, die ons het wezenlijke deden +vergeten, ons bestaan en ons eigen wezen? Kijk nu eens naar de +jeugd! Vol geestdrift bij 't zien van ruimer horizonten, studeert +ze geschiedenis, wiskunde, aardrijkskunde, litteratuur, natuurkunde, +talen, allemaal vakken waarvan we vroeger met afschuw hoorden, alsof +'t ketterijen waren. De vrijzinnigste van mijn tijd verklaarde ze +voor minderwaardig tegenover de 'kategorieën' van Aristoteles en de +wetten van de sluitrede. De mensch heeft ten slotte geleerd mensch te +zijn. Hij ziet af van de ontleding van zijn God, van 't doordringen +in 't onvatbare, in dat wat hij niet gezien heeft, van 't wetten +geven aan zijn hersenschimmen. De mensch begrijpt dat zijn erfenis +de uitgestrekte wereld is, waarvan de heerschappij in zijn bereik +ligt. Vermoeid van zijn onnutten, aanmatigenden arbeid, buigt hij +'t hoofd, en onderzoekt wat hem omringt. Zie hoe nu onze dichters +geboren worden. De muzen van de natuur openen ons langzamerhand +haar schatten en beginnen ons toe te lachen, om ons op te wekken +tot den arbeid. De proefondervindelijke wetenschappen hebben al hun +eerste vruchten gegeven; er ontbreekt alleen nog aan dat de tijd +ze volmaken zal. De nieuwe advocaten worden gevormd naar de nieuwe +denkbeelden van de rechts-filosofie. Enkelen beginnen te schitteren +te midden van de duisternis, die onze balie omringt, en bespeuren +een verandering in den loop der tijden. Hoor hoe de jeugd spreekt, +bezoek de centra van onderwijs, en er zullen andere namen klinken in +de akademische gehoorzalen dan in de kloosters: daar hoorden we alleen +die van Santo Tomas, Suarez, Amat, Sanchez en andere afgoden van mijn +tijd. Tevergeefs jammeren de _frailes_ van den preekstoel tegen den +zedelijken achteruitgang, evenals de vischverkoopers jammeren over +de schrielheid der koopers, zonder dat ze merken dat hun koopwaar oud +en onbruikbaar is. Tevergeefs strekken de kloosters hun vangarmen en +wortels naar de dorpen uit, om er den nieuwen stroom te verstikken. De +goden gaan heen. De wortels van den boom kunnen de planten die erop +steunen wel verzwakken, maar niet het leven benemen aan andere wezens, +die als de vogels, omhoog stijgen naar den hemel." + +De filosoof sprak met vuur. Zijn oogen schitterden. + +"En toch is de nieuwe kiem klein. Als iedereen zich tot taak maakt +den vooruitgang tegen te werken, dien we zoo duur koopen kan hij +verstikt worden," bracht Don Filipo ongeloovig ertegen in. + +"De kiem verstikken...wie zal dat doen? De mensch, die zieke dwerg, +den vooruitgang verstikken, dien machtigen zoon van den tijd en de +werkzaamheid? Wanneer heeft hij dat gekund? Het dogma, het schavot +en de brandstapel, die hem trachten tegen te houden, brengen hem +juist vooruit. 'En toch beweegt ze zich,' zeide Galilei, toen de +Dominikanen hem dwongen om te verklaren dat de aarde zich niet bewoog; +'t zelfde kan men zeggen van den menschelijken vooruitgang. Er zullen +eenige wilsuitingen met geweld worden onderdrukt, er zullen enkele +individuen worden opgeofferd, maar wat geeft het: de vooruitgang zal +zijn weg vervolgen, en uit het bloed van hen die vallen zullen nieuwe +en krachtige loten opkomen. Zie hoe zelfs de pers, hoe reactionair +ze ook zou willen wezen, mee een schrede vooruit doet. Zelfs de +Dominikanen ontkomen niet aan deze wet, en ze doen de Jezuïeten, +hun onverzoenlijke vijanden, na: ze geven feesten in hun kloosters, +richten tooneeltjes op, maken gedichten, want, doordat het hun niet +aan verstand ontbreekt, al wanen ze zich ook in de vijftiende eeuw, +begrijpen ze dat de Jezuïeten gelijk hebben, en zullen ze zelfs +deelnemen aan de toekomst van de jonge volken, die ze opgevoed hebben." + +"Volgens u gaan de Jezuïeten met den vooruitgang mee?" vroeg Don +Filipo verwonderd. "Waarom bestrijdt men hen dan in Europa?" + +"Ik zal u als een oude scholasticus antwoorden," hervatte de filosoof, +terwijl hij weer ging liggen, en zijn spottende gelaatsuitdrukking +herkreeg. "Op drie manieren kan men met den vooruitgang meegaan: +aan de spits, opzij en erachter aan. De eersten zijn de leiders, +de tweeden laten zich leiden, en de laatsten worden meegesleept, +en tot dit soort behooren de Jezuïeten. Zij zouden hem wel willen +leiden, maar omdat ze zien dat hij sterk is en andere neigingen heeft, +kapituleeren ze, en willen ze liever volgen dan verpletterd te worden +of midden op den weg in 't donker achter te blijven. Nu goed, wij hier +op de Filippijnen, loopen minstens op twee eeuwen afstand achter den +wagen aan: we beginnen nauwelijks uit de middeleeuwen te komen. Daarom +vertegenwoordigen de Jezuïeten, die in Europa reactionair zijn, +van hier uit gezien de vooruitgang. De Filippijnen zijn aan hun 't +opkomend onderwijs, de natuurwetenschappen,--de ziel van de negentiende +eeuw--verschuldigd, evenals aan de Dominikanen de scholastiek, die al +dood was ten spijt van Leo de XIII: er is geen paus die weer op kan +wekken wat het gezond verstand ten doode gedoemd heeft... Maar, waar +zijn we beland?" vroeg hij van toon veranderend. "O ja, we spraken +over den tegenwoordigen toestand van de Filippijnen... Ja, nu treden +we in het tijdperk van strijd, ik bedoel jullie; ons geslacht behoort +aan den nacht, wij gaan heen. De strijd gaat tusschen het verleden, +dat zich met vervloekingen vastgrijpt en klampt aan 't wankelend +feodaal kasteel, en de toekomst, waarvan we de triomfzang in de verte +hooren, bij den glans van een doorbrekenden dageraad, die de blijde +boodschap van andere landen zal brengen... wie zullen er vallen en +begraven worden in de bouwvallen?" + +De grijsaard zweeg, en, ziende dat Don Filipo hem peinzend aankeek, +lachte hij en hervatte: + +"Ik kan haast raden wat u denkt." + +"Heusch?" + +"U denkt dat ik me heel goed vergissen kan," zeide hij met droeven +lach. "Ik heb nu koorts, en ik ben niet onfeilbaar: _homo sum, humani +nil a me alienum puto_, [52] zeide Terentius; maar als hij zich soms +veroorlooft te droomen, waarom dan niet aangenaam te droomen in +de laatste levensuren? En dan, ik heb niet anders geleefd dan van +droomen! U heeft gelijk: een droom! Onze jongelui denken aan niets +anders dan aan liefdesavonturen en genoegens: ze verbruiken meer +tijd en spannen zich meer in om een jongmeisje te misleiden en te +onteeren, dan om aan 't heil van hun land te denken. Onze vrouwen +vergeten, om hun zorg voor Gods huis en Gods familie, hun eigen +huis en familie. Onze mannen zijn alleen werkzaam voor ondeugd, ze +zijn heldhaftig in schande. De kindschheid ontwaakt in duisternis en +sleur. De jeugd leeft de beste jaren zonder ideaal, de rijpe leeftijd +is onvruchtbaar, en leeft alleen maar om met zijn voorbeeld de jeugd +te bederven... Ik ben blij dat ik dood ga... _Claudite jam rivos, +pueri._" [53] + +"Wilt u de een of andere medicijn?" vroeg Don Filipo, om een andere +wending aan 't gesprek te geven, want hij zag dat het gelaat van den +zieke versomberd was. + +"Menschen die sterven, hebben geen medicijnen noodig. Jullie die +blijven wel. Zeg aan Don Crisóstomo dat hij me morgen moet komen +opzoeken, want ik heb hem heel belangrijke dingen te zeggen. Binnen +enkele dagen ben ik er geweest. De Filippijnen liggen in 't duister!" + +Don Filipo verliet na nog eenige minuten gepraat te hebben, ernstig +en in gepeins verzonken het huis van den zieke. + + + + +LII. + + + Quidquid latet apparebit, + Nil inultum remanebit. [54] + + +De klok kondigt het avondgebed aan. Bij 't hooren van 't vroom geluid +staat iedereen stil, verlaat zijn werkzaamheden en ontbloot het hoofd; +de landman die van 't veld komt, houdt op met zijn zang, laat de +gestadig voortstappende karbouw waar hij op zit stilstaan en bidt. De +vrouwen slaan een kruis midden op straat, en bewegen opzichtig de +lippen, opdat toch niemand twijfele aan hun godsvrucht. De man houdt +op met het aaien van zijn haan, en bidt het _angelus_, opdat het lot +hem gunstig moge wezen. In de huizen bidt men met luider stemme...ieder +geluid dat niet dat van 't _avemaria_ is, verdwijnt, verstomt. + +Niettemin gaat de pastoor, met een hoed op, haastig de straat over, en +wekt de ergernis van veel oude vrouwtjes: en, nog schandelijker! hij +gaat naar 't huis van den _alférez_. De vrome vrouwen achten 't +oogenblik reeds gekomen, om hun lippenbeweegingen te staken, om 's +pastoors hand te kussen, maar Padre Salvi let niet op ze: vandaag +heeft hij geen plezier in 't leggen van zijn beenige hand op den +christelijken neus, om ze van daar zachtjes te laten neerglijden +(zooals Doña Consolación opgemerkt heeft) naar de boezem van een +lieftallig jongmeisje, dat buigt om den zegen te vragen. Wel een zaak +van gewicht moet zijn gedachten bezig houden om hem zoo zijn eigen +belangen en die der kerk te doen vergeten! + +Inderdaad loopt hij haastig de trap op, en klopt ongeduldig op de deur +van den _alférez_, die met boos gezicht verschijnt, gevolgd door zijn +wederhelft, die zuurzoet glimlacht. + +"O, meneer de pastoor! Ik wou juist naar u toe: uw bok..." + +"Ik heb iets van hoog belang..." + +"Ik kan niet toelaten dat mijn schutting vernield wordt, ik schiet +erop, als hij terugkomt!" + +"Dat wil zeggen, als u tijd van leven heeft tot morgen!" zeide de +pastoor hijgend, en zich naar het voorvertrek richtend. + +"Wat? Gelooft u dat die lamstraal mij dood zal maken? Ik schop hem +naar de andere wereld!" + +Padre Salvi deinsde een schrede terug, en keek instinktmatig naar +den voet van den _alférez_. + +"Van wien spreekt u?" vroeg hij bevend. + +"Van wien zou ik anders spreken dan van dat mispunt, dat me uitdaagt +voor een duel op de revolver op honderd pas?" + +"O!" riep de pastoor, die weer op adem kwam, en voegde eraan toe: +"Ik kom u over een zeer dringende zaak spreken." + +"Valt u me toch niet lastig met zaken, 't zal wel weer net zoo wezen +als met die jongens!" + +Als het licht niet van een olielamp en de ballon niet zoo smerig +geweest was, zou de _alférez_ kunnen zien, hoe bleek de pastoor +eruit zag. + +"'t Geldt vandaag in allen ernst 't leven van ons allemaal!" hervatte +deze halfluid. + +"In allen ernst!" herhaalde de _alférez_ verbleekend. "Schiet dat +jongemensch goed?..." + +"Ik spreek niet over hem." + +"Wat dan?" + +De _fraile_ wees hem naar de deur, die hij toen op zijn manier met +een trap sloot. De _alférez_ vond de handen overbodig, en zou er niets +bij verloren hebben, als hij niet meer tot de "tweehandigen" behoord +had. Een verwensching en een gebrul kwam als antwoord van buiten. + +"Lomperd! Je hebt mijn voorhoofd kapot gegooid!" kreet zijn eega. + +"Draai nu maar af!" zeide hij bedaard tot den pastoor. + +Deze keek hem een heele poos aan, daarna vroeg hij met het eentonige +neusgeluid van den prediker: + +"Heeft u niet gezien, dat ik hard ben komen aanloopen?" + +"Ja, ik mag verrekken, als ik niet dacht dat u diarree had!" + +"Nu goed", zei de pastoor zonder zich te storen aan de grofheid +van den _alférez_, "wanneer ik zoo mijn plicht verzuim, is dat om +ernstige redenen." + +"En wat verder?" vroeg de ander, en stampte op den grond. + +"Bedaar!" + +"Nu dan, waartoe dan al die haast?" + +De pastoor kwam dicht bij hem en vroeg geheimzinnig: + +"Weet u niets nieuws?" + +De _alférez_ trok de schouders op. + +"U bekent dat u volstrekt niets weet." + +"Wilt u me over Elias spreken, die gisteren nacht door uw hoofdkoster +verborgen is?" vroeg hij. + +"Nee, nee, ik spreek nu niet over die praatjes," antwoordde de pastoor +uit zijn humeur. "Ik spreek over een groot gevaar." + +"Maar...wat dondersteen! Biecht u dan op!" + +"Nou!" zeide de _fraile_ langzaam en met zekere minachting, "u zult +weer 's een keer zien wat de invloed van ons geestelijken is: de +minste lekebroeder gaat tegen een heel regiment op; dus een pastoor..." + +En de stem latende zakken en erg geheimzinnig doende, liet hij volgen: + +"Ik heb een groote samenzwering ontdekt!" + +De _alférez_ sprong op, en keek ontsteld naar den pastoor. + +"Een verschrikkelijke en goed op touw gezette samenzwering, die +vanavond moet uitbarsten." + +"Vanavond!" riep de _alférez_ en vloog op den pastoor af. + +En naar zijn revolver en zijn sabel die aan de wand hingen, toeloopend, +riep hij: + +"Wie zal ik gevangennemen? Wie zal ik gevangennemen?" + +"Bedaar, er is nog tijd, dank zij de haast die ik gemaakt heb. Tot +acht uur!" + +"Ik fusilleer ze allemaal!" + +"Luistert u toch! Vanavond is een vrouw, wier naam ik niet zeggen mag +('t is een biechtgeheim) bij me gekomen, en heeft me alles verteld. Om +acht uur willen ze zich bij verrassing meester maken van de kazerne, +dan gaan ze 't klooster plunderen, nemen het politievaartuig en +vermoorden al de Spanjaarden." + +De _alférez_ stond verbouwereerd. + +"De vrouw heeft me niets meer dan dat gezegd," zeide de pastoor. + +"Heeft ze niets meer gezegd? Nu, dan neem ik haar gevangen!" + +"Dat kan ik niet toestaan: de biechtstoel is de troon van den God +van barmhartigheid." + +"God en barmhartigheid kunnen mij niet schelen! Ik neem haar gevangen!" + +"U verliest het hoofd. Wat u doen moet is u op alles voorbereiden: +wapen stilletjes uw soldaten en leg ze in hinderlaag; stuur mij +vier _guardia's_ voor 't 'klooster,' en waarschuw de menschen van +de politieprauw." + +"Die is er niet! Ik ga hulp vragen aan de andere sekties!" + +"Nee, want dan wordt het gemerkt, en dan voeren ze niet uit wat ze op +touw gezet hebben. 't Komt erop aan ze op heeterdaad te betrappen, en +dat we ze laten opbiechten, ik bedoel dat u ze zal laten opbiechten. Ik +als priester mag me in zulke zaken niet mengen. Let op mijn woorden: +hier valt voor u een ridderorde en promotie te halen; alleen vraag +ik dat u laat uitkomen, dat _ik_ u gewaarschuwd heb." + +"Dat doe ik vast, _padre_, en misschien wordt u bisschop!" antwoordde +de _alférez_ met een stralend gezicht, terwijl hij naar de mouwen +van zijn uniformjas keek. + +"Dus u stuurt me vier verkleede _guardia's,_ +nietwaar? Opgepast! Vanavond om acht uur regent het +luitenantssterretjes en ridderorden!" + +Terwijl dit tooneeltje plaats had, liep er een man hard den weg over +die naar Crisóstomo's huis voerde, en besteeg haastig de trap. + +"Is meneer thuis?" vroeg de stem van Elias aan den huisknecht. + +"Meneer is aan 't werk in zijn studeerkamer." + +Om zijn ongeduld af te leiden bij 't wachten op 't oogenblik dat +hij tot een verklaring kon komen met Maria Clara, was Ibarra in zijn +laboratorium aan 't werk gegaan. + +"Wel, bent u dat, Elias?" riep hij uit. "Ik dacht net aan u. Gisteren +had ik verzuimd u te vragen naar den naam van den Spanjaard, in wiens +huis uw grootvader woonde." + +"'t Is nu niet over mij, meneer, dat..." + +"Kijk 's," ging Ibarra voort, zonder de opgewondenheid te ontwaren, +terwijl hij een stukje bamboe bij een vlam bracht: "Ik heb een groote +ontdekking gedaan: deze bamboe is onbrandbaar." + +"'t Is nu geen tijd om over die bamboe te spreken, meneer, wel, +dat u binnen een minuut uw papieren bijeenpakt en vlucht." + +Ibarra keek Elias verbaasd aan, en, ziende hoe ernstig zijn gelaat +stond, viel het voorwerp dat hij in de hand hield op den grond. + +"Verbrand alles wat u compromitteeren kan en zorg dat u binnen een +uur op een veiliger plaats is." + +"En waarom?" vroeg hij ten slotte. + +"Breng al de kostbaarste zaken die u bezit in veiligheid..." + +"En waarom?" + +"Verbrand alle papieren waarop iets door of voor u geschreven staat: +'t onschuldigste kan in uw nadeel gebruikt worden..." + +"Maar waarom dan toch?" + +"Waarom? Omdat ik daar juist een samenzwering heb ontdekt waarvan +men u de schuld wil geven, om u in 't ongeluk te storten." + +"Een samenzwering?... En wie zet die op touw?" + +"'t Is me niet mogelijk geweest, er achter te komen, wie de aanlegger +is. Ik heb zooeven gesproken met een van de stumpers die ervoor betaald +worden, en die ik niet tot andere gedachten heb kunnen brengen." + +"En heeft die man u niet verteld wie hem betaalt?" + +"Jawel, en hij eischte van me dat ik 't geheim zou bewaren, hij zei +me dat u het was." + +"Groote God!" riep Ibarra verplet. + +"Meneer, twijfel er toch niet aan, laten we geen tijd verliezen, +want de samenzwering barst misschien vanavond nog uit!" + +Ibarra, de oogen wijd opengespalkt, en de handen aan 't hoofd scheen +hem niet te hooren. + +"De slag is niet meer af te wenden," ging Elias voort. "Ik ben te +laat gekomen. Ik ken de raddraaiers niet... Red u, meneer, bewaar u +zelf voor uw land!" + +"Waar moet ik heen vluchten? Ik word van avond gewacht!" riep Ibarra +aan Maria Clara denkend. + +"Naar 't een of ander dorp, naar Manila, naar 't huis van de een of +andere overheidspersoon, maar ergens anders, dan kan men niet zeggen +dat u de beweging geleid heeft!" + +"En als ik zelf eens de samenzwering aan 't licht bracht?" + +"U zelf!" riep Elias uit, hem aanstarende, terwijl hij terugdeinsde. "U +zou voor verrader en lafaard doorgaan in de oogen van de +samenzweerders, en voor kleinzielig in de oogen van de anderen. Men +zou zeggen dat u hun een strik gespannen had om zelf verdienstelijk +te schijnen, men zou zeggen..." + +"Maar wat dan te doen?" + +"Wat ik u al gezegd heb: alle papieren vernietigen die u heeft, en +die betrekking hebben op uw persoon, vluchten en de gebeurtenissen +afwachten." + +"En Maria Clara?" riep de jongeman. "Nee, liever sterven!" + +Elias wrong zich de handen en zeide: + +"Nu goed, vermijd dan ten minste de slag: bereid u voor tegen dat +men u aanklaagt!" + +Ibarra keek verbijsterd om zich heen. + +"Help me dan. Daar in die portefeuilles heb ik de brieven van +mijn familie. Zoek die van mijn vader uit, die kunnen me misschien +compromitteeren. Lees de onderteekeningen." + +En ontzet, verbijsterd, opende en sloot de jonge man laadjes, +haalde papieren bij elkaar, las haastig brieven, verscheurde er +enkele, behield andere, nam boeken uit de kasten, bladerde erin en +anderszins. Elias deed hetzelfde, maar geregelder, schoon met gelijken +ijver. Doch op eens hield bij op, zijn oogen staarden, hij draaide een +papier dat hij in de hand had om en om, en vroeg toen met bevende stem: + +"Heeft uw familie Don Pedro Eibarramendia gekend?" + +"Wel, dat geloof ik!" antwoordde Ibarra een lade opentrekkende, +en er een pak papieren uitnemende. "'t Was mijn overgrootvader!" + +"Uw overgrootvader Don Pedro Eibarramendia?" vroeg Elias wederom, +lijkbleek en met verwrongen gelaatstrekken. + +"Ja", antwoordde Ibarra afgetrokken, "we hebben den naam, omdat die +wat lang was, verkort." + +"Was 't een Baskiër?" hervatte Elias en trad op hem toe. + +"Ja, een Baskiër, maar wat scheelt u?" vroeg de ander verbaasd. + +Elias balde de vuist, drukte die tegen zijn voorhoofd, en keek +Crisóstomo aan. Deze deinsde een schrede terug, toen hij de uitdrukking +van zijn gelaat zag. + +"Weet u wie die Don Pedro Eibarramendia was?" vroeg Elias met opeen +geklemde tanden. "Don Pedro Eibarramendia was de ellendeling, die mijn +grootvader belasterde, en al onze rampen bewerkte...Ik zocht naar zijn +naam, God brengt me bij u... Geef me rekenschap van al ons lijden!" + +Crisóstomo keek hem verplet aan doch Elias schudde hem aan den arm, +en zeide op bitteren toon, waarin haat loeide: + +"Kijk me goed aan, kijk of ik geleden heb, en u leeft, u heeft +lief, u heeft fortuin, een eigen huis, u wordt geacht en gezien, +u leeft... u leeft!" + +En buiten zichzelf liep hij toe op een kleine verzameling wapens, +maar nauw had hij twee dolken eruit genomen, of hij liet ze vallen, +en keek als verdwaasd Ibarra aan. Deze bleef roerloos staan. + +"Wat ging ik daar doen?" stamelde hij. En hij vluchtte weg uit +het huis. + + + + +LIII. + +De slag. + + +Ginds in de eetzaal, zitten Capitán Tiago, Linares en tante Isabel +aan den avonddisch. In de ontvangkamer hoort men 't leven van borden, +lepels en vorken. Maria Clara heeft gezegd dat ze geen eetlust had, +en is aan de piano gaan zitten, terwijl de vroolijke Sinang naast haar +haar geheimzinnige woorden in 't oor zegt, en Padre Salvi rusteloos +op en neer wandelt van 't eene eind van 't vertrek naar 't ander. + +Niet dat de herstellende geen honger zou hebben, o neen; 't is +omdat ze de komst van iemand verwacht en gebruik gemaakt heeft van +'t oogenblik waarop haar Argus niet tegenwoordig kan wezen: 't uur van +'t avondeten voor Linares. + +"Je zult zien dat dat spook tot acht uur blijft," fluistert Sinang, +en wijst naar den pastoor. "Om acht uur moet _hij_ komen. Die daar +is even verliefd als Linares." + +Maria Clara keek verschrikt haar vriendin aan. Deze ging, zonder +'t te merken, voort met haar schrikbarend gepraat: + +"O, ik weet wel waarom hij niet heengaat, in weerwil van mijn bedekte +wenken: hij wil geen licht branden in 't klooster! Zeg, weet je dat +sinds je ziek geworden bent, de twee lampen, die hij liet aansteken, +weer uitgedaan zijn?...Maar kijk nu toch 's wat 'n oogen hij opzet, +en wat 'n gezicht hij zet!" + +Op dat oogenblik sloeg het op de huisklok acht uur. De pastoor +huiverde, en zette zich in een hoek. + +"Hij komt al!" zei Sinang, en kneep Maria Clara in den arm. "Hoor je +'t?" + +De kerkklok luidde, en allen stonden op, om te bidden. Padre Salvi +dreunde met zwakke en bevende stem het misoffer op, doch daar ieder +zijn eigen gedachten had, lette niemand erop. + +Toen het bidden nauw afgeloopen was, vertoonde zich Ibarra. De jongeman +was in den rouw, niet alleen wat zijn kleeding aanging, maar ook zijn +gelaat, zoozeer zelfs dat Maria Clara, toen ze hem zag, opstond en een +stap naar hem toe deed, als om hem te vragen wat hem scheelde. Doch op +'t zelfde oogenblik liet zich geweervuur hooren. Ibarra stond stil, +zijn oogen gingen rond, hij bleef in zijn woorden steken. De pastoor +verborg zich achter een pilaar. Nieuwe schoten en salvo's klonken +aan den kant van 't klooster, gevolgd door kreten en geloop. Capitán +Tiago, tante Isabel en Linares kwamen binnenstormen en riepen: +"_Toelisan, toelisan!_" Andeng volgde zwaaiend met het braadspit, +en liep op haar zoogzuster toe. + +Tante Isabel viel op haar knieën, schreide en bad het "kyrie +eleison." Capitán Tiago droeg, bleek en bevend, een kippelever aan een +vork, en bood die schreiend aan de Heilige Maagd van Antipolo. Linares +stond met vollen mond en was gewapend met een lepel. Sinang en Maria +Clara hielden elkaar omarmd. De eenige die roerloos, als versteend +bleef staan, was Crisóstomo, wiens bleekheid onbeschrijflijk was. + +De kreten en knallen hielden aan, de vensters werden met gedruisch +gesloten. Men hoorde 't geluid van fluiten, een schot van tijd +tot tijd. + +"Kyrie eleison! Santiago, de voorspelling komt uit...Sluit de +vensters!" kreet tante Isabel. + +"Vijftig groote donderpotten met twee genade-missen!" antwoordde +Capitán Tiago. "Ora pro nobis!" + +Allengs trad weer een vreeselijke stilte in... Men hoorde de stem +van den _alférez_, die hard loopende schreeuwde: + +"Meneer de pastoor! Padre Salvi! Komt u?" + +"Miserere! De _alférez_ wil bediend worden!" riep tante Isabel. + +"Is de _alférez_ gewond?" vroeg eindelijk Linares. + +"O!" + +En nu pas bemerkte hij dat hij nog niet ingeslikt had wat in zijn +mond was. + +"Meneer de pastoor, komt u hier! Er is niets meer te vrezen!" bleef +de _alférez_ schreeuwen. + +Fray Salvi besloot eindelijk te gaan. Bleek kwam hij uit zijn +schuilhoek, en ging de trap af. + +"De _toelisan's_ hebben den _alférez_ vermoord! Maria, Sinang, naar +je kamer. Goed de deur versperren!" + +"Kyrie eleison!" + +Ibarra begaf zich ook naar de trap, ten spijt van tante Isabel, +die zeide: + +"Ga niet uit, want je hebt niet gebiecht, ga niet uit!" + +De goede oude was zeer bevriend geweest met zijn moeder. + +Maar Ibarra verliet het huis: 't was hem of alles om hem heen +dwarrelde, of de grond onder zijn voeten week. Zijn ooren gonsden, +zijn beenen bewogen zich zwaar en ongeregeld: bloedgolven, licht en +duister volgden elkaar op in zijn netvlies. + +Ofschoon de maan prachtig scheen, struikelde de jongeman over de +steenen en balken, die op de eenzame, verlaten straat lagen. + +Bij de kazerne zag Ibarra soldaten met de bajonet op 't geweer, +levendig met elkaar praten. Daardoor kon hij onopgemerkt voorbijgaan. + +In 't gemeentehuis hoorde men slagen, kreten, ai's en +verwenschingen. De stem van den _alférez_ overstemde alles. + +"In 't blok! Handboeien aan! Twee schoten op wie zich +beweegt! Sergeant, u moet de wacht betrekken! Er mag nu niemand op +straat, al was 't God zelf, niet! Capitán, er wordt niet geslapen!" + +Ibarra verhaastte zijn schreden naar zijn huis. Zijn bedienden wachtten +hem in ongerustheid. + +"Zadel 't beste paard, en dan kunnen jullie gaan slapen!" zeide +hij hun. + +Hij trad zijn studeerkamer binnen, en wilde in allerijl een koffertje +klaarmaken. Hij opende een ijzeren kist, haalde al het geld er uit dat +er in lag, en deed dat in een zak. Hij verzamelde zijn kleinoodiën, +nam een portret van Maria Clara van den wand, en, na zich gewapend te +hebben met een dolk en twee revolvers, richtte hij zich naar een kast, +waar hij ijzeren gereedschap had. + +Op dat oogenblik klonken er drie doffe harde slagen op de deur. + +"Wie is daar?" vroeg Ibarra op somberen toon. + +"Maak open in naam des Konings, maak dadelijk open, of we smijten de +deur in!" antwoordde een bevelende stem in 't Spaansch. + +Ibarra keek naar het venster. Zijn oogen flikkerden, en hij haalde +de haan van zijn revolver over. Doch, zich bedenkend, liet hij de +wapens liggen, en ging zelf opendoen, op 't oogenblik dat de bedienden +kwamen toeloopen. + +Drie _guardia's_ grepen hem dadelijk aan. + +"In naam des konings, geef u gevangen!" zeide de onderofficier. + +"Waarom?" + +"Dat zult u daar wel gezegd worden. 't Is ons verboden het u te +zeggen." + +De jongeman dacht een oogenblik na, en wellicht niet willende dat de +soldaten zijn vlucht-toebereidselen zouden zien, greep hij een hoed +en zeide: + +"Ik ben tot uw beschikking! Ik veronderstel dat het voor enkele uren +zal wezen." + +"Als u belooft niet te zullen ontsnappen, zullen we u ongebonden laten: +de _alférez_ staat u dezen gunst toe. Maar als u wegloopt..." + +Ibarra volgde hen, zijn bedienden verbijsterd achterlatend. + +Wat was er intusschen van Elias geworden? + +Toen hij Crisóstomo's huis verliet, liep hij als een bezetene zonder +te weten waarheen hij ging. Hij stak de velden over, en kwam aan +'t bosch in een heftige opwinding. Hij vluchtte weg van het dorp, +hij vluchtte van het licht, de maan hinderde hem, hij begaf zich +in de geheimzinnige schaduw der boomen. Daar, nu eens stilstaande, +dan weer voortgaande langs onbekende paden, steunende tegen de +eeuwenoude stammen, dringende in 't kreupelhout, keek hij naar het +dorp, dat daar aan zijn voeten zich baadde in maanlicht, uitgestrekt +in de vlakte aan den oever der zee. De vogels, gestoord in hun slaap, +vlogen op. Reusachtige vleermuizen, nachtuilen gingen met schrille +kreten, van den eenen tak op den andere en keken hem met hun ronde +oogen aan. Elias hoorde ze niet, lette er niet op. Hij waande zich +vervolgd door zijn vertoornde voorouders; hij zag aan iederen tak de +noodlottige mand met het bloedige hoofd van Balat, zooals zijn vader +het hem verteld had; hij waande aan den voet van iederen boom tegen +het lijk van zijn grootmoeder aan te stooten; het scheen hem toe in +de duisternis het walgelijk geraamte van zijn eerloozen grootvader +te zien bungelen...en het geraamte, het lijk der oude en het hoofd +riepen hem na: "Lafaard, lafaard!" + +Elias verliet den berg, vluchtte weg, en daalde af naar de zee, waar +hij aan 't strand opgewonden voortliep; doch daar in de verte, midden +in 't water, waar van het maanlicht een nevel scheen op te trekken, +waande hij een schim te zien oprijzen en heen en weer bewegen: de schim +van zijn zuster, de borst bebloed, en het haar dwarrelend in de lucht. + +Elias viel op zijn knieën op het zand. + +"Jij ook!" mompelde hij, zijn armen uitstrekkend. + +Maar, den blik strak op den nevel, stond hij langzaam op, stapte hij +vooruit en ging in 't water, alsof hij iemand volgde. Hij liep de +glooiende helling af die de zandoever daar vormde. Reeds was hij ver +van den kant, het water reikte hem tot aan het middel, en hij ging +voort, steeds voort, als bekoord door een verlokkenden geest. Het +water kwam hem reeds aan de borst...doch daar klonk het geweervuur, +het visioen verdween, en de jongeman kwam tot de werkelijkheid +terug. Dankzij den kalmen nacht en de grootere dichtheid der lucht +drongen de knallen helder en duidelijk door. Hij stond stil, dacht +na, bespeurde dat hij zich in 't water bevond. Het meer was kalm, +en hij onderscheidde zelfs de lichtjes in de visschershutten. + +Hij keerde naar den oever terug, en richtte zich naar 't dorp: +Waartoe? Hij zelf wist het niet. + +Het dorp scheen onbewoond; de huizen waren alle gesloten. Zelfs de +dieren, de honden die 's nachts plachten te blaffen, hadden zich +angstig verborgen. Het zilverig maanlicht verhoogde de droefheid en +eenzaamheid van 't oord. + +Vreezende de _guardia civiles_ te zullen ontmoeten, nam hij zijn +weg dwars door de boomgaarden en tuinen, in een waarvan hij twee +menschelijke gedaanten meende te ontwaren. Doch hij vervolgde zijn weg, +en springend over heiningen en muurtjes, kwam hij na veel moeite aan +'t andere einde van 't dorp, waar hij zich naar Crisóstomo's huis +begaf. Aan de deur stonden de bedienden, bezig de gevangenneming van +hun heer te bespreken en te bejammeren. + +Eenmaal op de hoogte van 't geen er voorgevallen was, verwijderde Elias +zich, liep om het huis heen, sprong over den ringmuur, klauterde naar +binnen door een venster en drong in de studeerkamer, waar de kaars +nog brandde die Ibarra er gelaten had. + +Elias zag de papieren en de boeken; hij vond de wapens en de zakjes, +die het geld en de kleinoodiën bevatten. Hij riep voor zijn verbeelding +op wat daar had plaats gehad, en zooveel papieren ziende die den +eigenaar konden compromitteeren, dacht hij eraan ze bijeen te rapen, +ze 't venster uit te werpen en te begraven. + +Hij wierp een blik op den tuin, en bij 't licht der maan zag hij +twee _guardia civiles_, die met een helper kwamen: de bajonetten en +de helmen glinsterden in de duisternis. + +Toen vatte hij een besluit: hij stapelde kleeren en papieren midden in +'t vertrek op, goot daar een petroleum-lamp op leeg, en stak alles +aan. Hij deed ijlings de wapens in zijn gordel, zag het portret van +Maria Clara, weifelde even...dan stak hij 't in een van de zakjes, +en 't een en ander meenemend, sprong hij het venster uit. + +'t Was hoog tijd: de _guardia civiles_ waren al bezig de deur in +te slaan... + +"Laat ons naar boven, om beslag te leggen op de papieren van je +meneer!" zeide de politieman die erbij was. + +"Heeft u er verlof toe? Anders komt u niet boven," zeide een oude man. + +De soldaten duwden ze met kolfslagen op zij, liepen de trap op...maar +een dikke rook vulde het heele huis, en reusachtige vuurtongen kwamen +uit de voorzaal, likkend langs deuren en vensters. + +"Brand! Brand!" riepen allen. + +Een ieder ijlde toe, om te redden wat hij kon, maar 't vuur had +het kleine laboratorium reeds bereikt, en de brandbare stoffen +ontploften. De _guardias civiles_ moesten terug: de vuurgloed versperde +hun den weg loeiend en alles wat hij tegenkwam wegvagend. Tevergeefs +haalde men water uit de put. Allen schreeuwden, vroegen om hulp, maar +niemand kwam. Het vuur bereikte de overige vertrekken en verhief zich +ten hemel, dikke rookspiralen opstuwend. Reeds was het heele huis +een prooi der vlammen, de gloeiend heete wind wakkerde ze aan. Van +verre kwamen eenige landlieden aanloopen, doch ter plaatse aangekomen, +konden ze slechts den schrikkelijken brandstapel zien, de ondergang +van 't oude, zoo lang door de elementen gespaarde gebouw. + + + + +LIV. + +Wat men zegt en wat men gelooft. + + +God liet het eindelijk morgen worden voor 't zwaarbezochte dorp. + +De straat waarin de kazerne en het gemeentehuis stonden, bleef verlaten +en eenzaam; de huizen gaven geen teeken van leven. Niettemin ging een +houten vensterblind met geraas open, en vertoonde zich een kinderkopje, +dat naar alle kanten heendraait, de hals rekt en in alle richtingen +uitkijkt. "Klets!" klinkt het en de frissche menschelijke huid komt +in gewelddadige aanraking met een stuk gelooide huid; de mond van +'t kind vertrekt zich pijnlijk, zijn oogen sluiten zich, het kopje +verdwijnt, en het venster gaat weer dicht. + +Het voorbeeld is gegeven: dat open en dichtdoen is zeker gehoord, +want een tweede venster gaat langzaam open, en er vertoont zich heel +voorzichtigjes het hoofd van een oude vrouw, gerimpeld en tandeloos: +'t is zuster Poetê in eigen persoon, die zooveel opschudding maakte +terwijl padre Dámaso aan 't preeken was. Kinderen en oude vrouwen +zijn nu eenmaal de vertegenwoordigers der nieuwsgierigheid op aarde: +de eersten uit lust om te weten, de anderen uit lust om zich te +herinneren. + +Zeker is er niemand die het waagt haar een slag met een muiltje +te geven, want ze blijft daar, kijkt met gefronste wenkbrauwen in +de verte, spoelt zich den mond, spuwt met gedruisch, en slaat dan +een kruis. Het huis aan den overkant opent ook schuchtertjes een +raampje, en laat het hoofd van zuster Roefa door, dezelfde die niet +wil bedriegen of zich laten bedriegen. Ze kijken elkaar een oogenblik +aan, glimlachen, geven elkaar teekens en slaan weer een kruis. + +"Heerejee! 't Leek wel een genade-mis, met een mooi stuk +vuurwerk!" zegt zuster Roefa. + +"Sinds de plundering van 't dorp door Balat heb ik nooit zoo'n nacht +gezien!" antwoordt zuster Poetê. + +"Wat is er geschoten! Ze zeggen dat het de bende van den ouden +Pablo is." + +"_Toelisan's_? Dat kan niet! Ze zeggen dat het de burgerwacht is +tegen de _civiles_. Daarom is Don Filipo gevangen genomen." + +"_Sanctus Deus_! Ze zeggen dat er minstens vijftig dooden gevallen +zijn." + +Andere vensters gingen er open, en verscheidene tronies vertoonden +zich, wisselden groeten en maakten commentaren op 't gebeurde. + +Bij 't licht van den dag die beloofde prachtig te zullen worden, zag +men flauw in de verte soldaten heen en weer gaan, als aschkleurige +schimmen. + +"Daar gaat weer een doode!" zeide een aan een venster. + +"Een? Ik zie er twee." + +"En ik...maar zeg, ik wed dat u niet weet wat het geweest is?" vroeg +een man met een snaaksch gezicht. + +"Zeker wel! De burgerwacht." + +"Nee, meneer: een oproer in de kazerne!" + +"Wat oproer? De pastoor tegen den _alférez_?" + +"Niets daarvan, hoor," zei degeen die de vraag gedaan had. "De +Chineezen zijn opgestaan." + +En hij sloot zijn venster weer. + +"De Chineezen!" herhaalden allen met de grootste verbazing. + +"Daarom zie je er geen een!" + +"Ze zullen allen dood zijn." + +"Ik dacht al bij mezelf dat ze iets kwaads in 't schild +voerden. Gisteren..." + +"Ik heb 't wel gezien. Gisterenavond..." + +"Jammer!" zei zuster Roefa, "zoo allemaal dood te gaan voor Paschen, +wanneer ze met hun geschenken komen." + +"Hadden ze nog maar 't nieuwe jaar afgewacht..." + +De straat werd allengs drukker; eerst waren het de honden, de kippen, +de varkens en de duiven die 't verkeer beproefden. Op deze dieren +volgden eenige in lompen gekleede kinderen, die elkaar aan den arm +vasthielden en schuchter naar de kazerne toe gingen. Dan eenige oude +vrouwtjes, met de zakdoek op het hoofd en onder de kin vastgeknoopt, +met een grooten rozenkrans in de hand, doende alsof ze baden, opdat +de soldaten ze vrij voorbij zouden laten gaan. Toen men zag dat men +rond kon loopen, zonder een schot te krijgen, begonnen de mannen +voor den dag te komen, en deden heel onverschillig. In den beginne +beperkten zich hun bewegingen tot een wandelingetje voor 't huis, +waar ze hun haan aanhaalden. Daarna probeerden zij ze uit te breiden, +terwijl ze van tijd tot tijd stilstonden. En zoo kwamen ze tot voor +het gemeentehuis. + +Een kwartier later deden andere geruchten de ronde. Ibarra had met +zijn bedienden Maria Clara willen wegvoeren, en Capitán Tiago had +haar verdedigd, geholpen door de _guardia civil_. + +Het aantal dooden was niet meer veertien, maar dertig. Capitán Tiago +was gewond, en vertrok juist met zijn gezin naar Manila. + +De komst van twee _cuadrillero's_ of burgerwachten, die een +menschelijke gedaante op een baar droegen, en gevolgd werden door een +_guardia civil_, bracht groote ontsteltenis te weeg. Men vernam dat +ze van 't "klooster" kwamen. Naar den vorm der voeten, die afhingen, +ried een vrouw wie 't wezen kon. Een eind verder zeide men dat hij +'t was. Nog iets verder vermenigvuldigde de doode zich, en geschiedde +'t mysterie der Heilige Drievuldigheid. Daarna herhaalde zich het +wonder van de brooden en de visschen, en was het aantal dooden reeds +acht en dertig. + +Om half acht, toen er nog meer _guardia civiles_ aankwamen, afkomstig +uit de naburige dorpen, was de lezing van 't gebeurde reeds duidelijk +en in bizonderheden uitgewerkt. + +"Ik kom daar net van 't gemeentehuis, waar ik Don Filipo en Don +Crisóstomo gevangen heb gezien," zeide een man tot zuster Poetê. "Ik +heb met een van de _cuadrillero's_ gesproken, die daar de wacht +hielden. Welnu, Bruno, de zoon van dien eene die doodgeranseld +is, je weet wel, heeft gisterenavond alles verklaard. Zooals je +weet wil Capitán Tiago zijn dochter laten trouwen met dien jongen +Spanjaard. Nou, Don Crisóstomo was daar beleedigd door en wou zich +wreken. Hij heeft toen getracht al de Spanjaarden te vermoorden, den +pastoor inkluis. Gisterenavond hebben ze de kazerne en 't klooster +aangevallen. En gelukkig, door Gods barmhartigheid, was de pastoor +juist bij Capitán Tiago in huis. Ze zeggen dat er een boel gevlucht +zijn. De _guardias civiles_ hebben Don Crisóstomo's huis in brand +gestoken, en als ze hem niet van te voren hadden gevangen genomen, +zouden ze hem mee verbrand hebben." + +"Hebben ze zijn huis in brand gestoken?" + +"Al de bedienden zijn gevangen genomen. Kijk 's hoe je van hier de +rook nog kunt zien!" zeide de verteller, op een venster toetredend. "De +lui die daar vandaan komen, vertellen heel droevige dingen." + +Allen keken naar de aangewezen plaats: een lichte rookzuil steeg nog +langzaam ten hemel. Allen maakten meer of min medelijdende, meer of +min beschuldigende commentaren. + +"Arme jongen!" riep een oude man, Poetê's echtgenoot. + +"Jawel!" antwoordde zij, "maar, zie je, gisteren heeft hij ook geen +mis voor de ziel van zijn vader laten lezen en die zal 't zeker meer +noodig hebben dan anderen." + +"Maar, vrouw, heb je dan geen medelijden?..." + +"Medelijden met iemand die in den ban is? 't Is een zonde medelijden +te hebben met Gods vijanden, zeggen de pastoors. Herinner je je nog +wel? Op 't kerkhof liep hij als in een veekraal!" + +"Maar 't kerkhof lijkt immers op een veekraal," antwoordde de oude man, +"alleen dat in een veekraal maar één soort beesten binnengaan..." + +"Komaan!" riep zuster Poetê hem toe, "nu ga je ook nog een verdedigen +die God zoo duidelijk straft. Je zult zien, dat ze jou ook nog gevangen +nemen. Steun jij maar iets dat aan 't vallen is!" + +De echtgenoot zweeg op dit argument. + +"Best te begrijpen!" hervatte het oudje, "nadat hij Padre Dámaso +afgeranseld had, bleef hem alleen nog maar Padre Salvi te vermoorden." + +"Maar je kunt me niet tegenspreken, dat hij een goeie jongen was, +toen hij klein was." + +"Jawel, 't was een goeie jongen," gaf het besje terug, "maar hij is +naar Spanje gegaan. Iedereen die naar Spanje gaat, komt als ketter +terug, hebben de pastoors gezegd." + +"Och och!" riep haar echtvriend, die de gelegenheid schoon zag om +haar schaakmat te zetten. "En de pastoor dan, en al de pastoors, +en de aartsbisschop, en de Paus, en de Heilige Maagd, komen die niet +van Spanje? _Awa!_ Zouden dat soms ook ketters zijn? _Awa!_" + +Gelukkig voor zuster Poetê stoorde de komst van een dienstmeisje, +dat in groote opwinding en bleek kwam aanloopen, de woordenwisseling. + +"Er hangt iemand in den tuin van mijn buurman!" zei ze hijgend. + +"Hangt er iemand?" riepen ze allen vol ontzetting. + +De vrouwen sloegen een kruis. Niemand kon zich van zijn plaats +verroeren. + +"Ja, meneer..." ging de dienstmaagd bevend voort. "Ik ging juist +erwten plukken...ik kijk naar den moestuin van onzen buurman, om te +zien of hij er was... en daar zie ik een man heen en weer bewegen. Ik +dacht dat het Teo, de knecht, was, die me altijd...nou ja...Ik kom +naderbij om...erwten te plukken, en ik zie dat hij 't niet is, maar +een ander... een doode; ik loop, ik loop en..." + +"Laten we 's naar hem gaan kijken," zeide de oude man, en stond +op. "Breng jij ons." + +"Ga niet!" schreeuwde zuster Poetê, en greep hem bij zijn kiel. "Je +zult een ongeluk krijgen! Heeft hij zich opgehangen? Des te erger +voor hem!" + +"Laat me gaan, vrouw. Ga jij naar 't raadhuis, Juan, om kennis te +geven. Misschien is hij nog niet dood." + +En hij ging naar den moestuin, gevolgd door het dienstmeisje, dat +zich achter hem verschool. De vrouwen, zuster Poetê inkluis, liepen +vol vrees en nieuwsgierigheid daarachter aan. + +"Daar is hij, meneer," zei 't dienstmeisje en stond stil, terwijl ze +met den vinger naar iets wees. + +De stoet hield stil op eerbiedigen afstand, en liet den ouden man +alleen verder gaan. + +Een menschelijk lichaam, hangend aan den tak van een sentoel-boom, +slingerde zacht heen en weer, bewogen door den morgenwind. De oude man +keek er een poos naar. Hij zag de voeten en armen stijf, de kleeren +bevlekt, het hoofd gebogen. + +"We mogen hem niet aanraken, voor dat het gerecht erbij is," zeide +hij luide. "Hij is al stijf: hij is al een heelen tijd dood." + +De vrouwen kwamen langzamerhand naderbij. + +"'t Is de man die in dat huisje woonde, dezelfde die twee weken +geleden gekomen is. Kijk maar 's naar dat litteeken op zijn gezicht." + +"Ave Maria!" riepen eenige vrouwen. + +"Zullen we voor zijn ziel bidden?" vroeg een jongmeisje, zoodra ze +'t lijk voldoende had bekeken en opgenomen. + +"Dwaas kind, kettersche meid!" berispte haar zuster Poetê. "Weet je +niet wat Padre Dámaso gezegd heeft? 't Is God verzoeken voor een +verdoemde te bidden. Iemand die zelfmoord pleegt, is voor eeuwig +verdoemd. Daarom wordt hij ook niet in gewijde aarde begraven." + +En ze voegde eraan toe: + +"Ik had al gedacht dat het met dien vent slecht moest afloopen: +ik heb nooit kunnen nagaan waar hij van leefde." + +"Ik heb hem twee keer met den hoofdkoster zien spreken," merkte een +jongmeisje op. + +"Dat zal ook wel niet geweest zijn, om te gaan biechten of een mis +te bestellen!" + +De buren kwamen toeloopen, en een talrijke kring vormde zich om het +lijk, dat maar steeds bleef slingeren. Na een half uur kwam er een +politie-agent, de commissaris en twee _cuadrillero's_. Dezen maakten +het los en legden het op een draagbaar. + +"De lui hebben haast om dood te gaan," zei de commissaris lachend, +terwijl hij de pen die hij achter zijn oor droeg daarvandaan nam. + +Hij deed zijn strikvragen, nam een verklaring af van de dienstbode, +die hij trachtte vast te praten, haar nu eens met booze oogen aanziend, +dan eens haar dreigend, dan weer haar woorden in den mond leggend die +ze niet gezegd had, zoo zeer dat zij, vreezende naar de gevangenis +te zullen gaan, begon te schreien, en verklaarde dat ze geen erwten +zocht, maar dat ze...en ze haalde Teo als getuige aan. + +Ondertusschen bekeek een landman met een groote _salakot_ op en een +groote pleister aan zijn hals het lijk en het touw. + +Het gelaat was niet lijkkleuriger dan de rest van 't lichaam; boven de +plek waar 't touw gebonden was, zag men twee schrammen en twee blauwe +striempjes; de schrijning van 't koord was wit en vertoonde geen +bloed. De nieuwsgierige boer onderzocht het hemd en de broek goed, +merkte dat ze vol stof en kort te voren op enkele plaatsen gescheurd +waren; doch wat het meest zijn aandacht trok, dat waren de zaden van +_amores secos_, [55] die overal, tot aan de boord van het hemd aan +hem vastgekleefd zaten. + +"Wat zie je aan hem?" vroeg de commissaris. + +"Ik kijk of ik hem ook herkennen kan, meneer," stamelde hij, zich +half 't hoofd ontblootend, dat wil zeggen de _salakot_ meer naar +beneden halend. + +"Heb je niet gehoord dat het een zekeren _Lucas_ is? Slaap je?" + +Allen schoten in een lach. De boer bracht verlegen eenige woorden uit, +en ging met gebogen hoofd langzaam heen. + +"Hei, waar ga je naar toe?" riep de oude man hem toe. "Daar kun je +er niet uit: daar langs ga je naar het huis van den dooie!" + +"De man slaapt nog!" zeide de commissaris spottend. "We zullen wat +water over hem moeten gooien." + +De omstanders lachten weer. + +De boer verliet de plaats waar hij zulk een leelijke rol gespeeld +had, en richtte zich naar de kerk. In de sakristie vroeg hij naar +den hoofdkoster. + +"Die slaapt nog!" antwoordde men hem barsch. "Weet u niet dat ze +vannacht het klooster geplunderd hebben?" + +"Ik zal wachten tot hij wakker wordt." + +De kosters keken hem aan met de grofheid van lieden die gewend zijn +slecht behandeld te worden. + +In een hoek, die donker bleef, sliep de eenoogige op een langen +stoel. Zijn bril zat hem tegen 't voorhoofd tusschen de lange +haarlokken; de borst uitgemergeld en rachitisch, was bloot, en rees +en daalde regelmatig. + +De boer ging erbij zitten, bereid om geduldig te wachten, maar er +ontglipte hem een muntstuk, en hij ging dit met een kaars zoeken, +onder den stoel van den hoofdkoster. Daarbij bespeurde hij ook +zaden van _amores secos_ aan de broek en de mouwen van 't hemd des +slapenden. Deze ontwaakte eindelijk, wreef zich zijn eene gezonde +oog uit, en ontving den man met een snauw. + +"Ik wou een mis bestellen, meneer!" antwoordde hij op een toon van +verontschuldiging. + +"Al de missen zijn al afgeloopen," zeide daarop de eenoogige zijn toon +wat verzachtend. "Als je er morgen een hebben wilt...Is het voor de +zielen in 't vagevuur?" + +"Nee, meneer," antwoordde de boer en gaf hem een _peso_. + +En hem scherp aankijkend in 't eene oog, liet hij volgen: + +"'t Is voor iemand die spoedig zal sterven." En hij verliet de +sakristie. + +"Ik had hem gisteren avond kunnen pakken!" zeide hij zuchtend, +terwijl hij den pleister wegnam, en zich oprichtte, om het gelaat en +de gestalte van Elias weer aan te nemen. + + + + +LV. + +"Vae Victis!" + + +Eenige _guardia civiles_ wandelen met onheilspellende +gelaatsuitdrukking voor de poort van 't gemeentehuis, dreigend met de +kolven hunner geweren de straatkinderen, die op hun teenen gaan staan, +of de een op den ander klimmen, om iets door de tralies te kunnen zien. + +De groote zaal biedt niet meer het feestelijk aanzien van den dag +waarop het feestprogram er afgehandeld werd. Ze is nu somber en +weinig geruststellend. De _guardia civiles_ en de soldaten van de +burgerwacht, die er nu in zitten, spreken te nauwernood met elkaar. Op +de tafel zijn de commissaris, twee schrijvers en eenige soldaten +bezig papieren vol te krabbelen. De _alférez_ loopt heen en weer, +en kijkt van tijd tot tijd met een woesten blik naar de deur. Geen +Temistokles na den slag van Salamis zou zich bij de Olympische spelen +fierder getoond hebben dan hij. Doña Consolación zit in een hoek te +gapen, en vertoont daarbij een zwart bakhuis en een geaccidenteerd +gebit. Haar blik vestigt zich koud en onheilspellend op de deur der +gevangenis, waar allerlei onfatsoenlijke teekeningen op staan. Ze +had van haar man die door de overwinning beminnelijk was geworden +vergunning gekregen het verhoor en wellicht de daaruit voortvloeiende +martelingen bij te wonen. De hyena rook lijken, ze likte haar muil, +en het lange uitblijven der strafoefening verdroot haar. + +De burgemeester is zeer onder den indruk: zijn leunstoel, de groote +onder het portret van zijne Majesteit, is ledig, en schijnt voor een +ander bestemd. + +Bij negenen komt de pastoor bleek en met gefronste wenkbrauwen binnen. + +"Nou, u heeft ook op u laten wachten!" zegt de _alférez_ tot hem. + +"Ik had er liever niet bij willen wezen," antwoordt Padre Salvi zacht, +zonder acht te slaan op den verwijtenden toon van den ander. "Ik ben +erg zenuwachtig." + +"Omdat er niemand gekomen is, om zijn post niet te verlaten, dacht ik +dat uw tegenwoordigheid...U weet zeker dat ze van middag eruit gaan." + +"De jonge Ibarra en de _teniënte mayor_...?" + +De _alférez_ wees naar de gevangenis. + +"Er zijn er acht in," zeide hij. "Bruno is vannacht om twaalf uur +gestorven, maar hij had zijn verklaring afgelegd." + +De pastoor wees naar Doña Consolación, die met een geeuw en een "aah" +antwoordde, terwijl ze zich op den stoel onder 't portret van den +koning neerzette. + +"We kunnen beginnen!" zei ze. + +"Haal de twee die in 't blok zitten!" beval de _alférez_ met een stem, +die hij zoo schrikwekkend mogelijk trachtte te maken, en zich tot +den pastoor wendend, voegde hij er op anderen toon aan toe: + +"Ze zitten met hun beenen twee gaten verder dan gewoonlijk!" + +Voor hen die niet vertrouwd zijn met deze folteringen zij hier vermeld +dat het "blok" een der onschuldigste is. De gaten waar de beenen +der gevangenen in gaan, staan ongeveer een handbreedte van elkaar +af. Als men nu twee gaten overspringt, komt de man die er zijn beenen +in heeft, in een eenigszins gedwongen houding, met een eigenaardige +hindernis aan zijn enkels, en een vaneen-spalking van zijn onderste +ledematen van meer dan een el wijd: 't is niet dadelijk doodelijk, +zooals men zich zeer goed kan voorstellen. + +De bewaarder gevolgd door vier soldaten schoof de grendels weg, +en opende de deur. Een walgelijke lucht en een dikke vochtige walm +ontsnapten uit de stikdonkere opening, en tegelijk hoorde men wat +klagen en snikken. Een soldaat stak een lucifer aan, maar de vlam +ging uit in de bedorven atmosfeer, en men moest wachten tot er +luchtverversching intrad. + +Bij het flauwe schijnsel van een kaars zag men even eenige menschelijke +gedaanten: mannen die hun knieën vasthielden en het hoofd ertusschen +verscholen, voorover op den grond liggend, naar den wand toegekeerd +en zoo meer. Men hoorde kloppen en knarsen, gepaard met gevloek: +'t blok werd losgemaakt. + +Doña Consolación zat half naar voren gebogen, de nekspieren gespannen, +met uitpuilende, op de halfgeopende deur strak gerichte, oogen. + +Tusschen twee soldaten kwam een sombere gedaante te voorschijn, +Tarsilo, de broer van Bruno. Aan de handen droeg hij boeien. Zijn +verscheurde kleeren lieten goed ontwikkelde spieren ontwaren. Zijn +oogen vestigden zich onbeschaamd op de vrouw van den _alférez_. + +"Dit is de man die zich het moedigste verdedigd heeft en zijn kameraden +heeft gezegd te vluchten," zeide de _alférez_ tot padre Salvi. + +Daarna kwam een ander, die er stumperachtig uitzag, en jammerde en +schreide als een kind: hij hinkte en had zijn broek vol bloed. + +"Genade, meneer, genade! Ik zal niet meer op de binnenplaats +komen!" schreeuwde hij. + +"'t Is een rakker," merkte de _alférez_ op, met den pastoor +sprekende. "Hij wou vluchten, maar ze hebben 'm in zijn dij +geschoten. Dit zijn de eenigen die we levend te pakken hebben +gekregen." + +"Hoe heet je?" vroeg de _alférez_ aan Tarsilo. + +"Tarsilo Alasigan." + +"Wat heeft Don Crisóstomo jullie beloofd, als jullie de kazerne +aanvielen?" + +"Don Crisóstomo heeft nooit aanraking met ons gehad." + +"Ontken 't niet! Waarom wilden jullie ons overvallen?" + +"U vergist u: u heeft onzen vader doodgeranseld, wij wilden hem wreken, +anders niet. Zoek mijn twee kameraden maar." + +De _alférez_ keek verbaasd naar den onderofficier. + +"Ze zijn daarginds in een ravijn, daar hebben wij ze ingesmeten, +daar liggen ze te rotten. Nu mag u mij dooden: u zal niets meer van +me te hooren krijgen." + +Er was een oogenblik stilte. + +"Je zult ons zeggen wie je andere medeplichtigen zijn," riep de +_alférez_, en zwaaide met een rotan. + +Een verachtelijk lachje speelde om de lippen van den beklaagde. + +De _alférez_ overlegde eenige oogenblikken, zacht sprekend, met den +pastoor. En zich daarna tot de soldaten wendend, gelastte hij: + +"Breng den man waar de lijken zijn!" + +In een hoek van de binnenplaats, op een ouden handwagen lagen vijf +lijken opeengehoopt, half bedekt door een stuk-gescheurde mat, vol +onreinheden. Een soldaat wandelde er op-en-neer, ieder oogenblik +spuwend. + +"Ken je ze?" vroeg de _alférez_, terwijl hij de mat oplichtte. + +Tarsilo antwoordde niet; hij zag het lijk van den man der krankzinnige +met twee anderen, dat van zijn broeder doorzeefd met bajonet-steken, +en dat van Lucas, nog met het touw aan zijn hals. Zijn blik werd weer +somber, en een zucht scheen uit zijn borst te ontsnappen. + +"Ken je ze?" werd hem weer gevraagd. + +Tarsilo bleef stom. + +Een zwiepend geluid doorsneed de lucht, en de rotan striemde over +zijn rug. Hij rilde, zijn spieren trokken zich samen. De rotanslagen +herhaalden zich, maar Tarsilo bleef onverstoord. + +"Dan maar ranselen tot hij crepeert of spreekt!" kreet de _alférez_ +buiten zich zelve. + +"Spreek dan toch!" zeide de commissaris, "in elk geval maken ze +je dood." + +Weer werd hij naar de zaal gebracht waar de andere gevangene de +heiligen aanriep, terwijl zijn tanden klapperden en zijn knieën +knikten. + +"Ken je dien man?" vroeg Padre Salvi. + +"Ik zie hem voor 't eerst!" antwoordde Tarsilo, met zeker medelijden +naar den ander kijkend. + +De _alférez_ gaf hem een stomp en een trap. + +"Maak hem aan de bank vast!" + +Zonder hem de handboeien af te nemen, die vol bloed zaten, werd hij +aan een houten bank vastgebonden. + +De ongelukkige keek om zich heen, als zocht hij wat, en zag Doña +Consolación. Hij lachte schamper. De omstanders waren verwonderd en +volgden zijn blik. Ze zagen toen dat onze dame zich een beetje op +haar lippen beet. + +"Ik heb nooit zoo'n leelijke vrouw gezien!" riep Tarsilo te midden +van de algemeene stilte. "Ik ga liever op een bank als deze slapen, +dan naast haar, zooals de _alférez_." + +De muze verbleekte. + +"U gaat me doodranselen, meneer de _alférez_," ging hij voort, +"vanavond zal uw vrouw me wreken door u te omhelzen." + +"Doe een prop in zijn mond!" schreeuwde de _alférez_, bevend van woede. + +'t Scheen wel alsof Tarsilo niets anders verlangde, want toen hij de +prop in zijn mond had, glansden zijn oogen van voldoening. + +Op een teeken van den _alférez_ begon een _guardia_ gewapend met een +rotan, zijn droevige taak. Het lichaam van Tarsilo kromp ineen. Een +gesmoord, lang-gerekt gebrul liet zich hooren, ondanks den doek, die +hem in den mond zat. Hij boog het hoofd. Zijn kleeren kwamen vol bloed. + +Padre Salvi stond met moeite op, bleek, met verdwaasden blik. Hij +gaf een teeken met de hand, en verliet wankelend de zaal. Op straat +zag hij een jongmeisje, dat met den rug tegen den muur geleund, daar +stokstijf stond te luisteren, starend in de ruimte, de verstuipte +handen tegen den ouden muur aangedrukt. De zon bescheen haar ten +volle. Ze telde, ademloos naar 't scheen, de doffe slagen en 't +hartverscheurend gekreun en gebrul. 't Was Tarsilo's zuster. + +In de zaal werd intusschen het tooneel voortgezet: de ongelukkige, +op van de pijn, zweeg en wachtte tot zijn beulen vermoeid zouden +zijn. Eindelijk liet de soldaat hijgend zijn arm zakken, en de +_alférez_, bleek van toorn en verbazing, gaf een teeken dat hij +losgemaakt moest worden. + +Doña Consolación stond toen op en fluisterde haar man iets in 't +oor. Deze knikte ten teeken van instemming. + +"Naar de put met hem!" zeide hij. + +De Filippijners weten wat dit beteekent. In het Tagaalsch vertalen ze +'t met _timbaïn_, van 't werkwoord _timba_, water putten. We weten +niet wie dit foltermiddel heeft uitgevonden, maar we houden 't voor +vrij oud. + +In 't midden van 't _patio_--de binnenplaats--van 't gemeentehuis +verhief zich de schilderachtige putrand, ruw van ongemetselde steenen +opgebouwd. Een landelijk toestel van bamboe, in den vorm van een +hefboom, diende om water te putten. Het vocht was slijmerig, vuil en +kwalijk riekend. Potscherven, vuilnis en allerlei vloeibare stoffen +vereenigden zich daar, want die put was als de gevangenis: daar kwam +terecht al wat de maatschappij wegwerpt of voor onnut houdt; iets dat +daar in valt, hoe goed het ook geweest is, is voor goed verloren. Toch +raakte de put nooit verstopt. Soms werden de gevangenen veroordeeld +om hem uit te diepen, niet omdat men dacht uit die straf eenig nut +te trekken, maar om de moeilijkheden. + +Tarsilo keek met strakken blik naar al de toebereidselen die de +soldaten maakten. Hij was zeer bleek en zijn lippen beefden, of +prevelden een gebed. De fierheid zijner wanhoop scheen verdwenen, of +ten minste verzwakt. Verscheidene malen boog hij zijn opgerichte nek, +en vestigde den blik op den grond, berustend in zijn lijden. + +Men bracht hem naar den putrand. Doña Consolación volgde lachend. De +rampzalige wierp een jaloerschen blik naar de hoop lijken, en een +zucht ontweek aan zijn borst. + +"Spreek nou!" zeide de commissaris weer tot hem, "je wordt in elk geval +opgehangen. Sterf dan ten minste zonder zooveel geleden te hebben." + +"Als je daar uit komt, moet je dood," zeide een _cuadrillero_. + +Men nam de prop uit zijn mond, en hing hem op aan de voeten. Hij moest +met het hoofd naar beneden neergelaten worden, en eenigen tijd onder +water blijven, op dezelfde wijze als men dat met den putemmer doet, +alleen dat ze den man er langer in laten. + +De _alférez_ verwijderde zich om een horloge te halen, en de minuten +af te tellen. + +Onderwijl hing Tarsilo, zijn lang haar warrelend in de lucht. Hij +hield de oogen half dicht. + +"Als jullie christenen zijn, als jullie een hart hebben," stamelde +hij smekend, "laat me dan gauw zakken, of maak dat mijn hoofd tegen +den muur aan slaat, en dat ik sterf. God zal je voor dat goede werk +beloonen...misschien komen jullie nog eenmaal in 't zelfde geval +als ik!" + +De _alférez_ kwam terug, en had, met het uurwerk in de hand, het +toezicht op de nederlating. + +"Langzaam, langzaam!" schreeuwde Doña Consolación, de ongelukkige +met den blik volgend. "Voorzichtig!" + +De zwengel daalde langzaam. Tarsilo streek tegen de uitstekende +steenen en de vieze planten aan, die in de reten groeiden. Dan hield +de zwengel op te zakken. De _alférez_ telde de sekonden. + +"Op!" kommandeerde hij kort-af na verloop van een halve minuut. + +Het zilverig welluidend gedruppel van water op water kondigde de +terugkeer van 't slachtoffer naar 't licht aan. Ditmaal ging het +sneller, daar het tegenwicht zwaarder woog. De steenbrokken en +schilfers, die van de put werden afgescheurd, vielen met gedruisch +neer. + +Voorhoofd en haar bedekt met walgelijke modder, het gelaat vol wonden +en afschavingen, het lichaam druipnat, verscheen de man aan de oogen +van de zwijgende menigte; de wind deed hem huiveren van koude. + +"Wil je nu spreken?" vroeg men hem. + +"Zorg voor mijn zuster!" stamelde de ongelukkige en keek smekend naar +een _cuadrillero_. + +De bamboe-zwengel knarste weer, en de veroordeelde verdween +nogmaals. Doña Consolación merkte op dat het water rustig bleef. De +_alférez_ telde een minuut. + +Toen Tarsilo weer bovenkwam, waren zijn trekken verwrongen en +lijkbleek. Hij richtte een blik naar de omstanders, en hield de met +bloed beloopen oogen open. + +"Zul je nu spreken?" vroeg de _alférez_ op ontmoedigden toon. + +Tarsilo schudde ontkennend het hoofd, en weer werd hij +neergelaten. Zijn oogleden sloten zich, zijn pupillen bleven naar de +hemel kijken, waar witte wolken zweefden. Hij boog den hals, om het +daglicht te blijven zien, doch weldra moest hij weer onder water, +en viel weer 't schandelijk scherm, dat het schouwspel der wereld +aan zijn oogen onttrok. + +Er ging een minuut voorbij. De Muze, die aandachtig toekeek, zag +groote luchtbellen aan de oppervlakte van 't water komen. + +"Hij heeft dorst!" zei ze lachend. + +En 't werd weer rustig. + +Dezen keer duurde het anderhalve minuut, voor de _alférez_ zijn +teeken gaf. + +Tarsilo's trekken waren niet meer verwrongen. De half geopende oogleden +lieten het wit van 't oog zien. Uit den mond kwam modderig water met +bloederige sliertjes. De koude wind blies, maar zijn lichaam huiverde +niet meer. + +Allen keken elkaar aan, zwijgend, bleek en verbijsterd. De _alférez_ +gaf een teeken om hem los te maken, en verwijderde zich in gedachten +verdiept. Doña Consolación bracht verscheidene malen haar brandende +sigaret tegen zijn bloote beenen aan, maar het lichaam huiverde niet +en de sigaret ging uit. + +"Hij heeft zichzelf laten stikken!" mompelde een _cuadrillero_. "Kijk +'s hoe zijn tong omgedraaid zit, alsof hij die heeft willen inslikken." + +De andere gevangene sloeg bevend en zwetend het tooneel gade: hij +keek als een gek naar alle kanten. + +De _alférez_ zeide aan den commissaris dat hij hem ondervragen moest. + +"Meneer, meneer!" kermde hij, "ik zal alles zeggen wat u maar wilt!" + +"Goed! Laten we 's hooren: hoe heet je?" + +"Andong, [56] meneer!" + +"Hoe dan: Bernardo, Leonardo, Ricardo, Eduardo, Gerardo?" + +"Andong, meneer!" herhaalde de onnoozele hals. + +"Zet u maar Bernardo of wat dan ook," besliste de _alférez_. + +"Familie-naam?" + +De man keek hem ontzet aan. + +"Wat voor 'van' heb je, wat zeggen ze achter je naam Andong?" + +"O, meneer! Andong Halve Gare, meneer!" + +De omstanders konden hun lachen niet honden. Zelfs de _alférez_ +stond stil op zijn wandeling. + +"Beroep?" + +"Klapperpooter, meneer, en bediende bij mijn schoonmoeder." + +"Wie heeft je gelast de kazerne aan te vallen?" + +"Niemand, meneer!" + +"Hoe zoo niemand? Lieg niet, hoor, of je gaat ook in de put. Wie +heeft je gelast? Zeg de waarheid!" + +"De waarheid, meneer!" + +"Wie?" + +"Wie, meneer?" + +"Ik vraag je wie je gelast heeft oproer te maken?" + +"Welk oproer, meneer?" + +"Ik bedoel omdat je gisterenavond op de binnenplaats van de kazerne +was." + +"O meneer!" riep Andong blozend. + +"Nu, wie heeft daar de schuld van?" + +"Mijn schoonmoeder, meneer!" + +Een luid gelach begroette deze woorden. + +De _alférez_ stond weer stil, en keek met niet strenge oogen naar den +stakker. Deze dacht dat zijn woorden een goeden indruk gemaakt hadden, +en ging aangemoedigd voort: + +"Ja, meneer, mijn schoonmoeder geeft me niks anders te eten dan rotte +oneetbare kost. Gisterenavond, toen ik zoo langs den weg liep, kreeg +ik buikpijn. Ik zag dat de binnenplaats van de kazerne dichtbij was, +en ik zei zoo bij mezelf: 't Is avond, niemand ziet je. Ik ging naar +binnen... en toen ik opstond, hoorde ik overal schieten. Ik was juist +bezig mijn broek op te halen..." + +Een rotan slag sneed hem het woord af. + +"Naar de gevangenis!" beval de _alférez_. "Vanmiddag naar de +hoofdplaats!" + + + + +LVI. + +De gevloekte. + + +Weldra verbreidde zich in het dorp de tijding dat de gevangenen +zouden vertrekken. In den beginne werd ze met schrik aangehoord, +daarna kwamen het geschrei en het gejammer. + +De families der gevangenen liepen als gekken: ze gingen van het +klooster naar de kazerne, van de kazerne naar het gemeentehuis, +en daar ze nergens troost vonden, vervulden ze de lucht met kreten +en gekerm. De pastoor had zich opgesloten, omdat hij ziek was. De +_alférez_ had zijn wacht versterkt, en deze ontving de smekende +vrouwen met de kolf van 't geweer. De _gobernadorcillo_, 't onnutte +wezen, scheen zotter dan ooit. Tegenover de kazerne liepen van 't +eene uiteinde naar 't andere de vrouwen die nog krachten hadden; +de anderen gingen op den grond zitten, terwijl ze de namen hunner +dierbaren uitspraken. + +De zon brandde, en geen enkele dier ongelukkigen dacht eraan heen te +gaan. Doray, de vroolijke gelukkige echtgenoote van Don Filipo, doolde +ontroostbaar rond, in haar armen haar kindje dragend. Beiden schreiden. + +"Ga maar heen," zeiden ze haar, "uw kind zal koorts oploopen." + +"Waartoe zou 't leven als 't geen vader heeft om 't op te +voeden?" antwoordde de diepbedroefde vrouw. + +"Uw man is onschuldig. Hij komt misschien terug!" + +"Jawel, wanneer wij al dood zijn!" + +_Capitana_ Finay schreide en riep haar zoon Antonio. De dappere +_Capitana_ Maria keek naar 't kleine traliewerk, waar achter haar +beide tweelingen, haar eenige kinderen waren. + +Daar was ook de schoonmoeder van de klapperpooter. Zij schreide niet: +ze wandelde heen-en-weer, gestikuleerde met opgestroopte mouwen, +en sprak het publiek toe: + +"Heb je ooit zoo iets gezien? Mijn Andong gevangen nemen, op hem +schieten, hem in 't blok doen en hem naar den hoofdplaats brengen, +alleen omdat... omdat hij een nieuwe broek aanhad? Dat roept om +wraak! De _guardias civiles_ maken misbruik van hun gezag! Ik zweer +dat, als ik er ooit weer een aantref die een afgelegen plekje in mijn +tuin zoekt, zooals dikwijls gebeurd is, dan snij ik erin... dan snij +ik erin, of anders mogen ze 't mij doen!" + +Doch weinig lieden stemden in met de muzelmansche schoonmoeder. + +"Van dit alles heeft Don Crisóstomo de schuld," zuchtte een vrouw. + +De schoolmeester doolde eveneens onder de menigte rond. "Ñor" Juan +wreef zich niet meer in de handen, hij had ook zijn schietlood en +zijn meter niet bij zich: de man was in 't zwart want hij had de kwade +tijding gehoord, en trouw aan zijn gewoonte, om de toekomst als iets +gebeurds te beschouwen, droeg hij rouw om den dood van Ibarra. + +Om twee uur 's middags hield een kar, door twee ossen getrokken, +stil voor het gemeentehuis. + +De kar werd omringd door de menigte, die hem wilde uitspannen en +vernielen. + +"Dat moet je niet doen," zei Capitana Maria, "wou je dat ze te voet +gingen?" + +Dit weerhield de menschen. Twintig soldaten traden naar buiten, +en omringden het voertuig. Daarna verschenen de gevangenen. + +De eerste was Don Filipo, die gebonden was. Hij groette glimlachend +zijn vrouw. Doray barstte in bitter schreien uit, en het kostte twee +_guardias_ moeite, om te beletten dat ze haar man omhelsde. Antonio, +de zoon van _Capitán_ Finay, kwam schreiend als een kind voor den dag, +hetwelk slechts de kreten van zijn familie deed toenemen. De onnoozele +Andong barstte in schreien uit, toen hij zijn schoonmoeder, de oorzaak +van zijn ongeluk, gewaar werd. Albino, de oud-seminarist, was ook +aan de handen gebonden, evenals de beide tweelingen van _Capitana_ +Maria. Deze drie jongelieden waren ernstig en somber. De laatste die +naar buiten kwam was Ibarra, los, maar tusschen twee _guardias civiles_ +in. De jongeman was bleek. Hij zocht een hem bevriend gezicht. + +"Die is de schuld van alles!" riepen er verscheidene stemmen. "Die is +'t meest schuldig, en die loopt ongebonden!" + +"Mijn schoonzoon heeft niets gedaan, en die heeft de handboeien aan!" + +Ibarra wendde zich tot zijn bewakers: + +"Bind me, maar doe 't goed: elleboog tegen elleboog!" zeide hij. + +"We hebben er geen order toe!" + +"Bind me!" + +De soldaten gehoorzaamden. + +De _alférez_ vertoonde zich te paard, tot de tanden gewapend. Nog +tien of vijftien soldaten volgden hem. + +Iedere gevangene had daar zijn familieleden, die voor hem smeekten, +van hem schreiden, en hem de liefste naampjes gaven. Alleen Ibarra +had er niemand; zelfs "Ñor" Juan en de schoolmeester waren verdwenen. + +"Wat hebben mijn man en mijn zoon u aangedaan?" zei Doray tot +hem. "Kijk mijn arme zoon! U heeft hem zijn vader afgenomen!" + +"Je bent een lafaard!" schreeuwde Andong's schoonmoeder hem +toe. "Terwijl de anderen voor je aan 't vechten waren, hield jij je +verscholen, lafaard!" + +"Wees vervloekt!" zei een oude man tot hem, terwijl hij hem volgde, +"vervloekt het goud dat je familie opgehoopt heeft, om onze rust +te verstoren!" + +"Laten ze je ophangen, ketter!" riep een verwante van Albino hem +toe. En zich niet kunnende inhouden, raapte ze een steen op, en gooide +dien naar hem. + +Het voorbeeld werd snel gevolgd, en op den ongelukkigen jongeman +regende het stof en steenen. + +Ibarra verdroeg onverstoord, zonder woede, zonder een klacht, +de rechtvaardige wraak van zooveel zwaarbezochte harten. Dat was +het afscheid, het vaarwel dat hem toegeroepen werd door zijn dorp, +waar al zijn liefde was. Hij boog het hoofd. Wellicht dacht hij aan +een man die onder geeselslagen door Manila rondgeleid werd, aan een +oude vrouw die dood neerviel op het gezicht van 't hoofd van haar +zoon. Wellicht kwam Elias' geschiedenis hem voor den geest. + +De _alférez_ vond het noodig de menigte te doen verwijderen, maar de +steenworpen en scheldwoorden hielden aan. Een moeder alleen wreekte +haar smart niet aan hem: 't was _Capitana_ Maria. Roerloos, met op +elkaar geklemde lippen, de oogen vol stille tranen zag ze haar twee +zoons weggaan. Ze stond daar onbewegelijker, en haar smart was grooter +dan die der Niobe uit de fabel. + +De stoet verwijderde zich. + +Ibarra zag de rookende puinhoopen van zijn huis, van 't huis zijner +ouders, waar hij geboren was, waar de liefste herinneringen zijner +kindsheid en zijner jongelingsjaren leefden. Tranen, lang weerhouden, +welden thans uit zijn oogen; hij boog het hoofd en weende, zonder +de troost te hebben van zijn schreien te kunnen verbergen, zoo +gebonden als hij daar was, noch de hoop dat het bij iemand deernis +zou wekken. Nu had hij geen vaderland, geen huis, geen liefde, geen +vrienden, geen toekomst meer! + +Van een hoogte sloeg een man den akeligen stoet gade. 't Was een oud +man, bleek, mager, gewikkeld in een wollen deken, met moeite leunend +op een stok. 't Was de oude filosoof Tasio, die op het bericht van +'t gebeurde niet langer in bed wilde blijven maar erheen wilde +snellen. Doch zijn krachten hadden het hem niet veroorloofd. De +grijsaard volgde de kar met den blik, totdat hij in de verte uit het +gezicht verdween. Hij bleef een poos in gedachten verzonken, en met +gebogen hoofd staan. Daarna richtte hij zich op, en ging, met groote +moeite en iedere keer stilstaande, den weg naar zijn huis op. + +Den volgenden dag vonden de herders hem dood liggen op den drempel +van zijn eenzaam verblijf. + + + + +LVII. + +Vaderland en belangen. + + +De telegraaf bracht onder ambtsgeheim het bericht van 't gebeurde +naar Manila over, en zes en dertig uur later spraken met veel +geheimzinnigheid en niet weinig bedreigingen de bladen er over; echter, +was er bijgevoegd, was 't een en ander verbeterd en besnoeid door den +fiskaal. Ondertusschen waren het partikuliere berichten, uitgaande van +de "kloosters," die het eerst van mond tot mond gingen, doch in stilte +en tot groote ontzetting van hen die ze vernamen. Het feit, in duizend +lezingen verminkt, werd met meer of minder gemak geloofd al naar mate +het de hartstochten en de denkwijze van een ieder streelde of kwetste. + +Zonder dat de openbare rust gestoord scheen, althans in schijn +werd de vrede der haardsteden hersteld, als in een vijver: terwijl +de oppervlakte zich glad en effen vertoont, krioelen, glijden en +vervolgen elkaar de stomme visschen. Ridderkruisen, ordeteekens, +galons, baantjes, prestige, macht, aanzien, waardigheden enz. begonnen +rond te dwarrelen als vlinders in een atmosfeer van gouden muntstukken, +voor de oogen van een deel der bevolking. Voor het andere, verhieven +zich aan de kim, afstekend tegen den aschkleurigen ondergrond, +als zwarte silhouetten, tralies, ketens en zelfs het noodlottige +galgen-hout. 't Was of men in de lucht de verhooren, de vonnissen, +de kreten, ontwrongen door de foltertuigen, kon waarnemen. De +Mariannen-eilanden en Bagoembajan vertoonden zich gehuld in een +bloedig-lompige sluier: men verwarde visschers en visschen. Het lot +liet de gebeurtenis aan de verbeelding der Manilenen zien als zekere +Chineesche waaiers: een kant zwart, en de andere kant vol verguldsel, +levendige kleuren, vogels en bloemen. + +In de "kloosters" heerschte de grootste opwinding. Men spande +rijtuigen in; de "provincialen" bezochten elkaar, hielden geheime +samenkomsten. Ze vervoegden zich in de paleizen om hun steun aan te +bieden aan het "bestuur dat in zeer ernstig gevaar verkeerde." + +Men sprak weer over komeeten, maakte toespelingen, gaf speldeprikken +enz. + +"Een _Te Deum_, een _Te Deum_!" zeide een monnik in een +klooster. "Dezen keer moet er niets in 't koor ontbreken! 't Is +geen geringe goedheid van God, dat Hij nu doet zien, juist in zulke +verdorven tijden, hoeveel wij waard zijn!" + +"Na dit lesje zal generaaltje _Mal Agüero_ [57] zich op zijn lippen +bijten," antwoordde een ander. + +"Wat zou er van hem geworden zijn zonder de corporaties?" + +"En om het feest beter te vieren, moet aan den broederkok en den +rentmeester gezegd worden... _gaudeamus_ drie dagen lang!" + +"Amen! Amen! Leve Salvi! Leve!" + +In een ander klooster was het weer anders. + +"Zie je wel. Dat is nu een leerling van de Jezuïeten: van 't Ateneo +gaan de opstandelingen uit!" zeide daar een _fraile._ + +"En godloochenaars." + +"Ik heb 't wel gezegd: de Jezuïeten storten 't land in 't ongeluk, +bederven de jeugd; maar men duldt ze, omdat ze wat krabbels op een +papier zetten, wanneer er aardbeving is..." + +"En God weet hoe ze wezen zullen!" + +"Jawel, spreek ze maar 's tegen! Als alles beeft en zich beweegt, +wie schrijft er dan hanepoten? Onzin, Padre Secchi..." + +En ze lachen met souvereine minachting. + +"Maar de stormen dan, en de tyfon's?" vroeg een ander met bijtende +ironie. "Is dat niet goddelijk?" + +"De eerste de beste visscher kan ze voorspellen!" + +"Als de man aan 't bewind een stommeling is... zeg me hoe 't met je +hoofd staat, en ik zal je zeggen wie je vader is! Maar u zult 's zien, +als de vrienden elkaar vooruithelpen: de bladen vragen bijna om een +bisschopsmijter voor Padre Salvi." + +"En hij krijgt 'm! En lekker ook!" + +"Denk je dat?" + +"Dacht je van niet? Ze geven die tegenwoordig voor allerlei dingen. Ik +weet van een die hem wel voor minder gekregen heeft: hij schreef een +prullig boekje, waarin hij aantoonde dat de inlanders alleen maar +geschikt waren voor handwerkslieden...bah, ouwe zeurpraatjes!" + +"Dat is zo! Al die onrechtvaardigheden doen kwaad aan den +godsdienst!" riep een ander uit. "Als de mijters oogen hadden, en +'s konden zien op wat voor schedels of ze..." + +"Als de mijters natuurvoorwerpen waren," voegde een ander er met +neusgeluid bij. "_Natura abhorret vacuum._" [58] + +"Daarom juist krijgen zij ze te pakken: het leege trekt ze +aan!" antwoordde nog een ander. + +Dit een en ander en meer zoo werd in de "convento's" gezegd. + + + +In zijn weelderig ruim salon zit Capitán Tinong--dezelfde gastvrije +man die indertijd met zooveel aandrang Ibarra tot een bezoek aan zijn +huis uitnoodigde--in een grooten leuningstoel. Hij streek mismoedig de +handen over het voorhoofd en den nek, terwijl zijn eega, _Capitana_ +Tintjang, zat te schreien en een boetpredicatie tegen hem hield in +'t bijzijn van zijn twee dochters, die in een hoek stom, verbijsterd +en ontroerd toeluisterden. + +"Ach, Heilige Maagd van Antipolo!" riep de vrouw. + +"Ach, Heilige Maagd van den Rozenkrans en van de Riem! + +"Och och! Onze lieve Vrouw van Novaliches!" + +"Nanay!" antwoordde 't jongste der meisjes. + +"Ik heb 't je wel gezegd!" ging de vrouw verwijtend voort. "Ik heb +'t je wel gezegd. Och, Heilige Maagd _del Carmen_, och, och!" + +"Maar je hebt me immers niets gezegd!" waagde Capitán Tinong +op huilerigen toon te antwoorden. "Integendeel, je hebt me juist +gezegd dat ik er goed aan deed bij Capitán Tiago aan huis te komen, +en zijn vriendschap aan te houden, omdat...omdat hij rijk was...en +je zei me..." + +"Wat? Wat heb ik je gezegd? Dat heb ik je niet gezegd, ik heb je +niets daarvan gezegd! Och, als je toch naar me geluisterd had!" + +"Nu gooi je de schuld op mij!" hervatte hij op bitteren toon, terwijl +hij met de hand op de armleuning van zijn stoel sloeg. "Heb je dan +niet gezegd dat ik goed gedaan had met hem uit te noodigen, om bij +ons te komen eten, omdat hij rijk was...? Jij zei zelf dat we alleen +maar kennissen en vrienden onder de rijken moesten hebben. _Awa!_" + +"'t Is waar, dat heb ik je gezegd... omdat er niets anders op zat: +jij prees hem maar altijd: Don Crisóstomo voor, Don Crisóstomo na, +_awa_! Maar ik heb je niet aangeraden dat je hem zou ontmoeten en +met hem praten op die bijeenkomst. Dat kun je me niet tegenspreken." + +"Wist ik soms dat hij daarheen zou gaan?" + +"Je hadt het moeten weten!" + +"Hoe kon dat, als ik hem niet eens kende?" + +"Nou, dan had je hem moeten kennen!" + +"Maar, Tintjang, 't was immers den eersten keer dat ik hem zag, +dat ik van hem hoorde spreken!" + +"Dan had je 'm maar eerder moeten gezien hebben, of van hem gehoord +hebben! Daarvoor ben je een man, daarvoor draag je een broek en +lees je het _Diario de Manila_!" antwoordde de gade onverschrokken, +en wierp hem een vreeselijken blik toe. + +Capitán Tinong wist niet wat hij zou antwoorden. + +_Capitana_ Tintjang, niet tevreden met deze overwinning, wilde hem +geheel vernietigen, en met gebalde vuisten op hem toetredend, voer +ze tegen hem uit: + +"Heb ik daarvoor jaar in jaar uit gezwoegd en gesloofd en gespaard, dat +jij met stommiteiten de vrucht van mijn inspanning zult wegsmijten? Nu +zullen ze komen, om je te verbannen, ze zullen ons goed afnemen, +zooals ook overkomen is aan de vrouw van...O, als ik een man was!" + +En ziende dat haar man 't hoofd boog, begon ze weer te snikken, +maar herhaalde onderwijl steeds: + +"O, als ik toch een man was, als ik een man was!" + +"En als jij nu 's man was," vroeg tenslotte de echtgenoot gepikeerd, +"wat zou je dan doen?" + +"Wat? Wel...wel...ik ging nog vandaag me bij den gouverneur +aanmelden, om mijn diensten aan te bieden, om te vechten tegen de +opstandelingen. Nu onmiddellijk!" + +"Maar heb je dan niet gelezen wat _'t Dagblad_ zegt? Lees! "Het +snoode verraad is met voortvarendheid, kracht en vastberadenheid +onderdrukt, en weldra zullen de rebellen, de vijanden van 't vaderland, +en hun medeplichtigen al het gewicht en de gestrengheid der wetten +voelen"... Zie je? Er is geen oproer meer." + +"Dat doet er niet toe, je moet je toch aanmelden, net zooals ze 't in +'72 gedaan hebben, en die zijn toen vrijgekomen." + +"Jawel! Iemand die 't ook gedaan heeft, padre Burg..." Doch hij kon +den naam niet geheel uitspreken, want zijn vrouw liep op hem toe, +en hield hem den mond dicht. + +"Komaan, nou nog mooier! Spreek dien naam uit, dan hangen ze je morgen +in Bagoembajan op! Weet je dan niet, dat het genoeg is hem uit te +spreken om zonder vorm van proces te worden veroordeeld? Wel zeker, +ga je gang maar!" + +De Capitán had, al had hij haar nog zoo gaarne willen gehoorzamen, +'t niet gekund: met beide handen hield zijn vrouw zijn mond dicht, +terwijl ze zijn klein hoofd tegen de leuning van den stoel drukte. En +wellicht zou de arme man gestikt zijn, als niet een nieuw personage +tusschenbeide gekomen was. + +Dit was neef Don Primitivo, die den theoloog Amat uit zijn hoofd kende, +een man van zoowat veertig jaar, keurig net gekleed, met een buikje +en eenigszins gezet. + +"_Quid video?"_ riep hij bij 't binnenkomen uit. "Wat is er? _Quare?_" +[59] + +"Och neef!" zei de vrouw en liep schreiend op hem toe, "ik heb je laten +roepen, omdat ik niet weet wat er van ons vrouwen worden zal...wat raad +je ons? Spreek, jij die Latijn geleerd hebt, en kunt redeneeren..." + +"Maar eerst _quid quaeritis_? _Nihil est in intellectu quod prius +non fuerit in sensu; nihil volitum quin praecognitum._ [60]" + +En hij ging heel bedaard zitten. Als hadden de latijnsche zinnen een +stillende kracht bezeten, hielden beide echtelieden op met schreien +en gingen naar hem toe, wachtende van zijn lippen den raad, gelijk +indertijd de Grieken het reddend orakel verbeidden, dat hen zou +verlossen van de invallende Perzen. + +"Waarom schreien jullie? _Ubinam gentium sumus?_" [61] + +"Je weet 't bericht van 't oproer..." + +"_Alzamentum Ibarrae ab alferesio Guardia civilis destructum?_ [62] +_Et nunc?_ Wat zou dat nog? Is Don Crisóstomo je wat schuldig?" + +"Nee, maar, weet je, Tinong heeft hem ten eten gevraagd, hij heeft +hem gegroet op de _Puente de España_ op klaarlichten dag! Ze zullen +zeggen dat hij een vriend van hem is!" + +"Een vriend?" riep de latinist verwonderd uit. "_Amice, amicus Plato, +sed magis amica veritas!_ [63] Zeg mij met wie je omgaat, en ik zal +je zeggen wie je bent! _Malum est negotium et est timendum rerum +istarum horrendissimum resultatum!_" [64] + +Capitán Tinong werd schrikkelijk bleek, toen hij zooveel woorden op +_um_ hoorde: deze klank was hem onheilspellend. Zijn vrouw sloeg de +handen smeekend ineen en zeide: + +"Neef, spreek nu geen latijn tegen ons; je weet wel dat we geen +filosofen zijn zooals jij. Spreek Tagaalsch of Spaansch tegen ons, +maar geef ons een raad." + +"Jammer dat jullie geen latijn verstaan, nicht: de latijnsche waarheden +zijn leugens in 't Tagaalsch. Bijvoorbeeld _Contra principia negantem +fustibus est arguendum._ [65] In 't latijn is het een waarheid als +een koe. Ik heb 't eens in 't Tagaalsch toegepast, en toen kreeg _ik_ +op mijn kop. Daarom is 't erg jammer dat jullie geen latijn kennen, +in 't latijn zou alles geschikt kunnen worden." + +"Wij kennen ook veel _oremus, parce nobis_ en _Agnus Dei catolis_ +(voor _qui tollis_...). Maar nu zouden we elkaar niet verstaan. Geef +Tinong nu 's een argument aan de hand, dat ze hem niet ophangen!" + +"Je hebt er verkeerd aan gedaan, heel verkeerd, neef, met vriendschap +aan te gaan met dat jongemensch!" antwoordde onze latinist. "De +rechtvaardigen betalen voor de zondaren. Ik zou je bijna aanraden +je testament te maken... _Vae illis! Ubi est fumus est ignis! Simili +gaudet atqui Ibarra ahorcatur, ergo ahorcaberis."_ [66] + +En misnoegd schudde hij het hoofd. + +"Saturnino, wat scheelt je?!" kreet Capitana Tintjang vol +ontzetting. "Och lieve God! Hij is dood! + +"Een dokter! Tinong, Tinongoy!" + +De beide dochters kwamen toegeschoten en alle drie begonnen te +jammeren. + +"Is maar een flauwte, nicht, een flauwte! Ik zou me meer verheugd +hebben, als...als het...maar ongelukkigerwijze is het niets dan een +flauwte. _Non timeo mortem in catre sed super espaldonem Bagumbayanis._ +[67] Breng water!" + +"Ga nu niet dood!" riep de vrouw schreiend. "Ga nu niet dood, want +ze komen je gevangennemen! Och, och, als je doodgaat, en de soldaten +komen! Och, och!" + +De neef besprenkelde zijn gezicht met water, en de ongelukkige +kwam bij. + +"Kom, niet huilen! _Inveni remedium_, ik heb 't middel gevonden. Laten +we hem naar zijn bed brengen. Kom moed gevat! Want ik ben hier bij +jullie met al de wijsheid der Ouden...Laat een dokter halen. En +nu dadelijk, nicht, ga je naar den gouverneur, en je brengt hem een +cadeau, een gouden ketting, een ring.._Dadivae quebrantant penas._ [68] +Je zegt dat het een paaschgeschenkje is. Sluit de vensters en deuren, +en laat aan iedereen die naar mijn neef vraagt zeggen dat hij ernstig +ziek is. Onderwijl verbrand ik alle brieven, papieren en boeken, dan +kunnen ze niets vinden. Zoo heeft Don Crisóstomo ook gedaan. _Script +testes sunt! Quod medicamenta non sanat, ignis sanat._ [69] + +"Ja, heel goed neef. Verbrand alles maar!" zeide Capitana +Tintjang. "Hier heb je de sleutels, hier de brieven van _Capitán_ +Tiago: verbrand ze! Laat er geen enkele Europeesche krant overblijven: +die zijn erg gevaarlijk. Hier heb je de _Times_, die ik bewaard had +om zeep en kleeren in te pakken. Hier zijn de boeken." + +"Ga naar den _capitan general_, nicht", zeide Don Primitivo, "laat +me alleen. _In extremis extrema._ [70] Geef me de macht van een +romeinschen _dictator_, en je zult 's zien, hoe ik de heele sante..., +ik bedoel den neef red." + +En hij begon orders en nog 's orders te geven, muurplanken door te +rommelen, papieren, boeken, brieven enz. te verscheuren. Weldra brandde +er een heele stapel in de keuken. Oude donderbussen werden met een +bijl slukgeslagen; roestige revolvers in de plee gesmeten. De meid, +die den loop van een voorblazer wilde bewaren, kreeg een uitbrander. + +"_Conservare etiam sperasti perfida?_ [71] In 't vuur!" En hij zette +zijn "auto de fe" voort. + +Hij zag een oud boekdeel in perkament, en las den titel: + +"Omwentelingen der hemellichamen door Copernicus." "Foei! _Ite, +maledicti, in ignem kalanis_," [72] riep hij, en wierp het in 't +vuur. "Omwentelingen en Copernicus! Misdaad op misdaad! Als ik niet op +tijd gekomen was. 'De vrijheid der Filippijnen.' Kijk er 's aan! Wat +'n boeken! In 't vuur ermee!" + +En er werden onschuldige boeken verbrand, geschreven door onnoozele +schrijvers. Zelfs 't lieve "Capitein Jan" kon niet ontkomen. Neef +Primitivo had gelijk: de goeden moeten voor de kwaden lijden. + +Vier of vijf uur later vertelde men op een voornaam avondpartijtje in +Intramuros de gebeurtenissen van den dag. 't Waren veel oude vrouwen +en trouwlustige oude vrijsters, vrouwen of dochters van ambtenaren, +gekleed in ochtendjaponnen, zich bewaaierend en geeuwend. Onder de +mannen, die evenzeer als de vrouwen in hun trekken hun opvoeding en +hun afkomst verrieden, bevond zich een heer op leeftijd, klein en +met één arm, die door allen met veel onderscheiding behandeld werd, +en die tegenover de anderen een minachtend zwijgen bewaarde. + +"'t Is waar, dat ik vroeger de _frailes_ en _guardias civiles_ +niet uit kon staan, omdat ze zoo onopgevoed zijn," zeide een dikke +dame. "Maar nu ik hun nut en hun diensten gezien heb, zou ik bijna +met genoegen met een hunner trouwen. Ik ben vaderlandslievend." + +"Ik zeg 't zelfde!" liet een magere volgen. "Hoe jammer dat we den +vorigen gouverneur niet hebben: die zou 't land schoongeveegd hebben +als een miskelk-schoteltje!" + +"En dan zou 't uit wezen met dat _filibustero_-gespuis!" + +"Zeggen ze niet dat er nog veel eilanden onbevolkt zijn? Waarom +zenden ze daar niet al die halve gare inlanders heen? Als ik _capitan +general_ was..." + +"Dames," zeide de éénarmige: "de _capitan general_ kent zijn +plicht. Naar ik gehoord heb, is hij zeer ontstemd; want bij had dien +Ibarra met gunsten overladen." + +"Met gunsten overladen!" herhaalde de magere, zich woest +waaierend. "Kijk nu toch ereis aan hoe ondankbaar die inlanders +zijn! Kan je ze dan nog wel als menschen behandelen? Jezus!" + +"En weet u wat ik gehoord heb?" vroeg de éénarmige. + +"Komaan! Wat is 't? Wat zegt men?" + +"Vertrouwenswaardige personen," zeide de éénarmige te midden van de +grootste stilte, "verzekeren dat al dat lawaai om een school op te +richten een puur verzinsel was." + +"Jezus! Hebt u 't gehoord?" riepen de vrouwen, reeds geloovend dat +het een verzinsel was. + +"De school was een voorwendsel: wat hij wou oprichten, was een fort, +waaruit hij zich goed zou kunnen verdedigen, als wij hem aanvielen..." + +"Jezus! Wat 'n schandaal! Alleen een inlander is in staat zulke laffe +gedachten te hebben," riep de vette uit. "Als ik de _capitan general_ +was, dan zouden ze 's wat zien...dan zouden ze wat zien..." + +"Dat zeg ik ook!" riep de magere uit, zich tot den éénarmige +wendend. "Ik zou ieder advocaatje, geleerdetje of koopman gevangen +laten nemen, en zonder vorm van proces, zou ik ze verbannen of achter +slot en grendel stoppen. + +"'t Kwaad met de wortel uitroeien!" + +"Ze zeggen nog wel dat die _filibustero_ van Spaansche afkomst +is!" merkte de éénarmige op, zonder iemand aan te kijken. + +"O, jawel!" riep de dikke onverschrokken uit, "'t moeten toch +altijd die sinjo's wezen! Geen enkele inlander heeft begrip van een +omwenteling! Voed maar raven op, voed raven op!..." + +"Weet u wat ik heb hooren zeggen?" vroeg een nonna, die op die +wijze het gesprek afbrak. "De vrouw van _Capitán_ Tinong...weet u +wel? Dezelfde bij wie in huis we gedanst en gesoupeerd hebben op +'t feest in Tondo..." + +"Die met haar twee dochters? Nu, wat dan?" + +"Wel, die heeft juist van middag den _capitan general_ een ring van +duizend _peso's_ waarde cadeau gegeven!" + +De éénarmige keerde zich om. + +"Werkelijk? En waarom dat?" vroeg hij met schitterende oogen. + +"Het mensch zei: als Paaschgeschenk..." + +"'t Is pas over een maand Paschen!" + +"Ze zal bang wezen dat ze de bui op haar kop krijgt..." merkte de +vette op. + +"En ze schuilt voor den tijd," voegde de dunne erbij. + +"Wie zich verontschuldigt, beschuldigt zich!" + +"Dat dacht ik ook juist: u heeft de vinger op de wond gelegd." + +"Je moet zoo iets goed nagaan," bracht peinzend de eenarmige in +'t midden. "Ik voor mij vrees, dat er iets achter zit." + +"Er zit iets achter, ja ja! Dat wou ik juist ook zeggen," herhaalde +de magere. + +"En ik," zeide een ander, haar 't woord afgrissend, "de vrouw van +Capitán Tinong is erg gierig... ze heeft ons nog geen enkel cadeau +gezonden, en dat terwijl we bij haar gelogeerd hebben. + +"Dus als zoo'n schriel inhalig mensch een cadeautje van duizend +_peso's_ afschuift..." + +"Maar is dat heusch waar?" vroeg de éénarmige. + +"En of! Zoo waar als iets, hoor! De aanstaande van mijn nichtje, +die adjudant is bij Zijne Excellentie, heeft het haar zelf gezegd. Ik +maak me sterk dat het dezelfde ring is die de oudste van de meisjes +aan had op het feest. Ze zit altijd vol briljanten!" + +"Een loopende uitstalkast!" + +"Och, een manier om reklame te maken als ieder andere! In plaats van +een modeplaat te koopen of een winkel te betalen hoef je nou maar..." + +De éénarmige verliet onder een voorwendsel het gezelschap. + +En twee uur later, toen allen sliepen, kregen verscheidene burgers van +Tondo een uitnoodiging door tusschenkomst van soldaten...Het Gezag +mocht niet toestaan dat zekere personen van positie en fortuin in +huizen sliepen die zoo slecht bewaakt en zoo weinig frisch waren: in +'t Fort Santiago en andere gouvernementsgebouwen zou de slaap rustiger +en versterkender wezen. Onder deze begunstigde personen bevond zich +de ongelukkige _Capitán_ Tinong. + + + + +LVIII. + +Maria Clara gaat trouwen. + + +_Capitán_ Tiago is zeer in zijn schik. Gedurende de heele nare +periode heeft niemand zich met hem bemoeid: men heeft hem niet +gevangen genomen, men heeft hem niet onderworpen aan afzondering, +verhoor, elektrische machines, voortdurende voetbaden in onderaardsche +vertrekken en andere guitenstreken meer, die wel bekend zijn bij zekere +persoonlijkheden welke zichzelf beschaafd noemen. Zijn vrienden, +dat wil zeggen zij die 't eenmaal waren [want de man verloochende +zijn Filippijnsche vrienden, van af het oogenblik waarin ze verdacht +voor 't gouvernement werden,] zijn ook naar hun huizen teruggekeerd, +na eenige dagen vacantie in de rijksgebouwen. De gouverneur had +zelf order gegeven dat men ze uit hun bezittingen zou zetten, daar +hij ze niet voldoende waardig achtte om daarin te blijven, tot groot +verdriet van den éénarmige, die zijn aanstaande Paschen in hun talrijk +en welgesteld gezelschap had willen vieren. + +Capitán Tinong kwam ziek, bleek, gezwollen in zijn huis terug--het +uitstapje was hem niet best bekomen--, en zoo veranderd dat hij geen +woord zeide, zelfs geen groet overhad voor zijn gezin, dat schreide, +lachte en gek werd van plezier. De arme man kwam zijn huis niet uit, +om geen gevaar te loopen dat hij een opstandeling, een _filibustero_, +zou moeten groeten. Zelfs neef Primitivo met al zijn wijsheid der +ouden kon hem niet aan zijn in-zich zelf-gekeerdheid ontrukken. + +"_Crede prime_," [73] zeide hij tot hem "doordat ik niet tijdig alle +papieren heb kunnen verbranden, hebben ze je te pakken gehad. Maar +als ik je heele huis had verbrand, hadden ze je geen haar op je hoofd +gekrenkt. Doch _quod eventum, eventum. Gratias agamus Deo quia non +in Marians Insulis es, camotes seminando._" [74] Geschiedenissen +gelijkende op die van _Capitán_ Tinong waren Capitán Tiago niet +onbekend. De man liep over van dankbaarheid, zonder dat hij precies +wist aan wien hij zulke bizondere gunsten verschuldigd was. Tante +Isabel schreef het wonder toe aan de Heilige Maagd van Antipolo, +aan die van den Rozenkrans, of ten minste aan de _Virgen del Carmen_, +en op zijn allerminst, 't minste dat ze kon toegeven, aan Onze Lieve +Vrouw van de Riem; volgens haar kon het wonder niet van elders gekomen +zijn. _Capitán_ Tiago ontkende het wonder niet, maar voegde erbij: + +"Ik geloof het Isabel, maar de Heilige Maagd van Antipolo zal het niet +alleen gedaan hebben. Mijn vrienden zullen ook meegeholpen hebben, +mijn aanstaande schoonzoon, meneer Linares, die, zooals je weet gekheid +maakt met den minister Antonio Canovas, dezelfde waarvan een prentje +in de illustratie stond, waar hij zich alleen maar verwaardigt de +helft van zijn gezicht aan de menschen te laten zien." + +En de goede man kon een lachje van tevredenheid niet bedwingen +telkenmale wanneer hij een belangrijk bericht omtrent de gebeurtenissen +hoorde. En daar was wel reden voor. Men fluisterde stilletjes dat +Ibarra zou opgehangen worden; dat ofschoon er veel bewijzen ontbraken +om hem te veroordeelen, er onlangs een voor den dag was gekomen, dat +de beschuldiging bevestigde; de deskundigen zouden verklaard hebben +dat inderdaad de bouwwerken voor de school konden gehouden worden +voor een bolwerk, een versterking, alhoewel eenigszins gebrekkig, +zooals van domme inlanders niet anders kon verwacht worden. Deze +geruchten stelden hem gerust, en deden hem glimlachen. + +Op dergelijke wijze als _Capitán_ Tiago en zijn nicht van meening +verschilden, verdeelden zich de vrienden der familie ook in +twee partijen: de eene hield het met de wonderen, de andere met +het bestuur, ofschoon deze laatste partij onbeteekenend was. De +mirakel-menschen waren weer onderverdeeld: de hoofdkoster van Binondo, +de verkoopster van waskaarsen en het hoofd van een broederschap zagen +de hand Gods, bewogen door de Maagd van den Rozenkrans. De Chineesche +kerkkaarsen-leverancier--die haar voorziet wanneer ze naar Antipolo +gaat--zeide, terwijl hij zich waaierde en een been heen en weer bewoog, +in zijn verhaspeld Spaansch: + +"Wees niet dwaas: 't is de Maagd van Antipolo, bepaald! Die kan meer +dan alle anderen. Wees maar niet dwaas!" + +_Capitán_ Tiago had groote achting voor den Chinees, die zich uitgaf +voor waarzegger, dokter enz. De palm van de hand zijner overleden +echtgenoote onderzoekend in de zesde maand van haar zwangerschap, +had hij voorspeld: + +"Als 't geen jongen is en niet dood gaat, dan zal 't een heel goede +vrouw worden!" + +En Maria Clara kwam ter wereld om de profetie van onze helden te +vervullen. + +_Capitán_ Tiago echter was een voorzichtig en angstvallig man, en +kon maar niet zoo dadelijk besluiten als de Trojaan Paris. Hij kon +maar niet zoo ineens de voorkeur geven aan een der twee maagden uit +vrees, dat hij de andere zou beleedigen, hetwelk ernstige gevolgen +zou kunnen na zich slepen. "Voorzichtig!" zei hij bij zichzelf, +"laten we nu niet de boel bederven!" + +In deze weifelingen verkeerde hij toen de gouvernementspartij aankwam: +Doña Victorina, Don Tiburcio en Linares. + +Doña Victorina sprak voor de drie mannen en voor haar zelve, vermeldde +de bezoeken van Linares aan den _capitan general_, en gaf herhaalde +malen bedektelijk de wenschelijkheid van een aanzienlijk familielid +te kennen. + +Ze lispte tegenwoordig, om een Andalusischen tongval na te doen. + +"Ja!" zeide ze van Ibarra sprekend, "die had het wel verdiend. Ik heb +'t dadelijk wel gezegd, toen ik hem zag: dat is een _filibustero_. Wat +heeft jou de gouverneur ook weer gezegd? Wat heb je hem gezegd, +wat voor berichten heb je hem over Ibarra gegeven?" + +En ziende dat de neef draalde met te antwoorden, ging ze, zich tot +_Capitán_ Tiago wendend, voort: + +"Gelooft u me maar, als ze hem ter dood veroordeelen, zooals te hopen +is, dan zal 't aan mijn neef te danken zijn." + +"Nicht! nicht!" protesteerde Linares. + +Doch ze liet hem geen tijd: + +"Och wat 'n diplomaat ben jij geworden! We weten dat je de raadsman +bent van den gouverneur, die kan gewoon niet buiten je... Wel, Clarita, +wat 'n genoegen je te zien!" + +Maria Clara vertoonde zich, nog bleek, ofschoon reeds vrijwel hersteld +van haar ziekte. Het lange haar was opgenomen met een lichtblauw +zijden lint. Ze groette bedeesd, met een droevig lachje, en trad op +Doña Victorina toe, voor den gebruikelijken kus. + +Na de gewone beleefdheidsfrazen, ging de pseudo Andalusische voort: + +"We komen jullie opzoeken. U bent er mooi afgekomen, dank zij uw +relaties!" En ze keek veelbeteekenend naar Linares. + +"God heeft mijn vader behoed!" antwoordde het jongemeisje zacht. + +"Jawel, Clarita, maar de tijd van de wonderen is al voorbij: wij +Spanjaarden zeggen: wantrouw de Maagd en zet het op een loopen." [75] + +"Juist om...om...omgekeerd!" zei haar echtvriend. + +_Capitán_ Tiago, die tot-nog-toe geen tijd had gevonden om een woord te +zeggen, waagde het te vragen, met veel aandacht lettend op 't antwoord: + +"Dus u, Doña Victorina, u gelooft dat de Maagd?..." + +"Wij komen juist met u over de 'maagd' spreken," antwoordde ze +geheimzinnig, en wees daarbij naar Maria Clara. "We moeten over +zaken spreken." + +Het jongemeisje begreep dat ze heen moest gaan. Ze zocht een +voorwendsel, en verwijderde zich, onderweg steunend tegen de meubelen. + +Wat in dit onderhoud afgehandeld werd is te min en te kleinzielig voor +vermelding. Toen het afgeloopen was, en men scheidde, was iedereen +in zijn schik. + +Daarna zeide _Capitán_ Tiago tot tante Isabel: + +"Laat aan 't logement zeggen dat we morgen een feest geven! Bereid +jij Maria erop voor, dat ze binnenkort gaat trouwen." + +Tante Isabel keek hem ontsteld aan. + +"Je zult 's zien! Wanneer meneer Linares mijn schoonzoon is, gaan +we in alle paleizen in en uit. Ze zullen jaloersch op ons wezen, +ze zullen 't allemaal besterven van nijd!" + +En zoo kwam het dat den volgenden dag 's avonds om acht uur +Capitán Tiago's huis weer vol menschen was; alleen waren ditmaal +zijn genoodigden uitsluitend Spanjaarden en Chineezen. Het schoone +geslacht was vertegenwoordigd door Spaanschen, zoowel uit Spanje als +uit de Filippijnen. + +Daar waren de meeste onzer bekenden bijeen: Padre Sibyla, Padre +Salvi onder verscheidene andere Franciskanen en Dominikanen; de oude +luitenant van de _guardia civil_, de heer Guevara, somberder dan ooit; +de _alférez_, die voor den duizendsten keer zijn veldslag vertelde, +onderwijl over zijn schouders iedereen aankijkend en zich houdend voor +een Don Juan van Oostenrijk; hij was nu luitenant met den graad van +"Comandante"; de Espadaña, die met eerbied en vreeze naar hem keek en +zijn blikken ontweek, en Doña Victorina, die "'t land" had. Linares +was nog niet gekomen, want als persoon van gewicht, moest hij later +komen dan de anderen: er zijn wezens die zoo ingebeeld zijn, dat ze +met een uur te laat bij allen toch groote mannen blijven. + +In de groep der vrouwen was Maria Clara het voorwerp van praatjes. + +"Phu!" zei een jongmeisje, "aardig trotsch..." + +"Ziet er wel lief uit," antwoordde een ander, "maar hij kon er wel +een uitgekozen hebben, die niet zoo onnoozel keek." + +"Dat doet het goud, meiske, de schoone jongeling verkoopt zich." + +Ergens anders zeide men: + +"Dat gaat trouwen, terwijl de eerste aanstaande op 't punt staat om +opgehangen te worden!" + +"Dat is nog 's overleg: een plaatsvervanger klaar te hebben." + +"Als ze nu weduwe wordt..." + +Deze gesprekken werden wellicht gehoord door het jongemeisje in +kwestie. Ze zat op een stoel, bezig een presenteerblaadje met bloemen +in orde te maken--want men zag haar beven, verbleken en zich herhaalde +malen op de lippen bijten. + +In den kring der mannen ging het gesprek op luiden toon, en liep +natuurlijk over de laatste gebeurtenissen. Allen waren aan 't woord, +zelfs Don Tiburcio; allen behalve Padre Sibyla, die een minachtend +zwijgen bewaarde. + +"Ik heb hooren zeggen dat uwe weleerwaardigheid het dorp gaat +verlaten, Padre Sibyla," vroeg de nieuwe luitenant, die door zijn +nieuwe sterretje beminnelijker geworden was. + +"Ik heb er niets meer te doen. Ik blijf voor goed in Manila...en u?" + +"Ik ga ook heen," antwoordde hij zich langer makende, "het gouvernement +heeft me noodig om met een vliegende colonne de provincies van gespuis +te zuiveren." + +Fray Sibyla keek hem snel van hoofd tot voeten aan, en keerde hem +verder geheel den rug toe. + +"Is het al met zekerheid bekend, wat er gedaan zal worden met den +aanvoerder, 'ons oproermakertje?'" vroeg een beambte. + +"Spreekt u van Crisóstomo Ibarra?" vroeg een ander. "'t +Waarschijnlijkste en rechtvaardigste is wel dat hij opgehangen wordt, +evenals die lui van '72." + +"Hij wordt verbannen!" zei de oude luitenant droogjes. + +"Verbannen! Alleen maar verbannen! Maar dat zal dan toch wel een +levenslange wezen!" riepen er verscheidenen tegelijk. + +"Als dat jongemensch," hervatte luitenant Guevara op luiden en +strengen toon, "meer op zijn hoede was geweest; als hij minder +vertrouwen gesteld had in zekere personen, aan wie men schrijft, als +onze ambtenaren van 't openbaar ministerie niet al te spitsvondig +het geschrevene wisten uit te leggen, zou die jonge man stellig +vrijgesproken zijn." + +Deze verklaring van den ouden luitenant en de toon van zijn stem +brachten een groote verrassing te weeg in 't gehoor dat hij had; +men wist niet wat men daarop zeggen zou. Padre Salvi keek naar een +anderen kant, wellicht om niet den somberen blik te zien, dien de +oude man op hem richtte. Maria Clara liet de bloemen vallen, en bleef +roerloos zitten. Padre Sibyla, die de kunst van zwijgen verstond, +scheen ook wel de eenige te wezen die een vraag kon doen. + +"Spreekt u van brieven, meneer de Guevara?" + +"Ik spreek van 't geen de verdediger gezegd heeft; die heeft zijn zaak +met ijver en warmte opgenomen. Behalve enkele dubbelzinnige regels, +die dat jongmensch aan een vrouw geschreven had, voordat hij naar +Europa vertrok, regels waarin de fiskaal een plan en een bedreiging +tegen het bestuur zag, en die hij erkende geschreven te hebben, +was er niets waaruit men iets tegen hem kon halen." + +"En de verklaring van den bandiet voor zijn sterven?" + +"De verdediger toonde de nietigheid daarvan aan, want, volgens den +bandiet zelf hadden zij nooit met het jongmensch zelf contact gehad, +maar alleen met een zekeren Lucas, en dat was een vijand van hem, +zooals bewezen is kunnen worden: de man heeft zich van kant gemaakt, +misschien wel uit berouw. 't Is bewezen dat de papieren op het lijk +gevonden vervalscht waren, want het schrift was gelijk aan dat van +meneer Ibarra voor zeven jaar, maar niet aan zijn tegenwoordige +hand, waardoor men veronderstelt dat die bezwarende brief als model +gediend heeft. Nog meer: de verdediger zeide dat, als meneer Ibarra +de brief niet had willen erkennen, er veel voor hem had gedaan kunnen +worden. Maar toen hij dien zag, werd hij bleek, verloor den moed en +bevestigde alles wat hij daarin geschreven had." + +"U zeide", vroeg een Franciskaan, "dat de brief aan een vrouw gericht +was. Hoe kwam die in handen van den fiskaal?" + +De luitenant antwoordde niet. Hij keek even naar Padre Salvi, en +verwijderde zich, zenuwachtig plukkende aan de punt van zijn grijzen +baard, terwijl de anderen commentaren maakten. + +"Dat is de vinger Gods!" zei er een, "zelfs de vrouwen haten hem." + +"Hij heeft zijn huis in brand gestoken in 't idee dat hij daardoor zich +redden zou, maar hij rekende buiten de waardin, dat wil zeggen buiten +zijn liefje, zijn _babai_," voegde een ander er lachend bij. "Zoo +wordt het vaderland gered!" + +Intusschen stond de oude krijgsman stil op een van zijn wandelingen, +en trad op Maria Clara toe, die roerloos op haar stoel zat te luisteren +naar 't gesprek. Aan haar voeten zag men de bloemen liggen. + +"U bent een heel verstandige jonge dame," zeide de oude luitenant zacht +tot haar, "u heeft er goed aan gedaan dien brief af te geven...Zoo +heeft u zich met de uwen een rustige toekomst verzekerd!" + +Zij zag hem heengaan, en huiverde. Ze beet zich op de lippen. Gelukkig +kwam tante Isabel voorbij. Maria Clara had nog de kracht om haar bij +het kleed te grijpen. + +"Tante!" stamelde ze. + +"Wat is er, kind?" vroeg deze ontsteld, toen ze 't gelaat van 't +jongemeisje zag. + +"Breng me in mijn kamer!" smeekte ze, zich vastklampend aan den arm +der oude vrouw, om op te staan. + +"Ben je ziek, mijn kindje? Wat scheelt je?" + +"Een duizeling...al die menschen in de zaal...zooveel licht...ik moet +wat rusten. Zeg aan vader dat ik wil gaan slapen." + +"Je bent heelemaal koud! Wil je soms wat thee?" + +Maria Clara schudde het hoofd, deed de deur van haar slaapkamer op +slot, en liet zich slap neervallen op den grond, aan den voet van +een heiligen-beeld. + +"Moeder, o moeder, moeder!" snikte ze. + +Door het venster en de deur, die uitkwam op het platte dak, viel het +licht der maan. + +De muziek ging voort met haar vroolijke walsen. + +Het gelach en het geroezemoes der gesprekken drongen in de slaapkamer +door. Verscheidene malen kwamen haar vader, tante Isabel, Doña +Victorina en Linares aan haar deur kloppen, maar Maria Clara verroerde +zich niet: een gereutel ontsnapte aan haar borst. + +Uren gingen zoo voorbij. De vroolijkheid van den maaltijd hield +op. Men hoorde dansen, zingen. De kaars raakte op en ging uit, maar +het jongemeisje bleef onbewegelijk op den grond, beschenen door de +stralen der maan, liggend aan de voeten van 't beeld van Jezus' Moeder. + +Het huis werd allengs weer stil, de lichten werden uitgedaan, tante +Isabel klopte nog eens aan. + +"Nou, ze is in slaap gevallen!" zeide ze luid. "Och, ze is jong, +en heeft in 't geheel geen zorgen, ze slaapt als een rots!" + +Toen alles stil was, stond ze langzaam op, en liet een blik om zich +heen gaan. Ze keek naar het platte dak, de kleine wingerdleiding, +waarover het weemoedig maanlicht lag gespreid. + +"Een rustige toekomst! Slapen als een rots!" mompelde ze, en richtte +zich naar het plat. + +De stad lag te slapen. Slechts van tijd tot tijd hoorde men +het gedruisch van een rijtuig, dat bolderde over de houten brug +over de rivier, welker eenzame wateren rustig het licht der maan +weerspiegelden. + +Het jongemeisje sloeg de oogen op: de hemel was van een saffieren +helderheid. Langzaam ontdeed ze zich van haar ringen, haar oorhangers, +haarnaalden en kammetje, en legde ze neer op de leuning van het platte +dak. Toen keek ze naar de rivier. + +Een _bangka_, geladen met _zacate_-gras, legde aan onder aan den +steiger, die ieder huis aan den rivieroever bezit. Een van de twee +mannen die er in zaten, besteeg de steenen trap, sprong de muur over, +en enkele seconden later hoorde men hem de trap naar de _azotea_, +'t platte dak, opgaan. + +Maria Clara zag dat hij stil stond, toen hij haar gewaar werd, doch +'t was slechts een oogenblik, want de man kwam langzaam naderbij, +en bleef op drie passen afstands staan. Maria Clara deinsde terug. + +"Crisóstomo!" stamelde ze vol ontzetting. + +"Jawel, Crisóstomo!" antwoordde de jonge man op ernstigen toon, +"een vijand, een man die redenen had om me te haten, Elias, heeft me +uit de gevangenis gehaald, waar mijn vrienden me in opgesloten hadden." + +Op deze woorden volgde een droef stilzwijgen. Maria Clara liet het +hoofd zinken, en liet moedeloos de beide handen vallen. + +Ibarra ging voort: + +"Bij 't lijk van mijn moeder zwoer ik dat ik je gelukkig zou maken, +hoe mijn lot ook wezen zou! Jij mocht je belofte breken, ze was je +moeder niet--maar ik, die haar zoon ben, ik houd haar nagedachtenis +in eere, en trots allerlei gevaren ben ik hier gekomen, om mijn eed +gestand te doen. En 't toeval wil, dat ik met je zelf kan spreken, +Maria. We zullen elkaar niet meer terugzien. Je bent jong, en wellicht +zal eenmaal je geweten je beschuldigen... Ik kom je zeggen, voordat +ik vertrek, dat ik je vergeef. Nu, wees gelukkig, vaarwel!" + +Ibarra wilde heengaan, doch 't jongemeisje hield hem tegen. + +"Crisóstomo!" zeide ze, "God heeft je gezonden, om me van wanhoop te +redden...Hoor me aan, en oordeel me dan!..." + +Ibarra trachtte zich met zacht geweld van haar los te rukken. + +"Ik ben niet gekomen, om je rekenschap te vragen van je daden...ik +ben gekomen om je rust te geven." + +"Ik wil die rust niet, die jij me geven wilt. Ik zal mezelf wel een +rustig gemoed geven! Jij veracht me, en je minachting zou me bitter +stemmen tot mijn dood toe!" + +Ibarra zag de wanhoop en de smart in de arme vrouw, en vroeg haar +wat ze dan verlangde. + +"Dat je gelooft, dat ik je altijd liefgehad heb!" + +Crisóstomo lachte bitter. + +"O, je twijfelt aan me, je twijfelt aan de vriendin van je +kinderjaren, die nooit een enkele gedachte voor je verborgen gehouden +heeft!" riep het jongemeisje met smart. "Ik begrijp je! Wanneer je +mijn geschiedenis kent, de droeve geschiedenis die me tijdens mijn +ziekte werd geopenbaard, dan zal je medelijden met me hebben, en zal +je niet meer zoo'n lachje voor mijn smart overhebben. + +"Waarom heb je me maar niet laten sterven onder de behandeling van +mijn dommen dokter? Jij en ik zouden beiden gelukkiger geweest zijn!" + +Maria Clara zweeg even om op adem te komen, en hervatte dan: + +"Jij hebt het gewild, jij hebt aan me getwijfeld. Och, laat mijn +moeder 't me vergeven! In een van de pijnlijke nachten van mijn +laatste ziekte, openbaarde een man me den naam van mijn waren vader, +en verbood me je liefde...tenzij mijn vader zelf je den hoon vergat +dien je hem aangedaan hadt!" + +Ibarra deinsde een schrede terug, en keek het jongemeisje verschrikt +aan. + +"Ja," ging ze voort, "de man zeide me, dat hij onze vereeniging niet +mocht toestaan, omdat zijn geweten het hem verbood, en hij zich dan +genoodzaakt zou zien de zaak ruchtbaar te maken, op gevaar van een +groot schandaal, want mij vader is..." + +En ze fluisterde den jongeman een naam in 't oor, zoodat hij alleen +die hooren kon. + +"Wat moest ik doen? Moest ik de nagedachtenis van mijn moeder, +de eer van mijn onechte vader, en den goeden naam van den waren, +opofferen aan mijn liefde?" + +"Maar bewijzen, gaf hij je bewijzen? Jij had bewijzen noodig!" riep +Crisóstomo ten hoogste ontroerd. + +Het jonge meisje haalde twee papieren uit haar boezem. + +"Twee brieven van mijn moeder, twee brieven geschreven te midden van +haar berouw, toen ze mij onder 't hart droeg! Daar, lees ze, en je zult +zien, hoe ze me verwenscht, en naar mijn dood verlangt...mijn dood, +die mijn vader tevergeefs met medicijnen trachtte te bewerken! Deze +brieven had hij vergeten, in een laadje laten liggen. Een andere man +vond ze en bewaarde ze, en heeft ze me alleen afgegeven in ruil voor +jouw brief...om zich te vergewisschen zooals hij zeide, dat ik niet +zou gaan trouwen zonder de toestemming van mijn vader. + +"Sedert dat ik ze bij me draag in plaats van jouw brief, voel +ik iets kouds aan mijn hart. Ik heb je opgeofferd, mijn liefde +opgeofferd... wat doet men niet voor een moeder die dood is en twee +vaders, die nog leven? Kon ik vermoeden welk gebruik ze van je brief +zouden maken!?" Ibarra stond verplet. Maria Clara ging voort: + +"Wat bleef me nog? Kon ik je soms zeggen, wie mijn vader was, kon ik +je zeggen dat je hem vergiffenis moest vragen, aan hem die jouw vader +zooveel heeft doen lijden? Kon ik misschien aan mijn vader zeggen +dat hij je vergeven zou, kon ik hem zeggen dat ik zijn dochter was, +aan hem, die zoo naar mijn dood verlangd had? Er bleef me niets anders +over dan te lijden, het geheim bij me te bewaren, en in mijn lijden +te sterven!... Nu, mijn liefste, nu je de droeve geschiedenis van je +Maria kent, zul je nu nog dat minachtende lachje voor haar overhebben?" + +"Maria, jij bent een heilige!" + +"Ik ben gelukkig, nu ik weet dat je me gelooft..." + +"En toch..." hervatte de jonge man van toon veranderend, "ik heb +hooren vertellen dat je gaat trouwen..." + +"Ja, dat is zoo!" snikte ze, "mijn vader eischt dat offer van +me...hij heeft me lief gehad en opgevoed en 't was zijn plicht +niet. Ik betaal hem deze schuld van dankbaarheid, door hem met deze +nieuwe vermaagschapping zijn rust te verzekeren." + +"Maar..." + +"Maar?" + +"Ik zal de eeden van trouw die ik jou gezworen heb niet vergeten." + +"Wat ben je van plan te doen?" vroeg Ibarra trachtende in haar oogen +te lezen. + +"De toekomst is duister, en 't lot ligt verborgen! + +"Ik weet niet wat ik doen zal. Maar weet dat ik maar een keer zal +liefhebben, en zonder liefde zal ik aan niemand toebehooren. En jij, +wat zal er van jou worden?" + +"Ik ben maar een vluchteling, ik vlucht. Binnenkort zal men mijn +ontsnapping ontdekken, Maria." + +Maria drukte het hoofd van den jongen man tusschen haar beide handen, +kuste hem verscheidene malen op de lippen, omhelsde hem. Dan, hem +bruusk van zich verwijderend, zeide ze: + +"Vlucht, vlucht! _Adios!_" + +Ibarra keek haar met schitterende oogen aan, doch op een teeken van +'t jonge meisje ging hij heen, dronken, wankelend... + +Weer sprong hij over den muur en stapte in de _bangka_. Maria Clara, +leunend op de borstwering, keek hem na. + +Elias ontblootte het hoofd, en groette haar met een eerbiedige buiging. + + + + +LIX. + +De jacht op 't meer. + + +"Luister 's meneer, wat voor plan of ik overdacht heb," zeide Elias +peinzend, terwijl ze naar San Gabriel koers zetten. "Ik zal u nu bij +een vriend van me in Mandaloejong verborgen houden. Ik zal u al uw geld +brengen, dat ik gered en bewaard heb aan den voet van de _baliti_-boom, +in 't geheimzinnige graf van uw voorvader. Dan verlaat u het land..." + +"Om naar 't buitenland te gaan?" viel Ibarra in. + +"Om uw verdere levensdagen in rust door te brengen. U heeft vrienden +in Spanje, u bent rijk, u zult zich de straf wel kunnen laten +kwijtschelden. In allen gevalle is het buitenland voor u een beter +vaderland dan 't eigene." + +Crisóstomo antwoordde niet, hij overlegde in stilte. + +Ze kwamen op dat oogenblik aan de _Pasig_, en de _bangka_ begon +den stroom op te varen. Op de _España_brug reed haastig een ruiter, +en men hoorde een gerekt, schel gefluit. + +"Elias," hervatte Ibarra, "u dankt uw ongeluk aan mijn familie. U +heeft me tweemaal 't leven gered, en ik ben u niet alleen dankbaarheid +schuldig, maar ook teruggave van uw fortuin. U raadt me om in 't +buitenland te gaan leven. + +"Nu, kom dan met me mee, en laten we samen als broeders leven. + +"Hier bent u toch ook ongelukkig." + +Elias schudde droevig het hoofd, en antwoordde: + +"Onmogelijk! 't Is waar dat ik in mijn land niet kan liefhebben, +niet gelukkig kan zijn, maar ik kan er lijden en sterven, en misschien +voor zijn zaak: dat is altijd wat. Laat het ongeluk van mijn vaderland +mijn eigen ongeluk wezen, en aangezien ons geen edele gedachte bindt, +aangezien onze harten niet kloppen voor een naam, laat dan tenminste +de gemeenschappelijke tegenspoed me aan mijn landgenooten binden, +laat me ten minste met hun samen over onze smarten schreien, en +eenzelfde leed onze harten doen krimpen." + +"Waarom raadt u me dan om heen te gaan?" + +"Omdat u elders gelukkig kan wezen, en ik niet, omdat u niet deugt +voor leed, en omdat u uw land zou verafschuwen, wanneer u eenmaal +u zelf ongelukkig zag door toedoen van dat land. En zijn vaderland +verafschuwen is het grootste ongeluk." + +"U bent onbillijk voor me!" riep Ibarra met bitter verwijt. "U vergeet +dat ik, nauwelijks hier, dadelijk ben begonnen met 't goede voor mijn +land te beoogen.." + +"Wees niet beleedigd, meneer, ik maak u geen enkel verwijt: 't +ware te wenschen dat iedereen u na kon volgen! Maar ik vraag geen +onmogelijke dingen van u, en u moet zich niet beleedigd achten, +als ik u zeg dat uw hart u misleidt. U hadt uw land lief, omdat uw +vader het u zoo geleerd had. U hadt het lief, omdat u er liefde, +fortuin, jeugd hadt; omdat alles u toelachte: uw land had u geen +enkel onrecht aangedaan. U hadt het lief zooals we alles liefhebben +wat ons gelukkig maakt. Maar den dag waarop u uzelf arm, hongerig, +vervolgd, aangeklaagd en verkocht ziet door uw eigen landgenooten, +dien dag zult u uzelf, uw vaderland en iedereen verloochenen." + +"Uw woorden zijn kwetsend voor me," zei Ibarra geraakt. + +Elias boog het hoofd, dacht even na, en hervatte: + +"Ik wil u uit den droom helpen, meneer, en u een droevige toekomst +besparen. Herinner u maar 's dien keer, toen ik met u sprak in deze +zelfde _bangka_, bij 't licht van deze zelfde maan, zoowat een maand +geleden. Toen was u gelukkig. De smeekbede van de ongelukkigen drong +niet tot u door; u versmaadde hun klachten, omdat het klachten +van misdadigers waren, u gaf meer gehoor aan hun vijanden, en in +weerwil van mijn argumenten en mijn smeeken, koos u de partij van hun +onderdrukkers. En toen hing het van u af, of ik misdadiger zou worden, +of me zou laten dooden, om een heilige belofte gestand te doen. God +heeft het niet veroorloofd, want het oude hoofd van de bandieten is +gestorven...Er is net een maand voorbij, en nu denkt u al anders!" + +"U beeft gelijk, Elias, maar een mensch is nu eenmaal afhankelijk van +omstandigheden, toen was ik verblind, ik had 't land, weet ik 't? Nu +heeft het ongeluk me den blinddoek van de oogen gerukt. De eenzaamheid +en de ellende in de gevangenis hebben me geleerd, en nu zie ik de +vreeselijke kanker die aan deze maatschappij vreet, die zich in zijn +vleesch vastwerkt, en een gewelddadige uitsnijding eischt. Zij hebben +me de oogen geopend, ze hebben me de wonde laten zien, en dwingen +me om misdadiger te worden! En nu ze 't eenmaal gewild hebben, zal +ik _filibustero_ wezen, maar een echte. Ik zal al de ongelukkigen +oproepen, allen die in hun borst een hart voelen kloppen, dezelfden +die u naar me toe gezonden hebben...Nee, ik zal niet misdadig wezen: +die strijdt voor zijn vaderland is dat nooit, integendeel! Wij hebben +hun drie eeuwen lang de hand toegestoken, we vragen hun om liefde, +we verlangen ernaar, ze broeders te mogen noemen. En hoe antwoorden +ze ons? Met beleediging en hoon en spot: ze ontzeggen ons zelfs het +recht ons menschelijke wezens te noemen. Er is geen God, geen hoop, +geen menschlievendheid: er is alleen maar 't recht van den sterkste!" + +Ibarra was zenuwachtig, zijn heele lichaam beefde. + +Ze gingen 't paleis van den _capitan general_ voorbij, en meenden +bij de wacht beroering en onrust te ontwaren. + +"Zou de vlucht ontdekt zijn?" mompelde Elias. + +"Gaat u liggen, meneer, dan kan ik u met het _zacate_-gras bedekken; +want we komen zoo meteen voorbij 't kruitmagazijn, en 't mocht den +schildwacht 's verdacht voorkomen, dat we met ons beiden zijn." + +De _bangka_ was een van die ranke smalle kano's, die niet drijven, +maar over 't water heenglijden. + +Zooals Elias voorzien had, hield de schildwacht hem aan, en vroeg +hem waar hij vandaan kwam. + +"Van Manila, ik heb _zacate_ gebracht aan de rechters en aan de +pastoors," antwoordde hij, handig den tongval der lieden van _Pandakan_ +nabootsend. + +Een onderofficier kwam voor den dag, en stelde zich op de hoogte van +'t geen er plaats had. + +"_Soeloeng!_ (Ga door!)" zeide deze tot hem, "ik waarschuw je dat je +niemand in je _bangka_ mag nemen, want er is zoo juist een gevangene +ontsnapt. Als je hem oppakt en aan mij uitlevert, zal ik je een goede +fooi geven." + +"Goed, meneer. Hoe ziet hij eruit?" + +"Hij draagt een gekleede jas en spreekt Spaansch. Dus, opgepast!" + +De _bangka_ verwijderde zich. Elias wendde het hoofd om, en zag het +silhouet van den schildwacht, staande bij den oever. + +"We zullen eenige minuten oponthoud hebben," zeide hij zacht, "we +moeten de Beatarivier op, om te doen alsof ik van Pena Francia ben. U +zult de rivier zien, die bezongen is door Francisco Baltasar." + +Het dorp sliep in 't maanlicht. Crisóstomo stond op, om de +kerkhofachtige vredigheid der natuur te bewonderen. De rivier was +breed en haar oevers waren vlak en bebouwd met _zacate_-gras. + +Elias wierp zijn vracht aan den oever neer, greep een lange bamboe +en haalde onder uit het gras eenige lege _wajons_ of zakken van +palmblad. Ze voeren verder. + +"U bent vrij in uw doen en laten, meneer, en over uw toekomst beschikt +u zelf," zeide hij tot Crisóstomo, die bleef zwijgen. "Maar als ik een +opmerking mag maken, dan moet ik u zeggen: Denk er wel goed over na, +wat u gaat doen, u gaat een oorlog aanstoken, want u heeft geld en +verstand, en u zult al heel gauw veel hulp vinden: noodlottigerwijze +zijn er veel ontevredenen. Maar, in de worsteling die u gaat beginnen, +zullen het de onbeschermden en onschuldigen zijn die 't meest te +lijden krijgen. Dezelfde gevoelens, die een maand geleden maakten, +dat ik me tot u wendde om hervormingen te vragen, zijn het ook die +me nu drijven om u te zeggen, dat u zich wel bedenken moet. Het land +denkt er niet aan, meneer, zich los te maken van het moederland: het +vraagt alleen een beetje vrijheid, gerechtigheid en liefde. U zult +hulp krijgen van de ontevredenen, de misdadigers, de wanhopigen, maar +het volk zelf zal zich onthouden. U vergist u, wanneer u, nu u alles +donker ziet, denkt dat het land wanhopig is. Het land lijdt, jawel, +maar het hoopt ook nog, het gelooft, en zal alleen dan opstaan wanneer +het zijn geduld kwijt raakt, dat wil zeggen, wanneer zij die besturen +het willen, en dat is nog ver-af. Ik zelf zal u niet volgen: ik zal +nooit mijn toevlucht nemen tot zulke uiterste middelen, zoolang ik +hoop zie in de menschen." + +"Dan ga ik zonder u!" antwoordde Crisóstomo vastberaden. + +"Is dat uw vast besluit?" + +"Vast en eenig, bij de nagedachtenis van mijn vader. Ik laat me niet +straffeloos mijn rust en mijn geluk afnemen, ik die alleen 't goede +verlangd heb, ik die alles heb geëerbiedigd en geleden om der wille +van een schijnheiligen godsdienst, uit liefde voor een vaderland. Hoe +hebben ze 't me vergolden? Ze hebben me in een eerloos cachot gegooid, +en mijn aanstaande vrouw geprostitueerd. Nee, me niet wreken zou +een misdaad wezen, dat zou 't zelfde wezen als ze aan te moedigen +tot nieuwe ongerechtigheden! Nee, 't zou lafheid, kleinmoedigheid +wezen, te stenen en te klagen wanneer er bloed en leven is, wanneer +bij beleediging en uittarting nog hoon komt! Ik zal 't domme volk +oproepen, ik zal 't zijn ellende laten zien. Laat het niet denken +aan broeders. Er zijn alleen wolven, die elkaar verslinden. En ik +zal hun zeggen dat tegen die onderdrukking 't eeuwige recht van den +mensch opstaat en opkomt, om zijn vrijheid te veroveren." + +"'t Onschuldige volk zal lijden!" + +"Des te beter. Kunt u me naar 't gebergte brengen?" + +"Totdat u in veiligheid is!" antwoordde Elias. + +Weer kwamen ze op de Pasig-rivier uit. Ze spraken van tijd tot tijd +over onverschillige dingen. + +"Santa Anna!" mompelde Ibarra, "u kent dat huis zeker wel?" + +Ze kwamen voorbij het landhuis der Jezuïeten. + +"Daar heb ik heel wat gelukkige en vroolijke dagen gesleten!" zuchtte +Elias. "In mijn tijd kwamen we er iedere maand... toen was ik als +de anderen: ik had fortuin, familie, ik droomde van een toekomst +en zag die reeds half. In die dagen kwam ik mijn zuster opzoeken in +'t _colegio_ in de buurt. Ze gaf me dan een werkje van haar...ze had +een vriendinnetje bij zich, een mooi jongmeisje. Alles is voorbij +als een droom." + +Ze bleven zwijgen tot ze aan _Malapad nabato_ (breede rots) +kwamen. Zij, die wel eens 's nachts de Pasig hebben bevaren, in een +van die tooverachtige nachten, die men op de Filippijnen kan hebben, +wanneer de maan van 't kristalhelder azuur weemoedvolle poëzie +uitstort; wanneer de schaduwen de ellende der menschen verbergen, +en de stilte de armzalige klanken hunner stem verdooft; wanneer +alleen de natuur spreekt, dezulken zullen begrijpen wat de beide +jonge mannen overdachten. + +Te _Malapad nabato_ was de _carabinero_ slaperig, en ziende dat de +_bangka_ leeg was, en geen buit opleverde--hij zou die anders inhalen, +naar de traditioneele gewoonte van zijn korps en 't aan zijn ambt +verbonden gebruik--liet hij de reizigers gemakkelijk door. + +De _guardia civil_ van Pasig vermoedde ook niets, en ze werden niet +lastig gevallen. + +'t Begon te dagen, toen ze aan 't meer kwamen. 't Lag daar glad en +rustig als een reusachtigen spiegel. De maan verbleekte, en het Oosten +tintte zich met een rooskleurige gloed. Op eenigen afstand werden ze +een grijze massa gewaar, die langzaam naderbij kwam. + +"De _falua_--het politie-vaartuig--komt," fluisterde Elias. "Leg u +neer, en ik zal u toedekken met die zakken." + +De gedaante van 't vaartuig werd duidelijker waarneembaar. + +"Ze gaan tusschen den wal en ons," merkte Elias ongerust op. En hij +wijzigde langzamerhand de koers van zijn _bangka_, roeiend in de +richting van Binangonan. Tot zijn groote schrik bespeurde hij dat de +_falua_ ook van koers veranderde, terwijl een stem hem aanriep. + +Elias hield stil en dacht na. De oever was nog ver af, en weldra +zouden ze in 't bereik van de geweren der _falua_ zijn. Hij dacht +erover de Pasig weer op te varen: zijn _bangka_ ging sneller dan 't +andere vaartuig. Doch tot overmaat van ramp kwam er een andere _bangka_ +van de Pasig. En men kon de helmen en bajonetten der _guardias civiles_ +reeds zien blinken. + +"We zijn in den val!" mompelde hij, verbleekend. + +Hij keek naar zijn stevige armen, en 't eenig besluit nemende dat hem +mogelijk bleef, begon hij uit alle macht te roeien in de richting van +'t eiland _Taljim_. Inmiddels kwam de zon op. + +De _bangka_ gleed snel voort. Elias zag op de _falua_, die bijdraaide, +eenige mannen staan, die hem wenkten. + +"Kunt u een _bangka_ besturen?" vroeg hij aan Ibarra. + +"Jawel; waarom?" + +"Omdat we verloren zijn, als ik niet in 't water spring, en ze van +'t spoor leid. Zij zullen me vervolgen, ik zwem en duik goed... ik zal +ze van u afleiden. Daarna moet u maar zien dat u in veiligheid komt." + +"Nee. Blijf, en laten we ons leven duur verkoopen!" + +"Dat zou niets geven: we hebben geen wapens en met hun geweren schieten +ze ons als vogeltjes neer." + +Op dat oogenblik klonk er een eigenaardig gesis in 't water, alsof +er een heet voorwerp in viel. Onmiddellijk volgde een knal. + +"Ziet u wel?" zeide Elias, zijn riem in de _bangka_ leggend. + +"We zien mekaar terug op kerstnacht op 't graf van uw grootvader. Red +u!" + +"En u?" + +"God heeft me wel voor grooter gevaren behoed." + +Elias trok zijn kiel uit. Een kogel rukte dien uit zijn handen, +en twee knallen klonken achter elkaar. Zonder te ontstellen, drukte +hij Ibarra's hand. Deze bleef uitgestrekt op den bodem der _bangka_ +liggen. Hij zelf sprong in 't water, met zijn voet het ranke vaartuigje +wegduwend. + +Men hoorde verscheidene kreten, en weldra verscheen op eenigen afstand +het hoofd van den jongeman boven water, om adem te halen. Onmiddellijk +daarop verdween 't weer. + +"Daar, daar is hij!" schreeuwden er ettelijken tegelijk, en weer +floten de kogels. + +De _falua_ en de _bangka_ begonnen hem beide na te zetten: een flauwe +zogstreep teekende zijn koers, waarbij hij zich telkens verder van +Ibarra's vaartuig verwijderde, dat nu dobberde alsof het verlaten +was. Iedere keer dat de zwemmer het hoofd boven water stak, om op +adem te komen, schoten de _guardias civiles_ en _falua_-mannen op hem. + +De jacht duurde voort. De kleine _bangka_ van Ibarra was al ver weg, de +zwemmer naderde allengs den oever, die nu op een vijftig vadem afstands +voor hem lag. De roeiers waren reeds vermoeid, doch Elias was 't ook, +want hij kwam nu telkens met het hoofd boven, en telkens in een andere +richting als om zijn vervolgers van de wijs te brengen. Nu verried +het zog niet meer de koers van den duiker. Voor de laatste maal zagen +ze hem dicht bij den oever, op een tien vadem afstand ongeveer. Ze +vuurden...daarna gingen er ettelijke minuten voorbij: er kwam niets +meer aan de oppervlakte van 't meer, dat nu rustig en verlaten was. + +Een half uur later beweerde een roeier in 't water, bij den oever, +sporen van bloed te zien, doch zijn kameraden schudden het hoofd, +met een uitdrukking op 't gelaat die zoowel ja als neen kon beteekenen. + + + + +LX. + +Padre Dámaso verklaart zich. + + +Tevergeefs hoopten zich op een tafel de kostbare bruiloftsgeschenken +op: noch de briljanten in hun blauw fluweelen etuis, noch de +borduurwerken van _pina_, noch de stukken zijde trokken de blikken +van Maria Clara tot zich. Het jonge meisje staart, zonder te zien +noch te lezen, op de courant, die verhaalt van den dood van Ibarra, +van zijn verdrinken in 't meer. + +Plotseling voelt ze dat er twee handen op haar oogen gelegd worden, +die haar tegenhouden, en een vroolijke stem, die van padre Dámaso, +zegt tot haar: + +"Wie ben ik? wie ben ik?" + +Maria Clara springt op van haar stoel, en kijkt hem met ontsteltenis +aan. + +"Dwaze meid, was je bang, zeg? Je hadt me niet verwacht, wel? Nu, +ik ben van uit de provincie gekomen, om je bruiloft bij te wonen." + +En met een lachje van vergenoegdheid stak hij haar de hand toe, om +die te kussen. Maria Clara boog bevend, en bracht de hand eerbiedig +aan haar lippen. + +"Wat is er, Maria?" vroeg de Franciskaan, zijn vroolijken glimlach +verliezend, en met zekere ongerustheid, "je handje is koud, je wordt +bleek...ben je ziek, mijn kindje?" + +En Padre Dámaso trok haar naar zich toe met een teederheid, waartoe +men hem niet in staat zou achten, greep haar beide handen, en keek +haar vragend aan. + +"Heb je geen vertrouwen meer in je peet?" vroeg hij op een verwijtenden +toon. "Kom, ga nu hier zitten, en vertel me 's al je narigheidjes, +zooals je dat deed toen je nog een kind was, toen je kaarsen wou +hebben, om er wassen poppetjes van te maken. Je weet wel dat ik altijd +van je gehouden heb...ik heb je nooit een standje gegeven..." + +Padre Dámaso's stem was niet meer stuursch, en kreeg zelfs hartelijke +toonbuigingen. Maria Clara begon te schreien. + +"Schrei je, m'n kind? Waarom schrei je? Heb je ruzie met Linares +gehad?" + +Maria hield haar ooren dicht. + +"Niets over hem...nu!" riep het jongemeisje. + +Padre Dámaso keek haar vol verbazing aan. + +"Wil je me je geheimen niet toevertrouwen? Heb ik niet altijd getracht +je kleine grillen te bevredigen?" + +Het jongemeisje hief haar betraande oogen naar hem op, keek hem een +wijle aan, en begon dan weer bitter te schreien. + +"Schrei toch zoo niet, mijn lieveling, want je tranen doen me +pijn! Vertel me je smart. Je zult zien hoe je peetvader je liefheeft!" + +Maria Clara kwam langzaam naar hem toe, viel op haar knieën, en haar +in tranen badend gezichtje tot hem opheffend, zeide ze heel zacht, +nauw hoorbaar: + +"Houdt u nog van me?" + +"Kind?" + +"Dan...bescherm dan mijn vader en verbreek mijn huwelijk!" + +En het jongemeisje vertelde hem haar ontmoeting met Ibarra, doch +verborg hem het geheim harer geboorte. + +Padre Dámaso kon zijn ooren nauwelijks gelooven. + +"Zoolang hij leefde," hervatte het jongemeisje, "wilde ik nog strijden, +hoopte en vertrouwde ik nog. Ik wilde leven, om over hem te hooren +spreken...maar nu ze hem vermoord hebben, nu is er geen reden voor +mij om nog te leven en te lijden." + +Ze zei dit alles langzaam, zacht, bedaard en zonder tranen. + +"Maar, dwaas kind, is dan Linares niet duizendmaal beter dan?..." + +"Toen hij nog leefde, kon ik gaan trouwen...ik was van plan daarna +te vluchten...mijn vader beoogt niet anders dan de familiebetrekking +aan te knoopen! Nu hij dood is, zal niemand anders me zijn vrouw +noemen...Toen hij nog leefde kon ik me verlagen, toen bleef me nog de +troost, te weten dat hij bestond, en misschien aan mij zou denken. Nu +hij dood is...'t klooster of 't graf." + +De toon waarop 't meisje sprak, had zulk een vastheid, dat padre +Dámaso's vroolijk gezicht geheel veranderde en een diep-peinzende +uitdrukking kreeg. + +"Had je 'm zoo lief?" vroeg hij stamelend. + +Maria Clara antwoordde niet. Fray Dámaso liet het hoofd op de borst +zakken en bleef zwijgen. + +"Mijn kind!" riep hij met smart bewogen stem, "vergeef me dat ik je +ongelukkig gemaakt heb, zonder het te weten. Ik dacht aan je toekomst, +ik wilde niets dan je geluk. Hoe kon ik toestaan dat je trouwde +met iemand van 't land, om je als vrouw ongelukkig en als moeder al +even rampzalig te zien? Ik kon je liefde niet uit je hoofd wegnemen, +en ik verzette me met alle macht er tegen; ik maakte misbruik van +alles, om jou, alleen maar om jou. Als je zijn vrouw geworden was, +zou je later geschreid hebben, om den toestand van je man: die zou +aan allerlei geweldenarijen blootgestaan hebben; als moeder zou je +geschreid hebben om je kinderen; als je ze opvoedde bereidde je hun +een droevige toekomst; dan werden 't vijanden van den godsdienst, en +zou je ze opgehangen of verbannen zien. Als je ze onwetend liet, zou je +ze getiranniseerd en gesmaad zien! Daar kon ik niet in treden! Daarom +zocht ik een man voor je, die je de gelukkige moeder zou kunnen maken +van kinderen die heerschen en niet hoeven te gehoorzamen aan anderen, +die straf opleggen en niet zelf lijden...Ik wist dat je jeugdvriend +goed was, ik hield van hem als zijn vader, maar ik haatte hem van af +'t oogenblik dat ik zag dat hij je in 't ongeluk zou storten. Want +ik heb je lief, ik aanbid je, ik hou van je zooals men een dochter +liefheeft. Ik heb geen liefde boven die voor jou. Ik heb je zien +groot worden. Er gaat geen uur voorbij dat ik niet aan je denk. Ik +droom van je. Je bent mijn eenige vreugde." + +En Padre Dámaso barstte in schreien uit als een kind. + +"Nu goed, als u me liefheeft, maak me dan niet eeuwig ongelukkig. Hij +leeft niet meer, ik wil non worden." + +"Non worden, non worden!" herhaalde hij. "Jij weet niet mijn lieveling, +hoe 't leven is, dat verborgen ligt achter de kloostermuren, je +kent het niet. Ik zie je duizendmaal liever ongelukkig in de wereld +dan in 't klooster...Hier kunnen je klachten gehoord worden; daar +hooren alleen de muren je...Je bent mooi, heel mooi, en je bent niet +bestemd voor de bruid van Christus. Geloof me, mijn kind, de tijd +wischt alles uit. Later zul-je vergeten, je zult weer liefhebben, +je zult je man liefhebben...Linares." + +"Of 't klooster of...dood," herhaalde Maria Clara. + +"'t Klooster, het klooster of dood!" riep Padre Dámaso uit. "Maria, ik +ben al oud, ik zal niet langer kunnen waken over jou en je rust...Zoek +wat anders, een andere liefde, een anderen jongeman, wie 't ook zij, +alles liever dan 't klooster." + +"Naar 't klooster of dood!" + +"Mijn God, mijn God!" riep de priester, zich het gelaat met de handen +bedekkend. "Gij straft me, 't zij zoo. Maar behoed mijn kind.." + +En zich tot het jongemeisje wendend, zeide hij: + +"Je wilt dus non worden? Goed, je zult 't zijn, ik wil je dood niet." + +Maria Clara greep hem beide handen, drukte ze en kuste ze knielend. + +"Mijn peetvader, mijn lieve peetvader!" stamelde ze. + +"Mijn God, ge bestaat, want ge kastijdt! Maar wreek u op mij, en tref +niet dat onschuldige, red mijn dochter." + + + + +LXI. + +De "Heilige Nacht." + + +Daarboven, op de helling van een berg, bij een stortbeek, staat +tusschen geboomte verscholen een op boomstammen gebouwde hut. Op +het dak van _kogon_ [76] slingert en rankt, beladen met vruchten en +bloemen, de kalebas-plant. Hertegewei, schedels van wilde varkens +eenige met lange slagtanden versieren de landelijke woonstede. Daar +huist een Tagaalsch gezin dat zich wijdt aan jacht en houthakken. + +In de schaduw van een boom maakt de grootvader bezems van de middennerf +van palmbladeren, terwijl een jongmeisje kippeneieren, citroenen en +groenten in een mand legt. Twee kinderen, een jongen en een meisje, +spelen naast een knaap die, bleek-weemoedig, met groote oogen en diepen +blik, op een gevallen boomstam zit. In zijn vermagerde gelaatstrekken +herkennen we Sisa's zoon Basilio, den broer van Crispin. + +"Wanneer je been beter is", zeide het meisje tot hem, "gaan we +verstoppertje spelen, en ik zal moedertje zijn." + +"Je klimt dan met ons mee op den top van den berg," voegde het knaapje +erbij, "dan krijg je hertebloed met citroen te drinken, daar word-je +dik van. En dan zal ik je leeren springen, van de eene rots op de +andere, boven de stortbeek." + +Basilio lachte droef, keek naar de wond aan zijn voet, en richtte +dan den blik naar de zon, die schitterend scheen. + +"Verkoop die bezems," zeide de grootvader tot het jonge meisje, +"en koop iets voor je broertje en je zusje, want 't is vandaag feest." + +"Voetzoekers, ik wil voetzoekers!" riep de jongen. + +"Ik een kop voor mijn pop!" riep het meisje, haar zuster bij haar +kleedje grijpend. + +"En jij, wat wil jij?" vroeg de grootvader aan Basilio. + +Deze stond met moeite op, en kwam naar den ouden man toe. + +"Meneer," zeide hij tot hem, "ik ben dus nu meer dan een maand ziek +geweest?" + +"Sedert dat we je flauw en vol wonden vonden liggen, zijn er twee +maanden om. We dachten dat je sterven..." + +"God moge 't u vergelden. Wij zijn heel arm!" antwoordde Basilio, "maar +nu het toch feestdag is, wil ik naar het dorp gaan, om mijn moeder +of mijn broertje op te zoeken. Ze zullen wel ongerust om me zijn." + +"Maar, m'n jongen, je bent nog niet beter en je dorp ligt ver weg: +je komt er niet vóór middernacht." + +"Dat is niets, meneer! Mijn moeder en mijn broertje moeten erg bedroefd +wezen: alle jaren vieren we dit feest samen...verleden jaar hebben +we met ons drieën een heele visch opgegeten... Moeder moet zeker +geschreid hebben, toen ze me zocht." + +"Je komt niet levend in 't dorp, jongen! Vanavond hebben we kip +en wild-zwijnsvleesch. Mijn zoons zullen je zoeken, wanneer ze van +'t veld terugkomen..." + +"U heeft veel zoons, en mijn moeder heeft niet anders dan ons +beiden. Misschien denkt ze dat ik al dood ben. Vanavond wil ik haar +een pleziertje aandoen, een nieuwjaars-cadeautje van God gaan brengen: +een zoon." + +De oude man voelde zijn oogen vochtig worden, legde de hand op het +hoofd van den knaap, en zeide aangedaan: + +"Je lijkt een oude man! Goed, ga dan maar, zoek je moeder, geef haar +'t kerstcadeautje...van God, zooals jij zegt. Als ik den naam van je +dorp geweten had, was ik er wel heengegaan, toen je ziek was." + +"Ga je heen?" vroeg het jongetje. "Daar beneden zijn soldaten, er +zijn veel roovers. Wil je mijn voetzoekers niet zien? Pief paf poef!" + +"Wil je geen blindemannetje spelen, met verstoppen?" vroeg op haar +beurt het meisje. "Heb je je wel 's verstopt? Niet-waar, er is niets +zoo prettig als achternagezet te worden en je dan te verstoppen!" + +Basilio glimlachte. Hij greep zijn stok, en met tranen in de oogen +zeide hij: + +"Ik kom gauw terug, ik breng mijn broertje mee: je zult hem zien en +met hem spelen. Hij is even groot als jij." + +"Loopt hij ook mank?" vroeg het meisje, "dan zullen we hem 'moedertje' +laten wezen bij 't "_pico-pico_"-spel." + +"Vergeet ons niet," zei de oude man; "neem dezen plak wildzwijnsvleesch +mee, en geef dien aan je moeder." + +De kinderen vergezelden hem tot aan de bamboebrug over de stortbeek +met zijn klaterenden loop. + +Lucia liet hem op haar arm leunen, en ze verdwenen uit het gezicht +der kinderen. + +Basilio stapte luchtig voort, in weerwil van zijn omzwachtelden voet. + + + +De noorden wind giert, en de bewoners van San Diego bibberen van koude. + +'t Is kerstnacht, en toch is het dorp triestig. Geen enkele papieren +lantaren hangt uit de vensters, geen enkel geluid in de huizen duidt +op verheugenis als in andere jaren. + +In de "opkamer" van _Capitán_ Basilio's huis zaten deze en Don +Filipo, wiens ongeluk hen beiden tot vrienden gemaakt had, naast een +tralievenster te praten; terwijl aan 't andere Sinang, haar nichtje +Victoria en de mooie Iday naar de straat uitkeken. + +De afnemende maan begon aan de kim te blinken, en verzilverde wolken, +boomen en huizen, overal lange en fantastische schaduwen werpend. + +"Je bent er genadig afgekomen, hoor, zoo vrijgesproken te worden, +in deze tijden!" zeide Capitán Basilio tot Don Filipo. "Je boeken +hebben ze wel verbrand, maar anderen hebben meer verloren." + +Een vrouw naderde het tralievenster, en keek naar binnen. Haar oogen +schitterden, haar gelaatstrekken waren vermagerd, heur haar loshangend +en verward. De maneschijn gaf haar een vreemd aanzien. + +"Sisa!" riep Don Filipo verbaasd, en zich tot _Capitán_ Basilio +wendend, vroeg hij, terwijl de krankzinnige vrouw zich verwijderde: + +"Was ze niet bij een dokter in huis? Is ze al genezen?" + +_Capitán_ Basilio lachte bitter. + +"De dokter was bang, dat ze hem zouden beschuldigen, een vriend van +Don Crisóstomo te wezen, en heeft haar weggezonden. + +"Nu dwaalt ze weer even gek als te voren rond. Ze zingt, doet niemand +kwaad, en woont in 't bosch..." + +"Wat is er meer in 't dorp gebeurd sinds wij 't verlaten hebben? Ik +weet dat we een nieuwen pastoor en een anderen _alférez_ hebben." + +"Vreeselijke tijden, de menschheid gaat achteruit!" mompelde _Capitán_ +Basilio, terwijl hij aan 't verleden dacht. "Je zult 's zien: den dag +volgende op jouw vertrek vonden ze den hoofdkoster opgehangen aan de +zoldering van zijn huis. Padre Salvi was erg naar over zijn dood, +en nam al zijn papieren in beslag. Och en de filosoof Tasio is ook +al gestorven, en dien hebben ze op 't Chineesche kerkhof begraven." + +"Arme Don Anastasio!" zuchtte Don Filipo. "En zijn boeken?" + +"Die werden verbrand door de vromen die zoo Gode welgevallig meenden +te zijn. Ik heb niets kunnen redden, zelfs niet Cicero's werken... en +de _gobernadorcillo_ deed niets om het te beletten." + +Beiden zwegen. + +Op dat oogenblik hoorde men het droeve weemoedige zingen der +krankzinnige. + +"Weet je wanneer Maria Clara gaat trouwen?" vroeg Iday aan Sinang. + +"Ik weet het niet," antwoordde deze. "Ik heb een brief van +haar ontvangen, maar ik maak hem niet open, uit vrees van 't te +vernemen. Arme Crisóstomo!" + +"Ze zeggen dat het alleen aan Linares te danken is, dat _Capitán_ Tiago +niet opgehangen wordt. Wat zou Maria Clara dan moeten beginnen?" merkte +Victoria op. + +Een knaap kwam strompelend voorbij. Hij liep in de richting van het +plein, waar de zang van Sisa te hooren was. 't Was Basilio. Het kind +had zijn huis verlaten en vervallen gevonden. Na allerlei vragen, +kon hij alleen te weten komen dat zijn moeder gek was en in 't dorp +ronddoolde. Over Crispin geen enkel woord. + +Basilio had zijn tranen ingeslikt, zijn smart verstikt, en, zonder te +rusten, was hij erop uitgegaan om zijn moeder te zoeken. Hij kwam in +'t dorp aan, vroeg naar haar, en een eigenaardig gezang trof zijn +ooren. Het ongelukkige ventje bedwong het beven van zijn beenen, +en wilde hard vooruitloopen om in de armen van zijn moeder te ijlen. + +De krankzinnige verliet het plein, en kwam voor het huis van den +nieuwen _alférez_. Nu was er evenals te voren een schildwacht voor de +deur, en het hoofd van een vrouw vertoonde zich aan het venster. Doch +'t was niet de Medusa, 't was een jonge vrouw: _alférez_ en ongelukkig +getrouwd is niet hetzelfde. + +Sisa begon voor het huis te zingen, en keek naar de maan, die +met grootsche pracht tusschen gouden wolken aan een blauwen hemel +prijkte. Basilio zag zijn moeder, maar waagde het niet naderbij +te komen. Wellicht wachtte hij tot de jonge vrouw vandaar weg zou +gaan. Hij liep heen en weer, maar zorgde ervoor niet te dicht bij de +kazerne te komen. + +De jonge vrouw aan het venster luisterde aandachtig naar de zang der +krankzinnige, en gaf den schildwacht bevel, haar boven te laten komen. + +Toen Sisa den soldaat op zich af zag komen en zijn stem hoorde, kreeg +ze een vreeselijken schrik, en zette het op een loopen, zoo hard als ze +maar kon. Basilio liep haar achterna, en vreezende dat hij haar uit het +oog zou verliezen, dacht hij daarbij niet aan de pijn aan zijn voeten. + +"Kijk 's hoe die jongen de krankzinnige naloopt!" riep een +dienstmeisje, dat op straat was, verontwaardigd uit. + +En ziende dat hij doorging met haar te achtervolgen, nam ze een steen +op, en wierp dien naar hem toe. + +"Daar, pak aan!" riep ze. "Hoe jammer dat de hond vastligt." + +Basilio voelde een tik tegen zijn hoofd, maar bleef doorloopen zonder +er acht op te slaan. De honden blaften, de ganzen kwakkelden, enkele +vensters gingen open, en nieuwsgierigen vertoonden zich. Andere werden +gesloten, omdat men vreesde voor een tweeden nacht van oproer. + +Ze kwamen buiten het dorp. Sisa begon haar vlucht te matigen; een +groote afstand scheidde haar van haar vervolger. + +"Moeder," riep Basilio, toen hij zag dat ze minder snel liep. + +De krankzinnige hoorde nauwelijks de stem, of ze begon opnieuw hard +te loopen. + +"Moeder, ik ben 't!" riep de knaap wanhopig. + +De krankzinnige hoorde 't niet. De zoon volgde hijgend. + +De bebouwde velden waren achter den rug, en ze bevonden zich in de +nabijheid van 't bosch. + +Basilio zag zijn moeder daar ingaan, en hij drong er ook in door. De +struiken en heesters, de doornige rotanplanten en uitstekende +wortels beletten beider voortgang. De knaap volgde het silhouet +van zijn moeder, nu en dan beschenen door de stralen der maan, die +doordrongen op de open plekken en door de takken der boomen. Het was +het geheimzinnige bosch van Ibarra's familie. + +De jongen struikelde verscheidene malen en viel, maar hij stond weer +op, voelde geen pijn. Zijn heele ziel trok zich samen in zijn oogen, +die de geliefde gestalte volgden. + +Ze gingen de beek over, die zacht murmelde. De dorens der +bamboestengels, die in de modder van den oever waren gevallen, +drongen diep in zijn naakte voeten. Basilio bleef niet staan, om ze +te verwijderen. + +Tot zijn groote verbazing zag hij dat zijn moeder onder het dichte +geboomte doorliep, en de houten deur openstiet, die het graf van den +ouden Spanjaard aan den voet van den _baliti_-boom afsloot. + +Basilio trachtte hetzelfde te doen, maar hij vond de deur dicht. De +krankzinnige verdedigde den ingang met haar ontvleesde armen, en haar +hoofd met de fladderende haren, hem uit alle macht gesloten houdend. + +"Moeder, ik ben 't, ik ben 't, ik ben Basilio, uw zoon!" kreet de +uitgeputte jongen, terwijl hij op den grond in elkaar zakte. + +Doch de krankzinnige week niet. Met haar voeten op den grond steunende, +bood ze een krachtigen tegenstand. + +Basilio beukte tegen de deur met zijn vuist, met zijn hoofd, dat van +bloed stroomde, hij schreide, doch alles tevergeefs. Hij stond met +moeite op, keek naar den muur, dacht erover dien over te klauteren, +maar hij vond niets dat hem er op helpen kon. Hij liep er toen omheen, +en zag een tak van de noodlottige _baliti_, die over dien van een +anderen boom heen groeide. Hij klom er tegen op: zijn kinderlijke +liefde deed wonderen. En van tak tot tak kwam hij aan de _baliti_, +en zag zijn moeder, die nog steeds met het hoofd de bladen der deur +dichthield. + +Het gedruisch dat hij in de takken maakte, trok Sisa's aandacht. Ze +keerde zich om, en wilde wegvluchten, maar haar zoon liet zich uit +den boom neervallen, omhelsde haar en bedekte haar met kussen. Doch +daarna verloor hij 't bewustzijn. + +Sisa zag zijn voorhoofd vol bloed. Ze bukte over hem heen, haar oogen +schenen uit hun kassen te zullen springen. Ze keek hem in 't gelaat, +en die bleeke trekken brachten een schok teweeg in de ingesluimerde +cellen van haar brein, iets als een vonk gloorde op in haar geest, ze +herkende haar zoon, en, een kreet slakend, viel ze op den bezwijmden +knaap, hem kussend en omhelzend. + +Moeder en zoon bleven roerloos liggen. + +Toen Basilio weer bijkwam, vond hij zijn moeder bewusteloos. Hij riep +haar, overstelpte haar met de liefste naampjes, en, ziende dat ze niet +ademde, en niet bijkwam, stond hij op, ging naar de beek, om water te +halen, in een pisang blad, en besprenkelde daarmee het bleeke gelaat +zijner moeder. Doch de krankzinnige verroerde zich niet in 't minst, +haar oogen bleven gesloten. + +Basilio keek haar ontsteld aan. Hij legde zijn oor tegen haar hart, +maar de magere, dorre boezem was koud, en 't hart klopte niet meer. Hij +deed zijn lippen tegen de hare, en ontwaarde geen ademtochtje. De +rampzalige knaap omhelsde het lijk, en schreide bitter. + +De maan blonk in den heerlijk helderen hemel, het briesje doolde +zuchtend rond en onder het gras snerpten de krekels. + +De nacht van licht en vreugde voor zooveel kinderen, die in de lieve +schoot van 't gezin het feest der zoetste herinneringen vieren, +het feest dat den eersten liefdeblik herdenkt, door den hemel naar +de aarde afgezonden; die nacht waar in alle christelijke gezinnen +eten, dansen, lachen, spelen, liefhebben, elkaar kussen...die nacht, +die in de koude landen tooverachtig is voor de kinderen, met zijn +traditioneele kerstboom, beladen met lichtjes, poppen, suikergoed en +klatergoud, waar de groote oogen, waarin onschuld zich afspiegelt, +verblind naar staren, die nacht had voor Basilio niets te bieden: +hij werd er wees in. Wie weet? Wellicht spelen ook de kinderen in de +woonstede van den zwijgenden Padre Salvi. Wellicht zingt men er: + + + La Nochebuena se viene, + La Nochebuena se va... [77] + + +De knaap schreide en kermde lang, en toen hij zijn hoofd ophief, +zag hij een man voor zich staan, die hem in stilte gadesloeg. De +onbekende vroeg hem zacht: + +"Ben je haar zoon?" + +De jongen knikte. + +"Wat denk je te doen?" + +"Haar begraven!" + +"Op 't kerkhof?" + +"Ik heb geen geld, en bovendien zou de pastoor het niet toestaan." + +"Wat dan?..." + +"Als u me zou willen helpen..." + +"Ik ben erg zwak," antwoordde de onbekende, die zich allengs op +den grond had laten neervallen, steunend met beide handen op den +grond. "Ik ben gewond ...ik heb in twee dagen niet gegeten en niet +geslapen... Is hier vannacht niemand gekomen?" + +De man bleef in gepeinzen verzonken, en sloeg het belangwekkend gelaat +van den knaap gade. + +"Luister!" hervatte hij met zwakker stem. "Ik zal ook dood zijn voordat +het dag wordt...Op twintig pas van hier, aan den anderen kant van de +beek, ligt veel brandhout opgestapeld. Haal dat, maak er een stapel +van, leg onze beide lichamen daarop, dek ze toe, en steek er den +brand in: laat het goed vlammen, dat we geheel in asch opgaan..." + +Basilio luisterde. + +"Dan...als er niemand komt...moet je hier graven...dan zul je veel +goud vinden...dat is alles voor jou...Ga studeeren!..." + +De woorden van den onbekende werden telkens moeilijker te verstaan. + +"Ga 't brandhout zoeken...ik wil je helpen." + +Basilio verwijderde zich. De onbekende wendde het gelaat naar 't +oosten, en prevelde, als bad hij: + +"Ik sterf voordat ik den dageraad heb zien gloren over mijn +vaderland!... Gij... die dien dageraad zult zien...groet hem... en +vergeet niet degenen die in den nacht gevallen zijn!" + +Hij hief zijn oogen ten hemel, zijn lippen bewogen zich als in gebed, +daarna boog hij 't hoofd, en zakte langzaam ineen... + +Twee uur later bevond zuster Roefa zich op de _batalan_--het erf--van +haar huis, bezig met haar ochtend-wassching, om daarna naar de mis +te gaan. De vrome vrouw keek naar 't naburig bosch en zag daar een +dikke rookwolk opstijgen. Ze fronste de wenkbrauwen en, vol heilige +verontwaardiging, riep ze uit: + +"Wie zou wel die ketter wezen, die daar op een heiligen dag _kaïngin_ +[78] doet? Daar komen al de ongelukken van! Probeer 't 's naar het +vagevuur te gaan, en je zult 's zien, hoe gauw ik je eruit haal, +barbaar!" + + + + +Nawoord. + + +Daar er nog velen van onze personen in leven, en anderen uit het +oog verloren zijn, is het onmogelijk een goed "besluit" voor dit +verhaal te geven. Tot heil van de menschen zouden we met genoegen +al onze helden en heldinnen naar de andere wereld willen helpen, te +beginnen met Padre Salvi en te eindigen met Doña Victorina. Maar dat +gaat niet... Laat ze leven! Per slot van rekening is het niet aan ons, +maar aan 't land ze in 't leven te houden... + +Sinds Maria Clara in 't klooster is gegaan heeft Padre Dámaso het +dorp verlaten, om in Manila te gaan wonen, evenals Padre Salvi, die, +terwijl hij een vacante bisschopsmijter afwacht, verscheidene malen in +de Santa Clara-kerk preekt, in welker klooster hij een belangrijke +betrekking bekleedt. Niet veel maanden later kreeg Padre Dámaso +bevel van de zeer eerwaarde Pater Provinciaal, om het pastoorschap +te gaan vervullen in een zeer verwijderde provincie. Men vertelt +dat hij daar zoo naar over was, dat men hem den volgenden dag dood +in zijn slaapkamer vond. Sommigen zeiden dat hij aan een beroerte +gestorven was, anderen aan een nachtmerrie; doch de geneesheer hief +allen twijfel op door de verklaring dat hij plotseling gestorven was. + +Niemand onzer lezers zou thans _Capitán_ Tiago herkennen, als hij hem +zag. Reeds weken voordat Maria Clara haar gelofte deed, verviel hij +in zulk een staat van neerslachtigheid, dat hij begon te vermageren en +bedroefd te worden, stilzwijgend en wantrouwig, evenals zijn vroegere +vriend, de ongelukkige _Capitán_ Tinang. Nauw waren de poorten van +'t klooster gesloten of hij gelastte zijn ontroostbare nicht "Tante +Isabel!" al wat aan zijne dochter of zijn overleden echtgenoote +toebehoord had bijeen te pakken, en naar Malabon of San Diego te gaan, +omdat hij voortaan alleen wilde wonen. Hij wijdde zich toen met woede +aan het _li-am-po_-spel en aan de hanegevechten, en begon opium te +schuiven. Hij gaat niet meer naar Antipolo, en laat ook geen missen +meer lezen. Doña Patrocinio, zijn oude mededingster, viert vromelijk +haar zegepraal, en zit lekker te snurken onder de preek. Als ge soms +tegen den avond door de Santo Cristo-straat wandelt zult ge in den +winkel van een Chinees een geel, mager, krom mannetje zien zitten, +met holle en slaperige oogen, en vuilkleurige lippen en nagels, die +naar de menschen kijkt, alsof hij ze niet zag. Tegen den nacht zult +ge hem met moeite zien opstaan. En, gesteund op een stok, zult ge hem +zijn schreden zien richten naar een nauw hoekje, waar hij in een vuil +krot binnen treedt, boven welks deur in groote roode letters te lezen +staat _Fumadero publico de anfion_ (openbare amfioenkit.) Dit is de +eenmaal zoo beroemde _Capitán_ Tiago, nu geheel vergeten, tot zelfs +bij den hoofdkoster. + +Doña Victorina heeft bij haar valsche krullen en haar +"Andaloezisme"--als men ons het woord veroorlooft--nog de nieuwe +gewoonte gevoegd, om zelf de paarden van haar rijtuig te mennen, +terwijl ze Don Tiburcio dwingt om stil te zitten. Daar er ten gevolge +van haar zwak gezicht verscheidene ongelukken voorvielen, draagt ze +tegenwoordig een bril, die haar wonderfraai staat. De dokter is nooit +meer bij een zieke geroepen; de bedienden zien hem verscheidene dagen +van de week zonder tanden, hetwelk, zooals bekend, een veeg teeken +voor hem is. + +Linares, eenige verdediger voor dezen ongeluksvogel, rust sinds lang +op 't kerkhof te Paco, als slachtoffer van buikloop en de slechte +behandeling van zijn schoonzuster. + +De roemzuchte _alférez_ vertrok naar Spanje als luitenant met den +rang van _comandante_. Hij liet zijn beminnelijke wederhelft in haar +flanellen hemd achter, welks kleur onnaspeurbaar is. De arme Ariadne, +wijdde zich, toen ze zich verlaten zag, evenals Minos' dochter, aan +den dienst van Bacchus, en aan de beoefening des tabaks; ze drinkt +en rookt nu met zooveel hartstocht, dat niet alleen de jongemeisjes +bang voor haar zijn, maar ook de oudjes en de kleine kinderen. + +Onze bekenden van San Diego zullen waarschijnlijk nog wel leven, als +ze ten minste niet omgekomen zijn bij de ontploffing van de stoomboot +_Lipa_, die de reis naar de provincie deed. Aangezien niemand zich erom +bekommerde, te weten te komen aan wie de armen en beenen toebehoorden, +die op 't eiland Convalecencia her en derwaarts verstrooid werden, +is 't ons volmaakt onbekend, of daaronder ook een onzer bekenden +voorkwam. We zijn voldaan, evenals het bestuur en de pers van toen, +met de wetenschap, dat de eenige _fraile_ die aan boord was, er goed +was afgekomen. Meer vragen we niet. Het voornaamste voor ons is het +leven der deugdzame geestelijken, wier heerschappij op de Filippijnen +door God moge behoed worden tot heil onzer zielen. + +Van Maria Clara vernam men verder niets meer; 't was of 't graf haar in +zijn schoot bewaarde. We hebben verscheidene personen van veel invloed +in 't Santa Clara-klooster naar haar gevraagd, maar niemand heeft +ons een enkel woord willen zeggen, zelfs niet de vrome vrouwelijke +kwakzalvers, die de beroemde gebakken kippenlever ontvangen, en de +nog beroemder saus, genaamd "nonnetjes-saus," die toebereid wordt +door de vernuftige keukenmeid der Maagden des Heeren. + +Doch op een Septembernacht huilde de stormwind en geeselde met +zijn reuzenvleugels de gebouwen van Manila. De donder ratelde ieder +oogenblik. Bliksemstralen verlichtten bij wijlen de verwoestingen +der elementen en dompelden de bewoners in schrik en angst. De regen +viel bij stroomen. Bij 't weerlicht of een kronkelende bliksemstraal +zag men een stuk dak, een vensterraam door de lucht vliegen en met +vreeselijk gedruisch neerploffen: geen rijtuig, geen voetganger ging +de straat over. Wanneer de heesche echo van den donder, honderdvoudig +weerkaatst, in de verte wegstierf, dan hoorde men den wind kreunen, +die den regen deed opdwarrelen, waardoor een herhaald gekletter tegen +de schelpplaten der gesloten vensters weerklonk. + +Twee _guardias_ hadden een schuilplaats gezocht in een gebouw, dat bij +'t klooster in aanbouw was: 't waren een soldaat en een _distinguido_, +een als soldaat dienend jongmensch van goede familie. + +"Wat doen we eigenlijk hier?" zeide de soldaat. "Niemand gaat hier +over straat...we moesten liever naar een huis gaan. Mijn 'meisje' +woont in de _Arzabispo_-straat." + +"Dat is een heel eind hiervandaan, ver genoeg om druip-nat te worden." + +"Dat 's niks, als we maar niet door den bliksem getroffen worden!" + +"Och wat! Wees toch niet bang; de nonnetjes zullen wel een +bliksemafleider hebben, om er vrij van te blijven." + +"Jawel!" zegt de soldaat, "maar waartoe dient die, als de nacht zoo +donker is?" + +En hij sloeg den blik naar boven, om in de duisternis te kijken; +op dat oogenblik flitsten er een paar bliksemstralen vlak op elkaar, +gevolgd door een verschrikkelijken donderslag. + +"_Nakoe! Soes mari josep!_" [79] riep de soldaat, en sloeg een +kruis. En zijn kameraad meetrekkende, liet hij volgen: "Kom, laten +we weggaan!" + +"Wat scheelt je?" + +"Laten we weggaan, laten we weggaan van hier!" herhaalde hij, terwijl +zijn tanden van vrees in zijn mond klapperden. + +"Wat heb je gezien?" + +"Op het dak...dat moet de non wezen die 's nachts gloeiende kolen +ophaalt!" + +De _distinguido_ stak zijn hoofd naar buiten, en wilde zien. + +Er flikkerde weer een bliksemstraal, en een vuurader doorkliefde de +lucht. Een afgrijselijke knal volgde. + +"Jezus!" riep hij, eveneens een kruis slaande. + +Inderdaad, bij het schitterende licht van 't hemelvuur had hij een +witte gedaante gezien, die bijna boven op den nok van 't dak stond, +gelaat en armen naar den hemel opgeheven, als in smeekende houding. De +hemel antwoordde met donder en bliksem! + +Na den donder hoorde men een droef gekreun. + +"Dat is de wind niet, dat is het spook!" mompelde de soldaat, als +ten antwoord op den handdruk van zijn metgezel. + +"_Aij! aij!_" klonk het door de lucht, boven het gedruisch van +den regen uit. De wind kon met zijn gegier die zoete klaagtoon vol +droefenis niet overstemmen. + +Er schitterde weer een bliksemstraal van een verblindende helderheid. + +"Nee, 't is het spook niet!" riep de _distinguido_. "Ik heb haar nog +eens gezien: ze is beeldschoon als de Moedermaagd...Laten we weggaan, +en het rapporteeren!" + +De soldaat liet het zich geen tweemaal zeggen, en beiden trokken af. + +Wie kermde en kreunde daar in 't holle van den nacht, ten spijt van +wind, regen en storm? Wie was de schuchtere maagd, de bruid van Jezus, +die daar de ontketende elementen trotseerde, en den verschrikkelijken +nacht en den vrijen hemel uitzocht, om van een gevaarlijke hoogte +haar klachten ten hemel uit te zuchten? Zou de Heer zijn tempel +in het klooster verlaten hebben, dat Hij niet meer luistert naar +gebeden? Zouden zijn gewelven de smachting der ziel niet meer laten +opstijgen voor den troon des Barmhartigen? + +De storm raasde bijna den ganschen nacht door. De heele nacht blonk er +geen enkele ster. De wanhopige weeklachten, gepaard met de suizingen +des winds, hielden aan, maar ze vonden natuur en mensch doof: God +had zich gesluierd en hoorde haar niet. + +Den volgenden dag, toen de hemel vrij van donkere wolken was, en de +zon weder te midden van 't gezuiverd azuur schitterde, hield er een +rijtuig stil aan de poort van 't Santa Clara-klooster. Er stapte een +man uit, die verklaarde een vertegenwoordiger van 't gezag te wezen, +onmiddellijk de abdis te spreken vroeg, en al de nonnen wenschte +te zien. + +Men verhaalt dat er een verscheen met een geheel nat kleed aan, +dat in flarden neerhing, en dat deze weenend de bescherming van +den man inriep, vreeselijke beschuldigingen uitsprekend, tegen de +gewelddaden der huichelarij. Men vertelt ook dat ze beeldschoon was, +dat ze de heerlijkste, sprekendste oogen ter wereld had. + +De vertegenwoordiger van 't gezag nam haar niet tot zich: hij had een +onderhoud met de abdis, en liet haar aan haar lot over, in weerwil +van haar smeken en schreien. De jonge non zag de deur sluiten achter +den man, gelijk de veroordeelde de poorten des hemels voor zich ziet +dichtgaan, als ooit de hemel zo wreed en ongevoelig kon wezen als de +menschen. De abdis zeide dat ze krankzinnig was. + +De man wist misschien niet dat er in Manila een krankzinnigengesticht +is, of wellicht oordeelde hij dat het nonnenklooster alleen maar +zulk een gesticht was; ofschoon men beweert dat die man vrij dom was, +vooral om uit te maken wanneer iemand bij zijn verstand was of niet. + +Men verhaalt ook dat de gouverneur, de heer J. [80] er anders over +dacht en dat, toen de zaak hem ter oore kwam, hij de krankzinnige +wilde beschermen, en haar opeischte. + +Doch ditmaal verscheen er geen schoon, om hulp smeekend jongmeisje, +en de abdis stond niet toe dat men in het klooster nasporing deed: +ze beriep zich daarbij op den godsdienst en de heilige statuten. + +Men sprak verder niet over het geval, evenmin als over de rampzalige +Maria Clara. + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Een dergelijk schilderij bestaat in 't klooster van Antipolo. Noot +van de Berlijnsche uitgave. + +[2] Monniken, volgers van den heiligen Dominicus, stichter der +Dominikaner-orde, 13e eeuw. + +[3] _Mendieta_, zeer bekend personage te Manila, portier van den +burgemeester, ondernemer van kinder-tooneelvertooningen, directeur +van een poppen-theater enz. Quiapo, dorpje in de omstreken van Manila. + +[4] "Calle" (spr. kaljee) is straat in 't Spaansch. + +[5] Een soort bloes.--J.H. + +[6] _Sinigang_ is onze _pindang_ (visch-soep); _dalag_ (ophiocephalus) +groeit in de rivieren, meeren en moerassen en vindt men in den +regentijd op de rijstvelden en ondergeloopen landen; _alibambang_ +is de bauhinia malabarica Roxb. + +[7] De "Biblia" (bijbel) van Torres Amat, aartsbisschop van Tarrogona. + +[8] "Toedoeng" zeggen wij in N.-I. + +[9] Hier werd de schrijver gefusilleerd. + +[10] Wien Jupiter verderven wil, maakt hij eerst waanzinnig. + +[11] Zwarte borstelige vezels van de arenpalm (_Arenga pinnata_ +Mer.).--J.H. + +[12] bamboe-vloer. + +[13] dak-rib. + +[14] De zwarte ging zitten en de roode keek hem aan; een oogenblik +later weerklonk het "kikiriki." + +[15] goeden dag. + +[16] Een Chinees hazardspel. + +[17] "Bangka" een groote roeiboot. + +[18] In _kalan_ en _salabat_ zal de Nederlandsch-Indiër gemakkelijk +het Jav. woord _keren_ (aarde komfoor) en de bekende _serbat_ der +Maleiers herkennen, die uit water, honing en gember vervaardigd wordt. + +[19] _Paäjap_ is Tagaalsch voor _blimbing_ + +[20] Sor Escucha, letterlijk: "Luister-zuster", omdat het de non was +belast met het toezicht in de spreekkamer van 't klooster. + +[21] _Akteon_, uit de grieksche fabel-leer beloerde Diana toen ze in +'t bad was. Als straf werd hij in een hert veranderd, dat dadelijk +door de honden der goddelijke jagers werd verslonden. + +[22] Men zegt in de Filippijnen "Convento," lett. klooster, voor het +huis van den pastoor. Zie b.v. Manuel Scheidnagel: Islas Filippinas. + +[23] Maleisch _langsat_; jav. _langsep_. + +[24] Heeten te Manila: _chicos_ (kleintjes?). F. + +[25] = 6 fanegar = 24 schepels. + +[26] Mal.: birah. + +[27] Een spel van Chineeschen oorsprong. + +[28] _Ñor_, is een verkorting van _Señor, meneer_. + +[29] De opperlandvoogd op de Spaansche Filippijnen. + +[30] Lett. "oudste broeder", nl. onder de Franciskanen. + +[31] Twaalf Pairs refereert aan de Paladijnse wacht van Karel de +Grote. Ferragus is de naam van een reus in de vroeg middeleeuwse +Franse literatuur.--J.H. + +[32] Dat is de Heilige Jacob van Compostela, beschermheilige van +Spanje. + +[33] Eertijds aartsbisschop van Toledo, primaat van Spanje. + +[34] Stof geweven uit een variëteit der _abaca_, die men _albani_ +noemt. + +[35] _Negritos_, lett.: negertjes, zwartjes zijn kleine wilden uit +de binnenlanden der Filippijnsche eilanden. 't Zijn kroesharigen in +onderscheiding van de sluikharige _Indios_, de gewone inlanders in +die streken. + +[36] _Among_ = heer. + +[37] Een _cuarto_ is 1/16 van een _peseta_, dus thans ca. 3 ct N. C., +een _real_ vier maal zooveel. + +[38] _Tarantado_, door een tarantula-spin gebeten. _Saragate_, +ruziemaker. + +[39] "_Indios_" noemen de Spanjaarden de katholieke inlanders. + +[40] Verbastering van _sospechoso_, verdacht. + +[41] In 1879. + +[42] Campanario = klokketoren. Torre = toren; de dame vergiste zich +dus door van de naam "Van de Toren" "Van de Klokketoren" te maken. + +[43] Dante. Inferno 33. + +[44] Ironie van den schrijver: het geld werd daar natuurlijk _niet_ +voor besteed. + +[45] lett. 3 percent, naam van een soort open rijtuig. + +[46] Gustavo Adolfo Bécquer, Spaans schrijver van post-moderne +gedichten en korte verhalen.--J.H. + +[47] In vroeger tijd waren dit landheeren, die de inlanders tot +werken op hun grond dwongen. Elias zinspeelde op den strijd tusschen +de monniken en de eerste volksplanters. + +[48] Van de baden, d. w. z. waar de badplaats is. + +[49] Uitroep, die de Filippijnsche inlanders telkens bezigen, en die +allerlei beteekenissen kan hebben. Hier: Goed! Mooi zoo! + +[50] _Wisaja_ is een andere Filippijnsche taal dan _Tagaalsch_; +'t wordt gesproken in _Cebu_ en _Panay_. + +[51] Den goeden dag kent men aan den morgen. [Italiaansch spreekwoord]. + +[52] Ik ben een mensch en niets menschelijksch acht ik me vreemd. F. + +[53] Kinderen, sluit de beken af. D. w. z.: 't Is genoeg, laat het +nu uit zijn [3e ecl. v. Vergilius] F. + +[54] Twee welbekende verzen van 't _Dies irae_: "Al wat verborgen +ligt zal geopenbaard worden, en niets zal ongestraft blijven." + +[55] Desmodium canescens, een peulvrucht. + +[56] Gemeenzaam verkleinwoord van ettelijke namen op _do_ zooals de +Tagalen dat vormen. + +[57] "Slecht voorteeken" bijnaam van generaal Jovellar, toenmalig +gouverneur-generaal. + +[58] "De natuur heeft een afschuw van 't ledige." + +[59] Wat zie ik? Waarom? + +[60] Wat vragen jullie? Niets bestaat in 't verstand dat niet eerst +door de zintuigen is gegaan. Men verlangt niet wat men niet kent. + +[61] Onder wat voor menschen zijn we? + +[62] Snert-latijn. Het oproer van Ibarra onderdrukt door den alférez. + +[63] Vriend, Plato is mijn vriend, maar meer nog is de waarheid +mijn vriendin. + +[64] De zaak is slecht, en een vreeselijk einde is te vreezen. + +[65] Tegen iemand die de beginselen ontkent, moet men met stokslagen +redeneeren. + +[66] Wee hen! Waar rook is, is vuur. Soort zoekt soort, en +nu dus Ibarra wordt opgehangen, zult gij dus ook opgehangen +worden. N. B. _ahorcar_ is Spaansch voor ophangen. + +[67] Ik ben niet bang voor den dood op 'n bed, maar wel in de vesting +van _Bagoembajan_. _Catre_ is Spaansch voor veldbed, ijzeren bed; +_espaldon_ idem voor vestingwerk. + +[68] Geheel Spaansch op _dadivae_ na: geschenken breken rotsen. + +[69] Geschriften zijn getuigen. Wat geneesmiddelen niet genezen, dat +geneest het staal, wat het staal niet geneest, dat geneest het vuur. + +[70] Bij uiterste dingen uiterste middelen. + +[71] Trouwelooze, hooptet gij het ook te bewaren? + +[72] Gaat, gevloekten, in 't vuur van de _kalan_. Kalan is Tagaalsch, += maleisch _keran_, Jav. _kêrên_. + +[73] Spaansch latijn: _primo_ = neef (cousin) in 't Spaansch. + +[74] Weer lastig te verstaan voor iemand die geen Spaansch kent: Want +geloof me, neef, wat gebeurd is, is gebeurd. Laten we God danken dat je +niet op de Marianneneilanden bent, bezig _camotes_ te zaaien (bataten). + +[75] Ze bedoelt: Vertrouw op de Heilige Maagd, en leg je te slapen. + +[76] Lange en buigzame, gras-achtige plant, waarmee de Filippijners +hun huizen dekken. + +[77] De Heilige Nacht komt aan. De Heilige Nacht gaat weer heen... + +[78] Veldarbeid. + +[79] Moeder! Jezus, Maria en Jozef! + +[80] Jovellar? + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Noli me tangere, by José Rizal + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOLI ME TANGERE *** + +***** This file should be named 21848-8.txt or 21848-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/1/8/4/21848/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed +Proofreaders team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
