diff options
Diffstat (limited to '24115-8.txt')
| -rw-r--r-- | 24115-8.txt | 3585 |
1 files changed, 3585 insertions, 0 deletions
diff --git a/24115-8.txt b/24115-8.txt new file mode 100644 index 0000000..f7446ed --- /dev/null +++ b/24115-8.txt @@ -0,0 +1,3585 @@ +The Project Gutenberg EBook of Onder den rook der mijn, by Felix Rutten + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Onder den rook der mijn + Eene novelle uit Limburg + +Author: Felix Rutten + +Release Date: January 2, 2008 [EBook #24115] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONDER DEN ROOK DER MIJN *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + ONDER DEN ROOK DER MIJN + + EENE NOVELLE UIT LIMBURG + + + Door + Felix Rutten + + + L. J. VEEN--UITGEVER--AMSTERDAM + + + + + + + + + + + +I. + + + «o Limburg, mijn geliefde land." + + +"Anneke, waar ben je nu weer?" + +"Hier, moeder." + +Ze was een leuk, lief dingetje van twaalf jaar, zooals ze, ijlings +toegeschoten, in de deuromlijsting daar nu stond met haar donker +kroezelkopje, tegen de klaarte van den straatweg, met de meidoornhagen +en het hemelblauw op den verren achtergrond. + +"Wat moest je nu weer wegloopen?" + +"Daar komt een heer" zei ze wijsneuzig. + +"Hier heen?" + +Vrouw Jansen met haar man hielden "café." Net stond zij klaar om uit +te gaan met haar jongste dochtertje. + +Zij zag even om den deurpost: + +"Kijk, Hary van den meester." + +"Meester Gerards?" kwetterde Anneke en trippelde mee de deur uit. + +"Stil kind," zei vrouw Jansen, "niet zoo luid." + +Zij wachtte den jongen man om hem te groeten. Hij was wel weer op +vakantie thuis! Gerards studeerde te Echt, aan de normaalschool. Het +kwam haar zoo voor, alsof ze nu "meneer" moest zeggen; hij lichtte +zijn pet en zei: "hoe gaat het?" met een vriendelijk, open gelaat. + +"Weer eens te Brunssum?" zei zij er over heen. + +"Ja; weer eens wat uitrusten voor een paar weken.--Alles wel?" + +"Och ja: op 't oude! Daar verandert, God-dank, niet veel hier in +Merkelbeek. 't Blijft alles zooals 't altijd geweest is." + +"Dat is maar 't best. En was 't ook zóó maar in Brunssum. Nu zijn ze +me dáár, zoo-waar, ook al aan 't boren." + +"Op de hei!" + +"Op de hei, ja, 't fijnste dat we hadden...." + +"Wij gaan samen eens gauw even naar Brunssum toe," zei vrouw Jansen, +Anneke bij de hand nemend. "Ga binnen en rust wat. Jansen is er." + +"Dadelijk, dan kom ik. Ik moet eerst even hier binnengaan, in de kerk +van de paters. Het is de mooiste kerk van 't heele land." + +"Dat zeggen ze allemaal die hier komen. Maar een eenvoudig boerenmensch +heeft daar zoo geen verstand van. Werken als we werken, en bidden als +we bidden moeten; en dan maar vooruit, zonder links of rechts. Zóó +is 't nu eenmaal gesteld met een boeren vrouwmensch!--Maar, +allà!--Plezierige wandeling verder." + +"Insgelijks, vrouw Jansen. Dag Anneke!" + +"Wat zeg je?" trok de moeder haar bij 't handje. + +De kleine kleurde en zag voor zich neer, met haar voetje het zand +wegschoppend van de straat. + +"Dom kind, vermaande de moeder; zeg dan: dag meneer Gerards." + +"Adé" riep ze nog eens, en ging. Vlug trippelde Anneke mee. + +"Wát komt hij hier doen, moeder?" + +Maar de moeder, kort en scherp: "je moet de menschen op straat netjes +goedendag zeggen en niet staan met den mond vol tanden; dan ben je +een stout kind." + +Verder gingen ze zwijgend voort.-- + +"Waar gaan we naar toe, moeder?" vroeg Anneke, eene lange poos later. + +"Wij gaan naar Brunssum. Moeder moet er eene zieke vrouw bezoeken, +de moeder van Willemke, die al wel eens bij ons thuis geweest is, +om wat voor zijn, moeder te halen. Dien ken je wel? Nu, dan mag jij +zoo lang met Willemke spelen, als ik met zijn moeder praten zal. Het +is een goed werk dat we gaan doen: de zieken bezoeken. Dat zegent +Onze Lieve Heer. Dat zul jij later ook doen, wanneer je groot ben. En +altijd vriendelijk zijn en beleefd, hoor-je!"... + +Weer gingen ze zwijgend, dwars door 't dorp, langs de kerk. Vrouw +Jansen maakte het kruisteeken in 't voorbijgaan. + +"Anneke,--wat zegt men als men voorbij de kerk gaat?" + +"Geloofd zij Jesus Christus" klonk het schuchter en zacht. + +"En wat doet men dan? Wat heb ik je geleerd?" + +Anneke sloeg een kruisje. + +"Zóó is 't goed, prees de moeder. Onze Lieve Heer ziet dat van het +tabernakel uit." + +Anneke, omziend met een vlugge beweging van 't ranke kopje: + +"Kan Hij dat werkelijk zien?" + +"Hij ziet en hoort alles, wat wij zeggen en doen; en wat wij denken, +weet Hij." + +Weer wandelden zij voort in stilte. Zij waren buiten het dorp. De +landweg werd mul en stoffig. De velden stonden er schraler. Hier +zagen zij er armzalig uit. + +Nu waren ze de hei genaderd. Een boschje slaghout en een eerste groep +dennen,--en daar lag de leemen hut van den bezembinder. + +Vrouw Stoffels was haar vijfde kind geboren, tot pijnlijke vreugde +van het gezin. Vrouw Jansen die eene der goedgezeten boerinnen was +en een der goedigste vrouwen uit den heelen omtrek, bewees de vrouw +van den bezembinder bij alle gelegenheden telkens, dat zij leefde +volgens haar woord: "men moet leven, maar ook laten leven." + +"Wanneer de kinderen maar eens groot zijn," zuchtte de arme vrouw +Stoffels altijd. Ze zouden natuurlijk vroegtijdig aan het werk +gezet worden. + +Twee dreumesjes wroetten voor de deur der woning in het zand. Tusschen +een armelijke omheining lag er een verwilderd tuintje. Rondom schoot +het heidekruid op in zijn donkere warrigheid. Het ving reeds aan te +bloeien. Een grootere knaap lag met bei zijn handen onder het hoofd +in het warrig gewas. + +"Willemke" riep vrouw Jansen. De knaap was opgesprongen. + +Stoffels zelf kwam naar buiten op 't geluid dier stem. + +"Hoe is het?" vroeg ze vluchtig. "De kinderen kunnen samen hier +zoolang wel spelen. Daar is Willemke", wees zij Anna. + +Mee ging zij met Stoffels naar binnen. + +Anneke zette zich moede neer. Zij wendde 't kopje af, daar de knaap +haar stond te bekijken. + +"Dat is de hei!" zei hij na een poosje. + +Het kleine meisje keek en zag nu, dat daar wijd en diep, heel diep-weg, +donker land lag. + +"Daarachter?" vroeg zij het hoofdje naar hem keerend. + +"Daarachter en ginds ver, en hier, overal, tot in Pruisen." + +Hij beschouwde haar oplettend met het gevoel zijner meerderheid, +staande op eigen terrein. En met het zelfbewustzijn van een +koningskind, dat tot heerschen is geboren: "Dat is allemaal van ons." + +Zij zag hem scherper aan. Hij was grooter dan zij. + +"Daar ginds, voegde hij er bij met gewicht en nadruk, ligt de +Heksenberg." + +Zij rekte 't halsje, hem naderend. + +"Zijn daar heksen?" + +"O, zeker!" + +Anneke voelde 't angstig aan. + +"Maar zij zullen ons niets doen. Ik ben er dikwijls op geweest, maar +overdag is er niets. Alleen maar 's nachts. En in den maneschijn kun +je ze zien dansen." + +"Wat doen ze dan?" + +"Ze dansen den heksendans, op bezemstokken.--Daar hebben ze ook +Bokkenrijders opgehangen aan een galg. Vader weet dat allemaal. Maar +wij hoeven niet bang te zijn. De menschen van de hei doen ze toch +niets!" + +De oogen van 't kleine kind werden grooter. Zij zag steeds meer rondom +zich. Zij zaten naast elkaar nu, de knaap haar wijzend, waar heuvel aan +heuvel opgolfde uit de stille deining van de diepte, vervluchtigend +tegen het verre, vage kimmeblauw. Daar lag de Schrijversheide, daar +de Auverenberg "waar de Auvermannekens wonen." + +Anneke dacht de puntmutsjes der kabouters te zien priemen uit het +rossig-paarse kruid. + +"En daar bouwen ze den boortoren voor de nieuwe mijn." + +Anneke herinnerde zich het gesprokene tusschen moeder en Hary van +den meester. + +"Wat is dat?" vroeg ze. + +"Wel, verklaarde hij, de kolenmijn! Nu gaan ze eerst kijken hoe +diep die zitten en boren een put in den grond; en dan komt daar de +mijn. Daar zitten hier overal kolen, en de besten van de wereld." + +"Zullen de heksen daar niet kwaad om zijn?" waagde ze naïef. + +"De heksen?" Willem peinsde. "Neen, verzekerde hij. De Heksenberg +blijft daar achter stil liggen. Daar hebben ze genoeg aan. De mijn +komt hier, vlak bij: hier achter die denneboomen." + +En gelijktijdig stonden zij op en liepen vóór 't boschje langs, +waar ze den boortoren konden zien. Daar ginder verder stond, uit +de grauwe diepte der bedoomde heide, achter de houten keet en den +kastvormigen houten toren der boring, omlijnd als een kegel, de +Heksenberg statig op. + +Hij was als de hals eener urn, zooals hij boven de kim rees. + +Anneke's hoofdje hing vol vreemde fantasieën, terwijl zij naar den +strak omlijnden heuvel uitzag. + +"Jij moest ook hier wonen," zei Willem. "'t Is nergens zoo goed als +op de hei." + +"Ben je niet bang hier?" + +"Bang? Waar zou 'k bang voor zijn? Als 'k groot ben, ga ik ook in de +mijn werken. Daar wordt geld verdiend!" + +"Ik zou niet graag," huiverde ze. + +"Ja maar, je ben ook geen jongen!".... + +Daar was een dopheide-bloempje onder 't bereik harer vingertjes en +ze plukte het. Ze bekeek het als iets onbekends. + +"Mooi, vind je niet? Heb je dat nog nooit gezien? vroeg +hij trotsch.--Bloemen genoeg hier, en 's zomers 's avonds de +lichtkevers--weet je wel?--de gloeiwormpjes; en dan van die fijne +groote vlinders. Er zijn hier meer vogels als in een groot bosch." + +"Die mag je toch zeker niet vangen?" + +"En waarom niet? Dat is hier immers allemaal van ons!" + +"Maar de vlinders," neuswijsde ze: "die zijn immers van Onzen Lieven +Heer." + +"Gekheid," zei hij. "Wij hebben hier alles te zeggen.--Nu krijgen we +ook gauw de bijen hier, ging hij voort, zoo gauw als de hei bloeit. Ze +begint nu al." + +"Wat?" vroeg Anneke. + +"Wel, de hei hier, alles, overal: dat gaat allemaal bloeien met heel +kleine roode bloempjes, waar de bijen op af vliegen om den honig. Heb +jij dan nooit de hei zien bloeien?" + +"Neen" schudde ze nadenkend. + +"Och maar, praalde hij, dat is nog 's wat. Je zou dat wel zien, als je +hier ook woonde. Kom maar eens terug hier na een week of twee. Dan is +'t allemaal rood wat je ziet." + +Hij praatte als een man, wiens huis vol goud zit en zilveren +kostbaarheden. + +"Daar beneden loopt er ook een beekje. Zie je 't? Er zitten volop +kleine vischjes in, stekelbaarsjes." + +"Ik zie geen beekje," zei ze turend. + +"Kom, ik zal 't je wijzen. Ga mee." + +Zij stapte moedig in 't hooge kruid met hare tengere beentjes. "Geef me +maar een hand" vroeg hij, beschermend. Zoo daalden ze, wijdschrijdend, +samen de helling af. + +"Heila!" donderde een zware mannenstem. "Waarheen moet dat met +jullie daar?" + +"Ik wou het beekje wijzen, daarginds." + +"Wat jij, beekje, gauw terug, vlegel! Heb 'k je niet gezegd dat je +niet van de deur mocht?" + +De twee kinderen kwamen terug gestapt. Hij liet haar handje los, +gekrenkt in zijn kleinen hoogmoed. Zij liet het kopje hangen, verlegen +en bevreesd. Er was iets moois gebroken. + +Dan kwam vrouw Jansen, en Anneke ging zwijgend mee. + +Het werd avond; de zon werd rood en daalde. En met den avond viel, +na haar heengaan, weer 't gewone zwijgen over de heide saam. + + + + + +II. + + +Hary Gerards zou onderwijzer worden. Zijn vader was te Brunssum hoofd +der school. Van hem had hij zijn studielust en zijn werkkracht. Doch +er was eene schoonheidsliefde in hem geboren, die hij van niemand had +geërfd. Hij wist dat de velden schoon waren in hun bloei en in hun +rijpte. Hij hield van zijn dorp. Hij had het niet kunnen uitdrukken +wellicht, doch hij wist het: waar hij over het land uitzag, was +schoonheid; er was vreugd in elk seizoen. Of 't de barre heide was in +haar winterslaap, of het bosch wanneer er de nachtegalen sloegen,--de +rand van 't veld met zijn wilden bloei van kelkjes en klokjes, die +verachtelijk onkruid heetten, of de blauwe einders die in kringen +lagen om het glooiende landschap,--het vervulde hem met een blijheid, +waarvoor hij in zijn stille uren heimelijk naar woorden zocht. + +Hij kende 't land, van Aken tot Maastricht. De oude kathedralen +dezer grijze steden hadden een diepen indruk op hem gemaakt. Als +zwijmend avondgoud in diepe vensternissen neergelegd, vervullen +dagen en legenden met hun rooden, gulden schijn het mystisch donker +harer gewijde schemeringen. De ogieven rijzen er boven het gebed +der knielenden uit, den spitsboog voltrekkend met het gebaar van +biddend-saamgehouden handen. De schimmen van den Grooten Karel +en Servatius zweven door de duisterheden dier heilige hallen; in +haar schaduw blijven de voorbijgegane eeuwen onbewegelijk in hare +werkelijkheid, gelijk een tastbare droom. De branding der dagen in hun +stijgenden vloed, breekt er telkens weer op de grauwe drempelsteenen, +terwijl daar binnen onverstoorbaar de stilte leeft, met wierookgeuren +aangedaan en 't zacht geflonker van een kleurigen zonneschijn, +die getemperd binnenvalt, gewijd tot meditatie in de wemeling van +'t bonte glas. En alle lijnen die de wijde wulfsels onderspannen, +zingen in hare blijde vaart een nimmer eindigend, heilig, heilig.... + +Het was dat "heilig Hallel" dat de peinzende geest van den jongen +Brunssumer weervond in de nieuwe paterskerk van Merkelbeek. Daar +was dezelfde ingetogen stemming niet, maar dezelfde vlucht en vaart +omhoog der oude kathedralen. Het lied dat verstild was tot zachte +fluisteringen in den grauwen dom, werd hier weer uitgeschaterd. Hier +was licht en luide vreugde in dit heiligdom van rood steen, met de +klare vensters die de drie even-hooge beuken verijlen. Hare gewelven +zijn als breedgewiekte vogelvluchten over u. Rank als bloemen-stengels +zijn de pijlers die ze schoren. + +Die kerk ging als een juichlied voor zijn ziel omhoog. En het greep +hem diep in het gemoed, dat die Benediktijnsche kathedraal van +Merkelbeek geboren was uit Limburg's eigen klei. Uit Limburg's eigen +grond gebouwd, was zij hem dierbaarder, dan zij hem om hare slanke +vormen alléén geweest ware. Zij stond er opgerezen als veld en bosch +en heide uit de aarde groeit,--rood van baksteen, dáár uit den grond +gewonnen. Geen van Limburg's vele nieuwe kerken was grootscher dan +deze, in haren wijden, gothischen zwier. + +Zoo rees zij in zijn verbeelding telkens naast de gulden mergelkerk +van Meersen, die juweelenschrijn uit een ver verleden. Daar had hij de +verrukking over zich gevoeld van den middeleeuwschen schoonheidsdroom; +hij was er neergeknield in stom verbazen. Maar de Merkelbeeksche was +méér. Want deze greep hem dieper in 't hart. Zij was zijn eigen. Te +Meersen was hij een vreemde: de mergel was hem vreemd. Maar dit was +zijn eigen Limburg--het Limburg van den klei en van de heide, niet +van den witten zandsteen der groeven van Maastricht en Valkenburg. Het +heiligdom van Merkelbeek gevoelde hij als de apotheose van zijn eigen +Limburgs "heiligen moedergrond." + +Had hij daar vertoefd in stille en gelukkige beschouwing, dan ging +hij telkens gaarne vader Jansen groeten en even neerzitten voor een +praatje. Hij ging dan door de herbergskamer heen, naar het tweede +vertrek dat meer een huiskamer was. In de eerste zaten de drinkers, +de voorbijgaanders die binnen kwamen, de mindere klanten, reeds naar +Duitsch gebruik aan tafeltjes bespreid met bonte kleedjes. Vrome +platen hingen er aan den wand; en boven de deur een "Oog Gods" met +het opschrift in groote letters: "God ziet ons. Hier vloekt men +niet." Daartegen over een kruis. Reklameplaten en aanplakbrieven +staken helder af tegen het donker behang. + +De tweede kamer was gezelliger en huiselijk. Wel stond er de toonbank +met het buffet. Doch moeder Jansen had er ook haar porcelein-kast, +waarvan de plankjes die de servisen droegen, omzoomd waren met +gehaakte kant in twee kleuren. De oudste dochter zat er 's middags +bij hare naaimachine. Naast de ronde ijzeren kachel had vader zijn +lievelingsplaatsje. Daar troonde hij in zijn gevlochten zetel. Zijn +pijpje rookend, overzag hij dan de twee vertrekken, terwijl moeder +de vrouw er heen en weer ging, het huishouden beredderend. Vader +bezorgde de klanten. Lize hielp, wanneer er menschen kwamen die om +koffie vroegen. Dan maakte zij spek en eieren klaar, en snee van +'t groote roggebrood. Anders zat zij te werken en wees kleine Anna +na schooltijd al eens, hoe een zoompje behandeld werd. + +"Dáár", en vader Jansen stond op: "Hary Gerards!" + +De ontmoeting was hartelijk. Jansen zag den aanstaanden meester reeds +in den studeerenden jongeling. + +"En wat nieuws?" vroeg deze glimlachend. + +"Dat ze op de hei, bij jullie daar, boren!" zei Jansen. + +"Ja," antwoordde Hary dof, "wat een zegen voor ons dorp!".... + +"Daar krijgen ze nog wat van. Wacht maar eens!" + +De pijp van vader Jansen dampte geweldig. + +"Nu worden we opeens allemaal rijk, schimpte Hary. Alle boeren +mijnwerkers, en alle mijnwerkers goudrapers. En na tien jaar eten we +rijstebrei van zilveren schotels." + +"Als de engeltjes in den hemel," lachte Lize. + +"Een ongeluk voor Brunssum, schudde Jansen het hoofd. Je zult eens +zien! Kijk eens naar Heerlen. Kan daar nog een vrouwspersoon veilig +over straat gaan 's avonds?" + +"Maar 't zal toch wel een hoop geld onder de menschen brengen." + +"Geld? ja-wat, en de boeren dan? Hoe krijgt de boer, die met kleine +kinderen zit te kijken, zijn veld geploegd, als er geen boerenknechten +meer zullen zijn? Wie zal hem zijn koren maaien?" + +"Daar krijgen we machinen voor." + +"En wie betaalt die? Krijgen we die van de koningin gestuurd?" + +"Daar zorgen de boerenbonden voor." + +"Boerenbonden, als er geen veld meer is? Het is de ondergang van den +boerenstand, want het is de ondergang van het veld. Denk je dat het +brood vanzelf in den oven komt, als de mijn maar zorgt voor brandstof? + +"Ja maar, bracht Hary in, daar zijn toch altijd ook lui van hier naar +Pruisen getrokken, om steenen te bakken bij voorbeeld." + +"En wat zijn die rijker geworden? Wat hebben die meegebracht van hunne +vijf mark daags? Zeg dat zelf nu eens. Geen dak boven hun hoofd, +geen kleeren aan 't lijf; en hoe meer ze verdienen, hoe armer ze +zijn. Met de mijnwerkers is 't nog erger gesteld." + +"Ja, kwam Lize ertusschen, als je dat toch allemaal 's hoort...." + +"En dan tien zoo'n mijnen, met een duizend man ieder om te +beginnen.... Verzopen kerels en bedelpak." + +"Ze zouden 't niet zijn, als ze niet wilden!" + +"Eén rotte appel is genoeg,--en die ééne ontbreekt er nooit. Wie +houdt den hond als hij van de ketting komt? Laat zoo'n dozijn, of +een vijftig van die losgebroken duivels, op Brunssum neerstrijken en +wensch je dan geluk met dien zegen...." + +Jansen verschoof zijn stoel met een heftigen ruk, zoodat de rieten +zetel kraakte. + +"Vroeger, ging hij rustiger voort, had ieder zijn eigen stukje grond +en trachtte er naar, een eigen huis te bezitten. Ieder werkte en +was gelukkig met weinig. Daar was geen kwestie van maar fietsen en +maar feesten als nù. Daar was een flinke kermis en basta. 's Zondags +een pint en een praatje. De jongens beugelden en kegelden; de ouden +rookten hun pijp samen. Ieder ging naar de Vesper 's middags, wat nu +ook niet meer gebeurt. De menschen waren arm, maar ze verlangden niet +naar meer. De een gunde den ander den dauw op zijn veld, en de peren +aan zijn boomen. Ieder bleef in zijn eigen dorp en trouwde een meisje +van zijn eigen straat. De menschen waren eenvoudig en tevreden.--Maar +wie is er nog tevreden op vandaag?" + +"Zeker, zeker, dat is volkomen waar," zei Gerards ernstig, dof. + +"Ik wist dat je 't met me eens was, Hary. Daarom zei ik 't ook +niet. Maar er zijn er toch, die zich gouden bergen voorstellen, ook +van die boring nu weer in Brunssum. Doch wacht maar. Ge beleeft dat +nog, en ik ook, als ik ten minste tijd van leven heb. Ik zeg maar, +zie-je, dat het jammer is voor ons landje." + +"Nu had die hei toch wel geen waarde" meende Lize. + +"Alsof ze daarop letten! Kijk maar eens in Amstenrade. Al dat akkerland +wordt den boer toch maar onttrokken. Maar dat is nog het ergste +niet. De Socialisten die er van komen, dat is nog wat anders!--Het +is alsof de levende Satan in de mijn zijn netten spande." + +"Ze hadden de hei moeten sparen," zei Hary, "al was 't maar omdat +ze zoo mooi is. Je kunt vèr gaan in 't land, eer je er 't gelijke +van vindt." + +"Daar wordt naar niets gekeken, als het op de duiten aankomt." + +"Ja, zuchtte de jonge man, ze meenen het arme Limburg rijker te moeten +maken; en ze maken het mooie Limburg dood." + +"En het goede wordt bedorven," voegde vader Jansen er aan toe en trok +aan zijn pijp dat het dampte. + + + + + + +III. + + +Pinksteren. + +Het is het feest der lentevreugde. + +Het groen aan de boomen is jong en frisch. De weiden zijn, in 't +glanzende hooge gras, bezaaid met bloemen. Het spettert van overal +oranje, rood en blauw en purper: boterbloempjes als zonnevonken in +'t groen gevangen; de eereprijs die zinnend met zijn blauwe oogjes +kijkt, de koekoeksbloem op hoogen stengel, de paarse klokjes die +geheimpjes uitluiden, de schierling die zijn witte schermen spant +tegen de zon. Het bloeien gaat als een wondere mare van feestelijke +vreugde door het groene land. + +De twijgen van den appelboom hebben hun bloesem verstrooid; maar de +merel fluit er tusschen de jonge bladeren. Wat al vogels luid en +druk, die spelemeien in alle groen, waar takjes ze kunnen dragen, +en al maar nieuwe blaadjes met gespitste ooren naar ze luisteren. + +Boven de groene velden stijgt de leeuwerik in den wervel zijner +zangen naar het blauw. De groene beemdenwereld ziet reeds wit van àl +maar Sint Jans bloemen. Van alle populieren steken vlaggetjes uit: +zóó warrelen hunne zilverige blaadjes. Van alle verten wemelen de +geluiden op: het zachte ruischen, het zachte gonzen, het speelsche +ritselen. De muggen dansen in den zonneschijn bij zwermen. + +Het zonneschijnen zelf schijnt ruischend door de lucht te stroomen. Het +zingt door het groen, het trilt tegen het blauw als snaren trillen. Het +is muziek voor de oogen. En de hette wemelt over het veld. + +Er wordt een warme innigheid om u uitgeademd, die met de geuren stijgt +van bloemen en van kruid. Zij stijgt en zweeft, àl weelde wevend. Dat +is het gouden spinsel, wanneer de zomermiddag aan het spinkrokken +zit. De lucht is louter geneuchte. + +Gelijk een witte kerk in de zon op groenen heuvel, staat de Pinksterdag +in het bloeiend lentetij.-- + +De zondagsklokken luiden. Door 't koren komen de menschen, over +ongeziene paden, ter Vesper. + +Daar is veel volk vandaag in Merkelbeek. De paters zingen plechtigen +zang. Het galmt zoo breed, het klimt zoo wonder-hoog op de zachte +akkoorden der begeleiding, dat het is alsof de wijdsche gewelven +hooger stijgen bij 't geluid dier stemmen, als konden zij ze met hun +armen niet meer omvademd houden. + +Dan sterven de gezangen weg, de laatste orgeltonen. Alles staat weer +roerloos, onveranderd in het grootsche kerkgebouw. Er hangt alleen nog +wat wierook na te dampen, traagjes wegtrekkend langs de zonnestreep, +die door het venster bundelt voor het altaar, en opklimt als een +gulden ladder dwars door 't hooge koor. En de menschen zijn heengegaan. + +Om 't feest schijnt zelfs de straat in feestdos: de Canada's tegen +'t ongerepte blauw, de heerlijk frissche hagen, met de groene +weiden daarachter; al die menschen die geen haast maken, in het +zondagsche kleed; de rumoerige stemmen in de herberg, de drukte op +de beugelbaan; de vroolijke gezichten achter de bloeiende geranium +op 't raamkozijn. De mannen poozen in afwachting; de vrouwen komen +later en trekken langzaam voort, in pratende groepjes, door de rij +der monsterende kerkgangers heen.... + +Maar de meisjes daar, op 't eind der straat? Het is een wit gevleugel +van al maar witte schortjes. Het is een dichte groep van druk jong +volkje, trippelende en babbelende, leenig en luid, alsof het een +kibbelen was. Maar opeens beginnen ze allen samen te zingen: + + + De pinksterbruid is opgestaan + Met haar prinsessenkleedje aan. + Wat heeft zij lang geslapen! + Zij lacht zoo lief naar u en mij. + Zij wandelt door de groene wei + Met al haar witte schapen. + + +En de ouden lachten, daar zij het lied herkenden hunner jeugd: + + + Zij draagt een kransjen om het haar. + Dat heeft de roode rozelaar + Ze tot geschenk gegeven. + Zij houdt een ruiker in de hand. + Dien hebben wij van amarant + En reseda geweven. + + +En de kinderen kwamen aanzetten, het pinksterbruidje verborgen in +hun midden meevoerend. + + + Sta op, sta op nu, Pinksterbruid. + De dag is om, de wijn is uit; + Gij kunt vandaag niet trouwen. + Ik weet niet waar uw vrijer is. + Gij sliept te lang,--en hij gewis + Ging elders kennis houën. + + +De kinderen steken de handen uit en vragen om centen. Ze willen ze +niet voor niets laten zien. + +Het pinksterbruidje zit op een stoeltje dat ze in hun midden +dragen. Een stuk gordijn dient ze tot sluier, die ze heelemaal +verbergt, over het hoofdje neerhangend tot de voetjes. + +"Laat ze toch maar eens kijken", zeiden de oudere vrouwen. + +Maar de kinderen hielden voet bij stuk. + +Dan kwam vrouw Jansen aan, en Anneke hield de hand al bedelende voor +haar op. + +"Nu," zei vrouw Jansen, "als 'k jullie dan een "groschen" geef, mogen +we dan allemaal eens zien? Maar dan ook het liedje nog eens zingen!" + +Nu werd het een blij gejoel door elkaar. Het stoeltje werd neergezet en +voorzichtig ging het sluierende gordijn de hoogte in. Het was een dotje +van een kind. "Wat een lief diertje" zeiden de boerinnen. De blauwe +oogjes pinkelden schalks, maar het wicht verroerde zich niet. Haar +kleedje was met bonte prentjes volgestoken. Een kransje van bloemen +liep om 't blonde kopje heen en kransjes had ze als armbandjes om +de polsen. + +"Ach nee, hoe lief!...." + +Een paar mannen-gezichten keken door 't venster eener herberg naar +buiten. Toen schoten er eenige van de kinderen naar hen toe, om een +cent te vragen. Het gordijntje was neergedaan.-- + +Ze hadden hun pinksterbruidje verder 't dorp ingedragen en het nu +voor een groote boerenwoning neergezet. + +Onder de hooge ronding der poort, tegen de groen geverfde vleugels +leunend, zat op stoelen een groepje vrouwen. Jonge meisjes stonden er +in een kleurig groepje naast. Een oud moedertje droeg nog de linten +muts, hoog-op gewerkt, met bloemen en veeren er in, en 't bonte +doekje om de schouders. Op een boomstam onder 't venster zat manvolk, +pijpen rookend. + +Kinderen liepen om het kringetje te hoop, in afwachting van 't +gebeuren. Maar 't scheen niet gauw te zullen gaan. De meisjes stonden +te trippelen van ongeduld. Zij begonnen een ander liedje: + + + Pinksterbruid, de wijn is uit: + Nu wordt er bier geschonken. + En wie de kruik niet tijdig sluit + Die wordt er wel beschonken.-- + Zeg je neen, of zeg je ja, + Waar je vóór gaat, volgen we na. + + Pinksterbruid, het bier is uit: + Nu moogt gij water drinken. + Water geeft uw stem geluid; + Het doet uw oogen blinken.-- + Zeg je ja, of zeg je nee, + Waar je vóór gaat, gaan wij mee. + + Pinksterbruid, de lente is uit: + Nu gaan wij aren lezen. + En wie niet weet wat dat beduidt, + Die krijgt de deur gewezen.-- + Zeg je neen of zeg je ja, + Waar je vóór gaat, volgen we na. + + +"Laat ze mij eens kijken," zei Willem Stoffels tot Anneke. + +Haar kameraadje van dien dag op de heide! Het was bijna een jaar dat +ze hem niet meer gezien had. + +"Je moet betalen," zegt ze en bloost. + +"Kom, knipoogt hij; ik toch niet, wel? Even maar." + +En Anneke liet het pinksterbruidje zien. + +"Ben je gek, An!" vlogen de anderen op en sloegen haar op den arm, +dat hare vingers den sluier lieten glippen. + +"Zeg, sprong Willem op, tegen de eene die 't vinnigst was: laat jij +dat meisje wel met rust, of 't gaat je niet goed." + +Maar die: "Wat jij, bezembinder van Brunssum! Scheer je naar de hei, +jij voddenraper...." + +En Willem met gebalde vuist voor haar: + +"Nog een woord, zeg! Jij, kakkerlak! en ik...." + +Maar de groote lieden waren toe geschoten. "Is me dat een ruzie hier; +schaamt je...." + +De kinderen kregen geld, de jongens harde woorden. Dan gingen ze uit +elkaar. Maar Willem keerde zich nog eens naar de meisjes om en riep +woedend: "Wacht maar!" + +Als een schuldige stond Anna blozend ter zijde. Maar toen ze opkeek, +zag ze Willem vriendschappelijk en met een lachje wenken. + +De jongens hoonden samen 't pinksterliedje na. + +Maar de meisjes stieten elkander aan en ginnegapten: + +"Die An' van Jansen!.... De pastoor moest 't maar eens weten!".... + + + + + + +IV. + + +"Was 't dan nog maar in Brabant ergens! Maar nu zóó hoog boven de +Maas in Holland!...." + +Onwillig legde Hary Gerards zijn benoeming ter zijde, streek door +zijn krullend haar, en haalde werktuigelijk onder een stapel boeken +zijn atlas te voorschijn. Dáár was 't, in Drente. + +En toch was er ook vreugde in hem. Hij ging nu werken en iets +worden.--Was 't maar niet zoo ver van huis geweest! En nu eerst wist +hij, hoeveel hij eigenlijk hield van zijn geboortestreek. + +Hij stond op, sloeg den atlas dicht, borg zijn boeken en ging de +woning uit, naar buiten. + +Hij ging links af, de straat langs waar de vele boomen den hemel +onderscheppen met hun wemelend, zacht-zilverig groen. Hij zag de +huizen met hunne puntgevels naar hem kijken. Hij zag de breede +poorten overspannen met den ronden boog van baksteen: hij voelde ze +als meewarig met hem begaan. Dáár stond een bloeiende fuchsia voor +'t open raam, in de stilte van haar gemijmer, met den onbewegelijken +regen harer losgebloeide tranen van rood en paars. Langs een enkelen +ouden gevel klom een groene wingerd tusschen deur en venster op, +en spreidde er de weligheid zijner lange ranken uit, die in de ijlte +grepen naar een steun dien zij niet vonden, àl heen en weer bewogen +door den wind. Hij zag er zijn eigen droomen, in 't verlangend en +vergeefsche handenreiken van den wingerd. + +Een mensch moet zijn begeerten binden en zijn ziel besnoeien, +dacht hij. + +Weer was er stille droefheid in hem; alleen de wind ruischte over zijn +hoofd door het loover der breedgetakte Canadeesche populieren,--de +wind die waait, als de wil van 't leven, over de kinderen dezer aard. + +Hij ging de groote oude huizing voorbij die er "het Gasthuis" heet. De +groene linden hingen vol van haar uitgestorven bloesems. Hij begon te +mijmeren over dat oude huis, onder 't loome dak der roode pannen. Wie +kwamen er rusten van langen tocht in de dagen van 't verleden, zoodat +het altijd nog "het Gasthuis" bleef genaamd? De pelgrims die van +Roermond naar Aken gingen, heet het bij de oude menschen. De Roomsche +reis dier tijden! Hoe veranderde alles. Nu moest hij zelf immers heel +naar Drente! Dat was iets anders. En toch zou 't heelemaal niets zijn, +als hij daarom 't ouderlijke huis maar niet had te verlaten.... + +"Vaarwel, de vreugde mijner onbezorgdheid...." + +Hij ging voort tusschen groen en koren in gestadige afwisseling, +naar de helling waar 't bosch begon, dat ze er "het Ruischen" noemen. + +Hij stond stil bij de beek en zag er de kleine vischjes +verschieten in hun schuchterheid. Wild stonden er langs den +oever de roode wilgenroosjes op, tusschen roomkleurige veeren van +spirea. Boschvarens schoten overal omhoog en vormden kleine boschjes, +met hun breedbegroeide stengels die elk een boompje leken. De +braambezie joeg de vangarmen harer stekelige ranken er door heen; +langs 't kreupelhout in de hoogte klimmend, hing de boschdruif er +hare bloementrossen die nog eerst open gingen. + +"Heb je daar ginds geen eendjes gezien?" + +Hij schrok een weinig bij de stem eener vrouw, die naderde door de +weide aan den overkant. Hij had haar niet bemerkt. + +"Hier zijn jonge eendjes, bruinen", riep hij terug; "een stuk of +zeven!" + +"Maar dat zijn ze immers; och-arme, komt maar gauw, jullie kleine lieve +diertjes.... Pile, pile, pilekens" lokte ze. "Ze waren verdoold! De +eene helft van de familie kwam me vertellen dat er iets gebeurd +was. Ze kwamen snaterend de keuken binnen. Toen ben ik gaan kijken, +wat onraad er was. En daar zijn ze nu. Pile, pile, pilekens. Maar +gauw terug nu...." + +De eendjes waggelden haar door de weide achterna. + +Hary Gerards glimlachte, met die uitdrukking van geluk op zijn gelaat +zooals hij telkens glimlachte, wanneer iets schoons hem trof. + +Voort ging hij, eerst nog eenige "Kampen" voorbij,--stukken velds +die door groene struiken als met heggen zijn omgeven; dan worstelde +hij door 't warrige struweel dat om den heuvel heen groeide tot een +dicht bosch. Eerst nog de dennen en jonge berken voorbij, die tegen +de zandige helling stonden, en dan rustte hij uit op den kam, die +open en leeg daar lag te schijnen in de zon. + +Veel uren van zijn jong leven had hij daar gezeten en gedroomd. Het +was hem zijn beste genot, daar buiten alleen te zijn. Dan voelde +hij zich altijd anders dan wanneer hij met menschen samen was. Dan +blikte hij eerst recht in zich zelven, als werd iets weggeschoven van +zijn binnenste. Wanneer hij eenzaam uit ging, was 't altijd voor hem +alsof er iets van hem viel, schillen van zijn oogen, banden van zijn +geest. En ook voelde hij zich telkens dan iets toegekomen alsof het +vleugelen waren. Dan kon hij lachen van louter vreugde tot alles wat +hij zag. Daar was alles schoonheid, daar ademde alles geluk. Het werd +er hem zoo wél te moede. Het was met geen woorden uit te spreken. + +In de gulden diepte onder de zon stond het gouden graan. De velden +naderden van het glooiende land en liepen uit in het groen van 't +boschje dat voor den heuvel stond. Daar omzoomden heggen en struweel +het rijpend veld, als groene dijken die een water indammen. Het +was alsof rivieren er hunne wateren spoelden, en gouden wateren er +voerden door het groene land: de tarwe die er rijp en gulden-geel +te deinen stond in 't winde-waaien. Daar lagen gouden meren tusschen +het boomengroen. + +Hier het rijke veld en dáár de peinzende heide, dacht hij, en hij +stond op om verder heen te gaan, waar hij de heide overzien kon. + +Hij waarde weer door groen en struiken naar de zijde waar de +"Auverenberg" meteen zou opduiken. + +"Wat?".... dacht hij half-luid. + +Door de boomen heen zag hij eene groote vlag driekleurig golven. Die +woei van de spits van den boortoren. Het kon niet anders. Ze hadden +dus kool gevonden. + +Er kwam een beweging van trots in hem over die vondst. Maar dan +overstelpte hem het bewustzijn dat de heide nu verloren was. Dát was +de schennis harer schoonheid. + +"Voorbij, verloren" gonsde 't door zijn gedachten. + +Hij klom tot den rand der hoogte vanwaar hij de heide zien kon, +open als een ontsluierd geheim, dof en donker groen, met de kammen +en kopjes harer heuvelketen, moegestrekt in dommelende golving. + +"Verloren, voorbij." En de droefheid om hare bedreigde schoonheid +verscherpte zijn eigen leedgevoel om 't naderend afscheid. + +Die dag was de eerste mijlsteen in zijn leven, en 't was hem als lag +nu achter hem de weg der jeugd, de weg van een schoon maar onbegrepen +levensheil. + + + +"Goe'dag, Anneke" riep een stem die zij herkende. "Warm vandaag, +he? Wacht een beetje!...." + +"Ben jij dat? Wat doe je hier?...." + +"Aan 't werk," zei Willem Stoffels en kwam naar 't hek van den +boomgaard toe, waar ze in 't langs-gaan stil stond. + +"Ga je de koffie brengen?" vroeg hij. + +Ze zag naar 't koperen kannetje en den korf dien ze droeg, en kleurde: + +"Vader is mee gegaan. Ze doen de tarwe af." + +"Ik zou er voor bedanken om hier langer te boeren, hoor. Een frank +per dag en zweten als een os, van den morgen tot den avond. Nee, +hoor!" En hij spuwde op den grond, zich 't voorhoofd wisschend met +zijn hemdsmouw. "Dan hebben ze 't maar wat beter op de mijn!...." + +"Je zoudt toch niet naar de mijn willen gaan?" + +"Vijftig mark in de week...." + +"Toch zoo dadelijk maar niet!" + +"Maar later toch! En je hier alles moeten laten welgevallen van zoo'n +boer, die je slecht eten geeft en geen enkel goed woord?" + +"Dan moet je daar niet beter verwachten, bij al dat slecht volk dat +daar is." + +"Die zijn toch zoo kwaad niet als ze wel denken." + +"En dan moest er toch maar eens een ongeluk gebeuren...." + +"Als ik hier uit een boom val, breek ik mijn nek even goed!--Wil je +een appel hebben! Ze zijn nog wel wat groen." + +Hare oogen straalden: "Met plezier." + +"Hier zoo, voor den dorst, en--omdat jij 't ben." + +"Dus niet als 't een ander was?" lachte ze. + +"Waarachtig niet. Zeg. Kom jij er 's Zondags nooit uit? Ik zie je +nooit ergens. Je moet eens naar de boring komen kijken op de hei. Ze +hebben er gevonden." + +"Daar komt iemand," onderbrak ze hem. "Ik ga maar." + +Willem rekte zich uit over 't hek toen ze heenging, om te zien wie dat +was die er kwam. Sierlijk bewoog Anna's rank figuurtje zich over den +landweg tusschen het graan en 't groen. 't Was een man die naderde. Hij +ging Anna voorbij. Daar keerde hij zich naar haar om. Zij ook wendde +zich. Nu praatten zij samen. + +"Wel, heb je van je leven!" bromde Willem Stoffels, toen hij den +wandelaar herkende: "Hary van den meester...." + +Tusschen de boomen stond de boortoren nog even zichtbaar, met de vlag +als in zijn gebalde vuist. + + + + + +V. + + +"Stoffels--zei de pastoor van Brunssum--ik heb je bij me laten +roepen.... Wat heb ik gehoord, mijn goede vriend?" + +"Wat zal dat zijn, mijnheer pastoor?" + +"Maar neem een stoel"--zei de grijze herder geruststellend tot den +armen kerel die bedremmeld stond, en beurtelings naar den geestelijke +zag en naar zijn zondagsche pet die hij in de handen hield.--"Zit +neer zoo lang." + +Ook de pastoor ging zitten. + +"Ik heb gehoord dat je Willem naar de mijn wilde sturen, naar +Amstenrade." + +"Ja, mijnheer pastoor." + +"Zoo, zoo. Is 't dan toch waar? Ik wilde 't eerst niet gelooven! Ik +geloofde 't niet. Zou dan een Stoffels de eerste zijn uit de parochie, +om dien weg op te gaan?" + +"Hij begint er met drie mark, mijnheer pastoor." + +"Stoffels, is het je om 't geld te doen?" + +"Ik ben een arme man, die vijf kinderen heb groot te brengen. Drie +mark daags was vroeger 't loon van een volwassene. Tegenwoordig kan +een jongen van vijftien jaar en van twaalf jaar, er zooveel verdienen +om te beginnen." + +"Goed Stoffels, daar moet geld zijn om te leven. Maar moeten wij alleen +leven voor 't geld? Een eerlijke verdienste is een goed ding. Maar +de ziel, Stoffels, de ziel! Als wij rijk worden en schade lijden voor +de eeuwigheid, wat is die rijkdom dan?".... + +"Ik kan mijn jongen toch aan geen ketting leggen! Hij is door den +loopstoel heengegroeid, mijnheer pastoor. Daar moet maar verdiend +worden." + +"En maar naar de mijn toe, alsof dat het eenige was!".... + +"Waarom zou een mensch dan van den goeden weg moeten raken, omdat +hij mijnwerker wordt? Mijnheer pastoor zal toch wel weten, dat een +boer al evenmin een heilige is." + +"Alle vleesch is zwak en wij zijn allen zondaars, Stoffels. Maar moet +ik je er op wijzen, welke gevaren er zijn voor een jongen knaap in +het mijnwerkersleven? Niet dat een mijnwerker noodzakerlijker wijze +zou moeten ophouden een goed mensch te zijn! Doch de mijn zelve is het +uitgezochte vereenigingspunt van allerlei slecht volk. De boosdoener +zoekt de duisternis en wie in het gevaar gaat, zal er in vergaan." + +"Ja maar, mijnheer pastoor, daar zullen wij wel op letten. Willem +komt immers iederen namiddag thuis." + +"Stoffels, dat doet er allemaal niet toe. Het kwaad is er in de +omgeving en in de lucht. Wie ontkomt aan de besmetting, waar allen +besmet zijn? De omgang met volwassenen en het vrije leven, die groote +vrijheid van beweging, is eene ramp voor jonge kinderen. Het kind +moet opgroeien onder het oog der ouders of onder 't oog van bezorgde +lieden, die over zijn onschuld waken. Als gij een jongen naar den +vreemde zendt om daar te arbeiden, onttrekt gij hem aan de hoede van +zijn geestelijken herder." + +"Mijnheer pastoor, onderbrak Stoffels, wanneer ik Willem op een +pachthoeve plaats, is hij ook onder uw oogen uit. Doch ik vraag maar: +kunt gij een jongen van vijftien jaar hier in Brunssum drie mark +daags te verdienen geven?" + +"En kun jij, zijn bloedeigen vader, den drankduivel van hem afweren, +met de zeven duivels die dezen ten dienste staan? Ze gaan verloren +in de mijn, als daalden ze er naar de levende hel af...." + +Een korte stilte. + +"Stoffels,--zei de pastoor met ontroering in zijn stem, die zachter +klonk--'t is toch een heel ander leven voor een kind, zooals je zelf +bent groot gebracht, buiten, op het land. Veldarbeid veredelt den +mensch, die zijn hoofd vrij en fierer opricht, wanneer hij Gods schoone +natuur rondom zich, en Gods lieve zonne over zich heen voelt schijnen." + +"Dat is allemaal goed en wel, zooals de stadsmenschen dat bezien. Doch +als de hagelslag je 't koren vernielt, kun je zien hoe je de pacht +betaald krijgt." + +"Behooren ongelukken op de mijn dan soms tot de zeldzaamheden?" + +"We zijn overal in Gods hand, mijnheer pastoor!" + +"Ja Stoffels, zoolang we ons niet begeven in de macht van den Satan." + +"Maar, mijnheer pastoor, wat ik zeggen wilde: het leven van een boer is +ook nog àlles niet! En 't jonge volkje van vandaag wil maar geen dienst +meer nemen. Doe er eens wat aan? Acht uur arbeid, vast loon, hoog loon, +en gerust zijn hoofd neerleggen als 't avond is.... Dan hebben ze nog +wat van hun leven. En zoolang de ouders 't loon opstrijken, hebben +ze er maar een goeden dag mee. De tijden zijn veranderd. Goddank." + +Ongeduldig geworden stond de pastoor op. "Daar is niets te beginnen +met je, Stoffels. Als je 't je maar niet te beklagen hebt later, +dat je te laat zult wijs geworden zijn." + +"De vrouw wil 't zoo," bracht Stoffels in 't midden, die de uitbarsting +van een onweer vreesde; dat was zijn bliksemafleider. + +"Het is te betreuren,--sprak de priester met nadruk,--dat een huisvader +geen gezag meer heeft in den tegenwoordigen tijd. Als je inziet dat +je vrouw het kwade voorheeft, moet jij, als hoofd van het huisgezin, +haar de uitvoering daarvan beletten en haar het goede voorhouden." + +"Mijnheer pastoor, ik kan het niet beteren; maar ik zie er het kwade +niet van in, dat 'k voortaan drie mark dagelijks in huis gebracht +krijg...." + +"En een socialist, een dronkaard met bedorven hart.--Hoeveel maanden +of hoeveel weken denk je, dat de jongen je zijn loon in de hand zal +leggen. Zul je hem daartoe dwingen kunnen?...." + +Stoffels schoof de deur uit. + +"Ik zal eens met de vrouw komen praten" dreigde de pastoor. + +"Dan moet je je haasten" dacht Stoffels, die over den drempel trad en +zijn pet opzette.--"Maar, ziezoo, dat hebben we alweer achter den rug." + +"Dag heer pastoor," groette hij van de straat terug. + +"Harten van steen en staal." En de geestelijke wierp de deur in +'t slot. + + + +Met gemeten passen mat de oude priester de mossige paden van zijn +tuintje. + +"Oók armoede kan schoon zijn," zeide hij bij zich zelven. "Het getob +van den landman,--laat zijn bestaan ook moeizaam wezen,--is toch niet +neerdrukkend. Hard en soms ontmoedigend, ontmoedigend;--maar zijn +arbeid verbittert hem niet. Want de aarde houdt nooit op vruchtbaar +te zijn, en de wolken vergeten niet voor regen te zorgen, noch de +zon voor de warmte die noodig is. De mensch is niet geschapen dan +om te leven onder den blauwen hemel. Daar heeft God hem gesteld als +in zijn levenselement. En met de ronde kimmen der wereld, spant God +zelf zijne armen om de menschheid uit...." + +Hij maakte onbewust een beweging van afkeer, telkens wanneer hij +aan de mijn dacht. De nacht zonder sterren, zuchtte hij dan; de +duisternis zonder licht. Hoe kan er tevredenheid wezen en opbeuring +bij dien arbeid, waar de mensch als het dier, wroetend in den grond, +als het dier zwoegt met gebogen hoofd. Die arbeid is immers zonder +vrucht, dus zonder voldoening. De mijnwerker verwerkelijkt niets. Het +is de ontginning van het levenlooze in den levenloozen nacht. Zijn +inspanning verdient hem geen zelfvoldoening, maar geld alleen. + +"Welk een kruis!" had hij zich uitgelaten in de sacristie; en de +koster had gevraagd, of dat ook van God kwam? "Soms geeft God ook de +duivelen macht" had hij geantwoord. + +In de mijn zag hij de ruïne van den boerenstand en zij was hem de +Tartarus zelf. + +De pastoor van Brunssum was een boerenzoon. Hij hield van 't land +dat hem getogen had en van den stand waaruit hij was gegroeid. Hij +kende zoo goed de voldoening van den boer, die zijn koren stijgen zag +en aren dragen, rijpend tot zuiver goud, het koren dat hij zaait op +den akker zijner vaderen en maait met eigen hand, om 't voedsel te +zijn van zijn gezin; zijn trots, zijn rijkdom wanneer de hooiwagen +hoogbeladen de schuur te gemoet wankelt, gelijk een vol-gestapeld +schip dat de haven binnendrijft.... + +De pastoor verliet zijn tuin. Hij ging uit en dwars door 't groene +veld. Daarboven hing de hemel in de glorie der late namiddagstonde, +met traag-drijvende wolken bezeild, wit met gouden randen tegen de +westerkim. Westwaarts ging hij; want naar de andere zijde uit hadde +hij den boortoren zien rijzen tusschen de boomen, en hij haatte, +hij vluchtte dat gezicht,--de dreigende vuist boven zijn parochie, +zijne kudde en de velden. + +Twee kleine dreumessen gingen hem voorbij met bloemen in hunne +knuistjes. Boven bij de stengels hielden zij de korenbloemen omkneld, +bij den hals, als moesten zij ze wurgen. + +Zij haalden de petjes van hunne kaalgehouden kopjes en lachten. + +"Dag brave kinderen" groette de pastoor ze. + +"Kinderen maken van alles een spelletje," dacht hij. "Hun is eene +bloem veel méér dan alleen maar eene bloem. Een torretje kan voor hen +iets wonderlijks zijn, als groote menschen niet bevatten kunnen. Hoe +was niet elke dag op de ouderlijke hoeve rijk geweest aan nieuwe +avonturen en zeldzame gebeurlijkheden, al was het maar om 't weer, +in den eeuwigen wisselgang der seizoenen. Een broeihen op de mand +was iets, dat de jeugdige nieuwsgierigheid drie weken lang kon gaande +houden. Daar waren de bijen, de konijnen; het plotseling verschijnen +van een jong kalf op de wei; de dartelingen van een nieuw veulen; +de jonge lammetjes in den voorjaarstijd; de vreugde van een eigen +tuintje dat ze zelf beplantten; de voldoening van een rit met de +hondenkar; het koffie-dragen naar het veld; het gewichtige meedoen +als de aardappelen gepoot werden; het binnenhalen van den oogst, +het plukken van het fruit; het weiden van koeien, die midden in de +klaver op 't veld gesteld werden, aan kleine paaltjes met koord en +ketting vastgelegd. Dáár had hij naar de lucht leeren zien en op de +wolken letten. + +Dat leven was als 't spelen van een spelletje. Konden zij niet plassen +in een goot en denken dat 't een rivier was, zich groote zeehelden +wanen wanneer papieren scheepjes dreven op den eendenpoel? Zij waren +Indianen binnen hunne kampementen van stokken en stroowisschen, +en geloofden zich ruiters op vurige rossen wanneer zij in de schuur +buitelden over 't zachte hooi. + +Daar is geen eind aan spel en verbeelding, aan troost en opbeuring en +blijheid in het goede leven, dat God bestemd heeft voor de kinderen +der menschen. Dat goede leven ontneemt gij hun met hun veld...." + +De priester stond stil en zag over de korenaren uit. Eén zag hij +er die reeds omboog, ter rijpte hellend. Hij nam ze tusschen zijne +oude vingers en voelde hare dikte aan. De haartjes waren nog zacht +en week; het tengere arenlijf blonk rose en blauwachtig, als getint +met de verschemerende kleuren die drijven in parelmoer. En na het +mooie ding aandachtig beschouwd te hebben, liet hij de aar weer vrij, +die op haar zwenkenden stengel terug week. + +"Konden zij den boer niet in vrede en gerustheid laten?" + +Toen hij zich omwendde om terug te keeren, zag hij den boortoren +dreigend den plompen kop heffen. + +"Doch zij zelven verstaan het niet. Zij weten niet hoe mooi hun +leven is, als daar geloof leeft in hun hart en liefde kiemt in hun +gemoed. Maar zij weten de natuur toch wel, als een brug tusschen +schepsel en Schepper, tusschen het beperkt verstand en de wereld der +onzichtbaarheden. In de natuur rondom is alles goed en schoon; zelfs de +dieren leeren ons vreedzaam en vertrouwvol te zijn. Hoe goedig zien zij +niet uit hunne rustige oogen. Welk een schoon bestaan, dat avondrood +en morgengloed beschijnen en met hun kleuren aandoen, terwijl het +rythmische bewegen van den kringloop der getijden den landman op zijn +deining door het leven voert en heft; wat heeft hij veel te vreezen +wanneer hij de laatste helling afdaalt, waar de eeuwige schaduw wijlt: +hij wandelde immers, al zijn dagen door, aan Gods eigen hand? + +Maar zij moeten het verstaan, het inzien...." + +Er klonk een stem óp, die zong. + +Het was een jongen die op de wijze van zijn lied kwam aanstappen. De +pastoor hoorde de woorden verstaanbaar. Hij dook wat meer in elkaar, +zoodat het koren hem beschutte, en luisterde oplettend: + + + «Alwaar ik varen zal en zeilen, + De wijde, wijde wereld rond, + Daar blijf ik in gedachte wijlen + Bij Limburg mijn geboortegrond. + + +Schoon Limburg waar ik ben geboren. Schoon land der vredige oudrenwoon, +U blijf ik, waar ik wijl, behooren, Verliefde van uw bloeiend schoon.» + +De zanger stokte plotseling toen hij genaderd was. Maar de pastoor +knikte, met ingenomenheid instemmend: + +"Dat was een mooi wijsje. Waar heb je dat geleerd, Piet?" + +"Van den meester in den volkszang, meneer pastoor." + +"Goed-zoo, zeer goed," knikte de oude priester al maar door. "Maar +nu moet je het verder afzingen!" + +In stilte ging de jongen verder. De pastoor hoorde den leeuwerik +boven in de lucht. Doch na een poosje, dáár! Uit het gezicht zijnde, +zette de jongen een groote stem op en galmde 't uit: + + + «Gij Asschepoester in 't verleden, + Gij donkere achterhoek des lands,-- + Plots rijk aan schatten, niet te meten, + En diamanten Limburg thans.» + + +Toen kwam er eene smartelijke uitdrukking in 't gelaat van den +grijsaard. + + + +Al die dagen praatten de boeren van niets anders. Ze hadden steenkool +gevonden op de hei! Misschien was de pastoor de eenige die er een zwaar +hoofd over had. Hij had gehoopt dat 't niet aldus zou uitvallen. Hij +was teleurgesteld in die hoop. + +De lucht was zwoel. Er was een donkere nacht over de heide, eene +duisternis als een muur zoo dicht. Maar het was geen rustige nacht. Er +was een onheilspellend gesuis wakker. Er ging een gonzen door die +donkerte, als het geruisch van vele torren die op strak gespannen +vlerken snorren. Het trilde met metaalgeluid als van springveeren +die bewogen worden. Doch men zag geen hand voor oogen. + +Toen viel een vaal, vaag licht over de verte uit. Daar rees de kegel +van den Heksenberg. Hij rees en groeide, en stond er als een pyramide, +die heel de landstreek beheerschte. + +Het gedruis van staal en snorrende wieken was om zijn top. Een wild +gefladder wemelde er door de lucht om, van spookachtige verschijningen +op vleermuizenvlerken, die er warrelden door elkaar. Zij veranderden in +het bewegen van gedaante, als wisselden zij van vorm. Dan waren zij als +wilde katers in het schemerende maanlicht-donker, dan als uitgelaten, +scheldende straatwijven, wilde rijdsters op den bezemsteel. Zij +veegden in haar vleugelende vaart de kruin schoon van den heuveltop +en joelden er voort in wielenden rondedans. + +Uit de aarde stond in haar midden de Satan op. Zijn oogen priemden +rooden gloed. Zijn horens kromden zich tegen het vale licht van de +spookachtige nachtlucht. Zijn stem bulderde de heksen tegen, die stil +hielden om hem heen: + +"Wat hebt gij dan voor goeds gedaan vandaag, om zóó te feesten?" + +Een groot gejuich van heesche stemmen rees, alsof een koor van +raven kraste: + +"Wij hebben ze kolen laten vinden, en ze zullen een mijn leggen hier, +op de heide." + +Toen lachte de Satan als een gelukkige. Hij danste in haar midden, +waggelend op zijn bokspooten, en de dolle bezemstokken veegden, +bij de vaart der dansrei, weer de kruin van den Heksenberg.... + +"Hé,"--schrok de oude priester uit zijn angstigen droom op, toen zijn +bejaarde huishoudster de kamer binnenkwam. + +"Uw lamp staat te stoomen, heer!" + +"Ik was over mijn boek heen zoowaar in slaap gevallen. Hoe laat +is het?" + +"Alles vol roet" knorde ze half luid, voor ze antwoordde: "Bij tien +uur, heer." + +"Dan zullen we den rozenkrans bidden, Trina, en ter ruste gaan." + + + + + +VI. + + +Toen de pastoor bij vrouw Stoffels kwam, moest hij hooren dat Willem +reeds twee weken op de mijn werkte. + +"Hij heeft het er heel goed! voegde zij er bij; en hij is er heel +graag ook!" + +"Stuur hem eens bij me, een Zondag, als hij thuis is." + +"Ik zal 't hem zeggen" gaf ze ten antwoord. + +"Vroeger waren de menschen vereerd wanneer de priester hen ontbood," +dacht de pastoor. "Dat is óók anders geworden. Kwaad teeken. Alsof +de heele atmosfeer reeds met socialisme doorzwaveld was; alsof het +uit de schouwen dampt en hangen blijft in de lucht onder de zon.... + +Ja," dacht hij verder, "drie mark is veel voor arme menschen! + +Maar er is toch méér, veel meer dan dat. Hun kredietbrieven op de +eeuwigheid. + +Arm volk, arm volk," schudde hij zijn eerbiedwaardig hoofd. + + + +Den volgenden zondag wachtte hij, eerst na de mis, en toen na de +vesper; maar Willem kwam niet. + +Willem ging samen met een werker van Merkelbeek, dien hij op den +weg ontmoette, elken morgen naar de mijn van Amstenrade. Dien had +hij meegedeeld wat zijn vader thuis was komen vertellen en wat zijn +moeder gezegd had. + +"Laat je niet ringelooren, had de kerel die veel ouder was, hem +geraden. Als je maar jenever kon verdragen, zou je ook niet ziek +worden van 't gekwijl van zoo'n ouden zeeveraar." + +Dien dag ging Willem voor 't eerst het drinkhuis mee binnen, waar zijn +makker met de overigen vóór het werk hun dagelijksche hartversterking +namen; de oudere trakteerde hem. + +De man bij de contrôle, die ieder van de arbeiders hun nummerplaatje +reikte, zag reeds wat er gaande was met den knaap. Zijn hoofd draaide +toen hij kwam om van spullen te wisselen. Zijn werkplunje hing als dat +der overige knapen, opgeheeschen aan een ketting tegen de zoldering +der groote ruimte, om uit te dampen in de frischte der geopende +ramen. Hij moest moeite doen om 't sleuteltje in 't slot te brengen, +waarmee de ketting beveiligd was tegen de handigheid van gauwdieven. + +Nooit was Willem bij den arbeid vroolijk geweest. + +Daar stond hij voor een ijzeren geleiding, die verdeeld +in verschillende gleuven, uit de hoogte van 't goor gebouw +neerdaalde. Hier werd de steenkool gespoeld en uitgezocht. De +verschillende brokken gleden door bakken, met water gevuld, waarin +het gruis achterbleef. De jongens hadden de voorbijglijdende brokken +te sorteeren en ze naargelang der afmetingen in de verschillende +gleuven over te brengen. Daartoe hielden zij ze met houten schopjes +op. De knapen stonden op verschillende hoogten trapsgewijze, overal +bezig met hetzelfde werk. + +Willem praatte door 't geruisch der glijdende steenkolen heen. Hij +praatte en lachte al maar voort, al wist geen der makkers waarover hij +'t had. Hij was niet vlug in zijn werk en rustte wat veel uit, zoodat +de opzichter kwam en hem bij zijn één oor pakte dat hij aardig kneep, +om hem aan 't verstand te brengen, dat er gewerkt moest worden en +geen gekheid, of anders korte metten. + +Maar dat verstoorde zijn goed humeur niet. + +Doch hij werd kalmer gaandeweg. Toen hij eindelijk zijn +namiddag-boterham had opgepeuzeld tusschen zijn ongewasschen vingeren, +en zijn hoofd wat te slapen had gelegd op zijn arm, langs de muren +in de zon, was hij zoover bekomen. Nu sprak hij niet meer. Zoo kende +men hem, somber en neergedrukt. En de knapen die met hem werkten, +lachten om de verandering, zoodat een stijgende kwaadheid in hem +begon te wrokken. + +In 't begin had hij zich neergeslagen gevoeld in de nieuwe omgeving, +daar hij telkens dacht aan huis, aan de hut bij den heiderand. Hier +moest hij nu die donkere ruimte binnen en er bezig zijn, tot hij +doof van 't geraas en afgetobd van moeiheid, wel over het werk ware +neergezonken. Doch hoe vermoeid hij zich gevoelde bij 't eindigen +daarvan, het beurde hem telkens op, den landweg langs te gaan, door de +lucht en 't licht van den avond, samen met den arbeider van Merkelbeek. + +"Als je maar eens zoo ver ben dat jenever je smaakt, had deze hem +dikwijls gezegd. Zonder dàt gaat het niet!" + +Toen hij dien dag van 't werk kwam, zag hij juist zijn daagschen +gezel die naar buiten kwam van zijn arbeid. + +"Hoe verging 't je vandaag?" vroeg hij Willem. + +"Puik" antwoordde deze trotsch. "Ik ga meer mee." + +"Flink zoo. Kom maar. Zul je trakteeren dezen keer!" + +Willem had geen geld. + +De mijnwerker lachte schamper: "En je verdiende loon dan?" + +Dat was 't, wat hij dan nù zou leeren: ieder heeft recht op hetgeen +hij zelf verdient. "Doet je vader soms het werk voor jou? Dan moet +je ook je loon zelf behouden." + + + +En een keer viel Willem tegen zijn moeder uit: + +"Ik heb mijn eigen geld zelf noodig." + +Zij zette groote oogen op. + +"Je kunt 't me wel afstelen wanneer ik naar huis kom" gaf hij +toe. "Maar wie belet me het te verzuipen eer ik terug ben?".... + +Alle mijnwerkers-jongens, had hij gehoord, betaalden kostgeld bij +hun ouders. Dat was ruim voldoende, hoe gering het dan ook was. + +Bij elke gelegenheid begon hij praat te verkoopen, die nooit gehoord +was onder hun dak te voren. Toen begon de onrust der moeder te groeien +met den dag en de stem des gewetens werd in haar luide, wanneer zij +aan de woorden terug dacht van den grijzen herder, die sedert den +voet niet meer over hun drempel gezet had. + +"Ga eens naar den pastoor, vroeg zijne moeder. Hij wilde zoo graag +dat je eens kwam." + +"Daar heb ik niets verloren," gromde Willem terug, en ging zijn gang. + +Wanneer zij opspeelde, lachte hij; en als zijn vader dreigde, kwam +er vuur in zijn oogen. + +"Dat is een nagel aan mijn doodkist" jammerde zij. + +"Vrouw," troostte Stoffels haar uit de verte, "je hebt het zelve +gewild!".... + + + +In 't begin was Willem verlegen geweest om zijn roetzwarte handen +en de vuilnis die bij 't werk ging kleven op zijn gezicht. Hij had +het telkens schoon gewasschen eer hij naar huis terug ging, onder de +stortkraan in de inrichting. Nu deed hij dat niet meer. Het stond +kranig met een zwart gezicht te loopen. In 't dorp keken hem de +kleine kinderen dan angstig na. Iedereen kon nu zien dat hij aan den +mijnarbeid was. Mijnwerkersvolk is gevaarlijk volk, had zijn groote +makker hem geleerd. Zij zijn als levende duivels; en daarom zijn zij +voor den duivel niet bang. + +En Willem haalde als altijd zijn wijze woorden gretig in. Zij +bedwelmden hem als de jenever die hij hem leerde zwelgen. Willem +was fier op zijn vriendschap. Reeds huiverde hij niet meer van een +vloek. Dat was mannentaal. Zelf streefde hij er thans naar, een +werkelijk man te worden die over alle gezanik heen te stappen weet. + +Zwart kwam hij er aan zetten, mompelend binnensmond en waggelgaande +langs den weg, met zijn blikken koffieketeltje aan een touw over den +rug, de pet scheef over zijn lang sluik haar en groezelig in zijn +armoedige plunje,--toen met twee volle emmers aan 't juk, dat ze over +de schouders in den nek droeg, Anna Jansen hem bij de eerste huizen +van Merkelbeek ontmoette. + +"Anneke" riep hij. + +Zij stond stil. + +"Anneke,--heb je water gehaald?" + +"Wou je je gezicht soms wasschen?" vroeg ze bits. + +Haar hart bonsde in haar. + +"Liever drinken, als je me laat." + +"Ga je gang,--als je niet sterk genoeg op je beenen staat, om zelf +naar den put te gaan." + +"Lief kindje," zei hij. "Vroeger ben je toch wel liever geweest. Weet +je nog wel, toen ze je plaagden met mij?" + +Hij glimlachte beschermend, maar zijn oogen stonden vreemd; zij zagen +wild, zooals zij glommen uit zijn roetzwart gezicht. + +"Ga nog niet weg," fleemde hij. + +"Ik heb geen tijd om naar je te luisteren." + +"Hou je dan niet meer een klein beetje van me?" + +"Wie zou je terug kennen, met dat vuil gezicht?" + +"Ja, maar ik ken je nog wel, Anneke; ik herken je overal en ik vergeet +je niet, omdat ik stapelgek ben naar je...." + +Ze liet hem staan, en zeulend droop hij af. + +Bleek kwam Anna thuis en zij zette zich neer op een boomstam die +onder den poortboog lag. + +Vragend keek haar vader haar aan, toen hij voorbij het venster ging dat +op het erf uitzag. Zij wilde opstaan, maar hare armen vielen zwaar in +haar schoot terug. "Ik ben zoo moe," fluisterde ze en sloot de oogen. + +"Rust een poosje," riep Jansen en trok een paar keeren heftiger aan +de pijp, die zijn mond nooit verliet. "Het zal van de warmte zijn." + +"'t Is ook zoo heet," sprak ze 't haar vader na. En zij leunde met +het hoofd achterover tegen den baksteenen muur. + +"Anneke heeft 't te kwaad van de hitte vandaag," vertelde Jansen zijn +vrouw in 't voorbijgaan. + +"Waar is ze dan? vroeg de moeder. Ik zag haar zoo even nog met een +mijnwerker staan praten." + +"Met wie?" vroeg Jansen. + +"Ik geloof dat het Stoffels-Willem was." + +Jansen bromde wat voor zich heen, misnoegd. Maar zij spraken geen +woord verder. + +Anna was weer opgestaan en had de dweil ter hand genomen. Eer 't avond +was, had zij de keuken geschrobd en al het werk gedaan als altijd. Doch +toen zij 's avonds was ter rust gegaan, kon zij niet inslapen. Zij +lag en dacht en droomde en sliep toch niet. Zij voelde haar hoofd +zoo zwaar en warm. Het was alsof er een zee in ruischte, die steeg +en viel en steeg. Doch nauwelijks was zij dan eindelijk ingedommeld, +of zij hoorde een stem aan haar oor, die klaar en duidelijk zeide: +"ik herken je nog wel; ik vergeet je niet; ik ben stapelgek naar +je...." Toen zag zij over haar heen zijn zwart gezicht, met de vreemde, +wilde gloed-oogen. Zij wilde geluid geven in haar angst, maar kon +niets uitbrengen. Dan schrok zij wakker en zag in het schemerdonker +rond. Het zweet stond op haar voorhoofd. Zij sloeg de dekens af en +stond op. Het was als steeg zij uit een warm bad. En zij ging naar +het venster toe, dat openstond op een kier. De sterren fonkelden in +het duister buiten. Waar de eene groote ster neer hing, achter den +wal der boomen, lag de heide.... + + + + + +VII. + + +Niet voor vele dagen was Hary Gerards sinds naar Brunssum +teruggekeerd. Hij had voor zijne akte's gewerkt, vertelde zijn +vader. Maar nu dezen keer zou hij het er eens goed van nemen. Hij +kwam voor heel de zomervakantie naar huis. + +In een der laatste brieven had men hem geschreven, dat de aanbouw van +de mijn op de heide reeds een goed stuk gevorderd was. Die gedachte +had hem bedroefd. Zoo was het er dan toch van gekomen! + +Ondanks de vreugde over 't naderend weerzien, kwam hij toch met +bekommerende gedachten naar huis gewandeld. + +Het koren had, na 't stuiven van den bloesem, de zware halmen +neergebogen en begon te rijpen. Veel stengels waren in golvende bundels +geheel omgebogen en reikten met hun aren naar den grond. Anderen hadden +hun gebaar verstild in 't neigen. Géén stond er meer overeind. Er was +een gele gloed door 't groen der forsche spieren opgetrokken, zoodat er +een gouden schemer dampte over 't heele veld in de hette. Daartusschen +wemelde het van bloemen, in een overvloed van rood en blauw. De blauwen +waren veel dieper, donkerder en rijker van tint dan de zonnige lucht +daarboven. Zij droegen hare koppen als kroontjes, fijn gekroezeld en +gekarteld en wonderlijk teeder samengesteld. De rooden glansden als +vuur tusschen het gele stroo. Ook hadden zij in hare broosheid den +vorm van vlammen. + +"Klaprozen en arengoud, korenbloemen en hemelblauw, murmelde hij in +bewondering: welk een gedicht." + +Een man die naar stad ging, groette hem in 't voorbijgaan. Die +eenvoudige groet voor den "goeden dag," het eerste welkom in 't eigen +land, maakte hem gelukkig als een kind. Hier was hij thuis, waar velden +rimpelden voor zijn blik, op de breede deining der glooiingen van kim +tot kim; hij voelde de breede rythmen die vloeien door het onbewogen +veld, hem dragen, hem heffen in een sfeer van rust en vredigheid, +waar het een weelde was te ademen, terwijl er alles lag te glanzen +en te stralen in louter geluk. + +Toen hij Merkelbeek naderde, ebden zijn droomen heen. Hij zag links +den hoek om, bij 't eerste huis. Niemand op straat. Maar hij bleef +omzien terwijl hij voort ging. Hij had niet even dan weer voor zich +uit gekeken, of een welbekende stem riep: + +"Hola, meester, zoo gehaast? Ge zijt vroeg op pad!" + +"Goeden morgen, hoe staat het er mee? Ik heb niet veel tijd." + +"Kom wat uitrusten. 't Is warm genoeg," meende Jansen. + +"Ja-maar, ik kom zóó van den trein en ze wachten me. Het wordt nog +warmer later op den dag...." + +Dan stapte hij vlugger door het veld dat tusschen Merkelbeek en +Brunssum deint. Daar hief tusschen het groen der stille popels, de +toren van zijn dorpskerk het kleine, leien ronddak als een helm van +staal. Die stond er als een grijze hellebardier. En de vreugde lachte +van zijn gezicht. Zij steigerde in zijn hart bij elken stap die hem +nader bracht. Hij ging door 't dorp en men groette hem. Hij groette +terug met een glimlach naar allen, naar alles. Maar zijn gedachte +snelde op de straat vooruit. + +Daar lag het stille huis in zijn landelijken vrede onder het groen. Hij +zag het witte gordijntje heffen en weer zinken. Toen snelde hem zijne +moeder op den drempel te gemoet. + + + +Het was kermis te Merkelbeek. 's Middags trok de schutterij op. De +fanfare van Brunssum was daarbij uitgenoodigd. Spelende kwam zij 't +dorp binnentrekken. In "de Kroon" vergaderden blazers en schutters. Dan +zette de stoet zich in beweging. + +Voorop de muziek; de banier van rood fluweel met goud bestikt, +opende de rij; de blazers stapten op de maat van hun marsch, en +bliezen hunne roode wangen bol. + +Nu volgde de tamboer-majoor. Zijn staf, wat langer dan een gewone +wandelstok, was onderaan voorzien van een zwaren zilveren knop en om 't +geheel wentelden roode en gele koorden op, die uitliepen in bengelende +kwastjes. Met dezen scepter gaf hij de bewegingen aan van den stoet, +die in twee rijen volgde. Eerst gingen de pijper en de trommelaar. Zij +begeleidden den gang der manschappen met geroffel en gefluit, wanneer +de marsch was afgespeeld en de muzikanten rust behoefden. + +De schutters droegen voor 't meerendeel wit linnen broeken. De +eenvormige petten waren afgezet met groene biesjes en gouden +galons. Velen van hen hadden bonte sjerpen, eenigen om 't +middel, anderen over den rechter schouder heen. Deze allen waren +gezaghebbenden, officieren en luitenants. Ook droegen zij den blanken +sabel; de anderen slechts geweren of ook maar wandelstokken. + +Dan kwam het vaan dat in plooien uithing van den stok, dien de vaandrig +over zijn schouder heen droeg. + +Nu volgde de koning. Hij torschte een rammelenden last van zilveren +platen over rug en borst: de schatten van het gilde, van tijden her +bewaard. Op 't hoofd droeg hij den hoogen zijden hoed, gesierd met +een groen takje en een bloemenkrans. + +De vrouwen lachten waar de schutters voorbij trokken. De kinderen +liepen in bewondering mee. Maar de schutters zelf vielen niet uit +hunne rol. Zij stapten voort in gewichtigen ernst en onverstoorbaar. + +Bij 't huis van den burgemeester liep het dorp te samen. Daar werd het +vaan "geslagen." De burgervader stond op den dorpel, en de vaandrig +hief het vaandel en salueerde, doch zonder dat de bonte zijde den grond +raakte. Dan liet hij in snelle bewegingen den stok draaien in zijn +hand en liet dien wentelen om zijn hoofd, zoodat het vaandel golvend +volgde in klapperenden zwier. Hij bracht den stok vervolgens op zijn +schouder over en liet hem kringen beschrijven om zijn hals heen; hij +haalde hem neer tot zijn middel en deed hem om zijn heupen vliegen; +hij boog voorover tot bij zijn enkels en liet hem aldoor kringvormige +bewegingen maken om zich heen, zoodat het vaandel scheerde langs den +grond; hij hurkte neer en liet hem opnieuw den spiraalloop beschrijven +naar boven thans, tot hij oprees, den stok nam op zijn vlakke hand +en dien zwaaien deed over zijn hoofd. Dan hanteerde hij dien bij +telkens tegengestelde bewegingen, zoodat de zijde ruischte met het +gewentel van golven in haar plooienzwier. De man stond in de vlam +van het waaiend doek als in een bonten brand van kleurig vuur. + +"Bravo" dankte de burgemeester toen 't vaan ten slotte andermaal +salueerde. En de menschen klapten in de handen; de kinderen riepen luid +"hoera." + +"Jongens," sprak de burgervader. "Ik zal een ton bier geven in +'de Kroon.' Maar gij weet wel,--fatsoenlijk en netjes! Dat het +genoegen blijve en er geen schande neer kome over u en over ons +dorp. Vooruit-dan: prettige kermis!" + +Toen Anna Jansen omzag, keek zij Willem Stoffels in 't gezicht. Zij +wist niet dat hij achter haar gestaan had en hij zag haar aan met +lachende voldoening. "Zul je van avond met mij dansen?" + +"Dat weet ik nog niet," verstoutte zij zich. + +"Je komt zeker wel," zeide hij bewust. "We zullen pret maken." + +"Als me geen ander vraagt, misschien--maar misschien ook niet." + +"Nee," zei hij, "ik heb je gevraagd en van avond gaan we samen uit." + +De schutterij trok verder en de menschen stuwden rondom voort. Willem +was weg. Anna gevoelde dat ze 't hem niet zou kunnen weigeren. En +toch, wat zou er van gepraat worden: "Anna van Jansen aan de kerk," +zij die er goed bij zaten--"met Willem van den bezembinder...." + +Het feest was "in de wei", en er was vogelschieten. Altijd werd +dezelfde boomgaard daarvoor gebruikt. Een eereboog stond opgericht +bij den ingang: twee palen met een dwarshout, omwonden met groene +slingers. Een krans hing er midden tusschen, rondom het opschrift: +"Welkom." + +Van de beide palen woeien nationale vlaggen uit. + +Groote takken waren verder bij den ingang geplant, waar iemand van +'t bestuur bij een tafeltje zat met centenbakjes, om toegangsbewijzen +te verkoopen. Kleine vaantjes wimpelden er nog van beschilderde +paaltjes. Stervormig was er geel en rood zand, krijt en blauwsel, +in figuren rondom op den grond gestrooid. + +In den boomgaard waren stoelen en tafels opgesteld van ongeschaafde +planken op stevige dennenstammetjes gespijkerd. De vruchtboomen +spanden er tenten van levend groen over uit. Broodjes en bier werden +aan kramen verkocht. Ook was er een bordje opgeslagen met de woorden: +"wijn verkrijgbaar." + +De oude lui waren gauw gezeten. Met trage bewegingen en onder veel +gegichel namen ook, de een na 't ander, de besluitelooze jonge +meisjes plaats, de jongens aan hunne zijde. Met sabel en instrument +liep 't manvolk rond. Er moest vooral eerst geschonken en gedronken +worden. Sommigen lagen er met glazen en flesschen in 't gras, grappen +makend en in 't honderd schreeuwend naar ieder die voorbij ging. Al +het jong gedoe was lawaaierig en druk, tot uitgelatenheid toe. Geen +minnend paar bleef er ernstig. De oudjes genoten de jonge vreugde in +hunne stille teruggetrokkenheid. Overal stegen de schelle kreten, de +schorre stemmen, de uitbarstingen van gierend gelach. Zoo knetterde +de kermisblijheid in spattende vonken uit. Het was een rumoerig +gewriemel van al maar feestende menschen door elkaar, àl joelend om +'t hardst. Alleen de groene boomen stonden als verstomd in al die +drukte. Geen vogel die geluid sloeg in hunne twijgen. + +Al gauw was 't van mond tot mond gegaan, om de tafels heen, waar +bierflesschen rinkelend werden neergezet: + +"Het mijnwerkersvolk drinkt wijn!" + +Dat was wat nieuws in de feestwei te Merkelbeek. + +De kastelein wist wel, aan welke klanten hij de waar zou kwijt +raken. Er waren er een heel aantal reeds van 't dorp, die naar Heerlen +en naar andere mijnen togen; en die van Brunssum waren er vandaag, +daar 't kermis was en de fanfare er speelde. + +Al dat volkje zat zoo wat afgezonderd in 't begin. Zij hérrieden het +meest. Ook was er Willem Stoffels onder. + +"Die kon ook wel beter doen," merkte een oude boer op. + +"Hoe oud is die wel?" vroeg een ander. + +"Ik geloof niet, dat hij al geloot heeft...." + +De oudjes schudden bedenkelijk 't hoofd. + +Anna had even opgezien. Nu zat zij weer in gedachten voor zich heen +te staren. Maar Betje Bouts die bij haar zat, had al lang gemerkt +dat er iets aan 't handje was. + +Toen werd er een signaal geblazen. De schutters gingen naar het stuk +grond achter de wei, waar geen boomen stonden en de vogelstang was +opgericht. Je zag den koning met zijn rammelende sier omhangen, +nog gauw even zijn pint leeg halen met een lange teug en dan op +een drafje weghollen, het zilver rinkelend terwijl hij liep. De +meesten onder de mannen togen mee. Het was het groote oogenblik. Het +vogelschieten begon. + +De fanfare beklom het verhoog dat op tonnen was bevestigd, met latten +en groene twijgen omgeven, en gedekt door 't levend loover van een +appel- en een peereboom. De muziek hield er de feestelijke stemming +levendig onderwijl. + +"Zullen we samen wat door de wei gaan?" + +Anna was hoog rood geworden, toen Willem Stoffels naast haar was +komen staan. Zij had geen woord te zeggen. + +"Kom An'," zei Betje Bouts, "we gaan samen." + +En zij liet Anna in 't midden gaan, met Willem dicht aan Anna's zijde. + +Betje stuwde 't gesprek. Eerst wilde 't wel niet wielen. Maar zij wist +het te drijven. Doch zij greep de eerste gelegenheid aan, om een jongen +kerel vast te klampen, dien ze volgde naar het schietterrein. "Kom +mee" wenkte ze nog even bij 't weggaan met hem. Maar Willem voerde +Anna naar den anderen kant. + +"Anna," zei hij, "ben je boos op mij?" + +"Ik? Waarom? Zeker omdat ik met je loop?" + +"Nee, maar ik dacht soms.... ik was bang dat je niet meer van me +houden zou." + +"Daar heb ik nooit wat van gezeid tegen je. Maak nu geen onzin!" + +"Ik wilde dat je 't me zei. Het is geen onzin." + +"Ben je al niet nuchter meer meer?" + +"Anna, ik weet wat je zeggen wil Verwijt me niets. En heb 'k me soms +gedragen als een slecht mensch,--het kan immers wel beteren. Als jij +het hebben wil; als jij dat van me vraagt." + +"Dat moet je nou maar voor je zelf weten. Als je weet dat je misloopt, +hoe kun je dan in Gods naam zoo blijven voortgaan?" + +"Alleen om jou wil ik het doen, Anna." + +"Loop heen," trachtte ze te schertsen. + +"Nee," zei hij met diepere stem. "Ik zal nooit van je weggaan. Zelfs +als je dàt willen zou, als je dat willen kon, zou ik het niet +doen. Daarvoor hou ik té veel van je, Anna...." + +"Laat me los, riep ze. Ik wil terug." + +"Luister, drong hij, Anna, hoor!" + +"Laat me gerust," smeekte ze. + +"Jij kunt voor me doen, wat geen pastoor meer kan." + +Beiden zwegen plotseling. + +"Is je dat gemeend?" bracht zij uit in hare ontroering. + +"Ik ben een verloren mensch, en ik raak nog verder van wal, als jij +niet wil.... Jij alleen kunt weer wat van me maken; als ik je zeg...." + +"Ik wil niets weten. Vertel dat anderen als je wil; maar mij niet!" + +"Als ik vrij loot, ging hij verder, dan verdien ik na een jaar of +twee het dubbele van nu. Jij heb immers goed wat thuis, al breng ik +dan ook zooveel niet mee." + +"Ik wist niet dat je spaarde," wierp ze er verwonderd tusschen. "Sinds +wanneer?" + +"Ik zal nooit een ander dan jou trouwen," verzekerde hij +hartstochtelijk. + +"Laat me los. Ik wil.--Hoeveel anderen heb je dat al verteld?" + +"Daar is geen ander voor mij, dan jij, Anna...." + +"We zijn nog te jong om daar al over te praten. Nu is 't genoeg +geweest!" + +Hij ging voort met spreken, maar zij hoorde hem niet meer. Zij zag +de tafel weer, waar ze met hare vriendinnen had gezeten. Aller oogen +hadden haar gevolgd van daar. Zij keerde er terug. Willem kon 't haar +niet langer beletten. Hij volgde. + +"Mag 'k hier blijven zitten?" vroeg hij, zich naast Anna +neerzettend. "Ik trakteer" zeide hij in haar oor. + +De goed gezeten boerendochters vonden hem wel brutaal. Doch zij moesten +weldra toegeven dat hij onderhoudend was. Toen begon de lach-pret. + +Alleen Anna zat er stil en afgetrokken. + + + + + +VIII. + + +"De kinderen zijn naar de feestwei," zei vader Jansen tot Hary Gerards, +de eenige die er dien middag in de herberg kwam. "Zij zijn met de +meisjes van de straat hier meegegaan." + +"Anna denkt nog niet aan trouwen?" vroeg hij. + +"Trouwen!" had Jansen gezegd met verwondering. "Mijn vrouw was dertig +jaar toen ze trouwde en de meisjes moeten maar net zóó doen. Daar is +nog nooit iemand bij te laat gekomen, weet je wel!" + +Er was een onverklaarbare weemoed over Hary heen geweest, geheel +dien dag. Hij stapte op en ging 't veld in. De muziek drong tot zijn +ooren door in de stilte van den zomerschen namiddag. Dat plaagde zijn +geest. Hij kon geen kermis uitstaan. Waarom was hij ook dien dag naar +Merkelbeek gekomen? Hij was den stroom gevolgd. + +"Vreemd toch, de mensch...." dacht hij bij zich zelven. + +De wolken lagen om de kim als vastgemeerd in veilige haven. Nu was de +muziek uit de feestwei weer verstomd. De leeuwerik wiekte omhoog in +'t gewervel van zijn vlerkjes en van zijn geluid. Hary volgde zijn +stijgen langs de trappen zijner stijgende verrukking. Toen werd het +zingend vogeltje onzichtbaar tegen 't schelle uitspansel in 't licht, +dat de starende oogen doet knippen in verblinding. Het was als 't +borrelen eener onzichtbare bron van jubel; als parelen waterbellen +bobbelden de klanken op en dreven door de stilte. + +"Waarom kan 'k mij niet blij gevoelen?" vroeg hij zich af. + +Dan zweeg het lied, en hij zag den vogel zinken,--een zwarte stip +langs het blauw,--als een verschietende ster. + +Hij gevoelde een onrustige gejaagdheid. Wat wilde hij dan? Hij wist +het niet. Maar hij wandelde verder. + +Hij begon met klimmende belangstelling te letten op alles wat hij +rondom zag. Hoe schoon was 't veld dien dag. Daar midden in, tusschen +de akkers, stonden boomen saamgeschoold tot een groep, als een groen +eiland in de zee van 't drijvend koren. Een merel begon er te fluiten. + +Tegen de helling van een der velden zette Hary zich neer in het hooge +gras. Hij zag de bloemen om zich heen en luisterde. Zoo begon hij zich +zelven te vergeten. Hij tastte in zijn zakken en begon een potloodje +zenuwachtig tusschen zijne vingers te wentelen. Er kwam een boekje +voor den dag en hij begon woorden neer te peuteren. Niemand die voorbij +kwam en hem stoorde in zijn doen. Stil zat hij er, en dacht en schreef: + + + O Limburg mijn geliefde land, + Met zooveel bloeiend schoon beplant + Van bloemen en van boomen, + Van velden die, vol gelend graan + Als golven gouds aan 't wiegen slaan, + Wanneer de winden komen, + + Ik min uw schoon, wanneer verblijd + De leeuwerk met zijn jeugd-jolijt + En liedren, streeft ter zonne; + De leeuwerk die, hoe wijd hij wijkt, + Verlangend aldoor nederstrijkt + En geeft zich u gewonnen;-- + + Wanneer ter blijde middagstond + De merel, die in 't wit verzwond + Van bloesemzware twijgen, + Der lente serenade zingt + En 't al tot stil gemijmer dwingt, + Waarbij de vogels zwijgen;-- + + Ik min u, als de nachtegaal + Van minneweelde zoet verhaal + In klanken zet en zangen, + En de avond met een wâ van dauw + En droom en donker zilvergrauw + De landen houdt omvangen.... + + O Limburg, mijn geboortegrond, + Voor alles op dit wijde rond + Van schoone wereldrijken, + Blijft mij uw lieve schoonheid waard, + Mijn onbesnoeide, groene gaard; + Waar vind ik uws gelijke? + + O Limburg, want geen enkle vreugd, + --Wat vreugden ook mijn harte heugt-- + Kan immer vreemd u heeten, + Schoon land waar ik geboren ben, + Voor mij, die uw bekoren ken + En nimmer zal vergeten. + + +Nu glimlachte hij. Het rythme van zijn eigen woorden had hem zelven +meegesleept. Hij stond op. Hij had een gevoel alsof hij zegenend zijn +handen moest uitstrekken over het rijke landschap, over het groen en +het rijpend veld, over den ouden weg met de ingesneden karresporen. + +Dan kwam er iemand en de beiden groetten elkander. Maar om niet mee te +moeten gaan met den man die naar het dorp ging, wandelde hij steeds +dieper het veld in. Toen de zon zonk in het avondlijke paars der +zacht bedonsde lucht, poosde hij nog tot de kleuren geheel gedoofd +waren en de avond viel. Eerst dan gedacht hij, hoe ver hij nu van +huis was. Hij keerde terug. Weer klonk hem de muziek te gemoet bij +'t naderen van het verre dorp. Hij voelde het pijnlijk aan, en opnieuw +kwam de neerslachtigheid van vroeger over hem. Droeg hij het droevig +misschien, alléén te zijn terwijl de feestmarsch vroolijk klonk voor +gelukkige paren? + +Dan verdween hij in de dorpsstraat. + + + +Anna was zwijgend geweest heel den feestelijken namiddag. In het +zelfbewustzijn dat zijn omgang met mijnvolk en zijn plaats in hunne +reien hem gegeven had, praatte Willem tegen al de meisjes aan de +planken tafel, en tegen iedereen onder 't bereik zijner stem. Hij +schertste er geducht op los en was uitgelaten vroolijk. En de drank +steigerde zijn vroolijkheid tot overmoed. + +Luisterde Anna naar wat hij zeide? + +Zij hoorde 't als uit een vage verte, maar zij hoorde het toch +duidelijk, als 't geluid eener stem in droomen. Doch zij verstond +maar half. + +"Mijn God, zuchtte ze, wat is er over me gekomen? Ik ben ziek." + +Plotseling zag zij dan Willem weer, als de kleine jongen die hij was, +dien dag op de heide, toen hare moeder haar had meegenomen. Zij zag +hem liggen in 't kruid; zij zag zich zelve--klein Anneke van toen--met +den blonden knaap door 't heidegewas stappen. "Allemaal van ons" +had hij gezeid. Zij had den achtergrond der hut van den bezembinder +nooit duidelijk gezien, wanneer zij aan den knaap gedacht had; of +was hij juist dáárom als een verborgen prinsje voor haar geweest, +die een sprookje gemaakt heeft van zijn leven? + +Kroon nog scepter had zij er gezien; maar zij kende thans reeds de +macht van zijn staalblauw oog met den koelen blik, en zij wist de +vastberadenheid die als een stempel stond op zijn gelaat. + +En zij was niet bang geweest voor den Heksenberg. In hare verbeelding +was hij er de kleine gebieder van geworden.... + +Toen daar boven, plotseling, de donkere stem van den vader, als een +schaduw over den zonnigen droom. Zóó was 't geluk van dien mooien +dag aan scherven gevlogen.... + +Willem schaterde 't uit met de meisjes, en Anna schrok op uit haar +gepeins. Zij streek met de hand over haar voorhoofd. + +Met een mijnwerker bij vader Jansen komen aanzetten! Van den +bezembinder uit de hei!.... Ja maar, onderbrak zij zich zelve, daar +is immers ook geen sprake van.... + +Toen die Pinksterdag, de gillende meisjes, het gegichel en "dat de +pastoor het maar eens weten moest!" Zij had dat nooit vergeten. En +zij zag Betje Bouts, éen der vijandigen van toen, die met haar jongen +terug kwam van het schietterrein om bij hen plaats te nemen. + +"Drink eens, Anna," noodde Willem. "Het zal je geen kwaad doen." + +Weer verviel ze in gedachten. + +Die keer toen ze hem gezien had over het hek van den boomgaard, waar +hij dien appel voor haar geplukt had--"omdat jij het bent"..... Dan +was Hary van den meester hen er komen storen. + +Zou Hary Gerards niet hier zijn, dacht ze op eens en begon rond +te zien. + +"Waar zoek je naar?" vroeg Willem. + +"Is Hary van den meester van Brunssum er niet vandaag?" vroeg ze Betje. + +"Wat zou dat?" zei Willem geërgerd. + +"Nou" sarde ze een beetje en trok hare lip op--"wat dat zou?".... + +Hij zag haar aan. Zij was bleek. Dan nam hij zijn glas op, dronk het +leeg en begon opnieuw te praten in 't gezelschap. + +Anna zat dof voor zich heen te staren. Was ik maar liever thuis +gebleven, dacht ze. + +Een groot hoera-geroep ging op uit de mannen op het schietveld. De +vogel was er af, en de schutters hadden een nieuwen koning. Alles vloog +overeind en stormde den boomgaard uit, naar het schietterrein. Wie +was het? + +Willem sloeg den arm om Anna heen en fluisterde met heete stem in +haar oor: "ik hou van je, An." Zij voelde zijn wang over haar schouder +strijken en maakte zich los met een ruk. Zij voelde een koortsachtige +hitte in haar hoofd stijgen, en hield zich alsof zij boos was. + + + +De lampen brandden, verduisterd door den tabakswalm die in de kleine +herbergskamer hing. De paren sprongen er op de melodie van een +trekharmonika. De jongens dansten met de sigaar in den mond en de +strooien hoeden, de petten op 't hoofd, zwijgend met de meisjes die +zwegen, ook soms twee aan twee met elkaar, bij gebrek aan beter. Zij +zweetten in de hitte van 't vertrek onder de lampen, waarbij hunne +roode gezichten glommen. + +Anna had gedanst met Willem. Zij was moe en warm. Hij was reeds +dronken en dronk nog altijd meer. + +"Schei uit," zei ze, "je hebt reeds meer dan genoeg." + +"Wat kun je toch maar kwaad worden, Anneke!" + +"Het is een schande. Kun je mij niet respekteeren? Ik wil naar +huis. Morgen praat het heele dorp van me." + +Maar hij weerhield haar. Hij drong al zeurend aan, tot ze toegaf aan +zijn biddend gezanik "dat ze toch nog niet zou....." + +Doch toen hij opnieuw om drank vroeg, wilde ze met alle geweld. + +"Dan zal ik met je mee gaan." + +"Doch niet tot bij ons aan huis!" + +"Even maar de straat over, hier." + +Het was donker buiten. Weer begon hij vleierig: "Anna, mijn liefste +Anneke...." + +"Kon je je maar wat fatsoenlijker gedragen," antwoordde ze bits. + +"Ik wil alles doen wat je wil, als je maar houdt van me...." + +"Laat me los, riep ze. Raak me niet. Ik wil naar huis." + +Hij wou met haar een zijweg in, tusschen de heggen. + +"Tot afscheid" vroeg hij deemoedig. + +Maar zij sprong vlak voor hem weg. + +Toen sloeg hij bei zijn armen om haar heen, en wilde haar terug +dringen met geweld. "Ik wil een zoen van je." + +"Hulp" gilde zij in haar schrik. + +"Wat is er gaande?", klonk een mannestem dicht bij hen uit den nacht. + +"Laat me los" steunde Anna voort. + +De man in 't donker greep Willem bij den schouder en slingerde hem +weg, zoodat hij tuimelde. Eenige kerels schoten uit de herberg toe +en omringden hem. Woedend wilde hij den aanvaller achterna; maar de +boeren die wisten dat hij dronken was, hielden hem terug en sleepten +hem de herberg binnen. + +En Hary Gerards bracht Anna zwijgend naar huis. + + + + + +IX. + + +Vroeger stond die oude baksteenen boerenwoning, met de twee oude +donkere tuya's naast den drempel, geheel eenzaam bij den rand der +heide, met het zacht bewogen land ter eene zijde, en de donkere +diepte vol van 't purper donker van het heidekruid naar den anderen +kant. In twee jaar tijds was alles anders geworden. De oude weg was +onherkenbaar; hij was vernieuwd. Een nieuwe breede weg was van hem +uitgegaan en dwars door de heide snijdend, had hij met zijn zandgele +kling een heuvel doorploegd, om met een wijden elleboogskromming naar +een tweeden heuvel op te gaan. Boven het kunstmatig aldus ontstaan +ravijn stond thans het mijngebouw. Het stond er met het lichte rood +zijner pasgebouwde baksteenen muren te schitteren in de zon. Het was +een triomfkreet onder den blauwen hemel. Het was een vloek in den +vrede van het landschap. Machteloos lag de donkere heide voor den +indringeling, die haar bestreek met de klare gevels en de trotsche +schouwen. Verschuchterd vlood de donkerbruine diepte in hare ebbende +golving, onder de blauwe nevels der verte, weg naar de verre kimmen. + +Ook was er naar de overzij van den weg geen vrij, schoon, wiegend +veld meer. Uitgestrekte stukken waren uitgediept en baksteen was er +vervaardigd; baksteenen stonden er nog tot logge "ovens" opgestapeld +en huizen bleven er voortdurend in aanbouw. Anderen waren reeds +voltooid. Ingenieurswoningen waren er verrezen en arbeiderswoningen, +als een heel nieuw dorp; een drinkhuis stond er als een kasteel +midden in. + +Doch dat was alles nog slechts een aanvang. Wanneer de ontginning +eerst begon, zouden er weldra duizend menschen werk vinden. Nieuwe +steenovens dan, en nieuwe huizenreeksen om ze te bergen! En reeds +hadden de steenbakkerijen overal het groene land weggevreten. Naar +de heuvelende glooiïng heen vluchtten de korenvelden voor hunne +onverzadigbare vraatzucht. + +"Melaatschheid van mijn schoon, dierbaar Limburg: ik zie en tel uw +wonden,--dacht Hary Gerards. Het is de dood van het veld. Het is de +zegevierende intocht van den nieuwen tijd over het oude land, met +de vliegende vaandels zijner rookpluimen en de krijschende signalen +der stoomfluiten. Dat zijn uwe veldteekens, Industrie, op onze groene +akkers; dat zijn uw veldtenten te midden van onzen groenen vrede! Wat +is het geluk dat gij zaait, en wat zal de vervulling uwer beloften +zijn, onder den rook der mijn?" + +Op de heuvelen zeeg het koren neer in zware rijpte. Geen vogel +zong. Onder het gerij der karren rookte het stof op van den zandigen +weg. In haar bloeiend purper deinde de heide. + +"Hoe schoon zij is, dacht hij: zij is zoo zacht en stil, zoo +bescheiden; zoo schoon in haar droom...." + +Steeds is de hei weemoedig; doch dien dag kwam zij hem smartelijk +voor. Zag Hary Gerards er zijne stemming als in een spiegel? Hij +kende hare smart werkelijk. + +"Zij gevoelt haar vonnis, dacht hij. Zij weet haar doem ten +ondergang. Doch heeft niemand dan gezien hoe prachtig dit panorama +was? Heeft niemand medelijden gevoeld met hare arme schoonheid,--met +de rijke schoonheid van ons dierbaar land? En toch is schoonheid geluk, +geluk genoeg." + +Zoo kalm en rustig lag de heide hem te voeten. Men kon gelooven dat +zij glimlachte. Het was een glimlach van begrijpen. Maar alle vreugd +was verre. + +"Mijn arme, trouwe heide." + +Verder ging hij, door 't bloeiend kruid. Daar stroomde het beekje +dat gevoed wordt door de veenplassen: het bergt een wiegend bed van +kers en ander kruid in zijn helderkoele strooming. Over de keien +bedding glijden de stekelbaarsjes heen, en waterspinnen roeien met +hare spichtige pooten in rukken over het spiegelend vlak. + +Het stroomt er om het "Sterrebosch" heenkronkelend. + +Hary herinnerde zich legenden van deze boomrijke plek in de heide. Zij +was als een park. De menschen zeiden er van, dat een rijk heer er +een kasteel had laten bouwen. Hij was getrouwd geweest met een meisje +uit het dorp. Wat er mee gebeurd was in het einde, was eene donkere +geschiedenis. Het kasteel was in de aarde weggezonken. Sporen van +metselwerk bleven er nog over. Het was een weelderige tuin, de ruïne +van een aardsch paradijs, in de grauwe woestenij der heide. + +"Sagen en schoonheid zullen ééns geheel voorbij zijn. Die kleine, klare +stroom gaat zijn bedding afstaan voor een afvoerkanaal, waarlangs het +vuile mijnwater de Roode Beek wordt toegevoerd. Mijn God, dat mooie, +reine water! Er zal een tijd komen dat er geen beek meer helder is +in ons gewest en geen bron meer zuiver...." + +En hij zag de gore aardhoopen, die de mijn steeds omringen, reeds +uitgestrekt over dit schoone landschap. De mijn haat het bloeiende +land. Die hoopen stapelen zich op en kruipen voort. Zij vormen dijken; +zij liggen er als reuzenbedden. Tegen welken zondvloed beschutten +zij? Zelf zijn ze verderf en dood, deze immer groeiende pyramiden ónzer +beschaving. Zij sluipen voort als fantastische monsters, schuifelende +slangen; als krokodillen glijden zij al verder, verder, vernielend +graan en goed veld, onteerend den kostbaren grond der heilige aarde. + +"De aarde met haar wasdom heeft God gegeven aan den mensch dat hij +van haar zou leven, en genieten van haar schoon. Haar aanschijn was +volmaakt en haar hart was altijd mild in overvloed. Doch de menschen +zijn als dieren geworden, woelend in hare ingewanden." + +Het schokte in zijn keel op: + +"Gij vernielt mijn prachtig land!" + +Hij had zijn vuist wel kunnen ballen tegen den hatelijken "bok" op +het mijndak. Toen klaagde het in hem: "waarom kan onze rijke grond +niet blijven leven in vruchtbaarheid en pracht?" + +De stilte was hoorbaar om hem, wijd en wonderbaar. Boven hem kringde +een wulp in breede cirkelvlucht en krijschte luid zijn tragische +kreten. + +De zon ging neer. Haar laatste goud vervluchtigde in het roode purper +van het gebloemte over de dommelende heffingen. Voor hem lagen de +enkele hutten, waar de armsten der gemeente woonden,--de bezembinders. + +Laat ik ze vermijden, dacht hij, en om het dennenboschje heen gaan. Het +kermisavondtooneel stond voor zijn geest. "Anna" fluisterde hij +zachtjes door zijn gedachten heen. Hij had haar sinds niet weergezien. + +Hij naderde de groep dennen, die reeds donker stonden. + +Voor hem trad een jonge kerel op het pad. + +"Moet je me hier weer in mijn weg loopen, zeg? Wat heb jij je met mij +te moeien? Jij was die vervloekte kerel van Zondag-avond, jij-ja! Heet +het liegen als je durft?" + +Hary was een stap terug gedeinsd, bleek, geschrokken. + +"Maar nu afgerekend," brulde Willem Stoffels, zich moed insprekend +met een vloek,--en zijn vuist trof Hary Gerards vlak in 't gelaat. Het +duizelde Hary voor de oogen, doch hij ontweek schielijk een heftigeren +slag en sprong op den aanvaller aan. Maar hij vond hem gereed. Stoffels +trapte naar hem en vloog hem naar de keel. Zij vielen over elkander +op den grond; Stoffels hamerde met vuistslagen zijn slachtoffer. Hary +lag bewusteloos. + +"Ziezoo," zeide Stoffels tot zich zelven, waar hij Hary zag met bloed +op 't aangezicht "dat heeft hij al vast." Hij borg het zakmes op, +waarmee hij zijn vuist gewapend had gehouden. Het stalen heft was al +voldoende geweest in zijn toegeknepen vingers; hij hadde anders het +lemmet niet geschuwd. + +En hij ging het boschje in, zonder om te zien. + + + +Den volgenden dag kwam er bij Jansen iemand in de herberg die vertelde, +dat Hary Gerards dood geslagen was in de Brunssumer heide. Vader +Jansen vloog op, of iets hem gestoken had. + +"Wat zeg je?" riep hij in ontzetting. "Dat verhoede God!" + +Anna was lijkbleek geworden en zat als versteend. + +Jansen zag alleen den man die van doodslag gesproken had, en wilde +weten: wie, en hoe, en waar? Maar de ander wist niet méér. + +Doch een tweede kwam. + +"Ze hebben hem geslagen," vertelde deze: "doch hij leeft nog. Het is +gebeurd bij het boschje bij Stoffels, de bezembinder...." + +De verteller die een blik op Anna had geworpen, vertelde niet verder. + +"Niet dood?" kwam 't bevend van Anna's bleeke lippen. + +"Hij moet er bewusteloos gelegen hebben tot den nacht, ging de boer +voort. De koele dauw en de koude hebben hem weer tot zich zelven +gebracht. Toen is hij naar huis kunnen geraken. Zijn heel gezicht +was opgezwollen en 't haar stond stijf van 't bloed." + +Anna ging weg. In de keuken barstte zij uit in tranen. + +"Het is mijn schuld" kreunde zij. + + + +Toen Jansen van een gang door 't dorp 's avonds thuis kwam verzekerde +hij, dat géén Stoffels ooit meer een voet zou zetten over zijn drempel. + + + + + + +X. + + +Het was een poos later. 't Was een heete dag geweest en vóór de avond +viel, donkerde plotseling de lucht. Heel den namiddag had men het vage +rommelen van 't onweer gehoord. Op eens nu pakten zich de wolken van +alle kanten saam: torens van wolken, in stapels op elkaar gebouwd. Een +vaal, geelachtig licht viel over het veld. Rondom werd een angstige +stilte hoorbaar. De werkers spoedden zich van hun buitenarbeid weg. Hun +stappen klonken luid langs de straat. Alles ijlde naar huis. Toen +stak de wind op, kwam gierend over het veld loopen, en floot langs den +weg het dorp in, waar hij het zand in draaikolken wervelend opvoerde +tusschen de huizen. Hij rammelde aan blinden, sloeg loshangende +luiken dicht en openstaande ramen. Bloempotten woeien om. De menschen +op straat begonnen hard te loopen. De hooge populieren werden heen en +weer gezwiept in 't gedruisch van hun angstig loof. Een moeder riep met +bange stem op haar kind, helder hoorbaar over den weg. Daar kwam nog +een jonge boer aanzetten, die zijn koeien van de wei terugdreef naar +den stal. De dieren zagen somber rond, traag gaande met de zwenkende +uiers. Dan werd het duister alsof de nacht begon. Een schelle schicht +purperrood vuur schoot langs de daken: een paar sekonden, en krakend +barstte de stilte aan rinkelende scherven, alsof de hemel doorzeeg. + +Vader Jansen sloeg een kruis. Angstig schoolden de meisjes +samen. Moeder kwam uit de keuken met de gewijde kaars, die op een +luchter geplaatst werd en ontstoken. + +"Kinderen," zei ze, "haalt wat van den kruidwisch op zolder. Het +wordt een zwaar weer." + +Maar de meisjes waren te bang om naar boven te gaan. + +De donderslagen ratelden, met de vaart der bliksemstralen in hun +vurig verschieten om strijd. + +"Ik zal hem halen" zei Jansen en ging. + +Het scheen wel dat hij een uur weg bleef. + +De zware slagen vielen met telkens korter tusschenruimte. + +"Heb je hem?" riep moeder bij de trap. + +"Ja," antwoordde hij, "ik kom." + +"Goddank," dacht ze. Ook zij was ongeruster dan zij blijken liet. + +"Wij zijn in Gods hand" zeide zij altijd. + +"Over het veld is heel de lucht één vuur," zei Jansen, binnenkomend met +heel den bos. 't Was de bloementuil die met Lieve Vrouw Hemelvaart in +de kerk gezegend was. Daaruit nam ze een paar dorre stengels en legde +ze op den dooven haard, waar zij ze deed ontvlammen met de gewijde +kaars. De schuchtere vlammetjes waren eene geruststelling, toen zij +'t kruid van den dorren tuil likten. + +De bliksemstralen liepen rondom 't huis, alsof zij er door heen +voeren. Het vuur verdween niet van de vensters. En met ijzeren hamers +mokerden de donderslagen. + +Luid-op bad vrouw Jansen den rozenkrans. Telkens werd het gebed weer +even onderbroken, wanneer één dier geweldige slagen viel, die het heele +huis aan 't dreunen zetten. Zij rolden voort, terwijl het geluid zich +in zijn echo herhaalde, alsof zij geen einde zouden nemen. Nauwelijks +hoorbaar antwoordden de meisjes het: "Heilige Maria, Moeder Gods...." + +Dan zeide vrouw Jansen weer: "och-arme, die arme menschen die daar +nu in zijn!" De regen gudste nu. + +"Het wordt nog altijd erger," zei de man bezorgd. + +Een krakend gedonder vloog in splinters. Het was alsof de kerk was +ingestort. "God zij ons genadig. Anna, krijg het kerkboek van den +schoorsteenmantel, dat we Sint Jan's Evangelie bidden...." + +"Vader," zei Lize, "ik hoor kloppen aan de deur." + +Een nieuwe geweldige slag loeide los, over het dorp heen daverend. + +Vrouw Jansen hoorde het ook: "Er is iemand aan de deur." + +Men hoorde duidelijker kloppen nu, en Jansen ging opendoen. + +Een forsche kerel stapte binnen, en Willem Stoffels volgde zijn +vriend. Zij dropen van den regen. Het weer had hen overvallen op den +weg waar geen huis is. + +"Zwaar weertje" zeiden ze. "Is me dat iets?" + +Geen der vrouwen antwoordde. Anna was werktuigelijk opgestaan, en +met de meisjes verdween de moeder in de keuken. + +"Geef ons een borrel," vroeg Willem. + +Het noodweer liet geen oogwenk af. + +"Wij zaten te bidden," zei Jansen. "Ik heb u niet binnen gelaten dat +gij drinken zoudt. Bij zoo'n weer laat een kristelijk mensch zelfs +geen hond op straat. Dáárom!" + +Er viel een slag dat de muren dreunend schenen te bewegen. + +Stoffels vloekte binnensmonds. + +"In den naam van God, barstte Jansen uit, daar wordt hier niet +gevloekt, verstaan jullie." + +Een krakend geluid viel over 't huis neer, en een ander geluid +rinkelde in het huis zelf. Met een slag stortte in de voorkamer een +groot schilderij van den wand en 't glas er van viel aan stukken. + +Doodsbleek kwam moeder Jansen toegeschoten. + +"Heere," zei de herbergier, "het 'Hart Jesus' is van den muur +gevallen. Geheel aan stukken...." + +"God bewaar ons, zuchtte de vrouw, dat beteekent ongeluk...." + +Het noodweer scheen nimmer te zullen eindigen. Eerst langzaam werd het +allengskens minder en nam traagjes af. Jansen had somber neergezeten, +zonder spreken. De regen hield nu op heftig neer te plassen. "Het is +over," zei hij. De arbeiders hadden stil samen zitten praten. + +"Nu kunnen de meisjes zich wel weer laten kijken" grinnikte de oudere +der twee. + +"Zou Anneke ons geen borrel willen schenken?" verstoutte zich Willem +Stoffels. "Waar is ze?" + +"Hoor hier," beet Jansen toe, getergd en grimmig "als het niet geweest +was om 't noodweer van vandaag, dan had géén moordenaar hier zijn +voet over den drempel gezet! En alles wat ik je te zeggen heb, is: +dat dáár de deur is." + +"Hola, hola," bracht de ander in het midden. + +"Spreek ik tot dooven?" tierde Jansen. + +Als geranselde doggen dropen zij af.-- + +"Ik heb ze aan de deur gezet," zei Jansen in de keuken. + +Anna boog zwijgend het hoofd. + + + +"Als ik die den rooden haan niet een keer op het dak jaag," zei +Willem Stoffels tot zijn kameraad, met een vloek als naar gewoonte, +"dan wil ik stikken!" + +Zoo ging hij zijns weegs, het donker in. + + + + + +XI. + + +Den eerst volgenden keer toen Hary Gerards in Brunssum terug kwam, was +'t weer zomer-vakantie. Hij zou 't dorp niet weer verlaten nu, daar hij +als onderwijzer was benoemd in de school, die zijn vader zoo vele jaren +had bestierd. Hij werd zijn opvolger. Hary zag nieuwe kimmen rijzen. + +Vader Jansen was blij. Hary Gerards was een belofte in zijn oog. "Die +kan nog een boel goed doen in de gemeente, meende hij. Het gaat nog +eerst erg worden hier!" + +"Ja," zei Hary, "wanneer de landbouwende bevolking plotseling veranderd +wordt tot een nijverheidsvolk, en de loonen stijgen, dan stijgen de +uitgaven ook. Maar allen die niet geheven worden door 't nieuwe tij, +moeten er in verzinken. Dan gaan de boeren onder, wanneer de lasten +stijgen boven hun draagkracht." + +"En de boeren begrijpen niet, dat organisatie ze alleen nog redden +kan!" was Jansen's overtuiging. + +"Organisatie gesteund door ontwikkeling. Waar kennis ontbreekt, +stort alles in, gelijk een huis op drijfzand. En waar het juiste +inzicht faalt, faalt ook het vertrouwen." + +"Een vreemd volkje hier," zei Jansen. "Als negen mannen, die het goed +meenen, het volk hebben duidelijk gemaakt in ernst, wat er noodig is +voor hun bestwil, wat er te doen is voor hun welzijn,--laat heel de +boel zich opruien, wanneer er éen tiende komt die alles belachelijk +maakt. De menschen hier lachen altijd met de lachers." + +"Daar helpt alleen onderwijs, en tucht misschien, voor zoover dat +een gebrek verbeteren kan. Zoo was 't van ouds hier gesteld! Doch +'t nieuwe geslacht heeft zich dronken gezopen aan zijn vrijheid." + +"Ja, dat vrije leven!--De kinderen maken zich van de ouders los, +betalen een mager kostgeld van hun zwaar loon...." + +"De parochies maken zich los van de pastoors." + +"Waar de socialisten het op aanleggen!" + +"Wat moet er komen van een volk zonder God?" + +"Een zwijnenstal, meester." + +De beide mannen zwegen. + +"En wat hadden de boeren gelukkig kunnen zijn!" ging Hary voort met +een zucht. + +"Ja, die van den ouden tijd waren gelukkigen." + +"Een man, wien zijn veld zijn wereld is, die zijn leven leeft zonder +vrees en zonder verlangen, maar tevreden met God,--want godsdienst is +niet vrees maar liefde,--die naar zijn akker schrijdt met de vogels +over hem heen, en van zijn arbeid keert met de sterren boven zijn +hoofd, die man gevoelt, te midden der wonderen van de natuur die hem +omgeeft, van wasdom en groeikracht, dat God wandelt aan zijn zijde...." + +Lize riep haar zusje buiten onder 't open raam. + +"Hoor 's," zei ze. "Hary Gerards! Die zit vandaag op zijn praatstoel; +God nog 's toe. Hij spreekt als een boek." + +"Geef hem een eigen akker, een eigen huis, een bezorgde huisvrouw +die zijn gedachten deelt en kinderen die aan zijn knieën spelen, +geeft hem vreugd in zijn arbeid, vertrouwen in zijn werk, geef hem +liefde en hoop in 't hart, en eene ziel die zich op natuurlijke +wijze tot haar Schepper keert, met simpele gebeden, eenvoudig +als zijne gevoelens,--en er zal eene schoonheid in zulk een leven +zijn als door geen andere levenden daarbuiten in de stad benaderd +wordt.--Kan deze bevroeden dat er ongeloovigen zijn? Hij bemint God +met den natuurlijken drang naar liefde die in zijn hart gelegd is, +en deze liefde staat boven de kim zijns levens als de rijzende zon +aan den heuvelrand. Heel de wereld en heel zijn ziel liggen in haar +glans en luister. Dáár is Religie leven, en Leven poëzie." + +Hary liet zich meeslepen door zijn eigen woorden. Jansen hoorde hem +aan met klimmende verbazing. + +"Het is niet mogelijk niet van God te houden, ging Gerards voort, +wanneer het leven een voortdurende zegening is. Het is het eenvoudige +leven van den landman, dat het leven is waarin de kunstenaars +de schoonheid vinden uitgedrukt. Het moderne leven baart onrust +en verlangen. Den schoonen vrede vinden de menschen eerst op het +land. Op het land is God alom. De natuur openbaart Hem. Laat de boer +onontwikkeld heeten, wanneer hij slechts deze wijsheid bezit! Doe de +vooruitgang zijn deur ook niet aan; in zijn bestaan is verwerkelijkt +de hoogste schoonheid voor alle tijden: het eenvoudige, oprechte +leven...." + +Jansen knikte toestemmend, woordeloos. + +"Ik vrees, glimlachte Hary, dat 'k hier zit te preeken." + +"Zoo heb ik den pastoor zelf nooit gehoord," gaf Jansen toe. + +"Dag meester," zei Lize binnenkomend. "Heeft vader u al eens onze rozen +laten kijken?" En zonder antwoord af te wachten: "Kom u eens mee naar +den tuin. Ze zijn prachtig van 't jaar, niewaar vader? Anna is er ook." + +"Ja, ga eens mee," zei vader. + +"Anna zou er juist gaan plukken," voegde ze er aan toe; maar Hary +voelde niet dat hare stem eventjes onzeker trilde. + +Anna bloosde toen zij hem den tuin zag binnen komen en tusschen de +rozelaars het pad opgaan, recht naar haar toe. + +"Wij stonden onder het raam," zei Lize, "toen gij met vader bezig +waart, zoo juist. Wacht even," zei ze, "ik haal gauw een mesje om +een mooien knop voor u af te snijden." + +Anna zweeg en wachtend pluisde zij een paar groen ombolsterde +rozenknopjes en ontdeed ze van de groene bladluizen die ze er zocht. + +Lize kwam niet gauw terug, gelijk ze had verzekerd. + +"Het is mooi weer vandaag", begon de redenaar van straks. + +"Ja," antwoordde Anna, "mooi." + +Gelijkelijk groeide de verlegenheid in beiden. Wat te zeggen, +dacht hij, en vergat daarbij dat hij spreken moest. Hij raakte niet +uitgedacht. + +"Het koren zal nu wel gauw bloeien," zei hij eindelijk weer. + +"De appelbloei was mooi van 't jaar" antwoordde ze. + +"Gij houdt van bloemen?" + +"Ja, veel...." + +"Van de rozen hier?" + +"Van de rozen, ja: maar ook van de veldbloemen." + +"Werkelijk," vroeg hij, "van 't veld?" + +"En van de wei! Waarom dan niet?...." + +"Ik heb altijd," zei Hary als in gedachten, "veel gehouden van +de heide." + +Er ging een horizont open met dat woord voor beiden. Het was hem +onbewust op de lippen gekomen. Maar nu gevoelde hij wat zij denken +moest: die kermisavond, de overval waarbij de ander zich gewroken had: +Willem Stoffels stond tusschen hen beiden. + +"Ik hou meer van 't veld," zeide ze. "Daar is leven." + +"Op de heide," sprak hij haar gedachte aanvullend, "is droom." + +"Ja," zeide Anna, "maar men leeft niet lang met zijn droomen." + +Lize kwam eindelijk. Zij gaf Anna 't mesje. "Snij er een heel +mooie af!" En lachend voegde ze er bij: "ik mag immers niet, daar +'k verloofd ben." + +"Wanneer zult ge trouwen?" vroeg Hary. + +"O, nog lang! Maar gij dan, meester?...." + +"Daar behooren er twee toe," antwoordde hij. + +"Hebt gij die tweede dan nog niet gevonden?" + +"Een goede vrouw wordt niet zoo maar gevonden, meen ik," zeide hij +nadenkend; "zij wordt verdiend." + +En hij nam de roos uit Anna's hand die de oogen neersloeg. + + + +Op een morgen dat Anna niets vermoedend uit de eerste mis kwam, op een +zondag was 't, voegde Willem zich bij haar. Hij had haar opgewacht; +hij was er gekomen om haar te treffen. Zonder verklaring liep hij +mee met haar en wachtte wat zij zeggen zou. Maar voor zich kijkend, +gaf zij taal noch teeken. + +"Hoor eens," zeide hij, "men begint over je te praten in 't dorp, +over jou met Hary van den meester. Maar ik wilde je maar eens zeggen, +dat dát zoo niet verder gaan kan. Mij heb je den trouw beloofd en ik +wil dus...." + +"Wat zou je zeggen?", riep Anna verontwaardigd. + +"Zou je 't heeten liegen soms?" + +"Ja," zei ze, "leugenaar die je ben, wat bezielt je?" + +"Dat het je niet goed zal gaan, als je van mij af wil zijn." + +"Ik heb nooit wat met je te maken gehad, en zal nooit iets met je +hebben uit te staan. En laat me gaan...." + +Toen begon hij te vleien en te bezweren. + +Maar zij wilde geen antwoord meer geven, al wist ze dat alles tusschen +hen gedaan zou wezen na dit oogenblik. + +Doch wát was er geweest,--méér dan een droom of de herinnering van +een droom, in duigen gestort voor den adem der werkelijkheid? + +"Heb je Hary Gerards wat beloofd?" + +"Heb jij daar mee te maken?" + +"Het zal jou ongeluk zijn en het zijne." + +Zij zag hem verachtelijk in 't gezicht. + +"O, je ben te trotsch, he, te grootsch voor éen als ik, omdat je vader +geld heeft en je moeder kan pronken met wat ze te veel heeft. Doch +drijf me maar tot het uiterste!".... + +"Ik drijf je tot niets en vraag je alleen mij verder gerust te +laten. Ik ben je vreemd en verder heb 'k je niets te zeggen." + +"Valsche kat," vlijmde hij. "Je moet niet denken dat er geen anderen +zijn als jij, en je hoeft me niet te behandelen als een bedelaar: want +ik verteer tienmaal meer in één week, dan je vader in een heel jaar." + +Zij ging steeds voort, en hij volgde haar steeds. + +Onrust woelde in haar binnenste en de verontwaardiging deed haar +wangen gloeien. + +"Scheer je weg," riep ze luide, want ze dacht wel dat menschen volgden +op de straat. + +"Anna, Anna, begon hij te bidden op smeekenden toon. Als je toch maar +verstaan kon, hoeveel ik van je houd...." + +Maar hij was voor haar niets anders dan de aanrander van Hary. + +"Zie," ging hij voort, "ik was soms bang dat ik je niet kon te spreken +krijgen dezen morgen en daarom schreef ik je dezen brief. Daar, lees +dien; ik geef hem je nu toch maar! En schrijf dan terug. Dan ga ik +nu verder. Zul je 't doen?" + +En werktuigelijk had ze zich het papier in de handen laten stoppen. + +'s Avonds in den maanlichten nacht, overzag zij de regels van zijn +brief waarin hij zeide: + +"Anna, als je met een ander trouwen zoudt, zou je mij den dood +aandoen. Doch je zult 't laten, als je je eigen leven lief is...." + +Ze verfrommelde het schrijven onwillig. + +Dan ging zij voor de tafel zitten en schreef met potlood: + +"Ik geloof niets van alles wat gij zegt. Laat mij in vrede. En verder +ga 't u wel...." + +En ze zat in gedachten en beet op het potlood zonder het te weten. + +Toen stond zij plotseling op, greep beide papieren, scheurde ze in +lange reepen, streek een lucifer aan en verbrandde ze buiten het +venster op 't raamkozijn. Ze zag de vlammetjes na in hun kronkelen +en blies de asch weg in den wind en den nacht. + +"Ik zal niets antwoorden." + +En zoo blies zij alles weg wat "hij" niet was, de eenige dien zij +lief kon hebben. + + + + + + +XII. + + +"Wat zeg je van 't nieuws?" + +"Wat?" vroeg Willem Stoffels zijn kameraad. + +"Wel, van Anneke van Jansen en Hary van den meester." + +"Wat zou daarmee?" + +"Daar zou mee, dat jij je dat voor je neus hebt laten kapen." + +"Kapen? Dat zou wat!" + +"En je had zooveel praats dien keer, toen de oude je de deur wees." + +De groote kameraad lachte schamper. + +"Zijn schuur staat er nog altijd zooals ze er altijd gestaan heeft. Je +ben me wel een held." + +"Laat hem dan maar eens eerst zijn oogst binnen hebben!" + + + +De mijnwerkers traden in de groote ruimte waar zij wisselen van +kleederen. Buiten namen zij ieder hunne koperen mijnlamp en gereedschap +en wachtten, op den grond gehurkt in groepjes of bij elkander staande, +hun beurt af om neer gelaten te worden in de diepte. Slechts weinigen +hadden zich verzameld tot het gemeen gebed, bij 't teeken van den +opzichter. Daar was een ander vertrek, met een kruisbeeld in een +altaarnis, dat tot kapel dienst deed. + +Willem Stoffels zag zijn betere mede-arbeiders gaan en weer terug +komen. "Onnoozele halzen" noemde hij ze. + +De mijnput had opgehouden indruk op hem te maken. Toen hij den eersten +keer in de ijzeren kooi gekropen was en op dat zwevend voertuig in +de diepte van den steenen nacht was neergezonken, had een nijpende +angst hem beslopen. Het was een hellevaart. Bij 't schijnsel +zijner lamp had hij de drie kerels, in de kooi met hem aanwezig, +voor duivels gehouden. Het oogenblik dier nederdaling had een dag +geschenen. Hij zag het wit der oogen in de bleeke troniën der mannen, +die met opgetrokken knieën tegenover hem daar zaten neergehurkt. Het +was als eene verlossing toen de kooi stokte; doch daar begon eerst de +verschrikking weer opnieuw. Het was de onveranderlijke, onvermurwbare +nacht van steenen stilte. + +Met zijn bengelend licht was hij door de lage gaanderijen gekropen; +dan had hij over zijn rug moeten glijden langs een steile helling, +waar de losse steenkool wegschoot onder zijn voet. De bedrijvige +arbeiders bij hun werk in den afgrond, hadden een ijzingwekkend +voorkomen, wanneer men ze plotseling onderscheiden kon tegen het +zwarte duister. Dan was het alsof de nacht er vorm aannam in hunne +krommende lijven die daar zwoegden. Het zwarte stof maskerde hunne +bezweette gezichten, waarin het wit der oogen feller schitterde bij +'t schemerige, rosse lamplicht. Het ronkend gerij der kolenwagentjes, +die van alle verdiepingen en gangen langs glooiende gelijdingen van +ijzer neergleden en beneden door paarden werden vervoerd, vervulde +de doodsche stilte met een gedempten donder van geluid. Het klonk +telkens als van ver-af naderend onweer. + +Door plassen water had hij er gewaad; door gangen was hij heengegaan, +waar ijzeren buizen langs de wanden liepen voor den aanvoer van +versche lucht, en door andere gangen die geheel geschraagd werden door +palen, palissaden van hout over honderden meters. Hij zag de palen +en steunsels bedekt met schimmelplanten als met een vuil schuim,--het +eenige dat niet zwart was in den eeuwigen nacht der aarde. + +Wanneer dat nu eens week en toegaf aan den druk der steenen zoldering, +had hij gedacht; wanneer de kooi eens ophield te zinken of te stijgen? + +Hij had den man zien staan bij de machine, die het groot geheel van +riemen en raderen alléén drijft en duizend menschenlevens in zijn +handen houdt. Als deze eens dood neerstortte?... + +Toen had hij angst gekend. + +"Glück auf" zeiden de werkers bij het elkaar ontmoeten. + +"Waarom die groet in de mijn?" had hij eens hooren vragen door een +bezoeker. Iemand had er op geantwoord: + +"Het "goede morgen" zou ze den dag herinneren, en hier moet dat +alles, licht en zon vergeten blijven, om den nacht niet smartelijker +te gevoelen." + +Soms had hij zijn houweel en schop wel willen wegslingeren; hij had +kunnen uitbreken en vluchten uit de grafstilte omhoog, uit den dood +en de donkerte. + +"Glück auf!", zóó prikkel je de zucht die ze gedreven heeft in deze +uiterste duisternis, de zucht naar geld en goud. + +Spreek niet van den "goeden dag" tot deze mannen der donkere daad. + +Hij had dit leven onder den grond als een last gedragen. + +Half bedolven tusschen het donkere gesteente, in nieuw gegraven +beddingen sloofden de arbeiders voort, somber zwijgend. Het was +gevaarlijk te spreken of te zingen, daar het oor steeds waakzaam zijn +moest: elk oogenblik kon 't signaal weerklinken, dat steeds als het +luiden van den dood is. Anderen duwden wagentjes voort, anderen zaten +intusschen neer in afwachting. Zij zwoegden er soms halfnaakt, met +openhangend hemd en bloote armen, of in hun baaitje alleen. Het zweet +droop van het glimmend zwarte aangezicht. Hoe had hij gegruwd van hen. + +Maar al die verschrikkingen gingen voorbij. Dat was de vroegere +kinderachtigheid die uitgeroeid moest worden. Daarvoor kwam overmoed +in de plaats,--de overmoed der brutale kracht. Wij zijn de toekomst, +want de arbeid is koning! Wij zijn de ijzeren steunpilaren, die de +menschheid torschen! En voor dien arbeid het volle leven in vrijheid +en vreugd. Hoog de schuimende kroezen! Lachend in dien roes den +dood gedronken.... + +Willem Stoffels had de spade opgenomen en begon den leegen bak te +vullen met zware brokken. Zij bonsden in de wagentjes neer. Zoo +rolden ze voort met eentonig dof gedonder, af en aan, weggestuwd en +weer aangevoerd onophoudelijk in den onveranderlijken nacht der acht +lange werkuren. Soms sloeg de verre donder eener ontploffende mijn +een zwaarderen slag, die aan bange echo's geluid gaf in de holle +aarde. En steeds klonk het ijzeren geronk der kipkarretjes en het +gebons van 't laden voort, als het zware ademen des levens in het +blinde donker, de bloedsomloop door de holle pijpen en ingewanden +van het steenen aardelijf. + +Willem Stoffels arbeidde voort, sprakeloos, werktuigelijk. Bijna was +de helft van den arbeidsduur verstreken. Weldra zou hij neerzitten +bij zijn werk, te midden der losgewoelde steenbrokken, met de overigen +hun brood etend uit de zwarte handen, koffie drinkend uit de blikken +bussen die ze meevoerden op den rug. + +Toen, gelijk een bliksem valt, plotseling! Hij hoorde het scheurend +gekraak. Angstgegil steeg van vertwijfelde stemmen. Het stervensgekreun +stierf weg in 't gedonder van 't verstervend gedreun. Waar de +opgejaagde arbeiders in wilde vertwijfeling vluchtend elkander +verdrongen, duisterde een zware stof damp, die opgolfde van de +instorting. + + + +"Moeder," kuchte de pastoor van Brunssum, toen hij over den drempel +van de hut trad waar Stoffels woonde. + +De vrouw kwam hem te gemoet in stomme verbazing. + +"Gij moet niet schrikken," zeide hij geruststellend. + +"Mijnheer pastoor, 't is lang geleden dat gij hier geweest zijt," +klonk het berouwvol. + +"Luister eens moeder, zet u eens bij mij neer." + +"Beteekent het ongeluk, dat gij tot ons komt," vroeg zij deemoedig +en schuchter. + +"Alles komt uit Gods hand, moeder; het een zoowel als het andere. Ook +de beproevingen.--Is Stoffels thuis?" + +"Neen, mijnheer pastoor, hij is uit werken, op de heide. Doch wat +is er?" + +"En Willem?...." + +"Is ook niet thuis. Hij komt van avond terug om acht uur." + +"Moeder...." de pastoor zocht naar woorden. "Gij hebt nog niets +gehoord, van wat er gebeurd is?" + +"Och God" zei ze. "Daar heb je 't al. Is het iets ergs?" + +"Ja," zeide de pastoor, haar onderzoekenden blik ontwijkend. + +"Wat is het dan? O, ik voel wat het is...." + +"Welnu dan, ja. Er is een ongeluk gebeurd." + +"Toch niet op de mijn?....." + +"Te Amstenrade. Er zijn gewonden, verschillende...." + +"God in den hemel, mijn jongen! Willem. Zeg het me, wat is er!" + +"Verschillenden zijn er getroffen, ook van Brunssum. Maar...." + +"Waarom zoudt gij hier komen als er niets was? O, mijnheer pastoor. Is +er iets met Willem? Is hij erg....?" + +De vrouw verborg het gelaat in de handen. + +"Moeder, als er nu eens wat gebeurd was met Willem, zoudt gij u dan +overgeven in Gods heiligen Wil?" + +Zij snikte zonder te antwoorden. + +"Zeg nu eerst eens met mij: Gods Wil geschiedde. Alles wat gij doet, +o Heer, is welgedaan." + +"Hij heeft zijn Paschen niet gehouden," kreunde zij. + +"Moeder, Gods barmhartigheid is immers oneindig." + +"Hij is dood, niet-waar? Zeg het me dan toch!" + +"Ja," antwoordde de priester met ontroering. "Zoo is het." + +Zij wrong de handen en viel op hare knieën neer waar zij stond. + +"Help, o God, mijn jongen!".... De woorden gingen verloren in den vloed +der huilende jammerklachten, die geen troost van menschen stelpen kon. + +Stoffels kwam binnen op dat oogenblik. Het toeval scheen hem naar +huis gedreven te hebben, zoo 't niet de stem des bloeds geweest was, +die luide werd in zijn borst. + +"Willem, Willem!" kreet de moeder toen zij hem zag. + +Zwijgend knikte de pastoor, bevestigend. + +"Wat? vroeg hij.--Een ongeluk? Toch niet dood?" + +En de man zonk gebroken neer. + + + +Toen de pastoor de hut der ongelukkigen verliet, lag de heide, in +de laatste gulden glorie van den zonnedag, zoo vredig en gerust, +dat het den grijsaard door de ziel ging. Daarbinnen jammerde de +tragedie der menschelijke ellende. Was de rust der natuur in hare +kalme grootschheid er niet de bespotting van? + +Toch liever dood blijven onder den open hemel, dacht de pastoor. Van +den put der mijn is de weg naar de hel de kortste.... de heuvelen +zijn God het dichst nabij. + + + +Dien nacht op den Heksenberg vierden, met duizelenden dans in het +donker, de zwarte wijven hare duivelsche vreugde. + + + + + + +XIII. + + +"Anna, Anna, gauw, kom 's hier!" + +Anna vond haar zusje met het tijdschrift van den Volkszang in de +voorkamer. Lize legde 't bandje op tafel, legde er de hand op bij +een bepaald punt en riep triomfantelijk: "lees!" + +Anna begreep niet waar 't heen moest. + +"Lees," zei Lize gebiedend en lachend. + +Anna over haar heengebogen, gehoorzaamde. Het was een gedicht, en +Lize bedekte den naam van den schrijver. Zij lazen. "Lotharingen" +heette het. + +"Wat is Lotharingen?" vroeg Lize. + +"Dat weet ik niet," zei Anna. "Laat me nu maar eens eerst lezen. Is +het iets van den oorlog van zeventig?" + +Zij begon: + + + Daar was eens een koning in het land, + Het land van Lotharingen; + Hij was zoo lustig en galant + En wist zoo fijn te zingen. + Hij was zoo blijde wijl hij zong; + Hij zong wijl hij zoo jong was. + Hij had een stem gelijk een gong, + Een stem die als een gong was. + + «Wie zit daar treurend op den steen + En wil niet lachen of zingen?" + --«O God, ik ben zoo heel alleen + In 't land van Lotharingen! + Ik minde mijnen vedelaar: + Zijn stem gelijk een gong was. + Nu schrei ik sinds en jammer maar; + Ik lachte toen ik jong was.» + + «Ik ben de knapste soldenier + Aan 't hof van Lotharingen; + Het geeft voor 't leven meer plezier + Zijn lied getwee te zingen!...." + De meid bij hem in 't zadel sprong, + Hoe hoog voor haar de sprong was. + Nu lachte zij weer, en hupte en zong, + En lachte als toen zij jong was. + + Hij nam haar handjen in zijn hand + En gaf haar spelden en ringen. + Hij was de koning van het land, + Het land van Lotharingen.... + --Mij liet mijn liefste zoo alleen; + Zijn stem gelijk een gong was. + Weet gij soms den weg niet naar Loth'ringen heen?.... + Ik wist hem toen ik jong was. + + +"Is 't daarmee uit?", vroeg Anna. + +"En weet jij nu wat Lotharingen is?" + +"Nee," antwoordde ze. + +"Merkelbeek" zei Lize met gewicht. + +"Dáár!" en zij nam de hand weg van de rest van 't blad. En Anna las +er den naam van Hary Gerards, en bloosde. + +Anna was nadenkend gebleven heel den dag. In den namiddag hadden zij +gehoord wat er te Amstenrade was voorgevallen. Een half uur later was +'t bekend geworden in het dorp, dat ook de jonge Stoffels van Brunssum +verongelukt was bij de instorting. Hij behoorde tot de vermisten. 's +Anderdaags groef men zijn lijk op. + + + +Twee maanden later zat zij met Hary Gerards als naar gewoonte in +het priëeltje. + +"Hary," zei Anna. "Hoe kan er iets worden tusschen ons? Het kan niet, +onmogelijk." + +"Maar Anneke, schrok hij verbaasd op. Wat is er dan? Ik versta je +niet. Ik begrijp er niets van." + +"Er rust een zware schuld op mij," en zij boog 't hoofd. + +De jonge man nam hare hand in de zijne en streelde ze zachtjes. + +"Kun je je niet verklaren?" vroeg hij. + +"Ik had hem kunnen redden, en nu is hij door mijne schuld verloren +gegaan, zuchtte zij. Hary, ik hing aan jou, en hem heb ik ongelukkig +gemaakt. Als ik gewild hadde, ware hij een beter mensch geworden. Ik +had me moeten offeren voor zijn geluk en zijn ommekeer. Ik achtte +het niet. Nu is het te laat." + +Zij liet het hoofd op zijn schouder zinken. + +"Anna", fluisterde hij, haar troostend. + +"Wat moet ik doen?" + +"Kom," zeide hij, "spreek eens uit. Wat was er dan tusschen jou en +hem? Meen je Stoffels?" + +"Hary," zeide ze, "zoowaar als ik hier zit, er was niets tusschen +ons. Wij zagen elkaar als kinderen. We waren éénmaal samen uit. Je weet +zelf wel, dien avond. Het was toen. Anders niet. Maar ik had me iets +gedroomd, ik weefde fantasieën; ik dacht aan hem voortdurend. Het was +mij altijd, als moest er tusschen hem en mij iets gebeuren, als moest +er iets wonderlijks komen van geluk en--ik weet niet wat. Ik zag hem +nooit gelijk hij werkelijk was, maar altijd anders. Ik zag alleen maar +moois, en mooier dan het bestaande. Maar toen ik begon te begrijpen, +toen ik inzag en alles doorschouwde, ja--toen hield het nog niet op, +toen was het nog niet uit. Ik verdroeg zijn gezicht wel niet meer, +ik ging hem haten; ik haatte hem sinds dien avond dat hij zich aan +jou vergreep; maar het scheen alsof er een ander gekomen was naast +hem. Toch bleef ik hem zien zooals ik hem in mijn droomen gezien +had,--als behoorde hij niet tot de hut. Het was alsof die ander, +die vloekte en laag werd, alleen de wolk was die voor de zon gegleden +kwam. En 'k bleef mijn droom gelooven, gelooven en zien, tot...." + +"Tot het einde?" + +"Ja, tot alles ophield. Dat is het einde mijner jeugd geweest." + +"En nù de werkelijkheid, Anna!" + +Zij sprak niet een lange poos. + +"Kind-lief," zei hij, "wij dragen allen den rouw onzer jeugdillusies +het leven door en leggen dien sluier niet af, zelfs niet bij de +hoogefeesten onzer beste vreugde." + +"Was ik niet slecht?" vroeg zij in vertrouwvolle overgave. + +"Kind," zeide hij, "slechts weinigen zijn er geroepen tot +heldhaftigheid. Je eigen geluk offeren voor het heil van een ander, is +het bewonderenswaardige dat alleen buitengewone menschen kunnen. Het is +bijna bovenmenschelijk. Je hebt je waarlijk niets te verwijten. Doch +zoo je werkelijk misdaan had door het goede te verzuimen, dan ware +er altijd nog gelegenheid om dat goed te maken door goed te doen." + +"Wat kan ik doen?" vroeg ze hem. + +Hij sloeg zijn arm om haar heen. + +"Ik ken iemand," zeide hij, "die na een leven van dicht en droom, +een leven van daad wil gaan beginnen. Het is mooi met schoone dingen +bezig te zijn in zijn gedachten; maar het is beter goede dingen te +doen. Schoon Limburg ligt te zieltogen; maar het volk onzer gouwen, +het wel en het wee der menschen, dat is méér. Het heden eischt onze +zorgen en bemoeiingen, offer en bekommernis, en de toewijding van +brein en bloed. De sociale strijd is begonnen in dezen overgangstijd +tusschen oud en nieuw. Den man is het voorbehouden de kling te zwaaien; +maar het is der vrouw weggelegd den man te gorden met moed en kracht, +hem te steunen met haar troost, hem te schutten met hare liefde." + +"Anna" ging hij voort,--want zij zweeg steeds--"ons land behoeft alle +jonge krachten: doch zóó ook behoeven mijne jonge krachten u...." + +Rondom schetterden de vinken het lied des levens vroolijk uit. + + + +Weer zaten zij in 't priëeltje samen. + +"Was die droefheid niet de schemering van een beter verblijden?", +vroeg hij haar met innigheid. + +Zij glimlachte weemoedig. + +"En toch kan ik niet juichend blijde zijn en lachen als een gelukkige +bruid." + +"Zie," zeide hij, "dat is de stilte van den rijpenden zomer: het +is de stemming ook van ons eigen lieve land. Het was voor jou een +kinderdroom, een jeugdillusie, wat voor ons arme Limburg de lente was +van een patriarchalen, gelukkigen tijd. De droom van schoonheid is +verstoord, de bloesems vallen. Maar wij gaan den tijd tegemoet die +oogst geeft en vruchten. Voortaan zal er gewerkt moeten worden voor +het behoud van Limburg's volk en zijn ouden aard. Daarbij nu zullen wij +getweeën zijn! En getwee zullen wij bouwen tevens aan ons eigen geluk." + +"Je moet mij nog veel leeren," zeide zij. + +Zoo legden zij de handen in elkaar. + +"Waar zullen wij zoo onzen eigen haard bouwen?" vroeg hij. + +"Waar korenvelden zijn," antwoordde ze, "weidebloemen voor de deur, +vruchtboomen over het dak en leeuwerikken." + +"Eens droomde ik," zeide hij in gedachten, "het zou aan den rand der +groote, roerlooze, roode heide zijn. Doch de heide moeten wij laten +varen met onze droomen, nu de arbeid roept. Het zal wezen gelijk je +zegt,--en onder den rook der mijn." + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Onder den rook der mijn, by Felix Rutten + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONDER DEN ROOK DER MIJN *** + +***** This file should be named 24115-8.txt or 24115-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/4/1/1/24115/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
