summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/24115-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '24115-8.txt')
-rw-r--r--24115-8.txt3585
1 files changed, 3585 insertions, 0 deletions
diff --git a/24115-8.txt b/24115-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..f7446ed
--- /dev/null
+++ b/24115-8.txt
@@ -0,0 +1,3585 @@
+The Project Gutenberg EBook of Onder den rook der mijn, by Felix Rutten
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Onder den rook der mijn
+ Eene novelle uit Limburg
+
+Author: Felix Rutten
+
+Release Date: January 2, 2008 [EBook #24115]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONDER DEN ROOK DER MIJN ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ ONDER DEN ROOK DER MIJN
+
+ EENE NOVELLE UIT LIMBURG
+
+
+ Door
+ Felix Rutten
+
+
+ L. J. VEEN--UITGEVER--AMSTERDAM
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+
+ «o Limburg, mijn geliefde land."
+
+
+"Anneke, waar ben je nu weer?"
+
+"Hier, moeder."
+
+Ze was een leuk, lief dingetje van twaalf jaar, zooals ze, ijlings
+toegeschoten, in de deuromlijsting daar nu stond met haar donker
+kroezelkopje, tegen de klaarte van den straatweg, met de meidoornhagen
+en het hemelblauw op den verren achtergrond.
+
+"Wat moest je nu weer wegloopen?"
+
+"Daar komt een heer" zei ze wijsneuzig.
+
+"Hier heen?"
+
+Vrouw Jansen met haar man hielden "café." Net stond zij klaar om uit
+te gaan met haar jongste dochtertje.
+
+Zij zag even om den deurpost:
+
+"Kijk, Hary van den meester."
+
+"Meester Gerards?" kwetterde Anneke en trippelde mee de deur uit.
+
+"Stil kind," zei vrouw Jansen, "niet zoo luid."
+
+Zij wachtte den jongen man om hem te groeten. Hij was wel weer op
+vakantie thuis! Gerards studeerde te Echt, aan de normaalschool. Het
+kwam haar zoo voor, alsof ze nu "meneer" moest zeggen; hij lichtte
+zijn pet en zei: "hoe gaat het?" met een vriendelijk, open gelaat.
+
+"Weer eens te Brunssum?" zei zij er over heen.
+
+"Ja; weer eens wat uitrusten voor een paar weken.--Alles wel?"
+
+"Och ja: op 't oude! Daar verandert, God-dank, niet veel hier in
+Merkelbeek. 't Blijft alles zooals 't altijd geweest is."
+
+"Dat is maar 't best. En was 't ook zóó maar in Brunssum. Nu zijn ze
+me dáár, zoo-waar, ook al aan 't boren."
+
+"Op de hei!"
+
+"Op de hei, ja, 't fijnste dat we hadden...."
+
+"Wij gaan samen eens gauw even naar Brunssum toe," zei vrouw Jansen,
+Anneke bij de hand nemend. "Ga binnen en rust wat. Jansen is er."
+
+"Dadelijk, dan kom ik. Ik moet eerst even hier binnengaan, in de kerk
+van de paters. Het is de mooiste kerk van 't heele land."
+
+"Dat zeggen ze allemaal die hier komen. Maar een eenvoudig boerenmensch
+heeft daar zoo geen verstand van. Werken als we werken, en bidden als
+we bidden moeten; en dan maar vooruit, zonder links of rechts. Zóó
+is 't nu eenmaal gesteld met een boeren vrouwmensch!--Maar,
+allà!--Plezierige wandeling verder."
+
+"Insgelijks, vrouw Jansen. Dag Anneke!"
+
+"Wat zeg je?" trok de moeder haar bij 't handje.
+
+De kleine kleurde en zag voor zich neer, met haar voetje het zand
+wegschoppend van de straat.
+
+"Dom kind, vermaande de moeder; zeg dan: dag meneer Gerards."
+
+"Adé" riep ze nog eens, en ging. Vlug trippelde Anneke mee.
+
+"Wát komt hij hier doen, moeder?"
+
+Maar de moeder, kort en scherp: "je moet de menschen op straat netjes
+goedendag zeggen en niet staan met den mond vol tanden; dan ben je
+een stout kind."
+
+Verder gingen ze zwijgend voort.--
+
+"Waar gaan we naar toe, moeder?" vroeg Anneke, eene lange poos later.
+
+"Wij gaan naar Brunssum. Moeder moet er eene zieke vrouw bezoeken,
+de moeder van Willemke, die al wel eens bij ons thuis geweest is,
+om wat voor zijn, moeder te halen. Dien ken je wel? Nu, dan mag jij
+zoo lang met Willemke spelen, als ik met zijn moeder praten zal. Het
+is een goed werk dat we gaan doen: de zieken bezoeken. Dat zegent
+Onze Lieve Heer. Dat zul jij later ook doen, wanneer je groot ben. En
+altijd vriendelijk zijn en beleefd, hoor-je!"...
+
+Weer gingen ze zwijgend, dwars door 't dorp, langs de kerk. Vrouw
+Jansen maakte het kruisteeken in 't voorbijgaan.
+
+"Anneke,--wat zegt men als men voorbij de kerk gaat?"
+
+"Geloofd zij Jesus Christus" klonk het schuchter en zacht.
+
+"En wat doet men dan? Wat heb ik je geleerd?"
+
+Anneke sloeg een kruisje.
+
+"Zóó is 't goed, prees de moeder. Onze Lieve Heer ziet dat van het
+tabernakel uit."
+
+Anneke, omziend met een vlugge beweging van 't ranke kopje:
+
+"Kan Hij dat werkelijk zien?"
+
+"Hij ziet en hoort alles, wat wij zeggen en doen; en wat wij denken,
+weet Hij."
+
+Weer wandelden zij voort in stilte. Zij waren buiten het dorp. De
+landweg werd mul en stoffig. De velden stonden er schraler. Hier
+zagen zij er armzalig uit.
+
+Nu waren ze de hei genaderd. Een boschje slaghout en een eerste groep
+dennen,--en daar lag de leemen hut van den bezembinder.
+
+Vrouw Stoffels was haar vijfde kind geboren, tot pijnlijke vreugde
+van het gezin. Vrouw Jansen die eene der goedgezeten boerinnen was
+en een der goedigste vrouwen uit den heelen omtrek, bewees de vrouw
+van den bezembinder bij alle gelegenheden telkens, dat zij leefde
+volgens haar woord: "men moet leven, maar ook laten leven."
+
+"Wanneer de kinderen maar eens groot zijn," zuchtte de arme vrouw
+Stoffels altijd. Ze zouden natuurlijk vroegtijdig aan het werk
+gezet worden.
+
+Twee dreumesjes wroetten voor de deur der woning in het zand. Tusschen
+een armelijke omheining lag er een verwilderd tuintje. Rondom schoot
+het heidekruid op in zijn donkere warrigheid. Het ving reeds aan te
+bloeien. Een grootere knaap lag met bei zijn handen onder het hoofd
+in het warrig gewas.
+
+"Willemke" riep vrouw Jansen. De knaap was opgesprongen.
+
+Stoffels zelf kwam naar buiten op 't geluid dier stem.
+
+"Hoe is het?" vroeg ze vluchtig. "De kinderen kunnen samen hier
+zoolang wel spelen. Daar is Willemke", wees zij Anna.
+
+Mee ging zij met Stoffels naar binnen.
+
+Anneke zette zich moede neer. Zij wendde 't kopje af, daar de knaap
+haar stond te bekijken.
+
+"Dat is de hei!" zei hij na een poosje.
+
+Het kleine meisje keek en zag nu, dat daar wijd en diep, heel diep-weg,
+donker land lag.
+
+"Daarachter?" vroeg zij het hoofdje naar hem keerend.
+
+"Daarachter en ginds ver, en hier, overal, tot in Pruisen."
+
+Hij beschouwde haar oplettend met het gevoel zijner meerderheid,
+staande op eigen terrein. En met het zelfbewustzijn van een
+koningskind, dat tot heerschen is geboren: "Dat is allemaal van ons."
+
+Zij zag hem scherper aan. Hij was grooter dan zij.
+
+"Daar ginds, voegde hij er bij met gewicht en nadruk, ligt de
+Heksenberg."
+
+Zij rekte 't halsje, hem naderend.
+
+"Zijn daar heksen?"
+
+"O, zeker!"
+
+Anneke voelde 't angstig aan.
+
+"Maar zij zullen ons niets doen. Ik ben er dikwijls op geweest, maar
+overdag is er niets. Alleen maar 's nachts. En in den maneschijn kun
+je ze zien dansen."
+
+"Wat doen ze dan?"
+
+"Ze dansen den heksendans, op bezemstokken.--Daar hebben ze ook
+Bokkenrijders opgehangen aan een galg. Vader weet dat allemaal. Maar
+wij hoeven niet bang te zijn. De menschen van de hei doen ze toch
+niets!"
+
+De oogen van 't kleine kind werden grooter. Zij zag steeds meer rondom
+zich. Zij zaten naast elkaar nu, de knaap haar wijzend, waar heuvel aan
+heuvel opgolfde uit de stille deining van de diepte, vervluchtigend
+tegen het verre, vage kimmeblauw. Daar lag de Schrijversheide, daar
+de Auverenberg "waar de Auvermannekens wonen."
+
+Anneke dacht de puntmutsjes der kabouters te zien priemen uit het
+rossig-paarse kruid.
+
+"En daar bouwen ze den boortoren voor de nieuwe mijn."
+
+Anneke herinnerde zich het gesprokene tusschen moeder en Hary van
+den meester.
+
+"Wat is dat?" vroeg ze.
+
+"Wel, verklaarde hij, de kolenmijn! Nu gaan ze eerst kijken hoe
+diep die zitten en boren een put in den grond; en dan komt daar de
+mijn. Daar zitten hier overal kolen, en de besten van de wereld."
+
+"Zullen de heksen daar niet kwaad om zijn?" waagde ze naïef.
+
+"De heksen?" Willem peinsde. "Neen, verzekerde hij. De Heksenberg
+blijft daar achter stil liggen. Daar hebben ze genoeg aan. De mijn
+komt hier, vlak bij: hier achter die denneboomen."
+
+En gelijktijdig stonden zij op en liepen vóór 't boschje langs,
+waar ze den boortoren konden zien. Daar ginder verder stond, uit
+de grauwe diepte der bedoomde heide, achter de houten keet en den
+kastvormigen houten toren der boring, omlijnd als een kegel, de
+Heksenberg statig op.
+
+Hij was als de hals eener urn, zooals hij boven de kim rees.
+
+Anneke's hoofdje hing vol vreemde fantasieën, terwijl zij naar den
+strak omlijnden heuvel uitzag.
+
+"Jij moest ook hier wonen," zei Willem. "'t Is nergens zoo goed als
+op de hei."
+
+"Ben je niet bang hier?"
+
+"Bang? Waar zou 'k bang voor zijn? Als 'k groot ben, ga ik ook in de
+mijn werken. Daar wordt geld verdiend!"
+
+"Ik zou niet graag," huiverde ze.
+
+"Ja maar, je ben ook geen jongen!"....
+
+Daar was een dopheide-bloempje onder 't bereik harer vingertjes en
+ze plukte het. Ze bekeek het als iets onbekends.
+
+"Mooi, vind je niet? Heb je dat nog nooit gezien? vroeg
+hij trotsch.--Bloemen genoeg hier, en 's zomers 's avonds de
+lichtkevers--weet je wel?--de gloeiwormpjes; en dan van die fijne
+groote vlinders. Er zijn hier meer vogels als in een groot bosch."
+
+"Die mag je toch zeker niet vangen?"
+
+"En waarom niet? Dat is hier immers allemaal van ons!"
+
+"Maar de vlinders," neuswijsde ze: "die zijn immers van Onzen Lieven
+Heer."
+
+"Gekheid," zei hij. "Wij hebben hier alles te zeggen.--Nu krijgen we
+ook gauw de bijen hier, ging hij voort, zoo gauw als de hei bloeit. Ze
+begint nu al."
+
+"Wat?" vroeg Anneke.
+
+"Wel, de hei hier, alles, overal: dat gaat allemaal bloeien met heel
+kleine roode bloempjes, waar de bijen op af vliegen om den honig. Heb
+jij dan nooit de hei zien bloeien?"
+
+"Neen" schudde ze nadenkend.
+
+"Och maar, praalde hij, dat is nog 's wat. Je zou dat wel zien, als je
+hier ook woonde. Kom maar eens terug hier na een week of twee. Dan is
+'t allemaal rood wat je ziet."
+
+Hij praatte als een man, wiens huis vol goud zit en zilveren
+kostbaarheden.
+
+"Daar beneden loopt er ook een beekje. Zie je 't? Er zitten volop
+kleine vischjes in, stekelbaarsjes."
+
+"Ik zie geen beekje," zei ze turend.
+
+"Kom, ik zal 't je wijzen. Ga mee."
+
+Zij stapte moedig in 't hooge kruid met hare tengere beentjes. "Geef me
+maar een hand" vroeg hij, beschermend. Zoo daalden ze, wijdschrijdend,
+samen de helling af.
+
+"Heila!" donderde een zware mannenstem. "Waarheen moet dat met
+jullie daar?"
+
+"Ik wou het beekje wijzen, daarginds."
+
+"Wat jij, beekje, gauw terug, vlegel! Heb 'k je niet gezegd dat je
+niet van de deur mocht?"
+
+De twee kinderen kwamen terug gestapt. Hij liet haar handje los,
+gekrenkt in zijn kleinen hoogmoed. Zij liet het kopje hangen, verlegen
+en bevreesd. Er was iets moois gebroken.
+
+Dan kwam vrouw Jansen, en Anneke ging zwijgend mee.
+
+Het werd avond; de zon werd rood en daalde. En met den avond viel,
+na haar heengaan, weer 't gewone zwijgen over de heide saam.
+
+
+
+
+
+II.
+
+
+Hary Gerards zou onderwijzer worden. Zijn vader was te Brunssum hoofd
+der school. Van hem had hij zijn studielust en zijn werkkracht. Doch
+er was eene schoonheidsliefde in hem geboren, die hij van niemand had
+geërfd. Hij wist dat de velden schoon waren in hun bloei en in hun
+rijpte. Hij hield van zijn dorp. Hij had het niet kunnen uitdrukken
+wellicht, doch hij wist het: waar hij over het land uitzag, was
+schoonheid; er was vreugd in elk seizoen. Of 't de barre heide was in
+haar winterslaap, of het bosch wanneer er de nachtegalen sloegen,--de
+rand van 't veld met zijn wilden bloei van kelkjes en klokjes, die
+verachtelijk onkruid heetten, of de blauwe einders die in kringen
+lagen om het glooiende landschap,--het vervulde hem met een blijheid,
+waarvoor hij in zijn stille uren heimelijk naar woorden zocht.
+
+Hij kende 't land, van Aken tot Maastricht. De oude kathedralen
+dezer grijze steden hadden een diepen indruk op hem gemaakt. Als
+zwijmend avondgoud in diepe vensternissen neergelegd, vervullen
+dagen en legenden met hun rooden, gulden schijn het mystisch donker
+harer gewijde schemeringen. De ogieven rijzen er boven het gebed
+der knielenden uit, den spitsboog voltrekkend met het gebaar van
+biddend-saamgehouden handen. De schimmen van den Grooten Karel
+en Servatius zweven door de duisterheden dier heilige hallen; in
+haar schaduw blijven de voorbijgegane eeuwen onbewegelijk in hare
+werkelijkheid, gelijk een tastbare droom. De branding der dagen in hun
+stijgenden vloed, breekt er telkens weer op de grauwe drempelsteenen,
+terwijl daar binnen onverstoorbaar de stilte leeft, met wierookgeuren
+aangedaan en 't zacht geflonker van een kleurigen zonneschijn,
+die getemperd binnenvalt, gewijd tot meditatie in de wemeling van
+'t bonte glas. En alle lijnen die de wijde wulfsels onderspannen,
+zingen in hare blijde vaart een nimmer eindigend, heilig, heilig....
+
+Het was dat "heilig Hallel" dat de peinzende geest van den jongen
+Brunssumer weervond in de nieuwe paterskerk van Merkelbeek. Daar
+was dezelfde ingetogen stemming niet, maar dezelfde vlucht en vaart
+omhoog der oude kathedralen. Het lied dat verstild was tot zachte
+fluisteringen in den grauwen dom, werd hier weer uitgeschaterd. Hier
+was licht en luide vreugde in dit heiligdom van rood steen, met de
+klare vensters die de drie even-hooge beuken verijlen. Hare gewelven
+zijn als breedgewiekte vogelvluchten over u. Rank als bloemen-stengels
+zijn de pijlers die ze schoren.
+
+Die kerk ging als een juichlied voor zijn ziel omhoog. En het greep
+hem diep in het gemoed, dat die Benediktijnsche kathedraal van
+Merkelbeek geboren was uit Limburg's eigen klei. Uit Limburg's eigen
+grond gebouwd, was zij hem dierbaarder, dan zij hem om hare slanke
+vormen alléén geweest ware. Zij stond er opgerezen als veld en bosch
+en heide uit de aarde groeit,--rood van baksteen, dáár uit den grond
+gewonnen. Geen van Limburg's vele nieuwe kerken was grootscher dan
+deze, in haren wijden, gothischen zwier.
+
+Zoo rees zij in zijn verbeelding telkens naast de gulden mergelkerk
+van Meersen, die juweelenschrijn uit een ver verleden. Daar had hij de
+verrukking over zich gevoeld van den middeleeuwschen schoonheidsdroom;
+hij was er neergeknield in stom verbazen. Maar de Merkelbeeksche was
+méér. Want deze greep hem dieper in 't hart. Zij was zijn eigen. Te
+Meersen was hij een vreemde: de mergel was hem vreemd. Maar dit was
+zijn eigen Limburg--het Limburg van den klei en van de heide, niet
+van den witten zandsteen der groeven van Maastricht en Valkenburg. Het
+heiligdom van Merkelbeek gevoelde hij als de apotheose van zijn eigen
+Limburgs "heiligen moedergrond."
+
+Had hij daar vertoefd in stille en gelukkige beschouwing, dan ging
+hij telkens gaarne vader Jansen groeten en even neerzitten voor een
+praatje. Hij ging dan door de herbergskamer heen, naar het tweede
+vertrek dat meer een huiskamer was. In de eerste zaten de drinkers,
+de voorbijgaanders die binnen kwamen, de mindere klanten, reeds naar
+Duitsch gebruik aan tafeltjes bespreid met bonte kleedjes. Vrome
+platen hingen er aan den wand; en boven de deur een "Oog Gods" met
+het opschrift in groote letters: "God ziet ons. Hier vloekt men
+niet." Daartegen over een kruis. Reklameplaten en aanplakbrieven
+staken helder af tegen het donker behang.
+
+De tweede kamer was gezelliger en huiselijk. Wel stond er de toonbank
+met het buffet. Doch moeder Jansen had er ook haar porcelein-kast,
+waarvan de plankjes die de servisen droegen, omzoomd waren met
+gehaakte kant in twee kleuren. De oudste dochter zat er 's middags
+bij hare naaimachine. Naast de ronde ijzeren kachel had vader zijn
+lievelingsplaatsje. Daar troonde hij in zijn gevlochten zetel. Zijn
+pijpje rookend, overzag hij dan de twee vertrekken, terwijl moeder
+de vrouw er heen en weer ging, het huishouden beredderend. Vader
+bezorgde de klanten. Lize hielp, wanneer er menschen kwamen die om
+koffie vroegen. Dan maakte zij spek en eieren klaar, en snee van
+'t groote roggebrood. Anders zat zij te werken en wees kleine Anna
+na schooltijd al eens, hoe een zoompje behandeld werd.
+
+"Dáár", en vader Jansen stond op: "Hary Gerards!"
+
+De ontmoeting was hartelijk. Jansen zag den aanstaanden meester reeds
+in den studeerenden jongeling.
+
+"En wat nieuws?" vroeg deze glimlachend.
+
+"Dat ze op de hei, bij jullie daar, boren!" zei Jansen.
+
+"Ja," antwoordde Hary dof, "wat een zegen voor ons dorp!"....
+
+"Daar krijgen ze nog wat van. Wacht maar eens!"
+
+De pijp van vader Jansen dampte geweldig.
+
+"Nu worden we opeens allemaal rijk, schimpte Hary. Alle boeren
+mijnwerkers, en alle mijnwerkers goudrapers. En na tien jaar eten we
+rijstebrei van zilveren schotels."
+
+"Als de engeltjes in den hemel," lachte Lize.
+
+"Een ongeluk voor Brunssum, schudde Jansen het hoofd. Je zult eens
+zien! Kijk eens naar Heerlen. Kan daar nog een vrouwspersoon veilig
+over straat gaan 's avonds?"
+
+"Maar 't zal toch wel een hoop geld onder de menschen brengen."
+
+"Geld? ja-wat, en de boeren dan? Hoe krijgt de boer, die met kleine
+kinderen zit te kijken, zijn veld geploegd, als er geen boerenknechten
+meer zullen zijn? Wie zal hem zijn koren maaien?"
+
+"Daar krijgen we machinen voor."
+
+"En wie betaalt die? Krijgen we die van de koningin gestuurd?"
+
+"Daar zorgen de boerenbonden voor."
+
+"Boerenbonden, als er geen veld meer is? Het is de ondergang van den
+boerenstand, want het is de ondergang van het veld. Denk je dat het
+brood vanzelf in den oven komt, als de mijn maar zorgt voor brandstof?
+
+"Ja maar, bracht Hary in, daar zijn toch altijd ook lui van hier naar
+Pruisen getrokken, om steenen te bakken bij voorbeeld."
+
+"En wat zijn die rijker geworden? Wat hebben die meegebracht van hunne
+vijf mark daags? Zeg dat zelf nu eens. Geen dak boven hun hoofd,
+geen kleeren aan 't lijf; en hoe meer ze verdienen, hoe armer ze
+zijn. Met de mijnwerkers is 't nog erger gesteld."
+
+"Ja, kwam Lize ertusschen, als je dat toch allemaal 's hoort...."
+
+"En dan tien zoo'n mijnen, met een duizend man ieder om te
+beginnen.... Verzopen kerels en bedelpak."
+
+"Ze zouden 't niet zijn, als ze niet wilden!"
+
+"Eén rotte appel is genoeg,--en die ééne ontbreekt er nooit. Wie
+houdt den hond als hij van de ketting komt? Laat zoo'n dozijn, of
+een vijftig van die losgebroken duivels, op Brunssum neerstrijken en
+wensch je dan geluk met dien zegen...."
+
+Jansen verschoof zijn stoel met een heftigen ruk, zoodat de rieten
+zetel kraakte.
+
+"Vroeger, ging hij rustiger voort, had ieder zijn eigen stukje grond
+en trachtte er naar, een eigen huis te bezitten. Ieder werkte en
+was gelukkig met weinig. Daar was geen kwestie van maar fietsen en
+maar feesten als nù. Daar was een flinke kermis en basta. 's Zondags
+een pint en een praatje. De jongens beugelden en kegelden; de ouden
+rookten hun pijp samen. Ieder ging naar de Vesper 's middags, wat nu
+ook niet meer gebeurt. De menschen waren arm, maar ze verlangden niet
+naar meer. De een gunde den ander den dauw op zijn veld, en de peren
+aan zijn boomen. Ieder bleef in zijn eigen dorp en trouwde een meisje
+van zijn eigen straat. De menschen waren eenvoudig en tevreden.--Maar
+wie is er nog tevreden op vandaag?"
+
+"Zeker, zeker, dat is volkomen waar," zei Gerards ernstig, dof.
+
+"Ik wist dat je 't met me eens was, Hary. Daarom zei ik 't ook
+niet. Maar er zijn er toch, die zich gouden bergen voorstellen, ook
+van die boring nu weer in Brunssum. Doch wacht maar. Ge beleeft dat
+nog, en ik ook, als ik ten minste tijd van leven heb. Ik zeg maar,
+zie-je, dat het jammer is voor ons landje."
+
+"Nu had die hei toch wel geen waarde" meende Lize.
+
+"Alsof ze daarop letten! Kijk maar eens in Amstenrade. Al dat akkerland
+wordt den boer toch maar onttrokken. Maar dat is nog het ergste
+niet. De Socialisten die er van komen, dat is nog wat anders!--Het
+is alsof de levende Satan in de mijn zijn netten spande."
+
+"Ze hadden de hei moeten sparen," zei Hary, "al was 't maar omdat
+ze zoo mooi is. Je kunt vèr gaan in 't land, eer je er 't gelijke
+van vindt."
+
+"Daar wordt naar niets gekeken, als het op de duiten aankomt."
+
+"Ja, zuchtte de jonge man, ze meenen het arme Limburg rijker te moeten
+maken; en ze maken het mooie Limburg dood."
+
+"En het goede wordt bedorven," voegde vader Jansen er aan toe en trok
+aan zijn pijp dat het dampte.
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+
+Pinksteren.
+
+Het is het feest der lentevreugde.
+
+Het groen aan de boomen is jong en frisch. De weiden zijn, in 't
+glanzende hooge gras, bezaaid met bloemen. Het spettert van overal
+oranje, rood en blauw en purper: boterbloempjes als zonnevonken in
+'t groen gevangen; de eereprijs die zinnend met zijn blauwe oogjes
+kijkt, de koekoeksbloem op hoogen stengel, de paarse klokjes die
+geheimpjes uitluiden, de schierling die zijn witte schermen spant
+tegen de zon. Het bloeien gaat als een wondere mare van feestelijke
+vreugde door het groene land.
+
+De twijgen van den appelboom hebben hun bloesem verstrooid; maar de
+merel fluit er tusschen de jonge bladeren. Wat al vogels luid en
+druk, die spelemeien in alle groen, waar takjes ze kunnen dragen,
+en al maar nieuwe blaadjes met gespitste ooren naar ze luisteren.
+
+Boven de groene velden stijgt de leeuwerik in den wervel zijner
+zangen naar het blauw. De groene beemdenwereld ziet reeds wit van àl
+maar Sint Jans bloemen. Van alle populieren steken vlaggetjes uit:
+zóó warrelen hunne zilverige blaadjes. Van alle verten wemelen de
+geluiden op: het zachte ruischen, het zachte gonzen, het speelsche
+ritselen. De muggen dansen in den zonneschijn bij zwermen.
+
+Het zonneschijnen zelf schijnt ruischend door de lucht te stroomen. Het
+zingt door het groen, het trilt tegen het blauw als snaren trillen. Het
+is muziek voor de oogen. En de hette wemelt over het veld.
+
+Er wordt een warme innigheid om u uitgeademd, die met de geuren stijgt
+van bloemen en van kruid. Zij stijgt en zweeft, àl weelde wevend. Dat
+is het gouden spinsel, wanneer de zomermiddag aan het spinkrokken
+zit. De lucht is louter geneuchte.
+
+Gelijk een witte kerk in de zon op groenen heuvel, staat de Pinksterdag
+in het bloeiend lentetij.--
+
+De zondagsklokken luiden. Door 't koren komen de menschen, over
+ongeziene paden, ter Vesper.
+
+Daar is veel volk vandaag in Merkelbeek. De paters zingen plechtigen
+zang. Het galmt zoo breed, het klimt zoo wonder-hoog op de zachte
+akkoorden der begeleiding, dat het is alsof de wijdsche gewelven
+hooger stijgen bij 't geluid dier stemmen, als konden zij ze met hun
+armen niet meer omvademd houden.
+
+Dan sterven de gezangen weg, de laatste orgeltonen. Alles staat weer
+roerloos, onveranderd in het grootsche kerkgebouw. Er hangt alleen nog
+wat wierook na te dampen, traagjes wegtrekkend langs de zonnestreep,
+die door het venster bundelt voor het altaar, en opklimt als een
+gulden ladder dwars door 't hooge koor. En de menschen zijn heengegaan.
+
+Om 't feest schijnt zelfs de straat in feestdos: de Canada's tegen
+'t ongerepte blauw, de heerlijk frissche hagen, met de groene
+weiden daarachter; al die menschen die geen haast maken, in het
+zondagsche kleed; de rumoerige stemmen in de herberg, de drukte op
+de beugelbaan; de vroolijke gezichten achter de bloeiende geranium
+op 't raamkozijn. De mannen poozen in afwachting; de vrouwen komen
+later en trekken langzaam voort, in pratende groepjes, door de rij
+der monsterende kerkgangers heen....
+
+Maar de meisjes daar, op 't eind der straat? Het is een wit gevleugel
+van al maar witte schortjes. Het is een dichte groep van druk jong
+volkje, trippelende en babbelende, leenig en luid, alsof het een
+kibbelen was. Maar opeens beginnen ze allen samen te zingen:
+
+
+ De pinksterbruid is opgestaan
+ Met haar prinsessenkleedje aan.
+ Wat heeft zij lang geslapen!
+ Zij lacht zoo lief naar u en mij.
+ Zij wandelt door de groene wei
+ Met al haar witte schapen.
+
+
+En de ouden lachten, daar zij het lied herkenden hunner jeugd:
+
+
+ Zij draagt een kransjen om het haar.
+ Dat heeft de roode rozelaar
+ Ze tot geschenk gegeven.
+ Zij houdt een ruiker in de hand.
+ Dien hebben wij van amarant
+ En reseda geweven.
+
+
+En de kinderen kwamen aanzetten, het pinksterbruidje verborgen in
+hun midden meevoerend.
+
+
+ Sta op, sta op nu, Pinksterbruid.
+ De dag is om, de wijn is uit;
+ Gij kunt vandaag niet trouwen.
+ Ik weet niet waar uw vrijer is.
+ Gij sliept te lang,--en hij gewis
+ Ging elders kennis houën.
+
+
+De kinderen steken de handen uit en vragen om centen. Ze willen ze
+niet voor niets laten zien.
+
+Het pinksterbruidje zit op een stoeltje dat ze in hun midden
+dragen. Een stuk gordijn dient ze tot sluier, die ze heelemaal
+verbergt, over het hoofdje neerhangend tot de voetjes.
+
+"Laat ze toch maar eens kijken", zeiden de oudere vrouwen.
+
+Maar de kinderen hielden voet bij stuk.
+
+Dan kwam vrouw Jansen aan, en Anneke hield de hand al bedelende voor
+haar op.
+
+"Nu," zei vrouw Jansen, "als 'k jullie dan een "groschen" geef, mogen
+we dan allemaal eens zien? Maar dan ook het liedje nog eens zingen!"
+
+Nu werd het een blij gejoel door elkaar. Het stoeltje werd neergezet en
+voorzichtig ging het sluierende gordijn de hoogte in. Het was een dotje
+van een kind. "Wat een lief diertje" zeiden de boerinnen. De blauwe
+oogjes pinkelden schalks, maar het wicht verroerde zich niet. Haar
+kleedje was met bonte prentjes volgestoken. Een kransje van bloemen
+liep om 't blonde kopje heen en kransjes had ze als armbandjes om
+de polsen.
+
+"Ach nee, hoe lief!...."
+
+Een paar mannen-gezichten keken door 't venster eener herberg naar
+buiten. Toen schoten er eenige van de kinderen naar hen toe, om een
+cent te vragen. Het gordijntje was neergedaan.--
+
+Ze hadden hun pinksterbruidje verder 't dorp ingedragen en het nu
+voor een groote boerenwoning neergezet.
+
+Onder de hooge ronding der poort, tegen de groen geverfde vleugels
+leunend, zat op stoelen een groepje vrouwen. Jonge meisjes stonden er
+in een kleurig groepje naast. Een oud moedertje droeg nog de linten
+muts, hoog-op gewerkt, met bloemen en veeren er in, en 't bonte
+doekje om de schouders. Op een boomstam onder 't venster zat manvolk,
+pijpen rookend.
+
+Kinderen liepen om het kringetje te hoop, in afwachting van 't
+gebeuren. Maar 't scheen niet gauw te zullen gaan. De meisjes stonden
+te trippelen van ongeduld. Zij begonnen een ander liedje:
+
+
+ Pinksterbruid, de wijn is uit:
+ Nu wordt er bier geschonken.
+ En wie de kruik niet tijdig sluit
+ Die wordt er wel beschonken.--
+ Zeg je neen, of zeg je ja,
+ Waar je vóór gaat, volgen we na.
+
+ Pinksterbruid, het bier is uit:
+ Nu moogt gij water drinken.
+ Water geeft uw stem geluid;
+ Het doet uw oogen blinken.--
+ Zeg je ja, of zeg je nee,
+ Waar je vóór gaat, gaan wij mee.
+
+ Pinksterbruid, de lente is uit:
+ Nu gaan wij aren lezen.
+ En wie niet weet wat dat beduidt,
+ Die krijgt de deur gewezen.--
+ Zeg je neen of zeg je ja,
+ Waar je vóór gaat, volgen we na.
+
+
+"Laat ze mij eens kijken," zei Willem Stoffels tot Anneke.
+
+Haar kameraadje van dien dag op de heide! Het was bijna een jaar dat
+ze hem niet meer gezien had.
+
+"Je moet betalen," zegt ze en bloost.
+
+"Kom, knipoogt hij; ik toch niet, wel? Even maar."
+
+En Anneke liet het pinksterbruidje zien.
+
+"Ben je gek, An!" vlogen de anderen op en sloegen haar op den arm,
+dat hare vingers den sluier lieten glippen.
+
+"Zeg, sprong Willem op, tegen de eene die 't vinnigst was: laat jij
+dat meisje wel met rust, of 't gaat je niet goed."
+
+Maar die: "Wat jij, bezembinder van Brunssum! Scheer je naar de hei,
+jij voddenraper...."
+
+En Willem met gebalde vuist voor haar:
+
+"Nog een woord, zeg! Jij, kakkerlak! en ik...."
+
+Maar de groote lieden waren toe geschoten. "Is me dat een ruzie hier;
+schaamt je...."
+
+De kinderen kregen geld, de jongens harde woorden. Dan gingen ze uit
+elkaar. Maar Willem keerde zich nog eens naar de meisjes om en riep
+woedend: "Wacht maar!"
+
+Als een schuldige stond Anna blozend ter zijde. Maar toen ze opkeek,
+zag ze Willem vriendschappelijk en met een lachje wenken.
+
+De jongens hoonden samen 't pinksterliedje na.
+
+Maar de meisjes stieten elkander aan en ginnegapten:
+
+"Die An' van Jansen!.... De pastoor moest 't maar eens weten!"....
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+
+"Was 't dan nog maar in Brabant ergens! Maar nu zóó hoog boven de
+Maas in Holland!...."
+
+Onwillig legde Hary Gerards zijn benoeming ter zijde, streek door
+zijn krullend haar, en haalde werktuigelijk onder een stapel boeken
+zijn atlas te voorschijn. Dáár was 't, in Drente.
+
+En toch was er ook vreugde in hem. Hij ging nu werken en iets
+worden.--Was 't maar niet zoo ver van huis geweest! En nu eerst wist
+hij, hoeveel hij eigenlijk hield van zijn geboortestreek.
+
+Hij stond op, sloeg den atlas dicht, borg zijn boeken en ging de
+woning uit, naar buiten.
+
+Hij ging links af, de straat langs waar de vele boomen den hemel
+onderscheppen met hun wemelend, zacht-zilverig groen. Hij zag de
+huizen met hunne puntgevels naar hem kijken. Hij zag de breede
+poorten overspannen met den ronden boog van baksteen: hij voelde ze
+als meewarig met hem begaan. Dáár stond een bloeiende fuchsia voor
+'t open raam, in de stilte van haar gemijmer, met den onbewegelijken
+regen harer losgebloeide tranen van rood en paars. Langs een enkelen
+ouden gevel klom een groene wingerd tusschen deur en venster op,
+en spreidde er de weligheid zijner lange ranken uit, die in de ijlte
+grepen naar een steun dien zij niet vonden, àl heen en weer bewogen
+door den wind. Hij zag er zijn eigen droomen, in 't verlangend en
+vergeefsche handenreiken van den wingerd.
+
+Een mensch moet zijn begeerten binden en zijn ziel besnoeien,
+dacht hij.
+
+Weer was er stille droefheid in hem; alleen de wind ruischte over zijn
+hoofd door het loover der breedgetakte Canadeesche populieren,--de
+wind die waait, als de wil van 't leven, over de kinderen dezer aard.
+
+Hij ging de groote oude huizing voorbij die er "het Gasthuis" heet. De
+groene linden hingen vol van haar uitgestorven bloesems. Hij begon te
+mijmeren over dat oude huis, onder 't loome dak der roode pannen. Wie
+kwamen er rusten van langen tocht in de dagen van 't verleden, zoodat
+het altijd nog "het Gasthuis" bleef genaamd? De pelgrims die van
+Roermond naar Aken gingen, heet het bij de oude menschen. De Roomsche
+reis dier tijden! Hoe veranderde alles. Nu moest hij zelf immers heel
+naar Drente! Dat was iets anders. En toch zou 't heelemaal niets zijn,
+als hij daarom 't ouderlijke huis maar niet had te verlaten....
+
+"Vaarwel, de vreugde mijner onbezorgdheid...."
+
+Hij ging voort tusschen groen en koren in gestadige afwisseling,
+naar de helling waar 't bosch begon, dat ze er "het Ruischen" noemen.
+
+Hij stond stil bij de beek en zag er de kleine vischjes
+verschieten in hun schuchterheid. Wild stonden er langs den
+oever de roode wilgenroosjes op, tusschen roomkleurige veeren van
+spirea. Boschvarens schoten overal omhoog en vormden kleine boschjes,
+met hun breedbegroeide stengels die elk een boompje leken. De
+braambezie joeg de vangarmen harer stekelige ranken er door heen;
+langs 't kreupelhout in de hoogte klimmend, hing de boschdruif er
+hare bloementrossen die nog eerst open gingen.
+
+"Heb je daar ginds geen eendjes gezien?"
+
+Hij schrok een weinig bij de stem eener vrouw, die naderde door de
+weide aan den overkant. Hij had haar niet bemerkt.
+
+"Hier zijn jonge eendjes, bruinen", riep hij terug; "een stuk of
+zeven!"
+
+"Maar dat zijn ze immers; och-arme, komt maar gauw, jullie kleine lieve
+diertjes.... Pile, pile, pilekens" lokte ze. "Ze waren verdoold! De
+eene helft van de familie kwam me vertellen dat er iets gebeurd
+was. Ze kwamen snaterend de keuken binnen. Toen ben ik gaan kijken,
+wat onraad er was. En daar zijn ze nu. Pile, pile, pilekens. Maar
+gauw terug nu...."
+
+De eendjes waggelden haar door de weide achterna.
+
+Hary Gerards glimlachte, met die uitdrukking van geluk op zijn gelaat
+zooals hij telkens glimlachte, wanneer iets schoons hem trof.
+
+Voort ging hij, eerst nog eenige "Kampen" voorbij,--stukken velds
+die door groene struiken als met heggen zijn omgeven; dan worstelde
+hij door 't warrige struweel dat om den heuvel heen groeide tot een
+dicht bosch. Eerst nog de dennen en jonge berken voorbij, die tegen
+de zandige helling stonden, en dan rustte hij uit op den kam, die
+open en leeg daar lag te schijnen in de zon.
+
+Veel uren van zijn jong leven had hij daar gezeten en gedroomd. Het
+was hem zijn beste genot, daar buiten alleen te zijn. Dan voelde
+hij zich altijd anders dan wanneer hij met menschen samen was. Dan
+blikte hij eerst recht in zich zelven, als werd iets weggeschoven van
+zijn binnenste. Wanneer hij eenzaam uit ging, was 't altijd voor hem
+alsof er iets van hem viel, schillen van zijn oogen, banden van zijn
+geest. En ook voelde hij zich telkens dan iets toegekomen alsof het
+vleugelen waren. Dan kon hij lachen van louter vreugde tot alles wat
+hij zag. Daar was alles schoonheid, daar ademde alles geluk. Het werd
+er hem zoo wél te moede. Het was met geen woorden uit te spreken.
+
+In de gulden diepte onder de zon stond het gouden graan. De velden
+naderden van het glooiende land en liepen uit in het groen van 't
+boschje dat voor den heuvel stond. Daar omzoomden heggen en struweel
+het rijpend veld, als groene dijken die een water indammen. Het
+was alsof rivieren er hunne wateren spoelden, en gouden wateren er
+voerden door het groene land: de tarwe die er rijp en gulden-geel
+te deinen stond in 't winde-waaien. Daar lagen gouden meren tusschen
+het boomengroen.
+
+Hier het rijke veld en dáár de peinzende heide, dacht hij, en hij
+stond op om verder heen te gaan, waar hij de heide overzien kon.
+
+Hij waarde weer door groen en struiken naar de zijde waar de
+"Auverenberg" meteen zou opduiken.
+
+"Wat?".... dacht hij half-luid.
+
+Door de boomen heen zag hij eene groote vlag driekleurig golven. Die
+woei van de spits van den boortoren. Het kon niet anders. Ze hadden
+dus kool gevonden.
+
+Er kwam een beweging van trots in hem over die vondst. Maar dan
+overstelpte hem het bewustzijn dat de heide nu verloren was. Dát was
+de schennis harer schoonheid.
+
+"Voorbij, verloren" gonsde 't door zijn gedachten.
+
+Hij klom tot den rand der hoogte vanwaar hij de heide zien kon,
+open als een ontsluierd geheim, dof en donker groen, met de kammen
+en kopjes harer heuvelketen, moegestrekt in dommelende golving.
+
+"Verloren, voorbij." En de droefheid om hare bedreigde schoonheid
+verscherpte zijn eigen leedgevoel om 't naderend afscheid.
+
+Die dag was de eerste mijlsteen in zijn leven, en 't was hem als lag
+nu achter hem de weg der jeugd, de weg van een schoon maar onbegrepen
+levensheil.
+
+
+
+"Goe'dag, Anneke" riep een stem die zij herkende. "Warm vandaag,
+he? Wacht een beetje!...."
+
+"Ben jij dat? Wat doe je hier?...."
+
+"Aan 't werk," zei Willem Stoffels en kwam naar 't hek van den
+boomgaard toe, waar ze in 't langs-gaan stil stond.
+
+"Ga je de koffie brengen?" vroeg hij.
+
+Ze zag naar 't koperen kannetje en den korf dien ze droeg, en kleurde:
+
+"Vader is mee gegaan. Ze doen de tarwe af."
+
+"Ik zou er voor bedanken om hier langer te boeren, hoor. Een frank
+per dag en zweten als een os, van den morgen tot den avond. Nee,
+hoor!" En hij spuwde op den grond, zich 't voorhoofd wisschend met
+zijn hemdsmouw. "Dan hebben ze 't maar wat beter op de mijn!...."
+
+"Je zoudt toch niet naar de mijn willen gaan?"
+
+"Vijftig mark in de week...."
+
+"Toch zoo dadelijk maar niet!"
+
+"Maar later toch! En je hier alles moeten laten welgevallen van zoo'n
+boer, die je slecht eten geeft en geen enkel goed woord?"
+
+"Dan moet je daar niet beter verwachten, bij al dat slecht volk dat
+daar is."
+
+"Die zijn toch zoo kwaad niet als ze wel denken."
+
+"En dan moest er toch maar eens een ongeluk gebeuren...."
+
+"Als ik hier uit een boom val, breek ik mijn nek even goed!--Wil je
+een appel hebben! Ze zijn nog wel wat groen."
+
+Hare oogen straalden: "Met plezier."
+
+"Hier zoo, voor den dorst, en--omdat jij 't ben."
+
+"Dus niet als 't een ander was?" lachte ze.
+
+"Waarachtig niet. Zeg. Kom jij er 's Zondags nooit uit? Ik zie je
+nooit ergens. Je moet eens naar de boring komen kijken op de hei. Ze
+hebben er gevonden."
+
+"Daar komt iemand," onderbrak ze hem. "Ik ga maar."
+
+Willem rekte zich uit over 't hek toen ze heenging, om te zien wie dat
+was die er kwam. Sierlijk bewoog Anna's rank figuurtje zich over den
+landweg tusschen het graan en 't groen. 't Was een man die naderde. Hij
+ging Anna voorbij. Daar keerde hij zich naar haar om. Zij ook wendde
+zich. Nu praatten zij samen.
+
+"Wel, heb je van je leven!" bromde Willem Stoffels, toen hij den
+wandelaar herkende: "Hary van den meester...."
+
+Tusschen de boomen stond de boortoren nog even zichtbaar, met de vlag
+als in zijn gebalde vuist.
+
+
+
+
+
+V.
+
+
+"Stoffels--zei de pastoor van Brunssum--ik heb je bij me laten
+roepen.... Wat heb ik gehoord, mijn goede vriend?"
+
+"Wat zal dat zijn, mijnheer pastoor?"
+
+"Maar neem een stoel"--zei de grijze herder geruststellend tot den
+armen kerel die bedremmeld stond, en beurtelings naar den geestelijke
+zag en naar zijn zondagsche pet die hij in de handen hield.--"Zit
+neer zoo lang."
+
+Ook de pastoor ging zitten.
+
+"Ik heb gehoord dat je Willem naar de mijn wilde sturen, naar
+Amstenrade."
+
+"Ja, mijnheer pastoor."
+
+"Zoo, zoo. Is 't dan toch waar? Ik wilde 't eerst niet gelooven! Ik
+geloofde 't niet. Zou dan een Stoffels de eerste zijn uit de parochie,
+om dien weg op te gaan?"
+
+"Hij begint er met drie mark, mijnheer pastoor."
+
+"Stoffels, is het je om 't geld te doen?"
+
+"Ik ben een arme man, die vijf kinderen heb groot te brengen. Drie
+mark daags was vroeger 't loon van een volwassene. Tegenwoordig kan
+een jongen van vijftien jaar en van twaalf jaar, er zooveel verdienen
+om te beginnen."
+
+"Goed Stoffels, daar moet geld zijn om te leven. Maar moeten wij alleen
+leven voor 't geld? Een eerlijke verdienste is een goed ding. Maar
+de ziel, Stoffels, de ziel! Als wij rijk worden en schade lijden voor
+de eeuwigheid, wat is die rijkdom dan?"....
+
+"Ik kan mijn jongen toch aan geen ketting leggen! Hij is door den
+loopstoel heengegroeid, mijnheer pastoor. Daar moet maar verdiend
+worden."
+
+"En maar naar de mijn toe, alsof dat het eenige was!"....
+
+"Waarom zou een mensch dan van den goeden weg moeten raken, omdat
+hij mijnwerker wordt? Mijnheer pastoor zal toch wel weten, dat een
+boer al evenmin een heilige is."
+
+"Alle vleesch is zwak en wij zijn allen zondaars, Stoffels. Maar moet
+ik je er op wijzen, welke gevaren er zijn voor een jongen knaap in
+het mijnwerkersleven? Niet dat een mijnwerker noodzakerlijker wijze
+zou moeten ophouden een goed mensch te zijn! Doch de mijn zelve is het
+uitgezochte vereenigingspunt van allerlei slecht volk. De boosdoener
+zoekt de duisternis en wie in het gevaar gaat, zal er in vergaan."
+
+"Ja maar, mijnheer pastoor, daar zullen wij wel op letten. Willem
+komt immers iederen namiddag thuis."
+
+"Stoffels, dat doet er allemaal niet toe. Het kwaad is er in de
+omgeving en in de lucht. Wie ontkomt aan de besmetting, waar allen
+besmet zijn? De omgang met volwassenen en het vrije leven, die groote
+vrijheid van beweging, is eene ramp voor jonge kinderen. Het kind
+moet opgroeien onder het oog der ouders of onder 't oog van bezorgde
+lieden, die over zijn onschuld waken. Als gij een jongen naar den
+vreemde zendt om daar te arbeiden, onttrekt gij hem aan de hoede van
+zijn geestelijken herder."
+
+"Mijnheer pastoor, onderbrak Stoffels, wanneer ik Willem op een
+pachthoeve plaats, is hij ook onder uw oogen uit. Doch ik vraag maar:
+kunt gij een jongen van vijftien jaar hier in Brunssum drie mark
+daags te verdienen geven?"
+
+"En kun jij, zijn bloedeigen vader, den drankduivel van hem afweren,
+met de zeven duivels die dezen ten dienste staan? Ze gaan verloren
+in de mijn, als daalden ze er naar de levende hel af...."
+
+Een korte stilte.
+
+"Stoffels,--zei de pastoor met ontroering in zijn stem, die zachter
+klonk--'t is toch een heel ander leven voor een kind, zooals je zelf
+bent groot gebracht, buiten, op het land. Veldarbeid veredelt den
+mensch, die zijn hoofd vrij en fierer opricht, wanneer hij Gods schoone
+natuur rondom zich, en Gods lieve zonne over zich heen voelt schijnen."
+
+"Dat is allemaal goed en wel, zooals de stadsmenschen dat bezien. Doch
+als de hagelslag je 't koren vernielt, kun je zien hoe je de pacht
+betaald krijgt."
+
+"Behooren ongelukken op de mijn dan soms tot de zeldzaamheden?"
+
+"We zijn overal in Gods hand, mijnheer pastoor!"
+
+"Ja Stoffels, zoolang we ons niet begeven in de macht van den Satan."
+
+"Maar, mijnheer pastoor, wat ik zeggen wilde: het leven van een boer is
+ook nog àlles niet! En 't jonge volkje van vandaag wil maar geen dienst
+meer nemen. Doe er eens wat aan? Acht uur arbeid, vast loon, hoog loon,
+en gerust zijn hoofd neerleggen als 't avond is.... Dan hebben ze nog
+wat van hun leven. En zoolang de ouders 't loon opstrijken, hebben
+ze er maar een goeden dag mee. De tijden zijn veranderd. Goddank."
+
+Ongeduldig geworden stond de pastoor op. "Daar is niets te beginnen
+met je, Stoffels. Als je 't je maar niet te beklagen hebt later,
+dat je te laat zult wijs geworden zijn."
+
+"De vrouw wil 't zoo," bracht Stoffels in 't midden, die de uitbarsting
+van een onweer vreesde; dat was zijn bliksemafleider.
+
+"Het is te betreuren,--sprak de priester met nadruk,--dat een huisvader
+geen gezag meer heeft in den tegenwoordigen tijd. Als je inziet dat
+je vrouw het kwade voorheeft, moet jij, als hoofd van het huisgezin,
+haar de uitvoering daarvan beletten en haar het goede voorhouden."
+
+"Mijnheer pastoor, ik kan het niet beteren; maar ik zie er het kwade
+niet van in, dat 'k voortaan drie mark dagelijks in huis gebracht
+krijg...."
+
+"En een socialist, een dronkaard met bedorven hart.--Hoeveel maanden
+of hoeveel weken denk je, dat de jongen je zijn loon in de hand zal
+leggen. Zul je hem daartoe dwingen kunnen?...."
+
+Stoffels schoof de deur uit.
+
+"Ik zal eens met de vrouw komen praten" dreigde de pastoor.
+
+"Dan moet je je haasten" dacht Stoffels, die over den drempel trad en
+zijn pet opzette.--"Maar, ziezoo, dat hebben we alweer achter den rug."
+
+"Dag heer pastoor," groette hij van de straat terug.
+
+"Harten van steen en staal." En de geestelijke wierp de deur in
+'t slot.
+
+
+
+Met gemeten passen mat de oude priester de mossige paden van zijn
+tuintje.
+
+"Oók armoede kan schoon zijn," zeide hij bij zich zelven. "Het getob
+van den landman,--laat zijn bestaan ook moeizaam wezen,--is toch niet
+neerdrukkend. Hard en soms ontmoedigend, ontmoedigend;--maar zijn
+arbeid verbittert hem niet. Want de aarde houdt nooit op vruchtbaar
+te zijn, en de wolken vergeten niet voor regen te zorgen, noch de
+zon voor de warmte die noodig is. De mensch is niet geschapen dan
+om te leven onder den blauwen hemel. Daar heeft God hem gesteld als
+in zijn levenselement. En met de ronde kimmen der wereld, spant God
+zelf zijne armen om de menschheid uit...."
+
+Hij maakte onbewust een beweging van afkeer, telkens wanneer hij
+aan de mijn dacht. De nacht zonder sterren, zuchtte hij dan; de
+duisternis zonder licht. Hoe kan er tevredenheid wezen en opbeuring
+bij dien arbeid, waar de mensch als het dier, wroetend in den grond,
+als het dier zwoegt met gebogen hoofd. Die arbeid is immers zonder
+vrucht, dus zonder voldoening. De mijnwerker verwerkelijkt niets. Het
+is de ontginning van het levenlooze in den levenloozen nacht. Zijn
+inspanning verdient hem geen zelfvoldoening, maar geld alleen.
+
+"Welk een kruis!" had hij zich uitgelaten in de sacristie; en de
+koster had gevraagd, of dat ook van God kwam? "Soms geeft God ook de
+duivelen macht" had hij geantwoord.
+
+In de mijn zag hij de ruïne van den boerenstand en zij was hem de
+Tartarus zelf.
+
+De pastoor van Brunssum was een boerenzoon. Hij hield van 't land
+dat hem getogen had en van den stand waaruit hij was gegroeid. Hij
+kende zoo goed de voldoening van den boer, die zijn koren stijgen zag
+en aren dragen, rijpend tot zuiver goud, het koren dat hij zaait op
+den akker zijner vaderen en maait met eigen hand, om 't voedsel te
+zijn van zijn gezin; zijn trots, zijn rijkdom wanneer de hooiwagen
+hoogbeladen de schuur te gemoet wankelt, gelijk een vol-gestapeld
+schip dat de haven binnendrijft....
+
+De pastoor verliet zijn tuin. Hij ging uit en dwars door 't groene
+veld. Daarboven hing de hemel in de glorie der late namiddagstonde,
+met traag-drijvende wolken bezeild, wit met gouden randen tegen de
+westerkim. Westwaarts ging hij; want naar de andere zijde uit hadde
+hij den boortoren zien rijzen tusschen de boomen, en hij haatte,
+hij vluchtte dat gezicht,--de dreigende vuist boven zijn parochie,
+zijne kudde en de velden.
+
+Twee kleine dreumessen gingen hem voorbij met bloemen in hunne
+knuistjes. Boven bij de stengels hielden zij de korenbloemen omkneld,
+bij den hals, als moesten zij ze wurgen.
+
+Zij haalden de petjes van hunne kaalgehouden kopjes en lachten.
+
+"Dag brave kinderen" groette de pastoor ze.
+
+"Kinderen maken van alles een spelletje," dacht hij. "Hun is eene
+bloem veel méér dan alleen maar eene bloem. Een torretje kan voor hen
+iets wonderlijks zijn, als groote menschen niet bevatten kunnen. Hoe
+was niet elke dag op de ouderlijke hoeve rijk geweest aan nieuwe
+avonturen en zeldzame gebeurlijkheden, al was het maar om 't weer,
+in den eeuwigen wisselgang der seizoenen. Een broeihen op de mand
+was iets, dat de jeugdige nieuwsgierigheid drie weken lang kon gaande
+houden. Daar waren de bijen, de konijnen; het plotseling verschijnen
+van een jong kalf op de wei; de dartelingen van een nieuw veulen;
+de jonge lammetjes in den voorjaarstijd; de vreugde van een eigen
+tuintje dat ze zelf beplantten; de voldoening van een rit met de
+hondenkar; het koffie-dragen naar het veld; het gewichtige meedoen
+als de aardappelen gepoot werden; het binnenhalen van den oogst,
+het plukken van het fruit; het weiden van koeien, die midden in de
+klaver op 't veld gesteld werden, aan kleine paaltjes met koord en
+ketting vastgelegd. Dáár had hij naar de lucht leeren zien en op de
+wolken letten.
+
+Dat leven was als 't spelen van een spelletje. Konden zij niet plassen
+in een goot en denken dat 't een rivier was, zich groote zeehelden
+wanen wanneer papieren scheepjes dreven op den eendenpoel? Zij waren
+Indianen binnen hunne kampementen van stokken en stroowisschen,
+en geloofden zich ruiters op vurige rossen wanneer zij in de schuur
+buitelden over 't zachte hooi.
+
+Daar is geen eind aan spel en verbeelding, aan troost en opbeuring en
+blijheid in het goede leven, dat God bestemd heeft voor de kinderen
+der menschen. Dat goede leven ontneemt gij hun met hun veld...."
+
+De priester stond stil en zag over de korenaren uit. Eén zag hij
+er die reeds omboog, ter rijpte hellend. Hij nam ze tusschen zijne
+oude vingers en voelde hare dikte aan. De haartjes waren nog zacht
+en week; het tengere arenlijf blonk rose en blauwachtig, als getint
+met de verschemerende kleuren die drijven in parelmoer. En na het
+mooie ding aandachtig beschouwd te hebben, liet hij de aar weer vrij,
+die op haar zwenkenden stengel terug week.
+
+"Konden zij den boer niet in vrede en gerustheid laten?"
+
+Toen hij zich omwendde om terug te keeren, zag hij den boortoren
+dreigend den plompen kop heffen.
+
+"Doch zij zelven verstaan het niet. Zij weten niet hoe mooi hun
+leven is, als daar geloof leeft in hun hart en liefde kiemt in hun
+gemoed. Maar zij weten de natuur toch wel, als een brug tusschen
+schepsel en Schepper, tusschen het beperkt verstand en de wereld der
+onzichtbaarheden. In de natuur rondom is alles goed en schoon; zelfs de
+dieren leeren ons vreedzaam en vertrouwvol te zijn. Hoe goedig zien zij
+niet uit hunne rustige oogen. Welk een schoon bestaan, dat avondrood
+en morgengloed beschijnen en met hun kleuren aandoen, terwijl het
+rythmische bewegen van den kringloop der getijden den landman op zijn
+deining door het leven voert en heft; wat heeft hij veel te vreezen
+wanneer hij de laatste helling afdaalt, waar de eeuwige schaduw wijlt:
+hij wandelde immers, al zijn dagen door, aan Gods eigen hand?
+
+Maar zij moeten het verstaan, het inzien...."
+
+Er klonk een stem óp, die zong.
+
+Het was een jongen die op de wijze van zijn lied kwam aanstappen. De
+pastoor hoorde de woorden verstaanbaar. Hij dook wat meer in elkaar,
+zoodat het koren hem beschutte, en luisterde oplettend:
+
+
+ «Alwaar ik varen zal en zeilen,
+ De wijde, wijde wereld rond,
+ Daar blijf ik in gedachte wijlen
+ Bij Limburg mijn geboortegrond.
+
+
+Schoon Limburg waar ik ben geboren. Schoon land der vredige oudrenwoon,
+U blijf ik, waar ik wijl, behooren, Verliefde van uw bloeiend schoon.»
+
+De zanger stokte plotseling toen hij genaderd was. Maar de pastoor
+knikte, met ingenomenheid instemmend:
+
+"Dat was een mooi wijsje. Waar heb je dat geleerd, Piet?"
+
+"Van den meester in den volkszang, meneer pastoor."
+
+"Goed-zoo, zeer goed," knikte de oude priester al maar door. "Maar
+nu moet je het verder afzingen!"
+
+In stilte ging de jongen verder. De pastoor hoorde den leeuwerik
+boven in de lucht. Doch na een poosje, dáár! Uit het gezicht zijnde,
+zette de jongen een groote stem op en galmde 't uit:
+
+
+ «Gij Asschepoester in 't verleden,
+ Gij donkere achterhoek des lands,--
+ Plots rijk aan schatten, niet te meten,
+ En diamanten Limburg thans.»
+
+
+Toen kwam er eene smartelijke uitdrukking in 't gelaat van den
+grijsaard.
+
+
+
+Al die dagen praatten de boeren van niets anders. Ze hadden steenkool
+gevonden op de hei! Misschien was de pastoor de eenige die er een zwaar
+hoofd over had. Hij had gehoopt dat 't niet aldus zou uitvallen. Hij
+was teleurgesteld in die hoop.
+
+De lucht was zwoel. Er was een donkere nacht over de heide, eene
+duisternis als een muur zoo dicht. Maar het was geen rustige nacht. Er
+was een onheilspellend gesuis wakker. Er ging een gonzen door die
+donkerte, als het geruisch van vele torren die op strak gespannen
+vlerken snorren. Het trilde met metaalgeluid als van springveeren
+die bewogen worden. Doch men zag geen hand voor oogen.
+
+Toen viel een vaal, vaag licht over de verte uit. Daar rees de kegel
+van den Heksenberg. Hij rees en groeide, en stond er als een pyramide,
+die heel de landstreek beheerschte.
+
+Het gedruis van staal en snorrende wieken was om zijn top. Een wild
+gefladder wemelde er door de lucht om, van spookachtige verschijningen
+op vleermuizenvlerken, die er warrelden door elkaar. Zij veranderden in
+het bewegen van gedaante, als wisselden zij van vorm. Dan waren zij als
+wilde katers in het schemerende maanlicht-donker, dan als uitgelaten,
+scheldende straatwijven, wilde rijdsters op den bezemsteel. Zij
+veegden in haar vleugelende vaart de kruin schoon van den heuveltop
+en joelden er voort in wielenden rondedans.
+
+Uit de aarde stond in haar midden de Satan op. Zijn oogen priemden
+rooden gloed. Zijn horens kromden zich tegen het vale licht van de
+spookachtige nachtlucht. Zijn stem bulderde de heksen tegen, die stil
+hielden om hem heen:
+
+"Wat hebt gij dan voor goeds gedaan vandaag, om zóó te feesten?"
+
+Een groot gejuich van heesche stemmen rees, alsof een koor van
+raven kraste:
+
+"Wij hebben ze kolen laten vinden, en ze zullen een mijn leggen hier,
+op de heide."
+
+Toen lachte de Satan als een gelukkige. Hij danste in haar midden,
+waggelend op zijn bokspooten, en de dolle bezemstokken veegden,
+bij de vaart der dansrei, weer de kruin van den Heksenberg....
+
+"Hé,"--schrok de oude priester uit zijn angstigen droom op, toen zijn
+bejaarde huishoudster de kamer binnenkwam.
+
+"Uw lamp staat te stoomen, heer!"
+
+"Ik was over mijn boek heen zoowaar in slaap gevallen. Hoe laat
+is het?"
+
+"Alles vol roet" knorde ze half luid, voor ze antwoordde: "Bij tien
+uur, heer."
+
+"Dan zullen we den rozenkrans bidden, Trina, en ter ruste gaan."
+
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Toen de pastoor bij vrouw Stoffels kwam, moest hij hooren dat Willem
+reeds twee weken op de mijn werkte.
+
+"Hij heeft het er heel goed! voegde zij er bij; en hij is er heel
+graag ook!"
+
+"Stuur hem eens bij me, een Zondag, als hij thuis is."
+
+"Ik zal 't hem zeggen" gaf ze ten antwoord.
+
+"Vroeger waren de menschen vereerd wanneer de priester hen ontbood,"
+dacht de pastoor. "Dat is óók anders geworden. Kwaad teeken. Alsof
+de heele atmosfeer reeds met socialisme doorzwaveld was; alsof het
+uit de schouwen dampt en hangen blijft in de lucht onder de zon....
+
+Ja," dacht hij verder, "drie mark is veel voor arme menschen!
+
+Maar er is toch méér, veel meer dan dat. Hun kredietbrieven op de
+eeuwigheid.
+
+Arm volk, arm volk," schudde hij zijn eerbiedwaardig hoofd.
+
+
+
+Den volgenden zondag wachtte hij, eerst na de mis, en toen na de
+vesper; maar Willem kwam niet.
+
+Willem ging samen met een werker van Merkelbeek, dien hij op den
+weg ontmoette, elken morgen naar de mijn van Amstenrade. Dien had
+hij meegedeeld wat zijn vader thuis was komen vertellen en wat zijn
+moeder gezegd had.
+
+"Laat je niet ringelooren, had de kerel die veel ouder was, hem
+geraden. Als je maar jenever kon verdragen, zou je ook niet ziek
+worden van 't gekwijl van zoo'n ouden zeeveraar."
+
+Dien dag ging Willem voor 't eerst het drinkhuis mee binnen, waar zijn
+makker met de overigen vóór het werk hun dagelijksche hartversterking
+namen; de oudere trakteerde hem.
+
+De man bij de contrôle, die ieder van de arbeiders hun nummerplaatje
+reikte, zag reeds wat er gaande was met den knaap. Zijn hoofd draaide
+toen hij kwam om van spullen te wisselen. Zijn werkplunje hing als dat
+der overige knapen, opgeheeschen aan een ketting tegen de zoldering
+der groote ruimte, om uit te dampen in de frischte der geopende
+ramen. Hij moest moeite doen om 't sleuteltje in 't slot te brengen,
+waarmee de ketting beveiligd was tegen de handigheid van gauwdieven.
+
+Nooit was Willem bij den arbeid vroolijk geweest.
+
+Daar stond hij voor een ijzeren geleiding, die verdeeld
+in verschillende gleuven, uit de hoogte van 't goor gebouw
+neerdaalde. Hier werd de steenkool gespoeld en uitgezocht. De
+verschillende brokken gleden door bakken, met water gevuld, waarin
+het gruis achterbleef. De jongens hadden de voorbijglijdende brokken
+te sorteeren en ze naargelang der afmetingen in de verschillende
+gleuven over te brengen. Daartoe hielden zij ze met houten schopjes
+op. De knapen stonden op verschillende hoogten trapsgewijze, overal
+bezig met hetzelfde werk.
+
+Willem praatte door 't geruisch der glijdende steenkolen heen. Hij
+praatte en lachte al maar voort, al wist geen der makkers waarover hij
+'t had. Hij was niet vlug in zijn werk en rustte wat veel uit, zoodat
+de opzichter kwam en hem bij zijn één oor pakte dat hij aardig kneep,
+om hem aan 't verstand te brengen, dat er gewerkt moest worden en
+geen gekheid, of anders korte metten.
+
+Maar dat verstoorde zijn goed humeur niet.
+
+Doch hij werd kalmer gaandeweg. Toen hij eindelijk zijn
+namiddag-boterham had opgepeuzeld tusschen zijn ongewasschen vingeren,
+en zijn hoofd wat te slapen had gelegd op zijn arm, langs de muren
+in de zon, was hij zoover bekomen. Nu sprak hij niet meer. Zoo kende
+men hem, somber en neergedrukt. En de knapen die met hem werkten,
+lachten om de verandering, zoodat een stijgende kwaadheid in hem
+begon te wrokken.
+
+In 't begin had hij zich neergeslagen gevoeld in de nieuwe omgeving,
+daar hij telkens dacht aan huis, aan de hut bij den heiderand. Hier
+moest hij nu die donkere ruimte binnen en er bezig zijn, tot hij
+doof van 't geraas en afgetobd van moeiheid, wel over het werk ware
+neergezonken. Doch hoe vermoeid hij zich gevoelde bij 't eindigen
+daarvan, het beurde hem telkens op, den landweg langs te gaan, door de
+lucht en 't licht van den avond, samen met den arbeider van Merkelbeek.
+
+"Als je maar eens zoo ver ben dat jenever je smaakt, had deze hem
+dikwijls gezegd. Zonder dàt gaat het niet!"
+
+Toen hij dien dag van 't werk kwam, zag hij juist zijn daagschen
+gezel die naar buiten kwam van zijn arbeid.
+
+"Hoe verging 't je vandaag?" vroeg hij Willem.
+
+"Puik" antwoordde deze trotsch. "Ik ga meer mee."
+
+"Flink zoo. Kom maar. Zul je trakteeren dezen keer!"
+
+Willem had geen geld.
+
+De mijnwerker lachte schamper: "En je verdiende loon dan?"
+
+Dat was 't, wat hij dan nù zou leeren: ieder heeft recht op hetgeen
+hij zelf verdient. "Doet je vader soms het werk voor jou? Dan moet
+je ook je loon zelf behouden."
+
+
+
+En een keer viel Willem tegen zijn moeder uit:
+
+"Ik heb mijn eigen geld zelf noodig."
+
+Zij zette groote oogen op.
+
+"Je kunt 't me wel afstelen wanneer ik naar huis kom" gaf hij
+toe. "Maar wie belet me het te verzuipen eer ik terug ben?"....
+
+Alle mijnwerkers-jongens, had hij gehoord, betaalden kostgeld bij
+hun ouders. Dat was ruim voldoende, hoe gering het dan ook was.
+
+Bij elke gelegenheid begon hij praat te verkoopen, die nooit gehoord
+was onder hun dak te voren. Toen begon de onrust der moeder te groeien
+met den dag en de stem des gewetens werd in haar luide, wanneer zij
+aan de woorden terug dacht van den grijzen herder, die sedert den
+voet niet meer over hun drempel gezet had.
+
+"Ga eens naar den pastoor, vroeg zijne moeder. Hij wilde zoo graag
+dat je eens kwam."
+
+"Daar heb ik niets verloren," gromde Willem terug, en ging zijn gang.
+
+Wanneer zij opspeelde, lachte hij; en als zijn vader dreigde, kwam
+er vuur in zijn oogen.
+
+"Dat is een nagel aan mijn doodkist" jammerde zij.
+
+"Vrouw," troostte Stoffels haar uit de verte, "je hebt het zelve
+gewild!"....
+
+
+
+In 't begin was Willem verlegen geweest om zijn roetzwarte handen
+en de vuilnis die bij 't werk ging kleven op zijn gezicht. Hij had
+het telkens schoon gewasschen eer hij naar huis terug ging, onder de
+stortkraan in de inrichting. Nu deed hij dat niet meer. Het stond
+kranig met een zwart gezicht te loopen. In 't dorp keken hem de
+kleine kinderen dan angstig na. Iedereen kon nu zien dat hij aan den
+mijnarbeid was. Mijnwerkersvolk is gevaarlijk volk, had zijn groote
+makker hem geleerd. Zij zijn als levende duivels; en daarom zijn zij
+voor den duivel niet bang.
+
+En Willem haalde als altijd zijn wijze woorden gretig in. Zij
+bedwelmden hem als de jenever die hij hem leerde zwelgen. Willem
+was fier op zijn vriendschap. Reeds huiverde hij niet meer van een
+vloek. Dat was mannentaal. Zelf streefde hij er thans naar, een
+werkelijk man te worden die over alle gezanik heen te stappen weet.
+
+Zwart kwam hij er aan zetten, mompelend binnensmond en waggelgaande
+langs den weg, met zijn blikken koffieketeltje aan een touw over den
+rug, de pet scheef over zijn lang sluik haar en groezelig in zijn
+armoedige plunje,--toen met twee volle emmers aan 't juk, dat ze over
+de schouders in den nek droeg, Anna Jansen hem bij de eerste huizen
+van Merkelbeek ontmoette.
+
+"Anneke" riep hij.
+
+Zij stond stil.
+
+"Anneke,--heb je water gehaald?"
+
+"Wou je je gezicht soms wasschen?" vroeg ze bits.
+
+Haar hart bonsde in haar.
+
+"Liever drinken, als je me laat."
+
+"Ga je gang,--als je niet sterk genoeg op je beenen staat, om zelf
+naar den put te gaan."
+
+"Lief kindje," zei hij. "Vroeger ben je toch wel liever geweest. Weet
+je nog wel, toen ze je plaagden met mij?"
+
+Hij glimlachte beschermend, maar zijn oogen stonden vreemd; zij zagen
+wild, zooals zij glommen uit zijn roetzwart gezicht.
+
+"Ga nog niet weg," fleemde hij.
+
+"Ik heb geen tijd om naar je te luisteren."
+
+"Hou je dan niet meer een klein beetje van me?"
+
+"Wie zou je terug kennen, met dat vuil gezicht?"
+
+"Ja, maar ik ken je nog wel, Anneke; ik herken je overal en ik vergeet
+je niet, omdat ik stapelgek ben naar je...."
+
+Ze liet hem staan, en zeulend droop hij af.
+
+Bleek kwam Anna thuis en zij zette zich neer op een boomstam die
+onder den poortboog lag.
+
+Vragend keek haar vader haar aan, toen hij voorbij het venster ging dat
+op het erf uitzag. Zij wilde opstaan, maar hare armen vielen zwaar in
+haar schoot terug. "Ik ben zoo moe," fluisterde ze en sloot de oogen.
+
+"Rust een poosje," riep Jansen en trok een paar keeren heftiger aan
+de pijp, die zijn mond nooit verliet. "Het zal van de warmte zijn."
+
+"'t Is ook zoo heet," sprak ze 't haar vader na. En zij leunde met
+het hoofd achterover tegen den baksteenen muur.
+
+"Anneke heeft 't te kwaad van de hitte vandaag," vertelde Jansen zijn
+vrouw in 't voorbijgaan.
+
+"Waar is ze dan? vroeg de moeder. Ik zag haar zoo even nog met een
+mijnwerker staan praten."
+
+"Met wie?" vroeg Jansen.
+
+"Ik geloof dat het Stoffels-Willem was."
+
+Jansen bromde wat voor zich heen, misnoegd. Maar zij spraken geen
+woord verder.
+
+Anna was weer opgestaan en had de dweil ter hand genomen. Eer 't avond
+was, had zij de keuken geschrobd en al het werk gedaan als altijd. Doch
+toen zij 's avonds was ter rust gegaan, kon zij niet inslapen. Zij
+lag en dacht en droomde en sliep toch niet. Zij voelde haar hoofd
+zoo zwaar en warm. Het was alsof er een zee in ruischte, die steeg
+en viel en steeg. Doch nauwelijks was zij dan eindelijk ingedommeld,
+of zij hoorde een stem aan haar oor, die klaar en duidelijk zeide:
+"ik herken je nog wel; ik vergeet je niet; ik ben stapelgek naar
+je...." Toen zag zij over haar heen zijn zwart gezicht, met de vreemde,
+wilde gloed-oogen. Zij wilde geluid geven in haar angst, maar kon
+niets uitbrengen. Dan schrok zij wakker en zag in het schemerdonker
+rond. Het zweet stond op haar voorhoofd. Zij sloeg de dekens af en
+stond op. Het was als steeg zij uit een warm bad. En zij ging naar
+het venster toe, dat openstond op een kier. De sterren fonkelden in
+het duister buiten. Waar de eene groote ster neer hing, achter den
+wal der boomen, lag de heide....
+
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Niet voor vele dagen was Hary Gerards sinds naar Brunssum
+teruggekeerd. Hij had voor zijne akte's gewerkt, vertelde zijn
+vader. Maar nu dezen keer zou hij het er eens goed van nemen. Hij
+kwam voor heel de zomervakantie naar huis.
+
+In een der laatste brieven had men hem geschreven, dat de aanbouw van
+de mijn op de heide reeds een goed stuk gevorderd was. Die gedachte
+had hem bedroefd. Zoo was het er dan toch van gekomen!
+
+Ondanks de vreugde over 't naderend weerzien, kwam hij toch met
+bekommerende gedachten naar huis gewandeld.
+
+Het koren had, na 't stuiven van den bloesem, de zware halmen
+neergebogen en begon te rijpen. Veel stengels waren in golvende bundels
+geheel omgebogen en reikten met hun aren naar den grond. Anderen hadden
+hun gebaar verstild in 't neigen. Géén stond er meer overeind. Er was
+een gele gloed door 't groen der forsche spieren opgetrokken, zoodat er
+een gouden schemer dampte over 't heele veld in de hette. Daartusschen
+wemelde het van bloemen, in een overvloed van rood en blauw. De blauwen
+waren veel dieper, donkerder en rijker van tint dan de zonnige lucht
+daarboven. Zij droegen hare koppen als kroontjes, fijn gekroezeld en
+gekarteld en wonderlijk teeder samengesteld. De rooden glansden als
+vuur tusschen het gele stroo. Ook hadden zij in hare broosheid den
+vorm van vlammen.
+
+"Klaprozen en arengoud, korenbloemen en hemelblauw, murmelde hij in
+bewondering: welk een gedicht."
+
+Een man die naar stad ging, groette hem in 't voorbijgaan. Die
+eenvoudige groet voor den "goeden dag," het eerste welkom in 't eigen
+land, maakte hem gelukkig als een kind. Hier was hij thuis, waar velden
+rimpelden voor zijn blik, op de breede deining der glooiingen van kim
+tot kim; hij voelde de breede rythmen die vloeien door het onbewogen
+veld, hem dragen, hem heffen in een sfeer van rust en vredigheid,
+waar het een weelde was te ademen, terwijl er alles lag te glanzen
+en te stralen in louter geluk.
+
+Toen hij Merkelbeek naderde, ebden zijn droomen heen. Hij zag links
+den hoek om, bij 't eerste huis. Niemand op straat. Maar hij bleef
+omzien terwijl hij voort ging. Hij had niet even dan weer voor zich
+uit gekeken, of een welbekende stem riep:
+
+"Hola, meester, zoo gehaast? Ge zijt vroeg op pad!"
+
+"Goeden morgen, hoe staat het er mee? Ik heb niet veel tijd."
+
+"Kom wat uitrusten. 't Is warm genoeg," meende Jansen.
+
+"Ja-maar, ik kom zóó van den trein en ze wachten me. Het wordt nog
+warmer later op den dag...."
+
+Dan stapte hij vlugger door het veld dat tusschen Merkelbeek en
+Brunssum deint. Daar hief tusschen het groen der stille popels, de
+toren van zijn dorpskerk het kleine, leien ronddak als een helm van
+staal. Die stond er als een grijze hellebardier. En de vreugde lachte
+van zijn gezicht. Zij steigerde in zijn hart bij elken stap die hem
+nader bracht. Hij ging door 't dorp en men groette hem. Hij groette
+terug met een glimlach naar allen, naar alles. Maar zijn gedachte
+snelde op de straat vooruit.
+
+Daar lag het stille huis in zijn landelijken vrede onder het groen. Hij
+zag het witte gordijntje heffen en weer zinken. Toen snelde hem zijne
+moeder op den drempel te gemoet.
+
+
+
+Het was kermis te Merkelbeek. 's Middags trok de schutterij op. De
+fanfare van Brunssum was daarbij uitgenoodigd. Spelende kwam zij 't
+dorp binnentrekken. In "de Kroon" vergaderden blazers en schutters. Dan
+zette de stoet zich in beweging.
+
+Voorop de muziek; de banier van rood fluweel met goud bestikt,
+opende de rij; de blazers stapten op de maat van hun marsch, en
+bliezen hunne roode wangen bol.
+
+Nu volgde de tamboer-majoor. Zijn staf, wat langer dan een gewone
+wandelstok, was onderaan voorzien van een zwaren zilveren knop en om 't
+geheel wentelden roode en gele koorden op, die uitliepen in bengelende
+kwastjes. Met dezen scepter gaf hij de bewegingen aan van den stoet,
+die in twee rijen volgde. Eerst gingen de pijper en de trommelaar. Zij
+begeleidden den gang der manschappen met geroffel en gefluit, wanneer
+de marsch was afgespeeld en de muzikanten rust behoefden.
+
+De schutters droegen voor 't meerendeel wit linnen broeken. De
+eenvormige petten waren afgezet met groene biesjes en gouden
+galons. Velen van hen hadden bonte sjerpen, eenigen om 't
+middel, anderen over den rechter schouder heen. Deze allen waren
+gezaghebbenden, officieren en luitenants. Ook droegen zij den blanken
+sabel; de anderen slechts geweren of ook maar wandelstokken.
+
+Dan kwam het vaan dat in plooien uithing van den stok, dien de vaandrig
+over zijn schouder heen droeg.
+
+Nu volgde de koning. Hij torschte een rammelenden last van zilveren
+platen over rug en borst: de schatten van het gilde, van tijden her
+bewaard. Op 't hoofd droeg hij den hoogen zijden hoed, gesierd met
+een groen takje en een bloemenkrans.
+
+De vrouwen lachten waar de schutters voorbij trokken. De kinderen
+liepen in bewondering mee. Maar de schutters zelf vielen niet uit
+hunne rol. Zij stapten voort in gewichtigen ernst en onverstoorbaar.
+
+Bij 't huis van den burgemeester liep het dorp te samen. Daar werd het
+vaan "geslagen." De burgervader stond op den dorpel, en de vaandrig
+hief het vaandel en salueerde, doch zonder dat de bonte zijde den grond
+raakte. Dan liet hij in snelle bewegingen den stok draaien in zijn
+hand en liet dien wentelen om zijn hoofd, zoodat het vaandel golvend
+volgde in klapperenden zwier. Hij bracht den stok vervolgens op zijn
+schouder over en liet hem kringen beschrijven om zijn hals heen; hij
+haalde hem neer tot zijn middel en deed hem om zijn heupen vliegen;
+hij boog voorover tot bij zijn enkels en liet hem aldoor kringvormige
+bewegingen maken om zich heen, zoodat het vaandel scheerde langs den
+grond; hij hurkte neer en liet hem opnieuw den spiraalloop beschrijven
+naar boven thans, tot hij oprees, den stok nam op zijn vlakke hand
+en dien zwaaien deed over zijn hoofd. Dan hanteerde hij dien bij
+telkens tegengestelde bewegingen, zoodat de zijde ruischte met het
+gewentel van golven in haar plooienzwier. De man stond in de vlam
+van het waaiend doek als in een bonten brand van kleurig vuur.
+
+"Bravo" dankte de burgemeester toen 't vaan ten slotte andermaal
+salueerde. En de menschen klapten in de handen; de kinderen riepen luid
+"hoera."
+
+"Jongens," sprak de burgervader. "Ik zal een ton bier geven in
+'de Kroon.' Maar gij weet wel,--fatsoenlijk en netjes! Dat het
+genoegen blijve en er geen schande neer kome over u en over ons
+dorp. Vooruit-dan: prettige kermis!"
+
+Toen Anna Jansen omzag, keek zij Willem Stoffels in 't gezicht. Zij
+wist niet dat hij achter haar gestaan had en hij zag haar aan met
+lachende voldoening. "Zul je van avond met mij dansen?"
+
+"Dat weet ik nog niet," verstoutte zij zich.
+
+"Je komt zeker wel," zeide hij bewust. "We zullen pret maken."
+
+"Als me geen ander vraagt, misschien--maar misschien ook niet."
+
+"Nee," zei hij, "ik heb je gevraagd en van avond gaan we samen uit."
+
+De schutterij trok verder en de menschen stuwden rondom voort. Willem
+was weg. Anna gevoelde dat ze 't hem niet zou kunnen weigeren. En
+toch, wat zou er van gepraat worden: "Anna van Jansen aan de kerk,"
+zij die er goed bij zaten--"met Willem van den bezembinder...."
+
+Het feest was "in de wei", en er was vogelschieten. Altijd werd
+dezelfde boomgaard daarvoor gebruikt. Een eereboog stond opgericht
+bij den ingang: twee palen met een dwarshout, omwonden met groene
+slingers. Een krans hing er midden tusschen, rondom het opschrift:
+"Welkom."
+
+Van de beide palen woeien nationale vlaggen uit.
+
+Groote takken waren verder bij den ingang geplant, waar iemand van
+'t bestuur bij een tafeltje zat met centenbakjes, om toegangsbewijzen
+te verkoopen. Kleine vaantjes wimpelden er nog van beschilderde
+paaltjes. Stervormig was er geel en rood zand, krijt en blauwsel,
+in figuren rondom op den grond gestrooid.
+
+In den boomgaard waren stoelen en tafels opgesteld van ongeschaafde
+planken op stevige dennenstammetjes gespijkerd. De vruchtboomen
+spanden er tenten van levend groen over uit. Broodjes en bier werden
+aan kramen verkocht. Ook was er een bordje opgeslagen met de woorden:
+"wijn verkrijgbaar."
+
+De oude lui waren gauw gezeten. Met trage bewegingen en onder veel
+gegichel namen ook, de een na 't ander, de besluitelooze jonge
+meisjes plaats, de jongens aan hunne zijde. Met sabel en instrument
+liep 't manvolk rond. Er moest vooral eerst geschonken en gedronken
+worden. Sommigen lagen er met glazen en flesschen in 't gras, grappen
+makend en in 't honderd schreeuwend naar ieder die voorbij ging. Al
+het jong gedoe was lawaaierig en druk, tot uitgelatenheid toe. Geen
+minnend paar bleef er ernstig. De oudjes genoten de jonge vreugde in
+hunne stille teruggetrokkenheid. Overal stegen de schelle kreten, de
+schorre stemmen, de uitbarstingen van gierend gelach. Zoo knetterde
+de kermisblijheid in spattende vonken uit. Het was een rumoerig
+gewriemel van al maar feestende menschen door elkaar, àl joelend om
+'t hardst. Alleen de groene boomen stonden als verstomd in al die
+drukte. Geen vogel die geluid sloeg in hunne twijgen.
+
+Al gauw was 't van mond tot mond gegaan, om de tafels heen, waar
+bierflesschen rinkelend werden neergezet:
+
+"Het mijnwerkersvolk drinkt wijn!"
+
+Dat was wat nieuws in de feestwei te Merkelbeek.
+
+De kastelein wist wel, aan welke klanten hij de waar zou kwijt
+raken. Er waren er een heel aantal reeds van 't dorp, die naar Heerlen
+en naar andere mijnen togen; en die van Brunssum waren er vandaag,
+daar 't kermis was en de fanfare er speelde.
+
+Al dat volkje zat zoo wat afgezonderd in 't begin. Zij hérrieden het
+meest. Ook was er Willem Stoffels onder.
+
+"Die kon ook wel beter doen," merkte een oude boer op.
+
+"Hoe oud is die wel?" vroeg een ander.
+
+"Ik geloof niet, dat hij al geloot heeft...."
+
+De oudjes schudden bedenkelijk 't hoofd.
+
+Anna had even opgezien. Nu zat zij weer in gedachten voor zich heen
+te staren. Maar Betje Bouts die bij haar zat, had al lang gemerkt
+dat er iets aan 't handje was.
+
+Toen werd er een signaal geblazen. De schutters gingen naar het stuk
+grond achter de wei, waar geen boomen stonden en de vogelstang was
+opgericht. Je zag den koning met zijn rammelende sier omhangen,
+nog gauw even zijn pint leeg halen met een lange teug en dan op
+een drafje weghollen, het zilver rinkelend terwijl hij liep. De
+meesten onder de mannen togen mee. Het was het groote oogenblik. Het
+vogelschieten begon.
+
+De fanfare beklom het verhoog dat op tonnen was bevestigd, met latten
+en groene twijgen omgeven, en gedekt door 't levend loover van een
+appel- en een peereboom. De muziek hield er de feestelijke stemming
+levendig onderwijl.
+
+"Zullen we samen wat door de wei gaan?"
+
+Anna was hoog rood geworden, toen Willem Stoffels naast haar was
+komen staan. Zij had geen woord te zeggen.
+
+"Kom An'," zei Betje Bouts, "we gaan samen."
+
+En zij liet Anna in 't midden gaan, met Willem dicht aan Anna's zijde.
+
+Betje stuwde 't gesprek. Eerst wilde 't wel niet wielen. Maar zij wist
+het te drijven. Doch zij greep de eerste gelegenheid aan, om een jongen
+kerel vast te klampen, dien ze volgde naar het schietterrein. "Kom
+mee" wenkte ze nog even bij 't weggaan met hem. Maar Willem voerde
+Anna naar den anderen kant.
+
+"Anna," zei hij, "ben je boos op mij?"
+
+"Ik? Waarom? Zeker omdat ik met je loop?"
+
+"Nee, maar ik dacht soms.... ik was bang dat je niet meer van me
+houden zou."
+
+"Daar heb ik nooit wat van gezeid tegen je. Maak nu geen onzin!"
+
+"Ik wilde dat je 't me zei. Het is geen onzin."
+
+"Ben je al niet nuchter meer meer?"
+
+"Anna, ik weet wat je zeggen wil Verwijt me niets. En heb 'k me soms
+gedragen als een slecht mensch,--het kan immers wel beteren. Als jij
+het hebben wil; als jij dat van me vraagt."
+
+"Dat moet je nou maar voor je zelf weten. Als je weet dat je misloopt,
+hoe kun je dan in Gods naam zoo blijven voortgaan?"
+
+"Alleen om jou wil ik het doen, Anna."
+
+"Loop heen," trachtte ze te schertsen.
+
+"Nee," zei hij met diepere stem. "Ik zal nooit van je weggaan. Zelfs
+als je dàt willen zou, als je dat willen kon, zou ik het niet
+doen. Daarvoor hou ik té veel van je, Anna...."
+
+"Laat me los, riep ze. Ik wil terug."
+
+"Luister, drong hij, Anna, hoor!"
+
+"Laat me gerust," smeekte ze.
+
+"Jij kunt voor me doen, wat geen pastoor meer kan."
+
+Beiden zwegen plotseling.
+
+"Is je dat gemeend?" bracht zij uit in hare ontroering.
+
+"Ik ben een verloren mensch, en ik raak nog verder van wal, als jij
+niet wil.... Jij alleen kunt weer wat van me maken; als ik je zeg...."
+
+"Ik wil niets weten. Vertel dat anderen als je wil; maar mij niet!"
+
+"Als ik vrij loot, ging hij verder, dan verdien ik na een jaar of
+twee het dubbele van nu. Jij heb immers goed wat thuis, al breng ik
+dan ook zooveel niet mee."
+
+"Ik wist niet dat je spaarde," wierp ze er verwonderd tusschen. "Sinds
+wanneer?"
+
+"Ik zal nooit een ander dan jou trouwen," verzekerde hij
+hartstochtelijk.
+
+"Laat me los. Ik wil.--Hoeveel anderen heb je dat al verteld?"
+
+"Daar is geen ander voor mij, dan jij, Anna...."
+
+"We zijn nog te jong om daar al over te praten. Nu is 't genoeg
+geweest!"
+
+Hij ging voort met spreken, maar zij hoorde hem niet meer. Zij zag
+de tafel weer, waar ze met hare vriendinnen had gezeten. Aller oogen
+hadden haar gevolgd van daar. Zij keerde er terug. Willem kon 't haar
+niet langer beletten. Hij volgde.
+
+"Mag 'k hier blijven zitten?" vroeg hij, zich naast Anna
+neerzettend. "Ik trakteer" zeide hij in haar oor.
+
+De goed gezeten boerendochters vonden hem wel brutaal. Doch zij moesten
+weldra toegeven dat hij onderhoudend was. Toen begon de lach-pret.
+
+Alleen Anna zat er stil en afgetrokken.
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+"De kinderen zijn naar de feestwei," zei vader Jansen tot Hary Gerards,
+de eenige die er dien middag in de herberg kwam. "Zij zijn met de
+meisjes van de straat hier meegegaan."
+
+"Anna denkt nog niet aan trouwen?" vroeg hij.
+
+"Trouwen!" had Jansen gezegd met verwondering. "Mijn vrouw was dertig
+jaar toen ze trouwde en de meisjes moeten maar net zóó doen. Daar is
+nog nooit iemand bij te laat gekomen, weet je wel!"
+
+Er was een onverklaarbare weemoed over Hary heen geweest, geheel
+dien dag. Hij stapte op en ging 't veld in. De muziek drong tot zijn
+ooren door in de stilte van den zomerschen namiddag. Dat plaagde zijn
+geest. Hij kon geen kermis uitstaan. Waarom was hij ook dien dag naar
+Merkelbeek gekomen? Hij was den stroom gevolgd.
+
+"Vreemd toch, de mensch...." dacht hij bij zich zelven.
+
+De wolken lagen om de kim als vastgemeerd in veilige haven. Nu was de
+muziek uit de feestwei weer verstomd. De leeuwerik wiekte omhoog in
+'t gewervel van zijn vlerkjes en van zijn geluid. Hary volgde zijn
+stijgen langs de trappen zijner stijgende verrukking. Toen werd het
+zingend vogeltje onzichtbaar tegen 't schelle uitspansel in 't licht,
+dat de starende oogen doet knippen in verblinding. Het was als 't
+borrelen eener onzichtbare bron van jubel; als parelen waterbellen
+bobbelden de klanken op en dreven door de stilte.
+
+"Waarom kan 'k mij niet blij gevoelen?" vroeg hij zich af.
+
+Dan zweeg het lied, en hij zag den vogel zinken,--een zwarte stip
+langs het blauw,--als een verschietende ster.
+
+Hij gevoelde een onrustige gejaagdheid. Wat wilde hij dan? Hij wist
+het niet. Maar hij wandelde verder.
+
+Hij begon met klimmende belangstelling te letten op alles wat hij
+rondom zag. Hoe schoon was 't veld dien dag. Daar midden in, tusschen
+de akkers, stonden boomen saamgeschoold tot een groep, als een groen
+eiland in de zee van 't drijvend koren. Een merel begon er te fluiten.
+
+Tegen de helling van een der velden zette Hary zich neer in het hooge
+gras. Hij zag de bloemen om zich heen en luisterde. Zoo begon hij zich
+zelven te vergeten. Hij tastte in zijn zakken en begon een potloodje
+zenuwachtig tusschen zijne vingers te wentelen. Er kwam een boekje
+voor den dag en hij begon woorden neer te peuteren. Niemand die voorbij
+kwam en hem stoorde in zijn doen. Stil zat hij er, en dacht en schreef:
+
+
+ O Limburg mijn geliefde land,
+ Met zooveel bloeiend schoon beplant
+ Van bloemen en van boomen,
+ Van velden die, vol gelend graan
+ Als golven gouds aan 't wiegen slaan,
+ Wanneer de winden komen,
+
+ Ik min uw schoon, wanneer verblijd
+ De leeuwerk met zijn jeugd-jolijt
+ En liedren, streeft ter zonne;
+ De leeuwerk die, hoe wijd hij wijkt,
+ Verlangend aldoor nederstrijkt
+ En geeft zich u gewonnen;--
+
+ Wanneer ter blijde middagstond
+ De merel, die in 't wit verzwond
+ Van bloesemzware twijgen,
+ Der lente serenade zingt
+ En 't al tot stil gemijmer dwingt,
+ Waarbij de vogels zwijgen;--
+
+ Ik min u, als de nachtegaal
+ Van minneweelde zoet verhaal
+ In klanken zet en zangen,
+ En de avond met een wâ van dauw
+ En droom en donker zilvergrauw
+ De landen houdt omvangen....
+
+ O Limburg, mijn geboortegrond,
+ Voor alles op dit wijde rond
+ Van schoone wereldrijken,
+ Blijft mij uw lieve schoonheid waard,
+ Mijn onbesnoeide, groene gaard;
+ Waar vind ik uws gelijke?
+
+ O Limburg, want geen enkle vreugd,
+ --Wat vreugden ook mijn harte heugt--
+ Kan immer vreemd u heeten,
+ Schoon land waar ik geboren ben,
+ Voor mij, die uw bekoren ken
+ En nimmer zal vergeten.
+
+
+Nu glimlachte hij. Het rythme van zijn eigen woorden had hem zelven
+meegesleept. Hij stond op. Hij had een gevoel alsof hij zegenend zijn
+handen moest uitstrekken over het rijke landschap, over het groen en
+het rijpend veld, over den ouden weg met de ingesneden karresporen.
+
+Dan kwam er iemand en de beiden groetten elkander. Maar om niet mee te
+moeten gaan met den man die naar het dorp ging, wandelde hij steeds
+dieper het veld in. Toen de zon zonk in het avondlijke paars der
+zacht bedonsde lucht, poosde hij nog tot de kleuren geheel gedoofd
+waren en de avond viel. Eerst dan gedacht hij, hoe ver hij nu van
+huis was. Hij keerde terug. Weer klonk hem de muziek te gemoet bij
+'t naderen van het verre dorp. Hij voelde het pijnlijk aan, en opnieuw
+kwam de neerslachtigheid van vroeger over hem. Droeg hij het droevig
+misschien, alléén te zijn terwijl de feestmarsch vroolijk klonk voor
+gelukkige paren?
+
+Dan verdween hij in de dorpsstraat.
+
+
+
+Anna was zwijgend geweest heel den feestelijken namiddag. In het
+zelfbewustzijn dat zijn omgang met mijnvolk en zijn plaats in hunne
+reien hem gegeven had, praatte Willem tegen al de meisjes aan de
+planken tafel, en tegen iedereen onder 't bereik zijner stem. Hij
+schertste er geducht op los en was uitgelaten vroolijk. En de drank
+steigerde zijn vroolijkheid tot overmoed.
+
+Luisterde Anna naar wat hij zeide?
+
+Zij hoorde 't als uit een vage verte, maar zij hoorde het toch
+duidelijk, als 't geluid eener stem in droomen. Doch zij verstond
+maar half.
+
+"Mijn God, zuchtte ze, wat is er over me gekomen? Ik ben ziek."
+
+Plotseling zag zij dan Willem weer, als de kleine jongen die hij was,
+dien dag op de heide, toen hare moeder haar had meegenomen. Zij zag
+hem liggen in 't kruid; zij zag zich zelve--klein Anneke van toen--met
+den blonden knaap door 't heidegewas stappen. "Allemaal van ons"
+had hij gezeid. Zij had den achtergrond der hut van den bezembinder
+nooit duidelijk gezien, wanneer zij aan den knaap gedacht had; of
+was hij juist dáárom als een verborgen prinsje voor haar geweest,
+die een sprookje gemaakt heeft van zijn leven?
+
+Kroon nog scepter had zij er gezien; maar zij kende thans reeds de
+macht van zijn staalblauw oog met den koelen blik, en zij wist de
+vastberadenheid die als een stempel stond op zijn gelaat.
+
+En zij was niet bang geweest voor den Heksenberg. In hare verbeelding
+was hij er de kleine gebieder van geworden....
+
+Toen daar boven, plotseling, de donkere stem van den vader, als een
+schaduw over den zonnigen droom. Zóó was 't geluk van dien mooien
+dag aan scherven gevlogen....
+
+Willem schaterde 't uit met de meisjes, en Anna schrok op uit haar
+gepeins. Zij streek met de hand over haar voorhoofd.
+
+Met een mijnwerker bij vader Jansen komen aanzetten! Van den
+bezembinder uit de hei!.... Ja maar, onderbrak zij zich zelve, daar
+is immers ook geen sprake van....
+
+Toen die Pinksterdag, de gillende meisjes, het gegichel en "dat de
+pastoor het maar eens weten moest!" Zij had dat nooit vergeten. En
+zij zag Betje Bouts, éen der vijandigen van toen, die met haar jongen
+terug kwam van het schietterrein om bij hen plaats te nemen.
+
+"Drink eens, Anna," noodde Willem. "Het zal je geen kwaad doen."
+
+Weer verviel ze in gedachten.
+
+Die keer toen ze hem gezien had over het hek van den boomgaard, waar
+hij dien appel voor haar geplukt had--"omdat jij het bent"..... Dan
+was Hary van den meester hen er komen storen.
+
+Zou Hary Gerards niet hier zijn, dacht ze op eens en begon rond
+te zien.
+
+"Waar zoek je naar?" vroeg Willem.
+
+"Is Hary van den meester van Brunssum er niet vandaag?" vroeg ze Betje.
+
+"Wat zou dat?" zei Willem geërgerd.
+
+"Nou" sarde ze een beetje en trok hare lip op--"wat dat zou?"....
+
+Hij zag haar aan. Zij was bleek. Dan nam hij zijn glas op, dronk het
+leeg en begon opnieuw te praten in 't gezelschap.
+
+Anna zat dof voor zich heen te staren. Was ik maar liever thuis
+gebleven, dacht ze.
+
+Een groot hoera-geroep ging op uit de mannen op het schietveld. De
+vogel was er af, en de schutters hadden een nieuwen koning. Alles vloog
+overeind en stormde den boomgaard uit, naar het schietterrein. Wie
+was het?
+
+Willem sloeg den arm om Anna heen en fluisterde met heete stem in
+haar oor: "ik hou van je, An." Zij voelde zijn wang over haar schouder
+strijken en maakte zich los met een ruk. Zij voelde een koortsachtige
+hitte in haar hoofd stijgen, en hield zich alsof zij boos was.
+
+
+
+De lampen brandden, verduisterd door den tabakswalm die in de kleine
+herbergskamer hing. De paren sprongen er op de melodie van een
+trekharmonika. De jongens dansten met de sigaar in den mond en de
+strooien hoeden, de petten op 't hoofd, zwijgend met de meisjes die
+zwegen, ook soms twee aan twee met elkaar, bij gebrek aan beter. Zij
+zweetten in de hitte van 't vertrek onder de lampen, waarbij hunne
+roode gezichten glommen.
+
+Anna had gedanst met Willem. Zij was moe en warm. Hij was reeds
+dronken en dronk nog altijd meer.
+
+"Schei uit," zei ze, "je hebt reeds meer dan genoeg."
+
+"Wat kun je toch maar kwaad worden, Anneke!"
+
+"Het is een schande. Kun je mij niet respekteeren? Ik wil naar
+huis. Morgen praat het heele dorp van me."
+
+Maar hij weerhield haar. Hij drong al zeurend aan, tot ze toegaf aan
+zijn biddend gezanik "dat ze toch nog niet zou....."
+
+Doch toen hij opnieuw om drank vroeg, wilde ze met alle geweld.
+
+"Dan zal ik met je mee gaan."
+
+"Doch niet tot bij ons aan huis!"
+
+"Even maar de straat over, hier."
+
+Het was donker buiten. Weer begon hij vleierig: "Anna, mijn liefste
+Anneke...."
+
+"Kon je je maar wat fatsoenlijker gedragen," antwoordde ze bits.
+
+"Ik wil alles doen wat je wil, als je maar houdt van me...."
+
+"Laat me los, riep ze. Raak me niet. Ik wil naar huis."
+
+Hij wou met haar een zijweg in, tusschen de heggen.
+
+"Tot afscheid" vroeg hij deemoedig.
+
+Maar zij sprong vlak voor hem weg.
+
+Toen sloeg hij bei zijn armen om haar heen, en wilde haar terug
+dringen met geweld. "Ik wil een zoen van je."
+
+"Hulp" gilde zij in haar schrik.
+
+"Wat is er gaande?", klonk een mannestem dicht bij hen uit den nacht.
+
+"Laat me los" steunde Anna voort.
+
+De man in 't donker greep Willem bij den schouder en slingerde hem
+weg, zoodat hij tuimelde. Eenige kerels schoten uit de herberg toe
+en omringden hem. Woedend wilde hij den aanvaller achterna; maar de
+boeren die wisten dat hij dronken was, hielden hem terug en sleepten
+hem de herberg binnen.
+
+En Hary Gerards bracht Anna zwijgend naar huis.
+
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Vroeger stond die oude baksteenen boerenwoning, met de twee oude
+donkere tuya's naast den drempel, geheel eenzaam bij den rand der
+heide, met het zacht bewogen land ter eene zijde, en de donkere
+diepte vol van 't purper donker van het heidekruid naar den anderen
+kant. In twee jaar tijds was alles anders geworden. De oude weg was
+onherkenbaar; hij was vernieuwd. Een nieuwe breede weg was van hem
+uitgegaan en dwars door de heide snijdend, had hij met zijn zandgele
+kling een heuvel doorploegd, om met een wijden elleboogskromming naar
+een tweeden heuvel op te gaan. Boven het kunstmatig aldus ontstaan
+ravijn stond thans het mijngebouw. Het stond er met het lichte rood
+zijner pasgebouwde baksteenen muren te schitteren in de zon. Het was
+een triomfkreet onder den blauwen hemel. Het was een vloek in den
+vrede van het landschap. Machteloos lag de donkere heide voor den
+indringeling, die haar bestreek met de klare gevels en de trotsche
+schouwen. Verschuchterd vlood de donkerbruine diepte in hare ebbende
+golving, onder de blauwe nevels der verte, weg naar de verre kimmen.
+
+Ook was er naar de overzij van den weg geen vrij, schoon, wiegend
+veld meer. Uitgestrekte stukken waren uitgediept en baksteen was er
+vervaardigd; baksteenen stonden er nog tot logge "ovens" opgestapeld
+en huizen bleven er voortdurend in aanbouw. Anderen waren reeds
+voltooid. Ingenieurswoningen waren er verrezen en arbeiderswoningen,
+als een heel nieuw dorp; een drinkhuis stond er als een kasteel
+midden in.
+
+Doch dat was alles nog slechts een aanvang. Wanneer de ontginning
+eerst begon, zouden er weldra duizend menschen werk vinden. Nieuwe
+steenovens dan, en nieuwe huizenreeksen om ze te bergen! En reeds
+hadden de steenbakkerijen overal het groene land weggevreten. Naar
+de heuvelende glooiïng heen vluchtten de korenvelden voor hunne
+onverzadigbare vraatzucht.
+
+"Melaatschheid van mijn schoon, dierbaar Limburg: ik zie en tel uw
+wonden,--dacht Hary Gerards. Het is de dood van het veld. Het is de
+zegevierende intocht van den nieuwen tijd over het oude land, met
+de vliegende vaandels zijner rookpluimen en de krijschende signalen
+der stoomfluiten. Dat zijn uwe veldteekens, Industrie, op onze groene
+akkers; dat zijn uw veldtenten te midden van onzen groenen vrede! Wat
+is het geluk dat gij zaait, en wat zal de vervulling uwer beloften
+zijn, onder den rook der mijn?"
+
+Op de heuvelen zeeg het koren neer in zware rijpte. Geen vogel
+zong. Onder het gerij der karren rookte het stof op van den zandigen
+weg. In haar bloeiend purper deinde de heide.
+
+"Hoe schoon zij is, dacht hij: zij is zoo zacht en stil, zoo
+bescheiden; zoo schoon in haar droom...."
+
+Steeds is de hei weemoedig; doch dien dag kwam zij hem smartelijk
+voor. Zag Hary Gerards er zijne stemming als in een spiegel? Hij
+kende hare smart werkelijk.
+
+"Zij gevoelt haar vonnis, dacht hij. Zij weet haar doem ten
+ondergang. Doch heeft niemand dan gezien hoe prachtig dit panorama
+was? Heeft niemand medelijden gevoeld met hare arme schoonheid,--met
+de rijke schoonheid van ons dierbaar land? En toch is schoonheid geluk,
+geluk genoeg."
+
+Zoo kalm en rustig lag de heide hem te voeten. Men kon gelooven dat
+zij glimlachte. Het was een glimlach van begrijpen. Maar alle vreugd
+was verre.
+
+"Mijn arme, trouwe heide."
+
+Verder ging hij, door 't bloeiend kruid. Daar stroomde het beekje
+dat gevoed wordt door de veenplassen: het bergt een wiegend bed van
+kers en ander kruid in zijn helderkoele strooming. Over de keien
+bedding glijden de stekelbaarsjes heen, en waterspinnen roeien met
+hare spichtige pooten in rukken over het spiegelend vlak.
+
+Het stroomt er om het "Sterrebosch" heenkronkelend.
+
+Hary herinnerde zich legenden van deze boomrijke plek in de heide. Zij
+was als een park. De menschen zeiden er van, dat een rijk heer er
+een kasteel had laten bouwen. Hij was getrouwd geweest met een meisje
+uit het dorp. Wat er mee gebeurd was in het einde, was eene donkere
+geschiedenis. Het kasteel was in de aarde weggezonken. Sporen van
+metselwerk bleven er nog over. Het was een weelderige tuin, de ruïne
+van een aardsch paradijs, in de grauwe woestenij der heide.
+
+"Sagen en schoonheid zullen ééns geheel voorbij zijn. Die kleine, klare
+stroom gaat zijn bedding afstaan voor een afvoerkanaal, waarlangs het
+vuile mijnwater de Roode Beek wordt toegevoerd. Mijn God, dat mooie,
+reine water! Er zal een tijd komen dat er geen beek meer helder is
+in ons gewest en geen bron meer zuiver...."
+
+En hij zag de gore aardhoopen, die de mijn steeds omringen, reeds
+uitgestrekt over dit schoone landschap. De mijn haat het bloeiende
+land. Die hoopen stapelen zich op en kruipen voort. Zij vormen dijken;
+zij liggen er als reuzenbedden. Tegen welken zondvloed beschutten
+zij? Zelf zijn ze verderf en dood, deze immer groeiende pyramiden ónzer
+beschaving. Zij sluipen voort als fantastische monsters, schuifelende
+slangen; als krokodillen glijden zij al verder, verder, vernielend
+graan en goed veld, onteerend den kostbaren grond der heilige aarde.
+
+"De aarde met haar wasdom heeft God gegeven aan den mensch dat hij
+van haar zou leven, en genieten van haar schoon. Haar aanschijn was
+volmaakt en haar hart was altijd mild in overvloed. Doch de menschen
+zijn als dieren geworden, woelend in hare ingewanden."
+
+Het schokte in zijn keel op:
+
+"Gij vernielt mijn prachtig land!"
+
+Hij had zijn vuist wel kunnen ballen tegen den hatelijken "bok" op
+het mijndak. Toen klaagde het in hem: "waarom kan onze rijke grond
+niet blijven leven in vruchtbaarheid en pracht?"
+
+De stilte was hoorbaar om hem, wijd en wonderbaar. Boven hem kringde
+een wulp in breede cirkelvlucht en krijschte luid zijn tragische
+kreten.
+
+De zon ging neer. Haar laatste goud vervluchtigde in het roode purper
+van het gebloemte over de dommelende heffingen. Voor hem lagen de
+enkele hutten, waar de armsten der gemeente woonden,--de bezembinders.
+
+Laat ik ze vermijden, dacht hij, en om het dennenboschje heen gaan. Het
+kermisavondtooneel stond voor zijn geest. "Anna" fluisterde hij
+zachtjes door zijn gedachten heen. Hij had haar sinds niet weergezien.
+
+Hij naderde de groep dennen, die reeds donker stonden.
+
+Voor hem trad een jonge kerel op het pad.
+
+"Moet je me hier weer in mijn weg loopen, zeg? Wat heb jij je met mij
+te moeien? Jij was die vervloekte kerel van Zondag-avond, jij-ja! Heet
+het liegen als je durft?"
+
+Hary was een stap terug gedeinsd, bleek, geschrokken.
+
+"Maar nu afgerekend," brulde Willem Stoffels, zich moed insprekend
+met een vloek,--en zijn vuist trof Hary Gerards vlak in 't gelaat. Het
+duizelde Hary voor de oogen, doch hij ontweek schielijk een heftigeren
+slag en sprong op den aanvaller aan. Maar hij vond hem gereed. Stoffels
+trapte naar hem en vloog hem naar de keel. Zij vielen over elkander
+op den grond; Stoffels hamerde met vuistslagen zijn slachtoffer. Hary
+lag bewusteloos.
+
+"Ziezoo," zeide Stoffels tot zich zelven, waar hij Hary zag met bloed
+op 't aangezicht "dat heeft hij al vast." Hij borg het zakmes op,
+waarmee hij zijn vuist gewapend had gehouden. Het stalen heft was al
+voldoende geweest in zijn toegeknepen vingers; hij hadde anders het
+lemmet niet geschuwd.
+
+En hij ging het boschje in, zonder om te zien.
+
+
+
+Den volgenden dag kwam er bij Jansen iemand in de herberg die vertelde,
+dat Hary Gerards dood geslagen was in de Brunssumer heide. Vader
+Jansen vloog op, of iets hem gestoken had.
+
+"Wat zeg je?" riep hij in ontzetting. "Dat verhoede God!"
+
+Anna was lijkbleek geworden en zat als versteend.
+
+Jansen zag alleen den man die van doodslag gesproken had, en wilde
+weten: wie, en hoe, en waar? Maar de ander wist niet méér.
+
+Doch een tweede kwam.
+
+"Ze hebben hem geslagen," vertelde deze: "doch hij leeft nog. Het is
+gebeurd bij het boschje bij Stoffels, de bezembinder...."
+
+De verteller die een blik op Anna had geworpen, vertelde niet verder.
+
+"Niet dood?" kwam 't bevend van Anna's bleeke lippen.
+
+"Hij moet er bewusteloos gelegen hebben tot den nacht, ging de boer
+voort. De koele dauw en de koude hebben hem weer tot zich zelven
+gebracht. Toen is hij naar huis kunnen geraken. Zijn heel gezicht
+was opgezwollen en 't haar stond stijf van 't bloed."
+
+Anna ging weg. In de keuken barstte zij uit in tranen.
+
+"Het is mijn schuld" kreunde zij.
+
+
+
+Toen Jansen van een gang door 't dorp 's avonds thuis kwam verzekerde
+hij, dat géén Stoffels ooit meer een voet zou zetten over zijn drempel.
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+
+Het was een poos later. 't Was een heete dag geweest en vóór de avond
+viel, donkerde plotseling de lucht. Heel den namiddag had men het vage
+rommelen van 't onweer gehoord. Op eens nu pakten zich de wolken van
+alle kanten saam: torens van wolken, in stapels op elkaar gebouwd. Een
+vaal, geelachtig licht viel over het veld. Rondom werd een angstige
+stilte hoorbaar. De werkers spoedden zich van hun buitenarbeid weg. Hun
+stappen klonken luid langs de straat. Alles ijlde naar huis. Toen
+stak de wind op, kwam gierend over het veld loopen, en floot langs den
+weg het dorp in, waar hij het zand in draaikolken wervelend opvoerde
+tusschen de huizen. Hij rammelde aan blinden, sloeg loshangende
+luiken dicht en openstaande ramen. Bloempotten woeien om. De menschen
+op straat begonnen hard te loopen. De hooge populieren werden heen en
+weer gezwiept in 't gedruisch van hun angstig loof. Een moeder riep met
+bange stem op haar kind, helder hoorbaar over den weg. Daar kwam nog
+een jonge boer aanzetten, die zijn koeien van de wei terugdreef naar
+den stal. De dieren zagen somber rond, traag gaande met de zwenkende
+uiers. Dan werd het duister alsof de nacht begon. Een schelle schicht
+purperrood vuur schoot langs de daken: een paar sekonden, en krakend
+barstte de stilte aan rinkelende scherven, alsof de hemel doorzeeg.
+
+Vader Jansen sloeg een kruis. Angstig schoolden de meisjes
+samen. Moeder kwam uit de keuken met de gewijde kaars, die op een
+luchter geplaatst werd en ontstoken.
+
+"Kinderen," zei ze, "haalt wat van den kruidwisch op zolder. Het
+wordt een zwaar weer."
+
+Maar de meisjes waren te bang om naar boven te gaan.
+
+De donderslagen ratelden, met de vaart der bliksemstralen in hun
+vurig verschieten om strijd.
+
+"Ik zal hem halen" zei Jansen en ging.
+
+Het scheen wel dat hij een uur weg bleef.
+
+De zware slagen vielen met telkens korter tusschenruimte.
+
+"Heb je hem?" riep moeder bij de trap.
+
+"Ja," antwoordde hij, "ik kom."
+
+"Goddank," dacht ze. Ook zij was ongeruster dan zij blijken liet.
+
+"Wij zijn in Gods hand" zeide zij altijd.
+
+"Over het veld is heel de lucht één vuur," zei Jansen, binnenkomend met
+heel den bos. 't Was de bloementuil die met Lieve Vrouw Hemelvaart in
+de kerk gezegend was. Daaruit nam ze een paar dorre stengels en legde
+ze op den dooven haard, waar zij ze deed ontvlammen met de gewijde
+kaars. De schuchtere vlammetjes waren eene geruststelling, toen zij
+'t kruid van den dorren tuil likten.
+
+De bliksemstralen liepen rondom 't huis, alsof zij er door heen
+voeren. Het vuur verdween niet van de vensters. En met ijzeren hamers
+mokerden de donderslagen.
+
+Luid-op bad vrouw Jansen den rozenkrans. Telkens werd het gebed weer
+even onderbroken, wanneer één dier geweldige slagen viel, die het heele
+huis aan 't dreunen zetten. Zij rolden voort, terwijl het geluid zich
+in zijn echo herhaalde, alsof zij geen einde zouden nemen. Nauwelijks
+hoorbaar antwoordden de meisjes het: "Heilige Maria, Moeder Gods...."
+
+Dan zeide vrouw Jansen weer: "och-arme, die arme menschen die daar
+nu in zijn!" De regen gudste nu.
+
+"Het wordt nog altijd erger," zei de man bezorgd.
+
+Een krakend gedonder vloog in splinters. Het was alsof de kerk was
+ingestort. "God zij ons genadig. Anna, krijg het kerkboek van den
+schoorsteenmantel, dat we Sint Jan's Evangelie bidden...."
+
+"Vader," zei Lize, "ik hoor kloppen aan de deur."
+
+Een nieuwe geweldige slag loeide los, over het dorp heen daverend.
+
+Vrouw Jansen hoorde het ook: "Er is iemand aan de deur."
+
+Men hoorde duidelijker kloppen nu, en Jansen ging opendoen.
+
+Een forsche kerel stapte binnen, en Willem Stoffels volgde zijn
+vriend. Zij dropen van den regen. Het weer had hen overvallen op den
+weg waar geen huis is.
+
+"Zwaar weertje" zeiden ze. "Is me dat iets?"
+
+Geen der vrouwen antwoordde. Anna was werktuigelijk opgestaan, en
+met de meisjes verdween de moeder in de keuken.
+
+"Geef ons een borrel," vroeg Willem.
+
+Het noodweer liet geen oogwenk af.
+
+"Wij zaten te bidden," zei Jansen. "Ik heb u niet binnen gelaten dat
+gij drinken zoudt. Bij zoo'n weer laat een kristelijk mensch zelfs
+geen hond op straat. Dáárom!"
+
+Er viel een slag dat de muren dreunend schenen te bewegen.
+
+Stoffels vloekte binnensmonds.
+
+"In den naam van God, barstte Jansen uit, daar wordt hier niet
+gevloekt, verstaan jullie."
+
+Een krakend geluid viel over 't huis neer, en een ander geluid
+rinkelde in het huis zelf. Met een slag stortte in de voorkamer een
+groot schilderij van den wand en 't glas er van viel aan stukken.
+
+Doodsbleek kwam moeder Jansen toegeschoten.
+
+"Heere," zei de herbergier, "het 'Hart Jesus' is van den muur
+gevallen. Geheel aan stukken...."
+
+"God bewaar ons, zuchtte de vrouw, dat beteekent ongeluk...."
+
+Het noodweer scheen nimmer te zullen eindigen. Eerst langzaam werd het
+allengskens minder en nam traagjes af. Jansen had somber neergezeten,
+zonder spreken. De regen hield nu op heftig neer te plassen. "Het is
+over," zei hij. De arbeiders hadden stil samen zitten praten.
+
+"Nu kunnen de meisjes zich wel weer laten kijken" grinnikte de oudere
+der twee.
+
+"Zou Anneke ons geen borrel willen schenken?" verstoutte zich Willem
+Stoffels. "Waar is ze?"
+
+"Hoor hier," beet Jansen toe, getergd en grimmig "als het niet geweest
+was om 't noodweer van vandaag, dan had géén moordenaar hier zijn
+voet over den drempel gezet! En alles wat ik je te zeggen heb, is:
+dat dáár de deur is."
+
+"Hola, hola," bracht de ander in het midden.
+
+"Spreek ik tot dooven?" tierde Jansen.
+
+Als geranselde doggen dropen zij af.--
+
+"Ik heb ze aan de deur gezet," zei Jansen in de keuken.
+
+Anna boog zwijgend het hoofd.
+
+
+
+"Als ik die den rooden haan niet een keer op het dak jaag," zei
+Willem Stoffels tot zijn kameraad, met een vloek als naar gewoonte,
+"dan wil ik stikken!"
+
+Zoo ging hij zijns weegs, het donker in.
+
+
+
+
+
+XI.
+
+
+Den eerst volgenden keer toen Hary Gerards in Brunssum terug kwam, was
+'t weer zomer-vakantie. Hij zou 't dorp niet weer verlaten nu, daar hij
+als onderwijzer was benoemd in de school, die zijn vader zoo vele jaren
+had bestierd. Hij werd zijn opvolger. Hary zag nieuwe kimmen rijzen.
+
+Vader Jansen was blij. Hary Gerards was een belofte in zijn oog. "Die
+kan nog een boel goed doen in de gemeente, meende hij. Het gaat nog
+eerst erg worden hier!"
+
+"Ja," zei Hary, "wanneer de landbouwende bevolking plotseling veranderd
+wordt tot een nijverheidsvolk, en de loonen stijgen, dan stijgen de
+uitgaven ook. Maar allen die niet geheven worden door 't nieuwe tij,
+moeten er in verzinken. Dan gaan de boeren onder, wanneer de lasten
+stijgen boven hun draagkracht."
+
+"En de boeren begrijpen niet, dat organisatie ze alleen nog redden
+kan!" was Jansen's overtuiging.
+
+"Organisatie gesteund door ontwikkeling. Waar kennis ontbreekt,
+stort alles in, gelijk een huis op drijfzand. En waar het juiste
+inzicht faalt, faalt ook het vertrouwen."
+
+"Een vreemd volkje hier," zei Jansen. "Als negen mannen, die het goed
+meenen, het volk hebben duidelijk gemaakt in ernst, wat er noodig is
+voor hun bestwil, wat er te doen is voor hun welzijn,--laat heel de
+boel zich opruien, wanneer er éen tiende komt die alles belachelijk
+maakt. De menschen hier lachen altijd met de lachers."
+
+"Daar helpt alleen onderwijs, en tucht misschien, voor zoover dat
+een gebrek verbeteren kan. Zoo was 't van ouds hier gesteld! Doch
+'t nieuwe geslacht heeft zich dronken gezopen aan zijn vrijheid."
+
+"Ja, dat vrije leven!--De kinderen maken zich van de ouders los,
+betalen een mager kostgeld van hun zwaar loon...."
+
+"De parochies maken zich los van de pastoors."
+
+"Waar de socialisten het op aanleggen!"
+
+"Wat moet er komen van een volk zonder God?"
+
+"Een zwijnenstal, meester."
+
+De beide mannen zwegen.
+
+"En wat hadden de boeren gelukkig kunnen zijn!" ging Hary voort met
+een zucht.
+
+"Ja, die van den ouden tijd waren gelukkigen."
+
+"Een man, wien zijn veld zijn wereld is, die zijn leven leeft zonder
+vrees en zonder verlangen, maar tevreden met God,--want godsdienst is
+niet vrees maar liefde,--die naar zijn akker schrijdt met de vogels
+over hem heen, en van zijn arbeid keert met de sterren boven zijn
+hoofd, die man gevoelt, te midden der wonderen van de natuur die hem
+omgeeft, van wasdom en groeikracht, dat God wandelt aan zijn zijde...."
+
+Lize riep haar zusje buiten onder 't open raam.
+
+"Hoor 's," zei ze. "Hary Gerards! Die zit vandaag op zijn praatstoel;
+God nog 's toe. Hij spreekt als een boek."
+
+"Geef hem een eigen akker, een eigen huis, een bezorgde huisvrouw
+die zijn gedachten deelt en kinderen die aan zijn knieën spelen,
+geeft hem vreugd in zijn arbeid, vertrouwen in zijn werk, geef hem
+liefde en hoop in 't hart, en eene ziel die zich op natuurlijke
+wijze tot haar Schepper keert, met simpele gebeden, eenvoudig
+als zijne gevoelens,--en er zal eene schoonheid in zulk een leven
+zijn als door geen andere levenden daarbuiten in de stad benaderd
+wordt.--Kan deze bevroeden dat er ongeloovigen zijn? Hij bemint God
+met den natuurlijken drang naar liefde die in zijn hart gelegd is,
+en deze liefde staat boven de kim zijns levens als de rijzende zon
+aan den heuvelrand. Heel de wereld en heel zijn ziel liggen in haar
+glans en luister. Dáár is Religie leven, en Leven poëzie."
+
+Hary liet zich meeslepen door zijn eigen woorden. Jansen hoorde hem
+aan met klimmende verbazing.
+
+"Het is niet mogelijk niet van God te houden, ging Gerards voort,
+wanneer het leven een voortdurende zegening is. Het is het eenvoudige
+leven van den landman, dat het leven is waarin de kunstenaars
+de schoonheid vinden uitgedrukt. Het moderne leven baart onrust
+en verlangen. Den schoonen vrede vinden de menschen eerst op het
+land. Op het land is God alom. De natuur openbaart Hem. Laat de boer
+onontwikkeld heeten, wanneer hij slechts deze wijsheid bezit! Doe de
+vooruitgang zijn deur ook niet aan; in zijn bestaan is verwerkelijkt
+de hoogste schoonheid voor alle tijden: het eenvoudige, oprechte
+leven...."
+
+Jansen knikte toestemmend, woordeloos.
+
+"Ik vrees, glimlachte Hary, dat 'k hier zit te preeken."
+
+"Zoo heb ik den pastoor zelf nooit gehoord," gaf Jansen toe.
+
+"Dag meester," zei Lize binnenkomend. "Heeft vader u al eens onze rozen
+laten kijken?" En zonder antwoord af te wachten: "Kom u eens mee naar
+den tuin. Ze zijn prachtig van 't jaar, niewaar vader? Anna is er ook."
+
+"Ja, ga eens mee," zei vader.
+
+"Anna zou er juist gaan plukken," voegde ze er aan toe; maar Hary
+voelde niet dat hare stem eventjes onzeker trilde.
+
+Anna bloosde toen zij hem den tuin zag binnen komen en tusschen de
+rozelaars het pad opgaan, recht naar haar toe.
+
+"Wij stonden onder het raam," zei Lize, "toen gij met vader bezig
+waart, zoo juist. Wacht even," zei ze, "ik haal gauw een mesje om
+een mooien knop voor u af te snijden."
+
+Anna zweeg en wachtend pluisde zij een paar groen ombolsterde
+rozenknopjes en ontdeed ze van de groene bladluizen die ze er zocht.
+
+Lize kwam niet gauw terug, gelijk ze had verzekerd.
+
+"Het is mooi weer vandaag", begon de redenaar van straks.
+
+"Ja," antwoordde Anna, "mooi."
+
+Gelijkelijk groeide de verlegenheid in beiden. Wat te zeggen,
+dacht hij, en vergat daarbij dat hij spreken moest. Hij raakte niet
+uitgedacht.
+
+"Het koren zal nu wel gauw bloeien," zei hij eindelijk weer.
+
+"De appelbloei was mooi van 't jaar" antwoordde ze.
+
+"Gij houdt van bloemen?"
+
+"Ja, veel...."
+
+"Van de rozen hier?"
+
+"Van de rozen, ja: maar ook van de veldbloemen."
+
+"Werkelijk," vroeg hij, "van 't veld?"
+
+"En van de wei! Waarom dan niet?...."
+
+"Ik heb altijd," zei Hary als in gedachten, "veel gehouden van
+de heide."
+
+Er ging een horizont open met dat woord voor beiden. Het was hem
+onbewust op de lippen gekomen. Maar nu gevoelde hij wat zij denken
+moest: die kermisavond, de overval waarbij de ander zich gewroken had:
+Willem Stoffels stond tusschen hen beiden.
+
+"Ik hou meer van 't veld," zeide ze. "Daar is leven."
+
+"Op de heide," sprak hij haar gedachte aanvullend, "is droom."
+
+"Ja," zeide Anna, "maar men leeft niet lang met zijn droomen."
+
+Lize kwam eindelijk. Zij gaf Anna 't mesje. "Snij er een heel
+mooie af!" En lachend voegde ze er bij: "ik mag immers niet, daar
+'k verloofd ben."
+
+"Wanneer zult ge trouwen?" vroeg Hary.
+
+"O, nog lang! Maar gij dan, meester?...."
+
+"Daar behooren er twee toe," antwoordde hij.
+
+"Hebt gij die tweede dan nog niet gevonden?"
+
+"Een goede vrouw wordt niet zoo maar gevonden, meen ik," zeide hij
+nadenkend; "zij wordt verdiend."
+
+En hij nam de roos uit Anna's hand die de oogen neersloeg.
+
+
+
+Op een morgen dat Anna niets vermoedend uit de eerste mis kwam, op een
+zondag was 't, voegde Willem zich bij haar. Hij had haar opgewacht;
+hij was er gekomen om haar te treffen. Zonder verklaring liep hij
+mee met haar en wachtte wat zij zeggen zou. Maar voor zich kijkend,
+gaf zij taal noch teeken.
+
+"Hoor eens," zeide hij, "men begint over je te praten in 't dorp,
+over jou met Hary van den meester. Maar ik wilde je maar eens zeggen,
+dat dát zoo niet verder gaan kan. Mij heb je den trouw beloofd en ik
+wil dus...."
+
+"Wat zou je zeggen?", riep Anna verontwaardigd.
+
+"Zou je 't heeten liegen soms?"
+
+"Ja," zei ze, "leugenaar die je ben, wat bezielt je?"
+
+"Dat het je niet goed zal gaan, als je van mij af wil zijn."
+
+"Ik heb nooit wat met je te maken gehad, en zal nooit iets met je
+hebben uit te staan. En laat me gaan...."
+
+Toen begon hij te vleien en te bezweren.
+
+Maar zij wilde geen antwoord meer geven, al wist ze dat alles tusschen
+hen gedaan zou wezen na dit oogenblik.
+
+Doch wát was er geweest,--méér dan een droom of de herinnering van
+een droom, in duigen gestort voor den adem der werkelijkheid?
+
+"Heb je Hary Gerards wat beloofd?"
+
+"Heb jij daar mee te maken?"
+
+"Het zal jou ongeluk zijn en het zijne."
+
+Zij zag hem verachtelijk in 't gezicht.
+
+"O, je ben te trotsch, he, te grootsch voor éen als ik, omdat je vader
+geld heeft en je moeder kan pronken met wat ze te veel heeft. Doch
+drijf me maar tot het uiterste!"....
+
+"Ik drijf je tot niets en vraag je alleen mij verder gerust te
+laten. Ik ben je vreemd en verder heb 'k je niets te zeggen."
+
+"Valsche kat," vlijmde hij. "Je moet niet denken dat er geen anderen
+zijn als jij, en je hoeft me niet te behandelen als een bedelaar: want
+ik verteer tienmaal meer in één week, dan je vader in een heel jaar."
+
+Zij ging steeds voort, en hij volgde haar steeds.
+
+Onrust woelde in haar binnenste en de verontwaardiging deed haar
+wangen gloeien.
+
+"Scheer je weg," riep ze luide, want ze dacht wel dat menschen volgden
+op de straat.
+
+"Anna, Anna, begon hij te bidden op smeekenden toon. Als je toch maar
+verstaan kon, hoeveel ik van je houd...."
+
+Maar hij was voor haar niets anders dan de aanrander van Hary.
+
+"Zie," ging hij voort, "ik was soms bang dat ik je niet kon te spreken
+krijgen dezen morgen en daarom schreef ik je dezen brief. Daar, lees
+dien; ik geef hem je nu toch maar! En schrijf dan terug. Dan ga ik
+nu verder. Zul je 't doen?"
+
+En werktuigelijk had ze zich het papier in de handen laten stoppen.
+
+'s Avonds in den maanlichten nacht, overzag zij de regels van zijn
+brief waarin hij zeide:
+
+"Anna, als je met een ander trouwen zoudt, zou je mij den dood
+aandoen. Doch je zult 't laten, als je je eigen leven lief is...."
+
+Ze verfrommelde het schrijven onwillig.
+
+Dan ging zij voor de tafel zitten en schreef met potlood:
+
+"Ik geloof niets van alles wat gij zegt. Laat mij in vrede. En verder
+ga 't u wel...."
+
+En ze zat in gedachten en beet op het potlood zonder het te weten.
+
+Toen stond zij plotseling op, greep beide papieren, scheurde ze in
+lange reepen, streek een lucifer aan en verbrandde ze buiten het
+venster op 't raamkozijn. Ze zag de vlammetjes na in hun kronkelen
+en blies de asch weg in den wind en den nacht.
+
+"Ik zal niets antwoorden."
+
+En zoo blies zij alles weg wat "hij" niet was, de eenige dien zij
+lief kon hebben.
+
+
+
+
+
+
+XII.
+
+
+"Wat zeg je van 't nieuws?"
+
+"Wat?" vroeg Willem Stoffels zijn kameraad.
+
+"Wel, van Anneke van Jansen en Hary van den meester."
+
+"Wat zou daarmee?"
+
+"Daar zou mee, dat jij je dat voor je neus hebt laten kapen."
+
+"Kapen? Dat zou wat!"
+
+"En je had zooveel praats dien keer, toen de oude je de deur wees."
+
+De groote kameraad lachte schamper.
+
+"Zijn schuur staat er nog altijd zooals ze er altijd gestaan heeft. Je
+ben me wel een held."
+
+"Laat hem dan maar eens eerst zijn oogst binnen hebben!"
+
+
+
+De mijnwerkers traden in de groote ruimte waar zij wisselen van
+kleederen. Buiten namen zij ieder hunne koperen mijnlamp en gereedschap
+en wachtten, op den grond gehurkt in groepjes of bij elkander staande,
+hun beurt af om neer gelaten te worden in de diepte. Slechts weinigen
+hadden zich verzameld tot het gemeen gebed, bij 't teeken van den
+opzichter. Daar was een ander vertrek, met een kruisbeeld in een
+altaarnis, dat tot kapel dienst deed.
+
+Willem Stoffels zag zijn betere mede-arbeiders gaan en weer terug
+komen. "Onnoozele halzen" noemde hij ze.
+
+De mijnput had opgehouden indruk op hem te maken. Toen hij den eersten
+keer in de ijzeren kooi gekropen was en op dat zwevend voertuig in
+de diepte van den steenen nacht was neergezonken, had een nijpende
+angst hem beslopen. Het was een hellevaart. Bij 't schijnsel
+zijner lamp had hij de drie kerels, in de kooi met hem aanwezig,
+voor duivels gehouden. Het oogenblik dier nederdaling had een dag
+geschenen. Hij zag het wit der oogen in de bleeke troniën der mannen,
+die met opgetrokken knieën tegenover hem daar zaten neergehurkt. Het
+was als eene verlossing toen de kooi stokte; doch daar begon eerst de
+verschrikking weer opnieuw. Het was de onveranderlijke, onvermurwbare
+nacht van steenen stilte.
+
+Met zijn bengelend licht was hij door de lage gaanderijen gekropen;
+dan had hij over zijn rug moeten glijden langs een steile helling,
+waar de losse steenkool wegschoot onder zijn voet. De bedrijvige
+arbeiders bij hun werk in den afgrond, hadden een ijzingwekkend
+voorkomen, wanneer men ze plotseling onderscheiden kon tegen het
+zwarte duister. Dan was het alsof de nacht er vorm aannam in hunne
+krommende lijven die daar zwoegden. Het zwarte stof maskerde hunne
+bezweette gezichten, waarin het wit der oogen feller schitterde bij
+'t schemerige, rosse lamplicht. Het ronkend gerij der kolenwagentjes,
+die van alle verdiepingen en gangen langs glooiende gelijdingen van
+ijzer neergleden en beneden door paarden werden vervoerd, vervulde
+de doodsche stilte met een gedempten donder van geluid. Het klonk
+telkens als van ver-af naderend onweer.
+
+Door plassen water had hij er gewaad; door gangen was hij heengegaan,
+waar ijzeren buizen langs de wanden liepen voor den aanvoer van
+versche lucht, en door andere gangen die geheel geschraagd werden door
+palen, palissaden van hout over honderden meters. Hij zag de palen
+en steunsels bedekt met schimmelplanten als met een vuil schuim,--het
+eenige dat niet zwart was in den eeuwigen nacht der aarde.
+
+Wanneer dat nu eens week en toegaf aan den druk der steenen zoldering,
+had hij gedacht; wanneer de kooi eens ophield te zinken of te stijgen?
+
+Hij had den man zien staan bij de machine, die het groot geheel van
+riemen en raderen alléén drijft en duizend menschenlevens in zijn
+handen houdt. Als deze eens dood neerstortte?...
+
+Toen had hij angst gekend.
+
+"Glück auf" zeiden de werkers bij het elkaar ontmoeten.
+
+"Waarom die groet in de mijn?" had hij eens hooren vragen door een
+bezoeker. Iemand had er op geantwoord:
+
+"Het "goede morgen" zou ze den dag herinneren, en hier moet dat
+alles, licht en zon vergeten blijven, om den nacht niet smartelijker
+te gevoelen."
+
+Soms had hij zijn houweel en schop wel willen wegslingeren; hij had
+kunnen uitbreken en vluchten uit de grafstilte omhoog, uit den dood
+en de donkerte.
+
+"Glück auf!", zóó prikkel je de zucht die ze gedreven heeft in deze
+uiterste duisternis, de zucht naar geld en goud.
+
+Spreek niet van den "goeden dag" tot deze mannen der donkere daad.
+
+Hij had dit leven onder den grond als een last gedragen.
+
+Half bedolven tusschen het donkere gesteente, in nieuw gegraven
+beddingen sloofden de arbeiders voort, somber zwijgend. Het was
+gevaarlijk te spreken of te zingen, daar het oor steeds waakzaam zijn
+moest: elk oogenblik kon 't signaal weerklinken, dat steeds als het
+luiden van den dood is. Anderen duwden wagentjes voort, anderen zaten
+intusschen neer in afwachting. Zij zwoegden er soms halfnaakt, met
+openhangend hemd en bloote armen, of in hun baaitje alleen. Het zweet
+droop van het glimmend zwarte aangezicht. Hoe had hij gegruwd van hen.
+
+Maar al die verschrikkingen gingen voorbij. Dat was de vroegere
+kinderachtigheid die uitgeroeid moest worden. Daarvoor kwam overmoed
+in de plaats,--de overmoed der brutale kracht. Wij zijn de toekomst,
+want de arbeid is koning! Wij zijn de ijzeren steunpilaren, die de
+menschheid torschen! En voor dien arbeid het volle leven in vrijheid
+en vreugd. Hoog de schuimende kroezen! Lachend in dien roes den
+dood gedronken....
+
+Willem Stoffels had de spade opgenomen en begon den leegen bak te
+vullen met zware brokken. Zij bonsden in de wagentjes neer. Zoo
+rolden ze voort met eentonig dof gedonder, af en aan, weggestuwd en
+weer aangevoerd onophoudelijk in den onveranderlijken nacht der acht
+lange werkuren. Soms sloeg de verre donder eener ontploffende mijn
+een zwaarderen slag, die aan bange echo's geluid gaf in de holle
+aarde. En steeds klonk het ijzeren geronk der kipkarretjes en het
+gebons van 't laden voort, als het zware ademen des levens in het
+blinde donker, de bloedsomloop door de holle pijpen en ingewanden
+van het steenen aardelijf.
+
+Willem Stoffels arbeidde voort, sprakeloos, werktuigelijk. Bijna was
+de helft van den arbeidsduur verstreken. Weldra zou hij neerzitten
+bij zijn werk, te midden der losgewoelde steenbrokken, met de overigen
+hun brood etend uit de zwarte handen, koffie drinkend uit de blikken
+bussen die ze meevoerden op den rug.
+
+Toen, gelijk een bliksem valt, plotseling! Hij hoorde het scheurend
+gekraak. Angstgegil steeg van vertwijfelde stemmen. Het stervensgekreun
+stierf weg in 't gedonder van 't verstervend gedreun. Waar de
+opgejaagde arbeiders in wilde vertwijfeling vluchtend elkander
+verdrongen, duisterde een zware stof damp, die opgolfde van de
+instorting.
+
+
+
+"Moeder," kuchte de pastoor van Brunssum, toen hij over den drempel
+van de hut trad waar Stoffels woonde.
+
+De vrouw kwam hem te gemoet in stomme verbazing.
+
+"Gij moet niet schrikken," zeide hij geruststellend.
+
+"Mijnheer pastoor, 't is lang geleden dat gij hier geweest zijt,"
+klonk het berouwvol.
+
+"Luister eens moeder, zet u eens bij mij neer."
+
+"Beteekent het ongeluk, dat gij tot ons komt," vroeg zij deemoedig
+en schuchter.
+
+"Alles komt uit Gods hand, moeder; het een zoowel als het andere. Ook
+de beproevingen.--Is Stoffels thuis?"
+
+"Neen, mijnheer pastoor, hij is uit werken, op de heide. Doch wat
+is er?"
+
+"En Willem?...."
+
+"Is ook niet thuis. Hij komt van avond terug om acht uur."
+
+"Moeder...." de pastoor zocht naar woorden. "Gij hebt nog niets
+gehoord, van wat er gebeurd is?"
+
+"Och God" zei ze. "Daar heb je 't al. Is het iets ergs?"
+
+"Ja," zeide de pastoor, haar onderzoekenden blik ontwijkend.
+
+"Wat is het dan? O, ik voel wat het is...."
+
+"Welnu dan, ja. Er is een ongeluk gebeurd."
+
+"Toch niet op de mijn?....."
+
+"Te Amstenrade. Er zijn gewonden, verschillende...."
+
+"God in den hemel, mijn jongen! Willem. Zeg het me, wat is er!"
+
+"Verschillenden zijn er getroffen, ook van Brunssum. Maar...."
+
+"Waarom zoudt gij hier komen als er niets was? O, mijnheer pastoor. Is
+er iets met Willem? Is hij erg....?"
+
+De vrouw verborg het gelaat in de handen.
+
+"Moeder, als er nu eens wat gebeurd was met Willem, zoudt gij u dan
+overgeven in Gods heiligen Wil?"
+
+Zij snikte zonder te antwoorden.
+
+"Zeg nu eerst eens met mij: Gods Wil geschiedde. Alles wat gij doet,
+o Heer, is welgedaan."
+
+"Hij heeft zijn Paschen niet gehouden," kreunde zij.
+
+"Moeder, Gods barmhartigheid is immers oneindig."
+
+"Hij is dood, niet-waar? Zeg het me dan toch!"
+
+"Ja," antwoordde de priester met ontroering. "Zoo is het."
+
+Zij wrong de handen en viel op hare knieën neer waar zij stond.
+
+"Help, o God, mijn jongen!".... De woorden gingen verloren in den vloed
+der huilende jammerklachten, die geen troost van menschen stelpen kon.
+
+Stoffels kwam binnen op dat oogenblik. Het toeval scheen hem naar
+huis gedreven te hebben, zoo 't niet de stem des bloeds geweest was,
+die luide werd in zijn borst.
+
+"Willem, Willem!" kreet de moeder toen zij hem zag.
+
+Zwijgend knikte de pastoor, bevestigend.
+
+"Wat? vroeg hij.--Een ongeluk? Toch niet dood?"
+
+En de man zonk gebroken neer.
+
+
+
+Toen de pastoor de hut der ongelukkigen verliet, lag de heide, in
+de laatste gulden glorie van den zonnedag, zoo vredig en gerust,
+dat het den grijsaard door de ziel ging. Daarbinnen jammerde de
+tragedie der menschelijke ellende. Was de rust der natuur in hare
+kalme grootschheid er niet de bespotting van?
+
+Toch liever dood blijven onder den open hemel, dacht de pastoor. Van
+den put der mijn is de weg naar de hel de kortste.... de heuvelen
+zijn God het dichst nabij.
+
+
+
+Dien nacht op den Heksenberg vierden, met duizelenden dans in het
+donker, de zwarte wijven hare duivelsche vreugde.
+
+
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+"Anna, Anna, gauw, kom 's hier!"
+
+Anna vond haar zusje met het tijdschrift van den Volkszang in de
+voorkamer. Lize legde 't bandje op tafel, legde er de hand op bij
+een bepaald punt en riep triomfantelijk: "lees!"
+
+Anna begreep niet waar 't heen moest.
+
+"Lees," zei Lize gebiedend en lachend.
+
+Anna over haar heengebogen, gehoorzaamde. Het was een gedicht, en
+Lize bedekte den naam van den schrijver. Zij lazen. "Lotharingen"
+heette het.
+
+"Wat is Lotharingen?" vroeg Lize.
+
+"Dat weet ik niet," zei Anna. "Laat me nu maar eens eerst lezen. Is
+het iets van den oorlog van zeventig?"
+
+Zij begon:
+
+
+ Daar was eens een koning in het land,
+ Het land van Lotharingen;
+ Hij was zoo lustig en galant
+ En wist zoo fijn te zingen.
+ Hij was zoo blijde wijl hij zong;
+ Hij zong wijl hij zoo jong was.
+ Hij had een stem gelijk een gong,
+ Een stem die als een gong was.
+
+ «Wie zit daar treurend op den steen
+ En wil niet lachen of zingen?"
+ --«O God, ik ben zoo heel alleen
+ In 't land van Lotharingen!
+ Ik minde mijnen vedelaar:
+ Zijn stem gelijk een gong was.
+ Nu schrei ik sinds en jammer maar;
+ Ik lachte toen ik jong was.»
+
+ «Ik ben de knapste soldenier
+ Aan 't hof van Lotharingen;
+ Het geeft voor 't leven meer plezier
+ Zijn lied getwee te zingen!...."
+ De meid bij hem in 't zadel sprong,
+ Hoe hoog voor haar de sprong was.
+ Nu lachte zij weer, en hupte en zong,
+ En lachte als toen zij jong was.
+
+ Hij nam haar handjen in zijn hand
+ En gaf haar spelden en ringen.
+ Hij was de koning van het land,
+ Het land van Lotharingen....
+ --Mij liet mijn liefste zoo alleen;
+ Zijn stem gelijk een gong was.
+ Weet gij soms den weg niet naar Loth'ringen heen?....
+ Ik wist hem toen ik jong was.
+
+
+"Is 't daarmee uit?", vroeg Anna.
+
+"En weet jij nu wat Lotharingen is?"
+
+"Nee," antwoordde ze.
+
+"Merkelbeek" zei Lize met gewicht.
+
+"Dáár!" en zij nam de hand weg van de rest van 't blad. En Anna las
+er den naam van Hary Gerards, en bloosde.
+
+Anna was nadenkend gebleven heel den dag. In den namiddag hadden zij
+gehoord wat er te Amstenrade was voorgevallen. Een half uur later was
+'t bekend geworden in het dorp, dat ook de jonge Stoffels van Brunssum
+verongelukt was bij de instorting. Hij behoorde tot de vermisten. 's
+Anderdaags groef men zijn lijk op.
+
+
+
+Twee maanden later zat zij met Hary Gerards als naar gewoonte in
+het priëeltje.
+
+"Hary," zei Anna. "Hoe kan er iets worden tusschen ons? Het kan niet,
+onmogelijk."
+
+"Maar Anneke, schrok hij verbaasd op. Wat is er dan? Ik versta je
+niet. Ik begrijp er niets van."
+
+"Er rust een zware schuld op mij," en zij boog 't hoofd.
+
+De jonge man nam hare hand in de zijne en streelde ze zachtjes.
+
+"Kun je je niet verklaren?" vroeg hij.
+
+"Ik had hem kunnen redden, en nu is hij door mijne schuld verloren
+gegaan, zuchtte zij. Hary, ik hing aan jou, en hem heb ik ongelukkig
+gemaakt. Als ik gewild hadde, ware hij een beter mensch geworden. Ik
+had me moeten offeren voor zijn geluk en zijn ommekeer. Ik achtte
+het niet. Nu is het te laat."
+
+Zij liet het hoofd op zijn schouder zinken.
+
+"Anna", fluisterde hij, haar troostend.
+
+"Wat moet ik doen?"
+
+"Kom," zeide hij, "spreek eens uit. Wat was er dan tusschen jou en
+hem? Meen je Stoffels?"
+
+"Hary," zeide ze, "zoowaar als ik hier zit, er was niets tusschen
+ons. Wij zagen elkaar als kinderen. We waren éénmaal samen uit. Je weet
+zelf wel, dien avond. Het was toen. Anders niet. Maar ik had me iets
+gedroomd, ik weefde fantasieën; ik dacht aan hem voortdurend. Het was
+mij altijd, als moest er tusschen hem en mij iets gebeuren, als moest
+er iets wonderlijks komen van geluk en--ik weet niet wat. Ik zag hem
+nooit gelijk hij werkelijk was, maar altijd anders. Ik zag alleen maar
+moois, en mooier dan het bestaande. Maar toen ik begon te begrijpen,
+toen ik inzag en alles doorschouwde, ja--toen hield het nog niet op,
+toen was het nog niet uit. Ik verdroeg zijn gezicht wel niet meer,
+ik ging hem haten; ik haatte hem sinds dien avond dat hij zich aan
+jou vergreep; maar het scheen alsof er een ander gekomen was naast
+hem. Toch bleef ik hem zien zooals ik hem in mijn droomen gezien
+had,--als behoorde hij niet tot de hut. Het was alsof die ander,
+die vloekte en laag werd, alleen de wolk was die voor de zon gegleden
+kwam. En 'k bleef mijn droom gelooven, gelooven en zien, tot...."
+
+"Tot het einde?"
+
+"Ja, tot alles ophield. Dat is het einde mijner jeugd geweest."
+
+"En nù de werkelijkheid, Anna!"
+
+Zij sprak niet een lange poos.
+
+"Kind-lief," zei hij, "wij dragen allen den rouw onzer jeugdillusies
+het leven door en leggen dien sluier niet af, zelfs niet bij de
+hoogefeesten onzer beste vreugde."
+
+"Was ik niet slecht?" vroeg zij in vertrouwvolle overgave.
+
+"Kind," zeide hij, "slechts weinigen zijn er geroepen tot
+heldhaftigheid. Je eigen geluk offeren voor het heil van een ander, is
+het bewonderenswaardige dat alleen buitengewone menschen kunnen. Het is
+bijna bovenmenschelijk. Je hebt je waarlijk niets te verwijten. Doch
+zoo je werkelijk misdaan had door het goede te verzuimen, dan ware
+er altijd nog gelegenheid om dat goed te maken door goed te doen."
+
+"Wat kan ik doen?" vroeg ze hem.
+
+Hij sloeg zijn arm om haar heen.
+
+"Ik ken iemand," zeide hij, "die na een leven van dicht en droom,
+een leven van daad wil gaan beginnen. Het is mooi met schoone dingen
+bezig te zijn in zijn gedachten; maar het is beter goede dingen te
+doen. Schoon Limburg ligt te zieltogen; maar het volk onzer gouwen,
+het wel en het wee der menschen, dat is méér. Het heden eischt onze
+zorgen en bemoeiingen, offer en bekommernis, en de toewijding van
+brein en bloed. De sociale strijd is begonnen in dezen overgangstijd
+tusschen oud en nieuw. Den man is het voorbehouden de kling te zwaaien;
+maar het is der vrouw weggelegd den man te gorden met moed en kracht,
+hem te steunen met haar troost, hem te schutten met hare liefde."
+
+"Anna" ging hij voort,--want zij zweeg steeds--"ons land behoeft alle
+jonge krachten: doch zóó ook behoeven mijne jonge krachten u...."
+
+Rondom schetterden de vinken het lied des levens vroolijk uit.
+
+
+
+Weer zaten zij in 't priëeltje samen.
+
+"Was die droefheid niet de schemering van een beter verblijden?",
+vroeg hij haar met innigheid.
+
+Zij glimlachte weemoedig.
+
+"En toch kan ik niet juichend blijde zijn en lachen als een gelukkige
+bruid."
+
+"Zie," zeide hij, "dat is de stilte van den rijpenden zomer: het
+is de stemming ook van ons eigen lieve land. Het was voor jou een
+kinderdroom, een jeugdillusie, wat voor ons arme Limburg de lente was
+van een patriarchalen, gelukkigen tijd. De droom van schoonheid is
+verstoord, de bloesems vallen. Maar wij gaan den tijd tegemoet die
+oogst geeft en vruchten. Voortaan zal er gewerkt moeten worden voor
+het behoud van Limburg's volk en zijn ouden aard. Daarbij nu zullen wij
+getweeën zijn! En getwee zullen wij bouwen tevens aan ons eigen geluk."
+
+"Je moet mij nog veel leeren," zeide zij.
+
+Zoo legden zij de handen in elkaar.
+
+"Waar zullen wij zoo onzen eigen haard bouwen?" vroeg hij.
+
+"Waar korenvelden zijn," antwoordde ze, "weidebloemen voor de deur,
+vruchtboomen over het dak en leeuwerikken."
+
+"Eens droomde ik," zeide hij in gedachten, "het zou aan den rand der
+groote, roerlooze, roode heide zijn. Doch de heide moeten wij laten
+varen met onze droomen, nu de arbeid roept. Het zal wezen gelijk je
+zegt,--en onder den rook der mijn."
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Onder den rook der mijn, by Felix Rutten
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONDER DEN ROOK DER MIJN ***
+
+***** This file should be named 24115-8.txt or 24115-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/4/1/1/24115/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.