summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/24116-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '24116-8.txt')
-rw-r--r--24116-8.txt10636
1 files changed, 10636 insertions, 0 deletions
diff --git a/24116-8.txt b/24116-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..b45b3e4
--- /dev/null
+++ b/24116-8.txt
@@ -0,0 +1,10636 @@
+The Project Gutenberg EBook of Diamantstad, by Herman Heijermans Jr.
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Diamantstad
+
+Author: Herman Heijermans Jr.
+
+Release Date: January 2, 2008 [EBook #24116]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIAMANTSTAD ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ DIAMANTSTAD
+
+ DOOR
+
+ HERM. HEIJERMANS JR.
+
+
+ TWEEDE DRUK.
+
+ AMSTERDAM.--S. L. VAN LOOY.
+
+ 1906.
+
+
+
+
+
+
+
+ Typ. Firma Ruijgrok & Co.--Haarlem.
+
+
+
+
+
+
+BEGELEIDEND WOORD, EERSTE DRUK.
+
+
+Van het eerste deel van dit groote stads-verhaal verschenen fragmenten
+in 1898-1899. Bij het gereedschrijven in 1903 heb ik deze omgewerkt
+en verbeterd. Het leek onwenschelijk--immers afmattend voor den
+lezer--verklaringen van het bargoensch te geven.
+
+
+Heijermans.
+Katwijk-aan-Zee, Maart 1904.
+
+
+
+
+
+BEGELEIDEND WOORD, TWEEDE DRUK.
+
+
+Schrijver van dit werk--tegenstander van Inleidingen--begeeft zich
+opnieuw, met weerzin, in eene verklaring.
+
+De tijd zou er buiten kunnen, buiten moeten, als het lezend publiek
+van de verhouding van beoordeelden en beoordeelaars weet had.
+
+Over _Diamantstad_ moet heel wat betoogd zijn, zelfs proza, zelfs
+onwelriekends.
+
+Zij, die het verhaal (géen roman) door de plotselinge betreding der
+diamantbewerkers-sfeer, in zijn boekvormpublikatie stuitten (Verg. de
+hierboven genoemde jaartallen) moeten, om de aandacht eener unfairheid
+af te leiden, 't hardst geschetterd hebben.
+
+Het is noch tegen dierbaren, noch tegen een bepaald geval, noch tegen
+den algemeenen geest-van-verwording in de letterkundige aanschouwing
+van dit land, dat deze inleiding gesteld wordt.
+
+
+
+In littérairen zin van de gemoedelijkste onverschilligheid,
+onbereikbaar voor de gevreesden-van-vandaag, de goden met den eenen
+voet in de eeuwigheid, den anderen in 'n krant, meenen we dat onze
+période-van-zwijgen nog niet geheel is gekomen, vooreerst niet
+komen kan.
+
+In de groote pers geen gastvrijheid vindend, om onze overtuiging
+uiteen te zetten, doodgezwegen of met 'n handigheidje terzij-geschoven,
+achten we het zeker nuttig vermaak de drukken en herdrukken der eigen
+schrifturen van een polemisch allerlei te voorzien, hetwelk hier en
+daar 'n lezer, niet door lieve vrienden voorgelicht, tot meditatie
+van ook ònze bedoelingen, kan verschalken.
+
+De vergissing van den sociaal-demokratischen auteur in het bijzonder,
+is zijn geloof aan een eigen, wel-doordachte, wils-rijpe levenslijn.
+
+'t Eerste 't beste liberaal lidje van 'n gemeente-raad of van de
+Kamer--tijdgenoot, van huis-uit merkwaardiger dan 'n auteur--heeft het
+recht tegen onjuiste opvatting van zijn argumenten over riooleering
+en verlichting, in Raads- en Kamer-overzicht, protest aan te teekenen.
+
+Een auteur, niet in deze dadelijke belangen-richting werkzaam, wordt
+als een onmondig beestje behandeld.
+
+De zaak heeft hare tragische zijde--voor hen, die de schrijver meende
+te helpen.
+
+Een voorbeeld uit vele:--het Spel-van-de-zee _Op hoop van
+zegen_ vestigt op "zekere misstanden" de publieke aandacht, anno
+1899. Bezadigd aan, na mudden vuil, kolommen laster, daagt eene
+gedeeltelijke kentering, eind 1906. Hulde!
+
+Sinds 1898 worden fragmenten uit het groote-stadsverhaal
+_Diamantstad_, zonder rillerige bedoeling van epos, romantiek,
+literatuur gepubliceerd--'n auteur, enkel gegrepen, ontroerd door
+misdadige ellende, praat met zijn Gemeenschap.
+
+De littéraire hommels snorren toe, kwijlen over een "roman"--kleeden
+den kouter tot over z'n navel uit--geen hand komt voor de aangeduide
+schande in beweging.
+
+Vleesch-geknoei in Amerika--ah, 'n gruwel--afgehakte vingers
+geconserveerd--om 't te besterven!
+
+Maar de woning-ellende, de degeneratie-door-armoede, de heenrotting
+van dicht-bije medeburgers, wien interesseert dat, als 'n zin zich
+onkuisch voordoet, als 'n beschrijving epischer te geven is, als
+'n parabool mishaagt?
+
+Welk een minderwaardige tijd is de onze.
+
+Jammer en smart worden tot leesbare, liefst dikke boeken, ter eere
+eens ijdelen schrijvers verkneed--en 'n "verhaal" dat met verbittering
+het gewonde leven omhoogstuwt, wordt door 't gejenk-over-kunst den
+zwakbeenigen lezer tegen-gemaakt.
+
+Waren sommige hoofdstukken van dit boek niet uitermate geschikt, om in
+synagogen en be-kruiste kerken van den kansel te worden gelezen--of,
+na het gebed in den gemeenteraad--of, bij de uitvaart van 'n armen,
+in zorgen gestikten jood?
+
+Moeten we àllemaal dienen voor in kunst barstende krante-kolommen?
+
+
+
+De levenslijn des auteurs.
+
+Mei 1898--de schrijver van _Diamantstad_ houdt waarlijk geen oratio
+pro domo, nà wat ongure aanvallen--had in het tijdschrift _De Jonge
+Gids_ eene polemiek met den heer L. van Deyssel, die zich loffelijk
+over verschenen fragmenten had uitgelaten, plaats.
+
+Men pleegt zelden tegen verheugende beoordeeling op te komen--de
+auteur-mèt-zijne-levenslijn verdedigde zich, wilde niet aanvaarden.
+
+O.m. en ongeveer schreef hij het volgende:
+
+
+ WelEdgeb. Heer Van Deyssel,
+
+ In de voorlaatste aflevering van het "Tweemaandelijksch
+ Tijdschrift", is U zoo vriendelijk op meer dan welwillende
+ wijze over den arbeid _Diamantstad_, dien ik in _De Jonge
+ Gids_ begonnen ben, te spreken. Het was mijn voornemen U naar
+ aanleiding van door U gebezigde uitdrukkingen, eenige vragen
+ te stellen. Bezigheden hebben dat tot heden belet--er was
+ geen buitengewone spoed bij. U schrijft:
+
+
+ "Het feit dat dit (de gepubliceerde hoofdstukken)
+ uitmuntende literatuur is, zou het zeer onaangenaam
+ doen vinden als het gevaar voor ondergang van
+ een inderdaad groot talent bleef voortduren door
+ veelschrijverij of minder goede letterkundige
+ situatie"...
+
+
+ _Veroorloof mij op te merken, dat het qualificeeren van de
+ beschrijving der toestanden, der werkelijke toestanden in
+ een stadsdeel van Amsterdam--van toestanden zoo gruwelijk
+ en schandelijk, dat zij alle daden van wanhoop zouden
+ rechtvaardigen--tot "uitmuntende literatuur" een lof is,
+ die mij pijnlijk heeft aangedaan._
+
+ _Het zoo formuleerend, doet U wel zeer scherp uitkomen het
+ verschil dat er in onze aandoeningen bestaat._
+
+ _Ik vermeende een déél der ellende te beschrijven--gij
+ kijkt over die ellende heen, vermeidt U in de "uitmuntende
+ literatuur", op die gruwel-toestanden geinspireerd._
+
+ _Ik herhaal: die woorden hebben mij gehinderd en eene
+ gedeeltelijke ontnuchtering gegeven._
+
+ _Het schijnt het noodlot van alle aanklacht, allen opstand
+ tegen verdrukking, om--zoo de uiting door wat men een
+ "kunstenaar" noemt, plaats heeft--als literatuur te worden
+ verstikt._
+
+ _Aan dat noodlot heeft U mij welwillend herinnerd._
+
+ Gij zegt dat gij het zeer onaangenaam zoudt vinden, als
+ voor den auteur in quaestie "het gevaar voor ondergang door
+ veelschrijverij of minder goede letterkundige situatie bleef
+ voortduren", nadat gij even te voren volkomen terecht opmerkt,
+ dat hij tot 1896 niets van waarde publiceerde.
+
+ De door U besprokene breekt Augustus 1896 met zijn baantje,
+ als tooneel-recensent, in dienst der zich vermakende
+ bourgeoisie. Van af dien datum _tracht _hij in de allereerste
+ plaats voor degeen die het noodig hebben, voor zichzelf in
+ de laatste iets te zijn. Gij let nu wel op dat hij _na_ 1896
+ "literatuur" geeft, begrijpt evenwel niet _de oorzaak_.
+
+ Waarom zoekt gij niet de schuld van dat _tot_ 1896 impotent
+ zijn bij de omstandigheden?
+
+ Waarom niet ruiterlijk gezegd: "Ziet hier dan weder een auteur,
+ die van de alles vermuffende, ideaal-looze bourgeoisie--de
+ bourgeoisie vermoordster van alle kunst, ook van haar eigene,
+ voor zoover het kòn vrijgekomen, tot ontwikkeling van wat
+ goeds in hem is, geraakt."
+
+ Ziet gij niet het sterk contrast tusschen den
+ bourgeois-auteur, tot midden 1896 gekneveld--en den wakker
+ geworden sociaal-demokraat, bezield door een ideaal, eene
+ levensbeschouwing, niet meer hechtend aan "reputatie"?
+
+ Waarom in uwe vage termen gesproken?
+
+ Waarom gaat gij, die bij scherper nadenken beter kondt weten
+ met beschouwingen voort, die niet het individu in quaestie,
+ maar uitsluitend het economisch verband, het Stelsel dat
+ _alle_ productie aan eene heerschende klasse ondergeschikt
+ maakt, raken?
+
+ Onmiddelijk na uwe meening dat _Diamantstad_ "uitmuntende
+ literatuur" is, vervolgt gij met de reeds genoemde bedenking,
+ dat de auteur ook nu nog kans heeft onder te gaan door
+ "veelschrijverij of minder goede letterkundige situatie." Ik
+ ben dit met U eens. Maar alweder heb ik overwegingen.
+
+ Wanneer een schrijver ondergaat door "veelschrijverij of
+ minder goede letterkundige situatie"--aan wien de schuld?
+
+ Beseft gij niet, dat hier weder de _omstandigheden_,
+ het worstelen van 'n individu om zich staande te houden,
+ _oorzaken_ zijn?
+
+ Gij en ik "leven van onze pen." Welke is _uwe_
+ belooning? "Welke de mijne? Kent gij--alleen voor u ziende
+ de opbrengsten uwer "pennevruchten"--één oogenblik zorgeloos,
+ frisch leven?....."
+
+
+
+
+Van dit opstel--Mei 1898--is het, in verband met het voorafgaande te
+missen slot, om motieven van duidelijkheid geciteerd.
+
+De hoofdzaak bepaalt zich tot het _gespatieerd deel_ waarin de
+schrijver van _Diamantstad_, tóén nog aan geen boekvorm denkend,
+de loftuiting eener "uitmuntende, literatuur" als eene beleediging
+verwierp.
+
+Nutteloos.
+
+Van 1898 tot 1904 (eerste uitgave) blijven de "werkelijke toestanden
+in een stadsdeel van Amsterdam, zoo gruwelijk en schandelijk, dat
+zij alle daden van wanhoop zouden rechtvaardigen", ònveranderd. Geen
+der lettrés kreeg de branding in het hoofd mee de alarmklok te
+luiden--dit boek, dat zich niet tot literatuur wilde verlagen, dat
+eerlijk zei wat het wilde, werd door 't gelik, 't dekadent gewauwel,
+'t gesatineerd woord-ontrafelen, aan dàt deel van het publiek, dat
+zich láát leiden, onttrokken.
+
+Van 1904 tot 1906 is de ellende in de jodenbuurt Ellende--de
+hart-ontroerende hollandsche literatuur vadzige, zelfzuchtige, enkel om
+"schoonheid" blerrende Literatuur gebleven.
+
+
+
+"Het schijnt het noodlot van alle aanklacht, allen opstand tegen
+verdrukking, om--zoo de uiting door wat men een "kunstenaar" noemt
+plaats heeft--als literatuur te worden verstikt", klaagt de auteur in
+'98.
+
+Vandaag doet hij 't met het "Begeleidend woord" nog eens over.
+
+Over de "littéraire waarde" van _Diamantstad_ uit de belanghebbende
+geen verweer. Die behoorde na de in '98 zuiver gestelde verklaring
+voor ieder dènkend individu buiten debat te blijven.
+
+Beschouwt dit boek-van-aanklacht, tot verheugenis van den verteller,
+als een brochure, 'n pamflet, 'n niet aan de hielen der literatuur
+reikende woord-verkrachting--praat er over als van derde-rangs
+journalistiek--maar opent de oogen voor de wanhoop in uw omgeving! Er
+valt te doen. Er moeten velen worden gepord. Er ontbreekt het
+een en ander..... ook aan de auteurs-van-vandaag, die in heengaand
+literatuur-geknabbel verlamlendigen, in plaats de hóógste menschelijke
+plicht te vervullen.
+
+'n Plicht?....
+
+Welk een woord!
+
+De plicht van een gezien auteur is bezig te houden, te vermaken, te
+epateeren, te vogel-verschrikken-met-realisme--te dichten, ja zelfs
+in 't openbaar over de aandoeningen van 'n hart te snikken--géén
+ellende-opstapeling, géén doel, géén maatschappelijke tendenz.
+
+De toegejuichte plicht is 't vertoonen van 'n pauwestaart in al z'n
+kleuren--géén doorzichtig "plan," om voor Zon, Groen, Lente, Vreugde
+eene zotte propaganda te maken.
+
+
+
+
+
+Wanneer zal de doorsnee-lezer begrijpen, hoe aangenaam en màkkelijk
+'t is _uitsluitend letterkunstig auteur_ te zijn?
+
+Wanneer zal diezelfde, na de lectuur van 'n boek, dat er 'n
+eer en 'n hartstocht in stelt nièt in de algemeene vergissing te
+beschimmelen--zich op 't pad begeven, om mee te helpen aan den hoon
+van stede-leven een eind te maken?
+
+
+
+Voor slot--dan schijnt het verschil tusschen socialistisch en
+burgerlijk "kunstenaar" voor den zelden ingelichten lezer voldoende
+te dezer plaatse te zijn toegelicht--een repliek aan den heer Van
+Deijssel, waarin men tevens zìjn beantwoording van het stuk van
+daareven vindt opgenomen. Die repliek, gedateerd Juni 1898, dus steeds
+vóór het verschijnen van het boek, detailleert nader het _streven_
+van den auteur van _Diamantstad_. De _hoofdlijn_ dier repliek, is
+onze zienswijze van heden--onveranderd.
+
+
+
+_WelEdelgeb. Heer!_
+
+
+Waar ik U in mijn vorig schrijven antwoord op eenige vragen verzocht,
+daar bestond vóór alles de doorzichtlijke bedoeling U opnieuw over
+_Socialisme_ te doen spreken, thans evenwel niet om als resultante eene
+derde, vermeerderde editie Uwer filosofische en artistieke zienswijze
+uit te lokken, maar om Uwe redeneering aan te hooren, gebaseerd op
+de nuchtere feiten die ik verstrekte. Immers dacht ik, de Heer Van
+Deijssel is een sympathiek man, een eerlijk man, en, wat bijna meer
+waarde heeft, een man van onhollandsch passioneel temperament. En die
+man beschikt over eene mate van invloed, die ik hem benijd, omdat zoo
+mijn invloedssfeer ook maar een deel van de zijne was, ik daarvan met
+al de kracht van mijn leven gebruik zoude maken voor het welzijn der
+Arbeiderspartij, waartoe ik het geluk heb te behooren. Spreek tot dien
+sympathieke, dien eerlijke, dien warm-van-harte, zeide ik tot mij-zelf:
+hij heeft iets over je geschreven en dat is onjuist, of liever hij
+staat op een niet te verdedigen standpunt van kritiek. En wanneer je
+hem de klaarheid der feiten, de wezenlijkheid der dingen voorhoudt,
+zal hij, niet weifelend, niet schipperend, niet klein-van-uitvlucht je
+opmerkingen ontwijken, maar eerlijk sprekend, met kijking van kalme in
+kalme oogen, je toegeven dat zijne kritiek de fout had afzijdig van de
+innerlijke omstandigheden te staan, dat zij leed aan de vele euvelen
+van kritiek, die economische grondslagen verwaarloost, dat er in het
+algemeen, over welke zaken ook, geene andere kritiek te zeggen valt
+dan die op kennis van _alle_ levensverhoudingen baseert. Langs dezen
+indirecten weg, meende ik, zul je Van Deijssel en dóor hem mogelijk
+weer anderen er toe brengen, het oude, gedeeltelijk vergane gondeltje
+te verlaten, om mede de riemen te hanteeren in de krachtige praam
+van den Arbeid, die allengs tot een slagschip, zoo onverwoestbaar als
+nimmer bestond, groeit. En verbeeldt u het schoone geval--in een klein
+land als het onze niet zoo ganschlijk ondenkbaar--dat àl-kunstenaars,
+àl-sterksten in ontwikkeling, gevoels-, gedachtenleven, het minachtend
+verdraaiden, het uit-den-aard van hun nieuw bewustzijn en hunne nieuwe
+sentimenten _niet meer te volbrengen wisten_, amusements-dienaren
+dezer bourgeoisie te zijn, die haar kunstenaars, haar tobbende
+kunstenaars als àlle voortbrengers behandelt; die in zake-van-kunst
+Hofjes-van-liefdadigheid sticht, fooien uitdeelt, beschermheertje
+speelt--in ruil evenwel (dons gratuits zonder nevenbedoeling!) voor
+de niet te versmaden renommée van "aan kunst te doen", of toegelaten
+te worden tot den meer intiemen kring eens kunstnaars en dan verder
+den beschermeling in snobisme te verstikken, gelijk de beruchte
+Koning-der-snobs Multatuli gestikt is. Ver-beeldt u, o ver-beeldt
+u den droom van eene Arbeidsbeweging reeds zóó begrepen--alle
+niet medegaan met de Sociaal-demokratie berust op _niet_ weten,
+_niet_ begrijpen--dat het dàn beste der bourgeoisie, schouder
+aan schouder, rede naast rede, spier aan spier, de Arbeidspartij,
+haar klassestrijd, haar idealen steunde, meê-propageerde. Gelijken
+ons, sociaal-demokraten, thans reeds de vreugden, het leven aan
+de overzijde, verzengd als de wit-grijze vlakten eener woestijn,
+stinkend als stilstaande sloot bij de naadring van onweer, jammerlijk
+van aspect als de verkoolde nog zwak onderling stuttende ruïnes van
+huis waarin brand al het leven-bijzettende heeft verwoest, leelijk
+als eene straat van cementen baksteenen koopjeshuizen, eene straat
+zonder groen, zonder hemel, zonder horizon, zonder iets anders dan
+kleine, zure, benauwde burgermanszorg--, gelijken ons thans reeds
+de overzij-genietingen klagelijk-vervelend, de overzij-godsdiensten
+onwaardig, de overzij-geestdriften kippetjesdrek, de overzij-smarten
+(òneer, verlies-van-bezitting enz.) levend-mensch-zijn bespottend, de
+overzij-kunsten vergissing (niet beinspireerd op een gróót Ideaal),
+de overzij-wetenschap bezit van een deel der Gemeenschap. Hoeveel
+grooter zou dit sentiment in ons komen te staan, wanneer nog de
+bourgeoisie hare kunstnaars geheel zou moeten missen, zoo het
+verlepte op één grooten hoop bleef en het levende, het saprijke,
+het jeugd-krachtige, het bloesemdragende te weer liep, allen één,
+onverwinlijk door den granieten onderbouw eener nieuwe wetenschap,
+allen zeker van de toekomst, omdat die toekomst door de bemachtiging
+der productiemiddelen ten algemeenen welzijn, nieuw leven, andere
+levensvisie, andere groote in-de-maatschap-wortelende kunst brengen
+zal.
+
+Evenwel dit is droom en ik had mij voorgesteld koel, feit na feit
+ontledend, met U te redeneeren. En zoo meen ik nu in dit wederantwoord
+wel te doen U op den voet te volgen, wat gij mij wel gemakkelijk maakt
+door uw repliek zóó volkomen sober te geven, _dat gij zelfs verzuimt
+mijne vragen te beantwoorden_. Destijds polemiseerend met Van der Goes,
+hebt gij verklaard dat de beste polemiek-methode die is, "welke het
+gevoelen des tegenstanders in zijn geheel aanvat, opdat dus de twee
+gevoelens met elkaar in kontakt zouden komen." Deze methode past gij
+echter niet toe in het onderhavig geval. Gij beantwoordt zaken, wier
+beantwoording ik u _niet_ vroeg, althans niet vooropstelde, terwijl gij
+het "Antwoord _op zuiver maatschappelijke zaken_" schuldig blijft. _En
+juist dat had ik noodig._ Want het overige brengt ons op een vrij wel
+onvruchtbaar terrein, òf op een terrein rijk aan meerder spitsvondige
+dan terzake-nuttige argumenten. Ik volg u evenwel. Gij schrijft:
+
+
+ "Indien uw doel met schrijven is, medelijden met ongelukkige
+ menschen op te wekken of het verlangen te doen ontstaan
+ naar verandering van maatschappelijke toestanden, geloof ik,
+ dat gij een niet-doeltreffend middel hebt gekozen.
+
+ "Een courantenbericht over een ongelukkig achter gebleven gezin
+ op een visscherseiland wekt medelijden op. Een nuchtere of
+ ook een op zekere wijze welsprekend-gevoelvolle beschrijving
+ van mijnwerkers of fabrieksarbeiders-leven kan het verlangen
+ naar verbetering van maatschappelijke toestanden doen ontstaan
+ of versterken; ik ontken beslist dat geschriften, die het
+ karakter van _Diamantstad_ hebben, op dit gevoel werken.
+
+ "Naar mijne meening, doen zij dat evenmin als een schilderij
+ van Jozef Israëls of een treurspel van Raine dat doet.
+
+ "De vraag naar de verwantschap in de verhouding tusschen
+ de gewaarwordingen, die deze kunst verschaft, èn die van
+ medelijden en verlangen naar maatschappelijke verbetering,
+ ben ik thands niet in de gelegenheid te behandelen."
+
+
+Neen, het is _niet_ mijn doel "medelijden met ongelukkige
+menschen op te wekken." Medelijden van dien aard zal elk denkend
+sociaal-demokraat met innige verbetenheid verwerpen. Wij vragen geen
+aalmoezen, geen toegeworpen beurs, geen zoet-krauwend medelijden
+van de tegenpartij. Wij vinden het (burgerlijk) medelijden, dat
+zich in zoogenaamde goedertierendheid, barmhartigheid, bewogenheid,
+milddadigheid en een reeks meer dezer aandoeningen uit, die wij voor
+ons opdrijven--zooals de nadering van een vijandelijk leger door
+gedrang van benarde vluchtelingen wordt aangekondigd--wij vinden dat
+"medelijden met ongelukkige menschen", hetwelk eeuwen lang als iets
+voornaam-christelijks heeft gegolden en menig ploertig individu eene
+voortreffelijke reputatie bezorgde, zóó geweldig uit den booze, dat
+geen onzer er aan denken zal op dat "medelijden" te spekuleeren,
+veel minder het "op te wekken." Laat mij u een voorbeeld geven
+[1]. In uw opstel _Gedachte, Kunst, Socialisme_ (1890) schrijft gij:
+
+
+ "Liefdadigheid is in zekeren zin tegenovergesteld aan
+ socialisme, want de in purpere zijde gekleede edelman,
+ die zijn goudbeurs aan een troep bedelaars toewerpt,
+ vermeerdert daardoor nog het aspekt en het wezen van zijn
+ hooge en ongemeenzame rijkheid en gelukkigheid, terwijl
+ de vermeerdering van het geluk der misdeelden exceptioneel
+ en accidenteel is, in plaats van konstant, reglementair en
+ principiëel. De liefdadigheid vind ik dus iets uitmuntends"
+ [2].
+
+
+Aan of in uwen "in purpere zijde gekleede edelman"--ze zijn er niet
+meer, maar wij willen ons een oogenblik zulk een bijzonder wezen
+_fantaseeren_--ontdekken wij nu niets schoons, niets dat eenige
+goede aandoening verwekt, niets dat prijzenswaard voorkomt. Vermeent
+gij nu inderdaad dat een auteur, een die het klasse-bewustzijn
+gevoelt, een die met een onuitroeibare minachting de bourgeoisie
+overkijkt, voor ùwe in purpere zijde gekleede edellieden bedoelt te
+schrijven, hun medelijden, d.w.z. hun _liefdadigheid_ zal trachten te
+beflik-vlooien? Wanneer ik een deel der Ellende in ònmachtig beeld
+tracht te zetten, dan heb ik daarmede nòch de bedoeling medelijden
+op te wekken van _ùw_ lieden van wie wij geen medelijden vragen,
+lieden waarbuiten wij het volkomen kunnen stellen, nòch den wil
+_bij die lieden_ "het verlangen te doen ontstaan naar verandering
+van maatschappelijke toestanden." In het algemeen heb ik, al
+schrijvend, geen "bedoelingen", _maar laat mij leiden door het
+klasse-bewustzijn en in zooverre dat tendentieus is, onderwerp
+ik mij onbewust_. Het komt mij voor, dat elk waarachtig geloof op
+deze wijze terugwerken zal, terugwerken moet. En wel zeer curieus,
+waarlijk-opmerkelijk, noem ik uwe verklaring, dat een arbeid van
+dien aard u geen "medelijden" geeft--gij zeidet immers er alleen
+"literatuur" in te ontdekken--hetgeen u wèl overkomt bij het lezen van
+"een courantenbericht over een ongelukkig achtergebleven gezin op een
+visscherseiland, een nuchtere of welsprekend-gevoelvolle beschrijving
+van mijnwerkers- of fabrieksarbeiders-leven." Welnu, als _ik_ zulk
+een aandoenlijk courantenbericht of zulk eene ijselijk gevoelvolle
+beschrijving lees, dan zeg ik tot mijzelve--dagelijks doet zich de
+stof voor--: Kijk nou 's hoe de krant weer "menschlievend" is, wat
+'n lief bericht voor betalende abonnés en wat paait de redacteur z'n
+lezende leugenaars! Want zóó is 't natuurlek niet gebeurd. En zóó
+is die beschrijving pasklaar gemaakt om geen aanstoot te geven. En
+wat is die boel rot, die boel van onderling-konkelende, schrijvende,
+lezende bourgeois, die mekaars meelijden opwekken, meelijdend die
+vreeselek-treurige dingen besnotteren, meelijdend d'r bol schudden,
+meelijdend 'n postwisseltje inzenden aan de "treurig achtergebleven
+weduwe met acht kinderen", meelijdend nakletsen over eene ontzettende
+mijnramp, meelijdend het arbeidend proletariaat laten verrekken, om
+morgen en overmorgen en nog vele jaren meelijdend te blijven, tot zij
+mèt hun medelijden opgedoekt worden. Ik herhaal uwe verklaring curieus
+te vinden, acht mij gelukkig dat een stuk _werkelijke Ellende_ _niet_
+het sóórt medelijden verwekt dat ieder ònzer verafschuwt, _wel_ bij
+nadenkende partijgenooten _het schóóne medelijden, dat mede-leven,
+mede-gevoelen, mede-in-verzet-komen, mede sterker-bewust-worden
+beteekent_. En of er in beschrijvingen als in het bedoeld werk
+propagandistische kracht is, wie zal het beoordeelen? Gij noch ik. De
+aandoening, die men bij dèrgelijke lektuur ondergaat, is van zuiver
+subjectieven aard. Ik onderstel dat Dostojewsky van invloed geweest
+is, dat, om een populair voorbeeld te noemen, _Uncle Tom's Cabin_
+veel heeft bereikt. Gij leest als literator, als verfijnd vakman,
+gij zijt door uwe verfijning van eene zoo groote wreedheid geworden,
+dat ik u eenigermate bij den artist moet vergelijken, die wanneer
+zijne vrouw sterft hare doodsangsten observeert om ze later in een
+stuk "literatuur" op aandoenlijke wijze weer te geven. Ik vraag u
+na dit voorbeeld om verschooning, als ik u gekwetst heb, maar alle
+uwe uitlatingen wijzen er op dat gij, gij, sympathiek, eerlijk--als
+literator een geraffineerd ongevoelige zijt. Ik zou u zoo nièt zien,
+zóó ik u--nadat gij ernstig uw tijd overkeken hadt--als man voor mij
+had, die met dreigende vuisten tegenover de ongerechtigheden zijner
+klassegenooten stelling nam.
+
+Uwe ongelooflijke nalatigheid is deze, dat gij uwen tijd _niet_
+ernstig overkeken hebt--bijgevolg toestanden en gevolgen beoordeelt
+zonder gerechtigd te zijn er uwe meening over te zeggen. Gij schrijft
+toch onmiddellijk na het boven meegedeeld citaat:
+
+"De zaak is, dat gij, behalve uw uitmuntende kunst, nu uw
+sociaal-demokratischen kijk op de dingen hebt en dat ik dien niet heb.
+
+"Ik heb op dit oogenblik geen andere gevoelens aangaande dit
+onderwerp te geven dan die reeds in sommige mijner geschriften zijn
+uitgesproken."
+
+Wat verstaat _gij_ onder "sociaal-demokratische kijk"?
+
+Ik zeide het straks reeds, dat het een grove vergissing
+is te veronderstellen, dat waar het klasse-bewustzijn, de
+sociaal-demokratische overtuiging een zoo integreerend levensdeel
+geworden zijn, zóó een met àlle voelen, zien, waarnemen, ontleden,
+een ànder integreerend levensdeel _daarnaast_ zoude staan. Dit is
+eene vergissing zoo zonderling, dat ik haar bijna niet verklaren
+kan. Ik verbeeld mij, dat gij u het socialistisch sentiment
+voorstelt als een ding gelijkstaand met de eminente gevoelens van
+een liberaal, een radicaal, een katholiek, een anti-revolutionair--in
+verkiezingsdagen. En 't spreekt wel van zelf, dat nòch radicalisme,
+nòch liberalisme, nòch katholicisme (in politieke beteekenis)
+éénige stuwkracht bezitten kunnen. Gij, niets afwetend van de
+Sociaal-demokratie doet meer dan naïf diezelfde redeneering op
+haar toe te passen, door als zooveel anderen te denken dat een
+"sociaal" eene ongeveere nuance is van een der andere burgerlijke
+verkiezings-titulaturen. Juist omdat gij door een in _U_ te misprijzen
+laisser-aller het Socialisme niet de moeite waardt vond om er degelijke
+werken op na te slaan en het méér dan genoeg achtte o. m. uwe
+"intuïtie" in deze als basis te erkennen [3], zijt gij buiten den
+wijsgeerigen grondslag eener reusachtige beweging gebleven en nog
+steeds in den waan dat een kunstenaar er een sociaal-demokratisch
+"aanhangsel" voor koffiehuisgesprekken, stembus-gelegenheden etc. op
+na kan houden, zooals hij voor de gezelligheid of "uit overtuiging"
+liberaal of christelijk-historisch kan zijn. Maar hebt gij dan zelfs
+niet _gevoeld_, gij schuimend-in-hartstocht in uwe jongere jaren,
+dat waar over de geheele wereld duizendèn individuën deze liefste
+hunner overtuigingen tot met den dood zouden willen beklinken, dat
+waar er geen land zonder martelaren van de daad of van de idee is,
+dat waar de bèste idealisten van een volk _alleen onder socialisten_
+te vinden zijn, dat dáár een kracht, een drift, een passie in
+die opwaking, in die overtuiging scholen, die zich vroeg of laat
+in kunstuitingen _moeten_ openbaren? En gegeven die opwaking, dat
+bezielend, levensideaal-wekkend sentiment in een bepaald individu,
+hoe wilt gij zijn kunst van zijn beste levenssappen scheiden?
+
+Er is meer.
+
+Ik beweer, dat gij den "Dood van het Naturalisme" (1891), gevolgd door
+uwe "Levensleer" (1895) [4] _nooit_ zoudt geschreven hebben, dat de
+Cyclus _Rougon-Macquart nooit_ zoude mislukt zijn, als het leidend
+sentiment bij U en Zola het sociaal-demokratische ware geweest. En
+ik vraag met alle bescheidenheid uwe aandacht voor dit beweren, daar
+er de stelling van zooeven in omgekeerde rede uit te bepleiten valt.
+
+Veroorloof mij het 't eerst over Zola te hebben. De cyclus
+der _Rougon-Macquart_ is een reuzenarbeid op valsche basis,
+wat het wetenschappelijke aangaat en ongeveer hetzelfde wat
+betreft de bezielende impulsie, die den cyclus in zijn gehéél tot
+kunstwerk kon opvoeren. Behoeft het eerste nadere aanduiding? Is
+er iets respectabels, iets van langer dan mode-duur blijven staan
+van dien fameuzen "stamboom", van de populaire "heriditeit",
+van de "voorbeschiktheid" van het individu? Kon Zola eene
+menschheid-omvattenden cyclus scheppen _met een wetenschappelijken
+ondergrond_, waar de geweldige evolutie Darwin--Marx hem onbekend
+was en alleen een stuk Lombrosiaansch onderzoek zijne burgerlijke
+verbeelding hanteerde? Zien we niet in Zola en Ibsen hetzelfde
+verschijnsel, dezelfde misvatting: wetenschappelijk te willen
+voortbouwen op één schakel der Reeks, zonder kennis van de
+beginschakels, zonder welbegrepen doel? Dat heeft dan tengevolge,
+dat de wetenschappelijke hypothese uit zijn wetenschappelijk,
+maar vooral uit zijn sociologisch verband gerukt, een stokpaardje
+wordt _tot_ de verdere ontwikkeling der theorie (zooals bij Lombroso
+bijv.) vooral door sociaal-wetenschappelijke onderzoekingen, het fraaie
+gebouwtje van den romanticus in puin werpt. Bij opmerkzame lezing van
+_Le Docteur Pascal_, waarin heel Zola's wetenschap gelucht wordt,
+kan men zonder moeite constateeren, dat de "Histoire naturelle et
+sociale d'une famille sous le second empire" op aarzelingen berust,
+dat het schip met zooveel kracht van wal gestooten, aan het willoos
+laveeren ging, tot het 't voorland der Moderne Sociologie aan den
+horizon ontdekte en al-zinkend die haven poogde te bereiken. Ik bedoel
+hiermede de pogingen in Pascal's schema om eenige "erfelijk-belasten",
+eenige "types criminels" (erfelijke moordzucht, drankzucht enz.) _te
+verbeteren door hen naar een beter milieu te verplaatsen_ m. a. w. de
+pogingen, om door betere "omstandigheden" het individu aan de erfelijke
+belasting geheel of gedeeltelijk te ontrukken. Hier dus de inwerking
+der Moderne Sociologie, maar eene ònbegrepene, zich openbarend in
+anarchistisch streven, het zelfd systeem der kommunistische koloniën
+die te gronde _moeten_ gaan door het verbroken of ontkend verband
+met de tegenwoordige maatschappij en de reeds bereikte economische
+ontwikkeling. Hadde werkelijk de cyclus _Rougon-Macquart_ eene
+_in dezen tijd_ wortelende wetenschapsbasis gehad, dan zou hij het
+_hoogste_ vertegenwoordigd hebben, bereikbaar in de naturalistische
+kunst en had het lapmiddel "Les trois villes" achterwege kunnen
+blijven. Er is een even groote, misschien zwaarwegender reden
+wáárom Zola's arbeid geen artistiek _geheel_ kon zijn, waarom gij
+uwe "Overtuiging" (zie _Levensleer_) verloren hebt, waarom alle
+Kunst _zonder_ sociaal-demokratische impulsie schijnleven krijgt:
+er is geen vrijwillige levensarbeid denkbaar zonder de groote, kalme
+vreugde van een Ideaal. Ik kan mij niet voorstellen welke vreugde in
+het algemeen die van de schrijvers dezes tijds is, veel minder hoe men
+eene _overtuiging-uit-een-stuk_ voor zijn gansche leven kan bewaren,
+wanneer die niet tot een onverwelkbaar geloof is gegroeid. Zola
+had geen Horizon. Als burgerlijk wereldverbeteraar, dobberend in
+zijn Lombroso-hulkje, kritiseerde hij voor de vuist weg, alles in
+het negatieve, zonder te weten wàt de apotheose van zijn arbeid
+zou zijn, zonder de oorzaken van de dingen wier afzichtelijkheid
+hij beschreef, te kennen. Er op los slaand, alle maatschappelijke
+kringen "beschrijvend", over de heele wereld mijmerend, ontging
+hem de groei eener nieuwe generatie, tot hij wakker-wordend over
+de eigen broekspijpen struikelde, zijne zekerheid verloor en U en
+zooveel anderen mismoedig deed uitroepen: het is met Zola gedaan,
+het Naturalisme is dood. Maar het Naturalisme _was niet dood_: het
+schonk aan eenige burgerlijke kunstenaars de schoonheid van een levend
+beginsel--het Naturalisme, de eenige _tot de groote massa sprekende_
+dàdelijke kunstvorm van een _overgangstijdperk_, kan eerst door eene
+sociaal-demokratische overtuiging, tot volrijpheid geraken. Want ook
+dàn eerst _zal de kritiek_ een Gezichteinder hebben, een bewust doel,
+vóór alles een zoo innig sentiment, een zoo onbuigbaar Ideaal, _dat
+geen instorting of stilstand zal kunnen plaats hebben_.
+
+Tenzij ik mij dus zeer vergis, meen ik in het bovenstaande te hebben
+aangetoond dat uw gezegde: "de zaak is, dat gij, _behalve_ uw kunst,
+uw sociaal-demokratischen kijk op de dingen hebt" niet alleen volkomen
+onjuist is, maar dat daarenboven thàns geen kunst _waarlijk-lèvend_
+denkbaar is, _zonder_ het sterkmakend Ideaal der sociaal-demokratie,
+_zonder_ den sociaal-demokratischen "kijk", die, permiteer mij het
+sektarisch geloof, de eenig zuivere, de vertrouwbare waarschuwer is,
+om te beletten dat men zich aan het burgerlijk-artistiek genot om van
+"mooie" ellende Literatuur te maken, overgeeft.
+
+
+
+Amsterdam, Juni 1898.
+
+
+
+
+Meer is over het geval niet te zeggen.
+
+
+Scheveningen, October 1906.
+
+Heijermans.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+
+Vlak bij _Casino_ sprong hij van de tram, stond stil, kijkend naar
+de oude gevels. Tusschen de dracht der vaal-lijnende huizen spaakte
+groen in een tralieënd raster. Zóó had hij het onthouden, niet alles
+afzonderlijk, niet een énkel huis met opdringende vormen, niet het
+kleine van menschen die er gewoond hadden, nòg woonden--nee, zóó als
+hij het weèr zag: massaal, zwart-geslagen van straatvuil, huisklomp
+in stedebenauwing, omwringend het groene stofperkje. Het gaf hem eene
+vreugde en pijn van lichte verwondring--dat dit alles zoo verweerd
+geleek, zoo óuder geworden, ouder zelfs dan de herinnering, die het
+in wazige schaduw gezet. Op zee had hij zich dikwijls de jodenbuurt
+gedácht, uitsluitend gedácht, en warm-lieve, zacht-glimlachende
+genegenheid gevoeld voor het bruin der straattintingen, zooals hij
+het zag, bij gedroom achter oogleden. Maar na zoo làngen tijd werd
+het moeilijk jongensindrukken te hervinden, scheen je jeugd als
+'n koorts van onrijpe verwarring, mal en gejaagd, vèr van je leven
+gegleden. Tòch klukte 't in z'n keel, traagde z'n adem, wás er
+'t vreugdlijk ontmoeten van kleuren, die het verlangen naar deze
+straten tot zwaarmoedige draperie had gevormd, mèt de vloeiing
+van bruin en zwart--wit-venstertjes doorsneden--die over het plein
+dampte en in de Joden-Amstelstraat van gevel naar gevel, dak naar
+dak henen-loomde. Al-stratenschoon was hier, slinger van stegen en
+sloppen, huizengehuif in scheemring van luchten, daken molm en bot,
+wig naast wig, met bronzend-bruin in de dalen. Zóo had hij het meenen
+te zien, toen nog niet hij het zag.
+
+
+
+Alleen, het was oúder geworden, vàag-ouder, als jodenvrouwke wier kruin
+van jaren schuilt onder zwart van bandeau. 't Gaf hem een lichte pijn,
+'t dee denken aan luidloozen dood van tierige dingen, die sterven
+zonder gerauwgil van angst.
+
+In de wijdte, áchter op 't Waterlooplein plompte het grauwe
+cement der Mozes-en-Aaronkerk, zwaar boven de zonnekappen van
+ventende joden. Perkje groen, stoffig, heet, stond in de branding
+der zon--vèrder waren het ouwe, gore huizen, deurtjes en ramen,
+droogstokken en lappen van kreukerig wit, met een enklen roodbaaien
+rok en wat bloempotten.
+
+Eleazar zag niets dan het plein en de straat, de huizen daar in, die
+hij héérlijk vond, aanbidlijk van kleuren-versterving, indrukwekkend
+als schemer-neersponzing op zee. Was niet elk droomend gezwijg
+gódlijker klank dan het puurste geluid? O, 't huizengedroom, vast aan
+'t bewegen der lieden wier gezoem tegen de wanden ging, was sterker,
+smartlijker dan 't groote-water gepeins en gewatel, dat hij nu maanden
+gevoeld en door-angstigd had, 't water dat noòit rust kende....
+
+
+
+Joodje, dat hem zag staan met het valies in de hand, riep van de
+stoep van _Casino_, wenkend met schoenborstel. Ja, hij had nog
+wel tijd. Blinde tante Reggie wachtte 'm eerst tegen middag--hij
+voelde zich vuil-stoffig van de lange reis in den trein. Zijn valies
+zette hij neer en joodje plots vlug van bewegen, gemeenzaam van
+toon daar hij jóod voor zich had, stroopte de broekspijp, schuierde
+snel. Eleazar keek neer op den rug, bol-gebogen, rug vervormd naar
+de graat nooit recht van standing geweest. Grauwe, witte haren, stug
+als borstel-gepluim, vlerkten onder de pet, die had een los-tarnde
+klep. Op de stoep van morsige steenen, lei joodje als in knieling voor
+hem, verachtlijk van knechtschheid, spuug sputrend op borstel--joodje
+gebogen, grauw-klittig van haar, slavig van lichaam, voeten uitpuilend
+den flarden-broek.
+
+
+
+"....Wàrrem, mehèir...."
+
+Het was bijna een schaamte dat hij den ander zoo lièt, wreed-gedienstig
+gebukt, eersten jood dien hij sprak. Maar 't bedenken was zòtheid,
+prikkel van overgevoelen nu hij weer stond in de huiving der ouwe
+vormen, in 't bruine, doffe getint der jodenkwartieren. En hij
+dacht er niet verder over, want zijn innigste aandacht dreef naar
+de _Casino_-ramen, twee, drie, vier vensters, met groepjes bezige
+joden. Achter dichtst-bijzijnd was stilte van kijken, hokking van
+lijven, buiging van koppen, oogen in lijning naar stukje papier dat
+op tafel lag, randen verwipt. Er waren er zes. Voorste, Pool van
+uitzien, hoofd groot en bleek met rood-haren baardslieren, hield loep
+in de langvingrige hand, die dicht bij het stukje papier rustte. Zijn
+oogen kleinden in kippige kijking, wat de roode wenkbrauwen stoppelde
+saâm. Op het ros-kroezig haar, schuin gezakt, ovaalde een zwarte
+fantasiehoed, vreemd bij het bleekroode hoofd, ongewoon hoed te
+dragen. Bruin-zijden das, hoog-in-wrong om den hals, rimpelde aan langs
+het dunnende kroes van den nek. Het gelaat was melk-flets en vleezig,
+toch met hardere puiling van jukken. Gansch onbeweeglijk, loep in de
+hand, ernstig-aandachtig, zat Poolsche jood, borst aangeleund tegen
+kant van de tafel. Op zijn schouder leunde ouwelijk joodje, diep in
+schaduw van kleppet, mager gezicht zwaar bestoppeld, stoppels over
+wangen, bovenlip, kin, stoppels grijs en gedord tot in plooien van
+das, die wat los hing. Mond was open in aandacht, oogen knipperden
+zacht. Stukje papier lei midden op tafel. Recht over het raam,
+héél te zien, zat een ander met koper-schimmenden baard, baard in
+ringvorm geknipt met slordige pieken, gekreukt door pletting van hand,
+die steunde het hoofd. Eleazar meende hem te herkennen, meende meèr
+te hebben gezien dat breed-weeke masker, mom van papperig vleesch,
+zoet-gedweeën trek om den mond, oogen zachtlijk-lichtschuw. Wáar
+had hij hem gezien? Hij kende hem, kende den grooten krachtloozen
+neus met de zinlijke vleugels, vooral den dunlippigen-mond omsabbeld
+door sigaren-gekauw in ringveld van haartjes. Het was een gezicht van
+gladdige goedheid, week van bloedeloos vleesch, gezicht-van-nièt-werken
+op lichaam doorvoed, gezicht zònder sneden van denken of zorgen of
+ziekte, vervet in huisleven, gezicht zonder hartstocht, gehavend
+alléen door sterke geslachtsdrift als bij àndere joden. In Eleazar
+was vaag gezoek. Nee, hij kende hem nièt. Nee.
+
+Joodje in ijvrig gewrijf over de schoenen rustte en vroeg wat. Dommelig
+antwoordde Eleazar.
+
+Over den Pool, gehurkt op de tafel, keek vièrde jood naar het
+papier. Die had wijdgatigen neus, zwaar van vleezige vleugels en
+oogen omwald. Zijn aandacht was zóo gescherpt bij 't papier dat het
+neusvel berstte in bultige rimpels en de oogen knepen tot gleufjes in
+wimpergeplet, alsof wat hij zag vies en verwonderend was. Gezicht,
+rond van kwallende koonen, gladgeschoren, had blauw-paarse tinten,
+gittig-zwart haar dat 't aangezichtsvel kwam doorpeepren. Gehéel
+onbeweeglijk, gatwerk gewipt van den stoel, om meerder te buigen naar
+'t stukje papier, hurkte hij--buikje op tafel--over den kijkenden Pool.
+
+Op zij van dien met het weeke gezicht, stonden er twee, een met
+vuisten op tafel gesteund, ander met handen in zakken. Niets was van
+hun hoofden te zien dan een fletsing van vleesch, met den rug van
+'n neus en snorregestriem. Vest van den een was opengesprongen op
+zwelling van buik. Niet éen bewoog. 't Papier had de aandacht. Gordijn
+half-neer, posten van raam en vensterbank, omlijstten in 't zwart van
+de zaal de jodenkoppen, bleek in den schijn van het zonlooze licht. Zij
+spraken niet, gebaarden niet, waren in starre aanschouwing achter de
+ruiten zacht-glimmend. In het aarzlend gedonker der zaal schuchterlijk
+bolden de vleesch-koppen met wenkbrauw-vagen, lippengleuf, wimpers
+om oogen in glazerig kijken. Lichamen en hoeden diffuseerden naar het
+kamergrijs, hoofden-in-schijn-van-den-dag boorden naar buiten, vol-week
+of wit-hoekig, met de scherp-blanke randjes papier op de tafel. Bij
+de andere ramen was het een zelfde vreemde aan-schimming--vèrder
+vluchtte 't bewegen in schaduw. Glansjes horlogeketting knipperden
+zoet. Gladderig puntboord streepte ontzet. Anders was niets dan
+het hoofden-geklit, doezel van haar, jukbeen in vleeschmom, handen
+geslapt in betasten. Zònlooze licht kwijnde, heesch van verleefde
+weerkaatsing op het plat der gezichten, op de wigging der neuzen, op
+de vochtig-glazene oogen, geil van begeeren naar wat lag op de tafels.
+
+
+
+Eleazar stond in droomend verwondren om de geheimzinnigheid van elk
+der vensters met koppen. Stratenrumoer en de ruiten slokten geluid
+van daarbinnen. Hij zag de gebaren, lippen in laks en nijdig beweeg,
+handen geheven, oogen in vragenden trek, maar niets van hun doen
+kwam tot hem. Ze schenen klankloos te leven in scheemrenden nacht,
+wild-bleeke maskers heftig geboeid en geschokt door wonderlijk ding.
+
+Achter de ruiten dichtst-bij, was de starre aandacht gebroken. Poolsche
+jood, handen in vraging gespreid, schokkelde driftig, lippengemum
+verschrikkend van rapheid, besnauwend den jood òver hem. Bei hunne
+koppen heet-overbogen tot bij het papier, knikten en gromden. Haren
+trilden in drift. Baard van den Pool, rood en rullig, slierde langs
+tafel. Dan dook zijn hoofd naar het duister der zaal, mumden de lippen
+langzaam en zéker-van-plet, werd drillend van schudding de ander, neus
+met de vleezige vleugels vóoruit, aêrengezwel aan de slapen die stonden
+gevierkant boven het blauw van de koonen. De loep was gezakt. Die met
+het weeke-gedweëe gezicht had met pincet iets getipt uit 't papier,
+bekeek het met spitsende oogen tusschen wijsvinger en duim. De
+aandacht der andren was bij het wrokken der voorste, gebarende joden,
+wier kuiven haast raàkten, zóo als zij bogen over de tafel. De Pool,
+rood van het bukken, nekvel gepurperd door daswrong, bewoog lippen èn
+koonen èn oogen, kribbigde samen z'n vingers. De ander terugleunend nu,
+palmde de handen wijd-uit, duimen omhoog, hief ze op, wrikte ze neer,
+meerukkend het lijf, koonen gebobbeld door lach, mond als troebel
+spelonkje. Al dit leek bizar, grap van geheimnis achter het glas, dat
+de klanken verslorpte. Nooit was Eleazar zoo stérk onder indruk gekomen
+van grofheid door lichtspel tot schoonheid gebracht. Elk venster
+greep aan, schokte tot drooming. Elke schaduw en tinting-van-duister
+spreidde soepel en mild, wazig en wijd-van-vervloeien om het ontdane
+der hoofden, het geilen der broeiende oogen.
+
+Schoenjoodje wreef al zijn twéeden voet--nòg stond hij
+weg-van-gedachten. De roode Polenkop rauwde op tegen dien met de
+kwallende, blauw-druilige koonen. Hoeden scheef achteruit, in volle
+woede van 't luidloos gepraat, wriemden de lippen achter het glas
+en nu schoven ook andere hoofden méer naar het raam, zes hoofden van
+joden, schichtig in dagschijn, gelaatmaskers in ernstig gestaar. Die
+met het kurkige mom, tanig van vel, en stoppels als kwakken, duwde
+de anderen weg, hield weegschaaltje in hand. De weeke gedweëe met den
+koperen ringbaard lei op 't ovaal wat hij had in de hand en de oogen
+van allen volgden het gaan van de schomlende naald. Maar dan berstte
+'t gebarenleven opnieuw. Handen hoopten tezaam en het haar der hoofden
+verklitte. De Pool in nijdig geproest wuifde de handen afwerend, reikte
+de loep aan den achtersten jood, geel met zwart-klevenden snor. Zes
+handen leien bleek-wiegend op tafel, duimen opwaarts gekromd. Het
+papierbrokje in 't midden. En wéer was de stilte van aandacht, bij
+het bespieden der loep.
+
+Het licht witte kil op de hokking der hoofden, op de rompen in
+scheemring.
+
+Hand van den Pool gedrukt langs de ruit, vel tegen glas, had bevende
+lijkkleur.
+
+
+
+Het was schoon-geheimzinnig, diep-melankolisch, leven op vèr-liggend
+plan.
+
+
+
+Maar langzaam ontzonk het bedrog dat de dingen gelogen deed zien en
+een overgang van stemming waarvoor geen daadlijke reden was, dreef
+in hem plotse, zonderling-nuchtere opletting van realiteitjes, die
+hem in de dronken droom-overgeving waren ontgaan, waarop hij niet had
+kùnnen letten, vòl als hij zich aan de schemer-vreugde gegeven had,
+stugheidjes die hem ruw tot het rauwe, harde der dingen brachten. Het
+was eene stemmings-afknapping zonder scherpe oorzaak--,waarneming
+mooglijk van stoffige tranen op 't glas, het zien van vuile
+stompnagels, het voelen der reisvermoeidheid nù. Versterkt werd het
+nog door het in daglicht komen van een mageren jood, die uit vettige
+zak met open slijmrig-malenden mond, koek, bròkklende koek at. Doch
+het hevigst striemde hem de herkenning van den man met den ringbaard,
+den jood met het week-zinlijk gezicht en den krachtloozen neus. Hij
+wàs het, Druif, de onder-rabbijn, Druif, die hem in ver geleden
+jaren geleid had tot de _barmitswe_, Druif, de geduldige, achter de
+tefilem verhalend het doen van de Joden, hun uittocht uit Egypte,
+hun vrome omwalling van den berg Sinaï, Druif met vochtige oogen
+onder de schijning der lamp in de kleine, laag-balkige kamer--Druif,
+onder-rabbijn--zóo hij het was nog--sjaggerend hier mèt de andren bij
+'t papieren vod met ongeslepen diamanten. Drift vlamde in Eleazar. Heet
+sloeg de minachting uit zijn oogen naar de ramen van het _Casino_
+ontdaan van hun schijn, hun kleuren-geneurie. Al de oude bedenkingen
+gromden in hem. Zoo hij straks had gekeken, was hij zwakling geweest,
+in blijdschap van weerzien, in extatisch houden van dingen en menschen
+en kleuren sinds lang niet gezien. Nu was hij zichzelf weer en stérk,
+sterk door zijn wil, zijn verlangen, zijn weten. Ze zouden hem hooren
+éens, diè daar, al moest 't jàren duren, al zou hij er bij onder gaan,
+ze zouden hem hóóren, de veiligen achter de ruiten.
+
+
+
+Neerkijkend zag hij de grauw-zilvren haren van het joodje dat den
+schoenborstel bespuugde, joodje op drekkige steenen, nek gebogen,
+rug krom van graat, lijf van rotting, ellende. De lompe ouwe schouders
+schokten bij het gewrijf. De knieën wiebelden mee. Warm schuierde de
+borstel heen en weer over het leer dat glansjes van zwart kreeg.
+
+
+
+Rondom wigden huizen hun daken. Muur stond naast muur, goorbruin,
+bloedbruin, slijkzwart, doorklodderd van loodmorsig wit. Vensters
+kniesden er in met zwarte gordijnen en beneê suften de puien met stille
+bordesjes en opstaande luiken. In de flets-tragende lucht loomde de
+rook van Marken en Uilenburg, krimpend uit ouwe saamkwakkende huizen
+geschoord op elkander. Dáar was het eerwaarde, grijze huizengeleef, dat
+opkroop in zijn herinnering, daar schuwde schaduw van muren, waar geen
+licht kwam, waar eeuwige scheemring de vrouwen verlepte en klagende
+kindren uit dikke buiken ontving, dàar was alles vruchtbaar zonder
+zon--daar wist hij het massale gedommel van sloppen en binnenplaatsen,
+grijs van cement, grauw van ouden stervenden steen--èn het beweeg
+van jodinnen verdord en geel met bandeaus en mutsen met linten--èn
+het groezel gespeel van joggies met zeere oogen--èn het waduwen van
+nacht om kleine, roode, heete kamers, waar lampen hingen en lippen
+ademzuchtten. Er leek benauwing te hijgen in de verte en dichtbij,
+benauwing van héél-ouwe menschen die zwakjes luchtstootten, dor in hun
+stoel, benauwing van stikkende, rogglende, krimpende joden, beloerd
+op hun doodsbed door 't waaiend geveer der walmende kaars. Gerucht van
+het plein, van de straten wijd-weg, gerucht van Breestraat, Uilenburg,
+Marken, heeschte aan, doezlig gereutel, gesmoord onder kreunende
+muren, log-bedelvende daken. Hij voelde, doorsmartte het àl, snel en
+zeker-van-weten--het stedengezieltoog van een oud volk dat geduld werd,
+zich liet dulden, te slaafsch was, t'erbarmlijk-verdorven om af te
+laten de geil-begeerige oogen van aardmodder, waarom hun wedgezang,
+hun dansrijen schaterden en waarin zij tabernakels van sittimhout
+met gewaden van getweernd byssusgaren gebouwd hadden. Spot, spot,
+spòt! Verdoemlijke nageboorte. Spot op wat Israël wàs, móest zijn als
+schakel in drang naar benepen gelooven, móest zijn door wormstekig,
+verlept testament, giftwalmen dampend als een moeras.
+
+
+
+Joodje, klaar, hief zijn kop van diep-sneden trekken, verweerd en
+vuil onder de pet met de lostarnde klep. Ruw gestoppel van zweeterig
+haar piekte in de vettige plooien der onderkin. Het geld kringde in
+zijn hand, zwart van stof en schoensmeer en met lach van verwonderd
+bedanken, tikte hij aan.
+
+Eleazar nam het valies, voortstapte verhit door de vleug van opstanding
+naar het Waterlooplein. Maar op stoep aan de overzij stond hij weèr
+stil, indrinkend de scheemring der huizen, het wijde gerucht van de
+sloppen vèr-af. De ramen van het _Casino_ met de sjagrende joden in
+het zwart van de zaal, suften leefloos en kwijnend. Jodenkoppen hokten
+in driftig getast, toeschuivend en bukkend, adoratie van flonkerend
+gruis. Bij de deuren groepten mannen met das hoog om den hals en
+deuk-zwarte hoeden. Er liepen anderen aan, die wipten de stoep op,
+verdwenen in de donkerte van het huis, geslokt door de nacht-schemering
+der sjaggerhal, de hal met de glimmrende ramen. Het was een geloop
+in en uit, stommel van zwarte figuren, hoofden bleek onder hoeden,
+gestappel op stoep, voorbij den hurkenden schoenjood. Daaromhenen
+roesde 't geraas van de brug met rijdende trams en zwaar in de
+wit-onbewogen lucht norschte het _Toevluchtsoord_ zijn muren.
+
+"Geen stad op de wereld is lièver", peinsde Eleazar: "maar ze is
+oúd, oúd--er is geen groen en geen zón--menschen als wìj sterven
+in 't graf van de huizen. Wie zal de reus zijn, de heffer van al
+de inerten? Wie zal dol en godlijk-gelukkig de tafelen breken en
+op de plaats van de arken, cherubim, gouden kelken en knoppen,
+takken van feestelijk Meigroen planten? Meiblóésems, jòdendom,
+chrìstendom, Meigroen--diamanten, wat is dat gèk".... Glimlachend,
+den mond in glimlach, de groote grijze oogen in glimlach ging hij
+verder. En terwijl hij moeilijk liep door 't valies met de zware
+in dorstige lezing gekreukte boeken, de beduimelde boeken met de
+drift van den tijd, spon hij dat uit, zuiver gevoelend dat hij 't
+geloovend jodenvolk, zoo als het gedegenereerd, zonder éigen leven
+stierf in schulp van ouwe, triestig-droomende huizen, dit volk schim
+van eèns schoonen wil, nooit anders zou kunnen dan háten. Hij stak
+het plein over, waar koopwaren onder zonnekappen lagen, geschreeuw
+van venters drensde. Uit d'aangrenzende stegen, sloppen, krotten
+en wakken drong leven van menschen. Voeten slierden over keien,
+kleeren flapten in haastig bedrijf. Mee met de strooming door de
+Uilenburgersteeg kwam hij in de Jodenbreestraat, stoffig en vol,
+er dwaas over tobbend òf Druif nog onderrabbijn was, òf hij zich
+vergist had, òf een onderrabbijn zou durven sjaggeren.
+
+Maar iemand lei de hand op zijn schouder.
+
+"Bin je al àngekomme!... Je ziet 'r _unbeschrieje_ goed uit!"....
+
+Het was Suikerpeer, die naast tante Reggie woonde.
+
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+
+Mond open, sliep zij in den leunstoel, handen verzakt naar den
+schoot. Het was bijna geheel scheemring. Op de morsige plaats speelden
+kindren wier vroolijk geraas door de kierende deur watelde. Het
+hoofd van de oude vrouw, weggeknikkeld in slaap, leunde achterover,
+halsplooien in strakheid gerekt. Eene zij van 't gelaat was in het
+voorwerpen-donker der kamer, andere in den kil-doffen schijn van het
+binnenplaats-licht, dat den deurkier doorzeefde. Het sneed haar oud
+hoofd in tweeën, een bleek profiel, een schaduwglooi met den donkeren
+mondwreef in 't midden. Van onder den zwarten bandeau, die slap in
+de haarpinnen hing, stuifde 't haar wit en zilvrig. Zacht klukte de
+strot. Door den kier van de deur rapte het kindergeraas, vervreemdend
+in de kamerschemering, omdwalend het oude gelaat, als stermklank door
+wanden gefilterd. Het hoofd knipte lichtlijk, gespetter der stemmen
+ging als luchtig behaamren van wieglende gongen. Lang-rustig slierde
+een klokslinger, vallend en heffend, met kirrig, klagend gepiep.
+
+Op de plaats waren er vier, drie joden-kindjes, een mank
+christen-joggie. 't Jongste, opgeblazen, ziekelijk-geel, had
+groot-zwarte oogen, oogen met starre pupillen en dun, warrig haar. 't
+Kind zat met de beentjes gespreid op de slijk-drabbige steenen,
+pompadour jurkje gedeukt, billen en lidje bloot en bemodderd door 't
+vuil van de plaats. In de krom-kleine handen hield het een afgekapt
+blad van een bloemkool, waarvan er leien vertrapt en te stinken. De
+groot-zwarte oogen keken naar het gespeel der andere kinderen, de
+vingertjes wriemden en plukten het groen van het blad. De ànderen
+maakten het leven. Uit een zinken afvoerbuis, grauw beslagen,
+tikkelde water in een zoeten-stank walmend riool, bedekt door een
+klein houten luikje. Meijer van Suikerpeer bòven, had het plankje
+gelicht aan den roestigen ring en in den vet-modderen koek, rotting
+uitspoegend als opene, lang-gedekselde beerput, roerden ze met latten,
+'t meisje met een kolenschop. Om het gat lagen kluiten dik-donkre pap,
+groen-rottende kwakken gepeuerd uit den stinkenden buik, die onder
+de krotten zijn darmen had. Jan, mank joggie van den schoenmaker,
+languit, hoofd over het gat, neus dichtgeknepen, tastte met stok naar
+omlaag. Het horrelvoetje stond schuin gewipt. Saartje, op handen en
+knieën, keek naar 't gebagger. Van onder het groen-verschoten rokje
+spilden de beentjes, zwart-wollen kousjes doorbeten van groezelig
+vel. Meijer, de grootste, bleek kind, smal van trekjes, hurkte aan
+tegen den muur, hoofdje van zwart donzig haar doorlitteekend, garstig
+van korsten, korsten om de ooren, om de slapen, tusschen de haren,
+korsten geel-bruin en bloedrig.
+
+"Ik zie d'm, gedoome", zei Jan, pratend met brom-stem door dichtknepen
+neus.
+
+"Zie je n'm?", vroeg Meijer, overbuigend het hoofd met de korsten naar
+'t gat in den grond, en Saartje opschurkend, ademde den log-zoeten
+stank, het bleek gezichtje met 't kroes tot vlak bij den put.
+
+"Waar zie je n'm dan?"
+
+"Nou dáár. Jij ken 'm niet zien."
+
+"Kè-je d'r bij?"
+
+"Hou nou effen je smoel!.... 't Stinkt as de pest!"
+
+"Wi-je de schop?"
+
+"Hou nou je smóél!"
+
+Voorzichtig tastte de lat in de modder benee. De drie gezichtjes,
+aandachtig, bogen bij het riool, dat z'n zwaar-zoete walmen door
+openen slijmstrot tegen roodzwarte huismuren hijgde.
+
+"Hei-je n'm?"
+
+"Denk-ie dat 't zoo makkelek is", neus-gromde Jan.
+
+"Laat mijn 't dan doen met de schop", zei Saar, dichter toekruipend.
+
+"Je ken d'r niet bij met de schop.... Hou nou je smoel!.... 't
+Is me gòvergeefme 'n stank!.. Jessus, jessus wat 'n mietersche
+stank.. Allemaal stront en swijnerij.... Nòu haal 'k 'm an ..."
+
+"As je de schop an de lat bindt", zei Meijer, spuugend, pratend
+tusschen z'n vingers door: "wattè?... wattè?"
+
+"Hij komp zoo wel."
+
+"'k Zie nog geen scheet!..."
+
+"Ken die niet sinke?" vroeg Saartje, handjes in uitgebaggerde
+modder. Jan antwoordde niet, zacht schrapjes aaiend in den drekpoel
+beneden. Moos, 't ziekelijk kind in 't pompadour jurkje, dat tot nu
+toe gewriemd had aan 't bloemkoolblad, was billen-wrijvend over de
+steenen gekikkerd, tusschen Saartje en Meijer. De handjes kleefden in
+'t rotsel, grabden er in, besmeerden 't jurkje, sapten het slijk in de
+zwarte knijpvingers. De oogen groot, vochtig, keken zonder begrijpen
+naar de pijp en het vierkante gat.
+
+"Ga je weg, Moosie"--snauwde Saartje: "mot je d'r invalle!"
+
+"Ta... Ta!... Ta!", dwong 't kind, de handjes strekkend naar 't riool.
+
+Saartje rees op dan, vatte 'm onder de armen, sleepte 'm weg naar
+de deur.
+
+"Sel je nou hièr blijve sitte... Mo'k tante gaan roope... Sel je doen
+wa'k je seg, hè, hè?.... As je weer is durf.... hoor-ie? hoor-ie?"...
+
+En 't opgeblazen jongske beplukte opnieuw den stronk dien zij gaf,
+beentjes slijkzwart, 't lidje bleek propje er tusschen.
+
+Jan was nu bezig den kolenschop te binden aan den stok. Meijer hield
+de einden tezaam. Maar het touwtje brak af.
+
+"'k Sel me veter geve", zei Meijer, zoekend achter de benglende lip
+van z'n schoen. Saartje was vlugger, scheurde een band van haar
+broek bij de knie en Jan, straf knippend met d'oogen, trok tot
+het hield. Hoofdjes dicht op elkaar, leien ze weer over het gat,
+waar de stankbellen barstten als oprispende boeren. Vol en zoet,
+hijgend, dof-klukkend, gurgelde de stank uit de darmspleet, kruipend
+langs de vaal-bruine wanden die stonden gevierkant onder het plat van
+den hemel. Het was eene klein-zwarte binnenplaats, achter een donkre
+gebrokkelde poort, die naar 'n nauwe gangstraat kokerde. In die poort
+waren twee deuren, onzichtbaar in 't duister, op de plaats waren er
+twee. Het derde huis had beneden den blinden muur van een pakhuis,
+er boven het druilig ge-rij van vensters met grauwe, verweerde
+kozijnen en ruitjes beschimmeld in stof. Als water vettig besausd,
+parelmoerig van glans, glimde het glas daar der opperste vensters
+in 't huizenvierkant--ramen bedroomden mekander, altijd ziend een
+glanzend gezwijg en menschenbewegen in schaduw. De steenen koker met
+'t venstergelijn, pijlerde op naar den hemel--bòven, een dorre mond
+die lucht zoog en licht--benèden, de plaats slijkrig en zwart met
+vertrapte bloemkoolstronken, een wippende handkar en een hoek nat en
+pekel-beslagen van mannen-gepies. De bovenste ramen van 't huis òver
+den blinden muur, zilverden in avondlicht, de eenige die over daken,
+goten, schoorsteenen, rigglende pannen heenkeken. De andre stonden
+op kieren, twee met bloempotjes, en gapende droogrekken. Wit tegen
+het doode der muren, geheel-onbewogen, hing drogend goed, hemden
+slap-futloos, boezeroenen blauw-drenzig gebuild, een paars-wolle
+broek met luchtbillen en dijen en zakdoeken rood, wijnrood, als
+windlooze vanen.
+
+Stemgeroes siepelde uit de raamkieren, uit het donker der huizen,
+echoode in dof gemummel, vèr-praten van saamhoopende menschen,
+zonder klink van heller geluid. Als een hoog-wijde schoorsteen
+trok de koker 't gerucht uit de kamer-dompingen, den adem uit de
+monden, den opbrakenden stank uit het rioolgat naar het gebroei
+van den lagen stadshemel. De kinderen speelden, klein-bleek in de
+schaduw beneden, benepen vierkant waar geen licht ooit gevreemd
+had. De stem van Saartje schelde het luidst. Eén hoog, werd raam
+opgeschoven. Vrouw met borsten, plomp-kwallend in 't wit van 'n jak,
+'t haar wild geknoet in barstige dot, elboogde over een droogrek,
+keek naar beneden. De avond-grauwing van den huiskoker omlei haar
+hoofd, het vagend, zacht-bleekend, verteedrend de wangen, het ruwe
+der oogen, het snauwen der lippen. De borsten bepropten de buigende
+armen en plots bol van geraas schreeuwde ze:
+
+"Doe de deksel d'r op!... Is dat me 'n pèststank... Nou dèn!... Nou
+dèn!"...
+
+"'k Sou niet wete wèrom", zei Jan voortpeurend, koppig.
+
+"Sulleke snothannese!", raspte de vrouw, schreeuwrig naar 't donker der
+kamer:--"overal motte se met d'rlui poote ansitte", en weer de borsten
+in kwallende zwelling op de armen: "doe j'm d'r op, sellemander!"
+
+"Nou!" schreeuwde Jan terug: "d'r leit wat in."
+
+"Wàt leit 'r in, lamme horrelpoot!", giftigde de vrouw.
+
+"'n Appel van háar", zei Meijer op Saartje wijzend.
+
+"Mot je daarom de boel verpeste?--Doe 'm d'r òp, tòe!"
+
+Een man wrong 't lichaam naast de vrouw door de raamopening, bolle kop,
+rood en zweetend.
+
+"Doe j'm dich!"--schreeuwde hij schor, maar Jan, koppig, wetend dat
+de menschen-van-boven-het-pakhuis geen deur op de plaats hadden
+en overhoop leien met die van benee, zei alleen maar brutaal het
+manshoofd besarrend: "Daar hei-je háár ook!"--en keek bot, met
+jongens-verachting, naar de roode, lillende koonen. Woede verpaarste
+'t gezicht van den man. Met de vuisten steunend op het kozijn, in
+opwinding van drift, mepte hij woorden die traag uit den vet-korten
+nek met de bobling van onderkin kwijlden, zwaar van nadreuning in
+'t murenvierkant.... "Godverdommisse mankèèè!.... Om de boel te
+verpeste!.... Schorremorrie!.... Groote.... leeleke smeerkanis
+bandiet!.... Bandiet.... Bandiet!..." Verder bracht hij 't niet,
+verpaarsend, te vet van nek en onderkinnen-gedril. Maar de vrouw,
+dieper neerbuigend, wassig in de grauwing van den huizenkoker,
+mokerend met den bleeken, vleezigen arm, rauwde krijscherig in zijn
+plaats, rekkend elk scheldwoord dat de gulpende drens van wand naar
+wand rakette.... "Snothannesse!... Laa-aa-aa-zerstéééééééne!.... Doe
+'t bij je moer thuis!... Om de boel te ver-pès-teèè!... Om de boel te
+ver-pès-tèèèè!.... Rot-sellemandèèèèèèrs!"..... Kners-galmend, lang
+schrapend van achterkeel-stoot, sleepte de vrouwstem, klankkotsing
+in zoetwalmen stank. Mét smeet ze het raam dicht, knappende klak in
+na-dazende stilte. Uit andere vensters werden hoofden gebogen, kort
+van geemlijke kijking. De kindren, even beduusd van 't gescheld,
+zaten verdaan bij 't gat. Ramen triestten in muren, het drooggoed
+hing willoos. Dan riep uit de poortdonkerte schoenmaker's stem, wat
+'t was. Jan, zeker door vader's gevraag, schreeuwde beklag....
+
+"Hij wil niet hebbe, vàder, da'k 'n appel zoek, die keerel van boven."
+
+"Hij heit niks te wille", knerpte de stem uit de poort: ".... die
+kwartjesvinder!.... die flessetrekker!...."
+
+Weer was rust in het vierkant. Stemmenroes mumde vèr-af door
+de raam-kieren. Venster keek venster aan, broos kwijnen van
+oogen. Gordijnen hingen tam-neer, oud-geel, met slobrige franje. Op
+de grauwlooden kozijnen vraten slijktranen, krimpende stralen van
+'t gootwater. Suikerpeer, voor den inkijk, had groene horren, licht
+zeewier-groen in gladlakte randen met priemende pennen. Leefloos,
+vaal-wit, flarden-lichaam in stof-damp verstuipend, wendden de
+wanden heur scheemringen, snikkende benauwenissen naar den platten,
+vadzig-plettenden hemel, die als een melktroeble domper vlakte van
+goten naar pannen en schuchter-glanzende ramen.
+
+De oude vrouw sliep nog, 't hoofd in tweeën gesneden, strot zachtjes
+klagend in slaapzang, het leêren geplooi van den hals in wijde slurven
+gespannen. Het kindergeraas, heller doorschetterde den deurkier,
+omwaatlend het hoofd, toetrend in donkere hoeken.
+
+"Hei-je n'm?"
+
+"Stil nou!.... Hij glijdt 'r weer af... Nou zie 'k 'm heelemaal
+nie-meer."
+
+"Laat mijn 't dan doen!...."
+
+En weder, gespannen van kijken, hoofdjes over den rand, schoven de
+kinderen bij den put, knieën in klevende, slijmrige modder. Moos,
+op de knietjes gekropen, met machtloos bewegen der beentjes naar den
+nat-groenen hoek, waar de mannen piesten en 't vulnis staâg rotte, had
+daar gevonden een leege citroenschil, verperst en grijs van weeldrige
+schimmel. Het ziekelijk kind, bleek-opgeblazen, met groote, idiote,
+glanslooze oogen, pulkte met 't zwart wijsvingertje in de wrange
+bulten der schil, likte vies-smakkend, zachte kreetjes pratend, in
+klankengetast naar het schreeuwen van die bij 't riool. De billetjes
+bewreven de donker-nattige plek, waar priklende, laffe pis-wasem
+jaren-lang mufte en kakkerlakken hoopten achter 't weeke cement. In
+'t een knuistje hield hij de schil, boorde het vingertje, zoog tot de
+vooze smaak 't mondje vertrok en kwijl langs de kin op het pompadour
+jurkje glipte. Terwijl was bij de andren driftig gepraat. Tweemaal
+was de appel terug gegleden in 't gat.
+
+"Laat mijn 't dan doen", zei korzlig Meijer: "'t is toch hàar schop
+en haár appel."
+
+"Ja, laat hèm 't dan doen as jij 't niet ken, jà", kribde Saartje:
+"hij heit langere arme as jìj!"....
+
+"Denk-ie gedoome dat 't zoo makkelek is?.... Nou zàchies.... Stoot
+nou niet.... Hou jij 'm teugen met je lat, Meijer, anders flikkert-ie
+weer weg. Houe hoor! ... Houe! ... Zachies...."
+
+Licht klonk 't gejuich. Bij het riool bleven ze zitten, Saartje den
+appel verknufflend in 't verschoten-groen rokje, de modderpitten
+zorgzaam wegwrijvend. Jan keek toe met den schop in de hand, Meijer,
+zeker van 't aandeel, sopte de kwakken terug in den put.
+
+"Je ken 'm zoo bèst vrete", zei Jan, maar Saartje, 't hoofd met de
+zwarte krulletjes gebogen, spoegde witte schuim-propjes op 't rood
+van den appel, wiesch 'm na met 'r hand dat 't kringelend slijkte,
+droogde sekuur met 't grijs van 'r rokje, tot de appel rooderig-glom.
+
+"Nou krijge jullie àllemaal 'n stikkie.... eerst Jan". De tandjes
+beten een hap. Jan, gulzig-bijschuivend hield de hand op, hand zwart
+van het slijk. Saartje gaf hem 't stukje, dan Meijer, dan Moos,
+die de citroenschil had laten vallen, weer bij den put zat.
+
+"Je proef d'r zoo niks an", zei Meijer.
+
+"Denk-ie dan dat 't door de schil heengaat?" zei Jan, wijs: "as-die
+'r 'n week inleit blijft-ie nòg om te vrete."
+
+"Nou, dat zou ìk wille zien, wat jij, Saar?" schorde Meijer.
+
+"Ik zou d'm niemeer luste as-die d'r 'n week in gelege heit", zei Saar,
+vinnig-happend, omdat de appel van haàr was.
+
+"Nou ikke wel", schetterde Jan: "Wij hebbe laast op de Singel gestoken,
+de schele en ikke--weet je wel?--met 'n stok met 'n spijker d'r
+in.... Jeesis-mierande wat 'n hoop leie d'r in 't water en best hoor!"
+
+"Legge d'r altijd zoo'n boel?"--vroeg Meijer, volgend het gaan van
+den uitgebeten appel in Saartjes hand.
+
+"As d'r markt geweest is àltijd en hóópe, hoor..... O
+jee..... hóópe..... Je ken je d'r ziek an vrete.... Koos had 'r over de
+twintig.... As d'r maar zóó'n rot stukkie an is, keile z'm weg... Krijg
+'k nou niks meer, zeg?"
+
+"Je heit al zòo'n brok gehad", zei Saar: "'k Hou zellef niks
+over". Maar bij 't zwijgend kijken der andren, beten de witte tandjes
+toch nog voor elk 'n hapje, bloedig van schil. Het ging van mond naar
+mond, 't appel-vleesch met het spoeg van Saartje.
+
+Jan, die nou wist dat-ie niks meer kreeg, bukte opnieuw over het
+open, stinkende gat, morrlend met schop in de modder die blazende
+bellen boerde.
+
+"Sou-die diep sijn?" vroeg Meijer.
+
+"Noú!.... Je sou d'r smerig in versuipe--òf-ie!", schreeuwde Jan,
+modder opleeplend en prettig neerklukkend.
+
+"As je maar swemme ken", zei Meijer, spoegend in 't riool.
+
+"Swemme helpt je geen luis", zei Jan: "hoe ken je nou swemme in
+swijnerij... daar suig je ommers in vast."
+
+"Nou dat sit nog!"
+
+"Jò", helderklonk-stem van Jan, brutaal van verzeekring: "ik heb is
+'e meissie sien legge in de Burgwal... Nóu!... Enne de keerel die
+d'r na-sprong zat met z'n poote vast in de modder... Jò, modder is
+zoo vùil!"
+
+Meijer spoog moeilijker spoeg-fluimpjes, mòe as-ie 'r van werd--Saartje
+wierp 't klokhuis in 't gat en de dikke logge modder droop van den
+kolenschop, slaagjes smakkend in het riool.
+
+"'k Wou da'k hàd wat 'r in is gerold", zei Jan weer.
+
+"Noù!", knikte Saartje: "d'r leit van alles... As se wat in de
+gootsteene late valle, zakt 't 'r allemaal in."
+
+"Pas op!" waarschuwde Meijer.
+
+Boven werd heet water geloosd, dat door de zinken buis snaterde en
+met lawaaiend geplas in het gat stortte. De witte damp sloeg om de
+hoofden der kindren.
+
+"Sodejuu!"--schrikte Jan.
+
+Meijer hield z'n hand onder de pijp om te voelen of 't heet was.
+
+"Jò--mot-je je poote brande!"...
+
+"'t Is nie-eens heet... Aardappelewater... Voel maar."
+
+Vreemd-onnoozel werd hun gepraat bij de gaping der
+riool-opening, rakkerig kinder-doen, schijnbaar-volwerklijk door
+groote-mans-woorden. Saartje, ouwelijk-wijs, keek van Meijer naar Jan,
+Moosje druk staamlend perste de handen in de gebleven modderkoeken. Het
+licht van het brokje hemel, benêe tot scheemring geloomd, was als
+een wikkel van laat-killen Novemberdag, bleeken wasemschijn stollend
+om het wit van de hoofden, de handen, de blootwoelde beentjes van
+Moosje. Bij tijden, als straatgerucht ganschlijk verstoven en 't
+stemgeroes in de kamers heenschrielde, brutaalde het hooge geluid
+van 't manke joggie, als schettring in leeg-holle kamer, hel-schel
+wegklikkend langs luistrende wanden.
+
+Jan kudderde modder, sprak daar tusschen door:
+
+"... Mot jij niks voor je vader doen an die sweere op je kop?"
+
+"'t Sijne geen sweere", zei Meijer: "'t is brand."
+
+"Mot je met salf smeere", verzekerde Jan, viezerig kijkend naar
+'t korsten-hoofd.
+
+"Vader seit dat 't niks is", zei Meijer: "me broer heit 't en me
+sussie en me groote sus"...
+
+"Met hoevele benne jullie?", vroeg Jan.
+
+"Met s'n sevene."
+
+"Benne jullie met sijn sevene? Wij met sijn viere."
+
+"We sijne met s'n elleve gewees", zei Meijer: "vier sijne d'r dood
+en me sussie gaat oòk dood."
+
+"Gaat-die oòk dood?"
+
+"Nòu hoor!"
+
+"Wat scheelt se dan as se dood gaat?"
+
+"Jò, weet ik 't!"...
+
+"Bij ons is d'r ook een gesturreve", vertelde Jan, modderlepel stil
+op den rand bij het droomrig-herinnren: "Jeesis, jò, wat is dat
+gedoomes gek... D'r was net weer soo'n lek in de kelder... Stinke
+dee't!... Stinke!... Godvergeefme wat 'n stank!... We moste 's morges
+allemaal meehelpe met 'n emmer... 't Hielp geen mieter, hoor... En
+soo kemiek, seg... nou maar die wàs kemiek... 't Kissie stond op twee
+stoele... Heb-ie wel is 'n kissie gesien?... Heelemaal wit as van de
+appelesiene... nou en daar lee-die in"...
+
+"Lee-die in 't kissie?"
+
+"Nou en wat!"...
+
+"Met 'n deksel d'r op?", vroeg Saartje.
+
+"Wat doch-ie anders?... Kemiek, hè?"...
+
+"Was dat je broertje Dirrek?"
+
+"Dirrek?... Is Dirrek dan dood, stommert? 't Was zòo'n kleine... Meijer
+heit 'm gesien... D'r was niks an, hoor!.... Die zei nog geen woord,
+net as jouw broertje Moos.... Enne kakke as die dee... godvergeefme de
+sonde wat kakte die!... Vader seit dat-ie an de eeuwige schijterij is
+gesturreve.... 'n Kissie soo groot as 't luikie van 't riool... Maar
+de lòl 's morges met 't water in de kelder!... We moste allemaal op
+bloote voete loope, seg... enne me broer die viel soo met s'n nakende
+kont in 't nat... Hahaha!..."
+
+Rinklend sloeg de kinderlach door den koker.
+
+"Enne toen?", vroeg Saartje.
+
+"Nou... enne toen... Enne toen!... Verrek, seg!... 't Is geen
+verhaaltje, seg!... Soo ken je blijve vrage"....
+
+Achter piepte de deur. In het vierkant der deurposten kwam de
+oude vrouw, gebogen, geel, verdroogd jodenwijfje, handen in beevrig
+getast. De bandeau, weggezakt, dekte warm nog het zilver-krulhaar, dat
+slapen en voorhoofd schichtig beploos. Bruine diepsels onder-kringden
+de mat-grijze oogen. Er was zorgen-gevreet in 't gelaat van neus naar
+mondhoeken, door 't beenige voorhoofd, onder de wiggende jukken. Witte
+matinee, bij den hals vastgehouden door rood-platte broche, omkreukte
+het gebogene lijf tot op den zwarten rok. De eene hand sloeg om den
+deurpost, vingerknekels om 't molmende hout.
+
+"Zit je daar, Saartje?", vroeg ze.
+
+"Ja tante."
+
+"Pas je op Moosie?"...
+
+"Ja tante."
+
+"Wie is 'r nog meer?"...
+
+"Jan-van-hiernaast en Meijer."
+
+"O zoo... O zoo... Ken jij op de klok kijke, Meijer?"
+
+"Ja jeffrouw", zei Meijer, beknikkend de blinde oogen der vrouw.
+
+"Enne hóe laat is 't dan?", vroeg ze, kleintjes lachend.
+
+"Wáar mot 'k kijke?"
+
+"Nou bij óns", zei Saartje, meeloopend naar de holte der deur en mede
+opkijkend naar het kopergeglim in het donker.
+
+"Hallef ses", las Meijer... "net twéé minnute d'r voor."
+
+"Hallef zes?", knikte de blinde: "... speule jullie maar vort"...
+
+Zachjes inschuifden de voeten de kamer, naar de koperen kachel
+waar water op ruisde. Wegend nam ze den ketel in d'oude handen,
+bevoelend de zwaarte, liep er mee naar een kraan-dicht-bij-den-grond,
+bleef héel-zeker van luistren bij het geploemp van het water, tot de
+spetting versnerpte tot heller getok. En voorbij de tafel, ziende de
+schikking der dingen in 't zwart van haar hoofd, voorbij de alkoof
+en de stoelen, schuifde ze terug naar de kachel, dempend het rookend
+gezuig in het gat door 't herplaatsen van den ketel. Buiten hoorde
+ze 't gepraat van de kindren, de brutaal-snappende stem van 't mank
+joggie, het mulle hamergeklop van den schoenmaker in de poort. De
+kachel droog-warmde de kamer. Ze kon wel 'n luchtje scheppen, 'm
+wachten voor de deur. As ze 'm maar niet misliepe. Stoel, dichtst-bij,
+nam ze bij leuning, kniklachte vrindelijk tastend tegen de kindren.
+
+"Geef Moosie maar hier, Saartje", wenkte ze, tilde het kind op den
+schoot, wreef de koud-vochtige beentjes met 'r magere hand en zat stil,
+rustig, kniprend alleen met de oogleên. Jan ratelde verder, morsend,
+pratend met stootjes...
+
+".... Enne 'n smerisse!... Hóópe... Nou enne toen de brandweer an
+'t spuite... Jò, wat-'n strale... Je zag niks as róok... enne-'n
+vlamme... godvergeefme wat-'n vlamme!... De lucht sag soo rood
+as.... as.... vúúrrood hoor... je kon de sterre niet sien"....
+
+"Brandde 't héélemaal?" vroeg Meijer, ingespannen van kijken.
+
+"Nou!... 't Was rood as de kachel van binnen... Je sag soo de balleke
+valle."
+
+"Steen brandt ommers niet", zei Saartje, ongeloovig.
+
+"Of die brandt", schetterde Jan, opkijkend en de huizen rondom
+taxeerend: "'k Wou gedoome dat 't hìer is gebeurde"...
+
+"Nou, ikke niet", schuwde Saartje.
+
+"Ikke wèl", zei Meijer, die nooit een brand had gezien en te
+fantaseeren begon hóé 't kon wezen: "'k Wou dat 'r nòù brand kwam,
+hè? Dan ware wij d'r meteen bij, watte?... Zou jij niet wille?"
+
+"Nou òf", zei Jan: "nog al niet pràchtig... de vonke
+die valle over de hééle stad... enne dan de brandweer:
+tingelingeling!.... tingelingeling!... tingelingeling... Nòu!"
+
+"En àsje verbrandt", zei Saartje.
+
+"Je verbrandt niet", hel-antwoordde Jan: "ze hale je met ladders
+'r uit.... enne dan mag-ie blijve kijke as je in 't huis woont"...
+
+"'k Wou dat 't zòo gebeurde", zei Meijer, kijkend de muren langs naar
+d'opperste ramen, die zwakjes zon-zilverden.
+
+"Over dag is geen aarigheid", hoofdschudde Jan.
+
+"Waarom niet?"
+
+"Dan zie je alleen rook."
+
+"Zie je overdag geen vlamme?"
+
+"Née hoor. 'k Heb is 'n schoorsteenbrand gesien, die niks was"....
+
+"Heit u wel is 'n brand gesien, tante?" riep Saartje.
+
+"Ja", knikte de blinde: "... prate jullie over wat ànders... _Beschrie_
+'t huis niet"...
+
+Maar de kindren fluisterden onder mekander, schrikkend door nieuw
+watergeraas dat in de afvoerbuis snaterde.
+
+Stil bij den deurpost zat de oude vrouw, arm om 't ziekelijk kind, been
+wiegend in sussende schokking. In de buurt luidde een klok. Luistrend
+keken de mat-grijze oogen naar boven, vochtloos in de benauwing
+der huivende muren. Naast haar hoofd, roestig, schuinhangend,
+was de blikken huls met de _mezoezos_. En op het geheven gelaat,
+geel en dor onder het stuiven der zilverharen, schuwde het licht,
+alsof het kleurloos van achter onweerskoppen hevelde. Moosje lei in
+slaap gedommeld.
+
+
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+
+Zoo had Eleazar haar gevonden toen hij met Suikerpeer uit de
+scheemring der brokkel-poort op 't plaatsje kwam. In de lage kamer
+werd het gevraag van weerszijden. Zij, wel-verlegen en angstig,
+zat in dubbele luistring, ongerust over Dovid en Soor die naar
+het station waren gegaan, misschien bleven wachten op volgenden
+trein. Dat zei ze telkens weer, tèlkens, met aarzlende tastende
+stem. Suikerpeer, druk, geluid dat uit achterkeel lodderde, lachte
+dan dik op, haar aanziend met bewerend gebaar, zangrig herhalend:
+"'t Zijne geen kindere, Reggie.. Wattè?.. Ze kòmme, ze kòmme!".. En
+gevraag ging weder over de tafel van mond tot mond, zonder Eleazar
+eenige warmte te geven. Strak streek zijn hand over het licht-zweetend
+voorhoofd, bij het pogen antwoorden te zeggen in denzelfden toon van
+hartlijkheid, maar er waren oogenblikken van gaping in zijn geheugen,
+oogenblikken dat hij geen woorden hoorde, de beteekenis niet begreep,
+vreemd-opschrikkend de vragen liet herhalen.
+
+"Enne hoe ben je tóén gegaan?"--, vroeg tante, hem aanziend met
+troebele oogen.
+
+Hij vertelde. De eigen klanken werden hem een verwondring, grof
+gepraat van een vreemde, vaag, vaàg. Het deed hem pijn te spreken,
+daar hij zoo vol was, vol van zacht-smartlijke dingen die in zijn
+oogen onthutsingen schampten. "In Chicago zijne huizen.... met wel
+twáalef verdiepingen", zei zijn stem en gelijk was er een flits in hem,
+schel zig-zaggend dat vroeger haar neus zóo-niet-geweest-was, niet zoo
+smal en bleek-bruin, dat het háar neus niet was, dat ze nooit zùlk
+een neus had gehad, dat-ie lànger was geworden, dunner, verdorder,
+dat 'r smartlijks was aan die verouwelijking, aan dat wegteren van
+een lief en geweten gelaat....--"Van wel twaalef verdiepingen, met
+'n lift, waarmee je na boven ging"--...en weder in de korte halte van
+ademhaling, keek hij, kéek hij naar de diepsels onder haar oogen,
+de bruine, vale verzakkingen, die hij niet gekend had, die met den
+smal-mageren neus het gezicht verschraalden tot masker van overwaasd
+herinneren, zeer-doend, melankolie gevend als bij eerst weerzien
+in daglicht van zieke, die lang in bedstee-schaduwen heeft gelegen,
+wier oogen in 't doode gelaat het licht niet kunnen verdragen. En al
+sprekend, zinnen vormend met moeilijke zoeking, werden zijn woorden
+van eene gevoelige zachtheid, alsof ze bevreesd waren te ruwlijk te
+dreunen tegen het hoofd van droge huisjestrekken, de kleine matte
+oogen, den weg-magerden neus. Het eigen lichaam aanvoelde hier als
+iets zwaars, massaals, overgezonds in gedrukte looming van ziekekamer
+waar goudbrons langs neêre gordijnen sproeit, adem uit koortsstrot
+zaagt. Suikerpeer sneed herhaaldlijk zijn zinnen af met interrupties
+van verbazing, vragend de aandacht van Eleazar en het gelaat van
+den ouwen groentenjood, geel-bol en gorig bestoppeld onder de pet
+van slijkerig laken, dommelde hem tot dezelfde pijn van kleine,
+verwarde onthutsing. Van tante Reggie keek hij naar Suikerpeer, soms
+sluikwijze naar Moosje, op Reggie's schoot, en Meijer die tusschen
+de stangknieën van zijn vader gevangen stond. Saartje had hij zelf
+bij zich genomen, vleezend de groote hand om 't beenig-dun lijfje
+van 't kind. En óver het gepraat heen, dat onbewogen hem langs ging,
+sullend als voorzichtig burengewatel--Suikerpeer was vréemde, voorkwam
+intiemere doen--liet hij hun nièuwe gezichten op zich inwerken, de
+gezichten onherkenbaar en vreemd geworden, vreemd aan vleeschvulling,
+verhouding van neus tot mond, kleuring van haar. Alleen was in hen
+het levend der oogen gebleven en de stemmen zwaklijk-verdonkerd,
+geleken bekende geluiden-van-jeugd, nazweving van klanken wier eerste
+frissche dreun in het later geheugen een eeuwige echo bewaart. Meerder
+bukkend, drong hij Saartje tegen zich aan, trok het groen-verschoten
+jurkje glad, bewoog het groezelgezichtje naar zich toe.
+
+"Ze lijkt op Esther", zei hij, zacht-ernstig.
+
+"As twee droppele water", knikte Suikerpeer.
+
+"Ze heit làng geleje", verhaalde de blinde, het hoofd schuddend in
+moeilijk beklag: "làng, làng..... D'r was niks an te doen.... An
+'n Sjabbes-avend kreeg ze overnieuw 'n benauwdheid.... Dovid heit je
+geschreve.... Hèit Dovid je geschreve?"...
+
+"Ja", zei Eleazar.
+
+"Toen zei Dovid omdat de woning hier leeg sting dat 't beter was te
+verhuize--zijne we hier gaan wone, begrijp-ie?.... Ik ken de trappe
+zoo niemeer af.... Enne met de kindere, begrijp-ie?"
+
+"En zoo bin ik van beneje- bóvenbuur geworde", vulde Suikerpeer aan.
+
+Eleazar, denkend aan de gestorven zuster, keek naar den
+schoorsteenrand, waar bij pullen van glas en wit porselein een verguld
+portretteke stond met gitting van haar. Maànden had het geduurd, ging
+de blinde voort, kort na de geboorte van Moosje. Het was een sterfbed
+geweest in den winter zonder einde. "'s Morges was ze nog góéd",
+zei de oude vrouw, vertellend wat ze met blinde oogen gezien had:
+"schuurde ze de vorke en lepels nog droog, zei ze teugen me: tante
+wat leit 'r 'n snéeuw--'t was niet van de panne af die winter--en
+ze zòng nog--ze zong met 'n stem om te zóéne--Dovid zat weer in
+verdienste en ze wou 'n sjabbeskeek voor 'm bakke. Teugen de middag
+most ze wat legge van moeiigheid in de bedstee met Moossie--an de
+avond was ze dood. Ja. Ja. God wóú 't zoo. God wóú 't zoo. An 'n
+Zondag is ze begrave. Dàt ha'k nooit gedàch da'k 'r zou overleve,
+da'k zou hoore hoe de kist de trap wier afgedrage.... Enne zoo God
+wil hoop 'k 't nóoit weer te hoore..... Zoo God wil".....
+
+Ze vertelde rustig, bijna glimlachend, evenwicht van oud
+vrouwtje, afgestompt door zwaarte van leven. Suikerpeer gaf nog
+bijzonderheden. Het was 'n wónder gewees hoe gauw 't lijk tot
+ontbinding was overgegaan. Sjabbesmòrrege had 't zoo door 't huis
+gestonke dat de sjabbessoep bòven zuur was geworde. Enne dat in
+de winter. Ja, dat wás zoo knikkelde tante Reggie, kniprend met de
+oogen. De kindere hadde bij Suikerpeer geslape, zij en Dovid op de
+grond in de sterfkamer. Enne midden in de nach had Dovid 't raam motte
+open zette, zoo benauwd as 't rook. Enne toen had-ie ook gezeid: tante
+wat leit 'r 'n sneeuw, had zij de tòch gevoeld.--Enne weet je nog van
+'t geschárrel met de kis?--vroeg Suikerpeer, wàdde? Dadde ze de trap
+niet afkonne. Tot Eleazar gebarend, dikte hij aan wat gebeurd was,
+hoe ze getobd hadde, hoe tèllekes de kist tegen de vierde tree klemde,
+as-of die niet weg wóu--'n wonder, 'n wónder-voor-God!--terwijl-die
+toch goed na boven was gekomme. Dat kwam van 't hout dat gezwolle
+was door 't veule water van de dooie, zei hij, straf-knikkend.
+
+Verder schemer-gegruwel wou hij vertellen, maar ze werden gestoord
+door Dovid en Soor, die van het station werom keerden en mooi uit d'r
+humeur waren, dadde ze voor niks hadde gewacht. Soortje kort-aadmig
+wilde Eleazar geen hand geven. Waarom-die geen teèlegram had gezonde om
+te waarschauwe? Hij lei opnieuw uit, dat hij in Hamburg 'n expres had
+getroffen, vroeger was aangekomen dan hij zelf had gedacht. Ze zaten
+om de morsige tafel, bruinig van zeil, en Reggie tasthandend naar de
+kachel, goot water op de koffie, blij dat Soortje en Dovid er waren. De
+avond schemerde aan, dompte de kamer in zwart en goudbruin. Op
+de ruitjes der hoog-gele kast glaasde gespiegel en lichtglansjes
+spetten van 't glimmend koper-gerei, van de rood-koopren test en
+het ganneke-ijzer. Dovid het dichtst bij het raam, had bleek-witte
+jukken en oogen als flets-vochtge ballen. Soortje, in 't duister,
+zag hij alleen als vettige vrouwvorm met op-paarsend jak en gieglende,
+wibblende lintenmuts.
+
+"En vertel nou is, vertel is... Je zeit zoo niks," zei Dovid, meer
+buigend naar het kamergedoezel.
+
+"Ik heb al zooveel verteld," ontweek hij, moe, met aanzwellingen van
+weeheid door den ongewoon-zoetigen stank van de kamer.
+
+"Vertel dan overnieuw!" zei Soortje, zangerig-dringend, met
+toetjes-geslobber van koffie.
+
+Tante Reggie brokte 'n stuk kiks voor de kindren, die schrokten met
+zuinige mondjes en er was plakkend gesmak van dikke lippen, koffie
+en koek. Van de plaats blies watergestort in de buis. Mompel van
+pratende menschen in de poort drabde aan. En hij sprak tot de hoofden,
+wier aangezicht bleekelijk zwol in den schijn van het ruitjesraam,
+nòg eens zeggend de dingskes van zijn reis, die hem zoo invielen,
+eerst van de lange ziekte in het gasthuis, van de zeeziekte dan,
+van 'n storm, van de windstilte, 't dágen lang wachten op 'n bries,
+van het ongemak aan boord van 'n zeilschip, van de harde kaak en
+het gezouten vleesch, van den jongen die onderweg was gestorven
+en de begrafenis... Maar 't was alles léég geworden, het droop
+van zijn lippen als een mal, mal verhaal, trits van gebeuren dat
+geen kleur had, daar de reis op het schip één lange melankolie,
+één drukkende verlatenheid van jood-van-ras bij robuste, góéiige,
+tabakkauwende, jenever-drinkende christen-zeebonken was geweest en
+hij hen, zoo zij daar hartlijk, koek-smakkend zaten, de grijze dagen
+van telkens-weerkeerende ziekte op de stampende, slingrende ouwe boot,
+waar ze 'm joodje hadden genoemd, niet kòn verhalen. Joodje, hèm. In
+'t gasthuis, langzaam tot krachten komend, had-ie in diepste vreugde
+'n vertaalden Spinoza gelezen, herlezen. Dikwerf was 't boek in
+drooming naar de dekens gezakt, had-ie gepoogd zich dien man voor te
+stellen bij boerenkinkels op 'n vlegeldorpje in Holland. De handen bij
+'t boek geslapt, de oogen in zoeking gesloten, had-ie zich 'n jood
+Spinoza ver-beeld, 'n jood met droefgeestig bewegen, 'n jood dwalend
+tusschen de velden, gebogen-peinzend op 'n duinkam. Die eenzame móést
+in die dagen groot en stil hebben geleden. Waren 'r geen kerktrappende
+vlegels langs de boere-kamer gegaan? Hadden ze niet met d'r stomme,
+groentandige smoelen gezegd: hier woont 't joodje Spinoza? Hadden de
+kindren 'm niet nagejouwd als-ie langs de huisjes schuchterde? Ja,
+zoo wàs 't geweest. In de achterhoeken van Holland leefde nòg niets,
+leefde vandaag nog ènkel stompzinnig jezus-gebral waaraan de ontwaakte
+jood-Jezus vreemd was. Luisterend naar z'n adem-gejaag in de stilte der
+zieken-zaal, had-ie dat sentimenteelig gevoeld, tot 't boek 'm weer òp
+nam naar de hoogten waar voor menschdrek geen plaats was. En hersteld,
+komend op 't zeilschip, was 't góédig joodje en joodje geweest.
+
+
+
+Sprekend met schijnbaar-opgewekte en-toen's, saamschrapend
+de klein-holle evenementen der reis, om ze bezig te houden,
+gloeide de heete wrevel van het weken-gedùld-zijn tot zijn keel,
+'t vrindlijk gedùld-zijn door den kaptein, door den hofmeester
+met 't rooie-puisten-gezicht, door de beenige kerels die de zee
+had verdierlijkt tot uiterlijk-brave bonken, wier visie van land
+één groot bordeel met zuipende meiden, harmonica-gekerm, whiskey
+was. Het waren dagen van eenzelvige melankolie, altijd besloten in de
+kleine cabin--en de maaltijden--en het gebed, dat hij aanhoorde als
+vreemde, dat hem hinderlijk was, hinderlijk om 't bóék, hinderlijk
+door den terugslag die er van uitging, terugslag van jóódje,
+alleen en zwijgend bij grove kerels. Van af den éérsten dag toen
+hij ziek in de kuil zat en het gezoek beluisterde, het gepraat
+in de cabin, het gevraag: "waar is 't joodje?"--, de antwoorden:
+"'t joodje is"--en wèer "'t joodje is"--nog eens "de jood"--en "òns
+joodje"--zoo zonder ophouden--en het gezond-lallend gelach om de
+uitgelodderde grap van den rooie-puisten-hofmeester, dat-ie liever
+geen smaus met 'n hàlleve zou willen zijn--en 't donker-grommend
+gebulder om de vuilheden van den stuurman die in plat-hollandsch zei
+dat 'n jodenlul even goed was as 'n christenlul, dat lul, lùl bleef,
+ook al was 'r 'n stukkie af--en 't bordenlawaai, het stemmen-gedreun,
+terwijl hij in de kuil braakte, weggeleund tegen 'n tros, met grijze
+grauwing van dood in hoofd en over de borst en door de beenen--van
+af dien éérsten dag had hij zich bij hen geweten als 'n verlegen
+lichtschuw jogje, dwaas-verlegen--verlegenheid aangroeiend door
+lichamelijke zwakte--verlegenheid die 'm dreef tot tamheid en schuchter
+mêe-praten. Nergens had hij pijnlijker de màcht van het bruute gevoeld,
+den eeltigen knuist van bijbel-brabbelend christenvolk. Er was geen
+ontloopen mooglijk geweest, geen bedrieglijk niet-willen-zien als in
+steden. Daar op de volle, wijd-cirklende zee, onder de stolp van een
+grotesk luchthuis had hij daaglijks, uur aan uur, en zoo maánden de
+verlegenheid van geiriteerd dènkend joodje-van-ras tegenover groote
+lichamen, zware schouders, platte goedigheden, ruig psalm-gegalm
+tot 'n heidensch christen-godje, ondergaan. Ze noemden 'm spoedig
+gemeenzaam, om z'n gezwijg, om z'n zachtheid, om z'n glimlach,
+'n bèst joodje, geen scheldnaam bedoelend, niet begrijpend dat ze
+'m sloegen als met 'n door mestvaalten gehaalden knoet. Zoo had hij
+ze verlaten, vriendlijk, met een laatsten handdruk--als 'n hond die
+de knuisten belikt van 'n trappenden baas--voor het eerst van z'n
+leven gedwongen-natuurlijk ondergaande 'n tergend noodlot, den hoon
+van 'n ras, den onnoozelen strijd van ontaarden tegen ontaarden, van
+stumpers tegen stumpers, waaraan het eenvoudigst gòdsbegrip vreemd was.
+
+
+
+Als hij tante Reggie en Soortje en Dovid en Suikerpeer had moeten
+verhalen van z'n reis, zou 't zijn geworden een zacht verdrietig
+gespreek over dagen en nachten van ziekte en koortsing, van groote,
+stadige eenzaamheid. Maar omdat ze daarvan even weinig zouden
+begrijpen als de matrozen van z'n starren lach, práátte hij in den
+kamerschemer over stootinkjes-van-buiten, over zaken die ieder na
+lange reis vertelt, alsof het gebeùrde, 't tot herinnering geworden
+leven romannetjes-beweeg, avontuurlijkheden, schrikjes, verrassingen in
+prettige schakel houdt. Het zou eene hàrder vernedering zijn geweest
+dezen in luistring gehurkte lieden, met doodenschijn van stervende
+huizen op 't gelaat, ook maar één woord van de benauwende triestigheid
+te zeggen, die achter z'n oogleden gloeide bij het weder-doorvoelen der
+reis-melankolie. Ze zouden grof spreken van _rissches_, het àndre dat
+hen zelf ver-stumperde niet beseffen. En zoo weidde hij traag-sprekend
+uit over afzijdigs, zeide hij dof-klaaglijke dingen over den schrik
+van den mòrgen toen in de hangmat dichtbij de bootsjongen niet
+bewoog, hoe een arm af had gehangen met 'n blauw-witte lijkehand,
+hoe de begraafnis kort en plomp was geweest--'n stuk verteerd zeil
+met rijgsteken dichtgehaald en 's middags aan tafel wat napraat met
+psalmen. Het bewogen gaan van z'n stem gaf licht-bruine stilte in
+de bronzing der kamer. De gezichten met aan-geelender weerschijn
+van het ruitjes-venster, magerder, trekloos, stonden een wijle stil
+op het peinzend geadem, alsof 't blauw-wit lijkehandje kou om de
+hoofden sloeg.
+
+
+
+Soor hoofdschudde het éerst, zei rekkend: "ogge nebbiesch... ogge
+nebbiesch..." en 't rap-praten der andren heen-ruwde de stilte,
+terwijl ze weder bewogen en de mat-glans der koffiekommen in de handen
+opblankte. Dan sprak Dovid met donkere doling, opnieuw van Esther's
+dood, drensde het gesprek in de scheemring over-wat-zij-nog-gezeid-had,
+over de familie-kwaal, over Eleazar's bloedspuwing, tot Suikerpeer
+angstigde dad-'r over wat anders gesproke moch worde, dad-'t voor
+Eli niet plezierig most weze over niks as dood en ellende te prate,
+zóo as-die 'n poot over huis zette....
+
+Saartje, op z'n schoot, was in slaap gezakt. Door het dun jurkje heen
+voelde z'n wijd-spreide hand het adem-geveer onder de ribjes en de
+krullen van 't warrige kroes pluim-kittelden aan tegen z'n kin. Nu zelf
+in geluister, niet meer voorwerp van aandacht, zat sterk hij gebogen,
+aanhoorend de klachten van Dovid, die maanden werkloos geweest was
+door ziekte der oogen--twee weken verdiend had, nou weer wàchtte. Ze
+hadde 'm angerajen na Antwerpen te gaan, maar in Antwerpen was 't
+_dalles_... 't Was niks gedaan met de roosies... de boel was verpescht
+enne de gojjiem verpeschte de boel nog meer.... Gistere-avend was 'r
+'n meetting gewees in 't Paleis.... Dekker had gesproke.... Dekker
+had fijn gesproke.... 'r Ware mozies angenome.... Maar wat zou 't
+géve?.... Je vrat de nagels van je vingers.... Waar geen _mezomme_
+was, kwam geen _mezomme_ bij.... Over 'n maand ha-je de winter.... As
+hìj ze niet uit Ammerika had geholpe.... god weet wad-'r gebeurd
+was. Zoo klaagde hij voort in de scheemring, zeuring van stem met
+bevestigingsroepen van Soortje en Suikerpeer, zangrig gewrijf van
+geluid over de tafel met het kopjes-geplak.
+
+Eleazar, de kin op het kroes van het kind, hoorde 't aan, alsof-ie niet
+weg was geweest, altijd zóo had gezeten bij dezelfde menschen, bij 't
+zelfd voorwerpen-geglans. Buiten was het dalende scheemring. Het cement
+van den blinden muur goorde toe op het raam als een grauw-wolkige
+mist, waarin de pijpende afvoerbuis het éenig-werklijke was. Tegen
+de kleine ruiten van 't venster, zwak doorkruist; en het gespannen
+tullen gordijntje, rondde de rug van den pratenden slijper en
+de vierkanting van zijn gladgeknipt beenig hoofd bewoog in rustig
+geschok. Het gelaat had geen wit, geen trekken meer. De stem sprak uit
+het wiegend hoofd, uit den zwarten bollenden rug. De grauwingen van
+den huiskoker dompelden neer om zijn lichaam, om den melkschemer van
+het tullen gordijntje, om den beugel der stoel-leuning. Tante Reggie,
+recht voor de glimmen der koperen kachel, wier glanzende ballen het
+donker doorkolden als manen in randen van bloed, had een gelaat van
+nog even bevlamd donkergeel, geel van 'n foliant in scheemring--ook
+'r hand, gekromd om stilliggend Moosje, scheurde het zwart zwakjens
+op. De andren zaten naast 'm, zag-ie niet, zag-ie alleen als-ie het
+hoofd afwendde naar de zij van de glazen-kast, die verlegen vlekkingen
+had en 't rood gebroei van het koperen ganneke-ijzer op d' onderste
+plank. Laag drukte de zoldring met plompe geel-bruine balken, op de
+goudsels van zwart, bruin en brons der avondscheemring. Het was het
+laatst gefilter van stedenlicht langs grauwe muren, dat zwaar van
+ingeslurpte schaduw door de stofruitjes zeefde. Van de binnenplaats,
+van het zwart cement, van de kalkbroksels en zaggende scheuren,
+dampte het aan als trage rook over daken van zwart-roode pannen,
+hangend met vadzige kruiping om de vormen der kamer, teer-doorbroken
+door 'n aangezichtsschemer, door de schamping van 'n koffiekom,
+door het wazig ruitengeglim der kast, door de geeling van 't koper.
+
+Eleazar, terugleunend, liet het over zich komen, het avondguldsel, de
+trage bruining, de schaduwtasting, het laatst licht der stervende
+huizen. Zijn bleek-witte hand strekte naar de tafel, hief de
+bleek-matte kom, maar er was gebeef in z'n vingers en de stank van de
+plaats, de zoete, rottige damp klitte slijm naar zijn keel als bij
+hevigen angst. Dovid in drenzend gesprek, weer geheel in de zorgen
+van 't oogenblik, sprak met donker-dolende stem, twistend met Soortje
+en Suikerpeer.
+
+"Drink nog e koppie, Eli", zei Reggie, 'm niet hóorend.
+
+"Nee," zei hij, opstaand: "'k heb 't wàrm"--en met 't kind op den arm
+kwam hij bij den deurpost te leunen, pogend de aanzwelling van mislijke
+weeheid te onderdrukken, die het kamertje, de plaats, de scheemring hem
+gaven. Binnen werd sterker 't gepraat. Suikerpeer in ruzie, sprak met
+dik stemgelodder, zangrig aanhoudend, Dovid in de rede vallend. Ze
+hadden het over iets--hij wist niet wat--zwaar-vermoeid, met
+gloeiend-puilende oogen luisterde hij naar 't gefrommel der klanken.
+
+".... Emmes!... Emmes!..."
+
+".... Wadde wèet jij d'r van!... Wadde wèet je d'r van!", kregel-klonk
+Dovid's stem.
+
+"'k Zal geen gezond uur meer hebbe!... Is 't waar Soor? Is 't
+waar? Hèit 't 'm cente gekoscht?"
+
+"'n Pietsie 'n makke! 'n Cent 'n zeer oog!", driftig-beweerde Dovid:"'k
+La-me daar afstrijje wad-'k met éige ooge gezien heb!--Geen cent
+heit-ie d'r an betaald.... 'n Cent 'n makke! 'n Màkke!"
+
+"Hij heit 'r an betaald bij mijn en bij jouw gezond", slijmde
+Suikerpeer's stem.
+
+"Neèm je gelijk! Neèm je gelijk! Nòg!" zei Dovid met raspen van
+verveling.
+
+"Jij praat over dinge die je nie-wéet", slijmde de ander weer, koppig,
+geluid van ontstoken keel.
+
+"Nòg, lek me de màarsch!", snauwde Dovid.
+
+"Lek jij mìjn de màarsch! Over wadde mot ik jóu de maarsch lekke?"--,
+gijnig vroeg Suikerpeer, nalachend, stem als 'n vetprop.
+
+"Lek 'm dan dùbbeld", droog Dovid zei en de stem van de blinde
+zachtjens dan suste: "Make juillie geen roezie.... Wat sjadt 't of-die
+betaald heit of niet"....
+
+Dovid hield aan, duidelijk makend wàt-ie bedoeld had,
+zangerig-schreeuwend als Suikerpeer 'm poogde te overpraten. Bij
+Eleazar was kort de luistring geweest. Nu, in de oopning der deur,
+keek hij naar den snauwenden bek van den huizen-koker, naar de beue
+gebrokte muren, de drooglatten, de kleeren, de bovenste vaag zwemmende
+ruiten die d'overzijdaken beloensden, naar de donkere poort. In één
+woning was licht al, zag hij 't hoeken van 'n platborstige vrouw in
+paarsigen doek, die 'n kind kamde en telkens aandachtig den kam onder
+de lamp stak, zoekend met fel-turende oogen. Diep als een oude smart,
+wier schrijning tot-leven-gegroeid-is, voelde hij de zacht-gloeiende
+kropping der keel, die hem gewerd, als hij de kròt-huizen zag.
+
+Maar de hand leunend tegen den deurpost, wreef langs de mezoesos,
+de blikken huls, waarin de Geboden stonden te schimlen. Glimlachend
+keek hij er naar, betastte het zwart-roestig ding, trok er aan. Het
+bengelde zacht. En aldoor glimlachend, vreemdelijk lachend tipte hij
+'t los met de nagels, hield het in de hand, draaide het om en om,
+dat het dofjes glimmerde in de grijzing van den huiskoker, als een
+blik stukje speelgoed. Saartje wakker geworden zag 't hem doen.
+
+"O!", zei ze, kindergeheimzinnig: "O.... oomè!...."
+
+"Wat is 'r?", glimlachte hij, er mee spelend, maar in plotslingen
+wrevel, niet meer lachend, stroef kijkend naar het muren-gewrok,
+liet hij het hulsje in z'n zak glijden, hield de armen om 't kind.
+
+"Wat zit 'r in, oomè?", vroeg ze zachjes, wetend dat 't niet mòcht.
+
+"Niks", zei hij stilletjes-lachend: "niks, kleine aap.... Morgen
+krijg je 'n cent." Met 't kind in de armen ging-ie de kamer weer
+in, vragend of Saartje en Moosje niet na bed mosten. Tante Reggie,
+knikklend, stond op, droeg slapend Moosje.
+
+"Zal 'k licht voor u maken?"
+
+"Wat hèllept me dat?"--, vrindelijk lachte de blinde: "dòmme
+jongen!.... Doe 'k 't nie elleke avond? Waddè?"....
+
+Soortje, Suikerpeer, Dovid waren in rammlend gesprek--hij met Saartje
+in de armen, tastte achter Reggie de donkre alkoof binnen.
+
+"Wees maar nie bang", waarschuwde de blinde: "'r is geen trap.... 't is
+'n alkoof.... As je maar niet teugen 't petrolie-stel stoot en niet in
+de emmer trapt".... De deur klapte dicht, afsluitend de scheemring der
+kamer. Hij stond met het kind in de armen, schuifde een eindje vooruit,
+tastend, blind als tante Reggie. Ze had Moosje in de bedstee gelegd,
+nam Saartje over, hielp haar aan 't jurkje. Eleazar streek een lucifer
+af, die kort de bedstee belichtte, hol en diep--'n schoorsteen--'n
+zwarten kalkmuur. De lucifer brandde tot z'n vingers, viel neer en
+hij kraste 'n tweede af, angstig, snel.
+
+"Wat dóe je toch?"--, vroeg de blinde: "maak geen brand."
+
+"Nee", zei hij zacht, rondkijkend met gespannen oogen bij de korte
+lichting der lucifers. Het was eene kleine vensterlooze alkoof,
+berghok geweest, met één kalen, water-zweetenden muur, waarvan het
+zwartlak was verschilferd. Achter puilde de bedstee, smoezlig van
+hout, met 'n stukkende matras en 'n voddige gestikte deken, waarvan
+de naden waren gebarsten. Kwallen verteerd-grijze watten hingen 'r
+als klonten aan. Anders lei niets in 't hout-gat. Op zij schuinde
+de huif van een vroegeren schoorsteen met 'n roestig petroliestel
+en 'n tweede matras opgerold met 'n touw. De grond was van oude in
+zand vertrapte tegels. Onder de schoorsteenhuif, wit op 't lak dat
+streepsels van afgetraand vet had, bloemde donzige schimmel. Stank
+van een tam-werkend, tot braking ophitsend riool, scheen uit de naden
+van den grond te breken. Viermaal had-ie een lucifer afgestreken,
+viermaal de weerlichting gehad van de donkre alkoof met de bedstee,
+den glimnatten muur.
+
+"Wat doè je? Wat doe je toch?", praatte de blinde, bezig met 't kind:
+"Je bin nou niemeer in Ammerika, Eli.... Wìj hebbe geen lif"...,
+lachte ze.
+
+"Waar slaap ù?" vroeg hij, nog 'n lucifer afstrijkend.
+
+"Bij de kindere in de bedstee.... Wad-zou 't anders?"
+
+"En Dovid?"
+
+"Op de grond"....
+
+"Op de grond".... herhaalde hij zoekend, zich niet verwondrend,
+daar hij 't altijd zoo gezien, zélf als kind met Esther en Bram
+en Jozef, die allen dood waren, op éen matras op den grond had
+geslapen:.... "maar die stank"--ging hij voort: "'r mot 'n riool
+zijn... 't Stinkt.... 't Stinkt.... 'k Wor 'r misselijk van"....
+
+"Da's de emmer, oome", zei Saartje, wijzend den hoek bij de deur. De
+lucifer was uitgebrand. Vinnig kraste er weer een en zich omkeerend
+zag-ie den emmer zonder hengsel, bijna gevuld tot den rand met geel
+vocht waarin bruine drollen opdreven. De lucifer, rood-wirrelend,
+viel er in neer, siste en 't bleef donker. Bloote voetjes betipten
+den grond. Het kind liep op 'm toe, nam z'n hand, zei helder: "Dag
+oome Eli". Hij bukte, zoende 'r op het toegestoken mondje, haalde
+diep in den stank, den stank die uit den emmer sloeg, zich vastbeet
+in zijn mond, in zijn speeksel, in zijn strot, in zijn longen, in
+het vocht van zijn oogen.
+
+"Zoo--enne nou slàpe", maande de blinde: "hoor je me, Saar-lief?"
+
+"Ja, tante."
+
+Dovid kwam tastende binnen.
+
+"Zijne juillie hier?.... Waar is Eli?"
+
+"Hier", zei hij, hoest-schrapend.
+
+"Gooi jij de emmer is uit, Dovid", sprak tante Reggie: "de wagen is
+d'r nog niet"....
+
+"Staat-ie 'r nog?.... Is me aàrdig vol", schatte Dovid, de duimen om
+de lippen van het hengsel.
+
+
+
+Door de opene plaatsdeur zag Eleazar 'm gaan, wijd-beensch,
+rug gebogen--en mislijk, ziek door het schokken van z'n maag,
+het weeëe-watergeloop in z'n mond, stapte hij de plaats op, de
+donkre poort uit naar het nauw-straatje, dat doodliep op eene
+roerlooze gracht. Even om den hoek van de poort stond hij stil,
+stampvoetend-onderdrukkend den aandrang tot braken, inhoudend de
+krampende stooting der maag, alsof zeeziekte opnieuw tot 'm was
+gekomen. Hij bedwong 't, speeksel spuwend tegen den grond en met
+vochtig-heete oogen, klam, zwaar-van-hoofd keek hij het water toe, dat
+zwak-groenig lichtte. Het straatje, zelve een slop, was in drukte van
+buiten zittende joden. Bij het licht van een lantaarn in de kromming,
+leien jongens lawaairig te jassen. Dàar alleen werd het geschemer
+der muren gebroken. Naar het water was alles morrige, vijandige
+schaduw, grommelde 't zwart van den avond. Het norschte zoo triestig,
+overweldigend van weemoed dat hij onbeweeglijk bleef, in-snikkend de
+dreiging die er uit rees. Naar de gracht verzakten de huizen, muren als
+klodders, met striemsels cement en schuwe droogstokken-zwieping. Een
+oude loods, zwart van mekander beklimmende planken, schoorde vooruit,
+grom-schaduw plompend in 't rottende water. Er liep daar een trapje
+met treedjes van kurkerig hout naar omhoog, treedjes met uit-slepen
+gleuven van schuinende voeten. En langs die, glad van handengeglij,
+beklom een leuning 't bordesje van hout dat voor drie deuren was. Er
+stonden bij den verzakkenden muur vuile putsen voor komkommers--er
+was meer, méer. Maar niet dàt wrong tot z'n keel. Het was de bitse
+schemer die naar het rottend water strompelde, die het slop en de
+huizen en het water en de woning-ruïnen aan de overzij der gracht
+in klaagsels van zwart zette, zwarte klaagsels op de houten loods,
+op de verzakkende schuur, op 't stijfdroogde goed, op de latten langs
+de ramen--klaagsels zwart, zwart-van-avond onder dichtblaarte boomen,
+zwart van vleermuizen-vlucht, zwart van rouwwaden in 't donker van
+dooden-wagen--zwart, als modder langs verweerde wanden, over begroeide
+pannen, zwart over het trapje met de kwakklende treedjes, over het
+water dat stil lei, verstoven blankingen, koperkleurig gegrinnek van
+drijvend vet had. Met vochtig-heete oogen, koud van uitperlend zweet,
+bijna ver-willoosd door 't zwart, het aanzwalpen van den huizennacht,
+de stankingen--gister, eergister was 't de zee nog geweest, de zéé met
+'r luchtkoepel, 'r zon--liep hij tot vlak bij de gracht, hurkte naast
+'n blauwigen steen schuin in modder gezonken. Meerder licht was hier,
+groen-stollend licht, overglijdend het water. Het geleek nevel en
+wolken-gekwijn, d'oude stompen van baksteen langs-koperend, wazend
+naar de scheemring der overzij-huizen wier dof-molm gehang scheen
+te breken onder 't plomp schoorsteenwoud. Vlak tegen den gracht-wand
+groeiden nog boomen, gebogen naar 't poelige water, geblaarte verwoeld
+als om nachthoofd van grijsaard. Het was een kleine horizon van water,
+groen, huizen, oud en bedolven onder stuiving van asch, star-oogend
+in heesche verstikking.
+
+Zieker, met opstijgende weeën, gloeiing in hoofd, nek en borst,
+stutte hij de kin op de handen, keek naar het water aan z'n voeten,
+dat log was van rotsels met moeilijk-opdobbrende bellen. Er lagen
+roerlooze klitten aardappelschillen, hoepels en loof,--er tusschen
+drollen en stronken, en 't glimmig-hol kreng van een hond. Doch de
+stank walmde zoo zwaar, zoo benauwend-zoet, deed 'm zoo opnieuw denken
+aan de alkoof en den emmer-met-vuil, dat hij plots opstuipte en in
+hevige schokking van 't lijf, het hoofd tegen de planken der loods,
+te braken begon, alsof bloed de longen ontspoot.
+
+Kreunend zag hij 't braaksel in de modder plassen, met kruipend-gesiep
+over den leisteen. Een groote grijze rat, opgeschrikt door 't
+gerucht, sprong te water, heen over 't braaksel. Het leven scheen
+uit hem te gudsen, te gùdsen, zoo voelde 't hoofd als een klomp
+met uitbrekende hersnen. Lang bleef hij zoo, suffig, zonder wil,
+het hoofd tegen de loods, moeïg kijkend naar de onderste, groenige
+plank, naar 't aangestoven zand, naar de steenen--de steenen, het
+braaksel dat-ie begon te ontleden--zoo precies as-ie wist wát 'r
+in was--jodekoek met krente en sucade--enne koffie--Niks vies--niks
+vies--Je wist wàt 't was--jodekoek met krente--krente en sucade--enne
+koffie--Maar de benauwing kwam nog eens. Hij braakte den stank terug,
+den stank van de kamer, den stank van de plaats, den stank van de
+scheemring. Inert-stuttend tegen de loods, blauw-wijdde in z'n hoofd de
+zee-bij-avond--de zee eentonig van zang--en 'n vinnig-zwart zeiltje
+in de verte--en 'n violet kartelwolkje. Het gonsde in z'n ooren,
+de borsthaartjes kleefden nat, de rug voelde koud, het hoofd léeg,
+léeg met zware, drukkende haren.
+
+
+
+Toen hij het hoofd weder hief, stotterden tranen uit zijn oogen, loome
+bloed-heete tranen. Maar er gloeide woede in hem om z'n zwakheid en
+met drift scheurde hij den zakdoek naar het gelaat. Er ketste iets met
+metalen geluid op den steen. Hij raapte het op, herkende de blikken
+huls van tante Reggie's deurpost, waarin de vergane Geboden. En met
+hartstocht-gebaar smeet hij het ding in de stinkende, groen-wazige
+gracht, waar het zonk tusschen de spattende bellen-van-rotting,
+naast het zwart-holle kreng van den hond en de drollen die bewogen
+als dobbers. Kort kringde het water, meewieglend het vuil, de hoepels,
+het kreng. En weder teruggaand door de poort, zag hij dat het dieper
+avond was geworden. In de kamertjes-boven waren weeningen van licht,
+doch benee voor de huisdeur zaten Reggie, Soortje en Dovid luchtje
+te scheppen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Het was een middag van overzwoel, vadzig gezwadder, toen hij naar de
+fabriek ging. Uit de zijstraten snikte 't bewegen der menschen naar
+'t stofzweetend asfalt. Huizen bukten dorstig-vermoeid met vensters
+wijd-open als hijgende keelen, de kozijnen weiflend in 't schamper-geel
+licht schorden als droog-grauwe lippen. Een buiklucht van koppen en
+wit-in-vertroebling bebroedde de daken, zwoelingen gulpend tusschen
+de schaduwgeulen en diepten, de gevels wier vluchtend gelijn in den
+hemel golvingen sneed. Hijschblokken, dik van kop, rekten de nekken
+met haken die kromden als tongen van adem-inkermende honden.
+
+Naar het einde der straat werd dichter het wanden-geweef, verzwartte
+het blokken-geplomp als een heffing van mokers. Ruiten keilden daar
+vlammen, spetten en schichtige stralen, als-of ijskristallen en
+sneeuwdons in kaatsing van avondpurper krompen.
+
+
+
+De menschen liepen in duwend gedrang, schuiflend het stof dat
+branderig kroop. Ze stonden bij winkels, traagden weer voort, de
+sleepen in handschoende handen en zonschermen als kleine gootlooze
+daakjes. Dicht langs hem henen, blazend en puffend, blauw-glimmrende
+diamanten in bleek-vette oorlellen, ging joden-dame, hoofd als een
+sproetenpioen, gele blouse met zweetige plassen in d'oksels, heupen
+vet en gezwollen, borsten als stram-staande uiers. Ze zweette en
+blies en 'r ooren vonkten den glimmrenden schijn door de straat--'r
+ooren droegen teeder geglans van dauw-op-een-bloemstruik--'r ooren,
+garstig en spek-bleek, slierden een zilveren herfstdraad met bevend
+geflonker door 't stuifsel dat voeten sloegen uit asfalt. Vet en
+heup-kwallend, dauw-smachtend, ging ze een hoek om.
+
+
+
+De gracht, waar hij kwam, groende weg met oude bollende bruggen en
+water tusschen de dammen der straat. Eene zij lag in overplassing van
+krijterig licht, licht op de gevels, bordesjes, ruiten, kozijnen,
+licht met driftigen goudstraal op koperen knoppen--de andere in
+schaduw van 'n bierbrouwerij, wier schoorsteen 'n reuzenspeer geleek
+rustend op het zadel naast den maliënkolder. In het beweegloos,
+vaal-vlakkend water effende een scheidlijn van licht en schaduw,
+wiegelde de gevel-vluchting, lang-bleeke kartling met wit en geel,
+versmalde ramen, verfletste gordijnen, groenige wolling van boomen. De
+oude zwarte rioolgaten braken daarin klodder-spelonken en diep onder
+'t buikige lijf van een kof, school 'n logger geduister.
+
+Het was stil op de gracht. Er liep een briefbesteller en 'n man zat
+op 'n handwagen. Een meid dweilde de treden van een bordes, voeten
+in wippende sloffen. Hiér deed 't aan als de rust van 'n dorp, van
+'n glunderig dorp, met zonneplas-wegjes en koeien zwaar-trappend in
+wei. Hier kon je effen ademen. Hier zag je lucht en wolkjes bòven,
+tusschen de grachtgevels--benèe in 't water, nog eens en nog eens. Uit
+'t fabrieksgebouw snorkte geraas en een man duwde 'n kruiwagen over
+een schokkende plank, die schuin over stoeptreden lag en kolengruis
+zwiepte.
+
+"Is Juda an 't werk?"--, vroeg Eleazar.
+
+"Juda? Juda is boven", zei de portier.
+
+Voor 'm uit, in de lange donkere gang, gromde 't knarsend
+kruiwagenwiel, krakend over gevallen stukken steenkool alsof er
+grint lei. En weer daadlijk was 'm alles bekend, de plakkaten van
+den fabriekseigenaar over molenhuur, de manifesten, de lange zwarte
+gang, het portiershokje, het rogglend grommen der machines. Van
+achter en door de deuren en van de trappen knoerste het de gang door,
+rommelend, suizend met grijs-bruine kreuning. Het was of een storm in
+het gebouw raasde, de steenen wanden langs reutlend, schor-gierend
+door stukgeslagen ruiten en met grooter geweld joel-fluitend in
+hoeken waar ijzer en steen meerder weerstand boden. In de verre
+diepte der gang kraakte 'n geul rood en vlammen uit een oven, met
+berstende walmen van roet--de metalen bons van een deur sloot het weer
+af. Zacht-zoetlijke stank van machines en olie lauwde aan. Hij wachtte
+tot 'n kruiwagen, zwart en leeg, hem voorbij bolderde, passeerde
+de opene deur van een zaal met wentlende riemen, gebogen mannen en
+lekkende vlammen van verstelpitten en een binnenplaats en wéer een
+zaal, waar 't geraas verwarder ravotte, stemmen in zangrig geschreeuw
+'t schijven-geschuur overpsalmden. Eleazar luisterde naar 't oùde,
+oùde liedje.....: "De Dimantschleiper haben de Zehring!..... Laufen
+auf de Brategasz mit vaatjes heering!..... Owei, owei wat ist me
+wei..... Mit de Dimantschleiperei!"...., slijpliedje dat-ie gehoord
+had toen-ie nog potjongen was op den winkel, waar ouwe Jacob 't
+rad draaide, stoom niet gekend was. Glimlachend terugdenkend aan
+dien tijd, nasprak-ie trapklimmend 't vervolg-deuntje zooals-ie 't
+zich herinnerde, zooals-ie 't had gezongen en geschreeuwd:..... "De
+Dimantschleiper sitze-in-'n hoekie.... Trinken 'n koppie koffie,
+fressen 'n zwei-en-halbe-cents boterkoekie... Owei, Owei!... 't Is ze
+zoo wei mit de Dimantschleiperei!"..... De trap krinkelde om, een-hoog,
+twee-hoog, drie-hoog. Hij duwde een deur open en het machine-geraas
+der zaal kletterde vol op hem toe, egaal, dof van kreuning, behamerd
+door 't metalen geklik van een mortier, waarin 'n potjongen boort
+stampte. Vlug wipte hij het trapje op, dat over de draaiende as als
+een vlonder over een sloot driekantte. Juda, gebogen achter de schijf,
+in lezende aandacht bij de vier tangen, waarvan een-ie vasthield in
+klauwenden greep, keek glimlachend-verrast. Zijn zwart-grove hand
+drukte de bleeke van Eleazar met hartlijkheid en 't suizend gestamp
+der assen en wielen overgromde zijn stem. Ook Moppes en Klaroen en
+Leon en Hes en ook Rijst van achter de andere bank stommelden langs
+de krukken, begroetten hem goedig, lawaairig, pratend door elkaar en
+al gijntjes zeggend vóor-ie twee woorden gesproken had. Maar dan weer
+achter de schijven, de koppen naar hem toe, schreeuwden ze lachrig
+met veel belangstelling, vragend naar vrinden en bekenden, die nog
+in Amerika waren. De christen-chipsmakers aan de overzij loerden hun
+schijven langs.
+
+"Wèer 'n baas!"--, schreeuwde Leon over de hoofden van Moppes en
+Klaroen.
+
+"Geef je me vijf guldes méer in de week en 'n broodje met
+pekelvleesch?"--, lachte Hes, splijtend de dikke lippen.
+
+"Zonder pekelvleesch doet-ie 't ook!", lachte Klaroen, 't gele gelaat
+met de zwarte oogwallen toewendend naar Eleazar.
+
+"Ik ben niet voor baas gebore," grunnekte Eleazar, 't hoofd schuddend:
+"'k heb alles verziekt."
+
+"Wat zeit-ie?"
+
+"Hij zeit dat-ie alles verzièkt heit!"
+
+"Wàt heit-ie verziekt?"
+
+"De meide, wat Eli? Wattè?..... De meide is 'n ziekte van
+belang!"--, lolde Leon, met z'n sleutel een dop aanzettend in de
+tang, breed-uitlachend over de ruggen van Moppes en Klaroen, die
+gebogen lach-hapten.
+
+"Zoo lang zel mìjn armoed dure as zìjn rijkdom", gijnde Hes: "Wi-je
+voor van-avend 'n vrijbiljet voor de _Gebochelde_, Eli?"
+
+"Hij heit jóú noodig!", komiekte Moppes, afbuigend en 'n dop
+smijtend tusschen de blokken van den grinnekenden versteller: "hij
+heit jóú noodig!..... Tien knechs mot-ie hebbe bij taurus mausche
+te paard!".....
+
+"'k Doe 't niet minder as met twintig molens," lachte Eleazar,
+opgewekt door de jongensachtige onbezorgdheid der mannen.
+
+"Wat slijp-ie boort of messe?"--, schreeuwde Klaroen, en het herhalend
+daar de chipsmakers aan de overzij luid-uit 'n dreun galmden
+die donkerder aandreef 't roezend lawaai van de as en de wielen:
+"slijp-ie boort--bocht of messe?"
+
+"'n Tafel op z'n togus slijpt-ie!"--, lachte Hes, neerbuigend,
+zwaar-schuddend van lol de poederpen in 't schulpje duwend.
+
+Er kwam nieuwe afleiding en de vroolijkheid rammelde zwaarder
+van stemmen-gehos. Over 't trapje tipte voorzichtig 'n klein-mager
+joodje met lichtgrijze, bruine en blauwe lappen over den arm. Hij had
+'n smal-geel gezicht, hoekig alsof de jukken 't vel doorpuntten--en
+onder den neus als 't gekruip van een rups was 't stekig gepluis van
+zwart-bruine haartjes. In 't wit-wijdend licht van 't fabrieksraam
+vouwden de oogleedjes schuw met harstig vuil in de hoeken.
+
+"Heere! Heere! Daar wordt wat verkoch! Heere! Kijk is, heere!"
+
+Vlak bij Eleazar kwam-ie te staan, 'n lap perrelgrijs hoog in de
+handklampjes.
+
+"Meneer," wees Hes op Eleazar: "meneer heit 'n pak òvernoodig!"
+
+"Mènèer is betoeg!"--riep Leon: "hij koopt je heele voorraad,
+koopman!"....
+
+"Wat mot-ie koschte?"--, vroeg Klaroen, toekijkend met tang en sleutel
+in de zwarte handen.
+
+"Driè gulde!" schreeuwde de koopman: "drie gulde omdat 't ongeregeld
+is.... In de magazijne betaal je d'r zèven.".....
+
+"Dat làppie!.... Dat lappie! 'k Geef je 'n gùlden."
+
+"'n Gulde? 'n Gulde! Oj?"--, herhaalde het joodje met lijzig
+schoudergeschurk en zijn oogleedjes kwijnden zoet naar de lap in
+z'n hand.
+
+"Allemaal ordienaire lappies", taxeerde Hes, die Juda 'n tang liet
+zien met het glazen geblikker van 'n brillant. Juda boog neer,
+keurde lachend den steen en het joodje met schuwe verwijten, sprak
+in verwering:
+
+".....Ordinaire lappies? Ordinaire lappies? 'k Hei-geen ééne ordinair
+lappie!.... Allemaal ongeregeld.... fijnste kamgaren en merrenos"...
+
+"Geef 'm mijn voor 'n gulde", smoezelde Klaroen--en in opstuivenden
+lach: "voor 'n goppe-jas."
+
+"'t Lijk wel 'n leere-lap, verdomd!"--, spotte Moppes, steen zachtjens
+aanduwend over den zoetkring van zijn schijf.
+
+"Kijk daar-is 'n lap", streelde het joodje, de hand in vleiend gewrijf
+over de lap: "'n sjijne lap voor 'n broek--'n pràch van 'n lap!".....
+
+"Vijf-en-twintig stuivers!"--, bood Klaroen, het geel gelaat gewend
+naar de staal die grijs was met zwarte motjes.
+
+"Ken 'k nie-doen", verweerde het joodje:
+
+"Kom nou heerè! heerè!..... D'r wordt wat verkoch! Met 'n kleine
+verdienste bin ik tevreje! Heerè! Heerè!"
+
+Schuw van oogen-gedwaal leunde hij tegen de werkbank, klein en wrak
+in 't glimmend gespannen vest, waarover 'n jasje slap slierde. Het
+fantasie-hoedje schuin-weg bekringde het zweet van 't voorhoofd--het
+boord klefde in rimpels om 't halsje van plooien.
+
+
+
+Achter zongen de chipsmakers, rekkerig galmend 'n
+café-chantant-deun. Een floot 't mede. De ramen, hoog en door-ruit,
+vlakten stof-glanzig met gouden gekolk en schaduw-druiping langs de
+spinten. Het waren drie bogen van glas, hoog en wijd, rechtlijnig
+van latten doorsneden en elk ruitje er in, grauwig van stof, werd
+tot een vlies, doorzichtig, beslagen met gouderig pulver. Linksche
+raam, in schaduw van een uitwiggenden muur-van-cement en onbewogen
+ver-gelend klimop, was halfwege in weeldrige vloeiing van zon-rood,
+halfwege klitterig zwart met goring van aanstoven vuil. Van het
+andere raam waren twee ruiten gebarsten--wijdtakkige spinwebben
+met een zat-gevreten, slaap-loddrende stopverf-spin. En op zij,
+weggerukt naar de opstaande spinten hing in verslobberde kreuken het
+vuil-witte scherm, dat voorgeschoven werd als de zon te rechtstandig
+de werkplaats bescheen. Op het broeien der zon-gouden ruiten beitste
+het felle schoudervierkant der gebogen chipsmakers en blauw-krinklende
+rook omdampte met bleek-drijvende slieren hun hoofden. Bij het derde
+raam, mat van getemperd-ros licht, laaiden de klukkende vlammen eener
+verstelpit, tot diep-groene blaasjes verkrimpend als de dop er naar
+daalde. Boven waren de ramen schuin-open, als luiken, hangend aan
+koorden. Daar was de dagschijn gedwee, geslurpt door de helling van
+'t glas en gebroken op 't lijf van 'n balk. En er neven, zwaar en log,
+van roestige bouten doorknaagd, schoorden andere balken, rustend op
+zuilen wier armen met ijzeren klauw in 't hout hadden gegrepen.
+
+
+
+Het joodje, klein en schuw in het licht, drensde nog voort, zwaklijke
+stem haast gedoofd door 't wringend gesuis van het ijzer der assen
+en wielen. De potjongen, bleek en met vuile vegen, grijnsde 'm toe,
+stampend het boort in de mortier, die hel henen lachte over 't lawaai.
+
+"Kom nou heerè, heerè, heerè! D'r wordt wat verkoch!".....
+
+"Vijf-en-twintig stuiver ènne 'n stuiver," bood Klaroen, de handen
+gekromd om de tangen.
+
+"Ken 't 'r nie-voor geve", strak zei 't joodje, de lap overkwijnend
+met flauw-slappe oogen.
+
+"Vijf-en-twintig stuiver ènne 'n stuiver ènne die àndre stuiver",
+bood Klaroen, begeerig met listigen lach.
+
+"'n Dáalder!", schreeuwde het joodje.
+
+"Voor zes en twintig en 'n hàlleve stuiver", zei Klaroen nog eens
+in lach.
+
+Maar Leon van achter z'n molen, riep met dik-schorre stem:
+
+".... Ik geef je 'n rijks-daalder voor die lap, as je kàns ziet bij
+me vrouw!"
+
+De ruggen der slijpers schudden in rustigen lach.
+
+"Heerè! Heerè!"--, drensde het joodje, de stoffen rond-wendend en
+Klaroen hapte toe, nam de lap in z'n handen, hing haar streelend over
+'t uitgeschoven laadje.
+
+"Wat wàch je nou nog?", gijnde Moppes: "je dag is goed!..... 'n
+Daalder voor 'n leere lap!"......
+
+Klaroen werkte door. Het joodje in lichtschuwe wachting, keek door
+'t raam, naar de doppen, riep met zwakke brutaalheid:
+
+"... Meneer!... Meneer!... Hèllept u me effetjes!"...
+
+"... Morrege", zei Klaroen: "'k Heb geen klein geld"...
+
+"... Die meneer is geen luis rijk...! 't Is 'n flessetrekker!"--,
+lawaaide Hes, schurkend van pret.
+
+"Meneer, meneer, 'k ken nog wadde verdiene messchien", klaagde 't
+joodje, benepen.
+
+"Zel 'k-ie 'n sjekkie geve?"--, grinnekte Klaroen.
+
+"'t Is 'n mannetje uit de kaapsche tijd!", schreeuwde Hes weer.
+
+"'k Ken nog wadde verdiene messchien", hield 't joodje zachtzinnig aan.
+
+"Wi-je me adreskaaretje hebbe?"--, praatte Klaroen, de schijf
+betoetsend met het poeder-penceeltje: "...Rue de Peejee... Drie hoog!"
+
+"Kom betaal 'm"--, zei Juda, het hoofd met de kortgeschoren grijze
+haren wendend naar de zij van de slijpers.
+
+"Hei-je terug van vijf-en-twintig gulden?"--, vroeg Klaroen.
+
+"As 'k zóo rijk was", flets-lachte 't joodje.
+
+"Wi-je morrege terugkomme?"
+
+"Geen mieter is-die rijk", schreeuwde Hes weer.
+
+"Nee, nóu me cente", zacht zei 't joodje.
+
+"Dan maar terug", zei Klaroen kort-af, schijnbaar vertoornd. En 't
+joodje, den arm om de lappen, schuw en met stil gekwijn, liep het
+trapje weer op, begon z'n verlegen gehandel bij de chipsmakers aan
+de overzij.
+
+
+
+Een donkerte doordruilde de zaal, vreemd en loom, besloop als
+geschemer het zonrood der ruiten. Er moest een wolk over de zon
+zijn geschoven. Stug-bleek licht overscherpte de hoofden, de banken,
+vergrauwde den damp der sigaren. "Er komt onweer," zei Juda, omziend
+naar den hemel die strak was met jagende, indigo-blauwe koppen.
+
+"Onzin," zei Moppes.
+
+De arbeid ging met minder gepraat. Hes, de brillandeerder, bracht
+een vierkaraats-steen bij Juda, den baas, die 'm hield bij den kolet
+en in keuring bedraaide. "Gááf goed," zei hij knikkend. Eleazar
+keek toe. In de zwarte, stompige vingers van den slijper, tusschen
+de rauwe, eeltige nagels teer-de het blauw-lichtend geflonker van
+facetten en de ribjes zetten kuiven van smachtend, waterig blauw als
+nachtegaal-kweel in staalblauwen nacht. Bij het stil gepuil van de
+vingers, in wier vleezig vuil de steen leek gegroeid, ontstraalden
+aan de facetten schampjes rose en rood, door-gurgeld van blauw en
+groene schietende vlasjes en er trosten vluchtende spetjes geel,
+crême en lila, aarzlend schuilend in zeegroene kolken, dan weer plots
+overpurperd door bloedroode schijning in 't hart. Aan de andere zijden,
+op gelijke facetjes, trilden en beefden violet in wazen van mosgroen,
+grijs van doorlicht water, blauw van kinderoogen, met zachte opgloeiing
+van wijnrood en phosphoresceerende sprankels. Juda's vingertoppen,
+grof en zwart met de plat-breede nagels, hielden den kolet, stonden
+er plomp en stevig rondom, vreemd aan 't soepel geweef, dat zonlicht
+geleek, gestold, in kristallen gesmeed.
+
+"Prachtig blauw-wit," zeide Juda, den steen nederleggend en weer een
+der eigen doppen beziend die in het soldeer glasscherfjes geleken,
+ondervroeg hij Eleazar, deelnemend en goedig.
+
+"'k Had opgespaard," zei deze, pratend dicht bij 't oor van den
+slijper: "maar drie maande in 't gasthuis... en 'n zuster gestorve
+en de kindere hier... en de reis... 'k Loop zonder 'n cent... zonder
+'n cént... Heb jij geen werk?"...
+
+"'Wou dàd-'k 't had," zei Juda, zich omdraaiend op de kruk, het hoofd
+in denking gebogen, de oogleden neer achter de bril.
+
+"Dovid loopt óok zonder werk... al wèken," zorgvol Eleazar sprak. Er
+kwam gezwijg tusschen hun hoofden. Het gebrom der wentlende wielen,
+gromde als knoersing van roestige walsen. Scherp klikte de mortier
+van den potjongen en uit den hoek, achterin, zeurde het grijze gegalm
+van een chipsmaker.
+
+"Vrijdag schei 'k zelf uit," zei Juda: "de helft van de molens staat
+leeg... En 't wordt erger."...
+
+"'t Kan niet erger."...
+
+"'t Wordt èrger," voorspelde de ander. Buigend, het grijs-stopplig
+hoofd dicht op de tangen, verzette hij de grauw-zilvren looden, bekeek
+de doppen, waarin het zwakke geglans van ingesmolten steenen. Zijn
+elbogen hoekten wijd uit en de schijf schijnbaar-beweegloos met
+staalblauwe kringen onderschuurde de diamanten. Tang voor tang nam
+hij op, zette de schroeven wat aan, lei rustig de looden weer neer
+en de poederpen betipte de schijf, die scheen zonder trilling. Dan
+kwamen 'r streepjes in 'n steen, daar de schijf begon te steken
+en dieper neerbuigend polijstte hij na op den zoetkring, de hand
+op het lood. Naast hem zaten de andren, Moppes, Klaroen, Leon en
+Hes. Achter Klaroen was Rijst, de versteller, en over Hes, àchter
+den molen, slaaprig van kijken, oogjes laf van verveling, hangelde
+Laban, neefje van Hes, die het vak nog moest leeren. De ruggen der
+slijpers builden in de blauwe werkjakken, hun armen waren als scharen
+gericht, wiekten terug en weder vooruit in happenden greep naar de
+tangen. Zij wrongen de doppen, smeten ze toe den versteller, die z'n
+tabaksstompje bekauwde. Zij zaten gewend met de ruggen tot het licht
+dat hun jakken en hoofden van achter bleek-strak bescheen. Hes en
+Klaroen hadden aan de koperen pinnen van hun kastjes horloges gehangen;
+Leon, warm, knoopte z'n jas los, dat de bruin-gele nek en 'n stuk van
+z'n schouder overvleeschden het blauw van z'n jak. Boven het beenige
+hoofd van Hes, hingen de kleeren, vesten en jassen, halfhemdjes,
+dassen en bestofte fantasiehoeden. Hes floot 'n deun, saamproppend
+de lippen en Leon zingend met dik-gezwollen stem, overkrijschte het
+logge gesnor der wielen. Dat zette d'anderen aan en een oogenblik
+bralden ze samen, op rythmus van 't dreunend wielengeslier. Klaroen,
+geel, met diepliggende oogen, trapte om dan z'n tabouret, kwam Juda
+'n dop toonen. 't Was 'n steen hard als boort, in kruis geslepen,
+in bewerking voor achtkant. "'t Mot 'r uit!", zei Juda: "d'r in ken
+'t niet blijve." Weer naar den molen terug stugte Klaroen, zorgvuldig
+de looden neerdrukkend en Hes op zijn beurt toonde een dop, dien Juda
+keurend beknikte. Leon smakte een koekje met amandlen belegd, kauwde
+langzaam en zeker met sappig gemaal--dan weer opensplijtend z'n mond,
+zong-ie dikker en meerder gezwollen. Ook de chipsmakers galmden. Het
+werd een geraas strooprig en bot, roggel van plompe geluiden,
+ondergromd door het dronken gelal der assen, wielen en riemen.
+
+Gekromd op de kruk, lusteloos kijkend, zat Eleazar en vroeg: "zou
+'r werachtig geen kans weze, Juda?"
+
+Hij vroeg 't slaperig-moe, gejaagd en verslapt door 'n onrust die
+'m meer bekleumde als 'r onweer of storm stond te wachten. Dan kilden
+dikwijls z'n handen en voeten, werden z'n oogen heet en klein-gloeirig,
+drong de tong als 'n krop naar z'n keel. Dan zag-ie 't leven als 'n
+zwaar, moeilijk-bewegend ding, leek elke dáád 'n kwellende drukking,
+werd iedre vraag, ieder voornemen 'n onrustig getast dat geen doel
+had. 't Liefst had-ie z'n roozig, prikkel-warm hoofd tegen de werkbank
+gesteund en gedommeld. Na dagen en dagen gepoog om 't fut van handen
+en armen te verkoopen, gaf 't geweld in de zaal en 't onweer-gezwoel
+'n trage, laffe benauwing van onmacht: "Weet je nerges wat?"--,
+zei hij nog eens in lodder van gestoorden slaap en vermoeidheid.
+
+"Wat zei-je?"--, vroeg Juda, weg in z'n arbeid.
+
+"....Weet je nèrreges werk?"
+
+De schouders van den grijzen, mageren slijper schokten ontkennend:
+"d'r loope 'r honderde leeg.... niet te telle."
+
+Het gezwijg hield hen weer bezig in 't gestommel der zaal. Warm,
+met heete prikkelingen over de tong en 'n inerte verdoffing in z'n
+denken, stutte Eleazar het hoofd op de klam-kille handen, keek met
+nattige oogen naar het doen van Rijst den versteller. Hij had 'm
+als jongen gekend, om 'm gelachen toen-ie met blaren an de handen
+liep, met bloedende blaren van 't kokend soldeer. Rijst stond in het
+kalk-witte licht van het raam, bezig 'n dop op te maken. De eeltige,
+dikke vingertoppen kneedden de plaatjes soldeer, die kruimden,
+bijkants broos, smeltend en weer opgeduwd door de handige slaagjes
+der tang, alsof smijdig klei werd geboetseerd. Op den dop bolde het
+metaal, overschuimend, groeiend tot een bloem van vleezige, kantige
+bladen, maar de tang scheerde er langs, gladdend de hoeken, vormend
+het vloeibaar soldeer in ééns tot een glanzenden eikel voor Hes, den
+brillandeerder. Ernstig gebogen over den dop, die in het blok rustte,
+besmulde Rijst de platgekauwde sigaar, lachte tegen Eleazar. Met de
+versteltang tipte hij de brillant op 't puntig lijf van den eikel,
+drukte haar schuiner en de eeltige vingertoppen beaaiden het gloeiend
+soldeer, het smerend als olie om 't ophoekend deel van den steen. Hoe
+dikwijls Eleazar 't had gezien, keek-ie met verwondring naar de
+verkoolde vingertoppen die het vloeibaar metaal aandrukten, gladden,
+zoo gedaan hadden van af de dagen toen 't vleesch nog gevoel had,
+toen zich bultige blaren vormden die open gingen, etterden, bloedden
+en weer opnieuw gepijnigd werden door 't schuimend, kokend soldeer.
+
+"Wàrrem vandaag"--, glimlachte Rijst rustig, en de dop, in den
+bluschpot gesmeten raasde damp uit het water. Dan was hij dadelijk
+bezig met een nieuwen dop, dien de vuurtang uit de verstelpit lichtte
+en waaruit de andere tang de brillant met voorzichtige knijping
+nam. Uit den bluschpot proestte damp van korzelig water en de pitten,
+nu niet bezet, snoven vlammen van wapperend geel. De houten blokken
+wachtten als roemers--een met den dop grauw-zwart van verhitting.
+
+
+
+Weder kwam vroolijkheid, nieuw gehaspel van stemmen om 'n koopvrouw,
+kort en diklijvig, die een beugelmand sjokte. Zij wiggelde Eleazar
+voorbij, tusschen Juda en Moppes. De zwarte, smerige rok omknuffelde
+de schomlende heupen. Uit 'r split zwabberden bandjes, gieglend op het
+zware gebol der vetbillen. Een jek van lichtblauw met witte streepjes
+en inzetstukken aan de elbogen, hing los, gaapte weg op den zwangeren
+buik, onderdrild door 't kwallend beweeg der borsten. Zij droeg 'n
+bandeau, en 'n muts van tulle en neepjes bedekte den haarwrong. Hes
+schreeuwde het luidst en de anderen zeiden hun glossen, lachend,
+de een overroepend den ander. Zij, goedig-van-glimlach, dee of ze
+niks hoorde, fluisterde met Moppes die z'n laadje doorkeek, of-ie
+nog zeep had en lucifers. Haar handen hield ze slap op den buik,
+nu de mand op den grond stond.
+
+"Cheffie! Cheffie!"--, schreeuwde Leon: "laat de juffrouw d'r hande
+bòve de bank houe!"
+
+"Hindert ze joù wat?"--, vroeg Moppes.
+
+"Ze mot van Hes in de kraam!"--, lachte Klaroen zangrig: "van
+'n tweèling!"
+
+"As-ze van Hes in de kraam mot"--, riep Moppes, buigend naar Hes:
+"bekláág 'k die vrouw!"
+
+Klaroen met een stuk rose-zeep in de hand, zei dat ze ééuwig zwanger
+leek, of ze 'r nooit is mee ophield?
+
+"Zeg an me màn daddie me met rust laat", lachte de vrouw.
+
+"Staak dan 't werk!" schreeuwde Leon.
+
+"_Ik_ zal 't werk stake?"--, lach-zong de vrouw, "'k staak 't werk
+in me kìs"....
+
+Gelach was op de gezichten en Leon, driftig zich makend, purper-komiek,
+schreeuwde opnieuw tot Juda, den baas: "Cheffie, laat ze d'r hande
+boven de bank houe!"
+
+De vrouw met zoetlijk beweeg, drong den buik naar de kruk van Klaroen,
+lachte om 't gijnige doen van Hes en Leon: "Koop lievers wad-af"--,
+overreedde ze stil, bijtrekkend de mand, waarin zeep en sigaren,
+lucifers, broches, kammen en andere snuisterij. Met Hes bleef ze
+fluistren in 't grommend geroes, dat doorsnorde de zaal.
+
+Het was duister geworden. De cement-muur achter de chipsmakers
+stond als een schaduw met donker klimop en de goudglans der ruiten,
+henengevloeid, was tot kil-grijze wazing verworden met druipsels van
+stof. De warmte broeiend doortrokken van olie-gewalm drukte heet op
+de hoofden. Rijst, vreemd-wit bij de binnenplaats-ramen, licht dat
+geketst werd door muren, gekalkt, geleek bleek als op ziek-worden
+af. Het brokkelig pleister grauwde in 't zelfd schemer-verschrikt
+licht dat het hoofd van den versteller met schuwe schaduwtjes
+betastte. Aan de overzijde, een-, twee-, drie-hoog, waren de
+fabrieksramen van het voorgebouw met wijd-weggeslagen gordijnen. Het
+wrange, langs looden wolken wijkend licht stond zoo star in de zalen
+daar achter, dat Eleazar, die moe-aadmend gebukt zat, met 'n gelaat
+dat-ie in onrustjes voelde ver-scherpen, met 'n neus die hinderde en
+snorharen die in ontdaanheid steilden, de heele ruimte kon doorzien
+tot aan de vensters der voorzij van het gebouw, met het loom-wirrend
+groen van de gracht. Hoofden van slijpers zag-ie in nukkig beweeg,
+de geknauwde ruggen gekeerd naar het raam--en op elke verdieping
+achter het grijs der ruiten, lekte 't spichtig-dansend gevlam van
+de pitten, rossig belichtend de gele gezichten der neerbuigende
+verstellers, hun grijpende rustlooze handen en de roodaarde vormen
+der bluschpotten. Beneden, gelijkvloers en boven dwaalden vlammetjes,
+henendompend, weer lillend met okeren tongen, zoo achter ieder raam
+dat norsch en doorzichtig was tot de gracht en de verre diepte der
+zaal aan de voorzij. Bij het wijd, hortend gekreun dat het gansche
+gebouw doorknarste, den grond in trilling hield, was dat lekken en
+vluchten der vlammen als een lollen van overal vretend, gluiperig
+vuur dat smeulde en ploffingen had.
+
+Maar plots knepperde een schichtige vlamming van licht, fel en
+wit, doorflitsend de zaal van de gracht tot de binnenplaats,
+wit-overkrijschend het pleister der muren. De roode verstelpitten
+boven, beneden, gelijkvloers, op alle verdiepingen, flauwden weifelend
+als in tocht van een sterken licht-wind en een slag, heftig en kort
+overknalde het grijze gedreun der machines. De slijpers, verschrikt,
+keken om.
+
+"Wad-'n slag!"--zei Leon, staande naast Rijst, den versteller. Moppes
+en Hes en Klaroen kwamen van hun krukken, Klaroen met een tang in
+de handen en ze keken door de stoffige ruiten naar de overzijde der
+binnenplaats, waar de slijpers verschrikt achter de ramen hokten.
+
+"D'r komp wat los", zei Hes, den hemel schattend, die gletschers
+van indigo-blauw had. Juda alleen werkte door, het hoofd met de
+steil-grijze haren gebogen over de schijf die blauw-zachte glanzen
+van 't cirklend gewentel had. De potjongen, leunend naast Eleazar
+keek angstig en Laban, de leerling van Hes, wakker geschrikt, stond
+op de teenen achter den molen. De chipsmakers, achter de bank, waren
+opgesprongen, hoofden bijeen voor 't raam en bij 't trapje naast de
+knorrende as schuilde de koopvrouw, de beugelmand stijf tegen den
+zwangeren buik.
+
+"D'r zit voor 'n duit", knikte Klaroen, geler en ouder in 't
+schaduw-licht van het raam.
+
+"'t Mot in de buurt haast ingeslage weze", onderstelde Leon. Moppes
+kwam weer voor z'n schijf, floot onverschillig.
+
+"Hou nou godverdomme je smoel!", stootte Hes 'm aan: "je mot niet
+flùite as 't zoo...."
+
+Hij zei 't niet verder, hoofd wijkend in schrik. Een vlamming
+van schel-wit licht overgulpte de binnenplaats, belaaiend met
+krijt-stuiving het grijze cement. De kozijnen schuim-zwalpend en
+bijtend leken te scheuren onder het zwart der ruiten en de koppen
+van Moppes, Leon, Hes, Rijst en den potjongen hadden plots heesche
+kleuren, doorblauwd-wit en paarse vervluchtging als van lijken.
+
+"Hèèè!", schrikte de jongen. En een slag, zonder voorgerommel,
+slag van krakend gebraak, beukte langs de fabriek alsof de vallende
+schoorsteen de binten en pannen van 't dak had stuk-gerameid.
+
+Juda keerde zich toe naar het raam en Moppes, stil-schokkend, glee
+weer van de kruk, angstig-meekijkend.
+
+"Adenoj, wad-'n slag!"--, angstig zei Hes.
+
+De hemel, rotsgrauw, met koppen nachtzwart, vergrimde de fabrieksramen
+aan de overzij tot barsch-vale gaten. Boven, omlaag, smeulde 't gele,
+laaiend beweeg der verstelpitten die angstiger rood hadden. Er scheen
+een stuivende wind te joelen. Driftig gesmakt zoog een stukje papier
+van de straatzij, vallend, opschietend tegen den muur, met bitse
+krassingen. Het gemaal der machines in de fabriek overkreunde het
+windgeraas buiten. En 't begon spattend met brekende bellen te reegnen,
+schuin-wegge slieren op het stof-transparent van 't glas.
+
+"'t Is vlak boven de stad", meende Moppes, hand op den schouder
+van Rijst.
+
+"Noodweer", zei Juda, en een fellere flits, blauw-ketsende vonk in
+doorlicht donkerblauw, deed hen weer zwijgen. Het werd een vreemdlijk
+gelicht in de zalen, licht met wijd-witte vlammen. Er schoten
+berstingen van de plaats door het voorgebouw naar de gracht zoo heet
+van puur-witheid, dat het hijg-schuddend, rinklend groen van de boomen
+en de verre gevellijn over het water in scherpe bleekheid opdoomden
+en de fabriek een wit-holle ruimte met doodengezichten geleek. Na
+iedren bijtenden lichtzwaai speelden de roode verstel-vlammetjes weer,
+kraakte het beukend gedreun van den slag, overbulkend het warrlend
+gegrom der machines. Het werd zonder einde, een blauw-barstend geulen
+van licht, sidderend-zwak soms als schijn van walmende toortsen, weder
+hoog-laaiend met sissend gebrand--en de slagen rommelden na, zwellend
+tot mookrend gedreun van rollende, buldrende wagens. In de aschgrauwe
+loomheid der zaal, was telkens het knallend gepuil van banken, schijven
+en dingen blauw-gedrapeerd, en de mannen, zwart van steviger lichaam,
+hadden hoofden en handen week-paars overglansd, tot de krakende slag
+ze weer liet in stuipenden schemer. Op de ruiten bij de chipsmakers
+sneden de spinnen van 't stuk-barsten glas zwart-logge webben in 't
+zweven en jagende dampen, en krankzinnig van gekke verdwaasdheid braken
+bij iederen flits de vesten en jassen, halfhemdjes en hoeden uit den
+hijgenden hoek. De vrouw op het trapje, de mand voor den buik op de
+wijd-spalkte knieën, hield 'r vingers in d' ooren en de oogen geknepen
+omlaag. Stil mumden 'r lippen in angstig gebed en eenzaam met huilrig
+gezicht achter z'n bank, knippend met d'oogen bij iedere flapping
+van wit, stond Laban, de leerling, de armen gestut op het hout.
+
+
+
+Het groeide tot zulk een schakel van aanstuwend licht, splintrend en
+klettrend tegen de muren, dat de zaal waar ze waren en de zalen aan
+d'overzij der plaats, knettringen van dansend booglampenlicht kregen,
+licht dat de roode verstelvlammen tot lucifersglim doofde. De gracht
+met haar groen door den stormwind geknoet en de gevels ver-af spoelden
+staag aan in lauw-blauwe vlam. En de dreuningen der bolle wolkslagen,
+romling in steenen spelonk, vielen met mokergeweld, brallend met
+stompe echoën, plomp van heen-schokking en weer zwaar van daver-plof
+berstend vóór het zwak nagestommel z'n vluchting volbracht. Niet even
+was er geadem van stilte. Slag sloeg na rogglende loeiing, knal zwol
+na buldrenden val. Soms kroop het stotterend voort, leek 'n kreun
+in hijging verslikt, tot de haaglende bliksem-zwiep, neersissend in
+vloekende woede, 't gestamp en zwart-bulkend rumoer opnieuw uit den
+loggen, versteven bodem, pijnigde. Het roezend geslier der wielen
+en riemen, het spinnend geknor der schijf-assen in het azijnhout,
+kroop er in prutteling langs.
+
+De mannen, angstig en stil, hokten tezaam bij het raam met de
+lallende gaslicht-pitten. Hun hoofden bogen terug als in kramp en
+de ruiten geraakten bleek-blauw bewasemd door d'adem der monden. De
+regen tikkelde harder, aansuizend, gestriemd door den wind, grauw
+van stuiving, en een slag, holler van roep, massaler van kraking,
+diep-naloeiend en weder in donkre rammeiïng losgrommend, deed
+het gebouw in ontzetting mee-beven. Er kwamen vlammen-van-licht,
+rood en aanhoudend, die d'overzij-ramen met glinsterend avondrood
+overbloedden en het licht vlamde nog na als de bulkende klotsing door
+nieuw gestommel verslagen. De wind scheen heviger. Een verflarde krant,
+nat en met klapprende deuken, spoot van omlaag, draaide in kolking
+vlak bij de ramen, scheurde in twee--de einden werden gezwalpt over
+het dak, gierend mee op den wind, nog juist belicht door een straal
+die de plaats en de ramen met paarse vonken bespette.
+
+
+
+Het duurde niet lang.
+
+Het licht, minder schel, kreeg violette zweving, vreesachtig getril
+van teer-spelende vlammen. In de lucht, effen-loodblauw, scheurden
+wiggen zilverwit en het schichten van den bliksem verzwakte tot
+vlokkig maanlicht-gestuif. De slagen, nu wijder af, grommerden domp,
+grijs-egaleerend het snurkend geslier der assen en schijven en het
+klikkend geluid van den mortier klonk als een spot en kuchend gelach.
+
+Het werk hadden de slijpers hervat. Rijst gloeide een dop, de vingers
+om 't weekend soldeer en een chipsmaker, achter, floot schril-uit een
+deun. Nog gaven de ramen raketsels van wapperend blauw dat bleek de
+wanden langs schoof en spookachtig zonk om de hoofden, maar het was
+lief geworden, zachtlijk paars, zonder verschrikking.
+
+Leon, met de borst half-ontbloot, kwam bij Juda, hem nog eens toonend
+den steen, in achtkant geslepen, werk dat niet vlotte. Juda zei raad
+en een bevende lichting beaarzelde den diamant, hem begietend met
+groen op facetten en ribben dat-ie blonk als het lichtend oog van
+een kat, loerend met roode pupillen. Dan bij de zachte nà-siddring
+van 't licht, glaasde de steen, overglansd met zeepbellen-sproeiing,
+rood, groen, zilveren glijding en vervloeiïng van geel, roze, oranje,
+lila, pensée, stoltend bloed--, teer versmeltend, weg-deinend, weder
+aanschalkend met zachte ribjes-gelicht.
+
+De vrouw met den dikken buik, wieglend, zoet van gebaar, stond bij
+de chipsmakers, verkocht zeep, lucifers, sigaren.
+
+En nog éens huiverde over de muren 'n teer-blauwe golving, trillend
+doorwaaiend de zalen waar de hoofden bogen naar de schijven en de
+lekkende tongen der verstelpitten roodelijk weken. De vage verdreunende
+slag werd zeurig gedempt door het gespin der machines en de mortier
+met het boort klikte driest, uitgelaten van klop en getinkel.
+
+
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+
+Tegen schemer liep hij de poort in. Zij was bruin van
+slagschaduw-groei, met geluwe damp bij 't raam van den
+schoenmaker. Stug klonken hamerslaagjes, nattig van na-smak. Ook 'n
+kind huilde alsof 't véel pijn had. Zacht schoof hij den muur langs. In
+den donkeren schuilhoek, overkeek hij de plaats en aarzlend-van-doen
+poogde hij te onderscheiden wie er in tante Reggie's kamer waren. Er
+bewoog niets. De lamp was niet aan. De deur stond schuin-open. Van
+boven, waar meerdre ramen licht-kwijning hadden, vaagde een glans,
+gouden waas op het zwartpuin der muren. De neerwipte handwagen leek
+een dreigend geraamte, schuwe bukking van kwaadwillig dier.
+
+Luidloos sloop Eleazar nader, maar de deur naast het geluw raam van
+den schoenmaker werd geopend en een stem vroeg:
+
+"Wie is daar?"
+
+"Ik"--, zei Eleazar, terugschrikkend naar het duister der poort.
+
+Het was de schoenmaker die buiten kwam, de handen gebold onder het
+schootsvel. Afschijn van lamplicht geelde achter het hoekig lijf,
+achter de warrige haren. De man boog naar den hoek, herkende den
+buurman.
+
+"O. O!.. Ben jij 't?", zei hij--en sneller in grommend beklag ging
+zijn stem met klanken van onmachtig, ingeroest huilen: "...Verdomme,
+verdomme, nou mot je is kijke!.. Nou ku-je-'t verdomme is zien!.. Je
+zou je zoo gaan verzuipe!... Is dat 'n pèst!... En dat hei-je zoo
+telkes, telkes as 't water maar effen rijst... Kijk me is an!"...
+
+Samen, schouder aan schouder--de deur was maar klein--keken ze in het
+keldertje, waarvan de steenen vloer blank stond. Op het withouten
+tafeltje was een kleine lamp die licht-gladding aan het water gaf,
+vuilig water boven roode tegels wier zwarte, diepe voegen 'n ruitig
+spinweb geleken. De witte kalkmuren stompten zonderling-scherp naar
+de balken-zoldring. In een bedstee met wijdstaande deuren zaten drie
+kindren, wakker geschrikt. 't Jongste, meisje, vaalbleek, huilde alsof
+het pijn had, klaaglijk, week smartstemmetje en de vuistjes bewreven
+driftig de holten der oogen, soppend het vocht tot diep over de wangen.
+
+"Hou je smòel!"--, zei woedend de vrouw. Ze had kousen en schoenen uit
+getrokken, den zwarten rok hoog om de heupen gewrongen, de strikbanden
+van den broek boven 'r knieën gebonden. Zoo trachtte ze 't water in
+een emmer te dweilen, telkens den doek als een vangnet uitspreidend,
+'m wringend in 'r roode knuisten dat het slijkwater met proesten in den
+emmer spoot. Als ze rechtop stond, hingen haar armen over den wikkel
+van kleeren, waaronder de gore spleetbroek met natte benglende banden
+en harige kuiten van slap, papperig vleesch. Waar de afscheiding was
+van de schoenen om de dikke enkels, waren de voeten van ingegroeid
+vuil, teenen met baksels van zwart en zoo op de schijven der knieën,
+wier puiling in 't papvleesch daardoor sterker werd. Jan, manke
+joggie, nog op, zat op de leuning van een stoel, het horrelvoetje
+geschurkt over het andere been, oogen glinstrend van pret. In een
+hoek van den kelder, op schraging van stoelen, lagen dingen, ruw-weg
+daar neergezet om ze droog te houden, een oud matras, een deken,
+een mat, een ijzeren pan, een paar waterlaarzen, een pollepel, wat
+kinderkleeren. De waterpot, helwit, dreef bij de pooten der tafel,
+zachjes dobbrend door 't golvend beweeg van de dweil. Stank van vuil
+dat lang in warmte gebroeid, stank van riolen en beerputten, door
+'t rijzend water geloosd, ontsteeg het glad-kalm water, dat de vrouw
+probeerde te hoozen.
+
+
+
+Zij had een emmer vol, reikte 'm toe den beenigen man, die bukte en 't
+hengsel greep. Donker-gebogen in 't duister der poort, dof-vloekend,
+liep-ie naar de gangstraat, smeet met een smak dat 't kletste tegen
+den muur, den emmer over den grond, kwam terug, begon weer te klagen:
+
+"... Nou zie je is!... 't Is verdomme om bij te griene!... Je hart
+draait òm in je boddie... Al de stront van 'n ànder in je huis! En
+zoo telkes met volle maan. En die schoene die àf mòtten! Schei toch
+gedoome uit met je geschep! 't Helpt je geen sodeflikker! Hoe meer
+je roert in de zwijnerij, hoe meer 't stinkt!"
+
+"Das verrek-me je dànk!", vloekte de vrouw, kwaadaardig de dweil op het
+water kletsend, dat 't spette tot over de tafel: "Help liever wat mee,
+wat mee, wat mèe!"--, nasnauwde ze, diep-bukkend, de dweil heen en
+weer rukkend, het breed achterlijf in den goren broek naar de mannen
+gekeerd. Jan, 't manke joggie, had kousen en schoenen uitgetrokken,
+besnoepte de kou van 't water met den grooten teen van zijn misvormden
+voet, teppend en proevend voorzichtig.
+
+"Kòm!"--,grauwde de vrouw. Het kind doorhinkte het water met
+verkneuterd gezicht, lange stappen nemend, asof-ie schaatsen reed,
+schepte mee, een vuilnisblik in de hand.
+
+"Moe-oe mag 'k oòk mee-doen?"--,riep Dirk op den rand van de bedstee,
+heerlijk vindend 't spelen van Jan. Met de beentjes wiegde-die buiten
+'t bed, klaar om te springen.
+
+"As je niet lègge gaat, snotaap, sla 'k je voor je smoel!", dreigde
+de vrouw en in drift toestappend, kletste zij met 'r natte hand het
+kind om de ooren, duwde het onder het dek, stompte verwoed de bulten
+van de ruige, vale deken om de lichaampjes der drie: "En às je blert,
+trap 'k-je doòd!"--Ruw van gebaar,'t bovenlijf mal-dik door den wrong
+der rokken, den goren broek om de beenen gekleefd door de zuiging van
+'t opgestuwd water, trapte ze in den plas, 't gelaat vierkant in snauw.
+
+Het was zóo grijs-triestig, van zulk een krijschenden jammer, dat
+Eleazar het harde, stooterig doen der vrouw natuurlijk, vanzelfsprekend
+vond. Ze kneep weer de dweil met wringende rukken, telkens bukkend,
+opmoddrend het water dat bruin werd, valer van stank. Haar rok
+losgeslierd door 't verbeten werken, viel even neer dat de rand het
+water indronk. Vloekend, met huiling in stem, scheurde ze 'm op en
+hooger, staand met 'r papprige beenen gespreid en den broek omklakkend
+de vleezige heupen. Tip van haar hemd, zwarter dan broek, wipte de
+spleet uit en de losraakte banden zogen 't water. Jan, ijvrig, lòllig
+dat-ie mocht helpen, plaste met smaaklijk genoegen. Het vuilnisblik
+stak-ie in 't water, heevlend het over en met de dunne vingertjes
+poogde-die de gootjes te stuiten, die kletterend liepen bij elk van
+de hoeken. Flauw brandde de lamp op de withouten tafel, scherper
+belichtend een schoen zonder zool, den witten pinrand daarin, een
+els, een priem, een mes, een hamer en rommel van spijkers, nagels en
+kerfjes van leer. Ook een halfvolle koffiekom, rond en bedrabd stond
+bij de lamp. In 't water, rullig gewiegd met dribblende rimpels,
+kropen goudslangjes van licht, hupplend met dwaze verwijding tot
+plasjes van glanzerig goud en de voeten der vrouw en van 't kind
+kwamen killig de gladding doorbleken, die rood werd door weerschijn
+der tegels. De schoenmaker, geel in den post van de deur, hoofd
+tanig en leerig van juk, met stoppels van war-bruinig haar, bukte
+opnieuw, grijpend het hengsel, stortend door 't ruwe aanvatten. En
+weer in het diep-dikke bruin van de poort, lijf schuinweg geknakt
+door de zwaarte van emmer, droeg hij het vuil dat de aarde onder het
+huis opsiepte, naar de gangstraat, waar het schaatrend van plas het
+duister doorwitte. Terwijl wiesch Jan zich de voeten, geleund tegen
+den kalkmuur, wrijvend met vuilige vingers over het horrelvoetje,
+vleeschklomp die zwaar leek te hangen aan 't broos, mager been.
+
+De schoenmaker, weer terug in het geluw gestraal van den deurpost,
+dat traag zich verwijdde en licht-vlakking gaf op 't bijtend gegroef
+der oude poortsteenen, gromde mistroostig.
+
+"...Zoo 'n sodejuusche kelder!... Zoo 'n ròt-kelder!... En dat 't nòu
+mot komme... 't Mot 'r verdik-me altijd weze as 'k werk heb... Nou,
+kwaje beroerling, lamstraal, maak 'r geen lolletjes van!... Help
+mee!... Dat staat goddoome te spèle!"
+
+"Nou-ou--as 't blik lekt.. ken ik 't hèlpe?", zei Jan, bang voor
+moeder die opkeek: "...'t Loopt 'r alles weer langs."...
+
+"Is 't gedáán!", dreigde de vrouw: "...Toe! Toe! Steek uit je
+poote!... Allo, neem de pot!"
+
+Het water inslurpte den emmer met klukkende kletsjes--modderig druipsel
+en dufzoete stank dreef naar de deur.
+
+"Da's tèlkes zoo", klaagde de schoenmaker: "tèlkes, tèlkes... 'k
+Wou da'k verrekte, verrèkte"... Er was grove beest-wanhoop in zijn
+stem. Zacht antwoordde Eleazar, niet aanziend den man, stroef-kijkend
+naar het voetenbeweeg in het opdrabbend water.
+
+"...Ja, 't is wel erg, wèl erg... Zoo hebben we allemaal wat, mot je
+maar denken--mot je maar denken--al is 't 'n slappe troost.--'k Ben
+zelf bàng na huis te gaan. 't Is 'n vloek, 'n vloek"...
+
+Gloeiend stompte het bloed naar z'n hoofd. Waar-ie kwam, waar-ie liep,
+zag-ie de menschen geknecht in kleine ellenden, versleten in zorg. 't
+Was of je enkel dàt, dat alleen op je weg kreeg, als je oogen na den
+winterslaap van 'n dooie jeugd waren open gegaan. Bij tante Soor, in
+den voddenkelder, waar-ie 'n kom koffie had gedronken, bij Suikerpeer,
+òveral in de sloppen die-die langs was gegaan, nou pas weer, leek
+'t leven vermuft en verlept, als 'n dorrende bloem op 'n zonlooze
+vensterbank. Stappend in den avondschemer, de uitstallingen en
+winkeltjes van de jodenbuurt voorbij, had-ie met valsch geweld, de
+schijnbaar-zieklijke besluiping-van-altijd-'t-zwarte-en-miserabele
+te zien van zich af gezet. Hij leed, an de manie van méer
+wakker-geschrikten, an de èindloos opletten van grauw. De menschen
+hadden zóó lang geduld dat ze niet beter wisten. 'n Blinde wist niet
+van licht, als-ie blind was geboren. Als-ie niet zooveel in één passie
+gelezen, rijp en groen, dingen die-die hálf had begrepen èn klare,
+lekker wakker-schuddende geschriftjes, zou-ie als 't gros van de
+stumpers blind-geboren zijn gebléven. Je moest oppassen van ellende
+'n kwee-achtig ding te maken. Je moest je vasthouen an 't blijje wèten
+dat 'r verjonging wàs--kwam 'r zèlfs bij slijpers die 'r vroeger niet
+an gèdácht hadden geen stàking?--menschlief, je kòn niet meer stadig
+terneer zijn geslagen. In je verbeelding vlamde overal, zèker de zon
+door. Zoo zich opmonterend in stemming-van-veerkracht, was-ie de poort
+ingewandeld--nou stond-ie opnieuw, machtloos, als 'n driftige kijker,
+met gebalde vuisten. Alle redeneering was lak, nutloos gedroom.
+
+
+
+De schoenmaker strompte door den mist van aandampend zwart, naar
+de straat. De vrouw rustte uit, norsch, lippen bot saamgekwakt. 'r
+Paars-roode voeten-met-vreetsels-van-vuil steunden op 'n sport
+van den stoel en onder haar rimpel-ritste het water met gouden
+geadem. Jan speelde met den pot dien hij liet drijven, zacht-blazend
+en duwend. Klaàglijker werd het pijnlijk gedrens van Aagje.
+
+"Nou dèn!"--, snauwde de vrouw: "Is 't me uit!"
+
+"'k Mot zoo kàkke," snikte 't vaalbleeke kind, 'r hoofdje in persende
+duwing op de blauwtijken peluw.
+
+"Je houdt 't maar in!"--, driftig opstoof de vrouw: "'k-Hè genoeg
+an mezelf!"--Goediger dan, 'r an denkend, dat 't kind in de laatste
+dagen telkens het bed had bevuild en hoe kwaadaardig de man was as-ie
+in zoo'n stinkend-nat bed most slapen, plaste ze weer door het drab
+water, zoekend den pot.
+
+"Hier is die moe," haastig zei Jan, drogend den rand an z'n kiel.
+
+Op de deken in de bedstee tilde de vrouw het huilend kind, dat met de
+magere beentjes gehurkt kwam te zitten. Met ruwige wreef wegveegde ze
+'t vuil van 't gezicht.
+
+Als een kreun spette het in den pot. Dirk, blij dat-ie wat mòcht, hield
+'t zusje vast, terwijl de vrouw, hooger schurkend den rokkenwrong,
+optrekkend den broek die nat-plooierig zakte, weder het water te
+dweilen begon. Jan kudderde mee. Niemand sprak 'n woord--de mannen
+wrokten--de dweil perste water in den bek van den emmer, de voeten
+der vrouw trapten gaten van drift. Dirkje, die den pot bij 't oor
+hield en 't pijnlijk-drukkend meissie bij 'r buikje steunde, praatte
+'t eerst. De spichtige billetjes had-ie met 'n tip van de nachtpon
+geveegd. Nou, in den pot kijkend en smerig van lip-trek, riep-ie hard:
+
+"Moeder!.. Moeder ze heit weer blóéd gekakt!"
+
+De vrouw, neersmijtend de dweil, schuurde door 't water, droogde
+de handen lomp-weg an 'r broek, nam 't kind van het dek, lei 't
+met sussend beweeg naast Dirkje en Truus, keek in den pot, bij de
+lamp. Bij de deur zagen de mannen, flauw-rood tegen het wit der
+pot-ronding, 'n grillig lijntje uitgelekt bloed, aarzelend spoor van
+een bloedtraan. De vrouw, schuddend 'r hoofd, met jammertrek van
+wel-willen-snikken, liep naar hen toe, toonde suffig het meerdere
+rood dat takjes en aartjes had in 't waterig bruin. Dan zonder
+gespreek, dik-snottrend, hoofd zwaarlijk gebogen, omspoelde zij
+den pot in den emmer, die grijs-lauwig bleef van opgedweild water,
+niet dieper van kleur werd. Ze spreidde den vadoek opnieuw, wrong 'm
+met knarsig gewring, snikte dofingehouden, harder van neus-haal als
+het water in den emmer kletterde. Haar broek zachtjes afzakte door
+'t veelmalig bukken en een stuk bleek-fletsig vleesch van de bil
+overbarstte den snijdenden band. Jan, rustig, plezierig van mors,
+lepelde het water in den schuingehouden pot. Z'n horrelvoet stond
+als een vleezige knoest met een schaduw-wond onder den enkel.
+
+"Kan 'k je hèlpen? Wil 'k 'n emmer halen?"--, vroeg Eleazar.
+
+"Nee," knikte de schoenmaker en plomper: "'t Helpt geen verdomnis. 't
+Is monnikewerk. We houen 't de heele nacht, de heele nacht. En morrege
+zakt 't van zellef"....
+
+
+
+Het was geheel duister geworden. Voorzichtig schuiflend liep-ie de
+plaats op. Bij tante Reggie was nog geen licht. Goddank. Alles naar
+bed. Geen teleurstelling. Geen belabberde uitlegging. Maar uit het
+licht-doezlend raam van Suikerpeer werd een hoofd gestoken en de
+groentenjood vroeg:
+
+"...Eli--bin jij 't?"
+
+"Ja," schrikte hij,
+
+"Kom-ie nie bòven?... Reggie is hièr... Mod-je geen kommetje?"
+
+De nauwe trap kraakte alsof spaanders werden betrapt. Boven werd een
+deur open gezet. Schemerschijn belichtte de uitgeloopen, grijze treden,
+de muren van zwart cement.
+
+"Is dat uitblijve!"--, klaagde tante Reggie.
+
+Hij glimlachte lichtschuw, pogend te zien wie er waren, struikelde
+haast over 'n matras, waarop vier kinderen sliepen. Bij de tafel
+zaten Suikerpeer, Essie z'n vrouw, tante Reggie, Dovid, Mijntje,
+de oudste dochter van Suikerpeer en twee vreemden, 'n magere man met
+'n langen baard en 'n jong meisje met loskrullig zwart haar. In de
+bedstee, waar ze met moeder en vader saam-sliepen, lagen nog twee
+kinderen. Stank was in de kamer, stank van te veel menschen, stank
+van den emmer in 't hokje. Het raam stond open. De lampen in den
+ijzeren hanger brandden laag met spitsing van zuigende vlammen.
+
+"Og!"--, verweet Dovid, schreeuwrig, vies-kregel: "nòg, dalles-man
+blièft boven water te komme! Dat schnort de heele dag langs de
+weg! Ha-je thuis gewees ha-je werk gehad! Og, wad-è schlemiel!"...
+
+"Werk?"--, vroeg Eleazar verwonderd.
+
+"Is dat uitblijve!" klaagde de blinde weer, bekijkend de klanklijn
+van z'n stem: "waarom bin-je nie kome ete?... Dan was je Berlijn nie
+misgeloope... En zoo'n onrust..."
+
+"Berlijn?... Berlijn", herhaalde Eleazar in toon van ontrusting.
+
+Dovid, zich opwindend, driftig van trek om neus en om lippen, handen
+trillend door 't wriemlen der vingers, overschreeuwde hem:
+
+"Ja, Berlijn! Berlijn! Berlijn! Wat sta je as 'n pilaar! Weet je nìe
+wie Berlijn is! Had thuis geweest ha-je werk! Loop 'm nou achter z'n
+togus, as-die àndere angenome heit!"...
+
+"Nou! Nou!", suste de blinde: "Heit-ie nie gezeid dad-ie 'n plaas
+voor 'm open zou houe?... Wat maak jij je drùk, Dovid... As-die nog
+nie-eens gegète heit!"...
+
+"Laat-ie wel vrete!", schreeuwde Dovid: "Laat-ie niè vrete! Ook
+'n zorg!"
+
+Het was tusschen hem en Eleazar al lang 't geharrewar van twee die
+mekaar in geen jaren hebben gezien, mekander niet meer verstaan.
+
+"Berlijn?", informeerde Eleazar rustig: "is-die van de fabriek van
+Laboen?"--en zich 't geheugen scherpend, zich den naam herinnerend,
+zei-ie met zekerheid: "Ja, dat-'s die van Laboen. Voor die werk 'k
+niet. Dank je. En 'k werk nou voor niémand. De staking komt 'r door."
+
+Dat gaf gejoel, zig-zag en kolking van stemmen, angstig besust door
+Essie, bang voor de slapende kindren.
+
+"De schtaking? De schtaking!", riep Suikerpeer, dik-lodderend, met
+'t raspig geluid van z'n ontstoken keel.
+
+"De schtaking!", schreeuwde de man met den langen baard, dien Eleazar
+niet kende.
+
+"De schtàking! De schtàking!", tierde Dovid slaand met de vuist op
+de tafel, dat de kopjes rinkeltetterden, eén slijkrig koffiedik
+stortte: "De pescht! De pèscht! 'k Zel nòg langer schwieje-nieje
+lijje! 'n Golle! 'n Golle! Wie geeft me te poojen as 'k 't nie
+heb?... Hei-'k nie wèke zehaam gezete zonder 'n cent 'n makke te
+verdiene? 'k Bin dijmantschleiper en geen stráátschleiper! Betale
+zìj de huur?--Betale zìj 't brood?--Betale zij Witjas?--Betale
+zij 't vleesch!--Oggenebbiesch vléésch! Ich muss fressen! Ich muss
+fressen!--Voor mijn part leit Dekker zich ziek! 'n Miessemisschinne! 'k
+Hei 'n partij kappies angenome en knappe jongen die ze me
+afneemt! Nòg! Hij vertelt wat overnieuws van de schtaking! De
+schtaking! Narrigkat! Die laat zich mesjogge make! Hei jij in maande
+'n cent gezien! Hei ik in maande 'n cent gezien? Geen brood krijg-ie
+geborgd! Gasserponum! Schwans! Stomme schwans! De schtaking! De
+schtaking! Nòg!"...
+
+Speeksel ontspetterde z'n mond en 't gladgeschoren beenig hoofd
+zenuwbeefde van woede. Met driftig gebaar nam-ie de kom van de tafel,
+dronk, zich verslikkend bij 't wilde geslurp.
+
+Koel keken de grijze oogen van Eleazar en 'n trekking van trots
+kwam om z'n dunne bloedlooze lippen. Nog vóor Dovid was begonnen
+te razen, had-ie gevoeld wàt 'r zou komen, had-ie door de gewilde,
+'r dik-opgelegde drift begrepen dat de zwager, die al den eersten
+avond van z'n thuiskomst over de meeting in 't Paleis met Suikerpeer
+had zitten ruzieën--in kwaadaardigheidjes en geschetter z'n onrust
+verborg. Zònder angst had-ie z'n woede niet kláár gehad.
+
+"As jij wil onderkruipen", zei hij met de kalmte van iemand die de
+onechte opwinding van 'n ander neemt voor wat ze is: "as jij kameraden
+die werk hàdden en 't voor jou, voor mijn, voor honderd anderen hebben
+neergelegd--wil bestelen--mot je dat zèlf weten. Je kameraden..."
+
+"...Me kammerade!".., schreeuwde Dovid zangrig-schel: "Adenoj
+elleheine, me kamme..."
+
+"...'k Wou oòk uitpraten", viel Eleazar hem bits en zóo domineerend
+in de rede, dat Dovid met nog nà-mummende lippen ophield: "...As jij
+wil onderkruipen mot jìj dat weten... Ik doe 't niet--al krepeerden
+we zóo as we hier zitten van honger"...
+
+"Gelijk heit-ie", zei de man met den langen baard.
+
+Eleazar zag 'm aan. Hij had den harden kop van 'n Poolschen jood, 'n
+gebogen neus in velscheur-striemen, rood-omrande oogen en 'n baard van
+ruwe bruine slieren, waarin zilverdraden metaal-schampjes sloegen. Aan
+den linker-mondhoek, vurig-builend naast het daar korter pluizend haar,
+spande een gezwel als een knikker. Dàt zag Eleazar het eerst.
+
+"Gelijk! Gelijk!", schreeuwde Dovid in meerdre opwinding: "zoo'n
+maugverdraaier! Me kammerade kenne de pescht krijge! As ìk nie
+onderkrope was in de tijd van me oogziekte, zatte we niet in
+de dikkedesch! Zal ik nòu mesjogge zijn? Was hab'n we vemiddag
+gefresse?--Schappie-hindelemindel!--Vreet jij je daar 'n barsting
+an!--Waas hebbe we gister gefresse? Zogererwte! 'n Brok zuur an de
+kar! Staat nie me bovenbed in de lommerd? Staat nie me talles in de
+lommerd? Voor mijn part krijgt de heele mischpooge de chòllera, vuile
+addermekakstraal!... 'k Zal nog langer de ouwe vrouw en me kindere
+late verrekke! Eer ìk de partij kappies uit me poote geef zalle
+juillie allemaal sjankes krijge!--En jij--jij 'n darme-reising!"...
+
+Nu in natuurlijke woede, geelbleek, stond-ie op, smeet z'n stoel tegen
+'t raamkozijn, verzette de koffiekom met 'n smak op de tafel.
+
+"Og, wad-è frotter haurik!", smaalde Essie, de vrouw van Suikerpeer,
+na een stilte van onthutsing, en krènkender smaalde ze: "benche
+ken-die niet--zal die vlòèke!"...
+
+"Enne tòch heit-ie rech," lodderde Suikerpeer oòk opgewondener:
+"Wat heit hij met 'n schtaking te make! Heit-ie niet ogge-nebbiesch
+làng genoeg geschtaakt! Ken jij je kindere wegpattere? Ik zweer je
+bij mijn gezond, bij mijn kinders-lang-leve: 'k hei vemiddag enne
+gister, enne weisz-ich-viel hóé lang aardappele gevrete met vèt! As
+'k 'n schleiper was en werk kon krijge, schleep 'k de heele nach en
+mòrrege nach en overmòrregenach tot Sjabbes toe!"...
+
+"Wat zal hij néé zegge?", meende zachtzinnig de blinde, starend naar de
+peer van de lamp: "Wat zal jìj nee zegge, Eli!.... Hebbe we nie pech
+gehad van dad-jij van Ammerika bin weromgekomme? Sta 'k nie voor de
+vierde sjabbes in de schuld bij Witjas? Krijgt nie de fruitman? Krijgt
+nie Kalf van de nasscherei! Ogge-nebbiesch me Saartje heit geen hèmpie
+an 'r lijfie!... Berlijn is 'n toffe jongen--Schnij jij je 'n bezze
+bittere krieje voor àndere! Schnijje zìj zich 'n krieje over jou? Een
+'n makke!--Jij mot nie stake! Dat zijne rissches. Zoo zal God me nog
+eenmaal 't licht in me ooge gunne: Dovid heit rècht"...
+
+Ze zweeg, napreevlend met 'r droge lippen, vrindlijk-rustig knikkend
+naar de zij van Eleazar. Maar de donkre stem van den Poolschen jood,
+sprak hortend, stem langzaam ver-heeschend in drift:
+
+"Rècht!--Wàt is recht?--Recht is as je grijp wat je ken grijpe!--Recht
+as 'k gàp, as 'k honger lei!--Recht as 'k ze spuug in d'r gezicht die
+me beschwindele!--Recht as 'k ze trap op d'r hart!--Recht dat-ze d'r
+longe, d'r lever verzieke die me kindere te kort doen!--Recht as d'r
+ingewande van krampe krepeere!--Wàt is recht? Recht is as juillie
+'t verdòmt langer honger te lijje!--Recht as je strijdt vóór je
+maag! Wat ken één man, Dovid? Og! Juillie mot as 'n klit an mekaar
+kleve! Geve ze niet goeischiks dan neem-ie kwaaischiks. Kwaaischiks
+is dan je rècht!--Alléenig doe je niks, niks, niks--alleenig krijg-ie
+geen speldeknop, geen korrel suiker, geen spùg water, geen korrel
+zand! As juillie klève an mekaar, klève, dan kenne juillie dwinge,
+dwinge dat ze de schwerenaut uitbreekt!"...
+
+Hij zweeg, de handen bevend op 't vlak van de tafel. Op 't hooge
+voorhoofd waren de aren gezwollen en wit-schuimend speeksel drabde
+over z'n lip naast het roòder-geworden gezwel.
+
+Opnieuw was stilte in de kamer, aandroesde gepraat van de plaats,
+waar de schoenmaker liep met z'n emmer.
+
+Essie van Suikerpeer, verschrompeld bandeau-vrouwtje, sprak
+'r aanloopje zoekend, slijmrig-bedeesd "...Nou ja, ù heit goed
+prate, u weet niet wat 'r komp-kijke: Dovid ken 'n goed stuk brood
+verdiene... hij werkt met víér tange"...
+
+Dovid, die bij 't raam stond, wond zich lawaairiger op. Rauw krijschte
+'t geluid uit zijn keel:
+
+"En nou zal 'k godverdomme 'n onderkruiper weze!... Kenne ze me
+allemaal de maarsch lekke!... Voor mijn part schtàke ze, schtàke ze
+tot ze de krenk krijge!... En 'n rotkoorts op de koop toe!... Zal ìk
+me schikke na Dekker!... Zoo zalle z'n achterste kiezen na vòre!... En
+jij je geschwollen legge! Nou zàl 'k onderkruipe--nou zàl 'k--Legge
+juillie je allemaal ziek!"...
+
+Mager van woede, de oogen uitpuilend, spuwde hij naar den grond,
+liep de kinderen op 't matras voorbij, smeet de deur met bonzend
+geweld achter zich toe.
+
+"Wat 'n mamsertòmme!"--, zangerig zei Essie, 't bandeau-hoofdje in
+de handen wieglend.
+
+Verlegen stilte bleef tot Dovid's voetstappen niet meer op de trap
+werden gehoord. Dan kwam gepraat van alle kanten. Suikerpeer, Essie,
+tante Reggie namen z'n partij, sprekend gelijk, elkander met spuugrig
+lawaai in de rede vallend, zich opwindend, druk van gebaar.
+
+Rond de tafel smoezelden ze, Reggie over 't raam, bij Essie en
+Suikerpeer. Om den hoek Rebecca, de dochter van den Poolschen jood,
+luister-zwijgend als Mijntje, de oudste van Suikerpeer. Podnowsky,
+naast Eleazar, schoof naar het venster nu er meer ruimte was gekomen,
+ging te-keer tegen de drie, soms overschreeuwd, soms overschreeuwend,
+grimmig verwenschend die 'm hadden vervolgd van af z'n kinderjaren
+toen-ie met vader en moeder uit Rusland was gesteenigd.
+
+Koffie-lebberend, moe, leeg door 't gevast, luisterde Eleazar. Soms
+keken z'n grijze oogen in de groot-zwarte van Rebecca, verwonderde
+hij zich over de frischheid van 't ravenzwart meisje dat hier niet
+scheen te behooren,--dacht-ie aan de rijpheid van 'n pioen. Sterker,
+in grooter jeugd, was 't ongewoon wangenrood als-ie naar Mijntje keek,
+ook zoo van zestien, zeventien, kamer-sip, bleek, met korsten in de
+haren en over de ooren, wat al de kindren van Suikerpeer schenen te
+hebben. Even door de warmte der kamer perrelde zweet op z'n voorhoofd,
+maar de tochting van 't raam, wit-slaand tegen z'n vel-heetheid
+luchtigde 'm op.
+
+
+
+Laag nedervlakte de zoldring-van-balken met schuwlijk dobbren
+van lampelicht-kringen. Op de tafel was morsig gewar van kommen,
+koppen en schotels, glanzerig wit, door klodders en sopjes bruin
+overstort. Het zeil, geel, met bloemen-gefleur en weg-krabde gaten,
+lei met bultende vouwen en glimmige plasjes.
+
+Behang was er op zij van de deur--, de rest in flarden gekruld, hing
+los aan de wanden van spikklige kalk. De muur was 'n vervellend dier,
+dat de oud-doode huid van zich afschudt. 't Netst blankte de kast
+met deuren van klein-glazen ruitjes--er achter planken met puntige
+tanden vergelend krantepapier, tanden groot en gelijk, knipsel van
+Mijntje. Daarop borden en glaswerk, roodkoperen dingen in dofrood
+gevlam. Den rand van den schoorsteen, terzij van de bedstee, had
+Mijntje belegd met repen behangsel en ook daarin roofdier-tanden
+geknipt, lauw nu ombollend door de warmte der kamer. Op den grond,
+bij de koperen kachel, lagen de kindren, Meijer vooraan, die wakker
+nog was. De drie andre, hoofden verzakt in de peluw van zeegras,
+sliepen met opene monden, leelijke kinderen, ouwelijk-joodsch. Esther,
+meisje van twaalf, had witte plekken op 't hoofd, waar 't haar school
+onder zalf; Jaantje, kindje van tien, had 'n groen-zwerend oortje;
+Flippie, 'n jongske van zes, snurkte door 't mondje, bekrabde in
+slaaprig beweeg 't hoofdje van korsten dat 't waterig bloed bekleefde
+de haren. De jongste lagen in de bedstee, waar ze sliepen met vader
+en moeder. Mijntje lag meê op den grond. Bram, 't jòngste kind,
+onrustig van slaap, bewoog soms met stokkende kreetjes in stuip,
+stil-zieklijk kindje, dat langzaam uitteerde. Bekkie het eenig gezonde,
+lei stil achterin.
+
+Om de tafel zaten de menschen, bonkige lijven zwartend bij 't schemerig
+schijnen der lampen, glimglans op de handen in 't licht, vleesch-rood
+op de gelaten, wit-sterke schamp langs de kommen en spullen. Schaduw
+van Mijntje's rug strekte stug-strak van 'r stoel over de hoofden der
+kindren op den grond, waduw van weifelend zwart. En de deken aan 't
+voeteind, rood-met-bloemen-van-geel en lostornde pluizen daartusschen,
+wolde in spreidender licht. Achter het hoofdeind was de deur van de
+kast waar de strontemmer stond. Er hing daar een plaat met woelige
+zee en een man staand in een dobberend hulkje. Ze was haast verbruind,
+met bellen van vocht en er onder stond vaagjes-gedrukt met bleekende
+letters: _Wilhelm Tell befreit sich durch einen Sprung aus Geszler's
+Gefangenschaft._
+
+De menschen an tafel redeneerden nog druk. Mijntje, Rebecca
+zaten gieglend te fluistren. Podnowsky, de Pool,--ze noemden 'm
+Poddy--twistte met Essie en Suikerpeer. Eleazar, vermoeid van het
+slentren, knikte in slaap. In de bedstee huilde een kind. Afleiding
+gaf dat, daar Essie ging sussen en Eleazar, òpschrikkend, luisterde
+mee-knikkend naar het nieuwe gepraat.
+
+"Dad's Bekkie", zei Suikerpeer en loddrig van lach, zei hij een
+grap van 't kind: "Die is zoo góógem, zoo uitgeslape voor 'n kind
+van drie jare... Wàs ze niet drie?... Wi-je geloove dad-ze de trappe
+afloopt en dan zoek 'k 'r en waar denk-ie dad-ze dan zit?... Bij de
+geneiwekoopman!--Maar nou zal 'k je 'n gijntje vertelle... Van morrege
+wor 'k wakker en daar zeit de gebenchte memme: "vader wad-heit-u
+van-nacht weer met moeder gewipt--U begrijp me: gewipt!--Gijn van
+zoo'n kind!..."
+
+Blinde tante Reggie lachte èn Essie èn Mijntje èn Rebecca--de meisjes
+met proestend na-giglen en schuw-driestig kijken. Essie die 't kind
+had gesust, vertelde dan verder:
+
+"...Weet je nog van Joozepie oleveschonoe--Wil u gloove Poddy: we
+hebbe ellef kindere gehad!--as diè wakker kwam en we deeë iets--ù
+begrijp me wel, dan begon-ie te roope: vàder, vàder, vàder ik
+mod poe-oe-oe-pè!... Moeder, ik mod poe-oe-oe-pè!... Mijntje, ik
+mod poe-oe-oepè!... En àls van voren af an, om geregeld mesjogge
+te worde... net zoo lang tot wij d'r uit moste scheije! Ogge
+nebbiesch--nou is-die dood en 'n schein kind--werachtig 'n
+christenkind!..."
+
+"...Ja", zei Suikerpeer snel--vergeefs had-ie met z'n oogen zitten
+knip-wenken om Essie te waarschouwe dadde Mijntje en Rebecca zulleke
+bed-dinge niet moste hoore--nou sprak-ie mal-luid om 't gelach héen te
+praten: "Je ken wadde beleve! Lach nou zoo niet! D'r valt nimmendal
+te lache! Ja-ja we hebbe al vier kindere na Zeeburg gebrach en 'k
+denk--dat Brammetje,--dat Brammetje..." Hij stokte in bekijking van
+het bedsteedonker, waar 'n ademkreuntje in hapering stootte.
+
+"'t Is 'n wònder, 'n wònder die herzensziekte", zei Essie bedrukt,
+de handen in 'r schoot.
+
+"Alles wat Gòd doet is welgedaan", zei rustig-glimlachend de blinde:
+je mot God met vràge nie verzoeke--Kom, Eli breng me de trap af..."
+
+Ze stond op, storend Eleazar, die met het hoofd in de hand naar
+Rebecca keek, naar 'r sappig gezichtje in den tuimel van zwart haar,
+naar het git van 'r oogen.
+
+Hoe komt die hièr--dacht-ie. Hoe is die zoo frisch gebleven bij
+ouwe, verdane menschen? En wat lacht ze driest--wat heeft ze gemeene
+trekkies om 'r mond--wat 'n vreemd snuitje--As ze nièt lacht, me niet
+ankijkt--as ze stil bij de lamp zit--is ze 'n vervroolijking van de
+kamer--en às ze lacht--as ze met natte lippen wacht of 'k méélach--gaat
+'r iets klams, iets branderigs, iets hinderlijks van 'r uit.
+
+"Blijf-ie zitte, Eli?"
+
+"Nee-nee," zei-ie opgewekt.
+
+Voorzichtig liep-ie voor de blinde, 'r hand vasthoudend, tree voor
+tree, bracht 'r naar de zoet-walmende kamer benee, stak de lamp aan,
+verstrooid.
+
+"...Wat doe je? Wat doe je?"--glimlachte ze: "voor mijn hoeft 't
+alweer nie!... Maar nou je hièr bin--: je boterhamme staan in de
+kas... Neem-die medeen mee... Hoor je? Hoor-je?..."
+
+In de glazen kast zag hij ze, nam ze van het bord, zei 'r goeien nacht.
+
+"Gebruik je verstand, je verstand, Eli", sprak zij hem na: "wat ken je
+mazzel weze mee te doen met de òngijn van 'n schtaking?.. 'n Schtaking
+is ongeluk--òngeluk... Wees geen verschwarzte nar--ik ziè de zake
+zooveel beter as jij ... zooveel bèter ... zooveel bèter... Ga nou
+morrege na Berlijn, die heit gróót werk."
+
+"Nee", zei hij beslist... "as 'r geen smàusen en zieltjes onder de
+arbeiders waren, zouen we àlles doen... Ga maar slapen... Van Dovid's
+verdiensten vreet ìk niet mee... Ik kom er wel. Goeien nacht."
+
+Hij sloot de deur. Op de plaats was 't nachtduister. In de
+massale zwartheid der muren, zwart als de lucht boven, broeide
+venstergekwijn, licht als het rood van moede oogranden. Dat stond
+zwijgend, had angstige sproeiïng van rottend rood in het plompe,
+builende zwart. Zelfs geen menschenbeweeg en geen schaduw, enkel
+vaal-rood langs ouwe gordijnen.
+
+Het hol van de poort wasemde schuifelend grondlicht. Met het brood
+in de hand ging Eleazar er heen, struiklend over een emmer die niet
+was binnengehaald. De deur van den schoenmaker stond wijd-open. Hij
+zelf zat op de keldertrap, arbeidend voor de tafel, die hij naar
+zich toe had getrokken. De vrouw was gaan slapen bij de kindren
+in de bedstee. Het water, hooger gerezen, had gouden glanzels en
+'n keeglende gouden lampe-baan naast de teere weerspiegling der tafel.
+
+"Nou zie je wat d'r hurrie geholpe heit," praatte de schoenmaker
+voortwerkend: "as je de hàlve nacht blijft scheppe, helpt 't nòg
+geen mieter! Zoo ken 'k teminste werreke en morrege trekt 't de grond
+in. Dat eeuwig geneuk van die wijve!"...
+
+Zijn hamer beklopte een zool, indrijvend de pinnen, de vuist, prop
+om den steel, schoot driftig op naar het oor en weer neer.
+
+"Werk plezierig," zei mat Eleazar.
+
+"Plezierig!--Plezierig!" herhaalde de man monotoon en flauw-lachend.
+
+De trap kraakte stug onder zijn voeten, nu hij naar boven ging. Hij
+bewoonde de kamer bòven Suikerpeer. Amerika had 'm verwend. Hij had
+niet meer kùnnen slapen, sámen met Dovid op den grond van de alkoof,
+bij tante Reggie, Saartje en Moosje. Hij woonde alléén, at bij
+Reggie. Zoo was 't het beste geschikt, niet te duur. De kamer dee
+vijftig cent in de week--en hij was vrij. Bij Podnowsky, den Pool,
+stond de kamerdeur aan. De lamp had gestoomd. Zweving van roet was
+tot op 't portaal.
+
+"De lamp heit gewalmd. 't Stinkt," zei Poddy, die rondliep op kousen
+met knollige gaten. Aan oude bretels hing zijn broek en de paars-groene
+borstrok omspande de magere borst. Vaag zag Eleazar een bed op den
+grond, hoofden van kindren, 't open gesprei van een bedstee, een
+pot en op tafel stronken van bloemkool. Meer bij de deur stond een
+kleinere tafel met doozen tabak en sigaretten.
+
+"Da's mìjn negotie," zei Poddy, strijkend de hand door den baard en
+wijzend naar de sigaretten: "daar mod-ik me vijf kindere d'r monde mee
+stoppe.--Wi-jij d'r een rooke, 'n echte Rùssische, na je soupé? 't Is
+'n fijne."...
+
+"Graag", sprak lachend Eleazar en terwijl de hoekige jood er een
+uitzocht, keek hij naar 't matras op den grond, waar hij hoofden
+onderscheidde--een klein kind--een jongen met aankomend snordons--en
+Rebecca die 'm aan lag te kijken, lachrig-verlegen. Bij 'r hoofd, op
+'n stoel, was 't slordig gekreuk van 'r rokken, 'r broek bovenop met
+nog slingrende banden.
+
+"Rook 'm bij je soupé," zei Poddy: "en doe niet as Dovid 't
+pèstgezich! Jij heit gelijk. Gezegend zal je weze."...
+
+"Dank je. Goe-nacht. Slaap wel," wenschte Eleazar, hooger klimmend
+naar zijn kamer.
+
+Er was geen licht. Tastend in 't donker, duwde hij het raam op, schoof
+den manken, matten stoel bij, begon van de boterham te eten. Maar
+na een paar happen, in onrustige gedachten, lei hij 't brood op
+de vensterbank, keek naar de dakpannen aan de overzij. Het was een
+volkomen donkre nacht. Voor hem uit klompten de daken diep-zwart,
+bizar en geweldig, vreemd-gestolten pantser over het leven daaronder,
+grauw-ijzren domper over rood-kleine kamers. Een eenzaam dakraampje
+in de zwarte allee van vele giganteske dingen had hetzelfd rottend
+rood der ramen van straks.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Bram, 't kwakkelend kind van Suikerpeer was gestorven. Op 'n morgen
+lei 't dood in de bedstee naast vader, moeder en Bekkie. Het gaf
+weinig verwondring in 't huis. Poddy kwam eens kijken, tante Reggie
+sukkelde de trap op,--er werd 'n uur verdrietloos gepraat. Langer
+niet. Suikerpeer had 'n partij bevroren rooie kool gekocht, die
+door de muffing der kamer bedorven was. Ze hoopte achter de deur
+in manden. De onderste rotten al weg, doorstonken de kamer, waar
+'t dood kindje op stroo was gelegd, nauwlijks 'n bobbel onder den
+doek. Den heelen Vrijdag ventte Suikerpeer, verkocht weinig. De kool
+was rinzig en week--de menschen wouen 'r niet an. En het regende
+geweldig. Doornat, met kleeren die 't beenig lichaam beplakten,
+kwam-ie thuis, sjouwde de mand met de meegenomen negotie naar boven,
+'t lijkje voorbij, smakte 'r neer in den hoek, bij de rest.
+
+Nog hijgend van 't traploopen, grimmig-verstoord door 't watergesiep
+in z'n nek en de kou van de voeten in de stukkende schoenen, huilde-die
+'t uit: "...'n Verlamming in d'r tong zoo hebbe ze afgeboje!... God zal
+ze verdomme!... 't Rottuig!... Nog geen tien stuiwer gehaald!... Hoe
+komme me cente d'r uit!... Me paar ongelukkige cente zijne naar de
+aschmedij! Hoe kom 'k an 't geld voor me sauger! Hoe kom 'k an nieuwe
+negotie! Is dat 'n ramp, 'n ràmp! Daar zitte we met de stinkende kool,
+godverdommè! godverdommè! godverdommè!"
+
+Op een stoel bij de tafel was-ie steunend gekwakt, de vingers
+geklit in het haar. De schorre, verwoeste stem kraakte de smart uit,
+krijschend, met ruwe snikgillen. De handen rukten het hoofd heen en
+weer, hartstochtlijk van wanhoop. Het waren groote, grove handen,
+paars-rood, diep in verf van rottende kool en de toppen der vingers,
+dik, vleezig, zonder nagels, hadden ingebeten klodders van zwaar,
+rauw indigoblauw. Over het geel-bol gelaat, grijs-bestoppeld, hadden
+ze gewreven, de tranen wegsoppend, de wangen besmerend met waternat
+blauw, dat ver-lekte in rood. Z'n heele lichaam, z'n kleeren, z'n pet,
+z'n schoenen, waren van dat fronzend, vlakkend paarsrood koolsop. En
+de manden waaiden een lucht in de benauwde, warm-stookte kamer,
+alsof een lang-gebruikt privaat open stond.
+
+Het krijschend, snikgillend gehuil van den groentenjood, sloeg zelfs
+de kindren in zwijgen. Esther, Jaantje, Flippie en Bekkie zaten om
+de tafel, spelend met een bordpapieren prent, die Jaantje in een
+vuilnisbak had gevonden. Ze leien daar afgebrande lucifer-stompjes
+op, zeien telrijmpjes. Mijntje was bezig met 't eten, Meijer juist
+thuisgekomen met groene, geelbultige augurken, stond stil in den hoek
+bij de dof-roode, weeke, paars-sop plassende kolen.
+
+"Maak je nou nie van streek," zei Essie: "in gosnaam!.. Wat ken je
+d'r an doen?... Beter as 'n arm of 'n been gebroke... En--en was
+verstàndiger geweest... D'r zit geen brooge an kool..."
+
+"Klets me niet! Klets me niet! Wat hei-'k daarmee an me kop,
+godverdommè!", huilde de jood, opschokkend, de kamer doorloopend,
+van het lijkje naar het raam en wild met de armen bewijzend
+wat-ie wou zeggen: "Me heèle handel zit 'r in, Addenòj!... Waar
+mod-'k 't uitscheure om Tobie te betale!... Hoe kom 'k an nieuwe
+handel!... Met de pest-sjabbes rotte ze nog meer!... En Zondagmorrege
+de lawaaie!... Wor jij daar niet mesjogge onder!... Wat mod-'k
+beginne! Wat mod-'k beginne!... Godverdommèèèè, godverdommèèèè!"...
+
+De wanhoop van den tegenspoed, het schrijnend-kwellende der klevende,
+zware kleeren, zwart van regenwater, deed 'm dierlijker, rauwer
+schreeuwen.
+
+"Hou toch je schmoel voor de bure!--Geef je vijànde te vrete!",
+zei Essie zangerig-schel.
+
+"Laat ze de koorts krijge!... 't Ken me nie verdommèèèè!", raasde hij,
+haar toesnauwend: "...Ik maak me de sappel--ik werk me kepot voor
+'n nest kindere--ik sloof me uit, godverdommèèèè!--En wàt mod-'k nou
+beginne!... Wie betaalt?... Een 'n makke die 'n cent borgt voor nieuwe
+handel!... Waar mot 't heen, mot 't héén!"...
+
+Radeloos, het geel-bol gelaat met smartkrullen om den mond, de
+vuisten krampachtig gebald, liep-ie heen en weer, driftig van duwstap
+alsof-ie z'n wagen kruide. De knoestige, harde knieën wrongen in de
+oude, beslijkte, afgetrapte broekspijpen, de voeten in vierkante,
+water-roglende schoenen, trapten tot bij het droog-zuigend hooi dat
+in piekingen berstte alsof een pakkist was omgesmeten.
+
+Mijntje bij de kachel, zwijgend, schudde een pot, wat kraking van
+opgehitst vet tegen het ijzer gaf. Essie, zelf niet lekker--al
+twee dagen most ze elk oogenblik op de ton, waar ze kreunde
+van kramppijn--troostte in drenzing, tegelijk met verwijten als
+wijs-joodsche vrouw, die 'n schlemiel van 'n man heeft.
+
+"...Schei uit met je gebler en geschreeuw!... Wat geeft 't of-ie je
+nòù de sappel maakt?... Had nie-zoo mesjogge geweest!... Hei-'k je
+nie daalijk gezeid, dat je d'r an bekoch was!... An al wad-jij doet
+is geen mazzel, geen brooge... Hei-je je laast niet in je vingers
+gesneje met beurze appele, jij met je wijgoogeme kop!--
+
+En met je uien!--Heit-ie óók allemaal fròtte uien gekoch!... Hoe ken
+me zoo verschwarzt zijn om twee honderd van die schtinkende kole te
+koope voor vier cente 't stuk?.. Ik zweer je, ìk geef 'r nog geen cènt
+voor bij mijn gezond.--Kijk wat 'n mande daar met vuiligheid staan--de
+slik loopt 'r uit... 't Is 'n neweire voor God, 'n nèwèire!"... "Leg
+je ziek", snauwde Suikerpeer, stilstaand: "voor wie doe 'k 't? Wat
+hei-'k 'r van? 'n Hap vrete nog nie-eens! Val jij dood! Wat klets jij,
+godverdommèèè, as 't gebeùrd is"...
+
+Zij driftiger, ketste de vloeken: "Barscht jij!--Jij breng toch 't
+fressen van de kindere 'r mee door! Vraag an wie je wil, an Poddy,
+an Dovid, an Reggie, of ze zoo mesjogge zoue zijn om tweehonderd kole
+te koope die stinke as de pest! Tweehonderd frotte kole!--Tweehonderd
+kole-van-afval!--Nòg, wad-'n sauger!--Waas steh ich aus! Waas steh
+ich aus!"...
+
+"Krijg 'n miessemisschinne!.... 't Vrete in je lijf zal vergif
+worde!", vloekte Suikerpeer, schor, kwaadaardig: "as 'k ooit weer
+'n cent handel drijf; vuil sekreet!... Ga jìj onder de mensche, doe
+jìj inkoop!.... Vuil sekreet!... Zal ze me nog verwijte!... Da's voor
+me kòstelijke sjabbes"...
+
+"Sekreet! Sekreet!", schreeuwde Essie, verwoed, bleek onder 'r zwarten
+bandeau: "'n Sekreet da's je mòer, da's je mòer! Og wat 'n vuilik,
+wat 'n kànker van 'n vuilik die de moeder van z'n kindere voor sekreet
+uitscheldt!... Og, wat 'n pleegisch!"...
+
+"Pleegisch, pleegisch!", herhaalde Suikerpeer dof, verslappend,
+rillig: "noem wéér is me moer! Stop jij je kouse! Stop jij je
+kouse! Schijthuis! Afgedankt schijthuis!"
+
+"Da's je zúster, da's je zuster", keef Essie, zangerig-krijschend.
+
+"Wor blind!", snauwde de groentenjood, oud, òp, hurkend bij de kachel,
+waar-ie z'n stukkende schoenen uit-trapte.
+
+"As jìj 'n pestkoorts krijg, zal ìk me blind legge, dan hebbe we zàmen
+wat"--, verwenschte zij, bevend-van-woede en nog làng, gruwlijker
+vloekend, nou hij lam-lusteloos, met opgetrokken knieën bij 't vuur
+zat te rillen, bleef zij op 'm afgeven, hitste de ramp-in-de-negotie
+hen op tot knarsende, bijtende verwijting, waaraan de kindren waren
+gewend. Bij de tafel waren ze hun spelletje weer begonnen, fluistrend,
+half-angstig. Meijer dee ook mee, schoof de lucifers-stompen over de
+bruine, verteerde prent en de lamp begeelde rechtstandig de hoofdjes
+van ziekte-doorvreten, belichtte de kamerhoeken met de ettrende kool
+en het stroo met den slap-bultenden doek.
+
+
+
+Zaterdagavond was 't lijkje gewasschen, gekist. Ze hadden het vlassig
+haar gekamd, de nageltjes uitgehaald, 'n schoon hemdje om het klein
+zuur-stinkend lichaam gewikkeld. Op twee stoelen zag Eleazar het
+kistje, toen hij dien Zondagmorgen bij Suikerpeer kwam.
+
+Essie lag te bed, koortsig, met krampen. Mijntje had vijf centen
+gries gekookt, schepte uit een roodaarden pan, bediende de kindren,
+die aten met honger. Ze slurpten de pap, slobberig-zuigend, monden
+bekwakt met klodders gries. Bekkie, de jongste, wroette met grijpende
+vingers, smerend de waatrige brei om den spelenden mond--Mijntje,
+gebogen over de tafel lepelde den pot uit, schraperig-hard langs
+de randen tot waar op den bodem de portie van water en kluiten voor
+vader bewaard bleef. Neer was 't raamgordijn, vergeeld in streeprige
+plooien. Een bruin-gebrand gat met vaal-bruine pluizen stiet 'n
+kartelbrok grauwlooden lucht in 't transparant, waarvoor de kindren,
+gulzig van handheffing aten. Er was eene zoet-rotte benauwing in de
+kamer. Het gesmeul van de kachel, stank van den pot met waterig vuil,
+dien de bedstee voor den armendokter bewaarde, mestvaalten-damp van
+de koolbladen, 't koolsap, de koolsmurrie, zuur geadem van het lijkje
+op de stoelen, dat in verre ontbinding was. Bij den poot van den
+stoel, door de vergane rietmatten zitting heen, lekte het, waterig
+vocht dat de withouten wanden van 't kistje ontsiepte, spettend,
+met zacht-snelle schrikjes neerdrupte, in den morsigen grond eene
+rustige holte vrat. Dichtbij lagen vertrapte koolbladen, donker en
+slijkerig-paars.
+
+"... Bin jij daar Eli?", vroeg Essie, opzittend in 't bed: "ach,
+god ik bin zoo ziek... 'k Loop gemoedereerd leeg.. Al drie dage bin
+'k an 't afgaan--net water--wàter.--En 'n pijn in me lijf.--En in me
+rug.--'k Ga geregeld èllek oogeblik"...
+
+"'t Zal wel betere", zei hij vrindlijk. Bij de tafel ging-ie zitten,
+nam driejarig Bekkie op zijn knie.
+
+"Betere... Betere", klaagde zij kreunend: "ù voelt niet wat ìk voel--U
+heit mooi prate--Ik lij àardig--Die krampe!--Die krampe!--'t Is
+geregeld of me buik van mekander wordt getrokke--En waar die vuile,
+frotterhaurik van 'n dokter blijft! Laat Mijntje u is vertelle hoe
+dikkels as ik op 't huissie bin geweest"--In haar stem was angst,
+angst die behoefte aan klagen had.
+
+"Kleinigheidjes gaan voorbij", troostte hij: "u moet u niet zoo gauw
+bàng maken."
+
+"Bàng"..--, zei zij ineens onthutst, flauwtjes-glimlachend: "wie
+spreekt daalijk van bang?.. Ik wèèt wel dad-'t met God z'n hulp niks
+is--Maar je ken toch nie wete, wat zeit-ù?--Zoo'n aardige pijn.--Zoo'n
+áárdige pijn..."
+
+De kinderen slobberden pap, smakkend en zuigend, schrokkig kijkend
+naar Mijntje die schrapte. Meijer, 't eerst klaar, belikte 't bord
+met z'n strakspannen vinger, Bekkie in grappig beweeg doormorste 'r
+kom. 't Werd stil bij het tikkend scheppen der lepels, maar Jaantje,
+bang voor Meijer die slùw van 'r snoepte, wegtrok 'r bord dat 't glee
+van de tafel en viel op 'r rokje. Hard klonk 'r gehuil en heftig van
+woede sloeg ze den jongen in het gelaat.
+
+"Nou! Nou! Is 't uit!", dreigde Mijntje.
+
+"Hij heit van me bord genàscht!", schreeuw-huilde het kind, pogend de
+pap van 'r jurkje in 't bord terug te lepelen. Maar de gele kwakjes
+vielen dik op den grond. 't Dee haar verwoeder schelden: "vuile ganf,
+smeerlap, dief, pestkop!"...
+
+"Ik heb nie van je bord genàscht", loog Meijer. En ineens
+was er een koor van joden-stemmetjes: "'t Is wel waar! 't Is
+wel waar, Mijntjèèè! Hij heit 't wel gedaan! Ik heb 't gezien,
+Mijntjèèè! Mijntjèèèè!.. Hij lieg 't, Mijntjèèèè. Hij is met z'n vinger
+in 'r bord gewees, Mijntjèèè!" Zij schreeuwden door elkaar, Esther,
+Flippie, Jaantje, Meijer, opgewonden--, Jaantje rood van het huilen,
+ijverig bezig het sop van 'r jurkje te schrappen.
+
+"Dan zalle me hande afvalle, as 'k 't gedaan heb", schreeuwde Meijer
+schor.
+
+"Houe juillie je bekke!", schreeuwde Mijntje, nijdig zich bukkend
+over de tafel.
+
+"Mot hij van me pap gànfe!", huilde Jaantje na: "die stinkert!... die
+pàrg!"...
+
+"Parg, dat bin jij!", schold Meijer: "jouw loopend oor zei je meene,
+bedpisserin!"...
+
+"Wil je je schmoel houe!"--, gilde Mijntje dreigend.
+
+"Jìj bin 'n beddepisser, jìj!" verweet Jaantje, krijschend met
+vinnige snikking.
+
+"Dat lieg-ie! Dat lieg-ie!", schold Meijer, spichtig van drift:
+"Bin ìk 'n beddepisser, Essie?... Jij bin 't!--Jij!"...
+
+"Zoo za-je dood blijve zitte!"--, vloekte 't kind simpel na-kijvend
+den toon van 't huis.
+
+Moeder die de bedstee-deuren wijder had opengeduwd, vergeefs 'r
+tusschen wou komen, zat kermig te schudden, zanikend te klagen. O,
+o--'t was 'n bezoeking. Geen oogeblikkie denke dad-zij zièk lee--enne
+hóé ziek--enne wàd-'n stekings om ongerust van te weze.
+
+"Me hoof! Me herzens bàrste! Me hoof! Me hoof!", zat ze te weeën,
+de handen gezogen op 'r ooren.
+
+Mijntje, met 'n woede-gezicht, alsof ze 'r op los zou ranselen,
+zocht met 'r oogen wiè ze zou patsen:
+
+"As je nog éen woord zeit, sla 'k je àllemaal op je schmoel, tuig,
+frot tuig!"--, dreigde ze, kwaadaardig. Dat gaf stilte.
+
+Na-snikkend bevingerde Jaantje 'r bord, waarop nog wat kleevrige pap
+en Bekkie, rustig op Eli's knie, keek als in droom naar 't doen van
+'r zusje.
+
+"...O, wat hei-'k 'n pijn, wat hei-'k 'n pijn!", klaagde Essie weer,
+in de bedstee: "Tuig! Zijne dat kindere? Dat zijne geen kindere! Dat
+zijne beeste! Dat zijne tuig!--O! O!--Addenoj, wad-'n stekings!--Wad-'n
+stekings!"...
+
+Mijntje most 'r den pot in 't bed anreiken en de bedstee-deuren werden
+gesloten. Terwijl kwam Suikerpeer boven. Dof, zonder spreken, zat-ie
+over Eleazar, at uit de roodaarden pan de rest van de griespap.
+
+
+
+Even voor twaalf reed de koets door de straat, langzaam van
+paardstap. Het was een dag van zwaar-striemenden regen. De keien
+hadden geel-schuurde koppen--geulende geutjes ribbelden langs de
+rechte stoepranden.
+
+Achter de tree van de koets liepen zij aan, de vader, de dragers en
+Eli--de dragers geschut onder druipende schermen, de andren stroef
+in den regen. Zwak was het menschen-beweeg. Er haastigde een harige
+hond met vacht diep van water doordonsd en een agent geschurkt in
+z'n jas stond op den hoek van de gracht.
+
+In de Brééstraat was meerder geloop. Daar lag het asfalt glad-gelig
+te glanzen, strak-weeke vaart met heensproeiend water. Alles had
+er een glim in, de wielen, de tree, de opgaande voeten, glijjende
+spiegling van lichtende dingen, verdrongen door schaduw-geschuif,
+verdrabd door modder en paardevijgen--tot 'n gele asfaltgeul,
+schoongeregend en glanzend, opnieuw een echo glibberde van wat boven
+bewoog en voorbijgleed. De paarden liepen sterk te beklappen den weg,
+kort-scherpe klikken van ijzer op steen en de koets schokte soms als
+de kar-van-een-bakker die holbollend dreunt in vroegmorgen.
+
+Eleazar hield de handen in de zakken, kouwlijk en nat, schuilend
+achter den wagen. Er ging een kerk uit en zacht-ontevreden door
+'t vinnig watergespet, zag hij de stuwing der vrouwen en mannen,
+die drongen de koets om, warm nog van kerklucht, met bidboek en
+dof-natte schermen. Ze praatten wat luid, te wit van dampenden adem en
+'t guldsel van 't bidboek goudde 'n grijns in 't asfalt-gespiegel.
+
+De koets schokte zacht, 'r veeren pletten in zwakken cadans--het
+ijzer der wielen schuurde staal-blank, water opstuivend in vlak-witte
+sissen naar 't glimzwart schoenengeloop. Zoo ging het voort, rustig en
+kalm--kreunen alleen uit 't donker lijf van den vierkanten wagen--naar
+de zwijgende, grauw-stugge synagoog, waarvoor de koets met de sullige
+paarden en 't kinderlijkje even kniezend 'n groet gaf. Striemender
+van slag gutste de regen, metaal-witte kopjes ketsend op keien
+en stoepen. De menschen gingen in snel gevlucht langs de huizen,
+bukkend tegen het felle gezwiep. En de koets reed iets vlugger. Langs
+de gracht naar de wijdere straat, de lange, breede, oneindige straat.
+
+Suikerpeer, zwijgend, vaal-zwart door den regen, spuwde fluimen
+pruimsop, keek naar den grond. Het water had smakkende bulten gevreten
+tot diep bij zijn knieën en klukkelend wrong 't z'n schoenen weer
+uit. Naast 'm een drager die goedig 'm mee wou doen loopen onder de
+parapluie. Maar het water daarvan gootte in gulpen op de pet van den
+stappenden jood. Ze spraken niet. Norscher, hoekig van elboog-beweeg,
+liep Eleazar achter den drager. Niet langer vermeed-ie de plassen,
+baggerde vijandig, wreed-van-aanvoeling-der-dingen, kleumig van
+kou. Z'n schouders, z'n rug, z'n knieën waren doorweekt--de voeten
+geleken te schrielen in 't persend, logge gehang van schoenen en
+kousen. Langs den rug rigde 't water, schrijnend de huid, kruipend
+langs warm-stijve haartjes de bil over, zuigend klam in 't goed. Alles
+plakte, kleefde, wóóg, het vel broeide jeukrig, bewreven door
+'t bits-spannend hemd. Ook in z'n broekzakken liep water, weekend
+den lauw-bollen zakdoek, het kantig lucifersdoosje. Dat hield-ie
+nu in de hand, 't betastend en knijpend tot 't losweekt papier
+er afrulde in wee-warme rolsels. 't Gaf hem een viezig gevoel van
+groote ellende en kribbig bedacht-ie de woorden op 't géle papier,
+ze zeurig herhalend--Säkerhet--Tändstickor--Tändstickor--Tändstickor--.
+
+Halfwege de straat werd grauwer de lucht, verzwartte de dakenlijn,
+leken de gevels, de ramen, de puien te valen in kalkigen avondschemer,
+wen dingen in verschrikkings-mysterie wasbleek en stom zijn. Er
+schorde een regen zoo vinnig, zoo knetter-scherend van striemslag
+dat de bladerlooze, angstige boomen, op zij van den weg, schreeuwende
+bogen, krakend in huivring, zwart en snijdend naar één richting. In
+de handen der dragers rukten de parapluies, flapperend--, één, door
+den wind gegrepen, knerste om, baleinen verwrikt tot een kegel met
+wild-floepend doek. Er was geen mensch in de straat. Ze lag dood en
+vereenzaamd in den schemer van straf-fenden mat-witten regen. En plots
+werd het doodscher, verlatener, rauwer. Hagelsteen viel, hagelsteen
+op den lijkwagen, op de mannen er achter, op de keien, op de boomen,
+op de daken. Er kwam een vreemd-bleek, sissend, klettrend geraas in
+de straat. De lijkwagen ketste de steenen terug, de keien smeten
+ze op, van de kozijnen sloegen ze neer. Het was een wijd, breed,
+wit gerucht dat angstige kou gaf, kloppend getik en gewatel op
+de daken, strak-bevend ruischen door de wolklooze luchten. In de
+moddrige voegen der keien boorden ijskluitjes, stevig en scherp,
+te hoop klittend, krielend, speelsch en huppend ver-rollend. Maar
+het spichtigst-van-aanslag, ratelend, kletterend als 'n zweep die
+krinkelt en met knallen ontstrekt, hamerden de hagelsteenen op het dek
+van den hollen, vierkanten, zwarten lijkwagen, die langzaam bewoog,
+verlaten ding in het witte geraas van de straat. De mannen gebogen,
+ontwijkend het pijnlijke striemen, schoven dicht naar de koets,
+plettend de bonken van ijs onder de zolen, ze als sneeuw-koeken
+mee-dragend. Op hun hoofden, schouders en nekken vielen de steenen,
+heenknappend, brandend de ooren. Ze liepen angstig en zwart achter
+den wagen, waarboven één enkele glimzwarte hoed en het grijswitte
+ruischen omgaf hen.
+
+Heel kort, als 'n krijschende galm die versterft en 'n
+leegte-van-stilte geslagen, stoof het hagel-geschuim door de
+straat. Bijna zonder verzwakking of wisling, zweeg het sissend gerucht,
+kletste de regen opnieuw, neerzwiepend de takken en 'n joelwind steende
+den huizenmuur langs, die hing als een doek aan rechtspannen lijn.
+
+
+
+"Adeschim wat 'n weer!", gromde de groentenjood, pruimsap
+neersputtrend. Niemand gaf antwoord. Ze liepen zwijgend en stroef
+tot bij de Poort, waar ze opgelucht stapten in de begraafniskoets
+die nu in draf reed den Zeeburgerweg. Het was een omnibus met twee
+houten banken en ramen beslagen met damp. De kist met dood-joggie lag
+onder zwart trijp aan hun voeten, hoofd-einde bloot van ongeschaafd
+hout, met zwakjes-glimmende schroeven. De dragers, de vader zaten
+bijeen aan het voeteind, Eleazar er over. Koud en doornat, met
+schrijnend-klevende kleeren zag-ie de kist aan, de kist met 't
+lijkje, dat zurig den wagen doorstonk. Frisch en verkleumd als ze
+kwamen van buiten, rooken ze sterker den stank van 't heenrottend
+vleesch. Het schudden der koets had vocht uit de plankjes geschud,
+plas die ver-lekte naar Eleazar's voeten, als 'n kronkelig lijntje,
+dun als het spoor van 'n speelsch-natten vinger, stooterig-wijkend
+gelijk de regen-ribben langs de brommende koetsruiten.
+
+Suikerpeer, koud en lawaairig, had z'n jas uitgetrokken, wrong de
+zwaarnatte mouwen dat het vuil-zwarte water droop op den vloer van
+de koets. De handen, paarsrood van kool nog, klitten het goed tot een
+prop, persend en rekkend. Schreeuwend, om het gedreun van de wielen,
+begon hij te praten, klagend over het weer en de dragers, blij dat ze
+veiligjes zaten, schreeuwden hun antwoord. Ze hadden de zwart-natte
+parapluies in den anderen hoek gezet, waar ze uitlekten in kringen,
+plassen van heenmorsend water, zwiepten het nat van hun hoeden, poogden
+de dreuning der koets en het rammlen der ruiten te overroepen. Ze
+praatten met druk gebaar over het weer en de vader klaagde zijn nood,
+uitleggend 't geval van de kool, huilrig van zorg en ellende.
+
+Achter de damp-fletse ruiten heenschoot het landschap, schaduw van
+huizen, zweving van licht over nog groenende weiden. Ze geleken te
+reizen van dorp naar dorp in 'n ouwe diligence, botsend bij 't harde
+gebult van den dijk. Bij tijden spuwde de pruimende groentenjood
+spatsel naar zij van de deur en 'n drager zat geduldig te wriemlen om
+'n balein van z'n parapluie te hechten. Zijn voet rustte in steun op
+het kistje dat zachtekens wipte. Dan met een snellere vaart afreed de
+wagen de glooiing van den dijk, wiegelend kort bij het stilstaan. Ze
+stegen uit in den regen, aanvattend de kist. De wind sloeg het zwarte
+trijp in Eli's gelaat, hem waaiend den zurigen stank in de keel en
+langzaam opliepen zij naar het lijkenhuis, grijs in den striemenden
+regen, het bordje voorbij dat daar hing--_Verboden te wateren_,
+_daar het zand gebruikt wordt voor hoofdzakken_.
+
+Ver weg, als een weide in nevel, lag 't kerkhof, vlak en oneindig met
+grijs-staande, zakkende zerken. Een kleine watermolen klapperde z'n
+wieken toen zij den slijkweg beliepen, naar waar de plek was. 't Gaf
+'t geluid van 'n nijdige fèl-krassende raaf.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Dienzelfden Zondagnamiddag haalde hij Saartje van school. Het regende
+minder snerpend-gestadig. Het asfalt der Breestraat was als een
+bedding van heel-ouden zandsteen door schuring van water beslepen,
+met staalblanke lichting waar het plein de straatlijn verbrak. In de
+Jodenhouttuinen morde 't geraas der ventende joden. Er was daar een
+glim-zwarte oploop van tenten en scharrel van wagens die schokten
+op knoklige keien. De dekzeilen der karretjes en kramen huifden
+als schouwen, glimmrend van lakglans en er langs henen schoof 't
+geduik en gedribbel van petten, het dobbrend gewieg van wijkende,
+voortzwemmende parapluies. Nauw was de straat. Huizen stonden
+in lodder van scheemring, maagre, onbuikige huizen, slaaprig als
+moe-gebabbelde, gapende buren met kurk-kinnebakjes en kwijnende oogjes
+in taanvel. Ze schurkten dicht naast mekander, met brokklende daken,
+puinveld van pannen en slijmrige pijpen. Wat uitstaande ramen, ramen
+van dobbelsteenruitjes, waren zwak van gemijmer door 't machteloos
+druilwolken-licht, met bleeke weerkaatsing van mat-roestig blik. Langs
+het lood der kozijnen hing aan de rekken het drooggoed, bij de
+loods aan de voorzij een roodvoerde deken. Maar zelfs de lichtere
+kleuren braken niet uit den schemer van bruin-zwart, grijs-zwart en
+grauw-zwart, die vadzig, logzwaar, de huizen, het puin van de daken,
+de schoorsteenen, de tentjes omschaduwde. Overal in de stegen en
+sloppen hadden de woningen het ontwrichtte gebaar van 'n huis waarin
+brand heeft gewoed--deuren, vensterbanken, gevels schoorden geblaard
+en verkoold--ruiten waren gesprongen--schaduwvlammen hadden zich diep
+in de muren gevreten. Nu, bij het gestadig regen-neerdrensen, kreunde
+de steeg eene zwijgende, passieve smart over 't bewegen der joden,
+was het glazig geblikker der dobbelsteenruitjes het éénig leven,
+'t éénig verzet.
+
+
+
+Het was nog te vroeg voor de school. Droomerig, de handen in de
+zakken--telkens als de dag ging zonder doel, had-ie uren en uren
+die 'n ànder voor 'm scheen te verdoen, uren van wandlen, zitten,
+kijken, praten, uren waarvan je geen tel hield, uren die sleepten en
+jaagden, uren waarvan je niks wist als je wérkelijk leefde--droomend,
+alles ziend zonder aandacht, indrentelde hij de Rapenburgerstraat,
+keek naar 'n slop--waar, achter 't water, de pootige vormen van eene
+fabriek opbeukten. Als een reuzenknots was de cylinder-schoorsteen
+in den grond gedreund, een massale, slank-lijnende speer, hoog boven
+de fabriekzwaarte bruine roet-boeren gulpend, braking die uit de
+aarde scheen te walmen. Soms stond het stroeve gevaarte strak als
+'n rotsen silhouet, inhijgend de grijsbolle weekheid der wolken,
+soms ontpropte een grijsbruine gulping den schoorsteenmond. Naast
+dien onbeweeglijken, spuwenden kegel, vlakte de fabriekswand met 'r
+vele celramen. De onderste waren door de onderschepping van 't licht
+goorzwart, vuil-beslagen, hadden geeldoffe kozijnen--de rij er boven
+was zacht-lichter van glans--daàr boven hadden de ruiten het straf,
+plooiloos geglimmer van water in maanschijn. Het gebouw leek eenzamer,
+harder, door die stille glanzende ruiten, wier melkwittig spieglen
+het weeke der grijsbolle wolken bij 't dak van 't gebouw in vloeiing
+greep en herhaalde. Starend-in-droom, keek Eleazar beurtlings naar
+'t afdrijven der wolken, soepel en rustig over het dak der fabriek en
+naar 't ruiten-spel dat het schuiven en glijden deed wederkeeren. Het
+werden twee luchtruimen die in damping en nevel bewogen. Donkerde
+in de wolken een heuvel, zweefde een roetpluim grillig als 'n
+roofdierkop voorbij, dan kroop op het glas de teere weerspiegling,
+het vage, loom-trekkend beeld. Toen, ineens, was 't weg, waaide een
+vette rook-smakking tusschen wolken en ruiten. De fabrieksschoorsteen
+flapte roetklodders de lucht in.
+
+
+
+De rook, die opgrauwende stooting van fluimen, log drijvend één
+zij uit, schokte hem, deed driftig 'm zoeken àchter de ramen. Het
+wàs er. Door 't geglim van de vensters had-ie 'r niet dàdelijk op
+gelet. Achter een deel der ruiten danste aarzlend, verdwijnend, weer
+ros-wapperend, 't gevlam van verstelpitten. Rook èn vlammen. Ze wèrkten
+daar nog. Niet alle molens stonden stil. Het oude spel van arbeid die
+arbeid bevocht, de gruwel van 't verdeeld zijn. Zenuw-vinnig beplukte
+Eleazar de voering van z'n broekzakken. De verstel-vlammetjes
+knipperden, vonkten, zakten in duister. Even bleven ze weg,
+schuilend, geslokt door 't glazig geleef van de ruiten. Dan hikkend,
+met schokjes en drillend gesar, schoten ze, lekten ze, rood-bijtend
+en gelig van huppling. De rook uit den schoorsteen neergeslagen door
+'n windstoot, wuierde er in zwarte slieren om henen, buil-zwaar en
+grauw van verneevling.
+
+"Stumpers", zei Eleazar.
+
+'t Gesater van de verstelvlammen, het gewroet van den rook zeien àlles
+van den tijd. De Duitscher, die mèt 'm in 't gasthuis in Brooklyn
+had gelegen, de man an wie-die zoovéel had te danken, de man die
+niet naar z'n land terug kon vóór z'n straf was verjaard--had
+wèl gelijk, als-ie telkens spòttend de arbeidersbladen las,
+spottend met 't gesnork en geschetter tegen machthebbers die geen
+machthebbers wàren. "Woorden, woorden", zei-die gedurig als Eleazar
+tegenstribbelde: "alles woorden! We hebben maar één vijand. Eén. De
+arbeider zelf".... Ja, ja, dàt was 't. Wat leek 't glashelder dat
+'n mensch, eenvoudig 'n mensch was, recht had op 'n natuurlijk
+bestaan. En wat kostte 't 'n overreding, 'n daaglijksch wanhopig
+betoog om duizenden 'n eerst haperend kinderstapje te leeren. Zon,
+natuur, 't schoon-der-eeuwen, niks zagen ze, niks wisten ze, niks
+lééfden ze. En de nog weinigen die uit de verstikking wèg wilden,
+die begrepen hoe ieder uur voor miljoenen 'n foltering was, vielen ze
+in den rug aan, lieten ze struikelen, joegen ze mee op. Als jongen,
+gesleurd door de omgeving, had-ie helpen verrajen. Wat had-ie gejouwd
+en gejoeld toen 'r 'n optocht was in de straten, een met 'n rooie
+lap vooruit liep. Straatvuil en stronken waren in de jodenbuurt
+gesmeten--de vrouwen hadden gekrijscht en gescholden. Druif--den
+onderrabbijn--zag-ie nog, bleek en verwoed, schimpend op 't
+uitschot, de òrde-verstoorders. Toen was 'n periode in z'n leven
+gekomen, dat-ie zàg en met jongens-geweld meedeed an rumoer en
+politie-getreiter. O, de kostelijke, màlle dagen van heftig-gepraat,
+'t in verrukking volgen van sprekers, 't opgewonden geraas als
+'n klein ding mislukte. Hoe goddelijk had-ie loopen droomen na
+'t lezen van Dostojewski's _Schuld en Boete_, gehuurd in 't gore
+winkeltje van Salli, den boek-sjaggeraar. Als hìj ooit 'n rijken vent
+vermoordde, bestal, zou-die géén wroeging hebben--gaf-ie alles an de
+armen, hield-ie geen cent. Waarom had Dostojewski z'n held wróéging
+opgelegd? Waarom? Als hìj 't deed--en doen zou-die 't--dan kon geen
+joden-god 'm hinderen--bah!--die god was 'n sinterklaaskoek, een
+die lei te zeuren, te vloeken--'n misselijk maaksel-van-menschen--'n
+tyran die jou as 'n hond verwenschte as je niet van 'm gediend was--'n
+potsierlijke schimper, die zooveel eeuwen vroeger al den jood Jezus
+met z'n straffen, z'n vloeken, z'n dreigingen van Deuteronomium had
+gèslàgen. Gek dat de christenen 'r niet an dachten dat de joden-god
+ze voor àltijd in kwalen en ziekten gesmakt!--Nee, hìj zou geen
+wroeging kennen, geen schuld, geen boete, as-ie 'n wráák nam! 'n
+Kàp-pi-ta-list meer of minder--'r kraaide geen haan naar! In Amerika
+had-ie dat jongensachtig-heete, dat bol gezwets zonder ruggemerg
+langzaam verleerd, was z'n jeugd-opstand tot bezonnener verzet
+geworden, z'n dwaze rooie roes 'n door denken getemperde hartstocht,
+z'n haat tegen den joodschen god 'n simpel meelij met mènschen.
+
+Soms herleefde z'n wrok, voelde-die de kerken als zooveel
+povere àngsten--sòms als-ie de gods-idee in alle verjonging zag,
+in allen strijd-tot-herleving, kon-ie zich nauwlijks 't gebid
+en geprevel en gepreek in allemaal rare soortjes, als 'n heusch
+ding, als 'n wèrkelijkheid voorstellen. Het ontwaken der arbeiders
+geloofde-die, wìst-ie thans als 't groeien van 'n plant. Ongeduld,
+woede, onstuimigheid maakten geen knoppen rijp. Eer 'n eik hóóg in
+de luchten z'n kruin dreef, eer elk voorjaar bloesems dee glanzen,
+gingen maanden en jaren voorbij. De natuur had in alles geleding. De
+gods-idee in alles een schakel. Met ruwheid en onverstand werden
+wortelen vertrapt. De schoone taak was de behoeding, 't vernielen der
+rupsen die blaren en nerven wegvraten. Nòg waren de ergste, geduchtste
+verstoorders de arbeiders zelf. Schönlieb, de Duitscher, had gelijk:
+dit was de tijd van de machthebbers die geen macht-hebbers waren. Er
+was maar één macht--één macht--een nàtùurlijke macht--een gòdlijke
+macht die zichzelve vijandig bleef.
+
+De rossig-bewegende verstelpitten, de zwalpende rook zetten het
+weemoedig in beeld.
+
+Een grauwe, zwartrandige wolk raakte het dak der fabriek,
+overschaduwde het glimmen der ruiten. Van elk venster werd het
+bovendeel schemerduister, lei de benedenhelft in bleek-gladde
+glanzing. Ze bleven beweegloos als opwaarts starende oogen met weinig
+pupil en glazerig wit. Ze kolden den muur uit, die krijt-troebling
+kreeg, als 'n gelaat onder den schijn van een groen-omkapte lamp. De
+heele fabriekswand met z'n donker-wazige ramen, werd door de grauwing
+der wolk van een marmeren kilheid, van een wegdeinende bleekheid,
+van een doorzichtlijke teerheid, alsof ze geen bouwsel van steen en
+cement, maar 'n droom-ding van nevel en misten. Zoo waren soms ook
+wel de straten, als 't laatst zonne-rood van 'n dakraam verstoven.
+
+
+
+Dicht bij de school, zachjes opwandlend, ontmoette hij Rebecca, de
+dochter van Poddy. Zij zagen elkander daaglijks, bij Suikerpeer,
+bij Reggie, bij den cigaretten-jood zelf, op de nauwe, kreunende
+trappen. Gewend als ze waren aan de schaduwen van het huis, de
+dag-verleptheid der kamers, gevoelden zij eenige vreemdheid elkaar
+te ontmoeten in de straat die harder, ontledender werkte. Zij geleek
+kleiner bij de huizen, de muren--hij bleeker, ònbekender. Hij moest
+wènnen an 'r ander voorkomen. Ze was 'n mooi, zwart jodinnetje,
+met los-krullend vol-weeldrig haar en heel-groote oogen. Ze
+droeg 'n verslonst japonnetje van bruine blokken op dof-paarse
+streepjes. Voor 'r zeventien jaar was ze volwassen, overrijp,
+met borsten van vrouw, wat 'r misstond, 'r lichaam ouder deed
+schijnen. Het vreemdsoortigst, aantrekkelijk, beangstigend, waren de
+wenkbrauwen, zwaar van groei, in elkander fluweelend tot boven den
+kleinen, niet gebogen neus. Dat gaf haar gelaat iets van peinzing,
+ernst, tegelijk bij iederen lach en iedere fronzing 'n kietlende
+wulpschheid. Gitten 'r oogen in vroolijkheid, dan werden de zwarte
+brauwen sterker één, verward van pluis, wollig als 'n viltige distel,
+ruig van kafnaalden-spreiing. Lachte ze niet, kwam de ontspanning,
+dan bleven de brauwen één van fluweeling. Uilen hadden 't zelfde en
+katten soms. Als ze 'r oogen gesloten hield, zou je 't niet kunnen
+zien.--'t Geeft 'r iets gedrukts dacht-ie, glimlachend om tante
+Reggie's praten dadde zulleke hare boven de ooge ongeluk gavve enne
+as-die 't niet geloofde, dad-ie dan is most rondhoore bij iedereen.
+
+Zij, gulzig, liep van 'n rotten sinaasappel te bijten, dien ze voor
+'n halve cent had gekocht, spuwde met smakjes de schil, de te beurze
+plekken. Het sop droop van 'r kin, bemorste de bruine vervuilde
+blokken der blouse.
+
+"Dag"--, zei ze verlegen, 'r lippen nat en met gele draadjes.
+
+"Kom-ie ook voor de school?", vroeg hij.
+
+"Voor me zussie", lachte ze, voor 'm stilstaand. Er was vrijpostigs
+in 'r oogen. Even hadden ze paarse vlamming door 't schemerlicht van
+'n zijsteeg.
+
+"Gaat 'n zussie van jou op school?", vroeg hij opwandlend, kijkend
+naar de vierkante slijkranden van z'n schoenen. Zij lei 't uit,
+spuugerig-slobberend van den uitgebeten appel, de pitten rècht
+voor zich spuwend. Poddy ging meestal zelf. Vandaag was-ie blijve
+legge. D'r ware gate in z'n heup gekomme en 't been, 't ééne, voelde
+stijf as 'n paal. Z'n ondergoed had al wèke vol bloed gezete,
+zonder dat-ie geklaagd had. Hij had de zwere gepapt met korste
+ouwbakken roggebrood, maar ze werde grooter en nou brakke ze uit op
+z'n heup. Je wer dood-misselijk as je 't zag, zooveul rauw vleesch,
+zooveul viezigheid. Bijtend in den sinaasappel, uitscheurend het
+dradig safraangeel, vertelde ze verlegen-lachend, mallig, ongewoon met
+'n haast vréémde in daglicht te loopen. Schuw keek ze 'ns op naar z'n
+gezicht, kauwde schil, spoog die uit in fijne, geel-ronde kwakjes,
+zweeg verder tot ze bij school kwamen. De deur stond aan. In de
+voorhal was niemand.
+
+
+
+"We kennen best wachten", zei hij. Zij volgde zachjes lachend, alsof
+ze iets dee wat niet mocht. Buiten tikkel-spette de regen. Hij,
+de koude handen wrijvend, en geeuwend, leunde tegen 'n zuil,
+beluistrend het zwak gezoem dat boven en op zij, van wand naar wand
+gonsde, overal echoën scheen te vinden, overal kwinkjes sloeg van
+ver-weg kindergeluid. Zij, over hem, keek naar den grond, spelend
+met 'r éénen schoenveter, die slijknat over 't hout slierde en
+slappe vocht-figuurtjes trok. In den halfschemer zag-ie 't sterkst
+haar ooggitten, de zwarte, kluwige wenkbrauwlijn, den lach van
+onwezenlijkheid. Als ze opkeek, keek ze 'm dwazerig aan, als ze
+néerkeek had de heele uitdrukking van 't gezichtje 'n doen alsof
+ze wìst dat ze bekeken werd, 't wel gek vond, wel gek, erreg-mal en
+plezierig. Zulk een schuilen en aanschieten van lach èn het glimlachend
+dwalen der oogen onder de broeiing der brauwen was als 'n opwekking,
+deed z'n oogen begeerend ontleden, de vormen van 'r beenen in 't
+deukend, slapplooiiend blokjes-goed zoeken. De scheemring gaf 'r
+een bekoring, zoo als dingen in nacht doen, boomen in nacht, huizen
+in nacht. Ze was hier niet 't van den rotten sinaasappel vretende,
+verwaarloosd-mooi jodinnetje noch 't verlegen kamer-schepseltje dat-ie
+zoo dikwijls op de trappen voorbij was geloopen--zij stond in schuiling
+van schaduw, zwijgend, zonder ruwheid, zonder afstootends--ènkel
+oògen, zwarte oogen onder zwarte brauwen, zwarte oogen in teerbleek
+vel en tuimelend windsel van wild-krullend haar er om henen. Als ze
+stràks weer in daglicht zou sjokken, zou 'r vervuild halsvel dat-ie
+had opgelet, 'm hinderen, ergeren, zou-ie de sopvlekken van den appel
+zien, het vreemd-drieste der oogen. Nou was ze van 'n onnatuurlijke
+schoonheid--fijn-witte trekken in slipping van zwart, zonder scherpte,
+zonder harde lijnen, zonder bruuske verstoring. Zoo had-ie daareven
+de fabriek gezien, zóó herinnerde hij zich 't kopje van 'n Engelsche
+danseuse in Amerika, als ze met gespreide beenen op het tooneel lag,
+het hoofd op 't schuim van crême-cachemier--zoo kulde 't licht met
+flarden, lompen, ellende. Star starend brandden zijn oogen de hare in,
+glimlacherde ze niet meer, speelde ze niet langer met den slierenden
+veter, keek ze terug zonder schuwheid, brutaal, gemeenig van lach,
+'t wenkbrauwen-zwart als 'n donkere gleuf, de armen rugwaarts om de
+zuil geslagen.
+
+
+
+Er ging een deur open. De klank schrilde een schrik in de
+voorhal. Watel van kinderstemmetjes tetterde hel.
+
+De deur werd hersloten. Zij, in de weer volgroeide stilte, had
+zich afgekeerd, lachte naar de zijde van het verscholen geluid--,
+hij onrustig, stapte heen en weder de hal door, de handen in de
+broekzakken, nijdigjes, onlekker, half-verveeld, half in kribbigheid
+van 'n malle schaamte. As je 'n meissie zóo ankeek, zoo smérig ankeek,
+zoo minuten-lang--zij je oogen vasthield, in zich nam, zonder verzet,
+zonder weerstand, asof ze zich gàf--dan was 'r goors gebeurd--bleef
+'r 'n rillerigheid over je, voelden je handen klam-zweetig na, werd
+je dagschuw wakker in 'n donkere bedstee, waar je had liggen hitsen
+en geilen.
+
+En hij vond 'r viezig, afstootend. Ze had niet naakter, zinnelijker
+voor 'm kunnen staan--als zoo pas tegen die zuil aan.
+
+
+
+Er ging een tweede deur open, dichtbij. Een hand hield den deurknop,
+trok zich terug. Zacht schoof hij naar den kier, keek het lokaal in
+en groote aandacht verdrong z'n koortsige aandoening. In lange rijen
+zaten de kindjes, dwaas-kleine kindjes, van vijf, zes jaar, telkens
+zes naast elkaar in banken zóó laag dat de knietjes raakten het
+blad-voor-de-handen. Alle handjes waren daarboven gespreid; hoofdjes
+dicht naast elkaar keken één richting uit. Het waren fletse, bollige,
+ouwelijke hoofden met kort geknipt haar, hoofden met zeer, hoofden
+met zieklijke, tranende, roode oogen, hoofden van kindren geboren
+in krotten, gevoed in krotten, verzorgd in krotten, hoofden die
+geen licht, zon, weidegroen kenden, hoofden uit licht-en-luchtlooze
+stegen. Er waren er ver over de honderd. Het was een school met
+duizend van zulke joden-kindjes, waarvan niet één bloeiend, krachtig,
+levensgezond. Achter de banken stonden een paar bedjes. In een lag
+'n moegeworden meisje van 'n jaar of vijf te slapen, het ander was
+leeg. Alle aandacht van de kindren, ook die van Eleazar, was bij een
+hoek van het vertrek. Daar wachtten 'n dertig kindjes op èen rij,
+jongens en meisjes, dreumessen met afzakkende broekjes, kousen die
+enkels ompropten. Een paar huilden angstig, werden vrindlijk gesust
+door de onderwijzeressen, zelf meer kind dan vrouw, in dof-blauwe
+voorschooten. Naast een kleine, wit-houten tafel, de handen in
+gedurig beweeg over fleschjes van zwartglas, net-beëtiquetteerd,
+schalen met water en een groote doos flardjes watten als mopjes
+sneeuw, zat de armendokter. Eleazar herkende z'n goedig gezicht,
+goedig van glimlach, goedig van kijken. Het bruin, stopplig baardje
+raakte bijna het zwartleeren voorschoot dat met banden om den hals
+hing. Hij was een der weinige dokters in de groote, rommelige stad,
+die den tact had den armen niet te laten gevoelen hoe ze misdeeld
+waren, die voor alle zieken 'n gijntje over had, bescheiden en klein
+iedren dag ùren in de huizen van ellende doorbracht.
+
+Een voor een nam hij de kindjes op, lei een stuk schoon papier op
+zijn borst--daar tegen kwamen de hoofdjes te rusten. Dan behandelde
+hij ze. Er zat een jogje van 'n jaar of vier op zijn schoot, kindje
+met opgezet-fletse koonen, oogranden rood van ontsteking. Glimlachend
+boog de jodenkop, de vingers aangrepen de oogleden van 't kind dat
+huiltrekje kreeg.
+
+"Kom, groote man", suste de dokter.
+
+De heele witte oogbal kwam te zien in de dooraderde schelpen van
+waterig rood--de bezige rechterhand greep snel 'n druppel-spuit uit
+'n zwart fleschje, bracht haar tot dicht bij het oog dat heen poogde
+te krimpen en de druppel brandend _nitras_ spette in de onverweerde
+kas. Het kind schreeuwde, snot-blaasjes belden uit de neusopeningen,
+de beentjes spartelden in de handen der helpende onderwijzeres,
+de vingertjes beplukten heftig de sterke, blanke hand die het oog
+vasthield.
+
+..."Ho! Ho!... Kom nou!... Wees nou
+'n màn!... Zoo... Zoo!"...
+
+De groote spuit siste water na in de oogkas, wegspoelend het sterke
+bijtsel en een watje wreef over de nu angstig dichtgeknepen oogleden,
+die zoo heftig saamdrukten dat het bleek koontje in smarttrek
+opbolde. Maar alweer had de zekere hand het andere oog in bewerking
+genomen, kolde dat uit in de bloedranden der buitenwaarts ombuigende,
+angstige leden, drupte de druppel in het open ovaal. Het kind
+zachjes greide, rukte wild met het hoofdje, wèer klonk de sussende,
+goedig-monotone stem en na-spoot de groote spuit, melkstraal slaand
+tegen het hoornvlies, in de bleek-roode randen. Afgezet van de knie,
+stond het jogje hulploos, verblind, met knuistjes die bewriemden
+de gesloten gepijnigde oogen. Een oog twinkte schuw open, beet
+krimpend dicht en op den tast, huilend, groene snotzakjes op de
+bovenlip, stapten de voetjes naar de bank achterin. Terwijl was
+een meisje op het zwartleeren voorschoot gelicht. Ze ging rusten
+vanzelf met het hoofdje tegen de borst van den dokter, gewoon aan
+de zondagsche inspuiting, glimlachend. Ze had een garstig met zalf
+besmeerd hoofdje en alleen het rechter oog was iets aangedaan. Kalm
+bekeek de dokter het hoornvlies door een loupe, knikte goedkeurend,
+mikte kort met de druppelspuit, spoot water na, wiesch het oog met
+'n watje. Zoo hielp hij het eene kind na het ander, geduldig, ze
+sussend, gijntjes zeggend, bijna machinaal de zieke kinderoogen
+behandlend. Vóor Saartje, die angstig te wachten stond--ze was
+óok aangestoken--werd nog 'n ventje geholpen van drie, vier jaar,
+met bleeke scherpe trekjes en 'n scherp-vleugelend jodenneusje. Het
+eene oogje was blind, melkwit overleid als door parelmoer, het andre
+aangetast had een vurig ontstoken rand. Het kind lachte verlegen,
+weende niet, verweerde zich niet, leunde zoet achterover--gaatjes
+van neus die zwart het gelaatwit doorpriemden, kousjes afzakkend,
+gulpje half-open met kreukels van 'n geel-bepiest hemdje. "Leelijk
+hoor, joggie"--zei de dokter goedig--"héél leelijk. Dàn maar is
+'n sterk druppeltje. En braaf zijn as altijd, hoor..."
+
+Het kind glimlachte zoetjes, mondje open, handjes slap op den buik. En
+uit het glazen spuitje, zacht voortgeduwd door den gummidop, viel
+een druppel uit het zwartste fleschje Het kind balde de vuistjes,
+hijgde snuivend door de kleine neusgaten, vertrok smartlijk de lippen,
+klaagde zachtjes... O!... O!... O!.. Het zilvernitraat beet kort in--de
+watersproeiing volgde en het jongske geheel blind, tastte naar zijn
+plaats, 't ééne vuistje voor het gebrande oog.
+
+Saartje, bleek, ouwelijk, met 'r vettig, verward kroes, huilde nog
+vóor ze op werd genomen. Stug snoot de bijstaande juffrouw 't loopend
+neusje, gaf haar over aan den dokter.
+
+"Nie-doen! Nie-doen!... Ikke wil niet!", spartelde ze tegen.
+
+"Zal je stil blijve zitte," gebood schel de juffrouw.
+
+Het kind, krijsch-kermend, lang-snikkend, wegduwde de hand van den
+dokter, worstelde zich los, gleed op den grond, de rokjes in de hoogte,
+het gorig broekje bloot. Nijdig bukte de juffrouw met snauwende handen,
+stem die redelijk sprak om 't bijzijn van den dokter:
+
+"Nou! Isse-'t gedaan!... Isse-'t gedaan?.. Jij stoute meid!"
+
+"Kom", rustig-lachte de dokter, haar weder op zijn knie nemend: "Wil
+je blind worden, domme meid? Wil je 't zonnetje niemeer zien, 't móóie
+zonnetje?... Zoo-oo... Nou doe je braaf... Enne stilzitten, hoor?"...
+
+Weer kolden het kinderoog, het roodachtig, waterig hoornvlies, de
+zwarte dierlijk-wanhopig starende pupil in de bleekroode randing der
+vleesch-sneedjes, de roodere groef van den traanhoek. Zachte takjes
+rood doorsprietten 't wit, dat dicht bij den pupil brandrige vloeisels
+had. De gummidop zakte, opjagend den druppel--krampachtig-angstig
+rolde de oogbol, trokken de leden, pogend 't oog te beschutten en
+het gekerm van 't worstlende kind doorgilde de zaal. Rustig werkte
+de dokter, kind na kind opnemend, spuitend, afdrogend. De kindren
+zaten in angstige stilte. Alleen aangonsde de stem van den geneesheer,
+het praten der juffrouw. Alle hoofdjes, ziekelijk, flets, bol, groot,
+waren in nieuwsgierige staring, bàng voor den man die pijn dee.
+
+
+
+Zóo had Eleazar ook eens gezeten. 't Wekte vage, benauwde herinnering
+an 'n àndre joodsche bewaarschool, waar-ie geleerd had hóé God in
+hebreeuwsche letters gespeld werd--hóé 't joodsche alphabet was--hóé de
+joodsche geboden--waar ze bang waren geweest als de rabijn op bezoek
+kwam, niet dorsten praten als een van de hééren voor de klasse stond,
+een van de heeren-van-toezicht, wier mild-zijn hij nu zoo innig
+verachtte. Hoe lang was 't geleden? Hoe lang? Scheen niet alles
+kortlings gebeurd? Zat-ie daar zèlf niet als schuw, ouwelijk jogje,
+met opgeblazen gelaat en kringoogen? Was-ie óók niet gekomen uit een
+dier erbarmlijke rothuizen, waar het hout vermurwd en doorvreten,
+de steenen ontkalkt, de ruiten ontglaasd? Had-ie niet gewandeld aan
+de hand van de gestorven zuster door nauwe, licht-looze straten,
+naar de school? Zat hìj daar niet, droomend, verlegen, altijd met
+oogen die inwaarts schenen te kijken, naast meisjes en jogjes uit
+andere donkere, vale, verstikkende huizen? Toen óok waren ze ziek
+de kindjes, bleek, huisduf, alsof de lichaampjes zich zochten te
+eenzelvigen met de grauwe, neerdrukkende omgeving. Hij herinnerde
+zich 'n meisje zonder haar met enkel uitslag--en 'n jongetje--zou
+'t nog lèven?--dat-ie altijd zat te bedroomen, omdat 't zoo vies was,
+met loopende, groen-ettrende oortjes en 'n gebitloos mondje. Er waren
+er toen véel met ontstoken oogen. Toen kwam nog geen dokter. Toen
+ging de oogziekte van kind op kind, was het 'n wonder geweest dat-ie
+gezond was gebleven--behalve de borst. Maar àl het andere wás er
+nog--het meebrengen van droog brood in 'n gescheurd, vuil zakje--het
+drinken van water uit blikken kroezen--het slapen in 'n bedje als je
+op de bank in slaap was gezakt--het joodsch leeren--het joodsch--de
+geboden--de tièn ééuwige geboden--het zitten als natgeregende
+parkietjes--de handjes boven tafel--bóven--bóven tafel--Nu herinnerde
+hij zich dàt ook, hoe 'r jongetjes waren die al zóó vroeg, met de
+handen het geslachtslidje ònder de tafel bewreven als de juffrouw
+'t niet zien kon, dan zacht-wieglend met vreemdlijk starende oogen
+stonden in bevende schommling. Er had zulk 'n jogje vlak voor 'm
+gezeten. Telkens zag-ie 't schokkend rugje, 't getril, 't zonderling
+buigen van 't lichaam naar de bank, de heete, wijde verrukking in de
+oogen als 't kind omkeek, het bleek-jukkig gezichtje. Dat leerden ze
+van mekaar. Voor die jogjes scheen 't de eenige vreugde in het zwart
+gehoop van steenen, binten, pannen, dat ze Jodenbuurt noemden. O,
+'r waren méér herinneringen. Blinde Levi. Héette-die niet Levi? Hoe
+die geplaagd werd. Bij z'n geboorte waren z'n oogen al aangetast,
+zooals zóoveel oogen aangetast werden door 't druipervocht van 'n
+moeder door 'r man aangestoken. Het kwam daaglijks voor.--En rooie
+Mozes, die geboren was met 'n horrelvoet of 'n heupziekte--En--En--
+
+--Toèn was 't zoo als nu. De riolen, waarin menschen leefden, de
+vergane krotten die geld opbrachten, het heele luidloos-rottend
+ellende-monument der hoofdstad, leverde jéúgd, kindren gedoemd
+te blijven--weeklijks bemildadigd door de hééren, door den
+rabijn. Triestig keek Eleazar.
+
+
+
+Rebecca, achter hem, staarde door den kier, zwak op 'm steunend, dan
+vertrouwlijker toedringend. Samen aanzagen zij de bleeke hoofdjes,
+de hoofdjes met klieren en zeere oogen, de gespreide vingertjes, het
+beweeg van den dokter, het grijskil licht dat zachte geluwingen gaf.
+
+Op de voorste bank was een kindje in slaap gevallen, het hoofd
+zijwaarts geleund op de handen. Er waren kaarsen gebracht, die
+met teedere vlamming 't gelaat van den dokter belichtten, zijn
+handen, de zwarte fleschjes, de kom met het water, de doos met de
+propjes sneeuw-watten. Er lei 'n meisje op zijn schoot, gillend,
+jammerlijk-worstlend. Bij het licht van de kaarsen kolde 'r oog,
+wit met schamp-lichtjes, een starende stervens-angstige pupil,
+bleek-roode randen en een verwijde, splijtende traanhoek. Zilvrend
+bij het sterker licht, viel de druppel brandende _nitras_ in het
+schuw-trekkend kinderoog--het hoofdje rukte met krijschend gekerm.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+Omdat ze heele troepen slijpers zagen trekken, toen ze in de Breestraat
+kwamen, liepen ze mee, hij Saartje's hand in de zijne--, zij naàst hem,
+nieuwsgierig, dragend 't zusje.
+
+Het reegnen hield aan, zachte spetjes in de modder der straat,
+staalkoel geprik van de huid door 't gure geblaas van den wind. Op
+de gracht woei 't sterker. Aan de andere zij van het water, bij 't
+oude mannen en vrouwen-gesticht, was donker gedrang van wachtende
+mannen. Tot aan den kant van den wal hoopten zij saam, slenterend,
+schreeuwend, of stil met de handen in de zakken, de kin diep in
+de gleuf van den opstaanden kraag. Naar de zijde der Breestraat
+waren er meer nog, loopend in groepjes, hoeden nat van den regen,
+schouders doorweekt, knieën zwartpuilend. Ze gingen elkander-beduwend,
+tegelijk pratend, klittend-te-zaam, de koppen fel buigend, de handen
+in schuddend gevraag. Ze vulden aan weerzij het moddrig gekei van de
+gracht, stommelend sjokkend, donker-lichaam-gekriel en hoofdenbeweeg
+langs de dreigende druiling der huizen. Ze kwamen aan van de brug,
+van de eene gracht naar de andre, klissend in broeirige hoopen die
+plomp mekander doorzeefden en weer sloten aaneen. Ze gromden in donker
+gegolf langs de huizen, wier ruiten reeds hadden 't matte berusten van
+dingen die wachten den nacht, wier gevellijn traagde in stottring van
+wit, schijnbaar-beweeglijk, meehortend het schorre drijven der wolken.
+
+Er was eene aarzling in 't naadren van den avond, als wachtte de nacht
+met open-angstigen mond en starrende oogen. De wolken schichtig
+voort-hijgden naar de zij van 't gesticht. Marmerwit krui-den
+dampige schollen, splijtend de stukwaaide pluimen van zwart en de
+dreigend-aanstuwende koppen. Heel de hemel tusschen de vaart der
+verwonderde gevels joeg in kille verwreeding, als smakte een wind
+rook-smeulsels en barsting van stoom naar 't roodbruine kamp van
+de daken.
+
+Bij de brug leek een stilstand te wijden, leegte van luchtwit, zonder
+wolkengevlucht, strakke doorlichting die stroef de vensters bebleekte
+en 't water der gracht doodblank deed glanzen als 't oogvocht in
+peinzende oogen.
+
+Van den hemel naar het water, van de wachtende huizen naar de
+zwarte dringende mannen, ging eene wissling van zilverflets huivren,
+alsof iets ruws was gebeurd, iets dat het diepste wezen der huizen
+door-angstigd, de ruiten verschrikt, de kozijnen in wondring gezet, het
+water vergrauwd, als tobde het na in ontsteltnis. Dit--dit vreemde, dit
+over-het-leven-heen-witte, dit stokkend-beklemmends van 'n ongeweten
+geluid in zenuw-wakkren nacht, trof 'm zóó dat-ie rondkeek en omkeek
+en àchter zich keek, zoekend naar wat-er-niet-was.
+
+
+
+Van 't Plein, dat zwart lag met krommende boomen, kwam heftig
+gestuw. Jongens holden vooruit, opketsend de slijkrige plassen--joeling
+van volk dromde den hoek om. Het scheen of boven het donker dringen der
+lijven de hoofden verbleekten in 't vroegavond-wit der gracht. Vleesch
+van gelaten en handen brak weiflend de volte, den stilstand van
+avond en schemer. Meerder naar achter, felbleek met effen-borende
+glimsels, staken dobbrende helmen van agenten die liepen in rijen
+van vier en dreven de mannen en jongens de gracht af. Een fluitend
+gillen en jouwen doortierde de straat. Zijwaarts opdrong het volk,
+brekend de helmen voorbij, de stoepen langs naar het hooge bordes van
+de juweliers-sociëteit _Golconda_. Het werd een geborrel zoo woest
+als beukte een branding. Aan de andere zijde der gracht, heftiger
+nog, steeg het gedrang, overbarstte de massa de brug die dreunde
+in donder-gerommel, rammeiend van huiswand naar huiswand. Ook van
+het Plein drong het volk, botsend met die van de brug, zwartelijk
+spattend, grimmig-volstortend de breedte der straat. Het was een
+lawine van rompen, dof-stootend, rollend met krakend gesteun als een
+roestige wals, als 'n tandrad met stompe scharnieren. De overzij gracht
+werd bijna leeg met enkele kijkers en de brug gromde log-loeiend het
+stampen der voeten. Alles inknoerste de gracht-van-_Golconda_, stuwend
+met schokkend geraas achter de blank-witte helmen. De huizen leken
+verschrikter bij 't schuddend wolken-gebeef, den staalgrauwen angst
+van het water, den golvenden mensch-vloed, die als een storting van
+modder met paars-rosse schuiming wrong en bewoog. En plots uithuilde
+de massa een krijschend geschreeuw. Voor het gebouw van _Golconda_
+vreemdde een leegte. De agenten gedrongen van voor en van achter,
+verstikt in de stuwing, sloegen verwoed naar het volk. Scherp was
+'t geflits van de sabels, domp-houwend, dierlijk 't gegil. De voorste
+mannen, beknauwd, bonsden de weerlooze lijven, ontwijkend de slagen,
+vluchtend in 't grauwe gedrang. Maar het achterste volk beukte hen op,
+aandrong met blind-botte kracht, volplettrend de gracht.
+
+Rauw-krijschend scheurde gegil en gekerm over 't water. Er lagen er
+onder den voet die brulden en jammerden. Het werd eene worstling van
+stikkende, tierende menschen waarom het patsend sabelgeweld. Een man
+met 'n bloedenden houw, was gillend gevlucht op 't hooge bordes,
+bebette zijn wond met een doek. Het bloed liep langs 't baardhaar
+dat plakte om 't witte doodsangst-gelaat, gutsend met purperen
+schreeuw langs den neus, den snor en zachjes neertapplend op 't
+zwart-natte buis. Met kollende vreesoogen keken de juweliers in het
+gebouw. Zij drongen verschrikt achter de ruiten, wassen gelaten in
+'t blauw-wit licht van de gracht, aanziend het dompe rumoer, bàng
+voor de bloedstreep die bedroop het bordes, bloedspetten op 't blauw
+van de treden, bloed dat murwig verspette in 't regengedrup. De man
+op 't bordes, geelbleek in 't heenschuwend wolk-licht, propte den
+bloeddoek bij 't hoofd, kermend met drenzend geluid. Doch het zien van
+dien bloed-witten kop, den kop van rimpels en baard, het mat-grijzend
+haar en de vurige streep langs den neus, grimde de massa tot schorrig,
+felgillend gebrul.
+
+Van uit de warrling van rompen, hoofden en armen werden steenen
+geworpen, kletterend neer op de helmen, ketsend tegen de muren, nijdig
+voortbikkend van kei naar kei. Kwak van slijkrige paardvijgen stompte
+met dreun tegen 'n ruit van _Golconda_, dat het glas beefde en de
+joden er achter schokten terug--tegelijk keilde een steen door de ruit
+vlak er boven, versplintrend het glas, scherven rond-bliksmend in 't
+donker der kamer, op het kozijn, achter het ijzeren hek. Een oogenblik
+stoven de agenten terug, de handen gepunt om den rand van hun helmen,
+de ruggen gebogen, pogend de open gelaten te schutten. Maar van het
+Plein kwamen er meerdren, driftig van loop, de sabels in roodharde
+vuisten en braken een ruimte in 't zwart van de straat. Het volk,
+opgejaagd, stormde de gracht af, rennend met grommend gedreun,
+meesleurend al wat er stond, niet-weerhoubaar, tuimel van vluchtende,
+angstige lijven onder het eenzaam boomen-gespar van den walkant,
+langs de doodelijk-stilstaande huizen. De gracht werd 'n blankliggend
+keien-gegrauw, met vale bordessen en scherplijnde stammen van
+boomen. Zij scheen door het plotsling ont-leven uit een mist aan
+te heldren, met grootere bitsing van walkant, zwarter grijpen van
+takken, bleeker kartlen van gevels. Op de bordessen stonden vrouwen
+en mannen gevlucht, kijkend naar 't gestuif, 't angstige leeg-zijn
+der straat. Over de brug stortte de massa, vullend de gracht aan de
+andere zij, daar wrokkend in driftige hoopen, omstuwend een tram die
+schuchter 't gewarrel met klagenden bel-roep doorsnee. Dan keerden
+de agenten terug, bedreigend met driftige stem de mannen en wijven
+op de bordessen.
+
+"Donder z'r af!",--riep er een en bij 't toornig geblink van de sabels,
+joelden de angstigen heen, ruw geduwd bij 't geaarzel.
+
+Eleazar en Rebecca, elk met 'n kind op den arm, schuilden op 't
+bordes bij den man die verwond was. Op 't blauwzerk-plateau had zich
+een kijkkring gevormd om den plas, die schuw de voeten deed wijken,
+als vreesden de schoenen de branding van 't lauw-walmend bloed. De man
+zat in 't midden, op den rand van de deurtree, drukkend den doek tegen
+de gapende wond. Ze hadden van binnen een teiltje met water gebracht,
+dat fletsrood werd gekleurd door 't doopen der hand. Rebecca keek
+met gitzwarte oogen in 't wasbleek angstmom van 'r gelaat. De wond
+doorgaapte het voorhoofd, wijdspleten mond met dunne bloedlippen,
+bloedslang die grillig bewoog. Het been lei bloot in de kerving van
+'t stukgehouwen vleesch, met weekroode vezels en propprige aêren--het
+haar, met zwart-roode klonten, kleefde de scheur om die rustig braakte
+het purperen bloed, bloed dat het oog overgutste, in snor en baard
+mokkende sloop, bloed dat drupte met goedigen, luidloozen slag in
+den plas, waaromheen de hard-plompe schoenen stonden in vluchting.
+
+Eleazar hield de teil met 't water en bloed, keek naar de scheur
+in het hoofdvel--naar de scherven der ruit die weifelend hingen aan
+'t houten karkas van het raam. Er was eene gelijknis in het kwijnen
+dier wonden--de wond in het hoofd--de wond in de ruit--de wond in
+den man--de wond in het huis.--Bleek, als in duizel van dood, zat
+de man, zacht boeren van klamme benauwdheid opgevend. Het aschgrauw
+licht van den hemel, kil de waaiende wolken langs druipend, scherpte
+in bruute kontouren den bloedrigen neus, de geelwitte jukken, de
+nattige baardstoppels, den openkrimpenden mond met z'n hoeken van
+waterig kwijl. Aarzlend bewreven de vingers de oogen, die vaagden in
+weëe bezwijming--spierloos steunde de nek het doelloos hoofd. De ruit,
+naast de deur, zwaar door-barst, met flarden glas en snijdende spleten,
+zette grimmig haar wond in 't schemerend wit van den avond. De andere
+ruiten, paisibel en stil, kaatsten het wolk-licht in zachtblauwe wazen,
+als had de spelende adem van 'n kind ze besproeid. Zoo was het de
+gracht af, vager en doffer van aanslag, maar de ruit van _Golconda_
+ruwlijk versplinterd, met lichtende tanden, uitvretende brokken,
+met kankerplekken van duister en dikke striemen zwart, verstoorde
+kwaadaardig de drooming der huizen, brekend het tonig aspekt als
+'n hysterische dierkreet 't manelicht-glanzen.
+
+
+
+Zij werden 't bordes af gedreven. De man bleef er achter. Dragend
+de kindren liepen zij mee over de brug naar de andere gracht, waar
+duizenden drongen, kijkend naar d'eenzame straat voor _Golconda_,
+die door de agenten schoon was geveegd. De matte glimming der helmen
+leek 'n hekwerk, weerhoudend het woelig beweeg aan weerszijden. Op
+het plein was het stil--de brug was ontruimd.
+
+
+
+"'k Bin wee van 't bloed", klaagde Rebecca: "om zoo maar te slaan,
+zoo maar te slaan--de vuilike!"
+
+Hij had Saartje bij 't handje genomen, keek norsch voor zich
+uit. Driftig praatten de slijpers, tierend in hoopen, beschreeuwend
+'t gebeurde van straks.
+
+Hes en Klaroen stonden met Juda en Moppes, krijschten hun woede
+en wraak.
+
+"Zalle ze krijge 'n chòllera in d'r ingewande!", raasde Klaroen,
+buigend het geel gelaat met de zwarte oogwallen naar d'andren: "om d'r
+klauwe uit te steke voor dad-'n haar wordt gedaan! Hoe gooie ze d'r
+poote nie mee, de kak-vreters! Hoe rotte d'r hande nie af! Doe ik ze
+wat? Doe jij ze wat? Moste ze Davy nie de darme uit z'n lijf trappe,
+de pooiers!" Zijn stem schor en driftig bekraste de omstanders.
+
+"Slaan w'm vandaag nie rot, krijge w'm mòrrege!", dreigde Leon,
+verwoed de vuist naar _Golconda_ ballend.
+
+Er reed stapvoets een tram door de menigte. Ze weken pratend terzij,
+hokten daadlijk weer saam. Een ouwe jood met grauwhaar en bevende
+lippen drong in het midden, tierde met huilende stem:
+
+"...Hij verroerde geen vin, godverdommè!... Ik zweer je bij 't lich
+van me ooge dad-ie stil naast me stong te kijke! We kwamme van
+'t Plein, van 't Plein! Is 't nie godgeklaag, godgeklaag dad-ze
+direk met d'r sabel hakke! Z'n heele hoof is gesplete!.... Die
+blinkende drolle!.... Die kakhiele!.... Die pleegischkoppe!... Die
+schijtlijsters!..."
+
+Reeds was 'n ander 'm woord-vloekend in de rede gevallen...
+
+"...Had ze op d'r smoel teruggeslage, die pargluize! De vrouw
+van Semmie die komp van de grach--heit ze èrg wat 'r gebeurt!--is
+'oggenebbiesch voor alle minnute en krijg 'n trap voor d'r buik!.... De
+kànkerpuiste-gezichte! De gootescheppers! Hoe krijge ze geen sjankes
+in d'r keel om 'n zwangere vrouw te trappe!"...
+
+Moppes die vooraan had gestaan bij den aanval en bijna te water was
+gedrongen, werd 't centrum van aandacht.
+
+"...Ikke zweer je bij God--wij liepe géwóon--daar roept zoo'n
+etterstraal: "Veruit! Deurloope! Ik bin daar 'n privaat! Late zij
+deurloope tot ze d'r bij neerzakke! Ka-jij terug in zoo'n volte as je
+beklemp zit! En daar trekke ze bij God d'r latte! En 'n gedrang dad-je
+geen voet ken verzette. Maar 'k hei d'r een 'n mekaajem gegeve dat
+'m 't bloed uit z'n bek sprong!... Late z'op schorum inslaan! Komp
+'t ons nie toe dadde we opkomme voor onze rechte! Lijje we niet genog
+schwiejenieje! Geen pietsie, 'n korrel 'n ongeluk vleesch hei'k in
+de laatste tijd gezien! As die gattes, die verrekkeling van 'n Davy
+uit de zocieteit komp verzuip 'k 'm of me naam is geen Jijle!"...
+
+Uit een anderen hoop beet 'n fèllere stem, stem van passie en wrok. Een
+baardige jood stond op 'n stoep voor de deur van 't gesticht, krijschte
+het volk toe:
+
+"...Hebbe we rech--hebbe we geen rech?.... Ik zeg juillie we hèbbe
+rech.... Verrekke we van honger?... Motte we ons as honde late
+slaan as we zoo lang de schtaking hebbe volgehoue? Is 't niet
+godgeklaag? We komme op voor wat óns toekomp! Stoppe zij nie d'r
+pèns vol van onze cente! Vrete ze zich nie 'n barschting van òns
+zweet en bloed! Rijdt de ròtzak nie in 'n open kles van wad-ie ons
+begap? Hoeveul keer heit-ie ons nie besodemieterd met 't werk, met
+boort, met rubbisch? Beschwindele ze nie met 't loon! As ze met geweld
+beginne, dan gaat 't hard over hard, dan motte ze 't godverdommèèè
+verantwoorde as 'r dóóie valle!"...
+
+Zijn stem stikte in heeschheid. Anderen drongen te hoop, schreeuwend
+wild door elkaar, bonzend, rondwoelend. Langs het heele gesticht
+was het een persing van kwaadaardige mannen, stuwend en stootend tot
+waar de brug was. En die zwarte, benauwende volte, weerhouden door
+'t koel-glimmend water, maakte sterker en witter de eenzame gracht,
+aan de zij van _Golconda_, met 'r zwijgende huizen en 't zilverend
+lichten der helmen.
+
+
+
+De man met de bloedende wond was 't gebouw der makelaars binnen
+gedragen en over het hooge bordes, doorstappend het bloed dat
+vrat in hun schoenen, kwamen nu angstig de joden die achter de
+ruiten hadden gezeten. Verlegen, met schuwe gebaren, daalden zij de
+blauwsteenen treden af, meenemend de bloedsporen--en een gehuil uit
+duizenden kelen overberstte het water, opschrikkend het staren der
+effene ruiten. Het was een gebrul zóo angstwekkend, dat de wolken
+driftiger leken te wieken, afduwend de steigrende gevels, golving
+stootend in de wijkende huizen. De agenten vormden een vierkant
+van sabels en daarin bewogen de juweliers over het Plein en de
+gracht. Als een golfslag met hoog-kloddrend schuim, als 'n branding
+van opbulkend water, stortten de mannen over de brug, die kreunde met
+gierend beugel-gekners. Achter het sabelvierkant, het helmen-geglim,
+werd het een stuiving van koppen, stootende schouders, plomp-zware
+voeten. Stronk van 'n kool doortuimelde de lucht, bonzend op 't hoofd
+van 'n diender en opgehitst, beu van 't rumoer, nijdig om 't gesmijt en
+gejoel chargeerden nog eens de agenten, dwingend de massa te wijken. In
+de Plantage, buiten 't gedrang, stond een tierende klit slijpers. Nu
+ze 'r niet bij konden, bevreesd voor de driestheid der agenten,
+gilden ze hun onmachtige wraak, krijschend en vloekend, dreigend met
+knuistige vuisten en oogen die verwoedheid vlamden. Krijtwit keken
+de diamant-handelaars, schuilend in 't sabel-vierkant, bang voor
+de kolken en wrongen bits-klotsend zwart, bang voor dat gillen van
+haat uit duizend gelaten. Beschermd als ze waren, dùrfden ze niet
+verder, vluchtten opnieuw in de societeit _Adamas_. De massa gromde,
+schreeuwend en jouwend, schudding van zwart tegen den dijk van de
+helmen. De gracht leek vrediger, minder ontrust door schichtige wolken,
+minder beangst door trillende ruiten. Naast de brug lag een buikige
+vlet met cokes bestouwd tot een berg, en verder de gracht af tot bij
+den donkren romp van een schouwburg, plankjes glad naar den wal en
+touwen dik in de ringen, spiegelden koffen 'r bruinteerde buiken in
+'t avondwit-water. Het regende niet meer. Op de brug, het kind in
+zijn armen, zag Eleazar de dringing der mannen, het helmen-geblink,
+de nu vrindlijke gracht. Wollig doorwarden boomen hun pluisweb,
+buigend de zwaardere takken diep naar de masten. Het waren koffen
+met turf, takkebossen--turven gemetseld in hoog-bruine wallen,
+zwaar-overhuivend de zwaarden der schepen. Daarboven glimden dekken
+van cierlijke plankjes, met touw in krullige zwieren en rookende
+pijpjes die blauwig het water bewalmden. Op éen blafte een kees,
+rennend van 't voordek naar achter, op éen zat 'n vrouw duwend 'r tiet
+in den mond van een bolroode zuigling. De gracht zelf lijnde moddrig,
+met paardevijg-kwakken.
+
+Het bizarst en vredigst bij 't geraas aan den wal, 't duwen
+en dringen, 't op mekaar kleven en stuiven--'t droomerigst,
+als 'n onbewogen namiddag-gehuchtje, was 't rimploos gewaas der
+spiegelbeeld-koffen. Achter de cokes-vlet lei een geloste schuit--de
+schipper met 'n pijp in z'n beenig gezicht, zat rustig de herrie aan
+wal te bekijken. Lang-plat op 't grijs-glanzend water, stond de kof op
+'r schaduw, 'n schaduw van bruinteerde ribjes, bruinteerde zwaarden,
+groen-vroolijk hondhok en 't roer zwaaiend omhoog met krachtigen
+ruk. Ook de roerstang had 'n schaduw met wit-scherpe letters
+gekeerd--_God_ zij met _ons_--en een driehoekig vlagje van rood, wit
+en blauw dook mysterieus in de diepte. Er naast in de staal-gladde
+weerspiegling, het hoofd naar benee, het zittend lijf in de hoogte, zat
+soezend de schipper--grijs-blauwe wolkjes ontbolden zijn mond. Gansch
+de kof herhaalde zich zoo, het lang-dunne lijf, de zwaarden, het
+roer, het platbuikig vat-van-het-water, de bruine plank-ribjes, de
+witschaafde boomen, de neergeslagen mast en de schipper droomerig
+dampend met 't hoofd diep, diep omlaag--'t gebogen rustend lichaam
+er boven.
+
+
+
+De golvende beuking van 't volk stormde de gracht langs. Weerbarstig
+bleven ze wachten, bedreunend de brug, vullend 't verlengde der straat,
+vloekend op Davy, die niet toegeven wou, op Moritz en Prins en de
+andren. Op den hoek werd gevochten. Daar hadden ze Dovid herkend
+en Berlijn. Woest knauwden de vuisten de koppen der onderkruipers,
+angstige schreeuwen doorgilden de lucht. Dan werd het een razend,
+boldrend, domp-dreunend gestuif, een reutlen de straat en de gracht af,
+een huilend gejoel en gerucht. Met wrekende sabels sloegen de agenten,
+rennend het volk na, stompend de vrouwen en kindren, borend de volte
+der brug door, opjagend de vluchtende, fluitende, schimpende slijpers.
+
+Saartje begon angstig te huilen.
+
+"Na huis toe--la-we na huis gaan", snikte ze.
+
+Sussend lei Eleazar z'n hand op 'r mond, zoende 'r met ijskoude,
+bevende lippen.
+
+Hij zag zoo bleek als de man, dien ze _Golconda_ binnen hadden
+gedragen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IX
+
+
+Tante Soor had visite. Joozep, de jongen van Raschel, was blijven
+plakken met Heintje z'n moeder. De lamp, zacht schommlend, bescheen de
+gelaten, soms met een glimming, soms met een dansende schaduw. Soor,
+bij de opene bedstee, stopte een manskous, goedig van lach als Joozep
+gijnig 'n grap zei bij 't kienspel en Nathan driftig dan uitviel
+omdat-ie verloor. Ingedut, snurkte de ouwe grootmoeder, 't hoofd moe
+meehijgend 't platte-borsten beweeg, de handen kurkig geklit in den
+schoot, zilver 't haar dat pluisde in de holte van den verschoven
+bandeau. Naast haar, aandachtig-van-lezing, de armen gestut onder het
+hoofd, zat Stella, een meisje van zestien en prevelde zinnen om niet
+te hooren 't praten van Joozep, Raatje, Nathan en Heintje, ook niet
+'t kermig, zeurend geklaag van Maupie, die lei in de bedstee.
+
+Het was eene kelderverdieping over een gracht, lager dan 't
+water--kelder met achtervertrek zonder lichtgevend raam. Daags brandde
+de lamp, nachts brandde de lamp. Zo woonden er Soortje en Nathan
+met de oude grootmoeder en 'n nest kindren. Drie waren 'r dood, tien
+nog in leven. Grootmoeder sliep in één bedstee met Raatje en Stella,
+Soor met Nathan èn Maupie èn Roos. Vlak bij het raam, op een muffend
+matras leien er vier, en in den kelder naast vodden en ton kropen
+twee jongens waarvan een al verdiende met vodden-sorteeren. Vroeger
+had Stella 'r ook geslapen, maar de jongens grooter geworden, deëen
+zoo smerig dat de armendokter 'r an te pas was gekomen. Nou sliepen
+de jongens alléén naast de vodden en Jacob, nachts, na z'n werk van
+lorren-sorteeren, wreef heet zich aan Gompel, z'n broertje, dat 'n
+cent kreeg as 't zoet was en niks an moeder vertelde. Jacob keek suf
+naar 't kienspel, idioterig lachend om 't schuiven der dopjes. Zelden
+sprak-ie, omdat-ie stotterde en Raatje en Joozep en Stella 'm dan
+nabootsten. Soms sleepte z'n been, soms kon-ie niet loopen, z'n water
+niet houden. Kwam van 't vocht van de kelder, zei Soortje en gaf 'm
+wat bakolie om z'n liezen te wrijven. Langs balken van kelder en kamer
+droop vocht. Wreef 'n hand langs 'n bint, dan ritsten de druppels
+en pekelkristallen besneeuwden de muren. 't Ergst was de werking
+van 't riool onder den grond, dat diende voor afvoer der woningen
+boven. Den vloer in de kamer had het doorvreten, zòo dat de planken
+waren vermolmd en Nathan een ijzeren plaat had gelegd om 't gat en
+'t zwarte, moddrige sop waarin 't heele huis-boven z'n vuil loosde,
+te dekken.
+
+De kelder was bergplaats en winkel. 'r Hingen jassen en gelapte
+broeken--er achter borgen ze de ton. Op een hoop door mekaar lagen
+vodden, knipgoed-van-naaisters, vettige lappen, dweilen en zakken,
+oud-wollen kousen en hemden verscheurd met bloedige klonten. Een mand
+was gevuld met afval van blik en 'n kist met versche slagersbeendren,
+rottend en stinkend. Meer bij 't beschot van de kamer klitte een
+schimmlige prak ouwe schoenen en laarzen, zwart met groen-vochtige
+builen, en naast drogende kattevellen lag bruinverweerd roest. Gompel,
+'t broertje, sliep daar op 't matras, vroeg oud en verlept, de
+oogen onderkringd. Schijn uit de kierende deur snee over het oor
+en den hijgenden mond die zwakjes innam den stank van 't riool en
+het rottend gehijg van beendren en vodden. Het kind lag onrustig,
+vertrekkend de oogen, bewegend de handjes, plots met een ruk zich
+kreunend opzij, dichter naar 't schemerig klitten der schoenen,
+verschrikkend 'n poes die schrokkig beknaagde 'n nog-vleezig-been in
+de kist. Vreemd van de straat, doorspelend de vlammen van stof op
+de ruitjes, neerscheen het licht van de gracht, vaag op den grond
+den vorm van de ramen, de spijlen en 't lompig papier dat een der
+vakken gestopt hield herhalend. Binnen kienden ze. De lamp had gewalmd,
+roet-sproeitjes strooiend op de lampekap, op 't boek, op de kaarten van
+'t spel. Nathan, magere jood, bleek, met dikroode lippen en koperen
+stoppels van baard tot diep in den nek, pufte benauwd, wrijvend het
+roet met eeltigen vinger:
+
+"Kijk 'r nou zitte", praatte hij schor--stem die versleten door
+'t dagelijksch schreeuwen--: "zie je nou nie dat die lamp walmp?"
+
+"Hij-'s benauwd--ellef-en-dertig!"--,spotte Soor eerst, maar dan met
+kreeglig gebaar: "zitte je ooge in je gat? Ka-je zelvers nie zien?"..
+
+"Jij zit 'r vedaan! Addenom wad-'n zwart", morde hij, wrijvend het
+zeil van de tafel met de mouw van zijn jas.
+
+"Besser schwarz as verschwarzt! Moeite waard! Maak geen heibel om
+roet", lachte Joozep: "wat was 't laatste nommer, Raschel?"
+
+Raschel hield den zak met de dopjes tusschen 'r beenen, schudde
+geil-lachend den rug. Zijn hand lag tastend in split van 'r rokken,
+aaiend bewreef 't dradige keper dat omspande 'r magere billen.
+
+"Nou Joozep!", klaagde ze nattig van lippenbeweeg: "nou, zit nou
+stil!"--en grijpend een dop uit den zak, riep zangrig ze uit:
+"Vijf!... Nommertje vijf!"...
+
+"Krijg kramp in je lijf," rijmde Joozep, 'n cursausche amandelschil
+schuivend naar 't nummer.
+
+"Krijg jij stekings in je kieze!", lachte zij: "Acht! Nommertje acht!"
+
+"Verschmacht!", riep Joozep weer.
+
+"Hou je bek, frotter haurik! Vloek zoo nie van-avond!", giegelde ze,
+afwerend 't wriemlend gezoek van z'n eeltige vingers, die kriewden
+in 't zweet van 'r broek--en roepend opnieuw: "'t Nijnzekie!--'t
+Nijnzekie!" [5]
+
+"Hèi-je al eenmaal geroope!", knorde Nathan, "mijn negetje ìs gedek!"
+
+"Niewaar! Niewaar!", schreeuwde Raatje chagrijnig: "vader vergist
+zich altijd, hóé je, hóé je met 'm speult!"
+
+"Lèit 'r jà 'n pelletje op?", schorde Nathan.
+
+"Nou ja--dan is 't 'r opgewááid!", lachte Joozep, met de oogen wenkend
+asof-ie wou zeggen laat-'m-maar-klèsse, en Raschel vervolgde:
+
+"D'r onder-wie-bobbe! [6].... Zeven!"
+
+"Me vijande geen ùùr leven!", rijmde Joozep.
+
+"Hij begint weer! Schei uit met je mesjoegaas!", riep Soor bij
+de bedstee.
+
+"Lik-me-de-maarsch," gijnig, maar zachtjes, zei Joozep.
+
+"'t Pissertje!" [7], las scherp-zangrig Raatje.
+
+"'t Pissertje?"--, herhaalde blijig de moeder van Joozep en allen
+lachten, omdat ze èindlijk een nummer had op haar kaart.
+
+Ze schoven dichter bijeen. Jacob lodderig kijkend, wroette 'n duim in
+z'n neus, likte het vuil met smakkende lippen. Dan ouwlijk-gebogen,
+knaagden z'n tanden, zacht-wrijvend. Z'n kop--scherp in het geel
+van de lamp, bleek-bol en waatrig, met wijdspalkten neus en oogen
+rood-brandrig omwald, leek 'n groote slijmerig-kauwende kaak. Hij
+zat naast zijn vader. Nathan gebukt, gejaagd in het spel dat was
+zijn ontspanning, volgde de hand van Raschel, die telkens zakte
+tusschen 'r beenen om 't dopje te roepen. Ze hadden geen glaasjes
+voor 't kienspel, bewaarden schillen van cursausche amandelen. Elk
+had een bruin-morsig hoopje naast plasjes koffie-met-dik en kruimels
+van koek. Druk-joderig-schreeuwend speelden zij voort, gewend aan de
+warmte der kamer, de werking van 't riool, den stank van de vodden en
+beendren in den winkel. Maupie klaagde kerm-zeurig in de opene bedstee.
+
+"Kom nou! Wat zit je!"--gemelijkte Nathan en bibbring van korzelig
+schudden bewoog z'n hoofd.
+
+"Nou ja! Nou ja!"--, schrikte Raatje, klam-soezig door 't geilen
+onder-de-tafel met Joozep. Zweet perrelde op 'r mager, jukkig gelaat,
+het sterkst bij den neus en de blauwe schellen der oogen. Ze vrijden
+al lang. Hij liep met zuur, schijfjes lever en haring. Maar z'n moeder,
+broertjes en zusjes leefden 'r van. Ze konden niet trouwen, werden geel
+en verlept door 't elken avond heet-zweetend geilen in 'n hoek van
+den kelder, als Jacob en Gompel lagen te slapen--álles doend behalve
+het ééne, uit joodsche vrees voor 't kind. Nooit kwam 'n joodsche
+bruid met dikken buik op 't stadhuis. De meissies waren voorzichtig.
+
+"Nou dèn! Wat zoek-ie!", keef Nathan--één nummer had-ie nog leeg op
+z'n kaart.
+
+"'t Barmitswe-nommer!" [8], riep schuw zij in 't licht van de lamp,
+slapjes lachend om Heintje die kippig 'r nummers bekeek.
+
+"Mammie làcht," gromde vader, de dik-roode lippen grimmig vooruit,
+wachtend op 't volgende dopje.
+
+"De dikkop--de fresser!" [9], las zij en mét kwam 'n lolgrijns op
+'t gezicht van den jood, greep-ie naar 't bakje met rood-vuile centen.
+
+"Kien! Ik hei kien!"
+
+'t Gaf 'n geschreeuw wild-dooreen.
+
+"Hij heit kien! Eerst natelle!", riep tante Heintje.
+
+"Kien? Nóu al kien?"
+
+"Hóe ken kien! Hoe ken kién!"
+
+Maar Joozep, die geen lust in 't natellen had, boog 't plat-bleeke
+hoofd naar de lamp, trok Nathan's partij:
+
+"Wat wi-je nou? Hij héit toch kìen?"
+
+"Enne hij heit 't nie!", hield tante Heintje vol, kippig-kijkend naar
+de schillen op Nathan's vette kaarten.
+
+Soor kwam er bij, schreeuwde ook:
+
+"....Kien? Kien? Alweer kien? Wad-'n bemazzel!"....
+
+"....Kèn nie!", schreeuwde Heintje, wantrouwig, bijna kijvend:
+"Kèn nie--we zijne pàs bezig!"
+
+Joozep suste opnieuw, dicht-angeleund tegen Raatje: "Ken 't niet? De
+nommers-legge d'r toch!"
+
+"Enne hij kèn geen kien hebbe--gòsonmogelijk!", schreeuwde zijn moeder.
+
+"Wat sta j'm nou af!", zei Joozep nijdig: "anders zijne juillie toch
+in en uit me togus!"
+
+"Ik héi kien!", kraakte de stem van den voddenjood en 't plat van z'n
+hand beklapte de tafel dat de schillen omhoog hupten: "zoo waar as
+'k leef! Geloof je me nie? Geloof je me nie! Nog! Zoo zalle me ooge
+uitzwere! Me kaart leit vòl pelletjes. 'k Bin daar mesjogge!"....
+
+"Veruit nou!", drensde Raatje, zanikend-zangrig. Ze zat net zoo lekker
+met Joozep:
+
+"Kom nou veruit! 'k Hei al gesjokkeld.... Veruit!.... 't
+Mesjoegaaremnommer [10]..... De zwaantjes! [11]!"....
+
+"De zwaantjes?", herhaalde Joozep, een kalmeerend gijntje lanceerend:
+"waarom geen gàns?"
+
+"Omdat jij bin 'n schwans!", goedig-lachte Soortje die weer
+zat bij de bedstee. Ze speelden even in stilte. Maupie drensde
+zacht-klagend. Kwaadaardig keek de voddenjood op, warm van het spel,
+de ruzie, de kamerbenauwdheid.
+
+"Laat toch dat kreischende kind zijn bek houe!", schorde hij kribbig:
+"Geef 'm de tit!"...
+
+"Vráág of 'k zog hei", keef Soor: "hij lebbert de heele dag!"
+
+Maar gelijk lei zij 'r kous neer, nam 't nat-gehuild, achterlijk kind
+van het bultig matras, knoopte de katoenen japon los met 'n ruk, dat
+de groote witbeenen knoopen sprongen op-zij, sloeg den roodbruinen
+doek weg, hield de slappe, uitbuilende borst voor den mond van het
+kind. Terwijl praatte ze met Heintje:
+
+"Nebbiesch de tande plage 'm zoo--zìjn kieze zalle 'm zoo plage--hij
+heit aardig de poeperij--allemaal groen en groen"....
+
+"Da's koperzuur," zei tante Heintje die zelf zes kindren dood had.
+
+"Nou! Nou! Klets nou niet! Let op je spel! Strakkies hei je weer
+allemanspraats as d'r een kien heit!"....
+
+Soor werd kwaadaardig. Het achterlijk kind, door honger en
+pijn-in-'t-mondje, had in 'r tepel gebeten. Heftig drukte zij 't
+hoofdje in de borst tot de tandjes loslieten, de fijne bloeddrupjes
+kwamen te zien op 't geelbruine vel--en in lust om zich op iemand te
+wreken, krijschte ze giftig:
+
+"Speule mot-ie die vuilik in plaas dad-ie na zijn kind omziet!"..,
+
+"Sloof 'k me nie de heele dag voor ze uit?", keef hij kort, een schil
+op z'n kaart leggend.
+
+"O, ikke nie?", klaagde zij smartlijk, om de pijn van het weer zuigend
+kind: "ikke nie? Og, wad-'n stik etter!"
+
+"Stik etter?", vlamde hij op: "stik etter?... Wat mod-je van mijn,
+uitgespogen schtik spek!... Krijg nièt ellek jaar 'n kind!.... Wat doe
+'k met al dat krièl!'....
+
+Zij pijnlijk, het kinderhoofdje aandrukkend, bevoelde den tepel, die
+vurig opkleurde in 't nattige bruin--beet 'm haar verwenschingen toe:
+
+"Leg jìj in de pijn om 'n kind te krijge!.... Krijg 'n sjankes op
+klompe!..... Gebruikt zijn vrouw as 'n hoer!...."
+
+"Hou je smoel, schijtemmer!" dreigde hij driftig.
+
+"Make juillie nou geen roezie," zei Heintje zachjes-gedwee: "maak
+geen verschteuring..."
+
+En Raschel, wijs schuddend het hoofd, schreeuwde zangrig, broeirig
+zittend op Joozep's hand:
+
+"....Vader heit de kolder in zijn kop!... Kom nou,
+veruit! Zeventig!.... De ouwe man! [12]
+
+"Je neus tegen me togus an," rijmde Joozep ongevoelig voor de herrie.
+
+Soortje wiegde sussend het kind, dat gulzig-bijtend zoog. De slappe,
+magere borst hing als een futlooze zak tusschen het zweeterig plooien
+van 't hemd en 't bruingaren lijf. Langs 't hoofd van het kind en de
+tiet slierde een lint van de muts, die scheef lag op den bandeau. Zij
+zoogde met bevend gebaar, krimpend bij Maupie's schrokkig trekken,
+zelf hongrig en wee van de daaglijksche aarpels met vet.
+
+Nathan hield nu den zak met de dopjes. Raatje en Joozep, schouder aan
+schouder, lievig bekeken mekanders vochtige lippen. De lamp bedampte
+de hoofden van Heintje, Jacob en Nathan, het klein-dor gelaat der
+grootmoeder.
+
+"....Nommertje twaalef!.... Nou let je nie op!"....
+
+"....Da's al gewees!"....
+
+"....Zanik nie! 'k Weet toch wel wad-'k róóp!"
+
+"....Zèstig."....
+
+
+
+Zij speelden nog, toen Eleazar met Saartje op den arm en Dovid ze
+stoorden. Dovid was stevig gemept door de stakers. Zijn oog was
+gezwollen en 't bloed uit z'n neus kleefde in 't stoppelig haar van
+z'n kin en de wollige das. De laag-warme kamer werd wakker van 't
+gillerig vragen en roepen--het spoegspettrend huilen van Dovid. De
+grootmoeder, verschrikt, suf-nog-van slaap, riep wàt 'r was, maar ze
+krijschten dooreen, mekaar de woorden afbijtend, angstig en druk.
+
+"Die vuilike!", raasde Dovid, den neus bettend met 't water,
+dat Raatje vies-bleek hem voorhield: "die gallaskoppe.... Die
+pestkanker-smoele!... Wad-hei ìk ze gedaan?... Mod-ik me late dwinge
+'n partij kappies uit me klauwe te geve as 'k ze eenmaal hei?.... 'k
+Mot frèsse!... 'n Golle! 'n Golle!"
+
+"Mot jij je láte slaan?", schreeuwde Nathan: "had ze 't lich uit d'r
+ooge gespoge! Had ze lam getrap in d'r lieze!"...
+
+"Waas kan hij tegen zooveul!"--, gilde tante Heintje.
+
+"...Kan 'n man tegen duizend van die straatschleipers!"--, tierde Dovid
+heftig-grienend: "Is 't geen schandaal van belang dad-ze je belette
+te werke?--De sodemieters!--Mod-ik nog langer honger lijjen?"..... En
+zich krankzinnig opwindend huilde hij zijn woede:... "Eer zalle d'r
+kloote àfrotte eer 'k 't werk uit me poote geef!... En die vuile
+addermekakstraal, die kàle luis--te kaal om z'n kont te krabbe--trekt
+nòg d'r partij!... Hoe ken men z'n éigen zwager afvalle!... Loop
+me onderweg mesjogge te make op de koop toe!... Lazer jij dood voor
+mijn part!"...
+
+Stil zat Eleazar naast Jacob.
+
+"...Wat beklaag je je?"--zei hij bot, slaperig Saartje tegen zich
+aanduwend: "hei'k je niet gewaarschouwd?--Onderkruip nìet"!...
+
+"Stik! Stik!", gilde Dovid, den doek die 'n bloedrige prop leek,
+dreigend in z'n vuist ballend: "Krijg 'n darme-reising, vuilik!... Wat
+doe 'k met je gelul!... Geef me 'n paar schoene--dan trek 'k ze an
+achter je lawaaie!"....
+
+"Gróót gelijk heit-ie!", riep Nathan schorkrijschend alsof-ie achter
+de voddenkar liep: "Stel jij je godverdomme in de brès voor die luie
+pargen!... Neem jij de partij op tègen je zwager!"
+
+"As hij en as juillie niet je èigen vijanden waren", hield Eleazar vol:
+"dan was 't met de ellende gedaan"...
+
+"Verrek! Verrek! Val dood!", schreeuwde de slijper.
+
+"Gedaan... Gedaan", herhaalde Eleazar, dom-halstarrig: "...Solidariteit
+is àlles ... ènkel solidariteit"... Een koor van spottende,
+kwaadaardige stemmen schrikte 'm op. Hoe kon-ie zóó stom zijn geweest!
+
+"Verrek! Verrek!", krijschte woedender Dovid: "Weisz ich viel van
+solledareteit! 'k Sla 't an me kont! Wat krijg j'r in de lommerd
+voor? Betaal 'r je huur van! Solledareteit! Nòg! Maak dad-je te vrete
+krijg, luie verdommeling!"...
+
+"...Zolledareteit!", schorde Nathan: "zorg dad-je ouwe blinde tante en
+'t schaap dad-je daar draag niet krippeere van honger!.... Wat maak
+jij je de zappel om zolledareteit!"...
+
+Tante Heintje, breed uitzittend, de handen op het morsig blad van de
+tafel, zong 't over de andere stemmen:
+
+"...Zolledariteit?... Waas ist zolledareteit?... 'n Aardige fijne
+man!... Spreekt fráns!... Zolledareteit!... Zolledareteit!... Mezomme
+zal je meene!"...
+
+En Joozep die in de korte gaping lacherig schreeuwde:
+"Solledareteit--Krijg de schrijt!", deed ze allen lawaaiend lachen.
+
+Eleazar haalde de schouders op. Je kon ze net zoo goed de boeken Mozes
+ondersteboven te lezen geven. In keigrond zaaide je niet--als je bij
+zinnen was.
+
+Dovid vloekte, schold, Nathan verweet, raasde--hij sprak niet meer,
+leunde achteruit. Terwijl de stemmen vinnig keften en schorden, voelde
+hij wee-knagende steken. Z'n borst was nog niet in orde. Iedermaal
+dat-ie slikte, hapte-die angstig. God, wat stonk 't hier weer--wat
+hadden z'n longen 'n moeite, 'n moeite.
+
+De kelderdeur stond vol-open. Bij de kist met bloedrige
+slagersbeendren, was Jacob bezig zich uit te kleeden. Eleazar zag
+'m stappen op 't matras naast Gompel, het slapende jogje. En door 'n
+nevel van moeheid, aanwaasden de kamer, de bedsteden, de kinderen op
+den grond, de stukkende lamp, de tafel met het kienspel, de cursausche
+amandelschillen, de kelder met de muffende, stinkende kisten en
+manden. Zoo hij nu zat, uitgeput, loom, met natte, ijskoude voeten,
+geleek hem de grijze, vertrapte wereld waarin hij zich bewoog,
+waarin ze allen gedoemd waren hun leven te kniezen, hopeloos,
+wereld van alleen gràuwen jammer. Het was om schreiend, met enkel
+knetterende razernij in te zakken, het hoofd te bonzen tegen den
+stank-uithatenden grond en God en de wereld zoo heet te vervloeken,
+als je krankzinnigst oogenblik 't nauwlijks zou kunnen. Je zou willen
+spuwen op àlles, op de leugens van goed en kwaad, op 't geteem van je
+eigen hersens, die wikten, bedachten, aarzelden--je zou willen buldren
+je onmacht, gillen je smart om die nuchter-gèwòne dingen, om tante
+Reggie, den schoenmaker, Suikerpeer, den poolschen jood, den man op
+'t bordes van Golconda, om de duizenden, honderdduizenden genekten,
+jammerlingen, stumpers--om den kelder en de kamer, den stank, de altijd
+brandende lamp--de tien kindren, den man, de vrouw, de grootmoeder,
+allen neergekwakt, verdierlijkt, verstompt. Even lachte-die mal in
+'t geroes van de kijvende joden. Dertien menschen in één hol, in
+'n uitgegraven aardgat waar alles je tegenkotste. Zouen de komende
+tijden niet rood zien, met koortsige spetten in de oogen, als ze
+bedachten hoe 't gewéést was?
+
+
+
+Van 'n balk viel 'n drup op 'n kaart. Lusteloos suften zijn oogen
+naar Soortje. Zij zat bij de opene bedstee te huilen, hield 'r hand
+om de borst. Het lurkend kind had vreemd-roode lipjes alsof 't bloed
+had gehoest en onder den bruingelen tepel slangde een kronkelend
+streepje. Stil-snottrend bewreef zij de borst die door 't gulzige
+zuigen bloed had gegeven, klagend noch roepend.
+
+"Scheelt je wat, tante?", vroeg hij.
+
+"Niks. Niks", zei ze: "la-maar gaan--la-maar gaan--Beurt wel is
+meer"...
+
+
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+
+Doch den anderen dag was zijn hoop weder groeiend, scheen 'm z'n
+opstanding tegen 'n god--of je 'm als bijbelding, wraakzuchtigen smaus,
+als liefde-galmend kwakzalver òf als de natuur in 'r rijpe wonderen
+zag--een verstandeloos ding, kweeksel nog van de dagen toen Druif
+'m vertelde van 'n wezen boven en buiten de menschen. Wist-ie niet
+beter? En als-ie aàrzelde was 't dan niet 't gevolg van z'n stemmingen,
+z'n jóódsch gedroom, z'n bloed-arm gestel? Door moeheid werd je zwak,
+laf, oordeelde je dwaas en met angst over leven en dood, neigde je
+zonder grond onder je voeten naar 'n mysterie die je noch verschrikte,
+noch ontmande wanneer je frisch en bedachtzaam overwoog. Een
+klassenstrijd en 'n god waren mekaar gezond-afstootende zaken, tenzij
+je god weer noemde 't rècht van 't bewegend volk om tot den kern van
+'t geen de aarde aan vruchten en weten bezat, te geraken, maar dan
+blééf 't de prachtige vernieling van 'n mystieken, alles-gedoogenden
+god door wat de tijden hadden gebouwd. De god-der-eeuwen-tot-nù stond
+buiten het leven, buiten de werkelijkheid, hing als een logge last aan
+de rede en eerst tháns scheen 't het vertraptst deel der menschheid
+te zijn, dat onbewust of geleid door bedenking _in_ eene godheid
+herleefde door zich aan den strijd, de verjeugdiging te geven. God--als
+'t dan 'n náám, 'n woordenspel, noodig had--god was Strijd. Waár je
+rondkeek zag je 't bestaande vergaan, verdringen. Ouwe bladeren werden
+mest voor nieuwe planten. 't Rotsel van mensch en beest was voor de
+landen nieuw leven. Je kon 't voorbeeld zoo eenvoudig niet stellen,
+'t niet zoeken onder den bevroren grond of in de diepste zee, in de
+luchten of in 't lichaam van den mensch, overal, overal zag je strijd,
+wroeting van levende en zwijgende stof, dood en opstanding. Het was
+ontzaglijk. Dàt alleen gaf je een ruimte van schoonheid. Het begrip
+Arbeid in de natuur. Stilstand was nergens. Strijd was de verplaatsing,
+strijd--de opwerking, strijd--'t dooden. Had-ie niet pas gelezen
+hoe de strijd van bepaalde bacteriën 't lichaam gezond hield, dat
+'n mensch bacteriën zoo nóódig had als eten en drinken? Was niet in
+hem 't dapper gevecht van de onzichtbaren die 'm verdedigden tegen
+de indringers in de longen? Als je dat klare bedacht, hoorde je dan
+niet meelijdend 't geschetter van de van-anderer-arbeid-levenden
+tegen de wakker-wordenden, 't geraas en de woede van uitgebloeid
+groen tegen jong loof? En 't goddelijk-malle dat ze uit verweer hun
+vormendienstjes, hun aanbidding van 'n hééngerotte godheid tegenover
+de natuur-frischheid van strijd stelden. In de bedstee, de handen onder
+'t hoofd, lag-ie daar over blijmoedig te droomen.
+
+
+
+Soms sloot-ie de oogen, soms keek-ie door 't raamvierkant naar het
+geklomp van de daken. 's Morgens in bed, uitgerust, kláar voor den dag,
+zette je àl wat gebeurde in den rustigen schijn van stille gedachten,
+leek je hoofd een koele zaal waarin je 't licht had getemperd naar
+eigen begeeren.
+
+Teer-kleine klopjes schrikten 'm op. Saartje stond in 't portaal.
+
+"Oome!... Oome Eli!", riep ze met duchtig geluid om 'm te wekken.
+
+"Wel--kom binnen, m'n kind," lachte hij zacht. Als hij 't ouwlijk
+gezichtje met de rood-zeere oogen en 't warrige kroes bezag, dacht-ie
+aan Esther, de vroeg-doode, de eenige waar-van-ie gehouden. 't
+Meisje, lichtschuw, stak 'r hoofd door de deurspleet. Ze droeg op een
+bruinschilfrig bord twee hompen brood, zwartglimmend van stroop. Zelf
+was 'r mondje 'n volwreven groezel, zóo als ze gesmuld had.
+
+"Oome--tante die zeit"--maar 'r stemmetje zakte in doezel van
+lachen--oom in z'n bed met slaap-dikke oogen en 'n punt van z'n
+teen--'n kokkert van 'n teen--net de néús van Suikerpeer...
+
+"Nou--wàt zeit tante?", vroeg-ie vrindelijk knikkend.
+
+Zij lachte maar door, greep den teen met 'r strooperig handje.
+
+"Wel, jij feeks van 'n meid," dee hij, wijkend terug, als in
+angst. Zij hel-schaterde, de oogen vroolijk vergroot, den arm met
+'t bordje gestrekt. Toen zette ze 't neer op den stoel, klom in het
+bed, poogde z'n hoofd met stroop te smeren. Hij, joelend van schrik,
+trok 't dek om het lijf, ontvluchtend 't kleverig handje, tot-ie zich
+plots liet verrassen en 'r in de armen greep.
+
+"Jou rakker!", dreigde hij boos.
+
+Zij liet zich niet foppen, zag an 't gekijk van z'n oogen dat-ie
+niet kwaad was, gierde kinderlijk-valsch over 't bruin bij z'n
+snor. Ze zaten samen op 't bed, de man de haren verward, de borst half
+ontbloot--'t kind bleekjes en klein, 't jurkje gescheurd en verschoten,
+de kousjes van gaten doorvreten.
+
+Hij zoende haar op 't strooperig wangetje.
+
+"En wie zendt dat lekkers, jij deugniet?", vroeg hij gelukkig, blij
+met de vrindschap van 't kind.
+
+"Tante die zendt 't", zei ze en--bluffend: "O, we hebbe zoo 'n bóél!"
+
+"Wel, wel, wel", sprak hij verbaasd om 't wonder: "Heit vader geld
+thuis gebracht?"
+
+"Vader--nee, vader die slaapt nog--die is zoo geslage--weet u dat
+oome?--Z'n oog is zoo blauw, zoo blauw as..."--ze zocht naar een
+beeld--"zoo blauw as 'k weet nie-wat!... Wéet u dat oome?"
+
+"Ja, dat weet 'k"...
+
+"...Gemeen, hè, oome?... Smerig, hè? hè?--om zoo maar te slaan. As
+ze na mijn 'n poot uitsteke, dan neem 'k--dan neem 'k"--groot werden
+'r oogen bij 't hévig verzinnen--"dan neem 'k 'n stok en sla 'k ze
+dóod--de flikkers, om zoo mìjn vader te slaan!"
+
+"Goed zoo", lachte hij rustig, strijkend het kroes langs 'r hoofd. Het
+was 'n zoo heerlijk iets 'n kind grootemansdaden te hooren fantaseeren.
+
+"...Dan, dan" ging ze voort, 't gezichtje in doddig gepoog om de kracht
+van 't dreigen bij te houden: "dan neem 'k 't broodmes van tante en
+dat steek 'k ze in d'r buik--hè, oome?--en dan snij 'k ze d'r hals
+af--om zoo mijn vader te slaan--hè, oome?"... Zij keek hem niet aan,
+staarde het raam uit, over het veld der plompe, roetgore daken. Daar
+zag ze 't gebeuren.
+
+"Dat zou 'k maar niet doen", riep hij voorzichtig: "want dan komt
+'n agent met 'n sabel en die neemt je mee."...
+
+"Dan steek 'k 'm oók dood", zei ze geweldig.
+
+"Nou dà's wel schriklijk", lachte hij luid. Even kuste hij 't magere
+kind. Ze liet 'm begaan, nadroomend nog. Op d'uiterste spits van het
+voorliggend dak, waar 'n grijs-molmig hijsch-blok bot speerde, was
+speelsch de zon aangeschoven. Een blanke lichtlijn deelde het rood en
+de kalken strepen. Het rood en het vaal der àndere daken, met goten
+en moddrige randen, werd zwaarder en doffer van kleur, schijnbaar
+wegkrimpend van 't lichtvak. Zonderling-wazig gulpte rook uit een
+pijp, warrlend de opening langs, dan geel-kronklend kruipend de baan
+van het licht door en blauwig met lustlooze kwijnsels bewegend naar
+'t overzijdak. Het meisje, de brandrige oogjes rood van ontsteking,
+keek naar den helm en den sabel, die glinsterend glansden in 't spel
+van rook en van zon. Haar wimpertjes knipten. Dan sprak ze weer rad
+van 't geen 'r zoo inviel.
+
+"Oome mod-je niet ete?" 't Leek haar een tergend bedrijf--dat lánge
+gewacht.
+
+"Ja, ja", zei hij begrijpend: "jij wil nog wel wat, hè?... Neem maar
+'n reepie."
+
+"Nee", keek ze gulzig: "tante zeit dad-'t van ù is."
+
+"Ik heb niet veel honger", glimlachte hij, keek naar haar dadelijk
+schrokkige happen. Eerst likte ze vleiend de stroop, tot 't lepelend
+tongetje glimmend geteerd en bruinige draadjes kleefden de mondhoeken
+om.
+
+"'k Bin 't zellef weze koope--héusch oome", verhaalde ze wijs:
+"gistere eerst met 'n pakkie na Wolf."...
+
+"Wie is Wolf?"
+
+"Wolf?--Ken u Wolf nie, oome?"--ze kauwde wat sneller de bruintaaie
+prop--"Wolf--da's om 't hoekie.--Weet u nie?--As je schoene an 'm
+brengt geeft-ie cente--enne as je kleere brengt geeft-ie cente.--Weet
+u nie, oome?--Enne dan krijg-ie 'n brief-ie--enne as je dan met 't
+briefie werom komp dan krijg-ie alles werom--begrijp-ie, oome--maar
+dan mod-je overnieuw cente geve.--As u nou gaat de straat deur--al
+maar rechtuit--dan is 't om 't hoekie--weet u nou nie?"
+
+"Ja, noù weet 'k 't," knikte hij: "en wat hei-je gister an 'm
+gebracht?"
+
+"...Gistere?"--zij peuterde pijnlijk in 't mondje--"gistere heb
+'k gebroch de sjabbes-rok en 't jekkie en de sjabbesmuts van tante
+Reggie enne d'r schoene--maar die wou-die nie hebbe. Zeg an je moeder
+zee-die--ikke hèi geen moeder, wel, oome?--dadde de schoene niks waard
+zijn--nou de zole die wàre kepot, das wáár oome--enne as de zole kepot
+zijne dan ken je d'r nie op loope, wel?--nou enne toen heit-ie op
+de rok en de muts en 't zijjen jekkie--weet u wel dad-ze an sjábbes
+draagt--vijf-en-zeventig cente gegeven--'t is 'n gierige stinkert,
+oome--en altijd 'n droppel an z'n neus--zóó'n groote droppel."--Zij
+spande den duim en den wijsvinger om de grootte te wijzen.
+
+Zorgvol keek Eleazar naar de daken, wetend hoe de blinde hechtte
+an sjabbeskleedij. As 't goed niet voór sjabbes terug was--kans was
+'r niet--had ze 'n dag van diepe ellende. Het kind babbelde voort.
+
+"...Jan van hiernaast oome..."
+
+"Wie 's Jan?"
+
+"Jan,--da's Jan-van-de-schoenmaker--weet u nie?--die heit 'm laast
+zoo lekker verneukt, oome. Die heit 'n drol in pepier gedaan--hoor
+u, oome?--enne zoo door 't raampie gestoken. Enne toen heit-ie
+gezeid: meneir wadde krijg 'k 'r op?"--even schudde 't lichaampje
+zóo van stijgende pret dat ze niet verder kon en met stuipende
+proestjes moeilijk zei: "...enne toen heit die vent 't opegemaakt,
+oome ... hahaha!... Enne toen zee-die wat is dat?... Hahaha!... Enne
+toen riep Jan: dat mot je maar ruike!.. Hahaha!.. Enne toen zijne we
+hard weggeloope"....
+
+"Zoo das mòoi!", verweet Eleazar zelf er om lachend: "jullie most
+'n pak voor je broek hebben.. Mot j'r meer heen voor tante Reggie?"
+
+"O jee zoo dikkels", blufte ze weer, blij dat ze die dingen mocht
+doen: "van de week bin 'k driémaal gewees--eens met-è--met-è--wat was
+'t ook weer?--met-è deken--en eens met 't ganneke-ijzer--enne gister
+met tante d'r sjabbesgoed... Mod-je nie ete, oome?"...
+
+"Ja zeker", knikte hij vrindlijk. Met sprong hij 't bed uit, schoot
+in z'n kleeren. Vandaag zou niks 'm ontroeren. Z'n uitgerust lichaam
+gaf 'm een wondere kracht. Over de daken vloeide wijder het licht,
+een musch tsilpend bewoog op den stang van 'n schoorsteen. 't Leek
+of de dag geluk moest bevatten, of een ongekende geheimenisnadering
+uit de droogkoele lucht die 't raam binnenstroomde, steeg. 't Was
+stil op de plaats. Zelfs 't geklop van den schoenmaker dat meestal
+naar boven echoode klonk niet, en d'overzij-ramen schenen verlaten.
+
+'t Kind naast 'm bij 't raam, boog 't hoofd diep voorover.
+
+"Wat hóog, oome, hè?"
+
+"Nou!"
+
+"As je d'r uitviel dan was je dóód--oome, hè?"
+
+"Asjeblief!"...
+
+Hij plonsde het hoofd in de kom met 't water dat-ie 'savonds
+meenam van tante, die 't héele huis most voorzien. Er was maar
+één kraan. Saartje spuwde terwijl spuugvlokjes naar Suikerpeer's
+onderkozijn. Spelend telde ze de witte schuimpropjes die onhoorbaar
+kwakten op 't hout. Spuwde je verder, dan zàg je ze niet, vielen
+ze in 't slijk op de plaats, waar stronken en bladen verrotten en
+vreemd-gesplinterd 'n boord lag, gevallen uit een van de ramen.
+
+Nog zich nadrogend keek Eleazar het donker der gang in. Stug veegde een
+borstel de treden der trap. Rebecca, een doek om het hoofd, de zwarte
+slierharen verward langs 't teerbleek gelaat, lachte verlegen. Ze had
+den verlepten japon omgeslagen, de slijkzwarte voering naar buiten,
+de armen gestroopt ver omhoog dat 't vleesch snoerde in kreukels en
+plooien. Het haakje van 't vaal-fluweel boord uitgetarnd, liet vrij
+den molligen hals met de fijntakte aêren.
+
+"Goeienmorrege," zei hij, zich drogend.
+
+"Dàg," riep ze schuw in den schemer der trap.
+
+"Dat kon je bij mij ook wel is doen," meende hij vroolijk: "m'n
+meublen bederven. Ik heb in geen maanden geveegd"...
+
+"Ach kom," lachte zij, leunend terug, verlegen opkijkend.
+
+Saartje kwam mee in de deur.
+
+"Dag Bekkie! Dàààààg!"
+
+"Dag Saarlief"...
+
+IJvrig begon zij weder te vegen, telkens 'n tree op, toen op 't
+portaal, lacherig-pratend, kruipend op handen en knieën. De voeten in
+ouwe pantoffels sleurden kurk-schuiflend den rokkenwrong na, soms met
+'n haastige puiling der kuiten.
+
+Hij, etend 'n reepje met stroop, wenkte 'r binnen, vroeg naar
+'r vader. Angstig-timiede, hield ze zich vast aan den deurpost,
+den schuier onnoozel bewegend. Nooit kwam ze 't huis uit--of 't was
+voor de kindren. Ze scheen eene ingeschapen moedertjes-toewijding te
+bezitten niet hechtend als andere meisjes aan 't loom-vadzig drentlen
+op Sjabbes. Nu, in 't strak licht van 't raam, de oogen git-dwalend
+onder de lijn der vergroeide brauwen, het roodwollen doekje om 't
+zwarte der haren, welig en grillig als 'n wingerd, was ze van zulk
+eene vreemd-wilde schoonheid, dat 't schertsend gepraat hem ontzakte
+en de oogengloeiing van toèn--in de hal van de kinderbewaarplaats--haar
+weder dwaas-driest deed lachen.
+
+"Wat kijk je?",--zei ze droog, stem die nauwlijks een klank had.
+
+"Ik kijk zoo maar--zoo maar"--lachte hij, met heet-kroppend gewring
+in de keel.
+
+"O--kijk je zoo maar," staarde ze voort, 't gitzwart gestoei van
+'r oogen in gurgel van lach.
+
+"Zoo maar"--herhaalde hij, pogend te schertsen. Dan stond-ie op,
+verzette den stoel naar 't raam, speelde met Saartje. Zij, bukkend,
+de heupen omhoog in den tuimel der rokken, begon zacht te vegen.
+
+"Doe 'k je nou 'n plezier?", lachte ze kinderlijk.
+
+"Of je", zei hij: "licht dat me meublen bederven als ze staan in
+de stof!"
+
+Zij lachten beiden. Er was niets in de klein-lage kamer dan 'n bedstee
+met 'n simpel matras, 'n stoel en 'n kist met 'n kom. Maar zijn lach
+duurde niet lang. 't Kind sprong z'n schoot af.
+
+"Dag oome!"
+
+"Waar ga je heen?"
+
+"Ik mot na de school!"...
+
+"Wacht dan nog even"...
+
+"Nee oome--Jan staat benejen al klaar".
+
+Ze had hem gezien op de plaats, stampte de trap af, toeslaand de deur.
+
+"Wat 'n nest van 'n kind",--zei Rebecca diep bukkend. Schuw keek ze
+op, half angstig, half-lachend.
+
+"O, zoo'n nest", herhaalde hij flauw.
+
+En het stug gekuch van den schuier klonk in de stilte. Star
+keek hij het raam uit, eerst naar het overzij-dak, felrood en
+dampend. Sufbleeke wolkjes krulden de goot langs en ook van de
+nattige pannen steeg als een waas het opdrogend vocht. Dan zag hij
+omlaag naar de kindren die samen gingen de poort door met Mijntje,
+de dochter van Suikerpeer. Achter hem schorde de schuier, hijgend
+met lang-dorre stooten.
+
+"'t Is in làng nie-gedaan", zei zij het eerst.
+
+"Nee, in lang niet," zei hij snel en hard. Zij veegde stil bij de
+bedstee, het hoofd van 'm af, de grot-van-de-rokken met 't slanke
+kuitenbeweeg scherp naar hem toe. Haar roode doekje dreef zacht op
+den krommenden rug, de ouwe pantoffels wipten los van de hielen.
+
+"Ik wil 't wel élleke dag voor je doen," sprak zij na een poos, en
+hurkend op de knieën, den fletsen japon als 'n tuil om den buik, keek
+ze 'm aan eerder fel dan verlegen. Zóo stiet ze hem af. Als ze ènkel
+timiede, schuw in 'r doen, was ze lief van bekoring, leek ze 'n kind,
+vreèmd aan de gulheid van zon, vreèmd aan alles wat buiten--maar
+'t zéker gekijk dat ze soms had, gaf 'm een afkeer, die niet was
+te ontleden.
+
+"Wel, da's goed," zei hij vijandig: "dat wil 'k heel graag--maar is
+'t niet lastig?"
+
+"Nee," lachte ze kort en daarna vlug-oprijzend: "zal 'k je bed doen?"
+
+"Trek de deken maar recht," knikte hij.
+
+'t Was toch 'n verheugend gezicht--'t meisje dat 't kussen klopte en
+gladstreek z'n deken. Ze wreef met de handen er over, zat op den rand
+van de bedstee, waar Saartje gezeten.
+
+"Hei-je geen laken?"
+
+"'n Laken--welnee!"...
+
+"En leg-ie niet koud?"...
+
+"Alles gewoonte"...
+
+"Wij legge warmer," lachte ze opnieuw.
+
+"Wie?", vroeg hij stug. 't Werd wonderlijk-vreemd dat ze zoo zat,
+in dien wingerd van haar onder 't roodwollen doekje.
+
+"Wij," zei ze verklarend: "me zussie--me broer Jozef en ikke--wij
+legge warmer. En as 't koud is, kruipe we dicht op mekaar"...
+
+"Zoo"--, sprak hij glimlachend om 't plotsling vertrouwen en èven
+ontmoetten hun oogen. Zij, wieglend op den rand van 't bed, sloeg
+neer ze 't eerst, dwazerig spelend met 'n punt van de deken.
+
+"Rebecca--Rebecca!--Waar zit je?"...
+
+Poddy schreeuwde beneden de gang door.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+
+Gehurkt in de bedstee, kreunend en vloekend, hield de poolsche jood
+de deur open. Z'n stok kromde als een hand om den knop, viel op den
+grond toen ze de trap af kwamen.
+
+"Mod-'k me tong uit me bek schreeuwe!", snauwde hij, hijgend--:
+"waàr... waàr..." 'n Logge slijmhoest benauwde hem plotsling, doorbaste
+'t beenig lijf. De nagels in de bedsteeplank gewrongen, den vaalrooden
+rimpelkop met de wilde baardslieren diep in stuipschudding gebogen,
+kraakhoestte-die, inslurpend den adem met fluitende kreunen, dan weer
+donker-rogglend op braken af. Het schuimig kwijl droop langs den baard
+op den paars-groenen borstrok, alle sneden in 't harde gelaat werden
+wit door 't gespan van de huid, 't vinnig gezwel aan den mondhoek
+purperde fel alsof 't zou bersten.
+
+"Drink-'s, vader!"--, riep angstig Rebecca.
+
+Driftig weerde hij 'r af, richtte pijnlijk-grijpend zich op. De deken
+glee en bij het reutelend hijgen, dat den kop ver-paarste, de aêren
+zwart-striemend deed zwellen, kwam de heup met 'r bloedende wonden en
+gaten bloot. De lappen grijsklamme pap, vervuild en doortrokken van
+strooperig bloed, zakten het been langs tot over de knie. Een oogenblik
+klonk 't raspend geroggel, 't slurpen der strot zoo klagerig-scheurend,
+dat Rebecca begon te schreien en Eleazar dacht dat-ie zou stikken.
+
+"Drink dan 's, vader!"--, huilde 't meisje, 't glas in de
+angstig-bevende hand.
+
+"Hoor je niet, Poddy? Drink is!--", drong Eleazar aan, zèlf 't
+glas nemend. Stomp-hijgend, lippen die koortsig mumden, slikte de
+zieke en opnieuw hoestte hij rauw, wringend 't lijf uit het dek,
+de oogen beloopen, den mond als een smartgeul in 't schuim en de
+kwijlige klodders van den baard. De bedstee stond in schemer. De
+deur aan de raamzij, schuin-open, onderschepte 't licht van 'n raam,
+goor van stofbultige ruitjes, waarachter 't schubbig vaal-slijkrig
+kwakken en ribblen van ouwe dakpannen. De poolsche jood, half naakt,
+de ettrende heup kil belicht, de handen knoestig geklemd om 't hout,
+den baardigen kop in martling bewogen, leek in 't scheemrende, morsige
+bedhok zoo afzichtlijk ziek en benauwd, dat Eleazar terug-schrikte
+en 't slingrende glas water uitgulpte. Niet sprekend keken ze toe,
+tot 'n reutlender, brakender hoest lucht scheen te geven en een
+fel-gele roggel met zware bloedvinnen langs den baard op den grond
+klette. Toen zakte-die kreunend, zwakker na-hoestend terug. Op 't
+voorhoofd, rimpel-doorgroefd als 't gelaat, kleefden grijzende haren in
+zweet. Uit den mond, wild vergrimd, rukte de adem, stootend en kermend.
+
+"Zal 'k je helpen?"--, vroeg Eleazar.
+
+De knooklige hand in het bedhok schudde afwijzend.
+
+Kort knerste de voet van den jongen man over 't bloed en 't slijm en
+een rillige weeheid doorgriezelde hem bij 't zien zoo-dichtbij van de
+heup, de kerven, 't dik-stollend bloed, de rottende blauw-omkringde
+gaten met de kwalletjes pap en den druipenden, ei-gelen etter. Een
+wond, hoog bij de bil, was het grootst. Al het vleesch er om heen,
+verweekt en vervreten, kromp naar 'n etterend hol, vinger-wijd, vlak
+naast 't beenige jukken der ruggegraat, en er boven, in 't midden
+van den rug, plakte 't smerig be-etterde hemd, was 'n andre rottende
+plek. Op het matras, vaal betrijpt, met bosjes rullige houtwol die
+de naden doorbarstten, droogden bloedklodders en klonten. Er was een
+plank, nauwlijks te zien door 't proppen van pakken en kleeren. Een
+pot stond 'r zonder oor en aan spijkers hingen broeken en jassen.
+
+"O!... O!", kreunde de jood, pogend te stutten den elboog in 't bed.
+
+Vlug steunde hem Eleazar, maar de zieke krijschte 't uit. 't Eene
+been machtloos, was door de ontsteking kromgetrokken.
+
+"....'t Loopt af--'t Is mis", zei-die hijgend, en terugstortend in
+'t kussen begon-ie langzaam-snerpend te huilen, 't hoofd gekeerd naar
+'t beschot.
+
+"Kom", praatte Eleazar, z'n hand drukkend: "denk an je kindren,
+Poddy--denk an je..."
+
+Meer zei hij niet. Elk woord ketste. Zwijgend, de oogen heet van
+tranen, leunde hij tegen de bedstee-deur. Rebecca bij 't dakraam,
+lei met 'r hoofd op de tafel te snikken. En onafgebroken-smartlijk
+klonk uit het bedgat het jammrend geweeklaag, het heftig gesnotter
+van den grijsaard.
+
+"Waarom huil je nou, Poddy?--Kom nou", suste Eleazar: "hei-je geen
+dokter?"...
+
+"Nee", snikte de jood: "hellept niks, niks!"...
+
+"Zal 'k 'm roepen?"'
+
+"Nee--géen dokter--geen dokter!".
+
+"Wèl 'n dokter", poogde Eleazar te schertsen: "dan ben je in 'n wip
+beter--hoor je?"...
+
+"Maansjene néé 'n dokter--maansjene jà 'n dokter", snotterde Poddy,
+z'n neus langs z'n mouw wrijvend en pijn-kregel 't hoofd schuddend.
+
+"'r Is 'n dokter gewees", huilde Rebecca: hij hèit 'n briefie voor
+'t gasthuis"...
+
+"Da's wat moois! En je blijft hièr? Hoe ken je zoo'n gammer zijn?"...
+
+Lustloos, te moe om te spreken, wendde de zieke zich af.
+
+"Vader wil nie", antwoordde 't meisje.
+
+"Wil nie? Wil nie! Wat wil-je nie?"...
+
+"Nee--hij wil nie." ...
+
+"...Poddy, Poddy hoe hei-'k 't met je?", brabbelde Eleazar, woordjes
+zoekend, schuw en triestig. Z'n gezonde stem leek hard bij 't gebroken,
+stervend lichaam. Al wat je zei werd van 'n hinderlijke grofheid, stiet
+af op de felle wanhoop van 't ellendig bed met z'n etterplassen en
+bloedstollingen. Bij tijjen dee zwijgen je zeer, vond je de zekerheid
+van je stem--die pràten wou--van zoo'n schelle hatelijkheid, dat
+de vleezigheid van je bewegende lippen, 't droog aanvoelen van je
+lijf, je warmen rug, je rustende voeten--onrustig-werklijk werden,
+als bij broeiend aangrommelend onweer of bij star-wit avondlicht in
+'n eenzame straat.
+
+Poddy scheen niet te luistren. Het hoofd, gezakt in de deuk van 't
+kussen, lag met den maagren gebogen neus naar de zij van de broeken en
+jassen. De ontbloote heup puilde in 't wollig gefrommel der dekens,
+'t been krom en ontvleescht, met 'n zwarten, smerig-vergoorden voet,
+drukte de plooien, bijna slijkrig skelet, bebloed en doorwond.
+
+Weer in denzelfden aarzlenden, tastenden toon vroeg Eleazar:
+
+"...Mot j'r niks an doen, Poddy?... Mag-ie 't zoo làten?"...
+
+"Já! Ja! La-me légge!", snauwde de zieke.
+
+"Nee, vadertje--dat zalle we niet", zei Eleazar goedig. Kalm wond-die
+de paplappen los, die de knie over waren gegleden, en ingehouden
+neus-ademend om minder den zuren stank te ruiken, trachtte-die een
+der wonden te reinigen. Licht-trillend bewogen z'n vingers. Het
+was 'n voor hem ongewoon, afzichtelijk werk. De pap van oudbakken
+roggebrood, klam-warm nog, zwart en weekplakkrig, bevuilde z'n
+handen, kleefde onder 't koperen ringetje dat-ie als kind van Esther
+had gekregen. Langs z'n duim en wijsvinger, die voorzichtig-vies 'n
+tipje zwachtel langs 't rottend gat wreven, glibberde etter dien hij
+niet dùrfde bekijken. Koud kleumde 't zweet op z'n voorhoofd. Als-ie
+gekèken had was-ie flauw gevallen. Nou most-ie an niks denken, niks
+zien, zachjes wrijven tot 't zoet braakrig gevoel ophield, tot-ie
+den papstank niet meer próéfde. Het mager, kromgetrokken been,
+de heup, de bil, de wonden, schenen te vervagen, blauw-wittig te
+neevlen. Een oogenblik hingen z'n vingers futloos, diep-doopend in
+etter en bloed--dan wreef-ie weer, starrend, doodsbleek, met pijn in
+het achterhoofd, de oogen omwald. Eerst na 'n poos werd-ie stérk,
+dorst 't been te bezien, nam uit den ketel lauw water, bette met
+'n helder lapje dat Rebecca anreikte. 't Kon niet helpen. 'r Waren
+te veel wonden, vervuild en door-etterd. Zoo mòcht je 'n wond niet
+behandlen. Ze zeien dat water koud-vuur gaf. In godsnaam--je most 't
+wagen--erger as 't ingevreten, slijmend vuil zou 't niet zijn. Rustig,
+geduldig-sussend, sponsde hij 't linnen in 't soepbord dat 't meisje
+bij 't bed hield en z'n afkeer overwinnend, bette hij met schuchtere
+duwtjes tot de etterlaag was verweekt en 't lijk-rossig vleesch
+om de wreede gaten bobbelde. Maar de wond boven de bil wàs niet te
+wasschen. Ze geleek een gedrochtlijke wel, niet te stuiten. Vaal-gele
+etter, bloed-slijmrig dooraerd, vloeide gestadig alsof 'n buil was
+verplet. En de zieke kreunde zoo pijnlijk, duwde de helpende hand
+zoo driftig, dat Eleazar 't opgaf en zachtoverredend 'n verband om
+de lendenen poogde te leggen. Toen, omdat Poddy geen ànder hemd had,
+trok-ie 't vuile, door-etterde glad, schudde voorzichtig 't bed,
+stopte de deken onder de oksels, glimlachte den ouden jood toe.
+
+"...Bin 'k geen dókter, Poddy?... Voel je je niet as 'n prins?"
+
+Verlucht, verfrischt door 't water op de wonden, knikte de Pool. Ja,
+zóo lag-ie veul beter. Alleenig 't bed, lomp van bulten, schrijnde,
+snee in z'n rug. En de luize, die mamsertomme van luize! Bloed schene
+ze te ruike. As-ie sliep maakte ze 'm wakker. Z'n arm zat vol blare. En
+stèke as ze deeë. 't Was 'n ràmp. Tegen eene die je knapte kwamme d'r
+tien werom. Cigarettetabak, peper, niks hielp. As je 'n kaars bij 't
+bed hield zag-ie ze loope, soms tien tegelijk--'n ramp bij 'n ramp--om
+je vijande toe te wensche. Hoestend, diep adem-zuigend, klaagde-ie tot
+'t lèkker liggen, de weer-uitgerustheid, de mindere gloeiing der wonden
+'m vroolijk deed praten. De soep die van z'n bille was gekomme ènne
+'t bord most Eli maar in de goot smijte òver 't dak. Daar kon niemand
+z'n maal mee doen. Enne d'r zat smèt in. Sally en Rozetje hadde nog
+voor twee weke bij 'm in de bedstee geslape. Dat moch niemeer voor
+de dokter--nou leje ze àllemaal op de grond.
+
+"...De dokter," viel Eleazar 'm in de rede: "maar as je nou toch 'n
+briefie voor 't gasthuis heb--waarom laat jij je dan niet beter maken?"
+
+"Bèsser," begon Poddy te gijnen: "besser? Weiss ich viel waas ich
+allemaal heb!... Dáar hei-'k 'n gat en hiér hei-'k 'n gat--enne
+'n gat in me togus--da's vièr gatte--te veul om te noeme! Me kop
+van me romp dat de dokter 't zelvers nie-weet. 'n Puist in me nier,
+zeit-ie--nou vraag 'k jou!--Waas is 'n puist in me nier?--'n Puist op
+je neus daar hei-'k meer over gehoord, maar 'n puist in me nier! Waas
+'n schtos! Weet jij waar zit me nier? Dan ken jij likke mir!... 'n
+Brief-ie voor 't gasthuis, nòg!--Al kreeg 'k 'r tien danne nòg
+nie!... Ken 'k in 't gasthuis me kindere d'r monde schtoppe? Wie
+zel ze te vrete geve as-'k gaule leg in 'n gasthuis?--'n Puist in me
+nier!--Hier let 'k teminste nog op hoe Joozep cigarette maakt en as
+me godbeware wat overkomp, is 't in me èigen vuil--Rebecca zet jij
+'t pappie maar op. Pàppe is voor alles goed. Da's 'n ouwerwetsch
+maar 'n gebencht middel. Zal 'k jòu 's wat zegge: 't is 'n bedorreve
+maag--misschien hei-'k te veul vleesch gefresse--'n krimmel 'n ongeluk
+in 'n jaar tijd"...
+
+Hij lachte om de eigen aardigheid, hoestte, zuchtte plezierig nou-die
+zoo tof lee.
+
+"...Pappen," redeneerde Eleazar, die bij 't bed zat, terwijl Rebecca
+de kachel porde: "pappen ken nóóit goed zijn bij open wonden"...
+
+"Ach waas! Ach waas! Pappe met roggebrood is beter as honderd frotte
+schtinkende drankies. Toene wij uit Rusland zijne gejaagd--'k herinner
+'t me nog goed--en d'r gebeurde ons watte--'n zweer of 'n puist--dan
+papte me moeder, oleweschonoe, met fijngekauwd roggebrood--'n middel
+om over te zoene"...
+
+"Da's 'n hééle tijd gelejen, wiè--wiè?," praatte Eleazar, blij dat
+de zieke opfleurde.
+
+"...Of 't geleje is? Misschien jà 'n halleve eeuw as 't nie langer
+is. Me barmitswe most 'k nog doen. Kè-je begrijpe hóé 't geleje
+is... Nóóit zel 'k 't vergete... 'k Geloof da-'k 't nog nie an je
+verteld heb"...
+
+"Nee", zei Eleazar, zich flauw 't verhaal dien avond bij Suikerpeer
+herinnerend, toen Poddy met Dovid ruzie had.
+
+De zieke steunde 'n elboog op 't kussen en met de omrande oogen de
+scheuren van het plankenbeschot doorzwervend, sprak-ie bijna stug,
+soms den ouwen kop schuddend als-ie 't zag gebeuren:
+
+"...Hei-je wel is hoore prate van Wodoskofsky? Nog nooit, hè? Da's
+eender asof-ie in Wodoskofsky zou spreke van Uileburg of Marken.--Waas
+schadt 't?--'t Komp 'r nie op-an!--De naam doet 'r nie-toe. Zeg voor
+mijn part Pompschtok!--An 'n sjabbesavond lee 'k in me bed--misschien
+jà was 'k tien jare--enne daar ha-je de poppe an 't danse. Dùizende
+stonge d'r voor de deur en wadde ze maar grijpe konde, dat smete
+ze, stront, steene, vullis--Wat moste wij doen, zes tegen 'n pak
+gojjiem? De eenige Jehoediem ware wij, me vader, me moeder, me oome,
+me tante, me zussie enne ik. Ze hadde makkelek moorde, de kankerkoppe,
+de bloedhonde. Eerst hebbe ze de deur met olie gesmeerd enne met pek
+enne met--met--weisz ich viel!--toèn hebbe ze 't angestoke. Nog zie
+'k de vlamme, 't vuur. Wad-je in je kindsche jare gebeurt vergeet je
+nie lich--vlamme tot 't dak--enne 'n rook om de darme uit je lijf te
+spoege.--As bezetene vloge we door mekander. We smoorde kompleet. Op
+eene brakke ze de deur, kwamme ze de trap op. Vooran sting me oom. Die
+krege ze te pakke--'t is nie om te beschrijve--met 'n bonk ijzer
+sloege ze 'm op z'n herzens, dad-'t bloed 'r uit schpatte--toen
+schlierde ze 'm over straat, 't geteisem, 't ettergespuis.--Met d'r
+hakke trapte ze op z'n gezich--'t vel hing d'r met lappe bij--de
+kleere trokke ze van z'n lijf tot-ie d'r nakend bij lag--'n woord 'n
+ongeluk dad-'k 'r an lieg, ze bonde 'n touw an z'n mannelijkheid--zoo
+trok 't pareigem 'm vort.--Van me tante, die ze óók zerreist hebbe,
+vertelde me moeder dad-ze d'r borste afgekneld hebbe en d'r op d'r
+zwangere buik getrap.--Ik was gekrope in 'n kast met me nichie bij
+me. We hielde onze aasem in, dorste geen vin te verroere. Benauwd as we
+'t hadde in de smook! Geen hand voor ooge kon je zien--bloed zat je te
+zweete. Toen, Adenoj, hadde ze me vader gevonde--we hoorde ze vechte en
+krijsche en schelde en vloeke.--Ik an 't huile in de kast--en me nich,
+'n meissie van twaalef, was bij god nog zoo googem en gewikst om me
+in me arme te knijpe--anders had-'k 't uitgegild. Me vader schreeuwde
+as 'n razende. An arme en beene lee-die gebonde--met 'n nijptang
+scheurde ze z'n tong uit z'n mond.--De kozakke kwamme toen 't te laat
+was--natuurlijk--rissches geweest--enkel rissches geweest.--Zal 'k je
+meer van die narigheid vertelle? Misschien geloof je 't nie-eens as
+'k 't jà vertel. 'k Weet wel, 't is nie om te geloove. Zoo ies mot
+je méemake.--'n Dag later zijne we vortgegaan, Of we wòue of nie,
+we moste! Hoe kon 'n vrouw blijve alleen met 'n man an wie ze de
+tong hadde uitgescheurd en met twee kindere? We hebbe gezworve door
+Duitschland--enne door Oostenrijk enne door Engeland--de halleve
+wereld hebbe we overgezworve enne overal met rotte appele gegooid. 'n
+Hond behandele ze beter as 'n jid.--D'r honde geve ze te vréte. Daar
+koope ze kettings, halsbande voor.--Daar besteje ze somme, kappitale
+an! En 'n jid? Wat is 'n jid? Van me geboorte af ken 'k niks as sof,
+slecht vrete en zuipe, van me geboorte niks as schwiejeniejen--met
+zorreg sta je op--met zorreg ga je na bed--en in zorreg krippeer je"...
+
+Even was 't stil, klonk flauw-echoënd 'n kijvende, schelle stem op
+de binnenplaats. Rebecca, ernstig van luistren, keek stroef-starend
+naar 't zeil van de tafel, zwaar van peinzing als 'n kind dat
+'n wonderverhaal heeft gehoord. Door de domp-kleine kamer ging een
+benauwend gezwijg. De oude jood, achterover geknakt, ademde steunend,
+de oogen gesloten, den mond en den neus en de rimpels als harde
+knarsen in 't barstig gewar van den baard.
+
+"Je was eerst zoo vroolijk", zei Eleazar: "en nou--wààrom rakel je die
+dingen op?... 'n Arme christen heeft 't niet beter as jij.--Onderscheid
+is 'r niet, wat?"
+
+"Schiet 'k daar mee op? Wat is me winst?", gromde Poddy, opnieuw
+kreeglig na 't lange gepraat: "Is 'r geen onderscheid tusschen
+'n gesjochte goj en 'n gesjochte jid? Narrigkat! Al is 'n goj nòg
+zoo gesjochte--heit-ie vóorrech, is-die bemazzel! Wordt 'n arme goj
+nagescholde op straat? Heit iemand 't rech 'm schmáús te noeme? Mag
+jij op hùllie Zondag negotie schreeuwe?"
+
+"...Dat zijne zoo geen héel-groote verschillen", redeneerde Eleazar
+voorzichtig, bevreesd 'm driftig te maken en pogend 'm af te leiden:
+"alleen in 'n narrenhuis kan 'n nar op de narrige inval kommen dat
+'n arme christen en 'n arme jood 'n ander soort maag en 'n ander
+soort hersens hebben! Málle Poddy! As je 'n christen in Rusland was
+geweest, zònder centen, wat dan? Wat dan? Groot verschil of je door
+'n dollen reu of door 'n dolle teef wor gebeten! Wat?"
+
+"Enne d'r rissches--d'r haat--wáár je komp?"--, vroeg de Pool, zich
+half oprichtend: "ik zeg nòg is: wordt 'n goj over straat nagescholde?"
+
+Even brandde in Eleazar de weerbarstigheid om wat in 'm vaststond te
+zeggen--dat 't taai afzijdig-blijven van de joden--d'r koppelen onder
+mekaar--altijd onder mekaar--làng na de ghetto's--'t duiten-trouwen
+van geloofsgenooten, neefies en nichten, met 't gevolg van ontaarden
+en krankzinnigen--'t smadelijke van 't zich uitverkoren wanen--'t
+schreeuwend-gemeene om drank en spijzen van christenen als besmet te
+beschouwen en zooveel meer als 'n bekrompen religie die in oertijden
+wortelde, voorschreef, 'n haat, 'n geweldigen haat waard bleven--even
+had-ie moeite met wat 'm op de lippen lag, dat 'n volk dat de eigen
+ontaarding niet besefte, gehoond, geschimpt moest worden, maar den
+zieke over zich ziend, den man die zooveel in stompzinnigheid en
+waanzin van weerskanten had geleden, zei-ie eenvoudig-glimlachend
+meepratend:
+
+"....Nee 'n goj wordt niet gescholde--daarin hei-je gelijk."
+
+"Wat zanik-ie dan tegen!," drensde Poddy, ongemakkelijk steunend: "'n
+straathond heit 't beter as 'n arreme jid! Bij God! Bij God!"--en weer
+terugzakkend in 't bed, zuchtte-die in vlakke, levensbeue wanhoop: "as
+'k gif had, gaf 'k me kindere gif in d'r lijf--vóór 'k krippeerde"...
+
+"Ho! Ho! Gift kost cente!", lachte Eleazar.
+
+"Gif kost cente--kost cente--alles kost cente," zei de zieke,
+zich in kreun omdraaiend: "maar 'n lucifer ka-je altijd machtig
+worde--altijd--As 'k in Wodoskofsky verbrand was, ha'k geen armoeinest
+gemaakt. Schurftige beeste krijge schurftige jonge." ...
+
+"Je kindere," viel Eleazar hem in de rede, maar Poddy beet 'm af:
+"me kindere," zei-die dreigend en driftig: "'n Verlamming voor de
+god--is-dat God?--die gezeid heit ga en vermenigvuldig je! Poeroe
+oerwoe ... 'n Verlamming! Vermenigvuldige in wat? Vermenigvuldige in
+armoei, dalles. Ga--hou 'n uitbranding zal-die gemeend hebbe!"
+
+"Poddy--je wint niks met je op te winden--Kijk, nou is me mooie
+zwachtel verschoven. Leg stil--dan trek 'k 'm an"...
+
+Nog eens hielp-ie den zieke, die de oogen gesloten hield en als
+'n kwaadaardig dier gromde. De linnen reepen duwde-ie hooger, 't
+beddetijk strekte-ie glad. Poddy, pijnlijk en koortsig, sloeg de
+helpende hand weg.
+
+"Schei uit!", riep-ie korzelig: "je schrijnt me wonde kapot. Blijf
+'r af!"
+
+"Dan niet," zei Eleazar geduldig, Rebecca wenkend den zieke met rust
+te laten.
+
+Hij wist van z'n eigen ziekbed hoe je bij tijjen om 'n kleinigheid
+verstoord kon wezen--en wat moest iemand zich ellendig voelen met
+zùlke afzichtelijke wonden.
+
+"Wille we nog wat pràte?"--, vroeg-ie "of wil je da'k weg ga?"
+
+"Me zorg--me zorg--as je mijn maar laat legge," gromde Poddy.
+
+Op 't vensterkozijn streek 'n musch tsilpend en vladdrend.
+
+"Ook 'n armoedzaaier," lachte Eleazar.
+
+De zieke bewoog niet, gemelijk, koortsig. Dan voelend dat-ie iets
+zeggen moest aan den jongen man, die in verlegen hartelijkheid over
+'m zat, zei-ie in pijnlijke hijging: "Wie geht's--wie geht's met
+juillie schtaking?"
+
+"Met de staking," antwoordde Eleazar, blij dat de grijsaard praatte:
+"met de staking gaat 't krom en scheef--slècht--slècht... zoo goed
+as verloren"...
+
+"Zoo," zei Poddy, sterk zuchtend. Vreemd blies de adem door z'n
+neusgaten en de vingers wriemden hard-plukkend. Toen lag-ie heelemaal
+stil, de oogen verdoft in de dik-roode randen.
+
+Eleazar stond op, trok het dek naar 't voeteneind, stopte de deken
+onder de armen.
+
+Koorts-driftig weerde de zieke 'm af. De zwachtels, weder door-etterd,
+plakten aan de houtwol van 't matras. Kreunend woelde hij zich bloot,
+wilde niet geholpen worden.
+
+De oogen heet-koortsig vergroot, groen-flitsten in 't donker
+der bedstee. Hij had dorst, dronk gulzig-slurpend de koude thee,
+die Rebecca 'm gaf, vroeg vloekend om pap. Dan klagerig-schreiend,
+afrukkend de broeiende lappen, bekeek-ie, zoover-ie zich buigen kon,
+de rottende gaten van z'n heup en 't been.
+
+"Poddy!", zei Eleazar.
+
+"...Hou je bek!", snauwde de jood, half-opzittend, de hand om de
+bedsteeplank gewrongen: "wat doe 'k met je gelul!... Voor mijn part
+... voor mijn part... Ansteke doe 'k de boel... Uitbrande van onder
+tot boven... Alles na de raschmedei da's 't beste... 'n Uitsterving"...
+
+Diep-snottrend, wanhopig-huilend, bonsde-die 't hoofd met de wilde
+baardslieren tegen 't beschot van het bedhok, vervloekend z'n
+kromgetrokken been, krijschend over de luizen die de etterwonden
+bekropen, schreeuwend om lucht.
+
+Gruwlijk-beangst schoof Rebecca 't raam op, verjagend de tsilpende
+musch. De zoete, rottende pislucht der dakgoot traagde 't kamertje
+binnen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Dat was de dèrde die van toegeven sprak, de derde die 'r 't beetje
+moed wou uit trappen. Norsch en verkleumd luisterden de stakers. 'n
+Uur lang hadden ze in de bevroren modder op Dekker, die niet komen
+kon, gewacht. 't Liep mis. Wéer 'n Sjabbes in harde ellende, wéer
+'n week zonder vooruitzicht.
+
+Nu dicht saamgedrongen om de tent, de voeten doorweekt, de ruggen
+gebogen, de koppen in botte luistring, schenen zij eene benauwende
+wanhoop te ondergaan.
+
+Eleazar, bij Juda, Hes en Klaroen, balde heftig de vuisten. Wat
+zij voelden, leed-ie mee, dieper misschien. Hoe dikwijls had-ie de
+sentimenten van een massa, den haat van een massa, den wrok van
+een massa, de liefde van een massa, de hartstocht van een massa
+doorleefd. Hoe dikwijls had-ie getracht 't juichen, grommen, razen,
+handelen van 'n massa te benaderen, zich moe-gedacht over haar
+kracht en geweld, haar slaafschheid, angsten en weiflingen. Toch
+telkens wanneer je zoo stond, schouder aan schouder, lichaam naast
+lichaam, eigen gedachten-bewegen naast dat van 'n ander, hoofden
+ontelbaar rondom, dee je niks meer afzonderlijk. Gelijk de adem uit
+die koppen in de vaal-grauwe winterlucht zoog, de harten klopten,
+de oogen staarden, de longen wiegden--werd je driftig met de andren,
+vroolijk met de andren, neerslagtig met de andren. 'n Massa kon
+moorden, verwoesten, aanbidden, vervloeken, martlen, vervolgen en je
+gaf jezelf over even volkomen als vroegere individuen 't in vroegere
+massa's hadden gedaan. Je gilde gezamenlijk als 'n kind te water lag,
+je krijschte als 't dreigde te zinken--je schreeuwde mekaar toe als
+'t gered werd.--Zoo ging 't in alles. De massa fantaseerde 'n god,
+de massa leek onsterfelijk. De massa's groepeerden zich, botsten,
+tyraniseerden, lieten zich knechten. De massa had 'n vreemde,
+groote, kinderlijke, eerlijke ziel en 'n kleine, hardvochtige. Ze was
+'n onbereikbaar reuzenlichaam, dat eeuwenlang met 'n verschrompeld
+verstand tegen zichzelf had gebeukt, lomp als 'n jonge hond, nu wakker
+scheen te geraken--schéén--'t duurde zoo sarrend, grùwelijk lang. In
+'n massa voelde je je stem grover, je lichaam zwaarder, je spieren
+sterker, je wil veerkrachtiger, je hoofd ruimer. Maar ook kon 'n
+massa je laf maken, krankzinnig-bevreesd, melankoliek of wanhopig.
+
+
+
+Vandaag wàren ze desperaat. De egaalzwart-kille sneeuwlucht lei zwaar
+op de daken, zonder eenige bulting, zonder diepte van licht. Nergens
+zag je 'n wolkje--overal vlakte een roerloos vuil, dat naar de
+huizen-over-de-gracht tot klittend goor-bruin ver-dikte, alsof daar
+'n keel stond te gurglen en 'n strottenhoofd angstwalmen hijgde. De
+gracht, met de vele modder-riolen, glaasde in strak-harden stilstand,
+staalgrauw weerkaatsend den hemel tusschen 'r steil-groeiende
+wanden--strekten de boomen hun zwarte, knuistige takken--werd je
+haast bang dat de grijze lawine zou storten en allereerst breken
+'t dor-oude hout, de stug-brooze takken. Doch niet alleen dit drukte
+de massa. Gehokt om de tent, de plompe schoenen op de knobbels van
+doortrapte en weer bevroren modder, de voeten koud en in nat gezogen,
+de lichamen sluiprig-bekropen door de klam-weëe kilheid der lucht,
+die de huid onder de kleeren als met natte handen betastte, de
+naakte ruggen langs huiverde, de borsten met rillingen overgleed,
+de onderste nekhaartjes dee steken, zachtjens kwellend alsof ze
+haakten aan den plots hard-aanwrijvenden rand van het hemd--zoo
+ongeveer voelde Eleazar, kort en scherp, de lichamelijke sensatie
+der menigte--zoo móést 't wel zijn. O, op een zomerschen dag,
+bij hel-fleurend groen en wolkjes met zilverkartlingen, op een
+lentedag-van-enkel-jeugd-siddering, zouen ze niet zwak en ontzenuwd
+hebben gestaan, zouen ze niet dulden 't lange gepraat van een paar
+angstigen, misnoegden, moedeloozen. Sentimentaliteit weekte in 'm
+op. De pupillen van z'n oogen spanden in zenuw-opwinding. En voor 't
+eerst van zijn leven, zonder nadenken, bizar gedreven door eene macht,
+een geweld, eene ontroering die z'n gelaat verbleekten, z'n stem schel
+deden klinken, vroeg hij het woord, terwijl 't applaus nog na-rommelde,
+schoof door de wijkende stakers, beklom duizlig en lichtschuw de
+treedjes naar de tent. Zoo nerveus was zijn bewegen dat-ie even
+struikelde, de knie pijnlijk stiet--klemden z'n handen ijskoud,
+gevoelloos, vreemdelijk-wringend om de opperste lat der balustrade,
+keek-ie doodsbleek, de oogen vaal-blauw omwald naar de geweldige,
+plotsling dierlijk-beangstigende koppenmenigte. Ben oogenblik meende
+hij te zullen stikken, hijgde hij bevend, persten z'n nagels in 't
+hout. De hoeden, de gele koppen, de grijze takken, het hekwerk, de
+keien schimden door z'n bloedleeg hoofd. Schor-droog ademend zei hij:
+"Kameraden"..., stokte, pogend te slikken. Er ging een angstkramp
+in z'n hersenen, het zweet bebeet spichtig z'n slapen. Starend,
+zonder geheugen, de versteende handen om de balustrade, de versteende
+voeten in de wijder-lijkende schoenen, doorgierde hem de razende,
+rauw-krijschende angst dat-ie gèk werd. De tram ree door de bocht,
+nevelde dwazig voorbij. Hij hoorde de bel, de bel van geel-koper,
+de peervormige gèle bel met het zwabberend leer. Tegen een boom,
+den poot hoog-getrokken, pieste een groote roodharige hond. Dien
+zag-ie--hij zàg 't ruige lijf, den gewipten poot, den staart, de witte
+ademhijgingen... Hij zàg de pies in de modder-aarde spetteren. Hij
+zàg--en een opgutsende, knarsend-gillende wanhoop bonsde in zijn
+leege hersenkas--dat-ie gèk werd--dat z'm gek zouen zièn worden--dat
+ze àllemaal wezenloos mee zouen kijken naar den piesenden hond, die
+zoo oneindig redeloos-lang pieste... Maar de stakers die 'm wit en
+onbeweeglijk-zwijgend zagen staan, meenden dat-ie wachtte op stilte. Er
+was een napratend gemompel en voeten beknarsten de bevroren modder.
+
+Juda, ongeduldig, ook met 'n wrok om 't laffe geweifel nou Dekker
+'r niet was, schreeuwde kwaadaardig, stem die domp knoerste: "Smoel
+houen!--Hou dan je bekken!"... en een magere, beenige jood àchter de
+tent, meenend dat Eleazar al sprak, riep nijdig: "Hààààrder!"...
+
+Het zwiepte 'm wakker. "Kameraden," zei hij nog eens. De woorden
+stamelden z'n mond uit, kurkachtig-droog, z'n lippen trilden, z'n tong
+bewoog moeilijk, kromp stug naar de keel. Nou wist-ie dat-ie sprak,
+maar de zin was 'm vreemd. Alles knapte door z'n hersenen--toch praatte
+hij, verward, snel, onsamenhangend--dingen brauwend die hij niet had
+willen zeggen, phrases beginnend die hij niet te eindigen wist--zoekend
+naar 'n slot dat verglipte, kreeglig-verwriemeld in den veeldradigen
+angst dat-ie zou blijven steken. Zelf hoorde hij klànken--vage klanken,
+klanken die ratelden, knepperden, klanken die driftig wirwarden om
+zijn hoofd in 'n benauwenden nevel. Even zweeg-ie. Ze hadden bravo
+geroepen en geklapt. Klaroen zag-ie knikken en een langbaardige
+jood, kop als Poddy, schreeuwde: "Gelijk heit-ie".... Wàt had-ie
+beweerd? Hij had 't niet kùnnen herhalen. Maar nou ze bravo-riepen,
+verhelderde zonderling-vinnig z'n hoofd, zakte de afschuwelijke
+angst, week de bleuheid van stillen, peinzenden jongen, die nog
+nooit zoo voor duizenden had gestaan. Bijna werd hij luciede. Z'n
+stem verscherpte, z'n grijze oogen glansden, z'n dunne bleeke lippen
+bewogen bits en met nadruk, z'n lichaam leek grooter. De menigte droeg
+'m, had 'm te pakken, hitste 'm aan met honderden starende oogen,
+leefde mee met oneindige melkwitte ademen wier onstuimige damping in
+de winterlucht vloeide. Ouwe koppen en koppen met baarden, koppen
+gegroefd, en geelbleeke, ruwe koppen met grijzende snorren, koppen
+hard en verzieklijkt, waren in luistring, bogen, weken, zwartkantten,
+schemerden. Een sterke, massale, zware aandacht golfde op hem toe,
+omwikkelde hem, scheurde de woorden van hartstocht uit zijn keel, wond
+met machtigen drang de aandoening los, die hij niet meer te zoeken
+had noch te onderdrukken. En zoo innig was soms de wisselwerking
+tusschen hem en de massa, de massa van onbekende makkers, dat het
+hem sprekende toescheen of hij onmeetbaar-lang had gestaan, zij elk
+woord reeds vóordachten, voorvoelden--hij simpel uitte wat in hen
+allen gezamenlijk, zonder ééne afwijking of aarzeling omging. Bevende,
+kleine sneeuwvlokjes dwarrelden neer, stuivend als verschrikte pluisjes
+in vroeg-zomeravond. Op den rand van een hoed, op een schouder, op
+een gebogen rug donsden ze zacht, verlegen wittend en smeltend. Het
+was een teer, onhinderlijk gespeel, een schichtig dolen en wentlen,
+een timiede gedwaal tusschen de takken, over de hoofden, over het
+water. Een enkle grooter vlok, sneller en witter van val dreef langs
+de tent, zuigend op Eleazar's gebarende hand.
+
+
+
+...."Toegeven doen we niet, morgen niet--toegeven doen we nòoit! Wat
+we vandaag willen, willen we morgen. Kameraden--we zijn pas an
+'t begin--an 'n begin, an 'n léélijk begin. Kijk om je heen, over
+de hekken, van 't Park, kijk over de gracht. We wonen as beesten,
+we hebben vreugden as beesten, we worden gebruikt as beesten en as
+beesten vermoord as we ons verzetten"...
+
+Voor de tweede maal hield hij op. Driftig gejuich barstte los. Maar
+bijna daadlijk, de handen als klauwen om de balustrade gewrongen, het
+lichaam heftig vooruit, de oogen vlammend van woede, onherkenbaar voor
+wie 'm daaglijks waarnamen als zwijgenden, denkend-gesloten jongen,
+sprak-ie in één roes voort: "...As beesten!--Néé, we géven niet
+toe!--Markus zeit dat ze bij 'm thuis hongerlijjen--dat wèten we,
+Markus--dat begrijpen we, Markus--we huilen 'r om, Markus--we zouen
+je willen helpen, Markus--: hebben _wij_ 't anders?--Krijgen we 't
+bèter, as we uiteengaan, as we voortslaven op 't ouwe loon, op de
+ouwe voorwaarden, bedrogen, bestolen op de ouwe manier, zonder één
+kans om 't in de eerste jàren op te halen?--Kameraden, luister niet
+naar Markus, Levi en Beem! Wààrom zouen we moedeloos zijn, zoolang
+we màcht hebben. Wìj hebben de macht, hier, overal, wij arbeiders,
+wij alleen! Wij hebben de macht, as we staan schouder naast schouder,
+hoofd naast hoofd, hart naast hart! Wij, wij alleen, as we eensgezind
+zijn, eensgezind tot in den dood, den strijd prediken zonder genade,
+oog voor oog, tand om tand, omdat 'r voor òns geen genade is--geen
+genade, geen rècht!--Eeuwenlang zijn we 'n kudde geweest, 'n getrapte,
+mishandelde, weerlooze kudde--laten we 't nou schreeuwen tot mekaar,
+schrééuwen, op elk uur van den dag, dat wìj de macht hebben, wij
+hongerlijjers--as we wìllen".
+
+
+
+Het applaus en geroep overdreunden z'n driftige woorden. Dichter drong
+de menigte op, wonderlijk-teer bespet door het stuiven der eerste
+sneeuwvlokken, die uit den grauw-dreigenden hemel bleek-bevend vielen.
+
+Van het grimmig luchtpantser naar de zwarte, stevige, harige
+koppen, plooiden, bewogen, spiraalden, verschoten-weer zacht-witte
+lijntjes van sneeuw. Het was geen wild dwarrlen noch jagen van
+vlokken--kinderangstig, spelend, soms schijnbaar stijgend-terug,
+waaitrilden de stuifjes en pluisjes, even-glanzend in een
+bruinen volbaard, luw-prikkend stervend op de warmte van 'n huid,
+droomrig-meetrillend op het knippend beweeg van een wimper. Eleazar
+wachtte ontroerd tot ze zwegen, hernam toen met kalmer gebaar,
+straf-kijkend in het warren der zwarte takken:.... "We zullen lééren
+te willen, kameraden, leeren te volharden, leeren éénsgezind te
+blijven. Waarom wonen onze ouders, broers, zusters in krotten waar geen
+zon schijnt, waar geen plant kan leven? Waarom sterven we zonder licht,
+lucht, vreugde? Waarom zien onze kinderen 'r ziekelijk uit, worden ze
+geboren misvormd en mismaakt? Waarom groeien we van onze jeugd tot in
+'t graf--in ellenden, ontbering, wanhoop, leed? Waarom staan we hier
+in de sneeuw te bédelen met schuwe gezichten en benepen harten om
+'n verhooging van lóón? Waarom blijven we vervolgden, verschopten,
+gevloekten, wij die àlles voortbrengen, bewerken?--Kameraden, we zijn
+gedoemd zoolang we verdeeld zijn, zóodra we verdeeld raken!--We geven
+nièt toe--Verliezen we 'n éérste staking, dan beginnen we in jaren
+geen tweede--we móéten! We moeten vooruit, vooruit, vooruit! We willen
+òns deel van den strijd, dien onze makkers over de hééle wereld met
+vreugde en opgewektheid strijden--we moeten òns deel van die taak
+begrijpen, 'r voor vechten, 'r voor aanhouden al striemt 't bloed
+van ons lichaam. Wat we vandaag vragen, èischen--is waarachtig geen
+vraag-van-beteekenis, geen eisch die 'n eind maakt aan den jammer,
+'t onrecht, de verdrukking. Dat weten en voelen we. Maar èlke stap is
+er een, elk voorposten-gevecht telt mee, elke kleine overwinning leert
+voor de toekomst. Kameraden--denk een voor een an je eigen thuis--an
+'t thuis, 't verdriet, de armoe, 't ongeluk van je buurman--denk
+an je eigen wéerloosheid--denk an de mácht van ons allen-tezamen,
+an de màcht die overwint"...
+
+
+
+Brusk zweeg hij, stapte houdingloos achteruit, terwijl goedkeurend
+gegrom en geklap op 'm toe-dreunde. De traptreedjes af-schuchterend,
+met armen die plots lomp-willoos slingerden, 'n lichaam ganschelijk
+onbeholpen van verlegen dronkenschap, 'n gelaat dat zenuwtrok, niet
+tegen den dagschijn in scheen te durven, zocht hij met beverige
+wils-verdwaasdheid 'n plekje om ònopgemerkt te schuilen. Het was
+of de koortsige bewustheid 'm sullig uit de hersens droop, of-ie
+gruwelijk-ingespannen 'n boek had zitten lezen, zonder overgang
+in schril morgenlicht keek. De achterhoofd-hoeken tintelden
+pijnlijk--klopte een kramp-strooming van z'n nek over de steile
+nekhaartjes--zoog z'n denken moeïg weg, met opschichtende verwijtjes
+dat-ie slècht had gesproken, niemendal gezegd, dat-ie an 't doorslaan
+was geweest--dat-ie geen woord meer wist--geen wóord.--'n Ander sprak,
+de sneeuw waasde sterker, grooter van vlok, natter van smak. Z'n hoofd
+stond te luistren, bleek en oud, z'n hoofd dat als 'n gedrongen ding,
+zonder afmeting, zonder ronding, zonder steun voelde--zag-ie alleen
+de haren van z'n snor die barstig onder den witten neus wipten.
+
+Toen-ie wat kalmer werd, toch met een nalooming van drukkende
+afgematheid, zocht hij Juda en Hes, vond ze niet. En opnieuw schrijnde
+'n heet-klamme ontevredenheid in 'm op, begonnen z'n handen kleverig
+te branden, prikkelde 't vreemd-dor in z'n tong bij 't denken aan 't
+éérst moment van z'n spreken--de hersenleegheid--de volslagen wilde
+afwezigheid--de visie van den ruigen, piesenden hond. Zanikerig,
+drenzend, zonder aandacht naar de tent starend, trachtte hij z'n
+woorden-van-straks te hervinden, te herhalen. Als-ie alles zoo
+innig voelde, zoo hartstochtelijk in zichzelf wist te zeggen, waarom
+stikte-die dan in gebrabbel en gehakkel--waarom kon-ie dan nou niet
+den eenvoudigen zin van z'n stortvloed formuleeren? Waarom trilde
+je na? Waarom sprak je tot Juda of Hes of Klaroen géwóon, bedacht,
+rustig, en kwam 'r als je tot 'n màssa lang-geweten dingen wou zeggen,
+'n duivel achter je staan, die je hitste, sarde, kwelde, tot je denken
+an flarden hing en je begon te ijlen, te ijlen in 'n róés... Waarom was
+je 't praten tot 'n menigte verleerd, 't simpel gevoelig praten over
+absolute waarheden, die je niet meer zoo simpel, zoo gevoelig waar
+kón maken als je stond door allen bekeken? Waarom zei je dan grove,
+onrustige, plotsling-opwellende dingen, werd je gezwollen, hol, duf,
+romanphrase-achtig? Toch móést hij er door, voor nu en voor later,
+als-ie 'n róéping had, als-ie de lijn van den tijd volgde, de tijd
+die een sterke, bewuste, overal hel-klinkende stem had... Opgeruimder
+schudde hij de sneeuwvlokjes van z'n jas. 't Dee 'r niet toe hóé-die 't
+gedaan had. Ongeveer was 't bereikt. Ja, 't was 'n verluchting dat-ie
+'t dùrfde, dat-ie de dompe, vervalende sfeer van 't krot waarin-ie
+leefde, ineens, zonder aarzling had afgeschud en in 't volle licht
+had gestaan om z'n kameraden te bemoedigen, op te wekken. O, o,
+díé schuimende heerlijkheid had-ie bedreven--ze hadden gejuicht--ze
+hadden begrepen--ze hadden in de handen geklapt om één van d'r
+ellende-genooten, om één die plóts voor ze was komen te staan. O, o,
+'t geluk dat je nou overal, òveral, uit àlle menigten, schuwe mannen
+zag rijzen, die éérst hijgden en mumden, dan vanzelf 't pad vonden
+om met zekere gebaren de veilige richting aan te duiden.... De oude
+peinzer was in 'm wakker geworden en een zachte blijheid, 'n lieve
+warmte van hoop en berusting groeiden, nu de overspanning verdween.
+
+
+
+Prettig-wild stoof de sneeuw toen-ie met Juda tusschen de menigte
+liep. Den grauwen hemel zag je niet door 't wijde gestraal, 't
+druk-sproeiend wriemlen der vlokken. Voor hen gingen mannen met
+sneeuwplakken op de hoedbollen, sneeuwstrooisels op de schouders,
+sneeuw op de ruggen, sneeuw in de haren, sneeuw op de schoenen,
+sneeuw om de hoofden. Over de kozijnen, over de goten, over de daken
+waaide het witte gestuif, klittend tot wallen en rondingen. De huizen
+schenen te molmen, weg te deinzen zonder omtrek, zonder harde muren,
+zonder gevels en pijpen. Door de zwarte, mat-starrende ruiten sneden
+witte sponnen, zacht-soepel wit dat vloeide in 't geel der kozijnen en
+spinten. Een enkel spion stak verschrikt 'n veldje van sneeuw in het
+schuine, gestadig gewirrel en op den hoek van de straat kroop een wigje
+met spichtige punt langs een raambouw omhoog. Vol leien de tramrails
+en roosters, week overboog de weg, felwit en breed naar de brug met 'r
+witzware leuning. Het was een duwend dringen van sneeuw, een vallen,
+warrlen, bewegen dat de lucht verschemerde, doorduizelde. In het
+stilwit plantsoen, waar de boomen scherp rezen, diepzwart van stam,
+de takken omhoog veerden als stalactieten in kalklicht, stoeiden
+luidschreeuwende kindren. Sneeuwballen ploften en braken, tolden met
+schimmigen zwaai, patsten dan week in berstende stuiving. Angstig
+holde een meid, de handen stijf langs 'r hoofd--suisden de ballen haar
+na, smakkend op 't roodbruine doekje, deukend in 't rokkengeraas,
+bepoedrend den wrong van 't haar. Greep haar een stevige sjouwer om
+'t lijf, smeerde z'n sneeuwprop tot diep in 'r nek, bukte opnieuw
+en wrong in den gillenden mond 'n klodder die huilend en spuwend ze
+spoog. Daalde dikker de sneeuw, haastig en smijdig. Onder de voeten
+nakraakte ze dof, schurend met wrang-zachte wrijving. De koffen in
+de gracht werden strakwit van dek en tuigage--'t spiegelbeeld klom
+uit het water in bleekig vlokkengedraaf.
+
+
+
+Juda, den kraag om de ooren, stapte zwijgend en norsch. Eleazar liep
+vlug en veerkrachtig. Het stugge geschuier der sneeuw gaf 'm lust om
+te spreken. De synagoge ging aan. Op de stoep, onder één parapluie
+stonden Davy en Berlijn van Laboen.
+
+"Kijk", zei Eleazar, minachtend.
+
+Berlijn had 'm herkend, trok Davy snel mee. De deur flapte open,
+doorliet den schijn van veel lichten--de deur flapte dicht.
+
+"Was dat nie Davy?"--, vroeg dof-grommend Juda.
+
+"Ja", sprak Eleazar driftig, denkend aan den middag toen de juwelier in
+'n wal van agenten van _Golconda_ naar _Adamas_ was geleid.
+
+De sneeuw bejoeg met striemende stralen de ruiten der kerk,
+overheuvelde schuin de kozijnen. Geluwe lampwasem lichtte in
+'t groenketsend glas, bleef in stroeve, vervreemde stollingen
+hangen, bijna teruggeslagen door 't bleeke, grijs-grauwe druilen
+van den heengaanden dag. Meerdere joden kwamen ter kerk. Telkens
+piepte de deur, gaapte de kerkruimte open--geel-wreede lichten
+en banken-gepuil--knoerste de deur in morrig gesteun van 'r
+veeren. Herkende Eleazar, Druif, den onderrabijn, dien-ie had
+zien sjaggeren, broeiend-begeerig, in het _Casino_, sjaggeren
+in blauw-flonkrende diamanten, sjaggeren met dorre grijpvingers,
+sjàggeren, 't week-zinlijk gelaat met den ringbaard en den krachtloozen
+neus achter de vensters.
+
+"Druif!", zei tegelijk Juda en grimmig den jood nakijkend, die in
+het deurgat verdween, snauwde hij: "die bìdde as wij verrekke--die
+dùrve bidde!--Dat 'r de bliksem in sloeg!--Wij haast geen vrète door
+de staking--zij in 'n warreme Schoel--bah! bah!"...
+
+"Waarom zoue ze vandaag minder bidde as anders", antwoordde Eleazar,
+voortstappend in de sneeuw naar de jodenwijk: "waarom zoue ze jùist
+vandaag méér geweten toone? Geen stàking, wel 'n staking--wie in onze
+tijd in 'n kerk bidt, bidden kan, slaapt of huichelt. En omdat je d'r
+goeie trouw wil geloove--ze liege niet allemaal--mot je ze met geduld
+probeere wàkker te porre. Strakkies, toen 'k in de tent stond en voor
+'t éérst van me leven spràk, heb 'k hardop gebeden. 'n Ander gebed ken
+'k niemeer"...
+
+"Weet jij wàd-'n kerk is", viel Juda hem in de rede: "'n kerk dat
+is--dat is 'n drie-dubbel vretende kanker--'n kanker met duizend
+gezwellen!--Hoe kén 't bestaan dat onder één dak de dief zit te bidde
+naast de man die-die daaglijks begapt en beschwindelt?--Hoe ken 'n
+gód bestaan voor mijn én voor Davy én voor Berlijn én voor Druif?--As
+Mozes vedaag diamantschlijper was, zoue ze 'm nèt zoo hard uitzuige,
+kon die zich krom legge met 'n vrouw, 'n zieke dochter en twee kindere
+as ik!--Nòg, 'n kerk da's om je d'r onder te hóúen--Waarom speelt
+zoo'n frotte rebbe geen godverdomme tegen Davy en de andren? 'k Wou
+dad-'k de poote van Simson had--dan trok 'k ze na de verdommenis"...
+
+Hij had zich opgewonden, spuwde giftig in den sneeuwgrond.
+
+"Gàmmer", zei Eleazar: "wìj, onder mekander zalle in 't gróót doen,
+wat Simson dee. Wij zijne óok 'n reus met uitgeboorde oogen--en nog
+niet genóég gesard. Let op: ònze tijd komt. De kerk is 'n onderdeel,
+de staking 'n onderdeel. De hoofdzaak is--is"--geheimzinnig-kinderlijk
+lachte hij: "dat de werachtige messias op is gestaan die ons zal
+verlosse en na Jeruzalem voere"...
+
+"Ja", zei Juda simpel, zonder eenige verklaring te vragen--volkomen
+begrijpend wàt Eleazar bedoelde--: "hij is 'r--in àl de lande--in àl
+de lande--'k ben blij dad-k 'r 'n pietsie van beleef"...
+
+"Ik ook", zei Eleazar.
+
+Zwijgend, beiden met een bijna weemoedige vreugde dat ze bij allen
+tegenslag, in alle omstandigheden, verheugenis hervonden door de
+kracht eener samenwerking, die eenvoudiger, verheffender dan eenige
+godsdienst de wereld rondging, stapten zij in de sneeuw, de hoofden
+gebogen tegen het jagend gedwarrel.
+
+Als een eerwaardig gevaarte lag de jodenbuurt, indrukwekkend van
+witte kronkel-alleeën. Ze was nu geheel anders en statig van
+schoonheid. Straatjes, stegen, sloppen, daken vervloeiden tot
+'n gedaantelooze sneeuwromp. Over de modderkeien effende zwaar de
+sneeuw--sneeuw lei op de karren, op de buigende huifjes. Al 't gore,
+vuile, verweerde, verbrokkelde, school achter het wit verkoelend
+geraas. De ouwe poortjes en bogen stonden bleek en massiever,
+de kelder-uitbouwen waren als banken in krijtrots gebijteld. Wit,
+sponzig-wit, wijdden geulen en brokklende dijkjes. Je kon nauwlijks
+de ruïnen, de stegen en krotten herkennen.
+
+
+
+Op de binnenplaats speelden Saartje, Meijer-van-Suikerpeer en
+Jan-van-den-schoenmaker. Ze hadden een grooten sneeuwbal gerold,
+heen en weer, tot-ie 'n reus was geworden, vet en lomp met overal
+zwarte kinderhandjes er in.
+
+"Nou--wat 'n kànjer, sodemerakel!", schreeuwde 't manke jogje,
+pijnlijk de vingers beblazend.
+
+"Zou-die niet breke, oome?", vroeg Saartje, 't groezelgezichtje rood
+van het werk.
+
+"Ach, bè-je belazerd!", riep schoenmakers-Jan: "je ken d'r op
+stáán!"...
+
+Samen drongen ze den bal voort, de donkere poort door naar 't
+straatje. Klonken hun stemmen frisch als de sneeuw, onder 't steenen
+gewelf. Even stond Eleazar in luistring. Dan liep-ie binnen bij tante
+Reggie, die in 'r stoel sliep, den mond hijgend open.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+Wrokkend liep-ie den Amstel langs, de tintel-kouwe vingers in de lauwte
+der broekzakken. De sneeuw klukte onder z'n voeten--z'n adem stoof
+in ploffend gedamp. 't Was 'n belabberde nacht, 'n verbijsterende
+morgen geweest. Toen-ie Reggie wel-te-rusten wenschte, had-ie moeite
+niet in snikken uit te barsten. Ze zat in de onverwarmde kamer, bij
+de uitgaande lamp--had niks gegeten dan 's mòrgens 'n homp brood,
+'t laatste dat de bakker borgde--an alles kwam 'n end--nog meer poffe
+dee-die niet.
+
+"Wel te ruste", had-ie benepen-hijgend gezegd.
+
+"Dag jònge--slaap lekker," had ze geantwoord, de handen,
+vredig-van-wrijf in den schoot.
+
+Toen had-ie de deur achter zich gesloten, even op de binnenplaats
+staan zinnen, vinnig, triestig en mal. De terging, de vervloekenis, dat
+'n blinde niet te vrèten had! Den knop hield-ie in de hand, alsof-ie
+iets beestigs beging met zóó heen te gaan. En over-gevoelig, gek,
+niet na-denkend--as je 'n heelen dag had gevast, kreeg je van die
+helle, waanzinnige oogenblikken, waarin je onstuimige dingen dee,
+dingen van plotslinge drift en zenuwspanning-op-huilen-af--had-ie de
+deur weer geopend, was hijgend op 'r toegestapt om 'r dorre handen
+nog eens en nòg eens te zoenen.
+
+"Wat is dat--wat is dat, Eli--nar van 'n jònge?"--, had ze gevraagd.
+
+De tanden had-ie in 't lippenvleesch gegrimd, om 't niet sentimenteel
+uit te gillen--toen had-ie hokkend, hoog-van-stem gezegd dat-ie dacht,
+dat ze--dat z'm geroepen had, nà-geroepen.
+
+"Nee", zei ze, verwonderd-ongeloovig, niet begrijpend, waarom-ie dàt
+ineens had gedaan.
+
+"Mòrge zal 'k zorge dat 'r eten in huis is", zei-ie onrustig, opgehitst
+door 't verwijt van 'r zwijgen.
+
+"Da's goed", knikte ze: "en anders houe we maar jonkippoer, wàdde? Voor
+mijn is 't 't minste--maar de kindere--de kindere is 'n zòrreg"...
+
+"Ja", had-ie gezegd, weer naar de deur gaand: "zal 'k de lamp
+uitblaze?"
+
+"Nee, nee, jònge. 'k Blijf op Dovid wachte--'k Begrijp nie waar Dovid
+zit, waar Dovid uithangt. Nou zie-je, nou zie je dad-ie rècht had,
+toen-die wèrke wou"... Dan merkend an de stilte dat-ie 'r nòg geen
+gelijk gaf, viel ze snel in: "'k maak 'r jou geen verwijt van, nie tot
+over 't end van me jore--jij heb 'n goed hart--en jij bin geen kind,
+maar 'k zeg enkel maar: nou zie je--nou ziè je--wàdde?--Je ken de
+wereld nie overeind zette--dat doet God zellef as-die 't wil--wadde?"
+
+Aldoor terwijl ze sprak, had-ie in de vlam van de lamp staan kijken,
+die kleiner werd, rood-peuterend kringde. En toen ze zweeg, had ze de
+sputterinkjes gehoord, flauw-glimlachend gevraagd of-ie 'r toch maar
+wou uitblazen--voor de stank en de walm. In de stilte der kamer was
+de lamp aan de piepende kettingen gezakt, had z'n adem geploft. En
+samen in 't duister, hadden ze nagepraat, tot buiten de klok elf
+dompige slagen gaf.
+
+Boven, in z'n kamertje, had-ie getracht 't venster te openen,
+rukkend en wringend, de vingers bezeerend. 't Raamhout was aan het
+kozijn vastgevroren, de ruiten kartel-glanzend bebloemd, weerden 't
+uitzicht op de daken. Hij stikte. Buiten leien vaarten en grachten
+sinds dagen dicht, buiten werd schaats gerejen, buiten woei 'n
+felle oostenwind bij aangroeiende maan--hij had 't benauwd--hij had
+moeite adem te happen--hij voelde zich gejaagd en róód-wakker en
+schel-van-denken, als-ie als kind zoo dikwijls bij plots aanluwend
+voorjaar geweest was. Z'n schoenen uittrappend was-ie op 't bed
+gaan liggen, zonder dek, kijkend naar het gevlam op de ruiten,
+de zilver-schubbige varens en zwammen, de biesjes en splijtende
+trossen, die scherpten in 't maanlicht. Het beeld van de blinde
+vrouw, benejen in 't donker, stond in z'n hoofd gebeitst--'t
+gewrijf van 'r handen--'r glimlach--'r vrede. Sterk-snuivend,
+de oogen gespannen, de tanden geklemd dat de kaken 'm pijn deëen,
+bèdàcht-ie. Alles kon, alles mocht, dàt niet. 'n Blinde met honger,
+'n blinde die dezelfde maag-krimping voelde als hij nóu, was wel 't
+liederlijkst dat je je voorstellen kon. Z'n kleeren had-ie verkocht,
+z'n boeken, z'n sjofel hebben en houen--z'n horloge stond in den
+lommerd--al leie z'm op de pijnbank, hij wist geen dubbeltje uit
+den grond te stampen. Wat nou? Wat? Wat? Suikerpeer had zelf niet
+te eten, zou morgen probeeren met sneeuw-opruimen of bijten-hakken
+wat te verdienen--Poddy lei ziek, doodziek, met zulke aanvallen van
+koorts en ijling dat Rebecca 'm tweemaal 's nachts had gewekt--tante
+Soor, tante Soor--'t was om te gillen van 't lachen, as je je hulp
+overkeek--je hùlp!--Nou liep 't voor 't eerst héélemaal spaak. 't
+Beloofde 'n afschuwelijken dag--kinderen, 'n hulpelooze voor wie geen
+kruimel brood, geen turf, geen olie in huis was. 's Middags was-ie rond
+gegaan, zoekend 'n karwei, 't eerste 't beste, verlegen aanschellend
+hier en daar of-ie 't ijs van 'n stoep mocht krabben. Overal had-ie
+bot gevangen. De bouwvakken stonden stil. Duizenden waren werkeloos,
+grondwerkers, metselaars, opperlieden--'r was pas dien morgen 'n
+optocht, 'n honger-optocht van armoedige, genekte kerels geweest
+en de taaie staking van de diamantslijpers, luie bliksems die werk
+konden krijgen, as ze d'r driestheid van èischen-stellen lieten
+varen, zette 'n dubbelen wrok. Wat mòrgen? De bevroren ruiten met
+'r krinklend gevlam van manelichte-bloesems, 'r sneeuwwitte kelken,
+bessen, lovers en stekels, brandden in z'n oogen. Nou lag-ie sullig
+en slap als duizenden rondom. God, god, as-ie opstond, 'n paar
+straten doorliep, kwam-ie op pleinen waar ze in lekker-warme café's
+zaten, kwam-ie bij huizen waar ze met giften en fooien wanhopigen
+susten. 't Dek over z'n koud-geworden voeten trekkend, de oogen in
+gemarteldheid sluitend, had-ie de gekste invallen gehad, misdaden
+liggen uitpluizen, die-die wist dat-ie nièt zou begaan. Maar 't
+was slaap-knufflend en lollig gemeene dingen uit te spinnen, dingen
+van sluwen diefstal--dat ze je niks konde lappe en je geld bij de
+vleet kreeg. In z'n gehitste wakkerheid, onrustig, de geluiden van
+'t huis beluisterend, 't hoesten van Poddy, 't schreeuwen van Bekkie
+bij Suikerpeer, had-ie 'r plezier in gekregen de detective-verhalen
+te overdenken, die-die in Amerika had gelezen. As-ie 't dee met 'n
+zakkie peper, of met 'n ploertendooier erges op 'n stille gracht--of
+loerde bij Wolf, 't pandjeshuis, waarvan Saartje 'm had verteld,
+tot de vrouw of de dochter alléén was, of 'n ruit indrukte van
+'n effectenkantoor, of 's nachts bij rijke menschen--en 'n pond
+groene zeep meenam voor 't vallen van de glasscherven. Woelend,
+dwaas van scherpzinnigheid, had-ie bijzonderheden liggen wikken,
+hoe-ie 'n pet zou opzetten, die nog niemand van 'm gezien had en
+z'n jas met de voering naar buiten dragen voor 't signalement, en
+'n groote hoop leggen in de kamer en de klok stil zetten, dat ze naar
+beroepsmisdadigers zouen zoeken. Toen daarover moeilijk doordenkend,
+log van murmureeren alsof 'n snikkend-warm ding in z'n middenhoofd
+wroette, tobde-die hoe 't kòn, hóé ze 't deëen de èchte misdadigers,
+de roovers-van-ras. Slaap-soezend, half in droom, zou-ie nog--want om
+'n grooten hoop te doen--most-je--most-je--'t kennen--en datte ging
+maar niet as je 't wóu--zoo maar eén-twee-drie--as je geen trek had--al
+leien 'r tonnen in de brandkast. Poddy, benee, had 'm wakker gehoest,
+met 't reutelgeluid als van 'n huil-blaffenden hond. Misschien had-ie
+geslapen, misschien niet--hoe laat 't was, kon-ie niet gissen. Even
+stutte-die op de elbogen, luistrend naar Rebecca's stem, 't rogglen,
+'t vloeken, wou-die opstaan om te helpen. De geluiden dempten in
+nacht-zwijgenis--ver, ver weg, tinkelde 't carillon van 'n klok,
+en 'n muis, 'n muis die-die kende, die-die wel had zien loopen,
+knaagde achter 't behang. 't Hoofd in 't kussen borend, om den
+slaap te vatten, had-ie gepoogd an wat ànders, ànders te denken,
+had-ie nijdig tegen 't behang geklopt om de muis die 'm wakker hield,
+te verjagen. Maar 't getob was-ie niet kwijt geraakt. 't Maanlicht
+had-ie zien heenbleeken, 't ochtendscheemren aangrauwen, achter de
+straffe, kristalwitte ijsbloemen. Vroeg-opgestaan, korzelig, vermoeid,
+had-ie zich niet kunnen wasschen. 't Water in de kan was bevroren--de
+droogdoek stramde in plooien, stijf en weerbarstig. Hoofdpijnachtig,
+met lust om ruzie te zoeken, was-ie de poort uit gegaan, zonder bij
+Reggie binnen te loopen. Met leege handen dee-je niks. En hij had
+gisteravond beloofd, beloofd, gek as-ie was, om te belooven wat je
+toch niet kon nakomen. Na-suffend over z'n gemurmureer, z'n hersenloos
+zaniken van inbraak en moord, gromde-die kwaadaardig en wrevelig. De
+stomheid om over boeken-misdaad te zeuren, as je voor de werkelijkheid
+van 'n brood voor 'n blinde en kinderen stond.
+
+Eerst was-ie angeloopen bij 't sneeuw-bureau van de stad, waar
+honderden drongen, vijandig kijkend naar wie door de queue probeerde
+te sliepen. Suikerpeer groette. Die was leeper geweest en al om vier
+uur van huis gegaan, 'n Half uur wachtte-die, verkleumd, trappelend,
+huilerig van ellende--toen kon-ie inrukken. Alleen de voorste werden
+genomen. De rest was niet noodig. Mee-sjokkend met 'n paar ouwe
+stumpers, die in 'n toevluchtsoord sliepen, die teminste 'n kop
+warme koffie hadden geslikt, had-ie langs de ijsbanen gedrenteld,
+waar al vroeg de vlaggen vroolijkten, en metselaars, timmerlieden,
+diamantslijpers, de sneeuwbeddingen veegden. Elke gracht, elk water
+had z'n banen met hunkrende hongerlijders. Onder de bruggen hakten ze
+'t ijs, om vlonders te leggen en centen te bedelen. Stoelen werden
+aangedragen en schaatsen om te verhuren. Overal was 't 'n haasten
+om de ouwe plaatsen in te nemen, overal keken ze den bleeken,
+jongen jood en de verdane kerels van 't toevluchtsoord weg. Toen
+waren ze weer aan 't aanschellen gegaan, door deurkieren vragend of
+ze stoepen mochten schoonmaken, asch strooien, bijten hakken. De
+menschen sliepen nog, de dienstmeiden zeien nee. En zoo, in den
+star-heldren wintermorgen,op van kou, grimmig van wrok, was-ie
+alleen verder gegaan, de zwaar-trekkende karrepaarden langs, de
+zwiepende bezems ontwijkend van de mannen die voor de stadsreiniging
+werkten. Eén ding had-ie nou nog, 'n màl ding dat 'm in was gevallen,
+'n ding waarvan-ie gehoord had. Als 't ijs-pantser over 't water lag,
+kregen de visschen 't benauwd, mosten ze lucht hebben of stikten
+en dreven dood naar de bijten. Als-ie den Amstel afliep, de groote
+banen voorbij, had-ie kans en al most-ie den heelen dag wachten,
+wat boven kwam was 'n uitkomst, 'n maaltijd. Voortstappend, zonder
+gedachten--in 'n lichaam dat vier en twintig uur geen voedsel gehad
+had, waren geen werkende hersenen meer--zag-ie de verlevendiging van
+'t water met z'n tenten, planken, zigzaggende rijders. De boomen,
+norsch en zwart, droegen malsch-witte reepen, bogen soms in den wind,
+met stuiving van sneeuw. Waar de tramrails sneden, had pekel de keien
+gebruind, vloeiden plassen met bulten en builen.
+
+Klukkend persten z'n schoenen, bleek-dampend berstte z'n adem. Nergens
+zag-ie 'n bijt. Sneeuw en ijs hadden de gaten verstopt. Stilstaand,
+grienerig van woede, verkleumdheid, wou-ie terugkeeren, in bed warmte
+gaan zoeken, toen 'n schelle jongensstem 'm riep.
+
+"Dàààg Eli!"
+
+Omkijkend herkende-die manken Jan-van-den-schoenmaker.
+
+"Gedoomes fijn, hè!", schreeuwde 't jogje: "jeezes-mierande wat leit
+'t dicht! As 'k geen manke poot had gong 'k rijje! Ga jij d'r mee op?"
+
+"Nee", zei Eleazar: "'t is hier koud genoeg!"
+
+"Hù!", schimpte de rakker: "dat zeg-ie maar--asof 'k nie-weet da-je
+nie durreft as d'r geen balke onder legge".
+
+Hij zei 't zoo kinderdriest, dat Eleazar in den lach schoot.
+
+"Balken legge d'r genoeg onder", zei-ie, rillerig: "maar an balken
+heb-ie nie veel. 'k Zoek 'n bijt voor dooie visschen."
+
+"Wat mot je met dooie vissche?", vroeg de schelle stem van den jongen.
+
+"Eten!", zei Eleazar.
+
+"Verrek! Wat hei-je an dooie bliek? Die zou ik nie luste"...
+
+"As 't maar lekker gekookt wordt," zei Eleazar, om 'm te overtuigen:
+"vecht je om 'n graatje!"...
+
+"Dooie bliek--die stinkt.--As-je denk da-je mijn 'r tusschen neemt,
+zeg, mot je vroeger op staan!"
+
+Weer lachte Eleazar, 't ventje dat als 'n oud mannetje praatte bij
+z'n dunnen nek schuddend.
+
+"Dooie bliek en dooie voren, gestoofd met 'n scheutje azijn, Jan--daar
+zou jij van smulpapen, as 't warm voor je op tafel sting."
+
+Samen liepen ze op, de man en 't manke jogje, sprekend als kameraden.
+
+"Hei-je dan 'n schepnet?"--, vroeg Jan, geintresseerd.
+
+"As ze boven drijve hei-je ze zoo maar te grijpe."
+
+"Boven drijve? Boven drijve? Verrek--dan rake ze toch onder 't ijs!"
+
+"As 'r 'n bijt is, zoeke ze lucht--'n visch die geen lucht krijgt
+stikt--net as wij"...
+
+"Hù!", schreeuwde 't jogje, schel in de ochtendlucht lachend:
+"hù--'n visch die in 't wàter stikt--hù--hù!"
+
+"Geloof je 't nie?"
+
+"As jij 't wèl geloof"--, redeneerde het ventje, zwaar hinkend in de
+sneeuw: "dan hei-je ze je belazerd--en da's stom genoeg voor zoo'n
+groote kerel."
+
+"Dank-ie wel", grinnikte Eleazar, opgewekt door de frissche brutale
+geluidjes naast 'm: "maar 'k denk dat 'r nog wel 'n páár dingen
+in 't leven zijn, die jij èn ik nog nie weten. As 'n visch zóó
+doet"--stilstaand bootste-die met z'n kaken 't happen van hijgende
+kieuwen na: "as 'n visch buiten 't water leit te trekken, dan wil-ie
+ademe--snap je?"
+
+Even dacht Jan. Toen zei-die helder-betoogend: "Sodejuu--dan zoue
+ze toch ééns zoo goed leven, bùiten 't water. Zie je nou wel dat
+ze je belazerd hebbe! As je ze ophaalt an de hengel binne ze as de
+weerlicht kapot--nou--nou?--Hoe ken dat nou? In de lucht zit toch
+meer lucht as in 't water, werin heelemaal geen lucht zit".
+
+"In 't water zit óók lucht", begon Eleazar uit te leggen, maar Jan was
+'r als de kippen bij.
+
+"...Hù! Hù! In water lucht! Dan zou je telkes bellen na boven zien
+komme. As je met 'n ouwe pijpesteel in water blaast, komt 't 'r net
+zoo hard uit, as je 't 'r in fluit! Jij loopt te klesse. As 'k jou
+met je kop onder water hou, mot je verzuipe. En je zou nie verzuipe as
+'r beneejen lucht was."
+
+"Dank-ie voor 't lesje", zei Eleazar, in 'n hoek gedreven en nog
+eens z'n aanloop nemend: "toch zit 'r lucht in water en al zat 'r
+geen lucht in, dan vin je in 't water dezelfde dinge die in de lucht
+zijn--heusch, Jan"...
+
+"Nou breek me klomp!", schetterde de jongen: "as water lucht is
+en lucht is water, dan zoue de vissche kenne vliege en de vogels
+vortzwemme!--Jou kenne ze alles wijs make! Je mot ze maar late lulle!"
+
+"En wáarom komme ze dan dood boven drijve in de winter?", lachte
+Eleazar weer--toch kleintjes, want, och, och, as je dingen van uit de
+vèrte wist, drukte de eerste de beste slimme rakker je plat--"waarom,
+as 't water toeleit gane de vissche met dùizende kapot?"
+
+"Omdat", zei 't jogje dadelijk: "omdat ze verrekke van de kou, net
+as de grootvader van de flesschetrekker an de overzij, die ze in de
+kelder bevroren hei-je gevonden"...
+
+"Nee", zei Eleazar: "benèjen in 't water is 't, as de boel toegevroren
+is wàrmer, net as onder de grond"...
+
+"Jij ken wel zóóveel zegge!"
+
+"Vraag 't dan an de meester op school".
+
+"Op school mag-ie niks vrage--enkel je vinger opsteke as je mot
+pisse"...
+
+"Nou Jan--'t is werachtig zoo as 'k 't zeg."
+
+"Hù!", schreeuwde spottend 't ventje: "hù! Ze hei-je jou verneukt,
+hoor! As 't nie ken, dan ken 't nie. As ik 'n visch was, dan gong
+'k nou ook kapot van de kou"...
+
+"Geef me 'n hand, dan help 'k je op 't ijs", zei Eleazar.
+
+
+
+Ze liepen over de sneeuwbulten naast de baan, naar 't badhuis, waar
+groote bijten waren gehakt. En voorzichtig toekruipend naar den rand
+met z'n opstaande blokken ijs, de lomphoekige blokken die de rijders
+waarschuwden dat 'r open vakken leien, brak Eleazar 't versche,
+knappende vlies. Een enkel grijs-zilvrig vorentje met goud-rooden
+oogjens en rossige vinnen dreef tusschen de splinters.
+
+Jan, 'n eind verder--met z'n tweëen te dicht op den rand was
+gevaarlijk--kreeg 'n schudding van lol.
+
+"Godvergeefme--daar loopt-ie 'n halfuur voor uit! 'n Voren as 'n wòrm!"
+
+"D'r komme 'r wel meer, as je geduld heb", zei Eleazar, 't vischje
+grijpend en naast zich leggend. Op de knieën gehurkt, keek-ie naar
+'t machtloos gedobber van 'n groote bliek, die telkens op 'r buik
+dreef, dan weer 'n trillend vinslagje deed.
+
+Versteven van kou, klappertandend, zat-ie te lóéren, met de drift van
+'n wanhopig-uitgehongerd beest.
+
+"'k Wou da'k 'n hengel had", zei Jan, z'n armen stevig klappend als
+'n kouwe schipper: "zeg--gane jullie dat nou heusch thuis vrete?"
+
+"Ja," knikte Eleazar.
+
+"Met aarpels?"
+
+"Nee--d'r zijne geen aarpels".
+
+"Vrete jullie dan enkel dat kreng!"
+
+"'k Wou da-'k vast 'n zoodje had".
+
+"Weet jij wat mijn vader zeit?"
+
+"Nee--wat zeit jouw vader?"--, herhaalde Eleazar, opstaand--op de
+knieën ging 't niet, snee de kou door je heupen.
+
+"Vader zeit dat 't je èigen schuld is, as je nie hei te vrete, da-je
+ken werke as je maar wìl."
+
+"Niet zoo dicht bij 't water komme", waarschuwde Eleazar:--"je leit
+'r in eer je 't weet--en ik ken niet zwemme."
+
+"Is 't je eigen schuld, zeg? In plaas dooie visschies te kaaie,
+kon je toch wèrke"...
+
+"Ja-ja", zei Eleazar: "àlles ken, hè?"--en zich plotsling buigend,
+greep-ie de bliek, die nog zwakjes leefde, even den staart in schudding
+rukte en hijgend de slijmrige kieuwen bewoog.
+
+"Jeezes mierande!", riep Jan, snel toeloopend en bewonderend kijkend:
+"dat hei-je handig geflikt. Hij leeft nog. Mag ik 'm vasthoue?"
+
+"As je 'm niet loslaat", zei Eleazar.
+
+Het kind nam den visch in z'n zwart handje, hield z'n pink dicht bij
+den bek.
+
+"Zou-die bijte? Nee, hè? Ooge as kraaltjes, hè? Sodejuu, daar
+spartelt-ie haast los. Ja, dat mot je probeere. Dan mot jij maar niet
+zoo stom zijn, blinkende dief!"
+
+"Rol ze in me zakdoek", zei Eleazar--dan blijve ze koud"...
+
+'n Poos zaten ze stil, opgeschrikt soms door 't dreunen van 't ijs als
+'n ris rijders voorbijglee.
+
+"Waarom kies je geen ander vak, as je geen lol meer in diamantslijpe
+heit!"--, begon 't kind weer.
+
+"Lol is niet genoeg", geeuwde Eleazar, bevangen door de kou: "je mot
+'r mee verdiene".
+
+"Ja, voor niks dee 'k 't ook nie--niks is nimmendal.--Zeg, wat is dat,
+zoo'n dìng, zoo'n diamant die jullie mot slijpe?"
+
+"'n Diamant is 'n steen".
+
+"En werom mot je die slijpe?"
+
+"Om 'm glad te make".
+
+"En dan?"
+
+"Nou dan--dan is-die klaar en wordt-ie gedragen".
+
+"Door wie?"
+
+"Door menschen met duiten".
+
+"Koope ze die?"
+
+"O jee! Met 'n half pond van die steentjes, ben je zoo rijk dat je
+'n eigen huis ken koope en niks hoeft te doen".
+
+"Da's lulle", zei 't manke jogje, stellig: "met 'n half pond steene--'n
+huis--'n héél huis! Wat kost dan zoo'n steen?"
+
+"Je heit 'r van hònderdduizend gulden", blufte Eleazar, die schik in
+de jongens-rapheid had: "van wel meer"...
+
+"Van die dinge van hònderdduizend guldes", schreeuwde Jan, ongeloovig:
+"en wat doene ze met zoo'n ding?"
+
+"Drage", verklaarde Eleazar, ongeduldiger--je kon niks zeggen of
+'r kwam 'n vraag: "drage an d'r oore, an d'r vingers, an d'r hals"...
+
+"Verrek!"--, zei 't jongetje: "hoe ken dat? Wat heì-je an 'n ding van
+honderdduizend guldes, dat je an je poote draagt!"--Weer schel-de
+z'n stem in 'n spottend hù!--weer trok-ie 'n gezicht dat-ie zich
+niet voor de mal liet houen: "godvergeefme de zonde wat ken jij met
+'n glad smoel staan liege!"
+
+Eleazar lachte hardop en Jan, denkend dat Eli 't niet langer kon
+houen, schaterde mee. De zakdoek op 't ijs stuipte in schudding. De
+bliek was nog niet dood. Er gingen meer schaatsenrijders voorbij,
+luchtig van zwier, met ademgevlucht bij de monden. Dichtbij speelden
+kindren met 'n slee, loopend in draf, met rinkel-raketting van dansende
+bellen. En in de verte joelde 't geroep van de menschen in de tentjes
+die slemp en jenever verkochten. Heen en weer loopend, met voeten
+die geen bodem meer voelden en 'n vinnige tinteling in de handen van
+'t koude water, keek Eleazar naar 't vak. Jan, die zich verveelde,
+zei dat-ie 'r vandoor ging.
+
+"Blijf-ie nog lang, zeg?"
+
+"Hei-je zoo'n haast?"
+
+"Nou ja--wat mot 'k hier? Je vangt ommers niks"...
+
+"As je maar wácht".
+
+Hij stond haast te bedelen om 't gezelschap van 't kind. Alleen
+hield-ie 't niet uit.
+
+"Is je zussie weer beter?"--, vroeg-ie om te rekken.
+
+"Wat voor zussie?"
+
+"Die toen zoo ziek was--toen de kelder onder was geloopen?"
+
+"Die was ommers nie ziek!"
+
+"O nee?"
+
+"Wel nee--noem-ie dat zièk?--Daar drijft 'r weer een! Daar komt-ie!"
+
+'n Kleine bliek slapte omhoog, 't buikje rood-lichtend, de vinnen
+draderig-waaiend als haar. Langzaam door 't donkere gat van 't water
+rees-ie, luchtig van drijving. Liggend op 't ijs, de armen gestrekt
+over de bijt, greep Eleazar.
+
+Maar 't vischje in laatste herleving, schoot uit z'n hand, duikend
+onder het ijs.
+
+"Wat 'n sekreet om zich dood te houe", zei Jan en trapplend van kou,
+herhaalde-die: "ik ga d'r vandeur, zeg".
+
+"Goed", zei Eleazar, mat. En 'n paar blokken ijs dompend, ging-ie
+zitten, de handen in de broekzakken, de beenen gekruist, wachtend op
+den afval van benee. 't Jongetje klotste de baan op, zetjes nemend om
+glijbaan te spelen, 't Horrelvoetje sleepte na, de armpjes strakten
+in dwaze cadans.
+
+
+
+Wezenloos, vaal-van-uitputting, bleef Eleazar, kijkend naar
+'t gat, naar den zakdoek die niet meer bewoog. 't Kind met z'n
+drieste levenszekerheid had 'm òp gehouen--nou zakte-die in, moe en
+verstompt. Dezelfde wanhoops-besluiping van de fabriek, toen-ie naast
+Juda zat, in aanvoeling van 't onweer, deed z'n wil in 't futteloos
+lichaam besterven. Een stap, eén luttele glijing en hij was 'r uit,
+stikkend als de visschen, verlost uit 't hijgend getob. Ziekelijk
+geeuwend, dat de tranen uit z'n ongemakkelijke oogen glibberden,
+begon-ie weer op en neer te loopen, bang voor 't water dat 'm
+aantrok. Als ze 'm nou brood hadden voorgezet, zou-ie 'r van gekikt
+hebben, te ellendig as-ie zich voelde om ièts te kunnen. Wat was gebrek
+'n ding dat je tot 'n beest maakte, dat je alles dee verwenschen,
+vergeten--wat was je niks, niks met 'n maag die 't denken uit je
+kop trapte. Klappertandend, bukkend om den zakdoek met de twee
+dooie visschen mee te nemen, 't nog eens in de stad te beproeven,
+zag-ie twee bliekjes beweegloos naast mekaar drijven. 't Kikkerde
+'m op. Snel met z'n pet scheppend, verraste die ze. Vier. Vièr. As-ie
+'t opgaf, bracht-ie niks mee voor de kindren, de blinde, die gisteren
+gewacht had, vandaag wachtte. De zakdoek op ' t ijs, trilde zachtjes,
+de plezierige stuiptrekking echoënd.
+
+
+
+Tegen vijf, blij met z'n vangst--hij had 'r wel twintig, liep-ie de
+Sarphatistraat door. Daar waren ze nog bezig met 't ruimen. Op gelijke
+afstanden leien puntige hoopen sneeuw en straatvuil. Handkarren werden
+af en aan gereden om 't veegsel in de vaarten te storten. Bij het
+station werkten ploegen met bezems, schoppen en latten. Suikerpeer,
+ongewoon-rood van gelaatskleur, stond op 't trottoir de ingevroren
+sneeuw los te bikken. Rustend op den steel, kapot van den arbeid dien
+z'n oud joden-lichaam nauwlijks kon volhouden, spuwde-die hijgend.
+
+"'k Wou dat ze mijn vanmorrege hadde angenome", zei Eleazar.
+
+"'k Leg net zoo lief 'n week ziek", sprak de groentenjood, meewiegend
+'t gehijg van z'n borst: "dad-is geen werk voor 'n jid"...
+
+"Je sleept 'n daalder na huis--wees blij, gammer".
+
+"Blij! Blij! Me lendene krake--'k hei geen droge plek an me lijf. Daar
+mod-je 't lichaam van 'n goj voor hebbe. Van zeven uur tot nou an
+toe! Kijk wad-'n blare an me poote". Bevend van moeheid, met handen
+die-die niet stil kon houden, liet-ie de stukgewerkte, bloedrige
+blaren zien.
+
+"Cente verzoete blare", zei Eleazar, bijna afgunstig.
+
+Doorloopend, omdat de stadsopzichter op 't trottoir kwam, snauwend
+naar 't gebabbel keek, wachtte-die op den hoek tot 'n handkar gevuld
+was. Er werd een lantaren aangestoken, die schamper-geel met 'n
+groenigen nimbus 't weifelend daglicht doorschrilde. In de holte van
+'t station vurigden de roode signaallichten en op 't plein kil en
+nevel-schimmig klamde in meerdere kappen 'n vlam, slurperig-kwijnend
+achter de vetting der glazen. De jodenbuurt inwandelend, hield-ie
+in zich de ziening van de werkende mannen in de sneeuw, het norsch
+beweeg der bezem-zwaaiende armen, het strammen der beenen--'t er ùit
+vallen bij dien spierarbeid van den ouwen jood--gelijk 'n pootige
+christen-koopman 'r uit viel--die met joden negotie dee.
+
+
+
+Tante Reggie had van Soor 'n half brood gekregen. Nou Eleazar thuis
+kwam met visch, kende ze 'r weelde niet.
+
+"Hei-je ze gekòch?"--, vroeg ze eerst, den zakdoek betastend, van
+elken visch door 't goed heen, de dikte bevoelend.
+
+"Nee", zei-die, 'n homp droog brood in gulzige brokken slikkend--as-ie
+langer gewacht had, was-ie in mekaar gezakt: "nee, die hei-'k uit
+'n bijt gehaald".
+
+"Uit 'n bijt", sprak ze: "hoe ken men z'n leven zoo wàge!" Hij lachte.
+
+"Maar nou", zei ze, bezorgd voor zich heen pratend: "nou hebbe we
+visch--en wadde lekkere dikke zijne d'r bij--maar nou bin je net zoo
+wijd--zonder stoking enne zonder zout".
+
+"Laat 'k ze eerst schoonmake", zei hij opgemonterd: "dan kijke
+we verder". Zij, in den deurpost, luisterde naar 't geschrap
+van z'n zakmes. Visch voor visch, lei-die op 't vensterkozijn en
+'t mes malschte de schubben, die in 't avondscheemren warrelend
+stoven. Saartje, die van boven kwam, keek met blij-verwonderde oogen.
+
+"Bin je an 't vissche gewees, oome?"
+
+"Ja, Saar."
+
+"En wat zijne dat oome?"
+
+"Da's 'n bliek--en dat 'n voren--en dat--da's 'n ràre die 'k nie ken".
+
+"Mag 'k mee hellepe schrappe?"
+
+"Nee--stil nou!", zei-ie, ineens nijdig, omdat-ie zich stak an 'n
+rugstekel--: "hè!", klaagde-die, zuigend en 't bloed in de sneeuw
+spuwend.
+
+"Hei-je je gesneje, jònge?"--, vroeg de blinde, pijnlijk kijkend.
+
+"Nee--me geprikt".
+
+"Mot je goed uitzuige--Sally van Mak heit 'r 'n opgezette hand van
+gekrege--van belang! Zuig-ie goed?"
+
+"Ja, norschte hij, kribbig van pijn.
+
+De traptreden kraakten, stugger van knettergeluid in de kou. Essie
+van Suikerpeer, 'n doek om 'r hoofd, kwam is kijken waar Suikerpeer
+bleef. Toen ze hoorde dat Eleazar 'm gezien had, bleef ze 'r handen
+wrijvend staan babbelen.
+
+"Wad-'n bemazzel", zei ze, 'r bandeau-hoofdje wrikkend: "hoe komp
+iemand zoo bemazzel, as 't water dich leit as 'n pòt! Hoe kèn men
+hengele--mijn 'n wonder!"
+
+"Heit-ie uit bijte opgehaald--met levensgevaar", praatte de blinde.
+
+"Zal wel twee pond weze", taxeerde Essie: "zijne dat baarsies?"
+
+"Bliek en vores", vertelde Eleazar geduldig.
+
+"Nou zal u nie geloove", knikkelde Essie: "maar nou loop me 't water
+uit me mond--zoo werachtig as 'k leef--wat 'n mazzel!"
+
+Ze zei 't zoo verlekkerd, zoo gretig en 't heele huis wist zoo wat
+ieder in z'n kast had, dat Reggie, goedig-lachend, vroeg of ze 'r
+de helft van wou--want tien voor haar, Dovid, Eli en de kindere was
+zàdde genog.
+
+"Nee, nee," zei Essie, lacherig, buur-vrindelijk: "nee, laat 'k u
+niet ontrieve".
+
+"Ontrieve! Ontrieve!", drong Reggie aan: "hoe ken u mijn ontrieve? We
+hebbe jà visch zonder vuur, en hebbe we jà vuur d'r bij, dan hebbe
+we geen zout en geene aarpels".
+
+Even soesde Essie in overweging van 't voor en 't tegen--dan ineens
+druk-lachend zei ze:
+
+"...Weet uwe wat? Weet uwe wat? Leit u bij mijn uw dalles--dan hebbe we
+allemaal àlles. Hèhèhè!--Enne dan kenne we bij mijn koke--'k hei nog 'n
+kooltje over en 'n beetje heete asch--enne dan zalle we verder zien."
+
+"Kanne we met zooveul bij u zitte?"--, vroeg Reggie.
+
+"Hoe meer ziel, hoe meer simge", knikte Essie.
+
+Eleazar, die de vischjes in 'n emmer water gemept had, veegde z'n
+mes schoon.
+
+Maar Essie, die 'm enkel had zien schrappen, werd ongerust.
+
+"Eli, wat gaat uwe nou beginne? Mot 't vuil 'r nie uit?"
+
+"'t Vuil", zei hij--"wat voor vuil?"
+
+"Og, wad-'n frotzak--me-kan toch geen visch koke met de darme d'r
+bij! Sjijn zal 't weze. As de gol d'r in blijf, ken je ze wegsmijte
+as grate!"
+
+"An welleke kant mot 'k ze dan opensnijje?"--vroeg-ie--"links of
+rechts?"
+
+"Snijdt uwe ze ope an de buik", zei Essie: "dan heit-u links en dan
+heit-u rechs--as u ze vergalt is de heele maaltijd verschteurd"...
+
+Voorzichtig zette Eleazar de punt van 't mes in 'n buik, snee toe naar
+den kop en in 't geschemer der plaats, slipte 't vuil uit de wond. De
+gal kon-ie niet vinden. Tastend en trekkend kreeg-ie de groen-bruine
+smurrie over de vingers.
+
+"Adeschim wad-'n mijnse!", riep Essie: "as z'n hande in boter zijne
+gebrajen, ken-die 't nog nie! Stop 'm derek in 't water, anders kots
+je je hart uit je lijf"...
+
+Saartje liep met 't vischje naar de kraan, Essie nam 't mes over van
+Eleazar. En met handige sneedjes wipte ze de ingewanden er uit.
+
+"Zoo--as uwe 't zoo doet, Eli, kenne d'r nooit geen vergallinge
+gebeure--enne goed dad-'k 'r bij bin gekomme, Reggie--want uwe had
+'t nie gezien--Og, wad-'n bezze gammer, die jà 'n kòningsmaal zal
+bederve"...
+
+
+
+'n Koningsmaal. Ja, 't werd 'n koningsnoen, 'n noen die 't heele huis
+in vroolijkheid zette. Want nog terwijl de visch stond te koken,
+met 'n beetje zout dat Mijntje bij den schoenmaker--'n haurik van
+'n vent in de laaste tijd--maar zout weigerde je an niemand, an je
+grootste vijanden niet!--had geleend, kwam Suikerpeer thuis met harde
+bokkings. Wat-ie nooit dee, was 'm vandaag overkommen. Rot van moeheid,
+was-ie baloorig met de andere sneeuwruimers 'n paar brandewijntjes met
+suiker gaan drinken--enkel jenever lustte-die niet--toen opgeknapt,
+bang voor Essie die 'n honde-neus had en 't merkte as-die sjikkerde,
+had-ie zes harde bokkings voor 'n dubbeltje gekocht. Je kon d'r rauw
+an smullen en gewarmd op 'n doove-kooltje was 't om je tien geboden
+te likken. Visch met 'n scheutje azijn, 'n pietsie peper èn harde
+bokkings--in geen tijje hadde ze 't zoo betoeg gehad, zei Reggie,
+'r vrindlijke tevredenheid aan de andren opdringend.
+
+"Over 't end van me jare", praatte Suikerpeer: "mod-'k geen sneeuw
+meer scheppe. Da's grùwelwerk. Addeschim, as je 'n uur bezig bin,
+hei-je geen rug meer--en geen poote meer--hei-je niks meer. Geef mijn
+'n kar met negotie--late zìj zich 'n breuk sappele! Niks voor ons!"
+
+"'k Wou dad-je d'r nachwerk van had", zei Essie: "hoe ken men zoo
+vloeke over 'n kostelijk daggeld!"
+
+"Zal ìk me droppele zweet, niet te telle, voor honderd-vijftig rooie
+cente verkoope!", rekende de groentenjood: "hei-'k gelijk, Eli?"
+
+Bezig de kinderen, die pas gekrijscht en gevochten hadden, stil te
+houden, knikte Eleazar. As-ie 't tegendeel zei, zwaar-op-de-hand ging
+beweren, kreeg-ie 'n heibel als dien avond bij Soor.
+
+"Je doeit 't", zei Suikerpeer: "omdat je anders krom ken legge van
+honger--as 'k je weer hei te vloeke, wensch 'k je blare van-de-sneeuw".
+
+Net kwam Rebecca binnen. 't Petrolie-stel onder de rijst met de grauwe
+erwten, die ze samen in één pan kookte, was uitgegaan. Of 't hinderde
+as ze de pan in 'n leeg gat van de kachel stak? Ze zag blauw van de
+kou. Dagen lang hadden ze niet gestookt. En Poddy kreeg zoo'n trek,
+nou-die vandaag wat beter was.
+
+"Zal ik je wat zegge?"--, zei Suikerpeer uitbundig: "komme juillie
+allemaal hier--dan fresse we bij mekaar--botje bij botje"...
+
+"Ja doe dat", knikte Reggie: "gesjogtenheid is geen gesjogtenheid--as
+je déélt"...
+
+"En vàder?", zei Rebecca, traag-aarzelend--'t was hier zoo lekker
+warm en zooveel mensche.
+
+"Dan gane we je vader 'n borretje van álles brenge", zei Suikerpeer:
+"dan krijgt-ie 'n--'n franse maaltijd--eerst visch--pezon--enne dan
+harde bokking--bekon--enne dan rijs met soger-errette"...
+
+Na de hardheid van den dag, 't sloven en zwoegen in de felle
+winterkou, schenen ze uitgelaten te worden. Kwam de morgen, dan kwam de
+morgen. Nou, terwijl de wind langs de hoeken van 't huis gier-suisde,
+voelden ze 'n vreemden drang bij mekaar te kruipen.
+
+"Zal 'k 't vader gaan vrage?"
+
+"Natuurlijk", zei Essie.
+
+"En mag Joozep meekomme?"
+
+"Nou nee! Mot Joozep dan niet ete, nar van 'n meid!", schreeuwde
+Suikerpeer.
+
+
+
+De kamer pufte van 't rumoer. Esther, Meijer, Jaantje, Flippie en
+Bekkie, de kindren, praatten en kibbelden. Bekkie, hongerig, sloeg met
+'r lepel tegen 'n bord.
+
+Mijntje, die van de kast naar de tafel liep, tellend of 'r genoeg
+vaatwerk was, trok 'r dan nijdig den lepel uit de hand, 'm op 't
+tafelvlak kletsend--'t was om stapel te worde, dat lawaai en getik!--en
+als ze weer bij de kast was, dee Bekkie 't opnieuw, verwend en brutaal.
+
+"As uwe van beneje effen wat borde wil hale?"--, vroeg Essie aan
+Eleazar: "we komme d'r nie. Nee, we komme dr nie, Mijntje. Wij zijne
+met z'n achte en u en Reggie en Saartje zijne d'r ellef--enne Bekkie
+en Joozep--dad-zijne d'r dertien"...
+
+"Dertien", zei tante Reggie, angstig: "dertien--dertien mag nie. Heit-u
+Dovid wel meegeteld?"
+
+"Enne Dovid is veertien", knikte Essie gerustgesteld. Met z'n dertiene
+ete, nie voor al 't geld van de wereld--dan had 'r een weg gemotte.
+
+Met bolle stappen dook Eleazar de trap af, mal-vergenoegd. Wel meer
+had-ie 't meegemaakt, dat in tijden van armoe, een-hoog en twee-hoog
+d'r eten bij mekaar brachten. Jaren en jaren geleden, hadden ze nog zoo
+is gezeten met Juda en Hes, alles scharrelend uit hoeken en gaten--en
+eens met Isaacs, die op kermissen koek verlootte--telkens was 't 'n
+vervroolijking, 'n gijntjes-zeggen zonder eind geweest. Nou, na 't
+gezoek, 't gewroet, 't getob--z'n wanhoop bij de bijt zwartte nog in
+z'n hoofd--stond de komende avond als 'n niet gewachte vreugde. Vorken,
+lepels, borden en schalen greep-ie in 't donker en haast neuriënd
+stormde-die de snauwend-krakende trap op. Op 't portaaltje gaapten
+de deuren van Suikerpeer en Poddy.
+
+Lawaaierig-druk, lollig van lach, hielp de groentenjood Rebecca, om
+Poddy's tafel door de posten te wringen. Poddy, in 't bed, vermagerd,
+met hoofd- en baardhaar in wilde vergroeiing om 't scherp gespaak
+van neus, mond en jukken, zat te schreeuwen hoe 't most.
+
+"Luister dan nie! Luister dan nie! Zoo is-die d'r nie in gekomme! Draai
+'m over zijn kop!"
+
+"Laat mijn nou trekke!", riep Suikerpeer koppig, stootend en wrikkend:
+"waas ist dos voor 'n verschwarzte tafel!"
+
+"Draai 'm over zijn kop!", schreeuwde Poddy weer.
+
+"Hoe ken men zien wad-de kop en wad-de togus is?"--, gijnde Suikerpeer.
+
+Met viel de la uit de tafel, wat zoo'n smak gaf dat Essie en Mijntje
+en de kindren op 't portaaltje te hoop drongen.
+
+"Nah! Nou zeg 'k niks meer! Hij heit z'n zin!", gromde Poddy.
+
+"Hoe ken men zoo verstopt, zoo stom zijn", begon Essie te verwijten.
+
+"Groot ongeluk!", lachte Suikerpeer, oprapend wat in de la had gezeten:
+"dr leit jà 'n pietekam en 'n zilveren vork in! Hoe bergt men zijn
+zilver nie beter!"
+
+'t Duurde 'n poos eer de tafel door 't deurgat was. Want iedereen
+gaf raad.
+
+Poddy wou 'm op z'n kòp, Essie overdwars, Mijntje
+schuingehouen-in-de-lengte. En blinde Reggie stond maar gedwee
+te roepen dat ze op moste passe om d'r vingers niet te klemme en
+niet te struikele bij de trap. Toen, bij 't nieuwe deurgat, moest
+Eleazar 'n poot afhouen die tegen den muur werkte, 't kalkgruis met
+stuivingen dee storten, stompte Suikerpeer tegen 'n knellenden hoek
+van 't blad. Rebecca, giegelend, met bedwongen proesten, omdat de
+groentenjood zich pijn dee, hield de la vast, de la met de kam, de
+ijzeren lepels, bandjes en klosjes. Eindelijk met 'n hoera van Meijer,
+Saartje, Jaantje en Flippie, schoof de tafel naar binnen.
+
+Eleazar maakte 'n praatje met Poddy. De heele, hééle nach--sprak
+de zieke--had-ie legge schwitze en noeste. Nou, gedank, had-ie 'n
+paar vrije uurtjes--en trek--op z'n woord-van-werachtig trèk. Z'n
+skelet-handen bewogen als in weving over de deken, z'n oogen leien
+verdoft in de kassen.
+
+"Laat Joozep en Rebecca maar hiernaast eten", zei-die blazend:
+"ik stik enne zij krimpe van de kou. Sally enne Rozetje enne Serre
+hèbbe al gegete--'n wonder hoe kindere door alles heenslape"...
+
+"Hei-je 't zoo warm?", zei Eleazar, huiverend in de kilte der kamer,
+na de lekkere warmte bij Suikerpeer.
+
+"Warrem?--'k Hei 't nie warrem en nie koud--'k hei 't lèkker--'k hei
+me in geen maande zoo lekker gevoeld. Niks as 'n kou gewees--enkel
+'n kou"...
+
+De deur werd geopend en Jozef, de oudste zoon, kwam binnen. Voor 't
+eerst zag Eleazar 'm van dichtbij--'n jongen van zestien of zeventien,
+of vijftien, met aankomend snordons, bleek en met vet-rooie lippen. Hij
+kon ouder geweest zijn, dor mannetje als-ie leek.
+
+"Dag", zei-ie, Eleazar niet herkennend.
+
+"Hei-je verkoch?"--, vroeg Poddy, 'n doos overnemend, waarin netjes
+gerijd de sigaretten lagen.
+
+"Nimmendal", zei de jongen, bot. Den heelen dag had-ie op 't ijs,
+bij de tenten, gestaan, zonder eten. As 't 'm te lam om z'n maag werd,
+scheurde-die 't papier van 'n sigaret, kauwde de tabak als 'n pruim.
+
+"Nimmendal!", gromde Poddy: "is mijn nog nooit overkomme!"
+
+"Prebeer 't dan zèllef!", zei de jongen valsch.
+
+"Mod-ik 't prebeere!"--, rauwde de vader: "vuile hond! Hei-'k 't nie
+me heele leven voor juillie gedaan?"
+
+Verkleumd ging de jongen bij 't dakraam zitten.
+
+Meelijdend schudde Eleazar 't hoofd naar de zij van de bedstee,
+wenkend met de oogen.
+
+"Trek z'n partij!", kregelde Poddy: "leg je hande onder z'n luie poote,
+dan wordt-ie nòg geen sauger! Ik 't prebeere! Ik 't prebeere! Ik met
+me zieke lichaam en me stijve poot! Vuile hond!"
+
+De jongen keek gluuperig-valsch, hield zich in. Rozetje, op 't
+matras in den hoek, wakker-geschreeuwd door Poddy's kwaadaardigheid,
+zat even op, wreef zich de oogen, keek rond, zakte weer naast Sally,
+'t broertje. Eleazar's oogen gingen van 't matras naar 't dor mannetje
+bij 't dakraam. En zich den avond herinnerend, toen-ie in den deurpost
+van den sigaretten-jood had gewacht, toen de lamp walmde en ie Rebecca
+met Joozep en Serre tezaam had zien liggen op den grond, kreeg-ie
+'n dwaze, rillerige, onverklaarbare sensatie--dwaas, dwaas--z'n eigen
+jeugd was niet anders geweest.
+
+
+
+'t Was bij achten eer ze aten. 't Liep van geen leien dak. Essie
+kwam azijn tekort. Saartje werd naar benejen gezonden, om de flesch
+te halen, waarin nog 'n restantje most zijn. 'r Geelde 'n dikke laag
+schimmel op. Beurt om beurt roken Essie, Reggie, Mijntje, Suikerpeer
+aan den hals of ze nog goed was, of je ze nog mocht gebruiken. En
+terwijl Essie roerde, met toeterblaasjes van den lepel proevend,
+slurpend met vinnige haaltjes, stampte Mijntje de trap af, om voor
+brood te zorgen. Scheelde geen nippertje of ze hadde 't vergeten. Dovid
+was 'r nog niet. Ongerust, bang voor 't getal dertien--zat Reggie in
+'t rumoer de buitengeluiden te beluistren. Rebecca most effen gaan
+kijken en Eleazar rondzien in de straat, voor. Poddy kreeg vast z'n
+portie--'n gestoofde bliek, 'n kwak rijst met erwten en 'n halleve
+harden bokking. Suikerpeer bracht 't 'm zelf, maakte 'n kuil in de
+deken, trok 't vel van den bokking met z'n nagels, omdat Poddy zoo
+schlemielig tekeer ging dadde de erwte in 't bed rolde. Dan, hijgend,
+frisch-rood van de vriezende straat, holde Mijntje terug met 't brood
+en de heete centen, die ze van 't kwartje werom had gekregen. 't
+Vierkant brood op de tafel, nam ze 'n mes om 'r op los te hakken.
+
+"Schei uit!", schreeuwde Essie, die de eerste homp met vijandige
+oogies volgde: "schei uit--dad-is geen snijje--dad-is jàpe!"
+
+"Komp 'r wad-op-an! Zoo of zoo"--, zei Mijntje, betweterig.
+
+"Blijf d'r af--laat mijn 't doen!", riep Essie schel en 'r Reggie in
+betrekkend, praatte ze over 't kindergeraas heen: "nog geen nà-gedachte
+as 'n cent zoo groot! Brood jape is geen brood snijje. Voel u is! Dat
+noemp ze 'n boterham. Hoeveul boterhamme snijdt u uit 'n brood?"
+
+"Zooveul as 'k wìl", glimlachte de blinde, die jaren op den tast
+had gesneden--dik of dun, naarmate 'r was--: "boterhamme snijje is
+'n kùnst--'k haal d'r wel twintig uit".
+
+"Twintig!", zong Essie: "nee, dan mod-u is wachte--dan zal ik u wat
+anders late zien".--En 't brood tegen de plank van 'r platte borsten
+houdend, liet ze 'r snel en sekuur 't mes in glissen, zonder 'n
+afwijking, zonder 'n hapering. Meijertje, aandachtig de handen onder
+'t hoofd, telde hardop en hoe hooger-ie telde... drie-en-twindig,
+vier-en-twindig, vijf-en-twindig, tot een en dertig toe, hoe
+bewonderend-wieglender Reggie's glimlachend hoofd bewoog.
+
+"Jij bin 'n húisvrouw", zei ze met klank van weten en zegen.
+
+"U ken ze nie zien--u heit makkelijk zegge dat moeder 't verstaat",
+zeurde Mijntje: "dat zijne geen boterhamme, dat zijne piemeltjes".
+
+"Zijne dat piemeltjes!"--, riep Essie, nijdig 'n boterham tegen
+'t licht houdend, dat de korst op 'r voordeeligst te zien kwam:
+"doe 't me na voor veertien perzone, stik schlemiel!"
+
+"Ik ken nog wel pietseriger piemeltjes snijje", bleef Mijntje drenzen:
+"as je goed kijk binne 't matzes"...
+
+'r Dreigde 'n kleine twist, Suikerpeer lachte, Essie keek giftig,
+vroeg of-ie gesjikkerd had, dad-ie zoo mesjogge dee? Jaantje, die de
+broodkruimels van 't tafelzeil pikte, kreeg 'n tik op 'r hand.
+
+Gelukkig knepperden de traptreden onder haastig-trappende voeten.
+
+"Dovid", zei de blinde met vreugde in 'r stem.
+
+
+
+Hij was buiten adem van 't loopen, had groote pupillen van
+opgewondenheid en 'n stem zoo beslagen van zenuwen, dat-ie stond te
+brabbelen, verward en kuchend.
+
+"We hebbe op je gewach! We rammele van de honger!", schreeuwde
+Suikerpeer.
+
+"Is dat uitblijve! Bij achte!", klaagde Reggie.
+
+"An tafel! An tafel!", riep Mijntje de lawaaiende kinderen toe.
+
+Met groote moeite, de woorden uitblazend, zei Dovid: "Nieuws! Groot
+nieuws!"
+
+"Nieuws?"--, vroeg de blinde 't sterkst van gehoor.
+
+En Dovid, zich voor 't eerst sinds weken tot Eleazar wendend, riep
+schor: "wij gane winne!"
+
+"Winne?"--, zei Eleazar, schrikkend.
+
+Weer zei Dovid wat, maar de kinderen gilden en Bekkie sloeg met den
+lepel op 't bord.
+
+"Houe juillie je schmoele!", dreigde Suikerpeer.
+
+"Mod-je na bed zonder vrete?", snauwde Mijntje, die 'r 't meest ontzag
+onder had.
+
+De herrie zakte en hijgend, kurkig van zenuw-wrokking, klonk nog
+eens Dovid's stem: "wij gane winne! De juweliers--de juweliers--hebbe
+vanmiddag 'n brief--'n brief geschreve--"... Trillend van 't nieuws
+dat-ie kwijt was, hapte-die naar adem.
+
+Nou-ie door geweld en ruzie, was gedwongen geweest, 't werk neer te
+leggen en weken en weken op de stakers had gescholden, de pooiers
+en vuilike die 'm 't brood uit z'n bek hadde gescheurd--voelde-die
+nou toch ièts van den massalen roes, iets van de vreemde vreugde die
+Eleazar deed opbonzen.
+
+"Hebbe de juweliers geschreven!"--, riep-ie: "en wat? Hoe weet
+jìj dat?"
+
+Blazend, hoesterig zat Dovid te glimlacheren.
+
+"Hoe ik 't weet!", hijgde-die: "van wiè zal 'k 't wete,
+gammerkop! Ze vrage om Dekker te spreke--morrege zal d'r konferentie
+weze--overmorrege 'n meetting in 't Paleis"...
+
+Na de diepe ellende van de staking, 't tergend geduld van de juweliers,
+de grijnzende wanhoop dat 't eind 'r was, dat ze nutteloos hadden
+gevochten, dat ze verdeeld, uit elkaar geslagen 'n vragende hand
+zouen moeten ophouen, klonk 't bericht zoo geweldig, 't bericht dat
+duidelijk zei hoe zwak de juweliers zich begonnen te voelen, dat de
+groote menschen verrast zwegen, kijkend naar Dovid's lachrig-verheugd
+gelaat en de kinderen van den weromstuit even stil bleven.
+
+De stem van de blinde vrouw, sprak 't eerst. 'r Doode oogen bezwommen
+de lampekous, met bewegende glansjes in 't melkwit. Snuivend van
+aangedaanheid, op huilen af, zei ze:
+
+"God zal ze zegene, omein wie omein, as zij de verstandigste
+zijne--en--en make dad-'r weer vrede komp... God zal ze zegene"...
+
+"Zegene! Zegene!", vlamde Eleazar en met hartstocht in z'n grijze
+oogen, driftig op de tafel steunend, 'n spottrek om den smallen mond,
+riep-ie: "wìj kenne 't zonder zegen. As 't deze keer was misgeloope,
+hadde we 't na jare weèr gedaan--zònder zegen--zònder zegen--As we
+verlieze winne we nog--as we winne is de winst 'n futje van wat we
+later nème. De zegen van God kenne zìj toe krijge!"
+
+"Eli! Eli!", knikkelde de blinde angstig: "hoe ken men zoo uitvare! Hoe
+ken men zoo vloeke! Is 't geen mitswe dat God ze de éérste laat
+zijn--dat-ze simge krijge met de armoei bij ons?"
+
+"Simge! Meelijjen, zij!", driftigde Eleazar: "as ze toegeve is de
+markt rijzend, hebbe ze stroppe, kost 't te veel. Maande hebbe de
+krenge tienduizend mensche met honger gedwonge! Weken en weken heb jij,
+hebbe de kindere niet te vrete gehad. Nou in-eene simge? Zij meegaan
+met God! Die weet zoo goed as u en ik, dat-ie ze uit d'r beurs mot
+blijve! As-die an d'r duite, d'r mezomme komt, verstoort-ie de orde!"
+
+"Mag-ie nie zegge, mag-ie nie", glimlachte vredig de blinde: "God
+heit wel mijn ooge bezocht--en 'k bin nie in opstand"...
+
+"Jij ben 'n engel", zei Eleazar, 'r ineens zoenend, wat 'r bandeau dee
+verschuiven dat 't zilverhaar pluisde in 't lamplicht en de kindren
+druk van lol begonnen te gieren.
+
+Zij 'r bandeau lacherig terugduwend, zei nog eens: "God zal ze
+zegene--huillie en juillie"...
+
+
+
+Essie zette de pan met de visch op tafel--Rebecca nam de rijst
+met de erwten van 't vuur--Suikerpeer brak de harde bokkings in
+drieën. Vroolijk, gijntjes schreeuwend, groepten ze om de twee tafels,
+pratend over 't nieuws, over de kou buiten, over de handigheid,
+'t gogme, van Eleazar om visch te vangen in 'n bijt. Telkens als
+Essie, zuinig mikkend, 'n bliek op 'n bord had geschept, vroeg Rebecca
+zangerig-vrindelijk: "Lus u ook wat van mijn klatsch?", en als iemand
+dan ja zei, smeerde ze den potlepel in de brei. Suikerpeer, kijkend
+voor wie de portie was, deelde de staarten en koppen van de harde
+bokkings aan de kindren, de middenbrokken aan de grooten. Voor wie 't
+wou hebben, roosterde-die 'n stuk in 't open gat van de kachel, wijkend
+als de vlam door 't druipend vet laaide. 't Doorstonk de heele kamer,
+niemand had 'r hinder van. 't Werd een stilte van slurpen, happen en
+vorkengetik. Reggie, voorzichtig, doorploos den visch met 'r vingers,
+bang voor de graten, lei de schilferstukjes op de boterham. Dovid,
+zwijgend, uitgehongerd, vrat den harden bokking met graten en vel,
+lepelde de rijst en de erwten zoo driftig, dat Essie verwonderd
+'r hoofd schudde.
+
+"Dovid--jij vreet je 'n barschting!", waarschuwde ze.
+
+Dovid, snel-slikkend, ruig-van-gijn, had moeite te antwoorden:
+"voor mijn part zalle juillie over twee dage sjiwwe over me zitte,
+as 'k maar genog krijg!"--, riep-ie 'n vollen lepel 'r bij persend.
+
+"Hè! Hè! Wad-'n barschtkeel!", lachte Mijntje.
+
+Bij 't raam, op mekaar, zaten de kinderen, Saartje naast
+Meijer--Esther, Jaantje, Flippie en Bekkie 'r over. Jaantje lustte
+'r bokking niet, ruilde met Meijer, die 'n hap rijst afgemikt
+lepelde. Op den hoek, dicht bij Eleazar hurkten Rebecca en Joozep
+op 'n sinaasappelkist. Soms klopte Poddy met z'n stok tegen de
+overzij-deur, ging Rebecca hooren. Of d'r nog bokkum was--of 'n
+graatje visch? En door den deurkier schreeuwde-die dan van uit de
+bedstee, dad-ze sigarette konne krijge as ze klaar ware, zooveul as
+ze woue. Suikerpeer vertelde nòg eens hoe-ie gesàppeld had--wad-'n
+frot werk 't was de sneeuw van stoepen te bikken. En 'n haurik as
+'r toezich hield. De pest had de vent in gehad, dat 'n jood an was
+genomen. As de christene vegers geen mieter deëe had-ie z'n smoel
+gehouen--maar zóo as hij 'n luchie schepte, was de vuilik met rissches
+begonne, had-ie telkes geroope: nou Mozes!--en nou Semmie! En of hìj
+dan zee: steek de moord en lek me de maarsch--tot 't end toe had-ie
+'m gesodemieterd. Toen proefde Eleazar, die 't lekkers voor 't laatst
+had bewaard, van z'n èigen visch--brulden ze van 't lachen, omdat net
+hij de vergalde bliek had te pakken. Hoe 't geen haar had gescheeld,
+lachte Essie, of 't was met de heele zooi gebeurd.
+
+"Wil u nog wat van mijn klatsch?", vroeg Rebecca weer.
+
+Tante Reggie, langzaam happend, prettig van herinnerings-gepraat,
+zei dan hoe zij in 'r jeugd zùlleke snoek stoofde--snoek--in die
+tijjen kon je an snoek komme--vandaag de dag, was 'r geen snoek meer
+en as ze 'r was, kon je ze niet benadere--hoe zij de buike opvulde met
+koek en wad-'n eten dat was--'n eten zoo fijn as ze 't op de heere-
+en keizersgrachte nie krege. Ja, zij had kenne koke in 'r tijd--Essie
+die kon 't ook--maar zìj had 'r 'n bijzondere slag van gehad. An een
+sjabbes, toen 'r man en 'r kindere in leven ware, en femilie over was,
+had ze voor zestien persone soep van één ossepoot getrokke--van één
+ossepoot met twee cente prij, een cent cellerij en wat witte boonen. En
+geen slappe soep, maar 'n soepìe waarop de kracht dreef. Nou, Essie
+wou niet bewere dat ze voor zestien persone van één poot kon koke,
+maar ze bracht 't 'n heel eind van 'n dubbeltje koppevleesch.
+
+Dovid knoopte z'n broek los, zat even te puffen. In geen maande had-ie
+zoo dik-betoeg gegete. Sappig peuterde z'n wijsvinger in z'n mond om
+'n graatje los te werken, dat tusschen de tanden schrijnde.
+
+Na 't eten, rommelden Rebecca en Mijntje den vatenboel bij mekaar. De
+kou van 't huis lei om 't eenig verwarmd kamertje. De wind schoot
+met fluitingen over de binnenplaats, deed de deuren rammelen alsof
+'r geklopt werd. Bij de kachel, de voeten tegen den aschbak, zaten de
+mannen, Poddy's natte cigaretten rookend, dat de lamp in melkwitte
+nevelen bleekte. Als de avond had kunnen duren en duren, waren ze
+blijven plakken, blij mekanders stem te hooren, blij met de heerlijke
+gezelligheid. "En nou zalle we juillie nòg is trakteere", zei Essie.
+
+Mijntje most 'r weer op uit, om bij de water-en-vuurvrouw 'n halleve
+cent heet water te halen, met 'n hallef lood koffie van twee en halleve
+cent en 'n likkie gebrande stroop. As ze dan langs de melkslijter kwam,
+kon ze 'n halleve cent melk meebrenge en uit de nasscherijwinkel twee
+cente zwarte balletjes--je kreeg d'r vier voor 'n cent. In de kast
+was nog 'n plat toetje kaneel--dan had je alles voor frànsche koffie.
+
+"Hebbe we dan komme genog?"--, vroeg Suikerpeer.
+
+"Scharrele we wel", zei Essie: "as Eli van benejen wat haalt"...
+
+Met Mijntje samen, liep-ie omlaag, klappertandend van de kou in de
+gang, na 't eten. En weer op den tast, nam-ie de kommen, haastte terug
+naar de warme kamer boven. Op 't portaal, in 't donker, botste-die
+tegen Rebecca, die bij Poddy geweest was.
+
+"Bin jij 't Mijntje?"--, vroeg ze.
+
+"Ja", zei hij vroolijk.
+
+"Niewaar!", lachte ze 'r handen uitstekend en z'n ongeschoren gezicht
+beaaiend--'r adem blies langs z'n hoofd.
+
+Toen ineens, sloeg-ie z'n armen om haar middel, drukte 'r tegen
+zich aan, wild en hartstochtlijk. Den heelen tijd an tafel, had ze
+'m zitten kwellen met de gitting van 'r oogen, met de frischheid van
+'r mond. Nou hàd-ie 'r, 'r natte lippen op zijn lippen, 'r borst tegen
+zijn borst, 'r buik tegen zijn buik. Hij tuimelde haast van verrukking,
+zoo als ze 'r armen om z'n hals klitte, zoo heet als 'r mond den zijne
+bezoog, zonder ademschepping, zonder zucht. Met gloeiende oogen,
+vaster aandrukkend, met fel-rosse vlamming in 't hoofd, voelde-ie
+de warmte van 'r mond, dien-ie niet zag, de kieteling van 'r haar,
+dat-ie niet zag, de passie van 'r lichaam, dat-ie niet zag.
+
+Mijntje die de trap opsjokte, ketste hen van mekaar.
+
+Mal van gebaar, bleek, kwam-ie de kamer binnen, terwijl zij naar
+'r vader terug liep. En toen ze 'n oogenblik later, lacherig,
+dwalend-van-oogen de deur opende, keek ze naar iedereen, niet naar hem,
+in lichtschuwe beduusdheid.
+
+
+
+Essie zette koffie, telde de zwarte balletjes--acht voor twee cente,
+zooas ze gedacht had. Balletje na balletje kraakte ze tusschen 'r
+kiezen in tweeën, dee in elke kom 'n helft. Gruizelde 'n balletje stuk
+in 'r mond, dan taxeerde ze de scherfjes die an 'r vingers kleefden,
+wreef ze langs de randen der kommen. Mijntje strooide voorzichtig
+kaneel uit 't toetje en Rebecca, licht-bevend goot 't water in de
+kous met de gemalen koffie. Slurpend en blazend dronken ze toen,
+luidruchtig, dol, gijntjes en grappies vertellend.
+
+"In geen jare--in geen jare", knikte de blinde: "hei-'k zooveul an
+één stuk hoore lache--in geen jàre"...
+
+
+
+
+
+
+
+
+XIV.
+
+
+Vroeg, den volgenden morgen, was-ie naar Juda, die in de
+Rapenburgerstraat woonde, geloopen. In bed kon-ie 't niet
+uithouen. Uren en uren had-ie koortsachtig, verhit van bloed, aan
+wat op 't donker portaal gebeurd was, liggen denken. 'r Was tusschen
+hem en haar iets ontstaan, 'n geheim geworden, dat 'm verheugde en
+hinderde. Als-ie de zuiging van 'r lippen, de lenigte van 'r lichaam
+hervoelde, werd 't rood achter z'n oogleden--als-ie dàcht, 'r in z'n
+verbeelding nam, 'r geheel voor zich trachtte te zetten, 'r met moeite
+zag in de avond-late troebeling van z'n herinnering, kwelde 'm 'n
+verdrietige onrust, 'n sarrende gejaagdheid. Z'n theorietjes van nóóit
+'n jodin te trouwen, had-ie tegen den grond geschopt. 'n Jodin--was
+z'n stokpaardje--zou 'm 't gevoel van bloedschande geven. Zooveel
+eeuwen en eeuwen, had het ras zich door oorzaken en geloof afzonderlijk
+gehouden, zooveel eeuwen had 't de simpelste natuurwetten geschonden,
+zooveel eeuwen was de voortplanting in aangetaste, altijd gesloten
+kringen geschied, zooveel eeuwen hadden ze d'r bezittinkjes in èigen
+familie vermeerderd, dat 'n volgroeid joden-lichaam in joden-centra
+uitzondering was, dat afgezien van krotten en sloppen en armoe, de
+minderwaardige teeltkeus van àltijd 'n jood of 'n jodin, de straten
+met verlepte, leelijke menschen vulde. Nou was 't ras voor 'n groot
+deel zenuw-ontaard, zieklijk van geslachtsdrift, geteekend door die
+geslachtsdrift--'t dronk niet--'t leverde in verhouding de meeste
+krank-zinnigen--'t koppelde overal, om belangen, leden van 'n zèlfde
+familie en die kregen dan 'n nieuw geslacht van blinden, imbecielen,
+ontaarden. Ze hadden dat nooit geweten, nooit kùnnen weten, gezwiept
+als ze werden door fanatieke rabijnen, die zegenden als 'n merkwaardig
+volk hopeloos stièrf en schimpend de enkelingen vloekten, die zich met
+anderen mengden. 't Smeerlappig leven van joden-jongens, met chrìsten
+hoeren natuurlijk, vóor 't huwelijk was bijzaak--'t trouwen van 'n
+jood met 'n christin, van 'n christen met 'n jodin, wat meestal 'n
+gezond ras gaf, was het tornen aan heilige wetten. Telkens als Eleazar
+zichzelf ten voeten uit in 'n vitrine-spiegel zag, z'n zwaar bovenlijf,
+z'n korte beenen, z'n groot hoofd, telkens als-ie op Zaterdag de volte
+der Kalverstraat bekeek, de misvormde gelaten, de povere lichamen,
+wrokte-die om de misdaden van 'n kansel gepreekt, om 'n monsterachtige
+traditie die elken dag slachtoffers nam. Hoe hadden ze als kinderen
+niet gelachen om Abram-de-kippenslachter, die 's avonds en 's nachts
+niet zien kon--overdag wel. Overdag liep Abram als 'n hoentje, vlug en
+piender--tegen schemer, struikelde-die over stoepranden, dee-die om den
+haverklap smakken en vallen. Abram zuipt, zeien de christenen. Abram
+heit 'n wonder-van-'n-gebrek an zijn oogen, zeien de joden. Abram
+was naar 't gasthuis geweest, om zich te laten genezen--ze hadden
+'m daar onderzocht, 'm niet geholpen. Zoo als de avond inviel werd
+Abram-de-kippenslachter blind--zoo as 't dag werd, keek-ie weer. Op
+'n morgen hadden ze 'm uit 'n gracht opgehaald met 'n korf kippen,
+die óók verdronken waren. Eleazar was juist, om 'n beginnende
+loodvergiftiging, bij den dokter in behandeling--toen de schouwing
+gedaan was--nooit had-ie de glimlachende woorden van den dokter
+vergeten: "dat komt door _Unzucht_, Eli, as neefies en nichies en
+achterneefies met achternichies trouwe"--Voor 't eerst van z'n leven,
+had-ie toen 'n begrafenis meegemaakt, uit jongens-nieuwsgierigheid,
+en 't verwrongen, blauw-paars gelaat van Abram-de-kippenslachter,
+dat-ie zag toen de hoofdzak in de kist werd geduwd, stond 'm nog bij
+in z'n gansche verwildering. Al gebeurden die dingen niet elken dag,
+al dee je dwaas ze te zwart in te zien--hoe ouwer je werd, hoe sterker
+je 't verworden oplette, den vloek van 't klitten der joden. Dikwijls
+was-ie verliefd geraakt--eens op de dochter van 'n bakker--eens op de
+zuster van Rijst--eens op 'n roosjesslijpster. Maar as 't dan kwam tot
+'n praatje, 'n heupduwend wandelingetje, stuitte 'm iets in 'n kijken,
+'n mondtrek, 'n lach. Ze hadden allen gelijkenis, stem-herinnering,
+lichaams-doen--ze leken op z'n tante--z'n zuster. Het was krankzinnig:
+het denkbeeld van bijslaap bij 'n jodin, gaf hem jood-van-ras,
+de sensatie van bloedschande. En als-ie zichzelf bekeek, z'n
+geteekend jodenlichaam, z'n groot hoofd, z'n bleek gezicht--dan
+herkende-die duizend joden die-die méér had gezien. 'n Jodin
+nam-ie nooit. Die natuur-schànde moest gebroken worden. Alleen door
+lossing in 'n gemeenschap van "vreemdelingen" werden de joden weer
+gezond, verdween een der gedrochtlijke vormendienstjes. Met Juda,
+had-ie over dat stokpaardje geschetterd, Juda die 'm grinnekend
+'n anti-semiet noemde. Ja, hij wàs 'n heerlijk-gezonde anti-semiet,
+omdat-ie ghetto-leven verachtte, bij zijn ziening van eene menschheid
+geen semietisme kon voorstaan. Haatte je niet als je betere dingen
+liefhad? Hadden de Mozaïsche wetten niet genoeg gekankerd, moesten
+de oogen langer gesloten blijven--liep de maatschaplijke werking van
+vandaag niet storm op de maatschaplijke van voor eeuwen?--"Je wordt--je
+wordt", glimlachte Juda telkens: "je wordt stapel-mesjogge op wat
+'t dichtst bij je is en waar je 't minste an denkt. Daar helpt geen
+redenatie tegen". En nou--nou waren de theorietjes door gevrij in
+'t donker geblazen. Bij 't russisch jodinnetje, was z'n hartstocht
+gaan werken. Hij had 'r gezoend--op 'r vollen mond--op 'r rijpen
+mond. 'r Adem had-ie geslikt--haast 'r borsten te pletter gedrukt. Als
+'n woeste passie was 't over 'm gekomen. Als-ie 't moment nog eens,
+nog eens hervoelde, trilde alles an 'm, puilde z'n denken in leegte,
+stapte-die wezenloos. Wat vandaag in je gehamerd stond, smeet je
+morgen weg--gedachten-paskwil as je was.
+
+
+
+Vlugger liep-ie. Juda kon van den brief, dien de juweliers hadden
+geschreven, weten--of 't waar was--of 'r conferentie zou wezen--of
+'r kans was te winnen.
+
+'t Huis was door steunbalken gestut.
+
+Voor-ie 'r binnen kon, moest-ie 'n poos wachten.
+
+De krotten er naast en er achter, op de plek waar 'n hoog pakhuizenblok
+zou komen, waren afgebroken.
+
+Achter metselden ze al, stond 'n versche muur met stellingen, steenen,
+kalkbakken. De vorst hield den arbeid tegen.
+
+Voor, in de ruimte aan de straatzij, besloten in de oud-kalkige-wanden
+der huizen rondom, diepte een uitgehouwen aardpoel, nog geen week
+geleden doorbaggerd, nu tot bonken en rotsen gevroren.
+
+Achter, op platte balken, rustte de heimachine met tobben ijs en
+saamgebakken kolen. De sintels en 't aschgruis, gegrepen door de
+snerpende kou, lagen in den ijzeren modderkoek verzogen.
+
+Hoog boven de ouwe daakjes, plots in 't daglicht gekomen venstertjes,
+stramde de heistelling, spichtten gladde palen. Halfwege in den
+grond gemokerd, den dikken kop gesnoerd in een platgebeukten ring,
+wachtte een heipaal, die gestuit had, nu geklemd bleef in den harden,
+onwrikbaren ijsbodem. Het roestig blok, niet meer hangend aan 't
+pluizig kabeltouw, rustte op den ring.
+
+Naar de straatzijde zwartte 't aardgat met bitse kluiten en
+grauw-geslagen greppels. Plompe koppen van palen staken er uit. Een
+enkele steunbalk lei reeds beklonken, klaar om 'n muur te dragen
+en in 'n aarde- en steenenhoop boorden schoppen en spaden daar
+neergestooten en door de vorst vastgeroest. Zelfs de stappen der
+logge baggerschoenen waren versteend. Ineens was de kou losgekomen,
+ineens had ze de werkers verjaagd, de kracht der machine genekt,
+de invreting der heipalen geketst.
+
+Nu, wachtend op den dooi sjouwden ze steenen aan. Voor de donkere
+diepte met 'r knoerstige wakken en kuilen, werd 'n kar gelost. Het
+paard, knooklig en oud, stond te hijgen. Witte ademstortingen
+dampten z'n neusgaten uit. Moe en slap rustte 't tegen 't lemoen. Om
+beurten grepen de lossers 'n vracht steenen, de handen in roodleeren
+wikkels. En die dan zwaaiend op 't kussen dat den schouder dekte,
+daalden ze de ladder af naar den bevroren aardpoel. Benee, loopend
+over kreunend-piepende planken, tusschen de greppels en paalstompen,
+smakten ze de steenen op een vierkante laag bij de heimachine.
+
+Anderen reden heipalen, bunglend aan kettingen tusschen tweewielige
+karren.
+
+En omdat een paal z'n draai verkeerd had genomen, tegen de
+overzij-stoep stuitte, wachtten de voetgangers, bang voor 't ruwe
+gerol dat de keien bedreunde. Eerst toen de ketting verlegd was en
+'n breedschoftig paard de pooten schrap-zette, dompte de paal naar
+benee, bol van smak--werd de straat weder vrij.
+
+
+
+Het nauw, vunzig-muffend trapje oploopend, twee-hoog achter, klopte
+hij aan.
+
+'t Bleef stil. Waren ze niet thuis?
+
+Harder tikte-die, draaide de kruk om.
+
+Voor 't kleine venster zat 'n meisje te slapen, 't hoofd langs de
+stoelleuning, de armen futloos vergleden. Ze geleek was-bleek, met
+scherpe gelaatsjukken.
+
+Aarzlend, de hand aan de deur, niemand anders ziend, 'r niet
+herkennend, denkend dat-ie verkeerd was, wou-ie weer heengaan, toen
+ze wakker werd en zonder 't hoofd te verleggen als iemand die òp
+is, vroeg:
+
+"...Wiè is daar?"
+
+Op 't raampje toestappend, glimlachte hij.
+
+"Kennen we mekaar niemeer, Eitje?"
+
+Opzittend, moe van gebaar, knikte ze.
+
+"Is Juda niet thuis?"
+
+"Nee".
+
+"En moeder?"
+
+"Nee".
+
+"Dan wacht 'k effen--as 'k mag".
+
+Over 'r zittend aan 't withouten tafeltje, zag-ie eerst hòe wit
+ze was, hoe hol 'r oogen stonden, hoe 'r handen smalden. In geen
+jaren had-ie 'r gesproken. As-ie Juda thuisbracht, bleven ze voor
+de huisdeur redeneeren, heen en weer loopend, van hoekpand naar
+hoekpand. Boven was-ie in langen tijd niet geweest. Als-ie vroeg hoe
+'t met Eitje ging, die alleen met heel-warme dagen-van-den-zomer de
+straat op mocht, zei Juda dat 't 'tzelfde bleef, dan eens wat beter,
+dan opgewekt, dan dagen en dagen te moe om 't bed uit te komen. 'r
+Eene long was mis. 't Kon maanden duren, 't kon afloopen. Dat had
+God in zijn hand. Ze was de oudste van drie, altijd gezond geweest en
+bijna zonder overgang dàt. Soms, als-ie toch in de buurt was, wipte
+de armendokter aan, voelde 'r pols, zei dat ze geduld most hebben,
+dat 'n heete zomer 'r 'n heel eind op streek kon brengen. Maar 'r
+borst onderzoeken dee-ie niemeer.
+
+Teruggeleund in den stoel, keek ze 'm aan, zei ineens wat-ie dàcht:
+
+"'k Zie d'r uit, Eli, as 'n oud vrouwtje, nie?"
+
+"Nee", knikt hij.
+
+"Ja", knikte zij.
+
+"Geen denken an", praatte hij: "je heb 'n kamerkleur--je ziet 'r nie
+uit as 'n boerin--maar werachtig--werachtig--meelij hoef 'k nie met
+je te hebben".
+
+"Og, wat zit je te liege!" zei ze kort--en'r oogen sluitend,
+bleef ze stil, met de lippen happend als de stervende bliek, die
+Jan-van-den-schoenmaker gister in z'n hand had gehouen.
+
+Ze was schrikkelijk oud geworden. Ouwer dan achttien kon ze niet
+zijn. Nee, ouwer niet. Want Juda's koperen bruiloft was nog geen
+zeven jaar gelejen, de gassene die tot 's morges geduurd had. Toen en
+later was ze 'n vroolijk gezond ding geweest, 'n babbelkous, 'n rap
+helpstertje van 'r moeder, die geen smetje kon zien, die den heelen
+dag wreef en plaste--'n giegelende gans, die café-chantant-deuntjes
+onthield en dol was met lezen. Ze verslond romans en rommel uit
+leesbibliotheekjes--ze kroop, als kind, op den zolder waar de wasch
+hing te drogen, turf stond gestapeld, om ongestoord in boeken op te
+gaan. Dan zat ze bij 't dakraam, de vuistjes op de ooren gestompt,
+vergat 'r eten, 'r drinken, bleef den heelen avond stil, de avonturen
+der helden en heldinnen in genieting herkauwend. 't Was zoo erg
+geworden, dat 'r vader, nijdig om 'r bleeke kleur en 'r rooie oogen,
+geen centen meer gaf om boeken te halen. In 'r ziekte hadden ze 'r
+met romans vertroeteld. Geen dag ging voorbij of ze las op 'r bed
+als ze niet te moe was. Soms als ze machtloos 't boek liet glippen,
+als elk gebaar 'r te veel was, 't praten 'r hinderde, wou ze nòg 't
+eind van 'n historie weten, zat Juda voor 't bed, brabbelde 'n stuk,
+half-begrijpend en slaperig. En als-ie voorzichtig ophield, blij
+dat-ie mocht uitscheiden, na 'n harden dag arbeid, of als-ie geeuwend
+de lectuur stopte, zei ze zachies: "verder". Had ze 'n goeien dag,
+'n dag van veerkracht, dan schoof ze 'r stoel dicht naar 't raam, las
+tot 'r wangen rood werden. 't Mocht niet, 't vermoeide te veel zei
+de dokter--as-ie weg was, begon ze opnieuw. De verhalen van Scott,
+de romans van Dickens, Paul de Kock, Eugène Sue en Dumas had ze in
+vertaling verslonden. Vandaag, even alleen, ziek van 'n nacht die in
+kuchen en hoesten voorbij was getraagd, had ze niet kunnen lezen. 't
+Zitten was 'r te veel. Als in doods-besluiping hing ze achterover,
+den mond ge-vierkant, de lippen bleek als 'r huid.
+
+De handen om de knie geslagen, keek-ie 'r aan, snel de kamer
+doorstarend, als 'r oogleden open kwijnden. 't Kacheltje brandde. Op
+de plaat stond 'n steenen kan met schokjes-schuddende koffie. Bij
+den kolenbak lei 'n poes als 'n wolprop gekrinkeld.
+
+"Ken 'k je met wat diene?"--, vroeg-ie, meenend dat ze 't benauwd
+kreeg.
+
+"Nee", zei ze: "je mod-'t nie kwalijk neme--as 'k--as 'k zoo zit--'k
+bin te moei om te kletsche."
+
+"'k Weet 'r alles van", zei hij, pogend 'r op te vroolijken: "'k ben
+'r zelf is naar an toe geweest--met 't zelfde"....
+
+"Jij!", glimlachte ze mat, met 'n toon van hoe-ken-dat--hoe ken dat
+met jou die zoo gezond ben.
+
+"'k Heb ook in 'n gasthuis gelegen--ook met iets an me longen--en
+'k ben besser geworden."
+
+"Hei-jij in 'n gasthuis gelegen?", vroeg ze, op de elbogen leunend.
+
+Hij knikte.
+
+"Ook voor je borst?--En besser geworden?"--, zei ze, met 'n tikje
+ontwakenden wil.
+
+"En hóé besser!", lachte hij: "denk is an: in 'n gasthuis in
+Brooklijn--in 'n ànder land--bij vreemden. As 'k me zoo slap voelde
+as jij nou--had 'k geen vader, geen moeder bij me--geen kip--nee,
+werachtig nie-eens 'n poes"...
+
+Ze lachte.
+
+"Welk boek lees je?"--, vroeg-ie dan, de vette kaft van 'n gehuurden
+roman, omklappend--: "Zoo--zoo--Marlitt--Marlitt--_Rijksgravin
+Gisela_"--en 't reepje krantepapier wegtrekkend, waar ze gebleven
+was--: "zal 'k je 'n brokkie voorlezen?" Ze zei niet ja, niet nee. En
+met 'n grokkige stem, de romantische phrases komiek vindend, begon-ie:
+"Gisela was doodsbleek geworden. Die twee menschen dáár vernielden
+zonder erbarming den heiligen stralenkrans, dien zij zoo even nog met
+vurigen ijver verdedigd had. Al wist zij, dat haar grootmama steeds
+op een afgezonderde hoogte had gestaan, van waar haar naar liefde
+smachtend kinderhart steeds een ijskoude luchtstroom was toegewaaid,
+zoo had zij er toch nooit aan getwijfeld, dat die zekere mate van
+terugstootendheid uit iets anders voortvloeide dan uit de strengheid
+van zeden en de verhevenheid dier trotsche vrouwenziel"...--Even
+haalde-die adem, blies, zei lachend: "da's 'n zin om van buiten te
+leeren, wat?"
+
+Zij, niet luistrend, keek naar de ruitjes van 't venster. Toen,
+terwijl-ie 'n eind verder was en mal droog had gelezen: "Mijn hemel,
+genadige gravin, wilt ge ondanks aller tegenwerpingen uw voornemen
+toch ten uitvoer brengen"..., hoestte ze droog, vroeg onrustig:
+
+"...Wat doene ze naastan?"
+
+"Waar?", zei hij, verwonderd dat ze niet luisterde.
+
+"Naastan--waar ze bouwe."
+
+"Niks", zei hij: "steenen dragen. Zal 'k harder lezen?"
+
+De dreunslag van 'n heipaal die omlaag smakte, rammelde tusschen de
+buitenmuren. Nou-ie zweeg hoorde-die de plank zwiepen en stooten,
+waarover de steendragers liepen.
+
+"Ja, lees harder," zei ze, 't hoofd weer in rust achterover, maar
+nog vóor-ie 'n woord had gesproken, zat ze gejaagd op.
+
+"Wi-je me stoel 'n beetje na 't raam douwe?"
+
+"'t Tocht bij 't raam."
+
+"Hindert nimmendal."
+
+"Hier waar ik zit, vóél 'k 't".
+
+"Hindert niks. Ik wil kijke."
+
+De stoelpooten schrapten over 't zeil--de poes wakker geschrikt,
+sprong op tafel.
+
+"Dichter bij--toe", zei ze, prettig.
+
+Ze stutte 'r elboog op 't kozijn. Hij, met 'n ouwe krant en 'n zakmes,
+dichtte den tochtkier, droeg 'n stoof aan.
+
+"Dank je", zei ze, doodelijk-wit in de frischte van 't raamlicht en
+met 'r dunne, bleeke vingers trok ze 't gordijn op tot de franje om
+den stok wrong.
+
+"Ze beginne weer", zei ze toen, 't voorhoofd tegen de ruit gedrukt.
+
+"Met wat?" vroeg-ie zonder dat-ie 'r gezicht zag.
+
+'r Vol-weeldrig zwart haar stond 'n oogenblik in den wijden adem-nimbus
+van 't glas.
+
+En met den rug naar 'm toe, ongevoelig voor de poes die rugjes gaf aan
+'r slaphangende hand, zei ze eentonig:
+
+"...As ze steene andrage--en as ze pale sjorre--dan wète ze dat de
+dooi komp."
+
+"Ja, dat zal wel", zei hij, de poes aaiend.
+
+"Dat zal wel", sprak ze na: "en dan gane ze weer metsele"...
+
+"Ja", zei hij, in den toon van 'n praatje zonder doel.
+
+"En dan duurt 't hoogstes twee dage", praatte ze mat, den adem-nimbus
+in parelmoere wrijving vervlakkend.
+
+"Wat?"--, vroeg-ie nog eens, schuw naar den gepletten zakdoek op den
+stoel, 'n zakdoek met bloedvlekjes kijkend.
+
+"De muur", zei ze, terug-zittend, de blauwe lucht bestarend.
+
+"Ja", zei hij, onnoozel-weg, niet begrijpend wat ze bedoelde. Zoo
+dikwijls antwoordde je luk-raak, as 'r niks viel te antwoorden. En
+'t boek weer opnemend, vroeg-ie: "zal 'k verder lezen?"
+
+"Ja", zei ze.
+
+Zoekend waar-ie gebleven was, herlas-ie den laatsten zin: "Mijn
+hemel, genadige gravin, wilt ge ondanks aller tegenwerpingen uw
+voornemen toch ten uitvoer brengen?--riep de dokter--de waardige
+bemiddelaar tusschen leven en dood beefde inwendig van toorn,
+maar hij beheerschte zich toch, terwijl mevrouw Von Herbeck in
+sprakelooze verbittering onophoudelijk aan haren zakdoek trok en
+plukte"... Ophoudend grinnekte-die, wou iets mals zeggen, maar
+'r aankijkend, schrikte-die. Ze zat met 'r elbogen op 't kozijn
+gestut--dikke tranen vielen op 'r omslagdoekie.
+
+Voelend dat-ie 't zàg, zei ze:
+
+"Werom hou je op?"
+
+"'k Verveel je," zei hij, 't boek dichtklappend: "waarom huil je?"
+
+"Zoo maar", praatte ze--en weer in den toon van straks sprekend:
+"'t is jammer--as je effen wach komp de zon langs 't kozijn--poes weet
+'t al. Googeme rakker".
+
+Werklijk 'n plasje zon, gul van lichting en bewegend alsof 't door
+'n scherf spiegelglas werd gekaatst, kringelde langs den kozijnhoek
+op tafel.
+
+Vreemd-lachend lei ze 'r vingertop in 't wiegelend plasje.
+
+"Over 'n kwertier", zei ze, de richting aanduidend: "krijg je lich
+dáár in de hoek bij 't kassie en dan kruipt 't zóó om na de koperen
+doofpot--dan blijft 'r nog effen 'n streep--en dan zie je 'm niemeer".
+
+"Hoe weet je dat zoo precies?", glimlachte hij.
+
+"Omdat-ie nou schuins achter de huizen daar komp en weggaat achter
+de muur".
+
+Buigend over de tafel, keek-ie door 't raampje naar wat achter 't huis
+werd gebouwd. Stevig uit den grond plompten de dikke pakhuismuren,
+met zware, egale, witte balken. De stelling, die hij buiten gezien had,
+toen-ie moest wachten, stond op 'n paar meter afstand. Op de bovenste
+plankenlaag, zoo dichtbij dat je 'r op kon stappen, leien baksteenen
+en kalkbakken, sommige met troffels er in. En tusschen de voegen der
+reeds gemetselde steenen rulde de kalk in korzlige strieming. Even
+over den rand van den versten muur, pluisde takken-gewar, scherp
+van zwartte, licht deinend op den wind. De lucht, staalgrijs met
+blauwe scheemringen, waar de zon scheen, wijdde diep over de daken
+der krotjes bij de opengebroken ruimte.
+
+Nog terwijl-ie keek, klonk 'r stem, monotoon. Ze zei iets dat 'm op
+den stoel terugwrong.
+
+"...As 'k dood mot gaan, was 'k liever dood gegaan vóór die af was".
+
+"Dood gegaan! Dood gegaan!", snauwde hij haar toe: "'n jong ding as
+jij mot zulke nonsens niet zegge."
+
+"Wat hellept smoeze?", zei ze verveeld: "wad-'k weet--dat weet 'k--'t
+was zoo gezellig..."
+
+Hij hield z'n mond.
+
+Zij, de hand warmend in 't grooter geworden zonneplasje, speelsch de
+poes verduwend, die spinnend 't zelfde zocht, praatte door:
+
+...."Toen de boel af was gebroke, kon je zien, kon je zien--elleke
+dag wat anders. In September zijne ze begonne. As je eerder hier was
+gewees, Eli, ha-je je hart kenne ophale. Herinner jij je nog, hoe
+'t vroeger was?"
+
+"Nee", zei hij. Nooit had-ie 't opgelet. 't Was hier as overal.
+
+"Vroeger zag-ie niks as dake en dake--vroeger ha-je daar 'n goot enne
+daar 'n raampie met 'n tulle gordijntje enne daar 'n schoorsteen--as
+de wind 'r op sting krege we de rook binnen--herinner jij je dat
+nou nie?"...
+
+"Nee", zei-ie nog eens.
+
+"Ikke wel," lacherde ze: "van me zevende dad-we hier wone, hebbe we
+'t gehad--da's nou òver de tien jare--en we zijne wel is op de dake
+geklomme me broer en ikke, maar nie ver, nie ver, want dan kreeg-ie
+'n boch met 'n diepte om duizelig over te worde.--In September zijne ze
+gaan breke, eerst de panne, toen de balke, toen de steene. Vader heit
+ze wel 'n kom koffie door 't raam angereikt, as ze bezig ware--enne
+toen kwam de boel open--dat was zoo vreemd--zoo raar--net of je
+verhuisd was--of-ie in 'n ànder huis zat"...
+
+"Dat zal wel", zei hij, terwijl ze kuchte van 't lange praten.
+
+"...Je kon de boome van de grach, die nog groen ware zien en sjijn
+as de zon binnen scheen.--Tot twee uur sting-die in de kamer, òver
+de streepies van 't kleed tot bij de bedstee. Je ken nòg zien waar 't
+behang is verschoten. Daar. En dat was zoo gek, zoo verschwarzt--nooit
+was-ie in de kamer gewees, nog nie op de tafel as nou. 't Was soms
+zoo warrem, dat moeder in 'r jekkie, met d'r bloote hals, voor 't raam
+zat. En 's avonds, 's avonds was 't zóó raar--luister-je nie?--Vroeger
+keek-ie 's avonds nie na buiten--d'r was geen buiten--d'r ware enkel
+panne--enne dan bleef 't gordijn neer--nie voor de inkijk--de inkijk
+van de panne, da's om te lache, waas?--voor de gezelligheid as de
+lamp brandde. Maar nou, nou de boel open lee, nou zag-ie daar en daar
+lichte raampies en as 't donker was, zag-ie sterre"...
+
+"Dat zal vrèemd zijn geweest", zei hij, knikkend.
+
+"O zoo vreemd. Je wist nie wad-je zag. Je zag de groote beer--ken je
+die?--dat zijne d'r zeven bij mekander--as briljante--vier zóo--enne
+vier zóo. De lamp hebbe we wel is uitgelate om te kijke."
+
+Ze zweeg, de stelling, den pootigen muur, de kalkbakken besoezend.
+
+"As de dooi deurgaat--is 't weg--krijge we 'n muur tweemaal zoo
+hoog as 'r gewees is. 'k Wou dad-'t gong vrieze, zoo hàrd, zoo hàrd,
+maande en maande.--In twee dage zijne ze d'r--'k hei 't geteld--d'r
+komme telkes acht, lage en tweemaal acht zijne zestien--dan blijft
+'s avonds 't gordijn weer neer--is 't uit met de pret, poes".
+
+De kat zat te spinnen--'n hoek van 't tafelblad zwom in licht.
+
+Stroef keek-ie 't raam uit, meetellend of ze gelijk had.
+
+Zij, op, wit van vermoeidheid, lei achteruit in den stoel, de oogen
+gesloten. 'n Poos zaten ze zwijgend, plofte de koffiekan 'r schokjes,
+knerste 't zwiepend gepiep van de plank waarover de steendragers
+liepen.
+
+Toen vroeg ze of-ie verder wou lezen.
+
+"Nee--nou niet", zei hij stug.
+
+"Doe me 't plezier, Eli", zei ze: "jij lees beter as vader".
+
+"Je hoofd staat 'r nie na".
+
+"Doe me 't plezier", zei ze, mat.
+
+En in de wachting op Juda, vervolgde-die van _Gisela_, 't zonlicht op
+'t boek, de woorden in dwaze verte gesproken.
+
+
+
+Rozetje, de moeder, zindlijk, mager vrouwtje, dat nog wel is bakerde,
+as 'r in de buurt gelegenheid was, nou op 'n kraam liep te wachten,
+'n kraam van àlle minnute bij Jacobs, de-kooschere-vleeschwinkel,
+en verdrietig werom kwam, omdat 'r wel weer 'n pijntje hier en 'n
+pijntje daar was, maar nog geen begin van weëen--hoe men zoo stom
+was om geen anteekeninge te houe begreep ze bij god niet!--Rozetje
+liet dadelijk 't hoog-geflapt gordijn neer. Zooveul licht gaf gewoon
+'n verschteering in de kamer. Bedrukt, in zorgen om de laatste centen
+die op raakten, dee ze bedrijvige dingetjes, zacht van gebaar asof ze
+in 'n kraamkamer liep. Verstandig praatte ze terwijl, met angstjes in
+de oogen om Eitje die achterover leunde, 't gelaat in de schaduwlijn
+der gordijnlat. Nee, ze had Juda niet willen terughouen van de
+staking, al verdiende-die dikwels rijk as baas. En ze klaagde nou
+nòg nie waar-ie bij was, zoo as honderde vrouwen die elleke dag as
+'n oordeel te keer gingen. Maar ze dàcht 'r van, wat ze dacht. Voor
+alle roezies in de gezinne, voor al de schrikkelijke roezies wou ze
+wel 'n dubbeltje hebbe, dan had ze 'n gezegend jaar. Dat komt, zei
+Eleazar, bijna fluisterend sprekend om de zieke niet te storen--dat
+komt omdat niet alle vrouwen zoo wijs zijn as jij.
+
+"Wijs--wijs", zei ze bedenklijk: "wat je wijs noemp. 'k Hei daar
+'n zustand bij Klaroen bijgewoond--ze slaat 'm gewoon op zijn smoel."
+
+'t Geel gelaat met de diepliggende oogen van den diamantslijper,
+die voor máanden zorgeloos met den lapjeskoopman stond te gijnen,
+leefde op voor Eleazar. 't Most moordend zijn, als 'n man niet thuis
+kon komen zonder krakeel, gekijf en verwijten. Wat was 'r 'n stuk
+samenwerking door vrouwen vernield.
+
+"Hoe ken ze zoo tegen 'r eigen belang vechte!"--, zei-ie, met
+opwellende sympathie voor Klaroen.
+
+"Wacht eerst tot jij getrouwd bin", sprak Rozetje, 'r adem ploffend
+in gewasschen glazen, die ze zoo voor de zindelijkheid nog eens met
+'r schort nawreef: "juillie dòene en wij zitte 'r voor."
+
+De trap gromde 't snelle gestamp van Juda's voeten.
+
+Opgeruimd de koude handen wrijvend, bevestigde-die wat Dovid verteld
+had. De juweliers wouen onderhandelen. As d'r voorstellen an te nemen
+waren, zou r morgen 'n meeting zijn in 't Paleis, om de slijpers
+zèlf te laten beslissen. Rozetje schonk koffie en Eli most van
+'r kiks proeven. Kiks was 'r nog al die tijd gewees, kiks die ze
+zelf bakte. As ze nie de mazzel van twee bevallinge had gehad--veul
+geld was 'r nie van ingekomme, maar alle beetjes hielpe--dan hadde
+ze óók met de lommerd motte beginne. Eitje wou geen koffie. As Eli
+zich effen omkeerde, zou moeder 'r helpen in bed stappe. Ze mochte
+wel prate. 't Hinderde 'r niet. 'r Rok hoorde-die neerglissen en in
+de glimmering van 't venster zag-ie even 'r naakte armen voor ze 'r
+nacht-jekkie antrok, armen, mager als pijpen van 'n skelet. Babbelend,
+voor 't kozijn gebogen, met 't uitzicht op den wachtenden muur,
+wikten ze de kansen, wat 'r van de eerste eischen zou blijven staan,
+wat Dekker zou laten vallen. Toen was 'r weer gestommel op de trap,
+hakkelden zoekende voeten op 't portaaltje.
+
+"Dat zal voor mijn weze", zei Rozetje, de deur openend.
+
+Ze had goed geraden. 'n Joden loopmeissie, hijgend van 't rennen, met
+malle oogen, omdat ze zùlleke boodschappen most zeggen, vroeg of de
+juffrouw dadelijk nòg is bij Jacobs wou komme, want zoo as de juffrouw
+d'r hiele gelich had, was 't water losgekomme, most ze maar zegge.
+
+"'t Water!", riep Rozetje, verrast en verschrikt, toch kalm als vrouw
+die erger gevallen heeft meegemaakt: "'t water losgekomme? Dat ken
+nie! Is d'r dan om de dokter gezonde?"
+
+Ja, Jacobs was zellef na de dokter gehold, gehold. En of de juffrouw
+geen seconde wou verlieze.
+
+Vlug in de kast grijpend naar 'n pak dat gereed lag, en 'n flesch
+carbol in 'n ouwe krant wikkelend, haastte Rozetje naar 't portaal,
+blij redeneerend: "Addenoj, wad-'n bemazzel vandaag! As Eitje nou
+maar voor juillie ken braje? Zal je anders an je vader waarschouwe,
+Eitje, as de aardappele koke en hoe-die ze afgiete mot?"
+
+"Ga u maar gerust", klonk de stem uit de bedstee.
+
+Zij, heen-dribblend, twee pakken onder eén arm en de flesch in de vrije
+hand, kwam nog eens blazend terug. Gammerte, gammerte as ze was--daar
+had ze d'r schaar vergete--d'r goeie schaar--want honderd tegen eene
+dad-as de dokter uìt was of nie dadelijk komme kon--zij zellef de
+streng zou motte doorknippe--'t was 'r wel tienmaal gebeurd. Juda
+zocht de schaar, zij zocht de schaar, Eleazar zocht de schaar. Dan
+lee-die in d'r verstelmandje. Ja, daar lee-die.
+
+"Drink je koffie nou uit!", riep Juda: "zal 't van die eene slok
+afhange?"
+
+Nee, de koffie was te heet. Wel stopte ze haastig 'n brok kiks in
+'r mond en iedereen gedag roepend, kauwend met tandlooze kaakjes,
+sjokte ze voor de tweede maal de trap af.
+
+
+
+Fluitend, jong van gevoel, kwam-ie na uren de poort
+binnen. Flauwtjes-vragend, had-ie van Juda--nou de lucht opklaarde, nou
+'t geen halve week meer kon duren--'n gulden uit Rozetje's geldkopje
+geleend. De zon in de straten, de zon op de ijsgrachten, de zon in
+den glanzende hemel, had 'm wakker gefleurd. Voorzichtig-berekenend
+had-ie 'n pond zout, 'n half ons gemalen koffie, 'n brood en 'n kan
+petrolie in 'n ouwe azijnflesch gekocht. Goddank, 't feest van gister
+werd niet door 'n zuren morgen verstoord.
+
+Frisch van gelaatskleur duwde hij de deur open, stutte achteruit. Over
+tante Reggie, naar de zij van de glazen kast, zat Druif, de
+onderrabbijn, kouwlijk-verschrompeld in 'n jas met bonten kraag. Er
+broeide iets. Hij voelde 't an 't plotsling gezwijg, an 't gezicht
+van de blinde, die niet bewoog, toen ze 'm hoorde. Anders knikte ze,
+anders herkende ze zijn manier van loopen.
+
+"Middag", zei hij, de zakjes neerleggend, naast 'n gulden die 'm
+hinderde. En in de nog durende stilte, wikkelde hij de azijnflesch
+uit het papier. Wantrouwig de tante en Druif aankijkend, vroeg-ie:
+"stoor 'k?"
+
+"Nee, jij stoort niet", antwoordde Druif. Z'n gelaat was vetter,
+voller geworden--z'n stem had dezelfde vadzige klanken.
+
+"'k Heb zout, koffie, brood en petrolie meegebracht", zei hij,
+verwonderd de blinde toepratend. Ze moest voor haar doen wel
+grimmig-kwaad zijn, als ze zoo zat, met hard-geknepen lippen en
+vertrokken vuisten.
+
+'r Oogen, 'r trouwe blinde oogen stegen van uit hun bedenkende
+staring--de oogen waarvan-ie elke bedoeling wist, de ouwe troebele
+oogen van wit en glazig pupillen-getast, zochten z'n gelaat. Zwak
+deinde 'r hoofd, als in aarzling--of ze 'm góéd zag--of hìj
+'t wel was--of ze zich niet vergiste. Dan bleef ze zonder 'n
+ademtrilling--'m star in de oogen zien, met 'n aanhoudendheid en 'n
+schrikachtig verwijt, dat-ie in dwaze reflex steunend de hand op tafel
+lei. Ongeduldig, Druif van achterklap en ophitsing verdenkend--'t was
+niet moeilijk 'n blinde vrouw in je macht te krijgen--en in radsnelle
+ingeving meenend dat-ie 'r wel mals en giftigs verteld zou hebben
+van de bijeenkomst tóen in 't Park, van z'n heftige woorden om de
+stakers warm te houen--glimlachte-ie valsch tegen den jood in de
+dikke jas. As 't mòst zou-ie 'm slaan. Hij kéék. Hij liet zich geen
+loer draaien. Druif verwrikte niet. Ontstemd en norsch keek-ie naar
+de punt van z'n laars, waaruit pettig 'n lipje boorde. 'n Stilte
+van felle vijandigheid groeide van hoofd tot hoofd. Boven stompte
+'t gescharrel van de kindren van Suikerpeer, die knikkers schenen te
+rollen. Toen gebeurde 'n eenvoudig ding, dat Eleazar deed verbleeken,
+dat zoo vinnig in z'n hersens snee, toch zoo simpel was, dat 't 'm in
+elk bewegen, in elke spanning, in elke geluiding bij bleef. De blinde,
+smakte 'r dorre handen op de leuning van den stoel, duwde zich op,
+stiet 'r stoof weg en schuw-plechtig van tast, den arm in wijzing
+vooruit, 't hoofd met de zilvergruisjes onder den bandeau geheel in de
+lichtbleeking van 't venster, de lippen in trillende proeving, ging ze
+op de deur toe. 'r Hand, plotsling in beving gegrepen, klapperde even
+tegen den kruk, alsof 'r iemand achter stond die aarzelde binnen te
+treden. Toetastend dan, wijd-opende ze de deur. De binnenplaats-kou,
+de kelderkilheid der muren, zoog om de voeten. En sidderend de hand
+heffend, klimmend langs 't verveloos grauw van den deurpost met 'r
+oude spinnepoot-vingers, bleef ze 'm schrikoogig aankijken, tot ze de
+plek waar de _mezoesos_ gehecht was geweest, had bereikt. Nog voor
+'r hand de spijker-groefjes belei, vóor ze dreigend inzwartte tegen
+'t grijs cement van den overzij-muur, begréép-ie. In 'n snijdende
+geheugen-flitsing, zag-ie zichzelf in den avondschemer staan, dien
+eersten nacht thuis uit Amerika, met Saartje op den arm--hoe z'n
+vingers dezelfde plek beplukten--hoe 't wetsrollen-hulsje gekringeld
+had in 't water bij 't kreng van den hond. Geen oogenblik had-ie 'r
+meer aan gedacht. In 'n verhit gevoels-opwellinkje was 't gebeurd. Nou,
+door 'r angstigen ernst, door 'r tragisch hande-gezoek, alsof ze iets
+dierbaars miste, hem van 'n grove schennis beschuldigde, hóórde-ie
+Saartje's geheimzinnig gepraat, met 't angstig "O, oomè!"--, zàg-ie
+de stinkende, groen-wazige gracht.
+
+In den deurpost, 't licht dempend, met 'n stem die 'm zeer deed--nóoit
+had-ie 'r zoo gehoord--bijna onbeweeglijk, den arm strak omhoog,
+vroeg ze:
+
+"Waar is de mezoesos?"...
+
+"Weg", zei hij, geprikkeld door Druif's betoogend zwijgen.
+
+"Wáár weg?", vroeg ze nog eens.
+
+"Weet 'k niet!", zei hij, ongeduldig.
+
+Langzaam zakte Reggie's arm, langzaam ging ze naar 'r stoel
+terug. Daar, plots van 'r stroefheid ontdaan, begon ze huilerig
+'r dorre handen te wrijven, zwaar-hijgend en kreunend.
+
+"Wanneer", sprak Druif en z'n hand sloeg naar de tafel dat de
+gulden rinkelde: "wanneer krijgt 'n rechtschaffen man 't in z'n
+hersens--in z'n hersens, zeg 'k!--om mezoesos van 'n deurpost te
+trekke?"--En driftig wordend door Eleazar's opvlammend kijken: "dat
+zijne kwajongensstreke--ja, kwajongensstreke! Waar Saartje bij was,
+hei-jij 't losgetrokke--in je zak gestoke.--As ik daar nie binnen
+kom, weet je tante 't nie-eens--'n schandaal--'n schandaal as geen
+rechtschaffen man doet!"
+
+"Da's ongeluk ànroepe--da's ons beschrieje!", klaagde de blinde,
+op en neer wieglend, smartelijk hijgend.
+
+"'k Heb niks geen lust," zei Eleazar, zich inhoudend, onverschillig
+voor 't venster staand: "om 'r waar hìj bij is, over te praten. Dat
+kenne we onder mekaar af"...
+
+'t Vleezig-bleek gelaat van Druif, kreeg 'n kleur van verwoedheid.
+
+"De gotspe, de gotspe van zoo'n kwajongen!", viel-ie uit: "wie geeft
+jou 't rech om je hande an _mezoesos_ te slaan!"
+
+Minachtend haalde Eleazar de schouders op. Krakeelen zou-die niet. 't
+Toontje van den man most-ie maar slikken. As tante Reggie 't 'm
+alleen had gevraagd, was 't 'n ander geval geweest. Nou verdraaide-die
+'t uitleg te geven.
+
+Maar Reggie maakte 't moeilijk.
+
+"As-die maar zeit", sprak ze klagelijk, in de weer opwellende
+goedigheid om te sussen: "as je maar zeit Eli waar 't gebleven is--weg
+is 't toch nie geraak--weg dat is ongeluk, ongeluk"...
+
+Nog hield-ie z'n mond. An 'n opzet om wat háár heilig was te
+verstoren, had-ie niet gedacht. Als 't ding niet los had gelaten,
+zou-ie 't niet met mallen mòedwil afgerukt hebben en als 't niet bij
+de gracht op den steen was gevallen, lei 't nou niet in de modder. Met
+haar angstjes, haar vredig geloof, haar hechten aan voorschriften
+en overleveringen had-ie meelij, sympathie--elken dag keek ze in
+'n afgrond, in 'n diepte van dood, elken dag gaf 'r dat vertrouwen
+'n blijjen steun, waaraan je niet knaagde, waarvan de ongereptheid
+je 'n stadige bewondering gaf--Als-ie in die avondstemming maar
+even geweten had, dat-ie haar 'n ongelukkig uur bezorgde, had-ie 't
+wrevelig gebaar achterwege gelaten--zij droeg 'r noodlot zóo kloek,
+zoo gelaten, dat elke spot, elk nuchter ontleden, in de buurschap van
+'r starende oogen 'n misdaad werd. Die màn moest 'r buiten blijven. Die
+man met z'n honderd-centen-weldaad van armbezoek. Die man, die de poort
+door was gekomen, de wanhoops-woningen gezien, de schimmelige muren,
+de krottige kamers, een- en twee-hoog, en 't eerst op 'n deùrpòst
+lette. Die man in z'n warme pels--die man die geen oogen voor 't
+raamlooze hok had, waarin de strontton stond en Dovid met de kinderen
+op den grond lei. Die man, die door z'n beroep--'n ander woord wist
+je 'r niet voor--de hel moest weten waarin zìjn joden-volk leefde,
+de hel van sloppen en stegen en niet met bloed-beloopen oogen z'n
+razernij om zooveel schanddaden uit-gilde. Die man, die geen trappen
+klauterde naar Poddy, Poddy in de bedstee--niet naar Suikerpeer, niet
+naar de buren, achter en voor, die om dagelijksch vreten vochten--die
+man, wiens hersenen niet brandden, wiens adem niet snoof in wilden
+opstand, als-ie menschen zag krielen, verdierlijken in kelders en
+keeten--die man die òpschokte als-ie het teeken der geboden op 'n
+deurpost miste--die jongens beschimpte als ze op sjabbes róókten--die
+ijverig snuffelde of eten en drinken kooscher waren--of 'r matze-brood
+werd gegeten op Paschen--of de vrouwen bandeau's droegen--of 't
+vleesch in de hal werd gehaald--of 'r sjabbesgojjen waren voor
+'t licht op Zaterdag--die man, die in z'n star dogma elken dag an
+pas-geborenen de besnijdenis verrichtte, elken dag 't brandmerk van
+slaaf en slaafschen vormendienst op weerlooze lichaampjes zette--die
+man, die bad, smeekte, zong, zegende--die man, onaantastbaar in z'n
+synagoog--die man, die nou misschien in 'n zak van z'n jas 'n cachet
+diamanten bewaarde--hij had 'm zièn sjaggeren in 't Casino, toen de
+schoenenjood z'n laarzen poetste. Tegenover dien man, nam-ie niks van
+'t gebeurde terug--die man was 'n vijand van hèm en de andren.
+
+"Hoor je nie?--Hoor je nie, Eli?"--, vroeg Reggie nog eens.
+
+"'k Weet niet waar 't gebleven is", loog hij--waarom zou-ie 't 'r
+moeilijk maken?--"en als dàt 't ergste is, dat 't zoek is geraakt,
+dan komme we 'r wel door heen".
+
+"Dan komme we 'r wel door heen! Dan komme we 'r wel door heen!", sprak
+Druif driftig na: "hij weet nie waar 't gebleven is! As 'n kind dat
+zee, zou je 'm voor z'n broek geven. Of-die 't weet! Of-die 't weet!"
+
+De tergende toon van schoolmeesterschap, 't bruske doen van den
+onderrabijn, die 'm als jongen gekend had, nou hier optrad tegen iets
+dat hìj 'n gruwel vond, begonnen Eleazar te hitsen. De tijd dat diè
+z'n meerdere was, was voorbij.
+
+"'k Geloof", zei hij, bleek van ingehouden drift de vuisten in de
+broekzakken ballend: "'k geloof dat u met 'n gift bij m'n tante ben
+gekomme--hou u daar bij--ìk heb geen trek in herrie".
+
+Even leunde Druif terug in z'n stoel, dan zei-ie vinnig: "'k Wil geen
+woord an jou verspille. Jij ben 'n frecher haurik! En jij liegt--jij
+liegt--d'r is wat met de mezoesos gebeurd. Dat zag 'k an je gezich,
+toen je blinde tante na de deur ging, toen ze d'r hand an de plek
+lee.--Jij liègt!"
+
+Scherp hoekten Eleazar's elbogen--hij was 'n kwajongen--'n kind dat
+'n pak voor z'n broek most hebben--'n leugenaar. De drift deed de
+aeren van z'n slapen zwellen. Reggie vergetend, ènkel 't gelaat
+van den week-zinlijken jood met den zwarten ringbaard ziend, zei-ie
+snerpend-grimmig:
+
+"Ik lieg--jà--'k lieg! As je de poort doorgaat, ken je 't in de
+gracht zoeke! 'r Moste 'r méér in gesmeten worde--ze hoore niet op de
+deurposte van mensche die verrekke. Getrapt en getrapt--uitgezogen,
+armoei, ellende--en de geboden op je deurpost--da's om te giere,
+te gille van 't lache!"..
+
+Dreunend sloeg Druif s hand op de tafel--de flesch met petrolie
+hobbelde--de zak met 't zout sprong open.
+
+"Jij schijnt te vergete", heftigde hij, dreigend opstaand: "met wiè
+jij spreekt, kwajongen, kwàjongen!"
+
+"In gosnaam--in gosnaam", smeekte de blinde, angstig van 'r stoel
+rijzend: "ga jij weg, Eli--hou je mond, Eli"...
+
+"'k Heb jou geen displeizier wille doen", zei Eleazar zachter:
+"en an jouw deurpost zal wel 'n nieuwe mezoesos komme--d'r zijn
+'r genog!--voor mijn is't ding niet dàt waard, niet dàt!"
+
+"Jij--jij eindigt verkeerd", kwam Druif nog eens los, driftig z'n
+jas toeknoopend: "jij ben 'n te erge kwajongen, om 'n woord an te
+verspille. Zoo waar God me hoort--voor jóú komt 'n stràf!"
+
+Verveeld haalde Eleazar de schouders op. 't Dee 'm niks. 't Was haast
+komiek dat zoo'n man, plechtig in naam van 'n god sprak, in naam van
+'n god dreigde.
+
+"Gaat uwe nou zoo nie heen--blijf uwe nog effen", mummel-praatte de
+blinde, die de verwoedheid der twee vóélde: "uwe mot denke dat hij
+om de schtaking bitter is--al valt 't nie goed te prate--al heit-ie
+gedaan wad-'k me nie denke ken--dad-ie verschteurd is--door wat ons
+in de laaste tijjen is overkomme--hij meent 't zoo nie--hij meent
+'t zoo nie"...
+
+"Tante!", viel Eleazar haar in de rede: "maak je nie kleiner as
+noodig is. 'k Had 'r geen lust in narrigkat uit te krame--hij heit
+me gedwonge. En an hèm hei-'k maling"...
+
+Druif bleef stil. Van 't hoofd tot de voeten nam-ie den jongen man
+op, begrijpend wàt 'r gebeurd was. Dagelijks vergiftigden brochures,
+vergaderingen jongens die-die kende. Dagelijks las-ie van joden die
+debateerden, van joden die opruiden, van joden die schreven. Kwaje
+apen, onwetende rakkers, slaapkoppen-van-de-school, wie-die met moeite
+dingen had ingepompt, die geen brief zonder fouten konden saamflansen,
+deëen an politiek, schetterden op meetings. De diamant-industrie, met
+'r fabrieken, was 'n pèst. De een stak den ander aan. De een leende den
+ander boeken, socialistische kranten. In tientallen gezinnen, die-die
+van jongs bezocht, had je van die drieste, brutale vlegels, waarom je
+voor jàren gelachen zou hebben, smakelijk gelachen, àpen-van-jongens
+die redeneerden over Marx en Lassalle, over economische toestanden,
+over godsdienst, over wat je maar wou. Verwaand, over 't paard
+getild, na-leuterend wat ze onthouen hadden, wat onrijpe hoofden
+niet konden beoordeelen, zag je ze op openbare vergaderingen 't
+woord nemen, bekende, aàngeziene ingezetenen aanvallen. Telkens
+klaagden vaders en moeders. Telkens kwam-ie in botsing, werd-ie op
+voet van gelijkheid gebrutaliseerd. Vroeger kon-ie de arme wijken
+niet inwandelen of van alle kanten groetten ze, knikten ze, namen
+ze d'r petten af. Tegenwoordig had-ie wel 'ns 'n aarzeling of-ie
+'n groep diamantslijpers ràkelings zou passeeren, òf naar de andere
+stoep wippen. Het was 'n vloek, 'n vloek. 't Scheen of de ramp van
+'t schandelijk socialisme, 't liederlijk, alles-bedreigend socialisme
+op de droomerigheid van joden 'n bijzonderen vat had. Gister nog, was
+de moeder van Jozef Cahen, 'n jongen die op 't seminarie studeerde,
+bij 'm kommen huilen. Jozef had 'r gezeid dat-ie niet verder wou,
+dat z'n oogen open waren gegaan, dat-ie niet kòn. Zèlf had-ie den
+jongen toegesproken, 'm willen overtuigen van 'n schoone roeping, van
+de heerlijkheid van 'n godsdienst die door alle eeuwen was blijven
+staan. En 't bleek jongetje, 't intelligent broekje had 'm met
+dweepziek geraaskal, met platte beschimping van de heilige schrift
+zoo geërgerd, dat-ie moeite had gehad 'm geen draai om z'n ooren te
+geven. Dit van vandaag, spande de kroon. 'n Goddelijk symbool afrukken,
+'n kwaadaardig beweren dat _mezoesos_ niet behoorden op de deurposten
+van àrmen, dat was zóó tergend, zoo door en door driest, zulk een
+hoon van den God-van-Israël, dat-ie naar schampere woorden zòcht.
+
+"As jij--as jij--", hakkelde hij: "as jij tot de jaren des onderscheids
+ben gekommen--zal jij tot 't uur van je dood berouw en wroeging hebben
+over dàt--over dàt"...
+
+Z'n week-zinlijk gelaat was bleek van ingehouden woede, z'n lippen
+beefden.
+
+"Waarom?--Waarom?", zei Eleazar, met 't onprettig gevoel, dat-ie zich
+niet had kunnen bedwingen--hij en de onderrabbijn waren uitersten,
+twee vijanden-voor-altijd--wat gaf 'n dispuut?--wie won 'r bij?--wat
+schoot je 'r mee op, als die man dacht, dat-je 'r plezier in had 'm
+ongehoord-scherpe dingen te zeggen?--was de strijd niet gróót genoeg om
+'t zònder krakeel van zoo bitsen aard te bereiken?--: "waarom?"--,
+vroeg-ie nog eens met 'n schijnbaar-angstige wijking in de stem:
+"waarom zal 'k wroeging hebbe over iets dat me koud laat?--'k Ben
+niet de eerste--'k zal niet de laatste zijn"...
+
+"De minste christen heeft voor dàt eerbied!"--driftigde Druif, de weeke
+hand aan den deurknop: "de minste christen spoegt op joden as jij!"
+
+"Joden as ik", herhaalde Eleazar mat: "weten dat eindlijk de Messias
+is opgestaan"...
+
+Toonloos sprak-ie dezelfde woorden die-ie dien avond in de sneeuw tot
+Juda gezegd had--'t leek 'm zoo simpel, zoo kláár, zoo 't éénige om
+je an vast te houen.
+
+"De Messias! De Messias!", zei Druif, hartstochtlijk-verwoed pratend:
+"wat doe jij met zulke namen in je mond, aap, kwajongen, freche
+vlegel!"
+
+"De Messias--de Messias", zei Eleazar nog eens: "as we die nièt voelde,
+as-die in onze krotten geen dinge gezegd had, waarvoor jij geen ooren
+heb--waarvoor die Christus gekruisigd hebbe geen ooren hadde--dan zag
+je nou niks as moord en vlamme--dan stond geen steen overend. Daar
+magge jullie voor danke"...
+
+Even keek Druif of-ie 'n krankzinnige hoorde bazelen.
+
+Toen, de deur nijdig open-rukkend, zei-ie: "'k Kom nog wel is terug,
+Reggie--as-die--as-die volslagen gek 'r niet is."
+
+Z'n schaduw glee langs de tullen gordijntjes--z'n voetstappen grimden
+de poort door.
+
+"'k Zal dadelijk voor 'n nieuwe _mezoesos_ zorge", zei hij, 'r gesloten
+oogen toesprekend.
+
+Ze antwoordde niet, leunde met pijndoende vermoeidheid achterover.
+
+In de stilte begon-ie 't zout in de zak terug te duwen, de zak
+die door Druifs vuistslag was open gesprongen. Zij, onbeweeglijk,
+beluisterde 't gewrijf van z'n vinger. De armen op tafel stuttend,
+diep van medelijden, verontschuldigde-ie zich nog eens:
+
+"...Vin je dat nou zòo vreeslijk, tante? Heb 'k zóo de gewoonte je
+met opzet te hindere?"
+
+"Dat mot je voor God, voor God-de-almachtige, die ziet wat wij
+nie zien, verantwoorde", praatte ze, de handen op de stoelleuningen
+leggend: "wat je gedaan hei--is slecht--is àngstig-slecht, is om over
+te huile, is--is God verzoeke"...
+
+"God verzoeke--vèrzoeke--beste ziel", redeneerde hij, 'r bezorgd oud
+hoofdje beglimlachend, harder sprekend om 't knikker-geraas van de
+kinderen boven: "zie jij God in de donkerte van je hoofd zóó klein,
+zóó klein?"
+
+"God kèn je nie klein zien, jònge", antwoordde ze zacht, voor 't
+eerst sinds z'n thuiskomen weer jònge, den naam waarvan-ie zoo hield,
+zeggend: "God is groot, gróót en z'n wet is zijn wet"...
+
+'r Was plechtigs in 'r doen, plechtigs in 't geloovig staren van de
+blinde oogen naar wat zij den hemel dacht.
+
+"'r Komt 'n nieuwe _mezoesos_--as je wil 'n half dozijn", zei hij,
+hartlijk van opbeuring.
+
+"Met 'n nieuwe raakt 't nie ongedaan, jònge. Nee, jònge! Jij
+hei die avond je geloof in de gracht gesmete--'t geloof van je
+vader, je grootvader, je òver-òvergrootvader. Jij hei geen geloof
+meer. Gistere-avond, toen Dovid van de juweliers vertelde, hei-je
+al zoo ies gezeid--van géén zegen van God. Ken je dan geen zociaal
+weze--as Dovid zeit dat jij bin--zonder je geloof te verlieze?"...
+
+"Nee--ik niet!", viel hij haar in de rede: "andren wel. Ik nièt!"
+
+"As 'r dan meer zijne as jij bin", sprak ze rustig: "dan beklaag ik
+ze--met 't geloof gaat 't geluk uit je weg"...
+
+"Met 'n ander geloof, komt 'n nièuwer geluk", glimlachte hij. Waarom
+'r te verontrusten? Wat zou ze 'r van begrijpen als-ie 'r zei dat
+'n jóód die socialist werd, àlles brak, dad-ie alles móést breken van
+'n door de eeuwen vergruizeld wetten-verband.
+
+"Je hei me 'n ellendige dag bezorgd", zei ze, stooterig ademhalend:
+"'k Zal God bidde dad-ie je vergeef--dad-je 't zoo nie gemeend hei"...
+
+"Doe dat", lachte hij, 'r eene dorre knokelhand in de zijne nemend,
+vrindelijk 't rulle vel streelend.
+
+"As je--as jij", glimlachte ze met 'n vrede die 'm altijd 'n zwelling
+om 't hart gaf--daar ging zoo iets kostelijks en prachtigs van uit:
+"as jij"--en 'r magere vingers omtrilden z'n hand: "as jij getrouwd
+bin--dad-je 'n beste, oppassende joodsche vrouw krijge mag!--omein!--en
+'t uur is gekomme dad-zij in de baring leit--van 'n zoon, omein!--van
+'n gezonde dochter, omein!--en je dan voor 't eerst achter de deur--je
+luistert àltijd an de deur as 't zoover is, jònge--voor 't eerst je
+kind hoort roepe: in-de-la!--in-de-la!--dat roepe ze àllemaal as ze
+pas op de wereld zijne--àllemaal roepe ze: in-de-la!--dan hóór je an
+de stem van je kind--dad-'r 'n God, 'n àlmachtige God is"...
+
+Met prettige drukjes hield ze z'n hand en 'r vochtig-geworden oogen
+dwaalden op 'm toe.
+
+Ontroerd, met den lust 'r in z'n armen te nemen, stond-ie zwaar-ademend
+stil.
+
+"Tante Reggie", zei-ie toen en z'n grijze oogen keken star van
+lichtenis door de tullen gordijntjes naar de in kou gebleekte
+binnenplaats: "as 't zoover met mijn is gekomme, às 'k 'n kind heb,
+zal 'k 't éérst van de mènschen leeren, 'r God laten zoeken, zèlf,
+zèlf--buiten--altijd bùiten--niet in 'n kerk"...
+
+"Niet in 'n kerk", praatte ze: "zonder kerk, kèn 't nie. As God ons
+nie uitverkoren had, uitverkoren, zouen we 't nie tegen verdrukking
+en rissches hebbe uitgehouen"...
+
+"Uitverkoren!", lachte hij, de heele jodenbuurt met 'r ellende voor
+zich ziend: "uitverkoren! Al voor eeuwen heit Spinoza zoo helder as
+glas gezeid dat negers en kaffers zoo goed zijn uitverkoren as wij"...
+
+"Wiè heit dat gezeid?"--, vroeg ze, prettig-gemoedelijk.
+
+"Spinoza", herhaalde hij kluchtig. En onmiddelijk lachte hij
+onbedaarlijk dat de tranen over z'n wangen liepen, want met 'n
+gezellige knabbeling van 'r kaken, asof ze an 't spreken waren over
+de sjabbessoep van Essie of Soortje, vroeg ze nog eens:
+
+"Spiè-nooze--Spiè-nooze--is dad-de neef van Mierande die in kouse
+doet?"
+
+"Nee", zei hij nà-lachend: "hij is lang dood--heit drièhonderd
+jaar gelejen geleefd. Geen stuk van 't ouwe testament heit-ie heel
+gelaten"...
+
+"Daar most-ie zich over schame".
+
+"Ja! Of-die!," lachte Eleazar, de peer uit de lamp lichtend en
+voorzichtig de petrolie uit de ouwe azijnflesch overgietend. De hals
+van de flesch lachte mee, rinkelend tegen de opening der peer.
+
+"Wat doe je an de lamp?"--, vroeg ze.
+
+"Bijvulle--'k heb olie meegebracht."
+
+"'t Ouwe testament", praatte ze: "heit-ie dààrvan rissches gezeid? Hoe
+kèn men dat? En was dat 'n jid?"
+
+"Ja--'n mooie jid--haast zoo mooi as Christus 'r een was"...
+
+"Dat begrijp 'k nie--dat gaat 'r bij mijn nie in. Zal 'n jid zijn
+eigen geloof op de tong brenge? Dat bestaat nie. Vroeger zou-die
+gesteenigd zijn"...
+
+"Dat hebbe ze 'm ook wille doen", zei Eleazar.
+
+"Spiè-nooze... Spiè-nooze", zat ze te zinnen, met kleine kriebeltrekjes
+om 'r mond alsof ze 'r herinneringen afzocht: "ik kèn toch 'n
+Spien-ooze--d'r zijne d'r meer van die naam".
+
+Weer schoot-ie in den lach. De azijnflesch stiet tegen de peer.
+
+"Breek daar wat?"--, vroeg ze.
+
+"Nee", zei hij--"'k heb tegen de peer gestooten".
+
+"Is 'r geen barscht in, Eli?"
+
+Bij 't raam keek-ie, draaide den melkwitten bal, zocht. Nee, 't was
+goed-afgeloopen.
+
+Z'n vette vingers afvegend, wou-ie de kamer verder opruimen. Maar zij,
+gewend dat te doen, bang dat-ie de dingen op verkeerde plaatsen zou
+zetten, dat ze zou moeten zoeken, as ze wat noodig had, levendigde uit
+'r stoel, nam 't brood, de koffie, betastte den gulden.
+
+"Da's 'n wéék zonder zorreg", zei ze, gelukkig-glimlachend: "wil jij
+nou wat turve hale om de hoek, wat zware turve?"
+
+"Niet van diè cente", zei hij: "'k heb nog"...
+
+"Die gulden is 'n mitswe", zei ze: "en zorreg voor 'n nieuwe
+mezoesos"...
+
+Den heelen middag bleef-ie bij 'r, hielp 'r an de kachel, probeerde
+de waterleiding die bevroren was te ontdooien. 't Heele huis had 'r
+den last van. Essie liep met emmertjes, Mijntje liep met emmertjes,
+Rebecca kwam voor niks de trap af. De ééne kraan was voor 't heele
+huis, voor een- en twee-hoog. Ze waren gewoon bij Reggie an te
+kloppen. Nou had niemand 'n drup.
+
+"As 't hier warrem wordt--hei-je kans dad-ie springt", sprak de
+blinde bezorgd.
+
+Essie gaf den raad warme lappen tegen de buis te leggen.
+
+"As uwe 't voorzichtig doeit, Eli, zal uwe zien, zal uwe zien"...
+
+"U had 'm motte late loope vannach", zei Mijntje.
+
+"Hei-'k 'm dan nie late loope--hei-'k 'm nie hóóre loope?"
+
+"Laat mijn is begaan", zei Eleazar en hij begon 'n toer, die de
+vrouwen dee oogknipperen van angst. Stevig wringend, schroefde-die
+de kraan los, dat 't spongat zichtbaar werd.
+
+"Eli--doet uwe dat nie--as-die ineens loope gaat, schpàt 't tot an
+de zolder!"...
+
+"Wat doet-ie?"--, vroeg tante Reggie.
+
+"Hij heit 'r de kraan afgeschroef!--En as die 'r jà geen verstand
+van heit?"
+
+"Laat mijn maar begaan--ik lap 't 'm!"
+
+"Bij mijn en bij uw gezond--d'r komp daar 'n spuiting--'n spuiting!"
+
+Lachend nam Eleazar den keulschen pot met het zout, liet met 'n
+eierlepeltje zout in 't spongat zakken. Hij had 't zoo is eens
+zien doen.
+
+"Verschwarzte nar! Wat mors je nou!"--, riep Essie: "hoe ken men zoo
+klatsche met kostbaar zout!"
+
+"Wat doet-ie dan?"--, vroeg weer de blinde.
+
+"Wat-ie doet!", gierde Mijntje: "hij zit de waterleiding lepeltjes
+zout te voere! Hou nou op, gammer!"
+
+"Eli, met zout morse geeft roezie", maande de blinde.
+
+"Zout smelt ijs--laat mijn toch begaan!"--, lachte hij.
+
+"Eli, pas uwe nou op! Eli as 't 'r uit spuit is 't te laat!"
+
+"Waarom zout en geen suiker? Wat haalt-ie in z'n hoof! Zoo krijg-ie
+zeewater! Tante Reggie, hij is an 't versalze!"
+
+"Eli, doe 'r de kraan op!", soebatte Reggie:
+
+"Eli je heit 'r ommers geen verstand van! Eli zout kost geld!"
+
+"Zoo", zei hij--"'k hoor 'r al werke"...
+
+Essie en Mijntje weken naar de deur, schuw met de oogen knipperend.
+
+Eleazar zelf bang geworden door de zenuwdrukte der vrouwen, schroefde
+de kraan 'r weer op.
+
+"As je nou wacht, zal je zien", zei-ie, blij om z'n handigheid:
+"zet 'r maar je emmer onder."
+
+Aandachtig bleven ze wachten. Er kwam niets.
+
+"Veel hei-'k van me leven gehoord", smaalde Essie: "maar hoe men
+koud zout bij koud water doeit--koud bij koud--om water as steen te
+dooie--nee, daar staat mìjn verstand bij stil!"
+
+Even schrikten ze van 'n knor-geluid in de leiding.
+
+"Hij krijgt 't benauwd", lachte Mijntje: "hij laat 'n wind"...
+
+"Hei-'k gelijk dad-'t niks hellept!"--zei Essie, wijs 'r hoofd
+schuddend: "zout! Hoe komp men an zout?--Heete lappe--enkel heete
+lappe--dat versta 'k!"
+
+"Zout is beter", lei Eleazar uit: "denk an de tram. Wat smijte ze
+tusschen de rails as 't vriest?"
+
+"Géén zout!", zei Essie: "pekel! Pekel en zout zijne d'r twee. Wat
+'n neweire van 't goeie zout! Wat 'n schtos! Net wat-ie gistere met
+de galletjes van de blieke dee! Geef mijn me emmer en laat Mijntje
+na de water-en-vuur-vrouw loope."
+
+Ze werd ongeduldig, wou niet wachten. Eli had altijd van die òngewone
+gekheden.
+
+Daar kon ze nijdig van worden. Met heet zand gong 't in 'n
+oogeblik--had ze wel tienmaal beleef. Nee maar, nou zóú ze wachte,
+nou zou ze vòlle vijf minnute wachte. Enkel om 'm te late zien wad-'n
+narrestreek die had uitgehaald. Terwijl sloeg Eleazar de nieuwe
+_mezoesos_ aan den deurpost. Staande op 'n stoof, lei-ie 't dingske
+in de ouwe voegen, hamerde de nageltjes vast. En opkijkend naar den
+effen-glanzenden hemel, die door 't murenvierkant gekerkerd werd,
+glimlachte hij bizar. Hij het teeken der geboden met 'n oud hamertje
+bevestigen--bevestigen dat ze grinnekten om een vrijlatingsjaar--dat
+ze liever krom zouen leggen dan elke zèven jaar 'n schuldenaar vrij
+laten èn d'r naasten en broeders--dat ze nièt ter leen zouen nemen--dat
+ze 'n behoeftige zouen leenen zóóvéél-ie noodig had--hij _mezoesos_
+anslaan, _mezoesos_ die aan iederen deurpost 'n krijschende bespotting
+waren van wetten, waarvan ze 't lastige, 't schoone hadden vertrapt,
+'t makkelijk-domme behouden. Binnen most-ie uitleg van z'n geklop
+geven, jokten hij en Reggie dat de _mezoesos_ los had gezeten. Of-die
+nou inzag dat zout niks gaf--dat-ie 'n gammer was?
+
+"'t Mòt helpe", zei-ie hardnekkig: "en anders is de hoofdbuis
+bevroren."
+
+"Hij neemp zich gelijk! Kunststuk!", kibbelde Essie.
+
+"Je mot 't met mòsterd probeere, Eli!"--, lacherde Mijntje.
+
+
+
+Toen Rebecca met 'r emmer kwam, vóór Essie en Mijntje, had-ie
+gescholen in 't scheemren der kamer. Hij was bang voor 'r oogen,
+de bloed-opjagende oogen onder de donzing der brauwen. As-ie 'r
+wèer alleen zag, wat dan? Hij wist 't niet. 't Maakte 'm gejaagd
+en verlegen. Den heelen middag zat-ie bij de blinde, spelend met
+Moosje, 't zieklijk jongetje, waar-van-ie niet hield, omdat 't
+geel-opgeblazen op Dovid geleek. 't Achterlijk kind had gekraaid
+van pret om de pop die-die uit 'n zakdoek draaide, z'n vestknoopen
+beplukt, z'n broek bepiest. Reggie had 't toen overgenomen. Op de
+plaats had-ie 'n sinaasappelenkist voor Suikerpeer an spaanders
+gehakt, wetend dat 'r bij Poddy alleen 'n zijwaartsch raam, met
+uitzicht op 'n dak was. Zij kwam niet meer benejen, niet éénmaal. 't
+Dunne hout kloppend, werd-ie van 'n tintelende prikkelbaarheid,
+moeilijk slikkend, verward van denken. Tweemaal liep-ie tot bij
+de trap, vinnig kijkend of ze niet op den overloop stond. Anders
+was-ie al vroeg bij den sigaretten-jood--vandaag was-ie 'r nog niet
+geweest. De klare heldere winterdag, de bezigheidjes, de twist met
+Druif schenen 'm te vernuchteren, de koorts van 'r zuigende lippen
+heen te koelen. Met Moosje op den schoot had-ie zitten denken,
+overwegen, dat 'r meer in vroolijkheid gestoeid werd, dat ze 'm
+onverschillig was, hinderlijk van opdringing, stuitend misschien door
+'r gemeene trekjes, 'r vies geslobber van 'n rotten sinaasappel, 'r
+scheefgeloopen slijkschoenen--nee, hij kon al rustig over 'r wikken,
+zonder de gloeiende kropping van-dien-eigen-morgen-nog te hervoelen. De
+eerste dagen zou-ie 'r ontwijken. Hij was dronken geweest van 't
+klein beetje vreugde na de wanhoops-uren op 't ijs, dronken door
+'r streelend gebaar, dronken door de donkerte van 't portaal, dronken
+door z'n gestel dat soms weken en weken in lichaams-vermoeiing traagde,
+dan weer fel van hartstochtlijke branding was.
+
+Gebukt bij de tafel met de olievegen, had-ie de oogen gesloten,
+trachtend 'r terug te nemen in z'n herinnering, de planting van
+'r neus met de teere vleugels, de snee van 'r mond. Vaag voelde
+hij de vlammende gitting van 'r oogen, de weeke drukking van 'r
+borsten. Zièn, heelemaal zièn dee-ie 'r niet. 't Was vreemd-angstig
+hoe ze 'm ont-beeld was--'t zelfde van z'n eersten en laatsten gang
+naar 'n hoer, met anderen samen, 'n hoer ergens op 'n gracht, 'n hoer
+waarbij-ie 'n nacht had geslapen--als kwajongen van achttien--'n
+heelen nacht en 'n morgen en waarvan-ie 's avonds 't gezicht niet
+meer wist, hoe-ie ook zon, hoe-ie kwaadaardig van spanning 't hoofd
+in de handen drukte. Van 'n vrouw houen moest 'n verheffing zijn,
+'n gaan in lichte, wijde vervloeiing, 'n hooren van 'r adem, 'n
+ziening van liefheden die geen ander kòn zien. Van 'n vrouw houen,
+moest zijn 't verlangen 'r dicht bij je te weten, 't aanvoelen van
+'r gebaar, 't telkens jezelf verdwazen in den greep van 'r oogen. En
+hij had kalm als altijd boodschappen gedaan, gebabbeld, geknutseld,
+soms met 'n aanvagenden wrevel, dat 'm iets hinderde, iets dat z'n
+nuchterheid moest weg-redeneeren. Met den schemer op de binnenplaats,
+was 't anders geworden, maakte de stilte boven 'm week, luisterde-die
+naar 'n voetstap, 't slaan van 'n deur. Al wat-ie gedacht en stevig
+gesteld had, zonk in geweifel en avond-melankolie. Langzaam 't hout
+kloppend, herzag-ie zich op de trap, de zes kommen in de eene hand,
+de kommen die haast gevallen waren, toen-ie 'r dol in z'n armen
+nam. 't Eerst had de trillende gloeiing van 'r afhangende hand,
+de kou van de zijne doorschokt. Toen had-ie gestaan, zonder hoofd,
+zonder 'n vluchtiging van denken, weg in de duizeling van 'n
+mond dien niemand gezoend had, 'n mond waarvan de tanden-witheid,
+de tanden-fijnheid in 't duister portaal, 'n bewegende siddering
+hijgde. De zachtheid van 'r schouderblad lei door 't vleesch. Samen
+hadden ze geademd, één adem, één zoete, overgegeven wieging, één
+verrukking in luidlooze oneindigheid. Zenuw-bevend, liet-ie zich weer
+door 't purper-klotsende der herinnering bestuimigen. Het was of de
+nadering van 't vroeg-donker, de schaduw-kruiping op den overzij-muur,
+'t aanzwellend fluiten van den wind, de vereenzaming van de plaats, z'n
+zonderling berekenen tot onrust, dweeperig verlangen koortsten. Voor
+de deur hurkend, de houtmeppen aan z'n voeten, 't bijltje vergleden,
+zat-ie de leegheid van z'n arm hoofd te doortasten. Wat was 't laag
+en laf-aarzlend, als je 'n jong ding als Rebecca met de drift van je
+lippen beheftigde--als je 'r de hijging dee ondergaan van 'n plots
+opklaatrende passie--en dan weg bleef--bot weg--geniepig weg--hij, 'n
+man--zij, 'n jong, jong schepsel. En wat beloog-ie zichzelf--wat had-ie
+als goor verstands-kereltje met onverklaarbaarheden gesold. Zag-ie
+nòg niet 'r oogen, zooals-ie ze den eersten avond bij Suikerpeer
+had gezien--die oogen van glanzend zwart met paarse bestuiving--die
+volle, groote, onmeetbare oogen? Zag-ie 'r nòg niet schuin over de
+prent _Wilhelm Tell befreit sich durch einen Sprung aus Geszler's
+Gefangenschaft_--naast Mijntje? Zag-ie 'r nòg niet onveranderd,
+'r sappig gezichtje, den tuimel van het haar, de gebogenheid van den
+rug, 't speldje dat de blouse toehield? Wat had ze sinds maanden 'n
+leven gehad--daar boven--in 't hol van 'n kamer--altijd geduldig bij
+'r zieken vader, niet uitgaand, nauwelijks slapend. Kleedde ze niet
+'r zussies Serre en Rozetje--'r broertje Sally--vond-ie niet telkens
+in z'n kamer 't doen van 'r meisjeshand, die z'n snippers raapte,
+z'n brochures die-die niet had kunnen verkoopen, netjes lijnend,
+dat niet één ongelijk stond? Hij mòst 'r effen zien, enkel zien,
+enkel bij den eersten nieuwen oog-opslag voelen of-ie 'r kwijt was--of
+hàd--hàd--voor goed.
+
+
+
+Koud, ziekelijk-rillend, dee-die de deur open, ineens naar de bedstee
+kijkend om 'r te ontgaan. Poddy sliep. Serre, 't oudste zusje, lei
+'n vinger op 'r mond, wees naar 't matras op den grond.
+
+"Ze heit venacht geen oog kenne dich-doen," fluisterde 't kind,
+'m nog eens manend om zacht te loopen.
+
+In de scheemring achter de tafel, zag-ie 'r. Ze lag aangekleed op de
+gestikte, gestopte deken, languit, op 'r rug. De armen van 't kussen
+gegleden, slapten wijduit, als in kruisiging, 'r Borst zwakte op en
+neer. Ze moest wel diep-vermoeid in slaap zijn geraakt, zoo rustig
+bewoog 't ademgeluid, zoo wit bleekte 'r gezichtje in 't bijtend
+zwart van 't haar. Even glimlachte hij sussend 't kind toe, dan
+bleef-ie 't gelaat bestaren, 't slapend gelaat met de zwarte wimpers
+en de fronzende wenkbrauwlijn. 't Zoemen van 'r adem aan-luistrend,
+kreeg-ie voor 't eerst zoolang ie 'r kende, 'n zachtere, bijna teere
+aandoening. Ze was 'n krotte-kind zooals hij--was blijven steken. Maar
+'r toegewijdheid, 'r onderworpen liefheid, 'r klein-moedertjes-doen,
+stonden als 'n prachtige gave, als 'n glanzende koestring in de
+ellende-kamer, waar Poddy 'r besnauwde, waar de kinderen drensden,
+waar alleen 'n dakraam was met grijze, vale pannen, waar ze zorgtrekjes
+om den mond had gekregen. Eer Serre, Sally en Rozetje groot waren,
+was zij 'n oud vrouwtje--zij die in 't krotten-leven verwelkte. Als-ie
+'r nou had mogen zoenen, zouen z'n lippen iets gezegd hebben van den
+vreemden eerbied, de plots wakkere stille genegenheid die in 'm gekomen
+was. Zóó zou-ie 'r morgen zien--overmorgen--in 'r uitgeputheid--in
+'r slaap--met de gespreide armen, alsof ze niet meer kòn.
+
+Poddy, die kreunend zich oprichtte, stoorde 'm.
+
+"Water! Water!"--, snauwde hij, nauwlijks Eleazar herkennend.
+
+"'k Had vanmorgen geen tijd," begon Eleazar.
+
+"Water! Water!", schreeuwde de zieke.
+
+Rebecca schrikte op, keek suffig rond.
+
+"Blijf maar leggen, jij"--, glimlachte Eleazar: "ik zal 'm wel
+helpen. Waar staat 't water?"
+
+Zij nog niet heelemaal wakker, verdwaasd-lachend omdat ze 'm niet
+had hooren binnenkomen, schurkte 'r rokken glad.
+
+"D'r is geen water," zei ze: "de waterleiding is bevroren."
+
+"Dan zal 'k 't gaan hale," riep-ie de trap afhaastend. Benee lukte
+'t niet. De kraan bij Reggie toeterde, gaf nog geen water. 't Zat
+verderop, zooals-ie gedacht had. Vlug liep-ie terug, schepte uit
+den emmer bij Suikerpeer, werd door Essie en Mijntje en Suikerpeer
+met door mekaar geschreeuwde gijntjes behageld. Nou zàg-ie van
+z'n zout-verschwartstheid! Ebbeschijntje nam 'n zak zout an z'n
+voete as-die 't koud kreeg in bed! Morrege most-ie patent neme! An
+de stadswaterleiding konne ze net zoo 'n gàmmer gebruike! Of-die
+'t niet is met peper wou probeere--spaansche peper--die maakte je
+ingewanden oók warrem! Grinnekend liet-ie ze klessen, sloeg de deur
+dicht, hielp den steunenden, grommenden sigarettenjood.
+
+"'k Hei 'n zinkput in me lijf!", klaagde Poddy, gulzig slobberend:
+"'t loop 'r in en 't loop 'r nie uit! 'k Hei de heele dag nie gemotte."
+
+"Is de dokter geweest?"
+
+"Ja," zei Rebecca, bij de bedstee leunend.
+
+"En?"
+
+"En niks," zei ze ontwijkend, met 'n trekje op 'r gezicht, dat ze
+iets verzweeg voor den zieke. Zonder schuwheid keken ze elkaar aan,
+in dezelfde bezorgdheid, in dezelfde vrees. Log van hijging zat
+Poddy tegen 't kussen, de handen willoos op 't dek. Z'n mond, z'n
+oogen schenen grooter, zwaarder geworden in 't vleeschloos gelaat,
+dat niet meer te herkennen was, omdat-ie, gekweld door ongedierte z'n
+langen baard had geknipt. De kin spichtte nu in stoppels, de sterke
+neus havikte tusschen de puilende jukken.
+
+"'k Had je haast niet herkend," praatte Eleazar: "je ben jonger
+geworden zonder baard."
+
+Poddy bewoog de lippen, asof-ie wat antwoorden wou, maar te moe,
+te ontfut, verglee 't in slijmerig gehijg. De kop zonder baard, had
+'t lachrig gegrijns van 'n doodshoofd. Hij kon niet blijven zitten,
+glee achterover, steunend, dof-rogglend.
+
+Rebecca dekte 'm toe, streelde 'm over z'n haar--toen kwam ze bij
+Eleazar, bij 't dakraam.
+
+"Wat heit de dokter gezeid?"--, vroeg-ie fluistrend.
+
+Ze keek 'm aan, zonder 'n woord te spreken, met oogen waarvan de
+dikke tranen alles zeien.
+
+"Heit-ie iets--iets èrgs gezeid?"
+
+"Ja," zei ze moeilijk: "hij mòt na 't gasthuis--'t mòt"...
+
+"Na 't gasthuis--en dan?"
+
+"Dan is d'r 'n kàns--'n kans--om 't te rèkken"...
+
+"Hei-je 'm dat gezeid?"
+
+"Nee--hij doet 't toch niet--hij doet 't niet--en 't is haast niet
+uit te houen 's nachts. Vannacht na 't eten van gister--heit-ie de
+kindere wakker geschreeuwd--telkes weer wakker--'k hei de hééle nacht
+opgezete.--Gister was-ie zoo goed--vandaag is-ie erger as-ie ooit
+is geweest"...
+
+"Hei-je op gezete?"
+
+"Ja?" knikte ze: "as 'k van de bedstee weg ging, gilde-die. Hij
+was bang"...
+
+In 'n aanzwelling van teederheid, nam-ie 'r kleine, zwarte, ruwe
+hand, keek 'r in de nog natte oogen, zei, zooals-ie tot 'n kind zou
+gesproken hebben: "Rebecca--'k ben blij dat we mekaar gister gezoend
+hebbe--blij--blij."
+
+"Ik ook," antwoordde ze mat.
+
+"Wat stane juillie te smoeze?"--, vroeg Poddy, angstig bij 't
+gefluister.
+
+"Ik praat met Rebecca," zei Eleazar, naar de bedstee gaand: "we hadden
+'t over wat de dokter vanmorgen gezeid heeft"...
+
+"Og!", zei Poddy, zich verveeld afdraaiend.
+
+"Hij zei wat-ie al voor tijjen gezeid heeft--dat je na 't gasthuis
+mòt--dat ze je in 't gasthuis 'n eind kennen helpen."
+
+"Og!"--, kreunde de sigaretten jood: "wad-doe 'k 'r mee! Og!"
+
+"En as je hièr wat overkomt?"
+
+"D'r overkomp mijn niks--niks"...
+
+"Weet je 't beter as de dokter?"
+
+"Og! La-me met rust!'"
+
+"Hoe ken men zoo stijfkoppig zijn, Poddy! Hier leg-ie te
+vervuile--ginder hei-je oppassing! Kost 't je 'n cent? Nee, toch? Met
+'n operatie, waarvan je niks voelt, die ze doen zonder pijn--ben je
+'r met 'n maand bovenop. Elk oogeblik kan hier--kan hièr 't ergste
+met je gebeuren--ja, 't èrgste--En dat zeg 'k niet om je bang te
+maken--dat zeg 'k, omdat je met geweld wil..."
+
+Poddy keerde z'n beenig, onherkenbaar gelaat naar Rebecca en Eleazar,
+keek ze om beurten in de oogen.
+
+"Wàt ergste?"--, vroeg-ie.
+
+"De dood," zei Eleazar, met opzet, met de bedoeling 'm te dwingen
+tot 't beste wat 'r gedaan kon worden. Dadelijk had-ie 'r spijt
+van, voelde-die z'n overreding als 'n bruutheid. Want 't gelaat
+in de bedstee verscherpte in angststaring, de groote, omkringde
+oogen dwaalden in folterende ziening, de handen klemden an de
+bedsteeplank, de adem joeg in kuchend gestoot. Een oogenblik zakte-die
+benauwd-hoestend terug. Dan, driftig de elbogen in 't kussen borend
+en geen oog van Eleazar's lippen afhoudend, vroeg-ie:
+
+"...Heit-ie me opgegeven?"
+
+"Nee."
+
+"Dat lieg-ie! Dat lieg-ie! 'k Zie 't an je smoel!", jammerde de zieke,
+den mond smartlijk gevierkant.
+
+"...'k Zeg je harde en beroerde dingen," zei Eleazar: "voor je
+bestwil. As je eerder geluisterd had, wàs je al beter, lei je nou
+niet te krimpen. 't Kan geen uitstel meer lijjen. Denk is an wat
+'n oppassing je daar heit"..
+
+"Nee!" schreeuwde Poddy: "nee--as 't zoover is!--as 't zoover is!"--hij
+gierde zoo dierlijk-jammerend, dat Serre angstig begon te huilen en
+Rebecca van 't bed week--"wil 'k Bekkie bij me en Joozep en Serre en
+Sally en Rozetje! Vuilik om me van me kindere af te sleepe! Vuilik
+om me van dood te prate!"..
+
+"Wat scheld je 'm nou uit, vader! Hij wil toch 't goeie voor je!",
+zei snel-van-angst Rebecca.
+
+"Vuilike zijne juillie allemaal! Dad-je me nie met rust laat!"
+
+Kermend, koortsig-zinneloos wrong-ie zich naar de andere zij, dee of-ie
+niet meer luisterde, toen Eleazar 'm nog eens probeerde te overreden.
+
+"Tòch ga je d'r morgen heen, Poddy--en as je beter ben zal je me
+danke--ja, danke! Hier is niks geen vreten, geen vuur. Hoe ken men zoo
+z'n eigen vijand zijn? Hoe ken men zoo trappen tegen 't beetje góéds,
+dat ze voor ons doen?--Schoon linnen--lekkere bewassching--versterkende
+middelen. Dàar zal je zien hoe je opknapt. Want zoo'n sterke kerel as
+jij wòrdt beter. 'n Ander zou al lang gedag hebben gezeid. Al tienmaal
+ben 'k benauwd voor je geweest en tienmaal ben je opgekikkerd. Doe nou
+maar of je niet luistert. Je weet as de drommel da'k gelijk heb. Je
+gaat. Zoo waar 'k Eli heet"....
+
+Ineens draaide de zieke zich giftig om.
+
+"Waar bemoei jij je mee? Wie vraagt je wat?"
+
+Even aarzelde Eleazar.
+
+"'k Hei 't recht me met je te bemoeien, Poddy--omdat--omdat 'k van
+Rebecca hou"....
+
+Poddy's drift zakte. Strak keek-ie z'n dochter en den jongen man
+aan. 't Scheen moeilijk in 'm door te dringen. Langzaam glee-ie in
+rust, z'n handen ontspanden, z'n oogen knipten toe.
+
+Zoo liggend, als op slapen af, vroeg-ie dof:
+
+"....Van Rebecca? Van Rebecca?"
+
+"Ja," zei Eleazar: "en zij van mij"....
+
+"Ken nie gebeure--ken nie gebeure," hijgde Poddy: "Rebecca is hier
+noodig"....
+
+"Dat weet 'k--we hebben nog zeven magere jaren den tijd--de vette
+kommen later"--en 'r hand nemend tusschen zijn twee groote handen:
+"al zeg-ie nee--we doen 't toch. En jij gaat na 't gasthuis. Anders
+ben je nie op de bruiloft--wat?--wat?--Hei-'k nou 'n recht om je
+beter te make? De staking is zoo goed as gewonnen--loopt altijd op
+'n end--volgende week zit 'k in verdienste. Je had geen betere tijd
+kenne neme om uit te zieke. Is 't goed? Hou nou niet je mond! We
+zalle je komme opzoeke, zoo dikwels as 't maar mag."
+
+"En de kindere?"--, vroeg Poddy nog zwakjes.
+
+"De kindere--daar hoef je je hoofd niet over te breke--daar zorge wìj
+voor. Ben je ze nou wat waard? Nee, ommers? Omdat jij gistere te veel
+van mijn fijne bliek hei gegeten, heit niemand vannacht kenne slape,
+heit Rebecca op gezete. Dat houdt zij toch niet uit? As zij 'r ziek
+van wordt, dan zit je heelemaal in de piepzak. Goed?"
+
+"Goed," zei Poddy, doodelijk vermoeid.
+
+"Dus morgen?
+
+Hij knikte enkel.
+
+"En dan weet 'k nòg iets," praatte Eleazar vergenoegd, opgelucht door
+de eindelijke toestemming: "vannacht slapen Rebecca, Joozep, Sally,
+Rozetje en Serre boven op mijn kamer."
+
+"Nee," zei Poddy moeilijk.
+
+"Jà" zei Eleazar: "en ik ga hier op 'n paar stoelen leggen. Zoo gebeurt
+'t"....
+
+"Nee, Eli--dat wil 'k niet. Ik weet precies wat-ie noodig heit,"
+zei zij, haar vingers gestrengeld in de zijne.
+
+"En weèr niet slape? Jullie kruipen boven--ik benejen. As je lastig
+wor, Poddy, laat 'k je smoeze. Want morgen ben je 'n koning."
+
+"Nee, Eli," begon zij weer. Maar hij hield vol. As-ie niet zoo'n
+egoïst was geweest, had-ie 'r eerder an gedacht. Weèr de kinderen
+wakker--weer zij in de kou opblijven? Nee, 'r gebeurde niks van. Hij
+zou daar met Suikerpeer 't matras naar boven sjorren--'t matras
+voor de kindere--dan kon zij met Serre of Rozetje op zijn èmmes
+bed gaan legge. In 'n wip was 't klaar. Ze zag 'r bleek en vermoeid
+uit. Dat wou-ie niet. En morgen had-ie niks te doen, had-ie enkel
+'n meeting in 't Paleis. Overdag hadden de kinderen al eerder bij
+'m kennen kommen. Stommeling as-ie was! Dadelijk zou-ie de kachel
+voorzien--en as Poddy 'm wakker hield, ging-ie gezellig zitten
+lezen. Boven brochures genoeg, waarvan-ie nog wel is smullen wou.
+
+Al dat zeker-vergenoegde zei-ie met haar hand in zijn handen, luchtig,
+gelukkig.
+
+Zij, opgewonden door z'n handdrukken, z'n opgeruimdheid, de blijdschap
+dat vader 't dee, dat-ie in 't gasthuis misschien heelemaal beter
+zou worden, stond 'm toe te droomen met 'r wonderlijke, zwarte oogen.
+
+
+
+Suikerpeer hielp, Mijntje hielp, Rebecca droeg de dekens. 't Eindje
+kaars wapperde van 't gerucht, wenkend en knikklend, dat 't vet in
+'n plasje droop. Toen ruimden ze samen de kamer benee, sprenkelde hij
+water, haalde-die turf en 'n kooltje bij Reggie. Aldoor bewreven ze
+mekaars nabijheid, zij lacherig, schuw door dat plotslinge, hij bleek,
+met scherpe, nerveuze gebaren. Dan waren ze weer boven, op zijn kamer,
+hij 'n waschkom dragend, zij de la van de tafel met de kam, de zeep en
+de doeken. En de deur sluitend, dee-ie wat ze gevoeld had, wat ze met
+'r gloeiende oogen verlangde, nam-ie 'r in z'n armen, smolt zijn mond
+in den hare. Naar adem smakkend duwde ze 'm lacherig weg, ging-ie
+op den grond zitten, op 't matras, trok 'r naast zich. 't Dansend
+kaarsje bevlamde 'r gelaat, de weeke wangen, 't zwarte, tuimlende haar.
+
+Met 'r hand op z'n knie, sprak-ie wat 'm zoo inviel.
+
+"Da's 't éérst dat we met mekaar praten."
+
+"Ja, 't eerst," zei ze, 'r vingers in onrustig beweeg.
+
+"Hoe wist jij dat ik van jou hield?"
+
+"Dat wist 'k niet."
+
+"Dat wist je wel."
+
+"Ja--dat dàcht 'k wel," glimlachte ze.
+
+"Hoe oud ben je--weet 'k nie-eens!"
+
+"Achttien--in September.
+
+"Achttien?"
+
+"Achttien--En jij?"
+
+"Ik--ik ben zeven en twintig."
+
+"'k Dacht dad-je ouwer was"....
+
+"Zie 'k 'r zoo oud uit?"
+
+"Nee--nee"--, zei ze dwaas-van-schuwheid: "'k Had zoo gedacht--'k
+had niks gedacht"....
+
+Z'n oogen waren niet van haar af. Z'n mond sprak, z'n lippen
+bewogen. 'n Ander zei de praat-dingetjes, de nevel-klankjes, de
+hakkelende woorden, 'n ànder stond in verlegenheid de kamerstilte
+te bedazen--hìj zat zonder 'n knippering, zonder geadem, zonder
+lichaams-weten, zonder steun, in de onbegrensdheid, 't eindlooze van
+'r lichtend oogenzwart. De kaarsvlam peer-de, kwijnde in slaaprige
+zwenking, bebleekte de witte amandlen, vonkte er staal-glansjes
+in, glee langs de brauwen en wimper-vlasjes, stiet terug op 't
+vioole-fluweel van 'r pupillen. De koorts van 'r kleine, eeltige
+handen in de bevende verrukking van de zijne gulzigend, begon-ie
+jong-nuchtere kozingen te zeggen, als 'n scholier, als 'n knaap.
+
+"Wat dacht je gister toen 'k je zoende?"
+
+"Dat von 'k lekker."
+
+"De komme in me eene hand ware haast gevallen."
+
+"Goed dad-ze nièt gevalle zijn--voor de slag--dan had 't zoo kort
+geduurd"....
+
+"Ja--zoo kort," zei hij, hijgend 'r handen knijpend, zich bedwingend
+om dien mond met de witte, kwellende tandjes niet woest te grijpen.
+
+"Je was bang om me eerder te zoene"...
+
+"Ja--'k dorst niet--maar nou wel, nou wel."
+
+"Ik ook," zei ze 'r lippen toestekend. Oog in oog, de monden in heftige
+gloeiing, zaten ze in hartstochtlijke omarming, niets hoorend van
+'t huis, niets van de geluiden, 't praatmummlen beneden.
+
+Toen, bang voor z'n opwinding, zei-ie.
+
+"Hè! Daar ben 'k moe van geworden."
+
+"Ik niet."
+
+"Jij niet?"
+
+"Nee," lachte ze met hoogroode wangen vochtige-troebele oogen:
+"jij scheidt zoo gáúw uit."
+
+"Je wordt 'r dronken van."
+
+"Je mag ook wel dronken worde--as je mekaar voor 't eerst--wat?"
+
+"'t Kaarsie gaat uit."
+
+"La-maar uit gaan."
+
+"Nee, dan motte we na benee."
+
+"Waarom? Waarom?"--, zei ze teleurgesteld.
+
+"Omdat--omdat," lachte hij: "omdat 'k je liever ziè."
+
+'t Verkoolde kaarspitje zakte in 't uitvloeiend sausje, danste met
+blauw geknetter.
+
+"Zoen dan nog effen vóór we na benejen gaan"--, zei ze, 'm niet met 'r
+gitoogen loslatend. En weer, bij 't sputtrend getekker der olie, bij
+'t schichtigend sterven der vlam, sloeg-ie z'n armen om 't kloppend
+vleesch van 'r lijf, 't jong vleesch dat de spanning der blouse
+benauwde, weer zoog-ie 't vocht van 'r mond, deeën 'r scherpe tanden
+'m pijn. De kaars knetterde, doofde. De bloemen van 't venster,
+opgoudend door overzij-lampeschijn, fel-glanzend met krassen en
+wiegende schubben, schuinden in speling tot dicht bij hun voeten.
+
+'n Deur kierde--de trap kraakte.
+
+Verschrikt stond-ie op.
+
+"Daar komt iemand."
+
+"Nee, die gaat na de plaats."
+
+"Geef me 'n hand."
+
+Zacht trok-ie 'r op, streek 'n lucifer af, zocht wat brochures voor
+den nacht dien-ie bij Poddy zou waken.
+
+"Wat zoek-ie?"
+
+"Om te leze vannacht--as je vader me wakker houdt."
+
+"Ik blijf bij je op."
+
+"Nee--dat zal je niet."
+
+"En as 'k nou wil?"
+
+"Je wil 't niet--je zou ziek worde."
+
+'n Nieuwe lucifer belichtte de kaften.
+
+"Je zal me wel stom vinde--ik weet niks--jij ben zoo geleerd."
+
+"Wie zeit dat?"
+
+"Vader"....
+
+"Geleerd!", lachte hij over-vroolijk: "as we 'n jaar getrouwd zijn,
+ben je zoo wijs as ik--'k hei net zooveel school gehad as jij."
+
+"'k Hei vanmorrege in een staan leze--toen 'k je kamer dee."
+
+"En? En?"
+
+"Nou--", lachtte ze onnoozel: "je ken d'r nie wijs uit worde. Wat
+hei-je d'r an?"
+
+"Je komt 'r door uit de krotten weg", zei-ie z'n arm om haar middel
+leggend, zacht oploopend naar de deur.
+
+"Uit wat?" vroeg ze, niet begrijpend.
+
+"Je krijgt 'r idee in," zei hij, z'n hoogdravendheid terugnemend.
+
+"Mag 'k nie mee opblijve?"
+
+"Nee, vrouwtje van me."
+
+"En mod-'k dan in jóúw bed?"--vroeg ze lacherig, de trap afgaand.
+
+"As 'n prinses, ja--en morgenochtend zal 'k 't plekkie zoenen waar
+je hoofd heit gelegen."
+
+"Wat hei-je dáár an?", lachte ze, driestig van doen en even stilstaand
+op de laagste trede, 'r armen om z'n knieën klemmend, zei ze zacht:
+"'k wou dad-je al bij me lee..."
+
+"Mot je niet zegge--màg je niet zegge", zei hij, schrikkend.
+
+"Ik zeg 't tòch."
+
+'r Armen wond-ie los. In 't trapduister 'r kopje tusschen z'n handen
+nemend, dat de flardige brochures in 'r haar ritselden, kuste-die
+'r voorhoofd, zei met z'n ouwen, mallen, wijzen toon: "As we getrouwd
+zijn, Rebecca, mag je dat nog niet zegge."
+
+
+
+In de kamer hoorde-ie 't nòg, zat-ie in bedwongen ontstemming. Zoo
+zinnelijk had-ie 'r niet gedacht, niet geweten. Maar in de kleine
+beredderingen voor 't eten, 'r moedertjes-doen, 'r zorgen voor de
+kindren, die van de school thuis kwamen, 'r geduld met Poddy die 'r
+kleinste bewegingen lei te bekregelen, telkens snauwde en gromde,
+'r nu weer bleek-versmald gezichtje, vriendelijkte hij in stille
+glimlachjes. Ze had geen begrip van wat ze 'r uitflapte. In de
+slavernij van 't armoe-krotje, 't van 'r jonge jeugd af beulen
+en sloffen voor 'n vader, twee broers, twee zusjes--was de moeder
+niet vijf jaar gelejen in 't kraambed gestorven?--in 't dagelijks
+warmteloos getob, was 'r genegenheid voor hem als 'n wilde, vlammende
+roes geworden. Niemand had 'r geleerd. Ze gàf zich. Ze sprak van
+dingen, waarover je zwijgen moest, waarover je niet spreken kòn
+als je van 'n man hield, in de dronkenschap van 't onverwachte,
+in de onstuimigheid van 'r bloed. De afzondering, 't bijna nooit
+onder de menschen komen, hadden 'r als natuurkind bewaard. Z'n eigen
+hartstochtelijkheid, z'n drift-van-zoenen waren de prikkel geweest tot
+dàt, tot dat wat je voor goed zou afstooten, als je er iets anders
+achter wist. Hij nam 'r zooals ze was. Zich zelf had-ie opgewerkt
+van slaperigen niets in-zienden jongen tot een die op wèg was te
+begrijpen. Vóor ze trouwden--'t kon jaren duren misschien--zou-ie van
+'r maken 'n vrouw, 'n helder-denkende, zoo gelukkige omstandigheden
+'t wilden. Glimlachend, niet meer murmureerend, blij van teer
+evenwicht, hielp-ie, wiesch-ie, toen Serre, Sally en Rozetje boven
+naar bed waren, Poddy voor de laatste maal. Hij most netjes an 't
+gasthuis worden afgeleverd. Zij stopte de sokken--hij borstelde op
+'t gangetje de schoenen. Op 'n stoel bij de bedstee leien ze z'n
+kleeren klaar, z'n broek, z'n vest, z'n jas en 't halfhemdje dat-ie op
+Sjabbes droeg. Poddy lachte om die schwanse-streke. Bijkomend door de
+kamerstilte, de vrindelijkheidjes, zei-ie an Joozep hoe-die dóén most,
+hoe met de tabak, hoe met de paar winkels die van 'm kochten. En as ze
+'m morrege na benejen droege, dan moste ze 'm in 'n deken houen--Eli
+onder de arme, Joozep en Suikerpeer bij de beene. Z'n gouwe horlogie,
+gijnde-die--z'n gouwe horlogie en z'n portefuillie konne ze wel
+hier beware. Rebecca, bij de tafel, zat in de brochures te blaren,
+was vreemd-stil geworden, keek haast niet op. Joozep over haar,
+de vuisten in 't wange-vleesch gejukt, soezelde hangerig in slaap.
+
+"Scheelt 'r wat an? Wat ben je stil, Rebecca", zei Eleazar, de hand op
+'r hoofd leggend.
+
+Schrikkend zei ze dat ze moe was. En 'r oogen wezen dwaas-waarschuwend
+naar Joozep, die snuivend te slaapknikkelen zat.
+
+Naast 'r schoof-ie z'n stoel, lei z'n arm om 'r heen.
+
+"Niet doen," fluisterde ze schuw.
+
+Hij lachte. Alléén met 'm, zei ze dingen, dingen--en hier bleu,
+bang voor 'r vader, dee ze als 'n schuw kind, aanbiddelijk van
+timiede gebaartjes.
+
+De lamp suizelde, liet de bedstee in 't donker, belichtte Joozep's
+opwippende kin, overgulde haar gelaat met de wenkbrauw-donzing en
+'t zachte kafnaald-gesprei van de wimpers. Onder tafel hield ze zijn
+hand en loerend langs de kap van de lamp--of niemand 't zag, gaf ze
+'m verlegen, snel-tastende zoentjes.
+
+
+
+Om tien uur ging-ie naar benee, om Reggie genacht te zeggen. Ze
+was al naar bed, klaagde over pijn in de beenen en kloppingen in
+'t hoofd. 'n Lucifer afstrijkend in 't raamlooze hok, waar-ie dien
+eersten avond had rondgekeken, het hok met den water-zweetenden
+muur, de schoorsteenhuif met 't geblaker van schimmlende kluiten,
+zag-ie 'r liggen met Saartje en Moosje. Zonder bandeau was ze haast
+niet te herkennen. 't Karige zilverhaar pluisde den vleeschbeenigen
+schedel om, wit als zwanedons. Achter haar, ademde 't open mondje van
+Saartje. Hij wou 'r wat warms te drinken geven, om uit te zweeten. Zij
+rustig knikkend, zei dat 't niks was, dat-ie alleen de lamp wat most
+afdraaien. In 't duister bukkend gaf-ie 'r 'n zoen, duwde de deken om
+'r schouders, aarzelde het hok uit. En de lamp dempend in schemer,
+stapte-ie zachtjes de trap op.
+
+"Eli!" riep een stem.
+
+Hij wou de deur van Poddy openen.
+
+"Hier--bòven!", riep ze in fluistring.
+
+Als 'n dief sloop-ie de tweede trap op.
+
+"'k Ben hièr vast gegaan," zei ze klappertandend: "vóor Joozep na
+bed komp--die zit nou nog lekker an tafel te slape".
+
+Voor de kamerdeur, warmde-die 'r koude handen.
+
+"Waar bleef je zoo lang?"
+
+"Tante Reggie is niet goed in orde."
+
+Ze luisterde al niet meer, sloeg 'r armen om z'n hals, perste zich
+tegen 'm an om 'r scha in te halen van den heelen avond.
+
+En weer in 't zwijgend donker, hield-ie zijn mond op den hare,
+behijgde-ie 'r tandvleesch, 'r tandjes, 'r tong, drong 'r buik tegen 'm
+op, voelde-die de vleeschlijn van 'r beenen, 't beven van 'r borsten.
+
+Toen, bang voor 'r hartstocht, 'r toomeloosheid, liet-ie 'r los.
+
+"Slaap lekker, kind," zei-ie 'r hoofd nog eens vastnemend, alsof-ie
+'r zàg: "slaap lekker--tot morgen..."
+
+'r Stem bewoog vreemd. Ze zei wèer iets dat z'n adem dee knappen.
+
+"Hei je zoo'n haast?--Is dat àlles?"
+
+"Alles"--, herhaalde hij: "alles?--wat meen je?"
+
+"Je begrijp me wel," zei ze hijgend, 'r armen om z'n middel klemmend.
+
+"Ik begrijp je niet," aarzelde hij doezelig.
+
+"Je begrijp me wèl," zei ze nog eens, z'n lippen zoekend.
+
+"Rebecca," heeschte hij, in de opwinding van 'r gekus: "je weet niet
+wat je zeit!"
+
+"Vanmiddag op 't matras ha-je 't al kenne doen," fluisterde ze,
+met driftige ademstootjes.
+
+Vinnig wrong-ie 'r handen van z'n nek, duwde 'r af dat ze tegen
+'t beschot dreunde.
+
+"Jazzus! Jazzus!"--, schorde hij, geen woorden vindend voor 't gevoel
+van vervreemding dat 'm terug dee wijken.
+
+Toen, in 't angstig, vijandig donker van 't portaaltje, begon ze te
+huilen, bedwongen-snikkend en eer-ie in bitse onthutsing woorden voor
+dàt had gevonden, drensde ze 'r iets uit dat z'n tong verlamde, z'n
+oogen wijd-gespannen dee starren naar de zij van de gedrochtlijke,
+z'n hersens doorgierende klanken.
+
+"Jazzus...," snikhijgde ze: "waarom jàzzus as Joozep 't wèl doet--as
+Joozep 't wèl doet".
+
+In wilde klauwing dreven z'n nagels in 't hout van 't beschot,
+alsof-ie zich most vast-grijpen. Z'n uitbrandende oogen zàgen 'r in
+'t duister, z'n nek groef naar voren.
+
+"Wat--wàt doet Joozep bij je?", vroeg-ie toonloos hakkelend.
+
+"Dat begrijp-ie wel," zei ze snuffelend: "en jij--jij staat ènkel
+te zoene.."
+
+Nog terwijl 'r stem-snikking op 'm toe geelde, pijndoend van
+snerpende stuiping, leefde in de kramp van z'n hersens het vierkant
+van Poddy's kamerdeur--'t matras op den grond--de tafel met de gekapte
+stronken--de stoel met de rokken en den broek--'r lachrig-verlegen
+kijken--'t bleeke gezicht van den jongen met 't aankomend snordons, de
+vet-rooie lippen--'t slapend gezichtje van Serre. Naar adem krimpend,
+dee-die 'n stap, 'n vasthou betastend, gebroken-van-gebaar, alsof-ie
+in stikking zou storten. En wagglend, zwaarvol van hoofd, bonsde-die
+lomp tegen 't beschot, dat de delen krakerig piepten.
+
+"Zeg-ie niks, Eli?"--, vroeg ze, 'r hand in zoeking vooruit tot ze
+'m raakte. Dat rilde 'm wakker.
+
+"Morge zulle we prate," zei-ie simpel, de trap afstromplend.
+
+"Zeg-ie me nie goeie-nacht?"
+
+"Nacht--nacht," hakkelde hij 't duister toe. En versuft, doodsbleek,
+de deur bij Poddy openend, riep-ie door den kier, slap nog wetend
+dat-ie 'm niet zou kùnnen zièn: "Joozep!"
+
+"Ja?", vroeg de stem van 't dor mannetje aan de tafel.
+
+"...Ik mot uit--blijf jij bij je vader--tot 'k werom kom."
+
+
+
+
+
+
+
+
+XV.
+
+
+Stappend als 'n dronken man, zonder bewustzijn, zonder herkenning
+van straten en pleinen, met 'n versletenheid in 't hoofd alsof-ie
+afgebeuld was door laten nacht-arbeid, had-ie geloopen, geloopen,
+tot-ie moe en versuft op 'n bank in 't Vondelpark was gezakt. En daar
+zittend, klein van hurking, vaag zich verzettend tegen 'n loomzwaren
+slaap, 'n afmattende kramping die z'n oogen inwaarts scheen te
+drukken, den schedel langs den rand van den hoed hardkantig aandreef,
+bestaarde-die zinneloos, bot van bedwelming 't vastgevroren grint dat
+met grauwige glansjes in 't licht van den maansikkel zwom. De wind,
+fel opgestoken, joeg z'n loeiing door de lanen, wolkte het stuifsel
+der ijsvijvers in bol gedwarrel, berukte de zwiepende, klagende takken
+der wijkende boomen. Van uit de achterzij-vensters van 'n straat,
+schemerig-streepend het zwart van de boomstammen langs, roodde een
+schijn van kamertjes-lampen, gebrokkeld door 't massieve norschen
+der rompen van 't park. Onrustig schuivend in 't zwellen en builen
+van blazende wolkjes, bleekte de zilverlijnige maansikkel, rumoerig
+beslagen door 't schuimend geklots van pluizen en takken. Er was eene
+doffe, zwaar-tredende stilte van wind en takken-verzet, van geruchten
+en roepingen die tot den nacht en de verlatenheid schenen te behooren.
+
+Z'n stroef-verlept hoofd in de voelloosheid der handen leggend, den
+warmen neus-adem terugsnuivend, wist-ie alleen dat-ie wanhopig-moe,
+afgestompt van herinnering was. Pijnlijk-kreunend trok-ie de beenen
+op de bank en 't hoofd, af-zakkend, zocht 'n steun bij de kou van
+het hout. De wind snee in de lauwte van z'n broekspijpen, joeg onder
+'t vest--de hoed, schuin-geplet rukte met de waaiingen mee.
+
+'n Hand beklopte z'n schouder, 'n grove stem sprak:
+
+"...Hei daar! De banke benne d'r niet om te beslape!"
+
+Niet begrijpend keek-ie op. 'r Stonden twee agenten.
+
+"Hee-je niet verstaan? Of ben je bezopen?"
+
+De hand schudde dat z'n schouderblad zeerdee.
+
+Toen rees-ie op, suffig wat antwoordend, nagekeken door de parkwachters
+of ze 'm niet mosten inrekenen.
+
+'n Heel eind stapte-die voort, recht van gang, zeker van pas. Het grint
+kraakte, bevroren blaren knapten. Over den vijver, eenzaam, kervend
+van zwarte tegen 't wit gewaas van 't ijs, glee 'n schaatsenrijder,
+onhoorbaar, schimmig, tot-ie met knarsende schrapzetting stil hield. En
+'n hond, in een van de tuinen, blafte jenkerig-driftig, eindeloos van
+aanslag, snel keffend en weer in galmhuiling het nachtzwart bekrassend.
+
+Loopend in één aandrift door, soms onnoozelig als in wordenden waanzin
+de versteening van z'n voorhoofd betastend, luid-puffend blazend door
+de dorheid der lippentuit om 't drukkende, beklemmende, stroef-nijpende
+weg te zuchten, kwam-ie dichter bij 't bebouwd deel van 't park. Van
+de kou voelde-die niets. Z'n oogen, gloeiend van ronding bezwaarden
+de vochtige, kil-natte kassen, z'n nek, in verstijving, mat-tintlend,
+zwol als 'n masker naar den hoed. Stil-staand, verwezen-gebarend,
+drukte, bewreef z'n hand de huid en de haartjes, scheurde z'n mond in
+pijnlijk geadem. Dan, verder stromplend, z'n voetstappen verliezend
+in de zuigende leegte, de steunlooze verwijding rondom, gliste
+'n hak over een modderplas, stortte-die tegen den harden, bevroren
+grond, die 'n snauwenden grom vloekte. Even bleef-ie liggen. Even
+lei-ie stil. Toen, zich kermachtig opduwend in zittende houding,
+bekneep-ie de knie, veegde-die 't bloed van z'n voorhoofd, langzaam,
+moeilijk alsof-ie bezweet was. De luwe warmte bij de knieschijf,
+waar de stukgestooten broek week-vochtig werd, bevingerend,
+smartelijk-krimpend van pijn, stuipte-die los in gesnik, ineens
+wètend waarom-ie hier lag. Luid-uit jammerend, bang dat ze 'm zouen
+hooren, bang voor 't geloer der roode venster-oogen achter de boomen,
+liet-ie zich terugglijden zooals-ie gevallen was, smoorde-die z'n
+kokend-huilenden kop in 't geplooi van den arm. 't Goed van de jas
+in de grijpende knersing van z'n tanden door-bijtend, dempte-die z'n
+gebrul, z'n verstikkend geweeklaag, lei-ie de snijdende klopping van
+z'n knie als 'n ophitsende verluchting te besnikken, de wond-wreeding
+die 'm 'n weldaad was, die 'm warmde. De verkilling van z'n hersenen,
+de stolling van z'n denken, verzonken in 't heet-vlammend gekrop,
+dat z'n rauw-kreunende borst naar de striemende halsaders perste. 'r
+Gezichtje, 'r vermoeid-bleek gezichtje, zooals-ie 't 't laatst had
+gezien bij de lamp, 'r gezichtje met de trekjes van afmatting door
+den heelen nacht waken, 'r gezichtje met de paars-zwarte oogen,
+'t los-wirlend haar, bewoog op de schokking van z'n folterend
+steunen. En 'r woorden her-hoorend--wat Jòòzep doet--wat Jòòzep
+doet--sloeg-ie in dierlijke drift de gewonde knie tegen den grond,
+krijschend, gier-razend, gezwiept en gegruweld door eene joelende,
+klotsende wanhoop, die in z'n klein-brandend hoofd geen uitweg vond.
+
+
+
+Opstaand, dof-week van 't lange gesnik, liet-ie de aardplek waar z'n
+lichaam 'n dauw had gedonkerd, achter zich. Hinkend, voorzichtig gaand,
+de gladdingen mijdend, liep-ie terug, dood-op, maar helder-rustig
+van denken, triestig zinnend wat-ie zou doen. Zoo fel, zoo
+krankzinnig-buldrend was z'n smart geweest, zoo groot was de afmatting
+geworden, dat-ie ademde als altijd, avond-moe dacht als altijd. Hij
+zou naar 't Toevluchtsoord voor onbehuisden, bij 't _Casino_ gaan--hij
+had nog tien cente. En dan morgen, as-ie wakker werd--slapen zóú-ie,
+slapen zóo as-ie lee, slapen in één verdooving door--, morgen as-ie
+de ouwe kracht weer had, zou-ie overleggen, besluiten. Z'n woede,
+z'n dolle bezetenheid, was-ie kwijt. In 't Park, tegen den grond,
+den ijzeren grond, krimpend, had-ie bij 't vizioen van 't vijftien-,
+zestien-, zeventien-jarig goor mannetje--hoe oud-ie was, wist-ie
+niet--'t oud-verlept kereltje dat dezelfde lippen gezoend had, dat
+ontuchtig 'r lichaam had bezeten, 's nachts op het bultig matras--, in
+'t Park had-ie als 'n woest beest z'n mond langs de harde modderranden
+geschuierd, spoegend en kwijlend. De heete herinnering aan de lippen,
+de tanden die in bijslaap bij 'n broer hadden gelegen, most-ie van
+zich af braken, most-ie uit de slijmende na-voeling scheuren. Als
+Joozep bij 'm geweest was, had-ie 'm met den klauwenden greep van
+z'n handen geworgd, had-ie den nek van den jongen als 'n roofdier met
+groen-lichtende oogen besprongen, had-ie 'm met gil-lachende hakken
+den neus en den mond en den schedel vertrapt. Dat was voorbij. Dat
+kwam niet meer terug. Leeg van smart kon-ie nog enkel diep, eindeloos
+meelijden voelen, deed 't gebeurde als 'n verre huivering aan, als
+'n vormloos ding, dat 'm in z'n rustige uitgeputheid nauwlijks meer
+kwelde. Nou begreep-ie volkomen. Nou zag-ie 'r doen, 'r kijken, 'r
+lachen in 'n tragisch, noodlottig verband. Tóen had-ie 'r 't allereerst
+ontmoet, bij Suikerpeer, 'r driestheidjes opgelet, zich gestooten an
+'r oogen--later in de hal van de school bij 'r brutaal terugkijken,
+'r gemeenen lach, 'r leunen tegen de zuil, was ze al zonder weerstand
+geweest, hadden z'n handen klam-zweetig gebeefd--later, op z'n kamer na
+'t heengaan van Saartje, hàd ze 't al gezègd van Joozep--hoe ze dicht
+op mekaar kropen voor de kou--had-ie staan glimlachen om 'r plotsling
+vertrouwen. Als ze wist wèlk 'n rampzaligheid ze bedreef, zou ze geen
+woord hebben gezegd, zou ze schuw hebben gezwegen. Ze wist niet. In
+'t donker portaal, bij de eerste omarming, was ze niet verschrikt,
+niet verrast, niet bleu geweest, had ze wild gezoend en gezoend,
+zonder aarzling, zonder gehaper. En in 't begin van den avond, bij
+'t knettrend eindje kaars--hoe 'r tanden pijn deeën, hoe ze op de
+trap z'n knieën omgreep--en làter 't gesnik dat-ie niet wou wat
+Joozep, Joozep... Ze wìst niet. Ze praatte over 't schriklijkste,
+jammerlijkste met de losmondigheid van 'n kind. Als je begrip van iets
+gemeens, nacht-liederlijks had, zwéég je. 'n Hoer zei zùlke dingen
+nog niet. 'n Hoer zou liever 'r tong afbijten voor ze er diè schande
+uitflapte, uit-huilde in de armen van 'n krankzinnig verliefde. Ze
+wìst niet. Hoe kòn ze weten? Hoe kon Joozep weten? Joozep was jonger
+dan zij, een, twee jaar jonger. Joozep was 'n stumper als zij. Had-ie
+gister niet bij de tenten op 't ijs gestaan en als-ie honger kreeg
+'n sigaret stuk gewoeld om de tabak te kauwen? Zij, enkel thuis,
+passend op de kinderen--Joozep, bang jodenjongetje dat haast nooit
+sprak, dat besnauwd werd als-ie niet verkocht. Was 't wonder, dat 't
+gebeurde? Smeet niet de ellende broers en zusters, jongens en meisjes
+bij mekaar--in èen bed--op éen matras? Leien ze niet òveral zoo in de
+jodenbuurt? Zelf, als jongen, had-ie naast Esther, Bram en Jozef op
+den grond geslapen. Esther, Bram, Jozef waren dood--hij leefde--hij
+kon navertellen--hij wist dat ze als kindren 's morgens stoeiden,
+mekaar kietelden, rare dingen deeën, die elk kind dee als 't niet werd
+geleid. Bij Suikerpeer leien Esther van twaalf jaar, Jaantje van tien
+met Meijer en Flippie. Bij tante Soor, bij 't tusschenschotraam, lagen
+er vier op 'n matras, hadden ze Stella van Grompel en Jacob moeten
+wegnemen, was de armendokter 'r aan te pas gekomen--de dokter--de
+dokters die wisten dat 't gebeurde--dat 't gebeurd wàs dat zusjes 'n
+druiper kregen van 'n vroeg-rijp broertje--dat 't zoo zéldzaam niet
+was--àls 't uitlekte. Dàcht je an zulke monsterachtige dingen van 'n
+arme wijk, als je in prachtoogen keek? Dat kon je niet. Dan was je zelf
+'n schooier, 'n vuilik, dan zocht je smerigheden waar ze niet waren.
+
+
+
+In duizlende vermoeidheid, even rustend op 'n bank van 't plantsoen
+bij 't Frederiksplein, trok-ie den zakdoek, die van z'n knie was
+gegleden, hooger. Z'n oogen gloeiden, vurigden tegen de hersenen,
+stieten 't licht der lantaarns in stralen-sproeiing terug. Van 't
+asfalt der Utrechtsche straat, klikte de hoefslag van sneltrappende
+paarden, vergrommeld in 't keiengeweld als de koets op 't plein
+kwam. 't Was nog vóór tweeën. Achter de adem-beslagen ruiten van
+'n hoek-café goud-wasemde licht en 't verre gelol van nacht-luide
+stemmen dommelde aan, met 't krakend geraas van 'n lach. In de
+huizen, zwart van schaduw-geglooi waren nog vensters verlicht,
+vensters met stram-gelen schijn en wijnrood gevloei. En in den
+melk-wit wijdenden hemel groef het Paleis een silhouet van koepels
+en torens. Oud, moeilijk van nek-buiging, alsof 't vleesch van z'n
+hals blééf zwellen, keek-ie rond, langs de slanke boomstammen naar
+het Plein, naar de lichtcirklingen op de keien, naar de onbewogen
+huizen, de flauw-lijnende gevels, de glans-kartlende sneeuw in de
+perken. 't Verzwom in de logge warmte van z'n oogen--'t broeide heen
+in de lauwe volte van z'n hoofd. Als-ie niet opstond, niet vortging,
+zou-die op de bank in slaap suffen. Nauwlijks had-ie nog wil om te
+loopen. De gedachte an 't Toevluchtsoord was 'm ontdoezeld--hij most
+Joozep aflosse--Joozep, die 'm niet hinderde, geen wrok gaf--Joozep die
+niet scheen te bestaan, wiens gezicht-ie niet wist. Joozep zou-die na
+bed zende--want morrege kwamme ze Poddy hale. Op de grond met 'n zak
+onder z'n hoofd ging 't best. En as-ie háár morrege zag, dan zou-die,
+dan wist-ie niet wàt-ie zou, dat kon-ie in de gekke zwaarte van z'n
+kop niet bedenken. Elke stap dee 'm pijn. De huizen, de straten,
+de keien, de stoepen walmden in bruin gemist op 'm toe. Van z'n
+kloppende slapen droop 'n kramp langs z'n jukken, omkringlend naar
+'t looden gebons in 't achterhoofd.
+
+
+
+Dicht bij de poort van de binnenplaats stond-ie stil, bot kijkend
+of-ie 'r was. Hij was 'r nièt--hij kòn 'r niet weze. De poort was
+donker--dèze had een wijdgespitst hol, ros van lichting, met zwarte
+kontoeren, alsof een waaiende toorts de wanden bevlamde. Aarzlend,
+versuft, wou-ie doorloopen, toen 'n vreemd gesplinter van glas 'm dee
+omkijken en met in schrik spalkende oogen de in den nacht òplevende
+poort bestaren. Nog terwijl-ie zoo stond, dompten de voetstappen
+van politieagenten den hoek om. De een, plotsling-aandachtig, 't
+licht-gespeel bij het poorthol ziend, vloekte verschrikt: "Godverdomme,
+d'r is brand!" Eleazar opzij duwend, stormde hij de binnenplaats op,
+en daar door een rooden, in fronsende schaduwen schuilenden schijn,
+die het staal van z'n helm en de knoopen der uniform-jas met rosse
+wapperinkjes bespatte, gegrepen, schreeuwde hij 'n kreet, dien
+de huizenkoker tot aan de daken echoode: "Bràààànd! Bràààànd!" Die
+schreeuw-van-ontzetting, als een fluitende striem de nachteenzaamheid
+doorscheurend, schichtte bijtende vonken in Eleazar's versleten
+hoofd. Het was of 'n ruwe vuist hem plots in den nek greep, 'm
+smeet naar de zonverlichte binnenplaats, zooals-ie 'r nooit had
+gezien. Gelijk met den andren agent, als een verwilderde rondkijkend,
+gaf-ie een gil. 'r Was brand bij Reggie. 'n Felroode gloed bekoperde
+de ruitjes--de tullen gordijntjes krompen in slierende vlamming--op
+'t kozijn zilver-glinstrend, sparkelden met tuilende straaltjes, de
+schubben der vischen, die hij er gister met Essie samen geschrapt had.
+
+"Bràààànd! Bràààànd!", brulde nog eens de agent. Beurt om beurt
+trachtten zij de deur te openen, die van binnen gesloten was.
+
+"Dovid! Tante Reggie!", gilde Eleazar met de vuisten 't zwijgend hout
+bebeukend. Binnen klonk enkel 'n angstig geknetter. Toen, terwijl de
+eene agent heen-rende om de brandweer te alarmeeren, bonsden grimmig
+de mannen hun schouders tegen de deur. Boven werd een raam opgeschoven,
+kwam Suikerpeer's hoofd verschrikt over het raamhor kijken.
+
+"Wad-is 'r! Wad-is 'r!", schreeuwde hij schor. Dan 't kringlend
+gewiegel op den overzijmuur, het purper wiel der gedompte handkar
+ziend, riep-ie half in den koker, half in de kamer-duisternis:
+"Addenoj-elloeheinoe--brààànd!"
+
+Dovid scheen door 't geraas wakker te worden. Het vurig gestoei
+bij 't raam werd door 'n schaduw onderschept. Een hand betastte
+de klink, 'n doffe smak kreunde. Bedwelmd door den rook moest-ie
+gevallen zijn. Krankzinnig, niet wetend wat-ie deed, gejaagd als 'n
+dier, sloeg Eleazar de ruitjes en de vermolmde raamlatjes stuk. En
+gesteund door den agent, tegen de plots uitwaaiende vlammen in, de
+handen scheurend aan de scherven van het glas, wrong-ie zich over
+'t kozijn. Bijna struiklend over Dovid, die in z'n hemd voor den
+drempel lag, draaide-ie woest den sleutel om, ketste de klink uit den
+haak. De deur plonste open. De agent trok Dovid naar buiten, rukte
+wat brandende flarden van 't behang. Het was te laat. Gezogen door
+den boven den huizenkoker trekkenden wind, joelden de vlammen van
+zoldring en wanden het venster uit. Een grauwe zwaar-wolkende rook,
+perste naar 't deurgat, traagde omhoog. Even week Eleazar verblind en
+gurgelend-hoestend. Het portretje van Esther in 't verguld lijstje,
+door de woeling der vlammen van den schoorsteenrand gekolkt, kwakte
+bij zijn voeten. Boven, klotste de smeulende trap onder het stampend
+gevlucht van Suikerpeer en de kinderen. Essie benauwd-kuchend, liep
+te huilen, te krijschen. Nog voor ze benejen waren, dol van angst
+om wat in de kamer bij Reggie gebeurde, de handen voor de oogen
+om de schroeiende hitte niet te voelen, de haren verzengd, stortte
+Eleazar naar het raamlooze hok. Voor-ie den deurknop te pakken had,
+voor-ie in de folterende rook-bersting den tusschen-drempel bereikte,
+wankelde-die duizelend. Stikkend, braak-hoestend, tastte-ie de alkoof
+in, greep de blinde om 't magere middel. Met wanhopig geweld, hijgend,
+reutel-ademend, smorend, sleurde-ie 't bewegingloos lichaam tot aan
+de schoorsteenhuif. Daar hakend tegen 't matras, waarop Dovid had
+gelegen, smakte-die met haar op den grond. Een oogenblik verdoofd
+door den aanploffenden rook, machtloos, 't hoofd op de magerte van
+Reggie's lichaam, bleef-ie liggen. Dan zich wanhopig, kermend afduwend,
+in doodsbenauwing strompelend, greep-ie de vracht weer die 'm nekte,
+trapte-die ademknersend op een van 'r slingrende handen, sleurend,
+trekkend, worstlend, tot-ie in de brandende kamer was. De breede,
+zwiepende vlammen slangden tegen 'm aan, schroeiden z'n gelaat,
+blakerden de handen die als klauwen de oude vrouw hielden, krinkelden
+om 'r slap-geknakt lichaam, 'r zilver-spartlend haar. De agent,
+die Essie en Suikerpeer over de vonkende trap had geholpen, zag 'm
+beulen, deed 'n paar passen, strekte angstig de handen, struikelde
+terug. Mijntje, die Bekkie suste en Reggie met Eleazar in de kamer
+hoorde, gilde dat 'r gekrijsch langs de wanden opgierde. Dat fel,
+snijdend geklaag, scheen Eleazar te zwiepen. Den rook met raspende
+stooten inslurpend, grimmig de tanden knersend, rukte-ie de blinde
+in z'n armen, stapte met één zet door de vuurlaaiing heen, liet 'r
+in volle bezinning, alsof-ie wist wat-ie dee, zacht en pijnloos op de
+steenen glijden, trapte met dronken gebaar de roodvretende gaten van
+'r ondergoed onder zijn voeten--dan mal-zwaaiend, naar 'n vasthou
+grijpend, viel-ie bewustloos tegen den grond, 't doodsbleek gelaat
+verpurperd door den gloed uit de deuropening.
+
+"Addenoj! Addenoj!", schreeuwde Suikerpeer, de armen smartlijk heffend:
+"Addenoj! De vlam slaat na bove! 't Huis, 't heele huis gaat na de
+raschmedij! Saartje en Moosie legge d'rin!"
+
+"En Poddy en Rebecca en de kindere!", huilde Mijntje.
+
+"'k Ga d'r in! 'k Ga d'r in!", gilde Suikerpeer, 'n traptree
+bestuivend.
+
+Dat maakte Essie van 'n bezeten verwoedheid. In de aanzwellende
+rossing van raam en deur, giftig-beangst, greep ze 'm bij z'n hemd,
+en 'm kwaadaardig met 'r dikke handen op z'n gezicht kletsend,
+dat-ie z'n oogen in verwering moest schutten, krijschte ze gillerig:
+"Vuilik! Vuil mamser! Lamme smeerlap! As-je één stap doet, haal
+'k je oogen uit je smoel! Vuilik!"
+
+"Addenoj, ken-je ze levend late verbrande!" schreeuwde hij, 'r slaande
+handen ontwijkend.
+
+"Je blijf d'r uit! Je blijf d'r uit! Je heit zes kindere, sodemieter!",
+raasde zij.
+
+Toen de handen als 'n roeper voor z'n mond zettend, begon de
+groentenjood in het zwart-rookend, vonken-spettend trapgat te brullen:
+"Brand! Poddy! Rebbecca! Brààànd! Brààànd!"
+
+'t Gerucht had nog 'n agent doen aanloopen. Wijven en mannen uit het
+overzij-slop, in haastig aangeschoten kleeren, stonden te gillen,
+raad te geven, te jammeren. Het was een korte, snelle, heftige
+verwarring. Terwijl de eene agent bezig was de levensgeesten bij Dovid
+op te wekken, leien de anderen Eleazar en Reggie onder bij mekaar
+gescharrelde kleeren op de handkar van de plaats, en omdat Dovid
+niet bij kwam, werd-ie naast Eleazar getild. Haastig duwden ze den
+wagen de poort uit naar een buur in de straat tot de brancards zouen
+komen. Suikerpeer, met Reggie, Mijntje en de kinderen, op bloote
+voeten, huilend door den gierend-kouden wind die de hemden op de
+bloote borsten dee flappren, strompelden mee. Bij Poddy één-hoog,
+boven Reggie's kamer begon het zijwaartsch dakraam lachend licht
+naar de daken te spuien. Niemand dorst de knettrende trap op. Uit
+'n zijpand, boven 't gesis van het hout en de stilte van 't huis,
+klonk 't angstig-keffend gejank van 'n hond.
+
+
+
+De gulping der vèrder vretende vlammen, de rosse besproeiing der muren
+die den purperschijn uit de poort ketsten, het gillend gejammer der
+wijven, wekte de verdere buurt. 'n Vrouwtje, oud en gerimpeld, 't haar
+los in grijzigen slier, de handen gegrist om 't nachtjek, de oogen
+beslagen door 't spartelend rood, de wangen in bloei van zomerschen
+zon, stond door 't 'r keel snoerend spel gegrepen. Nauwelijks trilden
+'r lippen. Een andre vrouw, lang en beenig, met 'n uitspalkenden
+nek en 'n krijschend-uitstaanden mond, bewoog niet van de plek,
+schreeuwde huil-kermerig, verschrikt door 'r eigen, langs de
+huiswanden reutel-galmend geluid: "Brààààànd! Brààààànd!" Vensters
+werden opengestooten. Dichtbij, smak-gruizlend, viel een bloempot van
+'n kozijn. Uit de donkerte der raam-openingen hingen menschen, zoo uit
+de bedden gesprongen. Een man, de borst naakt en behaard, het hemd en
+het slaap-warrig hoofd in violette bezweving, steunde de knuisten op
+de drooglatten, nam het gekrijsch der beenige vrouw over, brulde de
+straat-eenzaamheid in: "Brand! Brand!" De agent, die heen was gehold
+om alarm te maken, kwam terug-rennen, de hand aan den zwabbrenden
+sabel. Bij de poort, zwaar-hijgend, drong-ie binnen, het gelaat
+wijnrood door de uitberstende vlamming, den snor met goud-sprietende
+stekels, het koper van den helm krinklend van spetten en bijtende
+stralen. Domp beukte z'n vuist tegen de schoenmakersdeur, dat het
+hout in zwieping klapte en boog. De andre agenten, die de kar en de
+menschen van de plaats hadden gedreven, poogden nòg eens de trap te
+bereiken. Ploffingen van rook stoven de ruitscherven door, walmden den
+koker in, builden en zwommen op 't gelaai van 't vuur. De trap vlamde
+met paarse speling, spuwde vonken en waaiende spatten. Door de kieren
+der bovenste treden, geblazen als tusschen geklemde tanden, wuierde
+rook. Driftig stapte de agent, twee en drie treden gelijk. Maar een
+der verkoolde treden begaf--de vlammen floepten wild door het gat, de
+smook grauwde met rukken en stuivend gezwel. Hoestend, vloek-grommend,
+bijna versperd, sprong hij terug, smartlijk de scheen wrijvend. Toen
+trok de ander 'm weg. De zinken buis van de dakgoot begon in smelting
+te krimpen. Zilverbelletjes klukten omlaag, plettend tegen den grond
+en de hitte steeg zoo in foltrend geblaker, dat aan de overzij der
+binnenplaats de ruiten sprongen. Voor 't eerst schenen ze dáar den
+brand te bemerken. De vrouw van den flesschentrekker, de vrouw met de
+slap-hangende borsten, 't vlashaar verwriemeld in haastigen knoet,
+sjorde 't raam op, dat 't stukbarsten glas rinkelend brokte, en 'r
+hoofd met den naakten nek wringend in 't getuimel van fel-plassend
+licht, 't gelaat bevlamd alsof ze stond voor de opengerukte deur van 'n
+machine-oven, gilde ze schorrig van schrik: "Brààànd! Bùùùre! Bùùùre!"
+
+Dan grienend wijkend voor de vonken die binnen wirrelden, schoot ze
+'n rok aan.
+
+"D'r uit! D'r uit! Je boeltje vort drage!"--schreeuwde 'n agent,
+de hand boven de verblinde oogen. De roode, geulende gloed, sloeg
+met dansende, joelende zwaaiing omhoog. De vensters, bloedrood de
+vlammen-lekking herhalend, puilden de doffer muren uit. De ijs-kegels
+aan de goten, bleek-glinstrend, knapten, stortten onhoorbaar bij 't
+knettrend, zwaar-sissend branden van planken en balken. De daken, koud
+en met plakkende wigjes sneeuw onder de pannen, druilden in glimming
+alsof 't regen-sputterde. En boven, héél boven, waar de bol-blazende
+wind vat op rookbarsting en vonken-sproei kreeg, zoog een dampende,
+flauwrossige wolk, de opperste schoorsteenen verslokkend.
+
+Bij de poort hielpen de agenten den schoenmaker. In den kelder,
+groen van geschemer door 't mal-lichtend lampje, zat de vrouw te
+huilen-op-toeval-af. Op 'r schoot, met onhandig verwilderde gebaren,
+perste ze 't jongste kind de kleeren aan 't lijf. Zelf hield ze
+'r bloote, lompe voeten op den sport van den stoel. De jongens,
+kou-kleumrig, rillend met bevende kaakjes door 't tochten van den
+wind, bleek van slaap, stonden versuft in 't somber gepurper der
+poort. Dirk die z'n kousen en schoenen vergeten had, wou terug, kreeg
+'n opstopper van z'n vader, die enkel met broek aan, 't gereedschap,
+de schoenen en rollen leer aan den driftig-jagenden agent reikte.
+
+"Vooruit! Vooruit! Mot je levend verbrande!", haastte deze, de hand
+naar de zij van de schroeiende binnenplaats, om de hitte te keeren.
+
+"Mot òns net gebeure--mot òns gebeure!", huilde de vrouw, log van
+snikking.
+
+"As je d'r nie uit komt, mietere we je d'r uit!", dreigde de agent.
+
+"Ken 'k dèn zoo, sallemander!", huilde de vrouw harder snottrend,
+'t kind opgevend aan den schoenmaker, die lichtschuw naar het gedaver
+van den gloed keek. Bukkend, stroopte ze 'r kousen aan, stapte
+in de sloffen, greep nog wat kindergoed, 'n schoenmakershamer en
+'n els van den grond, liet zich onder de armen heffen. Bij mekaar
+stonden ze in schuiling, de man met het klagend Aagje op den arm,
+de vrouw met Truus en de jongens. Vinnig beet hun silhouet tegen het
+bloedzwangre poortgat.
+
+Uit alle sloppen en stegen kwamen mannen en vrouwen. Het licht uit
+de poort begutste de gelaten, de starende oogen, de angstig-pratende
+monden. Soms braken de gezichten, gestriemd door 't saterend rood,
+met lachende jukken en bewegende neuzen naar voren--soms als 'n
+rookzwalping door den gloed joeg, weken ze bleek-schrikkend. Het
+gekrijsch en gejuil werd overknetterd door 't splijten der balken,
+het kraken van spinten en planken.
+
+
+
+Toen, juist bij 't ver geklingel der aanrukkende brandweer, snerpte
+'n gil zoo gierend, zoo snijdend van martling, dat de wijven voor de
+poort mekaar de woorden besnauwden. Een angstig, brullend geschreeuw
+leek den gloed terug te slaan. En in de na-dempende, zuigende stilte,
+klonk 'n raspende hulpkreet, 'n dierlijke roep. De agenten hielden
+de menigte terug. De een, inkreunend tegen de woeste blakering, de
+adem-bràndende smoring der binnenplaats, spreidde de handen boven
+de in hout-smeuling tranende oogen, poogde te kijken naar waar de
+jammering had gekrijscht. Twee armen hingen slap neer om een gitting
+van afflappend haar. Ze moest in mekaar zijn geknakt op de glasscherven
+der ruit die ze stuk had geslagen. De zenging der vlammen, de bulking
+van den rook, bersten op langs 't tam-waaiend haar, de verstevenheid
+der armen.
+
+Gek van de warmte, de de oogen dor makende hitte, brulde de agent wat
+'m inviel:
+
+"Spring d'r uit, sodejuu! Spring godverdomme na benejen!"
+
+De meisjes-armen bewogen niet, het hoofd hing in aandachtige kijking,
+de handen rood van den weerschijn schenen te krimpen.
+
+
+
+Voor de poort stoven de menschen op zij. De eerste slangenwagen
+bedaverde de keien, de hoofden der paarden kwamen in den gloed
+van de poort. Het schuim aan de monden leek bloed, de snuivende
+adem stiet in bleek-rosse kegels, de oogen, glinsterend zoekend,
+kolden als okeren ballen. Nog waren de brandweermannen niet van de
+kar, of van alle kanten, stortten de roode, bevlamde gelaten toe,
+schreeuwden ze dat 'r menschen in waren, dat 'r 'n zieke lee, dat 'r 'n
+gil--'n gil--gòd, zoo'n gil was gehoord. De helmen bewogen, lichtten,
+flikkerden in 't getuimel, de kolking van rood. Door de poort was de
+plaats niet meer te bereiken. Vonken en brandende flarden regenden,
+zogen het hol in, verjoegen den schoenmaker, de vrouw, de kinderen,
+de agenten. De kerels en wijven verduwend, stootend en dreigend,
+zochten de blusschers de kraan van de standpijp, rolden de slangen
+af. De leiding was bevroren, de slangen bleven slap. En bij het tierend
+geraas van de menigte, die terug werd gedreven door nieuwe agenten,
+scheurde 't gillend gelui van aandreunende ladderwagens en pompen. De
+gangstraat, de hoofdstraat leefden op in 't gewapper der toortsen,
+in de broeiing van den drijvenden, vonken-stuwenden, fel-verlichten
+hemel. Op 't modderijs van de gracht, bij de verzakkende loods,
+hakten ze 'n bijt, houwend met ros-glimmende bijlen. 't Water schoor
+op uit de spleten, de ijssplinters sprongen als sintels, rood en
+ros-steeprig verglijdend--het ijspantser kreunde bij 't gemoker. Over
+de gracht, op de werven en sloppen drongen de kijkers te hoop en over
+het goud-vloeiend schotsen-pantser liepen ze aan, wijkend als vonken
+wild stoven, als 'n smeulend papier zwiepte in 't grimmen van den wind.
+
+Op de daken rondom, gebogen naar de pannen, voorzichtig schuiflend,
+bewogen de brandweermannen. Een, brutaal, stevig, zat te paard, de
+beenen om de glooiing, de straalpijp als een speer gericht, wachtend
+op water. Z'n schrap silhouet kleuterde in de vonken-lawine die van
+'m af stortte, groef een prop in het purper, de drijvende diepte van
+den hemel. Maar nog voor-ie 'n straal kon richten, hijgde gejuich in
+de straten, gejuich uit duizenden kelen. De machtig, zilver-klaatrende
+fontein van een stoompomp, doorzwartte den gloed aan de huizenrij,
+sloeg een verdoffing, een schaduw. Dan rustig, onbewogen, begon de
+pijpvoerder op de lijst van 't dak z'n dwaas-dunnig straaltje op den
+vuurmuil te richten.
+
+
+
+De schoenmaker, teruggeweken bij de loods, neergenorscht naast de vrouw
+op 't wit-houten werktafeltje, hield Aagje in de warming van z'n jas.
+
+Jan en Dirk, blij van kijking, hand in hand, bespet door 't sissend
+gesiep van een slang, leunden tegen den muur. Zachtjes pratend voor
+moeder, die Dirk al 'n mep had gegeven, omdat-ie te dìcht bij kwam,
+moeder die horterig zat te snikken om de ellende in die snijdende kou,
+stonden ze in zenuwachtige bewondering.
+
+"Jeezes-mierande," zei Jan: "nou slane de vlamme boven d'r
+uit--godvergeefme wat 'n kokker, wat 'n kanjer!"
+
+"Ze spuite"....
+
+"Da's jammer genog! 't Gong net zoo lekker".
+
+"Jô, wat 'n straal! Kijk die kerel is zitte op 't dak!"
+
+"'k Wou da'k bij 'm moch--je ziet haast geen flikker".
+
+"Jij zou nie op 't dak durreve."
+
+"Dat denk-ie maar. Je mag nie voor de smerisse!"
+
+"Zweet jij ook zoo?".
+
+"Da's lekker--'k Hei kramp in me poote van de kou."
+
+"Hè! Hè! 'k Wor bang! Hè, wat 'n vlamme!"
+
+"Nou mot je diè zien. Da's de baas van 't spul. Die vreet de andere
+op"...
+
+Toen zwegen ze in schrik.
+
+Want het vuur voortwoelend, had de voorzij der huisjes, náást de
+poort aangetast. Eerst lichtte het zwak in de kamer, alsof iemand
+met 'n lamp binnen kwam en wat zocht, dan bij een klagende juiling
+van den wind stiet een krommende, watelende vlam de benedenruiten
+stuk. Ineens gruizelden de glazen, belekte een krimpende vlam het
+kozijn. En er gebeurde iets, dat de jongens verstomde, dat ze huilrig
+benepen dee kijken. De menschen die gevlucht waren, hadden een lompen,
+grof-pootigen hond achtergelaten. 't Dier half gesmoord door den
+rook, stak z'n kop door de ruit, trachtte zich op te trekken. Een
+brandweerman, begaan met 't gejenk en gehuil, zette 'n ladder tegen
+'t kozijn, sloeg z'n hand aan 't nekvel, greep, week terug. 't Dier,
+gepijnigd door 't den vloer doorknagend vuur, beet naar den vreemde,
+glee terug. En toen 'n straal op 't vlammend gerinkel gericht werd,
+schrilde dezelfde rauwe, huiveringwekkende gil van stràks.
+
+
+
+In breede opzwaaiing spoot het water van drie, vier zijden in het
+teeder spel van den hemel. Violette, zacht getinte wolkjes dreven af,
+ombuild door grijs-bleeke dampen. Boven de poort stoeide 't gehos van
+gele, likkende tongen, karmijn van verstuiving en het hol, zwarte romp
+tegen het rosse geweerlicht, kreeg de dofroode schaduw van nagloeiend
+hout. Het water neerstortend, plaste de gracht in, kletterde langs
+het karkas van het huis, over-sissend het hijgen en kreunen der
+binten. En een plotsling-beukende slag van rogglende steenen, kaatste
+gedwerrel van smeulende spaanders en rakettende vonken de lucht
+in. De straat dreunde er van. Tot in de poort grommelden brokken,
+spatte het puin. Even fel-de de brand op, vurigde een versche gloed,
+braakte de ruïne vuurklodders en tollende kluiten, spoot het water
+als bloed--dan werd het een blazend gestoom, een proesten van damp,
+een benauwende donkerte.
+
+
+
+De menschen dropen langzaam naar huis--alleen bij de afgezette
+gedeelten van 't straatje, drongen ze te hoop, angstig pratend, kijkend
+naar de brancards en gasthuismanden. Tusschen de huiswanden gromde 't
+gestamp der stoompomp. Wirrelend spetten de vonkjes uit den dikken nek
+der machine. Het kreunde en reutelde over de gracht, over de daken. De
+flambouwen, verperst in den wind, belauwden de tegels en stoepen, de
+vensters, kozijnen, wiegelden staalglansjes in de waterplassen. En nu
+de laaiende golvende gloed niet langer het gewoel der jagende wolken
+bedekte, scheen in de verte 'n schim-wazend maansikkeltje.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XVI.
+
+
+In 't gasthuis kreeg-ie dienzelfden nacht tweemaal een
+bloedspuwing. En den volgenden dag, koortsig door z'n brandwonden,
+lag-ie in half-bewustlooze zinning, nauwlijks het gebeurde in nevel
+herzienend. Dovid die in dezelfde zaal lag, bijna geen letsel had
+opgeloopen, ging nog vóor donker heen. Hij wou met Eleazar praten,
+'m opbeuren, kreeg geen antwoord.
+
+Eerst in de stilte van den nacht, bij het slaapgerucht in de bedden
+naastan, kwam de volle ruwe ellende tot 'm. Na Rebecca's folterende
+woorden op 't portaaltje, na z'n doffe wanhoop in 't Park, was alles
+in één koorts geschied, had-ie moeite de schakels te hervinden,
+'t Sterkst was 'm het benauwend geworstel met tante Reggie 's
+slap-geknakt lichaam bijgebleven, 't lichaam dat-ie uit de alkoof
+door de brandende kamer had gesleept.
+
+In scherp-opkleurend herinneringsbeeld, zag-ie 'r vreemd zilverwit
+hoofd, 't hoofd zonder den bandeau, 't onherkenbaar beenig hoofd
+met de bleek-bewegende haren in den purpergloed der vlammen. In de
+alkoof was-ie gestruikeld, had-ie getrapt op een van 'r afhangende
+handen--getrapt--getràpt. 't Wreede gevoel van z'n hak, die de oude
+hand kneusde, gaf 'm 'n weeë duizeling. Die hand zag-ie, werd-ie niet
+kwijt, zag-ie zooals-ie 'r kende, met de dunne kootjes en bolblauwende
+aêren. Over die hand, die den deurpost was langs geglejen toen ze in
+verwijtende ontrusting de _mezoesos_ zocht, was-ie gestruikeld. Dat
+most 'r pijn hebben gedaan, in 'r bewusteloosheid. Meer wist-ie
+niet. Reggie kon-ie voor zich halen, Reggie met 'r zilverwit
+haar--èn de bloeddronken poort--èn 't parelmoeren gekwijn van de
+vischschubjes op 't dansend kozijn. Meer niet. Dan dacht-ie, dacht-ie
+met wijd-starende pupillen an Poddy--of die bijtijds was gered--of
+de kinderen... De trap was vrij geweest. Suikerpeer en Essie had-ie,
+ja, diè had-ie op de plaats gehoord. Mijntje's gillend gekrijsch
+had 'm wakker geslagen, toen-ie machteloos stond. Nee, 'r kònden
+geen ongelukken zijn gebeurd. Als-ie bij Poddy was ingeslapen,
+zooals-ie met hààr had afgesproken, zou 'r 'n ramp zijn gebeurd,
+'n ontzettende ramp. Rebecca en Joozep en de kinderen waren zeker bij
+buren opgenomen--en als straks de nachtzuster de ronde dee, zou-ie
+'r vragen of Poddy ook in 't gasthuis was gebracht. Te moe en te
+uitgeput om lang te murmureeren, zich overgevend aan de rust van de
+ziekenzaal, blij dat-ie lag in de warme beslotenheid van 't bed, dat 'm
+verkneuterde als 'n lieve koestering na de loodzware wanhoopsmoeheid,
+dacht-ie nog even verdrietig aan de dingen van z'n kamer, de paperasen
+en ouwe brochures, waarvan-ie zoo innig had gehouden, die nou wel
+weg zouden zijn, als de brand zóóver had gewoekerd. God-dank--as
+'t bed was verbrand, 't bed waarin-ie nooit meer had kunnen slapen,
+nou zìj 'r in had gelegen, zìj met 'r jammer-gedachten.
+
+
+
+De oogen sluitend voor 't getemperd licht der zaal dat 'm hinderde,
+zag-ie zonder verdriet, zonder wrevel, zonder afkeer 'r gelaat met
+de zware lijn der brauwen en 't soepel-tuimlend zwart haar. Hij was
+over z'n wanhoop heen. 'r Kon 'm niets, niets meer gebeuren. Hij lag
+in de stilte der zaal--enkel de rust proevend--bijna zinlijk genietend
+van de vrede der ademhalingen.
+
+Toen de zuster langs kwam, richtte hij zich zwak in z'n bed op,
+vroeg waar Poddy was.
+
+"Wie is Poddy?", zei ze verwonderd.
+
+"Me bovenbuurman", sprak hij: "me bovenbuurman, die ziek lei, toen de
+brand uitbrak. En hoe is 't met tante Reggie, die 'k 'r bewusteloos
+uit heb gehaald?"
+
+"U mag niet vrage en niet prate, heeft de dokter gezegd", zei de
+zuster, die 'm niet kòn vertellen van den afschuwelijken brand, waarvan
+de heele stad vol was, den brand die Amsterdam bij het ontbijt met
+kolommen verscheurende ellende had verrast: "u mag geen woord meer
+spreke. Uw borst moet rùst hebben, niewaar?"
+
+"Zeg u dan", zei hij vrindlijk-glimlachend om haar zorg: "of
+de kinderen 't 'r góéd hebben afgebracht--en of die stumper van
+'n Poddy..."
+
+"Ik zeg niets--ik zeg geen woord--als u weer héélemaal beter is,
+zullen we u àlles vertellen--nou niet.--En maak u maar niet bezorgd,
+want--want..."--haperde ze--: "want 'r is niet één reden toe".
+
+Ze duwde de deken om z'n schouders, liep voort langs de andere bedden.
+
+Onrustig keek-ie 'r na, angstig door 'r ontwijkende woorden, 'r
+zieketroost, waarvan-ie den zin begon te begrijpen. Misschien was tante
+Reggie--misschien Poddy--misschien één van de kinderen.... Ineens
+rauwde 'n angst door z'n hoofd. Wiè had Saartje en Moosje uit
+de beneden-alkoof gehaald? Daar had niemand meer bij gekend. Die
+waren--die konden... In vertwijfeling zat-ie op, hijgend voor zich
+uit starend. De zuster was heen. Uit 'n bed aan de overzij, klonk
+'t gekreun van iemand die wakker lag. Toen stond-ie op, duizelig,
+wankelend. Zich van bed naar bed vasthoudend, zocht-ie de ledikanten
+der mannenzaal af, om aan Dovid, dien-ie 's middags niet herkend had,
+te vragen, te vràgen. Bij de tafel van de verpleegsters kreeg-ie
+'n ingeving. De grond ontzonk z'n voeten, toen-ie de kleine ruimte
+doorstapte die 'm scheidde van 't volkskrantje, dat-ie had zien
+liggen. Inzakkend op 'n stoel, zòcht-ie. Midden op 't eerste blad met
+vette letters stond 'n klein bericht: DE STAKING DER DIAMANTBEWERKERS
+GEWONNEN!--Op 't tweede blad, óók met 'n vet hoofdje zag-ie de
+grijnzende letters:
+
+
+ Brand in de Jodenhouttuinen
+
+ _Twee menschen en vijf kinderen verbrand._
+
+
+Even lei-ie 't krantje neer, verdwaasd, wezenloos, niet begrijpend. Dan
+opstaand, rècht onder de lamp, zonder iets te gevoelen van uitputting
+of moeheid, làs-ie, zonder hapering, zonder aandoening, alsof 't
+'m niet aanging.
+
+Simpel, eentonig, dor feiten-relaas sprak 't krantje.
+
+
+ "Op het eerste bericht van den brand rukte de brandweer van de
+ Agnietenstraat en het Weesperplein uit. Bij aankomst vond zij
+ de twee étages reeds in lichte-laaie. Onmiddellijk volgden
+ de stoomspuiten van de De Ruyterkade, het Weesperplein en
+ die van de Prinsengracht. Hiervan hebben echter slechts twee
+ gewerkt. De brandweer onder leiding van den hoofd-brandmeester
+ van de hoofdwacht aan het Weesperplein, bestreed de vlammen met
+ alle kracht; met de slang in de hand naderden de brandwachts
+ het gebouw over de daken. Het waren angstige oogenblikken, die
+ eerste minuten na aankomst der brandweer, daar men zekerheid
+ had, dat er nog menschen in het brandende huis waren. Men
+ stelle zich bovendien de verwarring, het hulpgeroep, het
+ geweeklaag in de overbevolkte buurt voor, het geloop over
+ de straat van een aantal jonge en oudere menschen in hun
+ nachtgewaad en men heeft zoo eenigszins een beeld van het
+ nachtelijk tooneel van angst en verschrikking. De politie had
+ dan ook niet altijd een even gemakkelijke taak om de orde te
+ handhaven. Wij hebben een kijkje in de verbrande perceelen
+ genomen. Uit het achterraam van het perceel naast de poort, dat
+ ook zwaar heeft geleden, maar waarvan de trappen onbeschadigd
+ zijn gebleven, ziet men een uitgebrande doolhof van smalle
+ gangen, kamertjes en hokjes; overal verkoolde wanden; allerwege
+ zwart gebrande houtspaanders en men vraagt zich verwonderd af,
+ hoe er niet meer onheilen bij dezen brand zijn voorgevallen. De
+ brand is ontstaan gelijkvloers bij de weduwe Reggie Prins,
+ vermoedelijk door het springen van een petroleumlamp, die
+ de laatst-thuisgekomen bewoner Dovid Prins waarschijnlijk
+ verzuimd heeft uit te blazen. Zekere Eleazar, naar men zegt
+ een neef van de weduwe Reggie Prins, bemerkte gelijktijdig met
+ een politie-agent dat er brand was. Hij smaakte de voldoening
+ met levensgevaar zijn tante die reeds bewusteloos was uit
+ de vlammen te redden, niet zonder zelf brandwonden op te
+ loopen. Beiden worden thans in het Israëlitisch gasthuis
+ verpleegd en bevinden zich geheel buiten levensgevaar. Vooral
+ de tante die blind is, is naar omstandigheden redelijk wel. Ook
+ de zwager Dovid Prins, die alleen door rook bevangen was, werd
+ naar het gasthuis vervoerd, doch hij heeft dit waarschijnlijk
+ reeds weder verlaten. Het mocht evenwel niet gelukken een
+ jongetje en een meisje uit de alkoof beneden te redden. De
+ verkoolde lijkjes werden onder de puinhoopen gevonden. Bij
+ de poging tot redding kregen nog verscheiden personen lichte
+ kwetsuren. Op de eerste étage vond de brandweer het lijk van
+ een handelaar in cigaretten, Rus van afkomst. Zijn zoon wist
+ zich over de daken te redden. Op de tweede étage wachtte
+ een afschuwelijk schouwspel. Hangend in een raamkozijn
+ vond men het verkoold lijk van een jonge vrouw, dochter van
+ den sigaretten-handelaar. En in het bovenste trapportaal,
+ waarschijnlijk belemmerd in hun poging tot ontvluchten lagen
+ drie kinderen, allen gestikt door den rook. Een meisje van
+ ongeveer tien of twaalf jaar, hield haar broertje nog in
+ de armen. Wat den omvang van deze ramp nog verhoogt, al is
+ het verlies niet onherstelbaar, is de omstandigheid, dat
+ verscheiden gezinnen hun inboedel niet verzekerd hadden en
+ thans alles wat zij bezaten, verloren hebben. De namen der
+ omgekomenen zijn: _Saartje Prins_, een meisje van ongeveer
+ zeven jaar; _Moosje Prins_, een jongetje van nog geen twee
+ jaar; de zieke Russische cigaretten-handelaar _Podnowsky_, meer
+ in de buurt als _Poddy_ bekend; zijn dochter _Rebecca_ nog geen
+ achttien jaar oud en zijn andere drie kinderen _Serre_, _Sally_
+ en _Rozetje_. Er heerscht in de Jodenhouttuinen een algemeene
+ verslagenheid. In ons volgend nummer komen wij uitvoeriger op
+ dezen brand terug en zullen aan de woning-toestanden in deze
+ wijk, die naar de meening van iedereen, oorzaak van zooveel
+ slachtoffers zijn, een hoofdartikel wijden."
+
+
+Onbewogen stond Eleazar onder het suizend gewapper der gasvlam. Het
+papier in z'n hand had geen trilling. Nòg eens las-ie 't slot,
+nog eens als 'n vreemde bestaarden z'n troebele oogen de feller
+gedrukte namen. Dan, dood van gebaar, lei-ie 't krantje op de tafel,
+en de kleine ruimte die 'm van z'n bed scheidde met malle stappen
+doorduizlend, trok-ie de deken over z'n hoofd, zonder gesnik,
+zonder gekreun.
+
+
+
+Den volgenden morgen vonden ze 'm bewusteloos. Hij kwam niet meer
+bij. Juda, die 'm opzocht, om 'm te troosten, om 'm te vertellen van
+de begrafenis van Poddy en de kinderen, 'n begrafenis waarbij de heele
+jodenbuurt op de been was geweest--'n begrafenis waarbij de menschen op
+straat hadden staan huilen, zoo aandoenlijk als de optocht was van twéé
+groote en vìjf kleine kisten--Juda, die 'm óók had willen spreken over
+de éérste gelukkig-gewonnen staking, Juda werd niet bij 'm toegelaten.
+
+Maar Reggie, geleid door 'n pleegzuster, Reggie, die nog niets wist
+van Saartje en Moosje, mocht bij 'm, zonder te praten.
+
+Zittend bij 't bed, liet ze de dorre vingers van 'r niet gekwetste
+hand over z'n gelaat glijden.
+
+Schrikkend omdat ze geen adem bij z'n neus en z'n mond voelde, begon
+ze beverig te huilen.
+
+
+
+Uit het joodsch gasthuis werd-ie volgens den joodschen ritus op het
+joodsch kerkhof begraven.
+
+
+EINDE
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Ik herinner mij de antwoorden van Van der Goes in 1891 niet meer,
+weet dus niet of hij analoge bewijzen gaf.
+
+[2] _Prozastukken_, blz. 52.
+
+[3] "En voords zoû ik u vooral gaarne hooren verklaren, _waarom
+mijn intuïtie mij niet een even groot recht van spreken zou geven_
+als de mogelijk meerdere wetenschap en overweging van anderen hun
+geeft."--_Prozastukken_ blz. 51.
+
+[4] "Indien dus gevraagd wordt welke, na den voorbijgang der
+naturalistische, de overtuiging thands is, luidt het antwoord:
+geene". _Tot een Levensleer._ Verz. Opst. blz. 325.
+
+[5] Negen.
+
+[6] Nummer negen-en-zestig.
+
+[7] Nummer één.
+
+[8] Nummer dertien.
+
+[9] Nummer negentig.
+
+[10] Nummer elf.
+
+[11] Nummer twee en twintig.
+
+[12] Tachtig.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Diamantstad, by Herman Heijermans Jr.
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIAMANTSTAD ***
+
+***** This file should be named 24116-8.txt or 24116-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/4/1/1/24116/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.